-ocr page 1-

HOMINUM
ANIMAllUIAOTl ^^

5A LUT\\

•iTRECl-i\'

TIJDSCHRIFT

VOOR

DIERGENEESKUNDE

AFLEVERING 13 - DEEL 87 - 1|

-ocr page 2-

TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE

UITGAVE VAN DE MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Verschijnt de le en 15e van de maand
Redactie:
Prof. Dr. P. HOEKSTRA, Voorzitter

Prof. Dr. J. H. J. VAN GILS, Penningmeester
Leden: Dr. P. H. W. TACKEN

Dr. E. H. KAMPELMACHER
H. L. L. VAN WERVEN

Ambtelijk secretaris van de redactie: Dr. W. A. DE HA.AN
Redacteur-dierenarts: L. S. B. G. H. HARMSEN

Bureau: Rubenslaan 123, Utrecht, Tel. (030) 1 14 13

ABONNEMENTSPRIJS: ƒ 40,—, VOOR HET BUITENLAND: ƒ 45,— PER
JAAR BIJ VOORUITBETALING. GIRO 511606 TEN NAME VAN DE
MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

AANWIJZINGEN VOOR DE INZENDERS VAN KOPIJ.

a. Alle kopij dient getypt te worden.

b. Oorspronkelijke artikelen kunnen worden gepubliceerd in het
Nederlands, Engels, Frans of Duits, waarbij ze voorzien moeten
zijn van samenvattingen in de 4 genoemde talen, waaraan des-
gewenst Spaans kan worden toegevoegd.

De samenvattingen mogen elk niet langer dan 5% van hel
artikel zijn.

Indien dit voor de auteur te bezwaarlijk is kan de Redactie voor
de vertalingen zorgen.

c. Literatuurverwijzingen in de tekst dienen te bevatten de naam,
resp. de namen van de auteur(s) en, tussen haakjes, het jaar
van publikatie, bijv. Mulligan and D a v ie s (1945). Indien
meer dan één publikatie van een schrijver uit een bepaald jaar
wordt geciteerd, dit aanduiden door gebruikmaking van het
alfabet; bijv. Mulligan and Da vies (1945a, 1945b) enz.
Aan het einde van het artikel dienen de literatuurverwijzingen
verwerkt te worden tot een alfabetisch gerangschikte literatuur-
lijst die dient te bevatten:

1. de naam van de auteur, resp. auteurs;

2. de volledige titel van het artikel of boek waarnaar verwezen
wordt;

3. de duidelijk afgekorte naam van het tijdschrift, alsmede de
jaargang (onderstreept), de beginpagina van het artikel en
(tussen haakjes) het jaar van uitgifte.

Voorbeeld:

Anderson, J.: Some factors affecting the pH change in buil

semen; Journ. Agric. Sc., 37, 11, (1957).
Wtster,
J.: Orgaanziekten bij grote huisdieren, Utrecht.

RIJKSUNIVERSITEIT UTBECKT

0031 7549

-ocr page 3-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Heterosis. Achtergronden van een economisch
en wetenschappelijk interessant verschijnsel.

Heterosis. Backgrounds of a, from an economical and
scientific point of view interesting phenomenon.

door R. M, BARKEMAi)

Uit het Instituut voor Zoötechniek van de Faculteit der
Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht.

„. . . recognise in heterosis a potent source of practical
gains, to be investigated, understood and utilized as a
new tool in deriving from plant and animal life their
maximum contribution in the service of the man".

G. H. Shull, 1952.

Historische inleiding.

Wanneer de mens in zijn samenleving met planten en dieren paren gaat
samenstellen, de paring gaat regelen, teneinde een omschreven doel met
de uit die paringen te verkrijgen nakomelingen te benaderen, is sprake van
teelt, plantenteelt respectievelijk veeteelt. Als men, overwegende wie met
wie te paren, een verwantschap tussen de partners in zijn overwegingen
betrekt, staan twee wegen open:

1. Bij voorkeur sterk verwante individuen gaan paren, intelen, en

2. Bij voorkeur zo weinig mogelijk of niet verwante individuen paren,
kruisen.

\\Vanneer men een groep van dieren in ogenschouw neemt kan onder in-
teelt worden verstaan die teelt, waarbij de verwantschap tussen de partners
groter is dan gemiddeld in die groep bij paring volgens de wetten van het
toeval het geval zou zijn geweest en onder kruising die teelt, waarbij be-
doelde verwantschajj ten opzichte van paring volgens de wetten van het
toeval geringer is. Hierbij dient opgemerkt te worden, dat paring volgens
de wetten van het toeval, zoals in dc populatie-genetica als norm in ge-
bruik, onder hinsdieren hoogst zelden en als zodanig dus een abstractie is.
In het Engels staan in dit verband drie termen ter beschikking namelijk
inbreeding (inteelt), outbreeding (uitteelt?) en cross-breeding (kruising).
Rij
cross-breeding zoekt men dan de partner niet meer onder de individuen
van de eigen groep, maar daar buiten.

De resultaten van de sterkste vorm van inteelt bij planten, zelfbestuiving,
vergelijkende met kruisbestuiving, geeft Darwin in 1877 aanleiding tot
de volgende opmerking:

„The first and most important conclusion which may be drawn from the obser-
vations given in this volume, is that cross-fcrtilization is generally beneficial and
self-fertilization injurious".

In de Oudheid echter (naar Zirkle, 1952) scheen de mens van nauwe in-
teelt hoge verwachtingen te koesteren.

Zo trouwen de Farao\'s in het oude Egypte bij voorkeur met hun zusters,

1) Wetenschappelijk ambtenaar le klasse, Faculteit der Diergeneeskunde, Rijks-
universiteit Utrecht.

-ocr page 4-

teneinde hun goddelijk bloed niet te verdunnen. Van alle sterke vormen
van inteelt welke in de Bijbel worden genoemd (Adam en Eva, Abraham
en Sara, Lot en zijn dochters, etc.) wordt van schadelijke invloeden niets
vermeld. Bij de Grieken trouwt Zeus met zijn zuster Hera, terwijl zowel
hun vader en moeder als ook hun grootvader en grootmoeder ook al broer
en zuster waren. Wat dichter bij huis stamt Siegfried, de Germaan van
een broer en zuster, Siegmund en Sieglinde, af.

Alhoewel ons van bekendheid met inteelt-effecten uit die tijd geen ge-
gevens ter beschikking staan (zelfs Oedipus\' dochter Antigone, uit de
moeder van haar vader geboren, is een toonbeeld van vrouwelijk schoon)
gaat sterke inteelt bij de mens, eertijds veelvuldig voorkomend, toch tot
het verleden behoren en wordt wettelijk verboden.

Bij dieren echter wordt er, ook later, veelvuldig gebruik van gemaakt, bij-
voorbeeld door Bake we 11 in Engeland (18e eeuw). In het begin van
de 19e eeuw, toen nog steeds inteelt dankbaar werd gebruikt teneinde de
verschillende rassen te verbeteren, komt ook inteeltdegeneratie aan het
licht. De gang van zaken bij de fokkers uit die tijd is uitvoerig door Dar-
win (1868) beschreven en wordt door Zirkle (1952) als volgt samen-
gevat:

„They inbred to add up and concentrate desirable qualities and then crossbred
to prevent degeneration, then inbred gaain and crossed again,
alle the time selec-
ting their breeding stocks most carefully"
(curs. schr.).

In het midden der 18e eeuw begint in de plantenteelt het maken van krui-
singen, bijvoorbeeld tussen species binnen genera (Koelreuter, 1766),
zich baan te breken. Men merkt tevens op, dat kruisingsprodukten be-
paalde eigenschappen in een sterkere mate ontwikkelden dan men van de
ouders zonder kruising gewend was, onder andere Mendel (1865), die
het verschijnsel waarneemt wat de iegenschap stengellengte bij erwten
betreft. Duitse onderzoekers spreken van
luxurieren, Engelse noemen het
hybrid vigor. Men schijnt zich over dit merkwaardige verschijnsel in
het begin niet al te zeer te hebben verbaasd. Opmerkelijk is, dat Collins
(1910) reeds vermeldt, dat de Amerikaanse Indianen reeds lang met mais
de ervaring hadden, dat ze de opbrengst konden vergroten, door regel-
matig zaadmengsels uit te zaaien. Mais was in 1493 door Columbus
uit Amerika meegenomen en stond dus ter beschikking van Darwin.
Onder andere met mais
(Zea mays) wordt door hem het resultaat van zelf-
bestuiving en kruisbestuiving onderling vergeleken, hetgeen aanleiding geeft
tot de hierboven genoemde uitspraak.

Een vooraanstaand Amerikaans onderzoeker, die zich bezighoudt met de
verbetering van mais, W. J. B e a 1, bespreekt in 1878 Darwin\'s boek
en publiceert reeds in 1880 een techniek voor de verbouw van „hybrid
corn", waarmee hij in staat was de opbrengst met meer dan 50% te ver-
hogen. Sanborn (1890) geeft een belangrijke aanvulling: „The cross
must be made very year, using new seed, the product of the outcross of
pure seed".

Inmiddels dringt, na herontdekking ervan in 1900, Mendel\'s werk
(1865) door. Onderzoekers die zich nu met mais in Amerika bezig houden,
zijn onder andere: G. H. S h u 11, E. M. E a s t en D. F. J o n e s. Men be-
schouwde eerst nog inteelt-degeneratie en bastaardkracht als zijnde simpel
het gevolg van respectievelijk zelfbestuiving en kruisbestuiving. Pas in
1907 merkt Shull (1952) op:

-ocr page 5-

„It now appears that self-fertilization simply serves to purify the strains and that
my comparisons are not properly between cross- and self-fertilization but between
pure strains and their hybrids; and that a well regulated field of corn is a mass
of very complex hybrids".

Pas nu is „hybrid vigor\'\' dus v^\'erkelijk als zodanig, en niet als zijnde ge-
woon het gevolg van het feit dat schadelijke zelfbestuiving niet en gunstige
kruisbestuiving wel had plaatsgevonden, herkend en wordt de verklaring
ervan een genetisch probleem, waarbij bastaardkracht en inteeltdegeneratie
verschillende zijden van dezelfde medaille zijn. In 1912 stellen East en
Hayes het aldus:

„The decrease in vigor due to inbreeding naturally cross-fertilized species and the
increase in vigor due to crossing naturally self-fertilized species are manifestations
of one phenomenon. This phenomenon is heterozygosis. Crossing produces hetero-
zygosis in all characters by which the parent plants differ. Inbreeding tends to
produce homozygosis automatically".

In 1914, drie weken voor het begin van de eerste wereldoorlog, voert
Shull tijdens een lezing in Göttingen het woord heterosis in, ter vervan-
ging van termen als bijvoorbeeld: „The stimulus of heterozygosis". Om-
streeks deze tijd zijn ook de eerste experimenten met dieren, waarbij
bastaardkracht aan het licht komt, verricht. Dat de praktijk, evenals dat
met de Indianen en mais het geval was, niet achterkwam, blijkt wel uit
de volgende opmerking van East en Hayes (1912): „There are several
swine raisers in the Middle West who make a practice of selling only first
generation crosses on account of their size". Wat het onderzoek naar het
effect van inteelt en kruising bij dieren betreft, is waarschijnlijk N a t h u-
s i u s, met varkens, een van de eerste onderzoekers. Reeds in 1902 maakt
W e i s m a n n melding van zijn onderzoek. N a t h u s i u s teelde gedu-
rende drie generaties nakomelingen van een Yorkshire zeug sterk in.
W e i s m a n n deelt vervolgens mee:

„Das Resultat war ungünstig, da die Jungen von Konstitution schwach und
wenig fruchtbar waren.

Eines der letzten weiblichen Tiere produzierte z.B., nachdem es sich mit seinem
eigenen Onkel, der mit Sauen von anderen Rassen als produktiv bekannt war,
gekreutzt hatte, einen Wurf von sechts, und einen zweiten Wurf von fünf schwa-
chen jungen Schweinen. Als dann aber N a t h u s i u s dasselbe Schwein mit dem
Eber einer kleinen schwarzen Rasse, welcher Eber mit Schweinen seiner eigenen
Rasse sieben bis neun Junge erzeugte, gepaart hatte, ergab das Schwein von der
grossen Rasse mit dem kleinen schwarzen Eber im erster Wurf
ein und zwanzig
und im zweiter Wurf achtzehn junge Schweine".

Gerschler beschrijft in 1914 een kruising tussen de vissen Xiphophorus
en Platypoecilius, uit welke kruising „gigantic hybrids" geboren worden. Bij
kruising van cavia-species verkrijgen Castle en Wright in 1916
bastaarden, waarvan het gewicht dat van de ouders aanzienlijk overtreft.
In 1925 vermelden Roberts en Laible bastaardkracht bij varkens
en in 1927 onderzoekt D u n n het resultaat van inteelt en kruising bij kip-
pen. In 1929 komt Lus tot de conclusie dat
rund-yak-kruisingsprodukten
veelal groter en zwaarder worden dan hun ouders en in 1932 delen Zorn,
Krallinger en Eckhof mee, dat bij schapen, in het geval van
Merino-Hampshiredown-kruisingen, de bastaarden uitmunten wat ge-
boortegewicht en snelle groei betreft. Bij kruisingen uitgevoerd door
M a r s h a k in 1936 met muizen, komt duidelijk aan het licht, dat het van

-ocr page 6-

belang kan zijn of men het mannetje van de enc en liet vrouwtje van de
andere groep, dan wel het vrouwtje van de ene en het mannetje van de
andere groep neemt. Op dit \\erschil tussen reciproke bastaarden komen we
later terug.

Wat het effect van intelen betreft, trekken East en Hayes in 1912 uit
proeven van C r a m p e in 1883, R i t z e m a B o s in 1894, V o n G u a i t a
in 1898 en C a s 11 e c.s. in 1906 met onder anderen ratten, muizen, duiven
en bananenvliegjes, de conclusie dat:

„Fertility was decreased in some strains. Those strains needed the stimulus due
to a certain amount of heterozygosis for their proper development. Other strains
were perfectly fertile in spite of inbreeding. Sometimes combinations of hereditary
characters resulted in weak strains; other combinations of characters gave strong
strains. In no case was there absolute and universal degeneration due directly
to inbreeding".

Niet alleen inteeltdegeneratie kan, zoals hieruit blijkt aan- of afwezig zijn,
dit is ook met de bastaardkracht het geval. Heel goed blijkt dit onder
anderen uit het begrip
combining ability, combinatie-geschiktheid van in-
dividuen uit verschillende groepen wat het doen ontstaan van bastaard-
kracht betreft (Hayes en Johnson, 1939). Deze erfelijke eigenschap
van individuen tut een bepaalde groep wordt onderscheiden in
general
combining ability:
gemiddelde geschiktheid bij kruising met individuen uit
diverse andere groepen, en
specific combining ability, waarbij het resultaat
van een bepaalde kruising wordt vergeleken met de
genera! combining
ability
(S p r a g u e en T a t u m, 1942).

Dat fokkers dit verschijnsel reeds lang kenden, blijkt uit het gebruik van
het woord „nicking" ervoor.

Wat onder heterosis wordt verstaan.

•Mhoewel S h u 1 1, die het begrip heterosis in 1914 heeft ingevoerd, in 1948
opmerkt, dat hij „was, as far as I know, the first English language geneticist
to ado|)t and jjromote the use of the brilliantly conceived terminological
l^roposals of the Danish ])lant physiologist Doctor W. J o h a n n s e n,
which have contributed so much to the jnecision, clarity and stability of
modern genetical terminology" is het niet zonder meer duidelijk, wat on-
der heterosis moet worden verstaan. Shull zelf stelt het in 1914 aldus:

„To avoid the implication that all the ,genot>pic differences which stimulate cell
division, growth and other physiological activities of an organism are entirely
Mendelian in their inheritance and also to gain brevity of expression I suggest
that... the word heterosis be adopted", en declt in 1958 mee: „. , . heterosis,
which I proposed in 1914 to replace the more cumbersome word „heterozygosis".

Wanneer nu bijvoorbeeld East en Jones in 1919 heterosis en hybrid
vigor als synoniemen gebruiken, bestrijdt Whaley dit in 1944 met de
volgende woorden:

„. . . rather erroneously this term heterosis has become established as a synonym
for hybrid vigor. By the original definition heterosis refers to the developmental
stimulation, resulting by whatever mechanism, from the union of different
gametes. Hybrid vigor denotes the manifest effects of heterosis".

Shull (1948) bestrijdt Whaley en sluit zich aan bij E a s t en J o n e s
.\'\'1919). Hij blijkt nu onder heterosis te verstaan:

-ocr page 7-

„. . . the actual basic causes or the fundamental mechanism which bring about
(curs, schr.) the increased size, the excessive kinetic energy, the increased pro-
ductiveness, resistance to disease or to unfavorable conditions of the environment,
the stimulating effects of hybridity, the so-called hybrid vigor of English vsfriters
and Luxurieren of many German writers,
which may be observed (curs, schr.)
in this or that crossbred organism when compared with corresponding inbred or
relatively more pure-bred organisms".

Tegelijkertijd sluit Shull zich aan bij de definitie in Merrian Web-
ster\'s New International Dictionary (2e druk).

Daarin is heterosis: „The graeter vigor or capacity for growth frequently
displayed by crossbred animals or plants as compared with those resulting
from inbreeding" en hybrid vigor: „Vigor resulting from hybridity, specif,
heterosis".

Uit het voorgaande moge blijken dat het moeilijk is, het juiste woord op de
juiste plaats te gebruiken. Allereerst is er een woord nodig waarmee wordt
aangeduid het verschil tussen individuen uit een bastaardgroep en indivi-
duen uit een andere (zie later) groep, wat de gemiddelde grootte van een
kwantitatieve eigenschap betreft.

Dit verschil tussen gemiddelde grootte\'s van waarneembare, te meten
eigenschappen, zullen we noemen: heterosis-effect.

Vervolgens is het gemakkelijk een woord te hebben voor het vermogen in
het algemeen, waarover bastaarden soms kennelijk beschikken en waar-
door ze een superioriteit kunnen ontwikkelen ten opzichte van andere indi-
viduen. Dit vermogen zullen we noemen:
bastaardkracht (hybrid vigor).
Tenslotte zullen we willen aangeven welke veranderingen bij bastaarden
teweeg zijn gebracht, wat het anders zijn in vergelijking met niet door krui-
sing ontstane individuen inhoudt, waaruit het tot stand komen van
bastaardkracht, zich uitende in mogelijk meerdere heterosis-effecten, is te
verklaren.

Dit oorzakelijk moment (deze oorzakelijke momenten) zullen we noemen:
heterosis, voorlopig met Shull (1948): „free from every hypotheses".
Nu kan dus worden gezegd: Door heterosis kan bastaardkracht ont-
staan, welke kracht meetbaar is aan heterosis-effecten.
Wanneer we de hierboven genoemde begrippen gaan voegen in een schema
wat het tot stand komen van eigenschappen betreft, blijken de termen tel-
kens verschillen aan te geven tussen een bastaard en een vergelijkings-
object. Een en ander is samengevat in schema 1.

Tijdens zijn leven is het organisme in staat diverse eigenschappen het licht
te doen zien. Bijvoorbeeld de stofwisseling staat onder invloed van een
combinatie van genen, het
genoom, en allerlei factoren naast dit genoom,
het
milieu. De grootte van een bepaald kwantitatief kenmerk is met
Johannsen (1909)
fenotype genoemd. Men zal opmerken dat het
woord
genotype (Johannsen, 1909) niet in het schema voorkomt.
De reden hiervan is, dat type, in de zin als door Johannsen in het
woord fenotype gebruikt, moeilijk dezelfde betekenis kan hebben in het
woord genotype, waardoor het verwarrend zou kunnen werken.
Het lijkt gewenst erop geattendeerd te zijn, waardoor het milieu in de
loop van de ontwikkeling van het individu wordt gevormd.
Reciproke kruisingsprodukten namelijk verschillen hierin van elkaar. Af-
gezien van de kern van de zygote, verschilt het protoplasma ervan, bij de
foet is het uterine milieu verschillend en bij de zuigeling de verzorging door

-ocr page 8-

Schema 1.

Schema ter verduidelijking van de begrippen heterosis, bastaardkracht en

heterosis-effect.

KRUISING:
CROSS BREEDING:

yC/tSCHU wonoi 6eH0£MD:
Ûlff£R(NCC IS CAlKO

ZUIVERE TEELT ■.
PURE BREEDING:

6£MOOM

Milieu

StNOHt

tUVlHONMCHT

lE¥[HSPIiOC[SStH
METABOLISM

PHAiHorrFf
FlHQirPE

heterosis

heterosis

bastaard-kracht

hybrid vigor

heterosis.effekt

heterosis effect

Scheme 1.

Scheme, concerning clarity of the terms heterosis, hybrid vigor and

heterosis-effect.

de moeder (hoeveelheid en samenstelling van de inelk, worpgrootte), waar-
door het verschil tussen reciproke kruisingen /ou kunnen worden veroor-
zaakt.

Een andere terminologie als tot dusver genoemd treft men aan bij onder-
zoekers, die niet direct de plant of het dier bekijken uit een oogpunt van
nut voor de mens, maar uit een oogpunt van winst voor het individu zelf.
Dobzhansky (1952) spreekt bijvoorbeeld alleen dan van heterosis
(euheterosis, echte heterosis) als de bastaard zich beter in zijn omgeving
kan handhaven in vergelijking met zijn ouders. Gedeeltelijk is hiervan
ook sprake in de nuti)Iantenteelt en de zootechniek met bijvoorbeeld zaad-
opbrengst en eiproduktie. Wanneer het gaat om eigenschappen als grootte
van het individu, eigenschappen voor het individu niet uit een gezichts-
hoek van selectief voordeel van belang, spreekt Dobzhansky van
luxuriance (weelderigheid) en noemt dit pseudoheterosis.

Hoe heterosis wordt gemeten.

Zoals boven werd gesteld is heterosis meetbaar aan heterosis-effecten. Pas
dïin is van heterosis sprake, als een heterosis-effect is ontstaan. Teneinde
dit effect waar te kunnen nemen, en te kunnen meten, zal de groep
bastaarden dienen te worden vergeleken met een andere groep individuen.
Om verder een reële vergelijking te kunnen maken is het nodig dat de
groepen zoveel mogelijk onder dezelfde omstandigheden, tegelijkertijd, wor-
den gehouden. Vergelijking met de ouders zelf is zodoende niet wenselijk.
In schema 2 wordt nu een voorbeeld gegeven, waarin een goede vergelij-
king tussen groepen van nakomelingen uit twee groepen ouders ontstaan,
mogelijk is. Eén zo\'n groep ouderdieren kan zijn een soort, ras, stam of lijn.
Bij de ouders wordt, in beide groepen van ouderdieren, gebruik gemaakt
van drie verschillende foksystemen, zonder selectie: bij een gedeelte paring
volgens de wetten van het toeval, bij een ander gedeelte inteelt en bij een

-ocr page 9-

derde gedeelte kruising. Daar het hier ook reciproke kruising betreft wor-
den twee groepen van bastaarden verkregen, die onderling te vergelijken
zijn, en tevens niet nakomelingen door inteelt en met nakomelingen door
paring volgens de wetten van het toeval ontstaan.

Op het feit, dat in het laatste geval geen sprake is van teelt werd reeds eer-
der geattendeerd.

Schema 2.

Schema ter verduidelijking van begrippen bij het vergelijken van de
resultaten van verschillende foksystemen.

Populatie
PppuLation

PopuLatig 2
PppuLation ?.

fokgroepen .
breeding groups:

fok systeem:
breeding system:

nakomelingen.
progeny ;

pure breeding

pure breeding

a,

c,

C2

gem. grootte van
kwant, eigenschap
nakomelingen:

mean size quant,
character progeny:

B,
i_a,

c, t c

heterosis effekt :
heterosis.ef feet:

c,

C2

paternaal verschil
paternal difference

I

f

. C2-Ö1 resp. Ci -02

i

inteelt, depressie:
inbreeding depression.

populatie.
Cb.v.s tam.) verschil:

population
(e.g. strain) difference:
_ 3]_5]r«/). Ö2-B2

31-02

maternaal verschil
maternal difference

reciproken. verschil
_reciprocal difference

. C] C2-92

Scheme 2.

Scheme concerning terminology in comparing the results of various
breeding systems.

-ocr page 10-

In schema 2 is dan a^ de (hypothetische) gemiddelde grootte van een be-
paald kwantitadef kenmerk van een groep nakomelingen a^, welke door
paring volgens de wetten van het toeval tussen dieren A^, aselect uit popu-
latie I daartoe bestemd, zijn geboren, etc.

Aan de hand van schema 2 is het mogelijk overzichtelijk weer te geven hoe
in de literatuur heterosis wordt benaderd.

De door ons gekozen terminologie is reeds in schema 2 vermeld.
Malinowsky (1952) maakt een onderscheid, welke, ook zoötechnisch
gezien, van betekenis is.

Zoötechnisch gezien is kruising interessant als de bastaarden, wat een
kwandtadeve eigenschap betreft, waarop prijs wordt gesteld, beter zijn
dan men van de beste ouder gewend was.

Reciproke kruising buiten beschouwing latende, wordt dan gekeken naar
het verschil tussen c? en a^ (dat q en c, niet worden onderscheiden, is
aangeduid met het ?-teken).

Wanneer c, groter is dan a^ spreekt Malinowsky van „true heterosis".
Wanneer de bastaarden met het gemiddelde van datgene wat men bij beide
ouders gewend
is worden vergeleken, spreekt Malinowsky van
„hypothetical heterosis", in schema 2: als c, groter is dan

ai 32

2

Zoals reeds uit de definitie van S h u 11 (1948), die boven vermeld is blijkt,
wordt het effect van kruising ook wel vergeleken met het effect van inteelt
(bijvoorbeeld B r i e g e r, 1950), in schema 2: c, —
b,
In onze terminologie heeft men in zo\'n geval te maken met een combinatie
van inteelt-depressie en heterosis-effect. Dat het verschil kan uitmaken of
men bij kruising de mannelijke dieren dan wel de vrouwelijk dieren uit
een andere groep neemt, toonde reeds Mars hak (1936) aan. In het
geval dat men alleen gebruik maakt van andere mannelijke dieren kan van
een
patemaal verschil sprake zijn, in het geval van vreemde vrouwelijke
dieren van
matemaal verschil. Een en ander moge met behulp van schema
2 duidelijk zijn. Wat de verklaring van het
reciproken-verschil (schema 2)
betreft kan worden verwezen naar de bovengenoemde rol van het milieu.
Van
heterosis-effect is nu bijvoorbeeld sprake als het gemiddelde van de
nakomelingen uit de reciproke kruisingen, het gemiddelde bij nakome-
lingen door aselecte paring uit de
„beste" ondergroep ontstaan, wat een
bepaalde kwantitatieve eigenschap aangaat, overtreft:

Cl C2

2

Het lijkt ons in dit verband niet in die mate belangrijk welke termen men
kiest als dat van belang is,
dat een en ander wordt onderscheiden en duide-
lijk gedefinieërd, teneinde het inzicht in deze materie te vergroten.

Hoe heterosis wordt verklaard.

Omtrent de oplossing van de vraag, hoe bastaardkracht, zich uitende in
allerlei heterosis-effecten, kan ontstaan en wat daarvan de oorzaak is (in
onze terminologie: wat heterosis eigenlijk is) bestaan meerdere theorieën,
waarvan het bestaansrecht, ook experimenteel, is bewezen. Dat de theo-
rieën elkaar niet uitsluiten, doch veeleer hetzij elkaar aanvullen, hetzij in

-ocr page 11-

bepaalde gevallen de oplossing van het probleem inhouden terwijl in an-
dere gevallen een andere theorie het mechanisme beter kan verklaren,
daarover bgint in de literatuur eenstemmigheid te ontstaan (W ha ley,
1944; Ren del, 1953); Grafius, 1959; Hay man, 1960; Bowman,
1961; B a r k e m a, 1961). Wat het elkaar aanvullen van de theorieën be-
treft kan worden gewezen op theorieën omtrent de genetische oorsprong
en theorieën omtrent het fysiologisch mechanisme, als ontwikkeld door
Asby (1930), East (1936), Whaley (1952), Robbins (1952) en
Barkema (1961). Wat de genetische oorsprong betreft is soms de do-
minantie-, soms de overdominantie-hypothese (zie later) het meest voor de
hand liggend.

1. THEORIEËN OMTRENT DE GENETISCHE OORSPRONG.

Wanneer men het resultaat van inteelt en kruising wat de genen betreft
vergelijkt, kan worden opgemerkt dat inteelt leidt tot minder en kruising
leidt tot meer heterozygotie (ongelijke allelen op beide overeenkomstige
plaatsen op homologe chromosomen).

15ij een bepaalde groep (ingeteelde) individuen is nu bijvoorbeeld een be-
paald locus( die overeenkomstige plaatsen) homozygoot (gelijke genen)
voor een recessief gen, terwijl bij een andere groep dieren dit locus twee
(dezelfde) dominante genen bevat. Wat een ander locus betreft kan de
situatie bij de beide groepen individuen net andersom zijn.
Inteeltdepressie kan dan worden toegeschreven aan schadelijke werking
van recessieve genen of ook aan het ontbreken van de gunstige werking
van dominante genen. Bij kruising worden dan beide schadelijke werkingen
in de bastaard onderdrukt: A Abb x aaBB AaBb. Het is opmerkehjk
dat reeds in 1891, dus 9 jaar vóór de herontdekking van de wetten van
Mendel (1865) in 1900, J o h n s e n als volgt kan formuleren:

„That crossing commonly gives better offspring than in- and inbreeding is due
to the fact that in the latter both parents are likely to possess by inheritance the
same imperfections which arc thus intensified in the progency, while in cross-
breeding the parents more usually have different imperfections, which often, more
or less, compensate each other in the immediate descendants".

Ter verklaring van inteeltdegeneratie brengt Davenport in 1908 reeds
naar voren dat dominante eigenschappen veelal voor het organisme gim-
stigcr zijn dan recessieve eigenschappen.

De, in vergelijking met de beide ouders grote, lengte, die een bastaard bij
erwten bereikte, kunnen Kceble en Pellew in 1910 toeschrijven aan
het tegelijk aanwezig zijn van twee verschillende dominante genen T en L.
I3e ene houder bleek te kunnen worden voorgesteld door TTll, de andere
door ttLL, hetgeen, bij kruising een bastaard oplevert met de formule:
Ttl.l Zij concluderen:

„The suggestion may be hazarded that the greater height and vigor which the
FI generation of hybrids commonly exhibit may be due to the meeting in the
zygote of dominant growth factors of more than one allelomorphic pair, one (or
more) provided by the gametes of one parent, the other (or others) by the gametes
of the other parent".

Bruce leidt, eveneens in 1910, af, dat na kruising van twee groepen indi-
viduen, het relatieve aantal individuen met een dominant fenotype is toe-
genomen. Hij vervolgt:

-ocr page 12-

„If now, it be assumed that dominance is positively correlated with vigor, we have
the final result that the crossing of two pure breeds produces a mean vigor
greater than the collective mean vigor of the parent breeds", en even later: „I am
aware that there is no experimental evidence to justify the assumption that
dominance is correlated with a blending character like vigor; but the hypothesis
is not an extravagant one, and may pass until a better takes the field".

Door East en Hayes (1912) wordt het probleem geheel anders be-
naderd. Zij schrijven, met S h u 11 (1908) en East (1908) bastaard-
kracht toe aan de heterozygotie zelf. Geschreven wordt:

„. . . the statement can be made unreservedly that the heterozygous condition
carries with it the function of increasing this stimulus of development.
It may be mechanical, chemical or electrical. One can say that greater develop-
mental energy is evolved when the mate to an allelomorphic pair is lacking than
when both are present in the zygote. In other words, developmental stimulus is
less when like genes are received from both parents. But it is clearly recognised that
this is a statement and not an explanation. The explanation is awaited", (zie
later: Emerson, 1952).

Omtrent de theorie van Keebleen Pellew (1910) merken zij op:
„We do not believe this theory is correct". „Varietal size differences generally
show no dominance, however, and are caused by several factors. Transmissable
size differences are undoubtedly caused by certain genetic combinations (East,
1911), but this thas nothing to do with the increase in vigor which we are dis-
cussing. The latter is too universal a phenomenon among crosses to have any such
explanation. Furthermore, such interpretation would not fitly explain that all
maize varieties lose vigor when inbred".

Emerson en East breiden in 1913 de kritiek met een derde aanval
uit. Keeble en Pellew (1910) verkregen namelijk bij erwten een Fy
met de constante getalsverhouding bij een dihybride kruising, waarbij de
eigenschappen onafhankelijk van elkaar overerven, van 9:3:3:1.
Men zou dan, bij heterosis-effecten in de Fj, een scheve verdeling van de
kwantitatieve eigenschap moeten zien bij de F^ doch Emerson en
East (1913) vonden bij mais, evenals Hayes (1912) bij tabak, een nor-
male, symmetrische verdeling bij de F^.

Door het inmiddels bekend geworden verschijnsel koppeling van genen
(Morgan c.s.) in zijn beschouwingen te betrekken kan Jones in 1917
aantonen, dat in cen theoretisch voorbeeld van dominante genen, welke be-
trekking hebben op één bepaalde eigenschap, terwijl de ouders niet de-
zelfde dominante genen bezitten, van een scheve verdeling in de F2 geen
sprake behoeft te zijn.

Tevens maakt hij ten aanzien vaan East en Hayes (1912) de op-
merking dat ter verklaring van heterosis-effecten het voldoende is aan te
nemen, dat: „. . . many factors in the 1 n condition have more than one-
half the effect that they have in the 2 n condition".

Jones noemt zijn theorie de „dominance of linked factors" hypothese,
waarbij dus, zoals wij net zagen, dominantie ook partieel kan zijn en niet
absoluut, zoals in de dominantie-hypotbese van Keeble en Pellew
(1910) het geval is.

Collins maakt in 1921 duidelijk, dat bij een groot aantal genen, zelfs
afgezien van koppeling, de scheve verdeling bij de F2 verdwijnt.
In 1936 werkt East de theorie, dat niet dominantie maar heterozygotie
op-zich-zelf de verklaring van de bastaardkracht inhoudt, verder uit. Hij
distancieert zich nadrukkelijk van de verklaring van heterosis-effecten

-ocr page 13-

door onderdrukking in de bastaard van schadelijke werkingen van reces-
sieve genen, waarvoor inteeltlijnen homozygoot zouden worden. Immers,
na langere inteelt (8 jaar zelfbestuiving bij mais) neemt men geen vermin-
dering door inteelt meer waar:

„. . . there is a similar unmasking and elimination of deleterious recessives which
gradually diminishes and disappears; and there is segregation into differently
biotypes. But this purified biotypes exhibit as great or greater manifestations of
heterosis when combined after they no longer segregate defective recessives as they
did earlier".

Gebruikmakend van R a s m u s s o n\'s interactie-hypothese, gelanceerd in 1933:
„the effect of each factor on the genotype is dependant upon all the other factors
present, the visible effect of a certain factor being smaller the greater number
of factors acting in the same direction", stelt East (1936) het nu aldus:
„The cumulative action of the nondefective allelomorphs of a given gene ap-
proaches the strictly additive as they diverge from each other in function".

Hij legt dus, in plaats van op inter-allele interacties de nadruk op intra-
allele interacties en dan niet in de zin van dominantie, maar van cumu-
latieve werking, een positieve bijdrage dus van beide allelen, waarbij de
allelen een verschillende werking kunnen ontplooien. East (1936) ver-
volgt: „It is impossible at the present time, to give rigourous proof of this
theory". Later krijgt E a s t\'s theorie de naam overdoniinantie-hypothese,
welke naam is ingevoerd door Hull in 1946, hoewel Fisher c.s. in dit
verband in 1932 reeds spraken van superdominance. Het woord over-
dominantie is mogelijk sterk gepropageerd door Crow (1952).
De gedachte welke achter de naam overdominantie schuilt, is, dat in som-
mige gevallen een kwantitatieve eigenschap bij de bastaard groter is dan
de som van datgene wat men bij de beide ouders gewend was, voor de ver-
klaring waarvan meer-dan-dominantie-alleen nodig zou zijn (Huil,

1945).

Jones, die in 1917 zijn theorie omtrent „dominance of linked factors"
lanceerde, deelt in 1945 zijn resultaten mee wat betreft terug-kruisen van
lijnen, welke slechts wat één bepaald locus betreft van de lijn van uit-
gang zouden verschillen, met de lijn van uitgang en verkrijgt heterosis-
effecten variërende van 3-100% „beter als dc beste ouder", wat de zaad-
opbrengst betreft. Het betreft lijnen met ieder een „recessive degenerative
change". Jones, die nu niet anders kan doen dan zich aansluiten bij
East (1936), vergelijkt heterosis met synergosis („Metallic alloys are
familiar examples of substances which in combination have properties that
surpass in some respects either substance alone") en concludeert:

„Heterosis is interpreted as an accumulative effect of favorable heridity from
both parents. This results even when only single allelic differences are involved
provided genes have multiple effccts".

2. ONDERZOEK NAAR HET FYSIOLOGISCH MECHANISME.

Als East en Jones in 1920 de zaden van mais gaan wegen blijkt dat
de bastaardzaden van de reciproke kruisingen zwaarder zijn dan de zaden
van de stammen van uitgang, hetgeen speciaal moest worden toegeschre-
ven aan het endosperm. Ashby (1930, 1932) let speciaal op het em-
bryo zelf en vindt een groter embryo-gewicht.

Ashby concludeert: „hybrid vigor. . . is nothing more than the mainte-
nance óf an initiatal advantage in embryo size", daar hij vindt dat de

-ocr page 14-

logaritmische groeicurve van de bastaard evenwijdig loopt aan die van de
„beste ouder", doch hoger ligt. De hoogste groeisnelheid zelf zou waar-
schijnlijk dominant overerven.

Richey vindt in 1935 dat de zwaardere bastaardzaden wel aanleiding
geven tot een grotere groeisnelheid, doch alleen gedurende de eerste twee
weken.

In 1936 zegt East omtrent heterosis:

„lts effect is comparable to the effect on a plant of the addition of a balanced
fertilizer to the soil, or to feeding a more adequate and more chemically complete
diet to the animal".

Robbins (1940, 1941 a) voegt extracten van maïskorrels toe aan een
voedingsbodem waarop hij de schimmel
Phycomyces Blakesleeanus kweekt.
Hem blijkt, dat de extracten van „hybrid corn" de groei van de schimmel
meer stimuleren dan extracten van de zaden van de onderstammen.
Rij het laten groeien van de wortels van de tomaat op kunstmatige voedings-
bodems met thiamine neemt Robbins (1941 b) waar dat de ene inteelt-
stam meer pyridoxine en de ander meer nicotinamide nodig had.
Op alle door hem gebruikte media groeiden de wortels van de bastaard
het best. Hij concludeert in 1952:

„These results suggest that the greater vigor or growth of the heterotic hybrid is
determined in part by its greater ability to synthesize pyridoxine and nicotinamide.
That is evidently not the whole story, because its growth exceeded that of the
inbred parents in media containing all three vitamins".

In 1942 neemt Dodge waar, dat wanneer hij twee stammen van de schim-
mel
Neurospora tetrasperma op één voedingsbodem ent, hij een veel sterkere
groei krijgt dan wanneer ieder afzonderlijk op een voedingsbodem wordt
gebracht. Bij elkaar groeiende blijken er (haploïde) kernen van de ene
stam in de andere te kunnen overgaan en omgekeerd, zodat cellen van het
mycelium twee verschillen soorten kernen gaan bevatten, hetgeen aan-
leiding is voor een sterkere groei. Inplaats van heterosis spreekt men in dit
verband, daar de cellen heterocaryotisch zijn, van heterocaryosis. Beadle
en Coonradt tonen in 1944 aan dat deze heterocaryosis in sommige
gevallen is te verklaren, doordat de ene soort kern de ene nutriënt niet
kan vormen en een andere kern een andere nutriënt niet. Samengebracht
in een heterocaryotische cel vullen die kernen elkaar dan aan, waardoor
sterke groei mogelijk wordt. Het wel kimnen vormen van een nutriënt ge-
droeg zich dominant ten opzichte van het niet kunnen vormen.
De genetische oorsprong is dus als bij K e e b 1 e en P e 11 e w in 1910. Dat
heterozygotie van een bepaald locus voor het ontstaan van bastaardkracht
van belang kan zijn (overdoniinante-hypothese) wordt door Emerson
in 1952 ook met behidp van heterocaryosis zeer aannemelijk gemaakt. Aan-
getoond wordt dat aanwezigheid van twee gelijke genen (met dezelfde
functie dus) aanleiding kan zijn tot een hoeveelheid van een bepaalde
metaboliet, welke hoeveelheid schadelijk is. Hij concludeert:

„In a particular genctic background, the amount of an essential metabolite nor-
maly produced has deleterious consequences which are removed by reducing the
dosage of a gene responsible for the production of that metabolite.
This reduction was brought about through heterocaryosis in the studies reported,
but it should also result from heterozygosis under similar physiological conditions".

Het moge, met Whaley (1952) duidelijk zijn dat „it is neither possible
888

-ocr page 15-

nor desirable to seperate wholly tbe consideration of tbe pbysiological
mechanisms of heterosis from the genetic basis. Our main concern will
ultimately be with the genes involved and the nature of their action".

3. EEN ANDERE BENADERINGSWIJZE VAN HET PROBLEEM.

Wanneer men de theorieën omtrent de genetische oorsprong van heterosis-
effecten moet samenvatten, is dit mogelijk het beste te doen (met Po-
wers, 1952) met de opmerking, dat het telkens gaat, bij de bastaard ten
opzichte van zijn ouders, om een nieuwe combinatie van genen, recombi-
natie binnen het genoom dus. Deze recombinatie kan dan slaan op genen
van verschillende loei (AAbb x aaBB AaBa) of op genen van het-
zelfde locus, allelen dus (AA x aa ^ Aa). Hierbij moet in het oog wor-
den gehouden dat het zeer moeilijk is twee sterk gekoppelde genen als zo-
danig te onderkennen. Ten opzichte van de ouders is nu de combinatie
van A met B in het eerste geval en van A met a in het tweede geval, nieuw,
hetgeen aanleiding kan zijn voor gunstige inter- respectievelijk intra-allele
interacties.

Hagberg (1952), Williams (1959) en Bowman (1961) vestigen
inplaats van op het genoom meer de aandacht op het fenotype, waarbinnen
ze componenten onderscheiden. De kwantitatieve eigenschap opbrengst in
kg bij de tomaat ontstaat bijvoorbeeld (naar Williams, 1959) door
twee onderscheiden componenten, namelijk het aantal tomaten per plant
en het gewicht per tomaat. Het produkt van aantal en gewicht is dan
de opbrengst. Wanneer men nu een plant, welke veel tomaten levert (X)
kruist met een plant, welke grote tomaten levert (Y) kan de bastaard
volledig intermediair zijn wat de component aantal tomaten betreft en ook
volledig intermediair zijn wat de component gewicht per tomaat betreft,
terwijl toch van een heterosis-effect wat betreft opbrengst sprake is, zoals
uit schema 3 blijkt.

Schema 3.

Heterosis-effect door recombinatie van componenten binnen het fenotype
(naar Williams, 1959).

Aantal tomaten Gewicht per tomaat Opbrengst
Fruit number Fruit weight Yield

Ouderplant X ^ j 2

Parent X

Fi (heterosis!) 2 2 4

Ouderplant Y ^ 2

Parent Y

Scheme 3.

Heterosis-effect by recombination of components within the fenotype
(after Williams, 1959).

Het betreft hier dus recombinatie van componenten binnen een samen-
gesteld fenotype. Men kan zich (met Bowman, 1961) eenzelfde gang
van zaken denken wat betreft eiproduktie in kg bij kippen (aantal eieren
en eigewicht), botervetproduktie in kg bij koeien (liters melk en vet-
gehalte) en worpgewicht bij varkens (aantal per worp en gewicht per big).

-ocr page 16-

Het zal duidelijk zijn, dat aan deze recomlDinatie binnen een samengesteld
fenotype een recombinatie binnen het genoom ten grondslag ligt.

CONCLUSIES EN SAMENVATTING.

Binnen het begrip heterosis worden oorzaak, mechanisme en gevolg onderscheiden.
De oorzaak, heterosis, blijkt te zijn, dat bastaarden in vergelijking met hun ouders
een ander genen-assortiment bezitten: een plotselinge verandering in het genoom,
gedacht als recombinatie van genen.

Door inter- en intra-allele interacties blijkt het mechanisme dat een effect oproept
een efficiëntere stofwisseling te kunnen zijn, bastaardkracht, welke te verklaren is uit
de veranderingen in het genoom.

Het gevolg is dat bastaarden cen kwantitatieve eigenschap kunnen ontwikkelen welke
groter is, dan men bij de beste ouder gewend was.

Het verschil tussen, wat de gemiddelde groote van cen kwantitatieve eigenschap be-
treft, het gemiddelde van reciproke kruisingsprodukten en het hoogste gemiddelde
bij nakomelingen door paring volgens de wetten van het toeval ontstaan, wordt
heterosis-effect genoemd.

.^an de hand van de geschiedenis en door middel van keuze uit de omvangrijke
hoeveelheid literatuur is getracht belangstellenden omtrent dit effect iets nader te
informeren.

CONCLUSIONS AND SUMMARY.

As far as the term heterosis is concerned, cause, mechanism and result are disting-
uised. The cause, heterosis, proves to be hybrids having, in comparison with their
parents, another assortment of genes: a sudden change in the genome, brought about
through recombination. By means of inter- and intra-allelic interactions the mecha-
nism, calling up an effect proves to be a more efficient metabolism, hybrid vigor,
being explained by the changes in the genome. The result is, that hybrids can
develop a quantitative character being larger as it used to be with the parents. The
difference between, as far as the mean size of a quantitative character is concerned,
the mean of both reciprocal crossbreds and the highest mean of the two pure-bred
groups is called heterosis-effect.

It is tried to inform people interested in this effect, following history and by making
a selection out of much literature.

RP.SUMÉ.

Dans la notion d\'heterose on distingue: la cause, le niéchanisme et la conséquence.
La cause, l\'hétérose, paraît être que les bâtards possèdent en comparaison avec leurs
parents un assortiment de gènes différent, un changement abrupt dans le génome,
vu comme ré-combinaison de gènes.

Par des interactions inter- et intra-allèles le méchanisme qui provoque un effet semble
[pouvoir être un métabolisme plus efficient, la force bâtarde, qui s\'explique des
changements dans le génome.

La conséquence en est que les bâtards peuvent développer une qualité quantitative
qui est plus grande que celle qu\'on voyait d\'habitude dans le meilleur exemplaire des
deux parents.

On nomme effet d\'hétérose la différence entre, — en ce qui concerne la grandeur
moyenne d\'une qualité quantitative —, la moyenne des produits de croisements réci-
proques et la moyenne la plus élevée des descendants nés après l\'accouplement selon
les lois du hasard entre le groupe.

A l\'aide de l\'histoire et d\'une sélection de la vaste littérature, l\'auteur a tenté de pro-
curer à ceux qui s\'intéressent à cette matière, des renseignements plus détaillés sur
cet effet.

-ocr page 17-

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Begriff Heterosis wird in Ursache, Mechanismus und Folge eingeteilt. Die Ur-
sache, Heterosis, scheint zu sein, dass Bastarde beim Vergleich mit ihren Eltern ein
anderes Genenassortiment besitzen: eine plötzliche Veränderung im Genom, gedacht
als Rekombination von Genen.

Durch inter- und intra-allele Interaktionen kann der Mechanismus, der einen Effekt
erzeugt, erhöhter Stoffwechsel sein, der aus den Veränderungen im Genom zu er-
klären ist.

Infolge dessen können Bastarde eine quantitative Eigenschaft entwickeln, die grösser
ist, als man bei den Eltern gewöhnt war.

Der Unterschied zwischen — betreffs der durchschnitdichen Grösse einer quantitati-
ven Eigenschaft — dem Durchschnitt der reziproken Kreuzungsprodukte und dem
höchsten Durchschnitt bei Nachkommen durch Paarung nach den Gesetzen des
Zufalls innerhalb einer Gruppe entstanden, wird Heterosis-Effekt genannt.
.\\n Hand der Geschichte und mitels einer umfangreichen Literatur wurde versucht,
Interessenten über diesen Effekt näher zu informieren.

LITERATUUR

s b y, E.: Studies on the nheritance of physiological characters I. Annuls of Bot.,
44, 457, (1930) naar E a s t, (1936).

s b y, E,: Studies on the inheritance of physiological characters II. Annals of
Bo(., 46 ,1007, (1932) naar E a s t, (1936).
B a r k e m a, R. M.: Bijdrage tot de Zoötechniek met
Mus musculus domesticus als

proefdier. Diss. Utrecht, 1961,
Beadle, G. W. and G o o n r a d t, V. L.: Hetcrocaryosis in
Neurospora crassa.

Genetics, 29, 291, (1944).
B e a 1, W. J.: The improvements of grains, fruits and vegetables. Rep. Michigan

State Board Agric., 17, 445, (1878) naar Zirkle, (1952).
B e al, W. J.: Indian corn.
Rep. Michigan Stale Board Agric., 19, 279, (1880), naar
Zirkle, (1952).

Bowman, J. G.: Tierzucht und Heterosis. Z. f. Tierzüchtung u. Z. bioL, 75, 193,
(1961).

B r i e g e r, F.: The genetic basis of heterosis in maize. Genetics, 35, 420, (1950),

naar Riege r c.s., (1958).
Bruce, B.: The Mendelian theory of hereditary and the augmentation of vigor.

Science, XXXII, 627, (1910).
G a s 11 e, W. E. c.s.; The effects of inbreeding, crossbreeding and selection upon the
fertility and variatility of Drosophila.
Proc. Am. Acad, of Arts and Sei., 41, 731,
(1906).

G a s 11 c, W. E. and Wright, S.: Studies of inheritance in guinea pigs and rats.

Corn, Inst. Publ. No. 241, naar W h a 1 e y, (1944).
G o 11 i n s, G. N.: The value of first generation hybrids in corn.
U.S. Dept. Agr.,

Bur. PI. Ind., Bull. 191, 1, (1910).
G o 1 1 i n s, G. N.: Dominance and the vigor of first generation hybrids. Am. Nature,
55, 116, (1921).

Grampe, H.: Zucht-Versuche mit zahmen Wanderratten. Landwirtsch. Jahr-
bücher,
12, 389, (1883).
Grow, J. F.; Dominance and overdominance in G o w e n, pag. 282, (1952).
Darwin, G.: The variation of animals and plants under domestication. Murray,
Londen, 1868.

Darwin, G.: The effects of cross and self fertilization in the vegetable kingdom,

1877. Appleton and Gy., New York.
Davenport, G. B.; Degeneration, albinism and inbreeding.
Science, 28, 434,
(1908).

Dobzhansky, Th.: Nature and Origin of Heterosis. In G o w e n, pag. 218,
(1952).

-ocr page 18-

Dodge, B. O.: Heterocaryotic vigor in Neurospora. Bull. Torrey Bot. Club, 69,
75, (1942).

Dunn, L. C.: The effect of inbreeding and crossbreeding in fowls. Ver. Int. Kong.
Ver. Berlin, 607, (1927).
Supp. I d. Zeitschrift Ind Abstr. Ver. 1928; naar
Whaley, (1944).

East, E. M.: Inbreeding in corn. Rep. Connecticut Agric. Exp. Stat., 1907, 419,
(1908).

East, E. M.: Heterosis. Genetics, 21, 375, (1936).

E a s t, E. M. and H a y e s, H. K.: Heterozygosis in evolution and in plant breeding.

U.S. Dep. Agric., Bur. PI. Ind., Bull. 243, (1912).
East, E. M. and Jones, D. F.; Inbreeding and outbreeding, their genetic and

sociological significance. Lippincott, Philadelphia, London, 1919.
E a s t, E. M. and Jones, D. F.: Genetic studies on the protein content of maize.

Genetics, 5, 543, (1920).
Emerson, S.: Biochemical models of heterosis in Neurospora, in Gowen pag
199, (1952).

Emerson, R. A. and East, E. M.: The inheritance of quantitative characters in

maize. Nebraska Agric. Exp. Stat. Bull. 2, 120, (1913), naar Jones, (1917).
Fisher, R. A., Immer, F. R. and T e d i n, C.: The genetic interpretation of
statistics of the third degree in the study of quantitative inheritance.
Genetics, 17,
107, (\'/952;, naar Riege r C.S., (1958).
G e r s c h 1 e r, M. W.: Uber alternative Vererbung bei Kreuzung von Cyprinodon-
tiden-Gattungen.
Zeitschr. Ind. Abstr. Ver., 12, 73, (1914) naar Whaley

(1944).

Gowen, J, W.: Heterosis. A record of researches directed toward explaining and

utilizing the vigor of hybrids. Iowa State College Press, Ames, Iowa, (1952).
Grafius, J. E.: Heterosis in barley.
Agron. ]., 51, 551, (1959; naar H a y m a n,
(1960).

Guaita, G. von: Versuche mit Kreuzungen von verschiedene Rassen der Haus-
maus.
Ber. der Naturf. Ges. zu Freiburg, 10, 317, (1898).
H a g b e r g, A.: Heterosis in some crosses between populations of rye and red clover.

Hereditas, 38, 506, (1952); naar Williams, (1959).
Hayes, H. K.: Correlation and inheritance in
Nicotiana tabacum. Connecticut Agr.

Exp. Stat, Bull. 171,45, (1912); naar J o n e s, (1917).
H a y e s, K. H. and J o h n s o n, I. J.: The breeding of improved selfed lines of corn.

/. Am. Soc. Agr., 31, 710, (1939); naar Rieger c.s., (1958).
Hayman, B, I.: Heterosis and quantitative inheritance.
Heredity, 15, 324, (1960).
H u 1 1, F. H.: Recurrent selection for specific combining ability in corn. ]. Am. Soc.

Agron., 37, 134, (1945).
H u 1 1, F. H.; Regression analysis of corn yield data. Genetics, 31, 219, (1946) ; naar

Rieger c.s., (1958).
Johannsen, W.: Elemente der exakten Erblichkeitslehrc. Fisher, Jena, 1909.
Johnson, S. W.: How crops grow. Orange Judd & Co., New York, 1891.
Jones, D. F.: Dominance of linked factors as a means of accounting for heterosis.

Genetics, 2, 466, (1917).
Jones, D. F.: Heterosis resulting from degenerative changes. Genetics, 30, 527,

(1945).

K e e b 1 e, F. and Pellew, C.: The mode of inheritance of stature and of time

of flowering in peas (Pisum sativum). J. Genetics, 1, 47, (1910).
Koelreuter, J. G.: Vorläufige Nachricht von einigen das Gcschlecht der Pflan-
zen betreffenden Versuchen und Beobachtungen. Leipzig, 1766.
Lus, IA, IA.: On the genetics of yak and its hybrids.
Bull. Bur. of Genetics, Acad.

Sci USSR, 7, 69, (1929); naar Whaley, (1944).
Malinowsky, E.: The problem of heterosis VI.
Bull. Acad. Polon Sci., 41,

(1952); naar Rieger c.s., (1958).
M a r s h a k, A.: Growth differences in reciprocal hybrids and cytoplasmic influence
on growth in mice.
]. Exp. Zool, 72, 497, (1936).

-ocr page 19-

M e n d e 1, J. G.: Versuche über Pflanzenhybride. Verh. Naturf. Ver. Brunn, Bd. 4,
(1865); naar Sin noth c.s., (1958).

Powers, L.: Gene Recombination and Heterosis in G o w e n, pag. 298, (1952).

Rasmusson, J.: A contribution to the theory of quantitative character inheri-
tance.
Hereditas, XVIII, 245, (1933).

Richey, F. B.: Report of the Chief of the Bureau of Plant Industry, U.S. Dep.
Agric., (1935);
naar East, (1936).

Rendel, J. M.: Heterosis. Amer. Nat., 87, 129, (1953).

R i e g e r, R. and Michaelis, A.: Genetisches und Cytogenetischcs Wörterbuch.
Springer Verl., Berlin, Göttingen, Heidelberg, 1958.

Ritzema Bos, J.: Untersuchungen über die Folgen der Zucht in engster Blut-
verwantschaft.
Biol. Centralblatt, 14, 75, (1894).

R o bbi n s, W. J.: Growth substances in a hybrid com and its parents. Bull. Torrey
Bot. Club,
67, 565, (1940).

R o b b i n s, W. J.: Factor Z in hybrid maize. Bull. Torrey Bot. Club, 68, 222,
(1941 a).

R o b b i n s, W. J.: Growth of excised roots and heterosis in tomato. Amer. J. Bot.,
28, 216, (1941 b).

R o b b i n s, W. J.: Hybrid Nutrional Requirements in G o w e n, pag. 114, (1952).

Roberts, E. and L a i b 1 e, R. G.: Heterosis in pigs. ]. Hered., 16, 383, (1925).

Sanborn, J. W.: Indian com. Rep. Maine Dept. Agric., 33, 54, (1890); naar
Zirkle, (1952).

S h u 11, G. H.: The composition of a field of maize. Rep. Am. Breeders Ass., 4,
296, (1908).

S h u 1 1, G. H.: Duplicate genes for capsule form in Bursa bursa-pastoris. Z.I. A.V.,
12, 97, (1914); naar ShuW, (1948).

Shull, G. H.: What is „Heterosis"? Genetics, 33, 439, (1948).

Shull, G. H.: Beginnings of the Heterosis Concept. In G o w e n, pag. 14, (1952).

S i n n o 11, E. W., Dunn, L. C. and Dobzhansky, Th.: Principles of genetics
5th ed., pag.
419-443. Mc. Graw-Hill Book Cy. New York, London, (1958).

Sprague, G. F. and T a t u m, L. A.: General vc. specific combining ability in
single crosses of corn.
J. Am. Soc. Agr., 34, 923, (1942); naar Rieger c.s.,
(1958).

W e i s m a n n. A.; Vorträge über Descendenztheorie. liter Band, 260; Gustav
Fischer, Jena, 1902.

Whaley, W. G.: Heterosis. The Bot. Rev., X, 461, (1944).

W h a 1 e y, W. G.: Physiology of Gene Action in Hybrids in G o w e n, pag. 98,
(1952).

Williams, W.: Heterosis and the .genetics of complex characters. Nature, 184,
527, (1959).

Zirkle, C.: Early ideas on Inbreeding and Crossbreeding. Zie Gowen, pag.
1, (1952).

Zorn, W., K r a 11 i n g e r, H. F. und E c k h o f f, H.: Beiträge zur Technik der
Züchtung von Fleischschafen I.
Züchtungskunde, 7, 440, (1932),

-ocr page 20-

Beproeving van een vaccin tegen pseudo-vogel-
pest, stam LaSota, onder praktijkomstandig-
heden.

Field Trials of a Newcastle Disease Vaccin, LaSota
Strain.

door M. E. M. STUMPEL\')

Laboratoria Nobilis N.V., Boxmeer.

Inleiding

De LaSota-stam van pseudo-vogelpest (N.C.D.) werd in 1946 geïsoleerd
door B e a u d e 11 e uit een spontane uitbraak van de ziekte in New
Jersey - U.S.A. Bij zijn stelselmatig zoeken naar N.C.D.-stanunen van
milde \\ irulentie was deze stam één van de negen, die uit 105 stammen
werden uitgekozen voor een nader onderzoek.

Gedurende meerdere jaren werd de LaSota-stam door B e a u d e 11 e
onderzocht. Hierbij vond hij, dat in de loop van slechts weinige serie-
passages in bebroede eieren de embryo-sterfte gedurende 5 dagen na de
inspuiting der eieren plot.seling scherp daalde. Dit wijst op een geringe
virulentie van het virus. Bij de enting van vatbare kuikens daarna bleek
de reactie zeer mild te zijn, terwijl de immunogene werking bijzonder
hoog was.-)

Een van de eerste mededelingen is die van Hanson (1956), welke vast-
stelde dat de LaSota-stam geen afwijkingen veroorzaakte bij jonge,
voor N.C.D. gevoelige kuikens na intracerebrale infectie.
Hanson en Brandly (1955) deelden ook mede, dat de LaSota-
stam (evenals de F-stam) rode bloedcellen van paarden agglutineert, in
tegenstelling tot de B,- en de Roakin-stam. (In Nederland en Belgii-
resjx ook wel Hitchncr- en Beaiidette-stam genoemd). Resultaten van verge-
lijkende entingen worden medegedeeld door VV i n t e r f i e 1 d et al., (1957).
Hier blijkt dat de LaSota-stam hogere titers in het bloed der geënte dieren
oproept dan de B^- of de F-stam. Reeds onze oriënterende jiroeven beves-
tigden dit.

In 1959 en 1960 werden door ons groepen kuikens van 4 weken oud geënt
met de LaSota-stam onder toezicht van de Veeartsenijkundige Dienst.
In februari 1961 werden praktijkproeven op grotere schaal gedaan. Groe-
pen kuikens \\ an 4 weken oud, in aantal variërend van 500 tot 700, werden
geënt. De reactie op de enting was zeer mild.

Proefopzet

Om toelating door het Veeartsen ij kundig Staatstoezicht voor deze stam
te verkrijgen en om onze gegevens over de dtmr der immuniteit, verkregen
tijdens eigen proeven in 1959 en 1960 bevestigd te zien op praktijk-schaal,
werd besloten tot de volgende opzet:

Dierenarts aan het Laboratorium Nobilis.
Persoonlijke mededeling aan Dr. J. Richter, 1956.

-ocr page 21-

Op 9 boerderijen werden kuikens geplaatst in aantallen van 300 tot 500.
Bij de keuze van de bedrijven werd vooral gelet op het afwezig zijn van
kippen in de directe omgeving. Bedrijven welke het laatste jaar geen
moeilijkheden met ziekten onder de kippen hadden gehad, kregen de
voorkeur. De huisvesting liet nog al eens veel te wensen over. Omdat
bij de enting met de LaSota-stam het verschil tussen ent-titer en
infecde-titer veel geringer is dan bij de Bj-stam, was het noodzakelijk een
controle te hebben o]j tussentijdse natuurlijke besmetting der geënte dieren.
Daarom werden 3 à 4 weken na de enting een aantal ongeënte HR-
negatieve dieren van dezelfde leeftijd en afkomst als de geënte dieren van
ringen voorzien en tussen de geënte dieren geplaatst. Bij de latere experi-
mentele besmetting zouden deze dienen als controle op de virulentie hier-
\\an. Op drie bedrijven werden deze ongeënte dieren in afzondering op-
gefokt in aantallen van 50 per bedrijf.

Van het begin tot het einde werden deze proeven verricht onder toezicht
van de Inspecteurs van de Veeartsenijkundige Dienst.i)

Bepaling der H.R.-titers

Bloedmonsters van 2 à 3 ml werden opgevangen in 0,3 ml van een op-
lossing van 1% NaCl plus 2% Na-oxalaat met 1 mg chlooramphenicol
per ml.

Als verdunnings- en spoelvloeistof wordt gebruikt 1%-oplossing van NaCl
in aq. dest., waai"van de
jjH ongeveer 6,5 is. Hierin blijven de rode bloed-
cellen langer houdbaar dan in fys. NaCl.

Voor de H.R.-test wordt de bêta-methode gevolgd, zoals aangegeven door
Cunningham (1960).

Als antigeen dient de Roakin-stam van N.C.D. De hemagglutinatie-titer
van het antigeen wordt hierbij bepaald tegenover een gelijk volume van
een 0,5%-suspensie van kippe rode bloedcellen. Böhm et al., (1961)
geven hier ook de voorkeur aan. Als men een verdunnings-reeks met
factor 2 aanlegt van hel antigcen in volumina van 0,5 ml, moet men dus
0,5 ml van de 0,5%-suspensie toevoegen, nadat het volume in de buisjes
door het toevoegen van extra 0,5 ml 1%-NaCl op hetzelfde volume ge-
bracht is als later bij de H.R.-test wordt gebruikt. Dié verdunning van
het antigeen welke nog juist volledige hemagglutinatie veroorzaakt, heeft
een H.A.-titer 1. Men rekent met de verdunning \\\'an het antigeen zoals
die is in de verdunnings-reeks vóór de toevoeging van de extra 0,5 ml
1%-NaCl en van de rode bloedcellen. De vergroting van het volume ver-
oorzaakt door deze toevoegingen, vermindert immers de hoeveelheid virus
niet, die aanwezig is in het reactievoliune. Ook bij de H.R.-test rekent
men daarom met de verdunning van plasma of sertun zoals die was vóór
de toevoeging van antigeen en bloedcellen. Hierin wijkt deze methode dus
af van die van Zuijdam (1952), welke rekent met de eindverdunning
van het serum. De H.R.-titers bepaald volgens Zuijdam zullen daarom
2
X zo hoog zijn, als volgens Cunningham bejiaald, afgezien van andere

1) Gaarne danken wij hier Dr. Th. Zwanenburg en Dr. J. H. K o n i n g, als
ook de adj. Inspecteurs Dr. A. J. v a n \'t H o o f t en H. M e ij e r, voor hun be-
langstelling voor het verdere verloop van deze test, dat buiten het kader valt van
hetgeen voor de toelating van het vaccin vereist wordt.

-ocr page 22-

verschillen. Bij de H.R.-test werden door ons altijd 8 H.A.-eenheden
Roakin-virus gebruikt.

De uitvoering gaat als volgt:

In blokken van perspex van 10,5 x 20 cm, ter dikte van 3 cm, worden
16 rijen van 8 gaten geboord, doorsnede 10 mm, diepte 2,5 cm, met
kegelvormige bodem onder een boek van 40 graden. Het bleek niet nodig
de gaten te polijsten. Met een Cornwall-spuit wordt in alle gaten 0,5 ml
1%-NaCl afgevuld. In het eerste gat van iedere rij wordt 0,5 ml van het
onverdunde serum of plasma gebracht. Voor het overbrengen van telkens
0,5 ml wordt een spuitje van 1 ml gebruikt, dat door middel van een
stukje buis rond de zuigerstang in de spuit en een spiraalveer rond de
zuigerstang buiten de spuit, afgesteld is op 0,5 ml.

Met siliconen-olie wordt een goede afdichting van de zuiger verkregen.
Met een stukje stevige rubberslang is aan het spuitje een korte Pasteurse
pipet verbonden. Laat men de zuigerstang los, dan wordt vanzelf een
volume van 0,5 ml opgezogen in de pipet. Na het inspuiten hiervan in het
volgende gat wordt nog twee maal gemengd en dan wederom 0,5 ml
overgebracht, enz.

In het 8ste gat van de rij is het plasma dus 256 maal verdund. Verwacht
men hoge H.R.-titers na een besmetting dan moet men verder verdunnen.
Nu wordt in alle gaten 0,5 ml virus-suspensie afgevuld van 8 H.A.-een-
heden. Na 5 tot 10 minuten worden bloedcellen toegevoegd: in plaats
van 0,5 ml van een 0,5%-suspensie, wordt 0,25 ml van een 1%-suspensie
gebruikt. Dit maakt geen verschil.
Bij de test behoren de gewone controles van

1) gebruiksverdunning van het antigeen, welke 8 maal verdund nog vol-
ledige hemagglutinatie moet veroorzaken,

2) van de rode bloedcellensuspensie in de NaCl-oplossing,

3) van een bekend positief en negatief serum.

Na een uur bij kamertemperatuur kan het resultaat afgelezen worden dooi
de blokken boven een spiegel te houden.

De H.R.-titer van een serum of plasma is de verdunningsfactor van de
laatste verdunning welke nog volledige remming van de hemagglutinatie
veroorzaakt, vermenigvuldigd met het aantal H.A.-eenheden van het
gebruikte andgeen. De nauwkeurigheid van de H.R.-test kan verbeterd
worden door na het uitvoeren ervan de H.A.-titer van het antigeen nauwer
te bepalen; men kan daartoe tussen de verdunningen van 1 ; 8 en 1:16
van het antigeen de tussenliggende verdunningen aanleggen.
De hierboven beschreven werkwijze is geschikter om grotere aantallen
plasmata o]j H.R.-liter te onderzoeken dan de werkwijze van Zuijdam.

Overzicht van het verloop van de proef

21-1-\'61: 1-Dags kuikens worden geplaatst op 9 bedrijven in de volgende
aantallen: 650-560-490-480-350-425-600-462-465.
Samen 4482. Het is een W.L. x R.I.R.-knnsing.
17-3-\'61: Van ieder bedrijf worden 10 bloedmonsters onderzocht. Ze zijn

zonder uitzondering negatief in de H.R.-test.
20-3-\'61: Tezamen 150 dieren worden van de 9 bedrijven opgehaald en
verdeeld over 3 „isolatie-bedrijven". De H.R.-titers van deze

-ocr page 23-

dieren bleven negatief tot in augustus. Enkele H.R.-titers van
16 dieren waren een maand later geheel negatief. Deze dieren,
evenals die op de 9 bedrijven, worden verder normaal geënt
tegen pokken/difterie en infectieuze bronchitis. Zij dienen als
ongeënte controles.

EERSTE ENTING

21-3-\'61: Enting door het drinkwater van de 9 bedrijven met V.P. Vaccin
Nobilis Stam LaSota serie 105. Het vaccin had een titer van
109 8 E.M.I.D.50. Aangezien 1 ampul voor 100 dieren opgelost
wordt in 4 liter drinkwater, was de titer van dit drinkwater dus
ruim 106 E.M.I.D.50. De kippen zijn nu 8 weken oud. De
reactie op de enting was zonder uitzondering in de orde van
„Nauwelijks merkbaar".

18-4-\'61: 4 Weken na de enting worden van 5 bedrijven per bedrijf 5
bloedmonsters genomen. Voor de H.R.-titers wordt verwezen
naar figuur 1 lijn 1. Verticaal staan de aantallen dieren aan-
gegeven en horizontaal de gevonden H.R.-titers. (pag. 902)
Duidelijkheidshalve verbindt de lijn de gevonden punten. De
meeste titers liggen rond 256 en 512.

20-4-\'61: Van de 3 „isolatie-bedrijven" worden ongeënte dieren overge-
bracht en geplaatst tussen de geënte dieren, 5 dieren per bedrijf,
nadat H.R.-controle verricht is. Al deze dieren waren H.R.-
negatief.

21-5-\'61: Van 7 ä 8 dieren per bedrijf worden H.R.-titers bepaald.
Samen van 66 dieren, 8/2 week na de eerste enting. Zie figvmr
1 lijn 2. De meeste H.R.-üters liggen bij 1 : 128 en 1 : 256.

5-6-\'61: Van de 9 bedrijven worden in totaal 300 dieren overgebracht
naar een ruim „besmettingshok". 40 Dieren worden van ringen
voorzien. Het hok heeft een sluis voor desinfectie. Zij worden
verzorgd door één verzorger.

Tevens worden de ongeënte controle-dieren van 20-4-\'61 naar
dit hok overgebracht. Nog extra 50 dieren van de 3 isolatie-
bedrijven worden eveneens in dit hok geplaatst. H.R.-dters van
alle ongeënte dieren waren op dit tijdstip negatief. In het be-
smettingshok worden ongeënte en geënte dieren door gaas ge-
scheiden.

19-6-\'61: 37 Bloedmonsters worden genomen van de geringde geënte
dieren in het besmettingshok — 13 weken na de eerste enting.
Zie figuur 2 lijn 3. De dieren zijn 21 weken oud. Nogmaals
wordt van alle ongeënte dieren in bet besmettingshok bloed af-
genomen. Zonder uitzondering zijn de H.R.-dters hiei-van
negatief.

BESMETTING MET N.C.D.-VIRUS 3 MAANDEN NA ENTING

20-6-\'61: Besmetdng van alle dieren door intramusculaire injectie met
106 ä 107 E.M.I.D
.50 in 1 ml van een virulente N.C.D.-stam,
oorspronkelijk afkomsdg uit het Centraal Diergeneeskundig
Insütuut, afd. Rotterdam en door ons 2 x over eieren gepasseerd,
d.d. 24-4-1961. De dieren komen reeds in produktie. Op 20-6\'-61

-ocr page 24-

werden in het besmettingshok 63 eieren geraapt. Er is regel-
maüg uitval door prolaps van de cloaca. Op alle 9 bedrijven
wordt geklaagd over te grote uitval door deze oorzaak.
In bet besmettingshok gingen van 5-6-\'61 tot 20-6-\'61 reeds
18 dieren hierdoor verloren.

23-6-\'61: De ongeënte dieren zijn suf, zitten in elkaar gedoken, er is reeds
veel groene mest. De geënte dieren zijn misschien iets traag,
maar vertonen verder geen afwijkingen. De grootste sterfte
onder de ongeënte dieren valt op 5 dagen na de besmetting. Van
de 80 ongeënte dieren overleefden er 4 de besmetting in de
eerste week na de besmetting. Van de 300 geënte dieren stierven
er in de eerste week 6; in de tweede week tot en met de vierde
week na besmetting nog 28. Bij 22 dieren hiervan was de cloaca
uitgestulpt, bevuild en bloederig. Van 11 dieren werd de doods-
oorzaak niet vastgesteld. De produktie van de geënte dieren
steeg van 70 eieren op 29-6-\'61 tot 90 op ll-7-\'61. Onder de
geënte dieren werd nooit groene mest gezien, noch trad er ver-
lamming op.

13-7-\'61: H.R.-titers worden bepaald van 25 geënte besmette dieren.
Fig. 2 lijn 4 geeft dit weer. De stijging in titer is duidelijk; de
meeste H.R.-titers liggen nu rond 1 : 2048.

TWEEDE ENTING

Teruggaande tot:

14-6-\'61: De 9 bedrijven worden volgens het gewone ent-schema M voor
de tweede maal geënt met V.P. Vaccin Nobilis Stam LaSota,
serie 105 (zie boven: 21-3-1961) op een leeftijd van 21 weken.
Ondertussen waren de dieren op 20-4-\'61 geënt tegen infectieu-
ze bronchitis met I.B. Vaccin Nobilis, Milde stam, Serie 195 en
200, en op 19-5-\'61 tegen pokken/difterie met Ovo-Diphtherin
Forte, volgens de wingweb-methode, serie 11.

18-7-\'61: 5 Weken na de tweede enting worden van in totaal 42 dieren
uit de 9 bedrijven de H.R.-titers bepaald. Fig. 3 lijn 5 geeft de
resultaten weer; de meeste H.R.-titers liggen nog steeds rond
1 : 256. (pag. 902)

19-7-\'61: Op ieder der 9 bedrijven worden 5 ongeënle H.R.-negatieve
dieren tussen de geënte dieren geplaatst.

12-9-\'61: Van 25 dieren, 13 weken na de tweede enting, worden H.R.-
dters bepaald. Figuur 3 lijn 6 brengt de resultaten in beeld; de
H.R.-titers zijn gedurende 2 maanden ongeveer hetzelfde ge-
bleven.

TWEEDE BESMETTING 3 MAANDEN NA DE TWEEDE ENTING

13-9-\'61: Een tweede besmetUngsproef vindt plaats, nadat op 6-9-\'61
250 dieren van de 9 bedrijven waren overgebracht naar het
besmettingshok. 50 Ongeënte controles zijn afkomstig van een
bedrijf dat tot nu toe geheel buiten de proef werd gehouden.

Zie „Ziekten en Entmethoden bij Pluimvee". Derde druk 1962, pag. 36. Publ.
der Lab. Nobilis N.V., Boxmeer.

-ocr page 25-

Het zijn dieren van dezelfde afkomst en leeftijd als op de 9
bedrijven en slecbts geënt tegen pokken/difterie; op 6-9-\'61
waren deze dieren H.R.-negatief. 10 Bloedmonsters, 3 weken
later op dit bedrijf genomen, waren nog steeds H.R.-negatief.
De besmetting geschiedde nu evenwel met een N.C.D.-stam van
het Centraal Diergeneeskundig Instituut Rotterdam, 2701561),
welke volgens voorschrift werd toegepast: 5 druppels intranasaal.
Aangenomen dat de ampul zeker 10^ E.M.I.D.50 bevatte, zou
de besmetting-dosis minstens 106 E.M.I.D
.50 zijn geweest. 25
Controle-dieren stierven vóór de vijfde dag na de besmetting.
De rest stierf vóór 20-9-\'61, onder duidelijke symptomen van
pseudo-vogelpest.

Er was veel typisch groene mest en de meeste dieren vertoon-
den hevige ademnood. Verlammingen kwamen niet tot ont-
wikkeling. De produktie van de geënte dieren was door bet
transport en het bij elkaar brengen van voor elkaar vreemde
dieren in de week vóór de besmetting gedaald van 160 tot 130
eieren per dag. In de 3 weken na de besmetting handhaafde de
produktie zich rond de 100 eieren per dag. De geënte dieren
hebben van de vijfde tot de zevende dag na de intranasale
besmetting licht gereuteld en met de koppen geschud, alsof er
een begin van coryza was. In de twee weken na de besmetting
stierven er 10 van de 250 geënte dieren, 5 hiervan met prolaps
van de eileider.

29-9-\'61: 16 Dagen na de besmetting worden van 22 dieren de H.R. titers
bepaald. Fig. 3 lijn 7 geeft dit weer; de stijging is wederom
duidelijk. De meeste H.R.-titers liggen boven 1 : 1024.

Teruggaande tot:

22-9-\'61: Aangezien op de 9 bedrijven nog steeds veel uitval is door aan-
pikken van geprolabeerde cloaca\'s en ook door leucose, terwijl

2 bedrijven met een verwaarloosde coccidiosis te kampen heb-
ben, is er kans dat te geringe aantallen controles overblijven.
Daarom worden nu nogmaals 5 ongeënte dieren per bedrijf tus-
sen de geënte dieren geplaatst. Deze dieren zijn afkomstig van
het bovengenoemde (13-9-\'61) H.R.-negatieve reserve-bedrijf.

22-11-\'61: Van 27 geënte dieren van 6 bedrijven worden H.R.-titers be-
paald; 23 weken na de tweede enting. Fig. 4 lijn 8 geeft dit weer.
Van 3 bedrijven waar de uitval het geringst was, worden alle
ongeënte dieren gecontroleerd. Ze zijn H.R.-negatief. Deze 3
bedrijven worden nu verder vervolgd.

31-l-\'62: Nogmaals heeft H.R.-controle van de ongeënte dieren van deze

3 bedrijven plaats. Van de 10 ongeënte dieren per bedrijf zijn
nog aanwezig 6, 8 en 6 dieren. 1 Dier blijkt een titer te hebben
van 1 : 32.

ll-3-\'62: H.R.-titers worden bepaald van 45 dieren van 9 bedrijven; 39

Gaarne danken wij ook langs deze weg de Directeur van het C.D.I., afd. Rotter-
dam voor het beschikbaar stellen van de genoemde virulente stam van pseudo-
vogelpest.

-ocr page 26-

weken na de tweede enting. Fig. 4 lijn 9 geeft de resultaten
weer. (pag. 902)

27-3-\'62: Alle ongeënte dieren van de 3 bedrijven worden overgebracht
naar het besmettingshok, plus één dier dat op 20-4-\'6rwas bij-
geplaatst en niet werd weggehaald. Het heeft dus 1 enting ge-
had op 14-6-\'61. De H.R.-titer is nu 1 : 128.
Van de op 19-7-\'61 bijgeplaatste contröle-dieren zijn nog aan-
wezig 2, 3 en 3 dieren. Van de op 22-9-\'61 bijgeplaatste
controle-dieren zijn nog aanwezig 4, 5 en 3 dieren. Totaal dus
20 controle-dieren plus het ene dier met dter 1 : 128.
Van de geënte dieren worden van de 3 bedrijven overgebracht
naar het besmettingshok 90, 45 en 98 dieren. Samen 233 dieren.
Van ieder bedrijf worden 15 geënte dieren geringd.

BESMETTING 42 WEKEN NA DE TWEEDE ENTING

4-4-\'62: H.R.-titers worden bepaald van de 45 geringde dieren. Zie fig. 5
lijn 10. Er zijn enkele zeer lage titers bij, 2 dieren zijn negatief,
4 dieren hebben een liter van 1 : 64. De meeste H.R.-titers
liggen bij 1 : 512.

Van de ongeënte dieren worden wederom H.R.-dters bepaald.
1 Dier heeft 1 : 32 en 1 dier 1 : 128 (1 enting van 14-6-\'61).
De rest is negatief.

De besmetting geschiedt wederom met de virulente N.C.D.-stam
van het C.D.I., 270156; intranasaal 5 druppels van de in 20 ml
solvens opgeloste ampul.

-rkitstf

-ocr page 27-

6-4-"62: Er is bij de ongeënte dieren, die door gaas gescheiden zijn van
de geënte dieren, reeds groene mest te zien.

7-4-\'62: l)e ongecnte dieren zijn doodziek.

Binnen 6 dagen na de besmetting zijn 15 van de 20 ongeëntc
dieren gestorven (zie foto 1). De rest volgt in 3 dagen. De hen
met titer 1 : 128 heeft de besmetting overleefd. De verschijnselen
waren: groene mest, blauwe kammen, ademnood en enkele
windeieren. De produktie was 4 dagen na de besmetting geheel
opgehouden. Of de dieren verlamd waren is niet nagegaan. Het
ongeënte dier met titer 1 : 32 stierf 9 dagen na de besmetting.
Do geënte dieren hebben tot 8 dagen na de besmetting haar
produktie van rond 95 eieren gehandhaafd (zie foto 2). Daarna
is er een geleidelijke daling ingetreden tot ca. 50 eieren per dag,
tot 3 weken na de besmetting. Hier komt ook tot uiting de
stress op de dieren, reeds bijna 10 maanden in produktie, uit-
geoefend door het transport, het bij elkaar brengen van voor
elkaar vreemde dieren, en het andere hok.
Van de op 27-3-\'62 geplaatste 233 geënte dieren waren er op
27-4-\'62 218 over; 2 stierven reeds vóór de besmetting (gepikt).
Op 12-4-\'62 stierf een vermagerd dier onder verlammingsver-
schijnselen. In de twee weken na de besmetting was dit het
enige dier dat stierf. In de 3e week na de besmetting stierven
nog 6 aangepikte dieren met prolaps van de eileider en 5 ernstig

-ocr page 28-

FIG. 5

AANTAL
20(- DIEREN

I

.J<

\\® X

ii ëiï lift jk 512 1024 JC>4B4C>« ski 16^ 32768^

-ocr page 29-

Tekst bij de figuren

H.R.-titers na enting met V.P. Vaccin Nobilis, Stam LaSota.

Verticaal staan de aantallen dieren, horizontaal de H.R.-titers.

Fig. 1 lijn 1, 25 dieren 4 weken nadat op de leeftijd van 8 weken de eerste enting
plaats had.
lijn 2, 8/2 week na 1 enting, 66 dieren.

Fig. 2 lijn 3, 13 weken na 1 enting, 36 dieren.

lijn 4, 3 weken na besmetting met virulent N.C.D.-virus.
Dezelfde dieren (25) als van lijn 3.

Fig. 3 lijn 5, 5 weken na de tweede enting, welke plaats vond op een leeftijd van
21 weken, 42 dieren,
lijn 6, 13 weken na de tweede enting, 25 dieren,
lijn 7, 16 dagen na besmetting met virulent N.C.D.-virus.
Dezelfde dieren (22) als van lijn 6.

Fig. 4 lijn 8, 23 weken na de tweede enting, 27 dieren van 6 bedrijven,
lijn 9, 39 weken na de tweede enting.
45 dieren van 9 bedrijven.

Fig. 5 lijn 10, 42 weken na de tweede enting, 45 dieren.

lijn 11, 3 weken na besmetting met virulent N.C.D.-virus.
Dezelfde dieren (43) als van lijn 10.

Legenda to the figures

ƒƒ.ƒ. titers after vaccination with V.P. Vaccine Nobilis LaSota Strain.
Vertical: numbers of birds. Horizontal: H.L titers.

Fig. I line 1, 25 birds, 4 weeks after the first vaccination at the age of 8 weeks,
line 2, 66 birds,
8/2 weeks after one vaccination.

Fig. 2 line 3, 36 birds, 13 weeks after one vaccination.

line 4, the same birds as those of line 3 (25), 3 weeks

after challenge with virulent Newcastle disease virus.

Fig. 3 line 5, 42 birds, 5 weeks after the second vaccination at the age of 21 weeks,
line 6, 25 birds, 13 weeks after the second vaccination.

line 7, the same birds (22) as those of line 6, 16 days after challenge with
virulent Newcastle disease virus.

Fig. 4 line 8, 27 birds of 6 farms, 23 weeks after the second vaccination,
line 9, 45birds of 9 farms, 39 weeks after the second vaccination.

Fig. 5 line 10, 45 birds, 42 weeks after the second vaccination,
line 11, the same birds (43) as those of line 10,

3 weeks after challenge with virulent Newcastle disease virus.

-ocr page 30-

aangepikte dieren werden door de verzorger uit haar Hjden ge-
holpen. Een vermagerd dier sderf op 21-4-\'62. Onder de gepikte
dieren bevonden zich de nummers 6635 en 6622 welke vóór de
besmetting titers hadden van 1 : 64 en 1 : 256. De mest ver-
toonde in de gehele periode na de besmetting geen afwijkingen.
25-4-\'62: H.R.-titers worden bepaald van de geringde besmette dieren 3
weken na de besmetting. De 2 dieren met negatieve H.R.-titer
op 4-4-\'62 hebben nu titers van 1 : 8192 en 1 : 1024. De uitslag
is (zie fig. 5, lijn 11): 7 X 1 : 1024; 26 x 1 : 2048 (d.i. t/m gat 8
van de rij); 3 X 1 : 4096; 4x1: 8192; 1 x 1: 16384; 2 x 1: 32768
(43 monsters).

De stijging in titer ten opzichte van lijn 10 van fig. 5 is dus
duidelijk, (pag. 902)

Discussie

De H.R.-titers na enting liggen in dezelfde orde van grootte als gevonden
door Winterfield (1957), 3 weken na enting van dieren van 4/2
week leeftijd. Ook hij vindt meerdere titers van 1 : 1024 en 1 : 2048. Hij
gebruikte de bêta-test volgens Markham et al., (1959) welke met de
door ons gevolgde methode vergelijkbaar is: verdunningen in volumina
van 0,5 ml, 8 H.A.-eenheden antigeen.

Markham gebruikt evenwel slechts 0,25% bloedcellen-suspensie.
Er blijkt dat de tweede enting op de leeftijd van 21 weken (fig. 3 lijn 5)
geen merkbare stijging in H.R.-titer gegeven heeft.

Dit kan veroorzaakt zijn door het feit, dat de eerste enting op een leeftijd
van 8 weken plaats vond, zodat nog te veel immuniteit ten tijde der tweede
enting aanwezig was. Oorspronkelijk was deze proef ook niet opgezet
voor de beproeving van het vaccin 42 weken na de tweede enting. Dit kan
dus ten nadele van het vaccin gewerkt hebben.

Van 5-6-\'61 tot 19-7-\'61 waren geen ongeënte dieren tussen de geënte
aanwezig. Dat er in deze tijd een tussentijdse besmetting zou zijn op-
getreden, kan uitgesloten worden, omdat bij de eerste H.R.-bepaling op
18-7-\'61 na de tweede enting (fig. 3 lijn 5) de titers zelfs lager waren
dan verwacht werd. Men kan de vraag stellen of het geringe aantal
ongeënte dieren tussen de geënte een tussentijdse besmetting uitsluit. Als
er werkelijk vinisuitscheiding en besmetting door de koppels is heenge-
gaan, moeten de ongeënte controles, al zijn het er maar 5 of 10 op "de
400, dit tonen.

Er blijkt bovendien uit de lijnen 8, 9 en 10 dat er nog genoeg dieren
met lagere H.R.-titers in de koppels zijn. Dit alles sluit tussentijdse be-
smetting uit.

Alleen na de eerste besmetting werd virus-isolatie uit de besmette dieren
verricht. Wij kennen hier slechts een geringe bewijskracht aan toe.
De stijging van H.R.-titers is het enige bewijs dat de besmetting werkelijk
is aangeslagen.

Conclusie

Tot 42 weken na een tweede enting met V.P. Vaccin Nobilis Stam
LaSota op de leeftijd van 21 weken gedaan, is voldoende immuniteit
aanwezig om een zware besmetting met virulent N.C.D.-virus te door-

-ocr page 31-

staan, ondanks bijkomende belasting der dieren door transport en vreemde
omgeving.

Onderzoek van H.R.-titers in de praktijk, 11 maanden na enting met
V.P. \\\'accin Nobilis, stam LaSota.

Op 8 bedrijven met aantallen dieren van 400 tot 1000 was reeds — met
toestemming van de Veeartsenijkundige Dienst — vanaf maart 1961 bet
V.P. Vaccin, Stam LaSota, toegepast in een normaal entscbema. Dit
boudt in: enting met het V.P. Vaccin op de leeftijd van 3 tot 4 weken.
Op de leeftijd van S\'/s maand enting tegen infecdeuze bronchitis, met
daarop aansluitend de enting tegen pokken/difterie — en bij het begin
van de leg de tweede enting tegen pseudo-vogelpest. Deze laatste enting
viel in bet begin van juni 1961. Elf maanden later, in mei 1962, werden
deze bedrijven bezocht en werd aan de eigenaars de geschiedenis van de
toom gevraagd. Slechts één bedrijf (7) maakte melding van ziekte (blauwe
kammenziekte volgens de opgave) en blijkt bijzonder hoge H.R.-Uters te
hebben, zodat besmetting met pseudo-vogelpest hier waarschijnlijk heeft
[jlaats gevonden. Per bedrijf werden 20 tot 25 bloedmonsters genomen.

Een overzicht van de gevonden H.R.-titers volgt hier:

Bedrijf:

1

2

3

4

5

6

(7)

8

Totaal

H.R.-titers

zonder (7)

< 1:20

2

2

1:20

1

1

2

1:40

2

2

1

1

1

6

13

1:80

2

3

1

2

1

9

1:160

3

4

3

3

6

3

1

20

1 :32ü

7

4

8

2

5

3

5

11

40

1:640

2

4

5

5

4

3

6

7

30

1:1280

5

5

1

2

5

5

3

21

1:2560

1

1

4

6

2

8

145

Hoewel aan

deze gegevens

slechts

een

betrekkelijke

waarde

kan worden

indruk van de H.R.-titers op 7 willekeurige bedrijven 11 maanden na de
enting: 82% van de onderzochte dieren had nog een zeer goede H.R.-titcr
van 1 : 160 of hoger.

SAMENVATTING.

Op 9 boerenbedrijven werden in totaal 4482 hennen op de leeftijd van 8 weken en
21 weken door het drinkwater geënt met een handelsvaccin tegen pseudo-vogelpest
van de LaSota-stam (V.P. Vaccin Nobilis Stam LaSota).

Tussen de geënte dieren werden 1 maand na de entingen 5 tot 10 ongeënte dieren
geplaatst als controle op tussentijdse besmetting. Bij besmetting van de dieren met
virulent NCD-virus 3 maanden na één enting bleek de immuniteit zeer solide te zijn.
Van 3 dezer bedrijven werden 42 weken na de tweede enting 231 dieren intranasaal
besmet met minstens 10®
E.M.I.D.bo van cen virulente stam van N.C.D. 20 Con-
trôle-dieren stierven binnen 9 dagen na de besmetting (100%). Van de 231 geënte

-ocr page 32-

dieren stierf er slechts 1 vermagerd dier binnen 2 weken na de besmetting; 12 dieren
stierven er in de derde week na de besmetting waarvan er 11 ernstig waren aangepikt
of prolaps van de eileider hadden.

De stijging van de H.R.-titer na besmetting was duidelijk. Voor de bepaling van de
H.R.-titers wordt een werkwijze aangegeven welke nauwkeurig is en bijzonder een-
voudig in de uitvoering.

De LaSota-stam van pseudo-vogelpest blijkt geschikt als vaccin-stam door haar zeer
milde reacties en geeft bescherming tegen pseudo-vogelpest gedurende een gehele
legperiode nadat de dieren geënt waren aan het begin van de leg.

SUMMARY.

On 9 farins a total of 4482 hens were vaccinated twice, when aged 8 weeks and 21
weeks resp., against Newcastle Disease with a commercial vaccine of the LaSota
Strain (V.P. Vaccine Nobilis LaSota Strain) in the drinking water.
5-10 Unvaccinated birds were placed amongst the vaccinated ones one month after
the vaccinations as a control of possible infections during the observation period.
The immunity proved to be very solid 3 months after one vaccination as was seen
by challenge of the birds with virulent Newcastle disease virus.
231 Birds from 3 of these farms were challenged intranasally with at least 10"
E.M.LD.50 of a virulent Newcastle disease strain 42 weeks after the second vaccina-
tion. 20 Control birds died within 9 days after infection (100%). Only one emaciated
bird of the 231 vaccinated died within 2 weeks after infection; of 12 birds which died
during the third week after infection, 11 had been seriously pecked or were suffering
from prolaps of the oviduct.

The increase of the H.L titer after infection was evident. An exact and practical way
of determining the H.L titers is described.

The LaSota Strain of Newcastle Disease proves to be suitable as a vaccine strain
combining low virulence with high immunogenic properties.

Protection against severe challenge is given for a whole laying period when the birds
have been vaccinated at 5 months of age.

RÉSUMÉ.

Dans 9 fermes, 4482 poules au total ont été vaccinées à l\'âge de 8 semaines et à l\'âge
de 21 semaines, au moyen dc l\'eau de boisson, par un vaccin contre la pseudo-peste
aviaire préparé avec la souche LaSota (en vente sous le nom de V.P. Vaccin Nobilis,
souche LaSota).

Un mois après la vaccination, 5 à 10 animaux non vaccinés ont été placés, par ferme,
parmi les animaux vaccinés, comme témoins d\'une infection intérimaire. Après in-
fection des animaux par une souche N.C.D.^) virulente, 3 mois après une vaccination
unique, il s\'est avéré que l\'immunité était excellente.

Dans 3 des fermes en question, 231 animaux ont été infectés par voie intranasalc
au moyen de 10«
E.M.LD.bü^) d\'une souche virulente de virus N.C.D. 42 semaines
après la deuxième vaccination. Vingt animaux témoins (100%) sont morts dans les
9 jours suivant l\'infection. Sur les 231 animaux vaccinés, il n\'y a qu\'un seul animal
amaigri qui soit mort moins de 2 semaines après l\'infection; 12 poules dont 11
avaient vivement souffert à la suite de picage ou étaient atteintes d\'un prolapsus
de l\'oviducte sont mortes la troisième semaine suivant l\'infection.
L\'augmentation du titre I.H.») après l\'infection était manifeste. Pour la détermi-

1) N.C.D. ou „Newcastle Disease" (maladie de Newcastle).

E.M.LD. ou „Embryo Minimum Infective Dosis" (dose minima susceptible d\'in-
fecter un embryon).

I.H. ou inhibition de l\'hémagglutination.

-ocr page 33-

nation des titres I.H., on indique une méthode de travail d\'une bonne précision et
d\'une application particulièrement simple.

Il apparait que la souche LaSota de la pseudo-peste aviaire est apte à servir de
souche pour vaccination, en raison du caractère fort bénin des réactions auxquelles
elle donne lieu, et qu\'elle protège contre la pseudo-peste aviaire pendant toute une
période de ponte, lorsque les animaux ont été vaccinés au début de cette période.

ZUSAMMENFASSUNG.

.•\\uf 9 Bauernhöfen wurden insgesamt 4482 Hühner zweimalig — im Alter von 8
und 21 Wochen — mittels Trinkwasser mit einem handelsüblichen Vakzin des La-
Sota-Stammes (V.P. Vakzin Nobilis, Stamm LaSota) gegen atypische Geflügelpest
geimpft.

Einen Monat nach diesen Impfungen wurden zwecks Kontrolle hinsichtlich einer
zwischenzeitlichen Ansteckung den geimpften Tieren 5-10 ungeimpfte Tiere bei-
gegeben. Bei der Testinfizierung der Tiere mit virulentem N.C.D.-Virus, 3 Monate
nach einer Impfung, erwies sich die Immunität als sehr solid.

Van 3 dieser Betriebe wurden 42 Wochen nach der zweiten Impfung 231 Tiere mit
mindestens 10® E.M.I.D.so eines virulenten Stammes von N.C.D. intranasal infiziert.
20 Kontrolltiere starben innerhalb von 9 Tagen nach der Ansteckung (100%).
Von den 231 geimpften Tieren starb nur ein abgemagertes Tier innerhalb von 2
Wochen nach der .\\nsteckung; 12 Tiere, von welchen 11 schwer angepickt waren
oder Eileitervorfall hatten, starben in der dritten Woche nach der Ansteckung.
Der Anstieg des H.H.-Titers nach der Ansteckung war deutlich. Für die Bestimmung
des H.H.-Titers wird eine .Arbeitsmethode angegeben, welche sowohl genau als auch
besonders einfach auszuführen ist.

Es zeigt sich, dass der LaSota-Stamm der atypischen Geflügelpest aufgrund seiner
sehr milden Reaktionen als Vakzin-Stamm geeignet ist und über eine ganze Lege-
periode gegen die atypische Geflügelpest schützt, wenn die Tiere zu Beginn der
Legetätigkeit geimpft wurden.

LITERATUUR

Böhm, H., Esp ig, I.: Vergleichende Untersuchungen von drei Virusstämmen
der atypischen Geflügelpest im Haemagglutinationstest.
Berl. Münch, tierärztl.
Wschr.,
74, 409, (1961).
Cunningham, Charles H.: A Laboratory Guide in Virology. 4th Ed. Burgess.

Publ. Comp. Minneapolis. U.S.A. pg. 81, (1960).
Hanson, R. P. and B r a n d 1 y, C. A.: Identification of Vaccine strains of New-
castle Disease Virus.
Science, 122, 156, (1955).
Hanson, R. P.: An intracerebral Inoculation test for determining the safety of

Newcastle Disease Vaccines. Am. J. vet. Res., 17, 16, (1956).
Markham, F. S. et al.: Newcastle Disease: A Serologic Study in vaccination and

revaccination. Cornell. Vet., 44, 324, (1954).
W i n t e r f i e 1 d, R. W., Goldman, C. and S e a d a 1 e, E. H.: Vaccination of
chickens with Bi, F and LaSota strain of Newcastle Disease virus, administered
through the drinking water.
Poultry Sc., 36, 1076, (1957).
Zuijdam, D. M.: Pseudo-vogelpest, vaccinatie en virusuitscheiding. Diss. Utrecht,

1952.

-ocr page 34-

Nakomelingen-onderzoek op reeessieve erfelijke
gebreken bij varkens U

Progeny testing pigs for recessive genetic defects,
door D. MINKEMA2)

Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord" te
Zeist.

Inleiding.

Erfelijke gebreken kunnen op velerlei wijzen geclassificeerd worden, doch
bij geen der indelingen zijn de overgangen tussen de klassen scherp. Voor
onderstaande beschouwing is het voldoende oni twee groepen te onder-
scheiden:

1. erfelijke gebreken, waarbij de er mee behepte individuen niet levens-
vatbaar zijn (letale factoren) of zich niet kimnen voortplanten.

2. erfelijke gebreken, waarbij de er mee behepte individuen weliswaar
afwijkend zijn, doch zich wel kunnen voortplanten.

Menig erfelijk gebrek en vooral dat met een uitgesproken schadelijk
effect — berust op de werking van één enkele reeessieve factor. De homo-
zygoot dominante individuen (A.A.) en de heterozygote (Aa) zijn uiterlijk
normaal. De heterozygoten zijn echter dragers van de ongewenste factor.
De homozygoot reeessieve individuen (aa) vertonen uiterlijk het gebrek.
Enkele veel voorkomende erfelijke gebreken bij varkens, die ieder°waar-
schijnhjk O]) één reeessieve factor berusten, zijn: waterhoofd, verlamde
achterbenen, ontbrekende ledematen, verdikte" ledematen en binnenbeer.
Het overervingspatroon van het gebrek „ontbrekende aarsopening" is
waarschijnlijk ingewikkelder. Het gebrek „balzakbreuk" schijnt oj/ twee
reeessieve factoren te berusten. Van verschillende afwijkingen staat verder
de wijze van overerving nog niet vast. Een mooi overzicht van de erfelijke
gebreken bij landbouwhuisdieren vindt men in het werk van B o g a r t
(1959).

In het volgende beperk ik me tot de gebreken, die op één enkel recessief
gen berusten.

Kunstmatige inseminatie en selectie tegen erfelijke gebreken.

Wanneer wij de gehele varkenspopulatie beschouwen, dan is het risico van
het verspreiden van ongewenste reeessieve genen bij kunstmatige insemi-
natie niet groter dan bij natuurlijke dekking (Johansson en Lush,
1959). Worden echter op een bepaald K.I.-station verscheidene beren in
successie gebruikt, die alle dragers van hetzelfde erfelijke gebrek zijn, dan
zal dit gebrek zich in dat gebied sterk uitbreiden.

Daarom is het bij een ruime mate van toepassing van K.I. van belang, dat

1) 144e publikatie van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord",
te^Zeist, tevens gepubliceerd in het
Landbouwkundig Tijdschrift, 74, 304,

Wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek
„Schoonoord", Zeist.

-ocr page 35-

de beren worden onderzoclit op erfelijke gebreken, üf men beren, die erfe-
lijke gebreken overerven, al dan niet van de fokkerij moet uitscbakelen,
zal natuurlijk mede bepaald worden door de ernst van de betrokken af-
wijking en door bim andere fokprestaties. In ieder geval kan de betrokken
K.I.-\\ ereniging er bij de aankoop van nieuwe beren rekening mee houden.
Bij \\oorkeur moet dan een op nakomelingen onderzochte beer worden aan-
geschaft, die niet hetzelfde erfelijke gebrek als zijn voorganger overerft.

Dieren, die het erfelijke gebrek uiterlijk tonen (aa), kunnen gemakkelijk
uitgeschift worden. Doch deze massaselectie is weinig effectief om het ge-
brek uit dc populatie te verwijderen, vooral als de frequentie van het re-
cessieve gen in de populatie laag is. Dc heterozygote dragers blijven het re-
cessieve gen verspreiden.

De afstamming en de collaterale verwanten verschaffen gewoonlijk slechts
vage aanwijzingen. De meest effectieve methode voor het opsporen van
dragers is het afstammelingen-onderzoek. Zodra één afwijkende nakome-
ling geboren wordt, staat vast, dat beide ouders dragers zijn van het be-
wuste recessieve gen.

Vijf methoden van nakomelingen-onderzoek.

Hieronder worden vijf verschillende methoden van nakomelingen-onder-
zoek van beren besproken. De eerste vier zijn o.ni. door Johansson en
Robertson (1952) voor runderen beschreven. K i n g (1955) heeft de
toetsen 3 en 4 voor varkens gemodificeerd. De vijfde methode heeft
Johansson (1961) voor runderen gepubliceerd. Deze wordt hier door
mij zodanig gewijzigd, dat ze ook voor varkens, waar de worpen uit meer
dan één dier bestaan, geldigheid heeft.

Bij alle vijf toetsen gaan we er van uit dat we slechts een risico van 5%
of minder willen lopen om ten onrechte te besluiten, dat de onderzochte
beer geen drager is. Dit is het bij landbouwproeven gebruikelijke risico.

1. DE BEER P.\\REN MET HOMOZYGOOT RECESSIEVE ZEUGEN (aa).

Dit is alleen mogelijk indien deze zeugen levensvatbaar en vruchtbaar zijn.
Indien de beer heterozygoot (Aa) is, dan is de kans dat de nakomelingen
normaal (Aa) zijn even groot als de kans dat ze van het recessieve type
(aa) zijn. De kans, dat een drager n normale nakomelingen in successie
levert is (/a) Dit is tevens de kans dat cen drager de toets doorloopt,
zonder als zodanig herkend te worden. Stellen we deze kans gelijk aan
0,05, dan is n = 4,3. Eén worp met uitsluitend normale nakomelingen —
en minstens vijf stuks — is dus voldoende om met minder dan 5% risico
te besluiten, dat de beer geen drager is.

Het bezwaar van deze metbode is, dat dergelijke homozygoot recessieve
zeugen meestal meteen opgeruimd worden en dus niet voorradig zijn.
Bovendien is het een toets op slechts één bekende recessieve factor, terwijl
letale factoren op deze wijze niet opgespoord kunnen worden.

2. DE BEER P.\\REN MET ZEUGEN, W.4.\\RVAN BEKEND IS DAT ZE
HETEROZYGOOT (Aa) ZIJN.

Deze zeugen moeten dus al eens een afwijkende nakomeling geworpen
hebben.

-ocr page 36-

Bij de paring van een Aa-beer met een Aa-zeug is de kans op een nakome-
ling van het normale type de kans op een nakomeling van het reces-
sieve type is De kans op het verwekken van n normale nakomelingen
in successie is
(3/4) Deze kans is 0,05 bij n = 10,4. Minstens 11 nor-
male nakomelingen in successie (en geen recessieven), dus la 2 normale
worpen, zijn noodzakelijk om met minder dan 5% risico te besluiten, dat
de beer geen drager is.

Heterozygote zeugen zijn bij een nauwgezette geboorte-registratie wel met
zekerheid te vinden. En ook in voldoende aantal als de frequentie van het
recessieve gen in de populatie niet al te gering is. Dikwijls zullen echter de
heterozygote zeugen opgeruimd worden, zodra ze een afwijkend jong wer-
pen. Het bezwaar van deze methode is — evenals methode 1 — dat het een
toets op slechts één bepaalde factor is, waarvan bet bestaan bekend moet
zijn. Wil men een beer op een groot aantal recessieve factoren onderzoeken,
dan zal hij gepaard moeten worden met veel zeugen, die ieder heterozygoot
zijn voor een verschillende factor.

3. DE BEER P.^REN MET ZIJN EIGEN DOCHTERS.

Indien de frequentie van het recessieve gen in de populatie vrij laag is,
en dat is meestal het geval, dan mogen we veronderstellen, dat praktisch
alle moeders van het homozygoot dominante type (AA) zijn. Is de beer
heterozygoot, dan zal de helft van zijn dochter het genotype AA hebben,
en de andere helft het genotype Aa. Van een willekeurige dochter is dus
de kans dat ze homozygoot AA is, gelijk aan de kans, dat ze heterozygoot Aa
is en wel /a.

Wordt nu de beer met zijn eigen dochters gepaard, dan zal hij bij zijn AA-
dochters slechts normale kinderen verwekken. De kans op normale kin-
deren is hier dus 1. Is zijn dochter heterozygoot, dan is de kans op een
nakomeling van het dominante type de kans op een nakomeling van
het recessieve type is ;4- De kans, dat een heterozygote beer bij een wille-
keurige dochter een normale nakomeling levert is J/a (1) /a (%).
Indien deze dochter n biggen werpt, dan is de kans, dat alle n dieren nor-
maal zijn: /a (1)" -f- \'/a (%)" . De kans, dat een dergelijke beer bij m
willekeurige dochters slechts normale nakomelingen levert, is [ J/a (1)"
J/2 (%) "l""- Hierbij wordt verondersteld dat iedere worp even groot is en
n biggen omvat.

De kinderen van een vader x dochter-paring zijn inteeltprodukten. Het
inteeltpercentage van deze dieren ligt in doorsnee 25% boven bet gemid-
delde inteeltpercentage van de populade. Uit de literatuur is bekend, dat
inteelt gepaard gaat met geringere worpgrootte. Indien we de gemiddelde
grootte van deze ingeteelde eerste worpen op 8 stellen, dan is de kans dat
een heterozygote beer bij m dochters slechts normale nakomelingen verwekt
(3/4)8]-.

Deze kans is 0,05 bij m = 5,0. Er zijn dus minstens 5 normale worpen van
verschillende dochters nodig om met een risico van 5% te besluiten dat de
beer geen drager is.

Bij eigenschappen, die tot één geslacht beperkt zijn (b.v. binnenbeer)
kunnen we de effectieve worpgrootte op 4 stellen. De kans dat een
heterozygote beer bij m dochters slechts normale kinderen verwekt is
[ Va !/2 (3/4)4 ]"■ . Deze kans is 0,05 bij m = 7,2. Indien de beer bij 8

-ocr page 37-

dochters in successie normale nakomelingen van het betreffende geslacht
levert, dan is het risico kleiner dan 5% dat we ten onrechte besluiten, dat
hij geen drager is.

Het bezwaar van deze methode is, dat het generatie-interval lang wordt.
Stel dat de beer op een leeftijd van 8 maanden begint te dekken, dan wor-
den 4 maanden later zijn nakomelingen geboren en deze kunnen pas een
jaar later zelf jongen krijgen. De beer is dan inmiddels minstens twee jaar
oud. En de meeste dekberen in Nederland bereiken deze leeftijd nauwelijks!
Bovendien geeft deze methode inteelt, dus o.m. kleinere worpen en is dus
duur.

Het voordeel is, dat het een toets is op alle recessieve factoren, die de beer
draagt.

4. DE BEER PAREN MET DOCHTERS VAN BEKENDE DRAGER.

Deze methode levert dezelfde resultaten als 3. Het voordeel ten opzichte
van de vorige toets is, dat ze geen inteelt geeft en dat ze ook het generatie-
interval niet verlengt. Het is echter slechts een toets op één specifiek re-
cessief gebrek en niet op alle, zoals toets 3.

5. VOLLEDIGE GEBOORTE-REGISTR.\\TIE VAN VELE WORPEN.

Deze methode houdt geen speciale proefparingen in, maar is gebaseerd op
een controle van nakomelingen (levend en dood geboren) van een groot
aantal worpen van willekeurige zeugen. Vooral bij toepassing van K.I.
kunnen van één beer veel zeugen geïnsemineerd worden. Indien de fre-
quentie van het recessieve gen in de populatie niet al te laag is, worden
eventuele dragers op deze wijze vrij snel ontdekt.

De frequentie van het dominante gen A geven we aan met p, die van het
schadelijke recessieve gen met q. Van de meeste bekende schadelijke re-
cessieve genen is de frequentie q vermoedelijk wel hoger dan 5%. Als de
frequentie van het recessieve gen zeer laag is, dan is het in het algemeen
niet nodig er tegen te selecteren. De moeite en kosten wegen dan niet
tegen het resultaat op.

Indien we veronderstellen dat de varkenspopulatie een toevalspopulatie is,
dan bestaat de volgende evenwichtsverhouding tussen de drie mogelijke
genotypen :

AA : Aa : aa = p2 : 2pq : q2.
Nemen we verder aan, dat de recessieve factor letaal is, dan ontbreken de
aa-genotypen. De frequentie van de AA-genotypen is dan

P^ ^ P
p2 -h 2pq 1 -I- q
(want p 4- q = 1 ) en de frequentie van de Aa-genotypen is:

2pq ^ 2q
p2 -f- 2 pq 1 4- q

Deze frequenties vertegenwoordigen tegelijk de kansen op het homozygoot
dominant, respectievelijk heterozygoot zijn van de zeugen, waarmee de
beer gepaard wordt.

Als de beer heterozygoot is, dan levert hij bij de AA-zeugen alleen normale

-ocr page 38-

nakomelingen. Bij paring met Aa-zeugen is 3/4 der nakomelingen normaal
en y^ afwijkend. Gesteld dat een worp n individuen omvat, dan is de kans
op uitsluitend normale nakomelingen bij paring met een willekeurige zeug-

Bij paring met m willekeurige zeugen is de kans op uitsluitend normale
worpen, ieder ter grootte n:

Dit is tevens de kans, dat een heterozygote beer niet ontdekt wordt.
Indien we de worpgrootte n op 10 stellen, de frequentie q van het reees-
sieve gen op 0,05 en de kans op het niet ontdekken van heterozygote dra-
gers tot 5% willen reduceren, dan neemt m de waarde 31,8 aan. Er moe-
ten dus minstes 32 normale worpen in successie geboren worden om met
een risico van minder dan 5% te besluiten dat de beer geen drager is.
Bij geslachts-beperkte eigenschappen is de effectieve toomgrootte 5. Onder
overigens gelijkblijvende voorwaarden neenU m nu de waarde 39,8 aan,
dat wil zeggen dat minstens 40 normale tomen in successie noodzakelijk
zijn. Hieruit blijkt tevens, dat het veel effectiever is om een beer met veel
zeugen te paren dan om te proberen van minder zeugen veel biggen te
])roduceren. (Hetzelfde geldt voor de methoden 3 en 4).
Deze toets houdt in, dat de eerste veertig tomen nauwkeurig geobserveerd
moeten worden. Rekening houdende met het feit, dat niet alle geïnsemi-
neerde zeugen drachdg worden, zullen ongeveer 50 zeugen met zaad van
de betreffende beer geïnsemineerd moeten worden.

De inspectie van de tomen kan door assistenten van het betrokken K.I.-
station gebeuren. Men kan het ook aan de fokkers zelf overlaten. In dat
geval moeten zij de geboortebewijzen naar het K
.I.-station opzenden en
het aantal en de aard der afwijkingen vermelden. De fokkers moeten
daarvoor door middel van illustratieve vlugschriften voorgelicht worden
om het herkennen van erfelijke gebreken mogelijk te maken.
De volledige geboorteregistratie van de tomen van de eerste vijftig ge-
ïnsemineerde zeugen is een toets op alle reeessieve genen, waarvan de fre-
quentie niet al te laag is.

De voor de praktijk meest geschikte methoden zijn vermoedelijk de toetsen
2 en 5.

SAMENVATTING.

Wanneer in de varken.sfokkerij veel gebruik gemaakt wordt van kunstmatige inse-
minatie, dan kan het van belang zijn om de beren met behulp van een nakomelingen-
onderzoek op het overerven van reeessieve gebreken te toetsen. Vijf verschillende
toetsen zijn besproken. De meest bruikbare toetsen zijn: a) het paren van de beer
met bekende heterozygote zeugen en b) de volledige geboorte-registratie van de
worpen van de eerste 50 geïnsemineerde zeugen.

Indien de frequentie van het reeessieve gen in de populatie 5% of hoger is, en men
past methode b toe, dan zijn 32 opeenvolgende normale worpen van elk 10 biggen
voldoende om met minder dan 5% risico te besluiten, dat de onderzochte beer geen
drager van het reeessieve gebrek is.

-ocr page 39-

SUMMARY.

If artificial insemination is frequently used in pigbreeding, it may be of great inte-
rest to progeny-test boars for the transmission of recessive defects.
Five different tests have been discusscd. The most useful ones are:

a) mating of the boars with known heterozygous sows;

b) complete birth-registration of the litters of the first fifty inseminated sows.

If the frequency of the recessive gene in the population is 5% or higher, and test b
is applied, then 32 successive normal litters of 10 piglets each are sufficient to decide
with a risk lower than 5% that the boar in question is not a carrier of the recessive
dcfect.

RÉSUMÉ.

Si on fait un usage fréquent d\'insémination artificielle, il peut être d\'importance
à examiner des verrats à l\'aide d\'un épreuve de la descendance à la transmission des
défauts récessifs.

Cinq touches différentes ont été discutées. Les touches les plus praticables sont:

a) l\'accoupler des verrats avec des truies hétérozygotes connues;

b) la régistration complète de la naissance des portées des premières cinquantes
truies inséminées.

Si la fréquence du gène récessif dans la population est 5% ou plus haut et qu\'on
applique la touche b, 32 portées normales successives — chacune composée de dix
cochons — sont suffisantes à décider avec moins de 5% risque que le verrat examiné
n\'est pas porteur du défaut récessif.

ZUSAMMENFASSUNG.

Wenn die künstliche Besamung in der Schweinezucht von groszer Bedeutung is, dann
kann es wichtig sein Eber mittels einer Nachkoimnenprüfung auf die Vererbung
rezessiver Defekte zu untersuchen.

Fünf verschiedene Teste werden hierbei besprochen. Die meist tauglichen sind :

a) die Paarung der Eber mit bekannten heterozygoten Sauen;

b) die vollständige Gcburts-Registration der Würfe der ersten fünfzig inseminierten
Sauen.

Wenn die Frequenz des rezessiven Genes in der Population 5% oder höher ist, und
man Methode b verwendet, dann sind 32 aufeinander folgende normale Würfe von
zehn Ferkeln je Wurf genügend um mit weniger als 5% Risiko zu entscheiden, ob der
untersuchte Eber kein Träger vom rezessiven Defekten ist.

LITERATUUR

B o g a r t, R. : Improvement of livestock. Mac Millan Company, New York, 1959.
Johansson, I. : Genetic aspects of dairy cattle breeding. University of Illinois
Press, Urbana, 1961.

Johansson, I. und Lush, J. L. : Zucht- und Selektionsmcthoden. In Hammond-
Johansson-Haring: Handbuch der Tierzüchtung. Band 2. Haustiergenetik (1959)
381, Paul Parey, Berlin, 1959.
Johansson, I. and Robertson, A.: Progeny testing in the breeding of farm
animals.
Proc. Brit. Soc. Anim. Prod., 17th meeting, 79, (1952).
79, (1952).

King, J. W. B.: The use of testing stations for pig improvement. Animal Breeding
Abstracts,
23, 37, (1955).

-ocr page 40-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een kunstsnavel bij een helmcasuaris

door G. H. P, J. GOUDA QUINT\')

Uit het Dierenziekenhuis „De Wagenrenk", Wageningen.

Een congenitale dysplasie van de bovensnavel van een helmcasuaris is een
dergelijk zeldzame bevinding, dat deze zich moeilijk leent tot een beschou-
wing over de mogelijke oorzaken hiervan. Het constateren van deze af-
wijking en het trachten een therapeutisch effect te bereiken, leidt derhalve
slechts tot een casuistische mededeling over onze casuaris.

Het begon met de mededeling van de oppasser van Ouwehand\'s Dierenpark,
dat een helmcasuaris in groei en ontwikkeling achter bleef bij zijn lotge-
noten uit hetzelfde broedsel, er was een duidelijk verschil in gewicht, om-
vang van de kop en anderszinds.

Reeds bij aankoop ten behoeve van het dierenpark was een verschil in
bouw van de bovensnavel opgevallen. Rij het gezonde exemplaar reikte de
bovensnavel enkele millimeters over de ondersnavel, derhalve normaal voor
een graan-pikkende vogel.

Bij onze patiënt echter bleef de bovensnavel meer en meer in ontwikkeling
achter, zodanig dat tenslotte de ondersnavel 2 cm vóór de bovensnavel uit-
stak. (zie afbeelding)

Hierdoor werd het de vogel steeds moeilijker graankorrels op te pikken en

-ocr page 41-

men zag de conditie dermate achteruit gaan, dat voor het behoud van de
vogel moest worden gevreesd.

Het was bekend dat in het dierenpark Blijdorp te Rotterdam bij een ge-
broken ondersnavel van een ander soortige vogel, getracht was een kunst-
snavel aan te leggen. Deze poging zou gedeeltelijk geslaagd zijn. Gedeeltelijk
omdat toen de prothese niet meer hield, de betrokken snavel zo veel was
bijgegroeid dat geen kunstsnavel meer nodig bleek.

Deze mededeling was voor ons aanleiding iets dergelijks voor de helm-
casuaris te overwegen.

Prothesen zijn in de diergeneeskunde een nog weinig bekende therapeu-
tische mogelijkheid, doch wij allen weten, veelal uit persoonlijke ervaring,
dat onze collega tandarts gewend is in deze materie te denken en te hande-
len.

Derhalve werd een tandarts bij bet dierenziekenhuis „De Wagenrenk",
waar het dier zijn poliklinische laehandeling zou ondergaan, in consult ge-
roepen.

Wanneer een kunstsnavel zou worden aangelegd, dan golden voor ons de
\\olgende vragen: welk materiaal moest worden gebruikt en hoe de pro-
these te bevestigen.

Bij de keuze van het materiaal golden de volgende condities: licht van ge-
wicht, stevig en vrij van erosie door welke oorzaken dan ook. Kunsthoorn
kon niet aan al deze voorwaarden voldoen, het metaal vitallium echter wel.
Bij de bevestiging leerden de mededelingen uit Rotterdam ons hierbij de
grootst mogelijke voorzichtigheid te betrachten. Een röntgenfoto gaf aan dat
er onvoldoende aangrijpingspunten zouden zijn om door middel van schroe-
ven of anderszinds blijvende bevestiging te verwachten.
Nu bleef het probleem over van bet vervaardigen van een kunsthelm over
de natuurlijke helm en de kunstsnavel als een „feestneus" over de onder-
ontwikkelde bovensnavel te schuiven.

Een tandtechniker verscheen in bet dierenziekenhuis en er werd met elas-
tisch afdrukmateriaal een negatief van de bovensnavel genomen, waarna
de vitallium prothese kon worden gegoten. Enkele smalle vitallium banden
zouden als een helm om de kop voor fixatie moeten zorg dragen.

Na enkele weken experimenteren was het zover en konden wij zien of de
prothese zou passen en hoe het dier hierop zou reageren.
Om volkomen aansluiting te verkrijgen ter voorkoming van een porte
d\'entrée voor vuil e.d. werd de metalen prothese van binnen met vloeibare
kunsthars bestreken en de kunstsnavel over de rudimentaire bovensnavel
geschoven. Alles paste en sloot perfect; alleen, de casuaris moest aan deze
toevoeging wennen en probeerde door befUg kopschudden zich van de
kunstsnavel te ontdoen.

-ocr page 42-

IVrug in zi jn hok bk-ck het resultaat ; cle vogel kon na gewenning normaal
zijn graantje meepikken en zijn conditie verbeterde zienderogen.

Bij controle enkele weken later bleek, na het losschroeven en afnemen van
de prothese, dat zich niet het minste vuil tussen snavel en kunstsnavel had
weten te dringen en dat cle banden geen enkel drukeffect op de hoornlaag
hadden uitgeoefend.

Het kan zijn dat het beoogde doel, normale groei van het dier, zich tegen
de therapie zal keren, zodat de groeiende kop de banden zal gaan afschuiven
oi dat decubitus of druknecrose gaat optreden. Correctie zal dan nodig zijn.
Een zeker le verwachten mogelijkheid is, dal de banden — als bij een cir-
culaire band om een boom omgroeid zullen worden door dc hoornlaag.
Kleur en vorm zijn zo gekozen dal slechts obsenalie \\ an nabij doet bemer-
ken dat deze helmcasuaris iets kimstmatigs draagt.

Zijn soort- en hokgenoot gaf door heftig pikken op hel \\itallium le ver-
staan, dat deze ook cosmetische \\erandering wel degelijk indruk maakte.
De beide foto\'s gc\\en lenslolle een duidelijk beeld van de situatie vóórdat
lot het aanbrengen van de [jrolhcse werd o\\ ergegaan, en daarna.

Dankbetuiging.

Deze reddende ingreep zou niet mogelijk zijn geweest zonder de medewerking van de
tandarts H. C. V e r h a a f te Heelsum en het tandtechnisch laboratorium B a k k u s
te Bergen op Zoom, aan wien voor deze hulp mijn hartelijke dank.

S.AMEXVATTING.

Beschreven wordt een geval van congenitale dysplasie van de bovensnavel van een
helmcasuaris, welk gebrek succesvol wordt verholpen door het aanbrengen van een
kunstsnavel.

-ocr page 43-

REFERATEN

Algemeen

RADIO-ACTIEVE NEERSLAG IN IERLAND IN 1960.

Deze vanwege de Ierse regering uitgegeven publikatie beschrijft de resultaten van
een onderzoek naar het Sr\'^-gchalte in melk gedurende de zomermaanden van 1960.
De melkmonsters zijn afkomstig van de beide grote bevolkingscentra in Ierland,
namelijk Dublin en Cork.

Na een algemene inleiding over de eigenschappen van fall-out nucliden, in het bij-
zonder Sr"", wordt de procedure van monstername beschreven. De monsters zijn
onderzocht in het routinelaboratorium van de Agricultural Research Council in
Engeland. De gemiddelde hoeveelheden micromicrocurie Sr"" per gram Ca zijn
respectievelijk voor Dublin en Cork, 9.06 en 11.65.

Bij een discriminatiefactor van 4 tussen de hoeveelheid Sr"" in de geconsumeerde melk
en de hoeveelheid Sr"" die in het skelet van de mens wordt vastgelegd, komt men tot
de volgende waarden voor de depositie van Sr"" in het bot, eveneens uitgedrukt in
micromicrocurie Si-"" per gram Ca: 2.26 en 2.91. De hieruit resulterende stralings-
doses is minder dan 1/20 van de waarde die als maximaal toelaatbare dosis wordt
beschouwd. Vergelijkt men de stralingsdosis met die welke de mens als natuurlijke
straling ontvangt, dan blijkt deze dosis minder dan 1/12 van die der natuurlijke
straling te bedragen. Geconcludeerd wordt dat de in 1960 gevonden Sr"°-waarden
in melk geen reden tot ongerustheid behoeven te geven.

/. van den Hoek.

Bacteriële- en virusziekten

ANTIBIOTICA-RESISTENTE STAFYLOKOKKEN IN EEN DIERENHOSPI-
TAAL.

N i c h o 1 s, A. C. and Live, I.: The animal hospital as a source of antibiotic re-
sistant staphylococci.
]. inf. Dis., 108, 195, (1961).

Gedurende de cursus 1956-1957 traden bij een hoog percentage der oudere jaars
veterinaire studenten aan de universiteit te Philadelphia, stafylokokken-infecties op
(huidabcessen, furunkels, cellulitis paronychia). Dit verschijnsel trad op bij het be-
gin van de klinische werkzaamheden in het 4e studiejaar.

Verder bleek ongeveer 50% van deze studenten drager van twee bepaalde stafylo-
kokkenfaagtypen, die antibioticum-resistent waren.

Hoewel onder de honden die in het hospitaal waren opgenomen geen manifeste stafy-
lokokkeninfecties voorkwamen, werd toch een onderzoek ingesteld naar het voor-
komen in de neus. Hierbij bleek dat van 445 poliklinische patiënten er maar 2 stafy-
lokokken van de bewuste faagtypen herbergden. Daarentegen waren van 114 opge-
nomen honden 11,4% besmet.

De schrijvers concludeerden hieruit, dat veterinaire hospitalen voor mens en dier als
cen infectiebron van antibioticum-resistente stafylokokken kunnen fungeren. Dieren
die opgenomen geweest zijn, kunnen deze weer onder de mensen verspreiden.

C. A. van Dorssen.

DE ISOLATIE VAN SALMONELLAE UIT DE MESENTERIALE LYMF-
KLIEREN VAN DE MENS.

Baylet, R. J., .\\rmengaud, M. et K e r r e s t, J.: Isolement des Salmonelles
a partir de ganglions mcsentériques humains.
Buil. Soc Pathol. Exotique, 53 779,
(1960).

Recente onderzoekingen hebben uitgewezen, dat uit de mesenteriale lymfklieren van
Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, afl. 1.3, 1962 917

-ocr page 44-

klinisch gezonde varkens in een zeer hoog percentage Salmonellae kunnen worden
afgezonderd (zie
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 77, (1962)). Vergelijkend pathologisch
is daarom het onderzoek van Ba y 1 e t c.s. zo belangwekkend, omdat zij uit de mesen-
teriale lymfklieren van 5 personen, uit een serie van 20 willekeurig gekozen secties,
Salmonellae hebben geïsoleerd.

In het artikel worden als doodsoorzaak bij deze isolaties vermeld: chronische nefritis,
een kind met anemie, syfilitische aortitis, mazelen met complicatie en een maligne
malaria. Bij geen van deze 20 patiënten was er ook maar enig vermoeden van een
salmonellose.

Salmonella typhi werd geïsoleerd uit de mesenteriale lymfklieren van de patiënt met
malaria, zodat het niet uitgesloten is dat er een dubbele besmetting geweest is, waarbij
de malaria de symptomen van tyfus heeft gemaskeerd. Bij de overige vier gevallen
zijn er slechts aanwijzingen dat de
Salmonellae zich hebben kunnen handhaven ten-
gevolge van een verminderd weerstandsvermogen. In hoeverre deze
Salmonellae nog
hebben bijgedragen tot de doodsoorzaak, valt niet uit te maken.
Gevonden werden
S. montevideo, S. welikada (2x) en S. tilène. Genoemde onder-
zoekers hebben bij 17% van door hen onderzochte varkens uit de mesenteriale lymf-
klieren een
Salmonella geïsoleerd en vinden dus vrijwel eenzelfde percentage bij de
mens.

Dit onderzoek werd verricht te Dakar waar Salmonellosen, veroorzaakt door uiteen-
lopende serotypen, bij de mens zeer algemeen voorkomen.

(Hier rijzen onder meer de vragen: a. welk percentage salmonelladragers zal men
in Nederland bij de mens in de lymfklieren vinden; b. berust immuniteit tegen de
„andere
Salmonellae" mogelijk op een infectie-immuniteit (premuniteit) ? Ref.)

H. A. E. van Tongeren.

BESMETTING EN HERBESMETTING BIJ TUBERCULOSE.
Vermeulen, A. C. M.: Proefschrift, Leiden 1961.

Vermeulen deed een onderzoek naar het voorkomen van tuberculose bij 496
uit Noord- en Zuid-Holland afkomstige personen die aan andere ziekten dan tuber-
culose waren overleden, en vergeleek de uitkomsten met gegevens van Korteweg
(Amsterdam, 1925), Straub (Amsterdam, 1934) en Van R ij s s e 1 (Groningen,
1950).

Terwijl men omstreeks de eeuwwisseling vond dat ongeveer 90% van de bevolking
bij het bereiken van de volwassen leeftijd een tuberculeuze infectie had doorge-
maakt, bleek dat tegenwoordig dit percentage nauwelijks 20% bedraagt.
De intestinale besmetting bij het Leidse materiaal bedroeg 11%, terwijl het Gro-
ningse materiaal van 1950 slechts 6% opleverde. Dit wordt met de gunstigere si-
tuatie t.o.v. de t.b.c.-bestrijding van het rundvee in het Noorden in verband ge-
bracht.

Vermeulen nam verder waar dat het aantal reïnfectics sterk afnam. Het meren-
deel hiervan bleek op een hernieuwde exogene besmetting te berusten. Ook het snellere
afnemen van deze reïnfectics bij verminderde besmettingskansen, pleit voor het exo-
gene karakter.

Uit de lokalisatie van de haardjes in de diverse longgedeelten leek het niet waar-
schijnlijk dat deze reïnfectie-haarden aanleiding tot ftise hadden kunnen geven.

C. A. van Dorssen.

GEVOELIGHEID VAN HUISDUIVEN VOOR PSEUDOVOGELPEST.

R e u s z, U.: Die Empfänglichkeit der Haustauben für die atypische Geflügelpest.
Mh. Tierheilk., 13, 153, (1961).

Door parenterale infectie is pseudovogelpest op duiven over te brengen. Terwijl
intramusculaire en intraveneuze injecties met zekerheid dodelijk zijn, is de perorale
infectie, met voor de kip zeker dodelijke dosis, maar zelden in staat, al dan niet
dcxlelijke, ziekteverschijnselen op te wekken. Wel worden, na het symptoomloze door-

-ocr page 45-

staan van de infectie, antilichamen in het bloed gevonden. Alleen bij klinisch zieke
duiven kan het virus in de faeces worden aangetoond. Contactinfectie met aan
pseudovogelpest lijdende hoenders gelukte niet.

R e u s z komt tot de conclusie dat duiven voor de verspreiding van pseudovogelpest
praktisch niet van betekenis zijn en bevestigt daarmede dus het algemeen aan-
genomen standpunt.

C. A. van Dorssen.

Farmacologie en toxicologie

WERKING VAN CHLOORPROMAZINE OP PROEFHONDEN.

K r a u s, G. E. und Selawry, O. S.; Uber die Wirkung des Chlorpromazins auf
fiebernde und überwärmte Hunde.
Arch. exp. VetVed., XIV, 349, (i960).
De genarcotiseerde honden werden op hoge temperatuur gebracht in een waterbad,
door het water per minuut 0,1-0,2° C te doen stijgen.

Een deel van de honden werd ingespoten met 25 mg Chlorpromazin per 25 kg
lichaamsgewicht. Zowel de controlehonden als de ingespoten honden vertoonden een
temperatursstijging die echter 2-3° C beneden die van het water bleef.
Na een temperatuursstijging van 0,2-0,6° C trad hijgen op, dat overging in stotende
ademhaling.

Bij honden op een temperatuur van 42-44° C gebracht, was het mogelijk, door intra-
veneus om de 5 minuten 5 mg/kg chlorpromazin in te spuiten tot een totaal van 60
mg/kg, na de eerste injectie dit stoten van de ademhaling gedurende enkele minuten
te doen ophouden; op de lange duur daalde de ademhalingsfrequentie tot de helft.
Op het temperatuurverloop zelve wordt geen invloed gezien.

Er werd geen invloed gezien van chlorpromazin op de temperatuur en de ademhaling
van honden waarbij dc temperatuur met dinitrophenol 2-3° C werd opgevoerd.
Met lipopolysaccharide subcutaan, intraveneus en subarachnoidaal toegediend, wer-
den temperatuursstijgingen tot 42,6° C opgewekt. Deze hoge temperatuur trad op na
een half uur tot één uur met koude rillingen en soms braken; dit duurt 2-6 uur.
Een minimale dosis van 5 mg/kg chlorpromazine was in staat de temperatuursstijging
± 2 uur te vertragen. Door, wanneer de temperatuur al verhoogd was, minstens
10 mg/kg toe te dienen, was de temperatuur tot dalen te brengen.

G. H. B. Teunissen.

VERGIFTIGING DOOR D-HYPERVITAMINOSE.

B 1 a z e k, K.: Beitrag zur Morphologie der medikamentösen D-Hypervitaminose bei
Fleisch fressern.
Arch. exp. VetMed., XIV, 336, (i960).

Schrijver heeft zowel bij honden als bij een panter en een tijger vergiftiging door
vitamine D-hypervitaminose waargenomen.

De honden kregen 400.000 I.E. ineens, of 1,2 miljoen tot 10 miljoen I.E. over een
maand verdeeld.

Het klinisch beeld verloopt onder verschijnselen van de zijde van het maagdarm-
kanaal, van de nieren en van het zenuwstelsel, gepaard gaande met snelle vennagering.
De symptomen kunnen lang achterwege blijven, zodat de dieren onverwacht sterven.
Treden wèl ziekteverschijnselen op, dan is de duur meestal twee tot drie weken en
zijn de symptomen die van schrompelnieren.

In de tubuli contorti bevinden zich kalkafzettingen, het epitheel wordt necrotisch.
Afvoerkanaaltjes kunnen verstopt raken met kalkcylinders. De kalkafzettingen in het
pyelumslijmvlies zijn al macroscopisch waar te nemen. Ook in de media van de
vaten in het interstitium is kalk afgezet. Deze kalkafzettingen kunnen verdwijnen;
de bindweefselvermeerdcring blijft, wanneer het toedienen van vitamine D in grote
dosering wordt gestopt.

De longen zijn oedemateus, terwijl het interstitium lymfocyten, plasmacellen en histio-

-ocr page 46-

cyten bevat. In de alveolairwanden, in het bronchiaalslijmvlies en ook in het oedeem-
vocht bevinden zich kalkneerslagen.

In de maagwand zet zich, speciaal in de klieren, kalk af. In het darmkanaal en in
de lever wordt zelden kalk gevonden.

In de hersenen wordt passieve hypcremie, degeneratie of schrompcling van ganglion-
cellen, bloedingen, meningitis en enkele kalkafzettingen in de bloedvaten van de
kleine hersenen plexus gevonden.

In de hartspier kunnen haardvormige verkalkingen of verkalkingen in de vaatwand
ontstaan.

Het vitamine D bevordert de kalkresorptie in de darm en de fosfaatuitscheiding in
de nier. Het Ca- en P-gehalte in het bloed dalen, ten gevolge waarvan deze uit dc
botten in de circulatie komen, die vervolgens weer in de organen worden afgezet.
Verhoogde bloed-calcium spiegel geeft spierzwakte, braken en obstipatie en vermin-
derde prikkelbaarheid van zenuwen en musculatuur.

G. H. B. Tennissen.

Heelkunde

KREUPELHEDEN BIJ PAARDEN.

Gray, J. E.: Some clinical observations. Vet. Ree., 73, 1375, (1961).
Hoewel de titel van het artikel, dat geschreven is naar aanleiding van een gehouden
voordracht op een symposion over „equine practice" dit niet zou doen vermoeden,
handelt het vrijwel uitsluitend over kreupelheid bij paarden, z.g. „footy horses".
Hierbij gaat het in de meerderheid der gevallen om rijpaarden van 7 jaar of ouder
met een wisselende mate van kreupelheid, gelokaliseerd in één of beide voorbenen.
De eigenaar denkt in de regel dat het een schoudcrkreupelheid is, hoewel de oorzaak
gezocht moet worden in de ondervoet met degeneratieve veranderingen van straal-
en hoefbeen.

Schrijver onderscheidt een drietal vormen: nl. podotrochleitis, ostitis van het hoefbeen
c.q. der hoefbeenstakken en verbening van het laterale hoefkraakbeen (zijbeen).
Schrijver hecht voor de diagnose van podotrochleitis nogal waarde aan pijnreactie
bij palpatie boven de hoefballen. De prognose van podotrocJileitis is ongunsti,g en
het instellen van een therapie heeft gewoonlijk alleen een uitstel van executie tot
gevolg. Alleen een klein percentage van zeer vroeg gediagnostiseerde gevallen zou
kunnen genezen, indien de dieren voldoende rust wordt gegund. Als therapie (ter
verlenging van de bruikbare periode) kunnen cortisoninjecties in dc bursa podo-
trochlearis dienen. Neurcctomie is een behandelingsmethode die in veel gevallen echter
het paard langer bruikbaar doet blijven. De vooruitzichten van een paard, dat slechts
aan één been kreupel is, zijn beter dan waarbij beiderzijds moeilijkheden aanwezig zijn.
Gewoonlijk wordt neurectomie verricht van de achterste kootzenuwen, maar soms
vindt schrijver het noodzakelijk mediaal een hoge neurectomie te verrichten, terwijl
lateraal wordt volstaan met de achterste kootzenuw. Ook deze vorm van therapie is
echter tijdelijk: vaak kan een dergelijk paard nog één a twee seizoenen meegaan, maar
als het andere been ook aangetast raakt of het proces zich uitbreidt boven het ge-
denerveerde gebied, treedt opnieuw kreupelheid op.

Voor ostitis van de hcK-fbeenstakken is rust noodzakelijk en beweging op zachte voch-
tige bodem zeer bevorderlijk voor de genezing.

Vervolgens worden in het kort genoemd: overhoef, chronische en subacute hoef-
bevangenheid (vooral bij ponies) en de verbening van de hoefkraakbeenderen.
De aetiologie van al deze aandoeningen is onduidelijk, maar de schrijver denkt, dat
het vele gebruik op harde bodem één van de belangrijkste oorzaken is. De aard van
het beslag kan ook een rol spelen, b.v, antislipzolen zouden ongunstig werken. Volgens
de auteur is er weinig reden podotrochleitis als een erfelijke ziekte te bestempelen,

A. W. Kersjes.

-ocr page 47-

HET GEBRUIK VAN CORTICOSTEROIDEN BIJ KREUPELHEDEN.

W i 1 k i n s, J. H.: A review of the therapeutic use of corticosteroids in equine
lameness.
Vet. Ree., 73, 1383, (1961).

Het artikel bevat een literatuuroverzicht van de bereikte resultaten met de toepassing
van corticosteroiden bij diverse oorzaken van kreupelheden bij paarden, hetgeen aan-
gevuld wordt met enige eigen ervaring.

Schrijver legt er nog eens de nadruk op, dat alleen in vroege stadia van de ontsteking
gunstig resultaat kan worden verkregen. Bij goed gelokaliseerde aandoeningen ver-
dient de plaatselijke toediening natuurlijk de voorkeur, maar bij vage „hoog geloka-
liseerde" kreupelheden kan de intramusculaire injectie van groot nut zijn. Heeft de
ontsteking een chronisch stadium bereikt met ontwikkeling van exostosen e.d., dan
rest niet anders meer dan terug te grijpen op therapieën zoals scherp smeren en
branden. Er wordt nog op gewezen dat de interpretatie van röntgenfoto\'s dikwijls
voorzichtig moet geschieden en moet passen in het klinisch beeld.
Vrij uitvoerig wordt stilgestaan bij podotrochleitis (navicular disease). Schrijver be-
schouwt de podotrochleitis als een lokale manifestatie van een gegenerahseerde osteo-
artritis, waarvan de predispositie erfelijk is bepaald en tevens afhankelijk is van de
voeding, maar waarbij „concussion" als de directe oorzaak moet worden aangemerkt.
Drie vormen van podotrochleitis worc\'.en onderscheiden:

1) tendinitis,

2) bursitis (podotrochlearis),

3) osteoartritis (dus gekenmerkt door podotrochleose).

De derde vorm zou gewoonlijk het gevolg zijn van de eerste twee, maar kan ook
primair optreden. Alleen het derde stadium kan röntgenologisch worden vastgesteld.
De auteur heeft 31 gevallen van podotrochleitis behandeld met lokale hydrocortison-
injecties. Hiervan hadden 14 een positieve röntgenfoto en bij deze dieren verdween de
kreupelheid van enige dagen tot meer dan een jaar. De 17 overigen waren „negatief"
en hiervan zijn er 10 blijvend (voor zover bekend) genezen; 7 waren periodiek rad.
Vervolgens wordt het gebruik van corticosteroiden besproken bij aandoeningen van
of in de omgeving van het kootgewricht, de buigpezen en bij sesamschede-ontsteking,
bursitis praecarpalis en carpitis, aandoeningen van sprong-, knie- en heupgewricht.
.Algemene toediening van corticosteroiden kan, naast de reeds genoemde vage
„hoog gelokaliseerde" kreupelheden, van belang zijn bij hoefbevangenheid en
lymfangitis.

A. W. Kersjes.

Kunstmafige Inseminatie

GLYCERINE-TOEVOEGING AAN ONDERMELK-BUFFER VOOR STIERE-
SPERMA.

S t O w e r, J. and C e m b r o w i c z, H. J. (Langford, Engeland) : The influence of
glycerol on the fertility of bovine semen diluted in skim milk-egg yolk buffer.
Rapport
IVe Int, Congres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen, 1961.
In vier proefreeksen werd de invloed op de bevruchtingsresultaten nagegaan van de
toevoeging van glycerine aan een sperma-verdunner, bestaande uit verse ondermelk
(10 min. verhit op 92-95° C), met 5% eidooier en 50 mg% streptomycine.
In drie van de vier proeven werd de glycerine een zekere tijd na het opvangen ge-
fractioneerd aan het voorlopig verdunde sperma toegevoegd; in de vierde proef had
direct na het opvangen van het sperma verdunning met de „glycerine-buffer" plaats.
Onderzocht werd:

a. de invloed van glycerolisatie bij kamertemperatuur (20° C), ca. 30 minuten na
het opvangen van het sperma, in 3 fracties over een tijdsverloop van 15 minuten,
tot een eindconcentratie van 10%. Bij gebruik van het sperma tot en met de

-ocr page 48-

4e dag na het opvangen had deze toevoeging geen enkel (gunstig noch schadelijk)
effect;

b. de invloed van glycerolisatie (eindconcentratie 10%) bij 5° C, eveneens in 3
fracties, doch nu over een tijdsverloop van 30 minuten, 2 uren na het opvangen
van het sperma, bij gebruik hiervan op de 2e en de 6e dag.

De percentages „non-returns" na 90-120 dagen bedroegen resp. 67,8 en 54,5.
Dit laatste percentage wordt gunstig genoemd in vergelijking met (niet vermelde)
resultaten, welke de schrijvers verkregen met 4e dags geglyceroliseerd sperma en
met diepvries-sperma;

c. de invloed van glycerolisatie als onder b., van in de namiddag opgevangen sper-
ma, dat in hoofdzaak de volgende dag werd gebruikt (dus na „equilibratie").
De bevruchtingsresultaten in de „proef" waren hoger dan die van de controles
(geen glycerolisatie), n.1. 76,6% tegen 74,5% „non-returns" na 30-60 dagen, doch
dit verschil was niet significant;

d. de invloed van een directe verdunning met een ondermelk-eidooier-buffer met
2,5% glycerine. Hier waren de bevruchtingsresultaten in de proef lager dan die
van de controles, n.1. 74,1% tegenover 79,3% „non-returns" na 30-60 dagen,
maar dit verschil was evenmin significant.

R. Strikwerda.

GLYCERYL FOSFORYL CHOLINE IN SPERMA EN GESL./VCHTSORG.^NEN.

W h i t e, I. G., Wallace,;. C., W a 1 e s, R. G. and S c o 11, T. W.: The occur-
rence and metabolism of glyceryl phosphoryl choline in semen and the genital tract.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen, 1961.

Zoogdier-sperma vormt één van de rijkste bronnen voor vrije choline en in water op-
losbare choline-verbindingen. Er blijkt hier voornamelijk sprake te zijn van een
tweetal verbindingen nl. phosphorylcholine (p.c.) en glyceryl-phosphorylcholine
(.g.p.c.).

De verhouding waarin deze verbindingen in het sperma voorkomen wisselt bij de
verschillende species. Zo komt in humaan sperma praktisch alleen p.c. voor, terwijl
bij de ram, stier, beer, bok, hengst en konijn praktisch alle gebonden choline g.p.c.
is. Bij de stier, beer en ram vormt de epididymis een bijzonder rijke bron aan g.p.c.
Het g.p.c. wordt hier ter plaatse afgescheiden. .Ms zodanig is g.p.c. door de sperma-
tozoa niet voor hun stofwisseling te benutten. Eén van de componenten waaruit het
g.p.c. is opgebouwd nl. het glycerol of phosphoglycerol kan wel door de spermatozoa
als energiebron gebruikt worden.

Door de auteurs is nu een onderzoek ingesteld naar het mogelijk voorkomen van een
enzym in de vrouwelijke geslachtsgangen bij dc ooi, dat in staat is het g.p.c. in zijn
componenten te splitsen. Zij menen inderdaad een dergelijk enzym in de secreties
van de uterus en oviduct te kunnen aantonen. Dit enzym zou het g.p.c. splitsen in
choline en phosphoglycerol, welke laatste stof door de spermatozoa na afsplitsing
van het choline geoxydcerd kan worden tot melkzuur en dit op zijn beurt weer ver-
der tot koolzuur en water. Dc zuurstofspanning in de vrouwelijke geslachtsgangen
zou, volgens een uit de literatuur bekend onderzoek bij konijnen, groot genoeg zijn
om dit mogelijk te maken.

De spermatozoa zouden op deze wijze dus beschikken over twee energiebronnen. In
de eerste plaats fructose, dat door de accessoire klieren wordt afgescheiden en op het
moment van de ejaculatie aan de spermatozoa wordt toegevoegd en dan ook on-
middellijk benut kan worden en in de tweede plaats g.p.c. dat door de epididymis
afgescheiden wordt en zich op het moment van de ejaculatie reeds bij de sperma-
tozoa bevindt, maar door deze als zodanig niet benut kan worden.
Deze energiebron zou pas beschikbaar komen wanneer de spermatozoa de vrouwelijke
geslachtsgangen bereikt hebben.

ƒ. G. Aalbers.

-ocr page 49-

CONSERVERING VAN SPERMA BIJ KAMERTEMPERATUUR.

N O r m a n, G. (Morgantown, U.S.A.): Prolonged survival of metabolically and
functionally active mammalian sperm at room temperatures.
Rapport IVe Int. Con-
gres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen, 1961.

Ten behoeve van het fysiologisch sperma-onderzoek ontwikkelde de schrijver een
verdunningsvloeistof voor stieresperma, bestaande uit met natriumcitraat gebufferde
kokosmelk (pH = 7,1), waaraan toegevoegd penicilline, streptomycine en sulfa-
nilamide. Aan met deze buffer verdund sperma werden de schadelijke effecten van
koude-shock, oxydatie en het zichtbare licht bestudeerd.

Oxydatie treedt o.a. op tijdens de bewaring en het vervoer van sperma in onvolledig
gevulde buisjes. Ook het effect van het licht wordt aan oxydatie, vermoedelijk van
bepaalde cel-eiwitten, toegeschreven (fotochemische oxydatie). In beide gevallen
ontstaat het voor de zaadcellen zeer schadelijke
H2O2. Met name het licht van korte
golflengte (de blauw-violette component van het spectrum) bleek een ongunstige
werking te hebben.

Teneinde bovengenoemde effecten te ondervangen, werden nog eidooier en katalase
aan de verdunner toegevoegd en werd de sperma-verdunning tevens in het donker
bewaard.

Het aldus verdunde en bewaarde sperma bleek zelfs bij kamertemperatuur (25 ±
2° C) zijn percentage levende zaadcellen, zomede zijn be>^\'eeglijkheid, respiratie en
glycolysis, over een periode van 7-10 dagen op een vrij constant en bevredigend
niveau te handhaven en vormde daardoor een uniek materiaal voor de bestudering
van de fysiologische en biochemische mechanismen, die aan de overleving en de
veroudering van mannelijke kiemcellen ten grondslag liggen.

Voorts bleek ook het bevruchtend vermogen uitstekend op peil te blijven, getuige de
bevruchtingsresultaten, welke bij een praktijkproef over 8 dagen bij 710 geïnsemi-
neerde dieren gemiddeld 71,21% „non-returns" na 60-90 dagen bleken te zijn (van
88,89% le dag afnemend tot 55,56% 8e dag).

Momenteel wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een buffer met hetzelfde effect,
doch samengesteld uit welomschreven, chemisch zuivere componenten.

R. Strikwerda.

Sfofwisselings- en deficiëntieziekten

LONGJACHT.

Moulton, J. E., Har void, J. B. and Horning, M. A.: Pulmonary Emphy-
sema in Cattle, ƒ.
Am. vet. med. Ass., 139, 669, (1961).

Volgens de schrijvers werd longjacht beschreven in de Engelse, Franse, Nederlandse
en Canadese literatuur, alsmede in de literatuur in de Verenigde Staten van Amerika.
In het westen van de Verenigde Staten schijnt het voorkomen van de ziekte in fre-
quentie toe te nemen. Aan de hand van enkele gevallen wordt de ziekte omschreven.
Ten aanzien van de aetiologie brengt dit artikel weinig nieuws. Een allergische oor-
zaak wordt verondersteld.

De schrijvers beschouwen deze ziekte als één van de belangrijkste longziekten, die
vooral bij volwassen runderen voorkomt.

(Ook wij hebben de indruk, dat deze ziekte bij ons steeds meer voorkomt. Ref.)

P. Tacken.

-ocr page 50-

BOEKBESPREKING

DIE ERWEITERUNG, VERLAGERUNG UND DREHUNG DES LABMAGENS
BEIM RIND.

G. Dirksen.

{/2/ pag., 38 afb., Verlag Paul Parey, Berlin 1962. D.M, 24,-)
Het lijkt een goede greep van de uitgever de als „Habilitationsschrift" bedoelde
Studie van G. D i r k s e n over de dilatatie, de dislocatie en de torsio van de lebmaag
bij het rund in de vonn van een monografie te doen verschijnen.

Na een uitvoerige inleiding over de topografie, de anatomie en de fysiologie van de
herkauwersmagen volgt een systematische bespreking van de tot nu toe belangrijkste
hggingsveranderingen van de lebmaag, te weten de linkszijdige en de rechtszijdige
verplaatsing. Het wezen, het voorkomen, de oorzaak en ontwikkeling, de sympto-
matologie, het laboratoriumonderzoek, de pathologische anatomie en tenslotte de
behandeling worden aan de hand van eigen ervaring, onderzoek en literatuurstudie
zodanig uitvoerig belicht, dat de oppervlakkige lezer de indruk kan krijgen dat hier-
mee het probleem wel is opgelost.

Dit is zeker niet het geval. Wel is het voor de practicus een zeer goede basis om met
meer inzicht en begrip een (operatieve!) behandeling in te stellen.
Voor de clinicus met mogelijkheden tot laboratorium en experimenteel chirurgische
onderzoekingen kan het een bron van inspiratie zijn tot onderzoek naar tal van vragen,
waarop het antwoord nog niet is gevonden. De practicus met een rundveepraktijk en
wien de individuele behandeling nog na aan het hart ligt mag niet verzuimen deze
monografie aan zijn bibliotheek toe te voegen. De talrijke zeer goede schematische
voorstellingen en foto\'s maken het lezen ervan tot een niet moeilijke opgave.

Het valt buiten het bestek van een korte boekbespreking een kritische analyse te
geven van de veie in dit bo<*kje besproken onderwerpen.
Men leze zelf, het is zeer de moeite waarde.

S. R. Numans.

PHYSIOLOGY OF REPRODUCTION AND .ARTIFICIAL INSEMINATION
OF C.\\TTLE.

G. W. Salisbury and N. L. V a n d e m a r k.

fiv. ff. Freeman & Company, San Francisco and London, 196L 639 pp; met teke-
ningen van E. Towne. Prijs: $ 12.50 of 90 s.)

De auteurs zijn beiden als hoogleraar verbonden aan dc Universiteit van Illinois,
Urbana. Beiden, doch in het bijzonder eerstgenoemde, zijn goede bekenden in ons
land. Beiden zijn zoals bekend bij uitstek deskundig op het door hen samen beschre-
ven onderwerp van de fysiologie van de voortplanting en de kunstmatige inseminatie
bij rundvee.

De opgave, welke de auteurs zich hebben gesteld, bestond eruit een werk te schrijven,
dat voor verschillende groepen lezers toegankelijk zou zijn. De auteurs zijn hierin
voor zover mogelijk voortreffelijk geslaagd. Inderdaad zullen studenten, dierenartsen,
onderzoekers, doch ook inseminatoren en veehouders, veel van hun gading kunnen
vinden in het op bijzonder kritische wijze in drie delen bijeengebrachte materiaal.

Het eerste deel („the soil and the seed") betreft de anatomie van het genitaalappa-
raat en de fysiologie van de voortplanting. In het tweede deel („the storage and the
planting") worden behandeld de sperma-fysiologie, de behandeling, de houdbaarheid
en de bewaring van het sperma, en tenslotte de techniek van de kunstmatige inse-
minatie. Het derde en laatste deel („the cultivation and the harvest") betreft een
kritische behandeling van de factoren, die de voortplantingspotentie van zowel de
koe als de stier kunnen beïnvloeden.

-ocr page 51-

Ieder deel wordt begonnen met een inleiding, die in het bijzonder demonstreert op
welke wijze men efficiënt college kan geven over deze onderwerpen. Overigens kan
de „gevorderde" lezer deze inleidingen gevoegelijk ongelezen laten, tenzij een ver-
frissing wenselijk zou worden geacht.

Het eerste deel, dat 200 bladzijden beslaat, betreft, zoals is opgemerkt, de anatomie
van het genitaalapparaat en de fysiologie van de vCK>rtplanting. Hierover is slechts
op te merken, dat ondanks het feit, dat hieraan de nodige (of teveel?) zorg is be-
steed, men dit gedeelte gemakkelijk zou kunnen bekorten zonder afbreuk te doen aan
hetgeen noodzakelijkerwijze dient te worden vermeld.

Tot op zekere hoogte geldt dit ook nog voor het tweede gedeelte (230 pagina\'s), waar
de meer fundamentele aspecten van de spermafysiologie worden behandeld. Doch
daarna krijgen de auteurs de gelegenheid „zelf" aan het woord te komen (hoofdstuk
14 tot en met 18). En hoewel het accent van hetgeen wordt behandeld over „semen
evaluation" (14), significance of semen quality" (15), „principles and techniques
of spermatozoan preservation" (16), „diluents and the extension of semen" (17) en
„insemination of the cow" (18), vooral is verschoven naar de praktische toepassing,
en minder ligt op het principe, zijn dit de hoofdstukken, waar de schrijvers met ge-
zag aan het woord zijn. Eens te meer blijkt hier — zonder afbreuk te doen aan het-
geen anderen hebben bijgedragen — de indrukwekkende bijdrage van de Amerikanen
op dit gebied.

Het derde gedeelte (ongeveer 200 bladzijden) betreft in wezen de problematiek,
waarmede men dagelijks wordt geconfronteerd. Dat de auteurs zich hier minder con-
creet uitdrukken, bchcx-ft de lezer niet te verwonderen. Het is te hopen, dat men
hieruit een aansporing zal weten te lezen om ogenschijnlijk eenvoudige vraagstukken,
die behoren bij de werkzaamheden van alledag op de K.I.-centra, op doelmatige wijze
te benaderen. In dit verband zij de nadrukkelijkheid onderstreept, waarmede de
auteurs wijzen op het noodzakelijk gebruik van ponskaarten en machines, die doel-
matig en snel leiden tot aanwijzingen omtrent een verantwoord gebruik van K.I.-
stieren en de daarmede onder meer verband houdende vruchtbaarheidsresultaten.

Rest nog te vermelden, dat het werk typografisch uitstekend is verzorgd. De foto\'s en
de tabellen, die gemiddeld van hoog gehalte zijn, verduidelijken de tekst aanzienlijk.
Het aantal literatuuropgaven, die aan het einde van ieder hoofdstuk zijn vermeld,
bedraagt naar schatting meer dan duizend. Alleen het laatste moge reeds een argu-
ment heten enige centimeters van de boekenplank voor dit voortreffelijke bo<k in te
ruimen.

A. van Loen.

MENS, PLANT, DIER EN RADIOACTIEVE BESMETTING.

Helaas is bij de bespreking van dit boek op pag. 778 van dit tijdschrift abusievelijk
nagelaten de naam van de uitgever en de prijs ervan te vermelden.
Het boek werd uitgegeven door het
Centrum voor Landbouw publikaties en Land-
bouwdocumentatie, Generaal Foulkesweg I A, Wageningen,
de prijs bedraagt ƒ 9,25.

BANDEN TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE 1961

Per stel ƒ 4,50,
verkrijgbaar bij de Redactie, Rubenslaan 123, Utrecht.

-ocr page 52-

DIERGENEESKUNDIGE SNAPSHOTS

Struma bij een Jersey-kalf

door P. J. ZUURi)

Een zes maanden oud Jerseykalf van de heer H. te M. vertoonde gedurende
enige tijd een langzaam groter wordende zwelling in de keelstreek. De eige-
naar dacht aan t.b.c. van een der keelklieren. Bij onderzoek bleek echter dat
de zwelling zich niet in de keelgang bevond maar zeker enkele centimeters
lager in de mediaanlijn ter hoogte van de larynx, zodat aan struma gedacht
werd. Als therapeuticum werd KJ voorgeschreven. Ongeveer tien dagen
erna was de zwelling geheel verdwenen.

\') Praktizerend dierenarts te Morrinsville (Nieuw Zeeland).

-ocr page 53-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

REUNIE VAN OUD-LEDEN VAN HET VETERINAIR STUDENTENCORPS
„ABSYRTUS".

In verband met de Eeuwfeestviering van de Maatschappij voor Diergeneeskunde,
zal de jaarlijkse reunie van oud-Absyrtianen op 1 september a.s. worden gehouden.
Iedere reünist ontvangt nog tijdig een uitnodiging.

De uitnodigingen blijven beperkt tot hen, die reeds 40 jaar dierenarts zijn, en die
hun studie begonnen in 1908, 1909, 1910, 1911, 1912, 1913, 1914 en 1915.

P. J. de Jong - Culemborg
Dj. de Jong - Zaltbommel

UNIVERSITEITSMUSEUM, DIERGENEESKUNDIGE AFDELING.
Aanwinsten.

Diverse foto\'s, geschenk van collega K. de Vink te Rijswijk.
Diverse foto\'s, geschenk van Prof. Dr. J. Beyers te Utrecht.

Een melkmeter en oud tepelmestje, beide geschenk van de heer H. Waldus, ge-
kregen door bemiddeling van collega H. Eggink te Appelscha.
Aan alle gevers hartelijk dank.

PROEF MET TWEEMAAL TEGEN MOND- EN KLAUWZEER GEËNTE
VARKENS.

Zoals bekend verschaft enting tegen mond- en klauwzeer met vaccin bij varkens on-
voldoende onvatbaarheid om deze maatregel even algemeen te doen toepassen als
met de rundveestapel het geval is, waar de jaarlijkse enting aan de verwachtingen
tenvolle blijft voldoen.

Op het Centraal Diergeneeskundig Instituut, afdeling Amsterdam, zijn onlangs
proeven genomen om na te gaan, of na tweemaal enten wellicht volledige immu-
niteit bij varkens kan worden verkregen. De uitslag van deze proeven onder labora-
toriumomstandigheden, waarbij de besmetting met mond- en klauwzeer van deze
tweemaal geënte varkens uiteraard veel heviger is dan zich in de praktijk kan voor-
doen, heeft de behoefte doen ontstaan de proef in praktijkverband en op praktijk-
schaal uit te breiden.

In verband hiermede worden de proeven onder coördinatie van de Veeartsenijkundige
Dienst voortgezet op varkenshouderijen in hoofdzaak in de gemeente Boekei, pro-
vincie Noord-Brabant en in de gemeente Sevenum, provincie Limburg. Beide ge-
meenten zijn daartoe denkbeeldig in tweeën gedeeld, waarbij in de ene helft de var-
kens tweemaal worden geënt en voor controle op de mate van onvatbaarheid in
de andere helft niet worden geënt. De bedoeling van deze praktijkproeven is na te
gaan, of in de ongeënte controlegroep meer mond- en klauwzeer voorkomt dan in de
geënte groep. Beide proefgebieden zijn in het besmette gebied gelegen. Het aantal
varkens, dat bij de enting betrokken is, bedraagt 30.000 stuks per provincie.
De organisatie van de enting is nu op volle gang gekomen. Werd op 21 mei j.1. ge-
start met twee entploegen, op 28 mei kwam het aantal ploegen op volle sterkte. De
acht ploegen staan elk onder leiding van een dierenarts die daartoe beschikbaar is
gesteld door een provinciale gezondheidsdienst voor dieren. Acht gezondheidsdiensten
hebben een dierenarts hiervoor vrijgemaakt. Iedere dierenarts is vergezeld van een
helper bij de enting en van een administratieve kracht. Elke ploeg kan per dag
600 tot 800 varkens enten, zodat met deze enting ongeveer een maand tijds ge-
moeid is.

Elk bedrijf dat door de entploeg wordt bezocht, wordt, veterinair gesproken, als
besmet bedrijf beschouwd. Dit betekent dat per bedrijf steriele spuiten worden ge-
bruikt, handschoenen en overall worden verwisseld en ontsmetting plaats heeft.
De uitslag van de praktijkproef dient met alle reserve, die trouwens voor elke weten-
schappelijke onderzoeking geldt, te worden afgewacht. Deze uitslag zou derhalve ook

-ocr page 54-

negatief kunnen zijn. Hier komt bij, dat de overigens gelukkige omstandigheid van
het teruglopen in het aantal nieuwe gevallen van mond- en klauwzeer in beide
provincies gedurende de laatste veertien dagen de proef als zodanig minder gunstig
beïnvloedt.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

WETENSCHAPPELIJKE RAAD VOOR DE KANKERBESTRIJDING.
K.W.F.-stage-beurzen.

De Stichting Koningin Wilhelmina Fonds heeft de Wetenschappelijke Raad voor de
Kankerbestrijding in de gelegenheid gesteld, een aantal stage-beurzen beschikbaar
te stellen. Deze stage-beurzen zijn bestemd voor jonge wetenschappelijke werkers, voor
wie het in verband met hun verdere wetenschappelijke vorming van grote betekenis
geacht moet worden, dat zij enige maanden in buitenlandse klinieken of laboratoria
verblijven, teneinde kennis te nemen van nieuwe theorieën of methoden in die tak
van het kankeronderzoek, waarin zij zich bekwamen.

Deze stage-beurzen kunnen uitsluitend aangevraagd worden door hoofden van kli-
nieken en laboratoria, ten behoeve van veelbelovende medewerkers,
die tenminste
een doctoraal examen hebben afgelegd in de geneeskunde, de biologie, de biochemie
of de diergeneeskunde, en die de leeftijd van 40 jaar nog niet hebben bereikt.
De beurzen worden gegeven voor een studiebezoek aan één of meer klinieken of
laboratoria in het buitenland. De totale verblijfsduur voor Europese landen bedraagt
maximaal 6 maanden, buiten Europa maximaal 4 maanden.

De aanvragen voor deze stage-beurzen moeten worden ingediend bij de secretaris
van de Wetenschappelijke Raad voor de Kankerbestrijding, de heer L. Meinsma,
de Lairessestraat 33, Amsterdam (Z.).

Behalve uitvoerige inlichtingen omtrent de candidaat, voor wie de stage-beurs wordt
aangevraagd, dient de aanvraag tevens een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving
van het doel van de stage te bevatten.

Ten overvloede zij vermeld, dat de instelling van deze K.W.F.-stage-beurzen niet in
de plaats treedt van de door de Wetenschappelijke Raad voor de Kankerbestrijding
beschikbaar gestelde K.W.F.-fellowships, waarvoor als regel ieder voorjaar een
oproep wordt geplaatst in de daarvoor in aanmerking komende vaktijdschriften.

JAARVERSLAG K.I. 1960.

(I5de jaarverslag van de Centrale Commissie van Toezicht op de Uitvoering van
de Kunstmatige Inseminatie in Nederland, 10de jaarverslag van de Federatie van
Provinciale Bonden van Verenigingen voor Kunstmatige Inseminatie bij Rundvee
in Nederland.)

Het Jaarverslag K.I. 1960 telt 67 pagina\'s, verdeeld over een voorwoord en een
aantal hoofdstukken. Hoofdstuk 1 betreft een verslag over de werkzaamheden van
de Centrale Commissie en de Provinciale Commissies. Hoofdstuk 2 geeft een over-
zicht over de K.1. bij rundvee, terwijl de K.1. bij geiten en bij varkens respectievelijk
in de hoofdstukken 3 en 4 wordt besproken. Hoofdstuk 5 bevat korte beschouwingen
over verschillende aspecten van de K.I. van de hand van Th. S t e g e n g a, J. Hen-
drikse, Th. C. J. M. R ij s s e n b e e k en M. B e k e d a m. Hoofdstuk 6 betreft
een verslag over de werkzaamheden van de Federatie van Provinciale Bonden van
Verenigingen voor K.I. bij Rundvee in Nederland.

Samenvattingen, tabellen terzake van bevruchtingsresultaten en een adreslijst com-
pleteren het verslag op een bijlage stambomen na, die betrekking hebben op in
1960 in Nederland in gebruik geweest zijnde K.I.-stieren.

Zoals bekend heeft het Landbouwschap per 1 november 1960 op verzoek van de
Minister van Landbouw en Visserij het toezicht op de kunstmatige inseminatie over-
genomen van de Centrale Commissie. Met andere woorden, het 15de verslag van
de Centrale Commissie is tevens het laatste in de reeks verslagen, die sedert 1946
het licht hebben gezien. Hoewel genoemde organisatorische veranderingen aan de

-ocr page 55-

feitelijke omstandigheden weinig veranderen, heeft men blijkbaar gemeend het Jaar-
verslag K.I. 1960 ter gelegenheid van het derde lustrum een bijzonder karakter te
moeten verlenen.

Met betrekking tot de uitvoering kan worden vastgesteld, dat men er ten burele
Maliebaan in is geslaagd het jaarverslag qua formaat, omslag en typografische ver-
zorging een representatief karakter mede te geven. Een woord van lof is dan ook
zeker op zijn plaats.

Werkzaamheden van de Centrale Commissie K.I.

.^an het verslag zij ontleend, dat „veel aandacht werd besteed aan de wijze waarop
door de verenigingen de
administratie en de geboorteregistratie worden gevoerd en
de wijze waarop de drachtigheidsresultaten verzameld worden". Voorts kan men
lezen, dat „hoewel op deze punten de toestand bevredigend is, de commissie de
mening was toegedaan dat verbetering mogelijk is". De te nemen maatregelen die
tot de gewenste èn mogelijk geachte verbetering zouden kunnen leiden blijven
echter onvermeld. Ook in het verdere verslag wordt aan deze voor de praktijk van
de K.I. van grote betekenis zijnde onderwerpen geen enkele aandacht meer be-
steed. In de op modern wetenschappelijke leest geschoeide beschouwing „Fok-
technische perspectieven in K.1.-verband" van de hand van de Voorzitter van de
Centrale Commissie wordt men echter nog met deze onderwerpen tussen de regels
door geconfronteerd.

Werkzaamheden van de Provinciale Commissies K.I.

Uit het verslag blijkt, dat de elf Provinciale Commissies K.I. in totaal 16 maal, d.i.
gemiddeld 1,4 maal hebben vergaderd. In twee provincies werd in het geheel niet
vergaderd. In één provincie werd driemaal vergaderd. Verder zijn de commissies in
vijf provincies tweemaal en in drie provincies éénmaal bijeengekomen. De onder-
werpen hadden betrekking op moeilijkheden binnen K.I.-verenigingen, personeels-
moeilijkheden, grenskwesties en de varkens-K.I.

K.I. bij rundvee.

Het aantal leden is met 2132 toegenomen, waardoor het percentage van de vee-
houders aangesloten bij de K.I. t.o.v. 1959 met 1,2% is toegenomen tot 56,1%.
Het totaal aantal geïnsemineerde runderen is t.o.v. 1959 met 59.427 stuks toege-
nomen. Deze toename is behalve met het in de voorgaande regel genoemde tevens
te verklaren uit de toename van het stalgemiddelde van 10,1 tot 10,5 runderen per
lid. Ten opzichte van 1959 is een aantal van 59.644 eerste inseminaties meer ver-
richt: totaal zijn 73.671 inseminaties meer verricht.

Het drachtigheidspercentage na eerste inseminatie bedroeg 61,9% en is derhalve
in vergelijking met dat in 1959 1,3% hoger; het totaaldrachtigheidspercentage be-
droeg 91,7% (91,3%).

Het aantal gebruikte stieren bedroeg 1229. Hierbij zijn 40 niet meer in leven zijnde
stieren gerekend, aangezien deze door middel van diepvriessperma zijn gebruikt.
Daarnaast werden 28 wel aanwezige stieren („wachtstieren") niet gebruikt. Het
percentage stieren van zes jaar en ouder bedroeg voor F.H. 38,9% (36,2%),
M.R.IJ. 23,3% (21,5%) en B. 22,2% (31,2%). Het percenta.ge dieren, drachtig
van stieren van zes jaar en ouder, bedroeg voor F.H. 40,8% (38,5%), M.R.IJ. 24,5%
(27,2%) en B. 15,4% (27,9%). Totaal werden 231 stieren afgevoerd, te weten
voor F.H. 135 (141), M.R.IJ. 90 (78) en B. 6 (4).

Het aandeel van de K.I. in de Nederlandse rundveehouderij blijkt op grond van
een uitvoerig beschreven eenvoudige en voor de hand liggende schattingsmethode
te kunnen worden geraamd op ongeveer 61%.

Het aantal inseminatoren bedroeg 539, waarvan 84 in tijdelijke dienst.

Het aantal K.I.-verenigingen daalde met twee tot 131. Het aantal stations bleef

evenwel hetzelfde als in 1959, nl. 111.

-ocr page 56-

Het aantal eerste inseminaties, verricht met diepvriessperma bedroeg 8918, d.i.
0,78% van het totaal aantal eerste inseminaties (1.144.834). Het efficiëntiegetal
bedroeg 2,27 met betrekking tot diepvriessperma, terwijl dit 1,69 bedroeg terzake
van totaal vers en diepvriessperma. Volgens het verslag „zal men met de lagere
resultaten genoegen moeten nemen". (Een mogelijk meer verantwoorde conclusie
zou bijvoorbeeld kunnen zijn geweest, dat het gezien de mogelijke betekenis van het
gebruik v^an diepvriessperma vanuit het oogpunt van de fokkerij noodzakelijk over-
weging verdient nader onderzoek te dezen te entameren, Ref.)
Uit het verslag blijkt, dat 1239 doses sperma werden geïmporteerd uit het K.I.-
station „Le Progrès Rural" te Frais-Marais bij Douai (Frankrijk). De import be-
treft diepvriessperma van stieren van Nederlandse oorsprong.

De export had betrekking op 651 doses naar zeven landen. In vergelijking met 1959
is de export niet toegenomen, ondanks het feit dat zelfs de destijds geldende mini-
mumprijzen werden verlaagd.

K.L bij geiten.

In 1960 werden 1497 (1417) geiten geïnsemineerd, waarvan 54,3% (53,6%) na
eerste inseminatie concipieerde. Het totaal-drachtigheidspercentage bedroeg 77,4%
(75,2%). De belangrijkste provincie is Utrecht gebleven met een totaaldrachtigheids-
percentage van 83,8%.

K.L bij varkens.

Aan het verslag kan worden ontleend, dat gedurende het verslagjaar de varkens-
K.L een aanzienlijke uitbreiding heeft ondergaan. Het aantal eerste inseminaties
bedroeg 14.627 (4655), waarvan 8730 (2362), d.i. 59,7% (50,7%), drachtig wer-
den. 104 beren leverden hiervoor sperma. Totaal werden 10.514 tomen met gemid-
deld 9,6 biggen per toom verwekt.

Het is een verheugend feit te kunnen vaststellen, dat, hoewel de technische moeilijk-
heden terzake van de kunstmatige inseminatie bij varkens geenszins zijn overwonnen,
men niet heeft geaarzeld het uitermate belanrijke aspect van de fokkerij onmiddellijk
in het beleid te betrekken. In het verslag wordt het systeem van nakomelingen-
onderzoek, zoals dat in Noord-Brabant geschiedt, behandeld.

De beschrijving van het systeem is echter niet in alle bijzonderheden j\\iist. Namelijk
(sub A, p. 24) een essentieel verschil is, dat de biggen niet door een commissie
worden uitgezocht, doch dat een representatief monster per toom wordt getrokken.

De organisatie van de K.I. in Nederland 1946-1961, door Th. Stegenga.

Schrijver schetste de ontwikkeling van de K.I. gedurende de laatste 15 jaren. Was
er in 1946 een groot aantal kleine K.I.-verenigingen, die organisatorisch dikwijls
sterk afhankelijk waren van andere (meestal zuivel-) organisaties, momenteel is deze
afhankelijkheid goeddeels verdwenen. Gewezen wordt op de betekenis van de pro-
vinciale bonden van K.I.-verenigingen en de federatie van de honden.

De technische vooruitgang bij de runder-K.I., door J. Hendrikse.

Schrijver behandelt een aantal aspecten van de ontwikkeling van de technische
kant van de kunstmatige inseminatie als het verzamelen, het microscopisch onder-
zoek, het verdunnen en het bewaren van het sperma, voorts het insemineren en de
wijze van verzending.

Daarnaast wordt genoemd de vooruitgang in de wijze, waarop de stieren worden
gehouden. De mededeling, dat „de voeding in de regel niets te wensen overlaat"
lijkt iet of wat ongecontroleerd.

Wanneer de schrijver vermeldt, dat „er terecht op is gewezen, dat langzamerhand
de fokkerij hoofdzaak is geworden" dan mag men zich afvragen wat wordt bedoeld
met „en dat aan de vraag van de veehouders zoveel mogelijk moet worden voldaan",
èn met „maar aan de andere kant moet niet worden vergeten, dat voor sommige

-ocr page 57-

probleembedrijven het drachtig worden van de koeien de hoofdzaak is". Wellicht
heeft de schrijver nog eens gelegenheid een uiteenzetting te geven over hetgeen
de lezer in concreto dient te verstaan onder „bij een goede voorlichting en orga-
nisatie behoeft dit (d.i. het gebruik van een uitstekend bevruchtende stier ondanks
mindere fokcapaciteiten) de fokkerij geen afbreuk te doen".

Tenslotte zij gerefereerd, dat het volgens schrijver „mogelijk moet zijn, dat het
landelijk gemiddelde tussen 93 en 95% komt te liggen".

Foktechnische perspectieven in K.I.-verband, door Th. C. J. M. R ij s s e n b e e k.

In de onder genoemde titel vermelde beschouwing vraagt schrijver zich af — na een
overzicht te hebben gegeven van de achtergronden, die tot de toepassing van de kunst-
matige inseminatie hebben bijgedragen —
„of de mogelijkheden, welke de K.I.-
organisatie biedt wel volledig worden benut",

„Het zijn nog steeds de individuele fokkers, die in de K.I.-organisatie hun fokkerij
bedrijven, doch van een fokkerij in organisatieverband is nog geen sprake".
Na een beschouwing, die leidt tot de opmerking, dat „niemand precies kan zeggen
hoe de eigenschappen van zijn dieren erfelijk zijn vastgele,gd en hoe zij met andere
dieren zullen combineren", wordt vastgesteld, dat
„de fokkerij gemeenschapswerk is".
Vandaar dat „het de moeite loont om systematisch na te gaan of cr niet een methode
kan worden gevonden, welke de bestaande gang van zaken kan verbeteren".
In het aanbevolen stiermoederprogramma wordt de aandacht gevestigd op het feit,
dat „het vanzelf spreekt, dat voor de uitvoering van een dergelijk systeem cen
vol-
ledige kracht
nodig is, die het bestuur kan assisteren bij de selectie van de dieren,
bij de administratie, bij het maken van de paringsschema\'s, bij het overleg met de
fokkers en het rapporteren van dc dagelijkse gang van zaken".

Met nadruk wordt gesteld, dat de fokkerij zich meer en meer op feitelijke gegevens
dient te baseren. Volgens schrijver
„zijn de K.I .-verenigingen de geschikte milieus
voor het verzamelen van dergelijke gegevens, het adviseren bij het gebruik ervan
voor de fokkerij en het verwerken van de resultaten".

Dat het fokkersinitiatief niet geheel ter zijde behoeft te worden gesteld, wordt dui-
delijk gemaakt.

Tien jaren Federatie K.L, door M. B e k e d a m.

Behandeld worden verschillende aspecten, waarmede de federatie volgens de auteur
bemoeienis zou hebben: belastingkwesties, aankoop van K.I.-stieren, uitwisseling van
sperma, instrumentenhandel (sic), subsidiëring van onderzoek, foktechnische regis-
tratie, vertegenwoordiging in landelijke organisaties en commissies, arbitrage en so-
ciale maatregelen met betrekking tot de inseminatoren.

Werkzaamheden Federatie K.L

Gedurende het verslagjaar werd vijf maal vergaderd.

De lezer van deze bespreking zij overigens doordrongen van het feit, dat recensent
geenszins overtuigd is van de noodzaak in een Jaarverslag vraagstukken, die van
belang zijn voor de praktijk van de K.1., onbesproken te laten. Nochtans zal men
nadere informatie kunnen vergaren. Dat de vele détailgegevens niet geschikt zijn
voor een onderlinge vergelijking moge zowel de lezer als de opstellers van het
Jaarverslag tot nadenken stemmen.

De vertalingen van de samenvatting zouden voor verbetering vatbaar kunnen zijn.

Van Loen.

EUROPEAN MEAT RESEARCH WORKERS, Vllth MEETING,WARSCHAU IV.

Dit verslag is een vervolg op het congresverslag op pag. 572, 781 en 864 van dit
tijdschrift. Het heeft betrekking op de onderwerpen, besproken op de
zittingen IX en X: Microbiologie van vlees en vleesprodukten (12 voordrachten);
zitting XI : Antibiotica en antioxydantia (2 voordrachten);

-ocr page 58-

zitting XII : Vleestechnologie (4 voordrachten);

zitting XIII : Histologie van vlees (3 voordrachten).

IX, 37. Goretti, K. (Kulmbach, W.-Duitsland) : Erfahrungen bei der Unter-
suchung importierter Fleischwaren.

Spr. behandelt diverse aspectcn van de nieuwe Duitse „Fleischbeschauge-
sctz" i.v.m. de import van vleeswaren in Duitsland. Uit de discussies bleek
dat men van mening was dat het voor Duitsland onmogelijk zal zijn, dit
ingewikkelde geheel te overzien en te controleren.

IX, 38. Gaugusch, Z. (Pulawy, Polen): The veterinary inspection of animal
products hygiene in Poland.

De organisatie en de taak van de veterinaire controle van produkten
wordt besproken.

Naast de „klassieke hygiëne", betreffende de controle op pathogene micro-
organismen, is de veterinaire controle ook belast met de kwaliteits-
controle en de houdbaarheidscontróle van het gerede produkt: „hygiëne
van het produktieproces".

IX, 39. Kaf el, S. (Pulawy, Polen): The bacteriological estimation of the pas-
teurized canned meat products in Poland, from the veterinary sanitary
point of view.

De wijze waarop de bacteriologische controle van blikprodukten in Polen
wordt uitgevoerd wordt besproken.
De toegepaste onderzoekingsmethoden zijn:
onderzoek op lekken,
stabiliteits-test: 3 dagen op 37° C,
bacterioscopisch onderzoek,
kiemtellingen,

onderzoek op selectieve media op pathogene niicroör.ganismen.
Indien pathogene microörganismen aanwezig blijken wordt de partij af-
gekeurd. Andere afwijkingen leiden tot een exportverbod.
Aan de hand van een literatuuroverzicht wordt de toegepaste methode toe-
gelicht en gerechtvaardigd.

IX, 40. Kaf el, S. (Pulawy, Polen): Comparative investigation upon the in-
fluence of thermal treatment (thermostatic test) and cold storage on the
bacteriological state of pasteurized ham,

De houdbaarheid van hammen gedurende 6 maanden bij -(- 4° C werd
vergeleken met dc resultaten van de stabiliteits-test: 3 dagen bij 37° C.
Na de opslagperiode vertoonden alle hammen .goede organoleptische eigen-
schappen.

Het aantal sporevormende aerobe bacilli was na opslag bij 4° lager dan
na bewaren bij 37° C. Met enterokokken was het omgekeerde het geval.

IX, 41. Rase ta, J. (Bcograd, Joegoslavië): The examination of the influence
of streptococci on the keeping quality of canned hams and shoulders by
the method of glass tubes.

Beschreven wordt een methode om de houdbaarheid van hammen te tes-
ten. Met behulp van een soort grote kurkboor worden op steriele wijze
uit de gepasteuriseerde ham een of meer monsters getrokken; deze wor-
den overgebracht in steriele glascylinders en daarna met de gelei van de
ham overgoten. Deze glascylinders worden voor de houdbaarheidstests
gebruikt. Deze methode is toegepast om de invloed van streptokokken
op de houdbaarheid van hammen na te gaan.

-ocr page 59-

Hierbij bleek dat:

bij 10° C (21 dagen) de streptokokken niet sterker vermeerderen dan
andere bederfveroorzakende bacteriën,

bij 20° C (14 dagen) beide groepen zich in gelijke mate konden ont-
wikkelen,

bij 30° C (7 dagen) in hoofdzaak de andere bederfveroorzakende bac-
teriën zich ontwikkelden.

IX, 42. S t a w i c k i, S. and M a c h o n, M. S. (Warschau, Polen): Physiological
and biochemical properties of microorganisms. Criterium of their suitabi-
lity for biological meat curing.

Na een literatuuroverzicht over de invloed van microörganismen op het
pekelproces, worden de fysiologische en biochemische eigenschappen van
een zestal stammen beschreven, alle afkomstig uit Frankrijk (3
Vibrio,
2 Flavobacter, 1 Achromobacter).
Onderzocht werden:

de groeikrommen in een medium dat veel gelijkenis vertoont met spuit-
pekel bij 22 en 30° C,

de mogelijkheid om glucose, saccharose en lactose te gebruiken bij
6-8° C, 22° C en 30° C.

X, 43. Sulzbaeher, W. L. and A 1 f o r d, J. A. (Beltsville, U.S.A.): Lipo
lytic activity by psychrophilic bacteria.

In Beltsville wordt veel onderzoek besteed aan het gedrag van micro-
organismen bij lage temperaturen. Men is speciaal geïnteresseerd in mo-
gelijke omzettingen van het vet door bacterieënzymen, vrij gekomen uit
de cellen van bacteriën die niet meer groeien door de lage temperaturen.
Teneinde een goede lipasevorming door bacteriën te krijgen, liet men de
bacteriën groeien op een aan nutriënten arm gebufferd medium dat geen
vet bevatte. Het bleek nu, dat de onderzochte bacterielipases zelfs bij
— 29° C reuzel in 6 weken hydroliseerden.

Verder werd vastgesteld, dat er een zekere specificiteit van de verschil-
lende lipases bestaat. Het glyceride molecuul werd nl. niet door elke
lipase op dezelfde plaats gesplitst.

X, 44. Eddy, B. P. and Gatherum, D. P. (Cambridge, Engeland); Bacte-
riological and associated chemical changes in bacon stored in vacuum
packs.

Gesneden en verpakte bacon, zowel groen als gerookt, werd bij verschillen-
de temperaturen bewaard. Met regelmatige tussenpozen werd het aantal
lactobacillen en het aantal niicrokokken geteld en het nitriet- en nitraat-
gehalte bepaald.

Bij groene bacon bij 20° C hebben eerst de microkokken de overhand,
na 3-7 dagen overheersen de lactobacillen. Bij 10° C blijven de micro-
kokken overheersen. Bij beide temperaturen werd al het nitraat omgezet,
bij 20° C bereikte het nitriet een maximum van 40% van de theoretische
waarde, bij 10° C was dit maximum 80%.

Bij de gerookte bacon overheersten steeds de lactobacillen; het nitraat
werd niet afgebroken.

De betekenis van deze resultaten werd besproken.

X, 45. Sovadina, M. (Brno, Tsjechoslowakije) : Beitrag zur Bakteriologie des
vorverpackten Frischfleisches.

Omdat de koper het produkt slechts visueel wil beoordelen, moet deze
mogelijkheid gewaarborgd blijven en dient doorzichtig verpakkingsmate-

-ocr page 60-

riaal hygiënisch onbedenkelijli, ondoorlatend voor water, waterdamp, gas
etc. te zijn.

De kwaliteit van voorverpakt vlees wordt door verschillende factoren be-
ïnvloed: o.a.

de kwaliteit van het rauwe vlees,
de voorbehandeling,
de hygiëne bij de verkleining,
het verpakkingsmateriaal,
de wijze van bewaren.
De besmetting van het oppervlak is veel belangrijker dan de bacteriën
die zich in het vlees bevinden. Daarom moet de grootst mogelijke hygiëne
worden betracht bij de voorbehandeling en bij het verkleinen en mag de
temperatuur in de lokalen niet hoger zijn dan 10 ä 12° C.

Het aanvankelijk aantal kiemen en de bewaartemperatuur beïnvloeden de
houdbaarheid. Dit werd experimenteel bewezen. De slijmvorming op het
oppervlak wordt grotendeels veroorzaakt door:
Achromabacter en Pseudo-
monai-bacteriën. Daarnaast komen lactobacillen voor. Geïsoleerde stam-
men groeien ook bij verminderde zuurstofspanning, produceren oxydase
en lipasen (dus kans op vet-aantasting) en proteolytische enzymen (dus
eiwitsplitsing).

De bewaartemperatuur is van groot belang. Bij 3° G groeit minder dan
1% van de microben, waarmee het produkt bij 20° C wordt besmet. Uit
waarnemingen bleek, dat bij 2° C na 3 tot 4 dagen beduidende groei op-
treedt, wat waarschijnlijk zijn oorzaak vindt in verlies van de natuurlijke
bescherming tijdens de rijping.

Slijmvorming is waarneembaar bij 10\' bact./cm^, en reukafwijkingen bij
10"/cm2. De relatieve vochtigheid speelt een belangrijke rol. Bij cello-
faan ziet men een langzame groei, doordat het oppervlak water kan af-
staan. De kleur en versheid van het vlees eisen echter een hoge rela-
tieve vochtigheid, zodat men hier een compromis moet zoeken voor de
eigenschappen van het verpakkingsmateriaal.

Door waarnemingen werd vastgesteld, dat door vacumeren de houd-
baarheid niet wezenlijk is te vergroten.

Door met een steriel scheermes een bepaalde grootte van het oppervlak
af te snijden konden tellingen worden verricht van het aantal kiemen
op het oppervlak.

Bij varkensvlees werden de eerste drie dagen gevonden
slanke beweeglijke, Gramneg. staafjes,
niet beweeglijke staafjes,
enkele duplokokken;

na 4 dagen: groei van kokke-achtige sporevormende staafjes,
na 6 dagen: groei van
Streptokokken.
De niet sporevormende staafjes namen na 5 dagen af.

Bij rundvlees werden gevonden:

overwegend sporevormende niet beweeglijke grampositieve staafjes,
niet sporevormende duplobacillen.
Bij gevacumeerde zakjes bleek het aantal anaeroben gering tc zijn.

X, 46. Z 1 ä m a 1 O V a, J. (Brno, Tsjechoslowakije) : Vorkommen von Proteus-
keimen im Fleisch während der technologischen Verarbeitung.

Pro«eui-bacteriën behoren tot de normale microflora van vlees, speciaal
van gekoeld vlees. Teneinde verantwoorde hygiënische maatregelen te
nemen om de totale microflora tot een minium te beperken werd genoemd
onderzoek gedaan met een aantal Proieui-stammen.

-ocr page 61-

Aangenomen wordt dat vóór, tijdens en nä het slachten ook Proteus-
bacteriën in het vlees of ingewanden terecht komen.

Bij een onderzoek van 75 varkens konden deze bacteriën niet geïsoleerd
worden uit het spierweefsel en de organen ofschoon ze wèl aanwezig waren
in de darminhoud (vooral in rectum). Wèl werden de bacteriën in het
vlees aangetroffen als de geslachte dieren 24 uur bij 6° C hadden ge-
hangen. In 14% van alle onderzochte hammen werden op dat moment
Pro<euj-bacteriën (vnl.
P. vulgaris) aangetroffen.

Ook in 270 monsters rundvlees, genomen in de slachthal, werden geen
Pro/euj-bacteriën gevonden, maar ze waren wel aanwezig bij de verdere
verwerking van het vlees. De infectie met
Proteus vindt dan ook het eerst
plaats in de uitsnijruimten. Een sterke infectie treedt op bij het pekelen
en de bereiding van het worstdeeg. Toch werden ze in het eindprodukt
niet of nauwelijks meer aangetroffen als gevolg van de technologische be-
handelingen, maar aangenomen wordt dat eventuele toxinen achtergebleven
zijn.

Belangrijke infectiebronnen van deze bacteriën bleken de snijtafels (50%)
en de handen te zijn.

Ze werden niet geïsoleerd uit darmen waarin de worsten werden afgevuld.
Tenslotte werd het gedrag van een goed gedefinieerde P7-o(euj-bacterie in
vlees nagegaan, dat gekoeld, gepekeld, gerookt en gekookt werd. Er werden
diverse biochemische en morfologische veranderingen waargenomen. Ver-
der bleek dat de bacteriën binnen 24 uur gedood werden bij koud roken,
terwijl ze ook gedood werden bij temperaturen boven 60° C.

X, 47. T a k ä c s, J. and Z u k ä I, E. (Boedapest, Hongarije): Data concerning
the microbiological and chemical changes of the .gyulai type sausages in
course of their ripening.

De Gyula worst behoort tot het type droge worstsoorten en bestaat hoofd-
zakelijk of uitsluitend uit varkensvlees.

Deze worstsoort wordt door sehr, chemisch en bacteriologisch onderzocht.
Het bleek hem o.a. dat in dit type worst ca. lO*^" aerobe bacteriën aan-
wezig konden zijn, verder was de gramnegatieve flora na 7 ä 9 da.gen
verdwenen. De pH bleef daarna constant bij 5.9, het zoutgehalte 3.9%.
Sehr, .geeft aan dat er vrij goede correlatie bestaat tussen de veranderingen
van de totale microflora en het pekelpercentage (verhouding zout tot
water). Ook bleek hem dat de verdwijning der gram-negatieve flora niet
alleen aan een verandering in het pekelpercentage, maar ook aan een ver-
andering van de pH was tc wijten.

X, 58. F O u r n a u d, J., R a i b a u d, P. et Mocquot, G. (Jouy en Josas,
Frankrijk) : Méthode de numération selective des principaux groupes
microbiens présents dans les saumures et jambons de Paris. Caractères
distinctifs des groupes halotolerants et non-halophiles.

Een methode wordt beschreven om in een monster ham of pekel verschil-
lende groepen microörganismen te tellen, die tegelijk in verschillende aan-
tallen aanwezig zijn. Hiervoor worden al of niet selectieve voedingsbodems
gebruikt. Verschillende groepen halotolcrante en niet halofiele micro-
organismen worden beschreven. Dertien groepen halofiele, halotolerante en
niet halofiele microörganismen worden op alle beschreven media als rein-
cultuur onderzocht.

Voorbeelden van bacteriologische analyse van pekels en hammen tonen
de gecompliceerdheid van de populatie van deze produkten aan.
De grenzen en merites van de voorgestelde methode worden besproken.

-ocr page 62-

XI, 48. Piulskaya, V. I. (Moskou, U.S.S.R.) : The influence of y-rays and
thermal treatment on antioxidants destruction in inhibited pork fat.

Varkensvet, dat gestabiliseerd is met B.H.T. en B.H.A., wordt in de warm-
te geoxydcerd onder gelijktijdige afbraak van de antioxydanten.
Onder invloed van ioniserende stralen worden antioxydanten ontleed. Hoe
sterker dc stralen, des te sneller dit proces.

Bij de opslag van bestraald varkensvet is butylhydroxianisole een goede
antioxydaat; butylhydroxitoluol had geen effect.

XI, 49. Krasikova, V. I., V o 1 k o v a, L. F. and M a r u s h k i n a, V. I.

(Moskou, U.S.S.R.): Effect of meat storage conditions on the antibiotic
activity.

Teneinde het bacterieel bederf van vlees te voorkomen werden de uit-
wendige opper\\\'lakten bespoten met een oplossing van chloortetracycline
en nistatine. Hierooor bleek het mogelijk om de houdbaarheid met 4 tot
10 dagen te verlengen, afhankelijk van de temperatuur; hetgeen van spe-
ciaal belang is bij het transport in koelwagens over zeer lange afstanden.
XII, 51. Barret, J., G a 1 b r a i t h, C., Holmes, A. W., D a v i e s, J. M.

and Herschdoerfer, S. M. (Sharnbrook, Isleworth en London,
Engeland) : Slice curing of bacon.

De meeste bacon, in Engeland geproduceerd, is z.g. Wiltshire bacon. Na-
delen van deze werkwijze zijn de lange tijdsduur (ongeveer twee weken)
de benodigde koelruimte en de ongelijkmatige zoutverdeling in de bacon.
De mogelijkheid om een meer homogeen produkt in kortere tijd te be-
reiden door kleinere stukken vlees te pekelen werd reeds eerder zo nu en
dan overwogen. Zo publicerde B. M. Watts in 1956 gegevens over ex-
perimenten, waarin een soort bacon werd verkregen door plakjes varkens-
vlees te brengen in pekels bevattend NaCl, NaNOa, Na-ascorbinaat en
„liquid smoke" en deze ver\\\'olgens te bevriezen.

De auteurs beschrijven een gepatenteerd proces, dat de nadelen, verbonden
aan de werkwijze van Watts mist. Stukken varkensvlees worden gekoeld tot
— 2° C en in plakjes gesneden. De plakjes worden overgebracht op een
lopende band, die ze weer brengt op een metalen rooster. Aan het rooster
bevindt zich cen opklapbare inrichting voorzien van pennen, waarmee de
plakjes op het rooster worden vastgehouden. Rooster plus opklapbare in-
richting vormen samen een transportmechanisme.

Dc plakjes worden gevoerd door pekel, waarvan de zout- en nitrict-
concentratie, evenals de tempcratur binnen bepaalde grenzen kunnen va-
riëren. De duur van het pekelen hangt af van de dikte der plakjes en van
de sterkte en de temperatuur van de pekel, maar is in de orde van
minuten.

Dc plakjes, steeds in hetzelfde transportmechanisme blijvend, worden gc-
draind en gerookt. Na het roken worden de plakjes uit het transport-
mechanisme genomen en vacuum verpakt. De gaten, door de pennen in
de plakjes gemaakt, trekken dicht en de kleur en smaak van bacon ont-
wikkelen zich bij kamertemperatuur binnen 4 tot 8 uur en bij 2 tot 5° C
binnen 48 uur.

Aldus wordt in korte tijd een zeer goed produkt verkregen, dat minstens
even houdbaar is als vacuum verpakte bacon, bereid volgens traditionele
werkwijzen.

XII, 52. Gorbatov, V. M. (Moskou, U.S.S.R.): Investigation of the process
of blood evaporation.

Het indampen van bloed van slachtdieren is onderzocht. Hiermede werden
de belangrijkste parameters verkregen, waardoor het mogelijk was een

-ocr page 63-

nieuwe vacuumverdampcr tc ontwerpen, waarmee het bloed kon worden
geconcentreerd, vóórdat de droging door middel van verstuiving plaats
vond.

Gebleken is, dat het model aan de eisen voldeed, eenvoudig is te maken
en slechts een klein oppervlak inneemt, vergeleken met andere typen
vacuumverdampers. Een ontwerp voor een pilot-plaat, met een produktie
van 400 kg (verdampt water) per uur, is gemaakt.

XII, 53. K o e p p e, S. (Warschau, Polen): Influence de la quantité et de la

qualité de la gelatine ajoutée aux jambons en conserves sur la formation
quantitative de la gelée.

Uit talrijke onderzoekingen is bekend, dat de hoeveelheid gelei bij ham in
blik wordt beïnvloed door het uitgangsmateriaal en de verschillende tech-
nologische processen. Door de auteur werd de invloed van de toegevoegde
gelatine op de gelei-afzet nagegaan.

Wat betreft de concentratie van de gelatine-oplossing, waarin ham bij
80° C werd gekookt, bleek dat sterke gelatine-oplossingen (6 tot 20%)
het watergehalte van het vlees verlagen (met 0,68 tot 4,88%) en zwakke
oplossingen (1 tot 3%) het watergehalte van vlees verhogen (met 1,85
tot 0,27%).

Tevens werd nagegaan de invloed van de hoeveelheid vaste gelatine, die
wordt toegevoegd. Bij toevoegen van 2, 3 en 4 gram gelatine aan stukjes
vlees van 450 gram en 20, 30 en 40 gram gelatine aan hammen van 4
en 8 kg werd toenemende gelei-afzet geconstateerd met toenemende hoe-
veelheden gelatine.

In een derde proefserie werd het verschil tussen twee gelatine soorten
met verschillend watergehalte (11,25 en 15%) maar gelijke fysisch-
chemische eigenschappen nagegaan. Bij toevoegen van gelijke hoeveel-
heden gelatine was de gelei-afzet het grootst bij de gelatine met het
laagste watei^ehalte.

XII, 54. Barylko-Pikielna, N., B y k o w s k i, W. and O 1 e w i n s k i, S.

(Warschau Polen): Influence of Pasteurization parameters on the quantity
of jelly in canned hams.

Er werd onderzoek verricht naar de invloed van verschillende parameters
van de pasteurisatie op dc gclci-afzct bij hammen. Geconcludeerd werd
dat de temperatuurstijging tijdens het begin van de verhitting, de tijd dat
het centrum van de ham boven 63° C verblijft, de maximum temperatuur
in het centrum en het maximum temperatuurverschil tussen centrum en
oppervlak invloed hebben op de gelei-afzet. Regressie-coëfficiënten wor-
den gegeven, die de grootte van de invloeden van genoemde parameters
bepalen.

De invloed van verschillende pasteurisatie werkwijzen op de gelei-afzet en
organoleptische eigenschappen wordt besproken.

XIII, 55. Lörincz, F. and B i r ó, G. (Budapest, Hongarije): Study on muscle-

cell: Sarcoleirima.

Deze voordracht was een vervolg op de in 1958 te Cambridge en 1959
te Parijs gehouden voordrachten.

Bij microscopisch onderzoek van gedesintegreerd spierweefsel blijken ge-
bogen vezels aanwezig te zijn, ontstaan door mechanische beschadiging van
de bindweefselspiralen om de cellen.

De betekenis van deze waarneming wordt besproken: de celwanden bestaan
uit een structuurloze sarcolemma-membraan, omgeven door een fibril-
structuur. Door hydrolyse met pepsine en trypsine kon aangetoond wor-
den dat deze fibrillen uit collageen bestaan.

-ocr page 64-

XIII, 56. N i 1 s s O n, T. (Stockholm, Zweden): Histological examination of finely
comminuted sausages.

Na een kort overzicht over de gebruikelijke methoden wordt de door de
auteur gebezigde methode beschreven. Spiercoupes worden gekleurd met
„Scharlach Red" en „heamaluin".

De resultaten van een onderzoek naar de invloed van drie bindmiddelen:
aardappelmeel, bloedplasma en melkeiwit worden beschreven.

XIII, 57. Lab ie. Ch. (Alfort, Frankrijk): L\'examen histologique des conserves de
pâtés.

Na een globaal literatuuroverzicht worden de officiële Franse eisen ge-
noemd, waaraan pâtés in blik moeten voldoen.

Voor de controle van deze voorschriften is histologisch onderzoek onont-
beerlijk, hoewel niet afdoende.
Achtereenvolgens worden besproken:
de monstername,

het maken van de parafinecoupes,

het kleuren, met haemaluin-eosine en volgens van Gieson of Calleja,
de identificatie van plantaardige produkten,

het bekijken van de coupes met een voldoend sterke vergroting.
Hierna volgt een algemene beschouwing, waarbij er speciaal op gewezen
wordt dat een grote ervaring noodzakelijk is. Vervolgens worden de ver-
schillende weefseltypen besproken, waarbij de typische kenmerken ter
sprake komen: lever - spier - vet - zwoerd etc.

Tenslotte worden enkele woorden gewijd aan de kwantitatieve bepaling,
de „histomerie"; dit is zeer tijdrovend en moeilijk.

Dierenarts-specialisten.

Sir, — Whilst one has every admiration for the medical profession, it is not always
pleasing to read of medical specialists being called in to treat animal cases.
Not through design but through necessity and force of circumstance, veterinary spe-
cialists do now exist. Unfortunately the practitioner has no means of knowing who
these specialists are and what their degree of achievement. If this were remedied
by the formation of a register or reference list of specialists it would be of practical
help to the practitioner and a fillip to the prestige of the profession.

Yours faithfully (w.g.) H\'. M. Taylor.
„Ingezonden" in Veterinary Record, 73, 634, (1961).

Het keren der eieren.

Het onderzoek had ten doel een ruimer inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de
embryonale ontwikkeling door het keren wordt beïnvloed. Bij 24 maal per etmaal
keren werd een uitkomstpercentage verkregen dat ± hoger lag dan bij 3 maal
keren. Bij het keren over een hoek van 120° en vooral bij het keren over een hoek
van 90° worden de hoc^ste uitkomstpercentages verkregen, indien het keren om de
lange as van het ei plaats vindt.

Pluimveepers, xvii, 16, (1962).

-ocr page 65-

CONGRESSEN

„VOORTPLANTING BIJ DIEREN", Ve INT. CONGRES, 1964.

Het voorlopig programma van dit congres, dat van 8-13 september 1964 te Trento
zal worden gehouden, vermeldt o.a. de 4 hoofdgroepen van onderwerpen, die er
zullen worden behandeld:

le groep: Biologie en voortplanting;

2e groep: Morfologische en fysiologische aspecten der voortplanting;
3e groep: Kunstmatige inseminatie;
4e groep: Pathologie der voortplanting.
Naast een algemene inleiding over de geschiedenis dezer congressen, omvat de hand-
leiding gegevens over het congresreglement, de wijze waarop voordrachten kimnen
worden ingediend en meer algemene gegevens voor aanmelding, logies enz., terwijl
ook een beschrijving wordt gegeven van o.m. geschiedkundige merkwaardigheden
der streek waarin Trento is gelegen.
Het secretariaat berust bij;

Prof. Dr. Telesforo Bonadonna, Institute sperimentale Italiano „L. Spallanzani",
Via Monte Ortigara 35, Milano.

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.
XVIth Internationaal I.S.F.A.-congres.

De I.S.F.A. (International Scientific Film Association) zal haar 16e congres houden
te Warschau, van 23-30 september 1962.

Volledige inlichtingen zijn te verkrijgen bij de gedelegeerde voor Nederland:

de heer J. P. Varrossieau, Secretaris der Ned. Vereniging voor de Wetenschap-
pelijke Film, Catharijnesingel 59, Utrecht.

17DE WERELDCONGRES DER WORLD VETERINARY ASSOCIATION.
Sectie Voedingsmiddelenhygiëne.

Op het aanstaande wereldcongres, dat in augustus 1963 te Hannover gehouden zal
worden, zal een sectie zich bezig houden met de voedingsmiddelenhygiëne. Deze
sectie treedt nu voor het eerst op in haar nieuwe conceptie van World Association
of Veterinary Food Hygienists (voorheen International A.V.F.H.).
De hoofdonderwerpen ziin thans vastgelegd en bepaald op:

1. Het stafylokokkenproblcem in verband met voedingsmiddelenhygiëne.

2. Cysticercosis als wereldprobleem.

3. De betekenis van het niet-therapeutisch gebruik van antibiotica in de voedings-
middelenhygiëne.

Voor de hoofdvoordrachten zullen door het W.A.V.F.H.-bestuur sprekers worden
aangezocht; het bestuur nodigt een ieder uit voor het doen van korte mededelingen,
betreffende de genoemde hoofdonderwerpen. Hiertoe worden ook niet-leden der
dierenartsen-verenigingen toegelaten. Verzoeken om korte mededelingen te doen
moeten vergezeld van een afschrift van deze mededeling

vóór 15 juli a.s.

ingezonden worden aan de secretaris van de W.A.V.F.H., Sterrenbos 1, Utrecht.

/. /ƒ. J. van Gils.

-ocr page 66-

C.1EDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

MAATREGELEN T.A.V. DE IN- EN DOORVOER VAN HONDEN EN KATTEN
IN VERB.AND MET HONDSDOLHEID.

25 april 1962 j Nr. J. 562 | Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.

De Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 50a van dc Veewet,
Besluit:

Artikel 1

1. De in- of door\\ocr van honden en katten, met uitzondering van die, welke recht-
streeks worden aangevoerd uit België of Luxemburg, is slechts toegestaan onder de
voorwaarde, dat bij aankomst in Nederland wordt overgelegd een certificaat van een
in het land van herkomst van de hond of kat van staatswege erkende of toegelaten
dierenarts, dat voldoet aan het bepaalde in de volgende leden.

2. Het certificaat moet een in de Nederiandse, Franse, Engelse of Duitse taal ge-
stelde verklaring van de dierenartsen bevatten, inhoudende, dat hij de hond of kat
met een der daarvoor bij het vijfde lid toegelaten vaccins heeft geënt tegen honds-
dolheid en dat het gebruikte vaccin in het land van bereiding van staatswege is ge-
controleerd en goedgekeurd.

3. In het certificaat moeten voorts zijn vermeld:

a. de datum van enting, het type van het gebruikte vaccin, de naam van de fabri-
kant en het fabricagenummer;

b. het signalement van het betrokken dier, bevattende het geslacht, de leeftijd, het
ras, de kleur, de soort beharing en de aftekeningen;

c. de naam van de eigenaar van het betrokken dier.

4. Het certificaat moet zijn gelegaliseerd door de inspecteur van dc veterinaire
dienst van het land, waar de enting heeft plaatsgehad.

5. ,Ms vaccins tegen hondsdolheid zijn voor de toepa.ssing van dit artikel slechts toe-
gelaten:

Ic. het geïnactiveerde zenuwweefselvaccin;

2e. het verzwakte levende vaccin type „Flury", en wel:

a. voor honden, ouder dan drie maanden, de stam „Low egg passage (LEP)";

b. voor honden, jonger dan drie maanden, en voor katten de stam „High egg pas-
sage (HEP)".

6. Uit het certificaat moet blijken, dat de enting heeft plaatsgehad:

a. ten minste dertig dagen en ten hoogste drie maanden vóór de datum van grens-
overschrijding, indien het betreft een hond of een kat, welke geënt is met het bij het
vorige lid, onder 2e.,
b, toegelaten vaccin;

b. ten minste dertig dagen en ten hoogste één jaar vóór de datum van grensover-
schrijding, indien het betreft een hond of een kat, geënt met een der andere bij het
vorige lid toegelaten vaccins.

Artikel 2

In afwijking van het in artikel 1 bepaalde, is de in- of doorvoer van honden en katten,
welke rechtstreeks uit het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ier-
land of de Republiek Ierland worden aangevoerd, ook toegestaan, indien wordt over-
gelegd een certificaat van een aldaar van staatswege erkende of toegelaten dierenarts,
dat door de inspecteur van de veterinaire dienst aldaar is gelegaliseerd en waaruit
blijkt:

-ocr page 67-

a. dat het dier bij onderzoelc geen verschijnselen van hondsdolheid vertoonde en
dat, voor zover was na te gaan, zijn gezondheidstoestand goed was;

b. dat het desbetreffende onderzoek niet meer dan 8 dagen vóór de aankomst in
Nederland heeft plaatsgehad.

Artikel 3

In bijzondere gevallen kan de directeur van de Veeartsenijkundige Dienst van het
in de vorige artikelen bepaalde onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing
verlenen.

Artikel 4

De beschikking van 29 september 1959, nr. J. 2164, Directie Juridische en Bedrijfs-
organisatorische Zaken,
Stcrt. 190, houdende maatregelen ten aanzien van de in- en
door\\\'oer van honden en katten in verband met hondsdolheid, wordt ingetrokken.

Artikel 5

1. Deze beschikking kan worden aangehaald als: Beschikking in- en doorvoer hon-
den en katten.

2. Zij treedt in werking met ingang van 1 mei 1962.
\'s-Gravenhage, 25 april 1962.

De Minister van Landbouw en Visserij,
V. G. M. Marijnen.

Nadere toelichting voor de dierenartsen op de Ministeriële beschikking nr. J 562
d.d. 25-4-1962.

Wanneer een hond of kat wordt geënt met het vaccin type „Flury" dan is het steeds
nodig om daarna op het certificaat te vermelden of deze enting geschied is met:
„Flury" L.E.P. of „Flury" H.E.P.

(Of men met L.E.P. of H.E.P. te maken heeft, dient te blijken uit de aanduidingen
op de verpakking van de entstof, of uit de bijgevoegde gebruiksaanwijzing).

Op het certificaat wordt het gebruikte vaccin dan bijvoorbeeld als volgt aangeduid:

a. „Flury" stam L.E.P. of
„Flury" stam H.E.P.

Fabrikaat: Centraal Diergeneeskundig Instituut, .Afdeling Rotterdam, fabricage-
nummer (partij nummer): ............

b. „Flury" stam H.E.P.

Fabrikaat: Connaught, fabricagenummer (partijnummer): ............

(voor/over bekend levert Connaught op dit ogenblik alléén „Flury" H.E.P.)

c. „Flury" stam L.E.P.

Fabrikaat: Pitman Moore, fabricagenummer (partijnummer): ............

(van dit vaccin is op dit ogenblik alléén „Flury" L.E.P. in Nederland in de
handel).

Opgemerkt dient te worden, dat het „Flury" L.E.P. niet voor katten mag worden
.gebruikt.

Voor katten en honden, die jonger dan 3 maanden zijn op het tijdstip van de enting
komen als entstoffen dus alléén in aanmerking: het „Flury" H.E.P. en het ge-
inactiveerde zenuwweefselvaccin (Behringwerke, Pasteur, e.d.). Honden die op het
tijdstip van de enting ouder dan 3 maanden zijn moeten worden geënt of met het
geïnactiveerde zenuwweefselvaccin óf met „Flury" L.E.P.

De geldigheidstermijnen van de entingen voor grenspassage is met de verschillende
vaccins als volgt:

zenuwweefselvaccin : 30 dagen tot I jaar na de enting,
„Flury" H.E.P. : 30 dagen tot 3 maanden na de enting,
„Flury" L.E.P. : 30 dagen tot 1 jaar na de enting.

-ocr page 68-

Omtrent de betekenis van de afkortingen L.E.P. en H.E.P. kan worden mede-
gedeeld, dat „Flury" L.E.P. wil zeggen, dat dit vaccin bereid is met behulp van
virus, dat 50 maal een eipassage heeft ondergaan (Low-Egg-Passage), terwijl van
het „Flury" H.E.P. het virus 200 maal eieren is gepasseerd (High-Egg-Passage).
,,Flury" H.E.P. is derhalve het meest verzwakte vaccin.

ST.A.AT VAN DE GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN, IN
NEDERLAND VOORGEKOMEN GEDURENDE DE MAAND APRIL 1962.\'
De getallen geven aan het aantal veebeslagen aan.

a
«

-S

. c

- «J

e O-

g «

S

M

U c
JS u

CJ M

" i
u 2

i? ^
s -5

> t

ïî
11

t:
3

-c

< 3

13 "î^

u ts
ii § ?

-o 3

S 5

Groningen

3

Drenthe

3

1

Friesland

i

3

1

Overijssel

28

2

5

Gelderland

224

1

1

9

Utrecht

4

1

7

_

] _

Noordholland

2

7

4

\' —

Zuidholland

1

3

14

1

Î —

Zeeland

1

3

—.

j —

Noordbrabant

727

1

4

i _

Limburg

473

2

: —

Tot. v. h. Rijk

1456

3

12

15

i 49

\' 1

Veepest (pestis bovina), longziekte der runderen (pleuropneumonia contagiosa bo-
vum), hondsdolheid (lyssa), schaapspokken (variola ovina) en kwade droes (malleus)
zijn in Nederland resp. sedert 1869, 1887, 1923, 1893 en 1927 niet voorgekomen

PULLORUM ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum antigeen partij no. 51.707, geproluceerd door N.V. Philips
Duphar te Olst, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien door de Directeur van
de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 1 maart 1963.

-ocr page 69-

DOORLOPENDE AGENDA

1962
Juli,

4, Centrale Fokdag V.L.N. en K.V.N.T. Emmeloord.

4, Afdeling Friesland M.v.D. Diësviering. (pag. 944)

5, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. \'s-Hertogenbosch.

5, Centrale merriekeuring N.W.P. Groningen.

6, Kon. Ned. Ver. tot bestrijding der Tuberculose. Algemene vergadering,
14.00 uur, Jaarsbeurs-Restaurant, Utrecht.

12, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 108e (Buitengewone) Algemene

Vergadering, 14.30 uur, Jaarsbeurs-Restaurant, Utrecht, (pag. 662)
19, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. Bennekom.
25, Centrale merriepremiekeuring N.W.P. Leeuwarden.
27—29, K.L-congres, Wels. (pag. 435, 658)

Augustus,

6, Centrale merrie- en kroonkuring V.L.N. Opmeer (N.-H.).
10—18, World\'s Poultry Science Association, 12e Wereldcongres, Sydney,
(pag. 589 (1961))

16—18, 25-jarig jubileumkeuring en demonstratie Ned. Shetl. P.S. Eist (Gld.).
22, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Enschede.
30, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. Enschede.
30, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Goveka, Gouda.

September,

1, Reünie oud-leden „Absyrtus". (pag. 927)
7— 8, Nat. paardenshow Utrecht V.L.N., N.W.P. en Ned. Shetl. P.S. Utrecht.

12 -15 ^èeuw^eesi \'\'ÏHaalscfiapfiiJ. uaar ^iextjeneeskunde
(pag. 764, 1386 (I960)); (pag. 145, 294, 874, 1667 (1961)); (pag. 66,
133, 205, 284, 362, 438, 515, 587, 661, 728, 791, 873)
14—15, Trekpaardtentoonstelling K.V.N.T. \'s-Hertogenbosch.
16—23, British Veterinary Association. Jaarlijks Congres, Scarborough, (pag.
869, 874)

19, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Assen.

21, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Vebo, Leiden.

23—30, LS.F.A. XlVe Internationaal congres, Warschau, (pag. 939)

24—26, World Veterinary Poultry Association, 2e Int. Conferentie, Cambridge,
(pag. 203)

Oktober,

6, Afdeling Groningen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur,
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)
6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim,
(pag. 130, 869)

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5c Voorlichtingsdag.

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e Algemene Vergadering, (pag.
663)

1963

Augustus,

14—21, Worid Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 70-

Diergeneeskunde

Maatschappij

voor

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU
Vakanticwaarnemingen.

Het waarnemingsbureau ziet zich helaas genoodzaakt hier mee te delen, dat aan
vele aanvragen voor een waarnemer gedurende de zomer waarschijnlijk niet voldaan
kan worden.

Op het ogenblik zijn er ongeveer 30 aanvragen, terwijl er tot nu toe slechts 15 waar-
nemende dierenartsen beschikbaar zijn, waarvan er enkelen in ieder geval tot half
september reeds bezet zijn.

Contributie 1962.

In verband met de ziekte van Dr. de Haan en de vele werkzaamheden t.b.v. het na-
derende Eeuwfeest, is het nog niet mogelijk geweest de kwitanties te verzenden aan
diegenen, die hun contributie over 1962 nog niet hebben voldaan.
Daar de uitschrijving der kwitanties zeer veel werk met zich meebrengt, wordt hierbij
nogmaals een dringend beroep gedaan op diegenen die in gebreke zijn gebleven hun
contributie te voldoen, om dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen door overschrijving
op girorekening 511606 t.n.v. de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Jubilea.

Op 15 juli a.s. hopen onderstaande collegae het feit te herdenken dat zij 50 jaar
dierenarts zijn:

H. J. van Daal, Hoofdstraat 171, Driebergen-Rijsenburg.
Dr. A. Diemont Jr., Hart Nibbrigkade 33, \'s-Gravenhage.
E. J. A. A. Quaedvlieg, Thorbeckelaan 541, \'s-Gravenhage; gelegenheid
tot het aanbieden van gelukwensen op 17 juli a.s. van 16.30-19.00
uur aan het adres Alexanderstraat 7.
S. Schaap, no. 16, Twijzel (Fr.).

G. van Soest, Rijksstraatweg 89, De Meern (U.).
Dr. H. Ubbens, Flat Zandbergen B-14, Naarden.

Op 1 juli j.1. hebben onderstaande dierenartsen (niet-leden van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde) het feit herdacht dat zij 40 jaar dierenarts waren:

H. W. Dingemans Wierts, Rijksweg B lb, huize „de Wildernis", Schaijk
(N.-Br.).

J. W. Jongeneel, Costerstraat 7, Alkmaar.
Op 15 juli a.s. hopen onderstaande collegae (niet-leden der Maatschappij voor
Diergeneeskunde) het feit te herdenken dat zij 50 jaar dierenarts zijn:
A. de Ronde, A-71, Vorden.

Dr. H. W. Schiphorst, Laan van Meerdervoort Ic, \'s-Gravenhage.

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Friesland.

Diësviering.

De afdeling Friesland van de Maatschappij voor Diergeneeskunde zal op woensdag
4 juli a.s.
haar diësviering houden.

-ocr page 71-

Om 14.00 uur zal worden begonnen met een auto-puzzeltocht, te beginnen bij „De
Skans" tc Gorredijk (tel. 05133 - 647). Omstreeks 17.00 uur heeft het borreluurtje
in „Het Witte Huis" te Alterterp (tel. 05126 - 262) plaats, waarna aldaar een ge-
meenschappelijk diner zal worden genuttigd.
Opgave bij collega G. .Mberda tc Witmarsum.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige studente Mej. J. A. Schuurs, Kruis-
straat 86, Utrecht, aangenomen als kandidaatlid van de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Berg, Dr. W. van den, te Waddinxveen, naar Kon. Wilhelminasingel 35 aldaar (tel.

ongewijzigd). (143)

Boer, G. F. de, te Rauwerd, giro gewijzigd in 1134225. (145)

Bogaard, A. H. M. v. d., te Tilburg, naar Goirleseweg 7a, aldaar (tel. ongewijzigd).

(145)

Bonmiel, H. M. Th. van, te Gemert, tel. en gr. gewijzi.gd in resp. (04923) 14 02 en
1129621. (146)

Brandsma, S., te Groningen, aangesloten onder tel. privé (05900) 2 73 69 en gr.

1023878. (148)

Gysouw, C. J., te Sas van Gent, aangesloten onder gr. 524561. (151)

Dickerhof, G., tc Deventer, tel. gewijzigd in (06700) 1 44 88. (152)

Doorn, .A. J. van, tc Deventer, tel. .gewijzigd in (06700) 1 25 28. (153)

Dijk, P. van, te Deventer, tel. privé gewijzigd in (06700) 1 24 40. (154)

Hägens, Mej. F. M., te Utrecht, naar Rauwenhofflaan 44, aldaar, tel. (030) 1 73 84.

(161)

Heege Gzn., J. H. ter, tc Deventer, tel. privé gewijzigd in (06700) 1 25 08. (162)
Henstra, S. J.; 1962; Koudum (Fr.), Dammenseweg 12; tel. (05142) 228; D. (in
mil. dienst). (163)

Hofstra, Dr. S. T., te Wilp, tel. gewijzigd in (06700) 1 20 50 (privé), 1 32 27 (bur.).

(165)

Hotsma, L. H., van \'t Joppe naar Schalkhaar, Oerdijk 65, tel. (06700) 1 88 80,

(166)

Knops, G, J., van Valkenburg naar Sittard, Holleweg 25, tel. (04490) 55 83. (172)
Koopman, S. P,, van Hedel naar Uithoorn, P. G. Hooftlaan 48, tel. (02975) 12 27
(bur,), h.k, en dir, ab. (173)

Leeuwenburg, IJ. H., van Dargaville naar Maungaturoto, Northland (New Zealand).

(210)

Lcurink, Dr. G., te Deventer, tel. gewijzigd in (Ü6700) 1 48 38. (176)

Lok, B., te Deventer, tel, gewijzigd in (06700) 1 34 05, (177)

Maas, H, J. L., te Hoogland, diens tijd. corr. adres in het buitenland is vervallen.

(178)

Reitsma, Dr, K., van Leiden naar Leersum, Prinses Beatrixlaan 7, tel, (03434) 792
(privé), (01710) 2 55 09 en 2 12 41 (bur,), 087)

Ringnalda, D,, van Epse naar Deventer, Brederodelaan 21, tel. (06700) 1 77 44
(privé), 1 25 28 (bur.). (188)

Schalk, G., te Klundert, giro gewijzigd in 1139758. (190)

Soest, H. van, van Zwolle naar Wezep, Kamplaan 6, tel. (05207) 545 (privé),
(05200) 1 07 44 (bur,). (194)

Stolte, G. A., te Olst, naar Ds. Terpstrastraat 17, aldaar, tel. (06708) 654 (privé),
316 (bur.), (195)

Tijmstra, A., te Amsterdam, naar Vondelstraat 51, aldaar, tel. (020) 8 47 62 (privé),
94 99 55 (bur.). (198)

Veen, Dr, P. J., van Amsterdam naar .Amstelveen, Judith Leysterweg 2. (199)

-ocr page 72-

Openbaar Slachthuis te Deventer:

Het telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is gewijzigd in (06700) 1 32 27.

(108)

Benoemd:

Rijn, P. van, te Apeldoorn, te rekenen m.i.v.1 juni 1962, tot plaatsvervangend In-
specteur van de Veeartsenijkundige Dienst in het district Gelderland ter stand-
plaats Apeldoorn. (189)

Onderscheiding:

Vloten, Dr. J. M. van, te Voorburg, is benoemd tot Erelid van de groep Directeuren
van Vleeskeuringsdiensten van de Maatschappij voor Diergeneeskunde. (202)

Promotie:

Anker, S. J. van den, te Voorschoten, is 28 juni 1962 aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht gepromoveerd tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift „Bij-
drage tot het onderzoek van de erythropoese bij gezonde en anemische biggen".

rui)

Diergeneeskundig examen:

Geslaagd op 7 juni 1962:

Hadar, I. (inlassen 161)

Overleden:

Steendijk, A. C., te Sint-Maartensdijk (Z.), is aldaar overleden op 12 juni 1962.

(195)

Ciroei van de in Chippenham opgefokte stieren.

In onderstaande tabel worden recente gegevens vermeld van 6 rassen omtrent de
groei van stieren, die in het opfokcentrum Chippenham (Engeland) zijn verzorgd,
over een peirode van 12-52 weken.

Opgemerkt wordt, dat de dieren van de vleesrassen op een wat hoger voedingsniveau
zijn gehouden dan de dieren van de melk- en van de melk/vleesrassen.

Aantal

Gewicht op

Gewicht op

Gem. groei in

Ras

stieren

12 weken (kg)

52 weken (kg)

grammen per dag

Ayrshire

32

79

325

875

Friesians

81

104

421

1129

Guernsey

12

85

335

894

Dairy Shorthorn

43

88

333

912

Aberdeen Angus

19

72

309

848

Hereford

17

94

390

1066

Veeteelt- en Zuivelberichten, V, 99, (1962).

-ocr page 73-

Amranliehantoor F. Dix

MAURITSSTRAAT 98 — UTRECHT — TELEF. 030—11520

Volledige voorlichdng en assistentie bij
vestiging, praktijkovemame of associatie;

Deskundige bemiddeling en voortdurende controle van Uw
verzekeringen.

GEVRAAGD zo spoedig mogelijk in plattelandspraktijk

EEN VASTE ASSISTENT

met uitzicht op associatie.
Modern woonhuis beschikbaar.
Brieven onder no. 30/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deelnemingen In het beleggingsfonds voor Medici zijn elk kwartaal
verkrijgbaar voor artsen, tandartsen en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen, ook Indien zij buiten Nederland wonen.

Men kan In het Fonds participeren voor één of meer deelnemingen.
Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000,-.

Inlichtingen verstrekt de directie:
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappij

Keizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 67óól

AANGEBODEN

Associatie of eventueel gedeeltelijke overname
van grote-huisdieren praktijk
in het oosten van
het land.

Brieven onder no. 29/62 aan de Redaktie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht,

H^LAI^ID

UNIVERSEEL DESINFECTANS

niet toxisch — niet huldirriterend — niet agressief
snel werkend — ruim indicatiegebied

Halamid is een product van de Kon. Zwavelzuurfabrieken v|h Keljen n v

te Amsterdam.

Alle adviezen verstrekt:

Verkoopkantoor voor Exclusieve Industriële Producten.

Amsterdam, Prins Hendriklaan 26, tel. (020) 737858 en 737859

-ocr page 74-

AESCULAAPN

.V.

k

EINDHOVEN

TELEFOON 04900-28100
DAG EN NACHT BEREIKBAAR

NATIONALE RAAD VOOR
LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK

Afd. Diergeneeskunde T.N.O.

Per 1 augustus a.s, komt een plaats vacant voor een

DIERENARTS

met belangstelling voor schapeziekten en
de schapenhouderij in het algemeen.

Standplaats Alkmaar, Salaris volgens de T.N.O.-regeling.
Sollicitaties binnen één maand na het verschijnen van dit blad
te richten aan de secretaris, N, F. Werkman, Ie v, d. Bosch-
straat 4, \'s-Gravenhage, bij wie tevens nadere inlichtingen
kunnen worden ingewonnen (tel. 070-814141, toestel 2183).

-ocr page 75-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Aviaire Eneefalomyelifis. Enkele virulogisch
diagnostische methoden en hun interpretatie.

Avian Encephalomyelitis. Some methods for the viral
diagnosis and their interpretation.

door H. J. L. MAASi) en R. E. LUGINBUHL«)

Department of Animal Diseases, The University of Connec-
ticut, Storrs, Connecticut, U.S.A.^)

Inleiding.

In een vorig artikel (M a a s en H e 1 ni b o 1 d t, 1962) werd er op gewezen,
dat voor het diagnostisch (routine) onderzoek betreffende Aviaire Enccfa-
lomyelitis (A.E.) kan worden volstaan met de juiste interpretatie van de
klinische symptomen en microscopische veranderingen.

Indien het echter te doen is om een onderzoek in te stellen naar de weer-
stands-status tegen A.E. van voor fokdoeleinden bestemd pluimvee, zullen
virulogiscbe methoden moeten worden toegepast.

De methodieken zijn ongeschikt voor het A.E.-routineonderzoek, omdat op
een uitslag ten minste 3 weken gewacht moet worden. Daarentegen zijn ze
van bijzonder belang voor de pluimveefokker, -vermeerderaar en/of kuiken-
broeder, omdat beide werkwijzen hem een antwoord geven op de vraag of
de kuikens, afkomstig van zijn dieren, al of niet een
A.E.-infectie kunnen
weerstaan in hun meest gevoelige levensperiode (eerste 4-8 levensweken).
In de Verenigde Staten vinden twee methoden veel toepassing. Aan de ont-
wikkeling hiervan, ten behoeve van de virulogiscbe
A.E.-diagnostiek, is
door medewerkers van bet Department of Animal Diseases te Storrs zeer
veel bijgedragen. Wij wijzen o.a. naar de publikaties van J u n g b e r r en
medew. (1956) en S u m n e r en medew. (1957a), welke fundamentele bij-
dragen hebben geleverd. Veel van het werk van deze auteurs, doch ook van
andere medewerkers uit dit instituut, vonnt het raamwerk van deze pu-
blikatie.

Virulogische diagnosüek.

Twee methoden, het embryo-gevoeligbeidsonderzoek (e.g.-onderzoek) en
het virus neutralisatie onderzoek (v.n.-onderzoek) komen naar onze mening
als eerste in aanmerking. Beide zullen in het navolgende worden besproken,
waarbij vooral op de praktische toepassing de nadruk zal worden gelegd.

1) H J. L. Maas was gastwcrker aan het bovengenoemde instituut, daartoe in staat
gesteld door een André Mayer Research Fellowship van de Food and Agriculture
Organization of the United Nations.

H. J. L. Maas (The Netherlands) was presently a guest worker at the Dept. of
Animal Diseases, University of Connecticut, Storrs, U.S.A., under a André
Mayer Research Fellowship of the Food and Agriculture Organization of the
United Nations.

2) Dr. R. E. Luginbuhl, Professor.

3) Director: Prof. Dr. C. F. Helmboldt.

-ocr page 76-

Vervolgens zal aan een andere methode, de inoculatie van proefkuikens rnet
verdacht hersenmateriaal, enige aandacht worden gewijd.

1. het embryo-gevoeligheidsonderzoek (2 manieren);

2. het virus-neutralisatie onderzoek;

3. de A.E.-diagnostiek met behulp van proefkuikens.

Het e.g.-onderzoek wordt toegepast, wanneer van de te onderzoeken kop-
pel hennen broedeieren beschikbaar zijn. Het v.n.-onderzoek wordt uitge-
voerd, wanneer géén eieren aanwezig zijn (jonge hennen), met behulp v an
sera afkomstig van ten minste 4-6 dieren uit dezelfde koppel.
De A.E.-diagnostiek met behulp van proefkuikens geschiedt door verdacht
hersenmateriaal intracerebraal bij proefkuikens te inoculeren en deze
dieren gedurende een 3-weekse periode te observeren.

Embr> o-gevoeligheidsonderzoek.

Zoals aangegeven is het e.g.-onderzoek uitvoerbaar o]j twee manieren waar-
van de eerste zowel kwalitatief als quantitatief is, terwijl de laatste uit-
shutend kwalitatief is.

QUANTIT.ATIEF E.G.-ONDERZOEK.

De door Jungherr en medew. in 1956 gepubliceerde mededeling, dat
het A.E.-virus geadapteerd kon worden aan het embryo en de praktische
uUwerking van dit gegeven door S u m n e r en medew. in 1957 (a) \\orm-
den essentiële bijdragen tot de toejjassing van deze methode t.b.v. de .\\.E.-
diagnostiek.

In principe wordt hiermede aangegeven hoe, na de inoculatie van broed-
eieren met een A.E.-standaardvirus (Van R o e k e 1-stam, geadapu>erd
aan embiyo\'s door Sumner en medew., 1957a), in bepaalde verdun-
ningen, uit het gedrag en de pathologische \\eranderingen der embryo\'s eii
met behulp van een eenvoudige rekenmethode (Reed en M u e n c h,
1938) een uitsjjiaak mogelijk is betreffende de weerstandsstatus tegen
A.e\'
van de eieren leverende kojjpel hennen. Dus ook van hun nakomelingen ge-
durende de eerste 4-8 levensweken (T a y 1 o r en medew., 1955).

afb. /.

Het perforeren van de eischaal
met behulp van een eischaal-
perjorator; oriëntatie geschiedt
door middel van een schouw-
lamp.

De eischaal-perforator, een handig instrument, aan het einde
afgerond, met in het centrum een kleine cilindervormige
punt (totaal gewicht 48 gram).

-ocr page 77-

De uitvoering.

Van elke te onderzoeken koppel dienen ongeveer 40 broedeieren ter be-
schikking te worden gesteld. Deze worden 6-8 dagen bebroed, daarna ge-
schouwd en alle niet bevruchte en/of anderzins afwijkende eieren worden
verwijderd. Van de overblijxende eieren worden 20 voor het onderzoek
«rebruikt. Met behulp \\an cen schouwlanip en een eischaalperforator
(afb. 1 en 2) wordt ter plaatse van de luchtkamer de schaal geperforeerd, de
schaak-liezen mogen niet worden geperforeerd. De perforatie geschiedt aan
die zijde van de top van de luchtkamer waar het embr
>\'0 bij schouwen niet
gezien wordt (schouwlamp gebruiken voor oriëntatie). Na de perforatie
wordt de onmiddellijke omgeving van de perforatieholte gedesinfecteerd
met behulp van een in jodiumoplossing gedrenkt penseeltje.
De broedeieren zijn in rijtjes van 5 geplaatst. Iedere rij wordt met een ge-
lijke volume hoeveelheid van één bejiaalde virusverdunning gcïnoculecrd.
De bereiding van de virusverdunningen zal naderhand apart worden be-
sproken.

Voorlopig nemen we aan dat cr 5 buisjes met virusverdunningen \\ an respec-
tievelijk 10"-\' tot cn met 10"« bereid zijn.

afb. 3.

Spuit en naald worden apart in buisjes bewaard. Door
de halsvormige vernauwing in de glazen naaldhouder
kan de naald op de spuit worden bevestigd, zonder dat
tangen etc. nodig zijn.

afb. 4.

Het inoculeren van
broedeieren in de
dooierzak, let op lood-
rechte stand van de
spuit.

Dc inoculatie van de broedeieren geschiedt in de dooierzak van de 6-8
dagen oude embryo\'s (W i 1 1 s en M o u 1 t h r o p, 1956). Dit kan worden
bereikt door een kleine injectiespuit (afb. 3) te voorzien van een fijne naald
(± 3 cm lengte) en deze loodrecht (evenwijdig aan de lengte-as van bet
ei) in zijn gehele lengte door de reeds aanwezige schaalperforatie te brengen.
Indien men dit correct uitvoert komt de naald automatisch in de dooier-
zak (afb. 4). Een controle hierop kan worden uitgevoerd door de zuiger te
laten opkomen, dan moet dooierinhoud in de spuit zichtbaar worden.

-ocr page 78-

Enkele manipulaties met de injectiespuit zijn gefotografeerd (afb. 5 en 6).
Dezelfde spuit (naald) kan alleen gebruikt worden voor de inoculatie van
broedeieren van één koppel, bet is dan ook vereist dat bij de uitvoering van
de inoculatie met de
hoogste verdunningen wordt begonnen.
Nadat alle rijen eieren met de voor elke rij apart bestemde virusverdun-
ningen zijn geïnoculeerd, worden de perforatieopeningen met parafine e.d.
afgesloten. De gebruikte spuit en naald worden in een desinfecterende
vloeistof e.d. geplaatst.

De eieren worden vervolgens weer voor een periode van 10 dagen in de
broedmachine gezet. Na 24-48 uur dient echter een tussentijdse schouwdng

afb. 6.

De inoculeringstechniek; let op de plaatsing
der vingers. De wijsvinger is ietwat terzijde
van de zuigerknop geplaatst en regelt de
dosering, de duim en middelvinger fixeren
de spuit.

-ocr page 79-

van de eieren plaats te hebben, eventuele afgestorven embryo\'s worden dan
verwijderd en verder
niet meer bij het onderzoek meegerekend. Deze sterfte-
oorzaken worden gerekend te behoren tot de zgn. categorie van aspecifieke
doodsoorzaken (R e e d en M u e n c h, 1938).

Nadat de 10 dagen broeden om zijn, worden de (nog aanwezige) broed-
eieren geopend en de embryo\'s geïnspecteerd op nader te beschrijven ver-
anderingen. _ , j , -
Overeenkomstig de geïnoculeerde virusverdunnmgen worden dan de be-
vindingen genoteerd en dienen als een basis voor de berekening van de
weerstandsstatus (zie later).

Pathologische veranderingen in bet embryo.

De pathologisch anatomische en — microscopische veranderingen bij de
embryo\'s zijn beschreven door Jungherr en medew. (1956) en C a s o r-
s O en J u n g b e r r (1959). Hun bevindingen dienen in het bovengenoemd
instituut als leidraad bij de beoordeling der pathologische veranderingen aan
embryo\'s ten gevolge van A.E.

In het algemeen zijn de afwijkingen aan de embryo\'s zo duidelijk, dat een
microscopisch onderzoek slechts zelden nodig is. Macroscopisch worden de
embryo\'s beoordeeld op beweeglijkheid, grootte, de aanwezigheid van ge-
strekte teentjes en veranderingen in de skeletmusculatuur. (afb. 7).
Een A.E.-gevoelig embryo (geen weerstand) vertoont na een injectie met
een der virusverdunningen in het algemeen één of een combinatie der
volgende kenmerken: bet is inactief (paralyse), het is kleiner dan gezonde
soortgenoten, de kaken bewegen niet meer, één of beide pootjes zijn min
of meer opgetrokken en aan één of beide voetjes zijn de teentjes sterk opge-
trokken en tevens gestrekt, er is een opvallende musculaire atrofie
vooral van de dijen, somtijds is ook een hydrocefalus zichtbaar. (De skelet-
spierveranderingen worden nog beter zichtbaar, indien men het dons ver-
wijdert).

Microscopisch zijn de meeste \\ eranderingen te onderscheiden iii het rugge-
merg, de dorsale ganglia en de hersenen, terwijl de veranderingen m de
skeletspieren in de aanvang moeilijk te interpreteren zijn, zijn deze later
reeds met het blote oog zichtbaar.

De grotere neuronen in het ruggemerg, zowel in de ventrale hoorn (eerder)
als in de dorsale boom (later), vertonen een gezwollen aspect, een vacuo-

-ocr page 80-

laire degeneratie en de zgn. „axonal reaction". Vele neuronen verdwijnen
later en een sterke ruggemergsatrofie is het resultaat; sprekend hiervoor
is een dilatatie van de pia-arachnoidale ruinUe. De dorsale ganglia ver-
tonen pyknotische kernen. Terw-ijl in een later stadium een infiltratie van
heterofiele cellen in het omge\\\'ende weefsel wordt opgemerkt.
De hersenen demonstreren dezelfde \\eranderingen als het ruggemerg, doch
hier is bovendien een diffuse infiltrade van heterofiele cellen waarneembaar.
Coupes van op een later tijdstip (12-13 dagen) geopende broedeieren
laten embiyohersenen zien, welke een schelpvormige verkleining van de
beide hemisferen en lobi optici vertonen. Ook de medulla is in omvang af-
genomen. Symptomen welke een ontwikkeling van een hydrocefalus aan-
geven. (het betreffen hier uitsluitend met haemaluineosine gekleurde pre-
paraten). Voor nadere bijzonderheden wordt verwezen naar de beide laatst-
genoemde publikaties.

De microscopische veranderingen in het embiyo t.g.v. een experimentele
A. E.-virus inoculaüe zijn derhalve verschillend van die, welke post-embr>o-
naal werden opgemerkt (C a s o r s o en J u n g h e r r, 1959).

Bereiding van de 10 i standaard v i r u s v e r d u n n i n g.

De eerste fase bij het bereiden van een virusverdunningsreeks voor A. E.
is voor
beide methoden hetzelfde.

Men moet nl. in beide gevallen be.schikken over een lO\'i verdunning van
het standaard virus om te kunnen beginnen. Deze 10 i verdunning is in
principe een emulsie van embryohersenen (waarin virus) en een gebufferde
fy.siologische zoutoplo.ssing (pH = 2), die bewaard wordt in kleine afge-
sloten buisjes. De emulsie ontstaat wanneer een hoeveellieid embiyohei-senen
met een 9 x zo zware hoeveelheid fysiologische zoutoplossing in b.v. een zgn.
Ten Broeck ajjparaat (weefselhomogenisator) wordt geëmulgeerd. Het
wordt in voorraad gehouden bij een temp van -20° C.

Voordat aan de uitvoering van een e.g.- of een v.n.-onderzoek kan worden
begonnen, dienen de nodige buisjes met emulsie ontdooid te zijn. Daarna
wordt de emulsie gecentrifugeerd (15 min., 1500 omwentelingen jx-r mi-
nuut) en hierna vonnt de bovenstaande vloeistof de eigenlijke door ons te
gebruiken 10 i standaard virusverdunning.

Interessante bijzonderheden betreffende \'het A. E.-virus en de adaplic aan
embryo\'s vindt men respectievelijk in de publikaties van F e i b e 1 eii
medew. (1952) en Sumner en medew. (1957a), waarnaar wij gaarne
verwijzep.

Wij wijzen er nogmaals op, dat deze eerste stap \\ oor beide methoden (e.g.-
en v.n.-onderzoek ) hetzelfde is.

Bereiding van de virusverdunningsreeks voor het
e. g. - onderzoek.

Ervaring heeft geleerd, dat een 10-voudig oplopende virusverdunningsreeks
\\ an 10-2 t/m 10*6 voldoende is.

Als het te verdunnen standaardvirus wordt hier de door Sumner en
medewerkers (1957a en 1957b) aan embryo\'s geadapteerde A. E.-virus-
stam van Van Roekei gebruikt. Deze stam is in hoge mate pathogeen voor
embryo\'s, doch heeft langs de natuuriijke weg toegediend weinig effect op
kuikens en/of kippen. Indien het echter wordt toegediend langs kunstmatige

-ocr page 81-

weg (intramusculair, subcutaan etc.) blijkt het zeer neurotroop te zijn en
ontwikkelen zich bij kuikens en kippen binnen korte tijd nerveuze symp-
tomen.

In het vervolg zal dit virus het standaardvirus worden genoemd.

Als verdunningsvloeistof wordt steriele gebufferde tiyptose bouillon gebruikt

(pH7-7,5).

üe bovengenoemde verdunningsreeks van 10"2 t/m 10"6 wordt bereid door
in een rij van 5 buisjes, eerst in
elk buisje 4.5 ml bouillon te pipetteren en
vervolgens, om voor de hand liggende redenen, 0.1 ml van een antibiotica
oplossing (mengsel van 100.000 IE penicilline en 100 mg streptomycine per
ml). Daarna wordt met een schone pipet in bet eei-ste buisje 0.5 ml van
bet standaardvims (10"i) gepipetteerd, waardoor hierin een verdunning
van 10 2 ontstaat. Een nieuwe pipet wordt nu gebruikt om de inhoud van
het eerste buisje goed te mengen (herhaaldelijk opzuigen en laten af-
vloeien) en met dezelfde pipet wordt nu 0.5 ml uit dit eerste buisje (10"^)
in het tweede buisje gebracht. (Dit overpipetteren moet steeds zodanig ge-
schieden, dat in het volgende buisje met de pipet de vloeistofspiegel niet
geraakt wordt).

Opnieuw is dus een schone pipet nodig om de inhoud van buisje twee te
mengen en daarna hieruit 0.5 ml over te brengen in buisje drie, etc.
Indien de virusverdunningsreeks 10 ^ t/m lü\'6 bereid is, kunnen de te onder-
zoekeu broedeieren welke, zoals reeds aangegeven, in 5 rijen z.ijn g-eplaatst
(elke rij bestaat uit 5 eieren) worden geïnoculeerd. Elk ei uit één rij wordt
geïnoculeerd met
0.2 ml van de voor de rij bestemde virusverdunning. De
techniek en \\olgorde van inoculatie is reeds eerder behandeld.

Berekening \\a n de e i n d t i t e r.

Bij het A. E.-onderzoek wordt als maatstaf de E.I.D. 50/100 gebruikt.
De E.I.D. 50/100 (Embiyo Infective Dose) geeft aan welke virusverdun-
ning in staat is om 50% van de geïnoculeerde embiyo\'s aan te tasten. De
E.I.D. 50/100 wordt berekend volgens een zeer eenvoudige, door R e e d en
M u e n c h reeds in 1938 aangegeven wijze. Naaixnate meer eieren worden
betrokken per verdunning, stijgt de waarde van de uitkomsten. Het is
echter gebleken, dat de inoculatie van 5 eieren per verdunning tot vol-
doende betrouwbare (te herbalen) resultaten leidt. Dit geldt vooral voor
neurotrope virussen. Men moet echter voor ogen houden, dat met deze
methode eigenlijk niet de eindtiter wordt bepaald, doch men krijgt meer
een indruk\' hoe snel bet virus in de eieren groeit, (laesies). Doch men
spreekt toch van een „eindtiter", wat dus in wezen verkeerd is. Desalniet-
temin beeft deze wijze van werken haar grote bruikbaarheid in de praktijk
bewezen.

Aan de hand van een voorbeeld zal nu getracht worden de berekening van
de E.I.D. 50/100 te illustreren.

Stel dat na een uitvoering \\ an een ondei-zoek, zoals voorgaand is beschreven,
de volgende notities konden worden gemaakt (Tabel I), dan blijkt dat de
E.I.D. 50/100 ergens moet liggen tussen de virusverdunningen 10"3 en 10"4.
Immers de laatste kolom van de tabel geeft aan, dat 50% afwijkende
embryo\'s gevonden moeten worden tussen 75% en 37.5%, welke respec-
tievelijk de verdunningen 10"3 en lO^-i representeren (eerste kolom van de
tabel).

-ocr page 82-

Tabel I 1)

Log 10 v. d.

Verhoudine afwiikende

Individuele resultaten

Geaccumuleerde resultaten^)

Percentage afwijkende
embryo\'s per
virusverdunning^)

standaard-
virus-
verdunningen

embryo\'s
embryo\'s

tot totaal aantal
per verdunning

aantal
normale
embryo\'s

aantal
afwijkende
embryo\'s

aantal
normale
embryo\'s

aantal
afwijkende
embryo\'s

totaal
aantal

Kolom 1

2

3

4

5

6

7

8

10-2

4/4 3)

0

4

0

10

10

100%

10-3

3/5

2

3

2

6

8

75%

10-»

2/5

3

2

5

3

8

37.5%

10-3

1/5 4)

4

1

9

1

10

10%

10-8 4)

0/5

5

0

14

0

14

0%

1) De wijze van tabellering is overgenomen uit „Methods for the Examination of Poultry Biologies", Publ. 705. N.R.C. Washington (1959)
Kolom 5 wordt verkregen door kolom 3 van boven naar beneden te accumuleren.
Kolom 6 door dit van beneden naar boven te doen.
Kolom 8 wordt berekend uit gegevens in kolom 6 en 7.
") Bij de tussentijdse schouwing (zie artikel) na de inoculatie bleek 1 embryo te zijn gestorven, deze wordt dus niet meegerekend
) Het geadapteerde VanRoekel-virus geeft in het algeracen bij te onderzoeken broedeieren in een 10-^ verdunning geen afwijkingen te zien
het
IS dus dan overbodig om een 10" verdunning te gebruiken. \'

Tt-
lO

-ocr page 83-

De juiste waarde, „eindtiter", kan met behulp van een formule gevonden
worden. Indien we de fractionele waarde, welke tussen
10"3 en 10"4 moet
liggen, nu x noemen dan is:

% afwijkende embryo\'s juist bo\\ en 50% — 50% _

^ ^ % afwijkende embryo\'s juist boven 50% — % afwijkende embryo\'s

juist beneden 50%

75 — 50 _ 25
= 75 - 37.5 - 37.5 " O \'\'®-
M.a.w. log 10 E.I.D. 50/100 = — 3 (0.66 x — 1 0) = — 3.66.
De eindtiter is hier dus 10^3.66
e.I.D. 50/100 per 0.2 ml, of ze wordt ook
wel uitgedrukt als 10-4.36 E.I.D. 50/100 per 1,0 ml.

Interpretatie der resultaten.

Uit herhaald onderzoek is (ook in dit instituut) gebleken, dat bij gebmik
van het standaardvirus, voor een titratie in broedeieren van onbekende
A.E.-status, een eindtiter van lO\'S-s per 0,2 ml en lager, als geldend voor
immuniteit mag worden beschouwd.

Waarden, welke hoger liggen worden gezien als te behoren tot voor A.E.-
gevoelige dieren.

De bovengenoemde 10 3.G6 behoort theoretisch dus tot de waarden, welke
A.E-gevoelige dieren kenmerkt, doch benadert de grens
(10"3\'5) zo dicht,
dat een uitspraak „gevoelig" voorbarig is. Beter is het om in deze grens-
gevallen direct een herhaald onderzoek in te stellen; veelal zal dan blijken,
dat de titer inmiddels lager is geworden, m.a.w. de koppel resistent geworden
is.

Indien van één bedrijf over koppels uit verschillende hokken een oordeel
moet worden uitgesproken, dan moeten van al deze koppels (apart) broed-
eieren worden geleverd.

Indien dan uit het onderzoek dicht bij elkaar liggende waarden voor E.I.D.
50/100 worden gevonden, spreekt dit voor een unifonne status van, betzij
gevoelige, betzij resistente koppels.

Sterk variërende cijfers daarentegen betekenen vaak dat een infectie onder
een of meer koppels kan heereen en voorzichtigheid met de kuikens, af-
komstig van de koppels met de nog hoge eindtiters, is geboden. Vaak is
men echter te laat, omdat de kuikens reeds afgeleverd zijn en de koppel
inmiddels immuun is geworden.

Indien men bij het e.g.-onderzoek hoge waarden vindt, kan dit aanleiding
zijn de eigenaar te adviseren zijn koppel te vaccineren, doch alleen indien
een vaccin beschikbaar is, welke de produküe niet of nauwelijks beïnvloedt
(gedood vaccin?). Inmiddels zijn enkele afwijkingen bekend geworden op
boven omschreven intei-pretaties. Hierop z.al in een volgend artikel worden
ingegaan.

KWALITATIEF E.G.-ONDERZOEK.

Aan deze werkwijze kleeft het algemene bezwaar, dat de methode uit-
sluitend kwalitatief is. De praktische interpretatie berust op een gecom-
bineerde klinische en virulogische er\\\'aring, althans wanneer het oogmerk
is de eigenaar bepaalde maatregelen (enting) te adviseren. Een en ander
blijkt uit de hieronder vermelde interpretatie van de resultaten.
De uitvoering geschiedt door een inoculatie van 100 E.I.D. 50/100 per 0.2
ml in broedeieren en de reacties der embryo\'s na 10 dagen te bepalen.

-ocr page 84-

De u i t V O e r i ng

De methode is ontwikkeld door Sumner en medew. (1957a en 1957b)
terwijl Taylor en Schelling (1960) op de betekenis hebben ge-
wezen.

Ten minste 20 broedeieren (liever meer) afkomstig van de te onderzoeken
koppel worden geïnoculeerd met 100 E.I.D. 50/100 per 0.2 ml van het reeds
beschreven VanRoekel-virus. De broedeieren waren uiteraard eerst 6-8
dagen bebroed. Na de inoculade, op precies dezelfde manier als is be-
schreven onder bet E.G.-onderzoek, worden de eieren weer gedurende 10
dagen bebroed. Daarna worden de eieren geopend en de embno\'s ge-
mspecteerd (een tussentijdse schouwing mag niet worden vergeten). De
afwijkingen worden geregistreerd.

Bereiding van een v i r u s v e r d u n n i n g met E.I.D. 50/100

p e r 0.2 m 1.

Door middel van een \\irustitratie (zie hier\\óór; wordt de E.I.D. 50/100
per 0.2 ml van het laboratoriumvirus bepaald (VanRoekel-virus!).
Indien blijkt, dat de E.I.D. 50/]00 bv. 10 S\'« bedraagt, dan is de log hier-
van dus — 5.8. Een 100 x sterke dosis wordt gevonden door van de log
— 5,8 af te trekken log — 2, dus 100 E.I.D. 50 100 heeft een log van - 3 8
(of 100 E.I.D. 50/100 = 10-3.8).

Aangenomen wordt, dat, wanneer de embryo\'s niet op een infectie met
100 E.I.D. 50/100 per 0.2 ml virusverdunning reageren, er immuniteit is
ontstaan.

De bereiding \\ an deze 100 E.I.D. valt uiteen in twee gedeelten.

Ten eerste de bereiding van een virusverdunning 10 welke reeds uitvoerig

is beschreven in het voorgaande.

Ten tweede de bereiding van de virusverdunning 10 s «. Hiertoe dient men
eerst de antilog op te zoeken, de tafel geeft aan 6310. M.a.w. verhouden de
beide bovengenoemde verdunningen zich tot elkaar als 1000 : 6310 of als
1 : 6,3. De bereiding van 10 geschiedt nu door 1 ml \\ an de reeds bereide
10 3 verdunning te mengen met 6.3 1 5.3 ml bouillon.
Er ontstaat dus een reële hoeveelheid van 6.3 nil virusverdunning met een
titer van !0\'3\'8. Deze hoeveelheid bevat nu per 0.2 ml 100 E.I.I). 50/100.
(Het is per 0.2 ml omdat de virustitratie E.I.D. 50/100 was gebaseerd op
een inoculatie van 0.2 ml virusverdunning).

Interpretatie der resultaten.

Indien bij het onderzoek der eieren blijkt, dat 100% der embryo\'s is aan-
getast, dan neemt men aan met een voor A.E. gevoelige koppel te doen te
hebben. Is het percentage kleiner, dan wordt de koppel geacht met het
\\irus in contact geweest te zijn. Recente infecties met A.E. worden ge-
acht bij meer dan 50% doch minder dan 100% der embiyo\'s \\ eranderingen
te veroorzaken.

Virus-neutralisatie onderzoek.

Het v.n.-onderzoek, ook wel serum-neutralisatie onderzoek (s.n.-onderzoek)
genoemd, gaat uit van het principe, dat dieren welke met een bepaald virus
zijn besmet, na enige tijd antilicbamen produceren.

-ocr page 85-

Wanneer nu dit virus met de juiste hoeveelheid antiserum wordt gemengd
en in
gevoelige emhiyo\'s wordt geïnocideerd, dan merkt men op, dat het
embryo geen veranderingen \\ertoont. ]51ijkbaar is dit het gevolg van zgn.
virus neutraliserende antilichamen in het serum. Over het juiste mechanisme
van deze reactie is nog niet veel bekend. Doch van deze waarneming heeft
men echter gebruik gemaakt door een methode te ontwerpen, waardoor men
een aanwijzing kan verkrijgen betreffende de immuniteits-status der dieren.
Indien men een zeker minimum aantal sera uit één koppel onderzoekt,
vormen de gevonden waarden een maat \\ oor de gehele koppel, in het ge-
val van A.E.

Voor het A.E.-onderzoek is deze methode ontwikkeld door Sumner en
medew. (1957b) en door C a 1 n e k en J e h n i c h (1959).

De uitvoering.
Van elke te onderzoeken koppel kippen dienen sera van ten minste 5 dieren
te worden onderzocht.

Als standaardvirus wordt de reeds beschreven aan embryo\'s geadapteerde
VanRoekel virusstam gebruikt (in voorraad als een 10"! virusverdunning;
zie terug).

De v.n.-methode maakt eveneens gebruik van broedeieren (zie verder) en
voor de inoculatie worden ook 10-voudige virusverdunningen gebruikt. De
bereiding hiervan zal apart worden behandeld.

Indien men aanneemt, dat er slechts 5 virusverdunnningen nodig en bereid
zijn, welke echter een
aridere beginconcentratie hebben dan bij het e.g.-
onderzoek het geval was — nl. 1 : 50, 1 : 500 etc tot en met 1 : 500.000 - -
dan is het gemakkelijk in te zien dat, wanneer een bepaalde volumehoe-
veelheid van een dezer verdunningen wordt gemengd met
een even grote
hoeveelheid serum
weer 10-voudige virusverdunningen ontstaan, als 1 : 100,
1 : 1000 etc., die voor de inoculatie gebruikt worden.

Aan de bij dit onderzoek te gebruiken broedeieren moet een speciale eis
worden gesteld, de eieren moeten nl. afkomstig zijn \\ an een voor
A.E. ge-
voelige \'koppel kippen.
Dit is noodzakelijk, omdat anders storende reacties
kunnen optreden bij de geïnoculeerde embi7o\'s en de uitslag onbetrouwbaar
wordt.

Uit didactisch oogpunt zal hieronder slechts de uitvoering worden be-
sproken van het onderzoek van twee sera (in plaats van vijf) nl. serum A en
serum B. Men kan dan later het aantal zelfstandig vergroten.
Aangenomen wordt dus, dat een reeks buisjes met virusverdunningen van
1 : 50 tot en rnet 1 : 500.000 reeds bereid is.

Bij de verdere voorbereiding van dit onderzoek wordt steeds één rij buisjes
méér gebruikt dan het totaal aanwezige te onderzoeken sera. De extra rij
is bestemd voor de zgn. \\irustitratie. Bij het onderzoek van twee sera
(A en B) heeft men dus 2 -f 1 = 3 rijen \'buisjes nodig, respectievelijk door
ons aangegeven als rij I, II en III. Rij I en 11 bestaan uit 4 buisjes, terwijl
rij III, bestemd voor de virustitratie, uit 5 buisjes bestaat.
In elk\'buisje van rij I wordt nu 0.6 ml serum A gepipetteerd, dito gebeurt
dit in rij II met serum B. Doch rij III wordt gevuld met 0.6 ml ti7ptose
bouillon oplossing (géén serum).

Van uit een reeks met reeds bereide virusverdunningen 1 : 50 t/m 1 : 500.000
wordt nu, met een schone pipet,
te beginnen bij de hoogste verdunning,
telkens 0.6 ml van een virusverdunning gepipetteerd in de voor deze ver-

-ocr page 86-

diinning bestemde buisjes van rij I, II en III (punt van de pipet mag de
vloeistofspiegel in deze buisjes niet aanraken).

Er ontstaan nu in de rijen I en II virus/serum mengsels met een virusver-
dunning van respecdevelijk 10"2 t/m 10"5 en in rij III ontstaat een virus/
bouillon mengsel met een verdunning lopend van 10-2 t/m 10-6.
Het rek met de buisjes uit de 3 rijen wordt nu goed geschud en men laat
ze gedurende
één uur bij kamertemperatuur staan. (Zie afb. 8).
Hierna worden met de inhoud uit elk der buisjes broedeieren geïnoculeerd.
Per buisje (uit rij I, II en Hl) worden ten minste 5 eieren geïnoculeerd,
de dosis is
0.2 ml per ei. M.a.w. hier gebeurt nu hetzelfde als onder het
e.g.-onderzoek is geschreven. Ook bet vervolg is eender, zoals het 10 dagen
bebroeden, de tussentijdse schouwing en daarna de inspectie van de broed-
eieren (embryo
\'s).

De resultaten worden ook nu weer genoteerd overeenkomstig de verande-
ringen aan de embryo\'s en de daarbijbehorende geïnoculeerde virusverdun-
ningen.

Bereiding der 10"! standaardvirusverdunning.
Zie onder embryo-gevoeligheidsonderzoek.

Bereidingdervirusverdunningsreeksvoorhet virus-
neutralisatie onderzoek.

Ook bij dit onderzoek worden 10-voudige virusverdunningen gebruikt om
de broedeieren te inoculeren. Omdat de virusverdunningen bier moeten
worden gecombineerd met eenzelfde hoeveelheid serum (dit is dus niet het
geval bij het e.g.-onderzoek), moet dus uitgegaan worden van andere be-
gincentraties wat de virusverdunningen betreft, nl. 1 : 50, 1 : 500 etc. t/m
1 : 500.000. \'

-ocr page 87-

Deze worden bereid door eerst in alle vijf buisjes 4 ml tryptose-bouillon
te pipetteren ( 0.1 ml penicilline/streptomycine mengsel van een respec-
tievelijk 100.000 I.E. penicilline en 100 mg streptomycine per 1 ml be-
vattende oplossing). Vervolgens wordt in bet eerste buisje
1 ml van het
standaardvirus (10"i) gepipetteerd. In dit buisje ontstaat dan dus een
virusverdunning van / ;
50. Met een nieuwe pipet wordt nu het virus goed
met de bouillon gemengd en vervolgens
0.5 ml hiervan overgepipetteerd in
de tweede buis, waardoor hierin een
1 : 500 verdunning ontstaat. Nu wordt
weer met een schone pipet deze nieuwe verdunning goed gemengd en 0.5
ml overgebracht in het derde buisje, waarin dan een
1 : 5000 verdunning
ontstaat. Deze procedure wordt herhaald tot alle 5 buisjes virusverdun-
ningen bevatten, resp. lopend van 1 : 50 t/m 1 : 500.000.
Een willekeurige hoeveelheid uit één dezer buisjes, gemengd met een
even
grote
hoeveelheid serum of bouillon geeft dan een virusverdunning van
1 : 100 t/m 1 : 1000.000, waarmede de eieren kunnen worden geïnoculeerd.

Berekening van de neutralisatie-index.

Uit de genoteerde gegevens betreffende de veranderingen in de embryo\'s
wordt met behulp van de methode van R e e d en M u e n c h de E.I.D.
50/100 per rij berekend (in ons voorbeeld rij I, II en III).
De neutralisatie index (N.1.) verschaft een indruk over de weerstandsstatus
van de koppel, in dit geval tegen A.E. Het verschil tussen de log van de
N-ims controle titer en die van één der virus/serum mengsels geeft de log der
N.1. aan.

De N.1. wordt echter uitgedrukt als de andlog van dat getal en geett dan
het aantal viruseenheden aan, dat door een bepaalde hoeveelheid onver-
dund serum (zie inoculatiedosis) wordt geneutraliseerd.

Voorbeeld:

Stel E.I.D. 50/100 samen van Serum A, Serum B en viruscontróle zijn resp.
10 2,1^ 10-4.8 en 10"5.7.

De N.1. van senim A en die van serum B worden dan als volgt berekend:
Serum A: Log serum = — 2.1

Log viruscontróle = — 5.7 —

Log N.1. 3.7

N.1. = antilog 103-7 = 5000 (afgerond).

Serum B: Log serum = — 4.8

Log viruscontrole = — 5.7 —

Log N.I. = 0.9

N.1. = antilog 100.9 = 8 (afgerond).

Interpretatie der N. I.-waarden.

Volgens Calnek en Jehnich (1959) zijn kippen met N.I.-waarden
tussen 6.3—2500 in staat om een intracerebrale injectie met 10.000 E.I.D.
50/100 A.E.-virus te weerstaan. _ _

Een onzer (L u g i n b u h 1) neemt reeds een N.I. = 50 aan als een indi-

-ocr page 88-

catie voor een voldoende, ontwikkelde weerstand. De ziekte wordt dus ge-
kernmerkt door lage N.L waarden. In het algemeen ziet men gaarne °de
N.l.-waarden van sera uit dezelfde koppel dicht bij elkaar liggen, dit spreekt
voor een meer unifonne weerstandsstatus in positieve of negatieve zin.
Liggen de gevonden waarden
rond de 50 dan is een directe^conclusie voor-
barig, waarschijnlijk ontwikkelt er zich in de koppel dan een progressieve in-
fectie. Een herhaald onderzoek zal veelal uitwijzen, dat al de N.l.-waarden
verschoven zijn naar hogere cijfers.

De eerste veronderstelling betreffende cen subclinische infectie is dan juist
geweest.

Liggen de N.I.-waarden dicht bij de 50, dan is er van een grensgeval sprake
en ook dan is een herhaald onderzoek raadzaam.

OPMERKINGEN BETREFFENDE HET E.G.- EN HET V.N.-ONDERZOEK.

Het is nodig, dat steeds een zodanige hoeveelheid inoculatievloeistof moet
worden bereid, dat al de gewenste aantallen broedeieren kunnen worden ge-
inoculeerd. Dit wordt in de aanvang nog wel eens vergeten. De in het
voorgaande aanbevolen virusverdunningsreeksen 10^2 iQ-e ^ijn het
resultaat van een groot aantal analyses.

Alvorens een onderzoek uit te voeren is het goed, zich te beraden hoeveel
broedeieren men nodig heeft. Voor het e.g.-onderzoek zijn dat tenminste
35-40 per koppel; voor het v.n.-onderzoek (5 sera) zijn er aanzienlijk meer
nodig, dz 190. Het onderzoek is dus kostbaar.

Er is een (goedkopere) kwalitatieve methode ontwikkeld welke minder
eieren vraagt, doch indien men nog niet beschikt over grote aantallen eigen
cijfers van het v.n.-ondereoek, is de methode riskant en is het beter bier niet
op in te gaan.

Aangenomen wordt dat steeds zo steriel mogelijk gewerkt wordt en de
grootst mogelijke voorzorgen worden genomen om de inoculatievloeistof
te vrijwaren van contaminatie.

Een zeer belangrijk onderdeel is do registratie en administratie, niet alleoii
moeten dc eieren van notities worden voorzien, doch ook een overzichtelijk
bijgehouden rapport moet aanwezig zijn. Vooral als een en ander tot de
routinebezigheden begint te behoren, zijn fouten niet uitgesloten wanneer
dit onderdeel niet verzorgd is.

De vorengenoemde interpretatie \\an de bij het o.g.- cn/of het \\-.n.-onder-
zoek gevonden waarden hebben betrekking op het door S u m n e r en
medew. (1957a) aan embryo\'s geadapteerde VanRookel-vinis. Het is niet
onmogelijk, dat een ander standaardvirus andere waarden oplevert, dit zal
dus eerst dienen te worden beproefd.

In vele Europese institiUen wordt nu reeds met het hier beschreven aan
embryo\'s geadapteerde VanRoekel-virus gewerkt, en dit geeft het \\oor-
deel, dat de resultaten beter vergelijkbaar zijn.

Uiteraard zijn er modificaties mogelijk bij de uitvoering \\an beide metho-
den, vooral wat betreft de virusverdunningen en de inoculatiedosis. Doch
steeds dient er op gelet te worden, dat de geïnoculeerde
virus-verdunnings-
verhoudingen 10-voudig zijn; verandert men dit ook, dan moet hiermede
rekening worden gehouden bij de bepaling der eindtiters en wordt de be-
rekening aanzienlijk moeilijker.

Indien men beide methoden tegelijkertijd uitvoert, is het lasdg als men 2
aanvangsreeksen van standaard virusverdunningen moet maken.

-ocr page 89-

Door nu één virusverdunningsreeks te maken 10"2 t/m 10"6 en de inoculatie-
dosis in de e.g.-methode te halveren, wordt de bovenbeschreven moeilijk-
heid omzeild.

De redenen waarom deze benadering hier niet beschreven is, liggen in het
feit dat wij menen op bovenbeschreven manier de principes en de uitvoering
duidelijker te kunnen omschrijven. De hoeveelheid (volume) vloeistof
speelt bij inoculaties in de dooierzak niet zo\'n kritische rol, dan wanneer dit
b.v. in de hersenen van het embryo moet geschieden.

Het v.n.-onderzoek is alleen uitvoerbaar, indien men over broedeieren
beschikt afkomstig van een voor A.E. gevoelige hennenkoppel ; hiewoor
moet dus een aparte geïsoleerde kippenstapel worden aangehouden, hetzij
met een bepaald voor dit doel geschikt bedrijf overeenkomsten worden ge-
troffen. (Dit geldt ook voor het e.g. onderzoek, wat betreft de controle van
het standaardvirus.)

A.E.-diagnostiek met behulp van proefkuikens.

Het gebmik van deze methode voor bet stellen van een A.E.-diagnose moet
met resei"ve worden beoordeeld.

De reden van de behandeling is dat aan de methode, welke principieel zeer
geschikt is om virusmateriaal te isoleren (F e i b e 1 en medew., 1952), door
anderen (F r i t s c h e en medew., 1959) ook
diagnostische betekenis wordt
toegeketid, dit laatste is slechts gedeeltelijk waar.

De u i t V O e r in g.

Van de ter onderzoek aangeboden kuikens (verdacht van A.E.) worden
de hersenen verwijderd en verzameld in een platte fles waarin zich een ge-
bufferde fysiologische zoutoplossing (pH = 7.2) en glaskogels bevinden.
De gewichtsverhouding hersenen : fysiologische zoutoplossing is als 1 : 10.
Het geheel wordt gedurende 2 uur geschud bij een temperatuur van ± 5°
C. (destructie weefselcellen die het virus bevatten). Een en ander moet nu
worden bewaard bij — 20° C. Indien men het materiaal wil inoculeren in
de proefkuikens moet men het dus eeret ontdooien bij kamertempera-
tuur. Daarna wordt de emulsie gecentrifugeerd gedurende ± 15 minu-
ten (1500 omwentelingen per minuut) en de bovenstaande vloeistof in de
buis wordt gebruikt om de proefkuikens te infecteren. De inoculatie ge-
schiedt (intracerebraal) door over beide hemisferen verdeeld in totaal
0.03—0.05 ml te injecteren.

De proefkuikens worden gedurende 3 weken geobserveerd.

Interpretatie der resultaten.

Indien de kuikens klinische A.E.-verschijnselen vertonen, wordt aange-
nomen dat de ter onderzoek aangeboden dieren aan A.E. hebben geleden.
Het is o.i. vereist ten minste nog een aanvullend microscopisch ondei-zoek
uit te voeren. Want het is bekend, dat ook andere virusinfecties op A.E.
gelijkende klinische symptomen kunnen ontwikkelen.

De methode levert verder bij menginfecties grote kans op een verkeerde
interpretatie op.

Een voornaam bezwaar is, dat de uitslag van bet onderzoek weken in beslag
neemt en dus voor het routineonderzoek weinig geschikt is.

-ocr page 90-

Isolatie en vermeerdering van het A.E.-virus.

Dit onderdeel behoort o.i. tot de taak van speciaal daai-voor ingerichte labo-
ratoria, welke over de nodige apparatuur en insolatiemogelijkheden be-
schikken; derhalve zal hieraan slechts beperkte aandacht worden besteed
De hersenen van zieke kuikens (VanRoekel, 1959) dienen als eerste virus-
bron. Doch ook faeces afkomstig van zieke dieren kunnen worden gebruikt
indien men deze aan voor A.E.-gevoelige kuikens per os verstrekt (C a I-
n e k, Taylor en S e v o i a n, 1960).

Indien men niet over gevoelige kuikens of broedeieren beschikt, doet men
goed om
grote aantallen kuikens intra-cerebraal (0.05 ml in elk der beide
hemisferen) met infectieus materiaal te injecteren, doch slechts de hersenen
te oogsten van die kuikens, welke tussen 1-4 weken klinische symptomen
vertonen. Het virus kan worden vermeerderd in gevoelige 6-8 dagen geïncu-
beerde broedeieren, door inoculatie van het (gecentrifugeerd) hersenmate-
riaal (10^1) gemengd met een 0.1 ml bevattende antibiotica-oplossing.
Ook nu worden alleen embryohersenen geoogst, waaivan de embryo\'s para-
lyse of musculaire dystrofie vertonen.

Indien geen afwijkingen worden gevonden, worden 4 of meer embryoher-
senen geïsoleerd en 5 zgn. blinde eipassages uitgevoerd, waarna weer de em-
bryohersenen worden geoogst en hiermede wordt dan weer een intracere-
brale injectie uitgevoerd bij gevoelige kuikens om vast te stellen of er zich
een eventueel langzaam aan het embiyo aanpassend virus bevindt.
De bovenbeschreven, summier weergegeven, methode is o.m. aanbevolen
^oor^het A.E.-Committee in de Verenigde Staten (VanRoekel e,a,,

SAMENVATTING,

De auteurs beschrijven twee methoden bestemd voor de virulogische diagnostiek van
.Aviaire Encephalomyelitis (A.E,), De methoden zijn het embryo-gevoeligheidsonder-
zock en de virusneutralisatie. De beide werkwijzen zijn door hun lange duur van
beperkte waarde voor het routine-onderzoek, hiervoor is het microscopisch onderzoek
meer geschikt.

Het embryo-gevoeligheidsonderzoek kan op twee manieren worden uit.gevoerd de
eerst beschrevene is kwalitatief en quantitatief, terwijl de tweede manier alleen kwali-
tatief is.

De beide bovengenoemde methoden zijn van groot informatief belang voor het vast-
stellen van de weerstandsstatus tegen A.E, van een voor de produktie van broed-
eieren bestemde koppel hennen en verschaffen ook inlichtingen betreffende de paren-
tale immuniteit der nakomelingen (eerste 4-8 levensweken)

Eveneens wordt aandacht gewijd aan een methodiek voor de diagnose van A E
met behulp van met hersenmateriaal geïnoculeerde proefkuikens.
Hiertegen kunnen echter bezwaren worden aangevoerd.

Enkele opmerkingen worden gemaakt betreffende de isolatie van het A.E.-virus.
SUMMARY.

The authors give a description of two methods designed for the virologie diagnosis
of avian encephalomyelitis (A.E,), namely, the embryo susceptibility test and the
virus neutralization test. The first can be conducted to obtain qualitative or quanti-
tative results, both procedures are described.

The above mentioned methods are for laboratory diagnostic purposes but they are less
suitable than the histologic method for routine diagnosis because of the time involved
However, these laboratory methods are of utmost importance in establishing the

-ocr page 91-

immune status of breeding hens and thereby also determining the presence of parental
immunity in the progeny.

Furthermore, some atention is devoted to making a diagnosis by means of inoculating
brain material into experimental chicks. For diagnostic purpose, objections are raised
to this method.

In addition some remarks are made on the isolation of avian encephalomyelitis virus.
RÉSUMÉ.

Les auteurs décrivent deux méthodes servant au diagnostic virulogique de l\'Encé-
phalomyelite Aviaire (E.A.). Les méthodes consistent en l\'examen de la sensibilité
de l\'embryon et en la neutralisation du virus.

Par leur longue durée ces deux méthodes n\'ont qu\'une valeur restreinte pour \'lexamen
de routine, en ce cas l\'examen microscopique vaut mieux.

L\'examen dc la sensibilité de l\'embryon peut être fait de deux façons, la façon qu\'on
a décrite en premier lieu est qualitative et quantitative, tandis que la seconde tech-
nique est seulement qualitative.

Les deux méthodes susmentionnées ont une grande importance informative pour
l\'évaluation de l\'état de résistance contre l\'E..^. d\'une troupe de poules destinées
à la production d\'oeufs à couver et procurent également des informations concernant
l\'immunité parentale des descendants (les premières 4-8 semaines de vie).
Les auteurs prêtent leur attention également à une technique pour le diagnostic de
l\'E.A. à l\'aide de poussins d\'expérience inoculés de substance cérébrale. Il est cepen-
dant possible de présenter des objections à cette méthode.
On ajoute quelques observations concernant l\'isolation du virus de l\'E.A.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Autoren geben eine Beschreibung von zwei Methoden der virologischen Diagnos-
tik der ansteckenden Gehirnrückenmarksentzündung (A.E.) des Geflügels (Embryo-
Empfänglichkeits- und Virus Neutralisationstest).

Beide Methoden sind für Labor-diagnostische Zwecke gut, aber für die Routine-
diagnose wenig geeignet, da sie längere Zeit beanspruchen. Die Verfahren sind von
grösster Wichtigkeit zum Nachweis der Immunität von Zuchthühnern und ebenso
wichtig zum indirekten Nachweis einer parenteralen Immunität der Nachkommen-
schaft.

Weiter wird eine andere Methode erwähnt, nämlich die Inoculation von verdäch-
tigem Gehirnmaterial in Versuchstieren zwecks Stellung der Diagnose. Letztere Me-
thode kann jedoch nicht empfohlen werden.

Einige Bemerkungen werden bezüglich der Isolation des Virus der A.E. gemacht.

LITER.\\TUUR

0 a 1 n e k, B. W. and J e h n i c h, H. : Studies on avian enccphalomyehtis. I. Use of a
serum neutralization test in the detection of immunity levels.
Avian Dis., 3, 95,
(1959).

G a 1 n e k, B. W., Taylor, P. J. and S e v o i a n, M. : Studies on avian encephalo-
myelitis. IV. Epizootiology.
Avian Dis., 4, 325, (1960).
G a s o r s o, D. R. and Jungherr, E. L. : The response of the developing chicken

embryo to certain avian pathogens. Am. J. vet. Res., 20, 547, (1959).
Feibel, F., H e 1 m b o 1 d t, C. F., Jungherr, E. L. and Carson, J. R.:
Avian encephalomyelitis - prevalence, pathogenicity of the virus, and breed suscep-
tibihty.
Am. ]. vet. Res., 13, 260, (1952).
Fritzsche, K. and G e r r i e t s, E. : Ansteckende Gehirnrückenmarksentzündung
des Geflügels. In „Geflügelkrankheiten", 1st Ed., Paul Parey, Berlin and Hamburg,
Germany, p. 125, (1959).
J u n g h e r r, E., S u m n e r, F. and L u g i n b u h 1, R. E. : Pathology of egg-adapted
avian encephalomyelitis.
Science, 124, 80, (1956).

-ocr page 92-

Ma as, H. J. L. and Helmboldt, C. F.: Aviaire Encephalomyelitis. Tijdschr.
Diergeneesk.,
87, 371, (1962).

R e e d, L. J. and M u e n c h, H.: A simple method of estimating fifty per cent end-
points.
Am. J. Hyg., 27, 493, (1938).

Sumner, F. W., J u n g h e r r, E. L. and Luginbuhl, R. S.: Studies on
avian encephalomyehtis. I. Egg adaptation of the virus.
Am. I. vet. Res., 18 717
(1959 a). - . \'

Sumner, F. W., Luginbuhl, R. E. and J u n g h e r r, E. L.: Studies on avian
encephalomyelitis. II. Flock survey for embryo susceptibility to the virus
Am J
vet. Res., 13, 720, (1957 b).

Taylor, J. R. E. and S c h e 11 i n g, E. P.: The distribution of avian encephalo-
myelitis in North America as indicated by an immunity test.
Avian Dis 4 122
(1960). \'

Taylor, L. W., Lowry, D. C. and R a g g i, L. G.: Effects of an outbreak of
avian encephalomyelitis (epidemic tremor) in a breeding flock
Poultry Sci 34
1036. (1955). " •

VanRoekel, H.: Avian encephalomyelitis. In „Disease of Poultry", (H. E.
Biester and L. W. Schwarte, eds.), 4th Ed., Iowa State University Press, Ames
Iowa, p. 562, (1959).

V a n R o e k e 1, H., C a 1 n e k, B. W., L u g i n b u h 1, R. E. and M c K e r c h e r,
P. D.: Committee report on a tentative program for the control of avian encephalo-
myelitis (AE). Presented at the 33rd Northeastern Conference on Avian Diseases,
West Virginia University, Morgantown, West Virginia, June 19-21, 1961.

Wills, F. K. and M o u 1 t h r o p, I. M.: Propagation of avian encephalomyelitis
virus in the chick embryo.
Southwestern Vet., 10, 39, (1956).

Een Engels oordeel over roostervloeren.

Een Britse auteur is van mening, dat het gebruik van roostervlo<-ren voor twee-
hoevige dieren onjuist is. Hij is in deze mening gesterkt door wat hij in de praktijk
heeft gezien.

Op een Engels bedrijf waar koeien voor het 2e jaar op een roostcrvlocr liepen waren
deze dieren in vergelijking met leeftijdsgenoten 100 kg lichter in gewicht en nerveus
en zagen cr vermoeid uit. Dc meeste waren stijf en hadden last van dikke hakken.
Bij een zelfde voedering was de melkgift lager.

Een overeenkomstige ervaring werd opgedaan bij mestvarkens op roostervloeren.
Hier was het vo<-derverbruik hoger en de groei slechter. Slechts één mester wilde
de roostervloer nog wel toepassen in de mestgang.
Schrijver wijt de slechte resultaten aan de volgende redenen:

Tweehoevige dieren hebben voor het lopen en staan een uniform oppervlak nodig
om hun lichaamsgewicht gelijkelijk te verdelen. Bij roostervloeren is dit niet mogelijk,
zodat beengebreken e.d. niet kunnen uitblijven. Om de dieren binnen een bepaald
gebied te houden maakt men gebruik van wildroosters, welke goed voldoen. Het
lopen hierop is onnatuuriijk. Worden de dieren hiertoe gedwongen dan kan niet
uitblijven dat dit aanleiding geeft tot angst en nervositeit.

De auteur meent, dat de roostervloeren zo snel mogelijk moeten verdwijnen, voordat
er nog meer ongelukken plaatsvinden.

(Het is bekend, dat in Engeland aan de afwerking van de balken niet dié aandacht
IS besteed, die noodzakelijk is. Dit is wellicht één der redenen van de slechte er-
varingen.)

Landbouwdocumentatie, 18, 196, (1962).

-ocr page 93-

De invloed van het micro- en het macroklimaat
en van isoleringsmaatregelen op het optreden
van
enzoötische of viruspneumonie bij varkens.
Een kritisch literatuuroverzicht - I.

The influence of the micro- and the macro-climate
and of isolation measures on the occurrence of en-
zootic or virus pneumonia of pigs. A critical review of
the literature\'\'-). - I.

door T. EERNSTMAN2)

Centrum voor Landbouw publikaties en Landbouwdocumen-
tatie te Wageningen.

a. De invloed van de isoleringsmaatregelen.

Reeds in de jaren 1933 tot en met 1938 publiceerde W a 1 d m a n n, toen-
malig „Direktor der Staatlichen Forscbungsanstalten" op het eiland Riems
bij Greifswald in Duitsland, verschillende artikelen, waarin het grote suc-
ces met bepaalde bestrijdingswijzen van viruspneumonie (door hem toen
nog „Ferkelgrippe" genoemd) door middel van bepaalde principes in de
bouw van de stallen, van de hutten en van hun uitloi)en beschreven werd.
Dat het niet overbodig geacht mag worden de inhoud van deze publikaties
nogmaals gedeeltelijk naar \\oren te brengen, wordt door meerdere feiten
zeer duidelijk gedemonstreerd.

Het voornaamste punt van de bestrijdingsmethode van W a 1 d m a n n is
het geïsoleerd houden van verschillende groepen varkens, zodat, indien
het de enzoötische pneumonie veroorzakende niicroörganisme in een groep
aanwezig is, dit niet naar een andere groep overgehoest kan worden. In
de buitenlucht blijkt hiertoe een afstand van 1,35 m of 1,50 m tussen de
bij de stallen of de hutten behorende uitlopen voldoende. In de stal is
echter een volkomen afscheiding tussen dc verschillende stalbochten, door
tot aan het plafond doorlojjende afscheidinpnmren, absoluut noodzakelijk
gebleken. Deze absolute noodzakelijkheid is door W a 1 d m a n n in ver-
schillende artikelen aan de hand van diverse voorbeelden gedemonstreerd,
hetgeen niet alleen nodig was omdat zijn ideeën toen nog verbreidmg
moesten vinden, maar ook omdat het enige malen opnieuw nodig bleek het
essentiële van zijn methode naar voren te brengen, daar sommige varkens-
houders wel enkele facetten van zijn bestrijdingswijze overnamen, maar
de essentiële eisen veronachtzaamden.

Dit is tegenwoordig in Duitsland zelfs nóg het geval. P e h 1») (1955) deelt

1) Op verzoek van het InstUuut voor Landbouwbedrijfsgebouwen te Wageningen
werd een literatuuroverzicht van de invloed van het stalklimaat en de stalbouw
op het optreden van varkensziekten gemaakt. Dit in concept gereed zijnde rapport
zal afzonderlijk verschijnen. Op aanraden van Prof. Dr. Th. S t e g e n g a. Voor-
zitter van de werkgroep „Huisvesting en verzorging Landbouwhuisdieren", wor-
den de voornaamste punten uit dit rapport in een reeks artikelen in dit tijdschrift
naar voren gebracht.

2) Landbouwkundig ingenieur, werkzaam als literatuuronderzoeker aan het Centrum
voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie te Wageningen.

3) Toentertijd dierenarts op het eiland Riems. In I960 vermeld als hoogleraar aan
het Friedrich Loeffler Instituut aldaar.

-ocr page 94-

bijvoorbeeld mede dat men bij talrijke fokbedrijven de varkens wel buiten
laat lopen (dit „zien" de varkenshouders dan voor het essentiële van de
W a I d m a n n-methode aan), maar tussen de verschillende uitlopen geen
afstand xan ± 1,50 m aanbrengt, met alle ongunstige gevolgen van dien
Een andere fout betreft het onvoldoende geïsoleerd in de stal houden van de
varkens. Zo vertelde een bedrijfshouder in de „Altmark" aan Wal d-
m a n n en R a d t k e (1937) het volgende:

„In mei 1935 bouwde ik in een koestal afzonderlijke bochten op een onderlinge
afstand van 1,50 m en gebruikte deze voor het werpen. Van deze dag af had ik
gezonde, goed groeiende biggen. In de loop van de zomer, toen ik de eigenlijke
varkensstal goed gedesinfecteerd had en gedurende vrij lange tijd ongebruikt had
laten liggen, bezette ik deze stal weder, en wel verdeelde ik om de andere bocht
in twee helften, de ene helft gold als scheidingsoppervlak, de andere helft als
voederplaats voor de biggen. Alles ging goed tot eind september Toen trad het
oude verschijnsel weer op".

Een ander sprekend voorbeeld betreft een stal van een beer die slechts
door een met goed afsluitende deur van een verzamelstal (met een uitloop)
van m hutten opgefokte jonge fokzeugen gescheiden was, door welke deur
de beer en de jonge fokzeugen elkaar konden besnuffelen. Daar de beer
hoestte en uit een besmet bedrijf afkomstig bleek, werd zo de besmetting
steeds weer in de verzamelstal van de jonge fokzeugen gebracht. Deze jonge
fokzeugen kwamen volkomen „hoestvrij", steeds op een leeftijd van 5
tot 6 maanden m deze stal. Het dekken door de beer geschiedde boven-
dien m de uitloop.

Hoe zeer reeds lang geleden opgedane ervaringen weer in het vergeetboek
kunnen raken, blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Behrensi) in 1957
mededeelt de tussenruimten tussen de aparte bochten zowel in de buiten-
lucht als m de stal minstens 1 ni te willen laten bedragen - - dus in de stal
kennelijk zonder volkomen afscheidende muren. Elders zegt B e h r e n s
wel dat een verspreiding van de ziekteverwekker slechts door een absolute
ruimtelijke scheiding zeker verhinderd wordt, maar deze absoluutheid
schijnt hij slechts m horizontale zin op te vatten, daar hij bij het noemen
\\an de door hem aanbevolen saneringsmaatregelen weer spreekt over de
tussenruimten van minstens 1 m tussen dc aparte bochten in de stal
1 ilgner (1953) spreekt alleen over „voldoend hoge" en dichte afschei-
dmgswanden in de stallen en wil deze wanden van planken laten maken
Hoewel m Engeland de resultaten van W a 1 d m a n n ook reeds in 1938
door L a rn O n t2), na een tezamen met de gebroeders McGuckianS)
en Shanks^) in 1937 ondernomen studiereis in Duitsland, in ruimere
kring bekend werden gemaakt, is het toch mogelijk gebleken dat de door
Beveridge\'\'5), één van de grote viruspneumoniespecialisten, door het

Directeur van het Tiergesundheitsamt Hannover.
2) Hoogleraar aan de „Queen\'s University of Belfast", Noord-Ierland.

Varkensfokkers in Noord-Ierland.
V Veterinary Surgeon (M.R.C.V.S.) en Bachelor of Science in the Faculty of
Agriculture. Toentertijd General Advisory officer (in connection with pig
diseases) en werkzaam aan de Veterinary Research Division van het Ministry of
Agriculture van Noord-Ierland.

Hoogleraar aan de Universiteit te Cambridge, Engeland.
966

-ocr page 95-

virus te overbruggen geachte verticale afstand in de stal — van de ene stal-
bocht naar de andere — van 1956 (jaar van de rede; gepubl. 1957) tot
1958 respectievelijk van „2 in" tot „2 in en hoger" veranderde. In 1958
spreekt Beveridge dan ook pas als zijn overtuiging uit dat men be-
smette varkens niet in één zelfde gebouw met niet-besmette moet onder-
brengen, wanneer zij daarin niet door een luchtdichte tot aan bet dak rei-
kende wand van elkaar gescheiden zijn.

B a r r O nl) (tijdens de „General üiscusion" na W h i 111 e s t o n e, 1957)
is ook nog ietwat aarzelend, wanneer hij zegt dat naar zijn mening de var-
kens in kleine aantallen binnen muren van op zijn minst 5 feet (= ±:
1,5 m) hoog gehouden moeten worden en deze muren bij voorkeur tot aan
het plafond moeten lopen.

In het bijzonder de ervaring van Beveridge is laat te noemen, indien
men bedenkt dat Shanks2) reeds in 1942 (zie pag. 233, punt 7 en de
verdere tekst) tegen het optreden van viruspneumonie een stal ontwierp,
waarvan de stalafdelingen volkomen door tot aan het dak reikende muren
gescheiden waren^), en dit principe van \\olkomen afscheiding (volgens
I n g 1 i s en Robertson, 1949) ook reeds eerder dan 1949 door de
National Vcterinary Medical Association aanbevolen werd.

In Nederland is men zich de noodzakelijkheid van de volkomen afschei-
ding nog geenszins bewust. Uit een rede van Prinsen (1958) over de
door het Rijkslandbouwconsulentschap voor Boerderijbouw te Wageningen
gestelde eisen aan ideale varkensstallen, blijkt bijvoorbeeld dat men de
kansen voor het verbreiden van enzoötische of viruspneumonie zelfs groter
maakt. Men beveelt namelijk aan naast de aanbevolen individuele kraam-
hokken voor de zeugen een centrale voederplaats te maken met een uit-
loop voor alle zeugen, zowel guste, dragende als zogende (I.e., pag. 57).
Zo nodig wordt wel tussen deze verschillende groepen een afscheiding
aangebracht. De niet dichte en lage afscheidingen vlak voor de trog (zie
een foto, I.e., pag. 53) om het elkaar verdringen van de zeugen te voor-
komen, heeft vooV bet bestrijden van het overl)rengen van de ziekteverwek-
kers in het geheel geen betekenis. In het bijzonder gedurende de periode
tussen het werpen en het spenen, maar ook reeds vóór die tijd, moet het

1) Lector aan de Universiteit te Reading, Engeland.

2) Zie noot") op pag. 966. ^^
=•) Shanks maakt wel van twee tegenover elkaar lig,gende grote „bochten" een

„dubbele" volledig van de andere afdelingen afgesloten „stal-afdeling". Tijdens
een discussie na een rede van Lamont, Luke en Gordon (1950) deed
Shanks uitvoerige mededehngen over tussen 1948 en 1950 aangebrachte ver-
anderingen aan dit type stal. Gordon en Luke (1955) beschrijven de resul-
taten van het later aanbrengen van slaaphokken in dit type stallen en verande-
ringen betreffende de ventilatie.

In de stal van 1942 kon wel iedere stal-afdeling 30 mestvarkens bevatten, zodat
er in iedere dubbele stal-afdeling 60 ondergebracht konden worden. In 1955 delen
Gordon en Luke mede dat er 35 in iedere stal-afdeling geplaatst werden,
dus 70 in iedere dubbele afdeling. In het gehele stalgebouw waren toen echter
900 varkens aanwezig. In deze meststallen komen de dieren echter pas na het
spenen, op een leeftijd van ± 8 weken. Voordien heeft men dan reeds de ge-
legenheid gehad iedere worp op het aanwezig zijn van enzoötische pneumonie te
trachten te controleren tijdens een verblijf in de buitenlucht (in landhokken of
hutten) en in de fokstal.

-ocr page 96-

gemeenschappelijk op de voederplaats vertoeven bijzonder gevaarlijk geacht
worden. Zelfs na het scheiden van zieke en uiterlijk gezonde varkens blijft
het gevaar voor besmetdng bestaan, daar er virusdraagsters zonder uiter-
lijke kentekenen van de ziekte onder de zeugen kunnen zijn, welke zeer ge-
makkelijk de ziekte op andere varkens kunnen overdragen (zie bv

Waldmann en R ad tke, 1937; W a 1 d m a n n, 1936; M c P h e r s o n
en Shanks, 1955; Field, 1957; S t e i n k e, 1937. Zie ook: Betts
1952; Betts e.a., 1955, a en b).

In het „Vlugschrift voor de landbouw, nr. 102 (i960)" „Varkens zonder
biggengriep", is wel een paragraaf „Houd ziek en gezond gescheiden" op-
genomen, maar hierin worden alleen noodmaatregelen voor besmette be-
drijven besproken, hoewel men tevoren reeds mededeelde: „Veel van onze
bedrijven zijn met biggengriep besmet". Naast andere afdoende noodmaat-
regelen komt er ook de aanbeveling in voor: „Als we bij het doorvoeren
van de scheiding geen ruimte genoeg hebben, kunnen we ook hokken im-
proviseren op de deel, met een tussenruimte van enkele meters". Deze
hokken zag ik ergens in een tijdschrift echter met ruime spleten tussen de
planken afgebeeld, zodat zij op deze wijze ook — en tóch in het algemeen
— onvoldoende geacht moeten worden. Op de buitenomslag van het ge-
noemde vlugschrift staan varkensstalbocbten afgebeeld met de meest wijd-
mazige afscheidingen van harmonicagaas er tussen die men zich bij wijze
van spreken maar denken kan.

De oorzaak van het niet algemeen bekend zijn van de ervaringen van
Waldmann en anderen moet mijns inziens in de eerste plaats bet feit zijn
dat de wetenschappelijke onderzoekers tegenwoordig meestal op een be-
paald „klein" gebied specialist zijn en het beheersen van zo n „klein" ge-
bied (stalbouw, virusonderzoek: gezien als onderdeel van de gehele dier-
geneeskunde) in de tegenwoordige tijd reeds het beheersen van een zeer om-
vangrijk gebied met onnoemelijk veel details betekent, waardoor men aan
zijdelings betrokken vraagstukken niet zo veel aandacht kan schenken. Het
mag derhalve een gelukkige gedachte genoemd worden dat het Instituut
voor Landbouwbedrijfsgebouwen te Wageningen, in overleg met de op pag.
965 vermelde werkgroep — waarin het mede vertegenwoordigd is — op-
dracht gaf tot het maken van cen literatuuroverzicht over de invloed van het
stalkhmaat en de stalbouw op het optreden van ziekten bij varkens. Voor de
Engelse onderzoekers in het bijzonder is de taalbarrière tevens waarschijn-
lijk een grote belemmering geweest, zelfstandig van de vroegere Duitse er-
varingen kennis te nemen.

In het bijzonder sinds uit het onderzoek van K o o p m a n( 1961) bleek hoe
groot de verbreiding van enzoötische pneumonie in Nederland is, en de
kansen voor het optreden van deze besmettelijke longaandoening blijkbaar
bijna overal in ruime mate aanwezig zijn, lijkt het toch wel onvermijdelijk
om reeds preventief in de stallen de volkomen afscheidende muren tussen de
bochten aan te brengen.

Verscheidene lezers zullen hierbij aan het alternatief „het geheel of ge-
deeltelijk opfokken van de varkens in hutten" denken. Bij deze wijze van
opfokken moeten door het aannemen van andere reeksen saneringsmaat-
regelen de varkens of in het geheel niet of op oudere leeftijden in de stallen
gebracht worden, waardoor de aan de stallen te stellen eisen of vervallen
óf anders worden. Over deze kwesties zal later gesproken worden, daar
voordien eerst de invloed van het houden in hutten op het optreden van

-ocr page 97-

enzoötische pneumonie en het gedijen van de varkens in de buitenhicht
in het algemeen besproken zal zijn.

b. De verspreiding van het ziekteverwekkende organisme door de lucht.

Men kan zich nu afvragen: Wat is momenteel over de wijze van versprei-
ding van de ziekteverwekker en zijn besmettelijkheid bekend?
De ziekteverwekker — de secundair optredende bacteriën buiten beschou-
wing gelaten — is 200-450 m^. groot (Betts en Beveridge, 1952,
1953- Betts, 1953; W h i 111 e s t o n e, 1957) en werd onder de elek-
tronenmicroscoop door Beveridge (1953), en waarschijnlijki) door
kleuring het eerst door W h i 111 e s t o n e (1957), onderzoeker aan de
Universiteit van Cambridge, aangetoond. Dit aangetoonde ziekteverwek-
kende organisme heeft vele eigenschappen die het gemeen heeft met vi-
russen. Dit is in overeenstemming met de resultaten van K o b e, die het
reeds in 1933 bewezen achtte dat de ziekte door een pneumotroop virus
veroorzaakt werd.

Toch bevalen in 1960 G o o d w i n en W h i 111 e s t o n e aan, de naam
viruspneumonie bij varkens" te laten vervallen en alleen te spreken over
"enzoötische pneumonie bij varkens", daar de onzekerheid over de aard
van het bestudeerde pneumonieën-verwekkende organisme groter was ge-
worden, omdat
gradocol-filtratie-jMoeven en gevoeligheid voor antibiotica
een niet-virusachtig organisme niet uitsluiten.

Wat hij ook zij, deze ziekteverwekker wordt voornamelijk overgebracht
door z g „druppeltjes infectie" bij hoesten, niezen en „talking".
Door Z\' j e s c h é (1907; geciteerd door V o g t, 1936), die dit probleem van
overbrenging voor een andere ziekte onderzocht, werden de betrokken
druppeltjes „bronchiaaldruppeltjes" genoemd, daar zij voornamelijk uit
het slijmvlies van de bronchi en de bronchioli afkomstig zijn. Deze drup-
peltjes kunnen echter ook uit het slijmvlies van de neus en de trachea ko-
men Deze bronchiaaldruppeltjes bevatten naast leucocyten de specifieke
ziekteverwekkers. Whittlestone (1957, en de door hem geciteerde
literatuur) deelt mede dat men kunstmatig de ziekte alleen heeft weten
over te brengen door directe inoculatie van het causale agens m de adem-
halingswegen. Subcutane, intradermale, intraveneuze, intraperitoneale en
intrapleurale inoculatie van infectieus materiaal heeft nooit pneumonie
kunnen veroorzaken (zie ook B e h r e n s, 1957, voor de Duitse en Zweedse

onderzoekingen). .. . , , ^

V O ff t (1936) wijst er op, dat de factoren die van belang zijn voor het tot
stand komen van de „druppeltjes infectie", de vliegafstand en de zweefduur
van de druppeltjes zijn. Terwijl de vliegafstand volgens hem met meer dan
1 m bedraagt, moet de zweefduur in rusUge lucht volgens hem tot een
half uur toe\'bedragen. Dit zweven zou een mededeling van B e v e r i ci g e
(rede 1956; gepubl. 1957) kunnen verklaren dat in één geval naar alle
waarschijnlijkheid de besmetting over een afstand van ongeveer 50 m van
een meststal met 500 besmette varkens op varkens m open kooien werd
overgedragen.

M Aldus vermeld door B e h r e n s (1957). De genoemde publikatie van W h i t 11 e-
stone uit 1957 is een dissertatie uit Cambridge. Daar de dissertaUes van de
Universiteit aldaar niet in druk verschijnen, heb ik van deze publikatie geen in-
zage kunnen krijgen.

-ocr page 98-

c. De invloed van de luchtvochdgheid op de eigenschappen van het zich
door de lucht voortbewegende „virus".

Door de resultaten % an onderzoekingen van K i n g d o n (1960) over het
verband tussen de relatieve luchtvochtigheid en het optreden van influenza
bij de mens, hjkt het zeer belangrijk deze resultaten te vergelijken met de
resultaten van het onderzoek naar de invloed van de luchtvochtigheid on
liet optreden van enzoötische of viruspneumonie bij het varken
De factoren die K i n g d o n in beschouwing neemt om de invloed van de
luchtvochtigheid op de besmettelijkheid van de virusdeeltjes te verklaren
zijn de grootte en de samenstelling van de overgehoeste druppeltjes met\'
het mfluenza-vims. Deze druppeltjes zijn afkomstig van het speeksel dat
NaCl (ongveer 0,5 mg per ml) bevat als ook andere biologisch belangrijke
stoffen, met waarschijnlijk een inhibitor, waarmee het virus verbonden
Ln
zijn. ben uitgemeste druppel verlaat een milieu van 100% relatieve voch-
tigheid en treedt de omgevende atmosfeer binnen, die gewoonlijk een la-
gere luchtvochtigheid heeft. De druppel zal derhalve door verdamping
water verhezen en daardoor kleiner in omvang worden totdat een verdere
alnaiiie m grootte beperkt wordt door vermindering in dampdruk door de
toegenomen concentrade van de opgeloste chemische stoffen; de verdam-
ping kan echter ook voortgaan totdat de opgeloste stoffen kristalliseren
K 1 n g d o n ging nu, daarbij steunend op het eerder resultaat van andere
onderzoekers, het verdampingsgedrag van een „typische druppel" na. Deze
typische druppel met in het begin een straal van 17x10-4 cm en met IQ-n
g NaCl, koos hij zo, omdat de kleinere druppels, die in de lucht blijven
zweven, het belangrijkste zijn. Het influenza-virus heeft een straal van on-
geveer 5xl0-<> cm, zodat het gemakkelijk in deze typische druppel opgeno-
men kan zijn. In verschillende luchtvochtigheidsomstandigheden zal deze
typische druppel na zijn reis door de luchti) door verschillende omstan-
digheden verschillen in besmettelijkheid vertonen. Mede op grond van
proeven van andere onderzoekers met Pneumokokken en met het influenza
K 1 n g d O n wat de oorzaak van deze verschillen in besmet-
te ijkheid betreft tot het bijgaande voorlopige, gedeeltelijk hypothetische,
scheina2) (zie tabel I).
 ji >

Het bleek K i n g d o n dat de meest voorkomende relatieve hichtvochtig-
heidsgraden in Amerika ongunstig zijn voor de overdracht x an de besmei
tmg door de lucht. Hij veronderstelt daarentegen, op grond van de hier-
boven vermelde gegevens, dat een speciaal patroon van relatieve lucht-
vochtigheidswaarden deze overdracht begunstigt en trachtte deze aanname
na te gaan door het verloop te bestuderen van de influenza-epidemie in
1957 m een aantal steden van de Verenigde Staten van Amerika, waaivan
gegevens over het aantal dagen wegens ziekte afwezig zijn van het perso-
neel van de bedrijven in deze steden beschikbaar waren. De uitkomsten

1) De snelheden waarmee de uitgenieste typische druppels tijdens hun reis door de
lucht een zelfde afstand in verschillende luchtvochtigheden afleggen, zijn ver-
schillend, doordat deze druppels tijdens hun reis in verschillende mate door de
verschillen in verdampingssnelheid, in grootte afnemen. Hierdoor zullen deze
d^ppels na door een ander mens ingeademd te zijn, ook in een verschillend deel
(hier bedoeld: m verticale zin) van de luchtpijp afgezet worden.
) Dit schema werd door mij uit twee door King don gegeven tabellen samen-
gesteld, waarbij ik enkele gegevens uit één van deze tabellen echter wegliet.

-ocr page 99-

Tabel I.

Gedrag van een influenza-virus bevattende druppel speeksel, die in atmosferen van verschillende (trajecten van) relatieve

_luchtvochtigheid wordt uitgemest.____

Traject van relatieve
luchtvochtigheid
(in %)

Grenzen van de straal
van de druppels na de
reis door de lucht in
10"^ cm-eenheden

Valsnelheid van de
druppels in cmjsec.

Biochemische processen
tijdens het vliegen
door de atmosfeer

Gevolgen van het inademen
van de druppels

3,5-0,12 Geen voor ons momenteel

belangrijke processen.

2,9-2,1

95-86

0,10-0,054 Mogelijke dissociatie van het

virus van een inhibitor door
een NaCl-oplossing van
matige concentratie.

2,0-1,7

85-76

a) De druppel wordt bij
voorkeur in het lagere
deel van de luchtpijp
afgezet;

b) Het virus is levend en
mogelijk verbonden met
een inhibitor.

1,0

< 75

0,049-0,035 Het virus wordt gedood door

een NaCl-oplossing van hoge
concentratie.

0^012 Het virus is levend, gehecht

aan zoutkristal (len) en
mogelijk verbonden met
een inhibitor.

Druppels worden niet
ingeademd daar zij door hun
grootte snel naar beneden
vallen.

a) De druppel wordt bij
voorkeur afgezet in het
bovenste deel van de
luchtpijp;

b) Het virus is levend, is
mogelijk gedissocieerd van
de inhibitor,
en kan dus
zijn uitwerking hebben.

Geen.

17-3,2

100-96

t£>

-ocr page 100-

van dit onderzoek zijn zeer bemoedigend, maar de verzamelde gegevens
bleken toch nog te weinig in aantal om definideve conclusies te trekken.
Het is voor ons doel belangrijk te constateren, dat de benedengrens (86%)
van het traject van de relatieve luchtvochtigheid, waarin het influenza-virus
levend is en mogelijk gedissocieerd van zijn inhibitor, niet zeer veel ver-
schilt van de relatieve vochtigheid, waarbij en waarboven het varken spoe-
dig de kans heeft ziekten aan zijn ademhalingsorganen te krijgen, of —
zoals sommige auteurs meedelen — „in het algemeen" ziekten te krijgen,
in welk laatste geval wij echter kunnen aannemen dat een belangrijk deel\'
van deze ziekten ook weer ademhalingsziekten zullen zijn. Hoe groot het
verschil tussen de door K i n g d o n opgegeven juist genoemde beneden-
grens voor de besmettelijkheid van het influenza-virus en die grens voor
de besmettelijkheid van het enzoötische of viruspneumonie verwekkende
organisme is, is echter nog in het geheel niet uit te maken, daar de door
hem in bijgaand schema aangegeven luchtvochtigheidstrajecten slechts zeer
globaal door hem geschat zijn.

Voor een bespreking van de voor varkens kritieke grenzen van de rela-
tieve luchtvochtigheid in verband met andere factoren zij verder verwezen
naar een volgende publikatie.

SAMENVATTING.

De samensteller van dit literatuuroverzicht brengt naar voren dat de essentiële
punten van de door W a 1 d m a n n tussen 1933 en 1938 gestelde eisen aan stallen
en uidopen, ter bestrijding van enzoötische of viruspneumonie bij varkens, vaak ver-
waarloosd worden, zowel in Nederland en in Engeland als het land waar deze eisen
uitgesproken werden: Duitsland.

Vervolgens worden de bijzonderheden besproken, die over de wijze van overdracht
van de ziekteverwekker (die veel op een virus gelijkt) door de lucht bekend zijn, en
wordt in het bijzonder de invloed van de relatieve voc:htigheid op de activiteit \'van
het „virus" tijdens deze overdracht besproken aan de hand van recente gegevens over
deze laatstgenoemde invloed op het influenza-virus bij de mens.

SUMMARY.

The author of this review of the literature puts forward that the essential points of
the requirements pronounced by Waldmann between 1933 and 1938 as for
stables and outruns in order to combat enzootic or virus pneumonia of pigs, are often
disregarded, both in the Netherlands and England and in the country where these
requirements were pronounced,
viz. Gcnnany.

The first requirement often neglected is the complete separation of the stable boxes
by means of walls continuing as far as the ceiling. The second requirement often
neglected is the keeping of a distance of ± 1,50 m between the outruns.
In particular in the Netherlands one is not aware at all of the consequences of the
disregard of these requirements, and the spread of this and other contagious diseases
is even furthered by the feeding places the sows have in common. This last circum-
stance is especially dangerous during the period of the farrowing until the weaning.
Even after the separation of the diseased and the apparently healthy pigs the danger
of contamination exists in consequence of the incidence of virus carriers among the
sows, carriers which don\'t show clinical symptoms of the disease, but are able
to transmit it easily to other pigs.

The author then discusses the particularities known about the way of transmission of
the disease causing microorganism (which much resembles a \\nrus) through the air,
and discusses in particular the influence of the relative humidity of the air upon the
activity of the "virus", on the basis of recent data of the influence of the relative
humidity upon the influenza virus with men.

-ocr page 101-

RÉSUMÉ,

L\'auteur de cet aperçu de la littérature met cn avant, que les points essentiels des
exigences formulées par Wald mann entre 1933 et 1938 pour étables et les
„cours en plein air" pour le combattement de la pneumonie enzootique ou la pneu-
monie à virus du porc, sont souvent négligées, aussi bien aux Pays-Bas et en Angle-
terre que dans le pays ôu ces exigences ont été formulées, c\'est-à-dire l\'Allemagne,
La première exigence souvent négligée est celle de la séparation complète des loges
de l\'étable par des murs qui montent jusqu\'au plafond de l\'étable, La deuxième
exigence souvent négligée est celle de garder une distance de 1,50 m entre les „cours
en plein air".

Notamment aux Pays-Bas on ne se rend pas compte des conséquences de la négligence
de ces exigences, et la propagation de cette et autres maladies contagieuses y est même
favorisée par l\'affouragement commun des truies. La dernière circonstance est particu-
lièrement dangereuse pendant la période entre la mise bas et le sevrage. Même après
la séparation des cochons malades et ceux qui sont apparemment sains, le danger de
contagion subsiste toujours à cause de la présence de „porteurs" du virus parmi les
truies, ne montrant aucun symptôme extérieur de la maladie, mais capables de la
transmettre facilement à d\'autres cochons.

Ensuite l\'auteur discute ce qu\'on sait jusqu\'ici comment le micro-organisme qui cause
la maladie et qui ressemble beaucoup à un virus, est transporté par l\'air. Ensuite
il traite spécialement l\'influence qu\'a l\'humidité relative de l\'air sur l\'activité du
„virus", en se basant sur des données récentes de cette influence sur le virus de
l\'influcnza de l\'homme.

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Verfasser betont in dieser Literaturübcrsicht, dass die wichtigsten der durch
Waldmann zwischen 1933 und 1938 gestellten Anforderungen an Stallungen
und Ausläufe, welche die Bekämpfung der enzootischen oder Viruspneumonie der
Schweine bezwecken, sowohl in den Niederlanden, in England und selbst in Deutsch-
land — im Lande wo diese Anforderungen gestellt wurden — oft vernachlässigt
werden. Eine der am häufigsten vernachlässigten Anforderungen ist die vollkommene
Abscheidung der einzelnen Stallbuchten durch bis an die Decke reichende Zwischen-
wände. II
Eine zweite Anforderung, welche oft ausser acht gelassen wird, ist das Emhalten
eines Abstandes von ± 1,50 m zwischen den Ausläufen. Insbesondere in den Nieder-
landen ist man sich nicht davon bewusst, welche Folgen die Vernachlässigung dieser
Anforderungen haben kann; die Verbreitung dieser und auch anderer ansteckenden
Krankheiten wird hier durch gemeinschaftliche Futterplätze für Muttersauen selbst
begünstigt.

Dieser letzte Umstand ist in der Periode zwischen dem Wurf und dem Absetzen be-
sonders gefährlich. Selbst nach der Abscheidung der kranken und scheinbar gesunden
Schweinen, besteht noch die Gefahr der Ansteckung infolge des Vorkommens von
Virusträgeni zwischen den Muttersauen, die gar keine äusseren Symptome der
Krankheit zeigen, diese jedoch sehr leicht auf andere Schweine übertragen.
Im weiteren werden die Besonderheiten über die Weise der Übertragung des Krank-
heitserregers (der in vielem einem Virus ähnlich ist) durch die Luft besprochen und
es wird im besonderen der Einfluss der relativen Luftfeuchte auf die Aktivität dieses
„Virus" während der Übertragung — an Hand der neuesten Daten über denselben
Einfluss auf den menschlichen Influenza-Virus — erörtert.

RIASSUNTO.

L\'autore di questa rivista della letteratura mette in rilievo, che i punti essenziali
delle seigenze formulate dal\' W a 1 d m a n n entro 1933 e 1938 per stalle e passeggiatc
all\'aria aperta per combattere la pneumopatia enzootica o da virus nel sumo, sono
spesso trascurati, tanto nei Paesi Bassi ed in Inghilterra quanto nel paese dove queste

-ocr page 102-

esigenze sono state formulate, eioè la Germania. La prima esigenza spesso trascurata
e quella della separazione compléta dei palci della stalla con pareti che salgono fino
al soffito. La seconda esigenza spesso trascurata consiste nel mantencre una distanza
dl ca 1,50 m tra le passegiate all\'aria aperta. Sopratutto nei Paesi Bassi non si tiene
conto delle conseguenze della trascuranza di queste esigenze, e la propagazione di
questa come di altre malattie contagiose e sovente facilitata perfino dal fatto che le
scrofe mangiono insieme. Quest\'ultima circostanza è particolaimente pericolosa nel
penodo entro la figliata e lo slattamento. Anche dopo la separazione dei suini malati
e quelh apparentemente sani esiste sempre il pericolo de contagio per la presenza
de portatnci del virus tra le scrofe, che non mostrano nessun sintomo esterno della
malattia, ma che sono pure capaci di trasmétterla facilmente ad altri porei
L\'autore considéra allora i particolari conosciuti del metodo di trasmissione nell\'aria
del micro-organismo (molto simile ad un virus), causa della malattia. Egli discute
m particolare l\'influenza dell\' umidità relativa sull\'attività di questo virus, basandosi
SU dati recenti dell\'effetto dell\'umidità relativa sul virus deir„influenza" degli umani

LITER.ATUUR

Behrens, H.: Sanierung von Schweinebeständen mit Ferkelgrippe (enzootischer
Pneumonie) und Hautkrankheiten.
Züchtungskunde, 29, 466, (1957).

B e 11 s, A. O.: Respiratory diseases of pigs. V. Some chemical and epidemiological
aspects of virus pneumonia of pigs.
Vet. Ree., 64, 283, (1952).

B e 11 s, A. O.: A study of virus pneumonia of pigs and related conditions Cambridge
Univ. Abstr. Diss.
1953/\'54, 48, (1956).

B e 11 s, A. O. and B e v e r i d g e, W. I. B.: Investigations on a virus pneumonia of
long duration prevalent in pigs.
]. Path. Bact., 64, 247, (1952).

B e 11 s, A. O. and B e V e r i d g e, W. I. B.: Virus pneumonia of pigs. Vet Ree 65
515, (1953). \' \'

B e 11 s, A. O., W h i 111 e s t o n e, P. and Beveridge, W. I. B.: Investigations
on the control of virus pneumonia of pigs (V.P.P.) in the field.
Vet Ree 67
685, (1955a). \' \'\' \'

Betts, A. O., W h i 111 e s t o n e. P., Beveridge W. I. B., Taylor, J. H.
and Campbell, R. C.: Virus pneumonia in pigs. Further investigations\'on the
effect of the disease upon the growth-rate and efficiency of food utilization
Vet
Ree., (,1, 661, (1955 b).

Beveridge, W. I. B.: Viruspneumonie und verwandte Schweinekrankheiten in
England.
Mh. VetMed,. 12, 376, (1957).

B e V e r i d g e, W. I. B.: Virus-Pneumonie der Schweine. Schweizer Arch. Tierheilk
100, 525, (1958).

Field, I.: Diseases of pigs. Bull. Min. of Agr., Fish. & Food, 171, 46, (1957).

Goodwin, R. F. W. and W h i t 11 e s t o n e, P.: Experiences with a schcme for
supervising pig herds believed to be free from enzootic pneumonia (vims pneu-
monia).
Vet. Ree., 72, 1029, (1960).

G o r d o n, W. A. M. and L u k e, D.: The impact of environment on the health and
productivity of pigs.
Vet. Ree., 67, 996, (1955).

Ing lis, J. S. S. and Robertson, A.: Hygienic aspects of pigs housing: a
review.
Vet. Ree., 61, 141, (1949).

K i n g d o n, K. H.: Relative humidity and air-borne infections. Am. Rev respiratory
Dis.,
81, 504, (1960).

Kobe, K.: Die Aetiologie der Ferkelgrippe (enzootische Pneumonie des Ferkels)
Zbl. Bakt. I Orig., 129, 161, (1933).

^ ^ \' \'^\'J varkens. Tijdschr. Diergeneesk., 86, 399,

Lamont, H. G.: The problems of the practitioner in connection with the differen-
tial diagnosis and treatment of diseases of young pigs.
Vet. Ree., 50, 1377, (1938).

-ocr page 103-

Lamont, H. G., Luke, D. and Gordon, W. A. M.: Some pig diseases. Vet.
Ree.,
62, 737, (1950) (op pag. 743-747 is een tijdens de „Discussion" gehouden
lezing van P. L. Shanks afgedrukt).

Macpherson, R. and Shanks, P. L.: The comparative incidence of virus
pneumonia in sows and in bacon pigs with suggestions on the establishment of a
pneumonia-free herd.
Vet. Ree., 67, 533, (1955).

P e h 1, K. H.: Die Bekämpfung der Ferkelgrippe. Dtsche Landwirtschaft, 6, 352,
(1955).

Prinsen, L.: De betekenis van doelmatige huisvesting. Gezonde dieren, goede
uitkomsten en. . . prettig werken.
Doelmatige Veehouderij, 7, 52, (1958).

Shanks, P. L.: The housing of pigs. Vet. Ree., 54, 233, (1942).

S t e i n k e, G.: Bau und Einrichtung des Stalles als Gesundheitsfaktoren in der
deutschen Schweinezucht. Inaug. Diss., Berlin, 1937.

Tilgner, K.: Ferkeldurchfall und Ferkelhusten. Mitt. Dtsch. Landwirtschafts-
Gesellschaft,
68, 1121, (1953).

Vlugschrift voor de landbouw Nr. 102, „Varkens zonder biggengriep".
Ministerie van Landbouw cn Visserij, Den Haag, 1960, 6 pp.

Vogt, V.: Experimenteller Beitrag zur Kontaktübertragung der Ferkelgrippe und
ihrer Bekämpfung mit hygienischen Massnahmen.
Dtsch. tierärtzl. Wschr., 44,
355, (1936),

Waldmann, O.: Die Aetiologie des Ferkelkümmcms. Die Ferkelgrippe. Berl.
tierärztl. Wschr.,
49, 693, (1933).

W a 1 d m a n n, O.: Die Bekämpfung der Ferkelgrippe. Dtsch. tierärztl. Wschr., 42,
606, (1934).

Wald mann, O.: Kampf der Ferkelgrippe! Mitt. f. d. Landwirtsch., 50, 387,
(1935).

Waldmann, O.: Epidemiologie und Bekämpfung der Ferkelgrippe. Dtsch. tier-
ärztl. Wschr.,
44, 847, (1936).

W a 1 d m a n n, O. und R a d t k e, G.: Erster Bericht über Erfolge der Bekämpfung
der Ferkelgrippe durch die Riemser Einzelhüttenanlage.
Berl. tierärztl. Wschr.,
53, 241, (1937).

Wald mann, O.: Die Ferkelgrippe. Rept. Xlllth Intern. Veter. Congr. Zürich-
interlaken,
1, 491, (1938).

W h i 111 e s t on e. P.: Some respiratory diseases of pigs. Vet. Ree., 69, 1354.
(1957).

Zie sehe, (1907): zie Vogt, (1936).
Aantal gedekte paarden en ponies in 1959, 1960 en 1961.

Ras (van de dekhengsten of stamboek)

1959

1960

1961

Nederlands Trekpaard

13069

10609

9739

Warmbloed Gronings

11606

9582

8706

Warmbloed Gelders

6465

5673

5637

Fries

1294

1137

1002

Shetland Pony

4821

5105

6834

Fjorden Paard

160

181

314

Haflinger

■—

44

Nederlandse Draf- en Rensport

607

699

766

Nederlandse Arabieren Club

85

80

122

Hackney

74

48

55

Welsh Pony

57

84

124

New Forest Pony

39

59

129

IJslandse Pony

51

53

Commissie Keuring

54

116

94

Totaal

38.331

33.424

33.619

Veeteelt- en Zuivelberichten, V, 237, (1962).

-ocr page 104-

Salmonellose ander de werking van de Veewef.

Salmonellosis as a scheduled disease.

door A. VAN DER SCHAAF^)

Zoals uit de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer d.d. 24 mei
1962 blijkt, is het de bedoeling van de minister om de bestrijding van sal-
monellosis onder het vee krachtig te stimuleren2). Daar de ziekte zeer ver-
spreid, doch meestal in een lichte of latente vorm voorkomt, kan de be-
strijding moeilijk geschieden op de wijze zoals dat voor andere dierziekten
gebruikelijk is. In de eerste plaats wordt de bestrijding noodzakelijk geacht
wegens uitbreiding van het aantal nieuwe typen die bij mens, dier of in
voedings- en voedermiddelen werden aangetroffen. Hierbij wordt stil-
zwijgend aangenomen, dat deze typen inderdaad voordien niet in Neder-
land voorkwamen, hetgeen uiteraard niet bewezen is. Hoogstens kan men
zeggen dat deze stammen niet eerder zijn aangetoond, zoals ook met andere
inheemse ziektekiemen de laatste decennia is voorgekomen.
Een duidelijk voorbeeld hiervan is de
Listeria monocytogenes als verwekker
van abortus bij het vrouwelijke rund, die tot 1947 nooit was aangetoond.
Door intensivering van het onderzoek van verworpen vruchten, niet alleen
op
Brucella abortus en Vibrio fetus doch ook op andere kiemen, kwam het
aan het licht.

Niet alleen namen de vastgestelde gevallen van salmonellosis toe, doch ook
— en in absolute aantallen in veel sterkere mate — die darminfecties, welke
veroorzaakt worden door inheemse salmonella\'s.. Zo nam volgens K a m-
pelmacher (1962) het aantal isolaties van
S. typhimurium, afkomstig
van menselijk materiaal, van bet jaar 1952 tot 1961 toe van 55 (12%) tot
5035 (53% van het totaal). Dit wijst er dus op dat het niet juist is om de
toename van het aantal typen toe te schrijven aan een vermeerderde import
met het dier- en vismeel, want
S. typhimurium komt slechts interst zelden
in deze voedenniddelen voor en de isolaties van deze salmonella int mense-
lijke se- en excrcta is juist het meest in aantal toegenomen.

Er moet dus een algemene oorzaak worden gezocht om de toename van dc
salmonellose te verklaren. Er zijn in dit opzicht verschillende mogelijkheden
aan te wijzen. De voornaamste hiervan zijn wel:

a. In 1954 is het verbod om sulfiet als conserveermiddel van vlees en vlees-
waren te gebruiken ingevoerd; sedert 1956 wordt de naleving van dit
verbod streng gehandhaafd. Uit het rapport van januari 1962 der Werk-
commissie van de Researchgroep voor Vlees en Vleeswaren T.N.O.
blijkt heel duidelijk dat de sulfiet in de vóór 1954 toegestane concentratie
ook een opvallend bacteriostatisch effect ten opzichte van salmonella\'s
in het vlees uitoefende.

In de U.S.A., waar salmonellosis bij slachtdieren niet minder voorkomt
en een dienovereenkomstig verbod geldt, heeft men de bezwaren kun-
nen ondervangen door aanschaffing van een koelkast in vrijwel ieder
gezin.

Hoogleraar, Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit Utrecht.
2) Zie het bericht op pag 996 van deze aflevering.

-ocr page 105-

b. ])e sedert 1950 voortgezette concentratie en iiicchanisatie van het slacht-
proces heeft ten gevolge gehad dat meer contaminaties plaatsvinden van
vlees van slachtdieren, die oorspronkelijk geheel vrij van salmonella\'s
waren. Afdoende ontsmetting van gebruikte werktuigen, vei-voermidde-
len en verblijfplaatsen van vee en vlees is moeilijk door te voeren.

c. Sedert 1950 is de bevolking van Nederland in sterke mate toegenomen,
niet alleen met jonggeborenen, doch ook met volwassenen uit tropische
gebieden. De in bacteriologische zin als M-fase aangeduide maximale
populatie van de „kweek" van Nederlandse staatsburgers is hiermee aan-
zienlijk dichterbij gekomen en speciale hygiënische maatregelen ter voor-
koming van verdere verontreiniging van oppervlaktewater door vocht,
dat met faecaliën in aanraking is geweest, zjjn urgenter dan ooit.

d. De concentratie van de mestbedrijven van varkens en kalveren en de
hiermee gepaard gaande toegenomen handel in jonge dieren heeft ver-
oorzaakt dat contactinfecties met
Salmonellae onder deze dieren steeds
meer om zich heen grijpen. Deze concentratie is juist in de laatste 5 jaren
geïntensiveerd. Preventie van salmonellosis kan alleen plaatsvinden door
verbetering van de algemene hygiëne op de bedrijven. Een aangifteplicht
alleen heeft geen enkele zin, omdat de verschijnselen van salmonellosis
in het geheel niet specifiek zijn.

Het spreekt vanzelf, dat de genoemde factoren voor dc vei-spreiding van sal-
monellosis veel belangrijker zijn dan een veronderstelde toename van dc
aanvoer van besmette partijen diermeel.

Het besmettingspercentage hieiAan in de jaren 1955-1957 van 10% is im-
mers niet significant verschillend met dat van 12/2% in 1961. Ook de sal-
monella\'s in diermeel zijn — evenals die in vismeel — direct of indirect van
menselijke herkomst, immers is bij het bereiden van diermeel steeds een
temperatuur noodz.akelijk die alle
Enterobacteriaceae vernietigt.
De
Salmonellae, die in het gerede produkt worden aangetroffen, zijn er in-
geraakt nadat het uitgeperste vaste materiaal de sterilisatie-afdeling beeft
verlaten en via een trilzeef, een pers, buizen of goten getransporteerd wordt
naar de droger. De bouillon, die nog in het fijn verdeelde vlees zit, is een
uitstekende voedingsbodem. I^e afkoeling van de betreffende werktuigen
of goten aan de buitenkant, gepaard gaande met verwarming binnen, schept
aan de kanten ideale omstandigheden van vermeerdering van kiemen, die
dikwijls gebonden aan stofdeeltjes, kleven aan handen, schoeisel of kleding
van in het bedrijf werkzame personen. Hierbij dient men vooral niet uit
het oog tc verliezen dat salmonellosis geen zoönose doch een antbropo-
zoönose is.

Dus ook daar waar de dieren vrij zijn van salmonella\'s, zoals in de pool-
streken en de grote zeeën het geval is, kan de mens als smetstofverspreider
diermeel infecteren. Het voorkomen van de betreffende kiemen in walvis-
meel is hiervan het bewijs.

Gelukkig is de verontreiniging met salmonella\'s van het gefabriceerde dier-
meel in de regel gering omdat de temperatuur in de droger in staat is om het
merendeel der nagroei van de
Enterobacteriaceae te vernietigen.
Totale steriliteit is echter, ondanks de temperatuur van bijna 100° C, moei-
lijk te befeiken, doordat zich in het meel altijd klonten vormen, die de
kiemen beschermen tegen de hitte.
Dezelfde moeilijkheid treedt op bij bersterilisatie.

-ocr page 106-

Deze kan bij kleine partijen inderdaad geschieden, door het besmet be-
vonden meel het hele bereidingsproces weer te doen ondergaan, wanneer
men het tot een betrekkelijk klein percentage (volgens de Deense voor-
schriften tot 10%) mengt met vers materiaal in de vochtige sterilisator.
In het groot kan dit echter niet geschieden.

Zo kon het ook gebeuren, dat een partij van ruim 200 ton diermeel, die in
.Australië al eerst een keer was „gehersteriliseerd" bij een temperatuur van
minstens 105° C gedurende 4 uur, bij in\\ oer in Nederland nog salmonella\'s
bleek te bevatten en eveneens bij een onderzoek een maand later toen het in
NedeHand ondertussen voor de tweede keer was „gehersteriliseerd" door
een hiervoor goedgekeurde moderne installatie.

Hieruit blijkt wel hoe groot het gevaar is onder de Nederlandse veestapel
meer salmonella\'s te verspreiden dan tot nog toe, wanneer men bij import
\\an diermeel niet langer de preventieve, of, bij gebleken goede fabrikaten,
de repressieve keuring toejiast en de eisen van het produktschap voor vee-
voeder vervangt door verplichte algemene hersterilisatie.

De in de Memorie van Antwoord vermelde goedkoopste wijze van salmo-
nella-bestrijding, kon dan wel eens de duurste blijken te zijn en wat erger
is — een volkomen ongunstig effect hebben op het voorkomen van salmo-
nellosis bij slachtdieren en mogelijk dientenge\\\'olgc ook weer bij de mens.
Alvorens men dus tot een zodanig ingrijpende en kostbare maatregel als al-
gemene hersterilisatie van dieiTneel overgaat, dient men toch eerst door
proefneming op beperkte schaal te weten, dat de maatregel effect beeft.
Hier komt bij dat er in Nederland heel weinig bekend is over de rol, die
plantaardige eiwitrijke \\ ocdin,gsmiddelen spelen bij de vastgestelde infecties.
Wel is uit de mededeling van H u i s m a n en D a n i ë 1 s-B o s m a n (1962)
bekend geworden, dat partijen gemalen kokos in minstens 15% salmonella\'s
bevatten, tenvijl het onderzoek van 15 monsters aardnoten uit 5 verschil-
lende schepen, 3 maal een positief resultaat bleek op te leveren en wel van
14 verschillende soorten salmonella\'s, waaronder
S. typhirnurium, S. dublin
en 6". bareilly.

Verder geeft de publikatie van de Zweed R u t q i s t (1961) in dit opzicht
een zeer belangrijk overzicht van de besrnettingsgraad der plantaardige
eiwitrijke produkten.

Hij wijst tevens op het gevaar van besmetting met salmonella\'s dat bij be-
werking tot veevoer van inheemse eiwitrijke zaden, zoals het koolraapzaad,
optreedt. In Zweden bleek een dergelijke fabriek meel te produceren, dat
nog sterker besmet was dan het buitenlandse. Ook hierbij bleek de trans])ort-
goot met bet warme, nog enigszins vochtige, meel de kweekplaats van de sal-
monella\'s te zijn.

De vastgestelde besmetting van de goot had vermoedelijk plaats gehad via
besmette stofdeeltjes.

Indien men dus de rol \\ an voedering van besmet voer aan varkens, mest-
kuikens enz. wil nagaan dan dient men ook te zorgen voor uitschakeling
\\-an de kiemen van plantaardige herkomst. Dit kan inderdaad gebeuren door
alleen
Enterobacteriaeceae-\\n]e „pellets" te voeren.

Dat hiermee echter niet het hele salmonellosis-probleem is op te lossen, we-
ten we te goed door de uitbraken van salmonellosis bij mestkalveren, die uit-
sluitend met salmonella-vrije kunstmelk worden gevoerd.

-ocr page 107-

In de Memorie van Antwoord worden de Scandinavische landen, behalve
Finland, met hun import-verbod van dierlijke eiwitten, de Nederlandse
veehoudei-s en dierenartsen ten voorbeeld gesteld.

Het is echter niet juist het minder voorkomen van salmonellosis onder
slachtvee in Denemarken en Nooi-wegen enz. voornamelijk toe te schrijven
aan de verplichte hersterilisatie (uiteraard van geringe omvang), bij im-
port van dierlijke eiwitten uit andere landen dan Noonvegen, IJsland en
de Far Oer. De vergelijking gaat mank omdat de omstandigheden op de
mesterijen daar totaal anders zijn dan hier. Bijvoorbeeld komen varkenspest
en worminfecties, die de weerstand der dieren tegen bacteriële infecties sterk
\\erminderen daar niet of bijna niet voor. Ook viruspneumonie is minder
frequent, mede door de jarenlange systematische bestrijding, speciaal in
Zweden, terwijl schurft ook daar \\eel minder heeret. De schurftmijten zijn
immers mede oorzaak van diep indringen van de salmonella\'s in de huid
der varkens, waardoor deze bacteriën bij het broeien niet gedood worden
en dus de slachtlijn kunnen besmetten, ook al wordt het rectum der varkens
gedurende het slachtproces gesloten gehouden. De kans op besmetting met
salmonella\'s is in de Scandinavische landen ook veel geringer door het ont-
breken van markten in gebruiksvee, de kleinere bevolkingsdichtheid en veel
geringere verontreiniging van oppervlakte-water.

Bestrijding van salmonellosis is in Nederland ongetwijfeld noodzakelijker
dan ooit. Door de gecompliceerdheid van het probleem en omdat bij het
nemen van maatregelen de volle medewerking van de betrokkenen niet
gemist kan worden, is gemeenschappelijk overleg door alle belanghebbenden
noodzakelijk.

SAMENVATTING.

In een kritische beschouwing aangaande de Memorie van Antwoord op het voorlopig
verslag nopens dc voorgestelde wijziging van artikel 45 van de Veewet in die zin,
dat salmonellosis bij alle vee hier ook onder valt, wordt beklemtoond dat aan de
toegenomen import van dierlijke eiwitten ten onrechte de toeneming van het aantal
gevallen van salmonellosis bij de mens wordt toegeschreven.

Er wordt op gewezen, dat bij dc bereiding van dier- en vismeel steeds voldoende hoge
temperaturen worden gebruikt om alle salmonella\'s, die in het oorspronkelijke mate-
riaal aanwezig mochten zijn, tc doden.

De vastgestelde besmettingen zijn vaak het gevolg van groei van bacteriën van
de menselijke darm, waaronder eventueel salmonella\'s, ergens in het transport-
systeem van de drukketel naar de drooginstallatie. Ondanks de hoge verhitting
bij het drogen worden de betreffende bacteriën niet voor 100% gedood. Er vormen
zich n.1. steeds vrij harde conglomeraten van meel, die verhinderen dat de in de
droger geproduceerde warmte voldoende doordringt. Ook bij de hersterilisatie kan
hetzelfde euvel optreden, zodat dikwijls niet het beoogde effect wordt bereikt.
Ook in plantaardige eiwitrijke voedermiddelen blijken salmonella\'s voor te komen.
Het is niet bekend of en zo ja in welke mate deze salmonella\'s en die uit besmet dier-
en vismeel aansprakelijk zijn voor infecties bij slachtdieren.

Door het nemen van proeven met gepelleteerd mengvoeder kan dit probleem van
de epidemiologie worden opgelost. Er wordt aangetoond, dat een vergelijking van
het Nederlandse salmonellosis-probleem met de toestand in de Scandinavische landen
tot onjuiste conclusies kan leiden.

-ocr page 108-

Naschrift.

Naar aanleiding van het commentaar op de Memorie van Antwoord d.d. 24 mei,
aangaande de opname van de Salmonellose in de Veewet van de hand van Prof.
V. d. Schaaf moge worden opgemerkt, dat in dc laatste maanden onderzoekingen
zijn verricht op het gebied der besmetting van varkens met Salmonellakiemen en de
rol die voedermiddelen bij het totstandkomen dezer besmetting spelen. Een publikatie
der eerste resultaten is binnenkort, onder andere in ons tijdschrift, te verwachten.

Dr. E. H. Kampelmacher,

Rijks Instituut voor de Volksgezondheid.

LITERATUUR

H u i s m a n, J. en D a n i ë 1 s-B o s m a n, M.: Salmonella-verontreiniging van plant-
aardige grondstoffen voor voedingsmiddelen van mens en dier.
Ned. Tijdschr. Ce-
neesk.,
106, 368, (1962).

Kampelmacher, E. H.: Salmonellosis in tht Netherlands. XXXth General
Conference of the Committee of the Office International des Epizootics Paris
14-19 May 1962.

R u t q V i s t, L,: Vorkommen von Salmonella in Futtermitteln vegetabilischen Ur-
.sprunges.
Zentralbl. Vet. Med., 8, 1016, (1961).

SUMMARY.

A critical discussion of the Memorandum in Reply to the interim report on the
proposed amendment of article forty-five of the Animal Disease Act in the sense-
that salmonellosis in all cattle is also governed by this article, in which the fact is
stressed that the increased incidence of human salmonellosis is mistakenly attributed
to the increased import of animal proteins.

It is pointed out that the temperatures at which meat meal and fish meal are pre-
pared, are sufficiently hi.gh in very case to kill all
Salmonellae that mi.ght be present
in the original material.

The identified cases of infection are frequently due to the growth of bacteria occurring
in the human intestine (which may include
Salmonella) somewhere alon.g the trans-
port route from the pressure boiler to the drying apparatus. Despite the high tempe-
ratures applied during drying, the bacteria in question are not hundred per cent
killed. This is due to the fact that fairly hard conglomerates of meal, which prevent
sufficiënt penetration of the heat produced in the drying apparatus, are formed in
every case. This may also occur on resterilization, so that the intended effect fre-
quently is not produced.

Salmonellae are also found to be ppsent in vegetable feeds rich in proteins. It is
not known whether and, if so, to which extent these
Salmonellae and those occurring
in contaminated meat meal and fish meal cause infection in slaughter animals.
This problem of the epidemiology may be solved by carrying out experiments using
pelleted mixed feeds. It is shown that a comparison of the problem of salmonellosis
in the Netherlands with the situation in the Scandinavian countries may lead to false
conclusions.

Een lichtpunt voor Soesterberg.

Bij een proef, genomen rnet broedse kalkoenen, bleek dat deze in korte tijd broeds-af
kunnen worden gemaakt door ze gedurende 4 minuten aan een op de band opgenomen
geluid van een straalmotor bloot te stellen.

De Keurstamboeker, 10, 180, (1962).

-ocr page 109-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Omstreeks de hengstigheid verergerende huid-
aandoening bij een merrie.

H\'orsern?i<; skin defects in a mare, relapsing duriiig
heat periods.

door H. BARRAUi)

Op 4 juni 1960 kocht ik een 5 jarige Gelderse merrie, welke op het
moment van de koop een „onschuldig" drukplekje onder het zadel \\er-
toonde. Het plekje genas echter ondanks verschillende behandelingen
nooit, terwijl elke maand het paard wegens een pijnlijke rug wel enkele
dagen tot een week moest blijven staan. Later viel op dat dit altijd
omstreeks de hengstigheid was. De jjijnlijke plekjes links en rechts op de
rug zetten dan oedemateus op, terwijl ook elders op de huid verdikkingen
optraden — soms als „Thalerflecken", soms kleiner en harder, zoals de
zgn. „brand". Een paar dagen later kon daar dan een klein korstje met
enkele haren worden weggekrabt. Wanneer de bultjes onder het zadel
o])en gingen kwam hieruit een bloederig \\ocht.

O]) 25 april 1961 werd uit een vers doorgebroken bultje enige met bloed
vermengde pus verzameld voor onderzoek aan het Instituut voor Veteri-
naire Bacteriologie te Utrecht. Uit deze pus werden aldaar twee soorten
bacteriën gekweekt n.l.
Actinobacillus equuli en een coagulase positieve
Staphylococcus aureus.

Er werd een autovaccin bereid door afzonderlijk gegroeide bouillonculturen
van beide organismen te doden met 0,2% fortnaline en gelijke delen hier-
\\an te mengen. Bij .subcutane injectie van 0,5 cm^ bij cavia\'s bad dit
vaccin geen plaatselijke reactie gegeven.

Vóórdat dit vaccin gereed was gingen we met vakantie, zodat het paard
gedurende die tijd niet gereden werd. We lieten het paard achter met
een „rustige" rug en koesterden hoop dat we bij terugkomst een genezen
dier zouden aantreffen. Na 12 dagen rust vonden we echter een ]jaard
met een gezwollen en zeer pijnlijke rug, lusteloos en slecht in conditie.

Op 26 mei 1961 werd 2,5 cm^ autovaccin subcutaan aan de rechter hals-
vlakte ingespoten. De bedoeling was met enkele dagen tussenruimte een
stijgende dosis vaccin toe te dienen. Op de eerste injectie reageerde het
dier met een lokale zwelling ter grootte van een handpalm en een stijve,
pijnlijke, hals. De reactie zakte vrij spoedig af, zodat de 30e aan dezelfde
zijde 3/2 cm3 vaccin werd gegeven.

Hierop volgde een lutgebreide zwelling terwijl het paard zeer stijf was
aan lials en schouder en lusteloos.

De ontstoken plekken op de rug waren voelbaar maar droog en niet
pijnlijk. Op 2 juni 1961 was de gevoeligheid aan de hals afgenomen en
het paard was veel monterder bij een temperatimr van 37.4°C. Het dier
was
hengstig, de plekken aan de rug waren opgezet en pijnlijk, ook
elders op de huid vonden we „brand"-plekjes, welke twee dagen later weer
verdwenen waren.

Hoofd Keuringsdienst, Zeist.
Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, afl. 14, 1962 981

-ocr page 110-

Op 5 juni was de rug mooi. AVegens de bij de vorige injectie opgetreden
beftige lokale reactie en lusteloosbeid van het dier, werd besloten nu
slechts 1/2 cm^ vaccin te geven, subcutaan aan de onderborst. Op 6 juni
was de temperatuur 38,6° C en was er duidelijke zwelling om de injecde-
plaats. De rug was mooi. 7 juni waren er twee brandplekjes op de rechter
schouder, de borst was behoorlijk gezwollen, de gang stijf, het paard echter
was monter.

Op 8 juni was er nog behoorlijk oedeem aan de borst, de pas werd nog
verkort, overigens was het dier fleurig. De plek op de rug tegen de
mediaanlijn aan was oedemateus opgezet en drukgevoelig. Op 10 juni
was de zwelling van de borst praktisch weg, de rug was goed, het dier op-
gewekt. Wegens de na de injectie optredende sterke lokale en algemene
reactie wordt besloten deze behandeling te staken.

In de nu \\-olgende periode was de plek op de rug als een harde verdikking
in de huid te voelen, niet pijnlijk, het paard was opgewekt. Op 23 juni
kwam er een kleine bult rechts op de rug, een handbreed achter de vorige
plek. Twee dagen later was het paard hengstig, de bult rechts verdween,
links kwamen twee bultjes. Na nog twee dagen was de rug links en rechts
opgezet en pijnlijk, het paard liep scheef van pijn. In de daarop volgende
dagen droogden de bultjes weer op, maar ze bleven als harde plekjes voel-
baar en zichtbaar door opstaand haar.

Op 13 en 14 juni was de rug weer opgezet; 16 juni was het dier hengstig,
twee dagen later was er een knobbel ter grootte van een rijksdaalder
rechts op de rug, het paard was zeer pijnlijk en vertoonde weer een scheve
gang. Na de 20e juni zakten zwelling en pijnlijkheid weer af. De plekken
bleven zichtbaar.

Op 1 augustus is het dier verkocht. Nadat het reeds enige tijd bij de
koopman op stal stond, waar het paard niet werd gebruikt, heb ik nog
eenmaal de lug gezien, welke links en rechts nog verdikkingen vertoonde.
Het zou interessant zijn geweest na te gaan hoe het dier ojj ovariectomic
zou hebben gereageerd. Om praktisch redenen was dit niet mogelijk,
l^e humaan-medische literatuur beschrijft wel erytemen van de huid
welke synchroon met de menstruatie optreden en dus in fase verschillen
met de oestrus bij de merrie, tijdens welke de ovulatie plaats vindt
(K alz en S c o 11, 1956).

Dankbetuiging.

Bijzondere dank ben ik verschuldigd aan Prof. Van der Schaaf, Dr. Van
Dorssen cn collega Frik voor alle moeite, welke zij zich voor mij hebben ge-
troost.

SAMENVATTING.

Beschrijving van een geval van verergende huidaandoening bij een merrie, recidi-
verend tijdens opeenvolgende perioden van hengstigheid.

SUMMARY.

Description of a case of worsening skin defects in a marc relapsing during successive
periods of heat.

LITER./^TUUR

Kalz and Scott: Cutaneous changes during the menstrual cycle. Arch. Dermat.,
74, 493, (1956).

-ocr page 111-

REFERATEN

Heelkunde

STRAALBEENFRACTUUR BIJ HET PAARD.

Vaughan, L. C.: Fracture of het Navicular Bone in the Horse. Vet. Ree., Ti,
895, (1961).

In een tijdvak van 5 jaar werd bij 150 kreupele paarden drie maal een straalbeen-
fractuur gediagnostiseerd. Telkens was er sprake van een fractuur aan één der voor-
benen, hetgeen met vermeldingen uit de literatuur overeenkomt. In geen enkel geval
gaf de anamnese enig vermoeden van een straalbcenfractuur. Ook de klinische ver-
schijnselen waren van wisselende intensiteit, zodat de juiste diagnose met behulp van
diagnostische injecties en röntgenonderzoek pas laat gesteld werd.
Daar de kreupelheid zelfs zes maanden na het begin van de ziekte nog niet ver-
dwenen was, werden alle drie patiënten geslacht. Eerst bij de discussie wordt het
langdurige genezingsverloop (dat naar onze ervarin.gen tot een jaar kan duren. Ref.)
besproken en wordt op de mogelijkheid van een neurectomie gewezen om een einde
te maken aan de chronische kreupelheid. Onder omstandigheden kunnen de fractuur-
stukken zich namelijk slechts door een stevige bindweefselband verenigen zonder
insluiting van callus.

H. ]. Wintzer.

INJECTIES DIENEN TE WORDEN GEGEVEN MET STERIELE SPUITEN
EN CANULES.

R O e m m e 1 e, O.: Bei Injektionen sind sterile Spritzen und Kanülen zu verwenden.
(Eine gutachtliche Stellungnahme bei Haftpflichtschaden.)
Tierärztl. Umschau, 16,
239, (1961).

Een dierenarts diende bij 5 koeien gelijktijdig 2 injecties toe. De ene injectie werd
gegeven van uit tubes waarin deze fabriekmatig verpakt was met bijgeleverde canules,
de andere, welke aan de andere zijde van de hals werd gegeven met een eigen spuit
met canule welke met alcohol gereinigd was.

Alleen de injecties met de eigen spuit gaven alle aanleiding tot het ontwikkelen van
gasflegmonen door
Clostridium-\\nie.cX\\e, waarbij één dier stierf en een ander in de
agonie moest worden afgemaakt.

R O e m m c 1 e merkt op, dat met twee mogelijkheden moet worden rekening ge-
houden:

le. een infectie met anaerobe kiemen van de huid van de koeien;
2e. een infectie door besmet instrumentarium.

Wat de eerste mogelijkheid betreft zou er aan gedacht moeten worden, dat bepaalde
injectievloeistoffen predisponeren b.v. doordat plaatselijk anemie ontstaat en daar-
door anaeroben zich beter ontwikkelen. Sporen worden door oppervlakkige huid-
ontsmetting niet gedood (benzine en alcohol of jodiumtinctuur).
Wat de mogelijkheid van besmette instrumenten betreft wordt vermeld, dat de
dierenarts zijn spuit en naald met alcohol had gereinigd. Hierbij moet uitdrukkelijk
worden vastgesteld, dat men met alcohol geen sporen kan doden (ook wordt niet ver-
meld of deze alcohol werd weggespoten of soms bij herhaling gebruikt en daardoor
zelf verontreinigd kan geweest zijn. Ref.). Hoewel het strikte bewijs niet weer was
te leveren, komt R. tot de conclusie, dat de naald enjof spuit besmet geweest moeten
zijn.

Op grond van een in 1956 door Zeiler gehouden lezing, wordt hierbij het vol-
gende commentaar gegeven:

Injecties zijn chirurgische ingrepen, waarbij weefsels gescheiden worden om vloei-
stoffen in te brengen. Dit stelt aan de operateur, aan het instrumentarium en aan het
operatieveld bepaalde eisen.

Men geve injecties alleen met schone handen. Het instrumentarium moet steriel zijn.
Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, afl. 14, 1962 983

-ocr page 112-

Bewaren van spuiten en canules in alcohol voldoet niet aan deze eis, want alcohol
kan virulente sporen bevatten.

Spuiten moeten worden uitgekookt, nog beter gesteriliseerd. Wel kunnen zij verschil-
lende keren voor dezelfde handeling worden gebruikt daar de injectievloeistoffen
geen verontreiniging geven.

Na de injectie moeten spuiten en canules van bloed en serum gereinigd worden, want
deze eiwitten hullen de bacteriën in en bemoeilijken de sterilisatie. Canules met een
mandrin doorsteken.

Het kortknippen van de haren van de patiënt hangt af van de omstandigheden. Bij
kostbare dieren geven de onthaarde plekken schoonheidsfouten. Bij andere dieren
kan men de langste haren verwijderen om de reiniging beter te kunnen uitvoeren.
Zeer kortknippen of scheren wordt ontraden. Van een geschoren huid is het gevaar
van onder de huid bren.gen van door de naald uitgeponste huidpartikels groter.
Zeiler raadt aan de huid te ontsmetten met sublimaat, spiritus, jodiumtinctuur,
of 96% alcohol, geen onverdunde desinfectiemiddelen als Sagronan, Valvanol of
Mefanol, die alleen in waterige oplossing werken.

Ook moet gedacht worden aan verontreiniging der injectievloeistoffen door het in-
strumentarium.

Tenslotte wijst R. nog op de uitspraak in het leerboek van Froehner c.s. waarin
staat, dat voor iedere injectie een nieuwe naald moet worden gebruikt.
Het ingespoten .geneesmiddel (Nephritus Bengen) kan aanleiding geven tot necrosen,
en daarom is bij dit middel (dat in Duitsland vcmr likzucht wordt ingespoten) de
mogelijkheid voor het aanslaan van anaerobe-infecties groot. In het prospectus wordt
aangegeven de dosis over meerdere plaatsen te verdelen. Ook aan dit voorschrift
had de dierenarts zich niet gehouden. De omstandigheid echter, dat voor deze in-
jecties geen steriele naald en spuit werd gebruikt was de directe oorzaak van dc
ontstane schade.

C. A. van Dorssen.

Sfofwisselings- en defieiënfieziekfen

HYPOMAGNESEMIE BIJ PROEFRANTSOENEN MET EEN LAAG MAG-
NESIUMGEHALTE.

Rook, J. A. F.: Rapid Development of hypomagnesaemia in lactating cows given
artificial rations low in magnesium.
Nature, 191, 1019, (1961).

Hypomagnesemie zou optreden bij dieren waarbij de netto opname van magnesium
uit de darm zodanig verlaagd is, dat aan de magnesiumbehoefte van het dier voor
de melkuitscheiding, het lichaam en de foetale groei niet voldaan kan worden, en
waardcxDr de kleine hoeveelheid, 2-3 g, vrij beschikbaar magnesium in bloedserum
en andere extracellulaire vloeistoffen aangesproken wordt. De snelheid waarmee de
hypomagnesemie zich kan ontwikkelen houdt in dat de lacterende koe gedurende
periodes van acute magnesiumdeficiëntie weinig mogelijkheden bezit ook maar iets
van de aanzienlijke hoeveelheden, 100-200 g, magnesium die in de zachte weefsels en
in de beenderen aanwezig zijn, te mobiliseren.

Getracht werd met behulp van proefrantsoenen, met een laag magnesiumgchalte, de
invloed na te gaan bij lacterende koeien op het magnesiumgehalte van het serum,
en de minimum hoeveelheid magnesium in het voedsel vast te stellen waarbij de nor-
male serummagnesiumgehalten behouden blijven.

Een geschikt kunstmatig voedermiddel met een laag magnesiumgehalte bleek papier-
pulp te zijn.

Een dagelijks rantsoen van stro, papierpulp behandeld met vloeibare invertsuiker,
maisvlokken, bloedmeel, mineralen en gedestilleerd water, gedurende 2-4 weken
gegeven aan vier lacterende koeien, had geen invloed op het magnesiumgehalte van
het serum, hoewel de rantsoenen slechts 2-3 g magnesium per dag leverden aan het
dier.

-ocr page 113-

Een tijdelijk rantsoen van stro, caseïne, zetmeel en mineralen, waardoor slechts 0.8 g
magnesium dagelijks aan het dier werd aangeboden, veroorzaakte bij één van de
bovenstaande koeien reeds binnen 2 dagen cen daling van het serummagnesium-
.gehalte van 2.2 tot 0.8 g per 100 ml.

Een rantsoen van stro, papierpulp behandeld met vloeibare invertsuikcr, maisvlokken,
caseïne, zetmeel en mineralen, waardoor dagelijks 1.5 g magnesium werd toegediend,
gaf ook een snelle daling van het serummagnesiumgehalte.

Uit de resultaten werd geconcludeerd dat een volwassen lacterende koe, hoewel dc
netto behoefte aaii magnesium laag is, een voortdurende hoeveelheid magnesium in
het voer nodig heeft om het serummagnesiumgehalte op een normaal niveau te
houden, en tevens dat bij een gevaarlijk lage magnesium-opname het serummagnesium-
gehalte snel beïnvloed wordt door kleine veranderingen in de magnesium-opname.
De vrij beschikbare hoeveelheden magnesium in het lichaam zouden dus klein zijn
ten opzichte van de behoefte van het lacterende dier.

De veronderstelling dat hypomagnesemie bij koeien in de weide hoofdzakelijk ont-
staat tengevolge van de voeding wordt door dit onderzoek gesteund.

A. J. H, Schotman.

Voedingsmiddelenhygiëne

EIGENSCHAPPEN VAN DE CYSTICERCUS BOVIS.

Bartels, Prof. Dr. H. und T ä n d 1 e r, Dr. K.: Einige Ergebenisse neuer Unter-
suchungen über Rinderfinnen.
Fleischwirtschaft, 13, 905, (1961).
De auteurs onderzochten 600 toegezonden blaaswormen van de Taenia saginata op
lengte- en breedtematen, en verder op de invloeden van het kauwproces, van de
sprekselfermenten, van het maag-, darm- en pancreassap, van de gal en van de me-
chanische inwerking bij verkleining van vlees in een wolf met 2 en 3 mm-plaat.
In lengte vonden ze aanzienlijke variaties, n.1. van 3-16 mm met en 3-12 mm zonder
gastheerkapsel; de breedtevariaties waren resp. 1,5-8 en 2-6 mm.
Zij vonden in organen en op plaatsen waar een „vrije" ontwikkeling mogelijk was
steeds ronde blazen en wijten de langgestrektheid in het spierweefsel aan „lokale"
invloeden.

Het kauwproces kan wel mechanisch effect hebben op de blaasworm, o.a. uitstulping
veroorzaken, maar niet de levensvatbaarheid aantasten. Van speeksel zagen zij nau-
welijks tot geen invloed. Maagsap (pepsine en zoutzuur) kan van ingestulpte blazen
dc uitstulping bevorderen; volledig uitgestulpte exemplaren worden echter na één
ä anderhalf uur aangetast. Duodenaalsap (choline) heeft geen effect, pancreassap
heeft wel stimulerende effecten op het uitstulpen indien de blaasworm kapselvrij was.
Gal en natriumtaurocholaat hebben de sterkste invloed op het uitstulpen der blaas-
wormen, ongeacht het aanwezig zijn van een kapsel. Verkleining door de 2 en 3 mm-
plaat in de wolf te plaatsen heeft destructie van een aantal blaaswormen tot gevolg;
andere echter stulpen tengevolge van de druk uit en zijn daardoor voor maag-
patiënten met an- of sub-acidosis extra infectieus. Goede foto\'s verluchtigen en ver-
duidelijken het artikel.

Van Gils.

HET KIEMGETAL IN WORST.

T a k 4 c s, J.: Über die Bestimmung von Grenzwerten im Keimgehalt von Wursten
zur Feststellung der Grenze der Haltbarkeit.
Mh. VetMed., 16, 704, (1961).
In Hongarije is het verplicht in elk vleesverwerkend bedrijf minstens éénmaal per
maand monsters der produkten te onderzoeken op hun microbiologische en organo-
leptische gesteldheid, alsmede op de chemische ten-stand. Een ervaring van 11 jaar
heeft er toe geleid dat de auteur meent thans bruikbare normen te hebben, die een
beoordeling en een daarop aansluitende keuringsbeslissing mogelijk te maken.
Van rauwe en droge worsten (salami) wordt nagegaan of er salmonellakiemen in

-ocr page 114-

voorkomen; als het produkt organoleptisch beoordeeld goed is, een zoutgehalte van
3.8% en maximaal 36% water bevat, wordt het steeds deugdelijk geacht. Een even-
tueel aanwezige meer ontwikkelde bederfflora acht hij voldoende aan hun gevolgen
kenbaar.

Voor gekookte worstsoorten wordt aangegeven dat deze per gram

1. geen pathogene en/of toxicogene,

2. geen fecale en

3. in geen geval meer dan 50.000 aerobe en facultatief aerobe kiemen mag be-
vatten.

Vanzelfsprekend duidt de aanwezigheid van gramnegatieve kiemen op onderver-
hitting.

Zijn tot 100.000 kiemen aanwezig bij in de handel .gebrachte kookworstsoorten dan is,
gelet op het onder 1 en 2 genoemde, de worst deugdelijk te beschouwen.
Bedenkingen worden gemaakt indien 100.000 tot 500.000 levende kiemen aanwezig
zijn. Is het produkt organoleptisch gezien normaal, dan wordt het vrij.gegeven; zo
niet, dan afgekeurd. Bij nog hogere kiemgetallen en organoleptisch goede eigen-
schappen, moet hersterilisatie volgen.

Aan „kwaliteit" en samenstellende delen wordt wel aandacht geschonken, zonder dat
men kwaliteitskeuring verricht. De onderzoekmethoden, de voedingsbodems en kweek-
temperaturen worden beschreven.

De auteur meent met zijn verhandeling een basis gelegd te hebben waarop, ook inter-
nationaal gezien, eenheid in onderzoek en beoordeling kan gevestigd worden.

/. H. J. van Gils.

Ziekten van het Kleine Huisdier

TACHYCARDIE BIJ DE HOND.

G r a t z 1, E.: Tachkardien beim Hund, eine klinische und elektrographische Studie.
Wien, tierärztl. Mschr., 47, 19, (1960).

Schrijver geeft verslag van onderzoekingen bij 98 aan een tachycardie (frequentie
groter dan 160) lijdende honden.

Hij geeft een indeling waarover nog geen eenstemmigheid bestaat, omdat het onder-
zoek naar aetiologie en Pathogenese nog aan al te sterke ontwikkeling onderhevig is.
Het meest komt bij de hond voor de sinustachycardie. De verhoging van de frequentie
.gaat bij de hond gepaard met een verkorting van de tijd tussen de hartconcentraties
(TP- ged. van het elektrocardiogram).

Bij 66 gevallen van sinustachycardie en bij alle heterope tachycardieën waren struc-
turele veranderingen aan myocard, gedeeltelijk ook aan het endocard aanwezig.
Heterope tachycardieën hebben een ongunstige prognose.

Therapeutisch werden gebruikt: digitoxin, lanatosid C, soms Chinidin en strophantine.

II. L. L, van Werven.

ARTERIOGRAFIE VAN BEENTUMOREN BIJ HONDEN EN K.\\TTEN.

I m h O f f, R. K. and E w a 1 d, B. H.: Arterio.graphy of bone lesions in cats and dogs.
J. Amer. vet. med. Ass., 139, 1293, (1961).

De khnische en röntgenologische diagnose van beentumoren is vaak onzeker, terwijl
een beenbiopsie met histopathologisch onderzoek voor een practicus op bezwaren stuit.
Daarentegen is de arteriografie d.m.v. injectie van een contrastmiddel in een perifere
arterie een nuttig hulpmiddel gebleken bij de diagnose van afwijkingen in de been-
deren.

In 1932 werd deze methode van onderzoek voor het eerst beschreven. De arteriografie
maakt een differentiatie van benigne en maligne tumoren aan de pijpbeenderen en
het bekken mogelijk. Het histopathologisch onderzoek kan zij echter niet vervangen.
Bij het verdoofde dier wordt de brachiaal- resp. femoraalarterie vrijgelegd en een

-ocr page 115-

polyethyleencatheter in het bloedvat gebracht. Afhankelijk van de anatomische lig-
ging van de te onderzoeken tumor wordt de plastic tubus naar proximaal of naar
distaal verschoven.

Als contrastmiddel wordt gebruikt diatrizoate natrium (Hypaque 50%, Winthrop
Laboratories, New York, N.Y.). Dc dosering is als volgt: bij minder dan 5 kg lich.
gew. 3 cm\', 5-20 kg 4 cm® en meer dan 20 kg 5-6 cm\'\'. Katten krijgen over het alge-
meen 3 cm\'. De injectie geschiedt met een stoot. Onmiddellijk daarna wordt de eerste
röntgenfoto gemaakt (arteriële fase) en 5 seconden later de tweede (veneuze fase).
Na de verwijdering van de catheter wordt het bloedvat onderbonden. Dit laatste
bleek geen nadelige gevolgen te hebben voor de functie van de ledematen.
Op arteriogrammen van maligne beentumoren zijn een toename van de vascularisatie
in het aangetaste skeletdeel en een voortijdige veneuze terugvloeiing van het contrast-
middel te zien, hetgeen zou wijzen op arterioveneuze aftakkingen in de tumor. Een
verwijding of kromming van de arterie of van de vertakkingen doet zich voor in de
omgeving van de tumor.

In tegenstelling tot de kwaadaardige zijn de benigne tumoren betrekkelijk vaatarm.
Behalve een verandering in het verloop van de bloedvaten, vertoont het arteriogram
in deze gevallen een normaal beeld.

Als nadelen van deze methode van onderzoek worden aan.gemerkt de noodzaak van
een algemene narcose, de moeilijke toegankelijkheid van de arterie voor de catheter
en het feit, dat de verschillende soorten van kwaadaardige tumoren niet onderkend
kunnen worden.

De auteurs hebben de arteriografie bij 12 honden en katten toegepast.

H. J. Wintzer.

Zootechniek

SPERMAKWALITEIT VAN GEÏMPORTEERDE STIEREN GEDURENDE DE
ACCLIMATISATIEPERIODE.

Jaskowski, L., Walkowski, L. und K o r y c k i, St. (Polen) : Beobachtungen
über die Qualit.ät des Samens von importierten Bullen in der Anfangsakklimatisations-
zeit.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen, 1961.
Bij een import van Hollandse stieren in Polen daalde de beweeglijkheid van het
sperma in de eerste 3 a 4 weken na aankomst. Deze daling was ± 28 dagen later
weer hersteld.

De import had plaats in de herfst van 1958. De omgevingstemperatuur was toen
4 tot 8° C. Men constateerde ook cen verhoging van het percentage secundaire en
primaire afwijkingen. De afwijkingen traden op 14-21 dagen na aankomst in Polen en
bereikten na 35 dagen het hoogtepunt, terwijl tussen de 60-90 dagen de vroegere
norm weer bereikt werd.

Dc bevruchting met het sperma van de geïmporteerde stieren bleek tussen 30-150
dagen na aankomst niet verlaagd te zijn, daar zij beter bevruchtten dan de inheemse
stieren van dezelfde leeftijd.

Omdat men bij de inheemse stieren niet dezelfde veranderingen in het sperma zag
en de sperma-afwijkingen betrekkelijk snel na het transport optraden, dacht men dat
dit een gevolg was van het transport.

Bij een later transport in dichte veewagens was de omgevingstemperatuur 19-24° 0;
dit duurde eveneens 4 dagen. Ook nu hadden ernstige veranderingen in het sperma
plaats. Ook deze beschadiging leek door het transport veroorzaakt en niet alleen door
de verhoogde omgevingstemperatuur, omdat de sne) verhoogde afwijkingen ont-
stonden snel na aankomst en, evenals na het eerste transport, verbeterde dit wederom
na 90-120 dagen.

Er was een positieve correlatie tussen het gewicht van de stieren en het stijgen van
het percentage primaire afwijkingen in het sperma.

ƒ. Spruyt.

-ocr page 116-

EEN ERFELIJK HUIDGEBREK BIJ VARKENS.

Von F 1 a 11 a, J. L., H a n s e n, M. A. and S 1 a g s v o 1 d, P. ; Dermatosis Vegetans
in Pigs: Symptomatology and Genetics.
Zbl. VetMed., \\\'III, 25, (1961),

In het Schweizcr Archiv fiir Tierheilkunde van juli 196! wordt dit onderzoek ge-
refereerd, waaruit het volgende wordt genoteerd.

De auteurs beschrijven een nieuw erfelijk gebrek bij varkens in .Noorwegen, waarbij
de veranderingen in de eerste plaats de huid en de benen betreffen. Daarnaast zijn
ook inwendige organen, zoals de longen, aangetast.

Bij pasgeboren biggen vindt men meestal oedemen rond de klauwen. De hoorn der
klauwen is van slechte kwaliteit en op latere leeftijd vertonen de klauwen steeds sterk
afwijkende vormen. In het verloop der eerste 3 levensweken verschijnen op de huid
kleine circumscripte, roodachtige zwellingen die langzamerhand groter worden. Zien
ze er eerst grauwgeel en gegranuleerd uit, later worden ze meer leerachtig en kunnen
zich op alle delen van het lichaam, met uitzondering van de kop, vertonen. De uit-
breiding der verschijnselen is te zien, althans wanneer de dieren in leven blijven,
op een leeftijd van 5-8 weken.

Na 2-3 maanden kan deze „dermatosis vegetans" genoemde huidafwijking verdwijnen.
Dan beginnen echter veranderingen in de longalveolen op te treden. Slechts weinig
dieren bereiken de leeftijd waarop ze voor de voortplanting gebruikt kunnen worden.
Op grond van stamboomstudie en proefparin.gen kon geconcludeerd worden dat
een niet aan het geslacht gebonden recessief gen de oorzaak is.

P. Hoekstra.

PRODUKTIE EN EXTERIEUR.

A u r i O 1, P. et M o u g i n, B.: Production laitière et conformation dans la race
montbéliarde.
Ann. Zoot., 10, 5, (1961).

Bij het Montbéliarde ras, dat enkele jaren geleden met een viertal andere roodbonte
Franse runderrassen is samengevoegd tot de „Pie-rouge de 1\'est" en dat daarmee op
twee na het grootste Franse ras is geworden (alleen tot het „race normande" en het
„race française-frisonne" behoren meer runderen) is door bovengenoemde onder-
zoekers nagegaan, enerzijds wat de waarde van de crfelijkheid.sgraad voor de melk-
produktie en voor een aantal lichaamsmaten was, anderzijds ho<\' het stond met dc
genetische correlatie tussen dc melkproduktie en die maten. Ze b< trokken daartm-
in hun onderzoek 427
mCH\'der-dochtcr paren, waarvan dc dcx-hters van 13 verschil-
lende stieren afstamden en die op 100 bedrijven werden gehouden.
De maten: schofthoogte, borstomvang, lichaamslengte, heupbreedte en koplengte als-
mede de verhouding borstomvang: schofthoogte werden naar leeftijd gecorrigeerd,
terwijl men voor de melkproduktie correcties toepaste voor leeftijd, maand van af-
kalven, lactatieperiode en leeftijd bij het voor dc eerste keer afkalven,
Dc waarden voor h^ waren voor de lichaamsmaten in bovengenoemde volgorde:
0,39 ± 0,18; 0,30 ± 0,16; 0.32 ± 0.16; 0,28 ± 0,15; 0,54 ± 0,23 en 0,14
± 0,10, voor de melkproduktie 0.34 ± 0.17.

De genetische corrclatiecoëfficiënten tussen de melkproduktie en genoemde maten
bedroeg in dezelfde volgorde: -t- 0.15: 0.23; 0,12; 0.17 ; — 0.15 en — 0.08.
Schrs. trekken hieruit de conclusie dat de waarden van deze corrclatiecoëfficiënten
dermate laag zijn, dat bij het montbéliarde vee geen aantoonbaar verband bestaat
tussen de aanleg voor melkproduktie en de lichaamsmaten en de lichaamsontwikkeling.

Th. de Groot.

-ocr page 117-

BOEKBESPREKING

GEFLÜGELKRANKHEITEX, LEHRBUCH FÜR TIERÄRZTE UND STU-
DIERENDE DER VETERINÄRMEDIZIN.

K. Fritzschc und E. G e r r i c t s.

(Uitgave: Paul Parey, Berlijn, 1962, 445 bladz., prijs 58 D.M.)
De vraag naar dit in 1959 versehenen boek is zowel in West-Duitsland, als daarbuiten
— zeker niet in de laatste plaats in ons eigen land — zo groot geweest, dat de eerste
druk na 1 yi jaar volledig was uitverkocht. Deze pas verschenen tweede druk, is door
de uitgever op even voortreffelijke wijze verzorgd als de eerste uitgave.
De groeiende belangstelling van dierenartsenzijde legt aan de schrijvers van een op
de praktijk afgestemd studieboek speciale verplichtingen op. Een dergelijk boek moet
immers de vraagbaak zijn voor al die problemen, waarmee de practicus dagelijks
wordt geconfronteerd. Problemen, welke zich niet beperken tot klinische symptomen,
sectiebeeld, therapie e.d., maar welke van de dierenarts ook een behoorlijk gefun-
deerde praktische kennis verlangen op het gebied van de voeding, broederij, huis-
vesting, opfok- en verlichtingssystemen, enz.

De zich in snel tempo voltrekkende industrialisatie van de pluimveehouderij dwingt
de pluimveehouders er toe bij de opzet en de inrichting van hun bedrijven in veel
grotere mate met de factor ziekten rekening te houden dan vroeger het geval was.
Het accent van de pluimveeziektenbestrijding verschuift hierdoor steeds meer in de
richting van de preventie. Er bestaat tegenwoordig een grote behoefte aan goede
veterinaire voorlichting: d.w.z. een voorlichting, die niet alleen wetenschappelijk ver-
antwoord, maar ook praktisch te verwezenlijken is.

De waarde van dit boek zal om bovenstaande redenen in het bijzonder vanuit de ge-
zichtshoek van de praktizerende dierenarts moeten worden beoordeeld.
Ongetwijfeld is uit dit boek een schat van gegevens te putten, welke op in de regel
verantwoorde wijze zijn samengevat. Nieuwe — in hoofdzaak Duitse en Angelsak-
sische — literatuurgegevens zijn in de tekst verwerkt. Sommige hoofdstukken zijn ge-
heel of ten dele herschreven, in andere werden nieuwe onderwerpen opgenomen.
Soms was het zelfs noodzakelijk een onderwerp op grond van de .gewijzigde inzichten
naar een ander hoofdstuk over te brengen (infectieuze synovitis). Een en ander had
tot gevolg, dat de omvang van het bo<\'k met 67 bladzijden toenam. Het aantal opge-
nomen afbeeldin.gen werd uitgebreid; enkele (helaas niet alle) minder geslaagde
foto\'s werden door betere vervan.gen.

Een compliment rnCK-t de schrijvers worden gemaakt voor het zeer geringe aantal
drukfouten, dat in de tekst is blijven staan: slechts een tweetal storende fouten mogen
hier met name worden genoemd: op bladz. 20 le regel dient men i.p.v. 1 cm-\' te
lezen 1 m"; op bladz. 287 20e regel behoort i.p.v. A-hypervitaminosen A-hypo-
vitaminosen te staan.

De indeling van de stof is overzichtelijker geworden. Jammer, dat de schrijvers er
(nog) niet toe konden besluiten de hoofdstukken 3 (stofwisselingsziekten) en 5 (vita-
mine-deficiënties) tot één logisch .geheel te bundelen. Ilet tussen gencK-mde hoofd-
stukken voegen van een apart hoofdstuk over ziekten van onbekende oorsprong wekt
bevreemding. Hier wordt immers gesuggereerd, dat het in wezen stofwisselingsziekten
betreft, hetgeen nu juist geen.szins vaststaat.

De na doorlezen van de nieuwe uitgave gevormde indruk komt vrijwel overeen met
die van Roepke betreffende de eerste druk
(Tijdschr. Diergeneesk., 85, 106,
(i960)).
De infectieziekten vormen kennelijk het pièce de resistance van het werk;
de overige hoofdstukken zijn beslist van een lager gehalte: men krijgt de indruk, dat
deze stof minder goed wordt beheerst en dat tengevolge hiei-van — met name in
de eerste twee hoofdstukken — aan de moderne inzichten onvoldoende aandacht
wordt besteed. Deze indruk wordt nog versterkt door de achterin het boek opge-
nomen literatuurlijst. De geraadpleegde literatuur over algemene pluimveehouderij en
voeding is beperkt en getuigt bovendien van een vrij eenzijdige oriëntatie.

-ocr page 118-

Vergeefs zal men zoeken naar een verantwoorde behandeling van belangrijke onder-
werpen, zoals: de oorzaken van slechte bevruchting; de factoren, welke een invloed
uitoefenen op broeduitkomst en kuikenkwaliteit (het vele baanbrekende werk van
Romijn en medewerkers wordt bijv. met geen woord genoemd!); de rol van de
mens als verwekker van broederij- (dus niet van broedmachmes-) infecties zoals
Salmonellose, streptokokkose, enz.; de moderne inzichten omtrent opfok en voeding
van slachtmoederdieren; verlichtingsschemata, enz. Normen voor waterverbruik wor-
den wel, die voor voederverbruik niet verstrekt. Eveneens zult U tevergeefs zoeken
naar een maatstaf voor voederbak- en drinkbaklengte per dier in de verschillende
leeftijdsperioden.

Zonder moeite zou deze opsomming van voor de dierenarts van praktisch belang zijn-
de wetenswaardigheden, welke in dit boek ontbreken, met andere kunnen worden
aangevuld. De als hulpmiddel voor een vlot herstel van zieke dieren zo essentiële
diëtetiek wordt op bladz. 91 en ook verder bij de afzonderlijke ziekten afgedaan met
vage adviezen als extra vitaminen, vitaminestoot, chemotherapeutica. Niets over een
verandering in de samenstelling van het voeder, gerantsoeneerd voeren, aanmaken
van meelvoeder, bijplaatsen van extra voederbakken, e.d.

Van de in de eerste druk aanwezige onvolkomenheden zijn er diverse uit de tekst
verdwenen, andere daarentegen gehandhaafd (zie recensie van Roepke) en helaas hier
en daar nieuwe er aan toegevoegd.

Of de bij jonge ganzen en eenden voorkomende glossitis gelatinosa circumscripta
(bladz. 100) inderdaad cen stofwisselingsziekte is, is een open vraag: het oorspron-
kelijke artikel van H o f f m a n n, waarin alle denkbare vitaminen, mineralen en
spore-elementen zonder een wetenschappelijk gefundeerd onderzoek als mogelijke
oorzaak worden genoemd, is op het punt van de aetiologie niet au serieux te nemen.
De op bladz. 131 (laatste regel) voorkomende mededeling, dat volgens Roepke 90%
van alle klinische gevallen van hemorragisch syndroom het gevolg zijn van het gedu-
rende langere tijd verstrekken van coccidiostatica in therapeutische dosering, is in
haar algemeenheid niet juist. De door Roepke in 1960 tijdens het W.V.P.A.-congres
in Utrecht meegedeelde Nederiandse ervaringen hebben uitsluitend betrekking op
sulfaprcparaten (en plantenbespuitingsmiddelen), niet op andere coccidiostatica.
De agarprecipitatiemethode volgens Woernle (bladz. 146, 169) is voor het serologisch
vaststellen van cen doorgemaakte pseudo-vogelpest- of infectieuze bronchitis-infectie,
althans volgens tot nu toe in ons land opgedane ervaringen, van beperkte waarde
gebleken.

Dat na een enting slechts lage hemagglutinatie remmingstiters t.o.v. pseudo-vogelpest
worden gevonden en hoge titcrs op een (her)infectie zouden wijzen (bladz. 151) is
volgens onze onderzoekingen althans voor Hitchnerstammen onjuist.
Het vernevelen (spray-methode) van infectieuze bronchitis-entstof (bladz. 173) is
levensgevaarlijk en wordt in ons land gelukkig zeer weinig toegepast. Mestkuikens
kan men in het algemeen beter niet enten tegen infectieuze bronchitis (bladz. 173,
174) wegens de langdurige reacties en de nadelige uitwerking op dc groei. Ook de
gecombineerde enting tegen pseudo-vogelpest en infectieuze bronchitis (bladz. 173)
wordt wegens te heftige reacties steeds minder in ons land toegepast.
De bestrijding van leukose (bladz. 224) en Marek\'se veriammingsziekte (bladz. 226)
is wel wat erg theoretisch gefundeerd en houdt onvoldoende rekening met de be-
staande praktijkervaring, dat vrijwel nimmer aanwijzingen voor een duidelijke ver-
spreiding van het virus via de broedmachine resp. broederij worden verkregen. Van
hennen, afkomstig van andere bedrijven (bladz. 234), kan niemand garanderen, dat
ze geen smetstofdragers zijn. De afbeeldingen 151 en 152 hebben met oculaire lymfo-
matose niets te maken: het betreft hier een afwijking van vermoedelijk erfelijke aard
(spleetogen).

De uitspraak, dat een bedrijf zonder dieren met iridocyclitis vrij kan worden be-
schouwd van Marek\'se verlammingsziekte (bladz. 234), is zeer aanvechtbaar.

De op bladz. 243 genoemde klinische symptomen (traagheid, kleumen, dorst, niet
eten, ruw verenklecd, diarree en cementcloaacjes) zijn zeker niet pathognostisch voor

-ocr page 119-

een pulloruminfectie, maar kunnen bij jonge kuikens tal van andere oorzaken hebben.
Het camoufleren van een eventuele pulloruminfectie door een profylactische of thera-
peutische behandeling {bladz. 257) heeft in ons land enkele malen de opsporing en
eliminering van besmette vernieerderingsbedrijven belangrijk vertraagd: niet alleen
krijgt de kuikenbroeder (praktisch) geen klachten over de afgeleverde kuikens, maar
ook het isoleren van de
S. pullorum-hacteriën uit de organen en darminhoud wordt
door de toegepaste behandeling bemoeilijkt.

Meyn zegt in zijn recensie (Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 15, 156, (1962)) over
de op bladz. 278 genoemde sensationele bevindingen van Nassal betreffende ver-
andering van humane en bovine tuberkelbacteriën, paratubcrkelbacteriën en verschil-
lende saprofytische mycobacteriën na 2 x passeren door kippen of konijnen in aviaire
tuberkelbacteriën, dat de schrijver voor zichzelf „einen entscheidenen Prüfstein"
heeft opgericht. „Hoffen wir, dass er daran nicht scheitert und die Reproduzierbar-
keit seiner Befunde auch von anderen Seiten bestätigt werden kann". Zolang dit laat-
ste nog niet het geval is, had m.i. de betreffende zinsnede uit de tekst van het boek
weggelaten kunnen worden.

Ten aanzien van de aetiologie van C.R.D. (bladz. 292 e.v.) is het interessant op te
merken, dat Klieneberge r-N o b e 1 in haar in 1962 verschenen bock „Pleuro-
pneumonia - Like Organisms (PPLO) Mycoplasmataceae" de verwekkers van deze
chronische ontsteking van de ademhalingsorganen (de coccobacillaire lichaampjes
van Nelson) op grond van belangrijke verschillen uitdrukkelijk niet meer tot de
P.P.L.O.\'s (mycoplasmose) rekent.

Het beperken van een behandeling tegen snot in een besmette koppel tot de klinisch
zieke dieren (bladz. 289) heeft al vele malen tot teleurstelling geleid.
Moraxellose (bladz. 322) — hier tc lande beter als pfeifferellose bekend — en in-
fectieuze serositis (bladz. 157) zijn volgens Dougherty (persoonlijke mededeling 1959)
identiek. Deze ziekte is in ons land sedert 1958 als opfokziekte van betekenis.
Uit het al bijzonder korte resumé over dunne darmcoccidiose (bladz. 352) is niet op
tc maken op grond van welke macroscopische en microscopische beelden (faeces pre-
paraten) de belangrijkste
Eimeria-soorten kunnen worden gedifferentieerd. Foto\'s
van schizonten en oocysten zonder duidelijke cystewand („jeugdvormen"), welke
speciaal bij
E. acervulina in de regel massaal worden gezien, ontbreken (naar onze
ervaring is juist de onbekendheid met deze ontwikkelingsstadia oorzaak van het stellen
van onjuiste diagnoses!). De bewering, dat coccidiose bij de kalkoen niet van be-
tekenis is, wordt door Britse publikaties geloochenstraft. Ook hier zou een differen-
tieel diagnose van de verschillende soorten op haar plaats zijn. Darmcoccidiose bij
ganzen, duiven, fazanten en eenden wordt niet of nauwelijks behandeld. Met name
Tyzzeria perniciosa kan blijkens in ons land opgedane ervaringen bij eendekuikens
en bij leggende eenden na cen acuut verloop aanzienlijke sterfte veroorzaken. Eende-
coccidiose neemt als opfokziekte in de mesteendenindustrie toe in betekenis.
Van de opgesomde coccidiostatica (bladz. 355) zijn wegens de onbevredigende re-
sultaten in Nederland nitrophenide, nitrofurazone en sulfapreparaten (in profylac-
tische dosering, zoals bijv. 0,0125% sulfaquinoxaline) al sedert enkele jaren obsoleet.
Forociben is in Nederland voor verwerking door opfokvoer niet toegelaten, omdat dit
preparaat in een experimentele infectie met
E. tenella-oöcystcn geen coccidiostatische
werking bleek te bezitten (jaarverslag Gezondheidsdienst voor Pluimvee 1960, bladz.
85).

Voor de in dit boek geadviseerde doseringen van sulfapreparaten (bijv. bladz. 256,
270, 273) moet uitdrukkelijk worden gewaarschuwd: 8-14 dagen ononderbroken
behandelen met een curatieve dosering is een kunstfout! Ernstige vergiftigings-
verschijnselen (op bladz. 375 onvolledig beschreven) en flinke sterfte kunnen dan
niet uitblijven. Bij leggende hennen zijn sulfa\'s gecontraïndiceerd wegens de optre-
dende produktiedaling.

Een hoofdstuk gewijd aan tumoren was — gezien het regelmatig optreden hiervan
en ten behoeve van een verantwoorde differentieel diagnostiek t.o.v. het leukose-
complex — wel op zijn plaats geweest.

-ocr page 120-

riet was een goede gedachte van de schrijvers aan het klinisch onderzoek van pluim-
vee aandacht te besteden. Op straffe van niet „sachverständig" tc zijn (bladz. 392)
zullen wij evenwel ook in de toekomst de kippen aan de vleugels vasthouden. Op deze
manier is de uitwendige inspectie vlugger, beter en gemakkelijker uit te voeren dan
bij het op de hand geplaatste dier.

Naast vastgekoekt vuil en exsudaat in de omgeving van de neusgaten vormt inge-
droogd exsudaat op vleugel- en rugveren een belangrijke aanwijzing voor snot in
een koppel (bladz. 393).

Kropovervulling (bladz. 398) zien we ook bij ziekten, die met maagdarmstoornis ge-
paard gaan (bijv. blauwe kamziekte). Het veelvuldig optreden van z.g. „scheur-
kroppen" wordt als één van de nadelen van het verstrekken van volledig meel be-
schouwd.

Bij de uitwendige inspectie van de poten (bladz. 398) worden de spreidreflexen,
alsmede de waarneembare afwijkingen bij achillespeesruptuur, rachitis en osteo-
malacie niet beschreven.

Behalve de al eerder vermelde literatuurlijst is achterin het boek een alfabetisch re-
gister aanwezig, waardoor snel opzoeken van een onderwerp mo.gelijk is.

Samenvattend mag worden gezegd, dat „Geflügelkrankheiten" ondanks de gesignaleer-
de onvolkomenheden een boek is, dat in de boekenkast van de praktizerende dieren-
arts niet mag ontbreken. Juist het weglaten van overtollige ballast uit de tekst maakt
dit boek voor een snelle oriëntatie geschikt.

W. II. Smits.

Groot - groter - grootst.

Tegen een opmerking in een artikel waarin Dr. Hany Ferguson met 10.000 dieren
eigenaar van het grcxjtste aantal rasschapen wordt genoemd, komt de secretaris van
het .Australische wolbureau in het geweer.

Hij memoreert dan vele eigenaren met meer dan 120.000 schapen en één van
200.000 schapen.

The Faulkiner organisatie verkoopt verder meer dan 10.Û00 rasramnien per jaar.
De bedrijven zijn ook zeer uit.gcstrekt. Hij noemt er één van 200.000 ha, terwijl op de
grootste boerderij van Australië, ruim 1.5 miljoen ha, 1er grootte van België, 70.000
Shorthorns gehouden worden.

J. Am. vet. med. Ass., 139, 843, (1962).
In de toekomst zes Franse rundveerassen?

Op het jaarlijkse Concours General .Agricole in 1961 verschenen de Fransen met zes
rundveerassen n.1. 3 reeds gevestigde en 3 die het in de toekomst moeten worden.
De drie gevestigde zijn het Normandische ras, het „Frisonne française" en de Gha-
rollais.

Voor de toekomst wordt gewerkt aan:

a. de roodbonten van het Oosten, een samenvoegsel van plaatselijke rassen als dc
Montbéliarde, de 1\'Abondance en la Tacheté de l\'Est, Deze roodbonten zijn de
Franse „Simmenthalers" of wel het Franse „Fleckvieh" ;

b. de roodbonten van het Westen, een vlees-melkrund, hoofdzakelijk een combinatie
van het Maine-Anjou en het .Armoricaine ras;

c. het witte vee van he Zuid-Westen, een vlecsrund, hoofdzakelijk bestaande uit
de Limousine.

Farmers\' Weekly, 16-3-1962, blz. 63.

-ocr page 121-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

INTERNATIONAL ASSOCIATION OF VETERINARY FOOD HYGIENISTS,
3e SYMPOSIUM, NICE.

Over het 3de Symposium van de I.A.V.F.H., dat ditmaal van 27 mei tot 2 juni
1962 tc Nice was georganiseerd, lag een schaduw door het overlijden van Dr. G.
Chapel, directeur van het slachthuis aldaar, die bij de voorbereidingen van het
symposium de grote stuwende kracht was geweest. In verband hiermede vonden enkele
meer feestelijk gerichte bijeenkomsten geen doorgang.

Bij de openingsrede werd dit verscheiden herdacht door vice-voorzitter Prof. Dr. Dr.
M. Lerche, die het gehele congres heeft geleid in verband met het om gezond-
heidsredenen niet aanwezig kunnen zijn van de voorzitter, Dr. A. C 1 a r e n b u r g.
Ook het overlijden van een aantal andere getrouwe symposiumbezockers werd hierin
gememoreerd.

Vele honderden veterinair-hygiënisten uit alle Europese landen en andere werelddelen
hebben deelgenomen aan dit Symposium, dat door simultaanvertaling van voor-
drachten en hierop aansluitende discussies in het Frans, Duits en Engels kon worden
gevolgd. Natuurlijk was het aantal Franse collegae het grootst, maar ook uit Duits-
land waren er ook zeer veel deelnemers gekomen. Behalve 10 Nederlanders, waren
er taalgenoten uit Vlaanderen en Zuid-Afrika.

De zittingen werden alle .gehouden in het congresgebouw te Nice, waarin gelijktijdig
een tentoonstelling was georganiseerd op het gebied van slachthuisbouw en installatie-
technische utensiliën.

De accomodatie was, in ruimtelijke zin gezien, zeer goed; de simultaan-vertaling gaf
aanleiding tot gegronde klachten bij de Duits-sprekende deelnemers; na 10 uur
\'s ochtends was helaas het koffie-producerende apparaat uitgeput.
Uiteraard was Nice als congresstad de moeite van het aanzien bij dag- en ander licht
waard, ofschoon wat de temperatuur betrof, meer de nadruk op het sub- en dan op
het tropisch deel van de karakteristiek van deze streek is gevallen. Enkele excursies
boden gelegenheid om nader kennis te maken met andere delen van de Côte d\'Azur,
met verschillende musea en, voor wie dat wenste, bestond .gelegenheid zich in enkele
bekende te Grasse gevestigde bedrijven van parfums te voorzien en het hiertoe be-
nodigde geld op één van de speelbanken machtig te worden.

Een bezoek aan het slachthuis te Nice, waar een nieuwe slokdarmsonde werd ge-
demonstreerd, welke bij de te slachten runderen werd ingebracht, teneinde voedsel-
regurgitatie en de gevolgen daarvan te voorkomen, bood gelegenheid om nog eens
- om geen ander woord te gebruiken -- zeer ouderwetse slachthallen te zien. Wel
moet er bij verteld worden, dat een totale vernieuwing geprojecteerd is en dat reeds
een deel hiervan — gekoelde hangruimten — gerealiseerd is.

Het met zorg samengestelde wetenschappelijk programma bood velen, om niet te
zeggen allen, „wat wils". In successie werden hoofdvoordrachten, telkenmale gevolgd
door korte mededelingen over deze onderwerpen, gehouden over:
soortbepaling van eiwitten in vleeswaren,
hygiëne bij het slachten en algemene hygiëne,
transportinvloeden op slachtdieren en vlees,
bewaar- en verpakkingsproblemen van vlees,
vishygiëne en controle-maatregelen hierop,
methoden ter controle van hittebehandeling en
kwaliteitsinvloeden hiervan op melk- en eiprodukten.
In de „proceedings" zullen alle voordrachten, korte mededelingen en discussies wor-
den opgenomen, zodat ook niet-deelnmers zich op de hoogte kunnen stellen van het
behandelde. Tijdige bestelling bij de secretaris, Dr. K a m p e 1 m a c h e r, is zeer
gewenst gezien de beperkte oplage.

Enkele interessante bevindin,gen en conclusies ter zake van de beoordeling van slacht-
dieren waren;

-ocr page 122-

dat te Parijs herhaaldelijk Salmonella-\'kiemen uit slaehtpaarden worden gekweekt,
dat het onderzoek — insnijden — van mesenteriale lymfklieren pas mag worden
nagelaten, indien tuberculose geheel is uitgeroeid en
dat runderen met dode cysticerci ook inge
\\Toren dienen te worden.
Interessant is ook dat een te hoge COa-dosis bij het bedwelmen oorzaak kan zijn
van grote excitatie en van de gevolgen van dien.

In de slotvergadering werden de bestuursvoorstellen — zie Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde,
87, 582, (1962) — alle aangenomen. Door de statutenwijziging zal de
intussen vertrouwd .geworden afkorting I.A.V.F.H. veranderd worden in W.A.V.F.H.
De World Association of Veterinary Food Hygienists zal in 1963 als sectie van de
W.V.A. te Hannnover bijeenkomen; de te behandelen hoofdthemata werden reeds
bekend gemaakt in het
Tijdschift voor Diergeneeskunde, 87, 939, (1962).
De aftredende, helaas niet-aanwczige voorzitter, Dr. A. Clarenburg, werd met
algemene stemmen en een daverend applaus benoemd tot c re-voorzitter van de
W.A.V.F.H.

Tot voorzitter werd gekozen Dr. C. H. Pais, Chief Meat Inspection Branch, Dept.
of Agriculture, Washington, U.S.A, tot nu toe één der vicc-voorzittcrs van het be-
stuur.

De secretaris-penningmeester. Dr. E. H. K a m p e 1 m a c h e r werd bij monde van
collega C. G
O 11 a 1, Luxembourg, décharge verleend en geprezen voor zijn uitstekend
beheer. In een toelichting stelde de secretaris-penningmeester zijn aftreden en een
bijdrage verhoging in het vooruitzicht. Uit dit laatste is zowel een goed als een slecht
beheer te concluderen; hem zien wij node gaan.

Tot slot volgen hieronder nog de uitgebrachte resoluties, althans voorzover deze
werden aangenomen.

Al waren er wat tekortkomingen en wensen, als geheel mogen leiding en deelnemers
op een geslaagd Symposium terugzien.

Resoluties:

Op de slotzitting van het Symposium der W.A.V.F.H., gehouden te Nice op 2 juni
1962, werden door de gedelegeerden der aangesloten landen resoluties aangenomen.

1. van R. E. Willie, chef van dc afdeling Pluimveekeuring van het Departement
van Landbouw, Washington, U.S.A.:

In verband met de grote ontwikkeling van en de problemen bij de slachting en
eventcratie van pluimvee en de verpakking en bewerking van pluimveevlees en
produkten moet een algemeen inspectie-programma voor pluimvee en daarvan
afgeleide produkten opgesteld worden.

2. van de Nederlandse delegatie:

De toenemende verspreiding van salmonellosis bij dieren en de noodzaak om
beter hierover geïnformeerd te zijn onderkennende, beveelt zij de overheids-
instanties aan onderzoek naar het voorkomen van manifeste en latente infecties
en de infectiewegen te bevorderen en de resultaten van deze onderzoekingen te
doen publiceren.

Het gebruik van uniforme technieken bij de isolatie van Salmonella-kiemm uit
biologisch materiaal noodzakelijk achtende, beveelt zij de overheidsinstanties aan,
stappen bij internationale organisaties op dit gebied te doen, dit probleem op
korte termijn op internationaal vlak te bestuderen,

3. van de Portugese delegatie:

Aan de overheden van de bij de W.A.V.F.H. aangesloten landen moet voorgesteld
worden dat de wettelijlke voorschriften met betrekking tot het Volksgezondheids-

-ocr page 123-

toezicht op vis, week- en schaaldieren zodanig worden verbeterd, dat de ge-
bruikers niet voor hun gezondheid behoeven te vrezen.
Deze voorschriften zouden bepalingen moeten bevatten inzake:

1. brede opleiding van leiding en personeel op schepen, in de visverwerkende
industrie en de handel,

2. veterinaire controle op alle punten van de weg van de produkten, aan boord,
op de afslagen, in de fabrieken en winkels,

3. normalisatie van de organoleptische- en laboratorium-methoden van onder-
zoek en het merken van dcugdeli.ike produkten,

4. normalisatie van verpakkingen, toevoegingen (o.a. bacteriostatica) en vervoer.

4. van de N i e u w-Z eelandse gedelegeerde:

In verband met het internationale karakter van de vereniging — thans
W.AV.F.H. — dienen door de hier\\-oor verantwoordelijke leiding in de toekomst
ook buiten Europa — met name ook eens op het zuidelijk halfrond — symposia
te worden georganiseerd.

5. van L. P. C o 11 y (Bechuanaland, Zuid-Afrika) :

Met het oog op het grote belang voor de op het zuidelijk halfrond gelegen landen,
waarvan er vele vlees en melkprodukten exporteren, dient de W..\\.V.F.H. de
gedelegeerden uit deze landen aan te sporen volgende symposia bij te wonen.

6. van Drs. J. M. van den Born (Nederland),

(tc Nice discussieleider bij de voordrachten over „Vervoer van slachtdieren vóór
dc slachting) :

Overwe.gende dat van slachtdieren een goede gezondheidstoestand onmiddellijk
vóór het slachten van groot belang is,

deze toestand in hoge mate bijdraagt tot cen goede tot waardebrenging van deze
dieren,

deze toestand zeer sterk beïnvloed kan worden door vervoer en opstalling en
consequenties kan hebben voor de volksgezondheid,

wordt aanbevolen:

meer onderzoek naar de invloed van vervoer en opstalling te verrichten,
voorschriften op nationale basis hierover uit te doen vaardigen,
voorschriften hieromtrent op internationale basis te doen uitvaardigen voor inter-
nationaal vervoer,

voortdurend veterinair toezicht op deze bepalingen uit te oefenen.

VERENIGING VAN DIRECTEUREN VAN GEMEENTELIJKE SLACHT-
HUIZEN IN NEDERLAND.

Bestuurssamenstelling.

Met ingang van 1 juli j.1. heeft het bestuur zich als volgt samengesteld:
J. P. van der Slooten, Utrecht, erevoorzitter;

Dr. J. van Woerden, Arnhem, voorzitter;

H. J. A. M. Kothuis, Sittard, secretaris;

L. J. Kas, Hilversum, penningmeester;

C. Bergsma, Dordrecht, lid;

H. B. F. Snelting, Eindhoven, lid.

Het adres van het secretariaat luidt:

H. J. A. M. Kothuis, Abattoir Sittard/Geleen te Geleen.

Het adres van de secretaris van de Technische Commissie der vereniging is:
E. Klopping, Abattoir, Doetinchem.

-ocr page 124-

SALMONELLOSE ONDER DE WERKLNG VAN DE VEEWET.

Hersterilisatie van diermeel meest praktische en goedkope bestrijding.

Indien de gezondheid van mens en dier in ernstige mate wordt bedreigd door het
optreden van de salmonella, moet deze bron van besmetting van overheidswege wor-
den bestreden, of, zo mogelijk, uitgeroeid. Ook al zouden de vereiste maatregelen
ingrijpend en kostbaar zijn, mag dit op zichzelf geen reden zijn om ze achterwege
te laten.

.Mdus deelt minister Marijnen mee in zijn memorie van antwoord aan de Tweede
Kamer bij het wetsvoorstel „Salmonellose bij alle vee" onder de werking van de
Veewet brengen. Met genoegen constateert de bewindsman algemene instemming
met dit oordeel. Het regeringsbesluit tot (her)sterilisatie van diermeel betreft niet
een op een wet steunend besluit, doch nog slechts een beginselbeslissing.
Omdat salmonellose niet als dierziekte in de Veewet wordt genoemd en er dien-
tengevolge te dien aanzien geen aangifteplicht bestaat, zijn over het optreden van
klinisch zieke dieren geen exacte gegevens bekend.

De grotere aandacht, de laatste jaren aan het .salmonellaprobleem gewijd, heeft dui-
delijk gemaakt, dat salmonellose onder dieren in ons land zeer verspreid voorkomt,
in een aantal gevallen aaneiding geeft tot ernstige ziekteverschijnselen, welke vroeger
niet als zodanig werden onderkend, en bij de slachting afkeuring van een niet on-
aanzienlijke hoeveelheid vlees tot gevolg heeft.

■Aanvankelijk is de opvallende stijging van het aantal typen, in het algemeen toe-
geschreven aan de tijdens en vooral na de oorlog sterk toegenomen verplaatsing van
mensen en dieren en de groeiende internationale handel in produkten van dierlijke
oorsprong. Later is in dit verband aan de hand van onderzoek het inzicht verkregen,
dat de invoer van menselijke en dierlijke voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong
hierbij een belangrijke rol speelde. Hierbij werden nl. salmonellae gevonden welke
tot dat tijdstip in het geheel niet of in ons land alleen bij de mens werden aange-
troffen. In de periode van februari 1955 tot januari 1957 werden voor diermeel een
besmettingspercentage gevonden van rond 10 pet. In 1961 was dit percenta,ge reeds
12/2 pet. Deze stijging moet ook daarom niet worden onderschat, aangezien inge-
voerde partijen gewoonlijk gemengd worden met het (ziektekiemvrije) dierlijk ei-
wit van eigen produktie en dit laatste als gevolg hiervan op zijn beurt wordt besmet.
Elk type salmonellose en zeker de nieuwe typen, afhankelijk van klimaat, individiiele
weerstand, pathogeniteit en andere factoren, kan zich bijzonder snel onder de daar-
voor gevoelige dieren verspreiden en daardoor een steeds groter wordend gevaar
voor zowel veestapel als de mens gaan betekenen.

Besmette dier infectiebron.

Vast staat dat met betrekking tot dc bij de mens in steeds uitgebreidere mate op-
tredende salmonellose (1422 in 1955, 6709 in 1961) het besmette dier als infectie-
bron bij uitnemendheid is te beschouwen. Uit in 1960 en 1961 door de Veterinaire
Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid met het Rijksinstituut voor de Volksgezond-
heid verrichte onderzoekingen blijkt, dat speciaal het varken met salmonella-bacte-
riën is besmet, namelijk voor niet minder dan 25 pet. Deze dieren vertonen echter
slechts in weinige gevallen klinische ziekteverschijnselen. Hoewel besmet, komen zij
als schijnbaar normale slachtvarkens ter slachting. Deze omstandigheid is bepaald
ernstig. De vleeskeuringsdiensten zijn, mede gezien de zeer grote hoeveelheid ogen-
schijnlijk normale slachtvarkens, niet in staat de geïnfecteerde dieren aan te wijzen.
Tijdrovend en uitgebreid bacteriologisch onderzoek zou hiervoor noodzakelijk zijn,
dat bovendien bij elk slachtvarken zou moeten geschieden, nu tijdens het leven de ge-
infecteerde dieren niet van de niet-geïnfecteerde zijn te onderkennen. Een directe
aanpak van het salmonellose-probleem op de veehouderijbedrijven of in de slacht-
huizen zou in ieder geval enorme kosten met zich mede brengen.
Het elimineren van de besmettingsmogelijkheden, welke zich bij de invoer van dier-
lijke eiwitten voordoen is daarom de aangewezen weg, zowel om het daarvan te ver-
wachten praktisch nut als vanwege het feit, dat hij verreweg het goedkoopst is.

-ocr page 125-

Tijd van voorbereiding.

Het op 23 januari 1962 genomen beginselbesluit tot (her)sterilisatie van diermeel
heeft voorshands geen andere betekenis dan de belanghebbenden 20 tijdig mogelijk
de gelegenheid te geven zich op de nieuwe ontwikkeling in te stellen. Het Produkt-
schap voor Veevoeder heeft toegezegd in principe bereid te zijn medewerking bij
de uitvoering van bedoeld besluit te verlenen.

De totstandkoming van de noodzakelijk geachte verplichting tot (her)sterilisatie is
afhankelijk van de aanvaarding van het onderhavige wetsontwerp. Is dit wet ge-
worden dan zullen de maatregelen tot (her)sterilisatie echter nog niet onmiddellijk
in werking kunnen treden. Hiervoor is herziening van uitvoeringsvoorschriften zowel
van de centrale overheid als van het produktschap nodig; bovendien moet minimaal
op zes maanden voorbereidingstijd worden gerekend, voordat de sterilisatoren met
hun werkzaamheden kunnen beginnen.
Kosten.

Over de extra-kosten van de her() sterilisatie zijn geen exacte gegevens bekend. Naar
voorlopige raming zullen de kosten van de her) sterilisatie in de orde van grootte
van ƒ 70 ä ƒ 80 per ton komen te liggen. Bij een invoer van het te steriliseren dier-
meel van 20.000 ton per jaar, zouden de kosten derhalve in de orde van ƒ 1,5 mil-
joen komen te liggen. Zonder meer mag er niet van worden uitgegaan, dat de prijzen
van binnenlands vleesmeel met de kosten van sterilisatie zullen stijgen, omdat o.a.
het vismeel sterk concurrerend werkt.

In eerste instantie zullen dc importeurs de stcrilisatiekosten moeten dragen. Door-
berekening zal, naar het zich laat aanzien, uitmonden in een verhoging van de
mengvoederprijs met circa f 0,30 ä ƒ 0,40 per 100 kg. Hiervan uitgaande zou de
prijs van varkensvlees voor de consument met plm. één cent per kilogram stijgen.
Het in totaal aan (her)sterilisatie ten kosten te leggen bedrag kan ook overigens
gering worden genoemd in verhouding met een produktie van mengvoeder van
4,6 miljoen ton met een waarde van omstreeks 1,4 miljard gulden per jaar.

Voedingsinfectie.

Ook knaagdieren, duiven, meeuwen en andere vogels, honden en vliegen enz. kun-
nen de ziekte verspreiden. Aan deze besmettingsoorzaken zal zorgvuldige aandacht
moeten worden besteed, hoewel voor de hand ligt, dat zij nooit geheel zullen kunnen
worden uitgeschakeld. Dit alles neemt niet weg, dat de infectieweg via de voedin,g
wel als veruit de belangrijkste is te beschouwen. Verwacht mag worden, dat het
resultaat van de (her)sterilisatie van diermeel, gekoppeld aan het blijvende preven-
tieve monsteronderzoek van het aanzienlijk minder besmet geïmporteerde vismeel,
zal zijn, dat deze besmettingsmogelijkheid zeer aanzienlijk zal verminderen. Een sterk
terugdringen van het percenta.ge geïnfecteerd vee — met name de varkens - - zal
pas op langere termijn kunnen worden bereikt, gezien dc mate waarin de salmonel-
lose kans gezien heeft zich de laatste tien jaar onder dc varkens te verspreiden. In
ieder geval lijkt het onder de gegeven omstandigheden geboden zo snel mogelijk de
eerste stap tot een zo efficiënt mogelijke bestrijding van de infectiebronnen te doen.
De bestaande produktschapsre.geling stimuleert zonder twijfel de aanvoer van zoveel
mogelijk ziektekiemvrije partijen. Tegenover het nadeel, dat indien deze prikkel ver-
valt, de marge van besmette partijen groter zal worden, staat evenwel het voordeel,
dat met de (her)sterilisatie volledige steriliteit van het in het verkeer komende pro-
dukt is gewaarborgd, hetgeen op andere wiize ninnner kan worden bereikt.
De kiem van salmonellose komt ook voor in voedermiddelen van plantaardige oor-
sprong, die uit tropische en subtropische .gebieden worden geïmporteerd. Met het
ook hierop overweegt de minister een meer uitgebreid onderzoek van geïmporteerde
voedermiddelen te doen verrichten. De eerstbekende resultaten van oriënterende
onderzoekingen geven een zeer aanzienlijk lager besmettingspercentage aan dan van
de dierlijke eiwitten, hetgeen overigens voor de hand ligt, daar salmonellosis primair
een dierziekte is en geen planten- (of vis) ziekte.

Persbericht Ministerie van Landbouiv en Visserij.

-ocr page 126-

8e INERNATIONAAL VEETEELTKUNDIG CONGRES, HAMBURG, JUNI \'6L

Van de ingediende rapporten waren de volgende vooral van belang:

1. Shaw, J. C.: Nutritional physiology of the rumen.

Spr. begon met er op te wijzen, dat ongeveer 70% van de voedselenergie der her-
kauwers reeds is geresorbeerd, vóórdat het voedsel de eigenlijke verteringsmaag (leb-
maag) heeft bereikt. Deze energieresorptie vindt vooral plaats in de vorm van vluch-
tige vetzuren, welke door dc microörganismen in de voormagen worden gevormd. Voor-
al afhankelijk van de samenstelling van het rantsoen, kunnen zowel de concentratie
der vluchtige vetzuren als totaal, als de verhouding waarin de verschillende vetzuren
in de pens voorkomen en dus ook de verhouding, waarin ze worden geresorbeerd,
sterk variëren. Het is pas sinds enkele jaren, dat men enigszins een inzicht begint te
krijgen in de betekenis van dit laatste voor het dier en vooral ook voor de produktie
van het dier en voor de doelmatigheid van het voedselverbruik. Hierbij is met name
van belang de vorming van acetaten
(C2) propionaten (Cs) en butyraten (C4).
Daarnaast worden Cs en Ce zuren gevormd en onder bepaalde omstandigheden melk-
zuur.

De propionaten en butyraten worden uit het poortaderbloed verwijderd door de lever
en omgezet in koolhydraten, dit geldt niet voor de acetaten, die de lever grotendeels
passeren en tezamen met beta-hydroxyboterzuur dienen voor de synthese van melkvet
voor de uier.

Ketonlichamen worden in de lever vooral gevormd uit vetten, verder uit boterzuur,
dat afhankelijk van de hoeveelheid, waarin het voor het dier beschikbaar is, zowel
glycogeen als ketogeen kan werken.

Wordt als gevolg van de samenstelling van het rantsoen de vorming van azijnzuur
in de pens beleirmierd, dan werkt dit zeer sterk verlagend op het vetgehalte. Ver-
hoogt men op dezelfde wijze het propionzuurgehalte van de pens, dan resulteert dit
in de vorming van onverzadigd melk- en lichaamsvet. Een dergelijk rantsoen ver-
hoogt veelal het eiwitgehalte van de melk. Een zeer sterke verlaging van de ver-
houding azijnzuur/propionzuur in de pens werd verkregen door fijngemalen hooi en
verhitte mais te voeren. Werd daarenboven linoleenzuur verstrekt, dan werd deze ver-
houding nog meer verlaagd, terwijl de totale concentratie aan vluchtige vetzuren
steeg. Dit zal ook de verklaring zijn voor de melkvetverlagende werking van b.v.
levertraan.

Voedert men een rantsoen, dat een lage azijnzuur/propionzuur-verhouding in de pens
doet ontstaan, dan werkt dit gunstig voor de groei van mestvee (bij een voederproef
met ossen zelfs 18% efficiënter groei).

Het is duidelijk, dat deze veranderingen in de verhouding der vluchtige vetzuren
ontstaan doordat onder invloed van het rantsoen de microflora van de pens kwali-
tatief verandert. Een lage azijnzuur/propionzuur-verhouding is gunstig met het oog
op het voorkomen van slepende melkziekte.

Als men een kleine hoeveelheid gekookte mais aan een hooirantsoen toevoegt, neemt
de hoeveeheid gevormde propionaten zo sterk toe, dat deze ook voor een deel uit het
hooi moeten zijn ontstaan, m.a.w. dit geeft een mogelijkheid om de voederwaarde
van ruwvoer te vergroten.

2. Schiller, K.: Untersuchungen zur Frage der Wirkung von Alpha-Amino-
Buttersäure auf den Sückstoff-Stoffwechsel.

Aanvankelijk werd uit proeven met kuikens geconcludeerd, dat a-amino-boterzuur
lysine in het rantsoen geheel of grotendeels zou kunnen vervangen. Naderhand, toen
deze bevindingen niet bevestigd konden worden en men toch meende aan de toe-
diening enige eiwitsparende invloed te kunnen toeschrijven, werd gedacht aan een
vervanging van methionine. Spreekster had daarom thans rattenprocven genomen om
dit nader te controleren, waarbij caseine als methionine-arme eiwitbron was gekozen.
Door toevoeging van methionine werd de biologische waarde (B.W.) van 67 tot 84
verhoogd, maar a-amino-boterzuurtoevoeging verhoogde de B.W. slechts tot 72.

-ocr page 127-

De B.W. van sojaschroot werd door methionine verhoogd van 68 tot 82, maar
a-amino-boterzuur gaf slechts cen toename van 68 tot 71; bij een rantsoen met cen
laag eiwitgehalte (9.4%) trad zelfs cen verlaging der B.W. op van 68 tot 63.
Ook bij varkensmeel dat weinig vismeel bevatte (4%) ging door a-amino-boterzuur
dc B.W. van het eiwit achteruit van 74 op 68 resp. van 72 op 69, zodat de conclusie
getrokken kan worden, dat het niet waarschijnlijk is dat a-amino-boterzuur een me-
thionine-werking heeft.

3. P r e s t O n, T. R. and W h i t e 1 a w, F. G.: The effect of solubiUty and amino
acid composition on the utilization of protein by weaned calves.

Van grondnotenmeel en haringmeel was het eiwit grotendeels onoplosbaar gemaakt.
Het onoplosbare haringmeel gaf een significant hogere stikstof retentie bij jonge
kalveren en oplosbaar haringmeel gaf significant lagere stikstofretentie dan het op-
losbare en het onoplosbare grondnotenmeel, die onderling niet significant verschilden.
De groei was bij oplosbaar haringmeel en de beide grondnotenmeelsoorten gelijk en
significant lager dan bij onoplosbaar haringmeel voeren.

De bloedureumgehaltes waren bij haringmeel voeren lager dan bij grondnotenmeel
voeren, maar waren merkwaardigerwijze niet verschillend bij het voeren van oplos-
baar of onoplosbaar voer van dezelfde soort.

4. A 1 e X a n d e r, G., R e i d, R. L., S c h i n c k e 1, P. G. and F e r g u s o n, K. A.:
Nutrition of the pregnant cwe.

Uit uitvoerige voederproeven met drachtige ooien bleek dat

a. Bij normale voeding en normale conditie, zoveel voer wordt opgenomen dat in
de behoefte wordt voorzien als de dieren dragend zijn van slechts 1 lam.

b. Bij tweelingdrachtigheid moeten de dieren tegen het eind van de draagtijd tot
ongeveer 80% van hun eigen onderhoudsvoer extra opnemen als men het op-
treden van de toestand van „biochemische ondervoeding" wil voorkomen. Deze
toestand openbaart zich doordat acetonemie en hypoglycemic optreedt.

e. Vette ooien krijgen minder gauw last van deze verschijnselen dan dieren in een
meer matige voedingstoestand.

5. P r a b u c k i, A. L.: Der Einflusz des Wassergehaltes des Futters auf den Gär-
prozess im Pansen des Schafes.

Spr. heeft van verschillende partijen gras de enc helft vers, de andere helft na kunst-
matig drogen gevoerd aan schapen cn gevonden dat:

a. Bij voeren van vers gras het gehalte aan monocarbonzuren hoger,

b. Bij voeren van vers gras het gehalte aan azijnzuur lager,

c. Bij voeren van vers gras het gehalte aan propionzuur hoger,

d. Bij voeren van vers gras het gehalte aan boterzuur hoger,

e. Bij voeren van vers gras de energiewaarde der vetzuren in de pens hoger waren
en dat

f. Bij voeren van vers gras minder warmteverliezen optraden.

6. Jascorowski, H.: Latest results in the field of animal feeding.

Spr. vond dat lucerne eiwitten in de pens van herkauwers in sterkere mate worden
gedesamineerd en daardoor minder goed benut dan eiwitten vän ,, gemengd gras".
Dit verschil wordt zowel veroorzaakt door de grotere oplosbaarheid van het eerste
eiwit als door het voorkomen van zeer actieve eiwitsplitsende enzymen in verse en
gedroogde lucerne. Drogen bij hoge temperatuur vermindert echter de snelheid der
dcsaminering zeer sterk en verhoogt daardoor de benutting door het dier.
Van verschillende toegediende koolhydraten bleek alleen saccharose de ammoniak-
concentratie in de pens aanzienlijk te verlagen.

De eiwit-suiker verhouding in het gras bleek van invloed te zijn op de benutting der
stikstofverbindingen door de herkauwers.

-ocr page 128-

7. Orth, A. und K a u f m a n n, W.: Über die Wirkung erhöhter Eiweiszgaben
auf den Eiweiszgehalt der Milch.

Als men het rantsoen van een koe uitsluitend uit ruvAOcr laat bestaan is de pH in
de pens hoog (ruim 7). De eiwitafbraak is dan eveneens hoog, maar dc eiwitsynthese
is bij een dergelijke ho.ge pH minimaal.

Voegt men zetmeel aan het rantsoen toe, dan daalt de pH tot bijv. 6. De proteolysc
in de pens neemt dan iets af, de eiwitsynthese neemt echter zeer sterk toe.
Verstrekt men suiker aan het dier dan daalt de pH tot bijv. 5 en neemt de proteolysc
nog sterker af, maar de eiwitsynthese daalt ook weer zeer sterk. Een pH van om-
streeks 6 moet wel als optimaal worden beschouwd.

Bovengenoemde factoren zullen wel (mede) de verklaring moeten geven waarom
door het voeren van veel bieten de stijging van het stikstofgehalte van de melk voor
minstens 50% moet worden toegeschreven aan een stijging van het eiwit.gehalte van
de melk, terwijl bij het voeren van groenvoedersilage (bielenblad) weliswaar ook
een verhoging van het N-gehalte van de melk wordt verkregen (van hoogstens 10%),
maar dat het dan een verhoging van het reststikstof (= niet-eiwit-stikstof) betreft.

8. C a m p 1 i n g, R. C. and Freer, M.: Some factors affecting the voluntary
intake of roughage by cattle.

a. De gemiddelde ad-libitum-opname van hooi was tweemaal zo hoog als die van
stro. De gerin.ge stro-opname ging gepaard met lagere verteerbaarheid van het
rantsoen, langzamer vertering van in.gebrachte cellulosedraden en langzamer pas-
sage van de onverteerde resten door de digestietractus.

b. Direct na het voeren tot verzadiging bevatten na hooivoedering pens en netmaag
33% meer droge stof dan na strovoeding; vlak voor de volgende voedering be-
vatten pens en netmaag ongeveer evenveel droge stof, zodat het lijkt dat de vocr-
opname min of meer gecorreleerd is met de passagesnelheid door de digestie-
tractus.

r. Dit laatste lijkt des te meer waarschijnlijk omdat als men een mengsel van ureum
en sucrose via een fistel in de pens bracht, het stro vee! sneller uit de pens werd
afgevoerd en de opname aan stro met ca. 40% toenam.

9. Kameoka, K. and M o r i m o t o, H.: Effect of feed composition on the
amount of nitrogen absorbed in the rumen.

Op grond van 23 voederproeven, waarbij verschillende hoeveelheden zetmeel aan het
rantsoen werden toegevoegd, zijn deze onderzoekers tot de conclusie gekomen dat
de correlatie tussen hoeveelheid uit de pens geresorbeerd N (als ammoniak) en eiwit-
gehalte van het voor bedraagt r = 4- 0.85. De regressievergelijking die ze vonden
was Y = 2.90 X — 29.28, waarbij Y — verteerbaarheid van het eiwit en X = het
eiwitgehalte van het rantsoen (beide in %).

10. M u d d, C. H.: The use of bulky feeding stuffs in the rearing of dairy heifers.

Het verstrekken van 2 Ib krachtvoer per dier per dag vanaf de leeftijd van 6 maanden
tot de eerste afkalfdatum maakte in vergelijking tot het verstrekken van alleen ruw-
voer de opfokkosten wel aanzienlijk duurder, maar bleek niet een significante invloed
op de latere melkproduktie, lichaamsgewicht en voederverbruik te hebben.

11. O r t h, und K a u f m a n n, W.: Über die Bedcutung des Futtereiweiszes
fiir die Verdauungsvorgiinge im Pansen.

De verteringsprocessen in de pens zijn van de samenstelling van het voer afhankelijk.
Spr. onderzochten de invloed van hoge eiwitgiften bij cellloserijke en zetmeelrijke
rantsoenen. Bij het meten van de pH, de vluchtige vetzuren, ammoniakgehalte en
aantal bacteriën bleek, dat bij een celluloserijk rantsoen en verhoogde eiwitoediening
(vre/Z\\V ~ 1 :3.8) een verhoogde afbraak in de pens optreedt. Bij zetmeelrijk rant-

-ocr page 129-

socn wordt alleen de pil 0.1 - 0.2 eenheden hoger maar is van een intensivering van
de afbraakprocessen niets te vinden.

De verhoogde afbraak door toediening van extra eiwit bij een celluloserijk rantsoen
is alleen gunstig als niet te hoge ammoniakconcentraties in de pens ontstaan en niet
te veel boterzuur wordt gevormd, want dan kan de energievoorziening van het dier
in gevaar komen en loopt men kans dat het dier acidotisch wordt of acetonemie
krijgt.

12. Zezula, Maria: Seasonal variations in protcin and sugar content of six
species of grasses, alfalfa and red dover under conditions in central Poland.

In de hoop een soort te vinden met een hoog gehalte aan oplosbare suikers, wat gun-
stig zou zijn voor de eiwitbenutting uit gras en lucerne door de herkauwers, werden
verschillende grassen en vlinderbloemigen geanalyseerd. Het bleek dat, afgezien van
seizoenschommelingen (hoog in het voorjaar, lager in de zomer en weer iets hoger
in de herfst) het suikergehalte van lolium pcrenne en festuca rubra het hoogst waren.
Iets lager was het gehalte in
Phleum pratense, nog wat lager dat van Festuca pra-
tensis
en het laagst van de grassen was Dactylus glomerata.

13. Schilling, E.: Der Einflusz einer mehrjährigen Eiweisz-übcrfüttcrung auf
die Soffwechselorgane schwarzbunter Rinder.

Met 36 koeien werd cen proef genomen, waarbij de enc groep per d\'cr dagelijks 900
gram ruw eiwit boven de norm werd verstrekt, ook gedurende de weidetijd, in totaal
SJ/a jaar achter elkaar. Ziekteverschijnselen, teruggang in produktie of verminderde
vruchtbaarheid werden gedurende deze proef niet waargenomen. Aan het eind van
de proef werden 13 der proef- en 9 der contrólekoeien geslacht en verschillende or-
ganen gewogen en daarna gefixeerd en microscopisch onderzocht. De meest opval-
lende gewichtsverschillen tussen de organen waren, dat bij de hoog-ciwit koeien dc
nieren 19.6% zwaarder waren dan bij de contrólekoeien. De levers waren gemiddeld
12.3% zwaarder, de harten 13.2%, de milten 11.5%, de alvleesklier 8.0%, de longen
vert
(K)nden geen verschil in gewicht, maar de bijnieren waren 15.5% zwaarder, de
schildklieren 9.4%, hypofyse en epifyse verschilden niet in gewicht.
Macroscopisch onderzoek van dc nieren gaf geen verschil le zien: merg en schors
waren normaal verdeeld. Microscopisch bleken de glomeruli vergroot (14.3% ver-
geleken bij contrólekoeien), ook de urinebuisjes waren wijder, maar ziekelijke af-
wijkingen konden in de nieren niet worden aangetoond: de eiwitover\\oedering kon
blijkbaar binnen de fysiologische grenzen van het aanpassingsvermogen worden op-
gevangen. Het onderzoek der andere organen moet nog plaats vinden.

14. Dijkstra, H.: Die Schwankungen der Milchleistung pro Kuh während der
Weide- und der Stallperiode in den Niederlanden von 1949/50 an.

De gemiddelde stijging der gemiddelde melkproduktie per koe per jaar heeft in
Nederland de laatste 10 jaar ruim 1% bedragen. De melkproduktie gedurende de
stalpcriode steeg meer (1.4%) dan die gedurende de weideperiode (1.1%). De
variatie is echter in de verschillende winterperioden veel groter dan in de weide-
perioden, waaruit geconcludeerd kan worden dat dc invloed van de weei-sinvloeden
in de zomer kleiner is dan in de winter. Gedeeltelijk komt dit doordat men het
voedcrtckort van dc zomer naar de winter verschuift, gedeeltelijk ook doordat dc
weersomstandigheden meer invloed hebben op de kwaliteit van het gewonnen ruw-
voer dan op de kwaliteit van het verse weidegras.

15. P u r s e r, A. F. and Young, G. B.; Perinatal mortality and birthweight.

Er is bij mens, rund, schaap en varken een optimaal geboortgewicht. Zowel hogere
als lagere geboortegewichten resulteren in een hoger sterftepercentage. Dat bij men-,
rund en schaap van de tweelingen meer bij of vlak na de geboorte sterven is een
gevolg van het lagere geboortegewicht. .Als men even zware gewichtsklassen vergelijkt

-ocr page 130-

is het sterftepercentage bij de tweelingen eerder lager dan hoger dan bij eenlingen.
Bij het varken heeft het geboortegewicht meer invloed op het sterftepercentage der
biggen dan de toomgrootte.

16. Mazaraki, J.: Correlations between teat number in the sows and number
of piglets in the litter.

Ofschoon sehr, geen significante correlatie tussen het aantal spenen bij de zeug en
de grootte van de toom heeft kunnen berekenen (evenmin als verschillende onder-
zoekers voor hem, Ref.) beveelt hij toch aan om te selecteren op een zo groot moge-
lijk aantal spenen, omdat er toch in zekere mate een verband zou bestaan. (Een groot
aantal spenen bij de zeug heeft echter wel een gunstige invloed op het aantal groot-
gebrachte biggen. Ref.)

Selectie op het aantal spenen is een zinvolle maatregel, daar de waarde der erfelijk-
heidsgraad (h^) ongeveer 0.40 bedraagt.

De Groot.

STUDIEBEURZEN VOOR DUITSLAND.

Stipendia Alex von Humboldt Stichting te Bonn, 1963-1964.

