-ocr page 1-

IfOMINUM
ANIMALIUIAQUI
54LUTI

TIJDSCHRIFT

VOOR

DIERGENEESKUNDE

AFLEVERING 13 - DEEL 88

-ocr page 2-

TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE

UITGAVE DER
MAATSCHAPPIJ

Verschijnt de le en 15e van de maand

Redactie: Dr. E. H. KAMPELMACHER, Voorzitter

Prof. Dr. J. H. J. V.AN GILS, Penningmeester
Leden: Dr. P. H. W. TACKEN

Prof. Dr. G. WAGENAAR
H. L. L. VAN WERX\'EN

Ambtelijk secretaris van dc redactie: Dr. W. A. DE HAAN
Redacteur-dierenarts: L. S. B. G. H. HARMSEN
Bureau: Rubenslaan 123, Utrecht, TeL (030) 1 14 13

ABONNEMENTSPRIJS: ƒ 40,—, VOOR HET BUITENLAND: ƒ 45,- PER
JAAR BIJ VOORUITBETALING. GIRO 511606 TEN NAME VAN DE
MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE.

KONINKLIJKE NEDERLANDSE
VOOR DIERGENEESKUNDE

AANWIJZINGEN VOOR DE INZENDERS VAN KOPIJ.

a. Alle kopij dient getypt te voorden.

b. Oorspronkelijke artikelen kunnen worden gepubliceerd in hel
Nederlands, Engels, Frans of Duits, waarbij ze voorzien moeten
zijn van samenvattingen in de 4 genoemde talen, waaraan des-
gewenst Spaans kan worden toegevoegd.

De samenvattingen mogen elk niet langer dan 5% van het
artikel zijn.

Indien dit voor de auteur te bezwaarlijk is kan de Redactie voor
de vertalingen zorgen.

c. Literatuurverwijzingen in de tekst dienen te bevatten de naam,
resp. de namen van de auteur(s) en, tussen haakjes, het jaar
van publikatie, bijv. Mulligan and D a vie s (1945). Indien
meer dan ién publikatie van een schrijver uit een bepaald jaar
wordt geciteerd, dit aanduiden door gebruikmaking van hei
alfabet; bijv. Mulligan and Davies (1945a. 1945b) enz.
Aan het einde van het artikel dienen de literatuurverwijzingen
verwerkt te worden tot een alfabetisch gerangschikte literatuur-
lijst die dient te bevatten:

1. de naam van de auteur, resp. auteurs;

2. de volledige titel van het artikel of boek waarnaar verwezen
wordt;

3\'. de duidelijk afgekorte naam van het tijdschrift, alsmede de
jaargang (onderstreept), de beginpagina van het artikel en
(tussen haakjes) het jaar van uitgifte.

Voorbeeld:

Anderson, J.: Some factors affecting the pH change in buil

semen. Journ. Agric. Sci., 37, 11, (1957).
Wester, J.: Orgaanziekten bij grote huisdieren. Utrecht.
(1935).

RUKSUNIVEFBITEIT UTRECHT

003

1 7564

-ocr page 3-

INHOUD

NECROLOGIE

In memoriam ]. van de Veen.........797

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

K, E. Dijhmann. ]. H. ]. van Cits en J. C. Logtestijn. Micro-
organismen in leverabcessen, in het bijzonder in vena cava-
wandabcessen bij slachtrunderen, mede in verband met de uit-
voeringsbepalingen van de vleeskeuringswet - - Microorganisms
in liver abscesses, particularly in vena cava wall abscesses from

slaughter cattle, also in relation of the Meat Inspection Act _ 800

/■■ IV. J. Swart, Spierdystrofie — Muscular dystrophy — . . 809
J. P. U\'. M. Akkermans, Een onderzoek in de praktijk naar hel
voorkomen van Aleutian Disease bij nertsen met behulp van de
Iodine Aopjulination Test ~ A field study about the occurrence
of Aleutian Disease in mink (Iodine Agglutination Test)
— . 822
KLINISCHE LESSEN

C. Wagenaar. Een geval van chronische loodvergiftiging bij kal-
veren — Chronic lead intoxication in calves
— . . . 826
LT r EN VOOR DE PRAKTIJK

A. van der Schaaf en ]. Hendrikse. Een infectie van het inwen-
dig genitanlapparaat van een hengst met Str. zoöepidemicus -
Infection of the internal genital organs of a stallion with Sir.
zoöepidemicus -................gg^j^

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten................335

Fysiologie en fysiologische chemie........836

Heelkunde..................g^g

Voedingsmiiidelenhygiëne .........838

BOEKBESPREKING

Walter Fiei, Allgemeine Pathologie füi Tierärzte und Studie-
rende der Tiermedizin
..........g40

INGEZONDEN

De nadere keuring ex artikel 8 van de Vleeskeuringswet I
(Mr. ]. E. van Leeuwen en Dr. f. M. van Vloten) .
840

BERICHTEN EN VERSLACJEN

De wereldlandbouw- en voedselsituatie.......843

Reünie van oud-leden van Absyrtus.......848

CONGRESSEN

XVII Weteld Diergeneeskundig Congres, Hannover . 848

Kon. Ned. Chemische Vereniging, viering 60-jarig bestaan . 849

I3e Internationaal Congres K.I., Wels, brograrnrna . . 849

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst . 850

VARIA.......■.......: : 821

DOORLOPENDE AGENDA............355

KON, NED. MAATSCHAPPIJ \\\'OOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau..................g^g

Van de .Afdelingen . .........357

Personalia..............g57

-ocr page 4-

Pseudovogelpest entstof

(Hitchner en Lasota)

Infectieuze bronchitis entstof

Gecontroleerd op: werkzaamheid
duurzaamheid
onschadelijkheid

LABORATORIA DR. DE ZEEUW n.v. DE BILT

TEL. 030 - 60045

Mr. A. P. J. Fortuin

Mr. F. Smit

J. H. J. van der Steen

P. G. Weynands

Fiscaal-Economische dienst voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Utrecht - \'s-Gravenhage - Nijmegen

Utrecht

Tel. 030-20241

Koningsiaan 62

\'s-Gravenhage

Tel. 070 - 639908
Houtweg 3

Nijmegen

Tel. 08800 - 32132
Barbarossastraat 54

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnementstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracht, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dienst

-ocr page 5-

IN MEMORIAM

JOHANNES VAN DE VEEN

op 3 april 1963 overleed plotseling collega Johannes
van de Veen te Twello.

In november 1962 openbaarde zich een hartafwijking
die ons allen het ergste deed vrezen. Door zijn enorme
wilskracht veerde hij ontzaglijk snel op, zodat hij al-
weer in het begin van 1963 enkele lichte praktijk-
werkzaamheden kon verrichten. En hoewel alles zeer
goed leek te gaan stierf hij, na het termineren van een
lichte partus, op de avond van 3 april in het harnas.
Hans van de Veen werd te Nijkerk geboren op 30 sep-
tember 1910. Na het lager en middelbaar onderwijs
te Nijkerk en Harderwijk genoten te hebben, vertrok
hij naar Utrecht alwaar hij in 1934 na een vlotte
studie afstudeerde. Hij kon, na enkele jaren in ver-
schillende praktijken te hebben waargenomen, op
1 september 1937 de praktijk van collega Eggink te
Twello overnemen. De praktijk van het grote huisdier
was hem als het ware op het lichaam geschreven en
het gelukte hem dan ook, mede door zijn werklust en
ijver, een hern passende praktijk op te bouwen.

In de tijd van mobilisatie en oorlog heeft hij als
paardenarts zijn plichten zeer eervol vervuld en kwam
hij als Kapitein-Paardenarts in 1940 uit de militaire
dienst.

Al spoedig daarna, op 20 juni 1940, trad hij in het
huwelijk met mejuffrouw Zwiertje Hoogers, uit welk
huwelijk 4 zonen en een dochter zijn geboren. Door
de grote steun en het organisatievermogen van zijn
vrouw was het Van de Veen mogelijk de praktijk tot
1954 alleen waar te nemen. Hierna werd collega
Moermans bij hem assistent, hetgeen resulteerde in
1956 tot een associatie.

Zijn omgang met en verhouding tot de buurtcollegae
kan een school-voorbeeld worden genoemd. In de
kring „Oost-Veluwe" was hij dan ook de spil. Zeer
juist was het dat deze kring op 16 mei bijeen is ge-
komen, waarbij collega Van Doorn Hans van de Veen
in een zeer treffende gevoelvolle rede heeft herdacht.

-ocr page 6-

op deze bijeenkomst waren ook mevrouw Van de Veen
en de dames van de leden aanwezig.
Collega Van de Veen was een man van weinig woor-
den, maar naar zijn rechtstreekse, resolute adviezen
werd gaarne geluisterd. Vooral de jonge collegae is
hij tot grote steun geweest. En dat hij door de vee-
houders zeer gewaardeerd werd bleek overduidelijk bij
de receptie, gehouden ter gelegenheid van de herden-
king van het feit dat hij zich 25 jaar geleden in Twello
vestigde. Honderden boeren kwamen hem hier de hand
drukken. Helaas heeft hij, de schijnbaar onverwoest-
bare, dit jubileum maar zeer kort overleefd.
Doch niet alleen in de uitoefening van zijn praktijk
toonde hij grote gaven te bezitten. Ook op het terrein
van de organisatie was dit het geval.
Toen wegens ernstige ziekte van de voorzitter van de
afd. Gelderland van de Kon. Ned. Maatschappij voor
Diergeneeskunde een beroep op hem gedaan werd dit
voorzitterschap op zich te willen nemen, heeft hij zulks
aanvaard. Omdat hij vreesde zijn associé Moerrnans
teveel te moeten belasten, ging zulks niet van harte.
Doch ook daarvoor wist hij een oplossing te vinden.
En zijn leiding was uitstekend, dienende de belangen
van de gemeenschap van dierenartsen.
In de april-vergadering van het Algemeen Bestuur
herdacht collega Karsemeyer Van de Veen in zeer
gevoelvolle woorden; van hem getuigende dat hij niet
een man was van vele lange redevoeringen, doch zich
beperkte tot weldoordachte praktische voorstellen en
veelal op het goede moment. Nimmer werd er tever-
geefs een beroep op hem gedaan wanneer Maat-
schappij-belangen dit eisten. Zo maakte hij ook deel
uit van de Paritaire Tarievencommissie, waarin ook
vertegenwoordigers van het Landbouwschap zitting
hebben. Ook hierin was hij zeer goed op zijn plaats.
Zijn karaktervastheid openbaarde zich ook nog in de
laatste dagen van zijn leven door op 52-jarige leeftijd
een gemeend vroeger verzuim goed te maken door,
gelijktijdig met zijn oudste zoon, in de Ned. Her-
vormde Kerk te Twello openbare belijdenis van zijn
geloof af te leggen.

In deze zelfde kerk getuigde acht dagen later de pre-
dikant, Ds ]. B. Cats, hiervan in de gehouden rouw-
dienst. Hij deed zulks met verwijzing naar de ,Jirief
van de Apostel Paulus aan de Romeinen", waar o.a.
in het achtste hoofdstuk staat opgetekend: „want ik
ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch heden
noch toekomst, ons zal kunnen scheiden van de liefde
Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heer".
Was de kerk al overvol, overweldigend was de be-
langstelling op het landelijke kerkhof te Terwolde,
waarheen wij hem met zeer vele collega\'s op 8 april
naar zijn laatste rustplaats vergezelden.
Een sobere plechtigheid geheel overeenkomstig zijn
wens, welke ook op de rouwkaart tot uitdrukking
kwam: „U handelt in de geest van de overledene

-ocr page 7-

door aan zijn graf niet te spreken, geen bloemen te
zenden en de gelden die men hiervoor anders zou
hebben bestemd, te schenken aan de diaconieën van
de Ned. Hervormde of Rooms-Katholieke kerk".
Slechts de predikant sprak enkele woorden, eindigend
met het „Onze Vader".

Onze gemeenschap van dierenartsen heeft een zeer
groot collega verloren. Doch het smartelijkst is dit
verlies voor zijn gezin.

Mogen de zeer vele en goede herinneringen die wij
allen aan Hans hebben, mede tot troost bijdragen aan
hen die hun man en vader veel te vroeg hebben moe-
ten missen.

Barneveld. M. H. HOOGLAND.

Voorst (Gld.). D. MULDER Jr.

-ocr page 8-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Microorganismen in leverabcessen, in hef bijzon-
der in vena cava-wandabcessen bij slachfrunde-
ren, mede in verband met de uitvoeringsbepalin-
gen van de Vleeskeuringswet.

Microorganisms in liver abscesses, particularly in vena
cava wall abscesses, from slaughter-cattle, also in re-
lation to the regulations of the Meat Inspection Act.

door K. E. DIJKMANN*), J. H. J. VAN GILS1) en
J. G. VAN LOGTESTIJN***)

Uit het Instituut voor Voedingsmiddelen van dierlijke oor-
sprong, Rijksuniversiteit, Utrecht.

Inleiding.

Bij de keuring van volwassen slachtrunderen worden herhaaldelijk tijdens
het onderzoek na het slachten abcessen in de lever aangetroffen. In vele
gevallen gaat het daarbij slechts oni een enkel abces, dat gelokaliseerd is
in de naaste omgeving van de wand van de vena cava ]30sterior. Vrijwel
steeds is er in het laatste geval een jjcrforatie van de abceswand naar het
aderlumen, welke met trombose en gedeeltelijke of totale afsluiting van dit
lumen gepaard gaat. In dit geval kunnen, afhankelijk van de plaats en
de ontwikkelingssnelheid \\an de trombus, stuwingsverschijnselen van de
lever en het caudaal gelegen stroomgebied van de vena cava posterior o])-
treden. Uitstoting van de abcesinhoud in het aderlumen en loslating van
de geïnfecteerde delen \\ an de trombus hebben embolische necrotiserende
j)rocessen in de longen en niet zelden soortgelijke complicaties in de nieren
tot gevolg.

Mede door de daarbij in de bloedcirculatie komende microorganismen en
toxinen ontstaat dan een meer of minder uitgesproken septicemisch sectie-
beeld, zodat tot het doen van een bacteriologisch vleesonderzoek moet wor-
den overgegaan. Ook indien geen duidelijk septicemisch beeld waarneem-
baar is, zal een perforerend leverabces aanleiding zijn tot het verrichten
van een bacteriologisch vleesonderzoek, omdat verwacht kan worden dat
de abcesinhoud niet ineens maar in étappes naar buiten komt en ook vele
malen geïnfecteerde trombusdeeltjes kunnen loslaten, zodat de kans op
een bacteriëmie bij het slachten niet gering geacht moet worden. Ook
abcesledigingen, die tijdens het slachtproces opgetreden waren, zijn bij her-
haling waargenomen. Hierbij treffen we in het hmien van de rechter hart-
helft een pusmassa aan, die niet met bloed vermengd is, zodat een post-
mortale verplaatsing van de pus tot in het hart waarschijnlijk is. Vooral
bij het hangende slachtrund is de druk op de lever en op het daarin voor-
komende vena cava-wandabces groter dan in het hart, waardoor het abces
door de perforatie-opening geheel of gedeeltelijk geledigd wordt en de
inhoud door de vena cava omlaagstroomt tot in het hart.

1  Dr. J. H. J. van Gils, hoogleraar, en

-ocr page 9-

Nu leert de ervarnig dat een ingesteld bacteriologisch vleesonderzoek in
al dez^e gevallen slechts bij uitzondering positieve resultaten oplevert In-
dien bij het verdere uitgebreide onderzoek, hetwelk in deze gevallen is
voorgeschreven, geen belemmerende factoren optreden, kan het slachtdier
worden goedgekeurd. Ook het onderzoek vóór het slachten levert zelden
bevindingen op, die een goedkeuring in de weg staan, aangezien runderen
met een al ot met perforerend en tromboserend leverabces weinig of .^een
klinische versclnjnselen behoeven te vertonen. Als er al symptomen van
gestoorde gezondheid worden waargenomen, dan zijn deze weinig speci-
fiek (Wagen aar, 1963), ^ \'

Hoewel multiple leverabcessen meestal solide zware kapsels bezitten en
hierbij op perforatie naar levervenen weinig kans schijnt te zijn, moet met
deze complicatie toch rekening worden gehouden (Nieberle en
Cohrs, 1961). Embolische processen van necrotiserend karakter in de
longen en eventueel de nieren, alsmede septicemische verschijnselen zullen
daarbij als beoordclm.gscriteria kunnen dienen.

Het gegeven, dat het bacteriologisch vleesonderzoek ondanks tegengestelde
verwachtingen altijd negatief uitvalt en dat op grond hiervan tot goed-
keuring kan worden besloten, is xoor ons aanleiding geweest een nader
onderzoek m te stellen naar de aard der microörganismen die in processen
als beschreven kimnen voorkomen. Indien vooral anaërobe species gevon-
den zouden worden, zou het frequent bereikte negatieve resultaat van het
bacteriologisch vleesonderzoek in deze gevallen zeer wel verklaard zijn
Hiermede raken we het terrein van de wettelijke voorschrifen omtrent de
wijze, waarop het bacteriologisch vleesonderzoek moet worden verricht
1 hans IS verplicht gesteld onderzoek te doen naar het voorkomen van
aerobe kiemen m daartoe aangewezen organen en, zonodig, in de muscula-
tiiur. Zal aan deze methode de hand .gehouden worden, dan zullen even-
tuele bactenëmiën door perforerende leverabcessen met uitsluitend anaë-
robe kiemen niet worden opgespoord.

Materiaal en methoden.

GtTlurende een aantal maanden werden ons, tegelijk met organen met
allerlei pathologische afwijkingen voor onderwijsdoeleinden bestemd een
aantal levers met abcessen toegezonden, welke ten behoeve van ons onder-
zoek aan het Openbaar Slachthuis te Rotterdam waren verzameld 1)
Eveneens werden de bijbehorende longen en nieren, indien hierin ernbo-
ische ontstekmgsi)rocessen voorkwamen, in het onderzoek op het micro-
biële agens betrokken.

Hoewel ons een anamnese zeer welkom geweest zou zijn, om hieruit mo-
gelijk iets meer van de aetiologie der abcessen te weten te komen, werd
besloten geen moeite te doen deze te verkrijgen. Zeer zelden zal de ver-
voerder, dan wel de sla.ger of de grossier die het rund ter slachting aan-
l)iedt, hiervan op de hoogte zijn. De aanleiding tot het opnemen van de
anamnese ontbreekt bovendien veelal, omdat klinische afwijkingen zelden
worden opgemerkt tijdens het korte onderzoek van het levende slachtrund.

1  Gaarne danken wij Dr. E. d e B o e r, directeur van het Openbaar Slachthuis te
Rotterdam, alsook zijn medewerkers, voor de regelmatige toezending van het voor
onderwijs en onderzoek bestemde materiaal.

-ocr page 10-

De levers, en indien aanwezig ook de longen en de nieren, werden na uitwendige
inspectie en palpatic in dunne plakken gesneden om alle aanwezige abcessen op
te sporen, waarbij zichtbare en palpabele abcessen zoveel mogelijk werden om-
sneden. Vervolgens werden de hiertoe vrijgelegde abccskapscls grondig geschroeid
en op steriele wijze geopend, om de zo te bereiken abcesinhoud op de voedings-
media over te kunnen brengen.

De abcesinhoud werd verkregen door met de entspatel de binnenwand van het
abces af te krabben, waarna dit afkrabsel met de aanklevende pus op vaste
voedingsbodems werd uitgestreken. Bij de combinatie multiple abcessen en een
in dc vena cava-wand, werden van beide pusmonsters onderzocht.
Bij de bereiding van de gebruikte voedingsbodems werd uitgegaan van bouillon-
agar als basismedium, dat verkregen werd door aan 1000 ml kalfsvleesbouillon
10 gram Bacto-Pepton (Difco), 5 gram keukenzout en 25 gram agar-agar toe tc
voegen en de pH op 7.2 tot 7.4 te brengen.

Senimagar werd bereid door aan 225 ml van deze bouillonagar 25 ml paarde-
serum toe te voegen; bloedagar werd verkregen door aan 1000 ml bouillonagar
60 ml gedefibrineerd paarde- of runderbloed toe te voegen.

Er werd zowel aëroob als anaëroob (Koch, 1934) gedurende 48 uur gcincu-
beerd; zo nodig werd de incubadetijd verlengd.

Vaak werd de abcesinhoud ook bacterioscopisch onderzocht en de abceswand aan
een histologisch onderzoek onderworpen, teneinde mede hieruit een inzicht te
krijgen omtrent dc aard en de lokalisatie der aanwezige microörganismen. De uit-
strijkjes werden volgens Gram, de coupes volgens de haemaluin-eosinc cn Weigert-
van Gieson methoden gekleurd. De resultaten van het bacterioscopisch onderzoek
waren niet steeds in overeenstemming met die van dc kweekproeven en worden
in het kort besproken.
Hel onderzochte materiaal werd tevens benut om gegevens te verkrijgen
over de frequentie in het voorkomen van verschillende abcesvormen, over
de trombusomvang in verband met de afsluiting van het lumen van de
vena cava posterior en de aanwezigheid van leverstuwing. Ook van de
kapseldikte en enkele andere zaken werd nota genomen, lioewel hierover
niet alles gerapporteerd zal worden.

Resultaat van het onderzoek.

Dc resultaten van het pathologisch-anatomisch
onderzoek lieten toe de 37 onderzochte levers in tc delen in drie
groepen.

In g r O c p 1 werden opgenomen de levers, waarin slechts één abces werd
waargenomen, dat steeds in de onmiddellijke omgeving van de vena cava-
wand gelokaliseerd bleek te zijn. Voorts werd groep 1 in twee sub-groepen
a. en b. gesplitst, waarin respectievelijk de levers met totaal en niet-totaal
afgesloten vena ca\\a-lumen werden ondergebracht.

In g r O e p 2 werden de levers ingedeeld, die zowel een vena cava-wand-
abces als multiple abcessen vertoonden. Ook hierin was het al of niet afge-
sloten zijn van het vena cava-lunien reden tot splitsing in sub-grocpen
a. en b.

In groep 3 vonden de overige levers, alle met multiple abcessen, een
plaats.

De belangrijkste waarnemingen van dit onderzoek zijn weergegeven in
tabel 1.

-ocr page 11-

Overzicht van de lokalisatie van abcessen in de levers van 37 slachtrunderen
en van daarbij opgetreden complicaties in de levers, de longen en de nieren.

Groep

I,

Groep 2,

Groep 3,

Totaal

a.

b.

a, b.

Vena cava afgesloten

16 -

2 —

_

18

Vena cava niet geheel afgesloten

7

— 2

10

19

Leverstuwing

9

1

1 —

11

Longen met necrotische processen

5

3

2 1

2

13

.Nieren met necrotische proces.sen

1

2

— —

3

[n de levers van de groepen 2 en 3 waren de aantallen abcessen, behoudens
in enkele gevallen, zeer groot. Eén lever vertoonde twee kapselabcessen,
waarvan één met het diafragma vergroeid bleek te zijn. Het corresponde-
rende longgedeelte bleek eveneens een abces te vertonen. De oorzaak van
deze abcessen is waarschijnlijk een traumatische gastritis geweest.
De kapseldikte der abcessen varieerde van enkele millimeters tot 2 cm.
Hij de vena cava-wandabcessen vertoonde de kapsel naar het vaatlumen
toe vrijwel steeds een aanzienlijk dunner gedeelte. In bijna alle gevallen
was er een duidelijke perforatieplaats te vinden, welke met een meestal
zware, meerlagige, fibrineniassa was bedekt. De craniale zijde van de
totaal afsluitende trornbi was soms bedekt met een stevige bindweefsellaag.
De abcessen bevatten meestal bleekgele, van consistentie roomachtige pus
als hoofdbestanddeel, waarin meer of minder grote, droge en grauwe con-
crementen voorkwamen.

Uit de resultaten van het bacterioscopisch onder-
zoek bleek, dat in uitstrijkjes van 15 levers met abcessen 7 maal uitslui-
tend
Sphaerophorus necrophorus en 8 maal deze kiemsoort, vergezeld van
andere, werden waargenomen.

Het kweekonderzoek had tot resultaat, dat in 2 van de 7 eerstgenoemde
ge\\allen tevens andere kiemen werden aangetoond; in de 8 overige gevallen
werd 2 maal uitsluitend
Sphaerophorus necrophorus en in één geval uit-
sluitend andere kiemen gekweekt,

In 6 uitstrijkjes uit longprocessen werd 3 maal uitsluitend Sphaerophorus en
eveneens 3 maal deze kiemsoort gemengd met andere waargenomen.
Het kweekresultaat stemde, N\'oor zover het de 3 eerstgenoemde gevallen
betreft, overeen met het bacterioscopisch resultaat; in 2 van de 3 laatstge-
noemde werden uitsluitend
Sphaerophorus necrophorus-Vitmen gekweekt,
terwijl het derde groei \\an zowel genoemde als andere kiemsoorten oplever-
de.

Der es ultatenvandekweekproevenuitle verabcessen
worden weergegeven in tabel 2, waarbij dezelfde groepsindeling werd aan-
gehouden als bij de eerste tabel. Criteria voor een nadere indeling waren
het voorkomen van uitsluitend
Sphaerophorus necrophorus of uitsluitend
andere kiemsoorten, dan wel beide tezamen,

-ocr page 12-

Overzicht van de kweekresultaten uit abcessen in de levers van 36 slacht-
runderen.

Groep

1.

Groep 2.

Groep 3.

Totaal

a.

b.

a. b.

,\\antal levers

16

6

2 2

10

36

Uitsluitend Sphaerophorus necrophorus

11

2

1 —

8

22

Sphaerophorus necrophorus en

andere kiemsoorten1)

5

4

1 1

1

12

Uitsluitend andere kiemsoorten2)

— ■

— 1

1

2

Het resultaat van de kweek uit long processen werd
in tabel 3 opgenomen. Uit de nierprocessen werden geen kweekproeven ver-
richt. Van één der gevallen uit de l.b.-groep mislukte de kweekprocf door
een broedstoofdefect; bij het bactcrioscopisch onderzoek van de abces-
inhoud uit deze lever waren
Sphaerophorus-achüge kiemen en uit één der
nierprocessen waren gram-positieve, op
Corynebacterium gelijkende staafjes
gevonden. De longen van dit rund vertoonden geen macroscopisch waar-
neembare veranderingen. In tabel 2 werd dit geval niet opgenomen.

Tabel 3.

Overzicht van de kweekresultaten uit necrotische processen in de longen

van 13 slachtrunderen.

Groep 1.

Groep 2.

Groep 3.

Totaal

a. b.

a. b.

.\\antal lon.gen

5 3

2 1

2

13

Uitsluitend Sphaerophorus

necrophorus 4 2

2 1

2

11

Sphaerophorus necrophorus en

andere kiemsoorten*) I 1

Uitsluitend andere kiemsoorten •— —

Bespreking van dc resultaten.

Hoewel het aantal onderzochte levers en longen niet groot is, blijken de
resultaten \\ an het onderzoek, met betrekking tot het aantonen van
Sphaero-
phorus necrophorus
in de abcesinhoud, zeer overtuigend te zijn.
Uit 34 van de 36 levers en uit alle 13 longen met abcessen werden deze
kiemen gekweekt, waarvan resp. 22 en 11 keer als reincultuur. Bij bacterië-

1  Deze andere kiemsoorten waren in bijna alle gevallen diverse stafylokokken-
soorten; in meerdere gevallen werden
E. coli en coli-achtigen gevonden, terwijl
Corynebacterium, Bacillus-, Proteus-, Pseudomonas- en ook andere Gram-nega-
tieve soorten één of twee maal uit de abcesinhoud werden gekweekt.

2  Deze kiemsoorten waren elk 1 x stafylokokken en Corynebacterium.

-ocr page 13-

miën, die bij ])erforatie van abcessen in het kanen \\an de vena ca\\a poste-
rior of andere le\\ ervenen zullen ontstaan, bestaat dus een zeer grote moge-
lijkheid, dat deze door middel van aërobe kweekmethoden niet\'worden op-
gespoord.

Het voorkomen van meer kiemsoorten in de abcessen behoeft niet in te
houden, dat al deze de primaire verwekkers zijn. Op grond van de resul-
taten van het kweckondei-zoek zijn wij geneigd de infectie met
Sphaero-
phorus necrophorus
primair te stellen, mede omdat deze kiemsoort in het
kolonie-aantal zeker 100-voudig overheersend was. Wel zijn er zowel in de
lever als in de longen kan.sen voor secundaire infecties met kiemen, vooral in
de eerste fase van het proces. Bij multiple abcessen in de lever (groep 3)
•schijnt deze kans, gezien de kweekresultaten, iets geringer te zijn. Het is
niet uitgesloten dat een secundaire infectie, na de perforatie van de abces-
wand, via de fibrinelagen vanuit het veneuze bloed kan plaats hebben.
Als oorzaken \\ an leverabce.ssen worden in de literatuur necrotiserende ont-
stekingen in darmen, nieren, baarmoeder en tussenklauwstrcek genoemd.
Wester (1935) noemt corpora aliena en in aansluiting hierop optreden-
de ontstekingsprocessen in de darmen en in de maagwand, metritis, endo-
carditis en galgangontsteking als aetiologische momenten. Wester geeft
tevens aan dat bij leverabcessen
„bac. pyogenes bovis, bac. necrophorus,
bac. coli,
streptokokken en stafylokokken een rol spelen". In het door ons
onderzochte materiaal kwamen slechts 5 levers met een door distomen ver-
oorzaakte galgangontsteking v-oor in groep 1, en 2 in groep 3,

Het heeft onze aandacht getrokken, dat het vena cava-wanclabces in de
lever zo dikwijls werd aangetroffen, zonder dat elders in de lever abcessen
werden gevonden. In de handboeken wordt dit feit soms niet eens genoemd,
soms slechts aangeduid in dier \\oege, dat in de naaste omgeving der vena
cava perforende leverabcessen woiden waargenomen (Nieberle c.s.,
1961 en Hutyra c.s., 19.54). Een reden waarom een infectie speciaal in
het vlak bij de vena cava posterior gelegen levervveefsel tot het vonnen van
één enkel abces aanleiding geeft, vonden we echter niet in de literatiun- aan-
gegeven. Evenmin vonden wij redenen opgegeven, waarom dit abces altijd
naar het vena cava-lumen perforeert.

Door ons onderzoek hiermee geconfronteerd, kwamen wij ertoe hiervoor
een verklarende hypothese op te stellen. Daarbij gingen wij uit van het
gegeven dal de lever bij volwa.ssen dieren, met verwaarlozing van de weg
via de kapsel, drie aanvoerwegen voor ziektekiemen heeft, nl. de arteria
hepatica, de \\ena [»rta hepatica en de vena cava posterior en dat voorts
de zuurstofspanning in leverweefsel en in het bijzonder in het uit de lever
tredende bloed lager is dan waar ook in de overige weefsels, omdat het via
het portale stelsel binnenstromende bloed de zinnstof reeds tegen koolzuur
heeft uitgewisseld in het darmkanaal. Dit laatste is van betekenis omdat het
voornaamste ziekte-agens zo gevoelig is voor zuiustof.

De secundair in de longen optredende processen kunnen in dit rijker met
zuurstof voorziene weefsel verklaard worden, doordat de aanvoerweg der
kiemen, de arteria pulmonalis, eveneens een lage Oa-spanning heeft, terwijl
ook hier door inhulling van dc kiemen in pus en fibrinedeeltjes deze nog
een extra be.scherming tegen 02-invloeden uit het bloed genieten. De grootte
van de emboli en het optreden van vaatafsluidng bij het vastlopen der

-ocr page 14-

emboli, met als gevolg een extra lage 02-spanning, zullen hierbij uiteraard
een rol spelen.

Wij zijn ervan overtuigd dat het portale stelsel de hoofdaanvoerweg is voor
die kiemen, die multiple abcessen in de lever veroorzaken, alsook dat de
arteriële bloedstroom nauwelijks betekenis heeft, misschien met uitzonde-
ring van het geval dat er een endocarditis in de linker harthelft voorkomt.
Ook indien tegelijk met multiple abcessen er een in de vena cava-wand
voorkomt, kan ook voor deze de portale aanvoerweg door de kiemen ge-
bruikt zijn. IMijkbaar komt dit samengaan niet zo dikwijls voor. Echter
kunnen in deze gevallen de kiemen verschillende wegen gevolgd hebben,
waarbij het vena cava-wandabces zich afzonderlijk ontwikkelt.
Met betrekking tot het ontstaan van enkelvoudig voorkomende vena cava-
wandbacessen veronderstellen we dat hier de vena cava posterior de aan-
voei-weg der necrose-veroorzakende kiemen is. Deze kiemen zullen met het
bloed aangevoerd kunnen worden in gevallen van mastitis, metritis, pana-
ritium aan de achterbenen of andere necrotiserende processen in het stroom-
gebied van dit bloedvat. Ook hierbij kan een bescherming door necrotische-
of pusdeeltjes in het veneuze vaatstelsel de
02-invloeden mitigeren.
Op een of andere wijze zullen dan deze kiemen of met kiemen besmette
deeltjes in het leverweefsel moeten terechtkomen. Het lijkt ons, gelet op
de drukverschillen, die door de hartcontracties en het sluiten der kleppen
in het vena cava-systeem schoksgewijs in het bloed optreden, waarschijnlijk
dat op deze momenten het bloed uit de vena cava posterior kan wegwerve-
len in de wijde levervenen. Vanuit deze wijde levervenen kunnen daarbij
ook nauwere vaatjes in de naaste omgeving worden bereikt.
Indien hierin de, in dit bloed voorkomende, kiemen of met kiemen besmette
deeltjes vast komen te zitten, zullen de kiemen de initiale laesie van het
omgevende weefsel tot stand kimnen brengen. Met hun zeer toxische stof-
wisselingsprodukten tasten zij het meer gedifferentieerde — en daardoor
meer gevoelige — leverepitheel snel aan en vormen een necrobiotische
haard, waaruit zich het vena cava-wandabces kan ontwikkelen. De oor-
s]3ronkelijke droge necrosehaard blijkt steeds geleidelijk te gaan ver\\\'loeien,
terwijl een, afhankelijk van de duur van het proces en de daarin voorko-
mende kiemen, in dikte variërend kapsel zal ontstaan. Perforatie en embo-
lische proces.sen elders kunnen in aansluiting hieraan optreden.
Het pleit naar onze mening voor de ontwikkelde gedachtengang dat het
centrum van de abcessen, die zich soms wel vrij diep in het leverweefsel
uitstrekken, vlak bij het vena cava-lumen ligt. Naar de lever toe is er een
zware kapsel; naar de vena ca\\-a-wand toe kon deze niet dik worden, om-
dat er te weinig weefsel tussen de initiale necrosehaard en de wand van dc
vena cava is gelegen om een zware kapsel te formeren. Ook de vrijwel steeds
optredende perforatie naar het vlakbij gelegen vena cava-lumen duidt erop,
dat hier de zwakke plaats in de abceskapsel is, waarbij de uitmondingen
der levervenen in de vena cava-wand als gepreformeerde perforatie-plaatsen
zijn te beschouwen.

Tenslotte heeft het onze aandacht getrokken dat slechts in 11 van de 27
gevallen van vena cava-abcessen leverstuwing aangetroffen werd.
De stuwingsverschijnselen, welke bij volkomen afsluiting van het vena cava-
lumen steeds zouden mogen worden verwacht, ontbraken in 8 van de 18
gevallen van de groepen la en 2a, terwijl in één geval van groep Ib — met
onvolledige afsluiting van het vena cava-lumen — zeer sterke stuwings-

-ocr page 15-

verschijnselen aanwezig waren. De betreffende lever woog 23 kg. Hieruit
blijkt dat collaterale levercirculatie vrij gemakkelijk, althans zonder veel
reactie van de zijde van de lever, kan ontstaan. Zulks houdt in dat de
diagnose vena cava-wandabces, die toch al moeilijk te stellen is (Wag e-
n a a r, 1963), slechts in een beperkt aantal der gevallen houvast heeft aan
cen lever\\ ergroting.