De Alexander von Humboldt Stichting te Bonn stelt zich ten doel stipendia te ver-
lenen aan jonge buitenlandse geleerden teneinde hen in dc gelegenheid te stellen
wetenschappelijk werk te verrichten aan een universiteit of hogeschool of weten-
schappelijk instituut in de Bondsrepubliek Duitsland of in West-Berlijn.
Voor het academisch jaar 1963-1964 worden een aantal stipendia beschikbaar gesteld
in twee categoriën.

A: Stipendia voor een periode van 10 maanden, dat is voor een academisch jaar
dat van 1 oktober 1963 - 31 juli 1964 loopt, ten bedrage van 800 D.M. per
maand.

B: Stipendia vor een periode van 6 tot 12 maanden waarbij de begindatum niet

vastgesteld is, ten bedrage van 1100 D.M. per maand.
De beurzen kunnen zo nodig verlengd worden. De reiskosten en eventuele college-
gelden komen ten laste van de Stichting.

De beurzen zijn bestemd voor personen, die hun universitaire studie voltooid hebben
en die voor categorie A tenminste 2 jaren en voor categorie B tenminste 5 jaren
wetenschappelijk werk verricht hebben of onderwijs gegeven hebben.
De kandidaten moeten tenminste 25 jaar en als regel niet ouder dan 35 jaar zijn.
.\\anvragen voor een Alexander von Humboldt Stipendium moeten vóór I oktober 1962
.gericht worden tot de Ambassade der Bondsrepubliek Duitsland, Nieuwe Parklaan 17
te \'s-Gravenhage.

Deze dienen op aanvraagformulieren te geschieden, welke te verkrijgen zijn bij dc
afdeling Buitenlandse Betrekkingen van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en
Wetenschappen, Nieuwe Uitleg 2 te \'s-Gravenhage.

IVe INTERNATIONAAL CONGRES „VOORTPLANTING BIJ DIEREN",
\'-GRAVENHAGE, 5-9 JUNI 1961.

Het Congresboek met alle rapporten en verslagen van het IVe Internationale Congres
„Voortplanting bij Dieren" (gehouden te \'s-Gravenhage van 5-9 juni 1961) zal in
augustus a.s. in druk verschijnen.

Het boek zal bestaan uit 4 delen, met in totaal 166 rapporten, 984 bladzijden.
Aan hen die lid waren van dit Congres zal het Congresboek gratis worden toege-
zonden.

Voor hen die geen lid waren en toch het Congresboek willen bezitten is cen beperkt
aantal exemplaren beschikbaar. Zij kunnen dit bestellen door vóór 1 augustus 1962
een chèque te zenden, groot ƒ 80,—, aan het Secretariaat van het IVe Internationale
Congres „Voortplanting bij Dieren", Burgemeester de Monchyplein 14 te \'s-Graven-
hage.

(Na 1 augustus zal de prijs ƒ100,—bedragen.)
1002

-ocr page 131-

INSTITUUT VOOR VETERINAIRE VIRULOGIE, BILTSTRAAT 168,
UTRECHT.

Tot mijn spijt moet ik U mededelen, dat wegens ernstig gebrek aan technisch per-
soneel het Instituut niet langer ingezonden materiaal voor onderzoek kan aannemen.
Slechts in bijzondere gevallen kan hierop na overleg een uitzondering worden ge-
maakt.

Mocht, ondanks de ongunstige vooruitzichten, er een verbetering in de technische
personeelsvoorziening komen, dan zullen wij t.z.t. U hiervan in kennis stellen en
gaarne ons wederom beschikbaar stellen voor het vemchten van onderzoek van in-
gekomen materiaal.

De Hoogleraar-Directeur, Prof. Dr. Jac. Jansen.

HET MOND- EN KLAUWZEER VERLOOPT NU GUNSTIG.
Verlenging van de maatregelen echter noodzakelijk.

De minister van Landbouw en Visserij heeft na ampele overweging moeten besluiten
tot verlenging voor de maand juli van het samenstel van maatregelen ter bestrijding
van het mond- en klauwzeer. Alleen de maatregel met betrekking tot het vervoer van
varkens in onbesmet gebied kon worden verruimd. Het zogenaamde bijladen van
varkens door de vervoerders is vanaf 1 juli in dit gebied toegestaan.
Het wekelijkse aantal nieuwe gevallen — dit zijn bedrijven, waar het mond- en
klauwzeer is uitgebroken — is sedert het hoogtepunt met 636 gevallen in de week
van 10—16 mei 1962, sprongsgewijs verminderd tot 69 gevallen in de week van
21—27 juni. De 69 gevallen waren als volgt verdeeld over de provincies: Gelderland
28, Utrecht 1, Noord-Brabant 17 en Limburg 23. Met deze snelle daling heeft de epi-
demie thans het niveau bereikt, zoals ze laatstelijk in januari van dit jaar is geweest.

Ten departemente is de mogelijkheid overwogen, of ter tegemoetkoming aan alles-
zins begrijpelijke verlangens van het bedrijfsleven, in het onbesmette gebied het ver-
voer van varkens zou kunnen worden vrijgegeven. Noodzakelijkerwijs zou dan een zeer
brede zóne om het besmette gebied moeten worden gelegd. In deze zóne zou een
intensieve controle op het varkensvervoer moeten worden toe,gepast.
Het is evenwel technisch niet mogelijk gebleken, deze controle dermate intensief te
doen zijn, dat de boeren in het vrije gebied voldoende beschermd zouden zijn te,gen
overbrengen van het mond- cn klauwzeer uit het besmette gebied. Bovendien zouden
de talrijke veehouders in de zone in onbillijke verhouding geraken ten opzichte van
hun collega\'s in het onbesmette gebied.

Gezien het gunstige verioop onder het bestaande complex maatregelen en gelet op
het belang van bescherming van het onbesmette gebied ten opzichte van de agrarische
export, heeft minister Marijnen dan ook besloten, de maatregelen tot 1 augustus te
moeten handhaven. De Veeartsenijkundige Dienst zal in deze periode met uiterste
inspanning trachten, het mond- en klauwzeer volledig onder de knie te krij.gen. Voor
deze finale slag aan het mond- en klauwzeer zijn onder meer onodzakelijk: snelle
afvoer van besmette dieren, uitgebreide ontsmettingsmaatregelen, uitgebreide ratten-
bestrijding en intensieve controle van de vrije bedrijven in die streken, waar de
mond- en klauwzeerhaarden tot dusver voortwoekeren wegens het verzwijgen van
ziektegevallen. Alle veehouders zullen één dezer dagen (nogmaals) een circulaire met
aanwijzingen van de directeur van de Veeartsenijkundige Dienst ontvangen. Hun
medewerking is onmisbaar, ook in deze eindfase van de mond- en klauwzeerbestrij-
dingscampagne.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

-ocr page 132-

CONGRESSEN

DEUTSCHE VETERINÄRMEDIZINISCHE GESELLSCHAFT.

Sectie Klinische Diergeneeskunde, Ziekten van het Kleine Huisdier.

Op 10 en 11 november 1962 zal een samenkomst worden gehouden te München.

alwaar zal worden gesproken over: huidziekten en de ziekten van het hart en de

bloedsomloop, terwijl daarnaast ook andere onderwerpen zullen worden besproken.

Men kan zich voor een .spreekbeurt melden tot 31 juli 1962 bij:

Prof. Dr. Ullrich, Medizinische Tierklinik, Veterinärstrasze 13, München.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

STA.\\T VAN DE GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE X\'EEZIEKTEN, L\\
NEDERLAND \\ OORGEKOMEN GEDURENDE DE MAAND MEI 1962.
De getallen geven het aantal veebeslagen aan.

C

s.

ti ö
O--5

flj <o

r^

. O

O

T3 3

= a

c

IH

C

„ s

Provincie

c

c

t 5

r*

t

O
Di

t: c

3 F ö

■s c:^

^ T3 ^

< \'.S\'

Groningen

Drenthe

Friesland

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noordholland

Zuidholland

Zeeland

Noordbrabant

Limburg

Tot. v. h. Rijk

4
126

5

1005
992
2132

1

3
33

20

13

Veepest (pestis bovina), longziekte der runderen (pleuropneumonia contagiosa bo-
vum), hondsdolheid (lyssa), schaapspokken (variola ovina) en kwade droes (malleus)
zijn in Nederland resp. sedert 1869, 1887, 1923, 1893 en 1927 niet voorgekomen.

-ocr page 133-

DOORLOPENDE AGENDA

1962

Juli,

19, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. Bennekom.

20, Fokdag VVarmblocdpaarden en Shetlandpony\'s uit Alblasserwaard en
Vijfheerenlanden, Meerkerk.

25, Centrale merriepremiekeuring N.W.P. Leeuwarden.
27—29, K.L-congres, Wels. (pag. 435, 658)

Augustus,

6, Centrale merrie- en kroonkuring V.L.N. Opmeer (N.-H.).
10—18, World\'s Poultry Science Association, 12e Wereldcongres, Sydney,
(pag. 589 (1961))

16 -18, 25-jarig jubileumkeuring en demonstratie Ned. Shetl. P.S. Eist (Gld.).
22, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Enschede.
30, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. Enschede.
30, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Goveka, Gouda.
September,

1, Reünie oud-leden „.Absyrtus". (pag. 927)
7— 8, Nat. paardenshow Utrecht V.L.N., N.W.P. en Ned. Shetl. P.S. Utrecht.

12-1\') \'^oeiiiii^ccsJ ![ci(tJscluij}i>ij i\'oac ^/jii-\'KU\'necslzitiule

(pag. 764, 1386 (I960)); (pag. 145,\'294, 874, 1667 (1961)); (pag. 66,
133, 205, 284, 362, 438, 515, 587, 661, 728, 791, 873, 1006)
14--15, Trekpaardten toonstelling K.V.N.T. \'s-Hertogenbosch.
16—23, British Veterinary Association. Jaarlijks Congres, Scarborough, (pag.
869, 874)

19, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Assen.

21, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Vebo, Leiden.

23—30, LS.F.A. XIVe Internationaal congres, Warschau, (pag. 939)

24—26, World Veterinary Poultry Association, 2e Int. Conferentie, Cambridge,
(pag. 203)

26, Afdeling Gelderland M.v.D. Lcdcnvcrgadfring, 20.00 uur. Hotel Royal,
.Arnhem, (pag. 1007)

Oktober,

6, Afdeling Groningen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur.
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)
6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim,
(pag. 130, 869)

10, .\\fdeling Zuid-Holland M.v.D. .Mgcmene ledenvergadering, Muranozaal,
Bcurscafé/Restaurant, Rotterdam, (pag. 1007)

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5e Voorlichtingsdag.

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109c .Mgemene Vt rgadcring. (pag.
663)

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004)

2A-2ö yjie-Kieneeslziiiuliqe (Sliif/eiitcii/rtiiKi: (ie \'^.I^ttsliuin

(pag. 1008) \'

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary .Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 134-

Maatschappij
voor

Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

Eeuwfeest 1962.

FEESTKLEDING.

In het tijdschrift van 1 juni 1962 is beschreven, welke kleding
C^^ gedragen dient te worden tijdens de vele gebeurtenissen, die de

^^^^ viering van het Eeuwfeest van de Maatschappij zullen vormen.
^^^^ Het kledingadvies heeft weinig moeilijkheden opgeleverd, behalve
waar het de beide
gala-avonden betreft (concert op woensdag,
banket op vrijdag).
Nogmaals wordt er op gewezen, dat de heren tijdens deze avonden
rok of .smoking dragen. Voor de dames was voorgeschreven: lange japon indien
zij een heer in rok of smoking vergezellen, terwijl naast de smoking ook cocktail
was toegestaan. Dit advies was echter wat al te strak, zodat de dames thans wordt
toegestaan, in plaats van de
lange japon ook een chique, feestelijke japon van
andere, cq gewone lengte
te dragen, wanneer hun gemaal in rok of smoking is.
Het Comité meent met deze verruiming van het advies aan de problemen van
velen tegemoet te komen, zonder dat de stijl en charme van de beide avonden
in het gedrang komt.

Opgemerkt zij nog, dat onder wandelkleding (voorgeschreven voor de gehele
donderdag en voor de ochtend en middag van vrijdag, m.u.v. de recepties) gewone,
vlotte doch correcte kleding wordt verstaan.

DEELNEMING AAN DE FEESTELIJKHEDEN.
Nog deze maand zal het programmaboekje met het inschrijfformulier de leden van
de Maatschappij bereiken. Thans reeds zij erop gewezen, dat niet alleen de leden
en hun echtgenoten, maar ook
familieleden toegang tot de feestelijkheden hebben.
In het bijzonder dochters en zoons met hun wederpartij zijn welkom, zowel zij
die nog adolescent zijn als zij die reeds een functie in de maatschapij bekleden.
Overigens moge thans reeds aangedrongen worden op een snelle verzending van
het inschrijfformulier, opdat het Comité de voorzieningen kan afstemmen op het
aantal deelnemers.

FOTOBOEK.

Het is helaas niet meer mogelijk het fotoboek „Diergeneeskunde nu" voor ƒ 10,—
te bestellen. De prijs bedraagt thans f 12,50. De aantrekkelijke mogelijkheid tot
vóór-bestelling heeft vele dierenartsen en studenten ertoe bewogen één of meer
boeken aan te schaffen.
Reeds 900 fotoboeken zijn besteld.

Dit aantal zal zeker nog stijgen. Daar het Comité geen grote risico\'s wil lopen,
zal de oplaag slechts beperkt hoger zijn dan het inmiddels bestelde aantal. Een
ieder, die zeker wil zijn van het bezit van dit prachtige boek, doet dan ook ver-
standig zo spoedig mogelijk te gireren, zo hij of zij dit nog niet gedaan heeft.
Prijs:
ƒ 12,50.
Giro: 1415.

T.n.v.: Twentsche Bank N.V. te Utrecht.

Onder vermelding van: Eeuwfeestfonds, ...... ex. Fotoboek.

Bedrijven en instellingen dienen ƒ 15, per boek te betalen.

-ocr page 135-

VAN HET BUREAU
Jubilea.

Vernomen werd dat, ter gelegenheid van het feit dat op 1 juli j.1. collega A. M.
Wellensiek 40 jaar dierenarts was, op 24 juli a.s. om 14.00 uur hem een receptie
zal worden aangeboden in het restaurant „Dierenpark", B.W.-Laan 224, Amersfoort.

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Gelderland.
Ledenvergadering.

De afdeling Gelderland van de Maatschappij voor Diergeneeskunde zal op woensdag
26 september,
om 20.00 uur cen ledenvergadering beleggen in Hotel Royal te Arnhem.

Afdeling Zuid-Holland.

•Algemene ledenvergadering.

De afdeling Zuid-Holland van de Maatschappij voor Diergeneeskunde zal op
woensdag 10 oktober een algemene ledenvergadering beleggen in het BeurscaféjRes-
taurant (Muranozaal)
te Rotterdam.

VAN DE GROEPEN
Groep Pluimveewetenschappen.

Het Bestuur van de Groep deelt mede, dat er plannen bestaan om voor de Neder-
landse deelnemers na afloop van de conferentie te Cambridge op 23-26 september a.s.
een excursie van enkele dagen te organiseren, teneinde wat meer te kunnen zien
van de Britse pluimveehouderij in het algemeen en de ziektebestrijding op de be-
drijven in het bijzonder.

Bij voldoende belangstelling zal een en ander nader worden georganiseerd. Graag
verneemt de secretaris
(Dr. ]. Hoekstra, Pauw van Wieldrechtlaan 5, Zeist), hetzij
telefonisch of schriftelijk, welke leden hiervoor voelen.

Voorts zij opgemerkt dat de aanmelding voor het congres te Cambridge officieel reeds
30 juni sloot. Wie zich dus alsnog wenst op te geven, zal hiermede enige spoed moeten
betrachten.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft collega H. J. J. M. Hamers, Spekholzerheide, aangenomen
als lid van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Het Hoofdbestuur heeft de navolgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaatlid van dc Maatschappij voor Diergeneeskunde:
R. Back, Mauritsstraat 102, Utrecht.

H. F. J. M. van Heivoort, Mgr. van de Weteringstraat 9a, Utrecht.
Adreswijzigingen en dergelijke:

Bakker, D. D., van Oss naar Berg en Dal (post Nijmegen), Prinses Margrietlaan 8,
tel. (08805) 309 (privé), (08855) 780 en 845 (bur.). (142)

Bakx, A. M. H. M., te Reusel, tel. gewijzigd in (04976) 300. (142)

Banerjee-Schotsman, Mevr. I., te Utrecht, naar M. H. Trompstraat 14 aldaar, tel.

(030) 1 92 02. (l-^S)

Boer, J. H. de, te Giessenburg, tel. gewijzigd in (01846) 24 13 (privé), (01840)
33 60 (bur.). (145)

Hadar, I.; 1962; \'s-Gravenhage, Surinamestraat 50; tel. 070) 11 00 40; wnd. D. bij
D. M. F. Greup en Dr. H. H. Thalmeier te \'s-Gravenhage en Mej. A. C. Bander
te Wassenaar. (161)

Hibma, A. M., te Terschelling, tel. gewijzigd in (05620) 88 16. (163)

Kerk, P. van de, te Roodeschool, tel. gewijzigd in (05954) 23 60. (170)

König, C. D. W., tc Doesburg, naar Burg. Nahuyssingel 46, aldaar, tel. (08334)
982,\'gr. 1022155. (172)

-ocr page 136-

Offeringa, P. J., te Warffum, tel. gewijzigd in (05950) 20 20. (183)

Offeringa, S. E., te Usquert, tel. gewijzigd in (05950) 29 90. (183)

Oosterveen, L., van IJsselstein naar Kerkdriel, Pastoor Sprengersstraat 10, tel
(04183) 588, P., ass. bij A. J. Veenenians te Hedel. " (183)

Schoenmaker, J. en Schoenmaker-Koets. Mevr. V., te Zwolle, naar Ruusbroecstraat
137, aldaar, tel. (05200) 1 14 79. (]91)

Veenhof, J., van Beesd naar Hedel. Koningin Wilhelminastraat 11, tel (04199) 328
gr. 945854, h.k. jiggj\'

Velden, N. A. van der, te Bleskensgraaf, tel. gewijzigd in (01849) 208, (199)

Weijens, H. van Goes naar Helmond, .Mette Jacobsplein 6 tel (04920) 59 98
(privé), 24 58 (bur.). (206)

Zwart. D., te Kumasi (Ghana), mer verlof in Nederland, Soest. Kerkpad Zuid ">5
tel. (02955) 24 67. (212)

Zwieten, Dr. M. van, van \'s-Gravenhage naar Hollandia, Nieuw-Guinea, g.v.a. le kl.
t.b.v. de Dienst van Economische Zaken in Ned. Nieuw-Guinea.

(op pag. 209 \\crplaatsen naar onderaan)

Gevestigd:

Koopman, J., te Beesd, Voorstraat 69, tel. (03458) 329 (voortzetting praktijk J.
Veenhof). \'

Benoemd:

Koopman, S. P., te Uithoorn, te rekenen m.i.v. 1 juni 1962, tot Rijkskeurmeester in
bijzondere dienst bij de Vecartsenijkundi.ge Dienst ter standplaats Uithoorn. (173)

Overleden:

Buitenhuis, Dr. J., te Amersfoort, is aldaar op 1 juli 1962 overleden. (149)

Oostenbrug, W., te Leeuwarden, is op 23 juni 1962, tijdens een verblijf in het
buitenland, overleden. \' (183)

DIERGENEESKUNDIGE STUDENTEN KRING.
Zesde Lustrum.

De Diergeneeskundige Studenten Kring zal van 24-26 oktober 1962 zijn zesde
Lustrum, waan-an het programma nader zal worden bekend .gemaakt, vieren.

BIEDT ZICH AAN

GEDIPL DIERENARTSASSISTENTE

Werkkring bij voorkeur in Utrecht o( omgeving.

Brieven onder no. 34/62 aan de Redactie van het ,,Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht,

TE KOOP AANGEBODEN:

Grote-huisdieren praktijk met woning,

in het Noorden des lands.

Br, onder nummer 33/62 aan de Redactie van het „Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde", Rubenslaan 123, Utrecht,

R.K. MEISJE, 21 jaar, in het bezit van diploma Mulo A, vormingsklas,
middenstandsdiploma en rijbewijs A, zoekt een werkkring als

DIERENARTS-ASSISTENTE.

Liefst in de provincie Noord-Brabant, Is drie jaar als tandarts-assistente
werkzaam geweest.

Brieven onder no. 36/62 aan de Redactie van het „Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde", Rubenslaan 123, Utrecht,

-ocr page 137-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Aviaire Encefalomyelitis. Aantekeningen betref-
fende de epizoöfiologie en de preventie.

Avian Encephalomyelitis. Notes on the epizootiology
and the prevention.

door H. J. L. MAASi) en R. E. LUGINBUHL^)

Department of Animal Diseases University of Connecticut,
Storrs, U.S.A.^)

Inleiding.

In een tweetal voorgaande artikelen (Maas en II e 1 m b o 1 d t, 1962 en
Maas en L u g i n b u h 1, 1962) werden enkele diagnostische aspecten
der Aviaire Encepbalomyelitis (A.E.) behandeld.

In het navolgende zal aandacht worden besteed aan de epizoötiologie, de
therapie en de preventie dezer ziekte.

Epizoötiologie.

De geografische verspreiding van .-V.E. kan momenteel wereldomvattend
genoemd worden. Behalve het voorkomen in de Verenigde Staten sedert
19.30. zijn er o.a. mededelingen over het optreden in Australië (Hart,
1940), Zuid-.Mrika (Coles, 1957) en Europa verschenen.
In Europa is de ziekte o.a. geconstateerd in Groot-Brittannië (M a r k s o n
en Blaxland, 1955), Zweden (Lindgren en medew.). Frankrijk
(L u c a s en L a r
O c h e, 1957), Denemarken (B a d s t u e en W e 11 i n g,
1959) en Oostenrijk (B u r t s c h e r, 1960).

Men mag derhalve wel aannemen, dat praktisch ook alle andere West-
Europese landen met deze infectie te doen hebben. Het valt echter op, dat,
in Europa, A.E. pas na ongeveer 1955 als een ernstige ziekte wordt be-
schreven. Reden waarom men wel aanneemt dat de infectie door middel
van broedeieren of pluimvee afkomstig uit de Verenigde Staten, geïmpor-
teerd is. Immers vele bedrijven importeerden in de voorafgaande jaren fok-
materiaal uit dat land. Een definitief bewijs is echter, voorzover ons be-
kend is, niet voorhanden.

Het A.E.-virus behoort tot een der kleinere virussen (20-30 millimicron)
en is geplaatst in de groep der enterovirussen. Door het werk van Van
Roekei en medew. (1941), Jungherr en Minard (1942),
Schaaf en Lamoreux (1955), Taylor en medew. (1955) eii
Calnek en medew. (1960) is het duidelijk geworden, dat het broedei

H. J. L. Maas was gastwerker aan het bovengenoemde instituut, daartoe in staat
gesteld door een André Mayer Research Fellowship van de Food and Agriculture
Organization of the United Nations.

H. J. L. Maas (The Netherlands) has been a guest worker at the Dept. of
Animal Diseases, University of Connecticut, Storrs, U.S.A., under a André
Mayer Research Fellowship of the Food and Agriculture Organization of the
United Nations.

2) Dr. R. E. Luginbuhl, Professor.

3) Director: Prof. Dr. C. Helmboldt.

-ocr page 138-

een zeer voorname rol speelt bij de verspreiding van deze ziekte.
Wanneer een koppel bennen, die broedeieren produceert, voor de eerste
maal geïnfecteerd wordt, is geconstateerd, dat gedurende de ziekteperiode
(3-4 weken) voor het merendeel besmette eieren worden gelegd. Worden
deze uitgebroed, dan zal een gedeelte der kuikens, korte tijd na de uit-
komst, A.E. vertonen.

Verder kan worden aangenomen, dat een koppel die de ziekte heeft door-
staan, immuun wordt en een =b 4-8 weken durende passieve immuniteit
aan de nakomelingen meegeeft (Jungherr en M i n a r d, 1942;
F e i b e 1 en medew., 1952; S u m n e r en medew., 1957 a; C a 1 n e k en\'
Jehnich, 1959 b).

Cal nek en medew. (1960) hebben meegedeeld, dat een orale infectie
mogelijk is bij voor A.E. gevoelige kuikens, terwijl een inhalatie-infectie
niet mag worden uitgesloten. Zij hebben eveneens aangetoond, dat het
.•\\.E.-virus door volwassen hennen via de faeces kan worden uitgescheiden.
Hoe de verspreiding der infectie, tussen andere koppels, die zich op aan-
zienlijke afstand van elkaar bevinden, plaats heeft, is nog niet geheel
duidelijk. De mogelijkheid wordt niet uitgesloten, dat de mens bij het over-
brengen op grote afstand een rol speelt (kleding, schoeisel, etc.).
Guillon (1961) noemt als mogelijkheden voor een infectie het in-
brengen van subklinisch geïnfecteerde fokdieren (b.v. hanen) op een be-
drijf waar de ziekte nog nooit heeft geheerst. De heimen worden geïnfec-
teerd en produceren met virus besmette broedeieren. (Het uitwisselen van
hanen tussen verschillende fokbedrijven is in Nederland niet ongewoon.)
Het omgekeerde is volgens Guilion ook mogelijk, nl. dat \'gevoelige
(doch gezonde) dieren worden gebracht in een subklinisch geïnfecteerd
milieu.

Therapie.

Tot nu toe zijn nog geen medicamenten bekend, die het verloop van de
ziekte positief kunnen beïnvloeden (Van R o e k e 1. 1959).

Preventie.

Deze beweegt zich in de Verenigde Staten langs twee hoofdlijnen, n.1.;
le. Het uitsluitend uitbroeden van eieren, afkomstig \\ an onvatbare ouder-
dieren.

2e. Het uitvoeren van vaccinaties met:

A. levende virus-vaccins.

1) de wing-web of intramusculaire toediening;

2) de orale toediening: a. via liet drinkwater,

b. instillatie in de krop.

B. geïnactiveerde (dode) \\irus-vaccins, subcutaan of intramusculair
geïnjiceerd.

le. HET GEBRUIK V.4\\ UITSLUITEND ONVATB.\\RE OUDERDIEREN.

Bij deze methode moet men dus weten welke koppels onvatbaar zijn. Het
virus-neutralisatie- of het embryo-gevocligheidsonderzoek zijn hiervoor de
meest aangewezen methoden (zie beschrijving door Maas en L u e i n-
buh 1,1962). ~

Deze benadering van het preventievraagstuk verdient een nadere over-
weging.

-ocr page 139-

In de V.S. neemt men wel aan, dat op een leeftijd van 13-18 maanden het
merendeel der leggende koppels een natuurlijke infectie achter de rug
heeft, terwijl op een leeftijd van ± 5 maanden dit met ± 60% van de
hennenstapel het geval is (Taylor en Schelling, 1960).
Dit betekent dus, dat meer dan de helft der leggende koppels in dit land
onvatbaar zijn geworden, voordat broedeieren of kuikens afgeleverd wor-
den. Voor de zeer grote fokbedrijven betekent dit dus, in het licht van het
bovenstaande, geen al te groot ongemak met het oog op de aflevering van
broedeieren of kuikens.

Toch worden tegen de door T a y 1 o r en S c h e 11 i n g (1960) ontwikkelde
mening wel bezwaren ingebracht. Zo hebben C h u t e en medewerkers
(1962 ) bij een onderzoek van 84 koppels leghennen, bestemd voor de pro-
duktie van broedeieren d.m.v. het
embi70-gevoeligheidsonderzoek (e.g.
onderzoek), vastgesteld dat 24 koppels niet immuun waren, terwijl van 12
andere de uitslag dubieus was. De leeftijd van de onderzochte kojjpels was
30 weken en ouder. Het onderzoek vond plaats in de staat Maine, U.S.A.
Volgens G h u t e c.s. is het aantal door Taylor en Schelling (1960)
onderzochte koppels te klein om hun opvattingen te staven.
Maken we een vergelijking met de situatie in Nederland, dan valt
allereerst op te merken, dat men in de V.S. reeds 30 jaren met deze ziekte
te doen heeft, terwijl dat in Nederland — zoals wij aannemen — niet het
geval is. Deze kortere periode kan er de oorzaak van zijn, dat de versprei-
ding van .\\.E. bij lange na niet zo\'n omvang heeft aangenomen. En indien
dit het geval is, dan zou de onvatbaarheidsstatus in Nederland (als gevolg
van een natuurlijke infectie) dus een veel ongunstiger beeld vertonen dan
in -Amerika.

Dit zou dan weer betekenen, dat relatief een veel groter aantal dieren voor
een kortere of langere periode van het leveren van broedeieren zou moeten
worden uitgesloten. Daarenboven in aanmerking genomen de in het alge-
meen kleinere omvang der vaderlandse fok- en vernieerderingsbedrijven,
maakt wel duidelijk dat deze methode van preventie een zware economische
last zal betekenen.

Zelfs al zouden de cijfers van het aantal door een natuurlijke infectie on-
vatbaar geworden koppels dezelfde orde \\ an grootte vertonen, dan nog zou,
\\ oor de Nederlandse omstandigheden een te groot aantal dieren pas ini-
iiuum worden tijdens de eerste legi^eriode en ook dat zou o.i. een te groot
financieel bezwaar betekenen.

2e. DE TOEPASSING VAN VACCINS.

Dit onderwerp is reeds behandeld in cen artikel van Hoekstra (1960)
waarnaar verwezen wordt. Wij zullen ons derhalve beperken tot enige al-
gemene opmerkingen en tot enkele in de laatste jaren gevonden resultaten.
De vaccinaties tegen A.E. kunnen worden uitgevoerd met zgn. levende of
geïnactiveerde (gedode) vaccins.

Het is eerst sedert 1960, dat met betrekking tot beide soorten vaccins tot
meer tevredenheid stemmende resultaten bekend geworden zijn.

Levende vaccins.
1. De wing-web of intramusculaire toediening van een levend virus-vaccin
geeft bet voordeel dat een vrij hechte immuniteit ontstaat.

-ocr page 140-

Daarnaast bestaan de bezwaren van a) een mogelijke hevige entreactie
en b) de individuele appHcatie (zie verder Hoekstra, 1960).
2. De orale toediening van een levend A.E.-vaccin is vooral voor pluimvee-
houders zeer aantrekkelijk door de eenvoudige, weinig tijdrovende ma-
nier van toediening, nl. hetzij via het drinkwater, hetzij via een instil-
late in de krop.

Door C a 1 n e k en T a y 1 O r (1961) werd een (levend) vaccin ontwikkeld,
waarmede resultaten werden bereikt, welke tot tevredenheid aanleiding
geven. Redenen, waarom wij hier op het onderzoek van Calnek c.s. wat
nader ingaan.

Naast een voorafgaand onderzoek in het laboratorium werden praktijk-
proeven genomen, waarbij de volgende algemene resultaten werden be-
reikt:

Leggende hennen.

Omstreeks 5000 leggende hennen (leeftijd 8-11 maanden), verdeeld over
6 koppels, werden via het drinkwater of door een instillatie in de krop ge-
vaccineerd.

Drie koppels kregen het vaccin via het drinkwater toegediend, terwijl de
drie andere koppels via de krop gevaccineerd werden. In het laatste geval
werden slechts respectievelijk 11%, 1% en 1% van de dieren per koppel
gevaccineerd.

Van één der koppels, welke het drinkwatervaccin ontving, werden ge-
durende 3 weken elke dag eieren verzameld en éénmaal per week in de
broedmachine geplaatst. De uitgekomen kuikens werden, in volgorde van
inleg, groepsgewijs in aparte geïsoleerde ruimten opgefokt. De bedoeling
was een indruk te ontvangen betreffende de virustransmissie via het ei en
contactinfecties te bestuderen (resp. verticale en horizontale transmissie).
CrUerium voor een infectie, ontstaan via eipassage, was het optreden van
klinische A.E.-symptomen binnen de eerste 7 levensdagen, terwijl een
contactinfectie gekenmerkt werd door het optreden van ziekteverschijn-
selen na 11 dagen (zie Calnek en medew., 1960).

Opgemerkt werd dat slechts 1.7% van de kuikens afkomstig van de eerste,
4.7% kuikens van de tweede en géén kuikens van de laatste inleg als door
een, met het ei afgezet, virus geïnfecteerd kon worden beschouwd. Daaren-
tegen werd volgens het criterium van een contactinfectie respectievelijk
59%, 72% en 36% der uitgekomen kuikens geïnfecteerd.
Deze ouderkoppel en de 5 andere werden verder gecontroleerd op de aan-
wezigheid van antilichamen in de broedeieren door een vergelijking (het
embryo-gevoeligheidsonderzoek) van broedeieren betrokken vóór en 2, 4
en 8-12 weken nä de vaccinatie. Hierbij bleek, dat na 4 weken gemiddeld
82% der eieren (embryo\'s) immuun was, en een „challenge-dose" van
500-1000 E.I.D. 50/100 van het Van R o e k e 1-virus konden weerstaan.
Bovendien werden nog kuikens uitgebroed van eieren, welke tenminste 4
weken nä de vaccinatie waren gelegd en deze werden tezamen met ge-
voelige proefkuikens op een leeftijd van één dag via het drinkwater met
100 M.I.D. besmet. Het weerstaan van deze infectie werd door Calnek
en medew. (1961) als een maatstaf voor de aanwezigheid van een zgn.
parentale immuniteit beschouwd. Gemiddeld 84% van de ééndagskuikens,
afkomstig van de vorengenoemde koppels, doorstond de besmetting.
Het effect van de vaccinatie op de ouderdieren in de verschillende koppels

-ocr page 141-

was zeer mild en uitte zich alleen door een produktiedaling in 3 van de
6 koppels. Deze daling herstelde zich na ± 3 weken bij 2 koppels, doch de
derde koppel kwam niet meer terug op de normale produktie. Het betrof
hier de reeds vorenbeschreven koppel hennen, welke onder haar nakome-
lingen slechts een gering ziektepercentage vertoonde als gevolg van de ei-
transmissie, doch een hoog ziektecijfer liet zien als gevolg van een contact-
infectie.

Guillon (1961) merkt op dat een daling in produktie, zgn. als gevolg
van een A.E.-infectie, vaak het gevolg van een andere, reeds aanwezige,
doch tevoren sluimerende, ziekte is. Terwijl ook veranderde milieufactoren
oorzaak zouden kunnen zijn.

Niet uitgesloten is, dat in het bovenstaande geval de enting is uitgevoerd
in een niet gezond milieu, hetgeen weliswaar tegen de voorschriften is, doch
waartegen naar het ons voorkomt veel vaker dan men denkt, bewust of
onbewust gezondigd wordt.

Jonge hennen.

De vaccinatieresultaten betreffende de jonge hennen (leeftijd 5-19 weken)
leverden gunstiger resultaten op. Ongeveer 63.000 dieren, verdeeld over
14 koppels, welke volgens een virus-neutralisatie-onderzoek als voor A.E.-
gevoelig moesten worden geclassificeerd, werden bij het onderzoek be-
trokken.

De vaccinatie geschiedde uitsluitend via een instillatie in de krop van
± 2% der dieren per koppel. De controle geschiedde o.m. door middel van
een virus-neutralisatie-onderzoek, zowel op de gevaccineerde als op de
„niet" gevaccineerde koppelgenoten. Dit onderzoek werd uitgevoerd op
verschillende tijdsintervallen gelegen tussen 3 weken en maand na de
vaccinatie. Hierbij werd o.a. opgemerkt, dat 7 weken na de vaccinatie,
gemiddeld 69% van het totaal aantal dieren serologisch immuun was, ter-
wijl 3/2 maand na de enting het percentage oijgelojjen was tot 85%. De
oudere koppels in dit onderzoek reageerden innnunologisch sneller op de
vaccinatie dan de jongere.

Uit iedere koppel werd een bepaald aantal dieren vóór en 7 weken na de
vaccinatie verwijderd teneinde een intracerebrale inoculatie met A.E.-virus
te ondergaan (dosis 10.000 E.I.D. 50/100), dit om een verschil in weerstand
tc kunnen opmerken. De intracerebrale inoculatie, 7 weken na de vacci-
natie, werd door 93% der dieren doorstaan.

Voor verdere bijzonderheden verwijzen we naar het interessante verslag
van C a 1 n e k en medew. ( 1961 ).

Uit de resultaten van het genoemde onderzoek komen C a 1 n e k c.s.
tot de slotsom, dat de orale vaccinatie het beste kan worden toe-
gediend in een periode, gelegen tussen een leeftijd van 10 weken en
± 3 weken vóór de eerste leg. De eerste leeftijdsgrens sluit nl. een inter-
ferentie met een mogelijk aanwezige parentale immuniteit uit, terwijl door
de tweede leeftijdslimiet het gevaar van het produceren van geïnfecteerde
broedeieren wordt omzeild.

Met het oog op dit door C a 1 n e k en med. ( 1961 ) ontwikkelde A.E.-vaccin
zouden wij nog willen opmerken, dat uit de klinische gegevens blijkt, dat
de toepassing gecontraindiceerd is voor leggende hennen, gezien het per-
centage nakomelingen dat de ziekte krijgt.

-ocr page 142-

De horizontale verspreiding van het virus blijkt ook zeer snel te zijn. Op
theoretische gronden is in het voorgaande aangenomen, dat de weerstands-
status tegen A.E. in Nederland als niet zo groot mag worden verondersteld.
De vraag is nu van belang wanneer dit of een ander volgens eenzelfde
procédé bereid A.E.-vaccin zal worden toegepast, hoe de vatbare Neder-
landse hoenderstapel in het algemeen hierop zal reageren. Immers, het zal
niet doenlijk zijn de verspreiding te limiteren tot de fok- en vermeerde-
ringsbedrijven. Hoewel algemeen aangegeven wordt, dat ten gevolge van
een .V.E.-infectie een produktiedaling van gemiddeld 5-10% verwacht mag
worden, is dit slechts een benaderend cijfer. Meermalen is een produktie-
verlies van wel 20-30% gedurende enige weken \\astgesteld. Deze laatste
cijfers zijn toch wel van betekenis, ook voor de normale boerenpluimvee-
bedrijven.

Kortom, bij het introduceren van de orale of drinkwatermethode zal het
belang van de preventie voor de =b 150 fok- en de ± 4000 vermeerderings-
bedrijven afgewogen moeten worden tegen een mogelijk produktieverlies
bij de boerenpluimveebedrijven
(r± 200.000 bedrijven).
Het succes van deze eritmetbode wordt door de laatstgenoemde onderzoe-
kers toegeschreven aan het gebruik van een A.E.-virusstam, welke slechts
een betrekkelijk gering aantal malen een eipassage had ondergaan.
Het is nl. zeer waarschijnlijk, dat een embryo-adaptatie gepaard gaat met
een verlies van het vermogen, om, indien het vaccin per os wordt toege-
diend, via het darmkanaal aan te slaan. Ter veiinijding hiervan werd voor
de bereiding van het vaccin een virus gebruikt, dat na een 6-tal embryo-
]jassagcs een kuikenpassage had ondergaan (per os geïnstilleerd). Van deze
kuikens werden uitsluitend diè voor het \\ erdere onderzoek gebruikt, welke
een klinische reactie vertoonden. (De hersenen hieruit werden gebruikt als
materiaal voor een volgende eipassage.) Daarna werden nog 2 enibryo-
]3assages uitgevoerd, alvorens tot de bereiding van het vaccin werd over-
gegaan.

Hij contrôle bleek het vaccin het vermogen, om via het darmkanaal toe-
gediend eeu inununiteit op te roejien en bovendien zich te verspreiden
onder de niet geënte dieren in het hok, niet verloren te hebben.
B. Geïnactiveerde gedode) vaccins, intrannzsculair toe-
gediend.

.Schaaf (1959) bereidde als eerste een geïnactiveerd A.E.-virus-vaccin
met behulp van beta-propio-lactonen. Door Butterfield en medew.
( 1961 ) is langs de door Schaaf aangewezen weg inmiddels ook een ge-
dood vaccin bereid, hetwelk, naar het zich laat aanzien, goede resultaten
belooft.

Het vaccin wordt subcutaan toegediend op een leeftijd liggend tussen 10
en 19 weken, doch er is geen bezwaar tegen ook leggende koppels te vacci-
neren. De toediening geschiedt echter individueel. Ruim 9 maanden na de
vaccinatie werd door de dieren een intracerebrale inoculatie, met 100
C(hicken) I(nfective) r)(oses) 50400 van het A.E.-virus, met succes
doorstaan.

OPMERKINGEN.

De vraag rijst: Welke methode van preventie verdient de voorkeur?
Opgemerkt is reeds, dat de eerste methode, die aangeeft om voor fokdoel-

-ocr page 143-

einden uitsluitend gebruik te maken van door een natuurlijke infectie on-
vatbaar geworden ouderdieren, hoge financiële offers vraagt.
De tweede methode, het toepassen van vaccinaties, vraagt daarentegen
meer werk van de pluimveehouder.

Het lijkt ons derhalve het beste te beginnen met uit te zoeken, via het e.g.-
en \'of het v.n.-onderzoek, welke koppels immuun zijn en de overige koppels
van het bedrijf te vaccineren met een geïnactiveerd vaccin. In normale ge-
vallen zal men zich dan in de volgende jaren uitsluitend kunnen beperken
tot het vaccineren van de jonge (niet leggende) hennen.
De ervaring zal moeten uitwijzen of het meer economisch is de koppels hen-
nen eerst te laten onderzoeken (het v.n.-onderzoek) en dan aan de hand
van de uitslag van dit onderzoek de dieren al of niet te vaccineren, dan wel
zonder voorafgaand onderzoek alle jonge dieren te enten en de kans te
lopen dat het vaccin totaal geen effect sorteert.

Zijn geen geïnactiveerde \\accins beschikbaar, dan kan hetzelfde pro-
gramma (met uitsluiting van de leggende hennen) worden uitgevoerd met
een levend vaccin. Het is verder echter niet geheel bekend hoe lang dieren
welke 1
X gevaccineerd zijn, onvatbaar l^lijx en.

In dit verband zijn door Gentry (1962) een aantal waarnemingen ge-
daan die wellicht enige aandacht verdienen.

Na herhaald e.g.-onderzoek in een aantal imnume koppels merkte hij op
dat bij een klein aantal dieren, later in het legjaar, het vermogen verdwijnt
om broedeieren te produceren, waarvan de embryo\'s parentale immuniteit
bezitten.

Verder stelde hij ook vast, dat bepaalde hennen uit eenzelfde iminime
ko])pel broedeieren leverden, die beurtelings positief en negatief op het
e.g.-onderzoek reageerden.

De eerste waarneming van Gentry brengt men wel in verband met de
mogeüjkheid dat het verdwijnen der innnuniteit in een kojjpel niet gelijk-
tijdig plaats vindt; door een op het juiste tijdstip optredende (natuurlijke?)
herinfectie met een daarop volgende herstelde onvatbaarheid zou hel aan-
tal zieke nakomelingen, afkomstig van deze hennen, uiterst klein zijn.
Inderdaad is het niet onbekend, dat in dc praktijk wel eens kuikens worden
ontvangen, welke afkomstig zijn van z.g. immune ouderdieren, waarvan na
enige tijd een aantal A.E. vertonen.

Voor het beurtelings afleveren van broedeieren, welke positief en negatief
reageren
o]j het e.g.-onderzoek, afkomstig van bepaalde heimen, is nog
geen verklaring voorhanden.

Wij stipuleren dat de beide waarnemingen nog op experimentele bevesti-
ging wachten, terwijl de verklaringen zich nog in het hypothetische vlak
bevinden. Het vermoeden dat door uitscheiders een herinfectie zou worden
bewerkstelligd is b.v. ook nog niet aangetoond.

Het belang van de bovengenoemde waarnemingen schuilt o.i. in het feit,
dat wanneer deze fenomenen bevestigd kunnen worden, de imnumiteit
tegen A.E. voor een aantal dieren blijkbaar slechts van korte diuu\' is. Ook
de werkingsduur van A.E.-vaccins zou in het licht van het bovenstaande
nader onderzocht moeten worden, terwijl de virulogisch-diagnostische me-
thoden wellicht een verandering in de interpretatie behoeven. Bovendien
zouden deze gegevens een beter inzicht kunnen geven betreffende tot nu
toe onopgehelderde gevallen \\ an .A..?,. bij nakomelingen van immune ouder-
kopiJels.

-ocr page 144-

De kwestie of een levend virus, dan wel een geïnactiveerd virusvaccin de
voorkeur verdient, is dus moeilijk direct te beantwoorden.
Indien beide soorten vaccins nagenoeg dezelfde immuniserende invloed
hebben (wat momenteel nog een vraag is, doch waarop, naar het zich laat
aanzien, binnen afzienbare tijd een antwoord te verwachten valt) dan is,
uit veterinair oogpunt bezien, de keuze niet moeilijk en zal ongetwijfeld
gunstig uitvallen voor het geïnactiveerde vaccin. Temeer daar tijdens de
levensloop van fokdieren nog meerdere vaccinaties zijn of moeten worden
toegediend (o.a. infectieuze bronchitis, New Castle Disease, pokken).
Bovendien zijn er indicaties dat een geïnactiveerd A.E.-vaccin ook aan
leggende hennen kan worden versterkt zonder dat voor een produktie-
daling en/of ziekte onder de nakomelingen gevreesd hoeft te worden (B u t-
terfield en medew., 1961). Een en ander betekent dat door een on-
voorziene vertraging in het entschenia van een bepaald bedrijf, veroorzaakt
door een ziekte etc., toch nog tegen A.E. gevaccineerd kan worden, ook
dan wanneer de dieren inmiddels aan de leg zijn geraakt (meestal een
contra indicatie bij het gebruik van levende vaccins).

Op de moeilijk te limiteren verspreiding van het levend virus vaccin (per
os) en de betekenis hiervan voor nabuurbedrijven is reeds gewezen.
De vraag in hoeverre bij de verspreiding van het A.E.-virus ook viscerale
lymfomatosis kan worden overgebracht is nog onbeantwoord. Doch ook
indien dit het geval is, zal het geïnactiveerde vaccin (beta-propio-lactonen)
vermoedelijk niet zo\'n grote rol spelen als het levende vaccin.
In het voordeel van het drinkwatervaccin staan de lagere produktiekosten
en de eenvoudige applicatie.

Wellicht is het verder interessant een gedachtengang van J u n g h e r r
(1958) met het oog op de bestrijding in de Verenigde Staten te citeren:

"The combined observations (bedoeld wordt: eitransmissie, symptomen in kuikens
en oudere dieren, ontwikkeling der immuniteit, etc.) changed the entire former
concept of the disease.

We now know that we are dealing with a wide spread infection of laving flocks,
which goes unnoticed in many instances, epedemic tremor (.A.E.) in chicks occurs
in the progeny of the exceptional, susceptible flock ; we are dealing with a disease
impossible to eradicate and only attackable through proper vaccination."

Naast het nationale komt ook het internationale belang voor onze pluimvee-
stapel met betrekking tot A.E. in bet geding. Het is innners geen geheim
meer dat in het buiteidand (en niet alleen in de V.S.) de fokbedrijven —
en speciaal de grotere — tot het toepassen van vaccinaties der jonge hen-
nen zijn overgegaan (vrijwel uitsluitend door het gebruik van levende vac-
cins). Over de door hen afgeleverde kuikens hoort men met betrekking tot
A.E. weinig klachten.

Dankbetuiging.

De schrijvers betuigen hun dank aan Dr. C a 1 n e k en Mej. Patricia Taylor
voor de bereidwillige wijze waarop resultaten en andere informaties betreffende hun
onderzoek ter beschikking werden gesteld.

S.AMENVATTING.

De enige bestrijding der Aviaire Encefalomyelitis bestaat in preventie. Deze kan ge-
schieden door:

1) alleen onvatbare ouderdieren voor de broedeierenproduktie te bestemmen;
1016

-ocr page 145-

2) de vaccinatie van jonge hennen met een levend virusvaccin (hetwelk kan worden
toegediend via een der volgende toedieningsmethoden: wing-web, intramusculaire
of orale toediening. De laatste applicatie kan geschieden via de krop of het drink-
water) ; ■ j •

3) de vaccinatie van hennen (geen leeftijdsbeperking) met een geïnactiveerd virus

(subcutane injectie).

Enkele opmerkingen worden gemaakt over de voor- en nadelen van levende en ge-
inactiveerde vaccins.

Entingen uitgevoerd met een geïnactiveerd vaccin verdienen uit veterinair hygiënisch
oogpunt de voorkeur, indien de immunologische eigenschappen betreffende de titer
en de duur met die der levende vaccins kan worden vergeleken.

Deze voorkeur voor geïnactiveerde vaccins wordt mede bepaald door de — aange-
nomen — lage groepsweerstand van de Nederlandse pluimveestapel.
Gewezen wordt op het feit, dat in het buitenland reeds op betrekkelijk grote schaal
vaccinaties worden uitgevoerd (veelal met levende vaccins) en op de betekenis hier-
van voor de Nederlandse exporterende pluimveehouder.
Een actieve preventie is de aangewezen weg.

SUMMARY.

The following three methods for preventing the economic losses due to avian ence-
phalomyelitis virus (AEV) infection are described:

1) Conducting embryo susceptibility tests on breeder flocks and using only immune
flocks for the production of hatching eggs;

2) Vaccination of growing birds with living virus vaccine by the wing-web, intra-
muscular or oral route. The virus can be given via the drinking water or directly
into the crop for the oral route;

3) Vaccination of birds of any age with inactivated vaccine by the subcutaneous
route.

The characteristics of the living and inactivated virus vaccines and their influence
on surrounding flocks are discussed. A preference, from the veterinary point of view,
is stated for immunization with inactivated virus vaccine. This preference is due to
the assumed low resistance status of the Dutch flocks to AEV.

The large scale use of living virus vaccine for AEV-immunization in other countries
and its importance to the Dutch farmer is also discussed.
An active prevention program for AE-virus infection is suggested.

RÉSUMÉ.

La seule façon de combattre l\'E.A., c\'est la prophylaxie. On peut réali.ser une prophy-
laxie effective:

1) en ne destinant que les animaux insensibles à la production des oeufs à couver;

2) par la vaccination de jeunes poules avec un vaccin de virus vivant lequel peut
être administré selon une des méthodes d\'administration suivantes: wingweb,
intramusculaire ou orale. Cette dernière application peut se faire par le jabot ou
dans l\'eau de boisson;

3) par la vaccination de poules (sans restrictions d\'âge) avec un virus inactivé (in-
jection subcutane).

Suivent quelques observations sur les avantages et les désavantages de vaccins vivants
et inactivés.

D\'un point de vue d\'hygiène vétérinaire les vaccinations faites avec un vaccin in-
activé sont préférables, si les qualités immunologiques en ce qui concerne le titre et
la durée peuvent être comparées avec celles des vaccins vivants. La préférence pour
les vaccins inactivés est aussi déterminé par la résistance collective supposée faible
de l\'effectif néerlandais des bêtes de basse-cour.

On signale le fait qu\'à l\'étranger on effectue déjà sur une assez large échelle des

-ocr page 146-

vaccinations (le plus souvent avec des vaccins vivants), et l\'importance qu\'elles ont
pour le propriétaire de basse-cour néerlandais qui exporte.
Une prophylaxie active est indiquée.

ZUS.MvlMENF.^SSUNG.

Die Bestreitung der A.E. besteht nur in Präventiv-massnahmen, Diese können ge-
schehen durch:

1) nur unempfängliche Elterntiere für die Bruteierproduktion zu bestimmen;

2) Vakzination von Junghennen mit einem lebenden Virusvagzin mittels einer der
nachsehenden Methoden; wing-web, intramuskulär oder oral vorzunehmen. Die
letztgenannte Anwendung kann durch den Kropf oder mit dem Trinkwasser ge-
schehen;

3) Vakzination von Hennen (keine Altersbegrenzung) mit einem inaktivierten
Virus (subkutane Injektion).

Weiterhin werden einige Wahrnehmungen der Vor- und Nachteile lebender und in-
aktivierter Vakzine besprochen.

Impfungen mit einem inaktivierten Vakzin verdienen vom veterinär-hygienischen
Standpunkt aus gesehen den Vorzug, wenn die immunologischen Eigenschaften be-
treffs Titers und Dauer, mit denen der lebenden Vakzine verglichen werden können.
Der Vorzug inaktivierter Vakzine wird mit durch den angenommenen niedrigen
Herderwiderstand des niederländischen Geflügelstapels bestimmt.

Es wird auf die Tatsache, dass im .\'Ausland bereits in ziemlich grossem Umfang Vak-
zinationen (meist mit lebenden Vakzinen) durchgeführt werden und auf die Be-
deutung hiervon für den niederländischen exportierenden Geflügelhalter hingewiesen.
Aktive Bestreitung bleibt der angewiesene Weg.

LITER./VTUUR

Badstue, P. B. and V e 1 1 i n g, G. ; Encephalomyelitis avium (.\\E) in Danmark

Nord. VetMed., 11, 331, (1959).
Burtscher, H.: Zum Vorkommen der .-Vviaren Encephalomyelitis in Oesterreich

Zbl. VetMed., 8, 841, (1960).
Butterfield, W. K., Lu g i n b u h 1, R. E., H e 1 m b o 1 d t, C. F. and
Sumner, F. W.; Studies on avian encephalomyelitis. III. Immunization with an
inactivated virus.
Proc. 33rd Northeastern Conf. Avian Diseases, June 19, 20, 21.
Morgantown, West Virginia, 1061. (Abstract).
Calnek, B. W. and Jehnich, H.; Studies on avian encephalomyelitis. II. Im-
mune responses to vaccination procedues.
Avian Dis., 3, 225, (1959).
Calnek, B. W., T a y 1 o r, P. J. and S e v o i a n, M. : Studies on avian encejihalo-

myelitis. IV. Epizootiology. Avian Dis., 4, 325, (1960).
C a 1 n e k, B. W., T a y 1 o r, P. J. and S e v o i a n, M. : Studies on avian enceph-
alomyelitis. V. Development and Application of an oral vaccine
Avian Dis 5
297, (1961). \'

C h u t e, H. L., O\'M e a r a, D. C. and R e a r d o n, D. : Immunity of avian enceph-
alomyelitis in Maine breeding chicken flocks.
J. Am. vet. med. Assoc 140 819
(1962). \' "

Coles, D.; Epidemic tremor. Veterinary Shorts for Poultry Farmers. Department of

Agriculture, Union of South Africa Bulletin No. 345, 32, (1957).
Feibel, F., Helmboldt, C. F., Jungherr, E. L. and Carson, J. R.:
.-»Lvian encephalomyelitis. Prevalence, pathogenicity of the virus, and breed suscep-
tibihty.
Am. J. vet. Res., 13, 260, (1952).
Gentry, R. ; Recent developments in the control of avian encephalomyelitis. Proc.
11th Ann. New. Hampshire Poultry Health Conf., Jan. 31 and Feb 1 I96\'>
Durham, NH.

Guillon, J. C.; .A.vian encephalomyelitis. Brit. vet. J., 117, 448, (1961).
H a r t, L. ; Infectious avian encephalomyelitis. Austr. vet. J., 16, 95, (1950) .\'Abstract-
Vet. Bull., 11, 600, (1941).

-ocr page 147-

Hoekstra, J.: Aviare Encefalomyelitis. Tijdschr. Diergeneesk., 85, 1650, (1960).
J u n g h e r r, E. L.: Progress Report, APHF Epidemie Tremor Experiment, Depart-
ment of Animal Diseases, Storrs
(Connecticut Agric. Exp. Station, 2, (April 21,
1958). Mimeo.

J u n g h e r r, E. and M i n a r d, E. L.: The present status of avian encephalomyelitis.

]. Am. vet. med. Assoc., 100, 38, (1942).
L i n d g r e n, N. O., N i 1 s s o n, A. and B a k o s, K.: Infektiöse .Aviaire Encephalo-
myelitis beim Kücken in Schweiden.
Nord. VetMed., 9, 801, (1957).
Lucas, A. and L a R o c h e, M.: L\'encephalomyelitc aivaire a virus en France.

Bull. Acad. vet. France, 30, 359, (1957).
M a a s, H. J. L. and H e 1 m b o 1 d t, C. F.: Aviaire Encephalomyelitis. Opmerkingen
over de klinische en de microscopische diagnostiek.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 371,
(1962).

Maas, H. J. L. and Luginbuhl, R. E.: .Aviaire Encephalomyehtis. Enkele
methoden betreffende de virologischc diagnostiek en hun interpretatie.
Tijdschr.
Diergeneesk.,
87, 947, (1962).
Markson, L. M. and Blaxland. J. D.: Suspected infectious avian encephalo-
myelitis in Britain.
Vet. Ree., 67, 131, (1955).
Schaaf, K.: Avian encephalomyelitis immunization with inactivated virus. Avian
Dis., 3,245, (1959).

Schaaf, K. and L a m o r e u x, W. F.: Control of avian encephalomyelitis by vac-
cination.
Am. J. vet. Res., 16, 627, (1955).

S u m n e r, F. W., L u g i n b u h 1, R, E. and J u n g h e r r, E. L.: Studies on avian
encephalomyelitis. II. Flock survey for embryo susceptibility to the virus.
Am. ].

vet. Res., 18, 720, (1957).
Taylor, L. W., Lowry, D. C. and R a g g i, L. G.: Effect of an outbreak of
avian encephalomyelitis (epidemic tremor) on a breeding floe.
Poultry Sci., 34,
1036, (1955).

T a y 1 o r, J. R. E. and Schelling, E. P.: The distribution of avian encephalo-
myelitis\' in North America as indicated by an immunity test.
Avian Dis., 4, 122,
(I960).

VanRoekel, H. and Clark, M. K.: Transmission of avian encephalomyelitis.
]. Am. vet. med. Assoc., 99, 220, (1941).

Fanii.

De Düsseldorfer Milchverwertung heeft eind maart vetarme melk op de markt ge-
bracht onder bovenstaande fantasienaam.

Fami wordt met 2% vet gelanceerd naast de gewone drinkmelk met 3% vet en de
Markenmilch met 3\'/i% vet; directeur Lange duidde de nieuwe mclksoort nogal
plastisch aan als „Tochter der Markenmilch".

Een overweging die tot deze minder vette melk heeft geleid is onder andere dat
volgens opinie-onderzoeken een belan.grijk deel van de verbruikers de Markenmilch
afwijst omdat ze te vet zou zijn. Daarnaast heeft in de U.S.A. dc vetvrije melk 15%
van de markt veroverd, terwijl er meer voorbeelden zijn van vraag naar melk met
lagere vetgehaltes.

De prijs van de „fami" is gesteld op 34 pfennig per halve liter tegenover 36 pfennig
per halve liter voor de Markenmilch.

Veeteelt- en Zuivelberichten, V, 230, (1962).

-ocr page 148-

Oriënterend onderzoek naar het verschil in eiwit-
samenstelling tussen normaal en gedegenereerd
varkensvlees JI

Tentative investigation on the difference in protein
composition of normal and degenerated pigmeat.

door P. C. HART^)

Uit het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord" te Zeist.

Inleiding.

In een vorig artikel (Hart, 1962) werd aangetoond, dat het verschil
tussen normaal en gedegenereerd spierweefsel gepaard gaat met een onder-
scheid in eiwitsamenstelling. Aannemelijk gemaakt kon worden, dat — be-
trokken op de droge stof — het ruw eiwitgehalte van normaal varkensvlees
hoger is dan van gedegenereerd; ook het percentage in water oplosbare
stikstofverbindingen
cn ci3,t V3.n cle in water o]Dlosba,rc met trichloora.zijn7uur
en azijnzuur coaguleerbare eiwitverbindingen bleek hoger, tewijl er ten
aanzien van de rest-stikstofverbindingen geen verschil tussen normale en
gedegenereerde monsters aan de dag trad.

Voor een nadere oriëntatie dienaangaande werd een verder onderzoek in-
gesteld naar de verschillen in de aard der eiwitstoffen van normaal en ge-
degenereerd vlees. Hiertoe werden de eiwitverbindingen van het waterig
extract gefractioneerd door uitzouten met (NH4)2S04 en precipitatie
met methylalcohol, terwijl tenslotte de relatieve hoeveelheden sarkoplasma-
en myofibrillaire proteïnen werden bepaald door toepassing van een door
Hel and er (1957) aangegeven methodiek.

Experimenteel gedeelte.

Ic. UITZOUTEN MET (NIl4)-jSOj.

Voor het onderzoek werd een geconcentreerd waterig extract gt^niaakt zo-
wel \\an nomiale als van gedegenereerde M. longissimus dorsi-monsters.
Hierbij werden steeds monsters vergeleken van dieren van zoveel mogelijk
gelijke slachtdatum en dezelfde datum \\an onderzoek. De onderlinge ver-
gelijking van normaal en gedegenereerd spierweefsel had dus betrekking op
vlees, dat na de slacht onder zo gelijk mogelijke omstandigheden verkeerd
had.

Voor de bereiding van het waterig vlee.sextract wordt 60 g fijngesneden
sjjierweefsel gedurende 1 uur geschud met 125 ml gedestilleerd water, waar-
na gefiltreerd wordt door een S c h 1 e i c h e r-S c h ü 11-filter Nr. 589^
(Blauband). Een K j e 1 d a h 1-bepaling in 2 ml van het extract doet ons hel
gehalte aan in water oplosbare stikstofverbindingen kennen.

Vervolgens wordt de hoeveelheid eiwitstoffen bepaald, welke in een voor 25%,
40%, resp. 50% verzadigde (NH-^aSO-i-oplossing worden geprecipiteerd. Hiertoe

148ste publikatie van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord".
Dr. P. C. Hart, biochemicus aan het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek
„Schoonoord", Driebergseweg 10 D, Zeist.

-ocr page 149-

wordt 4 ml extract toegevoegd aan resp. 2,5, 4,0 en 5,0 ml van een verzadigde
ammoniumsulfaat-oplossing, waarna het volume op 10 ml gebracht wordt door
aanvulling met resp. 3,5; 2,0 en 1,0 ml gedestilleerd water. Na /s uur verblijf bij
kamertemperatuur worden de geprecipiteerde eiwitstoffen afgecentrifugeerd, uit-
gewassen met de corresponderende concentratie (NH4)2S04-oplossing en nogmaals
afgecentrifugeerd. Hierna wordt het neerslag opgelost in 2 ml water en ter ver-
wijdering van restanten (NH4)2S04 opnieuw geprecipiteerd door toevoeging van
10 ml 20% trichloorazijnzuur. Het gedenatureerde eiwit wordt vervolgens afge-
centrifugeerd en uitgewassen met gedestilleerd water, tot het was-water vrij is van
ammonium-verbindingen. Door uitvoering van een K j e 1 d a h 1-bepaling wordt
tenslotte de hoeveelheid eiwitstoffen bepaald, welke door de verschillende concen-
traties (NH4)2S04 worden neergeslagen.

Het onderzoek werd ten intvoer gebracht met 12 normale en 12 daarmee
vergelijkbare gedegenereerde M. long. dorsi-monsters. In overeenstemming
met vorige bevindingen (Hart, 1962) was het gehalte van de in water
oplosbare stikstofverbindingen van de normale monsters zonder uitzonde-
ring hoger dan van de gedegenereerde (tabel 1).

Tabel 1.

Met (NH^joSO^i precipiteerbare eiwitstoffen.

Normaal

Gedegenereerd

Aantal monsters

12

12

Gehalte in water oplosb. stikstofverbinding N.

1,30

0,98

Met 25% verzadigde (NH4)2S04

precipiteerbare eiwit N.

in % van het %

4.1

1,4

Met 40% verzadigde (NH4)2S04

in water oplos-

precipiteerbare eiwit N.

bare stikstof-

8,3

3,4

Met 50% verzadigde (NH4)2S04

verbinding N.

precipiteerbare eiwit N.

17,1

12,0

Verder zien we, dat het percentage moeilijk in water oplosbare eiwitstoffen,
die reeds coaguleren bij een verzadigingsgraad van 25-50% (NH4)2S04,
bij de normale monsters hoger is dan bij de overeenkomstige gedegenereerde.

Ten einde na te gaan, in hoeverre zich ook een verschil voordoet bij de
gemakkelijk in water oplosbare eiwitten, welke in een (NH4)2S04-oplossing,
welke voor 50% verzadigd is, nog niet uitgezout worden, werd een tweede
reeks bepalingen ingezet, ditmaal met 10 normale en 10 gedegenereerde
M. long. dorsi-monsters.

Het waterig extract werd verkregen door schudden van 10 g vlees met 30 ml
water. Aan 5 ml van dit extract werd 5 ml van cen verzadigde (NH4)2S04-oplos-
sing toegevoegd, waarna de geprecipiteerde eiwitten na de bovenaangegeven be-
handelingswijze werden afgecentrifugeerd en uitgewassen. Aan de dekanteer-
vloeistof, welke dus nog de gemakkelijk in water oplosbare proteinen bevat, werd
10 ml 20% trichloorazijnzuur toegevoegd en van het precipitaat na uitwassen
het stikstofgehalte bepaald.

Zoals uit tabel 2 blijkt was, behalve het percentage in water oplosbare stik-
stofverbindingen, ook het gehalte aan gemakkelijk oplosbare eiwitten bij de
normale monsters zonder uitzondering hoger dan bij de overeenkomstige
gedegenereerde.

-ocr page 150-

Tabel 2.

Met (NHji^)2SO^ precipiteerbare eiwitstoffen.

Normaal Gedegenereerd

Aantal monsters

10

10

Gehalte in water oplosb. stikstofverbinding N.

1,25

0,88

Gehalte aan in 50% verzadigde (.NH4)2S04

oplosbare eiwit N in % van de in water

47,8

37,0

oplosbare stikstofverbinding N

2e. PRECIPITATIE MET METHYLALCOHOL.

De bevinding, dat in het waterig extract van gedegenereerd spierweefsel zo-
wel de gemakkelijk als de moeilijk oplosbare eiwitten in mindere mate voor-
komen dan in vergelijkbare normale monsters, kon nader bevestigd worden
door toepassing van een fractionering der eiwitten met behulp van methyl-
alcohol als precipitatiemiddel. Aangezien de coagulatie door methylalcohol
bij kamertemperatuur denaturering van de neergeslagen eiwitten met zich
medebrengt, heeft de precipitatie bij ± 1° G (smeltend ijs) plaats, onder
welke omstandigheden de uitvlokking door methylalcohol reversibel is.

De bepaling werd ten uitvoer gebracht volgens de door Drosdow (1954) aan-
gegeven methodiek.

In 9 centrifugebuizen wordt een reeks bepalingen ingezet met resp. 1 tot en met
9 ml waterig Long. dorsi-extract, waaraan resp. 9 tot en met 1 ml methylalcohol
wordt toegevoegd, zodat men een reeks van 9 vloeistoffen verkrijgt met een methyl-
alcoholgchalte variërend van 90 tot 10%. Na menging worden dc buizen ge-
durende 2 uur in smeltend ijs gehouden, het ontstane eiwitneerslag afgecentrifu-
.geerd en uitgewassen met 5 ml van het corresponderende methylalcohol-water
mengsel. Na dekanteren van de bovenstaande vloeistof wordt het eiwitprecipitaat
kwantitatief overgebracht in een K j e 1 d a h 1-kolf en het stikstofgehalte bepaald.

In een eerste reeks van 10 gedegenereerde en daarmede in slachtdatum en
periode v\'an bewaring overeenkomende 10 normalt: M. longissimus dorsi-
monsters was zonder uitzondering het percentage in water oplosbare stik-
stofverbindingen van de gedegenereerde monsters lager dan van de verge-
lijkbare normale. Vervolgens werd van deze 20 monsters het jjercentage
eiwitverbindingen bepaald dat bij een methylalcohol-gehalte van 40 tot
en met 90% neerslaat (tabel .3). Uit de tabel krijgt men de indruk, dat
reeds bij een gehalte van 70% methylalcohol vrijwel alle in water oplosbare
eiwitten uitvlokken.

Tabel 3.

Normaal

Gedegenereerd

.Aantal monsters

10

10

Gehalte in water oplosb.

stikstofverbinding N.

1,15

0,95

Met 40% methylalcohol

7

6

Met 50% methylalcohol

precipiteerbare eiwit

19

17

Met 60% methylalcohol

N in % van het % in

43

36

Met 70% methylalcohol

water oplosbare stik-

55

49

Met 80% methylalcohol

stofverbinding N.

57

52

Met 90% methylalcohol

59

51

1022

-ocr page 151-

Zoals verder uit tabel 3 blijkt was bet percentage met metbylalcobol preci-
piteerbare eiwitten bij alle gebruikte concentraties bij de gedegenereerde
monsters lager dan bij de normale. Voor de gemakkelijk in water oplosbare
eiwitten, welke eerst bij een metbylalcobolgebalte van 70-90% uitvlokken,
was dit zelfs in 28 van de 30 uitgevoerde bepalingen het geval.

In een tweede reeks van 20 monsters werd nagegaan, of ook ten aanzien
van de moeilijk in water oplosbare eiwitten, welke reeds bij een methyl-
alcoholgehalte van 10 tot 30% neerslaan, verschil bestaat tussen normaal
en gedegenereerd spierweefsel.

Tabel 4.

Met methylalcohol precipiteerbare eiwitstoffen.

Normaal

Gedegenereerd

.\\antal monsters

10

10

Gehalte in water oplosb. stikstofverbinding N.

1,41

1,02

Met 10% methylalcohol

precipiteerbare eiwit

1,6

0,6

Met 20% methylalcohol

N in % van het % in

6,1

2,2

Met 30% methlyalcohol

water oplosbare stik-

10,1

4,8

Met 90% methylalcohol

stofverbinding N.

64,8

55,2

In tabel 4 zien we, dat dit inderdaad het geval is; terwijl wederom bleek,
dat het gehalte in water oplosbare stikstofverbindingen zonder uitzondering
bij de normale M. longissimus dorsi-monsters hoger was dan bij de ge-
degenereerde. Het verschijnsel, dat dit gehalte bij de normale monsters
duidelijk op een hoger niveau ligt dan de waarde, welke in tabel 3 is op-
gegeven, houdt verband met de omstandigheid, dat de concentratie van het
vleesextract (verkregen door behandeling van 100 g vlees met 225 ml water)
bij deze reeks hoger was dan bij de vorige, waarbij 40 g vlees met 150 ml
water werd intgeschud.

Uit bovenstaande uitkomsten krijgt men de indruk, dat zowel de gemak-
kelijk als de moeilijk in water oplosbare spier-eiwitten in gedegenereerd
s]3ierweefscl in mindere mate voorkomen dan in normaal. Tenslotte kan
nog opgemerkt worden dat het door ons gevonden gehalte van 59-65%
eiwitstikstof in het normale spierweefsel, dat in waterig extract met 90%
methylalcohol is te precipiteren, in overeenstemming is met de opgaven van
Drosdow (1954), dat het stikstofgehalte van een waterig vleesextract
voor 60-70% uit eiwit-stikstofverbindingen bestaat en voor 30-40% van
rest-stikstofverbindingen afkomstig is.

Ter controle van bovenstaande bevindingen werd een nieuwe reeks be-
jjalingen ingezet, waarbij de met resp. 30%, 50% en 80% methylalcohol
geprecipiteerde hoeveelheid eiwit
afzonderlijk werd bepaald.

Hiertoe wordt aan 14 ml waterig extract (verkregen door schudden van 60 g
vlees met 125 ml gedestilleerd water) 6 ml methylalcohol toegevoegd en het ont-
stane precipitaat na 2 uur verblijf in smeltend ijs afgecentrifugeerd. Het prccipi-
taat doet ons door een K j e 1 d a h 1-bepaling de met 30% methylalcohol uitge-
vlokte hoeveelheid eiwit kennen. Het dekantaat wordt aangevuld met 8 ml methyl-
alcohol en geeft ons de met 50% methylalcohol te coaguleren eiwitten, terwijl
tenslotte van het hierbij tc verkrijgen centrifugaat door toevoeging van 42 ml
methlyalcohol de met 80% methylalcohol uit te vlokken eiwitten worden ver-
kregen.

-ocr page 152-

Na uitwassen van de neergeslagen eiwitten met de corresponderende methylalcohol
concentraties, doet de uitvoering van K j e 1 d a h 1-bepalingen in de verschillende
precipitaten ons de in de 3 fracties aanwezige hoeveelheid stikstof kennen.

Het onderzoek werd wederom met 10 normale en 10 gedegenereerde
M. longissimus dorsi-monsters ten uitvoer gebracht (tabel 5).

Tabel 5.

Met methylalcohol precipiteerbare eiwitstoffen.
__Normaal Gedegenereerd

precipiteerbare eiwit 9,9 6,2
N in % van het % in

water oplosbare stik- 19,4 16,8

stofverbinding N. 30,9 27,7

Aantal monsters 10 10

Gehalte in water oplosb. stikstofverbinding N. 1,29 0,93

Met 30% methylalcohol

Met 50% methylalcohol
Met 80% methylalcohol

Ook thans blijkt weer, dat zowel de moeilijk in water oplosbare spiereiwitten,
die reeds bij 30% methylalcohol neerslaan (zoals globuline X), als de ge-
makkelijk oplosbare, die dit eerst bij een methylalcohol concentratie van
80% doen (zoals myogeen), bij normaal vlees in grotere hoeveelheid voor-
komen dan in gedegenereerd spierweefsel.

3e. SARKOPLASMA EN MYOFIBRILLAIR EIWIT.

Een nog veel duidelijker verschil tussen normaal en gedegenereerd spier-
weefsel treedt aan de dag, wanneer we ons niet alleen — zoals tot dusverre
- - beperken tot de in water oplosbare eiwitstoffen, doch het gehele spier-
weefsel in het onderzoek betrekken.

Hiertoe werd gebruik gemaakt van een door H e 1 a n d e r (1957 ) beschre-
ven methodiek, waarbij de hoeveelheden sarko]jlasma- en myofibrillaire ei-
witten afzonderlijk bepaald worden. Zoals bekend verstaat men onder
sarkoplasma het cytoplasma van de spiervezel, dat de ruimten tussen de fi-
brillen opvult. In dit sarkoplasma liggen de dwarsgestreepte myofibrillen,
de eigenlijke contractiele elementen van de spier.

Voor de extractie van het sarkoplasma-eiwit wordt aan 2/2 g gemalen spierweefsel
25 ml fosfaatbuffer 0,03 M en pH: 7,4 toegevoegd. Deze buffervloeistof werd be-
reid door 34,2 ml Na2HP042aq, 1/15 M. en 10,8 ml KH-aPO-i, 1/15 M. op tc
lossen in 100 ml water. Het vlees wordt met deze fosfaatbuffer 3 maal /a uur ge-
schud, daarna wordt gecentrifugeerd en het centrifugaat over glaswol afgefiltreerd.
Na uitwassen van het filter wordt het extract aangevuld tot 100 ml. Voor de
K j e I d a h 1-bepaling wordt aan 20 ml van het extract 10 ml 40% trichloor-
azijnzuur toegevoegd en na 10 minuten gecentrifugeerd. Van het neergeslagen
sarkoplasma-eiwit wordt na uitwassen het stikstofgehalte bepaald.
Voor de extractie van het
myofibrillaire-eiwit wordt het residu, dat door de behan-
deling met de 0,03 M fosfaatbuffer niet in oplossing is gegaan, 3 maal geschud
met 25 ml fosfaatbuffer 0,1 M en pH: 7,4 waaraan 1,1 M KJ is toegevoegd.
Deze vloeistof werd bereid door samenvoeging van 80,8 ml Na2HP042aq 0,1 M
en 19,2 ml
KH2PO4 0,1 M, waarna in dit mengsel 18,26 g vast KJ opgelost werd.
In deze vloeistof gaat het myofibrillaire-eiwit in oplossing, waarna een K j e 1-
d a h 1-bepaling in het extract ons weder het stikstofgchalte doet kennen.

-ocr page 153-

Voor het onderzoek werden wederom 10 normale en 10 vergelijkbare ge-
degenereerde M. longissimus dorsi-monsters gebruikt.

Tabel 6.

Sarkoplasma- en myofibrillaire-eiwitstoffen.

Normaal

Gedegenereerd

Aantal monsters

10

10

Sarkoplasma-stikstof %

0,80

0,46

Myofibrillair-stikstof %

1,89

0,78

Bij tabel 6 valt op te merken, dat de door ons gevonden hoeveelheden sarko-
plasma N en myofibrillaire N van normale M. longissimus dorsi in over-
eenstemming zijn met de door Heiander opgegeven waarden (8 resp.
18,6 mg per gram spier).

Verder zien we, dat het sarkoplasrna-stikstofgehalte van de gedegenereerde
M. longissimus dorsi gemiddeld slechts 58% van dat van de normale spier
bedraagt, terwijl het myofibrillaire stikstofgebalte zelfs slechts 41% van dat
van de overeenkomstige normale M. longissimus dorsi is. Hieruit blijkt dui-
delijk, dat zowel het gehalte sarkoplasma- als myofibrillair eiwit in ge-
degenereerd spierweefsel aanmerkelijk lager is dan bij noiinale M. longis-
simus dorsi. Daarentegen was het percentage zg. stroma-eiwitten (onoplos-
baar in fosfaatbuffer pH: 7,4 en 1,1 M KJ) bij de gedegenereerde mon-
sters aanzienlijk hoger dan bij de normale.

In dit verband dient gereleveerd te worden, dat W i s m e r-P e d e r s e n
(1959), Wismer-Pedersen en Briskey (1961) en Bendall en
W i s m e r-P e d e r s e n (1961) eveneens constateerden, dat gedegenereerd
spierweefsel gekenmerkt is door de eigenschap,dat het in geringere mate door
hoge zoutconcentraties geëxtraheerd kan worden dan normaal vlees. Ook
L a w r i e cn G a t h e r u n kwamen op The 7th Meeting of European Meat
Research Workers in Warschau (1961) tot een soortgelijke conclusie. Hier-
bij beschouwden zij als myofibrillaire stikstof dat gedeelte van de totale
stikstof, dat oplosbaar was in 1,1 M KJ, maar onoplosbaar in 0,03 M fos-
faatbuffer. Zij constateerden, dat het percentage myofibrillaire sükstof van
ongeveer 50% van dc totale stikstof daalt tot circa 20% wanneer de pH
van het vlees daalt van 5,5 tot 5,05, welke pH-daling, zoals bekend, ge-
l>aard gaat met het meer en meer optreden van de bleke kleur en het exsu-
datieve karakter van gedegenereerd vlees. In samenhang hiermede steeg
dienovereenkomstig het percentage stroma (of onoplosbare) stikstof.

Dankbetuiging.

Gaarne maken wij van deze gelegenheid gebruik om onze dank te betuigen aan de
Heer H. L. v a n B o x t e 1 en Mej. W. J. W e s t e r a voor de grote nauwkeurigheid
waarmede zij de talrijke analyses, die voor dit onderzoek nodig zijn geweest, ten
uitvoer hebben gebracht.

S.4MENVATTING.

Terwijl in een vorige mededeling (Hart, 1962) cen verschil in hoeveelheid in
water oplosbare eiwitten tussen normaal en gedegenereerd spierweefsel werd aan-
getoond, worden in deze publikatie de resultaten van een nader onderzoek dienaan-
gaande medegedeeld.

-ocr page 154-

Door uitzouten met ammoniumsulfaat-oplossingen van verschillende concentraties,
zowel als door gcfractioneerde precipitatie met methylalcohol, bleek het percentage
gemakkelijk, zowel als het gehalte aan moeilijk in water oplosbare spiereiwitten, bij
gedegenereerde M. longissimus dorsi-monsters lager te zijn dan bij vergelijkbare \'nor-
male monsters.

Ook het percentage sarkoplasma- en myofibrillair eiwit was bij gedegenereerd spier-
weefsel aanmerkelijk minder dan bij normaal.

SUMMARY.

By salting out with ammoniumsulfate solutions of different concentration as well as
by fractioned precipitation with methanol, the percentage of light as well as the
content of muscle proteins hard soluble in water, of degenerated M. longissimus
dorsi-samples proved to be lower than in comparable normal samples. The percen-
tage of sarcoplasma and myofibrillar proteins in de.generated muscle tissue was con-
siderably lower than in samples of normal meat.

RÉSUMÉ.

Par >m traitement avec des solutions de sulfate d\'ammonium de différentes concen-
trations de même que par une précipitation fractionée avec du méthanol, le pour-
centage de protéines musculaires facilement solubles en eau, ainsi que celui dos
globulines difficilement solubles d\'échantillons du M. lon.gissimus dorsi dégénéré
se révélait plus bas que dans les échantillons normales comparables. Les pourcentages
de protéine sarcoplasmique et myofibrillaire de tissu dégénéré étaient aussi consi-
dérablement plus petits que dans la viande normale.

ZUSAMME.NFASSUNG.

Durch Aussalzen mit Ammoniumsulfatlösun.gen verschiedener Konzentration, sowie
durch Prezipitation mit Methylalkohol erwies sich doi Prozentsatz der leicht,\'so wie-
der der schwer in Wasser löslichen Muskeleiweisskörpcr bei degenerierten M.\' longis-
simus dorsi-Proben niedriger als in damit zu vergleichen normalen Fleischproben.
Der Gehalt der Sarkoplasma- und myofibrillaren Eiweiss-stoffc war in degeneriertem
Muskelgewebe bedeutend kleiner als bei normalem Fleisch.

LI\'FERATUUR

B e n d a 1 1, J. R. and W i s m c r-P e d e r s o n, J. : Some propertie.s of the fibrillar
proteins of normal and watery pork muscle.
7th Meeting of European Meat Re-
search Workers, Warschau (1961).
Drosdow, N. S.: Praktischer Leitfaden durch die Biochemie des Fleisches Berlin
(1954).

Hart, P. G. : Fysisch-chemische kenmerken van spierdegeneratie bij varkens. Tijdschr

Diergeneesk., 86, 663, (1961).
Hart, P. C.: Fysisch-chemische kenmerken van gedegenereerd vlees bij varkens. II.

Tijdschr. Diergeneesk., 87, 156, (1962).
Haurowitz, F.: Chemistry and Biology of Proteins. New York (1950).
He Ian der, E.: On quantitative Muscle Protein Determination.
Acta Physiol

Scand., 41, suppl. 141, (1957).
L a w r i e, R. and G a t h e r u m, D. P. : Observations on so called "White Muscle
Disease" in Relation to Analytical Differences between Pig Muscles.
7th Meeting
of European Meat Research Workers. Warschau (1961).
W i s m e r-P e d e r s e n, J. : Quality of Pork in relation to rate of pH change post

mortem. Food Research, 24, 711, (1959).
W i s m e r-P e d e r s e n, J. and Briskey, E. J. : Rate of Anaerobic Glycolysis
versus Structure in Pork Muscle.
Nature, 189, 318, (1961).

-ocr page 155-

Maag-darmstrongylose bij hef schaap. Epidemio-
logische en klinische kenmerken.

Strongylosis in sheep, epidemiological and clinical
features.

door P. WENS\\\'OORT\')

Inleiding.

Het aantal schapen dat in Nederland wordt gehouden is klein, vergeleken
bij de overige soorten huisdieren, die op de landbouwbedrijven worden ge-
ëxploiteerd. Niettemin worden schapen onder zeer uiteenlopende bedrijfs-
omstandigheden verzorgd. Het aantal dieren dat per bedrijf al of niet
samen met rundvee wordt gehouden, varieert van 10 tot 1.000 dieren, ter-
wijl tevens een grote verscheidenheid bestaat in het aantal dieren dat per
oppervlakte aanwezig is. T^it varieert van 0,5 tot 10 dieren per hectare.
Er zijn bedrijven die op zeer extensieve wijze worden bedreven, zowel wat
de grasland exploitatie als wat de aard en de kwaliteit van de af te zetten
])rodukten betreft; andere, die op intensieve wijze geleid de grootste
netto-opbrengst verkrijgen. Sonmiige schapenhouders zijn genoodzaakt
hun dieren in kuddeverband te houden, terwijl anderen het preferen de
scha])en in gescheiden groepjes over het bedrijf te verspreiden. Hiermede
samenhangend wordt een standweide of een verweidingssysteem toegepast.
Verder vindt men bedrijven die zich toeleggen op het voortbrengen van
weidelammeren die op jonge leeftijd (8-12 weken) van het bedrijf worden
gevoerd om elders te worden geweid; er zijn ook bedrijven die deze lam-
meren zolang gedurende het graasseizoen op hun bedrijf hebben tot ze
slachtrijp zijn, hetgeen soms bereikt wordt voordat de lammeren één jaar
oud zijn, terwijl men ook bedrijven vindt die genoodzaakt zijn een deel
\\an de aanfok langer dan één jaar aan te houden en dan pas in staat zijn
ze slachtwaardig af te zetten. Verder bestaat daarnaast een grote variatie
in het al of niet periodiek verstrekken van een aan\\ullend krachtvoer-
lantsoen.

Op al deze bedrijven kan trichostrongylose optreden. Het aantreffen van
de ziekte onder soms zeer verschillende bedrijfsomstandigheden draagt niet
bij tot een duidelijk inzicht in dc wijze van optreden, te meer daar de ziekte
tevens veroorzaakt wordt door een groot aantal soorten nematoden, wier
ziektemakende eigenschappen niet alleen verschillen, maar die tevens
\\ oorkeur hebben om op te treden in een bepaald seizoen en bij gastheren
van een bepaalde leeftijd. Hit maakt dat trichostrongylose een zeer gecom-
]Dliceerde ziekte is.

Daarbij komt nog het grote aantal anthelmintica dat aan de markt ver-
schijntj die alle tot nu toe slechts selectief op de diverse nematoden-popu-
laties inwerken en geen van alle de eigenschap bezitten een breed-spectrum
anthelminticum te zijn.

Voor de practicus geldt in deze warwinkel de vraag hoe de ziekte te be-
oordelen, welke middelen en welke adviezen onder bepaalde omstandig-
heden de juiste zijn.

\') Dr. P. Wensvoort, dierenarts, in T.N.O.-verband werkzaam bij de Provinciale
Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant, postbus 88, Alkmaar.

-ocr page 156-

Alvorens dit te kunnen beoordelen is het van belang enige grondregels te
kennen. Zo is het onder meer noodzakelijk te weten welke parasieten in
het spel zijn. Dit is van belang voor dc klinische diagnostiek en dc therapie.

Aetiologie.

Trichostrongylose wordt veroorzaakt door een groot aantal soorten nema-
toden waarvan er enkele aetiologisch zéér belangrijk zijn, andere die een
aanvullende betekenis hebben en een aantal die een restgroep vormen en
waarmede niet in de eerste plaats rekening gehouden behoeft te worden.
De belangrijksten
71]^: Haemonchus contortus, Ostertagia (vooral Ostertagia
circumcincta,
die de lebmaag als woongebied heeft), Trichostrongylus spp.
(t.w.
T. axei in de lebmaag; T. vitrinus en T. coluhriformis in de dunne
darm). Minder belangrijk zijn:
Nematodirus spp. (bij lammeren beneden
de leeftijd van 6 maanden),
Chahertia ovina en Bunostomum trigonocepha-
lum
(beide bij schapen ouder dan 1 jaar). Verder komen nog voor: Strongy-
loides papillosus, Cooperia
spp., Capillaria, Oesophagostornum venulosum
en Trichuris ovis. Nematoden van deze laatste groep zullen in zeer excep-
tionele gevallen van primair pathogene betekenis zijn. Bij de beoordeling van
trichostrongylose en bij het instellen van een therapie behoeft in het alge-
meen geen rekening gehouden te worden met één van deze laatstgenoemde
soorten.

De diverse soorten treden nooit gelijktijdig in maximale hoeveelheden op,
maar er bestaat een onderlinge voorkeur om gedurende een bepaald seizoen\'
in sterkere mate de gastheren nadelig te beïn\\ loeden. De kennis van deze
eigenschappen, die grotendeels bepaald worden door uitwendige, meestal
klimatologische factoren, zijn van groot belang bij de beoordeling van
trichostrongylose.

Voor de belangrijkste nematoden geldt \\oor Nederland de volgende in-
deling:

Haemonchus contortus is een parasiet van dc zomermaanden. De vrijlevende
stadia komen pas lot ontwikkeling als de dagelijkse maximumtemperatuur
boven 18° C stijgt. Dit gebeurt in het voorjaar omstreeks april, temijl na
oktober die temperatuiu\' niet meer wordt bereikt. Daar dc \\ rijlevende stadia
na ongeveer 1 maand afsterven, blijxen volwassen //.
contortus bij dc gast-
heer overwinteren.

Vrijlevende stadia van Ostertagia spp. treft men daarentegen het gehele
jaar door aan. De klimatologische omstandigheden zijn in Nederland in het
algemeen voortdurend gunstig voor de ontwikkeling van de vrijlevende
stadia van Ostertagia\'s. Bij cen dagelijkse maximumtemperatuur van meer
dan 5° C wordt de ontwikkeling reeds geactiveerd, zodat slechts gedurende
een zeer korte periode, n.1. gedurende de winter, de ontwikkeling van de
vrijlevende stadia is geremd. Er valt bovendien voldoende neerslag die nodig
is voor de ontwikkeling, terwijl de temperatuur in Nederland geen niveau
bereikt waarboven de ontwikkeling van de vrijlevende stadia opnieuw
wordt geremd.

Dit laatste is wel het geval met de vtijlevende stadia van Trichostrongylus
spp., die daarom alleen gedurende de herfst- en wintermaanden in grotere
hoeveelheden worden aangetroffen. Zeer waarschijnlijk zijn de hoge tem-
peraturen minder geschikt voor de ontwikkeling van de vrijlevende stadia
van deze soort. De vrijlevende stadia van beide soorten, n.1.
Ostertagia en

-ocr page 157-

Trichostrongylus spp., hebben echter een zeer lange levensduur; deze kan
op 6 maanden worden gesteld.

De levensduur van de vrijlevende stadia van Nematodirus spp. bedraagt
zelfs nog meer, n.1. tot 12 maanden. Ze overwinteren en komen in het voor-
jaar tot snelle ontwikkeling. Het gevolg hiervan is dat in het voorjaar de
percelen sterker met
Nematodirus-\\2iri]e?, besmet zijn dan in de overige delen
van het jaar.
Nematodirus-mle.c\\.\\es bereiken dan ook hun grootste omvang
in het voorjaar bij jonge dieren (jonger dan 6 maanden).

Pathogenese.

Uit het bovenstaande blijkt, dat er perioden bestaan waarin de vrijlevende
stadia van de ene soort tijdelijk belangrijk in aantal kunnen gaan toenemen
om daarna de plaats af te staan aan een andere soort. De infectiekansen zijn
dus van beperkte duur. Dit wordt niet alleen bij de individuele soorten
waargenomen; bet is ook één van de kenmerken van trichostrongylose indien
deze naam wordt gebezigd om als verzamelbegrip te dienen voor de ver-
schillende individuele infecties. Dit is zelfs het geval indien lammeren en
schapen op geïnfecteerd terrein blijven lopen. I3it is duidelijk te maken met
behulp van gegevens, die betrekking hebben op dc grootte en de variatie in
de eierenafscheiding met de faeces.

In het algemeen scheiden volwassen schapen, dus schapen die ouder zijn
dan één jaar, zeer weinig eieren met de faeces af. Dit aantal bedraagt
meestal niet meer dan 200, in de regel slechts 100 per gram faeces. Bij
schapen die pas gelammerd hebben is het echter anders. Zonder dat kli-
nische afwijkingen gaan optreden verandert de mate der eierenafscheiding
plotseling zeer sterk. Vanaf het ogenblik dat de lammeren zijn geboren
neemt n.1. de grootte van de eierenafscheiding snel toe totdat hoeveelheden
van 1000-2000 (of meer) eieren per gram faeces zijn bereikt, om daarna
weer te verminderen tot het normale niveau. De duur van de stijging en
daling van deze eierenafscheiding is vrij constant. Deze periode bedraagt
ongeveer 6 weken. Op deze wijze wordt het weiland in het voorjaar sterk
besmet, zodat de lammeren spoedig nadat ze gaan grazen geïnfecteerd
worden en eieren gaan afscheiden met de faeces. De afscheiding bij lam-
meren neemt langzaam toe en gedurende de herfst wordt een top bereikt.
Er treedt daarna vermindering van de afscheiding op totdat, en dit heeft
plaats tegen de tijd dat de lammeren één jaar gaan worden, een niveau is
Ijcreikt dat gedurende het grootste gedeelte van het jaar ook door vol-
wassen schapen wordt gehandhaafd.

Gaat de verhoogde eierenafscheiding bij volwassen schapen na de partus
in het algemeen niet gepaard met klinische verschijnselen van tricho-
strongylose, bij lammeren kan dit wel het geval zijn. Ze treden echter pas
op nadat de lammeren voldoende gras consumeren en verdwijnen weer na-
dat onder invloed van de diverse infecties een voldoende immuniteit is op-
gebouwd om herinfecties te voorkomen. Het tijdstip waarop dit bereikt
wordt valt ongeveer samen met het bereiken van de éénjarige leeftijd.
Trichostrongylose is dus een ziekte die niet voortdurend op het intensieve
schapenbedrijf wordt waargenomen, maar slechts gedurende een beperkt
deel van het jaar en bij een bepaalde leeftijdsgroep, n.1. bij de lammeren.
Bij de lammeren treden na het begin van de graas]3eriode min of meer
golfsgewijs infecties op, waarbij na elkaar, verschillende soorten nema-

-ocr page 158-

toden tijdelijk een grotere bijdrage leveren aan de aanwezige nienginfeetie,
met achterlating van een bepaalde ongevoeligheid voor de betreffende
soort. Deze immuniteit blijft in het algemeen het gehele verdere leven be-
staan.

De golfsgewijs optredende infecties verlopen ook voor Nederland volgens
een bepaald patroon en wel als volgt:

Reeds spoedig na het begin van het grazen der lammeren treden infecties
met
Ostertagia op, die pas gedurende de herfst verdwijnen. Ook Nemato-
dirus
wordt dan in grotere aantallen bij jonge lammeren waargenomen.
Deze parasiet verdwijnt echter grotendeels nadat het lam 6 maanden oud
is geworden.
Haemonchus contortus treedt in grotere aantallen op tegen de
tijd dat het lam wordt gespeend, dus de leeftijd heeft van 4-6 maanden,
terwijl
Trichostrongylus spp. na de speenleeftijd in grotere aantallen het
lam invaderen.

Bij het volwassen geworden schaap geeft trichostrongylose een ander patroon
te zien. Gedurende de herfst en wintermaanden worden veel
Trichostrongy-
lus
aangetroffen en in het warmere gedeelte van het jaar veel Haemonchus
contortus,
terwijl in beide gedeelten van het jaar Ostertagia aanwezig kun-
nen zijn.

Een andere belangrijke grondregel is, dat infecties die bij het jonge dier
optreden koppelinfecties zijn, d.w.z. dat alle dieren uit liet koppel door
deze parasieten geïnvadeerd worden en dat alle gastheren ook symptomen
gaan vertonen. Dit verandert echter tegen de tijd dat het lam één jaar
wordt. De immuniteit t.o.v. de diverse soorten is dan bij voldoende contact
volledig opgebouwd. De dieren herbergen gedurende hun verdere leven
weinig parasieten. De innnuniteit kan echter door één of andere oorzaak
verloren gaan en trichostrongylose kan dan ook opnieuw gaan optreden.
Het aantal dieren dat dan echter wordt geïnfecteerd is beperkt. Dit geldt
zowel voor infecties met
Haemonchus contortus als met Ostertagia en
Trichostrongylus spp. Na het bereiken van de éénjarige leeftijd is tricho-
strongylose dan ook geen koppelziekte meer, maar gedraagt zich als een
individueel optredende ziekte.

Klinische verschijnselen.

Alvorens deze gegevens bij het onderzoek van gevallen van trichostrongy-
lose toe te passen, worden enige regels gewijd aan de klinische verschijn-
selen die bij de ziekte op de voorgrond treden.

De eerste verschijnselen zijn weinig opvallend, terwijl het ziektebeeld zich
langzaam ontwikkelt. Aan het begin van de infectieperiode wordt groei-
vertraging waargenomen, aanvankelijk bij enkele, later bij een zeer groot
aantal dieren uit het koppel. De dieren ontwikkelen zich niet zo goed meer
als in de voorafgaande weken maar het duurt nog geruime tijd voordat de
andere symptomen het ziektebeeld gaan begeleiden.

Er treedt dan diarree op die intermitterend van aard is en niet bij alle
dieren wordt waargenomen. Diverse lammeren vermageren, zelfs zonder
dat de faeces van afwijkende consistentie worden. De verschijnselen van
diarree daarentegen beperken zich niet alleen tot de minst goede dieren
uit het koppel; ze worden ook bij de nog goede lammeren waargenomen.
De faeces zijn slap, soms vloeibaar en groen van kleur. Na het optreden

-ocr page 159-

\\ an deze twee vrij algemeen voorkomende verschijnselen gaat een sterke
differentiatie optreden in het koppel. Een aantal dieren vermagert niet
meer en gaat soms (bij goede voeding) in conditie toenemen. Een ander
deel blijft vermageren.

Hierdoor worden de dieren ongelijk van grootte, terwijl tevens de sterk
aangetaste dieren een ander gedrag aannemen dan de overige lammeren.
Ze worden trager, liggen veel en zonderen zich van het koppel af. Ze
worden vooral grazend langs de slootkanten en greppels aangetroffen.
.\\ls dit stadium bereikt is, heeft de infectie reeds verscheidene weken de
gelegenheid gehad zich te handhaven. De hevig geïnfecteerde dieren, die
blijven vermageren, worden cachectisch en de lendenen „dakvormig" van
uiterlijk. De voorpoten staan dichter bij elkaar en de halzen worden re-
latief langer en dunner. Daar de buikomvang afhankelijk is van de vulling
\\ an de pens, is deze klein en opgetrokken in het stadium waarin de dieren
tijdelijk minder eten, maar relatief groot als de dieren nog of weer goed
grazen. De vacht is dof en droog. Het wolvet is verdwenen, waardoor de
vezels de normale geelromige kleur verliezen en droog worden. Bij infec-
ties, waar
Haemonchus contortus o\\erheerst, wordt de huid rond vulva,
scrotum en anus bleker. De slijmvliezen zijn bleek, soms papierbleek en de
conjunctivae waterig. De huid is \\\'erder droog, maar toch goed verplaats-
baar. De normale turgor \\ an de huid verdwijnt echter bij het optreden van
profuse diarree, zoals dit veelvuldig wordt gezien bij infecties met
Trichon-
strongylus
spp. Een profuse diarree treedt nogal eens enkele dagen voordat
de dood intreedt op. Het extreem zieke dier is gedurende de laatste dagen
zeer zwak, gaat wankelend lopen en kan op den duur niet meer staan. De
lanuneren kunnen zeer dorstig zijn.

Na een infectieperiode, waarin de dieren gediuende verscheidene weken
niet verbeteren, gaat ook spontaan herstel optreden, hoewel enkele dieren
uit het koppel kunnen sterven. Bij herstel wordt de kleur van de kop-
bcharing en vacht weer witter en de verschijnselen van diarree blijven
achterwege. Dit herstel treedt aanvankelijk bij enkele dieren, op den diuu\'
in het gehele koppel op.

De klinische verschijnselen die bij volwassen schapen optreden verschillen
in zoverre van die welke bij lammeren worden gezien, dat de infecties ver-
oorzaakt door
Ostertagia en Trichostrongylus gekenmerkt zijn door hun
chronisch karakter en het uitblijven of bet zeer beperkt optreden van ver-
schijnselen van diarree.
Haemonchus conior/u.y-infecties treden daaren-
tegen zeer acuut op. In enkele weken tijd( in sommige gevallen veel sneller)
hebben zich de verschijnselen van anemie volledig ontwikkeld, treedt
oedeemvorming op in de subcutis van de onderkaak en vermageren de
schapen snel.
t)e melkgift van dergelijke dieren laat te wensen over en de
lammeren die ze moeten verzorgen groeien onvoldoende.

De klinische verschijnselen kunnen bij lammeren optreden vanaf het mo-
ment dat ze voldoende gaan grazen totdat de dieren de leeftijd van één jaar
hebben bereikt, dus gedurende de periode van stijging en daling van de
eierenafscheiding. Ze worden echter nooit gedurende deze gehele periode
waargenomen en het tijdstip van optreden varieert nogal eens. De periode
van verhoogde eierenafscheiding kan zelfs geheel verlopen zonder dat kli-
nische moeilijkheden optreden. Er zijn blijkbaar factoren in bet spel die er
voor zorgdragen dat bet aantal volwassen exemplaren niet ongelimiteerd

-ocr page 160-

kan toenemen. Het infectieverloop bij dergelijke invasies heeft dan een dy-
namisch karakter, d.w.z. de overvloedige aanvoer van infectieuze larfjes
heeft niet tot gevolg dat de volwassen geworden populatie zich blijft uit-
breiden. Deze populatie blijft beperkt, doordat of de ontwikkeling van de
infectieuze larfjes na hun entree in het digestie-apparaat worden geblok-
keerd, of de larven regelmatig met de darminhoud worden afgevoerd. Bij
het wegvallen of ontbreken van de hierboven in alle vaagheid bedoelde fac-
toren heeft limitering niet meer plaats en krijgt de infectie een meer sta-
tisch karakter, waarbij alle aangevoerde larfjes gaan uitgroeien tot vol-
wassen exemplaren en de dieren ziek worden.

Het hierboven geschetste infectiepatroon treft men aan op het specifieke
schapenbedrijf. Op alle bedrijven kunnen zich echter omstandigheden voor-
doen, hoewel tijdelijk van aard, die hiermede overeenkomen en tricho-
strongylose doen optreden. Hierbij moet men bedenken dat door de lange
levensduur van de vrijlevende stadia, heel moeilijk aan de eisen van een
volstrekte weidehygiëne kan worden voldaan.

Bij het aantreffen van klinische moeilijkheden bij het geven van advies om
de ziekte te voorkomen is het gewenst zich niet alleen te beperken tot het
corrigeren van de bestaande klinische toestand, maar zich tevens te reali-
seren op welke wijze de moeilijkheden tot stand komen en welke moeilijk-
heden na behandeling en herstel van de infectie nog op het gebied van
trichostrongylose kunnen worden verwacht.

Bij het aantreffen van verdachte verschijnselen van trichostrongylose bij
nog niet gespeende lammeren gaat men na hoe de ziekte zich heeft kunnen
ontwikkelen; dit is des te meer nodig in het beginstadium, daar de klinische
verschijnselen niet erg typisch zijn. Het is dan van belang te weten of de
percelen waar de lammeren lopen of hebben gelopen:

a) gedurende de winter voor beweiding met schapen werd gebruikt. Op
deze percelen zijn dan o.a. veel
Ostertagia-\\z.r{]&s, aan te treffen;

b) vanaf de larnmertijd werden gebruikt door lacterende schapen. In dat
geval zijn door de volwassen ooien na de partus veel eieren op bet per-
ceel gedei^oneerd, waarvan er zeer veel behoren tot de
Ostertagia-gro&\\)-,

c) een jaar te voren eveneens werden gebruikt om jonge lammeren te wei-
den. Op de percelen kunnen dan veel
Neniatodirus-\\üLr{\']e.s worden aan-
getroffen;

d) behoren tot een groot schapenbedrijf waar intensief schapen worden
gehouden. In dit geval kan ook
Haemonchus contortus worden ver-
wacht, daar deze parasiet zich slechts op de specifieke scbapenbedrijven
kan handhaven.

Trichostrongylose bij het niet-gespeende lam treedt hoofdzakelijk op de
specifieke schapenbedrijven op, waar gedurende de winter en het voorjaar
veel schapen worden gehouden. Naarmate op de bedrijven in de winter en
in het voorjaar meer gelegenheid bestaat de te gebruiken percelen langere
tijd niet voor het beweiden met schapen te bestemmen, neemt de kans van
optreden van trichostrongylose bij het niet-gespeende lam af.
Op de grotere bedrijven is het gebruikelijk lammeren vroeg te spenen en
te verkopen als weidelam. Dit is noodzakelijk omdat de bedrijven niet de
hoeveelheid voedsel kunnen produceren die nodig is om ook de lammeren
goed te voeden. De lammeren worden dan op een leeftijd van 8-12 weken
overgebracht naar rundveebedrijven, waarop ze onder gunstige omstandig-

-ocr page 161-

heden wat betreft voeding en weidehygiëne worden vetgeweid. Het aantal
lammeren dat op deze bedrijven (melkveebedrijven) wordt gehouden is zeer
klein en er treden dan ook weinig door nematoden veroorzaakte moeilijk-
heden op.

Toch kan trichostrongylose ook daar worden aangetroffen en wel:

1) Na aankoop van lammeren. Deze lammeren zijn in de regel geïnfec-
teerd met nematoden op de moederbedrijven en op tweeërlei wijze kim-
nen trichostrongyliden aanleiding geven tot moeilijkheden, n.1.:

a) doordat ze ondeskundig, dus zonder acht te slaan op de noodzake-
lijke weidehygiëne worden geweid, waardoor in korte tijd herinfec-
ties gaan optreden en subklinisch en klinisch waarneembare moei-
lijkheden het gevolg zijn;

b) doordat de dieren die werden aangekocht reeds vrij zwaar waren
besmet en reeds subkliniscbe verschijnselen aanwezig waren, die niet
snel verdwenen ondanks bet in acht nemen van de weidehygiëne.
Deze lammeren groeien dan niet in verhouding tot de kwaliteit van
het verstrekte voedsel.

2) Na langdurig verblijf op het weidebedrijf en nadat alle percelen enkele
malen werden beweid en dus besmet werden met trichostrongyliden-
eieren.

Alleen soorten waarvan de levensduur van de vrijlevende stadia lang is,
kunnen in dit laatste geval hun invloed gaan uitoefenen. Tevens moet op de
rundveebcdrijven rekening gehouden worden met het optreden van kruis-
infecties, dus met soorten die ook bij het rundvee zijn aan te treffen. In
beide gevallen zijn het
Trichostrongylus-soorten (axei, vitrinus, colubrifor-
mis)
die hiei-voor in aanmerking komen. Het zijn vooral de herfstmaanden
waarin deze .soorten zich het best kunnen ontwikkelen en handhaven.

Dc Tricliostrongylus-soorten kunnen zich zeker handhaven en een popu-
latie-uitbreiding geven op de intensievere bedrijven. Daar vormt deze ziekte
dan ook in de herfst een groot probleem voor de jonge dieren die ais fok-
dier worden aangehouden. Op deze bedrij\\cn ziet men na het spenen veel-
vuldig dat
Trichostrongyliden tijdelijk klinische moeilijkheden veroorzaken.

Het aantal jonge dieren dat bij het optreden van trichostrongylose klinisch
waarneembare moeilijkheden vertoont, is steeds groot. Trichostrongylo.se is
voor deze leeftijdsgroep een koppclziektc. Op bedrijven waar het gebruike-
lijk is lacterende schapen met lammeren in kleine groepjes op gescheiden
jDercelen te weiden, kimnen de klinische verschijnselen wel beperkt blijven
tot één of meerdere koppels van het bedrijf, terwijl op de overige percelen
de klinische verschijnselen niet worden waargenomen. Een beperking van
het aantal klinisch besmette dieren treedt ook op tegen het einde van bet
eerste levensjaar, wanneer de immuniteit bij een groot aantal dieren vol-
ledig is opgebouwd. Het komt dan voor dat bij een deel der lammeren deze
ongevoeligheid nog onvoldoende is en dat slechts bij die dieren de klinische
verschijnselen worden waargenomen.

Op de specifieke schapenbcdrijven vormt trichostrongylose slechts een be-
langrijk probleem voor de volwassen schapen indien
Haemonchus contortus
zich kan handhaven en gelegenheid heeft een populatie-uitbreiding in het
voorjaar te geven. In dergelijke koppels worden gedurende bet warmere
gedeelte van het jaar steeds bij een klein, doch soms bij een belangrijk

-ocr page 162-

groter aantal dieren, klinische verschijnselen waargenomen, die gepaard
gaan met een on\\oldoende melkproduktie.

S.A.MENV.^TTIXG.

Een overzicht wordt gegeven van de epidemiologische en klinische kenmerken van
trichostrongylose op de Nederlandse schapenbedrijven.

SUMMARY.

A review of the epidemiological and clinical features of trichostrongylosis on sheep-
farms in the Netherlands.

RÉSUMÉ.

L\'auteur présente une vue d\'ensemble des caractéristiques épidémiologiques et clini-
ques de la trichostrongylose dans les fermes de moutons néerlandaises.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird vom Verfasser eine Ubersicht der epidemiologischen und klinischen Merk-
male gegeben, betreffs der Trichostrongylose auf niederländischen Schäfereien.

Nieuwe methode voor het produceren van schapevlees.

Het gebruik van het vrouwelijk hormoon Provcra stelt de schapenhouder in staat,
om binnen 9 dagen een periode van bronst op te wekken. De ooien, die dit hormoon
niet ontvin.gen, lammen op een veel later tijdstip af. Het hormoon heeft geen invloed
op dc vruchtbaarheid en het lam.gewicht. Bij het .gebruik van dit hormoon past een
vroeger tijdstip van spenen en daarna mesten van de lammeren in een omheinde
ruimte. Dc toepassing van deze methode maakt het mogelijk om dc schapen drie keer
in twee jaar te laten lammeren, terwijl de kwaliteit verbetert en dc dieren vroeger
aan de markt zijn.

Het geslacht van de lammeren heeft invloed op de groei. Ramlammeren blijken een
snellere groei te hebben dan ooi-lammeren of weren. Het karkas van een ramlam is
vleziger, terwijl smaakproeven geen verschil aantoonden tussen de smaak van ram-
lammerenvlees en vlees van weren, mits dc lammeren jong zijn Voorzover de dieren
een leeftijd jonger dan 5 maanden hebben, is castreren overbodig. Het inplanteren
van stilboestrol had geen invloed op groei, vleeskwaliteit en vetheid. Wel bleken de
ramlammeren minder goed te groeien, wanneer deze gcïnplanteerd waren.

Veeteelt- en Zuivelberichten, V, 236, (1962).

-ocr page 163-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een abces met bijzondere inhoud.

An abscess with peculiar contents.

door D. TALSMAi)

Op 2 juni 1959 werd door een weider ons oordeel gevraagd over een dikte
aan de buikwand van een door hem gekochte drachtige vaars. Het dier
liet zich niet vangen en dus moest worden volstaan met de mededeling, dat
er een breuk, een hematoom of een abces aanwezig kon zijn.
Op 15 juni bracht de vaars een levend kalf en liet zij zich beter benaderen.
Ter hoogte van de navel bleek een zwelling te palperen waarin een dunne
plek te voelen was. Na punctie, waarbij pus werd gevonden, werd het abces
geopend en met de vinger afgetast op „scherp". Er werden twee stukken
van een glazen inseminatiepipet gevonden, resp. 5 en 3 cm lang. Tussen de
weefsellagen was een fistel te voelen, welke caudo-dorsaal verliep.

Bij navraag bij de betrokken K.I.-vereniging bleek dat de vaars op 25
augustus 1958 was geïnsemineerd en dat tijdens de rectaal geleide insemi-
natie het inseminatiepipet was gebroken. De in consult geroepen dierenarts
kon geen glas vinden en men veronderstelde dat het afgebroken einde op de
grond was gevallen.

l)e vaars werd van deze inseminatie niet drachtig, maar ondervond verder
geen nadelige gevolgen van het gebeurde. Zij werd drachtig van een volgen-
de inseminatie op 13 september 1958.

SAMENVATTING.

Bij een drachtige vaars werden in een abces bij de navel 2 stukken van een glazen
inseminatiepipet gevonden, waarvan het dier geen verdere nadelige gevolgen onder-
vond.

SUMM.\\RY.

In an abscess near the umbilicus of a pregnant heifer two pieces of a glass insemi-
nation pipette were found, of which he animal did not show further harmful effects.

Uterus ruptuur bij een pony.

Rupture of the uterus in a pony.

door M. A. SNOECK^)

In april 1961 werd mijn hulp ingeroepen bij een Shetland pony van de
heer L. te Z. Het dier was al enige tijd in partu en daar alleen het hoofd
van de foetus uit de vulva kwam, had de eigenaar getracht de beide voor-
benen te reponeren, wat hem ondanks herhaalde pogingen niet lukte.

\') Dr. D. Talsma, praktizerend dierenarts te Leeuwarden, Westersingel 46.
M. A. Snoeck, praktizerend dierenarts te Zaltbommel, Gasthuisstraat 24.

-ocr page 164-

Bij aankomst op liet bedrijf bleek het veulentje dood te zijn, verder viel het
op dat achter de pony veel bloed lag, wat de aanwezigheid van cen uterus
ruptuur deed vermoeden.

Daar de vrucht reeds dood was, werd het uit de vulva stekende hoofd af-
gesneden en de vnicht teruggeduwd. Het was nu eenvoudig beide voorbenen
vanuit schouderligging te reponeren, waarna de vrucht vlot werd geboren;
de secundinae kwamen direct mee af.

Bij nader onderzoek bleek dorsaal in de rechter uterus hoorn een uterus ru]>
timr aanwezig te zijn, die net met de hand passabel was. De merrie maakte
klinisch een goede indruk, de slijmvliezen waren niet bleek, de ademhalin<^
was rustig. ®

Besloten werd te trachten een prolapsus uteri op te wekken en dc ruptuiu\'
te hechten. De pony werd op de grond gesnoerd en vóór wat hoger gelegd;
achter de pony werd een glad houten schot gelegd met daarop een rubber
voorschoot. Via de ruptuur kon een inversio van de rechter hoorn verkre-
gen worden, waarna door enige tractie spoedig een prolapsus volgde.
De ruptuur, die wat groter was geworden, werd gehecht met catgut VI
door middel van een Lambertse doorlopende hechting, met feston steek.
Op de beide wondhocken werden nog enkele knoophechtingen geplaatst.
Na hechting werd de uterus bij het staande dier gereponeerd\', lietgeen zeer
vlot verliep. Het dier kreeg 60 cm3 sulfamezathine 831/3% intraveneus en in
de uterus enige hosta cycline staafjes.

De sulfamezathine-injectie werd nog 2 dagen herhaald. Elke dag werd de
temperatuur gecontroleerd, die echter normaal bleef.

De merrie werd in de 2e henstigheid gedekt en dit voorjaar werd een levend
hengstveulen geboren.

SAMENVATTING.

Na een abnormale verlossing bij een pony werd een uterus ruptuur waargenomen,
die kon worden gehecht nadat cen prolapsus uteri werd bewerkstelligd.

SUMMARY.

After an abnormal delivery in a pony a rupture of the uterus was observed which
could be sutured after having brought about a prolapsus uteri.

Uitbetaling van de melk naar kwaliteit.

Ingevolge besluit van het Regionaal Orgaan voor Melkhygiëne in Friesland is sinds
6 mei j.1. dc korting op de melkprijs voor veehouders, die driemaal achtereen 3e klasse
melk afleveren (de zgn. recidive gevallen), van cent per kg melk verhoogd tot
1 cent per kg. Met ingang van 30 december 1962 wordt deze korting gebracht op
1
/2 cent per kg en eind 1963 op 2 cent per kg.

Veeteelt- en Zuivelberichten, V, 228, (1962).

-ocr page 165-

UIT HET BUITENLAND

Nieuws uit Israël.

Zoals reeds op pag. 631 van dit tijdschrift werd medegedeeld, zal de cor-
respondent van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde in Israël, Prof. Dr.
J. van der Hoeden, in een aantal bijdragen de verschillende zijden
van de diergeneeskunde in Israël belichten.

Besmettelijke dierziekten in Israël.

1 )e beide laatste jaarverslagen van de Veeartsenijkundige Dienst van Israël,
aanvankelijk in de landstaal. Hebreeuws, verschenen, zijn nu in het Engels
samengevat. Zij hebben betrekking op de besmettelijke ziekten gedurende
de jaren 1959-1960.

Het land is in 14 administratieve districten verdeeld, waarin regerings-
dierenartsen werkzaam zijn in het belang van de gezondheidstoestand der
dieren. Bijgestaan door het Veterinaire Institiuit, waar alle noodzakelijke
laboratoriumonderzoekingen worden verricht en entstoffen en immuim-
sera worden bereid, is de taak der districtsdierenartsen gericht op de op-
sporing, bestrijding en voorkóming der besmettelijke dierziekten, waar-
onder ook vallen de quarantaine-dienst en keuring van levensmiddelen
van dierlijke oorsprong.

De strijd tegen het binnendringen en de verbreiding der besmettelijke
ziekten wordt aanmerkelijk bemoeilijkt door de grote lengte der grenzen
die hel land scheiden van de naburige .\\rabische staten, waarmede poli-
tieke verhoudingen beslaan die rationele samenwerking op veterinair ge-
bied onmogelijk maken.

Een tweede belemmerende factor is gelegen in de nog steeds aanwezige
behoefte tot vee-import, dat dikwijls plaats vindt uit landen waar de dier-
geneeskundige controle onvoldoende waarborgen biedt. Dit alles nood-
zaakt de Veeartsenijkundige Dienst lot uiterste diligentie en grote activiteit.
Ondanks deze bemoeilijkende omstandigheden en het grote aantal autoch-
ihone ziekten die dit deel van het Midden-Oosten (met subtropisch en
ten dele tropisch klimaat) eigen zijn, is de gezondheidstoestand van de
Israëlische veesta[)el zeer bevredigend te noemen. Het aantal der vroeger
heersende chronische dierziekten is belangrijk verminderd en verschillende
voorheen gevreesde acute infecties worden thans doorgaans succesvol be-
streden.

De maatregelen, die beogen het binnendringen van ziekten met uit het
biutenland ingevoerde huisdieren te voorkómen, vangen aan in het land
van herkomst, waar de dieren onderzocht en geselecteerd worden. Alle ge-
importeerde dieren blijven onder veterinair toezicht in quarantainestations
in de haven van aanvoer, totdat de nodige diagnostische onderzoekingen
zijn beëindigd en de gewenste preventieve entingen tegen de in het land
heersende infectieziekten zijn verricht.

De volgende bijzonderheden, ontleend aan de jaarverslagen, zijn vermel-
denswaard.

Onder de vroeger in Palestina heersende dierziekten zijn gedurende de
verslagjaren geen gevallen waargenomen van runderpest (het laatst in

-ocr page 166-

1927), longziekte der runderen (vroeger vastgesteld bij slachtdieren inge-
voerd uit Soedan), malleus (sinds 1951), Afrikaanse Paardeziekte (1944),
equine encepbalomyelitis (1942), dourine (1952), epizoötiscbe lymfangitis
(1951), derde-daagse koorts, blauwtong, trichomoniasis (sinds 1956)\' en
leishmaniasis bij honden.

Van midden mei tot midden november 1959 heerste cen epizoötie van
mond- en klauwzeer die het eerst optrad langs de Libanese en Jordaanse
grenzen en vrijwel beperkt bleef tot de Noordelijke delen van Israël. Het
„O" type virus werd als oorzaak gevonden. Verdere verbreiding werd be-
streden door vaccinatie met mono- („O") en trivalent („AOC") vaccin
uit Nederland.

Op deze epizoötie sloot in oktober 1959 een zich snel verbreidende nieuwe
infectiegolf aan, die eerst in midden 1960 tot staan werd gebracht. Deze
ziekte had een afwijkend en zeer ernstig karakter en bleek veroorzaakt te
zijn door een ander virus-type: „Asia-F\'. Bij vele der aangetaste runderen
traden de blaren het eerst op aan de tepels en hoeven en eerst later in
de bek. De sterfte onder de jonge kalveren was opvallend hoog en de ziekte
verliep bijzonder ernstig onder de varkens.

Aanvankelijk gelukte het de Vceartesnijkundige Dienst deze nieuwe uit-
braak te beperken, maar in januari 19è0 verspreidde de besmetting zich
over 12 der 14 districten van het land. Reeds in november 1959 werd een
aanvang gemaakt met een lokaal bereid vaccin dat een levend gemitigeerd
„Asia-I" virus bevatte; in een later stadium werd ook een gedood vaccin
van het zelfde virus toegepast. In het geheel werden in januari en februari
130.475 dieren geënt, waarmee de epizoötie onder de hoogwaardige Euro-
pese melkveestapels grotendeels werd gebroken.

De gevallen die zich daarna nog voordeden onder runderen, schapen en
varkens verliepen minder ernstig dan tevoren. Quarantainemaatregelen
droegen bij tot de beteugeling der ziekte.

De campagne tegen bovine tubcrculose in Israël is gebaseerd op het gang-
bare systeem van onderzoek door middel van tuberculinatie (met lokaal be-
reide P.P.D.) en het afslachten der reagerende dieren. Het aantal reac-
toren daalde van 1.40% in 1958 tot 0.80% in 1959 en 0.28% in 1960. Het
gehele Noorden en Zuiden, alsook het district Jeruzalem konden vrij ver-
klaard worden van tubcrculose. De eindstrijd behoefde eind 1960 tot
slechts 4 districten beperkt te blijven. De bestrijding werd bevorderd door
een op andere gronden uitgevoerde ministeriële maatregel die, om econo-
mische redenen, het houden van melkvee in de omgeving der steden ver-
bood (zoals in vele andere landen was ook in Israël in deze afmelkstallen
tuberculeuze besmetting het meest intensief).

Slechts één geval van paratuberculeuze enteritis bij een koe werd gerappor-
teerd in 1960. Daarentegen was de ziekte van Johne niet zeldzaam onder
schapen en geiten, hoewel de ernst der verschijnselen plaatselijk sterk
uiteenliep.

Bij de oprichting van de Staat, in 1949, heerste brucellosis alom, voor-
namelijk onder het vee rondom de steden (in het district Tel-/\\viv waren
43% der melkveekudden en 25% der individuele koeien besmet; 53.3%
der melk-mengmonsters bevatten levende
Brucellae). Deze alarmerende
getallen noopten tot energiek ingrijpen.

-ocr page 167-

De volgende maatregelen werden door het Veeartsenijkundig Staatstoezicht
uitgevoerd: alle (ongeveer 1600) serologisch reagerende runderen werden
kenbaar gemaakt door een brandmerk; verplaatsing zowel binnen als naar
buiten de meeste besmette gebieden zonder vergunning van de Veeartsenij-
kundige Dienst werd \\erboden. Niettemin werd de toestand kritieker ten-
gevolge van de omvangrijke invoer van vee uit het buitenland (in 1950-\'52:
14.000 koeien en vaarzen) voornamelijk uit Noord-Amerika, waarbij de ver-
eiste verklaringen van gezondheid uit het land van herkomst niet altijd vol-
doende waarborg bleken te zijn. Op grond van deze ervaringen werd be-
sloten tot actieve immunisering met het B-19 vaccin over te gaan. Na 1953
werd routine-enting der kalveren doorgevoerd.

De gevolgen dezer maatregel waren zeer gunstig: reeds in 1956 was het land
zo goed als vrij van besmetting met
Br. abortus; in 1957 werd de infectie
in slechts één melkvee-stal waargenomen en de gehele kudde werd opge-
ruimd; hetzelfde vond plaats in een klein bedrijf in 1959; in 1960 werd
geen enkel geval van bovine brucellose meer waargenomen. Wel werd de
besmetting vastgesteld bij enkele der 3.000 uit Turkije en der 10.000 uit
Joegoslavië geïmporteerde slachtkoeien, en deze waren het uitgangspunt
\\an infecties bij het lokale vleesras (al kon het organisme slechts bij uitzon-
derng worden aangetoond). Kalver-vaccinatie dezer dieren leverde het-
zelfde nuttige effect als bij het melkras.

•Andere verhoudingen heersten bij de kleine herkauwers, waarvan ver-
schillende besmet waren met
Br. nielitensis. Dit blijkt onder andere uit het
niet zeldzaam optreden van maltakoorts onder de bevolking (57 gevallen
gerapporteerd in 1959, 21 in 1960), hetgeen als regel terug te voeren is op
het gebruik van schape- en geitemelk of -kaas.

„Tick-borne diseases" der runderen zijn een bron van grote schade.
Zij komen vooral \\oor gedurende de droge zomer- en herfstmaanden en
zijn meestal gebonden aan bepaalde streken van het land. Theileriasis
(Th.
annulata)
wordt met goed effect bestreden door tweemalige enting (eerst
met een gemitigeerde stam, daarna met een meer virulente) ; de vaccinatie
zelf eist ongeveer 1% slachtoffers. Tegen anaplasmose
(A. marginale) wor-
den de runderen der endemische gebieden sinds 1951 geënt met een uil
Zuid-.^frika afkomstige stam van de verwante
A. centrale. In 1960 werden
101 gevallen van
Babesia bigemina-mli^cXK, 209 gevallen van Babe.nella
/^erbera-besmetting en 92 gemengde infecties gerapjjorteerd. B. berbera
richt de grootste schade aan omdat, in tegenstelling met B. bigemina, tegen
deze parasiet nog geen effectieve therapeutische middelen bekend zijn. Het
zwaartepunt der bestrijding ligt bij de verdelging der protozoën-overbren-
gende teken
(Hyalomma, drager van Theileria; Rhipicephalus en Boophilus,
vectors van B. bigemina, B. berbera en A. marginale).

Slechts enkele gevallen van infectie met B. equi en B. caballi werden bij
]jaarden waargenomen.

Vibriosis werd in 1959 slechts bij 3 runderen \\astgesteld en in het geheel
niet bij het schaap. In i960 werd geen enkel geval gerapporteerd. Deze
ziekte heeft opgehouden een vraagstuk van veterinair belang te zijn; hier-
toe heeft ongetwijfeld de vrijwel uitsluitend toegepaste kunstmatige be-
vruchting der melkkoeien bijgedragen.

Verschillende gevallen van leptospirosis door het serotype grippotyphosa
werden waargenomen in kudden van melkvee en geiten. Behalve bij honden

-ocr page 168-

werd L. canicola-inicctk ook gevonden bij runderen. Leptospirosis-grippo-
typliosa werd 25 maal gerapporteerd bij mensen, voornamelijk onder de
plattelandsbevolking.

Miltvuur is een zeldzame ziekte geworden (3 infecties bij dieren in 1959,
6 in 1960) sinds de uitvoering van massale vaccinatie waaraan de dieren
jaarlijks worden onderworpen (in 1960: 15.313 runderen, 41.414 schapen,
2.624 geiten, 301 paarden en 151 kamelen). Deze maatregel is eveneens
heilzaam voor de volksgezondheid (in 1960 werd slechts één humane in-
fectie gemeld).

In 1959 werd houtvuur niet waargenomen, in 1960 slechts één geval. Boos-
aardige catarraal-koorts
werd 6 maal \\ astgesteld in 1959, één maal in
1960;
haeniorrghagi.sche septicaemmie één maal in 1960; listerellosis bij 4
schapen in 1960;
Q-koorts bij één schaap in 1959 en bij verschillende run-
deren in 1960.

Salmonellosis-abortu.s-ovis werd in 1960 ingevoerd met uit Duitsland af-
komstige merino-schapen; voordien was deze ziekte nooit in Israël waarge-
nomen.

In 1959 werden 4, in 1960 talrijke gevallen van enterotoxemia gevonden bij
schapen en geiten. Het aantal preventief gevaccineerde dieren bedroes
64.707. ^

Vijf gex allen van schaapspokken werden gemeld in 1960. De ziekte geeft
aanleiding tot sterfte onder lammeren.

Besmettelijk ecthyma kwam in beperkte mate voor. Gedurende het jaar
1960 werden 8.097 dieren daartegen geënt. Ook
besmettelijke agalactia
kwam af en toe voor. Slechts éénmaal werd sarcoptes schurft waargenomen
bij schapen in 1959 en 1960 en één geval van varkenspest werd genoteerd.

De snelle verbreiding van Afrikaanse paardesterfte die in 1959-1960 in het
Nabije Oosten heerste bereikte de grenzen van Israël (Irak, Syrië, Libanon,
Jordanië) en dwong de Veeartsenijkundige Dienst tot krachtdadige be-
schermende maatregelen.

Het Veterinaire Instituut werd belast met de bereiding van een polyvalent
vaccin van uit Onderstepoort ontvangen virusstammen. De grensgebieden
werden van vliegtuigen uit bespoten met antiparasitica ter verdelging van
potentiële vcctors. Pers en radio werden ingeschakeld en de eigenaren van
paarden werden ingelicht over het dreigende gevaar. Vaccinatie werd
toegepast bij 9.898 paarden, 6.505 muildieren\' en 412 ezels; de geënte
dieren werden gebrandmerkt. Als gevolg van de vaccinatie stierven 0.14%
der behandelde paarden, 0.27% der muildieren en 0.24% der ezels. Boven-
dien vertoonden verschillende dieren na de enting ziekteverschijnselen
(„dikkop" bij paarden, blindheid bij andere equiden).
.•\\fgezien van dit risico schijnt het dat de energieke diergeneeskundige maat-
regelen inderdaad het binnendringen van de in de omgeving alom aan-
wezige besmetting te hebben verhinderd.

Vlekziekte werd in 1960 alleen vastgesteld bij uit Argentinië geïmporteerde
otters.

Hondsdolheid is een ernstige bedreiging gebleven van mens en dier.
In 1959 werden 49 gevallen vastgesteld bij dieren, in 1960, 58 gevallen, n.l.

-ocr page 169-

tezamen: bij 61 honden, 5 katten, 28 runderen, 8 varkens, 1 paard, 1 geit,
2 jakhalzen, 1 vos en 1 antiloop. Verreweg de meeste infecties traden op
langs de landsgrenzen waar vele straathonden en jakhalzen besmet zijn.
In één landbouw-nederzetting werden 15 der 22 aanwezige runderen en
2 honden tegelijkertijd besmet gevonden.

Gedurende 1959-1960 zijn 2.070 personen tegen rabies gevaccineerd; 2
kinderen stierven. In dezelfde tijd werden 30.617 honden tegen honds-
dolheid geënt, 44.982 honden en 7.110 katten gedood; 324.148 monsters
gif-bevattend lokaas werden uitgelegd ter verdelging van jakhalzen; 11.421
dieren, waaronder 10.293 honden werden geobserveerd in quarantaine.

P.sittacosis werd vastgesteld bij één papegaai en verschillende wilde duiven.

Onder de ziekten van hoenders werden aangetroffen: vogelpokken, laryngo-
tracheitis, chronisch respiratorisch lijden, de ziekte van Newcastle, salmo-
nellosis en infectieuze virus-encefalitis.

Behalve de hierboven genoemde infecties, waarbij aangifte wettelijk ver-
plicht is, zijn nog de volgende aandoeningen vermeld: actinomycose en
actinobacillose, botulisme bij paarden en muildieren (welke grote verliezen
te weeg brengt in het Zuidelijk deel van het land), mastitis, steriliteit, abor-
tus van niet bekende oorsprong, vergiftiging door planten en chemische
stoffen, leucaemie bij nmderen en adenomatose bij schajien.

New Post-graduate Centres Suggested.

Sir, I was inerested to read in the recent report of the Council of the R.C.V.S. that
because of shortage of staff, university teachers are finding it hard to strike a balance
between teaching and research. It also appears that there is a .general shortage of
research workers.

I have felt for some time that there should be a closer integration between the vete-
rinary schools and the research centres and that there should be reciprocal arrange-
ments for the transfer of staff from one institute to another. I also believe that as a
result of administrative expediency some of our research laboratories are too large, and
that because of ovcrcentralisation certain areas of the country have been neglected.
I suggest that in order to reduce the pressure on the existing universities and to
release some of the workers from their over-crowded conditions at the main labora-
tories, 2 new centres for post-graduate training and research should be established.
One should be affiliated to the University of Wales and the other to the new Uni-
versity of York.

As well as diploma courses in veterinary state medicine, veterinary bacteriology and
veterinary parasitology, these institutes should also offer courses in clinical medecine
and surgery and be willing to accept both home and overseas students who are qua-
lified to undertake a course of training leading to a higher degree.

Vet. Rec., 16 Juni 1962.

-ocr page 170-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

ENTING TEGEN PNEUMOKOKKEN BIJ HET RUND.

Hammer, D.: Die Immunisierung trächtiger Rinder gegen Pneumokol<ken-Poly-
saccharide und die biologische Bedeutung der in Kolostrum ausgeschiedenen spezi-
fischen Antikörper.
Zb/, VetMed., 8, 26, (1961).

In de loop van 8 jaar werden in Zuid-Baden 4786 pneumokokkenstammen uit kal-
veren geïsoleerd, en serologisch getypeerd. De infectie kwam het meest in het koude
jaargetijde voor, voornamelijk in december, januari en februari.
Het infectiegevaar blijkt zich tot de eerste 3 levensweken te beperken. De bij de mens
voornamelijk voorkomende typen 1, 2 en 3 komen maar in zeer gering percentage
(1,5%) voor. Het betreft hier Pneumokokken van dc typen met de hogere nummers.
Als preventieve maatregel werden de mocderdieren actief geïmmuniseerd met de
specifieke kapselpolysacchariden van meerdere typen tegelijk. Deze werden bij de
droogstaande koeien in de uicrcystcrne ingespoten via het tepelkanaal.
De hierdoor opgewekte antilichamen waren in het bloedserum na 14 dagen aantoon-
baar, en bereikten hun top na 3-6 weken. Daarna daalt de titer met cen geringe
stijging na het kalveren.

Grote hoeveelheden antilichamen worden met het colostrum uitgescheiden. Dit co-
lostrum gaf een goede beschutting aan daarmede gevoerde kalveren tegen expe-
rimentele nasale infectie.

De actieve immunisatie van hoogdrachtigc koeien schijnt daarom cen goede methode
om het infectierisico van het kalf grondig te veranderen, zodat H a m m e r deze-
in een georganiseerde ziektebestrijdingsplan zou willen zien opgenomen.

C.\'. A. van Dorssen.

ANTISTOl-TEN BIJ CAVIAE NA BESMETTING MET MOND- EN KLAl^W-
ZEERVIRUS.

C a r t w r i g h t, B.: A study of the antibodies in guinea-pigs with foot and mouth
disease virus.
]. Immunol., 88, 128, (1962).

Door middel van precipitatiercactics en immunoëlcktroforcse was door anderen reeds
hct vermoeden geuit, dat het mond- en klauwzeervirus uit 2 antigenen is opgebouwd.
Men onderscheidt cen 7 mp. en cen 25 m^x grote component. Eerstgenoemde fractie
is thcnnostabicl (1 uur bij 56° C), niet infectieus, en daardoor op eenvoudige wijze
tc scheiden van de thermolabiclc, infectieuze 25 m^j, fractie.

Na adsorptie van het homotypische antiserum met cen overmaat van de niet-infec-
tieuze (7 lUfx) fractie, bevindt zich nog een tweede antistof in het serum, die het
virus neutraliseert en die cen prccipitatielijn geeft in agar met dc 25 ni^ fractie.
Ook kan deze infectieuze (25 m^) fractie zich binden met de antistoffen tegen het
niet-infectieuze (7 m/x) deel.

Bij de complementbindingsreactie blijkt echter, dat deze binding berust op dc som
van de twee aparte componenten, de 7 m^ en de 25 m^ virus component, en dat
deze complcmentbindende antistoffen in geen enkel opzicht verband houden met dc
virusneutraliserende werking van het serum.

II. A. E. van Tongeren.

VIRUSDR.AGERS BIJ BIGCENPNEUMONIE.

Bontscheff, N. und Andrew, J.: Die Virusträger bei der Ferkelpncumonie
Zbl. Bakt. I Org., 183, 401, (1961).

Uit proeven bleek dat het virus van biggenpneumonie niet alleen met het ncus-
secreet maar ook met het vaginaalslijm en melk van de moederzeugen werd uitge-
scheiden. Het werd hieruit door enting op bebroede eieren geïsoleerd. Dit gelukte

-ocr page 171-

bij alle zeugen met zieke biggen, terwijl in vaginaalslijm van een zeug met gezonde
biggen ook het virus werd aangetoond.

Verder werd ook virus aangetoond in longen en bijbehorende lymfklieren van biggen
die de pneumonie doorstaan hadden.

C. A. van Dorssen.

Fysiologie en fysiologische chemie

BROOMSULF.ALEÏNE LEVERFUNCTIEPROEF BIJ DE HOND.

Mi elke H.: Der Bromsulphalein-Leberfunktionstest beim Hund.

I. Mitteilung: die direkte Bestimmung der Farbstoffretention. Arch. exp. VetMed.,
XIII, 358, (1959).

Schrijver geeft eerst cen uitvoerig overzicht van medische en veterinaire literatuur
op dit gebied.

Broomsulfaleïne behoort tot de reeks van kleurstoffen, die toegepast worden om het
uitscheidingsvermogen van de lever te testen.

Het intraveneus toegediende broomsulfaleïne wordt door de lever uitgescheiden; de
na bepaalde tijd in het bloed nog aanwezige hoeveelheid wordt bepaald. Deze be-
paling wordt gestoord door galkleurstoffen, zodat bij icterische dieren de proef niet
is uit te voeren, evenmin met hemolytisch serum. De proef bewijst ook niet meer,
dan dat de excretorische functie van dc lever is gestoord, zoals dit voorkomt bij
hepatitiden, bij levercirrhosis, ten gevolge van toxinen vettig gedegenereerde lever,
bij stuwingslcver en bij parenchymateus gedegenereerde levers. Voor de prognose
van het verloop van de leveraandoening kan de test ook aanwijzingen geven.
Om aan te geven hoeveel broomsulfaleïne na een bepaalde tijd nog in het bloed-
plasma aanwezig is, kan uitgegaan worden van cen begin van 100% bijvoorbeeld
overeenkomend met 5 mg per kg, intraveneus ingespoten. Na 4.5 minuten was bij
gezonde honden 5% of minder hiervan nog in het blocdplasma aanwezig.
Een andere methode is, waarbij na bepaalde tijd bepaald wordt, hoeveel mg broom-
sulfaleïne zich in 100 cm-\' plasma bevindt, dus hoeveel mg% aanwezig is.
Een derde methode is die, waarbij de zogenaamde empirische waarde (EW) wordt
ingevoerd met daarnaast de retentieïndex. Op bepaalde tijdstippen na de intra-
veneuze injectie van broomsulfaleïne-oplossing worden de concentraties in het bloed
bepaald. De methode door M i c 1 k e toegepast, bestaat hierin, dat intraveneus per
kg lichaamsgewicht 0,1 cm\'\' van een 5%-oplossing broomsulfaleïne wordt ingespoten,
nadat 2\'/; cnv\' bloed voor de blanco proef is afgenomen; 3 minuten na de injectie
wordt de eerste punctie verricht, 45 minuten later de tweede. Het serum mag niet
hemolytisch zijn, daarom is plasma misschien te prefereren. Het scrum wordt door
centrifugeren gewonnen. Aan 2,5 cm-\'\' NaC;i-oplos.sing (0,85%) wordt 0,5 cm-\' serum
toegevoegd en daarna 2 druppels van cen 10%. NaOH-oplossing; er ontstaat een rood-
violctte kleuring door de broomsulfaleïne.

De quantitatieve bepaling geschiedt fotometrisch. Hcmolysc, Icterus en lipemie storen
de bepaling ernstig.

Bij gezonde honden bedraagt de empirische waarde niet meer dan 0,03 en de retentie-
index niet meer dan 4,3%; bij levercirrhosis schommelen deze cijfers respectievelijk
tussen 0,10 en 0,49 en 10% en 43%; ook bij levertumoren, leucose en stuwingslever
worden verhoogde waarden gevonden. Bij sepsis en vervette lever zijn de afwijkingen
van de waarden minder overtuigend.

Bij sommige morfologisch geringe leverafwijkingen werden vrij sterke afwijkingen ge-
vonden en ook bij levers die morfologisch geen veranderingen vertoonden. Bij cen
beginnende cirrhosis geeft dc broomsulfaleïne uitscheidingsrcactie geen afwijkin.gen.

II. Mitteilung: die Bestimmung indirekter Eliminationsgrössen. Arch. exp. VetMed.,
XIII, 381, (1959).

Het mechanisme van de uitscheiding van sommige kleurstoffen door de nieren, en
andere door de lever, berust op de reactie van de kleurstoffen; zure worden over-

-ocr page 172-

wegend door de gal uitgescheiden, deze hebben een sterkere binding aan albuminen
en een lagere dissociatieconstante. Volgens sommige onderaoekers wordt de broom-
sulfaleïne eerst gebonden aan de Kupffersche stercellen van het R.E.S., vanwaar het
overgaat naar het leverparenchym.

Uit verschillende experimenten blijkt dat de hoeveelheden, die sterk variëren al naar
de opzet van het experiment, buiten de lever om geëlimineerd kunnen worden.
Waarschijnlijk wordt een deel van de broomsulfaleïne uit de darm nog weer terug
geresorbeerd.

Andere beoordelingsmethoden voor de snelheid van de uitscheiding van broom-
sulfaleïne zijn, door de uitscheiding uit te drukken in procenten, eventueel logarit-
misch uitgedrukt; door de broomsulfaleïne clearance te bepalen, of door de half-
waarde tijd te bepalen.

In het eigen onderzoek heeft de schrijver de meeste aandacht besteed aan de elimi-
natie-constante in de halfwaarde tijd. Hiertoe is het nodig, de bepaling te doen vóór
het toedienen van de broomsulfaleïne en op 3-10 minuten na de intraveneuze injectie.
De resultaten kwamen overeen met die uit de eerste mededeling.

III. Mitteilung: der Zwei-Farbstoff-Test. Arch, exp, VetMed., XIII, 860, (1959).
Naast de uitscheiding van broomsulfaleïne werd bestudeerd die van Trypanrot. Deze
laatste kleurstof geeft geen nevenwerkingsverschijnselen, stoort de broomsulfaleïne
uitscheiding niet, is er colorimetrisch goed van te onderscheiden en moet de bloed-
baan zo langzaam veriaten, dat gedurende dc aangenomen eliminatie-tijd van broom-
sulfaleïne geen merkbare daling van dc bloedspiegel optreedt.

In de te injiceren vloeistof bevindt zich per ml 30 mg broomsulfaleïne en 10 mg
trypaanrood; hiervan wordt ± 1 ml per 6 kg lichaamsgewicht intraveneus ingespoten.
Na 5 minuten wordt het eerste bloedmonster afgenomen. De waarden worden af-
gelezen op van te voren opgestelde ijkcurves. Gedurende de eerste 10 minuten ver-
andert de trypaanrood-bloedspiegel nauwelijks. Wel is gebleken dat de broomsulfa-
leïne uitscheiding in deze tweckleurenstoffenproef, wat langzamer is, dan wanneer
deze kleurstof alleen wordt toegediend. In de gecombineerde proef blijkt de trypaan-
rood test voor de hond ook bruikbaar; moeilijkheden in de aflezingen kunnen ver-
oorzaakt worden in de vorm van lichte troebeling, afkomstig van de „Bezugslösung".
De artikelenreeks van Mielke leent zich niet tot een referaat waar alle technische
bijzonderheden en moeilijkheden worden op.genomen, maar is zeer de moeite waard
.gelezen tc worden door hen die zich interesseren voor het moeilijke terrein van de
functionele leverdiagnostiek.

G. H. B. Teunissen.

GEDR.\\G VAN R.-^DIOACTIEF FOSFORUS NA LNTR.AVENEUZE INIECTIE
BIJ BUFFELS.

Abd. Elwahab, F. and R a a f a t, M. A.: The behaviour of radio-active phor-
phorus in Egyptian Buffaloes milk after intravenous injection.
Meded. Vee-

artsenijschool Gent, no. 5, 1961.

In deze korte mededeling wordt een onderzoek beschreven over de invloed van een
intraveneus geïnjiceerde dosis van 1 mc P^^ bij een buffel. Vergeleken met een
contróledier konden geen significante veranderingen worden geconstateerd in melk-
gift en een aantal melkparameters zoals Ca-gehalte, eiwitgehalte, vetgehalte en droge
stofgehalte. In enkele grafieken wordt de uitscheiding van P-\'\'^ in melk, urine en
faeces weergegeven.

/. van den Hoek.

HET KOPERGEHALTE VAN HET BLOED VAN HUISDIEREN.

M c C O s k e r, P. J.: Observations on blood copper in domestic animals. Clin. Chim.
Acta,
6, 889, (1961).

Het koper dat in het bloed aanwezig is, komt voor in 3 hoofdfracties, n.1. als koper
in erytrocyten en als twee soorten plasmakoper.

-ocr page 173-

Deze laatste kunnen door hun reactie met natrium di-ethyldithiocarbamaat verdeeld
worden in direct reagerend koper, dat los gebonden is aan het serumalbumine, en
in indirect reagerend koper of ceruloplasmine. Nagegaan werd in welke vormen het
koper aanwezig is bij normale huisdieren en welke variaties in deze kopcrfracties kun-
nen optreden bij verschillende fysiologische en pathologische toestanden. De proeven
werden verricht bij volwassen gecastreerde rammen als prototype.
Hierbij werden als normale kopergehalten gevonden: in totaal bloed 0,98 ± 0,14
Cu/ml, in plasma 1,02 ± 0,11 ^g Cu/ml, als direct reagerend 0,20 ± 0,04 ^g Cu/ml,
als indirect reagerend 0,81 ± 0,14 /xg Cu/ml en in erytrocyten 0,95 ± 0,16 fj,g
Cu/ml.

De kopergehalten van foetaal bloed, in de laatste week voor de partus, waren voor
totaal bloed en plasma resp. 0,45 ± 0,17 en 0,26 ± 0,08 ^g Cu/ml. Voor pasgeboren
lammeren waren deze waarden resp. 0,67 ± 0,15 en 0,50 ± 0,16 fxg Cu/ml.
De lagere waarden voor het plasmakoper ten opzichte van het koper,gehalte van het
totale bloed werden veroorzaakt door de afwezigheid van indirect reagerend koper
Haemonchus contortus.

Ditzelfde treedt op bij varkens, runderen, paarden en katten.

De lage kopergehalten bij lammeren stijgen tot de gehalten van de volwassen dieren
in drie dagen na de partus.

Verhogingen van het kopergchalte van het bloed bij volwassen schapen werden waar-
genomen bij stafylokokkenmeningitis, acute artritis, zoolzweren, trichostrongylose,
hypocalcemie, hypomagnesemie, acetonemie, wondsepsis na operatie en na intra-
musculaire terramycinetoediening. Deze verhogingen waren het gevolg van ver-
hogingen van het gehalte aan ceruloplasmine.

Verlaging van het kopcrgehalte van het bloed trad op bij chronische infectie met
Haemonchus contortus.

Bij koperdeficiëntie, zowel bij lammeren als bij volwassen schapen heeft een verlaging
van alle koperfracties plaats. Orale toediening van koper bij dergelijke lammeren
veroorzaakt een stijging van alle drie koperfracties, het eerst in de direct reagerende
fractie.

Bij chronische kopervergiftiging waien de veranderingen in het kopergehalte van
het bloed een gevolg van de veranderingen in dc gehalten aan dircct reagerend
koper en het koper in erytrocyten.

A. J. H. Schotman.

.\'VNTILICHA.\'^MVORMING DOOR RUNDERFOETEN.

F e n n e s t a d, K. L. and Bor g-P c t e r s e n, C.: Antibody and plasma cells in
bovine fetuses infected with
Leptospira Saxkoeking. J. inf. Dis., 110, 63, (1962).
Vaak wordt aangenomen dat foeten van runderen en van andere hoefdieren niet in
staat zijn antilichamen te vormen.

Zes runderen werden in de 4e tot 6c maand van de dracht intraplacentair met
Leptospira Saxkoeking besmet. Twee aborteerden en één foetus mummificeerde.
De drie andere runderen werden 1 ä 2 maanden later geslacht. Bij de foeten werd
interstitiële nefritis aangetroffen en in 2 gevallen werden leptospiren in dc nieren
aangetoond, In tegenstelling tot normale foeten van dezelfde leeftijd waren plasma-
cellen gevormd, terwijl in het serum van de foeten agglutininen werden aangetoond.
Door verschillende recente onderzoekers wordt aangenomen, dat de circulerende anti-
lichamen door plasmacellen worden gevormd.

C. A, van Dorssen.

Heelkunde

ACTINOMYCOSE BIJ DE ZEUG.

M i c k w i t z, G. v.: Die Operation der .\'Vktinomycosc und ihre Erfolgaussichten bei
der Sau.
Tierärztl. Umschau, 16, 418, (1961).

Na een klein literatuuroverzicht en beschrijving van de operatiemethodiek worden de

-ocr page 174-

resultaten besproken van 30 «fegens uieractinomycose geopereerde zeugen, vviaarvan het
ziekteverloop gevolgd kon worden. Het bleek, dat 10 van deze dieren opnieuw na kor-
tere of langere tijd geïnfecteerd raakten. Slechts 8 zeugen werden na de partus op-
nieuw gedekt. Van de 21 hiernaar gevraagde eigenaren waren er toch 18 van mening,
dat deze operatie lonend was geweest.

Objectief gezien staat dit voor de schrijver, gezien het resultaat van zijn enquête,
niet zonder meer vast. Blijkt de te behandelen zeug reeds vrij oud te zijn en waar-
schijnlijk toch niet meer voor de fokkerij gebruikt te worden, dan lijkt de voorkeur
gegeven tc moeten worden aan een conservatieve behandelingsmethode, die met min-
der moeite voor de dierenarts gepaard gaat, bv. cen eenmalige intratumorale injectie,
verdeeld over meerdere plaatsen, van cen pcnicilline-streptomycinemengsel.
Bij jonge, goede zeugen prefereert hij de operatieve behandelingsmethode, tenminste
in die gevallen, waar het actinomycoom goed begrensd is.

A. W. Kersjes.

1

PR.^KTISCHE ERVARINGEN MET 10% CHLOROMYCETINE TINCTUUR.

Marx, H. von: Praktische Erfahrungen mit Chloromycetin-Aerosol-Tinktur.
Der Praktische Tierarzt, 90, (1962).

Von Marx haalt enkele literatuurgegevens aan, o.a. S t e w a r t, die in de Aitstr.
Vet. Journ., Vol.
30, no. 7, (1954) dc behandeling van rotkreupel bij schapen met
10% Chloromycetin in methylalcohol of propylenglycol beschrijft en daarbij van de
107 behandelde klauwen in 87% van de gevallen na een éénmalige behandeling ge-
nezing verkrijgt en Penny, die na een éénmalige behandeling van rotkreupel met
10% chloromycetine van de 50 schapen na 14 dagen nog slechts bij 5 schapen een
tweede behandeling behoefde in te stellen.

Het wegsnijden en wegknippen van losse delen aan de hoef is ook voor een behan-
deling met chloromycetine noodzakelijk.

V O n M arx zag zelf goede resultaten van de toepassing van Chloromycetine-Aerosol-
tinctuur bij grote operatiewonden, vaginaverwondingen, tepelvcrwondingen, eczemen
en geïnfecteerde huidletsels, otitis bij honden, het „geel" bij duiven en andere af-
wijkingen.

P. Tacken.

Inwendige ziekten

JEUK EN ORGAANZIEKTEN.

W i n k e 1 m a n n, R. K.: Dermatologie clinics. Comments on pruritis related to
systematic disease.
Proc. Mayo Clinic, 36, 187, (1961).

De schrijver deed een onderzoek in hoeverre de over jeuk beschikbare gegevens van
dienst kunnen zijn bij dc verdere bestudering van dc pruritis in de kliniek.
Aan de orde komen dan, met uitsluiting van psychogene, seniele en lokale pruritis,
die systcemaandocningcn, welke gepaard gaan met pruritis: infectie (trichinosis,
echinococcosis), allergie (medicamenten o.a.), endocrine stoornissen (diabetes mel-
litus en stoornissen der gl. thyreoidea), zwangerschap, leveraandoeningen, nicraan-
doeningen en gezwellen.

Verschillende van deze aandoenmgen zijn in de diergeneeskunde nog niet beschreven
Voedseldeficiënties (avitaminosen en tekort aan vetten) en enkele andere endocrine
stoornissen spelen daar vermoedelijk vaker een rol.

H. L. L. van Werven.

Kunstmatige Inseminatie

INVLOED VAN LICHT EN KLEURSTOFFEN OP LEVENDE STIERE-
SPERMATOZOËN.

Duijn Jr., C. van (Nederland): Effects of light and photosensitization by some
vital stains and fluorochromes on living bull spermatozoa.
Rapport IVe Int. Congres
„Voortplanting bij Dieren", Scheveningen, 1961.

-ocr page 175-

In verband met het gebruik van klcurstoftoevoeging aan spermamonsters, voor iden-
tificatiedoeleinden, toepassing van fluorochromen met het oog op het kunnen be-
oordelen van beweeglijkheid van spermatozoa in troebele media en voor de levend/
dood kleuring, werd door de rapporteur cen onderzoek ingesteld naar de invloed van
een aantal kleurstoffen en fluorochromen in het donker en in het licht op sticre-
spcrmatozoa. Uit de literatuur was reeds bekend dat licht cen schadelijke invloed
heeft op spermatozoa en wel als gevolg van dc aanwezigheid van een optische sensi-
bilisator in de cel.

Verder was bekend dat alle fluorescerende kleurstoffen, zowel als de meeste niet
fluorescerende, een fotodynamischc werking uitoefenen. Dit wil dus zeggen dat licht-
energie wordt overgedragen op bestanddelen, waaraan de kleurstof geadsorbeerd is
en waardoor deze bestanddelen lichtgevoelig worden, resp. meer lichtgevoelig dan ze
zonder toevoeging waren.

De rapporteur voerde zijn onderzoek uit met behulp van Rikmenspcx-ls foto-elektrische
methode (zie
Tijdschr. Diergeneesk., 85, 909, 1960).

De invloed van licht en kleurstoffen op de bcwcgingssnelheid en het tempo van de
snclheidsdaling en de vermindering van het aantal normaal bewegende spermatozoa
werd nagegaan.

Er werd reeds een sterke schadelijke invlcK\'d van licht alleen gevonden, dus bij af-
wezigheid van kleurstoffen. Dit zou kunnen betekenen dat in de K.I.-praktijk het
sperma steeds zorgvuldig tegen lichtinwerking beschermd dient te worden. Deze
schadelijke lichtinvloed werd door alle onderzochte kleurstoffen vergroot, zij het ook
in verschillende mate. Met uitzondering van toluidincblauw hadden dc onderzochte
kleurstoffen bij absolute duisternis geen schadelijk effect in concentraties van 0,5-200
p.p.m.

Op grond van deze schadelijke invloed van kleurstoffen bij aanwezigheid van licht
op de spermatozoa lijkt het beter om geen kleurstoffen aan het te insemineren sperma
toe te voegen.

Tenslote bleek dat rhodaminc-B en primuline .geschikt waren voor de fluorimetrische
bepaling van de concentraties levende en dode spermatozoa daar hier slechts kleine
hoeveelheden kleurstof aan het verdund sperma worden toegevoegd en de schadelijke
werking van beide kleurstoffen ook minder groot zijn, dan bij andere kleurstoffen.

ƒ. C. Aalbers.

Zootechniek

HET RUWVOER TIJDENS DE OPFOK.

Baleh, C. C., Campling, R. C., Johnson, V. W. and Roy, Jill.: The
effect of the level of roughage durin.g the rearing period on the utilization of food
by adult cattlc.
Brit. J. Nutrition, 14, 379, (I960).

Voor deze procf werd gebruik gemaakt van 5 paar écnciige tweelingen. Na het af-
wennen werden dc tweelingen gescheiden. Dc ene groep kri-cg per dag 2 Ibs kracht-
voer en hooi ad libitum. De zusters in de andere groep ontvingen slechts ± 40%
van deze hoeveelheid hooi. Dc hoeveelheid krachtvcK\'r werd voor deze groep ver-
hoogd en zo gedoseerd, dat tussen de zusters geen gcwichtsverschil optrad.
Tijdens de drachtigheid werden met elk dier 3 verteringsproeven uitgevoerd, waarbij
zowel de verteerbaarheid van het hooi alleen als van de beide rantsoenen werd na-
gegaan. Uit de gegevens bleek dat noch het verteringsvermogen, noch dc ruwvocder-
opame-capaciteit was beïnvloed door het gebruikte rantsoen. Tevens bleken de
tweeling-zusters in lichaamsgrootte niet te verschillen.

(Deze proefgegevens zijn geen steun voor de veel gehoorde mening, dat de hoeveel-
heid ruwvoeder, welke door een volwassen dier kan worden opgenomen en benut
door de in de jeugd verstrekte hocveclhed is te beïnvloeden. Ref.)

K. K. van Hellemond.

-ocr page 176-

BOEKBESPREKING

TUMORS IN DOMESTIC ANIMALS.
J. E. Moulton.

(University of California Press, 1961. Prijs $ 12.50)

Gedurende de laatste 20 jaren zijn er enkele samenvattende werken over diertumoren
veschenen die — hoe belangrijk zij ook waren — toch het kenmerk droegen van het
voorlopige en het eenzijdig casuistische.

Het wachten was op een grcx>t overzichtelijk werk, dat behalve casuistiek en litera-
tuur, ook de algemene tumorbiologie als onderwerp zou hebben. Dit werk is nu ver-
schenen van de hand van een Amerikaans Veterinair patholoog-anatoom: Moulton.
Moulton nu heeft de moed gehad om in bijna 300 blz. eerst de algemene tumor-
biologie te behandelen, vervolgens aan de hand van een indeling in 9 hoofdstukken
de tumoren per orgaansysteem te bespreken en tenslotte een literatuurlijst van liefst
1254 geselecteerde publikaties samen te stellen.

De eerste 20 bladzijden zijn gewijd aan de tumorbiologie, waarbij zowel de indeling
en nomenclatuur van de diertumoren, hun voorkomen bij de verschillende diersoorten
en in de verschillende delen van de wereld een korte bespreking krijgen.
Interessant is de uiteenzettin.g over mo.gelijke aetiologische achtergronden, waarbij dc
virus.genese van verschillende tumoren (vnl. de verschillende papillomen en leucosen)
bij onze huisdieren een grote rol speelt.

Ook mogelijke parasitaire verwekkers (Spirocerca lupi) en verschillende experimenteel
gebruikte carcinogenen krijgen een korte maar duidelijke beschouwing, terwijl
bestraling, trauma en erfelijkheid als nog wat onzekere factoren een voorzichtige
bespreking krijgen. Als prccancereuse aandoeningen worden acanthosen en papillomen
beschouwd en wel als voorstadia van het plaveiselcelcarcinoom van de orbita bij de
koe, terwijl met grote waarschijnlijkheid aangenomen wordt dat melkgangpapilloma-
tose in de mamma van de hond en bepaalde ophopingen van melanoblasten in de
huid van oudere schimmelpaarden precancereus zijn, waarna cryptorchidie genoemd
wordt als begunstigende factor voor het ontstaan van testikeltumoren bij paard en
hond.

Immuniteit schijnt vooral een rol te spelen bij door virus veroorzaakte tumoren,
terwijl raspredispositie zich vooral uit ten opzichte van de rassen Boxer en Boston-
terrier wat betreft het voorkomen van verschillende soorten tumoren (mastocytomen,
paragangliomen). Instructief is de bespreking van de verschillende eigenschappen van
goedaardige en kwaadaardige tumoren en sommige ontstekingen.

De tumoren zijn dus per orgaansysteem behandeld waarbij achtereenvolgens punts-
gewijs histogenese en eventueel aetiologie, het voorkomen bij dc verschillende dier-
soorten, rassen, geslacht en leeftijd behandeld worden. In de tekst zijn literatuur-
verwijzingen aangebracht, die de overzichtelijkheid niet merkbaar storen.
Er zijn veel foto\'s, vooral microfoto\'s, afgedrukt, terwijl zelfs kleurenfoto\'s gebruikt
zijn om het geheel te verduidelijken. Helaas is dit laatste niet geslaagd door de matige
kwaliteit van de kleurenfoto\'s en door het feit dat geen .gebruik gemaakt is van de
unieke kans om specifiek kleurbare tumoren te fotograferen (b.v. mastocytoom met
metachromasie, liposarcoom met de vetkleuring enz.).

Achtereenvolgens zullen hieronder dc verschillende hoofdstukken vermeld worden
met in het kort enkele op- en aanmerkingen:

Hoofdstuk 2: Tumoren van huid en subcutis: opvallend veel infectieuze papillomen
bij de verschillende diersoorten beschreven, terwijl sommi.ge ervan bovendien nog over-
gaan in het plaveiselcelcarcinoom. Het is opmerkelijk dat de tumor van Malherbe
niet vermeld is.

Hoofdstuk 3: Tumoren van spieren, kraakbeen en been. Schrijver meldt dat veel
osteosarcomen ulceratie vertonen, (blz. 69.)

-ocr page 177-

Hoofdstuk 4: Tumoren van het vaatstelsel hemopoëtische en lymfoide weefsel. Van
groot belang Hjkt me de bespreking van de lymfatische leucose bij het rund (door
schrijver lymfosarcomatose genoemd). Daarbij worden enkele belangrijke klinische
verschijnselen: paralysis posterior, exophthalmus, hartafwijkingen genoemd (blz. 93),
terwijl ook de sectiebevindingen: in 90% aantasting van het abomasum en in 76%
van het hart mogelijk in de toekomst van groot belang kunnen zijn (blz. 94).
Hoofdstuk .5: Tumoren van het respiratieapparaat: interessant is de vermelding van
het enzoötische voorkomen van carcinomen en sarcomen van de neusschelpen bij
paard en rund in Zweden (blz. 115).

Hoofdstuk 6: Tumoren van het spijsverteringsapparaat: interessante bespreking van
de mogelijke rol van de parasiet
Spirocerca lupi bij het ontstaan van slokdarm-
tumoren bij honden (blz. 132).

Hoofdstuk 7: Tumoren van pancreas, lever, galblaas en mesotheel. Zowel pancreas-
tumoren bij de hond (blz. 137) als mesotheliomen bij het rund (blz. 144) zouden
volgens de schrijver zeldzaam zijn; dit is althans voor ons land niet juist.
Hoofdstuk 8: Tumoren van het urogenitaaiapparaat en de melkklier. Schrijver heeft
zich moeite gegeven om een indeling te maken van de marnmatumoren (blz. 180)
bij de hond, een ondankbare taak, die schr. niet geheel bevredi.gend heeft kunnen
volbrengen.

Hoofdstuk 9: Tumoren van de organen met interne secretie; vooral de hyperplasie,
het adenoom en het carcinoom van de schildklier werden uitvoerig besproken (blz.
190).

Hoofdstuk 10: Tumoren van het zenuwstelsel en het oog. De aetiologie van het orbita-
carcinoom met als factoren virus, erfelijkheid en raspredispositie (blz. 219) wordt
nader belicht.

Dit overzichtelijke bock met de vele microfto\'s en een schat aan literatuur is de prijs
12,50 dollar ten volle waard, temeer omdat het van al onze huisdieren, zelfs van kip
en konijn, de tumoren vermeldt en beschrijft.

De aanschaffing van dit boek is vooral aan te bevelen voor de grotere abattoirs en
Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren, terwijl ook iedere belangstellende col-
lega en aanstaande collega er op plezierige wijze veel uit zal kunnen leren.

W. Misdorp.

INGEZONDEN

ZIEKTEN BIJ KANARIES EN VOLIÈREVOGELS.
Oproep.

Drie jaar geleden begon ondergetekende een speurtocht in binnen- en buitenland
naar wetenschappelijke gegevens over de ziekten bij

Kanaries en Volière-vogels,

Met uitzondering van enige sporadische artikelen in veterinaire periodieken blijkt
hierover geen wetenschappelijk werk bekend.

Reden waarom steller dezer oproep verzoekt aan een ieder die over deze materie een
zinnig woord kan zeggen, bekend is met artikelen of beschikt over .gegevens, zich
met ondergetekende in verbinding te .«tellen om zodoende te komen tot bundeling der
thans bekende gegevens.

Mo,ge een ieder medewerken om een gebied waar nog ontzettend veel kwakzalverij
heerst van meer wetenschappelijke zijde te benaderen.
Gegevens en inlichtingen worden gaarne ingewacht door;

W. J. Bruckwilder, Landpoortstraat 6, Ravenstein.

-ocr page 178-

VETERINARY SNAPSHOTS

Epidermoid carcinoma in a waferbuffalo.

by PAUL SUTMOLLERi)

From: The Institute for Tropical and Protozoan Diseases,
Veterinary Faculty, Utrecht, the Netherlands.

The waterbuffalo, shown in picture no. 1, was seen at the island of Marajo, in the
.<\\mazon Valley. The lesions consisted of ulcers and of lumps in and under the skin.
Biopsy samples were sent to the Pathological Institute of the Veterinary Faculty,
Utrecht, the Netherlands. After the diagnosis epidermoid carcinoma was
made by this Institute, the owner of the buffalo was advised to slaughter the animal,
which gave the possibility of a post mortem examination.

The findings arc shown in picturc no. 2: on the left inguinal region a subcutaneous
mass of pea sized to marble sized black tumors; a large black tumor in the perineal
region; metastases in the regional lymphglands. No disseminations were found in other
organs.

Picture 1

1) Dr. P. Sutmöller, Research Officer W.H.O., Caixa Postal 589, Rio de Janeiro
(Brasil).

-ocr page 179-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

BICENTENAIRE DE L\'ECOLE NATIONALE VÉTÉRINAIRE DE LYON.

Op 25 en 26 mei 1962 wercl op plechtige en tegelijk zeer feestelijke wijze het feit her-
dacht dat 200 jaar geleden tc Lyon de eerste Veeartsenijschool ter wereld werd ge-
sticht.

De stichter was ClaudeBourgelat, opperstalmeester van koning Lodewijk XV,
die daartoe in staat was gesteld door cen gift van 50.000 livres van Zijne Majesteit die,
voorgelicht door Bourgelat, het grote belang, met name voor zijn leger, van een
goede opleiding van paardenartsen heeft ingezien.

Het eerste onderwijs ving in 1 762 aan met 38 leerlingen en sindsdien hebben vele
dierenartsen hun opleiding aan deze oudste, aan de oevers van de Saónc gelegen,
veeartsenijschool genoten. Nog altijd draagt deze onderwijsinrichting in be-
langrijke mate bij in het onderzoek en het onderwijs van dc vele takken van weten-
schap, die des dierenarts gcnCH-md mogen worden.

In een aantal zittingen in het prachtige „Palais de Congres" werden stichting en
stichter herdacht en werd cen overzicht gegeven van de rol welke de „Ecole Nationale
\\\'étérinaire" de Lyon heeft gespeeld, waarbij de betekenis daarvan niet alleen voor
Frankrijk, maar voor de gehele wereld werd belicht.

Nadat de Stichting cen feit was geworden duurde het niet lang of er werden „vee-
artsenijscholen" gesticht in vrijwel alle landen van Europa, later ook in andere wereld-
delen.

In een levendige rede gaf dc Rector, professor F 1 o r i o, dc geschiedenis van dc
„Ecole" weer. Andere sprekers zetten de schijnwerper op de b<langrijke rol die de
dierenartsen in het verleden en heden vervulden in de agrarisch-economischc sector,
op hun verdienstelijke bijdragen voor de wetenschap en op de specialisatie-mogelijk-
heden die er na afloop van de basisstudie aanwezig zijn. Ter blijvende herinnering
aan dit tweede Eeuwfeest werd cen plaquette in de gevel van het hoofdgebouw aange-
bracht, waarna het stadsbestuur cen receptie aanbood in het „Hotel de Ville".
Tijdens een van de bijeenkomsten werd aan vertegenwoordigers uit het buitenland
gelegenheid gegeven gelukwensen tc richten tot Rector en Senaat. Uit alle Europese
landen en uit alle werelddelen kwamen afgevaardigden ten tonele en richtten hun
gelukwensen, vaak vergezeld van oorkonden, aan het bestuur van de „Moederinstel-
ling" van het Diergeneeskundig Onderwijs.

Ook schrijver dezes, vertegenwoordigende dc Senaat en Diergeneeskundige Faculteit
der Utrechtse Rijksuniversiteit, alsmede de Maatschappij voor Diergeneeskunde, heeft
daar de hem meegegeven felicitaties en toekomstwensen uitgesproken en een bijzonder
fraai gecalligrafcerdc oorkonde van de Utrechtse Senaat en Faculteit overhandigd.
Dc slotwoorden uit de boodschap van onze Maatschappijvoorzittcr, de heer Karse-
meijer, waren „vive le Corps Veterinaire": dit oogstte grote bijval. Voor beide ver-
tegenwoordigde instellin.gen mocht hij een voor deze gelegenheid geslagen herinnc-
ringsmcdaillc in ontvangst nemen.

Met cen „Banqurt Officiel" kwam het einde van deze goed georganiseerde feest-
viering, waaraan kosten en moeiten, noch hart- cn meer verwarmende dranken uit dit
hiervan overvloeiende land, zijn gespaard geworden.

Voor de nablijvers en -bloeiers was er op dc aan dc feestviering aansluitende zondag
een „Excursion dans la région du Beaujolais" georganiseerd, teneinde de kennismaking
met produkten van deze streek voort tc zetten. Schrijver zat toen weer in de trein,
teneinde het Symposium der I..\'\\.V.F.H, bij te wonen en moest zich tevreden stellen
met kijken naar de zich „in statu nascendi" bevindende produkten voor de nieuwe
oogst.

/. H. ]. van Gils.

DE VEETEELT IN DE SUD.AN.

Ondergetekende bracht op verzoek van de Nederlandse Organisatie voor Internatio-
nale Bijstand van 25 januari tot half februari cen bezoek aan dc Sudan. De NOVIB

-ocr page 180-

verleent daar hulp bij het inrichten en op gang brengen van een veeteelt-station in de
zogenaamde „managil". Dit is een groot nieuw bevloeiingsgebied gelegen tussen de
Witte en de Blauwe Nijl.

De bevolking van de Sudan leeft voor bijna de helft nog als nomade. Deze nomaden
trekken met hun vee bijna het gehele jaar het land door. Ze leggen daarbij duizenden
kilometers af. In de droge tijd, die in het grootste deel van het land ongeveer 8
maanden duurt, is dit rondtrekken momenteel nog de enige manier om voedsel en
vooral drinkwater voor het vee te vinden. Het gehele gezin trekt mee. Dit maakt het
o.a. zeer moeilijk onderwijs aan de opgroeiende kinderen te .geven, hetgeen een ver-
dere ontwikkeling van het land verhindert.

Hoewel deze nomaden veehouder en tot op zekere hoogte vermoedelijk ook wel vee-
kenner zijn, hebben zij hun veestapel, hoofdzakelijk bestaande uit runderen, schapen
en geiten, vrijwel niet systematisch verbeterd. Men kan dus zeggen dat .genoemde
huisdieren landrassen zijn. Dat zijn rassen die zich zonder nauwkeurig .geleide selectie
in een streek hebben ontwikkeld.

De runderen zijn zebu\'s, vaak met een zware schoftbuit en een melkproduktie onder
natuurlijke omstandigheden die niet hoger ligt dan een kilo of 4 ä 5 maximaal per
dag. De dieren brengen hun eerste kalf in de regel pas als zij bijna 4 jaar oud zijn.
De schapen behoren voor het grootste deel tot het lange vetstaart type Ze zijn zeer
gofd bestand tegen de droogte; drinken in dat warme klimaat meestal maar één keer
per 3 dagen, soms maar één keer per week.

In het oude bevloeiingsgebied, de zo.genaamde „Gezira", leeft de bevolking niet meer
nomadisch maar is gevestigd. Daar kan met een doelmatige veeverbetering worden
begonnen; dat wordt dan ook gedaan. Er zijn verschillende veeteeltstations opgericht.
Deze proberen het inheemse vee te verbeteren. Met een go<de voeding gaat de pro-
duktie van de kenana- en butana-runderen op de vccteeltstations maximaal tot ± 12
kg per dag. Van overheidswege wordt de import van meer produktieve rundveerassen
niet bevorderd. Wel is er nabij Khartoum een particuliere melkveehouderij, die met
enig succes zwartbonte en Ayrshire stieren invoert len behoeve van het eigen bedrijf.

De veeverbetering houdt zich ook vooral bezig met de verbetering van pluimvee en
daarbij wordt veel gebruik gemaakt van kruisingen, o.a. van Witte Leghorn en Rhode
Island Red met het inlandse ras, de Fayoumi. Op de pluimveeproefstations heeft men
goede broedmachines en de kuikens, met name ook de hanen worden voor fokdoel-
einden uitgegeven aan dc bevolking. Men geeft dan tevens voorlichting over pluimvee-
voeding.

Men werkt intensief aan de dierziektebestrijding. Geregeld worden, ook bij het no-
madenvee, preventieve entingen verricht, o.a. tegen runderpest, miltvuur en hemorra-
gische septicemic. Voor dit doel heeft men naast de provinciale vecverbeterings-
stations ook provinciale veterinaire stations.

De Sudan heeft een vrij grote export van slachtschapen cn -runderen hoofdzakelijk
naar Saoedie Arabië en Egypte.

l\'h. Stegenga.

HET DERDE CONGRES VAN DE INTERNATIONALE FEDERATIE VOOR
HYGIËNE EN PREVENTIEVE GENEESKUNDE.

Prof. Dr. P. Muntendam opende als Voorzitter van de Internationale Federatie voor
Hygiëne en Preventieve Geneeskunde, dit Congres, dat te Wenen werd gehouden
van 27 tot 30 mei, met de volgende rede:

De betekenis van het stralengevaar voor de volksgezondheid en de tank van de
gezondheidsautoriteiten in dit verband.

Het derde internationale congres van de International Federation for Hygiene and
Preventive Medicine zal gewijd zijn aan de bescherming van de volksgezondheid
tegen het stralengevaar. Toen ik de suggestie deed dit onderwerp als het thema voor
het congres te nemen, heb ik zorgvuldig overwogen of het juist was een volksgezond-

-ocr page 181-

heidscongres geheel te wijden aan dit onderwerp. De deelnemers aan dit congres zijn
immers in het algemeen geen specialisten op dit terrein. Dit was juist de reden voor
mij dit onderwerp aan de orde te stellen, omdat er geen onderwerp op het terrein
van de zorg voor de volksgezondheid is geweest sinds 1955, dat zo de belangstelling
heeft gehad als het stralengevaar. Dit betekent dat de werkers in het veld van de
volksgezondheid en de preventieve geneeskunde voortdurend op de hoogte moeten
blijven van de ontwikkelingen. Er is geen onderdeel van de volksgezondheid, waar
het stralengevaar en de daarop gerichte bescherming niet de volle aandacht dient te
hebben en ik acht het daarom een plicht van de Overheid in alle vormen en voor
de meest verscheidene groepen van de bevolking van voorlichting te dienen. Indien
ik dan ook als eerste op dit congres het woord voer, dan doe ik dit niet als professor
in de sociale geneeskunde aan de Universiteit van Leiden, maar als Directeur-Gene-
raal van de Volksgezondheid in Nederland. In mijn mleiding vermijd ik op de tech-
niek in te gaan, doch ik zal in het kort u een indruk geven van de taak van de Over-
heid, zoals wij die in Nederland zien, tegenover het gevaar van de straling uit ver-
schillende bron.

Vcxjraf dienen wij de vraag tc stellen: heeft de Overheid een taak? U zult deze vraag
wellicht overbodig vinden. Toch stel ik haar om u nog eens duidelijk te maken, dat
de verantwoordelijkheid voor de gezondheid van de mens niet alleen een zaak voor
de Overheid is. In tegendeel zijn wij van mening, dat deze verantwoordelijkheid in
de eerste plaats bij de mens zelf, bij het individu berust. In mijn land vindt u dan
ook dat de uitvoering van de gezondheidszorg voor een zeer groot deel door particu-
liere organisaties geschiedt, die hiertoe door Staatssubsidie in staat worden gesteld.
Maar er zijn terreinen, waar het individu niet bij machte is de verantwoordelijkheid
voor zich en de zijnen te dragen. Daar is het de Overheid, die een taak heeft en een
van die terreinen is dat van het stralengevaar. Overheidsverantwoordelijkheid in het
algemeen behoeft nog niet te betekenen, dat zij zich hierbij bedient van wetgeving.
Zo berust bijvoorbeeld de t.b.c.-bestrijding in Nederland niet op een wettelijke basis
en de besmettelijke-ziektenwet is op deze ziekte in ons land niet van toepassing. Wij
stellen ons echter op het standpunt, dat de bescherming van de volks.gezondheid
tegen het stralengevaar slechts door wettelijke voorschriften doelmatig te realiseren
is. Het zou echter een ernstige fout zijn te menen, dat de Overheid hiermede zou
kunnen volstaan. Ik hoop in deze inleiding u duidelijk te maken, dat de taak van
de Overheid veel algemener is en dat bijvoorbeeld de voorlichting en de training
van deskundigen zaken zijn, waaraan de Overheid grote aandacht moet besteden, al
berusten deze activiteiten niet op een wet.

.■\\lvorens echter nader in te gaan op de taak van de Overheid met betrekking tot de
bescherming tegen straling, wil ik dc nadruk leggen op de betekenis van de straling
voor de volksgezondheid en wel in de eerste plaats in positieve zin, namelijk de be-
vordering van de volksgezondheid door de vreedzame toepassing van ioniserende
straling. Ik doe dit doelbewust, omdat ik van mening ben, dat de medici de zaak
geen goede dienst bewijzen door, vooral in de voorlichting van het publiek, slechts
de schadelijke gevolgen van straling naar voren te brengen. Zij bemoeilijken hiermede
ook ernstig de samenwerking, die bij de bescherming tegen de straling nodig is tussen
de fysici en de technologen enerzijds en de artsen anderzijds.

Welnu, als wij dan eerst de positieve betekenis van de ioniserende stralen voor dc
volksgezondheid willen belichten, dan vestigen wij er uw aandacht op, dat van de
toepassing der kernenergie in industrie en verkeer in de toekomst belangrijke bij-
dragen voor het welzijn der volkeren verwacht mogen worden. Niet ten onrechte
wordt in de aanhef van het Euratoomverdrag gesteld, dat men de voorwaarden wil
scheppen tot ontwikkeling van een krachtige industrie op het gebied van de kern-
energie als bron van ruime energievoorraden en van een modernisering der techniek,
alsook van talrijke andere toepassingen, welke zullen bijdragen tot het welzijn der
volkeren, maar tevens dat men de veiligheidsvoorwaarden wil scheppen om de ge-
varen voor het leven en de gezondheid van de volkeren af te wenden.

-ocr page 182-

Laten wij als artsen niet vergeten, dat de volksgezondheid in een voortdurende wissel-
werking met het economische en maatschappelijke welzijn der volkeren staat. Ver-
hoogt men dit welzijn, dan bevordert men tevens de volksgezondheid.
Hoewel de prognose, zowel over de energiebehoefte als over de beschikbare conven-
tionele energiebronnen in de toekomst uiterst moeilijk is, mag toch aangenomen wor-
den, dat de energie, vrijgekomen uit kernsplitsing, later wellicht uit fusie, een bij-
drage in de industriële energiebehoefte zullen leveren.

In dit verband denken wij evenzeer aan dc positieve bijdrage door toepassing van
de straling in de landbouw. Zodra dit uit economisch oogpunt verantwoord is, zul-
len de mogelijkheden onderzocht moeten worden om deze energiebron te gebruiken
voor het tot stand brengen van irrigatie-installaties in grote gebieden van de wereld,
waar deze tot nu toe ontbreken of door hun primitieve aanleg ontoereikend zijn.
U zult misschien verwonderd zijn, dat ik als gezagsdrager op het gebied van de volks-
gezondheid sprak over economisch verantwoorde mogelijkheden. Toch is dit een
aspect, dat in de industriële toepassing van de kernenergie ook de aandacht moet
hebben van de autoriteiten, belast met de gezondheidsbescherming. Immers de om-
vang en de aard van de maatregelen ter bevordering van de bescherming van de
gezondheid van de mens zullen mede bepalend zijn voor de beslissing of in een be-
paald geval het gebruik van deze energiebron voor industriële toepassing economisch
verantwoord is. Het tracen van gelabelde elementen kan onze kennis omtrent de wer-
king van fertilizers vermeerderen. De invloed van straling op het ontstaan van posi-
tieve mutaties in land- en tuinbouw is bekend, terwijl insectenbestrijding door straling
de opbrengst van de landbouw aanmerkelijk kan doen stijgen. De conservering van
levensmiddelen door middel van straling verdient, ondanks de nevenwerkingen die
daar nog aan verbonden zijn, onze volle aandacht.

Over het gebruik van de ioniserende stralen in de geneeskunde kan ik in dit gezel-
schap kort zijn. Zo ergens in dc geneeskunde, dan is het wel op het gebied van dc
straling, dat we er ons van bewust moeten zijn, dat bescheidenheid ons past. Het in-
voeren van de begrippen „röntgen" en „curie" in de toepassing van ioniserende
stralen, houdt onze herinnering wakker aan de velen, die als fisicus, chemicus of
bioloog het door hun fundamentele speurwerk mogelijk hebben gemaakt de toe-
gepaste geneeskundige wetenschap op het hoge peil te brengen, waarop wij nu als
artsen in staat zijn de gezondheid van de mens te dienen. Wij kunnen ons de diagnos-
tiek en daarmede ook de therapie zonder het gebruik van röntgenstralen niet meer
voorstellen, terwijl in het speurwerk en de diagnostiek, zowel als in de behandeling
op steeds grotere schaal van radio-isotopen gebruik wordt gemaakt. Het is echter
juist deze toepassing van ioniserende stralen in dc geneeskunde, waarop dc maat-
regelen ter bescherming van de mens in het bijzonder gericht moeten worden.

.■Mvorens echter op het terrein van de lichamelijke bescherming nader in te gaan,
wil ik met cen enkel woord erop wijzen, hoe belangrijk het is, dat de Overheid ook
aan de geestelijke aspecten van dc gezondheid van het vreedzame gebruik van dc
atoomenergie haar aandacht schenkt. Ik zou cen ieder die hier belang in stelt, willen
aanraden het rapport nr. 151 van de Tcchnical Report Series van de Wereldgezond-
heidsorganisatie te lezen. Hierin wordt vermeld, dat uit een onderzoek van pers-
knipsels bleek, dat verreweg de meeste berichten over de volksgezondheid handelen
over atoomenergie en dat het aantal angstverwekkende mededelingen vijf maal zo
groot was als de geruststellende berichten. Het waren bovendien vaak de opschriften
boven de artikelen, die meer nog dan de inhoud tot een angstreactie aanleiding kon-
den geven. Een nauw en veelvuldig contact tussen Overheid en pers kan hierin veel
verbeteren. Wij hebben in ons land hiertoe cen poging gedaan om gedurende drie
maanden een dag per weck voor de vertegenwoordigers lezingen tc houden over dc
verschillende gezondheidsaspecten van de kernenergie. Ik zou er voor willen pleiten,
dat dit ook in internationaal verband geschiedt en hier ligt naar mijn mening een
taak voor de World Health Organization en de International Atomic Energy Agency.
Als ik nu overga tot een beschouwing over de taak van de Overheid in de bescher-

-ocr page 183-

ming van de mens tegen de gevaren van ioniserende straling, dan zou ik dit deel van
mijn betoog in drie delen willen scheiden, namelijk:

1. de bescherming van de patiënt;

2. de bescheiTning van dc arbeider; en

3. de bescherming van de bevolking.

1. Bescherming van de patiënt.

Zowel in de diagnostiek als in de therapie is het van de grootste betekenis de dosis
zo laag mogelijk te houden. In de eerste plaats is het daartoe nodig, dat de arts zich
steeds tot het uiterste beperkt in het gebruik van ioniserende stralen. De meest fre-
quente toepassing geldt de röntgenstralen. Laat ons niet vergeten, dat het deze toe-
passing in de geneeskunde is, welke de belan.grijkste kunstmatige verhoging van de
stralendosis is, die aan de natuurlijke stralingsdosis wordt toegevoegd. Wij hebben er
ons dus steeds bij een onderzoek met röntgenstralen af te vragen:

Ic. is dit onderzoek beslist noodzakelijk;

2e. op welke wijze kan ik dit onderzoek verrichte», opdat de minimale stralendosis
wordt gebruikt; en

3e. is de apparatuur en de bescherming van de patiënt zodanig, dat geen on.ge-

wenste straling op andere lichaamsdelen wordt ontvangen.
Een bijzonder aspect krijgen deze vragen als men te maken heeft met periodiek onder-
zoek, zoals dit bijvoorbeeld bij de opsporing van tuberculosepatiënten het geval is.
In Nederland heeft men deze massale onderzoeken met röntgenstralen bij kinderen
beneden 15 jaar ver\\\'angen door de tuberculinetest, terwijl men ook bij adolescenten
meer en meer hiertoe overgaat, hetgeen mo.gelijk is omdat de tuberculine-index in
ons land tot een zeer lage graad is gedaald. Wil dc arts echter critisch de drie door
mij genoemde voorwaarden kunnen beoordelen, dan zal hij daartoe ook inderdaad
door zijn opleiding in staat moeten zijn. Dit betekent voor mijn land, dat bijvoor-
beeld de huisartsen hiertoe niet in staat zijn. Ik ben dan ook persoonlijk van mening,
dat in een wet op de bescheiniing tegen straling moet worden bepaald, dat alleen die
artsen ioniserende stralen mogen toepassen, die hiertoe een bijzondere vixjrtgezette
opleiding hebben gehad. In zekere zin is dit een beperking van de algemene bevcx-gd-
heid van de arts, maar naar mijn mening prevaleert hier het belang van de bevolking.
Geldt dit reeds ten aanzien van het gebruik van röntgenstralen, des te duidelijker
spreekt dit nog bij de toepassing van radio-isotopen. Wij doen .gaarne een beroep op
de World Medical Association orn haar leden tc adviseren op dit punt nauw met
de nationale overheidsorganen samen te werken.

Over de justitiële kant van het veroorzaken van schade aan de patiënt, vooral door
te hoge dosering in de therapie, willen wij hier niet sperken. Wij beperken ons er
■slechts toe op te merken, dat het voor de rechter vaak bijzonder moeilijk zal zijn
om het bewijs tc leveren tussen de bestraling en late gevolgen als tumoren en bloed-
ziekten, om van congenitale afwijkingen bij het nageslacht nog te zwijgen.

2. Bescherming van de arbeider.

Tot nu toe is, vooral ook in internationaal verband, doch ook in de nationale wct-
gevin.gen, deze bescherming het best gere.geld. .Ms men over de arbeidersbeschcrming
tegen straling spreekt, denkt men meestal in de eerste plaats aan de arbeiders in de
kernreactoren. Toch kan men voor deze groep stellen, dat de gevaren in deze reac-
toren niet groter zijn dan bv. in een gemiddeld chemisch bedrijf. De bij de nationale
wetgeving vereiste waarborgen in de bouw van een kernreactor zijn zo groot, dat,
mits ook overigens de nodige beschermingsmaatrc.gelen voor en door de arbeider
worden getroffen, de .gevaren voor hem minimaal zijn. Ook deze laatst,genoemde
maatregelen dienen bij de wet te worden voorgeschreven. Wij denken hierbij aan de
controle op de ontvangen stralendoses, het geneeskundig onderzoek, werktijden, alge-
mene hygiënische maatregelen in het bedrijf, beschermende kleding, mo,gelijkheid tot
ontsmetting, enz. Dit wil dus zeggen, dat aan het reactorbedrijf een de gezondheid
beschermende afdeling verbonden moet zijn. Helaas is het niet overbodig te stellen,
dat hierin ook de arts en niet alleen de health physicist een belangrijke rol moet

-ocr page 184-

spelen. Een goed wederzijds begrip voor eikaars taak moet de basis voor een go<de
samenwerking tussen deze beide takken van wetenschap zijn en deze samenwerking
zal de gezondheid van de arbeider in de reactor ten goede komen.
Doch met alleen voor dc werkers in kernreactoren zullen wettelijke beschermings-
maatregelen noodzakelijk zijn. Evenzeer geldt dit bij de steeds ruimere toepassing van
radio-isotopen in de industrie, geneeskunde en research. Deze maatregelen zullen in
het algemeen liggen op het terrein van de arbeidersbescherming. Daarnaast zullen in
het kader van de sociale verzekering, eveneens de nodige voorzieningen getroffen
moeten worden. De door straling ontstane ziekten zullen als beroepsziekte in de so-
ciale verzekering beschouwd moeten worden. In vele landen is dit ook reeds het geval
en terecht vindt men ze dan ook voorgesteld in verschillende verdragen tot econo-
mische samenwerking. Doch ook hier geldt, wat ik zo juist zei met betrekking tot dc
bewijslast door justitie: het bewijs van het verband tussen straling en late gevolgen
zal vaak moeilijk te leveren zijn en in ieder individueel geval zal dit afzonderlijk
onderzocht moeten worden.

Men kan naar ik meen wel in het Hlgcmeen stellen, dat van de drie groepen, welke van
overheidswege bescherming behoeven, de wetgeving met betrekking tot dc arbeiders
reeds het meest gevorderd is. Maar zoals ik in het begin reeds zei, met wetgeving al-
leen bereikt de Overheid haar doel niet. Men kan voor de arbeidersbescherming nog
zulke doeltreffende maatregelen voorschrijven, ze moeten ook worden toegepast.
Hiermede komen we op het terrein van de health cducation. De arbeiders moeten
worden opgevoed op het terrein van de hygiëne en de verantwoordelijkheid voor de
pzondheid van zichzelf en van hun mede-arbeiders moet ontwikkeld worden. Hiertoe
is het nodig dat men de health cducation niet alleen op de arbeiders richt maar even-
zeer op de werkgevers. Het zijn de werkgevers, die in belangrijke mate de voor-
waarden in hun bedrijf kunnen scheppen, waardoor de verantwoordelijkheid van dc
arbeiders voor hun gezondheid wordt vergroot.

Wij willen nu overgaan tot de derde groep, welke wij met onze overheidsmaatregelen
willen bereiken.

3. Bescherming van de bevolking.

Vooraf leg ik hier cen beperking aan in mijn opdracht, namelijk door alleen tc .spreken
over het vreedzaam gebruik van dc atoomenergie. Ik laat derhalve buiten bespreking
de gevolgen van fall-out. Slechts wil ik cr op wijzen, dat cen deel van de hierop ge-
richte maatregelen van dezelfde aard zijn als bij de vreedzame toepassing. Ik denk
bijvoorbeeld aan dc radio-activiteitsmetingen van lucht, water cn bodem en het ligt
daarom voor de hand, dat men in dc organisatie van voorzorgsmaarcgclen en hulp-
verlening geen doublures maakt, doch voor zover mogelijk gebruik maakt van be-
staande voorzieningen.

Dit terrein is bij uitstek het gebied van dc gezondheidsautoriteiten en de gezondheids-
wct.gcving. Voor mijn land moet ik tot mijn spijt vaststellen, dat cen kernenergiewet,
die reeds vele jaren in voorbereiding is, nog steeds niet tot stand is gekomen. Dit wil
cchtcr niet zeggen, dat men geen activiteiten ontwikkelt. Het is de plicht van iedere
Overheid om ook reeds zonder wettelijke achtergrond drie groepen van maatregelen
voor te bereiden, namelijk

le. direct gericht op de bescherming van de bevolking;
2c. gericht op de controle van mogelijke gevaren; en
3e. met betrekking tot hulpverlening bij ongevallen en rampen,
le. Tot de maatregelen, welke zich op meer directe wijze richten op de bescherming
van dc bevolking behoren onder meer alle voorzieningen, die dc veiligheid van de
reactorbouw betreffen en die het gevaar, dat aan het afval verbonden is, tot een
minimum reduceren. Hiertoe zijn uiteraard wettelijk geregelde bevoegdheden van
de Overheid noodzakelijk. Geen vergunning tot vestiging en in gcbruikstelling mag
worden verleend, indien niet met de grootst mogelijke nauwkeurigheid alle waar-
borgen voor de hoogste graad van veiligheid getroffen zijn. Daartoe behoort ook de
plaats van vestiging. Deze zal zo gekozen worden, dat zowel de uit de reactor ver-
dwijnende gassen als het vloeibare afval in normale omstandigheden geen radio-

-ocr page 185-

actieve besmetting voor de omgeving met zich mede brengen. De lokalisatie bij zee
bijvoorbeeld is aantrekkelijk, waar men door een pijpleiding van enige mijlen in zee
het sterk verdunde effluaat kan afvoeren. Iets minder gunstig is reeds de lozing op
een rivier, omdat men er hier steeds rekening mee moet houden, dat stroomafwaarts,
vaak in een ander land, dit zelfde water vaak weer dienen mcw-t voor de drinkwater-
voorziening van grote bevolkingsgebieden. De ligging van mijn eigen land, waar een
aantal grote Europese rivieren het laatste deel van hun stroomgebied vinden, is daar
een voorbeeld van. Hieruit blijkt duidelijk hoe de bestrijding van radio-actieve be-
smetting evenmin een nationale aangelegenheid is als de strijd tegen bacteriële be-
smetting. Integendeel, ook in deze moderne besmetting vervagen alle grenzen. Het
gebruik van de kernenergie, zowel als de bescherming van de volkeren tegen de hier-
aan verbonden gevaren is een internationale zaak en slechts door samenwerking is een
optimale produktiviteit en een optimale bescherming te bereiken.
2c. In de groep van maatregelen, welke zich richten op dc controle, staan de me-
tingen van de radio-activiteit in het centrum. Deze metingen dienen niet alleen in
het water, de lucht en de bodem om de kernreactoren plaats te hebben,, doch zullen,
juist in verband met verwijderde energiebronnen, ook elders moeten plaats hebben.
Op tal van plaatsen zullen de luchtmetingen verricht moeten worden en met het oog
op de zo juist genoemde gevaren uit andere landen, zullen tevens regelmatige me-
tin.gen van het water der grote rivieren moeten plaats hebben. Ook de landbouw-
gewassen vragen om regelmatige metingen. Het is niet alleen nodig, dat ook hierbij
internationale coördinatie plaats heeft, doch evenzeer is nationale coördinatie nodig,
bijvoorbeeld tussen verschillene ministeries. Ik denk bijvoorbeeld aan samenwerking
tussen volksgezondheid en landbouw. Daartoe zal het nodig zijn om tot de oprichting
van nationale atoomcommissies of bureaux te komen.

Voor alles is het nodig, dat het ministerie van volksgezondheid haar ei,gen verant-
woordelijkheid in deze heeft en niet afhankelijk is van andere instanties, die meer .ge-
interesseerd zijn in de energieproduktie. Dit betekent, dat de nationale volksgezond-
hcidslaboratoria en -diensten over voldoende personele cn technische voorzienin.gen
moeten beschikken om hun grote verantwoordelijkheid in deze te kunnen dra.gen.
Hier heeft men nu een typisch voorbeeld, waarbij het niet de wet is, waarop de be-
scherming van de bevolking berust, doch wel het directe, door de verantwoordelijke
Minister te voeren beleid.

3e. Hoe zeer men ook de veiligheid in de kernreactoren en instituten voor bereiding
van radio-isotopen betracht en hoe zeer ook blijkt, dat in het algemeen op deze vei-
ligheid vertrouwd kan worden, nimmer dienen we te vergeten, dat we te maken
hebben met arbeid van mensen. Dit betekent dat fouten gemaakt kunnen worden
en dat ongevallen kunnen plaats hebben. Het is nodig, dat dan een organisatie tot
hulpverlening paraat is. Ook hier zal de Overheid een verantwoordelijke taak heb-
ben. Hoe deze hulpverlening ook georganiseerd wordt, door de centrale Overheid,
de gemeenten of districtsgewijs, nodig is, dat een centrale alarmpost bestaat, die
niet alleen nationaal, doch ook internationaal bekend moet zijn. Duidelijk moet ook
de bevelsbevoe.gdheid bij de hulpverlening geregeld zijn, terwijl voorts op grond van
wettelijke bepalingen de Overheid bevoegd moet zijn tot het treffen van algemene
maatregelen, als bijvoorbeeld verbod tot het betreden van bepaalde gebieden, doen
ontsmetten van mensen en goederen, verbod tot levering van melk, enz. Van veel
belang is het voorts, dat een centraal ziekenhuis aanv/ezig is, zonodig voor inter-
nationaal gebruik, waar onderzoek op besmetting onder meer door body-countin.g
kan plaats hebben en alle vormen van therapie kunnen worden ingesteld.
Het spreekt vanzelf, dat ook in aansluiting aan ongeval of ramp de metingen van
lucht, bodem, water en levensmiddelen in uitgestrekte omgeving moeten plaats heb-
ben, teneinde te bepalen of men hier te doen heeft met besmetting binnen de reactor,
of tevens besmetting hierbuiten.

Na deze algemene beschouwingen over de taak van de Overheid in de bescherming
van de bevolking tegen de gevaren van radio-activiteit, willen wij tenslotte nog op
een tweetal belangrijke taken voor de Overheid wijzen, namelijk training en research.

-ocr page 186-

Training. Wij willen ons beperken tot de geneeskundigen, doch dan ook de op-
leiding ruim behandelen, d.w.z. ook hierin betrekken het onderwijs aan de studenten.
In de eerste plaats dient vastgesteld te worden, dat de stralen-geneeskunde niet meer
in het programma van het medisch onderwijs aan de studenten mag ontbreken. Als
ik naar mijn eigen land zie, dan ontbreekt daar aan de universiteiten nog veel aan.
Wel wordt bv. bij het voor-klinisch onderwijs hier aandacht aan besteed, maar slechts
zelden vinden we deze belangstelling in de leergangen, bekend onder verschillende
namen, zoals preventieve geneeskunde, volksgezondheid, sociale geneeskunde of
hygiëne. Zelf geef ik in de leergang sociale geneeskunde ieder jaar gedurende zes
weken college in bescherming tegen straling. Een coördinatie tussen de verschillende
colleges in stralen-geneeskunde binnen de medische faculteit ontbreekt echter nog
algemeen. Dit is echter een gebrek, dat voor het gehele geneeskundige onderwijs
geldt en niet alleen voor stralen-geneeskunde. Iedere arts behoort een ruwe oriën-
tatie op dit gebied te hebben, aangezien ook zij tot degenen behoren, die een taak
hebben tot voorlichting van het publiek. Daarom is het ook nodig in de vorm van
herhalingsleergangen de huisartsen op de hoogte te houden van de ontwikkeling op
dit gebied.

Een uitgebreidere scholing dienen de inspecteurs van de volksgezondheid te krijgen.
Deze training dient zich niet te beperken tot theoretische lessen, doch ook eenvou-
dige scholing in meting en laboratoriumtechniek is noodzakelijk. Oriëntatie in het
buitenland is voor kleine landen als xNederland, gewenst. De scholing behoort zich
niet alleen te richten op de geneeskundige inspecteurs van de volksgezondheid, doch
ook de veterinaire inspecteurs en dc inspecteurs voor de inilieu-hygiëne dienen
aan deze algemene scholing deel tc nemen.

Een speciale scholing moeten die artsen ontvangen, die zelf met röntgenstralen en
radio-isotopen willen gaan werken. Hier dient een vergunningsstelsel door de Over-
heid te worden gevolgd: geen arts mag met ioniserende stralen werken, indien hij
niet een bepaalde scholing heeft gehad.

Tenslotte een laatste opmerking, overbodig voor u als deelnemers aan dit Congres,
niet overbodig voor alle regeringen. Research is de basis voor iedere handeling, of
we nu te maken hebben met energie-produktie of met bescherming tegen straling.
Ruime fondsen dienen beschikbaar tc worden gesteld ten behoeve van de research op
het gebied van de radiobiologie, dosimetrie, de genetica van de mens en andere ge-
bieden van toepassing der stralen-geneeskunde.

Op de grootste dijk in Nederland staat een monument met de volgende inscriptie:
,.Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst". Moge dit Congres demonstreren, dat
de Internationale Federatie voor Hygiëne en Preventieve Geneeskunde niet alleen
leeft, doch ook door de keuze en de behandeling van het thema voor dit Congres,
de stralen-geneeskunde, bewijst, dat zij wil bouwen aan haar toekomst ter verhoging
van het welzijn der volkeren.

Voorlichtingsdienst Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

INTERNATIONALE UNIE VAN VERENIGINGEN VAN ARTSEN-.\'VUT\'O-
MOBILISTEN (I.U.V.A.A.).

Bestuursvergadering, juni 1962, Stockholm.

Verwondingen, ziekten en dodelijke ongevallen door het toenemende verkeer hebben
een omvang aangenomen, die meer offers kost dan menige epidemische ziekte.
Het Bestuur der l.U.V..\'>i..\'\\. heeft daarom op zijn bijeenkomst de problemen der
verkeersveiligheid, vanuit medisch oogpunt bezien, in de eerste plaats in zijn be-
sprekingen en discussies betrokken. In verband hiermede vond ook een aantal
interessante voordrachten, demonstraties en filmvoorstellingen plaats.
Om de betekenis van deze in het algemeen en ook medisch tegenwoordig zo uiterst
belangrijke problemen recht te doen wedervaren, werd besloten in 1963 in Duitsland
een congres der I.U.V.A..^,. te houden onder het thema ,,Arts en Verkeersveiligheid",

-ocr page 187-

CONGRESSEN

NEDERLANDS INSTITUUT VOOR PRAEVENTIEVE GENEESKUNDE.
Cursus „Medische Statistiek".

De cursus wordt georganiseerd tezamen met de Medisch-Biologische Sectie van de
Vereniging voor Statistiek.
Doel van de cursus.

De cursus is bestemd voor artsen en andere werkers op medisch-biologisch en ver-
want gebied, die zich op de hoogte willen stellen van de gedachtengang van de sta-
tistiek en de betekenis van de moderne statistische methoden voor het beschrijven
en analyseren van waarnemingsuitkomsten.

Voor het vol.gen van de cursus is geen statistische kennis of ervaring vereist. De nood-
zakelijke kennis van de wiskunde beperkt zich tot enkele onderwerpen uit de algebra,
die gedurende de cursus in het kort worden behandeld.
Te behandelen onderwerpen.

De cursusstof kan in drie groepen worden verdeeld:

a. De opzet en uitvoering van onderzoeken;

b. Beschrijvende statistiek;

c. Mathematische statistiek (statistica).

Bij de lessen wordt gebruik gemaakt van de „Inleiding tot de Medische Statistiek"
door H. de Jonge (2 delen, elk van .ƒ 22,—), uitgegeven als Verhandeling van het
.N.I.P.G.

Duur, tijd en plaats(en).

De curus bestaat uit 30 lessen van 2 uur, die jaarlijks worden gegeven in de avond-
uren van 19.30—21.30 uur, met een frequentie van ca. 3 keer per maand, van
midden september tot en met juni van het daaropvolgend jaar. De cursus vindt plaats
te Leiden (N.I.P.G.) en bij voldoende belangstelling ook in ten hoogste twee andere
plaatsen (bij de keuze van deze plaatsen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden
met dc woonplaatsen van de deelnemers).

In principe dient men na elke les enkele uren uit tc trekken voor het bestuderen van

de behandelde stof en/of het maken van enkele opgaven.

Kosten.

Het cursusgeld bedraagt .f 125,— (exclusief de bovengenoemde leerboeken).
Het dient vóór 31 december van het jaar waarin de cursus aanvangt te worden vol-
daan op postgirorekening 202277 van het Nederlands Institut voor Praeventieve
Geneeskunde te Leiden.
Inlichtingen en aanmelding.

Verdere inlichtingen worden verstrekt door .Afdeling Statistiek, Nederlands Instituut
voor Praeventieve Geneeskunde, Wassenaarseweg 56, Leiden, tel. (01710) 5 09 40
t.m. 5 09 44, toestel 237.

Ve INTERN.ATIONAAL CONGRES „VOORTPL.\\NTING BIJ DIEREN".
Naar aanleiding van dit congres, dat van 6-12 september 1964 zal worden gehouden,
zijn 3 prijsvragen uitgeschreven voor Italiaanse en buitenlandse „scholars" die ori-
gineel experimenteel werk hebben verricht.

„Prof. Antonio Pirocchi""-prijs: 500.000 lire, uitgeloofd door de Societa Agraria di
Lombardia voor een fundamenteel werk over het probleem van voortplanting of K.I.
in verband met de ontwikkeling der veeteelt, ongeacht de diersoort.
„Prof. Carlo del Bo" prijs: 500.000 lire, uitgeloofd door het Instituto Sperimentale
Italiano „L. Spallanzani" voor een fundamenteel werk over de techniek van het ver-
zamelen van sperma, de inseminatie, het verdunnen en het bewaren van het sperma,
ongeacht de diersoort met uitzondering van het paard.

-ocr page 188-

„Guilio Gallici" prijs: 200.000 lire, uitgeloofd door de zoon ter herdenking van
zijn vader en georganiseerd door het Instituto Sperimentale Italiano „L. Spallanzani"
voor een fundamenteel werk over de K.I. bij het paard.

Voor nadere inlichtingen wende men zich tot de .Algemeen Secretaris van het 5e
Internationaal Congres „Voortplanting bij Dieren", Via Monte Ortigara 35, Milaan.

EUROPEAN SOCIETY OF PROFESSORS OF VETERINARY SURGERY.
Internationaal Congres 4-18 september. Utrecht.

Onder „Berichten en Verslagen" hebben de belangstellende lezers van dit tijdschrift
mededelingen kunnen vinden over een drietal bijeenkomsten van de „Arbeitsgemein-
schaft der Veterinär-Chirurgen Europas" (Zürich 1956, Wenen 1959) en dc „Société
de Vétérinaires Chirurgiens de l\'Europc" (Gent 1957).

Een vierde bijeenkomst werd in april 1961 in Cambridge belegd onder de naam:
„European Society of Professors of Veterinary Surgery" met als onderwerpen: Muscle
Relaxant Drugs in Equine Anaesthesia - Clinical and Pathological Studies in Osteo-
sarcomas - Surgical Conditions of the Canine Thorax - Certain Extra Sounds Asso-
ciated with the Equine Heart Beat.

Op deze bijeenkomst werd besloten het volgende congres in Utrecht te doen plaats
vinden in september 1962.

Prof. Dr. S. R. Numans werd gekozen tot voorzitter tevens organisator van dit vijfde
congres, dat gehouden zal worden van 4-8 september 1962 in de Kliniek voor Heel-
kunde der Grote Huisdieren der Rijksuniversiteit tc Utrecht.

Dc volgende onderwerpen zullen o.m. besproken worden: Dislocations in the Gastro-
intestinal Tract in Cattle - Task of the Veterinarian in Experimental Surgery -
Osteoplastic Surgery in the Treatment of Coxo-femoral Luxation in the Dog -
Synovitis.

Het is een „besloten" congres in deze zin, dat de voorzitter het recht heeft een aantal
niet-leden als gast uit te nodigen. Hiervan kan echter in verband met de doel-
stellingen van de vereniging en de beschikbare plaatsruimte voor het congres slechts
in beperkte mate gebruik worden gemaakt.

Voor nadere inlichtingen wende men zich tot Prof. Dr. S. R. Numans, Biltstraat 172,
Utrecht.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PULLORl\'M ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum-anti,geen partij no. 104, geproduceerd oor het Centraal Dier-
geneeskundig Instituut, .Afd. Rotterdam, voldoet aan de gestelde eisen, evenals partij
no. 88, geproduceerd door Laboratoria Nobilis N.V. te Boxmeer.
Beide partijen zijn mitsdien door de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst voor
toepassing geschikt verklaard tot 1 augustus 1963.

-ocr page 189-

DOORLOPENDE AGENDA

1962

Augustus,

6, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. Opmeer (N.-H.).
10—18, World\'s Poultry Science Association, 12e Wereldcongres, Sydney,
(pag. 589 (1961))

16—18, 25-jarig jubileumkeuring en demonstratie Ned. Shetl. P.S. Eist (Gld.).
22, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Enschede.
30, Centrale merrie- en kroonkeuring V.L.N. Enschede.
30, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Goveka, Gouda.

September,

1, Reünie oud-leden „Absyrtus". (pag. 927)
4 -8, European Society of Professors of Veterinary Surgery. Intern. Congres,
Utrecht, (pag. 1060)
7-— 8, Nat. paardenshow Utrecht V.L.N., N.W.P. en Ned. Shetl. P.S. Utrecht.

12 -1) \'^Iflaalscfiappij vaax ^ie\'uieneeskimde

(pag. 764, 1386 (I960)); (pag. 145, 294, 874, 1667 (1961)); (pag. 66,
133, 205, 284, 362, 438, 515, 587, 661, 728, 791, 873, 1006, 1062)
14—15, Trekpaardtentoonstelling K.V.N.T. \'s-Hertogenbosch.
16—23, British Veterinary Association. Jaarlijks Congres, Scarborough. (l)ag.
869, 874)

19, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Assen.
21, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Vebo, Leiden.
21—23, Union Vétérinaire Beige. Jaarlijks Congres, Spa.

23—30, LS.F.A. XlVe Internationaal congres, Warschau, (pag. 939)

24—26, World Veterinary Poultry Association, 2e Int. Conferentie, Cambrid.ge.
(pag. 203)

26, Afdeling Gelderland M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Hotel Royal,
Arnhem, (pag. 1007)

Oktober,

3, Najaarsstierenkeuring F.R.S., Leeuwarden.

6, Afdeling Groningen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur,
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)
6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim,
(pag. 130, 869)

10, Afdeling Zuid-Holland M.v.D. Algemene ledenvergadering, Muranozaal,
Beurscafé/Restaurant, Rotterdam, (pag. 1007)

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5e Voorlichtingsdag.

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e .Algemene Vtrgadering. (pag.
663)

Z^i-26 ^ÈieKjeneeskKudufe cSttideiiten/iiiiK/; 6e \'^Jiiisl\'iiint
(pag. 1008) \'

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004)

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 190-

Maatschappij
voor

Diergeneeskunde

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAX 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Eeuwfeest.

HISTORISCHE TENTOONSTELLING.
Deze tentoonstelling, welke op de eerste dag van het Eeuwfeest,
rV^ te 10 uur geopend wordt door de President-Curator van de Rijks-

universiteit te Utrecht, belooft zeer interessant te worden. Een
kort overzicht van wat daar te zien zal zijn maakt dit duidelijk.
^VA\'S Het is dan ook te hopen, dat zeer veel collegae en familieleden
een blik zullen slaan op het boeiend verleden van beroep en
Maatschappij.
De tentoonstelling omvat de volgende onderdelen:

1. Vóórgeschiedenis en geschiedenis van Maatschappij en Afdelingen.

2. De relaties met de buitenlandse dierenartsen-organisaties.

3. De internationale diergeneeskundige Congressen.

4. Diergeneeskundige tijdschriften uit Nederland.

5. De „Veterinaire Weken", samenwerking tussen Faculteit en Maatschappij.

6. De geschiedenis van de Vleeskeuringswet en van de oprichting van de abattoirs.

7. De aantallen dierenartsen gedurende de voorbijgegane eeuw; in verband ge-
bracht met de aantallen landbouwhuisdieren.

8. Het verloop der belangrijkste besmettelijke dierziekten.

9. De prehistorie van paard en rund.

FOTOBOEK.

Door girering van ƒ 12,50 stelt U zich in het bezit van deze prachtige collectie
foto\'s, óók van
Uw beroep. Het boek zal eind augustus verschijnen. Gireer der-
halve meteen:
Bedrag:
ƒ 12,50.

Girono.: 1412 t.n.v. De Twentsche Bank N.V. te Utrecht.
Onder vermelding van: Eeuwfeestfonds, ...... ex. Fotoboek.

INSCHRIJVING.

Ongeveer gelijktijdig met dit tijdschrift ontvangt U het Pro.grammabockje van het
Eeuwfeest.
Het Eeuwfeestcomité hoopt, dat aan Uw verwachtingen is voldaan.
Het vraagt U dringend het inschrijfrormulier
zo spoedig mogelijk in te vullen en
op te zenden.

Wilt allen overwegen, dat dit feest in Uw leven niet herhaald zal worden. Weest
niet nuchter, maar laat romantische overwegingen U leiden bij het inschrijven
voor de vele festiviteiten. In het bijzonder de romantiek van de beide gala-avonden
moet U boeien en er toe brengen de kleine bezwaren, aan de kleding verbonden,
te overwinnen. Maakt het feest voor Uzelf en voor Uw collegae, ega\'s en familie-
leden tot de mooiste herinnering uit het leven van de dierenarts van nu.

FEESTKLEDING.

In geheel Nederland is voor de heren gelegenheid om — indien zij geen avond-
kleding bezitten — deze te huren. Er wordt in dit tijdschrift zelfs geadverteerd!
Kleding in Groningen gepast, kan in Utrecht worden afgehaald!
Neen, er zijn werkelijk geen onoverkomelijke bezwaren, om naar het Eeuwfeest
— reeds jaren voorzien — te gaan.

-ocr page 191-

\\ AN HE\'J\' BUREAU
Personeelsaanvulling.

Met ingang van 1 augustus zal cen tweede administratieve kracht haar intrede op het
bureau doen.

Mej, J. A. Zwartendijk, die wij hierbij van harte welkom heten, zal n.1. door de hui-
dige secretaressc-administratricc worden ingewijd in dc werkzaamheden van zeer
uiteenlopende aard, welke het bureauwerk op het kantoor der Maatschappij voor
Diergeneeskunde met zich meebrengen, teneinde volledig terzake te zijn ingelicht
tegen de tijd dat Mej. Y.
A. Boonstra wegens haar voorgenomen huwelijk ons bureau
zal verlaten.

Jubilea.

Op 14 augustus hopen de navolgende collegae het feit te herdenken dat zij 60 jaar
dierenarts zijn:

Dr. A. J. S. van .Mphen, Vreewijkstraat 8, Leiden.
P. J. \'t Hooft P.J.zn., Valkenboslaan 160, Den Haag. (afwezig)
P. H. van Kempen, Peijerstraat 70, Echt.
Dr. K. Over, Oosterpark 12, .Amsterdam-O.
Dr. G. H. J. Tervoert, Kildcrseweg 17, Zeddam.
Op 14 augustus hopen de navolgende collegae (niet-leden der Maatschappij) het feit
te herdenken, dat zij 60 jaar dierenarts zijn:

H. G. O. Boom, Boulevard 25, Velp (Gld.).
M. F. Plankeel, Parklaan 92, Sassenheim.

PERSONALIA

Het Hoofdl)estuur draagt de volgende collegae voor het lidmaatschap van de Maat-
schappij voor Dier,geneeskunde voor:

J. S. Ariëns, .Akkerstraat 36, Ulvenhout.
G. Reyngoud, Nassaustraat 6, Eindhoven.
R. Veen, Mulderstraat 43 bis. Utrecht.
Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige student V. Badichi, Hartingstraat 22,
Utrecht, aangenomen als kandidaatlid van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

RECTIFICATIES

In het artikel van dc heren M a a s en Luginbuhl in de vorige aflevering van dit
tiidschrift dienen enkele noodzakcli.ike correcties tc worden aangebracht.

1. In de noot onder aan pag. 947: „H. J. L. Maas (The Netherlands) was pre-
sently a..." dient te zijn ,,//. ƒ.
L. Mans (The Netherlands) has been a...".

2. Pag. 595; de eerste zin „Deze worden bereid door..." dient te luiden ,,Deze wor-
den bereid door in het eerste buisje 4 ml en in de overige 4Yx ml tryptose-
bouillon te pipetteren...".

VIERING EEUWFEEST!

Uw rok o( smoking voor het gala-concert en het banket, resp.
op 12 en 14 september a.s. HUURT U tijdig bij

JOHN KENNIS

Amsterclaiii, Singel 462 3 36 80

Den Haag, Zoulm.inslraat 24 33 57 26
Rotterdam, le Middcllandstraat 78 3 18 15
Utrecht, Voorstraat 58 1 00 53

Haarlem, Ged. Oude Gracht 51 2 19 99

Arnhem, Looierstraat 14 3 68 82

Nijmegen, Stikke Hezelstraat 19 2 08 38

Groningen, Oude Ebbingeslr. 49 3 31 12

Eindhoven, Demer 18 d 6 47 57

Antwerpen, Simonsstraat 52 32 06 89

Onze zaken zijn geopend van 8.30 tot 18 uur, ook zaterdags

-ocr page 192-

NIEUW

TEGEN SALMONELLA- EN COLI-I N FECTI ES

INTESTIN-EUVERNIL

Methylo. - phthaiy, ■ suilanilyicarbamide

eigenschappen:

INTESTIN-EUVERNIL is een uitgesproken darm-specifiek
sulfonamide met een minimale resorptie. Na 12 uur is b.v. nog
90% van de toegediende tioeveelheid in de darm aanwezig
(lange depotwerking).

INTESTIN-EUVERNIL is een sulfa-verbinding met bactericide
werking speciaal ten opzichte van Escherichia coli en Salmo-
nellae.

Alhoewel Sulfonamiden in het algemeen bacteriostatisch
werkzaam zijn, veroorzaakt de formaldehyde-condensatie van
Intestin-Euvernil een 10-voudige activiteitsverhoging, waarbij
de bacteriostase gelijktijdig tot een bactericide werking wordt
verhoogd.

indicaties:

Alle infectieuze darmaandoeningen, ook die, welke in de regel
niet met Sulfonamiden werden behandeld, veroorzaakt door:

Staphylococcen . Enteris-bacteriën . escherichia coli
Enterococcen • salmonellae • e.a.

intestin-euvernil is Uitermate geschikt om als wisseltherapie te dienen met breed-
spectrum-antibiotica
speciaal bij resistente salmonella- en coli-infecties.

T\\.V.

tabletten ä 0,5 g.

- VETERINAIRE AFDELINa - POSTBUS 1707 - AMSTERDAM-

-ocr page 193-

IN MEMORIAM

Prof. Dr. D. K. de Jongh.

Op woensdag 13 juni 1962 is te zijnen huize te Heem-
stede overleden Prof. Dr. David Karei de Jongh, die
vanaf 16 september 1955 tot 1 november 1960 buiten-
gewoon hoogleraar is geweest in de veterinaire farma-
cologie aan de Diergeneeskundige Faculteit van de
Utrechtse Rijksuniversiteit. Op laatstgenoemde datum
werd hij gewoon hoogleraar in de Farmacologie van de
Gemeentelijke Universiteit te Amsterdam.
Betekende de genoemde wisseling in functie voor onze
faculteit een groot verlies, zijn verscheiden is een veel
ernstiger verlies voor de farmacologische wetenschap
in ons land.

Geboren in Enschede in 1909, volgde hij daar het
lagere en middelbare onderwijs en liet zich in 1927
ti\' Leiden als medisch student inschrijven. Zijn acade-
mische studie, waarbij hij bij het candidaats- en het
doctoraal examen het judicium „curn laude" verwierf,
werd in 1934 afgesloten met de uitreiking van het arts-
diploma, bij welke gelegenheid de voorzitter van de
examen-commissie hem complimenteerde met de buiten-
gewoon lofwaardige wijze, waarop De Jongh zijn studie
had volbracht en waarbij woorden van verwachting
over zijn verdere ontwikkeling als wetenschapsbeoefe-
n.iar werden uitgesproken.

Dit laatste scheen in de aanvang niet in vervulling te
gran, want De Jongh vestigde zich als huisarts in zijn
geboorteplaats Enschede, waar hij in korte tijd een
drukke praktijk wist op te bouwen.
In 1935 huwde hij met mejuffrouw Elizabeth Wilhel-
mina Metz, die hij reeds te Leiden tijdens haar studie
voor apotheker had leren kennen en die hem in zijn
praktijk, die in de bezettingsjaren door vervoersmoei-
lijkheden en illegaal werk extra zwaar en gevaarlijk
was, trouw heeft terzijde gestaan. Het huwelijk werd
gezegend met drie zoons en een dochter, waarvan de
zonen, na met evenveel voorspoed als hun vader de

-ocr page 194-

middelbare opleiding volbracht te hebben, reeds een
universitaire opleiding aanvingen.

De huisarts-praktijk, hoeveel voldoening deze aan
De Jongh ook schonk, was niet voldoende om zijn rus-
teloos ontledende geest te boeien. Hij zocht en vond
tijd om te studeren en koos als onderwerp de homeo-
patische geneeswijze, die hij, naar uit zijn proefschrift
blijkt, met zijn kritische en scherpe geest heeft geanaly-
seerd, gewogen en te licht bevonden.
Op 13 april 1943 promoveerde hij op deze studie te
Amsterdam tot doctor in de geneeskunde; zijn proef-
schrift, getiteld: „Critische beschouwingen over de
homeopathie; ontstaan, ontwikkeling en wezen van dit
therapeutisch stelsel", trok zo de aandacht, dat het een
herdruk mocht beleven.

Door deze publikatie was de aandacht op De Jongh
gevallen en enkele jaren na de oorlog, trok de Amster-
damse Chinine Fabriek hem aan als farmacoloog voor
haar researchafdeling, waar hij van 1 januari 1948 tot
aan zijn benoeming tot gewoon hoogleraar te Amster-
dam als leider verbonden is geweest.

Inmiddels was hij vanaf 1955 aan onze Faculteit ver-
bonden om een afdeling voor Farmacologie op te rich-
ten en onderzoek en onderwijs op gang te brengen. Hij
aanvaardde zijn ambt officieel op 6 februari 1956 door
het uitspreken van een rede, getiteld: „De erfgenamen
van de medicijnman".

Bij zijn drukke werkkring bij de Nederlandse Che-
mische Industrie, waar de research van enkele grote
farmaceutische fabrieken was ondergebracht, kreeg hij
er de zorg bij om een instituut te creëren. Er was
geen ruimte, er waren nog geen medewerkers. Dan
eens hier, dan eens daar, tijdelijk in een kamer van een
der instituten gastvrijheid verkrijgend, zag hij zich als
eerste taak gesteld het onderwijs in de veterinaire far-
macologie te doen aanvangen.

Voor de studenten kristalliseerde hij de denk- en leer-
stof uit in een aantal dictaten, waarin op beknopte
maar glasheldere wijze was vastgelegd, wat de vete-
rinair-medicus heeft te weten van de werking der vele
door hem te gebruiken farmaca.

Het geluk was met hem, toen het laboratorium voor
anorganische chemie van het faculteitsterrein aan de
Biltstraat verdween en hij een groot deel van de vrij-
gekomen ruimte ter beschikking kreeg. Met grote voort-
varendheid bracht hij door verbouwing en herinrich-
ting de ruimten voor zijn doel in gereedheid, terwijl in-
middels een wetenschappelijke medewerker in zijn
researchlaboratorium te Amsterdam werd opgeleid.
Begrotingsposten voor een voldoende bemanning van
het instituut had hij intussen ook verkregen en het
scheen tijd om zijn buitengewone leerstoel om te zetten
in een ordinariaat. Dit laatste is ook geschied, zij het
anders dan oorspronkelijk gedacht werd.

-ocr page 195-

In Amsterdam was een jarmacoloog nodig aan de me-
dische faculteit en men deed een beroep op De Jongh.
Na enige aarzeling moest hij tot het laatste besluiten.
Het farmacologisch instituut aan de Polderweg was
vele malen groter dan dat te Utrecht. De mogelijk-
heden tot verdere ontplooiing van zijn wetenschappe-
lijke activiteiten waren daar aanzienlijk beter ver-
zekerd. Bewust streefde De Jon gh naar het formeren
van een „school" voor farmacologen, waar ons land,
waar de gehele wereld, behoefte aan heeft. Storm-
achtig toch was de ontwikkeling van de farmaceutische
industrie, die een onafzienbare stroom geneesmiddelen
over de wereld deed uitgaan. Voor de te weinige far-
macologen was er een even onoverzienbare hoeveelheid
onderzoek te verrichten. Ongelukken zouden niet uit-
blijven; ze zijn ook niet uitgebleven, omdat de test-
instituten bij uitnemendheid niet bij machte waren alle
nieuwe middelen te beoordelen.

De Jongh aanvaardde zijn nieuwe taak te Amsterdam
op 31 oktober 1960 met het uitspreken van de rede:
„De structuur van de therapeutische situatie". Op-
nieuw verklaarde hij zich tegenstander van homeo-
pathie en andere nieuwe, niet-wetenschappelijk gefun-
deerde geneeswijzen. Zijn exacte en strikt wetenschap-
pelijke opvattingen stonden niet toe iets, dat niet te
bewijzen is of bewezen was als geneesmiddel of genees-
wijze te aanvaarden. Zijn dynamiek, zijn energie, zijn
vruchtbare denken en doen, illustreren zich in de korte
tijd waarin hij zijn oraties gereed had, zijn colleges
verzorgde, zich voorbereidde op publikaties en voor-
drachten in binnen- en buitenland, personele en bouw-
technische aangelegenheden afwerkte en intussen steeds
bezig was met onderzoek te doen en te leiden.
Tekenend voor zijn persoonlijkheid zijn zijn slot-
woorden in zijn laatste oratie, waarin hij curatoren
van de Gemeentelijke Universiteit een niet aflatende
ijver in de hem opgelegde taak garandeerde, maar hen
erop voorbereidde dat door hem met niet minder af-
latende ijver zou worden aangeklopt om materiële en
personele voorzieningen.

Tekenend voor hem waren ook zijn hobbies, waarbij
naast muziek en bergsport, vooral wiskunde met zijn
mogelijkheden om door toepassing van mathematische
bewerkingen der waarnemingsresultaten de waarde van
het onderzoek te verhogen.

Even tekenend voor hem is dat hij zijn plannen voor
uitbreiding en herinrichting van zijn laatste instituut
al vrijwel gereed had, voordat hij er als hoogleraar zijn
intrede had gedaan.

Terwijl hij ziek lag, werden zijn plannen uitgevoerd.
Hij heeft het resultaat niet meer mogen zien; dit laat-
ste was ook niet strikt nodig, want hij wist hoe het er
zou uitzien.

De plannen zijn uitgevoerd zonder de „meester"; de
„school" verloor zijn „meester" op het moment dat zij
gesticht werd.

-ocr page 196-

Groot waren de verwachtingen, die door hen die hem
werkelijk kenden op hem waren gesteld, nu hij de top
van zijn kunnen en mogelijkheden zou gaan bereiken.
Te gevoeliger is het verlies dat zijn heengaan uit de
wetenschappelijke wereld met zich bracht; met hem
ging een geniaal mens.

Smartelijk is het verlies voor zijn vrouw die in hem
haar man, en voor zijn kinderen die hun vader ver-
loren. In zijn rusteloos denkende geest was steeds be-
langstelling en tijd voor hen en met stille voldoening
gewaagde hij van hun karaktergaven en studieaanleg.
Voor hen zal hij steeds de lichtende en inspirerende
man en vader blijven.

Wars van uiterlijk vertoon en van — naar zijn me-
ning — overbodige woorden wilde hij zich bij zijn
laatste gang alleen laten begeleiden door familie en
slechts enkelen, die hij trouwe vrienden wist.

]. H. J. VAN GILS.

-ocr page 197-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De uitvoering en de waarde van de B.M.R. (Bra-
bantse Mastitis Reactiel bij een georganiseerde
mastitis-bestriiding 1)

Execution and value of the B.M.R. (Brabant Mastitis
Reaction) with an organized mastitis control.

door F. H. J. JAARTSVELD*»)

Uit het laboratorium van de Provinciale Gezondheidsdienst
voor Dieren in Noord-Brabant.

Inleiding.

Mastitis is een ontsteking van een of meerdere mammae. Deze ontsteking
kan in zeer veel verschillende vormen voorkomen, al naar de oorzaken
\\an de mastitis, de |3athogeniteit van de eventueel aanwezige bacteriën en
de weerstand van dc uier.

Eén van de eerste verschijnselen van een mastitis bestaat uit desquamatie
van het ei^itheel van de melkgangen of het klierweefsel, gevolgd door een
vermeerdering van het aantal ontstekingscellen in de melk. Een verhoogd
aantal ontstekingscellen in dc melk is het beste criterium voor het al of niet
aanwezig zijn van een mastitis.

Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit, dat gedurende de
lactatie-periode een fysiologische schoimneling plaats heeft van het aantal
cellen in de melk.

Tot nog toe werd voor het mastilis-onderzoek hoofdzakelijk gebruik ge-
maakt van het microscopisch onderzoek van het sediment en het bacterio-
logisch onderzoek van de melk. Beide methoden zijn voor het massaal
m\'astitis-onderzoek (b.v. 5000-10.000 melkmonsters per dag) ongeschikt,
omdat ze noch een\\oudig noch goedkoop zijn tut te voeren.

A. GEGEVE.NS BETREFFENDE LNDIRECTE MASTITISREACTIES.

Indirecte mastitisreacties zijn onderzoekingsmethoden waarbij de ont-
stekingscellen niet als zodanig worden onderkend, doch waarbij op grond
van bejiaalde verschijnselen (optreden van viscositeit) veroorzaakt door
deze ontstekingsccllen tot het bestaan van een mastitis moet worden be-
sloten.

Door VV h i t e s i d e (1939) wordt een fenomeen beschreven waarbij mas-
titismelk gemengd met natronloog een \\ isceuzc massa doet ontstaan.
Murphy en H a n s o n (1941) hebben deze Whiteside-reactie omge-
werkt tot een glasplaatmethode, waarbij 5 druppels te onderzoeken melk
en 1 druppel I N.NaOII met behulp van een glasstaaf op een glazen plaat
20 seconden met elkaar geroerd worden. \\\\ naar de graad van de visco-
siteit wordt aan deze reactie een waarde toegekend van — tot 4-f.

1  In hoofdzaak een autoreferaat van het proefschrift: „Bijdra.gc tot de dia,gnostiek
van mastitis bij runderen in het kader van een georganiseerde bestrijding".
Utrecht 1961.

Summary of thesis. Utrecht 1961.

-ocr page 198-

Schalm en N o o r 1 a n d e r (1957) geven aan dat wanneer de plaat-
reactie uitgevoerd wordt met anion-oppervlakte actieve stoffen als alkyl-
aryl-sulfonaten e.d. de reactie meer betrouwbaar is dan de reactie door
Whiteside beschreven. De reactie van Schalm en Noorlander wordt
aangegeven als de California Mastitis Test (C.M.T.)
Kippeërytrocyten, die een duidelijke kern bezitten, geven gemengd met
Na-T-pol 414 (Shell - Nederland) een zeer visceus reactieproduct. Ery-
trocyten van zoogdieren daarentegen vormen met Na-T-pol 414 geen vis-
ceus reactieprodukt, omdat bij deze de kern ontbreekt.
Door allerlei stoffen kan men dit vrijkomen van het desoxyribosenucleine-
zuur uit de kernen bewerkstelligen, o.a. door verzadigde zoutoplossingen,
diverse logen en anion-oppervlakte-actieve stoffen. Het resultaat van deze
verschillende stoffen is echter zeer wisselend. De verzadigde zoutoplossin-
gen en diverse logen geven onvoldoende betrouwbare resultaten. Anion-
oppervlakte actieve stoffen (o.a. Na-T-pol) zijn vaak zeer verschillend van
samenstelling en geven daardoor verschillende uitslagen. Na-T-pol 414
wordt door Shell-Nederland niet meer gefabriceerd, vandaar dat naar een
chemische stof werd gezocht, die ook goede resultaten gaf bij de C.M.T.

Hall en Doty (1958) gebruikten Na-laurylsulfaat voor het onderzoek
van ribosenucleinezuur. Het Na-laurylsulfaat 3% bleek als reagens bij de
C.M.T. zeer geschikt te zijn. Ook suspensies van bepaalde bacterie-culturen
kunnen een soortgelijke visceuze massa met Na-laurylsulfaat doen ont-
staan.

Bij onderzoek bleek, dat speciaal de kapselhoudende bacteriën deze reactie
kunnen veroorzaken, b.v.
Pasteurella multocida en Escherichia coli. De kap-
sels bestaan uit muceuze stoffen. Nadat deze bacteriën met b.v. Na-lauryl-
sulfaat zijn behandeld, zijn de kapsels microscopisch niet meer aantoonbaar.
De bacteriën als zodanig worden niet aangetast, omdat ze na deze behan-
deling normaal groeien indien ze op geschikte media worden overgeënt.
Do mastitis-streptokokken zoals
Str. agalactiae, Str. dysgalactiae, Str. uberis
en Str. pyogenes geven geen positieve reactie.

Theoretisch is het dus mogelijk dat zeer grote hoeveelheden van kapsel-
houdende bacteriën in de melk ten onrechte een posideve C.M.T. doen
ontstaan.

Na pasteurisade van de melk of na toevoeging van formaline (0,1%) geven
C.M.T.-positieve melkmonsters geen duidelijke reactie meer, doordat de
celeiwitten gedenatureerd zijn.

Naarmate het aantal cellen — waaronder ontstekingscellen — in de melk
toeneemt wordt na menging met b.v. Na-laurylsulfaat 3% de viscositeit
groter, en dus de C.M.T. sterker positief.

Het is van belang om te trachten deze viscositeit te meten, opdat door de
bepaling van de viscositeit een indruk verkregen kan worden van het to-
taal aantal kernhoudende cellen.

Murphy en Hanson (1941) hebben de graad van de viscositeit uit-
gedrukt in een aantal
-I- tekens.
Dit is een subjectieve methode.

B. DE CALIFORNIA MASTITIS TUBE TEST (C.M.T.T.).

De C.M.T.T. wordt uitgevoerd in buisjes. 0,4 ml melk wordt gemengd met
0,3 ml Na-T-pol 414 10%. Met een glazen roerstaafje worden deze vloei-

-ocr page 199-

stoffen gedurende 6 seconden intensief gemengd.

Vervolgens wordt met het roerstaafje nagegaan of het mengsel draden-
trekkend is. Wanneer de te trekken draad ± 1 cm is wordt de reactie po-
sitief genoemd.

C. DE C.M.T.T.-TITRATIE.

De C.M.T.T. biedt mogelijkheden voor een titratie van de te onderzoeken
melk. Deze melk wordt verdund met normale melk (C.M.T. - negatief),
zodat verdunningen ontstaan van resp. 1:2 - 1:4 - 1:8 - 1:16 en 1:32.
Nu wordt bepaald tot welke verdunning de C.M.T.T. nog positief is en
naarmate de verdunningsgraad met een positieve C.M.T.T. hoger is, blijkt
gemiddeld het aantal cellen per ml melk hoger te zijn.
De C.M.T.T.-titratie geeft een goede informatie betreffende het totaal
aantal cellen in de melk.

Het nadeel van deze reactie is dat ze bij massaal onderzoek omslachtig en
erg geestdodend is, waardoor gemakkelijk fouten kunnen ontstaan.

D. DE BRABANTSE MASTITIS REACTIE (B.M.R.).

Het gelukte om deze bezwaren te ondervangen door de viscositeit bij be-
nadering te meten met behulp van een zeer eenvoudig apparaatje. Dit
apparaatje bestaat uit een trechter die uitmondt in een capillair van een
bepaalde lengte en middellijn (B.M.R.-trechter).

In de trechter wordt een mengsel gebracht van 0,6 ml melk en 0,4 ml
Na-laurylsulfaat 3%, terwijl het vrije uiteinde van de capillair afgesloten
blijft.

Daarna wordt het uiteinde van de capillair geopend en vanaf dit moment
wordt de tijd in seconden opgenomen die het mengsel van melk en Na-
laurylsulfaat — totaal 1 ml — nodig heeft om uit de trechter te stromen.
Deze reactie, die het mogelijk maakt het melkmonsteronderzoek massaal
uit te voeren, werd door Prof. A. v a n d e r S c h a a f, de Brabantse Mas-
titis Reactie (B.M.R.) genoemd.

De capillair welke momenteel op het laboratorium van de Provinciale Ge-
zondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant gebruikt wordt voor de
B.M.R. is 2 cm lang en heeft een middellijn van 1,3 mm.

Van totaal 570 melkmonsters werden de B.M.R.\'s uitgevoerd en het aantal

cellen per ml melk geteld.

Dit onderzoek verliep als volgt:

Een mengsel van 0,6 ml melk en 0,4 ml Na-laurylsulfaat 3% werd in de trechter
gegoten terwijl de capillair-opening aan de onderzijde van het apparaatje afge-
sloten bleef. Daarna werd de capillair gedurende 5 seconden geopend. Aan de
inmiddels uitgestroomde melkmonsters wordt een negatieve B.M.R. toegekend.
De melkmonsters die nog niet vanuit de trechters via de capillairen waren weg-
gestroomd werden op een lijst aangemerkt met één punt. ( . )
Vervolgens werd de capillair weer 5 seconden geopend, waarna dezelfde admini-
stratieve bewerking van de resultaten plaats had.
Tenslote werd dit herhaald na 10 seconden en dan na 40 seconden.
De monsters die na 60 seconden doorstroomtijd nog niet uit de trechters waren,
kregen dus 4 punten (....) Foto 1.

Van een aantal melkmonsters werd de B.M.R. uitgevoerd en het aantal
cellen per ml melk bepaald.

-ocr page 200-

Het aantal cellen werd geteld met behulp van een gewijzigde methode
volgens P r e s c o 11 en H r e e d.
Het resultaat hiervan was als volgt:

Tabel 1.

Relatie tussen B.M.R. en aantal gevonden cellen. Aantal cellen x 10^ per ml.
B.M.R. 0-100 100-200 200-500 500-1000 1000 Totaal

(<5 sec.)

101

42

58

29

10

240

( 5 sec.)

6

7

16

31

31

91

( 10 sec.)

1

13

39

53

( 20 sec.)

2

4

52

58

( 60 sec.)

1

127

128

570

Hieruit blijkt dat van de 240 melkmonsters met een negatieve R.M.R., er
143 zijn, waarvan het aantal cellen per ml melk minder is dan 200.000.
Algemeen wordt aangenomen dat dit een normaal aantal cellen is per ml
melk.

10 of ongeveer 4% van deze monsters hebben een celgehalte van meer dan
1.000.000 per ml melk. Het is gebleken dat naarmate de melkmonsters
ouder worden, de C.M.T. en dus ook de B.M.R. terug loopt. Mogelijk is
dit te wijten aan het enzym desoxyribosenucleinase dat het desoxyribosc-
nucleinezuur splitst in componenten die zelf niet visceus zijn.
Het verdient daarom aanbeveling de B.M.R. uit te voeren op melkmonsters
die nog geen 20 uur oud zijn.

Bij sterk positieve B.M.R.\'s, n.1. die met 4 punten, is het zo, dat hierbij uit-
sluitend melkmonsters worden aangetroffen met cen zeer hoog celgehalte;
dit geldt tevens voor de B.M.R.\'s met 3 punten.

-ocr page 201-

Deze 15.M.R.-reacties zijn uil te voeren niet kwartier-, koe-, bus- en bascule-
inelkmonsters.

Bij het onderzoek van kwartiermelkmonsters is te vermelden dat de eerste
stralen van hel ochtend- of a\\\'ondmclkmaal voor het onderzoek op hel aan-
tal onlstekingscellen ongeschikt zijn. Hel aantal cellen per ml melk wordt
sterk verminderd door de snel toeschietende melk. Overigens kan men het
rund gedurende de gehele dag bemonsteren zonder grote afwijkingen in het
celgehalte te \\ inden.

Het koemonster (emmennonster) geeft \\oor de B.M.R, eveneens goede re-
sultaten. Deze monstername kan door de veehouder geschieden voor een
oriënterend onderzoek. Voor een nader onderzoek zijn kwarliernionsters
noodzakelijk, die tevens, indien mogelijk, bacteriologisch onderzocht moe-
ten worden.

De busmelkmonsters kunnen met vrucht onderzocht worden om na le gaan
op welke bedrijven \\ an een zui\\elfabriek ernstige mastilisproblemen voor-
komen. Op deze bedrijven kunnen vervolgens onderzoekingen plaats vinden
van de mengmonsters of e\\enlueel van de kwarliermelkmonslers der run-
deren.

De basculemelkmonsters zullen over het algemeen minder betrouwbare ge-
ge\\ens verstrekken naarmate het aantal bussen \\an de leverancier groter is.

Het is gebleken dat de Cl.M.T. niet beïnvloed wordt door een vooraf op
een melkmonster uitgexoeide Abortus Bang Ringreactie (A.B.R.). Hier-
door werd de mogelijkheid geopend de busmelkmonsters van alle zuivel-
fabrieken in Noord-Brabant, die ten minste elk kwartaal in \\erband met
de brucellose-bestrijding niet behulp \\ an de A.B.R, toch op het laborato-
rium van de Gezondheidsdienst vers en niet-geconserveerd onderzocht wor-
den, tevens op mastitis te onderzoeken.

De inelkinonsters afkomstig uit bussen, geleverd ojj de zuivelfabrieken, die
\\()or het A,B,R.-onderzoek bestemd zijn, worden in perspex-rekken ver-

-ocr page 202-

pakt in kisten naar het laboratorium gebracht. Elk rek is genummerd,
evenals de honderd gaatjes waarin de melkbuisjes zich bevinden. Elk buisje
bevat 1 ml melk afkomstig uit een bus op een zuivelfabriek geleverd.
Voor de .A^llR. is het nu voldoende aan elk buisje één druppel A.B.R.-
antigeen toe te voegen, zo\'n rek in zijn geheel goed te schudden en het
een uur in de stoof bij 37° C te plaatsen. Om zo\'n rek geschikt voor het
mastitis-onderzoek te maken, hebben wij een apparaat ontwikkeld, dat
100 naalden bevat, en aangesloten is via een bufferruimte en een droog-
toren, aan een vacuum-pomp.

Met behulp van dit afzuigapparaat (zie foto no. 2) kan men, van één rek,
uit alle buisjes tegelijk melk tot een willekeurige hoogte afzuigen.
Doordat alle 100 naalden een eind in de afzuigkop (1) doorlopen, zakt de
opgezogen melk op de bodem van het apparaat en kan dus niet via de
naalden in de buisjes terugvloeien. Via de 2 zijdelings aangebrachte
afvoerbuizen (2) wordt deze melk direct afgezogen, en naar de buffer-
ruimte (3) gedirigeerd. Van hieruit is de melk via een aftapkraan (4) te
verwijderen. De droogtoren (5) die boven calciumchloride en onder
silicagel bevat, dient om de vacuiunpom
]3 (6) tegen vocht te beschermen.

Nadat het rek goed geschud is, zodat de room zich homogeen in de melk
verdeelt, wordt het apparaat met de 100 naalden zó geplaatst dat de uit-
einden van die naalden in de resjjectievelijke melkbuisjes staan.
Door de hoogte van de naalden te variëren kan men een willekeurige hoe-
veelheid melk afzuigen. Vandaar dat men het apjjaraat zó kan plaatsen,
dat na afzuiging nog 0,6 ml melk in de buisjes aanwezig is.
Dit afzingen is van belang omdat de variatie van de genomen melkmonsters
voor het .A.B.R.-onderzoek nogal groot is ten gevolge van de snelheid waar-
mee de melkbussen aan de lopende band oj) de zuivelfabrieken bemonsterd
moeten worden.

Vervolgens wordt met eeu pipetteer-apparaat in één keer aan alle 100
buisjes 0,4 ml Na-laurylsulfaat 3% loe.gevoegd. (Foto 3 en 4).
Dit pipetteerapparaat bestaat uit 100 buisjes. - zie foto 3 - Deze biüsjes
doorboren een perspex-plaat en staan zó opgesteld, dat ze jjrecies in de
melkbuisjes van het perspex-rek kimnen vallen.

Foto 3.

Pipetteerapparaat in bak met Na-laurylsulfaat 3%.

-ocr page 203-

Foto 4.

Pipetteerapparaat, geplaatst op een perspex-rek met 100 melkbuisjes.

Foto 6.

Perspex-rek met 100 buisjes, het verloopstuk en de set met 100 B.M.R.-trechters in

elkaar gezet.

-ocr page 204-

Deze buisjes kan men tot een willekeurige boogte vullen door ze tot die
hoogte in een vloeistof te dompelen. Hiervoor wordt een bak gebruikt,
waarin de hoogte van de vloeistof constant blijft.

Op deze wijze is 0,4 ml Na-laurylsulfaat 3% in de capillairen te brengen.
Met behulp van cen jjlaat, bedekt met schuimrubber, kan men de boven-
kant van de capillairen afsluiten.

In deze toestand zijn de capillairen in de melkbuisjes van het perspex-rek
te brengen. Nadat de plaat met schuimplastic van de bov enkant van de ca-
pillairen verwijderd is, loopt 0,4 ml Na-lauiylsulfaat in de melkbuisjes

De beide vloeistoffen worden intensief gemengd (foto 5), waarna de in-
houd van alle buisjes overgegoten wordt in een set dat 100 B.M.R.-
trechters bevat (foto 6).

Dit overgieten gebeurt met een verloopstuk van perspex met 100 door-
boringen, die zó ontworjien zijn dat de enc kant juist past op de 100 melk-
buisjes, terwijl de andere kant 100 conisch geslepen buisjes bevat die in de
B.M.R.-trechters vallen. Door bet geheel om te draaien loopt de melk \\ an-
uit de 100 buisjes via het verloopstuk in de 100 B.M.R.-trechters (foto 6).

Om deze 100 melkmonsters tegelijk op mastitis te onderzoeken wordt de set
met 100 B.M.R.-trechters \\an de onderplaat verwijderd, zodat de melk vrij
uit de capillairen kan stromen. Nadat de melk 5 seconden gestroomd beeft
wordt van bovenaf de set met 100 B.M.R.-trechters gefotografeerd, dit ge-
beurt eveneens na 10, 20 en 60 seconden (foto 7).

Foto 7.

Opstelling van de fibn-
camera, de belichtings-
lampen en de set met 100
B.M.R.-trechters.

-ocr page 205-

Op de filmstroken zijn de monsters die niet uit de trechters gestroomd zijn
duidelijk te onderkennen.

Met 4 opnamen van 1 rek kunnen dus 100 melkmonsters in 1 minuut op
de aanwezigheid van een te hoog aantal ontstekingscellen worden gecon-
troleerd. Met behulj) van 5 [jersonen kunnen op deze wijze ongeveer 5000
melkmonsters per uur op een \\erantwoorde wijze onderzocht worden.

Resumerende kan dus gesteld worden dat men met behulp van de B.M.R.
in een korte tijd een groot aantal melkmonsters op een betrouwbare, een-
voudige en goedkope wijze op het \\oorkomen van mastitis kan onder-
zoeken. Mogelijk kan de B.M.R. tevens van belang worden voor de kwa-
liteitsbe]3aling van de melk in verband met de uitbetaling.

SUMM.ARY.

The Brabant mastitis test (BMR) provides a reliable, simple and cheap method by
which a large number of milk samples can rapidly bc examined for the presence of
mastitis. The BMR may possibly also bc found to bc useful in determining the
quality of the milk with a view to fixing the sums to bc paid.

RÉSUMÉ.

.V l\'aide de la Réaction Brabançonne dc Mastitc (BMR) il est possible d\'examiner
dans un bref détail un grand nombre d\'échantillons de lait d\'une façon sûre, simple
et peu coûteuse, en vue de la présence de mastite. Il est possible que la BMR ait
également de l\'importance pour l\'évaluation de la qualité du lait par rapport au
payement.

ZUS.AMMENFASSUNG,

Mittels der Brabantcr Mastitis Reaktion (B.M.R.) ist man imstande in kurzer Zeit
eine grosse Anzahl Milchproben auf zuverlässige, einfache und billige Weise auf das
Vorhandensein von Mastitis zu untersuchen. Vielleicht kann die B.M.R. für die
Qualitätsbestimmung der Milch, im Verband mit der geldlichen Bewertung derselben
von Nutzen sein.

LITERATUUR

J aarts veld, F. II. J.: Bijdrage tot de diagnostiek van mastitis bij runderen in

het kader van een georganiseerde bestrijding. Proefschrift, Utrecht 1961.
M u r p h y, J. M. and H a n s o n, J. J. : .A modified Whiteside-Test for the detection

of chronic bovine mastitis. Cornell Vet., 31, 47, (1941).
Schalm, O. W. and Noorlander, D. O.: Experiments and Observations
loading to development of the California-Mastitis-Tcst.
}. Am. vet. med. Assoc.,
130, 199, (1957).

Whiteside, W. H.: Observations on a new test for the presence of mastitis-milk.
Canad. Puhl. Health ]., 30, 44, (1939).

Hoe krijg ik zware kalkoenen?

In Miami (USA) werd een man aangehouden, die het gewicht van 500 geslachte
kalkoenen kunstmatig verhoogd had van 19 tot 26 „pounds". Hij gebruikte een
mencscl van gelatine en water dat hij in de venen spoot.

Mod. Vet. Practice, 42, 18, (1961).

-ocr page 206-

De erfelijkheidsgraad van spekhardheid bij
seleefiemesferij-varkens.1)

The heritahility of the firmness of backfat of pigs from
the progeny-testing-stations.

door D. MINKEMA, D. KROESKE en P. C. HARTi)

Uit het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord", Zeist.

Inleiding.

In een vroegere publikatie over de genetische aspecten van zachte bacon
werd de veronderstelling geopperd, dat de variatie in chemische spek-
hardheid waarschijnlijk voor een belangrijk deel van genetische oorsprong
zou zijn (Minkema, Kroeske en Hart, 1961). Bij het analyseren
van de varianüe van de brekingsindex van het rugspekvet van selectie-
varkens bleek namelijk, dat de variantie tussen wiliekeurige dieren bijna
twee maal zo groot was als de variantie tussen toomgenoten.
In genoemd artikel werd er tevens op gewezen, dat wij het niet zinvol
achtten om een erfelijkheidsgraad te berekenen door het vergelijken van
de tussen-toom-variantie met de binnen-toom-variantie.
Toomgenoten lijken namelijk niet alleen sterker op elkaar dan onverwante
dieren tengevolge van hun genotypische verwantschap, maar ook ten-
gevolge van hetzelfde prenatale milieu, hetzelfde lokale milieu van ge-
boorte tot aflevering aan de selectie-mesterij en de ligging in hetzelfde hok
(groepsvoeding!) en hetzelfde seizoen op de selectie-mesterij. De milieu-
correlatie van toomgenoten leidt tot systematische milieu-verschillen tussen
de tomen. Deze milieu-verschillen zijn volledig verstrengeld met de gene-
tische verschillen tussen de tomen. Een betrouwbare schatting over de
genetische variantie is derhalve niet te verkrijgen uit een toomgenoten-
vergelijking.

Wel is een goede schatting over de erfelijkheidsgraad in engere zin te ver-
krijgen uit een analyse via halfbroers (halfzusters) van vaderszijde. Half-
broers en -zusters zijn niet of in geringe mate gecorreleerd door een iden-
tiek milieu, zodat de genedsche verschillen tussen de halfbroer-(halfzuster-)
groepen niet vertroebeld zijn door milieu-verschillen.
Deze methode is op het beschikbare materiaal toegepast.

Materiaal en methode.

Het uitgangsmateriaal is reeds eerder beschreven in bovengenoemd arUkel
(Minkema, Kroeske en Hart, 1961). Het bestaat uit selecde-
mesterij-varkens van het Nederlandse Landvarken-ras.
De dieren zijn in 1954 en 1955 geboren en op 7 verschillende selectie-
mesterijen afgemest tot een levend gewicht van 90 kg. Iedere proefgroep
bestaat uit 4 toomgenoten en wel 2 borgen en 2 zeugen, die groepsgewijs
zijn gevoederd.

1  149e publicatie van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord".
Ir. D. Minkema, Ir. D. Kroeske en Dr. P. C. Hart, wetenschappelijke medewerkers
van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord", Zeist, Drie-
bergseweg 10 D.

-ocr page 207-

Van de op 90 kg geslachte varkens is met behulp van een Zeiss-Opton-
Abbe-refractometer de brekingsindex (
Nq 40-\\vaarde) van het rugspekvet
bepaald. Deze refractiewaarde hangt samen met het percentage onver-
zadigde vetzuurglyceriden in het spekvet en dit percentage bepaalt voor
een belangrijk deel de consistentie van het spek (Hart, 1956).
De analyse voor het berekenen van de erfelijkheidsgraad is voor borgen en
zeugen gescheiden uitgevoerd, omdat er tussen de geslachten een vrij groot
verschil in gemiddelde brekingsindex bestond.

In de berekening zijn alleen opgenomen de tomen van beren, waarvan
2 of tomen op dezelfde selectie-mesterij zijn afgemest. Wanneer van een
beer meer dan 3 tomen zijn onderzocht, zijn hieruit willekeurig 3 tomen
gekozen. Op deze wijze is vermeden, dat bepaalde beren met veel onder-
zochte tomen de h2-waarde te sterk zouden beïnvloeden.
Bij ieder geslacht zijn bovendien slechts die tomen in de analyse betrok-
ken, waarvan 2 dieren van het betreffende geslacht zijn afgemest.
Bij de borgen omvat het materiaal 121 vaders met in totaal 293 tomen,
bij de zeugen zijn deze cijfers 122 vaders met 300 tomen in totaal.
Voor het schatten van de erfelijkheidsgraad is een variantie-analyse vol-
gens de hiërarchische classificatie uitgevoerd (Kempthorne, 1957).
De relevante varianties zijn: variantie tussen vadergroepen, variantie tus-
sen moedergroepen (= tomen) binnen vaders en de variantie binnen
tomen.

De analyse is binnen de selectie-mesterijen uitgevoerd. De verschillen tus-
sen de selectie-mesterijen zijn op deze wijze geëlimineerd.
Seizoensverschillen zouden zijn uit te schakelen door de analyse ook bin-
nen de seizoenen uit te voeren. Dit is niet gebeurd, omdat dan de aantallen
per subklasse te klein zouden worden, terwijl dan bovendien het aantal
overblijvende vadergroepen zeer gering zou worden. Er is verondersteld,
dat de seizoens-variatie binnen de vadergroepen van dezelfde orde van
grootte is als de seizoens-variatie tussen de vadergroepen. Aangezien het
materiaal zich over slechts twee jaren uitstrekt en tomen van eenzelfde
vader slechts zelden gelijktijdig afgemest zijn, lijkt ons deze aanname wel
geoorloofd.

Resultaten.

In tabel 1 zijn de varianties en hun verwachtingswaarden weergegeven.
De verwachlingswaarden worden gevormd door de variantie-componen-
ten, welke noodzakelijk zijn voor het berekenen van de h2-waarden.
De erfelijkheidsgraad in engere zin wordt via de vadercomponent geschat

als ^ Hierbij wordt verondereteld, dat halfbroers (-zusters) ge-

middeld 25% van hun genen gemeenschappelijk hebben. .Als er inteelt in
de [)opidatie voorkomt, zal dit percentage iets hoger liggen en de werke-
lijke h2-waarden zullen dan iets lager uitvallen. Door B e k e d a m (1959)
is evenwel gevonden, dat de Nederlandse Landvarkens slechts weinig in-
geteeld zijn. Gemiddeld is het inteeltpercentage nog geen 2%. (Dit is be-
rekend uit over 4 generaties bekende stambomen). Dit percentage is zo
gering, dat het de h2-waarden nauwelijks zal beïnvloeden.
Verder is aangenomen, dat de zeugen, die door dezelfde beer zijn gedekt
in doorsnee niet nauwer verwant zijn dan de zeugen, die door verschillende
beren zijn gedekt.

-ocr page 208-

Tabel 1.

\\\'arianties

Variantie-componenten

tussen vaders

tussen moeders binnen vaders

binnen tomen

a .

totaal

De waarden van de k-coëffieiënten zijn

in ons materiaal:

kl

ka ks

borgen

2

2 4,84

zeugen

2

2 4,92

J)c resultaten van de varianlie-analyses staan in tabel 2.

Tabel 2.

Geslacht

Variantie-bron

aantal
vrijheids-
graden

Borgen

tussen vaders

114

tussen moeders
binnen vaders

172

binnen tomen

293

totaal

579

Zeugen

tussen vaders

115

tussen moeders
binnen vaders

178

binnen tomen

300

totaal

593

variantie

9,1072.10-«

8,5412.10-«
3,7150.10-«

18,0816.10-«

10,9775.10"«
5,3333.10 «

variantie-
componenten

<T.^. = 0,1169.10 «

<r^ = 2,4131.10 «
<r^ = 3,7150.10 «
= 6,2450.10"«

1,4439.10"«

= 2,8221.10 «
(r^^5,3333.10 «
= 9,5993.10-«

De \\ ia de vaderconiponent geschatte erfelijkbeidsgraad in engere zin levert
een goede schatting over dat aandeel van de totale variatie, dat direct
\\()oi\' selectie toegankelijk is.

De aldus geschatte h^-waarden zijn bij borgen 0,07 ± 0,04 en bij zeusjen
0,60 ± 0,04. \' \' •

De standaardafwijkingen van de h^-waarden zijn berekend volgens de
dooi- G r a y b i 1 1 en R o b e r t s o n (1957) ontwikkelde iriethode.
De erfelijkheidsgraad kan ook via de inoederconiponent geschat worden als

\' " m

J ■ Deze h2--v\\\'aarde is in het onderhavige materiaal bij borgen 1,55

<7 T-

en bij zeugen 1,18. Aangezien de h2--waarde per definitie tussen O en 1
moet liggen, vallen deze waarden dus duidelijk veel te hoog uit.
De oorzaak hiervan ligt niet alleen in het feit, dat de teller van deze be-
waarde een groot deel van de niet-additieve genetische variantie bevat.
13e voornaamste reden is het insluiten van de variantie ten gevolge van het

-ocr page 209-

identieke milieu \\an toomgenoten. Derhalve behoeven wij aan deze laatste
h2-schattingen geen praktische waarde toe te kennen.

Discussie.

Er is een opmerkelijk verschil in h2-waarde tussen de geslachten. Bij de
zeugen is niet alleen de genetische, doch ook de totale variantie veel groter
clan bij de borgen.

De oorzaak van deze discrepantie is niet bekend, al zijn wel gissingen te
maken.

Het is mogelijk, dat bij de borgen ten gevolge van de castratie — en de
daarmee gepaard gaande hormonale veranderingen — de genetische ver-
schillen in brekingsindex tussen de dieren voor een belangrijk deel zijn ge-
nivelleerd. Misschien kan een onderzoek naar de brekingsindex van bet
rugspekvet bij niet-gecastreerde beren hierop nader licht werpen.
Een andere mogelijkheid is, dat de hoge h^-waarde bij de zeugen niet een
werkelijke weerspiegeling is van de genetische variantie van de brekings-
index, maar van de genetische variantie van een ander kenmerk, dat ge-
correleerd is met de samenstelling van bet (rug-)spekvet en welk kenmerk
zijn werking alleen demonstreert bij het vrouwelijke geslacht. Dit kenmerk
zou dan tevens de oorzaak kunnen zijn van de vroeger gevonden twee-
toppigheid van de frequentie-curve bij dc zeugen (M i n k e m a, K r o e s-
ke en Hart, 1961).

Men kan hierbij misschien denken aan genetisch bepaalde verschillen in
het tcnijx} van iict sexuele rijpingsproces en de daarmede verbonden hor-
monale veranderingen. Dit zou tot gevolg kunnen hebben, dat sommige
zeugen, vóórdat ze op 90 kg gewicht geslacht worden, wél en andere nog
niet bronstig geweest zijn. Deze omstandigheid zou invloed op de spek-
hardheid kunnen hebben. Nader onderzoek hiernaar is gewenst.
Indien de gevonden h2-waarden wel reëel zijn, dan is de conclusie ge-
wettigd, dat selectie op s[)ekhardheid alleen zin heeft via de zeugen.

S.AMENV.ATTING.

Een maat voor de chemische hardheid van het rugspekvet van varkens is de met een
rcfractomcter bepaalde brekingsindex. Dc erfelijkheidsgraad van dit kenmerk is bij
materiaal van de selcctic-mesterijen geschat middels cen paternale halfbroer-(half-
zuster-) vergelijking. De h\'^ van de brekingsindex bij borgen is 0,07 ± 0,04 en bij
zeugen 0,60 ± 0,04. De oorzaak van dit grote verschil tussen de geslachten is niet
bekend.

SUMM.\\RY.

The refractive index which is determined by means of a refractometer is a measure
for the firmness of the backfat of pigs. The heritability of this trait has been evaluated
in pi,gs from the pig testing stations by means of a paternal half-sib analysis. For
barrows the h\'-^ of the refractive index is 0.07 ± 0.04 and for sows 0.60 ± 0.04.
The cause of this great difference between the sexes is not known.

RÉSUMÉ.

Une mesure pour la consistance du lard de la région dorsale de porcs est l\'indice
de la réfraction déterminé à l\'aide d\'un réfractomètre. Le coefficient d\'heritabilitc
de cette caractéristique a été évalué chez des porcs des stations de contrôle à l\'en-

-ocr page 210-

graisscment à l\'aide d\'un analyse des demi-frères (-soeurs) paternels. Chez les verrats
châtres le h\'-^ de l\'indice de la réfraction est 0.07 ± 0.04; chez les truies 0.60 ±
0.04. La cause de cette grande différence entre les sexes n\'est pas connue.

ZUSAMMENF.ASSUNG.

Ein Masz für die Speckhärte des Rückenspeckfettes von Schweinen ist der mit Hilfe
eines Refraktometers bestimmte Brechungsindex. Die Heritabilität dieses Kennzeichens
ist bei Schweinen von Mastpriifungsanstalten mittels einer patemalen Halbgeschwister-
analyse geschätzt worden. Der h\'-^ des Brechungsindexes ist bei den Borgen 0.07 ±
0.04 und bei den Sauen 0.60 ± 0.04. Die Ursache dieser grossen Differenz zwischen
den Sexen ist nicht bekannt.

LITERATUUR

B e k e d a m, M.: Inteelt in dc Nederlandse varkensfokkerij. Veeteelt- en Zuivel-
berichten,
2, 741, (1959).
G ray bi 11, F. A. and Robertson, W. H.: Calculating confidence intervals for

genetic heritahility. Poultry Sei., 36, 261, (1957).
Hart, P. G.; Onderzoekingen omtrent de zachtheid van bacon III. Spekhardheid

en refractiewaarde. Landbouwk. Tijdschr., 68, 813, (1956).
Kempt borne, O.: An introduction to genetic statistics. John Wiley & Sons,
New York, 1957.

Minkema, D., Kroeske, D. en Hart, P. C.: Enkele genetische aspecten van
zachte bacon.
Tijdschr. Diergeneesk., 86, 111, (1961).

Ziektevrijc varkens in Engeland.

De eerste worpen „minimal disease pigs" uit een particuliere kudde zijn in april j.1.
in Engeland geboren.

De eigenaar, Mr. Horust, is van mening dat het door hysterectomie verlossen van
varkens ook in dc toekomst zal blijven en een belangrijk wapen is in de strijd tegen
virus-pneumonie.

Farmer\'s Weekly, 6-4-1961, blz. 61.

Abortus door Aspergillus bij merries.

Volgens het Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 74, 293, 1961, zou bij 3 merries abortus
door hyphomyceten zijn vastgesteld.

In alle gevallen werden schimmels en sporen gevonden in de foetale vliezen of in de
foetale organen.

Bij 2 paarden kon de schimmel worden gekweekt en als Aspergillus fumigatus ge-
diagnostiseerd worden.

]. Am. vet. med. 139, 883, (1961).

-ocr page 211-

Hemospermie; beschrijving dezer afwi\'/king bij
een stier.

Haemospermia; description of this deviation in a bull.

door J. HENDRIKSE\')

Uit de Kliniek voor Veterinaire Verloskunde en Gynaecologie
der Rijksuniversiteit, Utrecht. Directeur: Prof. Dr. F. C. van
der Kaay.

Literatuuroverzicht.

De toestand waarbij bloed in het sperma aanwezig is, wordt hemospermie
genoemd.

De vermenging met bloed geeft een abnormale klem" aan het sperma. Vers
bloed veroorzaakt een licht rose tot rode verkleuring, afhankelijk van de
hoeveelheid bloed (Dérivaux, 1958; Frank, 1950; Goode en
1-ludduck, 1948; H e 11 i n g a, 1949; Küst en S c h a e t z, 1954 en
Perry, 1960). Een meer of minder bruine verkleuring wijst op de aan-
wezigheid van gedegenereerd bloed (Frank, 1950; Goode en Rud-
d u c k, 1948 en Roberts, 1956). Deze afwijkende kleuren van het
sperma kunnen dus een aanwijzing zijn voor hemospermie.
Deze voorlopige diagnose kan door microscopisch onderzoek op erytrocyten
en door spectroscopisch onderzoek op bloedkleurstoffen (Küst en
Schaetz, 1954) nader worden vastgesteld. Een bruine verkleuring kan
ook worden veroorzaakt door een bijvoeging van gedegenereerde weefsels
(Frank, 1950; Perry, 1960 en Roberts, 1956), zodat ook een kli-
nisch en bacteriologisch onderzoek niet mogen worden nagelaten.
Hemospermie kan door verschillende oorzaken ontstaan. Het bloed komt
meestal van de oppervlakte van de penis, maar kan ook uit de uretra ko-
men. Komt het bloed van de oppervlakte, dan zijn hier verwondingen,
ontstekingen,
Condylomen, angiomen of bloedfistels (Dérivaux, 1958;
Küst en Schaetz, 1949) aanwezig. Bij deze gevallen zal in de regel
geen of weinig bloed op de penis aanwezig zijn, maar tijdens het dekken
cmtstaat er een bloeding. Ook bij een bloedfistel, die loopt van het corpus
cavernosum naar de oppervlakte van de penis, wordt alleen tijdens de
erectie bloed geloosd (K ü s t en Schaetz, 1949). Bij een onderzoek van
de [jcnis, eventueel tijdens de erectie, zal de herkomst van het bloed zijn
op te sporen en kan een therapie worden ingesteld. De behandeling van
een bloedfistel kan, ondanks cauterisatie, nog al eens teleurstellend zijn.
Komt het bloed tijdens de ejaculatie uit de uretra — en dit is waargenomen
bij stieren, hengsten en beren (Dérivaux, 1958; Perry, 1960;
Roberts, 1956 en H e 1 1 i n g a, 1949) - - dan is de herkomst moeilijker
op te sporen. In de veterinaire literatuur worden echter wel enkele moge-
lijkheden vermeld, zoals inwendige bloedfistels van het corpus cavernosum
naar de uretra (Dérivaux, 1958) en verwondingen door blaassteentjes.
Heil in ga (1949), die ook enige andere auteurs aanhaalt, heeft hemo-
spermie bij de man gevonden; het bloed kwam in de beschreven gevallen

Dr. J. Hendrikse, wetenschappelijk hoofdambtenaar A, Faculteit der Diergenees-
kunde, Rijksuniversiteit, Utrecht, Biltstraat 172.

-ocr page 212-

uit de gl. vesiculares, daar het bloed voorkwam in het laatste gedeelte van
het ejaculaat.

De schadelijke werking van bloed op de spermiën werd reeds in 1921 door
West er beschreven. Van der Sluis (1953), Küst c.s. (1954),
Dérivaux (1958) en Eibl (1959) vermelden een schadelijke invloed
van de bloedbijmenging op de fertiliteit. Van der Sluis (mondelinge
mededeling) is naderhand echter van inzicht veranderd.
R o t h e (1961) heeft met proeven in vitro geen invloed op verdimd sper-
ma kunnen waarnemen van eigen, soort-eigen of soort-vreemd bloed.
H e 11 i n g a (1949) houdt, zolang het tegendeel niet is bewezen, rekening
met een stoornis in de vruchtbaarheid.

Eigen waarnemingen.

Bij de K.I.-stier Prins (geb. 5-4-\'55) van het stierenstation Bunnik was
het mogelijk een geval van hemospermie gedurende langere tijd te ver-
volgen. Deze stier leverde plotseling in het najaar van 1958 twee, vlak na
elkaar verzamelde, homogeen rood gekleurde ejaculaten. Dit gebeurde na
6 weken dekrust. Een week later werden twee normale ejaculaten ver-
zameld, hierna kwamen weer 3 rode ejaculaten (1 per week). De stier
werd toen 5 weken op rust gezet tot begin januari 1959 en kwam daarna
met 1 dekdag per week weer in produktie. Gedurende 9 weken werden
21 normale ejaculaten verzameld, maar toen was plotseling een tweede
ejaculaat weer rood gekleurd. Nadat een week later nog een normaal eja-
culaat was verzameld, kreeg de stier wederom 6 weken dekrust. In mei
begon dc stier weer te dekken en wel één maal per week en leverde toen
weer rood gekleurd sperma. Na 6 weken, kort nadat de stier per week
2x2 ejaculaten leverde, veranderde de rode kleur in bruin. Deze kleur
bleef 3 weken bestaan en wisselde hierna gedurende 3 maanden; in de
regel was de kleur rood, soms normaal en een enkele keer bruin. In ok-
tober 1959 kwam de stier weer op rust nadat in het .seizoen "58/"59 totaal
37 normale, 46 rode en 16 bruine ejaculaten waren verzameld. Kleur-
afwijkingen zijn niet meer waargenomen tot in 1961; toen werden in maart
4 rose ejaculaten verzameld en in december een tweede ejaculaat dat licht
rood was; het volgende paar was licht bruin gekleurd.

Bij het klinisch onderzoek van de mucosa van de penis werden geen epitheel-
defecten gevonden. Het bloed moest dus wel uit de uretra komen en het
lag voor de hand dat het verse en het gedegenereerde bloed van de zelfde
plaats afkomstig waren. Het kwam niet uit de uretrawand daar dit gedegene-
reerde bloed minstens 24 uiu" van te voren moest zijn vrij gekomen en bij de
urinelozing veel eerder zou zijn weggespoeld. De herkomst moest dus wor-
den gezocht in de accessoire geslachtsklieren of in de ductus deferens. Daar
het niet erg waarschijnlijk is, dat vers bloed tijdens de ejaculatie vanuit
de epididymus in het ejaculaat komt, moesten de accessoire geslachtsklieren
wel de bron zijn geweest.

Daar een stier monofasisch ejaculeert met een korte ejaculatiegolf, kon
het ejaculaat niet gefractioneerd worden verzameld, zodat geen overeen-
komst met de onderzoekingen van H e 1 1 i n g a e.a. kon worden aange-
toond.

Door ons werd geen therapie ingesteld. Het is evenwel interessant om kennis
te nemen van de therapie, die bij hemospermie \\an de man wordt aan-
bevolen.

-ocr page 213-

Door toediening van kleine hoeveelheden oestrogene stoffen wordt de
gonatropine-produktie van de hypofyse verminderd. Dit heeft een vermin-
derde testosteron-produktie ten ge\\olge en hierdoor wordt op zijn beurt
de produktie van de accessoire geslachtsklieren geremd. Bij een juiste do-
sering wordt de produktie \\an de prostaat slechts weinig geremd, maar
van de gl. vesiculares zeer sterk. Door deze medicatie wordt het ejaculaat
kleiner en de bloedbijmenging verdwijnt. Door een direct effect op de
spermiogenese, ontstaat bij de behandeling een verhoging van het percen-
tage abnormale kop\\ormen. Na het staken van de toediening verdwijnt
deze afwijking weer en dc secretie van de gi. vesicidares wordt weer nor-
maal. In de meeste gevallen treedt nu geen vermenging met bloed meer op.
Volgens M a n n wordt de in het sperma aanwezige fructose hoofdzakelijk
door de gl. vesiculares geproduceerd. Bij het uitvallen van de produktie
\\an deze klieren, zal het sperma dus veel minder fructose bevatten en zo
zou dus het bewijs kunnen worden geleverd van een \\erminderde secretie
van de gl. \\ esiculares.

Daar het met bloed verontreinigde sperma van de stier Prins een goede
beweeglijkheid \\ertoonde en dit ook na verdunnen en bewaren bij 5° C
gehandhaafd bleef, is dit sperma toch \\oor de K.I. gebruikt.

Tabel 1.

Eerste inseminaties met sperma van stier Prins.

Kleur sperma

.\\antal eerste

inseminaties

Drachtigheidspercentage

Normaal

( Licht

Rood

( Donker

Bruin

75

61 ^
i

145

35
26

77

74 ^ \'\'
i 69
67

De resultaten van 281 eerste inseminaties staan vermeld in tabel 1. Wegens
het geringe aantal inseminaties zijn de gegevens niet verdeeld volgens de
leeftijd van het sperma en is alleen een onderdverdeling gemaakt naar de
kleur van het onverdunde sperma. Van de
15 eerste inseminaties, uitge-
\\oerd met normaal sperma, bedroeg het bevruchtingspercentage 77. Voor
rood sperma bedroeg het aantal inseminaties 61 en het percentage 74;
voor het licht rode sperma was het 77% en voor het donkerrode 69%. Met
bruin sperma werden 14.5 eerste inseminaties uitgevoerd en bedroeg het
percentage 67. Deze gegevens hebben betrekking op 16 monsters verdund
normaal sperma, 16 monsters verdund rood sperma en 15 monsters ver-
dund bruin sperma. De verschillende soorten monsters waren verdeeld
over het gehele inseminatiejaar. De gevonden percentages zijn niet signi-
ficant verschillend (P > 0,20).

Tabel 2.

Eerste inseminaties met sperma van stier Prins met vrijwel normaal en met
sterk door bloed verontreinigd sperma.

Kleur sperma

Aantal eerste inseminaties

Drachtigheidspercentage

Normaal 4- rose

110

77

Rood -1- bruin

171

67

-ocr page 214-

Vat rneii dc gegevens van het normale sperma en het licht rood of ro/c
gekleurde sperma samen en de gegevens van het donkerder rood gekleurde
sperma en het bruin gekleurde, dan vindt men drachtigheidspercentages van
77 en 67 (tabel 2). Ook het verschil tussen deze percentages is nog niet
significant (P zt 0,08).

Voor het beoordelen van de resultaten van de stier Prins zijn ook de be-
vruchtingsresultaten van de eerste inseminaties vergeleken met die van
andere stieren. In tabel 3 zijn de gegevens van de eerste inseminaties ver-
meld van alle stieren van de K.I.-vereniging HoHa. Vermeld zijn de ge-
gevens over de jaren \'57/\'58, \'58/\'59 en \'59/\'60. Zodoende kan men dus de
resultaten vergelijken in het reeds beschreven jaar \'58/\'59, het voorafgaan-
de en het volgende jaar.

In het jaar \'.57/\'58 liggen de met de stier Prins behaalde resultaten duide-
lijk het laagst, terwijl de andere elkaar weinig ontlopen.

Tabel 3.

Resultaten van de eerste inseminaties in Ho-Ha.

Stier

\'57/\'58

\'58/\'59

\'59/\'60

Smi

71,1

60,6

73,6

Theo

70,8

68

66,8

Ola

70,1

53

Prins

63,9

65,4

63,2

C.J.

59,4

59,5

Lod.

67,2

Udi

68,6

Over het jaar \'58/\'59, waarin de vereniging vijf stieren exploiteerde, zijn
de bevruchtingsresultaten veel geringer. Het is merkwaardig dat de resul-
taten van Prins juist zijn gestegen en nu op één na het hoogste zijn ge-
worden. In het volgende jaar (\'59/\'60) komt Prins weer iets slechter voor
de dag en ook t.o.v. de andere stieren zijn de resultaten lager. Aan de
band van deze gegevens kunnen we dus niet beweren, dat Prins in het
jaar \'58/\'59 een handicap heeft gehad door de bloedbijmenging.

Conclusie.

Met bloed \\erontreinigd sperma kan heel goed voor de K.I. worden ge-
bruikt. hoewel met een geringe nadelige invloed op bet bevruchtend ver-
mogen rekening moet worden gehouden. Deze invloed is niet aantoonbaar
bij de aanwezigheid van weinig vers bloed, maar bij veel vers bloed en bij
de aanwezigheid van bruin gedegenereerd bloed is een niet significant
verschil gevonden (P =b 0,08) t.o.v. het gebruik van normaal sperma.

SUMMARY.

Semen polluted by blood may quite well bc used in artificial insemination, though
this may have a slightly adverse effect on the fertilizing action.

This effect is not perceptible when a small quantity of fresh blood is present. A non-
significant difference (P about 0.08) with the use of normal semen was observed,
however, when a large quantity of fresh blood and when brown, degenerated blood
was present.

-ocr page 215-

RÉSUMÉ.

Pour l\'Insémination Artificielle on peut très bien se servir de sperme souillé de sang,
tout en tenant compte d\'une légère influence défavorable sur la puissance fécondatrice.
Cete influence ne peut pas être démontrée au cas d\'une petite quantité de sang frais,
mais s\'il s\'agit de beaucoup de sang frais et de sang brun et dégénéré on a trouvé
une différence sans importance statistique (P ± 0,08) à l\'égard de l\'emploi de sperme
normal.

ZUSAMMENFASSUNG.

Mit Blut verunreinigtes Sperma kann schr gut für die künstliche Besamung benutzt
werden, obwohl hinsichtlich des Befruchtungsvermögens mit einem geringfügigen
nachteiligen Einfluss gerechnet werden muss.

Bei einer geringen Menge frischen Blutes ist dieser Einfluss nicht nachweisbar. Bei
einer grösseren Menge frischen Blutes und beim Vorhandensein von braunem dege-
nerierten Blut ist ein unbedeutender Unterschied (P ± 0,08) gegenüber normalem
Sperma gefunden worden.

LITERATUUR

D é r i V a u X, J.: Physio-Pathologie de la réproduction et insémination artificielle

des animaux domestiques. Liège, (1958).
Eibl, K.: Lehrbuch der Rinderbesamung. Beriin, (1959).

Frank, A. H.; Artificial insemination in livestock breeding. U.S. Dep. Agric., circ.
567, (1950).

G o o d e, J. S. and R u d d u c k, H. B. : .Artificial insemination of farm animals in

the Sovet Union. Sydney, (1948).
H e 11 i n g a, G.: Het onderzoek bij stoornissen in de mannelijke vruchtbaarheid.

Proefschrift, Amsterdam, (1949).
Küst D. und S c h a e t z, F.: Fortpflanzungsstörungen der Haustiere. Stuttgart,
(1949).

Küst, D. und S c h a e t z. F.: Die Besamung beim Rind. Stutt.gart (1954).
M a n n, F. : Forschungsprobleme auf dem Gebiete der Physiologie und Biochemie der

Fortpflanzung der Tiere. Schweiz. Arch. Tierheilk.. 103, 359, (1961).
Perry, E. J.: The artificial insemination of farm animals. New Yersey, (1960).
Roberts, S. J.: Veterinary Obstetrics and genital diseases. Michigan, (1956).
Rothe, K. : Die Wirkung des Blutes auf die Beweglichkeit und Lebensdauer von

Rindersperma. Zuchthyg., 5, 31, (1961).
S 1 u i s, L. V. d.: Experiences with the examination into herd infertility. Proc. Con-
gress on Fertility and Sterility, New York, (1953).
W c s t c r, J. : Eierstock und Ei-Befruchtung und Unfruchtbarkeit bei den Haustieren.
Berlin, (1921).

Instituut voor Vleesonder/.oek in Groot-I5retagne.

ƒ 500 miljoen is beschikbaar gesteld voor de bouw van een nieuw vleesinstituut in
Bristol. Dit omdat men het nodig vindt het werk, dat thans in het Low Temperature
Station geschiedt, uit te breiden. De helft van de kosten wordt gedragen door de
industrie.

Farmer\'s Weekly, 23-3-1962, blz. 51.

-ocr page 216-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Massaal bacteriologisch onderzoek van melk-
monsters
voor een georganiseerde mastitisbe-
strijding bij runderen.

Mass bacteriologie examination of rnilksamples in an
organized mastitis eradication carnpaign in cows.

door F. H. J. JAARTSVELD1)

Uit het Laboratorium van de Provinciale Gezondheidsdienst
voor Dieren in Noord-Brabant.

Inleiding.

In verschillende landen is er een toenemende belangstelling waar te ne-
men voor een georganiseerde mastitisbestrijding.

Hoewel de Deense er\\\'armgen volgens mededehngen \\\'an Ij i v o n i (1958)
hierover niet bepaald gunstig zijn, wordt desniettemin gezocht naar andere
wegen om het gestelde doel te benaderen. Het spreekt vanzelf dat men,
alvorens mastitis georganiseerd te kunnen bestrijden, in staat moet zijn
om stelselmatig o[3 eenvoudige doch betrouwbare wijze de bedrijven, clie
met mastitis te kampen hebben, te onderkennen.

Metboden, die dit zouden kunnen verwezenlijken zijn gejrabliccerd in de
dissertatie van schrijver dezes (J a a r t s v e 1 d, 1961).
De hierin beschreven B.M.R. (Brabantse Mastitis Reactie) is dus een
diagnotische methode, doch zij geeft geen enkele informatie betreffende
de soort of de oor/aak van cen bepaalde mastitis; de reactie geeft ons alleen
een informatie betreffende het totaal aantal cellen per ml melk.
Indien men echter een gerichte mastitis-therapie in wil stellen, moet ook
de oorzaak van de mastitis vastgesteld worden. Deze oorzaken kunnen zeer
\\erschillend zijn. In veel gevallen speelt tramna een rol, hetzij tengevolge
van een eenmalig ernstig insult (betrapping), hetzij tengevolge van een
op zichzelf vrij geringe doch telkens terugkerende beschadiging (foutief
hand- of machinaal melken). Ook thermische factoren kunnen een rol
spelen (kouvatten).

•Aansluitend op deze a-bacteriële mastitiden kunnen zeer gemakkelijk
bacteriële infecties aanslaan^ Dit is afhankelijk \\-an de resistentie van de
uier en dc jjathogeniteit van de aanwezige bacterie.

Wil men op een bedrijf, waar \\eel mastitis bij runderen voorkomt, een
rationele therapie en ]5rofyla.xis instellen, dan is het van groot belang na
te gaan in hoeverre een vorm \\ an trauma een rol speelt als eerste oorzaak
\\oor deze mastitiden en boe dit euvel verholpen kan worden. Onze kennis
hieronUrent is nog zeer gebrekkig.

.\\ansluitend op dit onderzoek kan cen bacteriologisch onderzoek ingesteld
worden van steriel gewonnen en bewaarde kwartiermelkmonsters.
Hierbij wordt nagegaan of bij een bepaalde mastitis een bacteriële infectie
een rol speelt, welke bacterie in het spel is, en voor welk antibioticum of
chemotherapeuticum deze bacterie gevoelig is.

1  Dr. F. H. J. Jaartsveld, dierenarts bij dc Provinciale Gezondheidsdienst voor
Dieren in Noord-Brabant, Rechterstraat 80, Boxtel.

-ocr page 217-

Door de Provinciale Ge/ondheidsdiensl voor Dieren in Noord-Brabant
worden de melkmonsters, afkomstig uit de melkbussen geleverd op de
diverse zuivelfabrieken, behalve op brucellosis, ook op mastitis onderzocht
met behulp van de B.M.R. De bedrijven met ernstige mastitisproblemen
worden onderkend en aangewezen.

De betreffende zuivelfabriek wordt ten aanzien hiervan op de hoogte ge-
steld. Bij zuivelfabrieken die stal- en voederadviseurs voor het mastitis-
onderzoek beschikbaar hebben, wordt op de bedrijven met ernstige mas-
titisproblemen een enquête gehouden betreffende de methode van melken,
stalstand e.d. Tevens worden van de aangetaste dieren steriele kwartier-
monsters genomen, die worden opgestuurd naar het laboratorium van de
Gezondheidsdienst. .Xan de hand van deze gegevens en de laboratorium-
uitslagen worden aan de praktizerende dierenarts en de veehouder adviezen
verstrekt.

Bacteriologisch onderzoek met behulp van een rechthoekige plaatmethode.

Om een groot aantal monsters in het laboratorium op een eenvoudige,
goedkope en snelle wijze bacteriologisch te kunnen onderzoeken werd een
uitneembare schaal ontworpen. Het is een rechthoekige schaal bestaande
uit een losse glazen plaat (1) met een alluminium raam (2) met ojsstaan-
de wand (3)\', dat met een alluminium deksel (4) afgesloten kan worden
(zie tekening).

De lechthoekige schaal wordt verdeeld in twee ongelijke helften door een
drempel (5), die evenals het raam (2) vlak op een plaat gelegd kan wor-
den. Met behulp van een aantal klemmen (6) wordt het alluminium raam
bevestigd op de glazen plaat. Dit geheel kan in deze toestand gedurende
drie kwartier bij 160° C gesteriliseerd worden.

De plaat is genuimnerd (7), en op de lange zijden van het raam zijn om
de 1 ^ cm nummers aangebracht vanaf 1 tot en met 20.

-ocr page 218-

In de linker brede helft van de schaal wordt 5-10% runderblocdagar ge-
goten tot aan de bovenkant van het drempeltje (5) dat 3 mm hoog is.
In de rechter smalle helft wordt H.E.T.-mediumi) gegoten. Nadat de plaat
gedroogd is, kunnen de te onderzoeken melkmonsters volgens de aange-
brachte nummers (8) geënt worden. Met een grote öse melk kunnen de
twee media direct achter elkaar geënt worden.

Op de betreffende formulieren wordt het nummer van de plaat (7) en de
nununers van de geënte melkmonsters aangegeven. De plaat zelf wordt
niet beschreven.

Nadat de plaat geënt is, kunnen over de bloedagar twee filtreerpapier
(Whatman 3) strips ± 6 mm van elkaar gelegd worden (9). Deze strips be-
vatten respectievelijk penicilline en terramycine. Ze zijn 300 mm lang en
2 mni breed. Gedurende 3/4 uur worden ze bij 120° C "droog gesteriliseerd,
en ver\\\'olgens wordt gelijkmatig 0,225 ml van een gestandaardiseerde op-
lossing van penicilline en terramycine2) over deze strips verdeeld. De
eerste bevat 1200 E. penicilline per 10 ml, de laatste 6000 E. terramycine per
10 ml aqua dest.

Deze vochtige strips worden in de broedstoof gedroogd en zijn dan voor
gebruik gereed en kunnen, koel en droog bewaard, 6 weken worden ge-
bruikt. Nadat de geënte plaat 18-20 uur bebroed is, kan nagegaan worden,
welke monsters een positieve kweek hebben opgeleverd.
In veel gevallen kan hierbij direct vastgesteld worden of er een stafylo-
kokkus, een Gram-negatief staafje, een corynebacterium of een Strepto-
kokkus gegroeid is. Deze laatste kan aan de hand van zijn groeiwijze,
hemolysis, Camp-fenomeen en aesculinesplitsing meestal direct getypeerd
worden.

Tegelijk krijgt men een indruk of en in hoeverre de gegroeide bacteriën
gevoelig zijn voor penicilline of terramycine, mits de primaire cultuur vol-
doende gegroeid is. In de praktijk blijkt dat veel melkmonsters bij het
bacteriologisch onderzoek slechts weinige koloniën opleveren. Vandaar dat
bij de primaire isolatie van de mastitisverwekkers de strips achtcrwcgc
blijven. De gevoelighcidsbepaling wordt na overenüng met de geïsoleerde
culturen uitgevoerd. Voor exacte gevoelighcidsbepalingen is nog een nader
onderzoek nodig.

Alleen de losse glazen plaat van de uitneembare schaal is breekbaar.
De besparing van de hoeveelheid agar bij de uitneembare schaal is onge-
veer 1/3 vergeleken met de hoeveelheid agar, nodig in de ronde Petri-
schalen. Nadat de plaat afgelezen is, en dc voor nader onderzoek bestemde
bacteriestannnen overgeënt zijn kan de schaal zeer eenvoudig gereinigd
worden. Hiertoe worden de klemmen (6) verwijderd, het alluminium
raam met deksel wordt van de glazen plaat gelicht en in een bak met
chloor amine 1-2% gelegd. Met behulp van een mes kunnen de twee
repen agar zeer eenvoudig van de glazen plaat verwijderd en in een daar-
voor bestemde bus gedeponeerd worden. Daarna wordt ook de glazen
Inlaat in chlooramine 1-2% gelegd. Vervolgens wordt alles gereinigd.
Alle onderdelen worden daarna met water gespoeld, in elkaar gezet en
gesteriliseerd.

1) C.D.I. afd. Rotterdam No. 55/9. 57/07 358.81/50.

Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek N.V., Delft, Holland.

-ocr page 219-

De geënte schaal hoeft dus niet niet de agar gesteriliseerd te worden.
Bovendien is ze veel sneller \\ oor herhaald gebruik gereed. Mogelijk kan in
de toekomst deze soort schaal van steriel plastic voor éénmalig gebruik
afgeleverd worden, waardoor het bezwaar \\an reinigen en steriliseren
ver\\alt.

Het nadeel van deze schaal is dat, indien een of meerdere monsters erg ver-
ontreinigd zijn, soms vele andere monsters moeilijk of niet meer beoordeeld
kunnen worden. Dit nadeel is in de praktijk bij goed genomen melkmonsters
niet erg groot.

Een speciale opleiding van de monsternemer is dus noodzakelijk.
Dankbetuiging.

Gaarne wil ik collega J. F. F r i k danken voor zijn adviezen bij de vervaardiging van
de antibiotica-strips. Tevens dank aan allen die op het laboratorium aan het tot
stand komen van deze uitneembare schaal hebben meegewerkt.

SAMENVATTING.

Voor het massaal cultureel onderzoek van op steriele wijze genomen melkmonsters
werd een rechthoekige uitneembare schaal ontworpen. Deze bestaat uit een glazen
rechthoekige plaat (1), die met behulp van klemmen (6) bevestigd wordt aan een
metalen raam (2) met opstaande wand (3). Dit geheel kan met een metalen deksel
(4) afgesloten worden. De rechthoekige schaal wordt in lengterichting door een
drempel
(5) in twee ongelijke delen verdeeld. In de linker (grootste) helft wordt
5-10% bloedagar, en in de rechter (kleinste) helft wordt H.E.T.-medium gegoten.
Volgens de aangebrachte nummering wordt de plaat met de te onderzoeken melk-
monsters op beide media geënt.

Op deze wijze kan de volgende dag bepaald worden of er groei opgetreden is en
welke bacteriesoort dit betreft.

De bacterieculturen, afkomstig uit de melkmonsters, kunnen vervolgens op een snelle
wijze op dezelfde soort voedingsbodem onderzocht worden betreffende hun gevoelig-
heid voor penicilline en terramycine. Dit gaat met behulp van lange strips van fil-
treerpapier die een gestandaariseerde hoevcelhed hiervan bevatten.

SUMMARY.

A rectangular collapsible disk was designed for mass examination by culture of
milk samples taken under sterile conditions.

This disk consists of a retangular glass plate (1) attached to a metal frame (2)
having an upright wall (3) by clamps (6). The whole can be closed with a metal
lid (4). The rectangular disk is divided into two unequal parts by a threshold running
lengthwise. From five to ten per cent blood agar is poured into the left (greater) half
and H.E.T.-medium into the right (smaller) half.

The plate and the samples of milk to be examined are inoculated into the two media
in the order of the numbers stated.

This makes it possible the following day to determine whether any growth has
occurred and the species of bacterium concerned.

The cultures of bacteria obtained from the milk samples then can be rapidly exa-
mined for their sensitivity to penicillin and terramycin in a similar type of culture
medium. Long strips of filter paper containing a standardized quantity of these
antibiotics are used for this purpose.

RÉSUMÉ.

L\'auteur créa, pour l\'examen culturel massai d\'échantillons de lait prélevés de façon
stérile, un récipient rectangulaire détachable, se composant d\'une plaque de verre

-ocr page 220-

rectangulaire (1), qui à l\'aide de pinces (6) est fixée à un châssis métallique (2)
avec une paroi droite (3). Cet ensemble peut être fermé par un couvercle métallique
(4). Le récipient rectangulaire est divisé en deux parties inégales par un seuil (5)
dans le sens de la longueur. Dans la partie .gauche (la plus grande) on verse une
mixture d\'agar et de sang (5-10%), et dans la partie droite (la plus petite) on verse
le médium H.E.T.

Selon le numérotage appliqué la plaque avec les échantillons de lait est inoculée sur
les deux fonds de culture.

De cette façon on peut constater le lendemain si une croissance a eu lieu et de quel
spécimen de bactéries il s\'agit.

Ensuite les cultures de bactéries originaires d\'échantillons de lait peuvent être ra-
pidement examinées sur la même sorte de fond de culture concernant leur sensibilité
pour la pénicilline et la terramycinc. Cela se fait à l\'aide de longs rubans de papier
filtre contenant une quantité standardisée de ces antibiotiques.

ZUS.A.MMENF.\'^SSUNG.

Zur Massenuntersuchung mit Kulturen wurde für steril entnommene Milchproben
eine rechteckige, ausnehmbare Schale entworfen.

Dieselbe besteht aus einer rechteckigen Glasplatte (1), die mittels Klemmen (6) an
einen Metalrahmen (2) mit aufrechter Wand (3) befestigt wird. Das Ganze kann
mit einem Metaldeckel (4) abgeschlossen werden. Die rechteckige Schale wird in der
Län.gerichtung durch eine Zwischenwand (5) in zwei ungleiche Teile geteilt. In
die linke (grössere) Hälfte wird 5-10% Blutagar und in die rechte (kleinere)
Hälfte H.E.T.-Medium .gc.gossen.

.Nach angebrachter Nummerierung wird die Platte mit den zu untersuchenden Milch-
proben auf beide Media geimpft.

•Auf diese W\'eise kann am folgenden Ta.gc bestimmt werden, ob Wachstum eingetreten
ist und welche Bakterienart es betrifft.

Die aus den Milchproben entstandenen Bakterienkulturen können dann auf schnelle
Weise auf .gleichsortigen Nährboden betreffs ihrer Empfindlichkeit für Penicillin und
Terramycin untersucht werden. Dies geschieht mittels langer Streifen Filtrier|Da|)ier,
die eine standardisierte Menge dieser .Antibiotika befassen.

LITER.XTUUR

Jaartsveld, F. II. J, : Bijdrage tot de diagnostiek van mastitis bij runderen in hct

kader van een georganiseerde bestrijdin.g. Utrecht, Thesis, 1961.
L i V o n i, P.: Mastitis en mastitisbestrijding.
Tijdschr. Diergeneesk., 83, 821, (1958).

Farniotel.

Een Britse firma is van plan een nieuw soort motel te gaan bouwen nl. een zgn.
farmotcl, waar de bezoekers vaimit een luie stoel kunnen zien, hoe de koeien machi-
naal worden gemolken en wat er verder allemaal op een landbouwbedrijf aan de
hand is, zonder hun schoenen vuil te maken.

De prcxlukten van het bedrijf zullen direct via het restaurant worden afgezet.
Het is de bedcM\'ling dat eigenaars van landbouwbedrijven, die voor het idee voelen
en wier bedrijven op een geschikte plaats t.o.v. het verkeer zijn gelegen, in vereniging
met deze firma tot een der.gelijke opzet .gaan komen.

Landbouwdocumentatie, ]&, 404, (1962).

-ocr page 221-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

INFECTIEUZE RINOTRACHEITISVIRUS VAN HET RUND EN ZIJN VER-
WANTSCHAP MET DE HERPESVIRUS-GROEP.

r m s t r O n g, J. A., P e r e i r a, H. G. and n d r e w e s, C. H.: Observations
on the virus of infectious bovine rhinotrachcitis and its affinity with the herpesvirus
group.
Virology, 14, 276, (1961).

Met hct isoleren en onderkennen van steeds mccr virussen is de noodzaak gevoeld
deze smetstoffen zo mogelijk onder te brengen of in te delen in bepaalde omschreven
groepen met overeenkomstige eigenschappen, dus te komen tot een bepaalde systema-
tiek ook bij virussen (taxonomie), omdat men door de bomen het bos niet meer zou
onderkennen.

Reeds door enkele onderzoekers is voorgesteld, dat het bovine rinotracheitisvirus op
grond van de veranderingen, waargenomen in de celkernen in de weefselkweek na
groei van dit virus, wel eens kon behoren to de herpesvirus groep.
In dit onderzoek, ondernomen om de waarde van deze suggesties nader te toetsen,
heeft men gebruik gemaakt van cen celkweek van kalvernicrccllcn en de veranderingen
na besmetting met dit rinotracheitisvirus op gezette tijden bestudeerd zowel met het
lichtmicroscoop als met het elektronenmicroscoop. Tevens is onderzocht het gedrag
van dit virus ten aanzien van bepaalde chemicaliën en bij een aantal proefdieren,
waarvoor ondermeer het herpes simplex virus (o.a. verwekker van koortsuitslag bij
de mens) pathogeen is gebleken.

Mede omdat van de herpesvirus groep vele vertegenwoordigers tot de dierpathogene
virussen gerekend kunnen worden, o.a. het pseudorabiesvirus (ziekt van Aujcszky) en
het herpes B-virus (bij aap en mens) kan nadere kennisname ook voor dc dierenarts
van waarde zijn. Daarbij komt dc praktische overweging, dat al deze virussen bij
mens en dier potentieel oorzaak zijn of kunnen zijn van meningo-encefalitis of encc-
falitis.

Na 24 uur ziet men cytopathisch veranderingen van dc kalvcmierccllen, die bij histo-
logisch onderzoek na kleuring met haematoxylinc-cosinc niet te onderscheiden zijn
van die bij het herpes simplex virus onder dc vorming van intranucleairc basofielc
vormsels. Elektronenmicroscopisch onderzoek toonde virus-partikeltjes in deze kernen,
omgeven door 1 membraan ter grootte van 115 mß en door 2 membranen met een
grootte van 150 mfi.

Ilct bovine rinotracheitisvirus bleek echter geen laesies te veroorzaken op het chorio-
allantoisvlics van het kippcëmbr
>\'0, evenmin traden ziekteverschijnselen op na intra-
cercbrale of intraperitoneale infectie van zuigelingmuizen of volwassen muizen. Scari-
ficatie van de konijnecornca veroorzaakt geen conjunctivitis of keratitis, zoals bij dc
andere vertegenwoordigers van de herpes simplex groep regel is. Serologisch is er
geen enkele antigcne verwantschap waargenomen.

Dus uitsluitend op grond van de morfologie menen dc auteurs het bovine rino-
tracheitisvirus in te delen bij de herpes simplex groep van virussen. Dc virussen van
herpes simplex, Pseudorabies en B-virus hebben op apcniercelculturen een identieke
pathomorfologie als het bovine rinotracheitisvirus bij kalvernicrcellen.
Over een antigcne verwantschap tussen het pseudorabiës- en het rinotracheitisvirus,
virussen die dus beide bij het rund voorkomen, zijn nog geen gegevens beschikbaar.
Wordt deze gevonden, dan zal de laatstgcno<-mdc smetstof in die landen waar deze
eerstgenoemde ziekte vrij belangrijke economische schade berokkent aan de rundvee-
stapel, de mogelijkheid openen om te kunnen worden aangewend als vaccin tegen het
pesudorabiës virus. In landen waar beide virussen naast elkaar voorkomen is het
chorioallantoisvlies dus cen eenvoudig hulpmiddel om ze van elkaar te onderscheiden.

-ocr page 222-

Onderstaande tabel geeft cen overzicht van enkele onderlinge verschillen.

Veranderingen in
chorioallantois-
vlies

Natuurlijke
gastheer

Vi rus

Proefdier

Kliniek

„koortsuitslag",
sporadisch ence-
falitis bij mens

zuigeling-
muis

volw. muis
konijn

Herpes
simplex

typische laesies

konijn
(sterft altijd
aan encc-
falitis)

infectie bij mens
resulteert steeds in
dodelijk verlopen-
de enccfalitis

B-virus

idem

aap

varken
soms rund

incidenteel enccfa-
litis bij rund

Pseudorabies

idem

idem

Bovine rino-
tracheitis

rund

gene

idem^)

gene

M Webster, R. G. and M a n k t a 1 o w,
(1956).

B. W.: New Zealand vet. /., 7, 143,
H. A. E. van Tongeren.

MILTVUUR BIJ DE MENS IN INDONESIË.

Mans j oer, M.: Anthrax in men and animals in Indonesia. Communicationes
veterinariae
(Bogor, Indonesia), 5, 61, (1961).

Na een literatuuroverzicht betreffende anthrax bij dieren, geeft M a n s j o e r een
uitvoerig overzicht betreffende door hem zelf en anderen waargenomen gevallen van
anthrax bij de mens in Indonesië.

Hij vermeldt dat het voorkomen van endemiën in dc hand wordt gewerkt doordat
de bevolking in sommige gedeelten van Indonesië gaarne anthraxkadavers eet, spe-
ciaal als deze 1 ä 2 dagen gelegen hebben. Het dragen van vlees van slachtdieren
op dc blote schouders geeft aanleiding tot het ontstaan van huidinfecties.
Bij een uitbraak in Zuid-Celebcs in 1931-\'32 zijn 245 personen gestor\\\'en, tijdens een
epizoötie, waarbij circa 13000 karbouwen en paarden stierven.
Behalve dc carbunkelvorm, waarbij pustulae ontstaan, die door kunnen breken cn
ulcereuze processen geven waarvan de patiënt kan genezen, worden cen septische
vorm en een gastro-enteritischc vorm beschreven.

Bij de septische vorm, die soms binnen een halve dag verloopt, komen algemeen on-
wel zijn, koorts (40° C), onpasselijkheid en bloed in dc faeces voor. De dood kan
hierbij plotseling intreden, waarbij de patiënt kort voor de dood cyanotisch wordt.
Het gehele kadaver ziet cr diepblauw uit en het bloed coaguleert niet.
Bij de gastro-enteritische vorm treedt minder hoge koorts op, dc maagdarm.symptomen
overheersen en de prognose is gunstiger.

Na bespreking van diverse in de literatuur beschreven gevallen van anthrax bij de
mens in Indonesië noemt hij de in dat land meest voorkomende infectiemogelijkheden.
Deze zijn;

le. eten van komkommers, die gegroeid zijn op terreinen waar karbouwen begraven
waren;

2c. scarificatie-infecties van slagers, die miltvuurkadavers slachten;
3e. graven in de grond waar een miltvuurkadaver begraven is geweest; in één geval
kregen hierdoor 65 personen pustulae (onbedekte huid is natuurlijk een on-
gunstige factor, Ref.);

-ocr page 223-

4e. werken op besmette rijstvelden;

5e. dragen van hoeden van bamboe, waaraan besmet karbouwen- of geitenleer was
verwerkt;

6e. eten van „saté" van besmet vlees gemaakt. (In een geval in Krawang in 1955

werden 246 personen ziek, waarvan 5 stierven);
7e. drinken van water van de sawahs;
8e. overbrenging door insectensteken.

Tenslote wordt nog gewezen op de rol van aasetende dieren, tijgers, honden, kraaien,
waranen enz., voor de verspreiding van de infectie.

C. A, van Dorssen.

Farmacologie en toxicologie

BEHANDELING VAN PAARDEN, HONDEN, KATTEN EN HOENDERS MET
TERRAMYCINE.

J a k s c h, W.: Beobachtungen und Erfahrungen bei der Anwendung von Oxytetra-
cyclin (Terramycin) zur Behandlung innerer Krankheiten der Pferde, Fleischfresser
und des Geflügels.
fVien. tierärztl. Mschr., 48, 559, (1961).

In dit zeer uitvoerige artikel van 32 bladzijden worden ervaringen medegedeeld over
behandeling van 29 paarden, 674 honden, 6 katten en circa 3800 kippen.
Bij het paard werden goede resultaten bereikt bij catarre van de voorste luchtwegen,
verslikpneumonie na slokdarmverstopping en gasflegmoon (injeetieflegmoon met
Cl. novyi). Bij de hond werden met succes behandeld alle niet nerveuze vormen van
hondeziekte, leptospiren, hemorragische cystitis, eczema madidans, acne (gecombi-
neerd met gelijktijdi.ge bestraling), otitis externa en sommige pneumoniën.
Niet te beïnvloeden waren droes en de nerveuze vorm van hondeziekte.
Over de waarde van de gunsti.ge resultaten van de therapie bij maagdarmcatarre en
eczeem van het paard, petechiaaltyfus, genuine pneumonieën bij de hond en infec-
tieuze darmontsteking bij de kat, durft de schrijver, wegens het geringe aantal, geen
conclusies te trekken. Bij mycoplasmose van kippen konden de acute symptomen en
daarmede de oeconomische verliezen verminderd worden. Een volledige sanering ver-
wacht schrijver mede op grond van de literatuur niet.

Verder behandelde hij een kip met Kleinse ziekte met succes en verkreeg in een

dierentuin met sterfte onder diverse vo.gels met Salmonellose vermindering van de

sterfte dcrar het toedienen van terramycine door het drinkwater.

Voor verdere bijzonderheden over de behandelingsmethode zij verwezen naar het

artikel.

(7. A. van Dorssen.

Fysiologie en fysiologische chemie

DE IN VITRO PASSAGE VAN 2\'\'Mg DOOR DE CELW.AND VAN DE
DUNNE DARM VAN CAVIA\'S.

Ross, D. B. and Care, A. D.: The movement of across the cell wall

of guinea-pig small intestine in vitro. Biochem. ]., 82, \'21 P., (1961).
Daar er nog slechts weinig bekend is over de factoren welke de passage van magne-
sium door de celwand beïnvloeden werd het effect nagegaan van enige enzymrem-
stoffen, n.1. fluoracetaat en joodazijnzur, en van aldosteron op de passage van
28Mg .

De proeven werden verricht met dunne-darm segmenten van cavia\'s.
Zowel fluoracetaat als joodazijnzuur verhoogden het uittreden uit, maar verminder-
den tevens de opname in de darmwand van ^\'\'Mg-!--!- . Hieruit werd geconcludeerd
dat de normale intracellulaire ophoping van magnesium tenminste gedeeltelijk afhan-
kelijk was van de energie, verkregen uit oxydatie van glucose.

-ocr page 224-

Het aldosteron verminderde de intracellulaire magnesiumconcentratie in de darm-
wand, waarschijnlijk door een vermindering van de opname van magnesium door
de cel en niet door de toegenomen uittreding.

A. ƒ. H. Schotman.

Inwendige ziekten

AXIM.ALE MYCOSEN BIJ RUND EN MENS.

Klokke, Dr. A. H.: Kort verslag van een systematisch onderzoek naar animale
mycosen bij vee en mens.
T.N.0.-Nieuws, 16, 577, (1961).

Een speciaal daarvoor aangestelde rapporteur bezocht maandelijks 165 boerderijen
in de omgeving van Waddinxveen.

Van al het vee bleek 2,5% met animale mycosen besmet te zijn; deze dieren kwamen
voor op 27 boerderijen.

In 3 van de besmette bedrijven werd een mens met animale mycose gevonden.
Van de verdachte huidlacsies bij het vee werd materiaal onderzocht door het Myco-
lo.gisch Laboratorium te Rotterdam, waarbij in 93% van de .gevallen
Trichophyton
verrucosum
werd gekweekt: tweemaal werd deze ook gekweekt van hekwerk in een
weide, die al 4 maanden door het vee verlaten was; éénmaal werd deze schimmel
.geweekt uit een koeienstofzui.ger.

Gewezen wordt op de rol die de electrische tondeuse, de koeienstofzuiger en de melk-
machine spelen bij de verspreiding; deze factoren zouden uitbreiding in de hand
werken.

Samenwerking tussen veterinairen en medici voorafgegaan door planning van hoger-
hand, wordt noodzakelijk geacht. De mycose is slechts te bestrijden door eliminatie
van het animale reservoir.

ƒ. G. van Logtestijn.

Kunstmatige Inseminatie

GEBRUIK VAN DIEPGEVROREN SPERMA VOOR K.I. IN N.-BORNEO.
Dassan ayake, L., Holland, E. H., H o o 1 e, B. T. (N.-Borneo) and
Martin, I. C. A. (Sydney, Australië): The use of deep-frozen Aberdeen Angus
semen from Australia for the artificial insemination of native cattle in North Borneo.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij dieren", Scheveningen, 1961.
De importen van vee op Noord-Borneo zijn teleurstellend: in 1920 stierven alle dieren
binnen 6 maanden; bij latere importen bleven zij wel in leven, doch de fokkerij was
zonder succes. Stieren van Europese rassen werden onvruchtbaar of impotent. Dit
alles is een gevolg van piroplasmosis.

Met medewerking van het Australisch Gouvernement werd een plan uitgevoerd waar-
mede door middel van K.L met dicp.gevroren sperma het inheemse vee behandeld werd
om zodoende een verbetering te verkrijgen. Het sperma werd in Australië diep-
.gevroren.

In de publikatie worden de hulpmiddelen voor verzending en bewarin.g uitvoerig be-
schreven. Tevens worden de moeilijkheden bij het vaststellen van de oestrus besproken.
Er werd .gebruik gemaakt van een gevasectomisccrdc stier om de oestrus bij dit in-
heemse vee vast te stellen.

In het eerste half jaar waren de bevruchtingsrcsultaten 37,1%.
De probleemstelling is in ieder .geval interessant.

Betreffende de economische aspecten zal l^fer een publikatie vol.gen.

S. H\'. ƒ. van Dieten.

DE PROTOPLASM.ADRUPPEL VAN SPERMIËN.

S c h O y s m a n, R.: Contribution ä l\'étude de la gouttelette kinoplasmique du sper-
matozoïde du rat et de l\'homme.
Buil. Acad. Roy. Méd. Belg., sér. II 7, 594 (1961).
Bloom, G. and N i c a n d e r, L.: On the ultrastructure and development of the
protoplasmic droplet of spermatozoa.
Ztschr. Zellforsch., 55, 833, (1961).

-ocr page 225-

Wanneer aan spermiën uit het caput epididymidis, die gekenmerkt zijn door het voor-
komen van een
protoplasmadruppel rond het begin van het middenstuk, serum wordt
toegevoegd, gaan zij
bewegen. Missen zij deze druppel, hetgeen niet normaal is, dan
missen zij ook het vermogen om te bewegen. Deze druppel is aanwezig vanaf het
moment, dat aan het einde van de spermiogenesis — nog in het epitheel van de
testisbuisjes dus — het overtollige cytoplasma als een zak naar het staartgebied wordt
verschoven en daar wordt afgestoten. De elektronenmicroscoop onthult, dat in deze
druppel, die binnen de celmembraan ligt en dus tot de levende cel behoort, geen
typische celstructuren (als mitochrondriën en Golgi-netwerk) aanwezig zijn, met uit-
zondering van enige blaas- en buisvormige elementen. Deze verklaren helaas de functie
van de druppel niet.

Tijdens de passage van de spermiën door het corpus epididymidis verplaatst zich de
druppel naar het distale einde van het middenstuk. Gedurende dc eerste 15 minuten
na het winnen van de spermiën uit dit cpidydimis-gcdeeltc vertonen hun staarten
vaak een lus rond de druppel. In het cytoplasma ervan ziet men nu vooral gebogen
kussensloopvormige elementen.

Voordat de spermie dc cauda epididymidis bereikt, is de druppel aan het einde van
het middenstuk geschrompeld en verdwenen.
Deze beschrijving geldt ook voor de
stier.

Wanneer bij ratten gedurende 4 minuten anoxie van testis en epididymis wordt ver-
oorzaakt (door de Art. spermatica interna dicht te knijpen) gaat het spermatogene-
tisch epitheel in de testis tubuli na twee weken duidelijke afwijkingen vertonen, maar
verliezen ook alle spermiën de protoplasmadruppel en daarmee het vermogen om na
toevoeging van serum te bewegen.
Unilaterale castratie heeft een ander gevolg: na
drie weken heeft de helft van dc spermiën in paats van één druppel 4 tot 6 kleinere.

M. F. Kramer.

Parasitaire-, protozoaire- en frop/sche ziekten

DIAGNOSE VAN SCHURFT BI.J HET \\ ARKEN.

B o t h, G.: Ein Bietrag zur Diagnose der Sarcoptes-Räude der Schweine. Tierärztl.
Umschau,
16, 75, (1961).

Van 59 varkens werd materiaal onderzocht van oorschelp en uitwendige gehoorgang
en van de binnenvlakte van het sprong.gewricht. Na koken in 30% kaliloog (in som-
mige gevallen was tevens centrifugeren nodig) werden in 81,4% resp. 89,8% der
monsters .Sorco/iie
-mijtcn gevonden. Voor onderzoek dient dan ook behalve van de
oren ook van de veranderde huiddelen, vooral van het spronggewricht, materiaal
onderzocht te worden.

]. Jamen ]r.

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit

NIEUWE INZICHTEN INZAKE HET CORPUS LUTEUM PERSISTENS BIJ
HET RUND.

.A c h n e 1 t, E. und G r u n e r t, E.: Das so.genannte „Corpus luteum pcrsistens"
beim Rind in neuer Sicht.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 7, 69, (1961).

Op grond van literatuurgegevens en eigen ervaring wijden de schrijvers een beschou-
wing aan de betekenis van het corpus luteum pcrsistens als onvruchtbaarheidsoorzaak
bij het rund.

Onder invloed van resp. het lutciniserend hormoon (LH) en het luteotrope hormoon
(LTH) uit de hypofyse-voorkwab (HVK), ontstaat tijdens elke bronstcyclus cen
„corpus luteum periodicum". Het progesteron, dat tijdens het zg. bloeistadium (8c-
1 le dag van dc cyclus) dcxjr het c.1. periodicum wordt afgescheiden, remt echter de
HVK in de afgifte van de genoemde hormonen, waarna regressie van het c.1. in-
treedt en onder invloed van het follikel-stimulerend hormoon (FSH) uit dc HVK
een nieuwe cyclus inzet.

-ocr page 226-

Heeft daarentegen bevruchting plaatsgevonden, dan oefent de drachtige uterus, recht-
streeks en/of via de HVK, een zodanige invloed op het c.1. uit, dat dit als
„corpus
luteum graviditatis"
tot de 5e k 6e drachtigheidsmaand in stand blijft. Dit c.1. is, zo-
als bekend, aansprakelijk voor het eerste symptoom van de drachtigheid, t.w. het
uitblijven van de bronst („acyclie").

Een overeenkomstige invloed heeft een uterus met abnormale inhoud (pyometra,
steenvrucht), of ontstoken slijmvlies (endometritis). In dit geval spreekt men van een
„corpus luteum pseudograviditatis".

Endometritis geeft met name dan tot pseudo-graviditeit (met acyclie) aanleiding,
wanneer het ontstaan ervan is samengevallen met het „bloeistadium" van het c.1.
periodicum. Men dient hierop verdacht te zijn bij de intra-uterine applicatie van
medicamenten, welke een acute endometritis opwekken, zoals bv. jodium-preparaten.
Tenslote kennen we nog de met acyclie gepaard gaande toestand van „afunctie" van
de ovaria, waarbij ook de resorptie van het c.1. onvolledig plaats heeft. Het rest-
lichaam functioneert zelf echter evenmin en is als zodanig dus niet de oorzaak van
de acyclie.

Van een c.1. persistens in strikte zin nu, is slechts dan sprake, wanneer buiten de ge-
noemde .gevallen van graviditeit en pseudo-graviditeit, een functionerend geel lichaam
in het ovarium blijft bestaan. De meeste, moderne onderzoekers (als bv. C o n r a d i,
Wohanka en Vandeplassche) achten het vóórkomen van een dergelijk
„c.1. persistent sui generis" op zijn minst twijfelachtig. In ieder geval zal men pas
dan van een „c.1. persistens" kunnen spreken, waneer men dit bij herhaald rectaal
onderzoek langer dan 21 dagen op dezelfde plaats en in dezelfde grootte op een
overigens normaal ovarium kan palperen, waarbij men dient te bedenken, dat deze
diagnoce nog slechts anatomisch en niet functioneel is en het gevonden c.1. dus niet
noodzakelijkerwijs steriliteitsoorzaak hoeft te zijn.

Ook de schrijvers achten het bestaan van cen functionerend c.1. persistens in aan-
wezigheid van een gezond endometrium niet bewezen. Zij nemen met name stelling
tegen het, op een anamnese van „acyclie", klakkeloos enucleëren van ieder geel li-
chaam, dat men bij eerste onderzoek aantreft. Dikwijls zal nl. — vcMral gedurende
de staltijd — het waargenomen gele lichaam een c.1. periodicum na stille bronst
(„anafrodisie") zijn.

Schrijvers leg.gen sterk de nadruk op de noodzakelijkheid van cen volledig klinisch
onderzoek in het belang van een juiste diagnose en een daarop gebaseerde radonele
therapie bij het volgens de anamnese „acyclische" rund en geven op duidelijke en
overzichtelijke wijze de richtlijnen hiervoor aan.

Gezien de risico\'s van de enucleatie (verbloedingsgevaar!) is deze naar hun mening
alleen geïndiceerd:

a. bij abnormale uterusinhoud (met name pyometra en steenvrucht), eventueel in
combinatie met cen plaatselijke behandeling van de uterus;

b. wanneer bij een tenminste twee maal, met een tussenpoos van 8-12 dagen uitge-
voerd onderzoek, een c.1. van dezelfde grootte en consistentie wordt aangetroffen
en drachtigheid met zekerheid is uit te sluiten.

De laatstgenoemde indicatie zou echter slechts zelden aanwezig zijn.
Ten aanzien van de techniek van de enucleatie merken zij onder meer op, dat deze
onder lichte druk dient te geschieden en dat de aanwending van „geweld" onder alle
omstandigheden achterwege moet blijven; ook de zg, digitale compressie van het
ovarium na de enucleatie kan beter achterwege blijven, daar deze niet tot het beoogde
doel (nl. bloedstelping) leidt, maar wel tot heftig pci-sen aanleiding kan geven.
Tenslotte worden nog een aantal regels gegeven, welke de dierenarts, die de enucleatie
verricht, met het oog op zijn beroepsaansprakelijkheid in acht zou moeten nemen.

R. Strikwerda.

-ocr page 227-

BOEKBESPREKING

GRUNDRISS DER PHYSIOLOGISCHEN CHEMIE FÜR VETERINÄRMEDI-
ZINER, HUMANMEDIZINER UND BIOLOGEN.
Martin Schenck und Erich K o 1 b

(Vierde druk, Veb Gustav Fischer Verlag Jena, 1961; 438 pp, 66 afb.; 18 x 24,5 cm;
geb. D.M. 24.80)

Nadat de grondlegger van dit bekende leerboek, M. S c h e n c k, op 24 juni 1960 op
84-jarige leeftijd was overleden, is voor de vierde druk het manuscript geheel omge-
werkt en aangevuld. Er werd een drietal hoofdstukken opgenomen over de biochemie
van de voortplanting, groei en ontwikkeling (16 pp.), de biochemie van micro-
organismen (8 pp.), en over chemotherapeutica en antibiotica (4 pp.). De behan-
deling van deze onderwerpen is echter zo kort en schematisch dat raadpleging van
de in het hoofdstuk „Schrifttumshinweise" aangegeven literatuur noodzakelijk is voor
hen die er wat meer van wensen te weten.

De eerste vijftien hoofdstukken zijn gewijd aan de klassieke fysiologisch-chemische
leerstof, waarbij zowel aan de stofwisselingsprocessen, als aan de fysiologisch-chemische
eigenschappen en functies van lichaamsvloeistoffen en organen ruim voldoende aan-
dacht wordt geschonken. De inhoud van het boek is een afspiegeling van de huidige
opvattingen op het terrein der biochemie. De uitvoering is goed en de prijs is zeer
billijk.

Bij een juist gebruik door de student, o.m. voor het opzoeken van feitelijke gegevens,
kan het boek een belangrijke steun zijn bij de studie van de fysiologische chemie.

L. Seekles.

ADVANCES IN SMALL ANIMAL PRACTICE, VOLUME III.

(Proceedings of the British Small Animal Veterinary Association Congress 1961)

Bruce V. Jones, M.R.C.V.S.

(Pergamon Press, London, 1961, 198 pp., prijs 60 S.)

Dit bock bevat de volledige inhoud van 22 lezingen en de beschrijving van 5 demon-
straties, gehouden door deelnemers, afkomstig uit het Verenigd Koninkrijk, de Ver-
enigde Staten en Europa.

Deze lezingen, benevens de hierop volgende discussies behandelen uitsluitend pro-
blemen betreffende de kleine huisdieren praktijk en vormen zodoende een waarde-
volle informatiebron voor de kleine-huisdieren practicus.
De volgende onderwerpen worden behandeld:

P. Govet, (Frankrijk): De onderiinge verwantschap betreffende de pathogene,
immunologische en antigene eigenschappen van het mazelen-, het hondeziekte- en
het runderpest-virus, benevens de rol van de hond bij het overbrengen van ver-
schillende andere virus-infecties op de mens.
James A. Baker, (New York): Beschermingsmaatregelen tegen infectie-ziekten
van de hond, n.1. het hondeziekte-syndroom, hepatitis-contagiosa canis en lep-
tospirose.

W. M a n s i, (Weybridge, Surrey) : De betekenis van E. co/i-infecties bij de hond.

Zeer uitgebreide beschrijving van symptomen, diagnose en behandeling.
Robert M. Schwarz man, (Pensylvania, U.S.A.): Enkele dermatologische

problemen bij de hond, in het bijzonder de Demodicose betreffend.
Olga Uvarov, (Greenford, Middlesex): De behandeling van dermatomycosen
bij het Kleine Huisdier met Griseafulvine. De dosering van Griseofulvine wordt
hier uitvoering besproken.
H. M o 1 t z e n, (Kopenhagen): Diagnose en behandeling der odtis media bij hond
en kat. Vooral de beschrijving der hiervoor te gebruiken instrumenten is hier van
belang.

-ocr page 228-

D. A. Meynard, (Bordeaux): Insufflatie van de tuba - Eustachi! ter behandeling
van de otitis media. Vooral de beschrijving van het hiervoor benodigde instrumen-
taruim en de te volgen werkwijze, is hier van belang.

P. D. Bottomley, (Bradford - Yorkshire): Spocdbchandeling vereisende onge-
vallen. Beschrijving van indeling, diagnose en behandeling.

John G. Watt, (Edinburgh): Parenterale en orale vervanging van lichaamsvocht
als therapie bij operatief behandelde patiënten. Uitgebreid overzicht van alle des-
betreffende mogelijkheden.

F. G e 1 1 a, (Bologna, Italië) : Cornea-transplantatie bij de hond.

W. G. Magrane, (Indiana, U.S.A.): Overzicht betreffende diagnose, indeling
en behandeling van het glaucoom bij de hond.

F. G. Startup, (Worthing, Sussex): Opthalmoscopie - (indirect en direct).

S. E. O 1 s s O n, (Stockholm): Problemen betreffende de prophylaxie van de dys-
plasie van het heupgewricht in Scandinavië.

S. E. O 1 s s O n, (Stockholm): Rönt.genonderzoek van de heup.gewrichten bij Duitse
Herders. De houding van de patiënt tijdens het onderzoek wordt hier voornamelijk
beschreven.

G. Lindblad, G. L j u n g r e n, S. R. O 1 s s o n, (Stockholm): Kort overzicht
betreffende de venografie en microangiografie van de ruggemerg-compressie bij dc
hond.

Nils Obel (Stockholm): Thoraco-lumbaire en cervicalc myelografie met in
water oplosbare contactstoffen, teneinde de lokalisatie van ruggemerg-compressies
vast tc stellen.

H. H. T h a 1 m e i e r, (Den Haag) : De flank (laterale) snede voor alle chirurgische
in.grepen in de buikholte. Beschrijving der operatic-techniek en dc voordelen daar-
aan verbonden.

R. G. Walker, (Cambridge) : Beschrijving van, en discusic over, 3 ziekte-gevallen
(symptomen en diagnose) ; a. Diabetes insipidus; b. Diabetes mellitus in combinatie
met pyometra : c. Stenose van de aorta.

Folke Persson, (Stockholm): Klinische veranderingen bij chronische nier-
aandcK-ningen bij de hond. Beschreven worden uremie, secundaire hyperpara-
thyreodismus, hypcrtensie en anemie.

Michael Young (Fading): Praktijk, winst en vermaak (Ontspanning). Een
zeer vermakelijke beschrijving betreffende de uitoefening der praktijk.

Nils Obel, (Stockholm): BlcM\'ddruk-registratic tijdens de operatic. Beschrijving
van een eenvoudig toe te passen methode en het hiervoor benodigde apparaat.

W. D. Turner, (Hatfield, Herts): Behandeling van hartstilstand bij de hond.
Diagnose, behandeling en prophylaxis worden uitgebreid beschreven.

Verder worden de volgende demonstraties kort beschreven:

a. D. D. Lawson, (Glasgow): Wigvormige uitsnijding (ostcotomic) bij ver-
draaiin.g van radius en ulna na een fractuur.

b. Andrew Edgson, (Reading): Beschrijving van operatiekamer, sterilisatie,
benevens voorberieding chirurg en patiënt.

c. R. V. Turnbull, (Basingstoke): Sectio caesarea met Diaethylthyambutaan-
hydrochloridc intraveneus en lokaal anesthesie.

d. H O 1 1 a n d B i r k e t t, (Farnbourough, Harts): Anesthesie (en narcose bij de
„Bad-Risk" patiënt).

e. ■ C. W. G. M a g r a n e, (Indiana, U.S..\'\\.) : Enkele chirurgische ingrepen de cornea

betreffende.

Het boek eindigt met de vermelding der notulen van het congres, gehouden in 1961,

der British Small Animal Veterinary Association (B.S.A.V.A.) en World Small

.Animal Veterinary Association (W.S..A.V..A.).

H. H. Thalheimer.

-ocr page 229-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

HOEFVERZORGING BIJ JONGE PAARDEN EN BIJ ONBESLAGEN WERK-
PAARDEN.

(Paardengezondheidskalender juni 1962)

Bij jonge paarden in de weide ziet men dikwijls, dat, hoewel de gehele hoef groeit,
in het bijzonder de toongedcelten van dc hoeven te lang worden. Deze lange toon-
gedeelten kunnen, vooral bij de voorhoeven, afbreken, waarbij dan de hoorn aan
zij- en versengedeelte van de wand blijft zitten en zelfs naar buiten kan omkrullen.
Zo\'n onregelmatige afsluiting van de hoeven veroorzaakt een onevenredige belasting
van de gewrichten, alsmede van de strek- en buigpezen van de benen. Ook wordt bij
dergelijke onverzorgde hoeven de kans op brokkelen van de hoorn en het ontstaan
van hoornscheuren in de draagrand vergroot. Hoornscheuren kunnen vooral ernstig
worden wanneer de scheur doorgaat tot op de hoeflederhuid, het zg. „leven"; er
treedt dan kreupelheid op.

Verder kan bij jonge paarden door een ongelijkmatige afsluiting van de hoef en
verlies van stukken van de hoornwand een afwijkende stand ontstaan, die blijvende
gevolgen kan hebben, omdat bij het jonge, groeiende paard de gewrichten van de
ondervoeten zich kunnen aanpassen bij een veranderende stand van de hoef.
.M deze nadelen kan men grotendeels voorkomen door regelmatig (om de 6 weken)
de hoeven vakkundig te laten bekappen, waarbij tevens de draagrand van de hoef
wordt bijgerond, vooral in het toongedeelte. Dit is nodig, zowel bij volwassen als bij
jonge paarden en ook al bij veulens.

Bovendien is het een groot voordeel, dat de veulens en jonge paarden gewend worden
aan het opbeuren en vasthouden van de benen, zodat dit later bij het beslaan geen
moeilijkheden meer zal opleveren.

Behalve het tijdig laten bijwerken van de hoeven, is het ook bij onbeslagen paarden,
en vooral bij werkpaarden, nodig dat men de hoeven geregeld goed uitkrabt om vuil,
steentjes en andere voorwenden tijdig te verwijderen.

In vele streken van ons land komen de paarden weinig meer op de harde weg en
worden ze veelal onbeslagen voor het werk gebruikt. Het wordt ook om die reden
hoe langer hoe meer van belang, dat men paarden aanfokt uit ouders met prima
hoeven. In de fokkerij dient aan de kwaliteit van de hoeven extra aandacht te worden
besteed.

GEVAREN, DIE HET PAARD IN DE WEIDE BEDREIGEN.

(Paardengezondheidskalender mei 1962)

Dc weideperiode heeft over het algemeen een gunsti.ge invloed op de gezondheid van
het paard. Toch zijn cr verschillende omstandigheden waarmede wij gedurende de
weideperiode rekening moeten houden.

Tengevolge van het overmatig eten van veel jong geil gras, wanneer het paard ineens
van de stal in cen weide met overvloedig jong gras zou worden gebracht, kunnen
ernstige maag- en darmstoornissen optreden, die zich o.m. uiten in verschijnselen van
koliek. Ter voorkoming van deze stoornissen is het gewenst de overgang van stal-
voeding op die met gras, .geleidelijk te laten verlopen. In het bijzonder bij merries die
pas gcveulend hebben, dient men vooral wat de hoeveelheid gras betreft, matigheid te
betrachten, omdat kolieken als .gevolg van ineens te veel jong gras eten, juist bij deze
dieren meermalen een zeer ernstig verloop kunnen hebben. Een reeds door runderen
afgegraasde weide is dan bijzonder geschikt.

In het vroege voorjaar wordt aan de runderen o.a. wel gedroogde pulp bijgevoerd.
Men moet er dan voor zorgen, dat de paarden beslist niet bij de pulp kunnen komen.
Wanneer dit wel het geval zou zijn, gaan zij er van eten en de ervaring heeft geleerd,
dat ze dan heel vaak een slokdarmverstopping oplopen. De pulp blijft dan voor een
deel in de slokdarm steken en doordat pulp gemakkelijk vocht opneemt, vooral uit het

-ocr page 230-

speeksel, gaat dit zwellen en de slokdarm kan hierdoor geheel worden afgesloten. Het
speeksel en het opgenomen water kunnen dan niet meer passeren en lopen door de
neus terug; ook kunnen er braakneigingen gaan optreden. Een slokdarmverstopping
tengevolge van pulp, is zeer moeilijk op te heffen, omdat de pulp na vochtopname
zeer vast in de slokdarm zit. Kan de slokdarm niet vrijgemaakt worden, dan betekent
dit de dood van het paard. De door het verslikken optredende longontsteking, ver-
haast dan nog de dood.

Paarden die niet meer aan beweging gewend zijn en dan in de weide worden ge-
bracht, kunnen door het veel heen en weer rennen aan spierbevangenheid gaan lijden.
Paarden die in de sloot zijn terechtgekomen en zich langdurig tot het uiterste hebben
mgespannen om weer op de kant te komen, kunnen eveneens verschijnselen van spier-
bevangenheid vertonen. Daarom is rust geven, zo spoedig mogelijk na het uit de
sloot halen en het warm onderdekken, van veel belang.

Behalve het hierboven genoemde ongeval kunnen er nog allerlei ongelukken in de
weide pbeuren; zoals verwondingen, vooral aan prikkeldraad. Het vastmaken van
duidelijk zichtbare voorwerpen bijv. jutezakken aan cen draadomheining is nuttig,
omdat de paarden bij het rennen in de weide de afrastering dan eerder zullen op-
merken. Verder kunnen ernstige ongelukken voorkomen, wanneer men een paard
met een sterke, wat wijde kettinghalster aan in de weide laat lopen. Het is nl. voor-
gekomen dat het paard met de takken van een achterijzer in het halster vast bleef
zitten en daarbij dan tengevolge van heftig rukken de nek brak of spierverscheuringen
optraden.

Voorts is het nuttig om te wijzen op mogelijke vergiftigingen tijdens de weideperiode.
Deze kunnen optreden na het eten van gras, waarop spuitmiddelen zijn terecht ge-
komen, na bespuiten van bijv. nabijgelegen boomgaarden. Bij sterke wind kunnen
dergelijke verstoven stoffen ver overwaaien en bij langdurige droogte kunnen ze lang
giftig blijven. Maar cr zijn ook diverse heesters en andere planten die giftige stoffen
bevatten. Een lijst hiervan is gepubliceerd in de paardengezondheidskalender van
september 1959. Men behoeft op goed behandeld weiland niet zo bevreesd te zijn
voor de aanwezigheid van deze gifplanten. Anders wordt het echter, wanneer de
paarden bij allerlei siergewassen kunnen komen en daarvan eten. Bij deze siergewassen
komen nl. zeer giftige soorten voor.

In droge zomers wanneer de weide hard wordt, ontstaat het gevaar van draagrand-
scheuren, waardoor hoefkrcupelheid kan optreden. Het is dan vooral gewenst extra
zorg aan dc hoeven te besteden.

Een andere ziekte die vaak optreedt is mok, vooral wanneer de paarden op klaver
worden geweid of op laag weiland met lang nat gras. Wanneer dan niet tijdig een
behandeling wordt toe,gepast, dan is dit euvel vaak moeilijk te genezen. Het is daar-
om goed de paarden regelmatig op deze afwijking te controleren.
Tenslotte dient men evenals in dc winter te letten op wormbcsmettingen. Zodra men
vermoedt dat de paarden met deze gevaarlijke wormziekte behept zijn, dient men
onverwijld de dierenarts te waarschuwen, die dan in vele gevallen een afdoende be-
handelin,g kan instellen.

CONGRESSEN

GENOOTSCHAP VOOR GESCHIEDENIS DER GENEESKUNDE, WISKU.NDE

E.N NATUURWETENSCHAPPEN.

Najaarsvergadering.

Bovengenoemd genootschap houdt haar najaarsvergadering op 29 september te
St. Niklaas (België), waar tezamen met Zuid-GeWiNa de 450ste geboortedag van
Mercator zal worden herdacht.

De vergadering, die plaats vindt onder auspiciën van het Stadsbestuur van St.
Niklaas, begint \'s morgens om 10 uur met een ontvangst ten stadhuize te St. Niklaas,

-ocr page 231-

Van de Redaefie

WIE PLAATSTE ADVERTENTIE?

In de aflevering van 15 juli van het tijdschrift komt onder de rubriek „Vraag en
Aanbod" een advertentie voor, waarbij oude jaargangen van het tijdschrift ten
verkoop worden aangeboden.

Nu blijkt dat de naam van degene, die telefonisch deze advertentie ter plaatsing
opgaf, verkeerd werd verstaan, waardoor het nu niet mogelijk is om een inmiddels
binnengekomen reactie aan de adverteerder door te geven.
Zou deze persoon zich nogmaals bekend willen maken?

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PULLORUM-ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 51708, geproduceerd door N.V. Philips
Duphar te Olst, voldoet aan dc gestelde eisen en is mitsdien door de Directeur van
de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 15 mei 1963.

STAAT VAN DE GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN, IN
NEDERLAND VOORGEKOMEN GEDURENDE DE MAAND APRIL 1962.
De getallen geven aan het aantal veebeslagen aan.

MEDEDELINGEN

a
«

J3

•a
c

c

V

a

3 O
« .tJ

3

a

I

"ïJ t?

60 «

0

1 °
6

T3 a

ti I

S- 5

C

> ^

- -2
u -c a

s I

M —s

II

£ S

O Jf

a S

O >

(n

< \'S

t g

O

-c
■C».

t:
3
J3

O .H co
OO 13 ^

Groningen

j

!

Drenthe

1

i —

Friesland

1

1

1 —

1

Overijssel

1

1

1

2

Gelderland

93

1 —

Utrecht

10

\' —

9

—•

Noordholland

1 —

1

8

Zuidholland

— i

1

7

Zeeland

: 2

Noordbrabant

i 215

1

1 _

_

Limburg

1 157 1

1

Tot. v. h. Rijk

475 j

1

11

4

1 21

Veepest (pestis bovina), longziekte der runderen (pleuropneumonia contagiosa bo-
vum), hondsdolheid (lyssa), schaapspokken (variola ovina) en kwade droes (malleus)
zijn in Nederland resp. sedert 1869, 1887, 1923, 1893 en 1927 niet voorgekomen.

-ocr page 232-

DOORLOPENDE AGENDA

1962

September,

1, Reünie oud-leden „Absyrtus". (pa.g. 927)
4—8, European Society of Professors of Veterinary Surgery. Intern. Congres,

Utrecht, (pag. 1060)
7— 8, Nat. paardenshow Utrecht V.L.N., N.W.P. en Ned. Shetl. P.S. Utrecht.

12-15 \'^Sema^eesl ^IflaaiscfiappiJ vaat ^^tielqejieesfzunde

(pag. 764, 1386 (I960)); (pag. 145, 294, 874, 1667 (1%!)); (pag. 66,
133, 205, 284, 362, 438, 515, 587, 661, 728, 791, 873, 1006, 1062)
14—15, Trekpaardtentoonstelling K.V.N.T. \'s-Hertogenbosch.
16—23, British Veterinary Association. Jaarlijks Congres, Scarborough, (pag.
869, 874)

19, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Assen.
21, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Vebo, Leiden.
21—23, Union Vétérinaire Beige. Jaarlijks Congres, Spa.

23—30, LS.F.A. XlVe Internationaal congres, Warschau, (pag. 939)

24—26, World Veterinary Poultry Association, 2e Int. Conferentie, Cambridge,
(pag. 203)

26, Afdeling Gelderland M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel Royal,

Arnhem, (pag. 1007)
29, Genootschap voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, St. Niklaas, 10.00 uur.

Oktober,

3, Najaarsstierenkeuring F.R.S., Leeuwarden.

6, Afdeling Gronin.gen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur.
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)
6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim,
(pag. 130, 869)

10, Afdeling Zuid-Holland M.v.D. Algemene ledenvergadering, Muranozaal,
Beurscafé/Restaurant, Rotterdam, (pag. 1007)

18, Veeartsenijkundi.ge Dienst, 5e Voorlichtingsdag.

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e .Algemene Vtrgadering. (pag.
663)

24-26 ^ie-Kjeneesknndiqe Sfitdeiüciilhiiiui: Oe

(pag. 1008) \'

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004)

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 233-

Maatschappij
voor

Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

Eeuwfeest 1962.

i

^X^Xi ^^^ gelegenheid van het Eeuwfeest hebben de afdelingen Utrecht
■ en Zuid-Holland gemeend om hun feestvierende gasten een aan-
gename mogelijkheid aan te bieden om zich na de festiviteiten
van donderdag 13 september, welke zich in Utrecht afspelen, te verplaatsen naar
Gouda, alwaar de afdeling Zuid-Holland als oudste afdeling van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde zal bewijzen hoezeer zij het waardeert dat een deel van het
Eeuwfeest op haar grondgebied zal plaatsvinden.

Zij organiseerden daartoe een puzzelrit, waarvan de start zal plaatsvinden in restau-
rant „De Biltsche Hoek" te De Bilt, aan de weg van Utrecht naar Amersfoort.
Deelneming aan deze puzzelrit staat open voor ieder lid en candidaat-lid van de
Maatschappij voor Diergeneeskunde. Per auto is een onbeperkt aantal introducé\'s
toegestaan. Ook als U nog nooit een dergelijk evenement hebt meegemaakt, hoeft
U niet bevreesd te zijn om te verdwalen. De route is namelijk zo samengesteld,
dat ook de minst ervaren rallyrijder de kans heeft om in de prijzen te vallen, mits
hij zich maar zeer letterlijk houdt aan de opdrachten van de routebeschrijving, die
bij de start uitgereikt wordt.

De rit zal U voeren door een fraai gedeelte van het Utrechtse- en Zuidhollandse
polderland. Onderweg zult U belanden bij een exclusief restaurant, alwaar U de
gelegenheid krijgt om door middel van een .makelijke, licht verteerbare lunch
krachten op te doen om ook de tweede helft van de puzzelrit tot een goed einde te
brengen.

Te 9.30 uur precies zal de eerste deelnemer uit De Bilt vertrekken en vervolgens
wordt iedere halve minuut een équipe gestart. Vanaf ongeveer 2 uur worden de
eerste deelnemers in Gouda verwacht.

Als U aan deze rit wenst deel te nemen, verzoeken wij U dringend, om het in-
schrijfformulier achter in het programmaboekje zo spoedig mogelijk volledig in-
gevuld in te zenden. Om technische redenen is het namelijk noodzakelijk dat wij
zo snel mogelijk weten, op hoeveel deelnemende équipes wij moeten rekenen.
De kosten voor deelname aan deze puzzelrit bedragen per deelnemende auto
ƒ 2,50,
vermeerderd met
ƒ 6,50 per inzittende.

Met Uw eventuele voorkeur voor een vroege of late starttijd zal zo veel mogelijk
rekening worden gehouden. U gelieve daartoe een aparte brief bij het inschrijffor-
mulier in te sluiten.

De Rallycommissie zorgt er voor, dat de deelnemers aan de puzzelrit tijdig ontvangen:

1. 2 startnummers, te bevestigen op voor- en achterruit van Uw auto.

2. Een rallyreglement, waarin op duidelijke en eenvoudige wijze de spelregels voor
de puzzelrit vermeld zijn.

3. Mededeling van Uw juiste starttijd.

De consumptiebonnen worden tegelijk met de overige deelnemingskaarten vanwege
het Eeuwfeestcomité toegezonden.

HEEFT U AL INGESCHREVEN?
PUZZELRIT

-ocr page 234-

De polis van de V.V.A.A. blijft ook tijdens deelneming aan de puzzelrit volledig
van kracht. Indien U bij een andere maatschappij verzekerd bent, raden wij U aan
om tijdig te informeren, of de risicodekking ook tijdens het deelnemen aan een
puzzelrit van kracht blijft.

Uitdrukkelijk wordt door ons het volgende bepaald:

Door het enkele feit van aanmelding voor deelneming aan de Eeuwfeestrally van
vrijdag 14 september 1962 verklaart de deelnemer bekend te zijn en accoord te
gaan met het navolgende:

De Eeuwfeestrally-commissie neemt noch voor zichzelf, noch voor haar hulpkrachten
enige verantwoording op zich, of is op enigerlei wijze aansprakelijk voor handelin-
gen van deelnemers vóór, tijdens of na de rit, terwijl de deelnemers de Eeuwfeest-
rallycommissie en haar hulpkrachten vrijwaren tegen iedere schade en aansprakelijk-
heid jegens de deelnemers zelve of jegens derden.

GALACONCERT

Enige muzikaal onderlegde leden hebben reeds opgemerkt, dat in het programma-
boekje het tweede nummer van het Concertprogramma verkeerd vermeld is! Er had
„pianoconcert" moeten staan. Hieronder volgt de beschrijving van de twee hoofd-
nummers van het Concert.

L. von Beethoven: Derde pianoconcert
Het derde pianoconcert werd in 1802 voltooid en is stilistisch de schakel tussen de
met Mozart verwante concerten opus 15 en opus 19 en de rijpe concerten opus 58
en opus 73. Beethoven heeft zijn gehele leven grote bewondering voor Mozart gehad
en het is niet moeilijk werken aan te wijzen, die onmiddellijk door Mozart\'s voorbeeld
beïnvloed of geïnspireerd zijn. Op een concert waarvan de baten aan de weduwe
van Mozart ten goede kwamen, speelde Beethoven Mozart\'s pianoconcert in d kl. (.;
van het concert in c kl. t. (K.V. 491) zeide hij vol ontzag tot zijn vriend Cramer
dat hij nooit in staat zou zijn iets dergelijks te maken. Het is niet onwaarschijnlijk
dat dit concert Beethoven voor de geest gestaan heeft bij het ontwerpen van zijn
derde pianoconcert, dat immers ook in c. kl. t. staat, de toonsoort van de vijfde
symfonie, de Coriolan-ouverture en de „Sonate pathétique". Zelfs kan men een
kleine overeenkomst in de aanhef der beide werken constateren. De thema\'s zijn in
hun geheel echter juist zeer karakteristiek voor de verschillende geaardheid der
beide meesters. Het meest onafhankelijk openbaart Beethoven zich in het langzame
deel: hier vernemen wij de verheven-plechtige toon, die ook de Adagio\'s van ver-
schillende zijner symfonieën en kwartetten kenmerkt.

Franz Schubert: Onvoltooide symfonie
Wanneer sprake is van Schubert\'s „Onvoltooide symfonie" ligt de veronderstelling
voor de hand, dat de componist door de dood dit werk niet meer heeft kunnen
voltooien. Dit is echter niet het geval. Schubert heeft de twee delen van deze
symfonie gecomponeerd in het najaar van 1822 en hij heeft daarna nog zes zeer
vruchtbare jaren als componist gekend, in welke tijd hij nog een grote symfonie
(in C) geschreven heeft. De „Onvoltooide" bestaat slechts uit twee delen, terwijl
men volgens het klassieke vormprincipe, dat Schubert als symfonicus trouw placht te
volgen, vier delen zou verwachten. Dat hij na het tweede deel nog verder wilde
gaan, staat wel vast, want er zijn vrij ver gevorderde schetsen gevonden van een
Scherzo in dezelfde toonaard. Waarom de componist het werk gestaakt heeft, zal
niemand ooit weten. Natuurlijk zijn er tal van veronderstellingen gemaakt. Zo neemt
men dikwijls aan, dat Schubert in deze twee delen eigenlijk reeds alles gezegd had,
waardoor een vervolg geen zin meer zou hebben. Anderen nemen aan, dat de com-
ponist min of meer ontmoedigd geweest zou zijn, omdat niemand belangstelling
toonde voor een orkestwerk van zijn hand. Schubert heeft het werk gestuurd naar
Anselm Hütenbrenner, de broer van zijn vriend Josef Hütenbrenner, met het ver-
zoek de partituur te overhandigen aan het bestuur van de Steiermörkische Musik-
verein, welke hem tot erelid benoemd had. Anselm Hütenbrenner, die in Graz woonde,

-ocr page 235-

waar deze muziekvereniging was gevestigd, heeft waarschijnlijk vergeten om aan dit
verzoek te voldoen en het stuk bleef in zijn kast liggen, waar het in 1860 bij toeval
ontdekt werd door de Weense dirigent Johann Herbeck. Deze maakte geen haast met
de uitvoering, want het werk werd pas in 1865 (dus 43 jaar na het ontstaan!) onder
diens leiding voor het eerst tot klinken gebracht. Deze eerste uitvoering was een
grote verrassing voor de muziekliefhebbers en sindsdien is de „Onvoltooide" uit het
gehele orkestoeuvre van Schubert wel het meest geliefd geworden.
Het eerste deel (Allegro moderato) wordt op mysterieuze wijze ingezet met een
laagliggende melodie voor de celli en contrabassen, welke — na een tremolopassage
der violen — gevolgd wordt door het eigenlijke eerste thema, dat gespeeld wordt
door hobo en klarinet tezamen. Bijzonder treffend is de overgangsfiguur van hoorns
en fagotten naar het tweede thema, dat door de violoncellen wordt ingezet, en
daarna twee oktoven hoger door de violen wordt herhaald. Een van de meest
betoverende gedeelten uit het tweede deel (Andante con moto) is de klarinet-
melodie, welke door de hobo wordt herhaald. Wanneer deze passage later terugkeert,
is de volgorde van deze beide blaasinstrumenten veranderd: dan begint de hobo en
volgt de klarinet. Voor velen bestaat de aantrekkingskracht van Schuberts „On-
voltooide symfonie" vooral uit de schat van zangeringe, lyrische melodieën, welke in
dit werk voorkomen; doch men lette ook op de evenwichtige en tegelijkertijd bewo-
gen vormgeving.

FOTOBOEK

Door girering van ƒ 12,50 stelt U zich in het bezit van deze prachtige collectie foto\'s,
ook van UW beroep. Het boek zal begin september verschijnen. Gireer derhalve
meteen:

Bedrag: f 12,50

Girono: 1412 t.n.v. de Twentsche Bank N.V. te Utrecht
Onder vermelding van: Eeuwfeestfonds, ......ex. Fotoboek.

LOGIES

De logiescommissie maakt bekend dat voor collegae, die in het bezit zijn van een
caravan, de mogelijkheid bestaat om gedurende het Eeuwfeest gebruik te maken
van de kampeerterreinen te Utrecht („Johannapolder") en te \'s-Gravenhage
(„Ockenburgh, tegenover het einde van de Laan van Meerdervoort).
Op vrijdag 14 september zal voor degenen, die geen hotel gereserveerd hebben, ge-
zorgd worden voor verkleedruimte.

VAN HET BUREAU

Programma 109e Algemene Vergadering.

In deze aflevering van het tijdschrift zal als losse bijlage het programma van de
109e Algemene Vergadering, die op 19 oktober a.s. te Utrecht zal worden gehouden,
worden ingelegd.

McK-hten er leden zijn, die deze bijlage niet in deze aflevering aantreffen, dan wordt
hun verzocht zulks aan het secretariaat mede te delen, opdat spoedigst een pro-
gramma kan worden toegezonden.

„Mantelcontract".

In het programma van de 109e .Algemene Vergadering wordt aangekondigd dat aan
alle leden het „Ontwerpreglement deelneming dierenartsen bestrijding dierziekten"
(agendapunt 11) separaat zal worden toegezonden.

Daar het in de bedoeling ligt dit Ontwerp vóór 19 augustus in het bezit van de
leden te doen zijn, wordt aan hen, die het
na 20 augustus nog niet ontvingen verzocht
dit aan het secretariaat te berichten opdat spoedige nazending kan volgen.

-ocr page 236-

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige studenten

J. H. M. Buiteman, Albrecht Thaerlaan 30, Utrecht
J. F. Clercx, Braamstraat 21 bis. Utrecht

M. C. van den Ede, Agn. van Leeuwenberghstraat 2 bisA, Utrecht
aangenomen als kandidaatleden van dc Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Ariëns, J. S.; 1962; Ulvenhout, Akkerstraat 36, tel. (01604) 437; wnd. D.

(inlassen 141)

Bakker, D. D., te Berg en Dal, tel. bureau gewijzigd in (08855) 341. (142)

Bloem, O., van Bilthoven naar Leiden, Plantsoen 23, tel. (01710) 2 50 57, P. (praktijk
adres: Hooglandsekerkgracht 11, tel. (01710) 2 11 01), geass. met P. F. J. Jansen
te Hazerswoude en IJ. Krol te Leiden. (146)

Cohen, R. O., van Haifa naar Beth Alfa Doar Na Gilboa (Israël). (210)

Grone, J. G., te Veghel, giro gewijzigd in 1070963. (151)

Dikken, H., van Amsterdam naar Mexico, p/a F.A.O., Hamburgo 63, 40 Piso,
Mexico 6 D.F., associate expert b/d F.A.O. (van 152 naar 210)

Frederiks, H. H. J., van Amsterdam naar Colombo 3 (Ceylon), c/o United Nations
Office, 45 Alfred House Gardens, animal health officer F.A.O.

(van 156 naar 210)

Hardeman, IJ. H. P. en Hardeman-Kommer, Mevr. G. M., te Assen naar Wester-
park B-28, aldaar (tel. ongewijzigd). (161)
Hartink, A., van Broek in Waterland naar Monnikendam, Haven 8,

tel. (02995) 232 (161)

Jansen, G. J., van de Bilt naar Maungaturoto (Northland) (New Zealand), c/o
Otamatea Veterinary Club. (van 168 naar 210)

Kalsbeek, H. C. van de Bilt naar Utrecht, Aquamarijnlaan 130, tel. (030) 1 60 25.

(169)

Luijerink, H. J. J., te Breda, giro gewijzigd in 1078688. (177)

Oskam, Mej. A. C. W., van Ruurlo naar Utrecht, Rauwenhofflaan 44, tel. (030
1 73 84 (privé), 1 19 94 (bur.), wetensch. ambt. R.U, (F.d.D., klin. v. vet, ver-
losk. en .gynaecologie). (184)
Richter, Dr. J. H. M., te Boxmeer, tel. bureau gewijzigd in (08855) 341. (1B8)
Schölte .Mbers, J. K., te Valkenswaard, giro gewijzigd in 1078910. (191)
Snelting, H. B. F., te Eindhoven, giro gewijzigd in 1073835. 094)
Tervocrt, Dr. G. H. J., van Zeddam naar Zwolle, Willemskadc 9-1, tel. (05200)
1 59 90, gr. 800238, P. (197)
Uyterlindc, P. C., van Utrecht naar Aalten, Bredevoortsestraat 105, tel. (05437)
31 47, P., ass. bij P. G. Vaags en G. J. ten Pas. (198)
Veen, R.; 1962; Amsterdam, Hemsterhuisstraat 26; tel. (020) 15 27 67; D, (in,
mil, dienst), (199)
Veenhuis, G. H., te Oss, naar Hertogensingel 40 aldaar (tel. ongewijzigd), (199)
Weijens, H, A., te Helmond, giro .gewijzigd in 814741. (206)

Benoemd:

Houben, H. L. M., te Veghel, te rekenen m.i.v. 1 juni 1962, tot Rijkskeurmeester in
bijzondere dienst bij de veeartsenijkundige dienst, ter standplaats Guyk en St.
Agatha. (167)

Veen, H. Tj, van der, te Amersfoort, te rekenen m.i.v. 1 juni 1962, tot plaatsver-
vangend Inspecteur bij de veeartsenijkundige dienst, ter standplaats Amersfoort.

(199)

Venema, Y., te Heerenveen, te rekenen m.i.v. 1 juli 1962, tot Rijkskeurmeester in
bijzondere dienst bij de veeartsenijkundige dienst, ter standplaats Heerenveen.

(200)

-ocr page 237-

Vis, H,, te Leiden, te rekenen m,i,v, 1 september 1962, tot Keuringsdierenarts-
hoofd van dienst en Directeur van het openbaar slachthuis te Leiden, (201)

Gevestigd:

Habets, J, H. L,, te Dinther Heeswijk, Graaf Wernerstraat 7, tel, (04139) 505 (over-
name gedeelte van praktijk P. G, J, Franssen te Uden), (161)

Eervol ontslag:

Paul, S,, te Bodegraven, op zijn verzoek, te rekenen m.i.v, 1 augustus 1962, wegens
het bereiken van de 65-jarige leeftijd, als dierenarts, tevens adjunct-Directeur, bij
de provinciale gezondheidsdienst voor dieren in Zuid-Holland, onder dankbetui-
ging voor de door hem als zodanig bewezen diensten. (185)

Promotie.

Op woensdag 4 juli 1962 promoveerde collega P. W. M. van Adrichem te Hoorn
aan de Rijksuniversiteit te Utrecht op het proefschrift, getiteld: „De invloed van
het voeder op enige fermentaticprodukten in de pens van normale runderen en van
acetonaemiepatienten".

Diergeneeskundig examen:
Geslaagd op 18 juni 1962:

Veen, R. (inlassen 192)

Geslaagd op 9 juli 1962:

Ariëns, J. S. (141)

Reyngoud, G. (inlassen 188)

Overleden:

Schiphorst, Dr. H. W., tc \'s-Gravenhage, is, naar eerst thans bekend is geworden,
aldaar overleden op 22 april 1962. (190)

Treffers, Dr. W., te Wassenaar, is aldaar overleden op 13 juli 1962. (198)

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
Bij het Instituut voor Tropische en Protoroaire Ziekten van de Faculteit der
Diergeneeskunde kan worden geplaatst een

WETENSCHAPPELIJK MEDEWERKER

(dierenarts of bioloog)
wiens taak onder meer zal omvatten de opbouw van een weefselkweek-
afdeling. Sollicitanten moeten bereid zijn om tijdelijk naar het buitenland te
worden gezonden. Salariëring volgens Rijksregeling.

Sollcitaties te richten aan de hoogleraar/beheerder van het bovengenoemde
Instituut, Biltstraat 172 te Utrecht.

GEVRAAGD tegen 15 september of later een

ASSISTENT in gemengde praktijk.

Gedeeltelijke overname na gebleken geschiktheid mogelijk.
Nieuwe woning beschikbaar.
Brieven onder nummer 44/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

-ocr page 238-

AANGEBODEN

EEN KLEINE GEMENGDE PRAKTIJK

in het Westen des lands.
Enkele maanden samenwerking is mogelijk.
Brieven onder no. 46/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

BIEDT ZICHT AAN

DIERENARTSASSISTENTE

21 jaar.

Jenny Harmsen, p/a Mathenesserlaan 179, tel. 36463, Rotterdam.
Gevraagd

in plattelandspraktijk in het Noordwesten van het land

EEN VASTE ASSISTENT

Salaris ƒ 18.000,— en vrij wonen in nieuw woonhuis met garage.
Na gebleken goede samenwerking is associatie mogelijk.

Brieven onder no. 47/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

DIERENARTS-ASSISTENTE

(22 jaar) zoekt betrekking per 1 oktober bij dierenarts in
omgeving Rotterdam. In bezit van dipoma I. Me. Vo.;
enige ervaring opgedaan bij werkzaamheden op een asyl.
Brieven aan Mej. C. A. W. Plomp - adres: Hervormde Pastorie te
Denekamp, Telef. 05413 - 297.

MEISJE dat leert voor

DIERENARTSASSISTENTE

wil graag dierenarts helpen, ook wel in de huishouding,
4 dagen van de week.

J. VISSER, Terdiek 16, Nieuwe Niedorp.

MET SPOED

WAARNEMER gevraagd

in grote kleine-huisdieren praktijk.
Eventuele korte introductieperiode mogelijk.
Aanmelding onder telefoon no. 070 - 322487.

AANGEBODEN:

GEMENGDE GROTE-HUISDIEREN PRAKTIJK

in het Oosten van het land.

-ocr page 239-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Resultaten van het mesten van jonge stieren met
behulp van diaethylstilboestrol.

Results of fattening young bulls by administration of
diaethylstilboestrol.

door F. A. NEETESONi), P. L. BERGSTRÖM^), P. C. HART^)
en H. E. VAN DER VEEN^)

Uit het Zoötechnisch Instituut van de Faculteit der Dier-
geneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht;
Uit het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord", Zeist. (I.V.O.-publikatie no. 147)

Inleiding.

In de laatste jaren is het mesten van runderen en schapen met behulp van
preparaten die het groeiproces op de een of andere wijze beïnvloeden in
steeds sterker mate in de belangstelling gekomen. De meeste literatuur hier-
omtrent is afkomstig uit de U.S.A. en Engeland. Onder deze preparaten
neemt de groep \\an stoffen die het endocrine systeem beïnvloeden een
voorname plaats in. Deze groep omvat voornamelijk methylthiouracil,
oestrogene stoffen van stilbeen afgeleid, progesteron en androgene stoffen.
Het meest frequent is gebruik gemaakt van oestrogene stoffen en met
name van diaethylstilboestrol en hexoestrol, die ook bij het mesten van
pluimvee worden toegepast. Over de toepassing van deze preparaten bestaat
een uitgebreide literatuur; voor een literatuuroverzicht moge hier worden
verwezen naar de samenvattende publikaties van Dammers (1956,
1957).

Bij rundvee zijn deze stoffen met oestrogene werking voornamelijk toege-
past bij de categorie ossen, waar ze de beste resutaten te zien hebben ge-
geven door een snellere groei, een betere voederconversie en een geringere
vetaanzet, zoals uit de betreffende publikaties blijkt. Bij vaarzen en andere
categorieën slachtrunderen zijn volgens de literatuuropgaven de resultaten
zeer wisselend. Ook in ons land zijn proeven uitgevoerd met vrouwelijke
runderen bij het Instituut voor V^eevoedingsonderzoek „Hoorn", echter
zonder dat enig effect van betekenis kon worden vastgesteld. Een ])roef op
hetzelfde Instituut met ossen leverde een beter groeiresultaat en een gun-
stigere voederconversie voor de met diaethylstilboestrol behandelde dieren
op (D a m m e r s, 1961).

Bij vrouwelijke lammeren en gecastreerde ramlammeren zijn de oestro-
gene stoffen eveneens toegepast en vaak met zeer goede resutaten. Over
toepassing van oestrogene stoffen bij niet gecastreerde mannelijke dieren
is slechts weinig bekend.

G a h i 1 1 en anderen (1954) vonden bij toediening aan jonge stiertjes een
grotere mate van vetaanzet in vergelijking met even oude ossen. Uit een
publikatie van VV i e r b i c k i en anderen (1955) volgt dat bij implantatie
van diaethylstilboestrol de dagelijkse gewichtstoename ten opzichte van

F. A. Neeteson, wetenschappelijk ambtenaar le klasse. Faculteit der Diergenees-
kunde, Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172.

P. L. Bergström, Dr. P. C. Hart en H. E. van der Veen, wetenschappelijke mede-
werkers aan het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord", Zeist,
Driebergseweg 10 D.

-ocr page 240-

de controledieren iets hoger Hgt en dat het vetpercentage van het karkas
groter is, al wordt de vergelijking bemoeilijkt door een verschil in proef-
duur tussen de respectievelijke groepen.

Volgens een persoonlijke mededeling van Preston over deze materie
bleek dat in Engeland onderzoek gedaan werd naar de werking van oestro-
gene stoffen bij ramlammeren. Hier kon men atrofie van testes en secun-
daire geslachtsklieren vaststellen, gepaard aan een grotere mate van vet-
heid. Bij toediening aan iets oudere dieren trad in 10% van de gevallen
juist een hypertrofie van de testes op, wat soms voortijdig opruimen van de
dieren noodzakelijk maakte.

Omdat de ervaringen met de toediening van oestrogene stoffen aan man-
nelijke dieren schaars zijn, werd besloten een proef uit te voeren met jonge
stieren, waarbij aan de proefgroep diaethylstilboestrol werd toegediend.
Deze proef is uitgevoerd door het Zoötechnisch Instituut van de Rijks-
universiteit te Utrecht en het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek
„Schoonoord" te Utrecht.

Proefopzet.

In 1958 en 1959 zijn gedurende de zomermaanden een aantal jonge stieren
van omstreeks 1 jaar oud op een grupstal gemest. In beide jaren zijn 12
M.R.IJ.-stieren aangekocht en op grond van gewicht, leeftijd en subjec-
tieve beoordeling zo gelijk mogelijk over een proef- en controlegroep van
elk 6 stuks verdeeld. De dieren van proef- en controlegroep zijn gelijk en
individueel gevoerd, terwijl aan de proefgroep diaethylstilboestrol in het
krachtvoermengsel is toegediend.

De verstrekking van diaethylstilboestrol is dus oraal geschied. Implantatie
werd in dit geval niet toegepast, omdat met name bij pluimvee de resul-
taten bij implantatie nog wel eens wisselen en de resorptie door afkapse-
ling kan worden bemoeilijkt. Bij orale toediening verloopt de opname ge-
lijkmatiger. De toediening is tot de laatste dag vóór de aflevering voort-
gezet. De dieren zijn wekelijks gewogen op eenzelfde tijd van de dag. Voor
de eigenlijke aanvang van de proef zijn de dieren ongeveer 14 dagen op
gelijke wijze gevoerd, echter zonder diaethylstilboestrol, om een gelijk-
matiger overgang aan de gewijzigde omstandigheden te verkrijgen.
.\'Kan het eind van de proef zijn de dieren subjectief beoordeeld in levende
en in geslachte toestand om een indruk te verkrijgen van de slachtkwaliteit.
De beoordeling is gedaan volgens een puntenschaal van 1 t/m 10. Voor
de mate van vetheid geldt dat een optimale vetheid hoog is gewaar-
deerd; voor te grote of te geringe vetheid is puntenaftrek gegeven.

Het verloop van de proef.

A. DE VOEDING.

De dieren zijn gemest met hooi, gedroogde suikerbietenpulp en een kracht-
voermengsel in de vorm van meel (samenstelling zie pag. 1115, tabel II).
De dieren zijn individueel gevoerd en de opgenomen hoeveelheden waren;
hooi, ongeveer 5 kg per dag; pulp, ongeveer 1.4 kg per dag.
Bij de eerste proef is gemiddeld 3.25 kg meel per dag gevoerd, doch daar
wij de indruk hadden, dat deze hoeveelheid te ruim was, is dit bij de tweede
proef tot gemiddeld ongeveer 2 kg per dag teruggebracht. De dosering van

-ocr page 241-

liet diaethylstilboestrol was in het eerste jaar gedurende de eerste 14 dagen
10 mg per dier per dag en daarna 10 mg per 1.5 kg meel, wat op een ge-
middelde van 21.5 mg per dag neerkomt.

Hij de tweede proef is gedurende de gehele periode 20 mg per dier per dag
verstrekt.

B. DE GROEIRESULTATEN.

De dieren zijn wekelijks gewogen. In fig. 1 is het gewichtsverloop weer-
gegeven, terwijl in tabel I de gewichten bij het begin van de proef, de
eindgewichten vóór en na het vasten en de gemiddelde gewichtstoename
per dag zijn aangegeven.

Tabel L

Begin- en eindgeivicht, proefduur en gemidd. dagelijkse gewichtstoename.

Proefserie/
groep

Begin gew.
(kg)

Eind gew.
(kg)

Eind gew.
nuchter
(kg)

Proef-
duur
(dagen)

Gem. dag. gew.
toename (kg)

Proefserie
1958

controlegroep 338.3 ±13.0 476.3 ±19.1

proefgroep 337.0±12.8 498.0±13.9

132
132

451.7±17.4
473.4 12.6
1.046±0.077
1.220±0.036

Proefserie
1959

controlegroep 333.0±11.7 470.0±12.1 445.8±11.5

proefgroep 328.7 ±28,1 463.7 ± 15.4 440.3 ±16.3

117
117

6
6

1.171±0.256
1.154±0.055

In deze tabel is de dagelijkse gewichtstoename berekend ten opzichte van
het eindgewicht vóór het vasten, omdat de dieren niet in nuchtere toestand
in de proef zijn gekomen.

Ten aanzien van het gewichtsverloop zoals dit in fig. 1 is weergegeven kan
worden opgemerkt, dat bij de eerste proefserie de proefgroep van eind juni
af een gemiddeld hoger gewicht had dan de controlegroep, welk verschil
maximaal ,31 kg bedroeg. In de tweede helft van augustus was de gewichts-
toename van de controlegroep nihil, omdat uit deze groep 2 dieren een ge-
wichtsvermindering te zien gaven, die later niet meer werd ingehaald. De
oorzaak van dit verschijnsel is niet bekend, terwijl van verschil in ingewands-
vulling in dit geval geen sprake kan zijn.

Dit laatste is waarschijnlijk wèl het geval geweest bij de proefgroep van de
tweede proefserie omstreeks half september, waar de gewichtsdaling zich
wel heeft hersteld.

Bij de tweede proefserie ligt het gewicht van de proefgroep in de maanden
juni en juli beneden dat van de controlegroep, doch daarna is er nauwelijks
verschil vast te stellen.

Bij de beide proefseries zijn in verband met de grote variabiliteit binnen
de groepen geen statistisch betrouwbare verschillen in gewichtstoename
vast te stellen tussen de controle- en proefgroep met betrekking tot de
groeircsultaten (P > 0.05).

-ocr page 242-

^Sü

iOO

330

juni I juli I aug.
<80 1--= Controlegroep

Sfpl. I okt. 1958
= Procfgroep

i50

<00

Pro«fseri» 1959

350

w»egdata -

330

juli

sepl

aug.

ok(. 1959

Figuur 1.

Gewichtsverloop van de proef- en controlegroepen van de proefseries

1958 en 1959. ^

-ocr page 243-

C. DE VOEDERCONVERSIE.

In tabel II zijn de analysegegevens van de verstrekte voedermiddelen weer-

gegeven.

Tabel II.

Analysegegevens van de voedermiddelen.

droge

ruw

ruwe

ruw

ZW

Voedermiddel

stof

eiwit

cclstof

vet

as

vre

Hooi

1958

91.1

10.9

30.1

7.7

5.9

34.0

Hooi (le partij)

1959

91.6

8.1

27.2

6.2

3.6

40.0

Hooi (2e partij)

1959

91.6

10.2

27.8

8.7

5.3

37.0

Gedroogde pulp

1958

89.7

8.1

18.2

1.3

4.9

4.0

58.0

Gedroogde pulp

1959

91.9

7.5

17.6

1.5

5.1

3.7

59.6

Meel

1958

90.2

23.8

8.6

4.4

7.3

19.8

63.4

Meel

1959

90.6

21.6

6.4

3.2

5.5

19.2

63.9

De samenstelling

van het

meel was

in kg per 100 kg als volgt:

1958

1959

10 gerst

13

gerst

10 haver

13

haver

10 milocorn

13

mais

12 millct

13

milocorn

10 koolzaadschroot

20

koolzaadschroot

10 sesamschilfers

20

sojaschroot

10 sojaschroot

5

grasmeel

15 lijnmeel

3

rundermineralen

6 grasmeel

0.5

A-D droog*)

mais

rundermineralen

0.5 A-D droog*)

De totaal opgenomen hoeveelheden van de voedermiddelen zijn in Tabel
III weergegeven als gemiddelde per dier, evenals de verbruikte g. vre en
ZVV per kg gewichtstoename.

Tabel III.

Opgenomen hoeveelheden voedermiddelen.

per dier

per kg
gewichtstoename

PrcK\'fscrie/grocp

Hooi
(kg)

Gcdr.
pulp
(k?)

Meel
(kg)

Diacthyl
stilboestrol

(mg)

vre in g

g ZW

n

Proef serie 1958

controlegroep

636

207.4

429.6

975±235

4537 ±353

6

procfgroep

636

207.6

424.2

2856

810-1- 22

3776 103

6

Pr oef serie 1959

controlegroep

procfgroep

571
571

146.8
154.5

209.2
225.7

2340

546± 40
574± 26

3275±249
3389±159

6
6

*) Mineraal stabiel vitamine A-D3 preparaat van een zodanige concentratie, dat
het meel per kg 3.000 I.E. vitamine A en 1.000 I.E. vitamine Ds bevatte.

-ocr page 244-

Bij de proef serie van 1959 v^\'erd van de le partij hooi 160 kg en van de
2e partij hooi 411 kg gevoederd.

Bij de dieren van de eerste proefserie was vooral de kraehtvoergift royaler
dan bij de dieren van de tweede proefserie, hoewel de resultaten bij de
eerst proefserie zeker niet beter waren. Hierdoor lagen het verbruikte vre
en de ZW per kg gewichtstoename bij de eerste proefserie gemiddeld hoger,
wat de onderlinge vergelijking van de beide proefseries bemoeilijkt.
Bij de eerste proefserie was de voederconversie bij de dieren van de proef-
groep gemiddeld gunstiger dan bij de dieren van de controlegroep. Dit
verschijnsel werd echter voornamelijk door 2 dieren uit de controlegroep
veroorzaakt die in gewichtstoename vrij sterk zijn achtergebleven.
Bij de tweede proefserie lag de controlegroep gemiddeld iets gunstiger ten
aanzien van de voederconversie. De variabiliteit binnen de groepen was
echter groot, waardoor geen statisdsch betrouwbare verschillen tussen de
controle- en proefgroepen binnen de beide proefseries (P > 0.05) konden
worden aangetoond.

Ten einde na te gaan of het diaethylstilboestrol bevattende meel inderdaad
een oestrogene werking te zien gaf, is een proef uitgevoerd met infantiele
vrouwelijke muizen. De muizen werden in 3 groepen verdeeld en gevoerd
met respecdevelijk het proefmeel dat diaethylstilboestrol bevatte, het con-
trôlemeel zonder diaethylstilboestrol en een meelmengsel, indifferent ten
opzichte van oestrogene activiteit.

De gemiddelde uterusgewichten zijn in tabel IV weergegeven. De ver-
schillen in uterusgewicht tussen de met proefmeel gevoerde muizen en die
welke met de andere meelsoorten waren gevoerd, waren bij beide proef-
series zeer significant (P < 0.001).

Tabel IV.

Uterusgewichten van de proefmuizen.

Proefserie 1958

n

Proefserie

1959

n

a. Meel met

diaethylstilboestrol

19 mg ± 3.15

5

15.9 mg ±

0.75

5

b. Controle meel

2.4 mg ± 0.28

5

5.1 mg ±

0.51

5

c. Indifferent meel

3.1 mg ± 0.05

5

3.3 mg ±

0.37

5

D. DE SLACHTKWALITEIT.

Naast de groeisnelheid en de voederconversie is bij een mestiJroef de
slachtkwaliteit van belang.

De subjectieve beoordeling.

De slachtkwaliteit is langs subjectieve weg bepaald bij het begin van de
proef, vóór het slachten in levende toestand en na het slachten aan het
karkas.

De beoordelingen zijn uitgevoerd door een medewerker van één van de
grote in- en verkoo]3 centrales van slachtdieren en vlees.
De beoordeling bij het begin van de proef bepaalde mede de indeling in
zoveel mogelijk gelijkwaardige groepen. De resultaten van deze beoordeling
zijn in tabel V vermeld.

-ocr page 245-

Tabel V.

Beoordeling van de dieren bij het begin van de proef. (gemiddelden en

uiterste waarden).

Gevlecsdheid

leeftijd

Proefseriel voor- midden- achter- , . , Beender- algemene

groep stel stel stel ^^ stel indruk ^^^^^^^

Proefserie
1958

5.7 5.3 6.5 5.8 6.2 5.8 ,

controlegroep -6/0(4 -6/2)(5/-8 ) (5 -7/) (5/2-6/) (4 -7/)

5.5 5.4 5.9 5.8 6.5 5.9 ,

proefgroep .7 ) (5 .6/)(4/-7 )(5/-7/)(5 -7 )

Proefserie
1959

5.1 5.1 5.9 4.5 5.4 5.8

controlegroep^^ -6 )(4 -6 ) (5 -7 ) (4 -5 ) (4 -6/) (6 -7 )

4.9 4.8 5.8 4.3 5.3 5.3

proefgroep ^^ _g ^^^ ^^ 5 ^ -6/)(4/-6/)

Bij het begin van de proef was de eerste proefserie gemiddeld iets beter
gevleesd en ook iets vetter dan de tweede proefserie.

be uniformiteit was echter bij de eerste proefserie kleiner. Bij de be-
oordeling van de vetheid werd hier in alle gevallen puntenaftrek gegeven
voor een te geringe mate van vetheid.

Kort vóór het slachten zijn de dieren opnieuw beoordeeld op hun ge-
schiktheid voor de vleesproduktie. Dc resultaten biervan zijn in tabel VI
weergegeven.

Tabel VI.

Eindbeoordeling in levende toestand (gemiddelden en uiterste waarden).
Gevleesdheid

Proefserie/ voor- midden- achter- ,, . . , Beender- algemene

\' , Vetheici , , ■ j 1

groep stel stel stel_stelsel mdruk

Proefserie

1958

7.6 7.6 7.9 8.0 7.0 7.9

controlegroep (g./^.g/) (6 -8/) (6/-9 ) (7 -8/) (6 -8 ) (6/-9 )

7 2 7.3 7.7 8.1 7.3 7.8

proefgroep (6/-8/) (6/-8/) (7 -9 ) (6/-8 ) (7 -8/)

Proefserie

1959

6.1 5.8 6.4 4.9 4.9 5.9

controlegroep ^^ ^^ ^ ^^ ^^ _g ) (4 -6 ) (5 -7 )

6.4 6.2 6.5 5.9 5.3 6.3

proefgroep ^^ ^ ^^ ^ ^^ ^^ ^ ^^ ^

-ocr page 246-

Tenslotte zijn de dieren in geslachte toestand beoordeeld en de resultaten
van deze karkasbeoordeling zijn in tabel VII vermeld.

Tabel VIL

Beoordeling van de karkassen (gemiddelden en uiterste waarden).
Gevleesdheid

Proefserie/groep

voorvoet

achtervoet

Mate van
vetheid

Beender-
stelsel

.Algemene
indruk

Proefserie 1958

controlegroep

8.3

iTA-9 )

8.2
(7 -9/.)

8.5

(6 -9/2)

7.7
(7
-8/2)

8.2

(7 -9 )

proefgroep

8.3

(8 -8/2)

8.9

(8/2-9/2)

8.9

(8/2-9/2)

8.3

(8 -8/2)

8.7

(8 -9 )

Proefserie 1959

controlegroep

6.2

(5 -7 )

6.5
(5/2-7 )

6.0

(5/2-7 )

6.2

(5 -7 )

6.3
(5
/2-7)

proefgroep

6.6

(6 -7 )

6.8

(6 -7 )

6.3
(5/2-7 )

6.3
(5/2-7 )

6.4

(6 -7 )

Uit de beide eindbeoordelingen in levende en in geslachte toestand volgt
dat er tussen de beide proefseries een vrij groot kwaliteitsverschil was te
constateren. In het algemeen was de gevleesdheid bij de dieren van de eer-
ste proefserie beter, terwijl deze dieren ook vetter waren en wel zodanig
dat in de controlegroep slechts één dier te weinig vet werd geacht, terwijl
de overige dieren een juiste mate van vetheid te zien gaven of relatief reeds
iets te vet waren.

Bij de dieren van de tweede proefserie was de gevleesdheid minder goed
en ook de mate van vetheid lag in vrijwel alle gevallen op een te laag ni-
veau. Dit laatste werd mede veroorzaakt door het feit dat het tijdstip van
aflevering bepaald werd door de noodzaak om de beschikbare stalruimte
voor het vrouwelijke rundvee vrij te maken, waarbij de droge zomer van
19.59 een rol heeft gespeeld.

Door de geringe mate van gespierdheid maakt het beenderstelsel een re-
latief grovere indruk bij de dieren van de tweede proefserie, wat vooral bij
de beoordeling in levende toestand mogelijk iets te duidelijk naar voren
komt.

Binnen de beide proefseries waren geen systematische verschillen vast te
stellen in de slachtkwaliteit tussen de proef- en controlegroep, omdat de
gemiddelde verschillen gering waren en de variade binnen de groepen
groot was.

Naast de subjectieve beoordeling van levende dieren en karkassen werden
een aantal wegingen verricht om de subjectieve beoordeling aan te vullen.

an houdingspercentage.

Een maatstaf voor de slachtkwaliteit vormt in de eerste plaats het aan-
houdingsprcentage {d.i. koud geslacht gewicht in percenten van het
levend nuchter gewicht).

In tabel VIII zijn de eindgewichten in nuchtere toestand, het karkas-
gewicht \\\'óór en na het koelen en het aanhoudingspercentage aangegeven.

-ocr page 247-

Tabel VIII.
Aanhoudingspercentages.

Nuchter

Warna

Koud

Aan-

Procfserie/groep

levend

karkas

karkas

houdings-

n

gewicht

gewicht

gewicht

percentage

Proefserie 1958

controlegroep

451.7±17,4

272,5 12.7

266.7±12.4

58,9±5,8

6

proefgroep

473,4±12,6

281.5± 9.4

275.7± 9,2

58,2±4,2

6

Proefserie 1959

controlegroep

445,8 ±11,5

248.8± 7.8

243,6± 7.6

54.6±4,4

6

proefgroep

440,3±16,3

245.2 ± 8.5

240,3 ± 8.3

54,6±5,4

6

Hoewel er, tengevolge van de verschillen in gevleesdheid en vetheid, ver-
schillen bestonden tussen de beide proefseries konden binnen de proef-
series geen significante verschillen tussen de aanhoudingspercentages van
de proef- en contrólegroei5en worden vastgesteld.

Gewichtsverlies t ij d e n s het vasten.

Naar aanleiding van het in sonunige publikaties genoemde verschil in ge-
wichtsverlies tijdens transport naar de abattoirs, dat bij dieren die met
diaethylstilboestrol zijn behandeld vaak groter is en de ervaringen met be-
trekking tot een sterker vulling van de ingewanden bij mesten met schild-
klierrennnende stoffen zijn de intestinae in gevulde en lege toestand ge-
wogen. De resultaten zijn in tabel IX vermeld.

Tabel IX.
Vulling der ingewanden.

Gcwichtsvcrlifs
tijdens vasten

Procfserie|grocp

Gewicht van de
intestinae leeg

Gewicht van de inhoud
v. d. intestinae

25.6 kg (23-29.2)
5.7%
V. h. levend gew.
26.8 kg (24.4-28.6)
5.7% v.
h. levend gew.

50,5 kg (48.2-56.4)
11.2%
V, h, levend .gew,

59.2 kg (52.6-68.6)
12,5% v. h. levend gew.

Proefserie 1958

controlegroep 25 kg (20-38)

21 kg (18-23)

proefgroep

Proefserie 1959

controlegroep 24.2 kg (21-29)
proefgroep 23.3 kg (20-31)

18.9 kg (16.2-21.6)
4.2%
V. h, levend gew,
20 kg (18,8-22.3)
4.9%
V. h. levend gew.

60,9 kg (54,7-78)
13,7%
V, h, levend gew,
60,6 kg (50.6-73.7)
13,7%
V. h. levend gew.

Uit de.:e cijfers konden geen significante verschillen tussen de proef- en
controlegroepen van de beide proefseries worden vastgesteld ten aanzien
van de vtdling van de ingewanden.

Gewicht van het losse vet en van het niervet.

Bij deze proef is getracht langs objectieve weg een indruk omtrent de
slachtkwaliteit te verkrijgen. Hiertoe zijn de gewichten van het losse vet
en van het nier- en slotvet van de linker karkashelft bepaald, welke ge-
wichten in tabel X zijn weergegeven.

-ocr page 248-

Tabel X.

Gewichten van los vet, nier- en slotvet.

Proefserie/groep

Gewicht los vet

Gewicht nier- en slotvet

n

Proefserie 1958

controlegroep

4.0 kg ± 0.6

8.2 kg ± 0.4

6

proefgrocp

4.3 kg ± 0.8

9.2 kg ± 0.7

6

Proefserie 1959

controlegroep

3.4 kg ± 0.9

6.6 kg ± 0.3

6

procfgroep

3.5 kg ± 0.6

6.9 kg ± 0.5

6

Deze cijfers stemmen overeen met de subjecüeve beoordeling van de kar-
kassen ten aanzien van de mate van vetheid en hoewel de gemiddelde
waarden bij de beide proefgroepen iets hoger liggen dan bij de correspon-
derende controlegroepen zijn ook hier de verschillen niet significant.

Het ribstuk.

Op grond van de publikades over de bruikbaarheid van het ribstuk, dat
de 9e t/m 11e rib bevat, als representatief monster voor het gehele karkas
is ook bij deze proef een dergelijk ribstuk uit de rechter helft van elk kar-
kas genomen en geanalyseerd op gehalte aan eiwit, vocht en vet.
Deze analyse leverde de volgende gegevens op:

Tabel XI.
Analyse van het ribstuk.

Proefserie/groep % eiwit % vocht % vet

Proefserie 1958

controlegroep 19.2 ± 0.3 64.8 ±0.9 14.5 ± 1.1 6

procfgroep_19.2 ± 0.3 64.4 ± 1.4 15.2 ± 1.6 6

Proefserie 1959

controlegroep 20.1 ± 0.4 64.9 ± 0.7 14.2 ± 0.9 6

procfgroep_19.6 ± 0.4 64.4 ± 0.3 15.1 ± 0.7 6

Hoewel het verband tussen de individuele waarden en de subjectieve be-
oordeling van de vetheid in het algemeen slechts vaag aanwezig is, wijst
het gemiddelde vetpercentage in de ribstukken in dezelfde richting als de
waarden uit tabel X. Statistisch betrouwbare verschillen komen uit deze
analyse van het ribstuk niet naar voren.

In de zeer omvangrijke literatuur over deze materie, die in de meeste ge-
vallen betrekking heeft op het mesten van ossen met oestrogene stoffen,
treft men vrij vaak de opmerking aan dat de slachtkwaliteit van deze die-
ren inferieur zou zijn aan die van de niet behandelde dieren.
Dit heeft voor een deel betrekking op een, voor de Angelsaksische landen,
onvoldoende mate van vetheid. Hiernaast echter wordt vaak vermeld, dat
het vlees op zich „waterig" is en een hoger percentage losgebonden water
heeft. De subjectieve beoordeling van de vleeskwaliteit liet geen systema-
tische verschillen tussen de proef- en contróledieren zien.
Het percentage losgebonden water, dat alleen bij de dieren van de tweede

-ocr page 249-

proefserie werd bepaald, ligt bij de dieren van de controlegroep gemiddeld
iets boger, nl. proefserie 1959:

controlegroep 41.1 ± 1.5 n = 6

proefgroep 37.7 ±1.8 n = 6

Deze verscbillen zijn niet statistisch betrouwbaar en bevestigen de resul-
taten van andere ])roeven niet.

.\\ls nevenverscbijnselen van de toediening van oestrogene stoffen wordt
soms bet optreden van een relaxatie van de lumbaalwervels en een toe-
nemen van de lengte van de spenen bij ossen genoemd, terwijl de dieren
vaak onrustig worden en bij vaarzen een muceuze uitvloeiing uit de va-
gina en soms zelfs prolaberen van de vagina is vastgesteld.
Bij hamels wordt vaak een vernauwing van de urethra waargenomen en
bij ramlammeren atrofie van testes en secundaire geslachtsklieren.
Bij de proef met jonge stieren werden geen abnormaliteiten in de lichaams-
functies waargenomen, al was cr een geringe aanwijzing dat bij de eerste
proefserie de [jroefdieren na 2 maanden rustiger waren dan de dieren uit
de controlegroep.

Bij het histologisch onderzoek van een aantal klieren met interne secretie
te weten hypofyse, schildklier, pancreas en bijnier, konden geen verschillen
tussen de proef- en contrólegrocj) worden aangetoond.
Een differentiatie van het witte bloedbeeld (in verband met het optreden
van eosinopenie dat door enkele auteurs is genoemd) en een bepaling van
het glucosegehalte van het bloed, leverden geen verschillen op. Alle waar-
den lagen hier binnen de grenzen die voor normale dieren gelden. Bij de
dieren van de procfgroc])en was het gemiddelde gewicht van de nieren
hoger zoals ook door enkele auteurs is vermeld bij proeven met ossen. De
varialiiliteit is echter binnen de groejien zeer groot, zodat de verschillen
niet significant zijn.

Om na te gaan of er eventueel resten van oestrogene stoffen in bet lichaam
achterblijven bij het mesten met diaethylstilboestrol is een proef uitge-
voerd met infantiele vrouwelijke muizen die zijn gevoerd met drooggevro-
ren lever en met spierweefsel van de niiddenrifspeilers.
De uudzen zijn verdeeld in groepen die respectievelijk werden gevoerd
met lever van de ])roefgroepen, met lever van de controlegroepen en met
lever van andere dieren, die naar mocht worden aangenomen niet in de
gelegenheid zijn geweest oestrogene stoffen op te nemen.
Wat bet spierweefsel betreft is alleen materiaal van stieren die diaethyl-
stilboestrol hebben ontvangen aan een groep muizen verstrekt, dit als pilot
experiment.

De hoeveelheden drooggevroren materiaal die per dier werden gevoerd,
komen overeen met respectievelijk 5, 10 en 20 g verse lever en 10 g vers
spierweefsel.

Bij bet onderzoek van weefsel van dieren van de eerste proefserie traden
geen significante verscbillen op, doch de opname van het voer ging toen
door de hoge buitentemperatuur zeer traag. Bij herhaling met betzelfde
materiaal was er echter wel een verschil bij de groepen die met een hoe-
veelheid lever, overeenkomend met 20 g verse lever van de proef- en
controlegroepen, werden gevoerd. De uterusgewichten van de muizen die
lever \\\'an de proefgroep kregen, waren significant hoger (P < 0.05).

-ocr page 250-

Bij liet onderzoek van materiaal van de tweede proefserie was dit even-
eens het geval bij het voeren van 10 g verse lever (P < 0.01) en 20 g lever
(P < 0.05).

Bij voederen van het spierweefsel kon geen aanwijzing voor het aanwezig
zijn van oestrogene activiteit worden verkregen.

S.\\MENVATTING.

Ten einde na te gaan of er invloed kan worden vastgesteld van de to<-dicning van
diaethylstilboestrol op de gewichtstoename, voederconversie en slachtkwaliteit bij het
mesten van jonge stieren, werden in twee opeenvolgende jaren proeven opgezet.
Hiertoe zijn voor elke proefserie 12 stuks M.R.IJ.-stieren aangekocht, die gedurende
de zomermaanden op stal met hooi, gedroogde suikerbietenpulp en meel werden ge-
mest. Aan 6 van de 12 dieren werd bovendien nog ongeveer 20 mg diaethylstilboestrol
per dier per dag verstrekt. Het diaethylstilboestrol werd oraal toegediend, vermengd
met het meel. De mcstduur bedroeg respectievelijk 132 en 117 dagen.
Een invloed op de gewichtstocname ten gevolge van de diaethylstilboestrol toediening
was niet aantoonbaar. Wel was de dagelijkse .gewichtstoename van dc proefgroep
van de eerste proefserie gemiddeld hoger dan van de controlegroep, doch hei verschil
was niet statistisch betrouwbaar (P > 0.05).

Bij de tweede proefserie was het verschil aanmerkelijk geringer en het lag hier iets
ten gunste van de controlegroep.

Ook op de voederconversie kon geen duidelijke invloed worden vastgesteld. In over-
eenstemming met de iets betere groeiresultaten van de proefgroep van de eerste
proefserie lag hier de voederconversie gunsti.gcr doch de variabiliteit binnen dc
groepen was te groot om statistisch betrouwbare verschillen op tc leveren.
Op de slachtkwaliteit kon geen invloed worden vastgesteld. De onderlinge verschillen
tussen de beide proefseries waren vrij groot, doch per
prcK\'fserie traden geen systema-
tische verschillen op ten aanzien van de gevleesdheid, vetheid en vleeskwaliteit, die
op een invloed in positieve of negatieve zin van het diaethylstilboestrol wijzen. Uit
een onderzoek van leverweefsel van de proefdieren op oestrogene activiteit bleek dat,
bij voeren van drooggevroren levei-weefsel aan infantiele vrouwelijke muizen, bij
beide proefseries significante verschillen konden worden geconstateerd. Dit bleek uit
hogere uterusgewichten van de muizen die met lever van cle stieren uit de proef-
groepen werden gevoerd. Op grond van de verkregen resultaten kan niet worden
vastgesteld, dat bij de hier geldende proefomstandigheden en bij dc hier gevolgde
doseringen, het mesten van stieren in het gewichtstraject van 350-475 kg met behulp
van diaethylstilboestrol, enige gunstige invloed had. Dat toediening van diaethyl-
stilboestrol duidelijk Ingrijpt in de fysiologie van het organisme is evenmin .gebleken.

SUMMARY.

In order to investigate whether the administration of diethylstilbestrol would have
any influence on the liveweight increase, food conversion and carcass quality of
fattened young bulls, two experiments were carricd out in two successive years. In
each experiment 12 Meusc-Rhine-IJsscl bulls were used which were fattened indoors
during the summer months with hay, dried sugar beet pulp and concentrates. In
addition to this ration 6 of the 12 animals of each series received a daily dose of
about 20 mg diethylstilbestrol each. The diethylstilbestrol was administered orally,
mixed with the concentrates. The period of fattening was 132 and 117 days in 1958
and 1959 respectively. No influence on the daily gain as a result of the administration
of diethylstilbestrol was found. It is true that the average daily liveweight gain of
the experimental group of the first series was higher than that of the control group,
but the difference was not significant (P > 0,05). In the second series of experiments
the difference was much smaller and it was in favour of the control group. No evi-
dent influence could be found on the food conversion rate either.

-ocr page 251-

In agreement with the somewhat better livewcight increase of the experimental group
on the first series, the food conversion of this group was better, but the variability
within the groups was too great to show significant differences. The carcass quality
was not influenced either. No systematic differences were found as regard quantity
of meat and fat and quality of meat, which might point to a positive or negative
influence of the diethylstilbestrol.

Estrogenous activity of liver tissue of the animals was tested with infantile female
mice, which were fed dry-frozen liver tissue. Significant differences have been found
in both series of experiments. This appeared from higher uterus weights of the mice
which had been fed liver of the bulls of the D.E.S.-groups.

On the basis of the results it is concludcd that under the obtaining experimental
conditions and with the doses administered here, fattening results of bulls in the weight
classes of 350-475 kg have not been favourably influenced by diethylstilbestrol. No
more has appeared that the administration of the diethylstilbestrol has any evident
effect on the physiology of the organism.

RÉSUMÉ.

Pour examiner, si l\'administration de dicthylstilboestrol influe à l\'engraissement de
taurillons sur le gain pondéral, la conversion d\'aliments ct la qualité bouchère, il y a
entrepris deux expériences pendant deux années successives. A cet effet furent achetés
pour chacune des expériences 12 taureaux de la race Meuse-Rhin-IJssel qui furent
engraissés à l\'établc avec du foin, de la pulpe séchcc ct du fourrage concentré aux
mois d\'été. Six des 12 sujets reçurent, en plus, environ 20 mg dc diéthylstilboestrol
par sujet par jour. Le dicthylstilboestrol fut administré par voie orale, mélangé au
fourrage concentré. La durée dc l\'engraissement était de 132, respectivement 117 jours
en 1958 et 1959.

Une influence nette sur le gain pondéral à la suite dc l\'administration du diéthyl-
stilboestrol ne pouvait être prouvée. Il est vr.ni l\'accroissement journalier du poids du
groupe d\'essai de la première série était, en moyenne, supérieur à celui du groupe
témoin, mais la différence n\'était pas significative (P > 0,05). Dans la deuxième
expérience la différence était sensiblement plus faible et ici en faveur du groupe
témoin.

Une influence nette sur la conversion des aliments ne pouvait pas non plus être con-
statée. En conformité avec les résultats de croissance légèrement meilleurs du groupe
d\'essai de la première experience, la conversion des aliments était un peu plus favo-
rable ici, mais la variabilité au sein des groupes était trop fortes pour donner des
différences statistiquement valables.

Quant à la qualité bouchère aucune différence systémadque ne fut constatée vis-à-vis
d~e la quantité dc viande ct de graisse et la qualité de la viande, indiquant une in-
fluence en sens positif ou négatif du diéthylstilboestrol. Un examen du tissu du foie
des sujets sur l\'activité oestrogène a démontré que en administrant du tissue du foie
réfrigéré sec à des souris femelles infantiles, dans les deux experiences figuraient des
différences significatives. Cela ressortait des poids plus élevés de l\'utérus des souris
qui avaient reçu du foie provenant des taureaux des groupes d\'essai.
Sur la base des résultats obtenus on ne peut pas constater qu dans les conditions
expérimentales régnant sur place et en présence des dosages appliqué ici l\'admini-
stration de dicthylstilboestrol a exercé quelque influence favorable l\'engraissement
dc taureaux dans les catégories dc 350 ct 475 kilogrammes. On n\'a pas non plus
pu constater que l\'administration de diéthylstilbo<-strol intervient nettement dans la
physiologie de l\'organisme.

ZUSAMMENFASSUNG.

Um festzustellen ob die Zuwachsgcschwindigkcit, Futterverwertung und Schlacht-
qualität bie der Mast von Jungbullen von Diäthylstilbocstrol bceinflusst wird, sind
in zwei aufeinanderfolgenden Jahren Versuche durchgeführt worden.
Zu diesem Zwecke wurden für jede Versuchswelle 12 Stück M.R.IJ.-Bullen zuge-

-ocr page 252-

kauft, die in den Sommermonaten bei Stallhaltung mit Heu, Trockenschnitzel und
einem Kraftfuttergcmisch gemästet wurden. An 6 der 12 Tiere von jeder Versuchs-
welle wurde ausserdem noch etwa 20 mg Diäthylstilboestrol pro Tier pro Tag ver-
abfolgt. Das Diäthylstilboestrol wurde oral verabreicht, mit dem Kraftfutter ver-
mischt. Die Mastdauer betrug 132, bzw. 117 Tage, für die Unterschiedene Versuchs-
wellen in 1958 und 1959.

Ein Einfluss auf die Gewichtszunahme zufolge der Diäthylstilboestrolverabrcichung
war nicht nachweisbar. Wohl war die tägliche Gewichtszunahme der Versuchs-
gruppe der ersten Versuchswelle im Durchschnitt höher als die der Kontrollgruppe,
jedoch der Unterschied war nicht statistisch gesichert (P > 0,05). Bei der zweiten
Versuchswelle war der Unterschied bedeutend geringer und erwies sich hier etwas
zugunsten der Kontrollgruppe.

Auch auf die Futterverwertung konnte kein deudicher Einfluss aufgewiesen werden.
Im Einklang mit den etwas besseren Wachtstumergebnissen der Versuchsgruppe der
ersten Versuchsserie lag hier die Futterverwertung .günstiger, jedoch die Variabilität
innerhalb der Gruppen war zu gross, um statistisch zuverlässige Unterschiede zu er-
geben.

.Auf die Schlachtqualität konnte kein Einfluss nachgewiesen werden. Die gegenseitigen
Unterschiede zwischen den beiden Versuchswellen waren ziemlich gross, innerhalb
einer Versuchswelle wurden keine systematischen Unterschiede mit Bezug auf die
Fleischfülle, den Verfettungsgrad und die Fleischqualität, die einen Einfluss in po-
sitivem oder negativem Sinne des Diäthylstilboestrols aufzeigen.
Einer Untersuchung des Lebergewebes der Versuchstiere aus oestrogener Aktivität
war zu entnehmen, dass beim Füttern von trockengefrorenem Lebergewebe an infan-
tile weibliche Mäuse, bei den beiden Versuchswelle signifikante Unterschiede fest-
gestellt werden konnten. Dies ergab sich aus den höheren Uterus.gewichten der
Mäuse, die mit Leber der Bullen aus den Diäthylstilboestrolgruppen gefüttert wurden.
Aufgrund der gezeitigten Ergebnisse kann nicht festgestellt werden, dass unter den
hier obwaltenden Versuchsumständen und bei den hier verabreichten Dosierun.gen
bei der Mast von Bullen in den Gewichtsklassen von 350-475 kg die Verabreichung
von Diäthylstilboestrol irgendwelchen günstigen Einfluss hatte. Das Verabreichung
von Diäthylstilboestrol deutlich in die Physiologie des Organismus eingreift, hat
sich ebenso wenig ergeben.

LITERATUUR

G ah ill, V. A. e.a.: The possible functions of diethylstilboestrol as observed in
beef carcass evaluation and certain associated glands.
]. An. Sei., 13, 967, (19.54),
abstr.

Dammers, J.: Het gebruik van stilboestrol in r.antsoenen voor mestvee. Land-
bouwk. Tijdschr.,
68, 601, (1956).
Dammers, J.: Proefnemingen van de orale toediening van stilboestrol aan vo!-

wasscn mestvee. Verslagen lanbouwkundi.ge ondcrzoekingen, 1957-63.21.
Dammers, J.: Groeibevordering door kunstmatige wijziging van hormonale cven-

wichten. Landbouwk. Tijdschr., 73, 394, (1961)_
Wierbicki, E. e.a.: Effect of castration in biochemistry and quality of beef.
Agric. & Food Chem., 3, 244, (1955).

-ocr page 253-

Acute Fowl Cholera in a Connecticut Chicken
Flock: Description of the Isolation of Pasteurella
multocida.

by R. D. FLETCHER!) and H. J. L. MAAS^)

Department of Animal Diseases, University of Connecticut,
Storrs, Connecticut^).

Introduction.

Fowl cholera (pasteurellosis) is an infectious disease affecting practically
all species of fowl. It often appears as an acute septicemic disease associated
with high morbidity and mortality. Less frequently chronic manifestations
are also seen (Harshfield, 1959).

The causative agent of fowl cholera has been variously designated Bactérie
ovoide. Bacillus septicaemiae liaemorrhagicae. Bacterium multocidum, Bac-
terium bipolare multocidum, Pasteurella cholerae gallinarum, Pasteurella
aviare,
and Pasteurella multocida (Merchant, 1946; Breed et ai,
1957). However, as a result of comparative studies by Rosen bu sch
( 1937) and R os e n b u s c h and Merchant (1939), the name
Pasteu-
rella mutocida
is now generally accepted for the causative organism of fowl
cholera.

The incidence of tbe acute form is very low in the Netherlands (Van den
H u r k, 1946), whereas the less common, chronic condition is more fre-
quently observed (Van der Schaaf
et ai, 1961 ).
Occasionally an acute case of fowl cholera will come to the attention of the
poultry practitioner but if the clinical signs deviate from the classic descrip-
tion the disease will often go unrecognized.

This paper reports some of the difficulties and procedures in obtaining an
isolation of
P. multocida from an acute case of fowl cholera in a Connec-
ticut flock.

Flock history.

The affected flock consisted of 3,50, 14-month-old Sex-Linked Blue Cross
chickens. The birds were maintained in a brooder house with cement floor,
covered with 2 inches of ground sugar cane. Food consumption was normal
but egg production was slightly off. The birds appeared to be in good
health but were found dead in the nests or beneath the perches. The owner
reported a mortality of 2 to 4 birds per day for 5 days. Immediately prior
to death, cyanosis of the comb and wattles and loose, green droppings were
observed. Two birds were submitted to the Diagnostic Laboratory, Depart-
ment of Animal Diseases, University of Connecticut for necropsy.
Later information revealed a 30% drop in egg production and a lower feed

R. D. Fletcher, Bacteriologist, Department of Animal Diseases, University of
Connecticut, .Storrs, Connecticut.

2) H. J. L. Maas (The Netherlands) has been a guest worker at the Dept. of
Animal Diseases, University of Connecticut, Storrs, U.S.A., under a André
Mayer Research Fellowship of the Food and Agriculture Organization of the
United Nations.

3) Director Prof. Dr. C. F. Helmboldt.

-ocr page 254-

consuni]nion. Since there was an automatic water supply, the amount of
water utilized by the flock coidd not be defined.

Clinical examination.

The two birds submitted were alive and in good flesh but showed cyanosis
of the comb and wattles. The feathers were ruffled and aroimd the cloaca
the feathers were matted.

(iross pathologic examination.

4"he crops were filled with mash. The hunen of the duodenal portion of
the small intestine and rectum was filled with a thick, greenish, viscid
mucus. The livers were slightly swollen and, in one bird, several pin-point
sized foci were observed only on the top of two lobes while the other had
no visible lesions. The kidneys were pale and swollen and somewhat en-
larged. Little edema was seen in the combs and watdes. Slight peritonitis
was present in one of the birds. No hemorrhages were noted. Both birds
were in production. Sections of liver, kidney, pancreas, and spleen were
taken for histologic examination.

The clinical diagnosis was considered to be blue comb although the age
of the flock was not in agreement with this disease. The owner was advised
to feed a ration fortified with antibiotics (see treatment) and he was re-
quested to submit additional birds for examination in order to substantiate
previous findings.

Two more birds were received for diagnosis and much clearer signs were
seen than those previously described. A very severe peritonitis was seen in
both birds and one of the birds had a mottled, greenish- colored liver. In
the latter, a broken egg yolk was seen in the abdominal cavity. The liver
of this bird was removed for bacteriologic examination.

Histologic examination.

The liver had a small number of foci, each focus composed of granulai\'
masses of bacteria and surroimded primarily by a small zone of cellidar
debris and secondly by a zone of histiocytes. The latter zone also showed
the formation of a few giant cells. The foci illustrated coagulation necrosis.
Several small granulomas, composed of histiocytes, were seen in the neigh-
bourhood of a central vein while lymphocytic infiltration was observed
around a few small periportal veins. Slight hyperemic and general edema
were observed. Moreover, a fatty infiltration was apparent; however, it
was questionable as to the latter being a pathologic expression or a physio-
logic condition due to the age of the birds.

The kidney revealed numerous small interstitial infiltrations which were
predominantly plasma cells. Lymphocytes and histiocytes were also seen.
Some tubuli contained a homogenous eosinophilic cast. The histopathology
was typical for interstitial nephritis. The surface of the kidney was covercd
with an exudate of plasma which contained many erythrocytes and aggre-
gates of granular material (1 to 2.4 microns). These findings indicated a
bacterial peritonitis.

The spleen was shown to have a marked hyperplasia of lymphocytes and
reticulum cells. The surface of the spleen had deviations similar to those
foimd on the kidney.

-ocr page 255-

The pancreas revealed no lesions.

The histologic picture of the liver, kidney, and spleen indicated the pre-
sence of a bacterial infection.

Bacteriologic examination.

The liver was seared with a red-hot scalpel and a loopful of tissue was re-
moved and streaked on a blood agar plate. The plate was placed in a candle
jar and incubated for 18 hours at 37 C. A film prepared from the liver
contained Gram negative bipolar rods which suggested a
Pasteurella sp. The
liver was macerated with 10 ml of sterile saline. One ml of this suspension
(1:10 dilution) was injected into the marginal ear vein of a healthy, 1.5
kilogram rabbit (W a d s w o r t h, 1947 ).
Pasteurella multocida from birds
is equally pathogenic for mice, rabbits, pigeons, fowl, and ducks (Hud-
son, 1959).

The rabbit was found dead 18 hours after the intravenous injection, further
indicating a
Pasteurella s]3. The liver was cultured on blood agar as descri-
bed above. However, further bacteriologic examination was necessary for
final confirmation.

At 18 hours the blood agar plate streaked with material from the chicken
liver was examined and showed numerous colonies which appeared round,
flat, finely granular, transluscent, "dew-drop-like", and nonhemolytic.
These individual colonies were examined with respect to morphology and
their Gram staining properties. The bacteria were Gram negative bipolar
rods 0.3 by 2.4 microns in size. A mmiber of individual colonies were sub-
cultured on Difco Triple Sugar Iron (TSI) agar slants and incubated for
24 hours at 37 G.

At 24 hours the TSI slants were found to have an acid slant, slight acid butt,
but no gas production. Cells from the TSI slant were suspended in 2.0 ml
of sterile saline. One drop of this suspension was added to each of the media
listed in Table 1. l"o determine antibiotic sensitivity
in vitro, 2 drops
were streaked on a blood agar plate to which a multi-antibiotic sensitivity
disk (Multidisk) was applied. All subcultures were incubated for 24 hours
at 37 C.

After incubation the cultures were confirmed as Pasteurella multocida. Con-
firmation was based on Gram staining reaction, morphology, indol pro-
duction, nitrate reduction, acid but no gas in dextrose, saccharose, and
xylose, no fermentation of arabinose, dulcitol, lactose, maltose, rhamnose,
starch, and trehalose. Table 1 gives a comparison of the biochemical reac-
tions of typical strains of
P. multocida with the above isolated strain. This
i.solate could be classified in Group II (ferments xylose but not arabino.se
and dulcitol) according to Merchant (1946).

The culture was sensitive to chlortetracycline, chloramphenicol, tetracycline,
oxytetracycline, and dihydrostreptomycin and resistant to bacitracin, carbo-
mycin, erythromycin, and penicillin.

The colonies isolated from the rabbit liver were also confirmed as P. multo-
cida
based on Gram reaction, morphology, and reaction on TSI.
The bacteriologic procedure used required 72 hours. However, by elimi-
nating the use of TSI, suspending isolated colonies in sterile saline and
directly inoculating the .su.gars, etc. at 24 hours, a diagnosis can be made at
48 hours.

-ocr page 256-

Treatment.

The owner was advised, after the first examination of his birds, to add an
antibiotic to the feed to prevent deaths^). As soon as treatment was ceased,
recurrence of mortality was noted. This is in accordance with the obser-
vations of D o r s e y (1933, cited by H a r s b f i e 1 d, 1959).

Discussion.

A misinterpretation of clinical findings is possible in atypical cases of acute
fowl cholera especially when the incidence of the disease is low. The lack
of a timely and correct diagnosis causes a delay in eliminating or treating
the flock with consequent economic loss.

In countries with a low incidence, depopulation is the only practical way
to combat acute fowl cholera. This procedure should be followed by a
thorough cleaning of the premises in order to lessen the chances of re-
contamination of new flocks.

In countries where the disease is prevalent, i.e. South East Asia, other
methods of control apply (Harshfield, 1959). The aforementioned
application of antibiotics and the use of bacterins (Chute
et al., 1961) in
combination with a good management program seem to be useful tools in
controlling this disease.

Histologic examination does not always provide a final diagnosis in the case
of acute fowl cholera. However, a bacteriologic examination, as described,
can give a positive basis for a correct diagnosis within 48 hours.

Acknowledgement

The authors are indebted to Dr. C. F. Helmboldt, Head, Department of Animal
Diseases, University of Connecticut, Storrs, for his remarks concerning the histologic
examinations.

Grateful appreciation is extended to Dr. W.N. P 1 a s t r i d g e of the Department of
Animal Diseases, University of Connecticut, Storrs, for his help in the preparation
of this manuscript.

SUMMARY.

The isolation of Pasteurella multocida from chickens in Connecticut has been
described.

Birds were subjected to clinical, gross pathologic, histopathologic and bacteriologic
examination.

A reladvely high mortality was reported. The use of an antibiodc (chlortctracycline)
in the feed reduced losses but when treatment was discontinued losses recurred.
In countries where the incidence of fowl cholera is low the most economic method
of control is depopulation.

Bacteriologic examination provides a rapid means of diagnosis.
SAMENVATTING.

Dc auteurs beschrijven een geval van acute vogelcholera op een bedrijf in Connecticut
(U.S.A.) en geven bijzonderheden over de isolatie van de verwckker. De klinische
symptomen, het pathologisch-anatomisch onderzock en het microscopisch onderzock
worden besproken. Bijzondere aandacht wordt gewijd aan het bacteriologisch onder-
zoek.

Chlortetracycline was used at a level of 200 grams per ton of feed for 5 days.
1128

-ocr page 257-

Het plotseling optreden en daarna aanhouden van sterfte in een koppel (in dit geval
telkens van een betrekkelijk klein aantal dieren) blijkt een belangrijke informatie.
De aanwezigheid van cyanotische kopversierselen bij de zieke dieren was het enige
duidelijke symptoom in dit overigens aspecifieke ziektebeeld.

Het pathologisch-anatomisch onderzoek leverde eveneens geen typische kenmerken op.
Bij het microscopisch onderzoek werd een coagulatie necrose in de lever, een inter-
stitiële nefritis en een rcticulo-lymfocytaire hyperplasie in de milt waargenomen.
Bovendien vertoonden de kapsels van deze organen de kenmerken van een bacteriële
peritonitis. Bij het bacteriologisch onderzoek werd uit één der levers materiaal uit-
gestreken op een bloed-agar plaat en tevens werd een Grampreparaat gemaakt. Van
een gedeelte van deze lever werd cen suspensie bereid en intraveneus toegediend aan
een proefider (konijn). In het Grampreparaat werden gramnegatieve bipolair ge-
kleurde staafjes opgemerkt. De bloed-agar vertoonde na 18 uur incubatie (37° C)
cen groot aantal gelijkvormige kolonies, welke eveneens uit Gramnegatieve bipolair
gekleurde staafjes bleken te bestaan. Een aantal van de kolonies werd geënt op een
speciale schuine agar-bodem (Difco Triple Sugar Iron) en gedurende 24 uur be-
broed. Deze agar-bodem vertoonde na de incubatie een zure reactie (geel).
Materiaal, afkomstig van de oppervlakte, werd gesuspendeerd in fysiologische NaCl-
oplossing en cen „bonte rij" werd ingezet. Het resultaat is verwerkt in tabel 1.
Vermeld dient te worden, dat het proefdier 18 uur na de injectie succombeerde ;
de lever werd aan een zelfde bacteriologische procedure onderworpen en ook hieruit
konden als boven beschreven overeenkomstige microörganismen worden geïsoleerd.
Uit diverse gegevens als de Gramkleuring, de morfologie en de biochemische
reacties kon de kiem worden geïdentificeerd als cen
Pasteurella multocida, welke
bekend is als een verwekker van vogelcholera.

Het bacteriologisch onderzoek is te bekorten door de fase met de schuine agar
(T.S.I.) over te slaan, m.a.w. dus direct een aantal kolonies van de bloedagar te sus-
penderen en een bonte rij in te zetten. Doch steeds moet een proefdier worden inge-
spoten (de vroege dood is ook een indicatie).

Een onderzoek naar dc gevoeligheid van deze Pasteurella t.o.v. verschillende anti-
biotica leverde op, dat de kiem in vitro gevoelig bleek voor chloortetracycline, chloor-
amphenicol, Oxytetracycline en dihydrostreptomycine, doch resistent was tegen baci-
tracine, carbomycine, erythromycine en penicilline.

Een behandeling met chloortetracycline deed de sterfte in de koppel ophouden, doch
na het staken van de therapie traden weer nieuwe sterfgevallen op. De auteurs zijn
van mening, dat in landen waar cen acute pasteurellosis zelden wordt ontmoet, het
tijdig afslachten van de zieke koppel de meest aangewezen vorm van (economische)
bestrijding is. In gevallen van plotselinge sterfte, welke in de daaraan volgende dagen
aanhoudt, terwijl ook cyanotische kopversierselen worden opgemerkt is het raadzaam
een bacteriologisch onderzoek in te stellen naar het voorkomen van
Pasteurella multo-
cida.

RÉSUMÉ.

Les auteurs décrivent un cas de Pasteurellose aviaire dans une ferme du Connecticut
aux Etats Unis d\'Amérique. Ils donnent des renseignements sur l\'isolement de l\'agent
causatif. Les symptômes cliniques, les examens anatomiques et pathologiques et l\'his-
tologie pathologique y sont discutés. L\'emphase est mise sur l\'examen bactériologique.
L\'apparition subite et ensuite la repetition journalière de la mortalité dans la troupe
sont dans ce cas un renseignement clinique important.

La présence de cyanose dans la crête et la barbille de la poule malade était le seul
symptôme de cette maladie autrement atypique en apparence. L\'examen anatomique
pathologique ne rélève pas dc symptômes typiques.

Au cours de l\'examen histologico-pathologique, une nécrose de coagulation dans le foie,
une néphrite interstitielle et une hyperplasie reticulo-lymphocitairc dans la rate ont
été observées. De plus, les capsules de ces organes montraient les caractéristiques
d\'une péritonite bactérielle.

-ocr page 258-

A l\'examen bactériologique, de la matière d\'un des foies a été ensemencée sur une
gélose de sang et une couleur Gram a été préparée. Une injection intraveineuse de
suspension de foie a été effectuée sur un lapin.

La couleur Gram du foie a montré des bâtonnets bipolaires négatifs.
Après incubation, on pouvait voir un grand nombre de colonies uniformes qui étaient
composées de bâtonnets Gram bipolaires négatifs. Un certain nombre de ces colonies
furent ensemencées sur une gélose inclinée „Triple sucre, fer"; 24 heures plus tard,
le milieu de ces gélose inclinée est devenu complètement acide. Des analyses bio-
chimiques des cellules bactérielles de la gélose „Triple sucre, fer" ont été effectuées
(voir le tableau no. I).

Le lapin est mort 18 heures après l\'injection. Le foie de cet animal a été examiné
bactériologiquement comme ci-dessus et les mêmes bactéries ont été isolées.
Toutes ces indications: les couleurs Gram, la morphologie et les réactions bicx-.himiques
nous ont permis d\'identifier les bactéries comme étant la
Pasteurella multocida qui
est l\'agent causatif du choléra de volaille.

Le procédé bactériologique peut être raccourci en éliminant l\'emploi du „Triple sucre,
fer" et ensemençant directement les sucre à partir de la glose sanguine, bien qu\'un
animal experimental soit nécessaire.

La sensibilité de cette Pasteurella a été analysée à l\'aide de plusieurs antibiotiques
choisis. In vitro, la culturel a été sensible aux chlortétracycline, chloramphenicol,
tétracycline, oxytétracycline et dihydrostreptomycine et résistant aux bacitracine,
carbomycine, erythromycine et pénicilline.

La mortalité a cessé après traitement au chlortétracycline, cependant après arrêt du
traitement la mortalité est réapparue.

L\'opinion des auteurs est que dans les pays où cette maladie est rare, la solution la
plus économique est d\'abattre très tôt la troupe.

En cas de mortalité subite associée de crête et de barbille cyanotique, il est recom-
mandé d\'effectuer un examen bactériologique pour rechercher la
Pasteurella multo-
cida.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Autoren beschreiben einen Fall von akuter Geflügelcholera in einem Betrieb im
Staate Connecticut (U.S.A.). Es werden die klinischen Symptome, das pathologische-
anatomische Bild und der histologische Befund besprochen und es wird besonderer
Wert auf die bakteriologische Untersuchung gelegt.

Plötzhche, sich täglich wiederholende Todesfälle waren in dem beschriebenen Fall
das wesentliche Krankheitsbild. Ausser einer Cyanose der Kopfanhange waren keine
besonderen Symptome fest zu stellen. Dies war auch der Fall bezüglich der patho-
logisch-anatomischen Veränderungen.

Bei der histologischen Untersuchung wurden Koagulationsnecrosen in der Leber,
eine interstitielle Nephritis und Hyperplasie der weissen Milz-pulpa fest gestellt.
Ausserdem wurden die Veränderungen einer Peritonitis an der Kapsel dieser Organe
bemerkt.

Es wurde für die bakteriologische Untersuchung Lebergewebe auf eine Blutagar
Platte ausgestrichen und ein Gram-präparat hergestellt. Weiter wurde eine Suspension
von Lebergewebe intravenoes einem Kaninchen injiziert. In dem Präparat wurden
gramnegatieve, bipolare Stäbchen wahrgenommen. Die Blutagar Platte wies nach
einer 18 Stündigen Bebrütungsdauer (37° C) eine grosse Zahl von gleich aus-
sehenden gramnegatieve bipolaren Stäbchen auf.

Einige Kolonien wurden von der Blutagar Platte auf Difco Triple Sugar Iron
(T.S.I.) Schrägagarröhrchen übergeimpft und 24 Stunden bebrütet.
Eine saure Reaktion konnte festgestellt werden. Mit vom T.S.I.-Schrägagar gewonne-
nen Material wurde eine bunte Reihe eingesetzt. Die Resultate sind beschrieben in
Tabelle I.

Das injizierte Versuchstier starb nach 18 Stunden. Von der Leber dieses Tieres wurde
auch Material auf Blutagar ausgestrichen; nach 24 Stunden war ebenso ein typisches

-ocr page 259-

Table 1.

Characteristics of Strains of Pasteurella multocida.

Cultures

Characteristics

IP

III"

Staining reaction

Gram negative

Gram negative

Gram negative

Morphology

Bipolar rod

Bipolar rod

Bipolar rod

Motility

Blood agar

Nonhemolytic

Nonhemolytic

Nonhemolytic

Indol

4-

Methyl red

Voges-Proskauer

Gelatin liquefaction

H2S production

4-

Nitrate reduction

-1-

4-

4-

Dextrose

A

A

A

Inulin

A

—.

Mannitol

A

A or —

A

Raffinose

A

Saccharose

A

A

A

Sorbitol

A

A

A

Xylose

A

A or —

A or —

Adonitol

Arabinose

A or —

A or —

Dulcitol

—.

A or —

Lactose

Maltose

A or —

Rhamnose

Starch

Trehalose

A or —

our isolate;

typical strain (Breed et at.,

1957);

typical strain (Merchant,

1946).

A = acid production.

Wachstum von Bakterien-Kolonien wahr zu nehmen. Mittels Grajiifarbung wurden
die Keime auch wieder als Gramnegative bipolare Stäbchen identifiziert.
Auf Grund der bakteriologischen Untersuchung wurde der Erreger als
P. multocida
diagnostiziert.

Es wurde auszerdem eine Resistentztest durchgeführt, bei dem eine volle Empfind-
lichkeit gegen Chloorteracyclin, Chloramphenicol, Oxytetracyclin und Dihydro-
streptomycin in vitro nachgewiesen wurden, jedoch Resistenz ge.gen Bacitracin,
Carbomycin, Erythromycin und Penicillin festgestellt werden konnte.
Eine sofort durchgeführte Behandlung des erkranten Bestandes mit Chlortetracyclin
über das Fütter war im Stande die Todesfälle zu unterbinden, doch nach Beendigung
der Therapie wurden wiederum Todesfälle festgestellt.

Die Autoren sind der Meinung, dass in Ländern, wo eine akute Pasteurellose
selten auftritt, das sofortiges Keulen des Bestandes die einzig richtige Bekampfungs-
massnahme dar stellt.

Es ist ratsam, im Falle des Auftretens von plötzlichen, wieder kehrenden Todesfällen
und beim
Vorhandensein von Cyanose des Kammes ohne weiteren besonderen patho-
logischen Befund an Pasteurellose zu denken und eine bakteriologischen Unter-
suchung durchzuführen.

-ocr page 260-

REFERENCES

Breed, R. S., Murray, E. G. D. and Smith, N, R.: „Bergey\'s Manual of
Determinative Bacteriology", 7th ed., William & Wilkins, Baltimore, Maryland,
p. 395, (1957).

Chute, H. L., O\'M e a r a, D. C. and Gershman, M.: Bacterins and drugs for
the control of experimental fovifl cholera.
Proc. 33rd Ann. Meeting Northeastern
Conference on Avian Diseases, Morgantown, West Virginia, (1961).

Harshfield, C. S.: Fowl cholera. In „Diseases of Poultry", 4th cd., (H. E.
Biester and L. H. Schwarte, eds.), Iowa State College Press, Ames, Iowa, p. 273,
(1959).

Hudson, J. R.: Pasteurellosis. In „Infectious Diseases of Animals: Diseases Due
to Bacteria", (A. W. Stableforth and I. A. Galloway, eds.), Academic Press, New
York, p. 413, (1959).

Hurk, C. F. G. W. van den: Aantekeningen bij de epizoötie van vogelcholera
over Nederland in het najaar van 1945.
Tijdschr. Diergeneesk., 71, 361, (1946).

Merchant, I. A.: „Veterinary Bacteriology", 3rd ed., Iowa State College Press,
Ames, Iowa, p. 378, (1946).

Rosenbusch, C. T.: Biologie and serologic relationships of the hemorrhagic sep-
ticemia pasteurellae. Thesis, Iowa State College Library, Ames, Iowa, (1937).

Rosenbusch, C. T. and Merchant, I. A.: A study of the hemorrhagic septi-
cemia pasteurellae.
]. Bacteriol., 37, 69, (1939).

Schaaf, A. vander, Dorssen, C. S. van, Donke r-V o e t, J., Frik, J. F.
and Maanen, P. H. M. van: Overzicht der onderzoekingen van het uit
de praktijk ingezonden ziektemateriaal over het jaar 1959.
Tijdschr. Diergeneesk ,
86, 525, (1961).

W a d s w O r t h, A. B.: „Standard Methods of the Division of Laboratories and
Research of the New York State Department of Health", Williams & Wilkins,
Baltimore, Maryland, p. 76, (1947).

Vi.sgraatdoorloopvoerstal.

Met de visgraatdoorloopmelkstal als voorbeeld is in .Argentinië een visgraatdoorioop-
vocrstal ontworpen, waar de kalveren ieder hun portie melk krijgen.
Aan weerszijden kunnen 8 tot 12 kalveren staan en de dieren staan met de koppen
naar het middenpad, waar de veeverzorger melk uit een „container" die aan een rail
hangt in een van een maatverdeling voorzien emmertje giet.
Elk emmertje heeft een rubberspeen.

Op deze wijze kunnen 2 verzorgers 400 kalveren per uur melk geven.

Landbouwdocumentatie, 18, 744, (1961).

De rol van aardwormen.

B a r 1 e y heeft in Advanccs in Agronomy een gedetailleerde studie hierover ge-
publiceerd.

Het grootste aantal wormen komt voor in produktieve graslandgronden; cr kunnen
wel 1200 exemplaren per m\'-^ in voorkomen met een gemiddeld gewicht van 300 mg.
Hun aanwezigheid heeft als bijzonder gevolg dat de structuur van de grond ver-
beterd wordt, doch op hellingen kunnen ze echter wel de erosie bevorderen.

De Belgische Veefokkerij, no. 12, 1962.

-ocr page 261-

Een geval van open tuberculose bij een kameel.