Conclusies.

Op grond van de resultaten van het onderzoek van levers met abcessen
\\an slachtrunderen kunnen de navolgende conclusies worden geformeerd:

1. Bij het ontstaan van abcessen in de lever van runderen, inclusief het
abces in de vena cava-wand, speelt
Sphaerophorus necrophorus de be-
langrijkste rol; andere, vaak tegelijkertijd in de abcesinhoud voorko-
mende, microörganismen zijn daarbij als secundair optredend te be-
schouwen.

2. Multiple abcessen, voorkomende in de lever van volwassen runderen,
worden veroorzaakt door uit de daim komende microörganismen; het
in de naaste omgeving van de vena cava posterior gelegen abces wordt
veroorzaakt door microörganismen, die door genoemde vena uit de
achterste lichaamshelft worden aangevoerd.

3. Door perforaties van abcessen naar en uitstoting van abcesinhoud in
het lumen der vena cava posterior treden toxinemiën en bacteriëmiën
O]); de bij de Ministeriële Beschikking d.d. 5 februari 1958 voorge-
schreven methode van bacteriologisch vleesonderzoek is ongeschikt om
deze bacteriëmiën op te sporen.

4. Afsluiting van het vena cava-posterior-lumen heeft in vele gevallen
geen blijvende vergroting van de lever tot gevolg; het ontbreken van
het symptoom leveivergroting, dan wel leverstuwing, sluit de mogelijk-
heid van een \\cna cava posterior-wandabces geenszins uit.

SAMENVATTING.

Van een aantal levers van slarhtrunderen, waarin abres.sen voorkwamen, werd be-
halve het aantal, de lokalisatie en andere eigenschappen, nagegaan welke micro-
organismen in dc abcesinhoud voorkwamen. Eveneens werd dit gedaan bij in de
longen van deze runderen voorkomende embolische necrotiserende processen.
Uit de kweekproeven bleek dat
Sphaerophorus necrophorus het voornaamste agens
is. De wettelijk voorgeschreven methode, vol.gens welke bacteriologisch vleesonderzoek
moet worden verricht, zal bij bacteriaerniën door genoemde microörganismen steeds
cen negatief resultaat opleveren.

Mede op grond van literatuuronderzoek menen de schrijvers dat multiple lever-
abcessen vanuit darminfecties ontstaan, maar dat het vena cava-wandabces een an-
dere infectieweg moet hebben. Over de aetiologie .geven zij een hypothese.
Het ontbreken van stuwingsverschijnselen in de lever in een vrij groot aantal der
.gevallen, waarin het vena cava posterior-lumen volkomen was afgesloten, was aan-
leiding om hierop te wijzen in verband met de klinische diagnostiek.

SUMMARY.

From 37 heads of slau.ghtcr-cattle with abscesses in the liver the number, the localiza-
tion, the kinds of microorganisms in the contents and other properties of the ab-
scesses were studied. The same was done with embolic necrotic abscesses in the lungs
of these animals.

-ocr page 16-

Bacteriological examination made sure that Sphaerophorus necrophorus was the main
cause. The method for bacteriological control of meat which is prescribed by the
regulations will therefore nearly always give a negative result.

Also on account of facts mentioned in the references the authors suppose that mul-
tiple liver abscesses are caused by intestinal infections, but that vena cava wall
abscesses must have another way of infection. They give a hypothesis about the
aetiology.

Often there were no symptoms of liver-stasis, though the vena cava posterior was
completely obstructed; this phenomenon was discussed in connection with the clinical
diagnosis.

RÉSUMÉ.

D\'un nombre de foies de boeufs de boucherie, dans lesquelles se trouvaient des abcès,
fut controle, excepté le nombre, la localisation et d\'autres propriétés, quels micro-
organismes se trouvaient dans le contenu des abcès.

Aussi ce fut effectué avec les procès emboliquc-nécrotisants, qui se trouvaient dans les
poumons de ces bovidés.

11 résultait des cultures que Sphaerophorus necrophorus était l\'agent principal.
La méthode, qui est prescrite législauvement, selon laquelle l\'examen bactériolo-
gique de viande doit être exécutée, produira chez les bactériaemies des micro-
organismes susdites toujours un résultat négatif.

Aussi à cause de recherche de littérature les auteurs croient que les entérites causent
les multiples abcès de foie, mais que l\'abcès du paroi de la vena cava peut avoir
une autre cause. Du moment aetiologique ils donnent une hypothèse.
La manque de symptômes d\'hyperaemie veneuse chronique dans la foie dans assez
cas ou la lumen vena cava posterieure fut barrée complètement, donnait lieu d\'attirer
l\'attention sur ceci en raison du diagnostic clinical.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wurden von Schlachtrindern stammende Lebern mit Abszessen bakteriologisch
untersucht, wobei auch auf die Abszesszahl, die Lokalisation und andere Eigen-
schaften geachtet wurde. Auch die in den Lungen dieser Rinder vorkommenden eni-
bolisch-nekrotisierenden Prozesse wurden auf diese Weise untersucht.
Bei der Untersuchung erwies sich
Sphaerophorus necrophorus als der wichtigste
Erreger. Die gesetzlich vorgeschriebene Methode der bakteriologischen Fleisch-
untersuchung ergibt bei
Sphaerophorus-Baktenaemicn immer ein negatives Ergebnis.
.\\uch auf Grund der Literatur sind die Verfasser der Ansicht, dass multiple Lebcr-
abszessc aus Darminfektionen entstehen, jedoch der Vena-cava-Wandabszess einen
anderen Infektionsweg haben muss. Sie stellen eine Hypothese auf über die .Aetio-
logie.

Das Fehlen von Stauungserscheinungen in der Leber bei einer grösseren Zahl der
Fälle mit vollständig verschlossener Vena cava posterior gab .Anlass, hierauf hinzu-
weisen im Zusammenhang mit der klinischen Diagnostik.

LITERATUUR

Hytura, Marek, Manninger und M ó c s y : Spezielle Pathologie und The-
rapie der Haustiere. Jena, (1954).
Koch, F. E.: Einfache Anaerobenzüchtung in Petrischalen.
Zbl. /. Bakt. Abt. 1,
132, 358, (1934).

Nieberle und Gohrs: Lehrbuch der Speziellen Pathologischen .Anatomie der

Haustiere. Jena, (1961).
Wagenaar, G.: Trombose van de vena cava posterior bij het rund.
Tijdschr.

Diergeneesk., 88, 30, (1963).
W e s t e r, J.: Orgaanziekten bij de groote huisdieren. Utrecht, (1935).

-ocr page 17-

Spierdystrofie.

Muscular dystrophy.

door F. VV. J. SWART\')

Van de Stichting C.L.O.-controle, Hoogland.

Inleiding.

De uitdrukking spierdystrofie is een ruim begrip, dat onderscheidene soor-
ten scherp omschreven ziektebeelden omvat.

Spierdystrofie uit zich klinisch in functiestoornis.sen van de spieren, waar-
door eerst een afwijkende gang en later totaal onvermogen om te staan
optreedt. Ofschoon de afwijkingen in de aangetaste spiergroepen, zowel
macroscopisch als microscopisch-histologisch en chemisch bij de onder-
scheidene ziektebeelden overeenkomen, zijn bij de aetiologie verschillende
voedingsfactoren betrokken.

Voor zover thans bekend sjDelen de navolgende nutriënten bij het optreden
van spierclytrofie een rol. Onverzadigde vetzuren, meer speciaal linolzuur,
(ï-toxophcrol (vitamine E), selenium, zwavelhoudende aminozuren en ar-
ginine.

Kuikens.

Bij gebrek aan vitamine E kunnen zich volgens M a c h 1 i n en Gordon
(1962) bij kuikens drie ziektebeelden ontwikkelen, n,l, encefalomalacie,
exsudatieve diatese en sjDierdystrofie, Het al of niet aanwezig zijn van an-
dere voedingscomponenten naast een vitamine E deficiëntie beijaalt echter
welk ziektebeeld zich zal ontwikkelen,

Encefalomalacie ziet men op een rantsoen met een laag vitamine E-gehalte
in combinatie met veel onverzadigde vetzuren in het rantsoen, n,l. minstens
1,5% linolzuur.

Exsudatieve diatese treedt op als een rantsoen met een laag vitamine E-
gehalte minder dan 0,1 p.p.m. selenium bevat.

Spierdystrofie komt \\\'00r bij het verstrekken van een rantsoen met een laag
vitamine E-gehalte dat tevens deficiënt is aan de zwavelhoudende amino-
zuren cystine en methionine.

Als bewijs voor de jiustheid hiervan toonde Sco t t (1962) aan dat ence-
falomalacie bij kuikens op een rantsoen met veel onverzadigde vetzuren
en deficiënt aan vitamine E voorkómen kan worden door toevoeging van
«-tocopherol of andere antioxydantia zoals D.P.P.D. (diphenylphenyleen-
diamine) of ethoxyquin (6 ethoxy 1,2 dihydro 2.2.4. trimethylquinoline).
Selenium en de zwavelhoudende aminozuren bleken geen invloed op het
al of niet optreden van encefalomalacie uit te oefenen.
Nesheim en Scott (1957) toonden aan dat bij kuikens op een vita-
mine E en selenium deficiënt rantsoen exsudatieve diatese te voorkomen
was door toevoeging van 0,1 p.p.m. selenium in de vorm van natrium-
seleniet. Ook door toevoeging van «-tocopherol kon exsudatieve diatese
voorkómen worden, maar andere antioxydantia hadden geen effect.

1) F. W. J. Swart, dierenarts bij de Stichting C.L.O.-controle, Hoogland bij Amers-
foort.

-ocr page 18-

Wat spierdystrofie bij kuikens betreft, toonden Uam en Sonde r gaard
(1952) aan dat op een rantsoen met laag vetgehalte en deficiënt aan vita-
mine E spierdystrofie voorkómen kon worden door toevoeging van 0,01%
a-tocopherol of 0,5% L-cystine.

Machlinen Shalkop (1956) bevestigden dit onderzoek en toonden
bovendien aan dat zowel L-cystine als D- en DL-methionine effectief
waren ter voorkoming van spierdystrofie bij kuikens.

Onderzoekingen van Neshei m, Calvert en Scott (1960) en van
Scotten Calvert (1962) toonden aan dat op een dieet, dat deficiënt
was aan vitamine E en zwavelhoudende aminozuren, geen spierdystrofie
optrad, wanneer dit rantsoen eveneens deficiënt was aan arginine. Speciaal
het effect van D- en DL-methionine op het optreden van spierdystrofie
werd door arginine toevoeging verminderd. Zwavelhoudende aminozuren
hebben, voor zover bekend, alleen invloed op het optreden van spier-
dystrofie bij kuikens.

Lammeren.

Er win et al. (1962) zagen dat bij lannneren die opgefokt werden met
kunstmelk die deficiënt was aan vitamine E en zwavelhoudende amino-
zuren, spierdystrofie niet voorkomen kon worden door toevoeging van
methionine hydroxy-analoog, terwijl het optreden van spierdystrofie bij
kuikens hierdoor wel sterk verminderde.

Met toevoeging van 1,4 p.p.m. selenium werd het optreden van spier-
dystrofie bij de lammeren slechts uitgesteld, terwijl het met 0,1% ethoxy-
cjuin geheel voorkómen kon worden.

Varkens.

In Zweden komt volgens Th af vel in (1960) bij varkens veel spier-
dystrofie voor, ondanks het feit dat in rantsoenen in de praktijk geen lever-
traan meer wordt verwerkt.

Karsten (1931) bericht ook over acute hartdood bij varkens in Duits-
land als gevolg van hartspierdegeneratie. Ook in Nederland ziet men bij
varkens acute hartdood bij de z.g. moerbeihartziekte, hetgeen met hart-
spierdegeneratie gepaard gaat.

Thafvelin (1960) veronderstelt hier dat ranzige vetten uit granen
verantwoordelijk zijn voor het optreden van skelet- en hartspierdegeneratie
bij varkens. Met rantsoenen waarin ranzig graanvet voorkwam kon spier-
degeneratie worden oysgewekt, terwijl op rantsoenen waarbij het graanvet
niet ranzig of gestabiliseerd was de dieren gezond bleven. Vooral in ge-
malen toestand verliest graan het vermogen het graanvet tegen ranzig
worden te beschermen en zo treedt bij gemalen graan gemakkelijk ran-
zigheid op. Vooral in jaren met veel regen en weinig zon bevatten de
binnenlandse granen vetten die gemakkelijk ranzig worden, waardoor
eerder spierdegeneratie bij varkens kan optreden.

Orstadius (1961) kon met rantsoenen met een hoog percentage on-
verzadigde vetzuren en deficiënt aan vitamine E bij varkens spierdystrofie
veroorzaken. Dc verhouding tussen het gehalte aan onverzadigde vetzuren
en het a-tocopherolgehalte in het rantsoen was de beslissende factor voor
het al of niet optreden van spierdystrofie. Volgens oncterzoekingen van
Grant (1961) bleek dat bij varkens moerbeihartziekte kon worden op-

-ocr page 19-

gewekt op rantsoenen met 5% levertraan en 5% reuzel. Zowel met a-toco-
pherol als met seleniumtoevoeging, aan genoemde rantsoenen, kon door
Or stad lus (1961) spierdystrofie en door Grant (1961) moerbei-
hartziekte bij de varkens voorkomen worden.

Paarden.

Bij paralytische hemoglobinurie bij paarden vertonen de aangetaste spier-
groepen hetzelfde histologisch beeld als bij de spierdystrofie van andere
diersoorten. Mogelijk speelt het vitamine E in de aetiologie van para-
lytische hemoglobinurie ook een rol, daar volgens de proeven van B 1 a x-
ter (1953) bij runderen het vitamine E-gehalte van het bloedserum sterk
daalt door het verstrekken van voederbieten.

Konijnen en ratten.

Ook bij konijnen kan spierdystrofie gemakkelijk opgewekt worden door
een rantsoen te verstrekken dat deficiënt is aan vitamine E.
Bij ratten ontwikkelt zich binnen een maand op een torula gistdieet, dat
deficiënt is aan vitamine E, ernstige levernecrose.

Deze levernecrose is te voorkomen door toediening van tarwekiemen,
waarbij «-tocopherol het actieve element blijkt te zijn. Schwartz
(1960) kon levernecrose ook voorkómen door een kleine hoeveelheid bier-
gist aan het rantsoen toe te voegen. De z.g. factor 3 die in biergist voor-
komt bleek selenium te bevatten. Daarna kon men ook met bepaalde or-
ganische en anorganische seleniumverbindingen levernecrose bij ratten
voorkómen.

Welke rol speelt selenium?

Het verband tussen seleniinn en vitamine E bij levernecrose bij ratten en
exsudatieve diatese bij kuikens, maakte de veronderstelling verantwoord dat
seleniinn ook een rol zou spelen bij spierdytrofie van lammeren, kalveren
en varkens.

Volgens Muth et al. (1961) blijkt selenium deficiëntie de voornaamste
oorzaak te zijn van enzoötisch optredende spierdystrofie bij lanuneren - -
„stiff lamb disease" — en bij kaKeren. Deze ziekte, die gepaard gaat met
sjjierdystrofie en hartspierdegeneratie, komt enzoötisch voor in het N.W.
van de Verenigde Staten, Nieuw-Zeeland, Schotland, Zweden en Finland.
Selenium is altijd bekend geweest om de giftige eigenschappen. Het gewas
van gronden met seleniumovermaat — zoals in vulkanische gebieden\'voor-
komt — kan soms wel 800 p.p.m. selenium bevatten. Door opname hiervan
kan bij de dieren een actite of chronische seleniumintoxicatie optreden.
Acute selenium-intoxicatie gaat gepaard met diarree en tympanie, waarna
via een comateuze toestand de dood snel optreedt.

Bij de chronische vorm kan men een subchronische vorm, de z.g. „blind
sUggers", onderscheiden, waarbij de dieren atactisch worden en een pe-
riode van paralyse de dood voorafgaat. Het chronische beeld van selenium-
vergiftiging „de alkali disease" gaat gepaard met vermagering, stijfheid
van de gewrichten, haarverlies aan staart en manen, hoornscheuren en
hoefdeformiteiten.

-ocr page 20-

De toxiciteit van selenium is afhankelijk van de oplosbaarheid van de che-
mische verbinding waarin het aanwezig is. Met natriumscleniet zullen
zich daarom meestal acute vergiftigingsverschijnselen voordoen. Door op-
name van bariumseleniet of van organisch aan eiwit gebonden selenimn,
zoals in planten op gronden met een hoog seleniumgehalte voorkomt, ont-
wikkelt zich eerder het chronische beeld. De dosis voor een chronische
seleniumintoxicatie is 1-4 p.p.m.

Selenium blijkt echter ook een noodzakelijk sporenelement in de voeding
te zijn. Spierdystrofie van lammeren en kalveren, slechte groei bij lamme-
ren en onvruchtbaarheid bij ooien kan door minimale toediening van sele-
nium voorkómen of verbeterd worden. Met 1/100 deel van de dosis voor
een chronische seleniumintoxicatie ziet men reeds een gunstig effect bij
enzoötische spierdystrofie. Bij levernecrose bij ratten is selenium .500 maal
zo actief als vitamine E.

Muth et al. (1958) zagen dat met 0,1 p.p.m. selenium in het rantsoen
van de drachtige ooien spierdystrofie bij de lammeren - - „stiff lamb di-
sease" — voorkómen worden, terwijl 100 mg a-tocopherol on\\\'oldoende
effect had. Een enkele dosis van 5 mg selenium aan drachtige ooien ver-
hoogde het aantal levend geboren lanmieren en voorkwam spierdystrofie
zowel bij de geboorte als daarna, terwijl het verstrekken van 300 mg
«-tocopherol geen effect sorteerde. Ook sterfte en slechte groei van lam-
meren zonder aanwijsbare oorzaak kon met een eenmalige dosis van 1 mg
selenium aanmerkelijk verbeterd worden.

Drake et al. (\'i960), Blaxter et al. (1961), B lax ter en
M c C
O 1 1 u m (1960) en S h a r m a n et al. (1959) vergeleken de profy-
lactische waarde van selenium bij enzoötische spierdystrofie van kalveren
in N.-Schotland met die \\\'an «-tocopherol. Hierbij bleek dat de preventieve
werking van selenium, eens in de drie weken per os of subcutaan toege-
diend als natriumselcnict, gelijk te zijn aan die van een vrij grote dagelijkse
dosis «-toco]5hcrol. In Finland komt volgens Kaler vo Hyppola
(1962) veel enzoötische spierdystrofie bij kalveren voor. Waarschijnlijk is
dit cen gevolg van secundair scleniumgebrek door het toenemend gebruik
\\an sulfaathoudende meststoffen, waardoor het in de bodem aanwezige
selenium door het sulfaat wordt verdrongen en niet voor het gewas ter
beschikking komt (Muth, 1961). Door het verstrekken van een minc-
raalmengsel waarmee per dier per dag 0.1 mg selenium en 3 mg «-toco-
]3herol werd toegediend kon deze spierdystrofie voorkómen worden.
.Ms algemene conclusie kan men wel zeggen dat enzoötische spierdystrofie
bij lammeren en kalveren voorkómen kan worden door toediening van
kleine hoeveelheden selenium, terwijl vooral bij kalveren grote doses
«-tocopherol ook effectief blijken te zijn.

Spierdystrofie bij kalveren.

Experimenteel kan spierdystrofie bij kalveren en lammeren opgewekt
worden door naast ondermelk levertraan, reuzel, maisolie of lijnolie te ver-
strekken, terwijl het ziektebeeld door het gelijktijdig toedienen van aan-
zienlijke hoeveelheden «-tocopherol voorkómen kan worden. Blaxter
et al. (1953) toonden aan dat de onverzadigde vetzuurfractie uit levertraan
verantwoordelijk was voor het optreden van het ziektebeeld, waarmee be-
wezen werd dat vitamine A en D hier geen rol bij spelen. Bij afwezigheid

-ocr page 21-

van onverzadigde vetzuren in een vitamine E-deficiënt dieet duurt het
gerumie tijd voordat spierdystrofie optreedt.

Orstadius (1961) kon bij varkens op een rantsoen van ranzig graan
spierdystrofie zowel met 50 mg a-tocopherol als met 0,2 mg natrimnseleniet
per kg graan voorkómen. Maplesden en Loosli (1961) zagen dat
niet 1 mg selenmm spierdytrofie bij kalveren op een dieet met levertraan
niet voorkomen kon worden, terwijl toevoeging van a-tocopherol effectief
bleek te zijn. Ook H o g u e et al. (1959) zagen dat experimenteel opge-
wekte spierdystrofie bij kalveren wèl met a-tocopherol, maar niet met sele-
nium voorkómen kon worden. W e 1 c h. Hoekstra, Pope en
Philips (1960) vonden dat a-tocopherol bij ooien op een levertraan-
dieet spierdystrofie bij de lammeren voorkwam, terwijl seleniumtoevoeging
slechts een gering effect gaf.

Blaxter et al. (1953) toonden aan dat a-tocopherol per os wel maar
subcutaan, door inkapseling, onvolledige preventie gaf. Ook methyleen-
blauw gaf een belangrijke bescherming, terwijl vitamine C geheel onwerk-
zaam t.a.v. spierdystrofie bleek te zijn. Bij experimenten van Blaxter
et al. (1953) bleek ook dat kalveren op eenzelfde standaarddieet een grote
variatie m tijdsverloop, waarna spierdytrofie optrad, te zien gaven De
a-tocopherolreserve waarmee het kalf geboren wordt is bepalend voor dit
tijdsverloop en is afhankelijk van de voeding der moederdieren Dit blijkt
ook uit de seizoensgevoeligheid; kalveren geboren op het einde van de
stalperiode blijken gevoeliger voor het optreden van spierdystrofie te zijn.
In de weide is het a-tocopherolgehalte van colostrum en melk aanmerkelijk
hoger dan op stal, terwijl op stal dit gehalte ook aanmerkelijk hoger is op
een rantsoen van graslandprodukten, dan op een rantsoen van hooi, stro
en hakvruchten, zoals op geiiiengde bedrijven gevoerd wordt. Verder
bestaat er een direct verband tussen a-tocopherolgehalte in het bloed-
serum van de koe en dat in het colostrum; terwijl het serum a-tocopherol-
gehalte bij het kalf in de eerste levensdagen afhankelijk is van dat in het
opgenomen colostrum.

Tussen de koeien onderling bestaan vaak tienvoudige verschillen in seruni-
a-tocopherolgehalteri. Nuchtere kalveren kunnen daardoor onder normale
voedingsomstandighed en belangrijk in o-tocopherolreserve verschillen; in
het voorjaar zullen de reserves gemiddeld duidelijk lager zijn dan in \'het
najaar. H j a r r e en Lilleengren (1936) zagen spierdegeneratie —
„VVeiszes Fleisch" - in Zweden bij kalveren van 6-10 weken, vooral in
het voorjaar, als de voorafgaande zomer kort, koud en nat was geweest.
Het klinisch, pathologisch-anatomisch en histologisch beeld dat zij be-
schrijven en dat door hen experimenteel ook kon worden opgewekt" door
aan kalveren verhitte melk te vertrekken, komt geheel overeen met dat
van kalveren op een rantsoen rijk aan onverzadigde vetzuren en deficiënt
aan vitamine E.

Volgens Blaxter (1952) komt in Engeland ook spierdystrofie voor bij
kalveren die volgens regeringsvoorschrift gevoerd zijn met ondermelk,
waaraan levertraan voor vitamine AD-voorziening is toegevoegd. Experi-
menteel zag Blaxter (1952) ook spierdystrofie bij kalveren optreden
door het toevoegen van 15-18 cm3 levertraan per dier per dag of eenzelfde
hoeveelheid vitamine AD-houdende arachisolie aan een kunstmelkrant-
soen. Met het toedienen van 50 mg a-tocopherol was de spierdystrofie bij
de levertraangroep niet, bij de arachisoliegroep wèl te voorkomen.

-ocr page 22-

De door spierdystrofie aangetaste dieren gingen door de knieën staan, de
achterbenen werden bij het lopen gekruist en haast niet gebogen in de
spronggewrichten, voor- en achterbenen werden dicht bij elkaar geplaatst,
terwijl het hoofd naar beneden werd gestrekt, schouders weken van de
romp, spiertremor aan voor- en achterhand, veel liggen en tenslotte totaal
onvermogen om te staan. De afwijkingen in stand en gang zijn afhankelijk
van de aantasting van bepaalde spiergroepen. Bij dystrofie van M. trape-
zius en M. rhomboideus ziet men de losse schouders, door de knieën staan
door aantasting van de humerusgroep en de M. radialis dorsalis. Door
aantasting van het middenrif en intercostaalspieren wordt de ademhaling
frequent met abdominaal type, de dieren drinken langzaam en hoesten vaak
na het drinken, het baarkleed wordt ruig en vaak ziet men slijmig etterige
neusuitvloeiing. Langzaam drinken en hoesten na het drinken is het gevolg
van aantasting van tong- en keelspieren; vaak krijgen de dieren als gevolg
van verslikken met drinken een aspiratie pneumonie.

Bij sectie ziet men macroscopisch grauwwitte verkleuring van bepaalde
spiergedeelten, het beeld dat door Hjärre en Lilleeng ren (1936)
werd bestempeld met „visvlees" of „kippevlees". Deze veranderde spier-
gedeelten zijn vaak bilateraal symmetrisch aanwezig. De aangetaste spier is
vochtiger en de spiervezelen hebben hun samenhang min of meer verloren.
Histologisch ziet men het beeld van hyaline schollige degeneratie met
plaatselijke infiltratie van leucocyten, de spierfibrillen zijn gezwollen,
sarcolemniakernen zijn vaak gezwollen en geprolifereerd. Dit afwijkende
histologische beeld correleert met een afwijkende chemische samenstelling
van de aangetaste spiergedeelten (Blaxter Wood, 1952). Men vindt
een lager droge stof-, myoglobine-, creatine- en eiwitgehalte. Ook de pH
en het kaliumgehalte zijn verlaagd, terwijl het as-, natrium- en vetgehalte
verhoogd zijn. Kalveren met spierdystrofie hebben een verhoogd basaal-
nietabolisme, terwijl de verhouding tussen creatine en creatinine in de
urine wijder is dan normaal, door een verhoogde creatine en verlaagde
creatinine uitscheiding. Bij normale mestkalveren bleek deze verhouding
gemiddeld 1/3 te zijn, ook Blaxter (1952) vond een verhouding van
1/2 tot 1/3. Bij spierdystrofie wordt de verhouding creatine/creatinine gro-
ter dan één, maar in de vèr voortgeschreden gevallen daalt de creatine
uitscheiding weer.

.M deze bevindingen doen vermoeden dat de vorming van hoogenergetische
fosfaatverbindingen, die een rol spelen bij de energie-overdracht in dc
spier, stagneert als gevolg van het niet meer goed gezamerdijk verlopen
van fosforilering en ademhaling. Mogelijk is dit het gevolg van de peroxy-
datie van de onverzadigde vetzuren in de weefsels. Deze peroxydatie wordt
v oorkómen wanneer -- - in verhouding tot het gehalte aan onverzadigde vet-
zuren — voldoende «-tocopherol in het rantsoen aanwezig is.

Spierdystrofie bij mestkalveren in ons land.

Onder praktijkomstandigheden komt zowel in Nederland als in Engeland
spierdystrofie voor bij kalveren op kunstmelkrantsoenen, waar dierlijke
vetten of plantaardige oliën de plaats van het melkvet hebben ingenomen.
Zonder bedacht te zijn op spierdystrofie wordt vaak door de frequente
ademhaling en de neusuitvloeiing de diagnose pneumonie gesteld, .A.fwij-
kingen in gang en stand acht men vaak inherent met mestkaheren, ter-

-ocr page 23-

wijl langzaam drinken als een eigenschap van een bepaald kalf wordt be-
schouwd.

Ons advies werd gevraagd inzake een aandoening bij mestkalveren, waar-
bij de dieren na enige tijd liggerig te zijn geweest niet meer overeind kon-
den komen. De ervaring was dat dergelijke kalveren enige tijd hierna
stierven. Op het betreffende bedrijf waren kalveren aanwezig die duidelijk
door de knieën stonden (foto 1), met losse schouders, tremor van schou-
der en dijs]3ieren, voor cn achter overkoot, terwijl ze een frequente abdo-
minale ademhaling te zien gaven. Een geslacht kalf vertoonde duidelijke
dystrofie van het middenrif en de schouderspieren.

Van een macroscopisch normaal en een dystrofisch deel van het middenrif
werd door het Patholoog-.\\natomisch Instituut te Utrecht door Prof.
V a n d e n k k e r een paraffine coupe gemaakt die volgens van Gieson
werd gekletud. Het preparaat van het dystrofische spierweefsel (foto 2)

-ocr page 24-

vertoonde een duidelijk beeld van een hyaline schollige degeneratie, de
spierfibrillen waren gezwollen, terwijl [jlaatselijk een infiltratie van leuco-
cyten en kalkafzetting aanwezig waren. Het macroscopisch normale deel van
het middenrif (foto 3) gaf een zeer normaal histologisch beeld te zien.

Door Drs. V a n G r i m b e r g e n werd het creatinegehalte in de M. biceps-
femoris bepaald waarbij een waarde van 130 mg per 100 g spierweefsel
werd gevonden, terwijl volgens Blaxter (1952) 350-400 mg gemiddeld
als normaal mag worden beschouwd. In het gedystrofieerde spierweefsel
\\an een later geslacht kalf werd voor de M. gluteus 100 mg creatine ge-
vonden, terwijl Blaxter (1952) gemiddeld \\oor dystrofisch spierweefsel
250 mg vond. Ren kalf, dat niet meer overeind kon komen en slecht en

o< TOC

30DEC.

15 DEC.

90P

-ocr page 25-

langzaam dronk, werd aangekocht, teneinde het ziektebeeld na te gaan en
te trachten dit kalf door het extra verstrekken van «-tocopherol te ge-
nezen.

Volgens Gallagher (1962) kan door toediening van «-tocopherol spier-
dystrofie bij kalveren \\\'errassend snel genezen. Dit kalf vertoonde een ruig
baarkleed, had een frecjuente abdominale ademhaling van 58, een regel-
matige pols van 92, het had een temperatuur van 38,8° C, slijmig etterige
neusuitvloeiing, het hoestte \\-ooral na het drinken, kunstmelk werd lang-
zaam en onregehnatig gedronken, de urine was eiwit-positief, de creatine/
creatinine-verhouding was gemiddeld 1/6. Volgens Blaxter en W o o d
(1952) ziet men in vergevorderde ge\\allen verlaagd creatine en positief
eiwit in de urine.

Na vier dagen obser\\-atie werd 500 mg «-tocopherol („Eviabit" Bayer) o])
melk ingegeven en daarna gedurende tien dagen 200 mg per dag. Enkele
dagen na de «-tocophcroltoediening daalde adem- en polsfrequentie (zie

-ocr page 26-

grafiek) en kwam het kalf achter met enige moeite overeind. Na een week
stond het dier ook vóór met een sterk bokbenige stand en losse schouders,
daarna stond het nog met één been door de knie (foto 4) en na twee
dagen was de stand geheel normaal (foto 5). Ook begon het dier beter
en vlugger te drinken, hoesten en neusuitvloeiing verminderden en waren
drie weken na de behandeling niet meer aanwezig. De verhouding creatine.
creatinine in de urine steeg tot gemiddeld 2/5, als gevolg van meerdere
spieractiviteit.

Bij slachting bleek het spierweefsel van middenrif en schouders normaal
van kleur en consistentie te zijn, het intermusculaire bindweefsel was iets
oedemateus, het creatinegehalte van het middenrif en M. pectoralis pro-
fundus was 390 en 530 mg per 100 g spierweefsel, de organen vertoonden
geen afwijkingen. Het gewicht van het kalf was bij slachting op 14 januari
7 kg lager dan bij aankomst op 15 december, waarschijnlijk als .gevolg van
de verminderde vochtretentie.

Ook bij ongecontroleerde toediening van vitamine .A. en E in de praktijk
zag men genezing van kalveren met spierdystrofie in vergevorderd stadium.
Dat spierdystrofie niet bij alle aanwezige kalveren voorkomt is het gevolg
van de zeer verschillende oi-tocopherolgehalten in het bloedserum van de
kalveren bij de geboorte (Blaxter, 1953). Dit is weer afhankelijk van
de voeding van het moederdier. Bij graslandprodukten verkrijgt men een
hoog gehalte, op gemengde bedrijven, waar ook hakvruchten en stro ge-
voerd worden, lagere gehalten. In verband hiermee zal spierdystrofie het
meest in de zomer voorkomen bij kalveren die op het eind van de stal-
periode zijn geboren.

Waarschijnlijk lag het gehalte aan onverzadigde vetzuren in sommige
kunstmelkfaiarikaten te hoog in verhouding tot de aanwezige hoeveelheid
vitamine E en antioxydantia. Het is niet waarschijnlijk te achten dat
selcniumgebrek bij het optreden van spierdystrofie bij mestkalvereti een rol
speelt. Bij het voorkomen van primair selcniumgebrek zou men dan ook
bij fokkalveren spierdystrofie moeten zien. Ook de mogelijkheid van se-
cundair seleniiungebrek kan uitgesloten worden, daar op bedrijven waar
de ziekte voorkwatn het sulfaat- en ijzergehalte van het water, waarmee
het kunstmelkpocder werd aangemaakt, meestal nihil of laag was en geen
verschil vertoonde met dat o]) bedrijven waar s[)ierdystrofie bij mestkalve-
ren onbekend was.

Gezien de proeven van M a p 1 e s d e n en L o o s 1 i (1962) en W e 1 c h
et al. (1960) zal seleniumtoevoeging bij spierdystrofie als gevolg van laag
vitamine E en een hoog gehalte aan onverzadigde vetzuren weinig of geen
effect sorteren. Bovendien is het toevoegen van selenium — gezien de grote
toxiciteit — een zaak waar men zeer voorzichtig mee zal moeten zijn.
Volgens Sharman (1960) is de laagste toxische dosis bij lang voort-
gezette toediening van selenium 1-4 p.p.m. Daar de effectieve profylac-
lische dosis ongeveer 0,1 p.p.m. bedraagt, zal het gevaar voor intoxicaüe
bij constante opname in het rantsoen of in een mineralenmengsel niet
denkbeeldig zijn. Ook wordt selenium in bepaalde organen, b.v. lever en
nieren opgehoopt, waarom Orstadius (1961) ook aanraadt de toe-
diening van selenium, met het oog op gevaar voor de consument van het
vlees, een week vóór het slachten te staken.

Om spierdystrofie bij het mesten van kalveren met kunstmatige kalvermelk
818

-ocr page 27-

tc voorkomen zal men in de eerste plaats nioeteji zorgen dat het gehalte
aan onverzadigde vetzuren in het gebruikte vet zo laag mogelijk ligt. De
keuze \\an de te gebruiken vetten is daarom een belangrijke factor. Toe-
voeging van a-tocopherol heeft steeds een gunstig effect, waarbij men moet
bedenken dat de toegevoegde hoeveelheid afhankelijk gesteld moet worden
van het gehalte aan onverzadigde vetzuren. Het stabiliseren van het vet
door een antioxydant zal echter, gezien de vrij hoge prijs van a-tocopherol,
waarschijnlijk noodzakelijk blijken te zijn.

Bij vergelijking van het effect van verschillende antioxydantia met de wer-
king van a-tocopherol, zag K r i s h n a m u r t h y (1962) goede resultaten
met ethoxyquin en D.P.P.D. Vergelijkende proeven met kunstmelkprepa-
raten zullen uit moeten wijzen door welke toevoeging spierdystrofie bij
mestkalveren zo effectief en goedkoop mogelijk en zonder risico voor de
consument van het kalfsvlees, voorkomen kan worden.