Open tuberculosis in a camel.

door N. D. M. DEKKER» en A. VAN DER SCHAAF^)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Inwendige Ziekten, Rijks-
universiteit Utrecht.

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie, Rijks-
universiteit Utrecht.

Inleiding.

Aangezien open tuberculose tbans tot de uiterst zelden voorkomende ziek-
ten bij de grote huisdieren kan worden gerekend en de laatste tien jaren in
de Kliniek voor Inwendige Ziekten niet meer is vastgesteld, leek bet schrij-
vers niet overbodig melding te maken van een üjdens het leven vastgesteld
geval van open tuberculose bij een kameel, toebehorende aan een in ons
land rondreizend groot buitenlands circus.

Tuberculose bij de kameel is wel meer gevonden, doch een reeds tijdens het
leven gediagnostiseerd geval van open t.b.c. kon in de literatuur niet wor-
den gevonden. In 1888 beeft L i 111 e w o o d reeds gevallen van tubercu-
lose beschreven bij Egyptische kamelen.

L e e s e gaf in 1910 een verslag van een sectie, die verricht was bij een 16
jaar oude kameel in India. Hierbij werd uitgebreide t.b.c. gevonden, voor-
al van de longen, pleura en diafragma. Hierna heeft L e e s e nog meer dan
100 secdes bij kamelen verricht, maar nooit meer t.b.c. kunnen vaststellen.
In dit zelfde jaar beschreef A r c h i b a 1 d een geval van long t.b.c bij een
kameel in de Soedan. Hij beschouwde dit als een zeldzaamheid en het leek
hem ook onwaarschijnlijk, dat de voortdurend in de buitenlucht levende
kamelen veel kans zouden hebben, om een tuberculeuze besmetting te on-
dergaan.

Uitgebreide onderzoekingen, wat betreft het aanwezig zijn van tuberculose
bij kamelen, zijn verricht door M a s o n, die reeds in 1912 een publikatie
hierover deed verschijnen. Hij onderzocht speciaal aan het abattoir te
Kairo de aldaar geslachte kamelen en kwam tot de conclusie, dat, behalve in
Egypte, tuberculose bij kamelen weinig voorkomt. Vóór 1911 had hij nooit
t.b.c. bij de kameel kunnen vaststellen, maar op 25 januari van dat jaar
vond hij cen geval van miliaire t.b.c. De miliaire tuberkels vertoonden in
coupes de typische tuberculeuze bouw, alleen viel het hem op, dat reuzen-
cellen zeer moeilijk waren te vinden.

In het bronchiaal sccretum en ook in de gekleurde coupes werden talrijke,
morfologisch op tuberkelbacillen gelijkende, bacteriën gevonden. Twee,
met materiaal uit lymfklieren, ingespoten caviae stierven na 51 en 67
dagen; bij de sectie dezer dieren werd gegeneraliseerde t.b.c. vastgesteld.
Na dit eerste geval vond hij gedurende hetzelfde jaar bij 20 kamelen, ge-
slacht in het abattoir te Kairo, tuberculose. Al deze dieren waren afkomstig

1) N. D. M. Dekker, Wetenschappelijk Hoofdambtenaar A, Faculteit der Dier-
geneeskunde, Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172.

Prof. A. van der Schaaf, Hoogleraar, Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniver-
siteit Utrecht, Biltstraat 172.

-ocr page 262-

uit Egypte, terwijl bij geslachte kamelen uit Arabië geen enkel geval van
t.b.c. kon worden gevonden. Alle door M a s o n gevonden bacillen waren
van het bovine type.

L i n g a r d heeft in India bij een zeer magere gestoi-ven kameel uitgebreide
pathologische veranderingen in de longen en de lymfklieren vastgesteld,
welke op t.b.c. schenen te wijzen, alhoewel de gevonden bacteriën enige af-
wijkingen vertoonden met de bekende humane-, bovine- en aviaire tuber-
kelbacillen, Twee, met materiaal uit de longen, ingespoten caviae stierven
respectievelijk na 96 en 114 dagen aan algemene tuberculose.
In het boekje van Cross (1917) over ziekten van de kameel is slechts
een klein plaatsje ingeruimd voor de tuberculose. Volgens hem is de ziekte
niet vaak vastgesteld, maar zou misschien toch wel meer voorkomen, dan
men denkt. De bacil kan volgens hem vrij gemakkelijk worden geïsoleerd.
De verschijnselen zijn niet typisch en weinig opvallend. Als symptoom noemt
hij o.a. hematurie.

Volgens And ree (1928) is tot 1928 in de Duitse literatuur nooit een
geval van t.b.c. bij de kameel beschreven. Wel is in de herft van 1925 in het
Pathologisch Instituut van de Diergeneeskundige Hogeschool te Hannover
bij een ge.storven kameel algemene tuberculose gevonden. Dit dier was af-
komstig van de Firma Ruhe te Alfeld.

n d r e e zelf beschrijft uitvoerig een geval van vermoedelijke t.b.c. bij
een kameel van het circus Sarra.sani, welke kameel enkele weken voor
deze in behandeling kwam, gekocht was van deze zelfde firma Ruhe. Klinisch
is bij dit dier niet met zekerheid tuberculose vastgesteld. Wel was de ophthal-
moreactie sterk positief. Het dier hoestte spontaan, welke hoest zeer pijn-
lijk en droog was. Auscultatie en percussie van de longen gaven geen af-
wijkingen. Het onderzoek van tracheaal slijm op tuberkelbacillen verliep
negatief. Na ruim een week stierf het dier plotseling. Bij de sectie werd uit-
gebreide tuberculose waargenomen. Microscopisch waren in de tubercideuze
haarden geen karakteristieke reuzencellen van het Langhanse type te vinden.
Pellegrini (1942) isoleerde uit een gestorven kameel uit Somaliland
een volvirulente bacil van het bovine type.

Volgens Mas ia (195.3) komt t.b.c. bij kamelen niet vaak voor. Meestal
is de tuberculose beperkt tot de longen en bijbehorende lymfklieren. Een
enkel geval van uterus-t.b.c. werd vastgesteld. Het waren allemaal bevin-
dingen, welke bij de vleeskeuring werden vastgesteld. M a s i a merkt op,
dat de zimr\\aste bacillen zeer moeilijk aan te tonen zijn, terwijl het volgens
hern onmogelijk is, de karakteristieke reuzencellen in de tuberculeuze i)ro-
cessen te vinden.

F a r r a g, Z a k i en El H i n d a u r (1953) noemen in hun artikel de
tuberkelbacillen als oorzaak van een pnemnonie bij kamelen in het geheel
niet op.

Panebianco (19571 beschrijft een sectie van een kameel, afkomstig van
een circus. Algemene tuberculose werd hierbij vastgesteld, ook de nieren wa-
ren in dit proces betrokken. Microscopisch waren in de verschillende or-
ganen talrijke zuunaste bacillen te vinden, welke na culturele- en biologi-
sche proeven bleken te behoren tot het bovine type. Ook hier werden, be-
halve spaarzaam in de milt, geen reuzencellen gevonden, wel epithelioide
cellen.

C a s a t i beschrijft in 1957 een geval van t.b.c. bij een kameel waarbij het
respiratie-apparaat en secundair ook de lever en de nieren waren aangetast.

-ocr page 263-

Verder vond hij jonge en oudere miliaire haarden in de lymfklieren. De
bacil was er ook een \\ an het bovine type.

Casuistiek.

Na dit summiere literatuuroverzicht keren we thans terug naar de ziektege-
schiedenis \\an de kameel, waarover in de aanvang van dit artikel is ge-
sproken.

Op 12 september 1961 werd een kameel, afkomstig van een in ons land op
toiunee zijnd groot buitenlands circus, aan de Kliniek voor Inwendige
Ziekten ter onderzoek aangeboden. De ananmese luidde als volgt:

De kameel, van oorspron.g afkomstig uit de Sovjet Unie, werd in maart 1957 ge-
kocht van de reeds eerder genoemde Firma Ruhe uit Alfeld, Hannover. Achteraf
beschouwd heeft dit dier het steeds minder goed gedaan dan de overige kamelen
van het circus.

Hoesten werd nooit opgemerkt, ook niet direct nadat het dier zich tijdens de
voorstelling in de piste had moeten inspannen. Het dier werd de laatste tijd
zienderogen magerder en sedert 27 augustus j.1. is bloed in de urine, in ieder
.geval rood gekleurde urine, waargenomen. Voor zover is na te gaan is de eetlust
steeds goed geweest.

Status praesens:

Ongeveer 8-jarige kameelhen.gst, mager, de beide vctbulten hangen iets af, maar
bevatten verder, in aanmerking genomen de slechte voedingstoestand, nog vrij
veel vet. Het dier heeft ogenschijnlijk wel belangstelling voor zijn omgeving,
maar is voor een volwassen hengst toch wel wat te rustig. Het dier perst af en toe
op de urine, welke stootsgewijs geloosd wordt.

De ademhalingsfrequentie bedraagt 8 (normaal 5 tot 12), de polsfrequentie is 36
(normaal 32-50), terwijl de temperatuur 37.1° C is (normaal tus.sen 37° en
38° C).

Huid en beharing;

De huid-turgor is goed, geen ectoparasieten aanwezig.

Slechts weinig lang behaarde gedeelten, n.1. alleen aan de onderzijde van de hals,
de omgeving van beide ellebogen en op de beide vetbulten. Het dier maakt een
goed verzorgde indruk.

S 1 ij m V 1 i e z e n:

Het conjunctivaal slijmvlies is beiderzijds te rood.

Uit beide ogen is mucopurulente uitvloeiing waarneembaar. Het mondslijmvlies

is nonnaal.

Lymfklieren:

De mandibulaire- en prcscapulaire lymfklieren zijn tc voelen, vooral de rechter
prescapulaire. De Igl. subiliacae zijn niet voelbaar.
Respiratie apparaat:

De frequentie bedraagt 8 per minuut. De ademhaling is regelmatig en het type
costoabdominaal. Er bestaat geen neusuitvloeiing en stridor nasalis is niet te
horen. Bij auscultatie van de longen zijn geen afwijkende geluiden waarneembaar.
De percussiegrens rechts blijkt tot de 13e rib te lopen, wat de achtcrgrcns betreft.
De onder.grens loopt van het transversaal uitsteeksel van de 6e lendenwervel tot
een handbreedte boven het olecranon. De larynx blijkt bij druk gevoeliger dan
normaal te zijn en het dier hoest bij deze manipulatie af en toe.

Circulatie apparaat:

Oedemen zijn niet waar te nemen. De polsfrequentie bedraagt 36, ze is normaal

-ocr page 264-

van kracht en regelmatig. Bij auscultatie van het hart zelf zijn geen abnormale
geruisen waar tc nemen.

Digestie apparaat:

De inspectie van de mond levert niets abnormaals op. Er is een bepaalde foctor
ex ore aanwezig, alhoewel, gezien de geringe ervaring, niet mag worden gezegd,
dat deze abnormaal is. Pensbtwegingen zijn niet opneembaar. Borborygmi zijn wel
aanwezig. De leverpercussie blijkt pijnlijk tc zijn, terwijl het percussieveld kleiner
is dan normaal bij de koe. Uitwendig is rechts tussen de lendenwervels en de
laatste rib een grote dikte te voelen. Bij palpatie hiervan verraadt de patiënt
pijn door een soort piepend geluid te maken.

Rectale exploratie:

Vrij ver naar achter en iets links van de plaats, waar bij dc koe de linker nier
is te voelen, kan een hard aanvoelend, van grote omvang zijnd, boonvormig orgaan
worden waargenomen. Meer naar rechts en verder naar voren, corresponderend
met de reeds uitwendig gevoelde pijnlijke dikte, is cen ongeveer even groot or-
gaan van dezelfde consistentie te voelen, terwijl het dier bij aftasten hier\\\'an ook
weer pijnuitingen vertoont.

Links van de eerstgenoemde dikte, en ook er onder meer naar rechts, zijn ver-
schillende dikten ter grootte van een kippeëi af te tasten. Zeer waarschijnlijk zijn
dit mesenteriale lymfklieren, hoewel vergissing met faecesballen, welke dezelfde
grootte blijken tc hebben en rectaal heel moeilijk zijn stuk tc drukken, niet uit-
gesloten mag worden.

De beide eerstgenoemde grote organen kunnen niet anders dan de beide nieren
geweest zijn. Volgens Tay eb (1948) is de linker nier bij dc volwassen kameel
(dus op een leeftijd ouder dan 6 jaar) normaal rectaal te voelen onder de trans-
versaaluitsteeksels van de 5e, 6e en 7e lendenwcrvel. De rechter nier is bij het
normale dier niet rectaal voelbaar, maar bij deze patiënt, waar beide nieren zeer
sterk vergroot zijn, is het wel mogelijk gebleken. Een nog verder naar voren
rectaal aftasten van deze patiënt blijkt, in verband met de grootte van het dier,
niet mogelijk te zijn.

Bloedonderzoek:

De uitslag van het verrichte bloedonderzoek was als volgt:

De C.B.R. met antigeen van Mycobacterium Johnei en -avium was resp. 6.6.3. en
6.6.2., hetgeen betekent dat dc complcmentbindendc antistoffen t.o.v. tuberculose
in het bloed aanwezig zijn. Het hemoglobinegehalte was 6,2 ,g% (tc laag), het
celvolume 1,3 (te laag), het aantal witte bloedcellen 26600 (nonnaal 7-14000).
De differentiatie is als volgt: 88% polymorfkcrnige leucocyten (5 jeugdv., 10
staafk. en 73 segmentk.) en 12% lymfocyten.

Dit gehele bloedbeeld wijst dus op uitgebreide orgaanveranderingen. In het serum
was geen bilirubine aanwezig. Het blcK-dsuikcrgchaltc was 162 mg%, het urcum-
gehalte 350 mg%, de alkalische fosfatase 60,2 mMol E, het totaal eiwit
10,9%.
Dit scrumonderzoek geeft, vergeleken bij andere herkauwers, een verhoging van
het bloedsuikergehalte en een zeer sterke verhoging van het urcumgchaltc en de
alkalische fosfatase te zien.

Bij het onderzCK\'k van het serum met behulp van de papierelektroforesc werd ge-
vonden: een sterk verlaagd albuminegchaltc, cen normaal a- en y-globuline, terwijl
het yS-globuline sterk verhoogd was. Dc verlaging van het albuminegchaltc is
waarschijnlijk veroorzaakt door de aanwezige ontstekingsprocessen. Voor de sterke
stijging van het /8-globuline is geen verklaring tc geven. Het scrumciwitspectrum
van deze kameel is vergeleken met waarden, welke gepubliceerd zijn door Perk
en L ob 1 (1961) in Israël.

Urineonderzoek:

Dc spontaan opgevangen urine vertoonde een rode kleur, was troebel en bevatte
bloedstolsels. Waar het schrijver (D.) uit ervaring in een praktijk met zeer veel

-ocr page 265-

rundertuberculose bekend was, dat hematurie een enkele maal voorkomt bij
koeien met nier-t.b.e., werd de urine in de eerste plaats onderzocht op tuberkel-
bacillen. In het sediment werden inderdaad zeer veel grote zuurvaste staven ge-
vonden, welke in het eerste preparaat evenwel niet de typische vorm en tekening
van de zo vaak bij het rund aan te treffen tuberkelbacillen vertoonden. Nadat
herhaalde malen verschillende preparaten onderzcx:ht waren, konden tenslotte
ook de typische tuberkelbacillen worden aangetoond.

Bacteriologisch onderzoek:

Dit vond plaats aan het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie.
In een monster urine, dat naast veel erytrocyten blijkens een Gram-preparaat ook
Gram-positieve kokken en staafjes en Gram-negatieve staafjes bevatte, konden
microscopisch en cultureel tuberkelbacillen worden aangetoond.
De kweek werd verricht na voorbehandeling met 5% oxaalzuur en na centrifu-
geren werd het zure sediment uitgestreken op eivoedingsbodems volgens Löwen-
stein en Stonebrink met en zonder glycerine.

Na 4 weken was de cultuur positief op de buizen zonder glycerine, later werd
ook groei waargenomen op die met glycerine. De groei had het aspect van het
bovine type der tuberkelbacteriën.

Op 22 november 1961 werden 2 cavia\'s en een konijn intramusculair ingespoten
met 1 cm® van een suspensie van de groei in fysiologische zoutoplossing.
De cavia\'s stierven successievelijk op 6 en 9 januari 1962 tengevolge van ge-
generaliseerde tuberculose. Het konijn vermagerde geleidelijk en is op 3 april
1962 gedood. Bij sectie bleken de longen bijna geheel verkaasd en de nieren zaten
vol verkaasde haardjes. Zoals bij bovine tuberculose meestal het geval is, waren
de lever en milt macroscopisch niet veranderd. De infectieplaats daarentegen ver-
toonde uitgebreide verkazing; dit laatste is echter vaak ook het geval bij intra-
musculairc infectie met humane en aviaire cultuur.

Allergisch onderzoek:

De op 12-9-1961 verrichte driehoeks test met aviaire en bovine tuberculine
en johnine bleek bij aflezing op 15-9-1961 een duidelijk positief resultaat op te
leveren, wat betreft de reactie op de bovine tuberculine. De huidzwelling was in
dit geval 6 nmi, vrij omschreven en iets pijnlijk. De aviaire tuberculine en de
johnine bleken geen enkele reactie te hebben gegeven.

Faecesonderzoek:

De uitslag van het faecesonderzoek was als volgt: In het natief preparaat be-
vonden zich 20 trichostrongyluseieren en 4 leverboteieren per preparaat. Met
behulp van de verzamelmethode met verzadigd zinksulfaat werden per gram faeces
2300 trichostrongyluseieren en 300 leverboteieren geteld.

Waar op grond van de resultaten van het onderzoek van deze patiënt naast
de diagnose strongylose en distomatose vooral de nadruk diende te worden
gelegd op de diagnose „open niertubereulose", werd, na overleg te hebben
gepleegd met de directie van het betreffende circus, de kameel op 15 sep-
tember ter sectie aangeboden aan het Pathologisch Instituut. Het verslag
van deze sectie was als volgt:

Sectie.

De rechter boeglymfklier was groot met een hemorragische plek. Er was
uitgebreide tuberculose van de longen aanwezig, vooral in de beide hoofd-
kwabben gelokaliseerd. Er bestond langs de longranden een soort franje
met knobbeltjes. De mediastinale- en de sternale lymfklieren waren groot
en hard met tuberkels, waarin veel verkalking. Verder werden ook nog long-
wormen waargenomen.

-ocr page 266-

Hart: bleek, de spiersnede was wat aan de doffe kant. Iets helder geel

vocht in het pericard.

Milt: niet gezwollen, geen tuberkels.

Lever: onregelmatig met vele onregelmatige in.snijdingen. Enkele grote
tuberkels met veel kalk erin, vele kleine, die onderling sterk in grootte va-
rieerden.

Van de beide nieren waren de schors en het merg zeer dicht doorzet met
tuberculeus weefsel met veel kalkafzetting.
Blaas: geen afwijkingen.

Mesenteriale lymfklieren: keihard door zeer veel kalk, dat in het tubercu-
leuze weefsel afgezet was.

Dunne darrn: had een dunne en slijmige inhoud, in de wand waren enkele
omwalde zweren aanwezig.

Linker nier: microscopisch werd t.b.c geconstateerd in het niermerg met ex-
sudatief karakter. Het gewicht van deze linker nier bedroeg 3250 gram,
terwijl de afmetingen als volgt waren: lengte 30 cm, breedte 14/2 cm en
dikte 12/2 cm. (zie foto). Volgens Tay eb (1948) is bij de volwassen ka-
meel het gewicht van een normale linker nier schommelend tussen 1000 en
1462 gr, terwijl de normale maten zijn: lengte 22 cm, breedte I2/2 cm en
dikte 8 cm.

Na sectie van de kameel werden een nier en een verkalkte mesenteriale
lymfklier voor bacteriologisch onderzoek weer ter beschikking gesteld van
het Instituut voor Veterinaire bacteriologie.

Microscopisch konden in het zeer oude tuberculeuze proces in de mesen-
teriale lymfklier geen zuurvaste staafjes meer worden aangetoond; deze
waren rijkelijk aanwezig is bet aangetaste nierweefsel.

De kweek \\an beide organen op de gebruikelijke media verliep positief
t.o.v.
M. bovis.

Naar aanleiding van deze sectiebevinding is direct weer contact opgenomen
met de directie van het circus, waarbij dringend geadviseerd werd zich met
de Directeur van de Provinciale Gezondheidsdienst in Groningen (waar
het circus toen voorstellingen gaf) in verbinding te stellen voor een tuber-

-ocr page 267-

culiiiatie van de gehele levende have van het circus, terwijl tevens in ern-
stige overweging werd gegeven het circuspersoneel, dat regelmatig direct
contact met de dieren had, op tuberculose te laten onderzoeken.
Of dit laatste heeft plaats gevonden is schrijvers niet bekend. Het eerste is
gedeeltelijk wèl gebeurd, een aantal dieren is door dierenartsen van ge-
noemde Gezondheidsdienst met bovine tuberculine gctuberculineerd met
het volgende resultaat; van de vijf aanwezige kamelen vertoonen drie een
duidelijk positieve reactie. De overige onderzochte dieren, te weten 2 yak\'s,
1 .zebu, 1 watussia en 2 lama\'s reageerden niet op de tuberculine.
Toen de resultaten van deze tuberculinatie bekend waren bij schrijvers,
heeft één hunner (v.d. Sch) de Directeur van de Provinciale Gezondheids-
dienst in Noordholland (waarheen inmiddels genoemd circus was afge-
rei.sd) verzocht bloedmonsters te willen afnemen voor het vaststellen van
de C.B.R. ten opzichte van tuberculose.

De uitslag van dit bloedonderzoek was bij één der kamelen (Moskwa)
duidelijk positief, wat zou betekenen, dat bij dit dier een vrij uitgebreide
orgaantuberculose aanwezig zou zijn.

De vijf genoemde kamelen zijn tijdens het verblijf van het circus in Utrecht,
eind oktober, door schr. (D.) persoonlijk in ogenschouw genomen, waarbij
bleek, dat de kameel Moskwa nog in behoorlijke voedingstoestand ver-
keerde en V olgens de verzorger geen enkel ziekteverschijnsel vertoonde. Daar
het circus per 1-11-\'61 het winterverblijf in Keulen zou betrekken, werd
advies gegeven deze kameel goed te isoleren.

Dankbetuiging.

Gaarne betui.ojen wij onze dank aan de collegae van de Afdeling Pathologische Ana-
tomie van het Veterinair Pathologisch Institiuit, Directeur Prof. S. van den Akker,
en die van de Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren van Groningen en Noord-
Holland voor het verrichten en rapporteren van de in het artikel vermelde onderzoe-
kingen.

SAMENVATTING.

Beschreven wordt een geval van open niertuberculosc bij een 8-jarige kameel-hengst,
afkomstig uit de Sovjet Unie en sedert 4/2 jaar het eigendom van een groot circus.
Het dier was in een paar weken tijd zeer sterk vermagerd en vertoonde hematurie.
In het urine sediment werden de tuberkelbacillen in grote getale aan.getoond.
Bij rectaal onderzoek bleken beide nieren duidelijk voelbaar en zeer sterk vergroot
te zijn, terwijl tevens verschillende harde en vergrote mcsenteriale lymfklieren af
te tasten waren.

Bij sectie bleek het dier, naast niertuberculosc, ook uitgebreide t.b.c. van de longen,
lever en verschillende lymfklieren te hebben.

SUMM.ARY.

Report on a case of open tuberculosis of the kidney in an eight-year-old male camel
from the Soviet Union, that had been the property of a large circus for four and a
half years.

The animal had become severe ly emaciated within a few weeks and showed haema-
turia. A large number of tubercle bacilli were shown to be present in the urinary
sediment.

Both kidneys were plainly palpable and were found to be markedly enlarged on rectal
examination, various indurated and enlarged mesenteric lymph nodes being discern-
able by rectal exploration as well.

At autopsy, the animal was found to be affected with widespread tuberculosis of the
lungs, liver and various lymph nodes in addition to tuberculosis of the kidney.

-ocr page 268-

RÉSUMÉ.

Les auteurs décrivent un cas de tuberculose rénale ouverte chez un étalon de chameau
âgé de 8 ans, originaire de l\'Union Soviétique et depuis 4/2 ans la propriété d\'un
grand cirque.

Dans quelques semaines l\'animal avait considérablement maigri et présentait de l\'hé-
maturie.

Dans le sédiment de l\'urine les auteurs signalèrent un grand nombre de bacilles de
la tuberculose.

Pendant l\'examen rectal les deux reins parurent nettement palpables et considérable-
ment agrandis, tandis qu\'en même temps divers ganglions lymphatiques durs et agran-
dis furent constatés.

La section révéla, à part la tuberculose rénale, aussi une tuberculose étendue des
poumons, du foie et de divers ganglions lymphatiques.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird ein Fall von offener Nierentuberkulose bei einem 8-jährigen Kamelhengst
beschrieben, der aus der Sowjetunion stammte und seit 4/2 Jahren Eigentum eines
grossen Zirkus war.

Das Tier magerte im Laufe weniger Wochen sehr stark ab und litt an Hämaturie.
Im Urinsediment wurde eine grosse Anzahl Tubcrkelbazillen nachgewiesen.
Bei rektaler Untersuchung waren beide Nieren deutlich fühlbar und sehr stark ver-
grössert, während gleichzeitig verschiedene verhärtete und vergrösserte Lymphdrüsen
abtastbar waren.

Die Sektion ergab, dass Patient ausser an Nieren, auch an fortgeschrittener Tuber-
kulose der Lungen, Leber und verschiedener Lymphdrüsen gelitten hatte.

LITERATUUR

A n d r e e, J.: Ein Fall von generalisierter Tuberkulose bei einem Kamel. Diss. Han-
nover 1928.

Archibald, R. J. : Acid-fast bacilli in a camel\'s lung, the gross lesions of which

closely simulated miliary tuberculosis. ]. comp. Path. Ther., 23, 56, (1910).
Casati, R. : Tuberculosis in a camel. Atti Soc. Ital. Sci. Vet. Rimini Ravenna

1957 (ref. in Vet. Bull., 1959).
Cross, H. E.: The camel and its diseases, 1917.

F a r r e g, H., Z a k i, R., El H i n d a u r, M. R. : Pneumonia in camels. Brit. Vet.

J., 59, 119, (1953).
Francis, J. : Tuberculosis in animals and man, 1958.

Leese, A. S. : Acid-fast bacilli in camels lung with lesions resembling those of

tuberculosis. ]. comp. Path. Ther., 23, 358, (1910).
M a s i a, R. ; Les maladies microbiennes du dromedaire et leur importance en Afrique

du nord. Diss. Alfort 1953.
Mason, F. E.: Some obser\\ations on tuberculosis in camels in Egypt. /.
comp.

Path. Ther., 25, 109, (1912).
Mason, F. E. : Tuberculosis in camels. ]. comp. Path. Ther., 30, 80, (1917).
Mason, F. E. : Tuberculosis in the camel. J. comp. Path. Ther., 31, 100, (1918).
P a n e b i a n c o, F.: Su di un caso du tuberculosi del cammello. Acta Med. Vet.,
291, (1957).

Pellegrini, D.: Racc. Stud. Path. Vet., 1942-45 P 1 (rcf. in Vet Bull., 16 P
422).

Perk, K., L o b 1, K. : A study of the serum proteins and lipoproteins of the camel
and their relations to its resistance to heat and thirst.
Refuah Veterinarith, 18,
163, (1961).

Tayeb, M. A. F.: Urinary system of the camel. /. Am. vet. med. Ass , 63, 568,
(1948).

-ocr page 269-

centrafarm

rotterdam

-ocr page 270-

centrafarm

rotterdam

"sm

-ocr page 271-

rotterdam

«i^attiili.:

-ocr page 272-

centrafarm

rotterdam

-ocr page 273-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Behandeling van nymfomanie bij het rund.

Treatment of mymphomania in the cow.

door D. TALSMA^) en E. GESARD)

In de Refuah Veterinarith (17-34-1960) beschrijven D. Train in en
J. H. A d 1 e r de door hen toegepaste behandeling van cysteuze ovaria bij
het rund. De hiervoor aanvankelijk door ben gebruikte methoden als het
uitdrukken van de cysten, het intraveneus toedienen van gonadotroop hor-
moon met of zonder de gelijktijdige toediening van progesteron intramuscu-
lair en ook de injectie van gonadotroop hormoon rechtstreeks in de cyste,
gaven niet altijd bevredigende resultaten.

Bij een waardevol dier, waarbij deze metboden zonder gunstig resultaat
waren toegepast, injicieerden zij intraveneus 3000 I.E. luteïniserend hor-
moon in 10 cm3 aqua destillata, waarin door flink schudden 100 mg pro-
gesteron in 4 cm3 olijfolie was gesuspendeerd. De koe herkreeg spoedig de
normale cyclus en werd drachtig. Nadien hebben zij op deze zelfde wijze
zowel dieren behandeld met een normale cyclus doch zonder ovulatie, als
ook dieren met cysteuze ovaria. Steeds werd hierdoor de normale cyclus
hersteld en een deel van de behandelde dieren werd drachtig.

Deze mededeling was voor ons aanleiding om de bovengenoemde therapie
eveneens toe te passen bij koeien met cysteuze ovaria. Al deze dieren wer-
den te vaak tochtig of waren nymfoinaan.

Wij halveerden de dosis luteïniserend hormoon en verhoogden de boeveel-
heid progesteron. De intraveneuze injectie bestond uit 1500 I.E. Pregnyl
(Organon), opgelost in de bijgevoegde ampul solvens waarin gesuspendeerd
125 mg Proluton (Progesteron Schering) in olie.

Op deze wijze werden van september 1960 tot december 1961 een en dertig
dieren behandeld. Hiervan waren 23 na één injectie binnen een week rus-
tig, bij de 8 overige was een tweede injectie nodig. Aan de eigenaren werd
geadviseerd om de dieren zo mogelijk te laten dekken of insemineren tijdens
de eerste normale tochtigheidsperiode welke na de behandeling optrad.
Bij navraag bleek dat twee koeien naderhand niet weer werden geïnsemi-
necrd maar vegteweid. Van de overige 29 werden 18 drachtig; één ervan
bracht een levende drieling.

Als regel zijn het koeien met een hoge melkgift waarbij de cyclus onregel-
matig wordt. Het is dus niet verwonderlijk dat de eigenaar dergelijke dieren
graag weer drachtig ziet worden, ook al weet hij dat nymfomanie erfelijk
kan zijn. Wanneer de practicus besluit om tot de behandeling van dergelijke
patiënten over te gaan, is volgens onze ervaring de door T r a i n i n en
A d 1 e r aangegeven metbode te prefereren boven de tot dusverre gevolgde
wijze van behandeling.

SUMMARY.

Description of successful treatment of cows, suffering from mymphomania, by intra-
venous injection of 1500 I.U. Pregnyl (Organon) solved in a suspension containing
125 mg Proluton (Progesteron Schering).

Dr. D. Talsma, praktizerend dierenarts, Leeuwarden, Westersingel 46.
2) E. Gesar, praktizerend dierenarts, Leeuwarden, Aagje Dekenstraat 5.

-ocr page 274-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

LEPRA BUBALORUM.

L R c s s a n g, A. A. en Sutarjo: Lepra bubalorum Part. I. Communicationes
veterinariae,
5, 89, (1961).

IL Ressang, A. A.: Lepra bubalorum Part II. Communicationes veterinariae, 5,
103, (1961).

I. Ressang en Sutarjo probeerden caviae, muizen, witte ratten, konijnen, een
kalf, een vaars, cen paard, cen schaap, een geit, een hond, een kat, een aap en een
alligator te besmetten met materiaal van een spontaan geval van buffellepra. Hier-
voor werden zowel stukjes granuloma als weefsclsuspensie gebruikt.

Het materiaal werd verkregen van cxcisies uit een levend spontaan geval. Alleen bij
dc vaars (waarvan het ras niet gemeld wordt, maar blijkens dc foto geen karbouw
maar een huisrund. Ref.) werd, na subcutaan inbrengen van cen stukje weefsel, een
plaatselijk proces gezien, dat enigszins op het uitgangsmateriaal leek. Hiervan werd
bij hetzelfde dier nog een 2c passage gemaakt, die kleiner van omvang bleef dan dc
eerste.

Terwijl in het uitgangsmateriaal vacuolen gezien werden, omlijnd door een laag
zuurvaste staafjes, waren in de kunstmatige processen deze vacuolen minder ont-
wikkeld en werden wel zuurvaste korreltjes maar geen staafjes gezien.

II. In het 2e gedeelte wordt cen karbouw beschreven met ongewone lokalisatie van
de lepraknobbels, n.1. subcutaan, intramusculair, pcrineuraal en pcriartericel.

C. A. van Dorssen.

KRISTAL VIOLET-VACCIN EN HET R.V.H.S.

C lax ton, B. A.: Swine Fevcr (Crystal Violet) Vaccine and the Registered Vacci-
nated Herds Scheme.
Vet. Rec., 74, 355, (1962).

Na jarenlange praktijkproeven werd kristal violet-vaccin in het centrale Veterinary
Laboratory tc Weybridge gemaakt, voor de verkoop aan dierenartsen sinds 1947.
Tot 1961 nam de verkochte hoeveelheid vaccin steeds toe (181 tot 8.072 liter). Voor-
al in 1953 werd veel verkocht door uitbraak van varkenspest op vele plaatsen (2.714
gevallen tegen normaal 1 a 300 gevallen).

In 1951 vond overieg plaats tussen dc Animal Health Division van het Ministerie van
Landbouw en dc British Veterinary Association om te komen tot cen schema voor
varkenspest-enting; hierdoor wilde men het aantal geënte koppels doen toenemen.
Daartoe werden de fokkers faciliteiten verleend: de enting met kristal violet-vaccin
door dierenartsen tegen vastgestelde tarieven, terwijl men ook hoopte op nauwer
contact tussen fokker en dierenarts. Het overleg duurde 2/2 jaar, ook de landbouw-
organisaties namen er aan deel. Tenslotte trad op 15 december het R.V.H.S. (Regis-
tered Vaccinated Herds Schemc) in werking.

R.V.H.S. verplichtingen voor de fokker:

1. alle varkens worden minstens een keer per jaar geënt;

2. hij verkoopt geen ongeënte varkens (behalve biggen onder 4 weken van een ge-
ënte zeug);

3. hij verkoopt geen aangekochte ongecntc varkens voor dc slacht gedurende cen
periode van 28 dagen vóór de enting;

4. lijsten bijhouden, zoals voorgeschreven door het ministerie, van het aantal ge-
kochte cn verkochte dieren, bijzonderheden en aantal der geënte varkens. Dc
dierenarts, die ent, tekent deze lijsten.

De dierenartsen berekenen standaard-tarieven, die zijn vastgesteld; deze worden vol-
gens het schema contant betaald of binnen 30 dagen na rekening. Het ministerie ver-
strekt entstof tegen kostprijs en formulieren en houdt de registers van de geënte

-ocr page 275-

koppels bij. Deze maatregelen zijn ook van toepassing op het herziene entschema
(Revised Registered Vaccinated Herds Scheme: R.R.V.H.S.).

Bij de invoering vond het schema vv-einig weerklank in de streken waar varkenspest
zelden of nooit voorkomt; men hoopte dat in de besmette gebieden alle fokkers en
mesters zouden meedoen, zodat het merendeel van de op de markten aangeboden
varkens geënt zou zijn.

Eind 1954 waren er 2.690 geregistreerde geënte koppels (vooral na de uitbraak van
varkenspest in 1953), daarna daalde dit aantal sterk tot 1.626 in 1961. Deze dahng
had als voornaamste oorzaken:

1. de eigenaars hielden op met varkens houden;

2. de bestrijding volgens schema werd te duur;

3. sommige eigenaars lieten alleen fokdieren enten.

Van 1957 tot 1961 kwamen 104 gevallen van varkenspest voor in geregistreerde ge-
ënte koppels.
Oorzaken waren hier:

a. 51 gevallen van contact-infectie omstreeks vaccinatiedatum;

b. 27 gevallen waarbij geen vaccinatie plaatshad (administratieve fouten);

c. 17 gevallen betroffen ziektegevallen in hokken vóór de endng;

d. 3 gevallen met sukkelende varkens of contact vlak vóór aankoop;

e. 2 gevallen waarbij de endng technisch niet .goed werd uitgevoerd;

f. 4 gevallen waarbij geen oorzaak was aan te geven.

Vele fokkers en dierenartsen hadden de neiging gerust gesteld te zijn, wanneer een
koppel eens per jaar was geënt. Belangrijk was echter, dat de biggen, die later in
het jaar geboren worden, in zo\'n koppel, gedurende een periode van 6 weken gevoelig
zijn voor varkenspest. Daarom moeten de fokkers, oppassers en dierenartsen gedu-
rende dit tijdvak zeer zorgvupldig omgaan met zeugen en met biggen.
Dc dierenartsen werden voorgelicht over het vaccin en de toepassing: alleen
pre-
ventief
en bij gezonde varkens in gezonde koppels; 28 dagen vóór en 14 dagen na
de enting moeten risico\'s voor infectic worden voorkomen; de dierenarts moet de eige-
naar waarschuwen wanneer er gevaar dreigt.

Techniek der enting: subcutaan, juiste plaats, steriele spuit en naald, vernietig resten
entstof, kleding schoon, niet enten binnen 24 uur na bezoek van een geval van
varkenspest.

Geënte varkens kunnen mechanisch dragers van de infectie zijn. Sukkelende varkens
tonen soms lichte atypische symptomen. Vaak zijn deze dieren na enkele dagen schijn-
baar weer gezond, terwijl ze dan nog één of meer dagen virusuitscheiders zijn. Ge-
ënte zeugen, die met een dergelijk dier in contact komen, kunnen gehyperimmumseerd
worden; ze\'geven met colostrum en zog sterke passieve immuniteit aan dc biggen,
zodat dé actieve immunisering op de leeftijd van 4 weken geen goed resultaat geeft.
Hervaccinatie, enkele dagen na het spenen, is dan een mogelijkheid om een goede
immuniteit te verkrijgen, alhoewel er geen zekerheid is.

Door de variabiliteit van de entstof is ook het resultaat van de technisch .goed uit-
gevoerde enting niet altijd een immuniteit van ongeveer een jaar (men neemt m
En.geland aan dat de immuniteit ± een jaar duurt. Ref.).

Hoewel het oorspronkelijke doel van het entschema niet werd bereikt, en het aantal
deelnemende koppels terugliep tot ruim 1.000 stuks, is het enten voor het aan de
markt brengen van mestvarkens in sommige streken sterk uitgebreid. Dc doelmatig-
heid van het vaccin is daardoor bewezen, trouwens ook door de opmerkelijke toename

in de verkoop. ..

Toen werd besloten om door een afslachtsysteem de varkenspest te bestrijden, werd
overeengekomen dat enting met kristal violet-vaccin in elk geval in de vroege stadia
zou zijn toegestaan. Redenen hiervoor waren:

1 1/10 gedeelte van alle varkens zou reeds .geënt zijn;

2 de overweging dat veel fokkers in het R.V.H.S. zouden willen blijven.

In verband met het afslachtsysteem werd ook overwogen, dat er voor ingeschreven
koppels in het R.V.H.S. bepaalde concessies zouden kunnen gelden. Daarom werd,

-ocr page 276-

m overleg met de British Veterinary Association en the National Farmers Union,
besloten de voorwaarden voor het entschema strenger te maken en de activiteit van
het Ministerie bij toezicht en controle op de administratie te vergroten (Revised
Registered Vaccinated Herds Scheme).

Hoewel het begin van het bestrijdingsplan moest worden uitgesteld tot vroeg in 1963
(m verband met het overeenkomst tussen de belanghebbende partijen) is het
R.R.V.H.S. toch al op 1 april 1962 in werking gekomen. Hierover zijn de eigenaars
van de geregistreerde varkens en de dierenartsen reeds ingelicht en is hun volledige
medewerking gevraagd.

Voor vergelijking der schema\'s wordt verwezen naar onderstaand schema.

Oude schema (R.V.H.S.) Nieuw schema (R.R.V.H.S.)

Êïgenaarj; verplicht om nieuw aange- zorgen voor goede isolatie van

kochte ongeënte biggen 28 dagen te nieuw aangekochte biggen, 28 dagen
isoleren en hun dierenarts te waar- geïsoleerd vóór de vaccinatie,
schuwen. De nummers van deze varkens wor-

Merken: dit is niet nodig (alleen wan- den genoteerd; de dierenarts ent niet
neer in een bijzonder geval, ter be- eerder dan na 28 dagen. Alle dieren
oordeling door de dierenarts, een en- worden gemerkt voor de registratie
tingscertificaat vereist was). van de endng.

Inspectie: van stallen en dieren door Inspectie: van stallen en dieren door
ambtenaren van ministerie niet ver- ambtenaren Ministerie zal plaatsvin-
plicht. Administratie ligt voor deze den vóór inschrijving in het register
ambtenaren ter inzage. en de controle wordt periodiek her-

Registratie: na ontvangst van bewijs, haald.

ondertekend door eigenaar en dieren- Registratie: alleen na bewijs en kennis-

geving dat de endng inderdaad is ge-
schied.

Tarief: ƒ 6,— per bedrijf, plus
ƒ 1,50 per big (le t.m. 24e);
ƒ 1,25 voor volgende
exclusief entstof:
ƒ 1,— per dosis tot 35 kg
ƒ 2,— daarboven.
■Autokosten ƒ 0,20 per km.

]. H. ter Heege Gzn.

Fysiologie en fysiologische chemie

INVLOED VAN MAGNESIUMDEFICIËNTIE OP DE NIERFUNCTIE VAN
DE RAX.

Smith, W. O., Baxter, D. J., L i n d n e r, A., G i n n, H. E. and G u i 1 e s, H :
2/ / \' depletion on renal function in the rat. ƒ.
Lab. Clin. Med., 59,

Bekend is dat kaliumgebrek een schadelijke invloed heeft op de nierfunctie bij men-
sen en ratten. In verband met de nauwe biologische en fysiologische verwantschap
tussen kalmm en magnesium, werd nagegaan of een magnesiumgebrek eenzelfde effect
heeft op de nierfunctie.

De proeven werden uitgevoerd met ratten, welke in hun voeding slechts 1 mg magne-
smm per 100 g voer ontvingen. Bij de dieren ontstond 14 tot 18 dagen na het in-
voeren van dit magnesium-deficiëntie dieet een polyrie, welke een maximum bereikte
binnen drie weken.

Reeds na 1 week was het maximale concentreringsvermogen voor de urine verminderd,
terwijl later ook een vermindering optrad in het vermogen om de urine zuur té
maken.

Zeer opvallend was de sterke toename van de fosforuitscheiding, welke bij de proef-

-ocr page 277-

dieren aan het einde van dc eerste en de vierde week 4 resp. 30 x zo groot was als
bij de contróledieren. Dc uitscheiding van magnesium daalde binnen een week sterk
bij de proefdieren.

Dc calciumuitschciding varieerde sterk, maar was significant lager in de magnesmm-
deficiëntie groep.

In dc spieren daalde het gehalte aan magnesium met 10% m de tweede week na
het begin van de proef. Het scrumcalciumgehalte steeg aanvankelijk doch daalde
later weer tot normaal, het plasma steeg aanvankelijk constant tijdens de proef.
Een histologisch onderzoek van de nieren, 2 weken na het instellen van een magne-
sium deficiënt dieet, gaf pathologische veranderingen te zien zowel in de proximale
als distale tubuli.

Waarschijnlijk is er een nauwer verband tussen het magnesiumgebrek en de mtensi-
tcit van dc deficiënUe dan tussen het gebrek en de duur ervan. Ook het falen van
het concentrerend vermogen wordt toegeschreven aan een afname van de hyper-
osmolariteit in de nier tengevolge van het magnesiumgebrek.

Een goede verklaring voor dc sterk toegenomen fosforuitscheiding is niet te geven.
Volgens dc auteurs zou cr cen onvoldoende terugresorptic zijn in de proximale tubulus
bij de proefdieren. De nieren blijken bij magnesiumgebrek niet in staat te zijn maxi-
maal zuur (waterstofionen) uit tc scheiden als reactie op cen belasting met ammo-
niumchloride, terwijl het ammoniakmechanisme intact blijft.

Mogelijk hangt dit samen met cen afwijking in het koolzuuranhydrase systeem. Over
de activiteit van dit koolzuurhydrase in de tubulusccllen is thans een histochemisch
onderzock gaande. (Het lijkt zeker interessant om een dergelijk onderzock ook te
verrichten ten behoeve van het vraagstuk van de „vocdingstetanie" bij runderen.

olar de verminderde uitscheiding optreedt vóór cr cen duidelijke verandering in
het serummagnesiumgehalte valt waar te nemen, is het mechanisme dat er bij be-
trokken is of cen toegenomen tcrugrcsorptie of cen verminderde secretie van magne-
sium door de niertubuli. , „ „ ,

A. J. H. Schotman.

MINERALEN IN BLOED VAN KOEIEN BIJ OVERGANG VAN STAL NAAR
WEIDE.

S tory, J. E.: Changes in blood constituents which occur in dairy cattle transferred
to spring pastures.
Res. vet. Sci., 2, 272, (1961).

Sehr heeft met vier groepen van vier koeien cen bcweidingsproef genomen van vier
weken waarbij het land op dc vier percelen verschillende soorten kunstmest werd
gegeven. Als stikstofkunstmest w< rden chilisalpctcr en zwavelzure ammoniak verge-
leken beide in combinatie met kaliumchloride en natriumchloridc.
Helaas waren de groepen koeien niet mooi vergelijkbaar omdat twee koeien van cen
ander ras en drie droogstaande dicien werden gebruikt. Bovendien liepen de melk-
produkties per dier nogal uiteen. (Over de leeftijd der dieren werd mets meegedeeld,
Rcf )

De mincralensamenstelling van het gras liep, zoals te veiwachten was, nogal uiteen
ten aanzien van de K- en Na-gehaltcs; de Ca-, Mg- en N-gehaltes waren op alle vier
percelen ongeveer gelijk. Deze schommelden resp. van 0.25 tot 0.29%, van 0.16 tot

0 18% en van 4.00 tot 4.13% in de droge stof (de Ca-gehaltes waren voor Neder-

Ca -t- Mg

lands begrippen dus uitzonderlijk laag, wat tamelijk bogt -^--verhou-
dingen tot gevolg had, vooral op de met K bemeste percelen).

De\'plasma Mg-gehaltes daalden in alle vier de groepen gemiddeld met meer dan

1 2 mg% Tussen de groepen was geen verschil, hetgeen dus de Nederlandse waar-
neming dat cen hoog Na-gehalte geen bescherming tegen hypomagnesemie geeft,
bevestigt. Bij geen der dieren trad klmisch kopziekte op, hoewel plasma magnesium-
gehaltes beneden 1 mg% voorkwamen.

-ocr page 278-

Het Na-gehalte van de plasma daalde eveneens gedurende de eerste twee weken
duidelijk, significant het sterkst op het ene perceel waarop geen Na was gekomen.
Het Na-gehalte in dc cellen steeg bij het in dc weide komen. De K-gehaltes van plas-
ma en cellen veranderden maar zeer weinig, evenals het volume der bloedcellen.

Th. de Groot.

Kunstmatige Inseminatie

BEVRUCHTINGSRESULTATEN MET STIERESPERMA IN VERSCHILLEN-
DE VERDUNNINGSMEDIA.

Melrose, D. R. (Reading, Engeland): Fertility of buil semen stored in milk-
yolk, C.U.E., milk-glycerol and I.V.T. diluents.
Rapport IVe Int. Congres „Voort-
planting bij Dieren", Scheveningen, 1961.

De verdunningsmedia, welke werden vergeleken, waren: de conventionele natrium-
citraat-eidooier-verdunncr, ondermelk met resp. 12,5% en 6% eidooier, ondermclk
mcl 10% glycerine en dc in Amerika ontwikkelde „C.U.E."- en „I.V.T."-verdunners.
De C.U.E.-verdunner is een oplossing van natriumcitraat, kaliumchloride, sulfanil-
amide, dextrose, glycine, natriumbicarbonaat en citroenzuur, waaraan 20% eidooier
wordt toegevoegd.

De I.V.T.-buffer bevat natriumcitraat, natriumbicarbonaat, kaliumchloride, glucose
en sulfanilamide, benevens 30% eidooier en wordt onmiddellijk vóór het gebruik
verzadigd met COa-gas.

De ondermelk-verdunner werd bereid door oplossing van 9% magere mclkpo<-dcr in
gedestilleerd water, gevolgd door verhitting gedurende 10 min. op 92° C.
Alle buffers bevatten antibiotica, in dc vorm van streptomycine en eventueel peni-
cilline.

Er werd in het algemeen 3 x per week sperma gevangen, welk sperma dus gedu-
rende 2 of 3 dagen werd gebruikt. (.Mleen het sperma in I.V.T.-verdunning werd
6 dagen gebruikt.)

De verdunning, welke op kamertemperatuur (20° C) werd aangelegd, bedroeg steeds
1 :50. Het verdunde sperma werd bij 5° C bewaard.

Alle bevruchtingsresultaten werden berekend over dc eerste inseminaties, op basis
van het percentage „non-returns" na 112 dagen.

De resultaten met dc ondermclk-buffer waren gemiddeld niet significant beter dan
die met dc citraat-vcrdunncr (resp. 61,7% en 59,2%), maar het verschil in be-
vruchtingsresultaat tussen le en 3e da.gs sperma was het grootst bij dc citraat-buffcr
(n.1. re.sp. 64,5% en 52,8%, tegen 62,8% en 61,0% bij dc ondermelk-verdunner).
Bij dc vergelijking van eidooier-gehaltes van resp. 6% en 12,5% in dc ondennclk-
verdunner, bleken bij het eerstgenoemde gehalte iets gunstiger resultaten voor tc
komen dan bij het laatstgenoemde (verschillen tot 5,6%).

De resultaten met de gcglyccrolisecrde ondermclk waren teleurstellend (n.1. 55,6%,
in vergelijking met 64,6% bij de controles zonder glycerine), waarbij kan worden
opgemerkt, dat het sperma (bij kamertemperatuur) rechtstreeks met dc ondermelk-
glycerine-buffer werd verdund.

Dc C.U.E.-verdunner gaf gemiddeld geen significant betere resultaten dan dc onder-
mclk-buffer met 12,5% eidooier (re.sp. 64,6% en 63,3%), ho<-wcl vooral het resul-
taat op de 3e dag hoger lag (62,5% tegen 57,8%).

Een opmerkelijk goed resultaat werd met de I.V.T.-buffer verkregen, n.1. gemiddeld
59,0% over 5 dagen (5e dag nog 57,0%; 6c dag 44,1%, wat het gemiddelde over
6 dagen deed dalen tot 56,4%).

Schrijver merkt op, dat al de onderzochte verdunners tenslotte berusten op het (em-
pirisch) gebruik van eidooier en/of melk, en dat onze kennis inzake de kwalitatieve
en kwantitatieve behoeften van de zaadcellen aan de essentiële bestanddelen van deze
stoffen nog steeds te wen.sen overlaat.

R. Strikwerda.

-ocr page 279-

HET EFFECT VAN EQUILIBRATIEFIJD EN TOEVOEGING VAN SUIKERS
OP OVERLEVING EN BEVRUCHTINGSVERMOGEN VAN DIEPGEVROREN
SPERMA.

Emmens, C. W. and Martin, I. C. A. {Sydney, Australië): The effects of
equilibradon period and sugar content of the diluent on the survival and fertility of
bull .spermatoza deep-frozen to —79° C.
Rapport IVe Int, Congres „Voortplanting
bij Dieren", Scheveningen, 1961.

Relatief wordt er in Australië niet veel onderzoek gedaan en gepubliceerd over de K.L
Deze publikatie van Emmens en Martin geeft blijk van een goed opgezet en
statistisch goed uitgewerkt onderzoek.

Verschillende factoren die van belang zijn bij het diepvriezen van stieresperma zijn
onderzocht, zoals het aantal spermiën (van 13,6 tot 30 x 10«), de equilibratietijd
(van 0,5 tot 18 uur), en de toevoeging van suikers (geen arabinose en fructose).
De experimenten zijn gebaseerd op split-samples. Er waren voorzorgen genomen om
de invloeden van de inseminatoren uit te schakelen. De vruchtbaarheid werd gemeten
aan de hand van 3 maandse non-returns. Alle uitkomsten van de experimenten met
deze verschillende factoren werden aan een variantic-analyse onderworpen, terwijl de
non-return uitkomsten door middel van de methode op significantie getoetst wer-
den.

De voornaamste uitkomsten en conclusies zijn als volgt:

1. Diepvriesspenna geeft dezelfde bevredigende resultaten als „vers" sperma, be-
waard bij 5° C gedurende 54 uren.

2. Sperma, diepgevroren in verdunningsmiddelen met 1,25% arabinose of fructose
en 18 uren geëquilibreerd geeft betere resultaten, vcr,gcleken met hetzelfde sperma
dat slechts één uur of minder geëquilibreerd is.

3. Als men het aantal spermiën per inseminatie van 30 miljoen verminderd tot 13,3
miljoen geeft dit geen verschil in vruchtbaarheid.

4. Het gebruik van fructose in de plaats van arabinose in het verdunning.smedium
heeft geen invloed op de bcvruchtingsresultaten.

5. De equilibratietijd van 18 uren in een fructose bevattend verdunningsmedium gaf
goede bevruchtingsresultaten. Deze 18-urige equilibratietijd in verdunningsmedia
zonder fructose .gaf geen verbetering van de bevruchtingsresultaten.

Sperma, ingevroren in verdunnin.gsmiddelen waaraan fructose toegevoegd was,
was significant beter bestand tegen een incubatie op 37° C .gedurende 2 uren.
Op.gcmerkt zij nog dat het minstens merkwaardig geno<-md mag worden, dat in dc
gehele publikatie nergens gerapporteerd wordt tot welke temperatuur gekoeld werd.
Bij navraag bleek dit — 79° C te zijn (n.1. droogijs in alcohol).

S. W. J. van Dieten.

Pluimveeziekten

COLI-INFECTIE BIJ PLUIMVEE.

Sojka, W. J. and Garnaghan, R. B, A.: Escherichia coZi-infcction in poultry.
Res. vet\'. Sei., 2, 340, (1961).

De onderzoekers vermelden, dat bij de serologische typedifferentiatie van 797 stammen
van
E. coli geïsoleerd uit hoenders, waarvan 243 gevallen van coli-septichaemie (peri-
carditis, luchtzakontsteking en peri-hepatitis) bleek, dat 60% van de stammen kon-
den worden ondergebracht bij de typen 0 2, 0 78 en O 1. Het type 0 78 had het
K-antigeen 80 hetgeen overeenkomt met de antigenc eigenschappen van de ver-
wekker van colibacillose bij het kalf.

Alle drie genoemde stammen bleken pathogeen te zijn voor kuikens van 4 tot 6
weken oud; indien zij met een cultuursuspensie intraveneus werden ingespoten ont-
stonden dezelfde afwijkingen als bij de natuuriijke infectie. De natuuriijke infectie
treedt heel vaak op in verband met aandoeningen van het respiratie-apparaat, waar-
bij dus vooral de C.R.D. (chronische coryza infectiosa) en infectieuze bronchitis van
betekenis zijn.

De stammen werden ook onderzocht op hun gevoeligheid voor antibiotica en furazo-

-ocr page 280-

lidone. Hierbij bleek, dat alle stammen nog gevoelig waren voor chloramphenicol en
furazolidone. Slechts 1 stam was resistent tegen streptomycine, doch 63,2% van de in
1960 geïsoleerde stammen (68 stuks) bleken resistent te zijn tegen de tetracyclines
tegen 3/2% in 1957.

Profylactisch bleek furazolidone, gemengd door het voer, een goed resultaat te heb-
ben. De hoeveelheid echter van 400 p.p.m. was zo hoog, dat het de vraag was of de
toediening ervan bij broiler-kuikens economisch was. Per 10.000 kuikens werd er dan
per dag n.1. 400 gram furazolidone verbruikt. Therapeutisch had de genoemde hoe-
veelheid praktisch geen effect.

A. V. d. Schaaf.

INVLOED VAN CHLORTETRACYCLINE OP ASPERGILLOSE.
W
r i g h t, M. L., A n d e r s O n, B. W., E p p s, N. A. and M c C O n a c h i e, .1. D.:

The effect of Chlortetracycline on chicks infected with Aspergillus fumigatus Avian
Dis.,
6, 118, (1962).

Er werd een experimentele infecde tot stand gebracht, door verstuiving van Asper-
gillus fumigatus
in de broedmachine tijdens het broedproces. Van de 90 onmiddellijk
na het uitkomen gedode kuikens, bleek 90,8% besmet. Chloortetracycline (aureo-
mycine) door het drinkwater had geen remmende invloed op de ontwikkeling van de
infectie gedurende de twee eerste levensweken.

Zelfs was het aantal dragers bij de behandelde dieren groter dan bij de onbehandelde
(maar de getallen waren te klein om te beoordelen).

Hoewel 84,6% van het aantal in de diverse .groepen gebruikte dieren Aspergillus-
drager was, werden geen pathologische afwijkingen gevonden. Hieruit zou dus blijken
dat
Aspergillus als zodanig maar weinig pathogeen is.

C. A. van Dorssen.
Verloskunde, gynaecologie en sterilifeif

NIEUWE THERAPIE VAN ONVRUCHTBAARHEID BIJ RUNDEREN EN
PAARDEN.

Haraszti, J. (Hongarije): Neues Verfahren zur Behandlung der Unfruchtbarkeit
von Rindern und Pferden. Kürettage bei Rindern und Pferden.
Rapport IVe Int.
Congres „Voortplanting bij dieren", Scheveningen, 1961.

Schrijver curetteerde met behulp van een door hem ontworpen instrument de uterus
van vele runderen en paarden, die reeds herhaaldelijk, doch tevergeefs, waren gedekt.
Na deze behandeling bedroegen de bcvruchtingsresultaten bij deze diersoorten resp
45 tot 50% en 70%.

Een viertal merries, die aan een chronische etterige baarnioederontsteking leden, wer-
den op deze wijze met gunstig resultaat behandeld.

C. H. W. de Bois.

Zootechniek

MINERALENVOORZIENING BIJ RUNDEREN IN N.-ITALIË.

Bosticco, A. en C o r r i a s, A. (Torino, Italië): De l\'influence des carences et
des équilibres mineraux sur la mortalité embryonaire précoce, l\'anaphrodisie fonc-
tionelle et sur le suboestrus des bovidés dans les zones de rivière de Vercelle et No-
vara.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen, 1961.
Sehr, delen een en ander mede omtrent het Noord-Oostelijk deel van Piëmont (Ver-
celli en Novara). De gronden aldaar zijn van alluviale oorsprong, de reactie is meestal
aan de zure kant, terwijl de gehalten aan humus, kalk en organische stikstof zeer
laag zijn. Het grasbestand bestaat voornamelijk uit Italiaans raaigras. De rode en
witte klaver komen in veel mindere mate voor. De veestapel bestaat voornamelijk uit
het Zwitserse en het Fries-Holsteinse rund.

Onder het rundvee zijn tuberculose en abortus Bang in sterke mate verspreid. Meer-
dere malen komen in deze gebieden bedrijven voor waar meer dan 60% der dieren
door deze beide ziekten zijn aangetast.

-ocr page 281-

De laatste 10 jaar werd meer aandacht geschonken aan de voortplantingsstoornissen,
daar deze een vrij grote schadepost betekenen. Het bacteriologisch onderzoek leverde
hierbij weinig bijzonderheden op.

Klinisch werden de volgende afwijkingen waargenomen.

a. Secundaire of verkregen hypoplasie van het ovarium.

b. .Anoestrus bij pinken en koeien.

c. Bij een beperkt aantal dieren suboestnis of stille bronst, vertraagde ovulatie, cys-
teuze degeneratie van het Graafse blaasje of van het gele lichaam.

d. Vroegembryonale sterfte bij een groot aantal gevallen, zich uitende in onregel-
matige tijden van opbreken.

De toepassing van de gebruikelijke geneesmiddelen leverde onvoldoende resultaat op.
Het is daarom, dat in nauwe samenwerking tussen twee Instituten meer aandacht
wordt geschonken aan de chemische samenstelling van het rantsoen en menigmaal ook
van de grond, zowel in organisch als in anorganisch opzicht. Dit onderzoek is nog
gaande, zodat geen conclusies kunnen worden meegedeeld. Wel tonen vooriopige
analysecijfers aan, dat b.v. de Ca/P-verhouding menigmaal fout is. Meestal verkeert
in dezen de kalk sterk in de minderheid. Het magnesiumgehalte is menigmaal laag,
terwijl voorts niet zelden sprake is van zink- en kopcrdeficiëntie.

De indruk wordt gekregen, dat na correctie van het rantsoen in organisch energetisch,
alsmede in mineralogisch opzicht, de gezondheidstoestand der dieren vooruitgaat en
zich minder moeilijkheden ten aanzien van de fertiliteit voordoen. Dc extra mine-
ralen worden door het krachtvoer gemengd verstrekt. In urgente gevallen worden
de elementen kalk en magnesium per injectionem toegediend. Tevens wordt aandacht
geschonken aan de vitamine-voorziening.

Tenslotte worden in gevallen, waar dit nodig blijkt, medicamenten toegepast. Zo
worden de ontstekingsprocessen op dc gebruikelijke wijze behandeld.
In gevallen van secundaire hypoplasien van de ovariën, suboestrus en vertraagde
ovulatie worden resp. gonadotrope horaionen, stilboestrol preparaten en luteiniserende
hormonen toegediend.

]. Hofman.

EEN ERFELIJK GEBREK BIJ HET KALF („SCHLITTENKALB" — SLEDE
K.ALF).

Weber, W. von: Dyschondroplasie bei Kälbern der Schwarzflcckviehrasse. Schweiz.
Archiv Tierheilk.,
104, 67, (1962).

Von Weber beschrijft cen erfelijk gebrek bij kalveren, dat zowel voorkomt bij
mannelijke als vrouwelijke dieren. Bijna alle aan hem bekende gevallen waren, voor
zover de afstamming bekend is, langs vaders- en moederszijde op één voorvader terug
tc vcx-ren.

Een analyse van de wijze van vererving wordt in een nader bericht toegezegd. Thans
wordt reeds medegedeeld dat we blijkbaar tc maken hebben met cen recessieve erfe-
lijke factor.

De afwijkende kalveren worden in Zwitserland aangeduid met de naam „Schlitten-
kalbcr". De verschijnselen zijn als volgt: alle ledematen zijn stijf. Er is echter geen
ankylosc. De gewrichten zijn verdikt. De achterbenen zijn meestal boogvormig buik-
waarts .gebogen.

Ook de voorbenen zijn stijf. Vaak is het carpaalgewricht buitenwaarts gedraaid. Het
schouderblad is krom, de epifysen van de beenderen zijn verdikt, de omvang van de
diafyse is bij de meeste beenderen in sterke mate verminderd.

Het neusslijmvlies is verdikt, waardoor vooral het septum is verdikt. Door de sterke
vernauwing van het inwendige van de neus, stikken vrijwel alle dieren direct na de
geboorte. De afwijking geeft trouwens meestal grote moeilijkheden bij de partus,
zodat in vele gevallen embryotomie of keizersnede moet worden toegepast.
Indien het kalf d.m.v. extractie geboren wordt, breekt nog al eens een pijpbcen
en/of tibia.

P. Tacken.

-ocr page 282-

BOEKBESPREKING

THE EXPORT AND IMPORT OF DOGS AND CATS.
A Handbook of regulations.
C. E. W o o d r o w.

(Pergamon Press, Oxford, London, New York, Paris, 1962. Prijs: 35j- net.)
Over dit onderwerp verscheen onlangs (in 1962) een ruim 100 pagina\'s omvattend,
keurig gebonden, boekje „The export and import of Dogs and Cats" geschreven door
C. E. W
O O d r o w in opdracht van de British Small Animal Veterinary Association.

Het werkje vangt aan met een kort voorwoord, waarin aangekondigd wordt wat be-
handeld zal worden. In het voorwoord wordt de aandacht erop gevestigd, dat Groot
Britannië sinds 1922 vrij van rabies is, zulks in tegenstelling met een aantal andere
landen; als voorbeeld worden o.a. genoemd voor het jaar 1959: 325 rabies-gevallen
in Canada, 1929 in West-Duitsland, 294 in Italië en 4111 in de Verenigde Staten
van Amerika.

Bovendien wordt aangetoond dat ook tegen rabies geënte honden in quarantaine .ge-
houden dienen te worden, daar rabies nu en dan toch ook bij geënte honden voor-
komt.

Het overgrote aantal bladzijden (5 tot en met 74) wordt in beslag genomen door een
lijst van landen, alfabetisch .gerangschikt, waarin men kan opzoeken welke maatrege-
len een bepaald land voorschrijft.

Hierna volpn mededelin.gen over het verzenden van honden en katten per schip of
per vliegtuig; een aantal .grote scheepvaart- en luchtvaartmaatschappijen worden be-
sproken.

Het bo<-kje sluit met een korte mededeling over de enting te.gen leptospirosis, de voor-
schriften van de Verenigde Staten van Amerika bij het invoeren van honden en katten,
en een hoofdstukje over de invoer in Groot Brittannië.

Het boekje is kennelijk bestemd voor de Engelse dierenartsen, doch ook voor de niet
En.gelse veterinair kan het nuttig zijn er kennis van te nemen als hij meer wil weten
over export, import en transport van honden en katten.

ƒ. Jansen Sr.

LEHRBUCH DER SCHAFKRANKHEITEN.
H. Behrens.

(Verlag Paul Parey, Berlin, Hamburg, 1962, 259 pag., 93 afb., DM 39.-)

Wat inhoud cn uitvoering betreft een .goed verzorgd boek, waarin voor degenen, die

Duits kennen een duidelijke beschrijving wordt .gegeven van dc bekende schapezicktcn.

De eerste indruk van het boekje doet een vergelijking treffen met het bekende, hier-
aan voorafgaand boek, dat werd geschreven door O p p e r m a n n. Dc indeling van
de stof draagt hiertoe belan.grijk bij. Ook sommige foto\'s die daarom ouderwets aan-
doen, hebben dezelfde associatie tot gevolg.

Dc inhoud is echter geheel gemoderniseerd, waarbij aan dc mogelijkheden tot be-
handeling van de ziekten grote aandacht is besteed. Het is een boekje dat de lezer
op gedegen wijze op de hoogte zal bren.gen van de voorkomende schapeziekten.
.Als .gemis wordt evenwel gevoeld, dat geen leidraad wordt gegeven om, al werkend in
een, door een of andere ziekte aangetast, koppel, te komen tot een rationele opbouw
van de juiste dia.gnose. Juist voor diegenen die zich willen bekwamen in de kennis
van de schapeziekten zou een dergelijke leidraad welkom zijn geweest.
Een aanvulling had tevens kunnen zijn nadere aandacht te besteden aan klauw-
aandoeningen die, naast het rotkreupel, bij schapen voorkomen. Een goede be-
schrijving van deze afwijkingen zal zeker gewaardeerd worden door diegenen die de
diagnose rotkreupel moeten stellen.

-ocr page 283-

Een minder compleet beeld wordt gegeven van de progressieve pneumonie van het
schaap, die identiek zou zijn aan de longadenomatose. Zeer waarschijnlijk is dit een
te eenvoudige voorstelling van zaken en moet men de progressieve pneumonie van het
schaap beschouwen als een ziekte die onder meerdere vormen kan optreden en die
alle waarschijnlijk cen eigen oorzaak bezitten.

Veel aandacht wordt in het boek besteed aan de parasitaire aandoeningen van het
schaap. Door dc verscheidenheid van oorzaken had een algemene inleiding over deze
ziekten bijgedragen om dit probleem in de juiste verhouding te leren kennen.

P. Wensvoort,

KONIJNEN HOUDEN ALS LIEFHEBBERIJ.
R. K
O O i s t r a.

fN.V. J. Thieme en Cie - Zutphen 1962, 160 pag., 57 afb. Prijs ƒ 5,90)
Hoofdzakelijk de beschrijving van de 37 in Nederland door de Standaardcommissie
erkende konijnenrassen — elke beschrijving is voorzien van een goede foto —, vormt
de waarde van dit nieuwe boekje voor collegae en studenten die zich in kort bestek
willen oriënteren in deze tak van sportfokkerij.

Voorts behandelt schrijver hokbouw, voeding en fokprincipcs, terwijl ook uitvoerig
over toileteren en conditioneren voor dc tentoonstelling wordt gesproken, alsmede
de gang van zaken op dc tentoonstelling zelf.

Tenslotte wordt een aantal ziektebeelden beschreven. Enige kritiek moge betreffen
de hierbij genoemde injicccrbarc therapeutica, hetgeen enerzijds de leek er toe kan
brengen te veel zelf te „dokteren", terwijl anderzijds ook namen van geneesmiddelen
worden genoemd, die de leek niet zullen aanspreken, zoals A.T.io of solu-salvarsan.

B. C. Kruyt.

Het Friese melkschaap en het Colbred-ras.

De Colbred is cen nieuw Engels schapenras dat in 1962 voor het eerst op de Royal
Show werd getoond.

De vorming van het ras begint in 1954 toen Mr. Oscar Colburn van mening was
dat Great Britain behoefte had aan een vruchtrijk en mclkrijk schapenras.
Daartoe werden enige Friese schapen uit Nederland geïmporteerd en gekruist met dc
Border Leicester, de Clun Forest en de Dorset Hom.

De evrschillende Fi-produkten werden vervolgens weer onderiing gekruist en dit
heterogene materiaal vormde het uitgangsmateriaal voor het nieuwe ras.
Door zeer strenge selectie meent men nu reeds tot cen gewenste homogeniteit gekomen
tc zijn.

Het nieuwe ras is gemakkelijk te onderkennen aan een rose kleur rond de ogen en
dc iets naar voren gerichte oren.

Op slachteigenschappen werd niet zo zeer .gelet omdat voor de produktie van slacht-
lammcren de vruchtrijkc en melkrijke ooien gepaard worden met Dorset Hom
rammen.

Commonwealth Bureau, News Letter No. 34.
Onderzoek van stierkalveren in Oldenburg.

Op 12 maart j.1. werd met het proefstation voor stierkalvcren in Oldenburg be-
gonnen.

Vanwege de grote belangstelling van de stiereneigenaren moest het aantal nakomc-
lingengroepen al dadelijk van 8 tot 12 verhoogd worden. Van elke tc onderzoeken
sticr worden 6 kalveren in het voorjaar en 6 in het najaar aangekocht.

Der Tierzüchter, 14, 471, (1962).

-ocr page 284-

Het begon met een verzoek om te komen kijken naar een vaars, welke volgens de
eigenaar (A.B. te M.) een houttong zou hebben.

Bij nader onderzoek bleek de tong normaal te zijn, maar de gehele ondervlakte van de
hals was sterk gezwollen en voelde verhard aan, terwijl van een jugulairgroeve niets
meer te zien was. De In. praeseapulares sinister was gezwollen tot meer dan vuist-
grootte en voelde verhard aan. De ademhaling en pols waren normaal, de lichaams-
temperatuur echter 104° F. Verdere afwijkingen werden niet gevonden. Gedacht
werd aan een flegmoneuze ontsteking van de halsstreek t.g.v. een verwonding met
prikkeldraad, maar een litteken werd niet gevonden. Behandeling geschiedde met
een antibioticum.

Enkele dagen erna bleek er nog geen verbetering te zijn opgetreden, terwijl de tem-
peratuur slechts gezakt was tot 103° F. De mogelijkheid van „maligne oedeem" (ver-
wekker
Clostridium septicum), welke hier nog wel eens optreedt, werd geopperd,
zodat het dier daarvoor behandeld werd.

Tien dagen na ons eerste bezoek was de zwelling er nog steeds, maar de temperatuur
was normaal (101° F). Het dier vertoonde nu bovendien een tympanie en de
In. praeseapulares dexter en de Inn. supramamniarii waren gezwollen tot vuistgroottr
Bij rectale exploratie waren dc te bereiken Inn alle gezwollen. Leucose werd ver-
ondersteld, zodat tot slachten geadviseerd werd.

Sectie: alle Inn langs de keelstreek waren sterk vergroot, terwijl die in het medasti-
num de grootte bereikten van een kleine voetbal. Dc milt was ongeveer drie maal te
groot en had het aspect van een leucosemilt.

De lever was wat vergroot en bezet met erwtgrote witte glanzende vlekjes, welke
speciaal aan het oppervlakte lagen. De consistentie van de lever was normaal. De Inn.
in mesenterium en bckkenholte waren gezwollen. Verder werden geen macro-
scopische afwijkingen gevonden.

DIERGENEESKUNDIGE SNAPSHOTS

„Maligne lymphoma" bij een rund.

Volgens het microscopisch onderzoek, verricht in het „Animal Research Station Rua-
kura", werd de diagnose „malignant lymphoma" gesteld. Mogelijk is dit een „maligne
lymphoma" geweest uitgaande van de mediastinale lymfklieren, hetgeen volgens
Gibbons in „Diseases of Catde" zo nu en dan voorkomt.

P. J. Zuur en B. ter Haar, praktizerende dierenartsen te Morinsville, Nieuw Zee-
land.

-ocr page 285-

INGEZONDEN

BLOEDGROEPENONDERZOEK BIJ RUNDEREN.

De praktizerende dierenartsen, in wier werkgebied stamboekfokkerij wordt verricht,
hebben vanaf 1955 een geleidelijke toename van het gebruik van bloedgroepen-
onderzoek bij runderen kunnen constateren.

Afgezien van enkele, hoofdzakelijk door de rundveestamboeken georganiseerde, steek-
proeven hebben deze onderzoeken tot 1960 voornamelijk betrekking gehad op de
controle van de afstamming van kalveren in gevallen waarvoor deze langs andere
wegen niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld.

Hoewel deze onderzoeken voor de praktijken met hoge percentages stamboekdieren
wellicht reeds enige betekenis hadden, zijn de werkzaamheden voor het bloedgroepen-
onderzoek tot 1960 in het algemeen beperkt gebleven tot incidentele gevallen.

De bepalingen van de beide rundveestamboeken dat van jonge stieren geen afstamme-
lingen meer geregistreerd kunnen worden als de afstamming van deze stieren zelf niet
met goed gevolg door een bloedgroepenonderzoek is gecontroleerd, heeft evenwel
een belangrijke toename van de werkzaamheden met zich mee gebracht.
Dat zich in de aanloopperiode van dit nieuwe onderzoek enkele moeilijkheden, zowel
voor de praktizerende dierenartsen als voor het laboratorium hebben voorgedaan,
kan welhaast als vanzelfsprekend worden beschouwd. Het laboratorium kan echter
niet anders dan erkentelijk zijn voor de vlotte en correcte wijze waarop de gevraagde
medewerking in het algemeen werd verleend.

Helaas hebben zich in de afgelopen winterperiode cchtcr ook enkele minder aange-
name gevallen voorgedaan. Om een indruk te geven omtrent de gevolgen die aan een
onjuiste wijze van handelen verbonden kunnen zijn, is hieronder een artikel weer-
gegeven dat door de directie van het Nederlandsche Rrundvee Stamboek is gepubli-
ceerd in „De Stamboeker" en „De Keurstarnboeker" van 26 juli van dit jaar.

Rondom het verplichte bloedgroepenonderzoek van jonge stieren.
£en leerzaam geval.

Wij hebben al eens medegedeeld, dat de dierenarts die op een bedrijf bloedmonsters
komt nemen, door ons via dc Stichting Bloedgroepenonderzoek in het bezit wordt
gesteld van schetstckeningen van dc betreffende dieren. Wij doen dit uiteraard rnct
de bedoeling, dat de dierenarts zich ervan overtuigt, dat hij van de goede dieren
het bloed tapt. De ervaring had ons namelijk geleerd, dat deze schetsen wel nood-
zakelijk zijn. Men zou nu menen, dat er, met de schetsen in de hand, geen fouten
meer worden gemaakt en toch komt dit nog cen enkele keer voor.

Een frappant geval is wel het volgende. Bij een bloedgroepenonderzoek bleek dat een
jonge stier, die nog niet was ingeschreven, niet kon afstammen, noch van moeders-
noch van vaderszijde, van de dieren waarvan het bloed was genomen. Opnieuw
werden bloedmonsters gevraagd en onderzocht, doch het resultaat bleef hetzelfde.
Een controleur van het N.R.S. is daarop op het betreffende bedrijf een onderzoek
gaan instellen, waar men hem meedeelde, dat absoluut zeker bloed van de juiste
dieren was genomen. Men maakte hem tevens duidelijk, dat men in het bloedgroepen-
onderzoek maar weinig fiducie had. Er bleef onze controleur nu alleen nog maar
over de dieren in kwestie te bezichtigen, waarbij hij tot dc ontdekking kwam, dat
het stiertje, dat bij een aantal pinken in de weide liep (waarvan bij onze administratie
opgaaf was gedaan) een andere kleuraftekening had dan dat, hetwelk voor het bloed-
groepenonderzoek was aangevraagd. De fokker had, zo werd nu duidelijk, destijds
twee stiertjes met elkaar verwisseld, een volbloed en een niet-volbloed. De volbloed
was voor de slacht verkocht en het „wilde" stiertje was aangehouden. Had men bij
het nemen van de bloedmonsters de schets nauwkeurig vergeleken met de kleur-
aftekening van het sdertje, waarvan bloed werd genomen, dan had weliswaar de ver-

-ocr page 286-

wisseling niet meer goed gemaakt kunnen worden, doch dan had men kunnen voor-
komen, dat een niet volbloed stiertje bij dc pinken werd gedaan. Dit geschiedde
namelijk eerst na het tappen van het bloed. Daar wij niet voor niets schetsen maken
ten behoeve van het bloedgroepenonderzoek toont ook dit geval duidelijk aan. Willen
de schetsen echter aan het doel beantwoorden, dan moeten ze ook met de dieren
worden vergeleken. De taak van de dierenarts, maar toch ook niet minder van de
fokker, die het meeste belang bij het onderzoek heeft.

Uit het boven geschetste geval zijn twee belangrijke conclusies te trekken. Ten eerste,
dat het .geen aanbeveling verdient om een nog niet-ingeschreven stier voor de dek-
dienst te gebruiken. Had men het bewuste stiertje, voordat het in de weide werd
gelaten, eerst laten keuren, dan zou onze inspecteur de verwisseling hebben moeten
constateren en had de fokker zich cen ernstige teleurstelling bespaard. Het is trouwens
altijd riskant cen niet-opgenomen stier te laten dekken. Maar even riskant is het,
zoals het hier besproken geval maar al te duidelijk bewijst, om dit te laten doen door
cen stier, welke nog niet met gunstig resultaat aan cen bloedgroepenonderzoek is
onderworpen. Men bedenke: Die zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht!

J. Bouw.

BERICHTEN EN VERSLAGEN

WORLD VETERINARY ASSOCIATION
4e Vergadering van het Permanent Comité.

Op deze 4c Vergadering, 17 mei j.1. tc Parijs gehouden, waren behalve het Bestuur
— Prof. Beveridge, Prof. W a g e n e r en Prof. Jansen — vertegenwoordigers
van 22 leden-landen aanwezig en vertegenwoordigers van 4 internationale specialisten
verenigingen, n.1.:

International Veterinary Federation of Zootcchnics
World Veterinary Poultry .Association
World Small Animal Veterinary Association
World Association of Veterinary Anatomists.
Bovendien woonden als waarnemers de vertegenwoordigers van dc volgende organi-
saties de vergadering bij:

World Association of Veterinary Pathologists
International Association of Veterinary Food Hygienists
World Association for the .Advancement of Veterinary Parasitology
F.A.O. en W.H.O.

1. De voorzitter. Prof. Beveridge ,deelde mede dat Prof. Dc Blicck wegens ziekte
de vergadering niet kon bijwonen en hij wenste hem een spoedig herstel toe.

2. Dc notulen van de 3e vergadering (18 mei 1961, Parijs), het jaarverslag over
1961 en verscheidene financiële rapporten werden .goedgekeurd.

3. In verband met achterstallighcid in betaling van contributie door verschillende
landen, wordt opgewekt deze op tijd te voldoen, n.1. op 1 augustus.

4. Het programma van het 17e Wereld Diergeneeskundig Congres wordt bespro-
ken; het Congresfonds verleent een gift van £ 5000,— aan het organiserend
comité van dit congres en £ 2500,— voor de viering van het honderdjarig
bestaan van dc Diergeneeskundige Congressen.

5. Dc reglementswijziging van de W.V.A. wordt besproken.

6. De Sudan Veterinary Mcdical Association wordt aan.genomen als lid van dc
W.V.A. en de World A.ssociation of Veterinary Pathologists en de I..\\.\\".FH.
als „associate member".

7. De lijst van dierziekten. Deze lijst zal in haar huidige vorm niet worden uit-
gegeven. De F.A.O., de W.H.O., de O.I.E. en de W.V.A. zullen samenwerken,
waarbij zal worden uitgegaan van het Animal Health Yearbook.

8. Bij het volgende congres zal cen resolutie worden ingediend, waarin de nadruk
zal worden gelegd op controle van T.V.-uitzendingen van dier,genecEkundigc füms
en programma\'s.

-ocr page 287-

In mei 1963 zal een nieuwe filmcatalogus verschijnen, waarbij samenwerking met
de Scientific International Film Library wordt bepleit.
9. Op het congres zal een lezing worden gehouden over de World Animal Health
Vear en voor de VV.V..\\. zal een embleem worden ontworpen.

KWALITEIT VAN HUIDEN EN VELLEN UIT EEN OOGPUNT VAN LEDER-
BEREIDING.

Inleiding.

De voornaamste grondstoffen voor de lederindustrie zijn de huiden en vellen van
diverse dieren en wel in het bijzonder die van runderen, paarden, geiten en schapen.
In Nederland werden in 1960 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek te
\'s-Gravenhage 690912 stuks runderen, 448387 kalveren, dwz. nuchtere, vette en gras-
kalveren, 54040 paarden, 10776 geiten en 106243 schapen geslacht. Uit deze aan-
tallen kan reeds aanstonds dc conclusie worden getrokken, dat het van groot eco-
nomisch belang moet worden geacht, deze huiden en vellen zo goed mogelijk te doen
beantwoorden aan de kwaliteit, welke de lederfabrikant nodig heeft om er goed en
mooi leer van te maken. Dc kwaliteit van het leer wordt echter sterk beïnvloed door
vele factoren, waarop de lederfabricant geen enkele invloed kan uitoefenen. Hij is
daarbij totaal afhankelijk van de medewerking van de veehouders, de slachterijen
en de huidenhandel. Deze zijn tezamen volkomen in staat om de kwaliteit van deze
huiden alleen al door de wijze waarop zij het vee zowel tijdens het leven als tijdens
en na de slachting verzorgen, van zeer goed tot uitzonderlijk slecht te laten uiteen-
lopen. Daar kan direct aan worden toegevoegd, dat deze zorg helaas nogal eens ont-
breekt, waardoor de kwaliteit van de Nederlandse huiden en vellen nu niet bepaald
.goed kan worden genoemd. Hierdoor neemt, ondanks de toenemende behoefte aan
huiden in het algemeen, dc vraag naar het Nederlandse huiden- en vellenmateriaal
eerder af dan toe.

Kwaliteitseisen voor huiden cn vellen.

Wanneer men te doen heeft met huiden en vellen van werkelijk goede kwaliteit (en
nu heb ik natuurlijk in het bijzonder de Nederlandse huidensoorten op het oog) dan
dienen deze te voldoen aan de hiernavolgende eisen:

1. de huiden en vellen moeten een goede, vaste structuur bezitten. Deze structuur
moet liefst over het gehele vel zoveel mogelijk gelijk zijn, zodat de buikdelen goed
gevuld en zo weinig mogelijk uitgerekt zijn;

2. de vellen mogen zo weinig mogelijk aderen bezitten en indien deze toch aanwezig
zijn, dan dienen zij zo dun mogelijk en liefst aan de haarzijde op het gerede pro-
dukt niet zichtbaar te zijn;

3. de halsdelen van de vellen moeten mooi .glad zijn; zij moeten dus zo weinig
mogelijk halsplooien en beschadigingen, veroorzaakt door deze halsplooien en door
kettingen, vertonen;

4. op de zijden van het rund mogen geen diepe, brede vetplooien (door de looier
mastriemen genoemd) aanwezig zijn;

5. het is belangrijk, dat de nerflaag van de lederhuid dun is ten opzichte van de
daaronder liggende grove vezellaag, de zgn. reticulaarlaag, daar bij leer met een
dikke nerf deze nerflaag snel stuk wordt getrokken; vooral tegenwoordig bij het
maken van zeer spitse schoenmodellen;

6. de huiden mogen op de buikdelen en de achterpoten niet beschadi.gd zijn door
urine- en mestinvretingen;

7. de vellen en huiden moeten foutloos afgedaan zijn en mogen dus noch vilsncden
noch gaten vertonen. Tevens zal het vel foutloos geopend moeten zijn, waardoor
dc bewerking in de looierij een vlotter verloop kan hebben en de uitsnijding van
de diverse modellen in de schoen- en lederwarenfabrieken op naar verhouding
voordelige wijze kan geschieden;

8. de vellen moeten bovendien goed geconserveerd worden, waardoor geen schade

-ocr page 288-

kan worden veroorzaakt door te grote bacteriewerking, met als gevolg zelfs ge-
deeltelijke verrotting van de huiden.

Uit het bovenstaande blijkt dus dat de kwaliteit van het leer door zeer vele van de
huid afhankelijk factoren wordt beïnvloed.

Voordat de huid wordt gelooid zal deze bevrijd moeten worden van overtollige vet-
en vleesresten, het zgn. onderhuidse bindweefsel. De haren, zweet- en talgkliertjes
zullen tezamen met de zgn. opperhuid verwijderd moeten worden. Daarna blijft de
„bloothuid" over, die schematisch voorgesteld bestaat uit drie hoofdlagen en wel de
nerf, de reticulaarlaag en de tussenlaag, welke laatste zich op de scheiding van nerf-
en reticulaarlaag bevindt.

Juist in deze „bloottoestand" komen de diverse tekortkomingen aan de huiden en
vellen sterk tot uiting, daar nu kleine nerfbeschadigingen, die normaal op de vellen
niet zichtbaar zijn, in hun gehele omvang duidelijk naar voren komen. Ook de be-
schadigingen door insecten, bacteriën en slachtfouten zijn nu duidelijk te herkennen.
In deze toestand kan men vaak tevens zien, hoe sterk de voeding de kwaliteit van de
nerf kan beïnvloeden, wat zich bij ongeschikte voeding zeer duidelijk demonstreert
door de aanwezigheid van de vetstrepen (mastriemen).

Enkele belangrijke punten voor slachter en conserveerder.

Na dit overzicht van de wijze, waarop huiden en vellen dienen te worden beoordeeld
en van de factoren, waardoor hun kwaliteit wordt bepaald, zou ik in het hierna vol-
gende de aandacht van zowel de veehouder, de slachter als de conserveerder willen
vragen voor enige belangrijke punten, opdat zij hun medewerking kunnen verienen
aan de verbetering van het Nederlandse huidenmateriaal.

a. Het vee slag.

Natuurlijk kan niemand van een veehouder eisen, dat hij zijn tegenwoordige vee-
stapel uitsluitend met het roodbonte Maas-Rijn-IJsselvee kruist, maar het is een
feit, dat elke kruising van ander vee met dit roodbonte veeslag een verbetering van
de huid teweegbrengt, welke zich voornamelijk uit in betere vulling van buik en
okseldelen, en dus in een gelijkmatiger gesteldheid van de huid. Wel is de haar-
inplanttekening hier grover dan bij het zwartbonte Fries-Hollandse en het Gronin.ger
Blaarkopvee, maar toch altijd nog mooi en fijn genoeg vooi- de bereiding van het fijne
boxkalfleer. In dit verband moet ook nog als een bezwaar worden genoemd, dat op
het ruggedeeltc van de grotere runderhuiden van dit M.R.IJ.-vee dikwijls dikke ade-
ren voorkomen, welke men in aanleg reeds kan constateren in de vellen van dc nuch-
tere koekalveren.

b. De voeding.

De voeding üjdens de dracht van de koe en van het kalf na de geboorte heeft een
grote invloed op enige van de genoemde kwaliteitsfactoren. Zo kan men vaak aan de
vellen van nuchtere kalveren zien, dat het moederdier slechts korte tijd vóór de ge-
boorte van het kalf is drooggezet. Dit vellenmateriaal is veel dunner, afvalliger en
aderigcr, vooral in de okseldelen. De vellen van vette kalveren zijn over het algemeen
wel goed gesteld en zijn vrij behoorlijk egaal van dikte, maar hieraan kleven vaak de
fouten van het vetmesten. Met name, indien de dieren in vrij korte tijd vetgemest
worden, komen de vetstrepen en huidplooien sterker te voorschijn dan indien het
vetmesten over een langer tijdsbestek plaats vindt. Het gedeeltelijk wegwerken van
deze fouten door de looier, gaat vaak met veel moeite gepaard. Bovendien neemt de
optredende mindere treksterkte van de nerf eerder toe dan af, zodat bij sterke snelle
buiging over een scherpe hoek, zoals dat op dc schoenleest gebeurt, vaak nerfbreuk
optreedt. Door het vetmesten neemt de dikte van de nerf meestal meer toe dan de
reticulaarlaag.

Deze nerfdikte is meestal het grootste bij vellen, die veel vet in het onderhuidse bind-
weefsel bezitten. Het zal waarschijnlijk wel mogelijk zijn de voeding van deze dieren

-ocr page 289-

zodanig te regelen, dat een regelmatige groei van de huid en minder vetvomiing op-
treedt.

De invloed van de voeding komt ook sterk tot uiting in de vellen van graskalveren.
Deze vellen zijn zeer slecht gesteld, met zeer dunne afvallige buik- en okseldelen.
Dc nerf is dun gebleven, terwijl de mastricmen slechts weinig aanwezig zijn. Op dc
vleeszijde van deze vellen bevindt zich meestal weinig vetweefsel. De rekbaarheid en
de treksterkte van de nerf zijn toegenomen in verhouding tot de vellen van nuchtere
en vetgemeste kalveren. Het is misschien mogelijk de voeding van deze dieren zodanig
tc regelen, dat de ongewenste uitrekking van de buikdelen zal verminderen waardoor
de stelling van deze vellen zeer sterk zal verbeteren.

c. De veeverzorging.

De verzorging van het vee tijdens het leven oefent eveneens grote invloed uit op de
kwaliteit van de vellen. Zo zullen vellen van jonge dieren, die in slechte stallen ver-
blijven, vaak zware beschadigingen, zoals schrammen, ruw geschuurde halsdelen, uit-
gebeten mest- en urinevlekken vertonen. Vooral de laatstgenoemde beschadigingen
kunnen zeer groot zijn, doordat niet alleen de nerf ruw is geworden, maar ook vaak
zelfs ringvormige scheurtjes zijn ontstaan op één van de meeste waardevolle delen
van deze vellen. Deze beschadigingen komen het sterkst tot uiting, indien, zoals bij dc
dure leersoorten, slechts weinig dekverf wordt gebruikt op het met anilineverfstoffen
voorgeverfde leer. Soms zijn dc schuurplaatsen in de hals diep en geïnfecteerd, waarbij
verzweringen optreden. De hieruit ontstane vergroeiingen zijn later op het leer zeer
duidelijk zichtbaar en beïnvloeden de leerkwaliteit zeer ongunstig. Alleen een sterk
afschuren van een gedeelte van de nerfdikte over het gehele oppervlak van de huid
kan deze nog geschikt maken voor minder waardevol leer, zoals voor werkschoenen
en dergelijke. Door een betere verzorging van het jonge vee in de stallen zal de kwa-
liteit van deze vellen aanzienlijk kunnen worden verbeterd en zullen ruwgcschuurdc
halsdelen, schrammen en bovengenoemde mestvlekken de Nederlandse vellen niet
meer ontsieren.

De bovengenoemde vormen van schade komen natuuriijk nog veel sterker naar voren
op het leer van de zwaardere huiden, wanneer deze afkomstig zijn van volwassen
dieren, die in de stal zeer slecht verzorgd zijn. Daarnaast komen de laatste tijd ook
veel schrammen voor op de achterbenen, veroorzaakt door het gebruik van onge-
schikte, te puntige tondeuses, waarmede dc achterbenen van het vee bij het op stal
zetten worden behandeld.

d. De weideafrastering.

Een andere bron voor ernstige beschadigingen van dc huid wordt gevormd door dc
dikwijls zeer ondoelmatige afrasteringen van de weiden. Dat is direct duidelijk, wan-
neer men alleen maar de prikkcldraadschade noemt, die jaarlijks voor miljoenen
guldens verloren doet gaan en vaak vele malen groter is dan de hierna nog te no<--
men horzelschade. Het is vaak ergerlijk, hoeveel pijn het dier moet hebben geleden
van de dikwijls diepe etterende prikkeldraadschrammen. Het moet toch mogelijk zijn,
weide-afrastering toe tc passen zonder dat de voor de lederbereiding zo funeste
schrammen op dc huiden ontstaan. Het zal daarbij eveneens nodig zijn de weilanden
te bevrijden van ruwe schuurplaten en heggen met stekels of andere ver uitstekende
puntige voorwerpen.

e. Veetransport.

Ook in verband met het transport van het vee naar markten en slachthuizen kan een
ernstige kwaliteitsvermindering van de huiden optreden. Meestal worden de dieren
ten behoeve van dit transport op cen of andere wijze gemerkt. Het veelal toegepaste
haaruitknippen zal voorzichtig cn met deskundigheid moeten worden uitgevoerd, zo-
dat de nerf van de huiden en vellen niet op het meest waardevolle deel beschadigd
wordt. Soms wordt nog teer gebruikt om het dier tc merken. Deze teer zal in de
zomer, indien het dier langere tijd in de zon staat, gemakkelijk de nerf beschadigen

-ocr page 290-

en wel ook nu weer op het waardevolle deel van de huid. Ook de zweepslagen, die
het onwillige dier tijdens het vervoer krijgt, doen in de nerf vaak bloeduitstortingen
ontstaan, welke later zeer storend werken op de bereiding van naturel plantaardig
gelooid leer, doordat deze plaatsen dan een groenblauwe of groenzwarte kleur krijgen,
veroorzaakt door de reactie van het ijzer in het bloed met de diverse plantaardige
looistoffen.

/. Runderhorzel.

.Als een voorbeeld, waaruit blijkt, dat door goede samenwerking toch wel het één en
ander te bereiken valt, moet hier zeker de runderhorzelbestrijding worden genoemd.
Door de op dat terrein genomen maatregelen is het aantal horzelgaten en vergroeide
horzelbeschadigingen in de huiden sterk teruggelopen. Jammer is het, dat een wer-
kelijk volledig succes op dit gebied zo moeilijk te bereiken is, door de slechte toestand
m de omringende landen cn het als gevolg daarvan overwaaien van de horzels in de
grensgebieden.

g. Onjuiste behandeling bij het slachten.

Dc door de slachter we.gens ondeskundi.ge opening en afdoening van de huiden ver-
oorzaakte kwaliteitsvermindering, komt in Nederland zeer vaak voor, zelfs nog op
de grote en allergrootste abattoirs. Er gaan met deze ondeskundige afcioening in ons
land zeer grote, in de miljoenen lopende bedragen verloren. Het moet echter mogelijk
zijn, hierin op korte termijn een .grondige verandering te brengen, zodat we in dit
opzicht niet behoeven achter te staan bij een land als Denemarken. Voorts rijst de
vraag of het niet mogelijk is op onze abattoirs het vee, zoals dit in de grote Zuid-
amerikaanse vleesfabrieken gebeurt, alvorens het de slachthal wordt binnengebracht,
automatisch te reinigen, waardoor de hygiëne in de .slachthuizen zou worden be-
vorderd en de huiden meer handelswaarde zouden krijgen. Dit laatste, omdat de bac-
teriën zich dan niet zo sterk op de huiden kunnen ontwikkelen met het gevol.g, dat dc
algemene kwaliteit van de huid en het daaruit te maken leer beter blijft en wordt.
Indien de huiden na het doden bovendien vrij van bloed en slijm zouden kunnen
worden .gehouden, zouden de vaak voorkomende bloedvlekken op het leer zeker voor
een groot .gedeelte, zo niet .geheel, verdwijnen. Zodra dc huiden en vellen van de
dieren gehaald zijn, is het aan te bevelen de overtollige vet- en vleesresten van deze
huiden te verwijderen, aan.gezien deze het conserveringsproces van de huiden on-
gunstig beïnvloeden.

h. Het conserveren.

Hierbij komen wij aan het laatste punt van dc kwaliteitsbeïnvloeding, t.w. het con-
serveren. Indien de huiden en vooral de vellen te laat worden geconserveerd, zal voor-
al in de zomer snel sterke bacteriegroei optreden, waardoor haarloosheid en in
een verder stadium zelfs een meer of minder oppcrvlakki.gc aantastin.g van de
huidvezels ontstaan. Het behoeft niet te verwonderen, dat een sterke vermindering
van de kwaliteit van de huid het gevolg is. Het is ncxfi.g, dat de .goed gereinigde
huiden en vellen binnen 2 uur na het afdoen, licht met zout van een bepaalde korrel-
grootte worden bestrooid, zodat een .gedeelte van het vocht en wat in zout water
oplosbare eiwitten uit de huid getrokken worden. De bacteriën worden hierdoor in
hun werking geremd. Na deze eerste behandeling zal dc volgende dag een nabehan-
deling moeten plaats vinden met vers zout, waardoor een verdere ontwatering van
de huiden en de vellen ontstaat, en waarbij de bacteriewerking in de huiden verder
verminderd wordt. Door deze beide behandelingen tezamen worden de huiden en
vellen zover geconserveerd dat deze ca. 6 maanden zonder achteruitgang in kwali-
teit, in goed verzorgde huidenmagazijnen opgeslagen kunnen worden.
Nog al te vaak wordt door de kleine huidenopkopers en huidenzoutcrs, oud en vuil
zout voor de conser\\\'ering gebruikt, hetgeen vooral voor de zeer gevoelige vellen van
nuchtere en vette kalveren zeer grote kwaliteitsvermindering kan veroorzaken door

-ocr page 291-

het optreden van de zo gevreesde zoutvlekjes, welke eigenlijk niet door het zout,
maar door dc verontreinigingen in het oude zout veroorzaakt worden. Door te late
conservering en zouting, ontstaat vooral in de zomer de nog te vaak voorkomende
haarloosheid, waarbij dc nerf in dc ergste gevallen zelfs geheel kan zijn weggevreten,
zodat uit deze huiden slechts minderwaardig leer kan worden gefabriceerd.

Samenvatting.

Wanneer men het bovenstaande nog eens kort samenvat, blijkt daaruit wel zeer dui-
delijk dat goed leer alleen uit een goede huid gemaakt kan worden en dat dit goede
leer dus alleen verkregen kan worden door cen harmonische samenwerking tussen vee-
houders, slachters, conserveerdcrs en lederfabrikanten. Voor de eerste drie vormt de
huid een bijprodukt, maar ondanks dat is de produktie van goede huiden toch ook
in hun voordeel. In elk geval moet de onnodige kwaliteitsvermindering van het be-
langrijke huidenmateriaal, welke het gevolg is van gebrek aan zorg of andere gemak-
kelijk te verbeteren oorzaken, ernstig worden betreurd.

(W. B. van H e r w ij n e n (Lederinstituut T.N.O., Waalwijk) in
Veeteelt- en Zuivelberichten, 6, 245, 1961)).

HET ONTSLUITEN V.\\N GR.A.ANSTRO.
Inleiding.

Het is cen bekend feit, dat zaagsel geen waarde als veevoeder heeft en stro slechts
in geringe mate. Door het zgn. Beckmann-proccdé, dat ca. 40 jaar geleden werd ont-
wikkeld," kan dc voedci-waarde van stroprodukten belangrijk worden verhoogd.

Werkwijze en samenstelling van het behandelde stro.

Het stro — waarop in Noorv/egen dit procédé het meest wordt toegepast — wordt
nadat het met natronloog is behandeld, met veel water uitgewassen. Laat men een
1,5% natronloogoplossing gedurende 12 uur inwerken, dan stijgt dc vertcerbaarheid
van de organische stof tot 70%, terwijl niet meer dan ca.
20% van de droge stof
verloren gaat.

De samenstelling van het op deze manier behandelde stro wijkt niet sterk af van die
van het uitgangsmateriaal. Dc veranderingen in samenstelling zijn veel groter, als
het stro volledig wordt ontsloten. Onderstaande tabel geeft een indruk van dc op-
tredende veranderingen.

Omschrijving Niet behandeld Behandeld Volledig ontsloten

stro stro stro

ruw eiwit 3,6% 2,9% 0,6%

ruw vet 1,4% 1,5% 0,2%

N vrije extracticf-stoffcn 43,7% 37,1% 26,0%

ruwe celstof 45,7% 53,5% 76,8%

as 5,6% 5,0% 2,4%

Het behandelde stro heeft cen ds-gehaltc van 15-18%.

Dc verteerbaarheid.

De verteerbaarheid werd in en ook na dc 2e wercldooriog herhaaldelijk met behulp
van hamels vastgesteld. Daarbij is gebleken dat dc verteringscoëfficiënt van dc orga-
nische stof met ca. 25 eenheden stijgt, nl. van 42 tot 66 a 68. Voederproeven met
melkvee hebben aangetoond, dat dc zetmeelwaarde (afgeleid uit vocdercenhcden)
van behandeld stro bij 18% ds 8 en bij 15% ds 7,7 is.

Onder Noorse omstandigheden blijkt 15-16 kg behandeld stro — cen hoeveelheid die
in de praktijk wel aan melkvee verstrekt wordt — 2 a 2,5 kg hooi en 10 kg voeder-
bieten met een laag drogestofgehalte te kunnen vervangen. Aan jongvee geeft rnen
8-12 kg, aan mestvee 20-25 kg en aan schapen 2 kg.

Over het algemeen wordt het behandelde stro door dc dieren graag opgenomen, al
kan het gewenst zijn, om het vee cr geleidelijk aan tc wennen. Bevat het behandelde
stro meer dan 7,5 natronloog per kg, dan is er kans op spijsverteringsstoornissen.

-ocr page 292-

Kosten.

De stro-ontsluiting wordt zowel op de boerderij als op coöperatie grondslag toege-
past, waarbij gemiddeld resp. enkele honderden kilogrammen en 8 a 10 ton droog stro
kan worden verwerkt.

Op de boerderij bedragen de kosten per voedereenheid ongeveer 10,5 cent, terwijl
deze bij de coöperatie-installades 16 cent zijn. De voederwaarde neemt per\' 100 kg
stro met 21 kg zetmeelwaarde toe.

■Slotopmerking.

Het ontsluiten van graanstro heeft in Noorwegen gedurende de laatste jaren een
steeds grotere uitbreiding verkregen en is mede toe te schrijven aan de omstandig-
heid, dat aldus beschikt kan worden over grotere hoeveelheden saprijk voeder. Ver-
der heeft de ervaring uitgewezen, dat droge zomers bevorderend hebben gewerkt
voor het tot stand kom.en van de genoemde installaties. In de winter van 1954/\'55
werd voor stro-ontsluiting rond 2400 ton natronloog verbruikt en gedurende de winter
van 1959./\'60 was dit kwantum aanzienlijk hoger. Voor het toepassen van dit procédé
is het noodzakelijk, dat over ruime hoeveelheden water kan worden beschikt.
Hoewel deze methode van voederwinning voor de Nederlandse omstandigheden slechts
zeer geringe perspectieven biedt, is zij toch voldoende belangwekkend om er nota
van tc nemen.

(Ir. S. Sybesma in Veeteelt- en Zuivelberichten, V, 81, (1962))

J.AARVERSLAG VAN DE PRODUCTION DIVISION VAN DE MILK MARKE-
TING BOARD VOOR ENGELAND EN WALES. THAMES DITTON 1960/\'61.

Evenals de voorgaande keren is Dr. J o s e p h E d w a r d s, het hoofd van de afdeling
produktie van de M.M.B. er ook deze elfde keer in geslaagd een interessant jaar-
verslag op te stellen, dat vergeleken bij talloze „soortgenoten" opvalt zowel door zijn
geslaagde opmaak als door zijn prettige leesbaarheid.

Als men deze verslagen geregeld ieder jaar bestudeert blijft men op de hoogte van
de ontwikkeling in de rundveehouderij in Engeland en Wales, omdat ze naast de
betekenis van allerlei activiteiten van de Production Division ook steeds weer de uit-
komsten van een aantal onderzoekingen vermeldt die onder auspiciën van de M.M.B.
zijn genomen. Het zou te veel plaatsruimte en tijd vragen een en ander volledig te
verslaan. De belangstellende lezer moet dus naar het oorspronkelijke verslag worden
verwezen^ Voor de minder geïnteresseerde volgen hieronder enkele bijzonderheden^
De totale melkproduktie bevindt zich momenteel op een recordhoogte van ca. 9 mil-
joen ton per jaar. Dit hoogte-record is zowel te danken aan een stijging van de ge-
middelde melkproduktie per koe als aan een toename van het aantal koeien die tol
de zuivere melkrassen worden gerekend. Tot deze laatste behoren ook dc British
Friesians die momenteel meer dan 50% van de melkproducerende rassen (Dairy
breeds plus Dual Purpose breeds) uitmaken. Daarnaast zijn er nog 20% vlees-
runderen.

Nog 2% van de koeien worden met de hand, de rest wordt machinaal gemolken.
De K.I. heeft zich wederom met 3% uitgebreid en wordt thans toegepast bij ruim
70% van de veestapel. Grote bedrijven passen meer natuurlijke dekking toe dan
kleine bedrijven.

De kostprijs van de melk ligt ongeveer bij 30 cent per kg, de opbrengst prijs bij
38 cent. Bijna 50 duizend koeien werden met diepvrieszaad behandeld. Het per-
centage non-returns bedroeg na deze behandeling 65.6% (bij normale K.I. 75.7%).
Het krachtvoerverbruik bedroeg ruim 1100 kg per koe per jaar. De kwaliteit van
stierezaad na diepvriezen was bij gebruik van een melkverdunner beter dan wan-
neer met eigeelverdunner was gewerkt en bevriezen in vloeibare lucht leek iets betere
resultaten te geven dan bevriezen bij —79° met koolzuur.

Th. de Groot.

-ocr page 293-

CONGRESSEN

WORLD VETERINARY ASSOCFATION.

17e Wereld Diergeneeskundig Congres, Hannover 1963.

Tijdens dit congres, te houden van 14-21 augustus 1963, zal een internationale
industriële tentoonstelling worden gehouden, welke in dezelfde gebouwen zal wor-
den opgezet als waarin de plenaire zittingen zullen worden gehouden.
Exposerende firma\'s krijgen dan de gelegenheid hun produkten te tonen aan dieren-
artsen, afkomstig van de hele wereld: terwijl de catalogus hun een inzicht zal bicden
van de meest belangrijke firrua\'s op hun gebied.

Aanvragen voor de algemene reglementen voor deze tentoonstelling zijn te verkrijgen
bii het secretariaat van de Maatschappij voor Diergeneeskunde of rechtstreeks bij:
Vorbereitungsbüro des XVH Welt-Tierärztekongresses, Hannover, Hans Böckler
Allee 16, RB.R.

VERENIGING „HET NED. LANDHUISHOUDKUNDIG CONGRES".
109e Landhuishoudkundig Congres.

Het Bestuur maakt bekend dat dit congres zal worden gehouden op 20 en 21 septem-
ber a.s. in het City Theater, Lange Delft 12, Middelburg.

Programma:

20 september, 14.00 uur.

Ir. A. M. Geuze: Dc agrarische structuurpolitiek in Z.W.-Nederland.
Drs. M. C. Verburg: Problemen van de economische expansie in Z.W.-
Nederland.

21 september, 9.00 uur.

Dr. C. de Gal an: Sociaal-economische aanpassing aan structurele verande-
ringen ten plattclande in Z.W.-Nederland.

Ir. J. Prins: Sociaal-economische aanpassing ten plattclande in de praktijk.
Mft het oog op het tc bespreken logies is het gewenst zich zo spoedig mogelijk op
te geven en wel uiterlijk 10 september a.s. bij de secretaris, p/a
Kon. Nederlandsch
Landbouw Comité, Oranjebuitensingel 17, Den Haag
(tel. 070-85 93 08).

INTERNATIONALE WEEK VAN DE LANDBOUW.

Te Brussel zal van 1-9 september a.s. in de Ecuwfeestpalcizen cen Internationale
Week van dc Landbouw worden gehouden, georganiseerd door de Unie der expo-
santen van materiëlen en produkten voor de Landbouw V.Z.W., alwaar naast een
Internationaal Congres voor Tuinbouw cen „permanente tentoonstelling voor het
fokken" en nationale „fokwedstrijden" zullen worden gehouden, alsmede een uitge-
breide tentoonstelling van landbouwwerktuigen en tuinbouwwcrktuigen zal worden
georganiseerd.

Voor nadere inlichtingen wende men zich tot het secretariaat van de Internationale
Week van de Landbouw,
p/a Internationale foor van Brussel, Eeuwjeestpaleizen,
Brussel.

-ocr page 294-

MEDEDELINGEN

Van de Veearfsenijkundige Dienst

PULLORUM-.AJSITIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 89, geproduceerd door Laboratoria Nobilis
N.V. te Boxmeer, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien door de Directeur van
de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 1-3-1963.

STAAT VAN DE GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN IN
NEDERL.\\ND VOORGEKOMEN GEDURENDE DE M.AAND JULI 1962.\'
De getallen geven het aantal veebeslagen aan.

c
t)
a
rt
JZ

c

CJ

a.

Provincie

-Q c

ï =
J3 OJ
O -i!

a

3

V.

T O

O -a

T3 a

cx ^

3 IJ c

■s .S c:^

M -n

< 3

Groningen

Drenthe

Friesland

—.

Overijssel

Gelderland

46

Utrecht

2

Noordholland

Zuidholland

Zeeland

.N\'oordbrabant

25

Limburg

21

Tot. V. h. Rijk

94

3

4
9
2
8
2
2
2

32

■ 3

Veepest (pestis bovina), longziekte der runderen (pleuropneumonia contagiosa bo-
vum), hondsdolheid (lyssa), schaapspokken (variola ovina) en kwade droes (malleus)
zijn in Nederland resp. sedert 1869, 1887, 1923, 1893 en 1927 niet voorgekomen.

DOORLOPENDE AGENDA

1962

September,

1, Reünie oud-leden „Absyrtus". (pag. 927)
U -9, Internationale Week van de Landbouw, Brussel, (pag. 1161)

4, Centrale Fokveedag Bommelerwaard, Kerkwijk.

4- -8, European Society of Professors of Veterinary Surgery. Intern. Congres,
Utrecht, (pag. 1060)

5, Fokveedag F.H.-veeslag. Ommen.

7, Fokveedag M.R.IJ.-veeslag, Neer (L.).
7, Centrale schapenfokdag voor Gelderland, Zutphen.
7— 8, Nat. paardenshow Utrecht V.L.N., N.W.P. en Ned. Shetl. P.S. Utrecht.

"^t^L\'iiinji\'csi \'\'lUaaJ.sc/iappif uoo\'/ \'iï)ifi(jeiieesiziiii(lc\'

(pag. 764, 1386 (I960)); (pag. 145,\'294, 874, 1667 (1961)); (pa?. 66,
133, 205, 284, 362, 438, 515, 587, 661, 728, 791, 873, 1006 1062, no.5,
1164) . . , , .

-ocr page 295-

14—15, Trekpaardtentoonstelling K.V.N.T. \'s-Hertogenbosch.

15, Fokveedag F.H.-veeslag. Delft,

16—23, British Veterinary Association. Jaarlijks Congres, Scarborough, (pag.
869, 874)

18, Fokveedag F.H.-vccslag, Kampen.

19, Fokveedag M.R.IJ.-veeslag, Deventer.

19, Keuring fokvee v. d. lichte grond, Bcetsterzwaag.

19, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Assen.

20, Fokveedag F.H.-vccslag, Valkenburg.

21, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Vebo, Leiden.
21, Fokveedag F.H.- en G.-veeslag. Leiden.

21—23, Union Vétérinaire Beige. Jaarlijks Congres, Spa.

23—30, I.S.F.A. XlVe Internationaal congres, Warschau, (pag. 939)

24—26, World Veterinary Poultry Association, 2e Int. Conferentie, Cambridge.
(pag. 203)

26, Afdeling Gelderland M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Hotel Royal,
Arnhem, (pag. 1007)

26, Fokveedag F.H.-vceslag, Zutphen.

27, Fokveedag M.R.IJ.-vccslag, Cuijk.

28, Gecombineerde fokveedag Z.-Holland, Utrecht en N.-Brabant, F.H.-
vceslag, Utrecht.

28, Fokveedag M.R.IJ.-vccslag, Barchem.

29, Genootschap voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, St. Niklaas, 10.00 uur.

Oktober,

2, Centrale fokveedag Noord-Brabant, M.R.IJ.-vccslag, \'s-Hertogenbosch.

2, Afd. Utrecht M.v.D, Ledenvergadering, 20.00 uur, Caf.-Restaurant
Vredenburg, Utrecht, (pag. 1167)

3, Fokveedag, F.H.-vceslag, Zelhem.

3, Najaarsstierenkeuring F.R.S., Leeuwarden.

4, Produktiekeuring vrouwelijk vee, Sneek.

6, Afdeling Groningen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur.
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)
6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim,
(pag. 130, 869)

10, Afdeling Zuid-Holland M.v.D. Algemene ledenvergadering, Muranozaal,
Beurscafé/Restaurant, Rotterdam, (pag. 1007)

16, Nederlandse Genetische Vereniging. Symposium over fokmethoden.
Utrecht, (pag. 1170)

17, Fokveedag F.H.-vceslag, Hoornaar.

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5e Voorlichtingsdag.

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e Algemene Vtrgadfring. (pag.
663)

2^1-26 ^ie-Kjene^skitiuliqe Stucleiiteiilirinq; 6e SHitsi\'dini

(pag. 1008) \'

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004)

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannovei.
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 296-

Maatschappij
voor

Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde,

Eeeuwfeest 1962.

LAATSTE MEDEDELINGEN.

Dit is de 22e officiële publikatie over het Eeuwfeest, maar dan
ook de laatste. Als de volgende aflevering van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde verschijnt, is de feestelijke herdenking
van het 100-jarig bestaan van de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde al weer voorbij.
Wilt U deze laatste mededelingen nog even aandachtig door-
lezen?

PROGRAMMAWIJZIGING.

Binnenzijde vooromslag: Aan de Eeuwfeestviering en het fotboek (Diergenees-
kunde nu) dragen ook nog bij:
N.V. Aigin, \'s-Gravenhage,

Imperial Chemical Industries (Holland) N.V., Rotterdam.
Deze firma\'s nemen niet deel aan de tentoonstelling in de Blauwe Zaal van
Esplanade; evenmin doen dit:
Laboratoria Nobilis N.V., Boxmeer,
Verapharm N.V., Meppel.
Bladz. 14: 1. De Olympische dressuurproef zal worden gereden door de Heer
F. Rochowansky en niet door Mevrouw F. Benedictus-Liefting.
2. De
voltigegroep komt uit de Reitschule te Elmshorn (W.-
Deutschland).

Bladz. 19: 3, Het telefoonnummer van Schouwburg en Esplanade te Utrecht
dient te worden veranderd in
030-21088 (no. 19531 vervalt dus).

INSCHRIJVING.

1. De deelname is zo groot, dat het Eeuwfeestcomité niet aan alle aanvragen kan
voldoen. In het bijzonder de beide openingen van de tentoonstellingen op
woensdag en de puzzelrit op vrijdag zijn overtekend.

De inschrijvers voor de beide openingen zullen verdeeld worden, zodat zij
maar naar één expositie-opening kunnen gaan. Dit verklaart waarom U niet
kaarten voor beide openingen toegezonden krijgt.

2. Indien U door omstandigheden nog niet hebt ingeschreven, dan kunt U dit,
behalve voor de maaltijden, alsnog doen, doch
zonder te gireren. De bestelde
kaarten dient U dan aan de
inlichtingburcaux (programmaboekje blz. 19)
tegen
contante betaling op te halen.

RECEPTIE.

De receptie in het Groot-Auditorium wordt uitermate druk. Reeds hebben zich
750 personen voor de Herdenkingsplechtigheid opgegeven! Het H.B. heeft de
officiële genodigden dan ook verzocht
geen toespraken te houden tijdens de re-
ceptie.

Aangezien het Eeuwfeest niet alleen het Hoofdbestuur, maar alle leden van de
Maatschappij betreft, is het
niet noodzakelijk, dat de collegae en hun gevolg het

-ocr page 297-

H.B. tijdens de receptie de hand drukken. In verband met de tijdnood is het zelfs
te hopen, dat zij het niet doen (een goed verstaander heeft aan een half woord
genoeg). Alleen tot de vertegenwoordigers van de
Afdelingen en Groepen richt
zich bovenstaande suggestie niet.

KLEDINGADVIES.

Het kledingadvies, waarvoor wij U verwijzen naar de afleveringen van 1 juni en
15 juli 1962 van het Tijdschrift, zal bovendien aan de deelnemers van het feest
tegelijk met de toegangskaarten worden aangeboden.

VESTIAIRE.

In de garderobe van Tivoli (Galaconcert, woensdagavond) is Uw vestiaire reeds
betaald, hetgeen ook het geval is in de garderobe van de Stadsschouwburg
(A.B.C.-cabaret, donderdagavond).

FOTOBOEK.

Tijdens het Feest zullen aan de inliehtingenbureaux fotoboeken tegen contante
betaling verkrijgbaar zijn. De bestelde boeken zullen vóór 8 september
verzonden
worden. Wanneer U het bestelde boek vóór het Eeuwfeest nog niet ontvangen
hebt, gelieve U de Heer G. Lokum hiervan bericht te geven (Prov. Gezondheids-
dienst Z.-Holland, Kazernestraat 6, Gouda).

BUITENLANDSE LEDEN.

Zij vormen de groep, welke niet of nauwelijks in de gelegenheid is om aan de
feestelijkheden deel te nemen. Teneinde hen duidelijk te maken, dat zij geen „ver-
geten groep" vormen, zal het Comité hen allen een gratis fotoboek „Diergenees-
kunde nü" toesturen, als teken van
verbondenheid met hen. In het Jubileum-
nummer van het Tijdschrift, is bovendien een artikel aan hen gewijd.
Op deze plaats wil het Eeuwfeestcomité hen allen groeten en hen verzekeren, dat
het Feest nog aantrekkelijker zou worden, wanneer
zij aanwezig hadden kunnen
zijn.
„Vive le corps vétérinaire".

TENTOONSTELLINGEN.

Vergeet U niet deze te bezoeken; zij zijn de moeite waard. Tijdens de kunst-
tentoonstelling bestaat de mogelijkheid werken aan te kopen.

VAN HET BUREAU

Notulen van dc 108e Buitengewone Algemene l.edenvergadering, gehouden op
12 juli 1962 te Utrecht.

1. Opening.

In zijn opening-swoord, waarbij alle aanwezigen welkom worden geheten, maakt de
voorzitter melding van de ziekte van de secretaris van de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde. Hij declt mee dat de toestand van collega De Haan langzaam verbetert
en spreekt de hoop uit dat hij spoedig weer in ons midden zal kunnen zijn,

2. Verkiezing van een lid van de notulencommissie.

Tot lid van de notulencommissie wordt collega M, Visser benoemd, die deze be-
noeming aanvaardt.

3. Ingekomen stukken.

Op verzoek van de voorzitter deelt de wnd, secretaris mee, dat de ingekomen stukken
uitsluitend bestaan uit de uit de afdelingen afkomstige berichten omtrent de in de

-ocr page 298-

afdelingsvcrgadcringcn gehouden stemmingen over de benoeming van ereleden en
corresponderende leden van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

4. Mededelingen.

De voorzitter doet de vergadering, bezocht door 38 leden, mededeling van verschil-
lende activiteiten, welke direct verband houden met het Eeuwfeest der Maatschappij
en noemt hierbij o.m. het werk van het Eeuwfeest-comité en haar subcommissies, dc
uitgave van het fotoboek, waarvan reeds omstreeks 900 exemplaren werden besteld
en enkele andere bijzonderheden.

Naar aanleiding van een opmerking van collega Hoenderken dat in de afdeling
Groningen-Drenthe men zich heeft gerealiseerd, dat de wijze van het benoemen van
Ereleden niet aan bepaalde normen voldeed, antwoordt de voorzitter dat deze aan-
gelegenheid een punt van bespreking zal uitmaken op de c.v. Hoofdbcstuursvergadc-
ring en mogelijk hieruit cen voorstel zal resulteren.

5. Benoeming van Ereleden.

6. Benoeming van corresponderende leden.

Alvorens hiertoe over te gaan wordt een stembureau samengesteld, bestaande uit de
collegae:

Dr. J. Bouw (Bennekom),
J. S. van der Kamp (Haren),
J. W. Kloosterboer (Olst).
Nadat in besloten vergadering de stemming heeft plaats gevonden, deelt dc voor-
zitter mee, dat alle door het Hoofdbestuur, in overleg met het Algemeen Bestuur,
voorgestelde personen tot Erelid resp. corresponderend lid der Maatschappij voor
Diergeneeskunde zijn benoemd, dat hun dit zal worden bericht cn dat hun installatie
zal plaats hebben op donderdag 13 september a.s. te 10.00 uur.

7. Rondvraag en sluiting.

Nadat de voorzitter heeft meegedeeld, dat de vraagstellers ook kwesties, die buiten
de betreffende agendapunten dezer vergadering vallen, aan de orde kunnen stellen,
wordt van de rondvraag gebruik gemaakt door:

Collega Wouda, die de vraag stelt hoe het met het mond- en klauwzeer onder de
varkens staat.

Collega Kraai beantwoordt deze vraag met de mededeling dat het aantal .gevallen
in Limburg en Noord-Brabant sterk is geslonken van 1-3 aangiften per week, maar
dat zich rondom Ede nog steeds 15-20 gevallen voordoen, omdat ziektegevallen door
de eigenaar worden verzwegen. Bij cen intensieve opsporingsactie werden 3 niet ge-
melde gevallen ontdekt.

De door de handel zo begeerde bewegingsvrijheid kon daarom nog niet worden ge-
realiseerd; een beroep wordt gedaan op uiterste diligentie van de zijde der dieren-
artsen, die overigens reeds uitstekend werk verrichtten.

Prof. Wagenaar, die onder grote bijval voorstelt collega De Haan namens dc ver-
gadering de beste wensen voor een spoedig herstel te doen toekomen en hem een
geschenk (boekenbon) aan te bieden.

Collega Scheijmans, die zijn grote bezorgdheid tc kennen geeft over het feit, dat
de minister toestemming heeft gegeven om furoxone aan dierlijke voedingsmiddelen
toe te voegen. Daar de meelfabrikanten furoxone tegen lagere prijs kunnen betrekken
dan dc dierenartsen, ondervinden de dierenartsen in Limburg hiervan grote last.
Hij vraagt hoe de situatie thans is.

De voorzitter deelt hierop mede, dat hem van een ministeriële beslissing hieromtrent
niets bekend is. Overigens gaat het ook niet om furoxone door het mengvoeder, maar
om furoxone in preventieve dosering door kunstmelkprodukten. Furoxone is boven-
dien niet alleen bij de vccvoedcrhandel aanwezig, doch dit preparaat is
overal tc

-ocr page 299-

krijgen, evenals zo vele andere diergeneesmiddelen. Slechts een goede diergenees-
middelenwet, die absoluut noodzakelijk is, en waarnaar wij reikhalzend uitzien, kan
aan deze wantoestand een einde maken.

Op een vraag van collega Scheijmans of er controle op dierlijke voedingsmiddelen
bestaat, antwoordt de voorzitter dat deze controle wordt verricht o.m, door de
•A.I.D. en het chemisch en bacteriologisch onderzoek plaatsvindt in het Rijksland-
bouwproefstation voor meststoffen- en veevoederonderzoek te Maastricht.

Niets meer aan de orde zijnde, sluit de voorzitter de vergadering om 16,00 uur onder
dankzegging voor aller aanwezigheid.

Aldus goedgekeurd en vastgesteld door de Notulencommissie:

Utrecht,27 juli 1962 w.g, L. S. B. G. H. Harmsen (wnd, secretaris)
Bockel, 27 juli 1962 w.g,
M. Visser (lid Notulencommissie).

Toezending van de bijlagen van het „Mantelcontract".

Onlangs werd aan de leden van de Maatschappij voor Diergeneeskunde toegezonden
een exemplaar van het ontwerp-Rcglement betreffende de deelneming dcxjr dieren-
artsen aan de door de gezondheidsdiensten voor dieren georganiseerde bestrijding van
dierziekten en de daarbij behorende toelichting, alsmede het overzicht van de wijzi-
gingsvoorstellen van de directeuren van de gezondheidsdiensten.

De bij het Reglement behorende bijlagen I, II, III en IV, welke niet bij de boven-
genoemde stukken waren gevoegd, zullen u alsnog ten spoedigste worden nagezonden.
Deze bijlagen houden het volgende in:

bijlage I — model bereidverklaring veterinair-tcchnische werkzaamheden;
bijlage II •— model bereidverklaring administratieve werkzaamheden;
(bijlagen I en II dienen ter ondertekening door de dierenarts)
bijlage III — mode aanvraagformulier ter verkrijging van verklaringen;
bijlage IV — model machtigingskaart voor het aanvragen en in ontvangst nemen
van verklaringen;

(bijlagen III en IV dienen ter ondertekening door de veehouder (en/of gemachtigde)).

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Utrecht.

De afdeling Utrecht van de Maatschappij voor Diergeneeskunde zal zijn eerstvolgende
ledenvergadering houden op
dinsdag 2 oktober a.s. om 20,00 uur in Café-Restaurant
Vredenburg
te Utrecht.

VAN DE GROEPEN

Groep Directeuren van Vlee.skeunngsdiensten.

Jaarverslag 1961.

Leden,

Op 1 januari 1961 telde de vereniging 135 leden en 54 buitengewone leden. Door
de dood ontvielen de Groep 2 leden en 1 buitengewoon lid, t.w, de collegae A, J, M.
van Drimmelen, Dr. M. J, Mol en Dr, W, Huisman,

Ook dient op deze plaats te worden vermeld het overlijden van Dr, S, G. Zwart,
die tijdens zijn actieve diensttijd steeds dc vergaderingen bezocht en de vereniging
met hart en ziel was toegewijd.

Twee leden bedankten wegens verandering van werkkring en 5 leden wegens het
bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Twee buitengewone leden zegden het
lidmaatschap op.

Elf collegae traden toe als lid en 9 als buitengewoon lid. Van deze laatste waren
4 van de 5 leden die wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd be-
dankten,

-ocr page 300-

Door deze mutaties was aan het einde van het jaar 1961 het aantal gewone leden
138 en het aantal buitengewone leden 60.

Het erelid, coli. D. van derVeen te Oudewater vierde zijn 50-jarig dierenarts-
jubileum. De collegae A. H i b ni a (Leeuwarden), G, A. R. Nieuhoff (Vriezen-
veen), Dr. R. van Santen (Nijmegen), C. H. Schieven (Laag-Keppel),
C. T
O 1 h O e k (Meppel) enH. T. vanderVeen (Amersfoort) herdachten hun
40-jarig dierenarts-jubileum, terwijl de Heer Veterinair Hoofdinspecteur van de
Volksgezondheid coli.
J. M. vandenBorn, J. H. HogenEsch (Zuid-Laren),
K. B. M. Koelman (Heerlen) en P.
J. N. K o o m e n (Kerkrade) hun 25-jarig
jubileum als dierenarts mochten beleven.

Voorts herdacht coli. H. C. H. S u ij k e r b u ij k de dag dat hij 25 jaar aan het
abattoir te Bergen op Zoom was verbonden.

Coli. Dr. W. C. Rosmalen en coli. T. T. van der Veen werden benoemd
tot Officier in de Orde van Oranje Nassau en coli.
J. J. F e d d e m a tot Ridder in
de Orde van Oranje Nassau.

De collegae C. J. vanNie en W. Sybesma promoveerden tot doctor in de dier-
geneeskunde.

Ledenvergaderingen.

Er werden 4 ledenvergaderingen gehouden, waarvan 3 te Utrecht en één te Schoon-
hoven.

De eerste vergadering werd gehouden op 4 februari te Utrecht. Aanwezig waren
59 leden, 16 buitengewone leden en 4 gasten. Dr. G. D. Hemmes hield een voor-
dracht over Echinococcosis in Nederland. Tijdens deze vergadering werd nogal veel
gediscussieerd over de komende vrije zaterdag-problemen.

Bij het verslag van deze vergadering werd op verzoek van de leden toegevoegd het
antwoord aan de Heer Veterinair Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid op een
tweetal vragen door de Groep gesteld inzake het onderzoek van kadavers op besmet-
telijke ziekten en inzake de verkoop van vlees, afkomstig van gezinsslachungen.

De tweede ledenvergadering, tevens huishoudelijke vergadering, had plaats op 15
april te Utrecht. Aanwezig waren 58 leden, 17 buitengewone leden en 3 genodigden.
Vertoond werd de film: Vleeskeuring in Amerika. Inspecteur A n e m a e t, die de
film introduceerde, hield een voorwoord en beantwoordde de gestelde vragen.
De secretaris en de penningmeester brachten hun jaarverslag uit. De kascommissie,
bestaande uit de collegae Westerhof en Wouters, had boeken en bescheiden
.gecontroleerd en keurig in orde bevonden: het batig saldo bedroeg ƒ 1.117,89. Tot
leden van de kascommissie 1961 werden benoemd coli. Mc lessen (Zaandam) en
coli. N a a f s (Beverwijk).

In plaats van de aftredende en niet herkiesbare bestuursleden Dr. S. T. H o f s t r a
en W. H. E e n i n k werden op voorstel van het bestuur benoemd coli. D. F r i e 1 i n g
te Kampen (secretaris) en coli. K. van de Poel te Brielle (lid).
De voorzitter dankte de afgetreden bestuursleden en wel speciaal de secretaris voor
het vele werk, gedurende hun zittingsperiode in het belang van de Groep verricht.
Om praktische redenen zal coli. Dr. S. T. H o f s t r a de indeling van de cursus
nog blijven verzorgen.

De 3e vergadering had plaats op 10 juni in Restaurant Lekzicht tc Schoonhoven.
Aanwezig waren 28 leden, 5 buitengewone leden en 2 gasten.

Dc\'ze vergadering duurde slechts kort; er was een excursie met de dames aan ver-
bonden. Na de lunch, waaraan de dames de glans moesten geven, werden de beziens-
waardigheden bekeken van dit pittoreske stadje, waaraan het zilver de glans geeft.

De 4e vergadering werd gehouden op 9 december te Utrecht. Aanwezig waren 46
leden, 15 buitengewone leden en 1 gast.

Dr. W. Sybesma hield een voordracht over de betekenis van de bijnier voor de
vleeskeuring, waarop een levendige discussie volgde.

-ocr page 301-

Verder werden cen viertal ingekomen brieven van leden behandeld. De onderwerpen,
waarop deze betrekking hadden, waren: de gemeentelijke verordeningen in verband
met de vrije zaterdag, tetanus en tetanusvaccinatie, personeelsuitbreiding in verband
met meerdere werkzaamheden en bedenkingen tegen de ophopingsmethode voor het
opsporen van Salmonella-bacteriën. Vooral deze laatste brief, afkomsdg van coli.
De Vries (Leeuwarden) gaf veel stof voor cen levendig gesprek.

Bestuur.

Het bestuur is thans als volgt samengesteld:
Dr. A. W. A. Bos, Waalwijk, voorzitter;
D. Frieling, Kampen, secretaris;
G. Hoogstraten, Amstelveen, penningmeester;
K.
V. d. Poel, Brielle, lid;
A. H. P.
V. d. Put, Geleen, lid;
Dr. D. M. Hoogland, De Bilt, cre-voorzitter;
D.
V. d. Veen, Oudewater, erelid;

M. Karsemeijer, Alphen a.d. Rijn, erelid, tevens adviseur;

J. J. Ooms, Tilburg, afgevaardigde in het algemeen bestuur van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde.
Er werden 3 bestuursvergaderingen gehouden. De bestuursverkiezing had plaats op
15 april.

De verhouding van de Groep t. o. v. officiële instanties en
andere verenigingen.

Ook dit jaar was de verstandhouding met de Veterinaire Hoofdinspectie weer bij-
zonder goed. Namens de Heer Veterinair Hoofdinspecteur woonde Dr. J. M. van
Vloten alle vergaderingen bij. Het bestuur stelt de aanwezigheid van een ver-
tegenwoordiger van dc Veterinaire Hoofdinspectie steeds op hoge prijs; het bevordert
dc coördinatie — en — het is gemakkelijk wanneer eens lastige vragen worden ge-
steld vanuit de vergadering.

Tweemaal was een deputatie van het bestuur — tezamen met een deputatie van de
Vereniging van Slachthuisdirecteuren — aanwezig bij een bespreking ten burele van
de Heer Veterinaire Hoofdinspecteur over diverse vraagstukken, terwijl één keer
advies werd uitgebracht over het ontwerp tot wijziging van de vleeskeuringswet.
Dc relatie Groep - Maatschappij voor Diergeneeskunde was vanzelfsprekend ook zeer
goed. Dc voorzitter der Maatschappij, tevens erelid en adviseur der Groep woonde
alle leden- en twee bestuursvergaderingen bij, de secretaris der Maatschappij enkele
ledenvergaderingen.

Op verzoek van het Hoofdbestuur van de Maatschappij voor Diergeneeskunde werd
het rapport inzake opleiding van kcuringsdierenartsen in het bestuur behandeld en
van commentaar voorzien.

De verhouding tot de Vereniging van Slachthuisdirecteuren kwam tot uiting in de
eerste gecombineerde vergadering van beide verenigingen op 14 september. De or-
ganisatie van deze vergadering, die het karakter droeg van een voorlichtingsdag, was
aan de Groep toevertrouwd.

Dr. E. H. Kampelmacher sprak over het bacteriolo.gisch onderzock van slacht-
dieren, behandeld met antibiotica (gepubliceerd in Tijdschr. v. Diergeneesk., 1962,
blz. 16), coli. J. van Vloten over „Enzoötische leucose" en Ir. A. J. Ophof
over „Ratten en rattenbestrijding". In alle opzichten was deze dag bijzonder ge-
slaagd, bijna 100 personen waren aanwezig.

Prof. Dr. J. H. J. van Gils en Dr. E. H. Kampelmacher woonden bijna
steeds de vergaderingen bij en gaven in voorkomende gevallen waardevolle adviezen.

Vertegenwoordigingen.

De Groep was vertegenwoordigd bij de opening van het nieuwe laboratorium van het
slachthuis te Groningen en bij de promotie van coli. C. J. van Nie.

-ocr page 302-

Nabeschouwing.

Uit het ledental blijkt dat de vereniging nog steeds groeiende is. Moge zij ook blijven
bloeien.

D. Frieling, secretaris.

Groep Kunstmatige Inseminatie en Zootechniek.

Symposium over fokmethoden.

Dc Nederlandse Genetische Vereniging stelde ons in kennis met het plan op 16 ok-
tober 1962
tc Utrecht een Symposium over Fokmethoden in de dierhouderij te
houden.

Het programma is als volgt ingedeeld:
10.00 uur: Opening door de voorzitter.

10.1.5 uur: Inleiding door de discussieleider de heer J. H. van der Veen.
Fokmethoden m.b.t. de teelt van laboratoriumdieren.

10.30 uur: Het standpunt van de vermeerderaar door de heer J C J van Vliet
10.50 uur: Selectiemethoden, door mejuffrouw \\ K Krcmcr
11.10 uur: Discussie.

Fokmethoden m.b.t. de pluimveeteelt.

11.30 uur: Het standpunt van de practicus, door dc heer D. C. Hcijboer.

11.50 uur: Selectiemethoden, door dc heer B. A. J. Molenaar.

12.10 uur: Discussie.

12.30 uur: Lunchpauze lot 14.00 uur.

Fokmethoden m.b.t. de varkensteelt.

14.00 uur: Stamboekwezen en sclecticmesterij, door de heer IJ. Kroes.
14.20 uur: Selectiemethoden, door de heer D. Minkema.
14.40 uur: Discussie.

Fokmethoden m.b.t. de rundveeteelt.

15.00 uur: Het standpunt van het stamboekwezen, door de heer R, D. Politiek.
15.20 uur: Dc mogelijkheden van dc kunstmatige inseminatie door de heer S. W. J.

van Dieten.
15.40 uur: Discussie.
16.00 uur: Generale discussie.
16.30 uur: Samenvatting door de discussieleider.
16.45 uur: Sluiting door dc voorzitter.

Indien cr leden van onze .groep zijn die er prijs op stellen een uitnodiging voor dit
Symposium te ontvan.gen, zou ik huTvan .gaarne bericht hebben binnen cen week na
het verschijnen van dit tijdschrift. Uw naam zal dan doorge.gcven worden aan dc
betreffende instanties.

De Secretaris Groep K.I. en Zootechniek
V. d. Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Dr. ]. M. Dijkstra.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de volgende collegae aangenomen als leden van de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde:

J. S. Ariëns, Akkerstraat 36, Ulvenhout.
G. Reyngoud, Leeuweriklaan 20, Riethoven.
R. Veen, Hcmstcrhuisstraat 26, Amsterdam.

-ocr page 303-

Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige student L. J. Huitema, Jansveld 35 bis,
Utrecht, aangenomen als kandidaatlid van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Bakema R T-, te Zuidlarcn, naar Hondsrugstraat 16, aldaar, tel. (05905) 15 61.

(142)

Diik T B van, van Bilthoven naar Rozenburg, Clematislaan 1, tel. (01889) 680.

(153)

Hilwig, F. J., te Heusden, tel. en gr. te wijzigen in resp, (04162) 220 (b.g.g. (04163)
730) en 1087651, (164-)

Kerstens, Dr, C, J, .A,, te Breda, gr. gewijzigd in 1074757, (170)

Loen, Dr, A, van, van Utrecht naar Kerenshcide (gem. Boek) (post Gclcen), Kerens-
strLat 28, tel. (04494) 55 75. (177)

Munnik, A. J. van der, van Utrecht naar Zuidlaren, Hondsrugstraat 16, tol. (05905)
15 6l\', P., ass. bij R. J. Bakema. (181)

Paulusse, A. J. M., te Nijmegen, functie gewijzigd in D. bij .Nobilis .N.V. te Boxmeer,
tel,
bureau (08855) 341, (185)

Reijngoud, G.; 1962; Riethoven (N.-Br.l, Leeuweriklaan 20; wnd. D. (188)

Santoma, J. H., te Tzummarum, naar Buorrcn 8 aldaar (tol, ongewijizgd), (190)

Gevestigd:

Jaartsveld, Dr. W. A. B., te Nijmegen, Sterreschansweg 44, tel. (08800) 2 46 51
(voortzetting praktijk
A. J, M, Paulusse), (167)

Benoemd:

Talsma, Dr, D,, te Leeuwarden, tc rekenen m,i,v, 1 juli 1962, tot plaatsvervangend
Inspoctour van de Veeartsenijkundige Dienst in het district Friesland ter stand-
plaats Leeuwarden, (197)

Eervol ontslag:

Bruins, F, J, .A„ te Haarlem, te rekenen m,i,v, 1 november 1962, op zijn verzoek, als
Rijkskeurmccster in bijzondere dienst bij dc Veeartsenijkundige Dienst, (1-19)

Jubilea.

Op 30 september a,s. hoopt collega A. M. Oosthcxk, Voorstraat 10, Nicuw-Bcijcr-
land, het feit te herdenken, dat hij 25 jaar dierenarts is.

MEDEDELING VAN HET BUREAU.

In verband met het Eeuwfeest van de Maatschappij voor Diergeneeskunde
is het Bureau op woensdag 12 en donderdag 13 september na 12.30 uur

gesloten.

Gevraagd per 1 oktober a.s.

een vast assistent

in het noorden van hel land. Aanvangssalaris f 15.000,-, inclusief verschil-
lende sociale regelingen. Huis met tuin beschikbaar.

Brieven onder no. 54/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

-ocr page 304-

GEMEENTE LEIDEN

Burgemeester en Wethouders van Leiden roepen sollicitanten
op voor de per 1 september 1962 vacerende betrekking van

ADJUNCT - DIRECTEUR

van het Openbaar Slachthuis en de Keuringsdienst van
Slachtdieren en van Vlees in de Kring Leiden.

Gegadigden moeten in het bezit zijn van het diploma dieren-
arts en bij voorkeur beschikken over ervaring in een overeen-
komstige functie bij een Openbaar Slachthuis.

Saiarisgrenzen ƒ 1144,50 - ƒ 1396,50 per maand (7 periodieke
verhogingen), exclusief
4% vakantietoeslag en 2/2% huur-
compensatie. Aanstelling boven het minimum is mogelijk.

Aan de te benoemen functionaris kan een ruime ambtswoning
beschikbaar worden gesteld.

Vergoeding voor het gebruik van eigen auto. Verplaatsings-
kostenregeling is van toepassing. De gemeente Leiden is aan-
gesloten bij het I.Z.A, Zuid-Holland.

Eigenhandig geschreven sollicitaties met uitvoerige inlichtingen
binnen drie weken na het verschijnen van dit blad in te zenden
bij Burgemeester en Wethouders. Bezoek alleen na oproeping.

-ocr page 305-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Enzoötische leucose bij runderen 11

Enzootic leucosis in cattle\'^)

door J. VAN VLOTEN^)

Uit de laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, afdeling Rotterdam.

Inleiding.

In de Scandinavische landen en Duitsland heerst momenteel leucose on-
der het rundvee in enzoötische vorm.

Met deze mededeling begint het begeleidend schrijven van een enquête-
formulier, dat vanwege het Centraal Diergeneeskundig Instituut Afd. Rot-
terdam in juli 1961 werd gezonden aan de Hoofden van Vleeskeurings-
diensten.

Uit talrijke publikaties, vnl. uit Duitsland en Denemarken, maar ook uit
\\erschillende andere landen, wordt een indruk verkregen omtrent de om-
vang en de ernst van deze zeer chronische ziekte. In Diutsland breidt de
leucose zich reeds geruime tijd uit van oost naar west.
Hierom en omdat deze ziekte voor de getroffen bedrijven een aanzienlijke
schadepost betekent, werd het raadzaam geacht een onderzoek in te stel-
len naar haar voorkomen in Nederland.

I. Literatuur.

Allereerst werd nagegaan, welke publikaties uit Duitsland en Denemarken
over de leucose bij nmderen verschenen zijn. Zonder andere onderzoekers
te kort le doen vallen dadelijk de namen op van Götze en medewerkers
(Dl. 19.53 a-b), 1954, 19.55," 1956-a-b-c-d) en Bendixen (Den. 1957,
1958, 1959-a). Ilun werk lijkt zeer geschikt als basis voor een onderzoek
in ons land. Beide onderzoekers geven een overzicht van voorkomen en
verbreidingswijze, klinische en hematologische diagnose en de bestrijdings-
mogelijkheden.

Vooral het werk van Bendixen wordt in oorspronkelijke vorm of de
bewerking hiervan in Duitse (1960-a-b-c-d, 1961-a), Franse (1959-b) en
.Amerikaanse (1961-b-c-d-e-f) tijdschriften aangetroffen.
Deze auteur onderscheidt drie vormen van leucose bij runderen:

a. enzoötische leucose;

b. huidleucose;

c. leucose van de jonge dieren.

a. Enzoötische leucose. Het subklinische stadium, dat meestal hematolo-
gisch aantoonbaar is, verloopt chronisch en duurt vaak het gehele leven,
zonder dat de levensuitingen beïnvloed worden. Wanneer het subklinische
stadium in het klinische stadium overgaat, hetgeen slechts in een gering

\') Voorlopige mededeling betreffende een onderzoek in Nederland.
Preliminary report concerning an investigation in The Netherlands.
J. van Vloten, wetenschappelijk ambtenaar le kl. bij het Centraal Diergenees-
kundig Instituut, afdeling Roterdani, postbus 6007, Rotterdam-7.

-ocr page 306-

percentage het geval is, neemt de ziekte een fatale wending. De leuco-
tische infiltraties ontwikkelen zich door proliferatie van R.E.S.-cellen, waar-
door t.g.v. diffuse doorgroeiing of vorming van haarden de verschillende
organen in grootte, vorm en structuur veranderen.

Het ziekteverloop kan vlg. B e n d i x e n acuut zijn, bv. door het optreden
van een miltruptuur t.g.v. sterke leucotische veranderingen, waardoor het
dier verbloedt in de buikholte. Ook is een acuut verloop waargenomen bij
aantasting van de bijnieren.

Bij subacuut tot chronisch verloop duurt de ziekte enige dagen tot meer-
dere maanden. Aanvankelijk neemt men slechts onspecifieke symptomen
waar, zoals vermoeidheid, gebrek aan eetlust, vermagering. Men ziet wel
spijsverteringsstoornissen, welke soms gepaard gaan met chronisch recidi-
verende tympanie. Ook treft men wel stoornissen in de bloedcirculatie
aan, zoals versterkte pulsatie en overvulling van de jugulair-venen, af-
wijkende harttonen of stuwingsoedeem. Diverse patiënten zijn anemisch.
De specifieke symptomen, dus de tumorachtige veranderingen, ontwik-
kelen zich meestal kort na het begin van de eerder beschreven symptomen,
waardoor de diagnose met zekerheid gesteld kan worden. Dc tumorachtige
veranderingen werden vnl. bij de patiënten van 4 tot 8 jaar aangetroffen.
Zij zijn niet waargenomen bij dieren jonger dan 2 jaar. Dit schijnt karak-
teristiek te zijn voor de enzoötische vorm van leucose.

Veranderingen in de lymfklieren.
In het stadium met tumorvorming wordt voor bijna 100% aantasting \\an
één of meer lymfklieren waargenomen. Meestal zijn de klieren slechts len
dele veranderd. Het komt voor, dat alleen de lymfklieren van het bekken
en bet achterste gedeelte van de buikholte deze veranderingen vertonen.
In deze gevallen is de rectale exploratie dus van groot belang.

Veranderingen m de borstorganen.
De veranderingen in het hart kunnen zowel diffuus als haardvormig zijn,
waardoor bijgeruisen, stuwingssymptomen en verhoging van de hartfre-
quentie bij inspanning kunnen worden waargenomen. Dc mediastinale en
longklieren zijn dikwijls aangetast. Infiltraties van het longweefsel zijn
slechts zelden waargenomen.

Veranderingen in de buikorganen.
De lever kan vergroot zijn en macroscopisch zichtbare leucotische verande-
ringen vertonen. De klinische verschijnselen van een leverlijden kunnen
aanwezig zijn.

Ook de milt kan aangetast zijn, dit orgaan is dan vergroot en leucotisch ge-
infiltreerd. Soms is de miltaandoening bet enige pathologische verschijnsel.
De lebmaagwand is in vele gevallen aangetast, in tegenstelling tot de wand
van de dunne darm. De wand van de lebmaag is dan veelal sterk verdikt
en bloedingen treden gemakkelijk op, waardoor zwarte, gestolde bloed-
massa\'s met de faeces worden uitgescheiden. Door de tumoren kunnen se-
cretorische en motorische stoornissen in het maagdarmstelsel optreden.
De nieren zijn veelal aangetast, alsmede nierbekken en ureteren, waardoor
urinestuwing met verwijding van bet nierbekken kan voorkomen. Bij aan-
tasting van beide nieren kan uremie optreden. Ook de blaas kan leucotische
veranderingen vertonen, waardoor moeilijkheden kunnen ontstaan bij het
urineren.

De geslachtsorganen zijn ook vaak aangetast. Zowel de drachtige als de
1174

-ocr page 307-

niet draciitige uterus kan aangetast worden, zodat de vorm veranderd en
de functie gestoord kan zijn.

Bij aantasting van de bijnieren is het verloop zeer acuut.

Veranderingen in andere organen.
Het wervelkanaal toont bij aantasting een mantel van leucotisch weefsel
rondom het ruggemerg, meestal in het sacrale, lumbale of achterste thora-
cale deel. Ataxie en parese kunnen dientengevolge optreden.
Veranderingen komen ook voor in de orbita, waardoor een steeds sterker
wordende exophthalmus ontstaat.

b. Huidleucose. Huidleucose komt alleen voor bij volwassen dieren (2 tot
3 jaar en ouder). Het begint met een geldstuk-grote urticaria-achtige uit-
slag, overal op het lichaam, echter speciaal aan de hals, rug, kruis en
schenkel. De zwellingen zijn licht gewelfd en van gespannen consistentie.
De haren vallen uit en er ontstaat een asbestachtige korst. Door indroging
ontstaan „kraters", welke toestand weken of maanden kan blijven bestaan.
Wanneer ook inwendig leucotische processen in de organen ontstaan, sterft
het dier.

Meestal treedt een schijnbare genezing op: de korsten worden afgestoten
en het haar gaat weer groeien. De palpeerbare lymfklieren, die tijdens de
ziekteperiode duidelijk gezwollen waren, keren terug tot normale grootte.
Eetlust en prestatievermogen worden weer normaal.

Meerdere maanden tot één ä twee jaar later treedt recidive op. De ver-
schijnselen gelijken op de reeds beschrevene: de algemene toestand wordt
echter steeds slechter, hetgeen samenhangt met vorming van infiltraties
in de inwendige organen. De huidleucose verloopt uiteindelijk ook dodelijk.
Typisch is ,dat zelden leuceniische veranderingen in het bloedbeeld worden
waargenomen.

c. Leucose van de jonge dieren. De leucose bij jonge dieren treedt spora-
disch op. Waarnemingen zijn bekend bij pas geboren kalveren, maar ook
bij dieren van 18-20 maanden. Het verloop is zeer chronisch. Meestal is
er een algemene zwelling van de lymfklieren, soms zijn deze 5 tot 10 maal
vergroot. Ook de thymus is nogal eens aangetast. Aanvankelijk is het alge-
meen welzijn nauwelijks gestoord. Verminderde eetlust en vermagering
zijn meestal de eerste symptomen. Ook hier treft men vrijwel steeds een
volkomen normaal bloedbeeld aan.

In Denemarken komt in hoofdzaak de enzoötische vonn van leucose voor,
terwijl de huidleucose en de leucose van de jonge dieren slechts sporadisch
worden waargenomen. Er zijn daar streken, waar vele bedrijven jaarlijks
één of meer dieren verliezen aan de klinische vorm van enzoötische leucose.
Daarbij komt dan nog, dat op die bedrijven een hoog percentage van de
overige dieren volgens het bloedonderzoek in het subklinische stadium ver-
keert.

Het infectieuze karakter van de ziekte en haar economische betekenis heb-
ben er toe geleid, dat men in Denemarken de enzoötische leucose onder
het rundvee is gaan bestrijden en wel door middel van van staatswege ge-
leide en gesubsidieerde maatregelen, welke zijn aangevangen in juni 1959.

Ook in Italië vinden onderzoekingen plaats, welke vnl. de aetiologie be-
treffen. Het reeds lang bestaande vermoeden, dat een virus de oorzakelijke
factor is, komt ook in de publikaties van M o n t e m a g n o en medewerkers

-ocr page 308-

(1957, 1958-a-b, 1960) tot uiting. Zij vernielden een virus te hebben ge-
ïsoleerd uit een leucose-rund. Hiermede hebben zij diverse eipassages ver-
richt. Met het geïsoleerde virus werden infectieproeven uitgevoerd op kal-
veren en verschillende soorten kleine proefdieren.

Chan et (1961) in Frankrijk beeft een overeenkomstig onderzoek ge-
daan en heeft de resultaten in de vorm van een proefschrift gepubliceerd.
Vele artikelen uit verschillende landen zijn verschenen. De meeste be-
iiandelen incidentele gevallen, maar meer dan eens wordt op de nood-
zakelijkheid gewezen een onderzock in te stellen naar het voorkomen van
de enzoötische vorm van runderleucose, zeer recent ook in ons land
(W agen aar, 1962b).

De betekenis van het bestaan van een besmettelijke vorm van leucose
wordt ook van humaan-medische zijde onderkend. In 1961 werd in Phila-
delphia een congres gehouden met het doel contacten te leggen tussen
medische en veterinaire onderzoekers en tot een betere uitwisseling van
wederzijdse inzichten te geraken (W.H.O.-Chronicle, 1962).
In ons eigen Tijdschrift voor Diergeneeskunde zijn, sinds haar eerste ver-
schijnen in 1863, slechts enkele publikaties verschenen over leucose bij
runderen, welke alle incidentele gevallen betreffen (v. d. Sluys e.m.,
1891; Hoefnagel, 1892; v. H a r r e v e 11, 1901; de Vries, 1936;
Bos, 1950; W a g e n a a r, 1962a).

II. Enquête.

Voor het verkrijgen van een indruk omtrent het voorkomen van leucose
onder het rundvee in Nederland werd een enquête-formulier samengesteld,
dat werd toegezonden aan de Hoofden van Vleeskeuringsdiensten. Het
aantal vragen en de formulering hiervan werd met opzet zodanig gekozen,
dat snelle beantwoording en terugzending verwacht kon worden.
Op het formulier werden de volgende vragen gesteld:

Vraag I: Heeft U gevallen van leucose bij runderen meegemaakt?
Vraag II: Zo ja, kunt U vermelden van welke veebedrijven deze gevallen af-
komsdg waren? (namen en adressen van eigenaren).
Vraag III: In welke jaren hebben zich deze gevallen voorgedaan?
Vraag IV: Welke leeftijden hadden de leucose-runderen?
Vraag V: Tot welke vccslagen bchcxjrden zij?

Vraag VI: Op welke klinische verschijnselen en/of sectiebevindingen heeft U
de diagnose gesteld?

Vraag VTI: Eventuele opmerkingen, die U wenst te maken, voor zover deze
geen betrekking hebben op één der voorgaande vragen.

Er waren enkele Hoofden van keuringsdiensten, die hun antwoorden een
meer algemene vorm gaven, maar waaruit toch duidelijk blijkt, dat leucose-
gevallen werden waargenomen.

De beantwoording van de eerste vraag, het al dan niet waargenomen heb-
ben van leucose-gevallen bij runderen, heeft geen moeilijkheden opgeleverd.
Enkele oudere collegae delen mede, dat in vroeger jaren waargenomen ge-
vallen, die destijds met lymfadenose of lymfosarcomatose werden aange-
duid, thans met de naam leucose zouden worden betiteld.
Met vraag II, het vermelden van de bedrijven van herkomst, was het ge-
heel anders gesteld. Slechts in enkele gevallen konden de gewenste ge-
gevens worden verkregen.

-ocr page 309-

])c gegevens, verkregen bij de vragen III en IV, resp. het tijdstip van
waarnemen en de leeftijd van het betrokken rund, waren nodig voor het
kunnen instellen van een op leucose gericht bloedonderzoek op de be-
drijven van herkomst. Immers, de veehouder moet het meestal in nood ge-
slachte rund nog duidelijk voor ogen hebben om het belang van een, ove-
rigens vrijwillig, onderzoek te kunnen inzien. Bovendien zijn de runderen
met de enzoötische vorm van leucose meestal ouder dan 4 jaar, terwijl
het klinisch niet is waargenomen bij runderen jonger dan 2 jaar. (Ben-
dixen, 1960-c).

Uit de antwoorden op vraag V, tot welk veeslag behoort het dier, is ge-
bleken, dat leucose voorkomt zowel bij het F.H.- als bij het M.R.IJ.-vee.
Er waren geen meldingen van leucose bij blaarkoppen.
Het stellen van de diagnose (vraag M) geschiedde in de meeste gevallen
door middel van macroscopische beschouwing. Zowel het waarnemen van
zwelling van huidlymfklieren, vermagering, vermoeidheid en cachexie bij
de keuring van het levende dier, als het aantreffen van leucotische ver-
anderingen in diverse organen na het slachten, worden gemeld. Soms werd
histologisch onderzoek van aangetaste weefsels verricht, al of niet in samen-
werking met het Veterinair Pathologisch Instituut in Utrecht.
Bij de ÏDcantwoording van vraag VII vermelden enige collegae het waar-
nemen van leucose
i)ij varkens en bij een paard, terwijl op Texel jaarlijks
enkele gevallen bij scliapen worden waargenomen. Op meer dan één for-
mulier wordt herziening en \\ erbetering van de administratie in het voor-
uitzicht gesteld, terwijl op een ander de dank wordt uitgesproken voor het
gegeven attentiesein.

In het volgende staatje wordt provinciegewijze een overzicht gegeven van
het resultaat der enquête:

Aantal

Niet teru.g

Terug

Wel

Geen

formulieren

ontv.

ontv.

leucose

leucose

Groningen

8

4

4

1

3

Friesland

17

3

14

5

9

Drenthe

6

1

5

2

3

Overijssel

22

13

9

4

5

Gelderland

29

10

19

7

12

Utrecht

9

9

1

8

Noord-Holland

17

17

6

11

Zuid-Holland

21

9-

12

7

5

Zeeland

14

5

9

1

8

Noord-Brabant

17

7

10

4

6

Limburg

15

5

10

4

6

■Vederland

175

57

118

42

76

Het aantal per formulier gemelde leucose-runderen werd per provincie
berekend. Tevens werd een indeling in leeftijdsgroepen gemaakt.

-ocr page 310-

Aantal

<1

1-2

2-3

3-4

>4

Leeftijd

runderen

jaar

jaar

jaar

jaar

jaar

onbekend*)

Groningen

1

1

Friesland

12

2

5

1

4

Drenthe

4

2

1

1

Overijssel

5

1

1

3

Gelderland

13

4

2

2

1

2

2

Utrecht

Noord-Holland

5

1

2

2

Zuid-Holland

19

14

1

2

2

Zeeland

3

3

Noord-Brabant

9

2

2

5

Limburg

6

3

1

2

Nederland

77

25

15

9

4

6

18

*) Meestal opgegeven als „koe" of „volwassen rund".

III. Ingezonden materiaal.

Naar aanleiding van de enquête en een korte voordracht, gehouden te
Utrecht voor Hoofden van Vleeskeuring.sdiensten en Directeuren van
Slachthuizen, werden veelal telefonisch, maar ook schriftelijk, meldingen
ontvangen van nadien waargenomen leucosc-gevallen. Dit betreft:
Rimderen jonger dan 2 jaar: 15.
Runderen ouder dan 2 jaar: 3.
Varkens : 2.

Van het ter plaatse zelf verzamelde of van het ingezonden materiaal wer-
den histologische preparaten vervaardigd. In alle gevallen werd de
diagnose in de slachthuizen gesteld op het macroscopisch aanzien van het
materiaal, bevestigd door microscopisch onderzoek in het laboratorium.

IV. Lokalisatie van de le onderzoeken bedrijven.

Reeds vóór het instellen van de enquête werd rekening gehouden met het
feit, dat handel en tusserdiandel belangrijke factoren zijn in de verplaat-
sing van rimderen. Zo kan het voorkomen, dat een rund, afkomstig uit liet
oosten van Nederland, na veel omzwervingen ergens in het westen geslacht
wordt. Ook wordt het opsporen van de oorspronkelijke eigenaar door de
vaak vele schakels in de handel zeer bemoeilijkt.

Uit alle ingewonnen inlichtingen gelukte het 8 veebedrijven te lokaliseren,
die voor een hematologisch onderzoek in aanmerking kwamen. Opvallend
hierbij is, dat 7 bedrijven gelegen zijn op korte afstand van de grens met
Duitsland en slechts één meer in het centrmn van ons land.

In onderzoek zijnde bedrijven.

Via enquête

Via telefonische melding

Drenthe

2

_

Overijssel

3

Limburg

1

1

Zuid-Holland

1

-ocr page 311-

V. Het hematologisch onderzoek.

1. HET VERZAMELEN VAN DE BLOEDMONSTERS.

Voor het nemen van de bloedmonsters worden buisjes met rubber stopjes
gebruikt, zoals deze ook worden gebezigd in de georganiseerde bestrijding
van het besmettelijk verwerpen. Om bloedstolling te voorkomen bevindt
zich echter nu in ieder buisje een weinig van een poedervormig oxalaat-
mengsel.

R/ Oxal.kal. 0,8 g

Oxal.amni. 1,2 g
Aquadest. 100,0 ml
In de bloedbuisjes, waaraan hoge eisen worden gesteld wat betreft de rein-
heid, wordt 0,5 ml van de bovenstaande oxalaatoplossing gepipetteerd.
Vervolgens worden de buisjes, zonder stopjes, gedurende enige uren in een
droogstoof geplaatst. Wanneer de oplosvloeistof verdampt is, bevindt het
oxalaatmengsel zich in gekristalliseerde toestand en is gehecht aan de
glaswand. Met behulp van een uitgegloeid spateltje wordt de massa los-
gemaakt van de wand, opdat zij als een los poeder in de buisjes aanwezig
is. Dit waarborgt een onmiddellijke menging met het op te vangen bloed.
Bij het nemen van de bloedmonsters worden de buisjes voor ongeveer de
helft gevuld en direct daarna enige malen voorzichtig omgezwenkt.
Het spreekt vanzelf, dat een deugdelijke administratie gevoerd moet wor-
den, waarin van ieder rund de naam, de geboortedatum, het oor- en het
schetsnummer en het veeslag genoteerd worden.

2. DE BEOORDELING VOLGENS DE NORMEN VAN GÖTZE EN MEDE-
WERKERS EN VAN BENDIXEN.

.•\\lle onderzochte bloedmonsters werden getoetst aan de methode van
Götze, Rosenberger en Ziegen hagen (1954), de zgn. leucose-
sleutel, en tevens aan de metbode van B e n d i x e n (1960-b).
Bij toepassing van de leucosesleutel, die door Wies ner (1961) in zijn
boek „Die Leukose des Rindes" overzichtelijk weergegeven wordt, worden
het totaal aantal leucocyten per mm^ bloed en bet daarbij behorende per-
centage lymfocyten gebruikt voor de beoordeling van de runderen.

a. De leucosesleutel voor dieren ouder dan 2 jaar.

Totaal leucocyten per mm\'

Percentage lymfocyten

Beoordeling

< 10.000

< 60%

normaal = n-dieren

10.000- 18.000

60-75%

verdacht = v-dieren

> 18.000

> 75%

leucotisch = 1-dieren

b. De leucose-.deutel voor

dieren jonger dan 2

jaar.

Totaal leucocyten per mm\'

Percentage lymfocyten

Beoordeling

< 12.000

< 65%

normaal = n-dieren

12.000- 18.000

65-75%

verdacht = v-dieren

> 18.000

> 75%

leucotisch = 1-dieren

-ocr page 312-

a b. De indeling in groepen volgens de leucosesleutel.

Groep 1

nn-dieren — beide bevindingen normaal

nv-dieren = 1 bevinding normaal
1 bevinding verdacht

niet of slechts
weinig verdacht

Groep 2

nl-dieren = 1 bevinding normaal

1 bevinding leucotisch
w-dieren == beide bevindingen verdacht

verdacht

Groep 3

vl-dieren = 1 bevinding verdacht
1 bevinding leucotisch
11-dieren = beide bevindingen Icucoüsch

zeer waarschijnlijk
leucotisch

Groep 4

(-v) de bevindingen zijn verdacht
(-1) of leucotisch, wijzen echter
hematologisch of klinisch
niet op leucose

zeer waarschijnlijk
niet verdacht of
leucotisch

B e n d i X e n werkt met het werkelijke aantal lymfocyten per mm^ bloed
en past een meer gedifferentieerde indeling toe naar de leeftijden der run-
deren.

Leeftijd
in jaren

Groep I Groep II
normaal verdacht

Groep III
leucotisch

0-1

1-2

2-3

3-4
>4

< 10.000 10.000-12.000

< 9.000 9.000-11.000

< 7.500 7.500- 9.500

< 6.500 6.500- 8.500

< 5.000 5.000- 7.000

> 12.000
> 11.000

> 9.500

> 8.500

> 7.000

Wanneer uit de leucose-sleutel de aantallen lymfocyten berekend worden
(hetgeen niet juist is, omdat G ö t z e e.m. de sleutel niet op deze wijze han-
teren), ontstaat de volgende tabel, die de mogelijkheid schept beide me-
thoden met elkaar te vergelijken.

Normaal Verdacht

Leucotisch

Runderen > 2
Runderen < 2

jaar < 6.000 6.000- 13.500
jaar < 7.800 7.800- 13.500

> 13.500

> 13.500

Worden deze bij benadering vergelijkbare grootheden in een schematische
\\oorstelling weergegeven, dan kunnen de verschillen in de beide beoor-
delingsmethoden, beter dan met woorden, duidelijk worden gemaakt.

-ocr page 313-

B e n d i X e n
leucotisch

Götze e.m.

18

18

leucotisch

16

16

14

14

12

12

verdacht

10

10

verdacht

normaal

normaal

Leeftijd

3. HET ONDERZOEK VAN DE OP DE BEDRIJVEN GENOMEN BLOED-
MONSTERS.

Dc afstanden van het Clentraal Diergeneeskundig Instituut in Rotterdam
naar de te onderzoeken Ijcdrijven aan de oostgrens waren dermate groot,
dat de bewerking van de bloedmonsters steeds ])laats vond op de dag na
de monstername. Dit liehoeft geen l)ezwaar te zijn, mits het verzamelde
materiaal met zorg behandeld wordt en het bij het onderzoek te gebruiken
glaswerk van goede kwaliteit is. Het is niet aan twijfel onderhevig, dat ook
technische \\aardigheid nodig is voor het verkrijgen van betrouwbare ge-
gevens.

Van elk bloedmonster werd het aantal leticocyten per min^ geteld met de
telkamer volgens B ü r k e r en de leucocytenfornmle bepaald in het vol-
gens May Grünwal d-G i e m s a gekleurde uitstrijkpreparaat. Uit de
aldus verkregen gegevens werden die waarden genomen en berekend, die
nodig zijn voor de beoordeling.

Bij de hieronder volgende bedrijfsonderzoeken wordt iedere maal eerst
gewag gemaakt van het geval, dat tot het onderzoek aanleiding gaf, waar-
na de resultaten van het bloedonderzoek van de op de bedrijven aanwezige
dieren worden vermeld.

-ocr page 314-

Bedrijf 1: G.A.E.F. te C.

Het rund Annie 17, geboren in 1956, was als kalf te traag, groeide goed, maar speelde
nooit. Ook als pink was het dier te traag, echter in goede voedingstoestand. Zij werd
als koe verkocht voor export, werd plotseling kortademig en dreigde te sterven op
weg van de weide naar huis. Bij het slachten, in 1959, werd een tumor waargenomen
in de mediastinale lymfklieren, waarop de diagnose leucose gesteld werd.

le onderzoek 19-9-1961: Götze e.m. Bendixen

37 dieren 1 vv <—> 1 -(-

3 nl ^ 3 —

10 nv <—> 10 —

23 nn <—> 23

2 c onderzoek 9-1-1962: G ö t z e e.m. Bendixen

30 dieren 1 nl <—> 1 _

7 nv <—> 7 —
22 nn <—> 22 —

Het rund Annie 16, geboren 14-7-1956, dat bij het eerste onderzoek volgens Götze
e.m. verdacht en volgens Bendixen positief was, werd door het C.D.I. op
4-10-1961 overgenomen en in Rotterdam enige tijd in observatie gehouden. In totaal
werd 11 maal haar bloed onderzocht en steeds gaf de uitslag overeenkomstige waar-
den. De koe was in zeer goede slachtconditie, er waren geen klinische aanwijzingen
voor het bestaan van leucose. Op 16-3-1962 werd zij geslacht. Alleen de lever werd
afgekeurd wegens distomatose. Enkele lymfklieren, o.a. de retrofaryngeale en de
mesenteriale, waren iets rood. Ook door middel van een histologisch onderzoek van
organen en lymfklieren kon leucose niet vastgesteld worden.

Bedrijf 2: G.K. te H.

Op 19-6-1961 werd te L. het rund Gini 2, geboren juni 1957, geslacht. Volgens op-
gave werden hierbij sterk vergrote, spekkig ontaarde lymfklieren waargenomen, voor-
namelijk in de borstwand, het mediastinum en rondom het hart. Lever en milt waren
afwijkend. Bij de keuring werd de diagnose leucose gesteld.

Tijdens het leven werden door de in consult geroepen dierenarts geruisen aan hel
hart geconstateerd, welke aan „scherp" deden denken.

Het rund werd overgebracht naar de kliniek in Utrecht en vervolgens op de markt
aldaar verkocht.

le onderzoek 11-10-1961: G ö t z e e.m. Bendixen

23 dieren, ouder dan 2 jaar 2 w <—> 1 -f ; 1 ±

1 nl <—> 1-1-

12 nv <—> 3 ±; 9 —

8 nn <—> 1 ±; 7 —

2e onderzoek 15-1-1962: Götze e.m. Bendixen

41 dieren 1 vv <—> 1 —

1 nl <—» I —

14 nv 2 ±; 12 —

25 nn ^ 1 ±; 24 —

Bedrijf 3: J.G.t.W. te T.

De veehouder vertelde, dat Betsie 16, geboren 13-12-1957, onderhuids en in de uier

„knobbels" kreeg. De dierenarts had hem geadviseerd het rund op te ruimen. Leu-
cose werd bij sectie gediagnostiseerd te H. op 2-3-1960.

Onderzoek 22-1-1962: Götze e.m. Bendixen

30 dieren 4 w <—> 1 ±; 3 —

10 nv <—> 10 —

16 nn <—> 16 —

-ocr page 315-

Bedrijf 4: B.t.H. te A.

De directeur van het slachthuis te H. deelde mede, dat op 20-4-1960 een rund ge-
slacht werd, waarbij leucose werd waargenomen. Betsie 5, geboren 28-2-1958, was
volgens de laatste eigenaar gekocht van B.J.D. te A. Op zijn eigen bedrijf is het
dier slechts 3 maanden geweest. Het was de laatste weken sterk vermagerd.

Onderzoek 30-1-1962: G ö t z e e.m. Bendixen

24 dieren, ouder dan 22 maanden 1 nv <—> 1 —

23 nn ^ 23 —

Bedrijf 5: H.V.-D. te B.

Het leucose-rund, dat geslacht werd te S. op 21-12-1959, had 1 x gekalfd en was
dus ruim 2 jaar oud. Het dier vertoonde „dikke klieren" in de keelstreek. Volgens
mededeling werden bij keuring enkele mesenteriale, mediastinale en bronchiale, als-
mede axillaire en voorste costale lymfklieren vergroot en spekkig op doorsnede be-
vonden. Ook de thymus was aangetast.

Onderzoek 5-2-1962: Götze e.m. Bendixen

11 dieren, ouder dan 2 jaar 3 nv <—♦ 3 —

8 nn <—» 8 —

Bedrijf 6: L.a C. te M.

De directeur van het slachthuis te S. berichtte, dat een ruim 10 jaar oude koe werd
geslacht op 12-12-1961, waarbij ernstige leucose werd gevonden in de longen en de
bronchiale en mediastinale lymfklieren. Van de eigenaar werd vernomen, dat Pietje
14, geboren 14-3-1948, ziek werd in november 1961. Het dier was mager, suf en
het hoestte.

Onderzoek 5-2-1962: G ö t z e e.m. Bendixen

68 dieren 1 vl <—> 1 -I-

4 nl <—» 4 —

15 nv 1 ±; 14 —
48 nn <—» 48 —

Bedrijf 7: T.K. te G.

Het rund Mien, geboren in 1953, werd te SI. geslacht in het najaar van 1956. Het
dier is ongeveer één maand ziek geweest. Het had „bulten" in de vang en aan de
hals.

Onderzoek 12-2-1962: G ö t z e e.m. Bendixen

42 dieren, ouder dan 21 maanden 1 w *—> 1 —•

16 nv 2 ±; 14 —
25 nn ♦ 25 —

Bedrijf 8: B.J.D. te A.

Dit bedrijf is in onderzoek genomen, omdat door B. t. H. te A. (bedrijf 4) hier het
rund is aangekocht, dat reeds 3 maanden na de koop wegens leucose moest worden
opgeruimd.

Onderzoek 19-2-1962: G ö t z e e.m. Bendixen

32 dieren, ouder dan 22 maanden 5 nv <—> 5 —■

27 nn 27 —

In totaal werden van de 8 bedrijven 338 bloedmonsters onderzocht. On-
rijjje cellen, die normaal niet in het circulerende bloed voorkomen, werden
hierbij niet waargenomen.

Worden de beoordelingsmethoden met elkaar vergeleken, nu t.o.v. bet
onderzochte materiaal, dan blijkt, dat zij niet ver uiteenlopen. Gezien de

-ocr page 316-

beperktheid van het onderzoek is liet niet mogelijk voorkeur voor één van
beide methoden uit te spreken.

Leucose-sleutel volgens Götze e.m.

11.

vl.

w.

nl.

nv.

nn.

1

9

10

93

225

Groep 3

Groep 2

Groep 1

1

19

318

Beoordeling volgens B e n d i x e n

Positief = -1-

Verdacht = ±

Negatief = —

4

12

322

VI. Discussie.

Komt enzoötische leucose onder bet rundvee in Nederland voor?
Na al het voorgaande kan deze vraag nog steeds niet definitief beantwoord
worden. Daarvoor is een voortgezet onderzoek noodzakelijk.
Op 7 van de 8 veebedrijven werd op elk één geval van klinische leucose
waargenomen. Uit de gesprekken met de veehouders blijkt, dat dit ziekte-
beeld voor hen een onbekend begrip is. Voor en na de bij hun runderen
geconstateerde gevallen, hebben zij bij de overige dieren geen symptomen
opgemerkt, die met leucose in verband kunnen staan.

Toch werden op alle 8 bedrijven, door middel van het hematologisch
onderzoek, beoordeeld volgens de besproken methoden, één of enkele meer
of minder verdachte dieren aangetroffen. Dit kan erop wijzen, dat in de
toekomst verdere gevallen van klinische leucose verwacht kunnen worden.
In ieder geval dienen deze bedrijven onder controle te blijven,
liet verdient echter aanbeveling een bloedonderzoek in te stellen o]j be-
drijven, waar geen gevallen van klinische leucose bij runderen zijn gezien.
Het is nl. niet bekend, of er op geheel onxerdachte bedrijven dieren voor-
komen, waarvan de uitslag van het bloedonderzoek aanleiding geeft deze
tc plaatsen in een niet-negatieve categorie volgens de beoordeling van
Götze e.m. en van B e n d i x e n.

Voor een voortgezet onderzoek in Nederland is het van het grootste be-
lang, dat een duidelijke registratie plaats vindt van alle waargenomen
gevallen van leucosc bij runderen. Hier ligt een belangrijke taak, in de
eerste plaats voor de Hoofden van Vleeskeuringsdiensten. Zij zijn in de
gelegenheid uitgebreid sectie te verrichten en materiaal te verzamelen voor
het instellen van een histologisch onderzoek. Ook de praktizerende dieren-
artsen kunnen door hun waarnemingen op de veebedrijven een groot aan-
deel hebben in deze registratie.

Dc mening van VV a g e n a a r (1962-b), dat voor een goede „inventari-
satie" van de leucose-gevallen in ons land vereist wordt een goede samen-
werking van die instanties, die zich met de gezondheidstoestand van onze
veestapel bezighouden, kan volledig onderstreept worden.

-ocr page 317-

Alhoewel in Nederland slechts weinig gevallen van leucose bij runderen
zijn waargenomen, is het gevaar \\ an het mogelijk voorkomen van de be-
smettelijke vorm zodanig, dat voortdurende waakzaamheid geboden is.

SAMENVATTING.

Aangezien in de Scandinavische landen en Duitsland leucose in enzoötische vorm
onder het rundvee voorkomt, werd het raadzaam geacht een onderzoek dienaan-
gaande in Nederland in te stellen.

Schrijver geeft een overzicht van het door hem tot heden verrichte onderzoek, waar-
uit blijkt, dat in Nederland leucose ook is waargenomen bij volwassen runderen. Het
voorkomen van leuocse in enzoötische vorm kon echter nog niet worden aangetoond,

SUMMARY.

Since enzoötic leucosis is found in cattle in the Scandinavian countries and Germany,
it seemed advisable to make an inquiry as to the possible occurrence in the Nether-
lands.

The author gives a survey of his current investigations; he encountered leucosis in
a few cases in adult cattle. The enzoötic type however has not yet been established.

RÉSUMÉ.

Parce que la leucose du bétail se manifeste en forme enzoötique aux pays Scandi-
navies et en Allemagne, on était convaincu qu\'il était nécessaire de faire une inves-
tigation concernant la prévalence de cette maladie en Hollande.

L\'auteur donne une description de ses recherches jusqu\'au présent; il a trouvé la
leucose en quelques cas chez des bovins adultes. La prévalance en forme enzoötique
ne pouvait pas encore être démontrée.

ZUSAMMENFASSUNG.

Da die Leukose in den Skandinavischen Ländern und in Deutschland in enzoötischer
Form bei den Rindern vorkommt, schien es angebracht zu sein eine desbetreffende
Untersuchung in den Niederlanden durchzuführen.

Der Verfasser gibt eine Übersieht über seine bisher durchgeführten Untersuchun.gen.
Es stellt sich heraus, da.ss Leukose auch bei erwachsenen Rindern beobachtet worden
ist. Das Vorkommen in enzoötischer Form konnte jedoch noch nicht festgestellt
werden.

LITERATUUR

Bend ixen, H. J.: Bovine leucosis 1. Incidence and distribution in Denmark.

Nord. VetMed., 9, 1, (1957).
Bendixen, H. J.: Study of bovine leucosis IL Clinical dia.gnosis. Nord, VetMed.,
10, 273, (1958).

B e n d i X e n, H. J. : Studies of leucosis in cattle HI. Control by haematological exa-
mination.
Nord. VetMed., 11, 733, (1959 a).
Bendixen, H. J. : Sur les manifestations, au Danemark, de la leucose des bovidés
et sur la valeur diagnostique des examens hématologiques.
Bull. Off. int. Epiz,, 52,
282, (1959 b).

Bendixen, H. J.: Untersuchungen über die Rinderlcukose in Dänemark I. Vor-
kommen und Verbreitungsweise.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 67, 4, (1960 a).
Bendixen, H. J.: Untersuchungen über die Rinderlcukose in Dänemark II. Pa-
thogenese und Enzootolo,gie der übertragbaren Rinderlcukose.
Dtsch. tierärztl.
Wschr.,
67, 57, (1960 b).
Bendixen, H. J.: Untersuchungen über die Rinderlcukose in Dänemark III. Die
klinischen Erscheinungen der übertragbaren enzootisch auftretenden und der spo-

-ocr page 318-

radisch vorkommenden Krankheitsfonnen. Dtsch. tierärztl Wschr 67 169
(1960 c).

Bendixen, H. J.: Untersuchungen über die Rinderleukose in Dänemark IV. Das
derzeit angewandte Bekämpfungsverfahren.
Dtsch. tierärztl. Wschr, 67, 257,
(1960 d).

Bendixen, H. J.: Methoden und Ergebnisse der systematischen Bekämpfung der
Rinderleukose in Dänemark.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 68, 100, (1961 a).

Bendixen, H. J.: Bovine leucosis I. Symptoms of the enzootic type. Mod. vet.
Pract.,
42, 8, 26, (1961 b),

Bendixen, H. J.: Bovine leucosis II. Symptoms of the sporadic type. Mod. vet.
Pract.,
42, 9, 40, (1961 c).

Bendixen, H. J.: Bovine leucosis III. The diagnosis of bovine leucosis on a herd
basis using routine blood tests.
Mod. vet. Pract., 42, 10, 30, (1961 d).

Bendixen, H. J.: Bovine leucosis IV. Herd leucosis is caused by an infectious
agent, probably a virus, but sporadic types indicate there may be a different
etiology.
Mod. vet. Pract., 42, 11, 33, (1961 e).

Bendixen, H. J.: Bovine leuocis V. Successful control measures used by the
Danish veterinary profession to combat herd leucosis.
Mod. vet. Pract., 42, 12, 44,
(1961 f).

Bos, A. W. A.: Reticulose bij het rund gepaard gaande met mononucleosis in het
bloedbeeld.
Tijdschr, Diergeneesk., 75, 575, (1950).

C h a n e t, J. M.: Contribution k l\'étude expérimentale de l\'étiologie de la leucose
bovine. Thèse, Alfort (1961). (ref.
Ree. Méd. Vét., 137, 468, (1961).

Götze, R., Ziegenhagen, G. und Merkt, H.: Zur Diagnose der Lcukose des
Rindes.
Mh. Tierheilk., 5, 201, (1953 a).

Götze, R., Z i e g e n h a g e n, G.: Zur Frage der Ursachen und der Bekämpfung
der Rinderleukose. I. Erblichkeit, züchterische Massnahmen.
Fortpfl. Bes. Haus-
tiere,
3, 55, (1953 b). (ref. (Vet. Bull., 24, 162, (1954).

Götze, R., Z i e g e n h a g e n, G.: Die Leukose des Rindes. Ihre hämatologische
und klinische Diagnose.
Mh. VetMed., 9, 517, (1954).

Götze, R., Rosenberger, G., Ziegenhagen, G.: Uber Ursachen und
Bekämpfung der Rinderleukose. II. Weitere Bemerkungen zur Diagnose und zur
Erblichkeit.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 62, 353, (1955).

Götze, R., Rosenberger, G., Z i e g e n h a g e n, G.: Über Ursachen und
Bekämpfung der Rinderleukose. III. Ernährung und Haltung, cancerogene
Strahlen und Stoffe.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 63, 85, (1956 a).

Götze, R., Rosenberger, G., Z i e g e n h a g e n, G.: Uber Ursachen und
Bekämpfung der Rinderleukose. IV. Ubertragbarkcit.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 63,
105, (1956 b).

Götze, R., Rosenberger, G., Ziegenhagen, G.: Uber Ursachen und
Bekämpfung der Rinderleukose. V. Übertragungswege und Bckämpfungsvorschlag.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 63, 112, (1956 c).

Götze, R.: Über Ursachen und Bekämpfung der Leukose des Rindes. Mh. Vet-
Med., 11, 169, (1956 d).

Harre velt, H. G. van: Leukaemic bij een jonge stier. Tijdschr. Diergeneesk ,
26, 117, (1901).

Hoefnagel, K.: Lcucaemie bij een os. Tijdschr. Diergeneesk., 19, 219, (1892).

Mo n t e m a g n o. F., P a p p a r e 1 1 a, V., C a t c 11 a n i, G.: Aetiology of lym-
phatic leucosis of cattle. Experimental transmission of the disease to chick-embryos.
Acta med. vet. Napoli, 3, 185, (1957). (ref. Vet. Bull., 28, 2221, 1958).

Montemagno, F.: Beitrag zur Untersuchung der Virusnatur des lymphatischen
Leukose des Rindes. Versuchsweise Übertragung auf Kälber, die mit Kultur-
material geimpft worden sind.
Acta med. vet. Napoli, 4, 301, (1958 a). (rcf.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 67, 414, 1960).

Montemagno, F.: Zur Virusätiologie der lymphatischen Lcukose des Rindes.
Leukozytogene Eigenschaft des Plasmas von Rindern, die künstlich leukämisch ge-

-ocr page 319-

macht wurden. Acta med. vet. Napoli, 4, 501, (1958 b). (ref. Dtsch. tierärztl.
Wschr.,
67, 415, 1960).

Montemagno, F., Agresti, A., Montemurro, N.: Leucocytogenic acti-
vity of the plasma of cattle with lymphatic leucosis.
Acta med. vet. Napoli, 6, 409,
(1960).
(ref. Vet. Bull., 31, 2657, (1961).

S 1 u y s, D. v. d., K o r e V a a r, P.: Pseudoleukacmie bij een kalf. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
18, 29, (1891).

Vries, L. P. de: Een drietal gevallen van leucose. Tijdschr. Diergeneesk., 63,
718, (1936).

Wagenaar, G.: Twee maal leucose bij het rund. Tijdsch. Diergeneesk., 87, 179,
(1962 a).

Wage naar, G.: Het leucose probleem bij het rund. Tijdschr, Diergeneesk., 87,
323, (1962 b).

W.H.O.: Leukaemia in animals. W.H.O.-Chronicle, 16, 3, (1962).

W i e s n e r, E.: Die Leukose des Rindes. Jena (1961).

Kruisingen door injecties?

Volgens Dr. K. Kushneris men er in geslaagd overerfbare genetische verande-
ringen teweeg te brengen in het nageslacht door vntte Russische hoenders te inji-
ciëren met bloed van een ander ras. En dit zelfs wanneer alle cellulaire bestanddelen
en het D.N.A. waren onttrokken.

Bij konijnen zouden soortgelijke resultaten zijn verkregen.

Pluimveepers, 17, 315, (1962).

Grotere varkenskoppels?

W. Bernhardt betoogt dat het voordelen biedt om mestvarkens in koppels van
50 tot 250 stuks te houden in stallen die alleen een grote ligruimte bevatten. De
voerplaats dient zich buiten te bevinden en moet bereikbaar zijn via een mestplaats.
Op deze wijze komt men tot lagere kosten voor de gebouwen per dier, terwijl dc
stal schoner en dus het klimaat beter blijft dan in de Deense stallen.
Het voeren kan gebeuren door middel van speciale voederapparaten, bestaande uit
betonnen ringen met een kegel in het midden.

Landbouwdocumentatie, 18, 743, (1961).

Dc K.I. in West-Duitsland.

In 1961 werden in de Duitse Bondsrepubliek 2.189.873 runderen kunstmatig ge-
insemineerd, d.w.z. 33,7% van alle aanwezige koeien en vaarzen. Van de ge-
insemineerde dieren behoorde ruim 41% tot het zwartbonte veeslag en ruim 34,5%
tot het „Fleckvieh". Het aantal gebruikte stieren bedroeg 2172, waarvan 965 zwart-
bont en 672 Fleckvieh.

Er waren 100 K.I.-stations („Besamungshauptstellen") werkzaam, waaronder nog
10 (in 1960 14), die minder dan 5.000 dieren insemineerden. Er waren 24 stations
met 5-10.000 geïnsemineerde dieren, 50 met 10-30.000 en 16 met meer dan 30.000
geïnsemineerde dieren. Het grootste stations was dat te Neustadt a.d. Aisch (Beieren),
met 204.974 eerste inseminaties.

Vermeldenswaard is nog, dat slcchts 11,5% van alle geïnsemineerde dieren bij een
stamboek geregistreerd is en dat 16,9% op melkproduktie gecontroleerd wordt.

Der Tierzüchter, 14, 451, (1962).

-ocr page 320-

De invloed van hef micro- en hef macroklimaaf
en van isoleringsmaatregelen op hef opfreden
van enzoöfische of viruspneumonie bij varkens.
Een krifisch liferafuuroverzichf. — ll.1l

The influence of the micro- and the macroclimate and
of isolation measures on the incidence of enzootic or
virus pneumonia of pigs. — II.*)

door T. EERNSTMAN\'i)

Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumen-
tatie te Wageningen.

d. De invloed van de temperatuur op hel optreden van enzoötische
pneumonie.

d. 1. De i n 1 O e d van de hoogte van de t e m jj e r a t u u r.

Grote koude, in het bijzonder hidien deze met grote vochtigheid en tocht
gejjaard gaat, is reeds gedurende vele jaren bekend als een factor die op
enorme wijze het verloop van enzoötische pneumonie in ongunstige zin kan
beïnvloeden. Zo deelde bijvoorbeeld Lamont (1938) mede dat in de
wintertijd in koude vochtige gebouwen tot 100% van de besmette varkens
aan viruspneumonie konden sterven en onder goede omstandigheden ver-
liezen van „slechts" 10 tot 30% optraden. He t ts (1952) deelde mede dat
bij het wijdverspreide heersen van viruspneumonie in Noord-Ierland, de
economische verliezen zeer ernstig waren, maar niet daar waar warme
comfortabele stalgebouwen aanwezig waren. Dergelijke uitspraken zijn ook
veel in andere landen gedaan.

Wat de aetiologie van de ziekte in verband met dc temperatuur betreft, kan
echter het merkwaardige feit vermeld worden, dat Beveridge (1957)
bij de door hem en zijn medewerkers gedane proeven constateerde dat dc
gevolgen van infectie met het „virus" onder warme en koude omstandig-
heden bijna de olfde waren. Onder koude omstandigheden lieten cchtcr
de door secundaire bacteriiin veroorzaakte bijkomende effecten in samen-
hang met de koude de ziekte ernstiger worden. Deze waarnemingen zijn
waarschijnlijk in overeenstemming met die van F o n t a i n e, G o r e t.
B r i o n, P i 1 e t, G i r a r d en .M 1 o u i^) (1959), die in het algemeen
betreffende de uitgebreidheid van de bij sectie zichtbare longbeschadigin-
gen vaststelden dat deze uitgebreidheid wordt vergroot door het in koude
omstandigheden brengen van de dieren (verder ook door parasitaire in-
fectie — ascaridiose — door verandering van huisvesting en door plotse-
linge variaties in de voeding). De dag van het optreden van het hoesten
bleek onafhankelijk van de veranderingen van de uitwendige temperatuur,
hetgeen niet het geval was met de hevigheid van het algemene verloop
\\an de ziekte, en, zoals reeds gezegd, van de uitgebreidheid van de macro-

1  Voor deel I, zie Tijdschr. Diergeneesk., 87, 965, (1962).
Part I in Tijdschr. Diergeneesk., 87, 965, (1962).

-ocr page 321-

scopische longbcschadigingen, welke beide bij besmette biggen door koude
aanzienlijk veranderd kunnen worden. De laatstgenoemde onderzoekers
durven verder als wel bijna zeker aan te mogen nemen dat de adem-
halingssymptomen, voor zover zij van de macroscopische longbeschadigin-
gen afhankelijk zijn, geheel dezelfde variatie vertonen als de temperatuur-
curve van het varken en de andere algemene symptomen, terwijl het hoes-
ten en de onvoldoende groei \\an de zieke dieren eerder verband houden
met de intensiteit van de microscopische beschadigingen van cellulaire in-
filtratie. Cellulaire infiltratie schijnt verband te houden met de hevigheid
en de duur van de infectie, terwijl de oppervlakte met atelectase beïnvloed
schijnt te worden door de intensiteit van de niet-specifieke bijkomende fac-
toren en de gevoeligheid van de dieren voor deze factoren.
De twee genoemde elementaire beschadigingen (macroscopisch: de atelec-
tase-zones, en microscopisch: de chronische cellulaire infiltratiereacties)
moeten zonder twijfel, volgens de genoemde onderzoekers, afhankelijk zijn
van ongelijke werkingen van de virus-infectie. Deze onderzoekers wijzen er
hierbij op dat men ook niet moet vergeten dat het virus in staat is om
twee verschillende parenchymsoorten te beschadigen: de ganglionnaire
tracheo-bronchiale groep en de longen.

Andreev (1954; geciteerd door I v o s, 1958) is van mening dat de
lichaamsafkoeling van de varkens hyperemie en exsudatieve processen
veroorzaakt, waardoor de beschermende functie van het slijmvlies van het
ademhalingsapparaat verzwakt wordt. Door de invloed van de afkoeling
en verkoudheid wordt ook de kringloop van de witte bloedlichaampjes ver-
anderd en hun beschermende functie verkleind. Dit alles bevordert vol-
gens Andreev de vermeerdering van het virus in het lichaam. In dit
verband moge ook niet onvermeld blijven dat Beveridge (1957) mee-
deelde dat er onderzoekingen aan de gang waren betreffende de vraag of
de hoge temperatuur, die er bij zieke dieren kan optreden (104° a 105° F
= 40,0° - 40,5° C), of de levendige celwerkzaamheid in de longen na-
delige invloed op het virus uitoefent.

.M.li De gecombineerde invloed van een bepaalde temperatuur en een
bepaalde luchtvochtigheid, mede in verband met de luchtstromings-
snelheid, de warmte-afgifte door de varkens en het waterdamp-
transjjort in de stal, zal in paragraaf h behandeld worden.

d.2. De invloed van snelle temperatuurwisselingen.

Het is goed de specifieke uitwerking van de koude te trachten na te gaan,
omdat men ook de laatste tijd steeds meer tot het inzicht schijnt te komen
dat lage temperaturen niet schadelijk behoeven te zijn voor het algemeen
welzijn van de varkens mits er maar geen sterke wisselingen in deze tem-
peratuur — evenmin als hoge temperaturen — en in andere klirnato-
logische factoren voorkomen.\'Op de laatste dag \\ an de vierde National
Farm Buildin.gs Conference te Oxford werd dit ten slotte ook als eind-
conclusie door -S a i n s b u r y (1959) uitgesproken na een discussie van hem
met de Zweed H e 1 1 b e r g en Engelse collega\'s. Tijdens deze discussie
werden voorbeelden van het succesvol houden van varkens bij zeer lage
en zeer hoge temperaturen genoemd, o.a. het met succes houden van big-
gen van 2-8 weken oud bij een constante temperatuur van 40° F, waarbij
echter geen enkele tocht optrad (Illinois, U.S..4.). Een andere verslaggever

-ocr page 322-

(A n O n y in u s, 1959) van dit congres merkt op dat men ook tol dc con-
clusie kwam dat de door H e 1 1 b e r g voorgestane en in Zweden toegepaste
lage temperaturen voor de meeste Engelse varkensstallen niet geschikt
geacbt moeten worden, daar de omstandigheden in deze stallen er niet
goed genoeg voor zijn. Welke omstandigheden dit in het bijzonder zijn,
wordt er niet bij meegedeeld. Er kan hierbij echter op gewezen worden dat
in Engeland en Ierland een groot deel van de slechte ervaringen in het
bijzonder aan de sterke temperatuurwisselingen en de hierbij meestal te-
gelijk optredende tocht en veranderingen in relatieve vochtigheid toege-
schreven moeten worden. In verband met bet optreden van viruspneumo-
nie zijn zeer sprekende mededelingen van verbazingwekkende temperatuur-
wisselingen en hun pvolgen te vinden, als ook over de goede resultaten
na het stabihseren hiervan, in S h an k s (1942; o.a. een funeste tempera-
tuurdaling van 24° F binnen 18 uur, en een stijging van 20° F binnen
6 uur daarna), L a m o n t, L u k e en G o r d o n \'(1950; en in de rede van
S h a n k s tijdens de discussie), G o r d o n en Luke (1955), L a m o n t
(1938; 30° F verandering binnen 12 uur in Deense stalgebouwen).
Een belangrijke factor die met deze wisselingen samenhangt en in zekere
zin een index hiervoor kan zijn, is het verschil tussen de temperatuur van
de stallucht en die van de buitenlucht. I n g 1 i s en Robertson (1951)
kregen bij een onderzoek van 26 verschillende typen varkensstallen als
uitkomst dat dit verschil in slechte stallen gemiddeld slechts 5,9° F en in
goede stallen gemiddeld 13,3° F was (zie voor extremen het artikel zelf).
Een frappant voorbeeld over de invloed van een snelle temperatuurdaling
is bet door Shanks (1942) meegedeelde feit dat het een algemene er-
varing is dat er dikwijls in ernstige mate ijneumonie of paratyfus bij jonge
mestvarkens uitbreekt, wanneer er een aanzienlijk aantal slachtrijpe var-
kens tegelijkertijd uit een stal worden weggehaald voor de slacht, daar
dit een plotseling optredende daling in temperatuur ten gevolge heeft.
Shanks beschouwt het derhalve als een bijkomend voordeel van de door
hem ontworpen dubbele stal-afdelingen\') dat niet de temperatuur van de
gehele varkensstal nadelig beïnvloed wordt, wanneer er \\erscheidene stal-
afdelingen tegelijkertijd leeg gemaakt worden.

W r i g h t (S O u t a r, 1953; discussie) wijst op het gevaar van elektrische
verwarming in de stal en het tevens aanbrengen van infra-rode lampen in
kleine slaapkribben. In soimnige gevallen waren hierdoor zwaardere vci-
liezen opgetreden door grote verschillen tussen de temperatuur in de kleine
kribben en die in de rest van de stal, waarin de biggen gezoogd moesten
worden. Het is temeer belangrijk dit te bedenken daar men tegenwoordig
juist met opzet twee verschillende temperaturen tegelijkertijd wil laten
heersen. B o n d, K e 1 1 y en H e i t m a n (1952) vonden namelijk dat b.et
waarschijnlijk met het oog op de gewichtstoename goed is om in de wer])-
stal tot 8 weken na het werpen twee afzonderlijke milieus te hebben: één
voor de zeug bij 60° - 70° F en één voor de worp bij ongeveer 80° F.
Sainsbury (1959), die ook een voorstander is van twee verschillende
temperaturen in de genoemde ruinUen, staat hiervoor echter respectievelijk
de waarden 50° - 60° F (bij koud weer; verder niet voor verwarming zor-
gen in goede stallen) en 70° - 80° F (het gemakkelijkst te bereiken door
een infra-rode lamp) voor. Verder is hij juist van mening dat de biggen

■■) Zie noot 3) Tijdschr. Diergeneesk., 87, 967, (1962).

-ocr page 323-

enige toegang tot de koelere temperaturen in de werpstallen moeten heb-
ben om hen in staat te stellen bun temperatuurregelingsmechanisme te ont-
wikkelen!

Verder zij ook gewezen op de mogelijkheid van bet ontstaan van grote
variatie in de temperatuur van te grote werpstallen door de variatie in de
lichaamstemperatuur van de zeug en de biggen bij en na het werpen (zie
I n g 1 i s en Robertson, 1949, p. 142). Voor de invloed van koude-
perioden op de lichaamstemperatuur van pas geboren biggen zij verwezen
naar Mount (1959a; koude-perioden van 4° C gedurende 45 minuten),
McGance en W i d d o w s o n (1959; koude-periode van 12° C ge-
durende de eerste 24 uur) en Abell (1959).

N.B. In paragraaf g zal het wennen aan de temperaturen en de andere
klimatologische factoren van de buitenlucht besproken worden.

e. De invloed van luchtstromingen op het optreden van enzoötische
pneumonie.

.-\\nthony (1947) deelt mede dat vele stalknechten in varkensstallen
beweren dat de meeste gevallen van pneumonie wel plegen op te treden
in de stalbochten, die aan de uiteinden van de stalgebouwen zijn gelegen.
Het lijkt waarschijnlijk dat deze uitwerking toegeschreven moet worden
aan warmteverliezen door te sterke koude luchtstromen. Anthony be-
veelt aan de massieve afscheidingen tussen de eerste bochten — die het

Tabel 2.

De uitwerking van twee verschillende milieus op mestvarkens.

Het gem.
verschil
van de
tempera-
turen in en
buiten de
stal. in ° F

De gem.
dagelijkse
gewichts-
toename
in Engelse
ponden (Ibs)

De gem.
voedsel-
omzettings-
coëfficiënt

Het perc.
longen dat
zonder enige

long-
beschadiging
was (P.M.)

Het perc.
longen dat
werkelijk
pneumonie
vertoonde

Stal cen
goed tegen
tocht be-
schermde en
geïsoleerde
McGuckian-
stal.

Stal B: als

maar alle
tochtbescher-
mingen
verwijderd.

34

3,69

1,37

22

17

17

3,85

1,29

14

(Het aantal bij deze proef betrokken varkens was 64)

-ocr page 324-

dichtst bij de hoofddeuren van liet stalgebouw liggen — en deze hoofd-
deuren tot ongeveer 6 ft op te trekken.

S a i n s b u r y en Dunkin (Gordon en Luke, 1955; discussie) gin-
gen de invloed van tocht en temperatuur op het optreden \\an longbescha-
digingen en werkelijke pneumonieën na door waarnemingen in twee „dub-
bele stal-afdelingen" van een McGuckian-stal, waarvan één „dubbele af-
deling" van alle tegen tocht beschermende middelen ontdaan werd. Deze
onderzoekers konden hierdoor de volgende tabel samenstellen (tabel 2).

■S a i n s b u r y deelt mede dat bij de geconstateerde pneumonieën ook \\ irus-
pneumonie aanwezig was.

Naast deze mededelingen zijn er ook waarnemingen over het verminderen
van het optreden van enzoötische pneumonie door het nemen van speciale
maatregelen ter bestrijding van tocht, waarbij echter tevens altijd maat-
regelen ter verbetering van de temperatuur- en luchtvochtigheidsomstan-
digheden werden genomen. Zie Shanks (1942) en de later door hem
aangebrachte veranderingeni), en S r é d o v i t c h (1956) 2). Zie voor
tochtbestrijdingsmaatregelen in het algemeen ook So ut ar (1953).
Ivos (1958) ging de invloed van de snelheid van de luchtbeweging op de
varkenssterfte in het algemeen na. Het geringste aantal sterfgevallen trad
bij een snelheid van 0,05 nVsec. op. Het grootste aantal bij ±0,17 m/sec.
Over de bijbehorende temperaturen doet Ivos geen nauwkeurige mede-
deling, zodat hieraan misschien de variatie in de door hem vervaardigde
grafiek toegeschreven moet worden. Ivos acht 0,05 m/sec. de optimale
snelheid en 0,08 m/sec. de maximale voor een varkensstal.
A be 1 1 (1959) vermeldt terecht dat er zeer weinig literatuur over de in-
vloed van de luchtbeweging op het welzijn van de varkens in het algemeen
bestaat. De enige twee mededelingen die ik hierover aantrof, wil ik hier
derhalve niet onvermeld laten. 1 n g 1 i s en R o b e r t s o n (1951) vonden
bij onderzoekingen in 26 verschillende staltypen in Schotland dat in var-
kensstallen waar de varkens niet goed gedijden, de geschatte warm-
teverliezen ge m iddeld vijfmaal zo groot waren als in de
stallen waar de residtaten bevredigend waren. Buitensporige warmtever-
liezen in de slechte stallen moesten meestal aan luchtstromingen worden
toegeschre\\\'en. De warmteverliezen door de luchtstromen
waren in de slechte stallen gemiddeld ongeveer 6/2
maal zo groot als in de goede stallen. (De warmteverhezen door con-
tact met de vloer waren ongeveer 3 maal zo groot in de slechte stallen.)
Sainsbury (1959a) stelde het volgende .schema op: (tabel 3).

Hierbij veronderstelt Sainsbury natuurlijk een normale relatieve liicht-
vochdgheid, al doet hij hier geen enkele mededeling over. Het is echter bij
het op hun prakdsche waarde beoordelen van dergelijke schema\'s in an-
dere landen van groot belang het regionale verloop van de relatieve lucht-
vochtigheid hierbij te betrekken, zoals later in paragraaf h.3.1. uiteengezet
zal worden.

Zie voor de literatuur noot »), Tijdschr. Diergeneesk., 87, 967, (1962).
Zie ook paragraaf h. 3.1.

Zie voor andere literatuur over de „Windelboden" paragraaf i.

-ocr page 325-

Tabel 3.

Reactie van biggen op verschillende combinaties van temperatuur en
luchtbewegingssnelheid.

Luchtbewegingssnelheden in Engelse voeten per minuut

minder dan 30

Tempera-
tuur

70

65

60

55

biggen van alle
leeftijden
behaaglijk la)
biggen jonger dan
een week
onbehaaglijk Ib)
biggen jonger dan
10 dagen
onbehaaglijk
biggen jonger dan
8 weken
onbehaaglijk

30-50

biggen van alle
leeftijden
behaaglijk
biggen jonger dan
5 weken
onbehaaglijk
biggen jonger dan
8 weken^)
onbehaaglijk
biggen jonger dan
12 weken
onbehaaglijk

50-70

biggen beneden
8 weken
onbehaaglijk
biggen jonger dan
12 weken
onbehaaglijk
biggen jonger dan
12 weken
onbehaaglijk
biggen jonger dan
14 weken
onbehaaglijk

Uit dit schcina komt haast vanzelf de gedachte naar voren, dat met de ver-
klaring dat het warmteregelingsmechanisme van pasgeboren biggen pas na
ongeveer 20 dagen goed functioneert^), nog niet alles gezegd is over him
aan|)assingsvermogen aan verschillende temperaturen! Ik vermoed dat de
oorzaak van de verschillen in het schema in de eerste plaats gezocht moet
worden in het feit dat K e 1 1 y, H e i t ni a n en Morris (1948) vonden
dat de oppcrvlakte-temijeratuur van varkens met een licht gewicht aan-
zienlijk hoger is dan die van varkens met een zwaar gewicht bij lagere om-
gevingstemperaturen. Het verschil tussen deze twee huid-temperaturen
neemt langzaam af wanneer de luchttemperatuur stijgt. (Zie voor de huid-
o])])ervlakte-temperaturen ook M o u n t, 1959a, p. 343. Deze onderzoeker
ging, evenals B r o d y, 1945, ook de warmteproduktie van varkens bij ver-
schillende leeftijden na).

Wij kimnen in ieder geval de gevolgtrekking maken dat, in verband met
de in jjaragraaf d.i. genoemde residtaten van Franse onderzoekers en van
Beveridge, de kans op uitbreiding van door enzoötische pneumonie
veroorzaakte longbeschadigingen en een heftiger verloop van de ziekte,
bij biggen en jonge varkens gedurende enige maanden, zelfs nog weken
lang na het spenen, veel groter zal zijn bij lagere temperaturen en grotere
luchtbewegingssnelheden dan bij oudere varkens, door de veel grotere
warmte-afgifte van deze jonge dieren in deze extreme omstandigheden.
Voor de grootte van de warmte-afgifte door convectie (bij verschillende of

la, rcsp. Ib) Sainsbury spreekt hier van „comfortablc", resp. „uncomfortable".
2) In het schema in het oorspronkelijke artikel staat hier „3 weken". Gezien de con-
tinuïteit van het schema moet dit natuurlijk een drukfout zijn en zal wel 8 weken
bedoeld zijn.

Zie voor het verloop van de temperatuur en de zich in drie fasen ontwikkelende
chemische warmteregulatie bij pasgeboren biggen de literatuuroverzichten van
Abell (1959), p. 6-11, en Bond (1959), p. 546, en het verslag van de be-
langrijke proeven van Mount (1959a), p. 338-339.

-ocr page 326-

gelijke temperatuur en\'of bij verschillende lucbtbewegingssnelheden) aan
het huid-oppervlak van de varkens zij verwezen naar B o n d, K e 11 y en
Heitman (1958) en Kauf (1955/\'56) i), en voor gegevens over de
zelfde grootheid bij runderen naar Oosterlee (1958), p. 25-27 en p
57-59. \'

N.B. Zie verder ook paragraaf h.

f. De invloed van stoffigheid op het optreden en het verloop van pneu-
monieën.

De invloed \\an het „stoffig" zijn van de atmosfeer van de stal op het op-
treden van vele geconstateerde pneumonieën is misschien groter dan men
tot nu toe meestal gedacht heeft. Vrij recent deelde T a r v e r (1960) hier
nog een opmerkelijke ervaring uit Engeland over mede: Vroeger stuurde
een bedrijf van ongeveer 1000 varkens gemiddeld 3 varkens met „virus-
pneumonie" per week naar bet abattoir ter noodslachting. Na het dras-
tisch overgaan van meelvoedering op voedering met korrels, daalde dit
aantal tot minder dan 3 per maand^).

Meier (1957) vermeldde reeds eerder uit Duitsland dat er zeer veel ge-
vallen van „enzoötische bronchopneumonie" optraden bij bedrijven die in
vrij grote mate droge graanvoedering toepasten, terwijl de varkens zelfs in
zéér slechte stallen van kleine boerenbedrijven, waar bet voer altijd nat
aangemaakt werd toegediend, gezonder waren. Ook in een groot ïbedrijf
met zeer slechte micro-klimatologische omstandigheden, maar waar het
voeder geen aanleiding tot stofvorming kon geven, nam Meier gedurende
5 jaar nooit tekenen van bronchoijneumonie waar. In de eerstgenoemde
gevallen dat de ademhalingsorganen wel deze ziekte vertoonden, noemt
Meier deze zieke organen „Getreidestaublunge" en rekent de ziekte tot
de pneumokoniosen.

In dit verband moge niet on\\ermeld blijven dal volgens Rek (1949) voe-
dering met een volwaardig, gemakkelijk verleerbaar eiwitrijk voeder (vlees-
beendermeel, vismeel, gekookt runderblocd, rauwe geitemelk) ook een
gunstige invloed op het verloop van de ziekte heeft. Men kan zich nu na-
tuurlijk afvragen of de oorzaak van deze gimstige invloed ook in het niet
stoffig (c.q. het vochtig of vloeibaar) zijn van deze voedingsstoffen gezocht
moet worden.

Innes3) (1936) protesteert zeer heftig tegen de opvattingen van R o-
b i n s
O n (1936 ], die eveneens dc oorzaak van het periodieke optreden van
hoestaanvallen in zijn streek in het voorkomen van stof in bepaalde ge-
deelten van de longen tengevolge van grote stofontwikkelingen zoekt.
I n n e s acht de conclusies van R o b i n s o n ongerechtvaardigd omdat
1. De beschreven longbeschadigingen doen denken aan degene die door
bepaalde besmettelijke bacteriën veroorzaakt kunnen worden.

Zie onder-paragraaf h.3. in een volgende aflevering van het Tijdschr. Diergeneesk.
Niet onvermeld moge hier blijven dat Tarver tevens aan andere dierenartsen
de vraag stelt of zij eveneens ongeveer 3 uren nadat zij gedurende een uur varkens
hebben ingeënt in stallen waarin meelvoedering wordt toegepast, altijd gaan
hoesten, spuwen en sputterend spreken, en tevens een onbehaaglijk benauwd ge-
voel in hun borst krijgen.

Toentertijd werkzaam aan het Institute of .Animal Pathology te Cambridge.

-ocr page 327-

2. De hoeveelheid silicai) (\\olgens I n n e s de oorzaak van alle stofziek-
ten) in stallen te gering is om enige longbeschadiging te kunnen ver-
wekken.

3. De betreffende varkens slechts 6 tot 12 maanden oud worden. Een
mens kan waarschijnlijk ongeveer nog 14 jaren leven na bet eerste kli-
nische ontdekken van een door silica veroorzaakte longbeschadiging.

Gewone atmosferische stof zal dikwijls nies- en hoestaanvallen veroor-
zaken volgens I n n e s, maar het is volgens hem zeer te betwijfelen of deze
door bronchiële irritatie veroorzaakt worden. Zij zijn zijns inziens waar-
schijnlijk meer toe te schrijven aan een reflex-werking die zijn oorzaak
vindt in het neusslijmvlies of in het strottenhoofd.

Meier (1957) wijst er echter op dat ook voor de mens is aangetoond
dat graanstof in staat is, chronische longveranderingen te voorschijn te
roepen. Aetiologisch zouden in het bijzonder haren, spitse deeltjes, zetmeel-
korrels, sporen, mijten en het in planten voorkomende silicium belangrijk
zijn. Van zéér grote betekenis zouden spitse en harde van graankorrels
afkomstige deeltjes zijn. Klinisch maakt men melding van een meerdere
dagen durende „graankoorts" met bronchitische symptomen, en in het bij-
zonder later van dyspnoe en cyanose. Na jaren zou verbetering optreden.
Bekend is dc zogenaamde dorsersziekte, die met een pijnlijke hoest als
chronische, catarrale bronchitis verloopt en beschouwd wordt als een
mengstofsilicose.

Ray (1959) meldt ook uit Amerika het optreden van door ingeademd
stof - in bet bijzonder van een verpulverd stroleger — veroorzaakte long-
beschadigingen. Ook onjuist toegepaste droge onderdompelingen en andere
medische behandelingen kunnen deze „mechanical pncumonia" veroor-
zaken, die door secundair optredende bacteriële infecties gecompliceerd
kan worden.

M a r g i n s O n (in L a m o n t, 1958; discussie) ziet het inademen van de
voederstofdeeltjes als één van de mogelijkheden tot het predisponeren
\\oor bet optreden van viruspneumonie, doordat het virus gemakkelijker in
de geïrriteerde slijmvliezen binnen zou treden.

Een belangrijke waarneming is die van Beveridge (1958) dat bij pneu-
monieën die door kleine deeltjes uit voeder veroorzaakt zijn (hij neemt deze
mogelijkheid dus óók aan) histologisch reuzencellen te zien zijn en geen
ophoping van éénkernige cellen om bronchiën en arteriolen zoals bij virus-
|)neumonie.

Het komt mij voor dat men, gezien het door I n n e s bovengenoemde punt
1, de oorzaak van het ontstaan of het verloop van een pneumonie in som-
mige gevallen misschien moet zoeken in de grotere bacteriële verontreini-
ging, die er waarschijnlijk meestal bij dc aanwezigheid van veel stof bestaat.
Het is in dit verband ook interessant op te merken dat F e c h e r t (1957/
\'58) vond dat cr in mest- resp. werpstallen van varkens een 275%, resp.
253% hogere stofconcentratie bleek op te treden dan in grote koestallen
(zie voor de stofconcentratie in „Schweinepilze" en andere gegevens het
artikel zelf). G o o d w i n en W h i 111 e s t o n e (1960) deelden mede dat
er in Engeland een zeer uitgebreid onderzoek van longen van waarschijn-
lijk aan enzoötische pneumonie lijdende varkens begonnen is, om na te
gaan hoe deze ziekte het beste gedefinieerd kan woren. Door de reeds

\') Kiezelaarde.

-ocr page 328-

door hen uitgevoerde onderzoekingen bleek reeds dat de longbeschadigings-
beelden zeer luteenlopend zijn, op grond waarvan G o o d w i n en
Whittlestone vermoeden dat de toestand van de ademhalingsziekten
dezelfde is als die bij kuikens, bij welke laatsten reeds meer afzonderlijke
ziekten zijn onderscheiden (I.e., p. 1049). Door dit onderzoek zal er over
enige tijd waarschijnlijk ook wel meer over de invloed van „stoffigheid"
bij het ontstaan en het verloop van enzoötische en andere pneumonieën
bekend worden. Misschien kan het macroscopische longenonderzoek in Ne-
derland (zie K
O O p m a n, 1961) ook helpen meer inzicht in deze kwestie
te geven.

Niet onvermeld moge hier ten slotte blijven dat er kans is dat de diagnose
„enzoötische of virus-pneumonie" in de naaste toekomst gemakkelijker ge-
steld zal kunnen worden dan zoals tot op heden op grond van sectiebeelden
of histologisch onderzoek van de longen of nauwkeurige klinische waar-
nemingen bij een individu en een hele groep. Fontaine e.a.i) (1959)
vonden namelijk bij serologisch onderzoek een methode die een belofte
inhoudt voor deze diagnose te zullen kunnen dienen. Zij beschrijven deze
methode als „la réaction de fixation du complément de Demanche-Wasser-
mann en présence de l\'antigène cbolesterolé syphilitique".

g. De invloed van het houden van varkens „in de buitenlucht" met be-
hulp van hutten, op het optreden van enzoötische pneumonie en het
algemeen welzijn van de varkens.

Door Wald mann (1936) werd bij een bedrijf waar de varkens in de
buitenlucht werden gehouden met behulp van strohutten^), reeds vóór
1933 opgemerkt dat hierdoor een aanzienlijke vermindering van het
aantal ziektegevallen van „Ferkelgrijjpe" optrad. De uitlopen van de in
rijen staande werp-strostallen waren echter slechts door een omheining
van planken of van stangen van elkaar gescheiden. In de zomer traden in
dit bedrijf zeer weinig verliezen op, maar in de herfst en in de winter ver-
meerderden zij toch nog met 25 tot 30%. Ook in de meststal was een
hoestconcert te horen. Toch achtte W a 1 d m a n n deze wijze van buiten
houden reeds een enorme vooruitgang daar bij varkensstapels met gemeen-
schap|)clijke uitlopen voor de biggen of met gemeenschappelijke voeder-
plaatsen voor de biggen, de verliezen \'s zomers en \'s winters even hoog
waren en niet veel minder dan 50% bedroegen. De voortdurende toevoer
van bijgekochte dieren naar de reeds besmette stapel achtte W a 1 d m a n n
echter bij een dergelijk bedrijf een ]5rimaire oorzaak van deze hoge ver-
liezen. Het op een onderlinge afstand van 1,50 m houden van de uitlopen
bleek toen de mogelijkheid te geven de ziekte doeltreffend te onderdruk-
ken.

W a I d m a n n bleef echter in dc volgende jaren het succes van zijn me-
thode ook voor een deel toeschrijven aan het verblijven van de varkens
in de buitenlucht. In 1934 deelde hij reeds mede dat de isolering van de
fokzeugen en hun worpen voldoende was om de besmetting snel tot stil-
stand te brengen, in zoverre als deze isolering doelmatig met een verblijf
in de buitenlucht werd verbonden.

Zie voor de andere auteurs pag. 1188.

Gezien de beschrijving is het wel bijna zeker dat hiermee het later te noemen
door L
O h m a n n geleide bedrijf bedoeld is. Zie verder in deze paragraaf.

-ocr page 329-

In 1936 zegt hij: „Waar het ons niet lukte de eigenaars tot het bouwen van
hutten te bewegen, hebben wij geprobeerd L o c h o w-stallen zodanig oin
te bouwen dat wij „sputuinsiehere" wanden in de stal verkregen en ge-
scheiden uitlopen!), door deze uitlopen afwisselend^) aan de ene en aan
de andere kant van de stal aan te leggen. De voedering geschiedde van
buiten af. Ik beschouw deze verbouwingen als een behelpen uit nood en
geef, wanneer het rnaar enigszins mogelijk is, aan de bouw van primitieve
hutten de voorkeur".

Deze ervaringen zijn in overeenstenmiing met die van Whittlestone
(1957) dat fokdieren die buiten lopen, zelden duidelijke tekenen van de
ziekte vertonen. Sterker nog, zegt Whittlestone elders in zijn artikel
dat wanneer varkens in kleine groepen onder betrekkelijk geïsoleerde om-
standigheden in de open lucht gelegerd zijn, chronische ademhalings-
infecties in deze groepen aanwezig kunnen zijn, zonder opgemerkt te zijn.
Men is geneigd hieruit de concluderen dat het vertoeven in de buiteiducht
een genezende uitwerking heeft. Indien de varkens echter reeds sinds jonge
leeftijd in de buitenlucht opgroeien, kan het succes van deze wijze van
houden natuurlijk aan het vergroot zijn van de natuurlijke weerstand
tegen klimaatsinvloeden toegeschreven worden, zodat de ziekte minder ern-
stige vormen aanneemt. Het ontbreken van een stoffiger of aan snellere
microkliniatologische veranderingen onderhevig stalmilieu kan verder te-
vens tot dit succes bijdragen.

Daar F o n t a i n e, G o r e t, B r i o n, P i 1 e t, G i r a r d en A 11 o u i
(1959) ook») vonden dat de mate van hartvergroting die bij enzoötische
pneumonie kan optreden, verband houdt met de duur van de ziekte en de
ernst van de microscopische longbeschadigingen, is het wel duidelijk dat
iedere bekorting van de duur en vermindering van de graad van hevigheid
van de ziekte belangrijk is voor het latere welzijn van de varkens.
L
O h m a n n-i) (1929), op vv iens ervaringen W a 1 d m a n n voortbouwde,
zei over het houden van varkens in de buitenlucht met behulp van stro-
hutten met nadruk dat de dieren heel langzaam aan deze vrije verharden-
de levenswijze gewend moeten raken. Dan zal ieder varkensras voor deze
methode zijns inziens geschikt blijken. Zeugen, die in hun jeugd in een
massieve stal verwekelijkt zijn opgefokt, zullen er niet onmiddellijk ge-
schikt voor blijken en men moet zich dan in het begin niet door kleine
mislukkingen uit het veld laten slaan. Dieren, die zich langzamerhand aan
deze toestand gewend hebben, en hun kroost dat „buiten" geboren is,
zullen iedere weersomstandigheid verdragen. De gezondheidstoestand van
de biggen is reeds bij hun geboorte opvallend goed. De worjjen onder-
scheiden zich door een gelijkmatigheid die men zelden ergens vindt.
L
O h m a n n stelde onomstotelijk vast dat biggen die buiten in strohutten

1) In 1937 gaven Waldmann en Radtke nadere details over deze verhouding.

-) Dit afwisselend aanbrengen aan de ene en aan de andere kant was een noodzake-
lijke cis gebleken, daar Wa 1 d m a n n in 1934 — en nogmaals in 1937 — nog
meedeelt dat hij bij het houden van varkens in deze stallen, waarin iedere zeug
met haar worp een aparte, van de buurworp door een planken omheining ge-
scheiden, uitloop had, het „achterblijven" (Duits: kümmern) van de varkens

waarnam.

Zie ook paragraaf d.i.

4

) Destijds „Tierzuchtleiter" van het „Rittergut Markee" bij Nauen.

-ocr page 330-

bij een koude van 15° C geboren waren, beter en gezonder waren dan
degenen die in een stal geboren waren. Wel moet er, zegt Lobman n
verder, natuurlijk zo veel stro in de hutten zijn, dat de zeug en de biggen
zich daarin volledig kunnen verstoppen.

Zowel Waldmann (1934) als W e i s (1956; uit Zwitserland) delen
mede dat de zeug en haar biggen reeds enkele dagen na het werpen in de
koude buitenlucht kunnen verblijven en zelfs in de sneeuw ronddartelen.
Andere goede ervaringen over bet houden van varkens in de buitenlucht
met behulp van hutten of landhokken (Engels: arks) zijn te vinden in
B u 1 1 e (1929; de dieren op 500 m hoogte in de Stiennarker .\'\\lpen ook bij
hoge sneeuw gaarne buiten; zeer goede gewichtstoenamen). Lamont
(1938; en Becket en Wilson tijdens dc discussie), McLagan en
Thomson (1950), B i g g a r (1953), Reid (1954; gunstige resultaten
zowel m het koude klimaat van Aberdeenshire als in het geheel andere
vochtige en winderige klimaat van Cornwall), H o r v a t\'h, B a k ó en
Bencze (1954) en Heckelbacher (1957)i).

Wat de gewichtstoenamen betreft zijn er, naast gunstige mededelingen
hierover van de bovenvermelde auteurs, ook enkele mededelingen van
slechte ervaringen met het houden van varkens in hutten Zo deelt
Clarke (1957) mede dat een produktie-analyse van 38 varkensbedrijven
als uitkomst gaf dat zowel in de winter als in de zomer in de stal gehouden
varkens een grotere mest-efficiëntie hadden dan varkens die in een hut met
vrije toegang tot een uitloop werden o]3gefokt.

Ik vermoed dat wij de oplossing van dit verschil in resultaten moeten zoe-
ken in het feit dat kleine verschillen in de buitenbouw grote gevolgen kun-
nen hebben. Ik grond deze mening op een medcdeling\'van S a i n s b u r y
(Gordon en Luke, 1955; discussie, p. 1009) dat er uit enige cijfers
van door het British Oil and Cake Mills Progeny Testing Slation le Stoke
Mandeville genomen gewaagde proeven bleek, dat een geringe isolering
van houten hutten, die slechts met een geringe verhoging van de leni]3e-
ratuiir gepaard ging, de voedselomzetlingscoëfficiënt en de toename in le-
vend gewicht belangrijk kon verhogen.

Naast de andere voordelen van bet in de buitenlucht opfokken, lijkt het
dus niet onmogelijk dat ook het tol zo minimaal mogelijke ])roi)orlies
terugbrengen van de reeds door Waldmann (1933) en is. ö b e (1933)
geconstateerde verlenging van de mestperiode (met ± 2 maanden) en ver-
mindering van de mestcapacileit na het doormaken van enzoötische pneu-
monie, door het houden in de buitenlucht bereikt kan worden. Beits en
zijn medewerkers (1955b) bepaalden dat besmette dieren ten opzichte van
controle-dieren ± 16% in gewicht achterbleven en lot aan het bereiken
van het zelfde gewicht 22% meer voer gebruikten dan de controle-dieren.
Het is echter nog een vraag in hoeverre deze percentages gelden voor het
commerciële varkensfokken en voor hel houden van varkens in de buiten-
lucht.

Wat betreft de verstoring van de gewichtstoename kan nog meegedeeld
worden dat de boven reeds genoemde Franse onderzoekers\'F o n "t a i n e
e.a. (1959) het mogelijk achten dat deze gedeeltelijk zijn oorzaak vindt in
de uilwerking van de in de longen ontdekte perivasculaire beschadigingen
op de hartfunclie en het ademhalingsvermogen, en vandaar op de grote

1) Ook kort besproken in b e 1 1 (1959).

-ocr page 331-

bloedsomloop en de algemene stofwisseling. Mede met bet oog hierop is
dus iedere beperking van de uitbreiding van de longbeschadigingen be-
langrijk.

Wat betreft de kwestie of het beter is in de stal (Engels: indoors) of in de
buitenlucht (Engels: outdoors) te laten werpen, vermoedt Sainsbury
(1959) dat de goede resultaten van het „in de buitenlucht" laten werpen
dikwijls toe te schrijven zijn aan het feit dat men omstandigheden in een
kleine houten hut vergelijkt met die in een hoge, niet geïsoleerde en voch-
tige betonnen varkensstal, m.a.w. tussen goede verblijven in de buiten-
lucht en slechte stallen. Sainsbury is van mening dat, daar alle re-
cente overzichten hoge speengewichten bij het in de buitenlucht opfokken
vertonen, het beste compromis is om „indoors" te laten werpen met be-
hulp van in hoge mate gespecialiseerde voorzieningen en daarna, indien
de omstandigheden dit mogelijk maken, de dieren tot aan het spenen in
de buitenlucht te laten vertoeven.

Oliver (Soutar, 1953; discussie) is van mening dat men in het alge-
meen kan zeggen dat fokvarkens en jonge mestvarkens beter in de buiten-
lucht gehouden kunnen worden, maar oudere mestvarkens in de stal.
Waarom hij dit onderscheid maakt, deelt Oliver niet mede. Bij de sa-
neringsmaatregelen van W a 1 d m a n n en anderen kan men echter ook
dit principe terugvinden. I n g 1 i s en Robertson (1949) zeggen dat
de gemeenschappelijke stal het meest geschikt schijnt te zijn voor mest-
varkens in zoverre als bet de toenamen in levend gewicht en de slacht-
kwaUteit betreft.

SAMENVATTING.

In dit tweede deel van het literatuuroverzicht wordt achtereenvolgens besproken de
invloed op het optreden en het verloop van enzoötische pneumonie of van pneumo-
nieën in het algemeen van respectievelijk: (d.1.) de luchtemperatuur — in het bij-
zonder van dc koude —, (d.2.) dc snelle luchttcmperatuurwisselingen, (e.) de lucht-
stromingssnelheid, (f.) stoffigheid en harde graandeeltjes, en (g.) het opfokken met
behulp van hutten of arken „in de buitenlucht". De invloed van de belangrijke be-
sproken factoren kan misschien het beste gekenschetst worden door te zeggen dat
meestal grote maar soms ook kleine oorzaken grote gevolgen kunnen hebben. Door
de resultaten van de onderzoekingen van de laatste jaren kan de samenhang van deze
oorzaken en hun .gevolgen nu beter begrepen worden, doordat cr over hun fysio-
logische achtergrond meer bekend is.

De invloed van de factoren (d.1.), (d.2.) en (e.) zal in verband met de lucht-
vochtigheid in cen volgend artikel (paragraaf h.) nogmaals besproken worden.

SUMMARY.

(d.1.) From the rather recent literature on the influence of the air temperature on
the lung lesions and the general symptoms of the disease a much better insight can
be gained into the physiological backgrounds of enzootic pneumonia and so the com-
bating of it can be more theoretically founded. (In section g. other pathological-
anatomical details and functional disturbances have been mentioned), (d.2.) Great
sudden changes in temperature have been recognised for many years as probably the
most fatal influence as to the incidence of enzootic pneumonia (see also section h.).
These bad changes can also occur through a sudden partly emptying of the stable.
The author also points out to some other less known causes of eventual changes in
air temperature in the farrowing stable during the early youth of the piglets, (e.) The
author mentions the few examples known to him of the proper influence of the air
velocity on the incidence of enzootic pneumonia. The facts known of the real influence

-ocr page 332-

of the air velocity on the general health of the pigs also being very scarce, the author
mentions some typical data known to him, data which reveal its astonishing influence.
Stress has been laid on the fact that the age and the weight of the pigs must be
taken into consideration, as their skin temperatures vary considerably according to
these factors.

(f.) From the literature it appears that the influence of dust and grain particles upon
the origin and the development op pneumonias has probably been too much over-
looked until now. The author mentions some striking examples of the decrease in
the incidence of pneumonias through the use of not-dusty feeding-stuffs. He also
mentions microscopical-anatomical differences between the lesions in the lungs with
pneumonias caused by hard grain particles etc. and those of lungs affected by en-
zootic pneumonia. The author draws attention to the investigations in England to
improve the differential diagnostics of the different pneumonias,
(g.) Already W a 1 d m a n n preferred rearing in the open air until weaning time
for the combating of "piglet influenza" ("Ferkelgrippe"). Yet there have been men-
tioned in the literature good and bad experiences as to the gain in weight in rearing
in the open air. In the author\'s opinion the bad experiences could have been changed
into good ones by very little improvements in the huts or arks, basing this opinion on
the results of ventured experiments in England. Rearing in the open air avoids the
possibly dusty and irregularly draughty atmosphere and the rather quick changing
relative humidity of the air in the stable (see also section h.3.1.). Accustoming older
pigs to remain in the open air must take place slowly. After weaning the rearing
in fattening houses seems preferable.

RÉSUMÉ.

(d.l.) De la littérature assez récente sur l\'influence de la température de l\'air sur
les lésions pneumoniques ct les symptômes générales de la maladie on peut se faire
une idée beaucoup plus claire des dessous physiologiques de la pneumonie enzootique
du porc et ainsi donner une base plus théorique à la lutte contre la maladie. (Dans
le paragraphe g. d\'autres détails pathologiques-anatomiques et des troubles fonc-
tionnels sont mentionnés.) (d.2.) Les grands changes brusques de la température
ont été reconnus depuis beaucoup d\'années comme ayant probablement l\'influence
la plus funeste sur les symptômes de la pneumonie enzootique (voyez aussi le para-
graphe h.). Cette influence nuisible peut être causée aussi par une évacuation par-
tielle et soudaine de l\'étable. L\'auteur relève aussi quelques causcs moins connues

symp-
tômes de la pneumonie enzootique. Les faits connus sur l\'influence réelle de la vélo-
cité d\'air sur la santé générale des cochons étant aussi peu nombreux, l\'auteur
présente quelques données typiques, qui montrent l\'influence étonnante de la vélocité
d\'air. L\'auteur souligne le fait qu\'on doit considérer aussi l\'âge et le poids des
cochons, les températures de leur peau variant beaucoup d\'après ces facteurs,
(f.) Il s\'en suit de la littérature que l\'influence de la poussière et des particules de
graines de blé sur l\'origine et l\'évolution de pneumonies a été probablement trop
oubliée jusqu\'à présent. L\'auteur mentionne quelques exemples remarquables de di-
minution de la présence de pneumonies par l\'usage de fourrages non poussiéreux.
Il fait aussi mention de différences microscopiques-anatomiques entre les lésions des
pneumonies causées par des particules dures de graines de blé etc. et celles de la
pneumonie enzootique du porc. L\'auteur appelle aussi l\'attention sur les recherches
faites en Angleterre pour améliorer le diagnostic différentiel des pneumonies diffé-
rentes.

(g.) Déjà Waldmann a préféré l\'élevage en plein air jusqu\'au sevrage pour
le combattement de „la grippe des porcelets" („Ferkelgrippe"). Dans la littérature
pourtant des expériences bonnes et mauvaises sont mentionnées quant au gain de
poids en plein air. L\'auteur est d\'avis que les expériences mauvaises auraient pu être

-ocr page 333-

changées en bonnes par de très petites améliorations dans les huttes ou les cabanes
portatives, en vue d\'expériences osées en Angleterre. L\'élevage en plein air évite
l\'atmosphère éventuellement poussiéreuse et submise irrégulièrement à des courants
d\'air et une humidité relative de l\'air bien vite changeante de l\'étable (voyez aussi
le paragraphe h.3.1.). On doit habituer les cochons plus vieux au séjour en plein
air d\'une façon lente. Après le sevrage l\'élevage dans les étables d\'engraissement semble
être préférable.

ZUSAMMENFASSUNG.

(d.i.) Aus der neueren Literatur über den Einflusz der Lufttemperatur auf pneu-
monische Läsionen und die all.gemeinen Symptome der Krankheit kann man eine viel
klarere Einsicht in die physiologischen Hintergründe der enzootischen Pneumonie
bekommen und dadurch seiner Bekämpfung eine mehr theoretische Grundlage geben
(In Para,graph g. werden noch andere pathologisch-anatomische Einzelheiten und
funkdonelle Störungen genannt), (d.2.) Die plötzliche einsetzenden .groszen Ver-
änderungen in der Temperatur haben — wie wir seit vielen Jahren wissen — viel-
leicht den fatalsten Einflusz auf das .Auftreten der enzootischen Pneumonie (siehe
auch Paragraph h.). Dieser schädliche Einflusz kann auch durch eine plötzliche teil-
weise Enträumung des Stalls verursacht werden. Der Verfasser weist auch auf eini.ge
weniger bekannte Ursachen von eventuellen Temperaturveränderungen im Abferkel-
stall während der frühe Jugend der Ferkel hin. (e.) Im weiteren zitiert er die wenigen
ihm bekannten Beispiele über den wirklichen Einflusz der Luft.geschwindigkeit auf die
Symptome der enzootischen Pneumonie. Da auch nur wenig Angaben über den wirk-
lichen Einflusz der Luft.geschwindigkeit auf das Allgemeinbefinden der Schweinen be-
kannt sind, führt der Verfasser auch einige typische zutreffende Daten an, welche
den erstaunlichen Einflusz der Luftgcschwindi.gkeit bestätigen. Es wird darauf hin-
gewiesen, dasz hier auch das .Alter und das Gewicht der Schweine eine Rolle spielen
musz, da ihre Hauttemperaturen in .Abhän.gigkeit von diesen Faktoren stark schwan-
ken.

(f.) Aus der Literatur .geht hervor, dasz man den Einflusz von Staub und Korn-
tcilchen auf das Entstehen und die Entwicklung von Pneumonien bis heute zu stark
vernachlässigt hat. Der Verfasser nennt einige frappante Beispiele über die Ver-
minderung im .Auftreten von Pneumonien durch den Gebrauch von nicht staubi.gen
Futtermitteln. Er führt auch mikroskopisch-anatomische Unterschiede zwischen den
Läsionen an, welche in der Lunge bei durch harte Komteilchen usw. verursachten
Pneumonien und diejenigen, welche bei der enzootischen Pneumonie vorkommen.
Der Verfasser lenkt die Aufmerksamkeit auf die Untersuchun.gen, die in England im
Gange sind um die Differential-Diagnostik der verschiedenen Pneumonien zu ver-
bessern.

(g.) Schon W a 1 d m a n n gab der Aufzucht im Freien bis zum Absetzen den Vorzug
um die Ferkelgrippe zu verhüten. In der Literatur finden wir jedoch Angaben über
sowohl gute wie schlechte Erfahrun.gen in bezug auf die Gewichtszunahme im Freien.
Der Verfasser ist der Meinung, dasz man statt der schlechten gute Erfahrun.gen hätte
erhalten können durch sehr kleine Verbesserun.gen in die Hütten oder Arken, wie
dies auf Grund von gewagten Experimenten in England fcst.gestellt wurde. Mit der
.Aufzucht im Freien wird die eventuell staubige oder unre.gelmässigen Luftzügen unter-
worfene Atmosphäre und die sich ziemlich schnell ändernde relative Luftfeuchtigkeit
der Ställe vermieden (siehe auch Paragraph h.3.1.). Das Gewöhnen der älteren
Schweinen an den Verbleib im Freien musz langsam erfolgen. Nach dem Absetzen
scheint es besser zu sein die Aufzucht in Mastställen fort zu setzen.

RIASSUNTO.

(d.i.) Dalla letteratura abbastanza rccente sull\' influenza della temperatura dell\' aria
sulle lesioni pneumonici e i sintomi generali della malattia si puô avere un\' idea molto
più chiara dei fondi fisiologici della pneumonia enzootica nel suino e cos! dare una

-ocr page 334-

base più teôrica alla lotta contro la malattia. (Nel paragrafo g. altri sintomi pato-
logici-anatoraici de disturb! funzionali sono menzionati).

(d.2.) I grandi mutamenti bruschi délia temperatura sono stati riconosciuti da molti
anni come avendo probabilmente l\'influenza più funesta sui sintomi délia pneumonia
enzootica (vedete anche il paragrafo h.). Questa influenza nociva puô essere causata
anche dallo sgombero parziale subitaneo délia stalla. L\'autore mette anche in rilievo
alcune cause mcno conosciute dei cambii di temperatura che si verificano eventual-
mente nella stalla délia figliata durante la prima giovinczza dei porcellini. (e.) Poi
l\'autore cita àlcuni esempi che egli ha incontrato concernènti l\'influenza propria délia
velocità deir aria sui sintomi délia pneumopatia enzootica. I fatti conosciuti sull\'
influenza reale délia velocità dell\' aria sulla salute generale dei porei anche essendo
poco numcrosi, l\'autore cita alcuni dati tipici, che mostrano l\'influenza sorprendente
della velocità deH\'aria. L\'autore accentua il fatto che si deve considerare anche l\'età
e il peso dei porei, variando le temperature cutanee molto a seconda di questi fattori,
(f.) Risulta dalla lettcratura che l\'influenza dei granelli di polvere e delle particelle
di grano sulla origine e il decorso delle polmoniti é stato troppo trascurato probabil-
mente fino a oggi. L\'autore menziona alcuni esempi rimarchevoli di diminuzione della
presenza di polmoniti per usare foraggii non-polverosi. Egli anche fa menzione di
differenze microscopiche-anatomiche fra le lesioni delle polmoniti causata dalle parti-
celle dure di grano ecc. e da quelle della polmonite enzoodca nel suino. L\'autore anche
richiama l\'attenzione sulle ricerche fac in Inghilterra per migliorare la diagnosi
differenziale delle diverse polmoniti.

(g.) Già Waldmann preferiva l\'allevamento all\'aria aperta fino allo slattamento
per la lotta della „grippe dei porcellini" („Fcrkelgrippe"). Nclla letteratura cspe-
rienze positive e negative tuttavia sono menzionate riguardo l\'aumento di peso all\'aria
aperta. L\'autore é dell\'opinione che le csperienze negative potcvano essere mutate in
positive per miglioramenti molto piccoli nelle capanne o arce portabili, in vista di
esperienze ardite in Inghilterra. L\'allevamento all\'aria aperta évita l\'atmosfera even-
tualmente polverosa c sottomcssa irregolarmente a correnti d\'aria e una umidità
relativa della aria che abbastanza presto si cambia nella stalla (vedete anche il para-
grafo h.3.1.). Si deve abituarc i porei più vecchii al soggiorno all\'aria aperta grada-
tamente. Dopo lo slattamento l\'allevamento nelle stalle di ingrassamento sembra essere
preferibile.

LITERATUUR!)

Abell, L. F.: De invloed van het stalklimaat op varkens. Literatuuroverzicht Cen-
trum Landbouwpubl. en Landbouwdoc., Wageningen, 1959.
Anonymus: Frcczing-point pig houses; Swedish Testing Station results show that
temperatures for baconers are not critical.
Farmer & Stock-breeder, Ti, 76,
(1959).

Anthony, D. J.: Diseases of the pig and its husbandry. Baillièrc, Tindall & Cox,

London, 1947.
B e 11 s (1952) : zie lit.-lijst deel I.
B e 11 s e.a. (1955b) : zie lit.-lijst deel I.
Beveridge (1957) en 1958): zie lit.-lijst deel 1.

B i g g a r, e.a.: Vistit to Duthie farm and Craibstone (Demonstrations, methods of
pighousing).
Vet. Rec., 65, 741, (1953) (De Duthie farm behoort tot het Rowett
Research Institute).

Bond, T. E.: Environmental studies with swine. Agr. Engineering, 40, 544, (1959).
Bond, T. E., Kelly, C. F. and Heitman Jr., H. : Heat and moisture loss from
swine.
Agr. Engineering, 33, 148, (1952).

1) Oveal waar in deze literatuurlijst staat „zie lit.-lijst deel I" is een verwijzing naar
de literatuurlijst bij deel I van dit literatuuroverzicht bedoeld
(Tijdschr. Dier-
geneesk.,
87, 974, (1962)).

-ocr page 335-

Bond, T. E., Kelly, C. F. and H e i t m a n Jr., H.: Hog house air conditioning
and ventilation data. Mimeograph of talk presented before Amer. Soc. of Agr.
Engineers, Santa Barbara, California, June 23, 1958. (gecit. door Bond, 1959.)

B r o d y, S.: Biocnergctics and growth. Reinhold, New York, 1945, 456-457. (gecit.
door Mount, 1959a.)

Bullc, F.: Billige Schweinehaltung. Dtsche landw. Presse, 56, 17, (1929).

Clarke, G. B.: Pig housing and fattening efficiency. Agriculture, 63, 340, (1957).

Fontaine, M., G o r e t. P., B r i o n. A., P i 1 e t, C., G i r a r d, M. et .A 1 1 o u i,
P.: Nouvclles recherches expérimentales sur la pneumonic
a virus du pore. Bull.
Acad. Vét.,
32, 675, (1959).

Goodwin and Whittlestone (1960): zie lit.-lijst deel I.

Gordon and Luke (1955): zie lit.-lijst deel L

Heckelbacher, F.: Bericht über einen Aufzuchtsversuch in Abferkelhütten.
The influence of climate on animals and animal production.
Publ. Europ. Ass.
Anim. Prod. (Rome),
5, 235, (1957).

H o r V a t h, L. J., B a k ó, J. and B e n c z e, A.: The farrowing of Mangalitsa sows
in open sheds in winter. 3,
225, (1954). Hongaars met Russ. en Duitse samenv.
(Refer, in
Anim. Breed. Abstracts, 23, 760, (1955; ook gecit. door A b e 1 1, 1959).

I n g 1 i s, J. S. S. and Robertson, A.: A sur\\\'ey of pig-housing. Empire J. exper.
Agric.,
19, 202, (1951).

I n n e s, J. R. M.: Dust diseases-Pulmonary lesions and coughing in pigs. Vet. Rec.,
48, 1473, (1936).

Ivos, J.: Stajska klima i bolcsti u domacih zivotinja, III Mikroklima u svinjcima
i mortalitet prasadi. (Stabling climate and diseases in domestic animals. III. Micro-
climate in pigsties and mortality of pigs (In Serbo-Croatian)).
Veterinarski Arhiv,
28, 1, (1958). Eng. en Duitse samenv. (vertaling in hct Nederlands aanwezig bij
het Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen).

Kauf, H.: Die Bedeutung von Stallklima und Witterung für die Auslösung von
Tiererkrankungen, dargestellt an Todesvcrlusten durch Impfrotlauf.
Wissen-
schaftl. Zschr. Friedrich-Schiller-Universität Jena, Mathem.-Naturwissensch. Reihe,
5, 265, (I955j\'56).

Kelly, C. F., H e i t m a n Jr., H. and M o r r i s, J. R.: Effect of environment on
heat loss from swine.
Agr. Engineering, 29, 525, (1948).

Kobe (1933): zie ht.-lijsi deel I.

K oo p m a n, J. (1961): zie lit.-lijst deel I.

Lamont, (1938): zie lit-lijst deel I.

Lamont, Luke and Gordon (1950) : zie lit.-lijst deel I.

L o h m a n n, R.: Schweine-Aufzucht im Freien. Dtsche landw. Presse, 56, 79,
(1929a).

Loh mann, R.: Feld und Wald, (März 1929b).

M c C a n c e, R. A. and W i d d o w s o n, E. M.: The effect of lowering the ambient
temperature on the metabolism of the new-born pig.
]. Physiol., 147, 124, (1959).

McLagan, J. R. and Thomson, W.: Effective temperature as a measure of
environmental conditions for pigs.
J. agric. Sci., 40, 367, (1950).

Meier, K.: Beitrag zur Ätiologie der Bronchopneumonie des Schweines. Mh.
VetMed.,
12, 230, (1957).

Mount, L. E.: The metabolic rate of the new-born pig in relation to environ-
mental temperature and to age.
J. Physiol., 147, 333, (1959a).

O o s t e r 1 e e, C. C.: Een onderzoek naar de invloed van klimaat.sfactoren op het
warmte-evenwicht en de melkproductie van runderen in verband met het vraag-
stuk van de boerderijbouw in Nederland. Diss. Wageningen, 1958, 216 p.

P e c h e r t, H.: Untersuchungen über den Staubgehalt in verschiedenen Rinder-
und Schweineställen.
Wissenschaftl. Zschr. Friedrich-Schiller-Universität Jena, 7,
(I957/\'58), Mathem.-Naturwissensch. Reihe, Heft 4/5: 529. (Door dezelfde
auteur werd onder de zelfde titel een dissertatie geschreven: Diss. Jena Landw.
Fakult., 1957).

-ocr page 336-

Ray, J. D.: Respiratory problems in swine. ]. Am. vet. med. Assoc., 134, 357,
(1959).

Reid, J. W.: Rearing pigs. Vet. Ree., 66, 862, (1954).

Rek, L.: Casopis Ceskoslov. veterin., 4, 189, (1949) (gecit. door N i z n ä n s k y,
1957).

Robinson, H. G.: Coughing in pigs. Vet. Ree., 48, 1416, (1936). In dit artikel
zijn door de redactie van dit tijdschrift de opvattingen van Robinson gedeel-
telijk overgenomen zoals deze door hem in „The Times" van 19 okt. 1936 werden
gepubliceerd.

S a i n s b u r y, D. W. B.: Farrowing. „Something radically wrong with our methods".

Farmers Weekly, 5\\, 94, (1959a).
S a i n s b u r y, D. W. B.: Fattening. „Hot or cold, what matters is a constant tempe-
rature".
Farmers Weekly, 51, 97, (1959b).
Shanks (1942): zie lit.-lijst deel I.
Shanks (1950): zie Lamont, Luke and Gordon (1950).

S o u t a r, D. S.: Pig housing in relation to health and economy. Vet. Ree. 65,
722, (1953).

Srédovitch, S.: Le mieroclimat et les maladies des jeunes animaux. Schweiz.

Arch. Tierheilk., 98, 461, (1956).
Tar ver, W. J.: Virus Pneumonia: Is it? Vet. Ree., 72, 1237, (1960).
Waldmann (and R a d t k e) (1933-1937): zie lit.-lijst deel I.
Weis, J.: Ferkelgrippe und chronische Schweineseuche, Ferkeldurchfall
Schweiz.

Arch. Tierheilk., 98, 66, (1956).
Whittlestone (1957): zie lit.-lijst deel I.

Stierenkeus en bevruchtingsresultaten.

Zal de K.I. als fokmethode geheel aan haar doel beantwoorden, dan moet, zo be-
toogt Dr. K. Eibl, de leider van het grootste West-Duitse K.I.-station, de indivi-
duele stierenkeus — met de daaruit voortvloeiende consequenties t.a.v. eventuele her-
inseminaties — te allen tijde gewaarborgd zijn. Het is de taak van de K.I.-organi-
saties, ervoor te zorgen, dat aan deze eis zo goed mogelijk wordt voldaan. Dit kan
onder meer, door alleen zulke stieren te .gebruiken, welke regelmatig tweemaal per
weck sperma van goede kwaliteit en houdbaarheid leveren en door het sperma zo-
danig te behandelen, dat dit zonder bezwaar gedurende 3 a 4 dagen kan worden
aangewend.

Het effect van deze maatregelen wordt echter teniet gedaan, wanneer het dekschcma
voor de stieren ertoe leidt, dat dagelijks vers sperma beschikbaar is cn de insemina-
toren, in de jacht naar de hoogste bevruchtingsresultaten, slechts dit verse sperma
gebruiken en het oudere „wegmoffelen". De leiding van het K.I.-station dient hier-
aan een halt toe te roepen, door te zorgen, dat het sperma van de verschillende
stieren steeds even oud is, dus, met andere woorden, door op vaste dagen van
nlle
stieren op het station sperma te vangen.

Der Tierzüchter, 14, 484, (1962).

Voortplanting bij nertsen.

H O 1 c O m b en medewerkers vermelden op grond van onderzoekingen, dat nertsen
die extra licht hadden gehad na de paring, grotere jongen wierpen dan contróle-
dieren, die dit niet hadden ontvangen.

Extra verlichting vóór en na de paring verkortte vaak de draagtijd en vergrootte
de worpen.

Pluimveepers, 17, 367, (1962).

-ocr page 337-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een fumor in een runderharf.

A tumor in a bovine heart.

door A. F. R. TER SCHUREi)

Uit de Gemeente Slachtplaats te Tilburg.

Bij een rund, dat op 11 mei 1962 aan het abattoir te Tilburg ter slachting
werd aangeboden, werd bij het onderzoek vóór de slachting oedeem van
het kossem opgemerkt.

De anamnese luidde dat de koe een week tevoren was gekocht en in de
wei was gedaan. Bij het ophalen voor het melken op genoemde datum was
het dier gevallen; tijdens het melken viel de koe opnieuw, waarna de eige-
naar besloot het rund naar de Gemeente Slachtplaats te laten vervoeren,
waar het de volgende dag werd geslacht.

Na de slachting werd in de rechter boezem een meer dan vuistgrote tumor
gevonden, welke het sterk tiitgezette lumen nagenoeg geheel opvulde. De
tumor was met een zeer brede basis uit de sterk verdikte en met tumor-
weefsel doorgroeide buitenwand der rechter boezem gegroeid en vertoonde
naar het lumen vele gesteelde afgeronde woekeringen met een slappe con-
sistentie. Op de hierbij geplaatste foto is dit goed te zien, terwijl tevens de
afsliüting van de V. cava, welke vrijwel compleet scheen tc zijn, zichtbaar
is.

-ocr page 338-

De lever was sterk vergroot en vertoonde een typisch beeld van chronische
stuwing.

Behalve oedeem aan het kossem bleek ook het darmscbeil sterk gestuwd tc
zijn.

Nadat de schouders waren losgemaakt en ook hier veel oedeem aanwezig
bleek te zijn, werd besloten het gehele dier te laten uitbenen.
Daar al het spierweefsel van de koe, hoewel vrij stevig, licht hydropisch
bleek te zijn, werd besloten het vlees van de 266 "kg. wegende koe tc steri-
liseren, na verwijdering van de vocbtrijke vliezen. Metastasen van de tu-
mor werden niet waargenomen.

Het hart met de tumor werd voor nader onderzoek opgezonden naar het
Instituut voor voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
Histologisch onderzoek van het tumorweefsel voerde tot de diagnose klein-
cellig sarcoom, met grote neiging tot infiltratieve groei. In het tumor-
weefsel werden hier en daar nog spiervezelen waargenomen. Op enkele
plaatsen was er een rangschikking die aan alveolaire bouw van de tumor
deed denken. Er werd vrij veel kern\\ erval, met name in de gesteelde woe-
keringen, geconstateerd.

SAME.WATTING.

Beschrijving van een geval van een na de slacht waar.genomen vuistgrote tumor in de
rechter boezem van een rundcrhart, dat ook de vena cava afsloot.

SUMMARY.

Description of a tumor observcd after slaughter and located in the right atrium
of a bovine heart. The tumor also blocked the vena cava.

\'s Zondags éénmaal melken?

Voorlopi.ge uitkomsten van cen onderzock doen vol.gens Ir. S. Brands ni a van het
I.V.O. „Schoonoord" verwachten, dat het in de eerste helft van de lactatie cen
niet onbelangrijke produktiedaling tot gevolg heeft.

Men zal er go<-d aan doen bij dieren met een produktie van 15-25 kg melk per dag
te rekenen met cen verlies van 4-5 kg melk per dier per weck. Het gemiddelde vet-
gehalte stijgt waarschijnlijk wel. Dieren met een hoge produktie reageren ongunstiger
dan dieren met een lage produktie.

Er is overigens niet geconstateerd dat dc kans op uierontsteking toeneemt.

Landbouwdocumentatie, 18, 742, (1962).
Hoe bewaart men kalkoenebrocdeieren?

Voor broedeieren van kalkoenen is veelvuldig rapen gewenst, doch men mo< t dc
eieren niet onmiddellijk afkoelen tot 60° F.

Men dient ze eerst een nacht te laten koelen bij kamerptempcratuur en daarna tc
bewaren bij een temperatuur van 55-60° F en een vochtigheidsgraad van 70-75%.

Pluimvee pers, 17, 353, (1962).

Hoe brengen schapen hun tijd door?

Waarnemingen hebben aan.gctoond dat schapen gemiddeld 16% va n hun tijd door-
brengen met het opnemen van gras, bijna 23% met herkauwen en 61% met niets
doen of wandelen.

Per oprisping werd bijna 35 minuten geherkauwd en de tijd tussen twee oprispingen
bedroeg bijna 7 minuten.

Landbouwdocumentatie, 18, 743, (1961).

-ocr page 339-

REFERATEN

Bacferiële- en virusziekfen

HONDEZIEKTE BIJ NERTSEN.

B i n d r i c h, H., K u w e r t, E., L i n s e i t, H. und Zimmermann, H.: Zur
Staupeerkrankung des Nerzes.
Arch. exp. VetMed., XIII, 1, (1959).
Schrijvers analyseren het gestor\\\'en nertsenmateriaal van 10 uitbraken (285 stuks).
Het gold hier kleine uitbraken binnen de bedrijven zonder aanleiding te geven tot
een epizootic. Mogelijk is het virus afkomstig van de hond nog niet zo virulent en
treden epizoötiën pas op na viruspassage van nerts op nerts. Deze vielen bijna alle
gedurende de maanden september tot februari. Als infectiebron konden of nieuvif
aangekochte dieren vv-orden aangewezen, of honden. Hoewel de ziekte bij de indivi-
duele dieren zeer dikwijls acuut verloopt, verloopt ze in de fokkerij slechts lan.gzaam.
Het virus van de dode dieren werd in orgaanextracten aangetoond; door overenten
op gezonde nertsen met hondczicktevirus werd bij fretten hetzelfde ziektebeeld opge-
wekt, terwijl het virus van nertsen afkomsti.g, bij hondenpups het beeld van honde-
ziekte gaf met de typische bifasische koortscurve.

Dc complement-bindingsrcactir uit.gevoerd met orgaanextracten van gestorven nertsen
en hypcrimmuun serum van honden was ook positief, terwijl met hondeziektescrum
in besmette bedrijven de ziekte tot staan kon worden gebracht, als ook met het door
Bind rich gepropageerde adsorbaat vaccin (= gedood vaccin).
Het klinisch verloop kan peracuut dodelijk zijn, (25% van de dieren) of minder
acuut. In het laatste geval ontwikkelen zich een conjunctivitis en een rinitis (muco-
purulent), gevolgd door korstvorming en haaruitval aan buik- en brockstreek. .Als
algemene symptomen treden op: niet eten, dorst, braken en soms diarree. In enkele
.gevallen treedt sterke zwelling van onderpoten op. Als nerveuze verschijnselen treden
op: apathieën, manege-bewegingen, epileptiforme krampen dikwijls met schreeuwen;
dit alles .gevolgd door coma en verlammin.gen. Het hele ziekteproces duurt meestal
5-7 dagen.

Bij sectie is het meest typische de sterk gezwollen milt; in mindere mate worden
pneumonieën gevonden. Ook treden enteritiden in ruim de helft van de gevallen op,
samen met zwelling van de lymfklieren. Het microscopisch onderzoek gaf in 75%
een bronchitis en in 50% een peribronchitis. Bij 30% van de aangetaste nertsen
werden insluitlichaampjes in cpitheelcellen van de bronchiën gevonden. Ook werden
deze gevonden in het trachea- en in het blaasepithecl. De milt vertoonde hyperjilasic
en activering van het reticulum.

Voor de complementbindingsreactie werden als antigeen extracten van verdachte
nertsen uit longen, milt, darmlymfklicren gebruikt. .Als antiserum werd gebruikt
hyperimmuunserum van honden, die besmet waren met virushoudende orgaan-
extracten van honden; (orgaanextracten, van fretten afkomstig, lenen zich niet v<M)r
het bereiden van antiserum omdat dit scrum een positieve reactie .geeft met orgaan-
cxtrachten van nertsenserum). Bij 2/3 deel van positief reagerende nertsen, kon de
ziekte door overenten enz. bevcsti.gd worden; bij 1/3 deel werden nog andere aan-
doeningen gevonden; mogelijk kon hier aan een menginfectie worden gedacht, al kon
deze niet steeds bewezen worden .geacht. De hoo.gste titer gaven extracten, afkomstig
uit longweefsel. Een negatieve reactie bij aan hondeziekte gestorven nertsen werd
niet gevonden. Secundaire bacteriën
(C. pyogenes en verschillende kokkensoorten,
waaronder influenza-achti.gen) konden praktisch alleen uit de longen worden .ge-
kweekt. Voor de differentieel diagnose komen diverse ziektebeelden in aanmerking.
De in de Verenigde Staten en Canada zo zeer gevreesde enteritis, veroorzaakt door
een virus, identiek aan het virus van de infectieuze gastro-enteritis van de kat, werd
niet gevonden; evenmin botulismus. Wel werden gevonden bacteriëmieën met
Strepto-
kokken, met bacteriën uit de intermedius-groep, met coli-bacillen, met salmonella,
verder tuberculose en voeder-intoxicaties met proteus als oorzaak.

-ocr page 340-

Bi| al deze dieren was de complementbindingsreactie negatief. Daar geënte dieren
vrij lang een positieve reactie behouden, kan dit de diagnostiek storen.
De bestrijding van de ziekte moet geheel gericht zijn op dc profylaxis. Bij uitbreken
van de ziekte op een farm worden de nog niet zieke dieren ingespoten met honde-
ziekte hyperimmuunserum; het behandelen van zieke dieren heeft geen zin. Veertien
dagen hierna worden alle dieren geënt; deze enting wordt na 14 dagen herhaald.
Ent-verliezen werden niet gezien, terwijl ook geen doorbraken in de bedrijven op-
traden.

Gebruikt werd het reeds eerder genoemde adsorbaatvaccin.

Als hygiënische maatregelen worden toegepast: reinigen met 3% natronloog, isolatie
(waartoe zeker hoort het verre houden van honden), 4 weken quarantaine van
nieuwkopen, speciale kleding, enzovoort.

G. H. B. Teunissen.

SALMONELLAE IN AFVALWATER EN BIJ GEZONDE VARKENS IN
GENÈVE.

Fey, H. und Valette, H.: Nachweis von Salmonellen in Flusz- und Abwässern
sowie bei gesunden Schlachtschweinen in Genf. Diss. Bern, 1962.

Een promovendus van Professor Fey uit Bern heeft een uitvoerig onderzoek gedaan
naar het voorkomen van salmonella\'s in het water van de Rhône en een zijtak van
deze grote rivier de Arve. Tevens heeft hij hierin betrokken het water van twee
grachten, die dienst doen als afwateringskanaal van de stad Genève en het afwaterings-
kanaal van het stedelijk abattoir.

De monsters water werden, wat de laatste betreft, in een hoeveelheid van 1 en 9 cm
onderzocht door deze te vermengen met de aankweekvoedingsbodem of met een 10-
malig .geconcentreerde. Uit het rivierwater werden monsters genomen door er tam-
pons enige tijd in te laten hangen. Verreweg de beste resultaten werden verkregen
met de voedingsbodem vlg. S t o k e r en Osborne, die in Nederland minder ge-
bruikelijk is.

Van de 16 onderzochte monsters van de twee afvoerkanalen van de stad bleken 9
monsters salmonella\'s te bevatten. Het afvoerkanaal van het abattoir bleek iets min-
der rijk aan salmonella\'s. Van de 17 monsters waren er 5 positief. Het rivierwater,
dat in de regenrijke zomer van 1960 rijkelijk aanwezig was en sterk stroomde, bevatte
wat het Rhone-water betreft in 30% der in wattenproppen verzamelde monsters
salmonella\'s, terwijl dat van dc Arve zelfs 40% positieve uitslagen opleverde

Van 1140 varkens, afkomstig van 36 mesterijen, werden bij 72 (6,3%) salmonella\'s
in lymfklieren en/of faeces aangetoond. De mesterijen waren gele,gen in het dal van
de Rhône en de Arve.

De verspreiding was zeer onregelmatig; er werden 9 verschillende serologische typen
.gevonden, waarbij
S. typhimurium echter geheel ontbrak.

Van de 18 typen, die in het grachtwater van Genève waren gevonden, bleken slechts
4 ook bij de varkens voor te komen. Hoe betrekkelijk de resultaten van het water-
onderzoek overigens ook nog waren bleek wel uit het feit, dat geen van de typen, die
bij de varkens werden aangetroffen, in het afvalwater van het abattoir konden wor-
den teruggevonden.

A. van der Schaaf.

ENTEROTOXEMIE BIJ KALVEREN.

G i e s e m e r, R. A. and Krill, W. R. : Enterotoxemia in Beef Calves, 30 years\'
observation.
J. Am. vet. med. Assoc., 140, /S4, (1962).

De Ohio State University heeft een veebeslag van „beef cattle", bestaande uit Aber-
deen-Angus, Hereford en Shorthorn, waarin geregeld sterfte van kalveren met ner-
veuze symptomen voorkwam. Toen er in 3 jaar tijds 18 kalveren sderven, was dit
aanleiding tot nader onderzoek.

De meeste dieren süerven op een leeftijd van 6 maanden. Dit waren dieren die extra
1208

i3

-ocr page 341-

gevoerd werden om tentoongesteld te worden. Bij het eerste optreden van ziekte,
hielden de dieren op bij de moeder te drinken (deze dieren werden dus bij de koe
gehouden), werden suf, vertoonden trillingen, krampen en paralyse. Vaak trad de
dood binnen 2 ä 3 uur op, soms duurde dit 18 uur.

Deze verschijnselen werden in verband gebracht met intoxicatie van uit de darm
met
Clostridium perfringens-toxme. Dit toxine wordt aangetoond door intraveneuze
injecties bij muizen. Indien het kalf langer dan een uur dood was geweest, gelukt dit
niet meer. Indien bij het be,gin van de eerste ziekteverschijnselen antitoxinen worden
ingespoten, bleek dit levenreddend te werken. Maandelijkse injecties met polyvalent
Cl, perfringens-toxoid hadden cen gunstig effect.

C. A. van Dorssen.

Fysiologie en fysiologische chemie

BEPALING VAN DE NIERFUNCTIE BIJ DE HOND.

R O s s O w, N.: Zur Prüfung der Nierenfunktion mittels renaler und totaler Clca-
rancc-verfahren unter besonderer Berücksichtigung der Totalclearance mit p-Amino-
hippursäure beim Rind.
Arch. exp. VetMed., XIV, 84, (1960).

De klassieke renale clearance methode kan uitgevoerd worden door de uit tc scheiden
stof éénmaal in te spuiten of door middel van een druppelinfuus. De laatste methode
eigent zich niet in de diergeneeskunde, omdat het dier dan in narcose gebracht zou
moeten worden en narcotica de doorstroming van de nieren beïnvloedt.
Dc bepaling van het minutenvolumc der afgescheiden urine, nodig voor de bepaling
van de clearance, geeft bij dieren praktische moeilijkheden. Dc bepalingen na een
éénmalige injectie geven vrij grote onnauwkeurigheden.

De totale clearance omvat de uitscheiding via alle wegen in het lichaam en niet
alleen door de nier; heeft men dus cen stof alleen door de nier geëlimineerd, dan
komt de totale clearance overeen met de nicr-clearance. Men hoeft bij deze methode
alleen maar enkele keren venenpunctie te doen om de hoeveelheid clearance-mate-
riaal in het bloed te bepalen.

Totaal door de nier wordt onder andere uitgescheiden inuline (dat door dc glome-
ruli wordt uitgefiltreerd) ; andere stoffen (perabrodil, diodrast en p-arninohippuur
zuur) worden uitgefiltreerd en door de tubuli uitgescheiden zonder tcriTgresorptic; zc
geven dus aan hoeveel plasma het sccernerende nierwcefsel doorstroomt. Door sub-
stitutie van de gevonden plasmaconcentraties op verschillende tijdstippen kan dc
eliminatieconstantc vastgesteld worden. Er moet verder rekening gehouden worden
met de hoeveelheid uit te scheiden materiaal dat na de intraveneuze injectie vanuit
het bloed in het weefsel belandt en later weer terug komt in het bloed.
Een andere grootheid die uit de curve van de in het plasma aanwezige hoeveelheden
uit te scheiden substantie is af te leiden, is de halfwaarde tijd, die verlengd is bij
verminderde uitscheiding.

Voor onderzoekingen wat betreft de totale clearance heeft Rossow gebruik ge-
maakt van het para-aminobenzoëzure Na-zout en wel bij 18 gezonde honden cn bij
12 honden, lijdende aan chronische interstitiële nefritis.

De methodiek bestond hieruit dat 16 uur vóór de proef de dieren moesten vasten.
Vóór dc proef werd de diurese aangezet met 250-400 ml water. Nadat bloed voor
het morfologisch onderzoek en voor de bcpaling van rest-N was afgenomen, werd
35-40 mg per kg para-aminohippuurzure Na ingespoten. Na 30 minuten (de injectie
vloeistof is dan gelijkmatig over het lichaam verdeeld), wordt het eerste bloed-
monster genomen (6-8 ml) wat tweemaal na 15-20 minuten wordt herhaald (tijd
nauwkeurig noteren). Door centrifugeren wordt het plasma afgedraaid voor de be-
paling van het p-aminohippuurzuur volgens de methode van Szock, Kreien-
berg en Mertz.

De eliminatieconstantc, de totale clearance en de half-waarde tijd worden berekend
uit de daarvoor opgestelde formules. Gezien het sterke verschil in grootte van de

-ocr page 342-

verschillende honderassen werd het lichaamsoppervlak ingevoerd en de totale clea-
rance uitgedrukt per m^.

Voor honden met normale urine en een normale hoeveelheid reststikstof in het bloed
werd een totale clearance/min./m\'-^ gevonden van 248 ± 20 ml voor para-amino-
hippuur. Bij honden met cen totaal clearance beneden 160 ml/min./m^ mag volgens de
schrijver worden gerekend met insufficiëntic van de nieren.

G. H. B. Teunissen.

DIURESE BIJ RUNDEREN TEN GEVOLGE V.4N „STRESS".
.Anderson, R. S.: Diuresis due to stress in cattlc.
Nature, 192, 460, (1961).
Tijdens een onderzock naar de nierfunctie bij niet lacterende, niet drachtige koeien,
welke gewend waren aan experimenten, bleek dat ten gevolge van arteriepunctie
snel een verhoogde diurcse optrad. Deze diurese werd veroorzaakt door een toege-
nomen urinevorming en bedroeg bij sommige dieren 200-300% van de gemiddelde
voorafgaande urinestroom.

Een koe, met cen gemiddelde urinestroom van 9,6 mlj\'min., vertoonde een diurese
van 28,5 ml/min. in de 5 minuten na een arteriepunctie, welke hoeveelheid in dc
daarop volgende 5 minuten terugliep tot 8,5 ml/min.

Bij herhaling van de experimenten bij dezelfde dieren veroorzaakte de voorbereiding
van de punctie, zoals knippen e.d. reeds een diurese.

Dc gemiddelde bloeddruk van koeien kan sterk stijgen tengevolge van de invloed van
proefnemingen, dcxh het is niet bekend of de hierboven beschreven waarnemingen
het resultaat zijn van veranderingen in de hemodynamica van de nieren of van een
remming van het anti-diureUsch hormoon.

Er wordt op gewezen dat men runderen, waarbij proeven worden genomen over de
snelheid van de urinevorming, zo min mogelijk een z.g. stresstocstand moet laten
ondergaan.

A. ]. H. Schotman.

Inwendige ziekten

„MULBERRY HE.\\RT " BIJ \\ ARKENS.

Grant, C. A.: Morphological and aetiological Studies of Dietetic Microangiopathy
in Pigs („Mulberry Heart").
Acta Veterinaria Scandinavia Supplement 3, Vol 2,
(1961).

Met „dietetic microangiopathy" (M.A.P.) worden aangeduid speciale vasculaire aan-
doeningen in dc capillairen cn kleine vaten van het myocard (cardiac M..\\.P.).
Deze afwijkingen komen soms ook voor in andere weefsels (extra-cardiac M..A.P.).
M..\\.P. kan cen episodisch patroon volgen. Indien het varken de initiale fase over-
leeft volgt de herstclfasc, waarin dc vasculaire structuur zich .gaat herstellen.
Het natuurlijk verloop van M..\'\\.P. is snel en komt voor bij varkens in goede voedings-
tocstand met een gewicht van 20 ä 35 kg.

Bij het sectiebeeld vallen vooral rode plekken in dc hartspier op, waarvan de uit-
gebreidheid sterk varieert. Verder soms plaatselijk oedeem in de huid. Histologische
afwijkingen kleuren zich goed met pcrjoodzuur en S c h i f f-rcagens (P.A.S.). Wc
zien een opeenhoping van sterk P.A.S.-positief materiaal als annulaire of verruceuze
verdikkingen onmiddellijk onder de endotheliale laag. Aangetaste delen van capil-
lairen zijn vaak plaatselijk verwijd en geheel of gedeeltelijk verstopt.
In de herstelfase verschijnen cen overvloed van grote cellen in de capillaire wand
en in de lagen van de wand van grotere vaten zonder cellulaire ontstekingsvcrschijn-
sclen.

Extra cardiac M.-^.P. wordt vooral als bloedingen en oedemen aangetroffen in de
huid (vooral perineum en oren) en soms in de longen, nier, skeletspieren, colon,
maag, buikwand, lever, uterus en bijnier. In deze organen zijn meer de kleinere vaten
dan de capillairen aangetast.

Storingen van de algemene circulatie, zoals longoedeem, congestie in de buikorganen,
1210

-ocr page 343-

veneuze vaatvemauwingen zijn regelmatige sectiebevindingen.

Hcmoglobinurie en renale-glomerulaire veranderingen (vergrote kernen en ver-
dikking van het intercellulaire-weefsel) worden vaak aangetroffen.
In de grotere sereuze holten wordt meestal een transsudaat aangetroffen met een
eiwitgehalte van 4-7% en met een clektroforese-patroon gelijk aan dat van bloed-
plasma. Dit laatste wijst erop, dat dit transsudaat door migratie uit het bloedplasma
afkomstig is.

Een leveraandoening, hepatosis dietedca en spierdegeneratie werden regelmatig aan-
getroffen.

Experimenteel kon M..A.P. worden opgewekt met bepaalde dieëten die veel onver-
zadigde, t.o.v. oxydatie onstabiele vetten bevatten; b.v. uit graansoorten, vismeel en
plantaardige oliën.

Tocopherol en Na-seleniet hadden t.o.v. M..\\.P. een preventieve werking. Hierdoor
kon transsudaatvorming, hcmoglobinurie en hepatosis dietetica worden voorkomen.
Een lichte spierdegeneratie werd wel waargenomen. „Geel vet" — pcroxydatie van
lichaamsvet — hetwelk werd waargenomen bij biggen gevoerd met visolie kon door
Na-seleniet niet worden voorkomen.

M..A.P. en „Mulberry heart" (Moerbei-hart) zijn zowel morfologisch als aetiologisch
identiek. M..A..P. vertoont morfologisch ook vee! overeenkomst met acute hartdood.
Histologisch en aetiologisch onderzoek zou kunnen aantonen of ook deze afwijkingen
idendek zijn. Er is verder overeenkomst met een aetiologisch ongedefinieerde, zeld-
zaam voorkomende maar steeds fatale aandoening, bij de mens bekend onder de
naam thrombotic thrombocytopenic purpura (thrombotische purpura met trombo-
cytopenie).

P. Tacken.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

LONGWORMZIEKTE EN ROTATIE.

G r é g o i r e, G. et P o u p 1 a r d, L.: Bronchite vcrmineusc et rotation. Resultats
d\'expérience.
Ann. Méd. Vét., 105, 3, (1961).

Op grond van de feiten, dat de larven van Dictyocaulus viviparus onder gunstige om-
standigheden reeds na vier dagen infectieus en na een maand praktisch alle gestorven
zijn, pasten de auteurs een rotatieschema toe, waarbij de runderen telkens 4 da.gen
op 9 achtereenvolgende percelen geweid werden van 1 april tot 24 september. Een
controlegroep verbleef van 25 mei tot 24 september op één perceel. .Alleen in de
laatste groep werd klinisch ernstige longwonnziekte waargenomen. Het gemiddelde
gewicht van de proefdieren steeg van 244,8 kg tot 390,3 kg, dat van de controle
dieren van 347,2 kg tot 397,5 kg.

/. Jansen Jr.

RI ELENE TEGEN TRICHOSTRONGYLIDEN.

P O u p 1 a r d, L., P è c h e u r, M. et G r é g o i r e, C.: Action du ruclène sur les
trichostrongles gastro-intestinaux du mouton.
Ann. Méd. Vét., 105, 8, (1961).
Schrijvers zagen, in tegenstelling tot kleine da.gclijkse doses door het voer, van een
éénmalige dosis van 125 m.g per kg ruclene een zeer gunstige werking bij schapen
met trichostron.gylose.

Zij waarschuwen echter voor dc mogelijke te grote toxiciteit van het middel.

ƒ. Jansen Jr.

Pluimveeziekten

BACTERIËLE ENDOCARDITIS BIJ PLUIMVEE.

Gross, W. B. and D o m e r s m i t h, G. .A.: Bacterial endocarditis of poultry.
Am. J. vet. Res., 93, 320, (1962).

De mortaliteit tengevolge van endocarditis bij pluimvee wordt geschat op minder
dan 0,5%. Dit zijn vaak sporadische gevallen die gewoonlijk laat ter onderzoek

-ocr page 344-

komen. P o v a r heeft 81 gevallen van endocarditis bij volwassen hoenders beschreven,
waarbij grote woekeringen, voornamelijk in het linker hart, werden aangetroffen.
Gross en Domersmith kweekten uit spontane gevallen
Streptococcus faecalis,
Staphylococcus aureus
en Pasteurella multocida. Met deze culturen kon door intra-
veneuze injectie bij kippen en kalkoenen de ziekte worden opgewekt. Bij deze expe-
rimentele gevallen werden tevens infarcten in de lever, de milt en het myocard aan-
getroffen.

C. A. van Dorssen.

ESCHERICHIA COLI-INFECTIE BIJ PLUIMVEE.

Sojka and Carnaghan: Escherichia co/i-infection in poultry. Res. vet. Sei.,
2, 340, (1961).

De onderzoekers vermelden, dat bij de serologische typedifferentiatie van 797 stam-
men van
E. coli, geïsoleerd uit hoenders, waarvan 243 gevallen van coli-scptichemie
(pericarditis, luchtzakontsteking en peri-hepatitis) bleek, dat 60% van de stammen
konden worden ondergebracht bij de typen 0 2, 0 78 en 0 1. Het type 0 78 had
het K-antigeen 80, hetgeen overeenkomt met de antigene eigenschappen van de ver-
wekker van colibacillose bij het kalf.

Alle drie genoemde stammen bleken pathogeen te zijn voor kuikens van 4 tot 6 weken
oud; indien zij met een cultuursuspensie intraveneus werden ingespoten ontstonden
dezelfde afwijkingen als bij de natuurlijke infecde. De natuurlijke infectie treedt heel
vaak op in verband met aandoeningen van het respiratie-apparaat, waarbij dus vooral
de C.R.D. (chronische coryza infecUosa) en infectieuze bronchitis van betekenis zijn.

De stammen werden ook onderzocht op hun gevc>eli,gheid voor antibiotica en fura-
zolidone. Hierbij bleek, dat alle stammen nog gevoelig waren voor chloramphenicol
en furazolidone. Slechts 1 stam was resistent tegen streptomycine, doch 63,2% van de
in 1960 geïsoleerde stammen (68 stuks) bleken resistent te zijn tegen de tetracyclines
tegen 3/2% in 1957.

Profylactisch bleek furazolidone, gemengd door het voer, een goed resultaat te heb-
ben. De hoeveelheid echter van 400 p.p.m. was zo hoog, dat het de vraag was of de
toediening ervan bij broiler-kuikens economisch was. Per 10.000 kuikens werd er dan
per dag n.1. 400 gram furazolidone verbruikt. Therapeutisch had de genoemde hoe-
veelheid praktisch geen effect.

A. van der Schaaf.
Verloskunde, gynaecologie en sterilifeif

UTERUSALLERGIE NA BEVRUCHTING VAN DE KOE.

Prachoff, Dr. R. (Bulgarije): Erscheinungen von Uterusallergie nach Besamung
der Kuh.
Rapport IVe Intern. Congres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen,
1961.

Schrijver nam bij een aantal runderen na de inseminatie een mucopurulente uit-
vloeiing waar. Dit trad bij 1% van de runderen en bij 1.3% van de pinken reeds na
2-3 uren op (endometritis allergica post seminationem) en bij 5% van de runderen
en bij 6.5% van de pinken na 20-24 uur (endometritis purulenta scminaUonem).
De afwijking zou kunnen berusten op een aangeboren of verworven gevoeligheid van
het endometrium tegen het in de cervix gedeponeerde .sperma.
De bcvruchtingsresultaten waren bij deze dieren zeer slecht.

C. H. W. de Bois.

HISTOPATHOLOGISCHE .\\FWIJKINGEN BIJ STERIELE RU.NDEREN.
Dawson, F. L. (Engeland): Endometrial tissue change incidence in infertile
dairy cows.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij Dieren", Scheveningen.
1961.

-ocr page 345-

Het geslachtsapparaat (na slachting verkregen) van 3ÜÜ „steriele" runderen, werd
histo-pathologisch en bacteriologisch onderzocht.

In 56 gevallen werden geen afwijkingen gevonden. Van de overige 244 runderen zijn
de voornaamste bevindingen in onderstaand overzicht vermeld:

aantal

ernstige ontstekingsversch.

dieren

van het endometrium

afwijking van één of beide oviducten

113

53

cysteuze ovaria

65

31

normale ovaria en oviducten

66

46

244

130

Bij de overige 114 dieren vertoonde het endometrium in vrijwel alle gevallen lichte
tot matige afwijkingen.

C. H. JV. de Bois.

Zootechniek

PREDISPOSITIES VOOR M.ASTITIS.

Teute, H. W.: Praedisponierende Faktoren für das Auftreten von Mastitis und
Untersuchungen über die Zusammensetzung von Mastitismilch.
Berl. Münch, tier-
ärztl. Wschr.,
74, 185, (1961).

Voor het onderzoek waren ongeveer 250 koeien beschikbaar gedurende de jaren
1953 tot 1960.

Men komt tot de volgende voor de praktijk van belang zijnde uitspraken.

1. Bij het ontstaan van een mastitis moet aan talrijke, predisponerende factoren cen
grote betekenis toegekend worden. Eerst wanneer men deze kent kan cen juiste
mastitisbestrijding opgezet worden.

2. Als praktische maatregelen kunnen aanbevolen worden:

a. onderkenning en afvoer van alle dieren die een individuele resp. erfelijke dis-
positie voor mastitis hebben;

b. afvoer van alle oudere en chronisch geïnfecteerde dieren omdat zij als ziekte-
bronnen de mastitis verder verbreiden ;

c. zorgen voor een foutenloze mclktcchnick naast een goede stal- en uierhygiëne:

d. zorgen voor cen goede voeding en verzorging ter verhoging van dc resistentie
van uier en het gehele organisme ten aanzien van ziekten.

.Ms predisponerende factoren worden behandeld: individuele cn erfelijke dispositie,
leeftijd, weide- en staltijd, klimaat, melkproduktie, uier- en tcpelvonn, mclkbaarhcid,
melktechniek en voeding.

Speciaal op dc betekenis van stafylokokken-infecties wordt ingegaan.
Terwijl men bij de streptokokken-mastitis geen predispositie van bepaalde kwartieren
vond, werden stafylokokken-infecties vooral in de achterkwarticren opgemerkt. Bo-
vendien was dc verdeling van de stafylokokken-infecties over dc verschillende leeftijds-
groepen gelijk. Op grond van deze onderzoekingen wordt vermoed dat stafylokokken-
mastitis vooral langs hematogene weg ontstaat.

P. Hoekstra.

TOENEME.NDE VERLAMMING VAN DE ACHTERHAND BIJ RUNDEREN.
Becker, R. B., Wilcox, C. J. and P r i t c h a r d, W. R.: Crampy or progressive
posterior paralysis in mature cattle.
J. Dairy Sci., 44, 542, (1961).
Van 12387 stieren, verdeeld over vier vlecsrassen, werden de gegevens bestudeerd.
Van deze stieren, die voor een groot gedeelte uit de Verenigde Staten van Amerika
en voor het overige deel uit verschillende provincies van Canada afkomstig zijn,
blijken er 323 stieren van de vijf mclkveerassen en tien van de vier vlecsrassen ge-
storven tc zijn aan of afgevoerd tc zijn wegens „crampy". Dit is 2,6% van het totaal
aantal nagegane stieren.

Crampy is een syndroom, gekarakteriseerd door intermitterende spastische contracties

-ocr page 346-

van de spieren van de achterbenen, .\'ändere namen die voor dit syndroom gebruikt
worden zijn .neuromuscular spasticity"\', „posterior paralysis", „progressive posterior
paralysis", „spastic syndrome", „stretches" en verder de Duitse benaming van
„Krampfigkeit".

Dc aandoening komt voor bij stieren en koeien van drie jaar en ouder.
In het beginstadium van de aandoening worden er enkele spierrillingen waargenomen,
vooral tijdens het opstaan. De symptomen zijn gewoonlijk gedurende de eerste jaren
vrij mild, maar langzamerhand treden er verergeringen op. De spieren van één
achterbeen of van beide achterbenen gaan spastische contracties vertonen, die enkele
seconclen tot enkele minuten kunnen aanhouden. Zijn beide achterbenen aangetast
en krijgen de dieren dan een aanval tijdens het liggen, dan worden dc benen naar
achteren gestrekt, vandaar ook wel de naam „stretches".

De frequentie van voorkomen van de aandoening bracht cen significant verschil
aan het licht wat betreft het voorkomen bij de sderen van de vijf melkveerassen. De
frequentie was het hoogst bij de Ayrshires en de Friesians.

Verschillende stambomen van aangetaste dieren werden nagegaan, welke in bijna
alle gevallen duidden op cen genetische achtergrond voor deze afwijking. Het meest
waarschijnlijk wordt geacht dat het een enkelvoudige recessieve factor is met cen
onvolledige penetrantie.

A. F. A. Brands.

SPRONGGEWRICHTSAANDOENINGEN BIJ NEDERL.^NDSE VARKENS IN
DUITSLAND.

S a b e e, D. S c h i 1 1 i n g, E. und Schulz, L. Gh.: Eine Arthrosis deformans des
Sprunggelenken beim Schwein.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 86, 231, (1961).
Beschreven wordt cen onderzock naar gang- en standafwijkingen bij Nederlandse en
Duitse landvarkens in Mariensce. Hierbij werden klinisch resp. 111 Nederlandse en
147 Duitse landvarkens onderzocht en patholoog-anatomisch resp. 94 en 105. Spe-
ciaal bij de Nederlandse varkens werden veel en ernstige beenafwijkingen aangetroffen.
Volgens de onderzoekers liggen de Nederlandse varkens veel, laten ze zich moeilijk
overeind jagen, richten ze zich moeizaam en pijnlijk op en staan ze pijnlijk in de
achterbenen. Voederverwerking en groei worden door deze afwijkingen echter niet
ongunstig beïnvloed.

De stand in de achterbenen van dc Nederlandse varkens was vaak korhakkig, bijna
altijd sabelbenig met dikwijls weke koten. Ze staan veel met de achter- en voorbenen
onder zich, dit, naar vermoed wordt, om de pijnlijke achterbenen zoveel rnogcliik tc
ontlasten.

Bij het lopen vertonen dc Nederlandse varkens ccn sterk zwaaien van het bekken
en worden dc achterbenen niet rec.ht naar voren gebracht, maar in nauwe gang
midden onder het lichaam geplaatst. Strijken komt dan ook veel voor. Met toe-
nemend lichaams.gcwicht worden de moeilijkheden van stand en gang groter.
Bij fokzeugen werden veel hanetred en stijve gang opgemerkt en bij beren cen wag-
gelende gang of een uitgesproken stijve gang, waarbij de achterbenen bijna niet ge-
bogen werden. Bij verschillende dieren werden aan de binnenzijde van het sprong-
gewricht verdikkingen opgemerkt. Als oorzaak van deze afwijkingen in dc sprong
werd een ontsteking van het tarsaalgewricht vastgesteld (arthrosis deformans), die
in het beginstadium door een haardvormige degeneratie van het gewrichtskraakbcen
gekenmerkt is. De secundaire ontstekingsreacties leidden tot ankylosc, periostitis
osificans en osteopetrosis.

Bij 82% van de Nederlandse varkens kwamen deze afwijkingen voor, terwijl slechts
23.8% van de varkens van het Duitse type aangetast waren en dan nog in geringere
graad. De omstandigheden van voeding en verzorging waren voor beide rassen gelijk.
Men vermoedt dat de Nederlandse varkens in het bijzonder voor deze afwijkingen
gepredisponeerd zijn door de grote lengte en de afwijkende stand in het sprong-
gewricht, waardoor abnormale drukverhoudingen in het gewricht ontstaan.

P. Hoekstra.

-ocr page 347-

BOEKBESPREKING

MEAT HANDLING IN UNDERDE\\\'ELOPED COUNTRIES, SLAUGHTER
AND PRESERVATION.
I. Mann, F.A.O. Consultant.

(F.A.O. Agricultural Development Paper No. 70. Rome 1960)

In het eerste gedeelte van deze 200 pa.gina\'s tellende F.A.O.-publikaUe zijn de
huidi.ge en de gewenste situaties, met betrekking tot het slachten van grote en kleinere
slachtdieren — ook pluimvee — in de „andcrs"-ontwikkeldc gebieden, weergegeven.
In feite wordt alleen over .Afrika en de daar bestaande toestanden en mogelijkheden
.gesproken, maar de conclusies zijn uiteraard overal ter wereld, waar dezelfde en ook
betere omstandigheden aanwezig zijn, van toepassing.

De slachterij tc velde is, vl.gs. dc schrijver voor de kleinste gemeenschappen niet ver-
werpelijk, mits voldoende ver van de bewoning en indien voldoende hygiënische
maatregelen getroffen worden. Een eenvoudig maar deugdelijk windtoestel, aan een
simpele, verplaatsbare buizenconstructie, kan zeer voldoende zijn. Een dakconstructie,
om regen en zon te weren, is een stap verder. In grotere plaatsen dient een eenvoudig
maar goed geoudlleerd etablissement te komen, dat in beheer is bij de plaatselijke
overheid.

De bouwtechnische uitvoering moet uiteraard de hy.giëne bevorderen. Aanvoer van
vee en afvoer van vlees moeten logisch „gepland" worden. Met de groei van de
plaats moet rekening gehouden worden.

Watervoorziening en afvoer, als ook reiniging en desinfectic krijgen veel aandacht.
Tegen measles (cysticcrcosis) wordt verhitting tot 58.3° C aanbevolen; om het
gewichtsverlies hierdoor (50%) niet te schadelijk te laten zijn, dient het kooknat
met toevoegingen als soep verwerkt en verkocht te worden.

Op vele, vooral de eenvoudige, manieren van verwerking en verduurzaming wordt
de aandacht gevestigd. Biltong en ook andere produkten, door zouten, drogen en of
roken verkregen, zijn gemakkelijk in dit warme werelddeel te bereiden. Ook de mo-
derne industriële procedures worden besproken, zoals conservering in blik, koeling,
bevriezing. Tegen toevoeging van conserveermiddelen als boorzuur, zwaveli.g- en
benzoëzuur, en antibiotica heeft Schr. blijkbaar .geen bezwaren, hoewel deze bij vetten
weer niet genoemd worden.

Een aantal plattegronden voor eenvoudige en op hoger plan staande — line dressing

— slachtinrichtingen en een literatuurlijst completeren dit alleszins lezenswaardige
boekje.

J. H, J. van Gils.

VETERINAIRE TERMINOLOGIE.
Dr. Gerhard Krüger.

(S. Hirzel Verlag, Leipzig, 1961. 534 pag., 24.90 DM)

Reeds twee jaren nadat dit werk voor het eerst werd utigegeven is in 1961 dc tweede
druk verschenen. Dit is wel een bewijs dat dit lexicografisch ingedeeld opslagwerk

— dat de terminologie op het terrein van de gehele diergeneeskunde bestrijkt — in
een grote behoefte voorziet.

Aan deze uitgave (534 bladz.), die ten opzichte van de eerste druk (404 bladz.) met
ongeveer 2400 steekwoorden is uitgebreid hebben naast de uitgever 21 deskundigen
hun medewerking verleend. Dc uitbreiding ligt vooral — echter niet alleen — op het
terrein van de anatomie, embryologie en farmacologie.

Alleen indien hiermede volkomen kan worden volstaan, wordt uitsluitend de betekenis
van het woord of het begrip vermeld. Van diverse steekwoorden en termen is de
omschrijving verbeterd en/of uitgebreid. Deze uitbreiding heeft geen afbreuk gedaan
aan de korte, duidelijke en zakelijke wijze van omschrijving van de begrippen en
b.v. de wijze van uitvoering van klinische gegevens en methoden.

-ocr page 348-

liet hoeft geen betoog dat men juist ten aanzien van een lexicografisch werk de
voorkeur zou willen geven aan een in eigen taal geschreven handboek, omdat er ook
behoefte bestaat aan het naslaan van begrippen en termen uit eigen taal
In het gebruik van dit Duits-talige opslagwcrk blijkt echter, dat dit bezwaar voor de
Nederlandse gebruiker van weinig betekenis is, en voor degene die zich nog al eens
in de Duitse literatuur verdiept, zal de mogelijkheid van het kunnen opzoeken van
de omschrijving van typisch Duitse termen en begrippen juist vaak zeer welkom zijn.
Het is een zeer geslaagd werk, dat zowel aan de student als aan de dierenarts, zowel
bij de studie als ook bij het lezen van vakliteratuur en bij de uitoefening van het
beroep, in zeer vele gevallen op vele vragen een snel en zakelijk antwoord kan geven.
De typografische uitvoering is goed.

P. Tacken.

De erfelijkheid van hydrocefalus bij het rund.

In Nebraska heeft een uitvoerig onderzoek aan het licht gebracht, dat hydrocefalus
(resultaat van een malformatie van het cranium in het vroeg-embryonaal stadium)
bij runderen een erfelijk gebrek is.

Men meent dat de oorzaak toegeschreven moet worden aanlautosomaal recessief gen.

An. Breed. Abstr., 30, 180, 1962.

Is leucose bij runderen erfelijk bepaald?

Henricson en Olson verwerkten statistisch de gegevens van 26367 koeien in
Zuid-Zweden en kwamen daarbij tot de conclusie dat het ziektecomplex niet alleen
aan de erfelijke aanleg toegeschreven moet worden.

An. Breed. Abstr., 30, 182, 1962.

Ontwikkeling; van de K.I. in Amerika.

In 1939 waren in de Verenigde Staten 7 K.I.-stations werkzaam, welke tezamen
33 stieren exploiteerden. Het aantal geïnsemineerde runderen bedroeg 7.359 dwz
233 per stier. \' \'

In 1950 bedroeg het aantal K.I.-stations 97, het aantal stieren ruim 2.000 cn het
aantal geïnsemineerde dieren ca. 2/2 miljoen (1.200 per stier).
In 1961 waren er 56 K.I.-stations, met ca. 2.500 stieren, die tezamen ruim T/t mil-
joen koeien insemineerden (bijna 3.000 per stier).

(Overeenkomstige cijfers voor Nederland, 1960: 111 K.I.-stations, 1229 gebruikte
stieren, aantal geïnsemineerde dieren 1.178.151 = 959 per stier.
Red.)
Van de bij het „Holstein-Friesian" Stamboek ter registratie aangeboden jonge dieren
zijn er momenteel ca. 62,5% door K.I. verwekt, waarvan ca. 4,5% door „particuliere
K.I." (zgn. „Within the Herd" en „Between Herds" inseminaties).

Holstein-Friesian World, 59, 1545, (1962).

Is goede vruchtbaarheid erfelijk?

B a c h n e r onderzocht 5 bloedlijnen in een kudde Simmenthalers van het .■Xulendorf
Veeteelt Insdtuut.

Tussen de C- en S-lijnen werden grote verschillen gevonden. Het percentage koeien,
dat wegens onvruchtbaarheid verkocht werd, was 8,3% in de S-lijn en 43,2% in de
C-lijn. Er werd in de kudde één stier gebruikt en de uitwendige omstandigheden
waren voor alle bloedlijnen ook gelijk.

An. Breed. Abstr., 30, 180, 1962.

-ocr page 349-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

MELK-, BOTER-, KAAS-VVAARSCHUWING.

De technische zijde van de zuivelbereiding wordt hoe langer hoe meer door de orga-
nisatorische en economische zijde naar dc achtergrond gedrongen met het uiteindelijke
gevolg, dat een naamloos, uniform produkt op de Nederlandse zuivclmarkt tc koop is.
Met klem waarschuwde Prof. H. Mulder voor deze ongewenste ontwikkeling in
zijn rede ter gelegenheid van de 44e verjaardag van dc landbouwhogeschool. De
senaat van de Landbouwhogeschool was ter viering van de stichtingsdag op 9 maart
j.1. in openbare vergadering bijeen gekomen.

Natuurlijk zijn er voor de door Prof. Mulder uitgebreid geschetste, ongunstige, ont-
wikkelingen oorzaken aan tc wijzen. Eén daarvan is, zo zei hij, dat de zuivelindustrie
zich bekneld voelt tussen regelingen betreffende de prijs van de grondstof en die
van dc afzet. „In de doolhof van heffingen en toeslagen, van kortingen en premies,
die, het zij met nadruk vastgesteld, de zuivelindustrie zelf heeft meegeschapen en
meeschcpt, zoekt zij bijna wanhopig naar uitwegen die tot betere bedrijfsresultaten
kunnen leiden". Hoewel hij zich niet uitliet over de noodzaak om tot betere resul-
taten te komen zei hij wel, dat het toch niet aangaat om, gezien de gehele prijs-
beheersing, te spreken van een onbevredigende gang van zaken en cen ovcrproduktie
in de zuivelindustrie, waarvan deze industrie zelf de schuld zou dragen. Daarvoor
ziet hij de melkwinning, verwerking en afzet wel degelijk als één groot geheel.

Iets anders is het, dat de wegen die men bewandelt om tot opbrengstverhoging —
en dus ook kostprijsverlaging — in de zuivelindustrie te komen, naar zeer gevaarlijk
terrein leiden. Vooral voor het verkrijgen van kostprijsverlaging door middel van
arbeidsbesparing is men bereid veel aan de kwaliteit op tc offeren. In het algemeen
tracht men voortdurend tc werken op de uiterste grenzen van kwaliteit, samenstelling
en presentatie. Deze gedragslijn wordt nog bevorderd, doordat heffingen worden ge-
legd op de produkten die iets extra\'s zouden kunnen opbrengen. Het initiatief om
nieuwe produkten te ontwikkelen wordt hierdoor bij voorbaat al gedood. Daarbij
dwingt de noodzaak om tot betere financiële uitkomsten te komen tot vorming van
grotere eenheden.

Hier schuilt het reële gevaar, dat dc bedrijfsleider tezeer zijn aandacht moet richten
op de financiële bedrijfsresultaten en daardoor te veraf komt te staan van dc be-
rcidingstcchnick. Bovendien is de taak van de technische bedrijfsleiding in de loop
der jaren, door de technische ontwikkelingen, een andere geworden dan die van
vroeger. Men mcK\'t de resultaten van wetenschappelijk onderzoek begrijpen en dienst-
baar maken aan het bedrijf. Dit eist dikwijls een vorming op universitair niveau.
Helaas stelt men echter de Wa.geningse zuivclingenieur niet veel in de gelegenheid
praktische ervaring op te doen en zich zo te bekwamen voor topfuncties.
Zogenaamde „trainees", zoals men die in andere grote industrieën kent, zijn er
nauwelijks in dc zuivelindustrie.

Melk en de produkten.

Onbegrijpelijk achtte Prof. Mulder het, dat de zuivelindustrie niet actiever is op
het gebied van de kwaliteit van de aangevoerde melk. Immers, één bus melk met
een kiemgetal van 30 miljoen kan 60 bussen melk verontreinigen tot een kiemgetal
van 500.000. Ongeveer 40% van de boeren produceert, althans wanneer wij de norm
niet tc streng stellen, behoorlijke melk zonder dat cr al teveel druk op hen wordt
uitgeoefend. Door middel van een lichte financiële druk, niet meer dan een spcldc-
prik, zo stelde hij, kan men deze 40% goedwillenden opvoeren tot 70 ä 80%. Een
kleine 10% is echter bepaald onwillig en weigert de melkwinning te verbeteren.
Deze melk zou z.i. óf geweigerd, of zodanig betaald moeten worden, dat de produktie
ervan bepaald schade oplevert.

Blijft men aan de ene kant dus nogal eens behoudend, aan dc andere kant maakt de
Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, ajl, 18, 1962 1217

-ocr page 350-

praktijk ook wel eens onvoorstelbaar snel gebruik van de resultaten van het natuur-
wetenschappelijk onderzoek. Een voorbeeld daarvan noemde Prof. Mulder het
eiwit-onderzoek, waarvan de uitkomsten nog vóórdat alles goed was bestudeerd, in
de melkprijs tot uitdrukking v/erden gebracht. De technick in deze gaat overigens snel
verder.

„Binnenkort hopen wij het laboratorium een machine te demonstreren, die bijna
geheel automatisch, tegen de 1000 eiwitbcpalingen per uur kan uitvoeren tegen bij-
zonder lage kosten".

Bij de boterproduktie vindt men daarentegen de duidelijkst denkbare voorbeelden van
een slecht gebruik van de resultaten van natuurwetenschappelijk onderzock. Met
name geldt dit bij de koelhuisboter. Hoe goed men ook weet de gebreken bij koel-
huisboter te bestrijden, men doet cr niets aan. Bovendien zijn de regelingen voor
koelhuisboter dermate verward, dat dikwijls alle technische logica zoek is.
Wat de kaas betreft, heeft men niets nagelaten om de produktie zo goedkoop mogelijk
te maken en ging men steeds meer naar cen uniform massaprodukt. Toch wil men
bij de verkoop nog altijd steunen op de roem van boerderijkaas. Maar vierkante
Goudse roomkaas, bereid uit gepasteuriseerde melk, heeft niet veel meer van Stolkse
kaas; „Holländer Käse", in broodvorm lijkt niets op een Edammer van cen Noord-
Hollandse boerderij of cen dagkaasfabrick. Het is reeds nagenoeg onmogelijk, goede
gerijpte Edammer te kopen. In dit verband vond de Wageningse hoogleraar het be-
treurenswaardig, dat men zelfs de beroemdste dagkaasfabrick heeft gesloten. Enig
vergelijkingsobject, wat we bij de Goudse-industrie en Goudse-boerenkaas wèl heb-
ben, ontbreekt nu.

Tenslotte onderstreepte spreker de noodzaak van verder — en ook in de praktijk
gebracht — toegepast natuurwetenschappelijk onderzock. En daarbij sterk de nadruk
op leggend, over te gaan tot de produktie van spccialité\'s. „.Ms de Nederlandse kaas-
industrie blijft doorwerken zoals zij nu doet, zal over een betrekkelijk klein aantal
jaren ons land, van oudsher bekend om zijn uitstekende kazen, nog slechts cen goed-
koop massaprodukt leveren en zullen andere landen waar vroeger de kaasbereiding
nauwelijks werd uitgeoefend, tal van spccialité\'s bereiden".

Of de wal hier ook niet het zuivelschip in ons land zal keren, valt overigens nog tc
bezien, maar dat neemt niet weg, dat deze Diesrede van dc Wageningse hoogleraar
het overdenken waard is.

Prof.Dr. M. M u 1 d e r m CMC Melk, 4, 321, (1962).
TOM NEWMAN-PRIJS 1962.

Dc Tom Ncwman-prijs is voor 1962 toegekend aan Dr. Alfred M. Lucas, cyto-
patholoog aan het „Regional Poultry Research Laboratory, U.S. Department of
Agriculture", East Lansing, Michigan. Er waren drie candidaten voorgedragen, één
uit de Verenigde Staten, één uit Groot-Brittannië en één uit Canada. De prijs, be-
staande uit cen erepenning en cen geldprijs van £ 50, die thans voor de dertiende
maal zal worden uitgereikt, is tot nu toe negen maal aan Amerikaanse onderzoekers,
drie keer aan deskundigen uit Groot-Brittannië en éénmaal aan cen Canadees toe-
gekend. De prijs wordt gegeven aan een onderzoeker, die, volgens het oordeel van
de hiervoor ingestelde commissie, in het voorafgaande jaar de belangrijkste bijdrage
heeft geleverd ten bate van de pluimveehouderij.

Dr. Lucas heeft de prijs gewonnen op grond van zijn onderzoekingen op het gebied
van de determinatie van bloedcellen bij vogels, die in 1961 (voorlopig) werden af-
gesloten met dc publikatie van zijn „,\\tlas of Avian Haematology" . Dr. Lucas
heeft onderzoekers en anderen, die zich met de bestudering van vogclblcx-d bezig
houden, met dit boek een naslagwerk geschonken, dat in een lange reeks van jaren
zal worden geraadpleegd. Tot nu toe ontbrak een fundamentcel werk, waarmede dc
determinatie van bloedlichaampjes van vogels mogelijk was.

Een bespreking van dit bock treft men in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde,
87, 125, (1962), Red.

-ocr page 351-

Voor deze atlas is uitgegaan van onderzoek van kippebloed. Van alle soorten bloed-
lichaampjes zijn de normale vormen, de ontvv\'ikkelingsstadia, de van de normale typen
afwijkende vormen en de artefacten afgebeeld. Het onderzoek betreft alle cel-
bestanddelen die in de bloedbaan voorkomen, zowel in embryo\'s van twee dagen oud
tot volwassen kippen. De waarnemingen betreffen bovendien andere vogels, waaronder
ganzen, eenden, fazanten, kalkoenen en duiven. Originele afbeeldingen in kleuren en
een uitstekende beschrijving van de techniek van het bloedonderzoek maken deze
„Atlas" tot een waardevol bezit voor alle wetenschappelijke onderzoekers op pluimvee-
gebied.

Ir. P. Ubbels.

VRUCHTBAARHEID EN MINER.AI.E SAMENSTELLING VAN HET
R.A.NTSOEN.1)

Inleiding.

Het doel van het onderzoek was na te gaan of het extra verstrekken van koper en
mangaan aan rundvee de vruchtbaarheid van dit vee zou doen toenemen.
Met het onderzoek werd gestart tijdens de stalperiode 1958-1959 en voortgezet
gedurende de weideperiode 1959, de stalperiode 1959-1960, de weideperiode 1960 en
de stalperiode 1960-1961. Bij het onderzoek waren 25 bedrijven betrokken, verspreid
over de gehele provincie Zeeland, waar de K.I.-resultaten meerdere jaren achtereen
te wensen over hadden gelaten zonder aanwijsbare infectieuze oorzaak.

L\'itvoering van het onderzoek.

Aan de runderen aanwezig op 12 bedrijven (groep A) werden gedurende de stal-
periode 1958-1959
extra sporenelementen verstrekt via speciale rundveekoekjes. Per
dag werd extra verstrekt
120 mg Cu en 720 mg Mn. Gedurende de weideperiode 1959
werd het weiland waarop de runderen graasden tweemaal een topdressing ge.gcven
— medio april en eind mei — met 5 kg Mn SO.i per ha en 2,5 kg Cu
SO4 per ha.
Aan de runderen aanwezig op 13 bedrijven (groep B) werden noch .gedurende de
stalperiode 1958-1959 noch gedurende de weideperiode 1959 extra Cu en Mn ver-
strekt via koekjes en topdressing.

Tijdens de stalperiode 1959-1960 werden aan de runderen aanwezig op de 13 be-
drijven (groep B) extra sporenelementen verstrekt — 120 mg Cu en 720 mg Mn
per dag — en het weiland tijdens de weideperiode 1960 een tweemalige topdressing
gegeven — medio april en eind mei — met 5 kg Mn SO-i en 2,5 kg Cu
SO4 per ha.
Aan de runderen van de 12 bedrijven (groep A) werd tijdens de stalpcricxlc 1959-
1960 geen extra Cu en Mn verstrekt, evenmin tijdens de weideperiode 1960. Groep A
fungeerde dus nu als controlegroep en groep B als proefgroep.

De beide hoofdbestanddelen van het winterrantsoen — hooi, bieten — werden ge-
analyseerd door het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek in Ooster-
bcek, evenals het gras. Tevens werden grondmonsters verzameld waarop genoemde
gewassen .groeiden en geanalyseerd. De grasbemonstering vond plaats in augustus.
Van een drietal runderen per bedrijf werden in voorjaar en najaar diermonsters ver-
zameld en geanalyseerd in ons laboratorium. De diermonsters waren haarmonsters,
bloedmonsters en faecesmonsters. Dc haarmonsters werden geanalyseerd op hun ge-
halte aan koper en mangaan in dpm per kg d.s.; in de bloedmonsters werd het Ca-,
P- en Mg-gehalte bepaald (mg%) alsmede het Cu-gehalte (gamma %). De faeces-
monsters werden onderzocht op het voorkomen van wormeieren en Salmonella-kiemen
(alleen in 1960).

De resultaten van het onderzoek.

Stalperiode (1 nov.-l mei), zie overzicht I.

Wanneer men ervan uitgaat dat de betrokken runderen als „hoofdmenu" gemiddeld

\') Uit het 15e Jaarverslag van de Stichting „Gezondheidsdienst voor Dieren in Zee-
land" 1960-1961; directeur: Dr. J. Tesink, Evertsenstraat 15, Goes.

-ocr page 352-

opnamen per dag 7 kg hooi en 40 kg bieten, dan betekent dit onder meer een dage-
lijkse opname van rond 10 kg droge stof.
Groep A.

Aan Cu en Mn is dan opgenomen per dag resp. 71,6 en 415 mg, dit is per kg droge
stof rond 7,2 mg Cu en rond 42 mg Mn. Deze opname vond plaats tijdens de stal-
perioden 1957/1958, 1959/1960 en 1960/1961. In deze perioden werden 107 van de
201 runderen na eerste inseminatie
werkelijk drachti.g, dit is 53%.
Een extra verstrekking middels speciale koekjes vond plaats in 1958/1959 in een do-
sering van 120 mg Cu en 720 Mn per dag, waardoor de opname per kg droge stof
steeg tot rond
19 mg Cu en 114 mg Mn.

Het percentage werkelijk drachtig na le inseminaue steeg bij deze extra verstrekking
van 120 mg Cu en 720 mg Mn, van 53% naar 72%,
een stijging van 19%. Aan Ca
en P is in groep A per rund per dag opgenomen respect. 41,5 en 26,9 gram, een
Ca/P verhouding van 1,5.

Groep B.

Per kg droge stof werd door de runderen opgenomen aan Cu en Mn resp. rond 7 mg
en 29 mg, per dag 69,5 mg Cu en 288 mg Mn. Deze opname vond plaats in de stal-
perioden 1957/1958, 1958/1959, 1960/1961. In deze periode werden 86 van de 175
runderen na eerste inseminatie drachtig, dit is 49%.

Een extra verstrekking van Cu en Mn vond plaats in een dosering — via koekjes —
per dag van 120 mg Cu en 720 mg Mn. Per kg droge stof werd daardoor nu opge-
nomen 19 mg Cu en 101 mg Mn. Het percentage
werkelijk drachtig na eerste inse-
minatie steeg na deze extra verstrekking van 49% naar 66%,
een stijging van 17%.
Aan Ca en P is per dag opgenomen resp. 47,9 en 23,7 gram, een Ca/P-verhouding
van 2.

Het percentage werkelijk drachtig geworden runderen en gedekt in de stalperiode
1960/1961 werd als volgt bepaald. Nagegaan werd het percentage drachtig geworden
runderen op basis van „non return". Van dit percentage werd 3% afgetrokken voor
groep A en 6% voor groep B zulks aan de hand van de resultaten in deze groepen
behaald in de voorgaande stalperiode.

Wanneer men de resultaten van de K.I. — werkelijk drachtig na eerste inseminatie —
behaald in de groepen A en B over de stalperioden 57/58, 58/59, 59/60 en 60/61 —
samenvat en daarbij een onderscheid maakt tussen de stalperioden waarin wel en
geen extra Cu en Mn werd verstrekt, dan zien we dat bij geen extra verstrekking
193 van 376 runderen, na eerste inseminatie in deze perioden, kalfden, dit is 51%.
Werd wel extra Cu en Mn verstrekt dan kalfden 84 van 122 runderen na een een-
malige inseminatie in deze stalperioden, dit is 69%.
Een verschil van 18%. Dit ver-
schil is
zeer significant: P < 0,001.1)

Het verschil in stijging van de K.I.-resultaten tussen beide groepen van 2% (groep A
19% en groep B 17%) maakt het niet aannemelijk dat het verschil in de Ca/P-
verhouding in het voedsel — groep A 1,5 en groep B 2 — mede hierop van invloetl
is geweest.

Vol.gens huidige opvattingen is het Cu-gehalte in het wintcrrantsoen voor het rund-
vee mogelijk voldoende, het Mn-gehalte echter veel te laag.

Weide-periode 1 mei-1 nov., overzicht I.

Tijdens het eerste deel van de weideperiode werd aan de runderen extra koper en
mangaan toegediend via een tweemalige topdressing van 5 kg MnS04 en 2/a kg
CuSO-i per keer per ha.

Deze topdressing vond plaats medio april en eind mei.

Bij geen topdressing was het behaalde resultaat (1958 cn 1960) in groep A: 40 van
de 82 runderen drachtig na eerste inseminatie, dit is 49%; in groep B was dit 39 van
76 runderen, dus 51%. Voor beide groepen samen 79 runderen van de 158, dit is
50%

*) De statistische bewerking werd verricht door Prof. Dr. J. Boogaerdt.
1220

-ocr page 353-

Overzicht 1. Resultaten kunstmatige inseminatie (25 bedrijven) na het
al of niet verstr ekt zijn van extra spore-elementen (Cu, Mn1)

1 november-1 mei

1 mei-1 november

A

12 bedrijven

geen sc

se

geen se

geen se

se

geen se

57/58

58/59

59/60

60/61

58

59

60

aantal le ins. en drachtig

55 25

57 41

68 38

78 44

37 15

52 24

^ 45 25

% drachtig na le ins.

45

72

56

56

41

46

56

1 november-1 mei

1 mei-1 november

B

13 bedrijven

geen se

se

geen

se

geen se

se

57/58

58/59

59/60

60/61

58

59

60

aantal le ins. en drachtig

63 30

47 27

65 43

65 29

\' 26 16

50 23

33 24

% drachtig na le ins.

48

57

66

45

62

46

73

1 mei-1 november

1 november-1 mei*)

drachtig %

geen extra sporc-clementen

376

193

51

158

79

50

391

199

51

extra spore-elementen

122

84

69

85

48

56

207

132

64

1 november-1 mei
aantal

le ins. ^^

aantal
le ins.

aantal

, . drachtig
le ms. ®

%

/ia speciale rundveckoekjes

ro
ro

1  periode 1/11 —1/5 dosering dagelijks 120 mg Cu

per rund 720 mg Mn
periode 1/5—1/11 twcemalige topdressing — medio april, eind mei
dosering: 5 kg MnSOi per ha.

2/2 kg CuS04 per ha.

-ocr page 354-

GRAFIEK II
12 BEDRIJVEN (A)
__% DRACHTIG NA le INSEMINATIE

___Mn GEHALTE HAAR IN D.P.M.D.S. (x

............Cu GEHALTE HAAR IN D.P.M.D.S. (x

___Cu GEHALTE BLOED (GAMMA %)

90
80
70
60
50
40
30
20
10

\'58 \'59

\'59 60

111

■57 \'58

1,5\'61

EXTRA Cu EN Mn

13 BEDRIJVEN (B)

90
80
70
60
50
40
30
20
10

\'59 \'60 111

\'57 \'58

\'58 \'59

1 5 \'61

EXTRA Cu EN Mn

Na de beperkte topdressing was het resultaat in groep A (1959) 24 van de 52 run-
deren werkelijk drachtig na eerste inseminatie (46%), in groep B (1960) 24 van
de 33 runderen (73%). Voor beide groepen samen: 48 runderen drachtig na eerste
inseminatie in de weideperiode. Totaal werden geïnseminecrd in deze perioden 85
runderen, dus 56% werkelijk drachtig na eerste inseminatie. Het verschil van 6% is
niet significant.*)

Gezien de beperkte topdressing en het klein aantal runderen moeten deze cijfers met
voorzichtigheid worden bezien.

In groep A is door de runderen zonder topdressing per dag per kg d.s. opgenomen
rond 8 mg Cu en 79 mg Mn, in groep B rc.spcct. 9 mg en 44 mg. Hoeveel Cu en Mn

-ocr page 355-

KOPER, MANGAAN EN VRUCHTBAARHEID

I I GEEN EXTRA Cu EN Mn, VERSTREKT
\'\'/Z EXTRA Cu EN Mn VERSTREKT
■ TOENAME

1. % DRACHTIG NA le INSEMINATIE

2. Mn GEHALTE HAAR IN D,P,M.D.S. (x 10)

3. Cu GEHALTE HAAR IN D.P.M,D.S. (x 10)

4. Cu GEHALTE BLOED IN GAMMA %

GRAFIEK

80
70
60
50
40
30
20
10 J

I 1 I 2 1 3 I 4 I
STALPERIODE

1/5

1/11

80 ^
70

60 ^
50
40
30
20
10

1/11

1/5

de runderen via de topdressing extra opnamen is niet vast te stellen. De CaJJP-
verhouding was in beide groepen niet veel verschillend, n.1. 1,5 en 1,3.
Volgens huidige opvattingen is voor het rundvee het Cu-gehalte van het gras niet als
laag aan te merken, wel het Mn-gehalte.

Wanneer we de boekjaren 57/58, 58/59 en 59/60 samenvatten — de stalperiode 60/61
valt hier buiten omdat deze periode een deel uitmaakt van het boekjaar 60/61 •— dan

-ocr page 356-

KOPER, MANGAAN EN VRUCHTBAARHEID

GEEN EXTRA Cu EN Mn VERSTREKT
EXTRA Cu EN Mn VERSTREKT
TOENAME

1. % DRACHTIG NA le INSEMINATIE

2. Mn GEHALTE HAAR IN D.P.M.D.S. (x

3. Cu GEHALTE HAAR IN D.P.M.D.S. (x i

GRAFIEK IV

100
90
80
70
60
50
40
30
20
10

4. Cu GEHALTE BLOED IN GAMMA %

1,/11

1/11

BOEKJAAR

blijkt dat bij géén verstrekking van extra koper en mangaan 199 van de 391 runderen
na eerste inseminatie
werkelijk drachtig werden, dit is 51%.

Werd wel extra Cu en Mn verstrekt dan werden 132 van de 207 runderen na eerste
inseminatie
werkelijk drachtig, dit is 64%. Een verschil van 13%, dat zeer signifi-
cant
is (P < 0,01).*)

Haaronderzoek.

Het koper- en mangaangehalte.

Tijdens de stalperiode steeg in beide groepen, na de toediening van extra Cu en Mn,
het koper- en mangaangehalte van het haar. De stijging van het mangaangehalte van
het haar in groep B was significant*) (P < 0,05). Het steeg van 3.4 ppm naar 6.5
ppm. In groep A steeg het gehalte van 4.8 ppm naar 5.4 ppm. Het kopergehalte steeg
in groep niet (het bleef ongeveer 7 ppm) ; in groep B was dc stijging zeer gering,
n.1. van 7.4 ppm naar 7.9 ppm.

-ocr page 357-

Onderzoek van het bloedserum.

Het Cu-gehalte van het bloedserum.

Het Cu-gehalte van het bloedserum steeg in groep A significant*) {P is ca 0,01),
niet echter in groep B, na het toedienen van extra Cu. De blocdkopcrwaarden zijn
bij alle onderzoeken lager dan normaal, vooral in de herfst (groep A 1958 en 1960,
groep B 1958). Slechts in groep B is bij de bemonstering in de herfst \'59 cen voor
die tijd van het jaar hoog bloedkopergehalte gevonden (68 gamma %). De droge
zomer is hierbij mogelijk van invloed geweest.

Het Ca-, P- en Mg-gehalte van het bloedserum lag tussen de als normaal aangemerkte
grenzen.

In de grafieken Il-IV zijn bovenomschreven resultaten weergegeven.
Faecesonderzoek.

Het aantal wormeieren per gram mest was gering; bij slechts weinig runderen wer-
den wormeieren gevonden in aantallen van meer dan 400 per gram mest.
Het
Salmonella-onderzoek verliep negatief, evenals het onderzoek op para-t.b.c.

Het Ca- en P-gehalte van het rantsoen.

Om na te gaan of de hoeveelheden Ca en P die dc runderen in beide groepen per
dag gedurende de stalpcriode en dc weideperiode opnamen voldoende zijn om in de
behoefte te voorzien, kan men gebruik maken van de formules van Van der Meulen:
Voor een rund dat reeds eenmaal heeft gekalfd, is de noodzakelijke Ca-opname te
berekenen met dc formule: 16 PI 1,44 Pd — 44 en de P-behoefte met de for-
mule: 5,5 PI -(- 1,18 Pd.

In deze formules is PI dc produktie per lactatieperiode gedeeld door 1000 en Pd dc
dagproduktie.

Slalperiode.

In groep A wordt via de weergegeven hoofdbestanddelen van het wintcrmenu per
dag 41,5 gram Ca en 26,9 gram P opgenomen.

Blijkens de formules moet cen rund met een produktie van 4500 kg melk gedurende
een lactatieperiode van 300 dagen p<-r dag aan Ca opnemen rond 50 gram en aan P
rond 42,5 gram.

Deze hoeveelheden worden niet gehaald.

In groep B is voor cen dergelijk rund de Ca-behoeftc vrijwel gedekt, dc P-bchocfte
niet, immers de Ca-opname bedraagt hier rond 48 gram en de P-opname rond 24
gram.

Weideperiode.

Groep A: de dagelijkse opname bedraagt bij deze grassamenstelling voor Ca en P
re.sp. 61 gram en rond 41 gram.

Groep B: dc dagelijkse opname bedraagt hier voor Ca en P respect, rond 64 gram en
rond 50 gram.

In beide groepen dus cen voldoende tot ruime dekking voor cen rund als boven aan-
gegeven.

Samenvatting.

Van 25 bedrijven, verspreid over de provincie Zeeland waar de K.I.-resultaten meer-
dere jaren achtereen tc wensen over hadden gelaten zonder aanwijsbare infectieuze
oorzaak, werden deze resultaten, d.w.z. het percentage
werkelijk drachtige runderen
na eerste inseminatie verzameld over de periode 1 nov.-l mei van de boekjaren
1957/1958, 1958/1959, 1959/1960 en 1960/1961, alsmede die over de periode 1 mei-
1 nov. van 1958, 1959 en 1960.

-ocr page 358-

De 25 bedrijven werden verdeeld in groep A (12 bedrijven) en groep B. Dc run-
deren van groep A kregen in dc stalperiode 58/59 per dag 120 mg Cu en 720 mg Mn
extra toegediend, die van groep B tijdens de stalperiode 59/60. Tijdens de weide-
periode 1959 werd het weiland van groep tweemaal — medio april en eind mei _

een topdressing gegeven met 5 kg MnSO.i en 2\'/2 kg CuSO^, het weiland van groep
B werd in 1960 met dezelfde dosering en op dezelfde data behandeld. De dosering
geldt per ha.

Van de runderen werden haarmonsters genomen en geanalyseerd op Cu en Mn om
na te gaan of de toediening van extra Cu en Mn uit de analysecijfers zou blijken.
Het Cu-gchalte van het bloedserum werd eveneens bepaald voor en na de toediening
van extra Cu en Mn. Ook werd van het bloedserum het Ca-, P- en Mg-gehalte be-
paald.

In faecesmonsters werd het aantal eieren per gram mest nagegaan en voorts of in de
faeces
Salmonellae en para-t.b.c.-bacteriën voorkwamen.

Aan de hand van de voederanalysen werd nagegaan of de Ca- en P-bchoefte van de
runderen was gedekt. Hierbij werd gebruik gemaakt van de formules van Van der
Mculen en deze toegepast op een rund dat reeds een keer heeft gekalfd en cen pro-
duktie per lactatieperiode van 300 dagen heeft van 4500 kg.

Uit het onderzock kwam onder meer naar voren:

1. Het extra verstrekken van 120 mg Cu en 720 mg Mn per dag aan runderen van
25 bedrijven, die per dag via de hoofdbestanddelen van hun stalrantsoen 70 mg
Cu en 350 mg Mn opnamen — zodat daardoor per kg d.s. per dag per rund
minstens 19 mg Cu en 107 mg Mn werd opgenomen — deed de vruchtbaarheid
van deze runderen in de stalperiode
zeer significant*) toenemen.

2. Het percentage runderen, na eerste inseminatie in de stalperiode werkelijk
drachtig geworden, steeg namelijk van 51% naar 69%.

3. Omdat zonder extra Cu en Mn toediening per rund per dag in de stalperioden
op deze bedrijven 7
rng Cu (laag normaal) en 35 mg Mn (zeer laag) wordt op-
genomen via de hoofdbestanddelen van het rantsoen, is het mogelijk dat vooral
de extra mangaangift de stijging van 18% heeft bewerkstelligd.

4. Een beperkte topdressing in het begin van de weideperiode — medio april, eind
mei — met 5 kg Mn
SO4 en 2/2 kg Cu SO4 per ha heeft op de vruchtbaarheid
van het rund geen wezenlijk gunstige invloed.

5. Bij de beoordeling van het rantsoen op het gehalte aan macro- en micro-elementen
dient men tevens na tc gaan of de Ca- en P-gehaltes voor (hoog) produkticf
melkvee wel voldoende zijn, de formules van Van der Meulen zijn hiervoor te
gebruiken.

6. Bij deze beoordeling dient men immer te bedenken dat het minerale gehalte van
gras wisselt met het jaargetijde.

EETBAAR VLIES OM KIPPENVLEES.

In de laatste twintig jaren is in de wijze waarop het pluimvee aan de markt wordt
gebracht een grote vooruitgang vast te stellen. Tussen 1940 en 1950 werd in de
U.S.A. overgeschakeld van „New York-drcsscd" op „panklaar" pluimvee. („New
Vork-dressed" is pluimvee dat alleen maar is uitgebloed en geplukt).
Enige jaren later maakte de huisvrouw kennis met dc eerste diepgevroren, gebraden
pluimveemaaltijden en bevroren, in stukken gesneden kip. Thans zijn bevroren, stuk-
ken pluimvee op de markt verschenen, die van cen beschermend eetbaar vlies zijn
voorzien.

Op het ogenblik worden op het slachtbedrijf zelf steeds meer bouten in stukken ge-
sneden, in dozen verpakt en gekoeld.

Problemen.

Er zijn nog enkele problemen, die een algemene toepassing van deze methode in de
weg staan. Pluimvee dat op de slachtbedrijven in stukken wordt gesneden staat
langer aan uitdroging bloot dan wanneer dat uitsnijden pas in de zelfbedienings-

-ocr page 359-

winkels plaatsvindt. De kans op uitdrogen en besmetting met bacteriën zal ook groter
zijn naarmate de bouten in meer stukken worden verdeeld. Om dit verlies zoveel
mogelijk te voorkomen, leveren de slaehtbedrijven vaker af en gebruiken zij duurder
verpakkingsmateriaal dan de zelfl^edieningswinkels, die de bouten zelf uitsnijden.

Beschermende laag.

Een mogelijke oplossing voor dit probleem is het aanbrengen van een eetbare be-
schermingslaag. Het idee zelf is niet nieuw. Men heeft vis en pluimvee beschermd
met ijs, vleeswaren en noten met vetten, vis met zetmeel, sommige groenten met was
en eieren met olie.

De afdeling pluimvee van het Landbouwproefstation van Ohio heeft de bruikbaar-
heid van een zeewierprodukt nagegaan. Het in stukken verdeelde pluimvee wordt
volgens de hier ontwikkelde methode eerst in dit zeewierprodukt ondergedompeld en
vervolgens in een kalkoplossing. Hierdoor wordt een onoplosbaar gelatineus vlies
van calciumalginaat gevormd, dat voor consumptie geschikt is. De stukken kip die
door deze filmlaag zijn omgeven, verloren na 12 dagen bewaren bij 35° F 8%
minder vocht dan de niet-bchandelde stukken uit de controlegroep. Er zijn met an-
dere onderdompelingsmaterialen betere resultaten verkregen, maar de kosten van
deze middelen zijn in verhouding tot de verkoopprijs van kip te hoog. Die van
calciumalginaat bedragen per Eng. pond (0.45 kg) ongeveer 0.3 dollarcent. Het vlies
bestaat voor 95% uit vocht. Dit verdwijnt als de kip in vet wordt gebraden.

Nog enkele vraagpunten.

Voordat deze methode in het groot kan worden toegepast, moeten nog enkele vragen
worden beantwoord. Nagegaan moet nog worden of de bacteriegroei door deze
vliezen kan worden vertraagd. Het zal nog moeten blijken of de huisvrouw dit pro-
dukt, waarvan het uiterlijk is veranderd, wil accepteren.

En tenslotte zal dan de methode nog moeten worden aangepast aan een massa-
produktie.

Landbouwdocumentatie, 17, 1039, (1961).
L.ABOR.A.TORIUM NOBILIS BESTA.\\T 12/^ JA.\\R.

Op 16 juli 1962 is in besloten kring door directie en personeel van Laboratoria Nobilis
N.V., fabrikant van biologische en farmaceutische preparaten voor diergeneeskundig
gebruik, het 12/2-jarig bestaan van de firma gevierd.

Dr. J. H. M. Richter, een van de twee directeuren, viel een speciale huldiging ten deel
in verband met het feit dat hij reeds vanaf de oprichting bij Nobilis werkzaam is.
De jubileum-bijeenkomst werd gehouden in het nieuwe kantoor van Nobilis, dat bij
deze gelegenheid officieel werd geopend. Deze nieuwe behuizing is noodzakelijk ge-
worden als gevolg van de sterke uitbreiding van haar activiteiten.
Een jaar geleden kwam Nobilis in het nieuws toen haar aandelen werden overge-
nomen door de N.V. Koninklijke Zwanenberg,/Organon.

DE KUNSTM.ATIGE INSEMINATIE BIJ VARKENS.
Zoötechnische aspecten.

1. In vergelijk met het rund heeft het varken een veel korter generatie-interval (dat
is de gemiddelde leeftijd der ouders bij de geboorte van hun nakomelingen), nl.
2 ä
2/2 jaar (bij het rund 4/2 ä 5 jaar). Het voordeel hiervan is, dat ongewenste
dieren snel vervangen kunnen worden; daar staat tegenover dat het risico van in-
teelt toeneemt, speciaal in kleinere stapels. Het vader-dochter risico bestaat bij
het varken reeds na 1 jaar, bij runderen pas na 2 ä
2/2 jaar. Een en ander kan
echter tegengegaan worden door:

1. Een goede re.gistratie, waardoor dus vader-dochter paringen voorkomen kun-
nen worden.

2. Uitwisseling van beren tussen de stations.

3. Het vermijden van verwantschap tussen de beren.

-ocr page 360-

2. Een veel groter aantal nakomelingen, zodat

1. Een veel groter deel op het abattoir terecht komt alvorens aan de voort-
planting te hebben kunnen deelnemen.

2. De grootte van de stapel snel gevarieerd kan worden, afhankelijk van de eco-
nomische situatie.

Om een varkens-K.I. goed te doen slagen worden als eisen gesteld:

1. Scherpe selectie der beren, o.a. door „progeny-testing" van een groot aantal jonge
beren, zodat zeker 50% van hen geëlimineerd kan worden.

2. Ook aan kleine fokkers moet zaad van prima beren beschikbaar gesteld worden.

3. Behalve „progeny-tesdng" en onderzoek naar de vruchtbaarheid moeten de toe-
komsdge vaderdieren zelf reeds onderzocht worden op hun prestaties t.a.v. groei,
voederverbruik en spekdikte. (Bij stieren is uiteraard een dergelijk fenotypisch
beeld van bv. de melkproduktie niet te verkrijgen!)

Technieken.

De paring verloopt bij het varken veel langzamer dan bij het rund. Eén ejaculaat
kan een volume hebben van 250 cc en 100 miljard spermatozoïden bevatten, hiervan
bereiken slechts enkele tienduizenden het begin van de eileider. De penis van de
beer verlangt een innig contact en een toenemende druk; deze druk is zelfs belang-
rijker dan de temperatuur.

Aangeraden wordt de verdunner volgens Van De mark en Sharma te gebrui-
ken, echter zonder eidooier; verder om, terwille van een goede vermenging en om
een pH van 6,3-6,4 te bereiken, intensief met CO2 te doorborrelen.
Speciaal bij bewaring bij ongeveer 15° C (in ieder geval niet boven 20° C) hebben
de spermiën dan een langere overlevingsduur. Het mengsel wordt in ampullen van
30 a 50 cm® bewaard; vlak voor de inseminatie heeft een tweede verdunning plaats
tot 250 cm®. Met deze methoden werden van april 1959 tot april 1960 te Loudeac
4338 inseminaties verricht, waarvan 51,3% der eerste inseminaties door een worp
gevolgd werden. Sperma van 1 dag oud gaf nog geen significant lagere bevruchtings-
percentages. Wel lag dit .getal lager bij dieren die voor het eerst wierpen en bij dieren
die tijdens de inseminatie erg opgewonden waren (in verglijking met rustige zeugen).
De worpgrootte was vrij normaal.

De inseminatie.

Het sperma moet in de baarmoeder gedeponeerd worden: hiertoe zijn twee methoden:

1. Druk uitoefenen op het spermarcser\\oir (toegepast in Engeland, Noorwegen eii
Japan).

2. Door niveauverschil, dus met behulp van dc zwaartekracht (in Frankrijk en
Rusland.

Het onderkennen van de bronst is van essentieel belang voor een succesvol verloop.
Deze onderkenning is moeilijk, want de vulva-verschijnselen zijn inconstant: daaren-
tegen is het gedrag van de bronsti,ge zeug in aanwezigheid van de beer zeer typisch:
de zeug houdt zich onbeweeglijk. In de helft der gevallen blijft de zeug ook .goed stil-
staan zonder dat er een beer bij is, nl. wanneer er een flinke druk op haar rug
wordt uitgeoefend. De stimulerende invloed van de beer kan slechts een kwesde
zijn van zien, ruiken of horen.

De stemgeluiden van de beer, op de band opgenomen, doen het percentage reageren-
de zeugen toenemen tot 70. Overigens zou het met een autotdaxon ook gaan (welk
merk?). De geur van de beer speelt ook een belangrijke rol; de helft van de zeugen,
die weigeren stil te staan voor de inseminator, doet dit wel in een hok, waar norma-
liter een beer huist. Kortom, de typische voortplaatingsfysiologie van het varken
heeft zeker bijgedragen tot het feit, dat de invoering van de K.I. bij deze diersoort
tot dusver ten achter is gebleven bij die bij het rund.

De uitvoering in Nederland.

Van elke beer wordt om de 3 a 4 dagen zaad gevangen; de kunstmatige vagina is af-
geleid van die welke voor stieren gebruikt wordt, alleen is deze 20 a 25 cm korter.

-ocr page 361-

Men laat de beren dekken op een phanlooni (in het Frans „mannequin"). Het zaad
wordt, na microscopisch onderzoek op beweeglijkheid, zodanig verdund dat er zich
250 ä 500 miljoen spermatozoïden per cm-® in bevinden. Het sperma wordt vervoerd
in thermosflessen van 5 liter: de te insemineren hoeveelheid bedraagt 150 cc. De
inseminatie als zodanig duurt gemiddeld 10 minuten. Het gebruikte materiaal is van
het Scandinavische type. De beren zijn duur: zij worden gekocht op voorwaarde,
dat indien het dier onvoldoende dekt op het phantoom, het na een maand nog terug-
gegeven kan worden aan de verkoper.

Het maximaal toegestane aantal inseminaties bedraagt 300 per jaar, voor de kam-
pioen en de reservekampioen 500. Vrij zelden wordt zaad van een ander station ge-
bruikt.

Indien de zeug 48 uur na de inseminatie nog bronstig is, wordt gratis opnieuw ge-
insemineerd. De bronst van de zeug wordt, zoals in Frankrijk, gecontroleerd door te
letten op de rust van de zeug, het toelaten van het „bestijgen" en het stilstaan bij
druk op de lendenstreek.

Over de periode januari tot juni 1960 kwam van de 754 eerste inseminaties na 60
dagen 77% niet terug; het bevruchtingspercentage zal waarschijnlijk 60-65 be-
dragen. Dit ligt ook hier beter bij zeugen, die al eerder moeder waren.

Dc situatie in Bretagne (Frankrijk).

Van 1958 tot 1960 is het aantal geïnsemineerde zeugen sterk gestegen; het be-
vruchtingspercentage kwam van 30 op 60%, mede dank zij de invoering van een
betere verdunner met CO
-2, waardoor het thans mogelijk is ook sperma van 2 tot 4
dagen oud te gebruiken, zonder dat de resultaten al teveel teruglopen.
Er bestaan nog twee speciale moeilijkheden:

1, De beperkte verdunningsmogelijkheid van het sperma, waardoor slechts hoog-
stens 80 ä 100 doses van 1 beer per maand zijn te verkrijgen, zodat een groot
aantal beren nodig is.

2. De noodzakelijkheid op het juiste moment te insemineren; speciaal is van be-
lang, dat de zeug zeer rustig is; wel worden de vergeefse reizen van de insemi-
nator langzamerhand minder, want zowel de fokkers als de inseminatoren leren
steeds beter dit „moment suprème" te onderkennen.

Hoewel de varkensdichtheid in Bretagne voldoende is en ook het zeugenaantal per
bedrijf vrij constant is, heeft het station tc Loudeac nog steeds een aanzienlijk finan-
cieel tekort, zodat het oprichten van cen zelfstandige coöperatie waarschijnlijk voor-
lopig onmogelijk zal zijn: men blijft dus werken als onderdeel van de coöperatieve
rundcrinseminatie.

Het onderzoekcentrum voor selectie en K.I. bij varkens te Rouille (Frankrijk).
Dit is opgericht in april 1960 door instituten op het gebied van Veeteelt en Fysiologie
tezamen. Door het noteren van uitvoerige gegevens van de te insemineren zeugen
en van dc resultaten (worpgrootte etc.) stelt men zich o.m. voor de melkgift van de
zeugen te leren kennen, nl. door het wegen der biggen — bijvoedering der biggen
in de zoogperiode komt in deze streek praktisch niet voor —; met behulp van der-
gelijke zeugen zouden dan jonge beren .getest kunnen" worden.

Verder zoekt men naar een goede methode om de bronst te onderkennen (bv. door
een geluidssignaal) en om snel dc concentratie van het sperma te kunnen bepalen,
mede rnct het oog op dc gewenste grotere verdunningsmogelijkheid van het ejacu-
laat.
 Landbouwdocumentatie, 17, 1260, (1961).

STAND.A.ARD NEDERL.ANDSE PIÉTRAIN.

Op de Algemene Vergadering van het Centraal Bureau voor dc Varkensfokkerij
dd. 20-3-1962 werd de standaardbeschrijving van het Nederlandse Pictrainvarken
als volgt vastgesteld.

Het ideale type van dit ras vertoont naast cen vrij goede ontwikkeling en een middel-
matige lengte cen zeer gcx-de geschiktheid voor de vleesproduktie. Kenmerkende

-ocr page 362-

Kop:

Oren:

Hals:

Schouders:
Borst:

Rug en lendenen:

Ribben:

Kruis en staart:

Hammen:
Het beenwerk:

Stand, .gang en sterkte:

Tepels:

Huid:
Beharing:

Betrekkelijk licht en niet te lang. Het voorhoofd is middel-
matig breed, met een rechte of enigszins ingedeukte pro-
fiellijn. De snuit is breed en recht, dc kaken licht en
droog.

Kort en breed in verhouding tot de lengte en ongeveer
horizontaal geplaatst met de oorpunten naar voren en
iets naar buiten.

Betrekkelijk kort, doch vooral droog. Een iets opgebogen
bovenlijn is toegestaan.

Goed ontwikkeld (uitgebouwd) en bespierd, doch vol-
doende gesloten. Een scherpe schoft is ongewenst.
Breed en niet te diep, min of meer cylindrisch gevormd.
Gelijkmatig breed en sterk bespierd en bij voorkeur iets
gespleten langs de ruggegraat (de rugwervels moeten goed
voelbaar zijn). De rug is verder voldoende lang, recht en
sterk.

Sterk gewelfd.

Breed, voldoende lang, sterk gespierd en iets hellend. Een
ondiepe ronde holte boven de staartinplandng is ken-
merkend. De staart is betrekkelijk laag ingeplant en is bij
voorkeur fijn.

Sterk ontwikkeld, goed gevuld, diep doorlopend en naar
achteren zeer sterk gewelfd. Dc schenkel is breed.
Dit is fijn, doch gaaf en sterk. Dc ledematen zijn betrek-
kelijk kort en de gewrichten droog. De klauwen zijn goed
ontwikkeld en aangesloten.

De stand is sterk en vierkant en dc gang vlot en voldoende
krachtig.

Minstens 12 goed gevormde en regelmatig geplaatste
tepels.

Goed aanliggend niet grof.

Kort en stevig en regelmatig over het lichaam verdeeld,
met bij voorkeur een scherpe aftekening van de vlekken.

Maandbl. Varkensfokkerij, 25, 6, (1962).

eigenschappen voor de vlcesvorming komen tot uidng in een brede, sterk bcspierde
bovenbouw, goed gewelfde ribben en zeer sterk ontwikkelde en goed gevulde hammen
(type „dikbil"). De schouders zijn goed ontwikkeld en bespierd, doch voldoende ge-
sloten. Het beenwerk is fijn, maar voldoende krachtig.
De haarkleur is wit-grijs, soms rossig, met onregelmatige zwarte vlekken

De meest gewenste eigenschappen voor de onderdelen zijn:

DE RATTENBESTRIJDING IN VERBAND MET DE CAMPAGNE TEGEN
HET MOND- EN KLAUWZEER.

Uit de praktijk is gebleken, dat ook de ratten een belangrijke rol spelen bij ver-
spreiding van mond- en klauwzeer. In een hok met zieke varkens is alles sterk besmet
met het virus. Ratten, die in zo\'n hok voedsel zoeken komen in aanraking met dc
smetstof en kunnen daarom de besmetting overbrengen.

Zijn de varkens afgevoerd dan zullen de ratten daar weinig of geen voedsel meer
vinden en als zij dan bovendien verontrust worden door de grondig uitgevoerde ont-
smetting vluchten ze en verspreiden zich over de omgeving en kunnen met de door
hun meegedragen smetstof in naburige varkenshokken komen. Op deze wijze breidt
de besmetting zich uit als een olievlek.

Om deze factor bij de verspreiding van mond- en klauwzeer te neutraliseren is het
dus noodzakelijk dat de boerderijen zo goed mogelijk ratvrij worden gemaakt, zeker
in de besmette gebieden. Daarom heeft de afdeling ratten- en muizenbestrijding van

-ocr page 363-

de Directie Faunabeheer van het ministerie van landbouw en visserij, samen met de
Veeartsenijkundige Dienst en met medewerking van de gemeentebesturen, in de be-
smette gebieden een rattenverdelgingseampagne georganiseerd. In deze gebieden be-
zoekt de gemeentelijke rattenbestrijder alle boerderijen waar nog geen mond- en
klauwzeer is geconstateerd. Het lokaas wordt aan de deur afgegeven, waarbij de
gemeentelijke bestrijder toelichting geeft op de werking van het vergiftigde lokaas
en aangeeft waar en hoe dit moet worden uitgelegd. Bij het lokaas wordt dan tevens
een korte schriftelijke samenvatting van een en ander afgegeven. Het uitleggen van
het lokaas geschiedt hier dus door de belanghebbende boer en niet door de ratten-
bestrijder. Deze regeling is getroffen om te voorkomen dat de gemeenteman ongewild
zelf de smetstof gaat verspreiden. Het is nl. mogelijk dat op een „gezonde" boerderij
de varkens de ziekte al onder de leden hebben, waardoor de rattenbestrijder de ziekte
zou kunnen overbrengen. De rattenverdelging op de „zieke" boerderijen wordt ver-
zorgd door personeel van de Veeartsenijkundige Dienst.

Uit het voorgaande blijkt wel hoe belangrijk het is dat de landbouwer in alle op-
zichten mee werkt en het lokaas ook inderdaad volgens de aanwijzingen van de ge-
meentelijke rattenbestrijder uitlegt en met grote zorg de rattenverdelging op zijn
bedrijf uitvoert.

Hier moeten dus niet alleen de varkenshokken onder handen worden genomen maar
alle gebouwen en andere plaatsen waar ratten op het bedrijf voorkomen. Neemt ook
de slcKitkanten onder handen. Hier huizen vaak ratten die in de varkenshokken of
stallen gaan fourageren.

Als de aanwijzingen van de gemeentelijke bestrijder goed worden opgevolgd is er in
het algemeen weinig of geen gevaar te duchten voor ander vee en huisdieren of
voor mensen.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

K.I. BIJ VARKENS IN JAPAN.

Dc collegae W. M. G o t i n k en C. M. T. W i 11 e m s hebben op verzoek van de
Gezondheidscommissie voor Dieren van het Landbouwschap van 9-28 januari j.1.
een studiereis naar Japan ondernomen teneinde zich op de hoogte te stellen van de
K.I. bij varkens.

In een uitvoerig rapport (waarin o.m. ook sjjrake is van K.I. bij bijen en geiten in
Japan), wordt, naast de .gebruikte inscminatietechniek en dc daarmee samenhan.gende
problemen en onderzoek, een beschrijving ge.gcven van het bezoek aan instituten, fok-
stations en een selectiemesterij:

Naar aanleiding hiervan komen dc schrijvers tot de volgende slotsom:

„Bij ons bezoek aan Japan zijn we onder dc indruk gekomen van het intensieve
wetenschappelijke werk, dat op het .gebied van de veehouderij en ook speciaal op
dat van de dierlijke voortplanting wordt verricht. Mensen, materiaal en outill^c zijn
hiervoor in overvloed beschikbaar.

Een handicap voor ons was, dat zeer weinig, ook academisch gevormde Japanners,
in staat waren zich uit te drukken in de En.geLse of een andere vreemde taal. Indien
Dr. N i w a of de heer M a s a k i niet aanwezig waren was een gesprek uiterst moeilijk
te voeren. Dit is des te vreemder, omdat veel wetenschappelijke werkers en direc-
teuren van instituten of in het buitenland gestudeerd hadden of een studiereis naar
Europa of Amerika gemaakt hadden.

Betreffende de varkens K.L is inderdaad gebleken dat de drachtigheidsresultaten in
Japan gemiddeld 5-10% hoger liggen dan in ons land. De oorzaak hiervan ligt o.i.
hoofdzakelijk in de speciale structuur van de Japanse vee- en varkenshouderij. Het
aantal dieren per bedrijf is uiterst gering en er is een overvloed aan goedkope werk-
krachten waardoor de kans groter is de dieren op het juiste moment te insemineren.
Dc organisatievorm en uitvoering van de K.I. zoals die in Japan aanwezig is, kan
daarom zeker niet voor Nederland overgenomen worden.

-ocr page 364-

Desondanks zijn er een aantal punten waaraan naar onze mening in Nederland meer
aandacht besteed zou kunnen worden. Dit betreft o.a.:

a. het voorbereiden van de beer voor dekking (schoonwrijven, uitknijpen pre-
putium) ;

b. de beren niet te vaak laten dekken (maximaal 3 x per week) ;

c. het verdunnen van het sperma beperken;

d. de bcwaartemperatuur constant houden op ± 15° C;

e. het transport sperma nauwkeurig verzorgen;

f. zeer sterk aandacht schenken aan de juiste inseminatietijd, (ook in de voor-
lichdng t.a.v. de veehouders).

Van diverse methoden die in Japan in gebruik zijn zal het de moeite waard zijn om
ze onder Nederlandse omstandigheden te beproeven. Dit heeft speciaal betrekking op

a. het opvan.gen sperma (kunstschede, isolatie van de collector);

b. nieuwe verdunningsmiddelen, waardoor het sperma langer houdbaar zou zijn.
Hoewel er in Nederland al enkele K.I,-verenigingen zijn (N.-Brabant) waar met een
kleiner volume sperma (50-70 cm®) met voldoende concentratie wordt geïnsemineerd,
kan uitbreiding van deze methode flinke financiële voordelen geven.

In Japan vindt momenteel een revolutie plaats in de voedingsgewoonten. Tot voor
kort at elke Japanner 3 x daags rijst met wat gezouten groente en als eiwitbron: vis.
De laatste jaren begint het melk- en vleesverbruik echter zeer snel toe te nemen,
speciaal onder dc jeugd. Het blijkt zelfs dat de jeu,gdige Japanners al aanmerkelijk
groter zijn in vergelijking met de vorige generatie. De overschakeling op vlees en
melk zal zich in toenemende mate voortzetten.

Een zeer intensief programma is door de regering ontwikkeld om de rundvee- en
varkenshouderij uit te breiden en te verbeteren. Misschien li,g,gen hier ook voor
Nederland nog kansen. Import van Nederlandse runderen en varkens zal waar-
schijnlijk i,v.m. de afstand beperkt blijven. Wel bestaat er een grote belangstelling
voor ons vee en onze varkens.

Het is mogelijk dat voor sperma-export echter goede kansen aanwezig zijn,"

Tot welke leeftijd is de koe nog produktief?

Een enquête in Polen naar de leeftijden waarop koeien nog produktief zijn bracht
aan het licht, dat nog verschillende dieren, ouder dan 15 jaar, een goede produktie
vertoonden.

De oudste, nog producerende koe, was 35 jaar oud,

An. Breed Abstr., 30, 158, 1962.

Groep- en loopstallen.

Brei rem bericht over 4 experimenten, lopende van 1951-1957, met 76 melkkoeien
genomen.

Zijn conclusie is dat de produktie van 4% „fatcorrected" melk een weinig ho,ger was
per koe in de groepstallen (14,0 kg tegen 13,6 kg) en dat de voederconversie in de
groepstallen ook beter was.

Wat de vleesproduktie betreft werden 44 vaarzen en 58 ossen gebruikt. Ook bij deze
proeven bleken de groepstallen in het voordeel te zijn; en dit zowel wat snelheid van
groei als voederconversie betreft.

An. Breed. Abstr., 30, 164, 1962.

-ocr page 365-

CONGRESSEN

NEDERLANDS INSTITUUT VOOR PRAEVENTIEVE GENEESKUNDE.
(Medisch-Biologische Sectie van de Vereniging voor Statistiek)
7-deCursus „Inleiding tot de medische statistiek", 1962-1963.

Bovengenoemde cursus zal worden gehouden te Leiden, Utrecht en Rotterdam. Voor
1962 zijn de cursusdata als volgt (dc data voor dc maanden januari t/m juni 1963
worden t.g.t. vastgesteld):

1. Leiden ; In het N.I.P.G., Wasscnaarseweg 56, op de dinsdagavonden (van

19.30-21.30 uur) 18/9, 25/9, 2/10, 16/10, 23/10, 6/11, 13/1 1, 27/1 1,
4/12, 18/12.

2. Utrecht : In het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, op

dc woensdagavonden (van 19.00-21.00 uur) 19/9, 26/9, 10/10, 17/10,
31/10, 7/11, 21/11, 28/11, 12/12, 19/12.

3. Rotterdam: In het ziekenhuis Bergweg (ingang Bcrgsclaan), op de donderdag-

avonden (van 19.30-21.30 uur) 20/9, 27/9, 4/10, 18/10, 25/10, 8/11,
15/11, 29/11, 13/12, 20/12.
Bij de keuze van deze plaatsen en tijden is zoveel mogelijk rekening gehouden met dc
wensen van de deelnemers, die op dit moment een intekenformulier hebben inge-
zonden.

Verdere inlichtingen worden desgewenst verstrekt door de Afd. Statistiek van het
N.I.P.G., tel. (01710) 5 09 40, toestel 237.

VERBOND VAN WETENSCHAPPELIJKE ONDERZOEKERS.

Het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers houdt op zaterdag 6 oktober a.s.

te Utrecht cen congres over de

wetenschappelijke, financiële en juridische problemen
rond het ruimte-onderzoek.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

5e VOORLICIITINGSD.A,G VEE.-VRTSENIJKUNDIGE DIENST 1962.

Het programma voor de op donderdag 18 oktober a.s. te houden Voorlichtingsdag

bevat de volgende onderwerpen:

Veterinaire aspecten in E.E.G.-verband.
Listeriosis,

De mond- en klauwzecrcpizoötie 1961-1962.
Het volledige programma zal worden gepubliceerd in het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde van 1 oktober a.s.

DOORLOPENDE AGENDA

1962

september,

16—23, Bridsh Veterinary Association. Jaarlijks Congres, Scarborough, (pag.
869, 874)

18, Fokveedag F.H.-veeslag, Kampen.

19, Fokveedag M.R.IJ.-veeslag, Deventer.

19, Keuring fokvee v. d. lichte grond, Beetsterzwaag.
19, Centrale premiekeuring K.V.N.T. Assen.

-ocr page 366-

20, Promotic collega H. Huitema, 16.15 uur. Rijksuniversiteit Utrecht
(pag. 1235)

20, Fokveedag F.H.-vceslag, Valkenburg.

21, Veeteelt- en Zuiveltentoonstelling, Vebo, Leiden.

21, Fokveedag F.H.- en G.-veeslag. Leiden.

21—23, Union Vétérinaire Beige. Jaarlijks Congres, Spa.

23—30, LS.F.A. XlVe Internationaal congres, Warschau, (pag. 939)

24—26, World Veterinary Poultry Association, 2e Int. Conferentie, Cambridge
(pag. 203)

26, Afdeling Gelderland M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel Royal,
Arnhem, (pag. 1007)

26, Fokveedag F.H.-vceslag, Zutphen.

27, Fokveedag M.R.IJ.-veeslag, Cuijk.

28, Gecombineerde fokveedag Z.-Holland, Utrecht en N.-Brabant, F.H.-
vceslag, Utrecht.

28, Fokveedag M.R.IJ.-vccslag, Barchem.

29, Genootschap voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, St. Niklaas, 10.00 uur.

29, Afdeling Limburg M.v.D. Ledenvergadering, (pag. 1235)

Oktober,

2, Centrale fokveedag Noord-Brabant, M.R.IJ.-veeslag, \'s-Hertogenbosch.

2, Afd. Utrecht M.v.D. Lcdenvcrgaderin.g, 20.00 uur, Caf.-Restaurant
Vredenburg, Utrecht, (pag. 1167)

3, Fokveedag, F.H.-veeslag, Zelhem.

3, Najaarsstierenkeuring F.R.S., Leeuwarden.

4, Promotie collega D. Zwart, 16.15 uur. Rijksuniversiteit Utrecht (pag
1235)

4, Produktiekeuring vrouwelijk vee, Sneek.

6, V.W.O.: Congres tc Utrecht, (pag. 1233)

6, Afdeling Groningen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur.
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)

6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim,
(pag. 130, 869)

10, Afdeling Zuid-Holland M.v.D. Algemene ledenvergadering, Muranozaal,
Bcurscafé/Rcstaurant, Rotterdam, (pag. 1007)

10, .Afdeling Friesland M.v.D. Ledenvergadering, 13.30 uur, Oranjehotel,
Leeuwarden, (pag. 1235)

16, Nederlandse Genetische Vereniging. Symposium over fokmethoden.
Utrecht, (pag. 1170)

17, Fokveedag F.H.-vecslag, Hoornaar.

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5c Voorlichtingsdag, (pag. 1233)

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e Algemene Vtrgadering. (pag.
663)

^Jieujeneesfwiuluie SliKleiiienlhuuj; 6e \'^diistluni

(pag. 1008)

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004)

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres Hannover.
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 367-

Maatschappij
voor

Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Hervattins; werkzaamheden van de secretaris.

Nadat ik op medische aanwijzing bij wijze van proef, al enige tijd —
met heel veel genoegen — weer actief heb meegewerkt aan de voor-
bereidingen voor het Eeuwfeest, mag ik na de verschijning van deze
aflevering mijn werkzaamheden weer volledig hervatten.
Na de eerste fase van mijn gedwon.gen rustperiode in het buitenland,
werd ik bij mijn thuiskomst verrast door een aantal brieven en tele-
foontjes, waarvan de waarnemend secretaris en de secretaresse aan-
tekening hadden gehouden.

Van de afdelingen ontving ik de boeiende triologie van Leonard Uitten-

booagard: „De Wereld......" en een hartelijke brief met advies, de

weken gedurende mijn tijdelijke buiten gevechtstelling „met een
boeksken in een hoeksken te verpozen".

Voor al deze uitingen van sympathie heb ik inmiddels persoonlijk kun-
nen bedanken; dit was echter niet mogelijk met alle leden, die mij
vanaf de 108e (buitengewone) Al,gemene Vergadering uit hun harte-
lijke groeten en beste wensen deden toekomen. Als bewijs voor hun
vriendschap ben ik in de gelegenheid gesteld het prachtige boekwerk
van Gerson: „Nederlandse Schilderkunst" aan te kopen.
Ik zeg U hiervoor allen hartelijk dank. Dat deze gewaardeerde geste
is uitgegaan van een lid, die in vergaderingen graag de degens kruist,
heb ik erg op prijs gesteld, vooral omdat bedoeld lid, deze „sport" voor
de goede zaak beoefent en geen collectie van onbegraven strijdbijlen aan-
legt.

Ook hier een hartelijk woord van dank aan collega Harmsen, die mijn
functie voortreffelijk heeft waargenomen.

Tenslotte collega Frik — blijvend aan het Eeuwfeestcomité tcx\'gevoegd
— en andere comitéleden: heel veel dank voor de bijzonder pretti.ge
manier, waarop jullie mijn zaken tijdelijk hebt waargenomen.
Na deze — ongebruikelijke — persoonlijk getinte mededeling, gaan wij
over tot de gewone orde van alle dag. M\'.
A. de Haan.

Promoties.

Op donderdag 20 september a.s. om 16.15 uur hoopt collega H. Huitema (Rotterdam)
aan de Rijksuniversiteit te Utrecht te promoveren op het proefschrift, getiteld:
Diagnose en prognose bij paratuberculose van het rund.

Op donderdag 4 oktober a.s. om 16.15 uur hoopt college D. Zwart (Ghana) aan de

Rijksuniversiteit te Utrecht te promoveren op het proefschrift, .getiteld: Livercirrhosis

in pigs in Ghana.

VAN DE AFDELINGEN

Afdeling Friesland.

De afdeling Friesland van de Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt haar eerst-
volgende ledenvergadering op
woensdag 10 oktober a.s. om 13.30 uur in het Oranje-
hotel
te Leeuwarden.
Afdeling Limburg.

De afdeling Limburg van de Maatschappij voor Diergeneeskunde zal haar eerst-
volgende ledenvergadering houden op
zaterdag 29 september a.s.; plaats en uur zullen
alsnog nader worden bekend gesteld.

-ocr page 368-

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur draagt de volgende collegae voor als lid van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde:

C. B. de Lint.

Mej. A. A. M. E. Lubberink.

Het Hoofdbestuur heeft de volgende heren aangenomen als candidaat-lid van de
Maatschappij voor Diergeneeskunde:

J. Minderhoud, Van Asch van Wijckkade 14 bis, Utrecht.
H. H. van Neerbos, Woonark „Regenboog", Plettenbrug in Jutfaas.
.Adreswijzigingen en dergelijke:

Aalfs, G. H., te Gouda, naar van Swietenstraat 1 aldaar (tel. ongewijzigd). (140)
Aalfs, Dr. H. G., van Gouda naar Palma Nova (Mallorca) (Spanje), Galle Maestro
Nicolau, Livestock Officer b/d F.A.O. (van 140 naar 210)

Draaisma, W. J. J., te Oss, naar Hertogensingel 40 aldaar (tel. ongewijzigd). (153)
Dijk, J. B. van, te Rozenburg, huisadres te wijzigen in Irislaan 20. (153)

Hoopen, W. ten, te Lochem, naar Graaf Ottoweg 22, aldaar, tel. (06730) 20 61.

(166)

Hulzen, W. H. van, te Amsterdam (Z.), naar van Brcestraat 187 hs, aldaar tel
(020) 72 01 59. (\'l67)

Meijer, H., te Breda, gr. gewijzigd in 1129081. (179)

Nieuhoff, G. A. R., van Vriczenvcen naar Hardenberg, Gramsbergerstraat 50 tel
(05232) 285. " \' (\'i82)

Putter, D. de, te Axel, naar Zuidsingel 34 aldaar (tel. ongewijzigd). (186)

Rodenhuis, P., te Dussen, gr. gewijzigd in 1085763. \' (188)

Roon, T. van, te \'s-Gravenhage, naar Kwikstaartlaan 7, aldaar, tel. privé (070)
39 32 94. ;189)

Roy, J- J- le, te Rotterdam, naar Bredestraat 19 C, aldaar. (189)

Vries, H. de, te De Bilt, aangesloten onder giro 550976. (203)

Eervol ontslag:

Have, H. H. ten, te Wolve.ga, te rekenen m.i.v. 1 september 1962, op zijn verzoek,
als Rijkskeurmccster in bijzondere dienst bij de Vecartsenijkundi.ge Dienst. (162)
Hibma, A., te Leeuwarden, te rekenen m.i.v. 1 januari 1963, op zijn verzoek, als
adjunct-Inspecteur bij de Vecartsenijkundi.ge Dienst. (163)

-ocr page 369-

Een woord van dank

Nog onder de indruk van het glorieuze feest, dat
onze Maatschappij ter gelegenheid van haar
100-jarig bestaan mocht vieren, is het ons een
behoefte in de eerste plaats onze dank uit te
spreken jegens onze geëerbiedigde Koningin
voor de hoge onderscheiding, die Hare Majesteit
aan onze Maatschappij heeft willen verlenen.
Dit Koninklijk eerbewijs vervult ons met intens-
doorleefde vreugde en in menig oog zal een
traan van ontroering hebben geglinsterd, toen de
Heer Commissaris van de Koningin in de pro-
vincie Utrecht tijdens de plechtigheid in de
Domkerk de onverwachte mededeling deed, dat
de Maatschappij voor Diergeneeskunde zich
voortaan met het predikaat „Koninklijk" mocht
sieren.

Wij zijn er diep van doordrongen dat deze eer-
volle onderscheiding ons hoge verplichtingen op-
legt, doch met hart en ziel zullen de Nederlandse
dierenartsen zich inzetten om als goede onder-
danen van onze dierbare Vorstin te leven, ver-
vuld van innige verknochtheid aan Hare Majes-
teit en Haar Huis.

Daarnaast voelen wij ons gedrongen alle leden
van de Maatschappij zeer hartelijk te danken,
niet alleen voor hun spontaniteit en hun enthou-
siasme, waardoor de feestvreugde tot zulk een
hoogtepunt kon stijgen, doch bovenal voor hun
waardige houding, waardoor het feest kon uit-
groeien tot een stijlvol gebeuren, dat nog lang in
onze herinnering zal voortleven.
De Maatschappij heeft enige dagen in het cen-
trum der publieke belangstelling gestaan en vei-
lig kan worden aangenomen, dat de dierenarts
daardoor een grotere bekendheid heeft verwor-
ven dan misschien vóórdien het geval was. Dit
stemt tot voldoening en vervult ons — \'t zij in
alle bescheidenheid opgemerkt — met een zekere
trots.

-ocr page 370-

In hel bijzonder gaat onze erkentelijkheid uit
naar het Eeuwfeestcomité en de vele sub-
comité\'s, die hun taken met zoveel toewijding en
geestdrift hebben verricht. Wij zijn deze collegae
zéér dankbaar, want wat zij hebben gepresteerd
is samen te vatten in één woord: bewonderens-
waardig. De verleiding is groot om enige namen
te noemen en wel van hen, die honderden uren
aan de voorbereiding van het herdenkingsfeest
hebben besteed, doch deze collegae hebben uit-
drukkelijk verzocht dit na te laten.
Hun wens om in de anonimiteit te blijven dient
dus geëerbiedigd te worden, hoewel dit ons
moeite kost. Bezwaarlijk kunnen wij echter ver-
onderstellen, dat de leden van de Maatschappij
de namen van deze „zwoegers" niet zouden ken-
nen.

Aan U allen onze oprechte dank, want het is
voornamelijk aan U te danken, dat nu algemeen
kan worden gezegd: het feest was onvergetelijk,
het feest was groots.

HET HOOFDBESTUUR.

-ocr page 371-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Protozoa of the intestinal tract of domestic
animals in Surinam.

by E. GOEDBLOEDi)

From the Institute for Tropical and Protozoan Diseases,
University of Utrecht, Veterinary Faculty, Utrecht, Holland.

Introduction.

The intestinal tract of domestic animals harbours various protozoa, e.g.
coccidia, flagellates, ciliates, amoebae etc. The coccidia occupy the most
important place from the veterinary point of view, particularly those of
the chicken. L angel er (1956) reported that much coccidiosis occurs
in chickens in Surinam, but is was not known which species cause tbe
disease.1)

Some of the coccidia species of the domestic animals can also induce clinical
coccidiosis; the disease occurs mainly in susceptible young animals in con-
tact with carrier young or adult animals.

Coccidial infections are known in humans too. Faust et al. (1961) re-
ported several cases of human coccidiosis in different parts of South Ame-
rica. Few data are extant on coccidia and other intestinal protozoa of do-
mestic animals in South America. An article by Mayaudón and
AyalaLopez (1960) forms an exception; it contains a list of the cocci-
dia observed in domestic animals in Venezuela. Up to the present no infor-
mation was available on the intestinal protozoa of domestic animals in
Surinam.

The Foundation for Scientific Research in Surinam and the Netherlands
Antilles (WOSUNA) gave me the opportunity to investigate the occur-
rence of protozoan infestations of the intestinal tract of domestic animals
and humans in .Surinam.

Material and methods.

The faecal samples were collected from a number of clinically healthy
young animals in the neighbourhood of Paramaribo and Nickerie. No
cases of clinical coccidiosis were observed, except in one pigeon.
In the course of the investigation material was examined from 24 jjoultry
farms, 11 calves, 19 pigs, 6 goats, 4 sheep, and 20 dogs. The examination
was also extended to the faeces from 84 humans of different departments
of the hospital of Paramaribo and from 22 humans whose faeces were sent
for testing for amoebae.

The faecal samples were examined microscopically (enlargement 430 x)
after suspension in saline solution.

A concentration preparation was also made according to Laarman\'s me-
thod (1961) with zinc-sulphate 33% as flotation liquid. The protozoa

1  A decrease has, however, been observed in the last few years and this is un-
doubdy due to the advices given to poultry-keepers by the Agricultural Infor-
mation Service of the Government on the subject of husbandry and the prophy-
lactic use of coccidiostatica.

-ocr page 372-

were measured with a measuring ocular at an enlargement of 970 x. For
every species fifty oocysts of the coccidia were measured.
Generally coccidia are identified on the basis of the morphology of their
oocysts. In some cases, however, study of the endogeneous development
stages is also required to distinguish the species on account of the occur-
rence of variations within a species, llie investigations by B e c k e r et al.
(1955, 1956) revealed for instance that in chickens the size of the oocysts
of
Eimeria brunetti and Eimeria necatrix changed significantly durino- the
period of excretion.

The identification of the coccidia species of the domestic mammals was
carried out on the basis of the morphology of the oocysts (according to
Reichenow and D o f 1 e i n, 1953, K u t z e r, 1960).
For the identification of the coccidia of the chickens the endogeneous
development stages were examined too; therefore experimental infections
had to be carried out. For this purpose chicks, hatched from artifically in-
cubated eggs, were used. To safeguard the birds against accidental infec-
tions they were kept in sterilized cages. The drinking water was boiled
and the feed was heated for 18 hours at 80° C (according to Lone
1959).

The faeces were examined daily until the birds were sacrificed. At the age
of 7-10 days the chicks were infected orally with an oocyst suspension.
The endogeneous development stages were examined by microscopic
histo-anatomical investigations.

It was possible to disdnguish the species of coccidia of the chicken through
the differences in pathogenicity, localisation in the intestines, morphology
of the development stages and duration of the prepatent period.
Only
Eimeria maxima can be distinguished on the basis of the morphology
of the oocysts alone: it is the largest of all species occurring in chickens
and has a slightly roughened wall. For technical reasons it was impossible
to determine the flagellates found in the faeces of chickens, cattle and pigs.

Intestinal protozoa of chickens.

COCCIDIA.

In total there are 8 species of coccidia described in the literature. Five
coccidial species could be identified in Surinam. All faeces samples con-
tained coccidia.

Eimeria tenella (R a i 1 1 i e t & L u c e t, 1891).

This highly pathogenic parasite causes the caecal coccidiosis of chickens.
The disease occurs mainly in young birds and frequently takes a rapid
course. A characterisdc feature of the species is the severe hemorrhagic
mflammation of the caeca which may extend to the adjoining posterior part
of the intestine.

Eimeria brunetti L e v i n e, 1942.

This also pathogenic species causes a catarrhal enteritis with blood-tinged
exudate. The various intestinal stages of this parasite are distributed
throughout the mucosa of the posterior half of the small intestine, rectum,
caeca, and cloaca. In heavy infections the anterior portion of the small

-ocr page 373-

intestine is also affected. The narrow portion of the caeca is particularly
strongly affected, whereas the dilated portions of the caecal wall are only
moderately affected in contrast with
E. tenella.

Eimeria maxima T y zz e r, 1929.

This species is less pathogenic than the two preceding ones, although death
from the infection occurs in the field. The central and posterior part of the
small intestine are most strongly affected, and exudate and flocks of blood
are observed on the mucosa; the intestinal wall becomes thickened.

Eimeria acervulina T y z z e r, 1929.

This species is generally considered to be one of the less pathogenic coccidia
of the chicken, though it seems that under certain conditions
Eimeria acer-
vulina
is not the almost innocuous parasite that it appears to be under or-
dinary conditions. Da vies (1956) even holds the opinion that
Eimeria
acervulina
is the third most important of the species which produce patho-
logical symptoms. This is presumably due to the very large oocyst produc-
tion. M c G u i r e and Morehouse (1958) showed that a 75% morta-
lity resulted from an infection with 5,000,000 oocysts; the number of
oocysts excreted in 1 gram of faeces would be sufficient to kill a chicken.
The Poultry Health Service of the Netherlands (1957/1958) regards
Eimeria acervulina as the causal agent of the chronic coccidiosis of the small
intestine in chickens.

The parasite affects the anterior part of the small intestine most strongly.
It is characterized at post mortem examination of the intestine by nume-
rous whitish patches visible through the serous surface. In heavily infected
chicks there is diffuse inflammatory condition in the upper half of the
intestine giving that portion the appearance of severe enteritis (More-
house and M c G u i r e, 1958).

Eimeria mitis T y z z e r, 1929.

In general this species has no pathogenic properties although J o y n e r
(1958) reported that heavy infections markedly reduced the growth rate.
The parasite is localized mainly in the anterior part of the small intestine.
It is possible that also
E. praecox Johnson, 1930) (prepatent period
4 days just as in
E. acervulina and E. mitis) was to a slight extent present
in the faeces samples. The larger oocysts of this species were, however, not
observed.

Nor was it possible to demonstrate the presence of E. necatrix Johnson,
1930 and
E. hagani Levine, 1938. These species may nevertheless occur
in Surinam possibly as a result of the import of chicks from the U.S.A.
E. necatrix is more difficult to identify by infection experiments than the
other species. This is due to the small oocyst production of this species upon
experimental infection (T y z z e r et al., 1932; Brackett & Bliznick,
1952).

FLAGELLATES.

Trichomonas spec, was found in three faeces samples of the chickens. Gene-
rally the intestinal trichomonads of chickens are not pathogenic.

-ocr page 374-

AMOEBAE.

The cysts with 8 nuclei of Entamoeba gallinarum T y z z e r, 1920 were
found in one faeces sample. Nothing is known with regard to the pathogenic
importance of this species.

Intestinal protozoa of cattle.
COCCIDIA.

At least 9 coccidial species are known to infect cattle. In Surinam all sam-
ples harboured coccidia. Two species were found:
Eimeria zurni (Rivol-
ta, 1878) and
Eimeria bovis (Yakimoff & G a 1 o u z o, 1927). Eimeria
zurni
is regarded as the predominantly pathogenic coccidium of cattle
(Horton Smith, 1958), but coccidiosis in calves can be caused also by
E. bovis. Hammond et al. (1944) showed, for instance, that an infec-
tion with 125,000 oocysts of
E. bovis caused a 50 per cent mortality in
calves.

The disease occurs mainly in young animals (up to the age of 2 years); the
animals suffer from diarrhoea with excessive mucus and blood clots, weak-
ness, want of appetite and anaemia.

FLAGELLATES.

Tricbomonads were also found in the faeces of 4 calves. These flagellates
are mostly non-pathogenic.

AMOEBAE.

Cysts of amoebae, with a diameter of 10-17;u and 1-8 nuclei, were also
found in the faeces of 4 calves.

The cysts of Entamoeba bovis L i e b e t a n z, 1910, however, are mono-
nuclear, as was observed by Noble and Noble (1952) in an extensive
comparative rriorphological investigation of
Entamoeba in farm mammals.
Entamoeba bovis is, as far as I know, the only amoeba species described
in cattle. H o a r e (1959) mentions that also cysts of
Entamoeba histolytica
have been found in Africa. It is possible that the Surinam calves were in-
fected with an as yet tnidescribed amoebac-species, may be mixed with
Entamoeba bovis.

However, a detailed description of the morphology cannot bc given since
unstained preparations are available for microscopic investigation. In wet
preparations the cysts resemble those of the bmnan
Entamoeba coli.

Intestinal protozoa of pigs.
COCCIDIA.

Eight coccidial species are known to infect pigs (Kutzer, 1960). In
Surinam 4 species could be differentiated; all faeces samples harboured
coccidia.

Isospora suis Biester & Murray, 1934.

This species occurs mainly in animals younger than 6 months (Kutzer,
1960); it can cause clinical coccidiosis, as Biester and Murray
(1934) demonstrated by experimental infection.

Eimeria debliecki D o u w e s, 1921.

This species too can cause clinical coccidiosis in young animals, as was
described, a.o. by D e o m & M o r t e 1 m a n s (1954).

-ocr page 375-

Eimeria scraba Henry, 1931 and Eimeria polita P e 11 e r d y, 1949.

Nothing is known with certainty about the pathogenicity of E. scraba and
E. polita.

FLAGELLATES.

\'rrichotnonads were found in the faeces of 8 pigs. Generally these parasites
have no pathogenic significance.

CILIATES.

Balantidium coli (Ma 1ms ten, 1857) was present in all faeces samples.
In pigs this protozoan is usually without pathogenic significance.

Intestinal protozoa of sheep and goats.
COCCIDI.A..

At least 9 coccidial species affecting sheep and goat have been described,
and all of them presumably occur in both hosts.

In Surinam 5 species could be differentiated; all faeces samples harboured
coccidia.

Plimeria arloingi M a r o t e 1, 1905.
Eimeria parva K o 11 a n, M 6 c s y, V a d j a, 1929.
Eimeria faurei M o u s s u & M a r o t e 1, 1901.
Eimeria intricata S p i e g 1, 1925.

Eimeria nina-kohl-yakimovi Y a k i rn o v & R a s t e g a e v a, 1930.
In most of the clinical cases
Eimeria arloingi seemed to be the pathogenic
organisms involved. According to the experiments of L e v i n e et al. (1962),
however,
Eimeria ahsata H o n e s s, 1942 is much more pathogenic than

Eimeria arloingi.

Usually lambs of an age between two and four months are diseastxl.
According to L o t z e\'s investigation (1954)
Eimeria nina-kohl-yakimovi
may also cause coccidiosis. In lambs inoculated with as few as 500,000 spo-
rulated oocysts death residted in several cases.

Nothing is known with certainty about the pathogenicity of Eimeria parva,
Eimeria faurei
and Eimeria intricata.

Intestinal protozoa of dogs.
COGCIDIA.

In Surinam 2 coccidial species were observed in dogs, viz. Isospora rivolta
(Grassi, 1879) in 3 dogs and Isopsora bigemina (Stiles, 1891-)-in
2 dogs.

\'The third coccidial species which generally occurs in dogs, Isospora felis
W en yon, 1923 v/as not identified; nor were any species of Eimeria ob-
served. It appears that the majority of coccidial infecUons of dogs and feats-
are light. In some cases, however, diarrhoea occurs with excretion of ex-
cessive amounts of mucus and blood in the faeces. Evidently the .severity
of the disease depends on the number of coccidia present, since Lee (1934)
has clearly shown that all species of
Isospora are capable of causing serious
damage when large doses are given experimentally.

-ocr page 376-

Intestinal protozoa in humans.

In Surinam no coccidia could be observed in the faecal samples from hu-
mans. Numerous other protozoa were, however, present. For a description
of these we may refer to the study by A s i n ( 1962). In despite of this nega-
tive result it is rather unlikely that there are no coccidial infections in
humans in Surinam, as these parasites
(Isospora belli W e n y o n, 1923 and
Isospora hominis (Railliet & Lucet, 1901) have been found in
humans in other parts of South America (Faust et al., 1961).

Intestinal protozoa in pigeons.
COCCIDIA

Serious coccidiosis combined with a worm infection (Ornithostrongilys
quadriradiatus
(Stevenson, 1904)1) was diagnosed in a pigeon which
had died from enteritis. The coccidia appeared to belong to the species
E. labbeana Pinto, 1928. Mayaudón and Gallo (1959, 1960) re-
ported
E. labbeana in pigeons in Venezuela as agent of a serious disease.
In the short Ume available for the investigation only a limited number of
animals could be examined. Consequently the observed protozoa probably
represent only a part — and presumably the most common — of the species
occurring in Surinam.

Acknowledgement.

The author acknowledges her indebtedness to the members of the Department of
Public Health and of Agriculture in Surinam for their generous assistance given in
the course of this investigation.

SUMMARY.

The occurrence of some intestinal protozoa in domestic animals in Surinam is re-
ported, and a short survey of the pathogenic importance of these parasites is given.
Cysts of a presumably new species of amoeba were found in cattle. No coccidia were
observed in humans.

SAMENVATTING.

Het voorkomen van enige darm-protozoën bij huisdieren in Suriname wordt vermeld
en de schrijfster geeft een kort overzicht van hun pathogene betekenis.
Bij runderen werden cysten van cen vermoedelijk nieuwe amoebe-soort aangetroffen;
bij mensen werden geen coccidiën gevonden.

RÉSUMÉ.

L\'auteur décrit la présence de quelques protozoaires intestinaux auprès d\'animaux
domestique en Surinam et elle donne un bref aperçu de leur importance pathogène.
Auprès de bovins des kystes ont été constatés d\'une espèce probablement nouvelle
d\'amoeba; chez les hommes on n\'a pas trouvé de coccidies.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasserin gibt sowohl eine Beschreibung von dem Vorkommen verschiedener Darm-
protozoën bei Haustieren auf Suriname, als auch eine kurze Übersicht von der patho-
gcnen Bedeutung derselben.

Bei Rindern wurden Zysten von einer vermutlich neuen Amöbenart gefunden; beim
Menschen wurden keine Kokzidien gefunden.

1  I am indebted to Dr. J. J a n s e n of the Institute for Veterinary Parastology and
Parasitological Diseases, Utrecht, for the determination of the worms.

-ocr page 377-

REFERENCES

A s i n, H. R. G.: Thesis, Leyden University, 1962.

Becker, E. R., Jessen, R. J., P a 11 i 11 o, W. H. and D o or n i n c k, W. M.
van: A biometrieal study of the oocyst of Eimeria necatrix, a parasite of the
common fowl. ƒ.
Prot., 3, 126, (1956).

B e c k e r, E. R., Z i m m e r m a n n, W. J. and P a t t i 1 1 o W.: A biometrieal study
of the oocyst of Eimeria brunetti, a parasite of the common fowl.
J. Prot., 2,
145, (1955).

Biester, H. E. and Murray, Ch.: Studies in infectious enteritis of swine. VIII.
Isospora suis n. sp. in swine.
]. Am. vet. med. Ass., 85, 207, (1934).

Brackett, S. and Bliznick, A.: The reproductive potential of five species of
coccidia of the chicken as demonstrated by oocyst production. /.
Paras., 38, 133,
(1952).

D a v i e s, S. F. M.: Intestinal coccidiosis in chickens caused by Eimeria necatrix.
Vet. Rec., 60, 853, (1956).

D e o m, J. and Mortelmans, J.: Observations sur la coccidiose du pore a
Eimeria debliecki du Congo Beige.
Ann. Soc. Beige Méd. trop., 34, 43, (1954).

Faust, E. C., Giraldo, L. E., C a i c e d o, G. and B o n f an t e, R.: Human
isosporosis in the Western hemisphere.
Am. J. trop. Med. Hyg., 10, 343, (1961).

Hammond, D. M., Davis, L. R. and Bowman, G. W.: Experimental infec-
tions with Eimeria bovis in calves.
Am. ]. vet. Res., 5, 303, (1944).

Hoare, C. A.: Amoebic infections in animals. Vet. Rev. & Annot., 5, 91, (1959).

HortonSmith, C.: Coccidiosis in domestic mammals. Vet. Rec., 70, 256, (1958).

J o y n e r, L. P.: Experimental Eimeria mitis infections in chickens. Parasit., 48, 101,
(1958).

K u t z e r, E.: Ueber die Kokzidien des Schweines in Oesterreich. Zschr. Parasitenk.,
19, 541, (1960).

Laarman, J. J. and S 1 i k-v. d. Veen, J. V. v. d.: Coccidiose bij de mens in
Nederiand.
Ned. Tijdschr. Geneesk., 105, 1731, (1961).

L a n g e 1 e r, J. E. T.: Aantekeningen bij de in Suriname meest voorkomende ziek-
ten van huisdieren.
Tijdschr. Diergeneesk., 81, 417, (1956).

L e e, C. D.: The pathology of coccidiosis in the dog. ƒ. Am. vet. med. Ass., 85, 760,
(1934).

Levine, N D., I v e n s, V., Smith, W. N. and D a v i e s, L. R.: A description
of the oocysts of Eimeria ahsata Ho ness 1942 from the domestic sheep.
Proc.
Helm. Soc. Wash.,
29, 87, (1962).

Long, P. L.: A study of Eimeria maxima Tyzzer, 1929, a coccidium of the fowl
(Callus gallus).
Ann. trop. Med. Par., 53, 325, (1959).

Lotze, J. D.: The pathogenicity of the coccidian parasite Eimeria ninae-kohl-
yakimovi, Yakimovi and Rastegaeva 1930, in domestic sheep.
Proc. 90th Ann.
Meet Amer. vet. Ass.
Toronto, July 20-23, 141, (1954).

M a y a u d Ó n, T. H. and A y a 1 a Lopez, R. O.: Contribución al conocimiento
de los coccidios de los animales domésticos de Venezuela.
Rev. Med. Vet. y Paras.,
Maracay,
18, 35, (1959-1960).

May au dón, T. H. and Gallo, P.: Eimeriosis de las palomas (Columba livia
domestica) en Venezuela por Eimeria labbeana Pinto, 1928.
Rev. Med. Vet. y
Paras., Maracay,
18, 17, (1950-1960).

Morehouse, N. F. and M c G u i r e, W. C.: The pathogenicity of Eimeria
acervulina.
Poultry Sei., 37, 665, (1958).

Noble, G. A. and Noble, E. R.: Entamoeba in farm mammals. ]. Paras., 38,
571, (1952).

Reichenow, E. and D o f 1 e i n, F.: Lehrbuch der Protozoenkunde. Jena, Gustav
Fischer Vertag 1953.

T u k k e r, J. G. and Roepke, W. J.: Stichting Gezondheidsdienst voor pluimvee.
Jaarverslag 1957-1958.

Tyzzer, E. E., T h e i 1 e r, H. and Jones, E. E.: Coccidiosis in galHnaceous
birds.
Am. J. Hyg., 15, 319, (1932 b).

-ocr page 378-

Aantekeningen bij ingezonden sectiemateriaal in
1961.

(Transmissable gastroenteritis, tetanus en ane-
mie bij varkens: pasteurellosis en de ziekte van
Aujeszky bij nertsen).

Notes about post-mortems in 1961.

(Transmissable gastro enteritis, tetanus and anaemia

in pigs, pasteurellosis and Aujeszky\'s disease in minks)

door J. I. TERPSTRAi), J. P. W. M. AKKERMANS\') en
H. OUWERKERKi)

Uit de Laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig
Instituut, Afdeling Rotterdam.

Inleiding.

Rij het opmaken van een jaarverslag blijkt telkens weer, dat naast de
regelmatige terugkeer van dezelfde ziektelaeelden gevallen worden waar-
genomen, die onze bijzondere aandacht trekken door bun zeldzaamheid
\\ an voorkomen of door de bijzondere otnstandigheden waaronder ze op-
treden.

Het is de bedoeling om in het hiernavolgende weer te geven wat ons bij
het onderzoek van toegezonden ziektemateriaal in 1961 bijzonder heeft
getroffen.

„Buikgriep" bij varkens.

In het winterhalfjaar van 1960-1961 werden wij, evenals 3 jaar daarvoor,
geconfronteerd met een ziekte bij varkens, die sterk de aandacht trok
door haar acuut optreden en massale uitbreiding.

Op de meststal bestond het eerste verschijnsel uit verminderde eetlust,
spoedig gevolgd door een hevig stinkende wateidimne diarree, die zonder
buikpers afging. Sommige dieren braakten in het begin en vrijwel alle
waren ziek en lagen veel en graag op en bij elkaar. De temperatuur was
overigens niet verhoogd. Deze toestand duurde gewoonlijk enkele dagen,
waarna de eetlust langzamerhand terugkeerde en de ontlasting via een
grijze stopverfachtige consistentie weer normaal werd. Dit alles dmnde
ongeveer één week.

Gewoonlijk betekende de schade voor dc mester niet veel meer dan een
tijdelijke stilstand in groei, die aanhield tot de voedselopname weer nor-
maal was. Soms echter stierven enkele dieren. Bij sectie vertoonden deze
dan een acute gastro-enteritis, waarbij bloedinkjes in bet slijmvlies van
dunne- en dikke darmen en de sterk gestuwde mesenteriale bloedvaten
oyjvielen. Meestal bleken deze sterfgevallen gecompliceerd, doordat de
dieren tevens geleden hadden aan een pericarditis, een pneumonie of een
necrotiserende ontsteking van de dikke darm.

M Dr. J. I. Terpstra, J. P. W. M. Akkermans en H. Ouwerkerk; resp. wnd. Directeur
en Wetenschappelijke hoofdamtbcnaren van het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, afd, Rotterdam, postbus 6007, Rotterdam-7.

-ocr page 379-

Gelieel anders verliep de ziekte op de fokstal. Uitslaggevend voor de af-
loop was de leeftijd, waarop het dier ziek werd. Biggen beneden een week
stierven vrijwel alle binnen enkele dagen.

.Aanvankelijk was de ontlasting wit en werd af en toe braken gezien, ter-
wijl nog bij de moeder werd gedronken. Meestal lag de gehele koppel
rillend bij elkaar onder de verwarmingslamp. Soms liepen enkele exem-
]Dlaren rond, zoekend en likkend naar vocht. Daarbij maakten ze vaak een
eigenaardig piepend geluid. De diertjes vermagerden zeer snel en stierven
binnen 24-48 uur.

Bij sectie kon een acute gastro-enteritis worden opgemerkt, maar soms
bleven de veranderingen beperkt tot enkele petechiën in maag en darmen.
De maag was vaak goed gevuld en de darminhoud was waterdun, waarin
enkele gelige vlokjes ronddreven. Verschillende darmdelen waren atonisch
en bevatten veel gas.

Typisch voor deze gevallen was de sterke stuwing van de mesenteriale
vaten.

Tot de leeftijd van 3 weken kon de sterfte nog aanzienlijk zijn, waarna deze
al spoedig gelijk werd aan die bij volwassen varkens. De achteruitgang in
conditie was echter ernstiger.

.\\ls zeugen door de ziekte werden aangetast, kon de melkgift soms aan-
zienlijk afnemen, waarooor biggen van 1 tot 3 weken reeds alleen al door
ondervoeding te gionde gingen als geen bijzondere maatregelen werden ge-
troffen.

Terwijl in het begin van de ex])losieve uitbraak van deze epizoötie vrijwel
elk varken van een aangetast bedrijf dc invloed van deze ziekte onderging,
leek het alsof met een verminderde verspreiding der gevallen in het verdere
verloop van het jaar ook het aantal aangetaste dieren per bedrijf vermin-
derde.

Hetzelfde hebben wij bij infectieproeven tijdens de epizoötie in 19,58 kun-
nen waarnemen. Biggen die jier os geïnfecteerd werden met maagdarm-
inhoud van dieren, die aan de ziekte gestonen waren, werden aanvankelijk
binnen 48 uur onder typische verschijnselen ziek.

Infecties enkele maanden later verricht, hadden daarentegen na een
incubatietijd van ongeveer 1 week een tijdelijk verminderen van de eetlust
ten gevolge, waarbij de faeces iets weker werden en een iets wittere tint
hadden dan normaal. Toch waren deze dieren ogenschijnlijk daarvoor niet
met het infectieuze agens in contat geweest.

Toen wij daarentegen in 1961 de beschikking hadden over kunstmatig
opgefokte biggen, die streng geïsoleerd waren gehouden, gelukte het zon-
der uitzondering de ziekte met een incubatieduur van 24-48 uur over te
brengen en de virus-aetiologie te bewijzen.

Ook kregen wij bij praktijkwaarnemingen af en toe de indruk, dat de
ontwikkeling van een imnumiteit tegen dit virus de epizoötie zijn offensieve
kracht ontnam. Zo groeiden b.v. de biggen van een zeug, die 3 weken vóór
de werpdatum aan de ziekte had geleden, voorspoedig op in een overigens
geïnfecteerd milieu.

Hoe de infectie op het bedrijf komt, is meestal niet duidelijk. Lang niet
akijd worden de laatste op het bedrijf gekomen varkens het eerst ziek.
Wel hebben we meer dan eens kunnen opmerken, dat berenhouderijen
een belangrijke rol in de verspreiding kimnen spelen. Soms was de beren-

-ocr page 380-

houder zo verstandig de zielce dieren niet eerder te laten vertrekken dan
nadat deze klinisch normaal waren. Het is echter uit het experiment ge-
bleken, dat dieren enkele dagen na het klinisch herstel de smetstof nog
kunnen overdragen, zodat een dergelijke handelwijze niet altijd het be-
oogde effect zal hebben gehad. Ook is .waargenomen, dat dieren die in
hokken werden gebracht waar 5 dagen tevoren nog zieke biggen waren
geweest, de karakteristieke ziekteverschijnselen kregen. Tevens is het
duidelijk geworden, dat stalpersoneel de infectie gemakklijk van de ene
schuur naar de andere overbrengt, als ter voorkoming hiervan niet zeer
rigoureuze maatregelen worden getroffen. Boeren, die trachtten de ziekte
tot één schuur beperkt te houden, faalden jammerlijk in deze opzet.

Ook terapeutisch bleek bet verloop van de ziekte niet te beïnvloeden. Ver-
moedelijk is het laten vasten van de zieke dieren wel bet beste advies dat
gegeven kan worden. Wel dient natuurlijk vocht te worden toegediend in
de vorm van gekookt water.

Dit ziektebeeld nu, door de boeren al gauw betiteld met de treffende naam
„buikgriep", lijkt in alle aspecten volkomen op de door D o y 1 e in .Ame-
rika beschreven „transmissable gastro-enteritis".

Het is niet duidelijk hoe deze ziekte in Nederland is gekomen hoewel het
optreden van een hierop gelijkend ziektebeeld in Engeland, waarvan de
identiteit met dat van Doyle intussen is bewezen, enkele maanden vóór
de eerste uitbraak in Nederland, vermoedelijk wel de weg der infectie
aanwijst.

Gezien de Amerikaanse ervaringen, is het niet waarschijnlijk, dat wij met
het beëindigen van de epizoöde van 1961, deze ziekte voor het laatst in
Nederland gezien zullen hebben.

By\' de komst en het wegebben van een nieuwe uitbraak zal bet ziektebeeld
zijn diagnostische moeilijkheden kunnen geven. Overigens zijn verloop en
verschijnselen bij leven en dood, indien gezamenlijk beschouwd, zo typisch,
dat men zich hier niet gemakkelijk zal vergissen.

De economische schade zal ook in de toekomst moeilijk te beïnvloeden zijn.
Waar dit mogelijk is, zal men echter goed doen op fokstallen, waar de
ziekte is uitgebroken, de drachtige zeugen tot minstens 3 weken vóór de
werpdatum te besmetten met infectieus materiaal (faeces - per os), omdat
volgens .Amerikaanse waarnemingen sterfte van de biggen, die daarna ge-
boren worden op deze wijze voor een groot deel wordt voorkomen.

Tetanus bij varkens.

Eind 1961 werden aan het C.D.I. een aantal varkens ontvangen, die vol-
gens de dierenarts T h o 1 h u ij s e n te Made de klinische verschijnselen
hadden vertoond van tetanus. Hij vond het chter vreemd dat de ziekte in
een aantal bokken tegelijk bij meerdere exemplaren voorkwam.
De verkregen gegevens waren de volgende:

Op 10 oktober werd bij de betreffende eigenaar een nieuwe schuur in gebruik
genomen, waarin een vijftal varkenshokken.

Op 15 oktober werden in 4 hokken 68 pasgekochte biggen geplaatst (landvarken-
type) van ongeveer 10 weken oud en in het vijfde een koppel, die 10 dagen
eerder was aangekocht en tijdelijk in een bijgebouwtje was ondergebracht. In de
oude boerderij bevonden zich nog enkele grotere mestvarkens.
Op 20 oktober werden al deze dieren met Sarcoptan behandeld met behulp van

-ocr page 381-

een rugspuit van het model, dat gebruikt wordt bij de bespuiting van bomen.
Drie dagen later zag de eigenaar een dier met een stijve nek, dat binnen 10 uur
stierf. Een tweede exemplaar ging dezelfde verschijnselen vertonen en succum-
beerde eveneens in korte tijd.

Een dag later deden zich in de verschillende hokken nieuwe gevallen voor. Op-
vallend was de sterke spiertonus. Zo werd een trippelende gang gezien, alsmede
een opstaande stijve staart en een gedeeltelijk omhooggerichte oorstand. Tempe-
ratuurverhoging kon niet worden vastgesteld.

De daaropvolgende dag ging nog een tweetal dieren deze verschijnselen ver-
tonen en vervolgens werd elke dag tot 5 november een dier ziek. Alle aangetaste
exemplaren waren in 2 x 24 uur dood. In totaal zijn 14 biggen gestorven.

Op een viertal biggen kon sectie worden verriebt. Hierbij werd als meest
opvallende afwijking gevonden het voorkomen van oedemen tussen de
spiergroepen speciaal van de achterhand en een sterk longoedeem. Voorts
waren petechiën en bloedingen aanwezig onder de miltkapsel, in de sub-
cutis en op de spierfascies. De dunne darm was steeds overvuld met gas.
Het slijmvlies van de dikke darm zat sterk gecontraheerd rond de vrij
harde scybala. Bij twee dieren bleek het bloed slecht gestold tc zijn, terwijl
de parenchymateuze organen sterk waren gedegenereerd.
Opvallend was het voorkomen van \\erwondingen op de huid van rug en
flanken, hetgeen wees op ernstige vechtpartijen tussen de hokgenoten.
Het aëroob en het anaëroob cultureel onderzoek verliep negatief.
Histologisch werden weinig kenmerkende veranderingen gezien, zoals het
voorkomen van bloed buiten de vaten in hersenen, nier en long. De lever
vertoonde steeds een min of meer sterke degeneratie.

Eén big werd levend ter onderzoek aangeboden. Hiervan werd bloed af-
genomen voor serumwinning, waarmede op 27 oktober 2 muizen intraperi-
toneaal en 2 muizen intraveneus werden ingespoten, steeds met 0,5 cm^.
Op 28 en 29 oktober werden geen afwijkingen gezien. Op 30 oktober was
er één intraperitoneaal en één intraveneus ingespoten muis dood. De beide
andere exemparen vertoonden duidelijke ziekteverschijnselen, bestaande
uit een tonische kramptoestand speciaal van de achterste ledematen, een
gekromde lichaamshouding en een zeer stijve staart. Door druk met de
vinger tegen de staart kon bet dier in dezelfde houding verplaatst worden.
Subcutaan ingespoten muizen vertoonden reeds verschijnselen na 24 uur.
Bij een 50-malige verdunning van het serum werd nog sterfte verkregen.
Bij een verdunning 1:100 bleven de ingespoten muizen leven. Er werden
neutralisatieproeven verricht met antitetanusserurn, die een positief resul-
taat hadden. Dc diagnose tetanus kon dus ook in het laboratorium worden
gesteld.

Opgemerkt moet nog worden, dat bij de neutralisatietest het toxine-anti-
toxinemengsel moet inwerken bij 22° C, omdat het toxine bij 37° C ver-
andert, waardoor de controles blijven leven.

Na overleg met 13r. H. H. C oben van het Rijks Insdtuut voor de Volks-
gezondheid te Utrecht werden de volgende maatregelen genomen:
Alle varkens werden op 4 november met 2 ml tetanus toxoid geïnjiceerd,
alsmede 10 ml antitetanusserurn (330 nieuw I.E. per ml). Er waren op dit
moment 5 dieren met duidelijke klinische verschijnselen. Deze kregen
toxoid met 20 ml serum en 24 uur later nog eens 20 ml serum.
Op 21 november werden de biggen opnieuw gevaccineerd met 2 ml toxoid.
Vanaf bet begin van deze behandelingen hebben zich geen sterfgevallen

-ocr page 382-

meer voorgedaan. Ook de zieke varkens zijn hersteld.
De vraag hoe de infectie tot stand gekomen is, werd niet opgehelderd.
Het lijden is zowel bij gecastreerde als niet gecastreerde dieren waarge-
nomen. Los zittende tanden en kiezen werden niet gevonden.
De volgende punten zijn echter opvallend:

le. Ziekteverschijnselen hebben zich alleen voorgedaan in de nieuwe

schuur die voor de eerste maal in gebruik werd genomen;
2e. ziekteverschijnselen werden alleen waargenomen bij varkens, die 5
dagen tevoren tot nieuwe koppels waren geformeerd. In deze koppels
hadden herhaaldelijk vechtpartijen plaats gevonden. In een koppel,
die reeds langer op het bedrijf aanwezig was en die gelijk met boven-
genoemde in de nieuwe schuur kwam, werden geen afwijkende ver-
schijnselen vastgesteld.
Pogingen om uit witkalk, bodemafschraapsels en voedsel
Clostridium tetani
te isoleren zijn mislukt.

Anemie bij varkens.

Evenals in vorige jaren werden ook nu weer gevallen van anemie bij biggen
aangetroffen. IJzertekort wordt alom als de oorzaak beschouwd en nieestal
terecht. Toch zijn we bij het nalezen van de verschillende ziektegeschiede-
nissen sterk onder de indruk gekomen van een zeer ongunstig verlopende
vorm van anemie, die men vooral in elk winterhalfjaar kan aantreffen, zo-
dat men geneigd is in dit ziektebeeld primair een klimatologische aetiologie
te zien.

De anamnese is vrijwel steeds dezelfde. In koppels biggen die de eerste
twee weken bijzonder goed zijn gegroeid, vallen te beginnen in de 2e en
3e week vrij plotseling slachtoffers. In het verloop van één tot enkele
weken blijkt vaak al het grootste deel van de koppel gestorven te zijn.
De diertjes maken een pafferig dikke indruk; ze zijn intens bleek en soms
iets icterisch. Het hemoglobinegehalte kan gedaald zijn tot 4-5 g% (nor-
maal: 8.30
g%). Bij sectie blijkt de musculatuur te bleek, het hart is bol-
vormig en in de lichaamsholten bevindt zich een te grote hoeveelheid licht

-ocr page 383-

gekleurde vloeistof. Verschilletide lyudklieren zijn gezwollen en hebben
een lichtrode kleur. De lever is gezwollen en lijkt gedegenereerd.
Bij histologisch onderzoek blijkt een centrolobulaire necrose aanwezig te
zijn.

Daarnaast kunnen, van ge\\al tot geval verschillend, ontstekingen worden
waargenomen aan darmen, longen en\'of sereuze vliezen, die nogal eens
een fibrineus of necrotiserend karakter dragen. Er worden dan wel bac-
teriën, o.a. streptokokken, geïsoleerd.

De grote sterfte, de uitgesproken anemie, de vaak gezwollen en iets rode
lymfklieren, stempelen deze ziektegevallen — vooral in de laatste jaren —
als verdacht voor varkenspest.

Echter is er geen vermagering, zoals bij varkenspest. Het histologisch
onderzoek van de hersenen is negatief en in de pancreas kunnen geen anti-
genen worden aangetoond die met innnuunserum een precipitatie geven.
Oudere varkens worden nooit aangetast. Bovendien wordt dit ziektebeeld
\\rijwel alleen in de wintermaanden en in het vroege voorjaar aangetroffen
en in het bijzonder als de diertjes gehuisvest zijn in een koude en vooral
tochtige omgeving. Deze omstandigheid en de overvloedige melkvoeding
maken, dat de biggen zich niet inspannen het aangeboden bijvoer op te
nemen, maar dat ze na gedronken te hebben gauw het warmste en meest
beschutte deel van het hok opzoeken, waar ze al slapend door de voort-
schrijdende anemie hun eigen dood helpen bespoedigen.
Koppels anemische biggen, die in een betere omgeving werden geplaatst,
werden vrijwel onmiddellijk daarna veel actiever en vertoonden na ruim
een week een opmerkelijke vooruitgang ten opzichte van de biggen die in
de koude waren achtergebleven.

Fasteurellosis bij nertsen.

In bet najaar van 1961 deden zich op een twintigtal faims in de i)rovincies
Gelderland en Utrecht sterfgevallen \\-oor bij nertsen, veroorzaakt door
Pasteurella multocida.

De moeilijkheden begonnen omstreeks 15 september niet een top tussen
28 se]3ternbcr en 10 oktober, om daarna weer af te nemen. Sommige fok-
kers verloren 10-25 dieren, maar de uitval was nergens hoger dan 1%.
De verliezen waren als regel her en der over de farm verspreid. Bevonden
er zich meerdere dieren in een ren, dan bleef het lijden meestal beperkt tot
één exemplaar en slechts bij uitzondering werden al deze nertsen aange-
tast. .Mie bedrij\\en betrokken het voedsel van een bepaalde „keuken".
De hygiënische omstandigheden liier werden door de heer S c h o o t s,
Kijkspelsdierconsulent, als goed gekwalificeerd. Een verspreiding hiervan
uitgaande was aannemelijk en dit temeer, omdat bij 27 van de 33 hierbij
aangesloten farms zich sterfgevallen voordeden, terwijl bij 7 niet aange-
sloten bedrijven in dit gebied geen uitbraak kon worden vastgesteld.
Het verloop van de ziekte was peracuut. Meestal werd plotseling een dood
exemplaar gevonden. Slechts enkele nertsen zijn langer dan 24 uur ziek
geweest. Werden verschijnselen waargenomen, dan bestonden deze uit lus-
teloosheid, niet eten, bloed rond neus en mond en een bemoeilijkte adem-
haling.

Bij sectie was het meest kenmerkende symptoom een hevige catarrale
gastro-enteritis. Voorts bestond er meestal een duidelijke zwelling van de

-ocr page 384-

parenchymateuze organen. Opvallend was de sterke vaatinjectie van het
niesenteriurn en de enorm gezwollen darmlymfklier.

Enkele exemplaren hadden een pleuritis, pericarditis en een hevig long-
oedeem. Een duidelijke pneumonie is slechts bij 3 nertsen gezien.

De pasteurella\'s groeiden uit alle organen en konden ook uit de darm-
tractus worden geïsoleerd. De kleur van de kolonie op serumagar was flets-
blauw. Mucoïde-vormen of rough-varianten werden niet gezien. In serum-
bouillon ontstond een zwaar vlokkig sediment, hetgeen vooral duidelijk was
bij vergelijking met stammen, geïsoleerd uit varkens. Maltose werd ge-
splitst. Subcutaan ingespoten muizen (0,1 ml van een 24 uur oude serum
bouilloncultuur) stierven na 2 x 24 uur. Eenden en kippen waren niet
ziek te maken, zelfs niet met zeer hoge doseringen. De kiem was in vitro
zeer gevoelig voor streptomycine, chlooramphenicol, terramycine en de
sulfaprcparaten. Een vijftal nertsen, dat behandeld kon worden met strep-
tomycine of chlooramphenicol, is echter toch gestorven, al werd de levens-
duur verlengd.

Er werd geadviseerd om alle nertsen, die in de onmiddellijke nabijheid van
het gestorven exemplaar zaten, op een aparte plaats te verzorgen en deze
dieren gedurende 3 dagen terramycine per os te verstrekken (20 mg per
dier per dag).

De maatregelen die werden getroffen in de voerkeuken, hebben bestaan
uit een grondige desinfectie met een stoomstraal van de inventaris, de
transportgamellen en de voedselbewaarbakken en een desinfectie met 2%
Halamid van de laadbak van de auto en de kleinere keukenutensiliën.
\'l\'oen in het begin van november wederom op 3 bedrijven sterfte optrad als
gevolg van een pasteurella-infectie, hebben alle dieren profylactisch ge-
durende 6 dagen terramycine door bet voedsel gekregen (20 mg per dier
per dag). Nadien werden geen verliezen meer geleden. Opgemerkt moet
echter worden, dat de infectie reeds over bet hoogtepunt heen was. Of de
behandeling iets heeft bijgedragen tot eliminatie van de smetstof is dan
ook de vraag.

De gevallen van pasteurellosis die in de literatuur zijn beschreven, hadden
telkens betrekking op één farm. Het verliespercentage kan hoog zijn, 30%
of meer. De auteurs menen, dat een en ander mede een gevolg was van
een „stress"-factor.

Wanneer aan het C.D.I. uit een nerts Pasteurella multocida werd ge-
ïsoleerd, dan bleek bij navraag meestal dat de infectie beperkt was ge-
bleven tot het ingezonden exemplaar.

Twee gevallen zijn echter bekend waar in bet verloop van 14 dagen meer
dan 10% van de aanwezige dieren zijn gestorven. (3p het ene bedrijf zou
een plotselinge voederwisseling een predisponerende rol gespeeld kunnen
hebben. Opmerkelijk is, dat de uitbraken ook in het najaar werden gezien.
Bij het hier beschreven geval is het meest kenmerkende verschijnsel het
gelijktijdig voorkomen van deze infectie op meerdere farms, die van de-
zelfde „bron" het voedsel betrokken. Vermoedelijk is eenmaal een rant-
soen verstrekt, waarin de bacterie is voorgekomen.

Ook het geregeld aantonen van de kiem in de darminhoud, de catarrale
enteritis, de uitgesproken vaatinjectie van het mesenterium en sterke zwel-
ling van de darmklier, wijst zeer duidelijk in de richting van een entero-
gene infectie. Er mag worden verondersteld dat bij enkele dieren deze

-ocr page 385-

bacterie in de darmtractus of in de tonsillen is achtergebleven en kans ge-
kregen heeft in het lichaam te dringen op een moment dat het weerstands-
vermogen als gevolg van een andere factor (vochtige koude?) was ver-
zwakt.

De ziekte van Aujeszky bij nertsen.

Van een bedrijf uit Zeeuws-Vlaanderen werd een zevental nertsen ont-
vangen voor onderzoek met de volgende gegevens.

Op een ochtend zag de eigenaar dieren, die onnatuurlijke bewegingen maakten,
zoals omrollen, spiertrekkingen aan de poten, onvermogen tot staan. Enkele had-
den de kop in de nek (opisthotonus). Deze verschijnselen duurden ongeveer 10
minuten, waarna een soort coma optrad, waarbij het dier op de rug lag met de
poten omhoog. Hierna herhaalden zich de bovenomschreven symptomen enkele
malen, waarna de dood intrad.

Bij nauwkeurige observatie van de overige nertsen werd nog een aantal
exemplaren gevonden met een dronkemansachtige gang. Enkele uren later
vertoonden deze dieren het bovenbeschreven ziektebeeld. Bij sommige
werden nu ook verschijnselen gezien die wezen op een ernstige jeukprikkel,
speciaal aan de kop, maar ook aan de achterste ledematen. Een reu beet
o.m. de staart af. Schreeuwen en tandeknarsen werd nu ook gehoord, bet-
geen wees op een hevige pijn.
Na sterfte was de sterk gezwollen buik opvallend.

Bij sectie van de ontvangen exemplaren werd het volgende vastgesteld:
Zevenmaal een sterke gas\\orming van de darmen, een flinke miltzwelling,
een matig gedegenereerde lever en een gastritis met bloedbijmenging.
In de darminhoud van 4 dieren kwam ook bloed voor.

Cultureel onderzoek van de organen verliep negatief, evenals het cultureel
onderzoek van de hersenen.

De hersenen van 3 nertsen werden onderzocht op het voorkomen van een
virus en wel door hiervan een suspensie te maken en na antibiotica-
toevoeging hiermede muizen intracerebraal te infecteren en wecfselcultures
van varkensniercellen te enten.

Het resultaat hiervan was als volgt:

muizen weefselcultures

nerts 1 3— 3—

nerts 2 2  2-1-1 —

nerts 3 2 I— 2 1 —

De muizen stierven na 3-4 dagen.

De waargenomen verschijnselen waren typisch voor een infectie met bet
virus van Aujeszky, zoals omrollen, springen en verlammingen.
De veranderingen aan de „monolayers" waren eveneens typisch voor het
virus van Aujeszky. De neutralisatie met Aujeszky-antiserum viel positief
uit. Van een drietal andere nertsen werden de hersenen, bet borstmerg en
het lendemerg histologisch onderzocht.

Bij 2 dieren waren de laesies gering en bestonden alleen uit een uittreden
van bloed in de omgeving. Het derde exemplaar vertoonde in de kleine
hersenen in de grijze substantie enkele necrotische baarden, waarbij het
weefsel een korrelstructuur had aangenomen. Tevens bestond hier een
proliferatie van het gliaweefsel. Verder werden in de witte substantie van

-ocr page 386-

de overige delen van de hersenen enkele gliacel-ophopingen waargenomen.
Slechts in de Virchow-Robinsche ruimte van een arterie werd een man-
chet ontstekingscellen gezien, waaronder zich veel leucocyten bevonden.
Hier en daar werd een meningitis waargenomen.

Opvallend is, dat het sectiebeeld van de ziekte van .\'Xujeszky bij nertsen
afwijkt van dat bij andere diersoorten. Miltzwellingen en maagontstekin-
gen zijn bij runderen, varkens, honden en katten nooit beschreven en
evenmin de abnormaal sterke gasvorming in de darmtractus.
Vreemd is ook, dat niet alle nmizen zijn gestorven en dat niet alle weefsel-
kweekbuizen per onderzocht dier positief waren. Bij onderzoek van onge-
veer 100 varkens die aan de ziekte van Aujeszky waren gestorven, is waar-
genomen, dat bijna alle ingespoten proefdieren zijn gesuccumbeerd en alle
weefselcultures zijn gelyseerd. Vanzelf rijst nu de vraag of mogelijk het
virus in de hersenen van ncitsen slechts op bepaalde plaatsen is gelokali-
seerd.

Bij navraag werden ons door de eigenaar nog de volgende gegevens ver-
strekt:

Er zijn in totaal 90 dieren gestorven (plm. 5% van de gehele farm). De uitval was
verspreid over de gehele farm en er was geen lokalisatie in bepaalde sheds. Werd
een zieke nerts aangetroffen, dan zag men de symptomen van uur tot uur erger
worden met als gevolg de dood na 8-24 uur. Enkele exemplaren zijn hersteld.
Een 6-tal zou 5 minuten na het optreden van de excitatieverschijnselen zijn ge-
storven.

De voeding bestond uit 30% vlcesafvallen, zoals pens, runderlever, long en milt,
60% visafvallen en 10% samengesteld meel. Behalve de runderlevers werd niets
ingevroren bewaard, al het overige voedsel werd 2 maal per week van de leve-
ranciers gekocht.

Over de manier waarop het virus het betreffende bedrijf heeft bereikt, zijn
ons geen gegevens bekend. Ongetwijfeld is hier sprake van een voedsel-
infectie. Helaas kon het voedsel niet onderzocht worden, omdat alles was
geconstuneerd of direct na de uitbraak was vernietigd.
Opgemerkt moet worden, dat door I. y u 1) a s h e n k o in Rusland een
massale sterfte is beschreven, die voorkwam op een pelsdierenfarm, waar
naast nertsen ook vossen en nutria\'s werden gehouden. Hier bleek de
smetstofbron gelegen te zijn in het verstrekken van slachtafvallen van aan
de ziekte van Aujeszky gestorven runderen en varkens.

S.A.MENVATTING.

In het bovenstaande wordt mededeling gedaan van enkele ziektebeelden, die bij het
maken van het jaarverslag over 1961 onze bijzondere aandacht trokken.
„Buik,griep" (Transmissable .gastro-enteritis) kwam voor de tweede maal massaal
voor. Gewezen wordt op de klinische verschijnselen, de sectie en het verloop van de
epizoötie.

Tetanus werd gediagnostiseerd bij een groot aantal varkens op een bedrijf. Het
ontstaan der epizoötie kon niet afdoende worden verklaard. Therapeutische en profy-
lactische maatregelen, bestaande uit injecties van sera en vaccins hadden een bijzonder
gunstig resultaat.

Op een bepaalde vorm van bloedarmoede bij bi.ggen, die in het bijzonder tijdens het
koude jaargetijde optreedt, wordt de aandacht .gevestigd.

Pasteurella multocida-infecüc bij nertsen, die het voedsel betrokken van een centrale
voerkeuken wordt beschreven.

De ziekte van Aujeszky bij nertsen is slechts enkele malen in de literatuur vermeld.

-ocr page 387-

Er wordt mededeling gedaan van een uitbraak, waarbij 5% van het aantal dieren
stierf.

SUMMARY.

A number of cUnieal pictures which attracted particular attention in making the
annual report for 1961 are described.

Transmissable gastro-enteritis occurred on a massive scale for the second time.
.Attendon is drawn to the clinical symptoms, the findings at autopsy and the course
run by the epizootic.

A diagnosis of tetanus was established in a large number of pigs on a farm. Tht
appearance of the epizootic could not be satisfactorily accounted for. Therapeutic
and preventive measures consisting in injections of sera and vaccines had a parti-
cularly beneficial effect.

Attention is drawn to a certain form of anaemia in pigs, which mainly occurs during
the cold season.

.\\n outbreak of infecUon caused by Pasteurella multocida in minks who received
their feed from a central feed-kitchen is described.

There are only a few references to Aujeszky\'s disease in minks in the literature. An
outbreak in which five per cent of the animals died, is reported.

RftSUMÊ.

Dans ce qui précède les auteurs signalent quelques syndromes qui ont dré leur
attention spéciale pendant la réaction du rapport annuel de 1961.
Une „grippe abdominale" (gastro-entérite transmissible) s\'est présentée massivement
pour la seconde fois. On signale les phénomènes cliniques, la section et le processus
de l\'épizoötie.

Le tétanos fut diagnostiqué auprès d\'un grand nombre de cochons d\'une ferme.
Il n\'était pas possible d\'expliquer suffisamment l\'origine de l\'épizoötie.
Des mesures thérapeutiques et prophylactiques, notamment des injections de sérum
et de vaccins, produisirent un effet particulièrement favorable.

Ensuite on signale une certaine forme d\'anémie auprès de porcelets, laquelle se pré-
sente surtout dans la saison froide.

On décrit l\'infection de Pasteurella multocida des visons qui furent nourris par une
cuisine centrale.

Le mal d\'Aujeszky des visons n\'a été signalé qui rarement dans la littérature. On
signale une éruption avec une mortalité de 5%.

ZUSAMMENFASSUNG.

Im Vorstehenden werden einige Krankheitsbilder beschrieben, die bei der Auf-
stellung des Jahresberichtes 1961 unser besonderes Interesse erregten.
„Bauchgrippe" (transmiss. Gastroenteritis) trat wiederum massai auf. Es wird auf
die klinischen Erscheinungen, Sektion und den Verlauf der Epizootic aufmerksam
.gemacht.

Auf einem Betrieb wurde bei einer grossen Anzahl Schweine Tetanus diagnostiziert.
Das Entstehen dieser Epizootic konnte nicht zufriedenstellend geklärt werden. Thera-
peutische und prophylaktische Massnahmen mit Injektionen von Sera und Vakzinen
hatten ein sehr günstiges Resultat.

Hingewiesen wird auf eine bestimmte .Art der Blutarmut, die besonders während der
kälteren Jahreszeit bei Ferkeln auftritt.

Ferner wird eine Pasteurella multicida-ln(ektion bei Nerzen beschrieben, deren
Futter aus einer Zentral-futterküche stammte.

Die Krankheit von Aujeszky bei Nerzen wird in der Literatuur nur selten erwähnt.
Es wurde von einem Ausbruch dieser Krankheit Meldung gemacht, wobei 5% der
vorhandenen Tiere einging.

-ocr page 388-

In hoeverre worden de verschillen in de be-
vruchtingsresultaten tussen de K.l.-verenigingen
bepaald door de stieren, de koeien of de sta-
tions? 1)

How jar are differences in conception rates between
A.I.-associations determined by the bulls, the cows or
the stations?

door G. J. VAN NOREL2)

Uit het Laboratorium voor Veeteelt van de Landbouw-
hogeschool te Wageningen.

Inleiding.

Een goede vruchtbaarheid, zowel van het mannelijke als het vrouwelijke
fokmateriaal, is niet alleen een eerste voorwaarde voor het instandhouden
van een fokstal, maar ook voor het opvoeren van de kwaliteit ervan. Im-
mers is het toepassen van selectie alleen mogelijk als men een voldoend
aantal kalveren verkrijgt. Verder staat of valt de rentabiliteit van het vee-
houderijbedrijf vaak met het goed drachtig willen worden van de koeien,
omdat de dieren alleen dan tot een goede produktie kunnen komen, wan-
neer ze regelmatig afkalven.

De invoering van de kunstmatige inseminatie in ons land kwam voor een
belangrijk gedeelte voort uit de verwachting, dat het mogelijk zou zijn om
door middel van de K.I. de dekinfecties te bestrijden. Daarnaast waren
van de K.I. foktechnische en economische voordelen te verwachten.
Bij het lezen van de verslagen van de Centrale Commissie van Toezicht op
de uitvoering van de K.I. in ons land blijkt, dat de gemiddelde bevruch-
tingsresultaten vanaf het begin van de K.I. regelmatig zijn gestegen. Deze
stijging is het gevolg van een complex van factoren.
Wanneer wij aan de hand van de efficiëndegetallen de bevruchtingsresul-
taten van de afzonderlijke K.l.-verenigingen bestuderen blijkt, dat de va-
riatie tussen de K.l.-verenigingen vrij groot is. Over de oorzaken van deze
vrij grote variatie wordt nogal verschillend gedacht. Zo schrijft men de
minder goede bevruchtingsresultaten nogal eens toe aan de vruchtbaarheid
van de gebruikte stieren en/of de geïnsemineerde koeien. Nu kunnen deze
factoren inderdaad wel invloed hebben, maar in vele gevallen zal de si-
tuatie op het K.I.-station er wel debet aan zijn. In het kader van de voor-
bereiding voor het ingenieursexamen aan de Landbouwhogeschool hebben
wij nagegaan in hoeverre deze laatste veronderstelling door de feiten kan
worden gestaafd.

Eigen onderzoek.

Voor ons onderzoek hebben wij gegevens verzameld bij de Centrale Com-
missie van Toezicht op de uitvoering van de K.I. in Nederland. Om te be-

"\') Dit artikel werd mede gepubliceerd in Veeteelt en Zuivel Berichten 5 149
(1962),

Ir. G. J. van Norel, Hoofd van de Afdeling Voorlichting van de Coöperatieve
Stichtsche Olie- en Lijnkoekenfabriek, Utrecht, Meijsterlaan 3.

-ocr page 389-

ginnen hebben wij bestudeerd of de verschillen in bevruchtingsresultaten
tussen de verenigingen significant zijn. We stelden reeds dat ze vrij ver
uiteenlopen. Zo was in 1959 het gemiddelde efficiëntiegetal bij de K.I. in
Nederland 1,72. Rij de beste en de slechtste verenigingen was dit resp.
1,43 en 2,30. De verenigingen, die in 1954 zes of meer stieren in gebruik
hadden, zijn bij het onderzoek betrokken. De kleinste verenigingen zijn dus
buiten beschouwing gelaten, aangezien daar één stier een te grote invloed
gehad kan hebben op de bevruchtingsresultaten van de vereniging. Verder
zijn de verenigingen in provinciaal verband met elkaar vergeleken, daar
de omstandigheden bij de K.I.-verenigingen in één provincie een zekere
overeenkomst vertonen. Zo worden bijv. in het Noorden en W^esten van
ons land de meeste inseminaties verricht in de maanden mei, juni en juli,
terwijl in de Zuidelijke provincies de inseminaties meer gelijkmatig over
het jaar zijn verdeeld. Vooral ook de leiding van de Gezondheidsdiensten
kan de (geringere) variabiliteit binnen bepaalde provincies bevorderen.
Ook met het oog op eventuele verschillen in grondsoort, klimaat, bedrijfs-
voering enz. kunnen de verenigingen beter in provinciaal verband dan in
landelijk verband met elkaar vergeleken worden, al zullen ook binnen de
provincies de omstandigheden tussen de K.I.-verenigingen nogal verschil-
lend zijn. Om de jaarverschillen te elimineren, zijn de K.I.-verenigingen
bovendien binnen de jaren met elkaar vergeleken. De vergelijkingen zijn
dus doorgevoerd per jaar en per provincie.

Voor iedere stier en voor iedere vereniging wordt bij de Centrale Com-
missie K.I. per jaar het efficiëntiegetal berekend. De bij ons onderzoek be-
trokken efficiëntiegetallen hebben alleen betrekking op inseminaties in
eigen vereniging. l)e stieren met minder dan 100 inseminaties per jaar
zijn buiten beschouwing gelaten.

Zoals we reeds eerder opgemerkt hebben, bestaat er een variatie in de
efficiëntiegetallen tussen de verenigingen. Daarnaast bestaat er nog een
variatie in de efficiëntiegetallen tussen de stieren die in één vereniging
worden gebruikt. Deze laatste zullen we de variatie binnen de vereniging
noemen. Nu is met behulp van de variantie-analyse en de F-toets na te
gaan, of de verschillen in de efficiëntiegetallen tussen de verenigingen sig-
nificant zijn. Aangezien het aantal inseminaties per stier vrij sterk uiteen
kan lopen, is bij de berekening het efficiëntiegetal van de stier vermenig-
vuldigd met het aantal inseminaties van de betreffende stier. Een intensief
gebruikte stier telde bij de berekening van het veren igings-gemiddelde dus
zwaarder dan één die weinig gebruikt was.

Variantie-analyse voor de Provincie Friesland in 1959.
Aard der Som van Aantal vrij- Gemiddeld

variatie kwadraten heidsgraden kwadraat F-waarde Significantie

Totaal 289,47 95

Tussen verenigingen 182,72 10 18,27 14,50 ••

Binnen verenigingen 106,75 85 1,26

Uit de variantie-analyses bleek:

1. dat op enkele uitzonderingen na de variatie in de efficiëntiegetallen
tussen de verenigingen significant groter was dan die binnen de ver-

-ocr page 390-

enigingen. Dit betekent dat er significante verscliillen in de bevruch-
tingsresultaten van de verenigingen bestaan. De ene K.I.-vereniging
heeft significant betere of slechtere bevruchtingsresultaten dan de an-
dere, in hetzelfde jaar en in dezelfde provincie. De significantie berust
op een betrouwbaarheid van meer dan 99%.
2. dat de K.I.-verenigingen in de provincie Friesland en Utrecht voor
wat betreft hun bevruchtingsresultaten meer overeenkomst vertonen
dan de K.I.-verenigingen in de overige provincies. Dit zou het gevolg
kimnen zijn van het feit dat er in Friesland reeds lang een zeer nauw
contact tussen de K.I.-verenigingen en de Gezondheidsdienst voor
Dieren bestaat en dat in Utrecht de bij het onderzoek betrokken stieren
op één (later twee) station(s) zijn geplaatst, waardoor de voeding en
verzorging van de stieren, de behandeling en het opvangen van het
zaad etc. gelijk zijn. Hierdoor is de variatie tussen de verenigingen
er kleiner dan in andere provincies.

Aangezien vele stieren gedurende enige jaren op dezelfde K.I.-vereniging
staan, bestond de mogelijkheid te bestuderen of er significante verschillen
in vruchtbaarheid tussen de stieren van hetzelfde station bestaan. Van
de bij het onderzoek betrokken stieren zijn per jaar meer dan 500 inse-
minaties verricht. Bij de opstelling van de variantie-analyses werd het aan-
tal inseminaties per stier voor alle stieren gelijk geacht. Hierna volgt een
voorbeeld van een variantie-analyse voor F.H.-stieren in Friesland, die
gedurende de jaren 1956, 1957 en 1958 op dezelfde K.I.-vereniging heb-
ben gestaan.