S.A.MENVATTING.

In Nederland komt bij kalveren, die gemest vi\'orden met kunstmatige kalvermelk,
spierdystrofie voor.

Deze kunstmatige kalvermelk bestaat uit magere melkpoeder waaraan dierlijke en
plantaardige vetten, mineralen, sporenelementen, vitaminen en vaak verstijfseld graan-
meel zijn toegevoegd.

Behalve afwijkingen in gang en stand — met soms totaal onvermogen om te staan
— ziet men door aantasting van middenrif- en intercostaalspieren een frequente
ademhaling met abdominaal type.

Macrocopisch ziet men vaak bilaterale grijswitte verkleuring van de aangetaste spier-
gedeelten.

Histologisch vertoont het dystrofische spierweefsel het beeld van hyaline schollige
degeneratie.

Chemisch blijkt het crcatinegchalte van het dystrofische weefsel tot ongeveer "■/.■! van
de normale waarde verlaagd te zijn.

Een door spierdystrofie aangetast kalf genas verrassend snel door toediening van
a-tocopherol per os.

SUMM.\\RY.

Muscular dystrophy in calves is seen m Holland on rations of artificial milk only
This artificial milk consists of skitnmcd milkpowder, animal and vegetable fat, mine-
rals, trace elements, vitamins and precooked cereal flour.

Except abnormal gait and sometimes total recumbance, accelerated respiration with
abdominal type is often seen.

Macroscopically a bilateral grey white discolouring of the effected muscles is seen.
Histologically the dystrophic parts show a hyaline degeneration.

The creatine content of the dystrophic tissue was about one third of the normal value.
A calf with muscular dystrophy was effectively cured by a-tocopherol administered
orally.

RÉSUMÉ.

En Hollande on trouve une dystrophic des muscles dans les veaux engraisses avec
du lait artificiel.

Ce lait artificiel se compose de poudre de lait maigre à laquelle des graisses animales
et végétables, des minereaux, des elements sporadiques, des vitamines et souvent, de
la farine de blé amidonée y sont ajoutés.

-ocr page 28-

Outre des anomalies d\'allure et d\'attitude, qui peuvent aller jusqu\'à la complète im-
possibilité de se tenir debout, on voit une respiration fréquente de type abdominal,
parce que le diaphragme et les muscles intercostales sont atteints de dystrophic.
A l\'oeil nu on voit une décolorisation d\'un blanc grisâtre, souvent bilatérale, des par-
ties atteintes des muscles.

Au point de vue histologiques les tissus musculaires dystrophyques présentent une
dégéneration hyaline.

Au point de vue chimique la teneur en créatine des tissus dystrophiques se trouve ré-
duite à environ le tiers de la valeur normale.

Un veau atteint dc dystrophic des muscles guérissait rapidement après l\'administra-
tion de «-tocopherol par voie buccale.

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei Kälbern die mit Kunstmilch gemästet vv-erden, sieht man in Holland Muskel-
dystrophie.

Kunstmilch für Mastkälber besteht aus Magermilchpulver, tierlichcm und plantz-
lichem Fett, Mineralen, Spurenelementen, Vitaminen und oft erschlossenem Getreide-
mehl. Ausser Abweichungen in Gang und Stand und manchmal absolutes Unver-
mögen um zu stehen, sieht man durch Befall von Zwerchfell und intercostal Mus-
keln eine verschnellte Atmung mit abdominalem Typus. Macroscopisch sieht man oft
eine bilaterale grau weisse Verfärbung der befallenen Muskeltcile.
Histologisch zeigt das dystrophische Muskelgewebe das Bild einer hyalinen schol-
ligen Degeneration auf. Chemisch ergibt sich, dass der Kreatin-Gehalt des dystro-
phischen Gewebes bis etwa ein drittel des normalen Wertes abgenommen hat.
Ein mit Muskeldystrophie befallenes Kalb wurde mit a-tocopherol per os über-
raschend schnell geheilt.

LITERATUUR

Blaxter, K. L., Brown, F., M a c D o n a 1 d, A. M.: The toxocity of the un-
saturated acids of cod-liver oil.
Brit. J. Nutr. ]., 287, (1953a).

Blaxter, K. L., Brown, F., M a c D o n a 1 d, A. M.: Factors affecting the
tocopherol reserves, muscle composition and muscle histology of 4-day-old calves.
Brit. J. Nutr. ]., 105, (1953b).

Blaxter, K. L., Brown, F., Wood, W. A., M a c D o n a 1 d, A. M.; Some
effects of natural and synthetic anti-oxydants on the incidence of muscular dys-
trophy induced by cod-liver oil.
Brit. J. of Nutr. ]., 337, (1953).

Blaxter, K. L., M a c C a 1 1 u m, E. S. R., Wilson, R. S., S h a r m a n, G.
A. M. and Donald, L. G.: Prevention of enzootic muscular dystrophy by sele-
niumadministration.
Proc. Nutr. Soc., 20-vi, (1961).

Blaxter, K. L., Watts, P. S., Wood, W. A.; Muscular dystrophy in the
growing calf.
Brit. J. Nutr., 6, 125, (1952).

Blaxter, K. L,, Wood, W. A.: Composition of the tissues of normal and dys-
trophic calves.
Brit. J. Nutr., 6, 144, (1952).

Dam, H. S., S o n d e r g a a r d, E.: Muscular degeneration in chicks reared on
vitamin E deficient low fat diets.
Acta Path, et Microbiol. Scand., 31, 172, (1952).

Drake, A. B., Grant, W. J., Hartley: The effect of a-tocopherol and sele-
nium in the control of field out breaks of white muscle disease in lambs.
N.Z.
Vet. ].,
8, (1960).

E r w i n, E. S., Sterner, W. S., Gordon, R. S., M a c h 1 i n, L. J., Tureen,
L. L.: Etiology of muscular dystrophy in the lamb and chick.
]. of Nutr., 75, 45,
(1961).

Grant C. A.: Dietetic microangiopathy in pigs (Mulberry heart). Acta Vet. Scand.
suppl. 3, vol.
2.

-ocr page 29-

Hjärrc U. K., Lillcengren: Wachsartige Muskeldcgcneration im Anschluss
an C. Avitammosc bei Kälbern.
Virchows Arch. Path. Anat. Phys., 297, 565,

(1jOO).

Hog u e, D. E., P r O c t O r, J. F., M a p 1 e s d e n, D. C.: The relationship between
selenium, muscular dystrophy and other factors in animal nutrition.
Proc Cor-
nell. Nutr. Conf., 96, (1959).

K a 1 e r V o H y p p O 1 a: Selenium and Vitamin E effective in preventing and curing
calf muscular dystrophy.
Feedstuffs, 34, 4, (1962).

vielordiche Her^muskelentartung bei Schweinen. Dtsch tier-
ärztl. Wschr., 338, (1931).

Krishnamurthy, S., Bieri, J. G.: Dietary antioxydants as related to vitamin
E function. /.
Nutr., 77, 245, (1962).

Ma Chi in, L. J., Gordon, R. S.: Etiology of exudative diathesis, encephalo-
malacia and muscular degeneration in the chicken.
Poultry Sci 41 473 (1962)

Machlin, L. J., S h a 1 k o p, W. T.: Muscular degeneration in\'chickens\'fed diets
low in vitamin E and sulfur, ƒ.
Nutr., 60, 87, (1956).

Maple sd en, D. C., L o o s 1 i, J. K.: Addition of selenium and «-tocopherol to
a basal dystrophogcmc diet, containing cod-liver oil.
]. Dairy Sci., 43, 645, (1961)

Muth, O. H. et al.: Effect of selenium and vitamin E on white muscle disease
Science, 1090, (1958).

Muth, O. H Schubert, J. K., Olfield, J. E.: White muscle disease in
lambs and calves. VH publication Etiolo.gy and prophylaxis.
Am J Vet Res 22
466, (1961). \' " \'

N e s h e i m, M. C., C a 1 V e r t, C. C., S c o t t, M. L.: Effects of arginine deficiency
on nutritional muscular dystrophy in the chick.
Proc. Soc. Exp. biol. Med., 104,
483J (19Ö0),

Neshe im, M. C., Scott, M. L.: Nutritive activities of selenium for chicks and
poults.
Proc. Cornell Nutr. Conf., 48, (1954).

Orstadius Kerstin: Nutritional\'Muscular distrophy in pigs. Thesis Stock-
holm, 1961.

S ch wars, K.: Factor 3, Selenium and \\\'itaniin E. Nutr. Reviews, 18, 193, (1960)

Scott, M. L.: Anti-oxydants, selenium and sulphur amino acids in the vitamin E
nutrition of chicks.
Nutr. Abstr. and Rev., 32, 1, (1962).

Scott, M. L., Calvert, C. C.: Evidence o\'f a specific effect of cystine in the
prevention of nutritional muscular dystrophy in vitamin E- deficient chicks /
Nutr., 77, 105, (1962). \' \'\'

S h a rm a n, G. A. M.: Selenium in animal health. Proc. Nutr. Soc., 19, 169, (1960).

I h a f v e 1 i n, B.: Role of cereal fat in the production of nutritional d\'isease in pigs
Nature, 188, 1169, (1960).

Welch, J. G., Hoekstra, W. G., Pope, A. L., Philips, P. H.: Effects of
lecding fish liver oil, vitamin E and selenium to ewes upon the occurrence of mus-
cular dystrophy in their lambs.
J. Anim. Sci., 19, 620, (I960).

Misbruik van liornKXjnpreparaten.

„De hormoonpreparaten zijn veel te vrij toegepast bij een groot aantal gevallen van
onvruchtbaarheid met verschillende oorzaken op een zuiver empirisch of „hagcl-
schot basis, zonder een juist begrip van de symptomen, zonder goede kennis over
de individuele dosering, zonder betrouwbare controles om de resultaten te bepalen
en zonder adequate herkenning van de altijd aanwezige factor van spontane genzing."

G r e e n s t e i n, J. S.: Experimental Induction of cystic corpora lutea
m dairy cattle.
Int. J. Fertil., 6, 79, (1961).

-ocr page 30-

Een onderzoek in de praktijk naar het voorkomen
van Aleutian Disease bij nertsen met
behulp van
de Iodine Agglutination Test.

A field study about the occurrence of Aleutian Disease
in mink (Iodine Agglutination Test)

door J. P. W. M. AKKERMANS1)

Uit de Laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, Afdeling Rotterdam.

Bij nertsen komen verschillende pelskleuren voor. Zo kent men zwarte,
beige, bruine, witte en blauwe nertsvariëteiten. Van de diverse kleuren
bestaan weer verschillende tinten. Al deze tinten vinden hun grondslag in
genetische factoren.

Onder de „blauwen" vormen de dragers van het gen „aleutian" cen be-
langrijke groep. Hiertoe behoren Aleutians, Saffieren, Winterblues, Blue-
Iris e.a. Pelzen van deze dieren verschenen in 1946 voor het eerst op de
Amerikaanse veilingen. De prijzen waren hoog. Men begrijpt dat ook
nertsenhouders uit andere landen deze variëteiten wilden fokken. Meerdere
duizenden exemplaren kwamen in de jaren 1950-1952 naar West-Europa,
Het fokken met deze dieren gaf echter moeilijkheden. Een belangrijk per-
centage van de teven werd niet drachtig. De bronst viel enkele dagen later,
de drachtigheidsduur was iets langer, het worpgemiddelde lager en het
lichaamsgwicht minder dan van de andere variëteiten. Opvallend was
voorts het grote aantal dieren, dat na de speenleeftijd succumbcerdc.
Rekent men bij de overige nertsen normaliter na 1 juli (speendatum) op
een verliespercentage van 2 a 3 van het totale aantal aanwezige exem-
plaren, bij de dieren die homozygoot voor het gen „aleutian" zijn bedraagt
dit als regel 10-30 en een enkele maal 30-50, Belangrijk was de waarneming,
dat door het geven van lever in het voedsel (dagelijks 5-10%) de ver-
liezen aanmerkelijk minder werden.

Het ziektebeeld, waaraan deze nertsen sterven is als regel gekenmerkt door
vermagering, bleke slijmvliezen, bleke voetzoolhuid, een verminderde voed-
selojsname, veel drinken, een donkere teerachtige ontlasting en bloedingen
uit de bek. De dood volgt na een kortere of langere ]5eriode van ziek zijn
(1 dag-3 maanden).

Opvallend is, dat vaak sterfte optreedt na plotseling invalleride kou (sep-
tembcr-oktober), na grote inspanning (reuen tijdens de paartijd; teven kort
na het werpen) en bij
milieu-veranderingen (verkoop, verhuizing).
Volgens Hartsough en Gorham (1956) en Helmboldt en
Jungherr (1958) ziet men bij sectie een opvallend bleek kadaver met
milthyperplasie, gezwollen nieren met talloze witte haardjes en petechiën
in het schorsgedeelte, een vergrote bleke lever en een enkele maal hyper-
plasie van alle lymfklieren.

Bij histologisch onderzoek is opvallend het voorkomen van veel mega-
karyocyten en erytropoëtische haardjes in de milt, folliculaire plasmacel-
infiltraten en galganghypertrofie in de lever, folliculaire lymfocytaire en

1  Dr, J. P. W, M, Akkermans, Wetenschappelijk Hoofdambtenaar van het Centraal
Diergeneeskundig Instituut, Afdeling Rotterdam, postbus 6007, Rotterdam-7.

-ocr page 31-

plasmacelinfiltraten in de nierschors, alsmede van degeneratieve verande-
ringen van de glomeruli en van de tubuli contorti.

[n de Scandinavische landen werd dit ziektebeeld beschreven door Obel
(1959) en M 0 11 e r en H e j e (1961). De ziekte wordt hier beschouwd als
een plasmacelleucaemie.

Ook in Nederland kennen wij een ziekte, die klinisch volkomen gelijkt op
de beschrijvingen van bovengenoemde onderzoekers. Ook de sectie en de
histologi.schc veranderingen zijn min of meer identiek. Er zijn echter meer
„ziekten" te noemen, die uitsluitend of vrijwel uitsluitend voorkomen bij de
homozygote dragers van het „aleutian" gen en wel: aviaire tubercuio.se,
infecties met
Spherophorus necrophorus, bloedarmoede, goedaardige en
kwaadaardige gezwellen e.a. (Akkermans, 1961).
Ook ziet men naar verhouding meer chronische nefritiden en verbloedingen
bij deze, dan bij andere variëteiten.

Betreffende de aetiologie van het lijden heeft men lang gemeend, dat dit
hoofdzakelijk op een erfelijke predispositie berustte. Een steun voor deze
veronderstelling was de ervaring, dat het mogelijk bleek door nauwkeurige
selectie het sterftepercentage te doen verminderen. Voor de fokkerij werd
hierbij uitgegaan van dieren afkomstig van families met weinig uitvallers.
Ook is getracht goede stammen te krijgen door hybride kruisingen met an-
dere „blauwe nertsen", die geen drager waren van bovenvenneld predispo-
nerend gen. Door nu de bastaarden onderling te paren hoopte men nertsen
te fokken, die resistenter zouden zijn. In de praktijk werden hoopgevende
resultaten verkregen. Een nadeel was echter, dat een en ander ten koste
ging van de kleur. De aldus geselecteerde dieren waren donkerder en had-
den voor de handel minder waarde.

Onderzoekingen van H e n s o n, L e a d e r en G o r h a m (1962) en van
Traut mann en Helm bol dt (1962) hebben aangetoond, dat het
mogelijk is de ziekte over te brengen op nertsen die niet behoren tot
dragers van het „aleutian" gen, en wel door injectie van door porseleinen
kaarsen gefiltreerde orgaansuspensies van aan Aleutian Disease gestorven
dieren. Aldus geïnfecteerde nert.sen kregen binnen 8 weken verschijn.selen
van deze ziekte. Na injectie van gefiltreerde orgaansuspensies van gezonde
nertsen ontstonden geen afwijkingen bij de ingespoten proefdieren. Men
is thans van mening, dat de ziekte beschouwd moet worden als het gevolg
\\an een virusinfectie waarbij secundaire factoren het klinische verloop
mede bepalen.

Belangrijk hierbij is vennoedelijk het feit, dat dragers van het gen „aleu-
tian" gemakkelijk gaan lijden aan bloedarmoede. In Rotterdam is waar-
genomen, dat klinisch gezonde saffieren een hematocriet-waarde hebben,
gelegen tussen 30-35%, tenvijl deze van Standards, Pastels, Palomino\'s ca\'
50-55% bedraagt.

In 1961 toonden H e n s o n, Leader en Gor ham door middel van
I)apierelektroforese aan, dat bij nertsen, lijdende aan Aleutian Disease, niet
alleen de hoev eelheid totaal eiwit in het bloed was toegenomen, maar tevens
dat er ook een andere ]3rocentucle verhouding bestond tussen de verschil-
lende serumfracties. Het y-globuline gehalte was gestegen van nonnaal
12-14% tot 25-30%. Tevens bleek, dat een dergelijke gewijzigde verhou-
ding reeds 2-6 maanden kon bestaan, voordat een minder goede gezond-
heidstoestand werd opgemerkt.

-ocr page 32-

Belangrijk was, dat H e n s o n c.s. (1962) een test introduceerden om op
een gemakkelijke manier een hypergammaglobulinemie te kunnen vast-
stellen en wel de
lodine Agglutination Test of kortweg de I.A.T.
De resultaten waren zodanig, dat gesproken kon worden van een bijna
\\olmaakt diagnostisch hulpmiddel om nertsen met een hypergamma-
globulinemie te scheiden van dieren, die een normale verhouding van de
eiwitten in het bloed hebben. Het is hierdoor mogelijk subklinisch zieke
van gezonde dieren te scheiden op een in economisch opzicht gunstig tijd-
stip, t.w. e\\en vóór de pelstijd (oktober-november) en vóór de paartijd
(februari).

In Nederland is op beperkte schaal geëxperimenteerd met deze reactie.
De resultaten van het onderzoek kunnen de waarnemingen \\an de Ame-
rikaanse schrijvers volledig ondersteunen. Bovendien bleek meer dan 60%
van de dieren met een positieve I..\\.T. leververanderingen te hebben, die
zodanig waren, dat deze konden worden beschouwd als een „voorstadium"
van .Meutian Disease. Daarentegen bleken 102 nertsen, die in november
1962 geen hypergammaglobulinemie hadden, bij hercontrole 3-6 maanden
later in dit opzicht onveranderd te zijn.

Gezien verschillende publikaties in pelsdierfokkersbladen en het econo-
mische belang, dat de fokkers bij een vroegtijdige waardering van hun fok-
materiaal hebben, lijkt het aannemelijk, dat verschillende dierenartsen in
dit najaar het verzoek zullen ontvangen de l.A.T. op nertsenfarms uit te
voeren. Uit dien hoofde volgt hier een beschrijving van de reactie, als-
mede een opsomming van het benodigde instrumentarium.

Afname van bloed.

Er zijn 3 methoden bekend:

le. amputade, na massage van de staart, van de laatste wervel met behulp van een
scheermes. Eerst dc haren wegknippen, dcsinfcctci-cn met 70% alcohol, 0,5 ml
bloed opvangen, afbinden met hechtzijde (no. 7), desinfecteren met jodium,
wond afdeppen met collodiumacther;
2e. amputade van een nagel met behulp van een nageltang; bloed opzuigen in
Pasteurse pipet;

3e. aanprikken van één der ondcrtongvenen met behulp van een lancet na fixatie van
de bek met een mondspeculum. Bloed opzuigen met een capdlairpipct.

Centrifugeren.

Nertsebloed stolt gemakkelijk. Binnen 15 minuten kan men het serum afdraaien. Is
het bloed opgezogen in een capillairpipet, dan moet men gebruik maken van een
speciaal rondsel waarin de kleine buisjes passen. Voorts voldoet elke centrifugebuis
wanneer men bloed afneemt volgens methode 1.

Verzamelen van het serum.

Voor de reactie heeft men slechts 0,1 ml serum nodig. Heeft men capillairpipetten,
dan moeten deze afgebroken worden vlak bij de overgang celsediment-serum.

Reactie.

Deze wordt uitgevoerd op een zogenaamde aggluUnatietafel (pullorumschommelkast)
bij 37° C. Bij 0,1 ml serum wordt 0,1 ml Lugol\'se oplossing gebracht. Beoordeling
volgt na 1 minuut. Er dient goed gemengd te worden (agglutinatiepen).

-ocr page 33-

sterk positief = klontering gelvorming
positief = duidelijke grove troebeling

dubieus = geringe troebeling

negatief = heldere suspensie

Opgepast moet worden bij de beoordeling van hemolytische sera. Een positieve reactie
is dan niet betrouwbaar; een negatieve daarentegen wel. Snel centrifugeren en het
werken met schoon glaswerk is dan ook een eerste vereiste voor een goede uitvoering
van het onderzoek. Na verzamelen van de bloedmonsters moeten deze dezelfde dag
nog worden verwerkt. De Lugol\'se oplossing is 1 weck bij 4° C houdbaar. De
samenstelHng is: 2 gr Ja; 4 gr KJ; 30 ml aqua dest.

Voor onderzoek van 100 nertsen heeft men met 1 hulpkracht — 6 uur werk
SAMENVATTING.

Er wordt een beschrijving gegeven van de Iodine A.gglutination Test, zoals deze door
Henson, Leader en Gorham (1961) werd geïntroduceerd om nertsen, lij-
dende aan hypergammaglobulinemie, op een gemakkelijke manier te kunnen opsporen.
Aangezien hypergammaglobulinemie steeds voorkomt bij Aleutian Disease heeft men
een goed diagnosticum voor een tijdig onderkennen van de ziekte.
De eerste resultaten van een dergelijk onderzoek, in Nederland uitgevoerd, waren
hoopgevend.

SUMMARY.

It is pointed out that hypergammaglobulinaemia ist mostly found in mink suffering
from Aleutian Disease, even in a subclinical state.

It is our experience, that the iodine a.g.glutination test, as described by Henson,
Leader and Gorham (1961), is very useful to diagnose this condition in the
field. Problemherds should therefore have their animals investigated just before
pelting and/or before the breeding season.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird die „lodine-Agglutinationstest" beschrieben, wie es von Henson, Lea-
der und Gorham (1961) ausgeführt wurde, um Nerze, die an Hypergamnia-
globulinaemie leiden, auf einfache Weise zu erkennen.

Da die Hypcrgammaglobulinacmie immer bei der „Aleutian discase" (Aleuten-
Krankheit) vorkommt, hat man ein gutes Diagnostikum für ein frühzeiti.ges Erkennen
der letztgenannten Krankheit.

Erste Ergebnisse einer solchen, in den Niederlanden ausgeführten Untersuchung,
waren ermuti.gend.

LITERATUUR

Akkermans, J. P. W. M.: Ziekten bij de nerts in Nederland. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
86, 799, (1961).
Hartsough, G. R. and Gorham, G. R.: .Aleutian Disease in mink. Nat Fur

News, 28, 10, (1956).
H e 1 m h o 1 d t, G. F. und Jungherr, E. L.: The pathology of .Aleutian Disease

in mink. Am. J. vet. Res., 19, 212, (1958).
Henson, J. B., Leader, R. W. and Gorham, R. G.: Hypergammaglobuli-
naemia in mink.
Proc. Soc. exp. Biol. Med., 107, 919, (1961).
Henson, J. B., Gorham, G. R. and Leader, R. W.: A field test for Aleutian

Disease. Nat. Fur News, 34, (2), 8, (1962).
M o 11 e r, T., H e j e, N.: Plasmacelle leukaemi hos mink. Medlemsbl. danske Dyr-

laegeforen, 44, 57, (1961).
Obel, A.: Studies on a disease in mink with systemic proliferation of the plasma

cells. Am. J. vet. Res., 20, 384, (1959).
T r a u t w e i n, G. W. and Helmboldt, C. F.: Aleutian disease in mink. Am. ].
vet. Res.,
23, 1280, (1962).

-ocr page 34-

KLINISCHE LESSEN

Een geval van chronische loedvergiftiging bij
kalveren.

Chronic lead intoxication in calves.

door G. WAGENAARi)

Uit de Kliniek voor Inwendige Ziekten der Diergeneeskun-
dige Faculteit te Utrecht.

Inleiding.

De acute loodvergiftiging bij het rund komt in ons land dikwijls voor cn
gevallen van deze acute vergiftiging zijn dan ook herhaalde malen in ons
tijdschrift beschreven.

De typische hersenverschijnselen vormen in de regel voor de dierenarts
zulke duidelijke aanwijzingen, dat hij altijd wel aan een acute loodvergifti-
ging zal denken.

Een chronische loodvergiftiging is echter bij het rund een grote zeldzaam-
heid. Ondanks het feit, dat er in de darm slechts een klein gedeelte van
de opgenomen loodverbindingen wordt opgenomen, verlouen toch de
meeste intoxicaties acuut. Een chronische loodvergiftiging bij lunderen is
zo zeldzaam, dat Allcroft en Blaxter (1950) na uitgebreide on-
derzoekingen schrijven:

„The present experiments, however, indicate that chronic lead poisoning of cattlc
and sheep is extremely unlikely to occur under practical conditions of manage-
ment in the economic lifetime of these animals."
In het afgelopen jaar (1962) constateerden wij een geval \\an chronische
loodvergiftiging bij een kalf. De verschijnselen verschilden :\';oveel van dc
acute loodvergiftiging, dat wij het ziektebeeld hierbij gaarne beschrijven.

Bleske 155.

Op 17 september 1962 werd ons het kalf Bleske 155, geboren 22 februari
1962, ter onder/ock aangeboden.

De eerst aanwezige, wat summiere anamnese leerde ons, dat er in het sei-
zoen 1960-\'61 één kalf bij de eigenaar was gcstoiven en dat er sedert
januari 1962 3 kalveren waren gestorven, terwijl Bleske 155 thans ernstig
ziek was.

Deze laatste 4 kalveren vormden bijna dc gehele winter „produktie" aan
kalveren van deze veehouder.

Ondanks het feit, dat reeds een dierenarts van de Gezondheidsdienst voor
\\ee in Friesland en van het Instituut voor Veevoedingsonderzoek „Hoorn"
tezamen met de plaatselijke dierenarts het bedrijf hadden bezocht, was het
probleem van de sterfte blijkbaar niet opgelost.

Bleske 155 had eind mei al geringe ziekteverschijnselen vertoond, was daar-
na tot ongeveer half augustus redelijk goed geweest en toen weer ziek ge-
worden.

1) Prof. Dr. G. Wagenaar, Hoogleraar der Rijksuniversiteit te Utrecht, Biltstraat
172, Utrecht.

-ocr page 35-

Een dergeiijke anamnese heeft 2 belangrijke aspecten. Het feit, dat de col-
legae
J. S. Reinders van de Gezondheidsdienst en J. v. d. G r i f t van
„Hoorn" niet tot een diagnose hadden kunnen komen, maakte voor ons de
vooruitzichten op het stellen van een diagnose ook niet gunstig. Hier stond
tegenover, dat wij van hun be\\ indingen zouden kunnen profiteren en daar-
door mogelijk een volgende stap zouden kunnen doen. Beide collegae wa-
ren echter reeds op grond \\an hun bc\\indingen bij 2 eerder gestorven
kalveren tot de conclusie gekomen, dat aan een intoxicatie moest worden
gedacht.

Dat wij er dan ook in geslaagd zijn een diagnose te stellen, danken wij
voor een aanzienlijk gedeelte aan de feiten, die bovengenoemde collegae
ons ter beschikking stelden.

Het klinisch onderzoek.

Bleskc 155 zag er niet florissant uit en de toestand van het dier noopte tot een
snel onderzoek. Het kalf was suf, slap en sterk uitgedroogd. Op de schouders,
flanken en heupen waren dc haren roodbruin verkleurd. De polsfrequentie be-
droeg 36, de ademhalingsfrcquentie 12 en de temperatuur 37.6° C. Deze groot-
heden wezen in de richting van een stervend kalf. Dc slijmvliezen waren uitge-
sproken bleek. Behalve wat neusuitvloeiing werden er geen afwijkingen aan het
respiratie-apparaat .gevonden. Ook aan het circulatie-apparaat werd niets bij-
zonders waargenomen.

Over het digestie-apparaat was het volgende op te merken. Het dier at totaal
niets en het had een uitgesproken ammoniakale foetor ex ore. Pensbcwegin.gen
en boekmaaggeruisen waren er niet. Dc lever was niet te percuteren.
Het hemoglobinegehalte bedroeg 7.4 g%, dus bestond er een anemie. Er waren
14.900 witte bloedcellen met 72% polymorfkernige Icucocyten en 28% lymfo-
cyten. Er was wat linksverschuiving. Het serum-eiwitgehalte was betrekkelijk laag,
n.1. 6.7 g%, met een vrij normale verdeling van de eiwitcomponenten. Het bloed-
ureumgehalte bedroeg 270 mg% (normaal ± 30), er bestond dus cen sterke
uremie.

Het urine-onderzock leverde een s.g. van I.OIO op, vrij veel eiwit met in het
sediment nierepithcliën en eiwitneerslagen.

Voorlopige diagnose.

Het was duidelijk, dat het kalf leed en sterv ende was aan een nefritis. Nu
waren er 2 mogelijkheden:

a. het ziektebeeld stond op zichzelf en had niets te maken met dc voor-
gaande sterfgevallen;

b. het ziektebeeld was gelijk aan dat, waaraan de andere kalveren ook
waren gestorven.

Aangenomen kon worden, dat de gewone bacteriële oor/aken resp. voe-
dingsdeficienties door de Gezondheidsdienst resp. „Hoorn" wel zouden zijn
opgespoord. Wij zouden daarom bij ons kalf slechts nog kimnen denken
aan een vergiftiging. Maar welk vergif? Als mogelijke oorzaak van een,
door een vergif veroorz.aakte, nefritis konden wij voorlopig alleen maar
aan kwik denken. Nadere informaties waren dringend noodzakelijk.

Stierven Bleske 152, Bleske 153 en Bleske 154 nutteloos?

Uit de gedeeltelijk telefonisch en gedeeltelijk schriftelijk verkregen .gegevens van
de veehouder, zijn dierenarts, de Gezondheidsdienst en „Hoorn" vermelden wij
het volgende.

-ocr page 36-

De kalveren, die eerder gestorven waren, waren alle in de winter geboren. De
kalveren, geboren na 1 april, zijn niet ziek geworden. Bleske 152 stierf half
januari 1962, Bleske 153 begin april 1962 en Bleske 154 begin juni 1962, terwijl
Bleske 155 eerst nog gezond de weide in was gegaan en pas in augustus ziek
werd.

.\\lle kalveren maakten het de eerste 2 ä 3 maanden goed, pas daarna gingen ze
minder drinken. Ze kregen diarree en daarna werd het ziektebeeld steeds ern-
stiger.

Gelukkig waren Bleske 153 en 154, zoals uit het volgende zal blijken, niet
geheel nutteloos gestorven.

Bleske 153 werd geboren op 30 november 1961. Zij werd ongeveer half
februari 1962 ziek. Collega J. S. R einders vermeldde ons hierover het
volgende:

„Het dier vertoonde bij het leven picaversc.hijnselen, het knaagde aan hout en
likte aan een ijzeren kraan. Het baarkleed was dor, de oogslijmvliezen .spierwit.
De hartslag was snel, er was tensie op de venae jugulares. De temperatuur was
normaal, de ademhaling frequent, maar er waren geen afwijkende longgeruisen.
Het dier dronk onvoldoende, de faeces waren normaal. In de urine zat eiwit,
er waren nierepitheliën en rode bloedcellen in het sediment".

Na de dood werd het kalf op 11 april op de Gezondheidsdienst te Leeu-
warden geseceerd. Uit het cloor ons ontvangen sectieverslag zij het vol-
gende vermeld:

„Het kadaver was zeer anemisch, het hart was groot (hypertrofisch en gedila-
teerd). Het hart vertoonde „getijgerde" vrij stugge haarden, waarschijnlijk door
verkalking, ook onder het endocard. Grote grijze stugge nieren. Het beenmerg van
dc tibia was grijswit en spekkig (andere beenderen werden niet onderzocht).
Er bestond blijkbaar een inactiviteit van het bloedvormende systeem, de nieren
waren fibrotisch en er bestond een interstitiële haardnefritis. De lever was groot,
geel en bros, bij microscopisch onderzoek was er een vettige degeneratie van de
levereilandjcs."

Bleske 154 werd geboren op 23 januari 1962. liet dier werd nog levend
voor nader onderzoek naar „Hoorn" gebracht. Bij een onderzoek door J.
V. d. Grift van dit kalf en \\an de andere kalveren werden lage koper-
waarden gevonden in bloed resp. in leverbiopsieën. In de lever van Bleske
154 was het kojx-rgehalte 86 y per gram droge stof en in de lever van Bleske
153 slechts 9.5 y per gram droge stof.

Bij dit onderzoek werd reeds ook Bleske 155 betrokken. Ook bij dit kalf
werd een lage koperstatus gevonden plus anemie. Het kopergehalte van
de lever was nl. 63 y per g ds en het hcmoglobinegehalte 7.3%. Aansluitend
aan dit onderzoek kreeg dit kalf (Bleske 155) extra kopersulfaat toege-
diend. Bij een bezoek van beide onderzoekers, eind juni, was de algemene
toestand van Bleske 155, die toen in de weide liep, veel beter. Daarbij was
ook het hcmoglobinegehalte reeds opgelopen van 7.3 tot 9.3g%.
Bleske 154 stierf begin juni. Tijdens het leven was het dier al anemisch,
terwijl het een hemorragische diatese vertoonde.

Bij het onderzoek van een aantal organen aan de Gezondheidsdienst voor
Vee in Friesland werd o.m. het volgende geconstateerd:

„In de lever waren onspecifieke ontstekingshaardjes aanwezig. In de nieren kwam
meer interstitium dan normaal voor (fibröse). De glomeruli waren te celrijk, vele
interstitiële ontstekingshaardjes waren aanwezig."

-ocr page 37-

Het bacteriologisch onderzoek van beide kalveren leverde een negatief
residtaat op.

Hoe was de toestand op het bedrijf?

Van de eigenaar en van zijn dierenarts (coll. f). R. V i n k in Sneek) ver-
namen wij het volgende over de toestand op het bedrijf.

Alle in de winter geboren kalveren waren gestorven op 2 stierkalveren na, welke
jong waren verkocht. De kalveren kregen eerst volle melk, later volle melk met
water en tenslotte volle melk, ondermelk en water. Al gauw werd wat hooi bijge-
voerd. De eigenaar had de dieren beslist niets bijzonders gevoerd of toegediend.
Het water voor de kalveren was afkomstig uit een regenput, waar
geen andere
dieren uit dronken. De kalveren werden gehouden in een en dezelfde grote stal.
Deze werd eenmaal per jaar schoongemaakt en gewit. Het houtwerk werd niet
geteerd. In het hok werden al 30 jaar kalveren opgefokt. De gebruikte melk-
emmers waren vertind.

Van al deze telefonisch verkregen gegevens was eigenlijk alleen het drink-
water een aanhoudingspimt. Immers hiervan dronken geen andere dieren
en mensen. Wij vroegen dan ook een monster water ter nader onderzoek
O]) vergiffen.

Het verloop der ziekte bij Bleske 155.

Keren wij tenig tot Bleske 155.

Het ging snel achteriut met dit kalf, reeds 3 dagen na aankomst op 20
september stierf het dier.

De sectie.

Uit het uitvoerige sectieverslag, ontvangen van het Pathologisch-Anato-
misch Institiuit (coll. J. M. Mouwen), geven wij de volgende hoofd-
zaken weer.

Hart: vrij veel petechiën onder het epicard in dc sulcus coronarius en sulci longi-
tudinales. Ook onder het endocard zaten petechiën, vooral in de buurt van de
papillairspieren. In de linker boezem vertoonde het endocard doffe iets promi-
ncrende plekken „athcromatose".
Longen, lever en milt: geen ernstige afwijkingen.

Nieren: Deze waren tc klein, fijn gekorreld van oppervlak t.g.v, miliaire intrek-
kingen, bleek van kleur, stevige consistentie. Op doorsnede waren in de te smalle
schors bleke streepjes zichtbaar. Er bestond een chronische interstitiële ncfritis.
Verder bestond er een acute necrotiserende oesophagitis.

In dunne en dikke darm slijmi.ge inhoud, die een duidelijke ammoniakalc lucht
verspreidde. In colon en rectum hyperemische slijmvlies gedeelten met hemorra-
,gisch-necrotische plekjes.

Bij bacteriologisch onderzoek werden er geen kiemen in de organen aangetoond.
Diagnose: chronische nefritis-uremie.

Toxicologisch onderzoek.

.^an het Centraal Dicrgeneeskimdig Instituut afd. Rotterdam werd op ver-
zoek van het pathologisch-anatomisch instituut een toxicologisch onder-
zoek ingesteld (Dra. E. G. H o s k a ni). Hierbij werd materiaal onderzocht
op arsenicum, koper, kwik en lood. Tot onze grote verrassing werd
lood
aangetroffen en wel in de lever: 2 mg lood per kg (vers orgaan) en in de

-ocr page 38-

nierschors: 26 mg lood per kg (vers orgaan). In het opgezonden drink-
water werden geen vergiffen aangetoond.

Na deze, duidelijk in de richting van een loodvergiftiging wijzende uitslag,
werd opnieuw naar de dierenarts gebeld met het verzoek om met deze mo-
gelijkheid rekening te houden.

De deur.

Collega Vink zond ons |)er onnuegaande 2 monsters verfschilfers van een
deur en van een schot, welke in het hok aanwezig waren. De uitslag van
het onderzoek op lood door het C.D.I. was als volgt:
verf van de deur — 18,6% lood

verf van het schot — 0,8% lood.
De vraag deed zich nu onmiddellijk voor, hoe het kwam, dat er 30 jaar
lang met succes kalveren in dit hok waren opgefokt, zonder het optreden
van loodintoxicaties. Een telefoontje naar de veehouder bracht snel de op-
heldering. De betreffende, misschien wel 100 jaar oude, geverfde deur was
pas in het seizoen 1960-1961 in het hok aangebracht. In dat jaar viel het
eerste slachtoffer en een jaar later waren het er vier. Het bleek, dat de
kalveren veel aan de deur gelikt hadden.

Stond nu de diagnose „loodvergiftiging" vast?

Geheel tevreden waren wij niet. De gevonden hoeveelheden lood in de
lever en in de nierschors van 2 resp. 26 mg per kg nat orgaan waren niet
hoog genoeg om bewijzend te zijn.

,M f c r O f t en Blaxter (1950) schrijven, dat bij aanwezigheid van
symptomen van een loodvergiftiging cijfers van 10 mg per kg verse lever
en 50 mg per kg verse nierschors bewijzend zijn voor een loodvergiftiging.
Heeft men alleen de laboratoriumgegevens, dan vinden .Allcroft en
Blaxter 20 mg lood per kg lever en 50 mg lood per kg nicrschors be-
wijzend.

Nu kunnen wij ons wel troosten met de gedachte, dat Bleske 155 al in
geen maanden lood had opgenomen (de zomerperiode) en dat de lood-
ajfers mogelijk aan het eind van de stalperiode wel hoger zouden zijn ge-
weest.

Dit argument is niet geheel ten onrechte te gebruiken, temeer daar
Blaxter opmerkt, dat bij dieren, die een loodvergiftiging overleven, de
waarden aan lood in de nierschors soms lang hoog blijven. Dit komt om-
dat het uit andere weefsels vrij komende lood in de nieren terecht komt,
waar het zo mogelijk kan worden uitgescheiden. Bij Bleske 155 zou dan
vooral het gehalte in de lever gedaald kunnen zijn.

.\\llcroft en Blaxter (1950) vermelden, dat kalveren vrij grote
hoeveelheden lood kunnen opnemen zonder dood te gaan. Kalveren kon-
den giften van 6 mg lood per kg lichaamsgewicht, gegeven als aceUat of
carbonaat en wel iedere dag, verdragen gedurende 2 a 3 jaren. Bij 8 mg
lood per kg lichaamsgewicht stierf een ooi na 220 dagen dagelijkse toe-
diening.

Voor onze kalveren, bij een sterfte na b.v. 60 dagen, zouden wij een schat-
ting kunnen maken van b.v. 10 mg lood per kg lichaamsgewicht. Nemen
wij\' gemakshalve het loodgehalte van de verf op 20%, dan zou een kalf
bij een lichaamsgewicht van 50 kg per dag aan verf moeten opnemen:

-ocr page 39-

50 X 5 X 10 = 2500 mg 2,5 gram verf. Natuurlijk zou dit dagelijks b.v.
gedurende een maand moeten gebeuren.

Een hoeveelheid van 2,5 gram verf per dag lijkt erg veel, maar is toch
ook weer niet onmogelijk. Bovendien zijn er aanwijzingen dat onder be-
paalde omstandigheden veel kleinere hoeveelheden al toxisch zijn.
Zo vermelden White e.a. (1943) een geval, waarbij 18 van de 20 melk-
koeien stier\\ en, nadat ze meel gegeten hadden, waarin zeer fijn verdeeld
PbgO., was gemengd. Volwassen koeien stierven hierbij aan een gemid-
delde gift ineens van 2 gram lood.

Al deze genoemde gegevens maakten het zeer waarschijnlijk, dat lood
mderdaad als oorzaak van de ziekteverschijnselen moest worden be-
schouwd.

Onderzoek van de lever van Bleske 154.

Ons bewijs werd gelukkig versterkt door bevindingen achteraf bij het ue-
storven kalf Bleske 154. • &

Van dit kalf was nl. lever in gedroogde en gemalen toestand bewaard ge-
bleven.

Gescheiden \\ an ons onderzoek waren de collegae Reinders en Van
der Grift, na vernomen te hebben dat Bleske 155 naar onze kliniek
was vervoerd, tot de conclusie gekomen, dat hun eerste diagnose dus on-
juist was geweest en dat een chronische vergiftiging misschien wel eens een
rol kon spelen, waarbij de slechte koperstatus van de kalveren door deze
vergiftiging zou kunnen worden veroorzaakt. Ongeveer bij het afsluiten
van ons onderzoek kon Van der Grift ons mededelen, dat in het be-
waarde le\\ermonster \\-an Bleske 154, 248.5
y lood per gram droge stof was
gevonden. Dit gehalte komt ongeveer overeen met 248.5 : 5 = 49.7
y ]ier
gram verse lever, of 49.7 mg per kg verse lever. Dit is voldoende hoog om
tot loodvergiftiging te besluiten.

Conclusie.

De Bleskes van het genoemde bedrijf waren dus lijdende aan een zeld-
zaam voorkomende chronische loodvergiftiging, veroorzaakt door het lik-
ken van verf van een dcm" in het kalverhok.

De kalveren waren niet direct aan de loodvergiftiging gestorven, maar aan
een interstitiële nefritis, veroorzaakt door deze loodintoxicatie.
•Mhoewel het bekend is, dat de nieren bij runderen en schapen met een
acute loodvergiftiging gelaedeerd worden, dient het ontstaan van een
chroni.sche interstitiële nefritis als iets bijzonders te worden aangemerkt.
Bij de mens is dit wel bekend. Van I t a 11 i e en B ij 1 s m a (1928) be-
schrijven bij langzaam verlopende gevallen het optreden van een chro-
nische nieraandoening, die geheel het beeld van een schrompelnier ver-
toont, terwijl zij daarnaast ook artericsclerose vermelden.
Rest ons nog er op te wijzen, dat deze diagnose door ons ook niet gesteld
zou zijn als wij slechts de gegevens van één kalf hadden gehad. Niemand
van ons zou dan tot een intoxicatie hebben besloten.

S.AMENVATTING.

Op een boerderij .gingen 4 kalveren, die in de winter van 1961-1962 .geboren waren,
na een ziekteverloop van 6 weken tot enkele maanden, dood. In het jaar daarvoor

-ocr page 40-

was ook reeds een kalf onder dezelfde ziekteverschijnselen gestorven.
Alle kalveren vertoonden dezelfde symptomen. Eerst werden de dieren wat minder
levendig, daarna gingen zij minder drinken, ze vertoonden picavcrschijnsclen. Ten-
slotte kwam de dood na een ziekteverloop van ongeveer 6 weken. Het laatste kalf,
geboren eind februari 1962, was in mei niet al te goed in orde, knapte in de weide
wat op, maar stierf in september na in augustus weer ziek te zijn geworden.
Bij 3 kalveren werd sectie gedaan, alle waren lijdende aan een chronische inter-
stitiële nefritis. Tevens was cr een uremische endocarditis van de linker boezem
aanwezig.

Bij alle 3 kalveren werd een bacteriologisch onderzoek ingesteld met een negatief re-
sultaat.

Bij sectie van het laatste (in september) gestorven kalf werd gedacht aan een ver-
giftiging. Aanvankelijk werd aan kwik gedacht, doch het ingestelde toxicologische
onderzoek wees echter in de richting van een loodvergiftiging. In de lever van het
kalf werd 2 mg lood per kg gevonden en in de nierschors 25 mg lood per kg. Deze
cijfers waren niet direct bewijzend voor een loodvergiftiging, maar bij de beoordeling
van deze cijfers mocht rekening worden gehouden met het feit, dat het kalf al enkele
maanden geen lood meer op had kunnen nemen.

Inmiddels bleek op het bedrijf van de veehouder, dat deze in het voorgaande jaar
een oude geverfde deur in het kalverhok had aangebracht. Aan deze deur likten de
kalveren geregeld. De verf bevatte 18,6% lood.

Na deze waarneming kon ook nog de lever worden onderzocht van een eerder ge-
storven kalf. Hierin werd 49.7 mg lood per kg aangetroffen.

Vastgesteld kon worden, dat de kalveren dus aan een betrekkelijk langzaam ver-
lopende loodintoxicatie hadden geleden, waardoor deze kalveren een chronische
interstitiële nefritis hadden gekregen. Tenslotte stierven de kalveren aan een uremie.

SUMMARY.

Four calves born in the winter of 1961-1962 died on a farm after a disease which had
run its course for periods ranging from six weeks to a few months. A calf had also
died showing similar symptoms during the previous year.

.All calves showed identical symptoms. Initially, their liveliness diminished; subse-
quently, they drank less and showed signs of pica. They finally died after the disease
had run its course for about six weeks. The last calf, born late in February 1962, was
in poor health as early as May, improved slightly when it had been sent out to grass
but died in September, having fallen ill again in August.

Autopsy was performed on three calves; all three were affected with chronic inter-
stitial nephritis and uraemic endocarditis of the left auricle was present as well.
Examination for the presence of bactcria was negative in all three calves.
The findings at autopsy on the calf that had been the last to die (in September)
suggested poisoning. The possibility of mcrcury poi.soning was considered initially
but the results obtained on toxicological investigation were indicative of lead poi-
soning. The liver of the calf was found to contain two mg. of lead per kg., the
cortex of the kidney containing twenty-five mg. of lead per kg. These figures did
not provide direct evidence of lead poisoning, but in evaluating these figures the
fact was taken into account that the calf had no longer been able to ingest any lead
for several months. Meanwhile, it was found that the stock-owner had fitted an old
painted door in the calf-shed, which door was constantly being licked by the calves.
The paint contained 18.6 per cent of lead.

This finding was followed by examination of the liver of a calf that had died pre-
viously. It was found to contain 49.7 mg. of lead per kg.

■Accordingly, the calves had been affected with a form of lead poisoning running
a relatively slow course, as a result of which the animals had developed chronic
interstitial nephritis. The calves eventually died from uraemia.

-ocr page 41-

RÉSUMÉ.

Dans une ferme 4 veaux dans l\'hiver de 1961-1962 moururent après un mal durant
de six semaines jusqu\'à quelques mois. L\'an précédent déjà, un veau était mort
sous les mêmes symptômes.

Tous les veaux manifestaient les mêmes symptômes. D\'abord les animaux se mon-
traient moins alertes, ensuite ils buvaient moins, ils avaient des symptômes de pica.
Finalement la mort survint après environ six semaines. Le dernier veau, né vers la fin
de février 1962, ne se portait pas trop bien au mois de mai, se rétablissait un peu
dans le pré, mais mourut en septembre après être retombé malade au mois d\'août.
Sur trois des veaux on fit une section, tous souffraient d\'une néphrite interstitielle
chronique et en même temps il y avait une endocardite urémique de l\'oreillette
gauche.

L\'examen bactériologique avait un résultat négatif pour les trois veaux.
Durant la section du veau mort le dernier (en septembre) on supposait une intoxi-
cation. D\'abord on croyait que le mercure en était la cause, mais l\'examen toxicolo-
gique suggérait une intoxication de plomb. On trouva dans le foie du veau 2 milli-
grammes de plomb par kilogramme et dans l\'écorc rénale on trouva 25 mg. de
plomb par kg. Ces quantités n\'étaient pas une preuve directe pour une intoxication
dc plomb, mais en appréciant ces chiffres on pouvait tenir compte du fait que le
veau n\'avait pas pu ingérer de plomb depuis quelques mois déjà.
Sur ces entrefaites on trouva que, l\'an dernier, le propriétaire avait posé dans l\'étable
des veaux une vieille porte peinte que les veaux avaient léchée régulièrement. La
peinture contenait 18,6% de plomb.

.Après cette observation on put examiner également encore le foie d\'un veau mort
antérieurement. On y trouva 49,7 mg. dc plomb par kg.

On pouvait donc constater que les veaux avaient souffert d\'un saturnisme lent qui
avait provoqué chez ces veaux une néphrite interstitielle. Finalement les veaux mou-
rurent d\'une urémie.

ZUS.AMMENFASSUNG.

Auf einem Bauernhof verendeten 4 im Winter 1961-1962 geborene Kälber nach
einer sechswöchigen bis monatelangen Krankheitsdauer. 1960 verendete auch schon
ein Kalb unter denselben Krankheitserscheinungen.

Alle Kälber wiesen die gleichen Symptome auf. Die Tiere waren weni.ger lebhaft,
dann tranken sie weniger und es traten Pica-crscheinungen auf. Svhliesslich kam,
nach einem Krankheitsverlauf von ungefähr 6 Wochen, das Ende. Das letzte Kalb,
geboren im Februar 1962, kränkelte schon im Mai, erholte sich etwas beim Weide-
gang, erkrankte wieder im August und verendete im September.
Bei der Sektion von 3 Kälbern stellte man fest, dass alle Tiere an chronischer inter-
stitieller Nephritis gelitten hatten. .Auch konstatierte man eine urämische Endo-
cartitis der linken Vorkammer.

Bei diesen drei Kälbern wurde eine bakteriologische Untersuchung mit negativem
Resultat angestellt.

Bei der Sektion des letzten (im September) verendeten Kalbes wurde an Vergiftung
gedacht. Anfänglich dachte man an Quecksilbervergiftung, doch die angestellte toxi-
kologische Untersuchung wies in Richtung einer Bleivergiftung. In der Leber des
Kalbes wurde 2 mg. Blei per kg und in der Nicrenrinde 25 mg. Blei per kg. ge-
funden. Diese Zahlen stellten zwar keinen direkten Beweis für eine Bleivergiftung dar,
doch musste bei der Beurteilung dieser Zahlen mit der Tatsache Rechnung gehalten
werden, dass das Kalb bereits seit einigen Monaten kein Blei hatte aufnehmen kön-
nen.

Inzwischen stellte man fest, dass der Viehhaltcr im vorhergehenden Jahre eine alte
angestrichene Tür im Kälbcrstall angebracht hatte, welche die Kälber regelmässig
beleckten. Die Farbe enthielt 18,6% Blei.

-ocr page 42-

Nach dieser Feststellung wurde noch die Leber eines zuvor verendeten Kalbes unter-
sucht. Hier wurde 49,7 mg. Blei per kg. angetroffen.

So konnte festgestellt werden, dass die Kälber an einer langsam verlaufenden Blei-
vergiftung gelitten hatten, die eine chronische interstitielle Nephritis hervorrief.

Schliesslich verendeten diese Kälber an Urämie.

LITERATUUR

Allcroft, R. and Blaxter, K. C.: Lead as a nutritional hazard to farm live-
stock. ƒ.
comp. Path., 60, 209, (1950).

B 1 a x t e r, K. C.: Lead as a nutritional hazard to farm livestock. /. comp. Path., 60,
177, (1950).

Itallie, L. van en B ij 1 s m a, U. G.: Toxicologie en gerechtelijke scheikunde
1928, blz. 371.

White, W. B., Clifford, P. A. and C a 1 v e r y, H. O.: The lethal dosis of
lead for the cow. ƒ.
Am. vet. med. Ass., 102, 292, (1943).

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een infectie van het inwendig genitaalapparaat
van een hengst met Str. zoöepidemicus.

Infection of the internal genital organs of a stallion
with. Str. zoöepidemicus.

door A. VAN DER SCHAAF\') en J. HENDRIKSE^)

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie en uit de
Kliniek voor Veterinaire Verloskunde en Gynaecologie der
Rijksuniversiteit Utrecht.

Dc groninger hengst V. had in de jaren 1959, 1960 en 1961 bevruchtings-
resultaten van respectievelijk 36.7, 54.8 en 48%. Deze resultaten waren te
laag en daarom wilde het Stamboek worden ingelicht over de kwaliteit
van het spenna. De hengst werd daarom, vergezeld van cen hengstige mer-
rie, op 25 januari 1963 ter onderzoek aangeboden.

Bij het klinisch onderzoek kon als enige afwijking worden vastgesteld, dat
beiderzijds een verharde cauda epididymidis aanwezig was. De linker cauda
\\ oelde nog iets vaster aan dan de rechter.

Met een tussemuimte van 3 uur werden twee ejaculaten van 130 cm^ en
65 cm^ verzameld. De kleur van de ejaculaten was lichtbruin, de consis-
tentie was waterig en er waren grote klodders pus in aanwezig. De indivi-
duele beweeglijkheid was zeer slecht; respectievelijk 1 en 10% van de
spenniën vertoonde een afwijkende beweging, de rest lag stil. De beide

\') Prof. A. van der Schaaf, Hoogleraar, Faculteit der Diergeneeskunde der Rijks-
universiteit, Biltstraat 172, Utrecht.
2) Dr. J. Hendrikse, Wetenschappelijk Hoofdambtenaar A, Faculteit der Diergenees-
kunde der Rijksuniversiteit, Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 43-

cjaciilatcn bevatten per cm^ 14 en 12, 2 miljoen spermiën en de pH was
8.22 en 8.20. Het percentage afwijkende spermiën bedroeg \\oor het eerste
en tweede ejaculaat rcspectiexelijk 84 en 71; 70 en 52.5% waren normale
losse koppen. Zowel macroscojiisch als microscopisch waren beide ejacu-
laten dus zeer abnormaal.

Het bacteriologisch onderzoek van het sperma wees uit, dat hierin vrij veel
/3-hemolytische Streptokokken aanwezig waren, die op grond van hun bio-
chemische eigenschappen als
Sir. zoöepidemicus werden gedetermineerd.

Na het onderzoek werd een rapport over de hengst uitgebracht. Dit had
tot gevolg, dat hij voor de fokkerij werd uitgeschakeld en korte tijd later
werd geslacht.

We kregen toen de beschikking over beide teelt- en bijballen. De testikels
leken normaal en de beide bijbalstaarten voelden niet meer hard aan (ver-
moedelijk was hierin cen stuwing aanwezig geweest).

De rechter cauda vertoonde een dunwandige verdikking, die met een pus-
achtige substantie was gevuld. Uit beide stompen van de zaadleiders was
cen soortgelijke substantie te masseren, die zowel spermiën als leucocyten
bevatte. Met behulp van uitstrijkjes, gemaakt met materiaal uit incisies
in testes en epididymes, konden ook in deze delen leucocyten en spermiën
worden aangetoond.

Door uitstrijken van het materiaal uit beide caudae op bloedagarplaten,
werd beiderzijds een infectie met
Str. zoöepidemicus vastgesteld. Andere
bacteriën waren in de secreta niet aanwezig. In verband met deze gege-
vens was het wel zeer waarschijnlijk, dat we hier met een beiderzijdse \'in-
tratubidaire ontsteking te maken hadden. Tot onze spijt waren de acces-
soire geslachtsklieren niet aanwezig, want hierin zouden vermoedelijk ook
afwijkingen te constateren zijn geweest. Een intratubulairc infectie is n.1.
in de regel cen ascenderend proces.

Meerdere malen werden de genoemde Streptokokken aangetoond in ragades
van de penishuid. Het is niet bekend of de besmetting van het uitwendige
gcslachtsapparaat plaats vindt door dekking van geïrifectecrde merries, of
dat ze ook zonder coïtus kan plaats hebben.

SAMENVATTING.

In sperma en caudae epididymides van cen hen.gst werd Str. zoöepidemicus aan,ge-
toond.

SUMMARY.

In the semen and in the caudae epididymides of a staUion Str. zoöepidemicus could
be demonstrated.

ZUSAMMENFASSUNG.

Im Sperma und in den caudae epididymides eines Hengstes konnte Str. zoöepidemicus
.gefunden werden.

-ocr page 44-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

PATHOGENITEIT VAN L. MONOCYTOGENES VOOR KOUDBLOEDIGE
DIEREN.

J e n t z s c h, K. O.: Zur Frage der Pathogenität von L. monocytogenes für Kalt-
blüter.
Arch. exp. VetMed., XVI, (2), (1961).

St am at in (1957) beschreef een L. mooncytogenes type 4-infcctie in een forellen-
kwekerij. In november 1955 ging 50% van de jonge zieke forellen dood, in dc-
ccmbcr daalde het sterftecijfer, om in de tweede helft van januari 1956 na een lang-
durige regenperiode weer te stijgen. Koud weer, ijs en zuurstofgebrek gaven ook een
verhoogd sterftecijfer. Men veronderstelde dat de stroomopwaarts gelegen voer-
opslagplaats de infectiebron was, daar hier ook niet gekeurd vlees van gestorven
dieren werd afgegeven.

Ook VVelshimer en Gray (1960) isoleerden L. monocytogenes uit een forel.
Naar aanleiding van
L. monocytogenes-inhcUes bij forellen werd nagegaan in welke
mate koudbloedige dieren reageerden op
Listeria-inlccties.

De volgende dieren werden intraperitoncaal geïnfecteeid met L. monocytogenes
type 1: schildpadden, kikkers, padden, axolotls, goudvissen, karpers en forellen.
Uitgezonderd de forellen bicken de koudbloedige dieren zeer goed weerstand te
kunnen bieden aan deze
L. monocytogenes-infecuc. Bij de forellen verliepen de in-
fecties in de vorm van een bactcriëmie en bleek het aantal ziekte- en sterfgevallen
afhankelijk tc zijn van de hoeveelheid intraperitoncaal ingespoten cultuur. Dc kiem
kon uit dc organen en een enkele maal uit de hersenen worden geïsoleerd en ook
gaven de organen en de hersenen histologische veranderingen te zien.

L. M. van Noorle Jansen.

PASTEURELLOSE BIJ EENDEN EN THERAPIE.

P O i n t n e r, J.: Über das Auftreten von Pasteurellose in einem Entenbestand und
Versuche über ihre therapeutische Beeinflüssung.
Wien, tierärztl. Mschr., 49, 236,
(1962).

Pointner beschrijft een uitbraak van acute en met grote sterfte verlopende pas-
teurellose bij peking eenden, welke door eendagskuikens was overgebracht. Er stierven
van circa 7000 mesteenden van allerlei leeftijden ongeveer 3500. Het gelukte in
groepen zieke dieren, de sterfte tot stilstand te brengen door subcutane injectie aan
de hals van 2,5 ä 3 cm-\' terramycine suspensie in olie. Met terramycine, aureomycine
en sulfanamide in het drinkwater werd geen resultaat bereikt, evenmin als trouwens
door injecties met equine vogelcholera-scrum. Een massabchandcling per injectionem
met terramycine werd door dc eigenaar echter vanwege de kosten niet begeerd,
aangezien de kuikenbrocdcr zich inmiddels bereid verklaard had de schade te ver-
goeden.

Point ner merkt hierbij op, dat dc toepassing van bij paarden bereid vogel-
cholera-serum tegenwoordig als een verouderde en, sinds het bekend worden van een
werkzame antibiotische therapie, niet meer als een gerechtvaardigde maatregel is te
beschouwen, omdat bij toepassing van een eiwitvrcemd serum een extra belasting
voor het zieke organisme — een stress — optreedt.

C. A. van Dorssen.

Fysiologie en fysiologische chemie

ABSORPTIE VAN y-GLOBULINE DOOR DE DUNNE DARM.

Payne, L. C. and Marsh, G. L.: .Absorption of gamma globulin by the small

intestine. Federation Proc., 21, 909, (1962).

Bij de geboorte hebben kalveren, veulens en biggen s-lcchts een gering gehalte aan
antilichamen in het bloed. Na de geboorte is de absorptie van y-globuline, immuun-

-ocr page 45-

lichamen of anti-lichamen zeer kort en beperkt tot de eerste 24-36 levensuren.
In het beschreven onderzoek werd y-globuline toegediend bij biggen, verkregen door
hysterectomy. Om het y-globuline zichtbaar te maken voor het histochemisch onder-
zoek werd gebruik gemaakt van y-globuline gemerkt d.m.v. fluoresceïne.
Het bleek bij het onderzoek dat de bovengenoemde beperking van de absorptie van
y-globulinen slechts geldig was indien tevens een oplosbaar eiwit gegeven werd.
Onthield men het dier alle eiwit voor het maagdarmkanaal gedurende 106 uren na
de geboorte, dan bleef het dier in staat het y-globuline actief te absorberen gedurende
deze tijd.

Door middel van het gemerkte y-globuline was door het vasten een sterke absorptie
van y-globuline in dc darmwand aan te tonen m tegenstelling tot dieren welke koe-
melk of colostrum van de zeug hadden gehad.

•Aangetoond werd dat de epitheelcellen van de dunne darm blootgesteld moeten
worden aan oplosbare eiwitten van de kant van microvilli, en niet van de zijde van
de capillaire bloedvaten om de absorptie te doen stilhouden.

De absorptie van y-globuline door de epitheelcellen van de dunne darm begint na
de toediening vrijwel onmiddellijk. De maximale concentratie in de cel werd bereikt
6-7 uur na aanraking met y-globuline.

Blijkbaar volgen de cellen een alles of niets wet, daar zij zoveel als moerdijk is
y-globuline absorberen, voordat zij het naar het lymfvatensysteem van de villus laten
gaan. Dit laatste .gebeurt tussen het 5e en 12e uur na het in aanraking komen van de
cellen met het y-globuline.

In het serum is een geleidelijke toename te vinden van het y-globulinc gedurende dc
eerste 12 ä 14 uur na het voeden.

Daar het totale absorberende oppervlak van de dunne darm meer y-globulin op-
neemt dan het circulatie systeem nodig heeft en kan verwerken, wordt de overmaat
uitgescheiden via de nieren.

Tengevolge van bovengenoemde cclreactie, alles of niets, zullen ook heterologe glo-
bulinen gedeeltelijk geabsorbeerd kunnen worden.

De activiteit van dc alkalische fosfatase in de dunne darm bleek op het tijdstip van
de absorptieremming tot het 7-voudigc toegenomen te zijn.

Bepaald zal moeten worden of deze toename van de activiteit de absorptieremming
geeft of dat het een resultaat is van het cclmctabolisme.

Vastende biggen, welke cortisonacetaat kregen, vertoonden 48 en 72 uur na y-globu-
line toediening .geen absorptie meer.

A. ]. U. Schotman.

WERKING VAN HUMINEZUREN OP HET MOND- EN KLAUWZEERVIRUS.

Schultz, H.: Die viricide Wirkung der Huminsauren im Torfmull auf das Virus
der Maul- und Klauenseuche.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 69, (1962).

In een vorig artikel (Dtsch. tierärztl. Wschr., dd. 15-5-1962) heeft schrijver reeds
mededelingen gedaan over bovengenoemd onderwerp. Volledigheidshalve heeft
hij bij zijn proeven ook citroenzuur en azijnzuur als desinfectantia geprobeerd, maar
zijns inziens hebben deze zuren vele nadelen in vergelijking met de huminezuren
(humuszuren) die in turfmolm voorkomen. Ook werden proefnemingen gedaan met
het gebruik van zaagsel als strooisel in de varkensstallen, maar door de te hoge pH
kon hiervan geen gunstige werking worden aangetoond.

In genoemd artikel had de schrijver het vermoeden uitgesproken, dat door het con-
tact tussen de huminezuren en het mond- en klauwzeervirus het laatste zou worden
gedood; m.a.w. het virus uit de blaren aan klauwen en rostrum zou door contact
met het turfstrooisel worden vernietigd. Praktijkproeven zijn echter moeilijk te nemen
omdat men door de wettelijke maatregelen elk risico moet uitsluiten, terwijl boven-
dien mogelijke aanspraak op schadevergoeding uit deze proeven zou kunnen voort-
vloeien.

Door het gebruik van turfstrooisel zal de blokkade van het bedrijf slechts 12 ä 16

-ocr page 46-

dagen hoeven te duren, terwijl alle verdere desinfectiemaatregrlen (matten voor de
deuren, kleding van het verzorgend personeel) kunnen worden nagelaten.
Schrijver vermeldt cen overzicht van het verloop van mond- en klauwzeer op cen
zevental varkensbedrijven.

De enige maatregelen bestonden dus uit het enten (met hoogimmuunserum) van de
dieren en het bestrooien van stallen, loopgangen en kribben met een laag turfstrooi-
sel, terwijl het bedrijf al naar de grootte en ligging 12 tot 16 dagen werd geblok-
keerd.

Door het verloop in een bedrijf, waardoor bijvoorbeeld bepaalde hokken waarin door
aankoop van biggen het mond- en klauwzeer is binnengebracht, veel zieke dieren
tonen terwijl in naastliggende hokken de ziekte
niet optreedt, meent schrijver te kun-
nen concluderen, dat turfstrooisel een virusdodende werking heeft. Daarvoor is
nodig dat de pH van het tuifmolm ongeveer 2 ä 3 bedraagt, dan wordt dooi het
contact het virus gedood. Daarnaast eten de dieren het turfstrooisel ook op, mis-
schien dat daardoor eventueel virus in het organisme van het dier wordt gedood.
Het feit, dat in de tegenwoordige tijd veel meer varkens door mond- en klauwzeer
worden aangetast dan vroeger, wijt schrijver aan de veranderde voedermethodes.
Vroeger werd veel zure melk en karnemelk gevoederd, waardoor in de stal een zuur
milieu aenwczig was, in dit milieu kan het mond- en klauwzecrvirus zich niet goed
handhaven. Tegenwoordig is door de moderne vocdcrmethodcs het milieu alkalisch;
door modificatie van het virus zou dit hierin beter kunnen standhouden.
Ook bij andere virusziekten (bijv. varkenspest) wil schrijver onderzoeken hoe dc
viricide werking van turfstrooisel is.

(Wellicht ware bij het optreden van mond- en klauwzeer onder de varkens het ge-
bruik van turfstrooisel voor te schrijven, Rcf.).

ƒ, II. ter Heege.

Heelkunde

DE DIFFERE.\\TI.\\.ALDI.\\G.\\OSE VAN MOTILITEITSSTORI.VGEN BIJ HET
VARKEN ONAFHANKELIJK VAN HET CENTRALE ZENUWSTELSEL.

Reichel, K.: Die Diffcrentialdiagnose der nicht zentral nervös bedingten Motili-
tätsstörungen des Schwcincs.
Dtsch. tierärztl. Wschr.. 69, 653, (1962).
De schrijver geeft cen samenvattend overzicht met tabellarische indeling van voor-
komen, klinische symptomen en differentiaaldiagnosc van cpiphysiolysis femoris,
arthrosis deformans van dc tarsaalgewrichten, osteomalacic, rachitis, resistente niet
van voeding afhankelijke rachitis, vlekzicktcpolyarthritis, pyogencsinfcctie van de ge-
wrichten, brucellose, mond- en klauwzeer en fibrineuze synovitis en gewrichtsontstc-
king.

Genoemde aandoeningen behoren tot dc belangrijkste kreupclhcidsoorzaken bij het
varken.

H. ]. Wintzer.

Voedingsmiddelenhygiëne

Huisman, Dr. J. en D a n i ë 1 s-B o s m a n, Dr. M. S. M.; Sabnonella-veront-
reiniging van plantaardige grondstoffen voor voedingsmiddelen van mens cn dier.
Ned\'. Tijdschr. Geneesk., 106, 368, (1962).

Door met Salmonella besmet veevoeder (van plantaardige en dierlijke oorsprong)
kan de mens indirect besmet worden, maar ook directe besmetting is mogelijk, name-
lijk door nuttiging van plantaardige produkten (waarvan veevoeder o.a. gemaakt
wordt), b.v. kokos, o.a. vermageringsmiddelen op kokosbasis, ongebrande aardnoten,
ongebrande pinda\'s, palmpitten, lijnzaad en zonnebloempitten, als gehele zaden of
van de olie ontdaan (schroot).

Schrijvers hebben uit 80 monsters gemalen kokos twaalf maal Salmonella geïsoleerd

-ocr page 47-

(acht typen), uit zeventien vci])al<kingen vermageringsiiiiddelen driemaal, uit vijf-
tien monsters van peulen ontdane aardnoten zesmaal (alle van verschillend type), uit
vijftien monsters palmpitten tweemaal, uit zes monsters schroot eenmaal.
De besmetting van de produkten kan plaats hebben tijdens het oo.gsten, tijdens het
vervoer (besmette schepen) en tijdens de opslag (besmette zakken).
Bekender dan besmetting door plantaardige produkten is dc besmetting door dier-
lijke produkten, dier- en vismeel, maar ook door orgaanpreparaten. Schrijvers onder-
zochten pancreatine, dat een patiëntje met pancreasfibrose had besmet. Zij isoleerden
daaruit vier soorten
Salmonella.

j. li. Soeteman.

RADIOACTIEVE STOFFEN IN MELK.

Interim Report on Radioactivity in Milk.
(ARCRL-report No. 9, March 1963. Radiobiological Laboratory, Letcombe Regis,
Berkshire, England.)

Dit rapport bestaat uit twee delen.

Het eerste gedeelte verschaft informatie over de gemiddelde J^\'" niveaux in melk
in het laatste kwartaal van 1962. Gedurende de zomermaanden werden een enkele
maal sporen J^^i in melk aangetroffen; begin september, samenvallend met de laatste
serie Russische proefexplosies boven Nova Zembla, vond cen duidelijke stijging
plaats welke culmineerde in een top begin oktober. Na een daling tegen het eind
van deze maand werd een nieuwe en hogere top geconstateerd in november. Deze
werd weer gevolgd door een daling welke zich in december voortzette. Dc .J\'\'"-
gehalten worden per week berekend; de wijze van monstername is zodanig dat een
algemeen land-gemiddelde kan worden opgesteld.

De hoogste waarde die werd gevonden, bedroeg 175 pC J^\'\'"\' per liter melk gedu-
rende één week in november. Ter vergelijking diene de maximaal toelaatbare dosis;
deze bedraagt 130 pC per liter melk gedurende onbepaalde tijd. Op basis van weke-
lijkse bepalin.gen komt deze dosis overeen met cen totale dosis van 130 x 52 = 6760
pC J\'\'" per jaar. Uit de wekelijkse gegevens kan de werkelijke jaardosis worden be-
rekend. De hoogste jaarlijkse dosis voor geheel Engeland blijkt nog altijd 20% be-
neden de maximaal toelaatbare te liggen, terwijl het maximum dat voor een bepaald
gebied werd gevonden 27% van de „toe.gestane" dosis bedraagt.
Het tweede gedeelte behandelt de besmettin.gsniveaux in melk met Sr"". De land-
gemiddelden per liter melk over een geheel jaar, eindigend op respectievelijk 1 maart
1962, 1 juni 1962 en 1 sptember 1962, .geven een stijging aan van 6.6 pC Sr"\' tot
11.0 pC
Sr"" per liter melk. Dit is een gevolg van de Russische proefexplosies van
1961.