Aard der
variatie

Som van Aantal vrij- Gemiddeld
kwadraten heid.s,graden kwadraat F-waarde Significantie

Totaal
Jaren

Tussen stieren
Binnen stieren

1,1031
1,1922
0,4731
0,4378

109
16
31
62

0,0153
0,00706

2,16

Zo zijn voor verschillende provincies variantie-analyses o]3gesteld, zowel
voor F.H.-als M.R.IJ.-stieren. Uit dit onderzoek bleek dat de variatie in
de bevruclitingsresultaten tussen dc stieren significant groter was dan die
binnen de stieren. Er bestaan dus significante verschilien in de bevruch-
tin,gsresultaten, verkregen met het zaad van de verschillende stieren van
hetzelfde station.

De oorzaken van de verschillen in bevruchtingsresultaten.

De stieren.

Uit het voorgaande is gebleken dat er significante verschillen in vrucht-
baarheid tussen K.I.-stieren konden worden aangetoond. Deze kunnen dus
ook mede debet zijn aan de verschillen tussen de stations. Daar deze stieren
echter \\oor het gebruik alle hetzelfde onderzoek van de Gezondheidsdienst
hebben moeten passeren en op elk in het onderzoek betrokken station
bovendien minstens 6 stieren in gebruik waren, wordt de kans dat het
materiaal op het ene station aanzienlijk van dat op een ander station in
dezelfde provincie verschilt, wel klein. Zou de ene vereniging na het in ge-

-ocr page 391-

bruik neineii van cle stieren aanmerkelijk scherper op vruchtbaarheid se-
lecteren dan de andere, dan zou ook dat kunnen bijdragen tot het ontstaan
\\an verschillen tussen de verenigingen. Bij een oriënterend onderzoek
bleken er geen aanwijzingen te zijn dat dit laatste een factor is die belang-
rijk meespeelt: zowel door 8 „goede" als door 8 vergelijkbare „slechte"
\\erenigingen werd voor dc opgeruimde stieren in ongeveer 8% van de
gevallen een minder goede bevruchting als oorzaak opgegeven (jaren 1955
\'t/m 1959; totaal bij deze verenigingen 156 opgeruimde stieren).

De koeien.

Voor het \\erkrijgen van een kalf zijn een vruchtbare stier en een vrucht-
bare koe nodig. Het drachtig worden is behalve van de kwaliteit van het
zaad en allerlei aspecten die met de inseminatie verband houden, ook af-
hankelijk van factoren die de koe zelf betreffen: de erfelijke aanleg en
verschillende milieu-invloeden zoals de voeding, de aanwezigheid van in-
fecties, het jaargetijde, het tijdsverloo]3 tussen afkalven en eerste insemi-
natie, e.d.

De kans dat er in deze tussen de verenigingen, zoals wij die voor dit onder-
zoek gebruikten, belangrijke verschillen bestaan, is vrij klein: de verge-
lijkingen werden binnen provincies gemaakt en er is dus niet veel spreiding
in inseminade-seizoen. De verenigingen waren vrij groot en hebben dus een
ruime spreiding in erfelijk patroon en er zijn geen belangrijke verschillen
in vruchtbaarheid te verwachten. De dekinfecties zijn binnen de K.I. niet
meer belangrijk. Er is geen reden om aan te nemen dat incidentele infecdes
in dc ene vereniging meer of minder voorkomen dan in de andere.
Aangezien nog wel eens beweerd wordt dat er verband bestaat tussen
grondsoort, fosfaattoestand van dc grond en vruchtbaarheid, hebben wij
dit in ons onderzoek met behulp van een bodemkaart van Nederland en
een kaai t, vermeldende de fosfaattoestand van bouwland en grasland, be-
studeerd. Uit dit enigszins globale onderzoek kwamen geen aanwijzingen
naar voren die er op wezen dat er in ons materiaal verband bestaat tussen
de vruchtbaarheid van de runderen en de fosfaattoestand van de grond.
Samenvattend komen wij tot de conclusie dat het niet waarschijnlijk is dat
\\erschillen in vruchtbaarheid van de koeien in enigszins belangrijke mate
bijdragen tot de verschillen in bc\\ruchtingsresultaten tussen K.I.-stations
binnen dezelfde provincie.

Het station.

In het voorgaande zijn wij tot de conclusie gekomen dat het niet waar-
schijnlijk is dat de verschillen in bevruchtingsresultaten tussen de vereni-
gingen voor een belangrijk deel toe te schrijven zijn aan de koeien of de
stieren. Bij het bestuderen van de gegevens valt het op, dat sommige ver-
enigingen gedurende meerdere jaren (vrij) slechte resultaten hebben, en
andere (vrij) goede. De werkgebieden van deze verenigingen gaan soms in
elkaar over. Dit in aanmerking nemende, dringt zich de gedachte op, dat
een verschil in werkwijze wel de voornaamste oorzaak van de verschillen
moet zijn.
Dit kan zowel liggen in de techniek (het zaadvangen, -verdunnen,
-keuren, insemineren) als in de organisatie (tijdig insemineren, o.a. ook
de regeling met het weekeinde, meer of minder spermakeus etc.). Als het
in een K.I.-vereniging met de bevruchting niet goed gaat, is het onge-
twijfeld vaak niet gemakkelijk, precies aan te geven in welke van deze
factoren de hoofdoorzaak moet worden gezocht. Maar men moet zeer

-ocr page 392-

voorzichtig zijn, er de stieren of de te insemineren koeien voor aansprake-
hjk te stellen.

Onze conclusie is dan ook dat K.l.-verenigingen met minder goede be-
vruchtingsresultaten zeer veel aandacht moeten gaan schenken aan hun
techniek, waaronder wij de gehele wijze van werken van de vereniging
verstaan.

Het feit, dat in de provincie Utrecht, waar de stieren van de bij het onder-
zoek betrokken verenigingen op één (later twee) station(s) staan en de
omstandigheid dat in de provincie Friesland — waar de Provinciale Ge-
zondheidsdienst reeds lang zeer nauw samenwerkt met de K.I.-verenigin-
gen — in vergelijking met de andere provincies slechts in resp. 2 en 3 van
de 5 bij het onderzoek betrokken jaren significante verschillen in de be-
vruchdngsresultaten van de verenigingen bestaan, is ook een aanwijzing,
dat de oorzaken van de verschillen voor een groot gedeelte in de op de
stations gebruikte technieken gezocht moet worden en niet in de eerste
plaats bij de koeien of stieren.

Conclu.sies.

1. Er bestaan significante verschillen in bevruchtingsresultaten tussen
K.l.-verenigingen.

2. De oorzaken van deze verschillen moeten in de eerste plaats in de
techniek en de organisatie van de verenigingen gezocht worden en niet
bij de koeien of de stieren.

3. Er bestaan significante verschillen in de bevruchtingsresultaten van de
stieren.

SAMENVATTING.

De bevruchtingsresultaten van de K.l.-verenigingen variëren sterk. In dit onderzoek
is bestudeerd of de verschillen in de bevruchtingsresultaten tussen dc vcrenigin,gen
significant zijn en wat de eventuele oorzaken van deze verschillen kunnen zijn. Het
materiaal voor dit onderzoek is verzameld bij dc Centrale Commissie van Toezicht
op de uitvoering van de K.I. in Ncdcriand, gevestigd te Utrecht. Het onderzoek is
uitgevoerd met behulp van efficiënticgetallen, variantie-analyse en de F-toets.
Uit het onderzoek is gebleken dat er significante verschillen tus.sen de verenigingen
en tussen de stieren op dc stations bestaan. De oorzaken van de verschillen tussen de
verenigingen liggen grotendeels op de stations, d.w.z. bij de techniek en de organisatie
op deze stations en niet in de allereerste plaats bij de koeien en de stieren.

SUMMARY.

The results obtained by A.I. associations in inducing impregnation vary markedly.
The present study was concerned with determining whether the differences between
the results obtained by the associations in producing impregnation are significant and
with determining the possible causes of these differences. The material for this study
was collected by the Central Committee of Inspection of the Practice of .\\.I. in the
Netherlands, established in Utrecht. Efficiency figures, analysis of variance and the
F test were used in carrying out this investigation.

The study showed that there are significant differences between the associations and
between the bulls in the station. The causes of the differences between the results
obtained by the associations arc mainly to be found in the stations, i.e., they can
be traced to the technique and organisation adopted in these stations and not pri-
marily to the cows and bulls.

-ocr page 393-

RÉSUMÉ.

Les résultats de fécondation des associations d\'Inséminadon Artificielle divergent
considérablement. Dans cet examen on a étudié la question à savoir si les divergences
des résultats de fécondation entre les asso<iations ont une valeur statistique et quelles
pourraient être les causes éventuelles de ces divergences. Le matériel pour cet examen
a été réuni auprès de la Commission de Surveillance sur la réalisation de l\'Insémi-
nation Artificielle aux Pays Bas, domicilée à Utrecht. L\'examen a été fait à l\'aide
de nombres d\'efficience d\'analyse de variation et de l\'épreuve F.
L\'examen a montré qu\'il y a des divergences importantes entre les associations et
entre les taureaux des stations. Il faut attribuer les causes des divergences en majeure
partie aux stations, notamment à la technique et à l\'organisation de ces stations,
et non pas en premier lieu aux vaches et aux taureaux.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Befruchtungsrcsultate der Vereine der künstliche Besamung variieren stark.
In der vorlie,genden Untersuchung wurde nachgegangen, ob die Unterschiede
in den Bcfruchtungsresultaten signifikant sind und was die eventuellen Ursachen
dieser Unterschiede sein können. Das Material zu dieser Untersuchung wurde
bei der zentralen Aufsichtsbehörde für künstiiche Besamung in den Nieder-
landen, Utrecht, versammelt. Die Untersuchung wurde mittels Effizienzzahlen,
Variantenanalyse und F-Probe durchgeführt.

Die Untersuchung bewies, dass signifikante Unterschiede zwischen den Organisationen
einerseits und den Stieren auf den Stationen andrerseits bestehen. Die Ursachen der
Unterschiede zwischen den Vereinen liegen grösztenteils an den Stationen und zwar
in erster Linie an der Technik und der Organisation dieser Stationen und nicht an
den Kühen und Stieren.

Schatting van het levend gewicht.

W. S z c z e k i n-K r o t o w vond in 1961 dat de eenvoudigste manier om het gewicht
van runderen te schatten is, gebruik te maken van de volgende formule:

borstomvang x lichaamslengte in cm

--X 2.

100

Later werd gevonden dat een nauwkeuriger schatting verkregen werd door de officiële
lengtemaat, met de meetstok te meten, te vervangen door een afstand tussen het
midden van de schoft en de staartinplanting en dan verschillende coëfficiënten, al
naar het ras, te gebruiken.

Zo moest voor de Shorthom geen 2, maar 2,09 en voor primitieve runderen de factor
1,42 gebruikt worden.

An. Breed. Abstr., 30, 167, 1962.

-ocr page 394-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Periarferiitis Nodosa bij een rund.

Periarteritis in a cow.

door J. J. KNAPEI)

Op 15 november 1961 werd door de grossier H. een 2-jarig vrouwelijk rund
ter keuring aangeboden.

Bij de keuring tijdens het leven werden geen afwijkingen geconstateerd.
Het dier verkeerde in prima conditie en werd normaal door het C.B.S.
verzekerd.

Na de slachting viel op, dat het niervet geel-bruin van kleur en hydremisch
was. De nieren waren iets vergroot en gezwollen, terwijl het zeer bonte
kleuraspect wisselde van grijs tot rood-bruin. Ook het vet rondom hart en
luchtwegen was hydremisch en bruin van kleur. .Aan de buikwand loka-
liseerde zich een oedemateuze zóne van de voorborst tot aan het uier.
Tijdens de keuring werden in de kauwspieren, evenals in de gehele skelet-
musculatuur kleine grijswitte knobbeltjes aangetroffen die onderling in
grootte verschilden, terwijl de .sneevlakte een strepcrig aspect van grijze
strengen vertoonde.

Deze „nieuwvormingen" werden in alle organen aangetroffen, het duide-
lijkst echter in de middel.grote bloedvaten van het pericard en de coronair-
vaten van het hart. Ook de bloedvaten in het Omentum, de longen, het
uier en de nieren vertoonden duidelijk de korrelig verdikte wand. Het
lumen was plaatselijk duidelijk vernauwd, terwijl op enkele plaatsen nau-
welijks meer van een lumen gesproken kon worden.

Een doorsnee van de nieren vertoonde, behalve de infarcten, een zeer
duidelijk beeld van genoemde knol^belige vaatwandaandoening, speciaal
in het grensgebied van schors en merg en in het pyelum (foto 1). Ook
de zichtbare bloedvaten van de longen vertoonden hetzelfde beeld (foto 2).
Foto 3 van het pericard geeft het mooiste beeld, hetwelk duidelijk het ver-
schil in grootte der afwijking in de wanden laat zien, terwijl ook te con-
stateren is dat de knobbelvormige aandoening plaatselijk is. Foto 4, ge-
maakt van een snede door de skeletmuscidatuur, laat behalve de grauw
witte knobbeltjes ook een streperig aspect zien van grijze strengen.
Ook hier duidelijk de verdikte bloedvatenwand met een vernauwd lumen.

Door Prof. Ten T h ij e en Prof. Van den .Akker werd de diagnose
Periarteriitis nodosa gesteld. Dr. L e C o u 1 t r e deelde mij mede, dat het
microscopisch beeld geheel overeenstemt met de beschrijving, zoals die o.a.
door N i e b e r 1 e wordt gegeven, die spreekt van een zelfstandige chro-
nische ontsteking, waarschijnlijk als gevolg van een allergie.
Opvallend is het grote aantal eosinofiele cellen, dat tussen de ontstekings-
cellen voorkomt, hetgeen zou wijzen op de waarschijnlijkheid \\ an een aller-
gische aandoening.

Ook Dr. Winkel van het Pathologisch-Anatomisch Laboratoriiun te
Enschede heeft een histologisch onderzoek van enkele organen ingesteld.
In de verschillende miroscopische preparaten worden zeer zware vaat-
afwijkingen aangetroffen, die van verschillende ouderdom zijn, omdat

J. J. Knape, directeur Openbaar Slachthuis, Hengelo (O.), Baliestraat 12.

-ocr page 395-
-ocr page 396-

naast een cellige ontsteking ook de cellige proliferatieve vorm wordt ge-
vonden en daarnaast ook een praktisch uitsluitend proliferatieve vorm.
In het longpreparaat krijgt men de indruk, dat de arteriën aan het proces
nauwelijks meedoen, maar in hoofdzaak de wanden der venae van een be-
paald kaliber aangetast zijn. De beelden wisselen hier sterk van een ge-
ringe flebitis tot een zeer sterke panflebitis met een verdikking van intima
en media en soms ook perivasculair.

In het preparaat van de nier zijn ook de middelgrote vaten aangetast,
waarbij het wel duidelijk is dat zowel arteriën als venae aan het ontstekings-
proces meedoen.

Een preparaat van zenuwweefsel toont bloedvaten met dezelfde afwij-
kingen.

Als patholoog-anatomische diagnose zou Dr. VV i n k e 1 hier willen spreken
van een panvasculitis der middelgrote vaten, waarbij in de long hoofdzake-
lijk een panflebitis voorkomt.

Op meerdere plaatsen komt een nodeuze structuur voor, zowel bij de
arteriën als bij de venae, een beeld derhalve, dat niet geheel overeenkomt
met de Periarteriitis nodosa bij de mens.

Een beschrijving van deze ziekte bij de mens is gepubliceerd door Comb s,
die tevens een uitvoerig literatuuroverzicht geeft.

De ziekte is in de meeste gevallen dodelijk en gaat gepaard met koorts,
gewichtsverlies, slapeloosheid, spierzwakte, huidaandoeningen, buikpijn,
gastro-intestinale bloedingen, hersenaandoeningen, slechte nierfunctie die
meestal voert tot een uremie. Heel vaak lijdt de patiënt aan bronchiale
astma. Patholoog-anatomisch wordt altijd een knobbelvormige verdik-
king der middelgrote vaten gevonden.

Een aantal variaties van het klassieke syndroom zijn beschreven, waarbij
de onderzoekers nieuwe namen introduceerden zoals Polyarteriitis nodosa,
allergische granulomatosis of vasculitis.

Het klassieke beeld der Periarteriitis nodosa ziet men zeer zelden. In het
New England Center Hospital werd de ziekte slechts 14 keer gediagnosd-
seerd gedurende 22 jaar bij bet onderzoek van ruim 130.000 patiënten.
De ziekte kan oj; iedere leeftijd en bij alle rassen optreden, het meest echter
bij mannen (verhouding 4:1). Indien de ziekte echter gepaard gaat met
astma ligt de verhouding man : vrouw = 2:1.

De prognose is zeer ongunstig, vooral omdat de diagnose zeer moeilijk te
stellen is en de aetiologie onbekend is.

Een behandeling met corticosteroïde hormonen heeft een gering succes.

Door wijlen collega Hoogland is de ziekte in 1926 beschreven bij een
rund en een varken.

Ook deze dieren vertoonden bij het leven geen afwijkingen. Bij het his-
tologisch onderzoek bleek dat alle arteriewanden verdikt waren en het
lumen plaatselijk sterk vernauwd was. Ook hij vond de chronische vorm
met bindweefselnieuwvorming naast het begin stadium der vaatwand-
verandering, terwijl beide stadia onregelmatig verspreid in de vaten voor-
kwamen.

Een uitvoerige beschrijving wordt gegeven over de histologische verande-
ringen in adventitia, media en intima. Kenmerkend is de sterke infiltratie
van lymfocyten en eosinofiele leucocyten in de adventitia, die niet zo uit-
gesproken voorkomt in media en intima.

-ocr page 397-

Beschreven wordt een geval van Periarteriitis nodosa bij een rund. Deze aandoening
werd als toevallige slachtbcvinding ontdekt bij een overigens normaal 2-jarig vrouwe-
lijk rund. Het
dier werd wegens de zeer uitgebreide vaataandocningen, die aan het
spierweefsel een onooglijk aspect gaven, afgekeurd voor menselijke consumptie.

SUMMARY.

Description of a case of periarteritis nodosa observed bij accident after slaughter
in a two years old cow which had not shown any abnormality during life.
The carcase was declared unfit for human consumption due to the very extensive
arterial lesions which gave the muscle tissue an abnormal aspect.

LITER.\\TUUR.

Mc.Combs, R. P.: Disease-a-Month (August 1960).
Hoogland, H. J. M.:
Arch. wiss. u. prakt. Tierheilk., 53, 61, (1926).
Hutyra and Marek: Spezielle Pathologie und Therapie der Haustiere, 1945.
Nieberle und Gohrs: Lehrbuch der Speziellen Pathologischen Anatomie der
Haustiere, 1945.

Een niestvijver.

Een korte beschrijving wordt gegeven van cen „mestvijver" voor de lozing van kippe-
mest op grote bedrijven.

De vijver ligt deels onder, deels naast het hok en in dit tweede gedeelte ontwikkelt
zich een sterke algengroci. Gedroogd leveren deze algen een goed kippcvoer.

Pluimveepers, 17, 475, (1962).

Welk strooisel?

Van 4 onderzochte mcststrooisels bicken perlictpoedcr (1) en een fijn, gebrand klei-
produkt (2) veel meer schone eieren op te leveren dan houtschaafsel (3) of grond-
notendoppen (4); (2) voldeed ook nog veel beter dan (1) en tussen (3) en (4)
was geen verschil.

Het soort strooisel bracht .geen verschil teweeg in het aantal kneuzen of het aantal
buiten het nest gelegde eieren.

Pluimveepers, 17, 475, (1962).

Dc vloeroppervlakte per kip.

Beperkingen van de per hen beschikbare hokruimtc heeft geen invlcM-d van betekenis
op de leg, het sterftepercentage en de eigrootte, doch is wel nadelig voor het voeder-
rendement en het verhoogt het percentage vuilschalige eieren.

Pluimveepers, 17, 475, (1962).

Wanneer werken bevers?

Beschrijving van cen methode voor het meten van de activiteit van bevers en andere
„holbewoners".

Hierbij wordt in het hol cen zgn. „actograph" zodanig aangebracht, dat een dier
bij het verlaten en weer binnengaan van het hol een elektrisch contact tot stand
brengt, waarmede het zichzelf registreert. Aangetoond werd dat bevers actief zijn
van 17.30 tot 8.30 uur \'s morgens.

Pluimveepers, 17, 366, (1962).

-ocr page 398-

REFERATEN

Bacferiële- en virusziekfen

\\ERWANTSCHAP TUSSEN VARKENSPESTVIRUS EN HET VIRUS-
DIARREE VIRUS VAN HET RUND.

S h e f f y, B. E., C o g g i n s, L. and Baker, J. E.: Relationship between Hog
Cholera virus and Virus Diarrhea virus of cattle.
Proc, Soc. exp. Biol. and Med.,
349, 109, (1962).

Onder verwijzing naar het referaat „Enting tegen varkenspest met „mucosal disease"
virus"
(Tijdschr. Diergeneesk., 87, 561, 1962) wordt door het onderzoek van
S h e f f y c.s. wel een bijzonder licht geworpen op het „immuniserend vermogen"
van het rundervirus.

Verscheidene tomen biggen van 9 weken oud zijn door hen intramusculair ingespoten
met 1 ml van een 10% miltsuspensie verkregen van een ziek kalf, dat besmet was
met „Virus Diarrhea" virus, een enteraal-virus van het rund. Vóór de besmetting
werd scrum gewonnen, 4 weken werd de temperatuur opgenomen en na die 4 weken
van de besmette biggen weer serum gewonnen. Door middel van de virus-neutralisatie-
proef zijn wel antistoffen tegen het virusdiarree virus aantoonbaar, maar niet tegen
het varkenspest virus. Na deze 4 weken zijn alle biggen besmet met 1 ml miltsuspensie
van een ziek varken, besmet met varkenspest.

Ook tegen.gestelde proeven zijn verricht, namelijk kalveren zijn besmet met 1 ml
varkensmiltsuspensie dat varkenspest virus bevatte; serum werd vóór en na dc infectie
.gewonnen en na verloop van 4 weken werden de kalveren met virusdiarree virus be-
smet.

De resultaten zijn als volgt samen te vatten:

Virusdiarree virus beschermt biggen na parenterale toediening te,gen een letale dosis
varkenspest virus, evenwel zonder dat er specifieke neutraliserende antistoffen tegen
het varkenspest virus kunnen worden aangetoond. Bij bi.ggen die evenwel vóóraf met
virusdiarree virus werden besmet, kan men reeds na 7 dagen neutraliserende anti-
stoffen tegen het varkenspest virus aantonen, bij varkens zonder die voorafgaande
besmetting zijn deze pas na 11 da.gen aantoonbaar. Dus de antistofvormin.g is wel
duidelijk versneld bij biggen na de tweede infectie.

Bij kalveren ontwikkelen zich ook .geen specifieke antistoffen tegen het virusdiarree
virus nadat zij parentcraal zijn besmet met varkenspest virus, evenmin is immuniteit
ontstaan. Er werd eveneens oen versnelde antistofvorming tegen het virusdiarree virus
waargenomen bij kalveren die met varkenspest virus zijn besmet in vergelijking tot
de niet-bcsmette controlegro<-p.

Het mechanisme van de beschermende werking van de voorafgaande besmetting van
varkens met het virusdiarree virus, gevolgd door het varkenspest virus, berust dus
niet op immuniteit doch op een versnelde antistofvormin.g, na voorafgaande onspcci-
fieke prikkeling. Dit wordt ook na toediening van geïnactiveerd virus-antigeen waar-
.genomen.

H. A. E. van Tongeren.

OVER VERSPREIDING EN BESMETTELIJKHEID VAN SALMONELLAE.
Steiniger, F.: Wie lange halten sich Salmonellen aus verregnetem Abwasser auf
Pflanzen.
Berl. Münch, tierärztl, Wschr., 74, 390, (1961).

In dit zeer uitvoerige artikel geeft de bekende expert Steiniger een uiteenzetting
over een veel groter gebied dan de titel aangeeft.

Hij be.gint met de aandacht erop te vestigen ,dat in dc uitgebreide literatuur de ge-
.gevens betreffende de levensduur van
Salmonellae in de bodem, in het water enz. zo
uiteenlopen. Dit komt omdat b.v. het begrip „aardbodem" in werkelijkheid een
biologisch milieu is, waarin zowel de voedingsstoffen uiteenlopen als de aanwezigheid
van bactcrie-etende protozoën (b.v. Ciliaten) en van groene algen, die door produktie

-ocr page 399-

van zuurstof of van antibiotica een Salmonella-cuhuur in enkele uren kunnen ver-
nietigen.

In tegenstelling met groene algen bieden ho.gere planten een gunstig microklimaat
aangezien op het oppervlak van deze geen zuurstof in statu nascendi voorkomt.
De ervaring van de schrijvers is b.v. dat vogeluitwerpselen het beste bruikbaar zijn
voor onderzoek, indien ze van het oppervlak van planten zijn verzameld. Mede heeft
hierbij het warmte-regulerend vermogen van de planten een gunstige invloed, terwijl
daarentegen b.v. zand en stenen door zonnewaiTnte makkelijk tot hoger dan 57° C
kunnen worden verhit.

Het is gebleken, dat ook op niet onder verwarming gedroogde plantendelen Salmo-
nellae
in vogelmest tot 20 maanden levensvatbaar blijven. Dit zou ook kunnen door de
wijze waarop planten uitdrogen. Zowel een te droo.g als een te vochtig milieu is
schadelijk voor de
Salmonellae; daarom is ook een goede methode van Salmonellae
versturen steriel filtreerpapier te drenken in cultuur (bewaren in plastic enveloppes,
50 culturen in één luchtpostbrief!). Dit kan ook met vogelmest.

Het is Steiniger gebleken, dat Salmonellae die met afvalwater op planten ge-
bracht waren daarop 28 maanden in leven bleven. Dat wil echter niet zeggen, dat
deze in staat zijn direct vanaf deze planten infecties te geven.

\\\'oor het tot stand komen van een infectie is een grote hoeveelheid kiemen nodig.
Zo is ook het drinken van een kleine hoeveelheid besmet water niet voldoende om
ziekte op te wekken. Er is tussen patiënt en water een schakel nodig waarin de
Salmonellae zich vermeerderen (b.v. mayonaise of dee.g die in met besmet water
gewassen vaatwerk gemaakt zijn).

Berekend is, dat in een Oostzee-badplaats ieder die baadde da.gelijks 1000 tot 3000
Salmonellae naar binnen kreeg, omdat het water 50-100 Salmonella-kiemen per cm®
bevatte, maar desondanks was er bij de 2 ä 3000 badgasten geen enkele zieke.

Aangenomen wordt, dat de mens en ook het rund (S. dublin) grote hoeveelheden
hiervan kan opnemen en ook weer uitscheiden zonder ziek of zelfs maar drager tc
worden.

Zodra er echter organische deeltjes in water zweven (b.v. bij afvalwater van abat-
toirs) vindt een ophoping van kiemen in het water zelf plaats. De salmonella-titer
van water
zelf kan dus pas bepaald worden na filtreren van niet van te voren ge-
roerd water.

.Ms men nu bij bevloeiïng afvalwater op planten brengt, zijn het deze slijmige vlokjes,
die op het plantenoppervlak vastkleven. Ook dc op deze wijze op het plantenoppervlak
gebrachte
Salmonellae hebben een „Anreicherung"\' nodig om aanleiding tot ziekte
te geven, b.v. men maakt haksel van deze planten en vermengt dit met dierlijk eiwit-
houdend krachtvoer. Ook voor de mens zijn deze pas gevaarlijk als voedsel ermee
„geënt" wordt, b.v. in melkemmers.

Salmonellae zijn „civilisatie-volgers", die in hoofdzaak in sterk bewoonde gedeelten
optreden. Steiniger gelooft dat vogelbrocdkolonies vanuit de menselijke be-
woningscentra door de vogels besmei worden, maar is ervan overtuigd dat de
Salmo-
nellae
daar ook in de mest kunnen overwinteren. (Ook vogelkolonies zijn centra van
„overbevolking". Ref.)

C. A. van Dorssen.

IMMUNISATIE VAN VARKENS TEGEN MOND- EN KLAUWZEER.
K u b i n, G.: Ein Beitrag zum Problem der Immunisierung von Schweinen gegen die
Maul- und Klauenseuche.
Wien, tierärztl. Mschr., 49, 427, (1962).
Ervaringen van de laatste jaren (1958 en 1959) leerden, dat talrijke mond- en
klauwzceruitbraken in rundveestapels zijn terug te voeren tot een infectie van het
varken. Vooral aan het einde van een epizoode worden de varkens ziek en kunnen
daardoor virusuitscheiders worden.

De vroegere mening, dat immunisering van de varkens niet beslist nodig is, geldt nu
niet meer; er gaan nu stemmen op om de actieve immunisering ter hand te nemen.
Praktijkproeven en laboratoriumexperimenten hebben echter bewezen, dat de ge-

-ocr page 400-

bruikelijke mond- en klauwzcervaccins bij het varken maar ten dele werkzaam zijn.
Ambruster (1960) gebruikte vaccins, die op verschillende manieren waren ge-
fabriceerd. Bij de eerste proeven nam hij geconcentreerd monovalent C-vaccin, maar
noch door een 20 cm-"* dosis, noch met een revaccinatie kon een volledige bescherming
verkregen worden.

Varenne (1960) bericht goede immuniseringsresultaten, de varkens werden intra-
dermaal geënt met 1-2 cm^ handelsvaccin, de immuniteit zou 3-4 maanden duren
en bijna direct na de enting ontstaan.

De laatste tijd bericht M i c h c 1 s e n over velerlei proeven. Subcutane injecdes met
verschillende vaccins hadden onbevredigende resultaten. Deze auteur veronderstelt
dat de slechte resultaten van het nonnaal vaccin te wijten zijn aan de verbinding
van het mond- en klauwzeervirus aan het Al (OH)
3, het alluminiumhydroxyde zou in
het varkensorganisme anders reageren dan bij de koe. Aansluitend verrichtte hij proe-
ven, waarbij in het vaccin andere middelen dan Al(OH
)3 werden gebruikt; hierdoor
werd ongeveer de helft van de varkens immuun. Een vergelijkende proef tussen
intracutane en subcutane injectie toonde geen verschil in resultaat.

De auteur verrichtte proeven met een vaccin bereid uit virus van varkens-mond- en
klauwzeerblaren, waarbij hij een lagere formalineconcentratie toepaste.
Deze proeven hadden plaats met het O-type. Bij de eerste proef werd virus van
type O gekweekt op embryonale runderniercpitheclcellen, bestaande uit 48% EK-
filtreerbaar virus, 50% Al(OH)3, 1% glycocol en 10% formaline-oplossing (5%).
Bij de volgende proeven werd de formalineconcentratie verlaagd. (3% etc.)
Tenslotte kwam hij tot een vaccin, dat werd vervaardigd uit virus, gekweekt op nier-
epitheelcellen (dter 10 «■2), waaraan 1% 0.03% formaline-oplossing was toege-
voegd. (Na 44 uur verhitting bij 25° C was het virus geïnactiveerd.)
Alle varkens, die van dit vaccin 15 cm^ ontvingen waren immuun, 5 controle-varkens
werden ziek.

Daarna werd dit vaccin vergeleken met het normale handelsvaccin. Van elk vaccin
werd 10 cm-\' gegeven. Na proefinfectie 21 dagen later bleek, dat de met vaccins
uit de handel geënte dieren alle mond- en klauwzeer in optima forma kregen, terwijl
van de 10 met de nieuwe entstof behandelde dieren 1 dier gegeneraliseerd en 4
dieren slechts zeer plaatselijk in lichte graad werden aangetast, 5 dieren bleven ge-
zond. Volgens schrijver zou de goede werking van dit vaccin berusten op het feit,
dat door de lagere formalineconcentratie het andgeen minder wordt beschadigd
(overigens werd toch nog 50% van de dieren aangetast. Ref.).

]. H. ter Heege.

BRUCELLOSE BIJ RENDIERENFOKKERS.

Cherchenko, L. I.: Brucellosis in the Extreme North. Epidemiological features
of a focus of Brucellosis among Reindeer.
}. Microbiol. Epidemiol and Immunol
32, 731, (1961).

Op het gebied van dc studie van het probleem van brucellosis bij de rendierfokkcrij
in het uiterste Noorden van de U.S.S.R., is pas sedert 1949 een eerste begin gemaakt.
Het, in de betrokken publikadc bestudeerde, collectieve rendieren fokkerij bedrijf is
gelegen in de toendra\'s van Oost-Siberië.

De uit ongeveer 200 personen bestaande gezinnen leiden een voortdurend trekkend
bestaan met dc kudden en komen alleen in het dorp gedurende de grote rendier-
slachdngen in de herfst en de daarna vallende nationale vrije dag voor de rendier-
fokkers.

Deze mensen voeden zich met gekookt en gedroogd rendiervlees, maar ook met rauw
vlees in bevroren toestand. Verder worden rauw gegeten de huid van het gewei,
kraakbeen van oren en neus, hersenen, ogen, tong, beenmerg, lever, nieren en ge-
stold bloed.

De kleding, zelfs de ondcrkleding, bestaat in het koude jaargetijde uit rendierbont,
allerlei voorwerpen worden van rendierprodukten gemaakt en verscheidene vrouwen
in het dorp prepareren rendierhuiden en maken daar klederen en schoenen van.

-ocr page 401-

Bij cen onderzoek van deze personengroep bleken van 189 personen 46 besmet te
zijn met bruccllose. Het bleek dat slechts zelden manifeste symptomen optraden.
Er werd zowel een allergische huidtest als serologisch onderzoek toegepast. Positieve
resultaten van beide manieren van onderzoek werden bij 17 personen aangetroffen
en in 9 gevallen was het serologisch onderzoek negatief en de allergische reactie
positief.

De besmetting onder de nomadische herders was aanmerkelijk groter dan onder de
gezinnen in het dorp. Vermoed wordt dat de alimentaire infectie nog het belang-
rijkste is. C.
A. van Dorssen.

Kunstmatige Inseminatie

OVERLEVING VAN IN MELKMEDIA INGEVROREN STIERESPERM.A.-
TOZOIDEN.

Curtis, P. G., Forteath, A. D. and P o 1 g c, C. (Northampton, England):
Survival of buil sperm frozen in milk diluents containing varying concentrations of
glycerol and fructose.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij dieren", Scheve-
ningen, 1961,

De naam van één der schrijvers, C. P o 1 g e, is wel onverbrekelijk verbonden met de
methodiek van het diepvriezen van stieresperma.

Via cen kort literatuuroverzicht wordt cr op gewezen dat de samenstelling van de
verschillende media zeer belangrijk, zo niet dc belangrijkste factor is voor een goed
overlcvingspercentagc. Daarnaast moet zeker ook onderzocht worden hoe het ovcr-
levingspcrcentagc spermiën zich gedraagt, gedurende de bewaring bij 4° C nä het
opdooien.

Vooral de publikatie van O\'D e 1 1 en Almquist (1957) dat sperma, in melk-
media ingevroren, na opdooien langer een goede beweeglijkheid vertoonde dan sperma
ingevroren in cidooier-Na-citraat verdunner, was aanleiding tot het gerefereerde
onderzoek in het speciale diepvriescentrum van de Milk Marketing Board in Eng-
land.

Voor dit experiment werd gebruik gemaakt van cen ondermclkpoeder, verkregen
met de spray-methode. Het maximum watcrgehalte was 3,5% (in ons land is dit
gemiddeld ± 3,8%. Ref.).

De ondermelkpoeder oplossing werd gedurende lü minuten op 95° C verhit en 5%
verse eidooier werd later toegevoegd.

De standaard eidooier-citraat verdunner werd verkregen door 75 cm^ van een 3,2%
natrium-citraat
(2H2O) oplossing te mengen met 25 cm\'\'\' verse eidooier. Alle ver-
dunningsmedia bevaten 500 E. penicilline en streptomycine per cm®.
Voor het testen van het overlevingspcrcentage na het ontdooien, werden de sperma-
monsters bij 4° C gedurende 24 uur bewaard en dan op beweeglijkheid beoordeeld.
Beproefd werden verschillende concentraties van het ondcrmelkpocdcr, fructose en
glycerine.

In de media met 8 tot 11,5% ondermelk en 2% fructose was de beweeglijkheid van
het sperma na het vriezen even goed in de 4 als 8 of 12% glycerine toevoegingen.
Bij bewaring op 4° C na het dooien, was de beweeglijkheid van het sperma, gevroren
in dc ondermelk media, beter dan in de Na-citraatverdunning. Het beste resultaat
werd gevonden bij sperma gevroren in een verdunningsmiddel met 10% ondermelk-
poeder, 2% fructose, 5% eidooier en 4% glycerine. (Op het congres in Scheve-
ningen werden door P o 1 g e ook nog de eerste bevruchtingsresultaten met sperma,
diepgevroren in het laatstgenoemde verdunningsmiddel medegedeeld. Deze voor-
lopige resultaten leken veelbelovend. Ref.)
 S. W. J. van Dieten.

VRIES-DROGEN VAN STIERESPERMIËN.

Saacke, R. G. and Almquist, J. O.: Freeze-drying of bovine spermatozoa.
Nature, 192, 995, (1961).

-ocr page 402-

Het is deze onderzoekers niet gelukt de tot nu toe beschreven methoden om stiere-
spermiën te vriesdrogen met goed gevolg toe te passen.

De getoetste methoden zijn die van: W. Leidl (Proc. III Intern. Congr. Animal
Reprod,, Cambridge,
3, 39, 1956), N. P. Yushchenko (Proc. Lenin Acad. Agric.
Sc.,
22, (6), 37, 1957) en H. T. Meryman and E. Kaf ig (Nature, 184, 470,
1959).

Met een modificatie van de laatste methode hebben zij de meeste proeven gedaan
(250 semen quanta). Steeds verloren de spermiën het vermogen om na oplossing
in 2,9% natriumcitraat weer te
bewegen, tenzij zij niet volkomen droog geweest waren.
De faze-contrasmicroscoop onthulde géén, de elektronenmicroscoop echter wèl een
structuurbeschadiging: spermiën uit onverdunde proefquanta misten meestal hun
celmembraan.

M. F. Kramer.

DE AGGLUTINATIE BIJ STIERESPERMA.

Hendrikse, J.: Die Aggludnation in Bullenspenna. Wien, tierärztl. Mschr., 49,
128, (1962).

Eerst geeft schrijver een overzicht van het ontstaan van agglutinatie, het optreden
en de factoren, die agglutinatie bevorderen. Normale spermiën hebben een negatieve
lading. Als deze lading gedeeltelijk of geheel verloren gaat of als er een tegenover-
.gestelde lading ontstaat, dan treedt a.gglutinatie op. Anderen wijzen er op, dat het
zich normaal in rcductietoestand aan het oppervlak van de spermiën bevindende
cwit antagglutinine een belan.grijke rol speelt.

Op .grond van hier beschreven waarnemingen komt schrijver tot de overtuiging, dat
de oorzaak van ag.glutinatie in de eerste plaats in het sperma, dus bij de stier zelf,
gezocht mcx-t worden. Alle andere factoren zijn secundair. De verdunningsgraad, die
in het voorjaar het hoogst is, beïnvloedt duidelijk het ontstaan van de agglutinatie.
Tijdens het bewaren van sperma neemt de agglutinatie van de spermiën toe. Geen
invloed is gevonden van de eidcxjier en van het verhitten van de verdunner tot
tiO" G.
Uit vergelijkende inseminatieproeven met gedeeltelijk geagglutineerd sperma, waarin
nog een eigen beweging van de spermiën was waar te nemen, en met contrólcspcnna
bleek, dat de agglutinatie geen vermindering van het drachtighcidsperctenagc ver-
oorzaakt.

H. de Vries.

Voedingsmiddelenhygiëne

SALMONELLA IN PLANTAARDIGE VOEDINGSMIDDELEN.
R u t
q V i s t, L.: Vorkommen von Salmonella in Futtermitteln vegetabilischen Ur-
sprunges.
Zbl. VetMed., 8, 1016, (1961).

Er zijn reeds talrijke mededelingen verschenen over het voorkomen van salmonella\'s
in eiwitrijke voedermiddclen van plantaardige oorsprong. Ook in Zweden heeft men
sedert 1959 plantaardige voedermiddclen in het onderzoek betrokken omdat de in-
voer van deze voedermiddclen ten behoeve van de Zweedse veestapel zeer aanzienlijk
is, n.1. 262.600 ton olierijk krachtvoer en 10.263 ton lucernemeel in 14 maanden
van 1959-1960. De daar geïmporteerde dierlijke eiwitten vallen met nog geen 20.000
ton in vergelijking hiermee in het niet. Van in totaal 49 partijen waren er 26 sal-
monella-houdend. Het gemiddelde percentage positieve monsters bedroeg 3,3% van
2462 in totaal. Er werden 23 verschillende typen geïsoleerd, echter nimmer
typhi-
murium
en 5. dublin, die ook in Zweden het meest bij de huisdieren worden aan-
.getroffen.

In tegenstelling met de grote frequentie van salmonella\'s in katoenzaad, sojabonen,
aardnoten en lucernemeel kwamen in lijnzaad, haver, gerst, mais en sorghum prak-
tisch geen salmonella\'s voor.

In het onderzoek werd ook een fabriek betrokken van inheems meel voor koolraap-

-ocr page 403-

zaad. In 3 verschillende perioden werden monsters meel getrokken en op dezelfde
manier onderzocht als de buitenlandse produkten. Verrassend waren het grote aantal
positieve monsters n.1. 6,7, 21 en 24% van het totaal aantal onderzochte. De oorzaak
van de besmetting bleek in de fabriek te liggen, waar het warme, nog dampende,
meel van 70° C na de extractie via een 125 meter lan.ge open goot werd afgekoeld
tot een temperatuur van 30° C. De monsters die werden genomen uit meel dat een
temperatuur had van 70°, 65° of 55° C bleken
Salmonella-vn]. Die uit de goot na
afkoeling tot 45° en 30° C waren positief. Aangenomen werd, dat besmetting van het
meel plaatsvond via condensvocht, dat door eiwitrijk en
Salmonella-bevattend stof was
besmet.

De schrijver stelt voor, dat door daarvoor ingestelde publiekrechtelijke organisaties
meer aandacht wordt besteed aan de hygiënische omstandigheden in de fabrieken
van plantaardige voedermiddelen. Tevens zou het aanbeveling verdienen om certi-
ficaten van oorsprong in te stellen, waardoor de fabrieken die besmette partijen
leveren, kunnen worden gesignaleerd.

Deze aanbevolen maatregelen vertonen veel overeenkomst met die, welke door het
Produktschap voor Veevoeder in Nederland ten opzichte van geïmporteerde en hier
bereide dierlijke „eiwitten" worden toegepast. (Ref.)

A. V. d. Schaaf.

CYSTICERCOSIS EN TAENIASIS IN ZWITSERLAND.

D c s p r é s, P. et R u o s c h, W.: Diagnostic et importance de la Cysticercose bovine
en Suisse.
Schweiz. Arch. Tierh., 103, 507, (1961).

In Gcnève werd door enkele internisten een stij.gin.g van het aantal gevallen van
taeniasis waargenomen, die vooral door
Taenia saginata en in mindere mate door
Diphyllobothrium lalum werd veroorzaakt.

Na een historisch overzicht van deze zoönose gegeven tc hebben, rapporteren zij de
resultaten van hun onderzoek, waarbij blijkt dat
Cysticercose in Zwitserland veel
meer voorkomt dan algemeen werd veronderstelt. Wel is in de wettelijke voorschrif-
ten opgenomen dat onderzoek op cysticerci moet worden gedaan, maar het doen
van insnijdingen hiertoe is niet dwingend voorgeschreven. Ondanks grote tegenstand
bij de sla.gers vergrootten en verhoogden zij het aantal der insnijdingen in de kauw-
spieren in twee étappes.

Bij de vanouds gebruikelijke manier van een kleine oppervlakkige snede in de uit-
wendige kauwspier was het percentage positieve bevindingen bij ongeveer 6400
runderen 0,05. Toen zowel de in- als uitwendige kauwspieren na het aanbrengen
van twee weinig omvangrijke insnijdingen bij ongeveer 5750 runderen werd onder-
zocht, steeg dit percentage tot 0,6. Door 4, resp. 3, totale insnijdingen in resp. de
uit- en inwendige kauwspieren te maken bij 2760 runderen werd nogmaals een zeer
sterke stij.ging van de positieve bevindin.gen verkregen en wel tot 5,3%.
Uit de resultaten kwam nog aan het licht dat de cysticerci in 47,6% levend waren,
dat in de uitwendige kauwspieren 43 en in de inwendige 60% levende exemplaren
werden gevonden en dat in de uitwendige kauwspieren ongeveer tweemaal zoveel
cysticerci werden waargenomen dan in de inwendi.gc. Dit laatste werd geschoven
op rekening van het gewichtsverschil tussen deze spieren. Ossen, vaarzen, koeien en
stieren waren voor resp. 6,0, 6,1, 4,74 en 1,6% besmet.

De onderzoekers onderzochten in 52 gevallen met levende cysticerci in dc kauw-
spieren ook het hart en vonden daarin 1 7 maal een of meer dode en 2 maal levende
blaaswormen; in 52 gevallen met dode censticerci in de kauwspieren werd 20 maal
één of meer dode en 1 maal een levende .gevonden.

Tenslotte bepleitten de auteurs het verplicht stellen van het cysticercusonderzoek
door insnijdingen als door hen werd gedaan, teneinde cysticercosis en taeniasis bij de
mens te elimineren.

-ocr page 404-

Ziekten van het Kleine Huisdier

PERSISTERENDE DUCTUS BOTALLI BIJ EEN HOND.

Brion, Fontaine, Marcenac, Jonde t, Leroy (Alfort); Pr i gent et
Laurent (Hôpital Broussais) : Première opération française d\'oblitération d\'une
persistance du canal artériel chez un chien.
Bull. Ac. vet, France, XXXII, 47, (1959).
Een Ierse Setter van vier maanden leed in ernstige mate aan „dyspnoe d\'effort"; het
dier was slecht ontwikkeld. In rust waren de slijmvliezen niet cyanotisch.
Bij palpatie van de thorax was links een fremitus tc voelen met het punctum naar
het sternum en systolisch het duidelijkst.

Auscultatoir overheerste de „soufflé" links, was systolisch en diastolisch, met het
punctum maximum in de tweede en derde intcrcostaal-ruimte. De „soufflé" ver-
toonde duidelijk het type van dc zogenaamde „thrill". Het geheel deed dc waar-
schijnlijkheids diagnose „open ductus Botalli" stellen. Vijf maanden later waren
de klachten veel ernstiger en werd het dier volledig onderzocht.

Röntgenologisch werden waargenomen: sterk pulserende pulmonaal arteriën en hyper-
trofie, vooral rechts. Het elektrocardiogram was normaal.

De hartcathcterisatie werd uitgevoerd vanuit de vena van de voorpoot (vena cepha-
lica?). Dc catheter passeerde via het rechter atrium de rechter ventrikel en van hier-
uit de pulmonaal arterie en de aorta.

De zuurstof-saturatie van het bloed bedroeg in dc aorta 95%, in de stam van de
art. pulmonalis 96%, in de rechter art. pulmonalis 94%, in de rechter ventrikel
75% en in de rechter-boezcm 78%.

De zuurstofsprongen in de rechter kamer en in de arteria pulmonalis, evenals het
geringe verschil in de zuurstof-saturatie tussen arteria pulmonalis en aorta, wees op
een communicatie tussen deze twee.

Tevens werden de drukken gemeten; in de aorta bedroeg deze -(-138 en 92 (ge-
middeld 113), in de arteria pulmonalis -(-16 en -|-6 (gemiddeld 12), in de rechter
ventrikel -|-21 en —8 en in het rechter atrium —5 mm/Hg. Er was dus geen hyper-
tensie in de arteria pulmonalis, hetgeen de prognose voor de operatie veel gunstiger
maakte.

Bij de operatic bleek de persisterende ductus Botalli lang te zijn; deze werd aan dc
uiteinden en in het midden onderbonden.

Na de operatie trad ten .gevol.ge van gewijzigde drukverhoudingen een sterke daling
van de bloeddruk op, die verdween na een injectie met ouabaïne.

C. H. B. Teunissen.

MACROGLOBINEMIE BIJ DE HOND.

P. Grouladc, J. Groulade et C. Labie.: Deux cas de Macroglobulincmie
essentielle chez le chien.
Bull. Ac. vet. Franace, XXXII, 427, (1959).

Schrijvers diagnostiseerden twee gevallen van macroglobulincmie (W a 1 d c n-
strom) bij cen collie van 7 jaar en bij een bastaard van 14 jaar.
Klinisch vallen de bleke slijmvliezen het meest op, verder zijn de dieren algemeen
ziek, hoewel de voedingstocstand goed blijft, terwijl de dieren snel vermoeid zijn
en lijden aan een hemorragische diatese, zich onder meer uitend in intra-oculairc
bloedingen.

Oog- en neusslijmvlies geven muco-purulente uitvloeiing, het planum nasale vertoont
hyperkeratosis en de milt is vergroot.

Het ziektebeeld is zeer langzaam progressief. Het rode bloedbeeld geeft een ver-
laging van 60% - 80% rode bloedcellen; van 40% - 70% witte, met cen zeer hoog
percentage granulocyten ; het beenmerg geeft een infiltratie met lymfocyten. De
bloedbezinking is sterk verhoogd. Het eiwitspectrum van het bloed geeft cen ver-
hoogde gamma-globuline-fractie. In de urine komt eiwit van Bence-Joncs voor.
Het sectiebeeld geeft vergrote milt, vettige centrolobulaire leverdegencratie met plas-
macelinfiltratie perivasculair. Veel infiltraatcellen bevatten hemosiderine.

-ocr page 405-

In de nieren valt toeneming van hyaline bindweefsel op; de tubuli zijn hier en daar
cysteus verwijd. Samen met deze veranderingen van het bloed werden geen botver-
anderingen gevonden.
 G. H. B. Teunissen

Zootechniek

KALVEREN „ENTEN MET PENSINHOUD".

Richter, K.; Cranz, K. L. und O s 1 a g e, H. J.: Uber den Einfluss einer Pan-
senbeimpfung auf Futterverzehr und Wachstum junger Kälber sowie die Entwicklung
ihrer Pansenmikro-organismen.
Zschr. Tierphysiol. Tierernährung u. FuUermittelk. 16,
/, 47.

In een opfokproef met 36 individueel gehuisveste koekalveren werd het effect van het
„enten van pensbacteriën en -protozoën" nagegaan. Aan de dieren werd in de eerste
15 levensweken, waarover de proef zich uitstrekte, 150 kg volle melk en 700 kg on-
dermelk verstrekt. Vanaf de tweede week stond hooi en krachtvoer vrij ter beschik-
king.

Bij deze (gezonde, Ref) kalveren kon noch van het dagelijks toedienen van een ge-
droogd penscxtract, noch van het 3x per week geven van 80 ml pensvloeistof van
cen volwassen koe, cen gunstig effect op voederopname of gewichtstoename worden
vastgesteld. Evenmin kon een duurzame invloed op het aantal pensbacteriën en
-protozoën worden waargenomen.

K. K. van Hellemond.

BIGGENSTERFTE.

T h O O n e n J., H O o r e n s J., S p i n c e m a i 1 1 e J. en D e m a r e z D.: Frequentie
en oorzaken der biggenstcrftc.
Mededelingen Veeartsenijschool van de Rijksuniver-
siteit te Gent nr. 4 1961.

Het onderzoek had plaats door middel van een enquête. De verwerkte gegevens heb-
ben betrekking op 683 worpen van het VL-ras en 107 worpen van het Piétrain-ras.
Vooraf moet worden opgemerkt dat het aantal genoteerde worpen van het Piétrain-
ras wat klein is.

Uit de verkregen resultaten vermeld ik dc voornaamste:

VL. Piétrain.

Totaal aantal biggen per worp: 10,05 9,77

doodgeboren 7,6 % 7,07%

sterfte tot het spenen 12,5% 12,42%

totaal verlies 20,10% 19,49%

Meer dan dc helft van de biggen ging verloren gedurende de eerste levensweek. Bij
tomen van 15 of meer biggen was de biggenstcrftc uitgedrukt in procenten het
grootst. Het aantal doodgeboren biggen is bij normale toomgrootte (8 - 12) het
kleinst cn vooral bij grote tomen het grootst. De toomgrootte wordt bij het VL tot
de 6e en bij Piétrain-ras tot dc 5e worp groter. Na dc 5c worp neemt dc biggen-
stcrftc sterk toe.

De duur van de partus is gemiddeld langer bij grotere worpen. Bij dc partus die langer
duurt dan 5 uur neemt de gemiddelde toomgrootte echter weer af. Dit wordt ver-
oorzaakt doordat in meerdere gevallen de partus bij zeer kleine tomen zeer lang
van duur is. Het percentage doodgeboren biggen neemt bij een partusduur van meer
dan 5 uur sterk toe.

Bij een voeding met voldoende eiwit is de gemiddelde partusduur korter en is ook
het percentage doodgeboren biggen en de biggenstcrftc minder dan bij een eiwitarm
rantsoen.

In de winter is zowel het percentage doodgeboren biggen als de biggenstcrftc groter
dan in de zomer.

Ten aanzien van de doodsoorzaken is vooral op te merken, dat bij het VL-ras in
33,7% van de gevallen de sterfte werd veroorzaakt door dooddrukken door de zeug
en bij het Piétrain-ras in 14,7%.

-ocr page 406-

BOEKBESPREKING

ZOOBIOLOGIE FÜR MEDIZINER UND LANDWIRTE.
J. W. Harms

(Custav Fischer Verlag, Jena 1961. 5e Aufl., 319 pag., 360 Jig., geb. DM 18.80).

Dit bock is onmiskenbaar beciocld als leerboek voor de zoölogische propaedeuse en
wel, zoals de titel ook reeds vermeldt, van medici en landbouwkundigen. Waarom de
aanstaande dierenarts daar niet bij genoemd wordt, is niet duidelijk, want het boek
is even goed bruikbaar vcx)r zijn propaedeuse, omdat het de normale hoofdstukken
bevat, die men in dergelijk soort boeken aantreft. Dat is dan een inleiding in de
cytologie en de embryologie, een overzicht van het dierenrijk, een vergelijkende ana-
tomie en fysiologie van de Gewervelde Dieren en een hoofdstuk over erfelijkheids-
leer, soortsvorming en evolutie.

Het verschil met boeken als die van K u h n, Grove and Newell en andere veel
gebruikte werken voor de propaedeuse, ligt in het feit dat de schrijver getracht heeft
zijn stof in het bijzonder te richten op dc behoeften van medici en landbouwkundigen.
Dit komt vooral tot uiting in het overzicht van het dierenrijk, waarin veel aandacht
wordt besteed aan de parasieten en waarin voortreffelijke schematische afbeeldingen
van de levenscyclus dezer dieren op.genomen zijn. Het komt tevens tot uiting in de
paragraaf (5 pag.) over de afstamming van de mens. Men vraagt zich echter af,
waarom in een boek dat zich toch in ieder geval tot landbouwkundigen richt, dc
afstamming van onze huisdieren niet besproken wordt.

Op sommige punten is het boek zeer up to date, met name wat betreft de structuur
van dc cel en de chromosomen van de mens. Bij de bespreking van bouw en functie
van het spierweefsel wordt het model van H u x 1 e y echter nog niet genoemd. Ook in
andere opzichten maakt het boek veelal een verouderde indruk. Een groot aantal
figuren stamt nog uit de in 1927 verschenen Duitse vertaling van de Vergelijkende
■Anatomie van Ihle, Nierstras z. Van Kampen en Versluys. Vele van
deze afbeeldingen zijn inderdaad nog gcK-d bruikbaar. Dat echter de oude schemata
van bouw en functie der kieuwen zonder meer zijn overgenomen, bewijst dat het
werk van H a z e 1 h o f en Mej. B ij tel de auteur ten enen male ontgaan is.
Dc titel van afdeling G suggereert een functionele behandeling van de vcr.gelijkende
anatomie. Dit wordt echter niet verwezenlijkt; skelet en musculatuur worden zelfs
in aparte hoofdstukken behandeld. De voortbeweging wordt zeer sununicr besproken
en een overzicht van de .gan.gen bij de Zoogdieren en de mens ontbreekt zelfs .geheel.
Opvallend is de uitvoerige behandeling van de zintuigen der Evertebraten vergeleken
met de 6 pagina\'s voortplantingsorganen, waaraan in een boek van deze strekking
toch wel meer aandacht besteed had mo.gen worden. Zeer fraai is daarentegen het

vergelijkende schema van de embryonale ontwikkeling (fig. 73).

.\\1 met al, een op vele punten en met narne ten aanzien van dc parasitologie goed
bruikbaar boek voor de propaedeuse, of voor de dierenarts die hier en daar zijn
basale kennis nog eens wil ophalen.

E. ]. Slijper.

-ocr page 407-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

HANDBOEKJE VOOR DE LANDBOUWVOORLICHTER.

Het boerenbedrijf wordt er niet gemaklcelijker op. Niet alleen de bo<-r ondervindt dit,
maar ook degenen die uit hoofde van hun beroep op de hoogte moeten zijn van de
gang van zaken op het boerenbedrijf en alles wat daarmee annex is. Vooral de land-
bouwvoorlichter heeft hiermee te kampen, omdat hij van alle facetten van het be-
drijf op de hoogte moet zijn, wil hij zijn taak goed kunnen verrichten.
Aan hem is dan ook in de eerste plaats gedacht toen het P.A.W. het initiatief nam
tot het samenstellen van een boekje, dat hem als geheugensteun bij zijn voorlichtings-
werk kan dienen.

Onlangs verscheen dit boekje onder de titel „Handboekje voor de landbouwvoor-
lichter". Het is samengesteld door het P.A.W. met medewerking van de Rijksvee-
teeltconsuient voor de Veevoeding, het instituut voor de Pluimveeteelt, de Rijksland-
bouwconsulent voor Bodem- en Bemestingsvraagstukken, de Rijkslandbouwconsulent
voor Boerderijbouw, de Rijksvoorlichtingsdienst voor de Pluimveeteelt, de Rijksland-
bouwconsulent voor Landbouwwerktuigen en .Arbeidsmethoden en het Instituut voor
Landbouwtechniek en Rationalisatie.
De inhoud is ingedeeld in een aantal hoofdstukken:

.Algemeen, .Akkerbouw, Weide- en Voederbouw, Veeteelt en Veevoeding, Bodem, Be-
mesting en Waterhuishouding, Landbouwbedrijfsgebouwen, Landbouwwerktuigen en
Taaktijden. Van ieder hoofdstuk wordt een groot aantal normen, ken,getallen, for-
mules, schema\'s recepten enz. gegeven. Het boekje bevat weinig tekst. De teksten
die erin voorkomen dienen vooral voor het toelichten van de cijfers, orn een onjuist
gebruik te voorkomen. Een verklaring van de wijze van ontstaan van de cijfers wordt
niet gegeven. Verondersteld wordt dat de achtergrond bij de gebruikers bekend is.
In 216 pagina\'s geeft dit boekje een grote hoeveelheid cijfermateriaal. Niet alleen
voorlichters, maar ook onderzoekers, leraren, medewerkers van diverse particuliere
instellingen op landbouwgebied, coöperaties, organisaties e.d. zullen er veel gemak van
ondervinden.

Het boekje is verkrijgbaar bij het Proefstation voor de .Akker- en Weidebouw te
Wageningen door storting van
f 2,50 op giro 96.66.43.

„VLEES IV".

In successie heeft de „Koritaktgroep Vleesbranche" sinds haar oprichting jaarlijks
dc uitgave verzorgd van de periodiek „Vlees", thans ook van nummer 4.
De omvang is weer toegenomen en in de thans 120 pagina\'s tellende aflevering wordt
de, op welke wijze dan ook in vlees geïnteresseerde, lezer op de hoogte gebracht
van „het laatste nieuws" op het gebied van onderzoek, experiment en resultaten
daarvan.

Enkele artikelen over de produktie van slachtdieren, met name van goede kwaliteiten,
zijn afkomstig van wetenschappelijke medewerkers van het Instituut voor Veeteelt-
kundig Onderzoek „Schoonoord".

In andere worden technologische problemen behandeld, zoals „een onderzo<\'k over
kleurbehoudende middelen in gehakt" en „het vriezen van vers vlees" door weten-
schappelijke medewerkers van de Stichting Proefstation van het Slagersbcdrijf en
over enkele „eigenschappen van kunstdarmen" en de invloed daarvan op hierin be-
reide verhitte leverworst door onderzoekers van de afdeling Vleesonderzoek van het
Centraal Instituut voor Vo<-dingsonderzoek T.N.O.

Ook de toeleveringsindustrie liet zich, behalve door adverteren, niet onbetuigd, o.a.
werd door Thomassen en Drijver\'s Blikernballage N.V. de problematiek en de auto-
claaftechniek bij het steriliseren in glas kort en duidelijk weergegeven, terwijl de
Verenigde Blikfabrieken „conser\\en onder druk" behandelden.

Van de hand van Dr. Kips — van de bekende vleeswaren — werden opgenomen een
historische verhandelirrg over „de geschiedenis van het microscoop" een een aan-
schouwelijke foto-reportage over „bakken van de vloer".

-ocr page 408-

De hygiëne krijgt vooral aan de hand van fotodocumentatie, voorts in artikelvorm
aandacht: met name de voorverpakking staat hierbij in de belangstelling.
Wie Vlees 1 t/m 4 wil hebben kan zich hiervoor via een ingelegde bestclkaart op-
geven; kosten ƒ 8,-; de prijs van Vlees 4 is ƒ 3,-.

/. H. ]. van Gils.

JAARVERSLAG 1960-1961, CC)ÖPER,A.TIEVE K.L-VERENIGL\\G
„DE KEMPEN" G.A. TE OERLE.

Uit de inhoud van het 32 pagina\'s tellende jaarverslag van de „Kempen-K.L" kan
worden begrepen, dat het betreffende inscminatiejaar in menig opzicht een goed jaar
is geweest.

Het 12y2-jarig bestaan van dc „Kempen-K.I." is herdacht, hetgeen tot uiting is .ge-
bracht op de door dc vereniging voor haar leden georganiseerde K.L-dagen.
Over het algemeen blijkt de reeds eerder ingezette toeneming van de werkzaamheden
voortgang te hebben gevonden. De vergroting van het veebestand per bedrijf van
gemiddeld 8.7 in 1960 tot 9.5 in 1961 is hieraan niet vreemd. Het totaal aantal stuks
stierbaar rundvee wordt becijferd op bijna 36.000. Daarnaast heeft de toegenomen
belangstelling voor de K.I. bij varkens de werkzaamheden aanzienlijk doen toenemen.
Voor nadere bijzonderheden dienaangaande zij men verwezen naar het jaarverslag
1960-1961 van dc Commissie van overleg tussen dc verenigingen met kunstmatige in-
seminatie bij varkens (COKIV Noord-Brabant).

De toeneming van de werkzaamheden blijkt men organisatorisch uitstekend te hebben
kunnen opvangen, in het bijzonder door meer personeel in dienst te nemen. In ver-
band met de toenemende administratieve werkzaamheden (individuele en volledige
geboorteregistratic) is een uitvoerig onderzoek naar en mechanisering van de ad-
ministratie afgesloten. Uit het financieel overzicht blijkt, dat de toegenomen acti-
viteiten voor de vereniging in financieel opzicht bepaald geen nadelige consequenties
hebben gehad.

In het onderhavige inseminadejaar zijn 36.388 runderen van het M.R.IJ.-veeslag
59.470 maal geïnseminecrd, waarvan 35.022 eerste inseminaties. Ten opzichte van
1960 betekent dit cen tcx-namc van circa 4000 inseminaties.

Het drachtigheidspercentage na eerste inseminatie blijkt 1,3% lager te zijn dan in
1960, nl. 58,8% versus 60,1%, het totaal drachtigheidspercentage slechts 0,8%
la.ger, nl. 89,2% versus 90,0%.

Gedurende het verslagjaar zijn 27 stieren aanwezig geweest. Hiervan zijn acht stieren
afgevoerd op grond van hoge leeftijd (2), diergeneeskundige (2) cn foktechnische
overwegingen (4). In verband met een nieuw te bouwen sderstal zijn slechts zes
stieren aangekocht. Vier van de aan.gckochte stieren zijn afkomstig van het stier-
moedcr-inseminatie-programma (S.I.P.), waarin 48 koeien zijn opgenomen.

.^an de individuele en volledige geboorteregistratic zijn de volgende gegevens te ont-
lenen :

1. Geslachlsverhouding: 12.544 stierkalveren tegen 12.833 vaarskalveren, of 49,4%
tegen 50,6%. Tussen de stieren bestaan geen statistisch aantoonbare verschillen ten
aanzien van de geslachtsverhouding.

2. Aangehouden kalveren: 264 stierkalveren of 2,1%, en 1 1.262 vaarskalveren of
89,8% zijn aangehouden.

3. Doodgeboren kalveren: 1075 doodgeboren kalveren of 4,2%, tc weten 3,0% af-
komstig van koeien en 7,7% afkomsti.g van vaarzen. In vergelijking met voorgaan-
de jaren is het percentage doodgeboren kalveren opnieuw gedaald en wel met
0,7% ten opzichte van 1960.

4. Verworpen kalveren: 488 verworpen kalveren of 1,9%. Ten opzichte van 1960
(2,1%) valt opnieuw een — zij het geringe — daling tc constateren, hetgeen in
verband met de abortusbcstrijding geen verwondering behoeft te verwekken. In de
nabije toekomst dient men uiteraard rekening te houden met het feit, dat het
percentage verworpen kalveren niet veel meer zal dalen, omdat cr meerdere oor-

-ocr page 409-

zaken kunnen worden genoemd, die aanleiding kunnen geven tot het verwerpen
van het kalf.

5. Afwijkende kalveren: 79 afwijkende kalveren of 0,3%. Ten opzichte van 1960 is
het percentage constant gebleven, hetgeen in foktechnisch opzicht een bijzonder
gelukkige omstandigheid mag worden genoemd.

6. Tweelingen: 909 tweelingparen of 3,6%, waarvan 799 of 4,3% afkomstig van
koeien en 79 of 1,2% afkomstig van vaarzen. Het percentage tweelingen is in ver-
gelijking met 1960 vrijwel hetzelfde gebleven. Wat het geslacht betreft zijn de
tweelingparen als volgt te verdelen: 238 twee vaarskalveren, 266 twee stierkal-
veren en 407 van gescheiden geslacht.

7. Verloop van de geboorte:
zwaar afkalven 4,1%
embryotomie 0,9%

8. Puerperium:

retentio secudinarum 4,3%
ziek 1,2%
gestorven 0,1 %

De in het bovenstaande vermelde frequenties zijn, zoals opgemerkt, ontleend aan
het registratiesysteem, zoals dit destijds door het Reglement K.1. is voorgeschreven.
Het moge opnieuw duidelijk zijn geworden, dat de betekenis welke hieraan kan
worden gehecht teneinde cen doeltreffend en verantwoord beleid tc kunnen voeren,
uitermate groot is.

Het verslag eindigt met cen pagina raadgevingen, waarmede de veehouder onge-
twijfeld zijn voordeel kan doen. Wellicht kan de opsteller van het verslag op zijn
beurt zijn voordeel doen rnct de raadgeving in de toekomst meer aandacht te be-
steden aan taal en verzorging van het jaarverslag. Het belangrijke werk, dat door
de „Kempen-K.I." wordt verricht, zou daardoor ongetwijfeld verder dan thans kun-
nen worden uitgedragen.

A. van Loen.

IVe INTERNATIONAAL CONGRES VAN ZOOPATHOLOGEN. KOPEN-
HAGEN 27-30 MEI 1962.

Ditmaal werd het 4c internationale congres voor „Zoopathologen\'\' op uitnodiging van
de directie der Kopenhaagse dierentuinen gehouden tc Kopenhagen. De feestelijke
achtergrond van deze uitnodiging was te vinden m het feit dat deze tuin in 1961
haar honderdjarig bestaan had herdacht.
Er waren ± 100 deelnemers uit 10 landen.

De le congresdag was gewijd aan narcose van dieren in diergaarden.
Schulze vestigde nogmaals de aandacht op het belang van narcose bij wilde
dieren, niet alleen vanuit een oogpunt van bescherming der dieren tegen letsels bij
opvangen e.d., doch in dit geval ook vanwege de bescherming der mensen. Bij wilde
dieren in gevangenschap is narcose bovendien belangrijk als bescherming van het
dier tegen zijn eigen angstgcvcK-lens ten opzichte van de mens.

Vanwege de gevaren die premcdicamentatie toevoegt aan de normale risico\'s van elke
narcose, wenste Schulze daarvan af te zien. Slcchts met infusen van novocaine-
adrenaline is de, vaak bij combinatie van tranquilizers met narcotica optredende,
bloeddrukverlaging te bestrijden.

Bij dieren in diergaarden is in het algemeen en indien mogelijk de toediening van

narcotica per os de aangewezen methode.

Bolz ging uitvoerig in op de toepassing van neuroleptica.

De psychosedatieve werking daarvan wordt in de eerste plaats benut ter sedering
van dieren bij onderzoek, behandeling en transport en in de tweede plaats bij poten-
tiecring van de narcose.

In tegenstelling tot Schulze aanvaardde Bolz de neuroleptica als waardevol
hulpmiddel bij narcose, vooral omdat de risico\'s van narcose worden verminderd. Spe-
ciaal de phcnothiazinederivaten komen in de diergaarden voor toepassing in aan-

-ocr page 410-

merking. Bij paardachtigen moet echter het pcrphenazine (Dccentan-Mcrck) wegens
de vaak urenlange excitaties afgeraden worden.

Een belangrijk voordeel van neuroleptica is, dat zij veelal intramusculair of sub-
cutaan toegediend kunnen worden. Daartegenover staat dat er vaak 20-30 minuten
voorbijgaan voordat het reeds ingesloten of zelfs gefixeerde dier zijn narcoticum
toegediend kan krijgen. Daarom zijn slechts die preparaten bruikbaar voor premedi-
camentatie die snel en sterk sederend werken.

De toepassing van spierrelaxantia werd vervolgens besproken door D i e t z en
K u n t z e. Zij staan zeer kritisch tegenover het gebruik van succinylcholine en
curareprcparaten. Slechts als er een mo.gelijkheid is om desnoods met kunstmatige
beademing hulp te bieden willen zij deze perifeer op dc zenuwen inwerkende prepa-
raten gebruiken.

De resultaten van narcose bij een grote verscheidenheid van dieren werden besproken
door Sosnowski. Chloroform en aether waren speciaal bruikbaar bij kleine zoo.g-
dieren. Het per os toedienen van barbituraten zoals luminal en narcosan voldeed over
het algemeen niet. Het bewustzijn werd niet voldoende opgeheven. Slechts bij herten
gaf narcosan per os bij doses van 50-60 mg/kg behoorlijke resultaten, in zoverre dat
een echte premedicamentatie mogelijk werd,

Largactil 1 mg/kg lichaamsgewicht per os gaf veelal een te gering effect, Parenterale
toedienin.g voldeed zeer goed.

Voor het vangen van dieren in de vrije wildbaan is het Chap Chur geweer, zij het in
.gemodificeerde vorm, een waardevolle aanwinst. De laatste tijd gebruikt men daarbij
niet alleen perifeer werkende curariserende stoffen, doch meer en meer centraal de-
pressief werkende middelen (Boch, Harthoorn).

De mogelijkheden en moeilijkheden van narcose bij herkauwers werden speciaal be-
licht door K u n t z e. Vooral het vangen van antilopen levert risico\'s op doordat de
dieren zichzelf in paniek zelfs dodelijk kunnen verwonden en bovendien .gemakkelijk
in een dodelijke verlopende shocktoestand kunnen raken. Chlordiazepoxide (Hoff-
mann-la Roche) per os dan wel intramusculair of intraveneus kan bij deze diersoorten
uitkomst bieden als premedicamentatie.

Mortelmans en Verkuysse wezen aan de hand van een lijst van resultaten
op het grote gevaar van .gebruik van succinylcholine, vooral vanwege het ontbreken
van een antidoot.

Graham Jones besprak de narcose van apen. Zuiver fysisch in bedwanghouden
van de dieren is ongewenst. Gasvormige narcotica komen het meest in aanmerking,
indien men tenminste over ervaren personeel kan beschikken. Het grootste voordeel
van dc barbituraten is misschien wel .gelegen in de eenvoud van de techniek bij het
toedienen. Daarte.genover staan nadelen van barbituraten zoals toxiciteit, excitatie,
lange duur van dc nasiaap.

Interessant waren de mededelin.gen van G o d g 1 ü c k over toepassing van Dccentan
als psychoscdativum bij apen (4 m.g/kg lichaamsgewicht per os in bananen). Ook
met dehydrobenzpcridol, waarvan de effecten werden vermeld door Marsboom
en zijn medewerkers, zijn vooral bij mensapen zeer betrouwbare en voldoende diepe
psychosedatieve effecten verkregen {2,5 m,g/kg per os).

Het kalmeren van vogels is no.g steeds een onopgelost probleem, L i n d a u .gaf zijn
ervarin.gen weer met Contergan en Miltaun (Meprobamaat), die zeer wisselend en
veelal negatief waren.

De tweede congresdag was gewijd aan de ziekten van carnivora pinnipedia.
R c i n e c k besprak de opfok van verlaten zeehondenjongen. Nadat over het alge-
meen slechts incidenteel resultaat te verkrijgen was, is thans met een voeding die uit
visbrei bestaat 60-70% der jonge dieren op te fokken. Diarreeën zijn naast algemene
infecties met onbekende oorzaak en navelaandoeningen de meest voorkomende ziekten.
Wolinski en Landowski gaven een overzicht van ziekten en sterf.gevallen
bij zeeleeuwen in de Poolse diergaarden. Bijna 25% der dieren stierf binnen 3
maanden na aankomst. De gemiddelde levensduur van zeeleeuwen in Polen was

-ocr page 411-

21 maanden. Voeding, voedingstechniek en waterkwaltcit waren naar de mening
van de sprekers de belangrijke factoren waarmee de gezondheid ten nauwste ver-
bonden was.

Van Haaften vestigde de aandacht op een ziekte van zeehonden gepaard gaande
met ulceraties en abcesvorming speciaal aan de buikhuid. De aetiologie kon tot nog
toe niet opgehelderd worden.

Onder de zeeleeuwen van de Kopenhaagse diergaarde waren sterfgevallen vooral
te wijten aan aspecifieke enteritis (E r i k s e n).

Ook gevallen van leucose, keratitis, pleuritis en rinitis werden waargenomen.
Interessant, mede door de vorm waarin het gebracht werd, was een overzicht van de
sectiebevindingen bij pinnipedia, verzameld in een periode van 10 jaar in de Kopen-
haagse dierentuin (L a r s e n).

Klöppel beschreef het verloop van een verlossing van een zeeolifant waarbij
veterinaire hulp .gevraagd was. De reeds afgestorven vrucht kon na verdoving van
het moederdier met Combelen en Polamivet geëxtraheerd worden.
Afzonderlijke ziektegevallen werden eveneens beschreven door Appleby (maag-
perforatie) ; Garlt (fractuur van onderkaak) en Schmitt (long-actinomycose).
Kraft besprak de morfologie van het bloed van zeehonden. Er werden .geen be-
langrijke verschillen met andere zoogdiersoorten gevonden. Ook het stollingsmecha-
nisme bleek niet af te wijken van dat bij andere zoogdieren.

Het derde gedeelte van het Symposion bestond uit losse mededelingen over onder-
werpen die niet met de beide hoofdthema\'s in verband stonden.

Tuberculose blijkt bij poikylotherme dieren, nu ook aan deze diergroepen meer aan-
dacht besteed werd, een regelmatig voorkomende en ernsd.ge ziekte te zijn (I p p e n).
Enig kunstmatig besmette exemplaren van
Lacerta viridis stierven alle tussen de 7e
en 42e dag na de infectie aan gegeneraliseerde tuberculose.

Volgens Dozsa en medewerkers is de beverrat (Myocaster coipus) niet geschikt
om na kunstmatige besmetting op grond van het sectiebeeld een differentiatie in
humane en bovine tuberculose mogelijk te maken.

De oorzaak van sterfgevallen door Pasteurella pseudotuberculosis onder apen en
vogels in Edinburgh kon met grote mate van waarschijnlijkheid teruggevoerd worden
op een verontreiniging van fruit met rattenfaeces (Appleby).
S t
O 11 komt aan de hand van experimentele infecties bij slangen tot de conclusie
dat
Salmonellae en Arizona voor reptielen als facultatief pathogenen beschouwd mcM--
ten worden. Wel dient overbren.ging van deze kiemen op dc mens voorkomen te
worden.

M O 1 1 e r stelde toxoplasmose vast bij een kangeroe, een marmot en een berghaas.
Korte klinische mededelingen werden gedaan door Cherbauer (pneumonie bij
een kangeroe), Elze (symptomen en behandeling van omphaitis bij leeuwen en
botulismus bij olifanten), Mortel mans en Verkruysse (Dithiazanine iodide
bij chimpansees). Peters en Zwart (Dithiazanine iodide tegen
Acanthocephala
bij gibbons), Zwart (Acariasis bij kanaries).

Lang besprak ervaringen met nieuwe anthelmintica. Met dithiazanine iodide werden
bij mensapen zeer goede resultaten bereikt bij de bestrijding van
Strongyloides sterco-
ralis
en Trichuris trichiura, Promintic bij mensapen gaf ernstige weefselnecrose. Bij
roofdieren werden met Dizan (actief bestanddeel Dithiazanine iodide) betere resul-
taten bereikt bij de bestrijding van ascariden dan met piperazine.
Een speciaal woord van dank geldt onze gastheren in Kopenhagen, die niets na-
gelaten hebben om een zo goed mogelijk evenwicht te bereiken tussen inspanning en
ontspanning.

Tevens dank ik allen die er op enigerleiwijze aan meegewerkt hebben mij in de ge-
le,genheid tc stellen ook dit jaar het congres van „Zoopathologen" te bezoeken.
Vooral daar over ons werk, binnen Nederland, slechts incidenteel gedachtenwisseling
met anderen mogelijk is, kunnen deze congressen niet genoeg gewaardeerd worden.
In 1963 zal het congres gehouden worden te .Amsterdam op uitnodiging van de

-ocr page 412-

directie van Artis ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van onze op één na
oudste, moderne, Europese diergaarde.

P. Zwarl.

DE SAMENSTELLING EN HET RENDEMENT VAN WEIDEGRAS TIJDENS
DE BEWEIDING.

H. J. Kleter (Verslagen van Landbouwkundige Onderzoekingen no. 67.12).
De samenstelling en het rendement van weidegras varieert in sterke mate. Om hier-
van in de loop van het seizoen een indruk te krijgen stelde de afdeling Grasland-
cultuur van de Landbouwhogeschool een onderzoek in op een dertigtal bedrijven
met uiteenlopende grondscrart en vruchtbaarheid, verspreid over tien provincies in
Nederland.

Bij dit onderzoek werden zeer veel gegevens verzameld en gecombineerd zoals: samen-
stelling en opbrengst van het gras, graslengte, melkopbrengst, de beweiding als zo-
danig, weersinvloeden enz.

Hoewel van verschillende invloeden reeds vrij veel bekend is, kwamen niettemin
interessante punten aan het licht. Zo blijkt, om één punt te noemen, de daling van
het ruw-eiwitgehalte in het gras, die in de voorzomer kan optreden, een gevolg te zijn
van vochttekort. Indien het neerslagoverschot met 100 mm stee,g, nam het ruw-eiwit-
gehalte met 4,4% toe.

Dat het rendement van het voedsel afneemt met een toenemende beschikbare hoe-
veelheid kon aan de hand van het uitvoerig cijfermateriaal bevestigd worden. Men
kon een verband leggen tussen de graslengte en het rendement van de zetmeelwaarde.
Bij toenemende graslengte daalt het rendement vrij sterk.

Onder Nederlandse omstandigheden wordt bij sterk variërende lengte en samen-
stelling van het gras beweid. Dit heeft tengevolge dat er nog vrij grote verliezen op-
treden. Verbetering van de beweidingstechnick is dan ook zeer gewenst. Wanneer
men echter het gras laat afweiden als het een lengte heeft van omstreeks tien centi-
meter, kunnen de verliezen sterk worden beperkt.

Dit boek met zijn talloze facetten, verdeeld over beknopte hoofdstukken, is uitgegeven
door het Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Generaal
Foulkesweg la te Wageningen. Dc prijs bedraagt ƒ 3,50.

HET SPENEN VAN HET VEULEN.
(Paardengezondheidskalender juli 1962).

Op een leeftijd van 3 tot 6 maanden wordt het veulen gespeend. Hoewel dc schei-
ding van dc moeder op het veulen vaak weinig indruk maakt, komt het voor, dat het
hierop sterk reageert. Men zal dan goed doen het veulen een paar dagen te stallen,
bij voorkeur met één of meer veulens, die hetzelfde lot ondergaan. Daar het veulen
de eerste dag erg onrustig kan zijn, moet de stal zo zijn ingericht, dat het zich bij de
pogingen om uit te breken niet kan bezeren. Het is wel voorgekomen, dat het trachtte
door de ramen de moeder weer te bereiken, waardoor ernstige snijwonden ont-
stonden. De merrie moet zo mogelijk ver van huis worden gebracht zodat moeder en
kind elkaar niet kunnen zien of horen. Gewoonlijk is het nodig het veulen de eerste
tijd na de scheiding enige dagen op stal te zetten. Reeds direct dient nu enig kracht-
voer te worden verstrekt, met daarnaast wat goed grashooi. Ook indien het veulen
meteen na het spenen in de weide blijft, is enig bijvoer gewenst.

Indien het veulen nog geen wormkuur heeft ondergaan, dient deze behandeling
thans te geschieden.

Na het spenen van het veulen moet de rnelkvonning van de merrie zo spoedig moge-
lijk eindigen. Doordat er niet meer wordt gezogen, valt de belangrijkste prikkel weg,
nodig voor het instandhouden van dc melkvorming.

Hoewel de melkvorming in het algemeen vrij spoedig zal ophouden, kan er nog een
sterke melkstuwing ontstaan, welke in sommige gevallen oorzaak is van ontsteking van
een of beide uierhelften. Het is dus van belang deze melkstuwing na het spenen dirckt

-ocr page 413-

zo goed mogelijk te beperken. Men kan dit bereiken door het voederrantsoen te ver-
minderen. Van belang is ook, dat minder drinken wordt verstrekt.
Hoewel dus normaal de uier geleidelijk kleiner wordt, neemt deze bij ontsteking in
grootte toe. Er kan dan een uitgebreidde zwelling in de omgeving van de uier op-
treden, waardoor beweging voor de merrie pijnlijk wordt, zich uitende in een
wijde gang van de achterbenen. Bij deze afwijking kan de merrie ernstig ziek worden.
Het is dan noodzakelijk diergeneeskundige hulp in te roepen.

W. H. HENDRIK TE BOXMEER RIDDER IN DE BELGISCHE KROONORDE.
Tijdens een intieme plechtigheid heeft de Belgische landbouwattaché, de heer G.
Kelner, dezer dagen in zijn ambtswoning te Den Haag het Kruis van Ridder in de
Kroonorde uitgereikt aan de heer W. H. Hendrix, directeur van Hendrix Fabrieken
N.V. te Boxmeer.

De heer Hendrix ontving deze ho.ge Belgische onderscheiding vanwege zijn bij-
zondere verdiensten voor dc Belgische pluimveehouderij.

ANIMAL HEALTH YEARBOOK 1961. FAO-WHO-OIE.

Dit jaarboek draagt hetzelfde karakter als zijn voorgangers, d.w.z. het bestaat meren-
deels uit grote tabellen met cijfers die een code vormen waarmede hele begrippen,
soms zelfs gehele zinnen worden aangeduid. Het vlot terug lezen van deze op zichzelf
overzichtelijke tabellen, vereist wel enige routine.

Evenals in de vorige jaargangen sluit het boekwerk met enkele artikelen. Ditmaal
betreffen deze het Interafrican Bureau for Animal Health, het Onderstepoort Vete-
rinary Institute, de onderzoekingslaboratoria in Engeland (Weybridge enz.), en het
National Animal Discase Laboratory of Ames (U.E.A.).

C. A. van Dorssen.

CONGRESSEN

DEUTSCHE VETERINÄRMEDIZINISCHE GESELLSCHAFT.
Sectie Klinische Diergeneeskunde, Ziekten van het Kleine Huisdier.

Op het op pag. 1004 van het tijdschrift reeds aangekondigde congres, dat van 9-1!
november
a.s. te München zal worden geor.ganiseerd, zullen de volgende lezingen
worden gehouden:
Vrijdag 9 november 1962:

Plaats: Hörsaal der Medizinischen Tierklinik, München, Königinstr. 16.
14.00 uur: Vrije voordrachten.

1. Molt zen (Kopenhagen): Mobilisationsbehandlung der Columnaleiden beim
Hunde.

2. Christoph en Melborn (Leipzig): Injektionsschäden beim Hund.

3. Loeffler (Hannover) : Isolierung des Processus anconaeus beim Schäferhund.

4. Geyer (München): Film: Bluttransfusion beim Hund.

5. Bohn (München): Klinischer Beitrag zur Anwendung von Reizströmen beim
Hund.

6. N i e p a g e (Berlin) : Zur Frage der Norm haematologischer Werte beim Hund.

7. Schlossarek (München): Cytoplasmatische Therapie akuter und chro-
nischer Erkrankungen von Hund und Katze.

Hierop volgt dc ledenvergadering van de World Small Animal Veterinary Association
(W.S.A.V.A.), afdeling Duitsland.

Zaterdag 10 november 1962:
9 uur: Huidziekten en vrije voordrachten.

8. Schirren (München): Ausgewählte Kapitel modemer Dermatotherapie.

9. Christoph (Leipzig): Ekzem und Wetter.

-ocr page 414-

10. Geyer (München): Cholesterinwerte in ihrer Beziehung zu Hautkrankheiten.

11. Sedlmeieren Weiss (München) : Hautgeschwülste bei Hund und Katze.

12. Ullrich (München): Lokalisierte Adenomatöse der Schweissdrüsen beim
Hund.

13. Tei chert (Berlin): Neuere Kortikoide in der Dermatologie.

14. Brandt (Hannover): Mikrosporon Audouini-Infektionen bei Gibbons.

15.00 uur:

15. Staib (Würzburg): Gryptococcose bei Mensch und Tier.

16. R i e t h-D r e i sö r n e r (Hamburg): Über Dermatomykosen bei Hund und
Katze. (Demonstration von Dias).

17. Fritzsch (München): Chirurgie um das Ellbogengelenk.

18. Dauwalder (Interlaken): Die Behandlung der Unterkieferfraktur bei der
Katze.

19. Löliger (Celle): Aleutenkrankheit der Nerze.

20. W i r t h (Hannover) : Die Anwendungsmöglichkeit einer künstlichen Niere
beim Hund.

21. Sch laaf (Leipzig): Die .Aortagraphie und die Phlebographie der grossen
Gefässe des Abdomens beim Hund.

Zondag 11 november 1962.

9.00 uur: Ziekten van de borstorganen en vrije voordrachten.

22. Zipf (München): Grundlagen der Therapie von Kreislaufschäden.

23. Dahme (München) : Die path. Anatomie der wichtigsten kardiovaskulären
Krankheiten des Hundes und der Katze.

24. Walter (München): Die nervöse Versorgung des Hundeherzens.

25. Kraft (München): Störun.gen und Therapie der Elektrophysiologie des Her-
zens aus klinischer Sicht.

26. Pet ter (München): Pharmakol. Grundlagen der Elektrophysiologie des
Herzens und Therapie deren Störungen.

27. Hapke (Hannover): Behandlung postoperativer Schockzustände.

28. Teunissen (Utrecht): Tachycardien beim Hund^ insbesondere Vcntrikcl-
tachycardie.

29. Werner enMetallinos (Berlin) : Über die respiratorische Arrythmie des
Hundes (Vorläufige Mitteilung).

30. Bartels (Frankfurt) : Die Aerosoltherapie in der Kleintierpraxis.

31. Arndt (Hamburg): Die Aero.so!therapie in der Klcintierpraxis imd eine inte-
ressante Kombinationsmö.glichkcit der Aeromat-Pumpc.

15.00 uur:

32. Henschel (Berlin) : Möglichkeiten der cerebralen und peripheren .Angio-
graphie.

33. Lettow (Berlin): Die blinde Leberpunktion nach Menghini beim Hund.

34. W i 1 k (Brackwede) : Erfahrungen in der Chemotherapie von Spontantumoren
des Hundes mit dem Zytostatikum Endoxan R.

35. Balk (Frankfurt): Über unblutiges Kupieren der Hunde-Ohren unter Ver-
wendung neuartiger Ohren-Kluppen.

36. D i e c k (Berlin) : Die Serum-Cholesterin-Bcstimmung nach Caraway und
Fanger mit der Ultra-Mikromethode bei klinisch .gesunden Hunden and nach
Fütterung mit Thyreoida-Präparaten.

37. Kasbohm (Berlin): Cytodiagnostik aus Ergüssen seröser Höhlen.

38. Saar (Berlin): Die Morphologie der Tumorzelle im cytologischen Ausstrich".

Men kan zich tot 31 oktober a.s. voor dit congres opgeven bij:

Prof. Dr. K. Ullrich - Veterinärstrasze 13 - München

.Aan dit adres kan men ook tot 18 oktober om hotelreservering verzoeken.

-ocr page 415-

MEDEDELINGEN

Van de Redactie

ONZE MAATSCHAPPIJ „KONINKLIJK".

Volgaarne wenst de Redactie hierbij het Hoofdbestuur van harte geluk met het feit
dat wij allen thans lid zijn van de Maatschappij die voortaan het predikaat „Konink-
lijke" zal mo,gen voeren.

Alvorens de eerstvolgende Algemene Vergadering hieraan officieel haar fiat zal
hechten, heeft de Redactie — in overleg met het Hoofdbestuur — gemeend reeds
thans dit heugelijke feit tot uitdrukking te moeten brengen door de naam van de
Maatschappij, zoals deze in het tijdschrift staat aangegeven, overeenkomstig te wij-
zi.gen.

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PROGRAMMA VOOR DE
5e VOORLICHTINGSDAG VAN DE VEEARTSENIJKUNDIGE DIENST
D.D. 18 OKTOBER 1962 IN ZAAL 2 VAN DE JAARBEURS.

10.15 uur Opening door de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst,
tevens Veterinair Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, de heer
J. M. van den B o r n.

10.30-10.45
10.45-11.00

11.00-11.15
11.15-11.30

11.30-12.00
12.00-12.15
12.15-14.00

Veterinaire aspecten in E.E.G.-verband.

uur de heer W. W a g e n v o o r t, .Adjunct-Directeur van de Vee-
artsenijkundige Dienst: E.E.G. en de wering van dierziekten,
uur Dr. C. L. C. van N i e u w e n h u i z e n. Oud-voorzitter van de
Landelijke Specialistenverenigingen: Algemene en medische as-
pecten in E.E.G.-verband.
uur de heer M. K a r s e rn e ij e r, voorzitter van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde: E.E.G. en dierenarts,
uur Dr. J. M. van Vloten, Plv. Hoofdinspecteur van de Volks-
gezondheid, tevens Inspecteur van de Veeartsenijkundi.ge Dienst
i.a.d.: E.E.G. en de vleeskeuring,
uur Discussie.

uur Film over varkensziekten,
uur
Lunchpauze.

I.isteriosis.

14.00-14.15 uur de heer R. G. Dijkstra, dierenarts bij de Provinciale Gezond-
heidsdienst voor Vee in Friesland: Meningo-Encefalitis Listeriosa
bij het rund.

14.15-14.30 uur Mevrouw Dr. J. D o n k e r-V o e t. Wetenschappelijk Hoofd-
ambtenaar bij het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie: Epi-
demiologie van Listeriosis.
14.30-14.45 uur Dr. E. H. K a m p e 1 m a c h e r, Hoofd van het Laboratorium
voor Zoönosen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid:
Listeriosis en Volks.gezondheid.
14.45-15.00 uur Discussie.

Mond- en klauwzeer.

15.00-15,10 uur de heer J. M. van den Born: Een algemeen beeld van de

mond- en klauwzeerbestrijding in Nederland en de enting,
15.10-15,25 uur de heer D, J, V e r v o o r n. Inspecteur van de Veeartsenijkundi,ge
Dienst, tevens Veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid i,a.d.:
De organisatie van de mond- en klauwzeerbestrijding.

-ocr page 416-

15.25-15.40 uur de heer N. F. Werkman, Inspecteur van de Veeartsenijkundige
Dienst, tevens Veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid i.a.d.:
De verwerking van het overtollig destructiemateriaal, de ratten-
bestrijding en de geïntensiveerde ontsmettingsmaatregelen.

15.40-16.00 uur Discussie.

16.00 uur Sluiting door de heer J. M. van den Born, Directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst, tevens Veterinair Hoofdinspecteur van
de Volksgezondheid.

STAAT VAN DE GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN, IN
NEDERLAND VOORGEKOMEN GEDURENDE DE MAAND AUGUSTUS 1962.
De getallen geven het aantal veebeslagen aan.

i
«

J3

s
■2

i!
O "t?

■O 3
3 v

■a
c

3 O
JS .ü

M

c
£

- s

li
C

:5 t

1?
II

u -C «s

CL ^

3 O

O e 5è

u O w

rS !; -2
lè»

^ C

t:

D

B .Ä
2 2
co

2 >
<

■O.

t/3 -U

Groningen

-

—•

i \'

1

_

Drenthe

! _ 1

1

Friesland

1

7

1

Overijssel

4

1 —

Gelderland

1

2

3

j —

Utrecht

1

1

9

Noordholland

1

4

\' —

1 —

Zuidholland

1

4

2

Zeeland

—-

1

Noordbrabant

1

5

1

Limburg

1

2

i —

Tot. V. h. Rijk

1

3

13

6 j

29

1 3

Veepest (pestis bovina), longziekte der runderen (pleuropneumonia contagiosa bo-
vum), hondsdolheid (lyssa), schaapspokken (variola ovina) en kwade droes (malleus)
zijn in Nederland resp. sedert 1869, 1887, 1923, 1893 en 1927 niet voorgekomen.

-ocr page 417-

DOORLOPENDE AGENDA

1962
Oktober,

2, Centrale fokveedag Noord-Brabant, M.R.IJ.-veeslag, \'s-Hertogenbosch.

3, Fokveedag, F.H.-veeslag, Zelhem.

3, Najaarsstierenkeiiring F.R.S., Leeuwarden.

4, Promotie collega D. Zwart, 16.15 uur. Rijksuniversiteit Utrecht, (pag.
1235)

4, Produktiekeuring vrouwelijk vee, Sneek.
6, V.W.O.: Congres te Utrecht, (pag. 1233)

6, Afdeling Groningen-Drenthe, M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur.
Hotel „Riehe", Groningen, (pag. 798)

6— 8, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft, 5e Congres, Bad Nauheim

8, Afdeling Noord-Brabant M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Riehe, Tilburg, (pag. 1286)

(pag. 130, 869)

9, Afd. Utrecht M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Café-Restaurant
Vredenburg, Utrecht, (pa.g. 1167, 1286)

10, Afdeling Zuid-Holland M.v.D. Algemene ledenvergadering, Muranozaal,
Beurscafé/Restaurant, Rotterdam, (pag. 1007)

10, Afdeling Friesland M.v.D. Ledenvergadering, 13.30 uur, Oranjehotel,
Leeuwarden, (pag. 1235)

16, Nederlandse Genetische Vereniging. Symposium over fokmethoden.
Utrecht, (pag. 1170)

17, Fokveedag F.H.-veeslag, Hoornaar.

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5e Voorlichtingsdag, (pag. 1233)

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e Algemene Vtrgadering. (pag.
663)

24-26 ^ieiijeneeskundiqe Studenienk\'iinq; 6e. \'^£,ustium

(pag. 1008, 1289)

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004, 1281)

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

-ocr page 418-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor
Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde,

VAN HET BURE.AU
Correctie.

In de vorige aflevering is op pagina 1235 onder „Hervatting werkzaamheden van de
secretaris" door een zetfout ten onrechte vermeld, dat
van de afdelingen de trilogie
„De Wereld......" werd ontvangen, i.p.v.
één van de afdelingen. En nu na dit ge-
wekte misverstand: dank, wie dank toekomt: het was dc afdeling Overijssel.

Televisie-uitzending.

Voor zover het niet bekend mocht zijn, wordt cr de aandacht op gevestigd, dat de
film, die ter gelegenheid van de herdenking van het 100-jarig bestaan van dc Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde is opgenomen, zal worden vertoond op
dinsdag 9 oktober van 19.30—20.00 uur als documentaire van dc .\\.V.R.O., ge-
titeld: „Tot heil van mens en dier".

Verkeerde regenjas.

Collega S. Frieling, De la Sablonièrekade 4, Kampen, tel. (05920) 36 30 verzoekt
degene, die woensdag 12 september j.1. na de receptie in het Groot-Auditorium uit
de Kloostergang abusievelijk zijn regenjas heeft meegenomen, zich met hem in ver-
binding te stellen, om door ruiling de vergissing te herstellen.

Bureautijden.

De bureautijden zijn als volgt:

maandag, woensdag en donderdag van 8.30-12.30 uur en 13.30-18.00 uur.

dinsdag en vrijdag van 8.30-12.30 uur en 13.30-17.30 uur.

Jubilea.

Onderstaande dierenartsen hopen op 4 oktober a.s. hun 40-jarig dierenartsjubileum
te vieren:

J. A. Hage, Zijlandstraat 13, Borculo.

Dr. W. H. F. C. Majoewskij, Eusebiusbuitensingel 39, .Arnhem.

Dr. J. G. W. Schotsman, Potgictcrlaan 9, Voorburg.

Th. G. J. M. van der Weerd, Wierdensestraat 49, Almelo.

VAN DE AFDELINGEN

Afdeling Utrecht.

Dc secretaris van de afdeling Utrecht van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
.gcnccskunde maakt bekend dat de eerstvolgende ledenvergadering, inijlaats van op
2 oktober a.s. zal worden gehouden op 9
oktober a.s., op dezelfde plaats en het-
zelfde uur.

Afdeling Noord-Brabant.

De afdeling Noord-Brabant van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
zal haar eerstvolgende vergadering houden op
maandag 8 oktober a.s., om 20.00 uur
in Hotel Riche, Tilburg.

Afdeling Gelderland.

Collega M. H. Hoogland verzoekt — wegens afwezigheid — gedurende dc maand
oktober alle correspondentie, dc afdeling Gelderland betreffende, te zenden aan de
2e scretaris, collega G. H. A. Overgoor, Brantsenpark 26, De Steeg.

-ocr page 419-

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft dc diergeneeskundige student T. M. Tjang a Fa, Maurits-
straat 92, Utrecht, als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij vcxjr Diergenees-
kunde aangenomen.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Adank, A. M. J., te Oosterhout, gr. gewijzigd in 1139145. (140)

Beusekom, C. van, te Bergen, tel. bureau .gewijzigd in (02200) 1 73 47. 043)

Blieck, Prof. Dr. L. de, te Zeist, huisdares te wijzigen in Hotel Figi, het Rond 4. (144)
Brink, J. ten, te Heiloo, tel. gewijzigd in (02200) 3 00 10 (b.g.g. 3 01 39). (148)
Eberson, H. E. M., te Heiloo, tel. gewijzigd in (02200) 3 16 06. 054)

Ekdom, L. T. S. van, van Bilthoven naar Katwijk aan Zee, Boulevard 134, tel.

(01718) 32 32, P., ass. bij H. J. Stol te Leiden. (155)

Grootenhuis-Wolting, Mevr. D. M., van Hollandia (Nieuw-Guinea) naar Ommen,
Zeesserweg 15. (van 209 naar 160)

Hoek, C. J., te Kortgene, tel. .gewijzigd in (01108) 308 (privé), (01100) 55 21
(bur.), h.k. en dir. ab. te Goes. (164)

Jongeneel, J. W., te Alkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 35 65. (169)

Koning, K. de, te Alkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 20 75. (172)

Koopman, J. J., te Alkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 70 27 (privé), 1 73 47
(bur.). (173)

Kreek, F. W. van der, te Alkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 21 33. (174)

Kuyper, F. P. A., te Bergeijk, gr. gewijzi,gd in 1138991. ^75)

Lubberink, Mej. A. A. M. E.; 1962; Utrecht, Lan.ge Jufferstraat 9; tel. (030)
2 61 04 (privé), 1 19 94 (bur.) ; wetenseh. ambt. R.U. (F.d.D., klin. v. kl. huisd.).

(inlassen 177)

Maas, J. G. A. van der, te Alkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 49 46. (178)

Maenhout, B. W., te Someren, geass. met H. W. G. Veldhuis, gr. gewijzigd in
1096405. \' " (178)

Reitsma, P., te .Mkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 49 47. (187)

Rempt, D., te .\\lkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 39 39. (188)

Richter, Dr. J. H. M., te Boxmeer, gr. m.i.v. 3.11.62 .gewijzigd in 1106154. (188)
Schroots, C. J., van \'s-Gravenhage naar Breda, flatgebouw Vredenbergh, flat no. 1,
Lovensdijkstraat 7-9 ,tel. (01600) 4 04 87, gr. 948093. (192)

Stam, J. W. E., van Utrecht naar Groenekan, Copijnlaan 19, tel. (03401) 655. (195)
Stokreef, G. J., te Heiloo, tel. gewijzigd in (02200) 1 20 00. (195)

Vi,guurs, F. M., te Guyk, gr. gewijzigd in 1089229. (201)

Voorthuijsen, W,, te Heiloo, tel, gewijzi.gd in (02200) 1 67 28, (203)

Wensvoort, Dr, P,, te Alkmaar, tel, .gewijzigd in (02200) 1 83 64, (205)

Willems, F, M,, te .Alkmaar, tel, .gewijzigd in (02200) 1 87 80, (206)

Wouters, G. W. J., tc Alkmaar, tel. gewijzigd in (02200) 1 32 12 (privé), 1 29 92
(bur.), (207)

Openbaar Slachthuis te Alkmaar:

Het telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is gewijzigd in (02200) 1 29 92. (108)

Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Holland, gevestigd te Alkmaar:

Het telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is gewijzigd in (02200) 1 73 47. (52)

Gevestigd:

Betten, K., te Scherpenzeel (Fr.), Grindweg 218, tel. (05268) 264 (voortzetting
praktijk J. Meertens). (143)

Jaarsma, S., te Vriezenveen, Wethouder Potstraat 28, tel. (05499) 410, gr. 211801
(voortzetting praktijk R. Feddes). (167)

Lint, C. B. de, te Epe, Elizabeth Poststraat 14, tel. (06780) 31 19 (privé), 22 73
(praktijk), gr. 436285, sp. 8-9 a/d Quickbornlaan 15 (geassocieerd met M. M. de
Lint). (inlassen 176)

-ocr page 420-

Benoemd:

Feddes, R., te Vriezen veen, te relcenen m.i.v. 1 oktober 1962, tot Keuringsdierenarts-
hoofd van dienst van de vleeskeuringskring Vriezenveen. (156)

Hoek, C. J., te Kortgene, te rekenen m.i.v. 1 oktober 1962, tot Keuringsdierenarts-
hoofd van dienst en Directeur van het openbaar slachthuis te Goes. (164-)

Meertens, J., te Scherpenzeel (Fr.), te rekenen m.i.v. 1 september 1962, tot Keurings-
dierenarts-hoofd van dienst van Weststellingwerf. (178)
Promotie:

Huitema, H., te Rotterdam, is op 20 september 1962 aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht gepromoveerd tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift
„Diagnose en prognose bij paratuberculose van het rund". (167)

Onderscheidingen:

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde zijn de hierna tc noemen collegae tot erelid van die
Maatschappij benoemd:

Beijers, Prof. Dr. J. A., te Doorn. (143)

Blieck, Prof. Dr. L. de, te Zeist. 0^4)

Born, J. M. van den, te \'s-Gravenhage. (146)

Hendrikse, D., te Gorinchem. 0 63)

Hoopen, W. ten, te Lochem. (166)

Kaay, Prof. Dr. F. C. van der, te De Bilt. (169)

Kranenburg, J., te Uithoorn. (174)

Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde heeft het bestuur van dc stichting D. F. van Esvcld-
fonds de hierna te noemen personen begiftigd met de gouden medaille:
Frenkel, Dr. H. S., te Blaricum. (156)

Grashuis, Dr. J., te Hamersveld. (159)

Romijn, Prof. Dr. C., te De Bilt. (213)

Seekles, Prof. Dr. L., te Utrecht. (213)

Stonebrink, Dr. B., te Bussum. 095)

Thijn, Dr. J. W,, te Assen. 097)

Verlinde, Prof, Dr, J. D., te I.eiden. (200)

Diergeneeskundig examen:
Geslaagd op 3 september 1962:

Lint, G. B, de. (176)

Lubberink, Mej. A. A. M. E. (177)

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

Bij de KLINIEK VOOR HEELKUNDE DER GROTE HUISDIEREN kan

worden geplaatst een

wetenschappelijk medewerker

met als belangrijkste taak onderzoek en behandeling van patiënten.

Salaris: afhankelijk van leeftijd, opleiding en ervaring volgens Rijksregeling.
Sollicitaties te richten aan de Hoogleraar/Beheerder van bovengenoemde
kliniek, Biltstraat 172 te Utrecht.

-ocr page 421-

Diergeneeskundige
Studenten Kring.

Ab-actiaat: UTRECHT - BILTSTRAAT 172 (Poortgebouw)

Gironummer 271994 ten name van de fiscus van de Dier-
geneeskundige Studenten Kring.

Beknopt overzicht van de Lustrumviering.

Woensdag 14 oktober: Officiële opening in het Groot-.Audi-
torium der Rijksuniversiteit.

Lezingen in het gebouvi\' voor Kunsten en Wetenschappen.
Lustrumhijdrage door honorair bestuursleden van de
D.S.K.

Donderdag 25 oktober: Sportontmoetin.gen (interland!).
Gezamenlijke lunch.
Feestmiddag op het Faculteitsterrein.

Feestavond in het .gebouw voor Kunsten en W\'eten-
schappen.

Vrijdag 26 oktober: Windhondenrennen (3 rassen).
Honorairendiner: Hamdorff - Laren.
Galatoneel - Sin.gerconccrtzaal - Laren.
Galabal - Hamdorf - Laren.
U hoort hier meer van!!

Lustrumcommissie D.S.K.

Veterinaire Studenten Kegelelub
„Duim in \'t Gat"

Opgericht 26 oktober 191.3.

De 49ste Diës van de Veterinaire Studenten Kegelclub „Duim in \'t Gat ", valt samen
met de laatste dag van het D.S.K.-lustrum.

Het bestuur heeft hierom gemeend, die Diës-viering niet op dc .gebruikelijke manier
tc doen plaatsvinden.

Zij stelt zich voor dc Diës le gedenken met een receptie als vanouds in „Terminus"
(Stationsplein) van 16.00-18.00 uur. Het gebruikelijke diner zal achterwc.ge blijven.
Vcx)r de leden en oud-leden die na afloop van dc receptie de Gala-avond van de
D.S.K. willen bezoeken, is er, indien zij dit wensen, in een nader tc vermelden Hotel-
Restaurant gelegenheid te dineren a la carte, waarbij er tevens dc mogelijkheid zal
zijn zich te kleden in avondkleding.

Wij hopen dat vele oud-leden aan de vooravond van ons 10de lustrum in 1963, deze
.gelegenheid zullen aangrijpen om de band met ons aloude „Duim in \'t Gat" te be-
vestigen.

Namens het bestuur,
W. Edel, secretaris.

TER OVERNEMING GEVRAAGD

EEN GEMENGDE HUISDIEREN PRAKTIJK,

liefst in het Oosten of Zuiden van het land door een jong
dierenarts met 10 jaar praktijkervaring.
Brieven onder no. 61/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

-ocr page 422-

Bij het

Veterinair Anatomisch Instituut te Utrecht

is plaats voor een

Wetenschappelijk Medewerker

Naast het deelnemen aan de onderwijstaak zal voldoende
gelegenheid worden geboden voor eigen onderzoek. De voor- •
keur zal worden gegeven aan een jonge dierenarts met weten-
schappelijke belangstelling. Voor deze bestaan zeer bevredi-
gende financiële vooruitzichten.
Mondelinge inlichtingen worden gaarne gegeven.
Sollicitaties te richten aan Prol. dr. H. A. Meying.

Jlssurantiekanloor F. Dix

MAURITSSTRAAT 98 — UTRECHT — TELEF. 030—11520

Volledige voorlichting en assistentie bij
vestiging, praktijkovemaine of a.ssociatie;

Deskundige bemiddeling en voortdurende controle van Uw
verzekeringen.

GEVRAAGD

EEN VAST ASSISTENT

in grote-huisdieren praktijk in het oosten van het land.

Goede toekomstmogelijkheden aanwezig.
Brieven onder nummer 60/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

-ocr page 423-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Invloed van hef klimaaf op viruspneumonie.

Influence of the climate on virus pneumonia.

door J. J. KOOPMAN!),

met medewerking van P. N. ROELE Czn 2).

Uit de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Holland. Alkmaar.

Uit de Stichting Proefboerderij Noord-Holland, IVogmeer.

Inleiding.

Uit velerlei publikaties is reeds lang bekend dat het verloop van een in-
fectie met biggengriepvirus door het klimaat, zoals dat door de hiiisvesting
wordt bepaald, kan worden beïnvloed.

Reeds in 1934 schrijft VV a 1 d m a n n dat in de jaren van de Eerste Wereld-
oorlog en daarna de virusimcunionie in de zogenaamde Massivstalhmgen
in bet koude jaargetijde zeer veelvuldig werd gezien en meestal gepaard
ging met ernstige secundaire infecties.

\'Shanks (1942) vermeldt dat het zeer veelvuldig voorkomen van virus-
pnemnonie in Noord-Ierland aan de algemeen slechte huisvesting moet
v/orden toegeschreven.

T e r p s t r a (1954, 1958) wijst ook oj) het ernstig verloop in koude, voch-
tige stallen, evenals Shanks (1942) pleit hij voor een verbetering van
de huisvesting als eerste vereiste bij de bestrijding van viruspneumonie.
En Y o u n g merkt op dat in warme, droge tochtvrije stallen het effect
van de viruspnemnonie tot een minimum wordt teruggebracht. S t e-
genga (1962) zegt zeer teiecht dat in slechte stallen meer ziekte op-
treedt en dat speciaal bij een besmetting met viruspneumonie de gevolgen
in een koude, tochtige stal veel ernstiger zijn dan in een warme, goed ge-
ventileerde stal.

Interessante gegevens vindt men verder in een artikel van I n g 1 i s en
Robertson (1949) en één van de hand van S o ti t a r (1953), beide
handelend over buisvesting met betrekking tot gezondheid.

Onderzoek.

Om cen indruk tc krijgen of dc invloed van het klimaat, door cen verschil
in huisvesting, tot uitdrukking komt in de ernst van de aantasting van de
longen, is het volgende onderzoek ingesteld.

De proefboerderij Noordholland heeft voor haar varkensmestprocven de
beschikking over cen nieuwe htiisvesting, die verdeeld is in 2 vleugels met
een centrale weegruimte en voeropslag. In de linkervleugel zijn de hokken
voorzien van buitenuitlopen met automatisch sluitende deurtjes, de „Gel-
derse" stal, in de rechtervleugel zijn ze voorzien van een mestgang, de
„Deense" stal. Vanaf 1960 werden van alle afgemeste varkens na het
slachten de longen beoordeeld. De genetische samenstelling en verdeling
over de hokken is in beide afdelingen geheel gelijk met het oog op lopende

!) J. J. Koopman, dierenarts bij de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in

Noord-Holland, Alkmaar, Postbus 88.
2) P. N. Roele Czn., bedrijfsleider van dc StichUng Proefboerderij Noord-Holland,
Wogmeer.

-ocr page 424-

proeven. Bij de longenbeoordeiingi) werd de volgende waarderingsschaal
toegepast:

— makroskopisch negatief
oude restanten (littekens)
pneumonische gedeelten in één of meer topkwabben
pneumonische gedeelten over alle kwabben uitgebreid
uitgebreide pneumonieën met pleuritis en/of pericarditis.
De waardering is natuurlijk niet volmaakt en de beoordeling van de longen
is ook niet geheel objectief, doch door steeds dezelfde werkwijze toe te pas-
sen mag deze methode toch wel als basis worden gebruikt.
Bij alle groepen gemeste varkens kwam klinisch viruspneumonie voor, ook
werden in het verloop de gebruikelijke verscbillen geconstateerd, met name
was klinisch het verloop in de Deense stal gunstiger dan in de stal met
uitloop.

Van 497 varkens, waarvan na slachten de longen werden beoordeeld,
hadden totaal slechts 64 geheel negatieve, gave longen (12,8%). De ver-
deling voor de beide typen huisvesting is als volgt:

Waardering der longen

4-

-1- -1-

-(- -1- -1-

-1- 4- -1-

Totaal

Deens (D)

39

102

57

40

11

249

Gelders (G)

25

78

75

46

23

247

(zie grafiek)

496

E

I02

78
75

57
46

25
23

I I

OPOS > P > QOOl

degree of severity of V.PP.

Conclusie.

Hieruit blijkt dat het aantal negatieve longen in de Deense huisvesting
groter is dan in de Gelderse; verder is zeer duidelijk dat de longen met
littekens in de Deense stallen veel meer voorkomen dan in de Gelderse,

Onze oprechte dank aan directeur en personeel van het slachthuis te Amsterdam
voor de volledige vrijheid die ons voor dit werk werd gegeven.

-ocr page 425-

doordat de pneumonieën in de eerstgenoemde huisvesting sneller zijn her-
steld en de viruspneumonie in de laatstgenoemde huisvesting ernstiger ver-
loopt dan in de Deense stal. De ernst en uitbreiding van „actieve" pneu-
monische haarden is in de Gelderse stal duidelijk groter dan in de Deense.
Met behulp van de CUii-kwadraatmethode, waarbij
X- (V = 4) = 15,42
blijkt, dat P > 0,001, doch P < 0,005 is, zodat het verschil tussen de
Gelderse- en Deense huisvesting ten gunste van de Deense huisvesting zeer
significant mag worden genoemd. Men mag dus concluderen dat zeker
voor het Westen van het land de Deense stal de voorkeur verdient boven
de Gelderse stal.

Of er ten aanzien van het verloop van de viruspnemnonie hokverschillen
zullen zijn, is nauwelijks te verwachten. Het aantal waarnemingen is hier-
voor ook nog te gering om conclusies te trekken, zodat dit naar een later
tijdsti]3 wordt verschoven.

S.\\MENV.ATTL\\G.

Uit .gf.gcvcns van slachtrontrôles van 497 varkens, die deels afkomstig waren uit een
Deense stal en deels uit een Gelderse stal, concludeert de schrijver dat er een signi-
ficant verschil bestaat tussen de invloed van het klimaat in beide stallen op het ver-
loop van de viruspneumonie.

SUMM.\\RY.

On the basis of a controlsystem of the lungs after slaughter the autor found a highly
significant difference between the course and severity of viruspneumonia of pigs
between pigs in a danish piggery and pigs in a pi.g.gery with yards.

RKSUMK.

base dc 1\'inspection des poumons après Tabatagc l\'autcur constate une différence
très significative concernant le cours et la sévérité du pneumonie à Virus du porc
dans une étable danois et dans une étable avec la possibilité de se trouver en dehors.

ZUS.AMMEN FASSUNG.

Auf Grund einer Kontrolle der Lungen nach Schlachtung fan<l der Autor einen sehr
signifikanten Unterschied zwischen Ablauf und Virulenz der Ferkelgrippe, einerseits
bei
Schweinen gemästet in einem dänischen Stall, anderseits bei Schweinen gemästet
in einem Stall mit .Ausläufen.

LITERATUUR

I n g 1 i s, J. E. and Robertson, .A. : Hygienic .Aspects of Pig Housing. .A Review.

Vet. Rec., 61, 142, (1949).
J o n g e, H. d e: Inleiding tot de Medische Statistiek, dl. I, 204, (1958).
O O s t e r 1 e e, C. G., Minkema, D., O o s t e r b a a n, J. en Stegenga, Th. :

Hokverschillen bij mestvarkens. Tijdschr. Diergeneesk., 85, 1636, (1960).
Shanks, P. L.: The Housing of Pigs. Vet. Ree., 54, 233, (1942).
Soutar, D. S.: Pig Housing in Relation to Health and Economy. Vet. Rec., 65,
722, (1953).

Stegenga, Th.: Klimaatsinvloeden bij landbouw-huisdieren. Veeteelt- en Zuivel-
bereiding,
5, 103, (1962).
Terpstra, J. I.: Hoestende varkens. Tijdschr. Diergeneesk., 79, 671, (1954).
Te rp s tra, J. I.: Invloed van het stalklimaat op ziekte en gezondheid bij varkens.

Tijdschr. Diergeneesk., 83, 1024, (1958).
VV aid mann, D.: Die Bekämpfung der Ferkelgrippe. Dtsch. tierärztl. H\'schr., 42,
606, (1934).

Y o u n g, G. .A.: In „Diseases of Swine" door D u n n e, H. W., pag. 99, (1958),

-ocr page 426-

Speenbefrappen bij rundvee M

Treading the teats in cows.

door C. H. CAZEMIER2)

Uit het Instituut voor Veeteeltkundig onderzoek „Schoon-
oord", Zeist.

Inleiding.

Verwondingen als gevolg van speenbetrappen kunnen een vlotte afgifte
van de melk ernstig belemmeren. Het is bekend dat dit euvel in de
praktijk veel voorkomt en jaarlijks een belangrijke schade veroorzaakt,
die van bedrijf tot bedrijf sterk uiteenloojn. Op een groot aantal bedrijven
komt het speenbetrappen slechts zelden voor. andere bedrijven echter
hebben bijna elk jaar ernstig met dit euvel te kampen.
De schade bestaat uit een produkUevermindering (tijdelijk of voor het
leven) van vele waardevolle produktie- en niet zelden fokdieren, soms
zodanig, dat men ze moet opruimen. Verder kunnen nog genoemd worden
de pijn voor het dier en de narigheid voor de eigenaar die er mee gepaard
gaat. Eén en ander was aanleiding tot een onderzoek \\\'anwege het Instituut
voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord", naar de mogelijkheden om
dit euvel tegen te gaan.

Beperking van het onderzoek.

Vrijwel elke eigenschap die zijn bijdrage tot een economische jjroduktie
kan leveren is afhankelijk van twee groepen van factoren, nl. erfelijke- en
milieufactoren. Het onderzoek inzake s])cenbetrappen bij rundvee had
alleen betrekking op milieufactoren, zoals staltype, stalafscheidingen en
wijze van vastzetten. Erfelijke factoren, die mede voor dit euvel verant-
woordelijk zouden kimnen zijn, bleven buiten beschouwing. Een bevredi-
gende oplossing door aanpassing van het milieu aan de koe \\\'erdient
vanzelfsprekend verre de voorkeur boven aanpassing van de koe aan het
milieu. Dit laatste zou het nemen van specifieke fokkerij-maatregelen in-
houden. Afgezien van het feit, dat dit een langdurige kwestie is, dient
men ook zoveel mogelijk het aantal factoren, waarmee de fokkerij reke-
ning moet houden, te beperken. De opgave waar\\oor de fokkerij zich ge-
steld ziet is door de noodzakelijke veelzijdigheid van haar doel toch reeds
zwaar. Om deze redenen werd nagegaan of een bevredigende oplossing
via de uitwendige omstandigheden te bereiken zijn.

Opzet en uitvoering van het onderzoek.

Het onderzoek be.gon in het voorjaar van 1961 met een schriftelijke
enquête naar het vóórkomen van speenbetrappen bij rund\\ee. .Met mede-
werking van de beide rundvee-stamboeken, de Bond van K.l.-\\\'erenigingen
in Friesland en de Gezondheidsdiensten voor Dieren in Utrecht en Zuid-

1) I42ste mededeling van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord\' \'j eveneens verschenen in
Veeteelt- en Zuivelberichten, 5 154, (1962)
\'■!) Ir. C. H. Cazemier, wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Vee-
teeltkundig Onderzoek „Schoonoord", Driebergseweg 10 D, Zeist.

-ocr page 427-

Holland werd een enquêteformidier toegezonden aan 50.000 veehouders,
verspreid over vrijwel het gehele land. In de provincie Groningen betrof
het alleen blaarkopveestapels, in Gelderland uitsluitend M.R.IJ.-bedrijven.
In de provincies Zuid-Holland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg is
ten aanzien van het veeslag geen verschil gemaakt, in de overige provincies
strekte het onderzoek zich uitsluitend over F.H.-veestapels uit. Van ruim
23 % van deze veehouders werd het encjuêteformulier ingevuld terug-
ontvangen.

Het binnengekomen materiaal werd per provincie verwerkt en ingedeeld
naar staltype, gecombineerd met de wijze van bevestigen en het al of niet
vóórkomen van afscheidingen tussen de koeien. Per bedrijf werd bet
percentage koeien met één of meer betrapte spenen berekend, zowel over
de stalpcriode 1959/1960 als over de stalpcriode 1960/1961.
Als het voor een bepaald bedrijf geldende percentage werd het hoogste
percentage speenbetrappers in één van deze beide perioden aangehouden.
Naar gelang de hoogte van dit percentage werden de bedrijven ingedeeld
in de volgende klassen:

I. O- 5 % van de koeien met één of meer betrapte spenen

II. 5-10% )) J5 >> 55 55 55 55 55 55

III. 10-15 % jj ,, jj jj }j j) )j

IV. 15-20% „ „ „ „ „ „ „

V. meer dan 20 % „ „ „ „ „ „

In hoeverre de binnengekomen gegevens voor een be]3aalde combinatie
\\an staltype en wijze van bevestiging een goed monster vormen, is moeilijk
na le gaan. Een veehouder, die in ernstige mate met s
|X\'enbetra]jpen te
maken heeft, is wellicht eerder geneigd het ontvangen formulier ingevuld
terug te sttu en dan iemand, die op zijn bedrijf het speenbetrap])en nauwe-
lijks kent. Wanneer van twee combinaties de ene in de ]jraktijk een
minder gunstig beeld vertoont dan de andere, dan kan dus dit beeld in
de cijfers nog iets ten ongunste voor de eerste vertekend zijn. Met deze
mogelijkheid moet bij de beoordeling der gegevens rekening worden
gehouclen. Bij de vergelijkingen tussen verschillende combinaties gold
als maatstaf de verhouding tussen de aantallen bedrijven in de verschil-
lende klassen (I t/m V) per combinatie. Door middel van cen X^-test
werd nagegaan of de gevonden verschillen tussen de afzonderlijke com-
binaties al dan niet als wezenlijk mogen woiden beschouwd. Combinaties
waarvan over slechts enkele tientallen bedrijven kon worden beschikt,
werden van deze vergelijkingen uitgesloten.

De uitkomsten

.A. HOLL.ANDSE ST.A.L

1. De invloed van de wijze van bevestiging.

Verschillende wijzen van bevestiging werden onderling vergeleken voor
groepen bedrijven die geen verschillen \\ertoonden ten aanzien van stal-
scheidingen.

-ocr page 428-

Tabel 1.

Geen scheidingen tussen de koeien

Klasse

2 reppels

1 reppel

2 reppels

Hangketting

I

1139 (38,5 %)

593

(34,1 %)

1139 (38,5 %)

626

(35,6 %)

11

720 (24,4 %)

372

(21,4%)

720 (24,4 %)

409

(23,3 %)

III

489 (16,5 %)

271

(15,6 %)

489 (16,5 %)

252

(14,3 %)

IV

271 ( 9,5 %)

207

(11,9 %)

271 ( 9,5%)

214

(12,2 %)

V

338 (11,4 %)

295

(17,0 %)

338 (11,4 %)

256

(14,6 %)

2957

1738

2957

1757

P <<<0,001

P << 0,001

De voor de hand hggende conclusie uit de cijfers in tabel 1 zou kunnen
luiden dat, wanneer de koeien niet gescheiden staan, de kans op speen-
betrappen bij bevestiging door middel van 2 reppels geringer is dan bij
bevestiging aan 1 reppel, of door middel van hangkettingen. Opgemerkt
zij hierbij dat het verschil tussen de beide laatstgenoemde cornbinaties
niet significant is.

Het gevonden verschil tussen de bevestiging aan één reppel en aan twee
reppels berust op de voor deze stallen over alle provincies gesommeerde
cijfers. Vergelijkt men evenwel deze wijze van bevestiging met elkaar
binnen de provincies Zuid-Holland, Overijssel en Drenthe afzonderlijk, dan
blijkt er geen sprake te zijn van een wezenlijk verschil. Des tc meer
sprekend is echter het verschil, wanneer men de cijfers ten aanzien van
één van deze beide wijzen van bevestiging voor de beide Oostelijke pro-
vincies, vergelijkt met die voor Zuid-Holland.

Tabel 2.
Geen scheidingen tussen de koeien

Bevestiging aan 1 reppel

Bevestiging aan

2 reppels

Klasse

Drenthe

Zuid-Holland

Overijssel

Zuid-Holland

I

164 (29,9)

70 (46,4)

26 (24,5)

350 (38,8)

11

104 (18,9)

35 (23,1)

26 (24,5)

251 (27,9)

111

94 (17,1)

23 (15,2)

15 (14,2)

150 (16,7)

IV

70 (12,8)

9 ( 6,0)

10 ( 9,4)

73 ( 8,1)

V

117 (21,3)

14 ( 9,3)

29 (27,4)

77 ( 8,5)

549

151

106

901

P<«

0,001

P «< 0,001

Al berusten deze vergelijkingen ten dele op een wat gering aantal be-
drijven, zij wijzen toch wel op een zeer wezenlijk verschil. Zoals in het
begin reeds werd opgemerkt kan bet beeld, dat deze cijfers geven wellicht
iets vertekend zijn. In dit verband zij nog opgemerkt, dat in Zuid-Holland
ca. 13% van de enquêteformulieren werd terugontvangen en in de ooste-
lijke provincies ongeveer twee maal zo veel.

Het wezenlijk verschil in de gesommeerde cijfers tussen de beide wijzen
1296

-ocr page 429-

\\\'an bevestiging moet dus zeer waarschijnlijk toegeschreven worden aan
het sterk overwegen van de bevestiging met 2 reppels in de provincie
Zuid-Holland en die met 1 reppel in Drenthe en Overijssel, en aan het
feit, dat voor beide gevallen in de laatste provincies het beeld aanmerkelijk
ongunstiger is. Dat dit verschil toegeschreven zou moeten worden aan
verschillen tussen de gehouden dieren lijkt niet zo waarschijnlijk, temeer
daar in beide Oostelijke provincies bedrijven met M.R.IJ.-vee buiten be-
schouwing zijn gelaten.

Vroeger zijn de verschillen tussen het rundvee in het Oosten en in het
Westen des lands ongetwijfeld groter geweest dan thans. Het is dus denk-
baar, dat de invloed die hiervan is uitgegaan op de stalbouw thans nog
enigszins zijn weerslag vindt in de mate van voorkomen van speen-
betrappen. In elk geval ligt de veronderstelling voor de hand dat dit
staltype in het Oosten des lands zodanig van dat in het Westen afwijkt,
dat dit de kans op speenbetrappen in ongunstige zin beïnvloedt. Nader
onderzoek naar de kenmerken van dit staltype in deze provincies is daar-
om gewenst.

Ook met betrekking tot dc combinatie: geen scheidingen-bevestiging door
middel van hangkettingen, die in de gesommeerde cijfers minder gunstig
uitkomt dan de combinatie: geen scheidingen-bevestiging door middel van
2 reppels, doen zich van provincie tot provincie verschillen voor. De
westelijke provincies geven ook hier een aanmerkelijk gunstiger beeld
dan met name Overijsel, Gelderland en Noord-Brabant. Al zou bij de
beide laatste provincies het veeslag mogelijk een woordje mee kunnen
spreken, toch is ook hier een nader onderzoek naar eventuele kenmerkende
verschillen tussen de stallen in de genoemde provincies op z\'n plaats.

Staan cle koeien alle gescheiden van elkaar, dan lijkt er tussen de be-
\\estiging door middel van hangkettingen en de 2-zijdige horizontale be-
vestiging geen wezenlijk verschil te zijn. (Tabel .3.)

Tabel 3.

Alle koeien gescheiden door middel van bokjes.

Klas.se

Hangketting

Halsrieni
(2-ziidig vast)

I

83 (48,3)

292 (38,7)

11

36 (20,9)

186 (24,7)

III

24 (13,9)

116 (15,4)

IV

16 ( 9,3)

72 ( 9,5)

V

13 ( 7,6)

88 (11,7)

172

754

0,20 >

P > 0,10

Het verschil in de gevonden verhoudingen benadert echter dicht de signifi-
cantiegrens en ligt ten ongunste van de halsriem. Evenwel doen zich bij
de laatstgenoemde combinatie tussen de afzonderlijke provincies verschillen
\\oor. Wij komen hierop nog terug (zie pag. 1298).

-ocr page 430-

2. Betekenis van de stalscheidingen.

Bij de vergelijkingen is er naar gestreefd binnen elke vergelijking steeds
de wijze van bevestiging (één-zijdig, twee-zijdig, hangketting) zoveel mo-
gelijk constant te honden.

Tabel 4.
Bevestiging aan hangketting.

Klasse

Scheiding

Niet gescheiden

Scheiding

Scheiding om

om de koe

om de koe

de 2 koeien

I

83 (48,3)

626 (35,6)

83 (48,3)

93 (29,3)

II

36 (20,9)

409 (23,3)

36 (20,9)

74 (23,3)

III

24 (13,9)

252 (14,3)

24 (13,9)

55 (17,4)

IV

16 ( 9,3)

214 (12,2)

16 ( 9,3)

45 (14,2)

V

13 ( 7,6)

256 (14,6)

13 ( 7,6)

50 (15,8)

172

1757

172

317

0,01 > P

> 0,001

P < « 0,001

Voor de combinaties van hangketting met de één of andere vorm van
scheiding zijn de aantallen per provincie te gering om een verder speuren
naar eventuele verschillen tussen de provincies zinvol te maken. Geconsta-
teerd kan worden dat het plaatsen van alle koeien afzonderlijk kennelijk
de kans op het ontstaan van speenbetrappen vermindert. Dc combinatie
hangketting-geen scheiding vertoont geen significant verschil met de com-
binatie hangketting-scheiding om de 2 koeien.

Op grond van het genoemde effect van stalscheidingen zou men kunnen
concluderen, dat blijkbaar toch in \\\'ele gevallen in de bimrkoe de directe
oorzaak van het optreden van s])eenbetrappen gezocht moet worden. Dit
lijkt echter anderzijds weer niet waarschijnlijk omdat het effect \\an zo-
genaamde „klauwbeschermers" (klauw- of hoefhoesjes), ook o]} stallen waar
de koeien niet gescheiden staan, overwegend als .goed wo:dt oi^gegeven.

Tabel 5.

Tweezijdige bevestiging.

Kla.ssc

Aan halsriein en scheiding
tussen alle koeien

Aan 2 rcppels en de koeien
niet gescheiden

I

II
111

IV

V

1139
720
489
271
338

(38,5)

(24.4)

(16.5)
{ 9,2)
(11,4)

292
186
116
72
88

754

(38,7)
(24,7)
(15,4)
( 9,5)
(11,7)

2957

0,98 > P > 0,95

Zoals reeds opgemerkt (zie pag. 1297), wijzen de cijfers der provincie voor
de combinatie: bokjes tussen alle koeien-twee-zijdige horizontale bevesti-
ging met halsrieni, op het bestaan van nogal belangrijke verschillen tussen
de provincies onderling. Tabel 6 geeft hiervan een illustratie.

-ocr page 431-

Tabel 6.

Bevestiging met halsriem aan 2 bokjes, alle koeien gescheiden.

Klasse

Over-

Limburg Xoord-

Samen

Samen

Friesland

Utrecht

Z.-Holl.

ijssel

Brabant

I

25

20

28

73 (32,2)

95 (50,8

21

45

29

11

26

9

18

53 (23,3)

46 (24,6)

5

30

11

III

17

4

13

34 (15,0)

25 (13,4)

2

14

9

IV

10

5

13

28 (12,3)

8 ( 4,3)

3

5

V

14

11

14

39 (17,2)
227

13 ( 6,9)
187

1

9

3

P <<< 0,001

Gezien de deels zeer geringe aantallen per provincie zijn tegen de hier-
boven gevolgde wijze van optellen en samennemen van cijfers, bezwaren
in te brengen. Dit neemt echter niet weg, dat nadere studie met betrek-
king tot de verdere kenmerken van dit staltype, in tenminste enige van de
aangegeven provincies zeker op zijn plaats is.

In totaal gezien levert voor het Hollandse staltype de combinade: hang-
kctting-scheiding tussen alle koeien het meest gunstige beeld, al verschilt
dit niet wezenlijk van de combinatie: 2 reppels-geen scheiding.

B. FRIESE ST.AL

1. Invloed van de wijze van bevestiging.

Het aantal bedrijven met een Friese stal, waarbij de koeien niet gescheiden
staan, was in ons materiaal zo gering dat hieraan verder geen aandacht
kon worden geschonken. De scheiding op Friese stallen bestaat in vele
gevallen uit houten schotten, vaak echter ook uit bokjes. Ook konU de
combinatie van schotten en bokjes beurtelings nogal eens voor. Wanneer
bier van scheidingen wordt gesjjroken, kan er dus zowel sprake zijn van
schotten als van bokjes.

Er werd een vergelijking gemaakt tussen éénzijdige en tweezijdige be-
vestiging voor stallen met scheidingen tussen alle koeien. Beide vormen
komen m hoofdzaak in Friesland voor, zodat geen vergelijking tussen de
I)rovincies mogelijk was.

Tabel 7.
Alle koeien gescheiden.

Klasse Eenzijdige bevestiging Tweezijdige bevestiging

1

268 (59,4)

93

(60,4)

11

75 (26,5)

27

(17,5)

111

21 ( 7,4)

21

(13,6)

IV

9 ( 3,2)

8

( 5,2)

V

10 ( 3,5)

5

( 3,2)

283

154

0,10 > P > 0,05

-ocr page 432-

Wanneer alle koeien gescheiden staan, doet het er dus blijkbaar niet zo
veel toe of de koeien aan één dan wel aan twee kanten zijn vastgezet.
In totaal bezien toont zich de éénzijdige bevestiging wellicht nog even in
het voordeel.

.\\ndere wijzen van bevestiging, bijv. door middel van hangketdngen,
kwamen in ons materiaal bij het Friese staltype slechts in geringe mate
voor.

2. Betekenis van de stalscheidingen.

Zoals reeds opgemerkt was het aantal Friese stallen in ons materiaal
zonder enige vorm van stalscheiding zeer .gering. In tabel 8 werd een
vergelijking gemaakt voor stallen met éénzijdige bevestiging en scheidingen
tussen alle koeien of om de twee koeien.

Tabel 8.
Éénzijdige bevestiging.

Klasse Scheiding per koe Scheiding per 2 koeien

I

168

(59,4)

553 (41,6)

II

75

(26,5)

364 (27,4)

III

21

( 7,4)

193 (14,5)

IV

9

( 3,2)

114 ( 8,6)

V

10

( 3,5)

105 ( 7,9)

283

1329

P << 0,001

De cijfers in tabel 8 geven sterk de indruk, dat het plaatsen van een
scheiding tussen alle koeien, uit een oogpunt van het gevaar voor speen-
betrappen, duidelijk in het voordeel is boven het aanbrengen van een
scheiding per twee koeien. Hetzelfde kon worden waargenomen bij de
Hollandse stal bij bevesdging door middel van hangkettingen.
Een nauwlettende beschouwing van de cijfers voor Friesland en Noord-
Holland voor de combinatie eenzijdige bevestiging, scheiding per twee
koeien (label 9), wekt het vermoeden dat er hier van een verschil tu.sseu
deze beide provincies sprake is. Dit verschil is van zodanige betekenis dat
ook hier een nader onderzoek noodzakelijk en zinvol lijkt.

Tabel 9.

Scheiding per 2 koeien, éénzijdige bevestiging

Klasse

Friesland

Noord-Holland

330 (44,9)

164 (37,2)

190 (25,9)

135 (30,6)

III

115 (15,6)

63 (14,3)

IV^

54 ( 7,3)

43 ( 9,7)

V

46 ( 6,2)

36 ( 8,2)

735

441

0,05 > P > 0,02

-ocr page 433-

C. BETEKENIS VAN HET STALTYPE.

Voor een globale indruk omtrent de betekenis van het staltype werden
vergelijkingen gemaakt tussen de Hollandse en de Friese stal met dezelfde
wijze van bevestiging en dezelfde stalscheidingen (tabel 10 en 11).

Tabel 10.

Alle koeien gescheiden, twee-zijdige bevestiging.

Klasse

Hollandse stal

Friese stal

I

292 (38,7)

93 (60,4)

II

186 (24,7)

27 (17,5)

111

116 (15,4)

21 (13,6)

IV

72 ( 9,5)

8 ( 5,2)

V

88 (11,7)

5 ( 5,2)

7.54

154

P <<< 0,001

Tabel 11.

Alle koeien gescheiden

Klasse

Hollandse stal

Friese stal

I

83 (48,3)

168 (59,4)

II

36 (20,9)

75 (26,5)

III

24 (13,9)

21 ( 7,4)

tv

16 ( 9,3)

9 ( 3,2)

V

13 ( 7,6)

10 ( 3,5)

172

283

P << 0,001

Wij wijzen met nadink op de globale betekenis van bet verschil (in tabel
10), ondanks de sterke significantie, mede omdat voor deze combinatie
op de Hollandse stal, zich verschillen tussen dc afzonderlijke provincies
voordeden.

De vergelijking in tabel 11 slaat op beide voor de afzonderlijke staltypen
(Hollandse en Friese) meest gunstig naar voren gekomen combinaties. Zij
valt uit ten voordele van de combinatie op de Friese stal.
Een vergelijking van het gehele materiaal betreffende de Hollandse stal
met dat van de Friese stal werd gemaakt in tabel 12.

Tabel 12.

Hollandse stal

Friese stal

I

3012 (36,9)

1015 (46,3)

II

1911 (23,4)

576 (26,2)

III

1275 (15,6)

285 (13,0)

IV

860 (10,6)

167 ( 7,6)

V

1099 (13,5)

151 ( 6,9)

8157

2194

P <<< 0,001

-ocr page 434-

Wanneer van de beide stalperioden 1959/1960 en 1960/1961 steeds het
hoogste percentage als maatstaf wordt genomen, kwam op de bedrijven
van het Hollandse staltype gemiddeld bij 9,17% der dieren speenbetrap-
pen voor, tegenover bij het Friese staltype 6,22%.

D. FACTOREN DIE HET SPEENBETRAPPEN IN DE HAND WERKEN.

Op het enquêteformulier werd de \\eehouders gevraagd naar hun oordeel
omtrent de oorzaken en eventuele mogelijkheden tot bestrijding van het
speenbetrappen. De meningen hieromtrent bleken nogal uiteen\'te lopen.
Ook gaven tal van veehouders te kennen hierover geen oordeel te kunnen
.geven.

Bij de opgegeven „oorzaken" van speenbetrappen, overheerst de factor
„diepe uier", onmiddellijk gevolgd door „te nauwe stal". Vrij veelvuldig
wordt verder ook gewezen op de volgende punten: lange spenen, te korte
koestand, onrust onder de koeien (o.a. als gevolg van jeuk), onvoldoende
scheiding tussen de koeien, te weinig strooisel, slecht opstaan der koeien
als .gevolg van matig sterk beenwerk, grupstaan. Vrij regelmatig, maar
niet veelvuldig, wordt melding gemaakt \\\'an punten als: kort vastgezet
zijn, slechte klauwverzorging, gladde stal, te ruime stallen, diepe grup.
Ook de mening, dat hier sprake is van een familie-eigenschap wordt nog
wel eens te berde gebracht.

Vrij veelvuldig wordt melding gemaakt van de opvatting dat het speen-
betra
|3pen door de koe zelf zou geschieden en wel rnet de bijklauwen
tijdens het opstaan. Vrijwel even vaak echter wordt ook medegedeeld, dat
ten aanzien van dit euvel als regel de buurkoe hetzij links, hetzij rechts
als de schiddige moet worden aangewezen. Slechts uiterst zelden evenwel
deelt iemand mede, dat zijn zienswijze op eigen waarneming is .gebaseerd.
Over het effect van de zogenaamde „klauwbeschermers" wordt \'in het al-
gemeen gunstig tot \\rij gunstig geoordeeld, onafhankelijk van de vorm
van stalinrichting. Het feit dat dit dus ook het geval is op stallen waar
de koeien niet .gescheiden staan, is dus in strijd met de opvatting dal het
belra[)[)en als re,gel zou geschieden door een buurkoe. Uiteraard ligt hel
voor de hand, dat op stallen, waar de koeien niet gescheiden staan, deze
eerder elkaar het opslaan lasdg kunnen maken of er oorzaak van kunnen
zijn, dal een liggende koe gedwongen wordt zeer onverwacht en snel oj)
te slaan. Van beide mogelijkheden is aan le nemen, dal zij de kans o])
speenbetrappen zullen verhogen.

Ten aanzien van de klauwbeschermers valt verder nog te vermelden, dal
vele veehouders klagen over de duurzaamheid ervan. Deze zouden meestal
niet langer dan één staljjcriode meegaan. Ook zouden verschillende koeien
deze beschermers slechts ongaarne dragen. Door een aantal veehouders
wordt melding gemaakt van klauwbeschermers volgens eigen ontwerp, ge-
maakt van een autobinnenband of van textiel.

Bij de enquête werd tenslotte ook gevraagd bij hoeveel verse, oudmelkse
en droogstaande koeien en vaarzen speenbetrappen werd geconstateerd.
Deze .gegevens hebben alleen betrekking op de stalperiode 1960/1961. Van
het totale aantal dieren waarbij in deze periode - - die dus voor de meesle
stallen nog niet de volledige stalperiode zal omvatten — speenbetrappen
voorkwam, was: 63,0% vers, 33,6% oudmelks en 3,3% droogstaand. Ver-
meldenswaard is ook het feit dat van de dieren met betrapte spenen
ruim 20% als melkvaars werd opgegeven.

-ocr page 435-

Zonder meer mag worden gesteld, dat het verschijnsel zich dus sterk over-
wegend voordoet bij de vers afgekalfde koeien. Toch is ook bij oudmelkse
koeien, die als regel geen grote, diepe uiers hebben, het gevaar voor speen-
betrappen terdege aanwezig. Voor Drenthe en Overijssel, respectievelijk
Zuid-Holland en Utrecht afzonderlijk berekend, zijn de cijfers als volgt:

Zuid-Holland en Utrecht

Drenthe en Overijssel

Verse koeien

57,3

%

69,3 %

Oudmelkse koeien

39,1

%

26,9 %

Droogstaande koeien

3,6

%

3,8%

Gezien het karakter van de enquête kan aan de verschillen niet veel
betekenis gehecht worden. Het is echter denkbaar, dat het grotere per-
centage herfstkalveren in de Oostelijke provincies op het verschil in de
verhouding nieuw-melks/oud-melks van invloed is.

Conclusies.

Wij willen er ons voorlopig van ontbonden een verklaring te geven voor
de gevonden verschillen. Een dergelijke verklaring zou in feite een mening
inhouden omtrent de werkelijke oorzaken van het feit, dat op tal van
onze veebedrijven het speenbetrappen zich in zulk een ernstige mate voor-
doet. In elk geval is in dit stadium van het onderzoek het aantal onzekere
factoren nog zo groot, dat het nog niet mogelijk is een verantwoord
oordeel uit te spreken. Het cijfermateriaal dat de enquête heeft opgeleverd,
maakt echter wel het bestaan van de volgende, vooral voor het verdere
onderzoek van belang zijnde, feiten waarschijnlijk:

• Het plaatsen van stalscheidingen tussen alle koeien afzonderlijk ver-
mindert de kans op speenbetrappen.

• Het plaatsen van stalscheidingen om de twee koeien vermindert ten
opzichte van in het geheel afwezig zijn van dergelijke scheidingen het
gevaar voor speenbetrapysen niet.

• Op het Friese staltype komt het speenbetrappen in aanmerkelijk ge-
ringere mate voor dan op bet Hollandse type.

• Binnen dezelfde combinatie van staltype, wijze van bevestiging en het
al dan niet aanwezig zijn van stalscheidingen, komt het speenbetrappen
in het Oosten en ten dele ook in het Zuiden des lands, in beduidend
sterkere mate voor dan in bet Westen.

SAMENVATTING

Een schriftelijke enquête is gehouden naar het vóórkomen van speenbetrappen bij
rundvee over de stalseizoenen 1959/1960 en 1960/1961. Hierbij vsfcrd aandacht
geschonken aan de factoren staltype, stalscheidingen, wijze van bevestiging, effect
van klauwhoesjes, alsmede aan de in de praktijk levende opvattingen van de oor-
zaken en de mogelijkheden tot bestrijding. Aan 50.000 veehouders is een enquête-
formulier toegezonden; iets minder dan een kwart hiervan kwam ingevuld terug.
De gegevens die de enquête heeft opgeleverd, hebben de ernst van dit verschijnsel
op tal van bedrijven nog eens duidelijk onderstreept. De bewerking van het ver-
kregen materiaal heeft het bestaan van een aantal belangwekkende wetmatigheden
met betrekking tot het vóórkomen van speenbetrappen waarschijnlijk gemaakt. Deze

-ocr page 436-

leveren een basis voor een nader onderzoek, dat mogelijk ineer inzicht kan ver-
schaffen omirent de factoren, die het ontstaan van speenbetrappen in de hand
werken, en in de mo.gelijkheden oni dit euvel te bestrijden,

SUMMARY

A questionnaire was conducted on the incidence of treading upon the teats in
cattle during the seasons 1959-1960 and 1960-1961,

.Attention was paid to factors such as the type of shed, separations between the cows
present in the shed, the method of attachment and the effect of claw-covers as well as
practical views on the causes and possible methods of treatment.

Questionnaires were sent to 50.000 live-stock owners; a little less than twenty-five
per cent were filled out and returned. The data yielded by the inquiry have once
more stressed the gravity of this phenomenon on a large number of farms. The
results obtained on treatment of the figures su.ggest that the incidence of treading
upon the teats is governed by a number of important laws.

These provide a basis for further study which may possibly afford a better insight
into the factors promoting treading upon the teats and into possible methods by
which to treat this ailment.

RÉSUMÉ.

On a fait une enquête par écrit sur les traumadsmes des trayons causés par les sabots
auprès de bovins durant les saisons de 1959/1960 et de 1960/1961.
On a considéré les facteurs suivants: le genre d\'étable, les cloisonnements, la façon
d\'attacher les animaux, l\'effet de housses autour des sabots, ainsi que les opinions
courantes au sujet des causes et des possibilités prophylactique.

50000 Eleveurs ont reçu un formalaire d\'enquête. En peu moins d\'un quart d\'entre
eux ont réagi. Les données que l\'enquête a fournies, ont souligné encore une fois
clairement la gravité de ce phénomène dans un grand nombre de fermes.
L\'élaboration du matériel statistique obtenu a rendu vraisemblable l\'existence (l\'un
certain nombre de régularités par rapport aux traumatismes des trayons causés par
les sabots.

Ces données fournissent une base pour un examen plus détaillé qui pourrait procurer
une plus grande connaissance concernant les facteurs qui favorisent ces traumatismes
et les possibilités de les combattre.

ZUSAMMENFASSUNG.

In den Jahren 1959/1960 und 1960/1961 wurde eine sehrifthche Enquête nach dem
Vorkommen des „Zitzentretens" bei Rindern gehalten.

Hierbei wurde folgenden Faktoren besondere .Aufmerksamkeit geschenkt: Stalltyp,
Stallabschcidungen, Art der Befestigung, Nutzen der .Afterklauenschützer, sowie be-
stehenden Auffassungen in der Praxis hinsichtlich der Ursachen und der Bekämp-
fungsmöglichkeit.

50.000 Viehhalter erhielten einen Fragebo.gen, fast ein Viertel hiervon kam ausge-
füllt zurück.

Die Ergebnisse dieser Enquête unterstreichen nochmals deutlich den Ernst dieses
Übels auf zahlreichen Betrieben. .Aus der Übersicht des erhaltenen Zahlenmaterials
ersieht man, dass das Vorkommen von Zitzentreten wahrscheinlich gewissen Regel-
mässigkeiten unterliegt. Diese bieten eine Grundlage für eine eingehendere Unter-
suchung, die vaelleicht eine bessere Einsicht verschafft und erklärt, wclche Faktoren
für das Auftreten des Zitzentretens in Frage kommen und welche Möglichkeiten zur
Bekämpfung dieses Übels angewandt werden können.

-ocr page 437-

Verkregen en aangeboren depigmentafies bij de
huisdieren gezien in het licht van de recente
stand der humane dermatologie.

Acquired and congenital depigmentations in domestic
animals enlightened by the recent state of human
dermatology.

door \\V. C. PH. MEIJERM

Als voorlopige afsluiting \\an de serie bijdragen over vitiligo (Meijer,
1960, 1961a, 1961b, 1962) rest mij de taak om verband te leggen en
overeenkomstige verschijnselen of ogenschijnlijke verschillen aan te tonen
tussen de ontkleuringen bij de huisdieren en die van de menselijke huid
en haren, zoals deze in het bizonder zijn beschreven in het handboek van
1) e s a u X en 13 medeu\'erkers ( 1953 ).

De overzichtelijke systematiek, welke bizonder volledig is, maakt het ook
voor de praktizerende dierenarts gemakkelijk om een weg te vinden in
deze ingewikkelde materie en de systematiek toe te ])assen ten bate van
veterinaire onderzoekingen en vergelijkingen.

Daarom wordt voor dit onderwerp de systematiek van D e s a u x gebruikt,
waarbij ter vereenvoudiging van het naslaan der besproken ])assages uit
het standaardwerk de bladzijden worden aangegeven, waarop zij te vin-
den zijn; of zoals de schrijver bet zelf uitdrukt:

„ciiaque affection est située dans son cadre dermatologique entourée des lésions
qui la simule et dont il convient de le distinguer. Son nom est suivi d\'un numéro
qui indique la page où elle est particulièrement étudiée et représentée."
(Desaux, blz. 2)
Een korte beschrijving der humane depigmentaties moge volgen.

A. Variaties in de kleur der haren. (pag. 3).

Eén hiervan is de canitie, welke weer verdeeld wordt in:

1. Fysiologische of seniele canitie, leucotrichie.

Het fysiologisch grijs worden begint bij de mens op ongeveer 35-jarigc
leeftijd en is vaak al compleet tussen 55 en 60 jaar; deze cijfers kunnen
sterk variëren.

2. Voortijdige canitie (précoce où prématurée).

a. De erfelijke canitie (familiale, héréditaire) kan zijn totaal of beperkt
(alleen aan de slapen). Soms zijn de witte haren in bosjes gegroe-
peerd te midden van normaal gekleurde haren
(poliose).

b. De verkregen canitie, die aanstonds zal worden besproken.

B. Variaties in de vorm der haren (pag. 175).

Hier worden bedoeld de raciale, genotypische variaties, welke overeen-
komen met een specifieke anatomische gesteldheid van de haarzakjes.
Hoewel ook van veterinair belang, zijn deze variaties, naar het voorkomt,
thans niet actueel.

!) W. C. Ph. Meijer, gep. Gouvcrncmentsvccarts (Ind.), Naarden, Juliana van Stol-
berglaan 90.

-ocr page 438-

Bepalen wij ons dus tot een nadere bespreking van de variaties in de
kleur der haren (De san x, pag. 177 e.v.), waarbij tevens enige analoge,
bij de dieren waargenomen gevallen zullen worden genoemd.

I. Fysiologische kleur variaties.

De kleur der haren wordt bepaald door de hoeveelheid melanine-korrels
in de cortex en is eveneens afhankelijk van het gehalte aan lucht, vetten
enz., daarin aanwezig.

Bij canitie (pag. 180) — waarvoor de synoniemen leucotrichie, achroma-
trichie en Ergrauen bestaan — als ouderdomsverschijnsel, evenals bij het
vroegtijdig grijs worden (canitie précoce of canitie prématurée, trichonosis,
dan wel cana of discolor), vermindert het aantal melaninekorrels geleide-
lijk, in versneld tempo, dan wel zeer snel.

Een tweede verkregen vorm van canitie kan het gevolg zijn van aanwijs-
bare ooi-zaken, b.v. tengevolge van de ziekte van Basedow, Cushing,
S i m m
O n d s of tengevolge van neuralgiën.

Van zuiver neurogene oorsprong is de hemicanitie, welke beperkt blijft tot
de helft van het lichaam (D e s a u x, pag. 4, 8). Een geval hiervan, voor-
komend op de schedel van een Bali-rund, werd door schrijver opgemerkt.

(Foto: W. C. Ph. Meijer)

Het vervroegde grijs worden bij de mens, in het algemeen op ongeveer
20-jarige leeftijd, is echter ook dikwijls familiair en dus erfelijk. Veelal
kan het op een belangrijk jongere leeftijd voorkomen en D e s a u x ver-

-ocr page 439-

meldt een door K o 1 e w waargenomen geval op 10-jarige leeftijd en
een door Féré geconstateerd geval van 5- tot 6-jarige leeftijd; meestal
is dan het proces op 30-jarige leeftijd voltooid. Soms verschijnen bij het
vervroegde vergrijzen de witte haren in vlekken temidden van een normaal
haarbeeld, een beeld dat
poliose wordt genoemd en dat men bij vitiligo
waarneemt; voorts wordt vroegtijdig vergrijzen vaak waargenomen in zeer
gezonde families.

b e s a u X vermeldt voorts, dat door Meirowsky een samengaan met
hazelip en doofheid werd waargenomen. Bauer trof tegelijkertijd de
erfelijke ziekte van Basedow aan en T r a u b diabetes.
Medicinale behandeling van vroegtijdig vergrijzen gaf teleurstellende re-
sultaten.

II. Pathologische kleurvariades (pag. 181).
Hierbij onderscheidt D e s a u x drie groepen:

a. hyperchromiën,

b. hypochromiën,

c. beterochromiën, overeenkomend met het „vals haar" bij onze zwart-
bonte runderen.

sub a. Aangezien hyperchromiën geen depigmentaties zijn, wordt deze

kleurvariatie thans niet behandeld,
sub b. Hypochromiën kunnen algemeen of partieel zijn.

Algemene hypochromiën zijn verdeeld in:

a: algemene hypochromiën van nerveuze oorsprong,

/?: algemene hypochromiën op zuiver erfelijke grondslag,

y: algemene hypochromiën op abiotropische grondslag, (pag. 183)

sub «: Algemene hypochromiën van nerveuze oorsprong zijn waargenomen
bij patiënten, die constitutioneel neuropathisch zijn en voornamelijk na
hevige emotie (verdriet, doodsgevaar), waarna een
peracuut grijsworden
optrad binnen enkele uren of zelfs binnen cen half uur (Parry). Meestal
is dit proces definidef, ofschoon Abraham (1915) een geval van genezing
meldt. G a s t e i g e r ziet in de vorming van luchtbellen in de cortex der
haren de oorzaak (Des aux, pag. 184).

sub ji\\ Algemene hypochromiën op zuiver erfelijke grondslag.

In de eerste plaats moet in deze reeks van verschijnselen het albini.<;me
worden genoemd, het ook bij zoötechnici bekende erfelijke gebrek, waar-
\\ oor de synoniemen algehele leucopathie en achromia congenitalis bestaan.
Albinisme bij de mens kan gepaard gaan met diverse groeistoornissen ■—
z.g. status aibinodcus — waarbij o.m. nystagmus, myopie, astigmadsme,
cataract, geatrofieerde en breekbare nagels, ontbrekende incisiven, doof-
heid of doofstomheid kunnen voorkomen.

Albinisme bij dieren werd voor runderen in de U.S.A. beschreven door
Cole, Van Lone en Johansson (1934), terwijl M e ij e r (1962,b)
het verschijnsel bij het Bali-vee waarnam en dit erfelijk gebrek, gepaard
met fotofobie eveneens bij een Balistiertje constateerde (foto 2).

-ocr page 440-

Ook Toe poel (pag. 218) vermeldt vindplaatsen in de literatmn- be-
treffende bonden en katten, waarbij het albinisme gepaard gaat met één
der bovengenoemde gebreken: „Doofheid is gekoppeld aan de factor voor
„merle-tekening" bij collies en aan de extreem wit-bonte kleur bij Deense
doggen en Bull-terriërs."

En voorts: „B u f f o n, F r o h n e r en H o f f m a n n beschrijven doofheid
bij albinotische honden en honden met veel wit en deze onderzoekers
trekken een parallel tussen de waarnemingen van Darwin en T a i t,
die bij witte katten (en dan alleen de katers) met blauwe ogen, een
erfelijke doofheid vaststelden" (blz. 380).

Deze waarnemingen worden wat betreft honden bevestigd door Burns
(1952), die een speciaal onderzoek instelde naar de erfelijkheid van ver-
schillende belangrijke afwijkingen bij honden. Twee citaten betreffende
„merle-collies", Deense doggen en Bull-terriërs laten hierover geen twijfel
bestaan:

„Hereditary deafness has been reported in several breeds of dogs and is often
associated with white coat-colour. Thus at one time deafness was very common in
white Bull-terriers but, according to C r e w, this was due to the fact that a certain
widely used stud dog passed on a recessive gene for deafness to his numerous off-
spring: through later inbreeding many individuals homozygous for this gene, and
consequently deaf, were produced. Certainly not all white Bull-terriers are nece.s-
sarily deaf, but the white collies which result from the homozygous condition of
the factor, which in the heterozygous state produces merle coat colour, are nearly
always deaf, and partially or totally blind.

The same condition occurs in the Norwegian Dunker breed, and in Harlequin
Great Danes", (pag. 34)
Het tweede citaat van Burns (1952) luidt als volgt:

„if two merles are mated together, however, a proportion of their offspring will
be white or almost white in coat colour, with various abnormalities including
deafness, blindness and structurally abnormal eyes. These are the homozygous
MM individuals." (pag. 61)
Deze literatuuropgaven werden mij welwillend door collega Dr. W. M.
B r o
O y m a n s te \'s-Gravenhage verstrekt. Tezamen bezochten wij een

-ocr page 441-

l)ckendc colliefokker aldaar, die ons enkele „Merles" toonde, waaronder
„Blue Merles" en die bevestigde, dat twee Blue Merles niet gepaard mogen
worden, op straffe van: blindheid en doofheid bij de nakomelingen.
Dc definitie van „Blue Merle" verkregen van Dr. E r n a M o h r, zoöloge
en kynologe te Hamburg luidt: „de collies, die geen geel of bruin hebben
maar blauw-grijs en wit zijn. Vaak hebben zij „glasogen" en geheel of ge-
deeltelijk kleurloze iris". Deze depigmentaties van de iris zijn wederom een
verschijnsel van jjartieel albinisme.

Vervolgens komt in deze reeks het incomplete albinisme, dat is de gewone,
congenitale,
erfelijke bontheid der zoogdieren en vogels. Mag bontheid in
de koudere luchtstreken niet als een gebrek worden aangemerkt, het is dat
voor het vee der tropische gebieden zeker wèl, gelijk D u e r s t reeds consta-
teerde (1931, ]mg. 380). Ook W i d m e r (1923) en schrijver dezes bevestig-
den deze conclusie; laatstgenoemde speciaal voor het Bali-rund (1962, b).
Het ontstaan van bontheid bij een éénklem\'ig runderras en de vormen van
deze bontheid werden door Meijer (1962, b) uitvoerig behandeld. Vele
foto\'s illustreren deze beschrijvingen. Een typische predilectieplaats voor
bontheid is zowel bij de mens als bij paard en rund het voorhoofd: men
\\-ergelijke de witte voorhoofdslok, welke soms optreedt, met de kol.
In dit verband worden door mij de woorden aangehaald, waarmede Prof.
1 h le in 1922 zijn college biologie begon; „Zonder de aanname, dat alles
wat leeft verwant is, kunnen wij geen wetenschap beoefenen".

sub. y: Algemene hypochromiën van abiotropische oorsprong veroorzaken in
enkele zeldzame gevallen een \\ roegtijdig vergrijzen door een preniatuur ver-
ouderen van het organisme. Desaux (pag. 168) noemt progeria of seniel
nanisrne, het syndroom van Rothmund en dat van Werne r, voorts
dc myotonische dystrofie en de ziekte van S t e i n e r t, welke ziekte-
])rocessen voorlopig voor de zoötechnici van weinig belang zijn.

Partiële hypochromiën. (Desaux, pag. 187)

De ontkleuring der baren geschiedt in de vorm van vlekken temidden van
haren, welke de nonnale kleur behouden hebben. Dit fenomeen wordt vaak
poliosis genoemd. Hiermede komen wij toe aan de vitiligo, welke ziekte
Desaux (pag. 187) als volgt bij de mens beschrijft:

Dc ziekte wordt gekenmerkt door vlekken, meer of minder talrijk en sym-
metrisch. Soms zijn deze vlekken omgeven door een
hyperchromische rand-
zêne,
welk verschijnsel door schrijver tot dusverre nog niet bij aan vitiligo
lijdende grote huisdieren werd waargenomen. Vitiligo is vaak verbonden
met de z.g. „pélades" (alopecia areata); dan wel de ziekte van Basedow,
tabès of lepra, ja, zelfs met congenitale psychosen. Door Meirowsky
werden talrijke gevallen van die aard verzameld. Desaux schrijft:

„Le vitiligo est parfois familial et héréditaire et dans ce cas précoce. II se transmet
alors en dominance réguliere oü irréguliere."
Blijkens een waarneming van G ö r 1 was er „antéposition", dat wil zeggen,
dat de vitiligo in de eerste generatie met 48-55 jaren optrad; in de tweede
generatie tussen de 20 en 23 jaren en in de derde generatie zelfs op 6-jarige
leefüjd. Een waarneming van Käthe leverde een zelfde resultaat op.
De Nederlandse zoötechnici kunnen, nu de aanwezigheid van vitiligo onder
zwartbont-vee en paarden is aangetoond, wellicht de kans krijgen een over-
eenkomstig verschijnsel bij deze grote huisdieren te constateren.

-ocr page 442-

Tot zover mijn samenvatting van de beschouwingen in het handboek van
D e s a u X over humane depigmentaties, vergezeld
van enkele analoge ge-
\\ allen uit de huisdierenwereld. Laat ik nu de samenvattingen en conclusies
van mijn vier voorafgaande bijdragen de revue passeren, dan kom ik tot de
volgende merkwaardige punten:

1. De progressieve ontkleuring van haren en huid bij het Balivee gaat
soms gepaard met stekelharigheid; de aetiologie is raad.selachtig en over
de erfelijkheid is weinig bekend. De ziekte vertoont dezelfde eigen-
schappen als de vidligo bij de mens. Het aankopen \\\'an proefdieren met
het oog op het instellen van een onderzoek naar algemene stofwisselings-
stoornissen is gewenst. (Meijer, 1960)

2. Een stamboekvaars lijdende aan vitiligo moest worden geslacht wegens
een leverabces. (M e ij e r en V a n d e r E ij k, 1961 a)

3. Een geval werd gesignaleerd bij een Gelderse stamboekmerrie. Schrijver
\\Toeg om bericht bij voorkomende gevallen (M e ij e r, 1961 b).

4. Dank zij de hulp van collegae en veehouders — welke bijzonder wordt
gewaardeerd — bestaat er geen twijfel meer of de ziekte komt ook in
ons land en elders (Frankrijk bij de paarden; Turkije, één ffeval) voor
(Meijer, 1962 a) J> b j

Ter aanvulling van de vroeger gegeven statistische gegevens volgen hier-
onder recente ontdekkingen van depigmentatie.

A. Vidligo.

RUND, 7DE GEVAL (Made, N.-Brabant).

Dit geval werd mij medegedeeld door collega L. J. 1". T h o 1 h u y z e n te
Made. Het werd door schrijver onderzocht op 24 maart j.1. Eigenaar:
J. Segers, Oude Kerkstraat 21, Made.

De zwartbonte koe Roosje, werd 11 okt. 1951 geboren. Schets no. 200201.
Het dier was aangekocht en de tegenwoordige eigenaar kon geen bijzon-
derheden mededelen over het verloop van het proces, hetwelk m.i. wel

chronisch geweest zal zijn.
j

-ocr page 443-

Vooral op de schouders en ribwanden be\\onden zich vele witte vlekjes ter
grootte van een kwartje. Een grote vlek op de ribwand rechts werd ge-
schoren: de huid er onder was ook pignientloos. Op de voorschenkels en
de schouders bestond neiging tot synunetrie. Om de neusgaten bevonden
zich symmetrische leucistische kringen. De vlekjes waren op de schets niet
aangegeven. Vele grijze baren waren over het gehele lichaam verspreid.

RUND, 8STE GEV.AL (Made, N.-Brabant).

Dit geval werd door schrijver gevonden tijdens een aanvullend bloed-
onderzoek \\an jongvee voor de abortus-bestrijding. Het dier liep in een
open loopstal, hetgeen een fraaie gelegenheid bood om de gehele koppel
te observeren. Eigenaar: A. van Dongen, Kalverstraat 123, Made.
Twee vlekken ter grootte van een handpalm werden op de linker halsvlakte
aangetroffen: Eén ervan werd gedeeltlijk geschoren: de huid er onder was
ook pigmentloos. Voorts waren er enkele witte haren op de schouder links.
Volgens de eigenaar was het dier drie jaar geleden als kalf gekocht. Het
bad een witte vlek op de heup gehad, welke sedert is verdwenen. De eige-
naar kon bet tijdstip van ontstaan der witte vlekken niet mededelen. Deze
zwartbonte koe, Sjan genaamd, geboren 2 maart 1959, was op 22 mei 1959
door de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant geschetst. De
witte vlekken waren niet op de schets aangegeven (zie foto 4, gemaakt
dd. 30 maart 1962). Bij deze vitiligo-vlekken bestond dus geen symmetrie.

(Foto: W. C. Ph. Meijer)

PA.ARD, 9DE GEVAL (Ermelo).

Dit paard werd gerapporteerd door collega P. L a m mens te Harderwijk
en door schrijver onderzocht op 24 april j.1. Het was een merrie, gekr.
Gld., vos, stekelharig; 4-jarige bles met snep; rechts achter half wit been;
links achter witte rand op kroon en kogel binnen. De afstamming is on-
bekend. Op het linker bovenooglid was een gierstkorrel groot pigmentloos

-ocr page 444-

vlekje aanwezig. Op boven- en onderlip en in de mondhoeken waren meer-
dere haverkorrelgrote pigmentloze vlekjes zichtbaar.

PAARD, lODE GEV.AL (Nunspeet).

Dit paard werd door collega B. R o e rn te Nunspeet ter kennis gebracht van
schrijver, die het dier onderzocht op 28 augustus j.1.
Negenjarige Geld. merrie Sedzana 23287 Sgld t, geboren 19 april 1953;
vos, zeer stekelharig, bles, achter hoog gelaarsd.

Vlekjes op de oorschelpen, hals, ribwand en beide flanken. Een vlekje zo;
groot als een dubbeltje op de ribwand werd geschoren: de huid eronder
was ook pigmentloos. Volgens de eigenaar zijn de vlekjes een paar jaar
geleden opgetreden. In de stamboom vinden wij wederom een paar oude
bekenden, n.1. de hengsten Amburg en Rigisnumd, waarvoor verwezen
wordt naar de stamboom van Ursily. (M e ij e r, 1962 a). (zie foto 5)

B. Vroegtijdig erfelijk vergrijzen (canitie précoce, familiale, héréditaire).

Ter inleiding een geval door de huisdarts E p h r a i m (Elsevier\'s Wbl. 7
okt. 1961) te New-York gerapporteerd „over een man, die in zes weken
tijds na een
ongeval geheel grijs werd. De man kreeg na het ongeval vitiligo,
een huidziekte, waarbij het pigment, de huidkleurstof, verloren gaat. Overal
kreeg hij witte plekken en zijn haar verloor de oorspronkelijke bruine kleur
en werd grijs-wit".

Het grijs worden van zwartbonte runderen wordt zeer frec|uent waargeno-
men. (foto 6)

Het is de veehouders bekend, dat het \\erschijnsel erfelijk is. Het wordt
vaak bij goede produktiedieren gezien, waarmede men om die reden door-
fokt. Het verschijnsel werd door mij — to dusverre — slechts gezien bij het
zwartbonte vee, evenals trouwens de vitiligo. Nu is het wel van nature las-

-ocr page 445-

tiger liet wit worden van de huid en haren te constateren bij onze rood-
bonte M.R.IJ.-runderen, niet hun vele wit en cle grillige verdeling van de
witte en de gepignienteerde huidgedeelten.

Wat de Groninger zwartblarev betreft, heb ik een onderzoek ingesteld op
de bedrijven van enkele zwartblaarfokkers in de provincies Utrecht en Zuid-
Holland. Een gering fysiologisch vergrijzen kon af en toe worden waar-
genomen in de blaren om de ogen. Grijze families werden niet waarge-
nomen; echter zou men uit de mededeling \\ an de eigenaai/Stamboekfokker
(de hr. H.M. te L.) de conclusie kunnen trekken, dat deze families „wel
\\oor kunnen komen".

-ocr page 446-

Poliose-vlekken, in de vorm van witte ringen werden wel waargenomen,
(zie foto 7)

De voorlopige indruk is, dat zwartblaar niet in die mate met erfelijk vroeg-
tijdig vergrijzen behept is als zwartbont.

De vatbaarheid voor eczema solare is bij zwartblaar even groot. De pro-
cessen zijn beperkt tot kop, ondervoeten en witte delen \\ an uier en spenen.
Dit laatste berust op mededelingen van collega J. H. v a n V u g t te Woer-
den en veehouders uit de streek. Hierbij veroorloof ik mij te verwijzen naar
de passage over eczema solare in de bijdrage van M e ij e r en Van der
E ij k (1961a) en wel in het bijzonder omdat de handelswaarde \\-an de
door de ziekte aangetaste huid naar het mij wil voorkomen, niet onbelang-
rijk zal zijn gedaald.

Hieronder worden drie gevallen beschreven van vroegtijdig vergrijzen bij
zwartbonte runderen.

EERSTE GEVAL, in het bedrijf van de heer A. te B.

Het bedrijf werd door schrijver bezocht op 5 maart 1962 met bet oog op de
jaarlijkse mond- en klauwzecrinenting. De grijze kop van de stammoeder
viel direct op. De eigenaar zei mij: „Het zit in het soort" en liet de nakome-
lingen zien.

De stammoeder — met H2 op bijgaande stamboom aangegeven — bad op
de overgang van de neusrug en de neusspiegel een pigmentloos vlekje. Dit
vergrijzingsgeval is derhalve een overgang naar vitiligo. Dc stamboom van
dit dier is als volgt:

Stamboom

behorende bij het bedrijf van de heer A. te B.

H is in oktober 1960 aan
kopziekte gestorven; zou
geheel grijs geweest zijn.

115: geboren 1956
ringvormige vlek op
neus (foto\'s 10 en

in

H4: geboren 1955

H11 : geboren
februari 1960

H19: geboren
31 dec. 1960

H7: geboren
januari 1957

N.B. Al deze dieren vertonen min of meer duidelijke verschijnselen van vroegtijdig
erfelijk vergrijzen.

Het twee maanden oude kalf H 19 had al een grijze vlek op de ribwand.
Volgens de fokker zijn alle kalveren in deze familie bij de geboorte rood-
achtig; van kleur.

H2: geboren 1952 had
pigmentloos vlekje op neus-
spiegel (foto\'s 8 en 9)

^ H6: geboren 1957

-ocr page 447-

TWEEDE GEVAL, in het bedrijf van de heer F.R. te E.

Dit geval was evenzeer cen toevallige vondst bij een bezoek op 13 april j.1.
De stammoeder K., geboren in 1948, bad op de neusrug en vooral op de
rccbter kcelvlakte, zeer veel grijs haar, hetwelk ook o]3 hals en romp voor-
kwam. Zij heeft één dochter met grijs haar en één kleindochter had reeds
bij dc geboorte grijze vlekken op de ribwand. (foto 12)

-ocr page 448-

Collega L. C. B 1 a n k e n te Breukelen vestigde mijn aandacht op dit zeer
frappante geval van vroegtijdig grijs worden bij de koe C, geboren 8 nov.
1956. Het bedrijf werd bezocht op 19 april 1962 en de fokker deelde mede,
dat de koe bij de geboorte en gedurende de jeugd „nogal zwart was ge-
weest, doch langzamerhand grijs begon te worden". Bij dit proces waren de
grijze haren „in vlekken opgetreden".

Het geval vormt wederom een overgang naar vitiligo, want nadat ojj de
linker halsvlakte een stukje was kaal geknipt, bleek de huid er onder ook
pigmentloos te zijn. De oorspronkelijk scherpe afgrenzing tussen zwart en
wit schemerde nog zwak door, gelijk men zien kan, wanneer men de .schets
van C vergelijkt met de foto no. 13.

-ocr page 449-

Het spaarzame zwarte haar, dat deze koe bezat, bevond zich op de tussen-
hoornkam, op de beide oorschelpen en o[j de linker voorknie. Het dier was
nooit ziek geweest en was een goede jDrodiiktiekoe. Zij heeft bij weidegang
geen last \\an het zonlicht gehad.

De bijna algehele depigmentatie \\an de neusspiegel was bijzonder frappant.
Slechts enkele pigmentvlekjes waren overgebleven. Het was dat wat de
Duitsers „KrotenmauF" noemen.

Het geval is derhalve een duidelijke combinatie van hevige vitiligo en vroeg-
tijdig erfelijk vergrijzen.
De moeder van C., genaamd A., geboren op 4 nov.
1954, heeft een grijze vlek op het knus rechts. De grootmoeder heeft een
normaal uiterlijk.

-ocr page 450-

De vader S. staat op de K.I.-vereniging te B. (inclusief andere plaatsen).
Hij werd op de centrale stierkeuring 1959 bekroond met 1 B als oudere stier
(geboren 1952). Deze stier werd door mij onderzocht op 20 april j.1. Het
dier heeft diudelijke verschijnselen van vroegtijdig erfelijk vergrijzen (ca-
nitie précoce familiare héréditaire) in de vorm van onscherpe afgrenzing
tussen de zwarte en de witte robe-partijen, hetgeen de \\ eehouders „blauw
worden" noemen.

Verder heeft dit dier een vitiligo-achtige vlek op de schouder rechts en
op vrijwel identieke wijze als de koe II 5 (zie stamboom en foto no. 10).

Op grond van het totaal van het \\erzamelde materiaal, kimnen wij conclu-
deren, dat vitiligo en vroegtijdig erfelijk \\ergrijzen
in elkaar kunnen over-
gaan
en dat veelal geen scherpe grens tussen de twee verschijnselen te trek-
ken valt. Deze conclusie be\\estigt dcrhah-e betgeen reeds in mijn laatste
publikatie werd gesteld (Meijer, 1962 a).

De witte koe C. kreeg dus zowel van vaders-, als van moederkant, de domi-
nante factoren mede.

Welke troost ktumen wij nu geven aan de fokkers \\an deze z.g. „blauwe
families"? Schrijver\'s portie troost is maar betrekkelijk gering. Hierbij leg ik
drie [Junten ter overweging voor:

le. Wat betreft de geschiktheid voor melkproduktie: deze behoeft niet ge-
leden te hebben. Wel dient men zich hierbij te realiseren, dat speciaal
vitiligo een reeks van ncrxeuze -hormonale storingen ten grondslag
kan hebben, welke met minder gewenste syndromen gepaard kunnen
gaan, zoals:
alopecia (M e ij e r, 1962 a). Voorts moeten wij mineralen-
gebrek en b.v. thallium\\crgiftiging kunnen uitsluiten (tballiiun in
rattengif).

Wat het vroegtijdig erfelijk vergrijzen betreft, Desaux (pag. 4) heeft
t.a.v. de mens geconstateerd, dat dit verschijnsel in zeer gezonde en
robuste families optrad, waarvan de leden gemiddeld een hoge leeftijd
bereikten (longue-vité). Ik zie geen reden, waarom dit voor de run-
deren en paarden anders zou zijn.
2e. Echter staat het voor mij vast, dat de geschiktheid voor de
export van

-ocr page 451-

deze individuen verloren is gegaan. Het is geenszins mijn bedoeling om
de alarmklok te luiden en evenmin om „bet kind met het waswater te
doen weggooien", zoals K i n g m a (1961 ) schreef, doch wèl om onze
zoötechnici nogmaals te waarschuwen tegen het voortzetten van de
arbeid met factoren, waai-van men de gevolgen niet kan overzien, In
het algemeen zou ik deze kleurafwijkingen en eveneens teveel wit in
bont, ongunstig beoordelen. Het is n,l, zo, dat het M,R,IJ,-vee, zowel
in Brabant, als in Gelderland, reeds vele families ople\\\'ert, welke zeer
wit fokken.

Op de oren en om de ogen is nog wat pigment overgebleven, waardoor
deze dieren veel gelijkenis met albino\'s gaan vertonen,

,3e, VS\'anneer het aan de gang zijnde depigmentatieproces niet spoedig door
selectie zou worden belet, dan verwacht schrijver voor de toekomst:
dat de bontheid in de op\\ olgende generaties steeds meer de neiging zal
gaan vertonen \\ an \\ erbleking en steeds witter te worden. De beoorde-
ling van de constitutie van dergelijke dieren met behulp van de haar-
kleur, wordt dan wel bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk. Ook het
stellen van de diagnose „mineralen-tekorten" wordt daardoor bemoei-
lijkt.

Overwegende tenslotte, dat G ö r 1 bij de mens een „antéposition", een
versneld optreden \\an vitiligo in de opeenvolgende generaties consta-
teerde, meent scbrij\\er verantwoord te zijn deze waarschuwing uit te
spreken.

Met deze bijdrage is mijnerzijds xoorlojjig de laatste publikatie geleverd

betreffende het vraagstuk van de depigmentaties bij rund en paard; het ver-
zamelen van gege\\ens zal uiteraard worden voortgezet.

CONCLUSIES EN S.AMENVATTING.

1. De depigmentatievenschijnselen bij de mens en bij de grote huisdieren paard en
rund zijn identiek, zowel wat betreft enkele oorzaken van ontstaan, als de erfelijk-
heid. De toename van het pigment, bij de mens geconstateerd rondom de door
vitiligo aangetaste plaatsen, is bij paard en rund (nog) niet waargenomen. Dc
lichaamsdelen waarop deze afwijkingen optreden, zijn bij mens, paard en rund
identiek.

2. Vitiligo, vroegtijdig erfelijk vergrijzen en stekelharigheid gaan vaak samen en
kunnen in elkaar overgaan. De genoemde afwijkingen berusten op erfelijke fac-
toren.

.3. Wat door dc rundveehouders in bepaalde delen van Nederland „blauw" genoemd
wordt, komt zeer frequent voor en is vroegtijdig erfelijk vergrijzen.

4. Het is gewenst, dat bij de beoordeling van onze fokdieren, zowel bij paard als
rund, mccr rekening wordt gehouden met deze depigmentaties.

5. Het is gewenst, dat speciaal bij het M.R.IJ.-vee, cen einde wordt gemaakt aan de
steeds verder voortschrijdende „albinisering".

SUMMARY.

1. Decolorations of hairs and skin of man, horses and cattle are identical relative
to origin and heredity. Hyperpigmentation around vitiliginous spots as observed
in man, were so far not reported in horses and cattle. The skin-areas where these
decolorations bccome visible are identical in man, horses and cattle.

2. Vitiligo, precocious hereditary greying and grey hairs, combine frequently and
conversion is possible.

3. Precocious hereditary greying is frequently found in Frisian-Holstein pieblack
cattle. Breeders in Holland have a name for the anomaly and call it „blauw"
(blue).

-ocr page 452-

4. For a good judgement of breeding animals, it seems necessary to take these deco-
lorations into consideration.

5. It seems desirable to eliminate the near-albino\'s as regards the breeding of the
pie-red Maas-Rhine-Yssel-cattle.

RÉSUMÉ.

1. Les dépigmentations de la chevelure et du cuir chevelu de l\'homme et des grands
animaux domestiques, cheval et vâche, sont identiques concernant l\'actiologie et
l\'hérédité. Hyperpigmentation autour des tâches vitiligineuses, constatée chez
l\'homme, n\'est pas encore observée chez cheval et vâche. Les parties du corps où
se manifestent ces anomalies, sont identiques chez l\'homme, le cheval et la vâche.

2. Vitiligo, canitie précoce familiale héréditaire et poils gris s\'accompagnent souvent
et peuvent
r.e passer mutuellement.

3. Canitie précoce familiale héréditaire est très fréquente chez les vâches pies-noires
en Hollande. Les fermiers ont donné un nom à cette anomalie: „blauw" (bleu).

4. Pour un jugement solide des animaux d\'élévage, il est nécessaire de tenir en
compte ces dépigmentations.

5. Chez les vâches pies-rouges: Meuse-Rhine-Yssel, il est désirable d\'éliminer les
presque-albinos.

ZUSAMMENFASSUNG.

1. Die Entfärbun.gen der Haare und Haut beim Menschen und .groszen Haustieren
Pferd und Rind, sind identisch in Bezug auf Aetiologie und Erblichkeit. Hyper-
pigmentation ringsum den vitiliginösen Flecken ist beim Mensch bekannt, wurde
jedoch beim Pferde und Rinde (noch) nicht festgestellt. Die Hautstcllen, wo
diese Anomaliën auftreten, sind identisch beim Mensch, Pferd und Rind.

2. Vitiligo, vorzeitig erblich Er.gauen und Stichelhaare gehen oft zusammen und
können in einander übergehen.

3. Vorzeitig erblich Ergrauen ist sehr häufig beim Schwarz-buntem F.H. Rind. Die
Züchter haben einen Namen für diese Anomalie: blau.

4. Zur zweckmäsziger Beurteilung der Zuchttieren ist es notwcdig diese dcpigmen-
tationen in die Rechnung hineinzutragen.

5. Beim rot.geschecktem Maas-Rhein-Yssel-Vieh ist es durchaus erwünscht die fast
ganz weisse Tiere nicht weiter für die Zucht zu benutzen.

LITERATUUR

Burns, M a r c a B. Sc.: The Genetic of the Dog. Technical communications no. 9
of the Commonwealth Bureau of .Animal Breeding and Genetics, Edinburgh, 1952.

Cole, J. L., Van Lone, E. E. and Johansson, I. : .Albinotic Dilution of Co-
lour in Cattle.
J. Heredity, 25, (1954).

D c s a u X, .A. : .Affections de la chevelure et du cuir chevelu. Masson & Cie, Paris,
1953.

D u e rs t, J. U.: Grundlagen der Rinderzucht. Julius Sprin.ger Verlag, Berlin, 1931.

Meij er, W. C. Ph.: Vitiligo. Tijdschr. Diergeneesk., 85, 592, (1960).

M e ij e r, W. C. Ph. en E ij k, W. van der: Vitiligo bij een zwartbontc F.H.-
stambockvaars.
Tijdschr. Diergeneesk., 86, 537, (1961a).

M e ij e r, W. C. Ph.: Vitiligo bij het paard, de z.g. „Neigeures". Tijdschr. Dier-
geneesk., 86, 1021, (1961 b).

M e ij e r, \\V. C. Ph. : Vitiligo bij paarden en runderen. Tijdschr. Diergeneesk., 87,
411, (1962a).

Meij er, W. G. Ph.: Das Bali Rind. Die neue Brehm Bücherei, H 303, (1962b).
(A. Ziemsen Verlag, Wittenberg, Lutherstadt)

K i n g m a, S. N.: Fokkerervaringen en fokkersinzichten. Med. Frics Rundvcestam-
boek, febr. 1961, no. 158.

Toepoel: Honden-encyclopedie, 2e druk, H. J. W. Becht, Amsterdam.

W i d m e r, H. : Kritische und experimentelle Studien über die Pigmentierung des
Integumentes. Arb.dtsch Gesellschaft Züchtungskunde, Heft 25, Verlag Schaper,
Hannover 1923.

-ocr page 453-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Prosthesis of the lower bill in on African Ground
Hornbill.
i Bucorvus leadbeateri)

by J. C. PETERS\')

From the Royal Rotterdam Zoo „Blijdorp", Rotterdam.

On September 11th 1957 the case was presented to me. Nearly 2 3 of the
total length of the lower bill had broken off. (Photo 1)

Cutting the upper bill to the corresponding length, the usual treatment
in similar cases, should have caused too serious a malformation of the bird.
So 1 tried a repair by driving a vanadium steel bone screw in the stump,
fixing the fragment with stainless steel wire and reinforcing the whole with
a metal splint.

.\'\\lthough at first a normal function without considerable disfigm-ement
was obtained, the result proved unsatisfactory, owing to the lack of solidity
of the split fragment.

J. C. Peters, Veterinary Surgeon in private practice, engaged to the Royal Rot-
terdam Zoo „Blijdorp", Walenburgerweg 51, Rotterdam.

-ocr page 454-

So I decided to replace the lost end of the bill by a plastic prosthesis and
I am much indebted to the staff of the Dental Laboratory „Halvax" at
Schiedam, who kindly and skilfully cooperated in manufacturing and fit-
ting the prosthesis.

A wax impression of the lower bill with the fragments held in jxisition was
made first. This was enlarged at the site of the fracture. Now the plastic
prosthesis was made. The proximal end was about one inch and a half
longer than the broken off piece and somewhat larger and hollow, in order
to fit like a cuff over the stump and leave room for the protruding end
of the bone screw.

After a short treatment in order to obtain a dry and sterile surface of the
bony stump, the hollow end of the prosthesis was filled with a fluid plas-
tic (polimerising at room temperature) and placed over the stump. In a
short time the fluid plastic hardened and fixation was completed by a
vanadium bolt and nut transversally through prosthesis and stump. Later
on, the bolt was replaced by short vanadium screws, in order to avoid
disturbing the growing of the horny sheet. In this way the normal function
was completely restored with satisfactory esthetic result.

Now, 4/2 years later, the bird, that ate normally and kept in ]3crfect con-
dition, lost the gradually worn off remainder of the prosthesis and the
lower bill proved to have grown to its normal length.

-ocr page 455-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

BRUCELLOSE-BESTRIJDING IN ZWEDEN.

B j ö r k m a n, G. and Bengtson, H.: Eradication of bovine brucellosis in
Sweden, ƒ.
Am. vet. med. Assoc., 140, 1192, (1962).

In de dertiger jaren was de toestand van de Zweedse rundveestapel wat de Brucel-
lose betreft, zeer ernstig, de jaarlijkse schade bedroeg ongeveer 30-40 miljoen Kronen
(1 Zw. Kr. = ± 70 cent).

In 1943 vormden regeringsmaatregelen de basis voor een bestrijding op grote schaal;
de deelname aan de bestrijding was eerst vrijwillig en stond open voor individuele
bedrijven of coöperatieve melkfabrieken. De dierenartsen ontvingen speciale instruc-
ties over de sanering van de rundveebesla.gen, apart stallen van geïnfecteerde dieren
en de voorzorgen, die genomen moesten worden bij het afkalven. Binnen enkele jaren
waren alle leden van de coöperatieve melkfabrieken (ongeveer 90% van de Zweedse
veehouders) aangesloten bij de abortus-bestrijding.

De eerste A.B.R.-proeven op de busmonsters, in alle melkfabrieken in 1944 uitge-
voerd, toonden aan dat 6% van alle veebeslagen geïnfecteerd was. Het noordelijk
deel van Zweden was praktisch abortusvrij, terwijl in de zuidelijke provincies het
percentage besmette bedrijven 1 tot 20 bedroeg; de .A..B.R. werd 2 tot 3 keer per
jaar uitgevoerd.

Van de besmette bedrijven werd zo spoedig mogelijk bloed getapt, een titer hoger
dan 1 :20 werd als positief beschouwd. Proeven wezen uit, dat een agglutinatietiter
van 1:10 veelvuldig door een aspecifieke reactie werd veroorzaakt.
De bloedmonsters met een dubieuze titer van 1 :20 werden nader onderzocht, waar-
voor de C.B.R. werd gebruikt; bij positieve C.B.R. werd het dier als besmet be-
schouwd.

ƒ. Schema voor sanering van bedrijven.

De bedrijven werden onderscheiden in twee rubrieken aan de hand van de klinische
symptomen.

a. Bij chronische brucellose (weinig reactoren en geen aborteerders) werd geadvi-
seerd de dieren afzonderlijk te laten afkalven. Grondige desinfectie van de kalf-
stal direct na de partus en bacteriologisch onderzoek van de secundinae. Was dit
onderzoek positief, dan werden de kalveren direct geslacht. De verdere controle
in deze bedrijven werd met de A.B.R. in busmelk uitgevoerd,

b. In pas-besmette beslagen werd veel gebruik gemaakt van de entstof met Strain 19,
na het vaststellen van de besmetting werden oorspronkelijk
alle kalveren boven
4 maanden
en de guste koeien gevaccineerd. Later werd de enting van de kal-
veren naar een oudere leeftijd verschoven, maar men acht de leeftijd van 4 tot 6
maanden het meest gewenst.

Elk kalf werd slechts éénmaal geënt, voor de enting was toestemming van de
Veeartsenijkundi.ge Dienst nodig.

De eigenaars van de nieuw besmette beslagen werd de zorgvuldige en herhaalde
desinfectie van de stallen aangeraden, vooral na aborteren. Wanneer dieren aan
het beslag moesten worden toegevoegd, werd aangeraden deze uit een stal met
chronische brucellose te betrekken, omdat men hoopte, dat deze dieren weer-
stand zouden hebben verkrc,gen. Ook konden deze eigenaars kalveren kopen uit
abortusvrije bedrijven, mits deze dieren zo spoedig mogelijk werden gevaccineerd.

II. Streekprogramma.

Wanneer de brucellose op de bedrijven behoorlijk was teruggedrongen, werd een
streekprogramma opgesteld; bepaalde .gebieden werden als abortusvrij bestempeld.
Naar deze gebieden mochten alleen runderen van abortusvrije stallen worden ver-
voerd, waartoe deze dieren van een certificaat moesten zijn voorzien.

-ocr page 456-

In 1947 waren de eerste gebieden abortusvrij, voor de laatste niet-abortusvrije kop-
pels werd afslachting verplicht gesteld.

In 1953 werd dit systeem verplicht voor alle gebieden m Zweden; het gehele onder-
zoek op abortus werd tegelijkertijd gratis voor de veehouders.

Van 1944 tot 1948 werden per jaar 3 ä 400.000 bloedmonsters en 400.000 busmonsters
met A.B.R. onderzocht, terwijl 15 ä 20.000 foeti en secundinae bacteriologisch onder-
zocht werden. In deze periode werden 16.000 besmette beslagen ontdekt, waarvan er
in begin 1948 nog 10.000 over waren. Op 1 januari 1950 waren nog 4.000 stallen
besmet, aan het einde van dit jaar waren het er nog 2.300 (d.i. minder dan 1%
van het aantal beslagen). In de loop van het jaar 1951 werd het enten van de kal-
veren gestaakt.

In 1954 waren cr nog 31 beslagen met abortus, in 1957 nog slechts 3. Sinds april
1962 zijn er geen gevallen van besmettelijk verwerpen of positieve A.B.R.-reacties
mccr gevonden, de controle op de abortus werd daarom met ingang van 1 juli 1961
vereenvoudigd in die zin, dat alleen de secundinae en foeti van verdachte verwerpers
worden onderzocht; het
regelmatig bloed- en melkonderzoek vindt niet meer plaats.
De totale onkosten van het uitroeien van de abortus bedroegen iets meer dan 22
miljoen Kronen, dat is dus veel minder dan het verlies per jaar omstreeks 1935.

/. H. ter Heege Gzn.

ANTIGEENVERWANTSCHAP TUSSEN GASTHEER EN ZIEKTEVER-
WEKKER.

J e n k i n, Ch. R.: An .Antigenic basis for virulence in strains of Salmonella typhi-
murium. J. exp. Med.,
115, 731, (1962).

Een van de fundamentele vraagstukken op het gebied van relatie tussen gastheer en
verwekker van besmettelijke ziekten is waarom dc ene soort gevoelig is voor be-
paalde pathogene bacteriën, terwijl andere, soms naverwante diersoorten, in hoge
mate resistent zijn.

Op grond van recente onderzoekingen hebben Rowley en Jenkins de ver-
onderstelling gemaakt dat de gevoeligheid van muizen voor
Salmonella typhimurium
het gevolg is van cen antigcengclijkheid van gastheer en parasiet. Dit antigeen, dat
een ei,gen component van de muis is, belet de vorming van specifieke antilichamen
cn
Opsoninen, die op dit antigeen gericht zijn en dus ook werkzaam tegen de be-
trokken virulente stam. Sera van diersoorten die van nature resistent waren, b.v.
ratten, konden deze muizen bescherming verlenen.

Verder bleek dat indien rattemacrofagen werden behandeld met muizeserum, deze
hun fagocytcrend vermogen hadden ingeboet, terwijl op hun beurt muizemacrofagen
door rattescrum geactiveerd werden.

In varkensscrum waren twee soorten opsoninen, één voor avirulente en één voor viru-
lente
Salmonella typhimurium. In een uitvoerig onderzoek werden de eigenschappen
van de opsoninen van muis cn varken nader bestudeerd.

(N.B. Eén en ander heeft natuurlijk niets of weinig uit te staan met de antigenen
die cen rol spelen bij dc determinatie. Ref.)

C. A. van Dorssen.

Farmacologie en toxicologie

STOFWISSELING VAN HEXACHLOROFEEN BIJ KONIJNEN, RATTEN EN
RUNDEREN.

W i t, J. G. and Gcnderen, H. van; Some aspccts of the fate of Hcxachlorophcne
(2,2\' methylcne bis (3,4,6 trichloro phenol)) in rabbits, rats and dairy cattle.
Acta
Physiol. Pharmacol. Neerlandica, 11, 123, (1962).

De bedoeling van dit onderzoek was om aan de hand van de excretie van hexa-
chlorofcen na te gaan in hoeverre cr kans bestaat op residu in vlees en organen bij
slachtvee, wanneer de dieren korte tijd na of tijdens de behandeling met deze stof
worden geslacht.

-ocr page 457-

Aan konijnen en ratten werd oraal met C14 radioactief gemerkt Hexachlorofcen toe-
gediend (15 mg/kg en 50 mg/kg). Koeien werden oraal behandeld met een niet-
radioactief preparaat (15 mg/kg).

Uit de resultaten is gebleken, dat bij konijnen een kwantitatieve excretie van de radio-
activiteit plaats vindt. Hierbij werd .gevonden, dat de verbinding voor ongeveer 1/3
onveranderd in de urine verschijnt, voor ongeveer 1/3 in onveranderde vorm uit de
faeces kan worden geïsoleerd, terwijl het resterende deel als onbekende radioactieve
fractie in de faeces voorkomt. Aan de hand van de experimentele gegevens kon bij
een dosering van 15 mg/kg een biologische halfwaardetijd van ongeveer 18 uur worden
berekend. Dit houdt in, dat de verbinding en zijn omzettingsprodukten 5 dagen na
orale toediening nagenoeg uit het lichaam verdwenen is. Bij ratten was geen volledige
recovery mo.gelijk. Wel bleek, dat in de urine na.genocg geen hexachlorofcen werd
aangetroffen. In de faeces verschijnt ongeveer 2/3 van de dosis, v/aarvan de helft
onveranderd hexachlorofcen. Bij runderen werd geen onveranderd hexachlorofcen
in de urine en melk gevonden. In de faeces verschijnt ongeveer 2/3 van de dosis als
hexachlorofcen of daaraan zeer nauw verwante verbindingen. Dc excretiepcriode duurt
5 da.gen.

Aan de hand van een analogie met konijnen en ratten wordt aan.genomen, dat in de
runderfaeces metabolieten van hexachlorofcen verschijnen naast de oorspronkelijke
stof. De onvolledi.ge balans bij de rat en het rund behoeft niet te betekenen, dat de
verbinding in het lichaam wordt achtergehouden, omdat onbekende metabolieten
in de urine (van ratten) en in dc urine en faeces (van runderen) kunnen verschijnen
en tijdens de zuivering, nodig voor de bepaling van hexachlorofcen, aan de analyse
ontsnappen.

J. G. Wit.

INTRAPERITONEALE GE.MEESMIDDELE.NTOEDIENING.

Swanbrick, A.: Intraperitoneal medication in Cattle, pigs and mink. Vet Rec.,
Ti, 1078, (1961).

Swanbrick past reeds 3 jaar intraperitoneale injecties toe met verschillende
.geneesmiddelen. In verband met hct in bedwang houden van het dier vindt hij dit
makkelijker dan intraveneuze injecties. Bij runderen zou dit kunnen zonder dat een
helper ze vasthield. Hij spuit b.v. calcium-borogluconaat-oplossing op deze wijze in
bij koeien met melkzickte, die nog staan maar wankel ter been zijn, wat de intra-
veneuze injectie bemoeilijkt. Hij geeft 20 of 40% oplossing van calcium-borogluconaat
en ook .gecombineerde injecties met „magnesium en phosphorus" (sic, Ref.). Ook
sulfas magncsicus ( ?, Ref.) spuit hij op deze wijze in, zelfs enige dagen achtereen.
Zo geeft hij ook intraperitoneale injccücs met natriumjodide bij actinomycose.
Bij een kalf dat met „calcium vcrsenate" was b<\'handeld werd bij operaUe na 24 uur
.geen rcacde van het peritoneum gezien.

Ook vermeldt schrijver intraperitoneale injecties met gluocse bij jon.ge bi.g.gen, terwijl
hondeziektevaccin bij nertsen ook door hem op deze wijze werd ingespoten. (Het
commentaar zij aan dc lezer overgelaten. Ref.)

C. A. van Dorssen.

Kunstmatige inseminatie

DIEPVRIEZEN VAN STIER-, RAM- EN BOKSPERMA.

K a 1 é V, C. et V é n k o v, T.: Sur la methode de congelation profonde du sperme
de taureau, de belier et de bouc.
Rapport IVe Int. Congres „Voortplanting bij
dieren", Scheveningen, 1961.

In een wat rommelig verslag wordt mededeling .gedaan over experimenten betreffende
het diepvriezen van stier-, ram- en boksperma. De geschiktheid om het sperma in te
vriezen wordt getest door de bestendigheid tegen koude na te gaan.
0,25 cm\'\' vers sperma werd 2-3 (?) uren op een temperatuur van 0-2° C (?) ge-

-ocr page 458-

bracht. Het sperma dat dan nog 30-40% rechtlijnig bewegende spermiën vertoont,
zou geschikt zijn om in te vriezen.

Er worden bcvruchtingsrcsultaten vermeld van 62,05% van 224 koeien, 55% bij
80 schapen en 32,6% bij 46 geiten.

S. W. J. van Dieten.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

DE „POUR ON" METHODE TER BESTRIJDING V.A.N RUNDERHORZEL-
L.^RVEN.

Sten del, \\V.: Zur dermalen .\'\\pplikation von Phosphorsäureestcrn bei der Be-
kämpfung des Dasscllarvenbcfalls der Rinder: die „pour on"-Methode mit C 1752
der Farbenfabriken Bayer .^G, Levcikussen.
Tierärztl. Umschau, 16, 320, (1961).
Een niet nader als „S 1752" omschreven organische fosforverbinding in vloeibare vorm
voldoet o.a. aan de volgende eigenschappen: dringt snel tot op dc huid door, ook
door een lang haarklccd en knn door de huid opgenomen worden. Bovendien is deze
verbinding werkzaam tc.gen alle stadia van de runderhorzcllarven. Door deze eigen-
schappen kan het rundvee met deze verbinding behandeld worden door eenvoudig
het middel over de rug uil te gieten zonder dat wassen of borstelen nodig is: „pour
on" methode. Bij 200 runderen, die overigens de behandeling goed vcrdrcK-gcn, was
het aantal larven met 99% verminderd.

]. Jansen Jr.

TOXICITEIT V.^N „HETOL" EN CCLi.

E i k m e i e r, H. und Kamel, S. H.: Experimentelle Untersuchungen über die
Verträglichkeit von „Hctol", einem neuen Leberegelmittcl, bei Schafen.
Tierärztl.
Umschau,
16, 79, (1961).

Bij 27 resp. 10 gezonde schapen werden de middelen tegen Fasciola hepatica „Hetol"
(1-4-bis-trichloormcthylbenzol) (150 mg/kg per os) en tetrachloorkoolstof (1 cm\'\',/5 kg
(! ?, Ref.), subcutaan) ondei-zocht wat betreft hun toxiciteit. Hiervoor werd uitvoerig
klinisch onderzock verricht alsmede een grote serie laboratoriumonderzockingen:
hemoglobinebcpaling, erytrocyten- en leucocytentcllingen, scrumciwitbcpaling enz. enz.
Toxische verschijnselen werden door dc toediening van „Hctol" niet waargenamen.
Na dc behandeling met CCU werden geringe, voorbijgaande symptomen van lever-
en nierbeschadigingen gezien.

ƒ. Jansen Jr.

Ziekten van het Kleine Huisdier

TETR.-XTHIOB.XRBM AL-N.\\RCOSE BIJ DE KAT.

B o r d c t, R., T O u b O u 1, S. ct .A, y m a r d, M.: .Anesthesie de Chat par un Douveau
Thiobarbiturique (Tctrathiobarbital ou Thionarccx).
Bull. Ac. vét. France, XXXII,
141, (1959).

Dit is, evenals kemithal, een kortwcrkend barbituraat. Schrijvers hebben lOOO katten
onder deze anesthesie geopereerd; cen groot deel hiervan waren ovariotomitën..
De toediening geschiedt intraveneus (vena saphena) en wel in 2,5% oplosiinjg. De
dosering is 17,5 mg per kg.

De injectie moet langzaam geschieden in verband met dc deprimerende wcikimg op
het ademhalingscentrum.

De duur van de narcose bedraagt 20-30 minuten. De narcose treedt snel op, zionder
cxcitade; de spierslapte is goed.

Het ontwaken gaat vlug, zodat de patiënt vlug weer meegegeven kan worcen naar
huis,

C. H. B. Tiumissen.

-ocr page 459-

HET BLOEDBEELD BIJ PERI-ANAAL TUMOREN BIJ DE HOND.

Leb eau gaat uit van de volgende gemiddelde differentiatie: lymfocyten 18,34%,
chez le chien.
Buil. Acad. vét. France, XXXII, 339, (1959).

Leb eau gaat uit van de vofgende gemiddelde differentiade: lymfocyten 18 34%,
monocyten 7,66%, polymorfkernige neutrofielen 68,70%, eosinofielen 4,9% baso-
fielen 0,4%.

Bij vier honden met adenomen van de anaalklieren werden geen afwijkingen waar-
genomen van deze leucocyten-formule. Vier dieren met maligne melanomen of huid-
carcinomen met ulceraties van de betreffende huid, gaven 91% polymorfkernige
neutrofiele leucocyten, 8% lymfocyten en 1% monocyten.

Bij drie dieren met carcinomen werden gevonden: 86% polymorfkernige neutrofiele
leucocyten, 3% eosinofielen en 11 % lymfocyten.

G. H. B. Teunissen.

Zootechniek

SALMONELLAE IN DIERLIJKE PRODUKTEN.

Morehouse, L. G. and W e d m a n, E. E.: Salmonella and other Disease - Pro-
ducing Organisms in .Animal by products. A Survey. /.
Arii. vet. med Assoc., 139,
989, (1961).

In een breed opgezet onderzoek van dc .Animal Disease Eradication Division werden
meer dan 1100 contacten gelegd met op het terrein van dierlijke produkten werkende
dierenarts-hygiënisten en onderzoek op het voorkomen van
Salmonellae in diervoeder-
middelen en de grondstoffen daarvoor, die eveneens van dierlijke oorsprong waren,
verricht. In ongeveer 12/^% hiervan werden
Salmonellae van 51 verschillende scro-
typcn aangetroffen.

Op grond van de resultaten van dit onderzoek durfden de schrijvers geen definitief
oordeel uit te spreken over de betekenis van deze bevindingen met betrekking tot
door deze produkten verwekte ziektegevallen.

Tegelijkertijd was bij een aantal (ruim 400) monsters ook onderzoek .gedaan naar
het voorkomen van andere pathogene kiemen.
In bijna 10% der monsters werden deze gevonden:

Staphylococcus sp. steeds in „complete feeds" (45%),
Bacillus anthracis in bccnder- en vismeel, wol cn geitchaar (37%),
Newcastle disease virus in alle onderzochte kippe-afvallen (8%),
Mycobacterium tuberculosis v. avium en Klebsiella sp.,
Candida albicans in dc overi.ge monsters.
In een onbekend aantal monsters werden, behalve enkele der genoemde micro-
organismen, nog
Clostridium botulinum en Erysipelothrix rhusiopathiae gevonden.
Enkele der belangrijkste conclusies van het onderozek, behalve de reeds eerder ge-
noemde, waren o.m. dat

1. meer onderzoek nodig is om dc betekenis van deze bevindingen nader te ana-
lyseren;

2. herbcsmetting, die na een pasteuriserende behandeling zeer frequent voorkomt,
voorkomen kan worden door ontwikkeling, voorlichting en voorschriften in de
betreffende industrieën;

3. naar een goede uniforme onderzoekmethode voor het opsporen van pathogene
kiemen gezocht moet worden;

4. de pathogeniteit der verschillende Salmonella-serotypen nader onderzocht moet
worden, alsmede het vermogen daarvan om tot dragers te infecteren.

]. H. ]. van Gils.

-ocr page 460-

BOEKBESPREKING

LEHRBUCH DER PHYSIOLOGIE DER HAUSTIERE.
Erich Kolb.

CV.E.B. Gustav Fischcr Verlag, Jena, 1962. 317 afb., 942 pag., prijs 70,- D.M.)

Zonder overdrijving kan ik het nieuwe leerboek een grote aanwinst noemen, temeer
daar wij niet verwend zijn op het gebied van leerboeken over de fysiologie van
de huisdieren.

Het nieuwe leerboek streeft naar een zekere volledigheid en is daar m.i. bijzonder
goed in geslaagd. Zonder de fysiologische chemie in extenso te behandelen wordt
onder het hoofdstuk „Algemene fysiologie" en de daarop volgende chapiters over
„Enzymen" en „Hormonen" cen goed overzicht van de moderne inzichten in de
materie gegeven. Een bijzonder woord van lof voor de behandeling van de voor dc
dierenarts zo belangrijke fysiologie van dc digestie en stofwisseling. Een uitgebreid
hoofdstuk over dc voeding als zodanig, geschreven door Prof. Kolb zelf, geeft een
voortreffelijke samenvatting van de voedingsleer der huisdieren. Een aansluitend
hoofdstuk over de digestie zelf geeft een logische overgang naar de intermediaire
stofwisseling.

Door dezelfde auteur zijn de chapiters over de „totale stofwisseling" en dc „warmtc-
regeling" bewerkt, zodat in alle opzichten een gaaf geheel wordt verkregen. Het
hoofdstuk over warmteregcling is modern bewerkt, waarbij tevens aandacht geschon-
ken is aan de invloed van het stalklimaat op de fysiologische processen. Het feit dat
een afzonderlijk hoofdstuk is gewijd aan de water- en de mineraalstofv/isscling maakt
dat het leerboek voor dc interessenten in voedingsleer en stofwisseling uitermate
waardevol is; niet alleen vcx)r studerenden doch ook voor vakgenoten, die in research
of voorlichting werkzaam zijn.

Bijzondere vermelding verdient verder het hoofdstuk over de „fysiologie van de
nier". In geen enkel ander leerboek voor veterinaire fysiologie is dit orgaan zo uit-
voerig besproken waarbij het functionele nicronderzoek volledig tot zijn recht komt.
Ook de nierfunctie bij het pluimvee is in de besprekingen betrokken cn ook bij dc
andere orgaansystemen is volle aandacht aan de vogels geschonken.
Het spreekt wel vanzelf dat de lactatie uitvoerig is behandeld waarbij in het bijzonder
de fysiologie van dc melkklier naar voren is gehaald en niet het zwaartepunt op de
samenstelling van de melk is gelegd. Een hoofdstuk over dc voortplanting en de
foetale fysiologie geeft aan het leciboek cen volledigheid die men bij weinig andere
zal aantreffen.

Het enige orgaansystccm dat cen weinig stiefmoederlijk is bedeeld is het centraal
zenuwstelsel, temeer daar de fysiologie van de hersenstam van zo grote betekenis is
voor dc interpretatie van stoornissen in de locomotie en het algemeen motorisch ge-
drag. Dc zintuigen zijn daarentegen weer uitvoerig besproken, vooral het vestibulaire
orgaan, terwijl aan het autonome zenuwstelsel cen meer dan gewone aandacht is ge-
schonken.

In het gehele boek komt het verband tussen de fysiologische prtKCssen en de waar-
nemingen in de kliniek goed tot zijn recht, hetgeen het boek tot cen echt veterinair
fysiologisch leerboek maakt.

Ik zou trouwens het woord leerboek liever willen vervangen door handboek, gelet
op de omvang van het geheel cn dit is ccn van de zeer weinige nadelen voor stu-
dentengebruik.

De afgestudeerde dierenarts, in welke branche ook werkzaam, zal in het leerboek van
Kolb vinden hetgeen hij zoekt of een literatuur\\-erwijzing die hem op weg kan
helpen.

Het boek is prettig leesbaar gedrukt, op goed papier en verlucht met talrijke duide-
lijke figuren cn grafieken, vaak met originele foto\'s, zodat het lezen van het hoofdstuk
over de speciale bewegingsleer een genoe.gen op zichzelf is.

C. Romijn,

J

-ocr page 461-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

40 JAAR ZUIDHOLLAXDS GROOT-YORKSHIRE VARKENSSTAMBOEK.
Ter gelegenheid van het veertig jarig bestaan van bovengenoemd Varkensstamboek,
opgericht in 1921, is een brochure verschenen, waarin, naast een historisch overzicht,
ook de resultaten van enige onderzoekingen worden vermeld. Dc samensteller is de
heer S, de Jong S z n., Hoofd-assistent A bij het Rijksveetceltconsulentschap voor
Zuid-Holland. Het stemt tot verheugenis, dat de heer De Jong zich niet beperkt
heeft tot louter een vermelding van een aantal ge.gevens, maar de cijfers ook van
commentaar heeft voorzien.

Men is indertijd gekomen tot de oprichting van een stamboek, omdat men van me-
ning was, dat de varkensfokkerij .geen vaste lijn vertoonde. De keuze viel op het
Groot-Yorkshircvarken.

Er werden in eerste instantie ingeschreven: 16 beren, 64 zeugen en 78 bi.ggen.
Enkele belangrijke punten uit de historie zijn mijns inziens dat er in 1930 een mest-
proef .gehouden werd, waarbij Groot-Yorkshirevarkens werden vergeleken met z.g.
bonte Leidse varkens, waarbij eerstgcnoemden duidelijk beter bleken. In 1932 werd
te Peursum een selectiemesterij opgericht.

Het aantal leden was tot 1933 on,geveer constant, maar in de crisisjaren (1935-1940)
kon men als lid van het stamboek wat extra bi.g,genmerken krijgen, en in de periode
1944-1949 mocht men soms enige zeugen meer houden, waardoor het aantal leden
sterk toenam. Na de opheffing van de beperkende maatregelen nam het aantal leden
weer vrij sterk af, momenteel schommelt het om de 1.400.

Merkwaardig is, dat vermeld staat, dat in 1948 voor het eerst beren op afstamme-
lin,gen worden gekeurd, terwijl in 1938 reeds een beer élitebcer werd.
In 1954 werd begonnen met het organiseren van cursussen in varkenshouderij; in
1958 werd een proef genomen met K.I. bij varkens: in 1959 begon de Provinciale
Gezondheidsdienst voor Dieren in Zuid-Holland een afdeling gezondheidszorg, spe-
ciaal voor varkens en in 1960 werd een begin gemaakt met de registratie van Piétrain-
varkcns.

Vergeleken met 1921 waren er in 1960 in Zuid-Holland in totaal ruim 10.000 var-
kens meer, nl. 270.000, waarbij het aantal bi.g.gen tot 6 weken in 1960 20.000 meer
bedroeg, en nu geste,gen was tot 67.000.
De top bevond zich in 1933, zie onderstaande tabel.
Enkele afgeronde .getallen:

1921

1933

1946

1960

Varkens beneden 6 weken
Mestvarkens
Fokzeugen
Dckrijpc beren

47.000
211.000

70.000
233.000
27.000
1.300

21.000
33.000
17.000
500

67.000
173.000
31.000
500

258.000

331.300

71.500

271.500

Aanvankelijk werden nog beren van onbekende afstamming ingeschreven. Van de
totaal in het stamboek ingeschreven beren (± 6.100) was % afkomstig uit Zuid-
Holland, de rest vnl. uit Utrecht (547), in mindere mate uit Noord-Brabant (260),
Noord-Holland (229) en Gelderland (228), de rest uit Zeeland (6), Limburg (1)
en Duitsland (2).

In het al.gemeen wordt in deze provincie weinig aandacht aan de beer besteed door
de varkensfokkers. Meestal laat men alles aan de beerhouder over, de fokker stelt
als belangrijkste eis: „als de zeug maar direct drachti.g wordt". Hiermede zal wel in
verband staan, dat deze provincie zo weinig éliteberen heeft voortgebracht, nl. tot
1961 slechts 3.

Aan 20 zeugen kon het predikaat élitezeugen worden verleend. Het aantal worpen dat
deze voortgebracht hebben varieert van 7 tot 14, het aantal geworpen bi.ggen van 75

-ocr page 462-

tot 187, het aantal grootgebrachte biggen van 56 tot 142, waarbij het percentage
grootgebrachte biggen varieerde van 62 nl. 84 van 135 tot 94, nl. 83 van 88.
Hoewel deze zeugen dus alle voldeden aan de minimum eisen, blijkt toch wel, afge-
zien van verschil in leeftijd, welk cen enorme variatie deze dieren nog vertonen. Het
geeft toch wel te denken, dat b.v. de ene élitczeug in 8 worpen 75 biggen gaf, waar-
van er 56 werden grootgebracht, dus gemiddeld 7 per worp; terwijl cen andere zeug
in 14 worpen 159 biggen produceerde en hiervan er 142 grootbracht, dus gemid-
deld ruim 10 per worp!

De vruchtbaarheid der zeugen.

Van ongeveer 14.000 zeugen werden van 1949 - 1954 de aantallen geworpen, groot-
gebrachte en gestorven biggen vergeleken, cn wel in verband met het worpnummer.
Hierbij bleek, dat de laagste sterfte, nl. 15%, plaatsvond bij de tweede worp, en de
hoogste bij de achtste of latere worp, nl. 30%. Het aantal grootgebrachte biggen is
het grootste bij de derde worp, nl. 10.2, tegenover de eerste worp 8.3.
Uit cen andere tabel blijkt, dat in de wintermaanden de sterfte der biggen het groot-
ste is, nl. van 20.5 tot 23.3%, tegenover de zomermaanden van 16.4 tot 19.—%.
Gemiddeld worden 12 biggen per worp geboren, hiervan sterven cr 2.4 dus 9.6 worden
er grootgebracht. Een sterfte percentage dus van 20%.

Schrijver breekt hierbij een lans voor betere huisvesting, o.a, ook het gebruik van
een lamp,

In tijden van hoge biggenprijzen zijn er varkenshouders, die de zeugjes op tc jonge
leeftijd laten dekken. De invloed hiervan op de vruchtbaarheid is niet gunstig: wan-
neer de zeug werpt voor de eerste keer als zij pas 10 maanden oud is, worden cr ge-
middeld 7.45 biggen grootgebracht, en op 16 maanden respectievelijk 9.19.
Het verschil met 12 en 14 maanden is echter niet evenredig groot; 8.31 respectievelijk
8.91.

Er wordt geen verklaring gegeven voor het getal 7.85, behorende bij 13 maanden.
De selectiemesterijen.

Deze bevinden zich te Giessenburg (voorheen Peursum) en er is ook nog een stal te
Giessen-Nieuwkerk. En doordat in deze stallen nog al eens ziekte optrad èn er ook
nog al vaak mcx?ilijkhcden met de groei waren, besloot het bestuur een nieuwe sclec-
tiemesterij tc laten bouwen in Zevenhuizen, ook al omdat men deze graag in eigen
beheer wilde hebben. Eerstgenoemde werd nl. beheerd door dc Coöperatieve Land-
bouwvereniging „Samenwerking" tc Giessen-Nieuwkerk, dc medewerking hiervan
ondervonden werd zeer gewaardeerd.

Er trad ook in Zevenhuizen vaak biggengriep op. Daarom heeft men er in 1959 een-
voudige landhokken gebouwd, waarin de biggen, vóórdat ze naar de stal van dc
selectiemesterijen gaan, enige weken moeten verblijven. Hierdoor treed er minder
ziekte op en de groeicijfers der varkens zijn beter. De vraag rijst wel, of men op
deze manier het milieu niet te goed maakt, met andere woorden krijgt men nog wel
een goed idee van de werkelijke variatie? (rcf.).

Momenteel wordt cr nog steeds door fokkers veel meer gelet op voederverbruik per
kg gcwichtstocnamc en op de dagelijkse groei, dan op de slachtkwaliteit, zeker niet
in de laatste plaats doordat het prijsverschil per kwaliteitsklasse nog zo gering is.
Er is cen interessante tabel op,gcsteld, aangevend het verband tussen voederverbruik
en voerkosten. Als minimum fungeert bij de mestperiode van 20 - 120 kg een voeder-
verbruik van 3.0 en een meelprijs van ƒ 28,- per 100 kg; de voederkosten bedragen in
dit geval ƒ 84,- per varken. Als maximum geldt cen voederverbruik van 4.4 en een
meelprijs van ƒ 34,-; dan bedragen de voederkosten ƒ 149,60, met andere woorden
ƒ 65,60 meer! Men hoopt binnen niet al te lange tijd te kunnen overgaan tot de
inrichting van een nieuwe selecticmesterij met individuele voedering.
Ook in Zuid-Holland is men in 1958 begonnen met K.I. bij varkens toe te passen.
Van 247 eerste inseminaties werd 55.8% van dc zeugen drachtig. Dit percentage ligt
aan de lage kant, in sommige andere provincies komt men reeds aan 65%.

-ocr page 463-

De gezondheidszorg beperkt zich niet alleen tot bestrijding van ziekten, uiteraard
door de praktizerende dierenartsen, maar ook in deze provincie uitgaande van de
Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren.

Daarnaast bestaat er ook de voorlichting op het gebied van de voeding, gecombineerd
met het Provinciale Veevoederburcau voor Zuid-Holland. Bij een onderzoek in een
drietal dorpen, nl. Wijngaarden, Papekop en Hoogmade, naar de voeding der var-
kens, vergeleken met de normen uit de kleine tabel van het Centraal Veevoeder
Bureau bleek, dat voor de varkens beneden 40 kg geldt, dat ongeveer 40% goed
werd gevoerd, ongeveer 25% te ruim en 35% te schraal.

Bij een schrale voeding kan dus de groei minder zijn, waardcK)r er minder vlees

Z W

wordt gevormd. Wel was meestal de verhouding- goed. Het gebeurde nog al

v.r.e.

eens, dat naast kaaswei, die een ruime verhouding heeft, n.1. 8.6 (boerderijwei) en
7.8 (fabriekswei) een te eiwitarm meel werd verstrekt. Dit meel moet minstens matig
eiwitrijk zijn.

Bij de varkens van 40-80 kg bleek ongeveer 35% goed, 45% te ruim en 20% te
schraal gevoerd te worden.

Z W

Te ruim betekent in dit geval: een te ruime- verhouding èn een te grote

v.r.e.

hoeveelheid. Naast kaaswei werd vaak een een eiwitarm meelmengsel verstrekt.
De varkens boven 80 kg vertoonden het volgende beeld:

33% goed, 40% te ruim, 27% te schraal. Opmerkelijk was, dat in een groot aantal

Z W

gevallen deze varkens een te nauwe verhouding tussen - ontvingen, meestal

v.r.e.

door het gebruik van een verkeerd mengsel.

Schaden zal dit niet, doch het rantsoen maakt men vaak iets duurder.
Is, financieel gesproken, een royale voedering gewenst?

Uit een proef in Drente bleek, dat men bij een royale voedering meestal wel een
snelle groei heeft, maar dat de winst per varken lager is.
Bovendien wordt ook de slachtkwaliteit ongunstig beïnvloed.
Als handleiding geeft schrijver voor de varkensmesters aan:

bij 20-30 kg 1.0 tot 1.3 kg meel, daarboven ongeveer 1 kg per 30 kg lichaamsgewicht.
Uiteraard dient daarnaast voldoende water te worden verstrekt.

Voeding van fokvarkens.

a. Jonge fokzeugen. 20% goed, 6% ruim, 74% schraal.

Z W

Bij ongeveer 50% was de verhouding ---normaal, bij 25% te ruim en

v.r.e.

bij 25% te nauw.

b. Oudere drachtige fokzeugen. 40% goed, 5% ruim, 55% schraal.

Z W

Verhouding - goed: 46%; ruim: 24%; nauw: 30%.

v.r.e.

De kans bestaat dat te schrale voedering een minder goede invloed heeft op het
geboortegewicht der biggen.

Omdat men in Zuid-Holland nog over te weinig gegevens beschikt, vermeldt schrijver
een aantal gegevens uit Denemarken. Deze betreffen echter Deense Landvarkens.
In het algemeen neemt de levenskans van een big toe, naarmate zijn geboortegewicht
hoger ligt. Biggen, die bij de geboorte 500 of 600 gram wegen, hebben een zeer
geringe levenskans. Wanneer zij 1.000 gram wegen, dan is de kans al 80%, en bij
1.400 gram al 93%. (Zelden sterft een big als big, die bij de geboorte 2.000 gram
weegt. Ref.)

Schrijver geeft het advies: „streef naar een geboortegewicht van de biggen van min-
stens 1.300-1.500 gram".

-ocr page 464-

Dit is o.a. te bereiken door de drachti,ge zeugen goed te voeren. Maar daannede is

men er nog niet, verder onderzoek op dit terrein is zeer gewenst.

De nu volgende gegevens hebben weer betrekking op Zuid-Holland.

.Aan de selectiemesterij te Giessen-Nieuwkerk bleek, dat naarmate de biggen bij het

opleggen — aangenomen dat zij even oud zijn — zwaarder zijn, zij ook sneller

groeien en de minste kans op uitval lopen.

Hierbij werd niet nader onderzocht, wat in dit geval de invloed op de slachtkwaliteit
is.

Volgens een Duits onderzoek zouden biggen, afkomstig van de eerste worp minder
snel groeien. Dit kan voor Zuidhollandse omstandigheden door schrijver niet worden
bevestigd.

Zogende zeugen.

Z W

Verhouding - goed: 52%; ruim: 30%; nauw: 18%.

v.r.e.

Vooral in de winterperiode werden de fokzeugen te arm gevoederd.
Op ongeveer 60% der bedrijven werd cen droogstraallamp toegepast.
Schrijver krijgt de indruk, dat het gebruik van de zeugenkooien afneemt.
Wanneer een lamp zich in cen hoekje van het hok bevindt, is een zeugenkooi ook
overbodig.

Schrijver raadt aan, zeugen enige dagen na de partus, twee maal per dag een eet-
lepel Engels zout te verstrekken, als laxans. Het bleek dat op slechts 10% der be-
drijven dit werd toegepast.

Tot slot nog een opmcrkin.g. Uit deze brochure blijkt niet of op de gepubliceerde
cijfers statistische berekeningen zijn toegepast, waardoor dus niet vermeld is of de
.gevonden verschillen ook inderdaad significant zijn. Niettemin ma.g men wel aan-
nemen dat bij het verzamelen van bovengenoemde gegevens de varkenshouders reeds
waardevolle adviezen konden worden verstrekt.

F. A. Neeteson.

PITZER STUDIEFONDS.

Het dagelijks bestuur van dc Hollandschc Maatschappij der Wetenschappen deelt
mede dat subsidies uit het Pfizer-Studicfonds beschikbaar zijn — in totaal een be-
drag van ƒ 10.000,- — ter bevordering van sociologisch-mcdischc en sociolo.gisch-
fannaceutische studies. Primair komen voor subsidiëring uit het Fonds in aanmerking
personen of Nederlandse instellingen, die wetenschappelijk onderzoek verrichten ten
aanzien van de factoren, welke een rol spelen bij de betrekkingen die onderling en
wederkerig waarneembaar zijn in en tus.sen dc groeperingen, betrokken bij dc me-
dische en farmaceutische zorg voor het Nederlandse volk. De onderzoekingen dienen,
indien mogelijk, uit te lopen op aanbevelingen welke kunnen leiden tot: a. conso-
lidatie van bestaande goede verhoudingen: b. verbetering van eventueel minder gun-
stige relaties.

Subsidies dienen ter bevordering van te verrichten of nog niet bcëindi,gde onder-
zoekingen, waarbij nieuwe en oorspronkelijke studies de voorkeur verdienen. Sub-
sidies worden niet verleend voor reeds afgesloten onderzoekingen, noch kunnen zij
ten dienste komen van onderzoek dat hetzij uitsluitend, hetzij in hoofdzaak, krijgs-
kundige belan.gen ten doel heeft.

Zowel in Nederland woonachtige natuurlijke personen, al dan niet leden van dc
Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen, als Nederlandse instellingen, al dan
niet rechtspersoonlijkheid bezittend, kunnen voor subsidies in aanmerking komen,
tenzij die personen of instellingen in zodanig gunstige omstandigheden verkeren, dat
zij dc kosten verbonden aan wetenschappelijk onderzoek zelf kunnen dragen.
.Aanvragen tot het verkrijgen van subsidies moeten vóór
1 maart 1963 aan de Secre-
taris der Maatschappij, Prof. Dr. Ir. R. J. Forbes, Spaarne 17 tc Haarlem, worden
gezonden met inachtneming van het vol.gende:

-ocr page 465-

De aanvrage geschiedt schriftelijk en moot behelzen:

a. de naam, voornamen, woonplaats en werkkring van de aanvrager, of wanneer
het een instelling betreft, een duidelijke beschrijving daarvan;

b. het doel waartoe de subsidie zal dienen:

c. een zo nauwkeurig mogelijke begroting of berekening der kosten;

d. al datgene, wat de reden van de aanvrage, zowel als dc omstandigheden waar-
onder de aanvrage geschiedt, nader in het licht kan stellen of aannemelijk maken;

e. een opgave van het vermoedelijk begin en einde der onderzoekingen;

f. een verklaring door de aanvrager, dat bij toekenning van subsidie, bij publikatie
van de resultaten zal worden vermeld, dat dit werk tot stand kwam door onder-
steuning uit het Pfizer Studiefonds en dat twee exemplaren van die publikatie
aan de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen ter beschikking zullen wor-
den gesteld.

VACATURES IN HET BUITENLAND.
Dierenarts voor Nieuw-Zeeland.

Bij „The Wellington Society for the Prevention of Cruelty to Animals" (P.O. Box
1725, Herd Street, Wellington, C.I.N.Z.) is plaats voor een dierenarts.
Nadere inlichtingen hieromtrent zijn te bekomen bij
Mevrouw Kuiper, St. Antonie-
laan 149, Arnhem
(tel. 08300-20128) of bij dc sccrctaris van bovengenoemde ver-
eniging.

ENGELS MOND- EN KLAUWZEERVACCIN VOOR .\\FRIKA.

De eerste zendingen van een levend mond- en klauwzecrvaccin, geproduceerd in het
Wellcome Laboratory in Pirbright, zijn op 16 augustus 1962 per vliegtuig naar
Z.W.-Afrika verzonden.

Dit vaccin beschermt runderen en schapen tegen S..\\.T.i-virus, het type dat nu voor-
komt in het Midden-Oosten en Europa bedreigt.

Het gebruik op grote schaal in Z.W.-.Afrika volgt op een testperiode, die de veili.g-
hcid en betrouwbaarheid van het vaccin bevestigde.

HET MOND- EN KLAUWZEER TOT ST.AAN GEBRACHT.
Intrekking van bestrijdingsmaatregelen, maar waakzaamheid blijft geboden.

Dank zij het gunstige verloop van de verscherpte actie tot bestrijding van het mond-
en klauwzeer, heeft de Minister van Landbouw en Visserij kunnen besluiten tot in-
trekking van de bestrijdingsmaatregelen, neer.golcgd in verbodsbepalingen, mot name
voor het vervoer van varkens en het houden van varkensmarkten.
Met ingang van 1 september 1962 werd derhalve dc schorsing van varkensmarkten
opgeheven en zal het vervoer van varkens — behoudens eni.ge bepalingen ten aanzien
van de ontsmetting van vee-auto\'s — niet meer aan beperkingen zijn gebonden.
Na de sprongsgewijze daling van het aantal .gevallen van mond- en klauwzeer in de
voorafgaande maand, hebben zich sedert 2 au.gustus j.1. geen nieuwe .gevallen van
deze besmettelijke veeziekte, die dc varkenshouderij in ons land teisterde en de Neder-
landse exportbelangen ernstig bedreigde, voorgedaan.

Daar het mond- en klauwzocrvirus nog steeds werkzaam is en de situatie met be-
trekking tot het mond- en klauwzeer in West-Duitsland niet gunstig kan worden ge-
noemd, blijft waakzaamheid echter geboden. De Veeartsenijkundige Dienst van het
Ministerie van Landbouw en Visserij heeft dan ook ter kennis van belanghebbenden
gebracht, dat bij de verheugende nieuwe toestand met betrekking tot het mond- en
klauwzeer in ons land, niettemin speciale ontsmettingsmaatrcgelen voor vee-auto\'s
voor het vervcM-r van varkens moeten worden gehandhaafd. Bovendien worden voor-
bereidingen getroffen om bij het onverhoopt optreden van nieuwe gevallen de be-
smettingshaard te kunnen isoleren door terstond een vervoersverbod in te stellen in
een beperkt gebied rond het besmette bedrijf.

-ocr page 466-

Behalve voor het eigen vervoer per trekker van varkens in aanhangwagens, dienen
auto\'s, die varkens naar cen markt vervoeren, hoogstens één dag tevoren tc worden
ontsmet, bij ander vervoer hoogstens drie dagen tevoren en bij vervoer naar een
slachtplaats bovendien direct na de lossing op de slachtplaats.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

SELECTIEMESTERIJEN 1961.

Het 29e verslag van de Commissie van Overleg voor de Varkenshouderij, tevens
belast met het toezicht op de Selectiemesterijen.

Het aantal onderzochte tomen bedroeg voor:
Nederlandse Landvarken 962

Groot Yorkshire 132

Piétrains 12

Voor de beide eerstgenoemde rassen is het .getal der onderzochte tomen iets kleiner
dan het jaar tevoren.

Het percentage premiewaardige tomen is bij het N.L.-ras vrijwel .gelijk gebleven, n.1.
72,0% (1960: 71,9%), doch bij het G.Y.-ras gestegen naar 70^8 (i960: 59,9%).
Deze resultaten hebben betrekking op de individuele en in groepen gevoederde dieren
gezamenlijk.

Op 1 selecdemcsterij wordt individuele voedering toegepast, n.1. te Lochem. In ver-
gelijking met de resultaten van de overige selectiemesterijen, die grocpsvocdering
toepassen, zijn de selectie-resultaten in Lochem duidelijk gunstiger.
De voorbereidingen voor de bouw van een tweede selecticmesterij met individuele
voedering te Someren (N.-B.), verkeren in cen gevorderd stadium, terwijl men in dc
westelijke provincies eveneens met deze gedachte speelt.

Behalve 237 N.L.-tomen werden in Lochem ook 5 G.Y.- en 2 Piétrain-tomen afge-
mest, welke alle 7 premiewaardig werden verklaard.

De N.L.-varkens worden nog steeds beoordeeld als bacon-varkens. De spreiding in dc
lengte is in de loop der jaren geringer geworden. Voortgaande selectie op dit punt
heeft geleid tot een hoger percentage met cen grotere lengte dan als ideaal beschouwd
wordt — dit wil zeggen langer dan 82 cm — n.1. 23,5% (1960: 19,4%).
Uit een duidelijke grafiek blijkt de gunstige wijziging in de vlees-vet-verhouding, die
zich in de loop der jaren bij de G.Y.-selectievarkens heeft voltrokken.
In 1935 vond men ongeveer 45% vlees en 47% vet, in 1961 kwamen men tot 55,4%
vlees en 36,1% vet (grocpsvocdering).

Bij de individueel gevoederde sckcticvarkens lag deze verhouding nog gunstiger,
nl. 56,9% vlees en 34,8% vet.

De Piétrain-varkens werden afgeleverd op een levend gewicht van ongeveer 95 kg.
Het vleespcrcentage bedroeg hier 59,9% (grocpsvocdering) tegenover 32,3% vet.
De 8 individueel gevoederde dieren kwamen tot 61,2% vlees en 31,0% vet.
Dc groei-snelhcid was bij de G.Y.-varkens het grootst (0,67 kg per dag) bij dc
Piétrains het geringst (0,56 kg per dag), terwijl de N.L.-varkens een tussen-positic
innamen. Bedacht moet hierbij worden, dat dc G.Y.-varkens gemest worden tot een
levend gewicht van 120-125 kg.

Opmerkelijk is, dat individuele voedering bij N.L.-varkens blijkbaar niet tot cen
hesere groeisnclheid leidt, doch bij G.Y.- en Piétrainvarkens wel.

Groei in kg per dag: N.L. G.Y. Piétrain

grocpsvocdering 0,62

0,67

0,56

individuele voedering 0,62

0,72

0,61

Het voederverbruik per kg groei wordt bij individuele

voedering

voor alle drie rassen

minder.

Voederverbruik per kg groei: N.L.

G.Y.

Piétrain

grocpsvocdering 3,22

3,40

3,40

individuele voedering 3,00

.3,14

3,27

-ocr page 467-

Om aan cle bezwaren, die sommige selectiemesterijen ondervinden bij de overgang
van A-meel naar B-mecl, tegemoet te komen, werden proeven genomen met meel van
andere samenstelling.

Het proefmengsel onderscheidde zich vooral van het normale mengsel, doordat er
ma.gere melkpoeder en lucerne-mecl in waren opgenomen, terwijl het gehalte aan
kopersulfaat van 0,045% was opgevoerd tot 0,75%.

Bij de gewijzigde samenstelling duurde de voorperiode langer, de mestperiode echter
korter. Dc gemiddelde groei per dag en het voederverbruik per kg groei waren gun-
stiger. Niet vermeld wordt of de overgang van A-mccl naar B-meel bij het gewijzigde
mengsel anders verliep.

Vermeldenswaard is tenslotte, dat een commissie werd ingesteld, die zal onder-
zoeken of er mo.gelijkheden zijn tot verbetering van dc selectiemethoden.

P. Tacken.

WORLD SGIENTHIC MEETLXG ON THE BIOLOGY OF TUNAS AND
REL.\\TED SPECIES.

La Jolla, Calif., U.S..A., één der mooiste kustplaatsen van de Pacific, herbergde dit
congres van 2-14 juli.

Plannen voor dit congres werden opgezet in oktober 1959 toen het Bestuur van de
F.A.O. vroeg aan de Visserijafdeling F.A.O. om een groep personen samen te roepen
met een speciale kennis van tonijnen.

Dit idee was een uitvloeisel van de succesvolle „Worldmeeting on Sardine Biology",
gehouden in Rome in 1959.

Dit was het eerste wetenschapplijke congres over tonijnen op internationale (wereld)
basis. Tevoren waren regionale vergaderingen gehouden. Van rcgerin.gswege was
ruime belangstelling en de sprekers konden in één der 3 werktalen (En.gcls, Frans,
Spaans) .gevolgd worden.

De F..\\.0. ziet in vis een groot vocdsclpotentieel voor het geschatte 2/3 deel der
wereldbe\\\'olking dat lijdt aan ondervoeding. Ofschoon water méér dan 70% van het
aardoppervlak bedekt is slechts een fractie van 1% van het menselijk voedsel, vis,
afkomstig van oceanen en zeeën.

Wanneer we het meest dringende probleem — het tekort aan dierlijke eiwitten —
voor de wereldbevolking in dc toekomst willen oplossen, dan moeten wegen .gevonden
worden om ht grote potentieel van de oceanen te benutten.

Nieuwe produkten als „fish protein concentrate" welke gemaakt kan worden o.a.
van kleine vis, die tot nu toe niet als menselijk voedsel gebruikt worden, moeten ont-
wikkeld worden.

Ter voorkoming van overbcvissing en om te weten hoe rijk de oceanen zijn aan
tonijn, waar ze kuitschicten etc., is het nodig om de vis tc kunnen identificeren.
Zes soorten grote tonijnen zijn vastgesteld: „Big Eye", „Ycllow-fin", „Albacore",
„Bleufin", „Blackfin" en „Targol". „Ycllow-fin" is op 7- of 8-jarige leeftijd oud en
bereikt een .gewicht van 270 Ibs. of meer.

De identificatie der vissen geschiedde door vergelijking van gemiddelde lengte, het
aanbrengen van merken en door middel van de nieuwste methode: bloed.groep be-
paling. Bij sommige vissen is het nodig binnen 2 uur bloed te nemen, terwijl andere
— op ijs bewaard — na 2 maal 24 uur nog .geschikt bloed leverden.
Verder zijn er veel waarnemingen nodig ter vaststelling van de factoren welke de
verplaatsing en concentratie van tonijnen beïnvloeden of regelen.
Waarnemingen omtrent voedsel, temperatuur van het water en de lagere luchdagen,
occaanstromingen etc. dienen op grote schaal genomen te worden. Niet alleen door
wetenschapsmensen, maar ook door daarvoor opgeleide vissers, zodat veel gegevens
verkregen worden zonder hoge kosten.

Om tonijnen te kunnen van.gen worden de scholen opgespoord door middel van
radar en helicopters.

Wetenschappelijk werd vastgesteld dat vis bepaalde temperatuurpatronen volgt en

-ocr page 468-

dat zij zich verzamelen waar voedsel te vinden is. Dc „Pacific albacore vloot" hangt
af van de nieuwste tempcratuurkaarten voor hun vangsten.

.-\\lle tonijnsoorten, behalve de „Skipyack", worden op ruime schaal verhandeld. In
het oostelijk deel van de Pacific kunnen grote hoeveelheden vis nog in de handel
worden betrokken. Hierbij moeten kostenproblemen, inclusief transport, worden op-
gelost teneinde de vangst rendabel te maken.

Ook het probleem van de beschadiging van tonijnen door haaien werd in beschouwing
genomen. Het vaststellen van redelijke „gesloten" gebieden en seizoenen voor dc
tonijn-visserij, gebaseerd op de behoefte van dc vis voor broedplaatsen en het kuit-
schieten is noodzakelijk om dc tonijn in stand te houden.

Loman.

VVORMBESTRIJDING BIJ HET PA.ARD.
(Paardengezondheidskalender augustus 1962)

Ingewandswormen kunnen bij het paard grote schade veroorzaken. Ze kunnen aan-
leiding geven tot darmontsteking, bloedarmoede, koliek en vermagering.
Ten einde een beter begrip te krijgen over de meest doelmatige wijze van bestrijding,
is het van belang om te weten hoe de levensloop van de verschillende soorten wormen
is.

De spoelwormen (ascariden) hebben, als zc volwassen zijn een lengte van 25 tot 50
cm. Zc leven vooral bij jonge paarden in de dunne darm en voeden zich met darm-
inhoud en met de oppervlaktelaag van het darmslijmvlies. De wijfjes leggen cen groot
aantal eieren welke met de mest het lichaam verlaten (2.000 eieren per gram mest
is geen uitzondering). In het ei ontwikkelt zich een larve, die het ei niet verlaat,
maar omhuld door de eischaal door het paard wordt opgenomen tijdens het grazen.
In de darm verlaat de larve het ei en doorboort de darmwand waarna zij cen rondreis
met het bloed maakt door lever, hart en longen, om via luchtpijp cn slokdarm weer
het darmkanaal tc bereiken. Hier wordt de worm volwassen. De ontwikkeling in het
paard duurt 8 tot 12 weken.

Dc draadwormen (strongyliden), zijn slechts 1 tot 4 cm lang. Zc leven eveneens in de
darmen en voeden zich met darmslijmvlics en bloed. De eieren komen met de mest
naar buiten. De larven, die zich uit deze eieren ontwikkelen en daarna tweemaal ver-
vellen, kruipen des nachts te.gen grassprieten in de weide of tegen de vochtige stal-
muren op. Ze worden door het paard met het voer opgenomen. Om zich te beschermen
te.gen uitdro.gen kruipen ze in dc weide overdag weer naar beneden en verbergen
zich in dc spleetjes in dc bodem. Neemt een paard wormlarvcn op, dan dringen ze-
de darmwand binnen en maken evenals de spoelwormen cen meer of minder inge-
wikkelde rondreis door het lichaam, alvorens in het darmkanaal teruggekeerd vol-
wassen tc worden. Dc ontwikkeling in het paard kan tot 9 maanden duren.
Wormeieren en -larven zijn heel goed bestand tegen koude en warmte en ook tegen
uitdrogen. Komen ze daarna in voor hen gunstige omstandigheden (vochtige warmte)
dan zijn zc nog steeds tot besmetten in staat.

Gelukkig beschikt men dc laatste tijd over een aantal zeer goede wormmiddelen, die
door het voer gegeven kunnen worden. Uit recente onderzoekingen, welke o.a. in
Nederland zijn verricht, blijkt dat bijna alle volwassen wormen, die in het darm-
kanaal aanwezig zijn, door deze wormmiddelen worden gedood, maar dat ze geen
invloed hebben op dc elders in het lichaam aanwezige wormlarven. Men ziet dan ook
na cen wormkuur, waarbij alle in de darm aanwezige volwassen wormen zijn afge-
dreven, na 5 tot 6 weken weer eieren in de mest verschijnen afkomstig van deze later
ontwikkelde larven. Hieruit kan worden afgeleid, dat cen paard door één wormkuur
niet wormvrij gemaakt kan worden. Herhaling van de kuur om dc circa 6 weken is
noodzakelijk.

Om volwassen paarden, doch vooral ook veulens en andere jonge paarden zo goed
mogelijk wormvrij tc maken en om te zorgen dat de weide, waarin deze dieren ver-
blijven, niet steeds weer besmet wordt met grote aantallen wormeieren cn larven,

-ocr page 469-

waardoor eventuell later geboren veulens ernstig ziek zouden worden, dient men als
volgt te handelen:

1. Een lucifersdoosje, met daarop vermeld naam en leeftijd van het paard, wordt,
gevuld met mest opgezonden naar de dierenarts of in overleg met deze naar
de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren.

2. De paarden, waarbij wormeieren in de mest zijn aangetoond, worden opgestald
en krijgen een wormkuur.

3. De afgekomen mest wordt verzameld en op een hoop gezet om de broei te
bevorderen, daar wormeieren de hierbij bereikte temperatuur niet kunnen ver-
dragen en afsterven.

Bovendien verdient het aanbeveling deze mest uit te strooien over dat deel
van het land, waar geen paarden grazen.

4. De stal moet flink worden geschrobd met een 3% crcolincoplossing van min-
stens 50 graden C.

5. Dc wormkuur moet ongeveer om de 6 weken worden herhaald.

Op deze wijze kan men het merendeel van de wormen doden. Er blijft echter bijna
altijd nog een klein aantal in het paard achter. Voegt men hier nog bij, dat ccn
besmette weide ook na een niet te strenge winter nog levende larven bevat, dan is
het wel duidelijk, dat een totale uitroeiing van alle wormen tot de onmogelijkheden
behoort.

Tot slot zij nog gezegd, dat een nieuw aangekocht paard, alvorens bij de andere
paarden in de weide te worden gelaten, eerst moet worden opgestald en de ont-
lasting op wormen onderzocht. Worden wormen aangetoond, dat dient een behan-
deling te worden toegepast opdat het bereikte resultaat door aankoop niet verloren
gaat.

De kosten en moeite van wormbestrijding worden dubbel en dwars .goed gemaakt door
een betere .groei, voederbenutting en gezondheidstoestand van dc paarden.

MEAT RESEARCH INSTITUTE.

I,evy plan for meat research. Farmers Weekly, 23 maart 1962, p. 51.
Overeenstemming is bereikt om over te gaan tot de oprichting van een Meat Research
Institute. Het instituut zal worden ondergebracht aan de Universiteit van Bristol.
In eerste instantie wordt £ 500,000 beschikbaar gesteld. Hiervoor dra,gen rijk en in-
dustrie (jaaromzet bedraagt meer dan £ 400 miljoen) op 50/5()-basis bij.
Dc exploitatiekosten, welke worden geraamd op £ 100,000 per jaar verwacht men
tc kunnen bestrijden uit een per 1 april 1963 ingaande heffing, die op ieder geslacht
dier zal worden .gelegd (6 d. per koe, 1 d. per varken, / d. per schaap). De vee-
houder (fokker) en de eerste koper worden elk voor 50% aan.gcslagen.
Zoals bekend heeft het onderzoek op dit gebied tot thans onder auspiciën van de
.Agricultural Research Council (.A.R.C.) plaats .gevonden aan verschillende instituten,
en voornamelijk aan het „low temperature research station".

Het voornemen bestaat om aan het nieuwe instituut verschillende aspecten van de
groei in het al.gemeen, en van spieren in het bijzonder in het onderzoek tc betrekken.
Genetische en andere invloeden op de „kwaliteit", structuur en samenstelling van het
vlees zullen worden nagegaan. Daarnaast worden genoemd: ontwikkelen van prak-
tische methoden ter beoordeling van het karkas, de invloed van behandeling vóór
en na het slachten, hygiënische problemen, enz.

Het instituut is bedoeld voor het gehele land, ook voor Schotland, Wales en Noord-
Icrland zoals nadrukkelijk wordt vermeld.

Op voorstel van dc .A.R.C. (cf. Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek
T.N.O.) zal een curatorium, samengesteld uit personen afkomstig uit krin.gen van
wetenschap en praktijk, bij zich voordoende problemen terzake van de vleesindustrie
adviseren.

Van Loen.

-ocr page 470-

CONGRESSEN

HET NEDERLANDS CONGRES VOOR OPENBARE GEZONDHEIDSRECE-
LING.

„Goed en kwaad in de voeding van morgen".

Het Bestuur van het Nederlands Congres voor Openbare Gezondheidsregcling miakt
bekend dat het Congres 1962 zal worden gehouden op 15 en 16 november 196\'. in
het Casino, Duhamelstraat 5 te \'s-Hertogenbosch.
Programma:

donderdag 15 november

10.30 uur Prof. W. F. J. M. K r u 1 (Delft): Openingsrede.

11.15 uur Prof. Dr. C. den Hartog (\'s-Gravenhage): Het veranderen \\ai dc

gezondheidsproblematiek van dr voeding sinds 1900.
14.00 uur Dr. M. van Eekelen: Voedingsmiddelen in Nederland ,thans ci in
de toekomst.

14.20 uur Drs. J. P, W. v a n B a a 1 en Ir. J. J. G h ij s c n (Oss) : Dc indusfiële

verwerking van vlees.
14.50 uur Ir. J. J. Doesburg (Wa.gcningen) : Dc industriële verwerking van

groenten en fruit.
16.00 uur Forumdiscussie.

Het forum, .gevormd door de sprekers van deze dag wordt geleid loor
Dr. J. Spaander.
18.00 uur Receptie door het gemcentbestuur ten stadhuize.
19.30 uur Congres-diner in het Oranje-hotel, Verwcrstraat 5.
vrijdag 16 november

9.15 uur A. Kruysse: Dc taak van de overheid in wettelijk en organisato-isch
opzicht.

9.35 uur Dr. W. M c ij e r (\'s-Gravenhagc) : De praktijk van dc kcuringsdiecsten
van waren.

10.05 uur K. H o f s t r a (dierenarts, \'s-Gravenhagc) : Dc praktijk van dc kcurngs-

diensten van slachtdieren en van vlees.
11.20 uur Forumdiscussie.

Het forum, gevormd door de sprekers van deze dag wordt geleid door
Mr. L. G. van Rcijcn.
12.00 uur Sluiting door dc voorzitter.

12.15 uur Excursie naar Zwanenbcrg\'s Fabrieken tc Oss, alwaar cen lunch zal
worden aangeboden.

Logies.

Logies kan worden besproken door middel van ccn aan te vragen antwoordkaart. Men
kan kiezen tussen dc prijsklassen .ƒ 6,----/ 8,-; f 8,-----ƒ 10,-; .f 10,---ƒ 12,- (in-
clusief ontbijt, exclusief bediening). Met het oog op dc afstand van het hotel tot het
centrum wordt verzocht op tc geven of men over eigen vervoer beschikt.
Opgave van deelneming.

Deze kan geschieden bij Mevrouw C. E. M. van Reijen-de Boer, Huis te Landelaan
213 tc Rijswijk (Z.H.), telefoon (070) 98 16 70.
Opgave vóór 7 november.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PULLORUM-ANTIGEEN.

De vervaldatum van partijnummer 205, trivalent pullorum-antigeen van N.\\\'. Labo-
ratoria De Zeeuw tc De Bilt, goedgekeurd d.d. 18 september 1961, is door de Direc-
teur van de Veeartsenijkundige Dienst verlengd tot 15 november 1962.

-ocr page 471-

PULLORUM-AXTIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 207, geproduceerd door Dr. F. A. de
Zeeuw te De Bilt, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien door de Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 10-9-1963.

DOORLOPENDE AGENDA

Oktober,

16, Nederlandse Genetische Vereniging. Symposium over fokmethoden,
Utrecht, (pag. 1170)

17, Fokveedag F.H.-veeslag, Hoornaar.

18, Veeartsenijkundige Dienst, 5e Voorlichtingsdag, (pag. 1233)

19, Maatschappij voor Diergeneeskunde. 109e Algemene V<rgadering. (pag.
663)

2\'\'i-2() S/die-iqenccslumdiqe Sliidi\'iiteitlviinq: (w ylinshitni

(pag. 1008, 1289, 1342)

November,

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het

Kleine Huisdier, München, (pag. 1004, 1281)
15-16, Ned. Con.gres voor Openbare Gezondheidsregelin.g, \'s-Hcrto,genbosch.
(pa.g. 1338)

December,

19, .\\fdeling Zuid-Holland, M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Beurscafé-
Restaurant, Muranozaal. (pag. 1340)

I9Ü3

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover.
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285)

Kweek van Icucose-virus.

Dr. Rubin (Calif.) is erin gcslaa.gd een leucose-virus in wcefselcultuur te kweken,
waardoor het onderzoek naar deze ziekte kan worden uitgebreid.

Voorlopi.g blijft het beste advies nog steeds: opfok van de jonge dieren gescheiden
van de huisvesting van de volwassen dieren, daar de vatbaarheid voor leucose tot
12 weken (maar vooral in de eerste drie weken ) het grootst is.

Pluimveepers, 17, 495, (1962).

Rundermestproef in Gie.ssen.

Op de proefboerderij van de Landbouwfaeulteit in Giessen worden 10 Engelse ge-
importeerde Hercford-sticrcn vergeleken met Duitse zwartbonte stieren. De bedoeling
is zowel de groei als de slachtkwaliteit te vergelijken van een echt vleesras en een
dualpurpose-rund.

Farmers Weekly 24-8-1961.

-ocr page 472-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL, (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

V.\\N HET BUREAU

109e Algemene Vergadering 1962.

Eeuwfeestfoto\'s.

Tijdens de herdenking van het 100-jarig bestaan van de — thans geheten - Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, is er voor de leden bijna geen gelegenheid
.gevireest tot bezichtiging en bestelling van foto\'s.

Om tegemoet te komen aan verschillende vragen, die het bureau hierover bereikt
hebben, zullen ALLE foto\'s op donderdag 18 en vrijdag 19 oktober a.s. — dus tijdens
de Voorlichtingsdag van dc Veeartsenijkundige Dienst en dc 109e .Algemene Ver-
gadering — in het Jaarbcursrcstaurant worden .geëxposeerd. Er is dan gele,genhpid
foto\'s uit te zoeken en te bestellen.

En als cr dan toch geëxposeerd wordt, wil de secretaris tegelijkertijd graag de boek-
werken: „De wereld......" van Lconard Uittenbogaard en „Nederlandse Schilder-
kunst" van Gcrson, die hem respectievelijk door de afd. Overijssel en door de 108c
.Algmcne Vergadering zijn aangeboden, ter „inzage" deponeren.

Aanbieding kunstwerken.

Tijdens deze vergadering zullen voorts de kunstwerken, die op de tentoonstelling
„Het dier in dc kunst" zijn aan.gckocht, door een vertegenwoordi.ger van de gezamen-
lijke afdelingen aan het Hoofdbestuur worden overgedragen.

X\'.AN DE .AFDELINGEN
Afdeling Zuid-Holland.

De afdeling Zuid-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
zal haar eerstvolgende vergadering houden op
woensdag 19 december a.s. in dc
Muranozaal van het Beurscafé\\Restaurant te Rotterdam.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft dc volgende collegae aangenomen als leden van dc Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde:

C. B. de Lint, Elisabclh Poststraat 4, Epe (Gld.).
Mej. .A. M. E. Lubberink, Lange Jufferstraat 9, Utrecht.
Het Hoofdbestuur draagt de volgende collegae voor het lidmaatschap van dc Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde voor:

F. E. de Groot, Adm. van Gentstraat 47 bis, LTtrccht.
.A. .A. Hesen, Van Brakelstraat 9, Utrecht.
H. C. M. Oerlemans, Mgr. van dc Weteringstraat 22, Utrecht.
J. J. A. Schreinemachers, Aurorastraat 8, Utrecht.

C. J. G. Wensing, Van Brakelstraat 9, Utrecht.

Het Hoofdbestuur heeft dc volgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaat-lid van dc Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde:
H. P. .A. M. dc Greef, Poortstraat 2 bis A, Utrecht.
A. M. van Schaik, Mgr. v. d. Weteringstraat 30 bis. Utrecht.

D. .A. M. Franssen, F. C. Dondersstraat 52, Utrecht.
Adreswijzigingen en dergelijke:

.Aalderen-Koster, Mevr. R. van, te Hoensbroek, gr. gewijzigd in 1040057. (140)
Albers, G., te Lichtenvoorde, tel. gewijzigd in (05443) i2 80. (140)

Bakker, D. D., te Berg en Dal, gr. .gewijzigd in 1089431. (142)

Bekkers, W. J. M., te Lichtenvoorde, tel. gewijzigd in (05443) 16 00. (143)

Bos, Dr. A. W. A., te Waalwijk, ,gr. gewijzigd in 1084616. (147)

-ocr page 473-

Jansen, G. A. J., te Borculo, naar Ziilandstraat 1. aldaar, tel. (05457) 646 (privé),
369 (bur.). (168)

Kloosterboer, H., te Oldebroek, hui.sadres J-17 vifijzigen in Zuiderzeestraatweg 247.

(171)

Meertens, J., van Scherpenzeel naar Wolvega. CJroen van Prinstercrstraat 10. (178)
Mulder Jr., Dr. J. C., van Hoog Soeren naar Ottcrlo, Houtkampweg 9-.A (p/a fam.

G. Vink), tel. (08383) 225. (180)

Nooij, E. de, te Zwollerkerspel, bureau-adres gewijzigd in Zwolle, Einmastraat 2,
tel. (ongewijzigd) (05200) 1 24 69. (182)

Pot, H. W., te Lichtenvoorde, tel en gr. gewijzigd in resp. (05443) 19 09 en 1023012.

(186)

Rijnberk, A., van Utrecht naar De Bilt, Akker 177, tel. (030) 6 2128 (privé),
119 94 (bur.). (189)

Saes, J. M. F., te Weert, naar Emniasingel 95, aldaar (tel. ongewijzigd), gr. ge-
wijzigd in 1063668. (190)
Schreurs, J. M., te Margraten, naar Rijksweg 17, aldaar (tel. ongewijzigd), aange-
sloten onder gr. 1063602. (191)
Schröder, P. J. J. A., van Middelbeers naar Oostelbcers, Zonneheuvel A-87, tel.

(04244) 340. (192)

Siebenga, Mej. I., wijzigen in Ooms-Siebenga, Mevr. I., van Utrecht naar Parama-
ribo (Suriname), P.O.B. 1497. (van 192 naar 209)
Stam, J. W. E., te Groenckan, aanvullen met tel. bureau (030) 1 19 94, wetensch.

ambt. le kl. R.U. (F.d.D., klin. v. kl. huisd.). (195)

Vink, K. D., van Emmeloord naar Mantgum, No. 40, tel. (05104), 256, gr. 1025437,
P., ass. bij A. A. Kleinjan. (201)

Gevestigd:

Kaper, J. J. de, te Schiedam, Jan Steenstraat 39, tel, (010) 68234, gr, 635037 (vrije
vestiging), (170)

Veldhuis, H, W, G,, te Someren (N,-Br,), Laan Ten Roode 59, tel, (04937) 770,
gr, 1021953, geass, met B, W, Maenhout, (200)

Inspectie van de Veeartsenijkundige Dienst tevens veterinaire Inspectie van de Volks-
gezondheid in het district/ambtsgebied Overijssel:

Het bureau van bovenbedoelde diensten is van Zwollerkerspel verplaatst naar Zwolle,
Emmastraat 2, tel, (ongewijzigd) (05200) 1 24 69, (73)

Benoemd:

Meertens, J., te Wolvega, te rekenen m.i,v, 1 september 1962, tot Rijkskeurmeester
in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Wolvega.

(178)

Jubileum.

Ter herdenking van het feit dat collega G. A. R. N i e u h o f te Vriczenveen gedu-
rende 25 jaar cen actief aandeel heeft gehad in bemoeienissen ter verbetering van het
paardenras in ons land zal op
zaterdag 27 oktober a.s. van 14.30-16.30 uur in hotel
Van Gijtenbeek
te Zwolle cen receptie worden gehouden, alwaar men de gelegenheid
heeft zijn gelukwensen aan tc bicden.
Promotie:

Zwart, D., tc Kinnasi (Ghana), is op 4 oktober 1962 aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht gepromoveerd tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift „Livcr
Cirrhosis in pigs in Ghana". (212)

Diergeneeskundig examen:
Geslaagd op 27 september 1962:

Groot, F. E. de (inlassen 159)

Hesen, A. A. (inlassen 163)

Ocrlemans, H. C. M. (inlassen 183)

Schreinernachcrs, J. J. .A, (inlassen 191)

Wensing, G, J, G, (inla,ssen 205)

-ocr page 474-

Diergeneeskundige
Studenten Kring.

Ab-actiaat: UTRECHT - BILTSTRAAT 172 (Poortgebouw)

Gironummer 271994 ten name van de fiscus van de Lier
geneeskundige Studenten Kring.

Wij vestigen Uw aandacht op dc volgende prograrr.ma-
punten:

Woensdag 24 oktober:

15.00 uur.

Plechtige opening in het Groot-Auditorium der Rijksuniver-
siteit.

Hierna; Officiële receptie voor genodigden.

20.00 uur.

Forumavond. Onderwerp: Verhouding Mens-Diir.

In een korte inleiding worden belicht:

Het dier in de religie, door Ds J. H. H a n n e m a n.

Het dier in de broodwinning, door de heer H. C. van M i 1 t c n b u r g.

Het dier m de studie, door de heer N. P. Kas.

Het dier in de verdrukking, door dc heer D. V c r b u r g.

Het dier in de geneeskunde, door de heer G. H. P. J. Gouda Q u i n t.

Het dier als hobby, door de heer Dr. VV. v. d. .Akker.

Gespreksleider: Prof. Dr. W. K. H i r s c h f c 1 d.

Pauze.

Discussie.

Gezellig samenzijn met bijdrage van dc honorair-bcstuursleden van dc D.S.K.
Gclc.genheid tot dansen.

Vrijdag 26 oktober.

20,30 uur.

Galatoneel in de Singer-concertzaal te Laren.

Première voor Nederland van „Les Bonnes" door dc toneelgroep Centrum. Kosten
f 3,50 per persoon.

Na afloop der voorstelling rccipicert het D.S.K.-bestuur in de foyers,
23.00 uur.

.Aanvang van het „Gala-Bal van deze Eeuw" in hotel Hamdorff tc Laren (vlakbij tl
Singer-concertzaal).

Muzikaal verzorgd door „The South Jazzband" cn door het „Quartct Pim Bergman\'
Kosten ƒ 10,- per paar.

Kaarten kunnen schriftelijk besteld worden bij de lustrumcommissie van de D.S.K
Biltstraat 172, of telefonisch onder nummer 1 19 94 toestel D.S.K., dagelijks tussen
12,30-13,30 uur, waarna deze kaarten alsmede een programma zullen worden toe
gezonden,

Lustrumcornmissie D.S.K

-ocr page 475-

Dame z z.g.g. als

DIERENARTSASSISTENTE

of als verzorgster In dierenpark, kennel of iets dergelijks.

Brieven onder nr. 64/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

GEVRAAGD voor komende winter

EEN ASSISTENT

In gemengde praktijk In het centrum des lands,

voor kortere of langere periode (voor assistentie en waar-
neming).

Brieven onder nr. 63/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

TER OVERNEMING GEVRAAGD:

middelgrote, overwegend grote-huisdieren praktijk

of gedeelte van praktijk met goede bestaansmogelijkheid, door
dierenarts met ruime praktijkervaring.

Brieven onder nr. 65/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

MEISJE zou gaarne

DIERENARTS ASSISTEREN

voor halve dagen, in Utrecht of omgeving. I.h.b.v. dipl. med. analyste en
praktijkervaring als tandartsassistente.

Brieven onder nr. 68/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 (e Utrecht,

TER OVERNEMING GEVRAAGD

EEN GEMENGDE HUISDIEREN PRAKTIJK,

liefst in het Oosten of Zuiden van het land door een jong
dierenarts met 1 jaar praktijkervaring.
Brieven onder nr. 69/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

GEVRAAGD

EEN JONGE DIERENARTS

als assistent in een grote-huisdieren praktijk in het midden van
het land. Mogelijkheid tot associatie.

Brieven onder no. 67/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

-ocr page 476-

GEMEENTE BAARN

Burgemeester en wethouders van Baarn roepen mede
namens het gemeentebestuur van Soest sollicitanten op voor
de op 1 april 1963 vacant komende betrekking van

keuringsdierenarts,

hoofd van de keuringsdienst van slachtdieren en vlees
in de keuringskring Baarn, Eemnes en Bunschoten,

tevens

directeur

van hef slacht- en koelhuisbedrijf in de gemeente Baarn.

Deze functie zal worden gecombineerd met die van

HOOFD VAN DE KEURINGSDIENST DER
GEMEENTE SOEST.

Salaris in beide betrekkingen tesamen f 14.864,52 tot
ƒ 18.013,32 (exclusief 4% toeslag en exclusief de bezoldiging
als tijdelijk Rijkskeurmeester bij de Veeartsenijkundige Dienst).

Persoonlijk bezoek uitsluitend na oproeping.

Sollicitaties binnen 14 dagen te zenden aan de burgemees-
ter van Baarn,

-ocr page 477-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De waarde van het bacterologiseh onderzoek bij
het beoordelen van slachtdieren, die
met Salmo-
nella-baeteriën zijn besmet.

Value oj bacteriologic examination in judging
slaughter animals which are infected with Salmonellae.

door J. DE VRIESi)

Inleiding.

Grote uitbraken van voedselvergiftigingen, die in verband gebracht konden
worden met slachtdieren, zijn in het verleden een belangrijke stoot geweest
voor het instellen van keuringsdiensten. Door de keuring is het in het alge-
meen gelukt grote uitbraken van voedselvergiftigingen in verband met vlees
te voorkomen.

In de laatste jaren valt er statistisch een grote toename van Salmonellose
bij cle mens waar te nemen. Deze toename wordt o.a. toegeschreven aan het
vóórkomen van
Salmonella-dra.gers onder de slachtdieren. Het verband
tussen dragei-s onder de slachtdieren en Salmonellose bij de mens brengt
het vertrouwen, dat de keuringsdierenarts in het bacteriologisch onderzoek
gehad zal hebben, aan het wankelen. De keuringsdierenarts, verbonden aan
een openbaar slachthuis, zal daarnaast bovendien zijn gaan twijfelen aan
de hygiënische waarde van een dergelijke inrichting.

I^e laatste jaren zijn zowel in ons land als in het buitenland publikaties ge-
wijd aan bet
Salmonella-vTa.agstuk. Aan de hand van kritische beoordeling
van de hieruit bekend geworden gegevens, zal getracht worden antwoord te
geven op de vraag öf en in hoeverre de keuringsdierenarts door middel van
bacteriologisch onderzoek kan bijdragen in de vermindering van het aantal
gevallen van Salmonellose bij de mens.

Sahnonellose bij de mens.2)

Het aantal gediagnostiseerde gevallen van „andere Salmonellosen", d.w.z.
andere dan die, veroorzaakt door
S. typhi en S. paratyphi B, is de laatste
jaren aanzienlijk toegenomen, zoals onderstaand staatje, ontleend aan
Clarenburg (I960") laat zien:

jaar 1953 1954 1955 1956 1957 1958 1959

aantal gevallen 360 563 1009 825 1537 3204 6670
In de periode 1953-1959 werden 92 serologisch verschillende typen vast-
gesteld. Van deze typen komt
S. typhimurium het meest voor en wel in pl.m.
70% der aangegeven gevallen. In andere landen heeft zich een zelfde ont-
wikkeling voorgedaan. Er wordt aangenomen (Van Keulen, 1959),
dat slechts ongeveer 10% van het werkelijke aantal gevallen wordt aange-
meld. Dit zou zijn oorzaak vinden in het feit, dat óf de arts nalaat mate-
riaal in te zenden óf de aandoening zo mild verloopt, dat geen medische
hulp wordt ingeroepen.

J. de Vries, Directeur van het Openbaar Slachthuis te Leeuwarden, Valerius-
straat 106.

Waar in dit artikel gesproken wordt van Salmonellosen, worden hiermee bedoeld
de
z.g. „andere Salmonellosen".

-ocr page 478-

In het licht van dit gegeven is beantwoording van de vraag, of er van een
absolute toename van salmonellose sprake is, niet gemakkelijk. Door de
grotere belangstelling, ook internationaal, voor salmonellose, zal de waar-
genomen toename ten dele slechts relatief zijn. Ook zullen verbeterde labo-
ratoriumtechnieken bijgedragen hebben tot een relatieve toename.
Anderzijds zal echter inderdaad van een absolute toename sprake zijn.
Hierop wijst het toenemende aantal typen, dat in de loop der jaren werd
waargenomen en het steeds meer op de voorgrond treden van
S. typhi-
murium.

Het volgende staatje, ontleend aan Clarenburg (1960), geeft hiervan
een inzicht.

jaar 1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1952/
1959

aantal typen 25

23

37

39

42

47

55

67

94

% S. typhi murium van

totaal aantal isolaties 12

20

33

36

48

53

62

55

52

bij de mens

*

In de ziektestatistiek van Engeland en Wales wordt een onderscheiding ge-
maakt tussen: „sporadic cases", „family outbreaks" en „general outbreaks".
Het aandeel van de „general outbreaks" in het totale aantal gevallen is van
1949 tot 1959 gedaald van 11,8% tot 1,8% (Galbraith, 1961). Hoewel
men deze indeling in de Nederlandse statistiek niet aantreft, mag men uit
de jaarverslagen van de Veterinaire Hoofdinspecteur van de Volksgezond-
heid wel de conclusie trekken, dat ook in ons land het aantal algemene uit-
braken slechts gering is.

Salmonellose bij slachtdieren.

Waarschijnlijk onder invloed \\an milieuomstandigheden is bij kalveren
sinds 1959 een aanzienlijke stijging van het aantal gevallen van salmonel-
lose waarneembaar.

Het aantal gevallen van salmonellose, dat door de vleeskeuringsdiensten in
de jaren 1957 tot 1959 werd gediagnostiseerd is vrij constant. In 1957 werd
bij 2% van de dieren, die aan een bacteriologisch onderzoek werden onder-
worpen,
Salmonella-hacterién gevonden, in de jaren 1958 en 1959 was dit
resp. 1,7 en 2%. De gegevens uit de hiervoor liggende jaren zijn hiermee
moeilijk vergelijkbaar, omdat er vóór het in werking treden van bet Onder-
zoekingsregulatief weinig uniformiteit in de methode van onden^oek geweest
zal zijn.

Een spectaculaire stijging, zoals de medische statistiek t.a.v. salmonellose te
zien geeft, is dus bij de slachtdieren niet opgetreden. Volgens gegevens ont-
leend aan de Berichten uit het R.I.V. (1960) werden in ons land bij rim-
deren en kalveren in de periode 1952-1959 28 verschillende typen ge-
ïsoleerd; hiervan kwam
S. dublin het meest voor (94,4%), in 3,4% der ge-
vallen werd
S. typhimurium aangetoond. Bij varkens werden in dezelfde
periode 33 verschillende typen geïsoleerd; hiervan waren
S. typhimurium
(29,6%), S. dublin (21,2%) en S. choleraesuis (16,9%) de belangrijkste.

-ocr page 479-

Salnionelladragers bij slachtvarkens.

Onder invloed van de stijging van het aantal gevallen van Salmonellose bij
de mens werd, nadat op het slachthuis te Amsterdam op dit terrein baan-
brekend werd was verricht, door Kampelmacher c.s. (1962a) een
onderzoek ingesteld naar het voorkomen van
Salmonella-Vitmzn in slacht-
huizen, in het bijzonder in de varkensafdeling. In de slachtlijn bleek
S. typhimurium het meest voor te komen (33,2%), voorts kwamen veelvul-
dig voor 5\'.
bredeney (11,4%), S. bovis morbificans (8,6%), S. worthington
(8,3%), -S". taksony (7,3%) en S. give (6,5%). De resterende 24,7% der ge-
isoleerde stammen behoorden tot 29 verschillende typen.
In dezelfde publikatie wordt een onderzoek veiTneld naar het voorkomen
van
Salmonella-V.ic.vaen in mesenteriale- en portale lymfklieren en in de
faeces bij normale slachtdieren. Van 2100 onderzochte dieren bleken er
531 (25,3%) besmet met
SalmoneUa-h2iC\\.mew, van de totaal 50 geïsoleerde
typen was
S. typhimurium de belangrijkste (24,6%); voorts kwamen vrij
veelvuldig voor
S. bredeney, S. anatum, S. bareilly, S. worthington, S. give
en S. livingstone. Naast de hoge besmettingsgraad is wel het veelvuldig
\\ oorkomen van
S. typhimurium bij oppervlakkige en inwendige besmetting
van het slachtvarken het meest opvallend.

Ten aanzien van deze resultaten moet de volgende aanmerking worden ge-
maakt: bij het onderzoek der lymfklieren werd na het verwijderen van het
omliggende vet, de oppervlakte gesteriliseerd door onderdompelen in kokend
water gedm-ende 3-4 seconden, vervolgens werd de klier fijngemalen. Het
is zeer twijfelachtig of deze werkwijze afdoende sterilisatie van het oppervlak
ten gevolge heeft.

Door McDonagh en Smith (1958) werd het orgaanmateriaal afge-
spoeld in selenietbouillon, daarna 10 seconden in kokend water gedompeld
en vervolgens na %erkleining in de ophopingsvloeistof gebracht. Van 296
monsters kon op deze wijze bij 18% oppervlaktebe.smetting en bij 4%
wcefselbesmetting worden aangetoond. Door Smith (1959) wordt een
nog zorgviddiger werkwijze gevolgd: de klieren worden na verw ijderen van
het omge\\ende weefsel onder de kraan afgespoeld, daarna worden de klie-
ren 20 seconden in alcohol gedompeld om vervolgens te worden geflam-
beerd; de behandeling met alcohol en bet flamberen wordt éénmaal her-
haald. Deze onderzoeker vond van 500 varkens bij 60 (12%) de mesen-
terale lymfklieren besmet.

McDonagh en Smith (1958) komen bij hun onderzoek tot overeen-
komstige resultaten. Dit onderzoek werd uitgevoerd in het jaar 1954, toen
de gevallen van salmonellosis bij de mens in de stad Bradford een sterke
toename vertoonden. Door genoemde auteurs wordt deze toename in ver-
band gebracht met het grote aantal
Salmonella-drngers onder de varkens,
geslacht op bet stedelijk abattoir. Zij maken hierbij echter de volgende
restrictie:

„While this assumption may be true the evidence is not sufficiently complete,
since slaughterhouse figures for the previous years are not available for pigs, and
virithout such evidence it is not safe to assume that there was a sudden increase
in 5a/moneWa-infection of pigs coming to slaughter."

In ons land kunnen we als vergelijkingsmateriaal beschikken over gegevens

uit de dissertatie van wijlen collega Dr. Huisman.

Huisman (1950) kon, na in eerste instantie een minder intensief onder-

-ocr page 480-

zoek bij 503 varkens te hebben ingesteld, bij 26 van 512 varkens Salmonella-
bacteriën
aantonen. Bij het onderzoek van de laatste groep waren mesen-
teriale lymfklieren, inhoud en wand van duodenum, lever en portale lymf-
klier, faeces en milt betrokken, het laatste orgaan steeds met negatief resul-
taat. Bij de 26 positieve varkens werd 27 stammen geïsoleerd, n.1. lx een
menginfectie van
S. typhimurium en S. newington, 2lx S. typhimurium,
2x S. dublin, lx S. paratyphi ß en lx 5. newport.

S. typhimurium werd dus bij 22 (4,3%) der varkens aangetroffen, terwijl
bij 4 varkens (0,8%) andere typen werden gevonden. Kampelmacher
c.s. (1961) troffen bij de door hun onderzochte 2100 varkens 150 maal
(7,1%)
S. typhimurium aan en 459 .maal (21,8%) één der andere 44 sero-
typen aan.

Uit vergelijking van beide onderzoekingen blijkt, dat sinds het onderzoek
van Huisman:

1. het aantal typen is uitgebreid van 5 tot 45,

het aandeel van het aantal typen, dat niet tot het serotype S. typhi-
murium
behoort, ruim 25 maal groter is geworden,
het percentage van met
S. typhimurium besmette varkens slechts is toe-
genomen met 2/3 deel, n.1. van 4,3 tot 7,1%.
Het verdient aanbeveling na te gaan of de toename van het percentage
met
S. typhimurium besmette varkens reladef of absoluut is. Hiertoe is in
onderstaand staatje een vergelijking opgesteld tussen de gevolgde methoden
van onderzoek.

2.

3.

materiaal: hoeveelheid
bewerking

Huisman

1 gram
fijnknippen

Kampelmacher c.s.

hele klier
fijnmalen

ophopingfmedium:

aantal

1

tetrathionaatbouillon

hoeveelheid 7-8 cm\'\'

tetrathionaatbouillon
selcnietbrillantgroen-
bouillon

niet aan.ge.geven

le maal na 18-24 uur
2e maal na 64-72 uur

lx na 18-24 uur

overenten:

selccticfplaat

brillantgroenphenol-
rood agar

brillantgroenphenol-
rood agar

Hierbij valt in de eerste plaats in het oog, dat de hoeveelheid uitgangs-
materiaal van Kampelmacher c.s. aanzienlijk groter is. Indien in
het uitgangsmateriaal slechts spaarzaam kiemen aanwezig zijn, is dit van
grote betekenis. Een aanwijzing hiervoor vormt de waarneming van
S m i t h (1960), dat van 4 proefvarkens, die met besmet meel waren ge-
voerd, er slechts bij 2
Salmonella-hacterxen in de mesenteriale lymfklieren
konden worden aangetoond als van 1 gram materiaal werd uitgegaan; indien
10 gram kliermateriaal werd genomen bleken alle 4 varkens positief te zijn.
Waar het isoleren van
Salmonella-hactenén uit kiemarm materiaal een

-ocr page 481-

kwestie van kans is, mag het gebruik van 2 ophopingsvloeistoffen opgevat
worden als een aanmerkelijke vergroting van deze kans. Voorts is uit een
Engelse publikatie (Committee, 1959) bekend, dat slechts 60% van
het mogelijke aantal isolaties wordt verkregen na 24 uur incuberen van de
ophopingsvloeistof.

Deze overwegingen, gevoegd bij de reeds eerder gemaakte aanmerking be-
treffende de oppervlaktesterilisatie van de klieren voor het enten, leiden tot
de conclusie, dat het verschil in percentage varkens, die drager zijn van
S. typhimurium, terug te brengen is op de methode van onderzoek.
Uit de opgestelde vergelijking is dus gebleken, dat tengevolge van de sterke
toename van het aantal serotypen de totale
Salmonella-he.imetting onder
slachtvarkens aanzienlijk is gestegen sinds 1950. Het percentage van met
6\'.
typhimurium besmette varkens is sinds het onderzoek van Huisman
gelijk gebleven.

Uitgaande van het verband, dat o.a. door Newell c.s. (1959) en Smith
(1960) is gelegd tussen het voorkomen van
Salmonella-ha.cterïén in dier-
meel, beendermeel en vismeel, die een bestanddeel van mengvoeders uit-
maken, en de
Salmonella-besmetting van varkens, vonnt het weinig fre-
quent voorkomen van
S. typimnurium in deze produkten een ondersteuning
van deze constatering.

Floewel er zonder twijfel verband bestaat tussen Salmonellose bij de mens
en de
Salmonella-hesmett\'mg van gezonde slachtvarkens, zal de oorzaak van
het in de laatste jaren sterk op de voorgrond treden van
S. typhimurium bij
de mens, niet zonder meer gezocht kunnen worden in de besmetting met
deze kiem van normale slachtvarkens.

Andere Salmonella-reservoirs.

.A. DE MENS.

1 Iet verband lussen het optreden van voedselvergiftiging en een Salrnonella-
uitscheidende mens is bekend.

Polak c.s. (1960) verrichtten een onderzoek bij werknemers van een vlees-
warenfabriek, waar door de daar bereide preskop een voedselvergiftiging
door
S. bredeny en S. newport was opgetreden. Afgezien van de isolaties
\\ an
S. bredeny en S. newport werden bij 221 werknemers van dit bedrijf in
8 opeenvolgende onderzoeken 14
Salmonella-stammen uit de faeces ge-
ïsoleerd. In 10 gevallen betrof het
S. typhimurium, 2 maal werd S. man-
chester,
1 maal 6\'. bovis morbificans en 1 maal S. taksony aangetoond. Men
is geneigd in een dergelijk bedrijf de oorzaak van de besmetting van de
werknemers te zoeken in besmette grondstoffen of produkten.
Dit verband bestond niet bij een door S i e g m u n d (1960) vermeld onder-
zoek bij 120.000 mensen, die in 1959 aan een medische keuring waren onder-
worpen. Bij deze groep werden 698 (0,58%) 6\'aZmoneWa-uitscheiders aan-
getroffen.

Dat bij de mens het uitscheiden van Salmonella-hacteviën niet vooraf be-
hoeft te zijn gegaan door klinische verschijnselen blijkt uit een beschrijving
door Datta en Pridie (1960) van een uitbraak in een Engels zieken-
huis, waarbij naast 102 klinische gevallen 157 symptoomloze uitscheiders
van
S. typhimurium konden worden opgespoord.

-ocr page 482-

B. KLEINE HUISDIEREN.

In de periode 1946-1959 werden door het Rijks Instituut voor de Volks-
gezondheid
(Berichten, 1960) 50 6\'a/moweWa-stammen getypeerd, hiervan
bleken
S. dublin en S. typhimurium het meest voor te komen. Van katten
werden in dezelfde periode slechts 11 stammen onderzocht.
Door Smith (1958) werden bij 9 van 200 onderzochte hondekadavers
Salmonella-ha.ct.eriën in de mesenteriale lymfklieren aangetoond; bij 5
van 200 katten werden op deze wijze
Salmonella-Viemen. gevonden.

C. ANDERE SLACHTDIEREN.

Door Kampelmacher (1957) werd onder normale slachtrunderen
0,56% dragers aangetroffen. Bij kalveren zou volgens Kampelmacher
c.s. (1962b) het percentage dragers ongeveer 6 zijn.

In enkele landen zijn onderzoekingen verricht naar het voorkomen van
Salmonellae in hoeveelheden geïmporteerd vlees. Hobbs en Wilson
(1959) onderzochten uit 5 verschillende landen op Smitfield Market in
Londen aangevoerd vlees. In 890 monsters, die genomen werden van uit-
gebeend rund-, kalfs- en scbapevlees, werden 92 maal (10,3%)
Salmonellae
aangetoond. In 304 monsters van bouten vlees werd 13 maal (4,3%) Sal-
monellae
gevonden. In 75 gevallen betrof bet isolaties van S. typhimurium.
Het hogere besmettingspercentage van het uitgebeende vlees wijst op de
mogelijkheid van besmetting van het vlees tijdens de bewerking.
Door Newell c.s. (1959) wordt de daling van het voorkomen van
S. typhimurium bij de mens in Noord-Ierland in verband gebracht met het
ophouden van de import van Australisch bevroren vlees.
In Zweden werden door R u t q v i s t en T h a 1 (1958) monsters onderzocht
van geïmporteerd vlees en organen uit 7 verschillende landen, waaronder
uit Europa. Het vlees was afkomstig van runderen, kalveren en paarden;
de organen van runderen, kalveren en varkens. In één jaar werden uit deze
monsters 230
Salmonella-stammen, verdeeld o\\er 18 scrotypen, geïsoleerd.

typhimurium kwam hierbij 130 maal voor, waanan 118 maai uit kalfs-
vlees en 12 maal uit rundvlees. Zowel uit bevroren als uit gezouten paarde-
vlees konden
Salmonellae worden geïsoleerd.

D. PLUIMVEE.

De mogelijkheid van het voorkomen van Salmonella-iniecües bij kippen,
eenden en duiven is voldoende bekend. Toch gelukte het Kampel-
macher c.s. (1962b) slechts sporadisch om bij kuikens bacteriedragers
aan te tonen. Smith (1959) kon bij 280 kuikens, die ouder waren dan
11 weken, door middel van onderzoek van darmwand, galblaas en milt of
lever, geen
Salmonellae aantonen.

In het jaar 1959 werd door het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid
in 352 onderzochte partijen kippeëiprodukten 24 maal (7,1%)
Salmonella-
bacteriën aangetoond. Volgens Polak (1960) kunnen deze eiprodukten,
indien ze in bakkerijen worden verwerkt in produkten, die niet verhit wor-
den, zoals schuimgebak, gevaar opleveren voor de volksgezondheid, terwijl
voorts de mogelijkheid van „cross-infection" van reeds bereide produkten
bestaat.

RutqvistenThal (1958) konden door middel van faagtypering ver-
1350

-ocr page 483-

band leggen tussen het voorkomen van infecties van S. montevideo bij kip-
pen en mensen.

E. VISSEN e.d.

Volgens Gaugusch (1962) geraken vissen, rivierkreeften, mosselen en
kikkers gemakkelijk geïnfecteerd met
Salmonellae, er kan een langdurig
dragerschap ontstaan.

Door Hammer (1961) wordt een geval van voedselvergiftiging be-
schreven door
S. choleraesuis na het eten van forellen, die in de kwekerij
met slachtafvallen van varkens waren gevoerd.

F. ANDERE BRONNEN.

Door H O e k e (1962) wordt bericht over een onderzoek van 45 monsters
geïmporteerd kokos. In 14 van deze monsters werden
Salmonellae aange-
toond. In Livei-pool werden in 1960 door de havengezondheidsdienst 8265
monsters gedroogde Ceylon-kokos onderzocht, in 479 monsters (5,8%)
werden
Salmonellae gevonden. De hygiënische toestanden in de bedrijven
waar deze gemalen kokos wordt bereid, geven aanleiding tot secundaire
besmetting van dit produkt.

Tenslotte zij hier vermeld, dat niet alleen de dierlijke grondstoffen voor
voedermiddelen, zoals vis-, dier- en beendermeel, veelvuldig
Salmonella-
bacteriën bevatten, doch dat dit eveneens met de plantaardige grondstoffen
het geval kan zijn. Door Hauge en Bovre (1958) werd in 4,6% van
de 910 monsters geïmporteerd plantaardig meel
Salmonellae aangetoond.

Bacteriologisch onderzoek.

Aanvankelijk werd in het Onderzoekingsregulatief (Min. Besch. 11 maart
1957, Stcrt. 55) de volgende werkwijze voor het bacteriologisch onderzoek
aange.geven: van milt, nier, lever met lymfklier, galblaas en eventueel vlees
wordt na sterilisatie van het oppervlak enig weefsel overgebracht in 1%
dniivensuikerbouillon en op 2% bouillonagar; met het oog op
Salmonella-
bacteriën moeten lever en gal tevens worden uitgestreken op een brillant-
groen-phenolrood-agarplaat.

Het is bij deze wijze van onderzoek niet uitsluitend de brillantgroen-agar-
plaat, die van belang is bij het opsporen der
Salmonellae; daarnaast is het
microscopisch onderzoek van een uitstrijkpreparaat op groei van Gram-
negadeve staafjes der agar- cn bouillonbuizen van belang, terwijl ook het
onderzoek van hangende druppels der bouillonbuizen op beweeglijke micro-
organismen voor het opsporen van
Salmonellae van grote betekenis is. Niet
altijd zal de brillantgroen-agarplaat van lever en gal bij salmonellose groei
vertonen, het is ook mogelijk, dat de
Salmonellae alleen groeien op één of
enkele agar- of bouillonbuizen.

Zo vonden Snelting en Franssen (1960) bij 473 slachtdieren slechts
2 maal
Salmonella-bacteriën na de enting van lever en gal op brillantgroen-
agar, terwijl bij overenten van bouillonculturen der organen nog 6 andere
dieren positief bleken te zijn.

In zijn praktisch resultaat heeft deze methode van bacteriologisch onder-
zoek wel aan zijn doel beantwoord. Uit de jaarverslagen van de Veterinaire
Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid van 1950 en volgende jaren blijkt

-ocr page 484-

n.1. dat er van 1950 tot en met 1959 nimmer een geval van voedselvergifd-
ging is opgetreden, dat in verband kon worden gebracht met voorwaardelijk
goedgekeurd vlees, dat onder toezicht in het klein werd verkocht. Deze
constatering is te meer waardevol, omdat juist de clientèle van de vrijbank
bij eventuele ziekteverschijnselen eerder geneigd zal zijn aan vlees als moge-
lijke oorzaak te denken, dan bij vlees van andere herkomst.
Voorts zijn de aantallen, waar het hier om gaat, voldoende groot om con-
clusies toe te laten. Zo werden in de periode 1956 t.m.1959 116113 slacht-
dieren goedgekeurd onder voorwaarde van verkoop in het klein; hieronder
bevonden zich 31333 runderen en 35414 varkens.

Hoewel het ontbreken van gevallen van voedselvergiftiging in verband met
dieren, die aan een bacteriologisch onderzoek onderworpen zijn geweest,
niet noodzakelijkerwijs behoeft te betekenen, dat het vlees volkomen vrij is
geweest van
Salmonella-h^LCtftT\'vén, blijkt er toch uit, dat vlees, dat vol-
doende
Salmonella-ha.cX.tnën bevatte om voedselvergiftiging te veroorzaken,
door deze methode van onderzoek werd opgespoord.

In 1961 werd bij Min. Besch. van 19 april, Stcrt. 80, het bacteriologisch
onderzoek met het oog op
Salmonellae zodanig gewijzigd ,dat voor de di-
rechte uitstrijk van lever- en galmateriaal op brillantgroenagar in de plaats
kwam het gebruik van tetrathionaatbouillon als ophopingsvloeistof. Bij deze
ophopingsmethode wordt van milt, lever, nier en spiervlees elk 5 gram op
steriele wijze fijngemalen of fijngeknipt, gemengd met 5 ml gal — eventueel
5 gram galblaaswand — en van het aldus verkregen mengsel wordt één
deel samengebracht met 5 delen ophopingsvloeistof. Na lè-18 uur incu-
beren der ophopingsvloeistof worden twee druppels uitgestreken op een
brillantgroen-agarplaat met een agarlaag van minstens 8 mm en een middel-
lijn van minstens 14 cm.

Hierbij valt in de eerste plaats in het oog, dat er een cocktail gemaakt wordt
van verschillende organen, hoewel gal en lever in de eerste plaats kans op
een positief resultaat bieden. Op grond van de overweging, dat vlees, milt
en nieren slcchts kiemhoudend kunnen zijn als gevolg van hematogene ver-
spreiding van kiemen en dat in een dergelijk geval de lever evenzeer kiem-
houdend zal zijn, moet het vervaardigen van een cocktail als een overbodige
handeling worden beschouwd en zal, waar voorts de op agar en in bouillon
aangelegde culturen voldoende mogelijkheid voor het opsporen van septi-
chemische vormen van salrnonellose openen, volstaan kunnen worden met
ophoping van lever- en galmateriaal. Zelfs zou bij zeer kiemarm materiaal
de 2/2-voudige verdunning van levermateriaal en gal aanleiding kunnen
zijn tot een negatieve uitslag.

In de tweede plaats is het bij dit voorschrift opmerkelijk, dat, terwijl voor
het vervaardigen van de cocktail omschreven hoeveelheden orgaanmateriaal
worden genoemd en er minimum afmetingen voor de brillantgroen-agar-
plaat zijn gesteld, er geen hoeveelheid van de cocktail is voorgeschreven,
waarmee de ophopingsvloeistof moet worden beënt.

Weliswaar is de aangegeven verhouding 1:5 van inoculum en ophopings-
vloeistof belangrijk, doch eerder in dit artikel is beschreven, dat de hoe-
veelheid uitgangsmateriaal grote invloed heeft op het resultaat van het
onderzoek.

Door GuinéeenKampelmacher (1960) werd bij onderzoek van
577 monsters orgaanmateriaal van slachtdieren met het gebruik van op-

-ocr page 485-

hopingsmethoden 4 maal zo veel monsters met Salmonellae gevonden dan
bij het onderzoek, zoals dit aanvankelijk in het Onderzoekingsregulatief was
voorgeschreven. Dit viervoudige resultaat leidde bij deze onderzoekers tot
de conclusie dat het gebruik van ophopingsvloeistoffen bij het bacterio-
logisch onderzoek van slachtdieren diende te worden toegepast. Nadere be-
schouwing van het onderzoek van Gu inée en Kampelmacher leert
echter, dat in de praktijk van de vleeskeuring dit viervoudige resultaat nooit
bereikt zal worden. De door deze auteurs toegepaste methoden wijken n.1.
op verschillende punten af van de thans in het Onderzoekingsregulatief om-
schreven ophopingsmethode. Er zijn n.1. 2 opbopingsvloeistoffen, tetra-
thionaat en seleniet, in hoeveelheden van 100 ml gebruikt, het overenten
uit deze ophopingsvloeistoffen vond niet alleen plaats na ongeveer 18 uur,
doch ook na 60-72 uur, tenvijl als selectiefplaat naast brillantgroenagar
werden gebruikt een Endopiaat en SS-agar. Er zijn bij dit onderzoek eigen-
lijk 5 verschillende metboden naast elkaar gevolgd.

Discussie.

De klinische gevallen van salmonellose bij slachtdieren zullen in het alge-
meen ook zonder het gebruik van ophopingsvloeistoffen kunnen worden op-
gespoord. Alleen in die gevallen, waar slechts spaarzaam kiemen aanwezig
zijn, zullen ophopingsvloeistoffen hun nut kunnen hebben. De slachtdieren,
die via ophopingsmethoden als besmet met
Salmonella worden aangemerkt,
zullen dan ook in het algemeen bacteriedragers zijn.

Deze bacteriedragers zullen aangetroffen kunnen worden zowel onder de
normale slachtdieren als onder de dieren, die om een of andere reden aan
een bacteriologisch onderzoek worden ondei-worpen en wel in beide groepen
in gelijke mate. In 1959 werden blijkens het jaarvei-slag van de Veterinaire
Hoofdinspecteur 612.000 runderen onvoorwaardelijk goedgekeurd; hier-
onder zullen zich plm. 3000
Salmonella-drsigtrs (^2%) hebben bevonden.
Bij ruim 15.000 runderen werd een bacteriologisch onderzoek ingesteld.
Naast de klinische gevallen, die — zoals werd uiteengezet — ook zonder
ophopingsvloeistof zullen worden gevonden, zullen hierbij via de ophopings-
methode hoogstens 75 dragers worden opgespoord. Het effect van de op-
hopingsmethode bij runderen is dus 75 op 3000 of 1 op 40.
Dit betekent, dat tegenover elke drager, die kan worden opgespoord er 40
staan, die onvoorwaardelijk goedgekeurd in de consumptie komen.
Bij varkens ligt deze verhouding door het hoge percentage dragers enerzijds
en het lage percentage varkens, waarbij een bacteriologisch onderzoek
wordt ingesteld anderzijds, nog veel ongunstiger. In 1959 werden ruim 3,5
miljoen varkens onvoorwaardelijk goedgekeurd. Onder dit aantal zullen
zich zeker 350.000
Salmonella-dragers (10%) hebben bevonden. Onder de
ruim 26.000 varkens, die in dat jaar aan een bacteriologisch onderzoek wer-
den onderworpen, hadden met de ophopingsniethode hoogstens 2600 dragers
gevonden kunnen worden. Het nuttig effect van een ophopingsmethode
bij het onderzoek van varkens is dus 1 op 135, m.a.w. afgezien van het grote
aantal uitwendig met
Salmonellae bezoedelde varkens staan tegenover elke
drager, die wordt gevonden, 135 dragers, die onvoorwaardelijk goedgekeurd
in de consumptie geraken.

Gerekend over alle soorten slachtdieren kan op grond van deze gegevens
voorden gesteld, dat het invoeren van een ophopingsmethode bij het bacte-

-ocr page 486-

riologiscli onderzoek voor het opsporen van Salmonella-infectie een nuttig
effect sorteert van minder dan 1%.

De vraag dringt zich op of het gebruik van tetrathionaatbouillon waarde
heeft, indien er slechts 1% van het werkelijk aanwezige aantal dieren, dat
met
Salmonellae is besmet, kan worden opgespoord. Indien men zich uit-
sluitend richt op het direct waarneembare resultaat, dat een enkele malen
groter aantal positieve bevindingen zal laten zien, krijgt deze vraag een
bevestigend antwoord. Men laat zich hierbij leiden door de gedachte, dat
Salmonella-iniectïes zoveel mogelijk opgespoord dienen te worden. Dit
standpunt geeft in het licht van een recente publikatie van Kampel-
macher c.s. (1962b) aanleiding tot vergaande consequenties.
In genoemde publikatie wordt melding gemaakt \\an een onderzoek vóór
en na het slachten op
Salmonella-hesmetting van 24 normale varkens. Uit
dit onderzoek bleek o.a. dat van de 24 varkens er 4
Salmonellae in gal en
lever hadden, terwijl bij 23 de mesenteriale lymfklieren besmet bleken. Dit
betekent, dat men bij ieder normaal slachtvarken een redelijk vermoeden
t.a.v. 5\'a/mowe;/a-besmetting mag koesteren, hetgeen aanleiding zou behoren
te zijn een bacteriologisch onderzoek in te stellen. Het behoeft geen betoog,
dat men dan niet alleen voor de praktische uitvoering, doch evenzeer voor
de consequendes met betrekking tot de keuringsuitspraak zal terugschrikken.

Naar mijn mening dient de beantwoording van de vraag of - - met het oog
op het geringe effect — het gebruik van ophopingsvloeistoffen waarde heeft,
in een wijder verband te worden bezien. Er zullen hierbij de volgende over-
wegingen in beschouwing moeten worden genomen:

a. Salmonellose bij de mens mist — op enkele uitzonderingen na — het ka-
rakter van een echte infectieziekte. Voor het ontstaan der salmonellose
zijn omstandigheden noodzakelijk, die vermeerdering van
Salmonellae in
voedingsmiddelen mogelijk maken en bevorderen. Bij de gevallen van
voedselvergiftiging, die tot een bepaalde bron kunnen worden herleid,
kunnen dan ook dikwijls fouten in of onei-varenheid bij de bereiding van
vleesprodukten worden geconstateerd.

b. Slechts een deel der bij de mens voorkomende gevallen van salmonellose
zal direct of indirect veroorzaakt worden door de slachtdieren. Als an-
dere primaire besmettingsbronnen komen o.a. in aanmerking pluimvee,
eiprodukten, vissen en misschien zelfs bakkerijprodukten.
Daarnaast speelt secundaire besmetting van voedingsmiddelen door men-
selijke bacillendragers een belangrijke rol.

De ongeveer 7000 gevallen, die jaarlijks worden aangemeld, welk getal
volgens deskundigen vertienvoudigd zou moeten worden om de werke-
lijkheid te benaderen, is betrekkelijk gering in verhouding tot het aantal
van ongeveer 500.000 slachtdieren, dat jaarlijks in- of uitwendig be-
smet onvoorwaardelijk goedgekeurd in consumptie wordt gebracht.
Hieruit blijkt, dat niet het individuele slachtdier als besmettingsbron
moet worden aangemerkt; het aantal voedselvergiftigingen zou dan veel
groter moeten zijn.

Voor zover slachtdieren de primaire bron voor voedselvergiftigingen zijn,
zal men een onderscheid moeten maken tussen gevallen, veroorzaakt
door het individuele slachtdier, dat septichemisch geïnfecteerd is, en
gevallen veroorzaakt door groepen slachtdieren, die ten tijde van de

-ocr page 487-

slachting symptoomloze bacteriedragers waren en waarbij door contact
in- of uitwendige bezoedeling met smetstof is opgetreden.

c. Indien met een ophopingsmethode in de praktijk het volgens Guinee
en Kampelmacher (1960) gepubliceerde resultaat zou kunnen
worden bereikt, dan zouden door alle keuringsdiensten gezamenlijk on-
geveer 5000 gevallen van .?a/mone^^a-besmettingen worden opgespoord
in plaats van plm. 1300, die in 1959 werden gevonden. Het extra-resul-
taat van ongeveer 3700 positieve gevallen, dat vrijwel uitsluitend zal be-
staan uit bacteriedragers, is zeer gering t.o.v. bet halve miljoen slacht-
dieren, dat in- en uitwendig besmet, onvoorv^\'aardelijk goedgekeurd in
consumpie komt. Het is dan ook zeer twijfelachtig of het elimineren
van dit geringe aantal dieren een gunstig effect zal hebben op de volks-
gezondheid.

Eerder in dit artikel werd medegedeeld, dat in de periode 1956 t.m. 1959
116.113 slachtdieren over de vrijbank werden verkocht. Uit deze periode
zijn geen gevallen bekend, dat er zich voedselvergiftigingen hebben voor-
gedaan na het nuttigen van vrijbankvlees. Het bacteriologisch onder-
zoek van deze dieren heeft zich in deze periode, wat het speciale ge-
deelte t.a.v.
Salmonella betreft, beperkt tot de directe uitstrijk van lever-
en galmateriaal op brillantgroenagar. Onder de genoemde 116.113 dieren
bevonden zich 31.333 runderen en 35.414 varkens; er mag worden aan-
genomen, dat zich hieronder bij de runderen 150 (/2%) en bij de var-
kens 3.500 (10%) dragers hebben bevonden. Aangezien klachten over
vrijbankvlees zeker de keuringsdienst bereiken, mag worden geconclu-
deerd, dat althans deze 3650 dieren geen ziekteverschijnselen bij de con-
sument hebben veroorzaakt.

d. Het van 1950 tot 1959 toegenomen aandeel van S. typhimurium in de
gevallen van voedselvergiftiging en het sinds 1950 constant gebleven
percentage van subklinische infecties bij varkens met deze kiem, wijzen
er op, dat er omstandigheden zijn buiten de direkte relatie slachtdier-
mens, die invloed hebben op het veelvuldig voorkomen van
S. typhi-
murium
bij dc mens.

In de eerste plaats is hel mogelijk, dat wellicht onder invloed van toe-
genomen internationaal handelsverkeer andere besmettingsbronnen in
belangrijkheid zijn toegenomen. Voorts zijn er aanwijzingen, dat de resis-
tentie tegen uitwendige invloeden evenals de pathogeniteit van
S. typhi-
murium
groter is dan \\ an andere serotypen.

Door McDonagh en Smith (1958) wordt beschreven, dat in het
jaar 1956 monsters genomen van vloeren, werktafels enz. in het slacht-
huis te Bradford in ongeveer gelijke mate
S. typhimurium en S. derby
bevatten. In hetzelfde jaar werd in orgaanmateriaal van 2001 slacht-
varkens 362 maal
S. typhimurium en 263 maal S. derby aangetoond.
Van de in 1956 in de stad Bradford bekend geworden 240 gevallen van
salmonellose bij de mens bleken echter 221 veroorzaakt door
S. typhi-
murium
en slechts 8 door S. derby.

Grossklaus (1961) verrichtte een onderzoek naar de levensvatbaar-
heid van verschillende
Salmonella-typen op worstomhulsel. Het resul-
taat bleek afhankelijk te zijn van het type; de levensvatbaarheid van
S. typhimurium bleek het grootste, die van S. dublin het geringste te
zijn.

-ocr page 488-

Volgens een onderzoek van Siegmund (1960) naar de levenskansen
van
S. typhimurium, S. newport, S. enteritidis en S. newington in ver-
schillende spijzen en dranken bleek
S. typhimurium zeer duidelijk de
beste levenskansen te hebben.

Dat er zelfs een groot verschil kan bestaan tus.sen de verschillende faag-
typen van
S. typhimurium blijkt uit een beschrijving door D a 11 a en
Pridie (1960) van een uitgebreide contactinfectie van
S. typhi-
murium,
faagtype 27, onder patiënten en personeel van een ziekenhuis.

Op grond van de voorgaande overwegingen kan worden gesteld, dat het
bacteriologisch onderzoek in de vleeskeuring met betrekking tot het voor-
kómen van salmonellose bij de mens alleen dan betekenis heeft, wanneer
het gaat om
Salmonella-iniacties bij het slachtdier, die van septicbemische
aard zijn. Waar blijkens de jaarverslagen van de Veterinaire Hoofdinspec-
teur zich na 1950 geen gevallen van voedselvergiftiging hebben voorgedaan,
die konden worden teruggevoerd op een slachtdier, dat aan een bacterio-
logisch onderzoek onderworpen was geweest, mag worden geconcludeerd,
dat het bacteriologisch onderzoek in de praktijk steeds toereikend is geweest.
Aangezien in deze toestand geen behoefte aan verbetering kan bestaan,
moet het nut van het gebnnk van opbopingsmethoden ontkend worden.
Voor de in het algemeen eenvoudige laboratoria der vleeskeuringsdiensten
is dit onderzoek een onnodige extra belasting, terwijl het onderzoek resul-
teert in het opsporen van wellicht enkele duizenden besmette dieren, waar-
van de noodzaak van afkeuring of sterilisatie hoogst twijfelachtig is.
De erkenning, dat de vleeskeuring in engere zin tekort schiet in het voor-
komen van salmonellosis bij de mens, behoeft geen disqualificatie in te
houden, omdat deze preventie ligt buiten de reikwijdte van de onderzoek-
methoden in de vleeskeuring.

Niet het individuele slachtdier, doch groepen slachtdieren hebben een aan-
deel in de vermeerdering der salmonellose. Het patholoog-anatomische en
bacteriologische onderzoek in de vleeskeuring richt zich op het individuele
dier. De besmetting van groepen slachtdieren ligt op het terrein der alge-
mene hygiëne.

De keuringsdierenarts zal op het terrein der hygiëne een positieve bijdrage
kunnen leveren tot de preventie van de salmonellose bij de mens.
In de eerste plaats zullen deze maatregelen zich moeten richten op het
voorkómen van faecale verontreiniging. Dit kan worden bevorderd door
een centrale verbloedingsplaats en een scheiding van de slachtplaats in een
rein en onrein gedeelte door toepassen van 3-fasensysteem of een slacht-
baansysteem. Genoemde verdeling der slachtplaats is pas dan volledig ef-
fectief als ook het slachtpersoneel wordt verdeeld naar de werkzaamheden,
het onreine en het reine gedeelte betreffende.

Bij varkens zal men voorts de hygiënische maatregelen moeten baseren 0]3
de gegevens, dat onderling contact vóór het slachten aanleiding geeft tot
kruisinfecde en dat tijdens het verwijderen der borstels een aanzienlijke
kans op bezoedeling met smetstof bestaat.

Door Galton c.s. (1954), evenals voor McDonagh en Smith (1958)
werd aangetoond, dat het besrnettingspercentage van varkens gedurende
het verblijf in stallen van slachterijen aanzienlijk kan toenemen. Laatstge-
noemden vonden bij aankomst een besmettingspercentage van 2,9% en na
enige dagen verblijf in de stallen van 13,5%. Dit gegeven onderstreept niet

-ocr page 489-

alleen het grote nut van een dagelijkse reiniging en ontsmetting der stallen,
doch doet tevens de vraag rijzen of er ook eisen gesteld moeten worden ten
aanzien van de stalgrootte met betrekking tot de slachtcapaciteit.
Hoewel Galton c.s. (1954), evenals Postma (1962) geen grote rol
toebedelen aan het broeiwater als besmettingsbron voor
Salmonellae, moet
toch uit algemeen hygiënisch oogpunt het broeiwater als een dermate grote
bron voor oppervlaktebezoedeling worden opgevat, dat onderzoek naar
andere werkwijzen, zoals hangend broeien met schoon water voor ieder
varken, ondersteuning verdienen.

Het gebruik en de constructie van de ontharingsmachine laten geen ont-
smetting toe na ieder varken. Galton c.s. (1954) toonde in Amerika in
de peric^e 1950-1952 reeds aan, dat het onderzoek op
Salmonellae van 254
monsters afkrabsel uit ontharingsmachines in 41% der gevallen positief was.
Kampelmacher c.s. (1962a) vonden in ons land bij een soortgelijk
onderzoek 17,5% der monsters positief. De mogelijkheid van een effectieve
ontsmetting der ontharingsmachine tijdens het slachtproces zou van grote
betekenis voor het voorkómen van oppervlaktebesmetting zijn.
De mededeling van Galton c.s., dat bij het toepassen van een voortdu-
rende heetwaterstraal in de ontharingsmachine het percentage van
Salmo-
nellae
besmette monsters teruggebracht kon worden op 4, wijst er op dat
technische verbeteringen in staat zidlen kunnen zijn de ontsmettingsmoge-
lijkheden te vergroten.

Conclusies.

1. Het aantal isolaties van Salmonellae bij de keuring van slachtdieren is
in de periode 1957-1959 ongeveer op hetzelfde niveau gebleven.

2. Het percentage van de nonnale slachtvarkens, dat drager is van S. typhi-
murium,
is sinds 1950 niet veranderd.

3. Het aandeel van andere typen dan S. typhimurium in de Salmonella-
besmetting van normale slachtvarkens is aanzienlijk toegenomen.

4. Het Salmonella-vraagRtuk bij de mens staat, voorzover het S. typhi-
murium
betreft, niet in directe relatie met bet slachtvarken.

5. Het bacteriologisch onderzoek, zoals dat oorspronkelijk in het Onder-
zoekingsregulatief was voorgeschreven, bood voldoende waarborgen om
de volksgezondheid te beschermen tegen het individuele slachtdier, dat
met
Salmonellae was geïnfecteerd.

6. Het nutdg effect van het gebruik van een ophopingsmethode, dat ge-
rekend over alle slachtdieren ongeveer 1% bedraagt, is te gering om
van invloed te kunnen zijn op de volksgezondheid.

7. Voorzover Salmonella-dragers onder de slachtdieren de primaire oor-
zaak zijn van salmonellose bij de mens, zal de keuringsdienst deze re-
latie uitsluitend kunnen beïnvloeden door hygiënische maatregelen.

8. De hygiënische maatregelen zullen zich niet kunnen beperken tot het
betrachten van reinheid en het toepassen van ontsmettingsmiddelen,
doch zullen zich voorts moeten uitstrekken tot de behandeling der
dieren vóór het slachten en de verbetering van technische hulpmiddelen,
zoals o.a. het broeiwater en de ontharingsmachine.

-ocr page 490-

Het aandeel van S. typhimurium in de gevallen van salmonellose bij de mens is in
de periode 1952-1959 sterk toegenomen. Bij de keuring van slachtdieren valt pro-
centueel geen toename van het aantal gevallen van salmonellose waar te nemen.
De toename van het percentage
Salmonella-drager^ onder normale slachtvarkens
wordt veroorzaakt door het sterk gestegen aantal serotypen. Het besmettingspercentage
met
S, typhimurium blijkt sinds 1950 niet te zijn toegenomen. Uit deze gegevens
wordt geconcludeerd, dat de toename van
S. typhimurium bij de mens niet het directe
gevolg is van het voorkomen van deze kiem bij normale slachtvarkens.
Aan de hand van literatuurgegevens worden verschillende andere smetstofbronnen
besproken.

Het bacteriologisch onderzoek bij de keuring van slachtdieren heeft ten aanzien van
salmonellose alleen betekenis, voorzover er sepuchemisch geïnfecteerde dieren mee
worden opgespoord. In deze zin is het bacteriologisch onderzoek het laatste tiental
jaren volledig effectief geweest, er hebben zich n.1. sinds 1950 geen gevallen voor-
gedaan van voedselvergiftiging, die in verband gebracht konden worden met dieren,
waarvan het vlees na een bacteriologisch onderzoek via de vrijbank werd verkocht.
In deze omstandigheden kan er geen behoefte bestaan aan het gebruik van een op-
hopingsmethode, die aan het aantal positieve bevindingen in het algemeen slechts
bacteriedragers zal toevoegen. Bovendien is het nuttig effect van een ophopings-
methode slechts gering: tegenover iedere
Salmonella-drageT, die op deze wijze wordt
opgespoord, staan ongeveer 100 dieren, waarvan het vlees onvoorwaardelijk goed-
gekeurd in consumptie komt. De
Salmonella-dragers onder de gezonde slachtdieren
vallen buiten de reikwijdte van de onderzoekmethoden in de vleeskeuring.
Tot de preventie van de salmonellose bij de mens, voorzover deze in verband staat
met
Salmonella-dragers onder de gezonde slachtdieren, zal de keuringsdierenarts
slechts kunnen bijdragen door het bevorderen van hygiënische maatregelen in de
meest uitgebreide zin.

SUMMARY.

The part that S. typhimurium plays in the cases of Salmonellosis in man increased
considerably in the years of 1952-1959.

Proportionally no increase of the number of Salmonellosis is observed in the in-
spection of slaughter animals. The increase of the percenta.ge
Salmonella-carriers
among normal slaughter-pigs is caused by the greatly increased number of serotypes.
It appears that since 1950 the percentage infections caused by
S. typhimurium. has
not gone up.

These facts lead to the conclusion that the increase of S. typhimurium in man is not
a direct consequence of the incidence of this germ in normal slaughter-pigs.
In the light of literature records various other virus-sources are considered.
The bacteriological investigation in connection with meat-inspection is only of impor-
tance, with regard to Salmonellosis, as far as septichaemically-infected animals can
be traced by it. The bacteriological investigation in this respect has been completely
effective in the last decade. Since 1950 no cases have occurred of food-poisoning
which could be related to animals of which the meat after a bacteriological investi-
gation, was released for conditionned sale (vrijbank).

In these circumstances there is no need for the use of a method, which in general
will only add bacteria-carriers to the number of positive findings. Moreover, the
useful effect of an enrichment-method is only slender: against every
Salmonella-carrier
traced in this way, there are about 100 carriers which succesfully pass the inspection
and the meat of which is released for consumption.

The Salmonella-carriers among the healthy slaughter-animals are beyond the ran.ge
of the research-methods in the meat-inspection. The veterinarian charged with the
meat-inspection can only contribute to the prevention of Salmonellosis in man, as far
as it is connected with
Salmonella-carriers among healthy slaughter-animals, by
taking hygienic measures on a very large scale.

-ocr page 491-

RÉSUMÉ.

Dans la période de 1952-1959 la part contributive de S. typhimurium dans les cas
dc Salmonellose chez l\'homme a augmenté considérablement.

L\'inspecdon d\'animaux d\'abattage ne révèle pas d\'augmentation relative du nombre
de cas de Salmonellose.

L\'augmentation du pourcentage de porteurs de Salmonellose parmi les porcs d\'abat-
tage normaux est causée par le nombre fortement accru de sérotypes. Le pourcentage
d\'infection par la
S. typhimurium paraît ne pas avoir augmenté depuis 1950.
Ces données permettent la conclusion que l\'augmentation de
S. typhimurium chez
l\'homme n\'est pas le conséquence directe de la présence de ce germe dans les porcs
d\'abattage normaux.

A l\'aide de différentes données de la littérature plusieurs autres sources d\'infection
sont discutées.

L\'examen bactériologique dans l\'inspection d\'animaux d\'abattage n\'est d\'importance
pour la Salmonellose qu\'en tant qu\'il permet de détecter des animaux infectés de
façon septicémique. Dans ce sens l\'examen bactériologique a été un plein succès pen-
dant la dernière dizaine d\'années, car depuis 1950 il ne s\'est plus présenté aucun cas
d\'intoxication nutritive, qui pût être mis en rapport avec des animaux dont la viande
fut soumise en vente conditionnée (vrijbank) après l\'examen bactériologique. Dans ces
circonstances on n\'aura pas besoin de se servir d\'une méthode accumulative qui
n\'ajoutera en général que des porteurs de bactéries au nombre d\'expériences positives.
En outre l\'effet utile d\'une mthode accumulative n\'est que restreint: pour chaque
porteur de
Salmonella détecté de cette façon, environ cent porteurs se présentent dont
la viande est mise sur le marché, approuvée sans condition. Les porteurs de
Salmo-
nella
parmi les animaux d\'abattage sains ne tombent pas sous la portée des méthodes
d\'examen de l\'inspection des animaux de boucherie.

Le vétérinaire d\'inspection ne pourra contribuer à la prévention de Salmonellose
chez l\'homme, en tant que celle-ci en rapport avec les porteurs de
Salmonella parmi
les animaux d\'abattage sains, qu\'en encourageant les mesures hygiéniques dans le
sens le plus vaste du mot.

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Prozentsatz S. typhimurium in vielen Salmonclloscfällen beim Menschen nahm
in der Periode 1952-1959 stark zu. Prozentual wurde bei der Fleischbeschau von
Schlachttieren keine Zunahme von Salmonclloscfällen festgestellt.
Die Zunahme des Prozentsatzes von
Salmonella-trägern unter normalen Schlacht-
schwcinen wird durch die stark zugenommene Anzahl Scrotypen verursacht. Seit 1950
scheint der Prozentsatz der Infektionen mit
S. typhimurium nicht zugenommen zu
haben. Auf Grund dieser Ergebnisse wird angenommen, dasz die Zunahme von
S. typhimurium beim Menschen nicht die direkte Ursache vom Vorhandensein dieses
Keimes bei normalen Schlachtschweinen sein kann.

.An Hand von Litcraturangaben werden verschiedene andere Infcktionsursachen be-
sprochen.

Die bakteriologische Untersuchung bei der Fleischbeschau von Schlachttieren hat
bezüglich der Salmonellose nur dann Bedeutung, wenn damit septikämisch infizierte
Tiere aufgespürt werden können. In diesem Sinne ist die bakteriologische Unter-
suchung der letzten 10 Jahre als ein auszerordendicher Erfolg anzusehen, da sich seit
1950 keine Fälle von Lebensmittelvergiftung vor,getan haben, die auf Tiere zurück-
zuführen waren, deren Fleisch nach einer bakteriologischen Untersuchung über die
Freibank verkauft worden war. Unter solchen Umständen ist der Gebrauch einer
Anreicherungsmethode, die an der Zahl positiver Befunde im allgemeinen doch nur
Bakterienträger zufü.gen wird, unnötig. Ausserdem ist der Nutzeffekt einer Anrciche-
rungsmethode nur gering, da jedem
Salmonella-trägei der auf diese Weise aufge-
spürt wird, ungefähr 100 Tiere gegenüberstehen, von denen das Fleisch als tauglich
befunden in den Verbrauch gelangt.
Salmonella-trägei- unter gesunden Schlachttieren

-ocr page 492-

fallen bei der Fleischbeschau ausserhalb der Reichweite von Untersuchungsmethoden.
Zur Verhütung der Salmonellose beim Menschen, insoweit diese im Zusammenhang
mit
Salmonella-träger unter gesunden Schlachtticren steht, wird der Fleischbeschau-
tierarzt nur durch Förderung hygienischer Maszregeln, im weitesten Sinne des Wortes,
beitragen können.

LITERATUUR

Berichten uit het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid te Utrecht, 1959.
Verslagen en Mededelingen betr. de Volksgezondheid, 1613, (1960).

Clarenburg, A.: Epidemiologie van Salmonellosen bij mens en dier. Versl.
Meded. betr. Volksgezondheid,
1722, (1960).

Committee on Bathing Beach Contamination of the Public Health Laboratory
Service: Sewage contamination of coastal bathing waters in England and Wales.
/. Hyg., Camb., 57, 435, (1959).

Datta, N. and Pridie, R. B.: An outbreak of infection with S. typhimurium in
a general hospital.
J. Hyg., Camb., 58, 229, (1960).

G a 1 b r a i t h, N. S.: Studies of human Salmonellosis in relation to infection in

animals. Vet. Rec., 73, 1296, (1961).
G a 1 t o n, M. M., S m i t h, W. v., M c E b r a t h, H. B. and H a r d y, A. B.: Sal-
monella in swine, cattle and the environment of abattoirs.
J. inf Dis., 95 236,
(1954).

Gaugusch, Z.: Les recherches sur les animaux a sang froid comme porteurs de
Salmonelles.
Proceedings 3e Symposium I.A.V.F.H., Nice 1962.

Grossklaus, D.: Hygienische Masznahmen bei der Verpackung von Fleisch-
waren.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 74, 175, (1961).

G u i n é e, P. A. M. en K a m p e 1 m a c h e r, E. H.: Enkele gegevens omtrent het
gebruik van ophopingsmedia bij het bacteriologisch onderzoek van vlees en organen
van slachtdieren.
Tijdschr. Diergeneesk., 85, 951, (1960).

Hammer, D.: Die Entwicklung der Salmonellose bei Haustieren in Baden unter
Berücksichtigung gesicherter Infektketten.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 74, 64,
(1961).

H a u g e, S., B 0 v r e, K.: Forekomst av Salmonellabaktcrier i importert vegetabilisk
proteinkraftfor og kraftforblandinger.
Nord. VetMed., 10, 255, (1958).

H o b b s, B. C. and W i 1 s o n, J. G.: Contamination of wholesale meat supplies Vidth
Salmonellae and heat -resistant Clostridium wflchii.
Aionthly Bull. Aiin, Health
and Publ. Health Lab. Service,
18, 198, (1959).

H o e k e, F.: Microbiologische gesteldheid van gedroogd kippeëiwit en gemalen
kokos als bakkerijgrondstof.
Conserva, 10, 186, (1962).

Huisman, W.: Over het voorkomen van tot het geslacht Salmonella behorende
microörganismen bij gezonde varkens. Diss. Utrecht, 1950.

Kampelmache r, E. H.: Over het voorkomen en isoleren van Salmonella bij
normale slachtrunderen in Nederland.
Tijdschr. Diergeneesk., 82, 386, (1957).

K a m p e 1 m a c h e r, E. H., G u i n é e, P. A. M., Hofstra, K. en Keulen,
A. van: Salmonella-onderzoek in slachthuizen.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 77,
(1962a).

K a m p e 1 m a c h e r, E. H., G u i n é e, P. A. M., Keulen, A. van en Hof-
stra, K.: Further investigations on the occurrence of Salmonella in normal
slaughter pigs.
Proceedings Be Symposium I.A.V.F.H., Nice, (1962b).

M c D o n a g h, V. P. and Smith, H. G.: The significance of the abattoir in Sal-
monellainfecion in Bradford.
]. Hyg., 56, 271, (1958).

Newell, K. W., McClarin, R., M u r d o c k, C. R., M a c D o n a 1 d, W. N.
and Hutchinson, H. L.: Salmonellosis in Northern Ireland, with special
reference to pigs and Salmonella-contaminated pig meal.
J. Hyg., Camb., 57, 92,
(1959).

-ocr page 493-

Polak, M. F.: Kippeëiprodukten als bron van Salmonella-infecties bij de mens
in het bijzonder door verwerking in het bakkerijbedrijf.
Versl. Meded. betr. Volks-
gezondheid, 1744, (1960).

P o 1 a k, M. F., G u i n é e, P. A. M. en S c h u i t e m a k e r, A. G.: Besmetting met
S. bredeney en S. newport van in een vleeswarenfabriek bereide preskop. Versl.
Meded. betr. Volksgezondheid, 1752, (1960).

Postma, C.: Die Hygiene beim Schlachten. Proceedings 3e Symposium I.A.V.F.H.,
Nice 1962.

R u t q v i s t, L., Thai, E.: Salmonella isolated from animals and animalproducts
in Sweden during 1956-1957.
Nord. VetMed., 10, 234, (1958).

S i e g m u n d, I.: Untersuchungen über die Lebensdauer von Salmonellen und
Shighellen in verschiedenartigen Lebensmitteln.
Archiv. Hyg. Bakt., 144, 550,
(1960).

Smith, H. W.: The isolation of Salmonellae from the mesenteric lymph nodes and
faeces of pigs, catde, sheep, dogs and cats and from other organs of poultry.
J. Hyg., Camb., 57, 266, (1959).

Smith, H. W.: The effect of feeding pigs on food naturally contamined with
Salmonellae.
J. Hyg., Camb., 58, 381, (I960).

S n e 1 t i n g, H. B. F. en F r a n s s e n, J.: Over de betekenis van ophopingsmethoden
bij het bacteriologisch vleesonderzoek.
Tijdschr. Diergeneesk., 85, 934, (1960).

Koelen van avondmelk in de winterperiode.

Gedurende de winterperiode 1961-1962 zijn door het C.M.C.-bedrijf te Wormerveer,
in samenwerking met enkele veehouders, proeven genomen met het koelen van avond-
melk op de boerderij. Een gedeelte van de melk werd gedurende drie uur gekoeld
met 40 liter leidingwater (kosten plm. 1 cent) dat door middel van een koelring om
de hals van de bus vloeide. De andere bussen werden op dezelfde plaats als de ge-
koelde melk gezet. Uit deze proeven bleek dat de tempratuur van de gekoelde
melk 4 tot 6 graden C lager was dan de temperatuur van de niet gekoelde melk. De
proeven vonden plaats in de buitenlucht. Bij onderzoek bleek dat het koel-effect het
gemiddelde kiemcijfer tot de helft terugbracht. Dit resultaat kan nog worden ver-
hoogd door een doek om de bus te wikkelen. Hierdoor is het kontakt tussen water en
bus iets groter, waardoor de temperatuur nog 1 tot 2 graden G lager wordt.
Uit het bovenstaande blijkt, dat met weinig werk en kosten een betere kwaliteit van
de avondmelk bij éénmaal daags ontvangen bereikt kan worden.

CMC Melk, 12, 193, 1962.

Vereenvoudiging van de melkcontrole.

Het melk- en zuivelinstituut in Shinfield bij Reading toonde een apparaat voor een
snelle analyse van melk, de zg. infrared-milk-analyses. Na druk op een knop weet
men binnen 1 minuut het gehalte aan vet, droge stof, eiwit en lactose: De kosten
van het apparaat bedagen meer dan 20.000 D.M. De kosten van de analyse van een
monster zouden ± 10 pfennig bedragen, tegen 15 pfennig voor een vetbepaling vol-
gens Gerber. Het apparaat is echter nog niet rijp voor de praktijk omdat de uitkom-
sten iets minder nauwkeurig zijn dan die van de chemische bepalingsmethode. Men
hoopt deze moeilijkheden echter in korte tijd de baas te zijn.

Der Tierzüchter, 20-8-1962.

-ocr page 494-

Rabies.

Rabies.

door N. F. WERKMAN^)

Het feit dat in Amsterdam rabies werd geconstateerd, heeft de aandacht
weer zeer sterk gericht op deze virus-ziekte, welke zich sedert 1923 als
autochtone ziekte niet in Nederland heeft voorgedaan. Ten aanzien van de
rabiesgevallen in Amsterdam zijn thans de volgende concrete feiten te ver-
melden.

Op 26 juli 1962 werd een 3-jarig jongetje door een hondje gebeten in de
linker pols. Op 6 september werd het kind ernstig ziek en overleed op 8
september in het ziekenhuis. Door de arts werd aan rabies gedacht mede op
grond van de angst voor water en neiging tot bijten. Naar aanleiding van
deze verdenking werd sectie verricht. Delen van de hersenen die door de
patholoog-anatoom aan het R.I.V. werden afgestaan, vertoonden geen
lichaampjes van Negri. In muizen werd echter een microörganisme geïso-
leerd dat deze dieren in de 2e-3e week na de intracerebrale enting verlamt
en doodt. In geïnfecteerde muizehersenen werden insluitsels gevonden die
volgens voorlopig bericht niet waren te onderscheiden van Negri-lichaamp-
jes. Een uit deze hersenen bereid antigeen reageerde met volledige coinple-
ment-binding tot een verdunning van 1:32 tegenover specifiek rabiesserum.
Virus-neutralisatieproeven met dit serum gaven een neutralisatie index van
tenminste 520 LD 50. Op 16 oktober werd de typering van het agens als
rabies-straatvirus definitief gerapporteerd.

Nauwkeurige nasporingen in Amsterdam wijzen met zeer grote waarschijn-
lijkheid uit dat het betreffende hondje op 27 juli in het politiebureau
Marnixstraat is binnengebracht, nadat het nog verscheidene andere per-
sonen had gebeten. Het dier was van het vrouwelijk geslacht, en haar ge-
dragingen waren zeer verdacht, zodat nog dezelfde dag in een hondenasyl
tot vergassing werd overgegaan.

Op 19 oktober succumbeerde een kat met klinische verschijnselen van
rabies. De kat was enige weken tevoren gebeten door een hond. Verschei-
dene gezinsleden zijn door de zieke kat gebeten. Bij onderzoek van de herse-
nen uit de kat zijn zowel in het R.I.V. als in het C.D.I. lichaampjes van
Negri aangetoond.

Tenslotte overleed op 20 oktober een jongen van 16 jaar onder verschijn-
selen van rabies. Dezelfde dag werd de diagnose in het R.I.V. bevestigd.
In Amsterdam geldt thans een muilkorf-gebod. Wegens gebrek aan vol-
doende doelmatige muilkorven1) kan dit echter niet ten volle worden ge-
realiseerd, derhalve geldt tevens het aanlijngebod. Loslopende honden wor-
den van gemeentewege opgepakt en geïsoleerd in hokken op een daartoe
aangewezen terrein. In de omringende gemeenten geldt een aanlijn-gebod.

1  Voor een aanvulling van het in de beschikking van 14 juni 1922, Stcrt. 115 om-
schreven model muilkorven, waarvan honden ngevolge een bevel moeten zijn
voorzien, moge worden verwezen naar de Ministeriële beschikking dd. 22 oktober
1962, Stcrt. no. 205. De tekst van bedoelde Ministeriële beschikking is op pag.
1367 dezer aflevering vermeld. ,

\\

-ocr page 495-

Primair komt rabies voor bij de Canidae (hond, wolf, vos enz.) maar ook
alle warmbloedige dieren, tamme zowel als wilde, kunnen erdoor worden
aangetast.

Rabies is één der oudste bekende zoönosen en volgens een rapport van de
Wereld Gezondheids-Organisatie kwam de ziekte in 1958 in 71 landen van
de wereld voor.

Hoewel het sterk gestegen ver\\oer, en wel speciaal het vervoer door de
lucht, het gevaar van insleep van hondsdolheid — zoals overigens ook van
andere besmettelijke dierziekten — reeds sterk heeft vergroot, vormt bet
vóórkomen van rabies in West-Duitsland toch wel het grootste gevaar voor
ons land. Na de tweede wereldoorlog komt de ziekte in West-Duitsland
enzoötisch voor tengevolge van insleep vanuit Oost-Duitsland en Tsjecho-
Slowakije. Het verloop van het aantal gevallen onder dieren in West-
Duitsland van 1959 t.m. 1961 wordt weergegeven in de volgende grafiek:

RABIES

procentuele besmetting naar diersoori
vastgesteld in W.Duitsland in 1961

%

70
60
50
/»O
30
20
10
O

12

fin

no.

VOS

tam. wild
VLEESETERS

In West- en Oost-Duitsland doet zich een opmerkelijke verschuiving voor
in de diersoorten, welke door rabies worden aangetast, en wel van de ge-
domesticeerde vleeseters (hond en kat) naar de in het wild levende, waar-
bij vooral de vos sterk op de voorgrond treedt.

In 1961 was in West-Duitsland de verhouding van de besmetting onder de
vorengenoemde diersoorten, zoals de grafiek op pag. 1364 weergeeft.
Voor de eerste 9 maanden van 1962 was deze verdeling als volgt:

Honden

107 gevallen

6 %

Katten

127 gevallen

7 %

Vossen

1157 gevallen

65 %

Runderen

119 gevallen

6,6%

Reeën en herten

268 gevallen

15,4%

1778 gevallen

100 %

5.5

hond kat

rund ree en
hert

tam. wild
HERKAUWERS

-ocr page 496-

700
600
500
4 00
300
200
100

j_fmomj i osondj fmomj j gsond j fmomj jo s o n d

1959 1960 1961---\'

Voor het ziekteverloop kan het beste naar de handboeken worden ver-
wezen, maar wellicht is het nuttig hier in het kort de 3 ziektestadia, welke
kunnen worden onderscheiden, te vermelden.

1. Het stadium melancholicum: de dieren worden humeurig, soms schuw,
bijten of krabben op de gebeten plek, hebben neiging vreemde voor-
werpen op te eten (speciaal de hond), hebben dikwijls een verhoogde
geslachtsdrift en maken veelal een neerslachtige indruk. De hond „hapt
naar vliegen".

2. Het stadium excitationis (vanaf de eerste of tweede dag van het begin
der verschijnselen): de dieren krijgen neiging tot ronddolen, soms over
grote afstanden en krijgen aanvallen van razernij, zodat ze andere
dieren en soms ook de mens aanvallen; katten trachten vooral in het
hoofd te bijten. Er beginnen verlammingen op te treden, allereerst van
het strottenhoofd (slikbezwaren, sterk veranderd geluid, kwijlen); de
onderkaak begint af te hangen, de dieren krijgen een atactische gang.

3. Het stadium paralyticum (ongeveer vanaf de vierde of vijfde dag): de
verlammingen nemen sterk toe zodat het dier zich tenslotte niet meer
kan voortbewegen. Het laatst verlammen ledematen, romp en staart.
Na vijf tot zeven dagen, soms tot na tien dagen sedert het begin der
ziekte, sterft het dier.

In 15 ä 20% van de gevallen wordt het eerste en het tweede stadium over-
geslagen en beginnen de verlammingen zonder de razernij en andere be-
schreven verschijnselen, direct. Deze zogenaamde „stille vorm" levert een
complicatie op, welke voor de klinische diagnose erg lastig is. Niet alle
beten van aangetaste dieren hebben de ziekte tot gevolg. Dit houdt ver-
band met de uitgebreidheid en plaats van de wond en de tijd waarop het
slachtoffer door het dolle dier is gebeten. Het speeksel is namelijk gedu-
rende de ziekte in afnemende mate besmettelijk en bevat reeds 2 tot 5 da-

-ocr page 497-

gen (eenmaal is zelfs een tijdsduur van 8 dagen vastgesteld) voor het op-
treden der verschijnselen, virus. Voorts is van belang de plaats van de beet-
wond. Via de zenuwbanen verplaatst zich het virus naar het centrale
zenuwstelsel. Hoe zenuwrijker de gebeten plaats is (hoofd en handen),
hoe groter de kans dat de infectie aanslaat en hoe korter de incubatie.
Verder dient gedacht te worden aan de meerdere of mindere mate van
uitspoeling van het virus door optredende bloeding en mogelijk ook aan
factoren van weerstand van het dier zelf.

Men schat dat gemiddeld 30-40% der gebeten honden, 40% der gebeten
paarden, 50-60% der gebeten runderen en ongeveer 35% der gebeten
varkens ziek worden. Van de in het wild levende dieren weet men deze
percentages niet precies. Bij de mens is dit cijfer op 16-20% te stellen.*)

Behalve door de „wilde vleeseters" kan, zoals reeds vermeld, het virus ook
door ratten en vogels worden overgebracht. Besmetting met rabies van
vleermuizen is eveneens geconstateerd en ook met de mogelijkheid van
overbrenging door vliegen moet rekening worden gehouden.
Incubatieperiode: afhankelijk van bovengenoemde factoren kan het tijds-
verloop tussen de beet en het zich voordoen van de eerste symptomen va-
riëren van 14 dagen tot meer dan een half jaar. Bij de hond is dit tijds-
verloop gewoonlijk van 2 tot 8 weken, bij de landbouwhuisdieren van 1
tot 3 maanden en bij de mens doorgaans van 5 tot 8 weken.*)

Bij het vaststellen van rabies bij honden en katten kunnen de veterinaire
politiebepalingen, zoals deze in de Veewet, Titel IV, de artikelen 50 t.m. 65
zijn vastgelegd, ten uitvoer worden gebracht. Deze maatregelen zijn de vol-
gende:

1. Een verbod van in- en doorvoer van honden en katten.

Dit verbod is thans reeds in werking voor niet-geënte dieren, behalve
die afkomstig zijn uit België en Lu.xemburg (zie
Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde
van 1 juli 1962, Aflevering 13, Deel 87, blz. 940 e.v.).

2. Afmaken of isoleren van verdachte of zieke dieren.

3. Bevel tot muilkorven, opsluiten of aanlijnen van honden.

4. Bevel tot enting van honden.

De autoriteit, die deze bevelen uitvaardigt, dient overleg te plegen met het
districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst. Samenwerking tussen
deze dienst en de Geneeskundige Inspecties van de Volksgezondheid is
uiteraard noodzakelijk. Deze samenwerking is reeds in beginsel vastge-
legd, terwijl tevens beschikt kan worden over de medewerking van de
wetenschappelijke staf van het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid en
het Centraal Diergeneeskundig Instituut.

Door deze samenwerking is gewaarborgd, dat ingrijpende maatregelen niet
zonder voldoende redenen, gecoördineerd en deskundig worden toegepast.
Wil de samenwerking tussen de medische- en de veterinaire instanties
effect hebben, dan zal deze samenwerking bij de bron: de dierenarts en
de arts, moeten beginnen.

De buisarts, de specialist en — via deze beiden — het streeklaboratorium

Artikel van A. vanKeulen inzake rabies in Tijdschrift voor Diergeneeskunde,
80, 978, (1955).

-ocr page 498-

van het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, die kennis krijgen van
het voorkomen van een zoönose, zullen de Geneeskundige Inspecteur èn
de dierenarts moeten informeren. Indien de dierenarts als eerste kennis
krijgt van een besmettingsgeval van hondsdolheid bij een dier dan zal hij
contact dienen op te nemen met de Inspecteur van de Veeartsenijkundige
Dienst en eventueel met de arts, indien het verdachte dier een mens heeft
gebeten of gekrabd. Speciaal in gebieden, waar zich een besmetting heeft
\\-oorgedaan, zal de dierenarts bijzonder waakzaam moeten zijn ten aanzien
van ziekteverschijnselen of gedra,gsafwijkingen, welke mogelijk op honds-
dolheid zouden kunnen wijzen. De dierenarts is vaak het beste in de ge-
legenheid om te voorkomen dat een verdacht dier wordt afgemaakt.
Quarantaine is namelijk verre te verkiezen boven het doden van ver-
dachte dieren, immers het is voor de diagnose in verband met de snelheid
van ingrijpen bij de gebeten mens van uitermate groot belang verdachte
honden of katten levend
ter observatie in handen te hebben.
Sterft een verdacht dier niet binnen een week, dan kan reeds worden aan-
genomen dat van hondsdolheid geen sprake is en kunnen eventueel reeds
begonnen entingen bij de mens, waaraan altijd enig gevaar voor post-
vaccinale encefalitis is verbonden, worden stopgezet.

Het is voorts nuttig, dat de dierenarts zijn cliënten wijst op het gevaar van
hondebeten en de mogelijkheden om deze te voorkomen.
Op grond van een in de Verenigde Staten verrichte epidemiologische studie
van hondebeten kwam de U.S. Public Health Service tot de conclusie dat
.50% van alle hondebeten kunnen worden voorkomen indien een zestal
eenvoudige praktische voorschriften in acht worden genomen:

1. geef geen hond aan kinderen beneden zes jaar;

2. speel geen balspel met een hond, rijdt niet per fiets naast een opge-
wonden hond en ren niet met een hond wanneer hem dit te veel opwindt;

3. Maak een hond niet plotseling wakker. Pas op de moeder wanneer U
jonge hondjes oppakt en wees voorzichtig met zieke dieren.

4. Leer kinderen goed met dieren om te gaan en honden niet te mis-
bruiken of tc plagen.

5. Haal een hond niet aan; laat hem niet schrikken terwijl hij wordt ge-
voederd en haal geen voedsel bij hem weg. Vermijdt het om in een
hondengevecht tussenbeide te komen.

6. Kom met Uw gezicht niet te dicht bij een hond teneinde wonden aan
het gelaat te voorkomen.

Terwijl in het vorenstaande reeds is belicht welke veterinaire maatregelen
op grond van de Veewet ten uitvoer kunnen worden gebracht, dient nog
aandacht te worden besteed aan de paraatheid orn deze maatregelen effec-
tief te maken. Isolatie van verdachte dieren is steeds mogelijk en iedere
dierenarts zal dienen te weten waar hij daartoe in zijn eigen of een na-
burige gemeente terecht kan.

Indien besloten wordt tot het bevel van jjreventief enten van honden en
katten is voldoende entstof (Flury) onmiddellijk beschikbaar voor het uit-
voeren van een ringenting om de haard, terwijl gezorgd is voor centrale
distributie vanuit het Centraal Diergeneeskundig InstituiU. afdeling Rot-
terdam. In korte tijd kan de produktie van de entstof sterk worden ver-
groot. Indien de enting
wettelijk wordt voorgeschreven bestaat de moge-
lijkheid dat de entstof gratis wordt verstrekt.

-ocr page 499-

Paraatheid bestaat reeds sedert 1954 ten aanzien van de bestrijding van de
vossen. In dat jaar werd namelijk een premie ingevoerd voor bet inleveren
van gedode vossen bij de politie. De jagerswereld heeft van stonde af aan
grote medewerking verleend bij het doden dezer dieren. In 1961 werden
1593 dode vossen ingeleverd, terwijl in 1962 tot oktober dit aantal 1530
bedroeg.

Het feit dat rabies zich ondanks onze lange landsgrens met West-Duitsland
niet via het wildreservoir over ons land heeft verspreid, is zeker niet in de
laatste plaats te danken aan het laaghouden van de vossenstand langs onze
oostgrens.

SLMM.A.RY.

The author gives a review of occurrence, epidemiology and methods of prevention of
rabies in the Netherlands.

VOORSCHRIFTEN OMTRENT HET MUILKORVEN VAN HONDEN BIJ
HET VOORKOMEN VAN HONDSDOLHEID.

22 oktober 1962 / Nr. J 2635 ! Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.
De Minister van Landbouw en Visserij;
Gelet op artikel 60 van de Veewet;

besluit:

Artikel /.

In afwijking van het bepaalde in de beschikking van 14 juni 1922, Stcrt. 115, tot
uitvoering van artikel 60 van de Veewet, mag een muilkorf, waarvan honden moeten
zijn voorzien ingevolge een bevel, als bedoeld in de artikelen 60-62 van de Veewet,
ook zijn ingericht naar een model dat beantwoordt aan onderstaande omschrijving:
een muilkorf, vervaardigd uit stevig leer en/of metaaldraad, die zodanig is aan-
gebracht, dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is en die
zodanig is ingericht, dat de hond geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten
ruimte binnen de korf een geringe opening van de onderkaak toelaat en dat geen
scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

Artikel 2.

Deze beschikking zal worden bekend gemaakt in de Nederlandse Staatscourant en
treedt onmiddellijk in werking.

De Minister van Landbouw en Visserij,
voor deze:
dc Secretaris-Generaal,
w.g. J. H. Patijn.

\'s-Gravenhagc, 22 oktober 1962.
Toelichting.

In verband met het optreden van hondsdolheid in de gemeente Amsterdam heeft de
burgemeester dier gemeente ingevolge art. 60 van dc Veewet een bevel tot het muil-
korven van honden uitgevaardigd. Volgens genoemd artikel moeten deze muilkorven
beantwoorden aan een door de Minister van Landbouw voorgesteld model. Bij be-
schikking van 14 juni 1922 is cen model vastgesteld van een nmilkorf welke geheel
uit metaaldraad bestaat. Het blijkt, dat muilkorven van deze soort momenteel niet
of nauwelijks verkrijgbaar zijn. Op zo kort mogelijke termijn zal daarom ook het ge-
bruik van muilkorven van een ander soort, als omschreven in de ontwerp-beschikking,
moeten worden toegestaan.

-ocr page 500-

De praktische toepassing van de kunstmatige
inseminatie bij pluimvee in Israël.

The practice of A.I. in poultry in Israël.

door E. J. VAN WEERDEN^) en P. VAN DER WAL^)

Uit het Instituut voor Landbouwkundig Onderzoek van Bio-
chemische Produkten van de Koninklijke Nederlandsche Gist-
en Spiritusfabriek, Wageningen.

Inleiding.

Sinds de stichdng van de Staat Israël in 1948 heeft de pluimveehouderij
zich in dit land zeer sterk ontwikkeld. Aanvankelijk was het doel van deze
uitbreiding de snel groeiende bevolking van voldoende dierlijk eiwit te
voorzien. De rundveehouderij kan nl. in Israël vanwege de gesteldheid van
de bodem en het klimaat niet zo snel en onbeperkt worden uitgebreid,
terwijl de varkenshouderij om religieuze redenen van geen betekenis is.
De uitbreiding van de pluimveehouderij kreeg hierdoor veel aandacht.
De ontwikkeling van deze tak van veehouderij is zo snel gegaan, dat de
laatste jaren de binnenlandse behoefte aan pluimveeprodukten reeds ge-
heel kan worden gedekt, terwijl tevens een zekere export van eieren —
zowel als van pluimveevlees — mogelijk is geworden.

Bij de opbouw van de Israëlische pluimveehouderij heeft men zich in sterke
mate gebaseerd op ervaringen en inzichten uit de Verenigde Staten. Dit
komt tot uiting bij de fokkerij, waar men veel gebruik maakt van Ame-
rikaans diermateriaal, maar ook bij de voeding en de ziektebestrijding volgt
men de Amerikaanse ontwikkelingen op de voet. Mede hierdoor is men er
in geslaagd de pluimveehouderij op een zeer hoog peil te brengen.
Eén van de meest opvallende verschillen in de techniek van de pluimvee-
teelt tu.ssen Israël en ons land is wel, dat in Israël een aanzienlijk (dz 40%)
en steeds groter wordend deel van de legkippenstapel op batterijen is ge-
huisvest. Als voordelen \\ an het batterijsysteem werden in Israël genoemd:
betere gezondheid (minder „stress"), betere selectiemogelijkheden (indivi-
duele beoordeling), minder hokruimte per dier, minder vakkennis vereist
(immigranten) bij de verzorging en arbeidsbesparing. Men acht in Israël
de voordelen van dit batterijsysteem dermate belangrijk, dat ook op de
fok- en vermeerderingsbedrijven aan deze wijze van huisvesting de voor-
keur wordt gegeven. Men is dan echter genoodzaakt de hennen kunst-
matig te insemineren. De techniek van deze kimstmatige inseminatie heeft
men zich eigen gemaakt en — voorzover nodig en mogelijk — gewijzigd
om toepassing op praktijkschaal mogelijk te maken.

Kunstmatige inseminatie bij pluimvee wordt thans in Israël in de praktijk
op grote schaal met zeer goed gevolg toegepast. Wat de eventuele toe-
passing van deze K.I. in de praktijk in ons land betreft, geloven wij niet,
dat dit op korte termijn zal geschieden. De toepassing van K.I. bij pluim-

Dr. Ir. E. J. van Weerden, Hoofd Afdeling Pluimveeonderzoek van het I.L.O.B.,
Haarweg 8, Wageningen.

Dr. Ir. P. van der Wal, Directeur van het I.L.O.B., Haarweg 8, Wageningen.
1368 Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, afl. 21, 1962

-ocr page 501-

vee heeft immers slechts zin als de hennen op batterijen worden gehouden
en het batterijsysteem is in ons land (nog) niet populair. Alleen voor
onderzoekdoeleinden en voor de fokkerij verdient de K.I. de aandacht.
Men kan n.1. bij toepassing van K.I. met minder hanen volstaan (1 haan
op ± 30 hennen, tegen normaal 1 haan op ± 10 hennen), wat in be-
paalde stadia van de fokkerij van belang kan zijn. Een ander punt, dat
mogelijk in de toekomst naar voren zal komen, is, dat door het fokken
van slachtkruisingen met steeds zwaardere borst de hanen moeilijkheden
gaan ondervinden bij het treden. Bij sommige kalkoenenrassen doen deze
bezwaren zich reeds voor. Bij dergelijke onnatuurlijk geproportionneerde
dieren kan de K.I. met voordeel worden toegepast.

Het leek ons daarom zeker van belang iets mede te delen over de werk-
wijze, die in de praktijk in Israël bij de K.I. bij pluimvee wordt gevolgd.

De techniek van de kunstmatige inseminatie.

De praktische toepassing van de K.I. bij pluimvee is een ontwikkeling van
de laatste 10 ä 15 jaar. Vóór die tijd was het vooral de gebrekkige en tijd-
rovende methode om sperma te winnen, welke de toepassing van K.I. in
de weg stond. Dit veranderde echter toen Burrows en Quinn (1935,
1937, 1939) en Quinn en Burrows (1936) een methode ontwikkel-
den, waarbij dë hanen door massage van de buik op snelle en eenvoudige
wijze tot afgifte van sperma konden worden gebracht. Daarnaast werd
ook de wijze van inseminatie van de hennen verbeterd door het sperma
niet meer — zoals vroeger — in de cloaca, maar direct in de vagina in te
spuiten. Met deze werkwijze werd een goede bevruchting verkregen, ter-
wijl het tevens voor de praktische toepassing van belang was, dat zowel
bij de afname van het sperma als bij de inseminatie snel kan worden ge-
werkt.

Door toepassing van deze verbeterde methoden was de K.I. rijp geworden
voor gebruik in de praktijk en in landen als Israël, Australië en sommige
delen van de Verenigde Staten, waar veel kippen op batterijen worden
gehouden, vond het op grote schaal ingang. In Israël werden door
rhu min (1951) nog enige verbeteringen van de techniek ontwikkeld,
waardoor de praktische toepassing van de K.I. zeer werd bevorderd.

A. DE WINNING VAN HET SPERMA.

De hanen, die bestemd zijn voor de K.I., worden individueel in kooien
gehouden. Deze kooien zijn zo geconstrueerd, dat de dieren er gemakkelijk
en vlug kunnen worden uitgenomen. Het verdient aanbeveling de hanen
in dezelfde ruimte onder te brengen als de hennen, omdat de dieren dan
veelal vlotter sperma afgeven.

Voor het afnemen van het sperma zijn twee man nodig. De één neemt de
haan uit de kooi en houdt hem stevig onder de arm vast. Met elke hand
omvat hij een poot en spreidt ze uit elkaar.De andere persoon masseert
met de rechterhand het onderste gedeelte van de buik met korte, stotende
bewegingen. Met de palm van de linkerhand buigt hij de staart van het
dier op de rug, terwijl duim en wijsvinger van deze hand vlak boven de
cloaca worden geplaatst, (foto 1)

-ocr page 502-

Zodra het copulatieorgaan uit de cloaca naar buiten komt, wordt met
deze twee vingers aan weerszijden van de cloaca druk uitgeoefend, zodat
het copulatieorgaan gedurende het orgasme buiten de cloaca uitgestulpt
blijft.

Geschiedt de afscheiding van het s])erma niet \\oldoende snel en krachtig,
dan dient men met duim en wijs\\ingc\'r \\an de linkerhand zoveel druk uil
te oefenen, dal hel copulalieorgaan als het ware wordt tnlgemolken. Hier-
bij moet er wel acht op worden geslagen, dal men het copulalieorgaan zelf
niet met de \\ingers aanraakt daar anders gemakkelijk verwondingen oj)-
treden. (foto 2
I

-ocr page 503-

Het uitstromende sperma wordt opge\\ angen in een reageerbuis met trech-
ter, die in de rechterhand wordt vastgehouden. De gehele handeling vergt
per dier ongeveer yi a 1 minuut.

Naast deze twee-mans-techniek is ook nog een methode ontwikkeld, waar-
bij één man alle handelingen verricht. Deze methode kan echter slechts
door zeer ervaren inseminatoren met succes worden uitgevoerd en is voor
de praktijk van geen belang.

Voor het verkrijgen van een goede opbrengst aan sperma is het nood-
zakelijk, dat de hanen enige tijd worden geoefend. In het begin reageren
de meeste dieren maar traag op de massage en veelal komen ze niet tot
afgifte van sperma. Ook is het eventueel geproduceerde sperma vaak ver-
ontreinigd met faeces en urine. Na een aantal keren oefenen geeft het
overgrote deel van de hanen echter vlot sperma af, terwijl verontreiniging
van het sperma met faeces en Luine niet vaak meer optreedt. Ondervindt
men bier toch nog hinder van, dan kan men ook de voer- en drinkbakken
enkele uren tevoren verwijderen.

De grootte van de spermaproduktie is behalve \\an de voeding, de huis-
vesting, de verlichting (daglengte) vooral afhankelijk van de tijdsduur
tussen twee opeenvolgende afnames \\an sperma. In onderstaande grafiek
is de totale spermaproduktie ])cr week uitgezet, die bij 1, 2, 3, 5 en 7 maal
sperma afnemen per week wordt verkregen.

Grafiek 1.

.5 iï

O

.S i

6 ° S

s ë

O.

C/3 -C C3

Na een rustperiode van 6 dagen krijgt men per keer de grootste hoeveelheid
sperma. Per week is de totale spermaproduktie echter het grootst als iedere
dag sperma wordt afgenomen, maar zoals blijkt uit de meest rechtse ko-
lom van grafiek 1, waar is aangegeven de totale spermaproduktie gedu-
rende de tweede week, dat iedere dag sperma wordt gewonnen, treedt dan

-ocr page 504-

al gauw uitputting op. Over het algemeen blijkt het in de praktijk het beste
te voldoen de hanen 2 ä 3 maal per week sperma af te nemen. De totale
spermaprodukde is dan goed en de dieren raken niet te gauw uitgeput.
Gemiddeld kan men dan per keer 0,5 ä 1 ml sperma winnen.

De mate, waarin hanen geschikt zijn voor de K.L, loopt van dier tot dier
sterk uiteen. Er bestaat geen enkel verband tussen het gedrag, de bouw en
de agressiviteit van de haan en de kwantiteit en kwaliteit van zijn sperma-
produktie. Volgens onze ervaringen zijn echter dieren, die gauw opge-
wonden zijn, minder geschikt voor de kunstmatige afname van sperma.
De samenstelling van hanesperma, dat op kunstmatige wijze wordt ge-
wonnen, wisselt sterk en wijkt waarschijnlijk meestal af van de samen-
stelling van het sperma, dat bij natuurlijke bevruchting wordt afgescheiden.
Bij de kunstmatige spermawinning moet nl. altijd in meerdere of mindere
mate druk op de cloaca worden uitgeoefend, waardoor afscheidingsproduk-
ten van de lymfklieren en bloedvaten van de cloaca tezamen met enige
urine en mest in het sperma terecht kunnen komen.

Vooral bij dieren, waarbij ter verkrijging van sperma het copulatieorgaan
moet worden „uitgemolken", kunnen deze bestanddelen een belangrijk
deel van het verkregen sperma vormen. Om deze redenen is de studie van
het hanesperma nog niet ver gevorderd en dit staat de ontwikkeling van
goede technieken voor de verdunning en de bewaring van het sperma in
de weg, terwijl ook de criteria voor de kwaliteitsbeoordeling van het sperma
nog onvoldoende zijn vast te stellen. Hoewel in de literatuur meerdere ver-
dunningsvloeistoffen voor hanesperma, zoals gewijzigde Ringer-oplossingen,
zijn beschreven, zijn de resultaten hiermee in de praktijk nog niet bevre-
digend. In Israël wordt in de praktijk dan ook uitsluitend met onverdund
sperma geïnsemineerd.

Ondanks veel onderzoek is men er ook nog niet in geslaagd een goed bruik-
bare methode te ontwikkelen om hanesperma gedurende langere tijd te
bewaren. In Israël streeft men er in de praktijk naar het gewonnen sperma
zo snel mogelijk voor de inseminatie te gebruiken; een bewaringstijd van
een half uur wordt algemeen als maximaal beschouwd. Het sperma moet
gedurende deze tijd op 15 ä 20° C worden gehouden. Is het sperma ver-
ontreinigd met bloed, faeces of urine dan loopt de kwaliteit nog veel sneller
terug; dergelijk sperma moet binnen een paar minuten voor de inseminatie
worden gebruikt. Het is mogelijk zeer rein gewonnen sperma gedurende
enkele uren met behoud van een goede vruchtbaarheid te bewaren als
men de temperatuur van het sperma geleidelijk tot 10° C of lager laat
dalen en bovendien antibiotica toevoegt om de bacterieontwikkeling nog
verder te remmen.

B. DE INSEMINATIE.

Voor de inseminaüe van de hennen zijn enkele methoden ontwikkeld, die
echter alle op hetzelfde principe berusten. In de praktijk wordt vrijwel
uitsluitend één methode toegepast, welke hier kort zal worden beschreven.
Bij deze methode moet met twee man worden gewerkt, waarvan één echter
een geheel ongeschoolde kracht kan zijn. Deze hulpkracht pakt de hen bij
de beide poten beet en trekt haar achterwaarts zo ver uit de kooi, dat het
achterlichaam op de voertrog rust.

-ocr page 505-

Met de palm van de andere hand buigt hij de staart van het dier op de rug.
De inseminator omvat nu met de linkerhand^ de onderbuik van de hen en
oefent door deze hand samen te knijpen zoveel druk op de onderbuik uit,
dat de vagina buiten de cloaca wordt uitgestulpt. Met de rechterhand
brengt hij nu een injectiespuit, die niet met een naald, maar met een dun
glazen buisje gevuld met sperma is uitgerust, in de vagina, (foto 3)

Door nu de druk op de onderbuik weg te nemen gaat de vagina weer in
haar oorspronkelijke [wsitie terug en zuigt het met sperma gevulde buisje
mee naar binnen. Hierna wordt bet buisje diep (4 a 5 cm) in de vagina
leeggespoten. Bij het terugtrekken van de injectiespuit moet er op worden
gelet de druk op de spuit niet te verminderen om terugzuigen van het
sperma te voorkomen.

Als men beschikt over de goede kooien kan met deze methode zeer snel
worden gewerkt. Op een door ons bezocht bedrijf hielpen twee arbeiders
bij het uitnemen van de hennen uit de kooien, terwijl één geschoolde
kracht de inseminades verrichtte. Men slaagde er op deze wijze in mèt deze
drie man ongeveer 300 kippen per uur te insemineren.
Naast deze methode is nog een andere twee-mans-techniek ontwikkeld,
waarbij de hen geheel uit de kooi wordt genomen. De inseminatie geschiedt
hierbij in principe op gelijke wijze als bij de eerstgenoemde methode is
beschreven. Daar deze methode geen voordelen biedt boven de eerstge-
noemde methode, terwijl de werkwijze omslachtiger en tijdrovender is,
wordt ze uiteraard niet in de praktijk toegepast.

-ocr page 506-

Het is ook mogelijk de inseminaties door één man te laten verrichten.
Daar men bij deze éénmanstechniek een zeer bekwame inseminator nodig
heeft en daar geen arbeidsbesparing van betekenis wordt verkregen, wordt
deze methode in de praktijk niet gebruikt.

De hoeveelheid sperma, welke per inseminatie moet worden toegediend,
is afhankelijk van vele factoren, zoals de kwaliteit van het sperma, de
vruchtbaarheid van de hen en de tijdsduur tussen twee opeenvolgende in-
seminaties. In onderstaande tabel 1 is opgegeven het percentage bevruch-
ting gedurende één week bij eenmalige inseminatie met verschillende hoe-
veelheden sperma.

% bevruchting

89,65
88,26
87,41
51,30
61,90
54,20

Tabel 1.

Toegediende hoeveelheid sperma
(in cm^) per inseminade

0,2
0,1
0,05
0,04
0,03
0,02

Het blijkt dus, dat per inseminatie ongeveer 0,05 a 0,1 ml sperma nodig is.
In tabel 2 zijn de uitkomsten weergegeven van een onderzoek, waarbij het
percentage bevruchting bij verschillende tijdsduur tussen twee opeenvol-
gende inseminaties werd bepaald. Per inseminatie werd 1\'15 ml sperma
toegediend.

Tabel 2.

frequentie
van

aantal

weken.

waarin

% bevruchting werd bepaald

ge-
mid-

inseminatie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

deld

3x p. week

97,1

100

97,1

93,3

100

97,5

2x p. weck

94,3

100

97,1

lx p. week

90,2

88,5

86,3

97,5

91,2

lx p. weck

94,2

80,3

90,5

88,1

88,3

Ixp. 10 dg.

95,3

90,5

91,9

95,3

93,2

Ixp. 14 dg.

80,6

48,6

96,1

54,6

100

62,1

89,5

59,3

88,4

79,1

Een inseminatiefrequentie van lx per week of lx per 10 dagen geeft nog
een zeer behoorlijke bevruchting, hoewel 2 en 3x per week toch nog iets
beter schijnt te zijn. Dit laatste is echter voor de praktijk niet aantrekkelijk,
omdat een geringe verhoging van de bevruchting verkregen wordt ten
koste van een verdubbeling of verdrievoudiging van de benodigde hoeveel-
heid arbeid. Uit de tabel blijkt ook wel duidelijk, dat lx per 2 weken
insemineren beslist onvoldoende is.

De conclusies uit deze onderzoekingen, welke door vele praktijkwaarne-
mingen worden ondersteund, zijn wel, dat het voor dc praktische toe-
passing van de K.I. over het algemeen het beste is om de hennen om de

-ocr page 507-

6 a 7 dagen te insemineren en dan een hoeveelheid van ongeveer 1 15 ml
s]3erma toe te dienen. In de praktijk wordt soms bij ko]Dpels jonge hennen
in het begin om de 10 dagen geïnsemineerd, terwijl bij het ouder worden
van de dieren de tijdsduur tussen opeenvolgende inseminaties geleidelijk
tot 6 a 7 dagen wordt verkort. Men zal van geval tot geval moeten be-
oordelen in hoeverre van de bo\\en aangegeven algemene richtlijnen kan
worden afgeweken.

Onderzoekingen hebben aangetoond, dat zowel bij natuurlijke bevruchting
als bij kunstmatige inseminatie een betere bevruchting plaats vindt als zich
in de eileider geen ei bevindt, waarvan de schaal al is gevormd. Bij de
kunstmatige inseminatie zal het bovendien niet van gevaar zijn ontbloot
om sterke druk op de buikholte uit te oefenen indien een voldragen ei in
de eileider aanwezig is. Het verdient dus aanbeveling de kunstmatige in-
seminatie in de middag uit te \\oeren. Ook het feit, dat de spermaproduktie
\\\'an de hanen over het algemeen \'s middags groter is, maakt het gewenst
\'s middags te insemineren.

Praktijkervaringen.

Bij de legrassen wordt de K.1. in de praktijk al enige jaren zeer algemeen
en met goed gevolg toegepast. De bex-ruchting is over het geheel genomen
goed (gemiddeld 90 a 95%) en doet zeker niet onder voor die bij nattuir-
lijke bevruchting. Men heeft wel de indruk, dat als eenmaal een goede
methode voor de verdimning en bewaring van het hanesperma is ge-
vonden, de toejjassing van de K.I. nog veel algemener zal worden.
Een probleem, dat in de praktijk bij de K.I. naar voren is gekomen, is dat
\\\'an de zogenaamde
K.I.-moeheid. Men vindt n.1. algemeen, dat na ongeveer
5 a 7 maanden insemineren een vrij sterke en plotselinge daling van de be-
vruchting optreedt. Ook bij natuurlijke paring daalt de bevruchting met
het ouder worden van de dieren, maar deze daling verloopt veel geleide-
lijker. De oorzaak \\an de K.I.-moeheid moet in het overgrote deel van de
gevallen bij de hennen worden gezocht, want door vcivanging van dc oude
hanen door jonge dieren komt de bev ruchting zelden weer op een nonnaal
peil.

Over de oorzaak van deze K.I.-moeheid is nog niets met zekerheid bekend.
Aanvankelijk heeft men gedacht aan een te vet worden van de hennen door
het langdiu-ig verblijf o]j batterijen. Dit is echter niet de reden, want indien
bij hennen, welke reeds een jaar op batterijen verbleven, met K.1. werd
begonnen, was cle bevruchting gcclurencle de eerste maanden volkomen
normaal. Men denkt thans vooral in de richting van een irritatie van het
eileiderslijmvlies door het veelvuldig inbrengen van de injectiespiut en aan
het ojitreden van kleine infecties van het eileiderslijmvlies. Het onderzoek
in deze richting heeft echter nog geen enkel resultaat o
]3geleverd.
Bij de legrassen is deze K.I.-moeheid niet zo\'n groot probleem, omdat het
broedseizoen voor deze rassen toch maar van be])erkte duur is, terwijl bij
daling van de bevruchting de eieren altijd nog als consumptieëieren kunnen
worden verkocht. Bij de ouderdieren van de
slachtkruisiyigen echter, waar
de toepassing van de K.I. de laatste lijd een snelle uitbreiding vertoont, is
dit probleem veel ernstiger, omdat hier het gehele jaar door moet worden
gebroed. Bij deze zware rassen is het ook niet rendabel om de dieren bij on-
voldoende bevruchting aan le houden voor de produkde van consumptie-

-ocr page 508-

eieren, omdat de eiproduktie te laag en de voerconsumptie te hoog is.
Bij jonge dieren zijn de resultaten van de K.I. ook bij deze zware rassen
zeer goed en zijn bevruchtingspercentages van 90% en hoger zeer normaal.
Er moet nog worden opgemerkt, dat ook bij natuurlijke paring de slacht-
kuikenouderdieren in Israël slechts tot ongeveer 6 à 8 maanden na het begin
van de leg worden aangehouden, omdat dan de bevruchting en de broed-
uitkomsten beginnen te dalen.

SAMENVATTING.

Er wordt een overzieht gegeven van de techniek zoals die in Israël bij de kunstmatige
inseminatie bij pluimvee wordt toegepast. Tevens zijn enkele ervaringen vermeld,
welke men in de Israëlische praktijk met deze K.I. heeft opgedaan.

LITERATUUR

Burrows, W. H. and Q u i n n, J. P. : A method of obtaining spermatozoa from

the domestic fowl. Poultry Sci., 14, 251, (1935).
Burrows, W. H. and Q u i n n, J. P.: The collection of spermatozoa from the

domestic fowl and turkey. Poultry Sci., 16, 19, (1937).
Burrows, W. H. and Q u i n n, J. P.; Artificial insemination of chickens and

turkeys. U.S.D.Ä. Circular, 525, (1939).
Q u i n n, J. P. and Burrows, W. H. : Artificial insemination in fowls. J. Heredity,
27, 31, (1936).

T h u m i n. A.: Améliorations dans la technique de l\'insémination artificielle des
poulets.
Rapports Officiels, Vol. III, 72-76; IXe Congrès Mond. d\'Avicult.,
Paris, 1951.

SUMMARY.

A survey is given of the technics as it is applied in the Artificial Insemination for
poultry in Israel. At the same time some experiments are stated which werc acquired
in the Israelitic practice with this Artificial Insemination,

RESUMÉ.

Les auteurs présentent un aperçu de la technique telle qu\'on la met en pratique pour
l\'insémination des animaux de basse-cour en Israël. En outre ils mentionnent quelques
résultats qu\'on a obtenus dans la pratique israélienne en se servant de cette espèce
d\'insémination artificielle.

ZUSAMMENFASSUNG.

Verfasser geben eine Übersicht von der Technik der künstlichen Besamung beim
Federvieh, so, wie dieselbe in Israel ausgführt wird. Ausserdem werden einige Er-
fahrungen wiedergegeben, die man in der Praxis in diesem Lande mit der künst-
lichen Besamung gemacht hat.

-ocr page 509-

Het voorkomen van parasieten in terpmateriaal
uit Noordwest Duitsland.1)

The occurrence of parasites in protohistorical material
from north-west Germany.*)

door J, JANSEN Jr.i) en H. J. OVER")

Uit het Instituut voor Veterinaire Parasitologie en Parasitaire
Ziekten der Rijksuniversiteit te Utrecht.

Door contact met de Niedersachsische Landesstelle für Wurten- und
Marschenforschung te
Wilhelmshaven^) kregen wij een mogelijkheid onder-
zoek te verrichten naar de fossiele en subfossiele parasietenfauna.
Genoemd instituut verricht onder meer terpafgravingen voor pre- en proto-
historisch onderzoek.

Ons materiaal stamt uit een terp, de zogenaamde „Feddersen Wier-
d e". Deze grote, ca. 4 m hoge, terp ligt midden tussen de geestgronden en
de zeekust, 20 km ten noorden van Bremerhaven. Zij ligt aan een klein
stroompje, dat vroeger bevaarbaar is geweest, maar nu niet meer van een
sloot is te onderscheiden. Uit het prehistorisch ondei-zoek was gebleken,
dat de terp opgeworpen is tussen ca. 100 a. Chr. n. en ca. 500 p. Chr. n.
Voor de ophoging werd gebruik gemaakt van mest en aangevoerde zoden.
De mest wordt in bovengenoemd instituut benut om de vegetatie van het
tijdperk, waarin de terp gebouwd werd, te analyseren. Bij dit onderzoek
maakt men gebruik van de in de mest aanwezige subfossiele plantendelen,
zoals zaden, blad- en stengelresten e.d. (Zie voorts G r o h n e, 1957).
Op grond van de resultaten der vegetatie-analyses, waar wij hier nu niet
dieper op in gaan, de literatuvir (zie o.a. S z i d a t, 1944) en de aanwezig-
heid van vele beenderen van huisdieren in de „Feddersen Wierde" zijn
duurzame resten van parasieten, vooral eieren, te verwachten.
Ons materiaal bestond voor het grootste deel uit, nog niet nauwkeurig ge-
dateerde monsters, benevens één monster maag- of darminhoud van men-
selijke resten. De terpmonsters bestonden uit aarde, vooral vermengd met
faecaliën en plantenresten. Met behulp van bodemzeven, eventueel aange-
vuld met een centrifuge-flottatiemethode, werd getracht mogelijk aan-
wezige parasieteneieren te verzamelen.

Met zekerheid werden tot nu toe de eieren van de in tabel 1 genoemde para-
sieten gedetermineerd. Voor zover wij kunnen nagaan is het voorkomen
van
Toxocara canis, Trichuris ovis of T. globulosa, Oxyuris qui en Taenia
saginata
of T. solium nog niet eerder in pre- of protohistorisch materiaal
vastgesteld.

Dat de parasitaire infecties uit oude tijden nog niet verder bestudeerd zijn
is vooral te betreuren, omdat een dergelijk onderzoek slechts éénmalig kan

1  Voorlopige mededeling. Preliminar)- report.

Dr. J. Jansen Jr., Wetenschappelijk hoofdambtenaar. Faculteit der Diergenees-
kunde, Rijksuniversiteit, Utrecht, Biltstraat 172.

H. J. Over, Bioloog, Centrale Organisatie T.N.O., Biltstraat 168, Utrecht.
Wij zijn de directeur van deze instelling, Dr. W. Haarnagel, en zijn mede-
werkster Mevrouw Dr. U. K ö r b e r-G r o h n e bijzonder dankbaar voor hun
medewerking en het ter beschikking stellen van het materiaal.

-ocr page 510-

zijn, daar liet materiaal verloren gaat door de afgra\\ ing van de terp en
omdat het eenmaal vergraven materiaal niet meer voor wetenschappelijk
onderzoek geschikt is.

Species

Ascaris lumbricoides
Toxocara canis
Oxyuris equi
(fig. 1)
Trichuris trichiura
Trichuris ovis
of
T. globulosa (fig. 2)
Fasciola hepatica
Taenia saginata
of
T. solium

Diphyllobothrium latum

Tabel 1.

Terpmonsters

„Terp"matcrial


Menselijke resten

Material of human origin


Fig. 2.

I

O

Fig. 1 .

Fig. 1: Ei van Oxyuris equi („Fcddersen Wierde").

Fig. 2: Ei van Trichuris ovis of T. globulosa („Feddcr.sen Wierde").

ZUSAMMENFASSUNG.

Mistproben der „Fcddersen Wierde" 20 km nördlich von Bremerhaven wurden auf
das Vorkommen von Eiern parasitischer Würmer untersucht. Verschiedene Parasiten-
eier (Tafel 1) wurden hierbei gefunden. Die Arten
Toxocara canis, Trichuris ovis
oder T. globulosa, Oxyuris equi und Taenia sp. wurden damit zum ersten Mal im
frühgeschichtlichen Zeitalter festgestellt.

SAMENVATTING.

Bij analyse van tcrpmatcriaal uit Noordwcst-Duitsland werden eieren van de in
tabel 1 genoemde parasieten aangetroffen.

-ocr page 511-

SUMMARY.

Material originating from a "terp" (refuge mound), from 100 BC till 500 .AD, in
north-west Germany was examined for the presence of eggs of parasites. The eggs of
the spccies listed in table 1 were found. The occurrence in pre- or protohistorical times
of
Toxocara canis, Trichuris ovis or T. globulosa, Oxyuris equi, and Taenia sp. was
demonstrated for the first time.

RÉSUMÉ.

Des matières d\'une „terp" (monticule de refuge), 100 av. J.-C. à 500 ap. J.-C., en
Allemagne du nord-ouest, ont été examinés. Des oeufs des helminthes parasitaires
(table 1) étaient présents. La présence en l\'âge pré- ou protohistorique de
Toxocara
canis, Trichuris ovis
ou T. globulosa, Oxyuris equi et Taenia sp. a été démontrée
pour la première fois.

LITERATUUR

G r o h n e, U.: VVurtenforschung aus biologisch-geologischer Sicht. Natur und Volk,
87, 285, (1957).

S z i d a t, L. : Uber die Erhaltungsfähigkeit von Helmintheneiern in vor- und früh-
geschichtlichen Moorleichen.
Zschr. Parasitenk., 13, 265, (1944).

Enccfalitis bij kalkoenen in Israël.

Dc uitwendige verschijnselen waren cen wankelende manier van lopen, verlamming
van de poten, afhangende vleugels en neervallen.

De inwendige verschijnselen waren een gezwollen milt, darmcatarrc en een niet puru-
lente ontsteking van het hersenvlies.

Behandeling met antibiotica en sulfonamide had geen succes: aangenomen wordt dat
de verwekker, een virus, door insecten wordt overgebracht.

Pluimveepers, 17, 351, (1962).

Incontinentia urinae en „wet belly" bij nertsen.

Eerstgenoemde afwijking, cen soort „bcdwateren", veroorzaakt niet noodzakelijkerwijs
dc pclsafwijking, bekend onder de naam van „wet belly", hcM-wel beide afwijkingen
tegelijkertijd kunnen voorkomen.

De pclsverkleuring bleek te worden veroorzaakt door een tc diepe inplanting van
de haarfollikcls.

Pluimveepers, 17, 288, (1962).

Dubben.

Dc resultaten van 14 verschillende ondcrzoekingscentra tonen aan dat het verwijderen
van kam en lellen een hogere leg van gemiddeld 1,2% veroorzaakt en in sommige
gevallen van 2 tot 4%.

Pluimveepers, 17, 467, (1962).

Hygiëne van broedlokalen.

Met het apparaat van Andersen voor het nemen van luchtmonsters blijken be-
trouwbare gegevens over de besmetting van broedinrichtingen te kunnen worden ver-
kregen. Gebleken is dat dc wijze waarop broedeieren thans worden ontsmet onvol-
doende is.

Pluimveepers, 17, 474, (1962).

-ocr page 512-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een gemodificeerde punctie-naald, geschikt voor
het afnemen van bloed bij varkens.

A modified needie for taking blood from pigs.

door F. H. J. JAARTSVELDi) en W. TH. TRLTJEN^)

Uit de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Brabant.

Voor het afnemen van bloed bij varkens wordt door ons gebruik gemaakt
van punctienaalden met mandrijn, waarvan de opening van de punt over
een afstand van 2-2/2 cm verlengd is. Het is van belang dat de opstaande
wanden van de verlengde punt zo hoog mogelijk zijn. (Foto\'s 1 en 2)
Hierdoor ontstaat als het ware een goot waardoor het bloed af kan vloeien.
Het voordeel van deze verlengde punt is, dat de kans aanmerkelijk groter
wordt, dat bet lumen van de canule in directe verbinding staat met het
lumen van het bloedvat. Het ontstaan van hematomen via deze goot is
nihil. Met behulp van deze naalden is tot nog toe ongeveer 500 maal van
varkens bloed afgenomen zonder nadelige gevolgen. Tweemaal werden —
nadat een big gepuncteerd werd — shock-achtige verschijnselen gepaard
gaand met ademnood vastgesteld, doch dit bleek van voorbijgaande aard
te zijn.

Voor de grotere varkens worden de naalden V2a No. 1475/10, voor biggen
V2a No. 1475/6 gebruikt.

De grotere varkens worden met een touw om de bovenkaak gefixeerd. Het
is van groot belang dat de kop, bals en romp van het dier een rechte lijn
vormen, en dat de hals zoveel mogelijk naar boven gestrekt wordt. De
punctieplaats ligt ongeveer 1 tot 2 cm rechts van de voorste punt van het
stemum, gezien vanuit het varken. De canule wordt met een afgepaste felle
stoot onder een hoek van ongeveer 60° met de horizontaal, caudaal in de
richting van de wervelkolom gestoken, en zo diep naar gelang het varken
groot is (foto\'s 3 en 4).

De biggen worden op de rug gefixeerd. De kop wordt naar voren, de voor-
en achterbenen naar achteren gestrekt. Hier ligt de plaats van injectie
ongeveer 0,5—1 cm rechts van de voorste punt van het sternum. Vanaf
dit punt steekt men met een korte stoot in de richting van de wervelkolom.
Na enige oefening kan men bij het insteken voelen dat de naald goed zit.
De mandrijn wordt verwijderd en het bloed stroomt naar buiten (foto\'s 5
en 6).

Op deze wijze kan men eveneens de varkens een intraveneuze injectie toe-
dienen.

Dr. F. H. J. Jaartsveld en W. Th. Truijen, dierenartsen bij de Provinciale
Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant, Rechterstraat 80, Boxtel.

-ocr page 513-

Foto 2 Afgeslepen punt met twee
hoogopslaande wanden.

Vota 1. Naald met mandrijn.

Foto 4. Bloedafname.

-ocr page 514-

SUMMARY.

A description of and direction for use for a modified punction-needle in order to take
blood from pi.gs.

-ocr page 515-

REFERATEN

Bacferiële- en virusziekfen

STAFYLOKOKKEN UIT DE NEUS VAN GEZONDE HONDEN.

Smith, J. E.: Characteristics of Staphylococci from the nose of healthy dogs.
ƒ.
Comp. Path. Therap., 72, 131, (1961).

Van 100 onderzochte stammen, waarbij verschillen in hemolyserend vermogen en
coagulase reactie met diverse plasma\'s, bestudeerd werden, bleken 12 met stafylo-
kokken van de mens overeen te komen.

Van de onderzochte stammen was 16% resistent voor penicilline. Van de coagulase-
positieve stammen was het percentage resistenten het grootst (30%).

C. A. van Dorssen.

BEHANDELING VAN EEN GASFLEGMOON MET EEN TETRACYCLINE.

Führinger, A.: Die Behandlung eines Falles von Gasbrand mit Reverin. Münch.
Mediz. Wschr.,
104, 280, (1960).

Een houtarbeider klom over een prikkeldraadheining en verwondde zich daarbij door
de broek heen het scrotum. Tengevolge daarvan ontwikkelde zich een gasfle.gmoon,
dat zich uitbreidde langs de buikwand en de dij. De diagnose werd klinisch .gesteld,
bacteriologisch onderzoek is niet verricht.

De on.geveer 0,5 bij 0,5 cm grote wond werd verder opengelegd en plaatselijk met
cibazolpoeder behandeld, terwijl de patiënt een tetanusantitoxine-injectie kreeg.
Als voornaamste behandeling van het flegmoon werd 250 mgr Reverin (een tetra-
cycline preparaat) intraveneus ingespoten en dezelfde hoeveelheid met 500 fysiolo-
gische keukenzoutoplossing als infuus gegeven. Deze behandeling werd herhaald tot
de 7e dag, nl. het tijdstip waarbij de temperatuur onder 38° G bleef.
In het begin van de behandeling had zich het subcutane gasflegmoon uitgebreid
tot aan de ribben, op de 3e dag breidde het zich niet verder uit, terwijl het van de
5e tot de 11e dag geleidelijk verminderde.

C. A. van Dorssen.

Fysiologie en fysiologische chemie

DE REGULATIE VAN HET VOORTPL.ANTINGSVERMOGEN BIJ DE MUIS.

B i g g e r s, J. D., Finn, C. and M c L a r e n, A.: The Regulation of total reproduc-
tive output in the female mouse.
Rapport 4e Intern. Congres „Voortplanting bij
dieren", Scheveningen, 1961.

Dc auteurs hebben het verschil na,gcgaan in voortplantingsvermogen van normale
vrouwelijke muizen met beide ovaria en van muizen waarbij éénzijdig een ovarium
vóór het geslachtsrijp worden, was weggenomen.

Op een leeftijd van 5-7 weken werden de dieren „at random\' \'in 3 groepen verdeeld;
nl. 24 controledieren (dus met beide ovaria aanwezig), 12 dieren waarbij het linker
ovarium was verwijderd en 12 dieren waarbij het rechter ovarium was verwijderd.
Door sterfte, steriliteit en morfologische afwijkingen bleven van de 3 groepen respec-
tievelijk over 18, 11 en 11 dieren. De proef werd zolang voortgezet totdat de dieren
over een periode van 16 weken, in aanwezigheid van minstens 2 mannetjes, geen
jon.gen meer voortbrachten.

.Auteurs vonden geen verschil tussen de twee proefgroepen, zodat de resultaten van
beide gecombineerd konden worden in vergelijking tot de controledieren.
Schrijvers vonden significante verschillen (P < 0,001) tus.sen het gemiddeld aantal
jongen dat per dier werd geboren gedurende haar voortplantingspcriode van beide
groepen muizen. Dit aantal bedroeg voor de controlegroep 115 ± 5 jongen per muis
en voor de geovariëctomizeerde dieren 64 ± 3 jongen per muis.
Eveneens vonden zij een significant verschil in het aantal voortgebrachte tomen tussen
beide groepen, nl. 15,5 ± 0,67 voor de controlegroep en 11,2 ± 0,44 voor de proef-
groep. Dit verschil in aantal tomen hangt samen met het feit dat de gemiddelde

-ocr page 516-

leeftijd waarop de muizen voor de laatste maal wierpen, sterk verschilde tussen beide
groepen. Zo vonden zij, dat dit voor de controlegroep lag op gemiddeld 435 dagen,
terwijl dit voor de proef-groep reeds na 332 dagen het geval was.
Daarentegen vonden zij geen significant verschil in toomgrootte van de eerste toom
tussen beide groepen. Deze bedroegen nl. gemiddeld 6,88 ± 0,26 voor de controle-
dieren en 6,45 ± 0,24 voor de proefdieren. Daarna echter neemt de toomgrootte
sterker toe; nl. tot 9,5 jong per toom tot aan de 7e worp bij de controledieren, tegen
7,5 jong per toom tot aan de 5e worp bij de proefdieren.

Vervolgens vermindert de toomgrootte in beide groepen even snel met ± 1 dier per
volgende groep.

Schrijvers menen hieruit de conclusie te kunnen trekken dat geovariëctomizeerde
muizen sneller verouderen dan normale dieren. Naar de mening van de recensent is
dit echter niet bewezen omdat de auteurs

le. niet gewacht hebben totdat de dieren aan een natuurlijke dood stierven, en
2e. is het meer voor de hand liggend te veronderstellen dat het vroeger ophouden
van de voortplantingspotentie bij de proefdieren eerder wijst op een hormonale
deficiëntie.

De toomgrootte daarentegen is slechts weinig minder bij de proefdieren dan bij de
normale dieren, wat er op zou wijzen dat het normale intacte dier niet volledig gebruik
zou maken van zijn volledige capaciteit in haar beide uterushoorns.
Voor een meer uitgebreide beschrijving van hun proeven, dan in dit rapport gegeven
wordt door de auteurs, kan de geïnteresseerde lezer terecht in „The Journal of
Reproduction and Fertility".

ƒ. Boender,

Pluimveeziekten

PARACOLI- EN SALMONELLA-INFECTIES BIJ KALKOENKUIKENS.

G O e t z, M. E.: The control of paracolon and paratyphoid infections in turkey poults.
Avian Dis,, 6, 93, (1962).

In Califomië wordt bij kalkoenkuikens infectie waargenomen met Salmonella typhi-
murium,
en met Arizona paracolon (— Arizona arizonae = Paracolobactrum ari-
zonae).

Beide infecties werden bestreden door serologisch onderzoek van de ouderdieren en
door bacteriologisch onderzoek van gestorven dieren. Blijkt één van deze infecties in
een koppel voor te komen, dan wordt hiervan niet verder gefokt.
Bij deze bestrijding deden zich een paar bijzondere gevallen voor.
Op een bedrijf dat zeer geïsoleerd gelegen was en waarvan de kuikens afkomstig
waren van een fokbedrijf, waarover verder geen klachten waren, kwam
Salmonella
typhimurium
voor. Na de Salmonella typhimurium-mitcüe werden twee jaar geen
kalkoenen gehouden. Toen men het derde jaar weer begon met gezonde kuikens
bleken deze opnieuw besmet tc geraken. Van 10 op het bedrijf gevangen slangen
bleken vijf salmonelladrager, evenals 1 van 5 aardeekhooms en een uil, zodat in
het wild levende dieren de infectie in stand hielden.

Op een 2e bedrijf waren ratten en veldmuizen (Microtus sp.) dragers van Arizona
paracolon
en besmetten hiermede de kalkoenkuikens. Dit bleek werkelijk het geval
te zijn, toen de jonge dieren die van huis waren opgefokt gezond bleven, maar nadat
ze volwassen op het eigenlijke bedrijf kwamen, waar dus de ratten en muizen waren,
toch dragers werden.

C. A. van Dorssen.

DE ONTWIKKELING VAN LUCHTZAKONTSTEKING BIJ HOENDERS.

Gross, W. B.: The development of „air sac disease". Avian Diseases, V, 431,
(1961).

Onder het begrip „air sac disease" en CRD vallen de ziekten waarbij na sectie fibri-
neuze pericarditis, perihepatitis en verdikking van de luchtzakken worden vastgesteld.

-ocr page 517-

Men heeft hierbij verschillende infectieuze agentia kunnen isoleren en wel apathogene
en pathogene PPLO\'s, het infectieuze bronchitis-virus, het pseudovogelpestvirus, maar
tevens in heel veel gevallen bepaalde stammen van
E. coli. Het is steeds de vraag
geweest welke de inleidende oorzaken zijn van het optreden van de z.g. coli-septi-
chemie, want het gelukt niet om deze ziekte op te wekken door zc intramusculair of
subcutaan met de betreffende coli-stammen in te spuiten.

Door de virusinfecties te combineren met die met pathogene PPLO\'s gelukte het
door aerosol-infecties met bepaalde stammen van
E. coli de luchtzakaandoening op
te wekken, door een intraveneuze infectie gelukte dit slechts zelden. Het verzwakte
infectieuze bronchitis-virus, dat als vaccin wordt gebruikt, bleek de resistentie tegen
de coli-aerosols in dezelfde mate te verzwakken als het virulente virus.
De grootste gevoeligheid voor de coli-besmetting bleek tot ongeveer een maand na
de enting te bestaan, daarna nam de gevoeligheid af.

De pathogene coli-stammen werden ook aangetroffen in diermeel, sojabonenmccl, uit-
gezift materiaal van mais en tarwe, luccrnemeel, vismeel en katoenzaadmeel. Het
bleek, dat door het fabricage-proccs voor de kunstkorrelbereiding de betreffende micro-
organismen werden vernietigd.

A. van der Schaaf.

OVERBRENGING VAN HAEMOPHILUS CORYZA EN DE INVLOED HIER-
OP VAN THERAPEUTICA.

Page, L. A.: Haemophilus infections in Chickens. III. Factors in intraflock trans-
mission of infectious coryza and its chemical and antibiotic therapeusis.
Avian Dis.,
6, 211, (1962).

De voornaamste modus van overbrenging van Haemophilus coryza is via het drink-
water, dat besmet wordt door neusuivloeiing. Neusuitvloeiing van zieke kippen bevat
meer dan 100 miljoen
Haemophilus-kiemen per cm^ en 156 kiemen per cm® drink-
water zijn voldoende om dorstige kippen daarmede experimenteel te besmetten, hoe-
wel de bacteriën in water hoogstens 4 uur in leven blijven. Door verstuiving van
bacteriën en door contact van kippen zonder eten en drinken werd de ziekte veel
langzamer overgebracht.

Vliegen spelen bij de overbrenging geen rol van betekenis. Door toevoeging van
geneesmiddelen aan het drinkwater werd getracht de overbrenging tegen te gaan,
en de ziekte te genezen. Geprobeerd werden erythromycine,
Oxytetracycline, sulfathio-
zol en sulfamethoxypyradiazine.

Alleen erythrocycine thiocyanaat in het drinkwater had een gunstig klinisch effect
op de zieke dieren en beperkte de verspreiding onder de contactdieren. Zodra met
de behandeling werd opgehouden nam het aantal klinisch zieke dieren weer toe. Door
intramusculaire injectie met erythromycine,
Oxytetracycline en dihydrostreptomycine
werden geen resultaten verkregen.

(De lezer houde er rekening mede, dat deze gegevens natuurlijk ,gcen betrekking
hebben op de C.R.D., die momenteel voor Nederland waarschijnlijk de belangrijkste
coryza-achtige infectie is. (Ref.)).

C. A. van Dorssen.

Ziekten van het Kleine Huisdier

PARAGLOBINEMIE BIJ DE HOND.

Groulade, J., Morel, P., C r e y s s e 1, R. et Groulade, P.: Un cas de
paraglobulinémie chez le Chien.
Buil. Ac. vét. France, XXXII, 353, (1959).
Bij het bloedonderzoek van een oude bastaardhond, reu, lijdende aan cen ulcererende
huid-tumor in de halsstreek, werd een sterke leucopcnie gevonden (3.200).
Het beenmerg gaf een sterk verhoogd aantal plasmocyten te zien. Dc papicr-elektro-
forese vertoonde een sterk verhoogde top globuline y8 2; de urine bevatte geen eiwit
van Bence-Jones. Aandoeningen van de botten, waarmede deze bloedafwijkingen
samen zouden kunnen gaan, werden niet gevonden.

G. H. B. Teunissen.

-ocr page 518-

Zootechniek

INTENSR ERING VAN DE LAMMEROPFOK OP TEXEL.

Wensvoort, P.: Het verzorgen en het weiden van gespeende lammeren op Texel.

Hoewel de grafieken van deze, in samenwerking met het Rijks landbouwconsulent-
sehap voor Noord-Holland Noord en de Werkgroep Veehouderij van de Streekontwik-
kelingscommissie „Texel", tot stand gekomen publikatie zelfs in drie kleuren zijn ge-
drukt, is het toch bepaald nóch een voorbeeld van hoe de resultaten van dit soort
onderzoekingen moeten worden gepubliceerd nóch hoe dergelijke proeven moeten
worden opgezet. Voor deze uitspraak zijn een groot aantal argumenten aan te voeren:
Zo ontbreekt de paginering voor een deel en zijn de grafieken geen van alle ge-
nummerd terwijl in de tekst wel naar nummers wordt verwezen. Van de tabellen is
alleen tabel 2 als zodanig aangegeven, de andere zijn „anoniem". De figuur op blz. 8
(figuur 2?) klopt niet helemaal met de cijfers van blz. 4.

In dc figuur op blz. 15 (?) staat in elk geval 1 drukfout, in de tabellen op blz. 12
en 13 staan minstens ieder 2 fouten (de meeste cijfers van deze tabellen zijn echter
niet zonder meer op hun juistheid te controleren).

Verder ontbreekt een systematische beschrijving van de proefopzet: grootte der per-
celen, aantal lammeren per groep, hoeveelheid bijvoer, gemaaide oppervlakte enz.
Een deel van deze gegevens komt men al lezende in de tekst tegen (niet alle) maar
dit impliceert dat men deze brochure twee keer moet lezen om het geheel te kunnen
overzien. Zo is b.v. alleen uit de grafiek op blz. 14 af tc leiden dat de oppervlakten
der beide proefpercelen in 1961 niet even groot waren (waren de aantallen lammeren
dit wel?).

De proefopzet in 1961 was in zoverre minder gelukkig, dat de beide te vergelijken
groepen (procfgroep en controlegroep) niet vergelijkbaar waren. De begingewichten
verschillen gemiddeld 3 kg of ca. 10% wat de indruk wekt dat de betere lammeren
(dit waren de aan te houden ooien) in de controlegroep en de minder goede in de
procfgroep waren terecht gekomen.

In ieder geval is geen garantie gegeven dat het genotype der beide .groepen zoveel
mogelijk met elkaar overeenkwam. Dat het gebruik van stikstofkunstmest de groei-
snclheid der lammeren bevordert is ten onrechte uit deze proeven geconcludeerd, om-
dat voor het trekken van deze conclusie de groeicijfers van twee verschillende jaren
moeten worden vergeleken, dus uitkomsten die onder verschillende omstandigheden
en met onvergelijkbare dieren waren .genomen.

Strikt genomen geldt dit laatste (onvergelijkbaarheid der groepen) ook voor de
groepen die in 1961 op de kunstweide en op oud blijvend grasland werden geweid,
al is men wegens het grote verschil in groei wel geneigd te concluderen dat de op-
vatting dat schapen met slechtere grassen kunnen volstaan dan koeien toch onjuist is.
(Dit laatste wordt nu juist weer niet in het verslag vermeld.)

Er zijn meer bezwaren tegen deze publikatie en tegen dit onderzoek aan te voeren,
maar het bovenstaande moge voldoende zijn om aan tc tonen dat met een betere
proefopzet en een nauwkeuriger verslaggevin,g het vele werk, dat dit onderzoek on-
.gctwijfeld heeft gekost, meer resultaat had kunnen opleveren.

Overigens is het zeer verheugend, dat de schapenhouderij en -fokkerij de laatste
jaren steeds meer de aandacht krijgen van verschillende onderzoekers. Jarenlang heeft
cr in dit opzicht in ons land een grote leemte bestaan, die waarschijnlijk verklaard
moet worden uit de betrekkelijk geringe nationaal economische betekenis. Voor be-
paalde gebieden, en wel met name voor het eiland Texel, geldt echter dat het schaap
een integrerend deel van de „Landbouw" is en daar zal men ongetwijfeld de vruchten
van deze onderzoekingen, waarvoor ook W ensvoort reeds enkele belangrijke bij-
dragen heeft geleverd, gaan plukken.

Dc betrekkelijk geringe waarde van onze schapenstapel is echter een argument te
meer dat de proefnemingen doelmatig worden opgezet en dat over de resultaten zo
doelmatig mogelijk wordt gerapporteerd.

Th. de Groot.

-ocr page 519-

DE VOEDERTECHNIEK IN DE VARKENSHOUDERIJ.

Dammers, J.: De voedertechniek in de varkenshouderij. Landbouwk. Tijdschr.
74, 43 (1962).

De toenemende arbeidskosten zijn de oorzaak dat ook bij het voederen van varkens
naar arbeidsbesparende systemen wordt gezocht. De belangrijkste van de door de
schrijver vermelde consequenties der verschillende voedertechnieken zullen in het
kort worden weergegeven.

De ad libidum droogvoedering geeft t.o.v. de oude beproefde natte brij methode
(met 80% verzadiging) een hoger voeder.gebruik en een slechter slachtprodukt. Natte
brijvoedering tot 50 kg en hierboven droogvoedering, komt slechts voor een deel aan
bovengenoemde bezwaren tegemoet.

Een beperkte droo.gvoedering (op mechanische basis) komt volledig aan de bezwaren
van ad libidum voeren tegemoet. Doordat de mester de hoeveelheid voer moet do-
seren worden aan zijn vakbekwaamheid hogere ei.sen gesteld. Een beperkte droog-
voedering is ook te verkrijgen door de ZVV van het meel te verlagen. Ook het toe-
voegen van eetlust remmende stof is mogelijk. Te.gen beide methoden zijn echter be-
zwaren in te brengen.

Een arbeidsbesparing is eveneens te verkrij.gen door het aantal malen dat .gevoerd
wordt te verminderen. Wanneer 1 ä 2 maal per week lx een maaltijd wordt overge-
slagen, treedt praktisch geen nadelig effect op. Er dient wel voldoende drinkwater
verstrekt te worden. Laat men twee
vCH-dertijden achterelkaar vervallen, dan treedt
een groeivertraging van ± 10% op.

K. K. van Hellemond.

PROGESTERON EN P.M.S. TER BESTRIJDING VAN STERILITEIT VAN GE-
ÏMPORTEERDE SCHAPEN IN EGYPTE.

M a n s o u r, A. M.; Progesteron and P.M.S. to combat sterility in imported sheep.
Rapport IVe Intern. Congres „Voortplanting bij dieren", Scheveningen, 1961.
Ter verbetering van de inheemse schapenrassen werden Britse schapenrassen, vCKir-
namelijk Suffolks en Hampshires, in E.gypte ingevoerd voor kruisingsdoeleinden.
We.gens het uitblijven van de bronst en dc daarmee gepaard gaande gerin.ge vrucht-
baarheid van deze ingevoerde dieren, verooraaakt door de grote klimatologische ver-
andcrin.gen, hadden deze po.gingen weini.g succes.

Om hierin verbetering te brengen heeft de auteur de ingevoerde ooien, die gedurende
twee jaar niet meer gelammerd hadden, subcutaan in.gespoten met 125 mg progeste-
ron, verdeeld over 5 dagen. Vervolgens werden de dieren twee dagen later ingespoten,
eveneens subcutaan, met 500 LU. gezuiverde P.M.S., 17 dagen na de hierop gevolgde
bronst, werden de dieren nogmaals ingespoten met een tweede dosis P.M.S., waarna
de dieren bij de ram toegelaten werden.

Van de 10 dieren, die op deze wijze behandeld werden, waren er 7 ingespoten buiten
het voortplantingsseizoen, n.1. in de maand augustus. Deze kwamen 2-5 dagen na de
2e P.M.S.-injectie in oestrus. Hiervan lammerden cr 4. De drie contróle-dieren
kwamen niet in oestrus gedurende deze periode. Zij werden in december op dezelfde
wijze behandeld en 2 van de drie dieren lammerden.

Gezien het feit dat de normale bronstperiode bij de ingevoerde schapen valt in het
najaar en vroege winter, wanneer de dagen korter worden en de temperatuur lager,
ligt de oorzaak van de permanente anoestrus waarin de dieren verkeerden, volgens
de auteur in de te hoge temperaturen en de grotere hcR-veelheid licht, die remmend
zouden werken op de bronst.

Bovendien is de tijd, welke de dieren hieraan blootstaan ook van invloed. Schrijver
nam n.1. waar dat pas geïmporteerde ooien nog wel in oestrus kwamen, maar daarna
niet meer.

J. Boender.

-ocr page 520-

BOEKBESPREKING

TRICHINENSCHAU.
H. S i e 1 a f f.

fV.E.B. Gustav Fischer Verlag, Jena, 1962. 52 afb., 154 pag., 10.90 DM,)

Hoewel er nauwelijks iets nieuws over trichinöse te vertellen schijnt te zijn en er
in allerlei handboeken het nodige over de parasiet en de daardoor opgewekte ziekte,
alsmede over de prevendeve en curatieve maatregelen ertegen te vinden is, heeft de
auteur toch het prijzenswaardige initiatief genomen om alles, wat in verband hier-
mede belangrijk is, in één boekwerk samen te vatten.

Het is ook niet zo, dat er geen nieuws meer is. De vele publikaties duiden erop, dat
er nog steeds een levend „trichinose-probleem" bestaat. Niet voor niets ook werd in
1960 te Warschau een geheel aan dit probleem gewijd congres gehouden en nog altijd
maakt de ziekte in vele landen slachtoffers onder de mensheid.

In korte trekken wordt in het werkje een overzicht gegeven van het voorkomen van
de parasiet bij mens en dier in de Europese landen (Nederland is niet genoemd ref.)
en in de overige werelddelen, voor zover gegevens aan de schrijver bekend waren.
Zeer veel aandacht krijgt het onderzoek op trichinen, aangezien het boek mede be-
stemd is om als leerboek voor „Trichinenschauer" dienst te doen. Alle onderzoek-
methoden en daarbij gebruikte hulpmiddelen en apparaten worden besproken, even-
als de differentieel-diagnostische van belang zijde „vormsels" in spierweefsels; de
verteringsmethoden van Baermann, Trawinski en Cost en de door
Seidel aanbevolen papain-toevoeging om de weefseloplossing te versnellen, worden
beschreven, alsook de verschillende immuunbiologische proeven, die bij mens en dier
toegepast worden.

Natuurlijk vinden we ook de methoden om de trichinen in vlees te doden weer-
gegeven; minder natuurlijk is het aanhangsel waarin in het kort de varkensziekten,
die „aangifteplichtig" zijn, worden gememoreerd.

J. H. J. van Gils.

THE PROBLEMS OF LABORATORY ANIMAL DISEASE.
R. J. C. Harris.

(Academic Press, Londen en New York 1962, 265 pag., 60 sh.)

Het International Committee on Laboratory Animals (I.C.L.A.) werd in 1956 onder
auspiciën van de UNESCO opgericht. De organisatie beoogt verbetering der proef-
dierenvoorziening wat betreft aantallen, soorten en kwaliteit.

In 1958 werd nabij Parijs een eerste symposium gehouden over „Living Animal
Material for Biological Research".

Het zojuist verschenen boek is een verzameling van del8 voordrachten welke werden
gehouden op het tweede symposium in september 1961 (Tsjecho-Slowakije).
Het thema van dit symposium betrof ditmaal ziekten bij laboratoriumdieren, een
onderwerp dat vooral gericht was op bestrijding van ziekten, welke tot de meest
storende factoren bij dierexperimenten moeten worden gerekend. Het uitgebreide
programma van het symposium laat zich niet in kort bestek bespreken. Daarom moge
worden volstaan met een opsomming der behandelde onderwerpen.
De kennis van de epizoötiologie van in de natuur voorkomende ziekten levert een
praktische bijdrage ten aanzien van de ziektepreventie bij laboratoriumdieren.
Errington (Iowa), Rosicky (Praag) en Fenner (Canberra) behandelen
epizoötiologische aspecten. Eerstgenoemde doet dit aan de hand van een door hem
gedurende ruim 25 jaar bestudeerde ziekte onder Noord-Amerikaanse muskusratten
(Ondatra Zibethicus); Fenner naar aanleiding van studies over myxomatosis-
fibromatosis bij konijnen en ectromelia bij muizen.

-ocr page 521-

S a c q u e t (Gif, nabij Parijs) wijst op het talrijke vóórkomen van latente infecties
bij proefidieren, Schneider (New York) analyseert de begrippen gevoeligheid
en weerstand.

Genedsche achtergronden van een ziekte kunnen betrekking hebben op de gastheer
en op de ziektverwckker zelf (Gowen, Iowa).

Ruime aandacht wordt geschonken aan ziekten, veroorzaakt door virussen. Speciaal
de virussen van de Mouse Hepadtis group (M.H.V.) (G 1 e d h i 11, Londen), het
E.D.I.M.-virus (epizoötie diarrhoea of infant mice) en L.I.V.I.M.-virus (een nog
niet eerder beschreven „lethal intestinal virus of infant mice") door Kraft (New
York), polyoma-virus, K-virus (veroorzaakt sterfte bij zuigelingenmuizen na respi-
ratie-afwijkingen), mouse adenovirus (neurotische haardjes in hart en nieren), de
reovirus groep, mouse salivary gland virus en mouse thymic virus (R o w e e.a.,
Bethesda), terwijl Jansen (Utrecht) enkele virusziekten van konijnen behandelt
(onder andere konijnepokken en konijnepest).

Nelson (New York) vertelt van zijn werk betreffende „chronic respiratory di-
sease" (C.R.D.) bij muizen en ratten, terwijl ziektebeelden bij apen kort na hun
aankomst in het laboratorium worden beschreven door Lap in (USSR).
Een overzicht van ziekten bij caviae is van Paterson (Porton, Engeland). Be-
halve infectieziekten, worden ook de afwijkingen beschreven welke hun oorzaak
vinden in fouten bij voeding of verzorging.

Van S a s a e.a. (Tokio) is de voordracht over de meest voorkomende inwendige
parasieten bij muis, rat, hond en aan de hand van zijn ervaringen met vaccinaties
tegen ectromclia bij muizen stelt Briody (USA) immunisatie in het algemeen als
profylaxe aan de orde.

Rabstein (USA) en Tuffery (Carshalton, Engeland) geven ieder nog een
algemene beschouwing over ziektebestrijding bij proefdieren. Het frequent verrichten
van secties en „culling" der verdachte dieren zijn de beide pijlers waarop de gezond-
heidstoestand van een kolonie rust.

Foster, directeur-dierenarts van een der grootste commerciële muizen- en ratten-
fokkerijen in de USA, beschrijft in de laatste voordracht inrichting en organisatie
van zijn bedrijf.

Dc bijdragen zijn voorzien van de er na gehouden discussies. Deze nemen tezamen
een 20-tal pagina\'s in beslag en bevatten interessante aanvullende mededelingen.

B. C. Kruyt.

Waar vind ik het beste sperma?

Het sperma, afkomstig uit de vas deferans, blijkt bij de in deze proef onderzochte
kalkoenen van hogere kwaliteit dan het geëjaculeerde sperma.

Vermoedelijk zijn secreties van de vas deferens en de phallus tijdens de ejaculatie
verantwoordelijk voor deze kwaliteitsvermindering.

Pluimveepers, 17, 607, (1962).

-ocr page 522-

INGEZONDEN

ENIGE PRAKTISCHE WENKEN BIJ HET VÓÓRKOMEN VAN RABIËS.

De Redactie ontving het verzoek om het hieronder weergegeven artikel van de hand
van collega S. M. S e ij f f e r s, destijds Gouvernementsveearts te Makassar, dat ge-
publiceerd is in de
Nederlandsch Indische Bladen voor Diergeneeskunde, LIV, 77,
1947, in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde over te nemen.

Tevens voldoet de Redactie aan het verzoek van de schrijver hierbij te vermelden,
dat bij lezing van dit artikel bedacht moet worden dat — ten tijde van het schrijven
ervan — Bandung en Makassar steden waren, waar de bepalingen van de Honds-
dolheid Ordonnantie (N.1.-wetgeving) wegens het frequente voorkomen van honds-
dolheid bij voortduring van kracht waren.
De tekst van het artikel luidt woordelijk als volgt:

„Aangezien ik het m.o.m. twijfelachtig genoegen had (en heb) veelvuldig aan rabies
lijdende (of daarvan verdacht zijnde) honden te moeten onderzoeken, leek het mij
niet ondienstig het volgende te publiceren.

Voor hen, die eveneens veel met dit lijden te maken hadden, zal het misschien geen
of weinig nieuws brengen.

Waar mogelijk jonge collegae in Holland zich geroepen mochten voelen om in deze
gewesten in dienst te treden, kunnen deze mededelingen nut hebben.
Overigens zijn er deskundigen hier te lande, die ondanks vele jaren dienst, nog nim-
mer (door hun plaatsing) een klinisch geval van rabiës aanschouwden.

1. Beschouw in cen besmette stad, zoals Bandoeng immers was en Makassar thans
is, elke hond waarbij gij in consult geroepen wordt, steeds als verdacht van
rabiës, ongeacht of de eigenaar Uw hulp inroept omdat hij bang is, dat zijn
hond dol is of om andere redenen.

2. Beschouw de mcdedcclingen van dc eigenaar omtrent waargenomen verschijnselen
en duur daarvan, steeds met de grootste voorzichtigheid.

In vele gevallen blijken zij onjuist. Het is opmerkelijk, hoe slecht de opmerkings-
gave van de eigenaar vaak is; zelfs de datum van het bijten door de hond
weet men zich soms niet te herinneren.

3. Wanneer gij meent, dat het clinisch stellen der diagnose eenvoudig is, komt gij
bedrogen uit, althans dat is mijn ervaring.

Wanneer gij Uw handboeken nakijkt, lijkt het stellen der diagnose, door alle
daar op.gcsomde verschijnselen en het daar beschreven verloop der ziekte, een-
voudig. Niets is minder waar en gij moogt blij zijn, als een of enkele symptomen
duidelijk voor de dag treden.

4. Ook bij totaal ontbreken van typische verschijnselen, sluite men dolheid niet
te gauw uit. In vele gevallen vindt gij de hond op zeker oogenblik dood in het
observatichok (en het microscopisch en/of biologisch onderzoek positief).

5. Gij kunt vrijwel zeker zijn met rabiës te doen te hebben indien gij bij een ver-
dacht dier een der navolgende verschijnselen duidelijk waarneemt (of indien ge
geluk hebt, meerdere er van) :

a. afhangen van dc onderkaak;

b. sterk veranderd stemgeluid, niet zo zeer een blaffen, maar een hcesch hel
huilen;

c. een sterk veranderde ooguitdrukking, die naar mijn mening het best be-
schreven kan worden als „een droefgeestig, angst verradende blik".

En tenslotte kunt ge wel een weddenschap op het dolzijn afsluiten (met zeer
weinig kans om verliezer tc zijn) indien de hond in een korte spanne tijds meer-
dere personen en/of dieren gebeten heeft.

6. Zeg niet te vlug tegen de eigenaar (of medicus) dat gij denkt, dat de tc ob-
serveren hond (vermoedelijk) niet aan dolheid lijdt.

Het is niet prettig, na cen dag b.v.. Uw meening geheel te moeten herzien.
1390
 Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, afl. 21, 1962

-ocr page 523-

7. Zo eenigzins mogelijk vermijde men het afmaken van een van rabiës verdachte
hond (ook het publiek dient hierop steeds gewezen te worden).

Wanneer de omstandigheden er toe noodzaken en afmaken middels een schot
geschieden moet, schiet dan dwars door het hart of in de hals tussen de voor-
beenen.

Vermijdt een schot door het hoofd.

8. Voor het ongewenst zijn om een verdachten hond af te maken wordt ook wel als
een der redenen op.gegeven, dat men dan minder kans heeft bij hersenonderzoek
op het vinden van Negri bodies dan bij sterven van het dier. Overigens schijnt
dit nog al mee te vallen. De omstandigheden noopten mij gedurende het laatste
jaar vele van rabiës verdachte honden middels strychnine-injectie dan wel mid-
dels een schot af te maken.

In al deze gevallen werden bij microscopisch hersenonderzoek Negri bodies ge-
vonden. Op.gemerkt moet worden, dat bij al deze afgemaakte dieren clinisch
met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de diagnose rabiës was gesteld.

9. Verwijs gebeten of andere eventueel voor vacicnatie tegen rabiës in aanmerking
komende personen steeds naar den medicus en laat hem de beslissing omtrent het
al of niet instellen van een behandeling en geef t.a.d. zelf niet advies. Gij ver-
mijdt daardoor onaangenaamheden.

10. Gij doet verstandig om als het publiek U de stereotype vraag stelt, wat de ver-
schijnselen van hondsdolheid zijn, met te antwoorden „Ik kan het niet precies
zeggen" en het den raad te geven, dat men elke hond, die bijt, als verdacht van
aan rabiës te lijden moet beschouwen. Gij vermijdt daardoor misschien, dat men
U voor elke kleinigheid bij nacht en ontij te hulp roept onder medcdeelin.g, dat
zijn of haar hond aan dolheid lijdende is en onder het motto „De Gouverne-
ments Veearts is er .goed vcrar".

11. Tenzij uit wetenschappelijk oogpunt gij op verdere sectie prijs stelt, kunt gij na
sterven (of afmaken) van een verdacht dier, volstaan met hersensectie.

Naar mijn meening biedt het sectiebeeld zoo weinig bijzonders bij aan rabiës
.geleden hebbende dieren, dat dit geen enkel houvast geeft voor het bevestigen
der diagnose.

Zelfs het vinden van vreemde voorwerpen (inhoud) in de maag wordt niet altijd
gedekt door een positief microscopisch of biologisch onderzoek.

12. En tenslotte de opmerking, dat indien gij een van rabiës verdacht dier in een
hok (of andere ruimte) opsluit, gij U terdege moet overtuigen, dat uitbreken
niet mogelijk is.

Want hetgeen een dolle hond in een aanval van razernij kan stuk bijten, is ver-
bazin.gwckkend en de kracht, die een, zelfs kleine hond bij zoo\'n aanval kan
ten toon spreiden, is enorm.

Makassar, maart 1947."

Naschrift.

Mocht men over gegevens willen beschikken, welke in het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde zijn gepubliceerd, dan moge naar onderstaande artikelen worden ver-
wezen :

Gispen, Prof. Dr. R.; Het vraagstuk van de behandeling tegen rabies bij de mens.

Tijdschr. Diergeneesk., 80, 945, (1955).
Waveren, G. M. van: Rabies. Laboratoriumdiagnostiek en vaccinatie bij dieren.

Tijdschr. Diergeneesk., 80, 961, (1955).
Keulen, A. van: Rabies. Epidemiologie, bestrijdin.gsmaatregelen en medisch-
diergeneeskundige samenwerking.
Tijdschr. Diergeneesk., 80, 978, (1955).

-ocr page 524-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

IVe INTERNATIONALE CONGRES „VOORTPL.ANTING BIJ DIEREN",
DEN HAAG 1961, door A. van Loen\'). I.

Gedurende de tijd, die ligt tussen juni 1961 en het tijdstip waarop deze regels ver-
schijnen, hebben verschillende referenten (Aalbers, Anem a-W i 11 e ra s. Blok-
huis, Boender, DeBois, Van Dieten, Hendrikse, Hofman,
Kramer, Van der Sluis, Smidt, Spruijt, Strikwerda, Van
W a v e r en en W i 1 1 e m s) een groot aantal van de 165 gehouden voordrachten
gerefereerd. Een algemeen verslag van het congres van de hand van de secretaris
van het congres, Dr. L. H o e d e m a k e r, is eveneens in het Tijdschrift^) ver-
schenen.

In het volgende zullen de overige voordrachten — voor zover van voldoende betekenis
— worden gerefereerd. Alvorens hiertoe over te gaan zij vermeld, dat een cxtra-
zitdng op een van de „vrije" avonden werd ingelast, alwaar een ieder gelegenheid
had kennis te nemen van cen aantal bijzonder interessante films. Tevens werd ge-
legenheid gegeven buiten het officiële programma om enkele korte mededelingen
te doen.

De filmderaonstraüe had betrekking op de hierna te noemen films:

1. Movement of ova in the Fallopian tube of the rabbit (Harper, Cambridge).

2. Transport of fcrdlized sheep eggs in the rabbit from U.K. to South Africa
(Adams, Cambridge en Hunter, Zuid-Afrika).

3. Le comportement sexuel de la truie (Signoret, Frankrijk).

4. .A.I. in pigs (Melrose, Reading-Shinfield).

5. A.I. in pigs in Japan (N i w a, Japan).

De filmdemonstratie kan zonder twijfel een van de hoogtepunten van het congres
worden genoemd. Volledigheidshalve moge worden vermeld, dat de film „Le compor-
tement sexuel dc la truie" is geproduceerd door het Instituut National de la Recherche
Agronomique in samenwerking met de Service du film de Recherche Sciendfique.
De film is uitgekomen is een Franse en een Engelse versie. Genoemde Service du
film de Recherche Sciendfique (96, Boulevard Raspail, Paris 6ème)
stelt de film
op verzoek gedurende acht dagen gratis ter beschikking. Een copie van de film kan
aan hetzelfde adres worden verkregen.
Het laatste ter aanmoediging om tot bestelling
over te gaan. Immers, de betekenis van de film ligt zeker niet alleen op wetenschap-
pelijk terrein, doch ongetwijfeld tevens op het gebied van de voorlichting.
Dc nog niet besproken voordrachten zullen onder vier rubrieken worden behandeld.

1. Dcgeneradevc veranderingen van het ovarium.

2. Genetische en andere aspecten met betrekking tot de voortplanting.

3. Experimenteel onderzoek met betrekking tot het voortplantingsgebeuren.

4. Diversen.

Degeneratieve veranderingen van het ovarium.

1. R. Holcombe and R. B. Holcombe (Laukaa, Finland): Treatment of

cystic ovarian degeneration in cattle.
Het dicrmatcriaal betreft 310 koeien van verschillende ouderdom (Finse Ayrshirc-ras,
Finse landras en kruisingsprodukten). In vier groepen van resp. 30, 160, 10 en 110
dieren zijn resp. vier verschillende behandelingsmethoden onderzocht.
Manuele enucleatie met in aansluting hierop i.m. injectie met choriongonadotropine
(2500, 5000 en 10.000 LE.) resulteerde in circa 75% van de gevallen in een normale
functie van het ovarium. Manuele enucleatie met in aansluiting hierop i.m. injectie

Voorheen: Afdeling Diergeneeskunde T.N.O.; huidig adres: Centraal Labora-
torium van de Staatsmijnen in Limburg, Geleen.
2) Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 86, 1239, (1961).

-ocr page 525-

met progesteron-capreolaat in olie tot bij voorkeur 300 mg leidde in circa 87% van
de gevallen tot herstel van de functie van het ovarium. Puneteren van de cysten met
een daarop volgende intra-uterine antibioticum (tetracycline) - spoeling, resp. het
in de cysten spuiten van progesteron in olie, leverde geen bevredigende resultaten op.

2. L. Holy (Brno, Tsjecho-Slowakije): Erfahrungen mit der Behandlung von
Eierstockzysten mit Choriongonadotropin.

Na een eenmalige i.v. applicatie van 2500-6000 I.E. choriongonadotropine (Praedyn-
Spofa) vond luteïnisering in circa 92% van de gevallen plaats. De eerste oestrus na-
dien trad na ruim 20 dagen op. 82% van de behandelde koeien concipieerde ge-
middeld na circa 41 dagen.

3. E. Palsson (Ystad, Zweden): Investigations into the incidence and seasonal
variation in the occurrence of cystic ovarian degeneration in Swedish Lowland
cattle in Ystad District Cattle Breeding Society and the effect of individual bulls
on its occurrence.

Cysten van het ovarium werden in een frequentie van 1,53% gediagnostiseerd bij in
1948-1957 geboren koeien op een gemiddelde leeftijd van 3.56 jaar. Tussen de stieren
konden significante verschillen worden aangetoond ten aanzien van de frequentie van
cysteuze ovaria bij hun dochters. De hoogste frequentie werd gevonden bij koeien, die
afkalfden in juli-september, de laagste in april-juni.

4. E. Rajakoski (Hautjarvi, Finland): Seasonal and cyclical variations of the
ovarian follicular system in cattle.

Het aantal follikels in het ovarium van geslachtsrijpe vaarzen bleek afhankelijk van
het seizoen: in de herfst minder dan in de winter en het voorjaar. Ongeacht het sei-
zoen werden gemiddeld 46.3 ± 4.6 normale en 46.0 ± 4.8 atretische follikels
(^ 1 mm) geteld. Grote individuele verschillen werden vastgesteld.
Verder werd gevonden, dat in follikels § 5 mm doorsnede twee groeigolven ge-
durende de cyclus voorkomen, namelijk tussen de derde en vierde, respectievelijk
tussen de 12de en 14de cyclusdag. De follikel behorende bij de eerste golf wordt vanaf
de 12de dag atretisch, die van de tweede golf evolueert via rijping tot ovulatie.

5. M. R. Shalash and A. Sal am a (Kairo, V.A.R.) : Seasonal variation in the
ovarian activity of the buffalo-cow.

Enige morfologische veranderingen van het ovarium, het corpus luteum, de Graafse
follikel en de uterus werden bestudeerd gedurende verschillende seizoenen met het
doel inzicht te verwerven in de activiteit van het ovarium. Optimale activiteit van
het ovarium werd vastgesteld gedurende de wintermaanden.

6. I. Settergren (Stockholm, Zweden) : The relationship between body and ear
colour and ovarian development in females of the Swedish Highland breed.

Op grond van overigens niet ondubbelzinnig vaststaande resultaten wordt geconclu-
deerd, dat hypoplasie van het ovarium positief gecorreleerd zou zijn met witte haar-
kleur.

Genetische en andere aspecten met betrekking tot de voortplanting.

1. G. R O g n O n i (Piacenza, Italië) : Certain genetic aspects of the fertility problems
in dairy catde.

Een onderzoek over nymfomanie bij 413 Simmen thaler koeien afkomstig van 11 stieren
resulteerde in de conclusie, dat nymfomanie erfelijk bepaald is. Deze gevolgtrekking
is gebaseerd op het feit, dat aangetoond kon worden, dat significante verschillen be-
stonden tussen stieren ten aanzien van het percentage onvruchtbaarheid bij hun

-ocr page 526-

dochters. Tevens zou het percentage onvruchtbaarheid toenemen bij een inteelt-
coëfficiënt F > 0.10. .\\ls F = 0.001-0.099 zou de onvruchtbaarheid zich op hetzelfde
niveau bewegen als bij „niet-ingeteeldc" koeien. Op grond daarvan wordt aanbevolen
in de veeteelt een intecltcoëfficiënt tot 0.10 na te streven. Nergens blijkt cchter uit,
wat nu eigenlijk onder onvruchtbaarheid moet worden verstaan. De omvang van het
diermatcriaal lijkt voorts wat aan de „dunne" kant om genoemde sterke conclusies te
kunnen rechtvaardigen.

2. S. Nordlund (Lund, Zweden) : Lethal defects and their combating in Swedish
Friesian cattle.

Anatomische afwijkingen van genetische aard (hydrops congenita, hypotrichosis con-
genita en achondroplasia) kunnen door de toepassing van de K.I. in korte tijd op
grote schaal worden verbreid.

•Adequate foktechnische maatregelen worden wenselijk geacht en besproken.

3. G. R. F a 11 O n (Brisbane, Qd., Australië): Reproductive patterns in Australian
purebred Hereford cattle.

Geconcludeerd wordt, dat fysiologische, pathologische en zoötechnische aspecten met
betrekking tot de voortplanting eerst op rationele wijze kunnen worden bestudeerd,
nadat verscheidene belangrijke aspecten van het voortplantingspatroon — die worden
besproken — zijn bestudeerd.

4. G. W. Salisbury and F. H. Fiere hinger (Urbana, 111., U.S.A.): In
vitro aging of spermatozoa and evidence for embryonic or early fetal mortality in
cattle.

Met behulp van gegevens met betrekking tot meer dan 250.000 inseminaties werd
een .gemiddelde daling van het non-return-percentage van 15.5% berekend op basis
van respectievelijk 30 da.gen en 180 dagen non-returns. Het als functie van de tijd
afnemende non-return-cijfer zou verband houden met ccn toenemende embryonale
sterfte. Factoren, welke dc afname van het non-return-cijfer kunnen beïnvloeden,
bleken stier, inseminator, seizoen en ouderdom van het sperma.

Microspektrofotometrisch onderzoek leerde, dat dc embryonale sterfte mogelijk ver-
band zou kunnen houden met cen afname van Feulgen-positief materiaal (DNA)
in dc kernsubstantic van de kop van dc spcrmacel als functie van de tijd van be-
waren.

5. M. Vandeplasschc and C. Martens (Gent, België): The influence of
oestrogens on length of gestation and on retention of the placenta in dairy cattle.

•Applicatie van 30 mg stilboestrol per dag in het voer vanaf negen dagen vóór dc
partus resulteerde in cen significante verkorting van de drachtigheidsduur. Dc fre-
quentie (8%) en de duur van retentio secundinarum (na een normale partus) wer-
den niet beïnvloed.

6. H. Boyd (Glasgow, Scotland): Factors related to the length of the interval
between first and second inseminations in dairy cattle of four different breeds.

Het interval tussen eerste en tweede inseminatie bleek niet afhankelijk van het seizoen.
Naarmate het bij de eerste inseminatie — die niet tot conceptie leidde — gebruikte
sperma ouder was, bleek de frequentie van het „normale interval" (di-oestrus) van
18-24 dagen hoger te zijn, m.a.w. minder kans op conceptie bij gebruik van ouder
sperma. Daarnaast bleek het interval gemiddeld toe te nemen, hetgeen in verband
wordt gebracht met embryonale sterfte. (Zie ook Salisbury en Flerchinger,
no. 4).

-ocr page 527-

7. T. S w e n s s O n (Enköping, Zweden) : The length of the interval between calving
and conception in groups of first calvers with different sires.

Tussen de dochtergroepen van negen Zweedse roodbonte stieren konden significante
verschillen worden aangetoond met betrekking tot het interval: partus-conceptie. Het
gemiddelde interval behorende bij de onderscheiden groepen varieerde van 97 tot
133 dagen.

De invloed van de veehouder (besluit tot inseminatie) wordt besproken. De relatie:
niveau van de melkproduktie en de kans op conceptie wordt behandeld. Ten aanzien
van laatstgenoemde factoren wordt niets aangetoond.

8. G. F. S m i t h (Thames Ditton, Surrey, En.geland): Health factors affecting the
planning of progeny testing programmes for dairy and dual purpose bulls.

De betekenis van goed opgezet nakomelingenonderzoek teneinde K.I.-stieren te
kunnen beoordelen, en de daarmede gepaard gaande moeilijkheden van organisato-
rische en foktechnische aard worden besproken.