Het merkwaardige feit doet zich voor dat dc grootste stijging niet optreedt in het
voorjaar van 1961 maar pas in dc herfst van dat jaar. Bepaalde gebieden waar kli-
matologische en bepaalde landbouwkundige factoren het aannemelijk maken dat een
hoger Sr"" gehalte mag worden ver^vacht, worden apart vermeld. Hier heeft men
jaargemiddelden gevonden die varieërden van 15-66 pC Sr"" per liter.
Om tot een waardering te komen over het gevaar van deze niveaux voor de volks-
gezondheid past men cen overeenkomstige redenering toe als bij J\'-\'" werd gedaan.
Het maximaal toelaatbare niveau is 67 pC Sr"" per gram Ca in het bcendcrstclsel
der bevolking als geheel. Het blijkt nu dat gemiddeld, over geheel Engeland ge-
nomen, een gehalte aan Sr"" per liter melk werd gevonden dat tot minder dan
4%
van bovengenoemde been-dosis aanleiding zou geven. Voor bepaalde gebieden rnet
een hoog Sr"" gehalte bleef dit gehalte nog beneden 10% van de maximaal toelaat-
bare bcendosis.

/. van den Hoek.

-ocr page 48-

BOEKBESPREKING

ALLGEMEINE PATHOLOGIE FÜR TIERÄRZTE UND STUDIERENDE DER
TIERMEDIZIN.

WalterFrei.

Fünfte, erweiterte Auflage, neubearbeitet von Prof. Dr. J. Dobberstein, Prof. Dr.
W. Frei, Prof. Dr. D. Matthias, Prof. Dr. G. Pallaske, Prof. Dr, S. Rubarth und
Prof. Dr, H, Stünzi,

(Vertag Paut Parey 1963, 368 pag., 130 afbeeldingen. D.M. 54,-)
Dat sinds 1941 nu al een 5e druk van het bekende werk van Frei nodig bleek,
kan waarschijnlijk enerzijds verklaard worden door de aftrek die vorige drukken
vonden, anderzijds door de steeds toenemende kennis op allerlei gebieden van de
biochemie en geneeskunde, die herziening en aanvulling wenselijk maakte.
Tekenen hiervan vinden we in deze nieuwe druk, o,a, bij de bespreking van de
degcneraties (de verwijzing op de laatste regel van pag, 103 naar afb, 11 is een
drukfout, bedoeld is afb, 14), bij dc stoornissen in het calciumgehalte van de weefsels
waarbij nu ook de renale ostcodystrofie van de hond behandeld wordt en in het
hoofdstuk over de humorale afweermechanismen, waarbij thans ook dc rol van dc
plasmacellen bij de antilichaamvorming vermeld wordt. Ook het schema van het
bloedstollingsmechanisme is sterk uitgebreid.

Nieuw en van belang voor de antedatering bij koopkwesties, is een tabelletje met de
tijdstippen waarop in een ontstekingsproces de verschillende ontstckin,gsccllen, fibro-
blasten, nieuwgevormde capillairen, collagene en elastische vezelen aangetoond kun-
nen worden,

Frei\'s „Allgemeine Pathologie" kan elke dierenarts van harte aanbevolen worden.

S. van den Akker.

INGEZONDEN

DE NADERE KEURING EX ARTIKEL 8 VAN DE VLEESKEURINGSWET.

In aflevering no. 8 van dit tijdschrift stelt Dr. J, M. van Vloten de vraag: „Is
nadere keuring ex artikel 8 van de Vleeskeuringswet overbodig, gewenst of nood-
zakelijk". Zijn antwoord luidt, dat deze nadere keuring niet overbodig is, dat het
hoogst ongewenst zou zijn haar te doen vervallen cn dat zij bij de huidige structuur
van de wet noodzakelijk is.

Alvorens op deze antwoorden in te gaan, wil ik gaarne uiteenzetten, waarom ik ge-
meend heb tc,gen het artikel van Dr. van Vloten in het geweer te moeten komen.
Dat is niet, omdat ik pretendeer het beter te weten dan hij. Dr. van Vloten is een
erkend deskundige op dit terrein, ik ben in dit opzicht een volslagen leek. Maar
het gaat hier, zoals Dr. van Vloten terecht stelt, om een vraagstuk, dat momenteel
in het middelpunt van de belangstelling staat. Nog onlangs hebben zelfs enige leden
van de Eerste Kamer bij dc behandeling van de Rijksbegroting (Landbouw en Vis-
serij) het bestaansrecht van de nadere keuring aangevochten. Ook zij waren geen
deskundigen, zoals Dr. van Vloten is. Maar zij waren ongetwijfeld de spreekbuis van
een groep van geïnteresseerden, die kennelijk een andere mening huldigt.
Voor een juiste oordeelsvorming nu zal men alle argumenten pro en contra moeten
afwegen, en mijn eerste bezwaar tegen het artikel van Dr. van Vloten is dan ook,
dat hij dat niet doet. Dc nadere keuring is voor hem 8 pagina\'s lang een puur-
technische aangelegenheid. Dc andere aspecten doet hij in één 4-regelige alinea, de
tweede alinea van de eerste pagina, af door te suggereren, dat ze van geen betekenis
zijn.

„Simplistisch" noemt hij de stelling van hen, die deze nadere keuring als een be-
lemmering „aanvoelen" en haar een dwaasheid vinden. Het zou interessant zijn ge-

-ocr page 49-

weest indien Dr. van Vloten de juiste bron van deze stelling had vermeld. Wat ik
echter simplistisch vind, is de suggestie van Dr. van Vloten, dat zij, die over deze
nadere keuring anders oordelen dan hij, haar slechts als een belemmering zouden
„aanvoelen", m.a.w. dat de nadere keuring in werkelijkheid voor hen geen belem-
mering zou zijn. Dat is zij natuurlijk wel. En voor een juiste oordeelsvorming zal
men moeten beginnen met dit te erkennen. Alleen dan kan men op verantwoorde
wijze nagaan, of deze belemmering te.genover de eveneens reële belangen, welke de
nadere keuring beoogt te beschermen, gerechtvaardigd is, dan wel, of het wellicht
mogelijk zou zijn deze belangen op andere wijze te beschermen zonder dat daaraan
belemmeringen voor de handel verbonden zijn.

Het is duidelijk, dat bij deze benadering de historische achtergronden die Dr. van
Vloten zo uitvoerig belicht en waaraan hij zo\'n grote waarde toekent, van minder
belang zijn. De Vleeskeuringswet dateert uit 1922. Ik neem zonder meer aan, dat
zij onder de toenmali.ge omstandigheden een noodzakelijkheid was. Vleeskeuring is
uiteraard ook heden ten dage nog noodzakelijk, maar dit betekent niet, dat er thans,
anno 1963, en aan het begin van een .geheel nieuwe ontwikkeling, de Europese markt,
geen reden zou kunnen zijn van systeem te veranderen.

Kennis van historie is van belang om het heden te begrijpen... dat ben ik met Dr. van
Vloten eens. Maar wie zich teveel blind staart op het verleden — en daar ligt mijn
tweede bezwaar tegen de benadcrin.gswijze van Dr. van Vloten — loopt het gevaar
de bus naar de toekomst te missen.

Mijn derde bezwaar is, dat het betoog van Dr. van Vloten zijn conclusies niet kan
dragen.

Eerste argument: De nadere keuring werkt preventief en er wordt nog weieens on-
deugdelijk vlees aan de consumptie onttrokken. Daarom, aldus Dr. van Vloten, is
de nadere keuring, gelet op het volksgezondheidsbelang, niet overbodig. Zo gezien:
neen, maar de vraag is ook, of dit volksgezondheidsbelang niet even bevredigend op
een andere wijze, met minder belemmeringen voor de handel, kan worden behartigd.
Aan deze vraag komt Dr. van Vloten niet toe.

Tweede argument: de vleeskeuring is een gemeentelijke aangelegenheid. De .gemeen-
ten stellen zelf de keurlonen vast. Zij zullen, bij het wegvallen van de nadere keuring
die „evenwichtsbevorderend" werkt, elkaar gaan beconcurreren ten koste van de
keuring en van de hygiëne. Derhalve is het doen vervallen van dc nadere keuring
in hoge mate ongewenst. .Alweer rijst de vraag: is de nadere keuring nu werkelijk het
enige alternatief voor een — ik citeer Dr. van Vloten — ongeordende toestand?
Zou die toestand niet op andere wijze geordend kunnen worden? B.v. door de ge-
meenten aan voorschriften te binden of de vleeskeuring door het Rijk te doen" uit-
voeren? De door Dr. van Vloten geschetste situatie kan toch nimmer een doorsla.g-
gevend motief zijn om dc nadere keuring ten eeuwigen dage te handhaven?

En dan komt de eindconclusie van Dr. van Vloten: omdat de nadere keuring niet
overbodig en haar afschaffing in hoge mate ongewenst zou zijn (beide m.i. onvol-
doende aangetoond) is zij, bij de huidige structuur van de wet, noodzakelijk. Ik her-
haal: bij de huidi.ge structuur van de wet noodzakelijk. Bij een andere structuur dan
niet? Hier wrijft men zich toch wel even de o.gen uit. Dr. van Vloten stelde toch
de vraag, of de nadere keuring noodzakelijk is? En niet, of deze nadere keuring
alleen maar in de huidige structuur van de wet noodzakelijk is? Meent hij nu, dat
de nadere keuring bij een andere structuur van de wet wèl achterwege zou kunnen
blijven en dus in een gewijzigde structuur wèl overbodig zal zijn? Waarom bepleit hij
dan niet een wijziging van de wet en waarom doet hij dan 7 pagina\'s lang moeite
om aan te tonen, dat de nadere keuring niet overbodig en haar afschaffing in hoge
mate ongewenst zou zijn en waarom verwijst hij „tegenstanders van de nadere keu-
ring" dan tenslotte nog zo nadrukkelijk naar een rapport van de OECD?
Of heeft Dr. van Vloten in die 7 lange pagina\'s implicite willen betogen, dat omwille
van de nadere keuring ook de structuur van de wet ongewijzigd moet blijven? Maar
waarom dan die geclausuleerde eindconclusie?

-ocr page 50-

Mijn eindconclusie over zijn betoog moet zijn, dat hij de lezer ondanks heel veel
woorden zijn werkelijk standpunt pro of contra de nadere keuring heeft onthouden.
En dat is jammer.

Mr. J. E. van Leeuwen,

Ministerie van Landbouw en Visserij,

Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.

Den Haag, 28 mei 1963.
Wederwoord.

Het wil mij voorkomen, dat Mr. van Leeuwen de bedoeling van mijn artikel heeft
misverstaan, dan wel daarin zo gaarne nog meer zou hebben willen lezen, wat hem
in hoge mate interesseert, namelijk mijn standpunt pro of contra de nadere keuring.
Dat hij dit jammer vindt is zijn goed recht en dat zal door mij nimmer worden aan-
gevochten.

Is het echter juist in dit stadium ten aanzien van een zo gecompliceerd probleem cen
zwart-wit standpunt in te nemen?

Verdient het niet meer aanbeveling, indachtig de woorden „Du choc des opinions
jaillit la vcrité" tot de meest juiste stellingneming te komen?

Mijn opzet met het lanceren van het gewraakte artikel is slechts geweest een be-
lichten van de samengesteldheid van het vraagstuk der nadere keuring en naar mijn
smaak komt zulks uit het slot van mijn artikel duidelijk tot uiting. Men oordelc:
„Moge bovenstaande beschouwingen omtrent dc nadere keuring, thans in het middel-
punt der belangstelling, zodanig verhelderend werken, dat cen juiste beoordeling
van dit zo gecompliceerde probleem bevorderd wordt."

Mijn uitgangspunt is daarbij geweest de door Mr. van Leeuwen aangevallen tweede
alinea van mijn betoog, welke ik hier voor goed begrip geheel laat volgen.
„Simplistisch wordt daarbij gesteld door hen, voor wie deze nadere keuring wordt
aangevoeld als cen belemmering in het verkeer van voorverpakt vlees, dat opnieuw
keuren van reeds goedgekeurd vlees niet alleen overbodig doch zelfs een dwaasheid
is, welke zo spoedig mogelijk dient tc verdwijnen."

Ondanks het gebruik van dezelfde woorden geeft Mr. van Leeuwen aan deze alinea
cen geheel andere inhoud.

Het uiten van de kreet, dat dc nadere keuring omschreven in artikel 8 van de Vlees-
keuringswet zonder meer dient te verdwijnen is simplistisch en als men daarbij spreekt
van een dwaasheid, dan dient het slot van mijn artikel om aan te tonen, dat ook in
andere landen aan deze dwaasheid in meer of mindere mate wordt gedaan.
Indien ik bij de beantwoording van de laatste door mij gestelde vraag niet daarbij
gezegd zou hebben „bij de huidige structuur van de Vleeskeuringswet", dan zou ik
te kennen hebben gegeven, dat in de landen, waar de nadere keuring niet bestaat,
de vleeskeuring op onvoldoende wijze wordt uitgevoerd.

Zonder op verdere door Mr. van Leeuwen gedane suggesties in tc gaan, meen ik tc
moeten stellen dat de nadere keuring een integrerend deel is van de uitvoering van
onze Vleeskeuringswet in zijn huidige vorm, welke daaruit niet zonder toebrenging
van schade aan het geheel, kan worden losgeweekt.

Voorburg, 17 juni 1963. Dr. J. M. van Vloten.

-ocr page 51-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

DE WERELDLANDBOUW- EN VOEDSELSITUATIE.
(„State of Food and Agriculture" - 1962)

De wereldvoedselproduktie (het Chinese vasteland niet meegerekend) is momenteel
per hoofd ongeveer 13% hoger dan vóór 1940. Dit wordt medegedeeld in „The State
of Food and Agriculture" van 1962, het weer verschenen jaaroverzicht van de F.A.O.,
dc Voedsel en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties. De wereldbevolking\'
IS met 38% toegenomen en de voeds. Iproduktie met 56%. Deze cijfers hebben be-
trekking op de periode 1959-1960 — 1961-1962, vergeleken bij de voor-ooriogse
periode.

In deze mondiale gemiddelden li.ggen grote verschillen besloten tussen de meer ont-
wikkelde en de economisch minder ontwikkelde gebieden. In het rapport wordt dan
ook opgemerkt dat genoemde gemiddelden weinig betekenis hebben in cen wereld
waar de produktie zeer onevenredig in verhouding staat tot de bevolking. De toe-
name van de voorraden heeft zelfs het totale aanbod van voedsel doen afnemen.
Bovendien werden aanbod en verbruik in afzonderiijke gebieden en landen niet alleen
beïnvloed door dc produktie per hoofd maar ook door de im- en export van be-
paalde voedingsmiddelen. Dientengevolge steeg het aanbod per hoofd minder snel
dan de produktie per hoofd in de meer ontwikkelde gebieden (uitgezonderd die van
Oceanië, nl. Australië en Nieuw Zeeland). In de minder ontwikkelde gebieden had
precies de te.genovergestelde ontwikkeling plaats. Een lichte verbetering in het aan-
bod per hoofd blijkt sinds de gehele na-oorlogse periode te hebben doorgezet in
Midden- en Zuid-Amerika, het Verre Oosten (uitgezonderd de Chine.sc Volksrepu-
bliek) alsmede in het Nabije Oosten, maar niet in .Afrika.

Dc vocdselleverantics uit de meer ontwikkelde landen hebben het aanbod in dc min-
der ontwikkelde gebieden verbeterd. Maar langzame toename van hun produktie en
snelle bevolkingsgroei hebben het effect teniet .gedaan van de extra leveranties aan
deze gebieden. Zodoende neigt het toch al grote verschil in het voedselaanbod per
hoofd tussen de meer en minder ontwikkelde gebieden groter te worden.
Het rapport vermeldt dan ook dat bijna de volledige toename van dc wereldvoedsel-
produktie per hoofd voor rekening komt van de meer ontwikkelde gebieden cn juist
helaas niet van de minder ontwikkelde, waar deze verbeteringen zo drin,gend nodig
zijn om de levensstandaard tc verheffen.

Terwijl het percentage van dc toeneming van de voedselproduktie in de meer- en
minder ontwikkelde gebieden ongeveer gelijk was (56% in dc ontwikkelde landen en
54% in de minder ontwikkelde) nam de produktie per hoofd in de mecr-ontwikkelde
met 29% toe, tegen ongeveer 2% in dc minder-ontwikkeldc gebieden.
De verklaring hiervan is voornamelijk gelegen in verschil in bevolkin.gsgroei, aldus
het rapport. De bevolking nam in de ontwikkelde gebieden sinds 1945 toe met 21%
en in de minder ontwikkelde met 51%. In het rapport wordt hier de opmerking aan
verbonden dat de bevolkingstoename in de minder ontwikkelde gebieden de neiging
heeft steeds meer toe te nemen tengevolge van verbreiding van hygiënische en me-
dische zorg, die het sterftepercentage naar beneden brengt. Recente volkstellingen
in vele landen hebben aan het licht gebracht, dat dc werkelijke bevolkin.gstoenamc
veel hoger is dan de indertijd geraamde toenemingspcrcentages. Het is daarom nood-
zakelijk om het jaarlijkse tocnemingspercenta.ge van de wereldbevolking — commu-
nistisch China buiten beschouwing gelaten — te herzien en van 1,6% nu te stellen
op 1,8%.

Gedetailleerde statistieken wijzen aan, dat dc grootste toeneming in de voedsel-
produktie per hoofd plaats vond in Oost-Europa en de Sowjet-Unie. In dit .gebied
beliep de toename 46% sedert 1945. Daarna volgden West-Europa met 20% en
Noord-.\'^merika met 16%. Uit Oceanië wordt een geringe terugloop vermeld met
5%.

Voor wat de minder ontwikkelde gebieden betreft werd in elk gebied op gegeven
Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 13. 1963 343

-ocr page 52-

ogenblik het voor-oorlogse peil bereikt. Maar met uitzondering van het Nabije
Oosten, was deze winst maar van tijdelijke aard en is de produktie per hoofd dan
toch weer achteruit gegaan.

Zelfs in het Nabije Oosten, waar de voedselproduktie per hoofd in het topjaar
1958-1959 ongeveer 15% boven voor-oorlogs peil kwam te liggen, is sindsdien de
winst ongeveer weer gehalveerd, hoofdzakelijk tengevolge van achtercenvallende pe-
rioden van droogten in een groot deel van het gebied.

De voedselproduktie per hoofd wordt in Afrika geraamd op 5% boven voor-oorlogs
peil in het jaar 1956-1957, Dit percentage is nadien in geringe mate achteruit ge-
gaan. In Latijns Amerika geraakte de voedselproduktie per hoofd pas in de periode
1956-1957 tot 1959-1960 boven voor-oorlogs peil. Het Verre Oosten bereikte het
voor-oorlogs peil in 1960-1961 tengevolge van drie goede achtereenvolgende oogsten,
maar het is twijfelachtig of dit peil in 1961-1962 zich handhaaft.

West- en Zuid-Europa.

Na een flinke toename met 6% in 1960-1961 onderging de landbouwproduktie in
West-Europa in 1961-1962 een kleine terugloop. Voorlopige schattingen van de
F.A.O. geven aan dat de achteruitgang voor het gehele gebied gold en dat Grieken-
land waarschijnlijk als enige land een flinke toename te zien gaf.
De graanproduktie in West- en Zuid-Europa liep met 6% terug tengevolge van de
natte zomer van 1960, gepaard met herinzaai van zomertarwe, in de plaats van
wintertarwe. De opbrengst van suikerbieten en aardappelen lag aanmerkelijk be-
neden de grote vorige oogst. Van de voornaamste produkten in West- en Zuid-Europa
gaven in 1961-1962 alleen het citrusfruit en de katoen een flinke toeneming te zien.
De veehoudcrij-produktie nam verder toe met 2 a 3%. Dc zuivclproduktie overtrof
de vraag. Rund- en kalfsvlees en varkensvlees waren in overvloed voorhanden.

Oost-Europa cn Rusland.

De landbouwproduktie in dit gebied is naar raming met 2% toegenomen. Dc Rus-
.sische graanoo,gst nam in 1961-1962 enigszins toe. Geproduceerd werd hier 137,3
miljoen ton; aanzienlijk beneden het streefcijfer van 154 miljoen ton overigens. De
produktie van peulvruchten steeg van 2,6 miljoen tot 4 miljoen ton. De vlees-
produktie lag er met 8,8 miljoen ton nog 3 miljoen ton beneden het streefcijfer. De
melkproduktie die 62,5 miljoen ton beliep, kwam ongeveer 16 miljoen ton beneden
het streefcijfer uit.

In Oost-Europese landen was geen sprake van toeneming van de graanproduktie. Dc
suikerproduktie kwam 8% lager uit dan die in het voorafgaande seizoen ondanks
een topoogst in Polen. De rundveestapel nam in Oost-Europa toe, behalve in Oost-
Duitsland, waar een groot aantal dieren werd afgeslacht om de vleesvoorziening in
stand te houden.

Noord-Amerika.

Hier ging de landbouwproduktie met 1% achteruit. In de Verenigde Staten lag dc
produktie dicht tegen het recordpcil aan van 1960-1961, maar de Canadese produktie
was een kwart kleiner tengevolge van droogte in dc prairieprovincies. De Canadese
tarwe-oogst was dc kleinste sinds 1937-1938 en de gerstoogst de kleinste sinds 1949-
1950. De ruwvocderpositie werd uiterst moeilijk en veel rundvee werd voor be-
weiding in de Verenigde Staten uitbesteed, dan wel daar naar geëxporteerd als
slachtvee.

De veehouderijproduktie in de Verenigde Staten nam verder toe, maar dc produktie
van gewassen was wat geringer dan in het vorige seizoen. De tarweproduktie hep
met 10% terug. De produktie van sojabonen vertoonde echter een grote uitbreiding
wegens de met 25% verhoogde steunprijs.

-ocr page 53-

Oceanië.

In 1961-1962 volgde hier een produktietoename van 1% op de 3% toename in het
voorafgaande jaar. De graanproduktie nam met 15% af maar de veehouderij-
produktie nam aanmerkelijk toe.

Latijns Amerika.

In Latijns Amerika nam de landbouwproduktie met 4% toe. Hoofdzakelijk dank zij
snelle opbrengstverhoging van tarwe, koffie, lijnzaad en rundvlees. De toename van
de voedselproduktie beliep maar 2%. Dc tarweproduktie nam ongeveer met 20%
toe, waarvan het grootste deel voor rekening van Argentinië is gekomen. De koffie-
produktie ging met 15% in de hoogte en die van lijnzaad met 25%.
Dc veehouderijproduktie nam in 1961 met 4% toe en gaf daarmede een belangrijk
herstel te zien van het lage peil in de twee voorafgaande jaren. Ofschoon moet wor-
den opgemerkt, dat de produktie van rund- en kalfsvlees in Latijns Amerika in

1961 lager dan het record van 1958 is uitgekomen.

Het Verre Oosten.

Na drie achtereenvolgende seizoenen met een produktietoename van telkenmale 3%
steeg de landbouwprodukde in het Verre Oosten (met uitzondering van het Chinese
Vasteland) in 1961-1962 maar met 1%. Ongunstige weersomstandigheden hebben de
produktie in verscheidene landen onder andere Birma, Indonesië en Zuid-Vict Nam
benadeeld. De tarweproduktie nam toe, maar de rijstoogsten kwamen enigszins be-
neden dic van 1960-1961 te lig.gen ingevolge de teru.ggang in de drie reeds .genoemde
landen, benevens Cambodja. De produktie van aardnoten, jute en rubber nam aan-
merkelijk toe. Bij de meeste andere stapelgoederen was de produktie gering. Dc
schattingen voor vechouderijprodukten vertoonden cen te verwaarlozen stijging in
1961, vergeleken bij 1960, ondanks snelle toename in Japan.

In de Chinese Volksrepubliek heeft klaarblijkelijk voor de derde achtereenvolgende
keer een slechte oogst plaats gehad en nam, naar het schijnt, het al.gemene verbruiks-
peil van voedingsmiddelen en het individuele menu nog verder af en werd onder-
voeding als oorzaak gerapporteerd van dc ongunstige ontwikkeling in man-produktic.

Het Nabije Oosten.

.Achtereenvolgende droogtcpcrioden in Irak, Jordanië en Syrië hebben in dc afge-
lopen jaren de groei van de landbouwproduktie in dit gebied benadeeld. In 1961-

1962 liep deze ongeveer 2 a 3% terug. Dc graanproduktie nam met ongeveer 2 mil-
joen ton af ten opzichte van het la.gc peil van 1960-1961. Ook werd teruggang in dit
gebied gemeld van de produktie van peulvruchten, suiker en citrusfruit.

Afrika.

Herziene ramingen voor .Afrika geven te zien dat de landbouwproduktie in 1960-
1961 met 4% is geste.gen. Dc voorlopi.gc .ge.gevens voor 1961-1962 tonen een tcrug-
.gan.g in bijna dezelfde orde van .grootte. Deze schommelingen weerspiegelen hoofd-
zakelijk de gebeurtenissen in .Algiers, Marokko en Tunesië, dic normaal één zesde
bijdragen in de totale produktie van .Afrika. In 1961-1962 waren er ernstige droog-
ten in deze landen.

De totale graanproduktie wordt op ongeveer 10% .geraamd beneden die van 1960-
1961. De tarwe liep met 36% terug cn dc .gerst met 55%. Dc maisproduktie nam
verder toe, ofschoon in delen van Oost-.Afrika en Dahomey crnsti,ge voedseltekorten
ontstonden na mislukkin.g van de rnais.

Voor wat het gewas aangaat dat in hoofdzaak zuidelijk van de Sahara wordt ver-
bouwd, wordt voor de katoenproduktie cen achteruitgang geraamd met bijna 20%
en een lichte teruggang in de verbouw van koffie en cacao. De suikcrproduktie her-
stelde zich van het lage peil van het jaar daarvoor met 24%.

-ocr page 54-

üe internationale handel in landbouwprodukten.

Gerekend op wereldbasis nam de omvang van de handel in landbouwprodukten met
4% toe, hetgeen alleen wordt veroorzaakt door grote invoeren van graan en suiker
in communistisch China, de Sowjet Unie en Oost-Europa. In de andere landen als
totaal was geen sprake van toeneming.

De gemiddelde exportwaarde van landbouwprodukten liep 4% terug zodat er geen
toeneming ontstond in de totale waarde van de wereldhandel van agrarische pro-
dukten.

De gemiddelde exportprijzen van produkten van de landbouwindustrie stegen 2%.
De exportprijzen van de landbouwprodukten op de wereldmarkt kwamen dienten-
gevolge 6% la.ger te liggen dan die van industrieprodukten. Dit is het zevende
achtereenvol.gende jaar, waarin deze veihouding ongunstiger werd; in 1961 kwam
deze verhouding 24% lager uit dan het gemiddelde van de verhouding in 1952-1953.

Levensmiddelen.

De invoer van levensmiddelen in West-Europa cn de minder ontwikkelde gebieden
samen, beliep bijna dc helft van de wereldhandel in landbouwprodukten. Genoemde
gebieden importeerden minder voedsel in 1961 tengevolge van de geste.gen eigen pro-
duktie in 1960-1961.

De snelle bevolkingsgroei in acht nemende, maakt het rapport er dan verder gewag
van, dat naar alle waarschijnlijkheid de voedselinvoer in de minder ontwikkelde
landen, mogelijkerwijs Latijns Amerika uit.gezonderd, een van de snelst toenemende
factoren zal blijven van de wereldhandel in landbouwprodukten.

Industriële landbouwprodukten.

Het grootste deel van de .geringe toename in de wereldhandel in industriële land-
bouwprodukten kwam voor rekening van een 10% toeneming van de importen in
het Verre Oosten, waarvan Japan de voornaamste koper was. Bijzondere factoren
hebben schuld aan de terugloop van deze importen in West-Europa, o.a. het kleine
aanbod op de wcrcldjutemarkt en de afname van dc importeursvoorraden van katoen.
Maar ook over langere termijn .gezien vertonen de importen van industriële land-
bouwprodukten in West-Europa en Noord-.Amerika een zekere stilstand in de om-
vang. De Noordamerikaanse invoer liep in feite een derde terug ten opzichte van
het peil van 1952-1953. De lan.ezame toeneming in Noord-.Amcrika van de handel
van enkele industriële landbouwprodukten, als rubber en plantaardi.ge vezels, werd
beïnvloed door toenemend verbruik van kunststoffen. In West-Europa werd de textiel-
produktie ongunstig beïnvloed door de groeiende textielindustrie in de onderontwik-
kelde landen cn hun invoer van ruwe katoen.

.\\nderc produkten.

Het rapport meldt een algemene uitbreiding van de handel in dranken en tabak.
Overvloedig was het aanbod van thee en cacao en vooral koffie, en de prijzen waren
betrekkelijk laag. De handel in visscrij-produkten nam eveneens toe. Er was een grote
stijging in de export van vismeel, 25% meer in 1961 dan in 1960. Dc omvang van
de handel in bosbouwprodukten, met name houtpulp, krantepapier en hout, ging
3% omhoog.

Wijzigingen in voorraden.

Het rapport vermeldt verder dat cr een afname was in de voorraden landbouw-
produkten in 1960-1961, de eerste afname sinds 1957-1958 toen dc wcrcldlandbouw-
produktie een dergelijke terug,gang had ondergaan.

De tarwevoorraden van de vier voornaamste exporteurs: De Verenigde Staten, Ca-
nada, Argentinië en Australië, worden 15% lager .geraamd. De Noord-.Amerikaanse
voorraden van voedergraan liepen met 12% terug, hoofdzakelijk tengevolge van
acties ter vergroting van surplusproduktie.

-ocr page 55-

Afgezien van de voedergranen zijn de wereldvoorraden koffie de grootste. Deze liggen
hoofdzakelijk in Brazilië. Medio 1962 werd de wereldvoorraad op 4 miljoen ton ge-
schat of ongeveer anderhalf maal de jaarlijkse wereldexport. De koffie-export voor-
ziet het grootste deel van het wcreldkoffieverbruik.

Er waren in 1961 grote toenemingen van voorraden boter en kaas en klaarblijkelijk
bleef de botervoorraad ook in 1962 oplopen. De grootste voorraden boter la.gen in
de Verenigde Staten. Dc Europese voorraden liepen in bescheiden mate op, hoewel
er in enkele individuele landen van een aanmerkelijke toename sprake is.
De wereldcacaovoorraad vertegenwoordigt naar schatting zes maanden verbruik. De
wereldsuikervoorraad steeg in 1961 met 13%, hoofdzakelijk tengevolge van een grote
Europese oogst in 1960-1961. De katoenvoorraden liepen met 5% in 1961-1962
terug.

Consumentenprijzen.

Volgens het rapport moet sinds 1945 in de meeste landen de consument voortdurend
meer voor zijn voeding uitgeven. De prijzen voor voedingsmiddelen als deel van
indexcijfers van de kosten van levensonderhoud zijn over de periode 1953-1961 ge-
ste.gen in 37 van 87 lid-staten van de F.A.O. (De kosten van levensonderhoud stegen
meer dan 25%) ; in 19 landen beliep de stijging meer dan 50%.
Bij vergelijking van 1960 met 1961 zijn de prijzen van voedsel gelijk gebleven of
liepen enigszins terug, dit laatste echter in 15 landen van de 79 waarvan gegevens
beschikbaar kwamen. Elders, en wel in 27 landen, stegen de prijzen voor het voedsel
tussen de 5 en 10%. In andere landen was er een bescheiden prijsverhoging.
In de meeste Europese en Noord-Afrikaanse landen vielen de prijsverhogin.gen voor
voedingsmiddelen eerst in de tweede helft van 1961 en zetten zij door in begin van
1962. Steunprijzen aan boeren, betaald door regeringen, stegen voor granen, vee-
houderij- en zuivelprodukten en deze prijzen werkten door in dc detailprijzen.
In Frankrijk kostte het voedsel in 1961 4% meer dan in 1960, maar in januari 1962
kostte het 6% meer dan in januari 1961. Dezelfde prijsontwikkeling vond plaats
in Denemarken, .Noorwegen, Zweden cn Zwitserland, waar de toeneming in 1961
vergeleken bij 1960 maar 2 a 3% was, echter de voedingsmiddelen in januari 6 a
7% ho,gcr waren in prijs dan in januari 1961. Er was een geringe prijsstijging in
Italië en West-Duitsland.

De grootste toename in Europa werd gemeld uit IJsland en wel met 11%, zulks
vanwege officieel toegestane verho.gingen van detailprijzen van basis-vo<-din,gsmidde-
len en het loslaten van de prijsbehcersing van voedingsmiddelen in blik. In Australië
en Nieuw Zeeland waren de voedingsprijzen ongeveer dezelfde in 1961 als in 1960.
In enkele Latijns Amerikaanse landen had een scherpe stijging in de detailprijzen
van levensmiddelen plaats, alsmede van de kosten van levensonderhoud. Er was bijv.
cen prijsstijging van 50% in Paraguay, 35% in Brazilië, 10 a 15% in Columbia en
Uru.guay, 7% in Argentinië en Jamaica en 5% in Peru en Costa Rica. Deze stijging
is volgens het rapport te wijten aan de snelle groei van de vraag en slechts ten dele
aan misoogsten.

In het Verre Oosten waren de prijzen in verscheidene landen vanwege goede oogsten
stabiel, o.a. in Ceylon, India, de Federatie van Maleise staten en Pakistan. Maar
in Birma, Viet Nam en Indonesië stegen de voedingsprijzen tengevol.ge van de achter-
uitgang van dc rijstoo.gst en van moeilijkheden in de binnenlandse marktorganisatie.
Er waren aanzienlijke prijsstijgin,gen voor de voeding in vele landen van het Nabije
Oosten en Afrika wegens slechte oogsten, toenemende vraag en moeilijkheden in de
marktorganisatie. In Iran en Ghana liep dc prijs voor het voedsel met ongeveer
10% op, in Tunesië, Senegal en Turkije met 5% en in Israël met 4%.

Landbouwpolitieken.

Het F.A.O.-rapport meldt over 1961-1962 verscheidene wijzigingen in landbouw-
politieken die waarschijnlijk .gedurende vele komende jaren van invloed zullen zijn
op de ontwikkeling van de wereldlandbouw.

-ocr page 56-

Het rapport vermeldt de hoofdlijnen van de ontwikkeling van de landbouwTJolitiek
in de E.E.G. en weidt daarna een beschouwing aan die van dc Verenigde Staten,
waar men vastbeslotener dan ooit schijnt te zijn om de kostbare last van over-
produktie tot aanvaardbaarder proporties terug te brengen. Bij deze poging staan
de Verenigde Staten praktisch alleen, hoewel het probleem van dc overproduktie
ernstig begon te worden in andere hoog-geïndustrialiseerde landen en ook m.b.t. en-
kele tropische uitvoerprodukten.

Met betrekking tot de overige in Europa gevoerde nationale politieken constateert
het rapport dat de algemene ervaring met landbouwprijsbeleid doet veronderstellen,
dat terwijl het niet moeilijk is prijzen die boeren ontvangen te verhogen mits de re-
geringen over dc financiële middelen beschikken, de politieke hinderpalen buiten-
gemeen moeilijk zijn te nemen als het op verlagen aankomt.

Een punt waarvan de sterkste aanwijzing uit de Verenigde Staten komt is, dat dc
opwaartse beweging van de prijzen die boeren ontvangen gewoonlijk de produktie
doen toenemen, maar neerwaartse beweging gewoonlijk geen verlaging van de pro-
duktie tengevolge heeft, zelfs niet in vergelijkbare mate met de opwaartse tendentie.
Over andere gebieden dan Noord-Amerika en West-Europa wordt in het rapport
gemeld dat het verlangde evenwicht tussen produktie en vraag bijna altijd wordt
gevonden in toeneming van de produktie. In de Sowjet Unie zijn de gevolgde pro-
dukticpolitieken drastisch herzien. Hier is een intensieve produktie met kunstmest-
stoffen geïntroduceerd in de plaats van het systeem van een vruchtwisseling met
verschillende soorten gras voor kunstweiden, hetzij het systeem van periodieke braak-
slag. Dc autonomie van collectieve boerderijen is verminderd en de prijzen voor
rundvlees en boter zijn flink verhoogd.

In het Verre Oosten zijn de meeste landen met meer of minder succes over vele
jaren doende geweest met het formuleren, herzien en lanceren van nationale ontwik-
kelingsplannen. In Latijns Amerika, het Nabije Oosten en vooral in Afrika hebben
een aantal landen niet lang geleden hun eerste ontwikkelingsplannen voorbereid
hetzij in werking gesteld. Veel van deze plannen waren veelomvattend, hoewel zij
voor het merendeel slechts voorzien in het aspect van de regeringsuitgaven, aldus de
„State of Food and Agriculture" - 1962.

(Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij)

REÜNIE OUD-LEDEN VAN HET VETERINAIR STUDENTENCORPS

„ABSYRTUS",

De jaarlijk.se reünie van oud-leden van het V.S.C. „.Ab.syrtus" zal plaats vinden tc
Zeist op 27 september a.s.

De reünisten ontvangen nog een persoonlijke uitnodiging, waarin tijd en plaats van
samenkomst zijn vermeld.

Dj. de Jong, Driebergen-Rijssenburg.
G. J. de Jong, Culemborg.

CONGRESSEN

WORLD VETERINARY ASSOCIIATION.
XVIIe Wereld Diergeneeskundig Congres, Hannover.

Ten vervolge op vóórgaande mededelingen wordt
hierbij bekend gemaakt dat, naar van het Congres-
bureau werd vernomen, de uiterste datum, waarop
men zich voor DM 60,- kan inschrijven, verschoven
wordt van 15 juni j.1. tot 10 juli a.s. Daarna
dient men DM 80,- inschrijfgeld te storten als ge-
woon deelnemer.

-ocr page 57-

KONINKLIJKE NEDERLANDSE CHEMISCHE VERENIGING
„Chemie 1963".

De Kon. Ned. Chemische Vereniging houdt op 11, 12 en 13 september a.s. een
congres, onder de naam „Chemie 1963", waarop getracht zal worden een beeld
te geven van de huidige stand van de chemische wetenschap.

Dit congres wordt belegd ter gelegenheid van de viering van het 60-jarig bestaan
van de vereniging.

13e INTERNATIONAAL CONGRES K.I., WELS.

Van dit congres, van 29 augustus tot 1 september a.s. te houden, is het volgende
voorlopi.ge programma bekend gemaakt.

I. Hauptthema: Physiologie, Anwendung und Gefahren von Sexualhormonen und
Sexualaktiven Wirkstoffen.

Dr. K a 1 e v, Sofia: Die Superovulation bei Fischen, Vögeln und Säugetieren.
Dr. Karg, München: Einsatz von Wirkstoffen in der Tierhaltung und endokrine

Hodenfunktion.
Dr. Koller, Wels: Neue sexualhemmende Wirkstoffe.

Prof. Dr. Paredis, Gent: Die Hormontherapie der Sterilität weiblicher Haustiere.
Prof. Dr. S o k o 1 o
V s k a y a, Moskau (vorläufige Zusage): Laboratoriumsmethoden

zur Frühdiagnose der Trächtigkeit.
Prof. Dr. Tan gl, Budapest: Die Physiologie der Progesterone.

II. Hauptthema: Neue Erkenntnisse der Sterilitätsbekämpfung und der künst-
lichen Besanmng.

Prof. Dr. A e h n e 1 t, Hannover: .Abgangsursachen von Besamun.gsbullen.

Dr. Mackle, Schönböken (DBR): Individuelle Verträglichkeit verschiedener

Samungskonservicrungsmedien, untersucht an Bullenspcrma.
Prof. Dr. Milovanov, Moskau (vorläufige Zusage): Implemetitorcn - - Eine
neue Klasse von physiologisch aktiven synthetischen Stoffen zur Samenverdünnung.
Dr. Müller. Wels: Fragen der Beurteilung und .Auswertung von Besamungs-
ergebnissen.

Prof. Dr. Ris tic, Urbana (USA): Diagnose von Vibrio fetus Infektionen durch

Präcipitation, Hämagglutination und Hämolysctechnik.
Dr. Scncgacnik, Ljubljana: Die Intensität des Fruktose - bzw. des Glykose-
abbaucs, cme Methode zur quantitativen biochcmischeri Beurtcilun.g der Vita-
lität des Stier- und Ebersamens.
Dr. Sic, Zagreb: Die Bedeutung des Glycerilphosphorylcholin im Nativ und ver-
dünnten Bullenejakulat.

III. Hauptthema: Neue Ergebnisse der Genetik.

Dr. Richter, München: Neue Ergebnisse der Blutgruppenforschung bei Haus-
tieren.

Dr. Van L o c n, Geleen (Holland): Genetische Untersuchungen über das Vor-
kommen der Cervix Duplex-Kondition beim Rind.

-ocr page 58-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PULLORUM-ANTIGEEN,

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 93, geproduceerd door Laboratoria
Nobilis N.V. te Boxmeer, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien door de
Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot
1-6-1964.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 209, geproduceerd door Laboratoria
Dr. F. A. de Zeeuw te De Bilt, voldoet aan dc gestelde eisen en is mitsdien door
de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard
tot 24 mei 1964.

DE BEHANDELING VAN MAAG- EN DARMWORMEN BIJ LAMMEREN.1)

Gedurende de afgelopen weken hebben zich vrij veel gevallen van maag-darm-
strongylosis voorgedaan. Dc belangrijkste verschijnselen hiervan zijn in het kort:
kleurverlies, onvoldoende groei en vermagering en diarree; soms sterft wel een enkel
dier. Het infcctiepatroon van de verschillende maagdarmwormen varieert gedurende
het jaar en is afhankelijk van het klimaat: het vertoont een periodiciteit. In deze tijd
van het jaar — en gedurende de afgelopen tijd in het bijzonder — worden veel IVe-
matodirus-wonnen gevonden, in dc zomer nemen deze infecties weer af en krijgen in-
fecties met
Trichostrongylus spp., Haemonchus spp., Cooperia spp. en Ostertagia spp.
en anderen meer de overhand. Gedurende de laatste tijd hebben we ook een toename
van
Moniezia en Goccidicën gezien, deze zijn naar onze mening secundair.
Het is zeer raadzaam om dc diagnose niet alleen op de klinische verschijnselen te
maken, maar hierin ook het faecesonderzoek te betrekken. Aan.gezien cr een verschil
in gevoeligheid voor diverse wormmiddelen aanwezig is bij de diverse wormsoorten,
kan een faecesonderzoek ook van belang zijn voor het te kiezen therapcuticum. On-
volwassen wormen,
Nematodirus spp., Ostertagia en Bunostomum spp. reageren
minder goed op phenothiazine dan op bijv. Mintic of Frantin. In de voorjaars-
maanden en begin zomer kan rnen dan ook beter gebruik maken van wormmiddelen
met een breed spectrum. Later in het seizoen geeft phenothiazine wel bevredigende
resultaten.

De behandeling is echter niet compleet als niet tevens dc herinfectics worden te.gen-
gcgaan. Het .geven van een schoon perceel is nodig! Wanneer grote aantallen dieren
op een kleine oppervlakte worden gehouden, moet men regelmatig omwciden en
niet binnen drie weken op hetzelfde perceel terugkeren.

Tot slot volgen hier nog enkele belangrijke wormmiddelen en hun dosering; Frantin
(B. & W.) 5 g per lam in oplossing. Promintic (I.C.I.) per injectie 200 mg per kg.
(Het gewicht van lammeren varieert thans van 20-35 kg.) Mintic (I.C.I.) per os
verdund met water in doses van 500
mgjkg. Thiabendazole (Merck, Sharp & Dohmc)
waarvan zeer goede resultaten worden vermeld en hetgeen gegeven wordt in op-
lossing per os in doses van 50-100 mgjkg. En tenslotte Phenothiazine in doses van
15 g voor lammeren cn 30 g voor schapen.

Herhaling van de behandeling na 2-3 weken is als regel gewenst!

(Geïnteresseerden zij nog gewezen op de radio-uitzending op 5 juli a.s. van 12.20 uur
tot 12.30 uur via Hilversum II. Hierin zal de heer J. J. Koopman dc vraag behan-
delen: „Hoe houden we onze schapen gezond?").

-ocr page 59-

MOND- EN KLAUWZEER.

Dc daling in het aantal gevallen van mond- en klauwzeer, die zich eind mei begon
af te tekenen, heeft zich in juni voortgezet. Het hardnekkigst handhaaft de ziekte
zich in Limburg, dat nu al vier weken achtereen met 8 gevallen op het overzicht
voorkomt. Ook Noord-Brabant loopt slechts langzaam terug.

Drenthe is inmiddels weer vrij en in de noordelijke provincies hebben zich geen
nieuwe gevallen voorgedaan. In Overijssel en Gelderland komen nog slechts enkele
gevallen voor.

Intussen heeft zich op 7 juni een geval van mond- en klauwzeer onder varkens voor-
gedaan op een bedrijf te Koudekerk aan de Rijn in Zuid-Holland. In een gebied,
gelegen in de gemeenten Koudekerk aan de Rijn, Alphen aan de Rijn, Hazerswoude^
Boskoop, Benthuizen, Zoeterwoude, Leiden, Leiderdorp, Alkemade en Woubrugge,
is het vervoer van herkauwende dieren en varkens verboden.

Maandag 17 juni deed zich in het zelfde .gebied op een buurbedrijf een nieuw geval
voor.

De stand over de laatste twee weken is:

6 t,m, 12

juni 12

t.m. 19 juni

Drenthe

I

Overijssel

1

1

Gelderland

7

3

Noord-Brabant

15

14

Limburg

8

8

Zuid-Holland

1

1

Totaal

33

27

Recapitulatie van 1 jan.

t.m. 19 juni 1963

oud totaal

nieuwe gevallen

nieuw totaal

Groningen

3

3

Friesland

1

_

1

Drenthe

37

_

37

Overijssel

389

1

390

Gelderland

1150

3

1153

Zuid-Holland

3

1

4

Noord-Brabant

401

14

415

Limburg

32

8

40

2016

27

2043

-ocr page 60-

Alle varkens, ouder dan twee weken, werden geënt met monovalent C-vaccin in de
voor runderen gebruikelijke dosis. Het praktijkonderzoek werd aangevuld met een
aantal laboratoriumproeven, waarbij gebruik werd gemaakt zowel van een serologisch
onderzoek als van proefbesmetting.

Uitkomsten van serologisch onderzoek en experimentele besmetting waren in grote
lijnen met elkaar in overeenstemming. Uit beide uitkomsten bleek dat er zeer grote
individuele verschillen bestaan tussen op overeenkomstige wijze behandelde varkens.
Het onderzoek werd ongunstig beïnvloed doordat de cpizoötic onder controle was
voordat cen enigszins belangrijk percentage van de in aanmerking komende beslagen
volledig was geënt.

De conclusie van de proeven, neergelc,gd in een dezer dagen verschenen rapport, is:
In de praktijk kon een effect van een enting op het aantal mond- en klauwzcer-
.gevallen niet overtuigend worden aan,getoond.

Zowel de infectieproeven als het serologisch onderzoek demonstreren evenwel een
duidelijke resistentie na twcemaligc enting. Deze blijkt echter van korte duur en zal
daarom praktisch van beperkte waarde zijn.

RABIES.

In aansluiting op het bericht in de vorige aflevering, waarin werd gemeld dat op
22 mei j.l. in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam een 55-jarige vrouw
overleed, hoo.gstwaarschijnlijk aan rabies, kan thans worden meegedeeld dat het
onderzoek is af.gesloten.

Het bloedonderzoek van dc met herscnmateriaal ingespoten muizen, die stierven en
waarvan in de hersencoupes Ncgrischc lichaampjes werden .gevonden, heeft uitgewezen
dat het hier inderdaad cen geval van rabies betrof.

Ook is thans komen vast tc staan, dat de vrouw in juli 1962 werd gebeten door het
witte hondje dat op 27 juli in een hondenasyl te Amsterdam werd vergast.
Het eerste slachtoffer van een beet van dit hondje was een 3-jarig jongetje, dat ojj
8 september 1962 in het ziekenhuis te .Amsterdam overleed, na op 26 juli in de
linkerpols te zijn gebeten.

In cen tijdsverloop van drie weken stierven te Amsterdam drie mensen aan rabies.

MA.ATREGELEN IN VERB.AND MET DE INVOER EN UITVOER V.AN
HONDEN EN KATTEN.

Hoewel de uitvoer van honden en katten voor wat betreft Nederland niet aan be-
perkende bepalingen is gebonden, moet met het volgende rekening worden gehouden.

le. Voor de wederinvoer in Nederland

dient men voor een hond of kat te beschikken over cen geldig certificaat be-
treffende .gezondheid en enting, hetwelk op verzoek van de ei.gcnaar door dc
dierenarts na een enting tegen hondsdolheid wordt afgegeven en moet worden
gelegaliseerd door cen Inspecteur van dc Veeartsenijkundige Dienst.
De enting moet in verband met de geldigheidsduur voor invoer niet alleen in
Nederland maar ook voor invoer in andere landen meestal liefst ruim een maand
vóór dc datum van vertrek geschieden.

2e. liet buitenland stelt aan de invoer van honden en katten bepaalde eisen.

Voorzover deze eisen hier bekend zijn volgt hieronder een opsomming. Men
dient er echter op bedacht te zijn, dat de bepalingen in het betreffende land ver-
anderd kunnen zijn en men dient er zich bij dc vertegenwoordiging van dat land
van te vergewissen dat een en ander nog juist is, als men zoveel mogelijk zeker
wenst te zijn.

a. België en Luxemburg.

In- en doorvoer toegestaan, mits geldig „certificaat" kan worden getoond.

-ocr page 61-

b. West-Duitsland.

Voorzover bekend wordt geen enting tegen hondsdolheid geëist en is een
verklaring van een praktizerend dierenarts, dat hij de hond heeft onderzocht
en gezond bevonden, voldoende.

c. F r a n k r ij k.

Inentingsverklaring waaruit blijkt, dat het dier minstens één en hoogstens
6 maanden
tevoren werd ingeënt tegen hondsdolheid; het certificaat vol-
doet, mits de termijn van 1 tot 6 maanden in het oog wordt gehouden.

d. Italië.

Verklaimg van oorsprong en gezondheid, waaruit blijkt dat dc plaats van
herkomst van het dier sedert minstens 100 dagen vrij is van hondsdolheid of
verdenking van deze ziekte.

Men wende zich voor deze verklaring tot de Inspecteur van de Veeartsenij-
kundige Dienst in wiens district men woont.

De verklaring moet worden gelegaliseerd door het Italiaanse consulaat te
Amsterdam. Een fotocopie of duplicaat moet mede worden aangeboden op
dit consulaat en wordt daar achtergehouden.

Bij binnenkomst van dc hond of kat in Italië mag de verklaring niet ouder
zijn dan zes dagen.

e. O O s t e n r ij k.
Gezondheidsverklaring.

f. Zwitserland (geldt alleen voor honden).

Invoer vrij, mits alleen voor doorreis per trein of auto, of tijdelijk meege-
nomen op vakantie e.d.. Het is niet bekend of Zwitserland al of niet be-
perkende maatregelen heeft genomen ten aanzien van Nederlandse honden,
na de gevallen van hondsdolheid.

Informatie bij de Zwitserse ambassade, het consulaat of dergelijke wordt
sterk aanbevolen.

g. Finland.

Vergunning van het Finse Ministerie van Landbouw, Ritarikatu 2b te Hel-
sinki.

h. Griekenland.

Gezondheidsverklaring, welke bij het overschrijden van dc Griekse grens bij
inreis niet langer dan 14 dagen geleden mag zijn af.gegcven.

i. Groot-Brittannië.

Toestemming nodig van Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, Hook
Rise, Tolworth, Surbiton (Surrey) ; verzending moet geschieden per kist,
krat of hok, 6 maanden quarantaine,
j. Ierland.

Vergunning van het Ierse Ministerie van Landbouw; kosten 5 shilling,
k. Noorwegen.

Ontheffing nodig van het invoerverbod, waaraan — indien zij wordt ver-
leend — diverse voorwaarden worden verbonden.

1. Spanje.

Officiële gegevens zijn niet voorhanden, doch naar uit de praktijk is ge-
bleken, wordt het certificaat voor wederinvoer in Nederland ook door
Spanje geaccepteerd,
m. Zweden.

Voor de invoer dient vooraf vergunning te worden gevraagd bij Kungl.
Veterinarstyrelsen, Fack, Stockholm 6.

Wordt de vergunning verleend, dan zijn daaraan bepaalde voorwaarden ver-

-ocr page 62-

bonden, waaronder een gezondheidsonderzoek en 4 maanden quarantaine
van het dier in Zweden,
n. Denemarken.

1. Doorvoer is rechtstreeks per trein mogelijk, mits meegenomen in de coupé
en het dier niet met andere honden of katten in aanraking komt; de door-
voer wordt in het paspoort van dc eigenaar aangetekend.

2. Voor invoer (zowel tijdelijk als definitief) is ontheffing nodig van het
Veterinair Direktoratet, Nyropsgade 37 te Kopenhagen V. Indien deze
wordt verleend, worden er diverse voorwaarden aan verbonden, o.a. het
in Denemarken één maand geïsoleerd houden van het dier.

Bij het bovenstaande is ervan uitgegaan, dat het honden van in Nederland gedomi-
cilieerde eigenaren betreft.

INTREKKING VERVOERSVERBOD VAN VARKENS IN OVERIJSSEL E.\\
GELDERLAND.

13 juni 1963 | No. ]. 1658 ( Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.
De Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 38 van de Veewet,

Besluit:
Enig artikel.

De beschikking van 8 maart 1963, nr. J. 658, Directie Juridische en Bedrijfsorgani-
satorische Zaken, Stcrt. 48*), wordt met ingang van 18 juni 1963 ingetrokken.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

\'s-Gravenhage, 13 juni 1963.

*) Laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 5 juni 1963, nr. J. 1557, Stcrt. 1Ü7.
Toelichting.

Bij bovenstaande beschikking wordt het bestaande vervoersverbod van varkens uit,
naar of binnen een gedeelte van de provincies Overijssel en Gelderland ingetrokken.
Gehandhaafd blijft echter het verbod tot het vervoeren van varkens, alsmede van
schapen en kalveren, uit een oostelijk .gebied naar het overige deel van Nederland,
zoals geregeld in dc beschikking van 6 mei 1963, nr. J. 1274, Stcrt. 87.

VERLENGING SCHORSING VARKENSMARKTEN IN VERBAND MET
MOND- EN KL.\\UWZEER.

13 juni 1963 | No. J. 1657 | Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.
Dc Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 10 van de Veewet,
Besluit:

Artikel I

Dc beschikking van 15 mei 1963, nr. J. 1380, Directie Juridische cn Bedrijfsorgani-
satorische Zaken, Stcrt, 94, wordt als volgt .gewijzigd:
In artikel 3 wordt in plaats van „15 juni 1963" .gelezen: 8 juli 1963,

Artikel II

Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag volgende op die harer
bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant,

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz,

\'s-Gravenhage, 13 juni 1963,
Toelichting.

De schorsing van de varkensmarkten in het gehele land is bij bovenstaande beschikking
verlengd tot 8 juli 1963.

-ocr page 63-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

Juli,

4, Afd. Friesland K.N.M.v.D. Diësviering, Hotel Lauswold, Beetsterzwaag,
(pa.g. 857)

6, Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier K.N.M.v.D. 62e leden-
vergadering, 15.00 uur. Hotel Metropole, Nijmegen, (pag. 794)

29—2 augustus, American Veterinary Medical .Association. Eeuwfeest, New York,
(pag. 467, 744)

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover.

(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399, 1536 (1962)); (pag. 118,
253, 620, 848)

22—23, Symposium Ziekten van pelsdieren. pag. (119)

29—sept. 1, Internationale Congres K.I., Wels. (pa.g. 328, 849)

September,

6— 8, Belgische Dierenartsen Vereniging. Diergeneeskundige Dagen, Ant-
werpen.

11 —13, Kon. Ned. Chemische Vereniging. Viering 60-jarig bestaan, (pag. 849)
14, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Contactdag met dc afd. Utrccht en

Noord-Holland, (pag. 686)
20, Nationale Tentoonstelling van varkens en schai)en, \'s-IIerto.genbosch.

22—28, British Veterinary Association. Jaarlijks congres, Llandudno. (pag.
615, 621)

Oktober,

13—19, D.I.G., Lustrumviering, (pag. 859)

18—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Dicr.gcnecskundc, llOe Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag. 467, 620)
31, 6e Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur, Utrccht.

1964

Februari,

16—23, 2e Internationale Weck van de Landbouw, Brussel.

September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië,
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388)

-ocr page 64-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) I 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

Hervatting secretariaatswerkzaanihcden.

Nadat in de aflevering van 15 mei j.l. werd vermeld dat collega Dr. W. .A. de Haan
om gezondheidsredenen zijn werkzaamheden tijdelijk zou staken, kan thans met veel
genoegen worden medegedeeld, dat collega Dc Haan in zoverre hersteld is, dat hij
met ingang van 1 juli a.s. zijn taak wederom zal opvatten.

Het Hoofdbestuur weet mede uit naam van velen te spreken als het hier collega
De Haan van ganser harte met zijn herstel gelukwenst.

Het „nieuwe" kantoor.

Gedurende enige maanden i.-i men druk bezig geweest met zeer noodzakelijke voor-
zieningen te treffen aangaande dc huisvesting van het kantoor van de Maatschappij.
Deze bestonden voornamelijk hierin dat één kamer bij de kantoorruimte werd ge-
trokken, terwijl bovendien het nodige moest worden verricht t.a.v. dc meubilering en
stoffering van de nieuwe ruimte, het gemoderniseerde trappenhuis, de wachtkamer,
de kitchenette enz.

Hoewel met de afwerking van het gehele project nog wel enige tijd gemoeid zal
zijn, was het werk toch wel zover gevorderd, dat het bureau — vanuit zijn tijdelijke
huisvesting in de kamer van de secretaris — thans zijn nieuwe lokaliteiten heeft
kunnen betrekken.

E.e.a. vooruitlopend op de „officiële" inwijding van het „nieuwe" kantoor!
Onderzoek op Aleutian Disease bij nertsen.

Het Centraal Diergeneeskundig Instituut te Rotterdam heeft het Hoofdbestuur ver-
zocht dc aandacht van dc lezers op het voorkomen van deze ziekte in Nederland tc
vestigen, aan welk verzoek hierbij .gaarne wordt voldaan.

Van dc hand van collc.ga Akkermans treft men in deze aflevering op pag. 822 c.v.
cen artikel over het voorkomen en het onderkennen van deze ziekte aan, waarbij
ook de techniek van het onderzoek is beschreven.

Het behoeft welhaast geen nader betoog dat dit onderzoek, waarvoor in ncrtsen-
fokkerskringen zeer veel belangstelling bestaat, door dierenartsen dient tc geschieden.
Hierbij doet zich echter de moeilijkheid voor dat in het algemeen de drukke werk-
zaamheden der praktizerende dierenartsen weinig tijd overlaten voor dit „seizoen-
onderzoek".

Het Hoofdbestuur roept derhalve hierbij de practici, die bereid zijn op de in hun
praktijkgebied gelegen nertsenfarms dit onderzoek in overleg met het C.D.L afd.
Rotterdam te verrichten, op zich op te .geven aan het bureau van de Maatschappij.
Hieraan kan worden toegevoegd dat, indien vóór 1 augustus a.s. deze op.gave het
bureau niet heeft bereikt, wordt aan.genomen dat deze collegae niet in de gele.genhcid
zijn op bovenbedoelde bedrijven dit onderzoek ter hand te nemen, waarna het
Centraal Diergeneeskundig Instituut afd. Rotterdam dit onderzoek zelf zal regelen.

Jubilea.

Op 3 juli a.s. hopen de vol.gende collegae het feit tc herdenken, dat zij 4Ü jaar
dierenarts zijn:

J. C. Choufour, Volksparksingel, Enschede (afwezig).
D. Haak, Nieuwvlietsewcg A 29, Groede.

-ocr page 65-

w. II. J. van Heukcloni, Kiwcgracht 1, Gulpen
W C. Monster, Ben, Oosterdiep 63, Veendam (afwezig)
J. Nip, Burg, Knopperslaan 23, Meppel,

S, Paul Burg, van Dobben de Bruynstraat 8, Bode.graven (afwezig)

D. de Putter, Zuidsingel 34, .\\xel.

D, Reinpt, Rippingstraat 50, .Alkmaar,

R. P. Sybesma, Fok 13, Meerenveen.

H. J. Vrielink, Boslaan 8, Emmen (afwezig),

J. A. de Wolf, Oranjestraat 35, As.sen.

"Ll^nfzi: \'\' 50 jaar

N. Brandenburg, no, 20, Dieverbrug,

Dr. H. S. Frenkel, Verloren Engh,\'Blaricum.

J C M. Gurck, Burg. Nahuyssingcl 4, Doesburg (afwezig)

Irof, Dr. A. Klarenbcek, Griffensteynselaan 16,\'Zeist

J. J. Meier, Oranjelaan 8, Amersfoort,

Dr, J. L. Petten, Slotlaan 28 II, Zeist

W. Voorthuysen, Re.gulierslaan 7, Heiloo (post Alkmaar) (afwezig).
Dr. D. V\\. Zuyaam, Marktplein 2, Hoofddorp (N.H.) (afwezig).

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Friesland.

De afdeling Friesland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde oriïa
niseert op
äonMg 4 juH a.s. haar Jaaraan verbonferJn een aX

Migheulswedstnjd en een koud buffet, te nuttigen in Hotel Lauswold te Beetsu\'r-

Afdeling Zeeland.

Het bestuur van de afdeling Zeeland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dicr-
,geneeskunde heeft zich als vol.gt samengesteld:
W. van Veen, Oostburg, voorzitter;
•V J. B. Hammink, Kloetingseweg\'40, Goes, secretaris;
C:. J. Hoek, Kortgcne, viec-voorzitter:

405,3mT- Oo^tkapellc, penningmeester (gironr,

J. P. Coppoolse, Grijpskerke.

PERSONALIA

ÏJe.l de volgende collegae voor het lidmaatschap van de Kon

Ned. Maatschappi, voor Dier.geneeskunde voor:

W, E, H. van Herten, Dorpstraat 39, Horn (L.).

N, P. Kas, Bussumergrindweg 15, Hilversum.

•A. dc Lange, Aquamarijnlaan 302, Utrecht.

J. R. yan der Lee, van Lijnden van Sandenburglaan 58 Utrecht

U T ; Verriesthof 19, \'s-Hertogenbosch.

H. H. L. Sasse, Buys Ballotstraat 50, Utrecht.
J. Zee, Goedestraat 103 bis. Utrecht.
Mej. M. J. Zoon, Breitncrlaan 3, Utrecht.

Door de verbouwingswerkzaamheden op het bureau is het voordra.gen van deze col-
legae eni.gszins vertraagd.

Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige student J. C, van der Sar. Laan van
Minsweerd 33 te Utrecht aangenomen als kandidaatlid van de Kon Ned Maat-
schappij voor Diergeneeskunde,

-ocr page 66-

Adreswijzigingen en dergelijke:

Berg H van den, van Zwolle naar Wezep, „de Zijkamp", P-80, tel. (05207) 638.
• (147)

Bonga, B., te \'s-Gravenhage, naar Laan van Meerdervoort 1468, aldaar, tel. (070)

60 97 81.

Dijkstra, Mej. R., zie Uijthof-Dijkstra, Mevr. R. (158)

Hofman, J., te Haren (Gr.), naar Stationsweg 12, aldaar, tel. (5900) 4 43 33 (privé),
3 44 41 (bur.), gr. 985082. (169)

Klooster, A. Th. van \'t, te Wageningen, tijdelijk adres: Institute of Animal Physio-
logy, Babraham Cambrid.ge Engeland. (176)
Linden, A. P. van der, te Nijmegen, tel.
bureau gewijzigd in 2 82 82. (181)
Maessen, M. H. G., te Roermond, gr. .gewijzigd in 1054515. (183)
Nieuwenhuijs, W. J., te Nijmegen, tel.
bureau .gewijzigd in 2 82 82. (187)
Peters, P. H. M. E., te Heerlen, naar Dr. Poelstraat 1, aldaar, tel. (04440) 41 65^.

Reiningh, W. J. C., te Amsterdam (Z.), aangesloten onder tel. (020) 42 16 24^.

Talsma, Dr. D., tel. gewijzigd in (05100) 2 38 91 (praktijk), 2 13 75 (privé). (202)
Uijthof-Dijkstra, Mevr. R.; 1959; Delft, van Almondastraat 84; tel. (01730) 2 67 79;

P. (kl. huisd.). (inlassen 204)

Watering, G. G. van de, te De Bilt, tel. bureau gewijzigd in 1 19 94, wetensch. h.ambt.

R.U. (F.d.D., hoofd v. d. afd. Röntgenologie, kliniek v. Heelkunde). (210)

Willcmse, A. H., van Steenwijk naar Utrecht, Tocrmalijnlaan 80, tel. (030) 1 30 19,
D.
b. h. Inst. V. Vecteeltk. Onderz. „Schoonoord". (212)

Gevestigd:

Rijn, G. van, te Hillegom, Meerstraat 157, tel. (02520) 70 27 (overname praktijk
H. van Beekum).

Openbaar Slachthuis te Nijmegen:

Het telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is .gewijzi.gd in (08800) 2 82 82. (113)

Eervol ontslag:

Heilcrsig, H. J., te Diepenveen, tc rekenen m.i.v, 1 januari 1963, op zijn verzoek,
als Rijkskeurmeestcr in bijzondere dienst van de Veeartsenijkundi.ge Dienst.

(reeds verwerkt)

Promoties.

Zwart, P., tc Bunnik, is op 1 7 juni 1963 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht gepromo-
veerd \'tot\'doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift „Studies on renal patho-
lo.gy in Reptiles".

Banerjee, A. K., tc Utrecht, is op 20 juni 1963 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht
gepromoveerd tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift „A study of the
action of Terramycin on the bacterial flora of the uterus in cattle following retained
placenta",

Guinée, P, A, M., tc Utrecht, is op 27 juni 1963 aan de Rijksuniversiteit tc Utrecht
gepromoveerd tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift „Experimental
studies on the origin and significance of antibiotic-resistant
Escherichia coli in anim.-jls
and man".

-ocr page 67-

Veterinaire Studenten Kegelclub „Duim in \'t gat".

Aan de oud-leden van D.I.G.

Zoals U natuurlijk allen bekend is, bestaat de Veterinaire Studenten Kegelclub
„Duim in \'t Gat" dit jaar vijftig jaar.

Het tiende lustrum zal gevierd worden in de week van 13-19 oktober met een groots
programma. In voorbereiding zijn o.a.:

kegelconcours,

avond voor oud-leden, met daarna groot feest,
autorallye, etc. (nadere mededelingen vol.gen).
Het bestuur rekent er op, dat U allen met Uw aanwezigheid het halve-eeuw feest
zult opluisteren.

Dat het een geweldig festijn worde!

Namens het bestuur,
/. A. Jongebreur,
secretaris.

I----------------n

dX)

Bij de Afdeling Diergeneeskunde T.N.O. is een vacature voor

een

dierenarts

met belangstelling voor het onderzoek
virus-pneumonie en influenza
bij varkens.

Salaris volgens T.N.O.-regeling.

Sollicitalies te richten aan de Secretaris, de heer N. F. WERKMAN,
1ste van den Boschstraat 4, \'s-Gravenhage, (telefoon: 070-814141 toestel
2183). bij wie tevens nadere inlichtingen kunnen worden ingewonnen.

MEISJE, bijna 17 jaar, in \'t bezit van MULO-diploma en Typediploma,
ZOU graag bij een dierenarts werken,

enig huishoudelijk werk geen bezwaar.

Adres: J. M. Schalie, Hoofdweg 1722, Abbenes (Haarlemmermeer)
telef. 02534-211.

-ocr page 68-

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deelnemingen in het beleggingsfonds voor Medici zijn elk kv/artaal
verkrijgbaar voor artsen, tandartsen en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen, ook Indien zij buiten Nederland wonen.

Men kan in het Fonds participeren voor één of meer deelnemingen.
Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000, — .

Inlichtingen verstrekt de directie!
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappij

Kaizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 676Ó1

RIJKS INSTITUUT VOOR DE VOLKSGEZONDHEID

vraagt voor haar afdeling EXPERIMENTELE PATHOLOGIE
een

dierenarts of veterinair doctorandus

die bereid is zich in de histologisch-aetlologische richting te
specialiseren.

Het onderzoek van deze afdeling is gericht op bestudering van
de biologische werking van schadelijke stoffen in het milieu van
de nnens.

Sollicitaties kunnen worden gericht aan de Algemeen Directeur van het
Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.

JlssuranMantoor F. Dix

MAURITSSTRAAT 98 — UTRECHT — TELEF. 030—11520

Volledige voorlichting en assistentie bij
vestiging, praktijkovemame of associatie;

Deskundige bemiddeling en voortdurende controle van Uw
verzekeringen.

-ocr page 69-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

ƒƒ. van Genderen, De toxicologische gesteldheid van het milieu 861
/. W. E. Stam, Capillariasis bij postduiven — Capillariasis in

racing pigeons —...........879

L. ten Gate, Eenvoudige en snelle bacteriologische bedrijfscon-
trole op vleesverwerkende bedrijven met „agar"-worsten in
Rilsan-Kunstdarm — A simple and quick method for bacterio-
logical plantcontrol of surface contaminations
— .... 883
Ibrahim El. D. Eid Zayed, A contribution to the pathogenesis
of diarrhoea in cattle
...........892

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

C. Schalk, Driemaal een worp lammeren binnen de veertien
maanden — Three times lambing within fourteen months
— . 900

REFERATEN

Algemeen............

Bacteriële- en virusziekten........

Kunstmatige inseminatie.........

Voedingsmiddelenhygiëne.........

Ziekten van het Kleine Huisdier......