Gewezen wordt op de noodzaak om het onderzoek over de voortplantingspotentie
(van de stier) op verschillend gebied uit te breiden, en de selectie van de stier onder
meer op de uitkomsten van deze onderzoekingen te baseren.

9. F. B. L e e c h (Harpenden, Herts, Engeland): A statistical technique suitable for
the analysis of farm surveys of fertility.

Behandeld wordt op welke wijze men een indexcijfer kan bepalen met betrekking tot
de fertiliteitsstatus van een bedrijf. Flet indexcijfer maakt het mogelijk milieu-
invloeden op de vruchtbaarheid met behulp van meerdere bedrijven, dus onder
praktijkomstandigheden, te onderzoeken.

10. H. O. Dunn, L. D. van V 1 c c k, G. V. O\'B 1 e n e s s and G. R. Hen-
derson (Ithaca, N.Y., U.S.A.): Estimation and use of variance components
in A.I. research and development.

Methoden om de variantie van verschillende componenten, die bijdragen tot de totale
variantie van gegevens m.b.t. de vcxjrtplanting, te schatten, worden besproken. Op
de gevaren, welke zijn verbonden aan het toepassen van deze methoden op materiaal
van geringe omvang wordt aan de hand van concrete voorbeelden nader ingegaan.

ARTS EN DIERENARTS1)

Dc Maatschappij voor Diergeneeskunde heeft onlan.gs haar honderdjarig bestaan
gevierd. Bij die gele.genheid is gebleken, dat het werk der dierenartsen, alsmede dat
van hun beroepsorganisatie, ook van hogerhand grote waardering ondervindt, met
name toen bekend werd gemaakt, dat voortaan de Maatschappij voor Diergeneeskunde
het predicaat „Koninklijke" zou mogen voeren.

De belangstelling en het medeleven van de Maatschappij voor Geneeskunst met dit
gebeuren is tot uiting gekomen in de aanwezigheid van de voorzitter en enkele andere
vcrtegenwoordi.gers van het Hoofdbestuur van onze Maatschappij bij de plechtige
viering van dit honderdjarig bestaan in de Domkerk te Utrecht op 12 september jl.
In de toespraken, ter gelegenheid van de viering van dit eeuwfeest gehouden, zijn ook
enige malen de mogelijkheden genoemd, die .gelegen zijn in de samenwerking tussen
geneeskunde en diergeneeskunde. De voorzitter van de jublierende Maaschappij heeft
daarover in zijn rede enkele opmerkingen gemaakt. Het door hem opgeworpen bal-
letje is gretig opgevangen en kwam in handen van collega Marseille, die één dergenen

1  Met redactionele toestemming overgenomen uit Medisch Contact, 17, (40), 641,
(1962).

-ocr page 528-

was die, als Hoofdbestuurslid van de Maatschappij voor Geneeskunst, de artsen bij
deze plechtigheid vertegenwoordigde.

Collega Marseille heeft het als een welkome plicht gevoeld het dcxjr hem opgevangen
balletje prompt aan de artsen door te geven en wel door aan de redactie van Medisch
Contact een korte beschouwing toe te zenden, die wij gaarne in dit nummer hebben
opgenomen.

Toen collega Marseille zijn beschouwing op papier zette was hem nog niet bekend,
dat ook nog van andere zijde hetzelfde onderwerp aan de orde zou komen. Dit is
nl. het geval geweest in de voordracht van Prof .Dr. J. Verlinde uit Leiden, die op
een der later volgende dagen van de eeuwfeestviering een voordracht heeft gehouden
over het onderwerp „De plaats van de Diergeneeskunde in de medisch-biologische
wetenschappen". In deze voordracht, in welke Prof. Verlinde o.a. de ontwikkeling
van de geneeskunde en de diergeneeskunde schetste, kwam tot uiting dat deze beide
wetenschappen elkander nodig hebben en helpen kunnen.

Het is de vraag of met de samenwerking in de wetenschapsheoelenmg de mogelijk-
heid van wederzijdse hulpverlening tussen geneeskunde en diergeneeskunde voldoende
uitgebuit zijn en of daarnaast ook niet méér contact tussen de artsen en dierenartsen
in de praktijk van de beroepsuitoefening nuttig zou kunnen zijn.

Er bestaan nauwelijks redenen aan te nemen, dat er tussen dierenartsen en artsen
in de praktijk op het ogenblik contacten van enige betekenis zijn, althans aan ons —
en vermoedelijk aan de meeste onzer lezers — is daarover weinig bekend. Wel zijn
er afdelingen van onze Maatschappij, die een enkele maal een bijeenkomst hebben
gehouden, waarbij ook dierenartsen waren uitgenodigd, maar wij menen te weten
dat dit uitzonderingen zijn.

Op het eeuwfeest van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde is eigenlijk
de noodzaak van samenwerking tussen geneeskunde en diergeneeskunde aan de orde
.gesteld. Collega Marseille vermeldt in zijn beschouwing, dat deze contacten in een
bepaald vlak, met name bij de diensten der respectieve inspecties en in het Rijks-
instituut voor de Volksgezondheid, reeds bestaan. Uit de opmerkingen uit de mond
van de voorzitter der jubilerende Maatschappij kan men echter de conclusie trekken,
dat de mogelijkheden van samenwerking tussen artsen en dierenartsen hiermede nog
niet zijn uitgeput en dat met name in de praktijkbeoefening daarvoor nog meer ge-
legenheden bestaan. In zijn rede heeft deze immers gezegd, dat naar zijn mening
het contact tussen artsen en dierenartsen zeker moet worden versterkt en dat dit zou
kunnen geschieden zonder gevaar voor schending van het beroepsgeheim der artsen.
Het zou zeker interessant zijn te vernemen of ook anderen over dit onderwerp hun
gedachten reeds hebben laten gaan en vooral of ten aanzien van samenwerking tussen
artsen en dierenartsen hier of daar misschien al meer bestaat dan de meesten onzer
weten of vermoeden.

De redactie van Medisch Contact is gaarne bereid de kolommen van ons blad open
te stellen voor het doen van mededelingen of het houden van beschouwingen, eventueel
ook voor het voeren van een discussie over het onderwerp „Arts en Dierenarts".
Dat wij daarbij ook de dierenartsen gaarne de gelegenheid willen geven de bij hen
levende gedachten in ons blad tot uiting te brengen spreekt vanzelf.

R.

ARTS EN DIERGENEESKUNDE1)

door A. Marseille, arts-bacterioloog te Enschede.

In een boeiende rede heeft de voorzitter van de zojuist Koninklijk geworden Maat-
schappij voor Diergeneeskunde in een plechtige zitting in de Domkerk te Utrecht
een overzicht gegeven over de ontwikkeling van de diergeneeskunde en de opleiding
tot dierenarts gedurende de afgelopen 200 jaar. Hij herinnerde er aan dat de wcten-

1  Met redactionele toestemming overgenomen uit Medisch Contact, 17, (40), 643,
(1962).

-ocr page 529-

schapplijk opgeleide dierenartsen tot laat in de vorige eeuw hevig hebben moeten
strijden tegen de kwakzalverij, die blijkbaar veel beter aansprak bij de mentaliteit
van een groot deel van de boerenbevolking dan de schools opgeleide dierenartsen.
De grote verandering is in de laatste 50 jaar gekomen, culminerend in de incorporatie
van de diergeneeskundige opleiding als Faculetit der Veeartsenijkunde der Rijks
Universiteit te Utrecht1).

Tijdens de bovengenoemde bijeenkomst heb ik mij opnieuw gerealiseerd, dat wij artsen
onvoldoende begrijpen wat er in de diergeneeskunde allemaal gebeurt. Behalve het
curatieve werk ten behoeve van de veestapel en de kleine huisdieren is de preventie
de laatste decennia sterk naar voren gekomen. De Veterinaire Inspectie van dc Volks-
gezondheid en het Centraal Diergeneeskundig Instituut met afdelingen in Rotterdam
en Amsterdam, waar de daarvoor benodigde sera en vaccins worden gemaakt, zijn
zuilen waar dit preventieve werk op rust.

Daarnaast zijn door de landbouworganisaties en de zuivelfabrieken opgericht de Pro-
vmciale Gezondheidsdiensten voor Dieren, thans ressorterend onder het landbouw-
schap. Hun taak is de georganiseerde bestrijding van dierziekten, d.w.z. de runder-
tuberculose, de brucollosis Bang en nog enige andere dierziekten, die alleen voor
het vee van belang zijn. Deze instituten beschikken elk over een modem bacterio-
logisch laboratorium.

Het raakpunt met de humane pathologie ligt in de groep van dierziekten, die ook de
mens schade kunnen doen, de zoonosen. De meest belangrijke uit deze meer dan 80
ziekten tellende groep zijn: de salmonellosen met uitzondering van de tyfus en de para-
tyfus B; de bmcellosis Bang; de bovine tuberculose; de lintworminfecties (cysticer-
cosis); de echinococcosis; de listeriosis en de ziekte van Weil. Het is juist voor een
doelmatiger bestrijding van deze zoönosen, dat de Voorzitter van de jubilerende
Maatschappij opriep tot een intensiever contact tussen artsen en dierenartsen. Van
onze zijde wordt in daarvoor in aanmerking komende situaties nogal eens een beroep
gedaan op het beroepsgeheim, maar ik meen, dat het zeer wel mogelijk is een goede
informatie tot stand te brengen zonder dat dit in het gedrang komt. Herhaaldelijk
heb ik in mijn eigen werkkring van deze samenwerking mogen profiteren.
De taak van de dierenarts in het geheel der Volksgezondheid is bijzonder belangrijk.
Toen in 1919 de Vleeskeuringswet tot stand kwam werd de belangrijkste bron van
dierlijk eiwit van de mens onder wettelijke controle gebracht. De wet verplicht tot
keuring zowel vóór als na dc slacht van paarden, runderen, varkens, schapen en gei-
ten, waarbij het slachtbedrijf in openbare slachthuizen zoveel mogelijk werd gecon-
centreerd. Ook voor huisslacht gelden deze voorschriften. Deze keuring staat onder
leiding van dierenartsen, daarbij steunend op cen scherp omschreven keuringsregle-
ment. Men is thans bezig deze keuring ook uit te breiden tot pluimvee en wild; op
het ogenblik gebeurt dit nog geheel vrijwillig op verzoek van de poelier.
Daarnaast is het t.b.c. vrij maken van onze veestapel van veel belang geweest voor de
Volksgezondheid. Men kan stellen dat op dit ogenblik geen t.b.c. meer voorkomt
onder het rundvee. Door de uitstekende organisatie van de Provinciale Gezondheids-
diensten voor Dieren kan men onmiddellijk in het kaartsysteem de resultaten van het
tuberculine onderzoek van elk bedrijf nagaan. Dit kan b.v. van belang zijn bij het
optreden van een geval van tuberculose in het gezin van een landbouwer, zoals ik
uit eigen ervaring weet.

Verder worden de landbouwbedrijven intensief onderzocht op het voorkomen van
brucellosis. Door middel van een vlokkingsreactie met gekleurd antigeen worden
maandelijks melkmonsters van alle bedrijven onderzocht.

Tenslotte wacht de dierenarts een belangrijke taak bij het onderzock op radioactieve
besmetting van dieren en dieriijke produkten. De besmetting met radioactieve stoffen
van melk kan voor dc mens bijzondere gevolgen hebben en de dierenarts zal bij de
preventie daarvan belangrijk werk hebben te verrichten.

Natuurlijk bestaat er al veel contact tus.sen dierenartsen en artsen, maar eigenlijk

1  Thans Faculteit der Diergeneeskunde genoemd (Red.).

-ocr page 530-

alleen in een bepaald vlak. Dc Veterinaire en de Geneeskundige Inspectie ontmoeten
elkaar regelmatig; bij het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid is een afdeling
Zoönosen die o.a. de typering van de salmonellastammen verzorgt, een voor de epi-
demiologie onontbeerlijk onderzoek. Maar in het vlak van de praktizerende dieren-
artsen en artsen is dit contact gering. Er zijn ten platte lande voordrachten-vcreni-
gingen en artsenkringen waarvan ook de dierenartsen lid zijn, maar voor zover mij
bekend is dat toch maar incidenteel. Daarom zou ik iedere collega willen aanraden
het Herdenkingsnummer van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde te lezen, waar-
door een goede indruk wordt verkregen van wat er door onze veterinaire collega\'s
wordt gepresteerd.

DIERGNEESKUNDIGE AFDELING VAN HET UNIVERSITEITSMUSEUM.
Aanwinsten.

De diergeneeskundige afdeling mocht ten geschenke ontvan.gen uit de bibliotheek van
dierenarts M. H. Hoogland de navolgende werken:

G. A. Geiswcit-van der Netten: Beknopte handleiding tot de Paardenkennis. 1818.
L. W. F. Ocbschelwitz: De Nederlandsche Stalmeester (3e druk), (1813); (inlig-
gend enige recepten in handschrift).
L. W. F. Ocbschelwitz: De Nederlandsche Stalmeester (3e druk), (1803); (inlig-
Bourgelat: De kunst van het oordeelen over paarden. 1770. (met inliggende plaat:
Meetkundige proportien van een paard. V.v.d. Plaats Jr. exc. 1770).

PSEUDOVOGELPESTBESTRIJDING IN ENGELAND.

Naar wij vernemen, heeft de Engelse Regering, in het kadcr der pscudovogelpest-
bestrijding, aan

Laboratorium Dr. de Zeeuw N.V. te De Bilt,
een belangrijke opdracht verstrekt voor de levering van pseudovogclpest-entstoffen.

LANDBOUWKUNDIGE ASPECTEN VAN DE EUROMARKT.

De Euromarkt is een onderwerp waarvoor zowel bij de redacties als bij dc lezers
van vooraanstaande tijdschriften en dagbladen een levendige belangstellin.g bestaat.
Het is voor u dan ook van bclan,g te weten wat anderen hierover schrijven. De stroom
van publikaties is echter al zo groot dat vrijwel niemand meer een overzicht kan
behouden.

Het is daarom gelukkig dat voor het gebied van de landbouw het Centrum voor
Landbouwkundige Publikaties en Documentatie (PUDOC) elke maand een over-
zicht samenstelt van de belangrijkste artikelen in tijdschriften, boeken e.d. die ver-
schijnen. Elk overzicht bevat gemiddeld ongeveer 100 titels van Nederlandse, Bcl-
.gische, Duitse, Franse, Engelse en Amerikaanse en andere publikaties over de land-
bouwkundige aspecten van de Euromarkt. Het verkrijgen van deze artikelen en
boeken biedt in de praktijk geen moeilijkheden, omdat zij via de Bibliotheek van het
Ministerie van Landbouw en Visserij en de Bibliotheek van de Landbouwhogeschool
.gemakkelijk hetzij ter leen hetzij in de vorm van cen reproduktie verkregen kunnen
worden.

Dit overzicht, waarvan bij de Redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde een
proefexemplaar verkrijgbaar is, kan ook voor u cen goede bron van informatie zijn.
Indien men ƒ 4,50 voor administratieve kosten overmaakt op girorekening 958146
van PUDOC Wageningen met vermelding „Euromarktlijst", zal ter kennismaking
tien maal een nummer van deze lijst worden toegezonden.

-ocr page 531-

CONGRESSEN

DE „VETERINAIRE WEEK \' 1963.

Dc Faculteit der Diergeneeskunde besloot in samenwerking met de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde in 1963 opnieuw een Veterinaire
Week te organiseren.

De Commissie tot voorbereiding van deze weck is als volgt samengesteld:

Prof. Dr. G. Wagenaar, voorzitter.

Prof. Dr. D. Swierstra, secretaris,

Prof^ Dr. J. H. J. van Gils,

Prof. S. van den .Akker,

Dr. H. J. Wintzer,

Dr. P. Krediet,

Dr. W. A. de Haan,

T. Sinnema.

\\\'an vele leden van het wetenschappelijk corps van de faculteit werd reeds een toe-
zegging tot het houden van een voordracht of tot het .geven van een demonstratie
ontvan.gen.

Besprekingen met de UNFI (Universitaire Filmdienst) zijn gaande voor een closed-
circuit televisie uitzending, teneinde de demonstraties en eventueel de voordrachten
zo .goed mogelijk tot hun recht te laten komen.
Wilt u de data 12, 13 en 14 juni 1963 reeds mi reserveren?

WORLD \\ ETERINARY ASSOCl.ATION.

17e Wereld Diergeneeskundig Clongres.

Door het organiserend comité van dit congres is
het volgende bericht vrijgegeven.
\\\'an 14-21 augustus 1963 zal -- 100 jaar na het
le Internationaal Diergeneeskundig Congres — het
1 7c in de rij dezer congressen in Hannover worden
gehouden.

Ter g(4egenhcid hiervan heeft de W.V.A. het jaar
1963 uit,geroepen tot
World Animal Health Year
ter ondersteuning van de FREEDOM FROM
HUNGER CAMPAIGN van de F.A.O.
Speciale voorzieningen zijn getroffen om dit his-
torische feit te gedenken. Zo omvat het weten-
schappelijk programma o.m. demonstraties met behulp van kleuientclevisie en een
uit.gebreid programma van sectielczin.gen (500 stuks) voorziet in een overzicht van de
huidige stand van de veterinaire wetenschap over de gehele wereld. Een programma
van sociale en culturele .gebeurlijkheden en excursies is naast het wetenschappelijk
programma ontworpen.

Dc declnemersprijs, bepaald door het Permanent Comité van de W.V..A., bedraagt
$ 15 of 60 DM.; voor begeleidende personen bedraagt dit de helft van deze som.
Het voorlopige programma en de inschrijvingsformulieren zullen weldra ter ver-
zending gereed zijn. Zij, die wensen zich tc doen inschrijven kunnen hiervoor .gebruik
maken van de bij deze aflevering ingevoegde kaart, of kunnen zich rechtstreeks wen-
den tot:

Vorbereitungsbüro des XH. Welt-Tierartzte kongresses
Hannover, Han.s Böckler .Allee 16.

-ocr page 532-

KONINKLIJK GENOOTSCHAP VOOR LANDBOUWWETENSCHAP.
Congres „Conservering van levensmiddelen".

In verleg met de heer Prof. Dr. Ir. H. A. Leniger, hoogleraar in de Technologie,
heeft het Bestuur van het Genootschap besloten om op 15, 16 en 17 januari 1963
een A-cursus te houden, die gewijd zal zijn aan de
„Conservering van levensmiddelen".
Voorts is besloten om de bijwoning van deze A-cursus over „Conservering van levens-
middelen" ook open te stellen voor daarvoor belangstellende technologen, chemici,
microbiologen, koeltechnici en veterinairen.

In verband met de omvangrijke organisatorische voorbereidingen worden derhalve
alle belangstellenden voor de bijwoning van deze .A-cursus verzocht om zich zo
spoedig mogelijk aan te melden bij het Technisch Secretariaat van de A-cursus 1963
t.a.v. de heer
Ir. W. F. van Vliet, pja I.B.V.L., Bornsesteeg 59, Wageningen,
tel. (08370) 29 71.

Eind november-begin december 1962 zal het definitieve programma worden bekend
gemaakt.

Het voorlopige programma luidt als volgt:

dinsdag 15 januari 1963: Algemene aspecten van Conservering (algemene inleiding

- verduurzamen door verhitting - conservering door ioniserende stralen - verduur-
zamen door drogen) ;

woensdag 16 januari 1963: Algemene aspecten van Conservering (verduurzamen
door koude - vriezen - verduurzamen door toevoegingen - microbiologische con-
servering) ;

donderdag 17 januari 1963: Bijzondere aspecten van Conservering (zuivelprodukten

- vlees - vis - gevo.gelte - .groenten en fruit - aardappelen).
Na alle 19 inleidin.gen is er .gelegenheid tot discussie.

MEDEDELINGEN

Van de Redactie

1 7e Wereld Diergeneeskundig Congres.

In de rubriek „Congressen" van deze aflevering treft men een mededeling van het
organiserend comité omtrent aanmelding voor dit congres, terwijl bij deze aflevering
is ingesloten een kaart, waarmede men zich hiervoor kan opgeven.
Mocht door onvoorziene omstandigheden deze kaart niet in de aflevering aanwezig
zijn, dan kan men deze alsnog aan het secretariaat van de Maatschappij aanvragen.

Contacten.

Door de voordrachten, gehouden tijdens het Eeuwfeest door de Voorzitter der
Maatschappij en Prof. Dr. J. D. Verlinde, is o.a. in medische kringen belangstelling
voor het werk der Nederlandse dierenartsen gewekt.

Dit heeft o.m. geleid tot een verzoek van de redactie van het periodiek „Medisch
Contact" — Officieel Orgaan van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter be-
vordering der Geneeskunst — om ruil aan te gaan met het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, waarin volgaarne werd toegestemd.

In de rubriek „Berichten en Verslagen" van deze aflevering treft men een tweetal
artiklen aan, voorkomende in afl. 40 van 5 oktober van bovengenoemd periodiek,
waarin gewezen wordt op de inhoud der beide, reeds genoemde voordrachten en
waarin wordt geanimeerd tot discussie over de mogelijkheden van contact tussen arts
en dierenarts.

Waartoe hierbij ook gaarne dierenartsen worden uitgenodigd.

-ocr page 533-

DOORLOPENDE AGENDA

November,

8—10, Ornithophilia, Utrecht.

10—11, Deutsche Veterinärmedizinische Gesellschaft. Congres Ziekten van het
Kleine Huisdier, München, (pag. 1004, 1281)

13, Centrale Drentse fokdag (N.L.), Meppel.

15—16, Ned. Congres voor Openbare Gezondhcidsregeling, \'s-Hertogenbosch.
(pag. 1338)

16, Afdeling Zeeland, M.v.D. Viering 75-jarig bestaan, Strandhotel Vlis-
singen. (pag. 1401)

17, Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier M.v.D. Ledenvergadering,
13.30 uur. Kliniek voor Kleine Huisdieren, Utrecht.

20, Ned. Zoötcchn. Vereniging, Stand en ontwikkeling van de paarden-
fokkerij, Jaarbeurs, Utrecht.

20—21, NlZO-da.gen, Ede.

22—27, Tentoonstelling 50Leeuwarden.

28—1 dcc., Pluimvectentoonstelling Barneveld en Omstreken, Barneveld.

December,

19, Afdeling Zuid-Holland, M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Beurscafé-
Restaurant, Muranozaal. (pag. 1340)

1963

Januari,

15—17, Congres „Conservering van levensmiddelen", (pag. 1400)

Juni,

12^14, Veterinaire Week 1963. (pag. 1399)

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannovei.
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399)

Slachtvee uit Ethiopië.

In het Zuiden van Ethiopië zal een .Amerikaanse zaak cen slachthuis bouwen geschikt
voor een weckproduktie van 1000 ton.

Van hieruit zouden de helften van karkassen naar Gibraltar gezonden worden om
verder bewerkt te worden voor de Europese markt.

Der Tierzüchter, 20-8-1962.

Duits proef- en demonstratiebedrijf in Iran.

In 1962 zal het proef- en demonstratiebedrijf in Aliabad, 120 km ten Noorden van
Shiraz geopend worden. West-Duitsland betaalt de staf en het technische hulpperso-
neel gedurende 3-4 jaren en de inrichting van het gebouw. Iran grond, gebouwen en
de lopende bedrijfskosten. Er zullen 4-5 Duitsers werkzaam zijn. Op het bedrijf is
plaats voor 500 merino\'s, 50 runderen, paarden en ezels, alsmede kippen.

Der Tierzüchter, 20-8-1962.

-ocr page 534-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU
Foto\'s.

De voorbereidingen voor het tweede jubileumnummer van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, dat een geïillustreerd verslag van de herdenking van het 100-jarig be-
staan van de Maatschappij voor Diergeneeskunde zal geven, zijn reeds in volle .gang.
De Redactie beschikt inmiddels over een vrij groot aantal foto\'s, die de beschrijving
van het Eeuwfeest zal omlijsten. \\\'an sommige evenementen ontbreken cchtcr nog
enkele geschikte foto\'s.

Behalve de daarvoor ingeschakelde fotodienst zijn tijdens de feestelijke gebeurtenissen
door enkele collegae eveneens foto\'s gemaakt. De Redactie verzoekt de desbtreffendc
collegae zich direct na de verschijning van deze aflevering met het bureau in ver-
binding stellen; wellicht kunnen dan nog enkele foto\'s worden uitgezocht die in het
tweede jubileumnummer worden opgenomen.

Assistentie/waarneming.

Dc laatste jaren bereiken het bureau nogal eens klachten, dat de voorziening inzake
assistentie/waarneming over het algemeen vrij slecht is en dan heeft men in zeker
opzicht gelijk ook.

Dc dierenartsen, die een assistent/waarnemer aanvragen, vergeten echter dat zonder
hun medewerking en die van dc collegae, die voor assistentie/waarneming zijn inge-
schakeld, cen goede functionering van bet waarncmingsburcau totaal onmogelijk is.
Mede in verband met het zeer beperkte aantal beschikbare „ambulante" dierenartsen
is het min of meer .gewoon geworden dat men het bureau pas inschakelt als alle po-
gingen om zelf hulp aan tc trekken mislukken, terwijl de beschikbare krachten zich
alleen bij het bureau melden als zij zelf „werkloos" zijn.

Op zichzelf is dit nogal te begrijpen, maar het is onbegrijpelijk, dat zowel dc prakti-
zerende dierenartsen als assistenten.\'waarnemcrs niet even dc moeite willen nemen
om het bureau diri-ct van hun onderlinge afspraken op dc hoogte tc brengen. Nog
eens wordt ieder — die zonder het bureau onderlinge regelingen treft — dringend
verzocht dit onmiddellijk door te geven.

Dit bespaart het bureau heel veel onnodig werk als er een drin.gende aanvrage binnen
komt, waarin direct moet worden voorzien.

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Zeeland.

Viering 75-jarig bestaan.

De afdeling Zeeland van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij voor Dier-
geneeskunde zal haar 75-jarig bestaan op luisterrijke wijze vieren op
vrijdag 16
novermber
a.s. in het Strandhotel te Vlissingen.

VAN DE GROEPEN

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

Deze groep organiseert op zaterdag 17 november a.s. om 13.30 uur een ledenvergade-
ring in de
Kliniek voor Kleine Huisdieren, Alexander Numankade 91, Utrecht.

-ocr page 535-

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de volgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaatlid van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde:
D. S. Frank, Nassaustraat 14, Utrecht.
Mej. S. S. Koopmans, Maliebaan 32, Utrecht,

Adreswijzigingen en dergelijke:

Bosma, J., van Bergum naar Joure, U. Boonstralaan, tel. (05138) 27 11, gr. 921384,
P., geass, met \\V. T. Koopmans. (147)

Choufour, J. C,, te Enschede, aangesloten onder gr, 993473, (150)

Coenraads, B,, tc Amstelveen, tel, .gewijzigd in (02964) 1 47 96, 050)

Dogterom, A, W. M., te Kesteren, naar Kerkstraat 7, aldaar, tel, (08886) 351. (152)
Doorn, A. van, van Utrecht naar Bodegraven, Koninginneweg 187, gr. gewijzigd in
555342, D, \' \' (153)

Haagsma, J., van Manokwari (.Nieuw-Guinea) naar (tijdelijk) Sneek, 2e Oosterkade
24. (van 209 naar 160)

Hesen, A. .A.; 1962; Helden, Molenstraat 30; tel. (04760) 442; (per 1-12-62) D.

(in mil. dienst), (163)

Hoo.gstraten, G., te Amstelveen, tel, privé gewijzi.gd in (02964) 3 10 45, (166)
Jacobs, J,, van \'s-Gravenhage naar Grocnekan, Gopijnlaan 15, tel, (03401) 699,

(167)

Jong, D. dc, van Zaltbommel naar Driebergen-Rijsenburg, Beukenhorst flat 89, tel,
(03438) 27 28, ,gr. .gewijzigd in 324723. (168)

Jong, P. de, van Stolwijk naar Rotterdam (.N.), Straatweg 225, tel. (010) 18 73 15,
gr. 322280, P., ass. bij P. G, Giskes, (169)

Kampman-Scckles, Mevr. P. H. B., tc Amstelveen, tel. .gewijzi.gd in (02964) 1 72 27.

(170)

Klein Lebbink, E. M., van .Mmcn naar Zutphen, Nieuwstad 97, tel. (06750) 29 34.

(171)

Klimp, A., te Ter .Apel, naar A.gostraat 3, aldaar (tel. on.gewijzigd). (171)

Kraai, Joh., te Bilthoven, tel. bureau gewijzigd in (03402) 40 90. (173)

Mecrtens, J., te Wolvega, aangesloten onder tel, (05260) 29 40, 078)

Muller, G„ tc Gouda, tel, bureau gewijzigd in (01820) 38 00. (181)

Orrlemans, H. G, M,; 1962; Schijndel, Boschweg 67; tel. (04104) 490; wnd. D.

(183)

Rentema, Mr. F. O., te .Amstelveen, tel, gewijzi.gd in (02964) 1 38 62. (188)

Schreincmachers, J, J, A,: 1962; Zundert, (voorl.) Molenstraat 46; tel, (01696)
34 93; gr, 541328; P,, ass, bij H. A. V. G. Kessel. (191)

Smit, H. F,, te Amstelveen, tel, gewijzi.gd in (02964) 1 88 68, (193)

Zwart, Dr, D,, diens vcrlofadres in Nederland is vervallen in verband met terugkeer
naar Kumasi (Ghana). (212)

Gevestigd:

.Altenburg, W., te Heerde, Socrelseweg 1-A, tel. (06782) 13 68, geass, met J. Tees.

(141)

Bcrtels, I. Th. J, A,, te Overloon, Theobaldu.sweg 59, tel, (04788) 300 (vrije ves-
tiging). (143)
Derks, P, J, M,, te Vinkeveen, Julianalaan 2, tel, (02972) 428, gr, 298742 (voort-
zetting praktijk E. de Jongh). (151)
Oosterhof, H,, te Bergum, Noordersingel 80, tel, (05116) 505, gr. 1008871, voort-
zetting praktijk J. Bosma. (183)
Smorenburg Jr., .A, .A., te Woerden, Oostdam 2, tel. (03480) 26 69, gr. 606053,
medewerker van A. A, Smorenburg Sr, (194)

Openbaar Slachthuis te Gouda:

Het telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is gewijzigd in (01820) 38 00, (108)

-ocr page 536-

Veterinaire inspectie van de volksgezondheid en inspectie van de veeartsenijkundige

dienst in het ambtsgebied/district Utrecht:

Het bureau van bovenbedoelde diensten is van Amersfoort verplaatst naar (tijdelijk)
Bilthoven, Vinkenlaan 31, tel. (03402) 40 90. (73)

Benoemd:

Abrahamse, A. A., tc Emmeloord (,gem. Noordoostpolder), te rekenen m.i.v. 1 ja-
nuari 1963, tot Keuringsdierenarts-hoofd van dienst en Directeur van het open-
baar slachthuis te Amersfoort. (140)

Postma, K. P., te Aerdenhout, te rekenen m.i.v. 1 november 1962, tot Keurings-
dierenarts-hoofd van dienst en Directeur van het openbaar slachthuis te Haarlem.

(186)

Eervol ontslag:

Galesloot, E. A., te Amersfoort, te rekenen m.i.v. 1 januari 1963, op zijn verzoek, als
Keuringsdierenarts-hoofd van dienst en Directeur van het openbaar slachthuis te
Amersfoort. (157)

Overleden:

Stolpe, W. C. van de, te Rotterdam, is aldaar overleden op 10 september 1962. (195)

Toorneman, F., te Vörden, is in een ziekenhuis te Utrecht overleden op 15 september
1962. (198)

Assurantiekantoor F. Dix

MAURITSSTRAAT 98 — UTRECHT — TELEF. 030—11520

Volledige voorlichting en assistentie bij
vestiging, praktijkovemame of associatie;

Deskundige bemiddeling en voortdurende controle van Uw
verzekeringen.

-ocr page 537-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Salmonellakiemen geïsoleerd in Nederland
1951 - i960 Ij.

Salmonella isolations in The Netherlands, a 10 years
re view.

door E. H. K.-\\MPELMACHER1), P. A. M. GUINEE2) en
A. CL.ARENBURG3)

Uit het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid.

Inleiding.

Het aantal gevallen van salmonellose is in de laatste tien jaren in Neder-
land gestadig toegenomen en heeft voornamelijk in de tweede helft van
deze tijdsperiode een nog niet eerder in dit land vastgestelde hoogte bereikt.
In totaal werden gedurende de afgelopen den jaren 24.638 stammen af-
komstig van mensen getypeerd, terwijl het totaal aantal der door het
Nationaal Salmonella Centrum onderzochte stanunen in deze periode
42.871 stammen bedroeg. Deze hoge cijfers moeten niet alleen met een
absolute toename, waarover aanstonds meer, worden verklaard, maar zeker
ook met de sterk toegenomen interesse voor de ziekte van de zijde van
artsen, dierenartsen en levensmiddelenhygit-nisten.

Bovendien doet zich in Nederland een organisatorische omstandigheid
voor die voor zover ons bekend, uniek mag worden genoemd. Nagenoeg
alle Salmonella-stannuen, zowel afkomstig van mens en dier als ook uit
alle andere in aanmerking komende bronnen worden namelijk centraal in
één enkel laboratorium getypeerd. Via de streeklaboratoria van de Volks-
gezondheid, die in iedere provincie zijn gevestigd, de ziekenhuislaboratoria
en de laboratoria van de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheids-
diensten worden nagenoeg alle stanunen, geïsoleerd van mensen, in het
Nationaal Sahnonclla Centrum onderzocht. De stanunen, geïsoleerd van
dieren of levensmiddelen, zijn voornamelijk afkomstig van slachthuis-
laboratoria, laboratoria van Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren,
laboratoria van Keuringsdiensten voor Waren en tevens van de reeds eer-
der genoemde streeklaboratoria voor de Volksgezondheid. Hierbij dient te
worden vermeld dat het verzamelen van stammen afkomstig van de mens
reeds veel eerder georganiseerd was dan het verzamelen van stanunen van
dieren en levensmiddelen, hetgeen pas in de laatste jaren krachtig ter
hand is genomen. Hierdoor laten zich de grote verschillen, wat het aantal
stammen van mens of dier afkomstig aangaat, verklaren. In figimr I wordt
de zojuist besproken toename der salmonellose in Nederland in beeld ge-
bracht. Hieruit blijkt dat niet alleen het aantal isolaties, maar ook het
aantal typen sterk is toegenomen. Het grote aantal isolaties bij de mens in

1  Dr, E, H. Kampelmacher, Hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen en het
Nationaal Salmonella Centrum, Sterrenbos 1, Utrecht,

2  P. A. M, Guinée, bacterioolog. Laboratorium voor Zoönosen en het Nationaal
Salmonella Centrum, Sterrenbos 1, Utrecht,

3  Dr. A. Clarenburg, voormalig Hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen en
het Nationaal Salmonella Centrum, Sterrenbos 1, Utrecht.

1) Dit artikel werd in het Engels gepubliceerd in het Zbl. Bakt., Parasitenk., In-
fektionskrankh. und Hyg., 1, Orig.,
185, 490, (1962).

-ocr page 538-

het jaar 1959 staat in verband met een epidemie gedurende de zomer-
maanden van dat jaar.

Figuur 1. ^ Salmonella-isolaties bij de mens in Nederland

I I Totaal aantal Salmonella-isolaties in Nederland

m

1951

aantal typen bij dc mens 1 7
aantal typen totaal 18

12.000T
11.000
10.000
9.000
8.000
7.000
6.000
5.000

3.000
2.000

1.000

m.

1952 1953 1954 1955 1956 1957 1958 1959 1960
25 23 34 39 42 43 55 68 60
27 27 36 41 51 50 82 92 104

^Vat nu, behalve de in Nederland sterk naar voren komende relatieve
factoren, de absolute toename aangaat, kan het volgende worden opge-
merkt. Ofschoon deze toename niet met één enkele factor is te verklaren,
moet toch aan de in de afgelopen tien jaren zeer sterk toegenomen import
van levensmiddelen, maar nog meer aan de import van dierlijke voeder-
middelen als bron van besmetting worden gedacht. Zowel uit tabel 6 en 7
als ook uit tabel 8 blijkt welke aantallen en verscheidenheid van typen
uit twee representanten der genoemde groepen, te weten eiprodukten en
dier- en vismeel, konden worden geïsoleerd. Uit hier te lande verrichte
onderzoekingen is inmiddels reeds gebleken hoe sterk de varkensstapel, zeer
waarschijnlijk door besmet dier- en vismeel met
Salmonella-\\C\\emer\\ ge-
ïnfecteerd is geraakt en welke grote rol vlees en vleeswaren bij de epidemie
in de zomer 1959 hebben gespeeld. Andere factoren ter verklaring van de
sterke toename der salmonellose zouden kunnen worden gezocht in de
be\\olkingsdichtheid (Nederland is op het ogenblik het dichtst bevolkte land
ter wereld), de voedingsgewoonten (men consumeert hier te lande veel rauw
vlees) en het gebrek aan koelkasten in de huishoudingen (slechts 18%
der bevolking bezit op dit ogenblik een koelkast).

Bovendien is samen met de in de afgelopen tien jaren gestegen wel-
vaart de verscheidenheid der geconsumeerde levensmiddelen toegenomen.
Voornamelijk produkten afkomstig uit tropische en subtropische lan-
den, zoals bijvoorbeeld kokosnoten en aardnoten, die in de laatste tijd
herhaaldelijk met
Salmonella-V\\cm&n besmet worden bevonden, kunnen
bierbij een rol spelen.

Na deze algemene inleiding lijkt het ons gewenst de isolaties uit de ver-
schillende bronnen nader te bespreken.

Salmonella-kiemen geïsoleerd bij mensen in Nederland, 1951-1960.

Zoals reeds boven vermeld, werden in de afgelopen tien jaren 24.638
SalmoneUa-]dame:n, geïsoleerd uit mensen in Nederland, ter typering in het
Nationaal Salmonella Centrum ontvangen. In tabel 1 wordt een overzicht

-ocr page 539-

Tabel 1.

Salmonella-typen, geïsoleerd bij mensen in Nederland, 1951-1960.

ê

Salmonellatypc

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

5\'. abortus bovis

1

1

1

3

S. abortus equi

1

1

S. ajiobo

1

2

2

S. amagar

•—

1
1

S. amsterdam

•—

1

S. anatum

1

1

2

9

10

7

21

16

123

65

255

S. bareilly

90

170

78

202

44

172

83

160

214

135

1348 (5,4%)

S. binza

4

1

2

5

12

S. blegdam

—•

1

1

S. blockley

•—

2

12

21

138

173

S. bovis morbificans

126

10

40

13

4

92

61

272

141

859 (3,5%)

S. braenderup

1

9

2

9

7

3

31

S. brandenburg

1

5

4

12

14

23

59

S. bredeney

2

2

1

27

37

12

30

33

546

403

1093 (4,4%)

S. butantan

- -

2

2

10

14

S. California

1

1

S. Cambridge

2

■—

2

S. chailey

2

2

S. chingola

1

1

S. ehester

1

21

20

44

S. cholerae suis

1

1

2

4

8

S. cholerae suis var. kunz.

1

5

6

S. coeln

1

1

1

4

7

S. concord

1

1

S. cubana

1

2

3

S. derby

1

1

1

1

9

6

5

4

28

S. dublin

7

16

26

35

37

26

29

32

99

57

364

-ocr page 540-

Jl (voortzetting tabel 1)
O

o=

Salmonellatype

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

5\'. durban

_

_

2

_

_

_

_

2

S. durham

5

3

__

_

1

9

S. duesseldorf

1

1

_

_

_

_

_

2

S. eastbourne

2

_

3

1

_

6

S. enteritidis

6

13

37

16

38

37

25

25

53

13

261

S. ganiinara

1

1

S. give

1

35

7

6

14

11

140

96

310

S. goerlitz

2

8

1

11

S. grumpensis

2

2

S. havana

,—

1

1

S. heidelberg

1

37

27

19

48

141

454

399

1126 (4,5%)

S. hidalgo

--

1

1

S. ibadan

_

2

2

S. Indiana

_

11

3

14

S. infantis

2

6

19

30

19

67

49

192

S. israël

1

3

4

S. java

11

115

72

198

S. javiana

1

1

2

S. Jeruzalem

2

2

4

S. Johannesburg

4

4

S. kaapstad

4

1

8

13

S. kentucky

1

5

7

6

19

S. kimuenza

3

3

S. kottbus

1

3

4

2

1

11

S. leeuwarden

_

1

_

1

S. lexington

1

2

3

6

S. lichtfield

.—

2

2

S. livingstone

11

12

23

-ocr page 541-

(voortzetting tabel 1)

ê

1X3

Salmonellatypc

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S, london

1

3

2

1

_

7

S. manchester

14

35

272

119

440

S. manhattan

2

1

7

1

6

41

26

84

S. meleagridis

2

4

6

1

99

6

118

S. minnesota

4

2

5

5

2

18

S. mission var. isangi

1

2

3

S. montevideo

6

1

4

3

2

1

3

8

28

S. muenchen

2

45

14

17

29

43

110

50

310

S. muenster

2

3

1

6

S. napoli

3

.—

3

S. narashino

1

1

S. new brunswick

1

3

12

40

56

S. newhaw

3

3

S. newington

5

3

3

8

14

9

42

S. newport

3

1

4

9

4

23

91

192

456

171

954 (3,8%)

S. nottingham

1

1

S. onarimon

1

■—

1

S. Oranienburg

1

6

I

1

6

1

5

22

43

S, oregon

29

4

33

S. orion

2

7

1

4

14

S. panama

3

8

2

10

57

80

S. paratyphi A

2

3

8

2

1

2

2

1

21

S. paratyphi B

125

94

62

88

115

117

298

222

331

253

1705 (6,9%)

S. paratyphi C

1

■—

■—

1

S. pensacola

1

I

S. poona

1

2

1

4

S. potsdam

1

1

1

3

S. reading

2

51

1

2

2

•—

7

13

78

-ocr page 542-

(voortzetting tabel 1)

Salmonellatype

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S. rubistaw

.—

_

_

_

2

2

S. saint paul

_

2

4

2

9

2

39

59

11

128

S. san diego

-—

2

1

1

1

18

23

S, schwarzengrund

1

9

8

12

1

10

7

48

S. senftenberg

1

21

3

8

9

4

2

9

3

2

62

S. Stanley

56

4

1

10

3

2

118

19

5

218

S. sterrenbos

.—

1

1

S. takoradi

.—

•—

.—

1

4

2

1

8

S. taksony

1

8

32

7

48

S. tananarive

1

2

3

S. tel-aviv

.—

-—

2

2

S. thompson

1

6

3

3

2

.—

26

3

44

S. typhi

22

39

35

26

68

37

42

44

70

75

458

S. typhi murium

143

55

86

320

300

540

1083

2256

4900

3253

12936 (52,4%)

S. typhi suis

1

1

S. Uganda

—.

.—

6

1

7

S. urbana

4

4

S. veile

1

1

S. vir chow

2

10

_

.—

12

S. weltevreden

2

2

S. westerstede

1

1

S. worthington

1

1

1

4

46

81

134

Totaal

617

455

414

945

822

1105

2018

3588

8788

5929

24788

Table 1.

Salmonellatypes isolated from human subjects in the Netherlands during the
period from 1951 to 1960.

-ocr page 543-

gegeven van het aantal alsmede van het type van deze stammen, ingedeeld
naar voorkomen in bovengenoemde jaren. Hierbij vallen twee dingen sterk
op, namelijk dat 75% van alle stammen in de afgelopen drie jaren werden
geïsoleerd en dat 80% van alle stammen slechts tot 7 verschillende typen
behoort, waarvan
S. typhi murium meer dan de helft uitmaakt. In totaal
werden bij de mens in Nederland in de afgelopen tien jaren 105 van de op
dit ogenblik 800 bekende
Salmonella-typeri gevonden, hetgeen voor een
geografisch relatief zo klein gebied uitzonderlijk hoog moet worden ge-
noemd. Interessant is dat gedurende de afgelopen tien jaren de typen-
verdeling zeer sterk is veranderd.

In tabel 2 wordt een beeld gegeven van de percentages van het jaartotaal
der in Nederland bij mensen belangrijkste
Salmonella-typen. Zeer opvallend
is hierbij de sterke toename van
S. typhi murium, een type dat de afge-

Tabel 2.

Percentage.\'! van het jaartotaal der in Nederland bij mensen belangrijkste

Salmonella-typen.

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

s.

typhi murium

23

12

20

33

36

48

53

62

56

55

s.

paratyphi B

20

20

14

9

14

1 1

14

6

5

5

s.

bareilly

14

37

18

21

5

15

4

4

2

2

s.

heidelberg

0,2

4

3

1

2

4

5

6

s.

bredeney

0,3

0,4

0,2

2

4

1

1

0,9

6

6

s.

newport

0,4

0,2

0,2

0,9

0,4

2

4

6

5

2

s.

dublin

1

3

8

3

4

2

1

0,9

1

0,9

s.

typhi

3

8

8

2

8

3

2

1

0,9

1

s.

muenchen

4

0,9

0,4

4

1

1

1

1

1

0,8

s.

bovis morbific.

20

2

4

1

0,3

4

1

2

2

s.

enteritidis

0,9

2

9

1

4

3

1

0,7

0,6

0,2

s.

.senftenberg

0,1

4

0,8

0,8

1

0,3

0,1

0,2

0,03

0,03

s

Stanley

9

0,9

0,1

1

Ü,2

0,1

3

0,2

0,08

Table 2.

Incidence of a number of common Salmonellatypes in man in the Nether-
lands, arranged according to the percentage of the total number of strains
typed during the period from 1951 to 1960.

lopen jaren een overheersende rol bij infecties van de mens speelt. Een der-
gelijke toename, maar in veel bescheidener mate is bij de typen
S. bredeney,
S. heidelberg
en S. newport waar te nemen. De verwekkers der tyfeuze
ziektebeelden,
S. typhi en S. paratyphi B daarentegen nemen in de afgelopen
jaren, zoals ook reeds in vele andere landen is vastgesteld, meer en meer aan
betekenis af. Ook de typen
S. bareilly, S. enteritidis en S. Stanley werden in
de laatste jaren steeds minder gevonden. Typen zoals
S. muenchen en
S. senftenberg blijken gedurende de laatste tien jaren vrij constant voor te
komen.

Vóór 1956 werden S. java en S. paratyphi B onder laatstgenoemd type
samengevat, maar nadien werden deze typen apart vermeld. De typen
S. oregon en S. muenchen werden na 1952 uitsluitend onder het type
S. muenchen genoemd.

-ocr page 544-

Tabel 3.

Salmonella-isolaties bij runderen en kalveren in Nederland, 1951-1960.

ro

Salmonellatypc

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S. anatum

S. bareilly

S. blockley

S. bovis morbificans

S. braenderup

S. bredeney

S. ehester

S. cholerae suis

S. cholerae suis var. kunz.

S. dublin

S. enteritidis

S. give

S. heidelberg

S. kentucky

S. kottbus

S. livingstone

S, meleagridis

S. minnesota

S. muenchen
— — — — — 1 1 _ _

— — 1 1 — 6 1 1 1

— 2 — 1 _ _ __ 4 1

— — — — — 1 — 1 12

_________ 1

________ 1

241 192 520 520 437 329 622 616 1183

— — — — — — — — 3

________ 3

— — — — — 3 8 1 2

5
11
4
12
1

14
2
1

3

5828 (94%)

4

5
4
2
1
4
1
1

16

1168

-ocr page 545-

(voortzetting tabel 3)

Salmoncllatype

totaal

1960

1959

1957

1958

1956

1953

1954

1955

1951

1952

newport

S. Oranienburg

S. orion

S. paratyphi B

S. panama

S. saint paul

S. senjtenberg

S. Stanley

S. taksony

S. thompson
S. typhi
murium
S.
Uganda

S. worthington

4 2

1 1

— 1

4 —

6
2
2
10
1

4
2
3
1
1

237 (3,8%)
1

5

1

6

3
1
2
1

29

1
12

77

71
5

20

16
1

1302 1269 6194

670

652

361

526

526 450

195

243

Totaal

Table 3.

Salrnonellatypes isolated jrorn cattle and calves in the Netherlands during
the period from 1951 to 1960.

-ocr page 546-

Salmonella-isolaties bij runderen en kalveren in Nederland, 1951-1960.

In de afgelopen tien jaren werden in totaal 6194 Sahnonella-Hammen be-
horende tot 32 verschillende typen, geïsoleerd bij runderen of kalveren in
Nederland, ter typering ontvangen. Zoals reeds in de inleiding is opge-
merkt, is dit getal minder representatief voor het voorkomen \\an salmo-
nellosis bij het rundvee in Nederland dan de getallen bij de mens. Het
systematisch verzamelen en opsturen van bij runderen en kalveren ge-
isoleerde stammen kwam pas de laatste jaren beter op gang. In tabef 3
wordt een overzicht gegeven van het aantal stammen en typen der bij run-
deren en kalveren in de afgelopen tien jaren geïsoleerde
Salmonella-
stammen.
De sterke toename van de totale aantallen is hier voornamelijk als
een relatieve toename te beschouwen, aangezien er geen aanwijzingen zijn
dat een sterke absolute toename in Nederland in de afgelopen jaren heeft
plaatsgehad. Wel is opvallend dat in deze tien jaren duidelijk een ver-
schuiving in aantal van de twee belangrijkste typen is opgetreden. Werden
van 1951-1955 98-99% van alle
Salmonella-stammen van runderen en kal-
veren afkomstig als
S. dublin getypeerd, in de daaropvolgende jaren namen
de infecties met
S. typhi murium steeds meer toe. In tabel 4 wordt deze ver-

Tabel 4.

Percentages van het jaartotaal der in Nederland van 1951-1960 voor-
komende S. dublin en S. typhi murium t.o.v. het totaal aantal geïsoleerde

typen.

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

S.dublin

99

98

98

98

97

91

95

92

91

92

S. typhi murium

0,8

0,5

0,7

0,7

2,6

4,4

3,0

4,3

5,4

6,0

Table 4.

Incidence of S. dublin and S. typhi murium in cattle and calves in the
Netherlands arranged in percentages of the total number of strains typed
during the period from 1951 to I960.

scluiiving m beeld gebracht en wel ingedeeld in percentages van bet bij
runderen en kalveren totale aantal getypeerde stammen ]jer jaar.
Het overgrote deel der getypeerde stammen is overigens van kalveren af-
komstig die ofwel bij slachting pathologiscb-anatomiscbe afwijkingen ver-
toonden (Ledschbor-haardjes in de lever) of tijdens het leven een gastro-
enteritis doormaakten. De klinisch manifeste salmonellose wordt bij het
volwassen rimd in Nederland betrekkelijk weinig waargenomen. Deze dieren
zijn meestal dragers van
Salmonella-kiemen en vertonen onder normale
levensomstandigheden geen afwijkingen. Bij een in dit laboratorium intge-
voerd onderzoek naar het aantal \\ an dergelijke dragers konden in 1957 bij
1600 onderzochte slachtrunderen 0,5% positieve dieren worden gevonden.
Dat ondanks dit feit
S. dublin als ziektevenvekker voor de mens tut epi-
demiologisch oogpunt een niet te verwaarlozen rol speelt, blijkt uit de plaats
die
S. dublin-iniecties bij de mens in de afgelopen jaren hebben ingenomen.
Van de in tabel 1 genoemde 105 typen komt
S. dublin namelijk, wat betreft
het aantal isolaties, met 364 gevallen bij de mens op de tiende plaats.
Het zal overigens bijzonder interessant zijn in de komende jaren waar te
nemen of
S. typhi murium-iniecties verder bij het rundvee toenemen en
welke oorzaken hierv oor verantwoordelijk gesteld moeten worden.

-ocr page 547-

Tabel 5.

Salmonella-isolaties bij varkens in Nederland, 1951-1960.

5. manhattan
S. meleagridis

Salmonellatype

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S. anatum

_

_

_

1

1

4

1

7

S, bareilly

1

6

3

6

3

4

23

S. binza

1

4

5

S. blockley

1

1

2

S. bovis morbificans

1

1

1

1

4

8

S. braenderup

2

2

S. bredeney

14

5

19

S. ehester

1

1

S. cholerae suis

1

1

1

2

7

19

30

61 (10,6%)

S. cholerae suis var. kunz.

3

8

25

20

56

S. dublin

13

6

6

11

4

8

10

26

36

120 (20,9%)

S. enteritidis

5

1

6

1

1

2

16

S. give

3

3

5

11

S. heidelberg

-—

3

4

7

S. infantis

-

1

\'—

4

5

S. kentucky

•—

1

1

2

S. livingstone

-

2

1

3

S. manchester

5

5

— 1

Ol

-ocr page 548-

(voorzetting van tabel 5)

Salmonellatype

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S. montevideo

1

1

S. muenchen

7

_

7

S. newington

1

1

_

1

_

3

S. newport

7

5

12

S. Oranienburg

1

_

1

1

3

S. orion

_

2

_

2

4

S. panama

1

1

2

S. paratyphi B

_

_

_

_

1

1

S. reading

_

_

_

_

_

4

4

S. senftenberg

_

_

_

1

1

S. schwarzengrund

_

_

_

_

4

4

S. taksony

_

_

_

_

1

1

2

S. typhi murium

3

8

1

8

11

7

6

9

68

48

169 (29,5%)

S. worthington

1

3

1

5

Totaal

4

28

8

19

38

16

32

44

211

173

573

Table 5.

Salrnonellatypes isolated from pigs in the Netherlands during the period

from 1951 to 1960.

-ocr page 549-

Table 7. Salmonellatypes isolated from druck-egg products in the Netherlands during the period from 1953 to 1960.

Tabel 7. Salmonella-isolaties uit eendeëiprodukten in Nederland, 1953—1960.

Produkt

Product

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

A

B

C

A

B

C

A

B

C

A

B

C

A

B

C

A

B

C

A

B

C

A

B

C

Heel ei

Whole egg

bevroren

frozen

9

4

S. typhi murium 2 X

14

6

S. typhi murium 2 X

2

1

S. typhi murium

Ix

1

1

S. newington 1 X

3

.—

_

_

_

_

S. enteritidis

S. enteritidis

var. essen 2 X

var. essen 2 X

S. bareilly 1 X

S. anatum 1 x

vloeibaar

liquid

_

_

_

4

3

_

2

_

_

_

_

_

eipoeder

powdered

12

2

S. typhi murium 1 X

42

3

S. typhi murium

2X

32

11

6

1

S. bareilly 1 X

1

_

_

_

S. bareilly 1 X

S. dublin Ix

Eiwit

White ofegg

bevroren

frozen

6

4

S. typhi murium 3 X

•—

4

8

1

S. typhi murium 1 X

3

82

13

S. typhi murium 13 X

S. enteritidis

var. essen 1 X

vloeibaar

liquid

2

1

_

_

_

eiwitpoeder

powdered

1

3

6

1

S. bareilly 1 X

3

2

1

eiwitkristallen

crystals

2

3

5

3

S. typhi murium

ix

1

8

2

•—

2

2

S. montevideo 1 X

S. bareilly 1 X

S. typhi murium 1 x

S. anatum 1 X

Eigeel

Yolk of egg

bevroren

frozen

30

2

S. typhi murium 1 X

22

_

■_

80

_

_

S. enteritidis 1 X

vloeibaar

liquid

16

13

S. typhi murium 5 X

54

27

S. enteritidis

2

2

38

3

S. typhi murium

ix

44

11

S. typhi murium 5 X

8

5

1

S. typhi murium 1 X

S. enteritidis

var. essen 13 X

S. enteritidis 2 X

S. enteritidis 6 X

var. essen 8 X

S. typhi murium 11 X

S. bareilly 2x

S. gaminara 1 X

poeder

powdered

1

2

7

-

8

6

Totaal

Total

29

17

S. enteritidis

96

39

S. typhi murium 17 X

61

8

S. typhi murium

4x

50

1

S. newington 1 X

59

3

S. enteritides 2 X

106

15

S. enteritidis 7 X

39

_

_

169

16

S. montevideo 1 X

var. essen 10 x

S. enteritidis

S. bareilly 2 X

S. typhi murium

Ix

S. typhi murium 7 X

S. typhi murium 15 X

S. typhi murium 7 X

var. essen 16 x

S. anatum 1 X

S. bareilly 1 X

S. bareilly 4 x

S. dublin 1 X

S. anatum 1 x

S. gaminara 1 X

A = Number of batches examined.
B = Number of batches positive for Salmonella.
C = Salmonellatypes and number of cases.
* As from 1960, samples were examined instead of batches.

A = Aantal onderzochte partijen.
B = Aantal Salmonella-positieve partijen.
C = Salmonella-typen en aantal gevallen.

-ocr page 550-

Table 6. Salmonellatypes isolated from hen-egg products in the Netherlands during the period from 1952 to 1960

Tabel 6. Salmonella-isolaties uit kippeëiprodukten in Nederland, 1952—1960.

Produkt

A

B

1952

C A

B

1953

C

A

B

1954

C

A

B

1955

C

A

B

1956

C

A

B

1957

C

A

B

1958

C

A

B

1959

C

A

B

1960

C

Heel ei

_

_

— 47

2

S. bareilly 2 X

103

6

S. bareilly 5 x

63

3

S. bareilly 3 X

67

114

2

S. bareilly 1 X

148

66

2

S. bareilly 1 X

666*

6

S. bareilly 3 x

bevroren

S. enteritidis

S. enteritidis 1 X

S. blockley 1 X

S. enteritidis 2X

var essen

1 X

S. typhi murium 1 X

vloeibaar

— —

2

_

_

_

_

_

8

_

_

_

_

_

_

_

_

27

_

_

_

_

_

eipoeder

— 15

2

S. virchow 1 X

21

1

S. bareilly 1 X

35

2

S. typhi murium 1 X

108

81

117

2

S. bareilly 2 X

77

11

S. bareilly 4 X

67

3

S. bareilly 3 X

S. niloëse 1 X

S. bareilly 1 X

S. thompson 2 X

S. blockley 2x

S. Oranienburg 1 X

S. California 1 x

Eiwit

S. newington 1 X

bevroren

— 39

2

S. bareilly 2x

56

3

S. bareilly 2 X

74

3

S. bareilly 3 X

84

1

S. bareilly 1 X

130

2

S. bredeney 1 X

148

50

2

S. lyphi murium 1 X

414

1

S. enteritidis 1 X

vloeibaar

S. dublin 1 X

S. bareilly 1 X

S. bareilly 1 X

— —

2

5

2

S. typhi murium 1 x

S. bareilly 1 X

eiwitpoeder

— 2

1

S. bareilly Ix

3

1

S. bareilly 1 X

2

12

2

S. bareilly 2 X

34

2

S. öareilly 2 X

14

75

1

S. typhi murium 1 x

eiwitkristallen

82

18

S. thompson 16x 62

8

S. typhi murium 2 X

40

9

S. typhi murium

7x

57

10

S. bareilly 3 X

38

1

S. typhi murium 1 X

41

6

S. typhi murium 3 X

47

1

S. montevideo 1 X

24

7

S. bareilly 1 X

42

2

S. bareilly 1 X

S. irumu 1 X

S. montevideo 2 X

S. enteritidis

S. newington 1 X

S. montevideo 2 X

S. blockley 1 X

S. enteritidis 1 X

S. newport 1 X

S. anatum 3 x

var. essen

1 X

S. thompson 3 X

S. bareilly 1 X

S. typhi murium 1 X

S. niloëse 1 X

S. Oranienburg 1 x

S. typhi murium 1 X

S. montevideo 1 X

S. ness ziona 1 X

S. muenchen 1 X

S. montevideo 1 X

S. Oranienburg 1 X

S. senftenberg 1 X

S. thompson 1 X

Eigeel

bevroren

— 32

3

S. typhi murium 1 X

37

3

S. bareilly 3 x

24

6

S. bareilly 5 X

26

2

S. bareilly 2 X

65

104

35

90

S. bareilly 2 X

S. anatum 1 X

vloeibaar

— 32

2

S. typhi murium 1 X

55

2

S. typhi murium

1 X

73

7

S. bareilly 3 X

116

2

S. typhi murium 2 X

99

1

S. amager 1 X

95

3

S. bareilly 1 X

53

.—

56

3

S. enteritidis 3 X

S. bareilly 1 X

S. bareilly 1 X

S. anatum 3 x

S. enteritidis 1 X

S. enteritidis

S. newington 1 x

var. essen 1 X

poeder

— 14

4

S. bareilly 1 x

4

4

5

1

S. bareilly 1 X

7

9

1

50

3

S. bareilly 2 X

S. niloëse 3 x

S. montevideo 1 X

Totaal

82 18 S. thompson 16 x

243 24 S. bareilly 9 X 321

25 S. bareilly 13 x 335

31 S. bareilly 18 x 454

7 S. bareilly 4 x 549

13 S. bareilly 3 X 702

8 S. bareilly 5 X

352 24 S. bareilly 8x 1460 19

S. bareilly 9 X

S. irumu 1 x

S. niloëse 5 X

S. typhi murium 8 X

S. anatum 4 x

S. typhi murium 3 X

S. typhi murium 3 X

S. enteritidis 1 X

S. blockley 4 X

S. enteritidis 7 X

S. newport 1 X

S. typhi murium 4 X

S. enteritidis

S. thompson 3 x

S. montevideo 2 X

S. montevideo 1 X

S. thompson 3 x

S. montevideo 1 x

S. anatum 3 x

var essen 2 X

S. typhi murium 2 X

S. amager 1 X

S. newington 1 X

S. typhi murium 3 X

S. typhi murium 2 X

S. montevideo 2 X

S. dublin 1 X

S. enteritidis

S. bredeney 1 X

S. Oranienburg 2 X

S. virchow 1 X

S. Oranienburg 1 X

var. essen 1 X

S. enteritidis 1 X

S. California 1 X

S. ness ziona 1 X
S. newington 1 X
S. enteritidis 2 X

S. montevideo 1 X
S. muenchen 1 X
S. newinton 1 X
S. senftenberg 1 X

A = Aantal onderzochte partijen.
B = Aantal Salmonella-positieve partijen.
C = Salmonella-typen en aantal gevallen.

A = Number of batches examined.
B = Number of batches positive for Salmonella.
C = Salmonellatypes and number of cases.
* As from 1960, samples were examined instead of batches.

-ocr page 551-

Salmonella-isolaties bij varkens in Nederland, 1951-1960.

Veel sterker nog dan dit bij rund en kalf bet geval is, geven de in tabel 5
genoemde getallen van
Salmonella-isolBLties bij varkens in Nederland een
fragmentarisch beeld van de werkelijke toestand. In totaal werden 573
stammen behorende tot 34 verschillende typen afkomstig van varkens in de
afgelopen tien jaren ter typering ontvangen. Hierbij treden de typen
S. typhi murium, S. dublin en S. cholerae suis sterk op de voorgrond. Even-
als bij rund en kalf moeten bij de salmonellose van het varken twee prin-
cipieel verschillende vormen worden onderscheiden, namelijk de klinisch
aan salmonellose lijdende dieren en de gezonde
Salmonella-dra.gers. Wat
de eerste groep aangaat, lijkt zowel een relatieve als ook een absolute toe-
name te bestaan, ook al zijn de gegevens van de eerste helft van de tien-
jaren-periode veel te schaars om werkelijk conclusies te trekken. Voorname-
lijk de toename van
S. cholerae suis, soms gepaard gaande met varkenspest,
wijst op een absolute toename der salmonellose bij varkens. Bij de groep der
gezonde dragers moet eveneens van een relatieve en een absolute toename
worden gesproken. Relatief, omdat nimmer tevoren zulke uitgebreide onder-
zoekingen bij varkens werden verricht en absoluut, omdat de sterke toe-
name van
Salmonella-\'miecües bij de mens mede door vlees en vleeswaren
afkomstig van besmette varkens moet worden verklaard.
In het algemeen kan worden vastgesteld dat het voorkomen van
Salmo-
nella-kiemen
bij gezonde varkens op dit ogenblik in Nederland een groot
probleem vormt. Het zou in het kader van dit verslag te ver voeren om op
de oorzaken van dit verschijnsel in te gaan, maar er dient wel op te worden
gewezen dat geïmporteerde dierlijke voedingsmiddelen in de afgelopen tien
jaren een zeer belangrijke rol bij de besmetting van de varkensstapel hebben
gespeeld. Ofschoon de epidemiologische onderzoekingen nog niet zijn af-
gesloten — de tot nu toe verkregen resultaten werden elders gepubliceerd
- -- werden tot nu toe verschillende maatregelen genomen om de hygiënisch
ongewenste gevolgen van deze besmetting bij varkens te niet te doen. Een
werkelijk beeld van de situatie zal pas in de komende jaren kunnen worden
verkregen.

Salmonella-isolaties uit eiprodukten, Nederland 1952-1960.

Het systematisch ondei-zoek van zowel geïmporteerde als ook te exporteren
monsters eiprodukten op het \\oorkomen van
Salmonella-kiemen werd wat
kippeëiprodukten betreft in 1952 en wat eendeëiprdoukten betreft een jaar
later ter hand genomen. In de tabellen 6 en 7 wordt een ovei-zicht gegeven
van het aantal en de soort der onderzochte produkten, alsmede van het
aantal en het type der gevonden
Salmonella-kiemen. Uit de jaartotalen
blijkt dat wat kippeëiprodukten betreft 60% tot de typen
S. bareilly
(32,5%) en S. typhi murium (27%) behoort. Behalve van de in het buiten-
land geproduceerde eiprodukten is een groot deel van deze gegevens ver-
kregen uit ondei-zoekingen van geïmporteerde produkten. Nog afgezien van
de in sommige jaren vrij hoge percentages van besmetting werden in de
afgelopen jaren met eiprodukten vele nieuwe
Salmonella-typen, die voor-
dien hier te lande niet bekend waren, binnen gebracht. Herhaaldelijk wer-
den dan ook deze in geïmporteerde eiprodukten voor het eerst in Nederland
geïsoleerde typen, later bij infecties van mensen gevonden.
Door een verscherpte controle, mede in verband met exportbelangen, valt

-ocr page 552-

in de laatste jaren van deze vei-slagperiode een duidelijke teruggang der
positieve bevindingen waar te nemen.

Het afnemen van Salmonella-\\so\\2Lti&s bij eendeëiprodukten in de laatste
jaren is voornamelijk toe te schrijven aan de pasteurisatie die voor deze
produkten verplicht is gesteld. Dat ondanks dit feit in 1960 toch nog een
betrekkelijk groot aantal
S. typhi murmm-kiemen uit deze produkten werd
geïsoleerd, onderstreept de noodzaak van een deugdelijke controle der pas-
teurisatie-apparatuur.

Salmonella-kiemen geïsoleerd uit geïmporteerd dier- en vismeel in Neder-
land 1955-1960.

In tegenstelling tot de voorafgaande besprekingen kan over bovengenoemde
isolaties slechts een opsomming der resultaten van de afgelopen zes jaren
worden gegeven, aangezien pas in 1955 met onderzoekingen van geïmpor-
teerde diervoedermiddelen een aanvang werd gemaakt, \'in tabel 8 wordt

Tabel 8.

Salmonella-isolaties uit geïmporteerd dier- en vismeel in Nederland

1955-1960.

Salmonellatype

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S. adabraka

_

_

_

1

1

S. alachua

_

_

_

1

1

2

S. albany

1

1

S. atnager

1

1

_

2

S. anatum

3

3

7

8

3

24

S. angola

1

_

_

1

S. bareilly

1

4

6

_

I 1

S. benguella

1

1

S. binza

9

33

10

37

89

S. blockley

1

2

6

9

S. bonariensis

i

_

_

1

S. braenderup

1

2

_

_

3

S. brandenburg

1

_

1

S. bredeney

1

5

5

6

20

S. California

5

5

S. canoga

1

1

2

4

S. cerro

1

_

1

3

5

S. Chester

_

1

1

S. cubana

1

3

8

12

S. derby

1

2

I

4

S, dublin

_

2

2

S. duesseldorf

_

1

__

_

I

S. enteritidis

2

_

1

1

4

S. give

2

6

3

3

14

S. goerlitz

1

_

1

S. grumpensis

I

1

2

4

S. haelsingborg

____

2

_

2

S. hamilton

_

1

_

_

1

S. havana

_

__

_

1

1

S. hvittingfoss

1

_

_

1

S. illinois

1

1

S. infantis

1

3

3

7

S. ituri

1

I

-ocr page 553-

(voorzetting tabel 8)

Salmonellatype

1955

1956

1957

1958

1959

1960

totaal

S. jacksonville

2

2

S. jangwani

1

1

S. java

1

1

S. kentucky

7

2

4

13

S. kingston

1

1

2

S, kisaware

1

1

S. lexington

-

1

3

4

S. lindenburg

1

2

3

S. litchfield

1

1

S. livingstone

1

5

6

S. lomita

1

1

S. manchester

1

1

2

S. matopeni

1

1

S. meleagridis

1

16

1

18

S. minnesota

7

4

4

15

S. montevideo

6

2

3

3

5

19

S. muenchen

1

1

2

S. muenster

2

1

3

S. new brunswick

6

4

10

S. newhaw

1

1

S. newington

1

3

16

3

18

41

S. newport

4

3

7

S. niloëse

1

1

S. nottingham

--

6

6

S. Oranienburg

1

3

8

13

14

39

S. orion

2

4

1

3

10

S. panama

1

1

S. quimbamba

1

1

S. sapphra

1

1

S. schwarzengrund

5

5

1

11

S. senftenberg

2

5

11

10

4

32

S. siegburg

5

4

1

10

S. Singapore

-

1

1

S. takoradi

1

1

2

S. taksony

3

2

5

S. tennessee

2

2

S. thompson

1

1

S. tuebingen

2

2

S. typhi murium

2

13

3

4

22

S. Uganda

1

1

S. urbana

1

2

3

S. usumbura

1

1

S. Utrecht

3

3

S. veile

1

1

2

S. westhampton

1

2

3

S. worthington

13

9

22

Totaal aantal stammen

14

16

47

177

151

168

573

Totaal aantal typen

6

9

20

46

43

37

79

Table 8.

Salmonellatypes isolated from animal and fish meal in the Netherlands
during the period from 1955 to 1960.

-ocr page 554-

een overzicht gegeven van 573 uit dier- of vismeel geïsoleerde Salmonella-
stammen, verdeeld over 79 ver-schillende typen. Gezien de zeer beperkte
monsterneming en het in de laatste jaren weinig systematische onderzoek
van geïmporteerde voedermiddelen wordt met deze getallen slechts een zeer
fractioneel beeld gegeven. Desalniettemin geven de in tabel 8 genoemde
gegevens een duidelijk beeld van de grote verscheidenheid van typen, die
de laatste jaren met deze voedermiddelen werden geïmporteerd. Opvallend
is hierbij de spreiding over een zo groot aantal typen zonder dat daarbij één
of meerdere typen duidelijk naar voren komen.
S. typhi murium, een type
dat zoals uit de voorafgaande tabellen blijkt zowel bij mens als dier een
steeds meer belangrijke rol is gaan spelen, komt in dier- en vismeel bepaald
niet méér voor dan vele andere typen.

Reeds in het begin van deze publikatie werd erop gewezen dat naar onze
menmg met
Salmonella besmette geïmporteerde voedermiddelen een grote
rol hebben gespeeld bij het toegenomen infecdepercentage bij varkens en
via vlees en vleeswaren van deze dieren bij de mens. Herhaaldelijk konden
bepaalde typen voor het eerst in dier- en vismeel, enige tijd later bij varkens
en weer later bij mensen worden geïsoleerd. Niet altijd werd deze volgorde
waargenomen, maar kon bijvoorbeeld ook een bepaald type voor het eerst
bij de mens in Nederland worden geïsoleerd, dat later eveneens in dienneel
of bij varkens werd gevonden. Tot nu toe kon een algehele hersterilisatie van
geïmporteerde voedermiddelen zoals deze reeds jaren in Denemarken wordt
toegepast, in Nederland niet worden ingevoerd. Na een periode van repres-
sieve monsterneming wordt op het ogenblik een preventieve controle toe-
gepast. De waarde hiervan alsmede de eventuele bevestiging van de ver-
moedelijk grote rol die deze geïmporteerde voedermiddelen bij de toename
der salmonellose hebben gespeeld, zullen pas in de komende jaren zijn waar
te nemen.

Salmonella-kiemen geïsoleerd uit andere dan de reeds genoemde bronnen
gedurende de jaren 1951-1960.

Behalve de reeds besproken isolaties werd in de afgelopen tien jaren een
groot aantal
Salmonella-kicmm uit riool- en oppervlaktewater, bij onder-
zoekingen in slachthuizen, uit huis-, knaag- en exotische dieren en vogels
ter typering ontvangen. De gegevens hierover zijn te incidenteel om in ajiarte
tabellen te worden vermeld en betreffen vaak speciale onderzoekingen in
een bepaalde periode. Zo werden de isolaties uit riool- en oppervlaktewater
gedurende een onderzoek voornamelijk in Amsterdam verricht, terwijl de
onderzoekingen in slachthuizen pas in de laatste jaren in het kader van
enkele grote onderzoekprojecten ter band werden genomen. De stammen,
afkomstig van exotische dieren, komen voornamelijk van onderzoekingen in
dierentuinen en van geïmporteerde proefdieren, zoals bijvoorbeeld apen
die voor de bereiding van poliomyelitisvaccin worden gebruikt.
In tegenstelling tot andere landen heeft het voorkomen van
Salmonella-
infecties bij kippen na de succesvolle bestrijding van S. gallinarum pullorum,
nooit een bijzonder grote rol in Nederland gespeeld. Wel kwamen enkele
jaren geleden vele
S. èareiYZy-infecties bij kuikens voor en werden regelmatig
ook verschillende andere typen geïsoleerd, maar de getallen blijven in verge-
lijking met isolaties bij rimd en varken ver achter. Ook bij eenden werden
regelmatig
Salmonella-kitmen, voornamelijk S. typhi murium (rhamnose

-ocr page 555-

negatief), S. enteritidis var. essen, S. bareilly, C. anatum en S. meleagridis,
geïsoleerd maar ook hier zijn de getallen niet groot. Een en ander wordt
bevestigd door onderzoekingen van Clarenburg en Vink (1950 1952 )
over het voorkomen van
Salrnonella-km-n&n bij eenden en kippen in Neder-
land. Bij 600 onderzochte eenden werd toen 10% der dieren met
Salmo-
nella-kiemen
besmet bevonden, terwijl bij 2.000 onderzochte kippen op be-
drijven, waar in verband met
Salmonella-\'miecties bij mensen onderzoe-
kingen werden \\ erricht, bij slechts 0,4% de faeces
Salmonella-kiemen bleek
te bevatten.

Samenvattend kan worden gezegd dat de typering van Salmonella-kiemen
in de laatste jaren bijzonder sterk in Nederland is toegenomen en dat daar-
mee de produktie en controle van diagnostische sera, die in het Nationaal
Salmonella Centrum worden bereid, aan steeds hogere eisen worden onder-
worpen. Duidelijk geven de in de tabellen genoemde getallen een beeld van
de belangrijkheid der salmonellose in het algemeen.

SAMENVATTING.

Er werden gedurende de afgelopen tien jaren in het Nationaal Salmonella Gentrum
.Nederland 42.871
Salmonella-cu\\turen ter typering ontvan.gen. Er wordt een over-
zicht gegeven van het voorkomen der verschillende typen bij mensen, dieren, voedings-
middelen, dier- en vismeel en ander materiaal.

SUMMARY.

During the past ten yaers, 42871 Salmonella cultures were received for typing in
the National Salmonella Centre in the Netherlands. The incidence of the various
species in human subjects, animals, foods, animal and fish meal as well as other
materials is reviewed.

RÉSUMÉ.

.Au cours des dernières dix années ITnstitut Central National des Pays Bas d\'étude
des Salmonellae reçut 42871 souches de Salmonella aux fins d\'identification. Ce
nombre élevé s\'explique aussi bien par l\'augmentation considérable du nombre des
infections que par le fait qu\'aux Pays Bas tous les prélèvements de souches de Sal-
monella isolées sur l\'homme, sur les animaux, sur les aliments humains, sur la proven-
dc des animaux et ailleurs sont dirigés sur ce Laboratoire Central.
L\'étude des auteurs donne sous forme de nombreux tableaux l\'origine des types et
le nombre des souches trouvées chaque année.

ZUSAMMENFASSUNG.

In den vergan.genen 10 Jahren erhielt die Nationale Salmonella-Zentrale in den Nie-
derlanden 42871 Salmonellastämme zur Typisicrung. Diese grosze Zahl läszt sich
sowohl durch die bedeutende Zunahme dieser Infektion, als durch den Umstand er-
klären, dasz in den Niederlanden alle Salmonellastämme isoliert aus Menschen, Tieren,
Lebensmittel, Tierfuttermittel und anderen Quellen an ein zentrales Laboratorium
eingeschickt werden.

In der vorliegenden Arbeit und den zahlreichen Tabellen wird eine Ubersicht der
Herkunft der Typen und der Zahl der obengenannten Stämme pro Jahr gegeben.

RESUMEN.

En los ukimos 10 anos la Central Nacional para Estudio de las Salmonellas de Ho-
landa 42.871 cepas de Salmonellas para su tipización. Este gran numero se puede
explicar por el importante aumento de estas infecciones y por la circunstancia de

-ocr page 556-

que en Holanda todas las cepas de Salmonellas, aisladas del hombre, animales, ali-
mentos, alimentos especiales para animales y de otras procedencias, son enviadas a un
laboratorio central.

En el presente trabajo y en los numerosos cuadros se da una vision del origen de los
tipos y del mimero de las cepas encontradas por ano.

LITERATUUR

Clarenburg, A, en Vink, H, H,: Tijdschr. Diergeneesk,, 75, 10, (1950).
Clarenburg, A,, Hemmes, G. D, en Wagenvoort, W.: Berichten uit
het Rijksinstituut voor dc Volksgezondheid, 30, (1952),

„Not in keeping with our concept".

Op de Colorado Gezondheidstentoonstelling te Denver (Colorado, U.S,A,) had een
groep collega\'s een stand ingericht, waar een veterinair hospitaal in werking tc zien
was. Zoals op dc foto\'s te zien is, was in de grote tentoonstellingshal een serie ver-
trekken ingericht als spreekkamer, laboratorium, operaticzaal en vcrpleegruimte voor
grote en kleine dieren. Grote ramen stelden de bezoekers in de gelegenheid de ope-
raties rechtstreeks te volgen, terwijl deze ook via een gesloten T,V. systeem in een
zaal konden worden gevolgd. Toen op zaterdag een sectio caesarea werd verricht, was
de toeloop bij deze zaal zo groot, dat brandweer en politie tc hulp moesten komen
om de deuren te sluiten. Er stonden toen nog 1500 personen buiten, die op een
volgende demonstratie bleven wachten. Ongeveer 2/3 van de bezoekers van deze ten-
toonstelling was 19 jaar of jonger. Er werden verder demonstraties gegeven van
castratie van vrouwelijke dieren, tumor behandeling, breukoperatie, tandcxtractie enz.
bij kleine dieren, „soundness" onderzoek (laryngoscopic?), kiesbchandcling en ingeven
van anthelminthica (met de neussonde?) bij paarden, en magnetisch onderzcx-k van
runderen op corpora aliena.

Het tijdschrift „Modern Veterinary Practice" beschrijft één en ander onder dc titel
„Colorado builds a better mousetrap" en vindt dit cen zeer effectieve wijze om het
publiek te bereiken. Opmerkelijk is dat de A.V.M.A. aan deze show haar steun niet
heeft willen verlenen op grond van „not in keeping with our concept of public re-
lations" (waarmede dc .Nederlandse lezer zich volkomen zal kunnen verenigen).

Mod. Vet. Prac., 6, 1962.

Runderkruisingen in Joegoslavië.

Dra Ognjanovic deelde op de studiedagen van de Europese Veeteeltkundige
Federatie in september 1962 in Wenen gehouden mee, dat in Joegoslavië voor de
rundvleesproduktie veel gebruik gemaakt wordt van Hcrcford-Simmenthal kruisingen.
Vergeleken met de zuivere Simmenthalcr zijn de kalveren lichter bij dc geboorte,
groeien langzamer en hebben een slechter voederconversie. Maar het karkas is beter
van vorm en kwaliteit, meer uniform en het vet heeft een betere kleur.
Verder bleek bij deze proefnemingen ook dat stieren cen voederconversie hebben die
10-20% hoger is dan die van ossen.

The farmer\'s Weekly, 14-9-1962.

De Charollais in opmars.

Van de in Engeland geïmporteerde Charollaistieren zijn reeds 22.000 inseminaties
verricht. De dieren groeien goed en eten alles wat hun wordt voorgezet. Het tempe-
rament is rustig.

Een Russisch team heeft juist 10 stieren en 40 vaarzen gekocht. Een deel van deze
dieren wordt voor de zuivere teelt gebruikt; de anderen vcxir kruising.

The farmer\'s Weekly, 14-9-1962.

-ocr page 557-

Bloedarmoede bij biggen 1l

Anaemia in piglets.

door F. BUYSSE2)

Uit het Rijksstation voor Veevoeding, Grontrode (België)
(Ministerie van Landbouw, Bestuur Landbouwkundig Onder-
zoek).

Inleiding.

Rloedannoede (anemie) bij biggen is een veel voorkomend gebreks-
verschijnsel, dat heel wat schade aanricht op de fokbedrijven.
Voor de bloedkleurstofvorming is opneembaar ijzer nodig, daar het hemo-
globine of de bloedkleurstof een ijzereiwitverbinding is. Een gebrek aan
ijzer leidt tot het gebreksverschijnsel: anemie.

Bij een dagelijkse Fe-behoefte van ± 7 mg en de geringe Fe-toevoer met
de zeugenmelk van 1 a 2 mg per dag is de kleine Fe-reserve van 30-50 mg
(Venn 1947; L i n t z e 1, 1931) vlug uitgeput (in 1 a 2 weken) en treedt
bij binnen opgefokte biggen, zonder voorzorgen, bloedarmoede op (bleke
huidskleur, lusteloosheid, groeistilstand, gebrek aan eetlust, diarree, ge-
wrichtsontsteking) .

Het hemoglobinegehalte bereikt doorgaans op een leeftijd van ± 3 weken
zijn laagste waarde. Zonder verdere behandeling overwinnen de biggen wel
geleidelijk hun anemische toestand, maar in de regel is de groei achter-
gebleven. Een directe sterfte treedt niet zo vlug op, maar daar anemie toch
een predispositie betekent voor het optreden van andere ziekten (b.v.
biggengriep) en verder, door het meer lusteloos zijn van de biggen, het
doodliggen door de zeug wel meer optreedt is het sterftecijfer bij anemische
biggen doorgaans hoger.

Uit Deense onderzoekingen (J e s p e r s e n, 1939) is een verband gebleken
tussen het hemoglobinegehalte en het sterftecijfer bij de biggen. .Slechte
huisvestingsomstandigheden (vocht, koude, e.d.) geven meestal een ern-
stiger verloop aan de ziekte.

Het bleek niet mogelijk bet ijzergehalte van zeugemelk (normaal ± 0,2
mg%; Venn e.a., 1947) te verhogen door het verstrekken van supplemen-
tair ijzer aan de zeugen (Venn e.a., 1947; Elvekjem e.a., 1927;
H a r t e.a., 1930 en F o o t e.a., 1938).

De meeste onderzoekers (Hart e.a., 1930: Hamilton e.a., 1930; F o o t
e.a., 1938 en Venn e.a.( 1947) stelden eveneens vast dat de Fe-reserve
bij de biggen niet wezenlijk kon worden vergroot door het verstrekken van
anorganische Fe-zouten aan de zeugen tijdens de dracht, noch bleek het
verloop van het hemoglobinegehalte bij de biggen tijdens de opfoktijd te be-
ïnvloeden door middel van de zeug.

Enkele onderzoekers als U r b a n y i (1960) en Buchanan (1949) stel-
den evenwel na het verstrekken van Fe- en Cu-zouten op het einde van
de dracht een gunstige invloed vast op het hemoglobinegehalte en de

1  Tekst naar een lezing, gehouden op de C.L.O.-Studieda,gen te Utrecht, 14 fe-
bruari 1962.

2  Ing. F. Buysse, Directeur van het Rijksstation voor Veevoeding, Kouter 6,
Gontrode, België.

-ocr page 558-

gewichtstoename van de biggen. Het is niet uitgesloten dat de biggen wat
extra ijzer uit de uitwerpselen van de zeugen haalden (M c G o w a n e.a.,
1924). Nenesi (1957) rapporteert een mindere sterfte bij biggen na het
extra verstrekken van anorganische Fe-zouten aan drachtige zeugen.
Hoewel een goede voeding van de zeug tijdens de dracht (voldoende ei-
witten en Fe-zouten) haar invloed ter voorkoming \\an bloedarmoede bij
de geboorte van de biggen uitoefent, wordt er toch naar de mening van
de meeste onderzoekers de bloedarmoede tijdens de opfok niet mede ver-
hinderd.

Ook het aan de zeug verstrekken van ijzerzouten tijdens de zoogperiode
is onvoldoende om bloedarmoede bij biggen te voorkomen.
Hierbij komt nog dat de biggen, buiten de ijzerarme moedermelk, vóór de
3e levensweek geen noemenswaardige boeveelheden bij voeder opnemen.
Zodat door middel van de voeding bet voorkómen van bloedarmoede wei-
nig of geen perspectieven biedt.

Waar aanvankelijk een orale behandeling van de biggen met anorganische
Fe- en Cu-zouten werd toegepast, zijn nu sedert enkele jaren nieuwe ijzer-
preparaten (Fe-koolhydraatverbindingen : Fe-dextraan preparaten1) op
de markt gekomen die, bij een één- a twcemalige intramusculaire injectie
(100 a 200 mg Fe) van de jonge biggen, zeer duidelijk bloedarmoede voor-
kómen in de opfok- of zoogperiode.

Een duidelijke hemoglobineverhoging na een intranmsculaire injectie bij
de biggen met Fe-dextraan preparaten, de eerste dagen na de geboorte,
werd vastgesteld door: Barber e.a. (1955, 1958), Brown lie (1955),
McDonald e.a. (1955), Kernkamp (1957), Swenson e.a.
(1957), Terps tra e.a. (1958), H o o r e n s (1959), M a n e r e.a.
(1959), Zimmerman e.a. (1959), C r a w 1 e y e.a. (1959), B e c k e r

0960), W a hl Strom e.a. (1960), Glawischnig (1960), Swart

0961), Pond e.a. (1961), Richter e.a. (1961) en Walker e.a.
(1961). De meeste onderzoekers (Terps tra e.a., 1958: Becker, 1960;
Swart. 1961 en Richter, 1961) stelden tevens cen grotere gewichts-
toename vast bij de behandelde biggen.

Crawley e.a. (1959) namen geen grociverschil waar, niettegenstaande
de duidelijke beïnvloeding van het hemoglobinegehalte.
In vergelijking met een éénmalige orale therapie van de biggen met an-
organische Fe- en Cu-zouten of het intramusculaire injecteren van ge-
peptoniseerd ijzer (W ah Is trom, 1960) voldoet de éénmalige intra-
musculaire Fe-dextraan injectie duidelijk beter (Barber e.a., 1955;
Brown lie, 1955; Maner e.a., 1959: Zimmerman e.a., 1959;
W a h 1 s t r O m, 1960; Swart, 1961; Pond e.a., 1961: R ij d b e r g e.a.,
1959; U 1 1 r e y e.a., 1959 en D o o r e n b a 1, 1959), evenals de intramus-
culaire injectie van Fe-dextrin (Nenesi, 1957 en Walker e.a., 1961)
en de intraperiotoneale injectie van Fe-dextraan (Zimmerman e.a.,
1960). Bij een veelvuldiger (5 a 10 maal) orale therapie met Fe-zouten
zou het resultaat beter voldoen (Barber e.a., 1955; Kernkamp, 1957
en Maner e.m., 1959).

In sommige experimenten (Maner e.a., 1959; Z i m m e r m a n, 1959 en
W ah Is trom, 1960) bleek het 2 maal injecteren op de derde dag, gc-

1  Handelsbenamingen: imposil, myofer, ferrodex, imferon, armidexan, injex, pigdex,
pig-iron 100.

-ocr page 559-

volgd door injectie op ± 20e dag, nog hogere hemoglobinewaarden te
geven als het slechts éénmaal injecteren \\\'an de Fe-dextraan verbinding.
Een langer durende en hogere hemoglobinewaarde werd eveneens be-
komen door meer geconcentreerde Fe-dextraan oplossingen, 75 mg/ml,
te injecteren (VVa h 1 s t r o m e.a., 1960 : U 11 r e y e.a., 1959 en D o o r e n-
bal, 1959). IJzer-dextraan bleek voor biggen niet toxisch tot een dosis
van 1000 mg Fe (Maner e.a., 1959).

Vrij recent (Hoorens, 1960) is gebleken dat zowel het bloedbeeld
(hemoglobine) als de gewichtstoename ook gunstig te beïnvloeden is na
een driemalige orale toepassing (op de 2e, 8e en 15e dag) van Fe-chelaten
(ijzeraminoaat-ferroids).

Het intramusculair toedienen van de Fe-dextraanpreparaten bij de zeug
op het einde van de dracht bracht bij onderzoekingen van U 11 r e y e.a.
(1959), Swart (1961) en Hoorens (1959) ook geen noemenswaar-
dige verbeteringen op liet verloop van het hemoglobinegehalte bij de big-
gen tijdens de zoogtijd. Moustgaard (1958) kon met behulp van
radioactief Fe^s aantonen dat uit de geïnjecteerde Fe-dextraanpreparaten
bij de zeugen tijdens de dracht slechts 0,4 a 1,3% van het Fe naar de foe-
tussen overging. In tegenstelling hiermede zijn de gegevens van R y d-
berg e.a. (1959), die na intramusculaire inspuidng van de zeugen, 2
weken vóór het werpen, met Fe-dextraan (500 mg Fe) een gunstige invloed
vaststelden op het Hb-beeld bij de biggen. Wanneer de behandeling van
de zeugen 1 maand vóór het werpen werd toegepast, kon geen gunstige
invloed meer worden vastgesteld.

Evenals de anorganische Fe-zouten, verstrekt aan drachtige zeugen, niet
in staat zijn om bloedarmoede bij de biggen in de opfoktijd te voorkomen,
blijkt uit de meeste onderzoekingen hetzelfde te gelden voor de Fe-
dextraanpreparaten. Bloedarmoede bij biggen wordt alleen effectief be-
streden door een behandeling bij de biggen zelf in te stellen.

Studieobjecten.

Met in totaal 64 tomen en 565 bi.ggen werden onderzocht:

I. Bij birinen opgefokte biggen (zonder uitloop): 33 tomen met 293
biggen.

a. de invloed van een éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie;

b. de invloed van een meennalige orale Fe-behandeling;

c. de invloed van het beschikbaar zijn van grond in het hok.

II. Bij aanwezigheid van een uitloop (grond) voor de biggen: 22 tomen
met 197 biggen.

a. de invloed van een éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie;

b. de invloed van een meermalige orale Fe-behandeling.

III. De invloed van een intramusculaire Fe-dextraan injectie bij de zeug
op het einde van de dracht (9 tomen met 75 biggen) op het verloop
van het hemogolbinegehalte en de gewichtsvariatie van de biggen
tijdens de opfoktijd (8 weken).

Algemene uitvoering van de proeven.

Het hemoglobinegehalte werd bepaald volgens de zure hematine-methode
(Assistent-hemometer).

-ocr page 560-

Bloed werd steeds afgetapt uit een oorader. Al de biggen ontvingen bij de
aanvang van de 3e levensweek een droge starter met 60 p.p.m. Fe.
De zeugen hadden gedurende de dracht de beschikking over een uitloop
en ontvingen de eerste 2 maanden 2 kg eiwitrijk zeugenmeel (40 p.p.m.
Fe/kg); de laatste 3 weken van de dracht verbleven de zeugen binnen en
ontvingen ze 3 kg eiwitrijk zeugenmeel. Na het biggen werd y^ kg meel
voor de zeug en /a kg meel per big verstrekt met een maximum van 6 kg.
Er was drinkgelegenheid voor zeug en biggen.

Het hemoglobinegehalte en de individuele gewichten van de biggen wer-
den vastgesteld op de 3e levensdag en verder om de week. Daar waar een
behandeling (intramusculair of oraal) werd ingesteld werd de „split-
litter" techniek toegepast, d.w.z. zijnde de helft van de biggen van een
toom werd behandeld en de andere helft fungeerde als controlegroep.

Proefuitkomsten.
I. BIJ BINNEN OPGEFOKTE BIGGEN (ZONDER UITLOOP).
a. De invloed van een éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie.
Bij 12 tomen met 103 biggen werd de invloed nagegaan van een éénmalige
intramusculaire Fe-dextraan injecde (2 ml Imposil = 150 mg Fe).
De injectie gebeurde in de dijspier (m. semimembranosus) op de 3e levens-
dag.

Het verloop van het hemoglobinegehalte, aangegeven in tabel 1 en
grafiek 1*), leert ons dat:

1. niet behandelde biggen een toestand van bloedannoede vertonen. De
laagste hemoglobinewaarde werd vastgesteld op een ouderdom van
3 weken;

Tabel 1.

Invloed van een intramusculaire Fe-dextraan injectie op het verloop van

het hemoglobinegehalte.

Gontrolegrot\'p

Fe-dextraan

.Aantal tomen

12

12

.Aantal biggen

50

53

Proefperiode

26-2 tot 13-12-\'60

26-2 tot 13-12-\'60

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

7.33

7.53

1 week

6.59

8.05

2 weken

5.52

8.57

3 weken

5.01

8.41

4 weken

5.41

8.28

5 weken

5.90

8.34

6 weken

6.42

8.34

7 weken

7.04

8.44

8 weken

7.58

8.47

*) Met de in de bij dit arükel behorende grafieken gebruikte term „getuige" worden
de controlegroepen bedoeld.

-ocr page 561-

2. de éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie bij binnen opge-
fokte biggen duidelijk bloedarmoede voorkomt of het hemoglobine-
gehalte op peil houdt;

3. bij de niet behandelde biggen de anemische toestand geleidelijk wordt
overwonnen, zonder dat evenwel het hemoglobinegehalte een waarde
aanneemt als bij behandelde biggen.

De gewichtstoename bleek eveneens gunstiger voor de behandelde biggen:
de 53 behandelde biggen wogen op 8 weken 3,04 kg zwaarder dan de
controle-biggen; tussen de 3e en de 56e levensdag groeiden de behandelde
biggen dagelijks 57,4 g vlugger.

Grafiek 1.

Intramusculaire Fe-dextraan injectie (150 mg Fej3e dag) bij binnen
opgefokte biggen (winter). Hb-verloop: 12 tomenllOS biggen.

HbA%

10

Fe-DEXTRAArt 12T/53b

\'mm^^ 6ETUI6€ 1iT/Wb

GBOei/BIC

GCTUIGE

PROEF

totaal/Kj
P onc/^

1t,45
EI4 9

IS.lig
191.1

3.04
ï?.4

1 » \' \' * OUÈERDOM

W£K£n

b. De invloed van een rneermalige orale Fe-behandeling.

Bij 5 tomen met 49 biggen werd de invloed nagegaan van een 3-malige
(3e, 5e en 11e dag; 150 mg Fe in totaal) orale Fe-behandeling.
De Fe-suspensie (FerrosuD bevatte per capsule: ferro-pyrofosfaat overeen-
komende met 50 mg Fe, 30 mg kopersulfaat, 1,5 mg cobaltchloride en 200
mg phtalylsulfothiazol. De ijzersuspensie werd achteraan op de tong ge-
deponeerd.

Het verloop van het hemoglobinegehalte, vervat in tabel 2 en grafiek 2,
duidt aan dat:

1. niet behandelde biggen een toestand van bloedarmoede doormaken;

2. een 3-malige orale Fe-behandeling met in totaal 150 mg Fe onvoldoende
bleek om bloedarmoede te voorkomen.

-ocr page 562-

In vergelijking met de niet behandelde biggen was het hemoglobinegehalte
de eerste weken hoger, maar vanaf de 21e dag (10 dagen na de laatste
behandeling) daalde het ook bij de behandelde biggen. Rond de 5e week
herstelde het zich geleidelijk, zowel bij de controle- als proefbiggen.

Tabel 2.

Invloed van een 3-malige orale Fe-behandeling op het verloop van het

hemoglobinegehalte.

Controlegroep

Orale Fe-therapie

Aantal tomen

5

5

-Aantal biggen

23

26

Proefperiode

24-1 tot 25-2-\'61

24-1 tot 25-2-\'61

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

6.54

6.30

1 week

5.94

6.56

2 weken

5.11

6.68

3 weken

4.57

6.42

4 weken

4.16

5.87

5 weken

4.12

5.68

6 weken

4.66

5.71

7 weken

5.82

6.46

8 weken

6.96

7.17

Grafiek 2.

Invloed van orale Fe-toedie7iing bij binnen opgefokte biggen op hel
Hb-verloop, 5 tomen, 49 biggen (winter).

GROEI/BIG

ïêot

CETUI6E

PPOEF

GBonD

TOTAAL/K^
P.DAö/g

11 as

223,6

13.?7
250.4-

4-!« ft

18.71

353.0

10-

8
)
i

5
A-
3

a

___GDOMD

WE KEfl

OUDHODOM

-ocr page 563-

De gewichtstoename bleek gunstiger, zij het minder sprekend dan bij de
intramusculaire therapie, \\oor de behandelde biggen. De 26 behandelde
biggen van 5 tomen wogen op 8 weken gemiddeld 1,42 kg meer; ofwel zij
groeiden tussen de 3e en 56e levensdag per dag 26,8 gr vlugger.
Zowel voor het op peil houden van het hemoglobinegehalte als voor het
groeiverloop bleek een éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie gun-
stiger als een 3-malige orale behandeling met ferro-pyrofosfaat.

c. De invloed van het beschikbaar zijn van grond in het hok.

Bij 6 tomen met 55 biggen werd vanaf de 6e dag driemaal per week grond
in het hok van de biggen gebracht om er de invloed van na te gaan op het
\\erloop van het hemoglobinegehalte (zie tabel 3 en grafiek 2).

Tabel 3.

Invloed van het beschikbaar zijn van grond op het verloop van het
hemoglobinegehalte.

.Aantal tomen

6

.Aantal bi.ggen

55

Proefperiode

26-2 tot 18-3-\'61

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

6.09

1 week

5.97

2 weken

6.30

3 weken

7.40

4 weken

8.29

5 weken

8.82

6 weken

8.83

7 weken

8.96

8 weken

9.08

Het blijkt (zie grafiek 2 ) dat vrij vlug na het beschikbaar stellen van de
grond het hemoglobinegehalte stijgt en op een hoge waarde blijft.
In vergelijking met de intramusculaire Fe-dextraan injectie op de 3e levens-
dag beeft bet beschikbaar stellen van grond vanaf de 6e levensdag een wat
minder vlug op peil komen \\\'an liet hemoglobinegehalte tot gevolg. Wan-
neer nog wat vroeger zou aange\\angen worden met het ter beschikking
stellen van dc grond zou zeer waarsciüjnlijk het hemoglobinegehalte vlug-
ger op zijn niveau komen.

Vanaf de 4e week verloopt het hemoglobinegehalte bij het beschikbaar zijn
\\\'an grond op een nog wat hoger niveau als bij de intramusculaire Fe-
dextraan injectie.

De gewichtstoename van de 55 biggen van de 6 tomen bedroeg van de 3e
tot 56e dag 18,71 kg of 353,0 g per dag. Deze groei was sneller dan bij de
2 andere behandelingen. De vlugge groei had vooral plaats tu.ssen de 5e en
8e week doordat de biggen vlugger en meer meel opnamen.

-ocr page 564-

De invloed van een intramusculaire Fe-dextraan injectie, een orale Fe-
therapie en het beschikbaar zijn van grond op het verloop van het
hemoglobinegehalte.

Controle-
groep

éénmalge
intramusculaire
Fe-dextraan

3-malige
orale
Fe

grond

Aantal tomen

17

12

5

6

Aantal biggen

73

53

26

55

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

7.09

7.53

6.30

6.09

1 week

6.40

8.05

6.56

5.97

2 weken

5.40

8.57

6.68

6.30

3 weken

4.88

8.41

6.42

7.40

4 weken

5.04

8.28

5.87

8.29

5 weken

5.38

8.34

5.68

8.82

6 weken

5.90

8.34

5.71

8.83

7 weken

6.68

8.44

6.46

8.96

8 weken

7.40

8.47

7.17

9.08

Grafiek 3.

Invloed van intramusculair Fe-dextraan, oraal Fe en grond op het verloop
van het hemoglobinegehalte, (winter - binnen opgefokte biggen).

•Hba

«.GROrtD6T/55b
—mTR.12T/53b
^GCTU»G£1?T/?Jb
ORAAL 5T/26b

i t S 4 f i f i

OUDERDOM

In tabel 4 en grafiek 3 zijn voor een duidelijk vergelijk al de proefgegevens
samengevat waaruit duidelijk het gunstige effect blijkt van het beschikbaar
stellen van grond en de éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie.

-ocr page 565-

Invloed intramusculaire Fe-dextraan injectie en orale Fe-behandeling bij
binnen opgefokte biggen (tomen) op hemoglobine-verloop.

Controle-
groep

Controle-
groep

Fe-dextraan

Orale
Fe-therapie

Aantal tomen

4\')

6

3

3

Aantal biggen

29

28

12

17

Proefperiode

5-8 tot

30-8 tot

30-8 tot

2-9 tot

30-8-\'61

21-10-\'61

21-10-\'61

24-9-\'60

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

6.87

7.42

7.50

8.02

1 week

6.20

7.26

8.53

8.15

2 weken

5.05

6.49

9.43

8.07

3 weken

4.22

5.73

9.62

7.33

4 weken

4.10

5.66

9.33

7.13

5 weken

4.25

6.42

9.25

7.23

6 weken

4.86

7.04

8.97

7.63

7 weken

5.57

7.69

8.73

8.07

8 weken

6.51

8.31

8.47

8.45

4 volledige tomen.

Grafiek 4.

Invloed van Fe-dextraan en orale Fe-therapie bij binnen opgefokte biggen
op het hemoglobine-verloop, 10 tomen, 86 biggen.

~"*6CTUIGe 4T/a9b

&BOei/BIG

CCTUHSe

F«-bïX

OBAM.

3 O. 3«dl

TOTASL/KJI

rt .-H

i6J5

11,f»

P.DAG/a

441.1

308.S

M8 8

\' OUDERDOM

-ocr page 566-

De voorgaande proeven werden uitgevoerd in de winterperiode. Ook in de
zomerperiode werden analoge proeven uitgevoerd, waarvan de resultaten
zijn vervat in tabel 5 en grafiek 4.

De éénmalige intramusculaire Fe-de.xtraan injectie bleek ook hier duidelijk
anemie te voorkómen en alhoewel de 3-maIige orale Fe-therapie een hemo-
globineverloop op een wat hoger niveau als bij de controle-biggen gaf, kan
deze behandeling niet als effectief beschouwd worden.
De gewichtstoenamen tussen de 3e en 56e levensdag waren respectievelijk:

Behandeling

Tomen/biggen

Gewichtstoename 3 tot 56e dag

totaal/kg

per dag/g

Controle

10/57

13,14

247,8

Fe-dextraan

3/12

16,34

308,5

oraal - Fe

3/17

13,19

248,8

Waar de 3-malige orale Fe-therapie geen voordeel bleek te hebben ten
aanzien van de groeisnelheid, bleek de Fe-dextraan behandeling een meer-
groei van 3,21 kg gegeven te hebben tussen de 3e en de 56e levensdag.
Wanneer wij, zonder onderscheid tc maken tussen winter- of zomertijd, al
de gegevens samenvatten volgens de behandeling: Fe-dextraan, oraal-Fe of
grond, dan krijgen we volgende overzichtstabel 6 en grafiek 5.

Grafiek 5.

Het hemoglobineverloop bij 33 tomen (293 biggen) na een éénmalige intra-
musculaire Fe-dextraan injectie, een driemalige orale Fe-pyrofosfaat toe-
diening en ter beschikking stelling van grond.

Wf/,

ÛOONÙ
fe-D£X7RA^A^t
fa
-OüAAL
GETUIC>£

t

\'x. ----ir^ii^S^

Ouderdom

-ocr page 567-

De invloed van een éénmalige intramusculaire Fe-injectie
een 3-malige orale Fe-therapie en
grond op het hemoglobineverloop bij biggen.

Controle-
groep

Fe-dextraan

Fe-oraal

grond

■Aantal tomen

27

15

8

6

Aantal biggen

130

65

43

55

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

7.13

7.52

6.94

6.09

1 week

6.56

8.14

7.16

5.97

2 weken

5.59

8.74

7.20

6.30

3 weken

4.97

8.65

6.76

7.40

4 weken

5.04

8.49

6.34

8.29

5 weken

5.44

8.52

6.26

8.82

6 weken

5.99

8.46

6.43

8.83

7 weken

6.74

8.50

7.06

8.96

8 weken

7.47

8.47

7.65

9.08

De gewichtstoenainen voor de verschillende behandelingen bedroegen als in
tabel 7.

Tabel 7.

Gewichtstoenamen van 3e tot 56e dag.

2.

3.

Toename

Behandeling

3 tot 56 d.

C;ontrolegroep

Fe-dextraan

Fe-oraal

grond

totaal/kg
P- dag/g

12,59
237,5

15,66
295,5

13,24
249,8

18,71
353,0

tomen/
biggen

27/130

15/65

8/43

6/55

Conclusie.

Binnen opgefokte biggen vertonen, zonder behandeling, bloedarmoede,
het meest uitgesproken op ca. 3 weken;

een éénmalige Fe-dextraan injectie (150 mg Fe/3e dag) voorkomt
bloedarmoede en begunstigt gewichtstoename;

een 3-malige orale Fe-behandeling (150 mg Fe op de 3e, 5e en 11e dag)
blijkt onvoldoende om het hemoglobinegehalte op peil te houden en
heeft een zwak gunstige invloed op de gewichtstoename;
het regelmatig in het hok beschikbaar stellen van grond voorkomt
duidelijk bloedarmoede en begunstigt de gewichtstoename.

-ocr page 568-

Het regelmatig beschikbaar stellen van grond blijkt de meest economische
handelwijze om bloedarmoede bij binnen opgefokte biggen te voorkómen.
Indien men een beroep moet doen op een therapie, dan voldoet de één-
malige intramusculaire Fe-dextraan injectie. De driemalige orale Fe-
therapie voldeed ons niet.

II. BIJ AANWEZIGHEID VAN EEN UITLOOP (GROND).

Bij 22 tomen met 196 biggen, die een uitloop (grond) hadden, werd na-
gegaan of een éénmalige Fe-dextraan injectie of een 3-malige orale Fe-
therapie nog enige invloed had op het verloop van het hemoglobinegehalte.
Het verloop van het hemoglobinegehalte, aangegeven in tabel 8 en grafiek
6, duidt aan dat:

1. geen bloedarmoede optreedt bij buiten opgefokte biggen, zonder enige
behandeling;

2. een éénmalige intramusculaire Fe-dextraan injectie, bij buiten opge-
fokte biggen, wel vlugger een nog wat hoger hemoglobinegehalte geeft,
maar dat dit zonder praktisch belang is, gezien de reeds voldoend hoge
waarden bij de niet behandelde of controle-biggen;

3. een 3-malige orale Fe-therapie geen bijkomstig effect meer geeft;

4. de behandelingen (Fe-dextraan en Fe-oraal) geen enkel gunstig effect
hebben op de gewichtstoename.

Tabel 8.

Invloed van een Fe-dextraan en een orale Fe-therapie op het verloop van
het hemoglobinegehalte bij buiten opgefokte biggen.

Controle-
groep

Controle-
groep

Fe-dextraan

oraal-Fe

Aantal tomen

12

10*)

9

3

.\'\\antal biggen

53

87

43

13

Proefperiode

29-5 tot

20-5 tot

29-5 tot

1-9 tot

16-9-\'60

6-9-\'61

16-9-\'60

2-9-\'60

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

7.37

6.48

7.69

8.46

1 week

7.60

6.28

8.30

8.33

2 weken

8.18

6.61

9.21

8.03

3 weken

8.71

7.65

10.01

8.47

4 weken

9.49

8.26

10.26

8.97

5 weken

9.68

8.76

10.14

9.37

6 weken

9.61

9.17

10.07

9.40

7 weken

9.43

9.19

9.94

9.40

8 weken

9.15

8.77

9.60

9.37

*) 10 volledige tomen.

-ocr page 569-

Grafiek 6.

Verloop van het hemoglobinegehalte bij buiten opgefokte biggen na intra-
musculaire Fe-dextraan en orale Fe-therapie.

fe-DEXTR^n
ORAAL-Fe
J
getoige

WErert

1-lbVc

9T/43b —

Tr/isb ,
\' ^é^ 10T/g7b

Gpoei/Biö

3-56 oL

6nortD
Getuige

ÉROrtD

Fe-DEKT,

GROW)

fe-OR.

Totaal/Kg
P.DA6/4

15, og
284.8

13.69
i58.3

14.68
277,0

TOKiert/BiG

VL

9/43

3/13

OUDERDOM

Conclusie.

Bij cen mogelijkheid van een uitloop (grond) zijn een intramusculaire Fe-
dextraan injectie of een orale Fe-therapie van geen verder belang meer
voor het hemoglobinegehalte en de groeisnelheid.

III. DE INVLOED VAN EEN FE-DEXTR.AAN INJECTIE BIJ ZEUGEN
TIJDENS DE DRACHT OP HET HEMOGLOBINE-GEHALTE BIJ DE
BIGGEN IN DE ZOOGTIJD.

Bij 5 zeugen werd ongeveer 8 dagen vóór het werpen 20 ml Fe-dextraan
(Imposil) ingespoten, overeenkomende met 1500 mg Fe; bij 1 zeug werd
deze inspuiting 28 dagen vóór het werpen verricht.

De biggen werden binnen opgefokt (zonder grond) en er werd hierbij geen
behandeling toegepast.

Van 3 zeugen, die zelf niet behandeld werden - en waarvan ook bij de
biggen geen behandeling werd ingesteld — werd in dezelfde periode ook
regelmatig bloed genomen van de biggen orn over controletomen te kunnen
beschikken.

Het verloop van het hemoglobinegehalte, aangegeven in tabel 9 en grafiek
7, duidt aan dat een behandeling van zeugen, met Fe-dextraan, op het
einde van de dracht, geen wezenlijke invloed heeft op het verloop van het
hemoglobinegehalte bij biggen in de opfoktijd, in overeenstenuning met
de resultaten van: Swart (1961), Ullrey (1959), Hoorens (1959)
en Moustgaard (1958).

-ocr page 570-

Invloed van een Fe-dextraan behandeling bij zeugen, einde dracht, op het
Hb-verloop bij biggen in de opfoktijd.

Fe-dextraan bij zeugen

7,6 d.

28 d. vóór
werpen

Aantal tomen

3

5

1

.Aantal biggen

29

38

8

Proefperiode

12-\'61 tot 2-\'62

12-\'61 tot 2-\'62

12-\'61 tot 2-\'62

Hb % op ouderdom

van

3 dagen

7.05

6.85

1 week

5.97

6.10

2 weken

4.70

5.16

3.55

3 weken

4.41

4.75

3.20

4 weken

3.92

4.53

3.30

5 weken

3.73

4.47

3.90

6 weken

4.18

4.79

4.95

7 weken

4.82

5.18

5.85

8 weken

5.67

5.80

6.65

Grafiek 7.

Invloed Fe-dextraan bij drachtige zeugen op Hb-verloop bij biggen 9T 75b

Hbo/o

ff fiexTRAArt

" " OUDEPDOM-WCKtrt.

Een effectieve bestrijding \\an bloedarmoede bij biggen is niet te ver-
wezenlijken door middel van behandeling van de zeug, maar alleen recht-
streeks door behandeling van de biggen zelf.

Controlegroep

-ocr page 571-

CONCLUSIES EN SAMENVATTING.

L Binnen opgefokte bi.ggen, zonder behandeling, vertonen bloedarmoede, het meest
uitgesproken op ca. 3 weken leeftijd.

2. Bij buiten opgefokte biggen (grond) treedt geen bloedarmoede op.

3. Het bij binnen opgefokte biggen regelmatig in het hok beschikbaar stellen van
grond voorkomt bloedarmoede en begunstigt de gewichtstoename.

VcKjr de praktijk is de meest economische handelwijze om bloedarmoede en groei-
stilstand te voorkomen: het aanbrengen van een uitloop met .grond of het regel-
matig in het hok brengen van grond.

4. Een éénmalige Fe-dextraan injectie (150 mg Fe) op de 3e dag voorkomt bloed-
armoede en begunsti.gt de gewichtstoename bij binnen opgefokte biggen, maar is
zonder verdere duidelijke invloed bij buiten opgefokte biggen.

5. Een driemalige orale Fe-behandeling (150 mg Fe) op de 3e, 5e en 11e dag, blijkt
onvoldoende om het hemoglobinegehalte op peil te houden bij binnen opgefokte
biggen en is zonder invloed bij buiten opgefokte biggen.

6. Het intramusculair injecteren van Fe-dextraan bij zeugen op het einde dracht
is zonder invloed op het verloop van het hemoglobinegehalte bij de biggen in
de opfokperiode.

SUMMARY.

1. Piglings reared under the in-door system and left untreated will show anaemia
which is the most marked at about the third week of life.

2. Anaemia does not appear in piglings raised under the out-door system (soil).

3. When soil is constantly provided in the pens, this will prevent anaemia from
occurring in piglings reared under the in-door system and promote gains in weight.
The most economical method of preventing anaemia and arrest of growth is to
build an out-door run with soil or constantly to provide the pens with soil.

4. A single injection of iron dextran (150 mg. of Fe) on the third day will prevent
anaemia and stimulate gaining in weight in indoor-reared piglings but does not
have any perceptible cffect in outdoor-reared piglings.

5. Oral administration of iron (150 mg. of Fe) on the third, fifth and eleventh day
is not sufficient to maintain the haemoglobin level in indoor-reared piglings and
does not have any effect in outdoor-reared piglings.

6. Intramuscular injection of iron dextran in sows towards the end of pregnancy
will not affect the haemaglobin levels in the pi,glings during the period of rearing.

RÉSUMÉ.

1. Les porcelets élevés dans la porcherie, sans traitement, paraissent souffrir d\'anémie,
les plus manifestement à l\'âge de 3 semaines environ.

2. Les porcelets élevés dehors ne souffrent pas d\'anémie.

3. Si l\'on offre régulièrement dc la terre aux porcek ts élevés dans la porcherie, on
prévient l\'anémie et l\'on favorise l\'augmentation pondérale.

Dans la pratique la façon la plus économique de prévenir l\'anémie et l\'arrêt de
la croissance, c\'est d\'aménager un parcours extérieur avec de la terre ou de
transporter régulièrement de la terre dans la porcherie.

4. Une seule injection de Fe-dextran (150 mg de Fe) administrée le troisième jour
prévient l\'anémie et favorise l\'augmentation pondérale des porcelets élevés dans la
porcherie, mais est sans influence distincte sur les porcelets élevés dehors.

5. Un traitement oral de Fe (150 mg de Fe) trois fois répété, le troisième, le
cinquième et le onzième jour paraît être insuffisant pour maintenir la teneur nor-
male en hémoglobine et n\'a nulle influence sur les porcelets élevés dehors.

6. L\'injection intramusculaire de Fe-dextran vers la fin de la gestation de la truie
est sans influence sur la teneur en hémoglobine des porcelets dans la période
d\'élevage.

-ocr page 572-

ZUSAMMENFASSUNG.

1. Im Stall aufgezogene Ferkel, ohne Behandlung, weisen Blutarmut auf, am aus-
geprägtesten im Alter von 3 Wochen.

2. Bei im Freien aufgezogenen Ferkeln (Erde) tritt keine Blutarmut auf.

3. Ein regelmässiges zur Verfügungstcllen von Erde verhindert bei den im Stall
aufgezogenen Ferkeln Blutarmut und begünstigt die Gewichtszunahme.

Um Blutarmut und Wachstumsstillstand zu verhüten, ist es in der Praxis das
Wirtschaftlichste: einen Auslauf mit Erde anzulegen oder regelmässig Erde in den
Stall zu bringen.

4. Eine einmalige Fe-dextran-Injektion (150 mg Fe) am dritten Tage verhütet
Blutarmut und begünstigt die Gewichtszunahme der im Stall auf,gezogenen Ferkel;
ist jedoch ohne deutlich sichtbaren Einfluss bei den im Freien aufgezogenen
Ferkeln.

5. Eine dreimalige orale Fe-Behandlung (150 mg Fe) am 3. 5. und 11. Tage erwies
sich als ungenügend, um den Hämoglobingehalt bei Stallferkeln instandzuhalten,
ist jedoch ohne Einfluss bei den im Freien aufgezogenen Ferkeln.

6. Intramuskuläre Einspritzungen mit Fe-dextran bei Säuen am Ende der Trächtig-
keitsperiode ist ohne Einfluss auf den Verlauf des Hämoglobingchaltes der Ferkel
in der Aufzuchtzeit.

LITERATUUR1)

B a r b e r, R. S., B r a u d e, R., M i t c h e 11, K. G.: Vet. Ree., 67, 348, (1955).

Barber, R. S., B r a u d e, R., Clarke, P. M., Mitchell, K. G.: Vet. Ree.,
70, 13, (1958).

Becker, W.: Mh. Tierhk., 12, 143, (1960).

B r o w n 1 i e, W. M.: Vet. Ree., 350, (1955).

Buchanan, M. L., L a s 1 e y, E., B o 1 i n, D. W.: Bi-M-Bull N. Dakota agric.
exp. St., 11, 106, (1949).

Crawley, W. E., Heather, J., MacDiarmid: New. Zeal. ]. agric. Res.,
6, 1121, (1959).

Doorenbal, H.: J. anim. Sei., 39, 193, (1959).

E 1 ve k j e m, C. A., H e r r i n, R. C., H a r t, E. B.: ƒ. biol. Chem., 71, 255, (1927).

Foot, A. S., Thomson, S. Y.: /. Minist. Agric., 45, 452, (1938).

Glawisching, E.: Wien, tierärztl. Mschr., 47, 109, (1960).

H a m i 1 t o n, T. S., H u n t, S. E., M i t c h e 1 1, H. H., C a r r o 1 1, W. E.: J. agric.
Res.,
40, 927, (19.30).

H a r t, E, B,, E 1 V e k j e m, C, A,, S t c c n b o e k, H., K e m m e r e r, .A. R., B o k-
s
t e d t, G., F a r go, J. M.: /. Nutrition, 2, 277, (1930).

Hoorens, J.: VI. Diergeneesk. Tijdschr., 28, 74, (1959).

Hoorens, J.: VI. Diergeneesk. Tijdschr., 29, 247, (1960).

J espersen, J., Hoggaard Olsen, N. J.: 182ste Beretnung, Kopenha.gen,
1939.

Kernkamp, H. C. H.: N. amer. Vet., 38, 6, (1957).

L i n k e n h e i m e r, W. H., Patterson, E. L., M i 1 s t r e y, R. A., Broek-
man, J. A., Johnson, D. E.:
J. Anim. Sei., 19, 763, (1960).

Lintzel, W,, R a d c f f, T.: Arch. Tierernährung Tierzucht, 6, 313, (1931).

McDonald, F, F,, Dunlap, D,, Bates, C. M,: Brit. vet. ]., 11, 403, (1955).

M c G O w a n, J. P., C r i c h t o n, A.: Biochem. ]., 18, 265, (1924).

M an e r, J. H., P o n d, W. G., L o w r e y, R. S.: ƒ. anim. Sei., 18, 4, 1373, (1959).

M o u s t g a a r d, J.: Nutrition meeting (E.P.,\'\\.;O.E.E.C.) on the application of
anatomic science in agriculture and food; Paris, july 1958.

Nencsi, R.: Archiv. Tierern., 7, (3), 129, (1957).

1  Bij uitzondering werd van de gebruikelijke vorm van samenstellen dezer literatuur-
opgave afgeweken.
Red.

-ocr page 573-

rabies vaccin

geïnactiveerd
zenuwweefsel
vaccin

toegestaan door de
Veeartsenijkundige Dienst

voor honden èn katten

termijn voor wederinvoer
(grenspassage) 1 jaar

houdbaarheid minstens een half jaar

flacon met doorsteekbaar rubber
dopje; voor direkt gebruik gereed

met genummerde penning

n.v. vemedia

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten

^^^^^ minervalaan 63 ^^^Bmi^

tel. 732934 MYCOFARM

amsterdam-z •■OEUTB#

-ocr page 574-

ïmMYCINE WAS HET EERST

-ocr page 575-

Nieuv\\^e toedieningsvorm
voor langdurige
en veilige werking

TERRAMYCINE DEPOT SUSPENSIE

Terramycine Depót Suspensie wordt
langzaam en zeer gelijkmatig in het
bloed opgenomen. Zodoende is men
verzekerd van een langdurige werking
van het antibioticum. De veiligheid bij
deze duurzaamheid wordt gewaar-
borgd door de plantaardige oliebasis
van de suspensie.

.... HET IS DAT NOG!

-ocr page 576-

Het voorkomen van fascioliasis rond het begin
van onze jaartelling in de omgeving van de
„Feddersen Wierde".1)

Fascioliasis about the beginning of our era in the
surroundings of the refuge mound "Feddersen
Wierde".*)

door H. J. OVER"\') en J. JANSEN Ji.

Uit het Instituut voor Veterinaire Parasitologie en Parasitaire
Ziekten der Rijksuniversiteit te Utrecht.

De aanleiding oin in materiaal van de „Feddersen Wierde", o\\er
welke terp in Noordwest-Duitsland wij in een vorige mededeling nadere
bijzonderheden gaven (Jansen en Óver, 1962), naar de eieren van
Fasciola hepatica en de huisjes van de tussengastheer Galba (— Limnaea)
truncatula
te zoeken was een voordracht van Grohn e (1961), In deze
\\oordracht gaf zij een overzicht van de vegetatieanalyses van monsters uit
de „Feddersen Wierde", Onder meer werd eenzelfde vegetatietype vast-
gesteld als door Over (1962) en Over en Van Leeuwen (1963)
beschreven werd als kenmerkend \\oor het biotoop \\an de tussengastheer
van
Fasciola hepatica, de slak Galba truncatula.

Enkele plantensoorten behorende tot dit vegetatietype zijn: Juncus gerardi,
Glaux maritima, Agropyron repens, Potentilla anserina, Triglochin mari-
tima, Festuca arundinacea, Ranunculus repens, Eleocharis palustris.
Op grond \\an het voorgaande en op grond van het feit, dat runderen en
schapen veelvuldig voorkwamen op de „Feddersen W\'icrde", kon men ver-
wachten zowel de eieren van de parasiet als de lege huisjes van de tussen-
gastheer te vinden. Bovendien werden de eieren \\ an
Fasciola hepatica reeds
eerder in niet gedateerd terpmateriaal aangetoond door Beijerinck
(1916-1918).

-ocr page 577-

Het is ons inderdaad gelukt in di\\ erse monsters van de „Feddereen Wierde"
de eieren van
Fasciola hepatica aan te tonen (fig. 1 ).*) De afmetingen er-
van zijn iets groter dan wat normaal gevonden wordt (126-166 x 81-113 /x
(M = 153 X 87 /
jl) ), maar nog binnen de \\\'ariatie, die bij Fasciola hepatica-
eieren bestaat.

De twee reeds gedateerde monsters, welke Fasciola-eieren be\\ atten, stamden
beide uit de eerste eeuw p. Cbr. n.

Tot nu toe werd het huisje van Galba truncatula tweemaal gevonden, een-
maal in een laag van de eerste eeuw p. C^hr. n. en eenmaal onder de terp,
hetgeen betekent óf in de eerste cultuurlaag, ca. 100 a. Chr n., of op de
oorspronkelijke bodem.

S.\\MENVATTING.

In materiaal van een terp, de „Feddersen Wierde" in Noordwest-Duitsland, welke
botanisch geanalyseerd het leverbot-vegetatictype vertoonde, werden in de lagen
stammende uit dc tijd rond het begin van onze jaartelling, eieren van
Fasciola hepa-
tica
en huisjes van Galba truncatula aangetroffen.

ZUS.\\MMENF.\'\\SSUNG.

In Mistproben der „Feddersen Wierde" (nördlich von Bremerhaven) mit einer
karakterisischc „Lcberegelvegetation", wurden die Eier von
Fasciola hepatica und
die Gehäuser von
Galba truncatula gefunden in 1800-2000 jährigen Schichten.

SUMMARY.

In material of a "terp" (refuge mound) in north-west Germany, which showed a
livcrfluke vegetation-type after botanical analysis, the eggs of
Fasciola hepatica and
the shells of
Galba truncatula were found in 1800-2000 years old layers.

RÉSUMÉ.

Dans matières d\'une „terp" (monticule dc refuge) cn .Mlemagnc du nord-ouest dans
laquelle on a démontrée une végétation caractéristique pour les mollusques hôtes
intermédaircs de la grande douve, des oeufs dc
Fasciola hepatica et des coquilles de
Galba truncatula ont été découvertes dans des assises âgées de 1800-2000 années.

LITERATUl\'R

Beijerinck, W.: Dc subfossiclc plantenresten in de terpen van Friesland en

Groningen. 3c Gedeelte. Fonds Landbouw Export Bur., 1916-1918.
G r o h n e, U.: Geobotanische Untersuchungen an einer prähistorischen .Ausgrabung
in der Marsch des Küstengebietes. \\\'ortrag Intern. Symp. .■\\nthropogenc Vege-
tation, Stolzenau, 1961.
Jansen Jr., J. en O v c r, H. J. : Het voorkomen van parasieten in tcrpmatcriaal

uit Noordwcst-Duitsland. Tijdschr, Diergeneesk.. 87, 1377, (1962).
Over, H. J.; method of determining the liverfluke-environment by means of the
vegetationtype.
Rept. 30th General Conf. Comm. Off, Intern. Epizoot., 56, (1962).
Over, H. J. en Leeuwen, G. G. \\ an; De relatie tussen het leverbotmilieu en
het vegetatietype.
(ter perse)

-ocr page 578-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Rabies.

Rabies.

door A. A. VELTHOEN*)

Uit de Laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig In-
stituut, afdeling Rotterdam.

Inleiding.

Deze acute infectieziekte, die veroorzaakt wordt door een virus, is speciaal
een ziekte van de hond en de wolf, maar is door de beet van aan deze ziekte
lijdende dieren op alle zoogdieren, de mens en zelfs op vogels over te bren-
gen.

Vanaf de tweede wereldoorlog heerst in Duitsland rabies in hoofdzaak
onder het wild, speciaal bij vossen en reeën en — in mindere mate — bij
andere wildsoorten. Daarentegen komt deze daar te lande vrijwel niet bij
honden en praktisch niet bij mensen voor. Deze z.g. „wilddolheid" wordt
door Duitse deskundigen beschouwd als te worden veroorzaakt door een
gemodificeerd rabies-virus, dat minder virulent is dan bet beruchte
„straatvirus" dat vooral in menig tropisch land en in Amerika voorkomt.
Echter kan men met dit virus, al is het dan een variatie van het straatvirus,
toch alle zoogdieren infecteren. Ook voor de mens is het gevaarlijk.
Een dierenarts, die met hersensuspensie van een verdacht kadaver bezig
was nuuzen intracerebraal te infecteren, had het ongeluk druppels van deze
suspensie in oog en mond te krijgen toen de canule van de spuit sprong.
Hij liet zich niet vaccineren en stierf aan rabies. In 1958 was dit in Duits-
land het enige bij mensen bekend geworden geval van rabies, veroorzaakt
door het daar vigerende virus. Zonder ooit het woord „grens" te noemen,
hebben alle Nederlandse veterinaire autoriteiten altijd het idee gehad, dat
als in ons land rabies weer zou optreden, de infectie vanaf de Duitse grens
zou komen. Te dien einde werden dan ook in overleg met de Gezondheids-
raad aan het Centraal Diergeneeskundig Instituut le Rotterdam altijd min-
stens 10.000 doses \\ accin in voorraad gehouden, om in het gebied van de
grensoverschrijding door deze ziekte alle honden te vaccineren. Ongeluk-
kigerwijze treedt deze ziekte nu echter het eerst op in .Amsterdam, een
centrum met een hoge honden- en kattenpopulatie.

In het tijdsverloop van .3 weken stierven daar 3 mensen aan rabies, waar-
van minstens één ongeveer 2 maanden tevoren vermoedelijk werd ge-
ïnfecteerd door een hond. Hoewel men op grond hiervan meerdere rabide
dieren mocht verwachten, werd tot nu toe slechts één positief dier ge-
vonden nl. een kat. Het ziekteverloojj bij mens en dier doet sterk ver-
moeden dat we hier, in tegenstelling met Duitsland, te maken hebben met
een volvirulent virus.

Gezien de situatie, lijkt het nuttig hier aan tc geven in welke gevallen de
praktizerende dierenarts bedacht moet zijn op de aanwezigheid van honds-
dolheid en hoe hij hierbij moet handelen.

-ocr page 579-

Dit lijkt des te meet noodzakelijk nu de Amsterdaniniers reeds direct na
het afkondigen van het aanlijn- en muilkorfgebod, tijdens het daarop
volgende mooie week-end hun honden lütgelaten hebben in het Gooi en
in de wildrijke bossen \\\'an de Veluwe, terwijl anderen hun huisdier over-
brachten naar familie in de provincie. Niet alleen werd het toen nodig om
genoemd gebod uit te breiden tot het gehele land, maar tevens moet nu in
de naaste toekomt rekening gehouden worden met de mogelijkheid van het
optreden van rabies onder het wild en de grote huisdieren.
In het kort volgen daarom hieronder de verschijnselen, waaronder de ziekte
zich bij de verschillende dieren meestal openbaart.

Symptomatologie.

Allereerst zij opgemerkt, dat één der belangrijkste symptomen van rabies
bij de mens, de hydrofobie, bij geen enkel aan rabies lijdend dier wordt
geconstateerd. Wel wordt in het algemeen bij alle diersoorten in een be-
paald stadium van de ziekte een verhoogde bijtlust waargenomen. Verder
moet er rekening mede worden gehouden, dat de incubatietijd kan va-
riëren van 6 dagen tot ongeveer 2 jaar. Meestal openbaart de ziekte zich
echter binnen een half jaar na de infectie.

Hond.

Eén der eerste verschijnselen is het veranderen van het karakter van het
dier. Het wordt wat suf en is geneigd zich te isoleren. Kwaadaardige hon-
den worden soms zachtaardig; zachtaardige exemplaren daarentegen soms
kwaadaardig.

In dit stadium likken ze graag aan koude voorwerpen van metaal of steen
en ook aan andere individuen en kimnen zo dus ook mensen likken. Vaak
slepen ze ook met vreemde voorwerpen bijv. stukken hout of stro, terwijl
meermalen een sterke verboging van scxuele driften wordt waargenomen.
Daarna raakt het dier gaandeweg meer geëxciteerd. Het snapt naar vlie-
gen, zonder dat deze er zijn. Het dier herkent in dit stadium echter nog wel
de stem van zijn baas. De hond is dorstig, drinkt gulzig water en wanneer
in een later stadium de voor de ziekte typische glottiskramp optreedt, pro-
beert bet toch nog te drinken.

De eetlust is in het beginstadium niet gestoord, maar vrij spoedig wordt bet
voedsel geweigerd en is de hond geneigd corpora aliena te verorberen:
stenen, hout, lappen, metaal.

De speekselvloed is niet verhoogd, maar als het slikken moeilijk wordt,
druipt het speeksel uit de mondhoeken. Er is een verhoogd dorstgevoel en
het dier tracht het speeksel in te slikken, maar is niet bij machte dit te
doen. In dit stadium ziet men dan vaak een beginnende kaakverlamming
en vertoont het dier het beeld van een hond met een verdwaasde, ietwat
wanhopige blik in de ogen, met en iets afhangende onderkaak, de punt
van de tong zichtbaar over de snijtanden en speeksel druipend langs de
lippen.

Menige leek en veterinair heeft zich in dit ziektebeeld vergist en gedacht,
dat het dier een vreemd voorwerp in de keel had en heeft daarom mond-
inspectie verricht en zich op die manier geïnfecteerd.

-ocr page 580-

Meestal kan het dier in dit stadium niet meer bijten, maar het speeksel is
sterk virushoudend en een aanwezig wondje aan de handen behoeft maar
klein te zijn om als porte d\'entrée voor infectie te dienen.
Bloedbraken kan in dit stadium ook voorkomen.

De stem van een rabide hond is al spoedig na het optreden der eerste ziekte-
verschijnselen karakteristiek n.1. onnatuurlijk hees of een hoogtonige blaf,
gevolgd door meerdere in kracht afnemende huilgeluiden.
De gevoeligheid van de huid vermindert gaandeweg.

In de eerste dagen der ziekte bijt een hond huisgenoten die hij kent, niet,
in een later stadium, als excitatieverschijnselen beginnen op te treden, vaak
wel. Het dier is er dan doorlopend op uit om te ontsnappen. Lukt dit, dan
rent liet doelloos voort en laat zich door niets, ook niet door sloten, beken
en groter watergangen weerhouden om zijn weg te vervolgen.
Het dier bijt naar elk individu dat het op zijn weg ontmoet, soms in het
voorbijgaan, maar soms zo hevig attaquerend dat er tanden uitbreken en
zelfs wel kaakfracturen door ontstaan. Men zegt wel dat zo\'n dier wel
100-200 km achtereen kan lopen.

Het laatste stadium der ziekte gaat gepaard met paralytische verschijn-
selen. Het dier verbergt zich nu zo mogelijk nog in een dekking van het
terrein en brengt daar zijn laatste uren in coma door. De ziekte verloopt
altijd letaal en het klinische stadium duurt nooit langer dan ä 6 dagen.

Wolf.

Als bij de hond.

Kat.

Een aan rabies lijdende kat is voor de mens veel gevaarlijker dan de hond.
De kat is veel agressiever, verbergt zich en springt vanuit zijn schuilplaats
onverhoeds naar hoofd en hals van de mens die in zijn nabijheid komt en
bijt en krabt hem, dus op veel gevaarlijker plaatsen van het lichaam dan
de hond meestal doet.

De kat verwondt dc mens dus \\ aak oj) onbeklede plaatsen van het lichaam,
waardoor veel virushoudend speeksel in de wond terecht komt. Dit in
tegenstelling met de beet van een hond, die in vele gevallen in beklede
lichaamsdelen wordt toegebracht, waardoor dus als het ware de tanden
worden droog.geveegd, alvorens te \\ erwonden.

De infectieve dosis wordt daardoor dus niet alleen kleiner, maar boven-
dien is de plaats van infectie bij verwonding door katten veel dichter bij
de hersenen gelegen, hetgeen \\eel gevaarlijker is dan verwonding aan de
ledematen.

Vos.

In tegenstelling met de hond en met de wolf, heeft dit dier niet de neiging
om grote afstanden te gaan lopen. Ook hier is een karakterverandering
te constateren, die zich uit in een zeer vreemd gedrag. De vos gaat bijv.
op een boerderij in een hondehok of in een kippehok zitten. In Duitsland
werd een geval gemeld, waarbij een dolle vos gevonden werd in het
„Speisezimmer" van een boer, zittend op een op tafel liggende ham. Jeuk
op de infectieplaats (de oude meestal genezen bijtwond) is een vaak op-
tredend verschijnsel en er kan dan automutilatie optreden.

-ocr page 581-

Zo is er een geval bekend, dat een vos het vlees van zijn poot tot op het
bot afscheurde, verschijnselen dus die sterk herinneren aan de ziekte van
Aujeszky (pseudo-rabies) bij verschillende diersoorten.

Ree en hert.

Ook deze dieren gaan zich vaak \\ reeind gedragen als ze dol worden. Zo
werden ze bijv. wel eens op klaarlichte dag in een dorpsstraat aangetroffen.
Meestal vertonen ze hevige jeuk op de plaats van de vroegere bijtwond.
Ze gaan dan schuren tegen bomen en daar ze vaak aan de kop gebeten
zijn (door hun verdedigende houding) worden bij deze dieren juist op die
plaats vaak schuurplekken gevonden: kale plekken, wonden tot op de
schedel en zelfs schedelperforaties.

Paard, rund, schaap en geit.

Deze zijn alle in het rabide stadium agressief en trachten aan te vallen, het-
zij door bijten of door slaan. Bij runderen treedt vaak sterk speekselen op
en dikwijls is door dierenartsen de fout gemaakt om oraal te e.xploreren op
vermoeden \\ an de aanwezigheid van een corpus alienum.
\\\'an het wilde zwijn en de das zijn niet zulke sprekende verschijnselen be-
kend. Men diene er echter rekening mede tc houden, dat abnormale ge-
dragingen en agressiviteit in een land waar rabies heerst, sterk verdacht
zijn. In ons land zal men, mi op de Veluwe de eekhoorn vrijwel verdrongen
is door de boommarter, op dit dier bedacht moeten zijn als de rabies zich
inderdaad bij ons wild zou gaan openbaren.

Maatregelen bij vermoeden van rabies.

In elk geval van vermoeden van rabies moet de Inspecteiu\' van de Vee-
artsenijkundige Dienst uit bet betrokken district gewaarschuwd worden.
Hangende diens beslissingen dienen levende dieren zo mogelijk opgesloten
te worden ter observatie. Als het enigszins kan, moet afmaken van de
patiënt vermeden worden, omdat hierdoor de kans op het stellen van een
snelle en zekere diagnose bevorderd wordt.

Immers een aan dolheid lijdend dier zal zeker tijdens deze observatie enige
van de hierboven genoemde symptomen gaan vertonen en binnen cen week
sterven.

De mogelijkheid van het vinden van de karakteristieke insluit-lichaampjes
\\ an Negri in de gangliëncellen wordt groter, naarmate bet dier langer ziek
is geweest. Sterft daarentegen het zieke dier niet binnen een weck, dan
kan men er zeker van zijn, dat de waargenomen klinische verschijnselen
niet het gevolg kunnen zijn \\ an rabies.

Is er sprake van dat een niet klinisch ziek dier iemand gebeten heeft en
de omstandigheden toch verdacht zijn, dan moet het dier langer in obser-
vatie gehouden worden. Immers een hond kan reeds 2-3 dagen vóórdat hij
klinische rabiessyrnptomen vertoont, virus in het speeksel uitscheiden. Stelt
men de observatietijd altijd op 14 dagen en leeft de bond daarna nog, dan
is men veilig en kan als zeker aangenomen worden, dat de hond geen
rabies bij het bijten heeft overgebracht.

Betreft het verdachte geval een gestorven dier, dan zal de inmiddels ge-
waarschuwde Inspecteur aanwijzingen geven tot verzending van het

-ocr page 582-

kadaver naar het Centraal Diergeneeskundig Instituut te Rotterdam, als
ook hij meent, dat hier sprake is van een verdacht geval van rabies.
Dit instituut is krachtens de Veewet de enige instantie die bij vermoeden
van rabies voor het doen van autopsiën aangewezen is.
De Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst beschikt over verzend-
materiaal, dat aan strenge eisen ter voorkoming van infectiegevaar vol-
doet. Zijn personeel is meestal behulpzaam bij het transport.
Het ingezonden kadaver dient vergezeld te zijn van een zo uitvoerig moge-
lijke anamnese, benevens van naam en adres van de eigenaar en vooral
ook van de mededeling of er mensen gebeten of gekrabd zijn en wie dit
zijn. Deze papieren mogen beslist niet bij het kadaver worden ingesloten.
Bij ontvangst van het kadaver aan het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut worden zo snel mogelijk sectie, histologisch onderzoek en dierentingen
verricht ter vaststelling van de diagnose.

(Van dieren, die mensen geïnfecteerd kunnen hebben, wordt door het
Centraal Diergeneeskundig Instituut hersenmateriaal ter onderzoek op-
gezonden aan het Rijkinstituut voor de Volksgezondheid te Bilthoven.)
De uitslag van het onderzoek wordt bericht aan de Directeur van de Vee-
artsenijkundige Dienst, de Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst
van het district van herkomst en aan het Rijkinstituut voor de Volks-
gezondheid.

Desinfectie van stalruimten en materialen, die met het virus van de honds-
dolheid bezoedeld kunnen zijn, geschiedt het best met 3% loog. Het uit-
koken van voorwerpen doodt het aanklevende virus binnen enkele mi-
nuten.

Vreest de collega, dat hij zich door een verwonding geïnfecteerd heeft, dan
is het zaak de wond zo snel mogelijk uit te wrijven met 1% benzalkonium-
chloride. Dit verkrijgt men door het preparaat Zephirol (Bayer) lOx met
aqua dest. te verdunnen.

Voor wondbehandeling wordt ook aanbevolen onverdund Roccal.
In geval van nood behelpe men zich met het uitwassen van de wond met
een 20% groene zeep-oplossing.

Verder is het van het grootste belang om in elk geval waar men een infectie
met het virus van de hondsdolheid vreest, het advies van een medicus in
te winnen over eventueel verder te nemen maatregelen.

Casuïstische mededelingen over gevallen van
rabies fe Amstelveen.

Clinical report about Rabies.

door J. W. B.ALJET1) en G. W. TIECKEN*)

Op 17 oktober 1962 werd op advies van collega B. Coenraads te
.Amstelveen een bulldog, oud 5 maanden, voor Röntgen-onderzoek naar
ons verwezen.

Status praesens.

Het dier was hier bij het binnenbrengen zeer geëxciteerd en moeilijk te

1  Dr. J. W. Baljet en Dr. G. W. Tiecken, praktizerende dierenartsen te Haarlem,
Kenaupark 13.

-ocr page 583-

onderzoeken. De hond kon nog wel staan, maar liep pijnlijk en stijf. De
slijmvliezen waren cyanotisch en er bestond een sterke dyspneu. De
lichaamstemperatuur was normaal en de pols frequent.
De hond speekselde wel, doch dit werd toegeschreven aan de excitatie en
aan het ras.

Anamnese.

Deze hond was de vorige dag gaan gillen en maakte op hem de indruk zeer
pijnlijk te zijn, vooral bij palpatie van het bypogastrium.
Bij buikpalpatie werden geen afwijkingen gevonden, wel bestond er een
sterke drukpijnlijkheid bij palpatie van L, en L^. Bij neurologisch onder-
zoek bleken de reflexen normaal te zijn.

Bij verder navraag van de eigenaresse zou de hond onlangs een val van de
trap gemaakt hebben. De mogelijkheid van trauma van de wervelkolom
was dus niet uit te sluiten. Bij Röntgen-onderzoek was echter geen enkele
afwijking noch van de wervelkolom noch van het abdomen aanwijsbaar.
Daar dit ras zich in een vreemde omgeving meestal erg opwindt, werd het
dier niet opgenomen. Onze voorlopige diagnose was een lichte kneuzing
van de wervelkolom. Een
Sedativum werd voorgeschreven.

Ziekteverloop.

In de loop van de avond nam de excitatie echter hand over hand toe en
daarom werd op aandringen van de eigenaresse het dier alsnog opge-
nomen.

Om 11 uur \'s avonds werd de hond liggend in zijn mand binnen gebracht.
De bulldog vertoonde nu een paresis posterior, speekselde vrij ernstig en
hapte doelloos in het rond. We gingen nu aan de mogelijkheid van rabies
denken en bij verder navraag van de eigenaresse bleek het dier op 2 ok-
tober \'s middags door een herder in de rechter lies gebeten te zijn.
De hond werd in een geïsoleerde afdeling gelegd en heeft bier op een in-
jectie boncodal de gehele nacht geslapen.

De volgende ochtend bleek de parese toegenomen te zijn. De hond was
zeer schrikachtig voor geluid en licht en liet hierbij onwillekeurige spier-
contracties zien. Hij kon niet meer drinken, maar probeerde het wel.
\'s Avonds was de hond geheel paralytisch en er bestond een incontinentia
minae et alvi.

De licbaamstemperatinn- bedroeg nu 40° C. \'s Nachts om 2 uur is de patiënt
overleden.

Voor sectie is het kadaver dezelfde dag naar het Centraal Diergeneeskundig
Instituut te Rotterdam gestuurd.

Bij pathologisch-anatomisch onderzoek werden geen lichaampjes van Negri
gevonden, noch een abnormale maaginhoud. De ingezette muizenproef is
echter 3 november positief bevonden.

Naar collega Coenraads ons mededeelde is hij 23 oktober bij een
bastaard hondje geroepen. Ook dit dier is geëxciteerd geweest en had een
paralysis posterior. Deze hond bleek eveneens op 2 oktober door de herder
gebeten te zijn. Het dier is \'s avonds in quarantaine overleden,
bok deelde hij ons mede, dat dezelfde herder een geit en enkele schapen
gebeten had. De geit speekselde op 23 oktober heftig, was paretisch en is
dezelfde avond overleden.

-ocr page 584-

Inmiddels zijn ook enkele schapen geslor\\ en.

Bij nader onderzoek is gebleken, dat de herder, die op 2 oktober dus diverse
dieren heeft gebeten, op 4 oktober onder heftige excitatie-verschijnselen
in een asyl plotseling is gestorven. Dit dier is zeer agressief geweest en brak
het hok af. Later is gebleken dat deze herder afkomstig was uit Amsterdam
en daar op 2 oktober \'s morgens enkele mensen en een kat gebeten had.
Bij het pathologisch-anatomisch onderzoek van de kat werden wel
lichaampjes van Negri aangetoond.

Een geval van vergiftiging met barbifuurzuur-
derivaten bij varkens.

Poisoning with barbituric acid dérivâtes in pigs,
door J. J. KOOPM.AN*)

Op 27 augustus 1962 werd door één van de practici onze hulp ingeroepen.
Op het bedrijf P.L. te O. waren \'s mor,gens alle 47 varkens te traag, de eetlust
was gering en hoogstens 1/3 van de normale hoeveelheid werd opgenomen. Enkele
dieren kwamen niet aan de trog. In verloop van zeer korte tijd werden de ver-
schijnselen ernstiger. De dieren vertoonden een slingerende gang, sommigen waren
al niet meer in staat de achterband overeind te houden.

Ook werd geeuwen gezien en nog even later lagen alle dieren in zijli.gging in een
zeer diepe slaap, sommigen steunden hierbij met de kop tegen de trog of wand.
De ademhaling was rustig en diep. De temperaturen waren normaal. Enkele
dieren vertoonden met de voorpoten fietsbewegingen. De faeces waren normaal.
De dag tevoren hadden alle dieren de trog leeg.gegeten en gedurende 2 dagen was
naast oud brood, brooddeeg, afval van koekfabrieken en gekookte pluimvee-
slachtafvallen, ook keukenafval afkomsti.g van een ziekenhuis, gevoerd.

Drie dieren, die er slecht aan toe waren, had de eigenaar levend op het
slachthuis aangeboden. Na slachting werden geen afwijkingen gevonden.
Dc magen waren tamelijk gevtdd en de dunne darm bevatte nogal wat gas
en was verwijd (atonie).

In de inhoud van de maag en dunne darm en in dc nieren werden door het
C\'entraal Diergeneesktmdig Instituut afd. Rotterdam sporen van barbi-
tiuirzuurderivaten aangetoond. Van het ge\\oerde keukenafval was geen
restant meer over, zodat dit - - jammer genoeg — niet kon worden onder-
zocht.

Vast staat naar onze menin.g, dat de dieren een narcose door een barbituur-
zuiuderivaat hebben gehad en dat dit derivaat op een of andere manier
in de keukenafval van het ziekenhuis is terecht gekomen.
Het verdere \\erloop \\an de verschijnselen bevestigt dit, daar reeds in de
loop van de middag een aantal dieren herstellende was en de dag daarop
alle dieren weer volkomen normaal waren.

SUMM.ARY.

Description of poisoning of 47 pigs which had been fed during two days refuse
matter of a hospital in which propably barbituric acid dérivâtes had been present,
as spores of these drugs could be found post-mortem into the stomach, small intes-
tines and kidneys of some of the animals.

J. J. Koopman, dierenarts bij de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in
Noord-Holland, Postbus 88, .Alkmaar.

-ocr page 585-

UIT HET BUITENLAND

Een geval van vagus-indigestie f syndroom van
HoflundI bij het rund.

A case of Vagusindigestion (Hoflunds\' Syndrome) in
a cow.

door D. KEYSERi)

Inleiding.

Het volgende praktijkgeval is misschien niet zo zeldzaam, maar door de
duidelijke slachtbevindingen, het complex van symptomen, het moeilijke
klinische onderzoek en de spaarzame literatuurvermeldingen zou deze
praktijkmededeling misschien kunnen bijdragen tot beter bekendheid met
het beeld van vagusindigestie bij het rund.

Casuistiek.

Op vrijdag 20 april vroeg de eigenaar hulj) voor zijn 5-jarige F.H.-koe en
meldde in zijn anamnese dat het dier al een paar dagen niet wilde eten en
dat de melkgift was teruggelopen.

Bij navraag bleek, dat op dinsdag 17 april -.oor het eerst werd gemerkt, dat
de patiënt minder hooi en voer opnam dan gewoonlijk en dat de melkgift
nogal wat lager was. Verder had de eigenaar — een \\ oor deze streken zeer
nauwkeurige en oplettende man — geen pijnsymptomen aan het dier o])-
gemerkt, noch een gewijzigde defaecatie, of iets dergelijks. Diergeneeskun-
dige hulp werd niet eerder ingeroepen, omdat de eigenaar zich niet ongerust
maakte.

Het klinisch onderzoek leverde het volgende op: het betrof een
dier in uitstekende conditie, dat geen zieke indruk maakte. De koe schonk
normaal aandacht aan de omgeving en was voldoende levendig. Wel deelde
de eigenaar tijdens het onderzoek mede. dat het dier normaal nogal nerveus
was bij aanwezigheid van onbekenden en dat scheen nu niet het geval te
zijn.

De lichaamstemperatuur was normaal, de pols bedroeg 96. Bij auscultatie
waren geen afwijkingen te vinden, evenmin was er tensie van\'de venen of
stuwing waarneembaar.

De pens was bij jjalpatie zeer hard en gevuld en er waren geen pensbewe-
gingen te voelen. Boekinaaggeriüsen waren afwezig en tijdens het onderzoek
defaeceerde de patiënt een kleine hoeveelheid faeces van opvallende con-
sistentie, zeer fijn en pastens en te licht van kleur, vergeleken met de mest
van de andere dieren op stal.

Dc schoftproef verliep dubieus tot zwak-positief, terwijl de paalproef en de
Headse-zone-proef beide negatief waren.

Bij rectaal onderzoek viel de kleine hoeveelheid faeces van de hierboven be-
schreven abnormale en kleverige consistentie op. Het dier bleek 6 maanden
drachtig te zijn en behalve de hard gevulde pens waren er voorts geen af-
wijkingen te vinden.

D. Keyser, praktizerend dierenarts, P.O. Box 39, Newport, Nova Scotia, Canada.
Tijdschr. Diergeneesk., deel 87, afl. 22, 1962 1449

-ocr page 586-

Derhalve werd de diagnose „indigestie" gesteld en werd een laxans voor-
geschreven met advies het dier 2 dagen te laten vasten.
Op
zondag 22 april werd telefonisch medegedeeld, dat de patiënt sinds
vrijdag slechts éénmaal een kleine hoeveelheid mest had afgezet, dat het dier
nog
geen eetlust had en dat de eigenaar verder geen enkele verandering
had opgemerkt.

Ter herstelling van de pH van de pens werd een mengsel van verschillende
zouten gegeven (Bykodigest).

Bij een bezoek op dinsdag 24 april vermeldde de anamnese dat het dier één
of tweemaal een zeer kleine hoeveelheid zwart gekleurde mest had gemaakt
van zachte consistentie. De patiënt at overigens nog niets, maar had veel
gedronken.

Bij een ingesteld klinisch onderzoek trof ik een koe die een uitge-
sproken suffe indruk maakte; af en toe stak zij baar neus wel in het voor
haar bestemde hooi alsof ze honger had, maar ze nam niets tot zich. Voorts
ging de koe graag liggen; de oogslijmvliezen waren iets te rood, de tempe-
ratuur bedroeg 39,2° C en de pols 100. De pens was nu — in tegenstelling
tot vrijdag — zeer zacht bij palpatie en gedurende 10 minuten, waarin pens-
bewegingen werden opgenomen, werd slechts één zwakke contractie ge-
constateerd, die zó zwak was, dat men er aan kon twijfelen of het een con-
tractie dan wel een diepe inspiratie betrof. Bij het beluisteren van de boek-
maaggeruisen werd een zeer zacht borrelend geluid gehoord.
In het rectum was een kleine hoeveelheid van de door de eigenaar genoemde
zwarte en slappe faeces aanwezig en bij vèr doortasten werd deze faeces-
massa dikker en meer met slijm vermengd. Nog verder naar voren was met
de vingertoppen een tamelijk stevige massa te voelen, gelijkend op een klomp
vlees. De grootte biervan was moeilijk te bepalen, maar naar schatting be-
droeg de doorsnede ervan ongeveer 50 cm en was de vorm ongeveer bol-
vormig.

De pens was ojjvallend leeg en er was geen streng, ballon of invaginatie te
voelen.

De scherpproeven - schoftproef, paalproef en Headse-zóne-proef — ver-
liepen alle dubieus tot zwak positief.

Op woensdag 25 april was de toestand weinig veranderd. De patiënt had
weer iets gedefaeceerd, de mest was van dezelfde consistentie als op 24 april
en ook bij nauwkeurige inspectie waren er geen voedseldelen in te vinden.
De temperatuur was 38,7° C en de frequentie van de onregelmatige pols
bedroeg ongeveer 100. De ademhaling was rustig. De patiënt trippelde mis-
schien iets heen en weer.

De pens en pensbewegingen waren als op 24 april. Palpatie in de rechter-
flank bleek niet uit te voeren wegens défense musculaire.
Bij rectaal onderzoek waren ook geen merkbare veranderingen waar te
nemen, doch wèl scheen het rectum nogal om de ann te contraheren.
Als waarschijnlijkheidsdiagnose werd gedacht aan darminvaginatie, leb-
maagtorsie of misschien een lebmaagzweer en in overleg met de eigenaar
werd besloten tot een proeflaparotomie.

Operatie.

De laparotomie werd uitgevoerd in de rechterflank door het maken van
een verticale wisselsnede onder lokale infiltratie-anesthesie.

-ocr page 587-

Thans bleek dat op de bodem van de buikholte, rechts van en in de
mediaanlijn, een vast aanvoelende structuur van ongeveer 20 cm doorsnede
aanwezig was, die min of meer van cylindrische vorm was en zich uit-
strekte van de voorrand van het bekken tot ongeveer de 11e rib, alwaar de
cylindrische vorm ervan in een meer bolvormige overging van ongeveer
40-50 cm doorsnede. Deze ballon was fluctuerend en niet gespannen, alsof
ze met gas of vloeistof was gevuld.

In de linker buikhelft was de pens niet of slecht te voelen.
Door onbekendheid met het beeld en in ultimo ratio werd besloten ook
een laparotomie in de linkerflank uit te voeren. Na een verticale spier-
snede onder lokale anesthesie werd een bevestiging verkregen van de be-
vindingen, welke aan de rechterkant waren verkregen; de pens leek —
op enkele liters inhoud na — leeg en ze was samengevallen, de cylinder-
vormige en bolvormige structuren waren nu beter waar te nemen.
Na telefonisch overleg met en buurtcollega werd besloten de patiënt in
nood te doen slachten met als waarschijnlijkheidsdiagnose: krampachtige
samentrekking van de pylorus door onbekende oorzaak.

Slachtbevindingen.

De bovengenoemde cylindervormige verwijding bleek de lebmaag te zijn,
terwijl de ballonvormige structuur de boekmaag was. Van een contractie
van de pylorus was post mortem niets waar te nemen.
De fluctatie van de boekmaag, die gevuld was met een inhoud die normaal
in de pens wordt aangetroffen, was te verklaren door gasvorming.
De pens daarentegen was zeer slecht gevuld met niet meer dan 10 a 12
liter pensinhoud. Het reticukmi was vergroeid met het diafragma ten ge-
volge van een traumatische reticulo-peritonitis. De adhesie leek niet van
oude datum te zijn daar de netmaag met niet al te veel moeite van het dia-
fragma was los te trekken en hoewel er duidelijk enige bindweefselvorming
was waar te nemen, waren er toch ook nog veel fibrinedraden aanwezig.
Plaatselijk was zelfs een duideliike hyperemic waarneembaar ten gevolge
van een acute ontsteking.

Dc netmaag was tamelijk goed gevuld en bij onderzoek van de inhoud
werden 2 stukken i jzerdraad van ongeveer 6 cm lengte gevonde n, waarvan
één losliggend en de andere één der mucosaplooien van de netmaag had
geperforeerd.

De lebmaaginhoud was gelijk aan die van dc andere magen. De sterke
vulling ervan kwam duidelijk naar voren toen het maagdarm-stelsel door
de slachter werd verwijderd, waarbij de lemaag op de grond viel, open-
barstte en een inhoud bleek te hebben van omstreeks 32 liter.
Voorts bleek het rectum gevuld te zijn met een kleine hoeveelheid zwart
gekleurde mest, die ook in het coecum werd aangetroffen.

Discussie.

Op grond van de operatie- en slachtbevindingen kwam tenslotte de juiste
diagnose vast te staan.

Het betrof hier een geval van het syndroom van Hoflund of vagusindiges-
tie, welke mogelijkheid gedurende het onderzoek wel was overwogen, maar
door onbekendheid met het symptomenbeeld en het verloop van de ziekte
weer werd verworpen.

-ocr page 588-

Wellicht was de diagnose door beter en meer uitgebreid onderzoek (o.a.
bepaling van het witte bloedbeeld) wel tijdens het leven van het dier tc
stellen geweest, doch door de grote afstanden welke men vaak moet af-
leggen (in dit geval ruim 140 km) en het moeilijk verkrijgbaar zijn van
literatuur is een dierenarts wel verplicht te improviseren als hij op moei-
lijkheden stuit.

Hutyra en Marek (1959) berichten over het syndroom van Hoflund
in het hoofdstuk „Leistungsschwäche der Vormagen (Insufficientia et
atonia ventriculorum)", waaronder zij meerdere aetiologisch verschillende
ziektetoestanden verstaan, die gepaard gaan met een verminderde prikkel-
baarheid en daardoor slechtere contractie der voormagen. Gezien het uit-
eindelijk resultaat van het in dit artikel beschreven geval kan men zich
afvragen of de naam en definitie, zoals door deze schrijvers gebruikt, niet
te veel omvattend is en of het er niet op lijkt dat het syndroom van Hof-
lund eerder in een afzonderlijk hoofdstuk zou moeten worden besproken,
zoals b.v. Rlood en Henderson ( 1962) dat doen.

Het hier besproken geval werd dan ook deels ten onrechte bij de groep
van indigesties ondergebracht, terwijl het syndroom van Hoflund daar los
van gezien zou moeten worden, o.a. op grond van het bij nader inzien min
of meer duidelijk symptomenbeeld.

In een onlangs verschenen artikel bespreken D i r k s e n en S t ö b e r
(1961) het syndroom van Hoflund meer uitgebreid en zij geven hierbij aan
dat de diagnose desnoods door middel van een diagnostisch rumenotomie
wel juist te stellen is. Het symptomencomplex van bovenbeschreven patiënt
blijkt zeer goed in de door Dirksen en Stöber gegeven opsomming
van symptomen te passen.

De verschijnselen ontstaan, doordat de vagus-takken, die de magen inner-
veren, beschadigd worden door een lokale peritonitis ten gevolge van een
scherp voorwerp in de netmaag en door deze zenuwbeschadiging zou on-
herstelbare verlamming der voormagen en stenosis van de pylorus optreden.
Het was niet mogelijk bij het slachten de vagustakken en hun eventueel
al of niet beschadigd zijn waar te nemen. De symptomen echter, de slacht-
bevindingen en de aanwezigheid van de lokale peritonitis en de stukken
ijzerdraad rechtvaardigen toch wel om postmortaal de diagnose „Syndroom
van Hofhmd" bij onze patiënt te stellen.

S.AMENVATTING.

De auteur beschrijft de klinische verschijnselen, de chirur.gische en sectie-bevindin.çen
in de praktijk vast.gestcld bij een rund, lijdende aan het „Syndroom van Hoflund"
of „Vagusindigestie".

SUMMARY.

A description is given of a case of „Vagusindigestion" or „Hoflunds\' Syndrome" in
a covvf.

The author describes the symptoms, the difficulties in making the diagnosis and both
the findings of diagnostic sur.gery and post mortally. In the discussion remarks arc
given in connection with some literature about this disorder.

RÉSUMÉ.

L\'auteur donne une description des symptômes cliniques, des expériences chirurgicales
et autopsiques, constatés dans la pratique chez un bovin, souffrant du „syndrome
d\'Hoflund" ou d\'„indigestion du Vagus".

-ocr page 589-

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Verfasser gebt eine Beschreibung der klinischen Symptome, der chirurgischen und
Sektionsbefunde, in der Praxis wahrgenommen bei einer Kuh wclche am „Hoflund\'s
Syndrom" oder „Vagusindigestion" gelitten hatte.

LITERATUUR

Blood, D. C. and Henderson, J. A.: Veterinary Medicine. Baillière, Tindall

Cox, London, 119, (1961).
Dirksen, G. und S t ö b e r, M.: Beitrag zu den durch Schädigungen des Nervus
Vagus bedingten Funktionsstörungen des Rindermagens - Hoflundsches Syndrom.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 69, 213, (1962).
H u t y r a-M arek-Manninge r-M o c s y: Spezielle Pathologie und Therapie
der Hausdere. VEB Gustav Fischer Verlag, Jena, Aufl. 11, B. II,
65, (1959).

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

MOND- EN KLAUWZEERBESTRIJDING.

Sir John Ritchie: The control of foot-and-mouth disease.

(Lezing gehouden voor de Israel Veterinary Medical .Association te Tel Aviv op
9-10-1961.)

Mond- en klauwzeer is geen dodelijke ziekte, maar tast door snelle verspreiding een
groot aantal dieren aan, die daardoor de vlees- en melkproduktie verminderen. De
ziekte heeft een ernstiger verloop naarmate de veehouderij op hoger peil staat: in
lager ontwikkelde landen is mond- en klauwzeer dan ook economisch van weinig
betekenis.

.Mie tweehoevige dieren zijn gevcK-lig voor mond- en klauwzeer, waardoor de ziekte
moeilijker controleerbaar is dan b.v. varkenspest (blijft beperkt tot varkens). De
verspreiding van mond- en klauwzeer onder de verschillende diersoorten hangt af
van de bedrijfsvoering. In Engeland worden de varkens besmet door middel van
besmet keukenafval (d.m.v. vaten van bedrijf naar bedrijf? Ref.), terwijl schaaps-
kudden sporadisch aangetast worden door geïsoleerde li.gging van de weiden.
Doordat Groot-Britannië een eiland is, bestaat er geen direct contact met de vee-
stapels in andere landen. Het virus wordt binnengebracht o.a. door vo.gels, die over-
vlie.gen vanuit het vasteland van Europa en bij import van vlees en vleesprodukten uit
Zuid-Amerika, waar mond- en klauwzeer enzoötisch is.

Er zijn verschillende bestrijdin.gsmethoden. „Stamping out" wordt in Groot-Britannië
nog steeds met succes toegepast, waar ieder eerste mond- en klauwzcer-geval ge-
middeld 3\'/2 volgende gevallen veroorzaakt. Soms is er sprake van een explosie. In
november 1960 werden tijdens één mond- en klauwzeeruitbraak 24.000 runderen,
31.000 schapen en 10.500 varkens gedestrueerd: aan schadevergoeding werd
f 20.000.000,- uitbetaald, gemiddelde .gedurende de laatste 10 jaar jaarlijks
./■ 840.000,-.

In de landen op het vasteland van Europa, waar het contact tussen de diverse vee-
stapels veel directer is (voornamelijk door in het wild levende dieren! Ref.) moet
vaccinatie als bestrijdingsmethode worden toegepast.

In Nederland, waar vroeger tijdens één epizoötie duizenden gevallen waren, wordt
de gehele rundveestapel jaarlijks ingeënt. Thans blijft het mond- en klauwzeer daar
beperkt tot varkens en jonge kalveren. De jaarlijkse kosten van deze vaccinatie be-
dragen ƒ 6.000.000,-. Waarschijnlijk is één van de redenen van dit succes, dat de
Nederlandse rundveestapel 50% uitmaakt van de totale voor mond- en klauwzeer
gevoelige veestapel tegen 25% in Groot-Britannië. Daarom heeft de algehele enting
van het rundvee in Groot-Britannië minder waarde. In andere Europese landen past
men vaccinatie toe langs de grenzen en als ring-enting om mond- en klauwzeer-

-ocr page 590-

haarden. Op deze wijze is de mond- en klauwzeer in Denemarken praktisch ver-
dwenen. Ierland, Noorwegen, Zweden, Finland, Portugal en Griekenland zijn nu,
eind 1961 geheel vrij. In Spanje, Italië en Frankrijk is het aantal gevallen sterk ver-
minderd in vergelijking met voorgaande jaren.

De Europese mond- en klauwzeer-commissie heeft de volgende richtlijnen opgesteld.
Vaccinatie moet beschouwd worden als cen middel om mond- en klauwzeer te be-
perken. De haarden worden bestreden door „stamping out".

Daarom wordt systematisch enting aangeraden in die landen, waar veel mond- en
klauwzeer-virus aanwezig is, of die voortdurend gevaar lopen besmet tc worden.
Het te volgen entsysteem — jaarlijkse runderenting of grens- en ringenting om de
haarden — varieert met de omstandigheden in het betrokken land. Indien het aantal
uitbraken voldoende verminderd is, kan „stamping out" worden toegepast. Later kan
men de vaccinatie verminderen en „stamping out" als voornaamste systeem hanteren.
Dit stadium wordt pas bereikt, wanneer de omringende landen en die landen, waaruit
dieren ingevoerd worden, in eenzelfde toestand verkeren.

Nodig is: voldoende en betrouwbaar vaccin in voorraad, een staf van organisatoren
en mensen, die de entingen verrichten.

Voor dc „stamping out-methode" gelden dc vol.gende regels:

1. Ziekte of verdenking daarvan direct melden.

2. Meldingen vlot behandelen, snelle diagnose, isolatie van verdachte- en besmette
bedrijven.

3. Opsporen van alle contact-dieren op andere bedrijven (onlangs verkochte dieren,
dieren waarmede personen van besmet bedrijf of degene, die een besmet bedrijf
bezochten (dierenarts!), in aanraking zijn geweest).

4. Spoedig afmaken en destrueren in besmet gebied.

5. De organisatie, die alle nasporingen verricht wat betreft het vervoer enz. moet
onmiddellijk functionneren.

6. Betrouwbaar identificatie systeem moet permanent bestaan.

7. Bij het vaststellen van een eerste geval in cen gebied, dient nagegaan te worden
door middel van controle op omliggende bedrijven, of bedoeld geval inderdaad
het eerste was, m,a,w. of een later gemeld geval niet eerder manifest was. Dit
om de primaire haard te lokaliseren en om uitbreiding te voorkomen.

8. Soepele financiële afwikkeling van dc schadeuitkcringen.

9. Medewerking van dc veehouders.

In de meeste Europese landen is „stamping out" — tenzij als aanvulling van dc
vaccinatie — ondoelmatig en dc commissie adviseert slechts in uiterste noodzaak tot
„stamping out" over te gaan.

Nu tegenwoordig dieren en dierlijke produkten over zeer grote afstanden in korte tijd
vervoerd worden, lopen ook landen waar mond- en klauwzeer zelden of nooit ge-
constateerd is, gevaar besmet te worden, zelfs door mensen en hun bagage. In 1952
werd b.v. in Canada een mond- en klauwzeeruitbraak geconstateerd, veroorzaakt door
besmette overalls van Duitse emigranten.

In Europa zijn A, O en C de klassieke virustypen, waar dan ook tegen geënt wordt.
Indien een exotisch type binnendringt, b.v. South .\\frica Type 1 via Turkije of direct
door import uit Afrika, zou dit een ramp kunnen betekenen.

Daarom is een snelle typering bij een mond- en klauwzeeruitbraak (die thans mogelijk
is binnen enkele dagen) zeer belangrijk. Het Animal Virus Research Institute in
Pirbright, Engeland, is Wereld Typerings Laboratorium.

In Europa wordt alleen gedood vaccin gebruikt en met groot succes. De jaarlijkse
.\'\\.O.C.-enting in Nederland geeft solide immuniteit bij het volwassen vee.
Vaccins van verzwakte stammen zijn ook ontwikkeld, b.v. in Israël, en geven langere
immuniteit. Dit vaccin is aangewezen indien het mond- en klauwzeer enzoötisch is,
in moeilijk toegankelijke gebieden en daar waar het gebruiksvee besmet wordt door
in het wild levende dieren.

T. van Roon.

-ocr page 591-

MUCOIDE ENTERITIS DOOR E. COLI (?) BIJ HET KONIJN.
G r e e n h a m, L. W.: Some preliminary observations on rabbit mucoid enteritis.
Vet. Rec., 74, 79, (1962).

Mucoide enteritis bij konijnen is reeds door verschillende auteurs beschreven.
De onderling in details afwijkende beschrijvingen komen overeen in de volgende
eigenschappen:

De ziekte treedt op bij jonge dieren omstreeks de tijd van het spenen en maakt de
indruk besmettelijk te zijn. De dood treedt vrij plotseling in. Bij de sectie worden
tympanie en mucoide enteritis gevonden.

Greenham deelt mede dat bij de meeste van de gestorven dieren E. coli uit het
coecum kon worden geïsoleerd, terwijl bij controledieren dit maar sporadisch lukte.
De
Escherichia-Hammen waren alle niet hcmolytisch, en behoorden tot 8 ver.\'-chil-
lendc vergistingstypen. Serologisch onderzoek werd niet verricht.

De schrijver ziet in deze waarneming een aanwijzing voor de aetiologie van de ziekte.
Dat hier niet eerder aan gedacht is schrijft hij daaraan toe, dat
E. coli als ziekte-
verwekker, bij andere dieren dan kalveren en varkens, pas een sinds kort ontstaan
idee is. Hij beschouwt de fysiologisch bij het konijn voorkomende koprofagie als een
nadelige gewoonte die zoveel mogelijk moet worden tegengegaan.

C. A. van Dorssen.

Exotische dieren, pelsdieren en proefdieren

WORMINFECTIES BIJ WISENTEN.

Drózdz, J.: A study on helminths and helminthiasis in bison. Bison bonasus (L.)
in Poland.
Acta Parasitol. Polon., 9, 55, (1961).

Door sectie van 25 wisenten (Bison bonasus) werden 21 soorten parasitaire wormen
vastgesteld, waarvan 19 ook normaal voorkomend bij huisdieren, 1 bij herten en 1
niet nauwkeurig tc determineren was. Viermalig faecesonderzoek van 104 dieren
werd uitgevoerd ter vaststelling van de voornaamste parasieten: trichostron.gyliden
in 98%,
Fasciola hepatica in 54%, Paramphistomum in 45% en Dictyocaulus vivi-
parus
in 31% der gevallen.

De Icverbot wordt als de .gevaarlijkste parasiet van de wisenten beschouwd, behalve
op die omrasterde delen van het reservaat der wisenten waar de tussengastheer,
Galba truncatula, niet of bijna niet voorkomt.

Na een infectie met D. viviparus treedt een zekere immuniteit op, zoals dit ook bij
het rund het geval is.

J. Jansen Jr.

WORMEN BIJ EEN SLANG.

Johansson, A. B.: A Hookworm problem in a Boa Constrictor. Canad. J. vet.
Sci.,
26, 118, (1962).

Johansson behandelde een Boa Constrictor van een variété-artist. De vorige slang
van deze eigenaar was .gestorven onder dezelfde symptomen, waaraan deze thans lij-
dende was, nl. niet eten, verma,gering en diarree.

Kennelijk zonder goede diagnose (Ref.), werd dit dier symptomatisch behandeld.
Er werd een voedingsmethode met een maa.gsonde ontwikkeld, waarbij telkens 10 cm^
vers hondebloed (dat daarvoor speciaal getapt werd) werd ingebracht met 250 mgr
terramycine. Verder werden vitamine C en chlooramphenicol intramusculair ge-
injecteerd.

Ondanks deze behandeling verslechterde de toestand en braakte het dier alles uit.
De omstandigheid dat de slang op de bchandelingstafel tijdens een injectie defae-
ceerdc, was aanleiding tot faecesonderzoek. Het dier bleek zwaar besmet te zijn met
niet volledig gedetermineerde wormen („Hookworm sp."). Een wormbehandeling
bleek thans de .gewenste uitkomst te brengen.

(Dit verhaal diene ter lering en strekking ook bij behandeling van andere patiënten
dan slangen. Ref.)

C. A. van Dorssen.

-ocr page 592-

Inwendige ziekten

KOPECZEEM BIJ SCHAPEN DOOR EEN SCHIMMEL.

L a c e y, M. E. and Gregory, P. H.: Occurrence in Britain of the fungus causing
facial eczema in sheep.
Nature, 193, 85, (1962).

Een schimmel, Pilhomyces chartarum, waarvan het toxine, sporidesmine, bij schapen
in Nieuw Zeeland eczeem aan de kop veroorzaakt, kwam voorzover bekend tot nu
toe niet voor in Europa.

Vol.gens dit artikel zijn thans, zowel in juli 1958, september 1960 als in september
1961 sporen van deze schimmel gevonden in luchtmonsters in Engeland. Bij nader
onderzoek bleek de schimmel te groeien in Surrey.

Het is echter nog niet bekend of deze in Engeland voorkomende schimmel ook het
sporidesmine produceert.

A. ƒ. H. Schotman.

Voedingsmiddelenhygiëne

HET A.ANTONEN V.AN PENICILLINE IN MELK.

G a 1 e s 1 O O t, Th. E. en H a s s i n g, F.; Een snelle methode om met papierschijfjes
penicilline in melk aan te tonen.
Ned. Melk- en Zuiveltijdschr.; Neth. Milk & Dairy
]., 16, 89, (1962).

Bij de beschreven methode kan 0,0025 E penicilline per ml melk nog duidelijk worden
aangetoond.

De bebroedin.gsduur van de testplaat is 2/2 uur. .Als toctsstam wordt .gebruik gemaakt
van
B. calidolactis (een bepaald type van B. stearothermophilus). Dc gebruikscultuur
wordt gekweekt (gedurende ± 17 uren bij 55° C) in kolfjes met 10 ml vloeibaar
medium, (1% gistextract,
2% tryptoon en 0,05% glucose; pH 7,0).
Na opsmelten en afkoeling tot ± 55° C in buizen met 5 ml Plate Count Agar (Difco)
wordt 1 ml van de gebruikscultuur aan de buis toegevoegd en na menging uitgegoten
in een voorverwarmde plaat met 9,5 cm doorsnede (testplaat). Na stolling legt men
op deze testplaat schijfjes filtreerpapier (bv. Schleicher en Schüll 601) met 12,7 mm
diameter nadat men in deze schijfjes de te onderzoeken melk heeft laten opzui.gen.
Indien de melk antibiotica bevat ziet men om het betreffende schijfje — na 2^2 uur
bebroeden bij 55° C van de plaat — een heldere zóne. Dc breedte van deze zóne is
afhankelijk van de penicilline concentratie in de te onderzoeken melk.
Daar het filtreerpapier soms een remmende factor bevat — dit kan plaatselijk voor-
komen - kan men om vergissing te voorkomen, het onderzoek in duplo uitvoeren.
Om andere remmende factoren dan penicilline met zekerheid te kunnen uitsluiten,
kan men als controle een andere testplaat nemen, waarop schijfjes worden gelegd die,
voordat er de te onderzoeken melk in wordt opgezogen, zijn voorbehandcld met peni-
cillinase. Deze voorbehandeling houdt in, dat deze schijfjes vooraf zijn gedrenkt in
lOOx verdunde penicillinase (.gist- en spiritusfabriek) en daarna gedroogd.
De controle-testplaat wordt eerst /a ur bebroed bij 37° C en daarna 2\'/) uur bij
55° C.

P. Tacken.

-ocr page 593-

BOEKBESPREKING

THE SEMEN OF ANIMALS AND ARTIFICIAL INSEMINATION.
J. P. Maule.

(Technical Communication no. 15 of the Commonwealth Bureau of Animal Breeding
and Genetics, Edinburgh, januari 1962. Prijs 60 sh. of 9 U.S. S)

Dit boek is een geheel vernieuwde opvolger van het werk van Anderson: „The
Semen of Animals and its Use in Artificial Insemination", hetwelk in 1945 gepubli-
ceerd is.

Vele specialisten hebben aan het boek van Maule gewerkt op zodanige wijze dat
door iedere schrijver (dertien in getal) een ander diersoort in zijn geheel is behandeld.
Deze splitsing maakt het bock waardevol, omdat elke specialist zijn onderdeel mede
aan de hand van de bestaande literatuur uitvoerig beschrijft.

Het is een boek waarin de gehele kunstmatige inseminatie op korte, vrij volledige, en
duidelijke wijze systematisch behandeld wordt, zodanig dat dit boek uitermate ge-
schikt is om bestudeerd te worden door allen die met de kunstmatige inseminatie,
hetzij wetenschappelijk, hetzij praktisch, iets te maken hebben; te meer daar door
elke schrijver aan het eind van zijn verhandeling een uitvoerige literatuurlijst is toe-
gevoegd, welke lijsten in totaal meer dan 1/5 deel van het boekwerk omvatten.
Het eerste deel is geschreven door D. R. Melrose en deze behandelt hierin op
zakelijke wijze de kunstmatige inseminatie bij het rundvee. .Na eerst enige algemene
dingen besproken te hebben volgt een systematische bespreking van de behandeling,
selectie, gebruik enz. van de stieren.

Het volgende (3e) hoofdstuk bespreekt de verschillende methoden van verzamelen
van het sperma, de spermaproduktie enz. In het vierde hoofdstuk vindt men o.a. de
bepaling van de spermakwaliteit met verschillende methoden; daarna een bespreking
van de samenstelling van het sperma, de stofwisseling enz. in verband met de be-
waring en verdunning, de verschillende verdunningsmedia, alsmede de behandeling,
de koeling, de verdunning en het transport.

Ook aan het toevoegen van antibiotica worden enkele bladzijden gewijd. Uitvoerig
wordt het diepvriezen met alles wat hierbij behoort besproken, terwijl in het laatste
hoofdstuk de inseminatie-techniek onder de loupe wordt genomen.
Over het geheel genomen kan van dit eerste gedeelte van het boek gezegd worden
dat voor de dierenarts-practicus in ons land, die met het toezicht op de kunstmatige
inseminatie belast is, het aanbevelenswaardig is, deze 143 pagina\'s tellende verhan-
deling over de kunstmatige inseminatie bij het rundvee door te lezen. Hij zal dan
ontdekken dat er verschillende zaken worden besproken, waar hij zijn voordeel mee
kan doen.

In de volgende twaalf hoofdstukken beschrijven de verschillende auteurs, op on.geveer
analoge wijze de kunstmatige inseminatie bij andere diersoorten.

1. Kunstmatige inseminatie bij de waterbuffel (Bos bubalis), door P. B h a t t a-
c h a r y a.

2. Kunstmatige inseminatie bij het schaap, door C. W. Emmens en T. j.
Robinson.

3. Kunstmatige inseminatie bij de geit, door J. Blokhuis,

4. Kunstmatige inseminatie bij het varken, door L. E. R o w s o n.

5. Kunstmatige inseminatie bij het paard, door P. W. Swire.

6. Kunstmatige inseminatie bij de muildierfokkerij, door P. W. Swire.

7. Kunstmatige inseminatie bij de hond, door E. H a r r o p.

8. Kunstmatige inseminatie bij de knaagdieren, door C. E. A d a m s.

9. Kunstmatige inseminatie bij pluimvee, door P. E. L a k e.

Hierna volgt nog een bespreking over de ontwikkeling van de kunstmatige insemi-
natie in de tropen, door D. H. L. R o 1 1 i n s o n en W. R. N u n n, met een bijdrage
van P. Bhattacharya over India.

De laatste zes bladzijden worden gevuld door G. T. Smith met een verhandeling
over de export van sperma uit Engeland. ƒ.
Spruyt.

-ocr page 594-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

IVe INTERNATIONAAL CONGRES „VOORTPLANTINGE BIJ DIEREN",
DEN HAAG, 1961, door A. van Loen\') IP)

Experimenteel onderzoek met betrekking tot het voortplantingsgebeuren.

1. C. R. u s t i n (Engeland): Significance of sperm capacitation.

Onder capacitatie worden die veranderingen van de structuur en de inhoud van het
akrosoom van de spermacel verstaan, welke het de spermacel mogelijk maken de eicel
binnen te dringen. De veranderingen zouden tengevolge hebben ten eerste het vrij-
komen van hyaluronidase, waardoor penetratie van de cumuluscellen plaats kan vin-
den, en ten tweede het afstoten van het akrosoom, waardoor het perforatorium —
het orgaantje dat verantwoordelijk kan worden geacht voor het penetreren door de
zona pellucida — vrij komt te liggen.

2. M. C. C h a n g and J. M. B c d f O r d (Mass., U.S.A.) : Effects of various hor-
mones on the transportation of gametes and fertilization in the rabbit.

Het beschreven onderzoek is gericht op het nagaan van ten eerste de invloed van
verschillende hormonen op het transport van gameten en op de bevruchting, en
ten tweede de mogelijkheid van transport van hetcroloog sperma en de invloed van
heteroSpermie op de bevruchting.

Volwassen vrouwelijke konijnen werden dagelijks subcutaan geïnjecteerd met 10 /xg
oestradiolbenzoaat of 2 mg progesteron gedurende drie dagen. De laatste injectie
werd gegeven ongeveer vier uur voor de inseminatie. Twee andere groepen werden
i
.V. geïnjecteerd met resp. 10 LE. oxytocin of met 50 fig epinefrine, direct na dc
inseminatie. Alle konijnen werden geïnseminecrd met konijnesperma gemengd met
sperma van de rat en dc cavia ten tijde van de ovulatie, d.w.z. 10 uur na een i.v.
injectie met gonadotropine.

Twaalf uur na de inseminatie werd bewegelijk konijncspcrma gevonden in de vagina,
de uterus en de eileiders, terwijl alleen dood „vreemd" sperma slechts kon worden
gevonden in de vagina.

Het aantal konijnespermacellen in de uterus, en het aantal spermacellen aan dc zona
pellucida van ieder ovum was iets groter in de groepen behandeld met oxytocine of
met epinefrine dan in de andere groepen.

Het aantal spermacellen in dc eileiders van met progesteron behandelde dieren was
kleiner dan dat van dc dieren behorende bij iedere andere groep.
Niet-bevruchte ova werden gevonden in de met progesteron behandelde groep.
Wezenlijke verschillen tussen dc andere groepen ten aanzien van het aantal bevruchte
ova konden niet worden aangetoond.

Er kon geen invloed worden aangetoond van heterospermie op de bevruchting.

3. R. Deanesly (Engeland) : The effccts of oestrogen on tubal transport and ovo-
implantation in the guinea-pig,

Dc invloed van lage doses oestradiolbenzoaat op de bevruchte ova van de cavia werd
bestudeerd 1) wanneer deze in de eileider voorkomen, en 2) in de uterus voor en
tijdens implantatie.

In de eerste groep werd de graviditeit doorbroken bij meer dan 10 fig oestradiol-
benzoaat. Het was echter niet zeker, dat dit werd veroorzaakt door retentie van dc
ova in de eileider („tube-locking").

Dr. A. van Loen, voorheen: Afd. Diergeneeskunde T.N.O.; huidig adres: Centraal
Laboratorium van de Staatsmijnen in Limburg, Geleen.
") Het eerste deel van dit verslag treft men aan in het
Tijdschrift voor Diergenees-
kunde,
87, 1392, (1962).

-ocr page 595-

In de tweede groep bleek 30 /ig oestradiolbenzoaat bij de cavia normale implantatie
niet te voorkomen, zoals wel bij het konijn het geval zou zijn geweest.

4. M. J. K. Harper {Cambrid,ge, Engeland): E.gg movement through the am-
pullar region of the Fallopian tube of the rabbit.

De door natuurlijke ova en radioactieve „kunsteieren" (198 Au) afgelegde weg van
fimbria tot het ampullaire einde van de eileider van het konijn bedroeg 3,5 tot 6 mi-
nuten (gem. 5,0 min.), d.w.z. 1,1 tot 2,1 cm/min. (gem. 1,5 cm/min.). Het meten
van de bewegingssnelheid werd d.m.v. een autoradiografische techniek
in vivo ver-
richt.

Vastgesteld kon worden, dat de „kunsteieren" — wits geïncorporeerd in de cumulus-
massa
— zich identiek gedragen met de natuurlijke ova van het konijn gedurende de
passage door de eileider. Indien de „kunsteieren" als zodanig waren ingebracht bleek
de bcwegingssnelheid aanzienlijk vertraagd en de afgelegde afstand aanzienlijk
kleiner.

De beweging in het bovenste gedeelte van de ampulla is een continue en werd toe-
.geschreven aan trilhaarwerking. In het caudale gedeelte van de ampulla zou de
schoksgewijze beweging berusten op segmentsgewijze contracties van de circulaire
musculatuur.

5. J. P. B e n n e t t en L. E. A. R O w s O n (Cambrid.ge, Engeland): The use of
radioactive artificial e.ggs in studies of egg transfer and transport in the female
reproductive tract.

Vast.gesteld kon worden, dat in te.genstelling tot de resultaten verkre.gen uit onder-
zoek met het konijn (zie ook Harper, no. 4), bij het schaap de „kunsteieren" en
de natuurlijke ova zich niet identiek .gedra.gen .gedurende de passage door de eileider,
nadat ze in de fimbriae zijn gebracht.

Essentieel bleek de cumulusmantel te zijn. Dit .gold zowel voor het natuurlijke ovum
als voor het „kunstei". Het werd mogelijk geacht, dat het lagere overlevingspercen-
tage na eitransplantatie in de eileider van het schaap (in ver.gelijking met het ho.gere
overlevlngspercenta,ge na eitransplantatie in de uterus) hiermede verband zou kunnen
houden.

Soortgelijke experimenten rnet „kunsteicren" bij koeien verliepen zonder bevredigende
resultaten.

6. E. S. E. H a f e z (Wash., U.S.A.): In vivo and in vitro studies on rabbit ova;
non-surgical ova transfer as a target.

Intraperitoneaal in.gebrachte ova van het konijn werden gemiddeld niet door de
fimbria op.genomen. Hormooninjecties zouden hierop een gunstig effect kunnen uit-
oefenen.

Bevruchte eicellen konden met goed succes in een medium van 1% of 7% serum in
een fysiologische zoutoplossing tot 144 uur bij 10° C worden bewaard. Het over-
levingspercentage bleek afhankelijk van het delingsstadium van de zy.gote. Tevens
bleken bepaalde antibioticumtoevoegingen het overlevingspercentage zowel ten gunste
als ten nadele te kunnen beïnvloeden.

7. E. S. W. Hafez and T. Sugie (Wash., U.S..A.) : Superovulatory responses in
beef cattle and an experimental approach for non-surgical ova transfer.

Superovulatie is noodzakelijk om eitransplantatie te kunnen toepassen. Maximale
follikelvorming (42-46 voor beide ovariën) werd verkregen door het corpus luteum
uit te knijpen en subcutaan twee PMS (pregnant mare serum) -injecties op 16 en
17 dagen na de oestrus (totale dosis 3000 I.E.) en één i.v. injectie met HCG (human
chorionic gonadotrophin) (2000 I.E.) te .geven. Bij superovulatie werd de cyclus

-ocr page 596-

verkort, de duur van de oestrus verlengd en de intensiteit van de oestrus versterkt.
Ovulatie vond plaats gedurende 3-5 dagen.

Een experimentele methode om de ova langs niet-chirurgische wijze in de uterus te
brengen (met voorbijgaan van de cervix) wordt beschreven.

8. M. F. M c D O n a 1 d and L. E. A. Rowson (Cambridge, Engeland): Ovum
transfer to lactating ewes.

37 lacterende ooien werden behandeld met progesteron en PMS buiten het (fysio-
logische) fokseizoen, teneinde oestrus en ovulatie op te wekken. Zeven van deze dieren
werden als receptor voor bevruchte ova gebruikt. Wanneer de hormonale behandeling
14 dagen
post partum werd begonnen, vertoonde geen van de ooien oestrus, doch wel
werd reactie verkregen gedurende latere stadia van de lactatie.

Twee andere groepen van elk 12 lacterende ooien werden gedurende het fokseizoen
behandeld met progesteron, PMS en HCG, en wel resp. 14 en 30 dagen
post partum.
De tijd van ovulatie werd d.m.v. laparotomie vastgesteld en maakte het met het oog
op transplantatie mogelijk de donnor met de receptor te synchroniseren.
In deze groepen concipieerden respectievelijk drie en vier ooien. De niet bijzonder
bevredigende resultaten zouden moeten worden toegeschreven aan het feit, dat ten
tijde van de transplantatie sommige ooien grote corpora lutea tengevolge van spon-
tane ovulaties demonstreerden. In de uterus werd een grote hoeveelheid bruine fluor
aangetroffen gedurende het begin van de lactatie, waardoor de ontwikkeling van de
zygote mogelijk zou kunnen zijn geremd.

9. K. S c h m i d t (Dummerstorf, Duitsland): Eitransplantation beim Schaf nach
Progesteron-PMS-Synchronisation.

80 bevruchte eicellen werden op 56 receptoren (schaap) overgebracht, waarbij in
totaal 48% concipieerde en een implantatiepercentage per eicel van 40% werd be-
reikt.

Bij niet hormonaal behandelde, doch natuurlijk gesynchroniseerde dieren (23) be-
droeg het drachtigheidspcrccnta.ge 39% en het implantatiepercentage 36%. Pro-
gesteron-PMS-gesynchronisccrde schapen (33) leverden een statistisch niet-significant
hoger drachtigheidspercentage van 54% en een implantaticpercentage van 42%.
Ilct aantal corpora lutea bleek geen aantoonbare invlc«\'d uit te oefenen op de con-
ceptie noch op de implantatie.

Het drachtigheidspercentage kon van 40% naar 55% worden verhoogd door twee of
meer eicellen te transplanteren in plaats van één eicel.

De na de progesteron-PMS-behandeling, vooral in juli en augustus voorkomende per-
sisterende follikels en follikclcysten werden bij de receptoren met HCG behandeld.
Conceptie en implantatie werden niet wezenlijk beïnvloed.

Efedrinapplicatie voor de transplantatie bleek geen significante verhoging van het
drachtigheidspercentage, doch wel een significante toename van het implantatie-
percentage tengevolge te hebben.

10. C. E. Adams and L. E. A. Rowson (Cambridge, Engeland) and G. L.
Hunter and G. P. Bishop (Pictermaritzburg, Zuid-.Afrika) : Long distance
transport of sheep ova.

Bevruchte schape-ova werden in Cambridge (Engeland) verzameld en overgebracht
in afgebonden eileiders van drie konijnen, welke vervolgens door de lucht naar Zuid-
Afrika werden vervoerd. In Zuid-Afrika werden vier tot vijf dagen later de schape-
eiccllen in tien gesynchroniseerde receptor-ooien getransplanteerd. Vijf van dc tien
ooien zouden gravide zijn gevonden, hoewel twee of meer oestri ontbraken. Een andere
ooi, die enige weken na de transplantatie succumbecrde was drachtig. Het bijbeho-
rende embryo vertoonde een duidelijke retardatie van de groei.

-ocr page 597-

11. R. Moricard (Frankrijk): Superpénétration spermatique de la membrane
pellucide et observations en microscopie électronique d\'oeufs fécondés de lapine.

Bij 5000- tot 50.000-voudige vergroting bleek het akrosoom van de spermacel van
het konijn een karakteristieke kapvormige structuur te bezitten, welke het voorste en
middelste gedeelte van de nucleus bedekt.

Onder „superpenetratie" van de zona pellucida bleek iedere spcrmacel cen eigen
opening te boren en cen complete eigen weg te scheppen. Gedurende de passage van
dc spcrmacel bleek het akrosoom in de zona pellucia of in de perivitclline ruimte
cen van de structuren, welke het eerst wordt gemodificeerd en vervolgens verdwijnt.

12. Z. Dickmann (Cambridge, Engeland): The role of the cumulus oophorus
and tubal factors in the process of fertilization of the rabbit egg.

Aangetoond kon worden, dat ova waarvan de cumulus was verwijderd nochtans hun
vermogen om te kunnen worden bevrucht, niet hadden verloren.
Aanwijzingen werden verkregen voor het bestaan van een ascenderende en een
descenderende vlocistofstroom in dc eileider.

13. L. D au zier (Montpcllier) et C. Thibault (Jouy-en-Josas, Frankrijk):
La fécondation
in vitro dc l\'oeuf dc lapine.

Een onderzoek naar de bevruchting \\an konijne-eicellen in vitro werd verricht met
7605 eicellen (afkomstig van 1954 konijnen) in glazen buisjes met 0,3-0,6 ml Locke.
De bevruchting
in vitro kan vrijwel net zo goed geschieden als in vivo, mits men
door spoelen van de onbevruchte verse eicellen zorgt het „fcrtilisin", dat dc rijpe
spermacellen aantast, onwerkzaam te maken.

Hiervan uit.gaande, kon men 67% bevruchte eicellen aantonen door middel van
histologisch onderzock van iedere eicel afzonderlijk, waarin zich zowel een mannelijke
als een vrouwelijke pronucleus bevond op een tijdstip van 3-7 uur na het contact
van de gameten.

In vivo vindt de bevruchting bij het konijn bijna direct na de ovulatie plaats, daar
in de vrouwelijke genitaaltractus een substantie („antifertilisin") wordt afgescheiden,
welke het „fcrtilisin" neutraliseert.

14. O. B O m s e 1-H e 1 m r e i c h ) Jouy-en-Josas, Frankrijk) : Hétcroploïdic expé-
rimentale chez la truie.

Wanneer zeugen 44 uur na het begin van de eerste berighcidsverschijnselen werden
gedekt, konden bij 26% van de drachtige zeugen na 17 dagen graviditeit hctcro-
ploïde ontwikkelingsprodukten worden vastgesteld. Deze produkten bestonden uit
triploïde of mosaïk embryonen, waarvan de ontwikkeling geheel overeenkomstig
diploïde embryonen van dezelfde leeftijd of triploïde blastocysten was.
In verband met genoemde bevindingen wordt het wenselijk geacht, de paring van
jonge Largc-White-zeugen binnen 60 uur na het begin van de berigheid te doen
plaatsvinden, teneinde conceptie, en binnen 50 uur, teneinde cytologisch normale
embryonen te bewerkstelligen. Een en ander on.gcacht de duur van de totale berig-
heid.

15. R. W. Noyes, Z. Dickmann, L, L. Doylc and .A. H. Gates (Cal.,
U.S.A.) : Three critical determinants of embryonic development.

Op grond van experimenteel onderzoek met rat en muis wordt geconcludeerd, dat de
ontwikkeling van de eicel, de passage van de eicel door de eileider en de ontwikkeling
van het endometrium critische momenten zijn met betrekking tot de implantatie van
de zygote.

-ocr page 598-

16. R. B. Heap and G. E. L a m m i n .g (Engeland): Studies of the uterine
secretion of different species.

Het utcrussecretum van de rat, het konijn, het schaap en het rund werd geanalyseerd
gedurende de oestrale en de luteale fase. De samenstelling van het secretum werd be-
ïnvloed door hormonen afkomstig van het ovarium, was kwalitatief gelijk in de vier
soorten met betrekking tot Na, K, Cl, P, N, CHO, lipiden en spoorelementen, doch
verschilde in kwantitatief opzicht. Het secretum was niet vergelijkbaar met andere
extra-cellulaire vloeistoffen.

De chemische bestanddelen van het secretum bleken in het algemeen per uterushoorn
op een hoger niveau te liggen bij de rat onder invloed van ocstrogenen, doch bij het
konijn, het schaap en het rund daarente.gen onder invloed van progesteron.
De experimentele techniek wordt uitvoerig beschreven.

17. F. Döcke (Rostock, Duitsland): Über den Einfluss des vegetativen Nerven-
systems auf die Uterusmotilität beim Rind.

.Alle fasen van de natuurlijke dekking hebben een verhoogde uterusmotiliteit ten-
gevol.ge, en wel van meer intense aard dan de manipulaties welke aan de kunstmatige
inseminatie inherent zijn. Een erotiserend effect van de zijde van de stier zou daarom
moeten worden aangenomen.

Op grond van eigen onderzoek wordt vermoed, dat parasympathische, resp. choliner-
.gische mechanismen een belangrijke rol moeten spelen teneinde optimale resultaten
met betrekking tot de conceptie te kunnen verwachten.

18. G. M. C u r t O (Milaan, Italië) : The influence of semen on the motility of the
miometrium.

In drie van de tien gevallen, waarbij stieresperma werd toegevoegd aan Tyrode-
vloeistof met utcrusexplantaten van een rattewijfje, bleek een verhoogde contrac-
tiliteit van het uterusweefsel.

19. H. M. Bruce (Londen, Engeland): An olfactory block to pregnancy in mice.
I. Characteristics of the block.

Wanneer onlangs gepaarde vrouwelijke muizen werden blootgesteld aan de geur van
mannelijke muizen afkomstig van een andere stam, had dit ten.gevolge, dat 70-80%
van de vrouwelijke muizen weer in cx-strus kwam alsof er geen paring had plaats-
gevonden.

Indien de „vreemde man" toegang had tot de vrouwelijke muizen, kon 3-4 dagen
na de eerste kennismaking toch een vruchtbare paring plaatsvinden.
Het bleek, dat de vrouwelijke muis onderscheid kan maken tussen de man van haar
stam, waarmede zij is gepaard, andere mannen van dezelfde stam, en mannen van
een andere stam.

Het „olfactory block" bleek voorts bij afwezigheid van mannen te kunnen worden
opgewekt, door de vrouwelijke muizen te huisvesten in kooien, die kortelings door
mannen waren bezet (zie ook Parkes, no. 20).

20. A. S. P a r k e s (Engeland): .An olfactory block to pregnancy in mice. II. Hor-
monal factors involved.

Het „olfactory block" zou verband kunnen houden met een tekort of ontbreken van
prolactine, dat normaliter na de paring door de adenohypofysis wordt gesecerneerd.
Hierdoor zou het corpus luteum na de ovulatie niet funcdoneel kunnen ontwikkelen,
zodat een paring, die normaliter leidt tot graviditeit of tot pseudograviditeit, de
normale 5-daagse cyclus niet zou onderbreken.

Het bleek, dat applicatie van prolactine (en in veel mindere mate ook van progeste-
ron) gedurende de 3-daagse periode, dat de onlangs gepaarde vrouwelijke muizen

-ocr page 599-

worden blootgesteld aan de geur van de mannelijke muizen, het „block" kan voor-
komen.

Aangenomen wordt, dat de hy-pothalamus in deze een belangrijke rol zou moeten
worden toegedacht.

Diversen.

1. J. S m i t h (Kenya, .Afrika): The application of .A.I. in an agrarian revolution
in Kenya.

De toepassing van de K.I. bij rundvee in primitieve .gebieden van Kenya wordt be-
schreven. Lan.gzamerhand blijkt hier de opvatting veld te winnen, dat kwaliteit van
meer belang is dan kwantiteit.

2. K. Bratanov et V. Dikov (Sofia, Bulgarije): Sur certaines particularités
du sperma chez les poissons.

Onderzoekingen over sperma van de forel leerden:

1. de gemiddelde hoeveelheid sperma, welke d.m.v. manuele massage kan worden
verkregen, bedraagt 13 ml (7 tot 22 ml) ;

2. de .gemiddelde dichtheid bedraagt 13.000 x 10«/ml (9400 tot 16.000 x I0«/ml);

3. de gemiddelde levensduur van de spermacellen bedraagt 50 seconden. Soms kan
de beweeglijkheid tot 6 minuten worden verlengd;

4. het hyoluronidase.gehalto is hoog;

5. verdund forellesperma bewaard bij 0°, resp. bij 20° C (twee charges!) zou het
bevruchtend vermogen geduiende 172 da.gen bewaren.

3. C. M. T. W i 11 e m s (Boxtel, Nederland): Investigations into semen of minks
and its relationship with fertility.

Teneinde het sperma van de nerts te kunnen beoordelen, dient het sperma binnen
10 minuten na de paring bij de teef te worden verzameld. Het sperma is als ondeug-
delijk te beschouwen, wanneer het aantal spermaccllen zeer klein is en dode sperma-
cellen voorkomen.

Met betrekking tot de kans op conceptie verdient het aanbeveling tweemaal tc laten
dekken. Gebleken is, dat dc eerste paring van dc reu niet steriel behoeft tc zijn.
Gevonden werd, dat dc worpgrootte afneemt met een toename van de drachtigheids-
duur. Anderzijds bleek de worpgroottc positief te worden beïnvloed door gebruik
van reuen met .goed sperma.

Reuen met .goed sperma hebben een significant hoger bcvruchtingsvermo.gen dan
reuen met minder goed sperma.

4. A. E. Harrop (Londen, En.geland): Semen preservation and canine artificial
insemination.

Behandeld wordt het verzamelen van sperma, het bewaren van sperma voor gebruik
van K.L, de techniek van de K.I. en de mogelijkheden van K.I. bij de hond bij
gebruik in intercontinentaal verband.

NEDERL.ANDSE ZOÖTECHNISGHE VERENIGING.

Bijeenkomst op dinsdag 20 november, 13.00 uur, in het Jaarbeurs Restaurant te
Utrecht,
alwaar het te bespreken onderwerp zal zijn:

De stand en de ontwikkeling der paardenfokkerij in Nederland.

.Agenda:

13.00 uur: Opening door de voorzitter,

13.10 uur: Prof. Dr. Th. de Groot: De stand en de ontwikkeling van de paarden-
fokkerij in Nederland.

-ocr page 600-

13.30 uur: Ir. M. Sanders: De stand en de ontwikkeling van de fokkerij van
pony\'s en de tussenmaatspaarden.

K. J. M e i n a r d i: De stand en de ontwikkeling van de paardenfokkerij
ten behoeve van de sport.

P. van Schaik: De stand en de ontwikkeling van de warmbloed-
fokkerij.

Tj. H. Huisman: De stand en de ontwikkeling van de koudbloed-
fokkerij.

16.00 uur: Forumdiscussie onder leiding van Prof. Dr. Th. de Groot.
17.30 uur: Sluiting door dc voorzitter.

PROMOTIE VAN DE HEER W. DORSMAN.

Op woensdag 21 november a.s. om 16.00 uur hoopt de heer W. Dorsman aan dc
Universiteit te Amsterdam (Aula, tijdelijk in de Lutherse Kerk, ingang Singel 411)
te promoveren op het proefschrift, getiteld „Contribution of the Control of Fascio-
liasis".

MEDEDELINGEN

Van de Veearfsenijkundige Dienst

TOELATING ENTSTOFFEN TEGEN RABIES.

Onder verwijzing naar de nadere toelichting voor dc dierenartsen op de Ministeriële
beschikking nr. J 562 d.d. 25-4-1962 (Beschikking in- en doorvoer honden en katten),
opgenomen in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1 juli 1962 (blz. 941) wordt
nader medegedeeld, dat thans de volgende entstoffen tegen rabies overeenkomstig
genoemde beschikking zijn toegelaten, zodat voor deze vaccins legalisatie van het
betrokken entingscertificaat kan plaats vinden ten behoeve van de wederinvoer in
Nederland.

Zenuwweefselvaccins : Bchringwerke en Philips (N.V. Vemcdia).
„Flury" stam L.E.P. : Centraal Diergeneeskundig Instituut, Afdeling Rotterdam,
Pitman Moore, .American Cyanamid Co., Fort Dodge Labo-
ratories Inc.

„Flury" stam H.E.P. : Centraal Diergeneeskundig Instituut, Afdeling Rotterdam cn
Connaught.

PULLORUM-ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 90, geproduceerd door Laboratoria No-
bilis N.V. tc Boxmeer, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien door de Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 1-1-1964.

-ocr page 601-

DOORLOPENDE AGENDA

November,

15—16, Ned. Congres voor Openbare Gezondheidsregeling, \'s-Hertogenbosch.
(pag. 1338)

16, Afdeling Zeeland, M.v.D. Viering 75-jarig bestaan, Strandhotel Vlis-
singen. (pag. 1401)

16, Afdeling Zuid-Holland K.N.M.v.D. Buitengewone .Algemene Leden-
vergadering, 20.30 uur, Beurscafé-Restaurant, Muranozaal, Rotterdam,
(pag. 1469)

17, Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier M.v.D. Ledenvergadering,
13.30 uur. Kliniek voor Kleine Huisdieren, Utrecht, (pag. 1469)

20, Ned. Zootechnische Veieniging. Bijeenkomst, 13.00 uur. Jaarbeurs Res-
taurant, Utrecht, (pag. 1463)

20—21, NlZO-dagen, Ede.

21, Promotie W. Dorsman, (pag. 1464)

22—27, Tentoonstelling 50Leeuwarden.

23, Afdeling Utrecht K.N.M.v.D. Bijzondere Ledenvergadering, 20.00 uur,
Café-Restaurant „Vredenburg", Utrecht, (pag. 1468)

28—1 dec.. Pluimveetentoonstelling Barneveld en Omstreken, Barneveld.

December,

11, Afdeling Utrecht K.N.M.v.D. Algemene Ledenvergadering, 20.00 uur,
Café-Restaurant „Vredenburg", Utrecht, (pag. 1469)

19, Afdeling Zuid-Holland, M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Beurscafé-
Restaurant, Muranozaal. (pag. 1340)

1963
Januari,

15—17, Congres „Conservering van levensmiddelen", (pag. 1400)
Juni,

12—14, Veterinaire Week 1963. (pag. 1399)
Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover.
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399)

Gegevens over de West-Duitse Zwartbontfokkerij.

In 1961 steeg het aantal levende stamboekdieren: per 31-12-1961 waren 574.000
dieren ingeschreven, afkomstig van 64.304 bedrijven. Gemiddeld per bedrijf waren
er dus 8,9 stamboekdieren. De gemiddelde produkde van de het gehele jaar ge-
controleerde stamboek-koeien bedroeg:

1961 4.563 kg melk — 3,90% vet — 178 kg melkvet;
1960 4.516 kg melk — 3,84% vet — 174 kg melkvet.

Veeteelt- en Zuivelberichten, 10, 398, (1962).

-ocr page 602-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU
Assistentieregelin.g.

Met het oog op de a.s. kerstvakantie volgen hieronder weer de richtlijnen ten aan-
zien van de uitvoering van de koninklijke besluiten betreffende assistentie bij de
georganiseerde dierziektenbestrijding.

Ter voorkoming van enig misverstand wordt cr op geattendeerd, dat het K.B. van
16 augustus 1956 en van 23 augustus 1957, zoals dit is gewijzigd bij besluiten van
1 september 1959 en van 5 oktober 1957, onveranderd van kracht blijven.
Kort samengevat houdt dit dus in, dat uitsluitend studenten kunnen worden inge-
schakeld, die
het eerste gedeelte van het doctoraal examen met goed gevolg hebben
afgelegd en in het bezit zijn van een vergunning van de Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst. Deze assistentie mag alleen worden verleend aan dierenartsen, die
cen verklarin.g van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde bezitten, waar-
uit blijkt, dat zij behoefte hebben aan assistentie.

Dc Faculteit der Diergeneeskunde zal evenals verleden jaar de normale universitaire
vakanties weer handhaven, zodat ook nu geen verlenging van de vakanties meer zal
plaats hebben ten behoeve van de werkzaamheden, die in het kader van de georgani-
seerde dierziektenbestrijding worden verricht.

Verder zal het Waarncmingsburcau van dc Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde zich ook nu zoveel mogelijk onthouden van dienstverleningen bij de
uitvoering van de assistentierigeling. Ook dit houdt verband met dc gang van zaken
gedurende de laatste assistentieperioden.
Deze regeling verloopt als volgt:

Door de Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren wordt ook dit jaar in overleg
met dc Provinciale Commissies voor vcstigingsre.geling bepaald, welke dierenartsen
voor assistentie in aanmerking komen; bovendien wordt bij dit overleg het aantal
toc.gewez.en assistentiedagen en de mate van urgentie vastgesteld.

Evenals vorig jaar vindt door het Waarnemingsbureau geen indeling plaats van de
bevoegde assistenten bij de daarvoor in aanmerking komende dierenartsen.

Studenten die wensen te assisteren, kunnen aan dc hand van dc provinciale dieren-
artsenlijsten, die op de DSK-kamer ter inzage liggen, zelf een afspraak met cen
dierenarts maken.

Hierop volgt de aanvraag van de verklaring (vergunning) bij dc Directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst met bij een met name genoemde dierenarts gedurende een
omschreven periode te assisteren bij de tuberculose-, mond- en klauwzeer- of bruccl-
losisbestrijding.

Indien deze verklaring wordt verstrekt, op grond van de provinciale dierenartsen-
lijsten, ontvangt dc betreffende dierenarts tevens een verklaring van de Koninklijke
Maatschappij voor Diergeneeskunde, dat hij behoefte heeft aan een assistent ge-
durende bovenbedoelde omschreven periode voor dc hierboven genoemde werkzaam-
heden.

De dierenarts, die op deze wijze zelf geen assistent kan krijgen, kan de bemiddeling
van het Waarnemingsbureau inroepen. Ditzelfde geldt voor dc student, die wenst
te assisteren en hiervoor geen dierenarts kan vinden. In beide .gevallen treedt het
Waarncmingsburcau bemiddelend op en zal zo mogelijk contact worden gelegd tussen
dierenarts en assistent. De benodigde verklaringen worden daarna op dezelfde manier
aangevraagd en afgegeven.

-ocr page 603-

De asisstenten worden dus niet meer „toegewezen", maar zij kunnen zich vrijwillig
beschikbaar stellen aan de dierenartsen, die behoefte hebben aan assistentie en dus
voorkomen op de provinciale lijsten.

De afrekening van het honoarium vindt rechtstreeks plaats tussen de dierenarts en
de assistent, onmiddellijk na afloop van de assistentie periode.

Dit laatste sluit teven; in, dat de dierenarts zelf verzekeringsplichtig is. (zie volgende
mededeling)

Uit de aard der zaak zullen de verklaringen door de Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst en de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde voor de tuber-
culosebestrijding worden verstrekt van de aanvang van het jaarlijks onderzoek af,
d.w.z. van heden tot 15 februari 1963 en voor de mond- en klauwzeerbestrijding van
1 februari tot 15 april 1963.

De brucellosisbestrijding is niet aan een bepaalde peiiode gebonden, zodat de ver-

klarin.gen hiervoor gedurende het gehele jaar kunnen worden verstrekt.

Reeds nu kan worden meegedeeld, dat in verband met het beperkte aantal bevoegde

assistenten alleen voor urgente gevallen assistenten beschikbaar zullen zijn.

De dierenartsen zullen er dus rekening mee moeten houden, dat zij de werkzaamheden

zo veel mogelijk zelf moeten doen.

Tenslotte zal ook dit jaar worden getracht tijdelijk werkverlof te verkrijgen voor
assistentieverlening voor de jonge dierenartsen, die in militaire dienst zijn.

Verzekering.

De huidige voorziening regelt de navol.gende uitkeringen resp. schadeloosstellingen:
I.
Ongevallen.

A. (overlijden)............f 15.000,—

(on.gehuwden)...........„ 5.000,—

B. levenslange gehele ongeschiktheid.......„ 40.000,—

(bij levenslange gedeeltelijke ongeschiktheid een percentage hiervan)

C. tijdelijke gehele on.geschiktheid........„ 20,—

per dag (uitkeringsduur max, 1 jaar)

D. geneeskundige behandeling enz........„ 1.000,- -

Het risico van motor/scooterrijden is onder de verzekering begrepen.

11. Ziekte.

Ziekengeld .... ƒ 20,— per dag (3 wachtdagen)
Geneeskundige behandeling
f 1.000,— voorzover hierin niet elders is

voorzien.

Deze uitkeringen geschieden uiterlijk tot en met de laatste dag van de overeen-
gekomen assistentieperiode.

III. Wettelijke Aansprakelijkheid.

In hoedanigheid van diergeneeskundige hulp en als particulier,
ingeval van dood, letsel of benadeling van de .gezondheid
van één persoon ten hoogste........
f 20.000,—

B. ingeval van dood, letsel of benadeling van de gezondheid van

meer dan één persoon bij hetzelfde voorval ten hoo.gste . . „ 50.000,—

C. ingeval schade, ontstaan door beschadiging van goederen van
derden, dan wel door dood, letsel of benadeling van de ge-
zondheid van aan derden toebehorende dieren ten hoogste , „ 5.000,—

Premie.

De premie voor deze gecombineerde vorm van verzekering bedraagt ƒ 2,— per
kalenderdag, met dien verstande dat bij een verzekeringstermijn van meer dan dertig
dagen de premie voor de termijn na dertig dagen f 1,50 per kalenderdag bedraagt.
De minimum te betalen premie bedraagt i 5,- per verzekerde per aanmelding.

-ocr page 604-

Onder de verzekering is dus medebegrepen een uitkering van ƒ 20,— per dag voor
ziekengeld, ingaande na verloop van drie dagen na de dag waarop een student vol-
gens vaststelling door cen daartoe bevoegd geneesheer volledig arbeidsongeschikt is
geworden en eindigende op de laatste dag van de overeengekomen assistentieperiode.
Aangezien aanspraak op deze uitkering kan worden gemaakt indien de overeenkomst
tot assistentie bij een en dezelfde dierenarts voor minstens vier
achtereenvolgende
kalenderdagen is aangegaan, verdient het dus aanbeveling dat een assistentieperiode
niet wordt onderbroken door de hierin voorkomende zon- en feestdagen eruit te
lichten.

Met betrekking tot de ongevallendckking kan het ook van belang zijn dat deze op
genoemde dagen doorgaat, daar het kan voorkomen dat cen student dan moet reizen,
waarbij hem een ongeval kan overkomen.

Teneinde de belangen van dc dierenartsen en die van de studenten het beste te
dienen werd met bovengenoemd assurantiebcdrijf overeengekomen dat zon- en feest-
dagen worden medeverzekerd, zodat hierover ook premie in rekening wordt gebracht.

Teneinde de administratieve behandeling van deze verzekering zo eenvoudig mogelijk
te doen verlopen, zal zonder tegenbericht van iedere assistentie opgave worden ge-
daan aan N.V. Assurantiebcdrijf der Crediet- en Effectenbank N.V., Kromme
Nieuwe Gracht 4-6 te Utrecht, telefoon (030) 1 58 51, die de dierenartsen de kosten
rechtstreeks per nota in rekening zal brengen.

Voor schademelding en/of nadere inlichtingen kan men zich met voornoemd bedrijf
in verbinding stellen.

Mede in verband met de ervaringen tijdens de vorige assistentieperiode wordt elke
dierenarts, die student-assistent assistentie krijgt zeer dringend geadviseerd van
bovengenoemde verzekeringsmogelijkheid gebruik te maken.

Achterstallige posten.

In verband met dc afsluiting van de boekhouding op 31 december a.s. wordt ieder
die nog open posten heeft staan voor contributies, afgeleverde certificaten, tijdschrift-
banden, aesculaaptekens etc., verzocht deze zo spoedig mogelijk te voldoen op de
.girorekening van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Rabiescertificaten.

De laatste weken heeft dc verzending van de bekende rabiescertificaten geheel onver-
wacht de werkzaamheden van het bureau zodanig belast, dat voor het verder vlot
verloop enkele praktische regelingen moesten worden getroffen:

a. bestellingen van de certificaten dienen s sc h r i f t e 1 ij k te worden gedaan. Een
briefkaartje, dat \'s avonds wordt gepost, is de volgende ochtend op het bureau en
wordt tegelijk afgedaan.

b. bij voldoening van de betreffende nota, wordt men verzocht het nummer van de
nota op de girostrook te vermelden.

c. de nota\'s dienen zo mogelijk binnen écn week te worden voldaan.

Met aller medewerking kan een en ander zonder al te grote moeilijkheden tot ieders
tevredenheid verlopen.

V.AN DE AFDELINGEN
Afdeling Utrecht.

Bijzondere ledenvergadering.

Dc afdeling Utrecht van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde roept
haar leden tot deze vergadering op, welke zal worden gehouden op
vrijdag 23 no-
vember om 20.00 uur in Café-Restaurant „Vredenburg",
Vredenburg 13, Utrecht.
.Agenda: „Mantelcontract".

-ocr page 605-

Algemene ledenvergadering.

De eerstvolgende algemene ledenvergadering zal worden gehouden op dinsdag
11 december
a.s. om 20.00 uur in het Café-Restaurant „Vredenburg" te Utrecht.

Afdeling Zuid-Holland.

Buitengewone Algemene Ledenvergadering.

De afdeling Zuid-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
houdt een Buiten.gewone Al,gemene Ledenvergadering op
vrijdag 16 november a.s.,
20.30 uur, in de Muranozaal van het Beurscafé\\Restaurant te Rotterdam.
.Agenda: „Mantelcontract",

VAN DE GROEPEN

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

58c ledenvergadering, d.d. 17 november 1962.

Programma wijziging.

De causerie van collega Dr. M. J. Dobbelaar wordt uitgesteld en in de plaats daar-
van zal de vergadering worden gewijd aan
„het Rabies-probleem".
Sprekers: coli. J. Kraai, S. M. Seyffers en A. A. Velthoen.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de volgende dierenartsen aangenomen als leden van de
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde:

F. E. de Groot, Arnhemseweg 48, Ede.
A. Hesen, Molenstraat 30, Helden.

H. G. M. Oerlemans, Boschweg 67, Schijndel.
J. J. Schreinemachers, Molenstraat 46, Zundert.

G. J. G. Wensing, Van Brakelstraat 9, Utrecht.

Het Hoofdbestuur draagt de volgende collegae voor het lidmaatschap van de
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde voor:
VV. van Arkel, Prins Bernhardstraat 6, Vianen.
•A. J, W, Bolscher, Mulderstraat 43 bis. Utrecht,
L, P, M,
V, d. Brand, „Hoo.ghuis", Tceffelen (bij Oss),
B. Kouwenhoven, Adm, van Gentstraat 55, Utrecht,
A, M. J. Rutten, Brink 30, de Koog (Texel).
R. J. Slappendel, Mgr. v. d. Weteringstraat 30 bis. Utrecht.
J. Terpstra, Eykmanlaan 401, Leeuwarden.
A. T. M. Verdijk, Kerkplein 13, Beu.gen (N,-Br,).
J, P. G. Vermeer, Kapelstraat 38, Elshout.

Het Hoofdbestuur heeft de volgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaat-leden van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde:
A. Lev-y, F. G. Dondersstraat 42 bis. Utrecht,
Mej, W, G, Roelofsen, Wittevrouwensingel 30, Utrecht,

Adreswijzigingen en dergelijke:

.Arkel, W, van; 1962; Vianen, Prins Bernhardstraat 6: tel, (03473) 666; P,, ass, bij
D, Oskam, (inlassen 141)

Betten, K,, te Scherpenzeel (Fr.), aan.gesloten onder gr, 888326, (143)

Bonda, J., te Dordrecht, naar Singel 456 aldaar (tel. ongewijzigd). (146)

Brand, A., te Oss, gr. gewijzigd in 1027173. (147)

Brand, L. P. M. van den; 1962; Teeffelen (bij Oss), „Iloo,ghuis"; tel. (04128) 336;
wnd. D. (inlassen 147)

-ocr page 606-

Breeje, E. H. den, te Amersfoort, tel. gewijzigd in (03490) 2 18 27. (148)

Goedbloed, G., te Gouda, tel. bureau gewijzigd in (01820) 45 88. (158)

Groot, F. E. de; 1962; Ede, Arnhemseweg 48; tel. (08380) 81 12; gr. 283880; P.,
ass. bij M. J. Gorte.-. (159)

Hartman, H. J., van Ede naar Manyemen, Cameroun (Afrika), Basier Mission
Leprosy Setlement. (van 161 naar 210)

Jaarsma, S., te Vriezenveen, gr. .gewijzigd in 891051. (167")

Jon.gh, E. de, van Vinkeveen naar Leiden, Hooglandse Kerkgracht 11, tel. (01710)
2 1101. (169)

Koopman, S. P., te Uithoorn, gr. gewijzigd in 600789. (173)

Nie, G. J. van, van Aalst naar Hummelo (Gld.), Keppelseweg 48, „\'t Zand", tel.
(08348) 540, P., ass. bij W. F. Felix te Steenderen en H. A. G. Heezen te Laag-
Keppel. (181)

Oosterveen, L., te Kerkdriel, .gr. .gewijzigd in 1027301. (183)

Rutten, A. M. J.; 1962; de Koog (Texel), Brink 30; gr. 316950; P., ass. bij H. d-
Bo<-r te den Burg (Texel). (inlassen 189)

Scholten, Dr. H. H., te Haarlem, behalve onder tel. (02500) 3 80 09 óók aangesloten
onder (02500) 3 53 07. (191)

Spoorenberg, H. M. J., te Eindhoven, gr. gewijzigd in 1095646. (194)

Stubbendorff-Toebes, Mevr. E. G. von, te \'s-Gravenhage, tel. gewijzigd in (070)
24 65 39. (196)

Terpstra, G., verlofadres vervallen en van Hollandia naar Entebbe, Uganda (Afrika),
P.O. Box 24, .Animal Health Res. Gentre, vet. res. off. (van 209 naar 212)

l\'wland, J., te Utrecht, tel bureau .gewijzi.gd in (01820) 45 88. (198)

Verdijk, A. T. M.; 1962; Bcu.gen (N.-Br.), Kerkplein 13; tel. (08856) 386; wnd. D.

(inlassen 200)

Vermeer, J. P. G.; 1962; Elshout (gcm. Drunen), Kapelstraat 38; tel. (04163) 368;

wnd. D. (inlassen 200)

Visser, M., te Bockel (N.-Br.), tel. bureau en giro .gewijzigd in rcsp. (04900) 2 81 00
en 6 33 11, ,gr. 1108994. (201)

Westendorp, J. F., te Oss, gr. gewijzi.gd in 1093748. (205)

Wijhe, J. H. G. van, Ic Gouda, tel. bureau .gewijzi.gd in (01820) 45 88. (207)

Gevestigd:

Hamers, H. J. J. M., t> Zieuwent, Harrevcldseweg 30, tel. (05445) 249, ,gr. 1026932
(voortzetting praktijk B. J. Hcrmsen). (161)

Harmsma, .A., tc Vörden, Hertog Karei van Gclrewcg 22, tel. (06752) 12 77, gr.

1026886 (voortzetting praktijk wijlen F. Toorncman). (161)

Nutma, Tj., te Bennekom, Edcseweg 108-1, tel. (08379) 31 95, ,gr. 1016725, medew.
van H. .A. van Riessen te Luntcrcn. (182)

Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Zuid-Holland, gevestigd te Gouda.
Het telefoonnummer vsn bovengenoemde dienst is gewijzigd in (01820) 45 88. Het
postadres luidt: Postbus 87 te Gouda. (53)

Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid cn Inspectie van de Veeartsenijkun-
dige Dienst in het ambtsgebied|district Noord-Holland, gevestigd te Haarlem.

Het bureau van boven.eenoemde diensten is, behalve onder het reeds bestaande tele-
foonnummer 38009, óók bereikbaar onder nummer 3 53 07 (02500). (73)

Eervol ontslag:

Ypma, P. G. M., tc .Amsterdam, tc rekenen m.i.v. 1 januari 1963, op zijn verzoek,
als Rijkskeurmccster in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst. (208)

Koninklijke onderscheiding:

Bruins, F. J. A,, te Haarlem, is benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.

(149)

-ocr page 607-

Onderscheiding.

Dr. J. Jansen, Wctenschappehjk Hoofdambtenaar bij het Instituut voor Parasitologie
en Parasitaire Ziekten aan de Faculteit der Diergeneeskunde aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht werd benoemd tot erelid van de Sociedad Mexicana de Parasitologia op
grond van zijn wetenschappelijk werk op het gebied van de parasitaire ziekten.

Diergeneeskundig examen:
Geslaagd op 23 oktober 1962:

.Arkel, W. van (141)

Bolscher, A. J. W. (inlassen 145)

Brand, L. P. M. van den (147)

Kouwenhoven, B. (inlassen 173)

Rutten, A. M. J. (189)

Slappendel, R. J. (inlassen 193)

Terpstra, J. (inlassen 197)

Verdijk, A. T. M. (200)

Vermeer, J. P. G. (200)

Overleden:

Piel, H. P., te Eibergen, is aldaar overleden op 21 oktober 1962.

(185)

GEVRAAGD wegens ongeval

EEN WAARNEMER

gedurende ± J/j jaar.

F. VAN DER VEEN - BOLSVv\'ARD

NIJLON INJECTIE SPUITEN

ff

10

20

II

KdIGILII

ONBREEKBAAR - UITKOOKBAAR - GLASHELDER - met METALEN conus

Verkrijgbaar bij:

INSTRUMENTENHANDEL OF: L\'UNIVERS - Pr. Bernhardlaan 9 - Bussum

-ocr page 608-

DOHYFRAL
VITAMINE
INJEKTIES

Dohyfral A-100 per ml 100.000 I. E. vit. A in olie
Dohyfral
AD3-4O 20 per ml 40.000 I. E. vit. A

20.000 I.E. vit. D3
Dohyfral
AD3-8O 40 per ml 80.000 I. E. vit. A

40.000 I.E. vit. D3
Dohyfral B-par per ml vit. Bi 10 mg

vit. B2 5 mg
vit.
Bè 3 mg
nicotinezuuramide 35 mg
d-panthenol 25mg

geconcentreerd leverextract,
bevattende 20 mcgm. vit. B12
Dohyfral
D3-2O per ml 20.000 I. E. vit. D3 in olie
Dohyfral
D3-100 per ml 100.000 I. E. vit. D3 in olie
r>ohyfral
D3-6OO per ml 600.000 I. E. vit. D3 in olie
Dohyfral K per ml 10 mg. synthetische vit. K

(menadione natrium bisulfiet)

n.v. VC

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten

®minervalaan 63
tel 732334
 MYCOFARM

amsterdam-z

in olie

in olie

-ocr page 609-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN
Hondsdolheid 1l

(Rabies, Lyssa, Hydrophobia)
door JAC. J.ANSEN Sr.2)

Definitie.

Rabie.s is een acute, h) ij n a altijd dodelijk verlopende ziekte, meestal ver-
oorzaakt door de beet van een rabies dier; de oorzaak is een neurotroop
\\ irus, zodat het ziektebeeld bepaald wordt door afwijkingen van het zenuw-
stelsel; de psyche is gestoord, er is toenemende nerveuze excitatie, gevolgd
door paralyses.

V erspreiding op aarde.

Rabies komt in alle werelddelen voor, behalve in .Australië.
Vóórkomen.

Rabies komt vooral voor bij bonden, katten en in het wild levende carni-
\\oren, en kan zich bovendien voordoen, naar wel aangenomen mag wor-
den, bij alle zoogdieren. Ook bij vogels komt rabies voor. Experimenteel
zijn zelfs koudbloedige dieren te infecteren,

Aetiologie.

Volgens M a n n i n g e r (1959) zit het virus bij een ziek dier het meest ge-
concentreerd in het centrale zemivvstclsel. Het is aanwezig in de speeksel-
klieren en ook in die klieren die in structuur met de speekselklieren overeen-
komen, n.1. de traanklieren en het pancreas. In de secreta der geslachts-
klieren komt het virus niet voor, in rnelk slechts bij uitzondering en clan
nog in geringe mate. .Soms is zo nu en dan het virus, doch in geringe mate
in het circulerende bloed aantoonbaar.

Dc m-ine noemt Mannin g e r niet: waarschijnlijk is de urine niet door
hem genoemd omdat deze vrijwel nooit virushoudencl en dus praktisch
\\ an geen betekenis is. L e v a d i t i en L é p i n e (1938) zeggen: „L\'urine
el la bile ne renferment pas de virus rabique".
De bijnieren zouden het virus wel kunnen uitscheiden.
Dc virulentie van het straatvirus schommelt tussen wijde grenzen, dit ver-
klaart o.a. de verschillende lengten der incubatietijden; van pluraliteit mag
echter niet gesproken worden (hoogstens zou het vleermuizen-rabies-virus
een iets ander type zijn).

Kunstmatige besmetting.

De zekerste manier om rabies op te wekken is door volvirulent materiaal
(speeksel, hersensubstantie) in de hersenen te spuiten. Andere infectiemodi

1  Voordracht gehouden te Sneek, op 16 november 1962, voor dierenartsen en
artsen uit de Zuid-West-hock van Friesland.

2  Prof. Dr. Jac. Jansen Sr., Hoogleraar Faculteit der Diergeneeskunde van de
Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 168.

-ocr page 610-

leveren veel minder zeker resultaat op. Gebleken is dat infectie via de on-
beschadigde mucosa van de mens en via de onbeschadigde conjunctivae
mogelijk is.

De natuurlijke infectie.

B ij n a altijd geschiedt de natuurlijke infectie door de beet van een rabies
dier; het ligt evenwel voor de hand dat de infectie ook kan ontstaan doordat
een reeds bestaande wond besmet wordt met speeksel (b.v. als een dolle
hond de wond likt); andere natuurlijke infecties (via de slijmvliezen) zijn
uiterst zelden.

Het speeksel is meestal het sterkst virushoudend direct na het uitbreken
der ziekte en de dagen daarna, doch men vindt in de literatuur opgegeven,
dat het speeksel soms al 14 dagen vóór het optreden der eerste klinische
verschijnselen virushoudend kan zijn.

Een enkele maal herstelt een dier, dan is nog gedurende 8 dagen virus-
uitscheiding mogelijk.

Maar het speeksel van een rabiesbond is niet altijd virushoudend; Rife
(1959) zegt: „30 to 40 percent of proven positive dogs and foxes do not
have the virus in the saliva and are therefore incapable of transmitting the
disease through biting".

Vatbaarheid.

De vatbaarheid voor de infectie is, althans experimenteel, voor alle zoog-
dieren vrijwel gelijk. Dat rabies bij bepaalde dieren veel meer, bij andere
veel minder voorkomt, ligt in het karakter en de levenswijze. Rabies ziet
men daarom het meest bij honden, katten (vooral zwerfhonden en zwerf-
katten), vossen, wolven en andere carnivoren. Planteneters kunnen door
deze carnivoren gebeten en dus besmet worden, doch ze geven op hun beurt
de smetstof zelden verder door. Het is zeer de vraag of kleine knaagdieren
van betekenis zijn voor de verspreiding van de rabies.

Pathogenesis.

Als een beet is toegebracht en speeksel met virus daarin achtergelaten is,
dringen de virusdeeltjes volgens de onderzoekingen van N i k o 1 i t s c h
(Joegoslavië, 1960) in de door de bijtwond blootgelegde gliacellen, die de
zenuwen omhullen. Het glia-weefsel, het steunweefsel dus voor de eigen-
lijke zenuwcellen van het gehele zenuwstelsel, begeleidt de zenuwen tot aan
de huid toe. Deze gliacellen nemen de rabies-virusdeeltjes zeer gemakke-
lijk op. Het virus gaat nu via de gliacellen, dus a.h.w. langs de perifere
zenuwen, centripetaalwaarts naar de hersenen; aldaar vindt dan virus-
vermeerdering op grote schaal plaats, waarna dit geproduceerde virus nu
in omgekeerde, dus centrifugale, richting zich verspreidt, en aldus in de
speekselklieren terecht konU. Bij drachtige dieren bereikt het virus ook het
embryo.

Pathologische anatomie.

De sectie is weinig kenmerkend. Men lette evenwel op de volgende drie
punten:

a. een maag, die geen voedsel, doch wel allerlei vreemde voorwerpen be-
vat is zeer verdacht van rabies;

-ocr page 611-

b. als bij histologisch onderzoek in de hersenen (meestal het duidelijkst in
de ammonshoorn) celinsluitsels van Negri gevonden worden, mag
daarop de diagnose gesteld worden (het niet vinden van de N e g r i \'sehe
lichaampjes sluit de diagnose nog niet uit, men dient dan proefdieren,
muizen, intracerebraal met het verdachte materiaal in te spuiten).

c. De fluorescentie-antilichaamproef.

Deze proef, die ook bij andere virusziekten wordt toegepast, is als volgt.
Het is mogelijk de immuunstoffen in serum, gericht tegen rabies, te
binden aan een fluorescerende stof. Als men nu twee hersencoupes, de
één van een gezond, de ander van een dol individu in het fluorescend
gemaakt serum legt en na enige tijd uitwast, dan zal de coupe van het
gezonde individu onder de microscoop geen, de andere coupe wel
fluorescentie te zien geven. In dit laatste geval hebben de fluorescerend
gemaakte antiserumdeeltjes zich gehecht aan de virusdeeltjes van de
coupe. Vindt men dus bij deze test fluorescentie, dan moet de diagnose
rabies gesteld worden.

De incubatietijd.

\\\'olgens R i f e (1959) is deze minimaal 12 dagen, maximaal 1 jaar, meestal
zou de incubatietijd tussen de 15 en 25 dagen liggen.

Manninger (1959) geeft op, dat een enkele maal op het einde der
eerste week na de beet de eerste symptomen verschijnen, de incubatietijd
kan echter ook meerdere maanden zijn. Incubatietijden van 1 of 2 jaar
acht Manninger onwaarschijnlijk, althans onbewezen. Bij carnivoren
is de incubatietijd volgens hem gemiddeld 2 ä 6 weken, hij planteneters
1 i\\ 3 maanden.

De klinische verschijnselen bij de hond.

Gedurende de incubatietijd ziet men bij de gebeten hond totaal geen afwij-
kingen, totdat men bemerkt, dat het dier iicii anders gaat gedra.gen dan ge-
woonlijk.

Het merkwaardige hierbij is, dat een hond, die van nature erg levendig en
nogal zelfbewust in al zijn doen is, te stil gaat worden. Hij wordt droef-
geestig en overdreven sentimenteel, door b.v. aan één stuk door er om te
vrageit aangehaald te worden. Hij wordt kruiperig onderdanig voor de
gezinsleden en tenslotte verbergt hij zich in een hoek en komt daar niet
meer uit als men hem roept. Maar een hond, die van nature erg rustig en
kalm is, gaat meestal net andersom doen; deze hond gaat overdreven druk
doen, wordt zeer rusteloos, zoekt telkens een andere ligplaats, gaat krab-
ben met de voorpoten enzovoorts.

Vele honden krijgen naarmate de ziekte voortschrijdt, tenminste dat me-
nen wij te moeten aannemen, angstige visioenen, want ze happen onver-
wacht zonder enige reden met loze beten in de lucht (dit noemt men het
zogenaamde „vliegenhappen", terwijl er toch geen vlieg te zien is); boven-
dien kunnen ze, zonder dat er een aanwijsbare reden voor is, met lang-
gerekte jankgeluiden gaan huilen.

Als het zover gekomen is, gaan de zieke honden prikkelbaar worden en
schrikachtig. Zij kunnen om allerlei kleine oorzaken, waar ze vroeger niets
om gaven, plotseling gaan bijten. Het onverwacht aansteken van licht, het
geluid van een dichtslaande deur, het laten vallen van een voorwerp met

-ocr page 612-

wat lawaai, kunnen de honden in grote opgewondenheid brengen, waar-
bij de oogpupillen zich verwijden en door een kramp van het middenrif
benauwdheid van de ademhaling ontstaat.

In vele ge\\allen blijken de honden jeuk te hebben op de plek waar zij ge-
beten zijn, ze likken er veel aan en soms knagen ze er zó aan, dat ze de
bijtwond vergroten tot op het bot. De eetlust en vooral het smaakgevoel
wordt volkomen verstoord. Tenslotte weigeren ze alle normale voedsel,
maar ze slikken wel allerlei rare voorwerpen als stenen, stukken hout,
eindjes touw enz. naar binnen.

Ondertussen gaat de toestand van prikkelbaar zijn over in het razernij-
stadiurn. Ze krijgen hierbij de neiging, naar ons toeschijnt volkomen doel-
loos, te gaan zwerven. Opgesloten honden proberen dan alles om te ont-
snappen, door bijvoorbeeld hun hok met hun bijten af te breken. Als het
de hond gelukt te ontsnappen, legt bij vaak grote afstanden af, meestal
keert hij niet naar huis terug. Er is een geval bekend dat een dolle hond
240 km aflegde.

De hond, ook de hond, die zulks vroeger nooit zou doen, kan nu zonder
enige aanleiding tot de aanval overgaan bij het zien van andere honden en
vaak ook bij het zien van andere dieren en de mens. Ontstaat er een ge-
vecht, dan vecht de normale hond blaffend en grommend, maar de dolle
hond zwijgend. Dit komt o.a. hierdoor, doordat bij de dolle bond grote
gevoelloosheid ontstaat, ontvangt hij dus zelf pijnlijke beten dan voelt hij
dat niet en blaft of jankt hij daarom ook niet. Bovendien kan er reeds
verlamming van de stembanden zijn ontstaan.

Opgesloten honden kunnen zeer hevige razernij-aanvallen krijgen; ze
springen woest tegen de afsluiting op en bijten soms zo heftig in de af-
rastering, dat ze zich de tanden en de kiezen, ja zelfs de kaken breken. De
aard van het voorwerp beïnvloedt het bijten niet, zodat men ze zelfs kan
laten bijten in een roodgloeiende ijzeren staaf als men ze die voorhoudt.
Deze aanvallen van razernij kunnen afwisselen met perioden van uit-
putting, waarna het stadium van verlannning intreedt.
Deze verlammingen ontstaan doordat de zenuwen door het virus bescha-
digd zijn. Zo komt het dan dat o.a. de keelspieren verlamd geraken, waar-
door het dier aan\\ankelijk zeer abnormale langgerekte huilgeluiden gaat
maken en ook niet meer vlot kan drinken; drinkt bet dier toch b.v. water,
dan verslikt het zich. Hierna wordt het dier bang voor water (watervrees).
Tenslotte ziet men dat de onderkaak verlamd omlaag gaat hangen. Som-
migen menen, dat watervrees zich alleen bij de mens zou voordoen, doch
Manninger noemt dc watervrees bij de hond wèl. Van belang is nog
op te merken, dat vele dolle honden een sluwe, loerende, tevens toch iets
dromerige, weemoedige blik krijgen; die vreemde blik wordt soms nog ver-
ergerd door tevens scheel gaan zien.

Verloop en prognose.

Rabies verloopt meestal binnen 4-7 dagen dodelijk, soms is de duur korter
(slechts 2 dagen) doch ook wel langer, 11 of 13 dagen; zelfs wordt in dc
literatuur 27 dagen vermeld.

Manninger merkt op naar aanleiding van bet gevaar van beten van
herstelde honden: „Folglich darf man daraus, dass ein Tier, das ein anderes
oder einen Menschen gebissen hat, am Leben geblieben ist, nicht mit abso-
luter Sicherheit darauf schliessen, dass sein Biss nicht infektiös war".

-ocr page 613-

Op grond hiervan sta ik op hetzelfde standpunt wat een zeer en-aren col-
lega destijds op Java innam: in verdacht gebied dient een gebeten persoon
altijd geënt te worden, ook al is de hond schijnbaar nog zo normaal.
Er zij nog op gewezen, dat tal van auteurs mededelingen hebben gedaan
van honden,
die nog leefden toen de door deze honden geheten personen
reeds aan rabies gestorven waren.

In dit verband is het nuttig erop te wijzen, wil men de meest veilige weg
volgen, dat het niet \\oldoende is een bond die verdacht is in observatie te
nemen en daarbij alleen maar af te wachten of hij al dan niet doodgaat.
Men dient tijdens dit afwachten nuüzen intracerebraal met het speeksel
van de hond in te spuiten. Het gelukt dan in vele gevallen de diagnose met
zekerheid aan de nuiis te stellen, vóórdat de hond dood is, of zeer ver-
traagd dood gaat, of eventueel (doch dit is zelden) hersteld is.

Differentiaaldiagnose.

Bij vrijwel alle diersoorten kan het ziektebeeld incompleet en dus on-
duidelijk zijn; bovendien kunnen allerlei afwijkingen, gelijkende op dol-
heid zich voordoen tengevolge \\an andere oorzaken. Hiervoor zij men
\\erwezen naar de vakliteratuur.

Dolheid bij andere dieren.

Het zou te \\ er \\oeren de dolheid der \\ ele verschillende diersoorten te be-
spreken; men zij hiervoor verwezen naar de uitgebreide vakliteratuur. In
pi incipe komt het ziektebeeld, ook dat van de mens, met dat van de hond
overeen.

Wel is voor ons van belang bierbij even op te merken, dat de vos het be-
langrijkste dier is wat betreft het vóórkomen van rabies onder het wild,
zoals in Duitsland op grote schaal het geval is.

Behandeling.

Rabies bij reeds zieke individuen is niet te beïn\\ locden. Wel is de bijtwond
te behandelen en dat is zeer belangrijk.

Over de beet van een bond, waarvan vaststaat, dat het dier werkelijk
hondsdolheid heeft, kan het volgende opgemerkt worden:

1. Zojuist werd reeds betoogd, dat het virus met het speeksel uitgescheiden
wordt. Dit is in zijn algenieenbeid volkomen juist, de natuur is er dui-
delijk op gericht om via het speeksel, via de beet dus, bet dolheidvirus
te laten doorbestaan; doch die virusuitscheiding met het speeksel is er
niet altijd.

Een dolle hond kan (in vele gevallen is dit zo) met virus besmet speeksel
hebben, doch het speeksel kan ook, zelfs tijdens de bijtwoede, virusvrij
zijn. Hieruit blijkt dus, dat cen beet \\an een dolle hond volkomen
on-
gevaarlijk
kan zijn wat betreft het doen ontstaan van dolheid.

2. Als het speeksel virus bevat, kan dit zeer weinig zijn, zó weinig, dat de
kans van ziek worden gering is; of omgekeerd juist
veel virus bevatten,
met natuurlijk een grotere kans van dol worden.

3. Van vrijwel alle virussen weet men, dat de virulende ervan de ene keer
veel groter is dan de andere keer. Is het dolheid-virus aan de milde kant,
dan zijn de kansen voor de gebetene gunstiger dan in bet omgekeerde
geval.

-ocr page 614-

4. Van grote invloed is de hoeveelheid speeksel die in de bijtwond terecht
komt. Weinig speeksel is natuurlijk gunstiger dan veel. In verband hier-
mede is het interessant erop te wijzen, dat duidelijk gebleken is, dat een
beet rechtstreeks in het blote lichaam, meer kans op het ontstaan van
dolheid geeft, dan een beet door een laag kleren heen; in dit laatste
geval hebben de tanden a.h.w. het speeksel aan de kleren afgeveegd,
voordat ze in de huid en onderliggende lagen drongen. Een dolle hond
zal dus onder vrijwel naakt lopende inboorlingen in een warm land veel
meer slachtoffers maken dan b.v. in een koud gebied, waar een dolle
hond, warm, dik geklede mensen bijt.

Precies hetzelfde heeft men vastgesteld bij schapen. Een dolle hond,
welke in razernij links en rechts gebeten heeft in een kudde pas ge-
schoren schapen, maakt veel meer slachtoffers dan in een koppel schapen
met een dikke vacht wol.

5. Het karakter van de wond is van invloed.

Een oppervlakkige, sterk bloedende wond is als aan de gunstige kant te
beschouwen. Doordat de wond niet diep is en sterk bloedt, is er grote
kans, dat al het virus of vrijwel al het virus, door bet bloed naar buiten
weggespoeld wordt. Maar een diepe bijtwond, bijvoorbeeld door een
grote hond (of wolf!) aangebracht, of de weinig bloedende, vrij diepe
steekwonden aangebracht door katteklauwen, zijn veel gevaarlijker.
(Omdat een poes zich met de pootjes en speeksel wast, zijn de katte-
nagels even gevaarlijk als de tanden.)

6. Van zeer grote invloed is de plek waar de wond werd aangebracht.
Hierbij moet men vooral op de volgende twee omstandigheden letten;

a. de afstand naar de hersenen en

b. cle rijkdom aan zenuwuiteinden van de gebeten plek.

Daar het virus zich naar de hersenen moet begeven om zich te kunnen
venneerderen, is een grote afstand van de wond naar de hersenen gim-
stiger dan een korte afstand.

Het virus kan alleen maar naar binnen dringen via de gliacellen van de
door de beet blootgelegde zenuwen. Daar waar maar weinig zeiuiwen
zijn is de kans van naar binnen glippen \\ an veel virus kleiner dan waar
zeer vele zenuwen zijn. Een beet in de lip is dus dubbel gevaarlijk, omdat

a. de afstand tot de hersenen zeer kort is, en

b. onze zo gevoelige lippen buitengewoon rijk aan zenuwen zijn.
Een beet in de hiel is gunstiger, daar is

a. de afstand naar de hersenen \\ eel groter en

b. er zijn veel minder zenuwen.

Het zal op grond \\an deze zes voornaamste pimten, die betrekking hebben
op de beet, wel duidelijk zijn, dat de kansen op dol worden, dan wel gezond
blijven,
zeer uiteen kunnen lopen. Vóórop staat, dat een mens, gebeten door
een dolle hond, zich toch altijd met spoed moet laten behandelen. Natuurlijk
zal hij zich ongerust maken, doch die ongerustheid mag enigszins verzacht
worden door het feit, dat
lang niet elke beet tot dolheid leidt, omdat er ver-
schillende, voor de gebetene gunstige omstandigheden kunnen zijn. De kans
op dol worden na een beet van een dolle hond is volgens sommige statis-
tieken ongeveer 20%.

Hoe staat het met de overige uitscheidingsprodukten?

Men heeft kunnen vaststellen, dat het virus ook in tranen, een enkele maal
1478

-ocr page 615-

in de mell; en een zeer enkele maal in de urine kan voorkomen, doch dit
heeft \\oor de verspreiding der dolheid praktisch geen betekenis.

Een belangrijk punt voor de gebeten mens is wat hij moet doen.
Het antwoord is: waarschuw onmiddellijk Uw dokter, maar begin onder-
tussen allereerst met de wond rijkelijk te laten bloeden en ga daarna de
wond langdurig uitsojjpen met zeepsop, doodgewone zeepsop, liefst ge-
maakt met een flinke hoeveelheid
groene zeep. Vroeger werden de bijt-
wonden wel uitgebrand of met zeer scher]3e sloffen bewerkt; gebleken is
echter, dat de resultaten van 20 minuten lang wassen met zeepsop beter (en
tevens veel minder onaangenaam) zijn. Niet alleen reinigt het zeepsop
enorm, maar tevens worden alle virusdeeltjes snel gedood door de zeep;
zeepsop werkt op virussen veel beter ontsmettend dan de meeste andere
ontsmettingsmiddelen.

De medicus kan daarna de wondbehandeling overnemen en zal U over
de inenting adviseren.

De enting na de infectie.

Dat men in tegenstelling met de meeste infectieziekten, na de infectie alsnog
een enting kan verrichten is te danken aan de geniale experimenten van
Pasteur die het „straatvirus", door met dit virus hersenpassages bij
konijnen te verrichten, veranderde in „virus fixe". Door deze konijne-
hersenpassages veranderde het virus van karakter en wellicht ook van
grootte; men heeft n.1. door middel \\an elektronenfoto\'s kunnen vaststellen
dat de virus fixe deeltjes kleiner zijn.

De opvallende nieuwe eigenschappen van het virus fixe zijn:

a. het virus fixe blijkt bij intracerebrale toediening veel virulenter te zijn,
dit geldt niet alleen voor het konijn, doch ook voor hond, schaap, geit,
]3aard enz. Men kan dan ook virus fixe „oogsten" bij al deze diersoorten.

b. het virus fi.xe blijkt, subcutaan toegediend, juist veel minder virulent te
zijn geworden; dit geldt voor de
mcns cn alk\' daarojD onderzochte dieren,
zelfs ook voor het konijn.

Veel later is men tot virus fixe bereiding kunnen komen langs een andere
weg, n.1. door een uit de mens geïsoleerde rabies stam (Flury) via hersen-
passages in kuikens en daarna in kippc-embryonen verder te kweken.
.Mie thans toegepaste entmethoden hebben als basis óf het hersen virus fixe
of het ge„avianiseerde"-virus fixe.

Kan een geïmnmniseerde hond, een hond dus die profylactisch geënt is,
doch daarna door een dolle hond gebeten wordt, virusdrager-virusuitschei-
der worden?

Enkelen menen van wèl cn zij baseren deze mening op de proeven van
B i n d r i c h en S c h m i d t (1 958). Deze proeven werden verricht in de
D.D.R. (Riems) en afgesloten in 1957.

In hun eerste proef werden zes honden ingespoten met volvirident straat-
virus en wel 10 cm^ van een 20% hondehersensuspensie; een enorme virus-
dosis dus. Deze 2 cm^ hersenmateriaal werd in de neknmscidatuur ingespo-
ten (dus vlak bij de speekselklieren en de hersenen). De zes honden stier-
ven aan rabies. Tijdens de ziekte werden met urine en speeksel van deze
honden, muizen intracerebraal ingespoten en toen bleek dat van de 2e

-ocr page 616-

tot en met de 14e dag het virus in het speeksel, en van de 3e tot en met de
16e dag in de urine aan te tonen was.

In een tweede proef werden honden met een suspensie van muizehersenen
ingespoten, waaraan nog was toegevoegd een extract van rattetestikels
(het is bekend dat een dergelijk extract bet aanslaan van een infectie sterk
bevordert). Ook nu weer bleek, via muizen en caviae, dat de urine en het
speeksel virushoudend werden (reeds op de 2e dag; de laatste dag dat het
virus in de urine werd aangetoond was de 11e dag, bij het speeksel was het
de 5e dag).

Ook met de „Flury" stam kon virusuitscheiding met urine en speeksel op-
gewekt woorden.

In de daarna volgende experimenten werden de proefhonden eerst ge-
vaccineerd. De eerste proef werd verricht met 9 honden (drie groepen van
drie). Ze werden met een 35% Flury-virus bevattende kippeëmbryo-sus-
pensie ingespoten (5 cm^^ in een achterbeen). Bij deze honden werd later
10 cm3 van een 10% Pitman-Moore-muize-hersensuspensie ingespoten, die
10% rattetestikelextract bevatte. De tijden tussen de le en 2e inspuiting
van de drie groepen waren 4, 6/2 en 8/2 maand. Van de eerste groep stierf
er geen, van de tweede groep twee, van de derde groep stierf er geen,
doch alle drie werden ziek, waarna ze herstelden. Bij alle drie groepen kon
virusuitscheiding vastgesteld worden (speeksel 2e-14e dag; urine 2e-12e
dag).

Een soortgelijke tweede proef werd genomen bij 6 honden. Na de inspuiting
met Flury-virus (als in de vorige proef) werden de 6 honden met 10 crn^
van een 20% honclehersensuspensie ingespoten en wel in de nekmuscula-
tinir naast de wervelkolom. Tevens werden nog 6, niet vooraf met Flin7
vaccin ingespoten, honden ingespoten. Van de vooraf geënte groep stierf
er niet één, 5 bleven klinisch gezond, één is ziek geweest. De andere groep
ging in zijn geheel snel aan rabies ten gronde.

Van de groep geënte honden werd virusuitscheiding aangetoond in het
speeksel op de 3e t.m. de 16e dag, in de urine ojj de 2e t.m. 13e dag.
In een derde proef werden 9 honden (drie groepen van drie) met het ge-
phenoliseerde aether\\ accin volgens H e m p t geënt. Deze drie groepen wer-
den resp. twee, vier of zes maal ingespoten. Daarna volgde dan later een
injectie met Pitman-Moore virus. (Ook weer met toevoeging van ratte-
testikelextract.)

Van de eerste groep (2 x ingespoten) stierf er één aan dolheid, \\an de 2e
groep (4
X ingespoten) stierven er twee; één werd ziek, doch herstelde.
Van de derde groep (6 x ingespoten) werd geen enkele ziek.
Ook bij deze honden werd virusuitscheiding waargenomen (urine positief:
2e dag t.m. 16e dag; speeksel positief: 2e t.m. 17e dag).
Voor het opsporen van het virus in urine en speeksel werden in deze proe-
ven bij in totaal 50 honden, 10.000 muizen gebruikt en 3.000 caviae.
De conclusie van de auteurs luidt als volgt:

„Damit dürfte der Beweis erbracht sein, dass es bei Tollwut zur Virus-
Ausscheidung seitens der Impflinge nach ihrem Kontakt mit Virus kom-
men kann\', na welke conclusie ze zich uitspraken tegen de profylactische
immunisatie van carnivoren.

Naar aanleiding hiervan werd in de Nederlandse pers door een lid van de
provinciale gezondheidsraad van Noord-Holland niet klem gewaarschuwd

-ocr page 617-

tegen het enten van honden, immers deze honden zouden virusdragers
kunnen worden en aldus gevaar opleveren
\\\'00r de volksgezondheid.

Ik veroorloof mij over het vorenstaande het volgende op te merken. In
hun eindconclusie hebben B i n d r i c h en S c h m i d t (1958) het woord
„Kontakt" op onbedachtzame wijze gebruikt. In hun proeven werd geen
enkele normale contact-infectie toegepast. Een groot hiaat in deze overi-
gens zeer interessante en nauwgezet uitgevoerde proeven is, dat men test-
infecties heeft verricht, die buitensporig ver van de natuurlijke infectie af-
staan. Het is mijns inziens daarom wetenschappelijk gezien volkomen on-
verantwoord om deze, om zo te zeggen met kunst en vliegwerk tot virus-
uitscheiding gedwongen proefhonden te vergelijken met geënte honden, die
daarna met het virus in „contact" zouden komen.

Het in aanraking komen van een geënte hond met virus zoals dat in ge-
wone omstandigheden zou kunnen gebeuren, is, praktisch gezien, volkomen
onvergelijkbaar met het geven van een enorme virusdosis achter in de nek,
vlak bij het centrale zenuwstelsel en vlak bij de speekselklieren, daarbij nog
geholpen door de spreidingsstoffen van rattetestikels. Het is mijns inziens
dan ook onjuist, op grond van deze proeven, een groot gevaar te gaan
zien in geënte honden voor de volksgezondheid.

Maar, zal men dan misschien zeggen, op grond van deze proeven bestaat
er theoretisch gezien, toch wel enige mogelijkheid, dat geënte honden virus-
verspreiders zouden kunnen worden. Zeker, men kan zich dat afvragen
en daarom juist is het zo jammer, dat de auteurs hun geënte honden in
plaats van zo enorm geforceerd te besmetten niet in „contact" gebracht
hebben met het virus,
Id.v. door ze te laten bijten door een dolle hond, waar-
bij het virus in het speeksel \\\'ooraf werd aangetoond.

Hoe abnormaal zwaar de kunstmatige infectie \\\'erricht door B i n d r i c h
en S c h m i d t wel was, bewijzen hun eigen resultaten n.1. het steeds en
bovendien zeer snel (op de 2e dag) positief worden \\ an de urine, itnmers
onder normale omstandigheden, volgens de literatuur, is de urine meestal
negatief. Het reeds op de 2e dag teruggeven van het in enorme hoeveelheid
ingespoten virus wijst er volgens mij ook niet op dat de hond echt virus-
producent en daardoor uitscheider is geworden. Een echte virusintscheider
maakt men niet binnen 48 uur. Het uitscheiden van virus op de 2e dag is
eenvoudig op te vatten als een naar buiten lekken van de enorme hoeveel-
heid
ingebracht virus.

Is men geneigd over een en ander net zo te denken als B i n d r i c h en
Schmidt, dan is alleen een enting (zonder besmetting daarna) ook al
genoeg om virusuitscheiders (zie hun eerste proeven) te krijgen.

En wat te denken van de geënte mens als hij daarna toch nog eens ge-
beten wordt door een dol dier? Wordt die dan ook niet evenzeer virus-
uitscheider en een gevaar voor de volksgezondheid: zal hij niet direct ge-
ïsoleerd moeten worden en zijn vrouw en kinderen zonder afscheidskus
(virushoudend speeksel!) vaarwel moeten zeggen?

Gelukkig leren de praktijkgegevens wel anders. Tal van prominente vete-
rinairen propageren ter bestrijding van de dolheid de profylactische enting
der honden. In een Nederlands dagblad werd geschreven „Tot nu toe sug-
gereerden alleen uitingen van leken, dat vaccinatie van alle honden en
katten hét aangewezen middel zou zijn in de strijd tegen de hondsdolheid".
In zijn algemeenheid is dit volkomen onjuist.

-ocr page 618-

M a n n i n g e r, de bewerker van bet wereldvermaarde in vele talen uit-
gegeven werk over de Pathologie en Therapie van de huisdieren, schrijft:
„Die präventieve Schutzimpfung kommt fast ausschliesslich nur bei Hunden,
hauptsächlich zwecks Herabsetzung der Ansteckungsgefahr für Menschen, in Be-
tracht.

„in neuer Zeit wird die Schutzimpfung der Hunde schon an vielen Orten in aus-
gedehntem Masse und in einzelnen Staaten sogar obligatorisch angewendet......

„Praktische Erfahrungen an Hunden, deren Zahl nun schon in die Millionen geht,
beweisen, dass die geimpften Tiere, weder für Menschen noch für Tiere gefähr-
lich sind, indem die Impfstoffe Erkrankungen an der Wut auch dann nicht be-
dingen, wenn sie ein lebendes fixes Virus enthalten."

„Ein durchschlagender Erfolg lässt sich durch eine obligatorische, alljährlich (bei
Verwendung der avianisierten Vakzine nach der 1954 geäusserten .Ansicht eines
Sonderausschusses der Weltorganisation des Gesundheitswesens allerdings nur drei-
jährlich) zu wiederholende Impfung sämtlicher Hunde eines grossen Gebietes er-
zielen."

Rife schrijft (1954):

„Acute epizootics can be controlled by prompt vaccination of at least eighty per-
cent of the dogs in the immediate area involved."

In bet werk van Hussel: „Spezielle Tierseuchenbekämpfung" dat in
1960 verscheen (dus na de publikatie van Rindrich en Schmidt,
waarbij wij tevens opmerken dat het Instituut van Hussel ook in de D.D.R.,
n.1 in Leipzig ligt) kan men lezen:

„Wo reine Hundctollwut, also diese praktisch ausschliesslich herrscht, ist eine
allgemeine präinfektionelle Wutschutzimpfung der Hunde vertretbar."
In één der meest gebruikte boeken van de laatste tijd, „The infectious di-
seases of domestic animals" van Haganen Bruner (Fourth edition,
1961), lezen wij:

„In the United States vaccination of dogs has come to be an important factor in
the control of rabies. If the reservoir of the infection is in dogs, the method is
very effective. This has been demonstrated in many localities by the rapid sub-
sidence of the disease after mass vaccination of dogs. When the reservoir is in
animals other than dogs, vaccination of dogs is effective in preventing the
establishment of a secondary reservoir in that species".

In zowel veterinaire als in medische kringen, schrijft de wegens zijn ont-
dekking van de enting tegen difterie bij de mens met anatoxin, vermaarde
Franse dierenarts R a m o n, in de
Miinchener Medizinische Wochenschrift
(1956):

„Als weiteres Hilfsmittel im Kampf gegen die Tollwut steht uns die prophylak-
tische Schutzimpfung des Hundes zur Verfügung".

In 1957 werd het derde rapport over rabies van de W.H.O. gepubliceerd
(Expert Committee on rabies, third rapport). Daarin lezen wij:

„The Committee recommends that the following specific measures be applied in
affected regions:

1. Registration, licensing, and taxation of dogs,

2. Elimination of stray animals,

3. Restraint of dogs while the control campaign is under way,

4. Mass vaccination of dogs free of charge,

5. Provision of adequate facilities for diagnosis,

6. Reduction in number of wildlife species where these are a reservoir of the
disease,

7. A continual and energetic publicity campaign".

The three basic principles of an operational programme are elimination of stray
dogs, canine vaccination and control of wildlife vector pupulations.

-ocr page 619-

In 1960 hield M i 1 a n N i k o 1 i t s c h te Zagreb een voordracht voor vete-
rinairen in het kader van een ctirsus georganiseerd door de W.H.O. N i k o-
1 i t s c h meent dat men in \\ ele gevallen de veterinaire politic-maatregelen
niet volledig kan doorvoeren

„Deshalb soll daneben noch die präventive Impfung der Hunde vorgenommen
werden...... und zwar bei sämtlichen Hunden. Man sollte prinzipielle Bescheini-
gungen über jede Hundeimpfung ausstellen, damit man bei durch Hundebiss ver-
letzten Menschen leichter feststellen kann, ob die Verletzung nicht etwa von einem
geimpften Hund herrührt, da man diese Personen dann von der antirabischen
Impfung befreien könnte".
Dit laatste is dus pal tegenovergesteld aan de vrees, gegrond op de proeven
van B i n d r i c h en Schmidt, dat geënte honden virusdragers kunnen
zijn.

N i k O 1 i t s c h zegt verder nog:

„Noch eine grössere Verwirrung verursachte die Ansicht, dass sich das Virus
fixe bei Hunden wieder in das Strassenvirus umwandeln könne und dadurch die
geimpften Hunde zu Virusträgern und schliesslich zu Verbreitern der Seuche wür-
den. Diese Befürchtung hat sich bei der späteren Durchführung der Hundeimpfung
nicht bewahrheitet.

Da man auch heute noch ab und zu über die Möglichkeit von Virusträ.gern bei
Tieren spricht, sei betont, dass es bei der Tollwut keine Virusträger gibt, wenig-
stens nicht in dem Sinne, wie wir das bei gewissen bakteriellen Erkrankungen ge-
wöhnt sind. Es trifft zu, dass das Virus lange im Gehirn des Menschen oder Tieres
persistieren kann, allerdings nur im inaktiven Zustand. Vom Gehirn wird das
Virus in zentrifu.galer Richtung nach den Speicheldrüsen befördert, was jedoch
erst dann erfolgt, wenn das Virus im Gehirn durch Vermehrung eine gewisse
Titerhöhe erreicht hat."
Uit de bovengenoemde en nog vele andere literatuur blijkt, dat er miljoenen
honden geënt zijn zonder dat er ooit een mens dol van werd, zodat volgens
mij er geen enkele reden is de profylactische enting van honden na te laten.
Hoe belangrijk de enting der honden is
blijkt uit de mededeling van N i k o-
1 i t s c h over de ervaringen in Joegoslavië, waar het, zo zegt hij „ims ge-
lungen ist allein mit Impfungen ohne besondere veterinär-polizeilichen
Massnahmen den grössten Teil Jugoslawiens von der Tollwut zu befreien".

De enting van dieren.

Men kan allereerst een onderscheid maken tussen de

a. postinfectionale enting en de

b. profylactische enting.

Een enting na een beet zal in vele landen niet toegestaan zijn, omdat een
door een dol dier gebeten dier op.geruimd zal worden. 0\\ er de werkz.aam-
heid van dergelijke „curatieve" entingen wordt verschillend geoordeeld. In
het algemeen zouden de goede kansen van een enting na de beet bij de mens
gunstiger liggen dan bij de meeste dieren.

\\Vat de profylactische enting betreft, hierbij dient men te onderscheiden:

a. de dode, althans inactieve entstoffen en

b. de levende entstoffen.

De a entstoffen geven een vrij korte, de b entstoffen een langduriger immu-
niteit.

Het belangrijkst zijn dus de levende entstoffen. Zij bevatten alle levend virus
fixe, dat al naar de toegepaste methode beïnvloed geworden is door ver-

-ocr page 620-

schillende bewerkingen als b.\\\'. droging (Pasteur), verdunning (Högyes),
vriesdroging, behandeling met aether, phenol enz.

Om op grote schaal bij dieren praktisch bnakbaar te zijn is een entmethode
gewenst, waarbij met één injectie (doch wel na een bepaalde tijd te her-
halen) kan worden volstaan.

De World Health Organization liet in 1960 haar vierde rapport van haar
„Expert Committee on Rabies" verschijnen. Hierin worden vrij uitvoerig
de goede resultaten \\ ermeld, verkregen bij de immunisatie van honden met
het Flury-kuiken-embryo virus en wel het LEP vaccin. LEP wil zeggen dat
een virusstam gebruikt moet worden, die weinig eipassages (/ow egg /mas-
sages) beeft doorgemaakt. De later ontstane immuniteit is zeer goed en
duurt minsten drie jaar. Ook andere (levende en geïnactiveerde) entstoffen
zijn bruikbaar gebleken, doch de \\-accinaties met deze entstoffen dienen
jaarlijks herhaald te worden.

Voor pups beneden de drie maanden moet HEP Fhnyvirus (virus dat \\eel
eipassages gehad heeft: /ngh
egg passages) gebruikt worden, dus milder
Flury virus, waarna dan op wat oudere leeftijd de LEP-Flury enting moet
volgen.

Plet W.H.O. commitee verklaart (1957) dat zowel expemnenleel als door
praktijkgegeven
gebleken is, dat deze entmethoden met gemitigeerd levend
virus veilig zijn.

Het speeksel van de geënte hond is ongevaarlijk voor de mens.

„The Committee also found no evidence for the existence of alleged street
virus carrier state in dogs immunized with rabies vaccine".

Men is tot deze uitspraak gekomen „after carefid examination of experi-
mental and field data". Mede op grond \\an deze verklaring kunnen we,
meen ik, de uitspraak van B i n d r i c h en S c h m i d t terzijde leggen.

De enting bij de mens.

Een beoordeling biervan ligt buiten mijn terrein.
Ik volsta er daarom alleen mee dat:

na een beet de beste resultaten \\crkregen worden door cen gecombineerde
behandeling met immutmserum en entstof. En voorts dat cen entstof in ont-
wikkeling is, vvaar\\an de \\erwachtingen gunstig zijn; het is een geïnacti-
\\cerd \\irus vaccin gemaakt van eendeëmbryonen, welk vaccin bijna veilig
is wat betreft het ontstaan van de gevreesde allergische enccfalitis.

Over de rabies-bestrijding meen ik de volgende samenvatting tc moeten
opstellen:

a. Het allereerste, zeer belangrijke punt is het geven van goede voorlichting
en het bijbrengen van stipte discipline van de bevolking.
Als de bexolking er weinig van begrijpt en domweg dwars tegen alle
maatregelen ingaat, zal de bestrijding mislukken. Tot nu toe is m.i. in
Nederland, na de gevallen die zich in Amsterdam hebben voorgedaan,
de voorlichting en opvoeding tot discipline beneden peil gebleven. Voor-
al ook de pers dient opgevoed te worden teneinde plaatsing van soms
dwaze cn paniekverwekkende stukken te voorkómen. Het parool voor
de couranten dient te zijn, dat men de lezers door middel van werke-
lijke deskundigen \\oorlicht.

-ocr page 621-

b. het toepassen van de daarvoor in aanmerking komende veterinaire po-
litiemaatregelen;
waaraan onmiddelHjk toegevoegd moet worden, dat
deze alleen dan waarde hebben als de bevolking ervan doordrongen is
dat overtredingen onverbiddelijk zwaar gestraft zullen worden,
e. Zodra zich rabies ergens soordoet onmiddellijk
alle honden in het be-
smette gebied
op Rijkskosten laten enten. In andere landen is gebleken,
dat als men de hondeneigenaars hierin vrijlaat, een veel te laag percen-
tage honden geïmmuniseerd wordt. Al naar gelang van de omstandig-
heden kan om het besmette gebied nog een brede z.g. ring-enting wor-
den \\erricht of een enting gelast worden van alle honden in het gehele
land.

In het algemeen is de hond bij rabies het gevaarlijke dier; in de meeste lan-
den is in 95% van de gevallen een hondebeet de oorzaak, in 3% van de
gevallen is het de kat, de overige 2% is afkomstig van andere diersoorten.
Al naar de omstandigheden kan het nodig zijn de bestrijding tevens ook
tegen de kattenrabies te richten.

S.AMENVATTING.

De recente gevallen van rabies in Nederland waren aanleiding een overzicht over
deze ziekte samen te stellen. In het bijzonder werd ingegaan op de profylactische
vaccinatie van honden. Uit de betreffende literatuur blijkt dat deze vaccinatie geen
virusdragers, die de ziekte zouden kunnen verspreiden en de mens in gevaar zouden
kunnen brengen, doet ontstaan. De vaccinatie is van grote waarde voor de be-
strijding.

LITERATUUR

B i n d r i c h, H. und Schmidt, U.: Beitrag zur V\'irusausscheidung bei gesunden
und immunen Hunden nach experimenteller Infektion mit dem Tollwutvirus.
Arch. exp. VetMed,, XII, n958).
Expert Committee on Rabies: Third Report IQ,")?, Fourth Report 1960.

World Health Organization, Technical report series no. 121 en no. 201.
H a g a n, W. A. and B r u n e r, D. W.: The infectious diseases of domestic animals.

Fourth Edition, 1961. (London, Baillière, Tindall and Cox).
Hussel, L.: Spezielle Tierseuchenbekämpfung. (Veb. Gustav Fischer Verlag, Jena,
1960).

Levaditi, C. et L é p i n e, P.: Les Ultravirus des Maladies Humaines, Tome I,

1938. (Librairie Maloine, Paris).
M a n n i n g e r, R.: Spezielle Pathologie und Therapie der Haustiere. (Hutyra,

Marek, Manninger, Mócsy), lie druk, Deel I, 1959.
Nikolitsch, M.: Die Tollwut. (Gustav Fischer Verlag, Stutgart, 1961).
(Vor-
lesungen, gehalten im Rahmen des internationalen\\WHO\\Fortbildungskurses für
Veterinäre in Zagreb, 1960).
Ramon, G.: Theoretische und praktische Probleme der Tollwut. Münch. Med.

Wschr., 98, 1025, (1956).
Rife, C. C.: Rabies (blz. 693 van Canine Medicine. See. Ed. 1959) (.American
Vet. Publ. Inc., Santa Barbara, California).

-ocr page 622-

Verdere onderzoekingen over Salmonella in

slachthuizen en bij normale slachtvarkens.1!

Further studies on Salmonella in slaughter-houses and
normal slaughter pigs.

door E. H. KAMPELMACHERi), P. A. M. GUINÉE^),
K. HOFSTRA») en A. VAN KEULEN^)

Uit het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Utrecht.
Van de Veterinaire Hoofdinspectie van de Volksgezondheid,
\'s-Gravenhage.

I. Onderzoekingen over het voorkomen van Salmonellakiemen in
vlees, organen, lymfklieren en faeces van normale slachtvarkens.

I. Studies on the presence of Salmonellae in meat, organs, lymphnodes
and faeces of normal slaughterpigs.

Inleiding.

In een voorgaande ]3ublikatie (K a m p e 1 m a c h e r, Guinee, Hof-
stra en Van Keulen, 1962) werd naar aanleiding van het sterk toe-
genomen aantal
Salmonella-mie.c\\.ïes bij de mens in Nederland op het epi-
demiologische verband met vlees, voornamelijk varkensvlees, gewezen. Na
uitxoerige onderzoekingen in slachthuizen, waarbij zowel slacbthuisappara-
tuur, als ook huidafkrabsels, faeces en mesenteriale lymfklieren van slacht-
varkens op bet voorkomen \\an
Salmonella-kiemen werden onderzocht, rees
de vraag of normale slachtvarkens behalve op de huid en in de mesenteriale,
res]). portale lymfklieren en faeces, ook „inwendig" besmet zouden zijn,
d.w.z. of ook
Salmonella-kiemen in vlees en (of) organen zouden wordeti
aangetroffen. Deze vraag was zeer belangrijk in vei-band met eventueel in
slachthuizen te nemen maatregelen. Het zou namelijk weinig zin hebben
door middel van ingewikkelde desinfcctieapparatuur varkens uitwendig te
ontsmetten, indien de besmetting ,,inwendig" zou blijven voortbestaan.

Materiaal en methoden.

Ten einde de bovengestelde vraag te kunnen beantwoorden werden van
april 1961 tot en met augustus 1961 in verschillende slachthuizen per
slacbtbnis 200 normale slachtvarkens onderzocht.

1  Deze onderzoekingen kwamen mede tot stand door overleg in de commissie Vlccs-
en Slachthuishygiënc, bestaande
uit de volgende leden; J. P. W A n c m a c t,
F. J. A. B r
u i n s, W. N. E e n i n k, A. J. O e e 1 e n, P. A. M. O u i n é c,
K. H
O f s t r a, E. H. K a m p e 1 m a c h e r, A. v a n K e u 1 e n, H. B. F.
S n e 1 t i n g en M. S n ij d e r.

Dr. E. H. Kampelmachcr, Hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen, Rijks
Instituut voor de Volksgezondheid, Utrecht, Sterrenbos 1.

P. A. M. Guinee, Bacterioloog in het Laboratorium voor Zoönosen, Rijks Instituut
voor de Volksgezondheid, Utrecht, Sterrenbos 1.
») K. Hofstra, oud-Inspecteur van de Volksgezondheid, tevens oud-Inspecteur van dc

Veeartsenijkundige Dienst, \'s-Gravenhage, Dovenetelweg 75.
"•) A. van Keulen, Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens Inspecteur
van de Volksgezondheid i.a.d., \'s-Gravenhage, le v. d. Borchstraat 4.

-ocr page 623-

Gedurende de eerste helft van bovengenoemde periode werden in ieder
slachthuis per week monsters \\ an 10 willekeurige varkens verzameld, ter-
wijl dit aantal in de tweede helft werd verdubbeld. Het onderzoek van por-
tale en mesenteriale lymfklieren en van faeces geschiedde precies zoals in
de eerder genoemde publikatie is beschreven. Ook de gebruikte ophopings-
en selectief-media waren gelijk aan die van het eerste onderzoek.
Om het geslachte dier niet te beschadigen en zodoende onkosten voor-
alsnog te vermijden werd het vlees van één der pijlers van het middenrif
onderzocht, daarbij uitgaande van de veronderstelling, dat het middenrif
in bacteriologisch opzicht met andere spieren vergelijkbaar is. Verder wer-
den onderzocht een gedeelte van de milt. een stuk le\\\'er van 20-30 gram, de
galblaas met inhoud, 5-6 mesenteriale lymfklieren genomen uit het cau-
dale deel van het mesenterium, de portale lymfklieren en faeces uit het
rectum.

Alle monsters werden met steriele instrumenten genomen en in afzonderlijke
plastic zakken zo spoedig mogelijk naar het Laboratorium voor Zoönosen
van het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid gezonden, waar zij ge-
middeld 3-5 uur later arri\\eerden. Indien directe verzending om een of
andere reden niet mogelijk was, werden de monsters in een koelkast bij 4°
C tot het ogenblik van \\erzending bewaard.

Resultaten.

Van de in totaal 600 onderzochte slachtvarkens konden bij 181 (30,1%)
uit één of meer der bovengenoemde monsters
Salmonella-Vicmcn worden ge-
ïsoleerd en wel in:

Slachthuis I: 47 (23,5%)
Slachthuis II: 58 (29 %)
Slachthuis 111: 76 (38 %)

In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de positieve be-
vindingen, gerangschikt per monster cn per slachthuis.

Tabel 1.

Isolatie van Salmotiella-kiemen uit vlees, organen, lymfklieren en faeces van
600 normale slachtvarkens, afkomstig uit 3 verschillende slachthuizen.

Slachthuis I Slachthuis II Slachthuis III totaal

middenrifpijler

4

(2 %)

4(2 %)

25

(12,5%)

33

( 5,5%)

milt

2

(1 %)

3 ( 1,5%)

14

( 7 %)

19

( 3,1%)

lever

9

(4,5%)

1 ( 0,5%)

13

( 6,5%)

23

( 3,9%)

çal

19

(9,5%)

12 ( 6,0%)

27

(13,5%)

58

( 9,6%)

mes. lymfkl.

16

(8 %)

35 (17,5%)

38

(19 %)

89

(15 %)

port. lymfkl.

9

(4,5%)

20 (10,0%)

19

( 9,5%)

48

( 8 %)

faeces

10

(5 %)

25 (12,5%)

30

(15 %)

65

(11 %)

In tabel 2 wordt in details weergegeven uit welke monsters bij de 181 posi-
tieve dieren, afkomstig uit 3 verschillende slachthuizen,
Salmonella-kiemer\\
geïsoleerd konden worden.

-ocr page 624-

Tabel 2.

Plaats van isolatie bij 181 Salmonella-positieve slachtvarkens.

Slachthuis I Slachthuis 11 Slachthuis III

MR

1

1

2

MR

Mi

L

1

MR

Mi

L

G

1

MR

Mi

L

G

P

1

MR

Mi

L

G

P

M

F

1

MR

Mi

L

G

P

F

2

MR

Mi

L

G

M

1

MR

Mi

L

G

M

F

1

MR

Mi

L

P

M

1

MR

Mi

L

P

M

F

1

MR

Mi

G

F

1

MR

Mi

P

F

1

MR

Mi

M

1

MR

L

G

2

1

MR

L

G

F

1

MR

G

1

2

MR

G

P

1

MR

G

F

.—

1

2

MR

P

2

MB

M

2

MR

F

1

Mi

1

1

Mi

G

1

Mi

G

P

M

1

Mi

G

M

1

Mi

F

1

L

,3

1

1

L

G

1

1

L

G

M

1

L

P

1

G

9

2

4

G

P

3

G

P

M

1

G

P

M

F

3

2

G

M

2

1

2

G

M

F

1

2

1

P

2

4

2

P

M

3

2

P

M

F

2

3

3

P

F

1

5

M

10

18

16

M

F

3

3

F

6

7

10

MR — middenrif, Mi = milt, L = lever, G = gal, P = portale lymfklieren,
M = mesenterale lymfklieren, F = faeces.

-ocr page 625-

Bij 181 positieve dieren werden de \\olgende Salmonella-typen, ingedeeld
naar frequentie van voorkomen, geïsoleerd, waarbij opgemerkt dient te wor-

den, dat 24 maal twee verschillende typen bij één dier werden gevonden:

S. typhi murium

61 ) 67 (37%)

S. give 4

S. typhi murium V-

6)

S. livingstone 4

S. heidelberg

30

L?. san diego 2

S. bredeney

17

S. new brunswick 2

S. worthington

11

S. manchester 2

S. newport

9

S. infantis 2

S. bareilly

8

S. bovis morbificans 2

S. saint paul

7

S. derby 2

S. meleagridis

6

S. binza 1

S. muenchen

6

S. cubana 1

S. anatum

5

S. enteritidis 1

S. dublin

5

S. java 1

S. cholerae suis var.

kunzendorf 4

S. newington 1

S. schwarzengrund

4

S. panama 1

Discussie.

Op grond van de bovenstaande resultaten moet worden aangenomen, dat
naast het probleem der uitwendige besmetting van normale slachtvarkens,
wel degelijk ook in ernstige mate een probleem van „inwendige" besmetting
met
Salmonella-kiemen bestaat.

Wat dit laatste betreft, valt een zeer duidelijk verschil op in frequentie en
intensiteit der besmetting tussen slachthuis I en II aan de ene kant en
slachthuis III aan de andere kant. Zowel het totaal aantal besmette
dieren, als ook het aantal positieve monsters per dier, is in laatstgenoemd
slachthuis zeer hoog. Indien men de wijze van aanvoer, opstallen en
slachten in de 3 slachthiuzen met elkaar vergelijkt, dan blijkt, dat in
tegenstelling tot slachthuis I cn II een groot grdoelte der varkens bestemd
voor slachthuis III over een vrij grote afstand wordt aangevoerd. Het is
niet denkbeeldig, dat door de ongunstige omstandigheden (stress?) tijdens
het vervoer, \\ooral indien dit lang duurt, bij dieren, die reeds
Salmonella-
drager zijn, een verspreiding van Salmonella-kxemen door de darmwand
heen naar verschillende organen en lymfklieren in het lichaam plaatsvindt.
Bovendien rijst de vraag of dieren, die tot het tijdstip van vervoer naar het
slachthuis
Salmonella-vrij zijn, tijdens dit vervoer besmet kunnen worden.
Het tweede belangrijke punt betreft de vraag, of het onderzoek van midden-
rifpijlers als representatief voor ,,vlees" mag worden beschouwd. Bij nadere
oriëntatie omtrent de anatomische verhoudingen bleek, dat bij het insnijden
en verwijderen van het middenrif meestal grote lymfvaten worden aan-
gesneden. Indien de lymfe met
Salmonella-kiemen besmet is — hetgeen nog
niet een besmetting van vlees en organen via de grote bloedsomloop behoeft
te betekenen — zou op deze wijze een verspreiding der kiemen in de diepere
spierlagen van het middenrif tot stand kunnen komen. Ofschoon alle onder-
zochte monsters voor het fijnmalen in een Waring-blender 5 seconden in
kokend water werden gehouden om het oppervlak te ontsmetten, is het —
gezien het bovenstaande — niet onmogelijk, dat tijdens vervoer der monsters
naar het laboratorium een besmetting naar het centrum toe heeft plaats-
gevonden.

-ocr page 626-

Bij een verder onderzoek zal getracht worden op de zo juist gestelde vragen
antwoord te geven.

II. Onderzoekingen over hef vóórkomen van Salmonella-kiemen in
faeces van varkens op de boerderij en in vlees, organen, lymf-
klieren en faeces van dezelfde dieren na korf en lang vervoer
naar hef slachthuis.

Vergelijkende onderzoekingen over hef voorkomen van
Salmonella-kiemen in één der middenrifpijlers en in een sfuk
spier, genomen uif hef voorbeen bij hefzelfde dier.

II. Studies on the occurrence of Salmonellae in faeces of pigs held on the
farm and in meat, organs, lymph glands and faeces of the same animals
after short-di.\'itance and long-distance transport to the abattoir.
Comparative studies on the occurrence of Salmonellae in one of the
diaphragmatic pillars and in a piece of muscle tissue out of the fore-
leg of the same animal.

Inleiding.

Als gevolg van de bij een eerder uitgevoerd onderzoek (I) verkregen resul-
taten werd bij het hier te beschrijven onderzoek getracht een inzicht te ver-
krijgen over de invloed van kort en lang vervoer naar bet slachthuis in ver-
band met frequentie en intensiteit van 5\'a/moneZ/a-besmettingen bij nonnale
slachtvarkens. Tevens werd bij dit ondereoek nagegaan of bet voorkomen
van
Salmonella-kiemen in één der middenrifpijlers representatief geacht mag
worden voor het vóórkomen dei\' kiemen in één of meerdere spieren van het-
zelfde dier.

Materiaal en methoden.

Via varkenshandelaren, die slachtrij])e varkens voor bepaalde slachtvee-
organisaties op boerderijen o[)koi3en, werden adressen verkregen voor bet
nemen van faecesmonsters bij varkens op de boerderij. Per bedrijf werden
bij 3 willekeurige voor aflevering bestemde varkens faecesmonsters ver-
zameld en wel door middel van dc „plasticzak-metbode". Hierbij wordt bij
een achter een schot gefixeerd varken met duim en wijsvinger, waar om-
heen zich een omgestulpte plasticzak bevindt, de anus geopend. Indien
zich faeces in het rectum bevinden defaeceert het dier vrijwel onmiddellijk,
waarbij de faeces direct in de plasticzak kunnen worden opgevangen.
De dieren kregen vervolgens een speciaal oormerk en werden de volgende
dag naar het slachthuis vervoerd. Bij het korte vervoer geschiedde dit uit
een gebied met een straal van 40 km om het slachthuis III (zie publikatie
I) heen, waarbij de dieren meestal 1-2 uur onderweg waren. Bij het lange
ver\\oer werden de \\arkens eerst naar een centrale verzamelplaats ge-
bracht, waar zij op gewicht en kwaliteit werden geselecteerd en vervolgens
samen met andere varkens naar slachthuis IH vervoerd. Dit vervoer duurde
gemiddeld 4-6 uur.

Na aankomst in het slachthuis werden de varkens binnen 2-4 uur geslacht.
Van de met een speciaal oormerk voorziene varkens, waarvan de faeces
intussen al naar het Laboratorium voor Zoönosen van het Rijks Instituut

-ocr page 627-

voor de Volksgezondheid waren gezonden, werden de volgende monsters
afzonderlijk in een plasticzak verzameld:

een stuk spier, gelegen boven de carpus, (verder „vlees" te noemen),

één der middenrifpijlers,

een stuk milt (20-30 gr),

een stuk lever (20-30 gr),

de galblaas met inhoud,

de portale lymfklieren,

enkele mesenteriale lymfklieren van het caudale deel van het mesen-
terium,

faeces uit de dikke darm.
Eén der pijlers van het middenrif werd direct na slachting genomen, terwijl
het „vlees" pas de volgende dag, nadat het dier \'s nachts in de koelcel had
gehangen, werd verkregen. Daartoe werd het voorbeen afgesneden en in
een speciaal voor dit doel \\er\\aardigde stelling gezet en wel zó dat het
klauwtje naar beneden en het vleesopper\\lak naar boven was gericht. Dit
\\ lcesoppervlak werd vervolgens met een brander zwart geschroeid, waarna
met steriele instrinnenten een dieper gelegen stuk spier ter grootte van een
halve vuist werd uitgesneden. Deze vleesmonsters werden in plasticzakjes
evenals de gedurende dc voorgaande dag genomen en \'s nachts in de koel-
cel I)cwaarde monsters, per expresse naar het bovengenoemde laboratorium
gezonden.

Resultaten.

In totaal werden tussen 6 september 1961 en 9 oktober 1961 566 normale
slachtvarkens onderzocht, waarvan 214 (37,8%) met
Salmonella-k\'iemen
besmet bleken te zijn. In tabel 3 wordt een overzicht der positieve bevin-
dingen gegeven, ingedeeld in de groepen „kort vervoer" en „lang vervoer".

Tabel 3.

Resultaten der onderzoekingen naar het voorkomen van Salmonella-kiemen
in faeces van slachtvarkens tijdens het leven en in vlees, organen, lymf-
klieren en faeces van dezelfde dieren na kort resf). lang vervoer naar het

slachthuis.

Korte afstand

Lange afstand

Totaal aantal onderzochte varkens

274

292

Aantal positieve varkens

124

(45,2%)

90

(30,5%)

Totaal aantal boerderijen, waarvan

varkens afkomstig waren

94

100

■Aantal boerderijen, waarvan

positieve varkens afkomstig waren

71

(75,5%)

51

(51 %)

vlees

7

( 2,9%)*

2

( 0,7%)»

middenrifpijler

40

(14,5%)*

17

( 5,0%)*

milt

19

( 6,9%)»

3

( 1,0%)»

lever

27

( 9,8%)»

18

( 6,1%)»

gal

42

(15,3%)*

18

( 6,1%)*

portale lymfklieren

22

( 8,0%)»

8

( 2,7%)*

mcsenteriale lymfklieren

49

(17,8%)»

34

(11,6%)»

-ocr page 628-

VERVOLG T.ABEL 3

Korte afstand

Lange afstand

faeces (totaal)

60 (21,9%)*

25 ( 8,5%)*

faeces positief alleen bij leven

6 (10 %)**

5 (20 %)**

faeces positief na slachting

26 (43 %)•*

13 (52 %)**

faeces positief bij leven en na slachting

28 (46 %)**

7 (28 %)**

totaal faeces positief bij leven

34 (50 %)•*

12 (48 %)**

totaal faeces positief na slachting

54 (90 %)**

20 (80 %)**

* percentage van de totaal onderzochte 274, resp. 292 varkens.
** percentage van het totaal aantal varkens met positieve faeces.

In tabel 4 wordt in details weergegev en uit welke monsters bij de 124 posi-
tieve varkens, aangevoerd over een korte afstand en de 90 positieve varkens,
aangevoerd over een lange afstand.
Salmonella-kiemen konden worden ge-
ïsoleerd.

Tabel 4.

Plaats van isolatie bij 214 Salmonella-positieve slachtvarkens, ingedeeld naar
kort resp. lang vervoer naar het slachthuis.

kort vervoer lang vervoer

V

1

V

MR

Mi

L

G

1

V

MR

Mi

L

G

P

1

MR

Mi

L

G

P

M

F

1

MR

L

G

1

V

MR

.M

1

_

V

.Mi

1

V

L

1

\\

-MR
MR

Mi

L

P

1
8
1

7

MR

Mi

L

G

2

.—

MR

Mi

L

G

P

F

2

MR

Mi

L

G

P

M

F

1

.MR

Mi

L

P

M

F

1

MR

Mi

G

P

M

F

1

.—

MR

1

—.

1

MR

L

G

2

4

MP

L

G

P

F

1

MR

L

G

P

M

F

2

.—

MP

L

G

M

1

MP

L

VI

F

1

MK

L

F

1

Ml

G

3

1

MF

G

P

1

MP

G

M

1

.MF

G

M

F

1

MK

G

1

-ocr page 629-

VERVOLG TABEL 4.

kort vervoer

lang vervoer

MR

P

1

MB

P

F

1

Ml.

P

M

F

1

MR

M

2

Mi

M

F

1

MR

F

2

Mi

2

2

Mi

G

1

Mi

P

M

1

Ml

P

M

F

3

Mi

P

F

1

L

4

9

L

G

2

L

G

P

M

F

1

L

G

M

2

L

F

1

1

G

12

8

G

P

1

G

M

1

1

G

F

3

P

2

3

P

M

F

1

2

M

14

26

M

F

11

5

c

21

12

V ^ vlees, MR ::

- middenrif,

, Mi =

= milt.

L = lever, G = gal, P

= portale lymf-

klieren, M = mesenteriale lymfklieren, F =

faeces.

Bij de 214 positieve

dieren

werden de v

olgende Salmonella-typen, ingedeeld

naar frequentie

van

voorkomen

, geïsoleerd, waarbij vermeld dient te wor-

den, dat bij 1 varken 4, bij 2 varkens

3 en bij 29 varkens 2 verschillende

typen werden geïsoleerd:

S, typhi murium

70

(32,5%

; S. Oranienburg

4

S. bredeney

40

S. blockley

3

S. panama

34

S. anatum

3

S. livingstone

25

S. kentucky

2

S. meleagridis

13

S. cubana

2

S. Stanley

11

S. braenderup

2

S. bovis morbificans

9

S. bareilly

2

S. give

6

S, rubislaw

1

S. infantis

6

S. enteritidis

1

S. binza

5

S. dublin

1

S. muenchen

5

S. java

1

S. worthington

4

-ocr page 630-

Discussie.

Op grond van de bij dit onderzoek verkregen resultaten is het mogelijk de
in de inleiding gestelde vragen, hetzij gedeeltelijk hetzij geheel, te beant-
woorden.

Door vervoer in het algemeen, dus afgezien van het feit of dit kort of lang
duurt, neemt de besmetting met
Salmonella-kiemen bij varkens toe (kort
vervoer: positief bij leven 50%, positief na de dood 90%; lang vervoer:
positief bij leven 48%, positief na de dood 80%). Of dit ook bij de onder-
zochte lymfklieren en organen het geval is, kon niet worden aangetoond,
aangezien hier het vergelijkingsmateriaal tijdens het leven en na de dood
ontbreekt.

Bij het bovenstaande onderzoek is wel duidelijk komen vast te staan, dat de
duur van het vervoer, voor wat betreft het toenemen der besmetting in de
faeces, geen rol speelt. De over een korte afstand vervoerde dieren waren
significant frequenter (P < 0,0011 en intensiever besmet dan de dieren, die
over een lange afstand zijn vervoerd. Dit wijst er sterk op, dat de besmetting
der dieren reeds op de boerderijen zeer frequent is. Ook de intensiteit der
besmetting wordt door de duur van het vervoer, zoals bij dit onderzoek
toegepast, niet beïnvloed, maar het zou wel mogelijk kunnen zijn, dat ver-
voer in het algemeen de besmettingsintensiteit verhoogt.
Indien men het aantal boerderijen, waarvan positieve dieren afkomstig zijn
bij kort en lang vervoer met elkaar vergelijkt (kort vervoer: 75,5% der
boerderijen leverden positieve dieren; lang vervoer: 51% der boerderijen
leverden positieve dieren) dan dringt zich de gedachte op, dat geografisch
grote verschillen in het besmettingspercentage bestaan. Bij verdere onder-
zoekingen zal met deze nieuwe vraag rekening dienen te worden gehouden.

Indien men de vraag over de vergelijkbaarheid van vlees en middenrif wil
beantwoorden, dan kan men het beste eerst de verkregen resultaten als volgt
rangschikken:

vlees positief

vlees negatief

Totaal

middenrif positief

5

54

59

middenrif negatief

4

503

507

Totaal

9

557

566

Uit dit overzicht blijkt reeds, dat het onderzoek van het middenrif geen
bruikbaar criterium is voor de beoordeling van de bacteriologische gesteld-
heid van het vlees. Slechts een negatief resultaat, verkregen bij onderzoek
van het middenrif geeft enige garantie, dat ook het onderzoek van het vlees
negatief zal zijn.

In minder dan 1 % van de gevallen, waarin het middenrif negatief was,
werden toch
Salmonella-k^xemen uit het vlees geïsoleerd. Met een betrouw-
baarheid van 99% kan hieruit worden geconcludeerd, dat in de populatie
deze situatie zich slechts in hoogstens 3% van de gevallen zal voordoen. Een
positieve bevinding bij onderzoek van het middenrif daarentegen betekent
geenszins, dat ook
Salmonella-kiemen in het vlees aanwezig zijn en geeft dus
op dit punt geen bruikbare informatie. Dit laatste bevestigt de onder I reeds
genoemde veronderstelling, dat de anatomische verhoudingen van het
middenrif niet toelaten dit als representatief voor de bacteriologische .ge-
steldheid van het vlees te beschotiwen.

-ocr page 631-

III. Onderzoekingen over het voorkomen van Salmonella-kiemen
in vlees, organen, lymfklieren en faeces van normale slacht-
varkens in de slachthuizen IV en V. ten einde het besmettings-
percentage in andere delen van het land te leren kennen.

111. Studies on the occurrence of Salmonellae in meat, organs, lymphnodes
and faeces in normal slaughterpigs in abattoirs IV and V in order to
obtain informations about the percentage of contamination in other
parts of the country.

Inleiding.

Aangezien bij herbaalde onderzoekingen van \\ arkens, aangevoerd in slacht-
huis III, het besrnettingspercentage steeds om en nabij 40 schommelde,
leek het, gezien de resultaten verkregen bij onderzoekingen in de slacht-
huizen I en II, gewenst enkele nieuwe slachthuizen bij dit onderzoek te
betrekken, teneinde na te gaan hoe hoog het percentage besmette varkens
in deze niet eerder onderzochte gebieden zou zijn.

Hierbij stond de gedachte voorop, dat in geval van grote verschillen tussen
diverse gebieden nagegaan zou kunnen worden waardoor deze uiteenlopen-
de resultaten zouden zijn te verklaren. Tevens werden bij deze onder-
zoekingen nogmaals de resultaten, verkregen bij onderzoek van één der
middenrifpijlers met die, verkregen bij onderaoek van een stuk spier, ver-
geleken.

Materiaal en methoden.

Bij dit onderzoek werd geen aandacht meer geschonken aan de tijden van
vervoer en werd derhalve ook geen faecesmonster bij de levende varkens
genomen, aangezien deze handeling een uitgebreide organisatie en veel in-
spanning vergt. Evenals bij het onderzoek vermeld onder I werden in de
beide slachthuizen IV en V per slachthuis van 200 normale, willekeurige
varkens de volgende monsters afzonderlijk in plasticzakjes verzameld en in
het laboratorium op bet voorkomen van
Salmonella-kiemen onderzocht:
een stuk spier, gelegen boven de carpus (verder „vlees" te noemen),
één der middenrifpijlers,
een stuk milt (20-30 gr),
een stuk lever (20-30 gr),
de galblaas met inhoud,
de portale lymfklieren,

enkele mesenteriale lymfklieren uit het caudale deel van het mesenterium,
faeces uit de dikke dairn.
De methodiek van het onderzoek was geheel gelijk aan die in voorgaande
onderzoekingen.

Resultaten.

In totaal werden tussen 31 oktober 1961 en 17 januari 1962 in de slacht-
huizen IV en V 400 varkens onderzocht, waarvan 102 (25,5%) met
Sal-
monella-kiemen
besmet bleken te zijn en wel 28 (14%) in slachthuis IV en
74 (37%) in slachthuis V. In tabel 5 wordt een overzicht der bevindingen
gegeven.

-ocr page 632-

Tabel 5.

Resultaten der onderzoekingen naar het voorkomen van Salmonella-kiemen
in vlees, organen, lymfklieren en faeces bij 400 normale slachtvarkens.

Slachthuis IV

Slachthuis V

Totaal

vlees

1

1 ( 0,25%)

middenrif

3

12

15 ( 3,75%)

milt

4

3

7 ( 1,75%)

lever

1

9

10 ( 2,5 %)

gal

7

32

39 ( 9,75%)

portale lymfklieren

9

14

23 ( 5,75%)

mesenteriale lymfklieren

15

30

45 (11,25%)

faeces

11

33

44 (11,0 %)

In tabel 6 wordt in details weergegeven uit welke monsters bij de 102 posi-
tieve varkens in de beide slachthuizen IV en V
Salmonella-kiemer\\ konden
worden geïsoleerd.

Tabel 6.

Plaats van isolatie bij 102 Salmonella-positieve slachtvarkens in de
slachthuizen IV en V.

uis V

Slachthuis IV

Slacht

V MR

L

G

F

1

MR

1

1

MR

Mi

L

G

P

M

F

1

MR

Mi

G

1

MR

Mi

G

P

M

F

2

MR

L

G

1

MR

L

G

F

1

MR

G

4

MR

G

M

F

1

MR

F

1

Mi

1

Mi

G

P

M

F

1

.—

Mi

P

M

F

.—

1

L

1

1

L

G

4

t.

4

14

G

P

1

G

M

1

G

M

F

1

G

F

1

P

2

1

P

M

1

3

P

M

F

3

5

P

F

—.

2

M

7

9

M

F

1

8

F

4

10

-ocr page 633-

Bij de 102 positieve dieren werden de volgende Salmonella-typen, ingedeeld
naar frequentie van voorkomen, geïsoleerd, waarbij vermeld dient te wor-
den, dat bij 8 varkens 2 verschillende typen werden geïsoleerd:

typhi murium

36 (35,3%)

S. newport

3

S. panama

18

S. bareilly

2

S. worthington

9

S. livingstone

2

S. give

7

S. cubana

2

S. meleagridis

7

S. Stanley

2

S. derby

5

S. bovis morbificans

2

S. taksony

4

S. Colorado

1

Salmonella, rough stam

4

S, montevideo

1

S. schwarzengrund

4

S. heidelberg

1

Discussie.

Het aanvoergebied van slachthuis IV ligt ten Noorden van dat van slacht-
huis V, doch beide aanvoergebieden overlappen elkaar. Op grond van de
bovenstaande resultaten moet worden aangenomen, dat inderdaad in een
geografisch vrij klein gebied grote verschillen in het besmettingspercentage
met
Salmonella-kiemen bi j normale slachtvarkens bestaan.
Vooralsnog kan voor de duidelijke verschillen in besmettingspercentage geen
verklaring worden gegeven.

Door de resultaten \\an dit onderzoek wordt opnieuw bevestigd, dat het
middenrif niet geschikt is om als representatief monster voor de bacterio-
logische gesteldheid van het \\lees te dienen. Overigens blijkt wel, dat in
het besmettingspercentage van \\lees en milt grote verschillen tussen deze
en het voorgaande onderzoek bestaat (zie II). Wat de verdeling der typen
betreft is het interessant van de belangrijkste typen de verschillende resul-
taten, tot nu toe verkregen, met elkaar te vergelijken:

Onderzoek

Onderzock

Onderzock

slachthuizen

lang en kort

slachthuizen

I, II, III

vervoer

IV en V

Totaal aantal

onderzochte dieren:

600

566

400

Hiervan positief

181 (30,2%)

214 (37,8%)

102 (25,5%)

S. typhi murium

67 (37 %)

70 (32,5%)

36 (35,3%)

S. bredeney

17 ( 9,4%)

38 (17,7%)

3 ( 2,9%)

S. panama

1 ( 0,5%)

34 (15,8%)

18 (17,6%)

S. livingstone

3 ( 1,5%)

23 (10,5%)

2 ( 1,9%)

S. Stanley

11 ( 5,1%)

2 ( 1,9%)

Terwijl de getallen van de diverse typen bij de verschillende onderzoekingen
nogal sterk uiteenlopen, is het zeer opmerkelijk, dat het percentage
S. typhi
murium
vrijwel constant blijft. Reeds eerder kon worden opgemerkt, dat
ongeveer een derde van alle bij onderzoekingen in slachthuizen en bij nor-
male slachtvarkens geïsoleerde
Salmonella-stammen tot dit type behoren.
Deze constantheid herinnert sterk aan de in de laatste jaren gevonden ver-
deling van
Salmonella-typen bij de mens in Nederland, waarbij S. typhi
murium
steeds om en nabij 50% schommelt.

-ocr page 634-

IV. Onderzoekingen over hef voorkomen van Salmonella-kiemen
in faeces en mesenferiale lymfklieren bij varkens, die zonder
vervoer op de boerderij worden geslachf. (zogenaamde „huis-
slaehfingsvarkens")

IV. Studies on the occurrence of Salmonellae in faeces and mesenterial
lymphnodes in pigs being slaughtered on the farm without having
been transported.

Inleiding.

Bij een eerder verricht onderzoek (zie III) van normale slachtvarkens was
komen vast te staan, dat het aantal 6\'a/mone/Za-isolaties uit faeces,, onafhan-
kelijk van de duur van vervoer, vóór het transport naar het slachthuis aan-
zienlijk lager is dan erna. Teneinde na te gaan of deze vermeerdering van
positieve bevindingen inderdaad door het vervoer der dieren tot stand komt,
werd naar een mogelijkheid gezocht, om varkens te onderzoeken, die vóór
slachting in het geheel niet waren vervoerd. Een dergelijke mogelijkheid
werd gevonden bij varkens, die als zogenaamde „huisslachtingen" op de
boerderij voor eigen gebruik worden geslacht.

Materiaal en methoden.

Teneinde een vergelijking mogelijk te maken met de reeds bekende ge-
gevens
in de slachthuizen III, IV en V werd aan de directeuren van deze
slachthuizen medewerking gevraagd om onderzoekmateriaal van huis-
slachtingsvarkens in hun rayon ter beschikking te stellen. .Aangezien deze
dieren vóór de slachting op de boerderij levend worden gekeurd, was het
mogelijk zowel een monster faeces tijdens het leven, als ook na de dood te
verkrijgen. Teneinde een zo groot mogelijk aantal infonnaties te verzamelen
werd na de dood zowel een monster faeces uit het rectum, als ook uit het
colon genomen, terwijl bij een deel der dieren ook alle mesenteriale lymf-
klieren werden onderzocht.

De faeces voor het onderzoek tijdens het leven der dieren werden door mid-
del van de onder III beschreven „plasticzak-rnethode" verkregen en in het
Laboratorium voor Zoönosen van het Rijks Instituut voor de Volksgezond-
heid onderzocht. De faecesmonsters verkregen na de dood, alsmede het
mesenterium met alle aanwezige lymfklieren werden na slachting zo snel
mogelijk evenens naar bovengenoemd laboratorium gezonden. Het mesen-
terium werd in 6 gelijke delen, van oraal naar caudaal genuimnerd I t.m.
VI, verdeeld en de mesenteriale lymfklieren van elk deel werden apart
onderzocht. De techniek van het onderzoek was verder geheel gelijk aan
die, welke reeds eerder werd beschreven.

Resultaten.

Aangezien men bij het verkrijgen der diverse monsters geheel afhankelijk
is van het aantal voor huisslachting aangegeven varkens, lopen de getallen
der onderzochte dieren in de 3 genoemde gebieden nogal uiteen.
In het gebied van slachthuis IV werden van alle dieren de mesenteriale
lymfklieren onderzocht, in het gebied van slachthuis Hl slechts van 81 der
177 onderzochte dieren en in het gebied van slachthuis V werden in het
geheel geen mesenteriale lymfklieren onderzocht.

-ocr page 635-

In tabel 7 wordt een overzicht gegeven van alle resultaten verkregen in de
gebieden van de slachthuizen III, IV en V:

Tabel 7.

Isolatie van Salmonella-kiemen uit faeces en mesenteriale lymfklieren bij
huisslachtingsvarkens tijdens het leven en na de dood.

143

19

7
5
5

8
8
8

81

2

II

III

IV

V
VT

gebied

gebied

gebied

slachthuis III

slachthuis IV

slachthuis V

Totaal onderzochte dieren:

177

143

67

Aantal positieve dieren:

(faeces en/of mesenteriale klieren)

8

29

11

Totaal aantal faeces positief:

6(3,4%)

20(14%)

11(16%)

Faeces positief tijdens het leven:

4

13

8

Faeces posiUef na de dood:

5

16

7

a) uit het rectum

5

14

3

b) uit het colon

3

9

6

Aantal onderzochte
mesenteriale lymfklieren:
Totaal aantal mesenteriale
lymfklieren positief:
J

Mesenterium, verdeeld
in 6 gelijke delen,
genummerd I t.m. VT

Indien men de gegevens verkregen bij onderzoek van faeces meer in details
samenvat, dan verkrijgt men in tabel 8 het volgende beeld.

Tabel 8.

Isolatie van Salmonella-kiemen uit faeces tijdens het leven en na de dood
van huisslachtingsvarkens.

gebied

gebied

gebied

slachthuis III

slachthuis IV

slachthuis V

a

1

4

4

b

2

2

1

c

2

2

a b

5

a c

-

2

b c

3

a b c

3

4

2

Totaal

6

20

11

a = faeces uit rectum bij leven
b = faeces uit rectum na de dood
c = faeces uit colon na de dcK)d

-ocr page 636-

Van de 224 dieren, waarbij zowel faeces als ook de mesenteriale lymfklieren
werden onderzocht, konden in 32 gevallen uit faeces en\'of mesenteriale
lymfklieren
Salmonella-\'kiitmm worden geïsoleerd. In tabel 9 wordt een
overzicht gegeven van de plaats van isolatie bij deze 224 dieren.

Tabel 9.

Plaats van isolatie bij 224 dieren, waarbij zowel faeces, alsook
mesenteriale lymfklieren werden onderzocht.

Faeces Mesenteriale lymfklieren Aantal dieren

   10

 — 11

—   11

— — 192

Bij de in totaal 48 positieve dieren werden de volgende Salmonella-typen,
ingedeeld naar frequentie \\an voorkomen, geïsoleerd, waarbij opgemerkt
dient te worden dat 3 maal twee verschillende typen bij één dier werden
gevonden.

S. typhi murium

11

kentucky

1

S. panama

5

S.

Oranienburg

1

S. livingstone

4

S.

thompson

1

S. cubana

4

S.

senftenberg

1

S. anatum

3

S.

newport

1

S. worthington

3

S.

new brun\\wick

1

S. bovis morbificans

2

S.

meleagridis

1

S. bredeney

2

s.

infantis

1

S. give

2

s.

Colorado

1

S. muenster

2

s.

montevideo

1

S. blockley

2

s.

minnesota

1

Resultaten.

Op grond van de bovenstaande resultaten verkrijgt men de indruk, dat bij
\\arkens die vóór slachting niet worden vervoerd, het aantal
Salmonella-
isolaties uit de faeces vóór en nä de dood niet verschilt. Met nadruk moet
er op gewezen worden dat bet aantal onderzochte dieren te klein is, om
hierover met zekerheid een uitspraak te kunnen doen. In verband met de
resultaten verkregen bij het onderzoek \\an varkens na lang en kort vervoer
naar slachthuis III (zie II), is het bij het hier beschreven onderzoek zeer
opvallend, dat het aantal
Salmonella-ho\\a.t\\es, bij leven en na de dood na-
genoeg gelijk is. Een en ander komt in onderstaand overzicht tot uit-
drukking:

faeces positief bij leven faeces positief na de dood
geen vervoer 25/387 ( 6 %) 28/387 ( 7,2%)

kort vervoer 34/274 (12,4%) 54/274 (19,7%)

lang vervoer 12/292 ( 4,1%) 20/292 ( 6,8%)

In vergelijking met voorgaande onderzoekingen (slachthuis IV en V samen
11%, slachthuis III 15%) is het totaal aantal positieve faecesmonsters

-ocr page 637-

enigszins aan de lage kant, waarbij thans echter de hoge percentages van
14% en 16% in het gebied van de slachthuizen IV en V en het daaren-
tegen zeer lage percentage \\\'an 4,9% in het gebied van slachthuis III sterk
op de voorgrond treedt,

In velband met de resultaten verkregen bij het onderzoek van huisslachtings-
varkens dient te worden vermeld, dat deze dieren niet alleen op boerderijen,
maar vaak ook door arbeiders, handwerklieden en tuinders worden are-
houden. Bij laatstgenoemde categorieën worden zij vaak als enig varken of
tenminste apart in een hok gehouden, terw ijl ook de voeding in vergelijking
met de boerderij nogal eens afwijkt (etensresten uit de huishouding, zelf-
verbouwde groen\\oeders en vooral aardappelen). Het zou bijzonder gewenst
zijn door middel van een enquête in details na te gaan hoe deze huisslach-
tingsvarkens gehouden en gevoerd worden.

Het is verder interessant op grond \\ an de hier verkregen resultaten te zien,
dat bij varkens, waarbij zowel de faeces, alsook de mesenteriale lymfklieren
werden onderzocht, bij 1/3 deel der dieren
Salmo7iella-k\\emcn in de mesen-
teriale lymfklieren voorkomen, zonder dat deze bij leven of na de dood in
de faeces kunnen worden aangetoond, terwijl eveneens bij 1 3 deel dit wel
uit de faeces, maar niet uit de mesenteriale lymfklieren gelukte. Bovendien
wijzen de resultaten der onderzoekingen van alle mesenteriale lymfklieren,
verdeeld in 6 gelijke delen er op, dat onderzock van één of meerdere wille-
keurig genomen klieren geen beeld geeft dat representatief is voor de wer-
kelijke besmetting der mesenteriale lymfklieren, In verband met deze be-
vindingen, die een merkwaardig licht werpen op de interpretatie der resul-
taten bij het onderzoek op
Salmonella van varkens in het algemeen, zal bij
volgende onderzoekingen getracht worden bij een groter aantal dieren de
frequentie \\an isolatie uit \\erschillende monsters van één dier nader te
bestuderen.

V. Onderzoek naar het voorkomen von Salmonella-kiemen bij nor-
male slachtvarkens in een selectiemesterij tijdens leven in
faeces en na slachten in vlees, organen, lymfklieren en faeces.

r. Studies on the occurrence of Salmonellae in normal slaughter pigs in a
selection-farm during life in faeces and after slaughter in meat, organs,
lymphnodes and faeces.

Inleiding.

Indien men alle tot nu toe verkregen resultaten over het \\oorkomen van
Salrnonella-kicmen in slachthuizen en bij nonnale slachtvarkens tracht te
rangschikken en vervolgens te overzien, dan blijkt in verband met de zeer
verbreide cn intensieve besmetting, een evenuele bestrijding bij de bron,
namelijk het varken op de boerderij, te moeten beginnen.
Naar aanleiding van de zeer sterke toename van het aantal
Salmonella-
infecties bij de mens in de afgelopen jaren, welke epidemiologisch o.a. in
verband staat met vlees en vleeswaren, werd eerst alle aandacht gericht op
de hygiëne in de slachthuizen. Ofschoon de daar genomen of nog te nemen
maatregelen voor het doen verminderen of voorkómen van uitwendige
Salmonella-hesvaetimgen een zeer belangrijke rol spelen, mag niet uit het

-ocr page 638-

oog worden verloren, dat door de aanvoer van steeds weer besmette dieren
bet bijzonder moeilijk is de oplossing van dit probleem in de slachthuizen
na te streven, nog afgezien van de inwendige besmetting, die in de voor-
gaande onderzoekingen duidelijk werd aangetoond. Een bestrijding bij de
bron vraagt in de eerste jjlaats om nader inzicht betreffende de besmettings-
weg. Pas indien men weet op welke wijze varkens zich met
SalmoneUa-
kiemen besmetten, zal het mogelijk kunnen zijn de besmetting te voorkómen.
Bij de laatste onderzoekingen is bovendien de waarde van éénmalig faeces-
onderzoek en van slechts enkele monsters mesenteriale lymfklieren in een
bijzonder licht komen te staan. In verband met een waardebepaling van de
uitslag „negatief" is verder onderzoek hier dringend gewenst.
Voor de beantwoording van de zojuist opgeworpen vragen werd in een
selectiemesterij, waar varkens individueel per hok worden gehouden en
waar de samenstelling van het
voer nauwkeurig bekend is, een goed onder-
zoekobject gezien.

Materiaal en methoden.

Voor het aanstonds te beschrijven onderzoek waren in een selectiemesterij
120 varkens te beschikking, waarvan tijdens het leven de faeces en na de
slachting vlees, organen, klieren en faeces onderzocht konden worden.
Alle onderzochte varkens lagen in één der vier hallen van de selectiemesterij
en wel één varken per hok. De hokken liggen naast elkaar in 4 rijen per hal
en wel één rij aan de oost-zijde, twee rijen in het midden tegen elkaar aan
en één rij aan de west-zijde. Aan de achterkant van ieder hok bevindt zich
een hoiUen deur, die altijd open staat en zo mede het hok aan de zijkant
afsluit, behalve tijdens het uitmesten, waarbij de deuren voor het door-
schuiven van de mest worden dichtgeklapt.

Teneinde dit te verduidelijken wordt in onderstaande tekening de situatie
geschetst, alsmede ook de nummering der hokken dit in verband met de
later te \\ermeldcn hoknummers per varken — beschreven.

\\
1A

\\

2A

Schets van de situatie in de selectiemesterij.

uiti

uitgang

ingang - ■
hal

Z

IB

2B

; : uitgang

dubljele

10

20

N

1D 2D

uitgang

uitgang

-ocr page 639-

Bij de aan de westzijde getekende hokken zijn in de eerste helft de deuren
open, zodat de varkens naar achteren kunnen gaan om te urineren en te
defaeceren, terwijl in de tweede helft de deuren dicht zijn, zoals dit het
geval is bij het doorschuiven van de mest 3 maal per week van links naar
rechts.

De faecesmonsters werden verzameld met behulp van een om de hand ge-
stulpte plastic zak, waardoor geen contact tussen hand en faecesmonster
mogelijk was. De minsternemer trachtte zo weinig mogelijk met de mest in
aanraking te komen, door steeds over de zijschotten van een hok in het
andere te klimmen en er op te letten dat zijn schoeisel slechts met droog
stro in de ligruimte der varkens in aanraking kwam. Indien op één der
dagen van uitmesten monsters werden verzameld, dan geschiedde dit steeds
vóór het uitmesten. Bij de laatstgenoemde handeling bestaat de mogelijkheid
van een besmetting van het ene hok naar het andere. Het meestal gebonden
zijn der faeces en het rijkelijk van stro \\oorzien van de mestgang vermin-
deren dit gevaar aanzienlijk. De later te bespreken resultaten maken het
niet waarschijnlijk, dat op deze wijze een besmetting ooit heeft plaats-
gevonden.

Na het afleveren der varkens worden steeds alle hokken grondig gereinigd,
met Natron-loog ontsmet en met kalk gewit.

De varkens komen als gespeende biggen (7-9/2 week oud) van verschillende
bedrijven naar de selectiemesterij. De biggen in de hokken IA, IB, IC, ID;
2A, 2B, 2C en 2D enz. behoren steeds tot één toom, dat wil zeggen deze
groepen van 4 dieren zijn steeds van één zeug afkomstig. Tot een gewicht
van 50 kg (dat na 75-85 dagen wordt bereikt) ontvangen de dieren een
zogenaamd A-mengsel, daarna tot het tijdstip \\an slachten (bij een gewicht
van 87-93 kg en na een verblijf van in totaal 130-140 dagen in de selectie-
mesterij) een zogenaamd B-mengsel. Deze voedermengsels waren gedurende
deze proef als volgt samengesteld:

A-mengsel B-mengsel

500 delen gerstemeel 510 delen .gerstemeel

330 delen mais 300 delen mais

110 delen tarwegrint 90 delen diermeel

45 delen haringmeel 60 delen cocos

15 delen mineralen 30 delen soja

\'/q deel vitaminen 5 delen mineralen

Beide mengsels worden in grote silo\'s bewaard, die wat het B-mengsel betreft
2 maal per week en wat het A-mengsel betreft 1 maal per week worden
aangevuld. De silo\'s worden nimmer gereinigd. Bij ieder varken behoort een
genummerde emmer, waarin het meel voor 2 dagen wordt afgewogen. Met
een maatschep ontvangen de dieren een hoeveelheid meel, bestemd voor de
avond- en ochtendvoedering. Tot een gewicht van 50 kg ontvangen de
dieren meel, water en ondermelk, die dagelijks wordt aangevoerd en in
tanks van roestvrij staal worden bewaard. Boven een gewicht van 50 kg
wordt uitsluitend meel en water aan de dieren gegeven. Voor de avondvoe-
dering worden de troggen \'s morgens tussen 7 en 8 uur gevuld, voor de
ochtendvoedering geschiedt dit reeds de avond daarvoor. Het met onder-
melk, respectievelijk met water gemeengde meel verblijft dus zowel de ge-
hele nacht, alsook overdag in de troggen bij een temperatuur van 15-18°

-ocr page 640-

C, (gemeten 1 m beneden bet plafond in het midden van de hal), \'s Och-
tends en \'s avonds behoeven alleen de schotten te worden opengeklapt, om
de dieren bij het voedsel te laten komen.

Teneinde de temperatuurregeling te vergemakkelijken worden de tuimel-
ramen gedurende voorjaar en zomer constant en gedurende de winter bij
voorkeur overdag iets geopend. Het is niet onmogelijk dat ratten door deze
openingen komen, aangetrokken door het voeder in de volle troggen.
(Inderdaad werd ook tijdens de proefnemingen een 6-tal ratten in de
selectiemesterij gevangen en voor onderzoek naar ons laboratorium gestuurd.
Uit één rat werd
S. bovis morbificans geïsoleerd, een type, dat — zoals uit
de later te volgen tabellen blijkt — herhaaldelijk uit de varkens werd ge-
ïsoleerd ).

HET VERZ.AMELEN VAN FAECESMONSTERS TIJDENS HET LEVEN DER
VARKENS.

Faecesmonsters werden op de boven beschreven wijze verzameld en voor
onderzoek naar het Laboratorium \\oor Zoönosen gezonden. Indien enigs-
zins mogelijk geschiedde dit 2 maal per week, maar soms, in verband met
feestdagen of andere omstandigheden, slechts 1 maal per week. Het laatste
faecesmonster werd óf op de dag voor slachting, óf op de dag van de slach-
ting vóór veiAoer naar het slachthuis genomen.

HET VERZAMELEN VAN DIVERSE MONSTERS NA HET SLACHTEN.

Na het slachten werden de volgende monsters per dier verzameld en voor
onderzoek naar het Laboratorium \\ oor Zoönosen gezonden; vlees (een stuk
spier gelegen boven de carpiis), één der iniddenrifpijlers, een stuk milt, een
stuk lever, de galblaas met inhoud, de portale lymfklieren, alle mesenteriale
lymfklieren, verdeeld in 6 porties en vanaf het orale begin tot aan de ileo-
caccaalklep genummerd I t.m. VI, faeces uit het rectum, het orale deel van
de dikke darm (dd I) en het caudale deel \\an de dikke darm (dd II).

Proef I.

Tussen 18 december 1961 en midden april 1962 (de dieren werden in ver-
schillende groepen tussen 3 en 26 april geslacht) werden in totaal 24 dieren
onderzocht, genummerd 26A, B, C, I); 27A, B, C, D; enz. Uit de in de in-
leiding opgenomen situatieschets is op te maken, dat de hokken 26A, 27A
enz. en de hokken 26B, 27B enz. naast elkaar liggen.

Tijdens de \\oedering met A-meel werden van alle dieren 7 maal faeces
onderzocht, tijdens de voedering met B-meel 17-23 maal, afhankelijk van
het tijdstip van slachten, hetgeen zoals reeds opgemerkt, niet voor alle dieren
gelijk was.

Proef II.

Bij deze proef werden in totaal tussen 13 februari en einde maart 1962 (de
dieren werden in verschillende groepen tussen 22 en 31 maart geslacht)
40 dieren onderzocht, genummerd 1 t.m. 5 en 7 t.m. 11 A, B, C, D.
Hierbij werden 12-21 maal, afhankelijk van het tijdstip van slachten,
faecesmonsters onderzocht. Gedurende de gehele periode van onderzoek
kregen de dieren het in de inleiding beschreven B-mengsel als voer toege-
diend.

-ocr page 641-

Proef III.

Er werden tussen 13 februari 1962 en midden april 1962 (de dieren werden
in verschillende groepen tussen 5 en 25 april geslacht) in totaal 32 dieren
onderzocht, genummerd 17A, B, C, D, en 19 t.m. 25.A, B, C, D. Hierbij
werden 5 maal faecesmonsters tijdens toediening van het A-rantsoen en
10-18 maal, afhankelijk \\ an het tijdstip van slachten, tijdens toediening van
het B-rantsoen onderzocht.

Proef IV.

Er werden tussen 19 december 1962 en 27 januari 1962 in totaal 24 dieren
onderzocht, genummerd 51 t.m. 56.^, B, C, D. Van alle dieren werden 7
maal faecesmonsters onderzocht, uitsluitend tijdens toediening van het B-
mengsel.

Resultaten.

In tabel 10 wordt een overzicht gegeven \\an alle positieve bevindingen
zowel tijdens het leven alsook na de dood bij in totaal 120 onderzochte
varkens. Het verschil in aantal onderzochte dieren tijdens het leven (120)
en na de dood (115) ligt hierin, dat 5 dieren om verschillende redenen
na slachting niet onderzocht konden worden.

In tabel 11 worden in details de resultaten weergegeven verkregen bij het
faecesonderzoek gediuende het leven. Hierbij wordt zowel aantal, alsook
frequentie der positieve bevindingen vermeld. Het verschil in het aantal
monsters per dier, alsmede in aantal onderzoekweken is daardoor te ver-
klaren, dat de varkens niet gelijktijdig het gewenste slachtgewicht bereiken
en daarom in verschillende groepen werden geslacht.

In tabel 12 worden in details de resultaten weergegeven verkregen bij het
onderzoek van vlees, middenrif, organen, lymfklieren en faeces na het
slachten. Het aantal positieve mesenteriale lymfklieren is zowel per groep
(groepen 1 t.m. VI van het orale begin der mesenteriale lymfklieren tot de
ileo-caecaalklep), alsook totaal per 115 onderzochte dieren, vermeld. Het
aantal positieve faecesmonsters is zowel per darmgedeelte (rectum, oraal
gedeelte van de dikke darm (dd I), caudaal gedeelte van de dikke darm
(dd II) alsook totaal per 115 onderzochte dieren samengevat.

Aangezien de resultaten verkregen bij onderzoek tijdens het leven van de
24 varkens \\an proef IV, waarbij van de dieren in totaal 7 maal faeces
werden onderzocht, zich slecht met de overige proeven, waarbij faeces-
onderzoek 12-30 maal gschiedde, laten vergelijken, werden van alle 4
proeven de residtaten der 7 laatste onderzoekingen samengevat, (tabel 13)
In een verder overzicht (tabel 14) wordt getracht een vergelijking tussen
de resultaten van het faecesonderzoek gedurende toediening van het
rantsoen (o.a. vismeel) en het B-rantsoen (o.a. diermeel) te trekken. .A.an-
gezien slechts bij proef I 24 dieren gedurende 7 monsternemingen en bij
proef 11 32 dieren gedurende 5 monsternemingen het .^-rantsoen kregen,
kon alleen bij deze twee groepen een vergelijking tussen positieve bevin-
dingen tijdens voedering met .X-meel en voedering met B-meel worden ge-
maakt.

-ocr page 642-

Tabel 10. Totaal overzicht van de resultaten van het onderzoek op Salmonella-kiemen tijdens leven en na de dood.

Ol

0

01

Tijdens het leven

Na de dood

aantal onderzochte dieren

hiervan positief

aantal onderzochte dieren

hiervan positief

Procf I

24

22 (92%)

22

17 (77%)

Proef 11

40

34 (85%)

39

30 (77%)

Proef III

32

28 (87%)

30

28 (93%)

Proef IV

24

13 (54%)

24

23 (96%)

Totaal

120

97 (80%)

115

98 (85%)

-ocr page 643-
-ocr page 644-

ïmMYCINE WAS HET EERS

-ocr page 645-

TERRAMYCINE DEPOT SUSPENSIE

Nieuwe toedieningsvorm

voor langdurige
en veilige werking

Terramycine Depót Suspensie wordt
langzaam en zeer gelijkmatig In het
bloed opgenomen. Zodoende is men
verzekerd van een langdurige werking
van het antibioticum. De veiligheid bij
deze duurzaamheid wordt gewaar-
borgd door de plantaardige oliebasis
van de suspensie.

.... HET IS DAT NOG!

-ocr page 646-

Tabel 12. Re.mltaten van het onderzoek van vlees, middenrif, organen, lym fklieren en faeces na .dachten.

Ol
O
03

Proefnummer en

■i c
O a
O. V

\'C
c

Mesenteriale lymfklieren

Facccs

aantal dieren

-a

i >
<
s

V
>

-a

1

J

13
Ü

1 c

t

1 ^
0- J<!

I1

II

III

IV

V

VI

**

dd I

***

dd II

Rectum

1 (22 dieren)

17

I

1

2

3

8

8

10

7

8

II (39 dieren)

30

1

1

1

2

3

3

4

9

12

14

9

9

11

III (30 dieren)

20

1

2

1

5

4

5

9

15

18

17

7

12

IV (24 dieren)

23

3

4

1

4

3

11

15

18

7

8

2

Totaal 115

98

2

6

5

3

10

12

14

32

50

58

43

31

33

CM

S

OJ

^
cn

U3.

?
r-.

?

#
lO^

i
lO

#
cn

?
Ol.

«n
co

lO

CM

co

O

co
-1-

O
m

r^
co

(O
CM

CO

CM

83 (72,1%)

62 (54,7%)

1  Mesenterium, verdeeld in 6 gelijke dleen, genummerd I t.m. VI.

-ocr page 647-

Tahel 13.

Resultaten van het faecesonderzoek der laatste 7 monsternemingen voor

het slachten.

Aantal onder- Totaal aantal onderzoekingen Salmonella
zoehte dieren (laatste 7 faecesmonsters) positief

13 (4 %)
\'J^abel 15.

Proef I

24

168

37 (22 %)

Proef II

40

280

45 (16 %)

Proef III

32

224

48 (21,4%)

Proef IV

24

168

14 ( 8,3%)

Totaal

120

840

Tabel 14.

114 (17 %)

Vergelijking der

resultaten van het faecesonderzoek tijdens
A-meel, respectievelijk B-meel.

voedering rnet

Faecesonderzoek
(A-meel,
o.a. vismeel)

Faecesonderzoek
Hiervan positief (B-meel,

o.a. diermeel)

Hiervan positief

Proef I
(24 dieren)

168

3 (1,8%) 495

63 (12,7%)

Proef 11
(32 dieren)

160

10 (6,2%) 416

71 (17 %)

Totaal

328

911 134 (14,6%)

Vergelijking der re.sultaten van het faecesonderzoek uit rectum en 2 plaatsen
van de dikke darm (dd 1 en dd II).

Totaal

Rectum

dd I

dd II

I

II

III

IV

4-

4-

4-

4

2

4

2

12

4-

2

1

6

9

4-

2

5

2

9

3

3

4-

4-

1

3

3

2

9

4-

2

1

4

7

4-

3

3

4

3

13

-ocr page 648-

Vergelijking der resultaten van het faecesonderzoek en van het onderzoek
der mesenteriale lymfklieren na het slachten.

Faeces

Mesenteriale

Proef

Totaal

lymfklieren

I II

III IV 1

-1-

11 10

15 11 47

3 8

4 — 15

-1-

3 11
— 1

9 12 35

17 30

28 23 98

Tabel 17.

Vergelijking der resultaten van het laatste faecesonderzoek (rectum) vóór
het slachten en onderzoek van faeces na de dood (rectum, dd I en dd II).

Tijdens leven

Na slachten

Proef I

10/24

14/22

Proef II

9/40

18/39

Proef III

6/32

19/30

Procf IV

2/24

11/24

Totaal

27/120
Tabel 18.

62/115

Vergelijkt

\\ng der gevonden

Salmonellatypen tijdens het leven en na de
dood (75 dieren).

^ ,.., „ ,.., Gelijk en
Gehjk type Ongehjk type ^^ ^^ ander type (s)

tijdens leven tijdens leven , , , , / , , ■• ,

ander type(s) ander type(s) zowel tijdens
en na de en na de , , , .. , , , ,

, , na de dood tijdens leven leven als na
dood dood , , ,

de dood

Proef I

1

3 6

3 2

Procf II

2

8 9

1 4

Proef III

2

11 2

2 6

Proef IV

1

3 8

— 1

Totaal

25

25

13

Zoals reeds eerder werd opgemerkt, werd bij deze proefnemingen tevens
getracht een inzicht te verkrijgen over de betekenis van het faecesonderzoek
van verschillende darmdelen, alsmede over de correlatie der onderzoek-
resultaten van faeces en mesenteriale lymfklieren. In de tabellen 15 en 16
worden de verschillende resultaten met elkaar vergeleken, waarbij het
mogelijk is na te gaan welke percentages positieve dieren men verkregen

-ocr page 649-

had, indien faeces uit één of twee der genoemde darmdelen, respectievelijk
indien alleen faeces of mesenteriale lymfklieren waren onderzocht.
In tabel 17 wordt een overzicht gegeven van de resultaten van het laatste
faecesonderzoek voor slachten (faeces uit rectum) en onderzoek van faeces
na de dood (faeces uit rectum en 2 plaatsen van de dikke darm).
.Vangezien gedurende het onderzoek bij het leven bij sommige dieren ver-
schillende
Salmonella-typen werden geïsoleerd en ook wel verschil bestond
tussen geïsoleerde typen tijdens het leven en na de dood, wordt in tabel 18
getracht hiervoor een samenvattend beeld te geven. De vergelijking was
slechts bij 75 dieren mogelijk. Van de overige 45 dieren werden er 5 na
slachten niet onderzocht, terwijl 40 óf bij onderzoek tijdens levens óf bij
onderzoek na de dood vrij van
Salmonella-kiemen bleken te zijn.
Bij de in totaal 118 positieve dieren werden de volgende
Salmonella-typen
ingedeeld naar frequentie van voorkomen, geïsoleerd, waarbij opgemerkt
dient te worden, dat 2 maal 3 typen en 43 maal 2 typen bij één dier
werden gevonden.

cubana

241

S.

durham

2

s.

bovis morbificans

120

S.

tennessee

1

s.

typhi murium

77

s.

havana

1

s.

simsbury

34

s.

panama

1

s.

new brunswick

19

s.

manchester

1

s.

minnesota

18

s.

london

1

s.

bredeney

14

s.

montevideo

1

s.

worthington

13

s.

heidelberg

1

s.

senftenberg

10

s.

meleagridis

1

s.

taksony

7

s.

enteritidis

1

s.

give

6

s.

infantis

1

s.

anatum

4

s.

Stanley

1

s.

alachua

3

Discussie.

Indien men de gegevens van de 4 proe\\en samenvat, dan valt vooral de
grilligheid op waarmee
Salmonella-kiemen uit de faeces tijdens het leven
werden geïsoleerd. Niet alleen de frequentie van de positieve bevindingen,
maar herhaaldelijk ook het verschil in
Salmonella-type tussen monsters van
hetzelfde dier treedt sterk naar voren. Het is best mogelijk, dat bij onder-
zoek van vele kolonies (er werden per plaat 3-5 kolonies onderzocht) hier
een betere continuïteit of een nog grotere variëteit zou zijn verkregen.
In het algemeen onderstrepen deze resultaten wel de betrekkelijk geringe
waarde van een éénmalig faecesonderzoek. In totaal werden bij onderzoek
van 120 varkens 23 dieren tijdens het leven niet besmet bevonden, maar
hierbij moet met nadruk er op worden gewezen, dat het niet doenlijk is
de 4 proeven tijdens leven op één noemer te brengen. Zo werden tijdens het
onderzoek van 24 varkens (proef I) die 24-30 maal werden onderzocht
22 dieren besmet bevonden, terwijl dit bij 24 varkens (proef IV), die 7 maal
waren onderzocht, slecbts bij 13 dieren het geval was. Het ligt, gezien de
voorgaande resultaten voor de hand dat bij voortzetting van het faeces-
onderzoek een hoger aantal positieve dieren bij proef IV zou zijn gevonden.
Wel valt op dat in alle 4 proeven een duidelijke „rechts-verscbuiving" op-
treedt, dat wil zeggen het aantal positieve bevindingen is in de laatste weken

-ocr page 650-

voor de dood aanzienlijk hoger dan tijdens de voedering met A-meel en
tijdens de eerste weken van voedering met B-meel.

De a:ea:evens van het onderzoek na de dood laten zich beter samenvatten.

O O

In totaal werden 115 dieren onderzocht, waan an slechts uit 17 geen Sal-
monella-kiemen
konden worden geïsoleerd. Het besmettingspercentage be-
draagt 85% en is aanzienlijk hoger dan ooit te voren bij onderzoekingen op
grote schaal in Nederland werd gevonden. Tevens valt in verband met voor-
gaande onderzoekingen in slachthuizen hier het negatieve residtaat, respec-
tie\\\'elijk het lage besmettingspercentage van vlees, middenrif, lever, galblaas
en portale lymfklieren op, terwijl de mesenteriale lymfklieren en faeces bij
een uitzonderlijk groot aantal dieren besmet blijken te zijn. Dit wordt slechts
gedeeltelijk door het onderzoek van het gehele mesenterium (bij \\ oorgaande
onderzoekingen werden in het algemeen slechts de delen o\\\'ereenkomende
met V en VI onderzocht) en de faeces in 3-voud (bij voorgaande onder-
zoekingen werden voornamelijk faeces uit het rectiun en/of dd 1 onder-
zocht) verklaard. Indien men tijdens bovenstaand onderzoek immers alleen
de mesenteriale lymfklieren V en VI had onderzocht, dan waren in plaats
van 83 dieren van de 115, 73 posiuef bevonden en indien men slechts faeces
uit het rectum en\'of dd 1 had onderzocht, dan waren in plaats van 62 van
de 115 onderzochte dieren 55 positief bevonden. In verband met eerder ver-
richte onderzoekingen over de invloed v an het ver\\oer der dieren op een
eventuele toename van
Salmonella dient te worden vermeld, dat de dieren
naar het slachthuis ruim 1 uur onderweg waren. De sterke toename der
positieve bevindingen bij onderzoek van faeces na slachten (zie tabel 17)
moet dan ook naa.sl het onderzoek van meer monsters per dier opnieuw aan
de factor ,,vervoer" worden toegeschreven.

Bij het onderzoek van 120 dieren werden slechts 2 dieren zowel tijdens het
leven alscx>k na de dood vrij van
Salmonella-V\\en\\en bevonden. Indien men
de mogelijkheid van het tekortschieten der onderzoektechniek en de toch
relatief geringe frequentie van monsterneming in ogenscliouw neemt, dan
kan men wel zeggen, dat op hel bovengenoemde bedrijf gedurende de pe-
riode van onderzoek alle dieren vroeger of later met Salmonella-kiemen be-
smet waren.

En dit in een bedrijf, waar de hygiënische omstandigheden waarlijk op-
timaal zijn!

Voor de besmetting met Salmonella-kiemen zouden — gezien de omstandig-
heden in deze selectiemesterij — de volgende mogelijkheden genoemd moe-
ten worden:

1. de dieren komen reeds als biggen besmet aan,

2. het voer wordt, voornamelijk \'s nachts, door ratten besmet,

3. het voer is besmet en de kiemen vermeerderen zich als het voer na aan-
maken in de troggen blijft staan.

ad. 1. De reeds genoetnde „rechts-verschuiving" van positieve bevindingen
tijdens het leven wijst er niet op, dat een groot aantal biggen reeds
besmet aankomen. Indien dit het geval was, zou men verwachten, dat
biggen behorende tot één toom zowel bij onderzoek tijdens het leven,
alsook na de dood dezelfde
Salmonella-typen zouden herbergen.
Hiervoor konden bij de bovenbeschreven resultaten geen aanwij-
zingen worden gevonden. Dit neemt niet weg, dat de mogelijkheid

-ocr page 651-

dat biggen besmet op de selectiemesterij aankomen, overigens niet
geheel is uit te sluiten. Bij een ideale proefopstelling ?al daarom van
Salmonella-ynje dieren uitgegaan dienen te worden, bij voorkeur
\\ an dieren die, door middel van sectio cae.serea verlost, in een kunst-
moeder opgefokt zijn.
ad. 2. De factor „rat" kan tot nu toe niet naar waarde worden afgemeten.
Op het bedrijf komen ratten voor en tijdens het onderzoek gelukte
het 6 ratten te vangen en te onderzoeken. Uit één rat werd
S. bovis
morbificans
geïsoleerd, een type dat de tweede plaats inneemt wat
frequentie van vóórkomen betreft. De \\raag blijft open wie wie be-
smet, maar het is wel duidelijk dat ratten een vicieuze besmettings-
cirkel kunnen onderhouden. Bij een ideale proefopstelling zal con-
tact met ratten onmogelijk moeten zijn,
ad. 3, Een besmetting door het voer blijft vooralsnog de meest voor de
hand liggende verklaring. Deze wordt bo\\endien door het volgende
gesteund: op het tijdstip, dat de \\ arkens meel van een bepaalde fa-
briek ontvingen, werd ook voor proefvarkens in ons instituut meel
van deze fabriek besteld. Korte tijd na de voedering met dit meel
werd uit de faeces van laatstgenoemde dieren
S. cubana (het meest
frequent bij de \\arkens in de selectiemesterij gevonden) geïsoleerd,
een tot dit onderzoek toe niet frequent voorkomend type in Neder-
land, Bovendien is het voorkomen \\ an exotische tvpen, zoals
S. sirns-
buren, S. ivorthington, S. minnesota
en S. new brunswick in dier-
en vismeel bekend. Bij herhaald onderzoek van monsters meel op de
selectiemesterij werden weliswaar nimmer
Salmonella-kiemen ge-
kweekt, maar het is bekend dat deze kiemen in dier- en vismeel
zeer plaatselijk en in gering aantal kunnen voorkomen. Aan de
mogelijkheid moet worden gedacht, dat de weinige kiemen zich,
indien het xoer reeds in de troggen ligt, sterk vermeerderen. Bij een
ideale proefopstelling zou het mogelijk moeten zijn de verschillende
factoren in het meel per fractie te ondrt/oeken, bijvoorbeeld door
sterilisatie van de dier- resp. vismecl-fractie, sterilisatie van de
plantaardige meelfractie en tenslotte of parallel daannede sterili-
satie van het gehele voer, bijvoorbeeld toediening in pellct-vorm.
In volgende onderzoekingen zal er naar worden gestreefd door de zojuist
genoemde proefopstellingen nader inzicht te verkrijgen orntreiU het totstand-
komen van
Salmonella-hesmetüngen bij overigens gezonde varkens.

S.AMEN VATTING (I).

Na het in de inleiding genoemde onderzoek betreffende de uitwendige besmetting
met
Salmonella-kiemen bij normale slachtvarkens, rees de vraag of deze dieren ook in-
wendig besmet zouden zijn.

Teneinde hierop cen antwoord te kunnen geven werden van 600 normale slacht-
varkens in 3 verschillende slachthuizen (I, II, III) middenrifpijlers, milt, lever, gal,
portale en mesenteriale lymfklieren en faeces onderzocht. Bij 181 (30,1%) van deze
dieren werden
Salmonella-kiemen geïsoleerd en wel bij 5,5% uit écn der middenrif-
pijlers, bij 3,1% uit de milt, bij 3,9% uit de lever, bij 9,6% uit de gal, bij 8% uit
de portale lymfklieren, bij 15% uit de mesenteriale lymfklieren en bij 11% uit de
faeces.

37% der geïsoleerde stammen behoorde tot het type S. typhi murium. De conse-
quenties van deze bevindingen voor de vleeskeuring, als ook de wijze waarop deze
„inwendige" besmetting tot stand zou kunnen komen, worden in discussie gebracht.

-ocr page 652-

SAMENVATTING (II).

Teneinde de invloed van het vervoer der dieren naar het slachthuis op het tot stand
komen van een „inwendige" besmetting met
Salmonella-kiemen nader te leren kennen,
werden zowel van varkens vervoerd over een korte, als ook van varkens vervoerd
over een lange afstand, vóór het slachten monsters faeces en na het slachten monsters
van organen, lymfklieren en faeces onderzocht.

Hierbij bleek, dat onafhankelijk van de duur van het vervoer het aantal positieve
bevindingen bij onderzoek der faeces na het vervoer aanzienlijk groter is. Van de in
totaal onderzochte 566 normale slachtvarkens bleken 214 (37,8%) met
Salmonella-
kiemen
besmet te zijn.

32,5% der geïsoleerde stammen behoorde tot het type S. typhi murium.
Tevens werd nagegaan of de bevindingen verkregen bij onderzoek van het middenrif
met die van het onderzoek van een stuk spier gelegen boven de carpus vergeleken
konden worden. De verkregen resultaten wijzen cr op, dat het resultaat van het onder-
zoek van middenrifpijlers geen bruikbaar criterium is voor de beoordeling van de
bacteriologische gesteldheid van het vlees. De redenen voor dit verschil worden in
discussie gebracht.

SAMENVATTING (III).

In verband met de vraag of ook in andere delen van het land „inwendige" be-
smetting met
Salmonella-kiemen bij slachtvarkens zou voorkomen, werden in 2 slacht-
huizen (IV en V) opnieuw 400 normale dieren onderzocht en wel op gelijke wijze,
zoals reeds onder I beschreven. Ook bij dit onderzoek werd één der middenrifpijlers
en een stuk spier gclc.gen boven de carpus onderzocht.

Van de 400 onderzochte dieren bleken er 102 (25,5%) met Salmonella-kiemen be-
smet te zijn en wel bij 0,25% het vlees, bij 3,75% één der middenrifpijlcrs, bij 1,75%
de milt, bij 2,5% de lever, bij 9,75% de gal; bij 5,75% dc portale lymfklieren, bij
11,25% de mesenteriale lymfkheren en bij 11% de facccs.
35,3% der geïsoleerde stammen behoorde tot het type
S. typhi murium.

SAMENVATTING (IV).

Op grond van de resultaten verkregen bij varkens, welke vóór het slachten vervoerd
werden (zie II) werd getracht varkens tc onderzoeken, die in het geheel niet worden
vervoerd. Dit bleek het geval tc zijn bij zogenaamde ..huisslachtingsvarkens" die op
dc boerderij voor eigen gebruik worden geslacht.

In de gebieden rond dc slachthuizen III, IV en V werden in totaal 387 huisslachtings-
varkens onderzocht, waarvan 48 (12,4%) met
Salmonella-kiemen besmet bleken te
zijn. Tijdens het leven konden bij 25 en na het slachten bij 28 van de 387 dieren
Salmonella-kiemen worden geïsoleerd, hetgeen in vergelijking met kort of lang ver-
voerde varkens een duidelijk geringer aantal positieve bevindingen betekent.
22,9% der geïsoleerde stammen behoorde tot het type S.
typhi murium. De ver-
schillen in resultaten tussen wel en niet vervoerde dieren worden in discussie gebracht.

SAMENVATTING (V).

Naar aanleiding van de tot nu toe genoemde resultaten bij onderzoek van normale
slachtvarkens in slachthuizen werd getracht cen inzicht te verkrijgen omtrent de bc-
smettin.g met
Salmonella-kiemen zowel gedurende een langere periode tijdens het
leven, als ook bij dezelfde dieren na het slachten.

Hiertoe werden van 120 op cen selectiemesterij gehouden varkens (1 dier per hok)
7 tot 30 maal faeces tijdens het leven en na het slachten monsters van organen, lymf-
klieren en facccs op het voorkomen van
Salmonella-kiemen onderzocht.
Van de 120 tijdens het leven onderzochte dieren bleken er 97 (80%) met
Salmonella-
kiemen
besmet te zijn, terwijl bij 98 (85%) van de 115 na het slachten onderzochte
dieren
Salmonella-kiemen konden worden geïsoleerd.

-ocr page 653-

41,6% der geïsoleerde stammen behoorde tot het type 5. cubana en 13,3% tot het
type
S. typhi murium. In de discussie worden de verschillende factoren genoemd,
die de zeer intensieve besmetting met
Salmonella-kiemen kunnen verklaren.

SAMENVATTING I-V.

Na in een voorgaande publikatie de resultaten van onderzoekingen naar de uit-
wendige besmetting met
Salmonella-kiemen bij slachtvarkens beschreven te hebben,
wordt in bovenstaand verslag een beeld gegeven van de besmetting van vlees, organen,
lymfklieren en faeces van normale slachtvarkens.

Vervolgens werd de invloed van het vervoer naar het slachthuis op het toenemen van
deze besmetting beschreven.

Ter vergelijking werd tevens een groot aantal varkens onderzocht, dat — zonder
vervoerd te zijn geweest — op boerderijen werd geslacht.

Tenslotte werd een uitvoerig onderzoek bij varkens, gehouden op een selectiemesterij,
beschreven, waarbij zowel tijdens leven in faeces, als ook na slachten in organen, lymf-
klieren en faeces een zeer hoog besmettingspercentage werd gevonden.
Naar aanleiding van de hierbij verkregen resultaten worden zowel de waarde van
éénmalig of herhaald faecesonderzoek, als ook de factoren, die tot een zo intensieve
besmetting met
Salmonella-kiemen bij normale slachtvarkens kunnen voeren, in dis-
cussie gebracht.

SUMMARY (I).

When the investigations on external contamination of normal fattening pigs with
Salmonella organisms had been completed, the question arose as to whether these
animals had also been contaminated internally. In order to supply the answer to this
question, the pillars of the diaphragms as well as the spleen, liver, bile, portal lymph
nodes and faeces of 600 normal fattening pigs in three different slaughter-houses
(I, II and III) were examined.
Salmonella organisms were isolated from 181 (30.1
per cent) of these animals, organisms being isolated from one of the pillars of the
diaphragm in 5.5 per cent, from the spleen in 3.1 per cent, from the liver in 3.9 per
cent, from the bile in 9.6 per cent, from the portal lymph nodes in 8 per cent, from
the mesenteric lymph nodes in 15 per cent and from the faeces in 11 per cent of
the cases.

Of the isolated strains, 37 p( r cent were S. typhi murium.

The consequences of this finding with regard to meat inspection as well as the manner
in which this „internal" contamination might be produced are discussed.

SUMMARY (II).

In order to determine the role of the transport of the animals as a factor in „inter-
nal" contamination with
Salmonella organisms, samples af the faeces of pigs con-
veyed over a short distance as well as those of pigs conveyed over a long distance
were examined prior to slaughter, samples of the organs, lymph nodes and faeces of
these animals being studied after slaughter. Regardless of the duration of transport,
the number of cases in which the faeces were positive for
Salmonella, was found to be
much greater after transport than it was before. Of the total number of 566 normal
fattening pigs examined, 214 (37.8 per cent) were found to be contaminated with
Salmonella organisms.

Of the isolated strains, 32.5 per cent were S. typhi murium.

In addition, an investigation was carried out to determine whether the findings ob-
tained on examination of the diaphragm were comparable with those obtained in
examining a portion of muscle situated above the carpus. The results obtained suggest
that the findings resulting from examination of the pillars of the diaphragm do not
afford a criterion which can be adopted in assessing the bacteriological state of the
meat. The causes of this difference are discussed.

-ocr page 654-

SUMMARY (III).

To answer the question of whether „internal" contamination with Salmonella orga-
nisms also occurs in other parts of the Netherlands, 400 normal animals again were
examined in two slaughter-houses (IV and V), the method of investigation being
similar to that described under (I). Again, one of the pillars of the diaphragm and
a portion of muscle situated above the carpus were examined.

Of the 400 animals studied, 102 (25.5 per cent) were found to be contaminated with
Salomnella organisms, organisms being isolated from the meat in 0.25 per cent, from
one of the pillars of the diaphragm in 3.75 per cent, from the spleen in 1.75 per cent,
from the liver in 2.5 per cent, from the bile in 9.75 per cent, from the portal lymph
nodes in 5.75 per cent, from the mesenteric lymph nodes in 11.25 per cent and from
the faeces in 11 per cent of the cases.

Of the isolated strains, 35.3 per cent were S. typhi murium.
SUMMARY (IV).

An investigation based on the results obtained in pigs transported prior to slau.ghter
(vide 11) was carried out on pi.gs that were not transported at all. These were pi.gs
„fattened for private slaughters", animals slaughtered on the farm for private use.

total number of 387 pigs destined for private slaughter were examined in the
areas surrounding slaughter houses III, IV and V, 48 (12.4 per cent) of these animals
being found to be contaminated with
Salmonella organisms. Salmonella organisms
were isolated from 25 pigs during life and from 28 of these 387 animals after
slaughter, which means that the number of positive findings was decidedly smaller
in comparison with those in pigs conveyed over short or long distances.
Of the isolated strains, 22.9 per cent were
S. typhi murium.

The differences between the findings in pi.gs transported and the findin.gs in those
not transported are discussed.

SUMMARY (V).

In view of the results so far obtained on examination of normal fattening pigs in
slaughter-houses, efforts were made to gain an insight into nature of contamination
with
Salmonella organisms both over a prolonged period during life and after
slaughter of these animals. For this purpose, the faeces of 120 pigs kept on a selection
fat-stock farm (one anmial (o the pen) were examined for
Salmonella organisms from
seven to thirty times during life, a.mples of organs, lymph nodes and faeces being
examined for the presence of
Salmonella organisms after slaughter. Of the 120 animals
examined during life, 97 (80 per cent) were found to be contaminated with
Salmo-
nella
organisms. Salmonella organisms being isolated from 98 (85 per cent) of the
115 animals examined after slaughter. Of the isolated strains, 41.6 per cent were
5.
cuhana and 13.3 per cent were S. typhi murium. In hct comment on this study,
various factors which mi.ght account for this extremely high incidence of contami-
nation with
Salmonella organisms arc reviewed.

SUMMARY I-V.

The results of studies on external contamination with Salmonella organisms in fat-
tening pigs having been reported in a previous paper, the above report is concerned
with contamination of the meat, organs, lymph nodes and faeces of normal fattening
pigs.

The role of transport to the slaughter-house in the increase in the incidence of this
contamination is reviewed.

.At the same time, a large number of pigs slaughtered on farms without having been
transported were examined for comparative purposes.

In conclusion, extensive investigations were carried out on pigs kept on a selection
fat-stock farm, very large numbers of
Salmonella organisms being isolated from the
faeces during life and from the organs, lymph nodes and faeces after slaughter.

-ocr page 655-

In view of the results obtained in these studies, the use of a single examination or
several examinations of the faeces as well as the factors which may give rise to this
intensive contamination with
Salmonella organisms in normal fattening pigs arc
discussed.

RÉSUMÉ (I).

.\\près les recherches, mentionnées dans l\'introduction, concernant la contamination
extérieure dc cochons d\'abattage normaux avec des germes de
Salmonella, la question
se posa si
CCS animaux avaient été infectés également intérieurement.
.Afin de trouver la réponse à cette question on examina de 600 cochons d\'abattage
normaux dans trois abattoirs différents (I, II, III) les arcs diaphragmatiques, la rate,
le foie, la bile, les ganglions IjTnphatiques portales et les fèces. Chez 181 (30,1%) de
ces animaux on isola des germes dc
Salmonella, à savoir de 5,5% d\'un des arcs, dia-
phragmatiques, de 3,1% de la rate, de 3,9% du foie, de 3,6% de la bile, de 8% des
ganglions lymphatiques portales, de 15% des ganglions lymphatiques mésentériques
et de 11% des fèces.

37% des souches isolées appartenaient au type dc S. typhi murium.
Les conséquences de cette constation pour l\'inspection de la viande, ainsi que la
façon suivant laquelle cette contamination „intérieure" pourrait se produire sont
discutées.

RÉSUMÉ (II).

Afin d\'apprendre à connaître l\'influence du transport des animaux vers l\'abattoir sur
la genèse d\'une contamination „intérieure" avec des germes dc
Salm.onella, on exa-
mina avant l\'abattage des échantillons dc fèces et après l\'abattage des échantillons
d\'organes, de ganglions lymphatiques ct dc fèces aussi bien de cochons transportés
sur une courte distance, que de cochons transportés sur une grande distance.
Il parut qu\'indépendamment dc la durée du transport, le nombre de résultats positifs
de l\'examen des fèces est considérablement plus grand après le transport. Des 566
cochons d\'abattage normaux examinées en total 214 (37,8%) parurent être infectés
de germes de
Salmonella.

32,5% des souches isolées appartenaient au type de .9. typhi murium.
En même temps on examina la question si les résultats obtenus à l\'examen du dia-
phragm étaient comparables à ceux dc l\'examen d\'un excision musculaire faite
au dessus de la région carjjale. Les résultats obtenus révèlent que les résultats dc
l\'examen des arcs diaphragmatiques n\'est pas un critère utilisable pour l\'appréciation
de l\'état bactériologique dc la viande. Les causes de cette différence sont discutées.

RÉSUMÉ (III).

Par rapport à la question si la contamination „intérieure" avec des germes dc Sal-
monella
des cochons d\'abattage se présenterait aussi dans d\'autres parties du pays,
on examina dc nouveau, dans deux abattoirs (IV et V) 400 animaux normaux ct
de la même façon, déjà décrite sous I. Pendant cet examen on examina aussi un des
arcs diaphragmatiques ct une excision musculaire faite au dessus dc la région carpalc.
Des 400 animaux examinés 102 (25,5%) parurent être contaminés de germes de
Sal-
monella,
à savoir 0,25% présentaient une contamination de la chaire, 3,75% d\'un
des arcs diaphragmatiques, 1,75% de la rate, 2,5% du foie, 9,75% de la bile, 5,75%
des ganglions lymphatiques portales, 11,25% des ganglions lymphatiques mésenté-
riques et 11% des fèces.

35,5% des souches isolées appartenaient au type de S. typhi murium.
RÉSUMÉ (IV).

A propos des résultats obtenus chez les cochons qui sont transportés avant l\'abattage
(voir II), on a tâché d\'examiner des cochons qui ne sont pas transportés du tout.

-ocr page 656-

Ceci paraissait être le cas notamment de cochons „d\'abattage familial", qui sont
abattus dans la ferme à propre usage.

Aux environs des abattoirs III, IV et V on a examiné en total 387 cochons „d\'abatage
familial", dont 48 (12,4%) parurent être contaminés de germes de
Salmonella. On sut
isoler de 25 de ces animaux des germes de
Salmonella pendant la vie, et de 28 ani-
maux après l\'abattage, ce qui signifie, en comparaison aux cochons qui sont trans-
portés sur une brève ou sur une langue distance, un nombre nettement plus petit de
résultats positifs.

22,9% des souches isolées appartenaient au type de S. typhi murium.

Les différences des résultats entre les cochons transportés et non-transportés sont

discutées.

RÉSUMÉ (V).

Par suite des résultats mentionnés jusqu\'ici des examens de cochons d\'abattage nor-
maux dans des abattoirs, on a tâché d\'acquérir des connaissances concernant la con-
tamination avec des germes de
Salmonella aussi bien pendant une assez longue pé-
riode pendant la vie que, chez les mêmes animaux, après l\'abattage.
A ce but on examina de 120 cochons élevés dans une ferme d\'engraissage de cochons
sélectionnés (un animal par loge) de 7 à 30 fois les fèces pendant la vie et après
l\'abattage des échantillons d\'organes, de .ganglions lymphatiques et de fèces sur la
présence de germes de
Salmonella.

De 120 animaux examinés pendant la vie 97 (80%) parurent être contaminés de
germes de
Salmonella, tandis que chez 98 (85%) des 115 animaux examinés après
l\'abattage on put isoler des germes de
Salmonella.

41,6% des souches isolées appartenaient au type de S. cubana et 13,3% au type dc
i\'. typhi murium.

Dans la discussion on nomme les différents facteurs qui pourraient expliquer la con-
tamination très intensive de germes dc
Salmonella.

RÉSUMÉ I-V.

.\\près avoir décrit dans une publication antérieure les résultats des recheches sur
la contamination extérieure de cochons d\'abattage avec des germes de
Salmonella, on
présente dans le compte-rendu précédent un aperçu de la contamination de la chaire,
des organes, des ganglions lymphatiques et des fèces de cochons d\'abattage normaux.
Ensuite on a décrit l\'influence du transport à l\'abattoir sur l\'accroissement de cette
contamination.

titre de comparaison on a examiné également un grand nombre de cochons abattus
dans les fermes sans avoir été transportés.

Finalement on a décrit un vaste examen de cochons élevés dans une fenne d\'engrais-
sage de cochons sélectionnés, desquels on trouva dans les fèces, aussi bien pendant
la vie, qu\'après l\'abattage dans les organes, les ganglions lymphatiques et les fèces
un pourcentage très élevé de contamination.

A propos des résultats obtenus pendant ces recherches les auteurs discutent la valeur
d\'un seul examen ou d\'examens répétés des fèces, ainsi que les facteurs qui peuvent
mener à une infection aussi intensive de germes de
Salmonella chez les cochons
d\'abattage normaux.

ZUSAMMENFASSUNG (I).

Nach der in der Einleitung beschriebenen Untersuchung betreffs „Oberflächen-
infektion" mit
Salmonella\\Lt\\mtn bei normalen Schlachtschweinen, erhob sich die
Frage, ob diese Tiere auch im Innern kontaminiert sein könnten.
Um hierauf eine Antwort zu finden, wurden von 600 normalen Schweinen in 3 ver-
schiedenen Schlachthöfen (I, II und III) Diaphragmapfeiler, Milz, Leber, Galle,
portale Lymphknoten und Kot untersucht. Bei 181 (30,1%) dieser Tiere wurden
Salmonella-Keime isoliert und zwar in 5,5% aus einem der Diaphragmapfeiler, in

-ocr page 657-

3,1% aus der Milz, in 3,9% aus der Leber, in 9,6% aus der Galle, in 8% aus den
portalen Lymphknoten, in 15% aus Mesenteriallymphknoten und in 11% aus dem
Kot.

37% der isolierten Stämme waren S. typhi murium.

Die Konsequenzen dieser Beobachtungen für die Fleischbeschau, sowie die Art und
Weise wie diese „innere" Kontamination zustande gekommen sein könnte, werden
zur Diskussion gestellt.

ZUSAMMENFASSUNG (II).

Um den Einfluss, den der Transport der Tiere zum Schlachthof auf das Zustande-
kommen einer „inneren" Kontamination mit
Salmonella-Keimen ausübt näher kennzu-
lernen, wurde von Schweinen, die über einen kürzeren, bezw. längeren Abstand trans-
portiert worden waren, vor dem Schlachten Kotmustcr und nach dem Schlachten
Organe, Lymphknoten und Kot untersucht.

Hierbei ergab sich, dass, unabhängig von der Dauer des Transportes die Anzahl po-
sitiver Befunde bei der Kotuntersuchung nach dem Transport bedeutend grösser war.
Es erwies sich, dass von sämtlich 566 untersuchten normalen Schlachtschweinen, 214
(37,8%) mit
Salmonella-TLe\'imtn kontaminiert waren.
32,5% der isolierten Stämme waren
S. typhi murium.

Ausserdem wurde überprüft, ob die erhaltenen Befunde der Diaphragmapfeilcr-
Untersuchung mit derjenigen eines Muskelstückes oberhalb des Carpus verglichen
werden können. Die Untcrsuchungsrcsultate bewiesen, dass das Ergebnis der Dia-
phragmapfciler-Untersuchung kein brauchbares Kriterium zur Beurteilung der bak-
teriologischen Beschaffenheit des F\'leischcs ist. Die Gründe für diesen Unterschied
werden zur Diskussion gestellt.

ZUSAMMENFASSUNG (III).

Im Zusammenhang mit der Frage, ob auch in anderen Ge.genden des Landes eine
„innere" Kontamination mit
Salmonella-Kómen bei Schlachtschweinen vorkommt,
wurden in 2 Schlachthöfe (IV und V) weitere 400 normale Tiere untersucht und
zwar auf die gleiche Weise wie bereits unter 1 beschrieben. .Auch bei dieser Unter-
suchung wurde einer der Diaphragmapfeilcr und ein Muskelstück oberhalb des
Carpus untersucht.

Es erwies sich, dass von den 400 untersuchten Tieren 102 (25,5%) mit Salmonella-
Kcimen kontaminiert waren und zwar in 0,25% das Fleisch, in 3,75% einer der Dia-
phra.gmapfeiler, in 1,75% die Milz, in 2,5% die Leber, in 9,75% die Galle, in 5,75%
die portalen Lymphknoten, in 11,25% die Mesenteriallymphknoten und in 11%
der Kot.

35,3% der isolierten Stämme waren S. typhi murium.
ZUSAMMENFASSUNG (IV).

Auf Grund der erhaltenen Resultate bei Schweinen, die vor dem Schlachten trans-
portiert werden (s. II), wurde .getrachtet, Schweine zu untersuchen, die überhaupt
nicht einem Transport unterliegen. Dies geschah mit sogenannten „Hausschlacht-
schwcinen", die auf dem Bauernhof zum Sclbstverbrauch geschlachtet werden.
In Gebieten, gelegen um die Schlachthöfe HI, IV und V wurden im Ganzen 387
Hausslachtschwcine untersucht, wovon 48 (12,4%) mit
Salmonella-Keimen konta-
miniert waren. Im lebenden Zustand konnten bei 25 und nach dem Schlachten bei
28 des 387 Tiere
Salmonella-Keime isoliert werden, was im Vergleich mit den über
einen kürzeren, bezw. längeren Abstand transportierten Schweinen eine bedeutend
geringere Anzahl positiver Befunde bedeutet.
22,9% der isolierten Stämme waren
S. typhi murium.

Die Unterschiede in den Resultaten zwischen transportierten und nicht-transportierten
Schweinen werden zur Diskussion gestellt.

-ocr page 658-

ZUSAMMENFASSUNG (V).

Auf Grund der bis jetzt genannten Resultate bei der Untersuchung von normalen
Schlachtschweinen in Schlachthöfen wurde getrachtet, eine Einsicht über die Ver-
seuchung mit
SaImonella-K.eimen bei den gleichen Tieren, sowohl über eine längere
Lebensperiode, als auch nach dem Schlachten zu bekommen.

Hierzu wurde von 120 auf einem Mustermastbetrieb gehaltenen Schweinen (1 Tier
pro Bucht), 7 bis 30 Mal während der Mastzeit Kotproben und nach dem Schlach-
ten Muster von Organen,. Lymphknoten und Kot auf das Vorkommen von
Salmo-
n^Wa-Keimen untersucht.

Bei 120 lebend untersuchten Tieren erwies sich, dass 97 (80%) mit Salmonella-
Keimen kontaminiert waren, während bei 98 (85%) von 115 nach dem Schlachten
untersuchten Tieren
Salmonella-K.cime isoliert werden konnten.

41,6% der isolierten Stämme waren cubana und 13,3% S. typhi murium. In der
Diskussion werden die verschiedenen Faktoren diskutiert, die eine Erklärung für diese
sehr starke Infektion mit
Salmonella-K.eirr\\en geben könnten.

ZUSAMMENFASSUNG I-V.

Nachdem in einer vorhergehenden Publikation die Untersuchungsresultate betreffs
der „Oberflächeninfektion" mit
Salmonella-Keimen bei Schlachtschweinen beschrieben
wurde, wird im obigen Bericht ein Bild der Kontamination des Fleisches, der Organe,
Lymphknoten und des Kotes normaler Schlachtschweine gegeben.
Weiterhin wird der Einfluss des Transportes nach dem Schlachthof auf die Zunahme
dieser Kontamination besprochen.

Zum Vergleich wurde zur selben Zeit eine grosse Anzahl Schweine untersucht, die
— nicht transportiert — auf Bauernhöfen geschlachtet wurden.
Schliesslich wird eine, auf einem Mustermastbetrieb an,gestellte, umfassende Unter-
suchung beschrieben, bei der sowohl während der Mastperiode im Kot, als auch nach
dem Schlachten in den Lymphknoten, Organen und Kot ein sehr hoher Kontamina-
tionsprozentsatz festgestellt wurde.

Auf Grund der hierbei erhaltenen Resultate werden sowohl der Nutzen einer ein-
bezw. mchrmali.gen Kotuntersuchung, als auch die Faktoren, die zu einer so starken
Kontamination mit
Salmonella-Keimen bei normalen Schweinen führen können, zur
Diskussion gestellt.

Dankbetuiging.

Gaarne betuigen wij hierbij onze dank aan Ir. J. J. B e z e m. Zoölogisch Laboratorium
der Rijksuniversiteit te Utrecht, voor de statistische bewerking van het materiaal en
aan Ir. Y. K r o e s, Rijksveeteeltconsulent voor de Varkensfokkerij, die ons de ge-
legenheid heeft geboden een selectiemesterij in onze procfnemin.gen in te schakelen.

LITERATUUR

Kampelmacher, E. H., Guinée, P. A. M., Hofstra, K. en Keulen,

A. van: Zbl. Vet.-Med., Bd. 8, Heft 10, 1025, (1961).
Kampelmacher, E. IL, Guinée, P. A. M., Hofstra, K. en Keulen,
A. van: Salmonella-onderzoek in slachthuizen.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 77,
(1962).

-ocr page 659-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Worminfecfies bij varkens.

IVorm infections in pigs.

door P. H W. ÏACKENi) en

G. W. M. VAN GOLSTEIN BROUWERS^)

Uit het Laboratorium van de Gezondheidsdienst voor Dieren
in Limburg.

Inleiding.

De betekenis van wormen bij \\arkens wordt \\\'aak onderschat. Dit is voor-
namelijk daarop terug te voeren, dat slechts bij ernstige infecties manifeste
ziekteverschijnselen en verliezen optreden. In de meeste gevallen heeft een
worminfectie een slepend verloop en wordt deze in het geheel niet vermoed
of onderkend. Toch kunnen deze latente infecties door hun chronisch ka-
rakter op den dinir grote economische \\erliezen veroorzaken, die niet ge-
ringer zijn als de schaden die door bacteriële- of virusinfecties worden \\\'er-
oorzaakt.

De schadelijke werking van de wormen berust op opname van bloed, voe-
dingsstoffen en vitaminen. Ze verstoren de stofwisseling, produceren toxinen
en vormen een porte d\'entrée voor bacteriën en virussen. Het aangetaste
dier wordt niet zo zeer door voedselonttrekking zwakker, maar het heeft
ter compensatie van de veroorzaakte schade en tot afweer van de para-
sieten, extra energie nodig, welk energieverlies een produktievermindering
geeft.

Daarenboven ontstaat een \\erhoogde gevoeligheid voor ziekten als gevolg
van het feit, dat de opbouw van antistoffen wordt geremd. Met name blijkt
een mindere opbouw van antistoflen na preventieve entingen tegen var-
kenspest en vlekziekte bij varkens die in sterke mate met darmparasieten
zijn besmet, duidelijk aantoonbaar. Bovendien vormen besmette varkens
een smetstofbron voor nog niet aangetaste dieren (en eventueel voor de
mens).

Door het ontstaan van cen specifieke innnuniteit en\'of een toenemende re-
sistentie bij toenemende leeftijd, neenU bet aantal wormen bij oudere
dieren af. Zij blijken dan ook de meeste schade te veroorzaken bij de jonge
en onbeschermde big.

De symptomen van deze worminvasie zijn meestal niet specifiek en worden
vaak overheerst door bijkomende infectieziekten. Anderzijds kunnen bac-
teriële- en virusinfecties worden verergerd door de aanwezigheid van
wormen (o.a. bij paratyfus en coli), of door longpassages die door wonn-
larven worden gemaakt (b.v. bij viruspneumonie en pasteurellosis).
Het stellen van de diagnose bij de zieke big wordt des te moeilijker, omdat
de grootste schade wordt aangericht voordat de wormen de geslachtsrijpe
leeftijd hebben bereikt. Bij het levende dier kan men de diagnose slechts
met zekerheid stellen door het aantonen van de specifieke eieren of op

\') Dr. P. H. W. Tacken en G. W. M. van Golstein Brouwers, resp. directeur en
dierenarts van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Limburg, „Sonnenhuys",
Heythuysen (L.).

-ocr page 660-

het afkomen van de wormen zelf. Dit laatste wordt echter betrekkelijk zel-
den waargenomen.

In Nederland zijn bij het varken slechts enkele wormsoorten van praktisch
belang, n.1.
Ascaris, Strongyloides, Metastrongylus en Strongylus.

ASCARIS LUMBRICOIDES.

Ascariden komen bij een hoog percentage van onze varkens voor. De eieren
worden in grote aantallen (tot 200.000 stuks per dag) met de faeces ont-
last en zijn na ongeveer 10 dagen infectieus. Doordat deze eieren een dikke
wand hebben, zijn ze zeer bestendig tegen chemicaliën en weersomstandig-
heden. Ze kunnen zelfs gedurende 4 a 5 jaar pathogeen blijven. Slechts
vochtige warmte (mesthoop) en direct zonlicht doden de eieren. Uitlopen
.zijn meestal niet te desinfecteren.

De eieren worden per os opgenomen, waarna de larve lut het ei komt, de
dunnedarm wand penetreert en via het poortaderstelsel een lever- en daar-
na een longpassage maakt. Hierbij worden zowel de lever als de longen
beschadigd, hetgeen de functie van deze organen belenunert. Vooral de
longbeschadigingen zijn in combinatie met viruspneumonie funest. Via cle
bronchiën komt de larve in de mondholte, wordt wederom doorgeslikt en
groeit in de dunnedarni uit tot een ztr 20 a 30 cm lange ]3arasiet. De jjre-
patentperiode duurt ± 60 dagen.

STRONGYLOIDES RANSOMI.

Deze wormen zijn vooral pathogeen voor jonge varkens tot de leeftijd van
3 a 4 maanden. Er bestaat een toenemende weerstand bij toenemende leef-
tijd, alhoewel er geen specifieke inununiteit wordt ontwikkeld. Besmette
zeugen vormen een voortdurend ge\\aar voor de jonge dieren. De eieren,
die met de faeces worden ontlast, bevatten reeds bijna volwassen larven.
Deze zijn na 24 uur infectieus en kunnen öf direct een nieuwe gastheer zoe-
ken óf in een vochtige omgeving opnieuw een infectieuze generatie voort-
brengen.

De larven zijn weinig bestand tegen uitwendige invloeden. Klinische ver-
schijnselen zien we vooral optreden op ver\\uilde bedrijven. Behalve een
besmetting per os, penetreren de larven door de huid in het lichaam, waar-
na een longpassage gemaakt wordt om uiteindelijk het slijmvlies van dc
darm te bereiken. De prepatentperiore cUuirt 3 a ,5 dagen.
.A.ls verschijnselen kan men iets hoesten o])urerken. De biggen worden lus-
teloos, hebben minder eetlust en bij massale infecties treedt een soms min
of meer bloedige diarree op.

De diagnose moet gesteld worden door het onderzoek van verse faeces, of
faeces waaraan b.v. formaline is toegevoegd.

METASTRONGYLUS APRI

De longworm heeft de regenworm als tussengastheer. Een besmetting met
longwormen komt daarom praktisch alleen voor bij varkens die een uitloop
hebben. Door de lange levensduur van de regenworm blijven deze uit-
lopen jarenlang besmet.

Wordt een besmette regenworm door een varken opgenomen, dan komen
de larven vrij in de darm. Deze boren zich door de darmwand heen en

-ocr page 661-

worden met het lymfstelsel naar de longen vervoerd. Door mechanische
prikkelingen van de bronchiën veroorzaken ze hoest en zijn ze bovendien
predisponerend voor het ontstaan van pneumoniën.

De diagnose wordt enerzijds gesteld bij het dode dier door het aantonen
van wormen vooral in de kleine bronchiën aan de punt van de caudale
longkwab, anderzijds bij het levende dier, waarbij het moeilijk is specifieke
larven in de verse faeces aan te tonen. Longwormen komen over het alge-
meen, althans zeker in Limburg, méér voor dan men over het algemeen
wel denkt.

Nieuwe onderzoekingen hebben bovendien aangetoond, dat het influenza-
virus en het varkenspest\\irus in longwormeieren en in de lan-en latent
aanwezig kunnen blijven. Na opname van deze met virus besmette
longwormlarven kunnen onder bepaalde omstandigheden weer mani-
feste ziekteverschijnselen uitbreken. De periode waarover deze moge-
lijkheid kan ]3laats vinden zal afliangen van de levensduur van de besmette
aardwormen, alsmede van de tijdsduur waarin het virus in de besmette
longwormlarven actief blijft. Dit laatste is niet bekend.

STRONGYLUS SOORTEN.

Strongyliden komen soms in grote aantallen bij varkens voor. Ze be-
schadigen het maagdarmslijrnvlies, maar blijken weinig pathogeen te zijn.
Oudere zeugen kunnen met de faeces grote hoeveelheden strongyluseieren
ontlasten. De biggen kunnen hiervan last ondervinden. Een behandeling
van de zeugen is dan aan te raden.

De meest pathogene is wel Oesophagostonum denlatum. IDeze veroorzaakt
kleine zweertjes (knobbeltjes) in de dikkedarrn. Verder noemen we
Hyo-
stronoylus rubidus,
die een lichte gastritis kan veroorzaken en Trichuris suis,
die zich vooral in de pimt van het coecum met zijn zwecpdraad in het slijm-
vlies boort. In enkele gevallen kan
Trichuris in zeer grote boeveelheden
worden aangetroffen.

Therapie.

Ascariden.

Tegen deze wormen wordt de resistentie bij toenemende leeftijd groter.
Zeugen, ouder dan b.v. 15 maanden, die nog flink met wormen besmet zijn,
zijn zeldzaam. Is dit wèl het geval, dan zal bij deze dieren de resistentie op
nog oudere leeftijd waarschijnlijk weinig meer toenemen en zullen deze
dieren dus in sterke mate uitscheider van eieren blijven, indien geen behan-
deling wordt ingesteld. In het algemeen mag dus gezegd worden, dat vooral
besmette jonge zeugen verantwoordelijk zijn voor de sterke verspreiding
van de spoelwormen bij onze varkens.

Als we de zeugen praktisch wormvrij maken - - ongeveer 4 weken voordat
de dieren gaan werpen — zal men een rechtstreekse besmetting door de
zeugen voor een groot deel elimineren. Bij zeugen en biggen met een uit-
loop zal men, indien deze uitloop besmet is met wormeieren, van een pre-
ventieve behandeling weinig succes kunnen verwachten en is men toch ge-
noodzaakt de biggen op een leeftijd van 8 a 10 weken te ontwormen.
We noemen hieronder enkele preparaten die nogal eens gebruikt, respec-
tievelijk door meerderen genoemd, worden.

-ocr page 662-

Santonine is duur en giftig. Oleum chenopodii is moeilijk te
geven en nogal toxisch. Het is werkzaam tegen ascaris voor it 66%.
Natrium fluoride — 1/3 van het benodigde voer mengen met
1100% NaF — is goed werkzaam (93%), maar bij niet juiste dosering
niet ongevaarlijk, daar dit medicament toxisch is.

C a d m i u m-v erbindingen: Cadmium o.xyde (15 mg%) of Cad-
mium anthranilaat (45 mg%) geeft men gedurende 3 dagen door het voer.
Cadmium-verbindingen zijn zeer werkzaam. Goed oplosbare verbindingen
kunnen echter een heftige enteritis \\\'eroorzaken. Een ander bezwaar is de
manier van toedienen (3 dagen) en het feit, dat de varkens het cadmium
in de nier en in de lever opslaan. Er wordt dan ook geadviseerd om varkens
die behandeld zijn met cadmium-verbindingen pas een maand na de be-
handeling te laten slachten!

Phenothiazine, 0,2 gram per kg lichaamsgewicht tot maximaal 20
gram per varken, is de aangegeven dosis. Het middel is vooral voor biggen
nogal toxisch en het drijft maximaal 50% van de wormen (ascariden) af.
P i p e r a z i n e-p r e p a r a t e n zijn niet giftig. De prijs wordt nog steeds
door sommigen, o.i. ten onrechte, als een bezwaar aangevoeld. Het werk-
zame bestanddeel wisselt bij de verschillende preparaten nogal veel en
sommige verbindingen zijn slecht of niet in water oplosbaar.

Werkzame
bestanddeel:

piperazine hydrochloride 49% goed oplosbaar

piperazine citraat 40% goed oplosbaar

piperazine tartraat 36% goed oplosbaar

piperazine adipaat 37% slecht oplosbaar

piperazine fosfaat 53% onoplosbaar

De dosering hangt af van de hoeveelheid werkzaam bestanddeel en of er
een individuele of groepsbehandeling wordt toegepast.
Van piperazine-citraat moet men 200 mg per kg lichaamsgewicht bij een
individuele behandeling en 250 mg per kg lichaamsgewicht voor een groeps-
behandeling toedienen.

Bijzondere aandacht, wat betreft de wijze \\ an werking, verdient het p i p e-
r a z i n e-c a r b o d i t h i o z u u r. Dit medicament bevat 53% werkzame
stof. Onder invloed van het maagzuur wordt het gesplitst in piperazine en
zwavelkoolstof. Beide componenten werken wormafdrijvend. De dosering
bedraagt daardoor slechts 125 mg per kg lichaamsgewicht.
Vooral de goed oplosbare piperazine-preparaten zijn gemakkelijk toe te
dienen. Men kan deze met het drinkwater geven of aanmaken met wat
meel tot een slobber. Vasten of purgeren is niet nodig. Piperazine-prepa-
raten zijn zo weinig toxisch, dat men ze zelfs aan hoogdrachtige zeugen kan
geven. De wormen worden echter niet gedood maar verdoofd, zodat na
iedere wormbehandeling de hokken goed gereinigd dienen te worden!
Praktisch gezien is het onmogelijk om eieren van ascariden door chemica-
liën te doden. Dit gaat niet in de uitloop en ook niet in de stal.

B. S t r O n g y lo ï d e s.

De algemene therapie op een bedrijf met klinische afwijkingen is „hygiëne".
Dit betekent in dit geval vooral het zeer vaak schoonmaken van de stallen.

-ocr page 663-

De klinische afwijkingen zelf zijn bij de jonge varkens zeer gunstig te be-
ïnvloeden door gentiaan violet, 200 ä 300 mg per dag gedurende
2 dagen.

Deze therapie dient na 8 dagen te worden herhaald. De larven zijn weinig
resistent tegen uitwendige invloeden. Om de larven te doden kan men het
best de schoongemaakte stal met heet water nabehandelen.

C. L O n g w O r m e n.

Tot voor kort was hier alleen de preventie liet enige wapen in de bestrij-
ding van deze wormen. Van de werking van de nieuwe medicamenten zo-
als dictycide, cydiction, franocide, brocazine, helmox
e.d. bij varkens is — althans steunend op een goed gefundeerd onderzoek
— nog maar weinig bekend. Bij duidelijk aangetaste koppels zijn met deze
preparaten „klinisch" gezien, vaak zeer behoorlijke resultaten bereikbaar.

D. S t r O n g y 1 u s.

Piperazine is ook tegen strongyliden werkzaam, n.1. voor 87% en is
in tegenstelling met phenothiazine wat voor 90% werkzaam is, niet
giftig. Bij varkens kan men ook bij een behandeling tegen deze wormen
aan piperazine-preparaten dc voorkeur geven. Daarbij valt op te merken
dat, zeker bij betrekkelijke jonge varkens, vrijwel steeds ook ascariden
aanwezig zijn.

Naschrift.

.Alhoewel er dus therapeutische middelen bestaan mag de preventie zeker
niet uit het oog worden verloren. De \\\'arkcns worden vanuit hun om-
geving besmet, en wel door het opnemen van infectieuze eieren, c.q. larven,
met lonarwonnlarven besmette aardwormen of doordat infectieuze larven

O

via de huid penetreren. Daar de meest voorkomende wormeieren (ascaris)
niet chemisch te doden zijn, moet men deze door het reinigen van de stal-
len hieruit verwijderen.

Het uitmesten moet regelmatig 2 ä 3 maal per weck gebeuren.
Vooral jonge zeugen dienen vóór het werpen zoveel mogelijk met piperazine
te worden ontwormd. In de omstandigheden zoals wij die in Nederland ken-
nen is het ontwonnen vrijwel bij alle jonge zeugen en bij jonge varkens en-
kele weken na het spenen - - althans op zijn minst economisch gezien —
zonder voorafgaand onderzoek verantwoord.

Indien een uitloop besmet is, kan men praktisch niet beter doen dan de
varkens, nadat deze zo goed mogelijk ontwormd zijn, een andere uitloop
verstrekken. Immers, omspitten of omploegen van de grond heeft maar
weinig resultaat, daar door het wroeten der varkens steeds weer eieren
(infectieuze lar\\en - besmette aardwormen) naar de oppervlakte worden
gebracht.

Op meerdere bedrijven is een advies om de varkens binnen te houden op
zijn plaats. Het is niet voor niets, dat men in Denemarken over het alge-
meen niet wil weten van een uitloop voor varkens.

-ocr page 664-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

RESISTENTIE VAN LISTERIA IN WATER, IN DE BODEM EN OP VOOR-
WERPEN.

Pomanskaya, L. A.: Survival of Listeria in water, soil and on objects, (transl.
tide)
Veterinariya Moscow, 12, 21, (1961). Referaten Vet. Bull., 32, 347, (1962).
(Ref. no. 1751).

Bij experimenten van 3 Listeria-stammen bleken de organismen op zijn minst 790
dagen in vijverwater van 2-8° C tc overleven en in ijs bij —5° C. Bij herhaald vriezen
en dooien bedroeg dit 199 dagen.

In 0,9% NaCl-oplossing bleven zij 545 dagen in leven bij 15° tot 20° C en in droge
aarde 26 dagen bij 35° tot 37° C, 142 dagen bij 15° tot 20° G, 299 dagen bij 2 tot
8° C en 370 dagen bij —5° C.

Op gedroogde haver bleven zij 69 dagen in leven bij 35 tot 37° C; 188 dagen bij
15° tot 20° C en tenminste 1009 da.gen bij —5° C, maar bij herhaald vriezen en
dooien „slechts" 465 dagen.

Na bewaren bij verschillende temperaturen gedurende 200 tot 400 dagen, was één
van de 7 culturen verminderd virulent geworden voor muizen, terwijl van deze stam
en van 2 anderen de katalase-activiteit was verminderd.

C. A. van Dorssen.

Heelkunde

NIEUWE ERVARINGEN MET ANESTHESIE BIJ PAARDEN.

T a V e r n o r, W. D.: Recent Trends in Equine .Anaesthesia. Vet. Ree., 74, 5.95,
(1962).

In een lezing voor de British Equine Association heeft de schrijver een uiteenzetting
gegeven over de invoering van nieuwe methoden bij sedatie, lokale anesthesie en
algemene narcose van paarden.

Het spierverslappende middel succinylcholine, dat nog enkele jaren geleden werd
aanbevolen om paarden .gemakkelijk neer te le.ggen, heeft door plotseling uitscheiden
van adrenaline in de bloedbaan een niet te verwaarlozen effect op de haractie.
Geregeld traden taxycardia of endocardiale bloedin.gen op. De schrijver waarschuwt
voor het gebruik van dit agens zonder voorafgaand grondig hartonderzoek.
Bij de vernieuwingen op het gebied van de lokaalanesthesie wordt melding gemaakt
van de blokkade van het ganglion stellatum, die een hyperthcrmie van het voorbeen
gedurende 1-2 uren teweegbrengt. Chronische ontstekingstoestanden en spierverrek-
kingen in de extremiteit vormen hiervoor de indicatie.

Van de in de laatste jaren ontwikkelde tranquillizers heeft chlorpromazine hydro-
chloride, in een dosering van 1 mg/kg i.v. of 2 mg/kg i.m., zodanige reacties (plot-
seling neervallen of vooruitspringen) gegeven, dat het niet meer kan worden aan-
bevolen. Iets gunstiger resultaten werden bereikt met andere phenothiazinederivaten,
t.w. promazine hydrochloride en trimeprozinetartraat in een dosering van 1-2 mg/kg.
Hoewel ook hieraan zekere bezwaren verbonden zijn, is het mogelijk in combinatie met
een lokaalanesthesie eenvoudige chirurgische ingrepen uit te voeren.
De grootste vooruitgang werd geboekt met algemene narcotica. Twee nieuwe farmaca
uit de barbituraatgroep zijn zeer geschikt als narcoticum. Bij thiopentone-Na, dat in
een dosering van 1 g/100 kg, snel intraveneus geïnjiceerd, gegeven wordt, treden
echter met het afnemen van de narcotische werking excitaties op. Het kortwerkende
methohexitone-Na heeft daarentegen dit nadeel niet. Het leent zich derhalve als in-
leiding tot een inhalatienarcosc en voldoet het meest met halothane of cyclopropane
in een gesloten systeem. De „recovery period" is daardoor buitengewoon kort.

H. ƒ. Wintzer.

-ocr page 665-

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

ENKELE GEGEVENS UIT CYSTICERCOSE-STATISTIEKEN.

B i c h e, J. et T h i e n p o n t, D.: Etude statistique de la cystieereose bovine au
Ruanda-Urundi.
Ann. Méd. Vét., 103, 27, (1959).

Marsboom, R. Van P a r y s, O. et B r o d s k y, M.: Contribution a I\'etude des
localisations préférentielles des cysticcrques chez le gros bétail en Urundi.
Ann. Méd.
Vét.,
104, 191, (1960).

Bij een systematisch onderzoek van 750 resp. 2128 runderen, in Ruanda-Urundi ge-
slacht, werd 69,6% resp. 80,9% met
Cysticercus inermis geïnfecteerd bevonden. De
keuring van alleen de halsspieren, de tong en het hart bracht slechts ruim de helft
resp. iets minder dan de helft der gevallen aan het licht.

Het feit, dat de cysticerci zich al verplaatsende door de bloedvaten kunnen uitrekken,
waardoor zij ook in de kleinere vaten kunnen komen, is volgens Biche en Thien-
p O n t de verklaring voor het vooral voorkomen in het juist zo goed van bloedvaten
voorziene spierweefsel.

J. Jansen Jr.

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit

EEN VERGELIJKENDE STUDIE OVER DE OÖGENESE BIJ VERSCHIL-
LENDE HUISDIEREN.

M a u 1 e O n, P.: Deroulement de l\'ovogénèse compare chez differents mammifères
domestiqucs.
Rapport 4e Internat. Congres „Voortplanting bij dieren", Scheveningen,
1961.

Omtrent de kennis van de oögcnese bij de huisdieren bestaan no.g vele hiaten. De
waarnemin.gen, tot nog toe verricht, zijn vaak gedaan aan niet .gedateerde en incom-
plete series embryonen.

Dc auteur heeft vergelijkende onderzoekingen over de oögenese gedaan aan dc hand
van complete series ovaria van embr>\'Onen en jonge dieren, nauwkeurig gedateerd
vanaf het moment van de bevruchting bij het konijn, het schaap, het varken en het
rund, vanaf de periode van differentiatie van de gonaden tot aan de .geslachtsrijpheid
toe.

De auteur verdeelt de oögcnese in vier stadia:

Fase I: Vanaf de sexuclc differentiatie tot het verschijnen van de oöcysten van het
leptoteen stadium.

Fase II: Vanaf het leptoteen stadium tot het optreden van de eerste primaire fol-
likels.

Fase III: Vanaf de eerste primaire follikels tot het verdwijnen van dc oögonien en

de eerste stadia van dc mciotische profasc.
Fase IV: Vanaf het verdwijnen van dc eerste stadia van de mciotische profase tot

het optreden van de eerste follikels „a antrum" (z.g. Graafse follikels).
Deze 4 fasen vertonen een treffende overeenkomst in de vier onderzochte dier-
groepen. De tijdsduur van dc fa.sen 1, 2 en 4 is .gelijk bij het konijn, de zeug en de
koe. Deze perioden corresponderen met de fundamentele processen gedurende de
oögenese.

Fase 3 echter had bij de onderzochte diergroepen een verschillende tijdsduur. Het
einde van fase 3 is gekenmerkt door sterke de.generaticvcrschijnselen, vooral bij het
schaap, de koe en het konijn.

Bij de groei van de follikels en de daaropvolgende verdwijning vanaf het einde van
fase 4 tot dc geslachtsrijpheid, vormt deze degeneratie der oöcysten een beperkende
factor t.o.v. het oorspronkelijke aantal primaire follikels waarover een volwassen dier
bij het begin van zijn geslachtsrijpheid beschikt.

ƒ. Boender.

-ocr page 666-

DE TUBAFACTOR BIJ STERILITEIT VAN DE VROUW.

V a s e n, L. C. I, M.: Dc tubafaktor bij steriliteit van de vrouw. Ned. Tijdschr.
Geneesk.,
105, 361, (1961).

De meeste schrijvers geven aan, dat 10-15% van alle huwelijken kinderloos blijven.
Tegenwoordig is men algemeen overtuigd van het feit, dat bij de huwelijksonvrucht-
baarheid de mannelijke faktoren van vrijwel evenveel betekenis zijn als die van de
vrouwelijke partner. In vele gevallen komt een huwclijksonvruchtbaarheid tot stand,
doordat zowel bij de vrouw als bij de man bepaalde afwijkingen voorkomen, die elk
van de partners subfertiel maken.

De oorzaken van de steriliteit te ontdekken is soms eenvoudig, gewoonlijk moeilijk
en vaak onmogelijk. Aan de tuba-afwijkingen kent men tegenwoordig een belangrijke
betekenis toe bij de kinderloosheid.

Voor een goede diagnostiek, maar vooral voor een goede behandeling van de tuba-
factor bij de steriliteit van de vrouw, is een nauwkeurige kennis van de anatomie en
de fysiologie van de menselijke eileider noodzakelijk. Deze anatomie en fysiologie
worden in dit artikel zeer interessant beschreven. Bij de specifieke ontstekingen zijn
volgens de huidige opvattingen dc tuberkuleuze salpingitides veel belangrijker dan de
gonorroïsche infecties. Men mag aannemen, dat deze aandoening in tenminste 4,5%
der gevallen de oorzaak van kinderloosheid is.

Voor de diagnostiek is de pertubatie ongetwijfeld dc meest toegepaste methode. De
grote voordelen van de hystersalpingografie boven dc pretubatie zijn hierin gelegen,
dat met de eerstgenoemde methode dc plaats van dc afsluiting van het tubalumen
vrij nauwkeurig kan worden bepaald en dat men gegevens verkrijgt over de vorm,
de grootte en dc eventuele afwijkingen van de uterus. Een nadeel is ongetwijfeld, dat
de ingespoten contrastvloeistof de weefsels prikkelt, waarmede ze in aanraking komt.
De toepassing van een aanvullende onderzoekingsmethode, nl. de culdoscopie, is soms
zeer gewenst. Met een cystoscoopachtig instrument wordt dc fornix posterior van de
vagina doorboord en vervolgens tot in het cavum Douglasi gebracht. Op deze wijze is
het mogelijk de achterzijde van de uterus en de adncxa tc inspecteren, om met zeker-
heid polycystische ovaria vast te stellen en om een cxtra-uterine graviditeit te diagnos-
tiseren. Nog een andere onderzoekingsmethode is het inspuiten van een kleurstof in
het cavum Douglasi. Onder normale omstandigheden behoort deze kleurstof na
12-24 uur in de vagina aantoonbaar tc zijn.

De chirurgische behandeling van de tuba-afwijkingen wordt de laatste tientallen
jaren door verschillende clinici gepropageerd. Vooral in het begin waren de resul-
taten echter pover, later zijn ze enigszins verbeterd. Een eenvoudige behandeling,
zoals de knip van een schaar, kan reeds voldoende zijn om de met elkaar verkleefde
fimbriae van elkaar te scheiden en het fimbriële einde der tuba zijn nonnale vorm
en functie terug te geven. Van deze operatie worden verreweg de beste resultaten
beschreven.

Andere opcratiemethoden welke gencK\'md worden, zijn: salpingostomic, tuba-implan-
tatie, resectie van het afgesloten deel van de tuba en ovarium-implantatie.
Omdat de resultaten van de operatieve behandeling in het algemeen vrij pover zijn,
vraagt men zich dc laatste jaren af, of door de conserv-atieve therapie wellicht betere
resultaten kunnen worden verkregen, nl. door injectie van bepaalde vloeistoffen in
het cavum uteri. Gruber (1959) injiceerde een oplossing van 25 mg cortison en
1 gr van een breedspectrumantibioticum in 8 ml NaCl-oplossing 0.9% via de cervix
en het cavum uteri in de tubae. Door herhaalde inspuitingen in de eerste helft van
de cyclus, uitgevoerd met enkele dagen tussenruimte, bereikte hij bij 3 van de 10
behandclcie patiënten met een organische afsluiting van het tubalumen, dat zij
zwanger werden. Anderen deelden mee dat zij, door de conservatieve behandeling
van 35 patiënten met afsluitingen van het tubalumen, in 25 gevallen een zwanger-
schap hadden verkregen.

H. de Vries.

-ocr page 667-

BOEKBESPREKING

CANCEROLOGIE COMPARÉE.
Ch. Lombard.

fC. Doin, Paris, 1962. 483 blz. Ingen, f 76,-)

Lombard, één der pioniers op het gebied van de vergelijleende tumorleer, heeft
een poging gedaan in zijn nieuwe werk, dat hieronder wordt besproken, zowel de
spontane als de experimenteel verwekte tumoren bij alle bekende diersoorten, te be-
schouwen. Hij deed dit door cen aantal hoofdstukken te schrijven, die opgebouwd
zijn als een soort verzanielreferaat met uitgebreide literatuurverwijzingen, terwijl
samenvattende conclusies elk hoofdstuk besluiten.

De opzet van dit bock is dus verschillend van het kortgeleden in deze rubriek be-
sproken werk van Moulton: „Tumors in Domestic .Animals", dat overwegend
spontane diertumoren bij onze huisdieren behandelt en pathologisch-anatomische
gegevens verschaft.

Na cen historische inleiding geeft Lombard aan de hand van uitvoerige tabellen
van vele onderzoekers gegevens betreffende dc graad van maligniteit van verschil-
lende tumoren, hun voorkeur voor bepaalde sexe of ras, voorkcurslokalisatie en leef-
tijdsverdeling. In een apart hoofdstuk wordt de invloed van dc voeding besproken
die bij het ontstaan van enkele tumoren bij muis en rat van groot belang blijkt tc zijn.
N\'ooral het ontbreken van evenwicht in het rantsoen, het ontbreken van bepaalde
aminozuren en een teveel aan lipoïden speelt ccn rol (blz. 151).

In het korte hoofdstuk „ziekten" wordt aangetoond, dat cr tussen sommige tumoren
cn enkele virussen cen antagonisme bestaat dat misschien perspectief oplevert voor
de kankerbestrijding.

Enigszins misleidend is het bespreken van cen aantal enzoötisch voorkomende tumor-
ziekten onder het hoofd „besmetting", daar veeleer een erfelijke grondslag of vocdings-
factoren van bclan,g zijn. Terecht worden in dit hoofdstuk „besmetting" wel vele door
virus veroorzaakte tumorziekten bij verschillende diersoorten besproken, waaronder
het niercarcinoom bij cen Amerikaanse kikkersoort, infectieuze sarcomen (Rous-
sarcoom), leucosen en hepatomen bij diverse vogelsoorten, papillomatose, fibromatosc
en myxomatose bij zoogdieren, terwijl ook het zgn. venerische sarcoom van Sticker
en verschillende zoogdicrlcucosen aandacht ontvangen.

In het hoofdstuk gewijd aan dc erfelijkheid wordt aan de hand van één der best ge-
analyseerde tumorziekten, nl. het mammacarcinoom bij de muis, uiteengezet hoe een
ingewikkeld samenspel van verschillende factoren vereist is voor het optreden van
dc tumoren. Genoemd worden: erfelijkheid, virusfactor (mclkfactor), hormonen en
cen aantal milieufactoren.

Het experimentele deel is wat tc beknopt gehouden. Onderscheid wordt gemaakt tus-
sen „canccr grcffé" (getransplanteerde kanker) en „cancer provoqué" (verwekte
kanker). Het blijkt dat er bij transplantatie nogal eens veranderingen in virulentie
en structuur optreden.

In het hoofdstuk „cancer provoqué" worden de invloeden van mechanische factoren,
verschillende soorten straling, van temperatuur en vooral van chemische stoffen be-
schouwd. Het zgn. teercarcinoom en dc verschillende canccrogene stoffen worden vrij
uitvoerig besproken, waarbij wordt gewezen op dc overeenkomst in structuur tussen
verschillende canccrogene stoffen en bijv. de geslachtshormonen, bijnierschorshormo-
nen en vitamine D 2. Gewaarschuwd wordt voor de toediening van sommige chemi-
caliën in het menselijke voedsel (o.m. enkele kleurstoffen). Met klem wordt gewezen
op dc wenselijkheid van het testen van dergelijke stoffen op grote reeksen proefdieren,
waarvan de procfgroep langdurig de stof toegediend krijgt, terwijl ook het nageslacht
gecontroleerd dient te worden.

Gepleit wordt om verschillende diersoorten tegelijk als proefdieren te gebruiken,
waarbij dan genetisch zuivere stammen van sommige knaagdieren dienen te worden

-ocr page 668-

ingeschakeld daar immers van verscheidene van deze stammen te voorspellen is,
vk\'elke tumoren „normaal" zullen optreden en in vi-elke aantallen.
Ook de rol van hormonen en van enkele parasieten bij het ontstaan van sommige
tumoren wordt besproken, terwijl een uitvoeri.ge, maar niet zeer overzichtelijke lite-
ratuurlijst, het boek besluit.

Overzichtelijkheid echter is helaas niet de grootste deugd van dit bij nadere be-
schouwing toch wel waardevolle naslagwerk, dat een grote hoeveelheid .gegevens
bevat en vooral nuttig is door analysering van verschillende factoren die tezamen de
achtergrond vormen van het nu nog helaas
kankerprobleem genoemde fenomeen.

W. Misdorp.

INGEZONDEN

AANTEKENINGEN NAAR AANLEIDING VAN EEN BOEKBESPREKING.
Stellun.gnahme zu der Buchbesprechung des Hernn Smits über das Buch von
Fritzsche und G e r r i e t s: Geflügelkrankheiten, Lehrbuch für Tierärzte und
Studierende der Veterinärmedizin, 2. Auflage 1962, Verlag Paul Parey, Berlin,
in der
Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Band 87/Nr, 14 vom 15.7.1962.
Es ist ungewöhnlich, zu einer Buchbesprechung nochmals seitens der Buchautoren
Stellung zu nehmen. Der Kritiker ist seinerseits natürlich berechtigt, schwache und
starke Kapitel eines Buches herauszustellen. Wenn aber den Buchautoren Kunstfehler
in einem Lehrbuch vorgeworfen werden bzw. sonst noch Vorhaltungen gemacht wer-
den, die nicht den Tatsachen entsprechen, dann muss es diesen auch gestattet sein,
dazu Stellung zu nehmen.

Sicher ist es leichter, ein Buch zu kritisieren, als eines zu schreiben. Es ist zu be-
grüssen, wenn sich ein Kritiker wie Herr S m i t s die Mühe macht, das Buch von der
ersten bis zur letzten Zeile einmal durchzulesen und es nicht nur zu überblättern,
um eine Kritik zu schreiben. Die erste Auflage wurde in dieser Zeitschrift von Herrn
Roepke besprochen und dabei gab er einige Hinweise, die wir gern anerkannten
und in der 2. Auflage berücksichtigten. Alle derartigen Ergänzun.gen sind für das
Buch von Vorteil und werden von den Autoren und Lesern nur begrüsst werden. Bei
der Rezension unseres Buches durch Hernn Smits müssen wir Objektivität leider
teilweise vermissen. Es sei uns daher gestattet, zu seinen einzelnen Einwendungen fol-
gendes zu erwidern:

Kapitel 3 und 5 (Stoffwechselkrankheiten und Vitaminmangel) haben wir absichtlich
getrennt, um dem Leser die Übersicht zu erleichtern. Wenn wir die „Krankheiten
mit noch un,geklärter Aetiologie" den Stoffwechselkrankheiten anschliessen, so wollen
wir damit den Leser durchaus suggerieren, unter welcher Gruppe wir zur Zeit dieser
Krankheiten einordnen möchten, zumal über sie Veröffentlichungen vorliegen, die
einen infektiösen Gharakter bislang nicht beweisen.

Herr Smits bemängelt die Kürze der ersten 2 Kapitel des Buches über die Hygiene.
Er beachtet aber nicht, dass wir bei einem Lehrbuch an eine gewisse Seitenzahl ge-
bunden sind. Zu Ungunsten der Infektionskrankheiten können wir die ersten Kapitel
des Buches nicht zu ausführlich .gestalten.
Einzelne gegebene Hinweise sind anzuerkennen.

Herr Smits beanstandet weiterhin die Behauptung auf Seite 151, dass nach einer
Impfung ge.gen Pseudopest nur niedrige Heamagglutinationfhcmmungstiter gefunden
werden, und dass hohe Titer auf eine Re-Infektion hinweisen. Das wurde ausdrück-
lich nur auf den Adsorbat-Impfstoff bezo.gen und nicht auf die HITGHNER-Vaccinc.
Es sollte also nicht etwas kritisiert werden, was gar nicht behauptet wurde.
Hinsichtlich der Leukose und der Marek\'schen Hühnerlähmung behauptet Herr
Smits, dass fast nie Hinweise über eine deutliche Verbreitung von Virusarten
über die Brutmaschine bzw. Brüterei gegeben werden. Das trifft nicht zu, sondern
auf Seite 18 unter Abschnitt „Hygiene der Brut" ist ausdrücklich darauf hingewiesen.
Ferner wird uns vorgehalten, dass wir auf Seite 234 behauptet hätten, dass Hühnern,
die aus anderen Betrieben stammen, keine Keimträger sind. Wir können das nicht fest-
stellen.

-ocr page 669-

Bei den Abbildungen 151 und 152 haben wir gemäss Legende nicht behauptet, dass
CS sich um typische Augenveränderungen bei der Marek\'schen Hühnerlähmung han-
delt, sondern mit diesen Abbildungen lediglich auf Pupillenveränderungen im Rahmen
des Symptomkomplexes hinweisen wollen. Nur die Abbildungen 153 und 154 wurden
von uns als spezifisch bezeichnet.

Die von Hernn S m i t s angefochtene Behauptung F r i t z s c h e\'s, dass ein Betrieb
ohne Tiere mit Iridocyclitis als frei von Marck\'scher Hühnerlähmung beurteilt wer-
den kann, erfährt im Text auf Seite 234 aber die Einschränkung, dass das beson-
ders in grossen Betrieben der Fall ist (mehr als 1.000 Tiere). Wir wissen
nicht, ob sich Herr S m i t s wie Fritzsche über viele Jahre systematisch die
Mühe gemacht hat, anlässlich der Pullorumuntersuchungen hierauf besonders zu
achten. Vielleicht könnte er der vertretenen Ansicht dann leichter zustimmen. Leider
sind
CS schr grosse Betriebe, die frei von Tieren mit jeglicher Iridocyclitis sind.
Die auf Seite 243 beanstandeten klinischen Symptome bei der Pullorumkrankheit
wären nach der von Hernn S m i t s gegebenen Rezension sehr wohl zu beanstanden.
Wir vergaszen aber nicht das Hauptsymptom, den weissen Durchfall, nach
dem die Krankheit in Deutschland den Namen „Weisse Kükenruhr" erhielt, zu er-
wähnen. Die ferner von Hernn S m i t s beanstandete prophylaktische Behandlung
der Pulloruminfektion haben wir auch nicht in der von ihm behaupteten Weise pro-
pagiert, sondern sie lediglich auf Seite 257 für Mast-Kükenbestände empfohlen.
Möchte Herr S m i t s tatenlos zuschauen, wenn bei einem Mäster, der Tiere zu-
kauft, im Bestand eine Pulloruminfektion ausbricht?

Im Kapitel „Tuberkulose" moniert Herr S m i t s unseren Hinweis auf die Unter-
suchungen von N a s s a 1 über die mögliche Umwandlung von Tubcrkelbakterien-
stämmen. Wir haben die .\\rbcit von Hernn N a s s a 1 lediglich zitiert, ohne zusätz-
lich weiter dazu Stellung zu nehmen. Hätten wir diesen Hinweis nicht .gebracht, so
hätte Herr S m i t s vermutlich das Fehlen dieses Hinweises beanstandet.
Was das Kapitel über „Coccidiose" betrifft, so ist die Kritik von Herrn S m i t s un-
zutreffend, dass die Darmcoccidiose bei Gänsen und Tauben sowie Enten nicht oder
kaum behandelt sei. Auf Seite 353 und 354 wurde der Coccidiose der Gänse und
Tauben sogar je ein Kapitel gewidmet. Coccidiose der Enten is auf Seite 353 nur
kurz erwähnt, da wir bisher mit ihr noch nie etwas in Deutschland zu tun gehabt
haben. Das Buch ist ja in erster Linie auf deutsche Verhältnisse zugeschnitten. Für
den Hinweis auf Entencoccidiose in den Niederlanden sind wir dankbar.
Das Forociben haben wir lediglich der Vollständigkeit halber erwähnt, aber noch
nichts über den Wert des Präparates im positiven oder nc.gativen Sinne sagen wollen.
Entschieden muss aber nun gegen den uns vorgeworfenen Kunstfehler bei der
Dosicrun.g von Sulfonamid-Präparaten Stellung genommen werden. Auf Seite 255
ist eine .Arbeit von Dickenson und S t o d d a r d (1948) lediglich erwähnt,
die experimentell 14 Tage lang 0,5% Sulfamerazin verabreichten, um fest-
zustellen, ob sie dadurch den A.gglutinationstiter bei Pulloruminfcktionen senken
konnten. Eine Empfehlung unsererseits ist das doch wohl keinesfalls, sondern
lediglich ein Hinweis, dass auch eine 14 Tage lan.ge Verabreichung von Sulfona-
miden den A.gglutinationstiter nicht senkt. Sonst finden wir auf Seite 255-256 keinen
Hinweis, dass Sulfonamide über eine Zeit von 7 Tagen gegeben werden sollen. Auch
auf Seite 270 wird nur darauf verwiesen, dass bei Puten nachamerikanischen
Angaben Sulfonamide höchstens 10 Tage gegeben werden dürfen.
Wir haben in Deutschland über die Verabreichung von Sulfonamiden an Puten keine
eigenen Erfahrungen. Auf der beanstandeten Seite 273 steht überhaupt kein Hinweis
auf eine Sulfonamidthcrapie. Wohl wird auf Seit 276 die Sulfonamidtherapic bei
Geflügclcholera erwähnt, aber nirgends ist ein Heinweis erfolgt, eine solche Be-
handlung 8-14 Tage ununterbrochen mit einer kurativen Dosis durchzuführen. Wir
müssen uns also energisch dagegen verwahren, uns hier eines Kunstfehlers zu bezich-
tigen !!

Ob bei Legehennen Sulfonamidpräparate contraindiziert sind, ist schwer zu beweisen.
Niemand wird einer gesunden Legehennenherde Sulfonamide verabreichen, sondern

-ocr page 670-

das kommt wohl nur dann in Frage, wenn die Herde krank ist und damit sowieso
ein Produktionsabfall vorliegt, der durch eine Sulfonamidbchandlung höchtsens ge-
bessert, aber nicht verschlechtert werden kann.

Schliesslich sei darauf verwiesen, dass wir ein Kapitel über „Tumoren" absichtlich
weghessen, da zur Zeit noch keine Klarheit herrscht, in welchem Verhältnis diese zur
Lcukose stehen. Wir möchten es heute noch nicht wagen, eine Diffcrentialdiagnose
der Tumoren gegenüber den einzelnen Leukoseformen zu interpretieren.
Zusammenfassend dürfen wir feststellen, dass Teile der Rezension sowohl inhaltlich
als auch wegen der förmlichen Abweichungen von den international üblichen Ge-
pflogenheiten nicht unerwidert bleiben konnten. Wir müssen es dem Urteil des Lesers
überlassen, ob er uns in dieser Erwiderung folgen will.
 Fritzsche - Gerriets.

Naschrift van collega H. Smits:
Geachte Redactie,

Gaarne maak ik van de door U geboden gelegenheid gebruik in te .gaan op de door
de beide schrijvers van het boek „Geflügclkrankhciten", dc heren Prof. Dr. Frit z-
s c h c en Prof. Dr. Gerriets, te.gen mijn bespreking van hun boek in.gebrachte
bezwaren.

De door mij bij de tweede druk van dit studieboek gemaakte kanttekeningen zijn niet
in de eerste plaats gemaakt ten behoeve van de beide auteurs, maar vooral bedoeld
voor die Nederlandse dierenartsen en diergeneeskundi.ge studenten, die zich dit
bock (willen) aanschaffen.

Uitdrukkelijk is in mijn recensie dan ook .gesteld, dat ik het bock in het bijzonder
vanuit de gezichtshoek van de praktizerende dierenarts heb beoordeeld. Voorzover
Nederlandse ervarin.gen en opvattingen hiertoe aanleiding gaven, zijn deze door mij
in het kort vermeld om verwarring bij de Nederlandse lezers te voorkomen.
Ik wil aannemen, dat de Duitse praktizerende dierenartsen momenteel nog weinig
geconfronteerd worden met voedings-, huisvestings- en andere hygiënische problemen
in de pluimveehouderij. Wanneer ik echter zie, hoe dringend dc Nederlandse dieren-
artsen, nu ze meer cn meer actief bij de pluimveczicktenbestrijding worden betrokken,
juist op dit gebied behoefte hebben aan goede, wetenschappelijk verantwoorde voor-
lichting, dan durf ik thans reeds te voorspellen, dat zich bij de snelle ontwikkeling
van de Europese (en niet in de laatste plaats van de Duitse) pluimveehouderij ook
in andere landen binnen enkele jaren eenzelfde vraag zal voordoen. Zonder deze
kennis zal het namelijk de dierenartsen praktisch onmogelijk zijn een vertrouwens-
positie bij dc pluimveehouders tc veroveren, resp. te behouden. Voor het feit, dat de
auteurs zich in de huidige uitgave bij de behandeling van deze zo belangrijke stof
we.gens de omvang van het bock hebben moeten beperken, zal een ieder weldenkend
mens begrip op kunnen brengen. Ik wil evenwel de hoop uitspreken, dat - hetzij in
de vol.gende uitgave, hetzij in een apart werk — in dc tcx-komst wel meer aandacht
aan dit onderwerp zal kunnen worden besteed. In deze zin zijn de door mij indertijd
.gedane suggesties bedoeld .geweest.

De auteurs zullen het mij ten goede moeten houden, maar ook na het lezen van hun
desbetreffende toelichting ben ik er niet van overtuigd, dat het scheiden van dc
hoofdstukken 3 en 5 een voordeel betekent. Rachitis en osteomalacic, perosis, gizzard-
erosion en lysine-tckort bijvoorbeeld zijn, evenals de beschreven vitamine-tekorten
ziekten, waarvan de oorzaak in de voeding moet worden gezocht. Het apart be-
spreken van rachitis en osteomalacic in hoofdstuk 3 naast vitamine D-3 gebrek in
hoofdstuk 5 werkt m.i. de overzichtelijkheid niet in de hand.

Na herlezing van de betreffende passage op pagina 151 ben ik tot de conclusie .ge-
komen, dat de redactie van mijn zinsnede betreffende het onderscheid tussen H..\\.R.
titers na enting en na (re)infectie niet gelukkig is geweest, waarvoor gaarne mijn ver-
ontschuldiging.

Bedoeld was tot uitdrukking te brengen, dat vol.gens de in de afgelopen jaren in Neder-
land op.gedane ervaringen de H..\\.R.-titer na enting met de in ons land beschikbare

-ocr page 671-

Hitchner Bi-vaccins voor cen deel de titers tengevolge van cen spontane infectie
niet tc boven gaan. Op grond van deze H..\\.R.-titers alleen is het ons dus niet moge-
lijk cen uitspraak tc doen of cr sprake is van een spontane (re)infectic, of niet.
Aangaande de titcr-ontwikkcling na vaccinatie met dode entstoffen, welke in ons
land niet worden toegepast, staan mij geen gegevens ter beschikking.
Verbazing wekt de reactie van de auteurs op mijn opmerking aangaande de be-
strijding van leukose en Marek\'sc verlammingsziekte. .Al zijn er zeker onderzoekers,
die menen cen virusverspreiding via dc broedmachine (Marek\'sc verlammings-
ziekte wordt op pag. 18 niet genoemd!) tc hebben aangetoond, daarmee staat het
nog geenszins vast, dat deze verspreiding in dc praktijk cen rol speelt. Op grond van
uitgebreide eigen ervaring, opgedaan op de Nederlandse fokbedrijven, vermcerde-
ringsbedrijven en kuikenbroederijen, kan ik hun standpunt in deze persé niet delen.
Het optreden van de genoemde ziekten wordt volgens onze gegevens in feite door
de erfelijke aanleg, de mate van besmetting en wccrstandsverminderende uitwendige
factoren (zoals bijv. overbevolking, snelle groei, ziekten) bepaald.
Mijn opmerking: „Van hennen, afkomstig van andere bedrijven (bladz, 234), kan
niemand garanderen, dat zc geen smetstofdragers zijn", slaat op de laatste alinea
op de genoemde bladzijde, waar letterlijk staat:

„Tritt die Krankheit erstmalig unter zugekauften Junggeflügcl (auch im Form
von Bruteieren oder Eintagsküken) eines Bestandes auf, so kann man die Krank-
heit schnell und sicher wieder ausrotten, wenn man das gesamte Junggeflügel des
betreffenden Jahrganges ausmerzt und dafür ältere Junghennen aus sicher ge-
sunden Beständen ankauft."

Wc kennen, in Nederland althans, geen „sicher gesunden" bedrijven. In elk koppel
gaan tijdens de opfok of gedurende de eerste maanden van dc leg wel enkele dieren
aan verlamming ten gronde of moeten wegens oculairc lymfomatose worden ver-
wijderd. Juist het optreden van slechts enkele slachtoffers van Marek\'sc verlammings-
ziekte is voor de Nederlandse fokkers een teken, dat ze wat de erfelijke resistentie van
het betreffende fokmatcriaal „goed zitten". Zelfs in grote koppels is het niet vinden
van dieren met oculairc lymfomatosis ten tijde van h< t pullorumonderzoek geen ga-
rantie voor het ziekte vrij zijn van dc betreffende koppels. Het door Prof.
F r i t z s c h c geadviseerde systeem is, in het kader van de „teeltregeling", op onze
fok- en vermcerdcringsbedrijven gedurende tal van jaren zeer rigoreus doorgevoerd,
maar zonder afdoende resultaten. Dc Nederlandse lokkers hebben daarom het accent
verlegd naar het verhogen van dc erfelijke resistentie, waarvoor jaarlijks op grote
schaal combinatieprocvcn worden verricht.

Zeer zeker hebben de schrijvers gelijk, wanneer ze stellen dat de onderschriften bij
dc afbeeldingen 151 en 152 niets vermelden over het al of niet behoren tot het
Marek\'sc vcrlammingszicktcsyndroom. Mag ik er op attent maken, dat dit ook niet
wordt .gesteld voor afbeelding 155, waarvan ik desondanks aanneem, dat dit ncuro-
lyiiifomatosc betreft (en niet myclocytomatosc, zoals ook nog mogelijk is!).
Schrijvers zullen toch moeten toegeven, dat dc plaatsing van de afbeeldingen 151
en 152 zonder enig commentaar op dc betreffende plaats op zijn zachtst gezegd
uiterst misleidend werkt.

De op bladz. 243 genoemde klinische verschijnselen zijn hoogstens verdacht, doch
zeker niet pathognostisch voor pullorum. Witte diarree cn ccmentcloaacjcs worden —
als gevolg van een ontstane nierontstcking — veroorzaakt door cen sterk verhoogde
afscheiding van urinezuur. De beschreven symptomen, waaronder witte diarree,
komen net zo goed voor bij slappe pasgeboren kuikens (zonder aanwezigheid van een
bacteriële infectie), na verbroeien, bij paratyfus, enz. •

Zeer zeker is het niet mijn gewoonte bij pullorum onder mestkuikens (gelukkig een
zeer grote uitzondering in ons land) werkeloos toe tc zien. Dit is ook helemaal door
mij niet gesteld. Wel belemmert het toepassen van geneesmiddelen, voordat de
diagnose is gesteld, het tijdig opsporen van de smetstofbron in ernstige mate, omdat
het bacteriologisch onderzoek zeer bemoeilijkt wordt. In dit verband is het adviseren
van cen profylactische behandeling (zonder voorafgaand onderzock) gedurende de

-ocr page 672-

eerste 14 levensdagen minder gelukkig, omdat dan ook de klinische symptomen voor-
komen worden.

De onvriendelijke en in .geen enke opzicht waar te maken bewering, dat bij het niet
vermelden van het werk van N a s s a 1 hierop door mij ook een aanmerking zou zijn
gemaakt, laat ik gaarne voor rekening van de beide heren. Sedert de sensationele,
tendentieuze en zeer aanvechtbare mededelingen van de heer N a s s a 1 in de Frank-
furter Illustrierte van 4 februari 1962 heeft zijn naam in Nederlandse pluimvee-
kringen geen beste naam, getui.ge o.a. de door Roepke
(Tijdschr. Diergeneesk., 87,
655, (1962)) aan dit artikel gewijde bespreking.

Overi.gens heeft het „zetduiveltje" de zetter parten gespeeld, want in de laatste zin
van genoemde alinea was door mij geschreven:

„Zolang dit laatste nog niet het geval is, had m.i. beter de betreffende zinssnede uit
de tekst van het boek weggelaten kunnen worden." Het woord „beter" is helaas uit
de tekst we.g.gelaten.

Blijkbaar zijn de schrijvers het in hoofdzaak wel eens met de door mij inzake het
hoofdstuk coccidiose gemaakte opmerkingen. Mag ik er op attenderen, dat aan darm-
coccidiose bij ganzen iets meer dan drie regels zijn vermeld, waaruit men — evenmin
als dit het geval is voor duivecoccidiose — kan opmaken, welke pathologisch-anato-
mische afwijkingen bij de verschillende soorten worden gevonden?
Het vermelden van geneesmiddelen of profylactica zonder enig commentaar, zoals op
bladz. 355 werd gedaan met Forociben, maakt op een buitenstaander de indruk, dat
de auteurs dit van betekenis achten. Letterlijk wil ik dan ook citeren: „Ein weiteres
neues Coccidiostaticum ist Forociben (Ciba-Werke), das in einer Dosierung von
0,05%
empfohlen wird." (cursivering van mij).

Hier staat niet bij vermeld, dat deze aanbeveling alleen door de fabrikant wordt ge-
daan. Daarom begrijp ik de bewuste opmerking in het weerwoord van dc auteurs
niet.

Betreffende de betekenis van de tumoren, al of niet verwant met het leucose-complex,
voor de diagnostiek zijn deze meningen blijkbaar verdeeld.

Volgens mij is er geen bezwaar de tumoren te beschrijven en duidelijk te stellen (zo-
als ook in andere handboeken geschiedt), dat de relatie met leucose nog niet vast-
staat. In Nederland zien wc een opvallende stijging van het aantal gezwellen, zoals
haemangiomen en adenocarcinomen, bij het ingezonden materiaal.
Blijft tenslotte de hoofdschotel van het „bezwaarschrift", namelijk de kwestie van de
sulfabehandelingen.

De aetiolo.gie van de sulfavergiftiging is nimmer geheel opgehelderd. Wel kan op
grond van Nederlandse ervarin,gen worden gezegd, dat behalve de aard van het pre-
paraat, de dosering en de duur van de behandeling in sommige gevallen een zekere
predispositie noodzakelijk lijkt. Welke factor of factoren voor deze predispositie ver-
antwoordelijk moet (en) worden gesteld is niet bekend, al is wel eens aan schimmel-
toxinen gedacht. Hoe dan ook, we hebben bij het toepassen van sulfapreparaten (en
dit geldt zeker voor de in ons land gebruikelijke sulfamezathine en sulfaquinoxaline)
met deze predispositie duchtig rekening te houden. De vergiftigin.gsverschijnselen
kunnen zich in enkele gevallen al drie of vier dagen na het begin van de behandeling
voordoen, meestal echter treden ze 14 dagen na het beëindigen van de kuur op.
Morbiditeit en mortaliteit kunnen per geval sterk uiteenlopen: sterftecijfers van
20-30% zijn evenwel geen zeldzaamheid, terwijl het restant van het koppel in der-
gelijke ernstige gevallen vaak van zeer maUge kwaliteit is. De duur van de uitval is
wisselQjid, doch bedraagt meestal enkele weken. De dieren kunnen acuut sterven met
ge,gencraliseerde bloedingen en orgaanbeschadigingen, of na een meer slepend ver-
loop, waarbij naast chronische orgaanbeschadigingen anemie en vettige degeneratie
van het beenmerg optreden.

Teneinde de risico\'s van de sulfabehandeling zo veel mogelijk te beperken wordt in
ons land de behandeling onderbroken toegepast, n.1. voor blinde-darm coccidiose vol-
gens het schema 3 dagen behandelen, 2 da.gen overslaan, opnieuw 3 dagen behandelen

-ocr page 673-

(dus 3-2-3). Voor dunne-darm coccidiose gebruilct men het schema 3-3-2-3-2
(dus drie behandelingen met tussenpozen van drie dagen). De onderbroken toediening
heeft tevens het voordeel, dat die ontwikkelingstadia, welke door de behandeling
worden geremd maar niet vernietigd, tijdens dc onderbreking zich verder ontwikkelen
en daarna wel kunnen worden gedood. De in ons land gebruikte curatieve concen-
trades zijn 0,2% sulfamezathine en 0,025% sulfaquinoxaline.