BOEKBEPREKINO

M. It\'. Rewo und M. D. Shuwoka, Veterinärmedizinische Mikro-
biologie ..............904

INGEZO.NDEN

Vleesconserven voor hond en kat (Joh. C. Peters en J. H. J. van

Gils IJ. G. van Logtestijn).........906

BERICHT EN EN VERSLAGEN

Bepalingen bij (weder)invoer van een hond gewijzigd . . . 908
Jaarverslag Prof. Dr. D. A. de Jong Stichting 1962 .... 908
Stichting ter behartiging van de vorming tot assisterend labo-
ratorium-personeel
...........909

Werkwijze op de „Laying-off farm Wenby Lodge" . . . . 910

Het paardengebruik en de dierenbescherming.....910

In- en doorvoer van honden en katten in België . . . 912

Vereniging „Het Nederlandse Aalstrepen- of Witrikkenstamboek" 913

Utr. Universiteitsmuseum, afd. Diergeneeskunde . . . . 914

CONGRESSEN

World Veterinary Association, XVII Wereld Diergeneeskundig
Congres..............915

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst........920

VARIA........... 882, 891, 899, 914, 919

DOORLOPENDE AGENDA............922

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau............923

Personalia.............924

901

901

902

903
903

-ocr page 70-

Pseudovogelpest entstof

(Hitchner en Lasota)

Infectieuze bronchitis entstof

Gecontroleerd op: werkzaamheid
duurzaamheid
onschadelijkheid

LABORATORIA DR. DE ZEEUW n.v. DE BILT

TEL. 030 - 60045

Mr. A. P. J, Fortuin

Mr. F. Smit

J. H. J. van der Steen

P. G. Weynands

Fiscaal-Economische dienst voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Uirechi • \'s-Gravenhage - Nijmegen

Utrechi

Tel. 030-20241
Koningslaan 62

\'s-Gravenhage

Tel, 070-639908
Houtv/eg 3

Nijmegen

Tel. 08800 - 32132
Barbarossastraat 54

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnementstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracht, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dienst

-ocr page 71-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De toxicologische gesteldheid van het milieu1)

door H. VAN GENDEREN

Mevrouw en Mijne Heren Curatoren,
Mijnheer de Rector Magnificus,
Dames en Heren Professoren, Lectoren, Privaat-
docenten en Leden van de Wetenschappelijke staf.
Dames en Heren Studenten,

en voorts gij allen die door Uw aanwezigheid blijk
geeft van Uw belangstelling.

Zeer gewaardeerde toehoorders.

Voor deze rede heb ik een onderwerp gekozen waar iedereen in het dage-
lijks leven mee wordt geconfronteerd. Ik zou graag willen spreken over de
toxicologische gesteldheid van het milieu waarin wij, mensen, dieren en
planten, ons bevinden.

Om die gesteldheid beter te kunnen beoordelen is het goed een ogenblik
terug te zien naar de toestand in het verleden.

Vóórdat de mens begon de toxicologische gesteldheid van zijn milieu te be-
ïnvloeden, was hij — evenals de dieren — volledig aan de bestaande ge-
steldheid overgeleverd. Naast dierlijk voedsel, dat weinig toxicologische pro-
blemen opleverde, verschafte hij zich plantaardig \\ oedsel waarbij hij eetbare
van giftige planten leerde onderscheiden. Hij werd daarbij wellicht ge-
holpen door het vermogen de bittere smaak \'van vele giftige planten als
waarschuwing voor gevaar te herkennen en bovendien door de aanwezig-
heid van een aantal inwendige beschermingsmeclianisrnen tegen chemische
verbindingen, die anders .schadelijk geweest zouden zijn.\' Deze eigen-
schappen, eigenlijk levensvoorwaarden, waren het resultaat van een lange
evolutie als consument van natuiiqirodukten of, zoals Delbrück opmerkte:
„Any living cell carries with it the experiences of a billion years of experi-
mentation by its ancestors"!). De wijze waarop mens en dier zich tegen de
vele potentieel schadelijke stoffen uit ]3lanten beschennen is een onder-
werp, dat toenemend aandacht van toxicologen en biochemici trekt, mede
met het oog op het inzicht in de biologische werking van synthetische pro-
dukten die de mens in zijn evolutie niet eerder zal hebben ontmoet.
De mens zou homo sapiens niet zijn als de ervaring met eetbare en giftige
planten en met gifslangen geen aanleiding had gegeven tot het opbouwen
en benutten van kennis hierover. Men leerde vergiften niet alleen vermijden,
maar maakte van de nood een deugd door ze als geneesmiddel of als pijl-
gift voor de jacht en de onderlinge strijd te benutten. Deze kennis van
vergiften, meestal in het bezit van slechts enkele personen, was gehuld
in een grote mate van geheimzinnigheid en werd ten voordele van die
lieden zo lang mogelijk geheim gehouden. Dit leidde tot een nu nog voort-
levende mystieke angst voor vergiften. Later door een meer algemeen

V

1  Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van gewoon hoogleraar in
de Veterinaire Farmacologie en Biologische Toxicologie aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht op maandag 24 juni 1963.

-ocr page 72-

gebruik van deze kennis en door andere oorzaken werden de levensomstan-
digheden van de mens in toxicologisch opzicht geleidelijk veranderd.
Van deze niet meer primitieve toxicologische gesteldheid en zijn verdere
ontwikkeling tot heden zou ik thans enkele aspecten willen bespreken.

De acute vergiftiging.

Als eerste zou ik U het aandeel van de meest klassieke vorm, de acute
vergiftiging, willen noemen (buiten de beroepssfeer). Daarbij valt direct
op dat men in sommige perioden van de goede oude tijd een overmatige
belangstelling aan de dag heeft gelegd voor het vergift als moordtuig. De
tijd van de renaissance in Italië is in dit opzicht berucht. Dat de specifieke
invloed van de Borgia\'s hieraan schuld zou zijn kan thans door betere ken-
nis van de historie worden tegengesproken. Ook reeds lang daarvoor maakt
de geschiedenis melding van talloze toepassingen van vergift, vooral om
zich van zijn mededingers voor belangrijke posities te ontdoen. Op deze
wijze werd Britannicus door een gifmengster in opdracht van Nero ver-
moord. Veel later, in het PVankrijk van de 17e eeuw, bereikt de perfiditeit
op dit gebied wellicht een hoogtepunt.

Het spreekt vanzelf dat vooral de sterk bedreigde hoogwaardigheids-
bekleders zich tegen dit gevaar wensten te wapenen en in het bijzonder
werd gezocht naar een tegengift dat volledige bescherming zou moeten
geven. Veel bekendheid kreeg de historie van Mithridatus van Pontus,
die zich zo effectief met antidota had behandeld dat zijn poging tot zelf-
moord door vergiftiging mislukte. Hij liet zich daarop door zijn slaaf
doden.

De bruikbaarheid van deze antidota valt af te leiden uit de aandacht die
men schonk aan het toezicht op de keuken en de bevindingen van de voor-
proevers.

De empirische kennis omtrent vergiften en hun werking bevond zich in
die dagen voornamelijk in handen van de gifmengers en wij moeten aan-
nemen dat in deze troebele sfeer veel toxicologische ervaring is o])gebouwd.
Ook nog bij de latere ontwikkeling van de toxicologie — mogelijk gemaakt
door de vorderingen van pathologie en analytische chemie — werd een
groot deel van de kennis ontleend aan de casuïstiek van de gifmoord. Toen
kon de toxicoloog zich echter onderscheiden van de gifmenger en zich
rehabiliteren als gifontmenger.

Het is moeilijk om te bepalen of de betere bekendheid met de werking en
opsporing van vergiften of dat andere factoren ertoe geleid hebben dat
deze vorm van misdaad thans naar het schijnt minder populair is. Onze
verheugenis over de in dit opzicht verbeterde toxicologische gesteldheid
wordt echter getemperd door de ervaring dat acute vergiftigingen nog
steeds optreden. Thans houden zij echter in de eerste plaats verband met
de chemicaliën en geneesmiddelen waarmee de mens zich in zijn huis-
houden, tuin en werkplaats heeft omringd. Vergissingen treden herhaal-
delijk oj) door verwarring van deze stoffen met levensmiddelen. Ernstig
is dat het zwaartepunt van dit probleem zich heeft verplaatst in de richting
van de kindergeneeskunde. De vroeger zo gevreesde vergiftige bessen zijn
reeds lang in betekenis overvleugeld door de tabletten uit de medicijnkast en
de flesjes met plantenziektenbestrijdingsmiddelen, wasbenzine en andere
huishoudchemicaliën. De bescherming van de kleuter tegen deze gevaren zal

-ocr page 73-

een toenemende aandacht vergen voor de opvoeding van de ouders, waarbij
voor pers en televisie een belangrijke taak is weggelegd. Van de zijde van
de medici en toxicologen wordt gestreefd naar een snelle vaststelling van
de aard van het vergift en de instelling van een passende therapie.
Hierbij wordt vooral in de Verenigde Staten van Amerika in toemende
niate gebruik gemaakt van vergiftigingscentra (Poison Control Centres),
die de arts in spoedgevallen van advies dienen of de ouders aanwijzingen
voor eerste hulp geven. Het van nabij hebben kunnen volgen van de ont-
wikkeling van een dergelijk centrum in het Rijks Instituut voor de Volks-
gezondheid is voor mij een leerzame ervaring geweest.
Met dezelfde argeloosheid als het kind kan ook het huisdier vergiften tot
zich nemen. Dit geldt niet alleen verkeerd geplaatst vergiftigd lokaas voor
ratten of muizen, doch ook voorraden van bestrijdingsmiddelen, die binnen
bereik van vee worden neergelegd. De recente vergiftigingsgevallen bij
schapen en runderen na voedering met zuidewindlelies en narcissenloof
leert, dat het probleem van de vergiftige planten hier nog zijn volle ac-
tuali teit heeft behouden en ook dat door de teelt in het groot van exo-
tische gewassen nieuwe toxicologische vragen kunnen ontstaan. Daar de
humane en veterinaire ervaringen op dit gebied elkaar kunnen aanvullen
is samenwerking hier van grote waarde.

Voed ingsmidd ele n.

Belangrijker dan het aspect van de acute vergiftigingen is dat van de als
regel meer chronische blootstelling aan vergiften via het
voedsel2). Ook
in dit opzicht is de toxicologische gesteldheid ingrijpend veranderd. De tijd
dat de mensheid geteisterd werd door spectaculaire massavergiftigingen
door de opname van plantaardige vergiften is voorbij. De gunsdge waar-
dering die het moederkoorn thans geniet als geneesmiddel doet vergeten
dat dit zelfde produkt vooral in de middeleeuwen in Frankrijk vele dui-
zenden mensen te gronde richtte of door afsterving van ledematen voor
het leven verminkte. Alleen in het jaar 944 zouden in de omgeving van
Limoges 40.000 men.sen zijn bezweken door het eten van brood, bereid van
rogge die met de
Sclerotien \\an deze schimmel waren verontreinigd.
Uitzonderingen zijn misschien de beide vormen van Lathyrisme, die nog
tot in recente tijden in India zijn voorgekomen. Dit zijn vergiftigingen door
het eten van de erwten van
Lathyrus-soorten, waarmee men zich vooral in
tijden van hongersnood trachtte te voeden. Zij zijn reeds in de oudheid be-
kend; dergelijke vergiftigingen waren aanleiding tot een gebmiksverbod
van
Lathyrus in de 17e eeuw in Würtenberg. Deze massavergiftigingen zijn
gekenmerkt óf door neurologische verschijnselen (vnl. L.
sativus), of door
afwijkingen in het beendergestel (vnl.
L. odoratus).

Het werkzame bestanddeel van deze laatste, het ;S-aminopropionitril, geniet
thans veel aandacht in verband met de vraag hoe deze en verwante
„lathyrogene stoffen" de storing in de beenvorming tot stand brengen.
Het verdwijnen van de spectaculaire ma.ssavergiftigingen door plantaardige
vergiften in onze streken is bepaald geen reden om hier alle aandacht te
verliezen met het gevoel dat hier niets nieuws meer te beleven valt. Het is
een gelukkige omstandigheid dat men enkele jaren geleden door sterfte
bij eenden op het spoor kwam van een uiterst zwaar leververgift, aanwezig
in enkele partijen grondnotenmeel, die als veevoeder waren gebruikt. Het

-ocr page 74-

vergift bleek afkomstig van een schimmel, een bepaalde stam van Asper-
gillus flavus.
De toxicologie en de chemie van het werkzame principe, het
aflatoxine, staan thans in het centrum van de belangstelling. Het is nog te
vroeg om de betekenis van deze stof voor de menselijke en dierlijke voeding
in het verleden te beoordelen. Wel staat vast dat de wetenschappelijke aan-
dacht van veterinaire zijde, die tot de ontdekking van dit belangrijke ver-
gift heeft geleid, mens en huisdier in de toekomst voor veel ellende zal be-
sparen. Intussen is hierdoor weer een nieuwe stof aan de reeds indrukwek-
kende lijst toegevoegd van biologisch sterk werkzame produkten, die door
schimmels worden gemaakt. De toxicoloog en de farmacoloog zijn nog lang
niet uitgekeken op de produkten van deze planten en van hun verwanten, de
actinomyceten.

Ook in een ander opzicht is het beeld van de voedselvergiftiging veranderd.
Talrijk waren vroeger de gevallen van moedwillige vervalsingen en veront-
reinigingen van het voedsel. Een voorbeeld van zeer nabij en niet lang ge-
leden zou ik aan van Hengels „Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het
Gooiland" uit 1875 willen ontlenen. Onder het hoofd „Banketbakkers" ver-
meldt hij „gevallen van vergiftiging door gekleurd suikergoed, waartoe
men schadelijke verfstoffen bezigde, zijn niet zeldzaam. Tweemaal moest
schrijver een voorraad suikerbonen laten verbranden, die met chromaatgeel
(chromas plumbi) waren gekleurd". In toenemende mate moest de wet-
gever zich met deze misstanden gaan bemoeien, waarbij het gebruik van
bepaalde met name genoemde stoffen werd verboden (principe van de
„negatieve lijst").

Een dergelijke verbod vindt men bijvoorbeeld in de

„Wet van den 19. Mei 1828 strekkende om de vermenging van vergiftige
of andere schadelijke zelfstandigheden in eet- en drinkwaren te be-
teugelen".

„Art 1. Een iegelijk, die onder tot verkoop of ter uitdeeling bestemd
brood, eetwaren of eenige van derzelver bestanddeelen, zal gemengd heb-
ben of zal doen mengen, zwavel-zuur koper (blaauwe vitriool of koper-
groen), zwavel zuur-zink (witte vitriool) of eenige andere vergiftige
stoffen, zal gestraft worden met eene gevangenis van twee tot vijf jaren
en eene geldboete van tweehonderd tot vijfhonderd gulden, met intrek-
king tevens van deszelfs patent en ontzegging zijner bevoegdheid om,
gedurende den tijd der gevangenisstraf, dergelijk patent te erlangen".
Dit toezicht op de levensmiddelen culmineerde in Nederland in de Waren-
wet met zijn Keuringsdiensten van W^aren en hiermee is aan de periode dat
deze vervalsingen een belangrijke factor van de toxicologische gesteldheid
uitmaakten een einde gekomen. Een blijvende waakzaamheid op dit gebied
is echter noodzakelijk, getuige bijvoorbeeld de steeds weer opduikende ver-
giftigingen door misbruik van methyl alcohol en natrium nitriet en de ern-
stige voorvallen die zich buiten onze grenzen hebben afgespeeld, zoals het
verkopen van trikresylfosfaat in plaats van consumptieolie, waardcxjr in
Marokko talrijke slachtoffers werden gemaakt.

Daarvoor in de plaats is echter een andere, toxicoIogis(^ veel belangrijker
factor gekomen, namelijk de gevolgen van de industrialisering van de
voedingsmiddelenproduktie. Eén van de eerste waarschuwingen, dat de
technische bereiding van voedingsmiddelen met gebruikmaking van indus-
trieel bereide hulpstoffen gevaren met zich mee kan brengen, moge hierbij
in herinnering worden gebracht^). In 1900 werd men in Engeland in de

-ocr page 75-

omgeving van Mancliester en Liverpool ongerust door een epidemie van ca.
6000 gevallen van arsenicum-vergiftiging, waarvan verscheidene dodelijk.
Deze kon worden toegeschreven aan het drinken van bier. Dit bier bleek
overmatig grote hoeveelheden arseen te bevatten, als gevolg van het ge-
bruik van technische glucose die bereid was met behulp van sterk arseen-
houdend zwavelzuur. Van deze en soortgelijke voorvallen stamt de grote
aandacht die het toezicht op de levensmiddelen aan de bepalingen van
arseen en zware metalen besteedt, thans misschien minder uit direct toxi-
cologische overwegingen dan wel indirect als criterium voor de zuiverheid
van de gebruikte hulpstoffen.

Intussen beleefde de chemische industrie een exponentiële ontplooiing en
dit weerspiegelde zich in de toeneming van het aantal mogelijkheden om
met behulp van industrieel bereide chemische verbindingen invloed uit te
oefenen op de produktie van levensmiddelen, bijvoorbeeld door de houd-
baarheid te vergroten, bepaalde levensmiddelen te kleuren en andere te
ontkleuren of insecten en schimmels in de landbouw te bestrijden. 0\\\'eral
doken chemicaliën in de levensmiddelen op, waaronder talrijke volgens
huidige begrippen toxicologisch verdachte verbindingen. Vooral het assor-
timent organische kleurstoffen was indrukwekkend. Er werd wel degelijk
aan toxicologisch onderzoek gedaan, zowel bij dieren als bij mensen. Daar
hierbij echter in onvoldoende mate rekening gehouden werd met effecten
die pas na chronische toediening over zeer lange tijd optreden, zoals car-
cinogenese, en vooral ook omdat er geen sprake van was dat alle stoffen
aan het oordeel van toxicologen werden onderworpen, werd de toxicolo-
gische gesteldheid in dit opzicht bepaald ongunstig. De wettelijke bepa-
lingen dat levensmiddelen onschadelijk moeten zijn of .geen schadelijke
stoffen mogen bevatten, hoewel goed bedoeld, schoten te kort, omdat de
schadelijkheid vaak niet aan de hand van een onmiskenbare vergiftiging
kon worden aangetoond.

In toenemende mate ontstond ongerustheid, niet alleen bij vakgenoten,
ook bij het publiek. Het positieve gevolg hiervan was, dat zich in de laatste
decenniën door uitgebreid nationaal en internationaal overleg normen be-
gonnen te ontwikkelen voor de toelating van hulpstoffen en chemische ver-
ontreinigingen in voedingsmiddelen. Veel heeft men hierbij te danken aan
het gezag en het baanbrekend werk van de „Food and Drug Administra-
tion" en zijn farmacologische afdeling in de Verenigde Staten van Ame-
rika. Daarnaast werd door een vrij groot aantal organisaties bijgedragen
tot de meningsvorming. Voor ons land waren van groot belang de con-
tacten met de sociale commissies van de West-Europese Unie (later op-
gegaan in de Raad van Europa), de International Union against Cancer,
Eurotox, en vooral de gecombineerde commissies van de Wereld Gezond-
heidsorganisatie en de Voedsel en Landbouw Organisatie^).
Deze activiteit vond in ons land weerspiegeling in de formulering van en-
kele richtlijnen door de Voedingsraad in 19566). Hoewel het overleg over
deze normen nog voortgaat, is intussen een belangrijke mate van overeen-
stemming bereikt. Jn het kort komt het erop neer dat men in de wetgeving
behoort te streven naar een verbod van chemische hulpstoffen met uitzonde-
ring van een aantal met name genoemde toegelaten stoffen, zo nodig, in de
daarvoor aangegeven maximale concentraties. Dit systeem van „positieve
lijsten" komt dus in de plaats van de eerder genoemde „negatieve lijsten"
van verboden stoffen. Volgens dit systeem kent de Nederlandse Warenwet

-ocr page 76-

nu een Kleurstoffenbesluit, waarin de toegelaten levensmiddelenkleur-
stoffen genoemd worden. De overige hulpstoffen (conserveermiddelen,
antioxydantia, emulgatoren, stabilisatoren, etc.) worden voor het grootste
deel genoemd, met uitsluiting van andere stoffen, in de verschillende voe-
dingsmiddelenbesluiten. Voor het in dit opzicht nog „open" gebied van de
levensmiddelen is een „Hulpstoffenbesluit" in ontwerp bekendgemaakt.
Van groot belang is dat er sedert kort een nieuwe Bestrijdingsmiddelenwet
is aangenomen die voorziet in de definitie van residutoleranties, d.w.z. maxi-
maal toegelaten rest hoeveelheden voor met name genoemde stoffen in
groente en fruit. Door voorafgaand residu onderzoek is bepaald hoeveel tijd
cr tenminste verlopen moet om het bespuitingsresidu door weer en wind te
laten afnemen tot de vereiste tolerantie. De nieuwe wet verplicht de lan-
bouwer om deze tijdsduur tussen laatste behandeling en de oogst van zijn
gewas in acht te nemen. Andere bestrijdingsmiddelen dan die door inschrij-
ving op grond van de wet zijn toegelaten, zijn verboden.
Een zo diepgaande bemoeienis van de wetgever als tot uitdrukking komt in
„alles is verboden, behalve wat is toegelaten" moge een autocratische in-
druk maken, in feite is dit hier het enige hanteerbare systeem.
Een dergelijke regeling behoort een procedure te bevatten waardoor het
mogelijk moet zijn nieuwe toelatingen te verkrijgen en wel onder bepaalde
voorwaaiden en mits de voordelen van de toelating opwegen tegen dc na-
delen.

De voornaamste voorwaarde is, dat aangetoond moet zijn met de thans ter
beschikking staande methodes van onderzoek en op grond van de huidige
inzichten, dat de stof in de toe te laten hoeveelheden onschadelijk geacht
kan worden. Dit moet door de aanvrager ten genoege van de overheid
worden aangetoond.

Over de andere voorwaarden kan ik in het verband van deze voordracht
kort zijn; zij komen cr voornamelijk op neer, dat de toelating geen aan-
leiding mag geven tot misleiding van de consument over de aard of kwa-
liteit van het behandelde voedingsmiddel en dat het in het algemeen uit-
voerbaar moet zijn om de naleving van dc toelatingsregeling (b.v. de tole-
rantie) tc controleren.

Bij het afwegen van de voor- en nadelen van de toelating van een be-
paalde stof moeten de belangen van de consument het grootste gewicht
in dc schaal leggen. Dit afwegen is dus primair een taak van de overheid
die zij niet uit handen mag geven. De voordelen kunnen bijvoorbeeld zijn
een betere kwaliteit, cen betere houdbaarheid of een lagere kostprijs.
De nadelen zijn van meer algemene aard. De voornaamste zijn, dat elke
toelating een belasting betekent voor het levensmiddelen toezicht en dat bij
het gebruik van elke stof, die in de sfeer van de levensmiddelenproduktie
wordt toegelaten, fouten kunnen optreden in de kwaliteit van de stof of
de dosering of dat gebruiksvoorschriften niet worden nageleefd. Dit laatste
weegt natuurlijk het zwaarst bij het gebruik van vergiftige bestrijdings-
middelen in land- en tuinbouw, waar fouten aanleiding kunnen zijn van
vergiftigingen. Hierdoor wordt dus bijgedragen tot het reeds besproken
aspect van de acute vergiftigingen.

Een derde nadeel is de onmogelijkheid om de onschadelijkheid van een
toe te laten stof door dierproeven of proeven op mensen of anderszins met
absolute zekerheid vast te stellen. Men kan immers wel de aanwezigheid
van schade, maar niet de afwezigheid ervan bewijzen; net zomin als het

-ocr page 77-

mogelijk is om de absoluut gezonde mens of rat te definiëren. Dit geldt
uiteraard niet alleen het toxicologisch onderzoek van lichaamsvreemde
stoffen, maar zou met evenveel recht gelden voor het onderzoek van bij-
voorbeeld een dieetsamenstelling van louter natuurprodukten. De toelating
berust dus op de uitspraak van toxicologen dat de aanwezigheid van een
bepaalde hoeveelheid van een stof in een betrokken levensmiddel volgens
het huidige inzicht onschadelijk geacht kan worden. Over de criteria van
de aard en de omvang van de hiervoor benodigde toxicologische onder-
zoekingen wordt in toenemende mate in het internationale overleg overeen-
stemming bereikt.

Als regel geldt dit langdurende voederproeven, die bijvoorbeeld bij ratten
de gehele levensduur en de produktie van enige generaties jonge dieren
omvatten. Daarnaast worden ook andere diersoorten in het onderzoek be-
trokken De bedoeling is om de aard van de eventueel giftige werking en
de dosis die nog maximaal door proefdieren zonder waarneembare effecten
wordt verdragen vast te stellen. Het aantreffen van een carcinogene wer-
king is aanleiding om de stof niet toe te laten. In gevallen waarbij in prin-
cipe wel toelating zou kunnen plaatsvinden tracht men overeenstemming
te krijgen over dc bepaling van een maximale dagelijkse dosis, die door men-
sen zonder schade moet kunnen worden verdragen. Bij deze bepaling wordt,
uitgaand van de dosis die bij proefdieren zonder effect bleef, een ruime
\\ eiligheidsfactor ingevoerd, die als regel 100 of meer bedraagt. Deze veilig-
heidsfactor compenseert onder meer de onzekerheid van de extrapolatie
van proefdieren naar de mens en de mogelijke onvolledigheid van het ver-
kregen inzicht in de werking van de stof. Hierbij wordt het risico aanvaard
dat het inzicht in zo sterke mate tekort zou schieten dat de toegepaste
veiligheidsfactor daartegen geen voldoende compensatie biedt.

Over de meeste van de tegenwoordig gebruikte hulpstoffen bestaan om-
vangrijke toxicologische gegevens als basis van hun toelating. Het meest
urgente is het eerst aangepakt. Veel werk moet nog worden verzet, bijvoor-
beeld op het gebied van aroma\'s en van stoffen die uit verpakkingsmateriaal
in voedingsmiddelen terecht kunnen komen. Bij de bestrijdingsmiddelen,
waar het in het algemeen om sporen gaat die op groenten en fniit zijn
achtergebleven, heeft men met de moeilijkheid te kampen dat de ontwik-
keling hier sneller gaat dan het toxicologische onderzoek kan bijhouden.
Biologische en chemische toxicologen hebben hieraan nog hun handen vol
en gezien de voortdurende technologische ontwikkelingen zal hier blijvend
veel werk verricht moeten worden.

Ondanks het nog te verrichten werk en ook ondanks de opgetreden moei-
lijkheid met een emulgator meen ik dat hier in korte tijd zoveel veranderd
is, dat er geen reden meer bestaat om de huidige toxicologische gesteld-
heid van onze voedingsmiddelen nog ongunstig tc noemen.

De lucht cn het water.

In tegenstelling met voedingsmiddelen kunnen we de lucht om ons heen
niet weigeren; alles vvat voor de neus komt wordt ingeademd. Dit zou
reden zijn om extra zorg te besteden aan de instandhouding van een goede
kwaliteit van de lucht.

Dit is echter niet het geval. \\\'anouds is de lucht de plaats waarin alles dat
per schoorsteen geloosd kan worden werd afgevoerd. De opnamecapaciteit

-ocr page 78-

van de lucht is zo groot dat inderdaad ongehoorde kwantiteiten in rook
kunnen opgaan zonder direct last te bezorgen. Toch weten wij allen dat
bij industriële centra en drukke steden de grens van het redelijke al lang
is overschreden. Incidentele catastrofes, zoals de Londense mist en de smog
in Los Angeles, herinneren ons daaraan en zijn aanleiding tot omvangrijke
onderzoekingen. Grote vorderingen zijn daarbij gemaakt in de methodes
van onderzoek voor de bepaling van de verschillende bestanddelen van
verontreinigde lucht.

Daarbij is men bijvoorbeeld op het spoor gekomen van interessante om-
zettingen van onverzadigde koolwaterstoffen, afkomstig van verdampende
benzine en uit uitlaatgassen van auto\'s met ozon, waarbij sterk reactieve
en irriterende produkten ontstaan. Door chemische analyse van de lucht
in verschillende grote steden heeft men verder de aanwezigheid van stof-
fen aangetoond, die bij dierproeven carcinogeen zijn, zoals 3,4-benzpyreen
en meer recent het 3,4-benzfluoranthreen. De interpretatie van deze che-
mische waarneming in termen van schadelijkheid voor mens, dier en
plant levert nog veel moeilijkheden op. Sommige componenten zijn erkend
irriterend op het bronchiale slijmvlies en er zijn aanwijzingen dat zij kun-
nen bijdragen tot het ontstaan van chronische bronchitis. De fysische con-
ditie waarin zich deze stoffen bevinden is daarbij waarschijnlijk van groot
belang (invloed van partikel- en druppelgrootte). Verder is bekend dat
sommige planten zeer gevoelig zijn voor dit soort stoffen en als indicatie
voor hun aanwezigheid kunnen dienen. Op verschillende plaatsen is reeds
omvangrijke schade aan cultuurgewassen ontstaan door fabrieksrook. Dit
probleem heeft ook in ons land de volle aandacht. Incidenteel is bij het op-
treden van fluor- of arseenhoudende rookgassen schade bij het vee voor-
gekomen door verontreiniging van het gras.

Van veel groter belang is dat er epidemiologische aanwijzingen zijn dat
stadslucht kan bijdragen tot het ontstaan van longkanker. In welke mate
is nog moeilijk te schatten, evenmin als het aandeel van de bijdragen van
schoorstenen of auto-uitlaatgassen van verschillend type. De beoordeling
wordt bemoeilijkt doordat niet alleen de kwantiteit van carcinogene stof-
fen maatgevend voor het effect schijnt te zijn, maar ook de grootte van
de partikels waarop deze stoffen zich bevinden en de aanwezigheid van
andere bestanddelen van de verontreinigde lucht die het trilhaar epitheel
van het bronchiale slijmvlies beschadigen en mogelijk bestanddelen die
carcinogene stoffen \\an hun adsorptieve binding aan de koolpartikels los-
maken. Het is van groot belang dat de invloed van dit complex van voor-
waarden nader experimenteel wordt bestudeerd.

Het spreekt vanzelf dat al jaren wordt gewerkt aan verbeteringen in de
constructies van schoorstenen, opvanginstallaties van stof, verbetering van
motorbrandstof, het meer volledig maken van de verbranding van benzine
of dieselolie in de motor. Belangrijke vorderingen zijn hier ongetwijfeld
gemaakt. Het is ook duidelijk dat een zekere last van luchtverontreiniging
het onvermijdelijke gevolg is van de bevolkingstoename en de industriali-
satie. Ingrijpen hierin is niet eenvoudig en heeft grote economische conse-
quenties. Een verbetering van de naar mijn gevoel ongunstige toxicolo-
gische gesteldheid van de lucht in de dichte bevolkingscentra lijkt mij voor-
al dan mogelijk als voor de belangrijkste componenten van verontreinigde
lucht maximaal toelaatbare concenti-aties worden vastgesteld. In de Ver-
enigde Staten, West-Duitsland en Rusland, is men hiermee een eind op

-ocr page 79-

weg. Het is toxicologisch van grote interesse dat de veel lagere Russische
toleranties als uitgangspunt hebben dat de stof daarbij geen waarneembare
werkmg bij de mens zou mogen hebben. Voor de\'beoordeling daarvan
worden gevoelige criteria gebruikt, die liggen in de sfeer van de werking op
zintuigen en centraal zenuwstelsel. Dit uitgangspunt en de methodes van
onderzoek verdienen ook bij ons de
voUe aandacht. Daarnaast zullen de
effecten onderaocht moeten worden die optreden bij proefdieren na chro-
nische belasting van de verschillende componenten en mengsels daarvan.
De technische moeilijkheden van dit soort onderzoekingen mogen de uit-
voering ervan niet in de weg staan. °
Ten opzichte van de uitgebreide analytische gegevens over het optreden
\\an vele bestanddelen van verontreinigde lucht in verechillende industrie-
centra en de fluctuaties daar\\\'an onder invloed van de meteorologi.sche om-
standigheden, begint het biologische inzicht een achterstand \'te krijgen
die nodig moet worden ingelopen.

Het is een verheugend verschijn.sel dat thans ook deze sector van de toxi-
cologische gesteldheid in ons land de aandacht van de wetgever heeft ge-
kregen en het is te hopen dat het kleine wetsontwerp voor de instelling v^an
een Raad inzake de luchtverontreiniging grote gevolgen zal hebben.°

Bij de radioactieve besmetting van lucht en water (cn voedingsmiddelen)
\\ormen de toleranties thans het ondenverp van veel discussie. Hier, even-
als bij sommige andere carcinogene en mutagene stoffen, bestaat theoretisch
\\ermoedelijk geen onwerkzame dosis. Voor elk individu geldt een zekere
statistische waarschijnlijkheid van effect. Deze waarschijnlijkheid is uiterst
gering bij de opname van radioactieve stoffen (plus de belasting met uit-
wendige straling), zoals die normaal \\oorkomen en zij heeft d\'ê instand-
houding van mens, dier en plant kennelijk niet in de weg gestaan.
MogeHjk heeft zij door de mutagene werking zelfs bijgedragen tot hun
evolutie. Men kan hier dus geen tolerantie maken op basis van een onwerk-
zame dosis, zoals bij voedingsmiddeleiihulijstoffen. Men kan alleen de
schadelijke invloed van een verhoging van de dosis betrekken op het reeds
bestaande en onxermijdelijke „achtergrond"-effect. In welke mate een ver-
hoging van de opname van radioactieve stoffen leidt tot een toename van
afwijkingen van verschillend type kan nog niet nauwkeurig worden aan-
.gegven, maar men nadert hier wel de toestand waarbij een verhoging van
„fallout" door een kernbomproef in termen \\an een „calculated risk" aan
menselijk verdriet kan worden aangegeven.

Daar de radioactieve besmetting het onderwerp is geweest van recente
voordrachten en symjjosia zal hierop niet verder worden ingegaan.

Bij de toxicologische gesteldheid van water denkt men het eerst aan drink-
\\vater. Terecht wordt hier sedert lang een hoge mate van zuiverheid als
eis gesteld. Daar het thans in ons land meer een technologisch dan een
toxicologisch probleem is om water van de gewenste kwaliteit te verschaf-
fen, zal dit verder buiten beschouwing blijven. De fluoridering van drink-
water voor de cariespreventie daarentegen is wel van grote toxicoloo-ische
interesse. Het afwegen van de voor- en nadelen is hier relatief eenvoudig,
omdat beide in de sfeer van de gezondheidsbeoordeling liggen, terwijl bij-
voorbeeld bij voedingsmiddelenhulpstoffen als regel een technologisch of
economisch voordeel geplaatst wordt tegenover een gezondheidsprobleem.
De moeilijkheid in dit geval is dat de marge tussen nuttig en schadelijk

-ocr page 80-

nogal beperkt is; dierproeven geven onvoldoende ondergrond voor het pro-
bleem van de juiste dosering bij de mens. Wel bestaan er uitgebreide ge-
gevens direct bij de mens uit streken waar de fluoride opname van nature
verschillend hoog is. Voor het kunnen overbrengen van deze gegevens op
andere bevolkingsgroepen was echter meer zekerheid nodig en in verschil-
lende landen zijn proeven begonnen, waarbij een bevolkingsgroep met
fluoride via het drinkwater werd belast in vergelijking met een controle-
groep. Deze wijze van toediening van het fluoride geeft de grootste kans
van slagen van de hier vereiste proeven op lange tei-mijn. Een onvermijde-
lijke complicatie is dat de één bezwaar tegen het beginnen van de toe-
voeging maakt, terwijl de andere bezwaar heeft tegen het nog langer uit-
stellen van de toevoeging. Het door deze proeven bereikte inzicht is on-
misbaar voor de toepassing van fluoride als middel bij de cariespreventie.
De verontreiniging van het water is een oud vraagstuk en de slechte toe-
stand van een groot deel van onze oppervlaktewateren is iedereen bekend.
Daar de toestand van het water en de zuivering van afvalwater vanouds
een hygicnisch-microbiologisch probleem is waar de toxicoloog weinig mee
te doen had, zou ik daar kort over willen zijn, en mij beperken tot enkele
zaken die ook de toxicoloog interesseren. Naast de klassieke stoffen, die
via micro-organismen worden opgeruimd, worden namelijk meer en meer
organische verbindingen door chemische industrieën geloosd, die door gif-
tigheid voor vissen of microörganismen opvallen of die slechts zeer moei-
lijk door microörganismen worden omgezet en gevaar opleveren voor dc
besmetting van drinkwater. Vooral het verwijderen van bestrijdings-
middelen-afvallen of onverkoopbare resten daarvan via oppervlaktewater,
levert zo nu cn dan ernstige moeilijkheden op door het verwekken van
vissterfte. Vele bestrijdingsmiddelen zijn buitengewoon vergiftig voor vis.
Dit geldt niet alleen de erkend giftige insecticiden, maar ook enkele als
ongevaarlijke beschouwde fungiciden. De verwijdering van deze afvallen
door begraven heeft ook reeds aanleiding tot moeilijkheden gegeven. I\'^en
l>evredigcnde en niet te kostbare oplossing is hiervoor nog niet gevonden,
vooral voor produkten die niet verbrand kunnen worden, zoals de arse-
naten.