Hoewel een enkele maal met cen normale dosering vergiftiging kan optreden, is in
verreweg de meeste gevallen overdosering of te lang continu verstrekken van de
preparaten als oorzaak aan te wijzen. In Nederland wordt het geneesmiddel via het
drinkwater verstrekt. Wordt echter het medicament door het voeder gemengd, dan
moet men er rekening mee houden dat het aantal per dag opgenomen grammen water
ongeveer tweemaal zo groot is als het aantal grammen voeder (hetgeen op bladz.
256 niet geschiedt).

In de tekst op bladz. 256 worden diverse sulfaprcparaten met name genoemd, als-
mede de verzamelnaam Sulfonamiden. Ik meen uit de tekst te mogen concluderen,
dat deze naam equivalent is aan het Nederlandse begrip sulfaprcparaten. Op bladz.
256 wordt geadviseerd 0,3-0,5% sulfapreparaat per dag door het voeder of het drink-
water gedurende 5-7 dagen te verstrekken. Volgens Nederlandse ervaringen is bijv.
0,5% sulfamethazine (= sulfamezathine) door het drinkwater niet verantwoord cn
zeker wanneer het geneesmiddel gedurende 5-7 dagen continu toegediend wordt.
Dc op bladz. 256 geplaatste waarschuwing, dat niet lan,ger dan 5-7 dagen moet wor-
den behandeld (bij kippen) werpt toch wel cen vreemd licht op dc op bladz. 270
zonder commentaar vermelde waarschuwing, dat sulfaprcparaten bij kalkoenen, die
veel gevoeliger zijn dan kippen, hoo.gstens 10 dagen continu mo.gen worden verstrekt.
Op bladz. 257 wordt onder Chemoprophylaxis o.a. aangeraden door het voeder ge-
durende 14 dagen continu 0,05 tot 0,1% sulfapreparaat te verstrekken aan mest-
kuikens. Navolging van dit advies heeft bijv. met sulfaquinoxaline desastreuze ge-
volgen: 0,05% door het voeder is al een curatieve dosering!

Tegen vogelcholera wordt op bladz. 276 (en niet op bladz. 273, zoals de auteurs
terecht opmerken) aangeraden klinisch gezonde dieren 8 dagen lang voorbehoedend
een sulfapreparaat door het drinkwater te verstrekken. De o.a. vermelde concentratie
van 0,2% sulfamezathine is een curatieve cn geen profylactische, naar ik uitdrukkelijk
wil opmerken.

Een nadelige werking van sulfamerazine cn sulfamezathine op de leg werden in 1948
door B a n k
O w s k i beschreven in het Journal of the American Veterinary Medical
Association. Overigens zullen de auteurs van mij willen aannemen, dat sterke en
snelle produktiedaling (tot bijna 0%!) in Nederland herhaalde malen zijn vast-
.gesteld. Hebben de dieren al enige maanden gele.gd, dan bestaat bovendien grote kans
op in de rui gaan. Wil men een sulfakuur toepassen bij een koppel leghennen, dan
moet men zich beperken tot de apart .geplaatste, klinisch zieke dieren. De noodzaak
voor sulfabehandeling is sedert dc komst van preparaten als bijv. furazolidone en
amprolium gelukkig zeldzaam geworden.

Op grond van bovengenoemde feiten blijf ik cr bij, dat dat het ten zeerste af te
raden is cen continu sulfabehandeling gedurende langere tijd toe te passen.
De insinuatie, dat mijn recensie niet objectief zou zijn geweest, acht ik op grond
van bovenstaande uiteenzetting voldoende weerlegd. Ook het verwijt, dat de recensie
niet in overeenstemming zou zijn met het internationale gebruik, is m.i. niet op zijn
plaats.

Discussie gesloten. Redactie.

-ocr page 674-

CONGRESSEN

DE VETERINAIRE WEEK 1963.

Het H.gt in de bedoeling de Veterinaire Week 1963 op woensdag 12 juni in de Aula
van de Rijksuniversiteit te doen openen. Na de opening zullen er twee belangrijke
voordrachten met een algemeen karakter worden gehouden.

De woensdagmiddag, de donderdag en dc vrijdag zullen geheel gevuld zijn met voor-
drachten en demonstraties, die in twee parallel lopende series gegeven zullen worden.
Het is te verwachten dat het totaal aantal voordrachten tussen de 25 en 30 zal liggen,
terwijl er 10 verschillende demonstraties gegeven zullen worden.

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.
17e Internationaal Diergeneeskundig Congres.

Er werd een programma samengesteld voor de ver-
toning van Wetenschappelijke films.
Opgave van 16 mm films van diergeneeskundig
belang, die nog niet op een internationaal dier-
geneeskundig congres werden vertoond, kan tot
31 januari 1963 aan het Congresbureau geschieden.

De volgende gegevens dienen alsdan te worden ver-
meld:

1. naam, titel, adres enz. van de inzender,

2. titel van de film,

3. jaar van produktie,

4. een korte inhoudsbeschrijving in één der
congrestalen,

5. duur van de film,

6. zwart/wit of kleurenfilm,

7. stomme film of sprekende film,

8. optische of magnetische geluidsregistratie,

9. de taal waarin gesproken wordt.

De film mag niet later dan 1 april 1963 aan het congresbureau worden opgezonden.
Nadat een commissie van de Permanent C\'.ommittee de ingezonden films zal hebben
gekeurd en geclassificeerd, zal voor bijzonder belangrijke films een diploma worden
uitgereikt; deze films zullen meermalen tijdens het congres worden vertoond.
De keuringscommissie kan ongeschikte films weigeren. Korte films, die vertoond wor-
den i.v.m. lezingen op sectie vergaderingen zijn van bovengenoemde regeling uit-
gesloten.

HET EERSTE INTERN.VITONALE CONGRES VOOR PARASITOLOGIE.

De vergadering van de Permanent Council van de World Federation of Parasitology
heeft besloten het eerste Internationale Congres voor Parasitologie tc doen plaats
vinden te
Home in september 1964.

Het congres, toegankelijk voor alle parasitologen en verenigingen voor parasitologie
van de gehele wereld, wordt georganiseerd door een internationale adviserende com-
missie onder voorzitterschap van Prof. Dr. P. C. C. Garnham (Engeland) en
door een nationaal organiserend comité onder voorzitterschap van Prof. Dr. E.
Biocca (Italië), voorzitter van de Societa Italiana di Parassitologia en tevens pre-
sident van het aanstaande congres.

Het congres zal waarschijnlijk de volgende secties bevatten: 1) algemene parasito-
logie, 2) parasitaire protozoën, 3) parasitaire hclminthen, 4) parasitaire arthropoden,
molluscen en vectoren.

Plannen zullen uitgewerkt worden voor symposia, het uitnodigen van sprekers en de
inzending van congrcsvoordrachten.

-ocr page 675-

\\\'oor nadere informatie betreffende het congres richte men zich tot:

Dr. F. J. Kruidenier, secretaris van de VV.F.P., Dept. of Zoology, University of
Illinois, Urbana, U.S..A.;

Prof. Dr. E. Biocca, Instituto di Parassitologia, Univcrsita di Roma, Rome,
Italië, of

Dr. J. Jansen, Biltstraat 172, Utrecht (alleen voor Nederland).

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

STAAT VAN DE GEV.ALLEN WAN BESMETTELIJKE DIERZIEKTEN, IN
NEDERL.AND VOORGEKOMEN GEDl\'RENDE DE M.AAND SEPTEMBER \'62.
De gelallen geven het aantal veebeslagen aan.

S

3

\'s

S O

(i,

ë.

«

X.

O
O

"3
-C

■O.

J3

ÖJ

Provincie

"a

« !3

>

<

Groningen

Drenthe

Friesland

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noordholland

Zuidholland

Zeeland

Noordbrabant

Limburg

Tot. V. h. Rijk

2

15
9
1
4

7
3
44

1

12

Veepest (pestis bovina), longziekte der runderen (pleuropneumonia contagiosa bo-
vum), hondsdolheid (lyssa), schaapspokken (variola ovina) en kwade droes (malleus)
zijn in Nederland resp. sedert 1869, 1887, 1923, 1893 en 1927 niet voorgekomen.

HONDSDOLHEIDSBESCHIKKING II.
De Minister van Landbouw en Visserij,

Gelet op dc artikelen 38 en 64 ter, tweede lid, van dc Veewet;

Besluit:

Artikel 1.

1. Het is cen ieder verboden op dc openbare weg of op andere voor het publiek
toegankelijke plaatsen een hond bij zich tc hebben zonder dat:

a. hij deze aan een korte lijn of ketting van voldoende sterkte houdt, zodanig
dat het dier geen gelegenheid heeft andere personen of dieren tc bijten;

b. hij een bewijs van inenting tegen hondsdolheid bij zich heeft, dat voldoet aan
het bepaalde in de volgende leden, tenzij de hond jonger is dan drie maanden;

-ocr page 676-

c. de hond voorzien is van een aan de halsband bevestigde, ter zake van de in-
enting uitgereikte penning, tenzij de hond jonger is dan drie maanden.

2. Het in het vorige lid bedoelde bewijs moet zijn een van rijkswege verstrekt for-
mulier, bevattende een verklaring van de dierenarts, dat hij de desbetreffende hond
met een der bij of krachtens het derde lid voor gebruik toegelaten vaccins heeft
geënt tegen hondsdolheid. In het bewijs moeten voorts zijn vermeld:

a. de datum van enting, het type van het gebruikte vaccin, de naam van de fa-
bricant en het fabricagenummer;

b. het signalement van het betrokken dier, bevattende het geslacht, de leeftijd, het
ras, de kleur, de soort beharing en de aftekeningen, alsmede de roepnaam
van het dier;

c. de naam en het adres van de eigenaar van het betrokken dier;

d. het nummer, dat in de in het eerste lid bedoelde penning is geslagen.

3. Als vaccins tegen hondsdolheid mogen voor de toepassing van dit artikel slechts
worden gebruikt verzwakte levende vaccins van het type „Flury", „Low egg pas-
sage (LEP)" en wel van de navol.gende fabrikanten:

1. Centraal Diergeneeskundig Instituut;

2. Pitman Moore;

3. American Cyanamid Co.;

4. Fort Dodge Laboratories,

alsmede van nader door dc directeur van de Veeartsenijkundige Dienst aange-
wezen fabrikanten.

4. Uit het bewijs moet blijken, dat dc enting heeft plaatsgehad ten minste dertig
dagen en ten hoogste twee jaren vóór dc datum, waarop de hond zich op de in
het eerste lid bedoelde weg of plaatsen bevindt.

Artikel 2.

Het is aan de eigenaar, houder of hoeder van een hond verboden deze op een erf
los te laten lopen, tenzij de hond op de in artikel I omschreven wijze is geënt en
het erf geheel is afgesloten.

Artikel 3.

Loslopende honden kunnen door dc navolgende personen onschadelijk worden ge-
maakt:

a. de ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie;

b. de jachtaktehouders in het jachtveld waar zij bevoegd zijn tot jagen;

c. personen of groepen van personen, die hicrtcK- nader worden aangewezen.

Artikel 4.

1. Deze beschikking kan worden aangehaald als:
Hondsdolheidsbeschikking II.

2. Zij treedt in werking:

a. voor het gebied van dc gemeenten Amsterdam en Nieuwer-.\\mstcl: met ingang
van 15 januari 1963;

b. voor het overig gebied van de provincie Noord-Holland en voor het gebied
van de provincies Zuid-Holland en Utrecht: met ingang van 15 februari 1963;

c. voor het overig gebied van Nederland: met ingang van 1 maart 1963.

3. Met ingang van 15 januari 1963 worden de beschikkingen van 25 oktober 1962,
Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr. J.2704, Stcrt. 208 en
van 6 november 1962, Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken, nr.
J.2809, Stcrt. 216, ingetrokken.

-ocr page 677-

4. Met ingang van de datum, waarop deze beschikking voor een in het tweede lid
genoemd gebied in werking treedt:

a. worden bevelen, als bedoeld in artikel 60 van de Veewet, aldaar niet meer
uitgevaardigd;

b. vervallen bevelen, als bedoeld in de artikelen 60 en 61 van de Veewet, voor
zover voor dat gebied uitgevaardigd.

\'s-Gravenhage, 21 november 1962.

De Minister van Landbouw en Visserij,
(w.g.) V. G. M. Marijnen.
N.B. De dierenartsen zullen omtrent bovenstaande Beschikking op zeer korte termijn
worden benaderd door de Districts-inspecteurs van de Veeartsenijkundige Dienst.

PULLORUM-ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 105, geproduceerd door het Centraal Dier-
geneeskundig Instituut te Rotterdam, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien
door de Directeur van de Veeartsenijkundi.ge Dienst voor toepassing verklaard tot
1-11-1963.

DOORLOPENDE A&ENDA

December,

11, Afdeling Utrecht K.N.M.v.D. .Mgemene Ledenvergadering, 20.00 uur,
Café-Restaurant „Vredenburg", Utrecht, (pag. 1469)

12, .Afdeling Gelderland, K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur, Hotel-
Restaurant Royal, .Arnhem, (pa
.g. 1540)

19, Afdeling Zuid-Holland, K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur,
Beurscafé-Restaurant, Muranozaal, Rotterdam, (pag. 1340)

19, Afdeling Friesland, K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur. Oranje
Hotel, Leeuwarden, (pa.g. 1540)

19, Afdeling Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur,
Hotel Modern, Tilburg, (pag. 1540)

20, Afdeling Noord-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, Hilton Hotel,
Apollolaan, Amsterdam, (pag. 1540)

1963
Januari,

15-17, Congres „Conservering van levensmiddelen", (pag. 1400)
Juni,

12—14, Veterinaire Week 1963. (pag. 1399, 1536)
Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover.
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399, 1536)

-ocr page 678-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde,

VAX HET BUREAU
Tarieven rabiesenting 1)

Het Hoofdbestuur van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde, gehoord
de Tarievencommissie, heeft in overleg met het Algemeen Bestuur besloten voor dc
rabiesenting van honden, met ingang van heden, dc volgende minimumtarieven te
adviseren:

a. voor de enting van honden ten huize van de dierenarts ƒ 10,- per dier voor de
enting en ƒ 2,50 voor een af te geven certificaat;

b. voor de enting van honden ten huize van de eigena(a) r(es) ƒ 10,- c.q. ƒ 12,50
per dier, verhoogd met een visitebedrag.

Deze tarieven gelden bij contante betaling.

Voor het geval in een gemeente of rayon van Nederland een massale enting wordt
georganiseerd, verzoekt het Hoofdbestuur de Ix treffende dierenartsen t.a.v. de tarieven
vooraf overleg te plegen met het bureau van dc Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde.

\\\'AN DE AFDELINGEN
Afdeling Friesland.

De afdeling Friesland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt
haar cerstvol.gende ledenvergadering op
woensdag 19 december tc 14.00 uur in het
Oranje Hotel, Leeuwarden.

.Afdeling Gelderland.

De afdeling Gelderland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt
haar eerstvolgende ledenvergadering op
woensdag 12 december te 20.00 uur in Hotel-
Restaurant Royal, Arnhem.
Afdeling Noord-Holland.

De afdeling Noord-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
organiseert haar eerstvolgende ledenvergadering op
donderdag 20 december a.s., te
20.00 uur in het Ililton Hotel aan de Apollolaan te Amsterdam.
■Afdeling Noord-Brabant.

Dc afdeling Noord-Brabant van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
organiseert haar eerstvolgende ledenvergadering op
woensdag 19 december a.s., te
20.00 uur in Hotel Modern te Tilburg.
\\ AN DE GROEPEN

Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten.

Dc Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten van dc Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde houdt haar cerstvol.gende ledenvergadering op
donderdag
6 december
tc 10.15 uur in Hotel Smits, Utrecht.
PERSONALIA

Het Hoofdbestuur draagt de volgende collega voor het lidmaatschap van dc Kon.
.Ved. Maatschappij voor Diergeneeskunde voor:

Mej. H. E. Niermeyer, Boomstraat 9 bis. Utrecht.
Het Hoofdboestuur heeft dc vol.gende diergeneeskundi.ge studenten aan.genomen als

1  Bij het ter perse gaan van deze aflevering is via radio en pers een algemene ge-
organiseerde enting aangekondigd: zo spoedig mogelijk volgen nadere mede-
delingen.

-ocr page 679-

kandidaat-leden van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde:
Mej. G. J. Binkhorst, Koningslaan 2, Utrecht.
Mej. M. H. van der Hage, Koningslaan 2, Utrecht.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Bartels, A. P. C., te Roosendaal, aangesloten onder gr. 901798. (142)

Boer, G. F. de, van Rauwerd naar .Amsterdam (Z.), Jan Luyekenstraat 50 BV, tel.

(020) 79 14 33, gr. 614460, wetenseh. ambt. le kl. b/h C.D.I., afd. A\'dam. (145)
Bolscher, A. J. \\V.; 1962: Delden (.Ambt), Grote Looweg B-4: tel. (05407) 228;

wnd. D. (145)

Jaartsveld, Dr. F. H. J., te Boxtel, gr. gewijzigd in 1 108133. (167)

Kemperman, E. E., te Wouw, gr. gewijzigd in 1105918. (170)

Robijns, Dr. K. G., te \'s Heer-Hendrikskinderen, tel. bureau gewijzigd in (070)
81 41 41, toestel 2175, l.V.G. en I.V.D., i.a.d. (188)

Benoemd:

Feddes, R., te Vriezenveen, te rekenen m i.v. 1 oktober 1962, tot Rijkskeurmeester
in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Diens! ter standplaats Vriezenveen.

(156)

Robijns, Dr. K. G., t \'s-Ileer-Hendrikskinderen, te rekenen m.i.v. 1 november 1962,
tot veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid, tevens Inspecteur van de Vee-
artsenijkundige Dienst, i.a.d., ter standplaats \'s-Gravenhage. (188)

Diergeneeskundig examen:

Geslaagd op 9 november 1962:

.Niermeyer, Mej. H. E. (inlassen 181)

Overleden:

Heelsbergen, Dr. T. van, te Zeist, is aldaar overleden op 8 november 1962. (162)
Kranenburg, J., te Uithoorn, is aldaar overleden op 25 oktober 1962. (174)

TER OVERNEMING .AANGEBODEN

GROTE PLATTELANDSPRAKTIJK

in het Oosten van het land.

Brieven onder no. 77/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

IN KLEINE-HUISDIEREN PRAKTIJK GEVRAAGD

VASTE ASSISTENT

met mogelijkheid voor associatie. Langdurig contract ook
mogelijk. Voor woonruimte wordt gezorgd.

Brieven onder no. 75/62 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deeltiemingen in het beleggingsfonds voor Medici lijn elk kwartaal
verkrijgbaar voor artsen, tandartsen en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen, ook indien zij buiten Nederland wonen.

Men kan in het Fonds participeren voor één of meer deelnemingen.

Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000, — .

Inlichtingen verstrekt de directie:
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappij

Keizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 67661

-ocr page 680-

GEMEENTE NOORDOOSTPOLDER

Burgemeester en wethouders van Noordoostpolder roepen
sollicitanten op voor de betrekking van

directeur

van het openbaar slachthuis,

tevens

Hoofd van de Keuringsdienst van
slachtdieren en van vlees.

Sollicitanten moeten in het bezit zijn van het diploma dieren-
arts. Ervaring als keuringsdierenarts is gewenst. Mede in
verband met de te verwachten uitgroei van de dienst zijn
organisatorische kwaliteiten onmisbaar.

Huidige saiarisgrenzen; ƒ14.856,— tot ƒ17.544,— per jaar.

Aanstelling boven het minimum is mogelijk. Salarisherziening
is in voorbereiding.

Verplaatsingskostenverordening is van toepassing. De gemeen-
te Noordoostpolder is aangesloten bij het I.Z.A. Overijssel.

Goede woning komt beschikbaar.

Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen binnen twee weken na
het verschijnen van dit blad in te zenden aan burgemeester en
wethouders, p/a voorlopig raadhuis, Emmeloord.

-ocr page 681-

L

-ocr page 682-


^ \\ y

-ocr page 683-

Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Wilhelmina "

Een golf van ontroering ging door het Nederlandse volk toen in de
vroege morgen van de 28e november de wereld vernam dat onze,
zo zeer geliefde, prinses H\'ilhelmina plotseling was ontslapen.
Zelden zal het in de geschiedenis zijn voorgekomen dat een
Vorstin en een volk zo nauw met elkander verbonden waren als dit
het geval was met Prinses H\'ilhelmina en het Nederlandse volk.
Een halve eeuw was de overledene — als Koningin H\'ilhelmina —
de centrale figuur in de historie van ons land en gesierd met de
eretitel Moeder des Vaderlands zal Zij nog lange tijd in de gedachten
van hen, die eertijds Haar onderdanen waren, voortleven.
Hoe innig en nauw waren dan ook in Haar regeringsperiode de
banden tussen Vorstin en volk, niet alleen in tijden van vreugde en
geluk, maar vooral ook wanneer tegenspoed en rampen ons volk
troffen.

Gedragen door diep-religieuze overtuiging en bezield door een hoog
plichtsgevoel zette Zij de edele traditie der Oranjes voort: Leidster
maar levens Dienaresse te willen zijn van het souvereine Volk!
Het lichtend voorbeeld van de Vader des Vaderlands zweefde Haar
steeds voor de geest en het was Haar diepste verlangen onder alle
omstandigheden in het voetspoor van Haar Doorluchtige voorganger
te treden.

„Het vaderland getrouwe" was voor Haar geen ijdele klank, maar
een levend beginsel.

Dit koninklijk optreden vond weerklank in de harten Harer onder-
danen en daaruit is te verklaren de grote liefde en eerbied, die in
alle lagen der bevolking voor deze Landsvrouwe werden gekoesterd.
Juist in tijden van nood gevoelden wij allen zo diep, dat de Vorstin
niet alleen boven ons maar ook naast ons stond en dat zij troost
trachtte te brengen in de harten van diegenen, die door onheilen
waren overvallen.

In Haar ouderdom heeft Zij de wijsheid en de grootheid opgebracht
de teugels van het bewind aan jongere, doch wel zeer vertrouwde
handen over te geven en zelf in de schaduw te treden.
Wel zal het Haar grote voldoening hebben geschonken, dat de jonge
Vorstin de schone traditie van haar Koninklijke Moeder op zo
luisterrijke wijze voortzette.

Het Nederlandse volk, waarvan de dierenartsen — verbonden door
de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde — deel uitmaken,
zal echter nimmer vergeten wat Prinses Wilhelmina voor ons allen
heeft betekend en het zal onze dure plicht, maar daarnaast ook onze
innige begeerte zijn om Haar met warme dankbaarheid te blijven
gedenken.

Het Hoofdbestuur
De Redactie

-ocr page 684- -ocr page 685-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Galtier en de rabies.

Galtier and Rabies.

door A. VAN DER SCHAAFi)

Nu de hondsdolheid weer in Nederland haar intrede heeft gedaan is het
passend enkele bladzijden te wijden aan de geschiedenis \\ an het eerste expe-
rimentele werk op het gebied \\ an de rabies en de bestrijding van deze voor
de aangetaste mensen en dieren zo verschrikkelijke ziekte.

Twee artikelen uit wetenschappelijke bladen toonden onlangs nog eens aan
hoe bekend en gevreesd deze ziekte wel was in de tijd van vóór Pasteur.
In de
Veterinary Record van 21 april 1962 wijdde Professor Pugb van
Cambridge een kort artikel aan het feit, dat 200 jaar geleden Dr. Daniel
Peter Layard een \\erhandeling schreef \\an 127 bladzijden getiteld:
„An Essay on the Bite of a Mad Dog". Pugb noemde zijn artikel: note
on rabies and Euthanasia in Man. De titel geeft aan dat men vroeger we-
gens de ongeneeslijkheid \\ an de Hydrophobia bij de mens euthanasie toe-
]3aste om hem op die manier een hevig en idtzicbtloos lijden te besparen.
Het 2e artikel was nog korter doch ook heel karakteristiek. Het was n.1.
gewijd aan het 200-jarig jubileimi \\ an de eerste Veeartsenijschool ter wereld
n.1. van de Ecole Vétérinaire te Lyon. Het verscheen in de
Journal of the
American Veterinary Medical Association
\\an 15 maart 1962 met een re-
produktic van een ets waarop de beroemde school in 1 762 staat afgebeeld.
De redactie vermeldt hierbij, dat Lodewijk XV 50.000 ponden schonk om
de school te stichten en dat J a c q u e s d e S o 1 1 e y s e 1, C 1 a u d e B o u r-
gelat en R a i n a r d verschillende infectieziekten onderkenden en de
kwade droes leerden te bestrijden op cen dusdanige manier, dat deze zoönose
thans uit drie van de vijf werelddelen nagenoeg verdwenen is. De drie zo pas
genoemde beroemde veterinairen werden gevolgd door Galtier, Saint-
C y r en C a d é a c. Van Galtier vermeldt de
Journal of the American J\'ete-
rinary Medical Association,
dat bij entte tegen rabies, zelfs \\ óór Pasteur.

Deze zinsnede was voor mij een reden om eens na te gaan hoe Galtier dan
wel te werk was gegaan. Het resultaat \\an de nas])euringen in de Franse
literatuur was, dat er 2 geschriften over Professor V i c t o r-P i e r r e
Galtier in de bibliotheken aanwezig bleken tc zijn n.l. een overdrukje
\\ an de rede, die G o r e t van Alfort in 1956 beeft gehouden en die is ver-
schenen in
La Revue de Médecine \\\'étérinaire van december 1956. Uit dit
artikel bleek dat Yves Robin, een xfocgere leerling \\an Goret, de
stof voor de rede had \\\'erzamcld en deze in zijn geheel zou uitge\\en als een
proefschrift. Dit proefschrift, dat in 1957 in Lyon werd gedrukt, is een ju-
weeltje van veterinaire geschicdktmdige litcratuiu\'.
Het begint als \\ olgt:

„La Science, toujours en guerre avec les faits nouveaux camouflés par l\'ignorance

de l\'homme, a ses héros dont les noms sont sur toutes les lèvres, et ses soldats in-

Prof. A. van der Schaaf, Hoogleraar Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniver-
I siteit Utrecht, Biltstraat 172.

-ocr page 686-

connus, les plus nombreux hélas, dont le souvenir ne survit qu\'au coeur de ceux
qui les chérissaient.

On vénère les premiers, on les porte en triomphe, on chante leurs exploits; les
autres en revanche n\'éveillent de la part des hommes aucune admiration, aucune
pensée: lis reposent pour toujours dans les ténèbres de l\'oubli. Or la phalange
scientifique ne peut-elle compter dans ses rangs que des héros?
On ne vainc jamais seul; mais grâce à ces „ouvriers de la première heure", à ces
hommes qui „courent en tenant le flambeau devant le char du triomphateur" (et
que ce même char écrase souvent pour aller plus vite dans l\'adoration des foules),
un seul donc bénéficie et profite du triomphe, et rien ni personne désormais ne
peuvent ébranler sa gloire tant elle est enracinée dans le coeur des hommes et
dans l\'histoire".

P a S t e u r, ZO gaat de inleiding van Robin verder, was de genieuze over-
winnaar die de schoonste oorlog won, n.1. die tegen het grootste kwaad en
de minst grijpbare vijanden van alle tijden, de microben. Alleen de naam
van Pasteur roe]3t bij een ieder een gevoel van grote bewondering, zelfs dat
van goddelijke verering en dankbaarheid op. Als eerste verlichtte hij het lij-
den van de dieren en daarna dat van de mensen. In zijn tijd werd Pasteur
feitelijk al beschouwd als de redder van de mensheid. Men sprak zelfs van
het pasteuriaanse tijdvak om aan te geven hoe heroisch het werk van Pas-
teur is geweest.

Het spreekt vanzelf, dat het onjuist zou zijn te geloven, dat Pasteur als en-
keling het werk schiep, dat tot zijn legendarische roem heeft geleid.

De grote Franse bacterioloog R a m o n heeft op zijn oude dag verklaard,
dat de ontdekkingen, speciaal in de biologische wetenschappen, slechts zel-
den het werk zijn van één persoon, maar bet resultaat van de gelijktijdige
of achtereen vol.gende samenwerking aan een project van tal van geleerden
in de loop van jaren en zelfs in die van eeuwen.

De bewonderenswaardige verdienste van de ontdekking vindt in werkelijk-
heid zijn oorsprong in de flonkering van één geest, die de vonk levert om
de flambouw te ontsteken waarvan de pit draad voor draad is gevlochten
door een groot aantal wetenschappelijke onderzoekers.
In de biografie over Pasteur zegt Biot: „Hij maakt alles helder wat hij
aanraakt, zó zeer zelfs dat \\oor te lichtgelovigen de kennis der enzymen,
spontane generatie en bacteriën zich ineen weven tot één symbool en dat
is „Pasteur"."

De bedoeling van Robin was één van die „ouvriers du Savoir", wiens
leven en werken vermoedelijk vèr intstak boven dat van anderen, aan de
vergetelheid te ontrukken. Die grote geleerde was Pierre-Victor
Galtier, geboren in 1846 als zoon van een Franse boer in het woeste
bergland van Lozère en gestor\\en als eerste hoogleraar in de infectieziekten
en de veterinaire politie van de Veeartsenijkundige Hogeschool te Lyon.
Hij werd in 1878 benoemd na een spannende strijd tussen de verschillende
candidaten. Hij muntte vèr uit boven de andere door zijn gedegen kennis,
zijn zekerheid en oratorisch talent.

Dertig jaar lang heeft Galtier meegewerkt aan de bloei van de oudste Ecole
Vétérinaire. Hij kende geen bacterie-vrees en durfde het aan de twee groot-
ste plagen op het gebied van de zoönosen grondig experimenteel te bestu-
deren n.1. de rabies en de malleus.

Wat betreft het onderzoek van de kwade droes, dit stond bij de dierenartsen
1548

-ocr page 687-

en het personeel van de school in een bi jzonder kwade reuk. R a i n a r d,
die zelf geïnfecteerd werd doch niet aan de ziekte succumbeerde, bad reeds
8 dodelijke infecties bij veterinaire studenten beschreven en toch waagde
Galtier het opnieuw zich dagelijks aan de toen nog niet door zijn Roe-
meense collega V i c t o r B a b e s in 1881 onderkende en beschreven mal-
leus-bacil bloot te stellen. Hoe gevaarlijk dit wel was bleek reeds het derde
jaar na zijn aanstelling toen één van zijn co-assistenten de infectie kreeg en
er aan stierf. Net als Babes werd Galtier geïntrigeerd door het vraagstuk van
de overbrenging van de hondsdolheid en de preventie ervan.
Galtier had zich in de eerste plaats als taak gesteld voor de studenten
een handboek te schrijven om bet gebrek aan kennis van de besmettelijke
ziekten en veterinaire politiemaatregelen om de ziekten te bestrijden aan te
vullen. Bij het doornemen van de literatuur bleek het Galder hoe gering
feitelijk de kennis over de meeste besmettelijke ziekten was, zodat hij zich
genoodzaakt voelde voortdurend zich zelf van de waarheid van het geschre-
vene te overtuigen.

Zo kwam hij ertoe de proeven van zijn Lyonse collega R e y over de vatbaar-
heid voor rabies van de planteneters onder de huisdieren te herhalen en te
bevestigen.

In 1879 besloot Galtier het konijn in zijn proeven te betrekken, want
het werken met deze diersoort was het minst gevaarlijk. Over de rabies van
het konijn werd in die tijd \\\'erklaard, dat het dier zo gevoelig was, dat het
niet de typische sym])tomen kreeg maar direct stierf. Het werd daarom niet
geschikt geacht voor het doen van experimentele onderzoekingen. Galtier
accepteerde dit niet zo maar. Om verder te komen met de profylaxis moest
hij de beschikking hebben over een goedkoop en ongevaarlijk proefdier.
Feitelijk waren de geringe voorzieningen in zijn proefdicrstallen en zijn zeer
beperkt budget de directe redenen, dat hij niet startte met proefhonden en
dito schapen, maar met konijnen die goedkoop te verkrijgen en te houden
waren.

Het eerste begin was in die tijd niet moeilijk; konijnen waren er genoeg en
er heerste in het voorjaar altijd hondsdolheid in het dal van de Rhône. Hij
liet een dolle hond \\angen en kon toen met zijn experimenten beginnen.
Zijn laboratoriumrapporten
veiTnelden hieromtrent:

Eerste reeks proeven:

„Op 29 april 1879 entte ik 8 jonge doch fikse konijnen met het speeksel
van een hond, die sedert een dag aan razende dolheid leed en die twee
dagen later stierf. Het speeksel werd met behidp van een lancet in cen
flinke hoeveelheid in de rughuid gewreven. Tien andere dieren liet ik
door de bond in de oren bijten door deze met een pincet in zijn bek te
steken. Bij alle kimstmatig besmette dieren sloeg de infectie aan en ik
kon de dolheid met het speeksel van de eerste overbrengen op een
nieuwe serie."

Tweede reeks proeven:

„Acht konijnen werden door een dolle teef in de oren gebeten. Vier wer-
den aangehouden als controle, de andere vier werden onderworpen aan
een dagelijkse onderhuidse inspuiting van 2 cm3 salicylzuur 0,2%. De
behandeling had geen gunstig effect op de ziekte."

-ocr page 688-

Derde reeks proeven:

„Zes konijnen werden onderhuids ingespoten met 1 op 4 met lauw ge-
kookt water verdund speeksel. Ze werden dol."
En zo ging het verder met de konijnenproeven.

G a 1 t i e r kwam uiteindelijk tot 5 belangrijke conclusies:

1. Hij bewees dat de rabies van de hond over te brengen was op het ko-
nijn en dat dit dier ook dol werd, en zelfs zo gevoelig was dat alle in de
oren gebeten dieren aan de ziekte stierven.

2. Hij toonde aan dat de konijnerabies in serie op dezelfde diersoort kon
worden overgebracht en ook van het konijn op een schaap en met het
speeksel van dit laatste dier opnieuw op een schaap. Het virus bleef dus
zijn eigenschappen behouden, ondanks passage door een andere dier-
soort.

3. Hij bracht naar voren dat het konijn voor rabiesonderzoek een uiter-
mate geschikt proefdier was om na te gaan welk materiaal, afkomstig
van dolle dieren, virulent of niet-virulent was.

4. Hij toonde aan dat het konijn ook ziekteverschijnselen liet zien, voor-
namelijk verlammingen en krampen, terwijl de ziekteduur zich kon
uitstrekken van enkele uren tot zelfs 4 dagen.

5. De belangrijkste conclusies die G a 1 t i e r trok was die betreffende de
incubatietijd bij het konijn. Deze bleek n.1. korter dan bij andere dieren
en strekte zich bij 25 gevallen na overbrenging door beet uit van 4 tot
30 dagen, rnet een gemiddelde van 18 dagen.

Aangezien deze [jcriode bij de hond 20-60 dagen of langer bedroeg was
deze waarneming van G a 1 t i e r als de belangrijkste van alle te be-
schouwen. Hij beschreef deze proeven in zijn boek en het is zeker, dat
Pasteur hierop heeft voortgebouwd. Het werk werd in oktober 1880
aangeboden aan de .Academie Médicale door R o u 1 e y.

Gal tier ging na zijn eerste series proeven door met e.xperimenteren.
Behalve door beten, door scarificaties en subcutane inspuitingen slaagde de
grote experimentator er ook in de infectie over te brengen door de smet-
stof intrapleiuaal of intraperitoneaal te deponeren.

De volgende stap was hel toepassen van de intraveneuze infectie. Omdat
hiervoor het schaap zich het beste leende wegens zijn oppervlakkige en
grote halsaders, koos hij voor deze infectieproeven deze diersoort.
Hij injiceerde zeer nauwkeurig bij zeven schapen grote hoeveelheden speek-
sel van dolle honden in een jugulair vene. Geen enkele werd geïnfecteerd.
Dit toonde aan dat het vu\'us mderdaad buiten de bloedbaan om de her-
senen bereikte.

Hij herhaalde deze proef in 1881 bij schapen en geiten. \\Voordelijk ver-
taald luidt zijn verslag van een proef als volgt:

„Op 13 maart 1881 besmetting van 3 schapen en een geit. Eén schaap
is geïnfecteerd door de smetstof in de huid te prikken en sterft op 22
april aan rabies. De 2 andere schapen en de geit intraveneus geïnfecteerd
en op 27 maart (dus pas 14 dagen later) opnieuw besmet, echter met
behulp van scarificaties. Op 28 juli zijn ze nog volkomen normaal en
worden nog eens aan de besmetting blootgesteld, echter zonder enig na-
delig effect."

-ocr page 689-

Op grond hiervan besluit Galtier dat immuniteit tegen hondsdolheid be-
staat en dat men deze ook kunstmatig kan opwekken. Nadat hij had aan-
getoond dat de intraveneuze vaccinatie ook kon worden toegepast bij
koeien stelde hij voor om de gehele Franse veestapel op deze manier te
enten en daardoor de economische verliezen, die de rabies veroorzaakte,
te verminderen en tevens indirect een bijdrage te leveren tot bescherming
van de bevolking. Ook zou men de dieren, die door een dolle hond ge-
beten waren, nog kunnen vrijwaren tegen de ziekte door ze intraveneus na
de beet met virulent speeksel in te spuiten.

N O c a r d en Roux hebben de waarnemingen van Galtier kunnen be-
vestigen. Nocard toonde later aan dat ook het paard een intraveneuze
besmetting kan weerstaan, doch de innnunisatieproeven van Roux en
Nocard op deze manier bij honden toegepast, mislukten. Misschien waren
de aderen bij dit soort dieren te teer. Bij de mens heeft men deze wijze van
enten daarom nooit aangedurfd en is Pasteur met het aureool van redder
der mensheid onvergankelijk geworden.

Behalve over rabies heeft Galtier ook nog belangrijk werk gedaan op
het gebied van andere infectieziekten. Hij toonde aan, dat de hond een ge-
voelig proefdier is voor het vaststellen \\ an malleus. Hij wees als eerste erop,
dat slecht bewaard hooi bij runderen, schapen en geiten pneumo-enteritis
kan veroorzaken en tevens wees hij op het infectiegevaar voor de mens van
melk van tuberculeuze koeien, voordat Koch op 24 maart 1882 zijn be-
roemde lezing hield over de verwekker van tuberculose.

Galtier heeft in zijn privé leven niet veel geluk gehad. Twee dochters
overleden op jeugdige leeftijd, zijn vrouw „sa compagne des bons et des
mauvais jours de sa vie" overleed toen hij net 54 jaar oud was. Drie jaar
later kwam zijn enige zoon, die cadet was, plotseling te overlijden, enkele
jaren nadien volgde zijn oudste dochter.

Hij werd wegens zijn ontdekkingen op het gebied van de rabies voorge-
dragen voor het toekennen van de Nobel-prijs. Vóór het echter zo ver was,
overleed hij, ruim 61 jaar oud.

De professoren .A r 1 o i n g, L é p i n e en zijn leerling J o u v e stonden aan
zijn graf, waarbij de eerste als directeur van de hogeschool de volgende
woorden sprak:

„Votre ombre planera longtemps encore sur la vieille Ecole de Bourgelat,
dont vous êtes l\'une des gloires les plus pures, l\'un des plus beaux fleu-
rons de sa couronne."

Wat zou Pasteur uiteindelijk geweest zijn zonder de ontdekkingen van
Galtier en zonder de directe hulp van zijn veterinaire en medische mede-
werkers Nocard en Roux?

G a 11 i e r is vergeten, de studenten van nu weten nauwelijks wie het beeld,
dat 50 jaar geleden te Lyon te zijner ere werd opgericht, moet voorstellen
en desniettemin is het aan hem in de eerste plaats te danken, dat we thans
weten, dat dank zij de enting met verzwakt maar toch levend virus, de
hondsdolheid weer uit Nederland zal verdwijnen zonder het aantal honden
drastisch te beperken of ze alle tot kettinghonden te degraderen.

-ocr page 690-

SAMENVATTING.

Een beschrijving van de proeven van Galtier over rabies.
SUMMARY.

A description of the experiments of G a 1 t i e r on rabies.
RÉSUMÉ.

Une description des expériences de Galtier sur rabies.
ZUSAMMENFASSUNG.

Eine Beschreibung der Experimente G a 1 t i e r s mit rabies.

Melk uit koolbladeren.

Het „Vegetarian Nutritional Research Centre" in Watford, Herts, Engeland, heeft
een methode gevonden om rechtstreeks, dus zonder tussenkomst van de koe, uit
groene bladeren e.d., melk tc maken.

Volgens de directeur, Dr. W o k e s, heeft deze melk dezelfde voedingswaarde als
echte koemelk en zal waarschijnlijk goedkoper zijn.

Het procédé kon wel eens van grote waarde blijken te zijn voor die gebieden in de
wereld, waar melk niet te krijgen is of veel te duur voor de gewone man is.
De laboratoriumproeven met koolbladeren en erwtenpeulen hebben drie jaar ge-
duurd. De grondstoffen worden tot pulp gemalen, met water vermengd en verwarmd.
Warmte en zuurgraad worden zor.gvuldig geregeld, opdat het eiwit vrijkomt. Daar
worden dan mineralen, vitaminen en koolhydraten en vetten aan toegevoegd.
Het resultaat is een witte roomachtige substantie, die tot melk kan worden verdund.
De kleur en de samenstelling lijken ook op melk, maar dc smaak lijkt nog wat te veel
op groente.

De proef-fabricage gaat nu beginnen; er hebben zich 300 personen beschikbaar ge-
steld om het produkt te proberen.

Als deze proef slaagt, denkt men in India een proeffabriek tc gaan beginnen.
Dc afzet is in handen van de Plant Milk Utd., onder directie van Dr. H. F r a n k 1 i n.
Van een ton groene stof kan ongeveer 225 liter kunstmelk worden vervaardigd, met
cen vetgehalte van 3,5 tot 4,5%.

De kosten bedragen een shilling per pint (bijna cen gulden per liter, wat overigens

nog een heel behoorlijke prijs is en nog niet concurrerend, Ref).

Dc Britse „Milk Marketing Board" had desgevraagd geen commentaar! (Doe.)

Landbouwdocumentatie, 18, 1251, (1962).

Depigmentatie bij broilers.

Pigmentade van slachtkuikens is niet alleen cen kwestie van voldoende xanthofyl in
het voer. Factoren die de pigmentatie beïnvloeden zijn b.v. het al of niet gebruiken
van strooisel in de hokken, dc verstrekking van bepaalde coccidiostatica, besmetting
met
Eimeria maxima en beschadiging van mais door hitte of schimmel.

Pluimveepers, XVII, 530, (2962).

Slechts 5 a 10 fokbedrijven in de toekomst?

Hy-Line is bezig cen hybride kip te fokken die zeer licht is (1725 gram), bruine
eieren legt en met behoud van de eigrootte zeer produkdef is. Het voerverbruik moet
met 5 gram per ei dalen. Amerikaanse pluimveedeskundigen spraken o.m. de ver-
wachdng uit dat in Nederiand slechts 5 a 10 (grote) fokbedrijven zullen overblijven.

Pluimveepers, XVII, 533, (1962).

-ocr page 691-

De voortplanting en kunstmatige inseminatie bij
honden.

Canine reproduction and artificial insemination,
door J. HENDRIKSEi)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Verloskunde en Gynae-
cologie der Rijksuniversiteit Utrecht.

Anatomie van het geslachtsapparaat.

BIJ DE REU

Bij de reu bevindt het scrotum zich tussen de dijen, meer caudaalwaarts dan
bij de hengst, maar minder ver dan bij de kater en de beer. De testikels
zijn rond-ovaal en klein; zij liggen in de meeste gevallen bij de geboorte
reeds in het scrotum. Bij 5% van de reuen bestaan liggingsanomaliën van
één of twee testikels.

De epididymis is naar verhouding groot. Het caput ligt craniaal, het corpus
dorso-lateraal en de cauda ligt aan de caudale pool van de testikel. De
ductus deferentes hebben een kleine ampul en monden vlak bij de prostaat
in het dorsale dak van de urethra uit in een kamvormige coïliculus semi-
nalis.

I^e prostaat ligt 1 cm caudaal van de blaas en omvat de gehele urethra. De
lütvoergangetjes van de prostaat en van zijn kleine pars disseminata liggen
om de coïliculus. De grootte van de prostaat is individueel verschillend en
afhankelijk van de leeftijd. Met uitzondering van de kleine ampullen is de
jn-ostaat de enige accessoire geslachtsklier en vormt het grootste gedeelte
van het ejaculaat.

De penis bestaat uit 2 wortels (crura), die van de zitbeenknobbels komen.
Deze twee vormen samen het lichaam en zij zijn gescheiden door een mediaal
gelegen sterk septum. Het lichaam eindigt achter de glans, maar het sep-
tum zet zich voort als penisbeentje. I^ij grote honden is dit 10 cm of meer
lang. Het heeft aan de onderkant een uitholling voor de urethra en zet
zich voort in een bindweefselachtig aanhangsel. De glans penis bestaat uit
een smal en lang voorste deel (pars longa glandis) en een korter veel dikker
en ronder gedeelte, de bulbus glandis.

In beide wortels bevinden zich zwellichamen, die zich in het penislichaam
voortzetten. Voorts is de urethra, buiten het bekken, omgeven door het
corpus spongiosum urethrae. Dit zwellichaam is met uitzondering van een
verdikking in het begin (bulbus urethrae), omgeven door een vrij dunne
laag caverneus weefsel; het craniale deel is verbonden met de caverneuze
ruimten van de beide delen van de glans.

De erectie van de penis is een vasculair proces. Het meeste bloed bereikt
de penis door drie takken van de A. pudendis. Alleen de zweilichamen van
de crura bezitten een rechtstreekse arteriële bloedvoorziening. Voor de
hoofdvoorziening met bloed van de andere zweilichamen zorgt de V. pu-
dendis internis. Bij de sexueel opgewonden hond wordt de erectie ingezet

Dr. J. Hendrikse, Wetenschappelijk Hoofdambtenaar A, Faculteit der Diergenees-
kunde der Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172.

-ocr page 692-

door een versterkte bloedvoorziening van de penis. Deze verlioogde aanvoer
veroorzaakt een geringe vergroting van de caverneuze ruimten en een
druk op de afvoerende venen. Hierdoor en tengevolge van een gelijktijdige
verslapping van de m. retractor penis en een terugtrekken van het pre-
putium wordt de emissio penis tot stand gebracht en kan de introitus
va.ginae worden uitgevoerd.

Hierna komt de tweede fase van de erectie waarin een verdere bloed-
vulling tot stand komt door compressie van de oppervlakkige venen ten-
gevolge van spiercontracties (m. compressor venae dors. penis) en door
druk van de penis tegen de arcus ischiadicus. Nu komt de bulbus glandis
tot zwelling mede door de contractie van de m. constrictor vestibuli, die
eveneens de venen dichtdrukt. Dit proces onderhoudt zichzelf en terug-
trekken van de penis is nu niet meer mogelijk. Na de ejaculatie vermindert,
door de verlaging van de arteriële druk, de contractie stinudans van de
oppervlakkige penisspiertjes. Dc herstelde circulatie en de elasticiteit van
de wand en de trabekels van de zweilichamen zorgen voor de bloedafvoer.
Het preputium is tamelijk nauw en het ostium is naar verhouding klein en
T-vormig. In de mucosa bevinden zich lymffollikels, die de opyjcrvlakte ruw
maken, kleine spiertjes, die afkomstig zijn van huidspieren, vormen de
pro- en retractor van dit orgaan.

Gcgegevens over de anatomie van het geslachtsapjjaraat bij de reu kan men
o.m. vinden bij Ellenberger en Baum (1932), Harrop (1960)
en Schmaltz (1921).

BIJ DE TEEF

Bij de teef ligt de vulva lager dan de bekkenbodem en is begrensd door de
vulva en de dorsale wrong. Deze wrong is rond en klein en hangt enigszins
over de vulva heen. De vulva en de dorsale wrong zijn tijdens de oestrus
sterk vergroot.

Het vestibulum heeft een sterke caudoventrale ligging; bij de uitmonding
van de urethra gaat het over in de vagina. Deze uitmonding ligt boven oj)
een plooi, die caudaalwaarts afloopt. De fossa clitorides is bij de teef wat
de ontwikkeling betreft, enig in zijn soort en de clitoris ligt hierin nogal
verscholen. Om het vestibulum liggen circulaire spieren die, samen met
het caverneuze weetsel van de wand en speciaal met dat van de twee bulbi
vestibuläres, het lumen sterk kunnen vernauwen. Deze bulbi liggen in de
zijwand, zijn hazelnoot groot en puilen in het lumen uit.
be vagina is 3x zo lang als het vestibulum en verloopt vrijwel horizontaal.
De wand van de vagina is dun; uitwendig is het grootste deel van de va-
gina bedekt met peritoneum en inwendig ligt de mucosa in talrijke longi-
tudinale plooien. Door deze plooien is een belangrijke graad van uitzetting
mogelijk. Bij het bekijken van de vagina met een speculum moet men er
voor oppassen deze plooien niet voor de cervix te houden.
De cervix steekt vrij in de vagina uit, behalve aan de dorsale kant, waar hij
zich in het dak van de vagina voortzet in een kam, die naar caudaal gelei-
delijk kleiner wordt. Om het orificium externum ligt een krans van mucosa-
plooien. Deze krans en de asymmetrie van de cervix verhinderen vaak een
directe waarneming.

Buiten de oestrus en de partus lijkt de cervix gesloten, maar met een dunne
catheter is bij toch wel te passeren.

-ocr page 693-

Literatuur over dit onderwerp is te vinden bij Harrop (1960), L e s-
bouyries (1949) en S c h m a 11 z (1921).

Puberteit.

Op de leeftijd van 9 maanden kan een reu reeds goed dekken en be-
\\Tuchten; in de regel wordt een reu echter pas gebruikt als hij 1 jaar oud is.
Bij de teef treedt de eerst bronst op een leeftijd van 6-9 maanden op. Dit
is afhankelijk van het ras en de verzorging. Normaal is een teef per jaar
twee keer loops; bij kleine rassen treden soms enkele cycli (tot 4 toe) per
loopsheid op. In de regel valt de ene oestrus in februari-maart en de andere
in augustus-setpember. De meeste dekkingen geschieden in het voorjaar.
Bij Harrop (1960) treft men hierover gegevens.

De natuurlijke dekking.

Een normale loopse teef is niet boosaardig of bijterig, maar opgewekt en
lief. Ze probeert haar vrijheid door vleierij te verkrijgen. Is ze opgesloten,
dan huilt ze wel eens en stoot soms eigenaardige geluiden uit om de reu te
lokken. De reuen worden echter hoofdzakelijk aangetrokken door de lucht
van de genitaaluitvloeiing.

Indien normale geslachtspartners op het goede tijdstip bij elkaar worden
gebracht, ontstaan in de regel weinig moeilijkheden met de paring. De
snelheid van de paring is tot op zekere hoogte afhankelijk van het tempe-
rament. De meeste reuen voeren een soort van vrijerij uit, terwijl andere —
meer ervaren — reuen geen tijd wensen te verspillen aan voorbereidingen.
Vele teven wijzen eerst de reu af (vorm van plagen) om deze later te
accepteren; ook dit moet een stimulerende werking hebben. Het besnuf-
felen van elkaar zal ook gunstig werken en daarom is bet wenselijk, dat
bij de aanwezigheid van een trage partner, de beide honden zich vrij kun-
nen bewegen. Een vaste dekplaats kan ook stimulerend werken; een
vreemde omgeving kan in enkele gevallen de aandacht voor de teef te veel
afleiden. Het ]jaren van twee oner\\aren partners kost vaak veel tijd en
moeite; daarom is het wenselijk dat één van beide ervaring heeft. Het is
ook aan te bevelen om tijdens de verschillende stadia van de oestrus de
reu en de teef niet onbeperkt bij elkaar te laten, daar dit de reu zeer zeker
niet stinurleert.

Indien de teef gedekt wil worden, laat zij haar willigheid goed zien. De
staart wordt opzij getrokken en door het laten zakken van de lendenen
en het omhoog trekken van de vulva, komt het \\estibulum in een meer
horizontale stand. De teef staat rustig als de voorbereide reu haar, vaak
van opzij, met reeds gedeeltelijk in erectie zijnde penis, bespringt en omvat.
Dc glans wordt tussen de vulvalippen gebracht en vervolgens worden hef-
tige frictiebewegingen uitgevoerd. Het preputimn wordt hierbij terug-
geduwd tot achter de bulbus en de gehele erectie heeft nu plaats; de glans
wordt groter en daarna ook de bulbus, die dan in het vrouwelijk geslachts-
apparaat wordt vastgehouden.

Gedurende de eerste seconden waarin de reu stoot, komt de eerste fractie
en spoedig daarna de spermafractie. Hierna begint de derde of prostaat-
fractie en nu laat de reu zich zijwaarts afzakken en draait zich om door
een achterbeen over de teef te tillen. De reden van deze manoeuvre zou een
instinctieve handeling zijn om zich beter tegen aanvallers te kunnen ver-
dedigen. De ejaculatie kan dan nog geruime tijd (5-30 min.) doorgaan en

-ocr page 694-

is waar te nemen aan de pulsaties, die aan de onderkant van de penis zijn
te voelen. Daar de lozing van de spermafractie reeds snel tot stand
komt, kan men veilig zeggen, dat het maken van de knoop (vast zitten)
niet nodig is om tot een conceptie te komen. Enkele individuen en enige
rassen, speciaal Chows, blijven zelden vastzitten en toch hebben zij een
goed bevruchtingspercentage. De knoop is echter een natuurlijke zaak en
ongetwijfeld zal deze dienen om het sperma naar binnen te spoelen en het
transport te stimuleren.

De copulatieduur bedraagt gemiddeld 20 minuten (maximaal tot enkele
uren). Bij grote rassen duurt de copulatie langer dan bij de kleinere. En-
kele minuten voor het loslaten is de ejaculatie beëindigd.
Ongetwijfeld zijn er vele gevallen waarbij de dekking niet normaal kan
worden uitgevoerd en dan heeft de fokker al zijn ervaring, vinding-
rijkheid en geduld nodig. De meeste moeilijkheden worden vermoedelijk
veroorzaakt door het niet laten dekken op het juiste tijdstip. Sommige
teven weigeren een speciale fokreu, maar staan goed voor een andere.
Weer andere teven zijn zenuwachtig en dit komt vooral bij jonge teven
voor. Deze gaan uit bangheid bijten en dan bestaat de kans, dat de reu door
verwondingen als dekreu ongeschikt gemaakt wordt. De aanwezigheid van
de eigenaar of een ervaren man om de teef vast te houden en haar toe te
spreken, is vaak voldoende. Het met geweld fixeren van de teef is niet zo
gunstig voor de bevruchting.

Een nerveuze reu is vaak moeilijk over te halen om te dekken en daarom
is het verstandig eerst een rustige teef te nemen om hem zelfvertrouwen
te laten krijgen. Reuen die bij een vorige gelegenheid zijn gebeten door
nerveuze of valse teven, zijn vaak schuchter bij hun toenaderingspogingen
en moeten aangemoedigd worden. Andere zijn vurig en moeten eerder iets
in bedwang worden gehouden om de teef niet bang te maken.
Er zijn ook reuen, die moeilijkheden hebben om in de vagina van de teef
te komen en dan kan de penis manueel in de vulva worden gebracht. Als de
reu zijn interesse verliest, kan worden geholpen door de penis vast te pak-
ken en bij de vulva te brengen en dan de reu een duwtje te geven. Is de
penis eenmaal in de vagina, dan kan de reu worden vastgehouden tot de
knoop is ontstaan.

Dc sexueel trage hond moet meer gestimuleerd worden en de fokker kan
dan kunstmatig stimulatie toepassen door lichte massage van de glans ge-
durende korte tijd en wel tot de glans tekenen van erectie vertoont. Ook
door concurrentienijd op te wekken, kan de reu worden geanimeerd. Het
is niet raadzaam om vlak bij de honden te gaan staan, been en weer te
lopen en te praten, want enkele dieren willen onder deze omstandigheden
beslist niet dekken; daarom dient men op een afstand rustig toe te kijken
en als het nodig is enige hulp te verlenen.

De meeste fokkers prefereren twee dekkingen tijdens de loopsheid en ne-
men dan een tussenruimte van 24-48 uur.

Barton (1960), Harrop (1960) en Sch mal tz (1921) vermelden
over dit gedeelte der voortplanting meerdere gegevens.

De geslachtscyclus en het meest geschikte tijdstip voor de dekking.

De cyclus wordt gereguleerd door inwendige en uitwendige factoren.
Tot de eerste groep behoren de gonadotrope hormonen van de hypofyse-

-ocr page 695-

voorkwab (het folHkelrijpings- en het luteïnisatiehormoon of afgekort vol-
gens de Engelse nomenclatuur F.S.H. en L.H.), het oestron uit de rijpe
follikel en het progesteron van het corpus luteum. Ten tijde van de ovu-
latie wordt veel oestron geproduceerd, dat remmend werkt op de F.S.H.-
produktie en de vorming van L.H. stimuleert. Indien onder invloed van
het laatste hormoon het corpus luteum is gevormd en dit progesteron pro-
duceert, wordt de oestronproduktie geremd en de uterus geschikt gemaakt
voor de implantatie.

Tot de uitwendige factoren behoren de voeding, het daglicht, de tempe-
ratuur en de klimaatwisseling.

De anoestrus is een tijd van een betrekkelijke inactiviteit van het geslachts-
apparaat en zij duurt ongeveer 3 maanden. In een vaginaaluitstrijkje wor-
den hoofdzakelijk niet verhoornde grote kemhoudende epitheelcellen ge-
vonden en enkele polymorfkemige leucocyten.

De pro-oestrus duurt 4-10 dagen (gemiddeld 9). In deze periode heeft de
teef een bloedige uitvloeiing en wordt de reu niet toegelaten. De vulva is
gezwollen en de maximale zwelling wordt vlak voor de oestrus bereikt.
Tegen het eind van dit stadium is de bloedige uitvloeiing maximaal. De
reuen worden wel aangetrokken, maar niet toegelaten, daar de teef zich
vijandig gedraagt. In het uitstrijkje vindt men veel rode bloedcellen en
grote verhoornde epitheelcellen. Geleidelijk verdwijnen de kemhoudende
cellen en de leucocyten, zodat tegen het einde van de pro-oestrus dus de
eerste 2 soorten overheersen. Een verhoornde cel heeft een pyknotische
donker gekleurde kern.

De oestrus is de periode van begeerte en deze dimrt 4-12 dagen (gemid-
deld 9) en in uitzonderingsgevallen 3-21 dagen. De intensiteit neemt ge-
durende de eerste 2 tot 3 dagen toe en wordt dan weer geleidelijk kleiner.
De kleur van de uitvloeiing wordt van rood helder tot strokleurig. De
vulva is iets minder gezwollen en wat zachter, zodat een gemakkelijker in-
dringing van de penis mogelijk is.

Het slijmvlies van het vestibulum is gezwollen. De reu wordt in deze pe-
riode door de teef actief aangemoedigd. Met behulp van uitstrijkjes is waar
te nemen, dat het aantal erytrocyten geleidelijk aan minder wordt en het
aantal verhoornde epitheelcellen gaat overheersen. Tegen het einde van
de oestrus gaan deze cellen degenereren, d.w.z. de kernkleuring verdwijnt
geleidelijk, de randen van het cytoplasma kridlen en worden rafelig en
soms kunnen stukken kernloos cytoplasma worden gezien. Ook nu kunnen
weer enkele leucocyten en veel bacteriën worden waargenomen.
In deze periode heeft de spontane ovulatie plaats, de bloedige uitvloeiing
houdt op en de reu wordt geaccepteerd. Dit gebeurt 10-12 dagen na de
eerste uitwendige verschijnselen. Bij kleine rassen zijn 4-6 follikels aan-
wezig en bij grote rassen meer, soms wel tot 20 toe. De follikels ruptureren
achter elkaar en zo kan dus de superfoecundatio verklaard worden. De ova
zijn 24-48 uur na de ovulatie rijp en moeten dan worden bevrucht.

Het volgende stadium van de cyclus is de met -oestrus, waarin de ontwikke-
ling en de regressie van de corpora lutea plaats vinden. In de eerste dagen
van deze periode, die 2 maanden duurt, verliest de teef haar aantrekkings-
kracht. In de uitstrijkjes komen nu veel leucocyten voor, de verhoornde
epitheelcellen worden geleidelijk minder en de kemhoudende epitheel-
cellen komen weer terug. Met 20 dagen zijn de leucocyten weer verdwenen

-ocr page 696-

en na 20-50 dagen komt een geleidelijke overgang naar het beeld van de
an-oestrus.

Het maken van een uitstrijkje geschiedt door met een öse, spatel of tam-
pon materiaal van de vaginawand te verzamelen, dit op een vetvrij glaasje
uit te strijken of de tampon te rollen, het preparaat te drogen en te kleuren.
Deze kleuring kan geschieden volgens de methode van Giemsa, met methy-
leenblauw of met haemaluin-eosine.

Aan de hand van het besprokene moet nu getracht worden om de meest
gunstigste tijd voor de dekking of de inseminatie vast te stellen. Daar deze
voor ieder dier verschillend is, is dit zeer moeilijk, te meer, daar het in be-
paalde gevallen nodig is om de dekking enkele dagen van te voren te re-
gelen.

Om de juiste tijd van de dekking of de inseminatie te bepalen kan dus van
de volgende hulpmiddelen gebruik worden gemaakt:

1. het begin van de bloedige uitvloeiing, plus 11-13 of 10-14 dagen (8-15
dagen wordt zelfs opgegeven);

2. 3-5 dagen na de eerste toelating van de reu of 1 a 2 dagen na het goed
staan van de teef;

3. met behulp van een uitstrijkje. Hiermee dient in de late pro-oestrus te
worden begonnen; het goede moment is gekomen als de verhoornde epi-
theelcellen in het uitstrijkje gaan overheersen en de rode bloedcellen
zijn verdwenen;

4. met behulp van vaginoskopie. Hiermede kan de sterkste graad van
mucosazwelling, het slijmig gladde aspect en de heldere of melkachtige
uitvloeiing worden waargenomen. Deze uitvloeiing bevat glucose, die via
het speculum met behulp van een testpapiertje kan worden aangetoond;
na de ovulatie wordt dit onderzoek negatief.

De inseminatie heeft de meeste kans op bevruchting indien deze 24-48
uur na het begin van de oestrus, of 24 uur na de ovulatie wordt uitgevoerd.
Bij een lange loopsheid kan de eerste inseminatie na 36-48 uur door een
tweede worden gevolgd, zoals dit ook bij de natuurlijke dekking gebeurt.
Nadere gegevens hierover kan men aantreffen bij Anderson (1945),
Baier en Rüsse (1962), Harrop (1956, 1960, 1961), Hetze 1
(1940), Kirk (1950), Lambert en McKenzie (1940), Maule
(1962), Lesbouyries (1949) en Schmaltz (1921).

Het verzamelen van het sperma.

Het verzamelen van het sperma kan op 3 manieren gebeuren.
I. De manipulatie-methode, die esthetisch gezien niet fraai is, heeft ver-
schillende voordelen en wordt daarom het meest toegepast, ook door ons.
Niet alleen geschiedt het verzamelen vrij eenvoudig, maar de benodigde
hulpmiddelen zijn ook zeer beperkt en het sperma komt niet met min of
meer schadelijke stoffen (rubber b.v.) in aanraking.

Kleine honden kunnen, indien een goede libido aanwezig is, op tafel wor-
den gezet nadat een voorspel heeft plaats gehad. Als het enigszins mogelijk
is moet een loopse teef voor de sdmulatie aanwezig zijn om een goede
kwaUteit sperma te verkrijgen. Moet de verzamelaar stimuleren, dan kan
de penis door het preputium heen licht gemasseerd worden. Zo gauw als
enige erectie tot stand is gekomen, wordt het preputium over de bulbus
glandis geschoven. Nu wordt de penis door bet preputium achter de bulbus

-ocr page 697-

licht gefixeerd tussen duim en wijsvinger. De reu voert normale dek-
bewegingen uit, de erectie komt volledig tot stand en de ejaculatie zal in
de regel zeer spoedig beginnen.

De eerste fractie, die waterig is, moet niet worden opgevangen, maar als
de kleur van het ejaculaat melkachtig wordt, moet hiermee worden be-
gonnen. Dit kan in een petrischaal, in een reageerbuis met opgeplaatste
trechter of rechtsreeks in de cylinder van de inseminatespuit, die aan de
onderkant wordt afgesloten. Een contact tussen penis en opvangvat moet
worden vermeden, daar dit door een zenuwachtige hond wel eens on-
prettig kan worden gevonden.

Het is niet altijd nodig dat de reu op de teef springt; deze verzamelmethode
gelukt ook wel als de reu op zijn poten blijft staan. De penis kan na de
erectie zonder bezwaar tussen de achterbenen door naar achter worden
gebracht indien het preputium tenminste over de bulbus is geschoven;
in verschillende gevallen zal het verzamelen zodoende vereenvoudigd wor-
den. In bepaalde gevallen kan de reu ook in zijligging worden gebracht,
maar een natuurlijke houding verdient toch wel de voorkeur.

II. Voor het verzamelen kan ook gebruik worden gemaakt van een kunst-
schede,
die in principe gelijk is aan de kunstschede voor stieren.

Indien deze een lengte heeft van 20 cm en een inwendige diameter van
6.5 cm, is deze voor alle rassen te gebruikeu. De binnenmantel van soepel
rubber wordt om Tde stuggere rubber buitenmantel heengeslagen en zo
nodig met een rubber ring extra vastgeklemd. Het is bovendien mogelijk
om tussen deze 2 mantels nog een derde te monteren, die met een pulsatie-
ballon in verbinding staat; de binnenste moet dan voor de vulling met
water aan een kant worden losgemaakt. Met behulp van een ventiel kan
de luchtdruk, dus het lumen van de kimstschede, wordeti geregeld.
Een verkorte kunstschede voor stieren of een kunstschede voor bokken kan
ook worden gebruikt. De temperatuur van de kimstschede dient bij ge-
bruik 40-44° C te zijn en hij hoeft niet glad tc worden gemaakt.
De voorbereiding van de reu is dezelfde als bij de fixatiemethode. .Mleen
wordt direct na de erectie de vagina op de penis geplaatst en dan is het
niet meer nodig om de penis te fixeren. Vooral bij toepassing\'van pulsatie
is een loopse teef niet volstrekt nodig.

III. De elektro-ejaculalie-methode is bij de reu ook mogelijk. Het dier
moet echter onder narcose worden gebracht en dat maakt deze methode
zeer zeker niet geschikt voor de praktijk. Voorts blijkt deze methode min-
der vaak tot een resultaat te voeren en treedt nogal eens verontreiniging
van het sperma op met urine.

Niet iedere hond zal sperma leveren, welke methode ook wordt toegepast.
Vooral bij nerveuze honden is het raadzaam om ze eerst aan de verzame-
laar te laten wennen en zo nodig ook aan elkaar. Bedeesde reuen moeten
zo veel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving dekken. Bij het ver-
zamelen in een koude omgeving dient voor koudeshock te worden opge-
past. Het sperma dient tegen licht te worden beschermd.
Uitgebreide bijzonderheden over het verzamelen van speiTna bij reuen
treft men bij Anderson (1945), Roucher en medew. (1958),
Harrop (1960), Kirk (1959), L a m b e r t en McKenzie (1940),
Maule (1962), Nooder (1950) en Roberts (1956).

-ocr page 698-

De dekfrequentie.

De dekfrequentie is voornamelijk van belang voor dieren, die zeer veel of
heel weinig dekken. Wordt de frequentie te groot, dan bestaat de kans op
een uitputting van de beschikbare spermahoeveelheid. Bij 2 a 3 dekkingen
per week kan goed sperma worden verkregen en desnoods kan dit nog op-
gevoerd worden tot één dekking per 2 dagen. Na het verzamelen van 4
ejaculaten in 4 dagen moet een dekrust van 2 a 3 dagen in acht worden
genomen. Door een te grote dekfrequentie wordt het aantal spermiën per
ejaculaat kleiner en het aantal onrijpe spermiën kan toenemen. Na een
periode van abstinentie kunnen te veel gedegenereerde of dode spermiën
aanwezig zijn.

De libido wordt bij een dekfrequentie van 1 ä 2 per dag niet gestoord. In
de drukke dekperiode moeten meer dierlijke eiwitten aan het basisdieet
van de reu worden toegevoegd. Een slechte voeding van de teef kan oor-
zaak zijn van een verlate puberteit, terwijl een goede voeding vlak voor de
oestrus meer rijpe follikels doet ontstaan.

Boucher, Foote en Kirk (1958), H a r r o p (1960), Kirk (1959)
en Lambert en McKenzie (1940) vermelden omtrent de dek-
frequentie meer bijzonderheden.

Het ejaculaat. •

Het ejaculaat wordt geproduceerd in 3 fracties.

De eerste fractie wordt in de eerste minuut van de coitus geëjaculeerd en
bestaat uit helder vocht, dat geproduceerd wordt door kliertjes in de urethra-
mucosa. De hoeveelheid bedraagt 0,25-5 cm^ en is sterk afhankelijk van
de stimulatie.

De tweede fractie, de eigenlijke spermafractie, wordt binnen 2 minuten ge-
ejaculeerd, is 0,5-3,5 cm^ groot, is wit van kleur en enigszins visceus van
consistentie. De spermafractic bevat in totaal ruim 500 miljoen spermiën
en per cm\'^ gemiddeld 150 miljoen. Door een goede voorbereiding kan een
geconcentreerder ejaculaat worden verkregen.

De derde fractie bedraagt 3-20 cm^, is waterig en wordt geëjaculeerd in
5-30 minuten. Deze fractie wordt hoofdzakelijk door de prostaat geleverd.
De grootte van het gehele ejaculaat is afhankelijk van de stimulatie en het
ras en kan variëren van 5-25 cm^.

Voor de kunstmatige inseminatie moet alleen de tweede fractie worden
verzameld. De eerste wordt niet opgevangen en men stopt met het verza-
melen als het ejaculaat weer waterig wordt.

Op de kwaliteit van het sperma hebben de libido, een goede verzamel-
techniek en, zoals reeds eerder is gezegd, de aanwezigheid van een loopse teef
een gunstige invloed. Het percentage morfologische afwijkingen van de
spermiën moet lager zijn dan 20. Indien de reu de laatste tijd weinig heeft
gedekt, kan het raadzaam zijn om in de aan de inseminatie voorafgaande
dagen, enkele keren sperma te verzamelen.

Van de zeer uitgebreide literatuur hierover kan genoemd worden die van
Anderson (1945), Bonadonna (1957), Boucher en medew.
(1958), Harrop (1956a, 1956b, 1960, 1961), Kirk (1959), Larn-
bert e.a. (1940), Maule (1962) en Nooder (1950).

-ocr page 699-

Het bewaren van sperma.

In de regel wordt het sperma direct gebruikt en het behoeft dus niet be-
waard te worden. Het is van belang, dat we alleen de tweede fractie ver-
zamelen en we moeten het sperma behoeden tegen Hebt, koudeshock en
sterk schudden. Is de kwaliteit van het sperma goed, dan mag het enige
uren bij 4-5° C worden bewaard. Het bewaren kan het best geschieden
door het sperma na het opvangen in een waterbad van 35° C te plaatsen
en dit in een koelkast te brengen, zodat het sperma langzaam afkoelt.
De literatuur vermeldt hierover o.m. publikaties van Anderson (1945),
Kirk (1959) en Maule (1962).

Het verdunnen van sperma.

Indien het sperma langer dan enkele uren moet worden bewaard, moet
het verdund worden. De meest eenvoudige en toch goede verdunner wordt
verkregen door gepasteuriseerde melk gedurende 10 minuten te verhitten
op 92-94° C. Na afkoeling van de melk kan het sperma hiermee 1:8 wor-
den verdund en indien het verdunde sperma bij 4° C wordt bewaard, kan
het gedurende enige dagen fertiel blijven. Het verdunnen moet voorzichtig
gebeuren en het afkoelen dient geleidelijk te verlopen. Het is ook mogelijk
om een citraat-eidooier of een glucose-pepton-tartraat-verdunner te ge-
bruiken. Antibiotica kunnen worden toegevoegd, hoewel het nut hiervan
twijfelachtig is.

Ook het diepvriezen van hondesperma is mogelijk. Het wordt hiertoe ver-
dund met een citraat-eidooier-verdunner met glycerine; de gewenste
equilibratietijd is 2 uur. Na 1 jaar bewaren kan de beweeglijkheid nog
50% zijn. Bevruchtingsproeven hiermee zijn echter niet bekend.
Voor transport van sperma dienen zodanige maatregelen getroffen te wor-
den, dat een goede temperatuur van het sperma wordt gewaarborgd en
het schudden ervan zo veel mogelijk wordt voorkomen. Hiertoe wordt een
buisje geheel met het verdunde sperma gevuld en afgesloten met een gepa-
raffineerde kurk of plastic kapje. Dit buisje wordt in watten gewikkeld en
in een groter buisje geplaatst, dat ook waterdicht wordt afgesloten. Deze
buis wordt nu met klemmetjes aan een plastic plaat bevestigd, die vertikaal
.geplaatst juist in de isoleerfles past. De fles wordt opgevuld met gemalen
ijs en het sperma blijft zo gedurende 72 luu" op een goede temperatuur.
Nadere gegevens hieromtrent treft men aan in de publikaties van B e n-
dorf en Chung (1959), Harrop (1956a, 1956b) en Kirk (1959).

De inseminatie.

Bij de natuurlijke dekking komt het sperma vrijwel direct in de uterus,
zoals dit ook bij paarden en varkens het geval is. Bij de inseminatie kun-
nen we dit niet bereiken, maar we proberen met diverse kunstgrepen het
sperma zo ver mogelijk in het genitaalapparaat te brengen.
Het insemineren kan geschieden met een pipet van 15-20 cm lengte en
een doorsnede van 6 mm. Hiertoe kan heel goed een stuk van een plastic
pipet dienen, zoals die bij de runder-K.I. wordt gebruikt. .Aan de pipet
wordt met behulp van een rubber aanzetstukje een glazen of plastic spuit
van 10 cm^ bevestigd. Het is ook mogelijk om de conus van de spuit recht-

-ocr page 700-

streeks op de pipet te plaatsen, nadat het lumen door verwarming wat
wijder is gemaakt.

De pipet kan, na met witte vasehne glad gemaakt te zijn, in de vagina wor-
den gebracht, al of niet met behulp van een buisspeculum. Hiertoe kan bv.
een reageerbuis worden gebruikt, waaivan de bodem is afgesneden en de
randen door verhitting zijn afgerond. Ook van een stuk plastic buis kan
vrij eenvoudig een speculum worden gemaakt. Met behulp van een hoofd-
lamp kan de cervix worden opgezocht en kan worden getracht de pipet
in het orificium te plaatsen. Het is vrijwel onmogelijk om met de pipet de
cervix te passeren. Wordt geïnsemineerd zonder speculum — en dit wordt
meestal gedaan — dan zal vrijwel altijd het sperma in het craniale gedeelte
van de vagina terecht komen. Bij kleine rassen kan de pipet 6-8 cm en
bij grote rassen 8-12 cm in de vagina doordringen.

Voor de manipulatie is het gemakkelijk om de teef op een tafel te plaatsen
en door een hulp te laten fixeren, zonder echter geweld te gebruiken. Zo
nodig moet een kalmeringsmiddel worden toegediend. Na de reiniging van
de vulva kan het instrumentarium worden ingebracht, waarbij aan de
fossa clitorides en het orificium urethrae moet worden gedacht. Dus eerst
wordt het speculum of de pipet schuin omhoog en ven-olgens na de jsas-
sage van het vestibulum, horizontaal ingebracht.

Het sperma wordt nu langzaam ingespoten; het minimale aantal spermiën
hierin moet 1.50 miljoen zijn.

Na de inseminatie worden de pipet en het speculum (eventueel ) snel terug-
getrokken. Vervolgens wordt de teef van achteren 10-15 cm opgetild om
het sperma voorin de vagina te houden; dit optillen moet zö worden uit-
gevoerd, dat het dier geen verzet gaat plegen, want dan is het middel er-
ger dan de kwaal. Voorts blijkt bet raadzaam te zijn om tijdens het om-
hoog houden één of meer vingers in het vestibulum te plaatsen om de moti-
liteit van het genitaalapparaat te bevorderen. Hierna moet met de teef
worden gewandeld om te zorgen, dat zij niet gaat zitten of het sperma ge-
deeltelijk weer uitperst.

Uitgebreide gegevens over de inseminatie treft men aan bij Anderson
(1945), Bonadonna (1957), Harrop (1956b, 1960," 1961), Kirk
(1959), Lambert (1959), Maule (1962), Letard en medew.
(1957) en Roberts (1956).

Dc resultaten van de K.I.

Over de resultaten van de K.1. bij honden worden in de literatuur vrijwel
geen gegevens verstrekt, mogelijk omdat ze zijn tegengevallen of omdat
de K.I. bij deze diersoort alleen zeer incidenteel wordt uitgevoerd. Volgens
Franse gegevens bedraagt het drachtigheidspercentage van ,30 eerste inse-
minaties ± 60%. We lezen over geslaagde inseminaties, ook nadat het
sperma over grote afstand is vervoerd; het percentage is dan echter slechts
15%.

Hoewel de K.I. beslist de natuurlijke dekking niet kan vervangen, heeft
deze toch bewezen een nuttig middel te zijn bij de fokkerij van honden.
De voornaamste indicaties zijn fysieke of psychische afwijkingen, die een
natuurlijke dekking uitsluiten en het bestaan van een giote afstand tussen
de beide partners. Het vergroten van het aantal nakomelingen en het

-ocr page 701-

tegengaan van besmettingen zijn bij de bonden geen positieve argumenten
ten voordele van de K.I,

Gegegevens over de resultaten van de K,I, bij bonden treft men bij B e n-
dorfenCbung (1959), Harrop (1956b en 1960), Kirk (1959)
en L e t a r d en medewerkers (1957),

Officiële voorschriften zijn in Nederland ook voor de K,I. bij honden be-
kend. In het huishoudelijk reglement van de Raad van beheer op kyno-
logisch gebied in Nederland, worden de inschrijvingsformaliteiten in art. 88
behandeld.

Hierin kunnen we lezen, dat behalve de gebruikelijke opgaven over de
geboorte en de pups, in geval van K.I. op het formulier bovendien moet
worden vermeld:

16e. datum, waarop het sperma de reu werd afgenomen;

17e. datum, waarop de inspuiting van het sperma in de baarmoeder
van het moederdier plaats had;

18e. een verklaring van de eigenaar \\ an de reu, waarin deze te kennen
geeft dat van zijn reu, de in de aangifte als vader van het nest
genoemde hond, het sperma, ten behoeve van de in de aangifte
als moederhond vermelde teef, werd afgenomen en waarin \\\'oorts
wordt aangegeven de wijze waarop het sperma werd verzonden
en verpakt;

19e. een verklaring van een dierenarts, bevestigende de vorenbedoelde
verklaring en verder de mededeling, dat hij het gezondene heeft
verzegeld en op welke wijze dit is geschied;

20e. een verklaring van de eigenaar van de moederhond, dat er be-
halve de aangege\\en kunstmatige inseminatie geen inseminatie,
hetzij kimstmatig of door dekking tijdens dezelfde loopsheid der
teef heeft plaats gehad;

21e. een verklaring van een dierenarts, waarin deze te kennen geeft,
dat hij het sperma heeft aangetroffen in de verpakking als door
dc verklaring van de eigenaar van dc reu wordt omschreven, hij
de door de dierenarts aangebrachte zegels in ongeschonden staat
heeft aangetroffen en de handeling heeft verricht, die tot kunst-
matige bevruchting moet leiden.
Voor de import van sperma in Engeland moet met het oog op fraude en
ongewenste bloeclinvoering toestemming worden verkregen van de Kennel
Club.

In de U.S..\\. moet voor een kunstmatige inseminatie door de eigenaar van
de bond vooraf toestemming worden gevraagd bij de Kennelclub en wel
met opgave van redenen; een fysieke afwijking wordt als een geldige
reden aangenomen. De eigenaar van de reu moet aanwezig zijn bij bet
verzamelen en het insemineren en de dierenarts moet schriftelijk ver-
klaren dat beide handelingen onder zijn toezicht en in aanwezigheid van de
eigenaar zijn uitgevoerd. Verder dient de identiteit van de reu en de teef
en de plaats en tijd van handeling te worden vermeld.

Eigen waarnemingen.

Alleen in de gevallen, dat de natuurlijke dekking niet mogelijk was, is
door de eigenaar onze hulp ingeroepen. In 31% van de gevallen kon de
oorzaak bij de teef worden gezocht, daar deze te zenuwachtig was of om

-ocr page 702-

andere redenen niet wilde blijven staan. In 51% lag de oorzaak bij de
reu, daar deze een te geringe of in het geheel geen libido bezat. Bij 18%
van de paren, was de natuurlijke dekking niet mogelijk door een verschil
in grootte of door andere belemmeringen.

Over de voorgeschiedenis en de resultaten van de dieren kan worden
vermeld, dat van de teven 42% reeds één of meer nesten had gebracht
en 48% nog niet eerder was gedekt. Met betrekking tot de behaalde
resultaten bestond geen verschil tussen deze twee groepen, zoals dit ook
voor de indeling volgens de leeftijd (1—4 en 5—8 jaar) gold. Van de
reuen kon 72% op een nageslacht bogen en 26% had nog niet eerder
gedekt. Ook tussen deze groepen konden geen verschillen worden aan-
getoond. De groep van oudere reuen leek wel iets fertieler te zijn.

In 106 gevallen werd ons gevraagd om K.I. uit te voeren. In 14 gevallen
is het niet gelukt om sperma te verzamelen en van 14 andere zijn de
resultaten niet meer te achterbalen geweest; van 6 gevallen kunnen de
gegevens nog niet bekend zijn. Voor de beoordeling van de resultaten
zijn dus 72 inseminaties overgebleven, waarvan de helft een nest heeft
opgeleverd.

Van de geslaagde inseminaties liepen de dektijden uiteen van 10 tot
15 dagen vanaf het begin van de pro-oestrus. In één geval kwam bij een
kleine ras nog een bevruchting tot stand op de 35ste dag.
Per loopsheid werd in de regel één inseminatie verricht. In 21 gevallen
zijn echter twee inseminaties uitgevoerd; twee inseminaties op dezelfde
dag uitgevoerd leverden een bevruchtingspercentage op van 25, met een
tussentijd van 24 uur werd deze 60% en een tussentijd van 48 uur
gaf 75%.

De nestgrootte varieerde van 1 tot 9, met 4,9 als gemiddelde. Het aantal
mannelijke nakomelingen bedroeg 54%.

Van 102 ejaculaten bedroeg het gemiddelde aantal spermiën per cm^
235 miljoen. Bij 26% lag het aantal beneden 100 miljoen, bij 29% tussen
100 en 200, bij 23% tussen 200-300, bij 12% tussen 300-400 en bij 10%)
boven de 400 miljoen. De hoogste twee tellingen bedroegen 1240 en 1680
miljoen.

Van 105 ejaculaten zijn gegevens bekend van het morfologisch onderzoek
van de spermiën. Bij 38% van de ejaculaten lag bet percentage af-
wijkingen beneden de 20 en bij 86 beneden de 40. Het gemiddelde aantal
afwijkingen bedroeg 28%. We hebben de indruk gekregen, dat het per-
centage afwijkingen bij de redelijk goede bevmcbters lager dan 40 behoort
te zijn.

SAMENVATTING.

Na een uitvoerig literatuuroverzicht te hebben gegeven, worden in het kort 106
gevallen besproken, waarbij ons gevraagd was om K.I. bij honden uit te voeren.
In al deze gevallen was de natuurlijke dekking niet mogelijk. Het behaalde drachtig-
heidspercentage bedroeg 50% en de gemiddelde nestgrootte 4.9 pups.

SUMMARY.

After having given a broad survey of the literature, 106 cases are discussed briefly,
in which we were asked to make use of the Artificial Insemination for dogs. In all
these cases the natural service was not possible. The secured percentage of gestadon
was 50% and the average number of puppies to a nest was 4.9.

-ocr page 703-

RÉSUMÉ.

Après avoir donné un aperçu étendu des publications, l\'auteur discute brièvement
106 cas, où il a été prié de faire une insémination artificielle chez la chienne.
Dans tous les cas la monte naturelle n\'était pas possible. Le pourcentage atteint de
gestadon montait à 50% et la grandeur moyenne de la ventrée s\'élevait à 4,9 pups.

ZUSAMMENFASSUNG.

-Nachdem eine ausführliche Literaturübersicht gegeben wurde, werden 106 Fälle be-
besprochen, bei denen der Verfasser gebeten wurde eine künstliche Besamung bei
Hunden auszuführen.

In allen Fällen war nat-ürliches Decken nicht möglich. Der erzielte Trächtigkeits-
prozentsatz betrug 50% und der durchschnittliche Wurf 4,9 Welpen.

LITERATUUR

Anderson, J.: The semen of animals and its use for artificial insemination,
Edinburgh, (1945).

B a i e r, W. und Russe, M. : Die Vaginoskopie der Hündin. Wien, tierärztl. Mschr,,
49,30,(1962).

Bar ton, A.: Unconventional aspects of Canine and Feline sexuality. Vet. Med., 55,
65, (1960).

B e n d o r f, R. P. und G h u n g, N. Y. : Die Konservierung von Hundesperma ; refe-
raat in
Dtsch. tierärztl. Wschr., 66, 597, (1959).

Bonadonna, T. : On some recent progress in the technique of artificial insemi-
nation. Recent progress in animal reproduction, Tokyo, (1957).
Boucher, J. H., F o o t e, R. H. and Kirk, R. W. : The evaluation of semen
quality in the dog and the effects of frequency of ejaculation upon semen quality,
libido and depletion of sperm reserves.
Cornell Vet., 48, 67, (1958).
Fertility and Animal Breeding; Bull. 39 Min. of Agriculture and Fisheries, London,
(1947).

E 1 1 e n b e r g e r, W, und Baum, H. : Handbuch der vergleichenden .Anatomie der

Haustiere, Berlin, (1932).
Harrop, A. E.: A review of canine ardficial insemination.
]. Am. vet. med. Ass.,
129, 564, (1956 a).

Harrop, A. E.: Canine artificial insemination. Ill Int. Congress Animal Reprod.,

Cambridge, (1956 b).
Harrop, A. E. : Reproduction in the dog, London, (1960).

Harrop, A. E.: Semen preservation and canine artificial insemination. IV Int.

Congress Animal Reprod., The Hague, (1961).
Hetz el, H.: Die Unfruchtbarkeit der Haussäu.gedere, Jena, (1940).
Kirk, W.: Artificial Insemination in the Dog.
The Allied Veterinarian, 30, 40,
(1959).

Lambert, W. V. and Mckenzie, F. F.: Artificial insemination in livestock

breeding. Circ. 567, U.S. Dept. Agric., (1940).
M au 1 e, J. P.: The semen of animals and artificial insemination, Edinburgh, (1962).
Lesbouyries, G.: Reproduction des mammifères domestiques, Paris, (1949).
Le tard, E., S z u m o w s k i, P. et T h é r e t. M.: Insémination artificielle chez

le chien. Rec. de Méd. Vét., 133, 261, (1957).
Nood er, H. J.: Enkele mededelin.gen omtrent de K.I. bij teven en het sperma

van reuen. Tijdschr. Diergeneesk., 75, 81, (1950).
Roberts, S. J. : Veterinary Obstetrics and genital diseases, New York, ( 1956).
Schmaltz, R.; Das Geschlechtsleben der Haussäugetiere, Berlin, (1921).

-ocr page 704-

Afwijkende kalveren, verloop van de geboorte
en de geboorferegistratie in verband met de
K.I. bij rundvee.

Anatomical defects, stillbirths and birth-registration
relative to A.I. in bovine cattle.

door A. VAN LOEN^) en S. W. J. VAN DIETEN^)

Uit het Zoötechnisch Instituut, Faculteit der Diergenees-
kunde, Rijksuniversiteit te Utrecht.
Uit de K.I,-vereniging „De Kempen" te Oerle.

Van D i e t e n c.s. (1960) hebben gewezen op het feit, dat hoewel sedert
1946 het systeem van een volledige geboorteregistratie is voorgeschreven,
15 jaar later blijkt, dat het voorschrift als zodanig niet anders dan bij
hoge uitzondering wordt nagekomen. De factoren, welke hiertoe hebben
bijgedragen, zijn eerder door Van D i e t e n c.s.
(l.c.) besproken. Een
en ander blijkt nog niets aan actualiteit te hebben ingeboet.
Tevens is echter gebleken, dat binnen de kring van personen - - al of
niet rechtstreeks werkzaam op het terrein van de kunstmatige inseminatie
bij rundvee — momenteel door sommigen wordt gepleit voor een selec-
tieve geboorteregistratie. Stegen ga (1961) is van mening, dat reeds
een betrouwbare indruk van een stier zou kunnen worden verkregen,
wanneer de registratie wordt beperkt tot de eerste 500 geboorten \\an
een stier, dan wel een geboorteregistratie wordt nagestreefd op een deel
van de bedrijven, b.v. de stamboekbedrijven, en de registratie op de
overige bedrijven achterwege wordt gelaten.

Naar het ons wil voorkomen is het van belang voor de verdere menings-
vorming om een nadere analyse te geven van mogelijk verwarring ver-
oorzakende bijdragen terzake van bepaalde geboorteregistratiesystemen.
Reden waarom het volgende is geschreven, en wel onder bet motto, dat
het volledige geboorteregistratiesysteem niet moet worden uitgevoerd om-
dat het voorschrift is, doch dat dit systeem tot voorschrift is verheven,
omdat het juist is.

Allereerst zij de opvatting geanalyseerd, dat een controle van ca. 500
geboorten per stier voldoende zou zijn om een betrouwbare indruk te
verkrijgen van o.a. afwijkende kalveren en het verloop \\an de geboorte
(doodgeboren kalveren).

Volgens de in dit verband veelal gerefereerde Johansson (1961)
bedraagt het aantal benodigde nakomelingen van een stier 30,3 om met
een betrouwbaarheid van 95% de stier te kunnen herkennen als hetero-
zygoot, dus als drager van een recessief gen, indien de frequentie van
de afwijking in de populatie 2% bedraagt. Bij eenzelfde populatie-frequen-
tie bedraagt het benodigde aantal nakomelingen 465 om de stier met een
betrouwbaarheid van 99% als heterozygoot te kunnen herkennen. De

Dr. A. van Loen, voorheen werkzaam bij de .Afdeling Diergeneeskunde T.N.O.;
huidig adres: Centraal Laboratorium van de Staatsmijnen in Limburg, Postbus 18,
Geleen.

Drs. S. \\V. J. van Dieten, directeur K.L-vereniging „De Kempen", St. Jansstraat
24, Oerle.

-ocr page 705-

aandacht moet worden gevestigd op het feit, dat Johansson (I.e.)
uitdrukkelijk vermeldt, dat het model betrekking heeft op monofactoriële
recessieve overerving èn op „random mating".

Volgens de geldende inzichten in de erfelijkheidsleer moet monofactoriële
overerving hoogst onwaarschijnlijk worden geacht, als het afwijkingen be-
treft als hier worden bedoeld.

In hoeverre er sprake is van recessieve dan wel van dominante over-
erving bij het manifest worden van defecten binnen een populatie is
moeilijk exact te bepalen. Hierbij zij bedacht, dat de grens tussen reces-
sieve en dominante overerving uiterst vaag is en niet anders dan met
grote aantallen gegevens mogelijk kan worden gedemonstreerd. Veel van
hetgeen op dit gebied is gepubliceerd, berust dan ook meer op geloof
dan op bewijs. Recente onderzoekingen op dit gebied hebben dit overigens
duidelijk aangetoond. B
O n f e r t c.s. (1958) en S i 11 m a n n c.s. (1961)
suggereren op grond van zeer kleine aantallen gegevens, dat de dubbel-
vorming van de cervix uteri berust op een enkelvoudig recessief gen. Met
behulp van gegevens, die meer dan 16.000 koeien (M.R.IJ.-veeslag) be-
treffen, is echter aangetoond, dat een dominante overerving met een lage
sterk milieu-afhankelijke penetrantie aan dit defect ten grondslag ligt
(Van Loen, 1961)".

In de praktische fokkerij zal vrijwel nooit sprake zijn van „random
mating", van een paringssysteem dus, waarbij ieder individu gelijke kan-
sen heeft om te paren met ieder ander individu in de populatie. Overigens
is de aangenomen, „random mating" het enige mogelijke uitgangsptint
om een theoretisch model te kunnen opstellen.

Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat het
theoretische model van Johansson (I.e.) geen steekhoudende argu-
menten levert om de geboorteregistratie te beperken tot de eerste 500
geboorten van een stier. Daarbij komt nog, dat de genoemde populatie-
frequentie van de afwijking een theoretische grootheid is, terwijl juist de
volledige geboorteregistratie de kans vergroot om de werkelijke omvang
aan het licht te brengen. Tevens kan men juist met de aan de volledige
geboorteregistratie ontleende gegevens analyseren of er ten aanzien van
het te onderzoeken criterium al dan niet random mating heeft plaats-
gevonden.

Enige bezwaren van praktische aard om zich te beperken tot de eerste
500 geboorten van een stier zijn voorts nog:

1. een stier kan ten onrechte als „vrij van een afwijking" worden be-
schouwd, tengevolge van de relatief snelle wisseling van de koeien-
populatie;

2. nagenoeg iedere basis voor vergelijking ontbreekt;

3. de veehouder zal niet meer weten van welke stier wel en van welke
stier geen geboorteberichten moeten worden ingeleverd.

Behalve dat dus ernstige bezwaren kimnen worden aangevoerd tegen het
gebruik van het model van Johansson (I.e.), bestaan daarenboven
genoemde praktische bezwaren. Op grond van een en ander kan worden
geconcludeerd, dat de hypothese dat de registratie tot de eerste 500
geboorten van een stier zou kunnen worden beperkt, verworpen dient te
worden. En voorts, dat het van wezenlijk belang is het systeem van een
volledige geboorteregistratie toe te passen, dan wel na te streven.

-ocr page 706-

Ten aanzien van de stelling, dat de geboorteregistratie zou kunnen vi\'orden
beperkt tot een aantal bedrijven, b.v. de stamboekbedrijven, is bet gewenst
om enige praktische aspecten te noemen.

Het is een algemeen aanvaard beginsel om meer stieren dan voorheen
voor het gebruik in de K.I. in te schakelen. Dit heeft tot gevolg dat meer
jonge stieren moeten worden getest. In de praktijk van de K.I. dienen
om foktechniscbe redenen niet meer dan 1000-1200 inseminaties van
proefstieren te worden verricht in een tijdsverloop van bij voorkeur twee
tot drie maanden. Hierna worden de resultaten afgewacht.
Wanneer 1200 proefinseminaties worden verricht, kunnen ongeveer 720
geboorten worden verwacht. Dit betekent, dat zelfs al zou 50% van de
veehouders lid zijn van een stamboek, slechts 360 geboorten kunnen
worden geregistreerd. In werkelijkheid is echter ongeveer 25% van de
veehouders lid van een stamboek. Gemiddeld zal 25% van de geboorten af-
komstig zijn van vaarzen, m.a.w. 45 geboorten zullen afkomstig zijn van
vaareen en 135 geboorten van koeien.

Van D i e t en (1956) heeft aangetoond, dat het ten aanzien van het
verloop van de geboorte, in het bijzonder met het oog op het verschijnsel
van doodgeboren kalveren, voor de praktijk van de K.I., dus voor de
veehouders, van economische betekenis is om bepaalde stieren voor ge-
bruik bij vaarzen te adviseren en bepaalde andere stieren voor gebruik
bij vaarzen te ontraden.

Het is gebleken, dat een dergelijk beleid noodzakelijk is teneinde het
percentage doodgeboren kalveren te kunnen verminderen. Hiervoor is het
evenwel nodig het aantal geboorten te kennen, waarbij het mogelijk is
de stieren ten rechte te adviseren, dus hetzij voor vaarzen hetzij voor
koeien. Dat betekent dat een antwoord dient te kunnen worden gegeven
op de vraag, die in het hieronder geformuleerde probleem wordt gesteld.
In dit verband is het van belang te vermelden, dat in 1956 de frequentie
van doodgeboren kalveren, ongeacht het geslacht van het kalf, op grond
van aan het volledig geboorteregistratiesysteem (De Kempen, Oerie)
ontleende gegevens bij vaarzen van het M.R.IJ.-veeslag, op 15% kon
worden bepaald (tabel 2).

Het probleem kan nu als volgt worden geformuleerd:
— hoe groot moet het aantal geboor ten zijn om een stier, die in werkelijk-
heid Pi (b.v. 20%) doodgeboren kalveren bij vaarzen veroorzaakt, te kun-
nen herkennen als een stier, die meer dan po (b.v. 15%) doodgeboren
kalveren bij vaarzen veroorzaakt, indien hierbij aan de volgende eisen
van betrouwbaarheid wordt voldaan:

1. met een kans van 5% (a = 0.05) wordt geaccepteerd, dat een stier
die in werkelijkheid po of minder doodgeboren kalveren veroorzaakt,
ten onrechte wordt herkend als een stier met meer dan po dood-
geboren kalveren (fout van de eerste soort) ;

2. met een kans van 5% {ß — 0.05) wordt geaccepteerd, dat een sder
die in werkelijkheid pi doodgeboren kalveren veroorzaakt, ten on-
rechte wordt beschouwd als een stier, die niet meer dan po doodgeboren
kalveren veroorzaakt (fout van de tweede soort).

In tabel 1 is aangegeven welk aantal geboorten onder deze eisen tenminste
dient te worden verzameld. Hierin is po = 0.15, d.i. de hypothetische
populatie-frequentie (15%), of met andere woorden de grens, die als
criterium geldt voor het wel of niet „goedkeuren" van een stier.

-ocr page 707-

hypothetische populatiefrequentie
werkelijke frequentie van de stier
aantal benodigde geboorten af-
komstig van vaarzen

Pq = hypothetische populatiefrequentie Pj
Pj^ = werkelijke frequentie van de stier p^
n = aantal benodigde geboorten af- n
komstig van vaarzen.

Pi

n

Po

n

Po = 0.15

Pi

= 0.15

0.20

620

0.10

467

0.25

169

0.08

218

0.30

80

0.05

89

0.35

47

0.04

68

0.40

31

0.02

40

Po =

hypothetical frequency

Pi

= hypothetical frequency

Pi =

alternative frequency

Po

= alternative frequency

n =

number of required births

from

n

= number of required births from

heifers

heifers

Table 1.

Uit de in tabel 1 vermelde gegevens, die grafisch zijn voorgesteld in figuur
1, kan worden afgeleid, dat het aantal geboorten (n), dat men moet
controleren om de stieren verantwoord te kunnen adviseren voor gebruik
bij vaarzen, respectievelijk te ontraden voor gebruik bij vaarzen, niet kan
worden gerealiseerd indien men de registratie zou beperken tot b.v. stam-
boekbedrijven. Immers alle genoemde aantallen (n) moet men met een
factor vier vermenigvuldigen, aangezien proefinseminaties zowel betrekking
hebben op vaarzen (25%) als op koeien (75%). Uit het bovenstaande
blijkt evident, dat onder het voorstel de registratie te beperken tot b.v.
stamboekbedrijven
een stier met 35% doodgeboren kalveren bij vaarzen nog
niet eens kan worden onderscheiden met de gestelde betrouwbaarheids-
eisen als eerder gedefinieerd.

Op grond van de gegevens, welke onder gebruikmaking van het volledige
geboorteregistratiesysteem kunnen worden geproduceerd, kan men een
gefundeerd beleid voeren, waardoor de frequentie van doodgeboren kalve-
ren binnen de vaarzen populatie per jaar aanzienlijk kan verminderen.
De in tabel 2 vermelde percentages doodgeboren kalveren bij vaarzen
mogen deze uitspraak illustreren (jaarverslagen De Kempen, 1956 tot en
met i960).

Tabel 2.

Jaar

Doodgeboren
kalveren bij
vaarzen (%)

Totaal aantal
geboorten afkomstig
van vaarzen

1956

15.9

3356

1957

13.2

3639

1958

12.9

4423

1959

11,5

5205

1960

9.2

5656

Year

Süllbirths in
heifers (%)

Total number of
calves from heifers

Table 2.

-ocr page 708- -ocr page 709-

Wanneer de frequentie van doodgeboren kalveren na verloop van tijd is
gedaald naar circa 10%, is het van belang te onderzoeken welke eisen
men in dat geval aan de aantallen geboorten per stier moet stellen.
In tabel 3 is in analogie met de bovenstaande formulering van het pro-
bleem aangegeven, welk aantal geboorten dient te worden verzameld om
een betrouwbare uitspraak omtrent de stier te kunnen doen.

Tabel 3.

Pi n Po "

Pl, = 0.10 Pi = 0.10

0.15

467

0.20

133

0.08 2208

0.25

65

0.05 290

0.30

39

0.04 185

0.35

26

0.02 82

0.40

19

Po

= hypothetische populatiefrequentie

Pi

= hypothetische populatiefrequentie

Pi

= werkelijke frequentie van

de stier

Po

= werkelijke frequentie van de stier

11

= aantal benodigde geboorten.

n

= aantal benodigde geboorten.

afkomstig van vaarzen

afkomstig van vaarzen

Po

= hypothetical frequency

Pi

= hypothetical frequency

Pi

= alternative frequency

P(l

= alternative frequency

n

— number of required births from

n

— number of required births from

heifers

heifers

Ta

ble 3.

Uit de gegevens vermeld in tabel 3, en grafisch voorgesteld in figuiu\' 1,
kan eveneens worden geconcludeerd, dat het niet doelmatig is om de
registratie te beperken tot b.v. stamboekbedrijven.

In beide besproken gevallen kan het benodigde aantal geboorten niet
worden bereikt anders dan door of een te groot en dus niet verantwoord
aantal inseminaties \\an een proefstier te verrichten, öf een kleiner aantal
inseminaties gedurende erdge jaren (sic) te verrichten. In bet laatste
geval dient men te bedenken, dat de kosten per proefstier per jaar kunnen
worden begroot op tenminste ƒ 2000,- .

Samenvattend kan worden geconcludeerd, dat een beperking van de ge-
boorteregistratie tot dc eerste 500 geboorten van cen stier, dan wel tot een
deel van de bedrijven, b.v. de stambockbedrijxen, zowel op wetenschap-
[jclijke als op praktische gronden onjuist moet worden geacht in het
kader van de praktische consequenties van de K.I. bij rundvee.
Het principe van de geboorteregistratie - - namelijk het verkrijgen van prak-
tische adviezen van economische betekenis voor de veehouderij - zou door
een dergelijke beperking verloren gaan.

De omstandigheid, dat bet invoeren van het systeem van een volledige
geboorteregistratie niet in alle verenigingen binnen korte tijd kan worden
gerealiseerd, doet niets af aan de noodzaak om met volharding de con-
cretisering van het bestaande voorschrift na te streven.

Dankbetuiging.

Gaarne geven wij op deze plaats blijk van onze erkentelijkheid jegens Drs. J. P. M,
de Kroon, A.B.W.-T.N.O. terzake van de statistische adviezen en berekeningen.

-ocr page 710-

De opvatting, dat de volledige geboorteregistratie zou kunnen worden vervangen door
een registratie van de eerste 500 geboorten van een stier, dan wel zou kunnen worden
beperkt tot een deel van de bedrijven, b.v. de stamboekbedrijven, is nader geanaly-
seerd.

Auteurs concluderen, dat genoemde opvatting zowel op praktische als op wetenschap-
pelijke gronden (tabel 1, 2, 3 en figuur 1) onjuist moet worden geacht in het kader
van de praktische consequenties van de K.I. bij rundvee.

SUMMARY.

According to the Nadonal Regulation A.I. (in bovine cattle), 1946, all births are
recorded obligatorily by a system which is called the complete birth-recording system.
The opinion that^ this system could be replaced either by recording the first 500
births per sire, or by recording the births of specific sires only in herds of which
the herdowner is a member of a herdbook-society, has been scrutinized.
Referring to tables 1, 2, 3 and figure 1, the analysis has accumulated abundant
evidence that selective recording as mentioned above, also with respect to anatomical
defects and the phenomenon of stillbirths, has to bc rejected on account of modern
A.I.-breeding policy.

RÉSUMÉ.

Les auteurs présentent une analyse plus détaillé de la conception selon laquelle
l\'enregistrement complète des naissances pourrait être remplacée par un enregistre-
ment des 500 premières naissances d\'un taureau, ou bien être restreint à une partie
des fermes, par exemple au fermes enrégistrées au herd-book.

Les auteurs concluent que la conception .susdite doit être jugée erronée dans le cadre
des conséquences pratiques dc l\'Insémiation Artificielle des bovins, tant pour des
raisons pratiques que pour des raisons scientifiques (voir tables 1, 2, 3, et figure 1).

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Auffassung, wonach die vollständige Geburtsregistratur durch eine Registratur
der ersten 500 Geburten von einem Stier oder auf einen Teil der Betriebe beschränkt
werden könnte, z.B. Stammbuchbctriebe, wird einer Betrachtung unterzogen.
Autoren stellen fest, dass obenerwähnte Auffassung sowohl aus praktischen wie wissen-
schafdichen Gründen (Tabelle 1, 2, 3, und Figur 1) als unrichtig im Rahmen prak-
tischer Folgerungen für die künsdiche Besamung beim Rind angesehen werden muss.

LITERATUUR

B o n f e r t, A. und M a i, F. : Beobachtungen über erbliches Auftreten von doppelten

Muttermund beim Rind. Zuchthyg. Fortpjl. Störung. Besamung, 2, 82, (1958).
D i e t e n, S. W. J. van: Calf birth registration in connection with animal repro-
duction.
Proc. 3rd Int. Congr. Anim_ Reprod., Section III, 53, (1956).
D i e t e n, S. W. J. van en Loen, A. van: Registratie in verband met de kunst-
matige inseminatie bij rundvee in Nederland. I. Volledige geboorteregistratie.
Tijdschr. Diergeneesk., 85, 938, (1960).
Johansson, I.: Genetic aspects of dairy cattle breeding. University of Illinois

Press. Urbana, 1961.
K.I.-vereniging „De Kempen": Jaarverslagen 1956 t.m. 1960.

Loc n, A. van: A contribution to the knowledge of the double cervix condition in

bovine cattle. Diss. Utrecht 1961. Scheltema & Holkcma N.V., Amsterdam.
S i 11 m a n n, K., Rollins, W. C. and K e n d r i c k, J. W. : A genetic analysis of

the double cervix condition in catde. J. Hered., 52, 26, (1961).
Stegenga, Th. : Veeteeltkundige problemen in verband met de registratie bij de
kunstmatige inseminatie. Voordracht Groep K.I. en Zootechniek v. d. Maatsch.
v. Diergeneesk., 31 oktober 1961 (niet gepubl.).

-ocr page 711-

AUREOMYCINE

injector voor mastitis

• handige verpakking, waar-
door eenvoudige toediening.

• vooral bij hardnekkige
mastitiden.

• langdurige werking.

• bevat per injector 426 mg
chloortetracycline-HCI.

Verpakking:
1 doos k 1 injector.

N.V. KONINKLIJKE PHARMACEUTISCHE FABRIEKEN ".H

BROCADES-STHEEMAN & PHARMACIA

VETERINAIRE AFDELING

-ocr page 712-

ÏI^MYCINE WAS HET EERSl

-ocr page 713-

TERRAMYCINE DEPOT SUSPENSIE

N/euwe toedieningsvorm

voor langdurige
en veilige werking

.... HET IS DAT NOG!

Terramycine Depót Suspensie wordt
langzaam en zeer gelijkmatig in het
bloed opgenomen. Zodoende is men
verzekerd van een langdurige werking
van het antibioticum. De veiligheid bij
deze duurzaamheid wordt gewaar^
borgd door de plantaardige oliebasis
van de suspensie.

-ocr page 714-

DUPHAFRAL

vitamine-injecties

Duphafral D3 1000 (melkziekte-preventie-
preparaat). Flacon inhoudende 10 ml, be-
vattende 1.000.000 I.E. (kristallijn) vit. D3 per
ml in water.

Duphafral AD3 50/25 bevattende 50.000 I.E.
vit. A en 25.000 I.E. vit. D3 per ml in water.
Flacon inhoudende 100 ml.

Duphafral E. Flacon inhoudende 100 ml be-
vattende 50 mg/dl - tocopherol - acetaat
per ml in water. Duphafral E kan ook oraal
worden toegediend.

PRODUCT VAN N.V. PHILIPS-DUPHAR

n.v. vemedia

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten
ÉÊÊtW^ minervalaan 63

mV^ tel. 732934 IWYCOFARM

amsterdam-z ^■DCLFTa#

-ocr page 715-

De rabies bij de kat

Rabies in the cat.
door JAC. JANSENI)

Men kan de laatste tijd zo nu en dan de mening horen verkondigen, dat
de rabies van de kat eigenlijk maar van zeer ondergeschikte betekenis
zou zijn. Een dol geworden kat zou in de regel spoedig in een hoekje
kruipen om daar te sterven en daarmede zou dan meteen ook het ge-
vaar voor de omgeving verdwenen zijn.

Ik meen tegen deze opvatting toch wel met nadruk te moeten waar-
schuwen, vooral ook omdat juist kattenbeten en -krabben aan de handen
en in het gezicht uiterst gevaarlijk kunnen zijn wegens de korte afstand
van de hersenen en de zenuwrijkdom der handen- en gezichtswondjes.
Na de hond is de kat een zeer veel gehouden huisdier en op de boerderij,
en dit geldt ook voor de pluimveebedrijven, houdt men meestal maar
één hond, doch meestal nogal eens meer dan één kat. In het algemeen is
het wél zo, dat als in een land hondsdolheid vooral onder honden heerst,
van het totale aantal gevallen van dolheid 95% veroorzaakt werd door
een hondenbeet en 3% door een kat. Doch men bedenke hierbij, dat 3%
toch nog altijd drie per elke honderd is en dat dit percentage direct hoger
komt te liggen als ook onder de in het wild levende dieren, vooral onder
de vossen, dolheid gaat heersen, gelijk in Duitsland het geval is.

Bij de kat verloopt de ziekte ongeveer net zoals bij de hond, doch een ver-
schil is dat ze, in tegenstelling met de sterke drang tot gaan zwerven bij
de hond, een geringere zwerfneiging hebben; ze gaan graag in een hoekje
kruipen; daar zitten ze dan aanvankelijk klagelijk te miauwen en krabben
aan de vloer. Doch komen er mensen of dieren, speciaal honden, te
dicht bij hen, dan vallen ze plotseling snel aan, zowel door te bijten als
door te krabben. Ze vallen vooral hel gezicht aan en kunnen daar met
hun puntige tanden en scherpe nagels diepe steekwondjes aanbrengen.
(Er zij nog even aan herinnerd, dat een kat zich met zijn speeksel be-
vochtigde pootjes wast en dus meestal virus aan de nagels heeft). Later
gaat de stem vreemd huilerig, schreeuwend worden, waarna de ver-
lammingsverschijnselen gaan beginnen. Deze verlammingen treden bij
de kat vrij snel op, meestal reeds 2 a 4 dagen na het zich voordoen van
de eerste ziekteverschijnselen. Vaak zijn het vooral de achterpootjes die
verlamd geraken.

In vele gevallen is het ziektebeeld ongeveer zoals zojuist werd beschre-
ven.

Een onderzoeker uit \\Vest Duitsland, \\V a c h e n d ö r f e r (1962) deelde
dit jaar mede, dat hij de laatste tijd in zijn instituut 50 dolle katten had
onderzocht, 39 hiervan hadden mensen aangevallen (gebeten en ge-
krabd); deze 39 katten waren aanvallend, bijtlustig geworden tegenover
hun eigen huisgenoten, die allen aan de handen en in hun gezicht ver-
wond werden. Dezelfde schrijver wijst er met nadruk op, dat ook minder

Prof. Dr. Jac. Jansen Sr., Hoogleraar Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniver-
siteit Utrecht, Biltstraat 168.

-ocr page 716-

karakteristieke ziektebeelden voorkomen, waarbij razernij-aanvallen kun-
nen ontbreken; dergelijke gevallen noemt men dan „stille" dolbeid, bet-
welk ook bij andere diersoorten voorkomt.

Als voorbeeld dat bij rabies de kat juist een zeer belangrijk dier wordt,
geldt Duitsland. W a e h e n d ö r f e r toont aan, dat er een groot verscbil
is in de tijdsperiode 1915-1924 en die van 1954-1961. In de eerste periode
(over het toenmalige gehele Duitse rijk) deden zich 13171 gevallen van
rabies bij dieren voor, in de tweede periode (over een kleiner aantal jaren
en alleen maar in West Duitsland) 16045 gevallen. We kunnen dus zeg-
gen, dat het aantal gevallen van rabies in Duitsland belangrijk stijgende
is. Doch merkwaardig is, dat bet in de eerste periode vooral rabies onder
de hond was en in de tweede periode rabies onder de vos. Van de dolle
dieren in de eerste periode waren de percentages als volgt: kat 2.5%;
hond 74%; vos 0%. Maar in de tweede periode zijn deze cijfers: kat 7.5% ;
hond 5.27f; vos 60.9%.

We zien dus dat nu de kattenrabies verdrievoudigd is en zelfs hoger ligt
dan de dolheid bij de hond; de dolheid bij de hond is sterk gedaald, doch
bij de vos sterk gestegen. Voorts is tevens gebleken, dat het aantal ge-
vallen bij het rund toeneemt. Men verklaart een en ander aldus, dat
honden \'s nachts meestal vastgehouden worden, doch katten niet. Deze
gaan, evenals de vossen in de schemering er graag op uit. Ongetwijfeld
komen tussen deze twee diersoorten dan vechtpartijen voor; en wat de
koeien betreft, die kunnen "s nachts door bijtlustige dolle vossen ge-
beten worden.

In ieder geval moet deze gedachtengang, wat de katten betreft, juist zijn,
want men heeft over een vrij groot tijdsbestek kunnen vaststellen, dat het
veel of weinig voorkomen van dolheid bij katten en vossen altijd precies
gelijk opgaat; in een seizoen met minder dolheid bij vossen ook weinig
dolheid bij katten en omgekeerd.

Hoe belangrijk de kattendolheid kan zijn, blijkt bijvoorbeeld uit de ge-
gevens over de jaren 1953-1957 uit Hessen, waai in totaal 383 mensen
gebeten werden door een dol dier, van deze 383 personen waren er 1 76
gebeten (gekrabd) door een dolle kat, 78 door een dolle hond en de
overigen door andere dieren (waarbij de vos).

In een recent overzicht o\\er de toestand in West Duitsland (van Kan-
keren Z e t t 1, 1962) vinden we o.a. de volgende cijfers: in 1954 waren
er 1400 nieuwe gevallen van rabies bij dieren, in 1961 waren het er 1964.
In 1959 werd de diagnose gesteld bij 1781 in het wild levende dieren,
waarvan 14)2 maal bij de vos. Van de 369 huisdieren werd dc diagnose
90x gesteld bij de bond, 128x bij de kat, 130x bij de koe, 21x bij de an-
dere huisdieren.

In 1961 werd de diagnose gesteld bij 1522 in bet wild levende dieren,
waarvan 1236 maal bij de vos. Van dc 417 huisdieren werd de diagnose
lOlx gesteld bij de hond, 167x bij de kat, 122x bij dc koe en 27x bij de
andere huisdieren.

Reeds eerder wezen vele gegevens erop dat de vos in Duitsland het voor-
naamste rabiesdier is en dat dan de kat volgt (vóór de hond). In een
overzicht uit Thüringen van Pitzschke (1956) over de jaren 1952-
1955 vinden we dat de diagnose 803 maal gesteld werd, o.a. bij de vos
(607 maal), kat (81x), hond (58x) en mens (lx).

-ocr page 717-

O]) het ogenbHk zijn er nog geen aanduidingen, dat onder de in het wild
levende dieren, als vossen, dassen enz. dolheid in Nederland heerst, doch
de afstand van de rabies in Duitsland tot onze grens is vrij klein en ik
vrees dan ook dat. ook al zou de hondsdolheid in .Amsterdam en elders,
naar wij allen hopen, volkomen uitgeroeid worden, Nederland binnen af-
zienbare tijd een besmette wildstand zou kunnen krijgen, met als gevolg
een naar verhouding hoog percentage dolle katten die de mens kunnen
bedreigen als ze niet tijdig geënt worden. De thans gevoerde entcampagne
zal dus niet alleen van nut zijn voor het gevaar van nu, doch tevens voor
de bedreiging uit het oosten.

SAMENVATTING.

Dc schrijver acht het mogelijk dat de rabies in Duit.sland onder de vossen en ander
wild in verloop van tijd het Nederlandse wild zal besmetten. Ook in Nederland zou
de rabies der katten dan belangrijk kunnen worden.

De thans gevoerde entcampagne van honden en katten ter bestrijding der rabies in
.Amsterdam en elders is tevens belangrijk met het oog op de dreiging van rabies onder
het wild.

SUMMARY.

The author is supposing that the rabies of foxes and other wild animals in Germany
will possibly infect in course of time the Dutch stock of game. In that case the rabies
of the cat might become an important question for the Netherlands.
The actual campaign for the vaccination of dogs and cats in Amsterdam and else-
where is also a fact that counts in view of the imminent dan.ger of rabies for the
stock of game.

RÉSUMÉ.

L\'auteur tient pour possible que la rage des renards et d\'autres bêtes sauvage, qui
sévit en Allemagne, pourrait peu à peu infecter l\'effectif du gibier néerlandais. Dans
ce cas la rage des chats serait alors aussi pour les Pays-Bas un point important.
La campagne actuelle pour la vaccination des chiens et chats pour combattre la rage,
qui sévit à Amsterdam ct ailleurs, est égalemeiU importante étant donnée la menace
d\'une contagion des bêtes sauvages.

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Verfasser hält es für möglich, dass die Tollwut der Füchse und des sonstigen
Wildes in Deutschland mit der Zeit auch den niederländischen Wildbestand infizieren
könnte. Dann würde die Tollwut der Katzen auch in den Niederlanden eine wichtige
Frage werden.

Die jetzt geführte Impfkampagne für Hunde und Katzen in Amsterdam und anderswo
ist auch wichtig mit Rücksicht auf die Tollwutdrohung beim Wildbestand.

LITERATUUR

K a u k e r, E. und Zettl, K.: Die neueste epidemiologische Situation der Tollwut

in Deutschland. Mh. Tierheilk., 14, 107, (1962).
P i t z s c h k e, H.: Verlauf der Tollwut in Thürin,gen, 1952-1955. Mh. VetMed., 11,
57/,
535, (1956),

Wachendörfer, G.: Die Katze als epizootologischcr Faktor und als Gefahr für
den Menschen im au.genblicklichen Tollwutseuchenzug.
Dtsch. tierärztl. Wschr.,
69, 555, (1962).

-ocr page 718-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Over de betekenis van postduiven als besmet-
tingsbron van levensmiddelen met Salmonella-
kiemen.

Significance of carrier-pigeons as a cause of contami-
nation of foods with Salmonellae.

door J. G. FRANSSENi)

Uit het Laboratorium van het Gemeenteslachthuis te Eind-
hoven.

Inleiding.

Naar aanleiding van een publikatie van collega Ooms, directeur van het
Openbaar Slachthuis te Tilburg, in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde
van 1.5 augustus 1959, blz. 901, waarin onder meer vermeld staat:

„...... dan lijkt mij de gedachtengang niet zo gewaagd, om bij bet in droge

zomermaanden endemisch voorkomen van acute gastro-enteritis bij de
mens, die veroorzaakt wordt door
Salmonella typhimurium, vooral ook aan
duiven-paratyfus als veroorzaker te denken", stelden wij een onderzoek in.
In Eindhoven wordt sindt 1959 regelmatig in alle slagerijen een onderzoek
ingesteld naar het voorkomen van
Salmonella-kiemen. Deze „duiven hypo-
these" zou eens een belangrijke schakel kunnen vormen om het moeilijke
probleem van de slagerij-besmetting, die nog al voorkomt, dichter bij een
oplossing te brengen.

Materiaal en methode.

Door de welwillende medewerking van de Heer K o s m a n, secretaris van
de postduivenvereniging Tongelre te Eindhoven kregen wij de gelegenheid
monsters duive-ontlasting op
Salmonella-kiemen te onderzoeken. Elk mon-
ster was afkomstig van één hok en bestond uit een zo goed mogelijk mengsel
ontlasting van alle op dat hok aanwezige duiven.

Twee steriele potten met schroefdeksel werden op elk hok met faeces gevuld. Deze
faeces werd goed gemengd. In ons laboratorium werd ± 5 gram van dit faeces-
mengscl vermengd met 50 cm^ tetrathionaat-oplossing (Difco) en met 50 cm®
sclenit-oplossing (Difco).

Deze ophopingsmedia werden minstens 18 uur bebroed bij 37° C. Na bebroeden
werd uit beide ophopingsmedia overgeënt op cen brillantgroen phenolrood agar-
plaat (Difco) en op een SS agarplaat (Difco) en na minstens 24 uur bebroeden,
werden deze nader onderzocht. Verdachte kolonies werden geagglutineerd met
polyvalent Salmonella O scrum. Indien de agglutinatie positief was, werd cen ver-
dachte kolonie overgeënt op een triple sugar iron agar voedingsbodem (Difco) en
weer 24 uur bebroed.

Resultaat.

In totaal werden 85 duivenhokken onderzocht, waarin zich circa 1700
duiven bevonden. Geen enkele keer konden
Salmonella-kiemen worden aan-
getoond.

J. G. franssen, adjunct-directeur van het Gemeenteslachthuis te Eindhoven,
Woenselsestraat 270.

-ocr page 719-

Conclusie.

Op grond van bovengenoemde resultaten menen wij te mogen aannemen,
dat de besmetting van levensmiddelen met
Salmoiiella-kiemen door de
faeces van dit soort duiven van geen ernstige betekenis is.
Aan deze conclusie zijn enkele opmerkingen te verbinden.
Wanneer bij dit onderzoek wèl
Salmonella-uitscheiders waren aangetroffen,
zouden deze dieren praktisch op twee manieren besmet kunnen zijn, n.1. door
le. contact met andere .S\'a/mo?!eZ/a-uitscheidende soortgenoten;
2e. door het voedsel.
Wat de eerste mogelijkheid betreft, moet worden opgemerkt, dat het hier
uitsluitend postduiven betrof. Dat wil zeggen, dat deze dieren regelmatig in
contact komen met duiven uit andere hokken, wanneer ze voor een vlucht
worden ingekorfd. Kennelijk is dus het risico van besmetting welke tot
.S\'a/morieZ/a-uitscheiding leidt, langs deze weg voor duiven niet zo groot.
Wat de tweede mogelijkheid betreft, mag er op worden gewezen, dat deze
postduiven in het algemeen gesproken weinig zelf hun voedsel zoeken, doch
door de eigenaar of houder met uitsluitend granen worden gevoerd. Dat
ze met deze voeding weinig kans hebben
Salmonella-kiemen binnen te krij-
.gen, is duidelijk.

Of de uitkomst van dit onderzoeek even negatief zou zijn geweest, wanneer
het duiven betroffen had, die op boerenerven of pleinen enz. htm voedsel
moeten zoeken is nog een open vraag.

SAMENVATTING.

85 monsters duivemest, afkomsti.g uit 85 fiokken met ± 1700 duiven, werden onder-
zocht, zonder een enkele
Salmonella-mtschcider te vinden. Postduiven als besmettings-
bron van levensmiddelen met
Salmonella-kiemen zijn van geen ernstige betekenis tc
achten.

SUMMARY.

Eighty-five samples of pi.geon-dung obtained from eighty-five dove-cotes housing
about 1,700 pi.geons were examined and not a single bird excreting
Salmonella in the
faeces was detected. Garrier-pigeons are not of importance as a source of contamina-
tion of foods with
Salmonella organisms.

RESUMÉ.

85 Echantillons de colombine, ori.ginaire de 85 pigeonniers comptant un total d\'envi-
ron 1700 pigeons, ont été examinés sans qu\'on pût trouver aucune excrétion de
Sal-
monella.
Les pigeons voyageurs sont négli.geables comme source de contamination de
produits alimentaires avec des germes de
Salmonella.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wurden 85 Proben Taubenkot aus 85 Schlägen mit ungefähr 1700 Tauben unter-
sucht, ohne einen einzigen .Sa/mon«Wa-Ausscheider zu finden.

Brieftauben kommen als Kontaminationsherd der Lebensmittel mit Salmonella-
Keimen kaum in Frage.

-ocr page 720-

REFERATEN

Parasitaire-, protozoaire- en tropische zielften

BESTRIJDING VAN OESTRUS OVIS.

D r u m m O n d, R. O.: Control of larvae of Oestrus ovis in sheep with systemic insec-
ticides.
J. ParasitoL, 48, 211, (1962).

Van 20 insecticiden, voor het merdeneel organische fosforverbindingen, waren er drie
werkzaam tegen alle drie larvenstadia van
Oestrus ovis. Hiervan is 0,0 dimethyl-0-
(3,5-dimethyl-4-methylthiophenyl) phosphorothioaat (Bayer 37342) het meest be-
lovend. Een dosis van 50 mg/kg, per os, doodt alle larven, een dosis van 25 mg/kg, per
os, alle le stadium larven en de meeste 2e en 3e stadium larven.

Aangezien nog te weinig bekend is over de werking onder diverse omstandigheden,
toxische doses en residuen van het insecticide in de weefsels der schapen, kan de be-
handeling nog niet voor algemeen gebruik aanbevolen worden.

ƒ. Jansen Jr.

DE CYCLUS VAN ASCARIDIA COLUMBAE.

Hwang, J. C. and Wehr, E. E.: Observations on the life history of Ascaridia
columbae. J. ParasitoL,
48, sect. 2, 40, (1962).

Omdat de auteurs eerder na experimentele infecties met Ascaridia columbae bij duiven
larven in longen en lever gevonden hadden werden ni\'-uwe proeven genomen om na
te gaan of een migratie door de organen noodzakelijk is voor de parasiet. Regelmatig
werden larven in de lever gevonden, soms in de vena portae, ductus choledochus en
longen. Al deze larven vertoonden weinig of geen groei. In de darm daarentegen wer-
den 2e, 3e en 4e stadium larven en volwassen exemplaren aangetroffen. De auteurs
komen tot de volgende conclusies: 1) de gehele cyclus wordt in de darm voltooid,
2) larven in lever en andere organen bereiken geen volwassenheid, en 3) de wormen
beginnen na 35 tot 40 dagen eieren te produceren.

ƒ. Jansen Jr.

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit

SYMPTOOMLOZE STERILITEIT BIJ HET RUND.

R i e c k, G. W.: Symptomlosc Sterilität beim Rind (Sammelreferat). Dtsch. tierärztl.
Wschr.,
69, 52, 169, (1962).

Van alle voortplantingsstoornissen zou 20 tot 50% veroorzaakt worden door symp-
toomloze steriliteit (Mem pel, 1959).

Synoniemen van symptoomloze steriliteit zijn Infertilitas causa ignota (I.C.I.), bio-
logische steriliteit, opbreken zonder klinisch te constateren oorzaken, sterilitas sine
materia, functionele steriliteit, repeat-breeders, problem cows.

Het klinische verzamelbegrip I.C.I. kan vol.gens schrijver in vier groepen worden
ingedeeld;

1. het opbreken, zonder dat een oorzaak is te vinden;

2. cyclusstoornissen

a. ovulatiestoornissen (geen of vertraagde ovulatie, follikelatresie) ;

b. bronst met onduidelijke symptomen (anafrodisie, stille bronst, suboestrus toe-
standen) ;

3. niet te diagnostiseren pathologische toestanden van de geslachtsorganen, zoals ver-
stopte tuba, dysplasie van het endometrium met endocrine oorzaak, subklinische
endometritis.

Tussen 1 en 2 bestaat oorzakelijk veel verband. Strikt genomen behoort 2 niet tot
de I.C.I.

De I.C.I. is in de regel tijdelijk of intermitterend.

-ocr page 721-

Bij een onderzoek in de U.S.A, werden van de repeat-breeders no.g 70% drachtig,
nadat ze in enkele gevallen 9 maal waren geïnsemineerd (M c W a d e, 1958).
Bedrijven met veel opbrekcrs (probleem bedrijven) zijn bedrijven met cen efficiëntie-
.getal tussen 2 en 3 (normaal 1,3 - 1,4).

Verschillende onderzoekers menen, dat bij opbrekcrs de embryonale sterfte in de
eerste 30 dagen de oorzaak van dit opbreken is in 50-60% van dc gevallen (T a n a b e
en .Almquist, 1953; C a s i d a, 1953).
Dc invloed van de spermiën is nog onduidelijk.

Er zijn bijv. 3 groepen met moeilijk te herkennen anomaliën van de spermiën, die
I.C.I. kunnen veroorzaken. Deze zijn;

1. Spermiën met een afwijkend gehalte aan De.soxyribosc Nucleïne Zuur,

2. Spermiën met afwijkende chromosomen,

3. Spermiën met acrosoom afwijkingen.

Er zijn een aantal verstoppingen van de tuba, één- of beiderzijds, die óf tot steriliteit
óf tot intermitterende conccptiestoornissen leiden. Bij rectaal onderzoek kunnen deze
stoornissen gemakkelijk onopgemerkt blijven. Zo werden in de U.S..A. door T a n a b e
(1953) bij koeien met vruchtbaarheidsstoornissen 7,7% gevonden met tubaverstop-
pingen. Anderen berichten 13,5% en Dawson (1956) zelfs 52% bij cen groep
steriele koeien.

Dc tubapassage van het ei duurt bij het rund 4-6 dagen. Het transport van de sper-
miën naar de tuba gaat passief en duurt 2,5-4,3 minuten (V a n d c m a r k, 1951).
In het tubamilieu volgt de rijping van dc gameten, de „intra-gcnitale incubatie" van
de eicel en de z
.g. „capacitatic" van de spermiën. Tijdens de capacitatie, waaronder
die veranderingen aan de spermiën worden verstaan, die doorlopen moeten worden
om in de eicel te kunnen binnendringen, veranderen de structuur en de biochemische
eigenschappen van de kopkap (s, acrosoom). Er komt hyaluronidase vrij, de kopkap
wordt afgeworpen, waardoor het „Perforatorium" wordt vrijgelegd, het orgaan, dat
het doordringen van de zona pcllucida mogelijk maakt (.A u s t i n, 1961).
Het uitblijven van de amphimixis, het samen smelten van spermatozoid en eicel,
schijnt één van de belangrijkste oorzaken van de I.C.I. tc zijn. Casida (1950)
vond slechts bij 31,5% van dc „repeat-breeders" onbevruchte eieren. De amphymixis
vindt in het ovariële deel van de eileiders plaats; het versmelten van eicel en spemia-
tozoidc moet wc.gens de korte overlevings- en bcvruchtingstijd van de eicel binnen een
betrekkelijk korte tijd na de ovulatie plaat.s vinden. De optimale dek-, resp. inse-
minatietijd werd op 13-18 uren vóór de ovulatie vast.gesteld (T r i m b e r g c r, 1948).
De ovulatie vindt tussen 1-14 uren na het einde van de bronst plaats. Bij inseminatie
van koeien later dan 20 uren post-ovulationcm vindt meestal geen amphymixis plaats
(V a n d e r p 1 a s s c h e, 1952). In de tuba vinden ook dc eerste delingen van de
zygote plaats;

Twcecellenstadium; 46-48 uren p.o.
Vicrcellenstadium : 48 uren p.o.
Achtcellenstadium : ca. 72 uren p.o.
Tussen 72 en 96 uren na het einde van de bronst bevindt de blasfocyste zich in het
morula stadium (16-32 cellen) in het uteruslumen (L a i n g, 1952). Onbevruchte ei-
cellen passeren de eileider, veranderen in de uterus t.g.v. autolyse en worden .ge-
resorbecrd. Tot dc volledige ontwikkeling van de placenta li.g.gen de embryonale
vliezen eerst zonder enige vaste verbinding met de mucosa los in het uteruslumen.
De placenta-verhoudingen bij het rund zijn in vergelijking met de primaten met
hun actief indringen van de blastocyten in de decidua, zo principieel anders, dat
voor het rund de termen „implantatie" of „nidatie" niet juist zijn en daarom niet
.gebruikt moeten worden. Beter is „placentatie". Het „verkleven" van de placenta
bij het rund (Vanderplassche) „attachment" (Hammond, 1952), is de
eerste verbinding van de cotelydonen in aanleg aan de plaats waar de karunkcls ko-
men. Deze verbinding begint niet voor het eind van de eerste maand en is niet vol-
tooid voor het einde van de 3e, ja zelfs de 4e maand (Hammond c.s.).
i Het weer optreden van dc cyclus na dc embryonale sterfte, het opbreken dus, hangt

i

-ocr page 722-

af van het tijdstip van de sterfte van het embryo. In de regel kan het 21 (18-24)
dagen-rythme blijven bestaan (Laing, 1952). Verder wordt het weer optreden van
de bronst bepaald door het direct beginnen van de regressie van het corpus luteum
graviditatis na het einde van de graviditeit en het ophouden van zijn endocrine wer-
king. Daarom worden tamelijk grote tijdsverschillen gevonden tot het weer optreden
van de bronst na de eerste inseminatie. Dit feit gaf de eerste aanleiding om het op-
breken met onregelmatige of verlengde intervallen als een indirect bewijs voor de
embryonale sterfte tc beschouwen. Het kleiner worden van het corpus luteum kan
worden vertraagd, doordat, hoewel het embryonale weefsel snel wordt geresorbeerd,
de trophoblast nog enige tijd blijft bestaan (La i n g, 1952). Er zijn zelfs aanwijzingen
dat de trophoblast, resp. placenta en vruchtvliczen ook bij het rund na het ten gronde
gaan van het embiyo, minstens nog tot de 3e drachtigheidsmaand zelfstandig kunnen
blijven bestaan (Philipsen, 1956). In deze gevallen verandert het corpus luteum
in een corpus luteum pseudograviditaüs. Dit is het enige corpus luteum persistens, dat
in de diergeneeskunde zonder voorbehoud als zodanig wordt erkend (B a i e r,
Hacger en Lcidl, 1953; Wohanka, 1961).

Op blz. 169 e.V. worden de milieu-invloeden besproken, zoals voeding, deficiënties
van verschillende mineralen en vitamines, hormonen in het gras, klimaat en stal-
klimaat.

Therapie.

Uit de beschrijving van het complex van oorzaken van de I.C.I. blijkt, dat er voor het
opheffen van de I.C.I. cen „passc-partout-therapie" niet kan bestaan (V a n d e r-
p 1 a s s c h e, 1960). Ongetwijfeld zullen voor een snel en direct afwenden van de
bedrijfsschade — omdat andere maatregelen meestal veel tijd vereisen — directe
therapeutische ingrepen, bijv. uterusinfusies, vitamine- en hormooninjecties, niet tc
vermijden zijn. De meeste in dc literatuur genoemde behandelingen van I.C.I. kunnen
echter na een exact experimenteel onderzoek niet worden gehandhaafd (V a n d e r-
p 1 a s s c h, 1960). Het grootste deel van de dieren wordt immers drachtig na her-
haalde inseminaties, ofwel na weidegang zonder voorafgaande behandeling.
Bij een therapie bestaat foktechnisch het gevaar, dat we cen zeer ongewenste contra-
selectie toepassen (Bai er, 1952). Door de kunde van dc dierenarts worden n.1. die
dieren voor de voortplanting geschikt gemaakt, welke vanwege hun minderwaardige
constitutie eigenlijk verwijderd zouden moeten worden.

Het zoeken naar dc oorzaken begint in het K.I.-station (spermaverzorging, ouderdom
van het sperma), bij het controleren van de parings- en inseminatietechniek, de
voeding, dc verzorging en de huisvesting; in geval van bcdrijfsstcriliteit mag daarbij
de klassieke (bacteriologische en klinische) diagnostiek niet verwaarloosd worden
(moeilijk tc diagnostiscren dek- en gcnitaalinfccdes). De behandeling kan volgens
het voorgaande slechts werkelijk causaal zijn met voorlichting van de eigenaar over
voedingsproblemen en correctie van vocdingsfouten; weidetechniek en bijvoeding in
de weide staan hier op dc voorgrond; verder behoren hierbij voorlichting over stal-
bouw en stalhygiëne tot en met het mede in overweging nemen van de I.C.I. bij de
selectie van fokdieren.

Het voorkomen van de I.C.I. is dus hoofdzakelijk een zoötechnische taak.

H. de Vries.

-ocr page 723-

BOEKBESPREKING

THE CONTROL OF TICKS ON LIVESTOCK.
S. F. Bar nett.

(FAO, Rome, 1961. 155 blz., 9 fig. Prijs $ 1.-)

In negen hoofdstukken wordt in dit boekje een helder en duidelijk overzicht gegeven
van o.a. redenen voor de bestrijding van teken, het doel hiervan, de bestrijding zelf
en de tekendodende middelen.

Hoewel de dierenarts in Nederland weinig met teken of door teken overgebrachte
ziekten te maken heeft, kan het boekje toch van groot unt zijn, omdat de diverse
tekendodende middelen ook tegen andere ectoparasieten aangewend kunnen worden.
Besproken worden arsenicum, nicotine, derris, pyrethrum, DDT, gammcxaan, toxa-
phene, chlordane, strobane, dieldrin, aldrin, asuntal, chlorthion, dclnav, diazinon,
malathion, neguvon, korlan en sevin. Een apart hoofdstuk is gewijd aan veranderingen,
die in de middelen kunnen optreden, alsmede aan de schating van hun concentratie.
Belangrijke onderwerpen als resistentie der teken en toxiciteit der gebruikte insecti-
ciden krijgen eveneens de nodige aandacht.

Voorts bevat het boekje een aantal tekeningen en enkele foto\'s, die duidelijk aangeven
hoe „dips" en „sprays" ingericht kunnen zijn.

J. Jansen Jr.

TIERÄRZTLICHE LEBENSMITTELÜBERWACHUNG.
G. Wundram und F. S c h ö n b e r g.

Siebente, völlig neubearbeitete Auflage von Prof. Dr. F. Schönberg.
(Paul Parey, Berlin und Hamburg 1962. 458 pag., 259 afb. Prijs 64.- DM.)
„Das Gesetz zur Änderung und Ergänzung des Lebensmittelgesetzes vom 21. Dezem-
ber 1958" heeft vele veranderingen in de wettelijke voorschriften en uitvoeringsbepa-
lingen met zich gebracht, die het voor de auteur mede noodzakelijk hebben gemaakt
zijn „Praktikum", zoals hij zijn boek in dc ondertitel noemt, te herzien en mede hier-
op af te stemmen.

Vanzelfsprekend heeft hij daarbij ook dc nieuwste onderzoekmethoden en beoordelin.gs-
criteria, die betrekking hebben op levensmiddelen van dierlijke herkomst, opgenomen
in de tekst, waarbij deze uitbreiding werd gecompenseerd door weglating van een
aantal minder belangrijke zaken. Ook de literatuuropgaven aan het eind van elk
hoofdstuk zijn vervallen. Dc omvangstoenamc is daardoor slechts een 40-tal paginae,
welke behalve door de reeds .genoemde reden op rekening komt van de uitbrcidin.g
der wettelijke voorschriften en door opname van een aanzienlijk groter aantal afbeel-
dingen, die, evenals in de uitgave van 1953, tussen de tekst een plaats hebben ge-
vonden.

Vleeswaren- en conserveringsonderzoek kregen meer ruimte, mede met het oog op
de nieuwe bepalin.gen betreffende toevoegin.gen, waarbij aan nitraten en nitrieten
bijzondere belangstelling geschonken wordt in verband met het ingeslopen gebruik en
de toxiciteit van nitrieten (letale dosis 2,5-3 gram) voor het bloed, door bindin.g met
en daardoor blokkering van de werking van hacmoglobine.

Aan de behandeling van vis, schaal- en weekdieren gaat weer een uitvoeri.ge be-
schrijving der vele zee- en zoetwatersoorten, geïllustreerd met vele zeer goede foto\'s,
vooraf, waarna de voornaamste infectieziekten, inclusief die der parasieten, worden
besproken.

Uiteraard krijgt ook visbederf aandacht, alsook de verwerking door de industrie.
Het gedeelte over gevogelte is verrijkt met een aantal afbeeldingen over gevogclte-
slachterijen en verdere verwerkingsstadia, w.o. de verpakking en bewarin.g.
In het laatste gedeelte is de laatstelijk op 21 dcc. 1958 gcwijzi.gde Duitse levens-
middelenwet met alle daarop steunende voorschriften opgenomen. Behalve het reeds
genoemde toevoegingsbesluit — .Allgemeine Fremdstoff-Verordnung — zijn de af-
zonderlijke verordeningen voor consci-veermiddelen en kleurstoffen, als ook die over
de behandeling van antibiotica en bestraling, opgenomen.

-ocr page 724-

Nadrukkelijk wijst Prof. Schönberg erop, dat de omvang van het boek bewust be-
perkt werd gehouden en dat het de wetenschappelijke standaardwerken op dit gebied
niet wil vervangen.

Intussen is dit „Praktikum" daarmede niet minder waardevol voor de dierenarts-
levensmiddelenhygiënist, die hierin voor zijn dagelijkse arbeid zeer veel nuttigs zal
aantreffen.

J. H. ]. van Gils.

HOOFDZAKEN DER BIOLOGIE.

PLANT EN DIERKUNDE I A (I3e druk, 246 blz., ingen. ƒ 6,75, geb f 7,75).
GEWERX\'ELDE DIEREN III (23e druk, 259 blz., ing. ƒ 7,25, geb.
f 8,25) \'
Dr. M. A. IJ s e 1 i n g en Dr. A. S c h e y g r o n d.
(Uitgave N.V. H\\ ]. Thieme & Cie, Zuiphen.)

Wie de middelbare schooljaren achter de rug heeft, zal meestal met een zucht van
verlichting dc doorgewerkte boekjes ter zijde leggen. Zeer zeker .geldt dit niet voor
de „Hoofdzaken der Biologie".

Het zijn standaardwerkjes in zijn soort: veelzijdig, uitermate nauwkeurig behandeld
(de schrijvers zijn mij bekend als ware bibliofielen!), voortreffelijk geïllustreerd en
duidelijk gedrukt en op onderhoudende wijze .geschreven.

Voor de jongeren (bv. le jaars studenten in de Diergeneeskunde, Biologie en Medi-
cijnen) een vraa.gbaak, waar steeds op terug tc vallen is (zelfs een actueel vraagstuk
als de hondsdolheid wordt er in behandeld!) Voor de ouderen kan de gedachte gel-
den: „ik dacht dat ik wel alles wist, maar hieruit valt nog veel nieuws te leren".
Deel I bevat, behalve een inleiding, een overzicht van het planten- en dierenrijk,
de handelin.gen der dieren en de anatomie van de bedektzadigen.
Deel III behandelt, als gebruikelijk, de 5 klassen van het dierenrijk. Het hoofdstuk
Hoefdieren (Ungulata) bevat vele veterinaire aspecten!
Beide boeken zijn voorzien van een uitvoerige literatuurlijst!

Wie maar enigszins belangstelling heeft voor de biologie kan hierin naar hartelust
grasduinen. Wie geen belangstelling heeft, zal het ongetwijfeld krij.gen!

H. ]. W. Keidel.

Krachtvoer en nielksnelheid.

In de U.S..^. zijn de krachtvoerprijzen zo laag, dat in toenemende mate ruwvoer
door krachtvoer wordt vervangen. Deze economische handelwijze blijkt nu, vol.gens
een onderzoek aan de Universiteit in lowa, gunstige gevolgen voor de melksnelheid
te hebben.

Twee groepen een-eiïge tweelingen werden in deze proef gebruikt. Van elke tweeling
kwam één in de proef-, de andere in de controlegroep.
De uitkomsten voor de melksnelheid waren:

maximale melksnelheid „krachtvoer"-gro<\'p controlegroep

(kg/min.) 3.80

gemiddelde melksnelheid 2,70

(kg/min.) 2,40 1,80

Landbouwdocumentatie, 18, 1250, (1962),

-ocr page 725-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

MOK.

(Paardengezondheidskalender september 1962)

Mok is cen verzamelnaam voor huidaandoeningen (eczeem) in de kootholte van het
paard, welke zich ook kan utibreiden over de koot, de kogel en het onderste gedeelte
van de pijp. In de meeste gevallen komt het voor aan de achterbenen.
Mok is cen onaangename huidaandoening, die dikwijls lang duurt en veelal het ge-
bruik van het paard belemmert. Dc genezing vereist veel zorg. Hoewel het niet vast-
staat of mok erfelijk is, is wel gebleken, dat dc vatbaarheid van het ene paard groter
is dan van het andere.

Zoals zovele huidaandoeningen kan mok zich in verschillende vormen voordoen. Men
spreekt wel van natte en droge mok. \\\'eclal vormen zich korstjes tengevolge van
indroging van uitgetreden vocht. Soms ontstaan kloven, welke met pijn gepaard
kunnen gaan, met als gevolg kreupelheid. Ook ontwikkelt zich wel een sterk jeuk-
gcvocl. Het paard gaat dan met dc benen schuren en stampen, waardoor dc kwaal
verergert. Door ontsteking van kloofjcs en wondjes kunnen dikke benen ontstaan,
soms met koorts gepaard gaande.

Bij de droge vorm van mok kan dc huid gaan woekeren, waardoor zich knobbeltjes
en soms vrij dikke knobbels kunnen ontwikkelen.

.»Ms oorzaken voor het optreden van mok zijn de volgende te noemen:

a. Overgevoeligheid voor bepaalde stoffen in het voer (allergie). Men ziet dat soms
bij het voeren van klaver, lucerne en andere vlinderbloemigen, ook wel van aard-
appelen of aardappelschillen.

Spoeling en melasse staan eveneens in een kwade reuk.

Deze overgevocligheidsverschijnselen openbaren zich vooral duidelijk aan de
witte huid. Vandaar dat mok zoveel voorkomt bij paarden met v/itte aftekeningen
aan de benen.

b. Inwerking van vocht, zoals dauw, smeltend sneeuwwater en vooral urine.

c. Slechte verzorging van dc onderbenen, met name van dc kootholte; het niet op
tijd verwijderen van mest of modder van de onderbenen bevordert het ontstaan
van mok. De verzorging eist bijzondere oplettendheid bij veel beharing van dc
onderbenen. Het overmatig wegscheren van de beharing, zodat dc beschuttende
taak van de haren verloren .gaat, werkt ook mok in de hand.

Wenst men het haar zeer kort, dan moet bijzondere aandacht aan de huid van
de kootholte worden besteed,

d. Kleine verwondingen in dc koothalti kunnen cen sterk op mok gelijkende huid-
aandoening veroorzaken.

Voor dc behandeling van mok van enige betekenis raadplege men de dierenarts, In
het algemeen moet het wassen met cen of andere waterige oplossing worden ontraden,
tenzij de dierenarts daartoe adviseert.

Ook moeten korstjes, al zitten ze nog maar even vast, niet worden verwijderd. Doet
men dat wel, dan ontstaan nieuwe wondjes met al dc gevolgen van dien. Veelal is rust
nodig; beweging zal immers door de telkens in dc huid optredende spanningen aan-
leiding kunnen geven tot het open gaan of open houden van de kloofjcs.
Verder is het belangrijk dat in dc stal steeds droog en schoon stro wordt gebruikt,
terwijl daarnaast dient tc worden gezorgd voor het dikwijls weghalen van de mest
en cen goede afvoer van de urine.

HOESTEN.

(Paardengezondheidskalender oktober 1962)

Prikkelingen van het slijmvlies van dc voorste luchtwegen (neus, keel en luchtpijp)
geven aanleiding tot hoesten.

-ocr page 726-

Soms duurt deze prikkeltoestand slechts korte tijd, zoals in geval het paard zich ver-
slikt en het voedsel het luchtpijpslijmvlics irriteert. Door de daaropvolgende hoestbui
wordt de luchtpijp gezuiverd en de prikkeltoestand opgeheven. In vuile stallen met
onvoldoende ventilatie, kunnen ammoniakdamp en stof, afkomstig van schimmelig
hooi, een langdurige irriterende werking op de slijmvliezen uitoefenen, zodat deze ont-
stoken geraken.

Ook de ontstekingstocstand op zichzelf veroorzaakt een voortdurende prikkeling waar-
door de slijmvliezen zó overgevoelig kunnen worden dat er hoestbuien optreden die
het genezingsproces belemmeren.

Indien uitsluitend het specifieke longwccfsel ontstoken is (longonsteking) wordt geen
hoesten opgemerkt.

Meestal echter is de ontsteking een gevolg van een besmetting (bacil, virus) en voor-
al het paard is zeer gevoelig voor infectieziekten van het ademhalingsapparaat.
Doordat de paarden meer en meer geïsolcrd op de bedrijven voorkomen, verspreiden
besmettelijke ziekten zich niet meer zo snel als voorheen.

Het onderlinge contact wordt nog wel onderhouden op markten, keuringen, dek-
stations en in handelsstallen en veewagens.

Op verzamelplaatsen moeten paarden met verschijnselen, die wijzen op een ont-
steking van het ademhalingsapparaat (o.a. hoest) worden geweerd.
Men dient er n.1. van uit te gaan, dat de oorzaak van het hoesten van het paard be-
smettelijk kan zijn.

Het hoestende paard moet dus in het algemeen niet aan keuringen en wedstrijden
deelnemen, tenzij een deskundig onderzoek de bezwaren wegneemt.
Bij dc volgende ziekten wordt veel hoesten op.gemcrkt:

Besmettelijke ontsteking van de voorste luchtwegen.

De laatste jaren komen in ons land en ook in de buurlanden, vee hoesten door een
besmettelijke aandoening van de voorste luchtwegen voor.

Het is zelfs voorgekomen, dat paardenwedstrijdcn door deze ziekte niet konden door-
gaan of een geringere deelname kregen.
De ziekte wordt door een virus veroorzaakt.
In het begin vertonen de patiënten temperatuursverhoging.

De algemene gezondheidstoestand is vaak duidelijk verstoord, maar het komt ook
voor, dat behalve het hoesten en cen slijmeri.ge neusuitvloeiing de ziekteverschijnselen
nauwelijks waarneembaar zijn.

De aangetaste paarden hoesten spontaan bij het inademen van koude lucht, bij ge-
forceerde arbeid en bij het eten en drinken.

Door verwaarlozing kan de ontsteking van de voorste luchtwegen hardnekkig worden;
speciaal het strottenhoofd raakt dan chronisch ontstoken. Het hoesten wordt dan
steeds erger; cr treden meer en meer hoestbuien op.

Vooral wanneer deze paarden, die onderling contact hebben gehad, gaan hoesten,
is het besmettelijk karakter aan tc nemen.

Droes.

Daar de kwade droes in ons land niet meer voorkomt, zal hier uitsluitend dc goed-
aardige droes behandeld worden.

Deze zeer besmettelijke ziekte wordt veroorzaakt door de z.g. droesstreptokokken. Er
treden ontstekingsverschijnselen in de keel op en de daardoor ontstane irritatie ver-
oorzaakt hoesten.

In een later stadium is de keel dusdanig pijnlijk dat het paard moeilijk slikt en
het drinkwater weer door dc neus naar buiten komt. De dieren nemen een typische
houding aan, waarbij de hals gestrekt gehouden wordt.

Opvallend is de zwelling van de onderkaaksklieren, waarin later abcesvorming op-
treedt. Zodra deze klierabcessen door.gcbroken zijn, voelt het dier zich een stuk beter
en volgt de genezing spoedig.

-ocr page 727-

Bij hoge uitzondering breidt de ontsteking zich uit tot de lymfklieren in borst- en
buikholte en spreekt men van „verslagen droes".

Dampigheid.

We onderscheiden acute en chronische dampigheid. Bij acute dampigheid is de hoest
enigszins onderdrukt en bij chronische dampigheid is ze kort, droog en krachteloos.
Opmerkelijk bij dit chronisch lijden is de bemoeilijkte, veelal versnelde ademhaling
en de opvallende „dubbelslag" in de flanken.

De meer of minder grote ademnood vindt zijn oorzaak in een ontsteking of kramp-
toestand van de fijnste vertakkingen van de luchtpijp, daar waar deze uiterst fijne buis-
jes uitmonden in de longblaasjes. De ademcapaciteit van een dampig paard neemt
geleidelijk af door verlies van elasticiteit van de longblaasjes met als gevolg vergro-
ting van de longen.

Met het achteruitgaan van de ademcapaciteit wordt de hoest krachtelozer. Chronische
dampigheid is ongeneeslijk, maar door een goede verzorging (veel frisse lucht) en
een doelmatige voeding, waarbij de buikvulling matig dient te zijn, worden de om-
standigheden zo gunstig, dat de meeste patiënten zonder bezwaar lichte werkzaam-
heden kunnen verrichten.

Hoesten bij gespeende veulens.

In de herfst zijn de ondcrkaaksklieren bij gespeende veulens wel eens gezwollen, maar
ze zijn niet pijnlijk en gaan niet in een abces over. Temperatuursverhoging komt hier-
bij niet voor.

De veulens hoesten af en toe en er is een geringe slijmige neusuitvloeiing; overigens
zijn ze volkomen gezond.

Het is een onschuldige ontsteking van de voorste luchtwegen, die gemakkelijk op-
treedt bij veulens die door het spenen in een vatbare toestand zijn geraakt.

GEZONDHEIDSZORG.

De gezondheidszorg voor mestvee komt steeds meer op de voorgrond nu het aantal
kalveren bestemd voor de produktie van rund- en kalfsvlees sterk is uitgebreid. De
preventieve zorg voor de kalveren, vooral in de eerste 14 dagen met behulp van anti-
biotica en andere preparaten, kan veel verliezen voorkomen, mits deze onder deskun-
dige leiding plaatsvindt. Het gebruik van deze middelen door leken kan gevaren met
zich bren.gen, waardcxjr een financieel voordeel kan omslaan in een nadeel.
Gezien het belang van de gezondheidszorg op jeugdige leeftijd is nadere bestudering
en specialisatie op dit gebied gewenst. Dit geldt eveneens voor de parasitaire infec-
ties bij weidegang op latere leeftijd. De schade die deze infecties veroorzaken bij de
jonge dieren is waarschijnlijk veel groter dan meestal wordt aan.genomen. Een goed
georganiseerde massale aanpak om te komen tot een doelmatige bestrijding en/of voor-
koming van deze parasitaire infecties, is noodzakelijk.

Nieuwe Bedrijfssystemen in de Landbouw:
Publikatie no. 2, dec. 1961, (blz. 102).

„FONDUE NÉERLANDAISE".

Op woensdag 5 september jl. werd in „Huis te Maarn" door het Bestuur van de
Stichting Voorlichüngsbureau Vlees, Vleeswaren en Vlcesconserven de „Fondue
Néerlandaise" geïntroduceerd in aanwezigheid van een 500-tal gasten, welke allen
op enigerlei wijze met de vleesbranche gerelateerd zijn.

De soortgelijke introducde van de „Barbecue" in Nederland, die in 1961 in het
Minervapaviljoen te Amsterdam plaats vond, had als binnenhuis-evenement damp-
bezwaren getoond; thans werd het een buitenfeest, dat zich, na een apéritief om de
juiste „taste" te bereiken, afspeelde in de tuinen van bovengenoemd huis. In grote

-ocr page 728-

tenten was een arrangement gemaakt om de vele gasten met het nieuwe produkt te
doen kennismaken en hiervan, voorzien van een passende omlijsting van verschillende
groenten, sausen en niet te vergeten rosé-wijn, te genieten. Voor sommigen uit het
grote gezelschap, die wat erg lang op hun beurt moesten wachten, voordat zij met
bestek en bord gewapend dit laatste gevuld kregen, bleek het doen van de „rosé-stand"
hierbij goede diensten te bewijzen.

Het pièce de resistance, de Fondue „van eigen bodem", bleek voortreffelijk van kwa-
liteit en smaak te zijn.

De bedoeling van deze introductie was uiteraard een vorm van propaganda voor meer
vleesverbruik, hetgeen overduidelijk uit de inleiding van de voorzitter, de heer
J. H a b
O 1 d, te beluisteren viel. Daarnaast was het echter ook het groter bekendheid
.geven van een toebereidingsmethode, die zeer snel gaat en waarbij grote hoeveel-
heden vlees met een minimum aan hulpmateriaal gereed te maken zijn. Het heette
voorts dat het ook een reclame voor het gebruik van goedkopere vleessoorten was,
hetgeen, bij deze demonstratie met uitzondering van de stukjes lever, niet het geval
behoeft te zijn. Bij deze Fondue althans was het vlees van bepaald zeer goede — dus
duurdere — vleeskwaliteit.

De feitelijke toebereiding bestond in het verhitten van stukjs vlees of lever, die aan
een lange „spies" gestoken waren, in kokend neutraal vet, totdat deze, al naar de
vleessoort, met lichter of donkere schroeikorst voor de consumptie gereed waren.
Voor kleinere en grotere tuinpartijen zal een Fondue beslist een grote attractie zijn.
Deze kennismaking is ons althans zeer welgevallen en het bestuur van de Stichting
Voorlichtingsbureau kan op een geslaagde demonstratie terugzien.

/. /ƒ. J. van Gils.

Twee twcelinglaiiniieren binnen 7 maanden.

Een Suffolk ooi heeft binnen 7 maanden 2 maal tweelingen ter wereld gebracht.
Het eerste paar werd geboren op 7 januari j.1. en het tweede paar op 23 juli.
Deze ooi werd gepaard met een Suffolk ram, zoon van een moeder, die drie maal
binnen het jaar gelammerd heeft.

Door inteelt toe te passen wil men een schapenstani verkrijgen die het .gehele jaar
door vruchtbaar is.

The Farmer\'s Weekly ! 7-8-1962.

Het verband tussen broedslieid en sterfte.

De bekende pluimveegeneticus. Prof. Hütt, beschrijft het verband dat hij .gevonden
heeft tussen het optreden van broedsheid in een koppel kippen en de sterfte in dit
zelfde koppel. Bij zijn onderzoek betrok hij hennen van de kruisingen Leghorn x zwaar
ras, zwaar ras x Leghorn (de reciproke kruising dus) en zwaar ras x zwaar ras; in
totaal 3500 stuks. De hennen van elke kruising werden in twee groepen verdeeld.
De ene groep bevatte hennen, die vaker broeds waren dan gemiddeld het geval was,
de andere groep bestond uit hennen, die minder broedsheid vertoonden. De hennen
werden bijeengebracht in tomen van 25. Bij alle drie typen kruisingen was de sterfte
in de groep met minder broedsheid hoger dan in de groep met meer broedshcid, zodra
er per toom van 25 hennen meer dan 20 maal een hen broeds was.
Prof. Hütt trekt uit het feit, dat dit bij alle kruisingen zo was, de conclusie dat de
gunstige invloed van de broedsheid op de vitaliteit een algemeen verschijnsel is en niet
beperkt blijft tot bepaalde typen kruisingen.

Nu is een mate van broedsheid als bovengenoemd, voor de praktijk wel erg hoog.
Daarom is Prof. Hütt van mening dat deze kennis meer nut zal hebben bij stapels,
waarin vee! leucose voorkomt, dan bij stapels die hieraan niet lijden.

Veeteelt- en Zuivelberichten, 10, 397, (1962).

-ocr page 729-

MEDEDELINGEN

Van de Veferinair Hoofdinspecteur van de
Volksgezondheid.

Evenals in vóórgaande jaren stelt de Raad van Europa te Straatsburg voor het jaar
1963 een aantal beurzen beschikbaar voor hen, die een studie willen maken van een
onderwerp op het terrein van de volksgezondheid.

Deze studie, welke in één of meerdere landen, aangesloten bij de Raad van Europa, kan
worden volbracht, strekt zich uit over cen periode van ongeveer één maand tot één
jaar, naar gelang de studie dit noodzakelijk maakt.

Gegadigden voor een dergelijke beurs dienen zich schriftelijk te wenden tot de
Directie Volksgezondheid, Zeestraat 73, "s-Gravenhage, onder bijvoeging van een
curriculum vitae, referenties, alsmede een zo gedetailleerd mogelijke omschrijving
van het onderwerp van studie, onder vermelding van de namen van de instituten
en/of deskundigen waar de studie bij voorkeur dient te worden verricht.
De datum van inzending van een dergelijk verzoek sluit 28 december a.s.

DOORLOPENDE AGENDA

December,

19, .Afdeling Zuid-Holland, K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur,

Bcurscafé-Rcstaurant, Muranozaal, Rotterdam, (pag. 1340)
19, Afdeling Friesland, K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.00 uur. Oranje
Hotel, Leeuwarden, (pag. 1540)

19, Afdeling Noord-Brabant K..\\.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur.
Hotel Modern, Tilburg, (pag. 1540)

20, Afdeling Noord-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, Hilton flotel,
Apollolaan, Amsterdam, (pag. 1540)

1963
Januari,

15—17, Congres „Conservering van levensmiddelen", (pag. 1400)
Juni,

12—14, Veterinaire Week 1963. (pag. 1399, 1536)
Augustus,

H—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399, 1536)

-ocr page 730-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

NOTULEN van de 109de Algemene Vergadering, gehouden op vrijdag
19 oktober 1962 in de grote diner zaal van het Jaarbeurs Restaurant te
Utrecht.

De volgende afgevaardigden vertegenwoordigen de verschillende afdelingen:

F. J. Hepkema afdeling Groningen-Drenthe
W. T. Koopmans „ Friesland

S. de Haan „ Overijssel

L. H. Wouda „ Gelderland

J. K. Deisz „ Utrecht

R. Y. de Jong „ Noord-Holland

R. V. Bruckwilder „ Zuid-Holland

G. Boneschanscher „ Zeeland

J. Jongeneel „ Noord-Brabant

H. H. H. Schreinemakers „ Limburg

I. Opening.

Dc voorzitter opent te ruim 11 uur de vergadering met de volgende woorden:
Mijne Heren,

Het is mij een groot voorrecht U allen, die zich de moeite hebben ge-
troost deze 109e vergadering van onze Maatschappij te bezoeken, een
hartelijk welkom te mogen toevoegen.

Zoals U weet wordt er dit jaar alléén maar een huishoudelijke vergade-
ring gehouden om de jaarstukken en de lopende zaken aan Uw oordeel
te onderwerpen en zal de gebruikelijke wetenschappelijke bijeenkomst
dit jaar niet plaats vinden.

Wel werd gisteren de voorlichtingsdag van de Veeartsenijkundige Dienst
gehouden, zodat U zich toch, althans een aantal uren hebt kunnen laven
aan de bron der diergeneeskundige wetenschap.

In verband hiermede zal de gebruikelijke jaarrede van de voorzitter, die
traditiegetrouw bij de aanvang van de wetenschappelijke vergadering
wordt uitgesproken, dit jaar achterwege blijven.

Wel zal het mijn taak zijn enige feiten van het verenigingsjaar 196111962
te belichten.

In de eerste plaats moet dan worden vermeld, dat helaas in het afge-
lopen verenigingsjaar een groot aantal collega\'s van ons heengingen.
Het waren: Dr. E. A. F. F. Baudet, Dr. J. Buitenhuis, W. F. G. van
Capelle, Th. Edens, Dr. G. }. Fros, P. F, W. Guinée, Prof. Dr. N. C.
W. Hesse, J. v. d. Kooi, J. H. Muijderman, W. Oostenbrug, Prof. C. F.
van Oijen, Dr. C. J. Rab, C. Sieswerda, A, C. Steenwijk, F. Toorneman,
Dr. W. Treffers, Dr. W. P. C. Bos, ]. A. }. ter Haar, A. Kuipers, Dr.
J. M. G. Numans, A. Reilingh, Dr, H. W. Schiphorst, W. C. v. d.
Stolpen, Prof. Dr. B. Sjollema,

Door de nabestaanden zal dit verlies smartelijk zijn gevoeld, doch ook
de Maatschappij rouwt om deze overledenen, omdat velen van hen
bekend stonden als goede collega\'s en trouwe vrienden, die wij node
zullen missen.

-ocr page 731-

Helaas is ons ook door een tragisch ongeval een candidaat-lid ontvallen
en wel de heer A. J. M. Ketelaars, oud-bestuurslid van D.S.K.
Met grote ontroering vernamen wij het plotseling overlijden van deze
a.s. collega, die op 25-jarige leeftijd aan het verkeer ten offer viel.
Het „memento mori" werd ons hierdoor weer eens duidelijk voor ogen
gesteld.

Ik moge U verzoeken op te staan en door het inacht nemen van enige
ogenblikken stilte deze doden te herdenken.
Ik dank U.

Het leven is een wonderlijke mozatk, waarin droefheid en vreugde vaak
kort bij elkaar liggen.

Daarom volgen hier nu enige mededelingen van andere aard.
Tot Doctor in de diergeneeskunde promoveerden: P. W. M. van Adri-
chem, S. ]. van den Anker, R. M. Barkema, M. J. Dobbelaar, R. P.
Hendrikse, H. Huitema, F. A. J. Jaartsveld, P. Krediet, A. van Loen,
P. Wensvoort, D. Zwart.

Een Koninklijke onderscheiding viel ten deel aan:

Leden: Dr. J. Grashuis, M, Karsemeijer, Dr. C. Postma, S. Eenhoorn,
L. Eikelenboom, Mr. J. Slager. J. Stapel, Prof. Dr. J. A. Beijers, Prof.
Dr. L. de Blieck, J. M. van den Born, D, Hendrikse, IV. ten Hoopen,
Prof. Dr. F. C. van der Kaay, J. Kranenburg, Dr. H. S. Frenkel, Dr.
B. Stonebrink, Dr. J. W. Thijn, Prof. Dr. J_ D. Verlinde, W. Wagen-
voort.

Buitengewone leden: Prof. Dr. C. Romijn, Prof. Dr. Seekles.
Daar ik zelf ook tot de uitverkorenen behoorde in mijn functie als
voorzitter van de Maatschappij was voor mij natuurlijk prettig en eer-
vol, doch ik ben nuchter genoeg te bedenken, dat deze onderscheiding
wel op de eerste plaats is bedoed als een bewijs aan de toenmalige
Maatschappij voor Diergeneeskunde ter gelegenheid van het Eeuwfeest.
Toch heeft het mij veel voldoening geschonken, dat niet alléén de Af-
delingen en Groepen van de Maatschappij aan dit feit aandacht hebben
besteed, doch dat daarnaast ook vele individuele leden van hun be-
langstelling blijk gaven.

Mede namens mijn vrouw wil ik U allen hiervoor nog eens hartelijk
dank zeggen.

Dat zovelen uit kringen buiten Maatschappijverband, uit kringen van
de Landbouw, de produktschappen, de farmaceutische ondernemingen
enz. hun gelukwensen zonden was zeer opmerkelijk.
Dit Was voor mij een bewijs dat onze organisatie door de jaren heen
toch wel een zekere reputatie heeft opgebouwd en vruchtbare contacten
heeft gelegd dank zij het volhardend werk van de besturenden zowel,
en misschien wel op de eerste plaats, in het verleden, doch ook in de
tijd waarin wij nu leven. Dit stemt tot dankbaarheid.
Ook het secretariaat, dat met zoveel ijver en toewijding wordt vervuld
(U hebt dit ook kunnen lezen in het rapport van de Financiële com-
missie) heeft daar zeer zeker ook veel toe bijgedragen.
Daarom verheugt het ons, dat de algemene secretaris Dr. de Haan na
een vrij langdurige ziekte, weer gezond en wel in ons midden is.
Gaarne wil ik, namens U allen, onze secretaris met zijn herstel van harte
gelukwensen.

Wel geloof ik U, Dr. de Haan, de vriendschappelijk raad te moeten
geven het in den vervolge wat kalmer aan te doen. Mensen van graniet
bestaan niet: althans ik heb ze nog nimmer ontmoet.
U bent in 1947 gestart met veel enthousiasme en de Maatschappij kan
er U slechts dankbaar voor zijn, doch het ledental is sindsdien meer dan
verdubbeld, terwijl de werkzaamheden en de taken van de Maatschappij
als zodanig in niet geringe mate zijn toegenomen.

-ocr page 732-

Het zal de plicht van onze organisatie dienen te zijn dat U voldoende
personeel wordt toegewezen, opdat Gij zelf niet het slachtoffer wordt
van Uw ijver en daardoor roofbouw op Uw gezondheid gaat plegen.
Collega Harmsen wil ik gaarne het compliment geven, dat deze met de
hem eigen, nauwgezetheid gedurende ruim 4 maanden het secretariaat
heeft waargenomen.

Het heeft allemaal perfect „geklopt" en daarom namens alle leden har-
telijk dank.\'

Er is een commissie in onze Maatschappij, die in het eind van 1961
met haar arbeid gereed is gekomen en wel de commissie „Opleiding
voor analysten".

Deze commissie, bestaande uit de leden: Mevrouw Dr. ]. Donker-Voet,
Prof. Dr. J. Hoekstra en J. C. A, van Maas, was enige jaren geleden
door het Hoofdbestuur ingesteld om een bevredigende oplossing te
kunnen creëren voor de a.s. analysten, die, het zij bij het diergenees-
kundig onderwijs, hetzij in diergeneeskundige instituten of laboratoria
werkzaam zijn en die moeilijkheden ondervonden, indien zij zich moeten
bekwamen voor het praktisch gedeelte van het analystenexamen.
Het gevolg van een en ander was, dat het voor genoemde instellingen
moeilijk was op een bepaald ogenblik deze arbeidskrachten te behouden.
Gesteld kan worden dat in nauw overleg met de Koninklijke Neder-
landse Chemische Vereniging hiervoor nu wel bruikbare richtlijnen zijn
ontworpen en een bevredigende oplossing kon worden gevonden.
Via Prof. Dr. ]. Hoekstra zal namens de Maatschappij contact met ge-
noemde verenigingen behouden blijven.

De leden van deze commissie mogen hier dank worden gebracht voor
de, door hen gepresteerde, arbeid.
Dames en Heren,

Het jaar 1962 zal in de annalen van onze Maatschappij geboekstaafd
blijven als het jaar waarin het Eeuwfeest werd gevierd.
Zonder overdrijving kan worden geconstateerd dat de feestelijkheden
zeer zeker aan de verwachtingen hebben voldaan.

Belangrijk is, dat de plaats van de dierenarts in het maatschappelijk
bestek nog eens is belicht, hetgeen voor de „standing" van onze weten-
schap en van ons beroep van grote betekenis moet worden geacht.
De medewerking van de leden aan dit groots gebeuren was boven alle
lof verheven, waardoor het een feest is geworden van allen vóór allen.
Het Hoofdbestuur heeft gemeend uiting te moeten geven aan zijn grote
dankbaarheid door in het Tijdschrift waarderende woorden te wijden
aan het Eeuwfeestcomité en de vele subcomité\'s, die zich zoveel inspan-
ningen hebben getroost om een vlot en waaidig verloop van de feestelijk-
heden te waarborgen.

Rustig kan hieruit de conclusie worden getrokken, dat onze Koninklijke
Maatschappij voor de grote massa van de dierenartsen toch wel een
levend begrip is en dat bij hen toch wel in ruimere mate de bereidheid
aanwezig is om zich voor de eigen organisatie in te zetten.
Het Hoofdbestuur zal uit dit verheugende feit de kracht kunnen putten
om zijn lijdende en dienende taak, met inzet van hun volle persoon-
lijkheid, te blijven verrichten.

Dames en Heren,

Er wacht U een uitgebreid programma en het zal misschien een hele
opgave zijn om de vergadering een vlot karakter te geven.
Met nadruk moge ik U dan ook verzoeken bij de discussies U de nodige
beperkingen op te leggen en bovenal moge een beroep worden gedaan
op Uw eensgezindheid.

En hiermede verklaar ik de 109e Algemene Vergadering voor geopend.

-ocr page 733-

2. Verkiezing van de notulencommissie.

Dit punt wordt aangehouden in verband met punt 9: Wijziging van Statuten en Huis-
houdeUjk Reglement.

Hierop volgt onmiddellijk de behandeling van punt 9.
9. Wijziging van Statuten en Huishoudelijk Reglement.

9a. Voorstel van het Hoofdbestuur, gehoord het .-Mgemeen Bestuur, tot wijziging van

een aantal genoemde artikel van de ST.ATUTEN.
De voorzitter geeft allereerst nadere toelichting op artikel 1 van de Statuten, in
verband met de naamsverandering van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Door de verlening van het praedicaat „Koninklijke" zou de nieuwe naam worden
„Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde".

Het is echter wenselijk in verband met de E.E.G. het woord „Nederlands" er tussen
te voegen. Een statuten-wijziging moet twee maanden voor de .\\lgemene Vergadering
bekend worden gemaakt, maar dat was in dit geval niet mogelijk.
Wanneer de .Algemene Vergadering met de verandering van de naam akkoord gaat
in „Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde", zal de jurist pro-
beren voor deze verandering tegelijk met de andere wijziging Koninklijke goedkeuring
te verkrijgen.

9b. Voorstel van het Hoofdbestuur, gehoord het .-Mgemeen Bestuur, tot wijziging van
de volgende artikelen van het Huishoudelijk Reglement:
Huidig art. 6 vervalt (zie voorgestelde nieuwe art. 11 en 12 der statuten).
Door het vervallen van dit artikel wordt art. 7 vernummerd tot art. 6 enz.
Hier maakt de heer Jongeneel, afdeling Noord-Brabant, bezwaar tegen art.
28 (nieuw) i.z. verhoging van de boeten van ƒ 10.000,- tot ƒ 25.000,-, maar hij krijgt
.geen steun van andere afgevaardigden en^\'of individuele leden.

De heer Kranenburg merkt op dat punt b. van art. 11 anders dient te worden
.geredigeerd.

Het wcK)rd „geëffectueerd" ziet hij liever gewijzigd in „heeft voldaan".

Dit lid zou moeten luiden: cn, zo daarbij een tuchtmaatregel (maatregelen) is (zijn)

opgelegd en aan deze ten volle is (zijn) voldaan.

De voorzitter wijst er op, dat de wijzigingen opgesteld zijn door de jurist die
met een bepaalde redactie bedoelingen heeft, die niet tot misverstand mogen leiden.
De heer Kraai stelt voor het een en ander nogmaals aan de jurist voor te leggen.
De voorzitter vraagt de Algemene Vergadering het Hoofdbestuur machtiging te
geven alle te wijzigen artikelen nogmaals niet de jurist te herzien en eventueel te
wijzigen.

De vergadering gaat hiermede akkoord.

De voorzitter stelt ver\\\'olgens art. 11 (nieuw) aan de orde.

Art. 11 (nieuw).

De heer Kranenburg zegt dat het mogelijk is, dat een student kandidaat-lid
blijft wanneer hij met zijn studie ophoudt.
Er moet dus worden toe.gevocgd:

Het kandidaat-lidmaatschap moet eindi,gen wanneer men met de studie ophoudt.
De voorzi tter merkt op dat, wanneer men eenmaal het kandidaats-examen heeft
afgelegd, de kandidaat altijd kandidaatlid zou kunnen blijven.

De heer Kranenburg vraagt of de Ereraad kan optreden tegen kandidaat-
leden.

Dr. Koopmans kan zich niet herinneren dat er in de Ereraad over is ge-
sproken. Er zijn enkel voorbeelden dat studenten tijdelijk met hun studie ophouden
en deze later weer voortzetten.

Volgens hem kunnen kandidaatleden niet ter verantwoording geroepen worden voor
de Ereraad.

De heer Schreinemakers wil aan de punten a, b en c toevoegen: „bovendien
bij het beëindigen van de studie".

-ocr page 734-

De voorzitter meent dat dit artikel van de Statuten ongewijzigd kan blijven,
maar dat het Huishoudelijk Reglement dient te worden aangevuld.
De heer Kranenburg is van mening, dat de Ereraad moet kunnen ingrijpen
bij kandidaatleden.

Hij vindt het van belang dat dit opgenomen wordt in de Statuten, omdat het Huis-
houdelijk Reglement niets vast legt en alleen maar bepaalt, wat in de Statuten i s
vastgelegd.

De heer Kraai stelt voor bij punt a toe te voegen „voor zover betreft het gewoon
lidmaatschap en het
kandidaat lidmaatschap, met dien verstande, enz."
De Vergadering gaat akkoord met de wijziging in de geest van de gemaakte op-
merking.

De heer Deisz, afdeling Utrecht, stelt voor artikel 32 als volgt te redigeren:
„De notulen der Algemene Vergadering worden opgemaakt door cen commissie, be-
staande uit de secretaris van de Maatschappij en drie telkenmale door de vergadering
aan te wijzen leden. De notulen van deze vergadering worden zo spoedig mogelijk
in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde gepubliceerd of op de e.v. Algemene Ver-
gadering voorgelezen; na publikatie of voorlezen op de c.v. Algmene Vergadering
moet goedkeuring plaats vinden op die e.v. Algemene Vergadering."
De voorzitter is wel van mening dat één lid van de notulen-commissie weinig
is en begrijpt dat daarom wordt voorgesteld drie leden aan te wijzen.
De heer Kranenburg merkt op dat in 1928 is bepaald dat deze commissie bestaat
uit de secretaris en één lid.

Hij is het eens met de afdeling Utrecht, dat wanneer de notulen niet verzonden kun-
nen worden, deze moeten worden voorgelezen in de e.v. Al.gemene Vergadering.
Dr. T e s i n k merkt op, dat wanneer goedkeuring moet plaats vinden op de e.v.
Algemene Vergaderin.g slechts de leden die nu aanwezig zijn op de e.v. vergadering
opmerkingen kunnen maken.

De voorzitter verzoekt machtiging om de kwestie betreffende de notulen te re-
gelen, waarmee de vergadering zich akkoord verklaart.

Dc heer Deisz merkt verder op dat dc afdelin.g Utrecht het noodzakelijk acht dat
het Hoofdbestuur wordt uitgebreid met één lid, omdat de taken te groot worden.
Deze opmerking wordt niet gesteund.

De heer Kranenburg vindt de omschrijving van art. 68 (nieuw) niet duidelijk.
Wat is een gemotiveerde vorm? Volgens hem gaat het hier om de vorm van de
bekendmaking en niet om de beweegredenen.

Hij stelt voor dit artikel aldus te wijzigen: „en met vermelding van beweegredenen".
Dc vergadering gaat ermee akkoord dat dit artikel in deze geest wordt gewijzigd.
De heer Schreinemakers vraagt wat in artikel 68 (nieuw) onder de grootst
mogelijke meerderheid wordt verstaan. Is dit drie van de vijf leden of alle leden
minus een?

De heer E. J. A. H. Q u a e d v 1 i e g is van mening, dat de grootst mogelijke meer-
derheid niet met algemene stemmen is.

De uitspraak moet geschieden door 4 of 5 leden bij een totaal aantal van 5 leden.
De heer K. H. Hermans vraagt wat er .gaat gebeuren wanneer de jurist het niet
eens is met deze wijzigingen.

De voorzitter antwoordt hierop dat de wijzigingen zullen worden aangebracht,
in de geest van de gemaakte opmerkingen.

2. Verkiezing van de notulen-commissie.

De secretaris merkt op dat er verschil is tussen notulen en een verslag. Wat er in
de notulen behoort tc worden opgenomen kan niet altijd worden gepubliceerd.
De heer Kraai zctg dat het de afdeling Utrecht gaat om de goedkeuring van de
notulen op de e.v. .Algemene Vergadering na publikatie of voorlezing. Men kan een
verslag toezenden en de notulen voorlezen, voor zover publikatie ongewenst is.
De vraag is nu of het dan nog zin heeft de notulencommissie uit te breiden.
De voorzitter antwoordt dat het verslag toch wel belangrijk is omdat de buiten-
wereld er kennis van neemt.

-ocr page 735-

De heer Kraai merkt op dat de afdehng Utrecht nooit over een verslag heeft ge-
sproken. (Zie voorgestelde redaktie van de afdeling Utrecht.)

De heer Van den Akker zegt dat de notulen alles moeten weergeven en
daarom snel moeten verschijnen.

De voorzitter stelt voor dat dc notulen-commissie de notulen opstelt en dat zij
bepaalt wat er voor het verslag weggelaten moet worden. Wat weggelaten wordt kan
alsnog worden vcxjrgelczen op de e.v. Algemene Vergadering.
De heer Kraai legt er nogmaals dc nadruk op dat de afdeling spreekt over no-
tulen en vrijwel hetzelfde bedoelt als dc voorzitter.

De voorzitter vindt het voorstel van de afdeling Utrecht onpraktisch. Alles
moet zo spoedig mogelijk bekend worden gemaakt.

Het voorstel van de afdeling Utrecht wordt daarna in stemming gebracht en ver-
worpen.

Tot leden van de notulen-commissie worden nu benoemd de heren: J. Kraai,
J. Kranenburg en J. Tesink,

3. Ingekomen stukken.

Er zijn geen ingekomen stukken van deze vergadering.

4. Mededelingen.

De voorzitter verwijst voor dit punt naar de mededelingen, die in de agenda zijn
opgenomen.

In verband met punt 4b dankt de voorzitter Prof. Dr. P. Hoekstra als volgt:

Namens het Hoofdbestuur en de leden van de Koninklijke Maatschappij
voor Diergeneeskunde en alle lezers van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, die over de hele wereld zijn verspreid, spreek ik mijn grote
erkentelijkheid en dankbaarheid uit, voor de bijzonder grote betekenis,
die U als redactie-voorzitter voor het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
hebt gehad. De verschillende doelstellingen van ons Tijdschrift stonden U
altijd duidelijk voor ogen en eigenlijk was U nooit tevreden met de re-
sultaten van Uw pogingen die U met Uw mede-redactieleden en de
redacteur hebt gedaan, om het Tijdschrift op steeds hoger peil te
brengen.

Het is mij bekend, dat U een grote steunkracht bent geweest, dat U
uitstekend leiding wist te geven en dit ging alles in een prettige colle-
giale sfeer. In alle bescheidenheid, maar ook met enige trots mag U
terugzien op de belangrijk, zichtbare resultaten van Uw werkzaam aan-
deel, dat U in Uw voorzittersperiode aan de ontwikkeling van het Tijd-
schrift hebt gehad.

Heel veel dank! Ik hoop, dat het Hoofdbestuur later nog eens een be-
roep op Uw medewerking zal mogen doen.
Prof. Hoekstra dankt voor de woorden van de voorzitter en merkt op dat de re-
dactie veel werk heeft mogen verrichten wat het beleid betreft en de redacteur ten
aanzien van de uitvocrin.g.

Het spijt hem dat hij uit de redactie treedt, maar door andere werkzaamheden moet
hij dit doen.

In de vacature in de Redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ontstaan
door het aftreden van Prof. Dr. P. Hoekstra, die herkiesbaar is maar een eventuele
benoeming zal aanvaarden en Prof. Dr. J. H. J. van Gils, die herkiesbaar is, zal door
het Hoofdbestuur worden voorzien.

c. Door de afdelingen Groningen-Drenthe en Limburg worden de navolgende voor-
drachten ingediend voor de vervulling van de vacatures als lid van de tarieven-
commissie, die zijn ontstaan door het aftreden van dc heren C. J. Vermeulen en
Th. W. J. Hendrickx.

Groningen-Drenthe : H. H. A. Mager
P. J. Bruins

Limburg : R. F. P. M. Quaedvlieg

E. J. Scheymans

-ocr page 736-

Het Hoofdbestuur zal zo spoedig mogelijk tot benoeming overgaan.
De voorzitter richt zich met enkele woorden van dank en waardering tot de aftreden-
de leden.

5. Verkiezing van een lid van het Hoofdbestuur, wegens reglementair aftreden van

de heer D. van den Akker, die niet herkiesbaar is.
Alvorens tot het houden van verkiezin.gen wordt overgegaan tot het vormen van een
stembureau door de heren K. v. d. Poel en M. Visser.

Voor de verkiezing van een lid van het Hoofdbestuur worden 384 geldige stemmen
uitgebracht, waarvan op:

J. K. Deisz 3 stemmen

J. J. van Dijk 1 stem

J. T. Heeg 369 stemmen

A. E. Schneider I stem

Prof. Dr. G. Wagenaar 1 stem
blanco 9 stemmen

De heer Heeg is hiermede tot lid van het Hoofdbestuur gekozen.
De voorzitter bedankt de heer Van den Akker met de volgende woorden:
Geachte collega Van den Akker,

Daar door mij bij de opening van deze vergadering een beroep op de
aanwezigen werd gedaan om zich op deze dag niet in breedsprakigheid
te verliezen, ben ik genoodzaakt om op de eerste plaats zelf het voor-
beeld te geven.

U hebt gedurende 4 jaren deel uitgemaakt van het Hoofdbestuur en
Gij waart van ons collegae het jongste lid, terwijl ik zelf de oudste van
het gezelschap was.

Tussen jong en oud moest dus een brug worden geslagen en ik vlei
mij met de hoop, dat dit wel op goede wijze is verlopen.
Het tegendeel is mij tenminste nimmer gebleken.

In hoge mate is dit bevorderd door de wijze waarop U Uw bestuurs-
lidmaatschap hebt opgevat.

Reeds aanstonds bij Uw intreden in het Hoofdbestuur is U verzocht het
penningmeesterschap op U te nemen en U hebt deze taak op nauw-
gezette wijze volbracht. Er behoeft niet aan te worden getwijfeld, dat
deze verantwoordelijke functie U wel eens zorgen heeft gebaard omdat
de middelen, waarover U beschikte, nogal beperkt waren.
Jan Greshoff dichtte:

„Al wie goud laat regenen uit de Kassa,
Behaagt de souvereine massa"
Helaas hebt U dit goud niet kunnen laten regenen, daar uiteraard een
zuinig beheer moest worden gevoerd.

U hebt zich daarom echter misschien laten deprimeren, hetgeen onge-
twijfeld is te danken aan Uw geestelijke instelling, terwijl daarnaast de
zonnigheid van de jeugd ook een duchtig woordje zal hebben mee-
gesproken.

Naast de hartelijke dank, die ik U namens de leden der Maatschappij
wil brengen voor het werk, dat U ten behoeve van deze Maatschappij
hebt verricht, wil ik gaarne uiting geven aan de gevoelens van dank
van Uw medeleden in ons bestuurlijk college voor Uw oprechte colle-
gialiteit en ware vriendschap, die U ons in zo ruime mate hebt ge-
schonken.

Ongetwijfeld zal de Maatschappij in de toekomst nog wel eens een be-
roep op U doen en dan zal zeker bij U de bereidheid worden gevonden
Uw werkkracht wederom in haar dienst te stellen.
De heer Van den Akker repliceert hierop als volgt:
Mijnheer de Voorzitter,
Dames en Heren,

-ocr page 737-

Allereerst, mijnheer de voorzitter, wil ik U danken voor de welwillende
woorden die U tot mij hebt gericht. Met de nodige zelfkritiek zal ik deze
tot juiste proporties weten te interpreteren.

Graag maak ik van de mij geboden gelegenheid gebruik enkele woorden
te zeggen, om U, de andere hoofdbestuursleden en last not least de
secretaris te bedanken voor de prettige wijze van samenwerken in de
achter ons liggende vier jaren. Ik wil in deze dank ook betrekken de
inmiddels afgetreden hoofdbestuursleden. Bruins, Hendrickx en Van
Doorn.

Steeds werd op doelbewuste wijze vergadert onder de voortreffelijke
leiding van onze voorzitter. Niet steeds waren de meningen gelijk, in-
tegendeel, maar steeds werd op waardige wijze de discussie gevoerd en
de beslissingen daardoor op weloverwogen wijze genomen. Zelf ben ik er
wijzer van geworden en ik stel dan ook dat indien een lid door de ver-
gadering wordt aangewezen om in het Hoofdbestuur zitting te nemen,
hij misschien de Maatschappij, maar zeker ook zichzelf tekort doet door
deze functie te weigeren. Men mag echter niet zitting nemen met de
gedachte nu eens revolutionair te kunnen optreden en alle wensen die
er nu eenmaal bij de leden leven — en ook bij het Hoofdbestuur —
snel even te realiseren.

In dat geval zal men worden teleurgesteld. Het is dan ook wel zo, dat
wanneer ik op de achter mij liggende vier jaren terugzie en mij de
vraag voorleg „wat is er bereikt?", het antwoord ondanks alle opti-
mistische geluiden die het Hoofdbestuur wel eens heeft doen horen
zal zijn: Het schip is blijven drijven niet alleen, maar het houdt nog
steeds ongeveer koers.

Ook wij hadden vele aangelegenheden die nog steeds om oplossing
vragen of waarvan een oplossing gevonden is respectievelijk graag reeds
tot oplossing gebracht of wel er een andere en naar ons idee betere
oplossing voor gevonden.

Een schipper moet kunnen schipperen en dat geldt wel heel erg in de
tijd waarin wij nu leven. Idieeele beginselen moeten dikwijls wijken voor
economische belangen. De Maatschappij, thans Koninklijke Maat-
schappij, speelt bij de bepaling van de economische belangen helaas
maar een zeer ondergeschikte rol. Onze verlangens en naar ons idee
redelijke eisen werden niet ingewilligd omdat of het z.g. algemeen eco-
nomisch belang niet voldoende aanwijsbaar was of niet als zodanig
werd aanvaard. Belangengemeenschappen botsen en het is niet steeds
eenvoudig om dan voor 100% datgene te verwerven wat in onze ogen
niet meer dan redelijk is, temeer daar we leven in een tijd van ver-
zakelijking, waarin het steeds moeilijker wordt een plaats te vinden voor
idieele aangelegenheden als beroepseer, afbakening werkterrein, ver-
houding vrije beroeps-beoefenaar—overheidsinstanties en wat dies meer

4).

De laatste tijd hebben deze onderwerpen dikwijls punt van bespreking
uitgemaakt; ook op de afdeling.wergaderingen. Dikwijls komt dan naar
voren de vraag of de Maatschappij wel voldoende doet voor haar leden,
wat of de Maatschappij nu heeft bereikt op verschillende gebieden.
Mijnheer de Voorzitter, het schip drijft en houdt nog koers. Aan U de
taak het zo te houden en waar mogelijk zoals ook in het verleden, ge-
leden schade te herstellen. Het schip is in goede handen. De tijden
worden duurder, vandaar de contributie-voorstellen. Ik moge er van
deze plaats nog eens op wijzen dat, willen wij een vinger in de pap hou-
den, wij een hechte gemeenschap dienen te vormen. Wit deze hechte
gemeenschap, in zijn soort thans nog enig in Europa, naar buiten kun-
nen optreden, en dat is tegenwoordig tot ver over onze landsgrenzen,

-ocr page 738-

en dat dan op waardige wijze, dan is daar geld, veel geld voor nodig.
Alleen dit al maakt een verhoging van de inkomsten noodzakelijk.
Mijnheer de Voorzitter, ik hoop als gewoon lid van Uw Koninklijke
Maatschappij getuige te mogen zijn van een verder groeien en bloeien
van onze vereniging van diergeneeskundigen, die alleen dan tot heil van
mens en dier zal kunnen zijn als ieder lid daar het zijne toe bijdraagt.
Ik dank U wel.

6. Verkiezing van een secretaris van de Ereraad, wegens reglementair aftreden van
de heer A. van Keulen, die direct herkiesbaar is.

Voor de verkiezing van een secretaris van dc Ereraad worden 384 geldige stemmen
uitgebracht, waarvan op:

A. van Keulen 371 stemmen

A. D. Leemans 3 stemmen

blanco IO stemmen

De heer Van Keulen is hiermede als secretaris van de Ereraad herkozen.

7. Verkiezing van twee leden van de Ereraad, wegens reglementair aftreden van
de heer Dr. S, Koopmans, die niet herkiesbaar is en J. H. Loman, die herkies-
baar is.

Voor de verkiezing van een lid van de Ereraad in de vacature Dr. Koopmans, worden

385 geldige stemmen uitgebracht, waarvan op:

H. L. L. van Werven 270 stemmen
W. H. Kapsenberg 44 stemmen

Prof. Dr. G. H. B. Teunissen 56 stemmen
blanco 10 stemmen

G. H. P. J. Gouda Quint 3 stemmen
Prof. Dr. G. Wagenaar 2 stemmen
Op grond van deze uitslag wordt de heer H. L. L. van Werven verkozen in de vaca-
ture Koopmans.

Voor de verkiezing van een lid van de Ereraad in de vacature J. H. Loman worden

386 geldige stemmen uitgebracht, waarvan op:

J. H. Loman 367 stemmen

blanco 9 stemmen

W. H. Kapsenberg 4 stemmen

Dr. M. F. Kramer 3 stemmen

Stevens 2 stemmen

.4. S. Schneider 1 stem

Op grond van deze uitslag blijkt de heer J. H. Loman herkozen te zijn.
Enkele afgevaardigden en leden maakten voor de stemming de opmerking, dat men
tegen dc met name genoemde kandidaat. Prof. Teunissen geen enkel bezwaar had,
maar dat de voorkeur wordt gegeven aan een praktizerend dierenarts, in dc vacature,
ontstaan door dc periodieke aftreding van Dr. Koopmans.

8. Verkiezing van twee leden van de Paritaire Tarievencommissic van de Maat-
schappij voor DiergeneeskundejLandbouwschap, in de vacatures ontstaan door
het bedanken der heren J. P. C. Claessens en ]. Kranenburg.

De heer Kranenburg stelt voor een kandidaat tc kiezen uit de afdelingen Noord-
Holland of Utrecht.

Bij de stemming ter voorziening in de vacature van een lid van de Paritaire Tarieven-
commissie, ontstaan door het bedanken van de heer J. P. G. Claessens worden 384
geldige stemmen uitgebracht, waarvan op:
A. S. Schneider
•A. H. M. H. Hendrickx
K. Clay

J. P. Coppoolse
blanco

A. J. van Doorn

150

stemmen

111

stemmen

48

stemmen

48

stemmen

13

stemmen

5

stemmen

-ocr page 739-

L. Nauta 3 stemmen

J. Hovenier 2 stemmen

K. F. Joling 2 stemmen

Doordat er geen volstrekte meerderheid is, volgt een tweede stemming.
Er worden nu 383 geldige stemmen uitgebracht waarvan op:
A. S. Schneider 272 stemmen

J. P. Coppoolse 74 stemmen

K. Clay 29 stemmen

J. Hovenier 6 stemmen

blanco 2 stemmen

Op grond van deze uitslag wordt de heer A. S. Schneider gekozen, die de benoeming
aanvaardt.

8b. Bij de stemming ter vooraiening in de vacature van een lid van de Paritaire
Tarievencommissie ontstaan door het bedanken van de heer J. Kranenburg, worden
385 geldige stemmen uitgebracht, waarvan op:

A. H. M. H. Hendrickx 285 stemmen
A. S. Schneider 71 stemmen

K. Clay 11 stemmen

J. P. Coppoolse 8 stemmen

blanco 7 stemmen

J. K. Deisz 3 stemmen

Op grond van deze uitslag wordt de heer A. H. M. H. Hendrickx gekozen.

10. Contributieverhoging.

Dc voorzitter verwijst ter inleiding van dit punt naar de uitvoerige toelichting, die
in het programma is pogenomen; verder brengt hij de uitgebreide discussies in som-
mige afdelingsvergaderingen in herinnering.

De heer Deisz brengt naar voren dat de afdeling Utrecht geen bezwaar heeft te.gen
contributieverhoging, maar wel te,gen de nieuwe opzet. Hij stelt voor de oude
situatie te handhaven en de bestaande schaal te verhogen met 20%.
De voorzitter toont aan, dat met een procentuele verhoging van de oude schaal,
de leden-ambtenaren te zwaar worden belast in verhouding tot de praktizerende col-
legae met hogere inkomensten.

De heren Deisz en Dr. Koopmans menen, dat de leden van 65 jaar en ouder,
minstens de kostprijs van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde moeten betalen.
Nadat nog enkele leden een soort.gelijkc opmerking hebben .gemaakt, stelt de voor-
zitter dit punt in stemming te bren.gen, na er aan te hebben herinnerd, dat de ver-
hoging geldt
voor één jaar. Het Hoofdbestuur weet ook niet wat het „nuttig effect"
van de nieuwe regeling zal zijn; over een jaar zal pas kunnen worden beoordeeld,
of de nieuwe schaal weer moeten worden gewijzigd.
De uitslag van de stemming is als volgt:

Afdclin.g Groningen-Drenthe

48

stemmen voor

ïï

Friesland

54

stemmen voor

1

stem tegen

»

Overijssel

39

stemmen voor

I

stem tegen

,,

Gelderland

40

stemmen voor

))

Utrecht

46

stemmen tegen

5

stemmen voor

j)

Noord-Holland

20

stemmen tegen

9

stemmen voor

,,

Zuid-Holland

17

stemmen voor

5

stemmen tegen

Zeeland

19

stemmen voor

ïj

Noord-Brabant

36

stemmen voor

2

stemmen tegen

1

stem blanco

-ocr page 740-

„ Limburg 20 stemmen voor

1 stem blanco

Het voorstel van het Hoofdbestuur is aangenomen met 287 stemmen voor, 75 stem-
men tegen en 2 blanco stemmen.
Punt 11 wordt na punt 24 behandeld.

12. Rapport van de financiële commissie 1962 (Afdeling Noord-Brabant) inzake
het financieel beleid.

De heer D e i s z, afdeling Utrecht, vraagt waarom de overdrukken, die door de
Faculteit der Diergeneeskunde worden besteld, berekend worden. De Faculteit doet
heel veel belangrijk werk en dan is het niet billijk dat de overdrukken worden betaald.
Prof. Van Gils geeft in verband met deze opmerking nu reeds enige toelichting
op punt 24 van het programma: voor een goede gezonde verhouding, kan de Re-
dactie deze inkomsten niet derven.

13. Commentaar van het Hoofdbestuur ten aanzien van het rapport van de com-
missie 1962.

Met betrekking tot dit punt worden geen opmerkingen gemaakt.

14. Algemeen accountantsrapport betreffende het boekjaar 1961 van de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

Dit rapport geeft geen aanleiding tot opmerkingen.

15. Balans van de Maatschappij voor Diergeneeskunde per 31 december 1961.

Dc balans van de Maatschappij voor Diergeneeskunde per 31 deccmbcr 1961 sluit

met een post van ƒ 139.583,33.

De balans wordt zonder discussie goedgekeurd.

16. Baten- en Lastenrekening van de Maatschappij voor Diergeneeskunde over 1961.
De baten- en lastenrekening van de Maatschappij voor Diergeneeskunde over 1961
geeft cen post aan ƒ 110.719,27.

De heer J. H, d c B o c r, afdeling Zuid-Holland, vraagt zich of of het juist is dat de
gelden uit de Ereraad aan dc gewone middelen van dc Maatschappij voor Dier-
geneeskunde worden toegevoegd. Is het niet beter deze gelden beschikbaar tc stellen
b.v. aan cen wetenschappelijke of charitatieve instelling.

Dc voorzitter zc.gt toe deze opmerking in dc a.s. Hoofdbcstuursvcrgad( ring in
bespreking te brengen.

De baten- en lastenrekening wordt daarna goedgekeurd.

17. Baten- en lastenrekening van de Maatschappij voor Diergeneeskunde ov/r 1961
en begroting over 1963.

Dc begroting over 1963 geeft cen bedrag aan van f 122.638,24.
Dr. Kramer vindt dat het bedrag dat de D.S.K, wordt verstrekt, voor dc vcr-
tegenwoordigin.gen op de I.\\\\S.U.-congressen, te laag is, als deze jaarlijkse inter-
nationale bijeenkomsten in ccn verschillend land worden gehouden. Deze vertegen-
woordigingen zijn ook belangrijk voor dc Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde in verband met de buitenlandse contacten, die door onze a.s. col-
legae reeds worden gelegd.

Dr. Kramer vraagt ook wie de kosten moet betalen voor dc twee D.S.K.-leden,
die in het buitenland waren en aanwezig moesten zijn in dc Domkerk; het Eetwfeest-
comité of de D.S.K. ?

Dc vergadering machtigt het Ecuwfecstcomité de kosten te betalen.

De voorzitter stelt voor, dat dc D.S.K, hierover cen brief richt aan het Hoofdbestuur.

18. Balans van het Ondersteuningsfonds van de Maatschappij voor Diergene/skunde
per 31 december 1961.

De balans van het ondersteuningsfonds per 31 deccmbcr 1961 geeft cen p^st van
.ƒ 245.053,13. De vergadering keurt deze balans zonder discussie goed.

19. Baten- en lastenrekening van het Ondersteuningsfonds van de Maatschapbij voor
Diergeneeskunde over 1961.

De baten- en lastenrekening van het Ondersteuningsfonds voor 1961 geeft cen bedrag
aan van f 13.104,81. Zonder discussie wordt deze rekening goedgekeurd.

-ocr page 741-

20. Balans van de Stichting D. F. van Esveldfonds van de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde per 31 december 1961.

De balans van het \\\'an Esveld-fonds per 31 december 1961 .geelt een eindbedrag van
.ƒ 32,755,31 aan.

De vergadering keurt deze balans zonder discussie goed.

21. Baten- en lastenrekening van de Stichting D. F. van Esveld-fonds van de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde over 1961.

De baten- en lastenrekening van het Van Esveldfonds over het jaar 1961 sluit met
een post van ƒ 1.938,65, Zonder discussie wordt deze rekening goedgekeurd,

22, Balans van het Eeuwfeestfonds van de Maatschappij voor Diergeneeskunde per
31 december 1961.

De balans geeft een bedrag aan van .f 34.317,03.

Dr. Koopmans vraagt inlichtingen over de bijdra.gen van derden o.a. voor het
fotoboek.

Dc voorzitter antwoordt dat deze bijdragen in overleg met het Algemeen Be-
stuur zijn aanvaard. Het zo heel moeilijk zijn geweest het fotoboek uit eigen middelen
te financieren,

Dr, Kramer merkt no.g op dat dit reeds in de vorige .Algemene Vergadering is
besproken en aanvaard.

De vergadering aanvaardt hierna de balans,

11, Bespreking van het „üntwerpreglement deelneming dierenartsen bestrijding
dierziekten".

De voorzitter zegt ter nadere toelichting van dit punt, dat de resultaten van de
besprekingen van het ontwerprcglement in dc afdelingen in een vergadering van het
Hoofdbestuur zijn besproken, waar men tot de volgende conclusie gekomen is: In alle
afdelin.gen is de wens naar voren gekomen dat er een goed contract komt; alleen
kunnen dc afdelin.gen niet accoord gaan met het opgemaakte ontwerp.
Het Hoofdbstuur stelt nu voor dat ieder afdelin.gsbcstuur het ontwerp nogmaals in
bespreking brengt, in de eerste plaats met de practici, en dan dc gemaakte opmer-
kingen, eventuele voorstellen of een nieuw ontwerp zelfs, schriftelijk instuurt bij het
Hoofdbestuur,

Deze moeten op het bureau binnen zijn vóór 1 december 1962,

Voorts moeten uit iedere afdeling drie afgevaardigden worden gekozen die in december
een bijeenkomst zullen hebben met het Hoofdbestuur. Er wordt dan volledig gele.gen-
heid gegeven suggesties en voorstellen ten aanzien van het reeds toegezonden concept
in discussie te brengen. Het Hoofdbestuur zal hierop repliceren, eventueel
zal Mr. Jamesdenodige juridische toelichting geven. Daarna zal een herzien
of nieuw ontwerp door dc commissie worden op.gestcld. Dit reglement komt in
januari 1963 ter bespreking in een vergadering waar aanwezig zijn: het Hoofdbestuur,
de connnissic, de juridische adviseurs, de elf directeuren van de Gezondheidsdiensten
en 10 practici, aangewezen door de afdelingen.

De heer K. H. H e r mans vraagt of de commissie die het ontwerp heeft opgesteld
ook aanwezig zal zijn. Hij is van mening dat de huidige commissie moet aftreden en
plaats maken voor een nieuwe commissie.

De heer Kraai vindt dat de heren Karsemeijer en Dc Haan in de commissie moeten
blijven. De mening van de practici kan heel .goed door de bestaande commissie naar
voren worden gebracht.

De heer S. de Haan vraagt of het de bedoeling is dat het bestaande ontwerp als
richtlijn wordt gebruikt; de voorzitter antwoordt hierop bevestigend.
Dc voorzitter vraagt of iedereen het met dit voorstel eens is, waarop de heer
Schneider opmerkt dat de voorzitter meer .gelegenheid moet geven om iemand
zijn mening naar voren te brengen.

De vergadering gaat tenslotte met het voorstel van het Hoofdbestuur akkoord.

23, Baten- en lastenrekening van het Eeuwfeestfonds van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

-ocr page 742-

Deze baten- en lastenrekening sluit met een post van ƒ 12.503,84.
Zonder discussie wordt dit stuk goedgekeurd.

24. Rekening en Verantwoording van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde over
1961 en begroting over 1963.

De betreffende stukken worden zonder discussie goedgekeurd.

25. Rondvraag en sluiting.

De heer S. de Haan, afdeling Overijssel, vraagt of het niet mogelijk is de in 1962
vervroegde begindatum van de georganiseerde mond- en klauwzeervaccinatie ook in
1963 te handhaven, mits dan tevens de vier maanden-clausule wordt vervangen door
het stellen van een bepaalde datum b.v. 1 augustus waarna hernieuvv\'de enting van
jonge runderen in verband met verkoop e.a. verplicht zou zijn. Bij deze vraag gaat de
afdeling Overijssel er van uit dat er geen wetenschappelijke bezwaren ten aanzien van
de immuniteit zijn.

De voorzitter zegt toe dat het Hoofdbestuur zich hierover in verbinding zal
stellen met de Veeartsenijkundige Dienst.

Dc heer Boneschanser, afdeling Zeeland, vraagt naar de wenselijkheid van het
insluiten van reclamefolders over diergeneesmiddelen bij de nota van de dierenartsen-
practicus. Dit wordt door vertegenwoordigers van farmaceutische firma\'s voorgesteld.
De afdeling Zeeland acht een en ander in strijd met de ethiek.

Enkele leden en ook het Hoofdbestuur delen de mening van de afdeling Zeeland en
spreken er hun afkeuring over uit.

De heer K. H. He r m a n s geeft de situatie in de U.S.A. weer; hier werden op vrij
grote schaal diergeneesmiddelen in de vrije handel gebracht. De dierenartsen hebben
zich hiertegen verzet en nu is er enige verbetering ten goede gekomen.
De heer R. V. B r u c k w i 1 d e r, afdeling Zuid-Holland, maakt er bezwaar te.gen
dat in het Tijdschrift voor Dicr.genceskunde tc veel artikelen in vreemde talen worden
opgenomen.

Op verzoek van de voorzitter geeft de voorzitter van de Redactie van het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde, Prof. Dr. P. Hoekstra, een duidelijke uiteenzetting
over de verschillende doelstellingen van gcnwmd tijdschrift.

Het Tijdschrift voor Diergeneeskunde heeft o.a. vrij grote betekenis voor lezers die
over alle landen van de wereld zijn verspreid. Aan dc hand van een overzicht maakt
Prof. Hoekstra duidelijk dat er geen tendens is voor uitbreiding van artikelen die in
een vreemde taal worden geplaatst.
Dit schema ziet er als volgt uit:

1958
1958

1960

1961

1962

De heer Schreinemakers kan het peil van de Nederlandse Iczeers niet al te
hoog aanslaan, als deze niet de moeite nemen een in een vreemde taal gesteld artikel
te lezen.

Verschillende leden spreken zich afkeurend uit over de televisie-uitzending van de
Avro in het kader van de viering van het 100-jarig bestaan van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde. Men is van mening, dat degenen die deze uitzending hebben gezien
ten onrechte een slechte indruk hebben gekregen van de uitoefening van het dier-
geneeskundig beroep.

De heer Kraai laat ook een kritisch geluid horen maar merkt daarbij op dat er ook
wel goede onderdelen in de uitzending waren.

De voorzitter zegt ter voorkoming van misverstanden hierover dat noch het
Hoofdbestuur noch het Eeuwfeestcomité enige invloed heeft kunnen uitoefenen op
de samenstelling van dc bedoelde film.

Bij de contacten die hierover zijn geweest is duidelijk gebleken dat de Avro-televisie
volkomen onafhankelijk de desbetreffende programma\'s wenst samen te stellen.

totaal

vreemde taal

%

1304

108

7,5

1578

34

2,1

1858

81

4,4

1757

104

5,9

1470

48

3,3

-ocr page 743-

De heer Quaedvlieg en Dr. Kramer bevesUgen deze gang van zaken.
Uit de vergadering komt het verzoek ter voorkoming van soortgelijke herhalingen hier-
over een gemoUveerde brief te richten aan de Avro-televisie. De voorzitter zegt dit toe.
De heer J. v. d. Veen wijst erop dat de Provinciale Gezondheidsdienst soms erg
laat is met de betalingen van de honoraria van de dierenartsen.

De secretaris antwoordt hierop dat men hierover te allen tijde contact kan
opnemen met de desbetreffende Provinciale Gezondheidsdienst; deze diensten zullen
altijd bereid zijn eventuele voorschotten te verstrekken.

De voorzitter sluit hierna omstreeks 17.00 uur de vergadering na allen, die hiertoe
hebben bijgedragen hartelijk te hebben bedankt voor het vlotte verloop van de 109e
Algemene Vergadering.

Namens de Notulencommissie,
Dr. W. A. de Haan.

VAN HET BUREAU
Eeuwfeest.

In de laatste routine-aflevering van het jubileumjaar 1962 verschijnen in de ver-
trouwde rubriek nog eens enkele mededelingen, die betrekking hebben op het ge-
vierde feest.

Tijdens de feestelijkheden — helaas kwam de aflevering iets later dan was gecontrac-
teerd — zijn meer dan 1000 fotoboeken verzonden, die vóór 12 september 1.1. reeds
waren besteld. Inmiddels is nog een aantal exemplaren in voorraad voor komende
generaties; verder kan hiermee worden voldaan aan de bestellingen, die na de fees-
telijkheden zijn binnengekomen.

Ieder, die tot nu toe geen fotoboek heeft gekocht, kan bovendien van deze beperkte
voorraad profiteren, door zoveel maal een bedrag van ƒ 12,50, als exemplaren worden
gewenst over te maken op .gironummer 1412 van de Twentse Bank te Utrecht, t.n.v.
het Eeuwfeest: op het stortin.gsbiljct dient men het woord „fotoboek(en)" te ver-
melden en het verlangde aantal.

I.eden in het buitenland.

Bijna alle leden, die buiten .Nederland zijn gevestigd, zijn helaas niet in de gelegen-
heid geweest de herdenking bij te wonen. Ter tegemoetkoming aan dit gemis, meent
het Eeuwfeestcomité deze leden een fotoboek te moeten aanbieden, waardoor zij dan
toch een blijvend teken van dc grandioze herdenking bezitten.
Deze presentexemplaren zijn inmiddels reeds verzonden.

Tweede jubileumnummer.

Kort na de verschijning van deze aflevering in de week vóór Kerstmis, zal het tweede
jubileumnummer het licht zien.

Men zal dus gedurende de feestdagen van het laatste gedeelte van het jaar, aan de
hand van het geïllustreerde verslag nog eens kunnen genieten van de vele onvergete-
lijke evenementen, waaruit de herdenking bestond.

Voor het geval iemand abusievelijk deze extra aflevering niet zou ontvangen, wordt
men verzocht zich hierover met het bureau in verbinding te stellen.

Redactie Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

In haar laatste vergadering heeft het Hoofdbestuur uit de voorgestelde candidaten
in de vacature van Prof. D. P. Hoekstra benoemd tot voorzitter van de Redactie
Dr. E. H. Kampelmacher.

In de vacature van Prof. Dr. J. H. J. van Gils, die aftredend en direct herkiesbaar is,
is deze opnieuw benoemd.

In de vacature van Dr. E. H. Kampelmacher is benoemd Prof. Dr. G. Wagenaar.

-ocr page 744-

Tarievenconimissie.

Het Hoofdbestuur heeft in haar laatste vergadering uit de voordracht van de afdeling
Groningen-Drenthe, in de vacature van de heer C. J. Vermeulen benoemd de heer
H. H. A. Mager.

In de vacature van de heer Th. W. J. Hendrickx is op voordracht van de afdeling
Limburg benoemd de heer R. F. P. M. Quaedvlieg.

Uitbreiding bureaupersoneel.

Met ingang van 15 december a.s. zal de assistente-secretaresse mej. C. J. H. Weeren-
steyn als nieuwe administratieve kracht haar functie aanvaarden. Degenen, die per-
soonlijk of telefonisch met het bureau contact opnemen, zullen voortaan niet alleen
mej. Zwartendijk, maar ook mej. Weerensteyn te spreken krijgen.

Sluiting bureau.

Analoog aan de algemene landelijke regeling zal het bureau ook op maandag 24 en
maandag 31 december a.s. gesloten zijn. Op deze dagen geldt hetzelfde als voor de
vrije zaterdag en de zon- en feestdagen: men wordt verzocht voor behandeling van
urgente zaken, zoals onverwachte waarnemingsgevallen, zich zoveel mogelijk te be-
perken tot de vroege ochtenduren.

Assistentie en verzekering.

In aansluiting op de mededeling in het nummer van 15 november 1962 wordt er op
geattendeerd, dat de premie voor deze verzekering uiterlijk 14 dagen na ontvangst van
de betreffende nota moet worden voldaan aan de N.V. .Assurantiebedrijf der Crediet-
en Effectenbank N.V. te Utrecht.

Teneinde te voorkomen, dat bij cen onverhoopt ongeval door niet tijdige betaling
van de premie, de betrokken assistent ernstig gedupeerd zou kunnen worden, wordt
ieder met klem verzocht het verschuldigde bedrag direct te voldoen.

Jubilea.

Op maandag 17 december a.s, hopen onderstaande collegae het feit te herdenken,
dat zij 25 jaar dierenarts zijn:

Dr, Tj. Bakker, The Quay, Poole (Dorset), England.

Mevr. Beuvery-.\'Vsman, \'s-Gravenweg 252, Nieuwerkerk a,d. IJssel,

R, A. P. H. Corbey, Hieronymusstraat 1, Weert,

Prof. Dr. Th. de Groot, Meidoornplantsoen 16. Wageningen.

Prof. Dr. Th. Stegenga, Prof. R. Bosweg 34, Wageningen.

Prof. Dr. G. Wagenaar, Oudwijkerlaan 31, Utrecht,

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de volgende dierenartsen aangenomen als lid van de Ko-
ninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde.

W. van Arkel, Prins Bcrnhardstraat 6, Vianen.

A. J. W, Bolscher, Grote Looweg B-4, Delden,

L. P. M, V, d. Brand, „Hooghuis", Teeffelen (bij Oss),

B. Kouwenhoven, Adm, van Gentstraat 55, Utrecht,
A, M. J, Rutten, Brink 30, Dc Koog (Texel),

R. J, Slappende!, Mgr. v. d. Weteringstraat 30 bis. Utrecht.
J. Terpstra, Leeuwerikstraat 138 b, Leeuwarden.
A. T. M. Verdijk, Kerkplein 13, Beugen (N.-Br.).
J. P. G. Vermeer, Kapelstraat 38, Elshout.

Het Hoofdbestuur draagt de volgende collega voor het lidmaatschap van de Konink-
lijke Maatschappij voor Diergeneeskunde voor:

C. G. Vervoorn, Tolsteegplantsoen 389 III, Utrecht.

-ocr page 745-

Adreswijzigingen en dergelijke:

AalJeren-Koster, Mevr. R. van, te Hoensbroek, naar Wilhelminastraat 160 aldaar
(tel. ongewijzigd).
 (140)

.■\\rink, H. B. F., van Varssevcld naar Weesp. Buitenveer 38, tel. (02940) 23 85, P..

ass. bij P. H. Suurd. (141)

Berg, M. van den, te Raalte, naar Zwolsestraat 32, aldaar, tel, (06720) 794 (privé),
391 (praktijk), gr. 1025177, P., geass. met J. R. F. Ex. (143)\'

Buiteman, J. B. M., te Etten, gr. .gewijzigd in 1083299. (149)

C;romwijk, W. .A. J., van Willeskop naar Maarssen. Parkweg 28, tel. (03408) 20 22,
D. b/d G.v.D. i/d prov. Utrecht. (151)\'

Driest, Mr. P. A. van, te Amersfoort, tel. gewijzigd in (03490) 1 63 77. (153)

Franssen, J. O., te Eindhoven, gr. gewijzigd in 1 112451. (156)

Cialesloot, E. A., te Amersfoort, tel. .gewijzigd in (03490) 1 41 38 (privé), 1 56 78
(bur.). (157)

(Iroot, F. E. de, te Ede, naar Burg. Bootlaan 2, aldaar. (159)

Jongh, E. de, van Leiden naar (tijd.) Katwijk aan Zee, Noord Boulevard 26-27 tel
(01718) 38 79. (169)

Kaal, G. Th. F., van Hoogland naar .Amersfoort, Fr. van Blankenheynstraat 49, tel.

(03490) 1 82 72, gr. 461056. (169)

Kalisvaart, J. S., te Zuilichem, huis- en tel. no. te wijzigen in resp. 69 en (04187)
23- (169)

Kruijt, B. C., te Bilthoven, naar .Vliddellaan 13, aldaar (tel, ongewijzigd). (174)
Meier, J, J,, tc Amersfoort, tel, gewijzigd in (03490) 1 76 20, (178)

Meurs, G. K, van, van De Bilt naar Utrecht, Prof, Hugo de Vricslaan 58, tel, ^130)
2 57 67, gr. 137733, wetensch. hoofdambt. R.U. (F.d.D., Inst. Buitenpraktijk).

(179)

Moerkercken van der Meulen, J. L., te Amersfoort, tel. gewijzigd in (03490) 2 1 7 53.

(179)

Niermeijer, Mej. H. E.; 1962: "s-Gravenhage, W. de Zwij.gerlaan 147: tel (070)
55 45 61: wnd. D. (181)

Risseeuw. I. P., te Groede, huisnummer .A-348 wijzigen in 20. (188)

Ruitenberg, E. J., te Amersfoort, tel. .gewijzigd in (03490) 1 57 83. (189)

Schoenmakers, M. J. G., te Amersfoort, tei. gewijzigd in (03490) 1 48 67. (191)
Stol. H. J.. tc Leiden, naar Mariënpoelstraat 55, aldaar, tel. (01710) 5 19 97 (privé),
572 22 toestel 1187 (bur.), wetensch. hfd. ambt. R.U. Leiden (fac. Cicneeskunde).

(195)

lerpstra, J,; 1962: Leeuwarden, Leeuwerikstraat 138-B.: wnd. D. (197)

Veen, H. Tj. van der, te Amersfoort, tel. gewijzi.gd in (03490) 1 35 77. (199)

Vogelzan.g, G,, van Sneek naar Gorinchem, Kon. Wilhclminalaan 20 c, tel. (01830)
37 34. (202)

Vorkink, J, L,, te Amersfoort, tel, .gewijzi.gd in (03490) 1 39 55, (203)

Voûte, E, J,, te Amersfoort, tel. privé en bur. gewijzigd in (03490) 1 47 98. (203)
Vries, G. de, te Amersfoort, tel. gewijzigd in (03490) 1 78 14. (203)

Walsum, J. van. te Bathmen, „D 138a" wijzigen in Schinbeeksweg 23. (204)

Wellensiek, .A. M., te .Amersfoort, tel. gewijzigd in (03490) 1 31 82. (205)

Wensing, G. J. G.: 1962; De Bilt, Prinsenlaan 1 ..Kloosterpark": tel. (030) 6 06 30
(privé), 1 19 94 (bur.): wetensch. ambt. R.U. (F.d.D.. inst. v. Anatomie). (205)
Willemse, A. H., van Utrecht naar Steenwijk, Dolderweg 2, tel, (05210) 25 68, D.

(206)

Openbaar slachthuis te Amersfoort:

Het telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is gewijzigd in (03490) 1 56 78. (108).
Gevestigd:

Schoorlemmer, W. J,, te Baarle Nassau, Kerkstraat 14, tel, (04257) 587, gr. 1020007
(voortzetting praktijk wijlen G, W, Vaal), (191)

-ocr page 746-

Benoemd:

Kraai, Joh., te Bilthoven, te rekenen m.i.v. 1 juni 1962, tot veterinaire Inspecteur
van de Volksgezondheid, tevens Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, voor
het ambtsgebied/district Utrecht, ter standplaats Utrecht. (173)

Poel, T. van der, te Haarlem, te rekenen m.i.v. 1 november 1962, tot Rijkskeurmeester
in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Haarlm.

(185)

Eervol ontslag:

Galesloot, E. A., te Amersfoort, te rekenen m.i.v. 1 januari 1963, op zijn verzoek, als
Rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst. (157)

Diergeneeskundig examen:

Geslaagd op 27 november 1962:

Vervoorn, C. G. (inlassen 201)

Overleden:

Vaal, G. W., te Baarle Nassau, is aldaar overleden op 18 november 1962. (198)

. NIJLON INJECTIESPUITEN

ONBREEKBAAR
VOOR MASSA-INJECTIES

TIJDS-BESPARING _

BUDGETS-BESPARING

Verkrijgbaar bij:

INSTRUMENTENHANDEL OF: L\'UNIVERS - Pr. Bernhardlaan 9 - Bussum

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deelnemingen in het beleggingsfonds voor Medici lijn elk kwartaal
verkrijgbaar voor artsen, tandartsen en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen, ook Indien
zij buiten Nederland wonen.

Men kan in het Fonds participeren voor één of meer deelnemingen.
Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000,-.

Inlichtingen verstrekt de directie i
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappil

Keizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 67661

-ocr page 747-

EXTRA AFLEVERIiG

gewijd aan de

VIJFDE VOORLICHmCSDAG

van de

VEEMTSEMJkUPIGE DIENST

geiiouden te Utreclit
18 oktober 1962

TIIDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE

-ocr page 748-

Ten geleide — Introduction.............1607

W. Wagenvoort, Openingsrede — Opening of the Conference 1609

Veterinaire aspecten in E.E.G.-verband — Veterinary aspects of the
E.E.G.

W. Wagenvoort, E.E.G. en de wering van dierziekten — E.E.C.

and prevention of animal diseases . . ......1612

C. L. C. van Nieuwenhuizen, Algemene en medische aspecten

van de E.E.G. — General and medical aspects of the E.E.C. 1618
M. Karsemeijer, E.E.G. en dierenarts — E.E.C. and veterinarian 1626
]. M, van Vloten, E.E.G. en vleeskeuring — E.E.C. and meat-

inspection .............1634

Discussie — Discussion...............1642

Listeriosis — Listeriosis

R. G. Dijkstra, Meningo-encephalitis listeriosa bij het rund —

Bovine meningo-encephalitis listeriosa......1647

]. Donker-Voet, Epidemiologie van listeriosis — Epidemiology

of literiosis.............1657

E. H. Kampelmacher, Listeriosis en volksgezondheid — Liste-
riosis and public health
..........1664

Discussie—Discussion ..........1671

Mond- en klauwzeer — Foot- and mouth disease

D. }. Vervoorn, De bestrijding van de mond- en klauwzeer epi-
demie, november 1961 tot augustus 1962 — Control of foot-

and mouth disease epidemia, November 1961 to August 1962 1674
ƒ. G. van Bekkum, Ervaringen met de enting van varkens tegen
mond- en klauwzeer — Observations concerning the vaccination

of pigs against foot- and mouth disease......1680

N. F. Werkman, De verwerking van het overtollig destructie-
materiaal, de rattenbestrijding en de geïntensiveerde ontsmet-
tingsmaatregelen — The disposal of superfluous destruction
material, the control of rats and the intensified disinfection

measures ............1687

Discussie — Discussion..........1693

H. H. Scholten, Enkele korte mededelingen over rabies — Some

short notes about rabies ..........1695

M. Karsemeijer, Toespraak — Address......1698

W. Wagenvoort, Sluitingswoord — Closing of the Conference 1699

INHOUD

-ocr page 749-

Ten geleide,

Evenals voorgaande jaren organiseerde de Veeartsenijkundige Dienst
een Voorlichtingsdag voor dierenartsen.

Ook voor deze vijfde Voorlichtingsdag, welke werd gehouden op
18 oktober 1962 te Utrecht, bestond zeer grote belangstelling.
Er werden inleidingen gehouden over de veterinaire aspecten in E.E.G.-
verband, over listeriosis en over de bestrijdingscampagne van de recente
mond- en klauwzeerepizoötie in ons land.

Tevens werd een film vertoond over varkensziekten welke is bestemd
om de varkenshouders voorlichting te geven.

Aan het slot van deze dag gaf Dr. H. H. Scholten, Inspecteur-Districts-
hoofd van de Veeartsenijkundige Dienst, enige bijzonderheden omtrent
het te Amsterdam voorgekomen vermoedelijk geval van rabies.
In deze extra uitgave van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde zijn,
behalve de verschillende inleidingen, opgenomen de toespraken die
werden gehouden door de heer W. Wagenvoort, Adjunct-Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst en de heer M. Karsemeijer, Voorzitter
van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde.
De discussies die op de voordrachten volgden, zijn eveneens in deze
aflevering opgenomen.

De foto\'s werden vervaardigd door de heer J. H. C. Lefeber van de
Afdeling Voorlichting van het Ministerie van Landbouw en Visserij.

IntroJiiction,

As it did in previous yaers, the Veterinary Service has again organized
an Information Day for veterinarians.

This fifth Information Day held on October 18, 1962 in Utrecht, was
also largely attended.

Papers were read on aspects of veterinary medicine relating to the
European Economic Community as well as on listeriosis and the cam-
paign conducted to control the recent outbreak of foot-and-mouth di-
sease in the Netherlands.

In addition, a film on diseases of pigs, designed to enlighten pig-farmers,
was shown.

At the close of this day, Mr. H. H. Scholten, Veterinary Inspector and
District Head of the Veterinary Service, reported a number of details
concerning the probable case of rabies which occurred in Amsterdam.
In addition to the various papers read, this special issue of the „Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde" includes the addresses delivered by Mr.
W, Wagenvoort, Assistant Director of the Veterinary Service and Mr.
M. Karsemeijer, President of the „Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde" (Royal Netherlands Veterinary Association).
The discussions following the reading of the papers have also been in-
cluded in this issue.

The photographs were taken by Mr. J. H. C. Lefeber of the Information
Department of the Ministry of Agriculture and Fisheries.

-ocr page 750-

En ^itise d\'introduction,

Comme dans les années précédentes le Service Vétérinaire a organisé
une Journée d\'Information pour médecins vétérinaires.
Ceux-ci, très nombreux, montraient pour cette cinquième Journée d\'In-
formation également, tenue à Utrecht le 18 octobre 1962, un vif intérêt.
Il y avait des conférences sur les aspects vétérinaires dans le cadre de la
Communauté Economique Européenne (C.E.E.), sur la listeriose et la
récente lutte contre l\'épizootie de la fièvre aphteuse aux Pays Bas.
En outre on présenta un film sur des maladies de porcs, destiné à ren-
seigner les éleveurs de porcs.

Vers la fin de la journée le Dr. H. H. Scholten, Inspecteur et Chef de
District du Service Vétérinaire, révéla quelques détails concernant le cas
présumé de rage qui s\'est présenté à Amsterdam.

Dans cette édition extraordinaire de la „Tijdschrift voor Diergenees-
kunde" on a inséré, à part différentes présentations de rapports, les
allocutions faites par M. W. Wagenvoort, Directeur-Adjoint du Service
Vétérinaire, et par M. M. Karsemeyer, Président de la „Koninklijke
Maatschappij voor Diergeneeskunde" (Société Royale de Médecine
Vétérinaire Néerlandaise).

Ensuite on a publié les discussions qui suivaient les discours.
Les photos ont été faites par M. J. H. C. Lefeber du Département d\'In-
formation du Ministère d\'Agriculture et de Pêche.

Zum Geleit,

Gleichwie in früheren Jahren organisierte der Veterinärdienst einen
Beratungstag für tierärzte.

Auch diesem 5. Beratungstage, der am 18. Oktober 1962 in Utrecht
gehalten wurde, brachte man sehr grosses Interesse entgegen.
Es wurden Referate über die Veterinären Aspekte im E.W.G.-Verband,
Listeriosis und die Bekämpfungskampagne der rezenten Maul- und
Klauenseucheepizootie in den Niederlanden gehalten.
Auch wurde ein Film über Ferkelkrankheiten gezeigt, der dazu be-
stimmt ist die Schweinezüchter aufzuklären.

Am Schluss des Tages gab Dr. H. II. Scholten, Kreisinspektor des Vete-
rinärdienstes, einige Besonderheiten betreffs des in Amsterdam vorge-
kommenen, vermutlichen Rabiesfalles.

In dieser Extraausgabe der „Tijdschrift voor Diergeneeskunde" sind
ausser den verschiedenen Referaten, auch die Ansprachen des Herrn
W. Wagenvoort, stellvertr. Direktor des Veterinärdienstes und Herrn
M. Karsemeijer, Vorsitzender der „Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde" (Königliche Niederländische Veterinärmedizinische Ge-
sellschaft) aufgenommen.

Auch die Diskussionen, die den Vorträgen folgten, sind gleichfalls in
dieser Ausgabe aufgenommen worden.

Die photographischen Aufnahmen wurden von Herrn J. H. C. Lefeber
von der Abteilung Aufklärung beim Ministerium für Landwirtschaft
und Fischerei gemacht.

-ocr page 751-

Openingsrede ter gelegenheid van de vijfde
Voorlichtingsdag van de Veearfsenijkundige
Dienst.

door W. WAGENVOORTi)
Dames en Heren,

Namens de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, die wegens ernstige
ziekte helaas niet aanwezig kan zijn en die wij \\ anaf deze plaats van harte
beterschap en een spoedig herstel toewensen, is het mij een voorrecht U,
Nederlandse dierenartsen, in zo grote getale wederom op deze vijfde voor-
lichtingsdag te mogen zien en welkom te heten. Uw aanwezigheid hier geeft
ons een stimulans om door te gaan met deze voorlichtingsdagen.

De Directeur-Generaal \\an de Landbouw, Ir. Wellen, die het \\oomemen
had heden in ons midden te vertoeven, moest op de valreep helaas daarvan
afzien wegens het deelnemen \\andaag aan een spoedbespreking over een
belangrijke aangelegenheid met de Minister van Landbouw en Visserij. De
afwezigheid van Ir. Wellen spijt ons te meer omdat hij steeds blijk heeft ge-
geven van grote belangstelling voor de dierziektenbestrijding en het vete-
rinaire onderzoek in Nederland, waan-oor wij uiteraard veel waardering
hebben.

Het spijt ons zeer, dat de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, Prof.
Mimtendam, vandaag onmogelijk aanwezig kan zijn. De volksgezondheids-
aspecten nemen een steeds grotere plaats in onze Dienst in.
Wij betrein-en het tevens, dat de heer Dijkhuis, Geneeskundig Hoofd-
inspecteur van de Volksgezondheid, wegens \\\'erblijf in het buitenland van-
daag niet aanwezig kan zijn. Het nauwe contact en de prettige samen-
werking tussen zijn dienst en onze dienst stellen wij steeds op zeer hoge prijs.
Wij beschouwen het als een voorrecht dat de Facidtcit der Diergeneeskunde
\\an de Rijksuniversiteit te Utrecht ook vandaag weer vertegenwoordigd is
door Prof. Romijn. De voortzetting van het onderzoek aan\'Uw Facidteit,
Prof. Romijn, t.b.v. de praktizerende dierenartsen wordt door onze dienst
met zeer veel belangstelling gevolgd.

Nu het Eeuwfeest van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskimde
achter de rug is, is het mij een eer U als voorzitter van die maatschappij
van harte te complimenteren met de stijlvolle wijze, waarop dit Eeuwfeest
werd gevierd. Een nauw contact tussen Uw bestuur en de Veterinaire
Dienst is ook in de toekomst noodzakelijk. C\'ollega Karsemeijer, hartelijk
welkom!

Het spijt on.s, dat Dr. Zuijdam, secretaris van de Gezondheidscommissie
voor Dieren, wegens ziekte niet aanwezig kan zijn. Van deze plaats af wens
ik hem van harte beterschap toe. Als zijn plaatsvervanger heet ik welkom
collega ter Heege. Ook heren Directeuren van de Gezondheidsdiensten van
harte welkom!

W. Wa.genvoort, Adjunct-Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens
Veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid, le v. d. Boschstraat 4, \'s-Graven-
hage.

-ocr page 752-

Het afgelopen jaar zijn er vele contacten geweest tussen Uw dienst en de
onze. Al deze contacten hadden hetzelfde doel; de bevordering van de dier-
ziektenbestrijding in Nederland. Indien wij gezamenlijk een en hetzelfde
doel voor ogen houden, is een vruchtbaar overleg in de toekomst verzekerd.

Voorts heet ik hartelijk welkom Dr. Hoedemaker, Algemeen Directeur van
het Centraal Diergeneeskundig Instituut, en Dr. van Bekkum, Directeur van
de afdeling Amsterdam. Wij betreuren het, dat collega Van Waveren,
Directeur van de afdeling Rotterdam, wegens gezondheidsredenen niet aan-
wezig kan zijn. Onze beste wensen voor een spoedig herstel vergezellen hem.
Een intensief contact en vruchtbaar overleg tussen Uw Instituut en de
Veterinaire Dienst is onmisbaar. Gezamenlijk zullen grote beslissingen voor
de toekomst moeten worden genomen.

Voorts spijt het ons, dat Dr. Spaander, Alemeen Directeur van het Rijks-
instituut voor de Volksgezondheid, onmogelijk hier aanwezig kan zijn. Een
nauw contact tussen het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid en de Vete-
rinaire Dienst zal ook in de toekomst nodig zijn om vele volksgezondheids-
problemen op te lossen.

Voorts werd mij op het laatste moment telefonisch medegedeeld door col-
lega Quaedvlieg, oud-Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, dat hij
helaas deze morgen wegens bepaalde redenen niet aanwezig kan zijn. Dit
spijt ons zeer, omdat de heer Quaedvlieg steeds blijvende interesse voor onze
Dienst blijft tonen. De heer Quaedvlieg was hier van harte welkom geweest.
Speciaal wil ik hier welkom heten de Inspecteurs en Adjunct-Inspecteurs
van onze Dienst. Veel is er in het afgelopen jaar van Uw krachten en in-
zicht gevergd. Hartelijk dank hiervoor!

Voorts heet ik U allen, die hier aanwezig zijn, hartelijk welkom!
Dat U zich offers moet getroosten om deze voorlichtingsdag te kunnen bij-
wonen, daar\\\'an zijn wij ons terdege bewust.
Uw aanwezigheid wordt dan ook door ons zéér op prijs gesteld.

Dames en Heren,

De voorlichtingsdagen van de Veeartsenijkundige Dienst zijn gekenmerkt
door een eigen karakter. Op deze dagen worden nl. die problemen naar
voren gebracht, waarbij de Veterinaire Dienst direct of indirect bij be-
trokken is.

Bij de samenstelling van het programma van deze voorlichtingsdag is hier-
mede rekening gehouden, terwijl daarnaast zoveel mogelijk variatie in de
onderwerpen is aangebracht. De voorlichting aan en het contact met de
Nederlandse dierenartsen zien wij als een noodzakelijke taak van onze dienst
en wij hopen deze voorlichting dan ook in de toekomst belangrijk te kunnen
uitbreiden.

Van het programma van deze voorlichtingsdag hebt U allen kennis ge-
nomen of althans kunnen nemen. De sprekers zijn allen dierenarts, uitge-
zonderd Dr. van Nieuwenhuizen, die als medicus hier een apart facet zal
belichten. Dr. van Nieuwenhuizen, U wil ik ook speciaal danken, dat U zich
beschikbaar hebt willen stellen om de veterinairen vandaag een inzicht te
geven in de medische aspecten van de E.E.G., hartelijk welkom!
Het in het programma aangekondigde onderwerp, dat door de heer Van
den Bom zou worden behandeld, wordt overgenomen door de heer Ver-

-ocr page 753-

voorn, die in zijn onderwerp een algemeen beeld van de mond- en klauw-
zeerbestrijding in Nederland zal verwerken, terwijl collega Van Bekkum
speciale aandacht zal schenken aan de enting van varkens tegen mond- en
klauwzeer.

De discussieleider, collega Werkman, zal U na elke reeks voordrachten de
gelegenheid geven over deze onderwerpen te discussiëren. Wij moeten ons
echter wel nauwgezet aan het programma en de tijden houden, willen wij
evenals vorig jaar deze voorlichtingsdag om 4 uur kunnen beëindigen.
Ook dit jaar ligt het in de bedoeling in een extra nummer van het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde alle voordrachten en discussies te publiceren.
Voor de toegezegde medewerking van de Redactie van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde zijn wij dan ook zeer erkentelijk.

Dames en Heren,

Tenslotte stel ik U voor de heer Van den Bom, wiens aanwezigheid hier node
wordt gemist, een telegram te doen toekomen met onze beste wensen voor
een spoedig en algeheel herstel.

Ik wens U een prettige en vruchtbare dag toe en ik hoop dat velen van U
aan de discussies zullen deelnemen.

Hiermede verklaar ik deze 5e voorlichtingsdag voor geopend.
SAMENVATTING.

De Adjunct-Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst opent namens de Directeur,
die wegens ernstige ziekte niet aanwezig kan zijn, de vijfde Voorlichtingsdag van
zijn Dienst met een hartelijk welkom aan de autoriteiten en andere vertegenwoor-
digers en de talrijke dierenartsen.

SUMMARY.

On behalf of the Director who cannot attend for reasons of severe ill-health, the
fifth Information Day of the Veterinary Service is opened by the Assistant Director
of this Service with a warm welcome to the authorities and other representatives as
well as to the large number of veterinarians present.

RÉSUMÉ.

Au nom du Directeur qui par suite d\'une grave maladie ne peut être présent, le
Directeur-Adjoint du Service Vétérinaire prononce le discours d\'ouverture de la
cinquième Journée d\'Information de son Service en faisant bon accueil aux Auto-
rités et aux autres représentants et aux nombreux médecins vétérinaires.

ZUSAMMENFASSUNG.

Der stellvertretende Direktor des Veterinärdienstes eröffnet im Namen des durch
schwere Krankheit verhinderten Direktors, den 5. Tierärztetag mit einem herzlichen
Begrüszungswort an die Autoritäten, die verschiedenen Vertreter und zahlreichen
Tierärzte.

-ocr page 754-

E.E.G. en de wering van dierzielifen.

E.E.C. and prevention of animal diseases.

door W. WAGENVOORTi)

Zoals uit de naam „Europese Economische Gemeenschap" naar voren komt,
staat in dit verband de economie op de voorgrond. Met name is de be-
doeling een vrij handelsverkeer tussen de lid-staten mogelijk te maken. De
artikelen 30 en 34 van het E,E,G,-verdrag zeggen op dit punt bijvoorbeeld
duidelijk, dat kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen
van gelijke strekking tussen de lid-staten verboden zijn.
Het is echter evenzeer duidelijk, dat een dergelijk vrij verkeer op het vete-
rinaire terrein gevaren inhoudt voor de verbreiding van dierziekten. Uit
dien hoofde is dan ook in artikel 36 van het Verdrag \\-an Rome bepaald, dat
verboden van in-, uit- en doorvoer wel gerechtvaardigd zijn, indien zij ge-
troffen worden ter bescherming van de openbare zedelijkheid, orde, veilig-
heid en ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen,
dieren en planten. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen mid-
del tot willekeurige discriminatie, noch een verkapte beperking van de
handel tussen de lidstaten vormen.

De situatie van thans is U allen uit praktische ervaring waarschijnlijk wel
bekend. De practici worden geconfronteerd met een verscheidenheid van
eisen bij de uitvoer van levend vee. Dit geldt evenzeer voor de collegae-
hygiënisten, voorzover het de uitvoer van vlees en vlcesprodukten betreft.
Ieder land stelt zijn eigen eisen, die naar eigen inzicht zijn afgestemd op
de eigen omstandigheden. Het is duidelijk, dat een uniformering zal moeten
plaatsvinden, wil een vrij handelsverkeer zich kunnen ontwikkelen met in-
achtneming van de eis van \\\'eiligstelling \\ an de belangen op het gebied van
de gezondheid van mens en dier.

Inleidende besprekingen om hiertoe te geraken zijn geëntameerd door het
Office International des Epizoöties te Parijs in 1958, welk iniüatief werd
voortgezet onder auspiciën van het secretariaat van de E.E,G,-organisatie
te Brussel sinds 1959,

Het behoeft geen betoog, dat dergelijke besprekingen moeizaam verlopen.
Iedere partner staat op de importeisen, die naar zijn inzicht gerechtvaar-
digd zijn, zodat het gevaar bestaat, dat het resultaat een samenstel wordt
van de zwaarste eisen, die door elke lid-staat op elk afzonderlijk onderdeel
worden gesteld. Deze overdreven zware eisen werken dan averechts om het
doel van een ruimer handelsverkeer te bereiken.

Hierbij moet echter worden bedacht, dat ieder land op dezelfde voorwaar-
den zowel de invoer moet toestaan als tot uitvoer in staat moet zijn. Dit
aspect maakt, voor wat betreft Nederland, de zaak van de uniformering
dubbel moeilijk, daar de andere vijf landen bijvoorbeeld o]) het belangrijke
terrein van de export van fokmateriaal slechts import kennen en Nederland
uitsluitend export.

De conclusie is dan ook, dat terzake een compromis bereikt moet worden
tussen enerzijds de noodzakelijke import-eisen en anderzijds de maximaal te
geven export-garanties.

W. Wagenvoort, Adjunct-Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, le v. d.
Boschstraat 4, \'s-Gravenhage.

-ocr page 755-

Binnen het kader van de E.E.G. is ter formulering van de uniforme handels-
voorwaarden, voorzover deze het \\\'eterinaire terrein raken, een werkgroep
„Veterinaire Wetgeving" gevormd. Deze werkgroep beweegt zich zowel op
het terrein van de handel in levende dieren als op dat van de handel in
vlees.

Aangezien het aspect „handel in vlees" behandeld zal worden door Dr.
V a n V 1
O t e n zal ik mij thans verder beperken tot het onderdeel „handel
in levend vee".

Bij de behandeling van de onderhavige materie in de subgroep „Levend
Vee" bleek reeds bij de aanvang de wenselijkheid een afzonderlijke weten-
schapplijke subcommissie in te stellen, ter formulering van de methoden
van onderzoek. Het is immers duidelijk, dat onderling dezelfde methoden
van onderzoek en diagnostische middelen moeten worden gebruikt en over-
eenstemming moet bestaan over de interpretatie van de uitkomsten, zoals
bijvoorbeeld van de tuberculinatie, het onderzoek op abortus Bang en mas-
titis, willen wij elkaar begrijpen en in dit opzicht dezelfde taal spreken.
De besprekingen kwamen slechts moeizaam op gang en waren niet een-
\\\'Oudig, speciaal voor Nederland. Vele vergaderingen volgden elkaar in een
steeds sneller tempo op, naarmate de streefdatum 1 juli 1962 voor indiening
van het eindresultaat, de zogenaamde ,,Richtlijn voor de handel in levend
vee", in zicht kwam. Deze datum werd echter overschreden, doch op dit
moment kan worden gesteld, dat bedoelde Richtlijn vrijwel in laatste versie
gereed is.

De stand van zaken met betrekking tot de eisen voor het handelsverkeer
op dit stuk thans globaal overziende, kan worden gezegd, dat zowel uit het
oogpunt van de wering van dierziekten gezien, als uit dat van de e.xport-
mogelijkheden, een bevredigend compromis is gevonden. Zij zijn enerzijds
voor wat betreft de e.xport voor onze mogelijkheden niet onaanvaardbaar
cn bieden anderzijds \\\'oor de wering van dierziekten voldoende waarborgen.

De eerdergenoemde „Richtlijn", waar\\ an ik thans de belangrijkste punten
met U ga bezien, bestaat tut 12 artikelen en
5 bijlagen. In vier van deze
bijlagen is het resultaat van de besprekingen in de eerdergenoemde weten-
schappelijke commissie ter standaardisering \\an de methoden van onder-
zoek vastgelegd. Het gaat hier onder anderen om de omschrijving van
t.b.c.- en abortus-vrije runderen en varken.s, resp. rundvee- en varkens-
beslagen, de bereiding en toepassing van tuberculine en de diagnostica voor
het onderzoek op abortus, alsmede de technische kanten van het melk-
onderzoek op mastitis.

In de vijfde bijlage worden tenslotte de modelteksten voor de certificaten,
die de transporten moeten begeleiden, gegeven. Mijns inziens zijn deze mo-
dellen onhandelbaar uitgebreid en moet nog worden getracht deze tot rede-
lijke proporties terug te brengen. Het model draagt in de kop de naam van
de verantwoordelijke staatsinstantie en uit de opzet blijkt, dat het certificaat
wordt afgegeven onder verantwoordelijkheid van de officiële veterinaire
dienst. De noodzakelijke onderzoekingen in verband met de afgifte van het
certificaat dienen naar het inzicht van de partners óf door de veterinaire
dienst zelf, of althans onder diens controle, te geschieden.
Keren wij thans terug tot de Richtlijn zelf. Tot nu toe is alleen over rund-
vee en varkens in het intercommunautaire verkeer gesproken. Binnenkort
zal een aanvang worden gemaakt met de formulering van de bepalingen

-ocr page 756-

over de invoer uit derde landen voor deze diersoorten en voor het inter-
communautaire verkeer van broedeieren en eendagskuikens.

Wat de algemene eisen voor de handel in runderen en varkens betreft het
volgende.

Uiteraard moeten de dieren klinisch gezond zijn op het moment van keu-
ring. Zij moeten voorts in principe rechtstreeks van de bedrijven afkomstig
zijn. Op dit bedrijf moeten zij tenminste de laatste 30 dagen hebben ver-
bleven, terwijl aldaar voorts in de laatste 3 maanden geen gevallen van
mond- en klauwzeer, abortus Bang — en voorzover het varkens betreft —
brucellosis suis, varkenspest en Teschener ziekte mogen zijn geconstateerd
en verder mogen gedurende de laatste 30 dagen geen andere aangifte-
plichtige ziekten op het bedrijf zijn voorgekomen.

Voor wat het gebied met een doorsnede van 20 km rond het bedrijf van
herkomst betreft, geldt dat daarin gedurende de laatste 30 dagen geen ge-
val van mond- en klauwzeer mag zijn opgetreden. Voor de export van
varkens komt hier nog varkenspest en Teschener ziekte bij. De dieren moe-
ten identificeerbaar zijn door oormerken; bij varkens mag echter ook een
onuitwisbare stempelafdruk worden gebezigd. Bepalingen zijn opgenomen
over het vervoer om besmettingen langs deze weg te veiTnijden. Tot zover
de algemene eisen.

De bijzondere bepalingen voor fok- en gebruiksrunderen zijn als volgt te
omschrijven. De dieren moeten geënt zijn tegen mond- en klauwzeer, welke
enting tenminste 15 dagen en ten hoogste 4 maanden geleden moet hebben
plaatsgevonden. Zij moeten voorts afkomstig zijn uit een t.b.c.- en abortus-
vrij beslag en zelf t.b.c.- en abortus-vrij zijn, hetgeen moet blijken uit een
tuberculinatie en bloedserumagglutinatie, die ten hoogste 30 dagen vóór de
verzending moet hebben plaatsgevonden. Als bijzonderheid vermeld ik in
dit verband, dat een andere titer-aanduiding zal worden gebezigd. Deze zal
na de inwerkingtreding in Internationale Eenheden (I.E.) worden uitge-
drukt. De in lactatie zijnde dieren mogen geen klinische verschijnselen van
uierontsteking vertonen. Bovendien moet een rnelkonderzoek plaatsvinden,
waarbij geen verschijnselen van zulk een ontsteking, noch pathogene kie-
men, mogen worden vastgesteld.

Voor de varkens, voorzover zij niet voor directe slachting in het bestem-
mingsland zijn bestemd geldt, dat zij afkomstig moeten zijn uit een bedrijf,
waar gedurende de laatste 12 maanden geen brucellosis suis of verdachte
verschijnselen daarvan voorgekomen zijn en waarbij in de omgeving daar-
van met een doorsnede van 20 km deze ziekte ambtelijk niet is vastgesteld.
Tenslotte moeten de eventueel gelijktijdig op het bedrijf gehouden runderen
brucellosc-vrij zijn. Voorzover de te exporteren dieren zwaarder dan 25 kg
wegen, moet de C.B.R. en de bloedserumagglutinatie negatief zijn.

Met betrekking tot slachtdieren is de algemene bepaling opgenomen, dat
dieren die van de bedrijven afgevoerd worden in het kader van een bestrij-
dingsprogramma, niet voor export in aanmerking komen. Slachtrunderen
boven de leeftijd van 4 maanden moeten in principe eveneens ten hoogste
4 maanden en ten minste 15 dagen vóór de dag van verlading tegen mond-
en klauwzeer zijn geënt en voorzover zij niet uit een t.b.c.-vrij of abortus-vrij
beslag afkomstig zijn, negatief op de tuberculinatie en de bloedserum-
agglutinatie hebben gereageerd. Hierop zijn echter uitzonderingen mogelijk,
waarop ik straks terugkom.

-ocr page 757-

De te exporteren dieren mogen, behalve op bedrijven, ook op speciale mark-
ten voor fok- en gebruiksdieren of voor slachtdieren worden aangekocht.
Bedoelde markten moeten onder toezicht van een officieel daartoe aange-
wezen dierenarts staan en in een ziektevrij gebied liggen. Deze zone moet
20 km in doorsnede zijn en daarin mogen gedurende de laatste 30 dagen
geen mond- en klauwzeer, noch voorzover het varkens betreft, varkenspest of
Teschener ziekte, voorgekomen zijn.

Alle op de markt aan te voeren dieren moeten volledig aan de eisen van
export voldoen, dus exportklaar zijn. Dit is een geheel nieuwe figuur.
Er
moet derhalve rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat ook
in ons land dit type „exportmarkt" gaat ontstaan. Aanvankelijk was de eis,
dat bedoelde markten, zowel naar tijd als naar plaats van de overige mark-
ten gescheiden moesten zijn, zodat geheel nieuwe emplacementen opgericht
zouden moeten worden. De eis van scheiding naar plaats is inmiddels na
ampele besprekingen vervallen. Mits behoorlijk gedesinfecteerd, kan der-
halve nu een gebruikelijk marktterrein voor het houden van een
export-
markt
worden aangewezen. Deze exportmarkt moet dan worden gehouden
op een andere dag dan waarop de normale binnenlandse veemarkt wordt
gehouden. .Afgewacht zal dienen te worden hoe deze figuur zich in de
praktijk zal gaan ontwikkelen.

Ik heb zoëven enige malen de woorden „in principe" gebruikt. Inderdaad
zijn afwijkingen van de genoemde eisen mogelijk. Deze afwijkingen moeten
dan echter steeds uitdrukkelijk tussen de lid-staten worden overeen-
gekomen. Zo kan bijv. de enting tegen mond- en klauwzeer van slacht-
runderen vervallen, wanneer in het land van herkomst van deze runderen
en in de eventueel doorvoerende landen sinds 6 maanden geen mond- en
klauwzeer voorkomt. Is dit niet mogelijk, dan kan ook overeengekomen
worden, de enting te vervangen door een inspuiting met hoogimmuun-
serum.

Voor wat betreft de fok- en gebruiksrunderen kan worden overeengekomen,
dat zij afkomstig mogen zijn uit een wel tegen abortus geënt beslag in plaats
van uit een ongeënt beslag. Voorts kan met betrekking tot slachtrunderen
nog worden overeengekomen, dat deze positief op de tuberculinatie heb-
ben gereageerd of een positieve bloedserumagglutinatie ten opzichte van
abortus Bang vertonen.

Een en ander dient alsdan aan alle landen, die samenwerken in E.E.G.-
verband en aan de centrale instantie der E.E.G. te worden bericht en moet
blijken uit de certificaten. Deze bepaling is opgenomen om de concurrentie-
mogelijkheden gelijk te houden voor alle partners. Bevoordeling van de
handel tussen 2 partners is namelijk niet toegestaan.

Overeenkomstig de strekking van bet reeds genoemde artikel 36, bevat de
„Richtlijn" nog bepalingen, die het importerende land de mogelijkheid
bieden, ter wering van dierziekten, bepaalde transporten te weigeren.
Om des tijds wille kan ik bier nu echter niet verder op ingaan, doch ik ben
gaarne bereid straks bij de discussie hierover nog nadere inlichtingen te
geven in antwoord op eventuele vragen.

Hetzelfde geldt voor de voorzieningen, die in de Richtlijn zijn opgenomen
ter veiligstelling van de belangen van de handel tegen een ongemotiveerd
gebruik van de mogelijkheid om transporten te weigeren.

-ocr page 758-

Ik meen U hiermede een indruk te hebben gegeven van de strekking van
de bepalingen, die in E.E.G.-verband met betrekking tot de handel in
levend vee worden voorbereid. Dit kan echter niet anders dan een globaal
overzicht van de huidige stand van zaken zijn. Ik heb U niet willen en
kunnen vermoeien met bijzonderheden, die aanvankelijk naar voren kwa-
men en waartegen de Nederlandse delegatie, met het oog op de export-
positie van Nederland, zich met wisselend succes heeft moeten verzetten.
Zelfs op dit moment zijn sommige punten nog niet geheel opgelost en
moeten wij blijven argumenteren om tot een uit veterinair oogpunt gezien,
aanvaardbare oplossing te komen.

Eén algemene opmerking moet ik echter nog maken en daarbij wil ik aan-
haken bij hetgeen ik in het allereerste begin van mijn praatje heb gezegd.
De E.E.G.-organisatie is in eerste instantie economisch gericht en beschikt
niet over een veterinaire afdeling. Bij de voorbereiding van de maatregelen,
die ik thans met U heb mogen bezien, is de behoefte aan de instelling van
een dergelijke afdeling sterk naar voren gekomen. Met de wens, dat in de
nabije toekomst zal mogen blijken, dat de omvangrijke arbeid, die aan de
geschetste maatregelen ten grondslag heeft gelegen, tot voordeel van West-
Europa moge strekken, wil ik deze causerie besluiten.

SAMENVATTING.

Spreker wijst op de gevaren, welke een vrij handelsverkeer tussen de lid-staten van
de E.E.G. met zich meebrengt voor de verbreiding van dierziekten.
In het E.E.G.-verdrag is rekening gehouden met de wenselijkheid om maatregelen
te kunnen treffen om dit gevaar te keren.

Er bestaat thans nog een grote verscheidenheid van eisen bij de invoer van levend
vee, ter bescherming van de gezondheid en het leven van dieren in de importerende
landen.

Moeizame onderhandelingen hebben geleid tot een compromis dat uit het oogpunt
van de wering van dierziekten enerzijds en de exportmogelijkheden anderzijds gezien,
bcvredi.gend is. Dit laatste is voor Nederland als enig exportland onder de E.E.G.-
partners van belang te achten.

De belangrijkst punten van deze regeling, de z.g. Richtlijn voor de handel in levend
vee, welke Richtlijn thans vrijwel in de laatste versie gereed is, worden be.sproken.
Spreker wijst op de behoefte aan de instelling van een veteriaire afdeling van de
E.E.G.-organisatie.

SUMMARY.

.«Attention is drawn to the fact that free commercial traffic between the member
nations of the European Economic Community involves the danger of a spread of
animal diseases.

The desirability of being in a position to adopt measures to avoid this danger was
taken into account in the Treaty of Rome.

To-day there still is a wide variety of recjuirements with regard to the import of live
cattle, which requirements are designed to protect the health and life of animals in
the importing countries.

Laborious negotiations have resulted in a compromise which may be considered
satisfactory from the point of view of preventing animal diseases on the one hand
and maintaining export on the other. The latter is of importance to the Netherlands
as this is the only exporting country among the E.E.C.-partners.
The main points of this arrangement, the so-called Principle guiding the trade in live
catde, the final version of which has been virtually completed, are reviewed. The
need of establishing a veterinary department of the E.E.C.-organization is stressed.

-ocr page 759-

RÉSUMÉ.

Le rapporteur si.gnale les dan.gers que les relations libres de commerce entre les états-
membres de la Communauté Economique Européenne (C.E.E.) amènent pour la
dispersion de maladies animales.

Dans le traité de la C.E.E. on a tenu compte de l\'intérêt qu\'il y a à pouvoir prendre
des mesures afin de mettre obstacle à ce danger.

Pour l\'importation de bétail vivant il existe encore à présent une grande diversité de
critères, afin de protéger la santé et la vie d\'animaux dans les pays d\'importation.
Des négociations laborieuses ont abouti à un compromis qui du point de vue d\'en-
rayement de maladies animales d\'un part, et de possibilités d\'exportation d\'autre part,
est satisfaisant. Ce dernier fait doit être estimé d\'importance pour les Pays Bas comme
seul pays d\'exportation parmi les partenaires de la C.E.E.

Les points principaux de cet arrangement, notamment la Directive pour le commerce
en bétail vivant, laquelle Directive est à présent à peu près achevée dans sa dernière
version, sont discutés. Le rapporteur signale le besoin qu\'on ressent de la création
d\'une section vétérinaire dans l\'organisation de la C.E.E.

ZUSAMMENFASSUNG.

Referent vifeist auf die Gefahren hin, die ein freier Handelsverkehr zwischen den
Mit.gliedstaaten der E.W.G. betreffs der Verbreitung von Tierkrankheiten mit sich
bringt.

Im Rom-Vertrag ist mit dem Verlangen, um gegenüber dieser Gefahr Massnahmen
treffen zu können, Rechnung gehalten worden.

Es bestehen augenblicklich noch grosse Unterschiede in den Forderungen bei der
Einfuhr von lebendem Vieh mit Hinsicht auf die Beschirmung der Gesundheit und
des Lebens der Tiere in den importierenden Ländern.

Mühsame Unterhandlungen haben zu einem .Ausgleich .geführt, der einerseits vom
Standpunkt der Verhütung von Tierkrankheiten und andrerseits der Exportmöglich-
keiten gesehen, befriedigend zu nennen ist. Das Letztcrc ist für die Niederlande, als
einziges Exportland unter den E.W.G.-Partnern von Wichtigkeit.
Es werden die wichtigsten Punkte dieser Regelung, die sogen. Richtlinie für den
Handel in lebenden Vieh, die nun fast ihre endgültige Fassung hat, besprochen.
Referent weist auf die Notwendigkeit zur .Aufrichtung einer Veterinärabteilung bei
der E.W.G.-Organisation hin.

-ocr page 760-

Algemene en medische aspecten van de Europese

Economische Gemeenschap.

General and medical aspects oj the European Eco-
nomic Community.

door C. L. C. VAN NIEUWENHUIZEN^)
Zeer geachte toehoorders,

Als ik de bedoeling van de organisatoren van deze dag goed heb begrepen,
dan wil men van mij hoofdzakelijk horen, hoe de medici het probleem
van de vrije circulatie van de artsen hebben bestudeerd, hebben begrepen,
welke conclusies zij uit deze studie hebben getrokken, en wat de vorm
is van de organisatie die ze hebben gekozen om deze problemen verder
tot ontwikkeling te brengen.

Het zal wel zo zijn, dat de richtlijnen, die wij in ons beleid zien, voor
Uw Maatschappij iets anders liggen, maar wellicht kan het zijn nut heb-
ben verslag te doen van onze ervaringen, op dit nog zo nieuwe gebied.
Zoals U wel bekend zal zijn, ontstond de neiging tot contact binnen
Europa het eerst in Beneluxverband, en dit reeds tijdens de oorlog.
In Benelux-verband wilde men reeds toen overgaan tot een slopen van
tolmuren, een opstellen van een „buitentarief" ten aanzien van derden en
vooral ook wilde men komen tot een vrije vestiging. Het is merkwaardig
dat deze vrije vestiging binnen Benelux-verband, die toch al zoveel vroe-
ger is bestudeerd, nooit tot realiteit is geworden, steeds een illusie is ge-
bleven, terwijl onze landen toch zo dicht bij elkaar zijn gelegen en niet
zoveel verschillen als de andere landen binnen E.E.G.-verband. Het is
waarschijnlijk, dat de oorzaak is dat dwangmaatregelen ontbraken.
Ook op ander gebied heeft men gezien, dat voorgestelde plannen niet tot
ontwikkeling kwamen, b.v. de reeds in de oorlog geplande „O.E.E.S.",
die niet kwam tot een verdere integratie, die slechts op papier bleef be-
staan, terwijl de grote ontwikkeling van de E.E.G. pas na de oorlog is ont-
staan door samenwerking van Jean Monnet en Robert Schu-
m a n. Schuman is degene die voor de eerste wereldoorlog aan Duitse
zijde vocht (hij was een Elzasser) die later Minister in Frankrijk werd,
en die daarom aan den lijve heeft gevoeld, welk een dwaasheid het was,
de verdeling van Europa op deze wijze te laten voortbestaan met alle
kansen op nieuwe conflicten.

De grondgedachte was, dat wanneer de bronnen van de kolen- en staal-
produktie in gemeenschappelijke handen kwamen, dat het dan onmoge-
lijk moest zijn om deze te benutten voor een wederzijdse oorlog. Het
merkwaardige is, dat hoewel de oorspronkelijke motieven dus polidek
waren, en secundair economisch, eenmaal deze beweging op gang ge-
bracht zijnde, niet viel te miskennen, dat er een sterk idealistische tendens
ontsproot aan een dus veel beperkter doelstelling. De grote greep, die
Monnet en Schuman deden was bovendien, dat men het nieuwe Europa
trachtte veilig te stellen door het creëren van een „Hoge Autoriteit", en
deze Hoge Autoriteit was dan niet gebonden aan de politiek van de zes
landen afzonderlijk.

1) Dr. C. L. C. van Nieuwenhuizen, oud-Voorzitter van de Landelijke Specialisten-
vereniging, Ramstraat 2, Utrecht.

-ocr page 761-

Men traclUte toen nog verder te gaan door in 1954 te komen tot een
Europese Defensie Gemeensciiap, dit is helaas toen verijdeld door een
obstructie van Frankrijk. Als reactie daarop kwam de Europese gedachte
in een nieuwe versnelling door de constructie van de „Euratom", een ge-
meenschappelijke organisatie ter bestudering en benutting van atoom-
energie.

Daarnaast en tenslotte kwam dan de Europese Economische Gemeen-
schap, waarover ik al sprak, de z.g. Euromarkt, waarvan het verdrag
gesloten is in Rome, en waarvan het artikel 57 met zijn 3 leden voor
ons het allerbelangrijkste zijn.

Dit artikel behelst dan het volgende.

Teneinde de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst (hier-
mee worden dus de vrije beroepen gesteld) en de uitoefening daarvan te
vergemakkelijken, stelt de Raad op voorstel van de Commissie en na raad-
pleging van de vergadering (dit is dan de Raad van Europa in Strassbourg),
tijdens de eerste etappe met eenparigheid van stemmen en daarna met ge-
kwalificeerde meerderheid, (en nu komt het dan):
richtlijnen vast inzake
de onderlinge erkenning van diploma\'s, certificaten en andere titels.

In het tweede lid wordt dan gesproken over de richtlijnen inzake de co-
ördinatie van wettelijke, bestuursrechtelijke, bepalingen van de lidmaten,
betreffende toegang tot de werkzaamheden anders dan in loondienst; en
dat zijn dan de maatregelen die het mogelijk moeten maken om toegang
te krijgen als beoefenaar van een vrij beroep in een ander land.

In het derde lid wordt een eigenaardige, aparte beveiligingsclausule op-
gesteld. Het is nl. merkwaardig, dat wat de geneeskunde, de para-medi-
sche en de farmaceutische groepen betreft ( en naar mijn mening be-
horen daar dus ook de veterinairen onder) dc geleidelijke opheffing van
de beperkingen afhankelijk zal zijn, (en dat is een zeer belangrijke be-
paling),
„van de coördinatie van de voorwaarden, waaronder ze in verschil-
lende lidstaten worden uitgeoefend".
Dat betekent dat er eerst een zekere
mate van gelijkheid moet zijn omtrent de beroepsuitoefening, voordat
men tot een vrije circulatie kan komen.

Dit laatste artikel geeft nu aan degenen die obstructie willen voeren
tegenover een vrije circulatie van de vrije beroepen, de mogelijkheden
om de voorwaarden als zodanig verschillend te interpreteren, dat de ge-
lijkheid daaruit niet afleidbaar is, en dat men moet komen tot de er-
kenning, dat een vrije circulatie onmogelijk is. Dit speelt voortdurend in
de onderhandelingen over de toekomst van de vrije beroepen binnen
E.E.G.-verband, omdat verschillende landen suggereren, dat een bepaald
ander land (i.e. Italië) voor wat betreft de medische opleiding zo ver-
schillend is met andere landen, dat dit land niet voor vrije circulatie in
aanmerking kan komen, en het zijn vooral de Fransen, die altijd aan-
dringen op bilaterale verdragen, die overigens in het verdrag van Rome
niet zijn voorzien.

Het is ook niet onze indruk, dat de „Commissie" in Brussel het in deze
richting wil sturen, en ik heb veel meer de indruk, dat de „Commissie"
alles tracht te doen, om de vrije circulatie tot een realiteit te maken.

Waarom deze grote belangstelling van de Commissie in Brussel voor de
vrije circulatie van een toch maar zeer beperkte groep van mensen?

-ocr page 762-

In de eerste plaats omdat men de beoefenaren van de vrije beroepen wil
meesturen met de verwachte migratie van grote arbeiderscontingenten,
als een soort morele steun.

In de tweede plaats, omdat men bevordering van de vrije circulatie van
de intellectuele beroepen kan zien als de vlag op het schip van de Euro-
pese Economische Gemeenschap. Wanneer inderdaad de intellectuele
beroepen een groot Europa aanvaarden, dan zal van deze groepen onge-
twijfeld een grote stimulerende invloed kunnen uitgaan. Het is om die
reden, dat ook de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevor-
dering der Geneeskunst positief staat tegenover een verenigd Europa
met de mogelijkheid van een vrije beroepsuitoefening in de verschillende
landen onderling.

De opzet van het verdrag voorziet dus in de eerste plaats in een coördinatie
van wettelijke bepalingen, die de toegang tot het vrije beroep moeten ver-
gemakkelijken, daarna komt dan de onderlinge erkenning van de diplo-
ma\'s, en tenslotte als beveiligingsclausule het door mij genoemde derde
lid.

Vervolgens moet worden opgemerkt, dat men in Brussel, evenals in de
vrije organisaties die zich bezig houden met deze problemen, niet streeft
naar
unificatie, maar slechts naar wat het verdrag ook voorziet, naar har-
monisatie.
Het is immers een volslagen onmogelijkheid, wanneer men de
grote historische ontwikkelinplijnen ziet in Europa, dat men zelfs voor
wat betreft de medische opleiding, zo gemakkelijk zou kunnen komen tot
unificatie.

Bij voorbereidende studies is nu wel gebleken, dat de opleiding tot arts in
de verschillende landen opmerkelijke overeenkomsten vertoont, er zijn
daarnaast toch ook zó grote verschillen, dat die niet in een handomdraai
of in een paar jaren zouden kunnen worden verevend. Daarom moet
uitgegaan worden van de .grondgedachte, dat de opleiding zodanig moet
zijri, dat het „eindprodukt" van de opleiding, de medicus, ongeveer ver-
gelijkbare kennis moet bezitten, wil hij het beroep in het andere land uit-
oefenen.

Hoe is de reactie van de verschillende groepen op deze situatie? Van Uw
groep kan ik dat niet beoordelen, van andere groepen weet ik het onge-
veer, met zekerheid weet ik het van de geneeskundige groep.
Het is nl. een bekend feit, dat voor de farmaceuten de moeilijkheden
groot zijn, omdat Nederland, voor wat betreft de farmacie, veruit de
langste opleidingstermijn heeft, ongeveer 8 a 9 jaar, terwijl in de andere
landeii een opleidingstermijn bestaat van 4 a .5 jaar, en deze andere lan-
den niet genegen zijn hun opleidingstermijn zó op te voeren, dat ze die
van Nederland nabij zou komen. Het is duidelijk dat de Nederlandse far-
maceuten moeilijkheden duchten.

De eerste reactie in onze eigen kringen, wanneer ik nu b.v. voor Neder-
land spreek, maar dat geldt ook voor de andere landen, was er een van
ontstennning. Het is nl. zo, dat het verdrag in Rome is gesloten en dat
daarbij de vrije beroepen zijn opgenomen, hetgeen op het eerste ogenblik
nog niet eens zo noodzakelijk bleek, maar dat men tot en met de ratifi-
catie de vrije beroepen daarin nooit heeft gekend.

We kwamen dus te staan voor een realiteit, omdat onze regering, met de
andere regeringen het verdrag van Rome had geratificeerd zonder eerst

-ocr page 763-

tijd te nemen de vrije beroepen te raadplegen. Achteraf is wel duidelijk
waarom: na het verwerpen van de Europese Defensie Gemeenschap,
vreesden de landen van Europa een sterk psychologisch overwicht van
Rusland, en men wilde graag komen met iets nieuws, om de bezieling
van het vereningd Europa niet te doen afkoelen. Daarom zijn ook de
voorbereidingen van het verdrag van I^ome in een ongemeen korte tijd
voltooid, en werd het verdrag min of meer bij verrassing door de landen
aanvaard. Hier zat dus een zeer grote politieke druk achter.
Het verdrag van R.ome werd dus in de eerste plaats uit politieke motieven
gesloten, daarnaast uit duidelijke economische overwegingen, en de groep
van vrije beroepen kan men slechts zien als een soort aanhangsel, dat
mede opgenomen werd in het verdrag om de door mij reeds genoemde
redenen. IDit betekent mede, dat rnen in Brussel te maken krijgt hoofd-
zakelijk met werkgevers en werknemers en met kroonleden, een tripatiete
opstelling, die men in Europa toenemend tegenkomt, en waarbij de vrije
beroepen vrijwel zijn uitgeschakeld.

Het verdrag kent dan ook geen enkele erkenningsregeling voor interna-
tionale, privaatrechtelijke organisaties. Iedere organisatie die in contact
wil komen met Brussel, kan dit dus slechts officieus doen, want het ver-
drag voorziet geen enkele wijze, waarop dit offiiceel zou kunnen ge-
schieden. De enige tegeinnaatregel die efficiënt kan zijn, is de organisatie
zó krachtig te maken, dat deze niet over het hoofd kan worden gezien,
omdat ze duidelijk representatief is voor een grote groej) mensen, zodat
men in Brussel ernstig rekening zal moeten houden met de wensen en de
doelstellingen van een dergelijke groep.

Daartoe is dan voor het medisch beroep in oktober 1959 een organisatie
opgericht, die genoemd werd het „Comité Permanent des Médécins de la
Couununauté de
rEuro]je". Kortweg Comité Permanent en dikwijls uit
hoffelijkheid door de Fransen Comité d\'.\\msterdam genoemd, omdat de
organisatie daar zijn beslag kreeg. Dit comité bestaat dus uit vertegen-
woordigers van de, wat men zou kunnen noemen, „maatschappijen van
geneeskimde", uit de 6 landen.

.\'\\angezien deze organisatie representatief bleek, bovendien met grote
energie de verschillende problemen aanpakte, kon het niet anders, of de
landen die erover dachten lid te worden van de Europese Economische
Gemeenschap, stuurden observateurs, zodat de vergaderingen tegen-
woordig, behalve uit vertegenwoordigers van de 6 landen, bezocht wor-
den door artsen uit Zweden, Denemarken, Engeland, Zwitserland en
Oostenrijk.

Het is een grote organisatie geworden. Het is niet gering een dergelijke
organisatie van de grond te krijgen en te blijven behartigen, en om U
enige indruk te geven, vermeld ik, — zij het slechts terloops — dat het
budget van een dergelijke organisatie bij ons een bedrag per jaar van on-
geveer ƒ 50.000,- beslaat. Men moet er dus echt wel iets voor over hebben,
om een dergelijke organisatie doeltreffend te maken. De kosten zijn hoofd-
zakelijk te wijten aan het vertaalwerk, d.w.z. de tolken tijdens de offi-
ciële zittingen en de vele vertalingen, die van ieder stuk in verschillende
talen moeten worden gemaakt. Het zijn vergaderingen, waar meer dan
100 gedelegeerden aanwezig zijn, tezamen met hun juridische en econo-
mische adviseurs, en volgens de wet van Parkinson werd uit de kleine

-ocr page 764-

groep van Amsterdam een dergelijke machtige organisatie uitgebouwd. Er
is dan verder geen enkele mogelijkheid deze weer te reduceren, men ziet
integendeel steeds meer mensen naar deze vergaderingen komen.

Het is aanvankelijk in deze organisatie nogal warm toegegaan, omdat er
begrip moest worden gewekt voor de realiteit van het verdrag van Rome.
De eerste reactie was er een van vrees, ook wel van geprikkeldheid, en
van onderling wantrouwen. Het Comité Permanent stelde reeds op haar
eerste vergadering een protocol op, waarin werd gesteld, dat haar werk-
zaamheden zouden bestaan uit studieën over de voorwaarden tot het
uitoefenen van het geneeskundig beroep binnen de 6 landen van Europa;
in de tweede plaats zou ze zich bezig houden met de studie omtrent de
harmonisatie van de organen van sociale zekerheid (o.a. de ziekenfonds-
systemen), en daarnaast zou ze bestuderen de maatregelen ter bevorde-
ring van de vrije circulatie van diensten en personen overeenkomstig ar-
tikel 57. Daarnaast voelde de organisatie de noodzakelijkheid van de
representatie en zij bevorderde dus op velerlei niveau de aanwezigheid
van gedelegeerden uit deze organisatie.

Het is zonder twijfel duidelijk geworden, dat terwijl de organen in Brus-
sel eerst afwerend stonden tegenover deze organisatie, die ze zagen als een
vereniging van „beroepsremmers", men langzamerhand in Brussel tot
erkenning is gekomen, dat het Comité Permanent een groot documenta-
tiemateriaal heeft bijeen gebra.cht, dit heeft bestudeerd en daaruit con-
clusies heeft getrokken, en bovendien dat dit comité de geesten rijp beeft
gemaakt voor de ideële betekenis van het verdrag van R.ome. Zodat men
tegenwoordig het Comité Permanent beschouwt als een soort ijsbreker,
dikwijls nog vóór het schip van de E.E.G. uit.

De rollen zijn nu zó duidelijk omgedraaid, dat de protocollen en stukken
van het Comité Permanent naar Brussel gaan en dat men in de desbe-
treffende commissie, die dus bestaat uit ministeriële vertegenwoordigers,
deze stukken niet zelden gebruikt als discussiemateriaal. Het is inuners
ook onwaarschijnlijk, dat een betrekkelijk eenvoudig bureau, dat zich in
Brussel bezig moet houden met de harmonisatie van de vrije beroepen en
de vrije circulatie daarna, zou kmmen beschikken over een dergelijke staf
van medewerkers, als waarover deze organisatie van het Comité Perma-
nent beschikt. Er is dus een wederzijdse raadpleging, want omgekeerd
wordt het Comité Permanent regelmatig ingelicht door het biu-eau in
Brussel omtrent de besprekingen die daar hebben plaats gevonden.

De studies die het Comité tot nog toe lieeft ondernomen, zijn dus vooral
die over de wijze waarop men het diploma verkrijgt in de verschillende
landen, over de wijze van erkenning van deze diploma\'s, over de wijze
waarop een medicus die eenmaal dit diploma bezit, tot de jjraktijk wordt
toegelaten; daarnaast als een tweede groep zijn studies gemaakt over de
medische ethiek, de „déontologie", en ten derde is er een zeer uitvoerige
studie gemaakt over de organisatie van de sociale zekerheidsorganen in
de verschillende landen; in de allerlaatste tijd nog een studie over be-
drijfsgeneeskunde.

Het Comité is ook gekomen tot praktische raadgevingen aan Brussel om-
trent de vrije circulatie. Het heeft in een motie uitgesproken, dat het
„eindprodukt" van de medische opleiding, de arts, zodanig gelijkwaardig
moet worden geacht te zijn, dat deze voor vrije circulatie in aanmerking

-ocr page 765-

kan komen; dit betekent dus, dat cr geen veranderingen in de opleiding
behoeft plaats te vinden en dat de voorwaarden tot de vrije circulatie van
de medici hiermee zijn gegeven. Daarmee is echter nog niet gezegd, dat de
medicus zonder meer zijn praktijk in een ander land zou kunnen begin-
nen. Men is er van lutgegaan, dat er een adaptatieperiode moet zijn, die
door het Comité gesteld is op 6 maanden, en ik heb redenen te vermoe-
den, dat het officiële comité in Brussel deze gedachtengang heeft overge-
nomen.

Dat betekent dus, dat cen arts, wanneer hij eerunaal naar een ander land
toegaat om daar een praktijk te gaan uitoefenen, onder een patronage,
zich 6 maanden moet inleven, opdat hij op de hoogte kan komen van de
wijze van praktijk doen, de wijze van voorschrijven van geneesmiddelen,
de verhouding tussen huisarts en specialist, etc. Een dergelijke „stage" is
dus niet alleen noodzakelijk voor de huisarts, maar wel degelijk ook voor
de specialist. Waarschijnlijk niet, of in mindere mate voor de bedrijfsarts,
die in fimctie treedt bij een bepaalde instantie.

Men heeft wel getracht van de zijde van bepaalde landen de noodzake-
lijkheid te stellen van het afleggen van examens, voordat men werd toe-
gelaten tot de praktijk, maar een dergelijke zienswijze is in conflict met
de geest van het verdrag van Rome, dat op geen enkele wijze een dis-
criminatie kan opleggen aan de emigrerende arts, ten aanzien van de
reeds gevestigde collegae in dat land.

Wij verwachten overigens niet, dat wanneer de harmonisatie zal zijn be-
reikt, dat men dan een massale aardverschuiving krijgt van de medici in
de verschillende landen. Uit praktische overwegingen valt te rekenen met
een misschien niet onbelangrijke emigratie van Italiaanse artsen, maar dan
hoofdzakelijk naar Frankrijk, en wanneer Zwitserland eenmaal zal mee-
doen, ook naar het Italiaans sprekende gedeelte van Zwitserland. Er
is misschien ook te rekenen met een beperkte emigratie \\an Duitse artsen
naar Nederland. Omgekeerd is het denkbaar, dat verschillende jonge
Nederlandse artsen zich zullen gaan vestigen in België, Frankrijk of Duits-
land, maar dat deze getallen groot zullen zijn, ligt voorlopig niet voor de
hand, omdat in de meeste landen op dit ogenblik zich reeds een artsen-
tekort aanbiedt, en vermoedelijk zal in de komende jaren dit artsen te-
kort toenemen, in tegenstelling met de mening, die men meestal hoort
verkondigen, dat er teveel artsen afstuderen.

Dat het Comité Permanent zich cen jjlaats heeft veroverd in die organi-
satie van Brussel, zij het dan ook nog altijd officieus, komt mede tot uiting
in het feit, dat ook andere secties van de werkzaamheden in Brussel het
Cüornité Permanent aantrekken bij hun besprekingen.

De door mij al eerder genoemde rejmresentativiteit is bereikt ondanks het
feit, dat er binnen de landen die deel uitmaken van de groep van zes, nog
wel moeilijke problemen bestaan. Voor Nederland ligt de zaak organisa-
torisch heel eenvoudig, omdat wij met onze logische opbouw, direct re-
presentatief zijn voor iedere categorie van artsen. Men kent immers in
Nederland de Landelijke Specialisten Vereniging, de Landelijke Huis-
artsen Vereniging en de Landelijke Vereniging van Artsen in Dienstver-
band, overkoepeld door het Hoofdbestuur, waarin verschillende bestuurs-
leden van deze landelijke verenigingen zijn geïntegreerd, terwijl deze ver-
enigingen hun eigen ledenvergaderingen hebben. Op ieder gebied zijn

-ocr page 766-

de artsen dus vertegenwoordigd, en deze vertegenwoordiging vindt ook
zijn uiting in de delegatie in het Comité Permanent.
Bij de andere landen ligt het niet zo eenvoudig.

In België is men met moeite gekomen tot een opbouw ongeveer zoals die
in Nederland, maar daar heeft de organisatie nog steeds niet goed zijn
beslag gekregen, aangezien nog grote wonden moeten worden geheeld uit
de tijd, dat huisarts en specialist elkaar op heftige wijze bestreden. In
Frankrijk liggen de verhoudingen daarom weer moeilijk, omdat men
naast de vrije organisatie, die daar de „Confédération" heet, een officiële
„Ordre des Médécins" kent, die regeringsvertegenwoordigers bevat, en
die dus eigenlijk de officiële organisatie is, en die dan ook altijd vertelt,
dat zij de enige organisatie is, die geraadpleegd kan worden. Een grote
broedertwist in Frankrijk kon worden opgelost door de delegatie paritair
samen te stellen, met vertegenwoordigers \\an de „Ordre" en van de
„Confédération".

In Duitsland ligt de zaak weer iets gemakkelijker, hoewel merkwaardig:
de verplichte, publiekrechtelijke artsenorganen, de ons uit de oorlog zo
welbekende „artsenkamers" in de verschillende landen, vinden een vrij-
willige overkoepeling in de z.g. „Bimdesartzetag". Deze wordt door de
Regering representatief geacht, maar heeft officieel geen status. In Italië
heeft men te maken met een opbouw van de medische organisatie, die
vooral tot dusverre in districten gelokaliseerd was. Het landelijk element
was daar zeer zwak, zodat over de representatie verschillende meningen
konden worden geuit.

Luxemburg zelf heeft nauwelijks een o]5deling in verschillende categorieën.
Het is een land niet groter dan een Nederlandse provincie, en bevat slechts
ongeveer 300 artsen, maar merkwaardigerwijze telt Luxemburg toch altijd
ten volle mee in de stemmingen.

Het Comité Permanent heeft om vele gevoeligheden te ontzien, besloten
om het bureau, dat de organisatie leidt, om de 2 jaar te laten verhuizen
naar een ander land. De eerste 2 jaren hebben de Fransen het bureau
gehad, en nu is Nederland aan de bein-t gekomen. Daarmee worden enkele
bestuursleden uit dc delegatie tot boven-nationale functionarissen, die
het Comité Permanent vertegenwoordigen, b.v. in Brussel.
De gelijkwaardigheid van de artsendiploma\'s is dus geen groot probleem,
maar de gelijkwaardigheid van de spccialistendiploma\'s is een zoveel
te groter vraagstuk. Het is nl. een bekend feit, dat de opleidingstermijn
in de verschillende landen voor de verschillende specialismen uitermate
verschillend is; om een enkel voorbeeld te noemen kost de opleiding tot
cardioloog in Italië 2 jaren, en in Nederland 5 jaren, en daarnaast is het
aantal specialismen in de verschillende landen zeer verschillend.
Zo kent Italië zeer veel meer specialismen dan Nederland of Duitsland.
Dat komt omdat men in Italië het specialisme anders beschouwt dan bij
ons. Wij trachten enkele hoofdspecialismen te onderscheiden, en we
proberen zoveel mogelijk subspecialismen weer te integreren in liet moe-
derspecialisme, maar in Italië volgt men de ontwikkeling op de voet en
wanneer een bepaald onderdeel van de geneeskunde aantrekkelijke fa-
cetten bezit, wordt dit tot een specialisme verklaard, b.v. het specialisme
„voet". Dat maakt, dat verschillende van deze specalismen in de andere
landen niet voorkomen, en dus niet voor uitwisseling vatbaar zijn, het-
geen door de Italianen dan weer zeer wordt betreurd.

-ocr page 767-

Deze problemen worden nu bestudeerd door de Europese Specialisten
Unie, een organisatie, die al bestond vóór de oprichting van het Comité
Permanent, maar die tenslotte toch bereid is gevonden zich te schikken
in de ordening, zoals wc die ook in Nederland kennen, en waarbij de
werkzaamheden slcchts naar Brussel kunnen worden gestuurd, via het
Comité Permanent, via bun „officier de liaison". Een dergelijke organisatie
bestaat ook voor de buisartsen, de z.g. „omnipracticiens", hoewel deze or-
ganisatie zeer veel zwakker is dan de Europeses Specialisten Unie. We
hebben nl. bij de huisartsen te maken met het betreurenswaardige feit,
dat zowel in België als in Frankrijk verschillende buisartsenorganisaties
bestaan, die elkander de representativiteit betwisten. Ernstig is dit niet,
omdat tenslotte het Comité Permanent — zelf representatief voor de 6
landen — zich in verbinding moet stellen met Brussel.
De onderlinge verschillen in opleiding en in kennis van de specialisten,
zijn binnen de 6 landen van Europa zo merkwaardig groot, dat ik voor-
lopig nog niet kan inzien, dat men per 1 januari 1968 tot een harmoni-
satie kan besluiten, hoewel het mij bekend is, dat men van regeringszijde
zich niet teveel wil inlaten met beuzelarijen en waarschijnlijk geneigd is
met een forse streek de specialisten onderling uitwisselbaar te verklaren.
Dat zal nog voldoende discussiestof opleveren en vermoedelijk ook de
grond zijn van grote conflicten in de verschillende landen.

Om te besluiten: we hebben gemeend ons dus krachtig te moeten organi-
seren, om „erbij te zijn". Dit heeft in ieder land zijn moeilijkheden opge-
bracht. Het heeft ook onderling wel moeilijkheden gegeven, maar op dit
ogenblik is bet Comité Permanent een krachtige organisatie, die eensge-
zind en doelgericht zijn weg gaat.

Dat deze organisatie er moest zijn is duidelijk, omdat immers in het ver-
drag van Rome men te maken heeft met de 3 zuilen, waarin zo langzamer-
hand de gehele wereld wordt onderverdeeld: werknemers, werkgevers en
regeringsfunctionarissen. In een derglijke opdeling is voor de vrije be-
roepen helaas geen plaats. Deze kunnen zich dus slechts doen gelden, door
een uiterst krachtige organisatie, die ontzag inboezemt, en die dus niet
voorbij gegaan kan worden.

Duidelijk moet echter uit mijn uiteenzetting zijn, dat de medici in de 6
landen, en dat geldt zeker voor de medici in Nederland, in de mogelijk-
heid tot vrije vestiging in de verschillende landen onderling, vooral een
ideël motief zien, en dat zij gaarne bereid zijn zich opoffering te ge-
troosten, om een dergelijke eenheid van Europa te bereiken.

Het is immers wel duidelijk, dat Europa zonder eenheid ten ondergang
gedoemd is tussen de 2 grote machtsblokken en dat een verenigd Europa
op grond van zijn oeroude historie, zijn nog altijd bloeiende cultuur, zijn
vele initiatieven en zijn grote organisatorische traditie nog altijd voor-
beschikt is een belangrijke rol te spelen in de toekomst van de wereld.

SAMENVATTING.

Inleider bespreekt het verdrag van Rome voor wat betreft art. 57, behelzende de
voorwaarden tot de harmonisering van de vrije beroepen, en deelt mede, op welke
wijze de medische wereld zich heeft geoiganiseerd om bij de bestudering en het
beleid van deze vraagstukken, representatief aanwezig te kunnen zijn, op die plaatsen,
waar bslissingen worden genomen.

-ocr page 768-

SUMMARY.

The speaker raised the question of the treaty of Rome and especially the article 57
concerning the harmonizing of the free professions, and he is informing us how the
medical world has started his organization to be able to be present in a representa-
tive way to study and to manage those problems there, where resolutions are passed.

RÉSUMÉ.

Le conférencier traite le Traité de Rome et notamment le paragraphe 57 concernant
les conditions pour harmoniser les emplois libres; il indique la façon par laquelle
le monde médical est organisé pour pouvoir être représentativement présent aux lieux
où on prends des décisions à l\'étude et à circonspection de ces problèmes.

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Referent erörtert den Vertrag von Rom und vor allem den Paragraphen 57 über
die Harmonisierungsbedingungen der freien Berufe, und er teilt mit, welcherart die
medische Welt sich organisiert hat um da, zum Studium und zur Regelung der be-
treffenden Fragen, repräsentativ anwesend sein zu können, wo Entscheidungen ge-
troffen werden.

E.E.G. en dierenarts.

E.E.C. and veterinarian.

door M. K.ARSEMEIJERi)
Dames en Heren,

In de jaarrede, door mij gebonden bij de opening van de 107e Algemene
Vergadering van de, toen nog gebeten Maatschappij \\ oor Diergeneeskunde,
gepubliceerd in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1961 bladz. 1589
t.m. 1602, heb ik in het tweede gedeelte vrij uitvoerig stilgestaan bij de
betekenis, die het Verdrag van Rome voor de Nederlandse dierenarts moge-
lijk zal hebben, en ik zou U dus rustig hiernaar kunnen verwijzen.
Toch meende ik de gelegenheid, mij geboden door de directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst, te moeten aangrijpen om U nog eens op enkele
pimten te wijzen, die voor ons, dierenartsen, in de toekomst van belang
kunnen zijn.

Deze korte verhandeling dient U dus te beschouwen als een herhaling en
aanvidling op bovengenoemde jaarrede.

Wij dienen ons dan in de eerste plaats af te vragen hoe de toestand momen-
teel is.

Art. 3, sub. I van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst van
28 juli 1954 luidt als volgt:

Wij (dus de Kroon) kunnen, gehoord de Faculteit der Diergeneeskunde
van de Rijksuniversiteit te Utrecht, personen, die na afgelegd examen
buiten Nederland de bevoegdheid tot de lutoefening van de diergenees-
kunst in haar volle omvang hebben verkregen, tot de uitoefening der dier-

M. Karsemeijer, Voorzitter van de Koninklijke Maatschappij voor Diergenees-
kunde, Ambonstraat 12, Alphen aan den Rijn.

-ocr page 769-

geneeskunde toelaten zo nodig onder nader te stellen voorwaarden. Ten
aanzien van de toepassing dezer wet worden zij dan met dierenartsen
gelijkgesteld.

Het spreekt vanzelf, dat de Veeartsenijkundige Dienst als Overheidsinstan-
tie, hierbij is ingeschakeld. Krachtens dit artikel kunnen dus voorwaarden
worden gesteld, die de Kroon een waarborg geven, dat de aard en de waarde
van het diploma, in een bepaald land verkregen, op haar mérites terdege
kunnen worden getoetst. Zonodig kan worden geëist, dat bepaalde aanvul-
lende e.xamens worden afgelegd alvorens tot toelating wordt besloten. Het
is U bekend dat bij het onderwijs, in enige onderzoekingsinstituten en ook
in de praktijken heden enige buitenlandse dierenartsen, al dan niet na af-
gelegde examens, in ons land werkzaam zijn.

In de meeste landen gelden soortgelijke bepalingen: de Staat houdt de be-
oordeling over al of niet toelating tot de uitoefening der diergeneeskimst aan
zich. Als ik wel ben ingelicht, dan wordt deze gedragslijn zelfs gevolgd in
de verschillende staten van dc U.S.A., m.a.w. heeft men aldaar in een be-
paalde staat het diploma behaald, dan heeft men niet automatisch het recht
in een andere staat de diergeneeskunde uit te oefenen.
Het E.E.G.-verdrag onderscheidt nu twee verschillende begrippen:
al de dienstverrichting (uitoefening) van het beroep (exercice).

De dierenarts blijft wonen in eigen land maar begeeft zich in een bepaald
geval naar één van de andere landen van de Gemeenschap om veteri-
naire adviezen te geven.

Of hij blijft thuis en geeft van hieruit consultaties aan diegenen, die zich
uit andere landen tot hem wenden,
b) het recht van vestiging (droit d\'établissement) : de dierenarts, gebrevet-
teerd in eigen land, gaat dit land verlaten om zich te vestigen in een
ander land van de Gemeenschap.

Voor ons, dierenartsen, is in dit verband vooral van belang artikel 57, daar
in dit artikel wordt gesproken over medische (hiertoe behoort de diergenees-
kunde), paramedische en farmaceutische beroepen.

Artikel 57 sub 3 luidt:

„Wat de geneeskundige-, paramedische en farmaceutische beroepen be-
treft zal de
geleidelijke opheffing van de beperkingen afhankelijk zijn van
de coördinatie van de voorwaarden, waaronder zij in de verschillende
lid-staten wordt uitgeoefend".
Dit is in overeenstemming van de geest van het Pact, die de vestigings-
mogelijkheid in de zes landen wil bevorderen. Het, zo even geciteerde, artikel
3 sub I \\an de Uitoefeningswet zou in verband hiermede in de toekomst
mogelijk niet zo stringent kunnen worden gehandhaafd, ja zelfs misschien
buiten werking moeten worden gesteld.

Edoch, de Overheid in Nederland voelt zich natuurlijk verantwoordelijk
voor een juiste uitoefening der diergeneeskunde door bekwame dierenartsen
in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten, de economie
des lands en in het belang en de waarde van onze aanzienlijke export. Zij
zal dan ook het recht hebben de vraag te stellen: hoe staat het met de op-
leiding van de dierenartsen in de zes landen? De eis is toch niet onbillijk,
dat deze opleiding gelijk of ongeveer gelijk is, althans op hetzelfde weten-
schappelijke niveau staat. Zolang dit niet het geval is zal iedere verantwoor-

-ocr page 770-

delijke Overheid het recht, neen zelfs de plicht hebben te eisen, dat aan
deze voorwaarden wordt voldaan. De geleidelijke opheffing van de beper-
kingen inzake het vestigingsrecht zal afhankelijk zijn van de harmonisatie
en coördinatie van deze opleidingen.

Momenteel staat de opleiding in vijf E.E.G.-landen wel ongeveer op het-
zelfde peil, hoewel er natuurlijk wel verschillen zijn aan te wijzen. De uit-
gebrachte rapporten tonen dit duidelijk aan. Er is echter één land, waar
de opleiding van hem of haar, die zich aldaar als praktizerend dierenarts
wil gaan vestigen, bij de andere \\\'ijf landen ten achter blijft.
Het is een eis van billijkheid dat, zolang in het betrokken land de opleiding
van deze categorie niet tot het niveau der andere landen is opgetrokken,
de Overheden van de andere \\ijf landen het recht dienen te hebben aan-
vullende examens te verlangen voor die onderdelen van het onderwijs, die
of stiefmoederlijk of in het geheel niet in het leerplan van dit land zijn op-
genomen. De vraag kon ook nog worden gesteld of het niet noodzakelijk zal
zijn, dat zelfs als in de toekomst de opleidingen volledig gecoördineerd zou-
den zijn, de toegelatene in ieder geval de nodige kennis zal moeten bezitten
\\\'an de wetgeving op diergeneeskundig gebied in het land van vestiging,
benevens van de grondregelen van de ethiek van het beroep, die in dit land
gelden. In vele gevallen zal ook de taal een beletsel vonnen.
Zoals U bekend zal zijn, is er een supranationaal comité in het leven ge-
roepen: het „Comité de liaison des vétérinaircs de la C.E.E." bestaande uit
vertegenwoordigers van dicrenartsengroeperingen uit de zes landen (1960).
Zowel de „Ordres" en „Kammer", als de Maatschappijen voor Diergenees-
kunde in de zes landen hebben hierin htm afgevaardigden. Ieder land heeft
zijn eigen, „nationaal comité". Het Comité de Liaison \\ergadert als regel
twee maal, soms drie maal per jaar, afwisselend in verschillende landen.
Een aantal rapporten is reeds opgesteld over de opleiding, beroepsuitoefe-
ning, plichtenleer, nationale wetgevingen enz., welke rapporten uit de aard
der zaak niet voor openbaarmaking zijn bestemd, althans niet in dit stadium
van de besprekingen.

Misschien zal het U wel interesseren, hoe de dierenartsenbezetting in de zes
landen is, daar hiervan geen geheim behoeft te worden gemaakt. Onder
dierenartsenbezetting wordt in dit verband verstaan: de „totale bezetting",
dus met inbegrip van de dierenartsen bij het onderwijs, de instituten, de
vleeskein-ing, de farmaceutische industrie, de veevoederhandel enz., dus on-
verschillig welke functie de collega\'s uitoefenen.

Indien vier varkens en vier schapen worden gelijkgesteld met één rund en
pluimvee, geiten en kleine huisdieren niet meegerekend worden, verkrijgt
men de onderstaande opgave:

België : 1 dierenarts op 2700 dieren

Luxemburg : 1 dierenarts op 3150 dieren

Frankrijk : 1 dierenarts op 4400 dieren

Nederland : 1 dierenarts op 3100 dieren

West-Duitsland : 1 dierenarts op 1700 dieren

Italië : 1 dierenarts op 1266 dieren

U gelieve hierbij te bedenken, dat de vrij dichte dierenartsenbezetting in
West-Duitsland mede veroorzaakt wordt door de uitgeweken collega\'s uit de
Oost-zóne.

-ocr page 771-

In Frankrijk wordt na de middelbare opleiding een examen (concours
d\'entrée) vereist om tot een Ecole vétérinaire te worden toegelaten; in feite
dus een numerus clausus; de dierenartsenbezetting in Frankrijk wordt bier-
door natuurlijk beïnvloed. De veedicbtbeid en de terreinomstandigheden
spelen uit de aard der zaak ook hierbij een rol.

Monsieur J. P. de Crayencour, rapporteur voor de vrije beroepen bij de
Diensten van de Europese Commissie, stelt er prijs op een geregeld contact
met het Comité de Liaison te onderhouden zodat de stemmen van de dieren-
artsen van het vrije beroep en de beroepsorganisaties kunnen worden ge-
hoord. Dit stemt tot voldoening. Deze Europese Commissie kent z.g. „grou-
pes de travail" (arbeidsgroepen) en het zal zaak zijn dat, zodra er dier-
geneeskimdige vraagstukken in zo\'n werkgroep aan de orde komen, de stem
van de dierenarts ook daar kan worden gehoord.

Er dient op te worden gewezen, dat het hier steeds gaat over de z.g. „vrije
beroepen". Een juiste definitie echter wat precies onder „vrij beroep" moet
worden verstaan is niet gemakkelijk op te stellen, zodat ik hierop niet zal
ingaan. Wel geloof ik te kunnen stellen, dat, als wij in onze kring het over
een „vrij beroep" hebben wij elkaar wel zo ongeveer begrijpen.
In artikel 57 sub 2 van het Pact van Rome wordt gesproken over „bepa-
lingen betreffende de toegang tot werkzaamheden
anders dan in loondienst"
m.a.w. dierenartsen, die in loondienst zijn, vallen er buiten.

Van groot belang voor ons is echter artikel 55.
Het eerste deel van dit artikel luidt:

„Voor de toepassing in het onderhavige hoofdstuk, wat betreft het lid-
staat, worden uitgezonderd de werkzaamheden voor de lutoefening van
het Overheidsgezag, zelfs al zijn die werkzaamheden incidenteel".
De vraag zal door LI worden opgeworpen: ^Vat betekent uitoefening van
het Overheidsgezag? De Overheid ontwerpt en vaardigt de wetten uit, ook
op diergeneeskundig gebied en zij, die deze wetten helpen uitvoeren en dus
ten deze een taak toebedeeld krijgen, oefenen daardoor Overheidsgezag uit.
Dat zijn dus niet alleen de vol-ambtclijkc dierenartsen (full-timers) bijv.
bij het onderwijs, de onderwijsinstituten, het veeartsenijkundig staatstoezicht,
de vleeskeuringsambtenaren (daaronder begrepen de practici, tevens vlees-
keuringsambtenaren) e.a., doch ook de dierenartsen in dienst van de Ge-
zondheidsdiensten, daar ook deze in bet kader der dierziektenbestrijding
een Overheidstaak uitvoeren.

De practici oefenen incidenteel ook dit gezag tut bij al hun activiteiten voor
het uitvoeren en toepassen van de Veewet, de Wet bestrijding tuberculose
onder het rundvee, de Vogelziektewet enz. zodat dus de practici, die bij de
georganiseerde dierziektenbestrijding een taak verx ullen, ook hieronder zou-
den kunnen vallen. Het Comité de Liaison huldigt althans deze opvatting
en het Nederlands Nationaal Comité meent ook dit artikel op deze wijze
te moeten interpreteren.

Het enige gebied, dat voor de „import-dierenarts" (vergeef mij deze on-
eerbiedige uitdrukking) zou overblijven, ware dan de consultatieve praktijk
c.q. de praktijk der kleine huisdieren. Omgekeerd is dit natuurlijk ook bet
geval.

Het tweede gedeelte van artikel 55 luidt echter:

„De Raad (van Ministers) steunende op een gekwalificeerde meerder-
heid van stemmen
op voorstel van de Commissie (E.C.), kan voor zekere

-ocr page 772-

werkzaamheden inzake de toepassing van de bepalingen van het onder-
havige hoofdstuk een uitzondering maken".
Naarmate het E.E.G.-verdrag zijn realisering meer nabij komt, zal men ze-
ker hiervan gebruik gaan maken. De strijders voor het standhouden van bet
vrije beroep zullen zich niet al te zeer en onder alle omstandigheden aan
artikel 55 mogen vastklemmen, daar dit toch een te enge opvatting zou zijn
en een discriminatie van een buitenlandse collega zou inhouden.
Aan de andere kant dient er voor te worden gewaakt, dat wij niet over-
stroomd worden door onvoldoende opgeleide buitenlandse dierenartsen.
Daarom moet het \\\'an uitermate groot belang worden geacht, dat er een
geregeld en nauw contact wordt gelegd tussen de instanties, die de Over-
heden adviseren, en de vertegenwoordigers van de beroepsgroeperingen der
dierenartsen. Immers hoewel aan de Europese Commissie ook een uitvoe-
rende taak is toebedeeld, zal de eindbeslissing in vele gevallen in de Raad
\\ an Ministers der zes landen worden genomen.

M. de Crayencour heeft er ook grote belangstelling voor, hoe de specialisatie
op diergeneeskundig gebied in de diverse landen is geregeld.
In het kort komt het hierop neer, dat West-Duitsland op dit gebied het
verst is gevorderd, tewijl andere landen wel een soort specialisme kennen,
doch deze is aldaar niet wettelijk of beroepshalve voldoende en duidelijk
geregeld.

Tenslotte is het nog van belang te weten, dat de titulatuur in de diverse
landen nogal afwijkt van de, in Nederland, gebruikelijke.

België en na het dierenartsexamen mag men zich automatisch met

Luxemburg : de Dr.\'s titel sieren.

Frankrijk : Na het dierenartsexamen is men vétérinair; na het verde-

digen van een artikel over een bepaald onderwerp (thèse)
ten overstaan van de Medische Faculteit, waaraan enige
diergeneeskundige hoogleraren zijn toegevoegd, verkrijgt
men de doctorstitel. Als regel zijn met het opstellen van
eeu thèse enige maanden studie gemoeid.
West-Duitsland : Als in Frankrijk: ook een eenvoudige thèse, vaak niet veel
meer dan bij ons een uitgewerkt tijdschriftartikel. Ver-
dediging voor de diergeneeskundige Hoogleraren.
Italië : Als in Frankrijk: eenvoudige these ten overstaan van een

jury van elf Hoogleraren.

Hoe het in Nederland is gesteld is U allen bekend en daardoor is het aantal
doctoren in de diergeneeskunde in ons land niet zo dik gezaaid. U moet
zich wel realiseren, dat in ons kleine landje de opleiding in de diergenees-
kundige wetenschap er zeer wel zijn mag, doch dit komt wat de titulatuur
betreft, internationaal niet tot uiting. Vandaar dat er steeds meer stemmen
opgaan in onze kring om de titel drs. in te voeren, en in E.E.G.-verband zal
dit zeker wenselijk kunnen zijn.

Mijnheer de Voorzitter: het gevoel besluipt mij, dat ik U een zeer eenvoudig
en misschien weinig boeiend verhaal heb verteld.

Toch is het hoogst belangrijk dat de Nederlandse dierenarts zich duidelijk
bewust gaat worden, dat er veranderingen op til zijn, waarmede hij in de
nabije toekomst zal worden geconfronteerd en waaraan bij niet met een
schouderophalen zal kunnen voorbijgaan.

-ocr page 773-

Inleider belicht de ontwikkeling in E.E.G.-verband met betrekking tot de erkenning
van de bevoegdheid tot uitoefening der dicrgeneeskunst.

Hierbij geeft spreker het onderscheid aan tussen de dierenarts in het vrije beroep en
de dierenarts in de uitoefening van het overheidsgezag.

Een overzicht wordt gegeven van de dierenartsen-bezetting en de opleiding in de
zes landen.

Tenslotte schenkt spreker nog aandacht aan dc titulatuur in de onderscheiden landen.
SUMMARY.

Developments within the framework of the European Economic Community in regard
to recognition of the qualification to practise veterinary medecine reviewed.
A differentiation is made between the veterinarian in private practice and the vete-
rinarian in the exercise of public authority.

The number of veterinary surgeons and the training of veterinarians in the six coun-
tries are reviewed.

In conclusion, the titles used in the various countries are discussed.
RÉSUMÉ.

Le rapporteur traite l\'évolution dans le cadre de la C.E.E. par rapport à la recon-
naissance de l\'autorisation à exercer la médecine vétérinaire.

Ici le conférencier signale la différence entre les vétérinaires dans la profession libre
et le vtérinaire au service du gouvernement.

Un aperçu est présenté de la répartition des vétérinaires dans les six pays et de leur
éducation professionnelle.

Finalement le rapporteur consacre de l\'attention aux titres professionnels dans les
différents pays.

ZUSAMMENFASSUNG.

Referent erhellt die Entwicklung im E.W.G.-Verband bezüglich der Anerkennung
der Befugnis zur Ausübung der Tierheilkunde.

Hierbei erklärt Referent den Unterschied zwischen praktischem und beamtetem Tier-
arzt.

Es wird eine Übersicht von der Zahl der Tierärzte und ihrer Ausbildung in den sechs
Staaten gegeben.

Schliesslich schenkt Sprecher der Titulatur in den verschiedenen Ländern noch einige
.Aufmerksamkeit.

-ocr page 774-
-ocr page 775-
-ocr page 776-

E.E.G. en vleeskeuring.

E.E.C. and meat-inspection.

door J. M. VAN VLOTENi)

De Europese Economische Gemeenschap beoogt door een vrij goederen-
verl<eer tot een gemeenschappelijke markt te komen. Dit betekent, dat
handelsbelemmeringen in de vorm van kwantitatieve beperkingen, douane-
rechten en heffingen, kortom maatregelen, welke door het importerende
land uit economisch redenen zijn genomen om de produkten in eigen land
te beschermen, bij het goederenverkeer tussen de zes aangesloten landen
zullen moeten gaan verdwijnen.

Ten aanzien van vlees zijn er behalve economische overwegingen welke een
rol spelen, nog een tweetal andere facetten van groot belang. Het zo kwets-
bare en aan preventieve keuring onderworpen vlees eist bij een vrijer goe-
derenverkeer niet alleen in het belang van de volksgezondheid speciale
voorzorgen, doch ook uit een oogpunt van bescherming van de veestapel
is waakzaamheid geboden.

Zonder de moeilijkheden ten opzichte van andere voedingsmiddelen te
onderschatten — ze zijn vaak door toevoegingen, onderscheidenlijk samen-
stelling, van geheel andere aard — is de bevordering van een vrijer vlees-
verkeer niet eenvoudig, omdat soms onder hygiënische voorwendselen eco-
nomische beweegredenen schuilgaan. Het spreekt vanzelf, dat de belangen
van de zes landen niet altijd parallel lopen. Voert een land uitsluitend vlees
in dan kan men er zeker van zijn, dat de vertegenwoordiger van dat land
een voorstander is van stringente eisen. Eenzelfde verschijnsel kan men
waarnemen wanneer de keuring in het invoerend land op een behoorlijk
peil staat. Doch ook indien het controle-apparaat in een land niet sterk
ontwikkeld is, wordt getracht door strenge eisen dit gemis aan te vullen.
Verder kan men waarnemen dat men internationaal te stellen eisen benut
om tot verbetering van de toestand in eigen land te komen.
Dat in het belang van de volksgezondheid en tot beschenning van de vee-
stapel verantwoorde eisen ten opzichte van het te importeren vlees wor-
den gesteld, is natuurlijk volkomen aanvaardbaar; afwijsbaar is het echter,
indien onder het mom van hygiëne andere belangen, welke niet worden ge-
noemd, behartigd worden. Internationaal te voeren besprekingen kennen
evenwel nog meer moeilijkheden.

Indien in Nederland door deskundigen over „vlees" gesproken wordt, weet
een ieder dat daarmede bedoeld wordt, en voorzover ten aanzien van dit
begrip verschil van mening mocht rijzen, kunnen artikel 2 van de Vlees-
keuringswet en de daarop berustende uitvoeringsbesluiten, opheldering
geven.

Edoch, onder „vlees" wordt in de samenwerkende landen niet steeds hetzelf-
de verstaan. Zo omvat in Duitsland de definitie „vlees" tevens vleeswaren.
Het vinden van een goede omschrijving van datgene, waarvoor men inter-
nationaal voorschriften wil creëren, welke voor de vertegenwoordigers van
de samenwerkende landen acceptabel zijn, kost vaak naast veel tijd ook

Dr. J. M. van Vloten, Plv. Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, tevens

Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst i.a.d., le v. d. Boschstraat 4,

\'s-Gravenhage.

-ocr page 777-

veel hoofdbrekens. En wat ten aanzien van „vlees" geldt is ook van toepas-
sing op de overige begrippen, waar\\oor men een omschrijving niet kan ont-
beren. Bij het zoeken naar een goede oplossing stuit men steeds op dezelfde
moeilijkheid. Iedere vertegenwoordiger — en de leden van de Nederlandse
delegatie vormen in deze geen uitzondering — meent, dat het in zijn land
op de meest juiste wijze geregeld is en ziet ogenblikkelijk de onvolkomen-
heden in de voorschriften van een ander land. Anders gezegd, getracht
moet worden door overreding tot een oplossing te komen. Dit is vaak niet
zo eenvoudig, omdat men daarbij, wat ik zou willen noemen het nationali-
teitsgevoel, moet proberen te doorbreken. Het ontwerp, hetwelk zich thans
begint af te tekenen, is in twee delen te onderscheiden. Het eerste, om-
vattende afzonderlijke bepalingen van algemene aard, bestaat uit een tien-
tal artikelen.

Het tweede gedeelte, onderverdeeld in een negental hoofdstukken, omvat
een aantal te volgen richtlijnen, waarop in het kort nader wordt terugge-
komen.

Op welke wijze aan dit ontweip een bindende kracht voor de lidstaten
moet worden gegeven is een punt van langdurige discussie geweest.
Een gelijktrekking van de wettelijke bepalingen in de zes landen is voor
het ogenblik als een utopie te beschouwen. Het pogen om in deze richting
tot een resultaat te komen, zou alleen maar vertragend kunnen werken, al-
hoewel niet ontkend kan worden, dat deze oplossing, indien althans bereik-
baar, de fraaiste zou wezen.

Een tweede mogelijkheid zou zijn de vorm van een supranationale wet-
geving voor de betrokken landen. Juridisch gezien bleken aan het bewan-
delen van deze weg nogal wat bezwaren verbonden te zijn, zodat tenslotte
de voorkeur is gegeven aan de richtlijnen, waarbij de lidstaten zich verbin-
den het daarbij overeengekomene, voorzover dit niet reeds in hun wettelijke
voorschriften was vastgesteld, alsnog in deze voorschriften op te nemen.

Indien thans de 10 artikelen van het algemene gedeelte van de richtlijnen
in ogenschouw worden genomen, dan blijkt, dat
artikel 1 gewijd is aan dat-
gene waarop de richtlijnen betrekking hebben, in casu vers vlees.
Als vlees wordt beschouwd alle delen van runderen, varkens, schapen en
geiten, alsmede van eenhoevige dieren, welke als huisdier worden gehou-
den, voorzover deze delen voor menselijke consumptie geschikt zijn.
Ter uitschakeling van vleeswaren is gesteld, dat onder vers vlees wordt ver-
staan vlees, dat geen behandeling ter bevordering van de houdbaarheid
heeft ondergaan, tenzij dit heeft plaatsgevonden door middel van afkoeling.
Bevroren vlees wordt derhalve als vers vlees aangemerkt.
Artikel 2 geeft een zestal omschrijvingen, waarbij in de eerste drie, te
weten: „geslacht dier", „bijprodukten van het slachten" en „ingewan-
den" een onderverdeling van het begrip vers vlees wordt gegeven.
Dat de begrippen „land van herkomst" en „land van bestemming" alsmede
„vétérinaire officièl" nader omschreven worden, ligt voor de hand. Onder
vétérinaire officièl wordt verstaan de door de bevoegde centrale autoriteit
van bet land van herkomst benoemde of aangewezen dierenarts. Voor ons
land is dat de dierenarts, die tot rijkskeurmeester benoemd is.

In artikel 3 wordt de verzending van vers vlees naar een andere lid-staat
aan een aantal voorwaarden gebonden, voor welker nakomeling het land
van herkomst de verantwoording draagt. Deze voorwaarden zijn:

-ocr page 778-

a. het vlees moet afkomstig zijn van dieren in een slachterij, welke aan
bepaalde minimum-eisen moet voldoen en op grond daarvan als ex-
portslachterij is aangewezen;

b. het vlees moet afkomstig zijn van dieren ten aanzien waarvan de keu-
ring vóór het slachten op de overeengekomen wijze door de vétérinaire
officièl, te onzent dus de rijkskeurmeester, is verricht en daarbij gezond
zijn bevonden;

c. bet vlees moet tijdens en na het slachten op volstrekt hygiënische wijze
behandeld worden;

d. het vlees moet afkomstig zijn van dieren ten aanzien waai-van de keu-
ring na bet slachten op de overeengekomen wijze door de vétérinaire
officièl is verricht en waarbij geen veranderingen of afwijkingen zijn
waargenomen, met uitzondering van voor de gezondehid van de mens
onschadelijke parasieten, dan wel van plaatselijke begrensde verande-
ringen van ondergeschikte betekenis in de organen;

e. het vlees moet, ten bewijze dat bet aan bovengenoemde voorwaarden
voldoet, voorzien zijn van een goedkeuringsmerk in een vorm als door
lidstaten overeengekomen;

f. het aldns gemerkte vlees moet bij verzending naar het land van be-
stemming vergezeld zijn van een door de vétérinaire officièl afgege-
ven en ondertekende verklaring in een vorm als door de lidstaten is
bepaald;

g. het vlees moet, indien bet niet rechtstreeks naar het land van bestem-
ming wordt uitgevoerd, op hygiënische wijze in een koelinrichting wor-
den bewaard;

b. het vlees moet op hygiënische wijze worden vervoerd, waarbij tijdens het
transport de temperatuur van het inwendige vlees 8° C niet mag over-
schrijden.

Van het handelsverkeer binnen de Gemeenschap zijn uitgesloten:

1. vers vlees van wilde zwijnen en cryptorcbiden;

2. vers vlees, hetwelk op enigerlei wijze met kleurstof is behandeld; de
kleurstof, gebruikt bij bet aanbrengen van het goedkeuringsmerk valt
hier buiten;

3. vers vlees van slachtdieren, waarbij tuberculose in welke vorm ook is
vastgesteld, alsmede vers vlees van slachtdieren, waarbij een of meer
lexende, danwel dode finnen zijn gevonden;

4. organen, welke tengevolge van een parasitaire aandoening, ook al is
deze voor de gezondheid van de mens onschadelijk, zijn veranderd;

5. bloed, hetwelk met chemische middelen is behandeld teneinde stolling te
voorkomen.

In artikel 4 wordt de aanwijzing van slachthuizen, alwaar voor uitvoer naar
E.E.G.-landen wordt geslacht, alsmede van inrichtingen, waar vlees ver-
kleind wordt en van koelhuizen, geregeld.

Deze aanwijzing geschiedt door de bevoegde centrale autoriteit in het land
\\an herkomst, te onzent door de Minister van Landbouw en Visserij op
voorstel van de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst. Zij mag echter
slechts plaatsvinden, indien het slachthuis aan de overeengekomen mini-
mimi-eisen voldoet en moet worden ingetrokken indien niet meer aan deze
eisen wordt beantwoordt. Elk aangewezen slachthuis, onderscheidenlijk

-ocr page 779-

verkleiningsinrichting, krijgt een controle-nummer hetwelk voorkomt in
het stempelmerk dat op het uit te voeren vlees wordt aangebracht.
Iedere lidstaat wordt in het bezit gesteld van een lijst, vermeldende de aan-
gewezen slachthiuzen en verkleiningsinrichtingen in de andere lidstaten
en ook de centrale commissie te Brussel is terzake op de hoogte. Mutaties
in deze lijsten moeten ogenblikkelijk aan de lijsthouders voren bedoeld ter
kennis worden gebracht.

Teneinde te voorkomen, dat een slachthuis of verkleiningsinrichting ten
onrechte is of blijft aangewezen, is een procedure ontworpen om cor-
rectie mogelijk te maken. In eerste instantie zal een lidstaat dat bezwa-
ren heeft, zich tot de lidstaat wenden alwaar de voorschriften terzake niet
worden nageleefd. Levert deze interventie niet het beoogde resultaat op, dan
kan men zich tot de centrale commissie wenden. Deelt deze de aangevoer-
de bezwaren, dan kan zij de overige lidstaten machtigen om de invoer van
vers vlees afkomstig van slachtdieren geslacht in het gewraakte slachthuis of
uit een verkleiningsinrichting, te weigeren. De centrale commissie kan zich
in deze aangelegenheid doen \\\'oorlichten door deskundigen uit de niet bij
het geschil betrokken lidstaten.

In artikel 5 wordt nader gepreciseerd, welke de gang van zaken is, indien
blijkt, dat het ingevoerde \\ lees niet voor menselijke consutnptie geschikt is,
anders gezegd, indien hier te lande bij de keuring in het eerste kantoor de
rijkskeuringsveearts het vlees geheel of ten dele afkeurt.
Onder opgave van de reden \\ an afkeuring zal de vétérinaire officièl dit ten
spoedigste ter kennis moeten brengen van de invoerder en hem mededelen,
welke rechtsmiddelen — waarover nader in artikel 7 bepalingen zijn ge-
troffen — te zijner beschikking staan, indien hij zich met de afkeuring
niet kan verenigen. De bevoegde autoriteit in het land v;m herkomst moet
hiervan bericht worden. Betreft het een weigering van het vlees, omdat in
strijd is gehandeld met het bepaalde in artikel 3, dan heeft de eigenaar van
het vlees, danwel die daarover de beschikking heeft, bet recht het vlees
naar het land van herkomst terug te zenden voorzover althans uit hygië-
nisch oogpunt daartegen geen bezwaren bestaan. Weigering van vlees uit
cen aangewezen slachthuis of verkleiningsinricbting, ten aanzien waarvan
de aanwijzing wordt aangevochten, mag slechts geschieden na verkregen
machtiging van de centrale commissie.

Artikel 6 heeft allereerst betrekking op de grootte en de vorm waarin het
vlees in E.E.G.-verband in de lidstaten zal kunnen worden ingevoerd. In
het algemeen wordt in den beginne voorgestaan een invoer in niet kleiner
delen dan vierendelen in onuitgcbcendc toestand en ten aanzin van var-
kensvlees tevens van hammen, schouders, carbonade-strengen, buiken en
spek alsmde van losse organen en ongesinolten vet. Ten opzichte van car-
bonadestrengen, buiken en spek is overeengekomen, dat het gewicht van
deze delen minstens 3 kilogram moet bedragen.

Nadrukkelijk wordt ten aanzien van het vorengaande bepaald, dat zulks
geldt totdat door de E.E.G. nadere voorschriften worden uitgevaardigd,
alsmede, dat de bepalingen van de lidstaten ten opzichte van andere delen
dan genoemde, van kracht blijven. Dit betekent, dat de lidstaten voorlopig
althans nog een zekere mate van vrijheid zullen behouden met betrekking
tot de delen, welke zij uit de andere lidstaten willen toelaten, doch ook
dat zij verder kunnen gaan dan in eerste instantie is vastgelegd.

-ocr page 780-

De Ministeriële beschikking van 25 april 1962, Stcrt. 83, regelende de in-
voer van vlees afkomstig van in België en in Luxemburg geslachte slacht-
dieren, is ten opzichte van het laatste daarmede in overeenstemming. Van
belang is ook, dat de bepalingen welke de lidstaten getroffen hebben met
betrekking tot slachtdieren, welke behandeld zijn met antibiotica, oestro-
gene of thyreostatische stoffen, „tenderisers", ioniserende en ultraviolette
stralen, alsmede in verband met de toevoeging van vreemde stoffen aan
het verse vlees, van kracht blijven. Niet alleen zal het e.xporterende land
met dergelijke voorschriften in het land van bestemming terdege rekening
dienen te houden, doch bovendien bestaat het gevaar door het toestaan van
dergelijke behandelingen in eigen land de schijn op zich te laden met de
naleving daarvan bij uitvoer het niet zo nauw te nemen. Ook de voor-
schriften, welke de lidstaten hebben met betrekking tot het onderzoek van
varkensvlees op trichinen blijven van kracht. I3it betekent, dat indien een
lidstaat de bepaling heeft, dat bij invoer van varkensvlees uit een andere
met name genoemde lidstaat, de eis is of wordt gesteld, dat het betreffende
vlees op trichinen onderzocht en daarvan vrij bevonden is, daaraan moet
worden voldaan.

In artikel 7 wordt getracht het rechtsgevoel van de eigenaar van het vlees
bijaldien het in het land van bestenuning wordt afgekeurd, c.q. gewei-
gerd, zoveel mogelijk te bevredigen. Men denkt in deze aan een deskundige,
die noch de nationaliteit van het land van herkomst, noch van het land
van bestemming mag bezitten en die, zo zulks door de eigenaar van het
vlees verlangd wordt, als arbiter zal optreden.

Door de centrale commissie zal op voorstel van de lidstaten een lijst van
deskundigen worden samengesteld, waaruit in voorkomende gevallen een
keuze kan worden gedaan.

Artikel 8 verschaft een lidstaat het recht de invoer van vlees uit een andere
lidstaat te verbieden of te beperken, indien in laatstbedoelde lidstaat een
besmettelijke veeziekte is uitgebroken en de invoer van vlees, afkomstig
van in dat land geslachte slachtdieren, geacht wordt een gevaar voor over-
brenging van smetstof in te houden. Indien een lidstaat tot het nemen van
een dergelijke maatregel overgaat moet het daartoe genomen besluit met
redenen omkleed binnen een termijn van 10 werkdagen ter kennis van de
centrale commissie en de overige lidstaten worden gebracht. Voor het ge-
val de door deze maatregel getroffen lidstaat zich onrechtvaardig behan-
deld gevoelt, kan deze lidstaat onvei-wijld overleg in het kader van dc cen-
trale commissie eisen.

In verband met de invoer van slachtdieren uit andere dan tot de Gemeen-
schap behorende landen en welke dieren kort na de invoer geslacht worden
en het vlees daar\\\'an geheel of gedeeltelijk voor uitvoer naar een der an-
dere lidstaten zou worden uitgevoerd, zijn de richtlijnen ten aanzien van
de intracommunautaire handel in vers vlees gekoppeld aan de uit te vaar-
digen richtlijnen voor het handelsverkeer in levend vee.
Tot het tijdstip, dat de richtlijnen op laatstbedoeld gebied zijn aanvaard,
blijven de desbetreffende bepalingen van elke der lidstaten van kracht.

Artikel 9 stelt vast, dat binnen een jaar na de openbaring van deze richt-
lijnen de lidstaten de nodige wettelijke bepalingen in werking moeten doen
treden, teneinde de inhoud van deze richtlijnen en de daarbij behorende
bepahngen volledig te effectueren. Op de lidstaten rust bovendien de ver-

-ocr page 781-

plichting de centrale commissie hiervan onverwijld op de hoogte te stel-
len.

Artikel 10 bepaalt, dat deze richtlijnen tot alle lidstaten zijn gericht.

Nadat uitvoerig is stilgestaan bij de afzonderlijke bepalingen van algemene
aard, omdat zulks voor een juist inzicht mijns inziens noodzakelijk is, zal
slechts aan het tweede gedeelte, hetwelk als een bijlage wordt beschouwd
— behoudens enkele opmerkingen — in snel tempo worden voorbij ge-
gaan.

A. De eisen, waaraan de slachterijen waar voor de uitvoer mag worden
geslacht alsmede de verkleiningsinrichtingen moeten voldoen, stem-
men in grote lijnen overeen met die, vastgelegd in het Eisenbe-
sluit (Vleeskeuringswet) en in het Koninklijk besluit van 6 juni 1922,
Stcrt. 115, berustend op artikel 74 van de Veewet. Voorzover zulks
ten aanzien van laatstgenoemd Koninklijk besluit nog niet het geval
is, zal aanpassing moet plaatsvinden. Van belang wordt geacht te
vermelden, dat het onreine en het reine gedeelte van de slachtplaats
duidelijk van elkaar gescheiden dienen te zijn, alsmede dat er een
speciale opslagruimte moet zijn voor huiden en oneetbare slachtaf-
vallen als hoornen en hoeven.

B. Ten aanzien van de hygiëne in de slachtlokalen en van het daarin
werkzame personeel zij opgemerkt, dat deze eensdeels gevonden wor-
den in de zoevengenoemde Koninklijke besluiten en voor een deel in
het Vleeskeuringsbesluit.

Nieuw is echter dat personen, die lijdende zijn aan met name ge-
noemde besmettelijke ziekten, danwel bacteriedragers van deze ziek-
ten zijn, niet bij het slachten en bij het bewerken en de verdere be-
handeling van het vlees betrokken mogen zijn. Als besmettelijke ziek-
ten worden genoemd: typhus abdominalis, paratyphus A en B, en-
teritis infectiosa (Salmonellose), dysentrie, hepatitis infectiosa, rood-
vonk, open tuberculose en besmettelijke huidziekten. Uit een jaarlijks
door een medicus af te leggen verklaring moet blijken dat tegen hun
tewerkstelling geen bezwaren bestaan. De vétérinaire officièl wordt
met de controle op het bezit van dit gezondheidsattest belast.

C. Ten opzichte van de keuring vóór het slachten kan gesteld worden,
dat de bepalingen dienaangaand bereids vrijwel geheel in onze wet-
telijke voorschriften zijn vastgelegd. Vermoeide dieren dienen uit
te rusten alvorens tot slachten wordt overgegaan.

D. Van de voorschriften, gegeven in verband met de hygiëne tijdens het
slachten, is het vermeldenswaardig te achten, dat het gebruik van
slachtdoeken verboden wordt. Dat ook het opblazen van vlees niet is
toegestaan is voor ons land verre van nieuw.

E. De bepalingen omtrent de keuring nà het slachten kunnen geacht
worden in grote lijnen overeen te stemmen met hetgeen dienaan-
gaande in het Onderzoekingsregulatief is bepaald. Het reeds eerder
genoemde Koninklijke besluit van 6 juni 1922, Stcrt. 115, zal daar-
mede in overeenstemming worden gebracht.

Aan het onderzoek met de betrekking tot cysticercose is speciale aan-
dacht besteed. Bij runderen, ouder dan 6 weken, worden behalve de

-ocr page 782-

uitwendige en de inwendige kauwspieren en het hart ook de slok-
darm, het middenrif, de tong — door het maken van een snede in
de lengte van het spierstelsel aan de onderkant zonder dat dit orgaan
sterk beschadigd wordt — en de bij het slachten vrijgemaakte spier-
oppervlakten in het onderzoek betrokken.
F Voor uitvoer goedgekeurd vlees in E.E.G.-verband wordt voorzien
van ovale stempelmerken met afmetingen van 6,5 bij 4,5 cm. Het
vermeldt onder elkaar het land van herkomst, het controle-nummer
\\an het aangewezen slachthuis, onderscheidenlijk de verkleiningsin-
richdng en één van de afkortingen C.E.E., E.E.G., E.W.G. Geslachte
dieren niet een gewicht van meer dan 60 kg dragen op iedere helft
minstens 4 stempelmerken, te weten: de achterschenkel, de lendenen,
de rug en de schouder. Op organen mag, instede van een inktstempel,
ook een brandmeik worden aangebracht. Het verpakkingsmateriaal
van organen moet voorzien zijn van een label waarop behalve het
goedkeuringsmerk als bovenbedoeld, vermeld is een volgnummer, de
inhoud en het netto-gewicht.

Een gelijkluidende label moet zich binnen de verpakking bevinden.

G. Elke zending moet vergezeld zijn van een door de vétérinaire officièl
afgegeven en ondertekende verklaring, waarin de zending nauwkeurig
omschreven is in de vorm als overeengekomen. Dit gezondheidscer-
tificaat moet zijn gesteld in de taal van het land van herkomst en in
die van het land van besteuuning.

H. Indien het vlees niet onmiddellijk na de keuring voor uitvoer wordt
ingeladen moet het onder koeling bewaard blijven. De biimentem-
peratiuu\' van het opgeslagen vlees mag ten hoogste 8° C bedragen.

I. De eisen ten aanzien van het vervoer van voor uitvoer bestemd vlees
stenuuen in grote trekken overeen met de voorschriften zoals deze
zijn gege\\ en in artikel 58 \\ an het Vleeskeuringsbesluit.

Nieuw is echter, dat de binnen temperatuur van het vlees tijdens het
vervoer de 8° C niet mag overschrijden. Het onder koeling vervoeren
van vlees o\\-er grote afstanden zal vooral in het warme jaargetijde
aan de hoedanigheid van het \\lees bij aankomst in het land van be-
stemming ten goede komen. De bepaling, dat het vervoer van vlees
dient te geschieden in transportmiddelen, welke met een lood zijn
verzegeld, zal naar mijn ojwatting het vervoer in T.I.R.-wagens be-
vorderen.

Het gebruik van deze wagens voorkomt bovendien onnodig opont-
houd bij het passeren van de grens.

Gezien de in de aanvang geschetste moeilijkheden bij besprekingen in in-
ternationaal verband, zal liet duidelijk zijn dat de totstandkoming van
deze richtlijnen vele, vele uren van moeizaam overleg heeft gekost. In-
dien echter het beoogde doel - - een vrijer internationaal vlecsverkeer,
waarbij de belangen van de volksgezondheid volledig zijn veilig gesteld —
hiermede wordt bereikt, kan niet van verloren tijd worden gesproken.

SAMENV.ATTING. *

Inleider geeft een overzicht van de voorschriften zoals deze opgenomen worden in
de Richtlijn voor het verkeer van vlees in de E.E.G.

-ocr page 783-

Het doel bij het totstandkomen van een gemeenschappelijke markt is waarborgen tc
verschaffen, niet alleen ten aanzien van de volksgezondheid, doch ook ter bescherming
van de veestapel.

Naast nauw omschreven aanwijzingen voor de keuring van het slachtdier vóór en na
de slachting omvat de Richtlijn voorwaarden waaraan de inrichtingen waar vlees
wordt verkregen, bewerkt of opgeslagen moeten voldoen. Een uniform stempelmcrk
voor in het E.E.G.-gebied verkregen vlees, bestemd voor uitvoer naar een der lid-
staten, is voorgeschreven.

Ten aanzien van personen, die werkzaam zijn bij het slachten en de verdere behan-
deling van vlees, zijn hygiënische voorschriften gegeven.

SUMMARY.

The regulations as included in the Principle guiding the traffic in meat in the Euro-
pean Economic Community are reviewed.

The object in setting up a common market is to provide safe-guards not only for the
protection of public health but also for the protection of live-stock.
In addition to specific instructions regarding the inspection of slaughter animals
before and after slaughter, the Principle also includes requirements to be met by
those establishments which arc engaged in the sale, treatment or storage of meat.
A uniform control stamp is compulsory for meat in the E.E.C.-area and intended
for export to one of the member nations.

Health regulations have been laid down with regard to tho.se engaged in slaughter
and the subsequent handling of meat.

RÉSUMÉ.

Le conférencier donne un aperçu des prescriptions telles qu\'elles sont insérées dans la
Directive pour le trafic dc la viande dans la C.E.E.

Le but, lors dc la création d\'un marché commun, c\'est de se procurer des garanties
non seulement à l\'égard de l\'hygiène publique mais aussi pour la protection de l\'effec-
tif du cheptel vif.

A part de directions strictement définies pour inspection de l\'animal d\'abattage avant
et après l\'abattage, la Directive renferme les conditions que doivent remplir les éta-
blissements où la viande est obtenue, travaillée ou mise en stock.
Pour la viande obtenue dans le territoire de la C.E.E., destinée pour l\'exportation
vers un des états-membres, un poinçon uniforme est prescrit.

A l\'égard de personnes travaillant dans l\'abattage ou aux manipulations intérieures
de la viande, des prescriptions hygiéniques sont données.

ZUSAMMENFASSUNG.

Referent gibt eine Übersieht der Vorschriften, wie diese in der Richtlinie für den
Fleischtransport innerhalb der E.W.G. aufgenommen wurden.

Das Ziel beim Zustandekommen eines gemeinschaftlichen Marktes ist nicht allein
Sicherheit hinsichtlich der Volksgesundheit, sondern auch Schutz für den Vieh-
bestand zu schaffen.

Neben genau umschriebenen .Anwcisun.gen für die Körung des Schlachttiers vor und
nach dem Schlachten, befasst die Richtlinie Voraussetzungen, denen die Einrichtungen
wo Fleisch erhältlich ist, bearbeitet oder aufbewahrt wird, genügen müssen.
Vorgeschrieben wird ein einheitliches Stempclzeichen für im E.W.G.-Gebiet erwor-
benes Fleisch, das zur Ausfuhr nach einem der Mitgliederstaaten bestimmt ist.
Hinsichtlich des Personals, das beim Schlachten und der weiteren Verarbeitung des
Fleisches beschäftigt ist, werden hygienische \\\'orschriften gegeben.

-ocr page 784-

DISCUSSIE naar aanleiding van de voordrachten over de E.E.G. en de
wering van dierziekten.

Vraag:

van de heer W. J. R o e p k ee naar aanleiding van de voordracht van de heer
Wagenvoort:

De vrijkoming van het handelsverkeer kan m.i. zekere gevaren opleveren, speciaal
in verband met het feit, dat de georganiseerde ziektenbestrijding in sommige landen
beslist minder ver is gevorderd dan in ons land.

Nu heb ik van de heer Wagenvoort gehoord, dat de besprekingen over pluimvee en
eieren nog plaats moeten vinden; dus ik kan nog niet vragen, welke maatregelen men
zich denkt te nemen. Ik zou dus willen volstaan met op te merken, dat bepaalde
ziekten, bijv. pullorum, in andere landen van veel grotere betekenis zijn en nog lang
niet zo vérgaand zijn bestreden als in ons land. Ik zou er dan ook op willen wijzen
dat men in de overige E.E.G.-landen andere methoden van onderzoek gebruikt en
vooral ook dat men daar antigenen gebruikt, die niet gecontroleerd zijn en die een
andere samenstelling hebben dan de onze.

In dit verband vestig ik de aandacht op het feit, dat deze antigenen in bepaalde op-
zichten ons inziens te kort schieten en moeilijkheden kunnen geven bij het onderzoek,
moeilijkheden, die wij al jaren geleden hebben ondervonden en die wij naar mijn
mening hebben overwonnen.

Antwoord:

Ik heb bij mijn inleiding al gezegd, dat de methoden van onderzoek op elkaar afge-
stemd moeten zijn, willen wij éénzelfde taal spreken. Er is nog geen agenda opgesteld
voor de eerste vergadering hierover, zodat ik U niet kan zeggen, wat hier uit de bus
zal komen. In ieder geval zal er toch een agenda op tafel moeten komen met een
werkproject en zal de procedure terzake identiek moeten zijn met die, welke gevolgd
is in de subgroep „Levend Vee".

Vraag:

van Prof. A. van der Schaaf, naar aanleiding van de voordracht van de heer
Van Vloten:

Mijn aandacht is vooral getrokken door enkele woorden van Dr. van Vloten, nl. deze
„dat elke vorm van tuberculose bij het slachtdier eigenlijk tot gevolg zou hebben,
dat dit dier niet goedgekeurd zou worden voor export".

In dit verband denk ik vooral aan tuberculose bij het varken. Deze tuberculose komt
— zoals U weet — in 3 verschillende vormen voor; het zijn eigenlijk niet 3 verschil-
lende
vormen van tuberculose, maar het gaat hier om 3 verschillende verwekkers,
te weten:

1. het Mycobacterium bovis (de rundertuberkelbacil);

2. het Mycobacterium tuberculosis (de humane tuberkelbacil) ;

3. het Mycobacterium avium (de vogeltuberkelbacil).

Ik zou misschien nog een vierde vorm kunnen noemen, nl. het micro-bacterium, dat
bij het varken pathologische veranderingen veroorzaakt in de lymfklieren, maar mis-
schien is dit geen echte tuberkelbacil; het is in ieder geval een zuurvast staafje, dat
veranderingen doet ontstaan. Hongaarse schrijvers hebben dit micro-bacterium „suis"
genoemd. Indien men zegt: „tuberculose in welke vorm dan ook", zal het in E.E.G.-
verband zeer moeilijk worden voor de keuringsdierenarts vast te stellen, of een varken
inderdaad tuberculose heeft.

Op het laboratorium krijgen wij bijv. materiaal voor onderzoek op tuberculose en
hierbij vinden vtdj soms bij microscopisch onderzoek geen zuurvaste staafjes. Dit sluit
echter niet uit, dat het toch tuberculose is. Om zekerheid hieromtrent te verkrijgen

-ocr page 785-

moeten wij dus kweek- en dierproeven doen bij cavia\'s en kippen. Dan kunnen wij pas
zeggen: „Hier is geen sprake van tuberculose".

Met enkele Duitse collega\'s heb ik onlangs een gesprek gehad over dit probleem, en
zij waren van mening, dat de huidige regeling niet juist is. In Duitsland worden nl.
momenteel zeer veel varkens onder voorwaarde van sterilisatie goedgekeurd, omdat
zij enkele processen in de halslymfklieren hebben, die niet van tuberculose te onder-
scheiden zijn. Wil men hieromtrent zekerheid verkrijgen, dan kost dit 4 weken. Nu
kan men natuurlijk een histologisch onderzoek doen, maar dit is niet voldoende.
Samengevat: men heeft verschillende zuurvaste bacteriën die op tuberculose-bacillen
lijken.

Wanneer wij dit onderzoek zouden kunnen beperken tot zoogdiertuberculose, zouden
wij een heel eind verder zijn en dan zouden wij in Nederland veel minder moeilijk-
heden hebben.

Antwoord:

Dit probleem is voor mij helemaal niet moeilijk! Jarenlang ben ik rijkskeurmeester
in bijzondere dienst geweest en ik heb mij altijd op het standpunt gesteld, dat een
land slechts het beste, waarover dit land beschikt, moet exporteren.
Daarmede behoudt het land zijn markt!

Indien ik maar een weinig twijfelde, onthield ik mij en werd het slachtdier bestemd
voor binnenlandse consumptie. En zo zou ik het als antwoord op deze vraag ook
willen stellen: Bij twijfel, onthouden!

Het is misschien wel interessant te weten dat de Nederlandse delegatie bij de be-
sprekingen destijds een vooraanstaande rol heeft gespeeld. Wij zijn nu zo ver ge-
komen, dat ons land — praktisch gesproken — vrij is van tuberculose onder het
rundvee. Daarom stellen wij het erg op prijs, dat wij geen vlees krijgen van slacht-
dieren, die aan tuberculose — in welke vorm dan ook — geleden hebben.
Ik geloof niet, dat deze kwestie beslist uit een oogpunt der wetenschap bekeken moet
worden.

Bij tuberculose dus: onthouden!!!

Bij twijfel: ook onthouden, dus niet exporteren!!!

Vraag:

van de heer K. H o f s t r a, naar aanleiding van de voordracht van de heer Van
Vloten:

Ik zou graag aan Dr. van Vloten de vraag willen stellen, of en — zo ja — op welke
wijze in E.E.G.-verband de hulpkrachten, i.e. de keurmeesters van vee en vlees, in-
geschakeld mogen blijven en op welke wijze zij dan eventueel hun werkzaamheden
mogen blijven verrichten.

Antwoord:

Het systeem, dat wij in Nederland hebben houdt in dat het instituut van keur-
meesters rustig blijft bestaan, maar het is de rijkskeurmeester — dus de vétérinaire
officiël — die de verantwoording in deze blijft dragen.

Zodra dus de keurmeester iets ontdekt aan het geslachte dier, dan is hij verplicht,
in verband met onze export, de rijkskeurmeester hiervan op de hoogte te stellen en
deze is de instantie, die beslist. Wij kunnen dus heel rustig het systeem, zoals wij dit
op het ogenblik hebben, handhaven.

Vraag:

van de heer W. H. E e n i n k, naar aanleiding van de voordracht van de heer Van
Vloten:

Ik meen begrepen te hebben, dat dieren, waarin afgestorven cysticerci worden aan-
getroffen, straks niet meer geëxporteerd mogen worden.

-ocr page 786-

Dit brengt geen moeilijkheden met zich mee voor dieren, die rechtstreeks, levend,
voor exportkcuring worden aangeboden, maar wél voor dieren, waarvan delen, bijv.
voeten, welke gekeurd zijn ingevolge de bepalingen van de Vleeskeuringswet\' voor
exportkeuring worden aangeboden.

Ik zie niet in, hoe dit mogelijk is, zulks speciaal in verband met rundervoeten.
Antwoord:

Dc bepaling met betrekking tot vlees, waarin niet alleen levende, maar zelfs ook dode
vinnen zijn gevonden, is ook weer tot stand .gekomen op aandrang van de Nederlandse
delegatie, omdat wij hier na 40 jaar vleeskeuringswet nog altijd op hetzelfde niveau
zitten t.a.v. de cysticercose. Dat is een vervelende geschiedenis, maar wij staan in deze
niet alleen, want dit is een verschijnsel, dat ei.genlijk in alle VVesteuropese landen
voorkomt.

Om ons nu zoveel mogelijk te vrijwaren van de invoer van vlees, waarin cysticerci
zouden kunnen voorkomen, is deze bcpaling opgenomen en door alle lid-staten onder-
schreven. Wanneer U nu naar voren brengt, dat bij afzonderlijke uitvoer van vlees,
goedgekeurd overeenkomstig de bepalingen van de vleeskeuringswet, die voeten aan-
geboden kunnen worden, zou ik U wc! even willen attenderen op het feit, dat
voortaan dat vlees volgens de bepalingen van de E.E.G. en als zodanig gemerkt, mcK-t
worden gekeurd.

Dit betekent dus, dat wij op deze manier dit ook uitschakelen en ik geloof, dat het
cen zeer goede bepaling is, want wij vangen niet alle cysticerci. Wij onderzoeken prc-
dilectieplaatsen; het aantal predilectieplaatsen mag uitgebreid zijn, maar het is ei.gen-
aardig, dat de cysticerci zich niet geheel houden aan deze spelregels en dat zij voor-
komen op plaatsen, die buiten deze voorkeursplaatsen vallen. Daarom geloof ik, dat
het een zeer goede regeling is.

Vraag:

van de heer W. H. E e n i n k, naar aanleiding van de voordracht van de heer Van
\\\' 1
O t e n:

Moet het keuringsrcgulatief met betrekking tot het aantreffen van gestorven cysti-
cerci dan niet .gewijzigd worden?

Antwoord:

Inderdaad, bij dc laatste wijziging van het Keurin.gsregulatief is deze vraag ook naar
voren gekomen, doch de grote economische gcvol.gen van het invriezen van die dieren,
waarin afgestorven vinnen zijn gevonden, hebben ons momenteel nog enigszins af-
geschrikt. Maar mogelijk zal mijn opvolger het hier helemaal niet mee eens zijn en
van mening zijn, dat dit hoog nodig veranderd moet worden.

Ik zou hier echter nog één punt bij willen betrekken. Zoals U weet, zijn alle slacht-
dieren verzekerd bij het Centraal Bureau Slachtvceverzekeringen. Bij het C.B.S. is
de post van cysticercose het hoo,gst en jaarlijks (en dit geldt alleen al voor het aan-
treffen van levende vinnen) wordt hierdoor bijna ƒ 1.000.000,- uitbetaald. Hoe hoog
dit bedrag anders zou worden, weet ik niet, maar momenteel hebben wij deze stap
nog niet durven nemen.

Vraag:

van de heer L. K. V r o e g i n d e w e ij, naar aanleiding van de voordracht van de
heer Van Nieuwenhuizen:

Is er bij het overleg tussen de medici van de E.E.G.-landen ook gesproken over het
mogelijk uniform maken van dc voorschriften ten aanzien van al of niet toegelaten
geneesmiddelen, speciaal welke al of niet uitsluitend op medisch voorschrift mogen
worden verkocht?

-ocr page 787-

Antwoord:

Hierop kan ik antwoorden, dat dit op de wijze, waarop dit door de vraagsteller is
gesteld, niét is gebeurd.

Het vraagstuk van de geneesmiddelen speelt natuurlijk ook binnen het Comité Per-
manent een belangrijke rol, omdat dit een vraagstuk is, dat op het vlak ligt van de
organen van de sociale zekerheid.

In de eerste plaats moet ik stellen, dat het voorschrijven van geneesmiddelen in de
organen van de sociale zekerheid in de verschillende landen uiteenlopend is geregeld.
Dat is van belang, omdat bijv. in Frankrijk de vrijheid van het voorschrijven van
geneesmiddelen tot de regels van de berocpsvrijheid behoort. Dit is bij de Fransen
zó sterk, dat ze generlei beperking in het voorschrijven van gencesmiddlen wensen tc
accepteren. Deze opvatting leidt in Frankrijk tot een onvoorstelbare hoeveelheid ge-
neesmiddelen, die gecombineerd aan de patiënt worden voorgeschreven.

Het tweede punt is, dat het voorschrijven van geneesmiddelen natuurlijk een eco-
nomische kant heeft en dat in de verschillende ziekenfonds-systemen het voorschrijven
van geneesmiddelen dus aan bepaalde beperkingen is onderworpen. In het nieuwe
ontwerp Ziekenfondswet van Minister Veldkamp staat, dat de medicus dc vrijheid
moet hebben in het voorschrijven van geneesmiddelen „binnen redelijke en zedelijke
grenzen". Dit vind ik op zichzelf een zeer behoorlijke omschrijving, maar er zijn an-
dere landen, die zich in dit opzicht op geen enkele wijze beperkt willen zien.
Ik vermoed cchtcr, dat Uw opmerking dc kwestie van de gevaarlijkheid van de ge-
neesmiddelen betreft. U knikt, dus mijn veronderstelling is juist.

Deze belangrijke kwesUe heeft op onze laatste vergadering van het Comité aan-
leiding gegeven tot uitgebreide discussies, zoals U zelfs via het A.N.P. heeft kunnen
vernemen. Het Comité Permanent is bij acclamatie voorlopig gekomen tot het in-
stellen van een informadc-commissie, die over ons bureau zal lopen. Dit alles is
natuurlijk geïnspireerd op het thalidomidc-drama, het Softenon-drama, hetgeen in
werkelijkheid slechts een onderdeel is van het grote vraagstuk van de toxiciteit der
geneesmiddelen en van de vrijheid van voorschrijven die al of niet enige beperking
moet ondergaan.

De moeilijkheid is, dat de toxiciteit van geneesmiddelen een vraagstuk is, dat be-
trekking heeft op ieder geneesmiddel. Sommige patiënten zijn vcx)r cen bepaald ge-
neesmiddel gevoelig, waar duizenden anderen niet gcvo<-lig voor zijn. Bovendien kan
een gneesmiddel, dat bij een bepaalde patiënt geen toxisch effect heeft, voor deze
patiënt toxisch worden, wanneer het in cen andere dosering wordt voorgeschreven.
Hiernaast zijn er ook toxische werkingen van geneesmiddelen, die men niet heeft
kunnen voorzien. Het Softcnon-drama is daarom zo\'n drama, omdat dit geneesmiddel
van te voren wel degelijk in een overigens bekende farmaceutische fabriek in Duits-
land door middel van vele dierproeven uitvoerig was getest. Softcnon blijkt echter
cen specifieke toxiciteit te hebben voor bepaalde dieren, zodat de dierproeven goed
verliepen, maar nu achteraf blijkt, dat cen bepaalde andere diersoort cr wél gevoelig
voor is. In ieder geval was dit niet te voorzien en heeft dit dus aanleiding gegeven
tot deze grote ramp. Een onaangename factor is, dat wij er ons pas zo laat van
bewust zijn geworden, dat dit een ernstig toxisch .geneesmiddel was voor zwangere
vrouwen.

Wat het Comité Permanent op het ogenblik doet is een mogelijkheid scheppen, dat
de medicus, die in contact komt met een patiënt die op een geneesmiddel ■— naar
zijn mening — toxisch reageert, dit direct zal melden aan zijn beroepsorganisatie en
dat deze organisatie dit op haar beurt direct doorgeeft aan cen centraal punt.
Eén van de redenen voor het oprichten van cen dergelijk centraal punt is de volgende.
Het is mogelijk, dat aanvankelijk slechts enkele gevallen van de toxische werking
van cen bepaald geneesmiddel bekend zijn. Bovendien huivert een medicus — dus ook
een specialist — een artikel te schrijven over de toxiciteit van een geneesmiddel, indien
hem slechts 1 geval bekend is. Door dit éne geval heeft hij immers nog geen zeker-
heid over de door hem veronderstelde toxiciteit. Wanneer er bijv. een kind abnormaal

-ocr page 788-

geboren wordt, is de arts door de confrontatie met dit éne geval er niet zeker van,
dat de oorzaak gezocht moet worden bij het gebruik van een bepaald slaapmiddel.
Dit was dus het geval bij Softenon. Pas doordat er zoveel gevallen tegelijk voor-
kwamen, heeft men zich op een naar mijn mening te laat tijdstip pas gerealiseerd,
welk een gevaarlijk geneesmiddel dit was voor zwangere vrouwen.
Wat het Comité Permanent zich voorstelt, is dat uit de verschillende landen de toxi-
citeit van een enkel geval direct wordt doorgegeven naar één internationaal, centraal
punt, want de mogelijkheid bestaat, dat wanneer de aangifte van alle op zichzelf
staande gevallen wordt gecentraliseerd, de toxiciteit van een bepaald geneesmiddel
veel eerder onderkend wordt. Van de zijde van het Comité Permanent is op het
ogenblik nog geen verdere stap te verwachten, maar ik kan U wel mededelen, dat
er een motie voorlag, die door de Nederlandse delegatie was opgesteld en waarin werd
aangedrongen op een andere oplossing. Deze motie is niet aangenomen; de behan-
deling hiervan is voor nader beraad tot de volgende vergadering aangehouden.
In Amerika kent men de Food and Drug Administration: één centraal instituut voor
geheel Amerika tot het testen van geneesmiddelen. In tegenstelling hiermede is in
Europa de beoordeling van geneesmiddelen tot op heden gedecentraliseerd over de
verschillende staten en in ieder land wederom gedecentraliseerd. In Nederland bijv.
heeft men het onderzoek van geneesmiddelen opgedragen aan:

1. een onderdeel van T.N.O.;

2. het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid;

3. het R.I.P.T.O. (Rijks Instituut voor Pharmaco-Therapeutisch Onderzoek);

4. nog enkele andere instanties.

Hiernaast zijn er natuurlijk nog de farmaceutische fabrieken, die vanzelfsprekend hun
eigen testmateriaal hebben.

In eerdergenoemde motie werd bij de verschillende regeringen aangedron.gen op het
onderzoeken van de mogelijkheid tot de instelling van een centraal instituut voor
voedsel- en geneesmiddelen-onderzoek; voedselonderzoek, voorzover het conserverings-
middelen betreft, want ik behoef het woord „Planta" maar te noemen en U weet,
dat daar geen enkel gevaar in zit!!!

Dit verzoek aan de regeringen is echter teruggehouden, en wel door de Fransen. De
Fransen zagen er nl. het gevaar in van de beperking van het voorschrijven van ge-
neesmiddelen, hetgeen zij, naast de vrijheid van patiëntenkeuze en het medisch ge-
heim, één van de essentiële vrijheden van het artsenberoep beschouwen. Dit stand-
punt onderschrijft de Nederlandse delegatie niet. Deze meent, dat adviezen van hoger-
hand, indien ze reëel zijn, wel degelijk opgevolgd moeten worden. Maar dit is nog
een kwestie van „inwendige zending", zoals wij dat noemen.

-ocr page 789-

Meningo-encephalitis listeriosa bij het rund.

Bovine meningo-encephalitis listeriosa.

door R. G. DIJKSTRA\')

Inleiding.

Listeriose is een infectieziekte, veroorzaakt door de Listeria monocytogenes-
bacterie. Pirie (1927) beeft ter nagedachtenis aan Lord Lister, de door
hem in Zuid-Afrika en de door Murray, Webb en Swan (1926) bij
knaagdieren gevonden pathogene kiem eerst
Listerella, later Listeria mono-
cytogenes
genoemd.

De infectie kan aanleiding geven tot verschillende ziektebeelden. Ze komt
overal ter wereld voor en bij vrijwel alle diersoorten.

Treedt bij volwassen runderen het beeld van abortus en meningo-encefa-
litis het meest op de voorgrond, de jongere dieren vertonen een meer septi-
cemisch ziektebeeld. Bij hoge uitzondering treedt een encefalitis na een
abortus op.

Paterson (1939) deelde de Listeria-hactenéi\\ in verschillende sero-
groepen in, te weten de typen I, II, III, IVa en IVb. In ons land komen
bij dieren de typen I en IVb het meest voor. Uit hersenen van dieren, die
lijdende zijn aan encefalitis, wordt vrijwel uitsluitend type IVb geïsoleerd
(98%); tei-wijl wij bij aborterende runderen in 50% der gevallen type I
en in 50% der gevallen type IVb isoleren (typering Rijks Instituut voor de
Volksgezondheid).

Vóórkomen en aetiologie.

De meningo-encefalitis treedt bij runderen van alle leeftijden op.
De gemiddelde leeftijd van 90 nader onderzochte runderen, gesuccumbeerd
aan encephalitis listeriosa in Friesland vanaf 1 januari 1961 tot 1 juli 1962
was 3,4 jaar. Hieronder waren 3 kalveren, één op een leeftijd van 1 week
en twee op een leeftijd van 8 weken. (De gemiddelde leeftijd van het
Nederlandse nmd bedraagt 6 jaar.)

Opmerkelijk is tevens dat de meeste gevallen van encefalitis optreden in de
maanden maart, april en mei. 80% van het aantal bacteriologisch- en histo-
logisch gediagnostiseerde gevallen van encefalitis viel in 1961 in de maanden
maart, april en mei en in 1962 (tot heden) 78,5% in deze 3 maanden.
In de maanden juli t.m. januari treden zelden gevallen van
Listeria-enceia-
litis op. In de wintermaanden treedt het verschijnsel abortus meer op de
voorgrond. Een encephalitis listeriosa treedt zelden op bij drachtige run-
deren. Men mag concluderen, dat de placenta de eerste predelectieplaats is,
terwijl de hersenen de tweede predelectieplaats vormen. Neurolisteriose en
Listeria-ahortus treden zelden tegelijkertijd op of opéénvolgend.
Zover bekend trad encefalitis bij 5 runderen antepartem op; 15 nmderen
succumbeerden aan encefalitis binnen 2 weken postpartem (16,5%). In 43
gevallen vertoefden de runderen reeds in de weide en in 47 gevallen trad
de ziekte op stal op.

Meestal zien we maar één of twee dieren lijdende aan een Listeria-encefa-
litis op één bedrijf, zodat predispositie moet worden aangenomen. De in-

R. G. Dijkstra, Dierenarts bij de Gezondheidsdienst voor Vee in Friesland, Kruis-
straat 43, Leeuwarden.

-ocr page 790-

Total number of cases of Listeria abortion and encephalitis.

fectie treedt meestal oraal op; rhinogene infecties worden in de literatuur
ook beschreven.

Predispositie.

Plotselinge rantsoenwijzigingen die een indigestie ten gevolge kunnen heb-
ben zijn predisponerende factoren, waardoor een infectie met
Listeria-
bacteriën, vooral wanneer deze in het darmkanaal voorhanden zijn, be-
gunstigd kan worden. Zo zou het verhoogde aantal gevallen na de partes
verklaard kimnen worden uit de veel sterkere voeding die bij nieuwmelkse
koeien gegeven wordt. Daarnaast kunnen als andere ziekten traumatische
gastritis, bruccllose, Co/t-bacillose en virusziekten („mucosal disease") pre-
disponerend werken.

Ook kunnen transporten de weerstand \\ an het dier ten opzichte van een
Listeria-\'mlectiQ verlagen.

Totaal aantal gevallen Listeria-abortus en encefalitis.

-ocr page 791-

Symptomen.

De ziekte begint meestal met een kort prodromaal stadium, waarin vooral
gastro-intestinale verschijnselen op de voorgrond treden. De plotseling op-
tredende koorts verdwijnt ook weer spoedig.

Hierna treden de algemene hersenverschijnselen op, meestal gevolgd door
haardsymptomen. Algemene hersenverschijnselen zijn angst, wilde blik, op-
geheven kop, voorwaarts dringen, heftig verzet, tanden knarsen en spier-
krampen (kaakspieren), soms afgewisseld met perioden van somnolentie.
Ook het plotseling tot zich nemen van grote hoeveelheden voedsel wordt
waargenomen.

De haardsymptomen zijn afhankelijk van de lokalisatie \\ an de ontstekings-
processen in de hersenen. Beginnen sommige dieren atactisch te lopen, an-
dere nemen weer een dwangstand aan als het onbewust steunen met de kop
tegen een muur of paal of bezitten een onbedwingbare drang tot voortlopen
(dwanglopen). Ook kunnen manegebewegingen optreden, hetzij naar links
(23x waargenomen), hetzij naar rechts (22x waargenomen). Deze werden
opgemerkt in 50% der gevallen, waarin de bacil in de hersenen werd aan-
getoond.

Encephalitis listeriosa.

Symptomen bij 90 runderen

van

1-1-1961 tot 1-7-1962.

Spierrillingen

21

Manegebewegingen naar links

23

Manegebewegingen naar rechts

22

.Ataxie

20

Dwangstand en dwanglopen

21

Slikvcrlamming

23

Salivatie

20

Tong-paralyse

14

Facialis-paralyse links

5

Facialis-paralyse rechts

3

Facialis-paralyse bilateraal

6

Tranenvloed

13

Excitatie-verschijnselen

10

Blindheid, nystagmus

29

Sopor, somnolentie

10

Paralyse der ledematen

18

Verschijnselen van bulbair-paralyse worden regelmatig opgemerkt, b.v. slik-
bezwaren en tongverlamming, waarbij de tong gedeeltelijk uit de bek hangt
of uit de bek getrokken kan worden en deze stand een tijd behoudt. Op-

-ocr page 792-

vallend is de onvoldoende tonus van de tong in het begin. Salivatie is een
begeleidend symptoom.

De dieren willen wel eten, maar kunnen het \\ oedsel niet tot zich nemen en,
indien het in de bek gebracht wordt, kunnen ze bet niet verwerken. De
onderkaak kan verlamd zijn (trigeminus-paralyse), zodat het mogelijk is
deze zonder tegenstand van het dier heen en weer te bewegen.
Facialisparalyse — éénzijdig of bilateraal — komt voor. Hierbij zien wij het
afhangen van een oor, afhangende oogleden, waardoor gemakkelijk tranen-
vloed en een secondaire conjunctivitis kan ontstaan en eventueel afhangen
van de lip, waardoor overtollig speeksel via de mondhoek afloopt.
Ook aandoeningen als nystagmus en blindheid kunnen een deel van het
symptomencomplex vormen. Na enkele dagen treedt algehele paralyse der
ledematen op en worden de dieren comateus, waarna de dood intreedt.
Voordat dit stadium is bereikt, zijn de meeste dieren reeds in nood gedood.
Bij andere dieren treden excitaties, soms met een torticollis meer op de voOr-
grond; zelfs kunnen gevallen van razernij zich voordoen.
Sommige dieren zijn meteen al soporous en somnolent en kunnen - - para-
lytisch geworden — zonder andere symptomen te vertonen, plotseling ster-
ven.

-ocr page 793-

Foto 3.

Encephalitis listeriosa, Dwangstand, steunen met de kop tegen de

Photo 3.

Encephalitis listeriosa. Compulsive position, the head leaning to

the wall.

Encephalitis listeriosa. Onbedwing-
bare drang tot voortlopen (dwang-
lopen), zelfde koe als op foto 3.

Photo 4.

Encephalitis listeriosa. Uncontrolllable
compulsive movement; pushing for-
wards (same cow as in photo 3).

-ocr page 794-
-ocr page 795-
-ocr page 796-

Diagnose.

De diagnose van encephalitis listeriosa kan met zekerheid alleen gemaakt
worden door middel van het bacteriologisch en histologisch onderzoek der
hersenen. Hiervoor komen in aanmerking de pedunculi cerebri, het cere-
bellum, de pons Varoli en de medulla oblongata, centra, waarin de ont-
stekingsprocessen het veelvuldigst voorkomen.

De sero-diagnose van Lüieri\'a-encefalitis laat te wensen over. Bij 18 van
de 90 gevallen van Lwterz\'a-encefalitis werd een serologisch onderzoek in-
gesteld; hiervan toonden 10 een positief resultaat in de agglutinatie-reactie
(antigeen - Rijks Instituut voor de Volksgezondheid).

Differentieeldiagnose.

Allerlei oorzaken die aanleiding kunnen geven tot hersenverschijnselen ko-
men in aanmerking. Het is dan ook dikwijls moeilijk om klinisch een zuivere
diagnose te stellen.

Zo kunnen genoemd worden bacteriële infecties van E. coli. Cor. pyogenes
en Sphaerophorus necrophorus en bacterie-toxinen, met als voorbeeld botu-
lismus; ten tweede virus-infecties en ten derde zowel organische als an-
organische giften, b.v. respectievelijk autointoxicatie en loodvergiftiging.
Gezien het variabele beeld van Lfrfen\'a-encefalitis geven de stofwisselings-
ziekten melkziekte en kopziekte moeilijkheden bij de diagnose. Indien de
gebruikelijke Ca-Mg-therapie geen genezing brengt moet men rekening hou-
den met een
Listeria-\'miectis.

Therapie.

Bij de acute gevallen van enccfalitis met algemene hersenverschijnselen heeft
een ingestelde therapie zo nu en dan resultaat. In aanmerking komen breed-
spectrum-antibiotica. Niettegenstaande de Liitena-bacterie in vitro gevoelig
is voor penicilline zijn de behandelingsresultaten hiermee slecht. Een in zo
vroeg mogelijk stadium en een met hoge doses ingestelde therapie heeft wel
eens resultaat.

Doch wanneer reeds haardsymptomen op de voorgrond treden, heeft een
therapie over het algemeen geen succes.

Sommige subklinische gevallen kunnen spontaan herstellen. Bij deze dieren
kan de waarschijnlijkheidsdiagnose listeriose hoogstens na serologisch
onderzoek bevestigd worden.

Prognose.

De prognose is bij runderen met symptomen van algemene hersenverschijn-
selen vrij ongunstig; zijn reeds haardsymptomen kenbaar (niet meer kun-
nen eten en drinken) dan is de prognose infaust.

De meningo-encefalitis listeriose komt in de praktijk meer voor dan men
aanvankelijk dacht. Het steeds meer vóórkomen en/of onderkennen van
listeriose onder vrijwel alle dieren en bet potentiële gevaar voor de Volks-
gezondheid maakt de listeriose tot een ziekte die de aandacht verdient.

-ocr page 797-

90 runderen, gesuccumbeerd aan meningo-encephalitis listeriosa in Friesland vanaf

I januari 1961 tot 1 juli 1962, zijn nader onderzocht.

80% van het aantal bacteriologisch en histologisch gediagnostiseerde gevallen van
encefalitis traden op in de maanden maart, april en mei.

98% der geïsoleerde Listeria monocytogenes-stzmme.n behoren tot het serotype IV b.
Bij drachtige runderen treedt zelden een encefalitis op. Men mag aannemen, dat de
placenta de eerste predelectieplaats is. Rantsoenwijzigingen en andere ziekten kunnen
predisponerend werken.

In 50% der gevallen traden manegebewegingen op, weer andere runderen vertoonden
verschijnselen van bulbairparalyse.

Symptomen gelijkend op die bij grastetanie en paresis puerperalis komen voor. Diffe-
rentieel-diagnostisch kan dit wel eens moeilijkheden opleveren.

Diagnose kan met zekerheid alleen gemaakt worden door middel van bacteriologisch
en histologisch onderzoek der hersenen. Een in zo vroeg mogelijk stadium der ziekte
en een met hoge doses ingestelde therapie (breedspectrum-antibiotica) heeft wel eens
resultaat.

Sommige subklinische gevallen kunnen spontaan herstellen.
SUMMARY.

Ninety cattle which died from meningo-encephalitis listeriosa in Friesland during
the period from January 1, 1961 to July 1, 1962, were examined more closely.
Of the cases of encephalitis in which the diagnosis was verified by bacteriological
and histological investigation, eighty per cent occurred in the months of March,
.\\pril and May.

Of the strains of Listeria monocytogenes isolated, ninety-ei.ght per cent were of sero-
type IV B.

Encephalitis rarely occurs in pregnant cows. The placenta may be assumed to be
the primary site of predilection. Alterations in the rations and other diseases may act
as predisposing causes.

Circular movements occurred in fifty per cent of the cases, whereas other animals
showed symptoms of bulbar paralysis.

Symptoms bearing a resemblance to those observed in grass tetany and paresis puerpe-
ralis appear in some cases. This may cause difficulties in establishing a differential
diagnosis.

A sure diagnosis can only be established by bacteriological and histological examina-
tion of the brain. Treatment iniated at the earliest possible stage of the disease and
involving the administration of large doses (broad-spectrum antibiotics) may occa-
sionally be successful.

Certain subclinical cases may recover spontaneously.
RÉSUMÉ.

90 bovins succombés à une mcningo-encéphalite listériosa cn Frise depuis le 1er jan-
vier 1961 jusqu\'au 1er juillet 1962 ont été soumis à un examen plus détaillé.
80% du nombre des cas d\'encéphalite diagnostiqués bactériologiquement et histolo-
giquement se présentaient dans les mois de mars, d\'avril et de mai.
98% des souches dc
Listeria monocytogenes isolées appartiennent au sérotype IV B.
On constate rarement une encéphalite chez les bovins gravides. On peut admettre que
le placenta est le premier endroit de prédilection.

Les changements des rations et diverses maladies peuvent avoir un action prédispo-
sante.

Dans 50% des cas on constata des mouvements de manège, d\'autres bovins montraient
des symptômes de paralyse bulbaire.

II se présente des symptômes ressemblant à ceux de la tétanie d\'herbage et de la para-

-ocr page 798-

lyse puerpérale. Ce fait peut causer des problèmes en ce qui concerne le diagnostic
différentiel.

Le diagnostic ne peut être fait avec certitude qu\'à l\'aide d\'un examen bactériologique
et histologique du cerveau. Une thérapeutique instituée le plus tôt possible dans un
des premiers stades du mal, avec des doses élevés (antibiotiques d\'un spectre étendu)
produit quelquefois des résultats.

Quelques cas subcliniqucs peuvent se rétablir spontanément.
ZUS.AMMENFASSU.XG.

Es wurden 90 Rinder in Friesland untersucht, die in der Zeit vom 1. Januar 1961
bis 1. Juli 1962 an Meningoenzephalitis listeriosa eingegangen waren.
80% der bakteriologisch und histologisch diagnostizierten Fälle der Enzephalitis traten
in den Monaten März, April und Mai auf.

98% der isolierten Listeria monocytogenes-i&mme gehören zum Serumtypus l\\ B.
Bei trächtigen Rindern tritt selten Enzephalitis auf. Man darf annehmen, dass die
Placenta die erste Prädilektionsstelle ist. Änderungen in der Ration, sowie andere
Krankheiten können prädisponierend wirken.

In 50% der Fälle traten Manegebewegungen auf, wieder andere Rinder wiesen Er-
scheinungen von Bulbärparalyse auf.

Symptome, gleichend auf jene der Grastetanie und Paresis puerperalis zeigen sich.
Differential diagnostisch kann dies manchesmal zu Schwierigkeiten führen.
Mit Sicherheit kann die Dia.gose nur durch bakteriologische und histologische Unter-
suchung des Gehirns gestellt werden.

Eine im Beginnstadium der Krankheit mit hohen Dosierungen an.gestelltc Therapie
(Breitspekstrum-.Antibiotika) hat dann und wann Erfolg.
Gewisse subklinische Fälle können spontan genesen.

LITER.ATUUR

M u r r a y, E. G. D., W ebb, R. A. and S w a n n, M. B. R. : Disease of rabbits
characterized by large mononuclear leucocytosis, caused by hitherto undescribed
bacillus
Bacterium monocytogenes. J. Path. Bact., 29, 407, (1926).
P a t e r s o n, J. St.: The antigenic structure of organisms of the genus Listerella.

J. Path. Bact., 51, 427, (1940).
P i r i e, J. H. IL: A new disease of veld rodents, „tiger river disease". Publ. S. Afr.
Inst. med. Res.,
3, 163, (1927).

-ocr page 799-

Epidemiologie van Listeriosis.

Epidemiology of listeriosis.

door J. DONKER-VOETi)

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie der Rijks-
universiteit Utrecht.

Inleiding.

Heel veel is nog onbekend betreffende de epidemiologie van Listeria-
infecties. De ziekte komt over de gebele wereld verspreid voor en tast een
grote verscbeidenbeid van diersoorten aan, maar een natuurlijk reservoir
van de infectie is nooit aangetoond en in de meeste gevallen blijft de bron
\\an de infectie bij mens en dier een onopgelost raadsel. De waarneming,
dat
Listeria zo verspreid voorkomt en zoveel diersoorten aantast zou er op
kunnen wijzen, dat de kiem in de natuur sterk x\'crspreid aanwezig is, maar
in tegenspraak hiermede is het fetit, dat de ziekte vrijwel altijd sporadisch
optreedt. Het is mijn overtuiging dat er dragers van
Listeria monocytogenes
voorkomen en dat deze de voornaamste bron van infectie vonnen. Deze
hypothese vindt steun in het feit, dat L.
monocytogenes heel \\aak gevonden
wordt in de weefsels van dieren, die door andere oorzaken gestorven zijn
en in het voorkomen van dieren, die
L. monocytogenes over een langere
periode uitscheiden.

In de drager kan dc infectie slapend blijven tot er zich predisponerende
factoren voordoen, zoals deficiënties in de voeding, veranderingen van dieet,
worminfecties, transjsort, kouvatten, drachtigheid en geboorte. De moei-
lijkheid om de ziekte kimstmatig op te wekken wijst ook in de richting dat
onbekende factoren aan het werk zijn wanneer praktijkuitbraken plaats
hebben. Mogelijk is op sommige tijden de weerstand voldoende verminderd
om de organismen een kans te geven, waardoor het kan lijken of de ziekte
aan bepaalde seizoenen gebonden is en op bepaalde bedrijven jaarlijks terug-
komt.

Zo ziet men in sommige streken de ziekte vaak optreden na het voeren van
kuilvoer. Op het in augustus j.1. gehouden symposuun over L/.vferfa-infectics
deed P a 1 s s o n mededelingen over een onderzoek, dat hij in IJsland heeft
ingesteld. Hij vergeleek ongeveer 270 schapenbcdrijven waar kuilvoer werd
gevoerd met een gelijk aantal bedrijven waar de dieren, ongeveer 30.000
stuks, alleen hooi kregen. In de groep met kuilvoer traden 57 gevallen van
listeriosis op, tegen 5 gevallen in de groep die hooi kreeg.
Een volgende vraag is natuurlijk wat de oorzaak is, dat de ziekte vaker op-
treedt bij het voeren van kuilvoer en hierop kan weer geen definitief ant-
woord worden gegeven. Wel is het gelukt om listeria\'s uit kuilvoer te kwe-
ken, dit was echter niet in elk geval hetzelfde type als op hel bedrijf onder
de dieren was vastgesteld. De kwaliteit van het kuilvoer speelde geen rol.
Ook hier dus nog vele onopgeloste vragen.

De sera van veel dieren, paarden, runderen en honden agglutineren sus-
pensies van
Listeria monocytogenes. Hoewel er geen bewijs te leveren is, dat

Mevr. Dr. J. Donker-Voet, Wetenschappelijk Hoofdambtenaar, Faculteit der Dier-
geneeskunde, Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 800-

deze agglutinaties specifiek zijn, geven ze toch de indruk, dat subklinische
infecties vaak voorkomen. Uitscheiding van listeria\'s vanuit de uterus, de
melk en de lever, via de gal en de faeces van een drager kan een gevaar
betekenen voor de omgeving.

Waar L. monocytogenes zeer lang in leven kan blijven buiten het lichaam
van een gastheer, kan de bodem gedurende lange tijd besmet blijven
(W e 1 s h i m e r, 1960; Pomanskaya, 1961). Niet alleen de huisdieren,
maar ook wilde dieren, vooral knaagdieren en vogels kunnen, wanneer zij
drager zijn, de bodem besmetten. Bij een uitgebreid onderzoek dat kort-
geleden door een Russische onderzoeker is gepubliceerd, (O g n e v a, 1961)
bleek, dat van de gevangen knaagdieren 0.5 pro mille besmet was met
L. monocytogenes. Hij isoleerde 54 stammen uit 113.000 onderzochte dieren
in de omgeving van Moskou.

Naast de aanwezigheid van de kiemen, speelt de gevoeligheid van het
individu en de wijze van infectie, maar ook de virulentie van de bacterie
een rol in de ontwikkeling en het verloop van een
Listeria-iniectie. Welke
de factoren zijn, die een stijging of daling van de virulentie veroorzaken
weten wij niet, maar het is bekend dat verschillende stammen variëren in
hun virulentie voor muizen.

Eigen waarnemingen.

Vandaag zou ik U het geval willen beschrijven van een Lirferza-draagster,
die wij in de afgelopen 9 maanden in de stal hebben.

Het is een elf jaar oude melkkoe, Dora genaamd, die doorlopend listeria\'s
met de melk uitscheidt. Uit alle vier kwartieren kan
Listeria gekweekt wor-
den. Collega Kampelmacher, die de eigenaar is van de koe, kocht haar
nadat de Gezondheidsdienst in Overijssel ontdekt had dat zij een mastitis
had, die veroorzaakt werd door een besmetting met
L. monocytogenes. Zij
werd behandeld met antibiotica, maar er trad geen blijvend herstel op.
De eigenaar wilde haar wel verkopen en op 4 februari kwam ze bij ons op
stal tc staan.

L. monocytogenes kon geïsoleerd worden uit de melk van alle vier kwar-
tieren en de infectie is nog steeds aanwezig. Het aantal bacteriën is wisselend
tussen 2000 en 20.000 per ml, afhankelijk van het kwartier, maar ook van
de tijd waarop de monsters worden genomen Kort nadat de koe is ge-
molken, is het aantal bacteriën in een melkmonster, dat uit de uier getrokken
wordt, belangrijk groter dan vlak vóór de melktijd. Mogelijk is dit een
kwestie van verdunning. Dc melk van de koe ziet er volkomen normaal uit
en ook na bewaren gedurende 24 tuir in een broedstoof bij 37° C is de
melk uiterlijk niet van normale melk te onderscheiden, hoewel het aantal
listeria\'s zeer belangrijk is toegenomen.

Ook is er nog steeds een mastitis aanwezig, het aantal leucocyten in de melk
is abnormaal boog;

Rechter voorkwartier : 2.530.000
Linker voorkwartier : 5.025.000
Rechter achterkwartier : 3.900.000
Linker achterkwartier : 1.410.000
De
Listeria monocytogenes-stam, die uit de melk van de koe geïsoleerd kan
worden, is een type 1 stam met de formule I, H, (IH) AB.
De H-agglutinatie titer in het bloedserum was steeds 1 : 160 tot 1 :320;

-ocr page 801-

de O-agglutinatie dter met type 4 stammen was 1 : 160 tot 1 : 640.
De O-agglutinatie titer met type 1 stammen was als volgt:

Februari 6

1

: 2560

mei

1

1

: 640

februari

21

1

: 320

mei

7

1

:640

februari

27

1

: 640

mei

16

1

: 320

maart

8

1

: 1280

mei

22

1

: 320

maart

13

1

: 640

mei

30

1

: 320

maart

20

1

: 320

juni

5

1

: 2560

maart

27

1

: 1280

juni

12

1

: 640

april

4

1

: 5120

juni

27

1

: 320

april

11

1

: 320

juli

4

1

:320

april

17

1

: 320

juli

11

1

: 320

april

26

1

: 5120

juli

18

1

: 320

juli

25

1

: 320

Zoals uit deze tabel te zien is, trad af en toe een hoge agglutinatie-titer op
in het bloedserum van de koe ten opzichte van type 1 stammen, maar op
andere tijden was de titer van het serum normaal. Met de door ons ge-
bruikte antigenen zijn titers van 1 : 320 tot 1 : 640 normaal bij volwassen
koeien. Uit deze tabel volgt ook dat een enkele bepaling voor het opsporen
van mogelijke Lwt^na-infecties geen waarde heeft. Alleen wanneer in het
verloop van de ziekte bij opeenvolgende bepalingen een duidelijke stijging
van de titer optreedt kan dit diagnostische waarde hebben.
Zolang de agglutinatie-methoden niet gestandaardiseerd zijn, is het niet
mogelijk om cijfers van verschillende laboratoria met elkaar te vergelijken.

Met de melk van onze koe hebben we enige proeven ingezet.
Eén van onze schapen bracht een drieling ter wereld, twee hiervan werden
gebruikt om met de fles met melk van de
Listeria-koe groot te brengen.
Gediu-ende de eerste week ontvingen de lammeren melk van een normale
koe om ze te leren uit een fles te drinken, maar daarna hebben ze steeds
melk van „Dora" gehad. In de tweede week kregen ze 1000 tot 1500 ml per
dag, de derde week 1500-2000 ml en daarna steeds 2000 ml elke dag.
Geen van deze twee lammeren heeft ooit ziekteverschijnselen vertoond en
toen ze - 3/2 maand oud - geslacht werden waren ze in een uitstekende con-
ditie. Het is tot op heden niet gelukt
Listeria monocytogenes te kweken uit
de organen of de lymfklieren, waarvan de emulsie bij 4° C in de ijskast
bewaard wordt.

Gedurende het leven van de lammeren werd bij verschillende gelegenheden
getracht om
Listeria uit de faeces te kweken. Ook werd geprobeerd de bac-
terie uit de turfmolm, het stro en de faeces van de
Listeria-koe te isoleren.
We hebben hiervoor gebruik gemaakt van de methode van S a n d v i k en
Skogsholm (1962) en de voedingsbodem van McBrideenGirard
(1960).

Sandvik en Skogsholm voegen bij hun te onderzoeken materiaal een
gelijke hoeveelheid fysiologische keukenzoutoplossing en mengen dit in
een Waring blender. Het gehomogeniseerde monster wordt dan 2 tot 3 uur
opzij gezet lot de bovenstaande vloeistof in een spuit kan worden opgezogen.
Met deze suspensie worden 4-8 muizen subcutaan ingespoten. Intraperito-
neale inspuiting geeft een te hoog percentage niet-specifieke sterfgevallen.
McBride en Girard bevelen de volgende methode aan om listeria\'s
uit een gemengde populatie te isoleren.

-ocr page 802-

Het te onderzoeken monster wordt geënt in tryptose fosfaat bouillon waaraan tu-
racln in een uiteindelijke concentratie van 1 : 100.000 is toegevoegd. Deze bouil-
lon wordt 48 uur bij 37° C bebroed. Daarna wordt overgeënt op een selectieve
vaste voedingsbodem die bestaat uit phenyl ethanol agar basis (Difco) met lithium
chloride 0.05 percent, glycine 1 percent en bloed 5 percent.

Het gelukte ons niet met deze methode Listeria monocytogenes te kweken,
ofschoon we er zeker van kimnen zijn, dat de turfmolm en het stro onder
de koe besmet zijn met listeria\'s. De koe wordt namelijk met de hand ge-
molken en wanneer het uier volk melk is druppelt de melk uit één of meer
van de tepels. Hierdoor moet besmetting plaatsvinden. Maar het is een
bekend feit dat
Listeria moeilijk te kweken is uit een monster met een ge-
mengde populatie, wanneer het aantal listeria\'s klein is en de stam niet zeer
virulent.

Ook hebben we drachtige konijnen ge\\oerd met de melk van onze koe.
De konijnen ontvingen droog voer met daarnaast melk, praktisch ad libitum.
De melk werd zeer goed gedronken.

Voor deze proef werden 12 konijnen gebruikt, waarvan er 3 niet drachtig
bleken te zijn, of ze hebben zó vroeg verworpen, dat het niet werd op-
gemerkt. Ze werden afgemaakt, maar
Listeria kon niet uit deze drie dieren
gekweekt worden. De andere 9 konijnen waren drachtig en zij wieqjen alle
op hun tijd. Slechts 6 van de 9 gaven gezonde jongen te zien, de andere 3
brachten dode jongen.
Listeria kon uit geen van de dode jongen gekweekt
worden, maar wel uit cle uterus van één van de voedsters.
Alleen van dit dier kan met zekerheid gezegd worden, dat de dood van de
vruchten door een Lu/en\'a-infectie veroorzaakt is.

De jonge konijntjes, die levend werden geboren, groeiden voorspoedig op.
Nooit hebben ze symptomen van lister losis vertoond, hoewel ze reeds spoedig
zelf flinke hoeveelheden van de listeria-melk gingen drinken. Eén van de
voedsters werd opnieuw gedekt en weer bracht ze een gezond nest ter
wereld.

Getracht werd dezelfde proef met drachtige cavia\'s te doen, maar deze
weigerden van de melk te drinken.

De indruk \\an deze proeven is, dat de stam van Listerm monocytogenes
welke door de koe met dc melk wordt uitgescheiden, weinig virulent is voor
lammeren en v oor drachtige konijnen, die deze melk te drinken kregen.

Om de virulentie na te gaan voor muizen, konijnen en cavia\'s werden deze
ingespoten met een cultuur, die vers uit de melk geïsoleerd was. Achten-
twintig muizen werden intraperitoneaal met 0.25 ml ingespoten, acht dieren
stierven aan listeriosis. Vier muizen werden subcutaan met cultuur inge-
spoten, twee stierven. Van vier muizen, subcutaan ingespoten met de melk
van „Dora", stierf er één. ^Vanneer muizen ingespoten werden met de cul-
tuur, die uit de dode muizen geïsoleerd kon worden, dan stieiven alle
dieren, wanneer de cultuur intraperitoneaal werd ingespoten. Cavia\'s met
deze culturen ingespoten, vertoonden geen symptomen en geen sterfgevallen.
Konijnen, die subcutaan of intraveneus met 2 ml van een vers geïsoleerde
cultuur werden ingespoten, vertoonden geen symptomen, ook cavia\'s die
subcutaan of intraperitoneaal werden besmet bleven gezond.

De conclusie is, dat de stam die met de melk door de koe wordt uitge-
scheiden weinig virulent is voor muizen, konijnen en cavia\'s.

-ocr page 803-

Ook werd getraclit na te gaan hoeveel tijd er nodig was om alle levende
kiemen in de melk van Dora te doden wanneer de melk verhit werd op
63° C met de z.g. „holding technique" zoals die door Beams cnGirard
(1958) gebruikt is.

Deze onderzoekers hebben aangetoond, dat wanneer zij 35 minuten op
61.7° C pasteuriseerden, de organismen nog uit de melk konden worden ge-
ïsoleerd wanneer het oorspronkelijke aantal kiemen 5 x 10^/ml of groter
was. Zij konden geen significante verschillen zien in hitteresistentie tussen
verschillende Luifrw-stammen. Na 48 uur bewaren op kamertemperatimr
(22° C) vermenigvuldigden de overlevende bacteriën tot 10^ per ml zonder
dat er duidelijke veranderingen in de melk waren waar te nemen.
De resultaten van onze proeven met de melk van Dora waren, dat na 5
minuten verhitten op 63° C er nog le\\ende kiemen aanwezig waren, maar
na 10 minuten waren alle listeria\'s gedood.

Collega K a m p e 1 m a c h e r en ik hadden de mogelijkheid, dank zij col-
lega Galesloot, onze melk te pastetuiseren met een plaat-pasteurisator
zoals ook in melkfabrieken wordt gebruikt. Met dit instrument is het mo-
gelijk melk te pasteuriseren gedurende minstens 15 seconden op elke ge-
wenste temperatuur. Hierv oor was echter een monster van minstens 50 liter
melk nodig daar dc melk in een constante stroom doorloopt.
Daar Dora slechts ongeveer 8 liter melk per dag gaf, werd de melk ge-
durende een week in de ijskast bij 4° C bewaard. Na deze periode was de
melk zwaar verontreinigd.

Pasteurisatie gedurende 15 seconden.

Temperatuur Groei van Listeria

76.5 —

74.4 —

73.0 —

71.2 —
69.0 _

66.4 —

62.3 —
59.n
-I-
54.0 4-
controle

Het bleek heel moeilijk te zijn om Listeria te isoleren uit monsters, die
zwaar verontreinigd waren. Daarom werd de proef herhaald met melk die
slechts twee dagen in de ijskast werd bewaard. Deze melk werd daarna ver-
dund met melk die reeds gepasteiu-iseerd was.

Pasteurisatie gedurende 15 seconden van „gemengde" melk.

Temperatuur Groei van Listeria

72.8 —

70.0 —

68.0 _
66.3 —

63.7 

61.5 —
59.0 _
controle

-ocr page 804-

Zoals U heeft gezien, is de temperatuur die nodig is om alle levende listeria\'s
in de melk te doden tamelijk hoog, echter lager dan de temperatuur die in
melkfabrieken bij de pasteurisatie bereikt wordt. Onder de gebruikte om-
standigheden ligt de fosfatasegrens bij 71.5° C.

Conclusie.

De koe „Dora" is een draagster van Listeria monocytogenes, die zij met de
melk uitscheidt van alle vier kwartieren, over een periode van minstens
9 maanden. De melk ziet er volkomen normaal uit, ofschoon er een mastitis
aanwezig is. Op de boerderij zou zij listeriosis hebben kunnen verspreiden
met de melk, het turfstrooisel en het stro. Zulk een drager zonder duidelijke
symptomen zou haar omgeving gedurende vele maanden kunnen besmetten.
Waar
Listeria monocytogenes zeer lange tijd buiten een gastheer in leven
kan blijven, vormt een dergelijke koe een potentieel gevaar voor de volks-
gezondheid.

Het zou zeer wenselijk zijn wanneer over een gemakkelijke methode kon
worden beschikt om dieren, die drager zijn te onderkennen. Het gebruik
van serologisch methoden hiervoor is zeer beperkt, daar de meeste van onze
volwassen koeien een agglutinatietiter in het bloedserum hebben en een
koe als Dora slechts af en toe een hoge agglutinatietiter te zien geeft. Tot
op heden is het moeilijk om L.
monocytogenes te isoleren uit een gemengde
bacteriepopulatie als het aantal listeria\'s klein is en de virulentie niet
hoog. Een goed selectief medium zou zeer waardevol zijn, terwijl het ook
wenselijk is veel aandacht tc schenken aan gevallen \\an mastitis van on-
bekende oorsprong.

Op het reeds eerder genoemde sympositnn in Bozeman deelde Dr. Pot el
mede, dat op het ogenblik in Duitsland wordt gewerkt aan de bereiding van
een stof, waarmede na intracutane injectie een huidreactie zou kunnen
worden opgemerkt als diagnosticum. Deze proeven zijn nog in een onder-
zoekstadium.

Het is mijn overtuiging, dat dc drager het voornaamste reservoir van een
Listeria-miccX-ie vormt, dit betreft niet alleen htnsdieren, maar ook in het
wild levende dieren, vooral knaagdieren cn vogels.

SAMENVATTING.

Na cen korte inleiding betreffende de epidemiologie van Listeria-infecUea beschrijft
spreekster een geval van een
Listeria-draagstcr, een elf jaar oude melkkoe en van dc
onderzoekingen, die zijn verricht met de melk en het bloedserum van deze koe.
Spreekster komt tot de conclusie, dat de drager het voornaamste reservoir van een
Listeria-infectie vormt; dit betreft niet alleen huisdieren, maar ook in het wild
levende dieren, vooral knaagdieren en vogels.

Het zou wenselijk zijn wanneer over cen gemakkelijke methode kon worden beschikt
om dieren, die drager zijn, te onderkennen.

SUMMARY.

A short introduction on the epidemiology of listeriosis is followed by a report on the
case of a
Listeria-carricT, an eleven-year-old dairy cow, and on the tests performed
with the milk and serum of this cow.

It is concluded that carriers are the chief reservoir of listeriosis; these are not only
domestic animals but also free-living animals, particularly rodents and birds. It would
be useful if there were a method by which those animals which are carriers could bc
readily identified.

-ocr page 805-

RÉSUMÉ.

Après une brève introduction concernant Fépidémiologie d\'infections de Listeria la
conférencière décrit un cas d\'un porteur de
Listeria, une vache laitière âgée de 11 ans
et les recherches qu\'elle a faites avec le lait et le sérum de cette vache.
L\'auteur présente la conclusion que le porteur est le réservoir principal d\'une infection
listérieuse, non seulement les animaux domestiques, mais aussi les animaux vivant
à l\'état sauvage, surtout les rongeurs et les oiseaux.

Il serait souhaitable qu\'on pût disposer d\'une méthode facile de détecter les animaux-
porteurs.

ZUSAMMENFASSUNG.

Nach einer kurzen Einleitung betreffs der Epidemiologie der Lùierî\'a-infektionen,
beschreibt Referentin den Fall eines
Listeria-trägers, eine elf Jahre alte Milchkuh und
die Untersuchungen, die mit der Milch und dem Blutserum dieses Tieres verrichtet
wurden.

Referentin kommt zu der Konklusion, dass das hauptsächlichste Reservoir einer
LiiJerfa-infektion die Träger bilden, nicht allein Haustiere, sondern auch im Freien
lebende Tiere, vor allem Nagetiere und Vögel.

Es wäre wünschenswert, über eine einfache Methode verfügen zu können, um Tiere,
die Träger sind, zu erkennen.

LITERATUUR

B e a r n s, R. E. and G i r a r d, K. F. : The effect of pasteurization on Listeria mono-
cytogenes.
Can. J. Microbiol., 4, 55, (1958).
McBride, M. E. and Girard, K. F. ; A selective method for the isolation of
Listeria monocytogenes from mixed bacterial population. /.
Lab. and Clin. Med.,
55, 153, (1960).

Ogneva, N. S.: Listeria Infection among rodents in a large City. J. Microbiol.

Moscow, 5, 69, (1961); Vet. Bull., 32, 76, (1962).
Pomanskaya, L. A.: Survival of listeria in water, soil and on subjects. Veteri-

nariya Moscow, 12, 21, (1961); Vet. Bull., 32, 347, (1962).
Sandvik, O. and Skogsholm, A.: A method for isolation of Listeria monocy-
togenes from feces and other heavily contaminated materials.
Acta Path. Microbiol.
Scand.,
54, 126, (1962).
W e 1 s h i m e r, H. J.: Survival of Listeria monocytogenes in soil. J. Bact., 80, 316,
(1960).

-ocr page 806-

Listeriose en Volksgezondheid

Listeriosis and public health.

door E. H. KAMPELMACHERi)

Uit het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid.

Listeriose is in Nederland in tegenstelling tot vele andere landen vooral in
de na-oorlogse jaren bij de medicus, maar zeer zeker ook bij de dierenarts
een bekende ziekte. Maar ondanks bet feit dat wij, niet in bet minst door
een goede registratie en vele mogelijkheden voor onderzoek, relatief tot één
der meest „listeriose-rijke" landen behoren, is het tot nu toe niet gelukt
nader inzicht te verkrijgen in de epidemiologie en epizoötologie dezer ziekte.
Nog sterker, ondanks vrij intensief onderzoek gedurende vele jaren van
listeriose-ge\\\'allen bij mens en dier in Nederland kan \\ andaag nog niet met
zekerheid gezegd worden of listeriose wel of niet een zoönose is. Gezien de
zojuist genoemde voordelen en mogelijkheden rust op ons dus in zekere zin
de plicht, om door nog nauwere samenwerking tussen arts, dierenarts en
laboratorium te trachten meer opheldering tc brengen in het tot stand komen
van listeriose bij mens en dier, tc meer waar deze ziekte in vele landen steeds
meer in het licht der belangstelling komt te staan.

Het is daarom zeker een goede gedachte geweest tijdens deze voorlichtings-
dag nog eens de aandacht van de Nederlandse dierenarts op listeriose te
vestigen.

Sinds 1956 hebben wij getracht een beeld te verkrijgen omtrent bet voor-
komen van listeriose bij mens en dier in Nederland. In tabel 1 wordt hier-
\\ an een overzicht gegeven.

Tabel 1.

Listeriosis bij mens en dier in Nederland (1956 tot 1 juli 1962).

180 .
160 .
1«0
120 ^
100
80
60
»0
20

1956 1957

mens

106?
Jan. till July

1S61

animal

I960

195Ö

1959
man dier

Fig. 1.

Cases of listerions in man and animals in the Netherlands (1956-1962

till July Lit.)

\') Dr. E. H. Kampelmacher, Hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen, Rijks-
Instituut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.

-ocr page 807-

Wat de toename in de laatste jaren betreft moet zowel aan een absolute,
als ook aan een relatieve toename worden gedacht. Deze laatste dient voor-
namelijk in verband te worden gebracht met de verhoogde interesse voor de
ziekte en het beter leren kennen en isoleren van de kiem, onder andere door
het beschikbaar stellen van een jjolyvalent listeriaserum.
In tabel 2 wordt een overzicht gegeven van 848
L. monocytogenes-stummtn,
geïsoleerd uit mensen en verschillende dieren, tussen 1956 en 1 juli 1962,
ingedeeld naar type en plaats van isolatie. De in de tabel genoemde getallen
geven niet alle in Nederland gedurende de afgelopen jaren geïsoleerde
listeriastammen weer, aangezien ook andere laboratoria stammen ter ty-
pering ontvangen. Met uitzondering \\ an isolaties bij schapen, waarvan wij
naar schatting ongeveer 1/3 der geïsoleerde stammen hebben ontvangen,

Tabel 2.

L. ynonocytogenes-isolaties uit mens en dier, 1956 tot 1 juli 1962.

I S i i

S Q U U

ü 03

Typt\' isolated from :

1 stomach content — — — — 213 1 — — — — — — — — — 214
kidney — — 3 — ___ — __ — _ — — — —
 3
milk — — 2 — — — — — — — — — — — — 2
brains — — 7 — 1 — 6 6 4 1 — — 1 — — 26
liver ______
8__ |_ 3 | 2 — 15

liquor 13 __ — — — — __ — — _ — _ — 13

lung 1_ — _______ ______ 1

blood 3 — — — — — — --_ — — — — — — 3

peric. fluid — — — — •— — — — — I — — — — — 1

pustula I — — — — — — — — — — — — — — 1

perit. exudate 1 — — — — —■ — — — — — — — — — 1

uterus — — 4 — — — — — — — — — 1 — — 5

faeces — — 2 — — — — _ — — — — — — — 2

placenta 2 — — — — — — — — — — — — — — 2

2 liquor 1 — — — — — — — — — — — — — — 1

3 cervix 2 — — — — _ — _ — _ — ____ 2

4a stomach content — — — — 2 — — — — — — — — — — 2

4b stomach content — — — — 263 — _ __ — — — — — — 263

brains _ _ 143 8 — _ 1 25 9 2 1 — — — — 189

liquor 53 — — — — — — — _ — — — — 53

blood 3 — _____________ 3

liver _ 1 I _ 1 _ 14 1 1 1 _ 1 1 _ 1 23

lung 2 — — — _ — 3________ 5

conjunctiva

pustula 1 — — — — — — — — — — — — — — 1

vagina 3 — — — — - — — — — — — — — — 3

uterus — — 5 — — — — — 1 — — — — — — G

meat — — — — — — — 1 — — — — — — — 1

heart — — — — — — — — — — 1 — — — — I

spleen I — 2 — — — — — — — — — — — — 3

kidney — — — — — — I — — — — — — — — I

iriilk — — 1 — — — — _ — — — — — _ — 1

Total 88 1 170 8 480 i 33 33 15 6 2 4 4 2 1 848

Table 2.

L. inonocytogeyies cultures isolated 1956 till July 1st 1962.

-ocr page 808-

geeft de tabel wel naar verhouding het beeld van de verdeling over de ver-
schillende diersoorten weer.

In tabel 3 worden de reeds genoemde 848 L. monocytogenes-%\\.zjnmer\\, in-
gedeeld naar provincie van herkomst, weergegeven. Hierbij valt sterk op,
dat Lw/eria-infecties bij de mens nagenoeg in alle provincies worden ge-
vonden, terwijl meer dan 75% van alle infecties bij dieren slechts in twee
provincies worden waargenomen. Nog opvallender is hierbij, dat in één
van deze laatstgenoemde provincies (Overijssel) nog nimmer een infecde
bij de mens werd waargenomen, hetgeen wel een merkwaardig licht werpt
op de vraag van de samenhang tussen Lwierza-infecties bij mens en dier.

Tabel 3.

L. monocyiogenes-isolaties bij mens en dier van 1956 tot 1 juli 1962,
verdeeld naar provincie en herkomst.

S iS

OJ ® ^ ÏH

SQUUUS. a,55üOmUB!SuH

Friesland 3 — 150 7 306 1 5 19 12 1 — 1 1 — — 506

Groningen 9 — 5 — 11— 1 l — — — — — — — 21

Drente 2 — — — 3 — — 1_ — — ____ 6

Overijssel — — 8 — 137 — 7 — — 1 — 1 i _ _ 155

Gelderland 14— 1— 5— 3 1— 2 1 1 — — — 28

Utrecht 8 1 1— 4 — — 4 1 1 1— 1__22

Northern Holland 17 — 2 — 4 — — 4 — — — — — — — 27

Southern Holland 14— 1— 4 — 6 1 1— — — 1 2 — 30

Zealand 5 — 1 — — __ 8

Northern Brabant 11— I 1 5 — 9 1 1 — — 1 — _ 131

Limburg 5 — _ — i_ 2 — — — — — — _ — 8

Total 88 1 170 8 480 1 33 33 15 6 2 4 4 2 I 848

Table 3.

L. monocytogenes cultures isolated from 1956 till 1962 (July 1st), divided

in provincies of origin.

Behalve een directe overbrenging van de kiem van dier op mens, zoals dit
reeds enkele malen in ons land bij dierenartsen na hulpverlening bij ver-
lossingen werd beschreven, interesseert ons voornamelijk de mogelijkheid van
overbrenging via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Slechts bij de
bekende epidemie in Halle (Duitsland) kon met vrij grote zekerheid worden
aangenomen, dat mensen door het gebruik van ongekookte melk een
Listeria-infectie opliepen. Door een dergelijk epidemisch optreden der ziekte
wordt het opsporen van een gemeenschappelijke infectiebron enigszins ver-
gemakkelijkt. De beschrijving van listeriose-gevallen in een kolchos in de
Sovjet-Unie door Gudkova et al. (1958) maakt een samenhang tussen
L!j/«?rza-besmette varkens en het nuttigen van \\\'lees dezer dieren door de
patiënten waarschijnlijk, maar het bewijs kon niet met zekerheid worden
geleverd. Dit voorbeeld zou met enkele andere kunnen worden aangevuld,
maar in alle gevallen wordt slechts een vermoeden in verband met voedings-
middelen uitgesproken.

Het bestaan van een atypische mastitis bij het rund, waarbij soms op het
oog normale melk met een groot aantal
L. monocytogenes-]d&mtn wordt
uitgescheiden en het feit dat melk, hetzij op de boerderij rauw, hetzij in vele

-ocr page 809-

landen ongepasteuriseerd wordt genuttigd, alsmede de mogelijkheid van ver-
meerdering der kiemen in de melk, zelfs bij lagere temperaturen, maakt dit
voedingsmiddel wel in de eerste plaats als eventuele overbrenger der in-
fectie geschikt. Werden LfrfeWa-mastitiden vroeger slechts zeer zelden waar-
genomen, in de laatste jaren verschijnen regelmatig publikaties over der-
gelijke gevallen.

Bij massa controle ten behoeve van de mastitis-bestrijding werd enkele
maanden geleden door één onzer Provinciale Gezondheidsdiensten (Van
L\'lsen, Zwolle) een koe met
Listeria-mastitis gevonden. Sinds begin fe-
bruari vinden wij bij wekelijkse controle in alle vier kwartieren 10-20.000
kiemen
L. monocytogenes type I per ml melk. De kwartieren zijn niet ont-
stoken en de melk (10-12 1 per dag) ziet er normaal uit. Het aantal bac-
teriën wisselt zowel van keer tot keer, als ook tussen de kwartieren, zoals uit
de volgende foto blijkt, waarbij 0,1 ml melk in een verdunning 1 : 10 direct
op bloedplaten werd uitgestreken en 24 uur bij 37° C werd bebroed.

Door middel van pasteurisatieproeven met deze natuurlijk besmette melk
in het NIZO te Ede kon worden aangetoond, dat pasteurisatie, zoals deze
op het ogenblik in het gehele land wordt toegepast, voldoende waarborgen
biedt, om Luterfa-besmetting via consumptiemelk in Nederland uit te
sluiten. Voor het gebruik van rauwe melk dient, ook na het tbc-vrij maken
van het rundvee met nadruk te worden gewaarschuwd. Dit geldt ook voor
zuivclprodukten bereid uit ongepasteuriseerde melk, al moet direct worden

-ocr page 810-

toegegeven, dat onze kennis omtrent de levensduur van Listeria in bijvoor-
beeld boter en kaas nog onvoldoende is.

Ofschoon listeriose bij de kip regelmatig voorkomt, ontbreekt tot nu toe
iedere aanwijzing, dat eieren of eiprodukten bij het overbrengen der ziekte
betrokken zijn. In ons laboratorium gelukte het niet
L. mooncytogeries uit
eieren van kunstmatig besmette kippen te isoleren, terwijl dit Rhode
(1961) wel één keer gelukte. Zelfs bij een zo verbreide ziekte als salmo-
nellose bij kippen heeft het lange tijd geduurd eer men de inwendige be-
smetting van eieren (behalve met S. pullorum) met zekerheid kon aan-
tonen.

Vele onderzoekers hebben duizenden eieren met negatief resultaat op Sal-
mone//a-kiemen onderzocht en daarmede de stelling bevestigd, dat deze
kiemen niet in het inwendige ei voorkomen. Later is gebleken, dat dit —
zij het niet zo frequent — wèl het geval is en in de laatste jaren werden deze
bevindingen herhaaldelijk bevestigd. Hoeveel moeilijker zal het in vergelijk
hiermede niet zijn een kiem in het ei te vinden, die a priori zoveel minder
bij de kip voorkomt. Verder onderzoek van kunstmatig geïnfecteerde kippen,
als ook met natuurlijk geïnfecteerde kippen zou hier misschien in de toe-
komst nog verder inzicht kunnen verschaffen. Bij kunstmatig geïnfecteerde
kippen werden
Listeria-kiemtn gemakkelijk in de faeces teruggevonden en
het is niet uitgesloten, dat er ook klinisch gezonde kiemdragers onder kip-
pen bestaan. Trekt men weer een parallel met 6\'a/mo?ie//a-besmettingen,
dan zou men op deze wijze aan een besmetting van eiprodukten door Lu-
te rï\'a-besmette eischalen kunnen denken. Een besmetting van de eischaal
en zomede van eiprodukten ligt meer voor de hand, ook al moet direct
worden toegegeven, dat een dergelijke besmetting, zover mij bekend, tot nu
toe nimmer werd gevonden. De steeds meer toenetnende pasteurisatie van
eiprodukten, alsmede het feit dat eijjiodukten bij verdere verwerking voor
een overgroot deel worden verhit, reduceren het gevaar in verband met
listeriose aanzienlijk.

Herhaaldelijk wordt in verband met listeriose bij de mens aan een verband
met vlees of vleeswaren gedacht, maar tot nu toe is het nog niet gelukt
bewijzen hierover te verkrijgen. De ziekte kan slechts door bacteriologisch
onderzoek met zekerheid worden gediagnostiseerd, maar dit onderzoek vergt
meestal dagen of weken en in enkele gevallen zelfs maanden (in ons labo-
ratorium werd uit hersenen van een kalf na 6 maanden bewaren in de koel-
kast
L. monocytogenes geïsoleerd!).

Aangezien de beslissing snel genomen dient te worden, heeft men als com-
promis in de vleeskeuring aangenomen, dat in geval van encefalomyelitische
symptomen ko]3 en wervelkolom met ruggemerg dienen te worden afgekeurd.
Ofschoon het bij het normale bacteriologische vleesonderzoek van runderen
met hersenlisteriose niet gelukt de kiem ook uit het vlees te isoleren, is hier-
mede nog niet de zekerheid gegeven, dat niet op bepaalde ]Dlaatsen in het
spierweefsel wèl levende kiemen voorkomen. Bij schapen is de isolatie uit
vlees wel herhaaldelijk gelukt en bet zou misschien aan te bevelen zijn
schapen met hersenafwijkingen in het algemeen af te keuren, terwijl bij run-
deren sterilisatieplicht gehandhaafd dient te blijven.

Hoe gecompliceerd deze materie is en hoe moeilijk bewijzen te leveren zijn,
moge met het volgende geval worden geïllustreerd, dat zich pas enkele we-
ken geleden in ons land heeft voorgedaan.

-ocr page 811-

Bij een boerin met verschijnselen van encefalitis werd L. monocytogenes
uit de liquor geïsoleerd. Bij navraag op de boerderij bleek, dat uit een koe
een kalf was geboren dat direct na de geboorte dood bleek te zijn. In plaats
\\an dit kalf naar een destructiebedrijf te laten vervoeren, zoals wettelijk is
voorgeschreven, werd het kalf op de boerderij verwerkt, waarbij het over-
grote deel van het \\ lees werd geweckt. Tevens had de vrouw gehakt bereid.
Dezelfde koe had een jaar eerder een niet-levensvatbaar kalf geworpen en
had tevens lange tijd een hard kwartier.

Onderzoek van melk van deze koe verliep tot nog toe negatief. Bij de
agglutinatiereactie met bloedserum werd een titer van 1 : 160 gevonden,
terwijl de reactie met melkserum negatief was. De koe zal verder in het oog
worden gehouden. Onderzoek van vlees van het kalf heeft weinig zin, omdat
dit in flessen gesteriliseerd is. Ook hier dus een zeer sterke aanwijzing, maar
helaas geen bewijs.

Behalve aan vlees van slachtdieren, moet zeker ook aan vlees van gevogelte
en wild alle aandacht worden besteed. Aangezien de keuring van deze
vleessoorten op dit ogenblik in de belangstelling staat en in enkele landen
op grote schaal wordt uitgevoerd, is het niet onmogelijk, dat wij in de
komende jaren in verband met listeriose op dit gebied misschien meer in-
lichtingen zullen verkrijgen.

Tot nu toe heb ik uitsluitend over de voedingsmiddelen zelf gesproken en
niet over de mogelijkheid van secundaire infecties. Zoals dit met
Salmo-
nella
het geval is, bestaat ook hier de mogelijkheid, dat met Listeria-kiemen
besmette voedingsmiddelen keukentafels, gereedschappen en de handen van
de verwerkers besmetten, met alle gevolgen van dien. Naast het directe
weren van Lz.riena-besmette voedingsmiddelen speelt dus ook hier het pro-
bleem der keuken- en bedrijfshygiëne in zijn volle omvang mee.
Zoals ik reeds in het begin heb mogen opmerken, bezitten wij onvoldoende
kennis over het voorkomen van
Listeria-kiemen in voedingsmiddelen van
dierlijke oorsprong. Wij kunnen een samenhang met listeriose bij de mens
vermoeden, maar deze nog niet bewijzen. „Nog niet" betekent dat dit zeer
waarschijnlijk eens mogelijk zal zijn cn zoals dit meer in de wetenschap
gebeurt, als er één schaap over de dam is volgen er meer. Maar dit vinden
zal dan alleen mogelijk zijn, indien wij verder in staat zijn de interesse voor
de ziekte en de vele onopgeloste epidemiologische vragen bij artsen en
dierenartsen wakker te houden. Snelle berichtgeving en het snel voor onder-
zoek verkrijgen van bijvoorbeeld verdachte voedingsmiddelen zijn belang-
rijke factoren, om nader inzicht in de epidemiologie te verkrijgen, het-
geen een belangrijke bijdrage tot preventie der ziekte zou kunnen betekenen.

SAMENVATTING.

Spreker geeft een overzicht van de listeriosis in ons land.

Hij schenkt speciale aandacht aan de overhenging van listeriosis via dierlijke voedings-
middelen en de secundaire infecties.

SUMM.\\RY.

The incidence of listeriosis in the Netherlands is reviewed.

Particular attention is paid to the transmission of listeriosis through foods of animal
origin and to secondary infection.

-ocr page 812-

RÉSUMÉ.

L\'auteur donne un aperçu de la listériosis au Pays Bas.

Il consacre spécialement de l\'attention à la transmission de listériosis par la voie des
aliments d\'origine animale et aux infections secondaires.

ZUSAMMENFASSUNG.

Referent gibt eine Übersicht von der Listeriosis in den Niederlanden.

Er schenkt spezielle Aufmerksamkeit an die Übertragung der Listeriosis durch von

Tieren stammende Lebensmittel und sekundäre Infektionen.

LITERATUUR1)

G u d k o V a, E. I., M i r o n o V a, K. A., K u s\'m i n s k i i, A. S. and G e i n e, G. O. :

ƒ. Microbiol. Epidem. Immunibiol., 29, 1373, (1958).
Kampelmacher, E. H.: Zbl. Vet.Med., 5, Beiheft, 1, 106, (1958).
Po tel, J.: Wiss. Z. Martin Luther Univ., 3, 341, (1953).
Potel, J.: Dtsch. Gesundh.-Wes., 9, 92, (1954).
Rhode: Arch. exp. vet. Med., 16, 922, (1961).

1  Bij uitzondering wordt van de gebruikelijke wijze van literatuuraanduiding af-
geweken.

-ocr page 813-

DISCUSSIE naar aanleiding van de voordrachten over listeriosis.

Vraag:

van de heer G. van der Kieft, naar aanleiding van de voordracht van de heer
Kampelmacher;

Is het in de praktijk voorgekomen, dat listeriosis als koppelziekte of bij individuele
gevallen is aangetoond? Zo ja, welke verschijnselen zijn daarbij aanwezig geweest?

Antwoord:

Ik ben geen kippenspecialist en ik ken de vormen van listeriosis bij kippen ook niet.
Evenmin is mij iets over koppelinfecties bekend. Op het R.I.V. krijgen wij stammen
toegezonden. Tot nu toe zijn er slechts enkele stammen, afkomstig van kippen, ont-
vangen. Het lijkt mij beter, dat U over deze kwestie contact opneemt met de bacte-
riolo.gen van de Provinciale Gezondheidsdiensten.
Dr. C. A. van Dorssen voegt hieraan nog het volgende toe:
In het algemeen krijgen wij natuurlijk niet de gelegenheid listeriosis bij kippen en-gros
waar te nemen, maar ik herinner mij één geval van 3 kippen, die wij samen, in le-
vende toestand, op het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie kregen. Dc kippen
hadden verschijnselen van torticollis. Wij onderzochten, of genoemde kippen ook toxo-
plasma\'s hadden, maar uiteindelijk bleken deze kippen listeria-infectie te hebben.
Zij hadden duidelijke hersenverschijnselen.

Dergelijke opgehoopte gevallen treft men echter slechts in een manifest geval aan.
Vraag:

van de heer Dr. A. W. A. B o s, naar aanleiding van de vcrardracht van de heer
Kampelmacher:

Wij hebben bij de inleiding van Dr. Kampelmacher gehoord, dat bij listeriosis ver-
schillende onderdelen van de hersenen meer haarden bevatten, dan het grote quan-
tum hersenen.

Is het Dr. Kampelmacher mogelijk een methode voor de vleeskeuring aan te geven,
zodat bepaalde onderdelen bij het praktische onderzoek van de vleeskeuring in het
onderzoek kunnen worden betrokken? Kunt U tevens ze.ggen, of hier speciale voe-
dingsbodems voor zijn of speciale planten, eventueel selectiefbodems, zoals bij Sal-
monella? Kunnen de sera, die het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid ter be-
schikking heeft, ook aan de keuringsdiensten worden verstrekt?

Antwoord:

Het polyvalent serum is sinds enkele jaren beschikbaar. De prijs kunt U vinden op
pag. 116 van het Diergeneeskundig Jaarboekje.

Ik geloof, dat de maatregelen met betrekking tot dc vleeskeuring al enkele jaren
geleden voldoende in discussie zijn geweest. Naar mijn mening zal men bij de keu-
ringsdiensten momenteel niet veel verder moeten gaan, dan afkeuring van de .gehele
kop met de wervelkolom, zulks evenwel met uitzondering van schapen, daar schapen,
verdacht van listeriosis, in hun geheel afgekeurd dienen te worden.
Wat het kweken bij de keuringsdiensten betreft: dit kan zonder meer. Het is nl. merk-
waardig, dat men
Listeria er vlot uit kweekt, indien voldoende kiemen aanwezig zijn.
Hierbij stuit men echter op de volgende moeilijkheid.

Bij listeriosis bestaat de ophoping van kiemen — in tegenstelling met Salmonella —
niet in het overbrengen van het verdachte weefsel in een ophopin.gsvloeistof, maar
het weefsel moet gedurende lange tijd in een koelkast bij een temperatuur van 4° C
gehouden worden. Dit is een zeer langdurige en tijdrovende procedure, want dit moet
men gedurende een lange periode volhouden. U krijgt dus in Uw dienst het beeld
van een koelkast, vol met alle mogelijke potjes met hersenbrei, waarvan U de inhoud
om de 2 weken moet uitstrijken. Dit is momenteel het beeld van een
Listeria-isólatie.

-ocr page 814-

Misschien zou het mogelijk zijn een nieuwe methode te vinden, maar het lijkt mij
toe, dat dit niet een kwestie van selectiefbodems is, maar eerder een zaak van weder-
zijdse concurrentie van bacteriën in het bewuste hersenweefsel. Dit onderzoek kan
men in ieder geval bij de keuringsdiensten doen, het is zelfs zeer aan te bevelen.
Het is een zeer interessant onderzoek, waarbij in de eerste plaats de medulla oblon-
gata en/of de pons genomen zou moeten worden, waarbij het dienstig is deze twee
hersendelen in een „warringblender" fijn te malen en dit hersenweefsel op de ge-
bruikelijke voedingsbodems uit tc strijken. De moeilijkheid is echter wél, dat U deze
procedure maanden achtereen moet volgen en dat het resultaat van het onderzoek
geen waarde heeft voor Uw keuringsuitspraak, aangezien die op veel kortere termijn
genomen had moeten worden. Uit een oogpunt van research is dit onderzoek wél
waardevol.

Vraag:

van de heer S. Brandsma, naar aanleiding van dc voordracht van de heer
D ij k s t r a:

Omstreeks 1953/1954 heb ik in de praktijk samen met mijn vader een koe gezien met
dezelfde hersenverschijnsclen, als door collega Dijkstra beschreven.
Dit dier vertoonde in het klinische stadium van excitatie een zeer hoge temperatuur
en sterke dwangbewegingen. Daarnaast was, toen deze koe buiten in het daglicht
werd gehaald, zeer duidelijk een aandoening van het inwendige van beide ogen waar
te nemen. Beide ogen vertoonden nl. een zeer sterke troebeling van de voorste en
achterste oogkamer.

Wij hebben toen Prof. van der Schaaf — destijds werkzaam bij de Gezondheidsdienst
voor Vee in Friesland — over deze koe geconsulteerd. Deze dacht zeer sterk aan
listeriosis en raadde aan deze koe in te spuiten met cen hoge dosering penicilline in een
zeer waterige oplossing. Deze patiënt is binnen 24 uur van de oogtroebeling genezen
en ook de klinische verschijnselen namen in 24 a 48 uur in die mate af, dat de koe
daarna weer volledig haar normale, psychische toestand had verkregen.
Is in het klinische beeld van listeriosis een aandoening van het inwendige van het
oog bekend, gepaard gaande met eventuele blindheid?

Kunt U iets zeggen over een mogelijke therapie, zoals ik U zo juist in cen, niet met
zekerheid aan listeriosis tc wijten, geval beschreven heb?

Antwoord:

De koeien — dus ook de jonge dieren, waarbij listeriosis nl. het meest voorkomt —
vertonen in sommige gevallen slechts een troebeling van de binnenste oogkamer. Met
dergelijke gevallen zijn we de laatste tijd vaak geconfronteerd. Deze kunnen spontaan
genezen of ook wel door middel van penicilline-injecties. In de regel wordt tegen-
woordig in Friesland vaak terramycine of aureomycine gebruikt, gezien de resultaten
hiermee, vermeld in de buitenlandse literatuur, en de resultaten in het medische vlak.
Het grootste probleem is echter het met zekerheid vaststellen, of men inderdaad met
listeriosis te doen heeft.

Wanneer men bijv. een rund ziet met manege-bewegingen en andere symptomen, die
U doen denken aan listeriosis, met daaraan gepaard gaande blindheid, dan is er
hoogst waarschijnlijk sprake van listeriosis, alhoewel dit rund vaak een negatieve of
dubieuze titer vertoont. De agglutinatie-titcr van dit dier ligt beneden 320.
Ook zijn enkel runderen, waarbij zich de algemene encefalitis-verschijnselen open-
baarden, met penicilline behandeld, maar de resultaten waren meestal niet bijzonder
goed.

Ik heb nog nooit meegemaakt, dat een rund met hersenverschijnsclen ten gevolge
van listeriosis is genezen met penicilline. Hierbij moet echter worden aangetekend,
dat ook terra- en aureomycine niet altijd de gewenste resultaten hebben opgeleverd.
De enige oplossing is — naar mijn mening — dus het toedienen van een zo hoog
mogelijke dosering van een breed-spectrum antibioticum in een zo vroeg mogelijk
stadium.

Bij dieren met een bulbair-paralyse is de prognose infaust.

-ocr page 815- -ocr page 816-

De bestrijding van de mond- en klauwzeer epi-
demie, november
7967 tot augustus 7962.

Control of the foot- and mouth disease epidemia.
November 1961 to August 1962.

door D. J. VERVOORNi)
Dames en Heren,

Gaame zal ik U een overzicht geven van de organisatie die werd opgebouwd
om de recente uitbraak van het mond- en klauwzeer in Nederland te be-
strijden.

In maximaal vijftien minuten zult U ingelicht moeten worden over een
actie die aan honderdduizenden dieren het leven kostte, waaraan meer dan
tweehonderd militairen medewerkten en waarvoor duizenden transporten
verzorgd moesten worden. Beknoptheid zal derhalve het voornaamste ken-
merk van deze causerie moeten zijn.

Gedurende de laatste mond- en klauwzeerepidemie in Nederland van 2 no-
vember 1961 - 2 augustus 1962 werden twee stammen van het virus, nl.
O en C, waargenomen.

De O-infectie werd het eerst gesignaleerd in Weesperkarspel onder gras-
kalveren en varkens op een boerderij en achttien dagen later onder varkens
die op een mestvaalt in dezelfde gemeente liepen. De ziekte verspreidde zich
in beperkte omvang over de zuidelijke helft van de provincie Noord-Holland
en over de westelijke helft van de provincie Utrecht. Deze stam was sterk
infectieus zowel voor runderen als voor varkens. Vooral de
niet of slechts
éénmaal geënte runderen bleken gevoelig.

Inmiddels werd op 28 november in Overijssel, in de gemeente Rijssen, mond-
en klauwzeer type C onder de varkens waargenomen welke stam hoogst-
waarschijnlijk uit Duitsland was binnengekomen. Via de varkensmarkten
trad een snelle verspreiding op: de
markt in Sneek veroorzaakte mond- en
klauwzeer in Leeuwarden en Kubaard, de
markten in Meppel en Zwolle
waren aanleiding voor mond- en klauwzeeruitbraken begin december 1961
op de West- en Midden-Veluwe, Gelderse Achterhoek en voorts in Fries-
land, Noord-Brabant en Limburg. Het G-type bleek minder affiniteit tot de
rundveestapel te hebben dan het O-type, doch bij sterke besmetting van
de varkensstapel kwamen in bet bijzonder bij dc jongere nmderen mond-
en klauwzeergevallen voor.

Voor de bestrijding van zowel het O-type als van het C-type van mond-
en klauwzeer werden op de besmette boerderijen
alle varkens en alle aan-
getaste
herkauwende dieren geslacht en tevens de nog klinisch gezonder her-
kauwende dieren voor zover zij
niet of slechts éénmaal waren geënt, met
dien verstande dat bij C-infecties met de besmettingsgraad rekening werd
gehouden.

Het vlees van de geslachte dieren werd, hetzij bij een O-infectie of bij een
G-infectie, eerst na sterilisatie vrijgegeven en alleen in de grotere steden
afgezet.

D. J. Vervoorn, Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens Inspecteur
van de Volksgezondheid i.a.d., le v. d. Boschstraat 4, \'s-Gravenhage.

-ocr page 817-

In het kader van alle maatregelen, zowel tegen het O-type als tegen het
C-type, werd eveneens de aanvang van de enttermijn voor de jaarlijkse
mond- en klauwzeervaccinaties vervroegd tot 1 januari, zodat de entperiode
liep van 1 januari tot 15 april 1962.

Op 11 december 1961 werd door de Minister van Landbouw en Visserij
een voor korte tijd bedoeld
vervoersverbod voor alle, niet voor direct slach-
ten bestemde varkens afgekondigd. Dit verbod is echter praktisch onge-
wijzigd tot 1 september 1962 gehandhaafd gebleven.

Omdat bleek, dat het ophalen van slachtvarkens de verspreiding van het
mond- en klauwzeer sterk in de hand werkte, werd het vervoersverbod echter
wel zodanig gecompleteerd dat de slachtvarkens
niet meer op de bedrijven
mochten worden opgeladen en dat een ontsmetting van deze veeauto\'s niet
alleen vóór doch ook nä het transport plaats moest vinden. Het vervoers-
verbod moest, zoals reeds in het laovenstaande werd vermeld, langer ge-
handhaafd blijven dan aanvankelijk werd gedacht.

Van de ontheffingsmogelijkheid van dit verbod welke in de Ministeriële
beschikking was opgenomen, moest daarom één maand na afkondiging op
groter schaal gebruik gemaakt gaan worden. Aan de uitvoering hiervan
verleenden o.m. Provinciale Voedselcommissarissen en Plaatselijke Bureau-
houders hun gewaardeerde medewerking. In principe werd alleen een ont-
heffing van bet vervoersverbod gegeven in die gevallen, waarin door een te
grote varkensstapel op de bedrijven van een noodsituatie gesproken kon

woi

rden.

Met de controle op deze maatregelen werden naast de regulaire instanties
ook de politie-instanties belast, die door Zijne Excellentie de Minister van
Justitie via de Heren Procureurs-Generaal benaderd waren geworden. Als
uitzondering werden nu ook de \\ erkeersgroepen op de autowegen bij deze
controles ingeschakeld.

Via de persorganen en andere publiciteitskanalen werd een uitgebreide in-
fonnatie over deze ziekte gegeven aan alle groeperingen van het Nederlandse
volk. Met inschakeling van het Plan-Bureau van de Provinciale Voedsel-
commissarissen bleek het mogelijk in een zeer korte tijd alle agrariërs in
Nederland \\an een persoonlijk schrij\\en te voorzien, waardoor uniforme
advisering mogelijk werd.

Het ontheffingssysteem is gehandhaafd gebleven tot 1 september 1962, doch
in zijn uitwerking werd het voortdurend gewijzigd hetgeen nauw samen-
hing met de mond- en klauwzeersituatie in ons land.

Toen bleek dat de ziekte zich ging concentreren in het Zuid-Oostelijk deel
van Nederland,
werden de vervoersmogelijkheden in de zogenaamd „vrije"
gebieden aanmerkelijk verruimd, doch in het besmette deel bleef het ver-
voer tot het allernoodzakelijkste beperkt. In het bijzonder werd de be-
]jerking toegepast op die dieren, afkomstig van bedrijven die op minder dan
5 kilometer afstand \\an een mond- en klauwzeerhaard gelegen waren.

In de eerste maanden van 1962 werd duidelijk dat de bestrijding van bet
mond- en klauwzeer in Nederland niet voldoende effecdef was. Weliswaar
was door het complex van bovengenoemde maatregelen de infectie van het
O-virus praktisch verdwenen, doch het C-virus tastte reeds meer varkens-
bedrijven aan. Alleen in de drie Noordelijke provincies. Zeeland en in
Zuid- en Noord-Holland was het totaalbeeld gunstig. De infecties in de

-ocr page 818-

provincie Utreclit werden nu veroorzaakt door het C-type en waren voor-
namelijk afkomstig van de West-Veluwe.

Deze ongunstige situatie was door het informatiesysteem van het Office
International des Epizoöties over de gehele wereld bekend en diverse landen
riepen handelsbeperkingen in het leven zoals o.m. België, Frankrijk, Duits-
land, Oostenrijk en Zwitserland. Jaarlijks moet de Veeartsenijkundige Dienst
ten behoeve van de Gezondheidstoestand van dieren en produkten die te-
zamen een waarde hebben van meer dan 1,5 miljard gulden, certificaten
afgeven en het is dus wel duidelijk dat de positie van onze dienst bijzonder
moeilijk werd. De bottle-neck \\an ons politionele bestrijdingsysteem was de
afvoer van de overgenomen dieren en de verwerking ervan.

Dames en Heren, U ziet, de mond- en klauwzeersituatie was begin 1962
niet rooskleurig en er waren legio problemen.

Getracht werd een oplossing te vinden door van Overheidswege alle varkens
op te slaan in vrieshuizen, doch de mogelijkheden hiertoe waren spoedig
uitgeput. Vanuit het buitenland kwamen inmiddels reacties op het ver-
werken van virus-bevattende produkten, terwijl het aantal C-infecties onder
de rundveestapel toenam doordat de varkens te lang op de bedrijven bleven
liggen.

Door Zijne Excellentie de Minister van Landbouw werd medio april be-
sloten tot volledige destructie van alle varkens op de besmette bedrijven,
welke werkzaamheden in een zo kort mogelijke termijn moesten worden
uitgevoerd. Daarom werd eveneens beslist dat de afvoer van deze dieren
naar de destructieplaats centraal geleid zou worden. Als destructieplaats
werden de Chemische Bedrijven van de N.C.B, in Son, gelegen in het be-
smette gebied, aangewezen. De normale destructiewerkzaamhcden van dit
bedrijf werden gedeeltelijk overgenometi door de andere destructoren in
ons land. Tevens werd voor het kunnen geven van een bestemming aan het
teveel aangevoerde varkensmateriaal de hulp van de Koninklijke Landmacht
ingeroepen, die deze dieren zou doden en begraven.

Op 18 april, 4 dagen vóór Pasen, vond er, behalve overleg met de Directie
van de destructor, op de Generale Staf van de Nederlandse Strijdkrachten
een bespreking plaats over de plannen en dezelfde dag werden de Landelijke
Vervoersorganisaties benaderd voor hulpverlening bij de transporten. Van
militaire zijde zouden massagraven gedolven worden in een natuurreservaat
te St. Anthonis en de vervoersorganisaties zouden de extra in te schakelen
vervoerders benaderen. Aan de vervoerders werd gevraagd om vrijdag-
morgen 20 april 04.30 uur aanwezig te willen zijn op één van de drie daar-
toe ingerichte posten in Noord-Brabant en Limburg. De militaire hidp-
verlening vond zo snel plaats dat de reeds ingeschakelde venoerders al
18 uur na de bespreking op de Generale Staf de voor de destructor te veel
aangevoerde varkens naar St. Anthonis konden vervoeren.
Inmiddels was er een achterstand in de af te voeren dieren ontstaan die in
de duizenden liep en dagelijks kwamen er in die tijd ongeveer 50-80 be-
smette bedrijven bij, waarop ongeveer 10.000 dieren lagen.
Op die vrijdagmorgen kwamen uit alle delen van Nederland meer dan 100
chauffeurs met hun vrachtwagens aan op bovengenoemde posten in Noord-
Limburg en Noord-Brabant, waar functionarissen van de Veeartsenijkun-
dige Dienst en Algemene Inspectiedienst hen opwachtten. Aan de chauffeurs
werden daar de adressen opgegeven van die bedrijven in het Zuiden van

-ocr page 819-

ons land, waar de varkens lagen, die afgevoerd moesten worden. Onder
controle werden deze dieren ingeladen en onder verzegeling naar de des-
tructor in Son afgevoerd. Een intensieve controle van deze bedrijven vond
plaats ten einde te voorkomen dat varkens achterbleven.
Op de Destructor in Son werden deze dieren afgemaakt door middel van
\\ergassing. Als gascellen waren negen garageboxen in gebruik genomen,
waarin de uitlaatgassen van op hoog toerental draaiende Centuriontanks
(cylinderinhoud 16,2 liter) en 13 en 18 ton High speed Ardllerietrekkers
(cylinderinhoud res. 9,4 en 13,2 liter) werden geblazen. In 30 minuten tijd
werd op deze wijze een wagen vol dieren vergast op een zeer humane wijze.
De militaire voertuigen waren ter beschikking gesteld door het Instructie
Eskadron Rupsvoertuigen van de Rij- en Tractieschool uit Eindhoven. Het
\\ ergassingsproces werd vele malen van nabij gevolgd, waarbij men toch wel
onder de indruk kwam van de sluipende gifwerking van deze gassen.

Dames en Heren, over een organisatie zoals deze in Son moest plaats vinden
is urenlang te vertellen. Ik kan er slechts in vogelvlucht overheen gaan.
Op deze plaats vond de behandeling der algemene zaken en de landelijke
„planning" van de toevoer van de varkens naar de destructor plaats en
eventueel de af\\oer van hier, nadat zc gedood waren, naar de andere des-
tructor of naar de massagraven. Tevens waren er de vergassingscontrole-
])loegen aanwezig, het documentatie centrum, ontsmettingsploegen, controle-
ploegen voor aankomende en vertrekkende wagens en het militair potentieel.
Op de destructor in Son werden uit 152 gemeenten van 4.101 mond- en
klauwzeerbcdrijven totaal 220.535 varkens aangevoerd op 3.337 wagens.
Van elke wagen die binnenkwam werden alle gegevens, zoals gewicht der
\\arkcns, herkomst der dieren, adres verx\'oerders, aantal vervoerde dieren
enz. genoteerd op een aj^arte kaart welke later als basis voor alle admini-
stratieve zaken diende. Voor die wagens, die na vergassing der dieren wer-
den doorgezonden, werden aparte begeleidingspapieren gemaakt.
De vergassing met koolmonoxyde was praktisch altijd volledig dodelijk. Een
enkele maal werden nog niet geheel dode biggen bij controle aangetroffen
in de bovenlading van de wagens, betgeen veroorzaakt werd doordat het
zwaarder clan lucht zijnde Co-gas de bovenste delen van de ga.scellen niet
altijd bereikte en door de relatief lage zuurstofbehoefte van deze dieren.
Dergelijke wagens werden altijd onmiddellijk in de gascel teruggeplaatst.
Na het doden werden de dieren, die tijdens de vergassing op de wagens ge-
bleven waren, gelost en verwerkt tot diermeel. Vooral het lossen was een
zwaar en tijdrovend werk.

Persoonlijke ongelukken hebben zich niet voorgedaan doch wel ongelukken
in het materiële \\lak. Doordat nl. toevalligerwijs het trillingsgetal van één
van de tanks overeenkwam met het kritisch trillingsgetal van de garage-
muren storten enkele boxen in, waardoor een tweetal auto\'s zwaar bescha-
digd werd. Het uit de met gas gevulde boxen balen van de wagens was een
punt waaraan de grootste gevaren verbonden waren, doch hierop werd
dan ook voortdurend gelet.

.\\an ontsmettingsmaatregelen werd in Son de grootste aandacht besteed,
zowel wat betreft de wagens als de personen. Als bijzonderheid zij vermeld
dat de slachtvarkens op de bij de destructor gelegen proefboerderij vrij van
deze ziekte bleven, hetgeen bleek uit bloedonderzoek na het slachten.

-ocr page 820-

Rest mij nog U te vertellen dat er totaal 101.183 varkens werden ge-
destrueerd en 119.352 varkens werden begraven.

Het vervoer is, voor zover bekend, geen aanleiding geweest voor verspreiding
van bet mond- en klauwzeer. De aanvankelijk gekozen opzet van enkele
vei-spreide posten die alle maatregelen op de besmette bedrijven coördineer-
den is tot bet einde van deze campagne gebandbaafd gebleven. Bebalve de
afvoer van de varkens regelde men bier de ontsmetting van de bedrijven, dc
gerichte rattenbestrijding e.d. waarover collega Werkman U meer zal
vertellen. Door deze verdeling van de werkzaamheden bleek het na enige
tijd mogelijk de afvoer, ontsmetting e.d. binnen enkele uren na de aangifte
te hebben verricht. Een zeer nauwe samenwerking met de Districtsbureaus
van de Veeartsenijkundige Dienst was noodzakelijk voor het zo goed mo-
gelijk functioneren van deze posten.

Vaccinatie als bestrijdingsmiddel bij dit soort mond- en klauwzeer was tot
dusver door alle deskundigen, als zijnde van geen werkelijke waarde, ver-
worpen. Teneinde toch een indruk te krijgen van de vaccinatie-mogelijk-
heden werd in deze periode met medewerking van de Gezondheidscommissie
voor Dieren van het Landbouwschap en de Provinciale Gezondheidsdiensten
cen enting van varkens op grote schaal doorgevoerd op researchbasis waar-
over collega Van Bekkum U meer zal vertellen.

Ongeveer 17 dagen na het begin van de gezamenlijke krachtsinspanning
hield de stijging van het aantal gevallen op en begon het aantal ziekte-
gevallen te dalen. Van 565 gevallen per week steeg het tot 665 en daarna
zakte het als volgt: 445, 377, 210, 162, 97, 101, 58, 30, 33, 20, 9, 2, O ge-
vallen per week.

Deze daling zette in alle besmette delen van ons land ongeveer gelijktijdig
in met uitzondering van Overijssel, waar de ziekte reeds sterk aan het af-
nemen was en de Veluwe, waar zelfs een stijging optrad. Eenzelfde stijging
was korte tijd tevoren in Limburg waargenomen, toen een vooraanstaand
fokker door frauduleuze afvoer van dieren van zijn reeds besmet bedrijf de
ziekte had \\erspreid. Door intensieve controle van een groot aantal be-
drijven kon een verdere stijging toen voorkomen worden.

Onmiskenbaar wels dc stijging in Gelderland, welke zich beperkte tot het
gebied rond Ederveen, ook een gevolg van de aanwezigheid van verzwegen
haarden. Teneinde deze op te sporen werd gedurende drie weken in dit
gebied een intensieve 24 mus wegcontrole ingevoerd met van mobilofoon-
installaties voorziene auto\'s. Daarnaast werd door een tiental speciale con-
troleploegen, voorzien van goed te ontsmetten kleding, cen gerichte bedrijfs-
controlc toegepast op ongeveer 3.000 bedrijven.

Bijzonder weinig medewerking van de bevolking maakte het werk in dit
gebied uiterst moeilijk. Reeds in de eerste week werden de positive ver-
zwegen gevallen opgespoord, waarna ook in dit gebied de landelijke daling
gevolgd werd.

Op 2 augustus werd het laatste mond- cn klauwzeergeval van de boven be-
schreven epidemie in Nederland waargenomen.

Terugziende op deze gehele periode welke ik met U heb doorgenomen, wil
ik nog opmerken dat de weersomstandigheden gedurende de mond- en
klauwzeercampagne slecht waren. De temperaturen lagen in vergelijk tot
het gemiddelde van de waarnemingen over 1931-1960 zeer laag, terwijl het
minder regende. Een uitzondering
voiTnde de maanden april en mei, die

-ocr page 821-

vochtiger waren dan normaal. Het aantal uren zonneschijn was zeer gering,
hetgeen invloed kan hebben uitgeoefend op het verloop van de epidemie.

S.AMENVATTING.

Een overzicht wordt gegeven van de organisatie, die werd opgebouwd om dc mond-
en klauwzeerepizoötie van november 1961 lot augustus 1962 te bestrijden.
Na een inleiding over de mate van verspreiding in ons land wordt aandacht besteed
aan de maatregelen, in het bijzonder het vervoersverbod voor varkens.
Door het toenemende aantal gevallen werd het, mede met het oog op onze export-
positie noodzakelijk geacht over te gaan tot volledige destructie van alle varkens op
de besmette bedrijven. Alle af te voeren dieren werden naar een centraal punt (des-
tructor te Son) geleid en in tot gascellen ingerichte garage-boxen vergast.
Van daaruit werden de kadavers verwerkt in de destructoren dan wel afgevoerd naar
met behulp van militairen gereed gemaakte massa-graven.

Tot slot wordt stilgestaan bij de maatregelen die in het laatste stadium van de be-
strijding genomen moesten worden als bedrijfsinspecties e.d., teneinde de campagne
succesvol te kunnen beëindigen.

SUMMARY.

The organization set up to control the outbreak of foot-and-mouth disease during the
period from November 1961 to .\\ugust 1962 is reviewed.

.\\n introduction on the spread of the disease in the Netherlands is followed by a
discussion of the measures adopted, particularly the prohibition of transport of pigs.
On account of the increasing number of cases and also in view of the export position
of the Netherlands, it was considered necessary to destroy all pigs on contaminated
farms. All animals to be removed were sent to a centrally situated point (the des-
tructor in Son) and gassed in lock-up garages converted into gaschambers.
The carcases then were disposed of in the destructors or buried in mass graves
prepared with military assistance.

Finally, attention is paid to the measures which had to be adopted in the final stage
of control such as inspection of farms, etc., in order to bring the campaign to a
successful conclusion.

RÉSUMÉ.

On présente un aperçu de l\'organisation créée afin de combattre l\'épizootie de la
fièvre aphteuse de novembre 1961 jusqu\'en août 1962.

Après une introduction traitant le degré de dispersion aux Pays Bas, on discute
les mesures prises, notanmient la défense de transporter les porcs.
Par suite du nombre grandissant des cas, on jugea nécessaire, également en vue de
notre position d\'exportateurs, de procéder à une destruction totale de tous les porcs
des fermes infectées. Tous les animaux à éliminer furent conduites à un point central
(l\'établissement de destruction à Son) et gazées dans des boxes de garage aménagées
en cellules à gaz.

De là les cadavres étaient transportés aux appareils de destruction ou bien em-
portés vers des fosses collectives creusées avec l\'aide de militaires.
Finalement on s\'attarde sur des mesures qu\'on a dû prendre dans le dernier stade de
la lutte contre l\'épizootie, comme p.e. les inspections des fermes et autres afin de
pouvoir terminer la campagne d\'une façon définitive.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Übersicht von der Organisation gegeben, aufgebaut, um die Maul- und
Klauenseucheepizootie vom November 1961 bis August 1962 zu bekämpfen.
Nach einer Einleitung hinsichdich der Verbreitung in den Niederlanden, werden
die Massnahmen, insbesondere das Transportverbot für Schweine besprochen.

-ocr page 822-

Durch die ständige Zunahme der Fälle wurde es mit Hinsicht auf unsere Export-
position für nötig erachtet zur völligen Vernichtung aller Schweine auf verseuchten
Gehöften überzugehen. .Alle abzutransportierenden Tiere wurden nach einem zen-
tralen Punkt (dem Destruktor in Son) gebracht und in den zu Gaszellen eingerichteten
Garageboxen vergast.

Von dort aus woirden die Kadaver in Destruktoren verarbeitet oder mit Hilfe von
Militär in hergerichteten Massengräbern verscharrt.

Zum Schluss werden die Massnahmen besprochen, die im letzten Stadium der Be-
kämpfung genommen werden mussten, wie z.B. Betriebsinspektionen u.a., um die
Kampa.gne zum erfolgreichen Ende führen zu können.

Ervaringen met de enting van varl(ens tegen
mond- en klauwzeer.

Observations concerning the vaccination of pigs
against foot- and mouth disease.

door .1. G. VAN BEKKUM^)

De mond- en klauwzeerenting van varkens heeft in het algemeen weinig
bevredigende residtaten gegeven.

Uit laboratoriumexperimenten van verschillende auteurs (Armbruster
C.S., T r a u b en medewerkers, Geiger c.s., Schneider, Michel-
s e n) bleek, dat zelfs reeds korte tijd na de vaccinatie in de regel niet meer
dan de helft van de dieren over voldoende weerstand beschikte om een in-
tensieve contactinfectie te weerstaan.

Werden, in plaats van de voor de immunisatie van runderen geproduceerde
vaccins, entstoffen van andere samenstelling gebruikt, b.v. bereid \\an
varkensblaarwand of van in weefselcultuur gekweekt antigeen, of werd het
virus in plaats van met formaline, met andere middelen geïnactiveerd, dan
waren in de regel de resultaten niet veel beter.

Vaak scheen een bepaalde modificatie na enkele proeven goede vooruitzich-
ten te bieden (Möhlmann, Varenne), maar even \\aak werden de
voorlopige resultaten bij \\oortgczct onderzoek niet bevestigd. (Leu cam,
M i c h e 1 s e n).

De in ons laboratorium verkregen uitkomsten zijn in het algemeen in over-
eenstemming met die, welke men elders verkreeg.

Ook wij vinden na éénmalige enting met de voor runderen gebruikte mono-
valente vaccins bij een ca. 3 weken post vaccinationem uitgevoerde infectie
— d.w.z. op het hoogtepunt van de resistentie — slechts ongeveer 50% pro-
tectie. Deze immuniteit is daarbij van korte dinir. Bij gebruik van trivalente
entstoffen zijn de resultaten nog minder gunstig.

De door verschillende auteurs opgedane praktijkervaringen waren niet
steeds in overeenstemming met de in het laboratorium verkregen resultaten.
Voor dit verschil zijn meerdere verklaringen aan te voeren.
1. de interpretatie van praktijkproeven is dikwijls zeer moeilijk. Vaak is
het niet mogelijk door de keuze van goede controles te komen tot een
op verantwoorde wijze samengesteld vergelijkingsmateriaal.

Dr. J. G. van Bckkum, Directeur Centraal Diergeneeskundig Instituut, afd.
Amsterdam, Grote Kattenburgerstraat 7.

-ocr page 823-

2. Bij laboratoriumproeven is bet gebruikelijk een dusdanige wijze van
infectie te kiezen, dat alle in de proef gebruikte controledieren ziek wor-
den en, bij mond- en klauwzeer, generaliseren. Om dit te bereiken moet
een massale infectie worden gebruikt en de daarvoor noodzakelijke do-
sis smetstof gaat veelal die, welke onder praktijkomstandigbeden van
het ene bedrijf op het andere wordt overgebracht, ver te boven.

3. Tenslotte zullen verschillende onderzoekers de waarde van een door
vaccinatie verkregen resultaat ongelijk beoordelen, afhankelijk van de
locale situatie.

a. Indien men zich bevindt in een gebied waar de infectie verspreid
voorkomt en de bestrijding zich beperkt tot het nemen van quaran-
tainemaatregelen, zal een vaccin, dat het aantal klinisch aangetaste
dieren tot b.v. de helft reduceert, reeds een belangrijke verlichting
van de economische last betekenen.

Daar een dergelijke entstof ook de smetstofverspreiding ongetwijfeld
wel zal afremmen, doordat er wat minder dieren worden aangetast
en deze minder virus in de circulatie brengen, zal ook bet aantal
ziektegevallen verminderen.

De mogelijkheid, dat het gebruik van dit vaccin tot een verlenging
van de epizoötie kan leiden, b.v. doordat de ziekte in bepaalde ge-
vallen later onderkend wordt of eventueel zelfs in bet geheel niet
wordt gerapporteerd, zal men vermoedelijk op de koop toe nemen.

b. In een andere omgeving, waar de ziektebestrijding meer radicaal
wordt aangepakt, zal men er, dikwijls onder de druk der omstan-
digheden, naar streven de epizoötie zo snel mogelijk te doen eindi-
gen. In dat geval zal elke vertraging van het stellen der diagnose
ernstige consequenties kunnen hebben en ieder niet aangegeven
ziektegeval betekent het voortbestaan van een smetstofhaaid en
\\erder om zich been grijpen \\ an de infectie. Onder deze omstandig-
heden zal veelal een slecht vaccin geen bestrijdingsmiddel zijn.

Het afgelopen jaar is Nederland gelijktijdig getroffen door een tweetal
mond- en klauwzeerepizoötiën.

Het O-virus tastte runderen en varkens in ongeveer gelijk mate aan. Bij
dit type heeft de ziektefrequentie in varkens ons niet voor speciale proble-
men gesteld. Bij runderen bleek deze infectie met behulp van de gebruike-
lijke veterinaire politiemaatregelen en, in bepaalde gevallen, een aanvul-
lende enting, betrekkelijk sne! onder controle te brengen.

In tegenstelling tot de O-stam toonde de C-smetstof een opvallende affini-
teit voor varkens.

Gezien de algemene situatie hier te lande, waarbij het handhaven van onze
exportpositie altijd een belangrijke overweging moest zijn, is de bestrijding
er steeds op gericht geweest, de epizoötie zo snel mogelijk te onderdrukken
en de smetstof radicaal te vernietigen. Ten dele op grond van de boven aan-
gegeven overwegingen is daarbij de varkensenting niet gepropageerd. Een
belangrijk argument was daarbij ook de vrees, dat massale enting — uit de
aard van de zaak bet meest gevraagd in de direct bedreigde gebieden - -
aanleiding zou zijn tot smetstofverspreiding. Dat deze vrees niet ongegrond
is gebleken, hebben de feiteti aangetoond.

-ocr page 824-

Toen in een latere fase van de epizoötie de door de C-stam veroorzaakte
ziekte dusdanig oni zich lieen greep, dat bepaalde gebieden ontvolkt dreig-
den te worden, deed zich de vraag voor, of onder deze gewijzigde omstan-
digheden de enting in een of andere vorm toch niet als wapen in de strijd
zou kunnen worden gebruikt.

Ten einde althans een appreciatie te hebben van het effect van een syste-
matisch doorgevoerde enting is toen in overleg en samenwerking met ver-
schillende betrokken instanties een proef\\accinatie doorgevoerd.
De vraag die men zich daarbij heeft gesteld was, in hoeverre de op dat
moment beschikbare entstof in staat was de bedrijven te beschermen en
zodoende verdere uitbreiding van de ziekte te voorkomen.
Om een zo gunstig mogelijk resultaat te krijgen, werd tweemaal geënt met
een monovalent C-vaccin in grote dosis (n.1. de voor runderen gebruikte).
Daarbij werd er naar gestreefd een aaneengesloten gebied te enten.
Ondanks de vaccinatie aangetaste bedrijven moesten worden geëlimineerd.
Een aantal voorzorgen waren nodig om te voorkomen, dat de massale vac-
cinatie in zwaar besmet milieu leidde tot verdere uitbreiding van de epi-
zoötie.

Er is daarom gevaccineerd door entploegen, die telkens voor het betreden
van een bedrijf schone beschermende kleding aantrokken. Bij het verlaten
van de bedrijven werden maatregelen genomen, alsof het betreffende beslag
besmet was. Deze zijn effectief gebleken.

De door de Gezondheidsdiensten in onderlinge samenwerking gevormde ent-
ploegen begonnen hun activiteit op 21 mei in twee provincies. Het ge-
bruikte materiaal werd van Overheidswege ter beschikking gesteld.

In Noord-Brabant nam de enting een aanvang in de gemeente Boekei.
Uden en Wanrooy werden als ongeënte controlegebieden gehouden. Toen
na 28 mei meer personeel ter beschikking kwam, is het entingsgebied uit-
gebreid met de gemeenten Erp, Dinther, \\\'eghel en Gemert en het controle-
gebied met Nistelrode, Zeeland en Mill.

In Limburg werd geënt in Scvemun en een aangrenzend gedeelte van Horst.
Controlegebied waren Maasbree en het resterende deel van Horst.
In Brabant vond de revaccinatie 14 dagen na de eerste enting ])laats, in
Limburg was deze interval één week.

In principe werden alle op de bedrijven aanwezige varkens van ouder dan
14 dagen geënt.

De controlegebieden werden geselecteerd op grond van hun overeenkomst
met liet te enten gebied in varkenspopulatie en bedrijfsgrootte. Tot het be-
gin van de entingscampagne was liet ziekteverloop in beide gebieden on-
geveer gelijk.

Het verloop van de camj^agne kan als volgt kort worden weergegeven:
In Sevenum was op 1 juni 42%, op 15 juni 64% van de 244 nog aanwe-
zige bedrijven geënt.

In de verschillende Noordbrabantse gemeenten varieerden deze percentages
van 21% van 320 bedrijven in Gemert op 15 juni tot 44% van 280 in
Boekei op 1 juni.

In Noord-Brabant werd dus in geen enkele gemeente meer dan de helft
van de aanwezige bedrijven geënt en het streven een aaneengesloten gebied
tc enten lijkt dan ook niet geslaagd.

-ocr page 825-

In Limburg werden ca. 10.000 dieren op 228 bedrijven éénmaal gevacci-
neerd, ongeveer 9200 biervan op 216 bedrijven kregen ook een tweede in-
jectie. In Noord-Brabant waren deze cijfers ca. 16.000 en 14.500 varkens op
respectievelijk 394 en 374 bedrijven.

In Limburg kwamen in de geënte bedrij\\\'en zes ziektegevallen voor n.1. één-
maal twee, éénmaal drie, tweemaal 4 en éénmaal 6 dagen na de enting.
In Noord-Brabant werden 10 bedrijven besmet en de ziekte werd bier één-
maal op de eerste, tweemaal op de tweede, driemaal op de derde, driemaal
op de vierde en éénmaal op de negende dag na vaccinatie vastgesteld.
Er is ongetwijfeld op reeds besmette bedrijven geënt zonder dat bet mond-
en klauwzeer werd onderkend. Dit is ecbter geen aanleiding geweest tot
nieuwe ziektegevallen.

Deze praktijkproef heeft niet de gezochte informatie gegeven.
Het mond- en klauwzeer verdween in de geënte en de ongeënte gebieden
nagenoeg gelijktijdig en voordat het merendeel van de in aanmerking ko-
mende bedrijven volledig gevaccineerd was.

Zo werden in Sevenum op 29 en 30 mei nog vier ziektegevallen vastgesteld.
Drie hiei-van kwamen voor op kort te voren geënte bedrijven. Daarna deed
zich op 22 juni nog één geval voor in een niet geïmmuniseerd beslag. Ook
in Horst en Maasbree werden na 30 mei nog slechts enkele bedrijven aan-
getast.

In Noord-Brabant kwam na het begin van de entcampagne meer mond- en
klauwzeer voor in de controlegebieden, dan in de gemeenten waar gevacci-
neerd werd. Dit verschil, dat significant is, vindt men zowel wanneer men
de gegevens van de geïmmuniseerde, als die van de niet geïmmuniseerde
bedrijven, plaatst naast die verkregen uit het controlegebied.
Beperkt men de beschouwing tot de gevaccineerde gemeenten, dan blijkt
het aantal aangetaste geënte bedrijven wel lager dan het aantal besmette
niet gevaccineerde, maar dit verschil is niet significant.

In het laboratorium zijn naast een uitgebreid serologisch onderzoek, dat nog
niet afgesloten is, een aantal infectieproeven gedaan met onder praktijk-
omstandigheden gevaccineerde varkens afkomstig van verschillende be-
drijven.

Een 25-tal in Noord-Brabant aangekochte varkens, die ongeveer een
maand na injectie van de tweede entstof werd besmet, bleek resistent
tegen een contactinfectie met de in de praktijk voorkomende C-stam.
Bij een tweede groep van gelijke grootte, afkomstig van twee andere be-
drijven, vond de proefinfectie drie maanden post vaccinationem plaats. Een
derde van de dieren bleek toen nog immuun.

Men kan zich afvragen, of een na vaccinatie onder ])raktijkonistandighe-
den in zwaar besmet gebied gevonden immuniteit uitsluitend toe-
geschreven mag worden aan de enting. Zowel vóór, als na de vaccinatie,
kan zich immers een infectie hebben voorgedaan en vooral na de enting is
het zeer wel mogelijk dat deze niet onderkend werd.

Wij beschikken niet over op de toeleveringsbedrijven gehouden ongeënte
controledieren en een serologisch onderzoek, ten einde vast te stellen of alle
dieren ten tijde van de enting nog wel vrij van neutraliserende antistoffen
waren, was onuitvoerbaar geweest.

Toch kan de hierboven gestelde vraag vermoedelijk in positieve zin be-
antwoord worden. Uitkomsten verkregen in het kader van een andere

-ocr page 826-

proef, die in samenwerking met de Veeartsenijkundige Dienst en de Gezond-
heidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant op een speciaal daarvoor ge-
vormd proefbedrijf wordt uitgevoerd met varkens welke onder onverdachte
omstandigheden werden gevaccineerd en gehouden, tonen n.1. een goede
overeenkomst met die van de bovenvermelde infectieproeven.
Desondanks dienen de tot nu toe met de tweemalige enting verkregen be-
perkte laboratoriumresultaten met de nodige voorzichtigheid te worden ge-
interpreteerd.

1. Varkens van verschillende leeftijd en herkomst blijken zich zeer ongelijk
te gedragen.

2. Onze ervaringen zijn daarbij beperkt tot enkele partijen entstof en één
smetstoftype. De vaccins waren bereid met de thans voor produktie ge-
bruikte C-stam en de infectie geschiedde slechts met het in de praktijk
gevonden virus. De resultaten zijn daarom niet noodzakelijkervv\'ijs geldig
voor de vaccins tegen de andere virustypen of voor infecties met andere
virusstammen.

3. Zowel bij geënte als bij ongeënte varkens kunnen subklinische mond- en
klauwzeerinfecties optreden. Wij weten niet in hoeverre dergelijke dieren
zelf weer infectiebron kunnen zijn of, als dit het geval is, hoe lang deze
virusuitscheiding duurt. Het is duidelijk, dat slechts in immuun milieu
de consequenties van een eventuele carrierstatus tot het minimum ge-
reduceerd zullen blijven. Eerder dan bij het rund zijn hier moeilijk-
heden te verwachten, omdat de varkensstapel snel wordt omgezet en
de door vaccinatie verkregen immuniteit slechts van korte duur is.

Uit het bovenstaande zal het U duidelijk zijn, dat onze kennis aangaande
de mogelijkheid varkens tegen mond- en klauwzeer te vaccineren nog zeer
onvolledig is. Vooralsnog lijkt het noodzakelijk monovalent te enten en een
hechte, zij het kortdurende immuniteit wordt slechts verkregen na revacci-
natie. Deze werkwijze zal daardoor slechts in exceptionele gevallen bruik-
baar zijn.

Het zal de taak van het onderzoek zijn een vaccin te vinden dat het be-
oogde effect met één enkele injectie bereikt. Eerst dan zal de in nood-
gevallen noodzakelijke effectieve massa-enting binnen ons bereik komen.

SAMENV.ATTING.

Er wordt een overzicht gegeven van de proefvaccinaties, welke tijdens de recente
mond- en klauwzeerepizoötic bij varkens werden door.gevocrd in sterk besmette ge-
bieden van Noord-Brabant en Limburg.

Door de Provinciale Gezondheidsdiensten opgestelde entploegen vaccineerden in zeven
gemeenten ongeveer 25.000 varkens op ca. 600 bedrijven. De entstof was een voor de
immunisatie van runderen bestemd monovalent C-vaccin, na één of twee weken vond
herenting plaats.

De vaccinaties zijn geen aanleiding .geweest tot nieuwe ziektegevallen. Zestien be-
slagen, waar één tot negen dagen na de enting mond- en klauwzeer werd vastgesteld,
zijn afgemaakt.

De ziekte was onder controle gebracht voordat een enigszins belangrijk deel van de
aanwezige bedrijven volledig was geënt.

Op gevaccineerde bedrijven deden zich minder ziektegevallen voor, dan op grond
van het verloop in de niet geënte beslagen in dezelfde gemeenten verwacht mocht
worden. Dit verschil was niet significant.

De in laboratoriumproeven na tweemalige enting vastgestelde immuniteit is slechts
van korte duur, de praktische bruikbaardheid ervan daardoor beperkt.

-ocr page 827-

SUMMARY.

In the course of the recent foot- and mouth disease epizootic in the Netherlands
vaccination trials were carried out on 25.000 pigs in 600 farms in the infected areas
of the provinces of North-Brabant and Limburg.

monovalent Frenkel vaccine of the composition used for cattle was employed. Two
injections were given at one or two week intervals.

The vaccine was administered by teams organized by the Provincial Animal Health
Services.

Precautionary measures taken in order to ensure that the vaccination campaign did
not result in the spread of the epizootic, were effective.

Herds on sixteen farms which were found to be infected between the first and ninth
day after injection of the first dose of vaccine, were destroyed. No further cases
were seen in immunized herds, but the disease was eradicated before vaccination had
been completed in most of the area. The incidence of disease was less ort vaccinated
farms than it was in non vaccinated herds in the same communities. This difference
was however not significant.

In challenge tests carried out in the laboratory, pigs vaccinated twice under field
conditions, as well as animals immunized elsewhere, according to the same schedule,
were found to have a solid immunity, which was however of short duration. The
practical applicability of the method therefore seems limited.

RÉSUMÉ.

Le conférencier donne un aperçu des vaccinations d\'épreuve qui ont été faites sur des
porcs pendant l\'épizootie récente de la fièvre aphteuse dans les domaines fortement
infectés du Brabant septentrional et du Limbourg.

Des équipes d\'inoculation nommées par les Services d\'Hygiène Vétérinaire Provin-
ciaux ont inoculé dans sept communes environ 25000 porcs dans environ 600 fermes
avec un vaccin Frenkel monovalent, destiné à l\'immunisation de bovins; après une
ou deux semaines une révaccination eut lieu.

Les inoculations n\'ont pas causé de nouveaux cas morbides. Dans seize porcheries
où la fièvre aphteuse a été constaté d\'un à neuf jours après l\'inoculation, tous les
animaux ont été abattu.

L\'épizootie a été mis sous contrôle avant qu\'une partie assez importante des fermes
eût subi la vaccination complète. Dans les fermes où l\'on avait vacciné les porcs,
moins de cas morbides se présentèrent que ce à quoi l\'on se fut attendu par suite de
l\'évolution de la maladie dans les cheptels noninoculés dans les mêmes communes.
Cette différence était sans validité statistique.

L\'immunité établie dans les expériences de laboratoire après deux inoculations n\'est
que de brève durée, et par conséquent l\'utilité pratique en est restreinte.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird cine Übersicht von den Versuchsvakzinationen gegeben, die während die
rezenten Maul- und Klauenscuchcepizootie bei Schweinen in stark verseuchten Ge-
bieten von Nord-Brabant und Limburg durchgeführt wurden.

Die von den Provinzialen Gesundheitsdiensten zusammengestellte Impfgruppen vak-
zinierten in sieben Gemeinden ungefähr 25000 Schweine auf etwa 600 Gehöften.
Der Impfstoff war eine für Rinder bestimmte monovalente C-Vakzine; nach 1-2
Wochen fand Wiederimpfung statt.

Die Vakzinationen gaben keinen .Anlass zu neuen Krankheitsfällen. Sechszchn Be-
stände, wo 1-9 Tage nach der Impfung Maul- und Klauenseuche festgestellt wurde,
sind abgeslachtet worden.

Die Krankheit war bereits unter Kontrolle, che die Mehrzahl der vorhandenen Be-
triebe völlig durchgeimpft war. Auf Betrieben, wo Impfung stattgefunden hatte,
kamen weniger Krankheitsfälle vor, als auf den nicht-geimpften. Dieser Unterschied
war jedoch nicht von Bedeutung.

-ocr page 828-

Die in Laboratoriumsuntersuchungen noch zweimaliger Impfung festgestellte Immu-
nität, ist nur von kurzer Dauer, wodurch der praktische Nutzen ein beschränkter

bleibt.

LITERATUUR

A r m b r u s t e r, O., G a r b e, H. G., P i 1 z, W. und Schweckendieck, O. E. :
Zum Problem der aktiven Immunisierung des Schweines gegen MKS mit verschie-
denen Vakzinen.
Vet. Med. Nachr., 2, 75, (1960).

Geiger, W. und O t t e, B. : Die Vakzination des Schweines gegen Maul- und
Klauenseuche.
Mh. Tierheilk., 10, 35, (1958).

L u c a m. F., D h e n n i n, L., D h e n n i n, L. et F e d i d a, M. : Essais de vaccina-
tion anti-aphteuse chez le porc. Résultats obtenus au laboratoire.
Bull. O.I.E., 57,
924, (1961).

M i c h e 1 s e n, E.: Experiences on vaccination of pigs. Arch. exp. VetMed., 15, 317,
(1961).

M Ö h 1 m a n n, H. : Die aktive Immunisierung des Schweines gegen Maul- und
Klauenseuche.
Exp. VetMed., 2, 79, (1950).

Schneider, B. : Zur Immunisierung des Schweines gegen Maul- und Klauen-
seuche.
Die Blauen Hefte für den Tierarzt, 3, 483, (1961).

T r a u b, E. und Schwöbel, W.: Versuche zur Ergründung des Mangelhaften
Immunisierungsvermögens von Maul- und Klauenseuche-Vakzinen bei Schweinen.
Mh. Tierheilk., 11, l", (1959).

Varenne, H. : Le problème de la vaccination anti-aphteuse chez le porc. Bull,
O.J.E.,
53, 793, (I960).

-ocr page 829-

De verwerking van het overtollig destructie-
materiaal, de rattenbestrijding en de geïntensi-
veerde ontsmettingsmaatregelen.

The disposal of superfluous destruction material, the
control of rats and the intensified disinfection mea-
sures.

door N. F. WERKMAKP)
De verwerking van het overtollig destructiemateriaal.

Op 18 april 1962 werd bij een aangifte van 55 nieuw met mond- en klauw-
zeer besmette bedrijven militaire hulp ingezet bij de verwerking van het
overtollig destructie-materiaal. Deze militaire hulp, bestaande uit 130-170
personen, kreeg als taak onder leiding van de Veeartsenijkundige Dienst
bet overtollig destructie-materiaal te begraven.

Als terrein werd hiervoor aangewezen een natuurreservaat van 800 hec-
tare, behorend aan het Staatsbosbeheer en liggend in de gemeente Oplo,
een landelijk Brabants plaatsje, 42 kilometer verwijderd van het des-
tructiebedrijf te Son. In dit natuurreservaat werden achtereenvolgens ter-
reinen beschikbaar gesteld van 4,5 ha, 6,8 ha en 2,2 ha; in totaal dus
13,5 ha.

Na de vergassing van de varkens op het destructiebedrijf te Son werd de
veewagen met dode varkens ontsmet door verneveling met een 2% natron-
loogoplossing. De chauffeur kreeg een geleidebriefje mee en bij de kuil werd
dit ingenomen. Bij aankomst in St. .\'\\nthonis werd de veewagen via mili-
taire posten naar de begraafplaats geleid.

Deze begraaflaats bestond uit lange rechte kuilen met een lengte variërend
van 40-120 meter en een breedte van 3-3,5 meter. Er werden twee kuilen
naast elkaar gegraven en de grond werd in bet midden tussen de kuilen
gedeponeerd. Hierdoor waren zij slechts aan één zijde bereikbaar. Het
bleek dan ook, dat het geen zin had om ze breder te graven dan 3,5 meter,
daar een grotere breedte buiten het bereik van de lossers kwam te liggen
en de kuil dus niet gelijkmatig gevuld kon worden. Het was nodig de kuilen
schuin af te graven om het wegzakken van de auto\'s te voorkomen. De diepte
varieerde van 2,5-4,5 meter, afhankelijk van de grondwaterstand.
Daar het graven van de kuilen en het begraven van de varkens gelijktijdig
gebeurde, was het wenselijk — in verband met de optredende geur — ge-
durende de eerste twee dagen na het begraven,
boven de wind te werken.
De aan- en afvoer vond plaats over rulle zandwegen, waarbij het verkeer
steeds in één richting werd geleid.

Tijdens de campagne bleek, dat het aan te raden was alleen bij daglicht te
werken, in verband met bet vastraken van de veewagens. Om dit te bereiken
werd er \'s avonds op Son een reserve gevormd van een 20-tal wagens met
dode varkens, zodat men \'s morgens vroeg kon beginnen.
Bovendien moest aan zogenaamde
korte wagens op deze wegen de voorkeur
worden gegeven, terwijl bulldozers op de aan- en afvoerwegen vermeden
dienden te worden.

N. F. Werkman, Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens Inspecteur
van de Volksgezondheid i.a.d., lev. d. Boschstraat 4, \'s-Gravenhage.

-ocr page 830-

Het graven van de kuilen gaf met 6 graafmachines geen moeilijkheden. In
het begin werd er dag en nacht doorgewerkt, maar al spoedig was en bleef
er een ruime voorsprong.

Het lossen van de wagens gebeurde met de hand door militairen, die rubber-
handschoenen droegen. De wagens werden achteruit gereden tot aan de
kuil en de varkens werden \\an de veewagen direct in de kuil gestort. De
diepte van de kuil was natuurlijk bepalend voor de
diktelaag van de te be-
graven varkens. Deze diktelaag varieerde in het algemeen van 1,5-2,5 me-
ter, dus 1 meter beneden het grondoppervlak. Op deze wijze werden bij een
kuildiepte van 2 meter en een kuilbreedte van 3 meter per strekkende meter
gemiddeld 30 varkens begraven. Dat betekent dus 5 \\\'arkens per kubieke
meter grond. De totale lengte der gedolven graven bedroeg ongeveer 4
kilometer.

Behalve de varkens werd ook het van de besmette bedrijven overgenomen
meel in de kuil gestort.

Na het lossen werd over de varkens ongebluste kalk gestrooid. Hiervoor
werd gebruikt de zogenaamde
ongebluste kalk, een produkt dat in hoofd-
zaak uit calciumoxyde bestond. Later werd ook
landbouwpoederkalk ge-
bruikt, dat gedeeltelijk uit
calciumhydroxide en gedeeltelijk uit calcium-
oxyde
bestond.

De ervaring leerde, dat ook deze landbouwpoederkalk een behoorlijke
warmte-ontwikkeling veroorzaakte. Per strekkende meter, bij een kuil-
breedte van 3 meter en een kuildiepte van 2 meter, werd gemiddeld 50
kilogram kalk gebruikt. Dit betekent dus per 5 varkens en per kubieke
meter grond 8,5 kilogram kalk.

Aan het einde van elke dag werden de volgestorte kuilen gedicht. In het
begin werd door bulldozers (er waren 8 beschikbaar) grote hoeveelheden
zand
in en om de kuil gebracht. Al spoedig echter kwam men hierop terug
daar bleek, dat het gewicht van het zand dermate groot was dat de ont-
bindingsvochten en gassen met kracht naar boven werden geperst, waar-
door kleine
kratertjes ontstonden. Later bracht men dan ook maximaal I
meter zand in en op de kuil en daarna iedere dag een laagje zand al naar
gelang er ontbindings\\ocht en gas ontsnapten. Na 4-5 dagen bleken deze
kuilen, wat betreft het naar boven komen van ontbindingsvochten, lutge-
werkt te zijn. Daarna werd er met behulp van btdldozers 3 a 4 meter zand
opgebracht.

De veranderingen aan de kuil na het begraven van de varkens waren de
volgende:

van 1,5-5 dagen : er traden scheuren in de grond op en het ontstaan van

de zojiust genoemde kraters werd waargenomen;
na 5-10 dagen : er was aan de oppervlakte niets te zien;
na de lOe dag : werd het terugvallen van het zand in de graven gezien,
gepaard gaande met het ontstaan van grote diepe scheu-
ren.

Op 5 juni 1962 werd het laatste varken begrav en en bij de laatste controles
van de kuil op 23 augustus en 10 september 1962 bleken, behalve enkele
diepe scheuren van waaruit nog een kadavergeur ontsnapte, geen veront-
rustende verschijnselen aanwezig te zijn. Wél is een vos ontdekt, die hier en
daar tot aan de kadavers ging graven.

-ocr page 831-

Wanneer de veewagens gelost waren, moesten zij de reinigingspost passeren.
Bij deze post waren twee brandweerwagens van de vliegbasis Volkel inge-
schakeld. Deze wagens, die cen inhoud hadden van 2000 liter moesten het
water halen lüt een brandweerput op 2 kilometer afstand. Daar voor het
schoonspuiten van één veewagen gemiddeld 1000 liter water nodig was, is
het te begrijpen dat het reinigen van de wagens nogal eens oponthoud ver-
oorzaakte. Later, bij ingebruikneming \\-an een ander terrein, kwam hierin
verbetering doordat het water kon worden gehaald uit het ter plaatse lig-
gende defensiekanaal, zodat de capaciteit onbeperkt werd. Toen kon ook
worden volstaan met een zogenaamde baby-spuit.

Achter de reinigingspost was de ontsmettingspost. Het ontsmetten van de
wagens gebeurde aanvankelijk door de geneeskundige troepen. Toen al spoe-
dig deze troepen elders moesten worden ingezet, werd een loonspuiter in-
geschakeld, die ontsmette op de wijze zoals ik U straks uiteen zal zetten.
Resumerend moge ik opmerken dat de geïntensiveerde bestrijdingscampagne
heeft geduurd van 18 april tot 2 augustus, dat is 15 weken. De kuil moest
zeven weken worden gebruikt. De eerste drie weken zagen wij een stijging
\\\'an het aantal gevallen van mond- en klauwzeer, dus ook een stijging van
het aantal aangevoerde varkens op de begraafplaats. Daarna trad er een
dermate snelle daling op, dat de kuil na vier weken kon worden gesloten.
In deze 7 weken zijn 119.352 varkens begraven, die aangevoerd zijn met
1.809 veewagens. 0\\er de gehele periode berekend betekent dit gemiddeld
per dag een aanvoer van 43 veewagens met j)lm. 3.000 varkens. Opgemerkt
dient te worden, dat de topdag op de begraafplaats een aanvoer betekende
van 133 wagens met plm. 9.000 varkens.

.\'^an bet einde van de campagne werden de zandwegen op een voortreffelijke
wijze door de militairen hersteld met behulp van 2 wegenbouwmachines.
De 3 terreinen worden niet meer bewaakt. Op terrein 1 en 2 zijn waar-
schuwingsborden geplaatst en terrein 3 is door de Heidemaatschappij met
een 2 meter hoog gaaswerk afgezet, daar dit terrein slechts 1 kilometer van
de openbare w(.\'g verwijderd ligt en er honden weiden gesignaleerd.

De rattenbestrijding.

Dat ratten door hun snelle vermeerdering (200 a 300 per jaar) aan over-
bevolking gaan lijden en daardoor gaan emigreren naar andere bedrijven,
behoeft u nauwelijks te verwonderen, evenmin als het feit dat zij bij deze
emigratie gemakkelijk virus van bet ene bedrijf naar het andere over kun-
nen brengen. Daarnaast werd door het leeghalen \\ an de besmette bedrijven,
de zwerflust van de ratten noodzakelijk vergroot en de gevaren voor een
directe overbrenging werden hierdoor groter. Oin dit le beperken was een
uitgebreide rattenverdelgingscampagne aangewezen.

Hiervoor werd de hulp ingeroepen van de Directie Fauna Beheer, Afd.
Ratten- en Muizenbestrijding. Er werd gewerkt met cumarine-derivaten,
ook wel anti-coagulanten genoemd. Deze cumarine-derivaten geven bij een
opname van enkele dagen achter elkaar een langzame inwendige verbloe-
ding. Een incidentele opname door mens en huisdier (vee) is als regel on-
schadelijk. Een afdoend tegengift is vitamine K.

De ratten moeten dus de gelegenheid krijgen enkele dagen achter elkaar van
het lokaas te eten, voordat cumarine zijn dodelijke werking kan hebben uit-
geoefend. Als lokaas wordt bij voorkeur ongepelde haver genomen, vochtig

-ocr page 832-

gemaakt met maximaal 1% spijsolie, zodat het poeder beter aan de haver
blijft kleven. Haver is bovendien niet aantrekkelijk voor honden, katten en
kinderen. De rattenbestrijding werd, evenals de ontsmetting, geleid vanuit
de twee centrale posten.

In het besmette gebied in Brabant en Limburg werd, beginnend met een
randzóne om dit gebied heen, van buiten naar binnen gewerkt. In alle ge-
meenten binnen dit gebied werd de rattenbestrijding geactiveerd. De ambte-
naren van de Directie Faunabeheer bezochten alle gemeenten in het be-
smette gebied en vervulden daarbij een activerende en voorlichtende taak
voor de gemeentelijke rattenbestrijder. De laatstgenoemde had als taak deze
voorlichting door te geven aan de boer door huis-aan-huis bezoek, uitge-
zonderd besmette bedrijven. Het was dus niet de bedoeling, dat de ratten-
bestrijder op en in het bedrijf kwam, maar dat de boer zelf dit rattengif ging
uitleggen.

Op de besmette bedrijven kreeg de ambtenaar van de Algemene Inspectie
Dienst, die tevens belast was met de controle op de afvoer van de varkens
en de ontsmetting, als taak de veehouder persoonlijk voor te lichten over de
rattenbestrijding, terwijl hij daarna een hoeveelheid rattengif op het bedrijf
achterliet.

Het resultaat was zeer bevredigend te noemen, terwijl veel begrip en mede-
werking, zowel van de gemeenten als van de veehouders, werd ondervonden.
Op deze wijze werd in 136 gemeenten de rattenbestrijding toegepast op plm.
15.000 bedrijven.

De geïntensiveerde ontsmettingsmaatregelen.

Wanneer ik U een kort overzicht geef van de geïntensiveerde ontsmettings-
maatregelen, dan bedoel ik hiermede de maatregelen, die tijdens de mond-
en klauwzeer-campagne van 18 april tot 2 augustus jl. in Noord-Brabant en
Limburg zijn genomen. Door deze maatregelen was het mogelijk:

1. de capaciteit van de gemeenten te vergroten door het beschikbaar stellen
van voldoende, goed materiaal;

2. de uniformiteit t.a.v. de ontsmetting te bevorderen;

3. meer aandacht te schenken aan de le ontsmetting.

Hiervoor werden in overleg met de P.V.G. (Provinciale Voedselcomrnissaris)
en de gemeenten enkele mobiele spuiten op vrachtwagens gestationeerd en
daarnaast werd een pool van plm. 50 loonsproeiers gevormd, die zich be-
reid verklaarden aan de ontsmettingscampagne deel te nemen.
De centrale posten in beide provincies, die de ontsmetdng verzorgden, kon-
den nu op ieder moment één of meerdere loonsproeiers uit deze pool be-
trekken en naar een besmet bedrijf zenden. Vanuit deze posten werd er naar
gestreefd, dat de ontsmettingsploeg cn de veewagen, die de varkens moest
afvoeren,
gelijktijdig op het bedrijf aanwezig waren.

Onder controle van de A.I.D., die tevens belast was met de afvoer, werden
na het opladen van de varkens de klep, de banden en de plaats van op-
laden met natronloog behandeld. Tevens werd erop toegezien, dat de chauf-
feur en helpers hun handen en schoeisel ontsmetten. Na het vertrek van de
veewagen werd nu in
vuile toestand het gehele bedrijf onder controle goed
doordrenkt met een
2% natronloog oplossing, d.w.z. onder een druk van
30-40 atmosfeer werden de varkensschuren, de hokken, inclusief gangen en
uitlopen, het materiaal in bedoelde ruimte, het erf, de uitgangen en de
mesthoop goed nat gesproeid met natronloog-oplossing.

-ocr page 833-

Na 4 dagen werden de stallen gereinigd door de eigenaar, waarbij mest en
stro op de bestaande mesthoop werden gebracht. Deze werd afgedekt met
een laag zand of aarde.

De eigenaar bracht dit dan ter kennis van de gemeente, die, na controle
van de reiniging, overging tot de 2e ontsmetting, die op dezelfde wijze en
op dezelfde plaatsen werd uitgevoerd als de voorgaande.
Werd aanvankelijk het meel op de besmette bedrijven overgenomen, later
werd dit meel ontsmet met een 2% citroenziuir-oplossing. Toen er niets meer
werd overgenomen bleek al spoedig, dat er een heel krappe voorraad meel
op de bedrijven aanwezig was.

Op het destructiebedrijf te Son was continu een loonsproeier met een motor-
spuit op een trekker gestationeerd. Elke veewagen met dode varkens kon
op deze wijze vóór het vertrek naar „de Kuil" met een 2% natronloog-
oplossing worden verneveld, waarna begonnen werd aan het 42 km lange
traject van Son naar St. Anthonis. Op de begraafplaats werden de vee-
wagens na lossing en reiniging op dezelfde wijze ontsmet als in Son.
Al spoedig werd de behoefte gevoeld de ontsmetting uit te breiden tot de
vrije bedrijven teneinde deze te beschermen tegen besmetting. Hiervoor ging
men, alvorens het besmette bedrijf te betreden, eerst de erven en uitgangen
van de buren, evenals de harde wegen rondom het besmette bedrijf met een
2% natronloog-oplossing desinfecteren.

Toen later bleek, dat er bepaalde haarden in verschillende gemeenten zoals
Grubbevorst, Budel, Schayk enz. bleven bestaan, werd in samenwerking met
de gemeenten en de Boerenbonden uitgebreide voorlichting gegeven door
huis-aan-huis circulaires en het organiseren van voorlichtingsavonden voor
de veehouders. In deze gemeenten werden nu gedurende 6 dagen achtereen
alle wegen en erven alsmede schoolpleinen, kerkpleinen, rondom pakhuizen,
kortom alle bekende verzamelplaatsen met een 2% natronloog-oplossing
ontsmet. Daarnaast werd door de Inspecteur van de Veeartsenijkundige
Dienst uitgebreider epidemiologisch onderzoek verricht en werden ook de
hierdoor opgespoorde mogelijke bronnen van infectie ontsmet.
Het is duidelijk, dat deze wijze van ontsmetting niet overal toegepast kan
worden, maar sterk afhankelijk is van de situatie in een bepaalde streek.
Behalve deze maatregelen werd landelijk en plaatselijk overleg gepleegd met
al die instanties, die door hun werk in aanraking konden komen met moge-
lijk geïnfecteerde bedrijven. Aan hen werden preventieve ontsmettingsmaat-
regelen geadviseerd.

Ook de verpakking van het meel: papieren of jute zakken en de ontsmetting
van de veewagens, die slachtvarkens ver\\oerden, zijn vaak een punt van
uitgebreide discussie geweest, maar terwille van de tijd kan ik hierop niet
verder ingaan.

Terugziende op deze epidemie meen ik te mogen concluderen, dat een snelle
afvoer, en dan denk ik niet in dagen, maar in enkele uren, een snelle, uit-
gebreide en doelmatige ontsmetting naast een intensieve controle van de
vrije bedrijven rondom een haard een positieve bijdrage hebben geleverd bij
de bestrijding van een virusziekte als mond- en klauwzeer.

SAMENVATTING.

Inleider bespreekt de verwerking van overtollig destructiemateriaal, de rattenbestrij-
ding en de geïntensiveerde ontsmettingsmaatregelen tijdens de mond- en klauwzeer-
bestrijding in de periode van 18 april - 2 augustus 1962.

-ocr page 834-

Een schets wordt gegeven van de verwerking door middel van begraven, met militaire
hulp, van het overtollig destructiemateriaal.

Het gevaar van ratten als overbrengers van het virus en de rattenbestrijding in de
besmette gemeenten wordt belicht. Een overzicht wordt gegeven van de methode van
ontsmetting en de vergroting van de ontsmettingscapaciteit door inzet van mobiele
eenheden en het vormen van een „pool" van loonsproeiers.

Spreker acht een snelle afvoer van de dieren en een doelmatige ontsmetting van be-
smette bedrijven binnen enkele uren, naast een intensieve controle van de naburige
bedrijven een positieve bijdrage in de bestrijding van een virusziekte als mond- en
klauwzeer.

SUMMARY.

The disposal of surplus carcases of destroyed animals, the extermination of rats and
the intensified measures adopted to ensure disinfection in foot-and-mouth disease
control during the period from April 18 to August 2, 1962, are reviewed.
The disposal of surplus carcases by burial with military assitsance is described.
The danger of transmission of the virus by rats and the extermination of rats in the
infected communities are discussed. The methods used in disinfection, increasing the
capacity of disinfection by the use of mobile units dan forming a pool of sprayers
working on commission are reviewed.

Rapid removal of the animals and effective disinfection of contaminated farms as
well as close inspection of adjoining farms are regarded as being of positive assistance
in controlling a virus disease such as foot-and-mouth disease.

RÉSUMÉ.

On discute l\'éliminatiion de matériel superflu de destruction, la lutte contre les rats
et les mesures de désinfecdon intensifiées durant la lutte contre la fièvre aphteuse
dans la période du 18 avril au 2 août 1962.

Une description est donnée de l\'élimination, par moyen d\'enterrement avec l\'aide de
militaires, du matériel superflu de destruction.

Le danger des rats comme transporteurs du virus et la lutte contre les rats dans les
communes infectées sont discutés. Un aperçu est présenté de la méthode de désinfec-
tion et l\'agrandissement de la capacité de désinfection par la mise en ligne d\'unités
mobiles et la formation d\'un „pool" d\'arroseurs salariés.

On estime qu\'une évacuation rapide des animaux et une désinfection efficace des
fermes infectées en moins de quelques heures, à côté d\'une contrôle intensive des
fermes voisines forment un apport positif dans la lutte contre une maladie de virus
comme la fièvre aphteuse.

ZUSAMMENFASSUNG.

Referent bespricht die Vertilgung von überflüssigem Vernichtungsmatcrial, die
Rattenbekämpfung und die verschärften Desinfcktionsmassrcgcl wähenrd der Be-
kämpfung der Maul- und Klauenseuche in der Periode vom 18. Aripl bis 2. August
1962.

Es wird eine Schilderung von der Vertilgung des überflüssigen Vernichtungsmaterials
mittels Vcrgrabens mit militärischer Hilfe gegeben.

Hingewiesen wird auf die Gefahr der Virusübertragung durch Ratten und auf die
Rattenbestreitung in den verseuchten Gemeinden. Weiterhin wird eine Ubersicht
von der Desinfektionsmethode, der Erweiterung der Desinfektionskapazität durch
Einsatz mobiler Einheiten und der Bildung eines „pools" von Lohnsprengern gegeben.
Referent hält einen schnellen Abtransport der Tiere und eine zweckmässige Des-
infektion der verseuchten Gehöfte innerhalb einiger Stunden, sowie eine intensive
Kontrolle der Nachbargehöfte für einen positiven Beitrag zur Bekämpfung einer
Viruskrankheit wie die Maul- und Klauenseuche.

-ocr page 835-

DISCUSSIES naar aanleiding van de voordrachten over mond- en klauw-
zeer.

Vraag:

van de heer K. C 1 a y, naar aanleiding van de voordracht van de heer Ver voorn:
Ik ben sterk onder dc indruk gekomen van de maatregelen, welke de Veeartsenij-
kundige Dienst heeft getroffen ter voorkoming van de uitbreiding van de zeer ern-
stige mond- en klauwzccr-epidemic.

Ik vraag mij alleen af, waarom men tijdens deze epidemie een grote landbouwbeurs
in het R.A.I.-gebouw in Amsterdam — waar dus ook veehouders kwamen uit de
„besmette gebieden" — door heeft laten gaan. Hierdoor heeft men toch een be-
smettingsrisico ten aanzien van mond- en klauwzeer genomen!

Antwoord:

Inderdaad is het bekend, dat deze landbouwbeurs gehouden is. De voor- en nadelen,
hieraan verbonden, zijn van te voren nagegaan. De risico\'s zijn overwogen.
Wij zijn tenslotte — na rijp beraad - - tot dc conclusie gekomen, dat deze Beurs wél
doorgang kon vinden.

Uit de gang van zaken, zoals door niij geschetst, is wél gebleken, dat de risico\'s in-
derdaad niet zo groot waren en dat het zeker niet verantwoord zou zijn geweest deze
tentoonstelling af tc gelasten.

Vraag:

van Prof. A. v a n d c r S c h a a f, naar aanleiding van dc voordrachten van de heren
Werkman en Vervoorn:

Ik heb met veel belangstelling dc verwerking van het zeer grote aantal kadavers ge-
volgd. Hierbij is mij opgevallen, dat er honderden kilo\'s calciumoxyde en calcium-
hydroxyde zijn verwerkt.

Wat was dc bedoeling van de deponering hiervan op de kadavers?

Wilde men desinfcctic van het uitwendige der kadavers bewerken of wilde men zo

veel mogelijk het kooldioxyde, dat een gedeelte van het gas is, binden?

Antwoord:

van de heer N. F. Werkman:
De bedoeling hiervan was:

1. Deze kadavers zo snel mogelijk in een stadium van ontbinding te brengen, door
middel van een zo groot mogelijke warmteontwikkeling;

2. Dcsinfecdc.

Antwoord:

van de heer D. J. Vervoorn:

Door gebruik tc maken van de ongebluste kalk, bewerkte men een watcronttrckking
aan de kadavers. Door dc grote warmteontwikkeling, veroorzaakt door dit proces,
wordt de sterilisatie en de ontbinding bevorderd. De indruk, dat deze kalk een .goed
middel was, werd bevestigd aan de hand van waarnemingen, die wij deden bij het
openen van kuilen, enige da.gen nadat dc varkens waren begraven.

Vraag:

van Prof. A. vanderSchaaf:

Ik vraag mij af, of dit juist is, omdat de kraters toch bewezen hebben, dat er een
enorme bacterie-vermeerdering plaatsvond.

-ocr page 836-

Antwoord:

van de heer D. J. Vervoorn:

Deze kraters ontstonden door de gas-ontwikkeling in de kadavers, waardoor deze
opensprongen en de daarbij vrijkomende gassen zich een weg baanden naar de opper-
vlakte, daarbij de inhoud der kadavers met zich mede nemende. Ik ben de mening
toegedaan, dat wij deze kratervorming hadden kunnen voorkomen door de kadavers
te openen, alvorens zij overdekt werden met ongebluste kalk. Deze ervaring heeft
men nl. opgedaan bij de laatste grote mond- en klauw^eer-uitbraak in Mexico, waar-
bij ook zeer vele dieren begraven moesten worden.

Vraag:

van de heer G. v. d. Kief t (Nuland), naar aanleiding van de voordracht van de
heer Werkman:

In Uw lezing noemde U steeds de ontsmetting met 2% natronloog.
In de Veewet is bij virusinfecties als varkenspest en mond- en klauwzeer ontsmetting
met 2% natronloog voorgeschreven. U weet natuurlijk, dat deze ontsmetting in de
praktijk diverse bezwaren oplevert, vooral omdat natronloog materiaal, metalen, e.d.
aantast. Ik heb vernomen, dat er van bepaalde zijde andere ontsmettingsmiddelen
naar voren zijn gebracht, die waarschijnlijk wel de voor- maar niet de nadelen van
NaOH zouden hebben. Ik meen zelfs dat de A.I.D. wel eens proces-verbaal heeft
opgemaakt, of dreigde op te maken, omdat er geen NaOH gebruikt was.

Antwoord:

Er zijn inderdaad tijdens de mond- en klauwzecrcampagne verscheidene desinfectie-
middelen naar voren gekomen. Wij hebben deze suggesties steeds besproken met de
wetenschappelijke staf en wij zijn hierbij tot de conchisie gekomen, dat tot dusverre
NaOH nog het beste desinfectans voor het mond- en klauw^eervirus is.
Dit is dus de reden, waarom wij
bewust NaOH hebben gekozen. U begrijpt natuurlijk
wel, dat we in een dergelijke campagne niet van ontsmettingsvloeistof kunnen ver-
wisselen, tenzij deze veel beter blijkt te zijn. Inderdaad zijn er wel bezwaren tegen
natronloog naar voren gekomen, maar wij hebben steeds geëist, dat een 2% natron-
loogoplossing werd gebruikt, ook al omdat wij bemerkten dat men, wanneer men
hiertoe de kans had, deze oplossing toch wel iets ging verdunnen.

-ocr page 837-

Enkele korte mededelingen over rabies.

Some short notes about rabies.

door H. H. SCHOLTENi)

Met veel genoegen maak ik van de gelegenheid gebruik om hier enkele
korte mededelingen te doen over een vermoedelijk geval van rabies in Am-
sterdam.

Zoals U allen natuurlijk in de dagbladen hebt kunnen lezen, is in Amster-
dam op 26 juli 1962 een 3-jarig jongetje door een op straat lopend hondje
gebeten. Deze jongen is ongeveer 5 september d.a.v. ernstig ziek geworden
en is op 8 september overleden. Voor de behandelende buisarts kunnen
we, geloof ik, de grootste bewondering hebben. Deze combineerde name-
lijk de verschijnselen, die zich de laatste 3 dagen voor het overlijden bij zijn
patiënt voordeden, met het feit, dat de jongen 5 weken tevoren was gebeten
door een hond en opperde dientengevolge de veronderstelling, dat er hier
misschien sprake zou kunnen zijn van rabies. Het jongetje had in die 3
dagen een bijzonder sterke afkeer van water: wanneer hij een bakje of glas,
gevuld met water, zag begon hij al heftig te schreeuwen. Eén dezer dagen
beet bij ook zijn broertje.

Er is sectie verricht en in het hersenmateriaal werden geen Negrische li-
chaampjes gevonden. Met de hersensubstantie van dit jongetje zijn muizen
ingespoten, met het resultaat dat deze muizen na kortere of langere tijd
stierven. In de hersenen van deze muizen werden corporaties gevonden,
die — volgens voorlopig bericht — niet waren te onderscheiden van Negri-
licbaampjes.

Voortgezette proeven gaven sterkere aanwijzingen voor het bestaan van
rabies, doch aangezien wij hier in ons land geen rabies kenden, stond men er
eerst een beetje afwijzend tegenover.

Het merkwaardige was wel, dat vanaf 27 juli tot 14 dagen geleden door de
dierenartsen, noch door de medici een vermoedelijk geval van rabies is ge-
constateerd, maar gisteren ontving ik van het Rijks Insdtuut voor de Volks-
gezondheid te Utrecht de mededeling dat dit geval op het ogenblik als po-
sitief kan worden aangemerkt.

Veertien dagen geleden, toen de aanwijzingen al in deze richting gingen,
zijn van onze kant pogingen in bet werk gesteld om het bewuste hondje te
vinden dat Arie Egthuizen gebeten had. De enige aanwijzing, die wij kre-
gen, was dat het hier ging om een klein, wit hondje met een touwtje om
zijn nek; anderen spraken over een klein, wit hondje met een halsbandje om.
Dit waren de enige gegevens, waarover wij beschikten. Thans is wel ge-
bleken, dat het gele halsbandje en het touwtje toch wel gecombineerd kon-
den worden, want een dame, die door het hondje is gebeten, zei: „Ja, het
was een klein, wit hondje met een halsbandje met een stukje touw eraan".
Dus dit klopt. Dit hondje blijkt — zoals U allen weet — plotseling in het
centrum van Amsterdam opgedoken te zijn en een achttal mensen te heb-
ben gebeten.

Dr. H. H. Scholten, Inspecteur van de Volksgezondheid, tevens Inspecteur van de
Veeartsenijkundige Dienst, District Noord-Holland, Anna van Burenlaan 65,
Haarlem.

-ocr page 838-

Op een gegeven ogenblik was dat hondje echter weer \\erdwenen, d.w.z.
\'s ochtends om 10.30 uur beet hij dat jongetje, daarna hebben wij er niets
meer van gehoord. Maar de \\olgende morgen om 7 uur dook dat diertje
weer op in de Mamixstraat en daar is het in het politie-bureau ingesloten.
Enkele uren later is het daar weggehaald door de auto \\ an het asyl en een
uur daarna was bet reeds \\ ergast.

Wij hebben natuurlijk, direct nadat deze feiten bekend waren geworden,
de Amsterdamse collegae een circulaire gestuurd, met het verzoek op te
geven, of hen in het tijdvak van 27 juli tot de datum van de circulaire ook
gevallen bekend waren, die hen nu aanleiding zouden kunnen geven om te
zeggen: „Ja, ik heb in die periode patiënten gehad, die verdachte verschijn-
selen hebben vertoond". Dit is echter niet zo eenvoudig als het lijkt: er
komen natuurlijk regelmatig honden bij de dierenarts op het spreekuur met
encefalitische verschijnselen, die als regel een gevolg zijn van een secun-
daire infectie in het verloop van hondeziekte. Bovendien zijn er natuurlijk
ook dentallen andere bonden met encefalitische verschijnselen afgemaakt.
Wij hebben getracht de gegevens, die wij als antwoord op bedoelde circu-
laire binnenkregen, na te gaan, maar we hebben nergens een positief aan-
knopingspunt kunnen vinden.

Dit feit was voor mij dan ook aanleiding nog niet direct de Veewet van
toepassing te verklaren, want er was nog geen enkel geval van rabies met
zekerheid geconstateerd. ^Vat het geval van de 3-jarige jongen betreft, was
het tot eergisteren nog slechts een vermoeden, zij het clan een zeer sterk ver-
moeden. Er waren ook geen aangiften, die ons aanleiding gaven te besluiten:
„Deze hond moeten wij in cjuarantaine of in observatie nemen".
Alleen heb ik wel gemeend aan het Gemeentebestuur van Amsterdam te
moeten adviseren gebruik te maken \\ an hun algemene politicverordening.
Hierin komt nl. een artikel voor, dat luidt, dat het verboden is in een door
B. en W. vast te stellen tijd honden los te laten lopen, wanneer zij niet van
een muilkorf zijn voorzien. Bedoelde termijn loopt van \'s nachts 1 uur tot
\'s ochtends 6 uur. Dit heeft dus altijd al gegolden. Ik heb naar aanleiding
van het voorgaande voorgesteld dat B. en W. hun besluit zouden wijzigen
en de termijn van 1-6 mn- zouden vervangen door dc volle 24 uiu-; zidks
gedurende een bepaalde j)eriode. Dit houdt dus in, dat er gedurende het
gehele etmaal in Amsterdam geen enkele hond mag loslopen, tenzij hij van
een muilkorf is voorzien, ^^\'anneer de hond echter is aangelijnd, loopt hij
niet los: deze maatregel komt dus neer op een aanlijngebod voor honden
in Amsterdam.

Deze maatregel heeft ten doel, op deze wijze althans te bereiken, dat er zo
weinig mogelijk honden zouden loslopen en dat cr dus zo weinig mogelijk
beten zouden kunnen worden intgedeeld. Wanneer er toch iemand gebeten
zou worden, dan zouden wij tenminste weten, welke hond gebeten heeft,
omdat hij aangelijnd is en de eigenaar dus bekend is. Dit is daarom zo be-
langrijk, omdat er tot nu toe herhaaldelijk berichten binnenkwamen: „Er
is iemand gebeten, maar de eigenaar \\ an de hond is niet bekend".

Nu heb ik eergistera\\ ond van een collega een aangifte gekregen betreffende
een hondje, dat op het s]3reekuur kwam en dat bijzonder agressief was. Het
ti-achtte alle honden in de wachtkamer te bijten en eveneens mijn collega.
Het is tenslotte gelukt dit dier een kalmerende injectie te geven en daarna is
het weer naar huis gegaan. Een uur later hebben wij dat dier laten ophalen

-ocr page 839-

en het zit momenteel in observatie op één der politiebureau\'s in Amsterdam.
Ik heb het dier gisteren gezien en dit diertje blijft verdacht, want volgens
de behandelende politieman heeft het vandaag nog niet gestaan en boven-
dien had het dier ook een afhangend ooglid en een zeer starende, verwezen
blik. Nadere bijzonderheden over dit geval zijn mij nog niet bekend.

Gisteravond kreeg ik van een andere collega de mededeling, dat hij bij een
kat geroepen was, die op 2 oktober door een onbekende hond of kat ge-
beten was. Die kat is aanvankelijk voor deze wond op de normale wijze
behandeld. Op 15 oktober werd zij echter plotseling zeer agressief en heeft
alle leden van het huisgezin gebeten. Men heeft dit dier toen in de kelder
gestopt, waar het op het ogenblik nog verblijft. Deze kat, die gisteravond een
afhangend bekje en atactische gangen \\ ertoonde, lijkt mij wel een zeer ver-
dacht geval. Ik wacht nu eigenlijk op het overlijden van dit dier, zodat er
sectie verricht kan worden en er een onderzoek ingesteld kan worden.

Gistermiddag ben ik samen met collega Seijffers, die uit zijn Indische jaren
een zeer grote ervaring op het gebied van rabies heeft, bij een hond geweest,
die door het bewuste witte hondje was gebeten. Deze hond was gebeten in
zijn achterhand en aan zijn hals, maar er was hier volgens de eigenaresse
slechts sprake van zeer oppervlakkige wondjes, die zij zelf had behandeld
en die in een paar dagen waren genezen. Deze hond hebben wij samen ge-
observeerd en wij hebben geruime tijd getracht één van de ons, althans uit
de literatuur, bekende verschijnselen bij hem vast te stellen, maar dit is niet
gelukt. Wél is deze hond op verzoek van de Directeur van de afd. Volks-
gezondheid van de G.G.G.D. te Amsterdam nog gisteren afgemaakt en van-
ochtend is hij naar Rotterdam overgebracht voor onderzoek.
Ik kreeg echter in de loop van de ochtend reeds de mededeling van collega
Velthoen: „Wat moet ik met dit dier doen? Deze hond heeft geen ver-
schijn.selen van rabies vertoond; ik ben dus bang, dat ik geen spoor van
rabies zal kunnen vinden". Voor dit laatste ben ik zelf ook een beetje bang,
maar ik hoo]) toch, dat het resultaat van het onderzoek ons een aanknopings-
pimt zal kimnen verschaffen.

Mijnheer de Discussieleider, het bovenstaande is eigenlijk bet enige, dat ik
hier kan mededelen, maar ik zou nog wel graag van deze gelegenheid ge-
bruik willen maken collega S e ij f f e r s, die mij gisteren een fotocopie
heeft gegeven van een artikel — naar mijn mening bijzonder kort, zakelijk
en instructief—, dat hij in 1947 in één van de Nederlands Indische Bladen
voor Diergeneeskunde heeft gepubliceerd, te vragen of dit artikel, gezien
de huidige situatie, niet nogmaals gepubliceerd mag worden in het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde.

De discu-ssieleider, de heer N. F. W e r k m a n, dankt Dr. Scholten voor zijn
mededelingen en draagt de laatste vraag betreffende het artikel van collega
Seijffers over aan de Redactie van het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde1).

-ocr page 840-

Toespraak bij de Vijfde Voorlichtingsdag van de
Veearfsenijkundige Dienst.

door M. KARSEMEIJERi)

Dames en Heren,

Ik wil het zeer kort maken.

Wij hebben nu de 5e Voorlichtingsdag van de Veeartsenijkundige Dienst
achter de rug en voordat ik U de dank ga brengen van alle dierenartsen,
wil ik gaarne namens de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde
onze deelneming betuigen met de ziekte van de Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst. Gaarne spreek ik de hoop uit, dat de heer Van den Born
binnenkort weer in zijn gezin mag terugkeren en dat hij spoedig weer in
staat zal zijn, volledig hersteld, zijn werkzaamheden te hervatten.
In de tweede plaats moet mij de volgende opmerking van het hart. Er is
wel enige kritiek uitgeoefend op het feit, dat de Voorlichtingsdag van de
Veeartsenijkundige Dienst zo kort gekoppeld was aan de huishoudelijke ver-
gadering van de Maatschappij. Doch U weet allen, dames en heren, dat het
Bestuur van de Maatschappij besloten heeft dit jaar geen wetenschappelijke
vergadering te houden. Ik meen, dat deze taak thans door de Veeartsenij-
kundige Dienst is overgenomen, waardoor U tóch geconfronteerd bent met
problemen en vraagstukken, die in hoge mate onze belangstelling hebben.
Dit is naar mijn gevoel een bijzonder geslaagde dag geweest met korte
voordrachten, waarbij diverse onderwerpen zijn behandeld, die ons ten
zeerste interesseren.

Ik wil dan ook uit aller naam de Directeur en de adjunct-Directeur van
de Veeartsenijkundige Dienst, de discussieleider, alsmede alle Inspecteurs,
onze hulde betuigen voor het organiseren van deze dag.

SAMENVATTING.

De Voorzitter van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde dankt de
Directie van de Veeartsenijkundige Dienst voor de organisatie van deze voorlich-
tingsdag. Hij spreekt de hoop uit, dat dc Directeur van de Veeartsenijkundige
Dienst, de heer J. M. van den Born, binnenkort volledig van zijn ziekte zal zijn
hersteld.

SUMMARY.

The President of the Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde (Royal Nether-
lands Veterinary Association) thanks the Direction of the Veterinary Service for
having organised this Information Day. He expresses the hope that the Director of
the Veterinary Service, Mr. J. M. van den Born, will soon have recovered completely
from his illness.

RÉSUMÉ.

Le President de la Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde (Société
Royale de Médecine Vétérinaire Néerlandaise) remercie la Direction du Service
Vétérinaire d\'avoir organisé cette Journée d\'Information. Il se fait porte-parole de
l\'espérance que sous peu le Directeur du Service Vétérinaire M. J. M. van den Bom,
se rétablira complètement de sa maladie.

-ocr page 841-

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Vorsitzende der Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde (Köningliche
Niederländische Veterinärmedizinische Gesellschaft) dankt der Direktion des Vete-
rinärdienstes für die Organisation dieser Tagung. Er spricht die Hoffnung aus, dass
der Direktor des Veterinärdienstes, Herr J. M. van den Born, in Kürze wieder voll-
ständig von seiner Krankheit hergestellt sein wird.

Sluitingswoord.

door W. WAGENVOORTi)

Het tijdschema is reeds overschreden, daarom zal ik kort zijn in mijn
afscheidswoord.

Ik wil U in de eerste plaats allen hartelijk dank zeggen voor Uw getoonde
belangstelHng op deze dag en voor de wijze waarop hier de voordrachten
zijn gehouden. Dit betreft dus alle aanwezigen, de vragenstellers en de
inleiders, die op deze dag verschillende aktuele onderwerpen hebben be-
handeld.

Toen wij 5 jaar geleden begonnen met onze eerste Voorlichtingsdag,
meenden wij, dat deze goed geslaagd was, maar achteraf zeiden wij tegen
elkaar: „Waar zijn wij eigenlijk aan begonnen?", want als wij ieder jaar
iets nieuws willen brengen, moeten er interessante onderwerpen zijn. Ik
geloof echter, dat wij voorlopig wel vooruit kunnen. Wij hebben bij-
voorbeeld zojuist van Dr. Scholten een en ander over een vermoedelijk
geval van rabies gehoord, welke ziekte misschien het volgend jaar in
Nederland zal zijn. Bovendien zullen er over een jaar wel weer andere
ziekten zijn. In dit verband wijs ik U op de stormachtige ontwikkeling
van de E.E.G. met betrekking tot de in-, uit- en doorvoer van levend vee,
zodat het zeer goed denkbaar is, dat wij hierdoor in de zeer nabije toe-
komst geconfronteerd worden met ziekten, die wij tot op heden nog niet
kenden.

Het is dan ook onze bedoeling het volgend jaar weer een Voorlichtings-
dag te houden. Ik moge U wèl verzoeken, indien er Uwerzijds suggesties
voor te behandelen onderwerpen zijn, deze aan ons kenbaar te maken.
Verder wil ik dank brengen aan de discussieleider, collega Werkman.
Collega Werkman, ik geloof, dat wij het er allen over eens zijn, dat U
zich laijzonder goed gekweten heeft van Uw taak als discussieleider.
Hartelijk dank!

De afdeling Voorlichting van het Ministerie van Landbouw en Visserij
heeft wederom meegewerkt aan de technische verzorging van deze dag.
Hartelijk dank voor deze medewerking!

Collega Karsemeijer, voor Uw waarderende woorden, speciaal voor de
door U uitgesproken wens, dat de heer Van den Bom weer spoedig in ons
midden moge zijn en dat hij volgend jaar weer aanwezig zal zijn op de
Voorlichtingsdag van de Veeartsenijkundige Dienst, zeg ik U ook mijn
hartelijke dank.

-ocr page 842-

Dr. Scholten, U dank ik ook bijzonder voor Uw mededelingen over het
vermoedelijke geval van rabies in .Amsterdam. Wij zullen hopen, dat het
nog met een sisser zal aflopen. Er wordt veel alarm in de pers en voor de
radio geslagen, maar wij veterinairen zijn nogal kalm. \\Vij zeggen in zo\'n
geval dan ook: „Laten wij het eerst maar eens aanzien en de zaak van
dag tot dag volgen". Wat het onderzoek van het dier, dat U zoeven ge-
noemd hebt, betreft: de uitslag hiervan zal belangrijk zijn voor de beslis-
smgen, die op korte termijn genomen moeten worden. Wij zullen ons hier-
op met spoed moeten beraden.

Verder wil ik nog dank brengen aan alle dierenartsen, die bij de recente
mond- en klauwzeerepidemie betrokken zijn geweest. Ik kan U niet anders
zeggen, dan dat wij bijzonder dankbaar zijn \\oor Uw daadwerkelijke
medewerking. Een ambtelijk apparaat kan nu eenmaal niet werken zon-
der mensen uit de praktijk; ik geloof echter, dat de mensen uit de prak-
tijk het nog wel zouden kunnen stellen zonder een ambtelijk apparaat,
maar toch hebben wij elkaar nodig.

Ik hoop dan ook dat wij, mocht er — hetgeen ik niet hoop — in de toe-
komst weer een dergelijke mond- en klauwzeerepidemie uitbreken, weer
op Uw steun mogen rekenen. Voor Uw hulp nog hartelijk dank!
Voorts kan ik U nog mededelen, dat de film over varkensziekten, die U
hedenmorgen is vertoond, desgewenst te Uwer beschikking staat.
Degenen, die deze film willen \\ertonen voor verenigingen of voor onder-
wijs, kimnen hiervoor een aanvrage indienen.

Ik moge dan nu besluiten met U een goede reis naar huis toe te wensen
en U allen nogmaals te danken voor Uw aanwezigheid.

SAMENV.A,TTING.

De heer Wageiivoort dankt alle aanwezigen voor hun belangstelling en de inleiders
voor de wijze waarop de voordrachten zijn gehouden.

Ook zegt hij dank aan alle dierenartsen, die bij de recente mond- en klauwzeerepi-
demie betrokken zijn geweest, voor hun daadwerkelijke medewerking.

SUMMARY.

Mr. Wa.genvoort thanks all those present for attending and the speakers for the man-
ner in which the papers were read.

He also thanks all veterinarians, who were concerned in the control of the recent
outbreak of foot-and-mouth disease for their active co-operation.

RÉSUMÉ.

M. Wagenvoort remercie toutes les personnes présentes de l\'intérêt dont elles ont bien
voulu témoigner, et les conférenciers de la façon dont ils ont fait leurs conférences.
En même temps il remercie tous les vétérinaires qui ont participé à la lutte contre
l\'épizootie récente de la fièvre aphteuse, dc leur collaboration effective.

ZUSAMMENFASSUNG.

Herr Wagenvoort dankt allen Zuhörern für ihr Interesse und allen Referenten für
die interessante .Art und Weise ihrer Vorträge.

Auch richtete er ein Dankwort an alle Tierärzte, die bei der rezenten Maul- und
Klauenseuche tatkräftige Mitarbeit .geleistet haben.

-ocr page 843-

Inleiding ............5

J. M. van den Born, De dierenarts in de samenleving. . 7

ƒ/. S. Frenkel, De dierenarts in het onderwijs en het
onderzoek............] j

J. Kranenburg en E. Rutgers, De dierenarts in de grote-
huisdieren praktijk
...............18

H. van Vuuren en P. van Schaïk, De dierenarts in het leger 25

27

33
42
47

53
62

66

//. L. L. van Werven, De dierenarts in de kleine-huisdieren
praktijk . ...........

]. II. ]. van Gils, De dierenarts en de voedingsmiddelen
voorziening...........

\'l\'h. de Groot. De dierenarts en de zootechniek .

.4. van Keulen. Dierenarts en Volksgezondheid .

D. M. Zuijdam, P. Sjollema en A. A. Oskam, De dieren
arts en de georganiseerde dierziektenbestrijding .

]. H. G. Wilson. De dierenarts in de industrie

INHOUD

L. S. B. G. II. Harmsen en P. Hoekstra, De Nederlandse
dierenarts buiten de grenzen.......

R. van Santen, Honderd jaar Maatschappij voor Dierge-
neeskunde
............72

-ocr page 844- -ocr page 845-

MEDEDELING VAN DE REDACTIE.

Door een ongelukkige coïncidentie is in de inhoudsopgave van
het eerste herdenkingsnummer van het Tijdschrift, uitgegeven
ter gelegenheid van het WO-jarig bestaan onzer Maatschappij
per abuis één der artikelen uitgevallen.

De Redactie biedt hiervoor zowel de schrijvers daarvan als de
lezers van het tijdschrift haar verontschuldiging aan, hieraan een
volledige inhoudsopgave toevoegend, welke men naar verkiezing
in het herdenkingsnummer kan inleggen of aanbrengen.

-ocr page 846- -ocr page 847-

TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE

Eerste herdenkingsnummer

uitgegeven ter gelegeniieid van het

100-jarig bestaan

der

MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

\'QcAl.

27 augustus 1962

-ocr page 848-

Redactie: Prof. Dr. P. HOEKSTRA, Voorzitter.

Prof, Dr. J. H. J. VAN GILS, Penningmeester

Leden: Dr, P, H, W, TACKEN

Dr, E, H. KAMPELMACHER

H. L. L. VAN WERVEN

Dr. W. A. DE HAAN, ambtelijk Secretaris

L. S. B. G. H. HARMSEN, Redacteur-dierenarts.

Aan de uitgave van dit herdenkingsnummer hebben mede
bijgedragen:

De Nationale Coöperatieve Aan- en Verkoopvereniging
voor de Landbouw „Centraal Bureau" g.a., Rotterdam.

C.LV. Coöperatieve Centrale Landbouw In- en Verkoop-
vereniging G.A., Rotterdam.

Stichting C.L.O.-Contróle te Hoogland.

Stichting Instituut voor Moderne Veevoeding „dc Schot-
horst" te Hoogland.

Stichting voor onderzoek van pluimvee en varkens, .Amers-
foort.

-ocr page 849-

Inleiding ............5

J. M. van den Born, De dierenarts in de samenleving. , 1

II. S. Frenkel, De dierenarts in het onderwijs en het
onderzoek............11

//. van Vuuren en P. van Schaik, De dierenarts in het leger 25

ƒ/. L. L. van Werven, De dierenarts in de kleine-huisdieren
praktijk . ,
...........27

J. H. J. van Gils, De dierenarts en de voedingsmiddelen-
voorziening
............33

Th. de Groot, De dierenarts en de zootechniek .... 42

A. van Keulen, Dierenarts en Volksgezondheid .... 47

D. M. Zuijdam, P. Sjollema en A. A. Oskam, De dieren-
arts en de georganiseerde dierziektenbestrijding
... 53

]. H. G. Wilson. De dierenarts in de industrie .... 62

S. B. G. H. Harmsen en P. Hoekstra, De Nederlandse
dierenarts buiten de grenzen
........66

R. van Santen, Honderd jaar Maatschappij voor Dierge-
neeskunde
 ...........72

INHOUD

-ocr page 850- -ocr page 851-

Utrecht, 27 augustus 1962

Aan de lezers.

Hedenavond is het juist honderd jaar geleden, dat in het
Gebouw van Kunsten en Wetenschappen te Utrecht door 18 dieren-
artsen de „Maatschappij tol bevordering der Veeartsenijkunde in
Nederland" werd opgericht. Een gedenkwaardig feit, ter herinnering
waarvan de Maatschappij van 12 tot en met 15 september vol
luister haar Eeuwfeest gaat vieren.

De diergeneeskunde heeft in de loop van die eeuw een groei
gekend, in diepte zowel als in omvang, welke indrukwekkend ge-
noemd mag worden. Dierenartsen hebben dit lot stand gebracht,
door hun wetenschappelijke kennis, hun organisatorisch vermogen,
hun grote werkkracht.

Dit Eeuwfeestnummer van het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde heeft de intentie een beeld te geven van de kaders waarin
de dierenarts van nu leeft. U leest over de vele aspecten die het
beroep thans heeft. Het is opgezet en geschreven als een eerbewijs
aan hen die deze indrukwekkende groei bewerkt hebben. Het his-
torisch aspect is derhalve welbewust aanwezig, maar heeft vele
schrijvers niet belet ook een blik in de toekomst te slaan.

Er is niet gestreefd naar volledigheid, wel naar vlotte lees-
baarheid, opdat het ook daarin een beeld van de tegenwoordige
tijd geacht kan worden.

Tegelijkertijd bevat dit Eeuwfeestnummer een uit de archie-
ven en notulen verzamelde geschiedenis van de Maatschappij, waar-
in wél naar volledigheid is gestreefd, naar historiciteit eerder dan naar
leesbaarheid. Boeiende lectuur, voor wie er smaak in heeft; leer-
zame, voor wie van de Maatschappij nadere studie wil maken. Een
uitgangspunt ook voor de geschiedschrijving van de toekomst.

Alle auteurs mogen verzekerd zijn van onze oprechte dank
en van die van de lezers.

De Redactie van het Tijdschrift
Het Eeuwfeestcomité

-ocr page 852- -ocr page 853-

De dierenarts in de samenleving.

door J. M. VAN DEN BORN i)

Ter inleiding.

Met bijzonder veel genoegen maak ik gebruik van de gelegenheid, mij
door dc Redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde geschonken,
voor een inleidend woord tot de hierna volgende artikelen. Daarbij zal
ik aandacht schenken aan de plaats van de Nederlandse dierenarts in
de samenleving.

De lütslag van een enquête, door de regering gehouden over dit onderwerp,
geeft ons een interessante indruk uit de vorige eeuw.

Zoals bekend kan van een Nederlandse dierenarts pas worden gesproken
wanneer in 1826 de in 1821 geopende Rijksveeartsenijschool te Utrecht
aan haar eerste leerlingen het diploma van „veearts" uitreikt.
Deze mensen hebben het in de eerste 50 jaren van het bestaan van htm
beroep zeer moeilijk gehad. Hun opleiding was te theoretisch en ze kon-
den de concurrentie met de „empiristen" niet volhouden. Het gevolg hier-
van was, dat er bij de regering werd aangedrongen op een ver bod tot
uitoefening van de veeartsenijkundige praktijk door empirici.
De regering reageerde hierop door bij circulaire van 2 december 1845,
nr. 95, 9de afdeling aan de Gouverneurs der provinciën een aantal vragen
te stellen omtrent de uitoefening der veeartsenijkunde in him ambtsge-
bied. De Gouverneurs vroegen op hun beurt de mening van de biu\\ge-
meesters der verschillende gemeenten en van andere instanties als b.v.
in Friesland de Commissie voor de Landbouw. De binnengekomen ant-
woorden werden door de betreffende Minister in handen gesteld van
Prof. A. Numan, directeiu" van \'s Rijks veeartsenijschool. Op 27 mei
1847 geeft Numan in een bijna 200 bladzijden eigenhandig geschreven
rapport een samenvatting van deze antwoorden en brengt zijn advies
uit aan de Minister.

Voor een goed begrip van de loop der ontwikkeling, die hel beroep van
dierenarts in Nederland beeft genomen, is dit rapport van meer dan ge-
wone betekenis, reden waarom enige aanhalingen uit dit - - in het archief
van de Veeartsenijkundige Dienst aanwezige werkstuk — hier mijns in-
ziens op hun plaats zijn.

ïlet advies van Numan luidt dan als volgt:

„Na al het aangevoerde, in verband tot de verschillende gezichts-
punten, waaruit de onderwerpelijke zaak is opgevat, rnoet ik mij het
gereedelijkst vereenigen met de beschouwing, door sommige Provin-
ciën geopperd, om namelijk de zaak vooreerst in haar geheel te laten
op den voet zooals zij thans bestaat, onder de bepaling, dat voortaan
geen nieuwe empirische veeartsen worden toegelaten"?)

\' ) J. M. van den Born, Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst tevens Hoofd-
inspecteur van de Volksgezondheid, le van den Boschstraat 4, \'s-Gravenhagc.
2) Met andere woorden: géén verbod voor empirici om de veeartsenijkundige praktijk
uit te oefenen (v. d. B.)

-ocr page 854-

De geraadpleegde vertegenwoordigers van de Nederlandse samenleving
waren blijkens de ingekomen bescboiiwingen van mening, dat de empirici
(nog) niet konden worden gemist. Onder bet boofd „Algemeene aan-
merkingen" (t.w. op de antwoorden en aanmerkingen der verscbillende
burgemeesters, Ref.) vinden wij bet volgende vermeld:

„De redenen, welke voor het aanhouden der onbevoegde Veeartsen
worden aangevoerd zijn in het algemeen de navolgende:
I. Dat zij gezegd worden bekwaam te zijn, hebbende door ondervin-
ding zoo vele kunde omtrent de veeziekten opgedaan, dat zij de
goedkeuring der Ingezetenen ruimschoots wegdragen".

8. Volgens de opmerking van enkele Besturen gaan de Veeartsen
van \'s Rijks Veeartsenijschool meer theoretisch dan practisch te
werk, hetwelk eene reden is, dat zij de niet erkende Veeartsen
niet zullen weren, zolang zij niet méér met het practisch gedeelte
bekend zijn of daarvoor gehouden worden".

Overigens worden ook böge rekeningen van en bet tekort aan erkende
veeartsen als motieven naar voren gebracht.

In bet ook om andere redenen merkwaardige rajiport van de „Gouver-
neur van Vriesland" werden de (erkende) veeartsen „op de korrel" ge-
nomen:

„De eerste Veeartsen verschenen. Waren het de kinderen des Lands,
verwelkomd, en met open armen ontvangen door hunne dorps-Ge-
meenten?

Hunne kleeding weersprak zulks, hunne taal loochende het, hunne
manieren volmaakten het geheel. Men zag niet den Veterinair, maar
den zoo pas te Leiden of te Utrecht gepromoveerden Geneesheer,
dat waren de eerste grieven", (enz.)

N u rn a n venneldt uit het rapport van de Friese Gouverneur, dat overigens
ook scherpe critiek uitoefende op zijn beleid als directeur van \'s Rijks Vec-
artseiujschool, verder het volgende:

„De Veearts, die voor een Emjnricus wordt achtergesteld, kan, vol-
gens het inzien van de Heer Staatsraad Gouverneur, door geen on-
derdrukkende middelen geholpen worden. Hij moet zich zeiven in-
gang weten te verschaffen, en zich door het vertrouwen der Ingezete-
nen boven zijnen tegenstander verheffen".

De geringe waardering, die men over het algemeen voor de bestaande
ojilciding voor veearts aan de Rijksveeartsenijschool had, vormde mede de
aanleiding voor T b o r b e c k e om in 1851 hardhandig in deze opleiding
in te grijpen. Numan vroeg en verkreeg zijn ontslag. Er verschenen nu
ervaren practici als leraren aan de school. Resultaten bleven niet uit, zo-
dat in 1865 de Minister in de Kamer constateerde, dat de Veeartsenij-
school meer en meer gewaardeerd werd en dat het vertrouwen in de
school toenam.

De regering liet het niet bij woorden. Bij de in 1870 tot stand gekomen
„Wet tot regeling van het Veeartsenijkundig Staatstoezicht en de Vee-
artsenijkundige Politie" werd nl. het Veeartsenijkundig Staatstoezicht door

-ocr page 855-

dc Minister van Binnenlandse Zaken opgedragen aan districtsveeartsen,
welke door de Koning werden benoemd uit een voordracht van personen,
die de akte van bevoegdheid als veearts van Rijkswege verkregen hadden,
hetgeen mag worden gezien als een eerste officieel blijk van waardering
voor de kunde en het werk van de toenmalige veeartsen. Er zouden, zoals
bekend, nog meerdere volgen.

Wanneer wij ons nu eens afvragen boe de veearts \\ an 100 jaar geleden
er qua opleiding, taak en plaats in de samenleving voor stond en verge-
lijken wij die met dezelfde omstandigheden van de tegenwoordige dieren-
arts in de hedendaagse maatschappij, dan kunnen wij zeggen, dat een
eeuw geleden bij de opleiding de waarde van de praktische vorming
terdege werd beseft en dat dientengevolge de veeartsen in steeds betere
mate hun curatieve taak en die van de gezondheidsbescherming van de
huisdieren konden verrichten.

Hun werk werd meer en meer op prijs gesteld en dientengevolge steeg
hun maatschappelijk aanzien, al stond dit verre ten achter bij "dat van
beroepen, waarvoor toentertijd reeds een academische opleiding vereist
werd.

Kenmerkend is mijns inziens, dat nu — een eeuw later — de sinds 1918
academische opleiding de vergelijking met elke andere universitaire op-
leiding kan doorstaan, dat het maatschappelijke aanzien van het beroc])
\\an dierenarts eveneens in geen enkel opzicht achterstaat bij dat \\an
andere vergelijkbare beroepen en vooral, clat het arbeidsveld van de die-
renarts zich zo geweldig heeft uitgebreid.

De artikelen in dit Tijdschrift s])reken in dit opzicht duidelijke taal.
Zou men het verschil in arbeidsveld nog willen accentueren, dan kan men
zeggen dat dc taak van de Nederlandse veearts van 1862 in hoofdzaak
zich beperkte tot het doen herstellen en het beschermen van de gezond-
heid van onze grote huisdieren, terwijl de taak van de dierenarts van
1962 zou kunnen worden omschreven als die van de bevordering van de
gezondheidstoestand der dieren in dc ruimste zin van bet woord, herstel
en bescherming daaronder bcgrei)en, alsmede van de bescherming van
dc gezondheid van de mens voor zover althans deze taak op veterinair
terrein is gelegen.

Dc rol van dc dierenarts in dc agrarische produktie weid steeds belang-
rijker. In dit verband springt zijn waarde op het terrein van de preven-
tieve diergeneeskunde, de kimstmatige inseminatie, de zootechniek en de
veevoeding in het oog.

Op het terrein van de Volksgezondheid deden de voor ons zo belangrijke
vleeskeuring, destructie, pluimveckeuring, radioacdviteitsproblemen hun
intrede en werd de kennis der zoönosen verrijkt, waarmede een enorm
probleem aan diergeneeskundige zorg werd loegcvoegd.
De hormonen en antibiotica in veevoeder \\ragen de aandacht uit een
oogpunt van gezondheidsbescherming van dc mens.

De specialist voor kleine htnsdieren \\-ergroot door de uitoefening van zijn
beroep de levensvreugde van dierenbezitters.

Het is duidelijk dat deze brede ontwikkeling \\an de diergeneeskunde
slechts mogelijk is geweest, dank zij het voortreffelijke werk van vele
collegae bij het onderwijs, bij het onderzoek, bij de organisatie en bij de
uitvoering der diergeneeskunde.

-ocr page 856-

En het strekt de Maatschappij voor Diergeneeskunde tot eer dat zij hierin
steeds een stimulerende en bindende taak heeft vervuld.
Haar leden vervullen nu in vele sectoren van de maatschappij hun op-
dracht en in het algemeen worden deze collegae op de plaatsen waar zij
optreden zeer gewaardeerd.

Een en ander stemt nu, in 1962, tot grote voldoening.

Er is echter nog veel te doen.

De wereld waarin wij leven verandert snel.

Technische vindingen zullen de dierlijke produktie, de bewerking en ver-
werking daarvan en de distributie verder wijzigen. Daarbij verwijdt ons
perspectief in de wereld zich meer en meer. ije daarmede gepaard gaande
veterinaire problemen zullen steeds ingewikkelder worden en zullen ons
constant uitdagen.

Die uitdaging moeten we en kunnen we aannemen.

Mits we ons aanpassen aan de behoeften van de praktijk; in gezamenlijk
overleg wordt vastgesteld waar en hoe de aanpassing moet .geschieden bij
de opleiding of erna bij het onderzoek, bij de uitvoering.
Men verwacht dit \\an ons, dierenartsen, en naar mijn mening terecht
Niet om werkgebieden te veroveren, maar wel om onze kennis en onze
instelling als dierenarts te gebruiken ten algemenen nutte.

Zo is in Nederland zelve nog grote behoefte aan deskundigen op ver-
schillend terrein, en internationaal „schreeuwt" men erom, teneinde te
helpen in grote gebieden der wereld om jonge volkeren het leven mogelijk
te maken.

Prachtig zijn dc initiatieven die genomen worden door de Wereldgezond-
heidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde
Naties, ook op veterinair terrein o.m. door het uitzenden van deskundi-
gen, bestuderen van de opleiding in de gehele wereld en de antihonger-
cami)agne, met als belangrijk onderdeel de bestrijding van dierziekten.
Voor de dierenarts — en meer speciaal de Nederlandse collega — liggen
hier nog vele kansen om zich bij lutstek verdienstelijk te maken.

Ik geloof dan ook --en naar ik hoop velen met mij - in een grootse
taak van de dierenarts, in de wereld van morgen.

-ocr page 857-

De dierenarts in hef onderwijs en het onderzoek.

door H. S. FRENKELi)
De dierenarts in het Onderwijs.

\\Vanneer we ons afvragen tot well<e gebieden zich dc taak van een onder-
wijzend dierenarts uitstrekt, dan moeten we tot het besluit komen dat zij
van zeer verschillende en velerlei aard zijn.

Laten we bij de Alma matris scientiae veterinariae beginnen, de bron
waaruit de jonge discipelen opgevoed worden tot dierenartsen, die in staat
zijn zelfstandig de moeilijkheden het hoofd te bieden, welke de praktijk
der diergeneeskunde zo veelvuldig meebrengt. De praktizerende dierenarts
moet een veelzijdig mens zijn, die door dc aard van zijn werk vrijwel het
gehele gebied van zijn vak kan overzien.

De diergeneeskunde werd in vroeger jaren voor een belangrijk deel door
artsen gedoceerd. Deze legden vooral de propedeutische grondslagen. Een
enkele straatnaam in het aloude Utrecht herinnert nog aan deze illustere
mensen (b.v. Alexander Numankade).

Vele grote figuren heeft de diergeneeskunde in Nederland tot haar leer-
meesters mogen rekenen. Laten we enkele namen noemen als een Van \'t
Hoff, die de chemie en de fysica onderwees. Zijn asymmetrisch koolstof
atoom werd binnen de muren van de Rijksvceartsenijschool geconcipieerd.
Een Duits chemicus, die de hoge vlucht van deze conceptie niet had kim-
nen overzien, critiseerde Van \'t Hoff zeggende: „Er (van \'t ffoff) hatte
einen Pegasus bestiegen, offenbar der Tierarztneischule entlehnt".
Maar ook een H a m b u r g e r, die o.a. een fundamentele studie maakte
van de osmotische verschijnselen aan rode bloedcellen en zo de weg be-
reidde tot vele reacties waarbij deze cellen een rol spelen, de complement-
bindingsreactie incluis. Laten we hierbij nog noemen belangrijke figuren
uit het verleden als Pekelharing, M a c G i 1 1 a v r y. Zwaarde-
maker, K e e s
O m en I h 1 e. De meesten dezer geleerden gaven korter
of langer tijd hun medewerking aan de ontwikkeling van de nog jonge
Nederlandse diergeneeskunde. Zij sierden later de Universiteiten van Am-
sterdam, Utrecht, Groningen en Leiden. We willen ons echter niet ver-
helen dat de Rijksveeartsenijschool voor de meesten hunner tot spring-
plank naar de Universiteit diende.

Maar we zouden het hebben over de dierenarts in het onderwijs en al deze
mannen waren geen dierenartsen. Daar zij echter mede vorm hebben ge-
geven aan de wetenschappelijke bestudering en uitoefening van de dier-
geneeskunde, is een eresaluut aan de nagedachtenis van hen hier zeker op
zijn plaats.

In de loop der tijden specialiseerden dierenartsen zich in bepaalde onder-
delen van de diergeneeskunde. Aanvankelijk was het onderwijs in ver-
schillende dezer onderdelen opgedragen aan slechts enkele docenten, die
daardoor met werkzaamheden overladen waren en nauwelijks voldoende

Dr. H. S. Frenkel, oud-Directeur van het Centraal Diergeneeskundig Instituut,
afd. .Amsterdam (voorheen Staats Veeartsenijkundig Onderzoekings Instituut),
Verloren Engh, Blaricum.

-ocr page 858-

tijd voor onderzoek overhielden. Gelukkig was de te onderwijzen stof nog
niet zo uitgebreid als thans en kon een enkeling nog wel verschillende
onderdelen overzien. Nog niet zo lang geleden moest de „leraar" der Rijks-
veeartsenijschool pathologische anatomie (algemene en speciële), bacte-
riologie en vleeskeuring doceren. Thans is dit onderwijs over vijf leer-
stoelen verdeeld.

Wanneer wij het aantal docenten, dat een eeuw geleden met het onderwijs
belast was, vergelijken met dat van tegenwoordig, n.1. vier tegenover twin-
tig hoogleraren, dan kunnen we ons daarmee reeds een oordeel vormen
over de grote vlucht, die het onderwijs beeft genomen. In 1862 was echter
bet aantal ingeschreven leerlingen slechts vijf. Van deze vijf behaalden er
twee na een vijfjarige studie het diploma, terwijl de overige drie de studie
staakten. (De geschiedenis verhaalt niet waarom.)

Thans is het totale aantal studenten 528 waarvan 457 mannelijke en 71
vrouwelijke. Dit grote aantal moge wijzen op de sterk gegroeide waardering
en de betekenis, die de diergeneeskunde in de Nederlandse samenleving
ten deel is gevallen.

Terwijl de toekomstige arts opgeleid wordt in de pathologie van slechts
één species, dient de diergeneeskundige op de hoogte te zijn van de ziekten
welke bij verscheidene diersoorten voorkomen. De schrik slaat de argeloze
dierenarts om het hart, wanneer hij bedenkt van welke diersoorten hij de
ziekten moet kunnen onderkennen en behandelen en er zich van bewust
wordt, dat al deze diersoorten hun eigen ziekten hebben. Een goede prac-
ticus zou, om van alle parasitaire-, infectie-, stofwisselings- en andere ziek-
ten voldoende op de hoogte te zijn, wel 200 jaar oud moeten worden. En
hoe lang zou de student moeten studeren? En dan konU daar nog bij het
onderwijs in de zootechniek en de voedingsleer.

Laten we enkele diersoorten noemen, welker isatbologiscbe toestanden aan
de toekomstige dierenarts worden onderwezen; het rund, het paard, het
varken, bet schaap, de geit, het gevogelte, de hond en de kat.
Het spreekt wel vanzelf, dat het tot de onmogelijkheden behoort om zelfs
maar bij benadering de gedetailleerde kennis van die patbologieën te ver-
krijgen, welke bij de menselijke ziekteleer bereikt is. InstitiUen voor de
studie van elk dezer fjatbologieën afzonderlijk zouden gevestigd moeten
worden, waar onderzoek en onderricht zouden kunnen plaatsvinden. Dit
alles zou helemaal niet overdreven zijn als we bedenken, dat er voor
aardappelziekten enz. aparte instituten bestaan. Op al deze gebieden
wacht de onderwijzende dierenarts nog een grote taak.
Toch zijn er wel enkele gedeelten van het diergeneeskundig onderwijs
welke met die van de humane geneeskunde gelijk gesteld kunnen worden.
Het betreft het onderwijs in de microbiologie, in de pathologische anatomie
en -histologie, in de anatomie en de microscopische anatomie. In het alge-
meen dat, waar de microscoop en de cultvuubuis een rol spelen. Ook de
leer der infectieziekten met die der serologie en vaccinotherapie kunnen
ruimschoots de toets der vergelijking doorstaan. .\'\\an de vroegere Rijks-
\\eeartsenijschool was een Pare Vaccinogène verbonden, dat waarschijnlijk
één der oudste inrichtingen op het gebied der pokstofbcreicling geweest is
en waarvan de directeur der Veeartsenijschool leider was. Hier werd het
bereiden van koepokstof ten dienste van de preventieve enting tegen pokken
bij de mens gedoceerd. Voor de studenten beperkte dit onderwijs zich in
lioofdzaak tot één demonstratie.

-ocr page 859-

Behalve aan de Rijksveeartsenijschool, later Veeartsenijkundige Hoge-
school en in 1926 Faculteit der Veeartsenijkunde der Rijksuniversiteit te
Utrecht, is aan andere instellingen aanvullend onderwijs gegeven aan
dierenartsen.

Zij, die zich na beëindiging van hun studie of later, uit belangstelling, wil-
den bekwamen in microbiologische, lactologische of serologische problemen,
vonden in de Rijksseruminrichting te Rotterdam een uitstekende leer-
school. Innners aan deze inrichting, waarvan P o e 1 s de grondlegger was,
kwam studiemateriaal uit het gehele land beschikbaar. Vooral in de begin-
periode der bacteriologische era kon men van Poels en zijn medewerkers
uitstekend onderricht ont\\angen en was de Rijksseruminrichting mutatis
mutandi met een Instituut Pasteur te vergelijken. Inderdaad beeft zij dan
ook een aantal bekwame specialisten in infectieziekten afgeleverd.
Toen de wet op de vleeskeuring werd ingevoerd, waarbij al bet voor men-
selijke consumptie bestemde slachtvee aan keuring moest worden onder-
worpen, zowel vóór als na het slachten, werden in vele gemeenten keurings-
diensten opgericht. Aan het hoofd van deze diensten stond een dierenarts,
die door één of meer hulpkeurmeesters werd bijgestaan. Deze dierenarts
was in de meeste gevallen een practicus, die met de eigenlijke vleeskeuring
destijds nog niet geheel vertrouwd was. Teneinde de nieuwe werkzaam-
heden, welke bestonden in bet onderzoek van het levende te slachten dier
en het onderzoek na dc slachting, naar behoren te kunnen vervullen, moes-
ten zij, die in aanmerking voor een gemeentelijke aanstelling tot hoofd
van de keuringsdienst wensten te komen speciaal met bet oog op laatst-
genoemd onderzoek, een vervolgcursus in bacteriologie en \\\'leeskeuring bij-
wonen. Deze cursussen werden destijds aan het Centraallaboratorium voor
de Volk.sgezondheid gege\\en en wel in de veterinaire afdeling. Vereiste was
dat men naar Utrecht kwam om gedurende 3 weken dagelijks bacterio-
logisch te werken en keiningsdemonstraties op de Gemeenteslachtplaats
bij te wonen.

\'Pen behoeve van de keuringsdiensten werden voorts leken door gespecia-
liseerde dierenartsen opgeleid tot hulpkeurmeesters.

Wc bespraken reeds de microbiologie, welke zulk een gewichtig onderdeel
in de o[)leiding van de dierenartsen is en tot de ontwikkeling waarvan door
dierenartsen belangrijke bijdragen geleverd zijn. In Leiden bestond sinds
lang een leerstoel voor vergelijkende pathologie, welke voor D e Jong
in het leven geroe])en was wegens zijn verdienste als onderzoeker op het
gebied van de tuberculose. Later werd ook Poels tot buitengewoon hoog-
leraar te Leiden benoemd om onderwijs te geven in de toegepaste bacte-
riologie. En ook thans vinden we de traditie der Leidse Universiteit voort-
gezet in een leerstoel voor bacteriologie en virologie, door een dierenarts
bezet, zoals dat ook het geval is met een dergelijke leerstoel aan de Am-
sterdamse Vrije Universitiet.

Aan de Landbouwhogeschool te Wageningen is de leerstoel der Veeteelt-
wetenschap toevertrouwd aan een dierenarts, evenals het Connnando van
de Militaire School voor Hygiëne en Preventieve Geneeskunde, waar de offi-
cieren-arts onderricht krijgen, is in handen van een dierenarts gelegd.
Hierin moge een erkenning worden gezien van de veelzijdigheid en gron-
digheid der opleiding in enige onderdelen der diergeneesktmde.

-ocr page 860-

De dierenarts als Onderzoeker.

„Hoe beter wij de bijzondere dingen begrijpen,
des te beter begrijpen wij God."

Spinoza Eth. 5 Stelling XXIV.

Ook hier wordt er vanuit gegaan, dat het onderwerp de Nederlandse
dierenarts betreft. Wat heeft de Nederlandse dierenarts gedurende het
100-jarige leven van de Maatschappij voor Diergeneeskunde aan het arse-
naal der door hem beoefende wetenschap toegevoegd?
Geheimen aan de natuur ontrukken behoeft niet steeds kostbaar te zijn,
maar het is toch wel de regel dat zelfs de natuur niets voor niets doet of
toelaat. Wil een instelling in het onderzoek produktief zijn, dan moet zij
over voldoende middelen kunnen beschikken. Dit nu, was niet steeds het
geval in ons land wat de diergeneeskunde betreft. En onder de instellingen,
die in dit opzicht het meest stiefmoederlijk bedeeld waren, behoorde de
Rijksveeartsenijschool.

Toen de Rijksveeartsenijschool onder cle directie van één enkele persoon
stond, hing het vrijwel uitsluitend van hem af of een leraar in een bepaald
onderdeel der diergeneeskunde voor het doen van proeven geld of proef-
dieren ter beschikking zou krijgen. En wanneer die directeur zuinig van
aard was, bekrompen of bang voor kritiek uit „Den Haag" dan verhin-
derde hij grotendeels alle onderzoek waaraan kosten van enige betekenis
verbonden waren. West er vermeldt dit o.a. in zijn zeer lezenswaardige
boek over de Geschiedenis der Diergeneeskunde.

Het behoeft dus geen verwondering te wekken, dat de activiteiten van
onze Alma Mater zich in hoofdzaak moesten beperken tot het geven van
onderwijs. De belasting van de docenten met meer dan één onderdeel der
diergeneeskunde was een tweede oorzaak dat er weinig onderzoek plaats
vond.

Wanneer niettegenstaande deze zeer beperkende omstandigheden door
individuele leden van het onderwijzend personeel der Rijksveeartsenij-
school en haar metamorfose, dc Faculteit der Veeartsenijkunde, resp. Dier-
geneeskunde, o])merkelijke prestaties op het stuk van onderzoek geleverd
zijn, moet dit in verhoogde mate onze bewondering afdwingen.
Na de eerste decenniën van het bestaan der Maatschappij voor Diergenees-
kunde, waarin het onderzoek om de reeds aangegeven redenen geen be-
langrijke resultaten opleveren kon, openden de fundamentele onderzoe-
kingen van P a s t e u r en K
O c h in vele laboratoria belangrijke mogelijk-
heden voor verder onderzoek.

In ons land was het vooral Poels, die zich onderscheidde, niet alleen in
de diergeneeskvmdige sfeer, maar ook in die der mensengeneeskimde. Als
autodidact wist hij zich de technieken der bacteriologie eigen te maken.
Zijn aetiologische onderzoekingen over droes en septische pleuropneumonia
van het kalf, le.ggen daarvan getuigenis af. Ook was hij de eerste in ons
land die tuberkelbacillen kleurde volgens de methode van Koch. Hij bracht
meer klaarheid in het destijds vage begrip der varkensziekten. Voorts deed
hij, in opdracht van de regering, een belangrijk onderzoek naar de in
Friesland voorkomende kalverziekten, waarover hij een goed gedocumen-
teerd rapport publiceerde.

Thomassen (wiens borstbeeld zich in het Pathologisch Instituut van
de Diergeneeskundige Facidteit bevindt, niettegenstaande hij in de eerste

-ocr page 861-

plaats clinicus was) ontdekte als oorzaak van bacterie-urie bij kalveren,
welke onder bet beeld van sepsis verliep, een bacil, die tot de coli-acbtigen
behoorde. Uit zijn publikaties, welke grotendeels in Franse tijdschriften
verschenen, blijkt welk een voortreffelijk onderzoeker hij geweest is. Zo
heeft hij zich al vroeg, eerder dan D e J o n g, voorstander getoond van de
opvatting van de eenheid der tuberculose van mens en rund.
Thomassen, afgevaardigde van de Nederlandse regering op het Tuber-
culose-Congres te Londen in 1902, verdedigde deze opvatting tegenover
Koch! Tijdens de onthulling van het genoemde borstbeeld (1909, 3 jaren
na het overlijden van Thomassen) heeft Koch zijn ongelijk bekend.
Koning Edward van Groot Brittannië heeft Thomassen tijdens dat
Congres geconsulteerd!

Hij deed onderzoek over de vaccinatie tegen deze ziekte door middel van
tuberculine. Zijn onderzoekingen over pathologische toestanden van het
centraal zenuwstelsel bij paarden trokken algemeen de aandacht en waren
mede aanleiding van zijn benoeming tot doctor medicinae honoris causa
(1904). Zijn promotor was de Groningse hoogleraar Hamburger.

De Bruin behoorde tot de groten onder de dierenartsen. Zijn faam,
niet alleen als obstetricus maar ook als gynaecoloog en algemeen clinicus
verbreidde zich vèr buiten onze landsgrenzen. Van zijn boek „Geburts-
hilfe beim Rind" verscheen in New York een Engelse vertaling.
Zijn publikaties over mastitis, infectieuze schede- en baarmoederonsteking,
alsook over de aetiologie van uierontstekingen bij het rund beperkten zich
niet tot casuistische mededelingen, zoals destijds vaak het geval was, maar
waren het resultaat van breed opgezet onderzoek.

D e J O n g heeft zich als tuberculose-onderzoeker onderscheiden. Zijn ver-
dienste was het de eenheid der zoogdiertuberculose op grond van zijn
onderzoek te hebben staande gehouden tegenover de opvatting van Koch,
dat deze eenheid — hoewel aanvankelijk door hem aangenomen — niet
bestond.

Een vermeldenswaard onderzoek, gedaan door Koorevaar, betreft dc
cyclus van de
Hypoderma bovis. Deze belaas — althans volgens menselijke
maatstaven — te vroeg overleden, begaafde onderzoeker, was de leer-
meester van Markus, die na onder-idrecteur van de Rijkssemminrich-
ting te zijn geweest, de leerstoel voor Pathologische .Anatomie en Bacterio-
logie bezette. Door deze nauwkeurige kritische geleerde werd de patho-
logische anatomie der hui.sdieren in ons land op verantwoorde wijze ge-
doceerd en beoefend. Binnen bet kader van de mogelijkheden werd ook
onderzoek gedaan, maar dit beperkte zich in hoofdzaak tot casuistiek. Zijn
opvolger Schornagel deed een opmerkelijk onderzoek over tubercu-
lose bij de hond. Hij bestudeerde niet alleen de morfologische aspecten van
deze ziekte, maar onderzocht ook in culturen en met inschakeling van
proefdieren het type der causale bacillen. Het bleek dat enkele der ge-
kweekte tuberkelbacillen noch geheel tot het bovine, noch geheel tot het
humane type behoorden.

J a k O b was gespecialiseerd in oogheelkunde. Zijn voortreffelijk onderricht
in systemadsch klinisch onderzoek heeft een stempel gedrukt op de na hem
gekomen generaties der Nederlandse specialisten voor ziekten der kleine
huisdieren. Met reden kan van hem gezegd worden dat hij school ge-
maakt heeft.

-ocr page 862-

Baudet deed, deels in samenwerking met De Blieck, o.a. zeer inte-
ressante onderzoekingen over de biologie van de larven van
Strongyloides
Westeri.
Hij zag dat deze lar\\^en zich via de intacte huid in het lichaam van
het veulen verspreidden en dat door dit binnendringen bacteriële infectie
kon optreden.

Roos, leerling van de beroemde Leidse hoogleraar, drager der Nobelprijs,
Einthoven, was gespecialiseerd in de elektrocardiografie bij dieren. Zijn
onderzoek betrof in de eerste plaats de geleidingsafwijkingen van het hart
bij paarden. Daar Roos een verdienstelijk fluitspeler was, interesseerde hem
de fysiologie van de ademhaling bij het fluitspel, waarover hij een opmer-
kelijke verhandeling schreef.

In 1903 werd de draadzaag door de dierenarts Van Staa ten dienste
van de embryotomie ingevoerd. In 1917 verscheen een uitvoerige verhan-
deling van S t ü V e n over totaalembryotomie bij het rund volgens een
door hem gevonden methode, berustend op het wegboren van de wervel-
kolom vanuit het wervelkanaal. Hierbij werd gebruik gemaakt van speciale
door Stüven uitgevonden instrumenten.

Belangrijk is ook het werk van Veenbaas, de eerste directeur van de
eerste Provinciale (Friese) Gezondheidsdienst voor Vee geweest, dat zich
voornamelijk bewoog op het gebied der infectieziekten (Brucellosis).
Opmerkelijk speurwerk betreffende de neurologische anatomie werd ge-
daan door V e r m e u 1 e n. Zijn vele publikaties, verschenen in de Ver-
handelingen van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, getuigen
hiervan.

Krediet heeft belangrijk werk verriclit op het gebied van intersexualiteit
bij dieren.

Frenkel onderkende voor de eerste maal in ons land tubercidose bij
de kat. Daarna vond hij een vrij groot aantal dezer gevallen, die vooral
van intestinale lokalisatie waren, maar zich ook door idccra van de hoofd-
huid deden keimen. De door hem bacteriologisch onderzochte gevallen
bleken door bacillen van het bovine type te zijn veroorzaakt. Ook vond hij
darmtuberculose bij het varken.

Belangrijke bijdragen betreffende infectieziekten bracht Van Heels-
bergen. Met name zij hier genoemd zijn studie over de eenheid der
jjokziekten van mens en dier en zijn boek „Mensch und Tier im Zyklus
des Kontagiums", waarin veel oorsjjronkelijks gezegd wordt.
Naast zijn zeer omvangrijke taak als docent voor interne ziekten der grote
huisdieren vond W e s t e r nog gelegenheid tijd te besteden aan onderzoek,
waartoe hij zich sterk aangetrokken voelde en waarvoor hij ook bij zijn
discipelen, voorzover zij er vatbaar voor waren, zo véél belangstelling en
enthousiasme wist op te wekken. Hij gaf een belangrijke bijdrage over de
fysiologie van het herkauwen en schreef een monografie over de steriliteit
van het rund. Zijn boeken over Orgaanziekten, Koo])vernietigende ge-
breken en Geschiedenis der Veeartseni j kimde getuigen van zijn oorspron-
kelijke geest en grote werkkracht.

Van Klarenbeek noemen we het onderzoek over konijnespirochaetosis,
dat internationaal de aandacht trok en hem toegang verschafte tot het
Instituut Pasteur te Parijs, waar hij bij Le\\\'aditi werkte.
De Rijksseruminrichting heeft sedert haar oprichting zich doen kennen als
een instelling, die voor de Nederlandse Diergeneeskunde van onschatbare
waarde is. In het „onderzoek" vervulde zij tientallen jaren een leidende

-ocr page 863-

functie. Haar eerste directeur P o e I s was een talentvolle onderzoeker,
wiens werk in zeer belangrijke mate tot de veibeffing van de diergenees-
kunde in ons land, meer speciaal op het gebied der infectieziekten, heeft
bijgedragen. Hij wist zich te omringen met een aantal voor onderzoek be-
gaafde mensen, waarvan we reeds de helaas te vroeg overleden Markus
noemden. Ook De Blieck, die later, na belangrijk speurwerk in het
toenmalige Nederlands-Indië te hebben verricht, opvolger van D e J o n g
werd om onderwijs te geven in de leer der infectieziekten, bacteriologie en
parasitologie, was een tijdlang onderdirecteur van de RijksseruminrichUng.
De namen van Lourens, Reeser, Van Straaten en Te Hen-
ne p e, zullen de ouderen onder ons nog vers in het geheugen liggen als
uitstekende en enthousiaste onderzoekers, die hun leider en leraar Poels
belangrijk in zijn werk gesteund hebben.

Met uitzondering van enkele donkere jaren, die gelukkig achter ons lig-
gen bleef het licht van de Rijks Scrum Inrichting schijnen onder de opeen-
volgende directeuren. .■\\an de hoge eisen van thans, nu het onderzoek een
steeds toenemende veelzijdigheid vergt, beantwoordt dit instituut — thans
onder de naam van Centraal Diergeneeskundig Instituut afd. Rot-
terdam — op uitnemende wijze. Een groot aantal publikaties, dat het licht
zag, getuigt hiervan.

De bijdrage welke het Staats Veeartsenijkimdig Ondeizoekingsinstituut,
thans genaamd Centraal Diergeneeskundig Instituut, afd. Amsterdam,
heeft gegeven, bestaat in het kweken in vitro der vira van mond- en klauw-
zeer, vaccinia, varkenspest en ecthyma. De kweek van mond- en klauwzeer-
virus leidde tot de bereiding van een mond- en klauwzeervaccin op tech-
nische schaal evenals de kweek van het vacciniavirus. Het mond- en klauw-
zeervaccin wordt jaarlijks in Nederland en in enige andere landen op
grote schaal toegepast.

Nog moge worden gewezen op het researchwerk verricht in de Veterinaire
afdeling van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid betreffende de clas-
sificering der
Salmo7iellae, zulks door Clarenburg en zijn medewerkers.
Zijn onderzoek betreffende de voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong
bracht hem internationale bekendheid. Grashuis deed baanbrekend
onderzoek over de samenstelling van vocderrantsoenen voor dieren.
Van de onderzoekers in de voormalige overzeese gebiedsdelen mag hier met
grote bewondering Kraneveld genoemd worden, die als eerste de
])seudovogelpest onderkende en beschreef. Het feit dat deze ziekte later
door anderen herdoopt werd in New Castle Disease verandert niets aan de
grote betekenis die aan het werk van Kraneveld toekomt.
Veel zou nog te zeggen zijn over belangrijke onderzoekingen verricht in
laboratoria zowel in de praktijk door dierenartsen, die nog ten volle in het
maatschappelijke leven staan. Gezien de beperkte omvang van het gedenk-
schrift blijve de vermelding van deze onderzoekingen tot een latere ge-
legenheid uitgesteld.

Alles bijeengenomen ben ik van mening, dat de Nederlandse dierenarts
in het onderzoek een bevredigende bijdrage tot de ontwikkeling der dier-
geneeskunde heeft gegeven. Bij de waardebepaling van deze bijdrage als
geheel dient rekening te worden gehouden met het feit, dat in ons land
de beoefening der wetenschappelijke diergeneeskunde nog jong is.

Moge zij steeds jeugdig blijven!

-ocr page 864-

De dierenarts in de grote-huisdieren praktijk.

door J. KRANENBURG l), in samenwerking met
E. RUTGERS.2)

Voor de beschrijving der voorheen bestaande levens- en praktijlcomstandig-
heden heb ik veel wetenswaardigs ontleend aan Wester\'s „Geschiedenis
der Veeartsenijkunde", dat in een apart hoofdstuk de omstandigheden
beschrijft van 1850 tot 1921.

De maatschappelijke positie van de dierenarts was een eeuw geleden zeer
bescheiden. Door de opheffing van het fonds voor de landbouw, waaruit
de aan het fonds verbonden dierenartsen gesubsidieerd werden, althans
de eerste jaren van hun vestiging, ging voor de practici de zekerheid in
de aanloop jaren verloren.

Bovendien moest er een verbeten strijd worden gevoerd met de zeer vele
empirici, die aan geen enkel voorschrift waren gebonden, terwijl de
dierenarts verplicht was bij constatering van een besmettelijke veeziekte
dit te melden. Vooral in de tijden dat de longziekte veel voorkwam was
bet voor de veehouder aantrekkelijker de kwakzalver te raadplegen dan de
dierenarts, die hij als dwarskijker beschouwde. Daarbij was vooral de
jonge dierenarts gehandicapt omdat zijn opleiding niet was ingesteld op
de praktijk, ja voor een groot deel zelfs niet was gebaseerd op de ziekte-
leer der landbouwhuisdieren, doch meer op die van de mens, aangevuld
met de geestelijke inhoud van Numan\'s omstreeks 1820 uitgekomen boek
over de onderkenning en behandeling van ziekten bij het vee.
Dit laatste was trouwens ook de bron van de theoretische kennis van de
leken-dierenarts. Daarnaast had de empirist nog een voorsprong omdat hij,
uit de streek afkomstig, beter op de plaatselijke mentaliteit was ingescho-
ten, en gemakkelijker het vertrouwen won van de veehouder.
Indien hij niet bemiddeld was, was de dierenarts voor zijn onderhoud
geheel aangewezen op zijn praktijk, terwijl de leek daarnaast meestal nog
wel iets anders om handen had; meestal een kleine bocrenbedoening of
een ambacht, vooral dat van hoefsmid.

Het vervoer geschiedde in vele gevallen te voet, slechts weinigen beschik-
ten over paard en wagen, zodat er per dag niet zoveel visites, waarvoor
als regel 35 a 50 cent werd gerekend, konden worden gemaakt. Er moest
dus veel worden gelopen om het inkomen voor een behoorlijk burger-
bestaan bijeen te krijgen. De boerendaggelders verdienden tussen 1860
en 1870 — althans in Holland — ongeveer vier gulden per week, waarbij
het regenverlet voor rekening van de arbeider kwam en gewerkt werd
van \'s morgens 5 uur tot \'s avonds 7 uur met 2 maal een uur pauze.
De Frans-Duitse oorlog gaf in de eerste jaren na 1870 een sterke opleving
in de landbouw, die ook de praktijkuitkomsten gunstig beïnvloedde, waar-
na de wet van 1874 de grote groep empiristen sterk uitdunde en alleen
hen die het z.g. patent kregen nog tot de uitoefening van de Veeartsenij-
kunde toeliet.

\' ) J. Kranenburg, oud-practicus. Karei Doormanlaan 5, Uithoorn.
2) E. Rutgers, oud-Inspecteur Veeartsenijkundige Dienst en Inspecteur van de
Volksgezondheid, Dr. Letteplein 34, De Bilt.

-ocr page 865-

Dit alles had een gunstige invloed en hoewel ongeveer 1876 weer een
verslechtering van de economische toestand optrad, die pas omstreeks 1890
in een verbetering overging, werden de tijden voor de practicus niet nog-
maals zó slecht als ze vóórdien wel eens geweest waren, vooral omdat
het onderwijs verbeterde en de dierenarts beter beslagen in de praktijk
kwam.

De toenemende wetenschappelijke ontdekkingen, vooral op het gebied der
bacteriologie, trokken ook de aandacht van de practicus en lokten tot
zelfstudie aan. Van de toenemende weetgierigheid getuigen sommige ver-
slagen van afdelingsvergaderingen: zo wordt bijvoorbeeld in de afdeling
Zuid-Holland de vraag opgeworpen: „Wat het verschil is tussen een
paardehaar en een koeiehaar". Enkele leden namen op zich deze zaak
te bestuderen, doch hoewel in verschillende volgende vergaderingen wel
op de vraag zelve wordt teruggekomen, wordt van een eindrapport niets
vermeld en ging de belangstelling over op andere onderwerpen.
Van enig cultureel leven, zoals wij ons dit voorstellen, was ten plattelande
nauwelijks sprake. In sommige bevoorrechte streken waren Nutsavonden
die trouw werden bezocht, maar waarvoor soms enkele uren moest worden
gereden en soms een wekelijkse sociëteitsavond waar men met arts,
notaris en hoofdonderwijzer eens over iets anders kon praten, dan over
praktijk- of veehoudersaangelegerdieden, hoewel men ook daar niet altijd
aan ontkwam.

Zo werd één van mijn voorgangers op de .sociëteit door een vooraanstaand
lid, tevens veehouder, dijkgraaf en wethouder gevraagd wat hij aan een
traag kalf moest doen, waarop hij de raad kreeg de dierenarts te raad-
plegen. „Zo erg is het nu ook nog niet", zei de eigenaar, „maar hij drinkt
zo slecht". „Als je hem lid van het polderbestuur maakt dan leert hij \'t
wel" antwoordde de collega, onder veel gelach, want de betrokken wet-
houder-dijkgraaf was van de laatste polders-ergadering met een zeer
nederig voertuig, namelijk een kruiwagen, thuisgebracht.
Het leven was gemoedelijker, er moest soms hard en wel eens dag en
nacht worden gewerkt, maar er was geen gejacht en gejaag, men kende
nog geen auto\'s en geen telefoon, geen radio en geen televisie, men maakte
geen vakantiereizen naar Spanje of Griekenland, omdat de eersten er
nog niet waren en men aan de laatsten niet dacht, ze meer als uitspatting
dan als ontspanning beschouwd zou hebben.

Zo verstreek de negentiende eeuw, in het laatste decennium waarvan de
opleiding door leraren als Wi r t z. Van E s v e 1 d, Thomassen en
Schimmel, sterk was verbeterd, zodat rond de eeuwwisseling de jonge
dierenarts een eventueel mislukken in de praktijk niet aan onvoldoende
opleiding behoefde te wijten, doch meer in gebrek aan persoonlijke kwali-
teiten, waarbij ik dan een uitzondering zou willen maken voor het doen
van verlossingen. Het onderwijs en de praktische beoefening daarvan
waren geheel onvoldoende. Dit gebrek aan verloskundige routine behoefde
echter geen doorslaggevende handicap te zijn voor de opbouw of het
behoud van een praktijk, daar er in elk praktijkgebied wel één of meer
leken-verloskundigen waren, meestal tevens castreurs, aan wie dit werk
kon worden overgelaten. Deze mensen deden het goed en hoe beter de
verstandhouding was met de practicus, hoe minder zij zich met kwak-
zalverij afgaven.

-ocr page 866-

Omstreeks 1900 waren er verschillende nieuwe uitvindingen, die het werk
van de practicus vergemakkelijkten, zoals de draadzaag en later de ketting-
zaag voor de embryotomie. Er waren er echter ook, die de werkzaam-
heden sterk deden toenemen, o.a. de uierinsufflatie bij kalfziekte, doch
vooral de toenemende preventieve entingen tegen houtvuur en vlekziekte,
waaraan na de oprichting der Rijksseruminrichdng een ruime toepassing
kon worden gegeven.

Curatieve en preventieve seruminjecties bij kalver- en varkensziekten,
en in de paardenpraktijk tegen boutziekte, gaven meer en meer werk,
terwijl door de steeds toenemende verbetering van de landbouwuitkomsten
het mogelijk was een redelijke honorering van de werkzaamheden te ver-
krijgen. Ook het vervoer binnen het praktijkgebied werd op vele plaatsen
door het verharden van zand- en kleiwegen veel beter. Velen schaften
zich naast het rijtuig een rijwiel aan, waardoor voor kortere afstanden
het aan- en uitspannen van de klepper verviel.

Enkelen moesten eerst aan het nieuwe vervoermiddel wennen. Zo gaat
bet verhaal van een collega die bij het passeren vail een molen steeds zijn
paard aan de teugel moest nemen, omdat op de molen de vroegere baas
van het dier woonde, op een keer in gedachten per fiets de molen nade-
rend, afstapte, met de fiets aan de hand de molen passeerde en weer op-
stapte met de woorden: „Nu kan het wel weer bruine".

Zo verstreken de eerste tien jaren van de twintigste eeuw, met langzaam
stijgende veeprijzen en voor de dierenarts met steeds toenemende werk-
zaamheden, doordat de veehouders steeds meer vertrouwen kregen in de
behandeling, en voor de dieren met hoger waarde, eerder de hulp van de
dierenarts inriepen. Vele practici waren overbelast en konden het werk
niet af, zodat allerwege behoefte gevoeld werd aan nieuwe vestigingen.
Gemeenten en provincies stelden toelagen in het vooruitzicht bij vestiging:
b.v. de provincie Zuid-Holland een jaarlijkse toelage van ƒ 1.50,— waar-
voor jaarlijks een tweetal lezingen moest worden gehouden. De gemeenten
verlangden voor hun toelage soms rnarkttoezicht of keuring van nood-
slachtingen, tei-wijl hier en daar ook door landbouworganisaties een sub-
sidie gedurende een aantal jaren werd verleend.

Voor de diergeneeskundige student — die omstreeks „het 50-jarig bestaan
der Maatschappij „voor Veeartsenijkunde" studeerde — zag de toekomst
er bepaald rooskleurig uit. Veel minder gecompliceerd dan thans. Wij
leefden wel niet in een „welvaartsstaat", zoals naar men zegt thans het
geval is, maar wij hadden grote zekerheden. De begrippen „inflatie" en
„koopkracht" bestonden nog niet.

Ouders wisten, financieel gesproken, precies waar ze aan toe waren. Je
had voor niet al te veel geld een allerpleizierigste studententijd, en wat de
toekomst betrof: „Het gehele land stond voor je open". „Gedrang op de
arbeidsmarkt" was er voor ons zeker niet. De meesten van ons wisten
in hun laatste jaar dan ook wel zo ongeveer waar ze een praktijk zouden
gaan opbouwen. Want in die dagen bestond het instituut „praktijk over-
nemen" — waar tegenwoordig grote bedragen aan te pas komen - - na-
genoeg nog niet.

Collega Rutgers, die mij de gegevens verschafte over de omstandigheden
in het Oosten van het land, schrijft mij over zijn praktijkjaren als volgt.
„En zo kwam ik dan op het platteland in het mooie Twente!

-ocr page 867-

De gemeente gaf een (bescheidenl salaris en een benoeming als „ge-
meenteveearts", en een ambtswoning, waarvoor dan markttoezieht moest
worden vericht. De provincie gaf (voorlopig) een (zeer bescheiden) aan-
moedigingstoelage en de landbouworganisaties óók. Verder was er niets,
helemaal niets. Wel waren er een aantal „empiristen", voorzien van
verloskunde-instrumenten, slokdarmsonden, enz. die, vaak van vader op
zoon, de praktijk min of meer in volle omvang uitoefenden. En verder
waren er heel veel slechte wegen.

Het tijdperk van paard en tilbury was zo ongeveer voorbij, aan de auto
kwam ik eerst jaren later toe. Als vervoermiddel bleef dus, eerst de „fiets",
daarna de „motorfiets".

En hoe was nu de praktijk? Heerlijk! In ongelooflijk korte tijd strekte
deze zich uit tot een omtrek van enige tientallen kilometers. Alléén prak-
tijk, zuiver praktijk! Geen enkele ambtelijke beslommering, geen vlees-
keuring, geen massabestrijding plus administratie. Van de ene boerderij
naar de andere, meermalen dag en nacht, alléén als de geneesheer der
dieren, de vertrouwensman der veehouders, de opvoeder en leermeester
van de jeugd.

Want, wie wat bereiken wil, moet met de jeugd beginnen. Zij kende
vrijwel niet anders dan potstallen, je gaf dus cursussen in stalverbetering
en hygiëne. Zij wisten niets van rationele veehouderij, je gaf dus cursussen
in veeverbetering en paardenkennis. Je ging met hen er op uit om goede
stieren te kopen, soms zelfs .goede vaarskalvcren. Zij leerden graag en de
resultaten werden snel zichtbaar. Eerlijk gezegd hadden we daarmee de
wind in de zeilen, van onverwachte kant. De eerste wereldoorlog was voor
de Nederlandse boer in het Oosten des lands, financieel gesproken, blijk-
baar nog niet zo onvoordelig geweest. In elk geval verdween nadien in
snel tempo de ene potstal na de andere om plaats te maken voor „moder-
ne" stallen. En ook de kwaliteit van de veestapel verbeterde zienderogen,
belangstelling ontstond voor melkcontrole, stierenhouderij en tentoonstel-
lingen.

De inwerkingtreding van de Vleeskeuringswet omstreeks 1922-\'2,3 bood
een aantal plattelandsgemeenten de kans een dierenarts aan te trekken
door hem met de jaarwedde van Keiningsdierenarts Hoofd van Dienst
een fixum te verschaffen, waardoor de vestiging ter plaatse mogelijk werd
gemaakt. Langs deze weg zijn in het begin der twintiger jaren in het
Oosten diverse nieuwe praktijken ontstaan. Hetgeen hard nodig was,
omdat om verschillende redenen, de bestaande praktijken wel wat erg
zwaar geworden waren. Het waren jaren met een gunstige conjunctuur,
dc prijzen der grote huisdieren lagen vrij hoog, wegenverbetering maakte
tot nu toe vrijwel ontoegankelijke biuirtschappen bereikbaar. De positie
van de practicus ten plattelande kon welvarend genoemd worden. De
waarde van het object dat hij behandelde was vrij hoog. Hij werd dus
spoedig geconsulteerd. Verschillende nieuwe vindingen en methoden in
medicinering en chirurgische behandeling stelden hem in staat de praktijk
te intensiveren, de tarieven waren voor die tijd vrij hoog. Zijn slechte tijd,
de dertiger crisisjaren, lag nog — ongeweten - voor hem in het verschiet.

Inmiddels begon de preventieve diergeneeskunde zich te ontwikkelen.
Friesland was voorgegaan met de georganiseerde tuberculosebestrijding.
Spoedig volgde Twente. Eerst Enschede-Lonneker, daarna tal van andere

-ocr page 868-

zuivelfabrieken. Want de „vrijvk\'illige" bestrijding ging overal uit van de
zuivelfabrieken.

Als bistoriscbe anekdote is het vermeldenswaard op welke merkwaardige
wijze deze „vrijwillige" actie hier en daar gestimuleerd kon worden. In
die dagen ijverde de Directeur van de Keuringsdienst voor Waren in dat
ambtsgebied allerwege voor de tuberculosebestrijding bij „zijn" rundvee-
stapel, en hij trachtte op alle manieren de fabrieksbesturen te bewegen
met bet jaarlijks onderzoek bij al hun melkleveranciers te starten. De
animo was aanvankelijk niet groot.

De controleurs van de Keuringsdienst waren regelmatige bezoekers van de
fabrieken voor de controle, o.a. van het vuilgehalte van de melk. Dit
gehalte werd in ontstellende mate te hoog bevonden. Geen wonder, het
begrip „hygiënische melkwinning" was nog pas aan het opkomen, machi-
naal melken bestond nog niet, de boerderijen lagen vaak ver verwijderd
van de route van de melkrijder, de bussen stonden dus lange tijd onbe-
waakt aan de weg en de jeugd kon er van alles mee uitvoeren, vóórdat
de melk de fabriek bereikte.

Welnu, zo gaat het verhaal, er werd een compromis bereikt: De directeur
bekeek de honderden vuilemelk-gevallen wat soepel, zonder vervolging,
en de fabrieken startten „vrijwillig" met de tuberculose-bestrijding. Zij
stelden in allerijl een „druppelaar" aan, dus een „hulpkracht". Zijn taak
was het met ophtalmo-tuberculine de runderen te sensibiliseren, door in-
druppeling van het linkeroog.
Vandaar zijn naam!

Enige uren na de tweede indruppeling begon de controlerende dierenarts
zijn rondgang om de oog-reactie op te nemen en bij positieve bevinding, de
veestapel te onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van een „open"
lijder. Met een wagen vol sputum- en melkmonsters kwam hij \'s avonds
vaak tbiüs, tot diep in de nacht duurde vaak het microscopisch onderzoek.
Mijn eerste jaar leverde een reactie-percentage van 46% en 61 open
lijders op. Het was hartbrekend en zenuwslopend werk. De bestrijding,
op ietwat eigenaardig-vrijwillige wijze tot stand gekomen, genoot lang
niet van alle deelnemers de sympathie die zij verdiende, de medewerking
en de belangstelling was hier en daar minder dan minimaal.
Dat de Twentse dierenarts uiteindelijk, toen natuurlijk óók gaandeweg
de belangstelling van de veehouder gegroeid was, aan de Gezondheids-
dienst, toen deze na de tweede wereldoorlog de leiding van de bestrijding
overnam, een veestapel kon aanbieden met een laag reactiepercentage,
daarvoor zij hem hier nog eens hulde gebracht.

En toen kwamen de berucht geworden „dertiger crisisjaren" voor de
practicus bij de grote huisdieren. De waarde van zijn behandelingsobject
daalde tot een zó laag niveau, dat de veehouder het inroepen van zijn hulp
tot het uiterste beperkte. Men schatte het gemiddeld inkomen-uit-praktijk
op ongeveer twee duizend gulden per jaar. Mogelijkheden tot vestiging
waren uiteraard schaars. Inderdaad, de dierenarts beleefde, economisch
bezien, zijn dieptepunt. Hij zat menigmaal dagen aaneen te wachten of
er asjeblieft nog eens een boer wilde aankomen. Een toestand waarvan
de practicus van nâ de tweede wereldoorlog zich geen denkbeeld kan
vormen."

Tot zover de schets van coll. R u t g e r s van de omstandigheden in het
22

-ocr page 869-

Oosten des lands, die eigenlijk wel van toepassing kan zijn, ook op de
rest van het land, al wil het mij voorkomen dat de crisisomstandigheden
vooral in het Westen van het land minder scherp waren, dan op de lichte
gronden. Vooral in streken met gemengde bedrijven, waar tot de oorlog
nog veel van paardentraktie gebruik gemaakt werd, vormde de paarden-
praktijk als het ware de ruggegraat, terwijl na 1938 in het z.g. C.M.C.
gebied de tuberculosebestrijding praktisch algemeen was en een vroeger
niet aanwezige bron van inkomsten werd.

De oorlogsjaren zelf waren, paradoxaal gesproken, geenszins de slechtste.
Het Oosten was onmiddellijk onder de voet gelopen, werd door de be-
zetter en zijn organen meer „met rust" gelaten en was bestemd met bet
Noorden de voorraadschuur te worden voor het benarde Westen. Daar
hebben — het zij tot hun eer gezegd — vele practici hun steentje toe
bijgedragen.

De praktijk werd druk, de benauwde crisisjaren waren voorbij. De prac-
ticus was bij uitstek in de gelegenheid veel voedsel te vergaren voor
„hongertrekkers", bij was bovendien in staat de helpende hand te bieden
aan „onderduikers". Joodse landgenoten en gestrand geallieerd luchtmacht-
personeel. En dat heeft hij ook gedaan, velen althans.

Toen aan deze nachtmerrie een einde kwam brak de tijd aan, waarin
wij thans leven, de „welvaartsstaat", waarin het schijnt of het goud in de
praktijk op straat ligt. Spoedig na de oorlog konden in elke provincie
de Gezondheidsdiensten voor Dieren hun arbeid ontplooien, en dank zij
de genereuze hulp uit het Marshall-plan, als eerste project bet tuberculose-
vrij maken van de gehele Nederlandse veestapel organiseren, die van het
mond- en klauwzeer, de abortus, de mastitis, de varkensziekten, de organi-
satie der kunstmatige inseminatie, enz. Al deze bestrijdingen hebben zeer
veel werk verschaft aan de practici, die de diagnostische en preventieve
behandelingen moesten instellen, in maanden, waarin ook de considta-
tieve praktijk drukker is dan ooit.

In de praktijk deden geheel nieuwe behandelingsmethoden htm intrede
door de toepassing van de antibiotica, de sidfapreparaten en vele andere
vindingen, die de plattelandspracticus nog nooit gekende mogelijkheden
boden tot intensivering van zijn praktijk.

In 1947, toen ook de endng tegen het mond- en klauwzeer meer algemeen
werd, konden vele practci zelf het werk verbonden aan deze entingen,
en aan de tuberculosebestrijding niet meer aan. Dit werd ook ingezien
door bet Hoofdbestuur van de Maatschappij voor Diergeneeskimde èn
door de leiding van de Stichting voor de Landbouw, de voorloopster van
het tegenwoordige Landbouwschap. Een commissie, bestaande uit ver-
tegenwoordigers van beide organisaties, kreeg in 1947 opdracht het pro-
bleem van opleiding en te werk stelling van eventuele hulpkrachten te
bestuderen en een rapport hierover uit te brengen. De conclusie van de
commissie was, dat het niet gewenst was leken tot hulpkrachten voor deze
bestrijding op te leiden, doch dat het beter was te trachten ouderejaars
studenten onder bepaalde voorwaarden deze handelingen te laten ver-
richten. Men meende dat het tekort aan dierenartsen door het grote aan-
tal studenten na 5 a 6 jaar ingelopen zou zijn, en deze hulpkrachten dan
geheel overbodig zouden zijn. Deze prognose was niet juist, want de assi-
stentie door studenten is zelfs thans nog niet geheel van de baan.

-ocr page 870-

Het grote aantal studenten, dat na de oorlog de diergeneeskunde als
richting koos, verontrustte de leiding van de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde in verband met hun latere plaatsing. Zij benoemde in 1950
een commissie, die tot taak kreeg een vestigingsregeHng te ontwerpen om
te trachten de komende vestiging van al die aanstaande jonge dieren-
artsen langs lijnen van geleidelijkheid te doen verlopen. Door middel van
de instelling van één centrale, en voor elke provincie een Provinciale
vestigingscommissie, is een regeling ontstaan, thans nog geldend, die de
verwachte grote toeloop zonder al te grote schokken heeft kunnen ver-
werken.

Een zeer gelukkige omstandigheid echter is het geweest dat de intensi-
vering van de praktijk het veelvuldig aangaan van delingen en associaties
noodzakelijk heeft gemaakt, zodat evenals de prognose van de hulp-
krachtencommissie 1947, ook de prognose van de Commissie 1950, namelijk
dat omstreeks 1955 het land „vol" zou zijn, niet juist, en in het laatste
geval gelukkig niet juist is geweest.

Toen na de oorlog de tuberculosebestrijding algemeen werd, waren de
tarieven voor sommige verrichtingen in de werkgebieden der diverse ge-
zondheidsdiensten niet gelijk, hetgeen aanleiding gaf tot moeilijkheden,
vooral daar, waar een practicus zijn cliënten in verschillende werkgebieden
had, en dus met verschillende tarieven rekening moest houden. Zowel het
Hoofdbestuur der Maatschappij voor Diergeneeskunde, als de Stichting
voor de Landbouw vonden deze toestand onjuist en na langdurige en vele
besprekingen kwam men tot een Paritaire Tarievencommissie, bestaande
uit vijf vertegenwoordigers van de Sdchting van de Landbouw (het
latere Landbouwschap) en vijf vertegenwoordigers van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde. Deze commissie heeft niet kunnen bereiken dat
na 1950 de tarieven ten volle de officiële salaris- en loonbeweging hebben
gevolgd, doch zij heeft bevorderd dat zij landelijk gelijk liggen, en daar-
door voorkomen dat de tarieven een onderling concurrentiemiddel zouden
ktumen vormen tot schade van de intercollegiale vcihoudingcn.

Tenslotte nog één opmerking! Wat ook veranderd is voor de practicus bij
de grote huisdieren in de laatste eeuw -- en er is zeer veel veranderd
ten goede — één heel grote kanker is gebleven: de kwakzalverij! Wat dc
veterinaire wetenschappen aan toci)assingen in de praktijk opleverden is
nog steeds overgegeven aan de roof door een ieder, die er zijn voordeel
mee wenst te doen, ook al is dit tot schade van de diergeneeskunde en
van het algemeen belang!

Moge het de schrijver van een overzicht als het bovenstaande, in het
jaar 2012, als onze Maatschappij, naar wij hopen, haar 150-jarig bestaan
zal vieren, gegeven zijn te vermelden, dat ook voor dat gezwel, in de
loop der laatste vijftig jaar een juiste therapie is gevonden.

Dankbetuiging.

Alvorens dit stukje te beëindigen moge ik collega E. Rutgers te De
Bilt hartelijk danken voor zijn uitvoerig schrijven over zijn ervaringen
in het Oosten van het land, en meer algemene zaken, waaruit ik behalve
daar waar ik dit uitdrukkelijk heb venneld nog meerdere gedeelten heb
geleend, en in dit artikel heb ingevlochten.

-ocr page 871-

De dierenarts in het leger.

door II. VAN VUUREN l) en P. VAN SCHAÏK 2)

Na dc tweede wereldoorlog werd de Militaire Veterinaire Dienst opge-
heven, omdat het nieuwe leger op uitsluitend motorische kracht voor
verplaatsing \\an troepen en als bron \\ an tracde overging. Dit betekende
het einde van het bestaan van een speciaal op de veterinaire verzorging
van het troepenpaard ingestelde diergeneeskundige categorie. Met even-
veel recht zou men kunnen stellen dat hier een veterinair officierskorps
\\an het toneel verdween, althans voor zover het de aloude doelstelling,
n.1. het behandelen van paarden en alles wat daarmede samenhing, be-
trof^). Vanwege de belangrijke taak die de militaire paardenarts in de
vroegere legers te vervidlen had, is het juist en passend hier een en ander
over de inhoud van deze taak te vermelden.

Tot goed begrip moet men er goed \\\'an doordrongen zijn, dat \\oorheen
de gevechtwaarde van het leger \\olkomen afhankelijk was van het voor-
handen zijn van duizenden bruikbare paarden, bruikbaar door hun kwali-
teit en door hun gezondheidstoestand.

Hier moet worden gereleveerd dat onder de vele veterinairen, die in
vroeger jaren een leidende functie of een voorlichtende taak vervulden
bij de paardenfokkerij, de militaire ])aardenartsen een belangrijke plaats
innamen.

En dit tot voordeel van deze fokkerij, immers de veterinaire invloed hier
is van onschatbare betekenis, zowel vanwege de genoten opleiding in ana-
tomie, fysiologie en padiologie, als vanwege een langdurige ])raktijkerva-
ring.

Ten aanzien van de gezondheidstoestand \\ an de paarden \\ an het leger lag
voor de militaire paardenarts een breed arbeidsveld open, zowel op jDre-
ventief als op curatief gebied. Preventief o.m. o]) het gebied van de be-
vordering van de hygiëne, de keuring van de foura.ge en het toezicht o]3
het hoeflieslag; bemoeienissen die noodzakelijk waren om dc troep in
staat te stellen zijn taak te kimnen vervullen.

Voor het behandelen van zieke, gewonde en kreupele paarden had dc
]3aardenarts in vredestijd de beschikking over een goed ingerichte zieken-
stal met behandelruimte en apotheek. Militair personeel was voldoende
aanwezig, met behulp waarvan men niet alleen kleinere, maar ook grote
operaties, zoals een windzuigeroperatie en een cornageoperatie, zelf kon
verrichten. Te velde dienden daartoe in.gerichte veldziekenstallen tot het
behandelen van dc meer ernstige patiënten van de verschillende onder-

1) Dr. H. van Vuuren, Majoor-Paardenarts b.d., Pr. Roosevcltlaan 48, Breda.

2) P. van Schaïk, Eerste Luitenant Paardenarts b.d., .Arolsenplein 9, Rotterdam.

3) Bij het nieuwe leger is nog één oud-paardenarts van het K.N.I.L., werkzaam als
Commandant van de Militaire School voor Hygiëne en Preventieve Genees-
kunde en één oud-paardenarts van het K.N.l.L. als Hoofd bureau Statistiek
Sectie B van de Inspectie Geneeskundige Dienst Koninklijke Landmacht, terwijl
voorts nog enkele dierenartsen werkzaam geweest zijn bij de voedsel-hygiënische
dienst en enkele dierenartsen belast zijn geweest met de veterinaire verzorging
van de luchtmachtbewakingshonden.

-ocr page 872-

delen van een grote legereenheid. Ook bestond daartoe de gelegenheid
in veterinaire hospitalen in het hart des lands.

Het is te begrijpen, dat wanneer het leger op voet van oorlog was, er een
grote behoefte aan paardenartsen bestond. In deze behoefte werd voorzien,
doordat de reservisten onder de dierenartsen praktisch allen bij de Mili-
taire Veterinaire Dienst waren ingedeeld.

Er waren voor de militaire paardenartsen ook nog andere werkzaamheden,
zoals de kwaliteitskeuring van slachtdieren en van vlees, en te velde, in-
dien nodig, natuurlijk tevens de uitvoering van de eigenlijke vleeskeuring.
Dan werden er nog lessen en cursussen in paardenkennis gegeven: op de
Koninklijke Militaire Academie aan de cadetten van de Cavalerie, de Ar-
tillerie en de Infanterie en op de scholen voor Reserve-Officieren van de
Cavalerie en van de Bereden Artillerie aan de aspirant-reserve-Officieren;
in cursussen aan Officieren en Onderofficieren; en niet te vergeten de
opleiding van hoefsmeden aan de Militaire Hoefsmidschool, waarvan een
paardenarts directeur was.

De aard van de te verrichten werkzaamheden was dus zeer verschillend,
maar lag altijd in bet veterinaire vlak. Er was een groot verschil tussen de
werkzaamheden bij een vast legeronderdeel en die bij een paardendepót.
De depóts waren, althans in vredestijd, te onderscheiden in het Remonte-
depot (te Milligen) en de africhtingsdepóts. In eerstgenoemd depot ver-
bleven gedurende een lange acclimatiseringstijd de jonge remontepaarden
welke waren aangekocht in Ierland, maar ook de jonge, in ons eigen land
aangekochte remonten kwamen er in grote getale bij elkaar. Men had er
dan ook altijd te maken met besmettelijke ziekten van het ademhalings-
apparaat, voornamelijk droes, en met besmettelijke huidziekten.
Bij de remontering, dus de aankoop van paarden voor het leger, was altijd
écn van de leden van de remonte-commissie een paardenarts. Er was een
remonte-commissie binnenland en een remonte-commissie buitenland, bei-
de reizende commissies, waarin het dikwijls bard werken was, maar ook
buitengewoon gezellig.

Na een uiteenzetting gegeven te hebben over de veterinaire werkzaam-
heden in het leger nog iets over de status en de positie van de militaire
paardenarts. Behalve veterinair moest hij vóór alles ook officier zijn, niet
alleen formeel omdat de paardenartsen gerekend werden tot de combat-
tanten, maar ook metterdaad. Wanneer men zich aangetrokken voelde
tot het paard en tot de troep en zijn best deed om zijn kunnen en kennen
ten bate van de troep aan te wenden, met de troep meeleefde en er lief
en leed mee deelde, werd dit in het leger steeds ten zeerste gewaardeerd
en stond men in een prettige en kameraadschappelijke verhouding tot de
troepenofficieren en dit was in nog hogere mate het geval, wanneer men
bet paardrijden ook zelf serieus beoefende en zoveel mogelijk aan ruiter-
wedstrijden deelnam.

Voor dierenartsen die de liefde voor het paard was aangeboren en die oog
en gevoel hadden voor de poëzie en de romandek van de bereden wapens,
bestond er geen mooier leven. Degene, die dit nog hebben meegemaakt,
zouden de herinnering daaraan voor geen goud willen missen.

Maar het ging tenslotte om de reëele betekenis van de paardenarts in het
leger en die menen wij hierboven zeker wel te hebben aangetoond.

-ocr page 873-

De dierenarts in de kleine-huisdieren praktijk.

door H. L. L. VAN WERVEN»)

De snelle ontwikkeling die de geneeskunde in de laatste 25 jaar doormaakte
ging niet buiten de diergeneeskunde om. Integendeel, deze was daarin op
allerlei wijze betrokken en de vergelijkende geneeskunde maakt de banden
steeds sterker.

Dat de praktijk voor kleine huisdieren een geheel ander beeld vertoont dan
25 jaar geleden, behoeft dan ook geen verwondering te wekken. Zij heeft
door biologische en maatschappelijke oorzaken veel verwantschap met de
humane praktijk, zodat het voor de hand ligt dat juist daar de ontwikke-
ling van de geneeskunde van de mens zijn grootste invloed deed gelden.
Dat de diergeneeskunde toch ook een eigen ontwikkeling doormaakte, zal
uit bet volgende nog wel blijken.

Voor 25 jaar lag de kracht van het diergeneeskundig behandelen in nauw-
keurig onderzoek van de patiënt en zijn ziekteverschijnselen, met een daar-
aan aangepast, veelal zuiver symptomatische therapie. De diagnostische
methoden waren gericht op een nauwkeurige waarneming met eenvoudige
directe methoden. Het laboratoriumonderzoek stond nog aan het begin van
zijn ontwikkeling.

Het inzicht in de oorzaken van vele ziekten en de kennis der pathologische
fysiologie waren nog vrij beperkt. Bovendien ontbraken in vele gevallen
de middelen voor een causale therapie. De preventie van ziekten stond nog
in de kinderschoenen.

Toch was er, vergeleken met de tijd waarin voor het eerst een (hoog)leraar
werd benoemd — Dr. H. J a k o b, 1911 —, die zich wat de kliniek betreft
uitsluitend met kleine huisdieren behoefde bezig te houden, reeds veel ver-
anderd. Men kan daarover lezen in de artikelen van Polmer, R a b en
Klarenbeek in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 64, 1084, 1168,
(1937).

Het is onmogelijk om nu in kort bestek aan de algehele ontwikkeling recht
te doen. Daarom moge hier volstaan worden met het bespreken van enkele
bijzondere en enkele algemene aspecten van de kleine-huisdieren praktijk.

De belangrijkste ziekte was 25 jaar geleden ongetwijfeld de hondeziekte.
Men was het er over eens geworden dat het door Laidlaw en Dun-
kin opnieuw geïsoleerde virus (1926, Carré 1905), inderdaad als oor-
zaak beschouwd moest worden. Andere bij de hond voorkomende virussen
waren nog niet bekend. Nu kennen we naast het eigenlijke hondeziekte-
virus het daaraan nauw verwante bard-pad virus en het virus van de in
1947 door Rubarth beschreven hepatitis contagiosa canis. Bovendien
zijn er van Franse zijde (Goret, 1957; R e c u 1 a r d, 1959) publikaties
over andere virussen, welke evenals het hondeziektevirus neurotrope eigen-
schappen zouden hebben.

Helaas moet het gemis aan een voor de praktijk bruikbare methode ter
differentiëring van deze ziekten in hun beginstadia, therapeutisch nog op-
gevangen worden door toepassing van gecombineerde sera. Tijdig toegepast

\') H. L. L. van Werven, praktizerend dierenarts te Arnhem, Ernst Casimirlaan 34.
Tijdschr. Diergeneesk., le Jubileum-aflevering, 1962 27

-ocr page 874-

geven deze bevredigende residtaten. Het gebruili van serum tegen de se-
cundaire ziekteverwelvkers is door de toepassing van cliemotiicrapeutica
en antibiotica obsoleet geworden.

Dank zij de grote uitbreiding van de preventie is de bondeziekte niet meer
de belangrijkste ziekte der patiënten. In 1937 moest nog een goed woord
gedaan worden voor de vaccin (gedood) — virus(levend volvirulent) me-
thode. Deze is vervangen door methoden met levend virus dat verzwakt is,
wat betreft pathogeen vermogen, door adaptie aan ei of weefselkweek.
De verkregen resultaten zijn zeer bevredigend, zodat het gebruik hoe langer
hoe meer toeneemt. Men had in de diergeneeskunde daarmee reeds veel
ervaring voordat in de menselijke geneeskunde het gebruik van levende
virusvaccins werd ingevoerd; de enting \\an pokken uitgezonderd.
Ten aanzien van andere infectieziekten valt op te merken, dat de hepatitis
contagiosa canis de laatste jaren in virulentie schijnt toe te nemen. Aan-
genomen mag worden dat dit virus in West-Europa reeds lang voorkwam,
zonder echter aanleiding te zijn tot meer dan enkele ziektegevallen. In-
middels zijn tegen deze ziekte levende en dode entstoffen in de handel ge-
bracht. Htm waarde voor de praktijk valt nog moeilijk te beoordelen.

Betreffende de zoönosen kan worden opgemerkt dat de tubcrcidose prak-
tisch niet meer gevonden wordt. Ook de ziekte van Weil schijnt in beteke-
nis af te nemen. In het centrum van belangstelling staan toxoplasmose, lis-
teriose en salmonellose. Over de feitelijke betekenis van hond en kat in de
epidemiologie dezer ziekten valt nog niet veel positiefs te zeggen.

Moest Klaren beek in 1937 volstaan met het uitspreken van het ver-
moeden dat „vreesziekte" (angstneurose, in Engeland hysteria) veroor-
zaakt werd door een chemische stof, nu kan vermeld worden dat deze in
1947 is geïdentificeerd. Het is
NCI4, dat gebruikt werd bij het agcne proces
in de meclverwerkende industrie. Met het staken van dit gebruik is het
syndroom verdwenen.

Nu hondeziektepatiënten niet meer het grootste aantal vormen, is hun
plaats ingenomen door de groep huiclpatiënten. Wior 25 jaar werd door
Klarenbeek met enige verwachting melding gemaakt van een indeling
der liuidziekten naar de aetiologische grondslag volgens Darier. Deze
bracht wel een aanvaardbaar schema, maar belaas is het inzicht in de aetio-
logie der endogene dermatosen, de grootste groep uit dit schema, nog wei-
nig verdiept. Zodat en de praktijk èn de wetenscha[) nog steeds naar een
betere indeling eu een fundamenteler inzicht in de genese uitzien.
Alhoewel de meningen in de humane en diergeneeskunde over dc betekenis
der hormonen voor de dermatosen nog zeer uiteen lopen, mag toch op
grond van verschillende publikaties geconstateerd worden dat in beide
gebieden der genceskimde door toediening van hormonen gunstige resul-
taten zijn verkregen. Opgemerkt mag worden, dat hier dc diergeneeskunde
tot heden zijn eigen weg is gegaan. Ongetwijfeld zal uitwisseling van de
ervaringen aan een dieper inzicht in de genese en een verbetering van de
therapeutische beïnvloeding der dermatosen kunnen bijdragen.
Overigens is op het gebied van de behandeling der huidziekten weinig te
vermelden. Wel zijn voor de bestrijding der parasitaire aandoeningen ster-
ker werkende middelen ter beschikking gekomen. Desalniettemin is de
demodicosis ook nu nog een vaak moeilijk te genezen ziekte. Ijverig wordt
gezocht naar en geëxperimenteerd met middelen die de parasiet via bet

-ocr page 875-

bloed bereiken en doden. De beïnvloeding van de individuele weerstand
met roborantia, vitammen en hormonen heeft nog geen overtuigende re-
sultaten opgeleverd.

De antihistaminica bleken bij op allergische basis berustende huidaandoe-
ningen van waarde te zijn. Deze groep speelt in de dermatologie van hond
en kat echter geen grote rol.

Dat men in de geneeskunde van het kleine huisdier oog kreeg voor de
betekenis van de hormonen in de dermatologie is aan verschillende oor-
zaken te danken. De behandeling van het zogenaamde castratie eczeem
der kat met mannelijk hormoon, gaf in vele gevallen gunstige resultaten.
Daarnaast werd waargenomen dat menige teef tijdens de schijnzwanger-
schap of in verband met onregelmatigheden in de loopsheid, huidstoornis-
sen vertoonde, welke eveneens gunstig reageerden op toediening van hor-
monen. Een en ander geschiedde o]3 zuiver empirische gronden en een
verklaring van deze gunstige ervaringen ligt nog niet binnen de mogelijk-
heden der theoretische endocrinologie.

Gezien het feit dat bij honden endocrinc stoornissen van allerlei aard en
intensiteit nogal voorkomen en men in de praktijk minder gereserveerd is
inzake therapeutisch gebruik van hormonen dan in de humane genees-
kunde, geeft dit dc gelegenheid om op het gebied der dermatologie en der
endocrinolo.gie ervaringen op te doen die uit vergelijkend geneeskundig
oogpunt van grote betekenis kunnen worden.

Vijfentwintig jaar geleden waren de ervaringen nog zeer beperkt, en be-
troffen hoofdzakelijk beïnvloeding van het geslachtsapisaraat. In 1948 acht
Kirk het noodzakelijk om in zijn boek „Inde.x of Treatment" enige woor-
den te wijten aan het scepticisme op dit gebied, en wijst hij op de gunsti.ge
resultaten die de praktijk onmiskenbaar oplevert.

Zelfs mi nog kan bi j velen hier een sce[)ticisme worden waargenomen, het-
geen vermoedelijk samenhangt met verschillende factoren. De belangrijkste
is de individuele variatie in de reacties oj) thera])eutische toediening van
hormonen. Deze zijn soms geheel anders dan men op grond van vroegere
ervaring meent te mogen verwachten. Gezien de ingewikkelde koppelingen
in de endocrinc en nemovegetatieve systemen behoeft dit echter geen ver-
wondering te wekken.

Dat deze reacties vrij ernstig kimnen zijn en vaak niet voor een eenvoudige
correctie vatbaar, is wel een reden om met de nodige voorzichtigheid te
werk te gaan. Zorgvuldige klinische waarneming, uitgebreide opname der
anamnese, grote ervaring en kennis der theoretische endocrinologie zijn
onmisbaar, wil men op dit gebied aan scepticisme of dilettantisme ont-
komen.

Waar nog bij komt, dat in de diergeneeskunde de klinische- en laborato-
riummethoden niet zonder meer overgenomen kunnen worden. Verschil-
lende methoden dienen nog op hun bruikbaarheid getest en andere nog
gewijzigd te worden. Voor de praktijk zijn er nog geen beschikbaar.

Een ander gebied, waar zich belan.grijke wijzigingen voordeden is dat der
chirurgie. De geweldige ontwikkeling van de humane chirurgie en de on-
stuimige groei der experimentele chirurgie hebben het mogelijk gemaakt
dat vele methoden, al of niet .gewijzigd, in de diergeneeskunde konden wor-
den overgnomen. Zodat er reeds verschillende specialistische werken op dit
gebied zijn verschenen. Eén daarvan, „Canine Surgery", is door mede-

-ocr page 876-

werking van 29 auteurs tot stand gekomen en zelfs is er al een werk over
orthopedische chirurgie bij hond en kat. Het zal zonder meer duidelijk zijn,
dat de practicus de daar vermelde technieken in zijn dagelijks werk nooit
zo eigen kan maken dat hij ze voldoende beheerst.

De moderne chirurgie heeft haar mogelijkheden mede te danken aan de
grote vlucht der anesthesiologie. Deze vlucht is zo groot dat Wright
(1961) in het voorwoord van de vijfde druk van zijn werk over veterinaire
anesthesie schrijft: „time bas come when no single author can hope to be
competent to cover the whole field". Reden waarom hij deze druk in sa-
menwerking met Hall uitgaf.

25 jaar geleden had de practicus slechts de beschikking over enkele me-
thoden. Nu staat hem een veelheid van methoden ter beschikking die hem
in staat stelt de anesthesie verregaand aan te passen aan de mogelijkheden
der patiënt. Vele patiënten die vroeger hiervoor niet in aanmerking kwa-
men, o.a. de ouderen, kunnen nu zonder al te veel risico geholpen worden.
De verdieping van het inzicht in het fysiologisch gebeuren rond de operatie
en narcose droegen eveneens in niet geringe mate bij aan de beteugeling
der risico\'s.

Alhoewel vele in de humane chirurgie en anesthesiologie gebruikte me-
thoden — automatische beademing met positieve en negatieve druk, bloed-
drukcontrole, bepaling van pH, C02-spanning, elektrolytengehalten van
bet bloed, instandhouding bloedvolume en vochtbalans — te kostbaar en
te ingewikkeld zijn voor de praktijk, sluit dit niet uit dat de practicus in
menig geval nuttig gebruik kan maken van de nieuwe ontwikkelingen.

Terloops mag nog melding gemaakt worden van het, vooral diagnostisch,
gebruik van de röntgenteclmiek. Was het 25 jaar geleden een enkeling die
daarvan gebruik maakte, nu is het zover dat zij die alleen kleine huis-
dieren behandelen meestal zelf over een röntgentoestel beschikken. Door
P o m m e r is veel werk verricht met betrekking tot het therapeutisch ge-
bruik.

Hoe summier het bovenstaande is, toch kan in het kader van dit artikel
niet op deze wijze worden doorgegaan. Vermeld mogen daarom slechts nog
worden de ontwikkeling der oogchirurgic en neurologie, de uitgebreide
research op het gebied van hart- en vaatziekten, van de pathologische fy-
siologie van lever- en nierziekten, van de ziekten van beenderen en ge-
wrichten, en gezwellen. In het bijzonder dient vermeld te worden de bio-
chemie die welhaast in alle klinische specialismen een belangrijke rol ging
vervidlen.

Weinig van deze ontwikkelingen — uitgezonderd de kennis omtrent de
aandoeningen van beenderen en gewrichten — heeft reeds directe beteke-
nis voor de praktijk. In het grote geheel der geneeskundige wetenschap
echter dragen zij bij tot een verdieping van ons inzicht in het pathologisch
gebeuren. De vergelijkende geneeskunde, die de eeuwen door nauwelijks
een eigen plaats kon handhaven, wint nu snel aan betekenis.
De W.H.O. gaf in 1960 een rapport uit om te komen tot coördinatie op het
gebied der vergelijkende geneeskunde. De grootste aandacht is daarbij ge-
richt op de research van hart- en vaatziekten (200 projecten worden in
Amerika door de U.S. Public Health Service\'s National Heart Institute
ondernomen; in Pensylvanie is er zelfs een speciaal laboratoriumcomplex
voor gesticht, terwijl ook in Rusland en in West-Europa talrijke instanties

-ocr page 877-

zicli daarmee bezig houden). De dierenarts D e 11 w e i 1 e n verricht op dit
gebied belangrijk werk en verwierf zich een wereldnaam. Verder wordt
in dit rapport o.m. aandacht besteed aan carcinoom, chronisch degenera-
tieve aandoeningen van spieren, beenderen en gewrichten. Verschillende
daarvan komen bij de hond voor en vertonen soms vérgaande gelijkenis
met bij de mens voorkomende ziektebeelden.

In dit verband dient tevens vermeld, dat er de laatste jaren verschillende
verenigingen zijn opgericht welke beoefenaren der humane- en diergenees-
kunde in zich verenigen. Bijvoorbeeld: voor medische en veterinaire myco-
logie, voor parasitologie, voor vergelijkende neurologie en neuropathologie,
voor medische geografie en vergelijkende pathologie.

Deze veelomvattende ontwikkelingen op het gebied der geneeskunde brach-
ten een wijziging van het ziektebegrip met zich mee. Een wijziging die niet
alleen voor het theoretische verstaan van de ziekte, maar ook voor de be-
handeling in de praktijk belangrijke consequenties met zich gaat brengen.
Uit de sfeer van humoraal-, cel- en orgaanpathologie raakt bet min of
meer los. Nieuwe functionele eenheden werden in het lichaam ontdekt. En
zo wordt bet ziektebegrip nu betrokken op het zeer complexe dynamische
evenwicht dat deze functionele eenheden samen vormen. Een evenwicht
dat het individu in staat stelt zijn totaliteit te handhaven en op zijn beurt
in een dynamisch evenwicht met zijn milieu te verkeren.
In het bijzonder de bevindingen op het gebied van het endocrine systeem
en het vegetatieve zenuwstelsel leverden hier belangrijke bijdragen. Ver-
meld mogen hier worden S e 1 y e met zijn theorie over het „general adap-
tation syndrome" en Hess met zijn functioneel verstaan van het vegeta-
tieve zenuwstelsel De jongste der wetenschappen, de cybernetica, zal in
dit verband vermoedelijk een grote betekenis verkrijgen.

Na lezing van het voorgaande zal het duidelijk zijn dat het gevaar niet
denkbeeldig is dat er een grote afstand komt tussen diergeneeskimdige
wetenschap en diergeneeskundige praktijk. De consequenties daarvan lig-
gen op verschillend gebied.

De practicus kan niet meer alles zelf doen en evenmin zich dusdanig op de
hoogte houden van de ontwikkeling der wetenschap dat hij datgene, wat
bruikbaar is voor de praktijk, kan selecteren. Met het gevolg dat het ver-
trouwen in eigen kunnen wordt ondermijnd, en veel mogelijkheden voor
effectieve behandeling onbenut zullen blijven door gebrek aan deskundig-
heid en/of ervaring.

Dat veel mogelijkheden onbenut zullen blijven is mede het gevolg van eco-
nomische verhoudingen. Meer gespecialiseerde kennis vraagt meestal meer
gespecialiseerde apparatuur en onderzoekingsmethoden. Beide zullen on-
danks onze betrekkelijke welvaart de kosten der diergeneeskundig behan-
deling dusdanig doen stijgen, dat slechts een beperkte categorie daarvan
gebruik zal kunnen maken.

Het is eveneens een vraag van maatschappelijke orde hoe de nieuwe mo-
gelijkheden van de moderne diergeneeskunde voor de grote groep van
minder goed gesitueerden profijtelijk gemaakt kunnen worden. Hoe moei-
lijk dit probleem ook is, hier zal een oplossing gevonden moeten worden.
Liefst onder diergeneeskundige leiding. Tijdig aanvaarden van een verant-
woordelijkheid kan ook hier onheil voorkomen.

-ocr page 878-

Ondanks, mogelijk ook dankzij, deze moeilijkheden neemt de belangstelling
der praktizerende dierenartsen voor de geneeskunde van het kleine huis-
dier toe. Getuige het feit dat het aantal leden van de groep „Geneeskunde
\\ an het kleine huisdier" in de jaren 1955 tot 1962 meer dan verdubbelde,
en steeg van 63 tot 150. Ongeveer 30 houden zich uitsluitend, dan wel
voornamelijk met de kleine huisdieren bezig. Hun aantal neemt de laatste
jaren regelmatig met 1 a 2 toe.

Nauw verbonden met het probleem wetenschap en praktijk is ook het pi\'O-
bleem van de opleiding.

Wanneer de opleiding tot dierenarts bet zich eigen maken van de funda-
mentele kennis en techniek, die nodig is om op verantwoorde wijze de ge-
neeskunde van het kleine huisdier te beoefenen in moet sluiten, dan doet
zich de vraag voor of dit mogelijk is binnen het kader der huidige opleiding.
Enerzijds vanwege de beperkte tijd die het huidige opleidingsschema daar-
voor beschikbaar laat. Anderzijds vanwege de overbelasting, welke thans
op de staf van de Kliniek voor Kleine Huisdieren drukt.
Deze overbelasting houdt ook ernstige gevaren in voor het wetenschappelijk
onderzoek. De vraag doet zich dan ook voor of het gewenst is bijvoorbeeld
onderzoek en opleiding in de interne ziekten, met inbegrip van de endo-
crinologie, en in de vergelijkende geneeskunde in eigen afdelingen onder
te brengen.

Mogelijk zou dit ook een bijdrage leveren om in de toekomst een beperkte
specialisatie binnen de opleiding eenvoudiger te kunnen realiseren.

Men zal na lezing van het voorgaande niet meer twijfelen aan de belang-
rijkheid en aan de grote mogelijkheden van de geneeskunde van het kleine
huisdier.

Aan alle kanten groei en expansie.

Moge het allen die zich bij haar betrokken weten gegeven zijn om eens-
gezind, in deze zo belangrijke periode, de fundamenten voor een goede
ontwikkeling in wetenschappelijk en maatschappelijk opzicht te verbreden
en tc verstcvioen.

-ocr page 879-

De dierenarts en de voedingsmiddelenvoorzie-
ning.

door J. II. J. VAN GILS^)

Om in kort bestek een afgerond verhaal te produceren over wat zich in
de afgelopen honderd jaar heeft afgespeeld op het terrein van de dieren-
arts, die zich niet de voedingsmiddelenvoorziening bezig hield, is geen
eenvoudige zaak. Bronnen zijn er te over. Er moet een greep gedaan wor-
den uit vele, vaak boeiende, verhandelingen, waarin collega\'s deze ma-
terie, die voor hen leefde, hebben \\\'astgelegd voor de toekomst.
De geschiedenis van het toezicht op levensmiddelen is reeds aangevangen
met de ontwikkeling van de alleroudste bevolkingsconcentraties. De ge-
schiedenis der dierenartsen begon in Europa pas 200 jaar geleden, toen
een Veeartsenijschool in Lyon werd gesticht; die in ons land kon pas aan-
vangen na 1821, het stichtingsjaar van de Nederlandse Rijksveeartsenij-
school.

De eerste geschriften, waaruit blijkt, dat de „veeartsen" meer dan gewone
interesse hadden voor de voedingsmiddelen van de mens, dateren van het
midden der vorige eeuw. Hoewel de produktie van slachtvee hen beroeps-
matig niet onverschillig liet, en zij al het mogelijke deden om het te be-
schermen tegen besmettelijke veeziekten, strekten hun zorgen zich ook uit
naar de mens als consument. Het waren vooral de van zieke dieren afkom-
stige produkten vlees en melk en de gevaren aan de consumptie liieraan
verbonden, die daarbij hun belangstelling hebben getrokken.
Dat arseen- en kwikverbindingen, als therapeuticum toegediend, in melk
konden worden uitgescheiden en in \\lees aantoonbaar bleven en dat door
de consumjjtie daarvan „hevige toevallen en zelfs vergiftiging kunnen
worden voortgebragt" werd door Numan in 1849 vermeld. Deze auteur
beveelt daarom aan minstens 3 weken te wachten met de slachting, na de
toediening van arsenicum aan slachtvee. Hij pleit ervoor dat er „nadere be-
])alingen konden worden beraamd op het bereiden en afleveren van genees-
middelen, voor vee in het al.gemeen, door zodanige lieden aan wie, hoewel
zich Veeartsen noemende, echter doorgaans de kennis ontbreekt" enz.
Door dezelfde N u ni a n, die in zijn kwaliteit van „Directeur en Hoog-
leraar aan \'s Rijks Vee-artsenijschool te Utrecht" grote invloed had op het
denken en doen van de veeartsen van toen, werd enkele jaren later een veel
ruimer probleem gesteld, n.1. „Kan het vleesch van zieke dieren, in elk
geval, door den mens, zonder nadeel voor zijne gezondheid, als voedsel
worden genuttigd?" De geschiedenis en de „toenmalige" moderne litera-
tuur uit binnen- en buitenland geraagdpleegd hebbende, kwam hij tot de
conclusie dat er een grote tegenstrijdigheid in de waarnemingen Ijcstond.
Hij pleitte tenslotte voor een „zoogenaamde afgekeurde markt, alwaar
vleesch van koeijen die aan kalverziekte lijden, die den draagzak hebben
uitgeperst, die aan opgeblazenheid lijden, die in een niet te sterken graad
door de zoogenaamde paarl-ziekte of inwendige pokziekte zijn aangetast",

1) Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Hoo.gleraar Faculteit der Diergeneeskunde, Rijks-
universiteit Utrecht, Biltstraat 166, Utrecht.

-ocr page 880-

zou moeten worden verkocht. Ook „ongans en draaiziekte bij schapen,
mits niet in een te vergevorderde trap en gortigheid van varkens, onder
dezelfde voorwaarde, moet verwijzing naar de afgekeurde markt tot gevolg
hebben". „Vleesch van beesten welke aan miltvuur of venijn, longziekte en
runderpest lijden, mag ondanks de tegenspraak, terzake van de schadelijk-
heid, ninuner voor menselijke consumptiedoeleinden verkocht worden". Of
de eigenaar ervan mocht eten, werd aan diens inzicht overgelaten.
I3e veearts Von R e e k e n, die later arts werd vanwege de geringe ver-
dienste en het gebrek aan aanzien bij bevolking en overheid, publiceerde
in 1956 een geschrift handelende over Volksvoeding en Veeartsenijkunde.
Hierin wees hij de overheid op de schade voor de gezondheid van de con-
sument in verband met van zieke dieren afkomstig vlees, daarbij stellende,
dat de geldswaarde van een dier niet kon opwegen tegen een mensenleven.
Hij pleitte tenslotte voor „een wet, waarbij de slagter de verplichting werd
opgelegd, zijn te verkoopen vleesch vooraf te laten keuren".

De tijd scheen rijp te worden voor het treffen van overheidsmaatregelen,
toen meer en meer toonaangevende lieden bun stem lieten horen. Door
de „vee-arts der 1ste Klasse" te Ginneken, W a g e 1 m a n s, werd in 1857
een „Proeve van Wet" in het „Jaarboekje der Maatschappij van Land-
bouw, luinbouw en Veeteelt in het Arrondissement Breda voor 1857" ge-
publiceerd, hetwelk gedeeltelijk naar een Oostenrijks voorschrift was op-
gezet. De titel luidde: „Over het keuren van slagtvee en geslagt vleesch".
Als definitie van de keuring werd daarin gegeven „Onder Vee- en Vleesch-
kcuring verstaat men een nauwkeurig onderzoek van het voor mensche-
lijke voeding bestemde dier in zijn levendigen en geslagten toestand, met
het doel, om de kooper voor het gebruik van ongezonde, bedorven, onsma-
kelijke en vervalschte Vleeschwaren te behoeden". De „beëdigde, zaak-
kundigen Keurmeester" moest, naar Wagelmans voorstelt, behalve het ver-
richten der keuringen ook toezicht houden op slachthuizen, vleeswinkels,
de wijze van slachten en het bewaren van vlees in verse en toebereide toe-
stand.

Het is interessant te lezen dat in die tijd zowel de klinische kennis als die
van de eigenschappen van vlees goed ontwikkeld zijn en dat ook de aan-
wijzingen van hygiënische aard ook beden ten dage nog gelden. Zo wist
men uit ervaring dat slecht uitbloeden bederf bevordert en dat het vlees
van zeer vermoeide slachtdieren taai, smakeloos en niet goed houdbaar
was.

Interessant zijn ook de beschouwingen over de geschiktheid van paarde-
vlees als voedingsmiddel voor de mens, welke ruim 100 jaar geleden opgeld
deden. Met moeite ging de toenmalige consument blijkbaar tot consumptie
hiervan over, ondanks het gebrek aan en de hoge prijs van varkens- en
rundvlees. Een slachtpaard kostte toen 6 ä 7 gulden en F u c h s, hoog-
leraar van de Veeartsenijschool te Karlsruhe (vertaald door H e k m e y e r,
leeraar aan \'s Rijks-Veeartsenij school te Utrecht), beveelt in 1859 paarde-
vlees aan om in het gebrek aan vlees te voorzien, zij het onder voorwaarde
dat de Staat „eene algemeen werkende Wet van gezondheidspolicie" in het
leven zou roepen. Zou men het toezicht aan de bijzondere inzichten van
gemeentebesturen overlaten, dan zou de werking verlamd en de willekeur
van verbod of toestemming voor het slachten en keuren van paarden en
andere slachtdieren, alsook het daarvan afkomstige vlees, blijven bestaan.

-ocr page 881-

Het slachten van paarden en de verkoop van paardevlees moest wel ge-
scheiden gehouden worden van de overige slachtdieren, meende de auteur.
Hij wilde tenslotte de eerlijkheid in de handel bevorderen door vervalsin-
gen, waarmee het verwisselen van goed vlees met slecht vlees was bedoeld,
tegen te gaan en alle gestorven en afgekeurde dieren door bevoegde per-
sonen onbruikbaar laten maken, zodat het niet meer als voedsel voor de
mens kon dienen. Het afgekeurde vlees nog naar een bijzondere bank
brengen, moest maar worden afgeschaft. Alleen „wetenschappelijke vee-
artsen" zouden tot „keurders" mogen worden benoemd.

Begeleid door deze meningen bereikte ons land het sdchtingsjaar van de
thans jubilerende Maatschappij. Omt rent de rol die de veeartsen, met in-
begrip van de empiristen, bij de voedingsmiddelencontróle in die dagen
speelden, weten we dat zij in vele grote en ook in een aantal kleinere ge-
meenten waren ingeschakeld bij de keuring van levende slachtdieren en
het onderzoek van vlees en organen na de slachting, waarbij ze tevens de
taak hadden toe te zien op de hygiëne. Men meende dat de dierenarts van
toen voldoende kundig was voor deze deeltaak van zijn beroep. Er waren
reeds handleidingen voor de keuring, die voor bepaalde aandoeningen af-
keuring van organen, delen en gehele dieren voorschreven.
Met de hygiëne was het slecht gesteld, vooral wat het slachten betreft, het-
geen zelfs buitenstaanders naar de pen deed grijpen. Zekere Mr. W. R.
de Boer, aangehaald door W i r t z, schreef in 1859 reeds: „Er zijn naar
onze gedachte, weinige onderwerpen, die uit een oogpunt van reinheid
en openbare orde in ons vaderland meer de aandacht verdienen dan dat
van het dooden der voor \'s-menschen voeding bestemde dieren". „Deze
woorden", schreef Wirtz, „kunnen, thans 18 jaar later, nog dienst doen
zonder verouderd te zijn". En hij vervolgde: „Feitelijk bleef de zaak zoals
hij was; hoogstens kwam het tot goede voornemens in onze grote steden".
Deze publikatie van Wirtz was vooral gewijd aan en een pleidooi voor
oprichting van Openbare Slachthuizen in Nederland, met name ook in
Utrecht. Factoren als verontreiniging van bodem, water en lucht speelden
ook toen al een rol in de argumentatie hiervoor. Natuurlijk moest de keu-
ring van alle slachtdieren in deze abattoirs geschieden en een waarborg
voor de consument bieden. Elders in de gemeenten moest het slachten,
behoudens misschien van varkens, verboden worden. Het probleem bij de
centralisatie van het slachten van varkens was kennelijk de produktie van
een grote hoeveelheid warm water en de grote ruimte die nodig was om veel
varkens tegelijk te slachten. Voor de overige slachtingen werd het Franse
kamersysteem met 4 slachtstanden op 32 m2 oppervlakte aanbevolen.
De oudste toen genoemde slachthuizen waren gelegen in de steden Maas-
tricht, Venlo en \'s-Hertogenbosch, gebouwd in resp. 1826, 1837 en 1852.
Hoewel ze geen van alle rendeerden, meende Wirtz dat zulks met
„slachtgelden, inbegrepen keurgelden" van ƒ 2,— voor een rund en
lagere voor kleinere slachtdieren wel te bereiken zou zijn. Keurmeesters
moesten door veeartsen worden opgeleid en onder hun toezicht blijven
keuren.

De reeds eerder genoemde veeartsenijschool-leraar Hekmeyer bleef
ook na zijn emeritaat belangstelling voor de taak van de dierenarts bij de
keiuing van voedingsmiddelen behouden. Hij vertaalde het in 1882 in het

-ocr page 882-

Duits verschenen „leerboek" over het keuren van vlees en vleeswaren
van de Lenibergse hoogleraar B a r a n s k i.

In het 140 pagina\'s tellende werk wordt een opsomming der eetbare dier-
soorten gegeven; van het vlees en vet der verschillende slachtdieren wordt
de samenstelling, alsook de invloed van het verstrekte voeder, o.a. vis-
]5rodukten, besproken. Ook de invloed van vermoeidheid vóór de slachting
krijgt aandacht. .\'\\lle variaties in de bedwelmingsmethoden werden be-
schreven, zelfs die middels de elektrische stroom, „de electrische slag", welke
omslachtig, gevaarlijk en kostbaar werd bevonden. Aan elk groot open-
baar slachthuis moest minstens één gediplomeerd veearts zijn verbonden,
volgens de schrijver; het onderzoek vóór en na de slachting kon door keur-
meesters, die toen al volgens een „plichtenlijst" moesten werken, geschie-
den. Het boek bevatte toen goede afbeeldingen van parasieten en protozoën
in de spieren. Toezicht op transport van vee en vlees, op wild, vis en ge-
vogelte wordt van groot belang geacht. Ook dc conservering door koude,
warmte, drogen en zouten wordt in korte trekken beschreven. Bederf
wordt aan „organische kiemen" toegeschreven, die ojs alle voedingsmidde-
len onder gunstige omstandigheden „in groote menigte" omzettingen geven.
De „keurmeester" van de tachtiger jaren, t)ijgestaan en gecontroleerd door
de „keuringsveearts", kon, dank zij deze voorlichtende publikatie, een be-
langrijke schrede vooruit komen op de moeilijke weg der vleeskeuring.
Zulks liet niet na zijn invloed uit te oefenen op de meningsvorming bij dc
dieren artsengroeperingen in die tijd, waarin het herhaaldelijk noodzakeli jk
bleek de „nieuwere" ideeën uit te dragen in die kringen, die mede en in
sterkere mate verantwoordelijk waren voor de volksgezondheid.
In een rede van Van E s v e 1 d, leraar aan \'sRijks Veeartsenijschool, uit-
gesproken in de op 1.5 april 1890 gehouden Algemene Vergadering der
■(hereniging tot Verbetering der Volksgezondheid te Utrecht, werd gepleit
voor de noodzaak van de keuring \\an slachtdieren en vlees. Hierbij haalde
hij, na een historisch overzicht van bet toezicht op en de voorschriften
betreffende de consmnptic van het voedsel, met name vlees, een aantal
voorbeelden aan van vleesvergiftigingen en parasitaire besmettingen, welke
wel moesten spreken tot de verbeelding van deze, met verantwoordelijk-
heid belaste, lieden. Met een zekere trots meent Van E s v e 1 d te mogen
verklaren, dat ondanks het feit dat te Utrecht nog steeds geen slachthuis
was gebouwd, in geen der andere grote steden de keuring beter geregeld
was. De le keurmeester in Utrecht was veearts; hij was belast met de micro-
scopische onderzoekingen en de administratie en moest tevens in alle
twijfelachtige gevallen beslissen. Groot belang werd gehecht aan het aan-
wezig zijn der keurmeester bij het openen van de lichaamsholten, alsmede
aan het toezicht op de invoer van vleeswaren van binten en o]) de slage-
rijen in de stad. Het begrip mengen \\\'an goed vlees met inferieure (magere)
kwaliteiten om meer wateropname in worst mogelijk te maken, was reeds
welbekend. Er moest daarom meer toezicht komen, om knoeierijen de kop
in te drukken. Met het noemen van een reeks verbeteringen, die in de keu-
ring zouden kunnen worden aangebracht en waarin centraal de bouw van
een abattoir stond, besloot Van E s v e 1 d zijn rede.

In oude „Tijdschriften" lezen we dat ook de toen geheten „Maatschappij
ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland" zeer geïnteresseerd
was in de vleeskeuring. Zulks moge blijken uit een op de .30ste Algemene

-ocr page 883-

Vergadering door de leden gegeven opdracht oin „een nauwkeurig onder-
zoek in te stellen naar de toestand der vleeskeuring". Het werd aan een
commissie, met Van E s v e 1 d als voorzitter, „overgelaten hoe dit onder-
zoek te doen om uit het residtaat hiervan tot een Rijkswet te komen".
Het definitieve rapport werd in 1894 uitgebracht en bevatte interessante ge-
gevens over de wijze, waarop de keiuing in den lande was geregeld en de
jjcrsonen die als keurmeeser optraden. Behalve veeartsen waren zowel be-
voegde als onbevoegde empiristen, veldwachters, slagers, allerlei ambachts-
lieden, w.o. marskramers, een „vader" van een liefdadigheidsgesticht, als-
ook gemeente-ambtenaren, zoals burgemeesters, gemeente-secretarissen,
wethouders en bodes als keurmeester van slachtvee en vlees werkzaam.
Het rapport, waarvan de samenstellers zich om gegevens hadden gewend
tot alle commissarissen der Koningin, gemeentebesturen, veeartsen en —
ook onbevoegde — empiristen, geneeskundigen en geneeskundige inspec-
teurs, is voorzien van overzichten van beijalingen en verordeningen terzake
van de vleeskeming in de gemeenten, \\\'an abattoirs, slachterijen en worst-
fabrieken, van keurmeesters en van verslagen van ziekten die door ge-
bruik van vlees ontstaan waren. Op grond van dit onderzoek werd de toe-
stand als zeer onv oldoende en ongimstig bevonden en de conclusies luidden
dan ook dat er een Rijkskeuring moest komen, waarin bepaald zou wor-
den, dat alle vee vóór en het vlees zowel als de organen nä de slachting
gekeurd moesten worden door met de nodige kennis gewapende keur-
meesters. Hiertoe werden in de eerste jjlaats veeartsen aanbevolen, in de
tweede plaats geneeskundigen en emiMristen, en pas bij gebrek aan dezen
ook leken, die ten overstaan van een daartoe aangestelde commissie van
deskundigen blijken van hun bekwaamheid als keurmeester zouden heb-
ben afgelegd.

Zou het onverhoopt onmogelijk zijn alle slachtdieren te keuren, dan zou-
den in ieder geval alle in nood gedode en gestorven slachtdieren onder-
zocht moeten worden. Voorts werden „algemene" slachthuizen in alle ge-
meenten met meer dan 5000 ä 7000 inwoners nodig geoordeeld; voor klei-
nere gemeenten werd een kringslachthuis voor gezamenlijk gebruik aan-
bevolen.

Het rapport, dat o.a. werd aangeboden aan de toenmalige Minister van
Binnenlandse Zaken, leverde geen direct resultaat op, maar zal ongetwijfeld
hebben bijgedragen tot een verhoogde aandacht voor de keuring bij de
gemeentebesturen en bij de dierenartsen, waarvan er geleidelijk meer en
meer door de gemeenten werden aangesteld.

Na het verschijnen van het rapport nam het aantal abattoirs toe, vooral
in grote maar ook in enkele kleine gemeenten. Pas nä de eerste wereld-
oorlog en in samenhang met het in werking treden van de Vleeskeurings-
wet (1919) zien we de abattoirsbouw zich pas ten volle ontplooien en een
goede huisvesting verlenen aan de in 1922 verplicht geworden instellingen
van gemeentelijke vleeskeuringsdiensten.

Inmiddels was in 1892 het „Handbuch der Fleischbeschau" van O s t e r-
t a g verschenen en de invloed van dit eerste grote standaardwerk op het
wetenschappelijk denken en doen der dierenartsen, die toen in de vlees-
keuring werkzaam waren of daartoe overgingen, is nauwelijks te schatten.
De ontwikkeling der kennis omtrent de pathogeniteit van de parasieten
en de microörganismen, sinds resp. de vijftiger en zeventiger jaren der

-ocr page 884-

negentiende eeuw, bood de mogelijkheid tot het onderscheid maken in voor
de mens gevaarlijke en niet-gevaarlijke ziekteveroorzakers. De ontdekkin-
gen van Louis Pasteur en later van RobertKoch waren aanlei-
ding, dat kweekmethodieken tot het opsporen van ziektekiemen ontwikkeld
werden, welke spoedig, ook in ons land, ingang vonden bij het onderzoek
van vlees van zieke en van ziekte verdachte slachtdieren en het onderzoek
naar de doodsoorzaak van gestorven vee.

In ons land verschenen toen tal van publikaties van dierenartsen, zowel
als van artsen, die aandacht schonken aan de microben, die in vlees, dan
wel in daarmee bereid voedsel, werden aangetroffen en ziekten bij de mens
veroorzaakten. Het culturele onderzoek leverde het wetenschappelijk bewijs
voor de samenhang tussen mens- en dierziekten. Het begrip zoönosen was
geboren en de veronderstelde gevaren van dit complexe begrip konden
daarmee enerzijds tot zijn juiste proporties worden teuggebracht, ander-
zijds bewezen worden, in tot dan toe onbekende en dubieuze gevallen.
Talrijk ook waren rond de laatste eeuwwisseling publikaties, die handel-
den over de noodzaak openbare slachthuizen te bouwen. Van de toen-
malige groten onder de dierenartsen willen we noemen D. A. d e J o n g
uit Leiden, die in vele goedgefundeerde publikaties de bouw van openbare
slachthuizen stinmleerde en de noodzaak van het op wetenschappelijke
basis brengen van de keuring van vee en vlees bepleitte. En daarmee hield
zijn belangstelling niet op: ook na de keuring moest vlees, op zijn weg naar
de consument, beschermd worden, meende hij. Werden bij de alleroudste,
\\óór de laatste eeuwwisseling gebouwde, slachthuizen nog geen of zeer
primitieve koelruimten gebouwd, vanaf die tijd gebeurde dat wel. D e
.Jong gelukte het bij zijn abattoir een koelhuis gebouwd te krijgen; sinds-
dien werd dit een goede gewoonte bij het bouwen van slachthuizen.
Dat koeling tijdens de bewaring van grote beschermende waarde tegen
kiemontwikkeling in vlees was, had P o e 1 s in samenwerking met D h o n t
reeds in 1893 aangetoond in een nauwgezet onderzoek naar de oorzaak van
een ernstige vlecsvergiftiging in Rotterdam. Daarbij hadden deze onder-
zoekers staafjes geïsoleerd, waarvan het gedrag overeenkwam met de voor
een vergelijkend onderzoek toegezonden culturen, die door G a f f k y en
Gärtner in Duitsland bij vleesvergiftigingen waren gekweekt. De door
hen opgezette dierproeven leerden dat bij slachtdieren, die met een zeer
gering aantal „vleesvergiftigende" kiemen besmet werden en kort na dc
infectie werden geslacht, deze kiemen in het vlees waren aan te tonen,
zij het in een zeer gering aantal; doch dat dit vlees, na 72 uur bewaard te
zijn geweest bij 20° C, sterk doorgroeid was met deze kiemen. Gekoelde
bewaring bleek in feite de beste bescherming tegen de groei van vlees-
vergiftiging verwekkende kiemen in vlees te geven.

Voor de dierenartsen in die dagen was het noodzakelijk dat zij de bacteriën-
kweek als routine-onderzoek introduceerden in hun slachthuis- en vlees-
keuringslaboratoria en zij hebben dit gedaan. Zij konden dit ook, daar er
in hun opleiding aan de toenmalige „Rijksveeartsenijschool" veel aandacht
werd geschonken aan de diagnostiek der infectieziekten, waarvan velen
door bacteriën veroorzaakt werden. De titel veearts-bacterioloog deed aan
de slachthuizen zijn intrede, ofschoon elke keuringsveearts, clie in ge-
meenten zonder een slachthuis werd aangesteld, belast was met het bac-
terioscopisch en bacteriologisch onderzoek van vlees.

-ocr page 885-

Hoewel in „Maatschappij"-verband sommige belangen der keuringsdiereii-
artsen wel werden behartigd, leidde het toenemend aantal slachthuizen tot
een steeds groter wordende behoefte aan contact tussen de directeuren
daarvan. In 1907 werd opgericht de „Vereniging van Directeuren van Ge-
meentelijke Slachthuizen in Nederland". Deze ontwikkelde zich tot een
centrum waar alle bedrijfsbelangen in de bijeenkomsten werden besproken
en bestudeerd, maar waarin ook de ontwikkebng en de vooruitgang der
kennis op het terrein van het onderzoek en de beoordeling van slachtdieren
en vlees, alsook het repressieve toezicht, grote aandacht kreeg.

Het was ook in 1907 dat in de Troonrede voor het eerst gesproken werd
over de noodzaak van het uitvaardigen van wettelijke voorschriften, die
tot keuring van vee en vlees in bet gehele land zou voeren. In dat jaar
werd wel de keuring van voor export geslacht vee en het daarvan afkom-
stige vlees wettelijk geregeld.

In 1913 waren de voorbereidende werkzaamheden zo ver gevorderd, dat
van de behandeling van het ontwerp-vleeskeuringswet door de Staten-
Generaal in de Troonrede gewag werd gemaakt. De eerste wereldoorlog was
oorzaak dat het 1919 werd, voordat de Vleeskeuringswet werd aangenomen.
Tegelijkertijd kwam ook de Warenwet, waarin het toezicht op de overige
voedingsmiddelen geregeld werd, tot stand.

Volgens de bepalingen van de Vleeskeuringswet moesten de gemeenten dc
keuring van vee en vlees door en onder verantwoordelijkheid van dieren-
artsen doen geschieden. De Warenwet schreef voor dat aan elke Keurings-
dienst van Waren een dierenarts verbonden moest zijn, zulks in verband
met bet toezicht op de vele andere voedingsmiddelen van dierlijke oor-
sprong.

In 1922, toen dc beide wetten in werking traden, konden alle vlee.s-
keuringsdiensten worden bemand. Voor de Keuringsdiensten van Waren
meldden zich slechts enkele collegae. Zij, die dit deden, bleven veelal
slechts korte tijd in dienst. Waar zij echter gewerkt hebben oogstten zij
waardering, en nog altijd z.ijn er diensten waar men gaarne een dierenarts
aan dc staf zal verbinden. Het ziet er naar uit, dat hier een deel van het
arbeidsterrein voor de dierenarts verloren is gegaan. In om ons heen ge-
legen landen nemen wij een tegengestelde ontwikkeling waar en worden
de bemoeienissen der dierenartsen op het gebele terrein der levensmidde-
len controle steeds groter.

Voor het gebied van de melkcontrole is de belangstelling van de dieren-
arts groter geweest.

Dc meeste melkcontrôlestations hebben een dierenarts als directeur. Het
zwaartepunt bij de po,gingen tot \\erbetering van de kwaliteit der melk ligt
voornamelijk bij de winning op de boerderij, waar de dierenarts krachtens
zijn beroep „kind aan buis" is. Zijn hygiënische scholing en kennis van
zaken betreffende mastitis en de bestrijding daarvan, alsmede de zoötech-
nische kennis waarmee hij bij zijn opleiding wordt uitgerust, zijn hem daar-
bij van grote waarde en maken hem, bij een goed gebruik daarvan, uiter-
mate geschikt voor deze functie. Tot nu toe is het niet, zoals in het centrum
en het westen des lands tot een algehele uitbouw van het melkcontrôle-
apparaat gekomen. Mocht dit in de naaste of meer verwijderde toekomst
gebeuren, dan ligt het in de lijn der verwachtingen dat dit verruimde
arbeidsterrein toenemende belangstelling van de dierenarts zal trekken.

-ocr page 886-

Het grootste aantal der in ambtelijke dienst werkzame dierenartsen vond
en vindt nog zijn taak in de vleeskeuring.

Ondanks de goede wetenscbappelijke ondergrond in de bepalingen, was er
een vrij ruime interpretatie-mogelijkheid inzake onderzoek en beoordeling.
Vele dierenartsen, die in de vleeskuring werkzaam waren, vonden tal van
lacunes in de voorschriften, die voor hen aanknopingspunten voor een na-
der, vaak diepgaand, onderzoek werden.

De resultaten van deze onderzoekingen leidden dikwijls tot wijzigingen in
de wettelijke voorschriften. Steeds groter werd de nauwkeurigheid in de
bepalingen, welke voor onderzoek en beoordeling van slachtdieren en vlees
werden uitgevaardigd, vrijwel geen ruimte meer latend voor eigen inter-
pretaties en initiatieven. Hierdoor werd bereikt, dat de veiligheid \\an de
consument zo goed mogelijk gewaarborgd en de uniformiteit in de uit-
spraken zo hoog mogelijk opgevoerd werden.

Hoewel in deze regelen de bijdragen tot verbetering van de wetenschap-
pelijke fundering van de vleeskeuring door Nederlandse dierenartsen aan-
dacht kregen, houdt zulks niet in dat hiertoe geen onderzoek van buiten
de grenzen zou hebben bijgedragen. Het tegendeel is het geval; door het
lezen van publikaties uit binnen- en buitenland en het bezoeken van eigen
en internationale bijeenkomsten en van vakgenoten uit alle delen der
wereld, bleef de Nederlandse dierenarts-hygiënist de ontwikkeling van zijn
tak van wetenschap op de voet volgen.

Er zijn nog enkele „groeperingen" van in hoofdzaak dierenartsen, die in
de loop der tijd in de ontwikkeling der voedingsmiddelenhygiëne hebben
bijgedragen. Onder andere behoort hiertoe de Groep „Kennis der mense-
lijke voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong met afdelingen voor vlees-
en melkhygiëne". Wel is deze „Groep" thans inactief, maar een van haar
arbeidsterreinen is overgenomen door de Groep van Directeuren van
Vleeskeuringsdiensten.

Hoewel meermalen pogingen gedaan zijn om de keiuing van wild en ge-
vogelte door en onder supervisie van dierenartsen te doen plaats vinden,
is dit niet gelukt. Er vindt tot op heden slechts een rejjressievc controle
door de Keuringsdienst voor Waren plaats, al wordt er op een enkele
jolaats ook wel „gekeurd" door ambtenaren van deze dienst. Dc betrekkelijk
geringe produktie van voorheen van deze vleessoorten is de laatste jaren
in buitengewoon sterke mate vooruitgegaan. Dit is aan de belangstelling van
de Veterinaire Insiscctic van de Volksgezondheid niet ontgaan en op haar
initiatief zijn thans een groot aantal keurmeesters door middel van een
aj)plicatie cursus voorbereid om onder leiding van dierenartsen in de
pluimveekeuring werkzaam te kunnen zijn. .A.an elke pluimveeslachterij,
waarvan de directie dit wenst, kan men thans de keuring verricht krijgen.
.\\an enkele inrichtingen vindt reeds keuring plaats.

Een enkel woord moet ook gezegd worden over de trouwe medewerkers
van de keuringsdierenartsen, de keurmeesters. De tijd dat geneeskundigen,
burgemeesters en marskramers, om maar enkele voorbeelden te noemen,
tot keurmeester werden aangesteld, is voorbij. De aanwijzingen van Van
E s
V e ld zijn, zij het jaren nadat deze gegeven werden, verstaan en er
werd aandacht besteed aan de opleiding. Was het in de vorige en in het
begin van deze eeuw voornamelijk de individuele keuringsveearts die de,
hem door het gemeentebestuur toegewezen, keurmeesters opleidde en

-ocr page 887-

vormde, de in 1907 in het leven geroepen Rijkskeuring van voor uitvoer
bestemd vlees, deed de noodzaak van een meer omlijnde opleiding voelen.
Aan enkele abattoirs werden hiertoe cursussen gegeven aan groepen jonge
en vakkundige slagers, die na een met goed gevolg afgelegd examen, het
diploma van „hulpkeiu\'meester vee en vlees" verkregen. Bij het in werkino"
treden van de vleeskeuringswet werd de opleiding van hulpkeurmeesters
door desbetreffende bepalingen nader geregeld en aan de keuringsdieren-
artsen toevertrouwd. Zij zijn medewerkers van niet te schatten waarde bij
de uitvoering van de zeer verantwoordelijke taak die hen is opgelegd.

Nog in een ander soort opleiding is de dierenarts ingeschakeld, n.1. in die
van de slagers. Voor leerlingen- en gezellencursussen is in vele slachthuizen
ruimtelijke gelegenheid geschapen en zijn dierenartsen mede belast met
het onderwijs.

Gevolg gevende aan de wens van de eerste directeur van de slagersvak-
school te Utrecht, de heer Th. C u i p e r, die tevens de grote promotor en
directeur wa.s van de Stichting Slagersvakonderwijs in Nederland en de
Stichting Proefstation voor het Slagersbedrijf, werd door het bestmir in
diens opvolging voorzien door een dierenarts in deze functie aan te
stellen.

.\\an de Hogere Ziuvelscholen zijn ook dierenartsen als leraar verbonden.

Over de opleiding der dierenartsen als vocdingsmiddelenhygiënist valt te
vermelden, dat in 1881 een nieuw leervak, genaamd „de vleeskeuring" op
de lesrooster van de toenmalige „Rijksveeartsenijschool" verscheen. In
1903 werd dit onderwijs, dat tot dan toe uitsluitend theoretisch was ge-
geven, uitgebreid met „de practische vleeskeuring". Het onderwijs hierin
werd opgedragen aan de directeur \\\'an de, in 1901 in gebruik genomen,
Gemeenteslachtplaats van Utrecht, welke opdracht in 1918 omgezet werd
in een lectoraat. Tijdens de voorbereidingen voor de totstandkoming van
de Vleeskeuringswet werd tevens in het onderwijs der voedingsmiddelen-
hygiëne voorzien door het voorbereiden van de leerstoel in „de kennis der
menselijke voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong". Dit betekende een
belangrijke verruiming van de leerstof en het onderzoekterrein.
In 195,5 werd het onderwijs in dc melkhygiëne van genoemde leerstoel af-
gesplitst.

Dat zovele taken op het gebied van de voedingsmiddelenhygiëne aan
dierenartsen zijn toebedeeld, is in belangrijke mate de verdienste van
vorige generaties dierenartsen, die door hun kermis en inzet dit voor hen
nieuwe arbeidsterrein hebben betreden en ontwikkeld. Wij zijn hen daar-
voor grote dank en respect verschuldigd.

-ocr page 888-

De dierenarts en de zoötechniek

door TH. DE GROOT.\')

Hoewel voor regeren het „vooruitzien" van spreekwoordelijke betekenis
is, kan men toch stellen dat ook de beoefenaar der Wetenschap veel
profijt van een vooruitziende blik kan hebben, vooral als hij er prijs op
stelt dat zijn onderzoek enigszins aansluit bij de praktijk. Men zou kunnen
zeggen dat het in bepaalde gevallen van belang is dat hij ongeveer kan
voorspellen in welke richting de praktijk zich zal ontwikkelen, zodat hij
als het ware van tevoren die problemen aanvat, waaraan de praktijk in
de toekomst behoefte zal krijgen. Dit is uiteraard des te wenselijker
naarmate het onderzoek, dat op het vraagstuk betrekking heeft, meer tijd
zal vergen.

Aan de andere kant kan ook het organiseren van een herdenkingsfeest
nuttig zijn, omdat men daardoor eigenlijk automatisch gedwongen wordt
de blik eens terug te werpen over de inmiddels afgelegde weg. Dit niet
zo zeer om dan met een zekere voldaanheid stil te staan bij het bereikte,
als wel om lering te trekken uit vroeger gemaakte dwalingen en om nieuwe
moed te putten uit successen, die voorgangers hebben weten te boeken.
Geldt het voorgaande tot op zekere hoogte voor ieder herdenkingsfeest,
het geldt in sterke mate als het een eeuwfeest betreft, hoewel daarbij wel
de moeilijkheid zich voordoet, dat de afgelegde weg inmiddels zó lang
is geworcien, dat het beginpunt niet of nauwelijks meer is te ontwaren.
Bovendien kan men bij niemand die bij de „start" aanwezig is geweest
zijn licht opsteken als men een poging wil wagen de ontwikkeling op
schrift te stellen, zodat men aangewezen is op schriftelijke bronnen, met
alle bezwaren van dien.

Om aan te tonen, dat er op zoötechnisch gebied, waarover dus in deze
bijdrage een en ander verteld zal worden, wel zo het een en ander ge-
wijzigd is, behoeven we echter zeker geen 100 jaar terug te gaan.
Ter illustratie mogen hier enkele feiten worden gememoreerd:
Ongeveer een halve eeuw geleden wisselde de bekende fokstier Jan 326.5
F.R.S. van eigenaar voor ƒ 600,— en iedereen sprak er in die tijd schande
van dat Jan H voor het fenomenale bedrag van f 1.000,—, door nota
bene een groep arme Twentse boeren, werd aangekocht! Wat zou „ieder-
een van voor de eerste wereldoorlog" gezegd hebben als htm voorspeld
was dat in 1962 voor één stier een kwart miljoen zou woorden neergeteld?
Honderd jaar geleden bestond in ons land nog geen enkel stamboek,
momenteel kent men ze voor elke huisdiersoort en \\oor een enkel soort
bestaat zelfs een hele rij.

De produktiecontrole als belangrijk hulpmiddel bij de veeverbetering
was nog geheel onbekend.

De wetten van Mendel waren misschien wel ontdekt, maar ze moesten
nog worden herontdekt, voordat ze ter kennis van onze fokkers zouden
kunnen komen.

De kunstmatige inseminatie is zo kort geleden ingevoerd dat men, als

I) Prof. Dr. Th. de Groot, Buitengewoon Hoogleraar, Faculteit der Diergenees-
kunde, Ri.jksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 889-

men over een eeuwfeest spreekt, in dit verband het woord geschiedenis
nauwelijks durft neer te schrijven.

begrippen als zetmeelwaarde en vitamine, om slechts een paar termen
uit de veevoeding te noemen, waren een eeuw geleden nog onbekend.

Hoewel de veefokkerij en -houderij het zonder al deze hulpmiddelen
moest stellen, moet men daaruit niet concluderen dat een eeuw geleden
op zoötechnisch gebied nog niets was bereikt. Wij behoeven alleen maar
te denken aan de fokkerij \\ an renpaarden, die als het ware automatisch
profiteerde van het feit dat de rennen een soort produktiecontrolesysteem
vormen, of de naam te noemen van misschien wel de meest geniale
veefokker aller tijden: Robert B a k e w e 1 1, om van het tegendeel
overtuigd te geraken.

Trouwens, zouden vele rundveefokkers niet bij voorkeur kalveren hebben
aangehouden van hun meest melkrijke koeien, zonder dat het begrip erfe-
lijkheid hun nu misschien zo duidelijk voor de geest stond? Ik meen rede-
nen te hebben om aan te nemen van wel.

Hoe dit ook zij, er is in de laatste eeuw in de huisdierteelt zeer veel
veranderd en de meeste veranderingen hebben, het moge eveneens uit
bovenstaande opsomming worden afgeleid, nieuwe perspectieven geopend.
In de laatste helft van de vorige eeuw is het begonnen met de o])richting
van de stamboeken voor rundvee en verschillende paardenrassen. Deze
verenigingen zijn misschien aanvankelijk meer bedoeld geweest om de
registratie der dieren en him eigenaren te verzorgen, maar naderhand is
toch geleidelijk het motief van de veeverbetering meer en meer op dc
voorgrond gekomen. Dit blijkt o.a. uit het feit dat, toen door ontdekking
van de Gerbermethode voor de vetbepaling in de melk de mogelijkheid
tot het uitvoeren van de melkcontrole was ontstaan, de rundveestamboeken
dit hulpmiddel dankbaar hebben aangegrepen, al moest het tot de tweede
wereldoorlog duren, voordat men kon zeggen dat deze vorm van produktic-
controle algemeen ingang had gevonden.

Het verrichtingswezen, waarvan onze warmbloedpaardenfokkerij ging pro-
fiteren, kwam door een zekere aandrang van militaire zijde tussen de
twee wereldoorlogen tot ontwikkeling. Meer dan bij de rundveefokkerij
zijn het ook de dierenartsen geweest, die zowel bij het ingang doen
vinden als bij de uitvoering er\\^an een belangrijke rol hebben gespeeld.
Bij de varkensfokkerij is sinds de dertiger jaren het selectiemesterijwczen
een belangrijke steun voor de kwaliteitsverbetering van de beide Neder-
landse rassen geweest, terwijl de uitbetaling naar kwaliteit een belangrijke
stimulans voor de varkensfokkers is geweest om ernst met de zaak te
maken, zoals ook de uitbetaling naar vetgehalte van de melk de rundvee-
fokkers in de richting der melkcontrole drong (al waren de verplichte
heffing op de melkprijs ter bestrijding der kosten aanvankelijk, en de uit-
breiding der kunstmatige inseminatie daarna, een grotere stimulans).
In de phdmveesector tenslotte heeft o.a. de valnestcontrole een grote rol
gespeeld bij het opvoeren van de legeigenschappen.

Uiteraard is het niet mogelijk om binnen het bestek van dit artikel bij
alle opmerkelijke feiten sdl te staan. Het bovenstaande moge voldoende
zijn om de bewering te staven dat er in de laatste honderd jaar en met
name in de laatste decennia in de huisdierteelt zeer veel is veranderd: in
verschillende opzichten wordt er geprofiteerd van nieuwere hulpmiddelen

-ocr page 890-

cn incthodcn waardoor mogelijkheden zijn ontstaan, waarvan men 100
jaar geleden niet had kunnen dromen. Wie zou bijvoorbeeld toen hebben
kimnen vermoeden dat het thans mogelijk zou zijn dat één stier in écn
jaar vader van tienduizend kalveren zou kunnen worden, laat staan dat men
ernstig over de foktechnische consequenties hiervan zou hebben nagedacht.

Een opvallende ontwikkeling, die in de loop van het momenteel besproken
tijdsbestek beeft plaatsgevonden is verder dat de verhouding van de dier-
geneeskunde tot de zootechniek belangrijk is gewijzigd. Ik wil in het midden
laten in hoeverre dit te maken heeft met de verlegging van het accent
\\an de curatieve naar de preventieve diergeneeskunde in het algemeen,
omdat dit punt ongetwijfeld door andere schrijvers wordt besproken. Een
feit is echter, dat, naarmate de preventieve diergeneeskunde meer aan-
dacht krijgt, dc zootechniek als wetenschap voor de practicus van meer
belang wordt. Het kan misschien nuttig zijn deze stelling met enkele voor-
beelden nader te illustreren.

Vroeger beperkte zich de taak van de behandelende dierenarts veelal
tot het inspuiten van een oplossing van Ca en Mg-ionen wanneer een koe
kopziekte kreeg, tegenwoordig weten wij dat de magnesiumvoorziening
van het dier niet in orde is en krijgt de veehouder, als het goed is, tevens
advies omtrent maatregelen die hij kan nemen om de voeding in dit
opzicht te corrigeren.

Hetzelfde geldt eigenlijk als een vitamine- of mincralendcficiëntie wordt
geconstateerd; men behandelt niet alleen bet zieke dier, maar tracht levens
een zodanig rantsoen samen te stellen, dat niet alleen recidive wordt
voorkomen, maar tevens wordt verhinderd dat bij de andere dieren van
hetzelfde bedrijf deze afwijkende verschijnselen optreden. Deze voorbeelden
mogen voldoende zijn om aan tc tonen dat een zekere kennis van dc
veevoeding voor de practicus niet meer kan worden gemist.
Uiteraard kan van hem niet worden verlangd dat hij een voedings-
specialist is, maar hij dient althans zoveel te weten dal hij èn de dagelijks
\\oorkomende afwijkingen kan onderkennen en verhelpen èn in bijzondeie
gevallen de specialist gaat raadplegen.

Dc uitbreiding van hel aantal melkmachines na dc tweede wereldoorlog
heeft vooral, dank zij dc betere \\oorlichting na dc aanschaffing ervan,
minder nadelige gevolgen voor dc gezondheid \\ an het iiierwecfsel van onze
koeien gehad dan in de dertiger jaren. De toepassing is echter thans
zó algemeen, dat de dierenarts zoveel inzicht in het mechanisme der
machine dient le hebben dat hij bij het vóórkomen \\an mastitiden moet
kunnen nagaan of het machinaal melken op de juiste wijze plaatsvindt,
teneinde een eventuele uitbreiding der afwijkingen o]) bet betreffende
bedrijf als gevolg daarvan te kunnen voorkomen.

De geleidelijke toeneming van het aantal open loopslallen vergt van hem
een belangrijke dosis kennis op het gebied van hel stalklimaat en de eisen
die ons vee aan zijn omgeving stelt, zodat voorkómen wordt dat ten
onrechte bepaalde bij bel vee geconstateerde afwijkingen aan dit staltype
toegeschreven worden.

Ten aanzien van de fokkcrijmaalregelen ligt de zaak eigenlijk niet veel
anders. Bij de bestrijding der afwijkingen, die we plegen samen tc \\ allen
onder bet begrip „erfelijke gebreken" is niet alleen nodig dat men het
klinische beeld kent, maar de practicus moet al evenzeer zoveel mogelijk

-ocr page 891-

op de hoogte zijn van de wijze van overerven van de meest voorliomende
gebreken. Ook hier geldt weer dal hij in bijzondere gevallen uiteraard
terug kan vallen op de specialist, maar mogen bepaalde begrippen als
dominant en recessief, homo- en heterozygoot, genfrequentie der popu-
latie en dergelijke hem niet helemaal vreemd zijn.

Na de herontdekking van de wetten van Mendel werd het de zootech-
niek al spoedig diudelijk dat, hoewel deze regels ook voor verschillende
eigenschappen van de dieren gelden, voor de meeste economisch belang-
rijke eigenschappen (melkproduktie, wolkwaliteit, eigrootte, hampercen-
tage etc.) de zaak niet zo een\\\'oudig lag. Men kwam geleidelijk aan tot
de conclusie dat bij deze eigenschappen sprake is van enkele gemakkelijk
te identificeren erfelijke grondslagen, zoals aanvankelijk misschien wel
eens is gedacht, maar van een onbekend aantal, die onderling van ver-
schillende betekenis zijn en allerlei moeilijk bepaalbare interacties ver-
tonen. Bovendien speelt het milieu nog een belangrijke, maar niet altijd
vaststaande en vaak moeilijk bepaalbare rol. (Recente onderzoekingen
hebben aangetoond dat ook voor meer erfelijke gebreken dan wij vroeger
hebben vennoed, het milieu, naast het gcnotype, van betekenis is voor het
ontstaan).

Plet is vooral omstieeks de tweede wereldoorlog de Amerikaanse zoötech-
nici gegeven geweest hierin meer klaarheid te brengen. Zij zijn het vooral
geweest die de z.g. popidatie genetica voor de huisdierfokkcrij van toe-
passing vatbaar hebben gemaakt en aan Pro f. D r. G, M. v. d. P 1 a n k
komt de eer toe dat hij de eerste Nederlander was, die het belang hiervan
inzag voor onze praktische fokkerij. Hij heeft zich dan ook met het hem
eigene enthousiasme in deze nieuwe tak van wetenschap ingewerkt en
deze hier geïntroduceerd, er daardoor
voor zorgende dat wij, op dit gebied
althans, na 1945 spoedig weer „bij" waren.

Andere collegae die voor de veeteelt in ons land van „meer dan lokale
betekenis" zijn geweest kan men tnoeilijk binnen het bestek van dit artikel
allemaal noemen. Wel krijgt men de indruk dat de invloed der dieren-
artsen o]j het gebied der paardenfokkerij over het algemeen groter is
geweest dan bij de fokkerij van andere diersoorten. In dit verband
denken wij bijvoorbeeld aan namen als S c h i m m e 1, V a n L e e u w e n,
Heidema, Brands en anderen. Daarnaast dringen zich namen op
als B a k k e r, aanvankelijk rijksveeteeltconsulent en daarna jarenlang
hoogleraar in de veeteeltwetenschappen te Wageningen, en D o m m e r-
h
O 1 d, die na zijn veeteeltconsulentschap geruime tijd leraar aan de inder-
tijd Middelbare (thans Hogere) Landbouwschool te Groningen was, waar
hij colle.ga Kroes heeft opgevolgd. Via het onderwijs hebben zij, evenals
talloze anderen, in belangrijke mate hun bijdrage geleverd aan de ont-
wikkeling van onze veehouderij in al zijn facetten.

Als wij de voorgaande zeer globale ontwikkelingsschets nog eens overzien
kunnen wij constateren dat, hoewel de veranderingen op zoötechnisch
gebied vrij geleidelijk tot stand zijn gekomen, toch — en vooral in de
laatste decennia — van een bijna revolutionaire ontwikkeling kan worden
gesproken. Dit wordt vooral duidelijk als wij bedenken dat in 20 jaar
tijds de melkcontrole bij het rundvee zich uitbreidde van ca. 20% tot
bijna 70%, terwijl de K.L in die tijd toenam van 0% tot bijna 70%. Daar-
enboven kwam het onderzoek naar het eiwitgehalte der melk in zwang
en kreeg men de mogelijkheid van het bloedgroepenonderzoek bij ver-

-ocr page 892-

schillende diersoorten. Wat dit laatste hulpmiddel naast de vaderschaps- en
eeneiigheidsdiagnose voor mogelijkheden inhoudt laat zich momenteel nog
moeilijk voorspellen.

Zoals de varkensfokkerij de laatste ,30 jaar van het selectiemesterijwezen
heeft geprofiteerd, zal de pluimveefokkerij de vruchten gaan plukken van
het enkele jaren geleden opgerichte toetsbedrijf te Putten. In dit ver-
band dient trouwens ook de totale omkeer op het gebied der pluimvee-
fokkerij - - namelijk de omzwaai naar het houden van hybriden in plaats
van zuivere rassen — gememoreerd te worden.

Gedachtig de uitspraak in de eerste alinea van deze bijdrage ligt het voor
de hand dat ik ter afsluiting nog een poging waag om in het kort te for-
muleren hoe de veehouderij zich in de eerstvolgende jaren wel eens zou
kunnen ontwikkelen.

Ten aanzien van de rundveehouderij zal, zowel door moeilijkheden in de
zuivelsector als op de arbeidsmarkt, de produktie van vlees meer op de
voorgrond komen en het onderzoek past zich in deze richting al enigszins
aan, al kunnen niet alle lacunes in onze kennis in dit opzicht in enkele
jaren worden opgevuld.

Melkhoeveelheid en vetgehalte zullen geen spectaculaire vooruitgang meer
vertonen; met het eiwitgehalte zou dit wèl eens het geval kunnen zijn.
De paardenstapel zal in het landbouwbedrijf de concurrentie met de
mechanische trekkracht niet vol kunnen houden. Van belang blijven op
de duur alleen de paarden, die ook voor rijdiensten geschikt zijn, al
zullen op de kleine en kleinste bedrijven de z.g. tussenmaatse paarden zich
nog wel geruime tijd weten te handhaven. Verder kan ook de paarden-
houclerij een dankbaar gebruik maken van de mogelijkheid tot vlees-
]3roduktie.

De schapenhouderij blijft van ondergeschikte betekenis in Nederland. Een
doeltreffende binnenlandse propaganda voor het eten van lamsvlees, zou
misschien ertoe kunnen leiden dat deze tak van veehouderij op de diuir
niet meer in die mate afhankelijk blijft van export als thans het geval is.
Nader onderzoek over de intensivering van de schapenhouderij en hel
verband tussen wol- en vleesproduktie bij onze Texelaar ware te wensen,
speciaal ten aanzien van de kwaliteit van deze beide produkten.
Hoewel de varkens- en de kippenhouderij zich geleidelijk meer ontwik-
kelen in de richting van het gespecialiseerde grootbedrijf, zullen op vele
van onze kleine landbouwbedrijven öf beide tegelijk óf een van beide een
belangrijke ])laats blijven innemen. Het is de vraag in hoeverre zoötech-
nische maatregelen het hoofd zullen kunnen bieden aan de achteruitgang
in de voederbenutting (en misschien de slachtkwaliteit) die het gevolg
zal blijken te zijn van de zich geleidelijk uitbreidende mechanisatie van
de veizorging.

-ocr page 893-

Dierenarts en volksgezondheid.

door A. VAN KEULEN^)

Bij een beschouwing over dit onderwerp moge voorop gesteld worden, dat
in wezen iedere in functie zijnde dierenarts de volksgezondheid dient.
Door zijn werk, in welke positie en op welke plaats ook, draagt hij direct
of indirect bij tot het gezondhouden of bet genezen van de huisdieren in
de ruimste zin des woords, hetgeen betekent dat meer en beter voedsel
van dierlijke herkomst ter beschikking van de mens komt, deze beter be-
veiligd wordt tegen dierziekten, die ook dc mens kunnen aantasten, en hij
meer van de nabijheid van en het samenzijn met de dieren kan genieten.
Tevens wordt een aanzienlijke groep van de bevolking, de veehouders,
door zijn arbeid in de gelegenheid gesteld betere bedrijfsresultaten te be-
reiken, hetgeen tot gevolg heeft, dat de veehouderij effectiever haar oer-
taak, de mensen van voedsel van dierlijke oorsprong te voorzien, kan uit-
voeren.

In dit artikel zal hoofdzakelijk ingegaan worden op de rechtstreekse dien-
sten, welke de dierenarts aan de Volksgezondheid bewijst. Weinig meer
dan een tiental jaren geleden werd hieromtrent in de volksgezondheidszorg
de Engelse term „Veterinary Public Health" geïntroduceerd en vooral ge-
durende het laatste decennium beeft de veterinair een grotendeels nieuwe
plaats in de sector van de volksgezondheid in vele landen van de wereld
verworven.

De keuring en het toezicht op de voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong,
zoals vlees en vleeswaren, wild en gevogelte en melk, is van oudsher een
aanzienlijke taak van de dierenarts. Krachtens zijn opleiding is de dieren-
arts hiervoor de eerst aangewezen persoon. Het sluitstuk van deze keuring
en dit toezicht, de vernietiging van ondeugdelijk en afgekeurd diermatc-
riaal, is eveneens in zijn handen gelegd. Elders in dit speciale nummer van
bet Tijdschrift wordt
ojj deze belangrijke bijdrage van de dierenarts aan
de Volksgezondheid nader ingegaan.

Het begrip veterinaire volksgezondheid omvat echter méér en de bijdragen,
welke de dierenarts hieraan levert of kan leveren breiden zich bovendien
snel uit. Ik moge hieronder een opsonuning geven van de onderdelen,
welke naast de bovengenoemde tlians tot „Veterinary Public Health" wor-
den gerekend. Aansluitend hieraan zullen enige beschouwingen en toe-
lichtingen worden gegeven.

1. De wering en bestrijding van de zoönosen moet dan allereerst vermeld
worden.

Het aandeel van de dierenarts is hierbij cssenüeel, daar vele zoönosen
zich bij de mensen, zónder steeds wederkerende infecties door besmette
dieren of dierprodukten niet verder verspreiden. Het onder controle
brengen en het uitroeien van zoönosen bij de dieren betekent dus veelal
het einde van deze ziekten bij de mens.

Reeds zeer lang is de dierenarts op dit terrein werkzaam geweest (mal-
leus, miltvuur, enz.). Echter, de sleutelpositie welke hij hierbij inneemt,

1) A. van Keulen, Veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid, tevens Inspecteur
van de Veeartsenijkundige Dienst i.a.d., le v. d. Boschstraat 4, \'s-Oravenhage.

-ocr page 894-

is men zich pas recent goed bewust geworden, daar juist de laatste tijd
het verband tussen tal van dierziekten en -besmettingen en ziekte-
verschijnselen bij de mens duidelijk is geworden.

De toenemende belangstelling in epidemiologie en epizoötologie en het
moderne laboratoriumonderzoek hebben namelijk ertoe geleid, dat meer
en meer bet besef is doorgedrongen, dat tal van ten dele reeds lang
bekende dierziekten ook bij de mens voorkomen. Vele van de voor
dieren pathogene microörganismen en htm zoöparasieten bleken voor
de mens pathogeen.

Het belang van de zoönosen is voor de mens zeer verschillend.
Enkele ervan blijven bij de mens beperkt tot spaarzaam waargenomen
gevallen, zoals conjimctivitis veroorzaakt door het virus van de pseudo-
vogelpest. Andere zijn somtijds zeer pathogeen, terwijl het oorzakelijk
agens bij de dieren dikwijls geen waarneembare ziekteverschijnselen
veroorzaakt. Deze zogenaamde latente infecties blijken b.v. ïaij sal-
monellosis vooral van het varken en bij kattenkrabziekte voor te ko-
men: deze diersoorten vormen blijkbaar het ziektekiemreservoir voor
de mens. Voor diverse virusziekten van de mens wordt thans het re-
servoir der smetstof in de dierenwereld gezocht. Voor enkele is soms
reeds lang bekend, dat het virusreservoir in de dierenwereld gevonden
wordt, zoals voor rabies en de virusencefalitiden.

Het zal duidelijk zijn, dat de wijze van houden van de huisdieren, do
ecologische verhoudingen, waarin de wilde dieren voorkomen (bodem,
klimaat, enz.) grote invloed hebben op de mate, waarin het dier als
smetstofbron optreedt.

Vèr over de 80 dierziekten zijn thans reeds als zoönosen te beschouwen,
waarvan voor ons land momenteel als voornaamste zijn te noemen: sal-
monellosis (uitgezonderd tyfus en
S. paratyphi B), cysticercosis, liste-
riosis, Weil\'se ziekte, psittacosis-ornithosis, brucellosis-Bang, echino-
coccosis, bovine tuberculosis, miltviuir, trichophytie en toxoplasmosis.
Uit een oogptmt van wering van zoönosen zijn in verband met het op-
treden in naburige landen — naast andere — van groot belang: rabiës,
brucellosis melitensis en Q-koorts. Deze ziekten zijn sinds vele jaren in
ons land niet aangetroffen of nooit aanwezig geweest.
Landelijke bestrijdingscampagnes, met succes toegepast tegen runder-
tuberculosc en brucellosis-Bang wettigen de hoop, dat deze beide zoö-
nosen na verloop van tijd bij de mens zullen zijn verdwenen.
Het zou te ver voeren om op de in ons land optredende en op de be-
doelde lütheemse zoönosen in bijzonderheden in te gaan. Volstaan moge
worden met de opmerking, dat omtrent enkele thans uitgebreid onder-
zoek geschiedt, hetgeen niet alleen onze kennis erover verrijkt, maar
bovendien tot doelmatig optreden kan leiden.

Teneinde een indruk te geven van het belang dat ook in volksgezond-
heidskringen aan enkele dezer ziekten moet worden gehecht, zij ver-
meld dat thans in ons land onder de infectieziekten van de mens de
zoönose salmonellosis als één der belangrijkste wordt beschouwd, welke
tienduizenden ziektegevallen per jaar tengevolge heeft en dat de
Taenia
saginata
bij de mens in duizenden gevallen per jaar moet worden
afgedreven.

Eén der noodzakelijke voorwaarden voor de bestrijding van zoönosen

-ocr page 895-

is een wederzijdse goed functionerende informatie van de medicus en
de veterinair, die zoönosen opmerl^en of die problemen dienaangaande
bestuderen of behandelen.

Centraal \\ornU sinds vele jaren de Veterinaire Hoofdinspecteur van
de Volksgezondheid tezamen met een aantal andere Hoofdinspecteurs,
waarvan in dit verband de Geneeskundige Hoofdinspecteur de belang-
rijkste is, het college \\an fimctionarissen, dat direct verantwoordelijk
is voor de Volksgezondheid in ons land. De Directeur-Generaal van de
Volksgezondheid treedt coördinerend en leidinggevend op, fungeert als
intermediair bij de Minister en geeft hierbij aanwijzingen aan de
Hoofdinspecteurs.

Ambtshalve zijn de Hoofdinspecteurs lid van de Voedingsraad en de
Gezondheidsraad, welke als adviesorganen voor de regering, respec-
tievelijk voor de voeding van de mens en voor de menselijke gezondheid
optreden, en van de Centrale Raad voor de Volksgezondheid, welke de
coördinatie bij de uitvoering van de Volksgezondheidzorg tracht te bevor-
deren. Bov endien bes])reken de Hoofdinspecteurs regelmadg, minstens
éénmaal per maand, gezamenlijk onder voorzitterschap van de Direc-
teur-Generaal de zich voordoende problematiek van de Volksgezond-
heid. Aldus is op het hoogste niveau sinds vele jaren een coördinatie tot
stand gebracht welke ook voor de wering en de bestrijding van zoö-
nosen sinds de laatste tien jaar van steeds groter belang is geworden.
Regionaal vindt deze centrale coördinatie zijn weerslag in een regel-
matig contact niet alleen van de provinciale organen van de verschil-
lende inspecties van de Volksgezondheid, maar ook in regelmatig ge-
zamenlijk overleg cn informatie en zo nodig gezamenlijk optreden.
Dat hieraan tevens de recent benoemde Directeuren van de Provin-
ciale Raden van de Volksgezondheid en de Directeuren van de Provin-
ciale Gezondheidsdiensten voor Dieren waar enigszins mogelijk tevens
deelnemen, is uitermate verheugend en op het terrein van de zoönosen
van groot belang.

Echter, de praktizerend arts, de regionale specialist, de praktizerend
dierenarts en de keiningsdierenarts staan vóóraan bij de onderkenning
en de bestrijding van de zoönosen. Van lum kennis, hun diagnose, hun
wederzijds contact en hun berichtgeving hangt het af of bovengenoem-
de instanties provinciaal geïnformeerd kimnen worden en of aan de
desbetreffende provinciale of centrale laboratoria verdacht materiaal
voor onderzoek ingezonden wordt.

In Nederland verkeren wij in de gelukkige omstandigheid, dat aan het
Rijksinstituut voor de Volksgezondheid een uitermate deskundige, goed
geouUlleerde afdeling voor zoönosen is verbonden, waaivan leiding en
wetenschap]3elijke staf geheel uit dierenartsen bestaan. Ook het Cen-
traal Diergeneeskundig Instituut treedt ten aanzien van diverse zoö-
nosen als deskundig onderzoeklaboratorium op.

Op provinciaal niveau worden regelmatig routine-onderzoekingen ge-
daan in de streeklaboratoria van het Rijksinstituut voor de Volks-
gezondheid, de laboratoria van de Provinciale Gezondheidsdiensten
voor Dieren, de vleeskeuringslaboratoria en de laboratoria van de
Gemeentelijke Gezondheids- en Geneeskundige Diensten of kan een
beroep op deze laboratoria worden gedaan.

-ocr page 896-

Naannate de bestrijding en wering van zoönosen groeien en een toe-
nemende zorg voor de Geneeskundige en Veterinaire Volksgezondheids-
instanties worden, dringt zich de noodzaak op van uitgebreidere voor-
lichting omtrent de zoönosen tijdens de studie van arts en dierenarts
dan thans bij de behandeling van infectie- en parasitaire ziekten aan de
Universiteiten veelal kan geschieden.

Zoönosenbestrijding en -wering spelen zich voor een aanzienlijk deel af
op het terrein van het levende dier in eigen land en evenzeer in de
landen van waaruit levende dieren dan wel dierlijke produkten worden
geïmporteerd, terwijl de controle van in eigen land geproduceerde dier-
lijke produkten van groot belang is.

Het is daarom van uitermate groot gewicht, dat een goede coördinatie
van de bestrijding van ziekten van de dieren en de keuring van dier-
lijke produkten plaatsvindt. Ue combinatie van de functies van de
Directie van de Veeartsenijkundige Dienst met die van de Veterinaire
Hoofdinspectie van de Volksgezondheid is in dit verband één der uit-
drukkingsvormen van het onverbrekelijk verband van zoönosen wering
en -bestrijding bij het levende dier en bij het dierlijke produkt, beide
zowel van eigen bodem als geïmporteerd uit het buitenland.

2. De toepassing van kernenergie en de gevolgen hiervan voor dieren en
dierlijke produkten.

Op dit nieuwe terrein zijn pas de eerste schreden gezet, maar aanzien-
lijke kennis is reeds door omvangrijk onderzoek verworven. Het zal
zaak zijn, dat de dierenarts hoe langer hoe meer aan dit onderzoek deel-
neemt, teneinde het gedrag van radio-isotopen bij het dier en de in-
vloed ervan op zijn gezondheidstoestand steeds beter te leren kennen.
Het volgen van radio-actieve besmetting van de diervoeding en van
de dientengevolge optredende besmetting van het dier en van voedings-
middelen van dierlijke herkomst, de evaluatie van deze besmetting
voor dier en mens, zijn alle taken welke van de „Veterinary Public
Health"-instanties voortdurend aandacht zullen vragen.
In het daartoe noodzakelijk meetprogramma spelen de dierlijke pro-
dukten, met name melk, vanwege het belang van dit produkt voor het
jonge kind, een zeer voorname rol. Dit meetprogramma zal allereerst
regelmatig informatie moeten verstrekken omtrent de besmetting ten-
gevolge van proefexplosies, maar bovendien als controle moeten dienen
van eventuele besmetting door in werking zijnde kernenergie-installa-
ties en speciale laboratoriumcomplexen. Vanzelfsprekend zal de dieren-
arts hier niet alleen zijn aandeel moeten, maar ook kunnen leveren.
In tijden van grotere of kleinere ongevallen bij de toepassing van kern-
energie in reactoren, laboratorium-complexen, evenals in oorlogstijd bij
het eventueel gebruik van kernwapens, kan ernstige besmetting van de
dieren en dierlijke produkten op grote schaal optreden. De dierenarts,
zowel de practicus als de keuringsdierenarts, zal de nodige basiskennis
moeten bezitten, teneinde zo doelmadg mogelijk als adviseur van de
dierhouder en als beoordelaar van de besmette dierlijke produkten op
te treden. Het lijkt derhalve noodzakelijk dat reeds tijdens de op-
leiding aan de nodige kennis van en inzicht in de radio-actieve besmet-
ting van dier en dierlijke produkten aandacht besteed wordt.

-ocr page 897-

Naast het reeds gereleveerde onderzoek omtrent het gedrag van radio-
isotopen in het dier en omtrent radio-actieve besmetting van dierlijke
produkten zij gewezen op de grote betekenis voor het diergeneeskundig
wetenschappelijk onderzoek van het gebruik van radio-isotopen als
zogenaamde „tracers". Voor alle takken van het diergeneeskundig
onderzoek zal zorgvuldig moeten worden nagegaan in hoeverre de toe-
passing van de tracertechniek bij zal kunnen dragen tot het oplossen
van de problemen. Ook het stimuleren en het uitvoeren van deze toe-
passingen in het diergeneeskundig onderzoek, speciaal betreffende
research op het terrein van de zoönosen, is mede als een taak van de
„Veterinary Public Health" te beschouwen.

3. De toepassing van antibiotica en hormonen.

Antibiotica en hormonen, regelmatig toegevoegd aan het voer, ten-
einde de groei te bevorderen of ziekten te genezen, resp. te voorkomen
(medicated feed), kunnen verschillende gevolgen hebben voor het
dier en vooral voor de produkten ervan. Eventuele residuen in vlees,
vleeswaren en melk vormen voor de „Veterinary PubHc Health"-instan-
ties een probleem, daar deze residuen na koi tere of langere djd, indien
ze met de voedingsmiddelen door de mens opgenomen worden, nade-
lige gevolgen zouden kunnen geven. Bovendien verdient het mogelijk
optreden van resistentie van pathogene bacteriën door toevoeging of
toepassing van antibiotica en bet moeilijker kweken van deze bacteriën
in gevallen, dat antibiotica in therapeutische doses zijn verstrekt, de
aandacht.

Reeds zijn routinemethoden uitgewerkt, terwijl betreffende Salmonella-
bacteriën in Nederland ten aanzien van de resistentie tegen bepaalde
antibiotica regelmatig gegevens worden verzameld door het labora-
torium voor zoönosen.

Ook omtrent de eventuele toepassing van antibiotica als conserveer-
middel, zoals in enkele landen ten dele wordt toegestaan, zullen de
„Veterinary Public Health"-instanties zich een oordeel moeten vormen.

4. Tot de nieuwste gebieden, welke tot het terrein van de „Veterinary
Public Health" behoren, moeten worden gerekend:

a. De zorg van de dierenarts voor de laboratorium-dieren van Univer-
siteiten en medische centra, benevens het leiding geven aan centra,
welke proefdieren fokken voor laboratoriumgebruik in het algemeen.
Ook in Nederland worden de waardevolle diensten van de dieren-
artsen in dezen onderkend en reeds wordt door enkele dierenartsen
nuttig werk verricht, mede ten behoeve van het onderzoek voor de
volksgezondheid.

b. De zorg voor speciale proefdieren, welke als proefobjecten ten be-
hoeve van de steeds voortschrijdende operatie-technieken, enz. ten
bate van de mens dienen.

Ook hier worden de diensten, welke de veterinair kan verlenen,
onderkend en is in ons land reeds een enkele dierenarts op dit ter-
rein werkzaam.

c. Het opnemen van dierenartsen in teams, welke in verschillende
delen van de wereld de ouderdomsziekten van de mens, met name
de atherosclerose, hartziekten en kanker bestuderen.

-ocr page 898-

Speciaal in de U.S.A. geschiedt de inschakeling van de dierenarts
in deze teams thans systematisch. Eén der eerste centra, in Amerika
hiervoor ontworpen, is verbonden aan de Duke University en be-
gon reeds enige jaren geleden hiermede.

Met deze, mogelijk niet geheel volledige, opsonnning van facetten van de
bijdragen, welke de dierenarts levert aan de Volksgezondheid en de korte
beschouwingen daaromtrent moge dit artikel over dierenarts en volks-
gezondheid worden besloten.

Het zal duidelijk zijn, dat voor de dierenarts naast zijn aloude taak van de
keuring van levensmiddelen van dierlijke oorsprong, zich sinds de laatste
10 ä 15 jaar een nieuwe, uitermate belangrijke en interessante taak heeft
ontwikkeld.

Deze mogelijke bijdragen van de dierenarts blijken zich snel uit te breiden
en zullen steeds meer aandacht vragen in de volksgezondheidszorg van
een land.

Het zal noodzakelijk zijn, dat de Nederlandse dierenarts niet alleen deze
ontwikkeling bijhoudt, maar hieraan ook mee richting geeft.

-ocr page 899-

De dierenarts en de georganiseerde dierziekten-
bestrijding.

door D. M. ZUIJDAMi), in samenwerking met P. SJOLLEMA^)
en A. A. OSKAM3)

Inleiding.

Het werk van de praktizerende plattelands-dierenarts heeft in de afgelopen
decennia een grote verandering ondergaan. Was vroeger de consultatieve
praktijk met de behandeling van het zieke dier het hoofdelement, de
luiidige dierenarts ziet zich gedurende vele maanden van het jaar ge-
plaatst voor de massa-werkzaamheden die de georganiseerde dierziekten-
bestrijding met zich meebrengt, welke o.a. omvat de bestrijding van
tubercidose, abortus Bang en mond- en klauwzeer bij runderen, enkele
besmettelijke ziekten bij varkens en de
S. pullorurn-hestrijding bij pluimvee.

De tuberculosebestrijding en het ontstaan van de gezondheidsdiensten voor
dieren.

De georganiseerde bestrijding is geleidelijk gegroeid, hoewel na de tweede
wereldoorlog van een stormachtige ontwikkeling kan worden gesproken,
waaraan cle practicus zich op wonderbaarlijke wijze heeft weten aan te
passen. De rol welke hij hierbij speelt dateert reeds van het begin van
deze eeuw toen de grote schade, veroorzaakt door het vroegtijdig uitvallen
van runderen lijdende aan tuberculose, dierenartsen en veehouders op
maatregelen deed zinnen om te trachten deze schadepost te verminderen,
zo mogelijk geheel te voorkomen. Vooruitstrevende veehouders gingen
individueel, op advies van bim dierenarts, ertoe over hun nmderen te
laten tubercidineren met bet doel een basis te krijgen om deze gevreesde
ziekte te bestrijden.

In 1913 bepaalde het Friese Rundvee Stamboek, dat reeds garanties gaf
met betrekking tot de afstamming en produktie van stamboc>krunderen,
dat de leden, die hun veestapels op tuberculose deden onderzoeken, van
het resultaat van die onderzoekingen aantekening in het Stamboek kon-
den krijgen, met als consequentie dat een toekomstige koper van een
dergelijk rund ook geïnformeerd kon worden over het al of niet reageren
van het nmd op de tuberculinatie.

Na de eerste wereldoorlog gingen er stemmen op voor een voorlichtings-
dienst op hygiënisch gebied. Verder zijn de storingen van de vruchtbaar-
heid er mede aanleiding toe geweest dat het F.R.S. in 1918 een hygiëne-
consulent aanstelde.

Wijlen D r. A. H. Veenbaas, die deze taak op zich nam, voelde al
sjjoedig de behoefte aan een laboratorium voor eenvoudig routineonder-
zoek en dc noodzaak op georganiseerde wijze de strijd tegen de tubercu-
lose aan te binden.

1) Dr. D. M. Zuijdam, secretaris van de Gezondheidsconmiissie voor Dieren van
het Landbouwschap, Raamweg 25, \'s-Gravenhage.

2) P. Sjollema, Directeur Gezondheidsdienst voor Vee in Friesland, Kruisstraat 43,
Leeuwarden.

3) A. A. Oskam, Directeur Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Zuid-
Holland, Kazernestraat 6, Gouda.

-ocr page 900-

Het F.R.S. en de Bond van Coöp. Zuivelfabrieken in Friesland, die ten
aanzien van de gezondheidstoestand van bet vee gelijkgerichte belangen
hadden, stichtten in 1919 de „Gezondheidsdienst voor Vee in Friesland".
De eerder genoemde hygiëne-consulent werd directeur en deze kreeg een
laboratorium ter beschikking met aanvankelijk een analist, een admini-
stratieve kracht en een speeljongen, alles dus voorlopig op bescheiden
voet, maar het werkte doelmatig.

Organisatorisch plaatste men zich direct op een breed voetstuk. Het doel
werd omschreven als: „de bevordering van de gezondheidstoestand van het
vee en een goede melkwinning". Op grond hiervan werd gelegenheid ge-
geven aan de coöperatieve zuivelfabrieken zowel als aan verenigingen van
melkleveranciers van particuliere zuivelfabrieken tot aansluiting bij de Ge-
zondheidsdienst. Zoveel mogelijk rayonsgewijze werkende, moest het eind-
doel zijn geheel Friesland binnen het werkgebied van de dienst te trekken
om, profiterende van de registratie van die dienst, de handel in vee op een
betere basis te brengen. Het gehele systeem berustte op vrijwillige mede-
werking van de veehouders. Door het verlenen van een goede service vond
men een groot aantal boeren bereid zich onder de zorg van de Gezond-
heidsdienst te scharen.

Was de opzet van het werkterrein ruim — vooral de steriliteit en hel
besmettelijk verwerpen (abortus Bang) vroegen toen al de aandacht —
een belangrijk deel van de activiteiten van de dienst lag vooreerst bij de
bestrijding van de tuberculose. Hierbij had de plaatselijke dierenarts tot
taak het resultaat van de ophtalmo-test te controleren waarbij de in-
druppeling van de tuberculine in het oog werd verricht door leken-helpers,
die speciaal door de gezondheidsdienst hiervoor waren opgeleid. Geleidelijk
werd de verantwoordelijkheid voor de tuberculinatie meer in handen van
de dierenarts gelegd en na de tweede wereldoorlog, toen de landelijke
bestrijding op gang kwam, ging men ook in Friesland geheel over tot
toepassing van de intradermale tuberculinatie, waarbij tuberculinatie en
controle in één hand kwamen te liggen en wel in die van de plaatselijke
dierenarts.

Het werk van de gezondheidsdienst, in al zijn geledingen, groeide gestadig
tot de vorm zoals wij die thans kennen en welke voor overig Nederland
als voorbeeld zou dienen.

In overig Nederland dan kwam in de twintiger jaren in breder kring be-
langstelling voor de tuberculosebestrijding, hetgeen ertoe leidde dat in
1928 een Algemene Maatregel van Bestuur tot stand kwam, inhoudende
dat steun zou kunnen worden verleend aan verenigingen van veehouders,
beogende de verbetering van de rundveestapels door de tuberculosebe-
strijding ter hand te nemen overeenkomstig de voorschriften van de
minister. De directeur van de Veeartsenijkundige Dienst belastte in het-
zelfde jaar de inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst P. J. \'t
Hooft PJzn. met de organisatie van de tuberculosebestrijding. Deze
werd lokaal geregeld door zogenaamde plaatselijke verenigingen, in veel
gevallen in fabrieksverband georganiseerd, waarin de plaatselijke dieren-
arts als stimulerende kracht en als uitvoerder van het technische werk
steeds een belangrijke rol heeft vervuld. Als overkoepelend orgaan van
de plaatselijke verenigingen kwamen in de provincies, met uitzondering
van Friesland waar de gezondheidsdienst de gehele provincie bestreek, de
provinciale verenigingen tot stand.

-ocr page 901-

Hoewel bij deze vrijwillige bestrijding belangrijke vorderingen werden ge-
maakt, leidde deze vorm niet tot het gewenste resultaat. Daarom werden,
mede met het oog op een wenselijk geachte bredere aanpak van de
bestrijding van dierziekten, reeds in de laatste jaren vóór de oorlog maat-
regelen beraamd om de bestaande provinciale verenigingen naar Fries
voorbeeld om te bouwen tot gezondheidsdiensten. Ondanks de bezetting
werd aan de plannen gewerkt en kwam in 1943 het zogenaamde t.b.c.-
besluit tot stand (in 1951 vervangen door de t.b.c.-wet). Op grond hier-
van konden provincies of delen van provincies worden aangewezen waar
het houden van runderen werd verboden, tenzij de houder van de run-
deren bij een krachtens genoemd besluit (later wet) erkende gezond-
heidsdienst was aangesloten. Om begrijpelijke redenen kwam het tijdens
de bezetting niet tot een verdere uitvoering. Na de bevrijding gaf de
Veeartsenijkundige Dienst de oude provinciale verenigingen in overwe-
ging, van deze organisaties uit gezondheidsdiensten op te richten overeen-
komsüg genoemd besluit. Dit leidde er toe dat de verdere ontwikkehng
van de gezondheidsdiensten werd behartigd door een werkcommissie onder
leiding van Ir. W. d e J o n g, toen voorzitter van de Veehouderijcom-
missie van de Stichting voor de Landbouw, en verder bestaande uit J.
Wassenaar, G. Derks, A. van W ij n e n, leden van deze Vee-
houderijcommissie en E. J. A. A. Q u a e d v li e g, directeur en P. J.
\'t Hooft, inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst. Namens de
werkcommissie voerde voornamelijk P. J. \'t Hooft besprekingen in de
provincies ter voorbereiding van de omvorming van de oude provinciale
verenigingen tot gezondheidsdiensten.

Typerend voor de geest bij het tot stand komen van de gezondheids-
diensten is de volgende passage uit een radiorede in 1946, door de toen-
malige directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, E. J. A. A. Quaed-
vlieg, gehouden:

„Nu wil ik er met den meesten nadruk de aandacht op vestigen, dat deze
diensten moeten worden; Vereenigingen van en voor de veehouders zelf,
baas in eigen huis, waarbij elke gedachte aan „ambtenarij" — een woord dat
in deze beteeken is de veehouders nu eenmaal niet aangenaam in de ooren
klinkt — ik herhaal, waarbij ambtenarij verre moet worden gehouden. De
belanghebbenden zdf zullen hun dienst hebben te besturen. Het is vanzelf-
sprekend, dat aan het hoofd zal dienen te staan een deskundige, inzake dier-
ziekten, derhalve een dierenarts, maar even vanzelfsprekend is het, dat er
een nauw contact en samenwerking zal moeten bestaan tussen de Gezond-
heidsdiensten en den Veeartsenijkundigen Dienst."

De op deze wijze tot stand gekomen provinciale gezondheidsdiensten en
met hen de Fiiese gezondheidsdienst, schaarden zich als organisaties van
het bedrijfsleven onder een overkoepelend en coördinerend orgaan, n.1.
de Gezondheidscommissie voor Dieren van de Stichting voor de Land-
bouw (later die van het Landbouwschap). Als eerste secretaris van deze
commissie trad op P. J. \'t Hooft P J z n., die werd opgevolgd door nu
wijlen L. P. de Vries (1949 tot 1960). Door deze overkoepelende
binding is de technische uitvoering van de ziektenbestrijding bij alle ge-
zondheidsdiensten gelijk en worden de verklaringen overal onder dezelfde
voorwaarden afgegeven.

Op korte termijn werden alle provincies, na een daartoe ingediend ver-
zoek, aangewezen als gebieden waar het houden van runderen werd ver-

-ocr page 902-

boden, tenzij de bouder zicb bij de desbetreffende gezondheidsdienst aan-
sloot. Dit bield in een verplicbt onderzoek op tuberculose, omdat elke
dienst de aangeslotenen deze verplichting oplegde. T^it betekende nog niet
dat iedere veehouder een actieve bestrijder was. Ter stimulering kwam
het Nationaal Vijfjarenplan (1951-1956) tot stand, waarbij door finan-
ciële prikkels de achterblijvers tot activiteit werden gebracht.
Het verplichte onderzoek met bet daaraan verbonden klinisch onderzoek
naar „open lijders", welke moesten worden geslacht maar \\aak goede
produktiedieren waren, bracht vele dierenartsen in een niet benijdens-
waardige positie. In de ogen van sommige veehouders berokkende zijn
vertrouwensman hem schade. Naast het technische werk moest in deze
gevallen dan ook veel gepraat worden om de desbetreffende veehouders
van de noodzaak van de genomen maatregelen te overtuigen. De enorme
arbeid welke werd verricht moge blijken uit het volgende overzicht.

T.b.c.-bestrijding in Nederland.

.•\\antal

aantal

aantal

reactiedieren

jaar

onderzochte
runderen

aanwezige
rundvee-
beslagen

onderzochte
rundvee-
beslagen

aantal

percen-
tage

positieve
slachtbc-
vinding

1951-52

2.556.520

209.613

297.553

11,60

1952-53

2.644.977

210.201

201.156

7,60

1953-54

2.730.189

211.965

114.574

4,19

1954-55

2.744.557

209.172

52.523

1,89

1955-56

2.655.364

204.472

14.744

0,56

1956-57

1) 2.523.219

200.927

192.293

5.374

0,21

1,380

1957-58

2.251.384

199.357

159.907

2.716

0,12

933

1958-59

2.117.747

199.052

141.259

2.422

0,11

634

1959-60

1.874.513

198.531

114.687

2.035

0,10

477

1960-61

1.798.937

196.679

108.627

1.727

0,096

-168

I) Voor het eerst gedeeltelijk (éénmaal in de 2 jaar) onderzoek van de veestapel.

Dank zij de krachtsinspanning \\an dc veehouders, zonodig gestinuileerd
door de financiële prikkels van het vijfjarenplan en rechtstreeks of indirect
gesteund door de medewerking van de praktizerende dierenartsen en van
de keuringsdiensten (het verzorgen van slacbtbewijzen voor geslachte
reactiedieren) is het mogen gelukken binnen dc voorgestelde tijd van 5
jaar inderdaad de Nederlandse rundveestapel \\-rij tc maken van tubcr-
culose! Sedert 1 mei 1956 kan gezegd worden dat bet Nederlandse rund-
vee vrij is van deze ziekte. Dit geldt niet in zijn absoluutheid; ook na
genoemde datum komen nog wel enkele ge\\allen van tuberculose voor.
Groot is him aantal niet, maar toch reden om dc waakzaamheid niet te
laten verslappen en te zien naar mogelijkheden om het behaalde resultaat
te bestendigen. Ook hierbij kan de medewerking van de dierenarts niet
worden gemist.

In een aantal provincies verricht de practicus naast het technische werk
nog de volledige plaatselijke administratie, op grond waarvan t.b.c.-ver-
klaringen worden afgegeven. In verband met de hieraan verbonden con-

-ocr page 903-

sequenties is dit een bezigheid, welke nauwgezetheid en verantwoordelijk-
heid vraagt.

Abortus Bang bestrijding.

Naarmate de resultaten van de georganiseerde bestrijding van de runder-
tuberculose merkbaar werden, kreeg men gelegenheid ook aan andere
dierziekten meer aandacht te schenken. Een van de grote problemen is
het besmettelijk verwerpen (abortus Bang), welke omstreeks 1954 in de
bijzondere belangstelling kwam.

Gesterkt door de ervaring met de bestrijding der tuberculose, het karakter
der abortus Bang kennende, was men bij de gezondheidsdiensten er van
stonde af aan van overtuigd dat een individuele bestrijding geen zin had.
Alleen de georganiseerde bestrijding kon hier de oplossing bieden en ook
hier deed weer het systeem van het afgeven van verklaringen na onderzoek
opgeld, in dit geval vaak gecombineerd met een enting met Strain 19-
vaccin, die vooral in zwaar besmette gebieden onmisbaar was om het
jongvee tegen de gevolgen van besmetting te vrijwaren. Aan de enting
kleefde ecbter bet bezwaar, dat de gevormde antilichamen vaak nog lang
in het bloed aantoonbaar bleken, waaruit ten onrechte de conclusie zou
kunnen worden .getrokken, dat het geënte dier lijdende zou zijn aan een
natuurlijke infectie. Door baanbrekend werk bij de Gezondheidsdienst
voor Vee in Friesland, aan de Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht
en aan het Centraal Diergeneeskundig Instituut is in 1958 de comple-
mentbindingsreactie als routine-diagnosticum ingevoerd, waardoor kan
worden beoordeeld of antilichamen berusten op een voorafgaande enting
of o]5 een natuurlijke infectie. Het is te betreuren, dat de waarde van deze
reactie in het buitenland nog onvoldoende is doorgedrongen. Men wil in
het buitenland alleen dieren ko])en waarbij geen antilichamen kunnen
worden aangetoond. Dat dit vooral bij verkoop naar het buitenland een
ernstige handicap kon betekenen is diddelijk, hetgeen zich het sterkst
doet gevoelen in Friesland en de andere „verkopende" gebieden.
Ook in dit geval begon men in 1952-1955 de georganiseerde bestrijding
met een georganiseerd onderkennen van de ziekte. Uit de melkbussen, die
aan de zuivelfabriek worden afgeleverd worden monsters genomen, welke
worden onderzocht door middel van de z.g. ringtest. Dit geschiedt eenmaal
per kwartaal. Is de melk van een bedtijf driemaal achtereen negatief ge-
weest, dan kan de veehouder bij de gezondheidsdienst een bloedonderzoek
aanvragen. Geeft ook dat — per dier — een negadeve uitslag, dan stelt
de .gezondheidsdienst o]3 de t.b.c.-verklaring voor de betrokken dieren
het stempel „abortusvrij". Dieren met een dergelijke verklaring hebben
een hogere handelswaarde dan dieren, die ,geen stempel op de verklaring
hebben. Een abortusvrij bedrijf blijft dit zolang de ringtest bij het kwar-
taalonderzoek negatief is en elk jaar het jongvee tussen 15 en 30 maanden
oud met .gunstig resultaat op bloed wordt onderzocht. Bovendien geldt
op vele veemarkten een marktverbod voor runderen zonder stempel
„abortusvrij".

Geeft bet bovengenoemde rnelkonderzoek een positieve uitslag, dan kan
de veehouder elk van zijn dieren afzonderlijk laten onderzoeken, om op
grond van de uitslag daarvan zijn maatregelen op het bedrijf te kunnen
nemen, zodat uitbreiding van de besmetting op het eigen bedrijf en dat

-ocr page 904-

van anderen wordt voorkomen. Tot dit doel worden door de gezondheids-
diensten onder de veehouders brochures verspreid en wordt ook op allerlei
andere wijze voorlichting gegeven.

Behalve het reeds genoemde marktverbod (een verordening van het Land-
bouwschap en een verordening van het Bedrijfschap voor de handel in
vee), gelden in verschillende provincies, afhankelijk van de stand van de
bestrijding van de abortus Bang, verordeningen van het Landbouwschap,
die de bestrijding nader regelen. In sommige provincies geldt een
weide-
verbod
voor runderen van bedrijven die nog besmet zijn. In enige gebieden
is een z.g.
uitstootverordening van kracht, waarbij het verboden is besmette
dieren aan te houden. In alle provincies geldt voorts een z.g.
toevoegverbod,
waarbij wordt bepaald dat geen runderen zonder het stempel „abortusvrij"
op de verklaring aan bestaande rundveebeslagen mogen worden toegevoegd.
Tenslotte is er vanaf september 1960 een
slachtvergoedingenbesluit van het
Landbouwschap van kracht. Bij herbesmetting van abortusvrij of A.B.R.-
vrij gemaakte bedrijven kunnen de besmette runderen worden geslacht.
Hiervoor wordt aan de desbetreffende veehouders een slachtvergoeding
gegeven, die 90% bedraagt van de getaxeerde gebruikswaarde, vermin-
derd met de getaxeerde slachtwaarde. De vergoeding bedraagt minimaal
ƒ 50,— en maximaal ƒ 2.000,— en wordt alleen uitgekeerd voor vrouwe-
lijke runderen en stieren ouder dan 6 maanden. De gelden voor deze
slachtvergoeding, die jaarlijks nog grote bedragen vergt, worden middels
heffingen van het Landbouwschap per provincie per rund door de ge-
zamenlijke veehouders bijeen gebracht.

In verschillende provincies is de abortusbcstrijding bij het rundvee vrijwel
voltooid. Bij deze bestrijding hebben de praktizerende dierenartsen een
grote taak toebedeeld gekregen. Aan de band van de uitkomsten van het
onderzoek van melk in de laboratoria van de gezondheidsdiensten nemen
zij bloedmonsters en geven deskundige adviezen voor de sanering van dc
bedrijven. Ook de entingen van het jongvee worden door hen verricht,
terwijl ook vaak omvangrijke administratieve werkzaamheden, zoals dc
veeregistratie en het afgeven van abortusvrij-verklaringen namens dc ge-
zondheidsdiensten, door hen worden gedaan.

Mond- en klauwzeer-bestrijding.

Een andere ziekte, die van zeer veel belang is voor een agrarisch ex])ort-
land als Nederland, is het mond- en klauwzeer.

De basis van de bestrijding is een georganiseerde enting van het rundvee
met trivalente entstof, bereid door het Gentraal Diergeneeskundig Insti-
tuut afd. Amsterdam. De enting wordt eenmaal per jaar aan het einde van
de stalperiode verricht. Praktisch alle rundveebeslagen in Nederland wor-
den geënt.

Wanneer mond- en klauwzeer zich ondanks de enting sporadisch voordoet,
wordt door de Overheid als sluitstuk op de massale, georganiseerde enüng
het afslachtsysteem toegepast.

Deze enüng is niet verplicht, maar men heeft wel een vervoersverbod
ingesteld voor runderen, afkomstig van bedrijven die niet in hun geheel
in de daarvoor voorgeschreven periode zijn geënt en voor jongvee, dat
langer dan 4 maanden vóór het vervoer is geënt. Aangezien vrijwel iedere
veehouder in Nederland een of meer van zijn dieren in de loop van het

-ocr page 905-

jaar zal willen vervoeren (al is het maar naar het slachthuis) is dit een
effectief middel gebleken om de enting van vrijwel de gehele rundvee-
stapel door te voeren.

Hoewel de voorschriften in dit geval van Overheidszijde afkomstig zijn,
wordt de feitelijke bestrijding en de administratie uitgevoerd door de ge-
zondheidsdiensten voor dieren en de praktizerende dierenartsen.
Een voorbehoedende enting van varkens tegen mond- en klauwzeer
wordt nog niet toegepast. De thans beschikbare entstof geeft bij varkens
geen redelijke mate van immuniteit, maar de vervaardiging van een spe-
ciaal aan het varken aangepaste entstof wordt zoveel mogelijk bevorderd.

Kunstmatige inseminatie.

Vóór de massale en georganiseerde toepassing van de K.I. bij runderen
vormden de dekinfecties een groot probleem. Door het toepassen van
de K.I. kon deze schade vrijwel worden vermeden. Aan de gezondheids-
diensten werd hierbij een belangrijke taak opgedragen, die in hoofdzaak
de technische opleiding van de inseminatoren, het toezicht op de technische
uitvoering en de administratie van de inseminaties omvat. Alle stieren
worden, voordat ze voor de K.I. in gebruik worden genomen, door de
gezondheidsdiensten onderzocht met het oog op bevruchtend vermogen,
dekinfecties en erfelijke afwijkingen aan de geslachtsorganen.
De K.I. bij varkens en geiten ontwikkelt zich in vele provincies gunstig.
Iedere gezondheidsdienst heeft voor dit onderdeel van zijn taak een
gespecialiseerde dierenarts beschikbaar, tei-wijl het toezicht op de tech-
nische uitvoering bij de K.I.-verenigingen door een plaatselijke dierenarts,
veelal de practicus, namens de gezondheidsdienst wordt uitgevoerd.
De ontwikkeling van de K.I. heeft de mogelijkheid geopend, dat bij enkele
grote verenigingen een dierenarts directeur werd en zo gelegenheid vond,
zich met de research op dit gebied bezig te houden.

Varkensziekten.

De gezondheidsdiensten voor dieren hebben sinds enige jaren belang-
stelling voor de georganiseerde bestrijding van varkensziekten, waarvoor
dierenartsen zijn benoemd die zich op dit .gebied specialiseren.
De ziektenbestrijding is voornamelijk gericht op viruspneumonie en var-
kenspest. Regelmatig worden inspecties verricht op de aangesloten be-
drijven door de met deze taak bij de gezondheidsdiensten belaste dieren-
artsen.

Schurft en wormziekten worden systematisch behandeld door de varkens-
houders op advies van genoemde dierenartsen. De kunstmatige insemina-
tie van varkens vormt een belangrijke bijdrage tot het voorkómen van
besmettelijke varkensziekten. De Overheid verleent financiële steun bij
het begin van de georganiseerde varkensziektenbestrijding. Na een aan-
loopperiode zullen de varkenshouders zelve voor de nodige geldmiddelen
dienen te zorgen.

Ook hier wordt weer gewerkt met een methode, waarbij gezondheidsver-
klaringen worden afgegeven, na het daarvoor voorgeschreven diergenees-
kundig onderzoek, dat zowel door de gezondheidsdiensten als door de
praktizerende dierenartsen wordt uitgevoerd.

-ocr page 906-

Pluimveeziekten.

De bestrijding en het uitroeien van S. pullorum werden door de Gezond-
heidsdienst voor Pluimvee te Soesterberg georganiseerd. Een onderzoek
van deze dienst droeg er toe bij, dat bij het onderzoek van pluimvee op
S. pullorum-m{tcX.\\& volgens de z.g. snelbloeddruppelmethode bet gebruik
van een trivalent
S. pullorum-nntigeen is voorgeschreven. Dit voor-
schrift heeft er toe geleid, dat in Nederland als enig land ter wereld ge-
vallen \\an
S. pullorum bij foktomen worden onderkend, die overal elders
aan de waarneming ontsnappen. De praktizerende dierenartsen hebben
een belangrijk aandeel gehad in het
S. pullorum-vri] maken van onze
pluimveestapel. Vele duizenden dieren op de fok- en vermeerderingsbedrij-
ven werden door hen systematisch onderzocht, met bet gevolg dat Neder-
land één van de weinige landen is dat sedert jaren over een .S".
pullorum-
vrije pluimveestapel beschikt.

Het verlenen van diergeneeskundige hulp op de bedrijven waar pluimvee
wordt gehouden is echter nog omgeven door tal van problemen. Van
oudsher wordt door de veehouder de hulp van de dierenarts ingeroepen
voor zijn runderen, paarden en varkens, doch wanneer zijn pluimvee
iets mankeert zal hij zicb in het algemeen niet direct tot zijn dierenarts
wenden.

Bij pluimvee is bovendien in de grote meerderheid van de ziektegevallen
een gecombineerd onderzoek op het pluimveebedrijf en in het laboratorium
nodig om tot het definitief onderkennen van de ziekte te komen en dc
nodige maatregelen op het bedrijf te treffen. Ons land heeft — dit is
uniek in Eiu\'opa — tal van laboratoria die zich met het onderzoek naar
de ziekte- of doodsoorzaak bij pluimvee bezig houden. De Gezondheids-
dienst voor Pluimvee te Soesterberg doet dit voor de fok- en vermeerde-
ringsbedrijven en kuikenbroeders, terwijl de gezondheidsdiensten voor
cheren in elke provincie dit onderzoek doen voor de boeren pluimveehou-
ders. De resultaten van het onderzoek in de laboratoria worden in de
meeste gevallen met cen advies hoe veider tc bandelen aan dc inzender
van het zieke of gestorven pluimvee medegedeeld.

In Nederland wordt tegen drie belangrijke phumveezickten geënt, (e weten:
pokken-difterie, pseudo-vogelpest (Ncwcastle disease) en infectieuze b.on-
chitis. De Gezondheidsdienst voor Pluimvee en de gezondheidsdiensten
voor dieren stellen jaarlijks een entschema op, dat onder de pluimvee-
houders wordt verspreid. Elk jaar worden de nieuwe inzichten in dit
schema verwerkt.

Eenden-virus hepatitis werd met succes bestreden door bet tweemaal enten
\\ an fokeenden waardoor de jonge eenden immuun zijn.

Overige taken.

Bij de diensten zelf ligt een ruim arbeidsveld voor dierenartsen, waar\\an
er thans ruim 50 bij deze organisaties zijn ingeschakeld. Zij krijgen de be-
hartiging van een onderdeel van het werk van de dienst toebedeeld en
kunnen zich hierop volledig oriënteren. Problemen waarmee zij in aan-
raking komen geven stof voor publikaties. Onderwerpen, waaraan in de
loop van de jaren aandacht is en wordt besteed, zijn onder andere: steri-
liteit bij rundvee, vruchtbaarheidsonderzoek bij merries, onderzoek van
hengst-sperma, bestudering van schapeziekten, proexen inzake leverbot-

-ocr page 907-

bestrijding, deficiëntieziels^ten, onderzoek van de relatie bodem - plant -
dier. Speciale vermelding verdienen het onderzoek op para-tuberculose
waarvan de bestrijding op vrijwillige basis, zij het op bescheiden schaal,
in Friesland wordt uitgevoerd en het onderzoek op het gebied van het
snel uit te voeren massale onderzoek op mastitis in Noord-Brabant, waar-
door de mogelijkheid wordt geopend probleembedrijv en op te sporen.

Nabeschouwing.

Naast de georganiseerde dierziektenbestrijding wordt bij de gezondheids-
diensten voor dieren en bij die voor pluimvee veel veterinair-technisch
werk verricht, waarvoor bij deze diensten een groot aantal dierenartsen
zijn ingeschakeld die zich hebben gespecialiseerd, waarbij hen dc goed
geoutilleerde laboratoria van de diensten ter beschikking staan. De dien-
sten zijn ook de practicus tot grote steun bij de uitoefening van zijn prak-
tijk, doordat hij er een beroep op kan doen wanneer zich in zijn praktijk
problemen voordoen. Voor de routinewerkzaamheden kan de practicus
.gebnuk maken van het sectielokaal en het laboratorium van de in zijn pro-
vincie gevestigde dienst.

In een andere verhouding komt de practicus tot de gezondheidsdienst te
staan bij de uitvoering van de georganiseerde dierziektenbestrijding. Deze
is — en dat kan niet anders in verband met door de gezondheidsdienst
te geven garanties voor verkoop voor binnen- en buitenland — aan lan-
delijk uniform technische voorschriften gebonden, terwijl de veehouder
aan bijzondere voorschriften moet voldoen welke zijn dierenarts moet
uitvoeren. Het gevoel in een vrij beroep werkzaam te zijn komt dan wel
eens in het gedrang. Het georganiseerd overleg, landelijk en provinciaal,
geeft wederzijds begrip voor elkanders positie, zodat een goede samen-
werking is gegroeid en gezamenlijk een enorme hoeveelheid werk is en
nog zal moeten worden verricht in het belang van de Nederlandse vee-
houderij en daardoor ook in het algemeen belang.

-ocr page 908-

De dierenarts in de industrie.

door J. H. G. WILSONi)

Er was eens een dierenarts wiens praktijkgebied rondom werd begrensd
door een praehdg meer. Hij had twee beroepsidealen. In de eerste plaats
wilde hij de diergeneeskunde uitoefenen, waaronder hij verstond het voor-
komen en genezen van alle ziektetoestanden bij die dieren, die voor de
bevolking van het eiland van nut waren. In de tweede plaats zag hij als
ideaal: alles zelf doen.

Hij vond het heerlijk op een eiland te wonen, waarmede de rest van de
wereld maar eenmaal per week een bootverbinding onderhield. Elke zater-
dag, als de boot aankwam, kon hij zien wie en wat er mee kwam. Als één
van de eilandbewoners een elders aangekocht dier wilde invoeren, kon hij
controleren of het gezond was; dit ter wering van besmettelijke ziekten.
De praktijk op het eiland was ook ideaal vanwege het klimaat, dat artsenij-
planten in overvloed deed groeien. Onze collega was voor honderd procent
zijn eigen aix)theker. Hij bereidde alles zelf, van Radix Liquiritiae en
Rhizoma Calami tot Tinctura Opii; de levertraan maakte hij uit de om het
eiland gevangen vissen.

Toen hij uit de vakliteratuur welke hij — in zijn vrije tijd — nauwgezet
bijhield, over penicilline las, prees hij zich .gelukkig dat op het eiland
Penicillium notatum groeide. Hij ging het nieuwe geneesmiddel zelf maken,
zoals hij ook de voedingsbodems bereidde voor het verkrijgen van zijn
„home made" vaccins.

Helaas minder ideaal was dat de veehouders en de eigenaars van de kleine
huisdieren op het eiland, tot nu toe tevreden over de ijver, de stiptheid en
de kundigheid van hun dierenarts, meer en meer reden kregen om op
de laatste twee eigenschappen aanmerkingen te maken. Er waren niet al-
leen wachtlijsten voor niet spoedeisende behandelingen, spoedgevallen
moesten zelfs drie dagen van te voren worden opgegeven! Bovendien, de
resultaten van de geneesmiddelen werden beslist minder.

Op een zonnige zaterdagmorgen -- zonnig naar de gewoonte van het
eiland — arriveerde met de boot een dierenarts uit de rest van de wereld.
Hij kwam zijn vacantie op het eiland doorbrengen. Een toevallige ont-
moeting met zijn op het eiland wonende collega boeide hem zo, dat hij deze
verzocht hem gedurende een week bij zijn dagelijkse werkzaamheden te
mogen vergezellen. De self supporting practicus vertelde zijn colle.ga van
het vaste land, zo tussen twee mastitisbehandelingen door, dat hij volmaakt
gelukkig was. Hij koesterde maar één wrok, en wel tegen de zon. Dit hemel-
lichaam hield stipt rekening met een etmaal van 24 uur. Deze uren moest
hij verdelen tussen patiënten, echtgenote, huiswerk van de kinderen, apo-
theek, penicillineproduktie, vaccinbereiding, reparatie van het instrumen-
tarium en bijhouden van de vakliteratuur en... van de inwendige mens.
De met vacantie zijde dierenarts kwam diep onder de indruk. Vacantie
leek hem een onvergeeflijke uiting van luiheid, nu hij zoveel ijver naast hem
zag. Tijdens de dagelijkse ritten over het eiland getuigde hij dan ook van
zijn bewondering voor de inspanning van zijn alles doende collega. Zo riep

J. H. G. Wilson, dierenarts bij N.V. Philips Duphar, Weesp.
62 Tijdschr. Diergeneesk., le Jubileum-aflevering, 1962

-ocr page 909-

hij soms boven het lawaai van de open auto uit: „wat een ijver"! Maar zijn
collega hoorde het niet, of begreep dit woord niet. Daarom riep de vaste-
land-practicus het in het Latijn: „INDUSTRIA!" Juist op dat moment
remde de ijverige dierenarts zijn wagen af. Door het woord industria, als-
mede door het feit dat voor de komende tien minuten drie visites en het
zoeken naar Semen Ricini op zijn program stonden, dacht hij aan de vele
prospecti en folders, welke hem iedere zaterdag per boot bereikten. Deze
werden hem gezonden door een groep nijvere mannen en vrouwen, die
allerlei chemicaliën en voedingscomponenten produceren en deze onder
het etiket „ad usum veterinarium" denken te verkopen. Ten onrechte over-
woog de eilandbewoner, dat de produktie geschiedde, zonder dat de pro-
dukten ooit op een dier, laat staan door een dierenarts zijn onderzocht.
I^it nu beschouwde hij terecht als een poging hem te remmen in het be-
reiken van zijn beide beroepsidealen......

Indien dit sprookjeseiland ooit heeft bestaan, deze dierenarts daar ooit
heeft gepraktizeerd, beheerst door verkeerde indrukken, dan moet dit alles
toch wel heel lang geleden zijn.

De afzonderlijke begrippen dierenarts en industrie zijn thans beide ge-
meengoed. De combinatie, dierenartsen - industrie, is bezig gemeengoed te
worden.

Is zij een merkwaardige combinatie, is zij een onwaardige combinatie? In-
dien er een „eed van Absyrtus" zou bestaan, zou die dierenarts, die na het
afleggen van de eed Industria omhelsde, een afvallige zijn? Zeker niet.
Dat de chemische nijverheid omstreeks 1787 haar bijdrage leverde aan de
industriële revolutie, welke revolutie op wetenschappelijk gebied niet min-
der revolutionaire kinderen heeft gebaard, is niet geheel buiten de artsen
eu de dierenartsen omgegaan. Hun kennis op het gebied van de genees- en
heelkunde, hun inzicht in de artsenijbereidkunst, in de voedingsleer ten
aanzien van zieke en gezonde mensen èn dieren, bun samenwerking met
biologen, farmaceuten, chemici e.a. hebben medegewerkt aan de ont-
jjlooiing van een geneesmiddelen- en van een voedingsmiddelenindustrie,
welke vandaag moeilijk weer weg te denken is.

Het zou overdreven zijn te beweren, dat er een lijn loopt van de kaptein-
paardenarts naar de captain of industry. Toch is het merkwaardig dat waar
liet eerste begrip langzaam maar zeker ophield te bestaan, het tweede aan
betekenis ging winnen.

„Industria" riep de met vacantie zijnde dierenarts zijn collega, die altijd tijd
tekort kwam, toe. Industria: nijverheid.

Industrie: economisch produceren. Kan dit, in het algemeen gesproken,
zonder de wetenschap? Kan cen industrie op het terrein van de diergenees-
ktmde of op dat van de diervoeding zonder een dierenarts economisch en
wetenschappelijk werken? Wij menen het te moeten betwijfelen.
De combinatie dierenarts-industrie is geen merkwaardige noch een on-
waardige samenvoeging. Het is zeer begrijpelijk, dat een dierenarts zich tot
de industrie voelt aangetrokken, waar hij niets van zijn professie behoeft
le verloochenen, omdat hij juist omderwille van die professie welkom is.
Zolang hij werkzaam kan zijn, direct of indirect ten bate van de gezond-
heid van het dier, zal hij dierenarts blijven, ook al heeft hij niet elke dag
direct contact met het dier. En wie zich zou diets maken, dat een dusdanige

-ocr page 910-

functie in de industrie een rustig zitje onder wijnstok of vijgeboom is, ver-
gist zich.

In ons land beperkte de activiteit van de industrieën op diergeneeskimdig
terrein zich in het verleden voornamelijk tot de produktie en verkoop van
instrumentarium voor de diergeneeskundige praktijk en van grondstoffen,
waaruit de practicus in zijn apotheek de geneesmiddelen zelf bereidde. Het
industriële onderzoek naar en de produktie en verkoop van nieuwe genees-
middelen met name in specialitévorm, was en is nog steeds sterk gericht
op de humaan medische praktijk. Mogelijkheden voor toepassing hiervan
in de diergeneeskunde werden meestal nagegaan door het betreffende pre-
paraat aan een veterinaire kliniek of aan enkele practici ter beschikking
te stellen. Op deze wijze kwam men in vele gevallen tot een veterinaire
gebruiksaanwijzing van het preparaat. Hoe waardevol dit praktische onder-
zoek ook is, het kan en mag slechts als een slotfase worden beschouwd
welke dient te worden voorafgegaan door een bestudering van de in het
laboratorium verkregen gegevens door een dierenarts. In vele gevallen zal
dan blijken dat voor een juiste beoordeling van de veterinaire applicatie-
mogelijkheden ook nog aanvullende laboratoriumproeven nodig zijn. Ge-
beurt dit diergeneeskundig gerichte vooronderzoek niet, dan is feitelijk de
mens het proefdier voor de patiënten van de dierenarts. Bovendien kunnen
op deze wijze waardevolle ]jreparaten uit de humaan-medische sector
ongeschikt worden verklaard voor de diergeneeskunde op grond van een
verkeerde toepassing of door een onjuiste interpretatie ten gevolge van on-
volledig of verkeerd opgezette zogenaamde praktijkproeven.
Na de laatste wereldoorlog zien we ook in ons land, dat bestaande indus-
trieën van geneesmiddelen en voedingscomponenten hun activiteiten gaan
uitbreiden tot het terrein van de diergeneeskunde. Hierbij wordt niet alleen
aandacht geschonken aan de mogelijkheden, om voor bestaande produkten
veterinaire indicaties te vinden, maar men zoekt ook naar oplossingen
voor de specifiek diergeneeskundige problemen, b.v. naar vaccins die een
.solide immuniteit geven tegen infectieuze dierziekten en die op eenvoudige
wijze zijn toe te passen. Daarnaast ontstaan nieuwe industiieën die zich
ten dele beperken tot confectioneren of tot import van diergeneeskundige
specialité\'s.

De hoge eisen die de economie van de veehouderij stelt aan dc land-
bouwhuisdieren worden ten aanzien van de voeding grondig bestu-
deerd door veevoederindustrieën. Dat ook in deze tak van industrie de
noodzaak werd onderkend om in deze studie naast de landbouwkundige
wetenschap en de chemie ook de diergeneeskunde tc betrekken, blijkt uit
het feit, dat vele veevoederindustrieën een dierenarts aan hun wetenschap-
pelijke staf hebben toegevoegd.

Momenteel zijn er naar schatting 20 dierenartsen in volambtelijk dienst-
verband werkzaam bij de industrie, d.w.z. ongeveer 2% van de in Neder-
land wonende en als zodanig werkende dierenartsen. Dit percentage is on-
geveer gelijk aan het percentage dat wij vermeld vonden over de Verenigde
Staten en Canada samen.

Wat is de taak van deze dierenartsen ? U zoudt uit het begin van dit ver-
haal kunnen afleiden dat zij sprookjes moeten verzinnen om die vervolgens
met de nodige flair aan de cliëntèle te kimnen verkopen. Wij hopen echter

-ocr page 911-

dat U zowel door dit sprookje als door het daaropvolgende deel een al-
gemene indruk van hun taak hebt gekregen.

Stellig zal in detail de taak van de dierenarts in de industrie aanzienlijk
variëren, b.v. van het meewerken aan fundamenteel wetenschappelijk
onderzoek tot het bijdragen aan een verantwoorde voorlichting voor de ver-
bruiker. Verder zullen er verschillen zijn die samenhangen met de industrie
waar hij werkzaam is; er zijn dierenartsen werkzaam bij industrieën die
zich bezig houden met de voeding van het gezonde dier en er zijn anderen
wier werkgever zich bepaalt tot de produktie van geneesmiddelen voor het
zieke dier.

Zij verkeren echter allen in de bevoorrechte positie om de diergeneeskundige
problemen te kunnen bestuderen in samenwerking met de beoefenaren van
andere takken der wetenschap en met bun collegae die in de praktijk, aan
de Universiteit of elders werken en met wie zij een gemeenschappelijk
ideaal bezitten. Dit ideaal is bij te dragen tot de gezondheid van het nut-
tige dier en daardoor:

Hominurn animaliumque saluti.

-ocr page 912-

De Nederlandse dierenarts buiten de grenzen.

door L. S. B. G. H. HARMSEN^) en P. HOEKSTRA^)

Wie in 1962 100 jaar Nederlandse diergeneeskunde in het buitenland be-
schrijft, beschrijft 90 jaar diergeneeskunde in het voormalig Nederlands
Oost-Indië en 10 jaar diergeneeskundig werk in andere landen; 90 jaar van
geconcentreerd zijn op één plekje van de wereldkaart — maar een „gordel
van smaragd" — en 10 jaar verstrooid zijn over de wereld.

Vanaf 1814 en 1820, toen resp. de eerste Nederlandse paardenarts en
gouvernements-veearts hun voet aan land zetten op Java, tot de tweede
wereldoorlog, heeft de Nederlandse dierenarts zich naar Indonesië gericht.
Vergeleken met het aantal van de in Indonesië werkende dierenartsen - -
omstreeks 70 tot 100 in de jaren tussen de twee wereldoorlogen, ruim 11%
van het totaal aantal Nederlandse dierenartsen uitmakende — valt immers
het aantal dat in West-Indië en andere landen werkzaam was, nooit meer
dan 10 in totaal, in het niet.

Na de tweede wereldoorlog wordt het anders.Indonesië valt langzamerhand
weg als werkterrein voor de Nederlandse dierenarts en andere mogelijk-
heden worden gezocht. En gevonden! In 1961 verblijven 58 dierenartsen
met een Nederlands diploma in het buitenland, waarvan 11, bijna allen
Indonesiërs, in Indonesië, 7 Israëliërs in hun vaderland en van de overigen,
Nederlanders, 10 in Nieuw-Zeeland, 5 in Amerika, 4 in Canada en nog 21
in 13 verschillende meest economisch minder ontwikkelde landen. Daar-
naast nog 10 in tot het Koninkrijk behorende gebieden, nl. 6 in West-
Indië en 4 in Nederlands Nieuw-Guinea.

Wat trok en trekt de Nederlandse dierenarts naar vreemde landen? Het is
over het algemeen niet de zucht naar geld, hoewel de veelal goede sala-
rissen en levensomstandigheden wel op prijs worden gesteld. Ook is het
niet de verwachting in den vreemde meer dierenarts, d.w.z. meer dier-
geneeskimdige te kimnen zijn. Integendeel. Men weet dat het in de verre
landen veelal niet gaat om het individu, maar om de duizenden.
Is het dan de roep van het onbekende, het vreemde?

Het willen zien van verre landen, het in contact willen treden met vreemde
volken van andere godsdienst en structuur? Is het de drang om leiding te
willen geven en jong verantwoordelijkheid te willen dragen? Of het pers-
pectief der grote mogelijkheden?

Het is dit alles en nog veel meer. Het is de wil o:n iets te „doen", veel te
doen, iets te doen wat een ander niet doet. Het is de onbewuste drang naar
persoonlijkheidsvorming in confrontatie met het onbekende.

Zo zijn Nederlanders, ook dierenartsen, in groten getale naar de „Oost"
gegaan. En zo gaan ze nu en zullen ze blijven gaan naar verre landen. Om
daar te werken, voor de in materiële zin slecht bedeelden. En dan van tijd
tot tijd terug te keren in eigen land, om zich te koesteren in de sfeer van
het goede, het juiste, het vertrouwde, het beste. Genieten van familie, ge-
ordend leven en Westerse cultuur. En om uit te zien naar de dag dat men

1) L. S. B. G. H. Harmsen, oud-Inspecteur Burgerlijke Veeartsenijkundige Dienst
Ned. Indië, redacteur Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

2) Prof. Dr. P. Hoekstra, oud-Hoogleraar Universiteit van Indonesië (fac. Dier-
geneeskunde), Hoogleraar Faculteit der Diergeneeskunde, Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 913-

weer vertrekken kan. Of „gerijpt", niet de kinderen op de juiste school en
de fauteuil op de juiste plaats en een beetje herinnering, te beseffen dat
Nederland, ook aan werk, veel goeds biedt.

Zo zijn, na een langzaam begin, veel dierenartsen naar Oost-Indië gegaan,
de meesten in dienst van het burgerlijk bestuur. Na 1870, door ernstige
veepestuitbraken, in snel toenemend aantal. In 1886 werkten 11 dieren-
artsen bij de Burgerlijke Veeartsenijkundige Dienst, in 1898 24 en in 1909
41.

Het aantal paardenartsen klom meer geleidelijk en bereikte in 1909 met
11 reeds zijn maximum. Uit deze tijd dateren ook de eerste dierenartsen
werkzaam bij de hygiënische diensten der grotere steden en zij die de
particuliere praktijk beoefenen. Hieronder later vele gepensioneerden, die
hun nieuwe vaderland niet meer wensten te verlaten.

De tijd vóór de eerste wereldoorlog is ook een van de belangrijke gebeur-
tenissen op diergeneeskundig gebied. In 1907 wordt de Veeartsenijschool
later Nederlands-Indische Vecartsenschool genoemd — opgericht en in
1908 het Veeartsenijkundig Laboratorium (later Veeartsenijkundig Insti-
tuut), beide te Bogor, vroeger Buitenzorg geheten.

De Veeartsenschool om in de behoefte aan goed onderlegde autochtone
dierenartsen te voorzien. Honderden vóór en tijdens de studie volgens
strenge nonnen geselecteerden, werden door deze hogere middelbare op-
leiding gevormd en groot is hun aandeel in de ontwikkeling van de dier-
geneeskunde in Indonesië. Hoe goed zij waren en hoe goed hun opleiding
geweest is, bleek vooral tijdens en na de tweede wereldoorlog, toen zij de
lege i)laatsen der Nederlandse academici in zeer veel gevallen met ere heb-
ben vervuld. Het lerarencorps — 4 tot 5 Nederlandse dierenartsen met In-
donesische assistenten - droeg verder ook bij tot de ontwikkeling van de
diergeneeskundige wetenschap. J. W i t k a m p bestudeerde de hypho-
rnycosis destruens equi, H. J. Smit beschreef vele nieuwe parasieten, spe-
ciaal wormen en J. M e r k e n s verrichtte baanbrekend werk op zoö-
technisch gebied.

Niet minder belangrijk was de oprichting in 1908 van het Veeartsenijkun-
dig Laboratorium. Dit om mogelijkheden te scheppen voor het onderzoek
dat zich in clie jaren krachtig ging ontwikkelen. Juist \\óór 1900 beschreven
J. K. F. van d e r D o e s, C. A. P e n n i n g en A. V r ij b u r g reeds de
surra en de dourine en werd het eerste licht geworj>en op de saccharo-
mycose en de piroplasmen. Met ere moeten o.a. ook worden genoemd
D. P. F. D r i e s s e n, B. V r ij b u r g, H. \'t H O e n, L. J. H O O g k a m e r,
W.
V. d. Burg, die onder primitieve omstandigheden hun baanbrekend
werk verrichtten. Nauw werd samengewerkt met medische onderzoekers
uit die tijd, als J. C. E y k m a n en G. Gr ij n s.

Na de oprichting volgt een snelle ontwikkeling onder leiding van L. d e
Blieck en zijn opvolgers, J. Ch. F. S o h n s en C. B u b b e r rn a n.
De laatste schrijft hierover in zijn artikel: „Een kwart-eeuw van veterinaire
arbeid in Nederlands Oost-Indië"
(Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 64,
1206, 1937): „Onbekende ziekten werden in hun aetiologie onderkend zo-
als de anaplasmosis door De Blieck en K a 1 i g i s, de osteomyelitis ba-
cillosa bubalorum door Kraneveld, de peristomatitis infectiosa van
het schaap en de stephanofilariosis door Bubber man en Kraneveld,
de pseudovogclpest door P i c a r d en de lepra bubalorum door L o b e 1".

-ocr page 914-

Uit later jaren dateert het omvangrijke werk van F. C. Kraneveld
en Rd. Djaenoedin over anaeroben en publiceert A. van der
Schaaf over abortus. Daarnaast worden effectieve therapieën uitge-
werkt voor surra en worden goede vaccins en antisera bereid zodat de ge-
vreesde epizoötieën van miltvuur, septichaemie en boutzuur voorkomen
konden worden.

Dit Buitenzorg was, meer dan Batavia — stad van het machtige hoofd-
kantoor der burgerveeartsen — centrum van diergeneeskundig leven. Hier-
heen wendden zich de werkers van de periferie. Zij die slechts enkele ma-
len ]3er jaar met een collega van gedachten konden wisselen en als enige
literatuur htm eigen studieboeken en het Nederlandse en Indische vak-
tijdschrift voor handen hadden.

Vakantie- en dienstreizen naar de grote centra waren voor hen evene-
menten. Intensief werd dan genoten van de westerse cultuur, gesprekken
met landgenoten en contacten met vrienden en bekenden. Om dan weer
terug te gaan naar de standplaats in het binnenland, de kleine kennissen-
kring, de lange reizen te paard, te voet, per auto of per boot, het kantoor
en het bivak. Om daar te praten, altijd lang te praten, gegevens te verza-
melen over de economische structuur van stam en land, zonder welke geen
verantwoorde diergeneeskundige, maar ook geen succesvolle veeteeltkun-
dige, maatregelen beraamd kunnen worden.

Ook op het gebied van de veeteelt is veel werk verzet. Vanaf het begin
reeds. Met name moeten uit de eerste jaren genoemd worden B. V r ij-
b u r g en H. \'t H o e n, die zeer veel op veeteeltgebied publiceerden. Ver-
schillende afleveringen van de Nederlands-Indische Bladen voor Dier-
geneeskunde — in 1884 begonnen — zijn in hoofdzaak gevuld met veeteelt-
kundige bijdragen. Een belangrijke plaats neemt hieronder in de bespreking
van de veeteeltkundige politiek in het algemeen, met name de vraag: „0]3
welke wijze moet de veestapel verbeterd worden? Door teelt in eigen ras
of door kruising met te importeren rassen". Verder werd veel geschreven
over binnenlandse en buitenlandse remontering.

Zeer belangrijk is de later juist gebleken beslissing geweest om ter ver-
krijging van goede werk- resp. slachtrunderen het minder goede Javaanse
en Sumatraanse rund om te vormen door kruising met uit India ge-
importeerde Zebu\'s, hoofdzakelijk Ongoles en daarnaast de goede streek-
rassen, t.w. het Atjehrund, het Madurarund en bet Baliruncl in eigen ras
te verbeteren.

Groots was de conceptie om verschillende van de kleine Soenda-eilanden,
waar omstreeks 1900 nog geen runderen voorkwamen, als het ware tc
maken tot grote fokstations voor verschillende rassen. Zo bv. Timor voor
het Balirund en Soemba voor de Ongole. De resultaten op Soemba waren
buitengewoon. Na de invoer van de eerste Ongoles in 1908 vermeerderden
en ontwikkelden deze zich zo voorspoedig, dat men al spoedig in staat was
om jaarlijks enkele duizenden stuks uitstekende fokrtmderen, vooral
mannelijke, naar vele streken van de archipel te verzenden. Ook de im-
port van zwartbonte melkrunderen ten behoeve van Europese boerderijen
en inheemse bedrijven in de omgeving van grote bevolkingscentra had
goede resultaten. Veel werk is ook verricht ten behoeve van de paarden-
en geitenhouderij.

Het verschijnen van verschillende proefschriften op veeteeltgebied —
68

-ocr page 915-

]. K ok, R cl. S O e r a t in O, H. G. A a 1 f s, P. Hoekstra — is verder
het bewijs dat de wetenschappelijke aan])ak niet ontbrak.
Een groot gemis bleef echter het ontbreken van een pendant \\ an het Vee-
artsenijkundige Laboratorium, n.1. een veeteelt instituut. Hoe ernstig men
dit nam bewijst o.a. het aannemen in 1926 van een motie Merkens door
de in Bandoeng gehouden 42e Algemene Vergadering, waarin de regering
om de oprichting van een .Algemeen Veeteelt Instituut wordt gevraagd.
Bescheiden proefstations voor kleinveeteelt en pluimveeteelt, die beide aan-
zienlijk kleiner waren dan de namen zouden doen vermoeden, waren
slechts het resultaat. Eerst na de tweede wereldoorlog werd in Buitenzorg
het goed geoutilleerde .Algemeen \\\'eeteelt Instituut opgericht.

Met goed functionerende diensten van rijk en gemeente — vele gemeen-
ten bezaten moderne slachthuizen met goede laboratoria — en een goede
bezetting van „School" en „Institiuit" werd de tweede wereldoorlog inge-
gaan.

De tijd van concentratiekampen en de Birmaspoorweg breekt aan. Tref-
fend herdenkt C. P. A. Dieben in de reeds in 1947 weer verschenen
„Bladen" onder de titel: „Zij die beengingen" 14 Utrechtse abituriënten,
gestorven in kampen of gedood door e.xtremisten. \\\'elen moesten verder
Indonesië wegens ziekte tijdelijk of voor goed verlaten.
Groot blijkt echter de veerkracht der o\\\'ergeblevenen. Miltvuur-epizoötieën
worden bedwongen, verwilderde runderen opgekraald, hygiënische dien-
sten opnieuw in bedrijf gesteld en het Veeartsenijkimdig Institiuit modern
ingericht. En op 20 november 1948 krijgt de officiële opening van de Dier-
geneeskundige faculteit, omzetting van de middelbare veeartsenschool in
een inrichting voor hoger onderwijs, haar beslag. De faculteit ontplooit zich
daarna snel door hel aantrekken van verschillende hoogleraren uit Neder-
land E. J. S 1 ij p e r, A. M. E r n s t, S. R. Numans, A. H o i t i n k,
H. J. Vonk, J. Boogaerdt, J. Hoekstra, C. J. J a s k i, A. van
1) e t h — en de bouw van goede instituten.

In 1949 worden de verenigingen voor dierenartsen-academici en die voor
de abiturienlen van de Nederlands-Indische Veeartsenschool .samenge-
smolten en worden de „Nederlands-Indische Bladen voor Diergenees-
kunde" omgezet in „Heiuera Zoa", tijdschrift voor huisdierwetenschap,
met Nederlands en Indonesisch als voertaal. Het .Algemeen Veeteelt Insti-
tuut wordt in 1950 oiJgcricht en F. C. K r a n e v e 1 d tot erelid der alge-
mene dierenartsenvereniging benoemd.

Door politieke omstandigheden kon de uitstekende Indonesisch-Nedei-
landse samenwerking echter geen stand houden en vrij snel verloopt ver-
volgens de vervanging van Nederlandse academici door Indonesische
dierenartsen. In 1951 staat het tijdschrift „Hemera Zoa" reeds geheel on-
der Indonesische leiding en in 1958 keren de laatste Nederlandse dieren-
artsen naar het vaderland terug.

En hiermede kwam een einde aan het werk van Nederlandse dierenartsen
in Indonesië. Werk dat verricht werd onder de strakke leiding van veelal
uitzonderlijk bekwame personen; werk waarop Nederland, ondanks alle
fouten, trots mag zijn.

Naast de beschrijving van de geschiedenis van de Nederlandse dierenarts
in Indonesië, kan die betreffende West-Indië en andere landen kort zijn.
De eerste Nederlandse dierenarts in Suriname dateert van januari 1893,

-ocr page 916-

die van Curaçao van 1931 en in 1940 waren het er nog slechts 2. Verder
werkten toen nog 8 Utrechtse abituriënten in andere landen.
Evenals in de „Oost" omvatten de werkzaamheden in de „West" de be-
strijding van besmettelijke dierziekten, de bevordering der veeteelt en het
uitvoeren van keuringen op het gebied van de vlees- en melkhygiëne.
Gebrek aan laboratoria en personeel beletten een goede aanpak van het
wetenschappelijk onderzoek. Toch werden verschillende bij het rund voor-
komende bloedparasieten vastgesteld en werd enig zoötechnisch onder-
zoek verricht. Zo werden kruisingen tussen het inheemse rund en verschil-
lende Europese rassen, alsmede met de Zebu, beproefd. Ook ten behoeve
van de verbetering van de varkensstapel werden rassenkruisingen toegepast
o.a. met de Tamworth en de Berkshire.

Na de oorlog werd het aantal dierenartsen voor Suriname op 2 gebracht,
terwijl thans 3 collegae op Cmacao en 1 op Aruba werkzaam .zijn.
Ook in Nederlands Nieuw-Guinea werd na de oorlog het diergeneeskundig
werk uitgebreid. Hier is de eerste taak: uitbreiding der veestapel. Daar-
naast vragen wering en bestrijding van besmettelijke dierziekten de aan-
dacht. Het aantal plaatsen voor gouverncments-dierenartsen op Neder-
lands Nieuw-Guinea bedraagt thans 3.

Behalve in de rijksdelen, „de West" en Nederlands Nieuw-Guinea, hebben
na de oorlog Nederlandse dierenartsen in vele landen htm toekomst ge-
zocht.

In de eerste plaats, na het wegvallen van de „Oost", in vele andere, in
economische zin minder ontwikkelde gebieden. Zo bv. in Brazilië, Costa
Rica, Birma, de Libanon, Uganda, Ghana, Mexico, Madagascar en de
Franse .Antillen. En nu is het opmerkelijke dat in welk werelddeel deze lan-
den ook liggen, welke volken er ook wonen en welke taal er ook gespro-
ken wordt, de aard van werken en leven niet verschillend zijn. Een Oud-
Indischgast voelt zich onmiddellijk thuis in Pakistan, Venezuela of Nigeria.
Hij kent onmiddellijk het leven, „ruikt" als het ware de problemen en ziet
de mogelijkheden. Hij stelt zijn technische kennis in dienst van de strijd ter
verhoging van de levensstandaard der autochtonen.

De belangrijkste factor om te slagen is de mens. Dc mens, die wil werken
om te helpen. Hij, zij, die door luisteren wil komen tot kennis, met gedtdd
tot samenwerking en door werkkracht tot resultaten.
Er liggen voor de Nederlandse dierenarts in het buitenland nog vele moge-
lijkheden. Om die tc realiseren moet er echter .gewerkt worden. Van de
gemakkelijke gang naar de rijksdelen overzee moet overgeschakeld wor-
den op het vinden van een „pied ä terre" in vreemde landen. Hierbij is
onze gedegen, „allround" opleiding, inclusief die in de zoötechniek en
tropische dierziekten, tot grote steun. En verder de contacten, die het in-
stituut voor tropische en protozoaire ziekten, dat enig is in Europa, met
elke Nederlandse dierenarts „buitengaats" onderhoudt.

Naast deze „zwervers", die na korte perioden toch weer naar het moeder-
land terugkeren, heeft zich een andere categorie van „buitenlanders" ont-
wikkeld, n.1. die der emigranten. Collegae, die door het volle Nederland
beklemd, de ruimte zoeken in verre landen. Echter niet in vreemde landen,
maar in landen met een Westerse cultuur. Vele succesvolle emigranten zijn
reeds gegaan naar Canada, Zwitserland, Amerika, Australië en Nieuw Zee-
land en in het bijzonder het laatste land biedt vele en goede mogelijkheden.

-ocr page 917-

Zo heeft zich na de tweede wereldoorlog de stroom van Nederlandse dieren-
artsen naar het buitenland gesplitst. Naast de aan Nederland gebonden
zwervers, de honkvaste emigranten.

Voor beiden is rijk emplooi. Stonden vroeger alleen de Oost en de West
voor hen, die het in eigen land niet wisten te vinden, open, thans is het
de gehele wijde wereld.

-ocr page 918-

Honderd jaar Maatschappij voor Diergenees-
kunde.

door R. VAN SANTEN l)

In tegenstelling tot de periode in de geschiedenis van onze Maatschappij
na 1937, welke periode door vele ouderen onder ons nog daadwerkelijk is
beleefd, liggen de eerste 75 jaren voor het grootste gedeelte buiten onze
waarneming. Deze jaren moeten zich geschiedkundig aan ons openbaren
en uit de donkere nacht der tijden tot ons komen door bouwstenen, op-
gediept uit de archieven van een rijk en rumoerig verleden, waaruit
tenslotte onze huidige Maatschappij voor Diergeneeskunde is ontstaan.2)
Door deze bouwstenen in chronologische volgorde te rangschikken, kan
het huis worden gebouwd waarin onze Maatschappij gedurende de eerste
100 jaar van haar bestaan heeft gewoond.

Hoewel innig met elkaar verbonden en thans zelfs enigermate in symbiose
levend, zijn de Maatschappij voor Diergeneeskunde en het Veeartsenij-
kundig Onderwijs twee verschillende begrippen. Trouwens, reeds lang
vóór het oprichten van onze Maatschappij bestond reeds het Veeartsenij-
kundig Onderwijs, waarvan men als geboortejaar aanneemt het jaar 1821,
toen het onderwijs aan de Rijksveeartsenijschool begon. In het bekende
boek van Prof. Wester: „De geschiedenis van de Veeartsenijkunde" en in
het in 1921 uitgegeven gedenkboek: „Een eeuw Vecartsenijkundig Onder-
wijs", staan over de veeartsenijkunde tot 1921 voldoende gegevens vermeld,
zodat thans over dit onderwerp kan worden gezwegen, tenzij de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde of het Tijdschrift er direkt bij betrokken
waren, in welk geval er ook in dit historisch overzicht aandacht aan zal
worden geschonken.

Bestudering van de „bouwstenen" uit het archief leerde mij, dat het door
elkaar vermelden van gegevens over de Maatschappij en over het Tijd-
schrift een verwarrende indruk zou maken. Daarom heb ik de Maat-
schappij afzonderlijk behandeld en bij de geschiedenis hicivan slechts
dc belangrijkste aangelegenheden van het Tijdschrift bcs]nokcn.

Dc geschiedenis van de Maatschappij voor Diergeneeskunde van 1862 lot
en rnet 1961 vangt aan met een „VERSLAG
der Algemccne Ver-
gadering
van verschillende veeartsenijkundige genootschappen en ver-
eenigingen van veeartsen, gehouden te
Utrecht, den 27. Augustus 1862".
Reeds in 1861 werd op de vergadering van het Nederlandsch Veeartsenij-
kundig Genootschap besloten tot samenvoeging met de „Maatschappij ter
bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland". Hieruit blijkt, dat er
dus in 1861 reeds een Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkimde
bestond, echter niet als enig vertegenwoordigend lichaam, maar naast
verschillende andere soortgelijke verenigingen. Een commissie, bestaande
uit Dr C. G. von R e e k e n, J. B. Snellen, F. C. H e k m c ij e r,

1) Dr. R. van Santen, oud-Hoofdbestuurslid der Maatschappij voor Diergeneeskunde,
Burg. van Schaeck Mathonsingel 27, Nijmegen.

2) De „bouwstenen" voor deze geschiedschrijving zijn, voor zover zij dc eerste 78
jaren van de Maatschappij betreffen, uit de archieven verzameld door L. S. B. G.
H. Harmsen, Rubenslaan 123, Utrecht.

-ocr page 919-

C. A. \\\'V. van Hoorn en G. J. H e n g e v e 1 cl werd belast met het
beleggen van een algemene vergadering in 1862 te Utrecht, alwaar ver-
tegenwoordigd zouden zijn „de beide genoemde veeartsenijkundige
ligchamen, andere bestaande vereenigingen en veeartsen" en in welke ver-
gadering men zich gezamenlijk zou aansluiten en alzo „ééne Maatschappij
voor Nederland" zou uitmaken. Dc commissie had ook tot taak cen „wets-
ontwerp" (lees: huishoudelijk reglement, c.q. statuten) te maken, dat op
deze vergadering kon worden behandeld.

Op deze Algemene Vergadering in Utrecht op 27 augtistus 1862 in het
gebouw voor Kunsten en \\Vetenschappen waren aanwezig: afgevaardig-
den van Zuid-Holland en van Utrecht, de voltallige commissie van voorbe-
reiding en negen dierenartsen. Na een lange en ingewikkelde behandeling
werd het „wetsontwerp" goedgekeurd bij meerderheid van stemmen. De
afgevaardigden van Zuid-Holland en Utrecht verklaarden als lasthebbers
„van him verenigingen, een afdeling Zuid-Holland, res]). Utrecht onder
de aangenomen wet der Maatschappij te willen uitmaken". Dc Maat-
schappij had toen al dadelijk twee afdelingen.

Dc nieuwe of liever veijongde Maatschappij ter bevordering der Vee-
artsenijkunde in Nederland ging haar eerste levensjaar tegemoet onder
leiding van het volgende Hoofdbestuur:
Voorzitter: J. B. Snellen

Ondervoorzitter: Dr. C. G. von Reeken
le secretaris: G. J. Hengeveld
2e secretaris: F. Th. Weitzel
Penningmeester: F. C. Hekmeijer.
Er werd nog een Commissie samengesteld die de aangenomen „wet" zou
laten drukken en verspreiden en zo begon de „Algemene Afdeling der
Maatschappij" haar leven met één lid (S c h rö d e r uit Leiden ).
Na een dankbetuiging aan het adres van de Heer von Reeken voor de
door hem betoonde tact bij het leiden der vergadering, waar overigens
bet „streven naar verbroedering dc geest was die de leden bestuurde",
eindigt het verslag van deze oprichtingsvergadering der „Maatschappij
ter bevordering van de Veeartsenijkunde in Nederland" op 27 augustus
1862 met de zinsnede: „Mogen al dc uitgesproken wenschen vervuld
worden, dan is de bloei der Maatscbap])ij der Veeartsenijkunde, \\an den
Landbouw en der Veeteelt ongetwijfeld gevestigd".

Hieronder volgen enkele artikelen van de „Wet" van de Maatschappij
ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland:
.Art. 2. Stelt zich ten doel: o.a.

c. het zich in betrekking stellen met binnen- en buitenlandse maatschap-
pijen en genootschappen van genees- of veeartsenijkunde, landbouw,
veeteelt en nijverheid;

d. het uitgeven van cen tijdschrift, verzameld uit oorspronkelijke bijdragen,
vertalingen en uittreksels uit buitenlandse tijdschriften;

c. het oprichten van cen boekerij en modelverzameling van bekende en
nieuw uitgevonden instrumenten enz.
.Art. 25 De leden van het Hoofdbestuur brengen ƒ 0,25 per uur heen en ƒ 0,25 per

uur terug, voor reiskosten in rekening.
.\\rt. 26 Door een door de Algemene Vergadering tc benoemen redactie, zal er,
onder medewerking van het Hoofdbestuur, een Tijdschrift worden uitge-
geven waarin ook het verslag der algemene vergadering wordt opgenomen.

-ocr page 920-

Art. 37 Dc rcdactie, die met de samenstelling en verzameling is belast, zal bestaan
uit drie leden. Hoewel de redactie permanent is kunnen leden van het
Hoofdbestuur tevens leden dier redactie zijn.
Art. 38 Voor aankoop van boeken in de boekerij en instrumenten, zal door het
Hoofdbestuur zoveel worden besteed als jaarlijks op de algemene vergade-
ring zal worden bepaald.
Het Tijdschrift kreeg de naam: Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Vee-
teelt.

Het eerste advies dat de nieuwe Maatschappij in 1863 uitbracht geschiedde
op verzoek van de Hollandse Maatschappij van Landbouw en wel over het
Mond- en Klauwzeer.

Op .5 september 1863 is de eerste Algemene Vergadering gehouden te
LItrecht, waarbij 10 individuele leden, 2 afgevaardigden van de Afdeling
Zuid-Holland en 1 afgevaardigde van de Algemene Afdeling aanwezig
waren.

Voorzitter Snellen brengt verslag uit over de toestand van de Maat-
schappij die thans in totaal 57 leden telt; een Algemene Afdeling met 32
leden, afd. Utrecht met 11 leden en een afd. Zuid-Holland met 14 leden.
Verheugend is dat men ook in Indië belangstelling voor de Maatschappij
heeft. Er was reden tot tevredenheid, maar het aantal afdelingen bleef
ver, zeer ver onder het peil.

Na afhandeling van enkele huishoudelijke punten en inzage van een paar
proefvellen van het eerste nummer van het Tijdschrift wordt de vergade-
ring gesloten, echter niet, dan nadat er al een erelid, M r. D. R. Gevers
1) e
y n O O t, secretaris van de Hollandse Maatschappij van Landbouw, en
twee corresponderende leden worden benoemd (beter laat dan nooit).

Op de tweede Algemene Vergadering van de Maatscbajipij op 17 septem-
ber 1864 te Utrecht, was de heer Snellen wederom voorzitter.
Het aantal leden is gestegen van 57 tot 68. En wederom een dringende
oproep van de voorzitter om afdelingen te vormen, door voortdiuende
actieve voorlichting moet de Maatschappij van zich laten horen. Het
Tijdschrift is met belangstelling ontvangen. Er wordt een voorstel aan-
genomen om aan de „Hooge Regeering des Lands" om een wet op de
lütoefening der Veeartsenijkunde te verzoeken. De afdeling Ziud-Holland
is er door de aansliüting bij de Maatschappij niet op vooruitgegaan. De
opkomst op de vergaderingen is slecht. (Dus ook toen al!); de afdeling
Utrecht telt 12 leden.

Op 5 september 1865 werd te Utrecht de derde Algemene Vergadering
van de Maatschappij gehouden. Er heerste toen runderpest in ons land,
want 3 leden van het Hoofdbestiuir waren als leden van dc „Gouverne-
ments-Commissie voor de runderpest" afwezig en er worden enkele klini-
sche gevallen van veepest besproken. Verder wordt gesproken over „het
inslepen van veeziekten door middel van de wagens van spoorwegen,
stoomboten, enz. Door het Hoofdbestiuir zal spoedig een adres aan de
regering worden gericht, dat bij de Wet een einde wordt gemaakt aan de
anarchie, die op veeartsenijkundig gebied in ons vaderland heerst.
De contributie bedroeg ƒ 3,— per jaar. Vermeld wordt nog dat de vol-
macht van de afgevaardigde van Zuid-Holland niet in orde werd bevonden,
zodat hij dus één persoonlijke stem kon uitbrengen.

-ocr page 921-

üp 23 augustus 1865 belegde de afdeling Zuid-Holland een vergadering,
die zij de belangrijkste noemde sinds zij zich 19 jaren geleden als Maat-
schappij constitueerde. Doordat de Maatschappij waarvan zij een afdeling
uitmaakte, nóch officieel, nóch officieus enig teken van leven had ge-
geven, besloot de afdeling Zuid-Holland, conform het doel dat haar bij de
oprichting in 1846 „voor ogen" stond, weer opnieuw zelfstandig op le
treden. Zij besloot zich „en corps" te begeven naar de naaslbijzijnde ge-
meente waar zich ziektegevallen van veepest voordeden en zelfstandig een
rapport te zenden aan de H.H. Exc. Minister van Binnenlandse Zaken
en de Commissaris des Konings in de Provincie Zuid-Holland. (De Maat-
schappij had in die jaren blijkbaar nog weinig geldings- en daadkracht).

De vierde Algemene l\'ergadering van de Maatschappij werd gehouden o;)
24 september 1866 te Utrecht.

De rekening van de Maatschappij sluit in 1865 met een nadelig saldo van
ƒ5,46 (wat een tijd!!). Evenals in 1962 wordt besloten „de penning-
meester te verzoeken de in gebreke zijnde leden tot betaling uit tc no-
digen".

Verbazing wekt het om te lezen dat, hoewel op deze algemene vergadering
wordt besloten om een verzoekschrift bij de Minister in te dienen voor een
wet op de uitoefening der Veeartsenijkunde, die niet werd ingediend,
terwijl wij in het jaarverslag van de afdeling Zuid-Holland van 1865
lezen, dat met eenparige stemmen wordt besloten dat de afdeling Zuid-
Holland een adres aan de Minister van Binnenlandse Zaken zal zenden
om de uitoefening van de veearlsenijktmde bij de Wet te regelen.
In 1867 is er geen algemene vergadering van de Maatschappij gehouden;
wel in 1868 te Utrecht. In 1867 is er dan ook geen contributie betaald.
Trouwens, het ging niet goed met de Maatschappij.

De vijfde vergadering van 1868, op 27 augustus, was een btulcngewone
vergadering. De meesle leden van het Hoofdbestiutr bedankten, namelijk
3. Er worden 3 nieuwe Hoofdbestuursleden benoemd en W i r t z aan-
vaardt met een gloedvolle rede het voorzitterschap.

In het verslag van de afdeling Ztud-Holland over 1867 staat vermeld
dat het laatste geval van veepest zich 16 december 1867 in de .gemeente
Sluipwijk voordeed en dat dus „onder Gods zegen" in Zuid-Holland de
veepest tot een einde kwam.

De zesde, eveneens Buitengewone l\'ergadering van de Maatschappij werd
op 10 maart 1869 met een gloedvolle rede van de Voorzitter, VV i r t z,
te Utrecht geopend.

Wirtz zei dat iedere veeartsenijkundige vereniging al jarenlang haar eigen
strijd had gevoerd tegen de empirie. Maar wat deed de Staat? (een be-
kend geluid!). Niets. Doch in 1865 kwam de veepest ons te hulp en
verdrongen de stemmen elkaar die erkenning vorderden voor onze stand,
„waarvan het belang helaas op zo bedroevende wijze bewezen moest
worden".

In 1868 ontving de Kamer de, later gewijzigde, Wetsontwerpen van
Minister Heemskerk, en deze werden nu behandeld. Er wordt verder
een oproep gedaan tot stichting van afdelingen in Gelderland, Zeeland
en Limburg.

-ocr page 922-

In 1869 werd op 9 september tc Utrecht nog een gewone 7e Algemene
Vergadering
van de Maatschai)pij gebonden, waarin het 50-jarig bestaan
der veeartsenijkunde in Nederland wordt herdacht want op
13 september
1819 nam Koning Willem I het besluit tot oprichting van een Rijks-
veeartsenijschool.

W i r t z zegt dat het jaar 1867 „geen enkel spoor in ons archief heeft
achtergelaten".

In juni 1868 vergaderde de afdeling Ztud-Holland en stelde aan het
Hoofdbestuur voor om een biutengcwone algemene vergadering te be-
leggen omdat de jonge Maatschappij in gevaar verkeerde door „inwendig
bederf, dat hare levenssappen vergiftigde". Deze vond plaats op 27 augus-
tus 1868 (zie eerder).

Nog steeds bestaan er geen afdelingen in Gelderland, Zeeland en Overijssel.
De Maatschappij telt 69 leden. Het totaal aantal praktizerende dieren-
artsen, afkomstig van de Rijksveeartsenijschool bedraagt 124, 5 prakti-
zerende dierenartsen zijn afkomstig van buitenlandse veeartsenijscholen cn
voorts zijn er 23 militaire paardenartsen.

Aan het slot van de vergadering wil de afdeling Zuid-Holland een geheel
nieuw Hoofdbestuur kiezen, na heftige discussie; deze motie werd maar
amper verworpen (18 tegen 20). De contributie wordt verhoogd van
ƒ 1,50 tot ƒ2,— (en dan nog 20 wanbetalers!!) Verder maakt de Voor-
zitter bekend dat in 1872 bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan der
Veeartsenijschool een gedenkboek zal worden uitgegeven. Het Groningsch
Vecartsenijkundig Genootschap geeft ,,zijnen wensch te kennen naar een
vereeniging met de Maatschappij".

De achtste Algemene Vergadering op 1 september 1870 te Utrecht was weer
zeer verward. Er waren zegge en schrijve 12 leden ]5lus 5 afgevaardigden,
het Hoofdbestuur inbegre])en.

VV i r t z, die voor het voorzitterschap had bedankt en niet ter vergadering
aanwezig was, wordt tot voorzitter herkozen; ook twee redacteuren van
het Tijdschrift worden herkozen. De afdeling Gelderland wordt toegelaten
tot de Maatschappij.

O]) 20 september 1871 opent W i r t z als voorzitter weer de negende
Algemene Vergadering
te Utrecht.

Hij noemt de Maatschappij een schip waarop le stuurman en staf, doch
geen matrozen en veel passagiers aanwezig zijn. Hij beklaagt zich over
de medewerking bij bestuurskwcsties en bij het Tijdschrift. Hij had eerst
besloten uit het Hoofdbestuur te treden, maar omdat begin 1871 de
Wet, regelende het veeartsenijkundig Staatstoezicht en veeartsenijkundige
politie
in werking trad, en hij hierin een krachtig btdpmiddel zag tot
„verheffing van den veeartsenijkundige stand", kwam hij op zijn besluit
terug.

De afdeling Gelderland is opgericht op 5 april 1870 en de afdeling Noord-
Brabant - Limburg op 15 juli 1871. Ongeveer 20 jaar daarvoor waren
echter de veeartsen in deze provincies reeds in een genootschap verenigd.
Dc viering van het 50-jarig bestaan van de Veeartsenijschool wordt be-
sproken. Een heftige discussie volgt op het voorstel van de Voorzitter om
de „achterstalligen" niet tot bet feest toe te laten. Tenslotte wordt be-
sloten dat alle dierenartsen toegang hebben, dat iedere deelnemer een

-ocr page 923-

personele bijdrage zal doen, dat de Maatschappij per lid f 2,50 bijdraagt,
dat de Maatschappij aan de uit 5 leden bestaande feestcommissie voor
kleine uitgaven ƒ 75,— crediet verleent en dat de feestcommissie de ge-
nodigden inviteert.

Echter...... geen feest zonder wanklank. Op een Buitengewone 10e Alge-
mene Vergadering,
namelijk op 25 maart 1872 hebben alle leden van de
feestcommissie bedankt. De afdeling Gelderland stelt dus maar voor om
geen initiatieven tot feestviering te nemen. De handelwijze van \\V i r t z
wordt gelaakt. Tenslotte wordt besloten alles eenvoudig te houden en o[)
de dag der gewone a.s. algemene vergadering een feestelijke maaltijd te
houden met ruime deelname. Uit de kas van de Maatschappij wordt
ƒ 150,— beschikbaar gesteld voor voorlopige onkosten.

Op de elfde Algemene Vergadering, 11 september 1872 te Utrecht, is dus
de feestviering gevolgd na het huishoudelijk gedeelte.

Hierin wordt het wonderlijke besluit genomen dat de „veeartsen zicb tot
de Regering wenden i.z. de Wet op de uitoefening der Veeartserujkimde,
dat aan de Maatschappij daarvan inzage zal worden verstrekt en dat het
Hoofdbestuur dan zulk een adres zal steunen". Daarna wordt feestgevierd
in de versierde zaal van „Buitenlust" in de Maliebaan. De aanzittenden
aan bet diner kregen van het feestcomité cen brochure cadeau:
„Aan-
tekeningen uit de geschiedenis der Rijksveeartsenijschool te Utrecht".
Over de 12e Algemene Vergadering van de Maatschappij wordt nergens
gerept.

In de dertiende Algemene Vergadering van de Maatscbapjaij op 1 septem-
ber 1874 te Utrecht, memoreert de voorzitter Huf nagel het feit dat
nu ook de wet op de uitoefening der veeartsenijkunde er is en feliciteert
de vergadering met de aanneming der beide veeartsenijkundige wetten.
„Maar", zo zegt hij, „er zijn nog volksvertegenwoordigers die het empirisme
in bescherming nemen. Laten wij dezidken tonen, dat zij in dwaling
verkeeren".

Dat de dierenartsen in ons land erg enthousiast waren om de gelukwensen
van de voorzitter in ontvangst te nemen, zou men aan de o[)komst niet
zeggen; er waren namelijk 17 leden m.i.v. de afgevaardigden en enkele
bezoekers. De contributie werd verhoogd tot ƒ 5,—. Zowel de wet ter
regeling van het Veeartsenijkundig onderwijs, als de wet betreffende de
lutoefening der Veeartsenijkunst trad op 1 sc]3tember 1874 in werking.

Op de veertiende Vergadering, gehouden te Utrecht op 7 september 1875
worden 35 stemmen uitgebracht. Aan dc orde komt de benoeming van
2 redacteurs.

M a z u r e Sr. vraagt het woord en merkt op, dat de redactie te weinig
medewerking krijgt en de afwezigheid van de leraren wordt betreurd. Hij
merkt op dat het Tijdschrift onbeduidend is en er sporadisch waardevolle
artikelen in worden op.genomen en de lutgave duur is, redenen waarom
hij \\oorstelt het tijdschrift voorlopig maar te staken.

Van Duim zegt dat de redacteurs onvriendelijk waren en daarom
,geen kopy kregen. Tenslotte worden Mazure en Hekmeijer tot
redacteurs benoemd.

-ocr page 924-

Wirt z, die bedankt bad als lid van de Maatschappij, treedt wederom
toe, „nadat een struikelblok uit de weg is geruimd".

Op deze vergadering wordt D r. Th. H. Mac Gillavry tot erelid
benoemd.

Op de vijftiende Algemene Vergadering, die op 19 september 1876 te
Rotterdam wordt gehouden en die hoofdzakelijk gewijd is aan een be-
spreking over longziekte, worden 40 stemmen uitgebracht met inbegrip van
die van 4 afdelingen.

Het batig saldo bedroeg op 1 januari 1876 ƒ 390,96. Wirtz wordt met
meerderheid van stemmen benoemd tot erelid; een wonderlijk besluit na
alles wat zich daarvóór heeft afgespeeld (Wirtz had zelfs bedankt als lid
van de Maatschappij).

Daar de afdelingssecretarissen geen of een onvolledig verslag indienden,
is alleen van de afdelingen Utrecht (10), Noord Brabant - Limburg (18)
en Zuid-Holland (15) bet aantal leden bekend. Het summiere jaarverslag
van de secretaris over 1875/76 vermeldt „dat bet Hoofdbestuur niet kan
besluiten dat er in den boezem der afdeelingen een ernstig streven bestaat
om den vooruitgang der veeartsenijkundige wetenschappen te helpen be-
vorderen".

De 16e Algemene Vergadering wordt op 15 september 1877 weer in Utrecht
gehouden en opent met het bericht van Wirtz dat hij het ere-lidmaat-
schap aanvaardt.

Een voorstel van de afdeling Utrecht om de steeds meer algemeen wor-
dende geheimmiddelen in cle veeartsenijkunde (ook toen al!!) op hun
werkzaamheid te toetsen wordt aangenomen. Een commissie van 3 per-
sonen (Hekmeijer, Hen ge veld en v. d. Harst) wordt ƒ 25,--
per jaar toebedeeld om dit te entameren.

VI a m i n g s houdt een lezing over abattoirs, speciaal over dat in Den
Bosch, dat al 23 jaar bestaat. Hieruit worden door de vergadering 3 con-
clusies getrokken, namelijk:

1. Zowel int een hygiënisch oogpunt als int een oogpunt van controle
op vlees, is de oprichting van abattoirs wenselijk.

2. Het is nodig, dat in de abattoirs gelegenheid gegeven wordt tot den
verkoop van vlees.

3. Het is wenselijk „dat van regeeringswege verantwoording verlangd
wordt" van alle geslacht of gestorven vee (éénhoevige en herkauwende
dieren en varkens) m.i.v. verworpen vruchten. (Het eerste geluid dus
over vleeskeuring en abattoirs!!).

Er ontwikkelt zich weer een vrij scherpe discussie over het Tijdschrift;
de leden verlenen geen medewerking hoewel volgens Hinze het mate-
riaal „opgestapeld" ligt.

Op de 17e Algemene Vergadering, gehouden op 14 september 1878, telt
de Maatschappij 103 gewone leden, 2 ereleden en 1 corresponderend lid.
De redactie van het Tijdschrift mag lof in ontvangst nemen voor het
regelmatig verschijnen.

M.i.v. 1 januari 1879 treedt Groningen toe als afdeling en de aanwezige
afdelingsafgevaardigden klagen over de slechte opkomst op hun verga-
deringen.

-ocr page 925-

M a z u r e wordt tot voorzitter gekozen en in zijn plaats wordt in de
redactie van het Tijdschrift benoemd M o u b i s.

Het Hoofdbestuur zal aan de regering een adres zenden inzake de
abattoirs.

Op de 18e Algemene Vergadering, te Utrecht gehouden op 13 september
1879, telt de Maatschappij 120 gewone leden, 2 ereleden en 1 correspon-
derend lid.

Voor het eerst vraagt de afdeling Gelderland om ter gelegenheid van de
algemene vergadering een tentoonstelling van instrumenten te organiseren.

Op de 19e Algemene Vergadering te Utrecht op 18 september 1880 waren
aanwezig 14 leden, 3 hoofdbestuursleden, 1 erelid en 1 introducé, alle
6 afdelingen waren vertegenwoordigd. De Maatschappij telt nu 128 leden,
2 ereleden, 1 corresponderend lid.

De afdelingen klagen over slecht bezoek op de vergaderingen. De afdeling
Groningen wendde zich tot de Inspectie van het Geneeskundig Staats-
toezicht i.z. paardenslachterijen en het onvoldoende toezicht daarop.

De 20sle Algemene Vergadering werd weer in Utrecht gehouden op 17
september 1881.

Wirtz neemt het voorzitterschap waar. Er wordt uitvoerig gesproken
over de financiën van het Tijdschrift. Dit is te duur en het kassaldo van
de Maatschappij mindert steeds. Zo kan het niet doorgaan. Er wordt o.m.
contributieverhoging voorgesteld. Besloten wordt dat het Tijdschrift zich
zal richten naar de fondsen van de Maatschappij. Het jaarverslag van
de secretaris is niet optimistisch. De belangstelling der leden laat veel te
wensen over.

De 2Iste Algemene Vergadering op 16 september 1882 te Utrecht, doet
de secretaris „met schaamte" gewagen van het feit, dat het „innerlijke"
leven van de Maatschappij ellendig is. Alleen de afdeling Utrecht zond
een verslag in. Hij vraagt „of men dan niet meer leeft op veeartsenijkundig
terrein" en gaat dan nog door op dezelfde wijze. In 1 jaar heeft de
afdeling Utrecht niet meer vergaderd. Financieel .gaat het niet slecht.
Van Esveld wordt ondervoorzitter. Er wordt een motie aangenomen
dat vivisectie noodzakelijk is, doch er dient zoveel mogelijk gebruik te
worden gemaakt van anaesthetica.

De 22sle Algemene Vergadering o]) 22 september 1883 te Utrecht was
van weinig belang. Stempel wordt tot voorzitter .gekozen. Er worden
twee conclusies aangenomen die aan de regering zijn overgebracht, na-
melijk:

1. „De parelziekte (resp. tuberkelziekte) van het rund en andere hins-
dieren is op grond van onderzoekingen te houden hoogstwaarschijnlijk
van gelijksoortigen aard als de tuberkulöse van de mens".

2. ,,Het in consumptie brengen van vleesch van parelzieke (resp. tuber-
kelzieke) dieren als voedsel voor den mensch moet derhalve zeer ge-
vaarlijk worden geacht en van Rijkswege verboden worden".

Een voorstel om de volgende algemene vergadering in Amsterdam te
houden i.v.m. de Internationale Landbouwtentoonstelling aldaar, wordt

-ocr page 926-

niet aangenomen. \\V i r t z toont een stuk dai m van een Iiond met vele
Taeniae echinococcus en vertelt over het internationale congres in Brussel.

De 23ste Algemene Vergadering op 27 september 1884, zo lezen wij pas
in het Tijdschrift van 1886, is te Utrecht gehouden. Het kassaldo be-
draagt ƒ 934,87. (We gaan vooruit!). Kenmerkend voor die tijd is, dat
aan het Hoofdbestuur wordt opgedragen, aan de Minister van Oorlog
te verzoeken, de behandeling van legerpaarden in de kampementen slechts
aan gediplomeerde dierenartsen op te dragen.

De afdeling Utrecht klaagt sterk over bet emjjiristenkwaad. De secretaris
klaagt weer over weinig medewerking, ook aan het Tijdschrift.

Op de 24ste Algemene Vergadering van de Maatschappij, die nu 139
leden telt, 19 september 1885 te Utrecht gehouden, worden Van E s-
V e 1 d, V. d. Harst en M o u b i s in de redactie van het Tijdschrift
gekozen.

Het Hoofdbestuur beeft aan de afdelingen een circidaire gezonden over
de empirici; het besloot zich voorlopig niet tot de Regering te wenden.
Dc afdeling Gelderland stelt voor om de redactie te ver]3lichten minstens
twee maal per jaar een aflevering te doen uitkomen; om technische
redenen kan dat niet.

Er volgt een bespreking over kalverkoorts; een commissie hiervoor krijgt
ƒ 50,— subsidie voor het verzamelen van casuïstiek.

Op 2 juni 1884 is opgericht de „Vereeniging tot bevordering van vee-
artsenijkunde in Nederlandsch-Indië", waarvan de contributie ƒ 2,50 per
maand bedraagt. Zij geeft een eigen tijdschrift uil de Veeartsenijkundige
Bladen voor Nederlandsch Indië —, waarin tro])ische ziekten worden be-
handeld. Hel Hoofdbestuur van de Maatschappij beveelt het lidmaalscha])
als ook een abonnement op het tijdschrift k 15 cent per vel ten zeerste aan.

Op de 25ste Algemene Vergadering van de Maal.scha]jpij op 18 sejilember
1886 te Utrecht, wordt op voorstel van de afdeling Gelderland besloten
om de afdelingsverslagen in het Tijdschrift op te nemen.
Uit de kas van de Maatschappij wordt ƒ 500,— genoteerd \\ oor de her-
denking van het 25-jarig bestaan van de Maatschappij in 1887, terwijl
Stempel, v. E s v e 1 cl en H e n g e v e 1 d worden benoemd tot leden
van de feestcommissie.

Er wordt een commissie benoemd ter bestudering \\an de boutvuurenting.
Bij dc kalverkoorts-commissie zijn nog geen antwoorden binnengekomen;
zij zal nog een jaar diligent blij\\\'en.

De secretaris deelt mede dat hij in zijn jaarverslag voor het eerst na vele
jaren „goede zaken" mag N-ermelden, o.a. dat dc afdeling Friesland met
17 leden toetreedt tot de Maatschapjjij.

De 26ste Algemene Vergadering te Utrecht, 17 sc])tembcr 1887, maakt met
vreugde melding dat het aantal leden thans 1 75 bedraagt. Ook is er een
opgewekt afdelingsleven en de bibliotheek groeit. Alle zes afdelingen zijn
aanwezig, als ook het voltallige Hoofdbestiuir en 70 personen. Aantal stem-
men 94. Voorzitter Stempel houdt een feestrede, die in druk is ver-
schenen.

Het rapport van de kalfziekte-commissie zal in het Tijdschrift worden ge-
80

-ocr page 927-

publiceerd, het bevat gegevens over symptomatologie en therapie; het werk
der commissie is hiermede beëindigd. De commissie boutvuurentingen zal
haar werk nog een jaar voortzetten. Men is de Minister van Oorlog er-
kentelijk voor de gelegenheid tot bet doen opleiden van goede hoefsmeden.
Er wordt gediscussieerd over hoefsmid.scholen.

In 1887 vierde de afdeling Utrecht haar 40 jarig bestaan (15 mei 1887).

In de 27ite Algemene Ver gademig op 15 september 1888 te Utrecht, wordt
aan het Hoofdbestuur opgedragen een adres tot de regering te richten,
waarin wordt aangedrongen op een Rijkswet tot keuring van alle vee
en vlees voor consumptie. Ook de vleeskeuring ten plattelande en de vil-
derijen moeten hierin worden betrokken.

Van Esveld wordt tot voorzitter gekozen. Het aantal leden is met
11 vermeerderd en bedraagt thans 186. Er zijn 2 nieuwe afdelingen toe-
getreden, namelijk Zeeland en Noord-Holland.

Thomassen wordt afgevaardigd naar het t.b.c.-congres in Parijs, de
„boutvuurcommissie" krijgt weer ƒ 150,— subsidie en in de jaarverslagen
\\an bijna alle afdelingen wordt gezegd dat op de vergaderingen de
\\ leeskeuring is besproken.

Dc 28ste Algemene Vergadering op 13 januari 1889 was een buitengewone
vergadering.

De klinische leraren hadden namelijk met toestemming van de Minister
van Binnenlandse Zaken, van de Directeur voorschriften gekregen betref-
fende het verrichten van heelkundige operaties door de leerlingen van
\'s-Rijksveeartsenijscbool. De leerlingen, alsook de leraren, hebben hiertegen
geprotesteerd en op verzoek van de afdeling Utrecht is door het Hoofd-
bestuur een buitengewone algemene vergadering van de maatscha])pij be-
legd. Na uitgebreide discussies wordt tenslotte een motie van de afdeling
Utrecht
aangenomen die tegen de voorschriften is en een conunissie wenst,
clie een request zal samenstellen ter intrekking hiervan.

Op dc 29ste gewone Algemene Vergadering te Utrecht op 21 se])tember
1889 doet de secretaris in zijn jaarverslag verheugd mededeling van de
stijging van het ledental tot 205, met Utrecht als grootste afdeling (40
leden); er zijn veel jongeren aanwezig.

Het Tijdschrift kost nu slcchts ƒ 1,50 per lid en voorheen ƒ 3,—.
Het aanvragen van rechtsi)ersoonlijkheid voor de Maatschappij wordt aan-
genomen.

Er wordt een afdeling Noord-Holland opgericht. Contributie 2e halfjaar
ƒ5,—. (De afdelingscontributie is dus hoger dan de contributie van de
Maatschappij).

Er wordt bezwaar gemaakt tegen de benoeming van ,,niet geëxamineerde
veeartsen" tot gouvernementsveearts in Ned. Indië.

De vergadering draagt een Commissie op om de bepalingen omtrent var-
kensziekten onder de loupe te nemen. De regering heeft afwijzend be-
schikt op een verzoek van het Hoofdbestuur om subsidie voor de com-
missie varkensziekten; alle landbouwverenigingen gaven slechts f31,--
stibsidie samen. Een treurig resultaat.

-ocr page 928-

In verband met het 25-jarig bestaan van de Veterinaire Studenten
Societeit Absyrtus vindt de
30ste Algemene Vergadering reeds op 30 augus-
tus 1890 plaats.

De Maatschappij heeft rechtspersoonlijkheid verkregen.
Over de „duurte" van het Tijdschrift wordt uitgebreid gediscussieerd; een
voorstel het niet meer gratis aan de leden te verstrekken wordt fel be-
streden daar velen juist terwille van het Tijdschrift lid van de Maat-
schappij zijn. Contributieverhoging wordt overwogen

Van Duim vraagt wat in afwachting van een wet reeds thans kan wor-
den gedaan aan vilderijen en mede naar aanleiding van enkele gerappor-
teerde gevallen van vleesvergiftiging zal het Hoofdbestuur een nauwkeurig
onderzoek instellen naar de vleeskeuring in Nederland.
Eén der behandelde onderwerpen van de afdeling Friesland was of het
wenselijk is dat een dierenarts zich toelegt op castraties, hetgeen met ,,ja"
wordt beantwoord, i.v.m. de overbevolking met dierenartsen.
Omdat verschillende dierenartsen in Zuid-Holland ten noorden van Maas
en Lek niet genegen zijn toe te treden tot de afdeling Zuid-Holland, wordt
een tweede afdeling Zuid-Holland opgericht, geheten: „Nieuwe afdeling
Zuid-Holland". In de derde vergadering van deze nieuwe afdeling houdt
D. A. d e Jong een lezing over „Varkensziekten en hare bestrijding".

Op de 31ste Algemene Vergadering van de Maatschappij te Utrecht op
26 september 1891 worden totaal 103 stemmen uitgebracht. Uitvoerige
discussies vinden plaats over de redactie van het tijdschrift. Tenslotte
worden 3 redacteurs benoemd, namelijk Van E s v e 1 d, D r. v. d.
Harst en Schimmel.

Het vleeskeuringsrapport (de beloofde enquête) is bijna gereed; het zal
ruim worden verspreid en in het Tijdschrift worden gepubliceerd. Ter be-
strijding van de kosten hiervan, die worden geraamd op ƒ 400,—, zal
elke afdeling per lid ƒ 1,— meer aan de algemene kas bijdragen ge-
durende 1892 en 1893.

Het aantal leden is nu 225. Dit groeit, evenals de bibliotheek, waarvoor
een kast zal worden aangeschaft, die zal worden geplaatst in „Buitenlust"
in de Maliebaan. Zolang als bet nodig is zal per afdeling ƒ 25,— per jaar
uit de afdelingskas in de algemene kas worden bijgedragen.
Het rapport van de boutvuurcommissie is nog niet verschenen. In alle
afdelingen blijkt in 1890 de belangstelling voor bespreking der vleeskeuring
groot te zijn.

Op de 32e Algemene Vergadering, die op 24 september 1892 le Utrecht
wordt gehouden, wordt Thomassen tot ondervoorzitter en D r. W.
P. R u ij s c h tot erelid benoemd.

De afdeling Gelderland transformeert zich tot afdeling Gelderland-
Overijssel.

Het Hoofdbestuur krijgt opdracht zich tot de regering te wenden inzake
de oprichting van een laboratorium bestemd voor wetenschappelijk onder-

\') Het doet toch wel zonderling aan, dat bij een velprijs van ƒ 18,—, waarbij het
inbinden is begrepen, en bij een drukprijs van ongeveer ƒ 300,— per jaar met
een ledental van 208 veeartsen, men durft te zeggen dat het Tijdschrift te duur
is. Vergelijkt U dit eens met de huidi.ge toestand!

-ocr page 929-

zoek van voorkomende ziekten onder het vee. (Was dit de eerste stap
naar het bouwen van de R.S.I. te Rotterdam?). De „Nieuwe afdeling
Zuid-Holland" heeft het voorstel aan het Hoofdbestuur ingediend! De
secretaris spreekt van een opgewekt leven; het aantal leden is met 11
toegenomen tot 236.

Door het Hoofdbestuur worden voorstellen ingediend betreffende een
wijziging in de financiering van het Tijdschrift.

In het jaarverslag maakt de secretaris melding van de verzending van het
rapport over varkensziekten, tevens mededelende dat het vleeskeurings-
rapport nog niet gereed is.

Voorts herdacht op 20 december 1892 de afdeling Groningen dat 50 jaar
geleden het „Groningsch Veeartsenijkundig Gezelschap" werd gesticht.

Op 23 september 1893 werd de 33ste Algemene Vergadering gehouden.
Het vleeskeuringsrapport is klaar en voor publikatie zal ƒ I,— per lid
worden geheven gedurende 3 jaar; het wordt aan 3000 adressen ver-
zonden.

Op deze vergadering, waarop De Bruin tot voorzitter wordt benoemd,
wordt gevraagd waarom er geen keuring van vis wordt onderwezen.
Van de afdelingen valt over 1892 te vermelden dat de afgevaardigde van
de afdeling Groningen de instructie meekreeg, „dat hij goed op zou letten,
waarom een voor de afdeling Groningen onbekende tot erelid zou worden
benoemd"; terwijl de „Nieuwe afdeling Zuid-Holland" besloot om op dc
eerstkomende algemene vergadering een commissie te benoemen ter onder-
zoek van de opheffing van het internaat en voorts de oprichting van een
vereniging van vleeskeurders bepleitte.

Op de 34ste Algemene Vergadering op 22 september 1894 te Amsterdam
worden uitgebracht 104 stemmen. Tijdens deze vergadering werden \\\'ee-
markt en abattoir bezichtigd.

De contributie wordt gebracht op ƒ 6,— ]jer jaar en op voorstel van de
afdeling Noord-Holland wordt een commissie van 7 personen benoemd
tot reorganisatie van het veeartsenijkundig onderwijs in Nederland.
Thomassen zal de Maatschappij vertegenwoordigen op het hygiënisch
congres te Budapest.

Het vleeskeuringsrapport is aan 2500 adressen verzonden en is met grote
waardering ontvangen.

Het aantal leden van de Maatschappij is gegroeid tot 262.
De afdeling Gelderland herdacht op 23 juni 1895 haar 25-jarig bestaan.

De 35ste Algemene Vergadering werd in Arnhem gehouden op 28 september
1895 Het aantal leden is geklommen tot 272; weer komt de honorering
van auteurs van artikelen voor het Tijdschrift aan de orde. dit wordl
afgestemd. Bovendien wordt besloten aan personen, die zich verdienstelijk
hebben gemaakt, geen medailles of erepenningen uit te reiken.
De commissie voor de reorganisatie van het onderwijs heeft meermalen
vergaderd; het rapport is nu klaar en zal in het Tijdschrift worden ge-
publiceerd.

Poels wordt benoemd tot doet. hon. causa in Leiden en Schimmel
en S t e m p e 1 worden benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau.
De bibliotheek, die inmiddels omvangrijk is .geworden, zal in de Veeartse-
nijschool worden ondergebracht.

-ocr page 930-

De afdeling Groningen schrijft de aldaar heersende varkensziekte toe aan
het voeren van buitenlands gerstemeel, terwijl de afdeling Gelderland het
verlenen van hoefsmiddiploma\'s na een afgelegd staatsexamen nood-
zakelijk acht.

De 36ste Algemene Vergadering op 26 september 1896 is vooral gewijd
aan de bespreking van het rapport reorganisatie onderwijs.
Uitgebreide discussies worden gevoerd; de afdelingen gaan accoord met
het rapport en de conclusies, behalve Noord-Holland, dat zich niet be-
voegd acht om over enkele punten te oordelen. Van der Plaats
en Van Esveld bestrijden het rapport. De Jong verdedigt het.
Men besluit dat Van E s v e 1 d op de volgende algemene vergadering
met een voorstel zal komen.

Op voorstel van de „Nieuwe afdeling Zuid-Holland" zal het Hoofdbestuur
zich tot de regering wenden „met het verzoek een wet op de tuberculose
in het leven te roepen".

In 1895 wordt in de afdeling Groningen-Drenthe geklaagd over tegenwer-
king van de rechterlijke macht bij de bestrijding van de empirie, terwijl in de
afd. Gelderland gepleit wordt voor de oprichting van een kas ter onder-
steuning van weduwen en wezen van collegae.

De 37ste Algemene Vergadering op 25 september 1897 is wederom voor
een belangrijk deel gewijd aan de reorganisatie van bet veeartsenijkundig
onderwijs. Ei\' worden o.m. 5 punten genoemd, n.1.:

1. afschaffing van het toelatingsexamen;

2. verlenging van de duur der studie met één jaar;

3. opname der bacteriologie onder de leervakken;

4. doelmatiger verdeling der leervakken onder de leraren, waarvan het
aantal dringend uitbreiding behoeft;

5. afschaffing van het internaat.

Aan het Hoofdbestuur wordt opgedragen deze punten aan de regering
voor te leggen.

Poels dient een motie in om aan het Natuiu\'- en Geneeskundig C\'ongres
een sectie veeartsenijkunde toe te voegen. Deze motie wordt aangenomen.

De 38ste Algemene Vergadering werd op 24 september 1898 gehouden, 3
weken na de regeringsaanvaarding van H. M. Koningin Wilhelmina oj)
31 augustus 1898.

In plaats van D r. van der H a r s t, die overleden is, wordt D e
Bruin in de redactie van bet Tijdschrift gekozen. Het groeiend aantal
leden der Maatschappij bedraagt 297.

Belangrijk is, dat het Hoofdbestuur voorstelt de algemene vergadering op
2 dagen te houden, waarvan de le dag \\ oor huishoudelijke aangelegenheden
en de 2e dag voor wetenschappelijke voordrachten te bestemmen. Een
Commissie zal een rapport maken; dit zal o]j de afdelingsvergaderingen
worden behandeld en daarna in de volgende algemene vergadering.
In verband met de gewenste oprichting van „desinfectoren" (= destruc-
toren), geeft men er de voorkeur aan het resultaat van het verzoekschrift
over de vee- en vleeskeuring af te wachten.

Het Hoofdbestuur zal een Commissie van 5 personen benoemen, die het
request over de reorganisatie van het onderwijs „warm" zal houden.

-ocr page 931-

J)e 39ste Algemene l\'ergadering op 23 september 1899 wordt door dc
Voorzitter (Thomassen) geopend met een overzicht van de geschie-
denis van het veeartsenijkundig onderwijs, waarbij hij als laatste her-
vorming noemt bet sluiten van het internaat. Kroon wordt op deze
vergadering benoemd tot ondervoorzitter.

Aangedrongen wordt op een laboratorium \\oor melkonderzoek en voor
microscopie en bacteriologic aan dc Veeartsenijschool, terwijl het op de
\\ orige algemene vergadering gedane voorstel om de algemene vergadering
2 dagen te laten duren wordt aangenomen.

De Jong deelt mede, dat er een Wetsontwerp Staatstoezicht \\\'olksge-
zondheid
is, naar aanleiding waarvan een centrale gevondheidsraad zal
worden samengesteld uit
niet-veterinairen. In verband met \\-leeskeia\'ings-
kwestics dient een veterinair aan deze raad te worden toege\\ocgd. Het
Hoofdbestiuu\' zal diligent blijven.

Thomassen houdt een voordracht over de identiteit \\an tuberculose
bij mens en rund.

Besloten wordt de contributie met ƒ 1,— te verhogen als het Tijdschrift
wordt uitgebreid en duurder wordt.

De 4()ste Algemene Vergadering is de eerste, waarbij o]) 2 dagen werd
vergaderd, nl. op 21 en 22 september 1900, zulks volgens besluit \\an de
Algemene Vergadering. Dit bleek zeer succesvol, de vergadering was druk
bezocht.

Men krijgt de indruk, dat bet de .Maatschaijpij goed gaat. Dc bijdrage
voor het Tijdschrift wordt verhoogd van ƒ 780.-- tot f 1100,—. Dc re-
dactie krijgt een pluim en het geheel ademt een optimistische sfeer. De
contributie is nog laag, totaal nl. begroot op ƒ 1623,— met inbegrip \\ an
de gulden verhoging voor het Tijdschrift. Dat is dus niet veel.
Er wordt besloten het Tijdschrift maandelijks te doen verschijnen in af-
leveringen van 3 vel; de prijs voor niet-leden wordt gestelcl op f5,—
per jaar.

M r. S i c k c s z. Directeur Generaal van dc Landbouw wordt erelid; thans
zijn er dus 4 ereleden.

In verband met de voorgestelde naamswijziging van het Tijdschrift wordt
aan de Redactie de beslissing overgelaten om de toevoeging „en veeteelt"\'
tc doen vervallen.

„De Algemene Vergadering der Maatschapfnj verklaart de tuberculine
injecties gedaan door niet-veeartsenijkundigen, wetenschappelijk en prak-
tisch van nul en geener waarde";
deze uitspraak za! een afgevaardigde
van de Maatscbapjiij ter kennis brengen van het Landhuishoudkundig
Congres te Steenwijk.

Thomassen opent de vergadering met een historische rede, aan-
dringend op cen spoedige reorganisatie van het veeartsenijkundig onder-
wijs. Dit houdt in de verheffing van dc -School tot Hogeschool met cen
."i-jarige studie, intbreiding van het onderwijzend personeel en van de
vakken en voor de toelating waarvan eindexamen H.B.S. verplicht moet
worden gesteld.

Uit de afdeling wordt o.m. een geval van hondsdolheid in Den Haag
gemeld van een uit Nederlandsch Indië geïmporteerde hond.

De 41ste Algemene Vergadering op 24 april 1901 (dus op 1 dag) is een
buitengewone vergadering op instigatie van dc Nieuwe afd. Zuid-Holland.

-ocr page 932-

Dc Ontwerp wet ter bestrijding van de tuberculose wordt behandeld, om-
dat deze wet door irrationele aanvallen van het landbouwcomité nu in
gevaar dreigde te komen.

Ook de Afd. Utrecht keurt het landbouwrapport af, terwijl W ester
(afd. N. Holland) zijn kritiek op het landbouwrapport niet geplaatst
kreeg in het Ned. Landbouwweekblad, maar wel in het Weekblad voor
Zuivelbereiding van 19 april 1901.

Op 20 en 21 september 1901 volgt dan de 42ste gewone Algemene Ver-
gadering, waarin de commissie reorganisatie onderwijs er voor pleit, om
het onderwijs in de fysiologie en in de algemene pathologie en patho-
logische anatomie aan 2 docenten op te dragen. De vergadering ging hier-
mede accoord en de commissie zal dit ter kennis brengen van de regering.
Geconcludeerd wordt dat de Maatschappij steeds krachtiger wordt, haar
aantal leden is thans al 324. Haar invloed wordt groter, alsook haar activi-
teit. 3 leden promoveerden aan buitenlandse Universiteiten.
Kroes bracht in een lezing op het Landhuishoudkundig Congres duidelijk
naar voren, dat
tuberculinaties door dierenartsen behoren te worden ver-
richt.

Op de 2e dag houdt De Jong een voordracht over tuberculose (met
demonstraties), Thomassen over het Wetsontwerp t.b.c. bestrijding.
De afdeling Noord Holland stelt een mode voor, waarin adhesie wordt
betuigd aan de wijze waarop de regering de t.b.c. wenst te bestrijden en
aan alle daartoe te nemen maatregelen. Deze motie wordt aangenomen en
zal ter kennis worden gebracht van de regering en van de leden van de
beide Kamers der Staten-Generaal. (Blijkbaar moest een tegenwicht wor-
den gevormd tegen kritiek op deze wet van landbouwzijde).

Op de 43ste Algemene Vergadering op 26 en 27 september 1902 zegt
Thomassen (voorzitter commissie onderwijs), dat algehele reorgani-
satie op korte termijn niet mogelijk is. Er is al veel verbeterd, maar Hoger
Onderwijs blijft het hoofddoel. Verder worden verschillende huishoudelijke
zaken besproken (een voorstel tot contributie wijziging wordt afgestemd).
Het aantal leden is weer vermeerderd, 342.

In de afdelingen gaat het goed. Het Hoofdbestuur richtte zich tot de
regering inzake een wettelijke regeling der vee- en vleeskeuring, naar aan-
leiding van een circulaire van de Ned. Kamer van Koophandel in Londen
over de afkeuring aldaar van uit Nederland aangevoerd vers vlees en
geslachte varkens.

Ook richtte het Hoofdbestuur zich tot de Minister van Waterstaat, Nijver-
heid en Handel om rijkssteun voor Tijdschrift, nu
Tijdschrift voor Vee-
artsenijkunde
geheten, en Maatschappij.

In de afdeling Friesland werd de Ontwerpwet voor de bestrijding t.b.c.
besproken en de vanwege het F.R.S. verrichte inspuitingen door „vee-
artsen en leeken", terwijl in de afdeling Zuid-Holland het „besmettelijk
verschieten" bij paarden werd besproken.

In de 44ste Algemene Vergadering, gehouden te Utrecht op 18 en 19
september 1903 stelt de afdeling Friesland voor dat het Hoofdbestuiu\' er
bij de regering op aandringt,
vervolgcursussen voor veeartsen te organi-
seren. Dit wordt verworpen; het Hoofdbestuur zal zich hierover verder
beraden.

-ocr page 933-

Voor 1904 krijgt het Tijdschrift f 1150, subsidie.

Kroon wordt voorzitter van de Maatschappij. Dc leraren van de school
hebben bedankt voor de commissie reorganisatie onderwijs, zodat de ge-
hele commissie moet worden gereorganiseerd.

Thomassen hield een lezing over: „De Veeartsenijschool als 6e facul-
teit der Utrechtse Universiteit".

In overleg met de commissie reorganisatie onderwijs is beraadslaagd wat
het Hoofdbestuur kan doen, nu de Minister van Binnenlandse Zaken bij
de Kamer het Wetsontwerp tot reorganisatie van het Hoger Onderwijs
heeft ingediend. Kan ook de Veeartsenijschool tot Hogeschool worden
verheven (evenals de oprichting van een technische-, landbouw- en han-
delshogeschool?). Een request wordt opgesteld. De minister vraagt nadere
inlichtingen hoe het onderwijs in Duitsland, Zwitserland en Italië is ge-
organiseerd.

Omtrent het request over subsidie aan Tijdschrift en Maatschappij is nog
geen bericht ontvangen.

Op de 45ste Algemene Vergadering op 23 en 24 september 1904 wordt de
aanschrijving behandeld, die op 20 februari 1904 is intgegaan van de
Directeur Generaal van de Landbouw, waarbij maximaal-tarieven zijn
bepaald voor vlektiekte-entingen met serum afkomstig van dc R.S.I. 0]3
voorstel van de afdeling Noord-Holland werd dit beschouwd als „een
ongeoorloofd ingrijpen in de vrije beroepsidtoefening; het is onverdiend,
omdat het aan de veeartsen ligt dat deze entingen zo goed verlopen; het
is ongemotiveerd omdat het de waardigheid en billijkheid kwetst." Het
schijnt dat de R.S.I. aan empiristen eveneens gratis sertmi verstrekt, want
de afdeling Groningen-Drenthe vraagt of dit door de Maatschajipij —
waarvan het ledenaantal inmiddels tot 353 is gestegen — bestreden moet
worden. Hierover volgt een verward debat.

Poels vindt de motie van Noord-Holland veel te kras. Veel afdelingen
zijn het echter met de motie eens.

Schimmel acht het niet verstandig om te trachten de Minister ongelijk
te doen bekennen. Hij wil de zaak een jaar rustig aankijken. Ook D e
Jong wil voorzichtig zijn en afwachten. Er komt een motie om af te
wachten tot de volgende vergadering. In Friesland enten de dierenartsen
voor minder dan 30 cent.

Er is een onderhoud geweest met de Minister over de reorganisatie van
het onderwijs, het resultaat is niet hoopvol. De Minister wil geen mede-
werking verlenen.

In 1903 pleit de afd. Gelderland-Overijs.sel voor een wet op erfelijke
gebreken.

Als de 46ste Algemene Vergadering oj) 22 en 23 september 1905 begint,
heeft de Maatschappij 367 leden; 4 dierenartsen promoveerden (in het
buitenland).

Het voorstel Noord-Holland over de maximale tarieven voor vlekziekte,
entingen (zie vorige vergadering) wordt ingetrokken. Deze afdeling doet
een voorstel tot royering van een lid dat zich misdragen heeft. Dit wordt
niet behandeld waar de pers bij is en er wordt een commissie benoemd
die de noodzakelijke Reglementswijziging zal bezien.

De afdeling Groningen-Drenthe wil geneesmiddelen ,instrumenten, verband-
middelen enz. coöperatief inkopen en het batig saldo bestemmen voor

-ocr page 934-

dierenartsen en nagelaten betrekkingen; liet Hoofdbestuur krijgt opdracht
dit nader idt te werken.

Conform de toezegging van bet Hoofdbestuur op de 44ste Algemene Ver-
gadering naar aanleiding van bet voorstel Friesland over vervolgcursussen
voor dierenartsen, heeft het zich met een uitvoerig schrijven gewend tot
de minister met een begroting en toelichting.

Een honorering van scribenten voor het Tijdschrift wordt besproken.
Op de begroting komt een nieuwe post van ƒ 100,— voor de Iste secretaris
en ƒ 100,- - voor een bibliothecaris-penningmeester. Hoefnagel wordt
1ste secretaris en Van Esveld wordt penningmeester.

Op de 47ste Algemene Vergadering van de Maatschappij — met een
ledental van 380 — op 21 en 22 september 1906 wordt de wijziging van
Statuten en Huishoudelijk Reglement behandeld, waarbij o.m. voor het
Tijdschrift een afzonderlijke „Commissie van redactie", te benoemen door
de Algemene Vergadering, wordt ingesteld.

Er wordt een „beroepsbelangencommissie" van 5 leden ingesteld en hel
Hoofdbestuur stelt voor een commissie te benoemen van 4 dierenartsen
en een jurist om de wenselijkheid te beoordelen van een wettelijke rege-
ling van koop en verkoop. (Koopvernietigende gebreken).
De minister gaat accoord met de instelling van vervolgcursussen voor
dierenartsen; twee afdelingen mogen voor totaal ƒ 720,— rijkssteun cur-
sussen organiseren van 6 voordrachten.

De afdeling Groningen-Drenthe mag met een nader te bepalen Rijks-
subsidie aan het slachthuis te Groningen een cursus voor keuring van
vee en vlees houden van 60 lesuren; deze afdeling kwam nog niet mei
een uitgewerkt nader voorstel inzake coö]Deratieve aankoop (zie eerder).
Op de 2e dag van de .Algemene Vergadering wordt de vergadering geopend
met cen rede van Kroon over de geschiedenis der vleeskeuring in Neder-
land en voorts na afloop een „feestdiner" gehouden ter ere van Tho-
massen, Van Esveld en Van der Plaats, die 25 jaar leraar
waren aan de Veeartsenijschool.

Aangezien bet ontwerp van wet op de keuring van voor uit\\oer bestemd
vlees pas is binnengekomen, stelt het Hoofdbestuur voor om cen Commissie
van 3 te benoemen, die hierover advies aan het Hoofdbestuur uit zal
Ijrengen.

Oj) de 48ste Algemene ergadering, die \\anwege het Int. Zuivclcongres
deze keer wordt gehouden op 11 en 12 oktober 1907, zegt dc afd. Noord
Brabant-Limburg, dat er een „Veeartsenijkundig Weekblad" moet worden
opgericht, omdat „we le snel leven om nog op een maandblad le moeten
wachten". Het Hoofdbestuur meent, dat bet Tijdschrift in een weekblad
kan worden veranderd, maar dan is contributieverhoging noodzakelijk;
hel krijgt opdracht de zaak nader te bekijken en uil te werken.
De afd. Friesland stelt voor na deel 35 van het Tijdschrift een index op
alle verschenen jaargangen te doen samenstellen, waarna het Hoofd-
bestuur mededeelt dat Van Esveld hier al aan bezig is.
Het Hoofdbestuur stelt voor een commissie van 3 leden le benoemen,
die een spoedig in le dienen wetsontwerp \\oor de vleeskeuring aan een
onderzoek zal onderwerpen; de commissie voor de uitvoerkeuring wordt
ontbonden.

-ocr page 935-

Dc Commissie beroepsbelangen heeft ent;ele adviezen uitgebracht.
De met Rijkssubsidie gegeven cursussen voor keuring van vee en vlees
en vervolgcursussen voor dierenartsen blijken in een grote behoefte tc
\\"oorzien, resp. de afd. Groningen-Drenthe en Friesland ontvingen hiervoor
subsidie; ook de afd. Zuid-Holland wil een ven-olgcursus entameren. Het
Hoofdbestuur vroeg reeds suppletie van fondsen aan.
Het Hoofdbestuur zal een brief schrijven aan de Minister met verzoek
om tuberculine-entingen alleen door dierenartsen te doen geschieden en niet
door vee-opzichters en verder om de uitvoer van honden te verbieden
uit streken waar muilkorven zijn voorgeschreven.

De Nieuwe afd. Zuid-Holland wil in verband met de aanstelling van
dierenartsen tot
veeteeltconsulent, ten aanzien waar\\an het Hoofdbestuur
zich zal beraden om dit aan de minister in overweging le geven, veeteelt
en melkkennis laten onderwijzen, terwijl de afd. Gelderland-Overijssel
hier ook stalhygiëne bij wil betrekken.

Rij de aanvang van de 49ste Algemene Vergadering op 18 en 19 sep-
tember 1908, wordt Markus voorzitter in de plaats van Kroon.
„Absyrtus" zetelt nu op „Achter St. Pieter" no. 6.

Op voorstel van het Hoofdbestuur zal met ingang van 1 januari 1910
het Tijdschrift tweewekelijks verschijnen, elke aflevering zal 32 ])agina\'s
omvatten. De Redactie zal uit 5 leden bestaan en de contributie zal wor-
den verhoogd van ƒ5,— tot ƒ15,—; bet budget van het Tijdschrift
over 1909 bedraagt ƒ 2000,—.

Naar aanleiding van een lezing van Penning op de 48ste Algemene
Vergadering zal het Hoofdbestuur zich beraden om eventueel te pleiten
voor een opleiding in tropische ziekten.

Er worden in de 49ste Algemene Vergadering nog enkele voorstellen
gedaan voor de volgende Algemene Vergadering. Zo verzoekt de afd.
Groningen-Drenthe aan het Hoofdbestuur orn aan „de hooge regeering"
te verzoeken, een examen veeteeltleraar te willen instellen en de afd.
Gelderland wil dat de commissie beroepsbelangen zich irt verbinding
stelt met de grote vceverzekeringsrnaatschappijen voor een tmiforrnc re-
geling inzake lionoraria.

Het Hoofdbestuur wil de commissie voor beroepsbelangen uitbreiden met
2 leden en dus brengen op 5, waar\\an in elk geval 2 praktizerende
dierenartsen, 1 districtsdierenarts en 1 keuringsdierenarts.
In de afdelingen is men zeer actief; de afd. Groningen-Drenthe richt met
toestemming van het Hoofdbestuur een adres aan de R.S.I. met het
verzoek om toezending van entstof aan empiristen te stoppen en de afd.
Gelderland-Overijssel vermeldt het gereedkomen van de rapporten der
commissies „opleiding hoefsmeden" en „uniforme keiu-lonen".

Op de 50ste Algemene Vergadering op 15 en 16 oktober 1909 wordt
cen redactie van bet Tijdschrift gekozen die dus op 1 januari 1910 haar
werkzaamheden begint, n.l. Prof. D r. D. A. de j o n g, H. M. Kroon,
D r. H. M a r k u s, W. C. Schimmel en J. J. W ester. (Voorwaar
cen illuster gezelschap").

Het Hoofdbestuur stelt voor om de door de afd. Groningen-Drenthe en
de afd. Gelderland-Overijssel gedane voorstellen op de vorige Algemene
Vergadering (zie boven) over te hevelen naar de commissie voor beroeps-
belangen, maar ontraadt de gekozen vorm. Toch wordt het voorstel van

-ocr page 936-

Groningen-Drenthe aangenomen en dus zal het Hoofdbestuur zicli om-
trent het examen veeteeltleraar tot de regering wenden.
De afd. Gelderland-Overijsel is „heel ontevreden" met de behandeling
van haar voorstellen door het Hoofdbestuur; zij doet dit in een, zoals
de notulen zeggen „gloeiend pleidooi". Na uitgebreide discussie wordt het
volgende aangenomen: „De Algemene Vergadering drage aan een speciale
commissie (3 leden) op, een nota samen te stellen, waarin de gebreken
van het veeverzekeringswezen hier te lande zo volledig mogelijk zijn bijeen
gebracht". De afdelingen zullen advies geven over de samenstelling.\')
De commissie koopvernietigende gebreken heeft haar rapport uitgebracht,
wordt bedankt en ontbonden. Op voorstel van Kroon wordt aange-
nomen dat er een commissie van 3 clinici zal worden benoemd die zal
nagaan of er ziekten zijn die als koopvernietigend in de wet moeten
worden opgenomen.

De 51e Algemene Vergadering van de Maatschappij — nu 443 leden
tellende — werd gehouden op 16 en 17 september 1910 te Utrecht.
De afdeling Noord-Brabant-Limburg scheidt zich in resp. de afdelingen
Noord-Brabant en Limburg.

De Nieuwe afd. Zuid-Holland stelt voor een nieuwe gesalarieerde secre-
taris-penningmeester te benoemen, maar aangezien het Hoofdbestimr
hiertegen is zal zij dit — na eventuele steun van andere afdelingen — op
de volgende Algemene Vergadering weer ter sprake brengen.
In het Hoofdbestuur wordt P a i m a n s als penningmeester opgenomen,
terwijl Van Esveld bibliothecaris blijft; Bakker wordt in de plaats
van Kroon gekozen in de commissie reorganisatie onderwijs. A a 1 b e r s
en Va n Esveld worden tot ereleden benoemd. Voorts worden enkele
tijdschriftkwesties besproken.

Op de 2e dag houdt Markus (voorz.) een openingsrede over: „De vee-
artsenijkundige Hogeschool in wording".
Verder worden lezingen gehouden
door Vermeulen, Poelsen Kroes.

Van de afdelingen kan vermeld worden dat de afd. Noord-Holland een
opgewekt verenigingsleven meldt en dat aldaar en in de Nieuwe afd.
Zuid Holland cursussen vleeskeuring worden gehouden.

De 52e Algemene ]\'ergadering werd gehouden te Utrecht op 22 en 23
september 1911, de Maatschappij telde 462 leden.

Naar aanleiding van het voorstel van de Nieuwe afd. Z. Holland o]3 de
vorige Algemene Vergadering wordt thans besloten om op pre-advies van
bet Hoofdbestuur de 1ste Secretaris met ingang van 1 januari 1912 met
ƒ 100,— per jaar te honoreren.

Dezelfde afdeling stelt voor dat de Maatschappij stappen onderneemt voor
een wettelijke afgifte van sera en entstoffen alleen aan inrichtingen, aan per-
sonen bij de wet genoemd en aan dierenartsen. In zijn jjre-advies zegt
het Hoofdbestuur dat dit geheel ligt in de lijn van het verzoek, dat het
Hoofdbestuur al in 1908 aan de minister heeft gericht.
De afd. Limburg dringt er bij het Hoofdbestuur op aan, de regering te

\') Opmerking: U ziet dat het euvel van commissies niet slechts is van deze tijd.
.Mthans in 1909 had de Maatschappij er een 6 of 7-tal in volle actie.

-ocr page 937-

verzoeken bij nieuwe bestrijdingsmaatregelen van besmettelijke veeziekten
advies aan de Maatschappij te vragen.

Besloten wordt om het 50-jarig bestaan van de Maatschappij in 1912
tezamen met de Algemene Vergadering feestelijk te vieren. Er zal een
hoofdelijke omslag van ƒ 4,— per lid worden gevorderd.
D r. V r ij b u r g wordt gekozen tot redacteur van het Tijdschrift, dat
voor 1912 een subsidie van ƒ 1200,— van de Maatschappij krijgt.
Van de afdelingen vierde de afd. Friesland haar 25-jarig bestaan.

In februari 1912 wordt een Bijzondere Vergadering gehouden, waarbij
de beëindiging van het onderzoek over koopvernietigende gebreken, de
reorganisatie van het bestuur van de Maatschappij waarbij de afdelingen
erin zullen worden vertegenwoordigd en de feestavond ter herdenking
van het 50-jarig bestaan der Maatschappij ter sprake werden gebracht.

De 53ste Algemene Vergadering en de feestelijke herdenking worden ge-
houden op 13 en 14 september 1912.

Na opening worden verschillende huishoudelijke zaken afgedaan. Van
Esveld wordt herdacht.

De afd. Utrecht stelt voor dat het Hoofdbestuur een enquête houdt over
misstanden in de praktijk, hetgeen het Hoofdbestuur niet nodig vindt, want
iedereen kan zijn grieven bij de commissie voor bcroepsbelangen kwijt.
Hierover ontstaat een uitvoerige discussie, ten gevolge waarvan het voor-
stel van de afd. Utrecht wordt ingetrokken en een nieuw voorstel wordt
aangenomen van de Nieuwe afd. Zuid-Holland, Zuid-Holland en Noord-
Brabant, luidende als volgt:
„De Algemene Vergadering benoemt een com-
missie van drie, met recht van assumptie, die bij de veeartsen navraag zal
doen, onderzoekt en de meest urgente gevallen afdoet door voorstellen tot
opheffing of verbetering der misstanden te doen"J)

De afd. Noord-Holland wil wijziging van het Htdshoudelijk Reglement zo-
danig dat het Hoofdbestuur minstens tweemaal per jaar met de afgevaar-
digden van de afdelingen in een bijzx)ndere vergadering overleg pleegt. Dit
voorstel werd ingetrokken toen het Hoofdbestuur beloofde om in 1913 twee
van zulke bijzondere vergaderingen te zullen houden (dus met het latere
„Algemene Bestuur").

De afd. Gelderland-Overijssel wil dat tijdelijke en permanente cornmis.sies
jaarlijks vóór 1 mei hun verslagen opmaken en vóór 1 juli in het Tijdschrift
publiceren. Het Hoofdbestuur wil dit niet verplicht stellen, maar wel
bevorderen, waarop het voorstel wordt ingetrokken.

Een voorstel van het Hoofdbestuur tot uitbreiding van de Commissie voor
Berocpsbelangen wordt aangenomen, evenals het voorstel de bibliothe-
caris ƒ 100,— per jaar te verlenen.

\'s Avonds is er een feestvoorstelling in de Stadsschouwburg door het ge-
zelschap Rooyaards.

Op de 2e dag na de opening zijn er lezingen van Jacob, Wester
en Poels. \'s Middags is er een feestvergadering met een feestrede en
\'s avonds is er een feestmaaltijd met o.a. de 4 nieuw benoemde ereleden
De Jong, Van der Plaats, Poels en Schimmel.
Naar aanleiding van een op 2 november gehouden navergadering be-
danken Wester en Van Lent voor hun functies.

\') Opmerking: dit besluit zou kunnen worden beschouwd als de eerste stap tot
het huidige instituut van de Ereraad.

-ocr page 938-

\\Vij zagen reeds dat er in Zuid-Holland een „Vereniging van Pracliserendc
Veeartsen" bestond, die zicb zelfs tot de minister wendde in een audiëntie.
Ook in Utrecht rommelt het, want wij lezen dat er grote ontevredenheid
heerst bij de praktizerende dierenartsen, die in Utrecht hebben \\ergaderd
ter oprichting van een „Bond van Practiserende Veeartsen". Het Hoofd-
bestuur woonde deze vergadering bij, maar ging er niet mee accoord.
Dat er iets mis was, blijkt uit berichten met sprekende opschriften in
deel 39 van 1912 van het Tijdschrift, waarin Markus schrijft over:
„Tegen de Splijtzwam" en D e Leur hierop antwoordt. Verder een
artikel van A. A. Barend recht over: „Is nadere aaneensluiting der
practiserende veeartsen gewenscht en zoo ja onder welke vorm" en een
artikel van A. F. Muller over: „De belangen van de practiserende
veeartsen". Tevens komt in deel deel 39 een verslag voor van de boven-
genoemde Bond van Practiserende Veeartsen te Utrecht.
Het Register op deel 1 t.m. 36 van het Tijdschrift, \\oor het grootste deel
het werk van Van E s v e 1 d, is in 1911 verschenen.

Dc eerste 50 jaren van het bestaan der Mij. zijn biermede besproken. In
de 2e helft van het 100-jarig bestaan is er uiteraard nog meer intensief
geleefd.

In de notulen van een op 5 april 1913 gehouden bijzondere vergadering
van bet Hoofdbestuur met afdelingsafgevaardigden wordt vermeld dat
bet Wetsontwerp Vleeskeuringswet bij de in 1907 ingestelde commissie
(D h
O n t, K r u y t en V a n der Vliet) in studie is en wordt de
vanuit Nederlandsch Indië binnengekomen klacht gehoord dat de Maat-
schappij te weinig met haar zustervereniging meeleeft.

De 54stp. Algemene Vergadering van de tbans 451 leden tellende Maat-
schappij wordt o]3 26 en 27 september 1913 gehouden; de agenda \\an de
vorige Algemene Vergadering kon (vanwege bet feest?) niet geheel wor-
den afgewerkt, vandaar de reeds genoemde vergadering van 2 november
1912.

De vervolgcursussen en vleeskcuringscursussen blijken cen succes te zijn;
het rapport van dc commissie Dhont (vleeskeuring) is gereed, evenals
het rapport van de commissie verzekeringswezen.

In deze vergadering wordt H o u b a tot voorzitter gekozen en V e r -
m e u 1 e n tot le secretaris.

Zoals reeds eerder is gemeld zou er cen enquête omtrent misstanden aan
alle dierenartsen worden gericht, ook aan niet praktizerende dierenartsen.
Toch heeft de Commissie beroepsbelangen de enquête
alleen aan prak-
tizerende dierenartsen gestuurd, en bovendien is zij wat de onderweipen
betreft binten haar boekje gegaan, de enquête-commissie antwoordt en
het Hoofdbestuur geeft een wederwoord.

Er wordt een Tan Ksveld-fonds gevormd, waarin het Hoofdbestuur ƒ 100,—
stort.

In een vervolg van de notulen dezer vergadering wordt vermeld dat
Markus \\oor de functies welke hij bekleedt bedankt, en wel als volgt:
„D r. Bakker, ondervoorzitter ojjent het 2e gedeelte van de vergadering.
Hij zal het piesidiurn voeren, aangezien zoëven van Dr. Markus het vol-
gende bericht is ingekomen:

-ocr page 939-

„Aan de 54ste algemeene Vergadering. Ik lieii de eer Uwe vergadering
mede te deelen, dat ik met ingang van heden, bedank

a. als voorzitter der Maatschappij,

b. als Redactielid,

c. als Lid der Maatschappij.

H. Markus".

Op 29 november 1913 wordt een Buitengewone Algemene Vergadering
gehouden waarin het beheer over het Van Esveld-fonds wordt aanvaard en
de rapporten Veeverzekeringswezen en Vee- en Vleeskeiuing worden be-
handeld.

Twee belangrijke wetten zijn in voorbereiding, n.l.

1. De Wet op het Veeartsenijkundig onderwijs.

2. De Wet tot Regeling van de Veeartsenijkundige Dienst.

Het is blijkbaar druk met de Maatschappij-aangelegenheden, want op
14 maart 1914 wordt wederom een
Buitengewone Algemene Leden-
vergadering
gehouden ter behandeling van het rapport van de Commissie
belast met bet onderzoek naar het ontwerp tot „Regeling van het Land-
bouw- en Veeartsenijkundig Hooger Onderwijs".

De voorzitter (Houba) zegt in zijn openingswoord: „Ik heb mij de
verkiezing tot Voorzitter van de Maatschappij laten welgevallen, al vroeg
ik mij af:

„Qu\'allez vous faire dans cette galère?"
Na langdurige discussie wordt de volgende motie aangenomen:

„De ]^ergadering van de Maatschappij enz. spreekt als haar oordeel
uit, dal de eindoplos.nng van het vraagstuk „veeartsenijkundig on-
derwij.s" moet worden gevonden in de stichting van een Zesde
faculteit aan de Utrechtse Universiteit".
Het Hoofdbestuur zond een rapport aan de Directeur Generaal over de
verhouding tussen dierenartsen en de R.S.1. Bij dc rondvraag worden ern-
stige klachten geuit over de behandeling \\an dierenartsen t.o.v. land-
bouwkundigen en
door landbouwkundigen. De dierenartsen moeten zich
veel meer van de veeteelt aantrekken en men vindt de titel van bet Tijd-
.schrift -- waarin men in 1902 de bijvoeging „en Veeteelt" liet vervallen —,
fout. Men pleit voor cen wederom toevoegen daarvan.

De 55ste Algemene Vergadering wordt gehouden op 27 en 28 november
1914, bet aantal leden is dan 472.

De bibliotheek van de Maatschappij wordt aan de Veeartsenijschool
aangeboden. Er wordt een commissie benoemd ter verbetering van het
Veetceltonderwijs. Ook wordt een commissie benoemd ter herziening van
het Huishoudelijk Reglement (Hou ba. Hoogkamer, O ver beek),
zulks na advies van een door ben te benoemen tweede commissie, waarin
3 practici zitting hebben, die de reorganisatie van de Maatschappij, het
Tijdschrift en de bibliotheek zal bestuderen. De Redactie verklaart dat
zij ook in 1915 haar taak wil voortzetten mits zij dat op dezelfde wijze kan
blijven doen.

Het rapport van de Commissie Paardenwet wordt onveranderd aan-
genomen, dit zal aan de Directeur Generaal ter verdediging van de door

-ocr page 940-

de dierenartsen aangehouden tarieven worden aangeboden.

Weer werden voor het Tijdschrift bezuinigingsmaatregelen voorgesteld,

die zullen worden onderzocht.

De afd. Noord-Holland vraagt het Hoofdbestuur om een onderzoek naar
het voorkomen van trichinosis onder de voor uitvoer geslachte varkens.
De Nieuwe afd. Zuid-Holland wil weer veeteeltonderwerpen behandelen.
In het jaarverslag van de secretaris wordt melding gemaakt van tweespalt,
die er in de Maatschappij heerste. De eerste uitbarsting leidde tot het
uittreden van een voorname kern (de militaire Paardenartsen) en de
tweede uitbarsting naar aanleiding van onenigheid in de boezem der
redactie leidde tot het uittreden van Markus en tot het bedanken van
de Directeur van de R.S.I. als lid. Wester was al eerder weg (U ziet dus
dat een „illuster" gezelschap geen waarborg is tegen ruzie!).
In de jaargang (1914), waarin deze Algemene Vergadering staat be-
schreven, vindt men een afbeelding van de Van Esveld-medaille; tijdens
deze vergadering wordt Schimmel herdacht.

Op 20 maart 1915 wordt weer een Bijzondere Algemene Vergadering
gehouden en de hoofdzaak is nu de behandeling van het rapport van de
commissie belast met het onderzoek van het wetsontwerp Veeartsenij-
kundige Dienst (v. Kempen, Lameris, Overbeek, Qua-
dekker en Veenbaas). Er worden acht bezwaren ingebracht. Con-
clusie is, dat als dit ontwerp wet wordt, men er zeer belangrijk op achter-
uit gaat. De Directeur Generaal van de Landbouw, persoonlijk aanwezig,
licht enkele punten toe en verdedigt het ontwerp.

Prof. de Jong kraakt het ontwerp. B e r g e r is het met de commissie
eens, dat de exportkeuring niet thuis hoort bij het Veeartsenijkundig
Staatstoezicht, maar bij de algemene Vleeskeuring, hetzij als afzonderlijke
dienst, hoewel aansluiting bij de binnenlandse Vleeskeuring ook aan-
vaardbaar is. Na uitvoerige discussies wordt tenslotte de conclusie van
de commissie aangenomen.

Het Hoofdbestuur deelt mede dat de beide afdelingen Ztud-Holland zijn
samengesmolten tot één afdeling Zuid-Holland met 71 leden.
Voorts wordt een commissie benoemd ter bestudering van het wets-
ontwerp artsenijbereidkunst (S j o 1 1 e m a, v. H e u s d e n, K
1 a u w e r s).
In Alkmaar is opgericht een Keuringsdienst voor levensmiddelen, waar-
van de directeur van het abattoir directein is.

Het jaarverslag van de secretaris over 1914 maakt melding van de uit-
gebroken wereldoorlo,g, de vernieling van de bibliotheek van Leuven, de
oproep om steun aan Belgische families, de vereniging van de beide afd.
Zuid-Holland, en van de oprichting van een „Vereniging tot bevordering
van wetenschappelijke teelt" waarvan Bakker secretaris en de Maat-
schappij lid is geworden.

Aan het slot van deze jaargang wordt door de Redactie mede.gedeeld dat
voortaan, dus met ingang van 1916 de titel van het tijdschrift
„Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde"
zal zijn.

Op de 56ste Algemene Vergadering, op 24 en 25 september 1915 ge-
houden, stelt de afd. Zuid-Holland voor om een commissie te benoemen
die in ons hele land een onderzoek instelt naar de produktie voorwaarden

-ocr page 941-

voor en het toezicht op de deugdelijkheid van consumptiemelk. Het
Hoofdbestuur gaat hiermede accoord en stelt een provinciegewijs onder-
zoek voor door een commissie van 11 leden.

Het rapport van de commissie Herziening Statuten en Huishoudelijk
Reglement duidt aan dat de Mij. zal heten „Maatschappij voor Dier-
geneeskunde", in Statuten en Huishoudelijk Reglement heet de veearts
„dierenarts" en het Tijdschrift heet Tijdschrift voor Diergeneeskunde.
Jaarlijks zullen 2 Algemene Vergaderingen worden gehouden, n.1. één
in september voor wetenschappelijke onderwerpen en één in november
voor huishoudelijke onderwerpen. Het Hoofdbestuur benoemt de Redactie,
die bezoldigd zal worden.

Op 18 december 1915 werd door de Maatschappij een vergadering be-
legd, waar door Overbeek en De Jong over mond- en klauwzeer
wordt gesproken en waar Bemelmans een motie indient waarin het
Hoofdbestuur wordt verzocht zich tot de Minister van Landbouw te
wenden met het verzoek „het mond- en klauwzeer in zijn gebeelen om-
vang te bestuderen en vooral na te gaan of bet door actieve immunisatie
is te bestrijden. Deze motie wordt aangehouden en behandeld op de
Buitengewone Algemene Vergadering van 20 mei 1916.
Op deze vergadering wordt een nieuw Hoofdbestuur gekozen, n.1.
Dhont (voorz.) Mazure (onder-voorzitter) en Vermeulen (se-
cretaris). Bemelmans is verhinderd om zijn motie (zie boven) te
verdedigen, betgeen veel kritiek geeft en waardoor zijn motie van de
baan is. Een motie van De Jong wordt aangenomen, waarin gevraagd
zal worden om een Staatscommissie voor het mond- en klauwzeer.
Bij de opening dezer vergadering wijst Dhont erop dat, nu een reorga-
nisatie van de Maatschappij haar beslag gaat krijgen, er een nieuw
tijdperk aanbreekt.

De 57ste Algemene Vergadering (wetenscha])pelijk) wordt gehouden op
30 september 1916. Na de openingsrede van de voorzitter (Dhont) wor-
den 3 lezingen gehouden die in het Tijdschrift zijn gepubliceerd.

De 58ste Algemene Vergadering (huishoudelijk) wordt gehouden op
25 november 1916.

Door de wijziging van het Huishoudelijk Reglement is de reorganisatie
van het Hoofdbestuur een feit geworden; dit bestaat thans uit een dage-
lijks bestuur van 3 personen (voorzitter, 2e voorzitter en secretaris) en af-
gevaardigden uit alle afdelingen.

De activiteiten van de Maatschappij over 1915 worden opgesomd en
dat zijn er vele. De voorzitter memoreert twee aardige punten, n.1.

1. Het bestuur van de Militair Veterinaire Vereniging heeft een schrijven
gericht aan bet Hoofdbestuur met dank aan alle „burgerveeartsen" voor
htm medewerking bij de mobilisatie.

2. De Vereniging van praktizerende diergeneeskundigen in Zuid-Holland
is opgeheven en haar eindsaldo is in de kas van het Van Esveld-fonds
gestort.

Het rapport van de Commissie Veeteeltonderwijs wordt goedgekeurd en
het Hoofdbestuur zal het aan de regering aanbieden.

-ocr page 942-

Op 6 oktober 1917 wordt de SDste Algemene Vergadering (wetenscbap-
pelijk) gehouden.

Het Van Esveld-fonds heeft een eerste prijsvraag uitgeschreven. Onder-
werp: „De bestrijding der t.b.c. bij onze nuttige hiusdieren, in het bijzon-
der bij het rundvee". De juiy kon geen le prijs toekennen.

De 60ste Algemene Vergadering (huishoudelijk) wordt gebonden op
24 november 1917.

Op deze vergadering konden de aanwezigen van de thans 516 leden
tellende Maatschappij vernemen dat de
Veeartsenijschool werd verheven
tot
Veeartsenijkundige Hoogeschool.

Er wordt een motie aangenomen waarin wordt aangedrongen om te
spreken van „Diergeneeskundig Onderwijs".

Een klacht van de afd. Gelderland-Overijssel over behartiging van dc
belangen der practici wordt ongegrond verklaard.

Aan de inzenders van antwoorden op de eerste prijsvraag van het Van
Esveld-fonds zal worden toegestaan hun antwoorden te publiceren, om
ze daarna weer aan de Maatschappij terug te zenden. Deze blijft n.1.
uiteindelijk eigenaresse.

Het Hoofdbestuur krijgt opdracht om bij de Minister aan te dringen op
benoeming van een dierenarts in de commissie voor de geneesmiddelen-
voorziening.

Op 26 juli 1918 is een Bijzondere Algemene Vergadering gehouden, waar-
van de beschrijving vermeldt dat na de opening een voordracht en een
demonstratie met de rachiofoor van S t ü v e n door hemzelf werd ge-
geven.

De 61ste Algemene Vergadering (wetenschappelijk) wordt gehouden op
5 oktober 1918.

De openingsrede van de voorzitter is getiteld: „Een ogenblik van dank-
baadieid"; schets van het ontstaan van de Veeartserujkundige Hooge-
school.

Frenkel kan zijn aangekondigde lezing over t.b.c. bij de kat niet
houden, omdat Markus de lantaarnplaatjes daarover niet in bruikleen
wil afstaan. Daarom houdt hij maar een lezing over distomatose.

De 62ste Algemene Vergadering (huishoudelijk) wordt gehouden ojj 30
november 1918.

Vóór de pauze zijn (wegens de Koninginnefecstenl maar 25 leden aan-
wezig.

Na afdoening van vele huishoudelijke zaken stelt de afd. Gelderland-
Overijssel voor een commissie te benoemen, die moet onderzoeken, of de
Maatschappij voor baar leden een ziekte- en ongevallenverzekering kan
sluiten. Er zal een commissie uit het Hoofdbestiuu- worden gevormd; een
onderlinge verzekeringsmaatschappij wordt afgeraden.
De afdeling Utrecht stelt voor het Tijdschrift eens per maand te laten
verschijnen en dan op beter papier. Dit wordt niet aangenomen, de
redactie krijgt ƒ 400,— meer voor beter papier.

Het Hoofdbestuur verkrijgt machtiging om een vertegenwoordiger voor
N.O. Indië aan te wijzen.

-ocr page 943-

Hoogkamer is als dierenarts in de commissie geneesmiddelen be-
noemd en Vermeulen (le secr.) neemt het bureau voor jïlaatsver-
vanging, dat in een behoefte voorziet, waar. Aantal leden 546.
Met het Van Esveld-fonds gaat het goed. Er wordt een tweede prijsvraag
uitgeschreven, nl.: „Er wordt gevraagd een kritiscb-literatuur- en klinisch
onderzoek naar de prophylactiscbe- en therapeutische werking van de
injectie bij veulens van gedefibrineerd bloed of serum, afkomstig van het
moederdier, ter bestrijding van de zgn. „Fohlenlabme".
Bij de rondvraag blijkt, dat „Absyrtus" moet verhuizen, dat de vacatie-
gelden \\oor Rijksambtenaren te laag zijn (het Hoofdbestuur heeft dit al
in behandeling), dat de beloning voor dierenartsen als getuige-deskundige
te laag is (ook deze kwestie is bij het Hoofdbestuur in behandeling) en
dat gevraagd wordt naar de instelling van een „Raad van Eer", hetgeen
het Hoofdbestuur zal overwegen.

Op de 63ste (wetenschappelijke) Algemene Vergadering, op 27 sep-
tember 1919 gehouden, houdt P. J. d e Jong een voordracht over „De
democratie in ons Hoger Onderwijs".

Bij de 64ste (huishoudelijke) Algemene Vergadering op 29 november
1919 wordt voorgesteld dat bij gelegenheid van het 100-jarig bestaan van
het Veeartsenijkundig Onderwijs een gedenkboek door de Redactie zal
worden uitgegeven. Het zal aan alle leden gratis worden toegezonden.
i;)e Redactie krijgt subsidie en het Hoofdbestuur stelt voor gedurende
twee jaar daartoe een hoofdelijke omslag van totaal ƒ 4,— te heffen. Het
gedenkboek zal beknopt weergeven alles wat door de dierenartsen buiten
de onderwijsinrichting in de afgelopen 100 jaar tot stand is gebracht.
De voorstellen van het Hoofdbestuur om f 500,— ten behoeve van een
lening aan „Absyrtus" te storten en om de Algemene Vergaderingen weer
op twee achtereenvolgende dagen te houden, worden aangenomen.
Op voorstel van de afd. Friesland wordt per lid per jaar ƒ 1,— in het
Van Esveld-fonds gestort.

Bij de discussie over de instelling van een Ereraad stelt de afd. Utrecht
voor dat het Hoofdbestuur de samenstelling daarvan aan de Algemene
Vergadering voorlegt; hierbij blijkt dat dc oude commissie beroepsbelan-
gen zich in het Hoofdbestuur heeft opgelost.

i)e verzekeringscommissie wordt na hehige discussies met haar probleem
opgeheven (Dit was een voorstel op de vorige vergadering door de afd.
Gelderland-Overijssel aan het Hoofdbestuur inzake ziekte en\'of ongeval-
lenverzekering).

In het Maatschappij-verslag over 1918 wordt het overlijden gemeld van
W i r t z en Markus.

De Staatscommissie voor mond- en klauwzeer is benoemd (zie mode De
Jong op vroegere .Algemene Vergadering).

Op 29 mei 1920 wordt ccn Bijzondere Algemene Vergadering gehouden
(Indische dag).

De 65ste Algemene Vergadering wordt weer op 2 dagen gehouden en
wel op 15 en 16 oktober 1920.

De afd. Utrecht stelt voor dat moet worden aangedrongen op de op-
richting van een Instituut voor tropische Diergeneeskunde aan de Vee-

-ocr page 944-

artsenijkundige Hogeschool; De Jong had dit reeds op de Indische
dag voorgesteld.

V r ij b u r g is tegen, Kok en De Jong vóór een tropische opleiding
in Nederland; Krediet en \'t Hoen vóór. Na uitgebreide discussies
trekt tenslotte de afd. Utrecht haar voorstel in. De kwestie zal worden
besproken tussen het Hoofdbestuur en de Senaat der Veeartsenijkundige
Hogeschool.

Het jaarverslag begint somber. Het ledental is nauwelijks gestegen (577);
veel jonge collegae worden geen lid, er zijn veel sterfgevallen door griep.
De melkenquêtecommissie is nog wel actief, maar de vervolgcursussen
leden schipbreuk wegens gebrek aan belangstelling; de tweede prijsvraag
van het Van Esveldfonds werd een échec en de kosten van het Tijd-
schrift stijgen onrustbarend. Hiervoor wordt het quotum verhoogd tot

ƒ 25,--

Er zijn ook enkele winstpunten, waarvan vooral de totstandkoming van
de Vleeskeuringswet.

In Indië heeft de Volksraad onder enorm protest van de Ned. Indische
Vereniging voor Diergeneeskunde en Dierenteelt en van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde gezegd, dat alleen Wageningers de veeteelt kun-
nen behartigen. Daarom is aaneensluiting noodzakelijk (Indische dag).

De 66ste Algemene Vergadering wordt gehouden op 21 en 22 oktober
1921.

Voor de verkiezing van een voorzitter stelt de afd. Friesland voor om
Dhont, die reglementair moet aftreden, te herkiezen, hetgeen na enig
heen en weer praten over de procedure geschiedt.

Het Hoofdbestuur deelt mee, dat bij gelegenheid van het 100-jarig be-
staan van het Veeartsenijkundig Onderwijs, de Maatschappij een avond-
feest zal aanbieden, waarvoor de voorzitter ƒ 1.000,— krijgt toegewezen.
Een motie van de afd. Zuid-Holland wordt aangenomen, luidende:
„Het
couperen als modeoperatie verdient afkeuring. Als middel daartegen moe-
ten er internationale verbodsbepalingen komen, anders is de .ürijd nut-
teloos".

Bij de rondvraag wijst \'t Hoen op het tekort aan dierenartsen in
Indië.

Op de 67ste Algemene Vergadering, op 13 en 14 oktober 1922 gehouden,
wordt, na de meningen van alle afdelingen te hebben gehoord de door de
afd. Groningen-Drenthe voorgestelde vaststelling van een lijst van ge-
waarborgde gebreken, aan het Hoofdbestuur over te laten.
De afd. Noord-Holland legt de vraag voor of het in circulatie brengen
van reactiedieren (t.b.c.) als „eerlijke handel" toelaatbaar is te achten.
De mening is, dat dit niet is geoorloofd. Het Hoofdbestuur acht het echter
niet wenselijk bij de regering aan te dringen op maatregelen hiertegen
(dit was de veelomstreden kwestie van de Friese reactiekoeien). Na uit-
voerige discussie besluit men een conunissie te benoemen, die dit verder
zal bekijken.

Het Hoofdbestuur heeft vergaderd met „Landbouw", die de tarieven
voor varkensentingen te hoog vond. De Directeur Generaal van de Land-
bouw zal nagaan, of de prijzen van de entstoffen niet omlaag kunnen.
De afd. Noord-Brabant stelt voor om van het Tijdschiift een weekblad

-ocr page 945-

te maken. Het moet alles bevatten wat op veeartsenijkundig gebied te
koop is: alle wetten; alles wat op diergeneeskundig gebied in het buiten-
land gebeurt en het moet actueel zijn. Het moet een redactie van 5 leden
hebben, te kiezen door de Algemene Vergadering; elk jaar treedt één
van hen bij toerbeurt af. De ene week moet het Tijdschrift de grootte
hebben van thans, de andere week de halve grootte. Het voorstel wordt
ter hand gesteld aan de redactie en ter nadere bespreking in de vol-
gende Algemene Vergadering.

Het verslag van de secretaris over het jaar 1921 vermeldt dat acht paar-
denartsen bedankten voor het lidmaatschap, hetgeen diep wordt betreurd.
(De „oorlog" met de Militair Veterinaire Vereniging (zie eerder) was
zeker nog niet uitgewoed.)

Voorts leverde de enquête omtrent salarisschalen voor gemeente-dieren-
artsen niets op en de gemeenteraad van Amsterdam benoemde geen
dierenarts in de commissie „consumptiemelk", hoewel het Hoofdbestuur
hierop had aangedrongen.

Na het overlijden van het erelid Mac Gillavry te hebben vermeld,
deelt de secretaris mede dat het Hoofdbestuur een protest heeft doen
horen over het schrappen van huisslachtingen uit de Vleeskeuringswet.

Op de 68ste Algemene Vergadering van de Maatschappij (594 leden),
die op 26 en 27 oktober wordt gehouden, deelt de Redactie mede het
voorstel van de afd. Noord-Brabant te hebben overwogen en het volgende
voor te stellen:

1. Het Tijdschrift wordt gesplitst in een wetenschappelijk en in een
maatschapplijk deel dat eens per maand als los bijvoegsel zonder om-
slag zal worden bijgevoegd;

2. naast de rubriek „referaten" zullen inhoudsopgaven van de voornaam-
ste diergeneeskundige tijdschriften worden opgenomen;

3. de redactie zal bestaan uit 5 leden, te kiezen door het Hoofdbestuur;

4. elk jaar treedt één hunner af, doch is herkiesbaar;

5. voorzitter en secretaris vormen het dagelijks bestimr;

6. de begroting zal voor 1924 ƒ 9.000,— bt^.dragen.

Nadat de afd. Noord-Brabant zich hiermede accoord verklaart, wordt een
gewijzigd voorstel van de afd. Gelderland-Overijssel door de vergadering
niet aangenomen, waardoor na langdurige discussies geen der beide voor-
stellen wordt aangenomen en alles dus bij het oude blijft.
Secretaris en penningmeester van het Hoofdbestuur vormen een com-
missie, die zal overwegen of de fondsen van het Van Esveld-fonds ook
kunnen worden gebezigd voor liefdadige doeleinden.
Het verslag van de secretaris over 1922 vermeldt dat het Hoofdbestimr
zich tot de Minister wendde om bij de wijziging van de Hoger Onderwijs
Wet het woord „veeartsenijkundig" door „diergeneeskundig" te vervangen.
Voorts klaagt het Bureau Waarneming over zeer onvoldoende medewerking
en is de commissie verborgen gebreken samengesteld uit M r. van V e 1-
sen, Wester en Van Leeuwen.

De Staatscommissie voor tuberculose bestaat uit De B 1 i e c k, O v e r -
beek, Bosma, Van Kempen, Beijers en Winkel.
Bij de rondvraag op de tweede dag komt de mond- en klauwzeercommissie
ter sprake (Poels, De Blieck, Lourens, Winkel en Rem-
m e 1 t s) die de enting moet beoordelen, maar de vergadering wil hier

-ocr page 946-

niet op wachten en neemt de motie K a r s e m e ij e r aan, die \\ oorstelt
om thans, nu de omstandigheden daarvoor gunstig zijn, proeven te nemen
met de enting volgens Pfeiller.

Op de 69ste Algemene Vergadering o]j 17 en 18 oktober 1924 wordt een
voorstel van de afd. Gelderland-Overijssel ter reorganisatie van het Tijd-
schrift afgestemd en wordt besloten een geamendeerd voorstel van de
afd. Groningen-Drenthe op de volgende Algemene Vergadering te be-
handelen.

Dhont wordt onreglementair bij acclamatie tot \\oorzitter herkozen.
Vele stukken worden goedgekeurd.

De gelden van het Van Esveld-fonds blijven voor wetenschappelijke doel-
einden bestemd, echter in ruimere zin, n.1 ook niet-dierenartsen zullen
kunnen meedoen aan prijsvragen.

Het verslag van de secretaris over 192.3 vermeldt een ledental van 610.
Voorts wordt medegedeeld dat in het Tijdschrift de rubriek vleeskeuring
zal worden uitgebreid en dat meer boekbesprekingen en referaten zullen
worden opgenomen, hetgeen extra kosten met zich mee zal brengen (ter
vergelijking diene dat deel 35 f 1598,60 kostte en deel 50 ƒ 7250,—). Op
een verzoek van het Hoofdbestuur tot regeling van de grenspraktijken
ging de regering niet in.

Bij de Bijzondere Algemene Vergadering \\an 15 november 1924 wordt
bet rapjjort van de tuberculose-conunis.sie besproken. Na een inleidend
woord van voorzitter D h o n t en D e Jong houdt D r. C. G u é r i n
een lezing.

De vergadering benoemt een commissie die zal onderzoeken hoe het vee-
verzekeringswezen in de bestrijding der t.b.c. zal kimnen worden inge-
schakeld. IDe tekst van het rapport is in deel 52, jaargang 1925 van bel
Tijdschrift gepubliceerd.

Op de 70ste Algemene Vergadering, gehouden 16 en 17 oktober 1925,
wordt het tot deze vergadering uitgestelde amendement van de afd.
Groningen-Drenthe op de reorganisatie van hel Tijdschrift behandeld
en aangenomen. Voorgesteld wordt een drie-hoofdige leiding, elk lid
treedt om de drie jaar af en is herkiesbaar. De verkiezing vindt plaats
door het Hoofdbestuur.

Het Hoofdbestuur krijgt machtiging om de liquidatie van „Absyrtus" af
te wikkelen en de Maatschapi^ij garant te verklaren voor een eventueel
nadelig saldo. Dc liquidatie is nodig i.v.in. de oj)banden zijnde fusie
van Veeartsenijkundige Hogeschool en de Universiteit.
De afd. Zuid-Holland stelt voor cen Ondersteimingsfonds — dcx)r het
Hoofdbestuur te beheren — te stichten met een beginkapitaal van
ƒ 2.000,— te verstrekken door het Hoofdbestuur en verder ƒ 1,-- per lid
per jaar. Een ontwerp stichtingsacte is bijgevoegd. Hoewel het Hoofd-
bestuur in zijn mening verdeeld is, wordt het fonds opgericht en het
Keglement wordt vastgesteld met de wijziging: „Het ondersteuningsfonds
wordt in het Van Esveld-fonds ingebracht, zodra hel laatste een pbilan-
tropische strekking krijgt".

Het Diergeneeskundig Jaarboekje komt in de plaats \\an de Veterinaire
Studenten Almanak. De redactie zal door enkele leden worden verzorgd.

-ocr page 947-

Op de tweede dag van de \\ergadering memoreert de voorzitter het over-
lijden van Prof. D r. D. A. d e Jong en de aanstaande aansluiting
van de Veeartsenijschool bij de Rijksuniversiteit Utrecht. Tevens maakt
hij de vergadering attent op de veel verbeterde uitvoering van het Tijd-
schrift.

Tn het jaarverslag van de Maatschappij over 1924 worden de voorbe-
reidingen voor het tot stand komen van de Veeartsenijkundige Faculteit
gememoreerd, alsmede het feit dat — ondanks protest van de Maatschap-
pij — de fusie van Veeartsenijkundige Dienst en Rijksuitvoerkeurings-
dienst voor vlees tot stand is gekomen.

Het Van Esveld-fonds heeft een derde prijsvraag uitgeschreven, waarin
wordt „gevraagd een onderzoek van het vaginaal slijm bij onze huis-
dieren in de verschillende perioden van den se.xueelen cyclus".

Op de op 15 en 16 oktober 1926 gehouden 71ste Algemene Vergadering
dringt de afd. Zeeland er nogmaals op aan het Van Esveld-fonds een
liefdadige strekking te geven en krijgt het Hoofdbestuin- machtiging de
subsidie voor het Tijdschrift te \\\'erhogen zonder dat contributieverhoging
noodzakelijk is.

De tweede dag geeft o.m. collega Eikelenboom een demonstratie
embryotomie en wordt een instrumentententoonstelling van Brocades &
Stheeman bezocht.

Het jaarverslag 1925 vermeldt een ledental van 640 en een protest tegen
de opheffing van cle Kliniek voor Kleine Huisdieren (mede ondersteund
door een protest van de Ned. Indische Vereeniging voor Diergenees-
kunde) .

P r O f. D e R 1 i e c k is als opvolger van P r o f. D r. D. A. d e Jong
benoemd tot secretaris van de Permanente Commissie voor Internationale
Veeartsenijkundige Congressen en collega Oskam werd door de voor-
zitter benoeind in de commissie „Verkoop sera en entstoffen".

Op de 72ste Algemene Vergadering van de inmiddels 655 leden tellende
Maatschappij, gehouden op 14 en 15 oktober 1927, vraagt de afd. Gro-
ningen-Drenthe de mening der vergadering over de wenselijkheid, dat
de Maatschappij optreedt ten behoeve van de maatschappelijke belangen
harer leden t.o.v. bestinirslichamen en organisaties. Een uitvoerige dis-
cussie volgt, omdat vele leden meenden dat de Maatschappij de maat-
schappelijke belangen van dc leden te weinig behartigt. Het voorstel van
de afd. Groningen-Drenthe wordt aangenomen en het Hoofdbestiuir zal
met voorstellen komen.

Collega S i m O n s heeft een circulaire rondgestuurd, waarin op het ge-
bied van een dierenziekenfonds bepalingen staan die onaannemelijk zijn;
Simons biedt hierop aan, in onderhandeling te treden.
Het jaarverslag over 1926 vermeldt o.m., dat in verband met de sterke
uitbreiding in de pluimveesector het Hoofdbestuur aan De Blieck,
Van Oyen, Te Henne])e en Van Gelder gevraagd heeft
te onderzoeken of keuring van pluimvee nodig is en of dit bij de Vlees-
keuring hoort; dit rapport is eind 1926 binnengekomen en bij het Hoofd-
bestuur in studie.

-ocr page 948-

De liquidatie van Absyrtus wordt geleidelijk afgewikkeld en bij gelegen-
heid van het 40-jarige bestaan van de afd. Friesland is een brochure
verschenen.

Bij gelegenheid van de 73ste Algemene Vergadering op 12 en 13 oktober
1928 vraagt het Hoofdbestuur naar aanleiding van de wens tot beharti-
ging der maatschappelijke belangen aan de vergadering machtiging om,
desnoods met juridische voorlichting. Statuten en Huishoudelijk Regle-
ment te wijzigen. Naar aanleiding van de discussies en voor het formu-
leren van algemeen bindende besluiten wordt tenslotte een commissie
benoemd die nader advies zal uitbrengen.

Op de tweede dag der vergadering houdt S i g 1 i n g een voordracht over
„Diergeneeskundige fatsoensleer", in aansluiting op de openingsrede van
de voorzitter (D h o n t) die sprak over diergeneeskundige ethiek.
Nadat de pers de zaal heeft verlaten zegt de voorzitter dat de Alg. Ned.
Pluimveefokkersvereniging contact heeft gezocht met het Hoofdbestuur
om voor het bloed aftappen 7/2 cent per kip te vragen. De Algemene
Vergadering stelt het minimum tarief vast op 10 cent per kip.
Het jaarverslag over 1927 vermeldt dat het Hoofdbestuur zich tot de
Minister wendde met het verzoek bij besprekingen over mond- en klauw-
zeer in landbouwkringen een uitnodiging te ontvangen. Voorts wendde het
Hoofdbestuur zich tot de Regering met het verzoek de diergeneeskunde
in te schakelen bij adviezen omtrent de gevaren van röntgenbehandeling.
Het rapport over pluimveekeuring is gereed, bestudeerd en doorgezonden
en met de mededeling dat collega Simons in overleg met het Hoofd-
bestuur wijziging in de bepalingen van het dierenzieken fonds aanbracht,
waardoor dit acceptabel was, sluit dit verslag. Hieraan kan worden toe-
gevoegd dat het Hoofdbestuur met de Senaat van de Faculteit het onder-
wijs in de pluimvee anatomie en fysiologie besprak.

In de afdelingen wordt geklaagd over toename van het empirisme, de
afd. Noord-Holland herdacht in 1927 haar veertigjarig bestaan en in dc
afd. Zuid-Holland is men van mening dat bet empirisme bet beste te
bestrijden is door alle handelingen (o.a. bloedtappen) zelf te verrichten.

Op de 74e Algemene Vergadering, 11 en 12 oktober 1929, wordt Ten
T h y e tot secretaris van de Maatschappij en hoofd van het Plaatsings-
bureau benoemd. Het voorstel van het Hoofdbestuur om per lid per jaar
ƒ1,— te heffen voor het De Jong-fonds en ƒ2.800,-- hierin te storten,
alsmede op verzoek van Mevr. de Jong het legaat en de rente, wordt
goedgekeurd.

De Statutencommissie (Overbeek, Van der Kamp, Beyers,
Kranenburg, Kirch) is gereed, het concept voor de nieuwe Sta-
tuten wordt door de vergadering aangenomen, de wijzigingen zullen op
het Departement van Justitie worden bekeken; in deze Statuten is sprake
van „Centrale Raad" en „Bindende Besluiten". De wijziging van het
Huishoudelijk Reglement komt nog.

In bet jaarverslag over 1928 (691 leden) wordt o.m. melding gemaakt
van de vraag aan de Minister waarom de Maatschappij niet werd ge-
hoord bij de salariswijziging van de Rijkskeurmeesters i.b.d.; het verzoek
aan de Minister een onderzoek te doen instellen naar het vóórkomen en de
bestrijding van abortus Bang en het advies aan de Minister om samen-

-ocr page 949-

smelting van de R.S.I. en het Mond- en Klauwzeer Instituut te ontraden.
Het plaatsingsbureau besluit geen 5e-jaars studenten meer vergunning voor
assistentie te verlenen.

Een vierde prijsvraag wordt door het Van Esveld-fonds uitgeschreven,
het onderwerp luidt: „Een zoo volledig mogelijke studie omtrent de para-
tuberculose; voorkomen, het onderkennen van de ziekte, de bestrijdings-
maatregelen, enz."

Op de 75ste Algemene Vergadering, 10 en 11 oktober 1930 wordt D h o n t
weer voor 3 jaar als voorzitter gekozen en verkrijgt het Hoofdbestuur
toestemming om de subsidie aan het Tijdschrift te verhogen en e.xtra
fondsen te besteden voor de uitgave van de brochures over viskeuring en
bijenziekten.

De inzameling voor het De Jong-fonds verloopt naar wens — in 2 jaar
tijds kwam reeds f 14.000,— binnen — en er wordt een commissie be-
noemd ter bestudering van het toenemende euvel van import van sera- en
entstoffen int het buitenland. Er gingen enquêtes uit over viskeuring en
winning van modelmelk, terwijl K i r c h werd benoemd in de abortus-
commissie.

In de afdelingen worden pluimveecursussen en melkcursussen georganiseerd.

Het nieuwe concept Huishoudelijk Reglement vormt de hoofdschotel van
de besprekingen op de
76ste en 77ste Buitengewone Algemene Ledenver-
gaderingen,
die resp. op 29 november 1930 en 18 april 1931 werden
belegd.

Na uitgebreide discussie en nadat hierin naar aanleiding van een artikel
van Van Oyen „Toekomst" wijzigingen zijn aangebracht, wordt het
concept goedgekeurd.

Op de 78ste Algemene Vergadering, wegens ziekte van de voorzitter
verschoven naar 9 en 10 oktober 1931 — de Maatschappij telt nu 708
leden — wordt een Centrale Raad benoemd van 5 leden en 2 plv. leden
(Van der Slooten, Van Heusden, Schuytemaker,
Klauwers, Ten Hoopen en Van Kempen).
Ter vergadering wordt bekend gemaakt, dat zich een Groep „Mensche-
lijke voedingsmiddelen van dierlijken oorsprong" heeft geformeerd en dat
op 27 juni 1931 een afzonderlijke afdeling Overijssel is opgericht.
In zijn openingsrede op de tweede dag wijst de voorzitter op het feit dat
voor de Maatschappij een nieuw tijdperk is aangebroken, doch dat hij de
toekomst voor de 14 aangekomen studenten donker inziet omdat er voor
de dierenarts geen vooruitzichten zijn „zolang landbouw en veeteelt
kwijnen" \').

Onder de gehouden lezingen is er één over de Burgerlijke Veeartsenijkundige
Dienst in Ned. Indië en één over „De Dierenarts en de pluimveehouderij".
Met vreugde wordt in het jaarverslag over 1930 vermeld dat alle afge-
studeerden lid van de Maatschappij werden.

Er werd een commissie benoemd om meer eenheid te brengen in de rol die
de dierenarts speelt bij de t.b.c.-bestrijding (Wester, Van Heusden
en S c h u y t e m a k e r) en de onderhandelingen met de Ned. Pluimvee-

I) Dit was n.1. de tijd dat er 100.000 runderen werden afgeslacht en ingeblikt
voor de werklozensteun.

-ocr page 950-

federatie over de tarieven voor difterie-entingen zijn nog in volle gang.
Nogmaals werd de Minister gewezen op de gevaren van de lekenhandel
in sera en entstoffen en men vraagt zich af wanneer de serum- en ent-
stoffenwet komt.

Onder de „Berichten" treft men de mededeling dat de R.S.I. haar nieuwe
gebouw heeft betrokken.

De 79ste Algemene Vergadering werd gehouden op 7 en 8 oktober 1932.
Het Hoofdbestuur deelt mede dat besloten is tot oprichting van de groe-
pen „Zootechniek" en „Geneeskunde van het kleine Huisdier" en de
secretaris deelt vervolgens mede dat vele lekenspuiters zich met vlekziekte
cultuur hebben besmet en vraagt opgave van de gevallen.
De commissie Postuniversitair Onderwijs organiseert een cursus van 6-7
lessen van 2 uur op 9 plaatsen over tuberculose, docenten zullen zijn
Schornagel, Frenkel, Wester, Bevers, De Blieck,
Lourens en \'t Hooft.

Besproken wordt de uitvoering van de Crisisvarkenswet en de vergoeding
daarvoor.

Op 16 januari 1932 vindt de installatievergadering plaats van de Centrale
Raad.

De volgende beslissing wordt genomen:

„Een lid, dat tot aflevering van sera en entstoffen aan leken overgaat,
loopt kans in aanraking te komen met dc Centrale Raad".

De 80ste Algemene Vergadering werd gehouden op 13 en 14 oktober 1933.
Ten T h ij e bedankt als secretaris en besloten wordt om een secretaris-
ambtenaar aan tc stellen, zulks n.a.v. het rapport der secretariaats-
commissie. Hiervoor wordt benoemd A. van Heusdenop een salaris
van ƒ 2.400,— per jaar. Dhont treedt reglementair af als voorzitter.
Krediet wordt gekozen en Dhont wordt erelid en erevoorzitter.
Van den u r g wordt ondervoorzitter.

D h o n t wordt gekozen als voorzitter \\ an de CeiUrale Raad wegens
bedanken van Van der Slooten.

Er wordt een aparte post uitgetrokken voor cen aflevering \\an de Acta
Vetcrinaria Neerlandica. Een voorstel van de afdeling Groningen-Drenthe
om een jurist aan te stellen tot secretaris wordt verworpen.
Bij de rondvraag wordt kritiek uitgeoefend op dc Centrale Raad, die te
langzaam werkt. Verder wordt gezegd dat toezicht nodig is op de apothe-
ken van de kwakzalvers.

De reünie na afloop der vergadering wordt door de inmiddels opgerichte
D.S.K. georganiseerd.

Op de tweede dag wordt eerst de nieuw opgerichte „Groep van actieve
paardenartsen" door de voorzitter verwelkomd. Deze herdenkt Kroon en
Mazure en houdt de openingsrede. De laatste zin hiei-van luidde: „In
moeilijke dagen ben ik tot den voorzittersstoel gekomen; ik verlaat deze
helaas in nog moeilijker omstandigheden van geheel anderen aard".
Hierna vindt de uitreiking van de Dr. h.c. J. J. F. Dhont-medaille door
de ondei-voorzitter Van den Burg namens het „Dhont-Comité" aan
Dr. Dhont, met een toepasselijke speech, plaats.

Uit de rubriek „Mededelingen van Maatschappij en Hoofdbestuur" treft
men in deze jaargang o.a. het volgende aan:

-ocr page 951-

r^e commissie Postuniversitair Onderwijs organiseert in 1932 een cursus
over „Ziekten van jonge dieren"\' (vogels uitgezonderd) met als docenten:
De R 1 i e c k, L
O u r e n s, B e ij e r s, V a n O ij e n en S c h o r n a g e 1.
De D.S.K. is opgericht en er is een commissie benoemd, die zich met
de studenten in verbinding stelt en waarin K r e d i e t, T e n T b ij e
en V a n O ij e n zitting hebben.

Ten Th ij e verklaarde zich bereid, na zijn aftreden als secretaris, de
leiding van het Plaatsingsbureau te blijven uitoefenen.
Er is een commissie van 8 leden ingesteld ter beteugeling van de kwak-
zalverij, die vooral wordt veroorzaakt door de lekenhandel in sera en
entstoffen en het niet doen \\an verlossingen door de dierenartsen. Deze
commissie kreeg van de 450 practici die waren aangezocht, slechts van 190
de gegevens binnen.

Ook niet-dierenartsen kunnen een beroep doen op de Centrale Raad.

a n H e u s d e n wordt benoemd in de redactie van het Tijdschrift in
de plaats van Kroon.

Door de „toegestoken vriendenhand" kunnen de oude geschillen met de
Militaire Paardenartsen blijven rusten. Zij hebben nu een groep „Mili-
taire Paardenartsen" opgericht.

Op 2 juni 1934 werd de 81ste Algemene Vergadering gehouden, waar
het rapport van de Commissie ter bestrijding van de kwakzalverij werd
behandeld.

Op de 82ste Algemene Vergadering, 13 en 14 oktober 1934, werd het
door bet Hoofdbestuur ontworpen concept Rindend Besluit Ziekenfond-
sen na een kleine wijziging goedgekeurd.

De vergadering is van mening, dat de titel „dierenarts" beschermd moet
worden en hierop zal bij cle a.s. uitoefeningswet worden teruggekomen.
In alle afdelingen is nu sprake van Bindende Besluiten inzake de t.b.c.-
bestrijding, terwijl in enkele de benoembaarheid van jonge dierenartsen
lot plv. Inspecteur wordt bepleit.

In het jaarverslag van de secretaris over 1933 wordt o.m. gepleit voor een
betere positie van dierenartsen in warenkeuringsdiensten, terwijl mede
vermeld wordt dat een uniform tarief voor difterie-entingen werd over-
eengekomen.

In de Commissie Postuniversitair Onderwijs heeft Klarenbeek zitting
in de plaats van K r e d i e t; zij zal in 6 provincies ciu sussen organiseren.
Tevens wordt vermeld dat van de Acta Veterinaria Neerlandica thans
2 delen uitgegeven zijn.

Tijdens de 83ste Algemene Vergadering, die op 11 en 12 oktober 1935
wordt gehouden, wordt Schornagel tot voorzitter gekozen in dc plaats
\\ an Krediet, die ondervoorzitter wordt.

Een voorstel van de afd. Gelderland-Overijssel om de contributie voor
leden, ouder dan 65 jaar, te verminderen, wordt ingetrokken. Het Bin-
dend Besluit Ziekenfondsen wordt gewijzigd en voor 10 jaar geldig ver-
klaard. Op voorstel van De B 1 i e c k zal het Hoofdbestuur overwegen
zijn samenstelling tot 5 leden in te krimpen, zulks wegens de hoge reis-
kosten.

Ge\\raagd wordt naar een serum- en entstofwet en naar een tuchtwet.

-ocr page 952-

Er zal onderzocht worden of de faculteit de Veterinaire week kan orga-
niseren.

Op de tweede dag der vergadering houdt Krediet een lezing over
„Collegialiteit".

In het jaarverslag over 1934 wordt melding gemaakt van een geringe
achteruitgang in het ledental tot 738, de erkenning van de Groep „Men-
schelijke voedingsmiddelen van dierlijken oorsprong" en de werkzaamhe-
den van de commissie „Operatie bij honden", die zal uitmaken welke
operaties door dierenartsen dienen te geschieden. Het Hoofdbestuur be-
heert het uitgeven van de „Acta Veterinaria Neerlandica" en de fondsen
van het Van Esveld-fonds. De groep „Zoötechniek" is wel opgericht, maar
nog niet erkend.

De 84e Algemene Vergadering werd op 16 en 17 oktober 1936 te Utrecht
gehouden.

Naar aanleiding van de a.s. wijziging van de Vleeskeuringswet, meent het
Hoofdbestuur dat eventuele voorstellen
niet moeten zijn gebaseerd op de
gedachten van Meier (Rijksuitvoering), maar op die van de groep
„Menschelijke voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong". Men besluit om
eerst het regeringsontwerp af te wachten, alvorens nadere voorstellen te
doen.

De Centrale Raad benoemde zelf een Commissie ter vaststelling van een
„Code voor dierenartsen" en het Hoofdbestuur besloot eerst te wachten
wat deze Commissie zou doen alvorens de vrije dierenartsenkeuze in een
Bindend Besluit te regelen. Het Hoofdbestuur legt echter wel reeds de
begripsomschrijving vast, die echter niet wordt aangenomen.
Verder wordt het Bindend Besluit Sera en Entstoffen na enige wijziging
aangenomen.

De salarisverhoging van de secretaris tot ƒ 3.000,— wordt goedgekeurd,
maar naar aanleiding van de discussie zegt het Hoofdbestuur toe, het vol-
ambtelijk secretariaat in overweging te zullen nemen.
Meier wenst algehele reorganisatie van het Tijdschrift, alsook van de
redactie, die hij te oud vindt.

Op de tweede dag na de openingsrede houdt o.m. Slager een lezing
over „Onze tuchtmaatregelen in vergelijking met arbitrage en tuchtwet".
In het jaarverslag over 1935 deelt de secretaris o.m. mede dat het
Ondersteuningsfonds voor het eerst in werking trad, dat in 8 provincies
postuniversitaire cursussen werden gegeven over voedingsleer, dat de
Commissie „Operatie bij honden" haar rapport heeft uitgebracht, waarna
hij tenslotte melding maakt van het overlijden van Paimans en Van
den Burg.

Het is niet te verwonderen dat in de afdelingen de „nieuwe koers" in de
Maatschappij druk wordt besproken en dat vele beraadslagingen de
maatschappelijke zijde van het beroep als onderwerp hebben; zo meent
men in de afd. Groningen-Drenthe dat „meer en meer de verhoudingen
zich toespitsen waarin de Maatschappij tegenover zo vele organisaties
staat" en „eerbied en ontzag nodig zijn om een stand te verhogen", terwijl
de afd. Noord-Brabant opwekt „om trouw te blijven aan de Maatschap-
pij, zich te verenigen en zich te onderwerpen aan Bindende Besluiten".
In 1936 werd de le Veterinaire Week gehouden.

-ocr page 953-

De 85ste Algemene Vergadering was een bijzondere vergadering ter be-
spreking van de Vleeskeuring. Deze werd gehouden op 9 januari 1937.

In 1937 werd op de 86ste Algemene Vergadering het 75-jarig bestaan
van de Maatschappij voor Diergeneeskunde en het 5-jarig bestaan van de
D.S.K. gevierd. Op 21 oktober 1937 werd eerst het huishoudelijk deel
gehouden.

Omdat Vrijburg per 1 juli 1938 bedankt als redactielid, verzoekt het
Hoofdbestuur de afdelingen om zich over de opvolging te beraden,
doch
ook over een volambtelijk secretariaat.

Over het reglement voor de toekenning van de ingestelde Dr. Dhont-
medaille ontstaat een vinnige discussie. Het gewijzigde reglement wordt
goedgekeurd.

Bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan worden tot ereleden benoemd:
Balangée, Kroes, Sjollema, Wester, Vermeulen, Ber-
ge r en V a n O ij e n. Tot corresponderende leden: J a c o b, L e ij n e n
en D u T
O i t.

Brands wordt ondervoorzitter, Van Santen die het secretariaat
waarnam, blijft secretaris.

Het voorstel om „aanklagers" bij de Centrale Raad ƒ 25,— te laten be-
talen, wordt goedgekeurd, evenals de toekenning van ƒ 300,— salaris aan
de secretaris der Raad.

Het Bindend-Besluit „Vrije Dierenartsenkeuze" wordt afgestemd, uit dc
discussies blijken er in Zuid-Holland treurige toestanden te bestaan. Het
Bindend-Besluit „Sera en Entstoffen" wordt voor 5 jaar goedgekeurd.
De R.S.I. beeft tekort aan mond- en klauwzeer serum.
De tweede en derde dag der Algemene Vergadering worden ingenomen
door de plechtige en feestelijke herdenking van het 75-jarig bestaan der
Maatschapi^ij, ter gelegenheid waarvan een herdenkingsnummer van het
Tijdschrift werd uitgegeven.

Het jaarverslag van de Maatschappij over 1936 vermeldt de gang van
zaken, zoals deze zich afspeelde bij de behandeling van de wetswijziging
Vleeskeuringswet, waarbij de meningen van Van Oijen en Meier
tegenover elkaar stonden en ten slotte de 85ste Algemene Vergadering er
de voorkeur aan gaf het wetsontwerp af te wachten. Het ondersteunings-
fonds kon twee maal hulp verlenen.

Bij gelegenheid van het derde Eeuwfeest van de Universiteit werd aan
V r ij b u r g het eredoctoraat verleend; het verslag eindigt met het droe-
vige bericht dat D h o n t is overleden.

Bij de afdelingen is het de afd. Noord-Brabant die het feit herdenkt dat
65 jaar geleden de afd. Noord Brabant-Limburg werd opgericht (in
1910 vond de splitsing in 2 afdelingen plaats), terwijl de afdeling Friesland
haar 50 jarig bestaan vierde en ter gelegenheid hiervan een Friesland-
nummer van het Tijdschrift uitgaf.

Op 14 en 15 oktober 1938 werd de 87ste Algemene Vergadering gehouden.
Na een kleine wijziging wordt het nieuwe Bindend-Besluit „Sera en Ent-
stoffen" aangenomen en zal aan een referendum worden onderworpen.
De afdeling Zuid-Holland stelt voor om gewestelijke- of afdelingsraden
in te stellen en geschillen in eerste instantie hierdoor te laten behandelen;
en er zal een commissie worden benoemd die het Huishoudelijk Reglement
en de Statuten zal bekijken.

-ocr page 954-

Verder stelt de afdeling Zuid-Holland voor om het aantal gesalarieerde
functies te beperken en deze door de secretaris te doen waarnemen, om-
dat versnippering leidt tot het weerhouden van de wens tot een vol-
ambtelijk secretariaat. Toch wordt aan de secretaris van de Centrale
Raad een toelage van ƒ 300,— verstrekt, omdat het Hoofdbestuur voor-
stelde deze toelage voor 1939 te handhaven.

De afdeling Noord-Holland stelt voor om het stamkapitaal van de Maat-
schaijpij onaangetast te laten. Hiermede was de vergadering accoord,
maar niet met het voorstel om de gelden die voor de feestviering gebruikt
waren, door een hoofdelijke omslag weer in de Maatschappijkas terug
te doen vloeien.

Omdat de le Veterinaire Week zeer in de smaak is gevallen zal men
trachten in 1939 een 2e Week te organiseren.

De secretaris vermeldt in zijn jaarverslag over 1937 o.m. dat het post-
universitair onderwijs cursussen in de vleeskeuring omvatte; dat Van
O ij e n in november 1937 bedankte als redactielid en dat de redactie werd
uitgebreid tot 5 leden met de benoeming van Beyers, Krediet en
Va n Santen en verder dat met de Minister o.m. de kwestie van vete-
rinaire luchtbescherming werd besproken.

Ook in de afd. Friesland maakte de veterinaire luchtbescherming een
punt van bespreking uit, terwijl in de afd. Militaire Paardenartsen een
lezing over het paardengasmasker werd gehouden.

In 1938 houdt het bureau Plaatsvervanging rekening met een mogelijke
mobilisatie.

Bij de opening van de 88e Algemene Vergadering, op 13 en 14 oktober
1939 gehouden, memoreert voorzitter Schor nagel het uitbreken
van de tweede wereldoorlog, waardoor vele practici werden gemobiliseerd.
Prof. Krediet werd benoemd tot lid van de Kon. Akademie van
Wetenschappen, Prof. Wester nam afscheid en werd opgevolgd door
Prof. Beijers, Prof. Sjollema werd oi^gcvolgd door Prof.
S e e k 1 c s.

Door wijziging in de Statuten wordt het Dagelijks Bestiuir Hoofdbestuur
en het Hoofdbestuur wordt Algemeen Bestuur. Vele voorstellen voor
wijziging van de Statuten en bet Huishoudelijk Reglement worden goed-
gekeurd, behalve het instellen van een Raad van Beroep. Koninklijke
goedkeuring zal worden aangevraagd.

Hel Bindend-Besluit „Sera en Entstoffen" moet worden gewijzigd i.v.m.
de gewijzigde toepassing. Het Hoofdbestuur doet een voorstel waarmee
de Centrale Raad het niet eens is; V e n e m a en O v e r b e e k worden
gekozen in bet Hoofdbestuur.

Bij de rondvraag wijst Siebenga erop, dat de jongeren van de zijde
der Faculteit zo weinig steun krijgen als „ze iets naar voren willen
brengen".

Het jaarverslag van de Maatschappij over 1938 vermeldt vele zaken, o.a.
dat op voorstel van het Hoofdbestuur de Minister een conunissie heeft
benoemd, die zal adviseren omtrent de bescherming van vee bij lucht-
aanvallen en dat Krediet lezingen houdt over „Kwakzalverij in eigen
boezem"; dat de Codecommissie 2 ontwerpen bij het Dagelijks Bestuur
beeft ingediend en dat na 10 jaren Ten T h ij e afscheid neemt van het
Bureau voor Plaatsvervanging, dat nu door de secretaris van de Maat-

-ocr page 955-

schappij wordt beheerd. Het verslag besluit met de mededeling dat V r ij -
burg benoemd werd tot erelid van de Maatschappij.

De 89ste Algemene Vergadering wordt op 18 en 19 oktober 1940 ge-
houden.

De afdeling Gelderland dringt aan op een \\-olambtelijk secretaris en
Van Heusden wordt met 220 stemmen en 1 blanco stem benoemd.
Het werkgebied van de afdelingen wordt vastgesteld. De afdeling Gel-
derland wil de lionoraria op de begroting van het Tijdschrift schrappen
en bij het salaris van de vol-ambtelijke secretaris voegen. Verder wil deze
afdeling het geld van de Maatschappij liever beleggen in een pand voor
de secretaris, dan in effecten. Het blijkt, dat het Algemeen Bestuur hier
ook al over had gedacht.

Het rapport van de t.b.c.-commissie wordt uitvoerig besproken en de

richtlijnen voor de t.b.c.-bestrijding aangenomen.

De contributie wordt van ƒ 24,- - op ƒ 25,— gebracht.

De afdeling Noord-Holland wil het Tijdschrift wekelijks doen verschijnen,

hetgeen aan de Redactie wordt overgelaten.

Op de tweede dag deelt B e r ge r mede, dat een wijziging van de Uitoefe-
ningswet van 1874 in bewerking is ter bestrijding van de kwakzalverij.
Het door de secretaris opgemaakte jaarverslag van de Maatschappij over
19,39 begint met de vermelding van de mobilisatie waardoor 150 collegae
werden opgeroepen (van wie ongeveer 100 practici); het Hoofdbestiuu-
besloot de Veeartsenijkundige Dienst om hulp voor vervanging te ver-
zoeken.

De 2e Veteiinaire Week werd gehouden; dierenartsen werden vrijgesteld
bij de voorbereide \\ ordering van auto\'s; bij de distributie van winterbrand-
stoffen werd lud]3 verleend; de commissie „Luchtbescherming Veestapel"
stelde een brochtne samen en per provincie werd 1 dierenarts aangewezen
die na het volgen van een cursus als vraagbaak zou dienen.
In 1940 \\erscheen de le Code voor de Dierenarts en werd het „Steim-
londs 1940" gesticht; werd door het Hoofdbestuur aan de Minister een
röntgenajjparaat voor de Faculteit gevraagd en hielden de hoogleraren
B e ij e r s en Seekles hun inaugurele orades, terwijl L o u r e n s af-
scheid nam van de Rijks Serum Inrichting.

Op 17 cn 18 oktober 1941 werd de 90ste Algemene Vergadering gehouden.
Niettegenstaande hel grote gebrek aan benzine, waardoor de komst per
auto was uitgesloten en het spoorwegvervoer bo\\endien beperkt was, was
de o]3kornst uitzonderlijk groot, hetgeen ojj een groot saamhorigheid.sgevoel
wees.

De voorzitter, S c h o r n a g e 1, zei dat het programma beperkt was. Veel
belangrijke aangelegenheden zijn nog niet afgehandeld. Hierover zal hij
in zijn openingsrede op 18 oktober iets zeggen. In zijn verdere mededelin-
gen noemt hij voor het eerst de naam van Dr. Pschorr, door de Duitse
bezetter aangewezen om de Nederlandse dierenartsen in de z.g. „Dieren-
ansenkamer" onder te brengen.

Venema wordt ondervoorzitter, Hendrikse wordt in hel Hoofd-
bestimr benoemd. Brands treedt af als ondervoorzitter. Verder vinden
nog verschillende andere benoemingen plaats.

Bi de besprekingen over de wijziging van enkele artikelen van het Huis-

-ocr page 956-

houdelijk Reglement, waartoe een Commissie was benoemd, bestaande uit
Schor nagel, Krediet en Overbeek, wilde de afdeling Fries-
land wel accoord gaan met de benoeming van de volambtelijke secretaris
door het Algemeen Bestuur, maar wilde het salaris zien vastgesteld door
de Algemene Vergadering. Het voorstel kreeg geen steun en werd dus niet
aangenomen.

Het Hoofdbestuur zal dus in het vervolg bestaan uit een voorzitter, een
ondervoorzitter en 3 gewone leden, waarvan er één door het Hoofdbestuur
belast wordt met het toezicht op het financieel beheer.
De Blieck, voorzitter van de Stalcommissie, geeft een toelichting op
het uitgebrachte rapport. Er volgt een levendige discussie.
Dr. van Nederveen somt een aantal wetenschappelijke onderzoe-
kingen op, die door het „Prof. Dr. D. A. de Jong fonds" zijn gefinancierd.
Zulks n.a.v. een discussie over een voorstel van de afdeling Utrecht om
ook het Jubileumfonds te subsidiëren. Dit kreeg tenslotte ƒ 200,—.
Bij de rondvraag vroeg A n d e r s o n of er al iets bekend was over de
toekomst van de Maatschappij. De voorzitter antwoordde dat hij daar-
over de volgende dag iets zou zeggen. Hij kon echter thans reeds zeggen,
dat de Duitse autoriteiten hadden medegedeeld, dat onze Maatschappij
zich moest gaan reorganiseren in de geest van de Duitse Tierarztekammer.
Daarbij werd ons de vraag gesteld of wij hieraan wilden medewerken;
zo wij hiertoe niet bereid waren, dan zou die reorganisatie zich toch
voltrekken buiten onze medewerking om. Het Algemeen Bestuur heeft
toen met algemene stemmen (één lid was door ziekte afwezig) zich bereid
verklaard te trachten in samenwerking iets te gaan samenstellen waar-
mede wij ons zouden kunnen verenigen. In de Tierarztekammer komen
verschillende goede zaken voor, die het Algemeen Bestuur gewenst leken
om ook voor ons te trachten te verkrijgen.

Door onderhandeling wil het Algemeen Bestuur proberen een organisatie
te verkrijgen, die voor ons acceptabel is. Er zijn ons echter bepaalde
principes voorgelegd, waaraan wij gebonden zullen zijn. Indien bet het
Algemeen Bestuur gelukt overeenstemming met de autoriteiten te ver-
krijgen, dan zal de leden een beredeneerd plan worden voorgelegd, waar-
na zij zich kunnen uitspreken of zij al of niet bereid zijn vrijwillig de
nieuwe organisatie te aanvaarden.

Wat er met de Maatschappij gebeuren zal, is nog niet bekend. Het
nieuwe lichaam, dat er komt, bemoeit zich alleen met maatschappelijke
zaken, niet met wetenschappelijke.

Het grootste bezwaar is gelegen in het leidersbeginsel, dat voor de over-
grote meerderheid onzer leden moeilijk of niet aanvaardbaar is. De leider
zal benoemd worden door de Regering, zodat de organisatie een semi-
officieel karakter krijgt en ook bij alle maatregelen, door de overheid op
ons gebied te nemen, gekend moet worden. Er zitten dus ook verschillen-
de goede dingen in de nieuwe organisatie. De Heer Anderson ver-
klaarde dat door de mededelingen van de voorzitter aan zijn verzoek was
voldaan.

In zijn openingsrede op 18 oktober, de dag van de wetenschajipelijke
vergadering, ging de voorzitter nog wat dieper op deze zaak in. Daarbij
waien o.a. als gasten aanwezig Dr. W. Pschorr, Oberregierungsrat en
Dr. Demrnel, Regierungs-Veterinarrat. Hij zei o.m. dat onze Maatschappij
politiek nimmer een rol had gespeeld en dat dus een verzoek om aan-

-ocr page 957-

sluiting bij of medewerking aan het Agrarisch Front, zowel als het
Medisch Front, was geweigerd, omdat beide fronten mantelorganisaties
waren van een bepaalde politieke partij.

Ook richtte de voorzitter zich op flinke en waardige wijze in het Duits
tot de beide aanwezige Duitse autoriteiten.\')

Prof. Berger deed enkele mededelingen, o.a. dat door de wijziging
\\ an de Uitoefeningswet, de naam „dierenarts" thans officieel is geworden.
Verder is het ontwerp Serum- en Entstoffenwet zo goed als compleet en
komt er een ontwerp op de gezondheidsdiensten, met de bedoeling deze
te koppelen aan de t.b.c.-bestrijding. Verder komt er een wetsontwerp,
waarbij de runderhorzelbestrijding verplicht zal worden gesteld.
Verder waren er voordrachten van Prof. Van der Kaay, van
1) r. Stuurman, Prof. B e ij e r s, terwijl Kroes meldt, dat in de-
cember 1942, het 100 jaar geleden zal zijn, dat de eerste vereniging op
het gebied der veeartsenijkunde, namelijk het
Gronings Veeartsenijkundig
Genootschap
werd opgericht, dat als een voorloper van onze Maatschappij
is te beschouwen. Er zal door de afdeling Groningen-Drenthe een eeuw-
feest worden gevierd en als blijvende herinnering een afdelingsmuseum
worden gesticht. (Zie hierover verder een kort herdenkingsartikel van
Kroes in deel 69 van het Tijdschrift, Jaar 1942, blz. 607).
Ieder die het antwoord van de voorzitter heeft beluisterd op de vraag van
collega Anderson of er al iets bekend was over „de toekomst" van
onze Maatschappij (i.v.m. de bezetting), zal in gedachten even hebben
sUlgestaan bij een artikel van Prof. Krediet, gepubliceerd in het
Tijdschrift van 1940 en dat was getiteld: „Toekomst". Maar dan een
andere toekomst dan die collega Anderson zich dacht, toen hij
zijn vraag bij de rondvraag stelde. Het artikel „Toekomst" van Prof.
Krediet, gaf namelijk aanleiding tot het instellen van diverse com-
missies, die de verschillende aspecten van ons beroep en daarmee ver-
band houdende verhoudingen bestudeerden en hierover een rapport zou-
den uitbrengen. Enkele biervan waren reeds in concept gereed, andere
bijna, maar het eindrapport is door de oorlog niet vastgesteld. Wel zijn
van alle commissies de gegevens bij het secretariaat van de Maatschappij
terecht gekomen, waar zij ook thans nog berusten. Verdere uitvoering is
er na de oorlog niet aan gegeven.

Uit de afdelingsverslagen over 1940 valt op te maken dat, ondanks de
vaak zeer moeilijke verbindingsmogelijkheden, er veelvuldig werd ver-
gaderd, er geregeld lezingen en demonstraties werden gehouden, waarbij
o.m. Prof. Krediet over de toekomstige uitoefening der diergenees-
kunde
s])rak.

Het jaar 1942 van onze Maatschappij begint met een mededeling van het
Algemeen Bestuur in de eerste aflevering van bet tijdschrift, luidende
als volgt:

I) I.v.m. het belang van deze zaak uit historisch oogpunt, heb ik een en ander
iets uitvoeriger weergegeven, hoewel onvolledig. Op blz. 943 en 944 van het
Tijdschrift van 1941, deel 68, kunt U de woordelijke tekst lezen van hetgeen
de voorzitter in dit verband heeft gezegd, terwijl in het jaarverslag op blz. 493
van deel 69 (1942) en verder uitvoerig melding wordt gemaakt over lezingen
van J. J. Meier over het Agrarisch Front en van G. A. M. d e M o n y é over
het Medisch Front en het resultaat daarvan.

-ocr page 958-

„Bij schrijven van 28 november 1941 werd aan de leden medegedeeld,
dat bet Algemeen Bestuur het bericht had ontvangen, dat het niet meer
nodig was mede te werken aan de voorbereiding van de komende organi-
satie van de dierenartsen. Daarbij werd medegedeeld, dat aan het Alge-
meen Bestuur vóór definitieve vaststelling der verordening in/.age daar-
\\an zou worden verleend om het in de gelegerdieid te stellen eventuele
wenschen naar voren te brengen en dat het Algemeen Bestuiu\' voor de
benoeming van den eersten president een voordracht zou kunnen op-
maken."

„Op de vergadering van het Algemeen Bestuur van 18 december 1941,
tot welke vergadering ook uitgenodigd waren de voorzitters van de af-
delingen, de voorzitter van den Centralen Raad en de voorzitter van de
redactie van het Tijdschrift, is door het Algemeen Bestuur besloten te
berichten, dat het Algemeen Bestuur van verdere samenwerking afziet".

Namens het Algemeen Bestuur,

A. van Heusden, secretaris.\')
Onmiddellijk onder bovenstaande mededeling van het Algemeen Bestuur
stond een tweede mededeling van de secretaris, luidende als volgt:
„Van den voorzitter der Maatschappij, Prof. Dr. H. Schornagel is d.d.
20 december 1941 het bericht binnengekomen, dat hij met ingang van
dien datum als voorzitter is afgetreden. Het Algemeen Bestuur betreurt
het ten zeerste, dat Prof. Schornagel heeft gemeend dat besluit te moeten
nemen; het hoopt echter, dat het gelukken zal. Prof. Schornagel op zijn
besluit te doen terugkomen. Prof. Schornagel is zoo innig verbonden
aan de Maatschappij dat een Maatschappij zonder hem niet denkbaar is".

De Secretaris, A. van Heusden.
In juni 1942 werd, ondanks de moeilijke tijdsomstandigheden, een Veeteri-
naire Week gehouden.

Op 23 juli 1942 heeft Venema zijn functie van ondervooizitter neer-
gelegd en m.i.v. 1 oktober 1942 trad wegens gezondheidsredenen Van
Heusden af als secretaris. Het secretariaat zou \\oorloi)ig worden
waargenomen door Van Santen, bet penningmeesterschap door de
heer O d é en het voorzitterscha[) van dc Maatschappij door Prof. v. d.
Plank.

De 91ste Algemene Vergadering van de Maatschappij, die op 18 en 19
december 1942 zou worden gehouden en waarvan het progiamma leecls
was vastgesteld en gepubliceerd, moest op het allerlaatste ogenblik wor-
den afgelast, omdat de Maatschappij niet kon ingaan o]) een voorwaarde
van de bezettingsautoriteiten, zonder welker vervulling geen toestemming
tot deze vergadering zou worden verleend. Door bonderden telegrammen
en telefoontjes aan alle leden en het verrichten van nachtwerk, gelukte
het om op het nippertje te voorkomen dat de leden een vergeefse reis
naar Utrecht zouden hebben gemaakt.

Uit de afdelingen worden uit het jaar 1941 lezingen en vergaderingen
gemeld, o.m. van Prof. Krediet over de toekomstige uitoefening
der diergeneeskunde en voorts worden de cursussen voor postuniversitair
onderwijs druk bezocht.

De afd. Militaire Paardenartsen werd op grond van de Verordening \\an
de Rijkscommissaris ontbonden.

I) De schrijver heeft deze emotionele vergadering bijgewoond en er was geen
ander besluit mogelijk.

-ocr page 959-

Van de jaren 1943, 1944 en 1945 zijn geen werkzaamheden van onze
Maatschappij gemeld. Zij mocht namelijk slechts als wetenschappelijke
vereniging blijven voortbestaan.

De tijdschriften van deze jaren zijn gezamenlijk ingebonden tot totaal
371 pag., terwijl normaal het tijdschrift ongeveer 1000 pag. per jaar
omvat.

Van de Maatschappij komt er alleen nog een bericht in voor dat de
redactie, gemachtigd door het Algemeen Bestuur in zijn vergadering van
18 december 1942, Grashuis heeft benoemd in de redactie van het
tijdschrift. De laatste mededeling van een afdelingsvergadering is van
de afdeling Noord-Brabant, die op 10 oktober 1942 heeft vergaderd, o.m,
ter huldiging van de scheidende Inspecteur, de Heer K i r c h.
Tot en met 1945 heerst er dan een stilte op maatschappelijk gebied en
gedeeltelijk ook op wetenschappelijk gebied. Alleen in de aflevering van
1945 komen weer enkele korte mededelingen van enkele afdelingen voor,
alsmede een bericht dat het Hoofdbestuur een zuiveringsraad heeft be-
noemd, bestaande uit 3 vaste leden en 16 plaatselijke deskundigen. Deze
raad maakte bekend dat tot 10 januari 1946 gelegenheid bestond om
klachten in te dienen over collegae die zich gedurende de bezettingstijd
onwaardig hadden gedragen. Voorzitter van de vaste kern der Raad
was 1) r. Staal, secretaris A, van Keulen en lid S. K i n g m a.
Verder komt in de aflevering van 1945 weer een agenda voor van een
Algemene Vergadering der Maatschappij, die op 30 november en 1
december te Utrecht is gehouden.

Dit was de 91ste Algemene Vergadering, geleid door Prof. van der
Plank, waarin verschillende benoemingen plaatsvonden. Pro f. Kre-
diet een verslag gaf over de steungeldactie, waarvoor in totaal ongeveer
ƒ 2,400,- werd ontvangen en de voorzitter een grote herdenkingsrede
iiield over de gang van zaken van 1942 tot 1945 en vele overleden
collegae met grote piëteit staande werden herdacht. Deze historische lede
vindt U vanaf blz. 874, deel 71, jaar 1946.

Op 13 en 14 december 1946 vindt de 92ste Algemene Vergadering van dc
Maatschappij te Utrecht plaats,

D r. W. A, de Haan was m,i,v. 1 november 1946 benoemd tot
ambtelijk secretaris van de Maatschappij en wordt door de voorzitter.
Prof. van der Plank, welkom geheten. Wegens het gelijktijdig uit-
oefenen van praktijk buiten Utrecht kon deze functie aanvankelijk half-
ambtelijk worden lutgeoefend en werd met uiterst eenvoudige middelen
begonnen met de opbouw \\an een archief (dat ojj 4 plaatsen verspreid
was) en het samenstellen van een ledenlijst.

De voorzitter deelt voorts mede, dat er een Tarievencommi.ssie door het
Algemeen Bestuur zal worden ingesteld.

Het rapport van de Commissie Hulpkrachten kan niet niet worden be-
handeld. Daarvoor zal een buitengewone algemene vergadering worden
gehouden (op 3 juli 1947).

De afdeling Overijssel klaagt erover, dat de leden onvoldoende op de
hoogte zijn van het beleid van het Hoofdbestuur over het afgelopen
jaar. Door het vol-ambtelijk secretariaat zal veel ten goede veranderen.
Een uitvoerige discussie ontstaat over de kosten van een vol-ambtelijk
secretaris. Men vreest dat die hoog zullen zijn en de contributie een

-ocr page 960-

gevaar zal vormen voor opzegging van het lidmaatschap. Prof.
Krediet wil de contributie van practici en ambtenaren sterk ver-
schillend maken.

Er ontwikkelt zich een discussie over het couperen van staarten van
paarden.

Enkele ambtenaren-leden, die ambtelijk al gezuiverd zijn, weigeren nog-
maals voor de zuiveringsraad van de Maatschappij te verschijnen. Dit
wordt algemeen onjuist geacht. Wel zal de datum van schrapping als lid
bij het niet verschijnen worden verlengd. De voorzitter deelt mede, dat
van V e g t e r een rapport is verschenen over het beleid van het Hoofd-
bestuur in de periode van de onderhandelingen met de Heer Pschorr in
1941. Een kleine commissie zal het bestuderen en trachten tot een con-
clusie te komen, welke conclusie in verband met de historische waarde
in het archief wordt opgeborgen.

De wetenschappelijke vergadering vond plaats op 14 december 1946 met
een rede van de voorzitter en voordrachten. Het Hoofdbestuur deelt mede,
dat besloten is om op het terrein van de Veeartsenijkundige Faculteit een
eenvoudig gedenkteken te plaatsen.

Prof. Dr. Seekles spreekt, in zijn functie van voorzitter van de
Veeartsenijkundige Faculteit der Rijksuniversiteit te Utrecht, een rede uit
ter herdenking van het 125-jarig bestaan van bet veeartsenijkundig on-
derwijs in Nederland \').

Op 3 juli 1947 zal de reeds aangekondigde buitengewone Algemene Ver-
gadering van de Maatschappij worden gehouden, waarop het rapport der
commissie hidpkrachten zal worden besproken. Dit rapport werd aan
de leden toegezonden ter behandeling in de afdelingsvergaderingen, daar-
na zou het rapport op deze buitengewone vergadering van de Maatschappij
worden behandeld.

Nergens, noch in de jaargang 1947, noch in 1948 is ook maar iets te
vinden over deze buitengewone Algemene Vergadering.

Daar in 1946 de 92ste Algemene Vergadering werd gehouden, is hieruit
misschien te concluderen, dat de buitengewone Algemene Vergadering,
die op 3 juli 1947 zou worden gehouden en waarin het rapport van de
commissie voor hidpkrachten zou worden vastgesteld, niet is doorgegaan.

Op 14 en 15 november 1947 wordt in Utrecht de 93ste Algemene J\'er-
gadering
der Maatschappij gehouden ^).

De voorzitter. Prof. van der Plank, weer terug uit Amerika, o]3ent
de vergadering en deelt mede, dat De Haan sinds 1 september j.1.
de werkzaamheden, verbonden aan het volambtelijk secretariaat, in volle
omvang op zich heeft genomen, mede door vestiging van het secretariaat
in het door de Maatschappij aangekochte pand Lessinglaan 104 in sep-
tember 1947 en de aantrekking van een administrateur, die later in volle
dienst kwam.

I) Van de afdelingen zijn nog geen jaarverslagen binnengekomen, althans niet
gepubliceerd. Trouwens, de volgorde en rangschikking van de programma\'s voor
de algemene vergadering en de verslagen zijn nog wat verward geplaatst. Men
heeft moeite om ze te vinden. Ook de mededelingen zijn in 1946 nog schaars.
Een programma voor deze 93ste Algemene Vergadering heb ik in het Tijd-
schrift niet kunnen vinden.

-ocr page 961-

De zuiveringsraad heeft zijn moeilijke en delicate taak beëindigd en
wordt hartelijk bedankt.

Veel zorgen aan het Hoofdbestuur gaf het aanstellen van vol-ambtelijke
dierenartsen aan zuivelfabrieken. Een geregeld contact met de Stichting
van de Landbouw is thans mogelijk, nu op aandrang van het Hoofd-
bestuur een contactcommissie is ingesteld, bestaande uit 3 vertegen-
woordigers van de Maatschappij en 3 van de Stichting van de Landbouw.
Door de preventieve diergeneeskunde gaat het contact tussen de dieren-
arts en de veehouder plaats maken voor het contact tussen de 2 organi-
saties. Ook de tarieven worden in deze commissie behandeld, nadat de
tarievencommissie van de Maatschappij, in overleg met de Directeur van
de Gezondheidsdiensten en met de afdelingen deze voorlopig beeft vast-
gesteld.

Verder heeft het Hoofdbestuur een ontwerp Tuchtwet samengesteld,
dat aan de leden zal worden voorgelegd, doch waaromtrent geen hoge
verwachtingen mogen worden gekoesterd.

Er is een commissie ingesteld tot wijziging van dc Statuten en bet
Huishoudelijk Reglement, waarvan de redactie door het Hoofdbestuur
is overgenomen en thans aan de leden wordt voorgelegd. Belangrijk is
het voorstel tot opheffing van het Algemeen Bestuur, omdat dit niet
werkelijk kan meebesturen. Wel zal door vele publikaties in het Tijd-
schrift, c.q. door een apart mededelingenblad het contact tussen Hoofd-
bestuur en leden beter worden. Met de kritiek van Kramer op de
inhoud van het Tijdschrift gaat hel Hoofdbestuur accoord; een bespre-
king met de redactie vond reeds plaats.
De K.L is algemeen in hariden der dierenartsen.

Het Hoofdbestuur wordt vrij geregeld betrokken bij het herzien van
salarissen van ambtenaren van Vleeskeiuingsdiensten en neenU soms aan
het gemeenschappelijk o\\eileg deel. De voorzitter memoreert de oprich-
ting van de
Vereniging van Hoofden van Vleeskeuringsdiensten, hetgeen
begrijpelijk is, omdat onze Maatschap])ij zich steeds meer als een vak-
vereniging gaat ontwikkelen.

De Heer Kramer wordt met overweldigende meerderheid gekozen
tot voorzitter van de Maatschappij. Prof. v. d. Plank treedt n.l.
af en Hendrikse dankt de aftredende voorzitter; Vegter wordt
benoemd tot ondervoorzitter.

Na uitvoerige discussies trekt het Hoofdbestuur het voorstel tot Statuten-
wijziging in. Zonder hoofdelijke stemming krijgt bet Hoofclbestimr mach-
tiging om de Tuchtwet in tc dienen. Het voorstel tot een bindend-Besluit
betreffende praktijkwaarneming en assistentie krijgt veel kritiek en wordt
door het Hoofdbestuur ingetrokken.\')

Voorts kan worden vermeld, dat de afdeling Ztnd-Holland ojj 3 oktober
1947 haar 100-jarig bestaan herdacht met als hoogtepunt een ontvangst
op het stadhuis te Rotterdam en een diner met dames. Op 30 maart 1847
ontwierp n.l. dc Maatschappij der Veeartsenijkunde in Zuid-Holland in
haar vergadering te Rotterdam een reglement ter oprichting van een
Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde in Nederland.

\') De eerste keer dat de notulen van de Algemene Vergadering door de vol-
ambtelijk secretaris zijn gemaakt, munten zij uit door grote nauwkeurigheid en
uitgebreidheid. Zij zijn een getrouw verslag van het behandelde in de algemene
vergadering.

-ocr page 962-

Voor het op te richten gedenkteken op het terrein van de Facuheit is
al meer dan ƒ 1200,— bijeengebracht en voor de inrichting van de
Senaatskamer al meer dan ƒ 1.000,—.

Er is een oproep geplaatst voor oprichting van een Groep Geneeskimde
van de Kleine Huisdieren en de Groep Pluimveewetenschappen hield
een vergadering.

In 1947 heeft de Centrale Raad wederom een 4-tal zaken behandeld,
de uitvoering van de zuiveringsprocedure besproken en richtlijnen vast-
gesteld voor praktijkoverneming.

Over 1947 hebben de afdelingen Zuid-Holland en Noord-Holland weer
een jaarverslag ingezonden, waarover weinig bijzonderheden zijn te mel-
den. Ook de afdeling Groningen-Drenthe zond een optimistisch jaar-
verslag over 1947 in.

In verband met de te verwachten grote uitbreiding van het aantal dieren-
artsen in de naaste toekomst, achtte het Hoofdbestuur het wenselijk om
enkele regelen vast te stellen voor het verwerven van praktijk.

De 94ste Algemene Vergadering van de Maatschappij wordt gehouden
op 22 en 23 oktober 1948.

Het momunent voor de gevallenen zal worden onthuld op zaterdag 23
oktober in een plechtige bijeenkomst op het terrein van de Faculteit dei
Veeartsenijkunde. Familieleden van omgekomen dierenartsen en studen-
ten zullen hierbij worden uitgenodigd.

De voorzitter, D r. Kramer, opent op 22 oktober 1948 de algemene
huishoudelijke vergadering, waarna verschillende verkiezingen jjlaats-
vinden.

Na discussie worden verschillende wijzigingen aangebracht in het concept
van de Statuten en het Huishoudelijk Reglement, waarna alle artikelen
worden aangenomen. Het Hoofdbestuur krijgt hierdoor een veel grotere
bevoegdheid en kan in gevallen waarin daaraan behoefte bestond, en in
enkele bepaald voorgeschreven gevallen, de beslissing overdragen aan het
Algemeen Bestuur, beslaande uit hel Hoofdbestuur en de afgevaardigden
van de afdelingen en de groepen.

Er ontspint zich een discussie over het tarief voor pullorum-onderzoek
en de pokken en difterie-enting en er worden inlichtingen gevraagd over
het z.g. „mond- en klauwzeerfonds", d.w.z. een fonds, dat door de Maat-
schappij is gevormd om collegae met een zeer laag stalgemiddelde, die
zich aan de tarieven hebben gehouden, enigszins schadeloos te stellen.
Het Bindend Besluit Ziekenfondsen wordt aangenomen.

De vergadering op 23 oktober 1948 begint met een rede van de voor-
zitter, gevolgd door een voordracht van D i. Grashuis en van Prof.
Krediet over „Dierenarts worden".

Na de ochtendvergadering had om 13.45 uur de onthulling plaats van
het monument voor gevallen collegae en studenten a.s. collegae.\')
Op 23 september 1949 is door de Minister van Landbouw, Visserij en
Voedselvoorziening ingesteld een sera- en entstoffencommissie, waarin
vertegenwoordigers van de Maatschappij, van de Stichting voor de Land-

\') Voor de hierbij gehouden redevoeringen zij verwezen naar blz. 54 van Deel 74
Jaar 1949.

-ocr page 963-

bouw en van het Veeteeltwezen. Voorzitter is Prof. D r. Jac.
Jansen.

Uit de inhoud van jaargan.g 1949 van het Tijdschrift valt voorts te ver-
melden dat door het Hoofdbestuur een commissie is ingesteld die de
opdracht heeft gekregen na te gaan welke positie de praktizerende
dierenarts inneemt ten opzichte van de Provinciale Gezondheidsdiensten
voor Dieren; in het bijzonder of deze verhouding ambtelijk, serni-ambtelijk
of zelfstandig moet zijn ten opzichte van deze Diensten. Verder zal zij
moeten nagaan hoe eventuele geschillen tussen de Provinciale Gezond-
heidsdienst voor Dieren en de dierenarts moeten worden behandeld. Ook
zal in studie genomen worden de mogelijkheid van een pensioenregeling
voor de praktizerende dierenartsen die werkzaamheden voor de Pro-
vinciale Gezondheidsdiensten verrichten, de Heer E. Rutgers is voor-
zitter van deze commissie.

Het Hoofdbestuur heeft een commissie ingesteld (voorzitter E. Rut-
gers) die een vestigingsregeling zal ontwerpen voor praktizerende die-
renartsen. Zulks in verband met het feit dat een groot aantal afgestu-
deerden zich in de toekomst zidlen willen vestigen.

Op de 95ste Algemene Vergadering, 28 en 29 oktober 1949 gehouden,
hebben na opening verschillende benoemingen plaats en worden alle
financiële stukken goedgekeurd.

Bij de rondvraag is alleen van belang dat de afdeling Friesland aan haar
leden een Bindend Besluit zal voorschrijven, waarbij het verboden wordt
oin penicilline aan anderen dan dierenartsen af te leveren.
Verder wordt aan de algemene secretaris hulde gebracht voor de wijze
waarop hij zijn taak verricht. Deze algemene vergadering was wel zeer kort.
Op 29 oktober vond de wetenschappelijke vergadering plaats, die begon
met een rede van de voorzitter, gevolgd door voordrachten.
Over het jaar 1950 valt voorts te vermelden dat de Maatschappij een
cursus dierenbescherming heeft georganiseerd, waarvan de voordrachten
in druk zullen verschijnen.

Het Hoofdbestuur vroeg de mening van de groep Directeuren van Vlee.s-
keuringsdiensten over de vraag of vleeskeuringsambtenaren medewer-
king moeten verlenen bij werkzaamheden die niet tot hun eigenlijke
taak behoren (extra keuring van vlees voor ziekenhuizen, medewerking
bij verzekering van slachtdieren en bij heffingen voor het P.\\\'.V. enz.)
Er is een z.g. Beroepscommissie ingesteld die bindende bevoegdheid heeft
inzake geschillen tussen dierenartsen of afdelingen van de MaatschajJinj
en de Provinciale Gezondheidsdiensten; voorzitter was de thans helaas
overleden P r o f. I r. W. d e J o n g tc Wageningen.

Door Nederland, België en Luxemburg (Benelux) zijn vertegenwoordi-
gers aangewezen in de Commissie Vleeshygiëne in het kader van de per-
manente volksgezondheidscornmissie Benelux; voorzitter van deze Com-
missie is de Heer Quaedvlieg, toenmalig Veterinair Hoofdinspecteur
van de Volksgezondheid in Nederland.

Het Hoofdbestuur verzocht aan de Slichting van de Landbouw om aan
de Centrale Melkmachinecommissie een dierenarts toe te voegen, omdat
het machinaal melken ook van de veterinaire kant moet worden bekeken;
tevens om ook aan het I5ouwbureau van de Slichting een dierenarl.~. le
verbinden in verband met bouw en inrichting van boerderijen.

-ocr page 964-

De Ereraad stelde verschillende regelen op, die nuttig zijn voor collegae
die een contract voor praktijkovemerning — c.q. praktijkovergave — moeten
afsluiten.

Er wordt een groep Kunstmatige Inseminatie gevormd, waarvan Van
D i e t e n voorzitter is; hiermede is het aantal groepen tot 4 gestegen.
Gedurende de a.s. algemene vergadering op 6 en 7 oktober 1950 zal een
expositie van instrumenten, farmaceutische produkten enz. worden ge-
houden.

Uit de afdelingsverslagen over 1949, 7 in getal, valt op te maken dat bet
vergaderingbezoek in het algemeen bevredigend was en dat aan het op-
maken van de verslagen veel zorg wordt besteed.

De 96sle Algemene Vergadering van de Maatschappij werd op 6 en 7
oktober 1950 te Utrecht gehouden.

Na de opening vinden verschillende benoemingen plaats en wordt het
rapport inzake vestigingsregelen voor praktizerende dierenartsen in be-
handeling genomen en zonder hoofdelijke stemming aangenomen, evenais
het rapport betreffende de positie van de praktizerende dierenartsen ten
opzichte van de Provinciale Gezondheidsdiensten.

Het voorstel van het Hoofdbestuur inzake de wijze van behandeling van
tarieven voor massawerkzaamheden (paritaire commissie) wordt aan-
genomen. De afdelingen Friesland, Zeeland en Limburg zijn tegen. Er
wordt nu een Paritaire Commissie gekozen (5 leden).
De voorzitter geeft een uitvoerige toelichting op het voorstel tot het ver-
krijgen van samenwerking tussen dierenartsen en pluimveeselecteurs op
het gebied van de pluimveeziektenbestrijding. De vergadering geeft bet
Hoofdbestuur volmacht voor het voeren van onderhandelingen met de
pluimvee-organisaties.

Met een discussie over de contributie voor ambtenaren worden alle
financiële stukken goedgekeurd.

De rondvraag leverde geen bijzonderheden op. De expositie van instru-
menten was zeer geslaagd.

Op de wetenschappelijke vergadering op 7 oktober vertoonde P r o f.
J
O n g b 1 O ed een film over het mechanische hart - long - systeem na
eerst een toelichting te hebben gegeven. Verder hielden Prof. 1) r.
Teunissen en F r e n s voordrachten, alsook dc Schotse collega
j a m i e s
O n.

Over het jaar 1951 valt voorts te vermelden dat het K.B. van 21 decem-
ber 1950 S. No. K 601 na een actie van S\'/a jaar de gelijkstelling van
de Veterinaire Inspecteurs van de Volksgezondheid met hun geneeskun-
dige collegae bracht.

Het Hoofdbestuur heeft overleg gepleegd met enkele grote vee-verzeke-
ringsmaatschappijen en beeft nieuwe formulieren ingevoerd, terwijl ook
de tarieven voor het invullen ervan zijn vastgesteld.

Het Hoofdbestuur maakt de leden erop attent, dat zij bij ontvangst van
geneesmiddelen zich ervan moeten overtuigen of de bestelling juist is
uitgevoerd. Bij vergissingen is de dierenarts aansprakelijk voor de ver-
oorzaakte schade.

Het Hoofdbestuur maakt bekend, dat een regeling is getroffen met de
georganiseerde pluimveehouderij over bet enten tegen pokken en difterie
(bladzijde 497 deel 76).

-ocr page 965-

Het Hoofdbestuur benoemde een kleine commissie om een onderlinge
pensioenregeling voor praktizerende dierenartsen te bestuderen. 1) r. .S.
S t u r k o p zal o.a. na afloop van de Huishoudelijke Vergadering op
5 oktober 1951 een inleiding houden over: „Een ouderdomsuitkerings-
fonds voor praktizerende dierenartsen". Ook thans wordt weer cen u;t
voerige regeling voor assistentie gepubliceerd.

Na de benoeming van de Centrale Vestigingscommissie, hebben alle
afdelingen thans Provinciale commissies benoemd.
In 1951 werd een Veterinaire Week georganiseerd.

De afdelingsverslagen over 1950 vermelden een groeiend contact met
de Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren, vanzelfsprekend worden
in verschillende afdelingen de maatschappelijke aspecten van het beroep
besproken, nu de Maatschappij steeds meer een vakvereniging wordt.
De afdeling Gelderland bestond op -5 april 1949 80 jaar, helaas werd
vergeten hier een borrel op te drinken.

Op 5 en 6 oktober 1951 werd de 97sle Algemene Vergadering gehouden.
De voorzitter, K r a rn c r, opent op 5 oktober de Htushoudelijkc
Vergadering. Enkele mededelingen worden gedaan en enkele verkiejin-
gen vinden plaats, waarna alle financiële stukken zonder hoofdelijke
stemming worden goedgekeurd.

Naar aanleiding van de rondvraag deelt de voorzitter mede, dat het
Hoofdbestuur reeds geruime tijd geleden bij de commissie Ubbink beeft
gepleit voor herziening van de salarissen van de Rijkskeurmeesters, waar-
mede de gemeentelijke vleeskeuringsambtenaren worden vergeleken. Het
Hoofdbestuur heeft met de commissie Ubbink besprekingen gevoerd en
met de toezeggingen was het tevreden.

Op een desbetreffende vraag antwoordt de voorzitter, dat de Tuchtwet
is ingediend, maar daarvan werd verder nog niets vernomen.
Er ontstaat een discussie over de verhouding tussen de Provinciale Ge-
zondheids Dienst en de praktizerende dierenartsen.

Er wordt opgemerkt dat de gechuende de Veterinaire Week behandelde
onderwerjjen niet aanpassen aan de praktijk.

De voorzitter deelt mede, dat een voorstel tot herziening van de tarieven
voor dc t.b.c.-bestrijding aanhangig is gemaakt; dit is nog in behandeling.
De wetenscbappelijke vergadering wordt op 6 oktober 1951 geopend tnet
een rede van de voorzitter, waarna voordrachten worden gehouden.
Het secretariaat deelt over 1952 o.m. nog mede dat het Hoofdbestiuir
P r
O f. t e n T h ij e tot voorzitter van dc Redactie heeft benoemd en
Talsma als lid.

Voorts wordt het volledige ])rogratmna van het 15e Internationaal Dier-
geneeskundig Congres te Stockholm (augustus 1953) bekend gemaakt en
wordt medegedeeld dat het rapport van de commissie Ubbink over de
bezoldiging van Hoofden van Vleeskeuringsdiensten en andere gemeente-
lijke Keuringsambtenaren door de Minister is goedgekeurd. De tekst van
het rapport vindt men op bladzijde 266, deel 77, jaar 1952.
De a.s. Algemene Vergadering zal worden gehouden op 24 en 25 oktober
1952, zulks op verzoek van de Diergeneeskundige Studentenkring, die
alsdan haar 4e Lustrum viert.

Door de Stichting van de Landbouw en de Maatschappij voor Dier-
geneeskunde is een Paritaire Commissie ingesteld voor de tarievenvast-

-ocr page 966-

stelling voor de georganiseerde dierziektenbestrijding. De werkwijze van
de commissie is aan de afdelingen per circulaire uiteengezet. De Maat-
schappij had al 5 leden benoemd en thans is dit ook geschied door de
Stichting van de Landbouw.

De Maatschappij zal in samenwerking met de groep Directeuren van Vlees-
keuringsdiensten een gids samenstellen ten dienste van vleeskeurings-
ambtenaren.

Besluit no. 1 van de Paritaire Commissie over de tarieven voor de t.b.c.
bestrijding is gepubliceerd. Van elk rund zal door de P.G.D. ƒ 0,01 worden
ingehouden, welk bedrag de Maatschappij zal bestemmen voor de sociale
voorziening van de nagelaten betrekkingen van dierenartsen.
Uit het afdelingsverslag van de afd. Noord-Holland over 1951 komt de
mening naar voren dat het wetenschappelijk gedeelte van de taak van de
afdeling door de bemoeienissen op maatschappelijk gebied in het gedrang
dreigt te komen.

De verslagen van de Groepen K.L en Directeuren van Vleeskeurings-
diensten maken melding van een intensief groepsleven.

Op de 98ste Algemene Vergadering, welke op 24 en 25 oktober 1952
werd gehouden, werd de aftredende voorzitter D r. Y. M. Kramer op-
gevolgd door D. Hendrikse. Nadat verschillende verkiezingen waren
verricht en andere huishoudelijke aangelegenheden waren afgehandeld,
werd het voorstel om bij de georganiseerde t.b.c.-bestrijding ƒ 0,01 jier rund
te bestemmen voor sociale voorzieningen aangenomen.
Bij de rondvraag wordt geklaagd over de voorlichtingsdienst van het
Ministerie van Landbouw, welke vaak misleidend is en waarvan de prac-
tici veel last ondervinden.

Op 25 oktober opende de voorzitter met de gebruikelijke rede de weten-
schappelijke vergadering. Hierna heeft de ondervoorzitter, de heer V e g-
t e r, de aftredende voorzitter D r. Kramer namens alle leden van de
Maatschappij zijn grote erkentelijkheid betui.gd voor alles wat hij op
zeer bijzondere wijze voor de Maatschappij heeft gedaan; hierna volgen
voordrachten.

Over het jaar 1953 deelt het secretariaat o.m. nog mede dat er cursus-
da,gen voor de K.I. werden gehouden, waarvoor een kleine werkcommissie
door de Maatschappij en de groep K.I. is benoemd.
De Maatschappij heeft bereikt, dat de Minister van Financiën rnet in-
gang van 1 januari 1953 ontheffing heeft verleend van de betaling van
omzetbelasting op de inkomsten van de mond- en klauwzeerenting, mits
de vergoedingen worden voldaan door de Provinciale Gezondheids Diensten.
Ter gelegenheid van de a.s. Algemene Vergadering der Maatschappij zal
wederom een réunie worden gehouden, alsook een expositie van instru-
menten enz.

Van de afdelingen heeft de afd. Gelderland op 7 juni 1952 haar honderd-
jarig bestaan op luisterrijke wijze gevierd, terwijl de afd. Noord-Holland
grote activiteit meldt.

De Ereraad heeft in 1952 vaak zitting gehouden.

De 99ste Algemene Vergadering der Maatschappij werd .gehouden op
23 en 24 oktober 1953.

-ocr page 967-

Na opening door de voorzitter, de heer ü. Hendrikse, van de huis-
ihoudelijke vergadering op 23 oktober, waarbij hij alle aanwezigen, ook
de D.S.K.-leden verwelkomt, vinden verschillende verkiezingen plaats en
wordt, na goedkeuring financiële stukken, aan het Bestuur van de groepen
een Hoofdbestuurslid als adviseur toegevoegd.

Het Bindend Besluit betreffende praktijkwaarneming en assistentie wordt
niet opnieuw vastgesteld en bet Bindend Besluit Sera en Entstoffen wordt
na enkele wijzigingen aangenomen.

Er ontwikkelt zicb een uitvoerige discussie over de bestrijding van mond-
en klauwzeer in Nederland en voorts wordt besloten dat de Maatschappij
zich met ingang van 1 januari 1954 zal aansluiten bij de Centrale van
Hogere Gemeente-Ambtenaren.

Op 24 oktober opent de voorzitter de wetenschappelijke vergadering met
een rede, waarin hij de grote watersnoodramp memoreert en bekend
maakt, dat op 13 oktober de uitkeringen uit het Hulpverleningsfonds
der Maatschappij aan een gelukkig klein aantal getroffen leden werden
vastgesteld door 3 commissies in Zuid-Holland, Noord-Brabant en Zee-
land.

Hierna volgen de voordrachten.

Uit de secretarismededelingen over 1954 blijkt o.m. dat de Paritaire
Tarievencommissic geregeld tarievenbesluiten \\ aststelt en dat in juni 1954
wederom een Veterinaire Week zou worden gehouden, die echter werd
afgelast.

De algemene richtlijnen inzake vestigingsregeling werden door het Hoofd-
bestuur bekend gemaakt en de verhouding tussen de praktizerende die-
renartsen en de Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren werd vast-
gelegd in een reglement (zie blz. 230 en 398 van deel 79, jaar 1954).
Voor het opgerichte Diergeneeskimdig Museum kwamen al verschillende
geschenken binnen en de Maatschappij werd lid van de op 26 juni 1954
opgerichte F.O.I.B., de Federatie van Organisaties van Intellectuele Be-
roepen.

De 100ste Algemene Vergadering van de Maatschajjpij is gehouden op
5 en 6 november 1954.

Aan de huishoudelijke vergadering ging het onthullen van een plaquette
van Prof. Krediet en de opening van het Diergeneeskundig Museum
vooraf.

\'s Middags opent de voorzitter, Hendrikse, de huishoudelijke ver-
gadering, waarna verschillende verkiezingen plaatsvinden en de finan-
ciële stukken worden goedgekeurd.

Over de afschaffing van de oormerken ontwikkelt zich een uitvoerige
discussie, waaruit blijkt, dat men algemeen tegen afschaffing is. De in-
houding van 1 cent per rund bij de georganiseerde dierziektenbestrijding
wordt met een jaar gecontinueerd.

De wetenschappelijke vergadering op 6 november wordt geopend met een
rede van de voorzitter, maar een grote verrassing daarbij was, dat direct
daarna de Chef van het Kabinet van de Burgemeester van Utrecht het
woord kreeg en mededeelde dat collega Kranenburg was benoemd
tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Hierna volgden de voor-
drachten en de feestelijke herdenking ter gelegenheid van deze 100ste
vergadering.

-ocr page 968-

Dc jaarverslagen van afdelingen en groepen over 1953 doen melding
van resp. een lauwe opkomst ter vergadering en een groeiende activiteit
in de groepen Directeuren van Vleeskeuringsdiensten en Geneeskunde
van het Kleine Huisdier.

Zoals de secretariaatsmededelingen over 1955 o.m. vermelden, zullen in
1955 cursussen pluimveeziekten worden gehouden en zijn door een door
het Algemeen Bestuur benoemde commissie 2 in aanbouw zijnde panden
uitgezocht en aangekocht, welke geschikt werden bevonden ter vestiging
van het bureau-woonhuis van de secretaris.

Door de gestage uitbreiding der werkzaamheden van het secretariaat, werd
de accommodatie aan de Lessinglaan te klein en konden gelukkig in no-
vember 1955 de panden aan de Rubenslaan 123/125 — duidelijk te her-
kennen aan een fraai gevelmozaiek van Absyrtus — na enige verbouwing
worden betrokken.

De 101ste Algemene Vergadering der Maatschappij op 21 en 22 oktober
1955.

De huishoudelijke vergadering wordt door de voorzitter geopend, waarna
de mededeling volgt, dat de assistentie tijdens de tuberculosebestrijdings-
campagne vorig jaar niet bevredigend is verlopen. Het Hoofdbestuur zal
daartegen maatregelen nemen.

Het ondertekenen van een onderzoekstaat als de dieren niet door de
dierenarts zelf zijn onderzocht, is valsheid in geschrifte en het Hoofd-
bestuur heeft zich verschillende zeer onaangename reacties ten zeerste
aangetrokken.

Er ontspinnen zich discussies over tarieven en bet reserveren van het
bemiddelingsgeld voor waarneming.

Hendrikse wordt zonder hoofdelijke stemming tot voorzitter her-
kozen; de zuiveringsraad wordt opgeheven.

Bij de rondvraag komt naar voren, dat er grote ongerustheid heerst over
de bestrijding van ])luimveeziekten. Er zijn selecteurs die wel en die niet
contact hebben met de dierenartsen. Iedere veevoederfabriek en coöpe-
ratie heeft een eigen „kippendokter". Een regeling is moeilijk, maar het
Hoofdbestuur zal er aandacht aan schenken.

De met een jaarrede door de Voorzitter geopende weten.schappelijke ver-
gadering wordt gehouden op 22 oktober 1955.

In 1956 publiceert hel secretariaat een modelverklaring voor koopvernie-
tigende gebreken en maakt de Paritaire Tarievencommissie besluiten be-
kend.

De Hoge Raad maakt na 1 januari 1957 een eind aan het fiscale voordeel
van praktijk-overdracht en associatie tegen recht op lijfrente of winst-
deling.

102e Algemene Vergadering der Maatschappij op 19 en 20 oktober 1956.
De voorzitter, Hendrikse, opent op 19 oktober de huishoudelijke
vergadering.

De afdeling Utrecht had aan het Hoofdbestuur verzocht de kwakzalverij
in bespreking te brengen en de commissie voor de kwakzalverij lot meer
activiteit aan te sporen. De voorzitter zegt, dat ook de dierenartsen schuld
hebben aan hel toenemen van de kwakzalverij. Er zijn echter veel mis-
verstanden. Wel moeten de dierenartsen meer belang stellen in de be-
strijding van pluimveeziekten.

-ocr page 969-

Dc Wel op de Uiloefening van de Diergeneeskunsl Ireedl 1 december
1956 in werking en dat brengt belangrijke consequenties met zich mee.
Het rapport van de abortus-studiecommissie is nog niet gereed.
Thans wordt wederom na vele discussies het voorstel van het Hoofd-
bestuur om 75% van de Reserve Belasting Waarnemingsbemiddeling in
het Ondersteuningsfonds te storten, welk voorstel door het Hoofdbestuur
op de vorige algemene vergadering is teruggenomen, met grote meerder-
heid aangenomen.

Bij de rondvraag wordt gezegd, dat de jonge dierenartsen behoefte hebben
aan een code. Waarom wordt deze niet toegezonden? De voorzitter zegt,
dat de voorraad is uitgeput. Een nieuwe code is in de maak.
De wetenschappelijke vergadering op 20 oktober begint met een rede van
de voorzitter, gevolgd door voordrachten die handelen over ziekten en
sloornissen in verband met stofwisseling en voeding.

De secretariaalsrnededelingen over 1957 behelz.en o.m. een bericht over
verhoogde honoraria voor scribenten, waardoor hel gratis verstrekken van
50 overdrukken van hun artikel in het Tijdschrift echter komt te verval-
len, benevens een bericht van een door het Hoofdbestuur ingestelde com-
missie ter bestudering van de brucellose, waaraan een uitvoerige publikatie
over brucellose is toegevoegd (deel 82, pag. 153, 1957). Er werd in 1957
weer een Veterinaire Week gehouden.

Een commissie, die de belangen van de leden-ambtenaren zal behartigen,
werd benoemd.

De l()3e Algemene Vergadering werd op 25 oktober 1957 gehouden cn
hieraan waren, in verband met de viering van het 25-jarig bestaan van
de Diergeneeskundige Studenten Kring, enige feestelijkheden verbonden.
Nadat de verkiezingen hadden plaatsgehad en de financiële stukken
waren goedgekeurd, wordt bij de rondvraag het rapport van de P.B.O.-
conmiissie ter sprake gebracht en wordt er gediscussieerd over de belangen
der leden-ambtenaren.

Op 26 oktober opent de voorzitter met een rede de wetenschappelijke
vergadering, waarop Van den Born, Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst, een inleiding houdt over de Wel op de uiloefening van
de Diergeneeskunsl, die op 1 december 1956 in werking is gelreden.
Verder worden verschillende voordrachten gehouden in de vorm van
een symposion over antibiotica in veevoeder, waarna een geanimeerde
discussie volgde.

De gepubliceerde jaarverslagen over 1956 beperken zich tol die van de
Ereraad en de Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten.
De bureaumededelingen van het secretariaat over 1958 vermelden o.m.
de huldiging van Prof. Sjollema ter gelegenheid van zijn 90ste ver-
jaardag. In hetzelfde jaar treft men een mededeling van de Redactie van
hel Tijdschrift dat Harmsen werd aangesteld lot redacteur.
Wegens het grote succes van de cursus pluimveeziekten in 1956 ,zal
wederom zulk een cursus worden georganiseerd.

Er werd een landelijke selecteursdag georganiseerd door de Landelijke
Organisatie van Pluimveeselecteurs, de Rijksvoorlichtingsdienst en de
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Er werden geregeld aanwinsten gemeld voor de Diergeneeskundige af-
deling van het Universiteitsmuseum.

-ocr page 970-

Üe 104e Algemene Vergadering der Maatschappij vond plaats op 24 en
25 oktober 1958.

Na de opening van de huishoudelijke vergadering op 24 oktober, wijdt
de voorzitter, Hendrikse, enige woorden aan zijn benoeming tot
Officier in de Orde van Oranje Nassau ter gelegenheid van de verjaardag
van H.M. de Koningin. Hij ziet hierin een onderscheiding als voorzitter
van de Maatschappij voor Diergeneeskunde, waarbij alle leden, practici
zowel als ambtenaren zijn betrokken, maar vooral de practici wegens htm
aandeel in het prachtige succes van de t.b.c.-bestrijding.
Wegens het aftreden van Hendrikse als voorzitter, vindt een verkiezing
plaats, waarbij M. K a r s e m e ij e r tot voorzitter wordt gekozen. De
heer Hendrikse spreekt hem toe en de nieuwe voorzitter antwoordt
hierop. Daarna vinden nog enkele andere verkiezingen plaats.
Bij de rondvraag was men benieuwd of de P.B.O.-commissie in alle stilte
was overleden. Het bleek, dat dit geenszins het geval was, doch dat deze
commissie alleen vergaderde als het nodig was.

De wetenschappelijke vergadering op 25 oktober begint met de gebruike-
lijke rede van de nieuwe voorzitter, de heer K a r s e m e ij e r. Hierna vol-
gen enkele voordrachten, tezamen vormende een symposion met discussie
over „Dierenarts, Klimaat, Gezondheid" en een voordracht over „De
leefbaarheid op het platteland".

De mededelin.gen van het secretariaat in 1959 vermelden dat er nog vele
dierenartsen zijn, die het Koninklijk Besluit voor de pokken- en difterie-
enting niet juist uitvoeren; daarom zijn de bepalingen nog eens .gepubli-
ceerd.

Voorts worden vele mededelingen omtrent het Internationale Veeartsenij-
kundig Con.gres te Madrid, dat in 1960 gehouden zal worden, gedaan.
Het Hoofdbestuur heeft een commissie ingesteld met opdracht na te
gaan, hoe in het al.gemeen de rechtspositie is geregeld van dierenartsen
in loondienstverband en eventueel een leidraad op te stellen. Dit geldt
voor alle dierenartsen, verbonden aan de Provinciale Gezondheids Dien-
sten, Melkcontrólestations, K.I.-verenigingen, veevoederfabrieken enz.
Hiervoor zal een enquête worden ingesteld.

De naam „Rijksseruminrichting te Rotterdam" is veranderd in „Cen-
traal Dieigeneeskundig Instituut Afdeling Rotterdam"; de naam ,,Staats-
veeartsenijkundig Onderzoekingsinstituut te Amsterdam" is veranderd in
„Centraal Diergeneeskundig Institiuit, afdeling Amsterdam".
Er is opgericht een World Veterinary Association, waarvan het secreta-
riaat in Utrecht is gevestigd; Prof. Jansen is hiervan secretaris-
penningmeester.

Het Hoofdbestuur zal nog een cursus varkensziekten organiseren.
Wederom beperken zich de gepubliceerde jaarverslagen 1958 tot die van
de Ereraad en de Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten.

De 105e Algemene Vergadering werd gehouden op 9 en 10 oktober 1959.
Na afhandeling der gebruikelijke huishoudelijke punten der agenda blijkt
bij de rondvraag, dat de dierenarts zelf verantwoordelijk is voor zijn han-
delingen, ook al neemt hij waar voor een collega.
Tal van minder belangrijke zaken komen daarna nog aan de orde.
De wetenschappelijke vergadering van 10 oktober 1959 vangt aan met
een gloed\\ olle rede van de voorzitter. Daarna een voordracht \\ an Pr o f.

-ocr page 971-

D r. SI ij p e r over het gedrag van onze huisdieren, gevolgd door een
symposion over het Salmonellosis-prohleem.

Blijft van 1959 nog te memoreren de herdenking van het 50-jarig bestaan
van de afdeling Limburg. Het is de moeite waard om het verslag hiervan
te lezen.\')

Zoals gebruikelijk treft men onder de mededelingen van het secretariaat
over 1960 gegevens van zeer uiteenlopende aard aan.
In juni werd de Veterinaire Week gehouden en het Hoofdbestuur maakt
de leden erop attent, dat het ontoelaatbaar is, dat dierenartsen genees-
middelen in de meest uitgebreide zin afleveren, anders dan ten behoeve
van hun patiënten.

Nogmaals maakt het Hoofdbestuur de leden attent op de bepalingen van
het Koninklijk Besluit betreffende enting tegen pokken en difterie, dat
sinds 1956 van kracht is voor de regeling van de prijs van de entstof, die
de dierenarts mag berekenen. In verband hiermede wordt op de volgende
I)agina een uitspraak in dit verband gepubliceerd van de Ereraad „ter
lezing en vermaning".

Het Hoofdbestuur wijdt een publikatie aan de toepassing van sera, vaccins
en de verstrekking van geneesmiddelen (antibiotica).

Het Hoofdbestuur publiceert tarieven voor de enting tegen varkenspest
en een bericht, dat van nu af aan meerdere mededelingen over het Eeuw-
feest in 1962 zijn te verwachten, alsmede een doorlopende agenda in het
Tijdschrift zal worden opgenomen.

Het Hoofdbestuur publiceert een uitspraak van de Ereraad, die wegens
een ernstig delict een onvoorwaardelijke geldboete oplegde van ƒ 9000,—
plus een geldboete voorwaardelijk van ƒ 3000,— als de gestrafte zich bin-
nen 3 jaren na 1 april 1960 nogmaals aan dergelijke handelingen zou
schuldig maken, plus een schorsing van 3 jaar als lid van de Maatschappij
voor Diergeneeskunde.

Het pullorum-onderzoek voor uitvoer naar Italië kan belangrijk worden
beperkt.

Een publikatie van het Hoofdbestuur over de overeenkomst met bet Ned.
Rundvee Stamboek over operatieve behandeling van bepaalde erfelijke
gebreken.

Het Hoofdbestuur verzoekt de leden de bereidverklaring t.a.v. de Stichting
Gezondheidsdienst voor Pluimvee zo spoedig mogelijk te ondertekenen,
zulks ter regeling van de positie der dierenartsen t.o.v. deze Stichting.
Het Hoofdbestuur publiceert een verhandeling over de aansprakelijkheid
bij assistentie of waarneming (pag. 1272, deel 85).

Uit het jaarverslag van de Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten
blijkt een voortdurende toename van het aantal leden en een toenemende
activiteit.

De 106e Algemene Vergadering der Maatschappij werd gehouden op 7 en
8 oktober 1960.

Na de opening der vergadering brengt de heer Kranenburg als
voorzitter van de P.B.O.-commissie verslag uit over haar werkzaamheden.
Hij doet dit zeer lütvoerig en komt tot de conclusie, dat er thans geen

Tijdschrift voor Dier.geneeskunde, 84, 1486, 1959.

-ocr page 972-

enkele behoefte bestaat tot wijziging van de bestaansvorm van de Maat-
schappij.

De commissie inzake het financiële beleid heeft enkele opmerkingen en
aanmerkingen, de financiële stukken worden na enkele discussies alle
goedgekeurd.

De geneesmiddelenvoorziening komt ter sprake en hierover bestaat enige
ongerustheid (selecteurs).

Bij de rondvraag doet Commandeur mededelingen over de viering
van het Eeuwfeest, terwijl de afdeling Overijssel zich afvraagt of de
Ereraad niet wat spoediger tot een uitspraak kan komen.
De wetenschappelijke vergadering vangt na verwelkoming der gasten aan
met een rede van de voorzitter.

Hierna biedt de oud-voorzitter van de Ereraad, de heer Rutgers, met
een gevoelvolle toespraak een exemplaar van de nieuwe „Code voor de
Dierenarts" aan de voorzitter aan, die hiervoor hartelijk dankt. Hierna
volgen de voordrachten.

Belangrijke gebeurtenissen werpen hun schaduw vooruit en het is dan
ook niet verwonderlijk dat in de secretariaatsmededelingen over 1961 de
op komst zijnde festiviteiten ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan der
Maatschappij in 1962 een steeds belangrijker plaats gaan innemen.
Voorts worden nieuwe tarieven voor de enting tegen pseudo-vogelpest en
infectieuze bronchitis bekend gemaakt en worden de gewijzigde hono-
reringsvoorwaarden van de redactie medegedeeld.

Bij Koninklijk Besluit van 3 februari 1961 is een geneesmiddelencommissie
ingesteld, bestaande uit 12 leden en 2 buitengewone leden. Op voordracht
van de Maatschappij is als één van deze buitengewone leden benoemd
Prof. D r. A. Klarenbeek. Deze aanvaardde de functie niet wegens
zijn leeftijd, zodat thans is aangewezen Prof. D r. G. H. B. T e u n is -
s e n.

Op 12 en 13 juli vierde de afd. Friesland haar 75-jarig bestaan, waarbij
de voorzitter Feddema werd benoemd tot Ridder in de Orde van
Oranje Nassau.

De jaarlijkse publikaties van de door de Paritaire Tarievencommissie
vastgestelde tarieven werden voortgezet.

Aan de Ministers van Landbouw, Visserij en Voedselvcwrziening en van
Sociale Zaken en Volksgezondheid zijn vragen gesteld door een lid van
de Tweede Kamer over bet gebruik van en de handel in diergenees-
middelen door anderen dan bevoegden.

De GroejD Geneeskunde van het Kleine Huisdier hield een symposion
over hondeziekte.

Er is een voorziening getroffen, waardoor de diergeneeskundige studenten
behoorlijk zijn verzekerd tegen ongevallen bij assistentie (blz. 1581).

Op de 107e Algemene Vergadering, 13 en 14 oktober 1961 te Utrecht
gehouden, wordt K a r s e m e ij e r tot voorzitter herkozen.
Aan de orde komt een voorstel van bet Hoofdbestuur tot wijziging der
Statuten en een voorstel tot wijziging van het Huishoudelijk Reglement.
Deze voorstellen worden aangenomen.

Er ontstaat een zeer uitvoerige discussie over de Tuchtwet, waaruit de
voorzitter concludeert, dat de Algemene Vergadering het wenselijk acht.
dat stappen worden ondernomen tot het ontwerpen van een Tuchtwet.

-ocr page 973-

Ter voorbereiding zal een commissie worden benoemd. Het ontwerp zal
door een zo breed mogelijke vertegenwoordiging van de leden worden
behandeld. De vergadering gaat hiermede akkoord.

De commissie van de afdeling Zuid-Holland voor het financiële beheer
heeft een 8-tal opmerkingen, o.a. dat de contributie bij slechte betalers
per postkwitantie moet worden geïnd. De financiële stukken worden
goedgekeurd.

Het Hoofdbestuur stelt voor de grondslagen van de contributie met 10%
te verhogen en de omslag van 10% voor het Eeuwfeest ook in 1962 te
handhaven; dit wordt aangenomen.

Bij de rondvraag komt de aflevering van piperazine ter sprake en dus
weer de wens om te komen tot een diergeneesmiddelenwet. Het Hoofd-
bestuur zal een en ander nog eens bekijken.

D r. Kramer doet daarna nog enkele tnededelingen over het Eeuw-
feest.

De wetenschappelijke vergadering begint op 14 oktober met de gebruike-
lijke rede van de voorzitter, gevolgd door een viertal voordrachten.

Naschrift.

En zo zijn dan de eerste 100 jaren van de Maatschappij voor Diergenees-
ktmde jaar na jaar wederom aan ons voorbijgegaan.

Wij hebben het verleden opnieuw beleefd en onze Maatschappij weer op-
nieuw geleidelijk zien opbouwen in de Algemene Vergaderingen en in bet
4"ijdschrift tot datgene wat zij vandaag is. En deze opbouw is geschied
door mannen, grote mannen, die uitgesproken jtnst in die opwindende
jaren beschikbaar waren.

Zonder ook maar iets aan de talloze andere, naamloze werkers, te kort
te willen doen, zullen de namen van Stempel, Snellen, Hek-
m e y e r, H o u b a. De Bruin, Van E s v e 1 d, T h o m a s s e n,
W i r t z. Schimmel, H e n g e v e 1 d, M a z ti r e, Poels, Markus,
D. A. de Jong, Vermeulen, Van H e u s d e n, W e s t e r.
Kroon, Van O y e n, V r ij b u r g. Krediet, D h o n t. Kroes,
H O e f n a g e 1, 1) e B 1 i e c k, B e y e r s, T e n T h ij e, S c h o r n a g e 1,
Van der Plank en Kramer voor altijd onverbrekelijk met de
wordingsgeschiedenis van Maatschappij en Tijdschrift verbonden blijven.
Het grootste aantal van hen is niet meer in ons midden, maar uit de
geschiederds van de Maat.schappij komen bun stemmen uit het verleden
opnieuw tot ons.

En wij, die in het beden alles bezitten, waarvoor door onze voorgangers
jarenlang is gevochten en het als vanzelfsprekend aanvaarden, wij hebben
er geen voorstelling van hoeveel strijd en moeite het heeft gekost om dat
alles te bereiken.

Hopelijk zal deze geschiedenis van de Maatschappij U hieromtrent eniger-
mate inlichten, maar ook zal zij U ongetwijfeld, evenals dat met mij het
geval was, diep respect inboezemen voor al deze „mannen van het eerste
tun". Gezamenlijk hebben zij de Maatschappij gebouwd en gedurende
de korte tijd van de beschrijving van de geschiedenis der Maatschappij,
hebben wij naast hen gestaan op de Algemene Vergadering, htm voor-

-ocr page 974-

stellen beluisterd, hun initiatieven met succes zien bekroond worden of
zien mislukken; kortom, in de geest met hen meegeleefd.

De prachtige woorden op het monument aan de ingang van onze Alma
Mater zijn, iets gewijzigd, ook het mooiste sluitstuk van de geschiedenis
der Maatschappij in de eerste 100 jaren.

„Laten wij in gedachten verbonden zijn met hen
die ons voorgingen en laten wij aan hun idealen
verder bouwen".

Zij hebben erop gerekend, dat wij dit zouden doen. Het zijn mannen
zoals die uit de eerste 100 jaren van onze Maatschappij, waarop Long-
fellow ongetwijfeld doelde, toen hij zijn beroemd „Psalm of Life"
dichtte, waarin hij o.m. het volgende zei:

„Lives of great men all remind us
tVe can make our lives sublime,
And, departing, leave behind us
Footprints on the sands of time".

Nijmegen,
27 augustus 1962.

-ocr page 975-

TIJDSCIMIIFT VOOR I)IEIIGEXKESKI\'\\\'I)E

Tweede herdenkingsnummer

uitgegeven ter gelegenheid van het

100-jarig bestaan

der

KONINKLIJKE
MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

18 december 1962

-ocr page 976-

Redactie: Prof. Dr. P. HOEKSTRA. Voorzitter.

Prof. Dr. J. H. ]. VAN GILS. Penningmeester

Leden: Dr. P. H. W. TACKEN

Dr. E. H. KAMPELMACHER

H. L. L. VAN WERVEN

Dr. IC. A. DE HAAN, ambtelijk Secretaris

L. S. B. C. H. HARMSEN, Redacteur-dierenaits.

De fotos, in deze aflevenng afgebeeld, werden genomen door:

Foto 1. Nationaal Foto Persbureau Stevens en Maehielsen,
Arnstertlani.

Foto\'s 2 t.m. 10, 12 t.m. 30, 33, 34 en 36, 39 t.m. 58:
A.N.P.-foto, Amsterdam.

Foto\'s 31, 32 en 35 door de heer C. P. Dogterom, Stolwijk.
Foto\'s 37 en 38: Persbureau „\'
l Sticht", Utrecht.

-ocr page 977-

M. Karsemeijer, Herdenkingsrede, uitgesproken op 12
september 1962 in de Domkerk te Utrecht
.... 7

Z.£. de Minister van Landbouw, Mr. V. G. M. Marijnen,
Toespraak, uitgesproken op 12 september 1962 in de
Domkerk te Utrecht
.........23

y. O. Verlinde, De plaats van de diergeneeskunde in de
rnedisch-biologische wetenschappen — The position of
veterinary medecine in the medical-biological sciences
— 25

M. F. Kramer, Sociale aspecten van het diergeneeskundig
beroep — Social aspects of the veterinary profession
— 40

Het Eeuwfeest...........57

INHOUD

-ocr page 978- -ocr page 979-

Utrecht, 18 december 1962

Aan de lezers.

Uierbij bieden wij U de tweede jubileum-aflevering aan van het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde, gewijd aan het Eeuwfeest van onze
- - thans — Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Na in het eerste herdenkingsnummer een overzicht te hebben ge-
geven van de verschillende aspecten van de uitoefening van het dier-
geneeskundig beroep, terwijl een geschiedschrijving de aflevering
besloot, vindt U in de volgende bladzijden een verslag van de
Eeuwfeest-viering met als hoogtepunten de verlening van het predi-
caat „Koninklijke" aan de Maatschappij en de herdenkingsrede van
de voorzitter.

Voorts wordt in twee voordrachten nagegaan welke plaats de dier-
geneeskunde in de medisch-biologische wetenschappen inneemt, als-
mede welke sociale aspecten het diergeneeskundig beroep heden ten
dage heeft.

Een met medewerking van velen onzer samengesteld chronologisch
verslag van de Eeuwfeest-viering, toegelicht door een keur van uit-
gelezen foto\'s, geeft U vervolgens een overzicht van de grootse wijze,
waarop dit feest is gevierd.

Moge Uw geest zich erin verdiepen en Uw oog zich erin verlustigen!

De Redactie van het Tijdschrift
Het Eeuwfeestcomité

-ocr page 980- -ocr page 981-

HERDENKINGSREDE

uitgesproken door

de Heer M. KARSEMEIJER,

voorzitter van de Maatschappij voor Diergeneeskunde,
op 12 SEPTEMBER 1962 te 14.00 uur
in de Domkerk te Utrecht.

Excellentie,

Mijnheer de vertegenwoordiger van de Minister van Sociale
Zaken en \\\'olksgezondheid.

Mijnheer de vertegenwoordiger van de Minister van

Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,

Mijnheer de Commissaris van de Koningin in de provincie

Utrecht,

Mijnheer de Burgemeester vaii deze stad.

Fin voorts Gij allen, die door Uw tegenwoordigheid alhier

aan deze plechtigheid luister bijzet.

Dames en Heren,

Ter gelegenheid van de 325e Dies Natalis der Rijksimi\\ersiteit te dezer
stede, hield in dit zelfde majestueuze oude kerkgebouw, waarin de geest
\\ an vervlogen eeuwen in iedere nis haar stille fluisteringen schijnt te hou-
den en waarojj onze domstad Utrecht terecht zo trots is, dc toenmalige
Rector Magnificus Prof. 1) r. H. Th. F i s c h e r een wel zeer toejiasse-
lijke, belangwekkende rede over het onderwerp: De zin van het feest-
vieren. De conclusie, waartoe Z. Hooggeleerde kwam, was, dal hel leest
een doorbreking van de conlinuïleii is, die geen v lucht betekent voor het
normale dagelijkse bedrijf, doch veel meer een adempauze, waarna het
weer goed is verder le gaan.

Deze „adem])auze" wil ik gaarne benullen door mei U een ogenblik stil
le staan bij de (jlaals van de dierenarts in hel maatschappelijk bestel en
de betekenis, die de Maatschappij vo(n- Diergeneeskunde heeft voor hel
diergeneeskimdig beroe]j.

Daar deze bijeenkomst hel karakter van een herdenking draagt, lijkt hel
mij goed, U eerst in gedachten terug te voeren naar het verleden en dat
ik mij dan op dc eerste plaals bepaal bij de opleiding en het beroep
van dierenarts in de voorbijgegane jai\'en, om daarna een wijle te toeven
bij de wieg van dc jonggeborene de dato 27 augustus 1862.

Ik zal U niet vermoeien met uitvoerige beschrijvingen hoe de diverse
„veeartsenijscholen" in Europa tot stand kwamen, doch wel dient m.i. aan
de vergeleiheid te worden ontrukt het feit, dat de eerste „veearlsenij-
schooF\' lot stand kwam le Lyon in 1762, zodat deze inrichting dit jaar
haar 200-jarig bestaan kon herdenken.

Deze school werd opgericht door C 1 a u d e Bourgelat, Etjuier,
direcleur van de rijschool le Lyon onder de naam: L\'école pour le traite-
ment des maladies des bestiaux.

Het paard stond toen in het centrum der belangstelling, hetgeen niet te
verwonderen is, daar de cavalerie een onmisbaar onderdeel van het mili-

-ocr page 982-

laire bedrijf vormde. Tocli meende men algemeen en terecbt, dat men
niet alleen aandacht moe.st besteden aan het paard, doch dat een bredere
basis voor het onderwijs moest worden gelegd en ook de andere huisdieren
hierin dienden te worden betrokken.

Dit geschiedde \\ooral, omdat de ge\\reesde runderpest gedurende een
reeks \\ an jaren grote gaten had geslagen in het runderbeslag \\-an Europa,
waardoor de bevolking van het platteland zodanig was \\-erarmd. dat dc
financiële toestand van \\-erscheidene landen grote zorgen baarde, met
name in Frankrijk en Duitsland.

Spoedig daarop verrezen dan ook „veeartsenijscholen" te Alfort, Ko[)en-
hagen, ^Veenen, Hannover, Dresden, Berlijn, München. Londen, Stock-
holm e.a.

In Nederland, reeds jaren door veepest geteisterd, vooial in de 18e eeuw
(in 1765 stierven in de Hollanden 115000 runderen), begon men lang-
zamerhand ook een open oog te krijgen vooi\' het belang \\-an het vee-
artsenijkundig onderwijs en het opleiden van \\eeartsen. De eerste sloot
daartoe werd gegeven door de Maatschappij tot be\\ordering \\an de
Landbouw in .\\msterdam in 1798, die \\-oor dit doel een ]nijsvraag uit-
schreef, Na heel wal strubbelingen - en vooral ook door steeds wisselende
bestuursvormen in ons goede vaderland (wij leefden toen onder de druk
der Franse bezetting) - kwam pas in 1821 \'s Rij\'k.s\\\'eeartsenijschool te
Utrecht lot stand, waarvoor dc buitenplaats Gildestein werd aangekocht.
.\\ls leraien fungeerden een zoöloog en twee geneeskundigen. Eén van hen
was 1) r. Med. A. Numan, wiens naam vereeuwigd werd. doordat dc
Alexander Numankade naar hern werd genoemd,

Dc „kwekelingen" van \'s Rijksvecartsenijschool waren intern en in uni-
form gekleed. Deze uniformen werden gratis verstrekt. Het regiem was
dan
ook op militaire leest geschoeid. De studietijd was bepaald op 4 jaren,
terwijl aan de \\-óóropleiding slechts zeer bescheiden eisen waren gesteld.
Uit de aard der zaak heerste er een militaire lucht: huisarrest, provoost
en dergelijke straffen droegen er bet hunne toe bij om diegenen, die uil
de band waren gesprongen, weer op hel goede pad te rangeren.
De toeloop van „kwekelingen" was in de eerste decennia niet overweldi-
gend; het eerste jaar 24, terwijl er in 1830 slcchts één leerling werd in-
gcschre\\en en cr zelfs jaren waren, dat er zich geen enkele leerlinsr
aanmeldde. Van 1826 — 1850 werden er per jaar gemiddeld 7 a 8 vee-
artsen afgeleverd.

Het onderwijs was in vele opzichten gebrekkig en weinig op dc praktijk
afgestemd. Daarbij kwam nog, dal de jonge \\-eearlsen, die zich geëxami-
neerd veearts of rijksveearls noemden, ten bewijze, dat zij aan \'s Rijks-
veeartsenijschool waren gediplomeerd, het in dc praktijk moesten oijuemen
letren een heel leger \\an hoefsmeden, emijiristen, kociendokters, verlos-
kundigen en dergelijke personages en daardoor een harde stiijd om het
bestaan moesten voeren om zich te bandhaven. Velen \\-erkecrden dan
ook in behoeftige omstandigheden en moesten trachten hun inkomsten le
\\crhogen, door er bijv, een boekwinkeltje of galanteriewinkeltje op
na te houden of een boerderijtje tc exploiteren.

De officiële veearts werd dan ook niet hoog aangeslagen, zo weinig zelfs,
dat de grote staatsman \'F h o r b e c k e in 1850 in de 2e Kamer de \\-er-
klaring moest afleggen, dat de betekenis der \\\'eeartsenijkunde gering was

-ocr page 983-

en het nut \\-olstreki niet in evenredigheid stond aan dc kosten, die er aan
werden besteed (in dat jaar ƒ 38.00Ó,—).

Na 1851 trad er cchtcr een belangrijke verbetering in. doordat het onder-
wijs, vóórdien veelal rustend op een te theoretische grondslag, zich meer
ging concentreren op de praktijk. Doordat de klinieken van "s Rijks-
veeartsenijschool grotere belangstelling trokken, nam het aantal patiënten
toe, hetgeen natimrlijk aan het praktisch onderwijs van de ,.kwekelingen\'"
ten goede kwam. Toch bleef tu.ssen 1850 en 1860 het aantal gegadigden
voor "s-I-lijksveeartsenijschool nog gering, omdat de ouders het niet ver-
antwoord vonden hun zonen te doen opleiden voor een \\ak, dat na het
beëindigen der studie, zo weinig perspectief bood.

De wapenen, waaro\\er de \\eearts beschikte, in zijn strijd tegen allerlei
ziekten bij het vee, waren tut de aard der zaak betrekkelijk primitief,
daar de veeartsenijkundige wetenschap hier te lande nog in luiar kinder-
schoenen stond. De grote ontdekkingen ojj het gebied der geneeskunde
in het algemeen en op dat der Veeartsenijkunde in het bijzonder, moesten
nog worden gedaan. Daardoor kwam het, dat dc „rijksveearts" in \\-ele
gevallen machteloos stond en dit was niet bevorderlijk voor zijn reputatie.
\\\'oeg daar nog bij, dat de veehouder in die tijd maar al te gauw geneigd
was om aan de niet gebrevetteerden, waaronder er zeker waren die op
bepaalde onderdelen \\\'an het vak over een grote \\aardigheid en vooral
handigheid beschikten en in ieder
e;e\\al in \'t bezit waren van een flinke
dosis mensenkennis, dc voorkeur te geven boven de man, die men als
\\ertegenwoordiger \\an de officiële wetenschap beschouwde en die men
met een zeker wantrouwen tegemoet trad.

Destijds heb ik in mijn praktijk ondervonden, dat rudimenten hiervan
ook beden ten dage nog wel eens bij de dierenbezitters worden aangetrof-
fen. vooral als de kwakzalver zich met hel aureool \\an de ..magiër"
weet le omgeven.

Hel vervoermiddel \\\'an de oude veearts was hel ]iaard, al dan niet voor
een rijltug gespannen, doch dit waren de beter gesitueerden: er waren er
die hun patiënten „per pedes aposlolonun"\' moesten bezoeken en dat nog
wel over grote afstanden en over soms erbarmelijk slechte wegen.
Onze voorgangers moesten dus wel over een ijzersterke constitutie be-
schikken om dit le\\en vol te houden en in staat te zijn le zorgen voor
vrouw en kinderen. De paardenartsen, die bij hel leger waren ingedeeld
f weinig in gctaH \\ ormden hieroj) wel een gtuisli,u;e lutzondering.

In deze korte uiteenzelling heb ik getracht in grove lijnen voor U cen
beeld le schetsen, hoe de omstandigheden waren, waaronder onze voor-
gangers werden opgeleid en hoe ze moesten trachten zich in de landelijke
gemeenschap een positie te veroveren op hel ogenblik, dal de Maatschappij
voor Diergeneeskunde werd opgericht.

Daar over de geschiedenis van onze organisatie en over de x\'erschillende
facetten van ons beroejj een apart nummer van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde is gewijd — welk besliul in gezamenlijk overleg met
Hoofdbeslum-, de Redactie van hel Tijdschrift en hel Ecuwfecstcomité
1962 werd genomen — kan ik mij ontslagen achten \\an dc taak om U
in dit uur met le veel geschiedkundige bijzonderheden en hel noemen
van een le groot aantal namen \\an hen. die zich zowel voor hel dier-
geneeskundig beroep, als voor de Maatschappij voor Diergeneeskunde in

-ocr page 984-

de afgelopen honderd jaar \\erdienstelijk hebben gemaakt, lastig tc vallen.
\\^oor de niet-dierenartsen onder mijn illuster gehoor is trouwens de veelal
droge opsomming van jaartallen, feiten en personen, hoe belangrijk die
overigens \\oor de ingewijden mogen zijn, een moeilijk te verteren si^ijs.
die als regel bijzonder slaapverwekkend is.

In grote trekken zal hier en daar een greep worden gedaan uit de trits
van feiten uit het verleden, voorzoveel betreft het onderwijs, het beroep
na 1862 en de geschiedenis van onze jubilerende vereniging om dan daarna
een ogenblik stil te staan bij het beroep van dierenarts in de tegen-
woordige tijd en de taak en werkwijze van de Maatschajjpij voor Dier-
geneeskunde in haar huidige vorm.

Zo nu en dan zal een gebeurtenis of een naam worden vermeld, daar wij
anders wel zeer in piëteit te kort zouden schieten jegens hen, die zich
voor onze wetenschap of ons beroep op uitzonderlijke wijze hebben onder-
scheiden.

Gezien de omstandigheid, dat de veeartsenijkimdige wetenschap na de
oprichting \\an \'s Rijksveeartsenijschool nog maar traag op gang kwam
en in aanmerking genomen het feit. dat het gering aantal „geëxamineerde
\\\'eeartsen" zeer verspreid over het land was verdeeld, is het niet te ver-
wonderen, dat het geruime tijd heeft gedumd, eer de beoefenaren \\an
ons beroep er toe overgingen zich tc organiseren om daardoor in dc
gelegenheid te zijn hun standsbelangen te bespreken en tot uitwisseling
\\an gedachten en ervaringen o]3 het gebied der algemene jjraktijk te
geraken. Natuurlijk hebben daarbij ook de verplaatsingsmogelijkheden
over veelal moeilijk begaanbare wegen een rol gespeeld.

De eerste \\ereniging, die werd opgericht, was in 1842: Het Groninger
Veeartsenijkiuidig Gezelscha]), al sjioedig daarna gc\\\'olgd door de totstand-
koming van de Zuid-Hollandse Maatschappij \\oor Veeartsenijkunde in
1847 en weldra ook kleinere soortgelijke groeperingen in andere pro\\ incies.
Van een hechte landelijke vereniging was echter nog geen s])rake, hoewel
het aan pogingen om hiertoe tc geraken, niet heeft ontbroken, o.m. door
het stichten \\-an het „Centraal \\\'eeartsenijkimdig Gcnootscha]3" in 1848.
Door onderlinge verdeeldheid en een geprononceerde provinciale geestes-
gesteldheid. duinxle het nog tot 27 augustus 1862, alvorens uit de fusie
van deze conglomeraatjes de Maatschappij kon worden gesmeed.
In het verslag van de oprichtingsvergadering, die onder leiding stond
van 1) r. C. G. v o n Reeken (arts en \\-eearts"), lezen wij dc volgende
ontboezeming van de secretaris, doelend
ojj het beleid van dc voorzitter;

„ . . . die voor een moeilijke taak stond: moeilijk, omdat van verschei-
dene zijden moest worden toegegeven en bij eenige levendige discus-
sieën de gemoederen ligtelijk in te groote sensatie gebracht konden
worden, waarbij de bedachtzaamheid, bedaardheid en onpartijdig-
heid van den voorzitter oj) een zware proef konden worden gesteld".

Er was dus nog al wat rumoer bij de wieg van de jonge spruit, die de
naam zou dragen: „De Maatschappij tot bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland". Reeds aanstonds werd hel besluit genomen een geschrift
uit te geven, dat 4 x per jaar zou verschijnen onder de titel: Tijdschrift
voor Veeartsenijkunde en Veeteelt. In de naam van deze periodiek lag
dus besloten, dat men ook als taak voor ogen had, zich op het terrein

-ocr page 985-

\\an dc veeteelt te begeven en zich bezig te houden met de fokkerij \\an
de landbouwhuisdieren.

Het ledental van de jonge maatschappij bedroeg 57 \\an de omstreeks
160 „rijksveeartsen"\' hier te lande, hetgeen een bev\\ ijs was, dat lang niet
alle berocjjsgenoten \\an het grote belang ener landelijke vereniging o\\er-
tingd waren. Geen wonder, dat de werkzaamheden zich maar moeizaam
ontplooiden.

Somber zijn dan ook dc woorden, waarmede cle \\oorzitter (J. B. Snel-
len) de eerste algemene vergadering in 1863 opende:

„Laat het ons niet verbloemen \\LH.: de kwaal, die ons allen drukt,
is het ongelukkige denkbeeld, waarin nog zoo velen onzer medebur-
gers verkeren, dat een stand van weezenlijk wetenschappelijke vee-
artsen eigenlijk niet veel meer dan een noodelooze maatschappelijke
weelde is, waaraan bij de landbouw......geen behoefte bestaat".

U gelieve te bedenken, dat deze woorden werden gesproken 42 jaar na
de oprichting \\an "s Rijks\\eeartsenijschool!

Toch werd in deze \\ergadering reeds dc kwakzalverij besproken, zulks
naar aanleiding van een advertentie in de Haarlemse Courant \\an 1863.
waarbij iemand te Hoorn o]jenlijk adverteerde „kwade droes \\olledig te
kunnen genezen, daar adressen \\\'an personen konden worden opgegeven,
clie volmondig zullen \\erklaren. dat zonder cle ludj) van den ondergc-
teekende. zij hun paarden, volgens verklaring der veeartsen (sic!i aan
den kwaden droes hadden moeten \\erliezen".

De terminologie van dit gilde heeft dus in de loop der jaren nog weinig
verandering ondergaan: men zou zich in 1962 kimnen wanen. Het is
duidelijk, dat hier goedaardige droes in het spel is geweest, daar dc uiterst
ge\\-aarlijke kwade droes (malleus), catastrofaal voor mens en dier, het
slachtoffer steeds ten gronde richt. Gelukkig komt deze ziekte sedert tien-
tallen jaren niet meer in ons land voor.

.\\an cle ..Hooge Regeering" des lands wercl dan ook een adres gericht
een wet op de ,.Uitoefening der \\\'eeartsenijkunde"\' in het leven te roejjen.
In 1865 brak de runderpest opnieuw in alle hevigheid uit, doch deze
epidemie was binnen enige jaren bedwongen.

bepalingen ten o]ozichte \\ an de bestrijding van besmettelijke veeziekten
waren echter dermate onvoldoende gebleken, dat de Regering het nood-
zakelijk achtte in 1870 .,cle wet tot regeling van het Veeartsenijkundig
.Staatstoezicht en de \\\'eeartsenijkundi.ge Politie" in hel lc\\ en te roepen.
Dit was een belangrijke verbetering, waarvan het nut spoedig zou worden
.gedemonstreerd, daar de bestrijding van de longziekte der runderen in ons
land de Regering grote zorgen baarde.

Reeds gedurende een reeks van jaren waren aan deze ru\'meuze ziekte
talrijke runderen bezweken, hoewel men hier en daar al met preventieve
entingen was begonnen. Zo deelt cle heer Swart te Barendrecht in het
Tijdschrift van 1865 mede. dat hij in 1863/1864 692 inentingen tegen
longziekte heeft verricht. Met goed succes blijkbaar, daar hij aan liet
bericht toe\\ocgt ..slechts met het \\erlies van een hahe staart en eeu
staartpluim".

Met het onderwijs aan \'s Rijksveeartsenijschool en met liet werk van
de jonge Maatschappij wilde het steeds nog niet al te best vlotten. Ge-
leidelijk kwam hierin echter verbetering. De toelatingseisen werden zwaar-

-ocr page 986-

der gesteld, de uniformen van de „kwekelingen" werden afgeschaft en
het onderwijs kreeg langzamerhand een steviger grondslag, vooral toen
voor de eerste maal na de o]3richting een \\-eearts tot directem- \\-an \'s Rijks-
veeartsenijschool werd benoemd in de persoon van 1) r. A. H, W i r t z

(1877).

Enige jaren daarvoor (1874) werd de Uitoefeningswet, waarop dc Maat-
schap]3ij zo zeer had aangedrongen, een feit. Aan deze wet, hoe goed
bedoeld overigens, zat echter de kwade zijde, dat aan een groot aantal
gevestigde niet-geë.xamineerdc veeartsen (empiristen ) een officieel bewijs
van toegang tot uitoefening der Vecartsenijkunst werd uitgereikt. Het
corps „gepatenteerden" deed hiermede zijn intrede, zij het ook als „idt-
stervings-systeem". Deze heren noemden zicli uit de aard der zaak ook
„veeartsen" en daardoor werd de taak van de geëxamineerde veeartsen
om zich te handhaven, wel bijzonder \\erzwaard, vooral in de jaren
1880- 1890, toen er in de landbouwsector een ongekende malaise heerste.
T^ r. VV i r t z was een zeer bekwaam man \\ an grote reputatie, getuige
het feit, dat hij door de Rijksimivcrsiteit te Utrecht tot doctor honoris causa
werd benoemd, doch daarnaast schijnt hij in zijn beleid nogal conservatief
te zijn geweest en daarbij uiterst zuinig, betgeen wel door „\'s lands Hooge
Regeering" werd gewaardeerd, doch aan het onderwijs niet bepaald ten
goede kwam. Men kon zijn vleugcis nog on\\\'oldoende lutslaan. hetgeen
remmend werkte op de wetenschappelijke \\orming \\an dc veeartsen.
Met een zekere trots kan er op worden gewezen, dat het dc Maatscha]jpij
was, die zich tot de regering wendde om het directoraat af te schaffen en
"s Rijksveeartsenijschool tot Hogeschool te \\erheflen.

In het begin van de 20e eeuw traden er belangrijke verbeteringen in;
het toelatingsexamen werd gelijk gesteld met het eindexamen \\an dc
H.B..S. met 5-jarige ctu\'sus en het eindexamen Gymnasiimi R. Het inter-
naat was in 1899 afgeschaft.

Inmiddels had de bacteriologie in het wetenschap])elijk onderzoek haar
intrede gedaan en het was vooral de \\\'eearts Poels, die reeds \\roeg
zijn grote kennis en vaardigheid op dit gebied demonstreerde en wel
\\anaf 1886. Wegens zijn uitzonderlijke verdiensten werd dan ook deze zeer
begaafde geleerde tot doctor honoris causa dooi\' de Rijksuniversiteit te
Leiden benoemd, waaraan hij later als buitengewoon hoogleraar was
\\erbonden met de leeropdracht: toegepaste bacteriologie. In 1904 kwam
op zijn initiatief de Rijksseruminrichting, ten behoeve \\ an de landbouw,
te Rotterdam tot stand.

Een breed arbeidsveld werd hierdoor voor de practici ontsloten, daar op
grote schaal sera en entstoffen, ter beteugeling van verschillende vee-
ziekten, ter beschikking kwamen en weldra alom werden toegepast.

toenmalige veeartsen konden deze \\-erruiming van werkzaamheden vrij
gemakkelijk verwerken, daar de fiets (vclocipède) meer en meer als ver-
\\oermiddel werd gebruikt en weldra ook het motorrijwiel en zelfs de
auto in de belangstelling kwamen te staan.
In het Tijdschrift van 1899 lezen wij het volgende bericht:

„Collega J. D. de Vries te Zaltbommel is de eerste in Nederland, die
de veterinaire praktijk sedert 2 januari j.1. met behulp van een auto-
mobiel (tricycle) uitoefent. Ongetwijfeld zal dit snelle vervoermiddel
de veehouders recht aangenaam zijn, want in urgente gevallen, als

-ocr page 987-

bij koliek, is de deskundige in minder dan geen tijd ter plaatse.
Collega\'s die het plan hebben hun kleppers af te schaffen en zich
eveneens van een automobiel te bedienen, kunnen dus vooraf te
Zaltbommel de nodige inlichtingen inwinne?!.".

Zij, die deze oude vehikels wel eens van nabij hebben bezichtigd en heden
ten dage bij bijzondere gelegenheden langs de weg hebben zien toeren,
zullen bij dit bijna naïef optimisme „in minder dan geen tijd" een glim-
lach nauwelijks kunnen onderdrukken.

Ook andere corifeeën waren aan de veterinaire hemel verschenen, wier
namen zeker nu nog eens aan de vergetelheid dienen te worden ontrukt
en wel 1) r. \\V. C. Schimmel (doctor honoris causa in de faculteit der
Geneeskunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht), 1) r. M. H. J. P.
T h O m a s s e n (doctor honoris causa in de faculteit der geneeskunde aan
de Rijksuni\\ersiteit te Groningen), Prof. D r. D. A. de Jong
(buitengewoon hoogleraar te Leiden en Utrecht) en de latere Prof. D r.
j. Weste r, van wie ook kan worden gezegd, dat hij door zijn grote kunde
een onuitwisbare stempel op de diergeneeskunde heeft geplaatst.
Daarnaast zouden nog vele anderen kunnen worden genoemd, die zich
in hun tijd zeer hebben onderscheiden, doch dit zou ons momenteel te
ver voeren.

Hoe ging het in die periode met de Maatschappij?

Door de toename van het aantal veeartsen en daardoor ook een geleidelijk
opvoeren van bet ledental, werden de belangrijkheid en invloed van de
eigen organisatie steeds groter en met grote voldoening kan worden ver-
meld, dat dc Maatscbajjpij zich meer en meer bewust ging worden van
haar taak en zeer actief deelnam in de voorbereiding van allerlei wetten,
die op veeartsenijkundig gebied zouden worden uitgevaardigd.
Maatscbap])ij en onderwijs kunnen dan ook in één adem worden ge-
noemd gedurende een lange reeks van jaren, welke samenwekring ten
zeerste werd bcvoiderd door de omstandigheid, dat bijna altijd wel een
leraar van de toenmalige \'s Rijksveeartsenijschool deel uitmaakte van het
Hoofdbestmu\', zelfs heel vaak het voorzitterschap bekleedde.
Het was vooral de leraar in de anatomie 1). F. van E s v e 1 d, waaraan
de Maatscbapjjij enorm veel heeft te danken. Zijn nagedachtenis leeft
voort in de Sticliting D. F. van Esveld-fonds, dat na zijn dood in 1912
werd gesticht en waaruit bescheiden bijdragen kunnen worden verleend
ten behoeve van bet wetenschappelijk onderzoek, evenals dit het geval is
met bet Prof. Dr. D. A. de Jong-fonds op het gebied der vergelijkende
ziektekunde, waaronder wordt verstaan de leer der bij mens en dier ge-
meenscha]J|)clijk voorkomende ziekteprocessen.

De Maatschappij begon zicb meer en meer te ontwikkelen en gaf blijk
over een gezonde \\italiteit te beschikken, hoewel de meningen nogal
eens botsten, hetgeen in 1913 tot een ware paleisrevolutie uitgroeide, toen
de, in functie zijnde, voorzitter
o]d de avond van de eerste dag de algemene
vergadering, na de huishoudelijke vergadering dus, telegrafisch zijn ont-
slag aankondigde, niet alleen als voorzitter, doch ook als lid en als secretaris
\\\'an de redactie van het Tijdschrift. Zoals het meestal met een revolutie
het geval is lagen aan dit conflict een reeks van oorzaken len grondslag.
Een aantal praktizerende veeartsen meende, dal het Hoofdbestuur hun
belangen onvoldoende behartigde en in veel gevallen te autoritair optrad.

-ocr page 988-

Als gevolg hier\\an weiden er zelfs pogingen aangewend om binnen hel
kader \\an de Maatschappij te komen tot oprichting van een bond \\an
praktizerende \\eeartsen. waartegen het Hoofdbestuur - m.i. zeer terecht -
stelling nam, daar de lot stand koming hiervan tot versplintering en
disharmonie in de, toch nog betrekkelijk kleine. Maatschappij zou leiden.
Deze „bond" werd dan ook niet opgericht en zo er al enige groepering
geweest moge zijn, dan is deze al spoedig aan bloedeloosheid ten gronde
gegaan, wam wij horen er later niets meer van.

De .geest van ontevredenheid bleef echter wel onder de opper\\ lakle smeu-
len. tot zij in bovengenoemd jaar tot een laaiende e.x]3losie kwam, zulks
naar aanleiding van een betrekkelijk onbetekenend feit.
Doch ook de hevigste storm is als regel spoedig uitgeraasd en zo was
het ook hier: het schip der Maatschai^pij kwam weldra in kalmer \\aar-
water. Het \\crstand zegc\\ierde uiteindelijk toch weer over het sentinienl
en men kwam tot de nuchtere ontdekking, dat de abrupt afgetreden
\\oorzitier toch wel een \\erdiensielijk man was .geweest, die de Maatschappij
met krachtige hand had geleid.

J)e rustige fase, die de Maat.scha]3pij nu inging, was \\ooral le danken
aan het bezadigd en wijs optreden van 1) r. J. J. F. 1) h o n t, die in
1915 als \\ oorzitter optrad en deze functie merkwaardi.gerwijze .gedurende
18 jaren onafgebroken heeft vervuld. Dr, Dhont was een begenadi,gd
leider, met uitzonderlijke ga\\en van versland en hart en in het bezit van
een grote persoonlijke charme.

De naam der Maatschappij werd veranderd in: Maatschappij voor Dier-
geneeskunde, de veeartsen .gingen zich dierenartsen noemen en het tijd-
schrift kreeg de naam: Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Deze titulatuur
moet dan ook juister worden geacht, daar wij - dierenartsen - slechts ten
dele de artsenijkunde beoefenen, doch in de eerste ]3laats .geneesheer der
dieren, in de meest uitgebreide zin des woords, wensen te zijn.
Hel was dan ook voor velen een tcleurslelling, dat, toen in 1918 \'s Rijks-
veeartsenijschool lot Hogeschool werd verheven, deze jonge Hogeschool
de naam kreeg \\ an „Veeai tsenijkundi.gc Hogeschoor\'. Natuurlijk heerste
er echter in onze kringen grote vreugde loen deze op 16 maart 1918 o])
plechti.ge wijze werd geopend. Een jarenlang gekoesterde wens, tot ver-
wezenlijking waaraan de Maatschaijpij zo krachtig had meegewerkt, was
hiermede in ver\\\'ulling gegaan.

In 1925 werd de Vecartsenijkundi.ge Hogeschool als 6e faculteit onder dc
naam: Faculteit der Veeartsenijkunde, in dc Kijks Uni\\ersileit tc Utrecht
geïncorporeerd.

Reeds vrij spoedig na het beëindigen van de le wereldoorlog trad dc
\\leeskeuringswel in werking en hier dus werd aan tal van dierenartsen
een nieuwe taak toebedeeld. De diergeneeskundige wetenschap ging met
forse schreden vooruit en het was voor menig dierenarts een hele „toer"
om „bij" te blijven. Ver\\olgcursussen, lot aan het begin \\an de Ie wereld-
oorlog van Rijkswe.ge gesubsidieerd, die op verschillende jjlaalsen in het
land werden gehouden, konden slechts ten dele in de behoefte voorzien,
doch hebben wel een gunstig effect gesorteerd.

De bestrijding \\an de tuberculose onder het vee was inmiddels weer in
het brandpunt der belangstelling komen te staan, omdat de Re.gering toch
wel lot het inzicht was gekomen, dat, wil men de tuberculose bij de mens

-ocr page 989-

met succes bcstrijclen, men ook, en zeker niet in cle laatste plaats, aan-
dacht moet besteden aan de tuberculose der dieren.

Op het internationaal tuberculosecongres, op 26 jidi 1901 te Londen ge-
houden, had 1) r. Thomassen over dit vraagstuk een belangwekkende
rede gehouden, getiteld: „Over de identiteit der tubercidose bij mens en
rund\'\', welke rede de aandacht van de gehele wereld had getrokken. Een
]xiar jaar daarna (19041 werd dan ook van Regeringswege, op instigatie
\\ an D r. Poel s, gestart met een tuberculosebestrijding op vrijwillige
basis onder het rundvee, welke echter onvoldoende resultaten opleverde.
Op het eind van cle dertiger jaren kwam er echter een meer georgani-
seerde bestrijding tot stand op bredere basis en het spreekt vanzelf, dat
de ]5raktizerende dierenartsen hierbij werden ingeschakeld.
Onafwendbaar kwamen hierbij ook de tarie\\en ter sprake en hiervoor
werden dan ook overeenkomsten met de landbouworganisaties aangegaan.
Het karakter der Maatschappij, die hierbij werd ingeschakeld, onderging
noodzakelijkerwijze een verandering, want terwijl vroeger onze organisatie
hoofdzakelijk een wetenschappelijk cachet droeg, traden nu maatschaijpe-
lijke en sociale problemen meer en meer op de voorgrond. Men moge dit
soms betreuren: een levende organisatie dient mee te groeien met de \\ er-
anderingen, die zich in het maatschai)])elijk bestel aftekenen.
Het tijdvak 1940-194.\') was voor ons allen een donkere ejMsode en de
martel.gan.g \\an het .\\ederlandse volk, als gevolg van een tragische be-
zetting, staat diep in onze herinnering gegrift.

De jubel \\ an de bevrijding uit dit diepe dal van zorg en leed is ontroerend
vertolkt door de dichter J. C. bloem in de volgende woorden:

Schoon en stralend is, gelijk toen, hel voorjaar,
Koud des morgens, maar als de dagen verder
Open gaan is de eeuwige lucht een wonder
Voor de geredden.

In \'t doorzichtig waas over al de brake
Landen ploegen weder de trage paarden
Als altijd, wijl nog de nabije verten
Dreunen van oorlog.

Dit beleefd te hebben, dit heellijfs uit te
Mogen spreken, ieder ontwaken weer te
Weten: heen is en nu voorgoed, de welhaast
Duldloze knechtschap.

Waard is het, vijf jaren gesmacht te hebben.
Nu opstandig, dan weer gelaten, en niet
Eén van de ongeborenen zal de vrijheid
Ooit zo beseffen!

Ook de Maatschappij heeft hieraan haar tol moeten betalen en als
posthume hulde staat dan ook op het terrein \\an de Faculteit het gedenk-
teken, gewijd aan dierenartsen en studenten, die hun trouw aan het
vaderland met het offer van hun leven hebben betaald.
Het is U allen bekend hoe. na de be\\ rijding, het volkomen ontredderde
economische leven in ons land weer op gang moest worden gebracht
en zo was het ook met de Maatschappij, die door de verwarring en

-ocr page 990-

moeilijkheden van de bezetdngsUjd totaal uit haar voegen was geslagen.
Feitelijk moest de gehele organisatie 0]3nieuw worden opgebouwd en het
is vooral aan de helaas zo vroeg ontslapen, hoogleraren Krediet en
Van der P1 a n k te danken, dat men hierin zo goed is geslaagd.
Een vol-ambtelijk secretaris werd aangesteld en reeds siroedig was men
gehuisvest in een eigen pand. Men ging met ongebreidelde energie aan
de slag.

De strijd tegen de tuberculose onder het vee, volgens nieuwe richtliinen
\\\'oortgezet in 1951 krachtens het bekende 5-jarenplan (mogelijk, dat dit
woord bij U reminiscenties oproept aan het politieke wereldgebeuren),
was in 1956 glansrijk gewonnen, zodat vanaf die datum rundertuberculose
in ons land piaktisch niet meer voorkomt.

Het zou ons te ver voeren een beschrijving te geven over de diergenees-
kundige organisatie in het voormalig Nederlands Indië.
Gedurende meer dan 100 jaren is daar veel en zegenrijk werk verricht
o]3 het gebied van de bestrijding van besmettelijke dierziekten, terwijl ook
veel aandacht aan de veeteelt is besteed.

Van bepaalde zijde wordt wel eens gesuggereerd, dat de Landsregering in
haar koloniaal beleid te kort zou zijn geschoten. Ik kan dit niet beoor-
delen en ik waag dit te betwijfelen, doch zeker weet ik, dat zulks niet
geldt voor onze sector.

Aan het einde gekomen van dit korte overzicht van dc laatste 100 jaren,
is het mij een dure plicht getuigenis af te leggen van onze die]3gevoelde
dankbaarheid jegens allen, die ons voorgingen en die, zelfs onder de
moeilijkste omstandigheden de banier van ons beroep hebben hoog ge-
houden en die de diergeneeskundige wetenscha]) omhoog hebben ge-
stuwd. Ere zij hun nagedachtenis!

Gaan wij thans over tot een vluchtige beschouwing over het beroep \\an
de dierenartsen in het Inndig bestel en de tegenwoordige constellatie van
de Maatscbapjjij voor Diergeneeskunde.

Pas in 1954 \\-ond de nieuwe titulatiuu\' haar wettelijke erkenning. 1 )eze
titelstrijd heeft dus ongeveer 40 jaren gedtuird: naar mijn gevoel een
nog al lange periode, doch het schijnt nu eenmaal een karaktertrek van
de soliedc Nederlander te zijn, om geen overijlde bcslissingeii te nemen.
In de eerste jilaats moge ik U cr op wijzen, dat het onderwijs wordt
gegeven aan de Faculteit der Diergeneesktmde van de Rijks Universiteit
te Utrecht, het enige opleidingscentrum van dierenartsen in Nederland.
Het programma \\ an het onderwijs is gebaseerd op een 6-jarige universi-
taire studie, hoewel het slechts cen enkeling zal gelukken de studie in die
tijd te volbrengen. \\\'errewcg het grootste gedeelte der studenten beeft
hiervoor een langere tijd nodig.

Met cen zekere trots kan worden geconstateerd, dat. in \\ergelijking met
andere landen, de opleiding van dierenartsen in ons land o]3 een \\ol-
komen verantwoord peil staat. Dit komt vooral tot uiting in het feit, dat
voor bepaalde betrekkingen in het buitenland gaarne een beroep wordt
gedaan o]) Nederlandse dierenartsen.

Welke wegen staan nu open voor de jonge dierenarts na het beëindigen
van zijn studie? .Allereerst dan de algemene praktijk: een \\verkkring, die
voor vele jongeren in bijzondere mate aantrekkelijk is: zij willen immers

-ocr page 991-

arts van het zieke dier zijn. Het beroc]3 van practicus heeft evenwel in
de laatste 30 jaren een grondige verandering ondergaan.
\\\\\'as het \\roeger voornamelijk de consultatieve praktijk, het behandelen
en genezen (soms) van de patiënt, die al zijn aandacht opeiste: heden ten
dage zijn de werkzaamheden van de ]3racticus meer geconcentreerd op
de ])re\\entic \\ an dierziekten, die \\ an grote economische betekenis is ge-
worden. Daarbij komt nog, dat vele ziekten \\an dieren ook voor de mens
lang niet onge\\aarlijk zijn. waarbij men spreekt \\an de z.g. zoönosen en
anthro])ozoönosen.

Daarbij speelt de dierenarts een rol len bate \\-an de volksgezondheid en
bet wil mij voorkomen, dat juist met hel oog hierop het contact tussen
artsen en dierenartsen zeker
nos; zou moeten worden versteviafcl en ik
meende deze gelegenheid te moeten aangrijpen hierop nog eens met
nadruk le wijzen.

Bij het waarnemen \\an een bepaalde ziekte, die ook ge\\aarlijk is \\oor
diegenen, die met zieke dieren in aanraking komen, rust
ojj de practicus
de |)lichi niet alleen de eigenaar, maar ook de huisarts o]j dit gevaar te
wijzen en omgekeerd zou dezelfde gedragslijn kunnen worden gevolgd,
zonder m.i. afbreuk le doen aan bet ,,beroe[)sgcheim" van dc arts.
Gelukkig is ten bate \\an de algemene gezonclbeidszorg der be\\olking dit
contact „op boog niveau" reeds gerealiseerd en is er al een nuttige
samenwerking lol stand gekomen. Ook bepaalde \\erenigingen verrich.ten
ten deze opbouwend weik.

Dc z.g. georganiseerde dicrziektcbesirijding onder de bekwame leiding, zo-
wel \\ an de \\\'eearisenijkundige Dienst, als \\ an de pro\\ inciale Gezondheids-
diensten \\-oor Dieren, en. voorzover het pluinnee betreft, de landelijke
Ckvondhcidsdiensl voor Pluini\\-cc, \\ergt veel van de lijd \\ an de ]3raclicus
en toch moet hel van grote betekenis worden geacht, dal deze bij bedoelde
werkzaamheden volledig is ingeschakeld, daar de ])racticus in de strijd
tegen besmettelijke ziekte bij dieren in de frontlinie is ge|jlaatsl.
Dal daardoor vooral in de winter- en voorjaarsmaanden veel \\an hem
wordt gevergd, is nu eenmaal onontkoombaar, doch met \\oldoening kan
worden geconstateerd, dal de Nederlandse practicus te allen tijde bereid
is hard en langdurig le werken en er nimmer te\\ergeefs een beroep o]3
hem wordt gedaan.

Dat voor sommigen onder ons door die o])ceidu)ping van werkzaamheden
in bepaalde tijden van het jaar de praktijk minder aantrekkelijk is ge-
worden, is niet le vermijden, doch ik meen te mogen zeggen, dat het
overgrote deel deze, vaak moeilijke, taak met grote toewijding \\erricht,
In vele opzichten is de praktizerende dierenarts een bcvoorrecbl mens,
daar zijn arbeid meebrengt, dat hij dicht bij de natuiu- kan leven en de
wisseling der getijden mei innige bewondering kan gadeslaan,

In de moderne lijd van industrialisatie en daardoor opeenhoping \\\'an
mensenmassa\'s, waar het rimioer veelal hoogtij \\iert, is de jaraclicus, kan
hel althans zijn, een gebenedijde die dit rumoer kan ontvluchten en op zijn
stille omgang langs de boerderijen en in de ongecompliceerde omgang met
de veelal een\\ouclige boerenbevolking een rustig arbeids\\eld kan \\inden.
Natuurlijk zijn er wel eens moeilijkheden en teleiu-stellingen, doch geeft
het bevechten en overwinnen hier\\an in ons hart niet een gevoel \\an
dankbaarheid en voldoening?

-ocr page 992-

Zeker is liet niet zo, zoals een oud Duits studentenlied aanvangt:

Willst wissen du, mein lieber Christ
Wer das geplagtste Tier wohl ist?
Die Antwort lautet allgemein:
Das kann nur der Tierarzt sein.

Dat zijn avond- en nachtrust wel eens wordt verstoord en in het hoog-
seizoen soms vele malen, is nu eenmaal inherent aan het beroep en zal
door de goede ]3racUcus zeker niet als een last worden gevoeld.
Een aantal onzer voelt zich meer aangetrokken tot het gebied „Genees-
kunde van het kleine huisdier" en er zijn reeds heel wat dierenartsen,
vooral in de grotere bevolkingscentra, die zich hierin hebben gesi^eciali-
seerd.

Een ander gebied, waarop de dierenarts zijn diensten kan verlenen, is
de keming van voedingsmiddelen \\an dierlijke oorsprong, met name
melk. vlees, vleeswaren e.a. Op dit terrein waren in 1961 reeds 28,3 dieren-
artsen werkzaam, waarvan 167 in \\\'olambtelijk dienstverband.
Ik meen te mogen zeggen, dat ten bate van de volksgezondheid hiermede
nuttig werk, veelal in alle stilte, wordt verricht.

Aan het Hoger onderwijs in Nederland zijn 80 dierenartsen \\erbonden.
terwijl 36 dierenartsen bij de Veterinaire Ins])eclie van de \\\'olksgezond-
heid en het Veeartsenijkundig Staatstoezicht zijn geplaatst.
Bij de diverse onder/oekingsinstituten, de gezondheidsdiensten, de \\ee-
voederindustrie, de farmaceutische ondernemingen, de centra van kunst-
matige inseminatie en bij particuliere instellingen en bedrijven vonden in
1961 ruim 180 dierenartsen htm arbeids\\eld, hetzij als wetenschapiJélijk
onderzoeker, hetzij als adviseur of beide, terwijl ook in het huitetdand
een aaiUal dierenartsen, die te „Utrecht" hun di])loma hebben behaald,
werkzaam zijn. Aan de laatstgenoemde collegae wil ik gaarne namens
U allen vanaf deze plaats een verre groet zenden.

Met reden kan dus worden gezegd, dat er \\oor dc jonge dierenartsen
heden ten dage vele mogelijkheden zijn om zich een bestaan op te
bouwen.

Wel moet ons hicibij steeds \\oor ogen staan, dat het beroe]3 van dieren-
arts een sterke samenhang heeft met de algemene welvaart, met name in
de sectoren landbouw en veeteelt. Daarom zal de toename \\ an dier-
gencfskundige studetUcn,
procentueel bij de enorme aantallen studeiUen,
die in de toekomstige jaren de Universiteiten zullen bevolken, ten achter
moeten blijxen. daar anders - om een handelsterm te gebniiken - dc markt
zou worden ontwricht.

Door de \\rij talrijke, hieiboNcn genoemde, mogelijkheden \\an het dier-
geneeskundig beroep, is het niet te verwonderen, dat een aantal jonge
vrouwen zich o]3 dc diergeneesktmdige studie gingen werpen, zodat het
corps dierenartsen in Nederland op een totaal van 1487, reeds 4,0 vrouwe-
lijke collega\'s telt. De eerste, die de grote stap waagde, was mej.
Jeanette Voet (thans Me\\-rouw Dr. Donker-\\\'oet) die na een
vlotte studie in 1930 werd gebrevetteerd, hetgeen, als wij eerlijk zijn, door
ons in die tijd met een zekere verwondering werd gadegeslagen. Zij
heeft echter met taaie volharding doorgezet en ware ,,vrouweruTioed"
getoond. Deze pionierster had echter reeds een voorgangster, daar oj)

-ocr page 993-

1 augustus 1897 Marie Kapczewitch tc Parijs reeds het dierenarts-diploma
\\er\\vierf.

(^ok Eros heeft blijkbaar aan de Faculteit zijn dartel spel gespeeld, daar
er thans reeds 12 echt]Jaren-dierenartsen zijn.

Komen wij nu tot de Maatschapi)ij voor Diergeneeskunde in haar huidige
vorm.

De Maatschai)])ij \\oor Diergeneeskunde wordt bestuurd door een fioofd-
bestuur van 5 leden, welk college in haar taak wordt bijgestaan door een
.Algemeen Bestuur, bestaande uit \\-ertegenwoordigcrs van de 10 pro\\ inciale
afdelingen en afge\\aardigden van de 4 „Groepen", die de Maatschappij
rijk is, t.w. de Groep: Directeuren \\-an Meeskeuringsdiensten, de Groep:
Kunstmatige Inseminatie en Zoötechniek, de Groe]j: Pluimveewetenschap
en de Groep: Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

Een brede grondslag van samenwerking is hierdoor gelegd, daar via het
Algemeen Bestiun- de gewestelijke afdelingen en de groepen steeds ouUrent
de problemen en de acti\\ iteiten van hun eigen organisatie zijn geïnfor-
meerd, hetgeen de belangstelling en de kritiek van de leden kan stimuleren.
\\\'oor het regelen van de collegiale verhoudingen en het hoog houden
\\\'an de ethiek \\ an het beroep is een Ereraad ingesteld, die haar delicate
taak, geheel onafhankelijk van de besturende organen der Maatscha])|nj,
\\erricht. Haai\' uits])raken moeten het stempel dra.gen van strikte onpar-
tijdigheid en zij zal steeds dienen te bedenken, dat iedere daad \\an ge-
rechtigheid verweven moet zijn met een innig doorleefd gevoel \\an barm-
hartigheid. De code zij haar hierbij lot richt.snocr.

Het Tijd.schrifl \\ oor Diergeneeskunde, dal om de veei tien dagen veischijnl,
voldoet naar mijn overtuiging aan ho.ge wctetischa]3])elijke eisen.
Ook op sociaal gebied heeft de Maatschappij voor Diergeneeskunde ecu
])licht op zich genomen door het stichten van een Ondeisleuningsfonds.
waaruit in voorkomende gevallen weduwen en wezen van o\\erledcn
collegae kunnen worden geholpen.

Het karakter van onze Maatschappij is zuiver privaalrecluelijk en een
ieder wordt \\rijgelaten zich al of niet aan te sluiten. Dat niette.genslaande
dit feit 98% van cle actief-dienende dierenartsen lid is \\an onze organisatie
is een xcrheugeud feil.

.\'\\an de diergeneeskundige studenten hier aanwezig, die onder zo geheel
andere omstandigheden studeren als wij van de oudere geneiatie, levende
in een wereld vol problemen en dreigingen, die vooi- U misschien wel eens
hel uitzicht benemen op een zonnige toekomst, zou ik willen zeggen:
Tracht voor U een ideaal te vinden, dat Uw levenshouding kan bepalen,
waaiuit en waar\\oor gij kimt leven en ik wil U gaarne op deze her-
denkingsdag hel gedicht meegeven \\an dc jonge negerdichler Langston
1 lughes.

IVe have to morrow
bright before us
like a flame.

Yesterday, a night-gone thing
A sun-down name
and dawn to-day

broad arch above the road we came
we march.

-ocr page 994-

Moge de hoopvolle gedachte, in dit gedieht zo schoon uitgeheeld, U op
Uw verdere levensweg bezielen!

Mijn betoog zou niet volledig zijn, als niet een schuchtere blik zou worden
geworpen op de toekomst van ons beroep en de Maatschapjiij \\-oor
Diergeneesktmde,

Voorojj dient te worden gesteld, dat de \\ rijmocdigheid van de C\'haldeewse
sterrcwichelaars uit het Romeinse Keizerrijk mij geheel vreemd is. Doch
terecht merkt Lloyd VVarner in zijn bock „American Life" op:

„De zin van het leven van cen mens moet mede zijn dromen \\oor
morgen omvatten, want deze geven in het heden richting aan zijn
dagelijks gedrag".

Zo zullen wij ons ojj clat morgen dienen tc bezinnen.

Reeds werd opgemerkt, clat ons beroep ten nauwste is \\erbonden met
de algetnene economie en wel in de eerste plaats met dc ontwikkeling
van de landbouw en de veeteelt in de komende jaren.
Het pact van Rome zal de E.E.G.-landen nauw; r aan elkander smeden
en welke gc\\-olgen dit zal hebben \\oor onze nationale economie is nauwe-
lijks te voorspellen. Wel is het zeker, dat wij zullen moeten leren denken
in ruimer \\-erband, omdat de grenzen der zes landen zidlen vervagen
en met name het goederen- en dienstenverkeer zich in \\\'rijere banen
zullen gaan bewegen.

De mogelijkheid is leëel aanwezig, dat de pre\\entieve dierziektebestrijcling,
ook in verband daarmede, bredere terreinen zal gaan bestrijken, hoewel
de behandeling \\an het zieke dier, \\\'ooral door de grotere mogelijkheden
van chiriugische ingre]jen en dank zij steeds doeltreffender en waarde-
\\ollcr geneesmiddelen, haar giote betekenis zal behouden.
In de ])hum\\eesector en ook op het gebied \\an de \\leesprocluktie zijn
ontwikkelingen aan de gang, die het totaal beeld \\an de tegenwoordige
s\'ceteclt- en pluimveebedrij\\en zeker zullen \\crvornien.
Nieuwe ziekten zullen mogelijkerwijze hiervan het ge\\olg zijn. daar door
cen dichtere bezetting \\-an dc bcdrij\\ cn de factoren \\ oeding, \\\'er])leg!ng
cn huisxesting - en mogelijk ook nieuwe infectieziekten - cen steeds grotere
rol gaan spelen. De dicrgenecskimdigc wetenschap zal zich meer en meer
in die vraagstukken moeten \\erdiepen.

Ook O]) het terrein van de ketning en controle op de voedingsmiddelen
\\an dierlijke oorsprong doemen nieuwe ]5roblemen o]) in x\'crband met
mogelijke radio-actieve besmetting (..fall oiu\'"! xan melk-, \\ lees- cn an-
dere produkten. Immers door het in de atmosfeer be]jroeven van atoom-
wai);"nen worden gevaren opgcroc]jen. die misschien nu nog niet dreigend
zijn, doch het zouden kimnen worden. Boxendien zou cr met cen kern-
reactor iets mis kunnen gaan en dan worden wij er direct mede ge-
confronteerd.

De distributie van vers vlees is bezig geheel nieuwe wegen in te slaan;
n.1. het verkopen \\an z.g. voorverpakt \\lees en het meer en meer op de
x\'oorgrond treden \\-an supermarkets. Hiei\'aan zal de vleeskeuringsambte-
naar zich moeten aan]jassen, zij het ook. dat zijn taak hiermede niet
weinig wordt \\erzwaard: de hygiënische controle zal bijzonder moeilijk
worden. Het bacteriologisch en bet histologisch onderzoek van \\ leeswaren
zidlen meer en meer in de belangstelling komen te staan.

-ocr page 995-

Door de o]3somming \\an slechts enige aspecten \\an ons beroep, zal het
U duidelijk zijn, dat ook in de diergeneeskunde zich een specialisme aan
het ontwikkelen is. daar \\an geen enkele dierenarts kan worden verwacht,
dat hij het gehele terrein \\-an zijn wetenschap kan o\\erzien.
Wel moet worden opgemerkt, dat tegen een te \\\'cr doorgevoerde speciali-
satie steeds meer en meer stemmen o])gaan.

Op het Nederlands Natuur- en Geneeskundig congres in 1961 te .\\nisterdam
gehouden, merkte één der inleiders (Prof. D r. Boe rem a) o]5:

„Zo gespecialiseerd zijn de meeste wetenschappelijke werkers anno
1961. dat zij bijna nog uitsliutend op dc hoogte kunnen zijn \\-an het
werk \\an htm medespecialisten in dezelfde tak \\ an onderzoek. Wat
cr in de wetenscha]jpelijke wereld gebeiut, is hun in het gimstigste
ge\\al oi3per\\lakkig bekend.

Zo gebrekkig is tegenwoordig de „universeel wetenschap]3elijke"\'
kennis \\ an de modern opgeleide specialist, dat hij dikwijls niet eens
meer het gehele terrein van zijn eigen wetenscha]) kan overzien.
Hij zal dan ook nimmer in staat zijn na tc gaan. welke gevolgen
een nieuwe \\ inding of toepassing 0]3 zijn terrein \\\'00r de samenleving
kan hebben".

M.a.w., de overweldigende voorintgang lieeft ook haar steeds zwarter
wordende schaduwzijden. Minister C^als en Prof. Polak bedienden zich
indertijd van een een\\oudigcr fornudcring: een s])ecialist is iemand, die
sleetls meer weet \\ an steeds minder.

In hoeserre \\ oor de Facidteit en dc Maatschappij \\oor Diergeneeskunde
\\()or het specialisme op ons gebied een taak zal zijn we.ggelegd, zal in de
naaste toekomst moeten blijken, doch wel ben ik \\ an mening, dat wij dit
vraa.gstuk, gezien de aard \\an ons beroep, luichter zullen moeten be-
naderen.

Dames en Heren,

Alvorens deze rede te besluiten is het mij een behoefte nog enige woorden
te wijden aan U, vrouwen \\an de Nederlandse dierenartsen.
Zowel in het verleden, als in het heden, hebt gij zonder \\ecl ophef Uw
Noldoening gevonden om als toegewijde steun \\an Uw echtgenoten werk-
zaam te zijn. In wel uitzonderlijke mate is dit het ge\\al bij U, vrouwen
\\an de praktizerende dierenartsen.

Gebt>nden aan Uw huis en Uw gezin hebt .gij steeds .getoond beieitl te
zijn de taak \\an Uw man in de apotheek, in het ontvangen en te woord
staan van cliënten en - niet tc vergeten - bij de vele administraticxe beslom-
meringen heden ten dage aan het beroep vetbonden, te verlichten en
daarnaast wordt \\\'an U verwacht, dat gij in Uw huis een intieme sfeer
\\an liefde en harmonie zidt scheppen.

VVant daardoor alléén kan het eigen huis een weldadig rustpunt zijn in
het leven van Uw, misschien wel eens rusteloze, echt,genoot en Uw kin-
deren, die toch altijd in de eerste plaats hun steim en tocxerlaat zoeken
bij de moeder \\an het gezin.

Meent U echter niet, dat het onze bedoeling is het oditnn \\\'an „huissla\\in""
o[) U te laden, want \\elen Uwer slagen er in om daarenbo\\ en op maat-
schappelijk gebied no.g hartverwarmende acti\\iteiten te ontplooien.

-ocr page 996-

Daarom wil ik gaarne mijn nederige hulde aan Uw voeten leggen cn mij
daarbij, aanjjassend aan de woorden \\an een befaamd redenaar uit hel
\\crlcden, U de \\ erzekering ge\\en, dat gij mij lic\\er zijl dan „Miss Heelal".

Het terrein van de werkzaamheden van de dierenarts in het maatschap-
pelijk bestel is voor velen in den lande ,,terra incognita".
AVij pretenderen ook niet, dat onze arbeid spectaculair is, doch wij willen
gaarne ons beroep hoog houden en daarnaast, ook in sociaal opzicht, in
de Nederlandse samenleving als getrouwe staatsburgers leven.
De dichter Goethe laat in zijn „Wilhelm Meister" steeds maar weer het
adagium doorklinken:

„Daar waar Uw ga\\e is, daar is Uw taak".
Hiervan zij de Nederlandse dierenarts zich steeds bewust en bij beijverv
zich deze taak in nauwgezette ]3lichtsbetrachling, in een\\oud en in volle
overgave, tc vervullen, gedachtig aan de schone spreuk \\an de Faculteit
der Diergeneeskrtnde:

Hominum animaliumque saluti
Tot heil van mens en dier!

Ik dank U ten zeerste voor Uw aandacht.

-ocr page 997-

TOESPRAAK

uitgesproken door

Z.E. de Minister van Landbouw

Mr. G. M. M.ARIJNEX,

op 12 september 1962 in de Domkerk te Utrecht.

Mijnheer de Voorzitter,

Mijnheer de Commissaris van de Koninain,

Mijnheer dc Burgemeester,

Dames en Heren,

Het is mij een grote eer en genoegen in deze jjleclitige zitting \\ an de Maat-
sciiappij een kort woord te mogen spreken; in het bijzonder om Uw Maat-
schajjpij gehik te wensen met haar 100-jarig bestaan en om tot iiitdrukking
te brengen de erkentelijkheid \\\'an de Regeling \\oor hetgeen de Maat-
schappij heeft betekend \\oor de dierenartsen, voor de \\erschillende econo-
mische sectoren in ons \\aderlancl en voor de \\olksgezondheid cn \\oor wat
zij heeft getlaan in het belang van het gehele nederiandse volk.
U hebt in Uw magistrale rede enige jaartallen genoemd. U sta mij toe, dat
ik nog eventjes teruggrijp in de geschiedenis ook van
vóór 1862. Ik heb,
wat bladerend en .gedeeltelijk lezend, in het boi-k van Prof. Westcr: „De
Geschiedenis der Veeartsenijkunde" gelezen, dat in het jaar 1848 - U hebt
er zelf al op gedoeld, mijnheer cle Voorzitter - - reeds pogingen zijn gedaan
om tot een o\\erkoepeling te komen \\an de toen reeds bestaande provinciale
\\ereni,gingen. Er werd toen o]3gericht een Centraal Veeart.senijkundig (ie-
uootscha|3. Het doel \\an dit Genootscha]) wordt in een statuut ak vol:.;t
omschreven: ,.Het wetenschappelijke der veeartsenijkunde uit tc breiden
en toe te passen tot het behoud van de veestapel en de x-ooruitgan^- van de
landbouw".

Mijnheer de Voorzitter, als ik thans woorden \\\'an grote eikenlclijkhi\'id
namens cle Regering uitspreek, dan moet ik zeg.gen, da\' in 18ï8 de situatie
toch wel wat anders was. U hebt er zelf op gewezen, I
k\'c het tot stand komen
\\an de Maatscha])pij en de genootschap])en. clie hieraan vooral gingen, zo
moeilijk is geweest door ook innerlijke xerdeeldheicl.

Maar die moeilijkheden zijn destijds stellig ook vergroot door het standpunt,
dat de Regering toen tegenover dit nieuwe Ge\'iootschap — liet Centraal
Veeartsenijkundig Genootschap -— innam. Ik lees namelijk, dat op een
\\erzoek van het Genootschap aan de Regerintr t.m ook als zodanig te wor-
den erkend, cle Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken afwijzend
hebben beschikt. Het is intere.ssant nog eens de tekst \\an die afwijzende
beschikking te lezen, die als volgt luidt:

„De Ministers van lustili/-. en Binnenlandse Zaken geven naar aanleiding
van een Koninklijke Beschikking van 16 juni 1849 te kennen, dat ver-
mits de daarstelling van een Centraal l\'eeartsenijkundig Genootschap,
zoals dit in het Ri gif ment is omschreven, niet zeer doelmatig, noch in
het belang dei veeartsen en van de veeartsenijkundige praktijk is, er van
Regeringswege geen termen bestaan om door een erkenning een be-
paalde goedkeuring daaraan uit te drukken."

-ocr page 998-

Mijnheer de J\'oorzitter,

Ik dacht met dit korte, uit liistorisch oogpunt misschien kleine, incident
toch even cen illustratie te kunnen geven \\ an de ontwikkeling \\an het den-
ken en van de ontwikkeling van Uw Maatschappij sindsdien tot de positie
waarin zij zich thans be\\ indt. In onze ogen immers is het zo, dat de doel-
stelling \\an dat genootschap destijds een bijzonder loffelijke was. De Re-
gering was toen e\\-enwel \\-an oordeel, dat een dergelijk Genootscha]5 met
een wetenschap])elijke doelstelling niet in het belang was van de \\eeartsen
en de \\eeartsenijkundige ]3raktijk. Het is thans — en in de loop der jaren
is dit steeds sterker gegroeid — één \\-an de belangrijkste doelstellingen van
de Maatschappij, zoals U dit in Uw rede zo uitdrukkelijk hebt onderstreept,
die wetenschap zoveel mogelijk tc dienen en te be\\orderen.
Daarnaast is Uw Maatschap[3ij actief geweest en is zij nog steeds actief op
al die terreinen, die zo zéér de belangen \\-an de Nederlandse veehouders,
de Nederlandse landbouw, raken.

Ik moge even kort rcle\\cren, hoe in de loop der jaren initiatieven zijn uit-
gegaan \\ an Uw Maatschap])ij, hoe commissies uit Uw midden \\ raagstukken
als de entingen tegen bout\\-uur. de kalfziekte, de bestrijding \\an \\-arkens-
ziekten. hebben bestudeerd, terwijl aan de \\lceskeuring e\\enzeer aandacht
is besteed. Voorts mag ik, in na\\-olging \\an hetgeen U zelf reeds hebt ge-
zegd, met bijzonder veel \\oldoening wijzen op de zo belangrijke t,b,c,-
bestrijding en o]) al hetgeen aan initiatieven door Uw Maatschappij ten
deze in de loop van de tijd is ontwikkeld,

U hebt — zoals U het zelf uitdrukt - cen schuchtere blik in de tockom,st
geworpen, maar U hebt dat gedaan op ccn wijze, die toch juist zo duidelijk
aangeeft met welke [)roblemcn U in de komende jaren te maken zult krij-
gen, Ik moge er in dit \\erband wei o]) wijzen \\-an hóe grote betekenis -
ook sociaal-economisch - het is, dat wij in Ncdcriand dierenartsen hebben
en een beoefening van dc veeartsenijkunde 0]3 cen niveau, dal ook de inter-
nationale toetssteen kan \\crdragen. Ook in de internationale \\erhoudingen
is het van zo bijzonder belang, dat wij hier \\cterinaircn hebben mcl cen
naam in het buitenland cn dat zekerheden kunnen worden gegeven met
betrekking tot onze uilNocrprodukten, Dit is, mijnheer dc Voorzitter, -
en ik weet dit uil de praktijk maar al tc zeer \\an eminente betekenis,
Ricblen wij onze blik op dc toekomst, dan moeten wij \\oor ogen houden,
dal dc inteinalionalc xerboudingcn samenwerking ook
ojd het gebied \\an
de dierziektenbestrijding — in toenemende mate nodig zullen maken en wij
zullen dan wederom een dringend beroep op dc Nederlandse vcterinairen
doen om ook bierbij krachtig steun le verlenen.

Mijnheer de l\'oorzitter. Dames en Heren,

Ik moge de Voorzitter, hel Bestuur en alle leden \\an dc Maatscha]3pij voor
Diergeneeskunde nogmaals mijn grote erkentelijkheid betuigen \\oor het-
geen in het \\ erlcden werd gedaan cn uiting ge\\en aan mijn groot vertrouwen
in hetgeen Uwerzijds in de toekomst zal worden gedaan. Ik moge hier - -
cn als eerste — mijn hartelijke gelukwensen uits])rcken met hel predikaat
,,Koninklijke", dal door H.M, de Koningin aan de Maatschajjpij is ver-
leend, Ik wens U daar \\an harte geluk mede en ik zou willen zeggen:
..Noblesse oblige".

Ik ben er zeker \\-an, dal dc Maatschappij ook in dc toekomst haar plichten
zal kennen.

-ocr page 999-

De plaats van de diergeneeskunde in de medisch-
biologische wetenschappen 1l

The position of veterinary rnedecine in the medical-
biological sciences.

door J. D. VERLINDE2)

De eer om ter gelegenheid van het Eeuwfeest van de Koninklijke Maat-
schappij \\oor Diergeneeskunde een inleiding te mogen houden over be-
paalde wctenschap]3elijke aspecten \\an de diergeneeskunde wilde ik mij
niet gaarne laten ontdaan.

Bij de \\oorberciding was ik mij er echter wel \\an bewust dat hij, die aan
/idk een verxoek van het Ecuwfecstcomité gevolg geeft en ernaar wil stre-
ven een zo volledig mogelijk overzicht te geven, een onmenselijke taak op
zijn schouders neenU. Hij moet zo sterk zijn als een leeuw om de des-
betreffende literatiuu- te kunnen torsen, cen adelaarsblik heiihen om deze
te kunnen oxerzien, de snelheid \\an een renjjaard bezitten om deze binnen
de gestelde tijd door te werken, de vasthoudendheid \\an een foxtcrrier
om dit te kunnen volhouden, dc ogen van een kat voor het daaraan ver-
bonden nachtwerk, de gelateidieid van een schaap om niet in ojjstand te
komen tegen hen die hem deze taak hebben toebedacht, de onverschillig-
heid van een \\-arken om alles aan te pakken wat hem onder ogen konit,
om dan als een kip zonder kop in de litcratuuroceaan te duiken en daar
to zijner tijd zo moe als een hond weer uit to kruipen. Hij kan echter ook
met de listigheid van een slang trachten de grootste moeilijkheden to om-
zeilen en zijn werk tot een in zijn ogen althans, nog juist aanvaardbaar
inininuun beperken. Deed hij dit niet, dan zou men hem de.sgowenst een
ezel kunnen noemen.

Uit deze, niet zozeer in diergeneeskundige als wol in dierlijke tormen ge-
stelde verontschuldiging voor mijn tekortkomingen zult l\' kunnen afleiden
dat ik de weg van de minste weerstand heb gekozen. Wie verwacht mocht
hebben een verzamelreferaat over de diergeneeskundige wotenschai)s-
l)oocfening in de afgelopen 100 jaren te horen, zal zich \'teleurgesteld, wie
dit gevreesd mocht hebben zal zich opgelucht voolen.

Een onderwer]) als dit. door wie ook ingeleid, zal steeds vanuit een be-
paalde, met de sjjocialisatie of de persoonlijke belangstelling van de in-
leider samenhangendo. gezichtshoek aan de orde worden gesteld. Ik kan
mij althans niet voorstellen dat in dc tweede helft \\ an do\' 2üe eeuw nog
iemand gevonden kan worden die competent is om voldoende recht to
doen wedervaren aan alle wetenschappelijke aspecten \\an de diergenees-
kunde. Het zal U dan ook, mijn werkgebied in aanmerking nemende, niet
al te zeer verbazen dat ik. om mij niet te\\eol op terra incognita te be-
geven, gemeend heb mijn inleiding te moeten beperken tot do plaats van
de diergeneeskunde in de mediscli-biologischo wetenschap]5en.

1  Voordracht, uitgesproken op 13 september 1962 tijdens dc feestcliikc openbare
vergadering van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde in dc
Stadsschouwburg tc Utrecht, ter gelegenheid \\an dc viering van haar lOÜ-jarig
bestaan.

2  Prof. Dr. J. D, Vcrlinde, Hoogleraar in dc mcdischc microbiologie aan dc
Rijksuniversiteit te Leiden,

-ocr page 1000-

Ik ga daarbij uit van de gedachte dat de wetenscha|3pchjk gefundeerde
geneeskunde. \\an de mens zowel als van de dieren, berust op de kennis
\\ an de biologie en de pathologie met hun verschillende hulpwetenschappen.
Ons biologisch weten en denken is een ge\\olg van de innerlijke drang om
niet alleen tc\\reden te zijn met dc waarneming, maar ook om hetgeen
waargenomen wordt te begrij]5en. Daarom is er tut zui\\er biologisch-
wetenschappclijk oog]jimt geen wezenlijk verschil tussen het waarnemen
en trachten te begrijpen van de bouw en fimctics van de organen van dc
mens, het rund, de kikker, de regenworm en de amoebe en van ieder der
levende indi\\iduën in zijn totaliteit.

De biologische wetenschapsbeoefening krijgt een ander aspect wanneer zij
in de medische sfeer komt. VVcliswaar is ook hier zuiver wetenschappelijk
onderzoek onmisbaar, maar het zal vrijwel steeds worden verricht met een
praktische doelstelling. Zuivere en toegejiaste wetenscha]3 zijn op dit ter-
rein moeilijk van elkaar te onderscheiden. \\Vannecr een bioloog belang-
stelling heeft in, en een analyse verricht \\an, de s])ierfuncties van
PuU\'x
irritans,
dan zal hij dit wel uit zuiver weten.schappelijke overwegingen
doen. teir/.ij zijn opdrachtgever eigenaar is van een \\looientheatcr. Wan-
neer daarentegen, een arbeidsfysioloog onderzoekt welke de voorwaarden
zijn waaronder de mens in een bepaalde functie optimale arbeidsprestaties
kan leveren, dan zal hij dit doen met een praktische doelstelling voor ogen.
E\\enzo zal de veterinaire voedin.gsfysioloog zijn onderzoekingen niet uit
zuiver wetenschappelijke o\\erwegingen \\-erricliten.

Nog duidelijker komt de accent\\erschui\\ing van de biologische naar de
medisch-biologische wetenschapsbeoefening naar \\orcn, wanneer naast de
morfologie en de fysiologie de pathomorfologie en de |)atholysiolo.gie in
het geding komen. VVij zijn dan o]) het terrein \\an de ziektekunde aan-
geland. \\Vel niemand zal \\octstoots willen aannemen dat het bestuderen
van ziekte, \\an de aetiologie en de pathogenesc af tot en met de therayjie
en de preventie, alleen maar geschiedt om uit zuiver wetenschappelijke
i)clangstelling het ziekte])roces te begrijpen.

De medisch-biologische wctenschap|)en zijn eeuwenlang eenzijdig op de
mens ingesteld geweest. Het heeft weliswaar niet ontbroken aan waar-
nemingen en onderzoekingen bij dieren, maar deze zijn. in \\ orige eeuwen
althans, zo niet uitsluitend dan toch voor het allergrootste deel dienstbaar
gemaakt aan de geneeskunde \\ an de mens. Dat dc mens uit welbegrepen
eigenbelang, het voornaamste doel \\ an de medisch-biologische wctcn-
schajjsbeocfening is en zal blijven, behoeft niet nader te worden toegelicht.
De diergeneeskimde zal er echter mede van profiteren. De mens leeft als
het ware in svmbiose met een aantal diersoorten die voor hem, in welk
o|)zicht dan ook. nuttig zijn en hij heeft het dan ook als zijn plicht leren
zien, om economische en morele redenen, maar ook uit direct eigenbelang,
een optimale geneeskundige verzorging van die dieren op te houwen. Dat
de emiMrie van \\i-oeger tijden, althans officieel. ver\\angen is door een
wetenschappelijk gefundeerde dietgeneeskunde. is een kemnerk van be-
schaving, ontwikkeling en verantwoordelijkheidsbesef.

De diergeneeskunde is als wetenschap jonger dan dc geneeskunde van de
mens. Het is daarom begrij]3elijk dat haar ontwikkeling in hoge mate is en
wordt gestimuleerd door de vorderingen \\-an laatstgenoemde. De getals-
verhouding tussen artsen en dierenartsen is hierop mede van invloed. Een

-ocr page 1001-

Ijclangrijk deel \\ an het diergeneeskimdig onderwijs en onder/ock, in Neder-
land zowel als daarbuiten, is in de beginperiode toevertrouwd geweest aan
artsen. Hoe men daar destijds ook o\\er mocht denkeu. wetenschappelijk
gevormde artsen \\\'oor dieren waren er toen nog niet en het was dus niet
onlogisch dat men zijn toe\\ lucht zocht tot artsen voor mensen, een. door
de nood gedwongen, illustratie van het verband tussen beide takken \\an
de geneeskunde. In de 100 jaren van het bestaan van de Koninklijke Maat-
schapijij \\oor Diergeneeskimde namen echter de dierenartsen in snel toe-
nemende mate actief deel aan het onderwijs en onderzoek en wisten zij ook
in Nederland een wetenschappelijk gefundeerde diergeneeskunde op te
bouwen. Vooral de klinische diergeneeskunde kreeg daardoor meer een
eigen karakter en bleef niet langer een cojjie \\ an cle humane geneeskunde
/onder meer. Toch dient niet uit het oog te worden \\ erloren dat de genees-
kunde van de mens en die \\ an de dieren nauw met elkaar \\erwant zijn en
dat de ontwikkeling van de een niet los kan woiden gezien \\ an de ander.
Hoe hoog de mens in geestelijk opzicht ook boven de dieren mag staan,
biologisch en medisch-biologisch gezien zijn de analogieën tussen de mens
en de gewervelde diereu, in het bijzonder de zoogdieren, evident. \\\'rijwel
i\'lk weefsel en orgaan van de een heeft zijn anatomisch en fysiologisch
analogon bij de ander. Het ligt voor de hand dat het ook zijn pathomorfo-
logisch en pathofysiologisch analogon zal hebben, met andere woorden
dat de ziektekunde en de geneeskunde van de mens en \\ an de zoogdieren
weinig of geen principiële verschillen zullen tonen. De opvatting dat er
slechts één ziektekunde en geneeskunde is. doch dat alleen de objecten
verschillend zijn is dan ook zeker niet van grond ontbloot. .Anderzijds
brengen be])aalde \\ erschillen. niet alleen tussen de mens en een willekeurige
dieisoort. maar ev enzeer tussen de diersoorten onderling, wat anatomische
bouw, fysiologische functie, reactievermogen en levenswijze betreft, met
zich mede dat er ook bepaalde \\\'erschillen zijn in ziektebeelden naar aard
cn frwiuentie. Op grond daar\\an is ook de o[)\\atting te verdedigen
dat er e\\\'enzovele ziektekunden en geneeskundeu zijn als er diersoorten be-
staan.

De plaats van de animale geneeskunde in dc medisch-biologische weten-
schapsbeoefening kan in wezen geen andere zijn dan die van humane ge-
neeskunde. Enerzijds zal die plaats bepaald worden door de eisen die de
geneeskunde \\-an één he])aald object stelt, anderzijds door de talrijke, voor
de geneeskunde van mens en dier gemeenschappelijke. \\ iaagstukken.
Vooral in de jaren na de tweede wereldoorlog, en niet het minst door de
^Vercldgezondheidsorganisatie, is de aandacht gevestigd o)) de belangrijke
plaats die de diergeneeskundige wetenschapsbeoefening zich heeft veroverd,
niet alleen ten behoe\\e \\ an de gezondheid van de dieren waarmee dc mens
in meer of minder nauw contact leeft — indirect dus mede in het belang
van de volksgezondheid — maar ook, door de bestrijding van dierziekten
tlie gevaar voor de mens kunnen opleveren en door de controle op voe-
dingsmiddelen van dierlijke oorsprong, in het directe belang van de volks-
gezondheid.

Vele jaren zijn beide laatstgenoemde specifiek veterinaire werkzaamheden
ten behoeve van de volksgezondheid \\iijwel geruisloos veiricht. Slechts
weinigen buiten de betrekkelijk kleine kring van deskundigen zullen zich
hebben gerealiseerd dat de eliminatie van het tuberculeuze rund als in-
fectiebron \\oor andere dieren en voor de mens een bijdrage aan de \\olks-

-ocr page 1002-

gezoncllieid is geweest door nagenoeg alle laboratorium-, praktizerende
en \\leeskcurings-dierenartsen. Het komt ook nauwelijks buiten deze kring
dat andere dierziekten die ge\\-aar \\oor de mens kunnen opleveren, zijn of
worden bestreden en dat \\oor de tbans nog niet of moeilijk te bestrijden
ziekten intensief sjx\'urwerk wordt verricht. Evenzo zullen slcchts betrek-
kelijk weinigen zich realiseren dat ongeveer Ti^/c van de Nederlandse
dierenartsen een volledige of gedeeltelijke dagtaak \\ inclt in dc bescherming
\\\'an dc bevolking tegen c\\entuele ziekten die dc mens van dc zijde van
bet geslachte dier kunnen bedreigen.

Er is dan ook internationaal een sterk toegenomen waardering \\oor de
betekenis van de diergeneeskundige wetenschapsbeoefening en -toepassing
\\oor de \\olksgezondbcid en de Wereldgezondheidsorganisatie rekent het
mede tot haar taak deze te bevorderen. Hierbij wordt niet alleen aandacht
geschonken aan de beide reeds genoemde terreinen: bestrijding \\an \\oor
de mens besmettelijke dierziekten en hygiëne \\an voedingsmiddelen \\an
dierlijke oorsprong, maar evenzeer aan andere \\oor de \\olksgezonclheid
belangrijke projecten, die deels betrekking hebben op dc leer en dc be-
strijding \\an infectieziekten in het algemeen en deels o]3 alle aspecten \\an
dc \\ergclijkendc ziektekunde en geneeskunde. \\\'oor al deze gebieden is de
naam ,,\\-etcrinary jjublic hcaltli" uitgedacht, die ik meen tc mogen vertalen
door ,,veterinaire volksgezondheidszorg". Er wordt mee bedoeld het werk-
gebied dat bestreken wordt door artsen en dierenartsen die zich bezig-
houden met dc gezondheid \\ an mens en dici\' cn bet verband daartussen,
met het doel de gezondheid \\an dc mens te bcscbcrmen en te bcxordcrcn.
Uitdrukkelijk merk ik op dat een desbetreffend l ajjport \\ an de acK iesgrocp
\\oor veterinaire v olksgezondheidszorg van de Wereldgezondheidsorganisatie
deze werkzaamheden niet he])crkt ziet tot toepassing, maar tevens dc na-
druk legt op dc noodzaak tot wetenschap]3clijk onderzoek.

Wanneer wij enkele van dc belangrijkste aspecten \\an bet niedisch-
biologiscb onderzoek in deze sector nader bezien, dan zij o]3gcnicrkt dat
het in dc ccistc plaats de leer der ])arasitaii\'c en infccticzickten is geweest,
die dc aandacht beeft gevestigd op het gcmeenschaijpclijkc gebied \\ an dc
humane en animale geneeskunde. Ondanks het Icit dat \\\'clc. in hoold/aak
bactcriële, ziekten thans met succes kunnen worden bestreden, heeft dit
gebied in dc internationale wctenscba])sbcocfcning nog steeds cen zekere
prioriteit, in het bijzonder ten behoeve van dc ontwikkclin.gslanden.
I )c infectieziekten, als uiting \\ an een reactie tussen ccn hogere vorm van
leven en microparasicten, kunnen, zoals een .\\merikaanse epidemioloog
het uitdrukt, beschouwd worden als het resultaat van cen continu evolutie-
proces, waarbij gcdiuende eeuwen van .gastheerwisseling en selectieve
ada])tatic ccn aantal microparasicten erin geslaagd is zich in hogere vonnen
van leven te handhaven en zich ten koste daarvan te veimcnigvuldigen.

\\\'crscheidcnc infectieziekten zijn, voor zover onze waarneming reikt, ge-
bonden aan één gastheer: de mens of een bepaalde diersoort.
Vele anderen
kunnen zich cchter, behalve in bun natuurlijke gastheer, ook ontwikkelen
in één of meer ncvengastheren en daarbij ziekte veroorzaken. Zo zijn er cen
"root aantal infectieziekten waarvan bekend is dat de verwekker een dier

O

als natuurlijke gastheer heeft, doch ook de mens kan besmetten. Indien
de besmetting van de mens met een bij gewervelde dieren voorkomende
microparasiet langs natuurlijke weg [slaats vindt, wordt zulk een ziekte

-ocr page 1003-

een zoönose genoenicl. Indien het vvaar is dat een micro]3arasiet zich ge-
leidelijk aan een nieiiwe gastheer kan aan]jassen -.......- de expcriinentelc v iro-
logie geeft inderdaad wel stenn aan deze opvatting - - dan is te verwachten
clat de thans reeds lange lijst van nagenoeg 100 zoönosen zich nog wel zal
uitbreiden.

.Alleen het feit dat een bepaalde ziekteverwekker bij de mens en bij een
dier voorkomt, stemijclt de ziekte nog niet tot een zoönose, al is dit wel
waarschijnlijk. De overbrenging langs natiiurlijke weg moet bewezen ol
tenminste hoogst aatmemelijk zijn. Vele zoönosen liebben clan ook in het
verleden langcim ig microbiologisch, serologisch en epidemiologisch onder-
zoek gevergd alvorens men tot een bepaald standpunt kon komen. Maar
ook in onze tijd vragen nog een aantal zoönosen en candidaat-zoönosen
ztdk spem werk. Ik denk in dit verband aan dc nog steeds niet o])gehelderde
vraagstukken inzake het verband tussen influenza van dc mens en van
bet varken en tussen toxoplasmosis van mens en dier, om nog maar niet
tc spreken van de verrassingen, die zich ten aanzien van het e]jiclemio-
logisch onderzoek iietreffende de nieuwere groepen van myxo-, acleno-,
reo- cn enterovirussen zouden kunnen voordoen,

In rapporten van adviesgroepen van de Wereldgezondheidsorganisatie stuit
men telkens op het woord ,,bestrijding" van zoönosen en andere infectie-
ziekten. Men geve hieraan geen verkeerde uitlegging. Ik behoef slechts te
wijzen op de moeilijkheden die de bestrijding van de als zoönosen reeds
klassieke groej) van de salmonellosen veroorzaken. Zij laten zich, zoals de
recente ervaring leert, niet gemakkelijk in een bcstrijdingskeurslijf dringen
en zij zijn de nachtmerries van de geneeskundige en veterinaire inspecties
van de volksgezondheid en van de vlecskeuringsclierenartsen.
.Niet voor alle infectieziekten is de wetenschappelijke basis voor de be-
strijding al voldoende i)rced; de diagnostiek en de bestiijdingsniiddelen,
y.o zij al beschikbaar zijn, zijn veelal voor verbetering vatbaar. Bestrijding
van zoönosen in de zin van eerder genoemde rapporten behoeft dan ook
geenszins te betekenen dat de weg daai toe al open voor ons ligt. Dit is
dan ook de reden waarom in deze ra])porten de aandacht wordt gevestigd
o]) het nog zo noodzakelijke, met de ziektebestrijding in onmiddellijk ver-
ijand staande, spem werk.

De centrale plaats die het laboratoriumonderzoek in de diagnostiek en de
bestrijding der infectieziekten inneemt is meer dan voldoende erkend. La-
boratoriunidiagnostick is niet alleen maar wetenschapstoc])assing. Er is een
bloeiend diagnostisch spem werk. clat vooral o]) het gebied der virusziekten
nog in volle ontwikkeling is. Ondanks de grote vlucht die de laboratorium-
diagnostiek, vooral ten aanzien van de bacteriële ziekten lu\'cft genomen,
is het aantal infectieuze ziekten bij mens en dier waarbij de diagnose aetio-
logisch niet wordt gesteld, nog veel tc groot. Het etiket „fcbris e causa
ignota", waarvan men zich hier en daar graag bedient, is even indruk-
wekkend als nietszeggend en zonder diagnostisch cn epidemiologisch speiu-
werk zal de ware aard van ztdkc Icbriclc, klinisch meestal weinig gediffe-
rentieerde zicktelieelden, in nevelen gehuld blijven. Niet ten onrcchte
wordt er telkens weer o]) gewezen dat geen methode beter geschikt is oni
inlichtingen te verkrijgen inzake de verbreiding van infecties dan regel-
matig epidemiologisch-bacteriologiscli, -virologisch en -serologisch onder-
zoek. Uitgevoerd in het kader van het wetenscha]5])elijk onderzock inzake
zoönosen kunnen deze inetlioden, zoals de ervaring herhaaldelijk heeft ge-

-ocr page 1004-

Icerd, ons op het spoor brengen \\an de in de dierenwereld aanwezige re-
servoirs \\an \\oor de mens pathogene microparasieten en wellicht inlich-
tingen verschaffen onUrent de wijze waarop de mens kan worden besmet.
Onder een natuiulijke o\\erbrenging van parasitaire en infectieuze dier-
ziekten moet niet uitsluitend een besmetting van de mens door het levende
dier worden verstaan. Het dode, geslachte, dici\' kan evengoed een besmet-
tingsbron zijn. De hygiëne van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
o]3 wier grote betekenis voor de \\olksgezondheid ik hier niet behoef in te
gaan, is dan ook nauw niet de kennis der zoönosen verbonden.

\\\'ervolgens zou ik Uw aandacht willen \\ ragen voor het punt dat de advies-
groep voor \\-etcrinaire volksgezondheidszorg samenvat onder de omschrij-
ving „alle as]3ccten van de vergelijkende ziektekunde en geneeskunde".
In zekere zin is dit een nieuw en \\ rijwel onbegrensd terrein. Tot voor kort
kwam het eroji neer dat de wetenschapsbeoefening in het gemeenschappe-
lijke gebied \\an de humane en de animale geneeskunde vrijwel beperkt
bleel tot de leer der zoönosen en daarmee samenhangende projecten. De
betekenis \\an verscheidene infectieziekten \\oor dc volksgezondheid is re-
latief kleiner en dc betekenis van bepaalde andere ziekten is relatief groter
geworden, Dc projecten ojj het gebied van de vergelijkende ziektekunde
en geneeskunde zijn nagenoeg even talrijk als cr ziekten of groeyjen \\an
verwante ziekten zijn. Door een aantal individuële onderzoekers is zeer wel
ingezien dat vergelijkende jDathologie en leer der zoönosen niet synoniem
zijn, V\'an de bijvoorbeeld in Nederland door dc Prof. I). cle Jong-
Sticliting tot dusver \\crleende subsidies voor onderzoek op het gebied \\ an
de \\ergelijkende jjathologie is ongeveer 40% bestemd geweest \\oor onder-
zoek betreffende infectieziekten, dc rest was \\crdeeld over onderwerjicn
behorende tot de fysiologie, farmacologie, endocrinologie, jxuhologische
anatomie. ncuro])athologie, oncologie, experimentele cytologie, inwendige
gcnceskiuKle en dermatologie. De subsidies werden toegekend aan een
ongeveer gelijk aantal artsen en dierenartsen. Hieruit zou men kunnen
afleiden dat de belangstelling voor de vergchjkende pathologie naar \\er-
houding bij dierenartsen groter is dan bij artsen. Wellicht is het een af-
s|)iegeling van de meer vergelijkend-pathologische instelling van de dieren-
arts, wiens belangstellig nu eenmaal op meer dan één object gericht moet
zijn.

Weliswaar wordt ten behoeve van de geneeskunde van de mens veel ex|)e-
rimentecl onderzoek bij dieren verricht, dat in zekere zin ook een verge-
lijkend karakter draagt. Toch is er \\erschil met het hier bedoelde verge-
lijkende onderzoek. Een ziekte van de mens die sjjontaan bij dieren voor-
komt, kan niet op één lijn worden gesteld met een experimenteel ojjgewektc
ziektetoestand van dezelfde aard. De eerste is realiteit, de tweede is daar
slechts een meer of minder geslaagde benadering van, die ten aanzien van
de eruit te trekken conclusies extra voorzichtigheid vergt,
\\\'ele ziekten \\an de mens zijn niet of moeilijk toegankelijk voor dier-
experimenteel onderzoek, maar verscheidene daarvan komen wel bij
dieren voor, hetzij in een identieke, hetzij in een min of meer gewijzigde
vorm.

Bij vele onderzoekers is dan ook de overtuiging gerijjit, dat zulke ziekten met
meer vrucht zullen kunnen worden bestudeerd wanneer ook dc dier-
pathologie in het onderzoek])roject wordt betrokken. I.)at hiervoor een

-ocr page 1005-

coö])eraticve instelling van de met elkaar samenwerkende artsen en dieren-
artsen. en voor beide een helder inzicht in de problematiek noodzakelijk is,
zal wel niemand betwisten. Een belangwekkend initiatief in deze richting
is reeds \\erscheidene jaren geleden in Z.witserland genomen, waar aan de
imiversiteit \\an Bern een werkgroep zich bezighoudt met de studie van de
\\ergelijkende neurologie en nemopathologie, een initiatief dat in andere
s[)ecialisnien navolging verdient. Inmiddels houden de recente plannen
\\an de Wereldgezondheidsorganisatie ten aanzien van de stinuilering en
intensivering van wetenschappelijk-geneeskundig onderzoek in, dat aan de
diergeneeskundige wetenschapsbeoefening ten behoeve van de volksgezond-
heid een \\eel ruimere plaats wordt toegekend dan wercl ingenomen door
de (jrojecten op het gebied der zoönosen en der hygiëne van voedings-
middelen van dierlijke oorsprong alleen. Van de ziekten wier betekenis
\\oor de volksgezondheid in relatieve zin, d.w.z. ten opzichte van de in-
fectieziekten, is toegenomen en waarvoor vergelijkend-jjathologisch onder-
zoek onmisbaar wordt geacht, worden in de eerste ])laats de \\\'erschillende
vormen \\an kanker alsmede hart- en \\aatziekten genoemd.

Zonder de betekenis van de chemische en fysische carcinogenese te mis-
kennen, duiden de klassieke onderzoekingen \\an Rons inzake sarcoom
bij de kip en de modeine elektionemnicroscopische waarnemingen en
kweekresultateu van sonuuige tumoren en leukemieën bij dieren meer en
meer o]) de actieve medewerking \\an virussen bij de ontwikkeling van
maligne gezwellen. Mensetumoren zijn, mogelijk vanwege cle strenge gast-
heerspecificiteit van de e\\entueel \\-oor hun ontstaan mede aansprakelijke
virussen, nauwelijks of niet toegankelijk \\oor dierexperimenteel onder-
zoek. Het is dan ook zonder meer duidelijk dat de bestudering van tu-
moren hij dieren niet gemist kan worden. In beginsel staan hier\\oor twee
wegen o
]5en. die beide zullen dienen te worden gevolgd: het onderzoek van
e.\\[)erinienteel met carcinogene stoffen eu\'of oncogene \\-irussen opgewekte
tiuuoren bij kleine ])roefdieren, en het vergelijkend onderzoek van spon-
taan bij dieren voorkomende gezwellen.

Wat de spontane tiunoren bij dieren betreft, is er een grote verscheiden-
heid van fre(inentie en lokalisatie. Freciuentieverschillen zouden wellicht
ten dele kuinien woiden verklaard door het feit dat vele huisdieren, in het
bijzonder de landbouwhuisdieren, gewoonlijk niet hun natiuulijke dood
sterven, maar gedood worden o]3 een leeftijd waaro]) de frequentie van
tiuuoren nog ver van haar maximtun verwijderd is. Bij de hond ligt dit
wel anders en deze diersoort lijkt dan ook wel geschikt voor verge-
lijkend tumoronderzoek. I)e specialist voor kleine huisdieren zou op dit
gebied wellicht met vrucht met kankercentra kunnen samenwerken. Ik
meen dat het diergeneeskundig onderzoek inzake de leer der gezwellen
eeu bij uitstek vergelijkend-])athologisch karakter draagt en in betekenis
niet onder behoeft te doen voor het reeds klassiek geworden onderzoek
der zoönosen.

Ik behandelde tot nu toe enkele aspecten van de vergelijkende ziekte-
kimde. In verband met de eerder genoemde doelstelling van medisch-
biologisch onderzoek moet ik ook enkele asjjecten van de vergelijkende
geneeskunde in engere zin, curatieve zowel als preventieve, de re\\ ue laten
passeren. Dit betreft onderwerpen die onder meer betrekking hebben op
wetenschappelijk onderzoek inzake de bereiding, controle en stanclaardi-

-ocr page 1006-

satie van biologische jjrodukten zoals sera, vaccins, biologische diagnoslica,
orgaan- en hornioonpreparaten, van antibiotica, chcniotherapeutica en an-
dere geneesmiddelen.

Ofschoon zij voor toe])assing in de geneeskunde \\ an mens en dier alle van
nagenoeg e\\\'en groot belang zijn, zij erop gewezen dat in het kader \\\'an
de bestrijding der infectieziekten de ontwikkeling \\an virus\\\'accins bijzon-
dere aandacht vraagt. Eén van dc grote \\raagstukken daarbij is het feit
dat weefsels, hetzij in \\ivo. hetzij gekweekt in \\itro, beide uitgangspunten
\\oor de bereiding \\an \\irusvaccins, latent met andere dan \\\'oor het vaccin
benodigde virussen besmet kunnen zijn, een probleem dat belangrijker en
uitgebreider wordt naarmate de neiging tot de ontwikkeling \\-an levende
virusvaccins toeneemt.

Het is overigens, de grote antigcne \\\'ariabiliteit van \\erscheidene virussen
in aanmerking genomen, de \\raag, of men bet uiteindelijke doel: de be-
strijding en zo mogelijk de uitroeiing, van een aantal virusziekten met be-
hulp \\ an vaccins wel zal kunnen verwezenlijken, dan wel of men deze meer
zal moeten zoeken in een nict-spccificke richting, bijvoorbeeld in cen zo-
danige beïnvloeding \\ an de celstofwisseling dat dc \\ irussynthese niet meer
mogelijk is. En zit niet ieder klinicus, arts of dierenarts, te wachten o]j
effectieve geneesmiddelen tegen virusziekten, tumoren en andere ziekten?
In dit \\erband noem ik terloojjs, en zonder mij aan enige voorsjjclling te
wagen, de uiterst boeiende vraagstukken betreffende dc vorming en dc
werking \\an intcrfcronen, stoffen die onder inx loed \\an \\irusinfcctics in
levende weefsels kunnen ontstaan en die. wellicht door een niet-specifieke
beïnvloeding van de cclstofwisscling de imracellulairc \\irussynthcse kun-
nen remmen. En bet zou niet onmogelijk zijn dat de even belangwek-
kende, als in zijn mcchanismc nog niet begrejjen, oncolytische werking \\ an
bepaalde \\iiussen, waardoor tumoren tot regressie kuimen worden ge-
bracht, in hetzclfilc vlak ligt.

Ik hoo]) dat U uit dit, zij het fragmentarische en tamelijk eenzijdige be-
toog. de indruk zult hebben gekregen dat de ])roblcmatick \\an dc ziekte-
kunde en geneeskunde \\an dc infectieziekten, de tiuuoren. de cardio\\ascu-
lairc aandoeningen en, niutatis niutandis, van talrijke andere ziekten die
bij dieren voorkomen en die voor dc menselijke pathologie van belang zijn,
een uitgebreid, deels zelfs nog betrekkelijk weinig ontgomien en veel sjjc-
cialistische studie \\ergcnd terrein \\ an de mcdiscb-biologiscbc wetenschaps-
beoefening is. waarin dc tlicrgcnceskunde een naar verhouding ruime ]jlaats
kan innemen.

■Mogelijk zal zicb nu de \\ raag ojxlringen, of de dicrgcneeskimde daarin \\ol-
doende is geïntegreerd. Ik meen deze \\raag thans nog len dele in ont-
keniu-nde zin te moeten beantwoorden, doch meen levens tc kuimen con-
stateren dal zulk cen integratie in \\erscbillendc medische centra tol ont-
wikkeling komt. Dat het universitaire onderwijs op dit gebied mede een
taak heeft, is wel haast \\anzelfsi)rekend.

Ik vermeldde reeds dat hel diergeneeskimdig onderwijs in den beginne min
of meer cen kopie is geweest \\ an het genecskimdig ondeiwijs, maar dat het
op den duur een eigen, aan de ]iraktijk aangepast, karakter heeft ge-
kregen, Ik heb tegen het eigen karakter van het onderwijs in beide takken
van de geneeskimde niet het minste bezwaar en voor zo\\er het hel kli-
nische onderwijs betreft kan het zelfs niet anders. Hel moet er echter niet

-ocr page 1007-

toe leiden dat deze twee, uit dezelfde stam ontsproten takken bij htm ver-
dere ontwikkeling een zodanige divergentie tonen dat men zich nauwelijks
meer van hun gemeenschappelijke oorsjnong bewust is. In zekere zin zijn
de hinnane en de animale geneeskunde min of meer \\ervreemd \\ an elkaar
geraakt, en het is niet alleen in lekekringen dat men het soms meent te
moeten doen voorkomen alsof het twee volslagen verschillende begiippen
zijn. lOe feitelijke toestand is dat de uni\\ ersitaire opleidingen weinig wezen-
lijke verschillen tonen, zeker niet voor zover het de basisxakken betreft.
])e verschillen zijn meer gradueel dan essentieel en zij liggen \\\'oornamelijk
in de klinische vakken en de daarmee sameidiangende, in de geneeskunde
\\\'an de mens vérgaande, specialisatie. De klinische geneeskimde is gericht
op één object, de mens, en is daardoor en mede door de status \\an dat
object in de samenleving, gekenmerkt door een diepgang die de dier-
geneeskunde, om economische redenen, mist. De klinische dieigeneeskunde
is gericht op meer dan één object, en is daardoor alsmede door de status
van die objecten in de samenleving, gekeinnerkt door een breedte die de
geneeskunde \\ an de mens mist.

liet rapport van de adviescommissie voor veterinaire volksgezondheidszorg
geeft uitdrukking aan de verwachting dat de \\\'crbinding tussen de genees-
kunde van de mens en van de dieren ten aanzien \\an wetenschaps-
beoefening en -toepassing het best zal kunnen worden gerealiseerd door
middel van een ojdeiding die, waar mogelijk, rekening houdt met de ge-
meenschappelijke terreinen. Het rapport geeft zelfs de voorkeur aan een
ten dele gezamenlijke opleiding waarvoor \\erschillende basis\\akken, ook
na het eerste studiejaar, zich wel lenen. Hoewel cr \\eel aantrekkelijks in
deze suggestie zit, met name voor wat betreft het be\\\'orderen van een ])o-
sitieve instelling ten opzichte van eikaars toekomstige werkgebieden in het
algemeen en \\an het gebied dat voor beide gemeenscha|3|)elijk bezit is in
het bijzonder, zie ik daar, de structuur van het luiivcrsitairc onderwijs in
Nederland in aanmerking genomen, zeer wel de [)raktische bezwaren \\an
in. Het zou niettemin in de geest van het ra]J])ort zijn indien de grenzen
niet te strak zouden worden getrokken en de studenten in beide faculteiten
tenminste enig inzicht zouden krijgen in elkaais problematiek. De toe-
komstige ontwikkeling van de vergelijkende geneeskunde zou de behoefte
daaraan in \\ersterkte mate kunnen doen gevoelen.

Het is reeds verscheidene tientallen jaren geleden dat aan de I.cidsc uni-
versiteit een leerstoel in de vergelijkende ziektekunde was gevestigd, die
evenwel na het aftreden van de betrokken hoogleraar, de dierenarts,
Dr. 1). .A. d e J
o n g, niet is gecontinueerd. In die tijd was dc vergelijkende
ziektekunde vrijwel nog synoniem met de leer der zoönosen. Nu echter
de vergelijkende geneeskimde bezig is zich te ontwikkelen in \\clerlci spe-
cialistische richting, kan men zich niet meer Noorstcllen dal dit gebied door
één functionaris wordt beheerst.

De Faculteit der Diergeneeskunde heeft zeer juist ingezien dat de voor
de vergelijkende geneeskunde noodzakelijke verbreding voor een belangrijk
deel kan worden opgevangen door het \\oor medische en \\elerinaire stu-
denten zo centrale vak, de pathologie, ook in \\crgelijkende zin te doen
onderwijzen. Ik wil hieraan toevoegen, dat dit jaar een zo nauw met het
universitaire wetenschappelijke onderzoek \\erbonden instelling als de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenscha]3])en, de band tussen

-ocr page 1008-

dc medische en veterinaire faculteiten naiiwcr heeft aangchaad door de
vorming \\-an een Geneeskundige Raad, waarin ook \\ crtcgenwoordigers van
dc Faculteit der Diergeneeskunde zijn opgenomen.

De luiiversiteit is een instelling waar de studenten opgeleid worden tot het
o]) wetenschappelijk verantwoorde wijze uitoefenen van een maatschap-
pelijk beroep en voorbereid worden tot wetenschapsbeoefening. De weten-
schapsbeoefening zeKc zal in het algemeen slechts \\\'oldoende tot zijn recht
komen tijdens en na een specialistische opleiding. Voor de ontwikkeling
van de diergeneesktmdige zijde van de medisch-biologische wetenschappen
zijn wetenschap]jelijke werkers nodig. Hierover heeft de Voorzitter van de
Koninklijke Maatschap]jij voor Diergeneeskunde op de \\origc jaarvergade-
ring een ])cssimistisch geluid moeten laten horen. Ook in die opmerking
zien wij een paralcllismc tussen het medische en veterinaire universitaire
onderwijs en onderzoek, dal ons de toekomst niet zonder zorg tegemoet
doet gaan. De huidige hoogleraren en hun toch al niet te grote weten-
scha)5])clijke sla\\en zullen niet aan het voor een ieder geldende veroude-
ringsproces kiumen ontkomen. Willen de wetenschaijsbeocfcning en het
daaro|) gebaseerde unixcrsitaire onderwijs niet tot afbrokkeling komen,
dan is het tijdig aankweken van een wetenschappelijke nakomelingschap
cen belang \\ an de allereerste orde. Wij kunnen slechts ho])en dat onder de
jongeren \\-oldoende aanleg en bereidheid tot wetenschapsbeoefening zal
worden gevonden en dat de omstandigheden voor het aantrekken van
jonge wctenschap])elijke onderzoekers zich zullen verbeteren.

S.\\MENVAr\'l\'ING.

Geneeskunde, onverschillig of deze betrekking heeft op dc mens dan wel op het dier,
is in wezen cen biologische wetenschap, die echter met andere dan zuiver biologische
betloclingeti wordt beoefend. Het bestuderen van zicktcpiocessen, hun oorzaak, ont-
staan en beloop, geschiedt namelijk niet uit zuiver wi tenschappclijkc belangstelling,
maar met het doel de gezondheid van het individu en van de gehele gemeenschap
van levende individuen tc bevorderen. Weliswaar is de mens, uit eigenbelang, het
voornaamste object van dc medisch-biologische wetenschapsbeoefening en -toepassing,
maar dc mens leeft a.h.w. in .symbiose met cen aantal voor hem nuttige diersoorten.
Hij heeft het dan ook als zijn ])licht leren zien, uit economische cn morele overwe-
gingen, maar ook uit direct eigenbelang, cen optimale geneeskundige verzorging voor
die dieren op tc bouwen. Dat daarvoor dc empirie van vroeger eeuwen is vervangen
door cen wetenschappelijk gefundeerde diergeneeskunde, is ccn kenmerk van ont-
wikkeling, beschaving en verantwoordelijkheidsbesef.

Biologisch en medisch-biologisch gezien zijn dc analogieën tussen dc mens en de
gewervelde dieren, in het bijzonder de zoogdieren, zo evident dat dc plaats van dc
diergeneeskunde in de medisch-biologische wetenschappen in wezen geen andere kan
zijn dan dc plaats van de humane geneeskunde. De mcdisch-biologische wetenschaps-
beoefening zal enerzijds gericht zijn op dc geneeskunde van ccn bepaald object, de
mens of ccn van dc dicisoorten, anderzijds cchtcr op dc talloze, voor de geneeskunde
van mens en dier gemeenschappelijke vraagstukken.

.Ms wetenschap is de diergeneeskunde veel jonger dan dc geneeskunde van dc mens
cn de ontwikkeling van dc eerste is en wordt dan ook mede gestimuleerd door dc
vorderingen van de laatste. Maar ook het omgekeerde is waar. De geneeskunde, met
name dc preventieve volksgezondheidszorg, profiteert van dc vorderingen in het
wetenschappelijk onderzoek van vele dierziekten. Het is in dc eerste plaats dc leer
der parasitaire- en infectie-ziekten geweest, die sterk de aandacht heeft gevestigd op
het gemeenschappelijk gebied van de humane en de animale geneeskunde. Vele para-
sieten, microörganismen en virussen immers zijn niet gebonden aan één gastheersoort

-ocr page 1009-

en dit betekent dat zij ziekte kunnen veroorzaken zowel bij dieren als bij de mens.
Ziekten van .gewervelde dieren, welker verwekker de mens langs natuurlijke weg kan
besmetten, worden zoöno.sen genoemd. Enkele voorbeelden van de ongeveer 100 thans
bekende zoönosen zijn rundertuberculose, vele vormen van paratyfus, milt\\ uur, honds-
dolheid. Gememoreerd wordt dal sonunigc van dc belangrijkste zoönosen reeds met
succes kunnen worden bestreden, maar dat voor vele andere nog intensief speurwerk
nodig is alvorens men tot een rationele bestrijding zal kunnen komen. Evenzo moet
de wctenschappleijk gefundeerde, op de ziektekunde, microbiolo.gie en epidemiologie
l)crustende, beoordeling van dierlijke produkten op hun .geschiktheid als voedings-
middelen voor de mens als een voor de volksgezondheid uiterst belangrijke vrucht
van diergcneeskundi.ge wetenschapsbeoefcningen worden beschouwd. Zo vinden in de
vleeskeuring, d.i. een klinische, patholo.gisch-anatomische en bacteriologische beoor-
deling van slachtdieren, niet minder dan 27% van de Nederlandse dierenartsen een
volledi.ge of gedeeltelijke dagtaak.

Deze klassieke veterinaire werkzaamheden ten behoeve van de volksgezondheid worden
door de Wereldgezondheidsorganisatie hoog .gewaardeerd en men is er zich aldaar
wel van bewust dat de diergeneeskundige wetenschapsbcoelVning ook op tal van an-
dere gebieden dan die welke betrekking hebben op zoönosen en hygiëne van voedings-
middelen van dierlijke oorsprong, waardevolle bijdragen tot de geneeskunde van de
mens zal kunnen leveren. In de laatste jaren is deze organisatie actief bczi.g met het
bevorderen van wetenschapplijk diergeneeskundig onderzoek ten behoeve van de
volksgezondheid en voor de terreinen waarop dit onderzoek wordt verricht en in
de toekomt zeker zal worden uitgebreid, is de verzamelnaam „veterinary public
health", of, vrijwel letterlijk vertaald „veterinaire volksgezondheidszorg" uitgedacht.
De weg waarlangs men zich deze uitbreiding denkt te kunnen realiseren is die van
het vergelijkend ziektekundig onderzoek bij mens en dier. In dit verband zij op-
gemerkt dat in Nederland de Prof. Dr. D. A. de Jong-Stichdng, genoemd naar een
Nederlandse dierenarts, pionier op het gebied van dc vergelijkende ziektekunde en
destijds hoogleraar in dit vak te Leiden, recils ongeveer 30 jaar lang zulke onder-
zoekingen stimuleert, zij het met helaas te beperkte geldmiddelen. \\\'an dc zijde van
de Wereldgzondheidsorganisatie wordt thans de hoogste urgentie toegekend aan
onderzoekingen betreffende de verschillende vormen van kanker en hart- en vaat-
ziekten, waarvoor een vergelijkend-pathologische studie noodzakelijk .geacht wordt.
Hoewel het experimentele onderzoek bij proefdieren in feite ook een vergelijkend ka-
rakter draagt, is er wel verschil met het hier bedoelde. Een ziekte die spontaan bij
dieren voorkomt en vergelijkbaar is met een menselijke ziekte, kan niet op één lijn
worden gesteld met een experimenteel op.gewekte. De eerste is realiteit, dc tweede is
daar slechts een min of meer geslaagde benadering van.

Voor de meeste, zo niet voor alle, projecten van vergelijkend-pathologisch onderzoek
is een coöperatieve instelling van de daaraan werkende art.sen en dierenartsen, en
voor beide een helder inzicht in dc problematiek een eerste vereiste. Dc universitaire
o])leidingen in dc geneeskunde en de diergeneeskunde lopen, vooral in de niet-klinischc
vakken, grotendeels parallel en dc basis voor zulk een wetenschappelijke coöperatie
kan reeds daar zonder bezwaar worden gelegd en tijdens dc specialistische opleiding
worden uitgebouwd.

SUMMARY.

Medical science, irrespective as to whether it has a bearing upon man or animals,
actually is a biological science which, however, is studied with other than mere
biological purposes. The study of diseases, their aetiology, origin and course, is not
conducted in consideration of purely scientific interest, but with a view to benefit
the health of the individual as well as that of the entire community of living indi-
viduals. It is true that man, for reasons of self-interest, is the main object of the study
and application of the medical-biological science, but man lives more or less in sym-
biosis with a number af animal species which are useful to him. Consequently, he has
learned out of economic and moral considerations as well as from direct sclf-intcrcst,

-ocr page 1010-

to consider as his duty to build up the best medical care for them. It is a clear indi-
cation of development, civilisation and sense of responsibility that empiricism of the
past has been replaced by a scientifically based veterinary medicine.
From a biological and medical-biological point of view, the analogies between man
and the vertebrates, particularly the mammals, are so obvious that the position of
veterinary medicine in the medical-biological sciences essentially can be no other one
than that of human medicine. The study of medical-biological science on one side
will be directed to mcdicinc of one special subject, either man or one of the animal
specics, on the other hand however, to the numerous common problems concerning
medicine of man and animals.

.»Ks a science, veterinary medicine is of much more recent date than human medicine
and acocrdingly the progress of the latter stimulates the development of the former.
The reverse, however, is also true. Medical science, particularly health care, profits
by the progress in research of many diseases of animals. First of all, the study of
parasitic and infectious diseases has focused attention to the common field of human
and veterinary medicine. As a matter of fact, many parasites, micro-organisms and
viruses arc not dependent on one kind of host and this means that they may cause
disease in animals as well as in man. Diseases of vertebrates of which the causative
agent may infect man by natural route are called zoonoses. Some examples of the
approximately 100 zoonoses known at present are bovine tuberculosis, many forms of
paratyphoid fever, anthrax, rabies. Some of the most important zoonoses can be
controlled successfully, but for many others intensive research is still required before
a rational control can be realised. Moreover, one of the most important achievements
of vctcrinar>- medicine in the field of public health is the inspection and hygiene of
food of animals origin, which is based on pathology, microbiology and epidemiology.
No less than 27% of the Dutch veterinarians have a full-time or a part-time job in
meat inspection, which is essentially a clinical, pathological and bacteriological super-
vision of slaughter animals. These classical veterinary activities for the benefit of
public health are highly appreciated by the World Health Organization, which is well
aware of the fact that veterinary science can also supply valuable contributions to
medical science in several other fields than those referring to zoonoses and hygiene of
food of animal origin.

During the last years, this organisation is actively stimulating veterinary mcdical re-
search for the benefit of public health. The collective name "veterinary public health"
has been chosen for the various fields in which veterinary mcdicinc can contribute to
public health. Extension of veterinary public health activities can be realized in all
fields of comparative pathology. In this respect, it should be stated that in the
Netherlands the Prof. D. .A. dc Jong Foundation, named after a Dutch veterinarian,
pioneer in this field and fonnerly professor of comparative pathology at the Leyden
University, has stimulated such research for approximately 30 years already, thou.gh,
unfortunately, with limited grants. The World Health Organization on its part, now
grants the highest priority to research concerning the various forms of cancer and
cardiovascular diseases for which comparative pathological studies are considered
necessary.

Although actually experimental studies of human diseases in animals have also a
comparative character, there is a difference with pure comparative pathological
research indeed. An illness spontaneously occurring in animals which is comparable
to human disease, cannot be put on the same level with an experimentally induced
illness. The first is reality, the sccond is a more or less successful approximation.

For most, if not all, re.search projects in comparative pathology, a cooperative attitude
of physicians and veterinarians is necessar>-. For both, first of all a clear apprehension
of the problems is essential. The university studies in both mcdical and veterinary
medicine run paralel for the greater part, particularly in the non-clinical disciplines.
The basis for such a scientific cooperation can already laid there without difficulty
and can be extended during specialized training.

-ocr page 1011-

RÉSUMÉ.

La médecine, qu\'elle se rapporte à l\'homme ou à \'lanimal, est par essence une science
biologique, qui est cependant cultivée avec des intentions autres que purement biolo-
giques. Ce n\'est pas l\'intérêt purement scientifique qui pousse à l\'étude des pro-
cessus morbides, leur cause, leur naissance et leur évolution, mais le désir de favoriser
la santé de l\'individu et de la communauté entière d\'individus vivants. Il est vrai que
l\'homme est, par intérêt personnel, l\'objet principal des recherches et des applications
médico-biologiques, mais l\'homme vit pour ainsi dire en symbiose avec un certain
nombre d\'animaux qui lui sont utiles. Il s\'est donc rendu compte, grâce à des consi-
dérations économiques et morales, mais aussi par son intérêt personnel, de son devoir
d\'organiser pour ces animaux des soins médicaux de la plus haute qualité. Le fait
qu\'à ce but l\'empirisme d\'autres siècles a fait place à une médecine vétérinaire à base
scientifique, est un signe caractéristique d\'évolution, de culture et de sentiment de
responsabilité.

Du point de vue biologique et médico-biologique les analogies entre l\'homme et les
animaux vertébrés, en particulier les mammifères, sont si évidentes que la place dc la
médecine vétérinaire parmi les sciences médico-biologiques ne peut être par essence
qu\'identique a celle dc la médecine humaine. Les recherches médico-biologiques se
rapporteront d\'une part à la médecine d\'un seul objet,, l\'homme ou une des espèces
animales, d\'autre part cependant aux problèmes nombreux communs à la médecine
de l\'homme et de l\'animal.

En tant que science la médecine vétérinaire est beaucoup plus jeune que la médecine
humaine, aussi le développement de la première a-t-il été et est-il encore stinuilé par
les progrès dc la dernière. Mais l\'inverse est également vrai. La médecine, et notam-
ment l\'hygiène publique, profite des progrès dans les recherches scientifiques sur de
nombreuses maladies animales. C\'est en premier lieu la science des maladies para-
sitaires et infectieuses qui a fortement dirigé l\'attention sur le domaine commun des
médecins humaine et animale. C\'est que plusieurs parasites, microorganismcs et
virus ne dépendent pas d\'une seule espèce d\'hôtes et cela veut dire qu\'ils peuvent
causer une maladie tant chez les animaux que chez l\'homme. On nomme zoonoses,
les nialadies d\'animaux vertébrés desquelles l\'a.gent peut infecter l\'homme par la voie
naturelle. Quelques exemples d\'environ cent zoönoscs connues à présent sont: la tuber-
culose bovine, plusieurs formes de la Hèvre paratyphoïde, la fièvre charbonneuse et
la ra.ge. L\'auteur rappelle que certaines des plus importantes zoönoscs peuvent déjà
être combattues avec succès, mais que pour plusieurs autres il faudra encore un
travail intensif de recherches avant qu\'on puisse en arriver à une lutte rationnelle.
De même il faut considérer l\'appiéciation dc produits animaux sur leur propreté
comme aliments pour l\'homme, basée sur la science, notamment la nosologie, la
microbiologie et l\'épidémiologie, comme un résultat de la médecine vétérinaire d\'ex-
trême importance pour l\'hygiène publique. Ainsi pas moins de 27% des vétérinaircs
néerlandais trouvent dans l\'inspection des animaux dc boucherie — ce qui veut dire
un jugement clinique, anatomique-pathologique et bactériologique des animaux de
boucherie — une tâche journalière complète ou partielle.

Ces activités vétérinaires classiques au profit dc l\'hygiène publique sont hautement
appréciées par l\'Organisation Mondiale de la Santé et l\'on y est conscient du fait
que les recherches scientifiques de la médecine vétérinaire peuvent donner des con-
tributions précieuses à la médecine humaine dans de nombreux domaines autres que
ceux qui se rapportent aux zoönoscs et à
rhy.giène des aliments d\'origine animale.
Pendant ces dernières années cette organisation est très active dans la stimulation
des recherches scientifiques vétérinaircs au profit de l\'hygiène publique, et pour les
domaines oij l\'on fait ces recherches-qui seront sant doute amplifiées dans l\'avenir,
on a trouvé le nom collectif de „veterinary public health".

La voie par laquelle on espère pouvoir réaliser cette amplification est celle des re-
cherche) pathologiques comparées sur l\'homme et l\'animal. Dans cet ordre d\'idées
nous faisons remarquer qu\'aux Pays Bas la Fondation „Professeur Dr. D, A. de Jong",

-ocr page 1012-

nommée après un vétérinaire néerlandais, ouvrier de la première heure dans le do-
maine de la pathologie comparée ct en cc tcmps-là professeur dc cette discipline
à Leyde, stimule déjà depuis environ trente ans de telles recherches, malheureuse-
ment avec des moyens fianciers trop restreints. Du côté de l\'Organisation Mondiale
de la Santé on accorde à présent la plus haute urgence aux recherches concernant
les différentes formes dc cancer ct de maladies cardiaques ct vasculaires, pour les-
quelles on estime nécessaire une étude pathologique comparée.

Bien qu\'en fait les recherches expérimentales sur des animaux d\'expérience aient égale-
ment un caractère comparatif, il y a certainement différence. Une maladie qui se
présente spontanément chez les animaux et qui peut être comparée à une maladie
humaine ne peut pas être mise sur le même plan qu\'une maladie provoquée en guise
d\'expérience. La première est réalité, la seconde n\'en est qu\'une approximation plus
ou moins réussie.

Pour la plupart sinon pour tous les projets dc recherches pathologiques comparées,
une attitude coopérative des médecins ct des vétérinaires qui s\'y consacrent, est in-
dispensable, ct aux deux groupes il faut une intelligence claire des problèmes. Les
formations universitaires dans la mcdecinc ct dans la médecinc vétérinaire suivent en
majeure partie des voies parallèles, surtout dans les disciplines non-cliniques, et la
base pour une telle collaboration scientifique pourra être jetée sans difficulté déjà
dans cette première phase ct pourra être élargie pendant l\'éducation spécialisée.

ZUS.AMME.N\'K.ASSUNG,

Medizin, gleichgültig ob sieh dieselbe auf Mensch oder Tier bezichlt, ist im wesent-
lichen eine biologische Wissenschaft, die jcdoch aus einem anderen als nur rein bio-
logischen Zwcck ausgeübt wird. Das Studium von Krankheitsprozessen, ihre Ursache,
Entstehen und Verlauf geschieht nämlich nicht aus nur wis.sens( haftlichem Interesse,
sondern mit dem Ziel, die Gesundheit des Individuums sowie tler ganzen Gemein-
schaft lebender Individuen zu fördern. Wohl ist der Mensch, aus Eigennutz das
Mauptobjekt der medizinisch-biologischen Wis.senschaftsausübung und -anwendung,
aber er lebt gleichsam in Symbiose mit einer Anzahl für ihn nützlicher Tierarten. Er
hat dann auch als seine Pflicht erkannt, aus wirtschaftlichen und moralischen Übcr-
wegungen, aber auch aus direkter Selbstsucht, eine vortreffliche ärztliche Versorgung
für Tiere aufzubauen. Dass für die Erfahrungswi.s.senschaft früherer Jahrhundertc eine
wissenschaftlich \\interbautc Veterinärmedizin au ihre Stelle trat, ist ein Kennzeichen
des Fortschritts, der Kultur und des Verantwortungsbewusstsein.

Biologisch und medizinisch-biologisch betra< htet, sind die .Analogien zwischen Mensch,
\\Virbclticren und besonders Säugetieren so evident, dass der Veterinärmedizin in den
medizinisch-biologischen Wissenschaften, im wesentlichen, der gleiche Platz zukonunt
wie der Humanmedizin. Die medizinisch-biologische Wisscnschaftsau.sübung muss
sich einerseits auf die Heilkunde eines bestiuuntcn Objektes, nämlich auf den Men-
schen oder eine der Tierarten bezichen, andrerseits jcdoch auf zahllosi\' für die Heil-
kunde von Mcnsch und Tier gemeinsame Probleme.

.Als Wissenschaft ist die Veterinärmedizin viel jüngeren Datums als die Human-
medizin und die Entwicklung der crstcrer ist dann auch durch die Forderungen der
letzteren entscheidend bceinflusst worden. Doch auch das Umgekehrte ist der Fall.
Die Heilkunde, namentlich die Fürsorge für das öffentliche Gesundheitswesen, profi-
tiert von dem Fortschritt der wissenschaftlichen Untcrsuchun.gen vieler Tierkrank-
heiten. .An erster Stelle war es die Lehre der parasitären- und Infektionskrankheiten,
die in hohem Masse ihre .Aufmerksamkeit auf das gemeinschaftliche Gebiet der
Human- und Veterinärmedizin richtete. Viele Parasiten, Mikro-organismen und \\i-
russc sind ja nicht an einen Gastwirt .gebunden. Das hcisst, dass sie sowohl bei
Mensch und Tier Krankheiten verursachen können. Krankheiten der Wirbeltiere,
deren Erreger Menschen auf natürlichem Wege infizieren können, werden Zoonosen
genannt. Einige von den ungefähr 100 bisher bekannten Zoonosen sind: Rinder-
tuberkulose, viele Formen von Paratyphus, Milzbrand und Tollwut. Es wird daran

-ocr page 1013-

erinnert, dass einige der wichtigsten Zoonosen mit Erfolg bestritten werden können,
doch für andere noch intensive Forscherarbcit geleistet werden muss, ehe eine ra-
tionelle Bestreitung derselben möglich ist. Ebenso muss die wissenschaftlich fundierte,
auf Pathologie, Mikrobiologie und Epidemiologie beruhende Beurteilung tierischcr
Produkte als geschicktes menschliches Nahrungsmittel, als ein sehr bedeutsamer Er-
folg der veterinärmedizinischen Wissenschaftsausübung für die Volks.gesundheit ge-
sehen werden. So finden bei der Fleischbeschau, eine klinische, pathologisch-ana-
tomische und bakteriologische Beurteilung des Schlachtviehs, nicht weniger als 27%
der niederländischen Tierärzte eine vollständige, bezw. halbe Tagesaufgabe.

Diese klassischen Veterinären Untersuchungen zum Besten der Volksgesundheit werden
von der Weltgesundheitsorganisation hoch geschätzt und man erkennt dort, dass die
Veterinäre Wissenschaftsausübung auch auf vielen anderen Gebieten als nur der
Zoonosen und der Nahrun.gsmittelhygicne, wertvolle Beiträge zur flumanmedizin
liefern kann. In den letzten Jahren bemüht sich diese Organisation sehr um die
wissenschaftliche Förderung der tierärztlichen Untersuchung zum Besten der Volks-
gesundheit, sodass diese Untersuchungen auf den verschiedenen Gebieten, unter dem
Sammelnamen „veterinary public health", eine grössere Ausbreitung erfahren sollen.
Der Weg, auf dem man diese Ausbreitung zu realisieren gedenkt, ist die vergleichend-
pathologische Untersuchung bei Mensch und Tier. In Verband hiermit sei erwähnt,
dass die Prof. Dr. D. A. de Jong-Stiftung, genannt nach dem niederländischen Tier-
ai-zt und Pionier auf dem Gebiet der vergleichenden Pathologie und früher Hoch-
schullehrer in diesem Fach in Leiden, bereits seit 30 Jahren derartige Unter-
suchun,gen, wenn auch leider mit begrenzten Mitteln, stimuliert. Seitens der W\'clt-
gcsundheitsorganisation wird au.genblicklich an L\'ntersuchungen betreffs der ver-
schiedenen Formen von Krebs, Herz- und Gefässkrankhciten, für die ein vergleichend-
pathologisches Studium nötig geachtet wird, höchste Dringlichkeit zuerkannt. Obwohl
die experimentelle Untersuchung bei Versuchstieren ebenfalls einen vergleichenden
Charakter hat, so besteht doch ein Unterschied mit dem eben Erwähnten. Eine
Krankheit, die spontan bei Tieren auftritt und mit einer Krankheit des Menschen
verglichen werden kann, darf nicht mit einer experimentelle erzeugten Krankheit auf
eine Linie ge stellt werden. Die Erste ist eine Realität, die Zweite eine mehr oder
weni.ger geglückte Annährung an dieselbe.

Für die meisten, wenn nicht für alle Projekte der vergleichend-pathologischen Unter-
suchung ist eine koopcratieve Einrichtung der hierbei bezogenen Ärzte und Tierärzte
und für beide, eine klare Einsicht in die Problematik vonnöten. Die Univcrsitäts-
ausbildung der medizinischen und
Veterinären Fakultät läuft vor allem in den nicht-
klinischen Fächern, grössenteils parallel, sodass hier schon die Basis für eine wissen-
schaftliche Kooperation .gelegt und ohne grossen Schwierigkeiten während der Spe-
zialistenausbildung ausgebreitet werden kann.

-ocr page 1014-

Sociale aspecten van het diergeneeskundig
beroep

Social aspects oj the veterinary profession.
door M. F. KRAMER^)-^)

Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heren.
Inleiding.

In 1862 is onze Maatschapi^ij opgericht „ter be\\-ordering der veeartsenij-
kinide" (3). Dat tijdens haar Eeuwfeest gesproken kan worden over „so-
ciale aspecten \\ an het diergeneeskundig beroep\'" duidt op een
verruiming
van het doel
\\an deze Maatscha]3pij.

Wanneer enkele merkpunten langs de iveg van deze verruiming gezocht
worden, stuit men allereerst op de jaarrede van Uw voorganger, mijnheer de
Voorzitter, in 1891. Van Esveld nam de vrijheid — zo zei liij het —
aan het doel \\an de Maatschapjiij, de bevordering der veeartsenijkunde,
toe te \\oegen dc ,,\\erhcffing van den \\eeartscnijkundigen stand". (41
In 1914 wordt een commissie ingesteld, die tot taak heeft de reglementen
te herzien, als .ge\\olg \\an dc discussie of de Maatschappij meer aandacht
dient tc schenken aan maatschappelijke zaken (5), nadat reeds in 1912
de dierenarts .\\I u 1 1 c r dc Maatschappij een taak als „vakorganisatie" had
toebedeeld in zijn artikel ..De belangen van de praktizerende veeartsen" (6).
In 1918 hoort men dc ceiste stemmen opgaan tot de instelling van een
„Raad \\ an eer" (7); ruim 13 jaren later wordt deze als Centrale Raad ge-
ïnstalleerd (8). Van datzelfde jaar 1932 af komen „Bindende besluiten"
tot stand (9).

In 1921 houdt men een enquête naar de salarissen van de gemeente-dieren-
artsen (10).

In 1946 wordt een tarie\\encommissic aangekondigd (11). Het jaar daarop
wordt een sedertdien sla[)cnd Ontwerp Tuchtwet \\-oorgclcgd (12) en spreekt
men over re.gels voor ijraktijkverwcrving (13). In 1949 krijgt een commissie
tot laak dc verhouding dierenarls-.gezondsheidsdienst te bestuderen (14).
In 19.Ó.Ï tenslotte wordt dc PBO-commissie .geboren.

Duidelijke merkpunten tekenen cle ontwikkeling \\ an de Maatschappij tol
een organisatie, die niet alleen meer dc wetenschappelijke tnloefening van
het dicrcnarlsberocp wil be\\ordcren. rnaar ook de dierenartsen de staat en
stand wil bezorgen, die hen o]5 grond \\an hun taak in de samenlc\\-ing toe-
komt. Een ontwikkeling, waardoor hel hier tc besjjreken onderwerp geens-
zins misplaatst is.

*) X\'oorclracht, uitgesproken op 13 september 1962, tijdens de feestelijke openbare
vergadering van dc Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde in dc Stads
schouwburg tc Utrecht, ter gelegenheid van de viering van haar 100-jarig bestaan

\') Zonder het vroegtijdig reeds tot mijn beschikking komen van de door L. S. B. G. H
Harmsen verzamelde „bouwstenen"" voor de geschiedschrijving (zie le jubi
leumaflevcring, blz. 72) was de inhoud van deze lezing aanzienlijk minder ge-
documenteerd geweest. Deze bouwstenen zijn met een groot gevoel, juist voor de
sociale aspecten, uit de breedvoerige Maatschappij-documentatie opgediept.

\'•\') Dr. M. F. Kramer, Wetenschappelijk hoofdambtenaar bij het Laboratorium voor
Histologie, Faculteit der Geneeskunde, Rijksuniversiteit te Utrecht.

-ocr page 1015-

Begrenzing.

De nogal vage titel „sociale aspecten van het diergeneeskundig beroep"
moet duidelijk gemaakt worden. Het woord „beroep" duidt erop, dat ver-
houdingen tussen de dierenarts en zijn gezinsleden, tussen de dierenarts en
zijn notabele bridgepartners niet ter sprake komen, .Slechts de manier waar-
op de dierenarts in zijn beroepsuitoefening in relatie staat met zijn mede-
mensen, dient thans te worden beschreven.

Onder medemensen verstaan we dan niet de politic-agent, die zijn ver-
plaatsing beveiligt, de garagehouder, die zijn auto verzorgt of de vertegen-
woordiger, die zijn geneesmiddelenbestelling noteert, We beschouwen van-
daag alleen zijn relatie tot
de mensen, waarvoor hij werkt, en de mensen,
waarmee hij werkt:
boeren, huisdierbezitters en slagers enerzijds, zijn col-
legae anderzijds. Allen samen zorg dragend voor gezonde mensen, voor ge-
zonde veehouderij.

Wij zullen ons dan ook niet af\\ragen, waarom de dierenarts nu juist de
tiende ])laats inneemt in een rij van beroepen, geplaatst in de \\ olgordc van
sociaal prestige (tussen de directeur van een grote onderneming en de
burgemeester van een kleine gemeente! (1511, Want dit is een vraag naar
de verhouding van alle Nederlanders (althans de geënquêteerde) en dieren-
artsen, terwijl heden slcchts de verhouding met de cliënten onderwerp van
studie is.

Wanneer volstaan zou worden met het schetsen van een actuele situatie,
zou dit betoog te kort schieten. Zeker, tijdens een Eeuwfeest is het nood-
zakelijk om de actuele situatie te verklaren vanuit
diepere en vanuit histo-
rische gronden.

Ongetwijfeld ben ik al door de mand gevallen met mijn gebruik van het
woord sociaal en dc daarin gemaakte distincties. Laat dus eerlijk gezegd
zijn, dat ook sprekers o]5leiding zich heeft afgespeeld bo\\en microscopen, in
snijzalen en diergeneeskundige klinieken en niet boven enquêteformulieren
en sociale statistieken of in sociologisch \\\'eldwerk.

Dierenarts-cliënt.

In 1862 was de verhouding tus.sen dierenarts en cliënt weinig gecompliceerd :
rnen kende slechts dc vrije practicus, clie een grote, weinig intensieve prak-
tijk voerde. Geen wonder dat in dat jaar bij de oprichters van de Maat-
schappij geen andere wens bestond dan de „bevordering der veeartsenij-
kunde", die toen nog in haar kinderschoenen stond. Nadien zijn vele ver-
anderingen opgetreden, wonderlijk genoeg juist in de tijd \\ óór het halve en
na het hele Eeuwfeest!

In de jaren vóór de eerste wereldoorlog werd de x rije practicus geconfron-
teerd met een
toenemende overheidszorg op diergeneeskimdig gebied. In
1906 begint de coördinatie van het werk der o\\erheidsdierenartsen met de
benoeming van een Rijkskeurmeester in algemene dienst (16). Tot dan
kende men alleen 9 zelfstandige districts-veeartsen, maar in 1910 worden
deze onderworpen aan de directieven van een Inspecteur \\ an den Vee-
artsenijkundigen Dienst (17). In 1913 neemt het aantal districten toe tot
13 (18). In 1907 wordt de uitvoer van vlees aan keuring door ambtelijke
dierenartsen -- de Rijkskeurmeesters — onderxvorpen (19); in 1908 volgen
regels voor de keuring van voor uitvoer bestemd \\ ee (20). In 1904 en 1910
volgen maatregelen tot bestrijding van de rundertuberculose (21).

-ocr page 1016-

In steeds meer gemeenten worden abattoirs gebouwd — tussen 1883 en
1914 achttien
(22) — terwijl ook elders gemeentelijke keiningsdiensten
dierenartsen als hoofd krijgen. In 1904 begint de Rijksseruminrichting te
bestaan, die cen soort monopolie op het gebied van sera en entstoffen gaat
innemen en bij gratis leverantie aan de dierenartsen een maximtmi tarief
van ƒ 0,30 per "behandeling voorschrijft (23). In 1910 spreekt H. .A. K r o e s
dan ook een rede uit onder de titel: „Het terrein van den praktizerenden
\\eearts betreden door ambtenaren \\an de Rijk.ssermninrichting"(24).
Het is — dit ter zijde — opmerkelijk, dat \\an de zijde van de practici het
eerst de roe]) om een „centraal bacteriologisch institmu" heeft geklonken,
in de vorm \\an een \\oorstel \\an dc afdeling Zuid-Holland in de algemene
\\ ergadering \\\'an 1892 (2.5).

Het gerucht is niet van de lucht in die jaren en ieder besluit, iedere be-
paling wordt door de allengs overgevoelige practici als ccn vrijheids- of
rechtsbeiJerking gevoeld, waartegen zij zich te weer willen stellen. De Zuid-
hollandse collega De Leur stelt in 1912 zelfs de oprichting van een af-
zonderlijke vereniging van praktizerende dierenartsen \\-oor (26). Hij heeft
nogal wat aanhang, wat de toenmalige vooi-zitter, M a r k u s, doel ful-
mineren: „Tegen dc splijtzwam" (27), welke niettemin vier jaren heeft
bestaan.

Deze nieuwigheden, gevoegd bij de oude strijd legen de kwakzalverij en de
\\erliezen op hel terrein van de \\eeteeli tegen dc landbouwkimdige inge-
nieurs geleden (28), dwongen de Maatschappij steeds meer dc belangen
\\ an haar leden tc behartigen met behoud \\ an de onderlinge eenheid. Deze
veranderingen deden de wetenschapsman De Jong de zucht slaken, dal
er voor hem geen plaats meer was (1914) (29). Dc verhouding van cliënt
lol dierenarts is in de loop van ruim 10 jaren anders geworden: in zeer
veel ge\\allcn beeft hij niet meer met dc \\ rijelijk beschikkende practicus te
doen, maar met de overheidsdienaar of met o\\crheidsvoorschriften, die hem
en zijn dierenarts vrijheid ontnemen.

Na dc tweede wereldoorlog werden de verhoudingen wéér ingewikkelder.
Dc be]3erkingen komen nu niet \\an de overh.eid maar \\an geheel andere
zijde:
dr cliënt zelf gaat de dierenarts \\-oorschriflcn en voorwaarden o])-
leggcn. Dc door bocrenorganisalies geformeerde gezondheidsdiensten cn
K.I.-verenigingen nemen grote \\ lucht. Zij krijgen allengs meer dierenartsen
in dienst, htm arbeidsveld breidt zich int. In dit werk worden de vrije jn-ac-
tici betrokken maar weer gaat cen deel van htm vrijheid verloren. .Span-
ningsvrij is dit niet geschied. Wel schijnt dc ])en minder dan vroeger cen
wapen tc zijn. dat graag gehanteerd wordt, maar de notulen \\an vele alge-
mcne- en afdelingsvergaderingen laten voldoende doorschemeren, om het
gerucht geloofwaardig tc maken, dat over slaken is gesproken!
Wederom boort men bepaalde categorieën de zucht slaken, dat in de Maat-
schappij \\ oor hen geen plaats meer is. De verhouding van cliënt tol dieren-
arts is in de tien jaren na de tweede wereldoorlog aanzienlijk veranderd:
in zeer \\eel gc\\allen heeft bij met dierenartsen te doen, wier vrijheid be-
perkt is, zowel in methodisch als in financieel o])zichl, en wel door toedoen
\\an de cliënt zelf! Of hij heeft te doen met diei-cnarlsen, die in dienst zijn
van zijn eigen bocren-organisaties.

Hel is opmerkelijk, dat juist van de zijde \\an de ])raclici reeds vroeg de
roep heeft weerklonken om een instituut als de gezondheidsdienst: de afde-

-ocr page 1017-

ling Friesland spreekt zich \\ óór 1918 uit voor de oprichting van een „voor-
lichtingsdienst" (30).

Verklaring.

Het is ni: tijd oni ons af te vragen, waarom juist in die genoemde perioden
nieuwe \\ornien \\an diergeneeskundige beroepsuitoefening \\erschijnen.
De eerste verandering, o])tredend in de jaren \\óór de eerste wereldoorlog,
staat zonder enige twijfel in nauw \\erband met de opkomst en bloei van
een
nieuwe tak van wetenschap: cle bacteriologie en cle leer der infectie-
ziekten. Tot de groten onder de beoefenaren \\ an deze toen jonge weten-
schap behoren zeker de Nederlanders: Thomassen, Poe Is en De
jong. Nieuwe mogelijkheden tot bestrijding \\ an wat toen de grootste be-
dreiging van de \\eestapel x-ormde \\roegen
nieuwe vormen van beroeps-
uitoefening.
Hoewel de practici hygiëne en isolatie, enting en serumtherai^ie
konden toepassen, misten zij de organisatievorm die nodig was om de ge-
coördineerde bestrijding op te bouwen. In de toenmalige politieke structuur,
waarin — \\oortgekomen als zij was uit de Franse re\\olutie — geen plaats
was \\oor andere elementen dan burger en o\\\'erheid, — in de toenmalige
Ijolitieke structuur móést cle overheid die bestrijding wel ter hand nemen,
al zal /ij dat niet met een zucht, doch eerder met een étatistisch genoegen
gedaan hebben! Hetzelfde geldt \\oor de vleeskeuring: de toenemende ken-
nis \\\'an besmetting en hygiëne bracht de overheid ertoe deze toe te passen,
waar geen andere structuren — de gilden waien reeds lang ter ziele — daar-
toe bestonden.

Drie factoren \\erklaren derhalve het o\\erheidsingrij]3en \\an die jaren: de
toegenomen wetenschappelijke kennis, de politieke structuur en cle af-
wezigheid \\an organisaties van belanghebbenden. De laatste twee factoren
houden \\erband met het indi\\idualisme. dat overduidelijk heerste in de
dierenartsen-wereld; trouwens in alle academische beroe]3skringen. gevoed
als zij waren door een Universiteit of Hogeschool waar wetenscliapsbeoefe-
ning, om met een vai iant op K 1 o o s te spreken, de allerindiv idueelste werk-
zaamheid van de allerindividueelste geesten geweest was.

Kn de tweede periode, is ook die oj) dergelijke fundamenten terug te voeren?
Ongetwijfeld hebben verdere resultaten van bacteriologie, immunologie,
v irulogie en farmacologie nieuwe mogelijkheden geschapen. .Maar de [)rak-
tische toepassing ei"van ligt toch in de lijn v an wat reeds \\ ijftig jaren geleden
was uitgestippeld en hoefde niet tot nieuwe vormen van beroepsuitoefening
te leiden.

Is er misschien in de staatsidee iets veranderd?

Inderdaad hebben in 1922 en in 1938 grondwetsherzieningen plaatsgehad,
die de mogelijkheid openden, dat naast de overheid andere lichamen worden
ingesteld, clie regelend kunnen optreden! Deze grondwetswijzigingen vor-
men de grondslag voor de organieke wet op de publiekrechtelijke bedrijfs-
organisatie (31); zij tekenen ook de sfeer, waarin de tuberculosebestrijding
na 194.5 ter hand werd genomen. Niet de overheid bestrijdt, neen zij stimu-
leert alleen, opdat de boerenorganisaties zelf deze voor mens en dier ramp-
zalige ziekte zullen verdelgen.

Weliswaar zijn vooreerst bepalingen van de zijde van de overheid nog on-
ontbeerlijk (32), maar wanneer in 1950 de wet op de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie in het .Staatsblad is afgekondigd, en daarna het Land-

-ocr page 1018-

bouwschap wordt ingesteld, zijn dergelijke overheidswetten ontbeerlijk en
worden volgende campagnes louter op grond van scbaps-verordeningen
ondernomen.

Het is overigens vermeldenswaard, dat in 1926 reeds Berger, de toen-
malige directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, dit „zèlf doen" beeft
bepleit, overtuigd als hij was dat de middelen van de overheid in deze te
kort schoten (33). Let op hoe deze uitspraak tussen de twee grondwets-
herzieningen in valt. Dit is niet toevallig: de toenemende gecompliceerdheid
van het maatschappelijk bestel maakt het de overheid steeds moeilijker
zonder samenspel met andere structuren te regeren.

Deze verandering van politiek klimaat is er oorzaak van. dat een andere
vorm van beroepsuitoefening op grote schaal kon ontstaan. Een tweede fac-
tor wordt natuurlijk gevormd door de allengs groter wordende
organisering
van het maatschapplijk leven.
De vele boerenorganisaties hebben zelf-
bewust nieuwe taken op zich durven nemen en vormden zo een goede infra-
structuur \\oor wat politiek mogelijk was geworden. Zij namen vanaf het
moment dat de tuberculosebestrijding in hun handen was gelegd cen steeds
groeiend aantal dierenartsen in dienst, thans reeds meer dan zestig, en
breidden hun werkterrein verder uit.

Twee factoren dus verklaren de nieuwe beroepsvorm van de jaren na de
tweede wereldoorlog: de veranderde staatsidee en de aanwezigheid \\ an zelf-
bewuste, krachtige boerenorganisaties. Volledigheidshalve dient erop ge-
wezen te worden, dat deze nieuwe ontwikkeling zijn schaduwen vooruit-
wierp en dat reeds tussen de twee wereldoorlogen organisatorische en ]Der-
soonlijke \\erhoudingen bestonden — denk maar eens aan de Gezondheids-
dienst voor Vee in Friesland en aan de werkzaamheden die toen reeds over-
al in den lande ter bestrijding van de runder-tubcrculose werden uitgevoerd;
ook reeds tegen niet individueel vastgestelde tarie\\\'en — die na dc laatste
oorlog gemeengoed geworden zijn.

V erzakelijking.

lOe verhoudingen tus.sen cliënt en dierenarts zijn sedert het begin van deze
eeuw — zo zagen wij — sterk veranderd. De xrije relatie tussen vrije prac-
ticus en veehouder of slager is beknot. Eerst door overheidsdienaren en re-
glementen, dwingend ingrijpend in de tot dan i)ersoonlijke verhoudingen
\\an gelijkbcrechtigden. Later door de gezondheidsdiensten, die zelfs die
gelijkberechtigheid veranderden in een zekere ondergeschiktheid van de
dierenarts aan de richtlijnen en voorschriften van deze diensten. Dit geldt
niet alleen voor de eigen dierenartsen van de dienst maar voor alle prac-
tici, die nolens volens de uitvoering van de georganiseerde dierziekten-
bestrijding op zich namen. Het gevolg van deze verandering in dc concrete
verhouding van cliënt tot dierenarts is aan tc geven met het woord ver-
zakelijking.

Deze verzakelijking is natuurlijk niet alleen het ge\\olg van de beschreven
nieuwe beroepsvormen. Er is een nog belangrijker factor in het spel, die
men aan kan duiden met het woord „tijdgeest". De
gehele westerse samen-
leving
is gekenmerkt door deze verzakelijking; tot zelfs sport en onts])anning,
liefde en gezondheid. De sport immers is een commercieel bedrijf geworden;
de ontspanning geïndustrialiseerd tot amusement en tourismc; de schoon-
heid van de vrouw een instrument voor verkooppolitiek; de gezondheid van

-ocr page 1019-

het kind een middel om kooplust te stimuleren. Het zijn maar enkele voor-
beelden; zij tonen aan hoe de mensen \\ an nu in de wereld om hen heen
slechts middelen zien, middelen tot macht, macht die nodig is om eigen doel-
einden van welstand en weelde te bereiken. De wereld om je heen zien als
slechts
dienstbare wereld, mensen zowel dieren en dingen, dit is verzake-
lijking.

Het is niet van vandaag. B a c o n\'s beroemde uitspraak „kennis is macht"
(34) is er reeds een symptoom van: ken de wereld en je kunt hem be-
heersen, hem ondeigeschikt maken aan eigen doeleinden. Voor Bacon
was „wereld" nog vooral de dode en levende natuur, voor ons behoren
ook de diepste roerselen van de menselijke ziel tot de objecten van onze
kennis en dus onze macht.

Deze beperkte kijk op de wereld en wat daarin is, is tevens de bodem waar-
op de natuiu-wetenschap, zoals wij die kennen, stoelt. Deze
natuurwetenschap
immers ziet in de natuur alleen het berekenbare, dit is het behandelbare.
Wanneer uit enkele berekeningen de wet van de lineaire uitzetting van
vaste stoffen bij verwarming is opgesteld, is dit berekende verschijnsel \\\'oor
ons behandelbaar, b.v. in thermometers en ultramicrotonen. Slechts het be-
rekenbare, behandelbare, macht gevende \\ormt object van natuurweten-
schap. Zij beantwoordt aan het machtzoeken van de mens, waarvan de wor-
tels teruggaan tot ver vóór Bacon. Dit machtzoeken is de karaktertrek van
de laatste eeuwen, maar nooit is — dank zij de natuurwetenschap — zoveel
macht in menseidianden gekomen als nu, zoveel dat onze tijd wel de aera
van de macht genoemd wordt (35). Macht, die ons dierbaar is, maar waar-
door vele andere aspecten van de wereld en het leven bewust of onbewust
op de achtergrond raken (36).

De verhouding \\an cliënt tot dierenarts is niet onberoerd gebleven. Wij
zagen hoe de verandering in de bcroepsvorm reeds verzakelijking tot gevolg
had. Nu is het duidelijk geworden, hoe deze verzakelijking nog veel meer
veroorzaakt is door de tijdgeest. Want de boer, de slager, de dierenbezitter
ziet in zijn dierenarts niet meer de notabele academicus, wiens hulpvaar-
digheid hogelijk werd gewaardeerd en wiens honorarium erkentelijkheid
uitdrukte.

En de dierenarts, is ook zijn verhouding tot de boer niet veranderd, onper-
soonlijker geworden?

Waar eertijds bezorgdheid en een weinig magie de dierenarts, ontzag en
oitbegrensd vertrouwen de cliënt kenmerkten, heersen thans begrippen als
recht en plicht, nuttigheid en economie, rationaliteit en kritische bejegening.
Natuurlijk komen elementen van de vroegere sfeer nog voor, maar het
zakelijke heeft de boventoon. De boer zegt: de dierenarts heeft maar te ko-
men, hij wordt ervoor betaald; de dierenarts zegt: ik heb ook recht op vrije
tijd, en neemt een onpersoonlijke veivanger. De verhouding is zakelijker
geworden. De dierenarts is voor de boer en de slager een machtsmiddel ge-
worden; de cliënt voor de dierenarts meer dan vroeger een zakelijke factor.

Dierenarts-dierenarts.

In het tweede deel van deze lezing richten wij het zoeklicht op de verhou-
ding tussen de dierenartsen onderling, het tweede sociale aspect van ons
beroep. Ook deze verhouding was in 1862 eenvoudig van aard. De rela-
ties kwamen voort uit gezamenlijke belangstelling voor grotere mogelijk-

-ocr page 1020-

heden van diagnostiek en therapie en uit gezamenlijk doorgebrachte studie-
jaren aan \'s Rijks Veeartsenijschool te Utrecht. Dc grote afstanden tiissen
de standplaatsen en de trage ver\\ocnniddelen maakten contacten zeld-
zaam. hetgeen de beste waarborg is voor goede verhoudingen!
Er waren in die jaren
drie categorieën van dierenartsen: de ])ractici, de
militaire paardenartsen en de leraren \\an de School. Het feit, dat het
arbeidsveld van de militairen geheel lag buiten dat van wat zij dc „bin\'ger-
\\eeartsen" noemden (37), \\oorkwam strubbelingen, alhoewel in 1910 een
aantal leden van de Militair Veterinaire Vereniging (welke van 1907 tot
1933 heeft bestaan) \\oor het lidmaatschap van dc Maatscha]3pij heeft be-
dankt (38). Een misprijzend woord in een hoofdbestuursvergadcrig is de
aanleiding; standsverschillen schijnen de oorzaak van deze afsplitsing ge-
weest te zijn (39). Het feit dat sedert 1909 de ..burgerveeartsen"" door mid-
del \\an het instituut der reserve-paardenartsen ccn zekere gelijkheid met
de beroc])smilitairen \\erkregen hadden (40), is hier ongetwijfeld \\\'an in-
vloed geweest.

De andere categorie, die der Iciaren, was in de vroege geschiedenis \\ an de
Maatschappij een zeer belangrijke. Nadat Thorbecke in 1851 de
School gereorganiseerd had, waren de leraren meestal ervaren oud-leer-
lingen (41), alhoewel nict-dierenartsen nooit ontbroken hebben. Onder
dc oprichters, \\oorzitters, bestuursleden en redacteuren van de Maat-
schappij kwamen velen uit htm gelederen \\oort.

In 1871 \\erscheen een geheel nieuwe bcroe])svorm. Op grond van de Wet
op het Veeartsenijkundig Staatstoezicht (42), werden dc eerste
districts-
veeartsen
benoemd door de Kroon, negen in getal. Wel waren tevoren
reeds dierenartsen in het bezit van aanstellingen door de overheid, meestal
als gemeente-veearts; een aanstelling die te beschouwen \\alt als cen vorm
\\an vestigingssubsidie in een tijd waarin het inkomen \\an de dierenarts
nauwelijks leefbaar was, maar zijn aanzien toch hoog genoeg om voor een
gemeente aantrekkelijk te zijn. Het \\rije karakter van het beroep werd
daar geenszins door aangetast. De districts\\eeartsen daarentegen waren
wel \\ollcdig ambtenaar. Hoewel tengexolgc \\an de genoemde wet op het
erf \\an dc boer cen tweede dierenarts \\erscheen. wanneer besmettelijke
ziekte heerste, en de tot dan toe \\ rije ])racticus dit moest accc])teren. ja zelfs
mcldings])licht kreeg (43), merkt men niets \\an s])anningen. Te erg had-
den veepest cn mond- en klauwzeer om zich heen kinmen grijjien in dc
jaren, die aan de overheidsregeling waren voorafgegaan.
De ambtelijke dierenartsen \\an de
Rijksseruminrichting werden kort na
haar oprichting in 1904 minder goed bejegend, wij zagen het reeds, In
1913 bedankte de directeur, Poels, voor het (crc-)lidmaatscha]) van de
Maatschappij (44).

Vanaf 1883 verschijnen dc abattoirs. Stedelijke vleeskeuringsdiensten kwa-
men al eerder voor. Het institimt \\an dc \\olambtelijke
keuringsdierenarts
vormt de volgende loot aan de stam van het diergeneeskundig i)ci ocp. met
zulke speciale problemen, dat in 1907 de \\\'creniging van Directeuren \\an
Gemeentelijke Slachthuizen werd oiJgcricht (22). VVanncer na 1919 dc
Vleeskeuringswet alle gemeenten dwingt alleen of in combinatie keurings-
diensten onder leiding van dierenartsen in te stellen, stijgt het aantal amb-
tenaren snel, al bleven velen tevens practicus. Veel werk, tot dan door
practici verricht, werd hen onttrokken, tenzij zij een benoeming tot ge-

-ocr page 1021-

lueentelijk keuringsdierenarts kregen, lietgeen vooral op het platteland
veelvuldig voorkwam. De keuring van te exporteren vlees werd in 1907
in handen gelegd van ambtelijke dierenartsen, de Rijkskeiunieesters (19).
Ook de exjjortkeuring van vee, tot de eerste wereldoorlog door practici uit-
geoefend (20). werd hen onttrokken en in handen van de districtsveeartsen
gelegd (45).

Wanneer dan b.v. de Maatschappij in 1918 haar 61e .\\lgemcne Vergade-
ring belegt, telt zij onder haar leden; practici, rijks- en gemeente-ambte-
naren. hoogleraren en militairen! Is het wonder dat de samenstelling van
het Bestuur en de o]3bouvv van cle Maatschapjjij in die jaren voorwerp van
voortdurende discussie was, daar iedeie categorie vertegenwoordigd wenste
te zijn? (46) Niettemin leidden de vele veranderingen niet tot een verbre-
king van de eeidieid der dierenartsen, met uitzondering van de twee de-
cennia durende dissidentie van de militaire paardenartsen. Dat in deze pe-
riode, waarin zoals wij zagen de verhouding tussen dierenarts en cliënt
sterk veranderde, ook in de
onderlinge relatie der dierenartsen wijziging
ojjtrad, spreekt duidelijk uit de spijtigheid waarmee de voorzitter van 1915,
lihon t, het verloren gaan van de oude gemoedelijkheid signaleert (47).

Dan breekt aan, waarvan ^V e s t e r gezegd schijnt te hebben: „eeu slechte
tijd voor de veeartsen, een goede tijd voor de veeartsenijkunde", de
agra-
rische crisis
vanaf 1927. Bij de dierenartsen groeit het verlangen naar
krachtige eenheid, naar buiten en naar binnen. In 1927 vraagt de afdeling
Groningen-Drenthe om een sterker optreden van de Maatschappij t.o.v.
besturen en organisaties, die van inv loed zijn op de diergeneeskundige be-
roepsuitoefening: een wapen naar buiten (48). In 1928 aanhoren de
dierenartsen op de tweede dag van hun .Mgemene Vergadering voor-
drachten over ethiek en fatsoensleer (door Dhont en S igl ing): een
wapen naar birmen — aan welke voordrachten een discussie is vooral ge-
gaan, waarbij de pers niet aanwezig mocht zijn, of bloed afnemen bij kip-
]X\'n 7,5 of 10 cent mocht kosten (49). Nog sterkere interne waijcns wor-
den gesmeed: de Statuten- en Reglenients-herziening van 1929 en 1931
maken het Bindende Besluit en de Gentrale Raad mogelijk (een eerder
voorstel tot een Raad van Eer, in 1918 door de afdeling Utrecht gedaan,
heeft wel tot oprichting geleid, maar Raad en I loofdbestiuu\' waren in een
personele unie verenigd, hetgeen niet tot eeu werkzaam bestaan stimu-
leerde (50)). In 1932 wordt de Centrale Raad geïnstalleerd (8); in 1932
ook valt het eerste verbod: aflevering van sera en entstoffen door leden aan
leken is niet toegestaan.

Deze lijn zet zich voort in 1940, als de Code van de Dierenarts verschijnt,
in 1960 in aangepaste vorm herdrukt. Wij vinden dezelfde lijn terug in
1946, als men over vestigingsregels spreekt (11), en in 1955, als de com-
missie wordt geïnstalleerd die moet nagaan of een nog grotere bindende
bevoegdheid nodig is, waarvoor dan de Maatschappij vervangen zou moe-
ten worden door een Beroepschap, hetgeen vooralsnog niet nodig bleek te
zijn (51).

Ondertussen is het aantal vormen van beroepsuitoefening verder gestegen.
In de jaren na 1945 neemt, zoals gezegd, zeer sterk het aantal dierenartsen
bij de gezondheidsdiensten toe. En hoewel er spanningen geheerst hebben
en misschien nog niet geheel opgelost zijn, mag toch gezegd worden dat de

-ocr page 1022-

verhoudingen tussen de beoefenaars \\\'an deze beroepsvorni en de oudere
categorieën even goed zijn als tussen de overige dierenartsen.

Verklaring.

Vooral de fase, welke in 1927 aanbrak en waarin de Maatschappij zich ook
thans nog bevindt, heeft de onderlinge betrekkingen tussen de Nederlandse
dierenartsen een nieuw karakter gegeven. Er is reeds op gewezen, dat deze
fase gelijktijdig met de landbouwcrisis aanvangt. Kan de nieuwe relatie uit
deze crisis verklaard worden? Ten dele wel.

De diergeneeskundige stand is sedert het ontstaan van de Maatschappij al-
lengs tot een vóór de twintiger jaren
ongekende hoogte gestegen, maat-
schappelijk, wetenschappelijk en financieel. De toegenomen kennis en de
inmiddels verkregen academische status zijn daar belangrijke oorzaken
van, oorzaken die mede door toedoen van het streven van de Maatschappij
ontstaan zijn (52). Deze status te verdedigen en te verhogen vergde andere
middelen dan voordien nodig waren. Men duit minder dan ooit praktijken,
die aan deze welstand in alle opzichten afbreuk doen en zoekt naar mid-
delen om wat bereikt is te beschermen. Juist dan vormt de crisis een ge-
duchte aan\\al en nog wel primair op de zwakste stee: de financiële wel-
stand. Geen wonder, dat sommige, uit veterinair oogpunt ongewenste han-
delwijzen ingang vonden. Bindende Besluiten en Erecode trachtten deze
tegen te gaan: een Centrale Raad, later Ereraad geheten, moest hun toe-
passing veilig stellen.

Zo is de nieuwe situatie gegroeid, die gekarakteriseerd kan worden met de
zin: dierenartsen bepalen wat dierenartsen mogen doen. Tot de dertiger
jaren kwamen dergelijke beperkingen van vrijheid slechts \\an overheids-
wege tot stand; van de tweede wereldoorlog af ook vanwege de cliënten
zelf: maar sedert 1932 doen de dierenartsen het zichzelf aan!

Maar waarom continueert zich deze situatie, ook nu reeds lang van geen
crisis meer gesproken kan worden en de welstand in geen enkel gevaar
schijnt te zijn?

Het is moeilijk eigentijdse verschijnselen te verklaren. Misschien dient de
oorzaak gezocht te worden in wat eerder reeds besproken werd: de toe-
nemende verzakelijking, die ook de diergeneeskundige praktijk heeft aan-
geraakt en de grens tussen
praktijk en harde commercie in \\ele gevallen
heeft vervaagd. Tracht men zich met de genoemde wapens te verzetten
tegen deze aanval op wat nog steeds een officium nobile heet? De inhoud
\\an Code en Bindende Besluiten is voor een groot deel gericht op het
tegengaan van commerciële handelwijzen, concurrentie inbegreisen, en
stelt daarbij een wetenschappelijk verantwoorde beroepsuitoefening veilig.
Volledigheidshalve dient ook thans erop te worden gewezen, dat deze
nieuwe ontwikkeling zijn schaduwen vooruit geworpen heeft en dat in
1913 reeds inzake verzekering een besluit viel, dat wij thans een Bindend
Besluit genoemd zouden hebben (53).

Meer samenwerking.

Nog enkele woorden dienen te worden gewijd aan de allerlaatste ontwik-
keling in de onderlinge verhoudingen van de dierenartsen en hier doelen
wij in het bijzonder op de practici. Sedert de tweede wereldoorlog zijn

-ocr page 1023-

associaties en langdurige assistentschappen meer en meer voorkomende
verschijnselen geworden.

De oorzaken hiervan zijn \\oor de hand hggend. Intensivering maakt het
toenemend moeilijker om alleen de grote praktijk te beoefenen. Nieuwe
chirurgische ingrepen vereisen nauwe samenwerking met collegae. Een
derde reden is het toenemend verlangen naar geregelde vrije tijd, in het
bijzonder \\oor weekends en vakanties. Ook niet geassocieerde practici
regelen meer en meer de weekenddiensten. Deze voor de practicus aan-
trekkelijke samenwerking biedt ook kansen voor een betere beroepsuitoefe-
ning, omdat rustpozen in de gejaagde levenswijs van deze dierenartsen on-
ontbeerlijk geworden zijn. Er is echter een schaduwzijde. Men vraagt zich
namelijk af, of deze vorm van samenwerking voldoende het in de Code
\\astgelegde recht van de cliënt op
vrije dierenarts-keuze (54) beschermt?
Waar dit recht in zijn uitoefening beknot wordt, komen verzakelijking en
verambtelijking — excusez les mots — dichterbij.

Het vrije beroep wordt bedreigd door de tijdgeest en door de toenemende
gecompliceerdheid en specialisering van het maatschappelijk bestel. De-
genen, die bet willen handhaven — en daar zijn meer dan historische re-
denen voor (55) — zullen het officium nobile, het dienende karakter van
het beroep hoog moeten houden. De vrijheid van de cliënt dient dan ge-
respecteerd, de commercie uit de praktijk geweerd te worden. Code, Be-
sluiten en Ereraad zijn hiervoor terecht gehandhaafde middelen.

Slot.

Het is te hopen, mijnheer de Voorzitter, dat de belangen \\an de dieren-
artsen door de Maatscliappij gediend zullen blijven, zoals dit tot nu toe
gedaan is.

Met behoud van eenheid en juist door dit gevoel voor eenheid tracht zij
si^anningen op te heffen, die tussen dierenartsen of tussen hun categorieën
ontstaan. En vanuit deze eenheid strijdt zij voor de gerechtvaardigde be-
langen van baar leden in de vreedzame strijd van belangentegenstelling,
waardoor een samenleving dynamisch blijft. Het maatschappelijk belang
van de dierenarts is niet in strijd met, integendeel een gezonde basis voor
de bevordering van de diergeneeskunde. Als aanstonds nieuwe ontwikke-
lingen nieuwe beroepsvormen, nieuwe categorieën doen ontstaan, zal er
wederom si^anning heersen, maar op deze wijze voortgaand zal de Maat-
schajjpij ook haar tweede Eeuwfeest kunnen vieren als dé organisatie van
de Nederlandse dierenartsen.

Alleen nog dit, mijnheel- de Voorzitter. Het moet mij van het hart, dat deze
lezing tot mijn spijt koren oj) de molen is van hen, die het onderricht der
klassieken nutteloos achten. Want achteloos blijkt venvorpen te zijn, het-
geen
r^ I a t O schreef in de Politeia:

„De diergeneeskunst let niet op haar eigen belang, maar op dat van het
paard. Geen enkele kunst heeft haar eigen belang op het oog, doch dat
van het onderwerp waar zij belang in stelt"
(56 )

Of, mijnheer de Voorzitter, dames en beren, zou het toch zin hebben in deze
zakelijke tijd wat meer naar dergelijke leringen te luisteren?

Met deze vraag eindig ik, U dankend voor Uw aandacht.

-ocr page 1024-

Dc verandering van het doel van de Maatschappij wordt geschetst. Dc Maatschappij
bevordert thans ook dc materiële belangen van de dierenartsen.

De verhouding tussen cliënt en dierenarts is zakelijker geworden door dc nieuwe
vormen van beroepsuitoefening (Overheid, Gezondheidsdiensten) maar vooral door
de tijdgeest, die gekenmerkt is door toenemende verzakelijking.

Ook in de verhouding tussen dc dierenartsen is veel veranderd. Dc dierenartsen leg-
gen zichzelf en hun collegae sedert 1932 beperkingen op, die enerzijds tot doel heb-
ben dc staat en stand hoog tc houden, anderzijds dc commerciële verzakelijking uit
dc diergeneeskunde tc weren.

SUMM.\\RY.

In the century of its existence the Society for Veterinary Medecine has been evolved
from an association to advance the veterinary science, to an association, which also
wants to procure the veterinary surgeons the social position they are entitled to on
account of their place in the Dutch community.

That promotion of interests especially arises in the period before the first and after
the second world war. It\'s during those periods that the form in which the veterinary
profession was practised also changed. 1\'ormcrly we only knew the uncontrolled prac-
ticians. Before the first world war the number and the authority of the veterinary
surgeons in Government service (combatting of animal diseases) and in the nmnicipal
service (meat-inspcction) increased considerably. .After the second world war the
Provincial Ilcalth-scrvices arose. These arc organizations of the farmers themselves,
which took into their employment many veterinary surgeons. However, for the
pi-rformance of their most important duty — the organized combatting of animal
diseases — they engaged the practicians, who, however, lost part of their freedom
(of method and of fee). The client, after having had dealings with the free practician
sofar, first came in touch with the magistrate, who in sonic respects curtails the free-
dom of the veterinary surgeon, and then with the veterinary surgeon who is in the
ser\\\'ice of his own farmer-organizations (health-services) or works in accordance with
the directions and under conditions made by those health-serviccs.
Both (hanges result in an increasing business-like nature in the relationship which,
however, is much more stimulated by the time-spirit, rormerly, the relationship was
characterized by anxiety and magic on the one side, respect and unlimited confi-
dence on the other hand. .At present the relation between veterinary surgeon and
client is characterised by words like right, rationalism and economy, duty, usefulness
and critical treatment.

Surely, the time-spirit itself which affccts all this, has obtained a businesslike character.
Sports and recreation, love and health, to give a few examples, have bccomc com-
mercial means. The Westerner sees the world around him as serviceable and treatable,
often without observing other aspects. This restriction is also the basis of modern
science which likewise only has as formal object the calculable and manageable as-
pect of things.

The veterinary surgeon, too, has been removed from his notable pedestal and more
than ever has become for the client a commercial means for peronal ends. In return
the client, too, more than ever, has become a connncrcial factor for the veterinary
surgeon. (Docs not the same thing occur in the mcdical science where also more
and more various institutions look upon the health care as a business; a constant
problem for all who occupy themselves with the progress of the welfare?) .As a result
of this the Society has gradually grown into as association through which the vete-
rinary surgeons, besides the ideal and scientific interests, also want to serve their
material interests.

Not only the relation of the veterinary surgeon with the client has changed, but also
their mutual relationship. It\'s a fact that some of them are in public service, others
in the service of the farmer-organizations and again others arc free practitioners,

-ocr page 1025-

but this has had little influence on this relationship though strained relations have
occured in former and recent times. It was, however, more affected by its business-
like character.

From the start the veterinary surgeons as a whole have tried to protect themselves
agamst the wrong cffeets of this commercial sphere in the position. Since the 1930s
- for a long time their financial position was unfavourably affected by the great
crisis - they have introduced means in order to prevent too much commercialization
in the performance of their duties. The old idea of an "officium nobile" they wanted
to protect by means of a code of honour, which prohibits typical commercial features
such as competition and publicity. They have taken binding resolutions by which
certain actions are forbidden to those who are members of the Society. Through this
the mutual relationship has changed. The free members impose drastic restraints on
themselves and their colleagues with the intention of keeping the profession of vete-
rinary surgeon free from those commercial influences which obstruct a responsible
practice.

."X recent development in the mutual relationship is the fact that more and more
veterinarians start to carry on practice collectively (a.ssociation, assistantship ). This
IS caused by the increasing intensification of the practice which makes it impossible
for one veterinary surgeon to cover a large area. The increasing complication of some
vcterinary operations, too, requires co-opcration. Finally it\'s the desire for regular
spare time for weekend and holidays that plays a part.

It stands to reason that these changes have greatly influenced the task of the So-
ciety, They have considerably promoted the widening of its aim to ser\\-e the interests
of Its members, A clear proof that it has succeeded in all this without losing the
unity among its members, is the Centenary Celebration which in one way or other
will be attended by the greater part of the members. The harmony has been preserved
and as for his place in the Dutch community the veterinarian owes a great deal if
not all to the Society.

RÉSUMÉ.

Pendant^ le siècle de son existence l\'Union W\'térinaire s\'est développée d\'une asso-
ciation à favoriser la médecine vétérinaire à une organisation ayant pour but non
seulement d\'encourager la science vétérinaire mais encore de procurer aux vété-
rinaires la position à laquelle ils ont droit à cause de la place qu\'ils occupent dans
la société hollandaise.

Le besoin dc soigner les intérêts des vétérinaires se manifeste surtout dans la période
avant la première et après la deuxième guerre mondiale. C\'est dans ce temps-là que
change aussi la manière dont on exerçait la profession vétérinaire. .Autrefois on ne
connaissait que les praticiens libres. Avant la première guerre mondiale le nombre
et l\'iiifliiencc des vétérinaires attachés au service de l\'Etat (traitement des maladies
infectieuses) ct de la commune (in.spection des viandes) augmentent considérablement.
Après la deuxième guerre mondiale naissent les Services Sanitaires Provenciaux, des
organisations formées par les paysans eux-mêmes engageant plusieurs vétérinaires
Pour l\'exercice dc leur fonction la plus importante (le traitement organisé des mala-
dies infectieuses) cependant, ils sollicitent la collaboration des practiciens qui perdent
alors une partie dc leur liberté dc méthode et de leurs honoraires.
Seulement, après avoir d\'abord rencontré le praticien libre jouissant des mêmes
droits, le client entre en contact avec le fonctionnaire gouvernemental qui sous cer-
tains rapports enchaîne la liberté du vétérinaire et ensuite avec le vétérinaire qui est
attaché au service de ses propres organisations agricoles (service sanitaire) ou avec
celui qui travaille selon les préceptes et sous les conditions posées par ces services
sanitaires.

Les deux modifications aboutissent à une relation qui devient de plus en plus objec-
tive et c\'est la tendance du siècle qui active encore plus cette objectivité. Autrefois
la relation était caractérisée par la sollicitude et la magie d\'un côté, le respect et la
confiance illimitée de l\'autre côté. De nos jours des termes comme: le droit, la ra-

-ocr page 1026-

tionalisation, l\'économie, le devoir, l\'utilité et le traitement critique illustrent la re-
lation entre le vétérinaire et son client.

L\'esprit du siècle influançant tout cela n\'est-il pas lui-même caractérisé par la ten-
dance tout d\'objectiviter. Le sport, la récréation, l\'amour et la santé par exemple sont
devenus des moyens commerciaux. Pour l\'homme dc l\'Occident le monde est quelque
chose dont il peut se servir et il néglige souvent d\'autres facettes. Cette restriction est
aussi le fond des sciences naturelles qui n\'ont pour but formel que d\'étudier l\'aspect
calculable des choses.

Le vétérinaire aussi a été détrôné. Pour le client il est devenu plus que jamais un
moyen objectif pour obtenir des buts personnels. Et pour le vétérinaire le client est
devenu un facteur objectif. (Est-ce-que la médecine ne connaît pas la même chose?
Toutes sortes d\'organisations sanitaires prennent du plus en plus une tendance ob-
jective, un problème permanent pour tous ceux qui s\'occupent de l\'organisation sani-
taire.) Par suite dc cette tendance l\'Union est devenue une association veillante non
seulement aux intérêts idéaux et scientifiques mais encore aux intérêts objectifs des
vétérinaircs.

Outre la relation entre le vétérinaire et son client, leur relation mutuelle a changé
aussi. Le fait que quelques-uns sont entrés au service du gouvernement, d\'autres à
celui des organisations agricoles et qu\'il y a encore des praticiens libres n\'a pas exercé
beaucoup d\'influence, quoique dans le passé et aujourd\'hui des difficultés se soient
manifestées. C\'est plutôt cette tendance objective qui a influence les choses.
Dès le début les vétérinaires réunis en groupe ont essayé de se proté.ger contre les
mauvaises conséquences de cet élément réaliste de leur profession. Depuis 1930 —
longtemps la grande crise a influencé très défavorablement leur état financier —
on a trouve des moyens ayant pour but d\'empêcher une trop grande conunercialisation
de l\'cxcrcicc de leur profession. On a voulu protéger la vieille idée d\'un „officium
nobile" au moyen d\'un code d\'honneur défendant des traits caractéristiqucment com-
merciaux comme la concurrence et la réclame. On a pris des résolutions impérativcs
défendants certaines méthodes aux membres de l\'I.\'nion. A cause de cela la relation
mutuelle a changé. Les membres libres s\'imposent à eux-mêmes et à leurs collègues
des restrictions ayant pour but dc préserver l\'état vétérinaire de ces influences qui
empêchent un exercice justifié de leur profession.

Une dernière modification dans la relation mutuelle: plusieurs vétérinaires vont
s\'associer à d\'autres collègues ou engagent un assistant. La cause en est que la pra-
tique a beaucoup augmenté dc sorte qu\'il est impossible à un seul \\étcrinairc d\'exercer
sa profession sur un grand territoire. La complexité des opérations vétérinaircs
devenant dc plus en plus grande exige la coopération. .X la fin le désir d\'avoir des
loisirs pour profiter des weekends et pour jouir des vacances joue un rôle important.
Il va dc soi que ces modifications ont beaucoup sur la fonction qu\'cxcrcc l\'Union
qui a évolué à une société s\'occupant surtout des intérêts de ses membres. La preuve
qu\'elle y a réussi sans avoir perdu le lien étroit entre les vétérinaircs c\'est qu\'elle
célèbre centenaire à laquelle participe dc manière ou d\'autre la moitié dc tous les
membres. L\'harmonie a été conservé et le vétérinaire doit sa place dans la société
hollandaise presque entièrement à l\'L\'nion \\\'étérinaire.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Tierärztliche Gesellschaft entwickelte sich während des ersten Jahrhunderts ihres
Bestehens aus einem Verein zur Beförderung der Veterinärheilkunde zu einer Organi-
sation, die nicht nur die Vctcrinärwissenschaft an sich befördern will, aber auch dem
Tierarzt den Stand und die Stellung erobern soll, die ihm gebühren seines Platzes
in der gesellchaftlichen Ordnung der Niederlande halber.

Diese Interessenwahrung entstand besonders im Zeitabschnitt vor dem ersten und
nach dem zweiten Weltkrieg. Damals änderte sich auch die .Art der .Ausübung des
tieräi-ztlichen Berufes. Früher kannte man nur den selbständigen Praktiker. Schon
vor dem ersten Weltkrieg wuchsen sowohl die Zahl wie auch die Macht der Tier-
ärzte im Staats- (Bekämpfung der Veterinärkrankheiten) und Gemeindedienst

-ocr page 1027-

(Flcischschau). Nach dem zweiten Wehkrieg entstanden die Provinzialsanitätsämter,
Organisationen der Bauern selber, welche viele Tierärzte beschäftigen, aber zur
Durchführung ihrer wichtigsten Aufgabe — die organisierte Bekämpfung der Tier-
seuchen — die Praktiker einschalten, wobei diese Gruppe einen Teil ihrer Freiheit
(mit Bezug auf Methode und Honorar) verliert.

Der Kunde kommt - nachdem er erst nur den gleichberechtigten und selbständigen
Praktiker begegnete — jetzt in Kontakt mit dem öffentlichen Beamten, wodurch die
Freiheit des Tierarztes zum Teil eingeschränkt wird, und dann auch mit einem Tier-
arzt, der entweder ein Angestellter seines eigenen Bauernverbandes (Sanitätsämter)
oder ein laut den Vorschriften und gemäss den Bedingungen dieser Sanitätsämter
Berufstätiger ist.

Beide Änderungen sind Ursache einer zunehmenden Kommerzialisierung der Ver-
hältnisse. Diese wird noch mehr befördert durch den Geist der Zeit: Früher war
dieses Verhältnis charakterisiert durch Besorgnis und Magie einerseits, durch Ehr-
furcht und unbeschränktes Vertrauen anderseits. Heutzutage illustrieren .Ausdrücke
wie Recht, Rationalisierung, und Ökonomie, Pflicht, Nutz und kritische Behandlung
das Verhältnis zwischen Tierarzt und Kunde.

Der Zeitgeist, der alles beeinflusst, ist selber gleicherweise kommerziell charakterisiert:
Sport und Zerstreuung, Liebe und Gesundheit — um nur einige Beispiele zu nennen
- - sind kommerzielle Mittel geworden. Der abendländische Mensch beurteilt seine
Umwelt als dienstbar und behandlungsfähig, wobei er oft andere .Aspekte Übersicht.
Diese Beschränkung ist glcichermassen die Grundlage der Naturwissenschaft, die auch
nur den bercchbaren und behandlungsfähigen .Aspekt der Dmge zum formellen Objekt
hat.

.Auch der Tierarzt ist von seinem hervorragenden Sockel gestossen und ist für den
Kunden mehr denn je zu einem geschäftlichen Mittel persönlicher Zwecke geworden.
Und der Kunde wurde für den Tierarzt mehr dann je zu einem geschäftlichen Faktor.
(Und sieht man nicht Gleiches in der Medizin, wo vielerlei Einstellungen die Ge-
sundheitsfürsorge immer mehr versachligen: ein dauerndes Problem für jeden
der sich mit dem .Ausbau der Gesundheitsfürsorge beschäftigt?) Infolge dieser Kom-
merzialisierung ist die Gesellschaft immer mehr ein \\\'ercin geworden mittels dessen
die Tierärzte nicht nur ihre ideellen und wissenschaftlichen aber auch ihre geschäft-
lichen Interessen wahren wollen.

Nicht nur das Verhältnis „Tierarzt-Kunde" aber auch das gegenseitige Verhältnis
hat sich geändert. Die Tatsache, dass manche Tierärzte im öffentlichen Dienst, andere
im Dienste der Bauernorganisationen stehen und wieder andere selbständige Prak-
tiker sind, hat in dieser Hinsicht nur wenig Einfluss gehabt, obwohl es zwar in Ver-
gangenheit und Gegenwart Spannungen gegeben hat. Der Einfluss der Kommerziali-
sierung hat sich viel deutlicher geltend gemacht.

Die Tierärzte haben als Gruppe von vornherein versucht sich zu schützen gegen die
schlechten Folgen dieses konmierzicllen Berufsklimas, Seit den drcissiger Jahren haben
sie — die grosse Wirtschaftskrise hatte ihren finanziellen Zustand lan.gwicrig be-
einträchtigt — Mittel eingeführt, die einer zu starken Kommerzialisierung ihrer
Bcrufsentfaltung vorbeugen sollen. Den alten Gedanken des „Offizium nobile" hat
man beschützen wollen mittels eines Ehrenkodexes, der deutlich kommerzielle Charak-
terzüge wie Wettbewerb und Reklame verbietet. Sie fastten bindende Entschlüsse
welche den Mitglieder der Gesellschaft gewisse Handlungsweisen untersagen. Dadurch
hat sich das .gegenseitige Verhältnis geändert. Die selbständigen Mitglieder legen sich-
selbst und den Kollegen eingreifende Einschränkungen auf, zwecks Handhabung der
Freiheit des Tierärztlichen Berufes mit Bezug auf das Fernhalten kommerzieller Ein-
flüsse, die einer verantworteten Ausübung des Berufes entgegenstehen.
Eine rezente Entwicklung des gegenseiti.gen Verhältnisses ist die Tatsache, dass Tier-
ärzte immer häufiger eine gemeinschaftliche Praxis (Assoziation, Assistenz) ausüben.
Ein Grund dazu ist die wachsende Intensivierung der Praxis, die es jedem einzelnen
Tierarzt unmöglich macht sein grosses Gebiet zu bestreichen. .Auch die wachsende
Verwicklung mancher
Veterinären Eingriffe bedingt Zusammenarbeit. Schliesslich

-ocr page 1028-

spielt auch das Verlangen nach regelmässiger Freizeit am Wochenends und in den
Ferien eine Rolle.

Diese Veränderungen haben naturgcmäss grossen Einfluss ausgeübt hinsichtlich der
.Aufgaben der Gesellschaft und einer Verbreiterung der Zielsetzungen zwecks Wahrung
der Interessen verursacht. Das es ihr gelungen ist dies zu fördern ohne die Einheit der
Tierärzte zu gefährden beweist wohl die heutige Jahrhundertfeier, woran die Hälfte
sämtlicher Mitglieder irgendwie teilnimmt. Die Harmonie wurde gewahrt und der
Platz des Tierarztes in der niederländischen Sozialordnung hat vieles -- wenn nicht
alles — der Tierärztlichen Gesellschaft zu verdanken.

NOTEN

Gebruikte afkortingen:

T = Tijdschrift voor Veeartsenijkunde en Veeteelt (deel 1 t.m. 28)
Tijdschrift voor Veeartsenijkunde (deel 29 t.m. 42)
Tijdschrift voor Diergeneeskunde (deel 43 tot heden)
.^.V. = Algemene Vergadering.

3. De naam van de op 27 augustus 1862 opgerichte vereniging luidt volgens de
toen aangenomen „wet": Maatschappij ter bevordering der Veeartsenijkunde
in Nederland,
T., 1, 16, (1863).

4. Jaarrede tijdens dc 31c .A.V,, 26 september 1891. T., 19, 30, (1891).

5. Verslag van dc 55e .A.V., 27 en 28 november 1914 (punt 18). 7\'., 41, 1212,
(1914).

6. A. F. Muller. T., 39, 687, (1912).

7. Verslag van de 62e 30 november 1918 (rondvraag). 7\'., 45, 699, (1918).

8. Installatie 16 januari 1932. 7\'., 59, 376, (1932).

9. Betreffende tuberculosebestrijding (afdelings-besluiten). Het volgende Bindende
Besluit betrof ziekenfondsen en abonnementen.

10. Dc enquête, in november 1920 gehouden (T., 47, 693, (1920)) leverde geen
resultaat op.
T., 48, 22, (1921).\'

11. Verslag van dc 92e A.V., 13 en 14 december 1946. 7"., 72, 263, (1947).

12. Verslag 93e A.V., 14 en 15 november 1947. 7\'., 73, 7/, (1948).

13. Secretariaatsmcdedeling 7\'., 73, 661, (1948),

14. Secretariaatsmededcling T., 74, 915. (1949).

15. Sociale Stijging cn Daling in Nederland, tabel 8.

16. Op 7 maart 1906 verbonden aan de Directie van de Landbouw, Ministerie van
Landbouw, .Nijverheid cn Handel.

17. Op 1 april 1910 benoemd ingevolge K.B. d.d. 24 maart 1910.

18. K.B. d.d. 3 februari 1913.

19. Wet van 14 juli 1907.

20. K.B. dd. 10 september 1908. De dierenartsen, die het iiitvoervec te keuren
kregen, heetten gouverncmentsveeartsen en stonden onder gezag van de directeur
van de Rijksseruminrichting. Dc uitvoer van vee cn vlees werd reeds .gecontro-
leerd door de districtsveeartsen.

21. K.B. dd. 2 september 1904: K.B. dd. 1 december 1910.

22. K. Reitsma: Dc ontwikkeling van het slachthuiswczen (tabel). T., 64, 1186,
(1937).

23. H. C. L. E. Berger: Dc Rijksseruminrichting. 7\'.. 64, 1118, (1937). Deze rege-
ling heeft bestaan van 20 februari 1904 tot 15 februari 1913. Zij wekte reeds
dadelijk cen storm van verontwaardiging, daar zij geacht werd „cen ongeoor-
loofd ingrijpen in de vrije beroepsuitoefening" te zijn (voorstel van de afdeling
Noord-Holland op de 45c A.V., 23 en 24 september 1904. 7"., 31,
594, (1904).

24. Lezing voor dc afdeling Groningen/Drenthe. 7\'., 38, 674, (1911).

25. Pro.gramma van de 32e A.V., 24 .september 1892. T., 20, 31, (1893).

26. Vergadering van praktizerende dierenartsen op 27 januari 1912 te Utrecht.

-ocr page 1029-

7\'., 39, 163, (1912). Op 20 maart 1910 was reeds een provinciale vereniging
voor practici opgericht, te Rotterdam (het verband met het gestelde in noot 21
is duidelijk).
T., 37, 284, (1910). Deze vereniging blijkt in 1916 weer opgeheven
tc zijn.
T., 44, 23, (1917). Van de op 25 april 1913 opgerichte vereniging in
Noord-Holland is dit niet bekend.
T., 40, 432, (1913).

27. H. Markus. T., 39, 143, (1912).

28. Verslag van de buitengewone A.\\\'., 14 maart 1914 (rondvraag). T.. 41, 494,
(1914).

29. Verslag van dc 55e .A..V., 27 cn 28 november 1914. 7\'., 42, 91, (1915).

30. O.m. de vice-voorzitter va de afdeling Friesland, J. P1 e t, heeft dit bepleit.
T., 45, 3, (1918). Zie ook: .A. H. Veenbaas: Gezondheidsdiensten voor vee.
T.. 64, 1142, (1937).

31. Wet van 14 februari 1950.

32. Besluit no. 209, van 1943. Wet d.d. 23 juni 1952.

33. Voordracht tijdens Landhuishoudkundig Congres te .Alkmaar, 1926. 7\'., 64,
1133, (1937).

34. C. Eiseby: Francis Bacon as Educator. Science, 133, 3460, 1197, (1961).
R. Du bois: Scicntist and Public. Science. 133, 3460, 1207, (1961).

35. R. G u a r d i n i: Die Macht.

36. Over macht en wetenschap leest men in: De ontwikkeling van het dierenarts-
beroep. 7\'.. 84,
581, (1959).

37. Brief van de Militair-\\\'eterinairc \\\'crceniging aan het H.B. 7\'., 44, 23, (1917).

38. Sccretariaatsverslag over 1913 vermeldt de uittreding. 7\'., 41, 1002, (1914).
In 1933 keren de militairen weer terug en vormen voortaan de „Groep Militaire
Paardenartsen".
T., 60, 326, 1068, 1246, (1933).

39. T., 37, 393, (1910).

40. C. Brands: De Militaire Veterinaire Dienst. T„ 64, 1100, (1937).

11. .}. West er: Geschiedenis der Veeartsenijkunde, blz. 169.

42. Art. 2 van de Wet dd. 20 juli 1870.

43. .\'\\rt. 11 van de Wet tot regeling van de uitoefening der X\'eeartscnijkunst, dd.
8 juli 1874.

■14. Verslag van de 54e .A.V., 27 september 1913. T., 40, 1040, (1913). De aan-
leiding vormde kritiek op het beleid van de Inrichting door de afgevaardigde
van de afdeling Groningen-Drenthe, Dr. J. van der V e e n. Zie noot 23.

15. H. C. L. E. Berger: Het Veeartsenijkundig Staatstoezicht. \'1\'., 64, 1109.
(1937).

46. Verslag van de 55e A.V., 27 en 28 november 1914. 7\'., 42, 89, (1915).

17. Verslag van de 56e A.V., 24 en 25 september 1915. 7"., 42, 683, (1915).

48. Verslag van de 72e A.V., 14 en 15 oktober 1927. T., 54, 1055, (1927).

19. Verslag van de 73e A.V., 12 en 13 oktober 1928. T., 55, 1141, (1928).

50. Programma en verslag van dc 64e A.V., 29 november 1919. T., 46, 559, (1919)
en T., 47, 1, (1920).

51. Rapport betreffende de instelling van een beroepsschap voor dierenartsen.

52. De Maatschajjpij heeft zich uitgesproken, b.v. voor lan.gere studieduur, meer
leraren, bacteriologisch onderricht, opheffing van het internaat (37e .\\.V., 25
september 1897,
T., 25, 39, 352, (1898)); maar ook voor dc opname van het
diergeneeskundig onderwijs als zesde faculteit in dc Utrechtse Universiteit
(buitengewone A.V., 14 maart 1914.
T., 41, 471, (1914)).

53. Programma van de buitengewone .A.V., 29 november 1913 (punt II.2). T., 40,
917, (1913). Zie ook: II. Schornagel: Herdenkingsrede. T., 64, 1316,
(1937).

54. Code voor de dierenarts, § 2 A (blz. 46).

55. De ontwikkeling van het dierenarts-beroep. T., 84. 581, (1959).

56. Plato (429-347 v. Chr.): Politeia, boek I: over de rechtvaardigheid (dialoog
van Socrates met Thrasymachus).

-ocr page 1030-

Geraadpleegde literatuur.

Code voor de dierenarts, 2e druk (uitg. Maatschappij voor Diergeneeskunde).
Utrecht, 1960.

Guardini, R.: Die Macht-Versuch einer Wegweisung. Würzburg.
Kwant, R. C.: Het arbeidsbestel. Utrecht, 1957.

K w a n t, R. G.: De ontmoeting van Wetenschap en Arbeid. Utrecht, 1958.
Science: Vo\\. 133, (1961).

Sociale Stijging en Daling in Nederland (uitg. Instituut Soc. Onderzoek Ncd. Volk),
Leiden, 1958.

Tijdschrift voor Veeartsenijkunde enz., in het bijzonder 64, 20, 1081-1210 (1937) en

87, Jubileum afl. 1, 72-128, (1962).
V e n, F. J. H. M. V a n d e r; Het vrije beroep. Leiden, 1956.
Wester, J.: Geschiedenis der Veeartsenijkunde. Utrecht, 1939.

-ocr page 1031-

HET EEUWFEEST.

Elk feest houdt een wonder in zich!
Naast de \\ele verrassingen die ons Eeuwfeest ons heeft
geboden, behoort het wonderlijke, dat het geheel an-
ders is begonnen dan wij ons aan\\ankelijk hadden
\\oorgesteld.

Het \\ ing n.1. aan met de
Onfvangsf door H.M. de Koningin

van dc leden van het Hoofdbestuur en van dc
Algemeen Secretaris ten paleize Soestdijk
op dinsdag 11 september 1962.

Bij monde van Haar secretaris, Mr" Van der Hoeven, beeft H.M. de Ko-
ningin de wens tc kennen gégex\'en bet Hoofdbestuur van dc jubiierende
Maatschappij voor Etiefgeneeskundc in het Paleis Soestdijk te willen ont-
vangen O]) dinsdag 11\'sèptehiber 1962 te 16.00 uiu\' teneinde in cen infor-
meel gesprek ingelicht te.-wórden ever de geschiedenis x an de Maatschap-
[)ij en de taken \\ an de dierenartsen in\'het maatschappelijk bestel. Op"\'uit-
dnikkelijk verzoek van H.M. z\'ou deze;"ontvangst hét karaktcf\'-dra.gen \\\'an
hetgeen wij in dagelijkse spreektaal t^n „bezoek" houden kimne« noemen.
Het spreekt vanzelf dat\' h\'et Hoofdbestinn- hierover zeer \\ erlieugd was-en \\t)l-
gaame aan dit verzoek \\an H.M. gehoor heeft gegeven. i\'

Toen de deputatie van de Maatschappij zicb op hct afgesproken uur ten
paleize had gemeld, .w-éi\'dVzij allereerst ontvrangen door dc secretaris\' van
H.M., waarna deze de delegatie binnenleidde in dc zaal\\an het ])ateis"waar
H.M. de Koningin zicb bcx ond in gezelschap \\ an Haar hofdame Jonló.-rouw
Roëll. Door Mr,.Van der H6e\\en werd de al.gemcen.voorzitter aart H.M.
voorgesteld, waarna deze op zijn beurt dc ledei] \\an h\'et Hoofdbcst^,ur,^■^\'n
de "algemeen secretaris aan H.M. voorstelde., \' ,

Nadat doo.r een drietal persfoto.gcafcn een foto was genomen (11, vcrzoUU
de Landsvi\'ouwe de afgevaardigden \\an\'dc Maatschappij \\oor Diergenees-
kunde plaats te nemen. Naast H.M. nam xle voorzitter plaats .^u.jn een. half
cirkel\\-ormi,gc kring daaromheen geschaard .Jonkvrouw Roel^-:.AIr..>\'ajfi,/ler
Hoeven en dc overige leden \\-an de dtliegatic.

Dc Vorstin leidde bet gesprek in en \\ erzochtnan dc \\ «orzitter iets te-Ver-
tellen over het ontstaan van de organisatie dor dierenartsen, de *)pleidlr.jg,
de huidi.ge constellatie \\-an de Maatschapinj en al wat daarrnt>de samen-
hangt, waaraan deze met genoegen voldeed.

Tijdens deze korte uiteenzetting begon de Gastvrouwe cen aantal vragen
te stellen, die van Haar bijzondere belangstelling getuigde. Onder meer
kwam ter sprake een mo,gelijke analyse van het ijijngevoel bij dieren in ver-
gelijking met de pijngevoelens van de mens.

H.M. betoonde zicb een zó eenvoudige en charmante gespreksleidster, dat
Haar gasten, binnengetreden met gevoelens \\ an schroom, zich s])ocdig ge-
rustgesteld gevoelden.

Inmiddels werd thee geserveerd en werden sigaretten aangeboden en naar-
mate de minuten verstreken werden de gesprekken zo geanimeerd en zo
ongedwongen, dat alle leden van het gezelschai) er aan konden deelnemen.

-ocr page 1032- -ocr page 1033-

Dc \\ertegen\\voorcligers \\an dc Maatschappij was het zeldzame voorrecht
beschoren iets te j)roe\\en van de huiselijke sfeer van het Koninklijk gezin
en zij zijn onder de bekoring gekomen \\ an de wijze waaro[) dc Lands\\\'rouwe
belang stelt in het wel en wee \\an Haai\' onderdanen.

Al te spoedig was dan ook het uur \\ oorbijgegaan en toen bij het afscheid
de \\oorzitter namens de Maatschappij hartelijk dank aan onze Vorstin
bracht, niet alleen \\ oor de eer aan onze organisatie Ijewezen doch ook \\ oor
de onvergetelijke ont\\angst, die aan haar \\ertegenwoordigers ten deel was
gevallen, kon hij zich verzekerd weten, dat hij dit deed namens alle Neder-
landse dierenartsen.

Schoner en rijkei\' begin \\an onze Eeuwfeestviering was dan ook moeilijk
denkbaar.

Heel on\\\'erwacht werd dooi\' het Eeuwfecstcomité s])ontaan de \\raag op-
gewor]3en, of het niet zinxol zou zijn. dc feestelijkheden ter gelegenhcicl \\-an
de herdenking \\an het 100-jarig bestaan \\an de Maatschappij \\oor Dier-
geneeskimde in te leiden met een occiunenischc bijeenkomst!
De eeuwwisseling van onze Maatschappij — zo werd gezegd - moet toch
een gerede gelegenheid zijn, de religieuze en kerkelijke gcscheidctdieid eens
e\\ cn op de achtcrgond te plaatsen en in \\ erbondenheid aan „de Schepper
aller dingen", als be\\\'riende collegae in het „gewone le\\en"" een gezamen-
lijke gebedssamenkomst te hebben en na gebleken bijval hebben Dr. de
H a a n en Dr. K r a ni c r namens het Eeuwfcestcomité als re[)i csentanten
\\an de Protestantse en Katholieke groeperingen de samenkomst \\-oorbe-
rcid. nadat hier\\-oor toestemming was verkregen \\-an het Hoofdbestuur.
De beschikking kon worden \\erkrcgen o\\er het |)rachtig gerestaiueerdc
koor van de Janskerk.

Met de bedoeling de samenkomst te houden in het kader van het kerkelijk
studenten werk heeft het twecnians oectuncnisch comité hieroser met dc
betreffende medewerkers contact o]3genomen, waaruit s|)ocdig resulteerde,
dat Dr. J. M. van .Minnen. Gereformeerd Studentenpredikant te
Utrecht en Dr. F. Thijs se. Kapelaan tc Utrecht zich als \\oorgangcrs
beschikl)aar stelden, terwijl de Schriftlezingen en de gebeden zouden wor-
den verricht door de heren E. R u t
e r s, dc bilt en K. II. H c r ni a n s,
Mill.

Oecumenische samenkomst.

1 )insdag 11 september, op de voora\\\'ond wan dc herdenking, werd het koor
\\ an de Janskerk ti jdens orgels]jel van de Heer J. J. S j5 e 1 d e - - ondanks
dc stromende crgen - nagenoeg geheel gevuld met dierenartsen en hun
dames uit Utrecht en naaste omge\\ing of \\an veraf, \\oor zover men al
in Utrecht was gearriveerd. De \\oorgangcrs en beide collegae werden door
Dr. de Haan en Dr. Kramer naar hun plaatsen geleid.

De samenkomst ving aan met samenzang van Psahn 136; 1, 2, 12 en 13
(nieuwe berijming), waarin God lof wordt toegebracht voor Zijn eeuwige
trouw en goedheid.

De heer Rutgers las daarna uit het Oude TestameiU: Genesis 1:20-25 en
Genesis 2:19 en 20a, het scheppingsverhaal \\-an de dieren, die door God
tot de mens worden gebracht, die er namen aan zal geven.

-ocr page 1034-

Hierna werd Gezang 149: 1 en 2 gezongen, eveneens cen loflied van alle
schepselen aan de eeuwige, ongeziene, heilige God.

Dr. van Minnen hield nu een toespraak, waarin Genesis 2;20a centraal
werd gesteld.

„En de mens gaf namen aan al het vee, aan het ge\\\'ogelte des hemels en
aan al het gedierte des vclds......"

„Een naam geven aan......dat betekent, als het goed is, een diagnose

stellen, daarin iets van het wezen ontsluiten, iets vastleggen op wat het
werkelijk is. Dit „namen ge\\en"\' is nu de bijzondere taak van de mens.
De mens aanvaardt de natutu\', maar niet zoals die zich aan hem voor-
doet, maar door het namenge\\ en. ordenen en classificeren en onder-
kennen drukt de mens ook cen stempel op de natuur.
Het is wel duidelijk, dat er in dit „namen geven"\' dus een diep verant-
woordelijkheid ligt, die in de tijd, waarin wij staan nu de mens zo on-
gehoord diep ingrijpt in de gang van de natiuir, wel bijzonder zwaar
drukt.

Helaas hclsben we in deze \\\'erant\\\\oordelijkheid vaak gefaald. De gc-
\\-olgen daarvan zijn tweeërlei.

Eerst ten aanzien van de ons onn-ingende natinir, met name de dieren-
wereld. Het optreden van de mens werkt daar bijzonder ontwrichtend.
Dan ook ten aanzien van de mens zelf. Volgens de Bijbel is onze ver-
antwoordelijkheid
voor de ons omringende natiuu- nauw verwe\\en met
onze mede-menselijkheid, d.w.z. met ons mens-zijn met elkander. Wie
het cen schendt, schendt het ander. \\\\\'ie het ,,namen gc\\en" misbriukt
om ego\'istisch uit te buiten en te tyranniseren, zal ook dc gc\\olgen be-
sijeuren in zijn huwelijk cn in dc collegialiteit.

Dc be\\\'rijtling \\an deze gevolgen ligt in het psalmwoord: „Gij doet de
mens heersen o\\er dc werken Uwer handen, alles hebt Gij onder zijn
voeten gelegd".

Kennen we al wat ons toevertrouwd is, als iets dat ons toevertrouwd is?
En de normen, die ons „namen geven\'" bejialen. waaraan ontlenen we
die?

.\\an de „Gij", waar\\an we zeggen „Gij doet"\'? Daarin ligt de \\\'reugde
\\oor de uitoefening van ons beroep en voor onze omgang met elkander.
Nu werd uit het Nieuwe Testament gelezen Romeinen 8:18-2.5, een peri-
koop over de hoop van Gods kinderen op dc \\erlossing van de ganse
schc])ping.

Dr. Thijsse gaat bij zijn toespraak uit \\ an Romeinen 8:19 en 21.

,,met reikhalzend \\erlangen wacht de schepping op het openbaar wor-
den van de zonen Gods,

......omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergan-

kclijklicid zal bevrijd worden tot de vrijheid van dc heerlijkheid van de
kinderen Gods".

Deze toespraak kan als volgt in het kort worden wecrgege\\ en:

In de scheppingsorde heeft de mens cen centrale plaats, die tot uitdruk-
king komt in de opdracht de dieren en dingen naam tc geven. De orde
van de verlossing centreert eveneens in de mens, \\\'oor wie de mens-
wording van Jezus Christus culminerend in lijden, dood en verrijzenis,
cen geheel nieuwe bestaanswijze open heeft gesteld: het kindschap Gods.

-ocr page 1035- -ocr page 1036-

Maar het \\\'erlossingswerk treft de mens niet alléén, doch de mens in
de eenheid \\an het menselijk geslacht en dit weer in de niet weg te
denken betrekking tot de wereld rondom. In die nieuwe bestaanswijze
is de gehele mens opgenomen, ook zijn werk.

Daardoor heeft ook dit werk een ])laats in de verloste werkelijkheid.
Het ordent de wereld, de dode en levende natuur, weg van de chaos,
die de zondeval \\eroorzaakt heeft. Deze hernieuwde ordening, bij het
einde der tijden voor cle Heer voltooid, is het, waarna „de schepping
reikhalzend smacht" (Rom. 8:19), en waarvan zij thans als het ware
de pijnlijke en moeilijke geboorte ervaart (8:22).

Het dierenrijk behoort tot deze wereld rondom de mens. Het werk der
dierenartsen is voor een groot deel gericht op het helpen van de dieren.
In de christelijke visie is dit een bijzondere uitwerking \\an de verlossing
door de dierenarts heen naar het dieienrijk. De uitoefening van het
diergeneeskundig beroep kan daarom tekenen oprichten van C^hristus\'
Heil

De heer Hermans sprak de gebeden uit, waarna de samenkomst werd be-
sloten met gezamenlijk zingen van Psalm 98:3 en 4 (nieuwe berijming),
waarin juichend de wederkomst des Heren wordt bezongen, om op aarde
Zijn Koninkrijk te stichten.

Onder orgelspel verlaat men nu weer het oude kerkgebouw, waar de toe-
spiaken aandachtig werden beluisterd (2).

.\\an het wezen van zo een samenzijn van een aantal leden \\an de Maat-
scha])])ij \\oor Diergeneeskimde, die zich ojjiuaken \\-oor de herdenking \\an
het
lOO-jarig jubileum \\an „hun" Maatschai)[)ij, zou te kort woiclen ge-
daan, als het gewoon ,,zeer geslaagd" of ,,een groot succes" zou worden ge-
noemd.

Dat er bij een groot aantal deelnemers behoefte bleek te bestaan in de foyer
\\ an Pays-Bas met de \\oorgangers nog van gedachten te wisselen, zegt veel;
dat er nu nóg met grote voldoening ovei\' deze bijenkomst woiclt gesproken
zegt alles.

Nadat dus op 11 se])teniber het Eeuwfeest reeds was ,,ingeluid", \\\'ing de
,.officiële" \\iei\'ing aan o|) 12 se])tember met de o])ening \\an di- tentoon-
stelling

100 Jaar Maatschappij voor Diergeneeskunde in de
Wereld van Mens en Dier.

Deze door het Utrechts Univeisiteitsmuseum in samenwerking met de
.Maatschapi^ij vooi\' Diergeneeskunde georganiseerde tentoonstelling werd,
na een kort inleidend woord \\ an Me\\ rouw Dr. J. G. a n C i t t e r t-
E ij m e r s, directrice van het Uni\\ ersiteitsmuseiun, geopend door de Pre-
sident Cauator van de Rijksimi\\ersiteit, Mr. G. Th. E. Graaf van
Lijnden a n S a n d e n b u r g. Hierbij werd in een korte schets het
wel en wee \\an de Maatschappij gememoreerd en de aandacht gevestigd
op het feit dat nu - - na 100 jaar - de Nederlandse dierenartsen waren ge-
organiseerd in het hechte verband van de Maatschappij en dat dit zeker
niet zonder vallen en o])staan tot stand was gekomen.

-ocr page 1037-

riet woord was hierna aan de \\oorzittei\' \\an het Eeuwfeestcomité, de heer
E.
J, A. A. Q u a e cl 1 i c g, die namens het CJomité de aanwezigen welkom
heette en dc wens uisprak dat deze Eeuwfeestviering een goed en waardig
verloop zou hebben, waarna Me\\ rouw Van
C i 11 e r t een overzicht gaf
van het tot stand komen der expositie en \\ an hetgeen er \\ iel te bezichtigen.
Vervolgens bcga\\\'en de talrijke aanwezigen (3) zich naar de daaivoor in-
gerichte lokaliteiten teneinde met \\eel belangstelling (4) het tentoongestelde
te bezichtigen.

De belangwekkende \\erzameling hield o.m. in cen schematische weergave
\\an het ontstaan der Maatschap]3ij in 1862 uit de verschillende regionale
groeperingen, een collectie oude Nederlandse dictgeneeskundige uitgaven,
waaraan het ontstaan \\\'an het huidige Tijdschrift voor Diergeneeskunde was
tc danken, een weerga\\ e \\ an de plaats der Maatschappij temidden \\ an haar
buitenlandse zusten crenigingen.

Voorts kon men zich op de hoogte stellen van dc activiteiten \\an dc Maat-
scha
])pij \\oor wat betreft haar in\\locd o]3 de ontwikkeling \\an het dier-
geneeskundig ondenvijs en
de tot stand koming \\ an dc diergeneeskundige
wctgCN
\'ing.

Een maquette beeldde dc oi^ricbting van openbare en coöperatieve slacht-
huizen uit, terwijl cen o\\crzicht werd gcgexen. van dc bestrijding van be-
smettelijke dierziekten en het aamal landbouwhuisdieren in Nederland \\an
1862 tot 1962 ten oijzichtc \\ an het aantal aanwezige dierenartsen.
Een collcctic inzendingen betreffende de prehistorie \\an ]3aard en rund was
aanwezig, terwijl ook cen o\\erzicht \\an het in het voormalige Ncdeilands
Oost-Indië door Nederlandse dierenartsen \\errichte werk de aandacht bad.
Een grote verzameling curiositeiten, merendeels bestaande uit foto\'s, alsmede
enkele anatomische preparaten waren op de tafcis en in \\itrines aanwezig.
Het was dan ook rnct grote belangstelling dat de genodigden deze met
zorg samengestelde en kciu-ig gcsclccteei\'de \\crzanicling bekeken, waarbij
vele uitroepen \\an \\crbazing en blijde herkenning niet ontlirakeri.

licn uur later werd door dc heer Burgemeester van Utrecht J b r. M i\'. C;.
]. de Ranitz cen tweede — eveneens door ccn zeer talrijke schare
\\an aanwezigen bezochte tetitoonstcliing geopend.

Het Dier in de Kunst.

Hoewel het aan\\ankclijk dc bedoeling was allen, die de o])cning van de
historische tentoonstelling ,,100 Jaar Maatschap]3ij voor Diergeneeskunde
in de wereld van Mens en Dici" en \\an de tentoonstelling ..Hct Dier in
dc Kunst" wilden bijwonen, hiertoe gelegenheid tc gc\\en, bleek dit niet
mogelijk.

Het aantal aanvragen was nl. zo groot, dat s|)litsing in 2 groe])en moest
worden gemaakt, voor beide exposities. Bij de opening \\an de tentoon-
stelling was dan ook een gedeelte \\ an het Hoofdbesttuu" aanwezig, de heren
J. J. F e d d e m a en T. S i n n e m a, en ex eneens een gedeelte \\ an het
I>euwfeestcomité en wel de heren J. F r i k, H. M. H. L. H o r b a c h
en Dr. M. F. K r a ni e r.

Omstreeks half elf stonden de leden \\an de Protocolcommissie (de heren

-ocr page 1038-

A. W. Kersjes en J. Mol) in het expositiegebouw \\an het Genoot-
schap Kunstliefde gereed oin de gasten en de leden met dames te ont-
\\angen.

Tegen elf uiu liejien beide zalen helemaal vol, het was een gezellig rendez-
\\ous van oude bekenden en vrienden. Behalve de leden van de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde en \\\'an het Genootschap Kimstliefde waren
aanwezig dc Rin-gemeester van Utrecht, de heer Jhr. Mr, C, J, A, d e
R a n i t z, de voorzitter \\ an het Genootschap Kimstliefde, de heer Mr.
j. 11. Des T O m b c, de secretaris van de tentoonstellingscommissie van het
Genootschajj, de heer P. Vermeulen en enkele juryleden.
Na een hartelijk welkomstwoord van de heer J. Mol, lid van de Protocol-
commissie, kreeg de heer Burgemeester \\\'an Utrecht, Jhr, Mr, C, J, A. d c
R a n i t z. het woord om dc tentoonstelling te openen.
Spreker wees er in zijn kunsthistorische beschouwing op, dat het dier te
allen tijde de mcns-kimstenaar heeft geïnspireerd, zowel dc schilder als dc
beeldhouwer en de graficus, maar ook de componist. Wat de laatste betreft
memoreert hij ,.C"arnaval des Animaux\'\' van Saint-Saijns,
Het is geen wonder, dat die inspiratie bestaat, want wie zich in het dieren-
rijk verdiejjt, moet worden geboeid door de oneindige vorm — en kleur-
verscheidenheid en schoonheid, door cle wijd uiteenlopende karakteristiek,
die zo veel doet denken aan het mensdom in alle variatie, door de intieme
relatie van het dier met de natuur en met het ook door de kunstenaar ver-
eerde landschap.

Ziet de kunstenaar ook niet in het dier de drager van de meest uiteenlopen-
de emoties? Hiervan volgt in het historisch overzicht een duidelijk voor-
beeld (Herman Kruyder),

Dc Burgemeester vindt het verlokkelijk met zijn geboeid gehoor een wan-
deling te maken door het dierenrijk in de beeldende kunst, waarbij hij
zich echter moest beperken tot een korte vogelvlucht.

De afbeelding van dieren is, zo niet ouder, dan toch minstens zo oud als de af-
beeldin.g van mensen (de beroemde wandschilderingen van Altarnira),
Magische, cultische oogmerken gaven aanleiding tot het vervaardigen van derge-
lijke voorstcllin.gen. Van de tijd van .\'\\ltamira af zijn cr steeds weer dieren in dc
schilder-, beeldhouw- en grafische kunst afgebeeld. Het dier in dc schilderkunst
is met de ondergang van het Romeinse Rijk voor lange duur uit dc Europese
kunst verdwenen. Dit is niet het geval geweest met het dier in de beeldhouwkunst.
Hier wordt slechts herinnerd aan dc belangrijke en talrijke dicrplasticken aan en
in dc Romaanse kerken in Frankrijk.

Het verlangen om dieren tc schilderen ontwaakt eerst weer in de vijftiende eeuw.
In de zestiende eeuw komen dit soort schilderingen steeds meer voor. Tegen het
midden van deze eeuw maken Vlaamse en Hollandse meesters schilderijen, waarin
de afbeeldingen van dieren in de historische voorstcllin.gen een grotere rol speelt
dan dc persoon zelf.

Hollandse dierschildcringen tonen meestal vredige huisdieren. In de bloeitijd is
de afbeelding van dieren klein van formaat, de dieren versmelten als stoffage met
het landschap. Eerst in de tweede helft van de zestiende eeuw ontstaan met de
grote rijkdom van de burgers dc grote decoratieve doeken met dierschildcringen.
Tot dc bekendste dierschilders uit de Utrechtse school behoren: Roelant Savcrij
(1576-1639), Melchior d\'Hondccoeter (1636-1695), Jan Baptist VVeenix (1621-
1663) en zijn zoon Jan Weenix (1640-1719) en Jacob Gillig (± 1636-1701; vis-
stillevens).

Tot zover dc Gouden Eeuw. Een sprong naar de 19e eeuw is nu wel verantwoord.

-ocr page 1039- -ocr page 1040- -ocr page 1041-

Over deze eeuw is wel het een en ander te zeggen. In zijn tijd was beroemd de
Belg Josef Stevens (1816-1892) met zijn naturalistisch geschilderde honden, in
het bijzonder trekhonden.

Kort daarna was de Franse impressionist Edgard Degas (1834-1917) cen grote
figuur als schilder van paarden (eigenlijk van races, d.w.z. van paarden met
jockeys), die hij overigens scilderkundig niet anders behandelde dan zijn andere
grote categorie van sujetten: de balletmeisjes.

Iets later was zijn landgenoot Rousseau le Douanier (1844-1910) een — op dc
surrealisten vooruitlopende — schilder van o.a. in de tropen gesitueerde voor-
stellingen met leeuwen, pelikanen e.d. Rousseau was precies dc tijdgenoot van
,,onze" impressionist uit de Haagse School, Willem Maris (1844-1910), van wie
de beroemde, stellig voor cen citaat Uwerzijds in aanmerking komende uitspraak
is: „ik schilder geen koeien, maar lichtvangers".

In dezelfde periode ontwikkelde zich het buitengewone talent van Breitner, aan-
vankelijk in militaire ruiterstukken, weldra ook in grote schilderijen met slepers-
paarden.

Wij zijn dan toegekomen aan dc 20c eeuw, die onder zijn grootste (dat wil vooral
zeggen: kunsthistorisch belangrijkste) figuren enige schilders telt, die zich in-
tensief met het dier hebben bezig gehouden. In de eerste plaats mag worden ge-
noemd de bij Verdun gesneuvelde Duitse expressionist Franz Marc (1880-1916),
wiens fel, en allerminst „naturalistisch" gekleurde paarden algemene bekendheid
kregen. Zó zelfs, dat dc uitgever van het bekende „Knaurs Lexikon moderner
Kunst" op het omslag een reproductie van cen schilderij met drie paarden van
Mare afbeeldde. Men zou kunnen zeggen, dat Mare zich geheel verloor in het dier,
dat hij vereerde als het zuivere wezen, dat niet is aangetast door dc beschaving.
Men denke vooral niet, dat de on-naturalistische kleurgeving en expressionistische
vertekening ons het recht zouden geven Mare uit te sluiten van de typische dier-
schilders. Integendeel dient men te beseffen, dat hij het dier, vooral het paard,
jarenlang observeerde en bestudeerde om althans voor zichzelf het gevoel te ver-
krijgen, dat hij zijn wezen doorgrondde.

Ook zijn tijdgenoot Campendonk (1889 geboren, kort geleden overleden), die
evenals zijn vriend Mare behoorde tot dc groep van „die blaue Reiter", heeft veel
dieren geschilderd, d.w.z. sprookjesbossen, bevolkt met koeien, honden, katten,
vogels, etc. Campcndonk is vooi ons interessant, omdat hij jarenlang als hoog-
leraar onderricht gaf aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in .Amster-
dam, zodat ook cen man als Jan Boon .Azn. tot zijn leerlin.gen heeft behoord.
Overigens wijs ik erop, dat dc naam van dc cxpressionistengroep „die blaue
Reiter" in dit verband veelzeggend is. Men heeft zich genoemd naar de titel van
een schilderij van Kandinsky.

Ook Picasso (geboren 1881), die welbeschouwd wordt als dc meest centrale figuur
in de moderne schilderkunst, heeft zich jarenlang intensief met het dier bezig
gehouden. Vóór de oorlog nog ontstond zijn meters brede chef D\'oeuvrc „Guer-
nico" (1937), .genoemd naar de Spaanse stad van die naam, die door de Duitsers
als handlangers van Franco werd gebombardeerd. Men ziet op dit schilderij
nauwelijks cen menselijk clement in eigenlijke zin. Symbolen van de verwoesting
en het lijden tegelijk zijn paard en stier. Men kan zeggen, dat Picasso van 1948
af tussen zijn vele thcmata het meest aandacht heeft gegeven aan het dier: duiven,
uilen, paarden, stieren enz.

In hetzelfde jaar als Picasso werd dc .Nederlandse expressionist Herman Kruyder
geboren (1881-1935), die op tal van schilderijen het dier gemaakt heeft tot drager
van dc meest uiteenlopende (zowel tedere als verschrikkelijke) emoties. Op één van
zijn vroegste schilderijen beeldde hij het paradijs uit: cen tuin waarin mens en dier
samen zijn. Maar later schilderde hij een complexe wreedheid in één van zijn
bekendste schilderijen „Dc varkensdodcr". Hij schiep talloze schilderijen met
koeien, hanen, varkens e.d.

-ocr page 1042-

Dc burgemeester wilde deze korte vogeK luchl beëindigen in Utrecht, waar
de zwaan statig vaart op de gladde waterspiegel van de singel, waar hond
en poes vreugde geven in het gezin, waar eenden en vogels het Wilhelmina-
park verlevendigen. Utrecht, de stad der clierplastieken, waarvan als voor-
beelden kunnen worden genoemd:

W\'. Blees - Poes, 1961 (speelplaats Kleuterschool Racinelaan).

J. C\'.. Hekman - Beer. 1961 (Van der Peltlaan).

W. van Kuilenburg - Man met paard en \\\'eulen, 1939 (Dambrug).

J. van Luyn - Hert 1957 (Victor Hugo]3lantsoen ).

L. Minguzzi - Haan, 1954 (Mariahoek).

Thea van der Pant - Giraffe, 1960 (Julianapark).

Theo van der Pant - Roerdomp, 1960 (Binnenplaats I.V.O.-school).

A. Termote - St. ^Villibordus te paard, 1947 (Janskerkhof).

.A. Termote - St. Maarten te paard, 1947 (Oudegracht).

O. VVenckebach - Spoetnikkijker met hond, 1961 (Servaasbolwerk).

Ook in het kader van de esthetische verzorging der scholen worden vaak
door de gemeente kunstwerken aangekocht, waarop dieren zijn afgebeeld.
Utrecht kan ook worden genoemd de stad van de MaatschapiMj voor Dier-
geneeskimde, clie het door een genereuze gift mogelijk heeft gemaakt de
dier])lastieken nog met één te vermeerderen. Dit zal een schep[)ing worden
van Thea \\an der Pant, clie met een ongemeen talent het dier weet uit te
beelden.

Met de wens, dat deze tentoonstelling de beschouwers zal \\erstillen \\an
emotie voor de schoonheid, die het dier ]3roduceert en die de kunstenaar
reproduceert, verklaart cle Burgemeester de expositie voor geoj)end.
Hierna reikt de Burgemeester symbolisch de eerste ]Jrijs uit aan de heer
J
O O p H e k ni a n voor zijn beeldhouwwerk „Hurkende Stier", de tweede
prijs aan de schilder, de heer H u i b Sluis voor „Kauwtje" en de derde
jH-ijs aan de graficus, de heer W i 1 1 i a m K u i k \\ ooi- zijn „Draakverbeel-
dingen".

De voorzitter \\an de Tenoonstellingscouunissie \\an het Eeuwfeestcomité,
Dr. \\V. d e H a a n, sluit hierna het officiële gedeelte \\ an deze o]jenings-
bijeenkonist waarbij hij dank brengt aan de Burgemeester voor zijn gulle
medewerking, aan de voorzitter van het Genootschap ..Kunstliefde" \\oor
de prettige samenwerking en belangrijke raadgev ing bij de voorbereiding
dezer tentoonstelling, de secretaris der tentoonstellingscommissie voor cle
uitvoering der |)lannen en tenslotte de leden van de juiy, te weten de
beeldhouwster Mej. Thea van der Pant, de kunstschilders Jan
E r V e n e s t ij n en P e r d o k en de graficus, de heer L o u Strik voor
de wijze, waarop zij hun moeilijke functie - die meestal niet benijdens-
waardig was — hebben uitgeoefend.

.\\horens het officiële gedeelte der bijeeid;omst te sluiten, werden de ge-
nodigden uitgenodigd een rondgang langs de inzendingen te maken en
bij een rustige wandeling door de zalen blijkt wel, dat de meeste exposanten
zich voor deze tentoonstelling veel moeite hebben getroost.
In totaal zijn door 36 kunstenaars, beeldhouwers, schilders en grafici 47
werken ingezonden, een grote verscheidenheid van beeldhouwwerk, olie-
verf, acjuarel, litho pentekening, gouache, keramiek etc. De meeste inzen-
dingen zijn schepjjingen speciaal voor deze tentoonstelling.

-ocr page 1043-

Als men vraagl naar de verrassingen oj) de/e tentoonstelling, dan kan naast
de menselijk fijn/innige werkstukken \\ an Harry Sterk en de verfijnde ner-
\\euze gouaches \\ an Jo dc Rccht-de Graaff. worden verwezen naar de gees-
tige en satyrieke tekeningen \\an Willem \\an Leusden, als ook naar zijn
s])eclse album Lief en Leed \\-an een (insecten-) koningin, met calligrafie
door Sehna \\ an Carneval.

Daarnaast zijn de savantc gouaches \\an Luigi de Lerma de vermelding
waard, dc bezonken linosnede \\an mevrouw M. \\an Spaendonk-Dolk, het
nobele werk van A. \\an der Wcyden naast zijn kleurkrachtige schilderij
Koe met Kalf. de uitnemende kcramiektegel Jager te paard, het gevoelige
Meisje met Vogel \\an Nel \\an der Maaden, de sterke Paarden van Rudy
Bierman, de lucide Race van Jan Rodrigo, het subtiele werkje \\an Louis
Wijnians (typisch voorbeeld van de relatie mens-dier), zo werd in dc pers
vermeld.

Na de bezichtiging bleven \\clen nog enige tijd gezellig na.

-ocr page 1044-

Herdenkingsbijeenkomst in de Domkerk.

Deze herdenkingsplechtigheid in de statige Domkerk, die hiervoor wel-
willend door dc Ned. Hervormde Kerk\\oogdij aan de Maatschappij ter
beschikking was gesteld, \\ing klokslag 2 uur aan.

Het kerkgebouw, vooral in de omgeving \\an de preekstoel, was op prach-
tige en stemmige wijze met palmen en bloemstukken versierd, volkomen in
harmonie met de strakke en rijke architectonische lijnen, welke zo ken-
merkend zijn voor de middeleeuwse Nederlandse bouwkimst. Op de ge-
brandschilderde ramen liet de herfstzon haar dartel licht glanzend spelen
en deze ijle lichtspiegelingen, doorzeefd met de etherische geur der bloe-
menweelde, droegen ertoe bij in de kerk een sfeer te toveren, die aan de
plechtigheid die aanstonds zou plaats vinden, zo\'n luisterrijk karakter zou
geven.

\'Vanaf ruim 1 utu\' kwamen dc talrijke genodigden en dierenartsen, \\erre-
weg de meesten \\ergezeld \\an hun dames, de kerk binnen; een 25-tal
studenten, leden van dc Diergenceskimdige .Studenten Kring, had zich —
in samenwerking met de protocolconunissie — ter beschikking gesteld om
de belangstellenden naar htm plaatsen te geleiden.

\'I\'oen om kwart voor twee de deuren werden gesloten was de kerk \\ rijwel
geheel gevuld (9) en toen ruisten \\anaf het orgel, bcs])ecld door dc be-
kwame oiganist Stoffel van \'Viegen, welluidende klanken door de gewel-
ven. \'Vrienden en bekenden herkenden elkaar en wisselden een stille groet;
gesprekken werden op fhnstcrtoon gevoerd en in de indrukwekkende Dom-
kerk hing een sfeer van gespannen verwachting......

Om twee uur precies: het grote ogenblik was aangebroken.

.-Xlle aanwezigen verhieven zich \\\'an hun zitplaatsen toen dc cortège binnen-
kwam. \'Voorafgegaan door de Chef de Protocol begaven zich nu de auto-
riteiten die door het Hoofdbestiutr en het Eeuwfeestcomitc met hun dames
\\ooraf in ccn der zalen \\an het Uni\\\'ersiteitsgcbouw waren ont\\\'angen \\ia
dc eeuwenoude Kloostergang naar het kerkgebouw. (8)
In menig dierenart.senhait zal een snaar \\an ontroering hebben getrild,
toen deze stoet de kerk binnenschreed: als eerste dc algemeen voorzitter,
die Z. E. de Minister van Landbouw en Visserij als vertegenwoordiger der
Landsregciing begeleidde en vcr\\olgcns ecu dertigtal genodigden, begeleid
door de leden \\an liet Hoofdbcstiuir en het Eeuwfecstcomité
Het moet vooral \\oor dc dierenartsen, die \\an de cortège deel uitmaakten,
een machtige en overweldigende aanblik zijn geweest: dc grootse kathe-
draal \\rijwel tot de laatste ])laats bezet, de bloemenweelde, dc felle licht-
schittering \\an de beide televisietoestellen en de aanzwellende accoordeii
\\an het orgel, in één woord: ...... dc gloriedag van onze Maatschappij.

\'i\'oen allen waren gezeten nam de plechtigheid een aanvang en werd zij
door de Voorzitter van het Ecuwfeestconiité, dc heer E. J. j. .4. A.
Q u a e d v 1 i e g, geopend (10) met het volgende welkomstwoord.

Excellentie,
Dames en Heren,

In het progranmiabockje \\ indt U vermeld, dat deze plechtige herdenkings-
bijeenkomst zal worden geopend met een kort welkomstwoord door de
voorzitter van het Ecuwfeestcomité,

-ocr page 1045-

t tMrTl. f

\' ^ \' - ü U »\'

-ocr page 1046- -ocr page 1047-

Het is voof iiiij een ecr\\ol voorrecht en texeiis cen groot genoegen U
allen op de/e plaats, namens het Ecuwfecstcomité, \\an harte welkom tc
heten en U nii reeds onze dank te betuigen \\oor Uw attentie om vandaag
in zo grote getale aanwezig te willen zijn bij dit historisch gcbeiu-en.
Vermeld staat ook, dat bet een kort welkomstwoord zal zijn. Ik zal die
\\ ingerwijzing niet ongemerkt aan mij voorbij laten gaan. maar wil U toch
de verzekering geven, dat de kortheid van deze begroeting niets afdoet
aan de welgemeendheid en hartelijkheid daarvan. Integendeel!

Het is mij een genoegen in het bijzonder welkom te mogen heten Zijne
Excellentie de Minister \\an Landbouw en Visserij, de \\\'ertegenwoordiger
\\ an dc Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, alsmede de ver-
tegenwoordiger \\an de Minister \\-an Onderwijs, Kunsten en \\Veten-
schappen, wier aanwezigheid bij deze plechtigheid wij op zeer hoge prijs
stellen, niet alleen om de meerdere luister, waarmede zij daardoor omgeven
wordt, maar \\-ooral ook omdat wij daarin menen tc mogen zien, van dc
zijde der Regering, cen bewijs \\an erkenning \\an en van erkentelijkheid
voor het vele goede en mooie werk, dat door dc Maatschap]jij \\-oor Dier-
geneeskunde — en in haar door de Nedcrland.se dierenartsen — in de loop
der jaren is verricht in het belang en tot heil \\-an het Nederlandse volk.

Een bijzonder woord \\an welkom richt ik ook gaarne tot U, mijnheer de
C^ommissaris \\an de Koningin in de i)rovincie Utrecht. Wij zijn U ten
zeerste erkentelijk \\ oor Uw welwillendheid om deze plechtigheid met Uw
tegenwoordigheid te willen vereren.

Met veel genoegen richt ik mij ook tot U, mijnheer de Rmgcmecster van
Utrecht. L\'trccht is voor ons dierenartsen reeds een begrip vanaf het ogen-
blik, dat wij als jong student hier rondwandelen. De stad, waar zoveel
hechte banden zijn gesmeed, waar wij zoveel lief en leed hebben doorleefd
- al beperkte dat leed zich toch grotendeels tot de examentijden en de
zo lang dtnende tweede helft van de maand - die stad is een grote plaats
gaan imiemen in onze harten, een blijvende plaats ook doordat het contact
met haar bij voortduring bleef, mede doordat de Maatscha|)]3ij voor Dier-
geneeskunde haar zetel hier gevestigd heeft en hier haar \\ergaderingen
houdt. Is het cen wonder, dat het ons goed doet dc Bm-gemecster \\an dit
Oude Sticht \\andaag in ons midden te mogen begroeten?

I let \\ crhcugt mij hier aanwezig te zien en te mogen begroeten onze collegae
cn vertegenwoordigers van dc navolgende Verenigingen:

The World Veterinary .Association

De Belgische Dierenartscnverceniging

La Société Nationale des \\\'étérinaires (Trance)

Die deutsche Tierärzteschaft

The British Veterinary Association en

Dc Danskc Dyrlacgcforcning.

.Van al deze collegae en afgevaardigden: van harte welkom in ons midden.
I am glad to give all these colleagues and representatives a hearty welcome.
Es I reut mich besonders diese Kollegen herzlich bcwillkotmnen zu können,
je me felicite d\'avoir le privilège de souhaitcr la bienvenu cordiale ä tous
ces confrères.

-ocr page 1048-

Dames cn Heren,

In niijn voorwoord in het prograiinnaboekje heb ik tot de C\'ollegae gezegd:
..Ons Eeuwfeest wordt een gezinsfeest, maar daarnaast ook een mani-
festatie naar biiiten. waar velen, januuer genoeg te velen, nog zo weinig
weten \\an het brede arbeidsterrein \\ an de Dierenarts, diens werk nog
tc veel vereetr/eKigen met liet alleen verstrekken van geneeskundige
hulp aan het zieke dier en nog steeds geheel onwetend staan ten aanzien
\\an zijn werk op talloze andere terreinen, als \\olksgezondheid, weten-
srhap]3clijk onderzoek, onderwijs, internationale samenwerking, bij
organisaties en industrieën".
Wanneer onze herdenkingsdagen ertoe kunnen bijdragen deze velen een
wat ruimer inzicht tc bezorgen ouUrent bet brede arbeidsveld, dat door
beoefenaars der Diergeneeskunde wordt bestreken, dan zal ook dit ons
zeker voldoening schenken.

\\\'an harte wens ik U allen toe: [nettige en als bet kan een paar leerrijke
dagen, in het volle vertrouwen, dat ook zij zullen bijdragen tot \\erdere
praktische verwezenlijking van onze s])rcuk:

Hominum Animaliumque Saluti.

.Vlet deze wens verklaar ik gaarne deze herdenkingsplechtigheid voor ge-
opend.

Hierna leidde dc CHu-f de Protocol de \\ooizitter der Maatschappij voor
Diergeneeskunde, de heer M. Karsemeijer, naar de kansel teneinde
in de gclegcnheitl tc zijn dc hcrdetdsingsrcdc uit tc s])rcken, waarvan men
dc tekst oj) bladzijde 7 kan aantreffen.

Vervolgens brak een voor de Maatschappij buitengewoon verheugend
moment aan toen dc heer C\'.onnnissaris \\an de Koningin in de ])ro\\incie
Utrccht. Mr. Cl. Th. E. Graaf van I. ij n d e n a n S a n d e n b u r g.
dc kansel bctiad en dc xolgendc wooiden sprak:

Mijnheer dc l\'oorzitter.
Dames en heren.

Het is niet om cen woord \\an gelukwens uit tc spreken tot bet Bestuur
\\an deze \\creniging ter gclcgeidncid van bet 100-jarig bestaan --- dat
hoo|) ik straks tc doen - dat ik mij tbans tot U richt, maar om mij \\an
cen aangename taak te kwijten, die onze Landsxrouwc H.M. dc Koningin
mij beeft o]3gcdragen, nl. om U mede te delen, dat bet H.M. dc Koningin
behaagd heeft U met ingang \\an heden bet prcdicaat „Koninklijke" tc
\\crlcnen.

Mijnbeer dc Voorzitter, bet is mij een \\oorrcclu U thans de desbetreffende
ooi\'kondc tc overhandigen.

Deze mededeling, gevolgd door cen s])ontaan applaus en het aanheffen
\\an het Wilhelmus, was aanleiding \\oor dc \\oorzittcr om, na de over-
handiging der desbetreffende Beschikking (11), door hem met zeer veel
genoegen in ontxangst genomen (121. in ontroerende bewoordingen na-
mens de Maatschappij tc danken, daarbij dc \\erzekcring gevende dat de

-ocr page 1049- -ocr page 1050-
-ocr page 1051-

Nederlandse dierenartsen dit blijk \\an vertrouwen en waardering op zeer
hoge prijs stelden en ojj waardige wijze zouden weten te honoreren.

Het woord werd \\ervolgens gevoerd door Z.E. de Minister van Landbouw
en Visserij, M r. V. G. M. M a r ij n e n, die namens de regering de voor-
zitter der Koninklijke Maatschappij \\oor Diergeneeskunde gelukwenste
met het zo jinst ont\\angen predicaat en hierbij de woorden sprak, welke
men o]3 bladzijde 23 weergegeven \\ indt.

Het was daarna aan de voorzitter van het Eeuwfcestcomité, dc heer E. J.
A. Q u a e d V 1 i e g, om met een kort woord deze jjlechtige bijeenkomst
te sluiten, een bijeenkomst waaraan menig dierenarts met ontroering zal
terugdenken als een mijlpaal in de geschiedenis \\an zijn Maatscha])piJ,
waarop met grote dankbaarheid mag worden terug gezien.

Op verzoek van de voorzitter \\an het Eeuwfeestcomité begaf men zich
\\er\\ olgens in een nader aangege\\ en \\olgorde naar de

Receptie in het Groot-Auditorium van de
Rijl(sunivers ite it.

Na de sluitingswoorden van de \\oorzitter \\\'an het Eeuwfecstcomité en
onder de volle klanken \\an het oigel bega\\en zich dc aiUoriteiten met
Hoofdbestuiu\' en Comité, vergezeld \\an hun echtgenoten, door dc Kloos-
tergang naar het Groot-.^uditorium van de Rijksuniversiteit.
Het Hoofdbestuiu- nam daar de eerste gelukwensen in ontvangst, van Z.E.
de Minister van I>andbouw (13), van de Commissaris van de Koningin in
dc proN\'incie Utrecht, van de Vertegenwoordigers van de Ministers \\an
Volksgezondheid en Onderwijs, \\an de Burgemeester \\an Utrecht.
Vervolgens stelde het zich ojj, op de \\crhoging achter in dc ])rachtige zaal
op buitengewoon dccoratie\\e wijze versierd — en toen begon een
schier eindeloze reeks \\-an gelukwensen. Vertegenwoordigers van al delingen
en groejjcn der Maatschappij, van zusterorganisaties (14), van Schappen en
Organen, van wetenschappelijke instellingen (15, 16), \\an studenten\\er-
enigingen, van industriële handelsondernemingen: zij vormde een lange
rij, langzaam voortschuivend door Kloostergang en Aula tot het Hoofd-
bestuur werd bereikt.

Geschenken werden aangeboden, bloemstukken aangevoerd: de eerste
foto\'s — in albums geplakt - werden door dc diiectie van een groot be-
drijf overhandigd (17) en langzaam x iilde zich de zaal (18) en nam het
geroezemoes toe. de onmisbare achtergrond \\oor een geslaagde receiHie.
Moeizaam baanden de kelners zich een weg door dc menigte, snel waren
de bladen geleegd.

Het grote aantal gasten - - ruim zeshonderd -- maakte wederzijdse toe-
spraken onmogelijk. De aanwezige dierenartsen — rtiim tweehonderd --
was verzocht het Hoofdbestuur niet te complimeiUeren en zij konden zich
rechtstreeks naar de Senaatszaal begeven, waar de sfeer niet minder gezel-
lig was en de drukte niet minder groot.

Ongeveer half zes waren alle felicitaties uitgesproken en kon het Hoofd-
bestuur zich gaan verpozen in de zaal, waar tot zes uur nog \\elc gesprek-
ken cn ontmoetingen plaats hadden (19, 20).
Een waarlijk geslaagde ont\\angst liep toen ten einde.

-ocr page 1052- -ocr page 1053-

to

-ocr page 1054- -ocr page 1055-
-ocr page 1056- -ocr page 1057-

Waren ochtend en middag van deze eerste dag gewijd aan de plechtige
o])ening van ons Eeuwfeest, het avondprogranuna ving aan met het

Ga/oconcert.

Minnaars \\an de schone nuiziel; Icleedden zich daarop in grand tenue en
waren "s avonds te \\inden rond het feestelijk versierde ]5odium van Tivoli.
(21.) ^ ^ ..

Het Utrechts .Stedelijk Orkest speelde galanuiziek voor de honderdjarige
en haar dirigent P a u 1 H u j) ]j e r t s zorgde, dat het met een hartverwar-
mende intonatie geschiedde.

Na een officiële opmaat in de \\orm \\an het \\Vilhehnus, zakten de 500
gasten in hun stoelen in alwachting \\ an de dingen die daar zouden komen.

Dat was allereerst de „Kleine Rhapsodie 1962" van Herman Strate-
gier. Deze Rhapsodie, geschreven in opdracht van het Eeuwfeestcomité,
ont]jopte zich als een guitig stuk muziek, waarin thema\'s van het Absyrtus-
lied en van het lo Vivat als herkenbare schitters lagen verscholen. De fluit
gaf het ,,\\Mj zijn de veterinairen" en tot ieders grote vreugde bleken de
andere instrumenten het passende aiUwoord te kennen! Na groot applaus
en bloemen voor de cornjjonist, bleef de vraag of we nu eeu eeuw zullen
moeten wachten alvorens nogmaals van deze muziek te kunnen genieten.
Misschien zal de .Akademische Festouvertin-e gedwongen kimnen worden
een deel van haar zo traditionele plaats o]) imiversitaire hoogtijdagen aan
deze Kleine Rhapsodie af te staan.

De oiideie garde zal bij het ,,Derde pianoconcert" van Beethoven mis-
schien wel wat weemoedig gedacht hebben aan het Tivoli van voorheen
— met de houten klapstoeltjes! — waar zij dit concert in vroegere jaren
zo veel milder hadden horen klinken.

De |)ianist T h eo B r u i n s gaf een fors beeld van het concert: muziekre-
censent Rutger Schouten schreef een ,.moderne" aan[)ak, welke snellere
tem|)i, strengere zelfdisci])line en terughoudendheid eist". Maar ook met
deze scherpe belichting schonk de uitvoering zeer veel schoons. Groot
a])plaus en bloemen voor de solist.

In de lange [jaiize kon de algemene heikenningsvreugde voortgang vinden.
Studiegenoten verrasten elkaar dooi- hun aanwezigheid en leermeesters uit
de faculteit en uit de praktijk werden eerbiedig begroet. Na zulk een
emotievolle onderbreking van het concert ])aste Schunian\'s Unvollendete
uitermate goed. Het Utrechts Stedelijk Orkest kreeg hier de gelegenheid
zich in volle zang te laten horen, hetgeen leidde tot een gloedvolle ver-
tolking. Groot applaus, geen bloemen.

.Als vuurwerk tot slot fungeerde het „C\'aprice Italien" van Tsjaikowsky,
een klaterwerk dat de toehoorders voorbereidde op de feestelijkheden welke
hen die nacht nog wachtten!

Een slotovatie en bloemen voor de dirigent besloot de muzikale bijdrage
aan het Eeuwfeest. Uit de tuiltjes bloemen die aan Mevrouw Strategier
en aan Mevrouw Hupperts werden aangeboden, blijkt door welk een
charme deze avond werd omgeven.

afloop van het concert ving onder voortreffelijk weer de wandeling aan
naar ..Esplanade", waar cle avond zou worden besloten.

-ocr page 1058- -ocr page 1059-

In vrolijke groepjes wandelde men langs de verlichte singel, waar halver-
wege een verrassing wachtte; een groep studenten had zich in rurale kledij
en bijijassende veestapel opgesteld in één der gewelven van de oude stads-
wal en bracht toepasselijke liederen ten gehore onder flakkerend flam-
bouwenlicht.

Dat ook de stad Utrecht in de feestvreugde deelde bewees de aangebrachte
feestverlichting (22, 23).

In „Esplanade" werd door de \\oorzitter van de Koninklijke Maatschapjjij
voor Diergeneeskunde de historisch getinte

Tentoonstelling van het bedrijfsleven

met een toe]3asselijk woord geopend. Deze tentoonstelling, in dc „Blauwe
Zaal" van Esplanade ingericht, bood aan een tiental firma\'s de gelegctdieid
de groei van hun bedrijf tot de talrijke aanwezigen te doen s]Dreken.

Het duurde echter niet lang of het hele zalen- en foycrcomple.x \\an
„Esplanade" stroomde vol met feestelijke mensen, teiu\'inde bij tc wonen
de grote

Feestavond.

Deze verliep zeer geanimeerd; niet in het minst droegen de dames in bun
zeer goed verzorgde kleding hiertoe bij.

Frank VV a 1 e en Te r r y VV i e n k e met hun quintet zorgden \\oor
goede muziek; en \\ooral de afwisseling in stijl, \\an Clharleston, tot wals
en rumba bracht een lutstekende stenmiing teweeg. Veel hiertoe werd ook
bijgedragen door Lajos Vercs en zijn orkest, die verrukkelijke Hon-
gaarse muziek ten gehore bracht.

Voor velen kwam dan ook het sluitingsuur om drie tun- "s morgens nog
veel te vroeg, hoewel anderen reeds met het \\ooruitzicht \\an nog twee
feestdagen, eerder waren vertrokken.

-ocr page 1060-

22. „... . lichtsporen . . .

»

-ocr page 1061-

23, ...... eeuwen . . .

-ocr page 1062-

Feestelijke Openbare Vergadering.

Rede,

uitgesproken door de lieer M. K a r s e rn e ij e r,
Voorzitter der Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde, op 13 september 1962, te 10.00 uur in de
Stadsschouwburg.

Dames en Heren,

Het is mij een grote eer en een niet minder groot genoegen U allen in deze,
zo feestelijke aangeklede zaal, namens het Hoofdbestuur een hartelijk wel-
kom toe te roepen. In dit algemeen welkom wil ik U allen, die hier aan-
wezig zijt, betrekken zonder diegenen onder U, die hetzij in het maatschap-
pelijk le\\\'en hetzij in de kringen van onze Koninklijke Maatschappij voor
Diergeneeskunde cen bijzondere positie bekleden, met name te noemen.
Het Comité, dat zich op voortreffelijke wijze van zijn taak heeft gekweten
teneinde aan de herdenking \\\'an het 100-jarig bestaan van onze Maat-
schappij zo\'n illuster karakter tc gc\\\'cn. heeft mt] uitdrukkelijk verzocht in
deze bijzondere vergadering vooral de nodige kortheid te betrachten, omdat
het zich strikt aan het tijdschema wil binden. Voorwaar een loffelijk stre-
\\ en, clat ik gaarne wil eerbiedigen.

Ladies and gentlemen,

On behalf of oiu- association I welcome the English speaking colleagues.
W\'c have to apologize for not sjseaking in your own language and the lec-
tures will also be spoken in Dutch. You ha\\c received a summary of the
lectures and therefore I hope you can understand the main parts of the
papers. If you will ask something or if you ha\\e some difficidtics: at yotu\'
side there is a Dutch \\-eterinarian who can hel]) you and explain some words
or cxj^rcssions.

Finally I may say that there is no discussion (for the time\'s sake) and I
sujjjjo.se this fact is for you a pleasant communication.

Mesdames, messieurs.

Au nom de notre Association je souhaite les bien\\\'enues à ceux, c]ui ])arlent
la langue française. Veuillez nous excuser que les conférences se sont tenues
en hollandais. Vous avez reçu tm ]3etit résumé en français et j\'csi)ère que
vous apprécierez cc geste. En otUre un \\étérinaire hollandais s\'est assis à côté
dc vous et en cas de difficultés je prie cc collègue de vous aider ct dc vous
expliquer quelques expressions.

Je sais que vous êtes fortement intéressé aux problèmes qui sont traités ce
matin. Malheureusement nous sommes pressés ct c\'est jjourquoi qu\'il n\'y
aura ])as de discussion a])rès les conférences.

Meine Damen und Herren,

Im Namen der Koninklijke Maatschappij \\oor Diergeneeskunde ist es für
mich eine grosse Ehre und ein Vergnügen Sie zu bcgrüssen.
Entschuldigen Sie dass die Vorträge in der holländischen Sprache ausge-

-ocr page 1063-

sprochcn werden. Jedoch, Sie haben eine kurze Verhandkmg in Ihrer eige-
nen Spraclie empfangen, sodass Sie veilleicht den Rednern folgen können.
Jedenfalls hoffe ich dass Sie die wichtigsten Sachen verstehen.
An Ihrer Seite sitzt ausserdem ein holländischer Kollege tmd dieser wird
ohne Zweifel wohl so liebenswürdig sein Ihnen zu helfen, falls Sie Schwie-
rigkeiten haben.

Für Sie ist es auch hoffentlich eine erfreuende Mitteilung dass keine Dis-
kussion stattfinden wird.

Vervolgens doct dc voorzitter mededeling van het voorstel van het Hoofd-
bestmn- om H.M. de Koningin een telegram te doen toekomen van de
\\olgende inhoud:

„De Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde, in feestelijke ver-
gadering bijeen ter gelegenheid van haar lOO-jarig bestaan, betuigt Uwe
Majesteit haar eerbiedige hulde en trouw, alsmede haar bijzonder
grote erkentelijkheid voor de toekenning van het predicaat „Konink-
Ujke" ".

Het hierop losbrekend stormachtig applaus was een duidelijk antwoord
van unanieme instennning, waarna de voorzitter, na hiervoor zijn dank
tc hebben uitgesjsroken, o\\\'erging tot dc

Installatie van Ereleden en Corresponderende leden.

Dames en Heren,

De Maatschaj)[)ij voor Diergeneeskunde heeft gemeend gebruik te moeten
maken \\ an de gelegenheid, haar geboden in dc artikelen 9 en 10 van de
statuten, om de linstcr \\\'an het Eeuvsfeest te \\erhogen door de benoeming
\\an een zevental Ereleden en een drietal corresponderende leden.
Een daartoe strekkend voorstel \\-an het Hoofdbestuur, hierin gesteund door
hel .\\lgcmeen Restiuu\', is door de buitengewone algemene vergadering, die
op 12 juli jl. werd gehouden, met overweldigende meerderheid van stem-
men aanvaard, zodat ik de eer heb aan deze vergadering de volgende ere-
leden voor le stellen (naar anciënniteit gerangschikt 1 :

Prof. Dr. L. de Blieck te Zeist, Oud-Hoogleraar van de Facidteit der
Diergeneeskunde;

W. ten Hoopen tc Lochem, Oud-inspecteur \\an dc Veeartsenijkundige

Dienst, levens Inspecteur van de Volksgezondheid;
Prof. Dr. f. A. Beijers le Doorn, Oud-Hoogleraar van de Faculteit der

Diergeneeskunde;
/. Kranenburg te Uithoorn, Dierenarts;
D. Hendrikse tc Gorinchem, Dierenarts;

Prof. Dr. F. C. van der Kaay le De Bilt, Hoogleraar van dc Faculteit der
1 )icrgeneeskunde;

/. M. van den Born le \'s-Gra\\enhage, Veterinair Hoofdinspecteiu- van
de Volksgezondheid, tevens Directeur \\an de Veeartsenijkundige
Dienst;

abmede de corresponderende leden in alfabetische \\olgorde:

Dr. A. Deberdt te Bru.sscl, voorzitter van de Belgische Dierenartsen Ver-
eniging;

-ocr page 1064-

Mr. A. G. Beynon tc Londen, president of the British Veterinary Asso-
ciation ;

Dr. M. Quentin te Parijs, President du Syndicat National des Veteri-
naires.

Tot onze grote spijt moeten de collegae Mr. Bcynon en Dr. Quentin ver-
stek laten gaan.

Hooggeachte Dr. Deherdt,

Krachtens art. 10 \\an de .Statuten \\an de thans Koninklijke Maat-
scha]jpij \\oor Diergeneeskunde kan door de Algemene Vergadering als
corresponderend lid worden benoemd een buitenlander, die zich jegens
de Maatscbapi^ij of de wetenschap bijzonder \\ crdienstelijk heeft gemaakt.
Uit de redactie van dit artikel kunt U dus concluderen, dat bet corres-
ponderend lidmaat.schap cen ercfimctie is, aangeboden aan een nict-
Ncdcrlander; het zal U wellicht \\erheugen tc \\erncmen dat aan deze
eretitel geen bijzondere werkzaamheden zijn verbonden. Levendig kan ik
mij \\oorstellen, dat, gezien het onnangrijke werk \\erbonden aan bet
voorzitterschap \\an Uw organisatie. Gij hiernaar ook niet \\erlangcnd

Dat de Maatschappij \\oor Diergeneeskunde zich hierbij beperkt heeft
tot slechts een drietal buitenlandse zusterxerenigingen is gelegen in het
feil. dat onze Maatscha])pij reeds gedurende cen reeks van jaren nauwe
contacten onderhoudt met deze dicrenartsenorganisaties: contacten, die
er loc hebben bijgedragen onze blik le \\erruimen en cen hechte band te
leggen tussen dc beoefenaars \\an dc diergeneeskundige wetenschap en
de \\eriegenwoordigers \\-an het diergcnceski.mdige beroep. .Moge dit in
dc toekomst zo blij\\en!

Zecrgcachte Dr. Dcbcrdt. Gaarne wil ik U met Uw ccr\\ollc benoeming
gelukwensen.

Projcssor De Blieck en zijn echtgenotc kunnen door bijzondere omstan-
digheden helaas niet aanwezig zijn.

.Ms wij dc lange lijst \\ an onderscheidingen zien, die aan Prof. Dc Blicck
in zijn rijk en welbesteed lc\\en door tal \\an wcienschappclijkc instel-
lingen en Ncrcnigingcn op allerlei gebied in het buitenland werden \\-cr-
leend. dan treft het ons. dat o]) ccn enkele uitzondering na ons eigen land
hierbij ten achter is gebleven, hoewel zijn Hooggeleerde toch aan dc
Nederlandse diergeneesktmde, gezien zijn booglcraarscba|3 en zijn \\elc
wctenscha]5]x-lijkc arbeid, grote diensten heeft bewezen en deze tak van
wctenschap zeer aan zich heeft \\erplicht.

Dc reden zal wel zijn dat zijn faam als geleerde en organisator zo\\-cr bui-
len onze landsgrenzen was uitgegroeid, dat zijn Nederlandse arbeid hier-
door werd ox erschaduwd.

Prof. De Blicck beeft \\ooral groots werk \\erricbt ten behoeve \\an het
Instituut de „Internationale Dieigeneeskundige Gongrcssen", sinds 19.
t7
World Veterinary .Association geheten. Niet minder dan 25 jaar was hij
bicrxan door zijn ])ost al secrctary-treasurcr van het Permanent Com-
mittee misschien wel dc meest stuwende kracht. Na zijn aftreden in 1953
is zijn Hooggeleerde deze internationale organisatie blijven dienen als
deputy-secretary tot 1 augustus 1961. Oj) die datum meende bij, gezien

-ocr page 1065-

/ijn hoge leeftijd, dit weik aan anderen te moeten overdragen.
Ter gelegenlieid \\ an zijn afsclieid heb ik mij gedrongen gevoeld in ons
tijdsciirift een kort waarderend woord hieraan te wijden.
De Koninklijke Maatschapijij \\oor Diergeneeskunde heeft gemeend door
het aanbieden \\ an het Erelidmaatschap de dank der Nederlandse dieren-
artsen te moeten symboliseien en wenst Prof. De Blieck met zijn echt-
genote, nog een aantal gelukkige jaren toe.

Hooggeachte Heer len Hoopen,

U bent één van de oudste nog in le\\en zijnde oud-ins]X\'cteurs van de
Veeartsenijkundige Dienst tevens oud-inspecteur \\an de Volksgezond-
h.eid.

Het is ons bekend dat u in de noordelijke gewesten \\an ons goede va-
derland tijdens Uw ambtelijke functie een zeer geziene figuiu\' waart en
dit niet alleen; Gij waart ook de vraagbaak en de wijze raadsman niet
slechts \\an cle dierenartsen in Uw gebied waarmede Gij ambtelijke
bemoeienissen had. doch daarnaast liebt u menigmaal adviezen ge-
geven in aangelegerdieden en problemen, die op het terrein \\an de
praktijk lagen. Uw grote kennis en Uw [)raktisch inzicht kwamen U
hierbij zeer te stade.

Dat zal ook wel de reden zijn. dat U \\ermeld staat als erelid van de
afdeling Groningen-Drenthe \\ an de Maatschap])ij \\ oor Diergeneeskunde.
Ook aan onze Maatschap[)ij zeke hebt U belangrijke diensten bewe-
zen. o.m. als lid \\an het Hoofdbestuiu- en als lid \\an de Ereraad,
eertijds Gentrale Raad geheten.

Ik wens U \\ an harte geluk met de aan U toegekende onderscheiding,
clie L\' ongetwijfeld veel \\oldoening zal hebben geschonken.

Hooggeachte Professor Beijers,

Ook U behoort tot de uitverkorenen voor het ere-ambt. De meesten,
hier aanwezig, behoren tot de categorie die U zo gaarne „mijn oud-
leerlingen" noenU. Zelfs ik, die toch al enige jaren in het genot ben
gesteld van de .\\0\\V, heb het \\ oorrecht tot deze groep te behoren; im-
mers. als ik inij wel herinner werd het colle,ge i)roi3edeutische kliniek
dc-)or U gegeven.

Doordat U echter op algemene \\ergacleringen en afdelings-bijeen-
komsten. met name van de afdeling Utrecht, waarvan ik zo omstreeks
19,30 een diietal jaren het \\oorzitterscha[j bekleedde, \\rijwel steeds
aanwezig was en ook nogal eens het woord voerde, hebben wij elkaar
toch menigmaal ontmoet.

Uw zin voor wetenschappelijke arbeid is alom bekend, evenals uw be-
wonderenswaardig geheugen, en de Maatschappij voor Diergeneeskunde
heeft hiervan de rijke vruchten mogen plukken omdat U jarenlang lid
waart van dc redactie van het Tijdschrift: ecu functie, die steeds zeer
veel tijd en inspanning vergt.

Daarom is de Maatschappij enorm veel dank aan U verschuldigd en
zij heeft dit met deze erefunctie willen honoreren.

Het doet ons van harte leed, dat Uw zo toegewijde echtgenote door
ziekte hier niet aanwezig kan zijn, hoewel haar gedachten op deze dag
wel naar ons zullen uitgaan, omdat zij in haar gezonde jaren zo intens
meeleefde met cle grote gebeurtenissen o]) diergeneeskundig gebied.

-ocr page 1066-

Daarom moge ik U verzoeken onze hartelijke groeten en beste wensen
aan Uw vrouw te willen overbrengen.

Hooggeachte Heer Kranenburg,

Een algemene vergadering van de Maatschappij zonder Uw forse fi-
guur is feitelijk ondenkbaar. Immers, Gij hebt Uw gehele leven in
dienst van de Maatschappij gesteld, omdat U deze organisatie steeds
van het hoogste belang hebt geacht voor de „standing" van de Neder-
landse dierenarts en dat niet alléén, maar omdat in U de dringende
behoefte leeft om het „erfgoed der vaderen" ongerept te bewaren en
aan de uitbouw hier\\an Uw beste krachten te geven.
De vele bestuursfuncties, die U in Uw leven hebt bekleed en de vele
commissies waarvan U deel hebt uitgemaakt, zijn hiervan het beste
bewijs. Slechts enige zal ik hiervan noemen.

Reeds op jeugdige leeftijd was U secretaris van de afdeling Zuid-Hol-
land van de Maatschappij voor Diergeneeskunde: enige jaren later
waart U lid van de kwakzalverijcommissie, welke commissie door de
Maatschappij was ingesteld (1928) en lid van de Commissie voor
postuniversitair onderwijs. Van 1935 tot 1943 was U, als afgevaardigde
van Zuid-Holland, werkzaam in het toenmalige Hoofdbestiuir.
In 1947 maakte U deel uit van de zg. hulpkrachtencommissie (inge-
steld door de Maatschappij voor Diergeneeskunde en de Stichting van
de Landbouw).

Van 1950-1954 was U wederom lid van het Hoofdbestuur.

In 1955 werd een beroep o]) U gedaan in de PBO-comniissie zitting

te nemen.

Bovendien is U sinds 1952 voorzitter van de Tarievencommissie en lid
van de Paritaire Tarievencommissie, welke delicate taken door U op
voortreffelijke wijze zijn vervuld.

U bent door L^w scherp verstand en Uw klare, korte wijze van formu-
leren waardoor U de kern der zaak veelal glashelder weet bloot tc leg-
gen, een markante figuur op onze bijeenkomsten. Het beste kan ik dit
misschien demonstreren door het korte telefoongesprek, dat ik begin
juli jl. met U voerde, weer te geven.

Op mijn voorzichtige mededeling, dat U wel eens tot erelid zou kun-
nen worden benoemd, toonde U zich hierover zeer verrast en deed U
eerst in populaire bewoordingen een beroep op mijn gezond verstand.
Toen ik echter daaraan moest toevoegen, dat de buitengewone alge-
mene vergadering van 12 juli hierover het beslissende woord zou spre-
ken, antwoorde U: „ja natuurlijk, ik moet eerst nog examen doen".
Het is mij een groot genoegen U te kunnen mededelen, dat U niet het
predicaat „cum laude" bent geslaagd en dus voortaan in het gestoelte
der ere kunt plaats nemen.

Hooggeachte Heer Hendrikse,

U moet worden gerekend tot die dierenartsen, die reeds in hun stu-
dententijd blijk gaven, dat het verenigingsleven hen na aan het hart
lag, getuige de omstandigheid, dat U indertijd als student reeds deel
uitmaakte van de senaat van „.Absyrtus".

-ocr page 1067-

Ik meen, dat aan U in dit college de zorg voor de financiering was toe-
\\ertrouwd.

Uw verdere bestuursfuncties, nadat U het diploma van dierenarts had
behaald, zijn bij velen bekend, althans in de afdeling Zuid-Holland.
In deze afdeling is U Uw loopbaan begonnen als penningmeester in
1921 en vrijwel onafgebroken hebt U tot 1948 deel uitgemaakt van het
afdelingsbestuur. Daarna nog eens van 1950-1953.

U waarts achtereenvolgens penningmeester - secretaris - ondervoorzit-
ter en 6 jaar voorzitter van deze afdeling.

Beter bewijs dat de leden Uw bestuurlijke gaven op hoge prijs stelden is
nauwelijks te vinden. Ook hebt U gedurende een aantal jaren de
Maatschappij gediend als lid van het Hoofdbestuiu\'.
Het meest is U echter op dc voorgrond getreden als voorzitter van de
Maatschappij van 1953 t/m 1958, welk ambt door U op zo waardige
wijze is vervuld. Gij hebt de bijzondere gave in gevoelvolle welover-
wogen woorden uiting te geven aan de gedachten die er in Uw geest
leven.

Over vele problemen des levens hebt U diep nagedacht en daaraan is
het te danken dat de milde wijsheid voor U grotere bekoring heeft dan
het harde woord. De grote liefde voor de diergeneeskunde en het dier-
geneesktmdig beroep, reeds van Uw vader geërfd, is voor U steeds een
richtsnoer geweest in Uw houding tegenover Uw collega\'s doch ook
jegens de veehouders, die hun dieren aan Uw zorgen toevertrouwden.
Daardoor hebt Gij vele vrienden verworven, ook in de kringen der
Maatschappij.

Ongetwijfeld zullen de teleiustellingen U niet zijn bespaard en die zul-
len U meer dan menig ander wel eens innerlijk hebben verwond, doch
tiiteindclijk zal het voor U een grote voldoening zijn dat het erelid-
maatschap, dat U is aangeboden, een uiting betekent van de algemene
hoogachting en waardering van Uw collega\'s.

Hooggeachte Professor van der Kaay,

Toen U dc brief ontving met het bericht, dat de Maatschappij voor
Diergeneeskimde U tot erelid had uitverkoren, is Uw eerste gedachte
misschien geweest: waaraan heb ik dit verdiend?

En om maar meteen met de deur in huis te vallen: het is ontsproten aan
de gevoelens van dankbaarheid van vele dierenartsen voor de wijze,
waarojj U met name de praktische verloskunde hebt opgebouwd, waar-
door de jonge dierenartsen met meer praktische kennis en groter vaar-
digheid de ]jraktijk konden ingaan dan vroeger veelal het geval was.
De kroon, die U hiermede op de slapen wordt gedrukt, zou U misschien
het gevoel \\an een koning kunnen geven, doch U meer van nabij ken-
nende (wij zijn immers op dezelfde dag dierenarts geworden), geloof ik
niet, dat dit feit U tot hovaardij zal \\erleiden. Het zal U dankbaar stem-
men, dat Uw onderwijs aan de studenten toch aan het doel, dat U zich
had gesteld, nl. goede verloskundigen te vormen, volledig heeft mogen
beantwoorden.

Gaarne bied ik U dan ook, namens de Koninklijke Maatschappij voor
Diergeneeskunde, onze welgemeende gelukwensen aan bij de eervolle
onderscheiding, die U ten deel is gevallen.

-ocr page 1068-

Hooggeachte Heer van den Born,

Sinds 1870 kennen wij in Nederland het Veeartsenijkundig Staatstoezicht
en deze Overheidsinstelling heeft gedurende een lange reeks van jaren
haar zegenrijk bestaan bewezen bij de bestrijding \\\'an besmettelijke dier-
ziekten.

Hierbij is er steeds en nuttig contact geweest tussen de 0\\erbcidsorganen
enerzijds en de Maatschappij voor Diergeneeskunde anderzijds en ik
ben er vast \\ an o\\\'ertuigd, dat deze nauwe samenwerking rijke vruchten
beeft afgeworpen \\oor het economisch bestel in ons land, niet alleen
\\oor dc gezondheidstoestand van de veestapel, doch ook \\oor de vee-
houders als zodanig, daar een gezonde \\eestapel de basis \\an het
boerenbestaan \\ormt. Dit feit alléén ai zou een erefunctic in bet kadci\'
\\an onze Maatschappij rechtvaardigen. Doch er is meer!
Gedurende de bijna 4 jaren van mijn voorzitterschap heb ik er\\aren en
ook mijn \\oorganger. de oud-v oorzitter Hendrikse, heeft zulks tcgen-
o\\ er mij \\ erzekerd, dat U bij al Uw maatregelen, die U aan de 0\\erbcid
meende te moeten \\oorslellen, steeds o\\erleg hebt gepleegd met de
Maatschappij. Niet alléén omdat U zich hiermede ten nauwste \\\'erbon-
den gevoelt (zelfs hebt U wel eens deel uitgemaakt \\an cen afdelings-
bestuur). doch omdat U van het standpunt uitgaat, dat alle Nederland.se
dierenartsen van hoog tot laag, in zekere zin Uw medewerkers zijn.
Dit is dan ook één \\ an de hoofdredenen, die er toe hebben geleid U in
het corps ereleden een plaats aan te bieden.

Gij bekleedt cen ho.ge ]30st cn daardoor is een grote verantwoordelijkheid
op Uw schotiders gelegd. Ook de Maatschappij voor Dier.genecskundc
keiU haar verantwoordelijkheid ten opzichte van haar leden, doch ook
tegenover de dierziektenbestrijding en het diergeneeskimdig beroep. Ik
kan mij voorstellen, dat op zekere dag ten opzichte van cen bepaalde
materie de standpunten van U en dc Maatschappij zouden divergeren,
doch laten wij dan vaststellen, dat het ereambt waarmede Gij aan dc
Maatsclia[)])ij verbonden zijt, noch voor U noch voor ons ccn beletsel zal
zijn om rustig de dc,gens te kruisen.

Het zou immers maar een saaie bedoening zijn als wij het altijd met el-
kaar eens waren: dat gebeurt zelfs in de beste huwelijken tuet.
Moge het U .gegeven zijn U nog vele jaren tc verheugen in de onder-
scheiding, die U heden werd verleend.
.VI.H. Ereleden: Ik wens U allen nogmaals van harte geluk met Uw hoge
onderscheiding en ik verklaar U gaarne namens de Koninklijke Maat-
scha])]5ij voor Diergeneeskunde als Erelid .gcïnstallceixl.

Uitreiking van de gouden D. F. van Esveld-medaille.

Op mij rust thans dc taak over tc gaan tol de uitreiking van de gouden
1). F. van Esveld-medaille aan die leden en buitengewone leden van dc
Maalscha])pij, die hiertoe door bet Hoofdbestuur in gezamenlijk overleg
met het .Mgerneen Bestuur, zijn lütverkoren.

Het D. F. van Esveld-fonds is indertijd ingesteld om de nagedachtenis tc
eren van Dirk Frcderik van Esveld, die geboren werd in 1848 en in 1912
is overleden.

Van Esveld was ,31 jaar een gezien leraar aan de toenmalige Rijksvecartsenij-
school: daarnaast was bij van 1888-1894 voorzitter en van 1893 tot aan zijn

-ocr page 1069-

dood bibliothecaris \\-an de toenmalige Maatschappij ter bevordering \\ an de
\\\'eeartsenijkimde. Tevens was hij jarenlang lid van de Redactie van het
Tijdschrift voor Veeartsenijkunde. Wegens zijn uitzonderlijke verdiensten
wercl hij clan ook in 1910 tot Erelid \\an bedoelde Maatschajipij benoemd.
Hij was iemand, die gedurende zijn leven zó enorm veel heeft gepresteerd
O]) het gebied der diergeneeskunde, doch ook op velerlei ander gebied, dat
hij waarlijk gerekend kan worden tot de allergrootsten, die ooit in onze rijen
hebben geleefd.

U sta mij toe thans de namen der uitverkorenen in alfabetische volgorde
te vermelden en daarbij de redenen aan te geven, die er toe hebben geleid
deze onderscheiding aan de genoemde heren te verlenen.

Dr. H. S. Frenkel: Voor Uw belangrijk onderzoekingswerk van het mond-
en klauwzeervirus;
Dr. /. Grashuis: Voor Uw baanbrekend werk op het gebied van de voe-
ding der landbouwhuisdieren;
Prof. Dr. C. Romijn: Voor zijn onderzoekingen inzake het klimaat en de
warmteregulatie bij ijluimvee en aanverwante fysiologische onder-
werpen ;

Prof. Dr. L. Seekles: Voor Uw biochemische onderzoekingen o]3 het ter-
rein van de deficiëntieziekten. met name grastetanie en acetonemie
van riuideren;

Dr. B. Stonebrink: Voor Uw onderzoekingen, die geleid hebben tot cle
ontwikkeling van eeu voedingsbodem \\oor de primaire isolatie van de
rundertubcrkelbacil;
Dr. ]. ft\'. 1\'hijn: Voor het, door U ingesteld, morfologisch bloedonder-
zoek bij het gezonde en zieke rund, met name bij likzucht;
Prof. Dr. J. D. l\'erlinde: Voor Uw onderzoekingen op het gebied van
virusziekten.

Nadat de Voorzitter persoonlijk de medailles aan de betrokken personen had
uitgereikt (24), tevens vermeldende dat Prof. Romijn wegens veiblijf in hel
buitenland de plechtigheid niet kon bijwonen, sprak hij tot hen de volgen-
de woorden.

M.II. dragers van de D. F. van Esveld-medaille,

Allereerst moge ik U van harte gelukwen.sen met de hoge onderscheiding,
die U len deel is gevallen.

Het vervult ons met trots, dat door Uw volliardend „researchwerk"\' Gij een
belangrijke bijdrage hebt geleverd om de diergeneeskundige wetenschap
naar een hoger niveau te stuwen, waardoor het aanzien van deze weten-
schajj, ook in internationaal o]3zicht, in niet geringe mate is verhoogd.
Moge Gij het voorrecht genieten nog een aantal jaren Uw arbeid tot heil
\\an de diergeneeskunde en tot Uw eigen innerlijke bevrediging te ver-
richten!

Dames en Heren,

.Misschien is er nog te veel van Uw geduld gevergd en zo dit het geval mocht
zijn, bied ik U hiervoor mijn verontschuldigingen aan.
.Alléén tenslotte nog dit:

-ocr page 1070-

CTl

-ocr page 1071- -ocr page 1072-

De diergeneeskundige wetenschap, het diergeneeskundig beroep en de
Maatschappij \\ oor Diergeneeskunde worden gedragen door cen groot aantal
dienaren, die ieder op hun wijze atbeiden aan haar groei en bloei.
Uit hoofde van dien zouden nog velen onder U recht hebben op een onder-
scheiding onzerzijds, doch U zult het met mij eens zijn, dat wij ons ten
deze de nodige beperkingen hebben moeten opleggen.

Ik heb gezegd.

Het woord werd hierna verleend aan Dr. A. D e b e r d t, die in gloedvolle
bewoordingen — onze Zuiderburen eigen — namens de corresponderende
leden de voorzitter dankte voor dc hen bewezen eer cn die daarbij deze ge-
legenheid tevens aangreep om namens de Belgische Dierenartsen Vereniging
de voorzitter cen sierlijk uitgevoerde en in ]5rachtband gebonden oorkonde
aan te bieden, welker tekst als volgt luidt:

„De Belgische Dierenartsen Vereniging is zeer vereerd bij deze luister-
rijke plechtigheid haar welgemeende gelukwensen te mogen aanbieden
aan haar honderdjarige Nederlandse zustervereniging.
Het Belgisch diergeneeskundig korps stelt cr ])rijs op bij deze gelegenheid
te mogen hulde brengen aan al het succcs\\olle werk, dat door geheel
diergeneeskundig Nederland in de schoot \\ an dc Maatscha])])ij voor Dier-
geneeskunde werd \\erwezenlijkt.

Dat Uw jubilerende Maatschappij cen duurzaam en aantrekkelijk cen-
tnun mocht zijn orn dc \\\'erschillende diergeneeskundige aktiviteiten te
harmoniseren en er bijzonder de bezielende en stuwende geest van was,
is vandaag het \\ oorwerp van onze bewondering en \\\'an Uw rcchinuttige
fierheid.

Dat de honderdjarige Maatschappij er bo\\cn alles in geslaagd is de
vriendschapsbanden tussen alle Nederlandse dierenartsen levendig te
houden en cen \\ ruchtbare geest van kollegialiteit te onderhouden is haar
bijzonderste verdienste die wij \\andaag met vreugde onderlijnen.
Wij wensen dat de x iiendschap die zich tussen Noord en Zuid steeds wij-
der heeft ontplooid, in de toekomst nog nauwer mag worden toegehaald.

VVij wensen dat Uw Maatschappij, die thans een eeuw heeft getrotseerd,
in het Eiu\'opa van morgen ccn nieuw tijdperk \\an bloei moge tegemoet
gaan tot morele en materiële steun \\an haar leden en tot fierheid van
het diergencesktmdig beroc]) in het algemeen.

Utrecht. 12 september 1962."

Het was thans de beint van Prof. Dr. J. D. V e r 1 i n cl e als jongste in jaren
dergenen, aan wien de gouden Dr. D. F. van Esveld-mcdaille was uitgereikt
om de \\ oorzitter namens hen allen van harte te danken voor de bewezen
eer, waarna de nestor der zojuist benoemde ereleden der Koninklijke Maat-
schappij voor Diergeneeskunde, de heer \\V. ten H o o p e n in een helder
uitges[n-oken woord, waarin hij op de hem eigene cadans de wclo\\crwogen
woorden in vloeiende volzinnen aaneeruijdde, hierbij lutdrukking ge\\endc
aan de gevoelens \\an dankbaarheid welke de nieuwe ereleden bezielden.

Een wonderlijke en totaal onverwachte coïncidentie deed zich \\oor toen
bleek dat de laatste zinnen van de heer \'1\' c n H o o p e n, waarbij diverse

-ocr page 1073-

beelden uit de dierenwereld werden gebezigd, wonderwel bleken aan te
sluiten bij het begin \\an de \\oordracht, die Prof. Dr. J. 1). Ver linde
over de plaats van de diergeneeskunde in de medisch-biologische weten-
scha]jpen hield en waarxan men de tekst
ojd pag. 25 \\an deze aflevering
kan vinden.

.\\a de hierop \\olgende pauze (25) hield collega Dr. M. F. K ramer zijn
inleiding over de sociale aspecten \\ an het diergeneeskundig beroep, de tekst
waarvan men op pag. 40 dezer aflexering aantreft.

Hieina sloot de \\oorzitter met een kort woord deze geslaagde feestelijke
openbare vergadering, de aanwezigen in de gelegetdieid stellend zich te
begeven naar het inmiddels in één der zalen van ,,Esplanade" aangericht

Koud buffet

De koude naam alléén doet niets vermoeden \\ an de rijkdom aan en ver-
scheidenheid van grote, kleine en nog kleinere schotels, op de meest geraffi-
neerde wijze opgemaakt,, versierd en gerangschikt o]) een omstreeks 15
metei\' lange tafel, welke zich in de foyer \\-an „Esplanade" bevond.
Ven-e van mij te begeven in de technische terminologie \\an alle aanwezige
heerlijkheden, zou ik mij willen bepalen tot de o|)mcrking, dat ook dit
onderdeel van het meerdaags festijn tot in de puntjes was geregeld.

Dit letterlijk en figuurlijk heerlijk „kuich-uurtje" diende te worden be-
ëindigd, omdat de volgende festiv\'iteit ons wachtte. Dit waren

De hippische demonstrafies.

Donderdag, 13 september 1962, werd, begimstigd door prachtig nazomer-
weer, de hi]3]3ische middag \\an het Eeuwfeest \\an onze MaatschajJi^ij ge-
houden.

1 Iet was zeer juist gezien tijdens het Eeuwfeest nog eens duidelijk te lonen
dal de verbondenheid \\an de \\eterinairen met het jjaard nog steeds voort-
diuu\'t, en wel door het organiseren \\an enige hi])pische demonstraties, voor-
afgegaan en besloten door een rijpartij met een eigen cachet, door de oude
bi.sschoi)sstad.

Daartoe vertrok om half twee vanaf het Faculteitsterrein een stoet, be-
staande uit acht landauwers, voorafgegaan door elf tiompetters te paard
\\an de Amsterdamse bereden politie en gesloten dooi\' dertig ruiters en
amazones van de veterinaire studentenrijvereniging „De Solleijsel", de rui-
ters in colonne met vieren, gekleed in zwarte jas met witte ])lastron, licht
grijze broek, zwarte rijlaarzen met sporen, zwarte hoge hoed en witte
handschoenen. .Aan het hoofd van de studentenruiters reed hun instruc-
teur, de oud-.\\djudant O.O. der \\\'eld-artillerie a n Staveren, die
tevens optrad als colonne-commandant.

De eerste rit was naar Esplanade, alwaar de leden van het Hoofdbestuur
van het Eeuwfeestcomité, van de Hippische Commissie en van de Proto-
colcommissie, met dames, plaats namen in de landauwers, waarna onder
het schetteren van de trompetten; de vertrouwde oude signalen van onze
vroegere bereden wapens, via Maliesingel en Maliebaan gereden werd naar
de weide in het Wilhelminapark. (26, 27, 28)

-ocr page 1074- -ocr page 1075- -ocr page 1076-

Hoe feestelijk was deze stoet; en wat een schittering ging van deze mani-
festatie uit!

Het prachtig gelegen terrein, omzoomd met mooie oude bomen, was te
\\oren reeds in orde gebracht wat betreft afzetting, plaatsing \\-an stoelen,
aanbrenging van omroepinstallatie, e.d. De uitvoering van het programma
stond onder de regie van de Heer Y. F. K a m p h u i s uit Groningen,
wedstrijdsecretaris \\\'an dc Nederlandse Hippische Sportbond.
Hier verzamelden zich vele collega\'s met hun dames, evenals \\ele be-
langstellenden van de Utrechtse burgerij. (29, 30)

Nadat de voorzitter van de hippische commissie, collega G. M, Vogely
in zijn o])eningsspeech dank had gebracht aan verschillende stedelijke in-
stanties voor hun betoonde welwillendheid en hun medewerking en de
deelnemers aan de demonstraties welkom had geheten, werd begonnen
met een

Hippisch kleurenpalet.

Hiertoe waren bijeengebracht circa zestig pony\'s en paarden van alle
mogelijk kleuren, die systematisch werden voorgebracht en waarbij niet
alleen de klem-en werden getoond, maar waarbij ook de erffactoren en
de wijze \\an o\\ererving besproken werden. Dit mmimer werd \\erzorgd
door de Heren J. K. \\V i e r s e m a uit Groningen, secretaris \\\'an het
Noord-Ncderlandsch VVarmbloedpaarden Stamboek, die veel gewerkt heeft
op het gebied van de klem-envcrer\\ ing bij het paard en I r M. S a n d c r s
uit Haren, die door de microfoon de toelichting gaf.\')
Er werd begonnen met het tonen van de wildklctn-, zoals deze voorkomt
bij het Przewalski-paard.

Daarna kwamen er drie met wat men zou kunnen noemen de normale
kleuren, n.1. \\os, zwart en bruin. Hier\\an zijn de eerste twee de z.g. grond-
kleiuen, waaibij zwart domineert o\\er \\os, terwijl de bruine kletu\' berust
op een factor die het zwart naar de onderbenen, manen en staart terug-
dringt; op dc \\osklciu- is deze factor niet van in\\ locd. Een ])aard kan \\oor
de factoren vos, zwart en bruin homozygoot of heterozygoot zijn, wat ook
geldt \\ oor dc hierna nog te \\ crmclden factoren.

Gedemonstreerd werden de kleuren, die ojitreden wanneer de z.g. ..vcr-
dunningsfactor" zich doct gelden; deze kan enkel. resp. did)bel aanwezig
zijn. (31)

Deze factor vermindert de intensiteit \\an het pigment en „verdunt":
de voskleur tot ])alomino (isabel), resp. crème;
de zwarte kleur tot muis\\aal. rcsp. blcckxaal;

dc bruine klciu\' tot \\alk (onechte isabel), res]5. zil\\er\\alk (jjcrlino).

Hierbij is telkens de tweede kletu\' intermediair tussen de eerste en de
derde.

Zo is het aantal kleuren reeds gekomen op ne.gen stuks.

Op al deze kleuren kimnen nog minstens vijf factoren invloed uitoefenen,

\') Wij zullen in dit versla.e; slechts beknopt het getoonde weergeven. "Voor een uitge-
breide uiteenzetting verwijzen wij naar het artikel „De haarkleur der paarden"
van de hand van de Heer J. K. Wiersema in
,,Het Paard" van 13 januari,
7 april en 28 april 1961. Eveneens naar het artikel van Prof. Dr. J. Merkens
in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1 maart 1953, getiteld „De ver-
crvin.g van de kleuren bij paarden".

-ocr page 1077-

\\v;aardoor men komt op minstens vijf en \\ eertig kleuren, waarvan dan ook
nog enkele combinaties mogelijk zijn. Deze factoren zijn de roan-factor,
de grey-factor, de factor voor ])latenbont, voor panterbont (alle domi-
nante factoren) en de z.g. „ontkleuringsfactor".

D\'C roan-factor \\eroorzaakt bet onveranderlijk schimmelbaar, vertoont
zicb dus in de kleuren \\osscbimmel, zwartscbimmel (blauwmoorkop)
en bruinschinnnel, maar ook kan ze \\ oorkomen bij de biervoren genoemde
„verdunde" kleuren. De effengekleurd geboren veulens krijgen op de
leeftijd van enkele maanden bun definitieve kleur.

De grcy-factor doet de kleur o]d den duur in wit overgaan, veroorzaakt dus
bet veranderlijke schinnnelbaar. De veulens worden eveneens effenkleurig
geboren en als zodanig bij de veulencontrole geregistreerd, bij de stam-
boekinschrijving dient dan tevens de oorspronkelijke kleur vermeld te
worden.

De factor voor platenbont geeft de ook in ons land bekende „koeboute"
])aarden. dus o.m. vosbonten, zwartbonten en bruinbonten. Panterbonten
(appaloosa\'s) ziet men in ons land slechts zelden; de deze kleur veroor-
zakende factor geeft kleinere donkere jjlekken ojj een lichtere ondergrond.

Ten slotte bet effect van bet zich manifesteren van de „ontkleuringsfac-
tor". Enkel aanwezig veroorzaakt deze een gedeeltelijke ontkleuring, die
zich overigens zeer verschillend kan voordoen, n.1. van slechts een enkel
ontkleurd (wit) plekje b.v. onder dc buik of op cen andere weinig voor-
komende plaats (dit in tegenstelling tot de gewone aftekeningen) tot een
in veel sterkere mate ontkleurd jjaard (dikwijls ten onrechte bestempeld
met bont of schinunel), waarvan als voorbeeld de z.g. Drentse blauwen
zijn te noemen. De gedeeltelijke ontkleuring is in meerdere of mindere
mate intermediair tussen gekleurd en ongekleurd, d.i. witgeboren, welke
laatsten dan de factor dubbel hebben. Uit de paring van een hengst en
een merrie, die beide de enkele ontkleuringsfactor bezitten, komt af en toe
wel eens een witgeboren veulen. In de vererving van de ontkleuring zijn
echter nog wel, tot nu toe onverklaarbare, onregelmatigheden geconstateerd.
Ook is er nog een mogelijkheid dat het witgeboren worden, en ook het
o])treden van een gedeeltelijke ontkleuring, o]) een mutatie zou kunnen
berusten, evenals dit het geval zou kunnen zijn bij het voorkomen van
de kleurverdunning.

Deze uitgebreide demonstratie gaf een duidelijk cn juaktisch inzicht in dc
bovenbeschreven materie en werd ten zeerste gewaardeerd. Van de
dierenarts als paardenman mag men immers verwachten, dat bij cen be-
hoorlijk signalement kan opmaken. Evenzeer is dc kennis der haarkleur
en van baar vererving noodzakelijk voor het voeren van cen juiste stam-
boek-administratie.

Nadat vervolgens de trompetters, opgesteld op het terrein (33), enige sig-
nalen ten gcliorc hadden gebracht, kon men genieten van een

Hogeschool dressuurprogramma,

gereden door de heer R o c h o w a n s k i, instructeur van de dames van
boorne, afkomstig van de Hofreitschule, de Spaanse rijschool, uit Wenen,
met dc ]3rachtig gebouwde, imponerende vos ..Hamlet", (32)
Galopcbangementen en klassieke hogcschoolgangen, zoals de passage, de
jjiaffe, de pirouette, werden getoond en wel oj) zodanige wijze dat het

-ocr page 1078- -ocr page 1079-

31. Het effect van de verdunningsfactor in beeld:

van links naar rechts: vos, palomino en crerneklcur.

-ocr page 1080- -ocr page 1081-

\\aknianscha]) \\an de Heer Rochowanski en de zeer hoge graad van ge-
hoorzaamheid en \\an atk\'tisclie ontwikkeHng van het paard ..Hamlet" wel
zeer duidelijk werden. Men kon dit vergelijken met cen ballet van een
klassieke schoonheid. Nóg zien wij het in gedachten als cen le\\ end schil-
derij aan ons voorbijgaan.

Hierna gingen de trompetters het terrein rond, \\anzellsprekend muziek

ten gehore brengend. (34)

.•\\ls derde en laatste niunmer trad cen

Voltige-groep

\\an twaalf jeugdige en zeer jeugdige jongens en meisjes uit Elmshorn
(Holstein)
O]). Begeleid door ])assende muziek wet-dcn alle mogelijke \\ol-
tige-oefcningen op een aan de longe rondgaloperende schimmel uitge-
\\oerd. (35) De behendigheid van deze kinderen grensde aan het ongeloof-
lijke. Wij zidlen niet trachten een bcschrijxing \\an deze oefeningen te
ge\\-en; dc intvocring was uitstekend. (36)

Hierna reed ,.de Solleysel" een ererondje over het \\ eld. (37)
.\\an het einde gekomen \\an de demonstraties dankte de \\oorzitter van
onze Maatschap])ij, collega M. K a r s e m e ij c r allen die aan de demon-
straties hadden medegewerkt (alle deelnemers ontvingen een herinnerings-
medaille). Daarna ver])oosden \\elen zich nog enige tijd in het nabijge-
legen jjaviljoen.

Deze wel zeer geslaagde middag was echter nog niet ten einde. Het Hoofd-
Ijcstuur, het Eeuwfeestcomité en de Hip])ische Commissie stegen weer in
lum rijtuigen.

De trom])ettcrruilcrs zetten zich in beweging en ondei\' klaroenstoten namen
zij afscheid \\an dc vele aanwezigen en de isaardcn. die door hun mede-
werking of door hun aanwezigheid deze middag o]) een x\'oortreffelijke wijze
lot cen succes hadden gemaakt.

Via dc Zonstraat en weer een stuk Maliesingel ging het naar het oude
stadsgedeelte (38). Een vorstelijke stoet, die met de muziek van de trom-
petters zeer veel indruk maakte. Het tromjx\'tgcschal tussen dc huizen in
d(> Herenstraat, de Oude Gracht, de Lichte en Donkere Gaard klonk
magistraal. Zo kwam de stoet via de C.hoorstraat bij het Stadhuis aan.
waar het gemeentebestuur o|) het bordes klaar stond, om het Hoofdbestuur
en het Ecuwfecstcomité tc ont\\ angen.

De ruiters \\ an de Solleysel verstonden hun taak en waren snel afgezwenkt
om via cen omweg eerder clan de stoet aan te komen en een erehaag \\oor
de vertegenwoordigende besturen tc vormen.

Een waarlijk indrukwekkende manifestatie was deze hele middag, waarbij
niet alleen alle dierenartsen van mooie hip])ischc demonstraties hebben ge-
noten, maar waar ook aan alle andere aanwezigen werd gi\'toond. hoe stijl-
vol dierenartsen feest kurmen \\ ieren.

De Utrechtse burgerij, waarmee wij in onze studententijd lief en leed heb-
ben gedeeld, heeft hier\\an kunnen mee genieten.

Onder het spelen \\an het carillon \\ an de Domtoren en het slaan van de
klok van vij\\en reden de landauwers \\-oor en begaf men zich naar bin-
nen. (39)

-ocr page 1082- -ocr page 1083- -ocr page 1084- -ocr page 1085- -ocr page 1086-

Ontvangst door het Gemeentebestuur van Utrecht.

Ter demonstratie van de Ijijna volmaakte handhaving van het tijdschema,
toont de foto dat de rijstoet klokslag vijf uur bij het .Stadhuis halt hield
De Burgemeester ontving de eregasten op het bordes en ging hen voor naar
de sfeervolle receptiezaal (40), waarin het Gemeentebestuiu\' helaas niet de
gehele stroom feestgangers kon ontvangen.

Behahe het Hoofdbestuur presenteerden zich het Eeuwfeestcomité, de
buitenlandse gasten, het .Mgemeen Bestimr, de Ereraad, de Redactie van
het \'I\'ijdschrift \\oor Diergeneeskunde en diverse connnissies.
Nadat liet Hoofdbestuur en het Eeuwfeestcomité het Collega van Burge-
meester en Wethouders en enige ambtenaren had begroet, spreekt de Bur-
gemeester cle gasten alsvolgt toe:

Mijnheer de Voorzitter, Dames en Heren.

Het gemeentebestuur heet U allen hartelijk welkom en wenst U in de
eerste plaats geluk met het verleende predicaat ,,Koninklijke".
Uw Maatschappij is reeds sinds 27 augustus 1862 in Utrecht gevestigd.
Een 100-jarige inwoner is meestal een min of meer afgeleefde man of
vrouw. Uw Maatschappij echter is een springlevende, energieke, tevens
krachtige en gezonde organisatie; zij is, onder een andere naam, moeizaam
als een klein plantje begonnen, heeft ook vele moeilijkheden doorworsteld,
maar is thans een bloeiende boom geworden, aan welks groei zeer velen
hun beste krachten gegeven h.ebben.

Het is bekend dat de band tussen de dierenartsen onderling groter is dan
bij menig andere wetenschapi^elijke vereniging. Collegialiteit is in Uw ge-
lederen een begri]) geworcien. Het bijzonder groot aantal werkende dieren-
artsen dat zich aaneen sluit (98%), is een bewijs van de grote saamhorig-
heid van de beoefenaren van cle diergeneeskunde.

U bestrijkt een breed arbeidsterrein: U verleent niet alleen geneeskundige
hulp aan het zieke dier, maar U begeeft U ook o]) het terrein van de Volks-
gezondheid, wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, internationale samen-
werking. industrie enz. U dient de gemeentebelangen bij de vleeskeuring
en het beheer van de slachthuizen.

De Franse president Herriot heeft eens gezegd: „Montrez moi votre abat-
toir et je vous dirai comment vous administrez votre commune".

Na te hebben gememoreerd, dat de Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde blijkens het programma haar jubileum op stijlvolle wijze viert,
brengt de Burgemeester cle dank van het Gemeentebestuur over voor de
mogelijkheid, die de Maatschappij heeft geschapen een sculptuur van een
dier — door Thea van der Pant uit te voeren — aan de verschillende dier-
plastieken in Utrecht toe te voegen.

De voorzitter van de Maatschappij, de heer Karsemeijer, dankt hierna het
gemeentebestuur voor de grote eer die de Koninklijke Maatschappij voor
Diergeneeskunde te beurt is gevallen door deze luisterrijke en gastvrije
ontvangst.

Na deze officiële uitwisseling van welgemeende warme woorden zijn de ge-
nodigden nog geruime tijd op prettige wijze de gast geweest van liet royale
gemeentebestuur.

-ocr page 1087- -ocr page 1088- -ocr page 1089-

De avond van de 13e september bracbt ons het
A.B.C.-Cabaret.

Een tot de nok toe gevulde Stadsschouwburg (41) kon genieten van het
programma „Herexamen" met \\V i m Kan (42), waarin motieven waren
gevlochten, welke betrekking hadden op het Eeuwfeest der Maatschappij.
Het was zeker niet te verwonderen dat het aantal aan\\\'ragen voor plaats-
reserveringen het in de zaal aanwezige aantal plaatsen \\crre overtrof, zodat
hierin moest worden voorzien door het in werking stellen van een televisie-
uitzending, waardoor cen paar honderd kijkers in de ,.Blauwe Zaal" van
„E.splanade" de voorstelling eveneens konden volgen.
Deze succesvolle voorstelling, aan het slot waarvan \\\\\'im Kan en Corrie
Vonk een keurig verpakt roze biggetje (met strik en al) en een enthotisiast
applaus ten deel viel, was de inleiding tot de

Feestavond,

in dc foyers van ,,Esplanade".
Nadat het doek voor de laatste maal gevallen was ontstond een enigszins
verwarde toestand, toen men vanuit de schouwburgzaal zich vcrsijreidde
over alle zalen en ruinUen in het complex ..Esplanade-Stadsschouwburg".
Hierbij voegden zich nog diegenen, die in de „Blauwe Zaal" via de tele-
visie bet cabaretprogramma hadden gevolgd.
Meer dan 1200 mensen wilden feestvieren!

The Dutch Swing College Band onder leiding van Peter S c h i 1 p e r-
o o r t zorgde in de boven-foyer al spoedig voor de goede stenuning, terwijl
in de hall van de schouwburg het c|uintel F rank W a 1 e - T e r r y \\V i e-
n e k e voor all-round dansnuiziek zorgde

Evenals de vorige avond verscheen om.strccks 12 uur middernacht Lajos
Vercs met zijn orkest; in de balcon-foyer speelde een pianiste, in de
„Blauwe Zaal" een jjianist en al met al kon dc feestende menigte zich over-
al vermaken. Toen tenslotte in de hall van de Stadsscbouwbtug spontaan
cen zangborrcl werd georganiseerd was dc feestvreugde compleet en da-
verde het feest tot in de kleinste hoeken van het gebouwencomplex.
Het onverbiddelijke sein tot sluiting om drie uur \'s morgens was voor zeet
velen cen grote teleurstelling; maar als cen feest moet worden afgebroken,
dan maar op z"n hoogtepunt. En bovendien...... cr kwam nóg meer!

Nadat donderdag 13 september de verbondenheid van de dierenarts met het
paard overduidelijk tot uiting was gebracht, werd op 14 sc])tembcr ge-
demonstreerd hoe ook het modeinc vervoermiddel cen integrerend deel
uitmaakt van het wel en wee van de huidige Nederlandse dierenarts en hoe
kon dit beter geschieden dan door het uitschrijven van een

Puzzlerit naar Gouda.

De start van deze rit, door dc afdelingen Utrccht en Zuid-Holland van de
Maatschai5]Mj georganiseerd, had plaats vanaf Restaurant „i:)e Biltse Hoek"
(44) alwaar in een regelmatig tempo de deelnemers, van wie cr bij waren
die zich voor deze gelegenheid bijkans onherkenbaar als renners hadden
vermomd (43), vertrokken.

-ocr page 1090-

to

-ocr page 1091- -ocr page 1092- -ocr page 1093-

Dat cle sportieve geest en fighting spirit in ruime mate aanwezig waren,
getuigt het \\ oor\\ al van eeu collega die vlak na de start zijn auto in een total
loss getransformeerd zag. doch zelf gelukkig ongedeerd bleef en bij de
dichtstbijzijnde garage een aiUo huurde, op een later tijdstip ten tweede
male startte — en een prijs won!

Na de voorbeeldige start, die ondanks de o\\ ertekening van het aantal deel-
nemers op tijd was afgewerkt, kan het \\crslag \\an één onzer talrijke en
immer ijxcrige -— en stellig over „inside information" de beschikking heb-
bende — „re]5orters" niet anders dan v erhelderend werken bij de beantwoor-
ding van onze vraag hoe het verdere verloop en de uitslag van de rit dan
wel is geweest.

„Uit cle talloze enthousiaste reacties, die we na afloop van de rallye van de
deelnemers ontvingen, hebben we gemeend te kunnen concluderen, dat de
Eeuwfeestrallye een geslaagd onderdeel van de festiviteiten is geworden.
De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen, dat wij daar tot op het moment dat cle
eerste deelnemer in Gouda arriveerde niet erg gerust op waren. Letterlijk tot
op het laatste moment heeft het slagen van de rallye aan een zijden draadje
gehangen.

Pas toen de rallye al verreden was, ontvingen wij de officiële toestemming
van het Ministerie om van Rijkswegen gebruik te maken. Enkele dagen
voor de fatale datum ontvingen wij van verschillende gemeentebesturen nog
instructies om grote delen van de route te wijzigen, zodat wij letterlijk tot de
laatste dag bezig zijn geweest om de roiUebeschrijving klaar te krijgen. Dat
hierdoor eeu foutje in de roiUebeschrijving bleef staan, waardoor veel deel-
nemers tijdelijk van de juiste route afraakten, wordt door ons betreurd.
Doordat wij de tijdcontrole bij de Kloosterhoeve in Hannelen niet hebben
meegeteld bij de opstelling van de eindklassering, heeft geen van de équipes
hiervan nadeel onden-onden.

ffet heeft ons veel genoegen gedaan, dat zovelen onze bedoeling, om de
deelnemers op een dwaalspoor te brengen, goed begrepen hebloen. Het
aantal strafpunten, dat wij na afloop van de rallye moesten uitdelen, bewijst
dit wel voldoende.

Het begon al o]) het terrein van de Faculteit, waar zegge en .schrijve 2 van cle
160 deelnemers wisten wie .Absyrtus was.

Toegegeven, het verschil tussen „2" en „nr. 2" is duidelijker dan het ver-
schil tussen 2 x en „2 x", maar aan onze venvachtingen, dat men op beide
punten verkeerd zou rijden, werd ruimschoots voldaan.
Trouwens, het aantal deelnemers, dat een pink voor een stier aanzag, was
veel groter dan wij hadden verwacht. De boer. die met een zeis in de hand
bij de pink de wacht hield om te voorkomen, dat het dier ging liggen (waar-
door men niet meer zou kunnen zien, dat het geen stier was) merkte na
afloop dan ook o]): „die veeartsen motten nog veul leren", iets wat wij met
het schaamrood op onze kaken niet anders dan beamen konden. Nu dient
venneld. dat deze goede man aan équipes, die hem vroegen, of het wel een
stier was, steeds trouwhartig „ja" geantwoord heeft, waarvoor hij dan ook
na afloop van de rallye f 10,- mocht toucheren.

De leeftijdsbepaling van het paard leverde de deelnemers kennelijk meer
moeiijkheden op dan de haarkleur, getuige het kleine aantal deelnemers,
dat een bruine voor een vos aanzag. Ongetwijfeld zien we hier de gunstige
gevolgen van de instructieve kleurverervingsdemonstratie van de vorige dag.

-ocr page 1094-

Dat velen bij de aanduiding „na pathogene mijt L." inplaats van bij
notoëdres cati bij scabies linksaf sloegen hadden wij verwacht, maar dat
zelfs hoog- en zeergeleerde heren trichophytie met een pathogene mijt asso-
cieei-den, heeft ons hogelijk verbaasd.

Overigens hadden twee deelnemers na afloop bezwaar tegen deze aan-
duiding. Men kem de situatie:

achtereenvolgens trof men aan bordje met: „trichophytie", „scabies\'\' en
„notoëdres cati", welke laatste een pathogene mijt voorstelt. De boven-
bedoelde deelnemers zijn bij „notoëdres cati" rechtsaf inplaats van linksaf
gegaan, omdat zij \\erwachtten een
afbeelding \\an een pathogene mijt te
zullen aantreffen.

Tegen deze redenatie meenden wij na rijp beraad de volgende argumenten
te kiinncn aan\\ oeren:

1. De aanduiding ,.na pathogene mijt L." in de routebeschrijving betekent,
dat men zoekt naar een \\ oorwerp, dat een pathogene mijt uitdrukt. Dit
kan zowel de naam \\-an die mijt, als een afbeelding \\an die mijt zijn.
Een precedent van een
naarn als routeaanduiding was in dezelfde route-
beschrij\\ing het straatnaambordje ,.Kal\\\'erstraat" als ptmt waarop de
opdracht ,.bekende .Amsterdamse winkelstraat R. in" moest worden uit-
gevoerd.

Precedenten van een afbeelding als routeaanduiding waren er volop:
vosbles, a]5pclschimmcl. Uiteraard waren er ook aanduidingen, die het
concrete voorwerj) bedoelen: vogcKoerhuisje, stier met paars lint, ka-
bouter.

Het onderscheid tussen het concrete \\-oorwerp, de afbeelding \\-an het
voorwerp of de naam \\ an het \\-oorwerp werd nei\'gens gemaakt en heeft
ook nergens aanleiding tot mis\\crstanden gcge\\en.

2. \\\\\'enst men zeer consequent te redeneren, dan \\oldoet de afbeelding van
een ]3athogene mijt minder aan de aanduiding dan de naam „notoëdres
cati", immers in een afbeelding kan men de pathogeniteit niet tot uit-
drukking brengen. De \\eronderstelling, dat men de concrete mijt onder
een microscoo]j aan dc deelnemers zou tonen, is ietwat absuid. „Noto-
ëdres cati" voldoet beter aan de omschrij\\ing „pathogene mijt" dan de
afbeelding \\an een mijt, ergo: bij notoëdres cati linksaf; in plaats van
r-cchtsaf tc slaan om misschien nog ergens een afbeelding tegen te komen.

.3. VVaarom sloegen de protesterende equipes rechtsaf en niet linksaf, waar

het i)imt waar „notoëdres cati" stond een „einde weg" was?
Om al deze redenen heeft de Ecuwfeestrallyecommissie gemeend het pro-
test niet ont\\ankclijk te kimnen ver-klaren,

Via dit punt kwam men na enige omzwer\\ ingen in de buui-t van de finish,
rnaar, zoals zo \\ aak, zat ook hier het venijn in de staart. Op alle ]nmtcn van
Gouda kon men wanhopig zoekende rallye-equipes aantreffen, die het spoor
bijster wat-en.

In \\cle auto\'s ontstonden hooglopende meningsverschillen tussen kaartlezer
en bestuurder omtrent dc te volgen route, iets wat een bejaarde inwoonster
\\an Gouda deed uitroepen: „Er zullen wel heel wat echtscheidingen van
komen!".

Vooral een eigenzinnige Goudse burger, die de conventionele jjlaats van
een naamplaatje op de \\oordeur \\erfoeide en daai-orn dit plaatje aan zijn
vitrage hing, bezorgde veel deelnemers moeilijkheden. De naam „A. \'Ver-

-ocr page 1095-

meulen" zal clan ook niet licht \\ergeten worden, exenmin als het ontstel-
lend grote aantal naamgenoten, dat \\-erdero|i in deze en volgende straten
domicilie had \\erkozen. De \\reemde stedehouwer, die in Gouda cen zo
eigenaardig pleintje als het Pretoria]Dlcin ontwierp, heeft hiermee de diepe
dank \\\'an de gehele rallyccommissie \\ erwor\\en. Hij zal nooit hebben dui-ven
vermoeden, dat op zijn schepping nog eens een dergelijke \\erkeersdrukte
zou heersen.

Maar uiteindelijk bereikten toch alle ec]uipes de finish op het Veemarkt-
terrein tc Gouda, waar de sterke verbalen loskwamen. Daarna konden wij
beginnen met het oi^stellen \\an een eindrangschikking, welke wij hieronder
laten \\olgen.

De 24 hoogst geklasseerden hadden recht o]) een prijs. 22 prijzen zijn uit-
gereikt, maar 2 prijswinnaars hebben zich nog niet gemeld. VVillen zij zich
alsnog in \\ erbinding stellen met Dr. S. Koopmans te Utrecht om hun recht-
matige beloning voor cen zeer goed \\ crreden rallye in ontvangst te nemen?
Wij willen deze nabeschouwing niet eindigen zonder een woord \\an dank
uit te spreken aan alle deelneemsters en deelnemers \\an de rallye. Zonder
Uw sporti\\\'itcit en medewerking was de rallye niet geworden wat ze uit-
eindelijk geworden is: cen geslaagd onderdeel \\ an de Eeuwfeestviering".

De opgave van de 24 ])rijswinnaars luidt aldus:

Volgnr.

Startnr.

N\'aam

Woonplaats

Strafpunten

1

5

J. Bouw

Bennekom

64

2

121

G. Jensma

Balk

69

3

61

S. Osinga

Slochteren

73

4

109

Rutgers

Dc Bilt

76

5

85

J. Hcida

Beetsterzwaag

81

()

130

R. J. Kuminel

Oroenlo

90

7

76

J. R. F. Ex

Raalte

91

8

63

H. Sorgdragcr

Haren

93

9

152

M. G. A. Gloudemans

(^irsehot

97

10

103

H. F. Hcllinga

Leek

105

11

88

M. Engelen

.■\\ndcl

108

12

132

J. den Daas

Drutcn

109

13

98

S. Bakker

.Xccrlangbrock

115

14

54

H. 11. F. M. v. d. \\-iiver

Biervliet

117

15

12

II. .A. M. V. d. Vijver

Biervliet

117

16

19

Th. Wemmers

Doesburg

119

17

81

A. .\\nnema

.N\'oordbroek

122

18

87

D. Frieling

Kampen

124

19

37

J. L. van Os

Gramsbergen

124

20

84

F. J. Hepkema

Tolbert

125

21

150

L. Fast

Utrccht

127

22

1 18

T. M. Niemantsverdrict

Wadenoyen

128

23

92

H. van Rhee

Hooge\\-een

129

24

155

L. H. Wouda

Wageningen

133

Voor hen, die niet aan de puzzelrit deelnamen - - er waren cr velen - had

de viering van het Eetiwfeest deze dag een ander karakter.

Begunstigd door prachtig weer begon de dag met een rit naar Gouda, al-

-ocr page 1096-

waar in hotel „de Zalm" werd genoten van een heerlijke kop koffie, ge-
ser\\-eerd door in Goudse kledij gestoken schonen, waarna de aanwezigen
zich gezamenlijk begaven naar de

St. Janskerk.

Onder leiding van mej. E. V c r s c h u t cn de heer A. Maaskant wer-
den de glazen van de gebroeders Crabeth bezichtigd.

Bij de rondgang langs deze gebrandschilderde ramen komt men onder de
ban van de uitbundige kleurenrijkdom, kleiu\'enpracht en compositie der
\\oorstellingen. waarbij vooral door het rustig en bedachtzaam commentaar
\\an de leider het genot \\an het bezichtigen cr\\an werd \\erdiept. Het was
dan ook zeer terecht dat hem hiervoor de zeer bijzondere dank \\ an de deel-
nemers werd gebracht.

Onder de welluidende klanken \\ an het carillon \\ an de Janskerk, bespeeld
door Mej. M. 151 o m, die o.m. het Absyrtus-lied ten gehore bracht, begaf
men zich over het pittoreske marktplein (45) naar het gemeentehuis ter

Ontvangst door het Gemeentebestuur van Gouda.

Nadat de deelnemers zich in dc trouwzaal hadden verzameld, heette de
burgemeester \\ an Gouda, Mr. Dr. K. F. O. J a m e s, de aanwezigen wel-
kom met de volgende woorden.

Dames en Heren,

Het gemeentebestuur slaat hoog aan het voorrecht, dat wij in Go\\ida voor
enige ogenblikken het décor mogen leveren voor het glorieuze eeuwfeest
van Uw Maatschappij.

Wij wensen U \\-an harte geluk bij gelegenheid \\ an dit jubileum. Uw Maat-
scha])pij heeft een hoge leeftijd bereikt, maar met de jaren heeft de \\-italiteit
blijkbaar gelijke tred gclioudcn. Uit dc omvang en dc schittering der plech-
tig- cn feestelijkheden maak ik ook op, dat er dankbaarheid leeft bij de leden
\\oor wat de Maatschappij \\ oor hen heeft betekend, en ook...... dat dieren-
artsen opgewekte mensen zijn.

Uiteiaard is er plaats voor een bijzondere gelukwens met het feit, dat dc
Maatscha]3pij voor Diergeneeskunde sedert 2 dagen een Koninklijke Maat-
schappij is. Zij is daarmede getreden in dc illustere rij \\an dc Koninklijke
Nederlandse Maatschai)])ij \\\'oor Geneeskunst en het Koninklijk Institiuit
\\an Ingenieurs. Ik meen, dat het gilde der juristen, waartoe ik behoor, het
nog niet zo ver heeft gebracht.

Hoe zouden zulk een Maatscl)ap|)ij en haar leden — opgewekte mensen —
niet welkom zijn in dit stadhuis. Wanneer ik een persoonlijke wens jegens U
mag uitspreken, dan is het, dat zij thans zou kunnen zeggen wat volgens ccn
penning in mijn bezit een betbetovergrootmoeder op haar 100e verjaardag
uitsprak, nl, „ik heb een eeuw volbracht en wacht de zaligheid". Mocht deze
wens in Uw ogen wat dubieus klinken omdat ontbinding aan de zaligheid
vooraf gaat, dan wil ik toch de hoop uitspreken, dat Uw Maatschappij nog
meer eeuwen zal \\ olbrengen en steeds met vertrouwen dc toekomst van haar
en haar leden zal tegemoet zien.

Dames en Heren, zelfs ik, aan wie alle kennis van diergeneeskunde vreemd
is, kan een weinig bevroeden, dat er redenen voor Uw Maatschappij zijn

-ocr page 1097- -ocr page 1098-

om met dankbaarheid op de laatste eeuw en speciaal op de laatste decenniën
terug te zien. Toen ik, ongeveer 55 jaar geleden, in Utrecht als knaap woon-
achtig, dagelijks vier malen dc Biltstraat op weg naar en \\\'an school door-
liep — het was de school van Laméris — telde ik vaak de passen langs de
lange en gesloten gevel \\an de Rijks-Veeartsenijschool. Maar toen ik na
1918, zij het ook als Leids student en dus tegenover Utrecht wat hoog-
moedig, vaak wederom langs die Utrechtse Biltstraat kwam te lopen - - het
was alles nog in de tijd, dat wij plachten te lopen — prijkte daar trots het
opschrift Veeartsenijkundige Hoogeschool. In 1925 kwam daar\\-oor in de
plaats de facidteit der veeartsenijkunde, thans geheten faculteit der dier-
geneeskunde op het onbestreden Academisch niveau.

Er is in deze aanduidingen af te lezen de status-verhcffing van de veearts
tot de diergeneeskundige — een \\-erheffing, welke recht doet weder\\aren
aan de zwaarte en de lengte der studie en aan de belangrijke functie der af-
gestudeerden in de maatschappij. Tussen haakjes merk ik op, dat ik wcleens
met inconsequente \\-oldocning heb menen te kunnen constateren, als ik een
dierenarts o\\er mijn hondjes raadpleeg, dat deze statusverhoging niet met
een excessie\\e honorariumverhoging is gepaard gegaan.

De dierenarts vcr\\ idt in onze samenleving, naar het mij wil voorkomen, ten
minste tweeërlei belangrijke functie, omdat zijn kunde zich richt op het
gezond houden en zonodig het weer gezond maken zowel van dc dieren,
welke \' - om het met Rudyard Kipling te zeggen - - „\'s mensen eerste
\\riend" zijn, als op hen, die \'s mensen dienaren zijn.

De dierenarts wordt te hulp geroepen wanneer aan onze dierbare huisgenoot
wat scheelt, maar ook wanneer het behoud van een stuk \\ an de veestapel,
het levend kapitaal van zijn eigenaar, op het spel staat.
Ik huldig U in beiderlei aspect. Ik ben gelukkig, dat er heden gelegenheid
is om — zeker ook namens veler mijner plaat.sgenoten — tc zeggen, dat wij
een fonds \\ an grote erkentelijkheid hebben voor de dierenartsen in ons mid-
den \\oor wat zij gedaan hebben \\oor de dieren, die niet alleen als Gods
schepselen aan onze hoede werden toe\\ertrouwd, maar ook onze \\\'rienden
zijn geworden.

En ook zeg ik U \\ an harte dank als burgemeester dezer gemeente, welke een
centrum is van een grote streek \\-an \\eehouders, waar belangrijke vee-
markten zijn cn agrarische tentoonstellingen gehouden worden. Dank voor
wat de dierenartsen en de diergeneeskunde hebben gedaan voor de welvaart
\\an deze streek cn deze stad.

VVij voelen ons hier in het bijzonder bevoorrecht door het feit, dat wij in
Gouda mogen huisvesten de Zind-I lollandse Gezondheidsdienst voor dieren.
Wij zullen in het geheel niet teleurgesteld zijn, wanneer deze dienst, zijn
bouwplannen verwezenlijkend, een oud gemeentelijk gebouw gaat verlaten,
want dan zal dat zijn om een modern gebouw in de gemeente te betrekken.
Hoe \\-oortref fel ijker deze dienst is geoutilleerd, hoe beter het voor Gouda
en omge\\ ing is.

Ik weet niet zeker of Gouda misschien ook vanwege deze dienst of om andere
bijzondere redenen \\-andaag Uw pleisterplaats mag zijn, danwel alleen om-
dat het zo gemakkelijk halverwege het universitaire Utrecht enerzijds en
het gouvernementele Den Haag en het feestelijke Scheveningen anderzijds
ligt.

-ocr page 1099-

Hoe dan ook, U zijt ons welkom, U mijnheer de voorzitter der Maatschappij,
U heren hoofdbestuurders. U ereleden, U mijnbeer de directeur \\an het
Veeartsenijkimdig Staatstoezicht, U mijne heren \\-oorzitter en bestuurders
\\-an de afdeling Zuid-Holland en U van de Eeuwfecstcommissie en de
Gouda-commissie, U allen trouwens. Dames en Heren.

Ik sprak ei-van, dat wij hier enkele ogenblikken het décor mogen le\\eren
\\ oor Uw feest. Het stadhuis is U wel waardig, al is het vandaag wat klein.
Er valt zelfs \\oor dierenartsen hier wat te leren. U ziet op deze in Gouda
gemaakte wandtapijten, dat in de goede oude tijd de leeuwen niet groter
waren dan de hazen en dat de kraan\\ ogels en papegaaien zich hier in de
\\ rije natuur \\ crmciden.

Maar vanmiddag zal het décor niet dàt zijn dat het gemeentebestuur U zou
hebben toegedacht. Dierenartsen zijn op een \\eemarkterrein geen \\\'reemden
en U zult zicb in de schaduw van de Gezondheidsdienst \\oor dieren wel
thuis gevoelen, maar de vindingrijkheid en bemoeienissen Uwer commissie
zullen toch dc banaliteit der muren \\an het gebouw voor Uw dames en
Uw leden hebben moeten opsieren, zo niet verbergen.

A special word of welcome for you. Ladies en gentlemen, who have come
to Holland to be present at this Jubilee, and who by accompanying their
Dutch friends to Gouda. ba\\e given a special glamour to this reception.

Mesdames el messieurs,

Je me permets de souhaiter un bienvenu special à ceux qui sont \\\'enus dc
l\'étranger et qui ont tenu à accompagner leurs hôtes à Gouda. Vous vous
tiouvcz dans une \\ ille où l\'on trouxe beaucoui) de souxenirs du temps de
l\'imion des 17 provinces néerlandaises sous les ducs Bourguignons et Habs-
bourgs et où la cultiu\'e française rayonne toujoius. Nous sommes bien con-
tetUs que les visiteiu\'s français, belges et siùsscs de langue française y sont
nombreux.

Meine Damen und Herren,

Dieser Saal hat .selten eine so glänzende Gesellschaft zusanunen gesehen
jetzt da.ss mit den Spitzen der Niederländischen Tieiarztwclt auch Freunde
\\ on über die Grenzen mitgekommen sind. Sie sind herzlich willkommen.

Dames en Heren,

Ik was reeds te lang aan het woord. Ik spreek nog slechts de hoop uit, dat
deze dag er voor U ccn zal zijn van gezelligheid en jolijt.
De burgemeester bleek een voortreffelijk gastheer; niet alleen dat hij ons
met zijn puntige sijcech wist te boeien, doch bovendien konden wij daarna
\\-an zijn grote gastvrijheid genieten, hetgeen ontegenzeggelijk werd geaccen-
tueerd door de voorzitter van de afdeling Zuid-Holland der Koninklijke
Maatschappij voor Diergeneeskunde, collega K r u y t, die ons aller dank-
baarheid o.m. \\ertolkte met de volgende woorden:

Mijnheer de Burgemeester,
Mijne Heren Wethouders,

Mijne Heren Leden van den Raad van de stad Gouda,
Mijnheer de Algemeen Voorzitter van de Koninklijke Maat-
schappij voor Diergeneeskunde,
Dames en Heren.

-ocr page 1100-

Het is mij een bijzonder voorrecht U, mijnheer de Burgemeester, te mogen
danlcen voor de buitengewoon \\ ererende woorden die U tot ons gericht
hebt.

Als voorzitter van de afdeling Zuid-Holland van de Koninklijke Maat-
schappij voor Diergeneeskunde vind ik het zeer pretdg, dat deze afdeling
Zuid-Holland — dank zij Uw grote medewerking — in staat gesteld is op
deze dag naar buiten o]3 te treden en een gedeelte van dc feestelijkheden
ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan \\ an de nu Koninklijke Maat-
schappij \\oor Diergeneeskunde te kunnen verzorgen.

Het feit dat ik zelf jarenlang praktizerend dierenarts geweest ben in de
Krimpenenvaard en dus uit ervaring weet hoezeer Gouda een centrum is
van agrarische en veterinaire activiteiten, maakt het voor mij nog aan-
trekkelijker nu de gelegenheid te hebben onze bijzondere waardering jegens
U kenbaar te kunnen maken.

U, mijnheer de Burgemeester, hebt zich terecht afgevraagd welke motieven
er aanwezig waren om juist Gouda te kiezen orn een niet onbelangrijk deel
van het Eeuwfeest van de Maatschappij voor Diergeneeskunde te vieren.
Tijdens de voorbereidende gesprekken die ik met U mocht hebben hebt U
daarover maar weinig gehoord, U hebt eigenlijk direct al spontaan Uw
medewerking toegezegd zonder veel lastige vragen; ik ben er U nu nog
dankbaar voor, maar wil er nu toch wel graag wat over .zeggen.
U zou natuurlijk kunnen denken dat wij Gouda uitgekozen hadden omdat
de afdelingen Utrecht en Zuid-Holland een autorally verzorgen, ook al
in het kader van de Eeuwfeesten van de Maatschappij voor Diergenees-
kunde. Van Utrecht naar Gouda is een mooie rit en ook nog in de richting
van .Scheveningen, waar stiaks het slotfestijn in het Kurhaus zal plaats
vinden.

Er is een prachtige parkeerruimte en met bloemen en palmen hebben wij
het veemarkt-restaurant een feestelijk aanzien kunnen geven; het eind])unt
in het centrum van Gouda was dus mogelijk.

Of wel zouden wij Gouda gekozen kunnen hebben, omdat ei\' zoveel moois
is te bewonderen?

Waar we ons allen van hebben kimnen overtuigen is van de schoonheid
van dit stadhuis, één van de gaafst bewaard gebleven gebouwen van ons
land.

En dan de St. Janskerk, waar we zojuist vandaan zijn gekomen, met ven-
sters, die in de rij dei- wereldberoemde thuishoren.

Of het C^atharina-gasthuis, een bijzonder nui.seum, waar nog aanwezig is
een goed onderhouden chirurgijnskamer, voor ons dierenartsen toch zeker
ook bijzonder interessant.

Gouda ligt midden in een bijzonder veerijk gebied.

Met vaak meer dan 2,3 rund per ha grasland en een groot aantal varkens
per boerderij, behoort cle streek rondom Gouda tot dc intensiefst benutte
van ons land. Het is dus zeer begrijpelijk, dat hier voor de dierenarts een
aantrekkelijk werkgebied gelegen is.

Het is gelukkig, maar wel merkwaardig, dat ondanks de toenemende zor-
gen over de werkverdeling op de boerderijen, er op deze boerderijen toch
nog veel kaas gemaakt wordt, de wereldberoemde Goudse kaas. Dit is eigen-
lijk te merkwaardiger omdat in dit gebied zeer grote zuivelfabrieken zijn
ontstaan.

-ocr page 1101-

Dat Uw stad zich bewust is van het grote belang \\an de agrarische be-
\\olking voor de hele maatschappij, blijkt wel uit de wijze waarop U be-
paalde manifestaties — uitgaande van die stand — tegemoet treedt. Als
voorbeeld kan dienen de Goudse vee- en kaastentoonstelling, die meer is
dan cen int de nabije omtrek van Gouda samenkomend aantal \\ eehouders,
die hun prestaties aan elkaar laten zien. I3eze tentoonstelling is de laatste
jaren uitgegroeid tot een gebeurtenis die de nationale belangstelling trekt.
Wij zouden Gouda ook intgekozen kunnen hebben, omdat het het middel-
punt is van een cirkel met en straal Gouda-llotterdam. Deze cirkel omsluit
het gebied waarin Herman de Man een aantal van zijn romans liet spelen
en van welk gebied gezegd wordt, dat het het geestelijk hart van Holland
en zelfs dat het bet geweten van Europa zou zijn. Wij bevinden ons dan
— en steeds gaarne — in solicd gezelschap.

Of zou het zijn omdat de Pro\\ inciale Gezondheidsdienst \\oor Dieren in
Zuid-Holland in Uw stad gevestigd is? Een Dienst, die Uw stad maakt
tot een centrum van veterinaire activiteit, die er zijn mag.
Deze Provinciale Gezondheidsdiensten zijn boerenorganisaties, die geleid
worden door deskundigen. De Zuidhollandse Dienst is een gerenommeerde;
hij wordt geleid door een Directeur-Dierenarts, bijgestaan cloor vier andere
collegae cn cen groot aantal kundige helpers. De verstandhouding tussen
overheid en boeren is dank zij deze leiding zeer goed. De huisvesting van
deze Dienst is welhaast omgekeerd e\\ enredig aan zijn kwaliteit en al even-
zeer aan zijn vooruitstrevende wijze \\an werken.

Wanneer U, mijnheer de Burgemeester cr toe zoudt kunnen bijdragen
nicuwbouw])lannen gemakkelijker accc])tecrbaar te maken, zoudt U zich
zeker \\ an dc dankbare verplichting \\ an de Zuidhollandse \\eehouders over-
tuigd kimnen weten. Ook de veterinaire Diensten \\an de Oxerheid en de
praktizerende dierenartsen, naar ik zeker meen, zidlen zich over een even-
tuele nieuwbouw \\erheugen; het zal het aanzien \\\'an het gemeenschap-
pelijk beroep verhogen.

Maar, mijnheer de Burgemeester, al deze motieven bij elkaar geven eigen-
lijk nog niet weer, waarom wij ogenblikkelijk aan Gouda dachten toen de
.\'\\fdeling Zuid-Holland van dc Maatschappij voor Diergeneeskunde zich
bewust werd cen rol tc willen spelen in dc Eeuwfeestviering van deze Maat-
schappij.

Wij hebben bewust gezocht naar een stad in onze ])rovincie waar deze
Afdeling Zuid-Holland op waardige wijze het Hoofdbestuur van de Maat-
schappij voor Diergeneeskunde zou kunnen gelukwensen met zijn 100-jarig
bestaan en met zijn koninklijke onderscheiding.
Dit is zeker in Gouda mogelijk.

Mijnheer de Burgemeester, gaarne zou ik U willen \\crzocken mij te willen
toestaan mij tc richten tot Meneer de .Mgemeen Voorzitter van de Konink-
lijke Maaschappij \\oor Diergeneeskunde.

Mijnheer de Voorzitter van de Koninklijke Maatschappij voor

Diergeneeskunde,

De Afdeling Zuid-Holland van de Koninklijke Maatschappij voor Dier-
geneeskunde bestond reeds lang \\óórdat deze Maatschappij zelf tot stand
kwam.

-ocr page 1102- -ocr page 1103-

4-
OD

-ocr page 1104-

Twee Zuidhollandse dierenartsen, Jacob van Dam uit Aarlander\\een

en Gerrit H e n g e v c 1 d uit Oegstgeest richten op de eerste september

van het jaar 1846 samen met 15 andere dierenartsen uit de provincie de

„Veeartsenijkimdige Vereniging van Zuid-Holland" oj).

Bestond dus de Maatschappij voor Diergeneeskunde op 27 augustus van dit

jaar 100 jaar, de afdeling Zuid-Holland op 1 september 116 jaar.

Onze collegae Van Dam en H e n g e v e 1 d waren buitengewoon actief.

Het waren niet alleen de veeartsen van Zuid-Holland die zij wensten tc

verenigen, maar die \\ an heel Nederland, waartoe zij wilden oprichten een

„Maatschappij tot be\\ordering der Veeartsenijkunde".

Jacob van Dam stelde hiervoor een verzoekschrift op, gericht aan dc

koning; het was Willetn II (1840-1849). Ik wil U dit verzoek-schrift graag

even voorlezen.

„Aan Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, etc. etc. etc.
Sire,

Met \\erschuldigden eerbied geeft de ondergeteekende in naam van de
onderscheidene Rijks\\eeartsen in de Provincie van Zind-Holland, te
kennen, dat zij Rijksveeartsen na rijpe oxenvcging in het belang van
Landbouw en Veeteelt, zoowel als ter uitbreiding en bevordering van de
Veeartsenijkunde zeKc de daarstelling eencr Veeartsenijkimdige Ver-
eeniging in de Provincie Zuid-Holland wenschclijk hebben geoordeeld,
waarbij dc overige Provinciën zich zouden kunnen aansluiten, om alzo
eene Algcrneene Maatschajjpij ter bevordering van Veeartsenijkunde in
Nederland uittemakcn, en zulks op grondslagen nader te ontwerjjen.
Het zal wel onnoodig zijn in bijzonderheden te treden over het nul dat
uit zoodanige verceniging voor Landbouw, Veeteelt en Veeartsenijkunde
zal kunnen voort\\loeijen.

Men mag het er \\oor houden dat door dusdanige Maatschappij kunst-
liefde en streven naar \\ olmaking in genoemde wetenschap])elijke \\ akken
zullen worden o])gewekt, waardoor tevens gelijken tred zal kunnen wor-
den gehouden met andere Natiën, die \\-rocgcr dan wij getoond hebben
een levendig belang te stellen in Landbouw, Veeteelt cn Veeartscnij-
kimdc.

Dat zij echter om daartoe tc geraken, zich \\ erplicht hebben ge\\ ocld naar
aanleiding van art. 1690 en \\olgendc \\\'an het Burgerlijk VVctboek zich
tot Uwe Majesteit te wenden, HoogstdenzeKen eerbiediglijk verzoekende
het bestaan der opgemelde Veeartsenijkundige Vereeniging te willen
veroorloven.

Wordende bij deze ovcigelegd ccn \\oor die Vereeniging ontworpen Re-
glement, waaruit hare strekking en \\erderc bijzonderheden zal kunnen
blijken.

\'t Welk doende enz.

wg Jc Van Dam."

Het reglement zat goed in elkaar: H e n g e v e 1 d, als secretaris van de ver-
eniging, ondersteunde dit \\\'erz.oek met een brief aan de Minister \\ an Binnen-
landse Zaken.

Het is echter om de een of andere reden niet verder gekomen dan tot deze
zeer ernstige poging, want in 1848 behoorde V a n 1) a m tot de oprichters
van het Centraal Veeartsenijkundig Genootschap in Arnhem; pas in 1862

-ocr page 1105-

werd uit beide Verenigingen de „Maatscbappij ter be\\ordering der Vee-
artsenijkunde in Nederland" geboren.

\\Vordt er van ons Zuidbollanders wel eens beweerd, dat we wat laat ko-
men, bier is weer eens een bewijs gele\\-erd dat dit beus wel meevalt.
Het is de afdeling Zuid-Holland een grote vreugde de Koninklijke Maat-
schappij voor Diergeneeskunde zijn welgemeende gelukwensen te kunnen
aanbieden op eigen Zuidhollandse bodem, in een plaats in het centrum \\ an
de provincie en in cen huis dat een goede sfeer waarborgt.
Het is toch steeds weer de iets meer dan normale activiteit die aan de dingen
richting geeft; onze activiteit is uiteindelijk gericht op de Koninklijke
Maatschappij voor Diergeneesktmde: moge hij nog lange jaren fier en vrij
bestaan tot heil van mens en dier.

Mijnheer de Burgemeester,

Het verheugt ons ten zeerste dat U het ons mogelijk gemaakt hebt de
honderdjarige in het hart \\-an onze eigen provincie oj) cen waardige wijze te
ontvangen en geluk te wensen en wij willen U gaarne als dank hier\\oor
een geschenk aanbieden \\oor Uw stadhuis.

Wij meenden dat wij hier\\oor konden aansluiten aan één \\an de eintheta
van Uw stad — kaarsenstad — en lieten onze keus vallen op een stel kan-
delaars. Wij hopen dat u vele malen aanleiding zult kimnen \\ inden ze tc
gebruiken om bij feestelijke gelegenheden cen verwarmend licht te dragen.

Onder uitbundig ap])laus der aanwezigen bood vervolgens collega K r u y t
dc prachtig in ziK\'cr gedreven kandelaars aan dc burgemeester aan. die
hiervoor met een hartelijk woord dankte (46).

Hierna begaf men zich, voorafgegaan door dc burgemeester, naai\' dc \'Raad-
zaal \\ an dit zo unieke Raadhuis, die zich op dc zoldcr\\erdic])ing bc\\ ond en
alwaar men in de gelegenheid was de buitengewone smaak tc bewonderen,
waarmede deze kort geleden in gebruik genomen zaal was ontwor]3en en
uitgevoerd.

Thans was dc tijd gekomen om afscheid tc nemen van onze gulle gastheren
en werd, nadat een groepsfoto op het bordes \\an het raadhuis was ge-
nomen (48), gewandeld naar hotel „dc Zalm", alwaar men zich de goed
verzotgde en welvoorziene koffiemaaltijd wel liet smaken.
Al spoedig moest worden opgebroken, teneinde dc aankomst \\an de jjuzzel-
ritrijders bij te wonen in het

Veemarkfrestaurant.

Verbijsterend was de wijze waarop men dit restaurant - - dat als eindpimt
\\an de puzzelrit diende en waar dus de divergerende lijnen, waarlangs de
Eeuwfeestviering zich gedurende de dag had bewogen, weer tezamen kwa-
men — met bloemen had \\ ersicrd (47). Ook hier cen hartelijke welkom, ook
hier gastv rijheid.

Successievelijk kwamen nu de deelnemers aan de puzzelrit binnen om onder
het genot van een muziekje en een gezellig praatje al debatterend ervaringen
en belevenissen uit te wisselen (49, 50, 51).

Indien men nu zou denken dat deze puzzelrijders zich door de vermoeie-
nissen van deze dag uit het veld lieten slaan, heeft men het glad mis, want
het einde van het feest was immers nog niet daar.
Het zou worden voortgezet in het.......

-ocr page 1106-

CM

on

-ocr page 1107- -ocr page 1108-

Kurhaus te Scheveningen.

Talrijk echter waren de beslonnneringen vóór het zover was; immers voor
velen betekende dit een ware metamorfose. Van Gouda af was de afstand
meestal gauw overbrugd, doch de voorbereidingen teneinde in „gepaste"
kledij zich naar het aperitief in één der loimges van het Kurhaus te kunnen
begeven moet velen hoofdbrekens hebben gekost.

Desalniettemin — het lukte, en al spoedig verzamelde zich een grote me-
nigte feestgangers in en rondom het Kurhaus om deel te nemen aan het

Feestbanket.

Groots was de aanblik van de grote concertzaal van het Kurhaus toen de
cortège van officiële genodigden de zaal betrad, terwijl de inmiddels aan-
gezeten deelnemers aan het banket onder leiding van het orkest staande
het .\'Vbsyrtuslied aanhieven.

In de prachtig met bloemen en palmen versierde zaal bevonden zich ruim
600 deelnemers, aangezeten aan feestelijk gedekte en met kaarsen ver-
lichte tafels die straalsgewijze vanaf het podiiun in de zaal waren opgesteld,
terwijl de hoofdtafel zich bij het podium bevond. (52, 5.3, 54)
De tafelpresident, de heer C. C. van de Watering, verleende, nadat
allen gezeten waren, het woord aan de voorzitter van het Eeuwfeestcomité,
die een welkomstwoord sprak.

Dames en Heren,

liet is mij als voorzitter van het Eeuwfeestcomité een bijzonder voorrecht
bij het begin van deze avond U allen, namens het Comité, aan deze dis
een hartelijk welkom te mogen toeroepen.

Er zijn hier onder U velen die ik gaarne afzonderlijk zou willen verwel-
komen maar daar wij, oui vanavond alles goed te doen verlopen, gebonden
zijn aan een nauwluisterend tijdschema, meen ik daarvan te moeten af-
zien.

Slechts tot een paar groepen een bijzonder welkom en wel:

De Ereleden van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde;
Hen, die gisteren de gouden v. Esveld-medaille in ontvangst mochten
nemen.

Onze buitenlandse gasten en
Onze dames.

Tot deze laatsten zeg ik, dat wij er ons uitermate over verheugen dat zij in
zo grote getale aan dit herdenkingsfeest deelnemen en ook vanavond weer
acte de présence willen geven.

Gij weet allen uit ervaring hoe mooi, vol variatie en romantisch het beroep
van dierenarts is, althans voor zover men dat wil zien, maar beter dan
wie ook kent gij óók de keerzijde \\\'an de nu^daille: nl. hoe zwaar dat be-
roep kan zijn en hoeveel Uw mannen — hier heb ik vooral het oog op de
practici — veel van de gewone geneugten des levens moeten missen. Het
is mij bekend dat zij bij him werk worden gesteund en geholpen door hun
echtgenoten; ik denk hierbij b.v. aan het verwerken van binnenkomende
berichten als manlief op praktijk is, het ontvangen en te woord staan van
cliënten, het bijhouden van de tegenwoordige zo omvangrijke administratie
etc. etc. en daarnaast nog — alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld

-ocr page 1109- -ocr page 1110-

CO
K-J

-ocr page 1111-

oa

-ocr page 1112-

ware - - de verzorging \\ an liaar huisliouden en vooral het intact honden
\\ an de gezellige huiselijke sfeer tot hun plicht rekenen.
Dames, wees ervan overtuigd dat Uw mannen dit medeleven uwerzijds
op buitengewoon hoge [Jrijs stellen.

Van meerdere collegae, die ik dezer dagen sijrak, heb ik gehoord dat zij
zich zo verheugen over het welslagen \\\'an dit feest, juist en vooral omdat
zij dit Eeuwfeest dankbaar hebben aangegrepen om U het veterinaire
leven ook eens uit een andere gezichtshoek te laten bekijken,
\'t Is toch zo. dat men b.v. bij het bekijken \\ an een tak rozen kan zeggen:
jammer dat aan zulke mooie bloemen zulke lelijke dorens zitten, maar
evengoed kan denken: heerlijk, dat met zo\'n lelijke doorn zulke pracht-
bloemen te voorschijn komen, \'t Hangt cr maar vanaf hóe U een en ander
wilt bekijken. Mijn advies in deze zou altijd luiden „Suge meliora".
Zie vooral de bloemen en pluk ze vooral vandaag in de vorm van een ge-
lukkige feestvreugde.

Ik herhaal, wij stellen Uw aanwezigheid op bijzonder hoge prijs en waar-
achtig niet alleen omdat gij. gedachtig aan het gezegde: „dames et fleurs
sont soetu\'s\'\'. de luister \\an dit festijn zo uitzondclrijk accentueert maar
vooral omdat dit feest ook Uw feest is, cen feest dat U in zo ruime mate
\\erdiend hebt om mee te \\ ieren en dat U door ons allen zo recht van harte
wordt gegund en dat U - - naar ik hoop — ook ettigszins zidt willen zien als
een klein bewijs van dank voor Uw doorlojjendc zorgen \\oor ons, mannen.

Mijne Heren, gaarne nodig ik U uit met mij het glas tc ledigen op het
\\oortdinende welzijn en geluk van onze dames, ook \\an haar die door
omstandigheden hier niet aanwezig kunnen zijn en daardoor reeds zoveel
moeten missen.

Na een dronk o|) H.M. de Koningin te hebben uitgebracht, in aansluiting
waaro]3 aan het \\erzock \\an de voorzitter \\an het Ecuwfecstcomité werd
\\oldaan, \\ocrdcn. tussen de gangen van de kostelijke maaltijd door, nog
\\ele sprekers het woord, van wie o.m. de ])i-acses \\ an dc Diergeneeskundige
Studenten Kring - het oog o]) zeer nabije toekomst wcrijcnd - - \\-ccl bijval
oogstte. Tijdens de maaltijd las dc tafcl-])resident enkele der \\ ele gelukwens-
telegrammen voor. die waren binnengekomen \\an diverse organisaties, jïar-
ticidieren, verenigingen en overheidsinstanties en als blijk dat de collegae
„over zee" met dc Maatschappij meeleefden - - van alle collegae die zich
in de „West" be\\\'onden, hetgeen een spontaan applaus ontlokte.
Onder afwisseling \\an spijs, s])ccch en muziek verliep het eerste gedeelte
der a\\ond. waarna het ogenblik was aangebroken dat de tafel-president de
leiding overgaf aan de \\oorzittcr \\an het Eeuwfeestcomité, die met cen
woord \\ an dank de zitting ophief cn de aanwezigen uitnodigde htm dames
te besjclciden naar het

Galafeesf,

dat aanving nadat de dansorkcsten waren \\oorgcstcld en onder muzikale
begeleiding in polonaise dc deelnemers zich verspreidden over de zalen
waarin het bal zou worden gehouden.

De vele honderden feestgangers hadden ruime keuze; The O.K. Wobblers
onder leiding \\ an Pi S c h e f f e r speelde dansmuziek uit dc twintiger-

-ocr page 1113-

dertiger jaren, waarean oud en jong genoot, terwijl daarentegen het orkest
J o h n C
O X de gemoederen met alle mogelijke nuiziek hoog opzweepte.
Voor rustzoekers speelde in de bar de pianist B o b M a t a, die voor uit-
stekende entertainment zorgde, terwijl als afwisseling en rustpauze voor
de musici het Coctail Trio, het Hotcha Trio en T o b i R i x optraden, die
allen veel succes oogstten.

Tijdens één dezer pauze-momenten maakt cle voorzitter \\an de Rallye-
commissie, de heer Dr. S. Koopman s, de uitslag van de puzzelrit naar
Gouda bekend en werden de hiervoor toegekende prijzen onder veel
applaus en toejuichingen uitgereikt.

Helaas... ook aan dit festijn kwam een einde, en toen om vijf tuu" het on-
verbiddelijk sein tot vertrek was gegev en, ging een ieder na ontvangst van
het door de heer F. J. G r o m m e r s ontworpen en door een verzekerings-
maatschappij aangeboden herdenkingsbord in de koele ochtend van het
Gevers Deijnootplein zijns weegs.

Nadat de ouderen in de afgelojjen dagen ruimschoots aan hun trekken
waren gekomen, was thans de beurt aan de jeugd om dit Eeuwfeest mee
te vieren.

Dit gebeurde zaterdag l.ó september op de

Feestmiddag voor de Utrechtse jeugd.

Toen het Eeuwfeestcomité de feestelijkheden voorbereidde, heeft het zich
afgeviaagd, op welke wijze het mogelijk zou zijn ook de Utrechtse jeugd
hierin te betrekken. Gelukkig vond het experts in dergelijke zaken bij de
.Stichting „Stadsontspanning Utrecht". De heren H. \\V. van .\\ m e ij d e n.
C. Gator en \\V. G e ij t e n b e e k hebben o]) voortreffelijke wijze laten
zien, dat zij zo iets meer bij de hand hadden gehad.

f^e kinderen moesten zich op het Stadionplein aanmelden met hun diverse
huisdieren. Hier konden wij zien hoeveel verschillende soorten ..huis-
dieren" er wel zijn. Honden, katten, maar ook goudvissen en ook een aap
waren aanwezig.

Er wercl nu een

Optocht

samengesteld, die bestond uit cle Christelijke Muziekvereniging „De
I5azuin", gevolgd door de deelnemers aan dc- wedstrijd

l\'trrchls beste huisdierverzorger.

Daarna kwam de drumband „Stella Maris", die zich op het laatste moment
beschikbaar had gesteld om de jjlotseling verhinderde Padvindersband te
vervangen, waarachter de deelnemers voor de wedstrijd

De mooiste combinatie Mens-Dier.

Hierbij ontbrak noch de boer met zijn vee, noch de jager met zijn jachthond
om naar de mooie prijzen mee te .gaan dingen. (.5.5)

Nadat deze optocht zich om half drie in beweging h.ad gezet, liepen de
kinderen via de Rubenslaan. waar liet Hoofdbestuur zich voor den huize
no. 123 had opgesteld om het défilé van alle deelnemers af te nemen, naar
het Wilhelminapark.

-ocr page 1114- -ocr page 1115- -ocr page 1116- -ocr page 1117-

oo

-ocr page 1118-

Na aankomst op de speelweide van het Wilhehninapark sprak collega
Kraan een welkomstwoord int en dankte tevens allen die aan het tot
stand komen van deze middag hadden meegewerkt. Hierna kon de jury,
die zo was samengesteld, dat de deelnemers uit verschillende gezichtshoeken
konden worden beoordeeld, haar niet eenvoudige taak beginnen.
Deze jui-y werd gevormd door mevrouw A. M. de R a n i t z-d e B r a u w
en de heren H. van der 1 i s t, wethouder van onderwijs en jeugd-
aangelegenheden; P. G. M. Smit s, secretaris van de Nederlandse Vereni-
ging tot Bescherming van Dieren, afdeling Utrecht; Prof. Dr. G. H. 15.
Teunissen en Dr. S. Koopman s.

Han Renscbrink, wel bekend van de televisie, maakte tijdens de
keuring door de jury (56) een praatje met de jongens en meisjes over hun
dieren. Deze geanimeerde ges]5rekken konden via een luidspreker door alle
aanwezigen worden gevolgd. Ook „de Lange Ga\\\'ioli" zorgde door zijn
muziek, dat er een feestelijke stemming op het terrein was.
Nadat dc jury zich had teruggetrokken om te beraadslagen kwam de
hoofdschotel voor dc kinderen, namelijk het toneelstuk ..Kiekeboe", opge-
voerd door de jeugdtoneclgrocp ,.Spelenderwijs". (57) Het was een genot
om te zien, hoe alle kinderen met de figuren in dit toneelstuk meeleefden.
Ze zaten cr werkelijk helemaal in!

Toen het zeer geslaagde toneelstuk was afgelopen, kwam de wethouder,
de heer Van der 1 i s t, op het podium (58), om de spanning bij de
deelnemers aan de wedstrijden te breken. Op een voor de kinderen leuke
manier maakte hij de prijswinnaars bekend, waarbij aan de winnaars van
de le prijs in beide wedstrijden het mooie bock van Han Rensebrink over
dieren, voorzien \\an diens handtekening, alsmede een oorkonde werden
uitgereikt. De andere prijswinnaars kregen een mooi kinderboek, terwijl
de Stichting Stadsontspanning nog een prijs beschikbaar stelde voor liet
kleinste aanwezige dier (goud\\ issen).

Vervolgens verscheen de heer R o cl r i g o op het padium om de prijzen uit
te reiken aan de winnaars van de

Tekenwedstrijd.

De kinderen van de stad Utrecht waren enkele weken in dc gelegenheid
geweest mee tc doen aan een tekenwedstrijd met als motto „()nze Dieren".
Deze tekeningen, die tevoren ingeleverd waren, werden beoordeeld door
een jury bestaande uit collega mevrouw M. G. V o s-M a a s en dc heren
J. R
O d r i g O, illustrator en F. Weide m a, kunstschilder. De pri jzen
voor dc winnaars van deze wedstrijd bestonden natinulijk uit teken- en
schilderbenodigdheden.

Tenslotte wercl deze middag besloten met cen dankwoord van de voor-
zitter van de Koninklijke Maatschappij voor Diergeneeskunde, de heer
Karsemeijer.

Wij kunnen terugzien op een kindermiddag, die zowel door de grote op-
komst, als door het stralende septemberweer als zeer geslaagd kan worden
beschouwd.

Zó -- waarde lezers — was ons Eeuwfeest!