Het optreden van detcrgentia die aan microbiële omzetting ontsnapt zijn
in drinkwater, trekt thans allerwege de aandacht. De tijd is rijp om te
eisen dat produkten als detcrgentia die zo verspreid en in zo omvangrijke
mate in afvalwater terecht komen microbiologisch gezien „zacht" zijn,
dat wil zeggen snel door bacteriën worden omgezet. De verwantschap van
dit probleem met dat van het metabolisme van lichaamsvreemde stoffen
bij mensen en dieren zou aanleiding kunnen zijn tot een vruchtbare uit-
wisseling van ervaring. Ook voor deze laatste stoffen geldt dat een snelle
omzetting in het lichaam tot onverdachte produkten toxicologisch een
winstpunt is.

De verdere wereld buiten.

Be.schouwen wij thans dc toxicologische gesteldheid van het verdere milieu
buitenshuis.

Uiteraard is er groot verschil in milieu tussen het areaal bestemd voor
landbouw in de ruime zin en de rest van het land. In het landbouw areaal
is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen tegen de verwekkers
van plantenziekten, onkruiden en schadelijke dieren toxicologisch van

-ocr page 81-

groot belang. De consequentie \\-an dc residu\'s in voedingsmiddelen is reeds
besproken; het gaat nu om de beïnvloeding van het milieu zelf. Het ge-
bruik van deze middelen beoogt de opbrengst te vergroten, de kwaliteit
van het produkt te verbeteren en de hoeveelheid vereiste arbeid te ver-
kleinen. Voor hetzelfde doel worden ook andere, meer biologisch georiën-
teerde methodes gebruikt, zoals het selecteren van ziekteresistente rassen,
het bestrijden van insecten met bacteriën en virussen of wisselbouw. Van-
zelfsprekend is het in de eerste plaats een zaak van bedrijfsbeleid van de
boer en tuinder om te zorgen dat hij door een juiste keuze van oogst-
beschermingsmaatregelen een concurrerende prijs van zijn produkten
maakt. De voornaamste zorg is dat hij goed wordt geadviseerd, waarbij
e\\enwichtig aandacht wordt geschonken aan alle mogelijke maatregelen
\\oor ziektebestrijding, biologische en chemische, en waarbij het effect op
lange termijn zwaarder dient te wegen dan het succes van een seizoen.
jMet alle respect voor de deskundigheid die in industriële kringen bestaat
acht ik het van groot belang dat op dit gebied de adviserende taak van de
overheid domineert. In ons land is dit gelukkig het geval, waarbij van deze
zijde bovendien aandacht wordt geschonken aan het ontwikkelen van har-
monische bestrijdingsmethodes. Men wil hieimee met chemische middelen
de populatie van schadelijke organismen niet verder dan tot een aanvaard-
baar niveau onderdrukken om op deze wijze te zorgen dat de natuurlijke
weerstanden tegen ziekten en plagen bij het gewas werkzaam blijven.
Verder is het van groot belang dat reeds de oude Bestrijdingsmiddelenwet
eist dat bestrijdingsmiddelen pas toegelaten worden als de aangeprezen
werking ook aangetoond kan worden. Hierdoor wordt, ongeacht de eco-
nomische asijccten, een nodeloze belasting van de levende natuur met gif-
tige stoffen voorkoiTien. Dc nieuwe wet, die hopelijk spoedig van kracht
zal worden, zal het bovendien mogelijk maken om op zichzelf effectieve
stoffen toch op grond van een tc groot risico van schadelijkheid te weren.
Ik meen te kunnen concluderen dat het sombere beeld, dat Rachel Carson
in haar boek Silent Spring\') over de to.xicologische gesteldheid in de land-
bouw geeft, voor ons land niet van toepassing is. Waakzaamheid blijft ech-
ter noodzakelijk, vooral ook omdat naast het aspect van het bedrijfsbeheer
in de land- en tuinbouw er rekening mee gehouden moet worden dat het
landbouwareaal in toenemende mate betekenis krijgt voor de stedeling om
zijn contact met de natuur te herstellen. Dit contact is meer waard naar-
mate het de gelegenheid biedt kennis te nemen van een zo groot mogelijke
rijkdom van flora en fauna.

De intensivering van landbouw en veeteelt, onder andere met chemische
middelen, brengt, mede met de stadsuitbreiding en industrialisatie, een
moeilijk te vermijden verarming van flora en faima teweeg. Het is de tol
die we moeten betalen voor de toename van de bevolking en van de mate-
riële welvaart. Dit onderstreept het belang van de instandhouding of aan-
leg van wijkjDlaatsen voor de oorspronkelijke flora en fauna, zoals ruime
wegbermen, houtwallen, onontgonnen percelen en uiteraard de grotere
natuurreservaten, opdat een onmisbare voorwaarde van onze culturele
welvaart niet verloren gaat. Het onderhoud van wegbermen door het
doodspuiten van de plantengroei dient vermeden te worden. Gelukkig
wordt in toenemende mate met dit standpunt rekening gehouden. In het
bijzonder verdient het beheer van dc vogel- en zoogdierstand aandacht.
De incidenten bij vogels ten gevolge van het vermengen van parathion met

-ocr page 82-

zaaizaad zijn welbekend. Daarnaast is het echter van belang dat meer
studie wordt gemaakt van de invloed van de geadviseerde en geoorloofde
bestrijdingsmethodes van plantenziekten op de vogel- en wildstand op
lange termijn.

Buiten het landbouwareaal is er nog het gebied dat vroeger met woeste
grond werd aangeduid en thans een gezocht object is voor recreatie of
natuurreservaat. Uit het oogpunt van de milieu-toxicologie is het natuur-
reservaat een zaak van grote wetenschappelijke interesse. Chemische in-
vloeden zijn hier tot een minimum beperkt en daardoor vormen deze ter-
reinen de zo noodzakelijke „onbehandelde controle" bij alle oecologische
onderzoekingen over de veranderingen die door chemische invloeden zijn
ontstaan of kunnen ontstaan. Dit geldt niet alleen bestrijdingsmiddelen,
maar vooral de invloed van de luchtverontreiniging door fabrieken en
auto\'s. Plantensociologische gegevens, zoals het verdwijnen van korst-
mossen uit een vegetatie, vormen een gevoelige graadmeter voor de mate
van chemische beïnvloeding. De studie hiervan is niet alleen van theore-
tische interesse, doch zou ook van waarde voor de praktijk kunnen zijn
bij de beoordeling van de mate van lokale luchtverontreiniging.
Er zijn dus toxicologische bezwaren verbonden aan de nabijheid van auto-
wegen bij natuurreservaten en het doorsnijden van de bestaande reser-
vaten door nieuwe wegen dient vermeden te worden.

De geneesmiddelen.

Daar de geneesmiddelsituatie in verband met de nieuwe wet en door de
thalidomide-affaire reeds door verscheidene collega\'s in openbare voor-
drachten is behandeld, zal ik er hier kort over zijn. Ik zou in hoofd/aak
willen volstaan met een vergelijking met de toestand bij de voedings-
niiddelenhulpstoffen en pesticiden. We zien daarbij allereerst belangrijke
punten van overeenstemming. Bij beide heeft de ontplooiing van de che-
mische en farmaceutische industrie geleid tot een haast onoverzienbare
menigte van produkten, waaronder preparaten die voor de mensheid van
de grootste betekenis zijn en middelen die overbodig, onwerkzaam of scha-
delijk zijn. Verder geldt voor beide groepen dat een toxicologisch-farma-
cologische beoordeling ten grondslag moet liggen aan de bepaling van het
gebruiksrisico ter afweging tegen het gebruiksvoordeel. Ook deze toxico-
logische beoordeling is met de reeds besproken onzekerheden behept.
Er zijn echter belangrijke verschillen. Bij de geneesmiddelen wordt het
gebruiksvoordeel, het te verwachten therapeutisch effect, door de arts voor
zijn patiënten individueel tegen het risico afgewogen, mits hem hierover
voldoende informatie ter beschikking is gesteld. Bij een ernstige ziekte kan
daarbij het aanvaarden van een groot toxiciteitsrisico van het genees-
middel volledig verantwoord zijn. Men is zich hiervan bewust of althans
men behoort dat te zijn. Verder is de patiënt of arts vrij in de keuze van
het geneesmiddel en de duur van de behandeling en de arts heeft de ge-
legenheid om door observatie van de patiënt te controleren of schadelijke
werkingen zijn ontstaan. Dit alles ontbreekt bij de consument van voe-
dingsmiddelen en de vraag is dus of het wel terecht is om geneesmiddelen
te noemen in verband met de toxicologische gesteldheid van het milieu.
De reden om de geneesmiddelen hier toch ter sprake te brengen houdt voor-
namelijk verband met het feit dat een belangrijk deel ervan voor ieder

-ocr page 83-

vrij verkrijgbaar is en zonder overleg met de arts wordt ingenomen. De
gebruiker is op de aanduiding op het etiket aangewezen voor het bepalen
van zijn risico. De ervaring leert dat de koper van de vrij verkrijgbare
geneesmiddelen geen eigen oordeel heeft om zijn vrije keuzemogelijkheid
te benutten, bij voorkeur geen etiketten leest en vertrouwt dat ze on-
schadelijk zijn. Bovendien is de kans dat een eventueel door het genees-
middel opgewekte schadelijke werking als zodanig wordt herkend veel
kleiner dan dit het geval zou zijn bij het gebruik onder medisch toezicht.
Dit geldt in het bijzonder voor de effecten die pas na chronische toediening
ojjtreden. Dit is dus hetzelfde probleem waarover men zich in verband
met de voedingsmiddelen zorgen maakt. De patiënt is hier dus consument
geworden en het geneesmiddel van deze categorie kan mijns inziens als
milieufactor worden beschouwd. De omvang van deze consumptie kan,
in individuele gevallen, zelfs buitensporig groot zijn, zoals bij slaapmidde-
len.

Een ander uit toxicologisch oogpunt belangrijk verschil is dat de do-
sering van geneesmiddelen globaal gesproken, met uitzondering van de
chemotherapeutica, gericht is op het verkrijgen van een farmacologisch
effect bij de patiënt, bijv. pijnstillend of inslapend, terwijl die van voe-
dingsmiddelenhulpstoffen juist geen invloed op de consument behoren te
hebben. Hun werking ligt elders. Immers, de maximaal toegelaten concen-
tratie gaat uit van een dosering die bij proefdieren geen merkbaar effect
vertoonde en waarop bovendien nog eens een ruime veiligheidsfactor is
toegepast. Daarom is het risico van toxische effecten bij geneesmiddelen
veel groter. Het gevolg hiervan is dat nieuwe geneesmiddelen niet alleen
in de dierproef op giftigheid moeten worden onderzocht, maar dat dit
tevens een belangrijk onderdeel vormt \\\'an een goed uitgevoerd pre-
klinisch onderzoek bij de mens.

Dat het schadelijkheidsrisico in veel gevallen aan de medische deskundigen
wel bekend is, helpt in de vrije sector niet voldoende. Het kan lang duren
voordat de relatie bij een patiënt blijkt tussen een anemie en het geregelde
gebruik van acetosal.

Door het vrij in de handel zijn van een assortiment fysiologisch werkzame
geneesmiddelen is dus een apart facet van de toxicologische gesteldheid
ontstaan, waarbij de voordelen voor de vrije verkrijgbaarheid moeten op-
wegen tegen het risico. Tot heden is de toxicologische gesteldheid hier
mijns inziens ongunstiger dan bij de voedingsmiddelen, niet alleen van-
wege het hogere doseringsniveau, maar ook omdat de toxicologische infor-
matie op grond waarvan het afwegen zou moeten plaatsvinden door gebrek
aan algemeen erkende normen nog te kort heeft geschoten. Gelukkig
kan de nieuwe Geneesmiddelenwet, die ook de constructie heeft van alles
te verbieden behalve wat is toegelaten, hierin verbetering brengen. Doch
daarvoor zal eerst nog uitgebreide internationale meningsvorming over dit
onderwerp nodig zijn. Voorlopig is mijn indruk dat voor de categorie van
vrij verkrijgbare geneesmiddelen in principe dezelfde eisen gesteld dienen
te worden aan de aard en omvang van het toxicologische onderzoek als die
welke voor de voedingsmiddelenhulpstoffen thans gelden.
De situatie bij de geneesmiddelen heeft nog een andere kant, die ook toxi-
cologisch van belang is. Helaas zijn er talrijke middelen in de handel waar-
van de therapeutische werkzaamheid niet vaststaat. Hun gebruik — onge-
acht andere nadelen — vormt een nodeloze belasting van de ontgiftings-

-ocr page 84-

inogclijkhcden van het lichaam, liet is van groot belang dat de nieuwe
geneesmiddelenwet, net als de bestrijdingsmiddelenwet, eist dat de aan-
geprezen werking aangetoond moet zijn. Deze eis zal ongetwijfeld grote
moeilijkheden met zich meebrengen en het is te hopen dat men daar niet
voor opzij zal gaan.

Dc veterinaire geneesmiddelen.

Uiteraard hebben de geneesmiddelen voor veterinair gebruik mijn bijzon-
dere aandacht.

Een uit toxicologisch oog])unt belangrijk probleem vormen daar de residu\'s
van geneesmiddelen in vlees van vee of pluimvee dat kort na de behande-
ling is geslacht, of die in melk of eieren kunnen optreden. Dit geldt ook
voor de residu\'s van de preparaten die aan het veevoeder worden toege-
voegd, bijvoorbeeld ter voorkoming van coccidiose. Deze toevoegingen
geven secundair een verbeterde groei of voederreridement. Bij een aantal
van deze middelen, bijvoorbeeld bij antibiotica of koperzouten, wordt bij
gebrek aan inzicht in het werkingsmechanisme de groeibevorderende
werking wel eens primair gesteld. Dat klinkt aantrekkelijker, maar het
leidt niet tot een vermindering van de belangstelling van de toxicoloog.
Een gunstige omstandigheid is dat de dosering die de mens opneemt slechts
een fractie is van de dosering, die het dier heeft gekregen. Neemt men aan
dat bij toediening van één dosis de stof zich gelijkmatig over het lichaam
verdeelt, dan zou de stof de consiuncnt in een dosis bereiken die globaal
500 maal lager is. Deze verdunningsfactor heeft dezelfde orde-grootte
als de veiligheidsfacor, die bij voedingsmiddelcnhulpstoffen noodzakelijk
geacht wordt, om de voor de mens aan\\aardbare dosis uit de proefdier-
gegevens te bepalen. Dit houdt dus wel een zekere waarborg in voor veilig-
heid, maar er zijn toch nadere overwegingen die de aandacht \\erdienen.
Ten eerste gaat men bij de dieren uit van een therapeutische of werkzame
dosering, terwijl bij de toxiciteitsbeoordeling van hulpstoffen de veilig-
lieidsfactor wordt toegepast op de hoogste dosering die na langdurige toe-
diening .geen merkbare invloed had. Deze kan aanmerkelijk lager liggen,
\\ooral bij stoffen die bij chronische toediening slecht verdragen worden.
Verder behoeft de verdeling van de stof niet gelijkmatig te zijn. In de
lever, de nieren of in het vet zou een zekere concentrering van het medi-
cament kunnen zijn opgetreden of de toediening kan reeds lokaal zijn,
zoals hij de behandeling van mastitis. Van belang is ook dat onder invloed
van deze behandelingen veranderingen in de kwaliteit van het vlees zou-
den kunnen optreden. Tenslotte is er nog de veel bcsjjroken factor van het
o])treden van resistente pathogene bacteriën in het milieu van mens en
dier als gevolg van het gebruik van antibiotica in de therapie en als „groei-
bevorderende" factor in veevoeder.

Deze overwegingen maken het wenselijk elk geval afzonderlijk op zijn ri-
sico te bekijken, waarbij het een groot verschil maakt of het slechts een in-
cidentele behandeling of de toediening aan veevoeder betreft. In dit laatste
geval wordt hel residu van de betreffende stof een gewoon vleesbestanddeel
en men moet rekenen op een chronische belasting van de consument met
deze stof.

Op grond van dit soort overwegingen heeft men terecht bezwaar gemaakt
tegen het gebruik van stilboestrol en verwante oestrogene stoffen bij het

-ocr page 85-

niesten van vee, waarljij de hijzonder grote gevoehgheid van kinderen vóór
de puberteit voor deze stoffen als hoofdargument genoemd kan worden.
Een ander voorbeeld is het gebruik \\an antibiotica bij de mastitis-behan-
deling van melkvee, waardoor de melk van deze dieren gedurende de
eerste dagen na de behandeling grote hoeveelheden antibiotica bevat.
Het standpunt dat melk als kindervoedsel bij uitnemendheid vrij moet
zijn van vreemde bestanddelen omdat de detoxificatie mogelijkheden van
dc zuigeling beperkt zijn, wordt algemeen als juist aanvaard. Verder be-
staat hier de kans op \\ erspreiding van resistente pathogene bacteriën. Boven-
dien geldt voor een aantal antibiotica en penicilline in het bijzonder dat het
misschien wel overmatige therapeutische gebruik tot allergiën aanleiding
heeft gegeven. Er zijn aanwijzingen dat allergisclie patiënten reeds last
/ouden kunnen hebben van het drinken van melk met geringe hoeveel-
heden penicilline, een vraagstuk — inter alia — dat nader onderzoek
vergt, evenals de mogelijkheid van een directe sensibilisatie door de orale
o]3namc van kleine hoeveelheden penicilline. Om deze en ook om zuivel-
technische redenen zijn maatregelen nodig om te voorkomen dat anti-
bioticahoudende melk bij de consument terecht komt.
Veel belangstelling, ook in ons land, genieten thans de methodes om aan
[)cnicilline voor dit doel een verklikkleurstof toe te voegen die de veront-
reinigde melk snel herkenbaar maakt.

Het gebruik van f)cpaalde middelen kan in dit opzicht veilig worden ge-
maakt door een verpliclite termijn tussen de laatste toediening en de
slacht. Dit is dus een soortgelijke regeling als die voor bestrijdingsmiddelen
bij groente en fruit. Daar de controle op de naleving van een dergelijke
verplichting moeilijk is, zal ook hier in bepaalde gevallen het systeem van
wettelijk geregelde residutoleranties in vlees en eventueel in eieren ingang
moeten vinden, zoals dit in de Verenigde Staten reeds voor dit soort
stoffen en voor een aantal andere vecvoedertoevoegingen geldt. Het con-
irolcren van deze toleranties is weliswaar in principe mogelijk, maar is
als regel geen eenvoudige opgave en vergt extra investeringen van de
ov erheid. Deze kosten zullen moeten opwegen tegen het economische voor-
deel van de toevoeging.

Gcachie toehoorders,

In het korte bestek van deze rede konden de verschillende kanten van de
huidige toxicologi.sche gesteldheid slechts oppervlakkig worden behandeld,
waarbij wellicht enkele zaken die in de voorafgaande jaren mijn persoon-
lijke belangstelling hadden wat meer tot hun recht zijn gekomen dan andere
niet minder belangrijke vraagstukken.

Uit het voorafgaande zal U gebleken zijn, dat de toxicologische gesteldheid
van ons milieu meer en meer afhankelijk wordt van het oordeel en het in-
zicht van toxicologen uit het bedrijfsleven en in overheidsdienst. Dit be-
tekent voor beide het aanvaarden van verantwoordelijkheid en het voeren
van een zorgvuldig beleid. Het betekent ook dat zij zich bewust moeten
zijn van de tekortkomingen in het algemene toxicologische inzicht. Ik denk
hier bijvoorbeeld aan de beperkte kennis omtrent de mutagene werking
\\an chemische verbindingen bij zoogdieren; aan dosiswerkingsrelaties bij
ver.schillende soorten carcinogene verbindingen en aan de factoren die de
allergene werking van chemische verbindingen bepalen. Deze onvolledig-

-ocr page 86-

heid van het inzicht in de biologisclie vveiking van stoffen brengt ongetwij-
feld met zich mee dat de bevolking en de ons toevertrouwde le\\ende natuur
bewust aan een zeker risico worden blootgesteld. De toenemende bevolkings-
dichtheid en de eisen die men aan de materiële welvaart en in het bijzonder
aan de voedselvoorziening stelt maken dit risico echter onvermijdelijk. Ik
meen tro ;wens dat het hierbij bewust genomen risico niet groot is in verge-
lijking met andere risico\'s die de moderne samenleving met zich mee brengt.
Het is geen „calculated risk", omdat daarvoor de kwantitatieve ondergrond
in het algemeen ontbreekt, maar wel een „bewaakt risico"; bewaakt door dc
epidemioloog, wiens plicht het is eventuele fouten te signaleren en bewaakt
door de toxicologen zelf die zo nodig op grond van nieuw verkregen inzicht
corrigerend moeten optreden.

In Europa is, in vergelijking met de toestand in de Verenigde Staten, het
aantal toxicologen dat met deze zaken wordt belast veel te klein. De uni-
versiteit zal hier door opleiding en onderzoek moeten bijdragen tot ver-
groting van het potentieel.

Verder acht ik het van groot belang dat deze opvattingen niet alleen in vak-
kringen bekend zijn, maar dat ook het publiek cloor doelmatige voorlichting
hiervan in kennis wordt gesteld. Want veel van de regels die uiteindelijk
de toxicologische gesteldheid bepalen moeten steunen op begrip en mede-
werking van het publiek zelf.

Het zal U duidelijk geworden zijn, dat al het voor de beoordeling van toe-
laatbaarheid vereiste onderzoek uitmondt op de kwalitatieve en kwantita-
tieve vaststelling van de invloed van chemische verbindingen op levende
organismen. Dit is het werkterrein van de farmacologie en de biologische
toxicologie. Een grens tussen beide vakken kan niet worden aangegeven,
de problematiek is principieel dezelfde, het is meer een verschil in accent.
Bij de farmacologie ligt dat op het geneesmiddel in zijn relatie tot de pa-
tiënt, mens of dier, tenvijl dit bij de biologische toxicologie meer ligt op de
schadelijke werking van chemische verbindingen op levende organismen
in het algemeen.

De thans behandelde problemen hebben dus grotendeels betrekking op de
biologische toxicologie.

Door het voorafgaande is misschien de indruk gewekt dat dit vak uitsluitend
problemen in de toegepaste sfeer kent. Niets is echter minder waar. De in-
vloed van chemische verbindingen op het levende organisme en ook omge-
keerd de invloed van het organisme op deze verbindingen, is eveneens een
zuiver wetenschappelijk vraagstuk. Meer en meer worden wetmatigheden in
deze invloeden gevonden, die steunen op fysiologische en biochemische prin-
cipes, en die ook op hun beurt in\\ loed uitoefenen op de ontwikkeling van
fysiologie en biochemie. Het toegepaste onderzoek is een belangrijke leve-
rancier van gegevens en waarnemingen die voor het fundamentele werk
onontbeerlijk zijn. Omgekeerd moet het toegepaste onderzoek steunen op
de gevonden wetmatigheden en het is van groot belang dat in deze tijd
van aandrang voor toegepast onderzoek tijd en geestelijke rust gereserveerd
blijft voor het kunnen verrichten van zuiver wetenschappelijke onderzoe-
kingen. Ik hoop een bijdrage daartoe te kunnen leveren.

Het zij mij thans vergund Hare Majesteit de Koningin mijn eerbiedige
dank te betuigen voor mijn benoeming als hoogleraar aan deze Universiteit.

-ocr page 87-

Mevrouw en Mijne Heren Curatoren,

Gaarne betuig il-; mijn erlventelijkheid voor het vertrouwen dat Gij in mij
gesteld hebt, door mij voor te dragen in dit ambt. Ik zal mijn best doen
dit vertrouwen waardig te zijn.

Mijnheer de Secretaris dezer Universiteit,

Reeds vanaf het eerste contact dat ik met U mocht hebben kreeg ik de over-
tuiging dat Uw bijdrage tot een goede verstandhouding steeds ten volle
werd gegeven. Ik hooj) dat mijn aandeel hierin ook U voldoening \'al schen-
ken.

Dames en Heren van de Academische Senaat,

Het is een groot voorrecht om in Uw midden te mogen worden opgenomen
en voor mij bovendien een bijzondere vreugde, na een onderbreking van
ruim twintig jaar, terug te komen in onze Universiteit en begroet te worden
door mijn leermeester Professor Koningsberger.

Mijne Heren Hoogleraren in de Faculteit der Diergeneeskunde,

Ik voel mij zeer verplicht voor de vriendschappelijke wijze waarop ik direct
m Uw midden ben opgenomen en voor de hulp die ik als nieuwbakken do-
cent van U mocht ontvangen. Dat U een niet-dierenarts als farmacoloog
hebt willen voordragen heb ik zeer gewaardeerd en dit is voor mij tevens
een aanwijzing dat het basisonderzoek op dit gebied U ter harte gaat. Voor
mij betekent het ook de gaarne aan\\ aarde verplichting om mij in veterinair-
therapeutische zaken te verdiepen en ik hoop daarin op Uw steun te moo-en
rekenen. "

Ik verheug mij op de verdere ontwikkeling van onze reeds zo prettig be-
gonnen samenwerking in het belang van ondei-wijs en onderzoek op het
gebied van de veterinaire geneesmiddelen en \\crgiften.
Ik heb bij mijn komst veel nut gehad van de aandacht die mijn voorganger
Professor D. K. de Jongh aan de \\erbouwing van de voor de famiacologie
bestemde ruimte had besteed. Voor zijn hulp, nog tijdens zijn ziekte ge-
geven, ben ik hem veel dank verschuldigd en het spijt mij \'dat hij ge^en
getuige heeft mogen zijn van de verdere opbouw van het laboratorium
Hooggeleerde Seekles, dc hulpvaardigheid die U steeds aan Uw mede-
bewoner van het „onderwijsgebouw" hebt betoond, is voor mij van grote
waarde. Ik hoop dat de nabijheid van veterinaire chemie en fannacologie
ook tot een wetenschap]jelijke samenwerking zal leiden.

Waarde Spaander,

De jaren die ik in het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid onder Uw
directie heb mogen werken, hebben mij Uw stimulerende werkkracht en
organisatietalent leren bewonderen. Dank zij Uw medewerking en
vriendschap heb ik mijn taak in het R.I.V. steeds met vreugde vervuld.
Ik prijs mij gelukkig dat ik deelgenoot ben in de opbouw van de samen-
werking van Universiteit en R.I.V. en daardoor het contact met U en Uw
Instituut heb kunnen behouden. Ik hoop dat deze samenwerking ook U
de voldoening zal geven die U ervan \\erwacht.

-ocr page 88-

Waarde medewerkers van het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid,

Veel wetenschappelijke en onwetenschappelijke avonturen zijn door ons
gezamenlijk beleefd. Ik ben U dankbaar voor de vriendschap en de leer-
zame samenwerking en ik heb de overtuiging dat ik van U allen iets heb
meegekregen, waarvan ik nog dagelijks profiteer.

Waarde medewerkers van het Instituut voor Veterinaire Farmacologie,

Onze groep is nog maar kort geleden gevormd. Het pioniersstadium is voor-
bij en het werk is begonnen. Het goede begin van onze samenwerking geeft
mij het vertrouwen dat wij ook in de toekomst in eendracht onze bijdrage
aan onderwijs en onderzoek zullen leveren.

Dames en Heren Studenten,

Ik ben mij ervan bewust dat vanouds een eerste kennismaking met de farma-
cologie de indruk wekt van een grote kist vol flessen met opschriften die
geleerd moeten worden. Het is mijn taak U dit te vergemakkelijken door
die flessen op orde te zetten. Mijn voorgangers en hun studenten hebben
het moeilijker gehad. Beziet men Jakob\'s boek „Diergeneeskundige Phar-
macotherapie" van 1923, dan is de kist een kast geworden met 23 planken,
waarop circa 1000 flessen staan. Gelukkig is er veel veranderd. We kunnen
de kast met een groot deel \\an die flessen rustig vernietigen en daarvoor
in de plaats een paar stellingen nemen die U al vertrouwd zijn uit de fysio-
logie en de biochemie. Op die stellingen hoop ik U een beperkt aantal be-
langrijke flessen aan te wijzen. Er blijven er dan nog wel een paar over
waarvan de positie nog niet bekend is. Ik hoop dat er onder U zullen zijn
die mij willen helpen om de plaats van die preparaten aan te geven, en
hiermee bovendien te voorzien in de behoefte aan veterinaire farmacologen.
Door het inzicht in de samenhang met fysiologie en biochemie hoop ik U
een middel aan de hand tc doen om later de stroom van nieuwe genees-
middelen actief te benutten en er niet passief door te worden meegevoerd.
Dc kennismaking met U sedert mijn komst aan de Biltstraat heeft mij opti-
mistisch gestemd over de verdere ontwikkeling van onze samenwerking.

Dames en Heren,

Ik dank U voor Uw aandacht.

LITERATUUR EN NOTEN.

1. M. Delbrück. Trans. Conn. Acad. Arts Sei., 38, 173, (1949).

2. De bacteriële vocdsclvergil\'ti.gin.gen blijven hier buiten beschouwing.

3. Dr. J. F. v a n H e n g e 1. Geneeskundige Plaatsbeschrijving van het Gooiland.
\'s-Gravenhage, 1875. Uitgegeven door het Departement van Binnenlandse Zaken
(3e stuk).

4. H. S. S a t e r 1 e e. New Engl. J. of Medicine, 263, 676, (1960).

5. Men zie hiertoe W.H.O. techn. Report Series 1956: 97, 1957: 129. 1958: 144,
1961: 220 en 1962: 22S.

6. Toevoegingen van chemische hulpstoffen aan voedings- en genotmiddelen.
Voeding, 17, 30, (1956).

7. Rachel Garson. Silent Spring. Houghton Mifflin Gy. Boston, 1962.

-ocr page 89-

Capillariasis bij postduiven.

Capillariasis in racing pigeons.

door J. W. E. STAMi)

Uit de Kliniek voor Kleine Huisdieren der Rijksuniversiteit
te Utrecht.

Inleiding.

Ca])illariasis bij de duif wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de Capillaria
ob.ngnata
(syn. C. colombae).

De Nederlandse naam „haarworm" dankt de parasiet aan zijn vorm:
lengte 0,8 tot 2 cm, breedte ± 0,006 cm. Met het blote oog is hij nauwelijks
te zien. Wanneer men met een scherp voorwerp de darm afkrabt, kan men
ze als dunne draadjes waarnemen. Ze komen hoofdzakelijk in de dunne
darm voor, waar zc dicht tegen het slijmv lies aanliggen. De eieren zijn
citroenvormig met twee poolproppen; in de ontlasting zijn ze meestal groen-
tot bruinachtig gekleurd. De lengte bedraagt 0,050-0,062 mm. De cyclus
is direct. De eieren kunnen na 1 week infectieus zijn. De prepatente periode
is 25 dagen.

Voorkomen cn pathogeniteit.

Bij regelmatig faecesonderzoek van duiven blijkt, dat deze endoparasiet
vaker v oorkomt dan men vermoedt. Heel dikwijls blijkt dat de duiven geen
hinder van deze parasiet hebben en men is dan ook van mening, dat de
pathogeniteit van de
Capillaria zeer gering is en dat er meerdere factoren
nodig zijn, waardoor zich sterfgevallen voordoen door capillariasis.
Vaak blijkt het dat het volièreduiven (bij de postduivenhouders de kweek-
duiven) zijn, die op een gegeven ogenblik lijdende zijn aan capillariasis,
terwijl dc duiven die uitvliegen geen afwijkingen vertonen, hoewel deze
evenveel of soms zelfs meer capillaria-dragers zijn.
De faeces van deze vliegduiven zijn dan echter aan de dunne kant.
De klachten van de eigenaars van deze duiven zijn meestal erg vaag en
luiden alleen dat dc duiven het minder doen en korter in de lucht ver-
blijven dan ze vroeger deden. Bij nadere informatie blijkt dan dat de faeces
meestal iets te dun, te slijmig en te groenachtig zijn. Dit laatste moet worden
toegeschreven aan een (geringe) enteritis. Soms ook zijn er totaal geen
klachten geweest en is een duif, na een dag of vier snel vermageren, plotse-
ling gestorven.

Bij nauwkeurige observatie blijkt, dat een duif, die lijdende is aan een haar-
worminfectie een verminderde vlieglust heeft; ondanks goede voedsel-
opname treedt vermagering op. De veren zijn minder glanzend en voelen
stroever aan. Later gaan de duiven in elkaar zitten met de veren overeind
en wordt geen voedsel meer opgenomen. Dc faeces worden dunner, vaak
ook slijmerig en ze zijn groenig van kleur. Alleen vocht wordt nog opge-
nomen. In vijf dagen kan het dier vermageren tot het vel over been is.
Aan de andere kant zien we soms klinisch gezonde duiven, die toch zeer

J. W. E. Stam, Wetenschappelijk ambtenaar le kl.. Faculteit der Diergenees-
kunde, Rijksuniversiteit, Utrecht, Alexander Numankade 91.

-ocr page 90-

zeker dragers van Capillaria zijn. Een doffer met 534 Capillaria-eieren per
natief preparaat (zie verder) fiad twee dagen vóór liet faecesonderzoek
verricht werd, een vlucht van over 500 km gemaakt en daarbij de 10e prijs
van 5000 duiven gewonnen.

Therapie met Promintic1).

Door een bekende duivenhouder B. te H. werden twee kweekduivinnen
binnen enkele dagen dood op het nest gevonden. De anamnese luidde dat
beide dieren in enkele dagen vermagerd waren. Verder was er niets waar-
genomen. Bij sectie bleek dat beide dieren gestorven waren ten gevolge van
een
Capillaria-\'miectie.

Op 25 juni 1962 werden van 22 duiven van bovengenoemde eigenaar faeces
onderzocht (B. te H. heeft 110 duiven). Het bleek dat de faeces in bijna
alle gevallen te groen en te slijmig waren. Er werd een natief preparaat van
de faeces van deze 22 duiven gemaakt en er werden
Capillaria-eieren per
preparaat geteld; eveneens werd aantekening gemaakt over het voorkomen
van andere endo-parasieten-eieren en coccidiënoöcysten (zie tabel 1).
_Tabel 1._

aantal Capillaria-eieren per preparaat andere

duif 25 juni 5 juli 4 sept. waarnemingen

1.

196

0

0

2.

154

0

0

3.

54

0

0

coccidiën

4.

1

0

0

5.

27

0

0

spoelworrnen

6.

7

0

0

spoelworrnen

7.

21

0

0

8.

14

0

0

9.

2

0

0

spoelworrnen

10.

25

0

0

11.

134

0

0

12.

27

0

0

13.

7

0

0

spoelworrnen coccidiën

14.

39

0

0

15.

534

0

0

16.

158

0

0

17.

87

0

0

18.

118

0

0

19.

126

0

0

20.

162

0

0

21.

2

0

0

22.

43

0

0

1 t.m. 7 uitvliegende duivinnen, 12 t.m. 18 uitvliegende doffers, 8 t.m, 11 kweek-
duivinnen, 19 t.m. 22 kweekdoffers.

Alle duiven werden op 25 juni 1962 met 0,5 ml van cen 5 maal verdunde oplossing
van Promintic subcutaan ingespoten.

1  Methyridine; Handelsmerk „Promintic" I.C.I. Ltd.

De benodigde Promintic werd welwillend ter beschikking gesteld.

-ocr page 91-

Alhoewel het aantal in de faeces voorkomende eieren en zeer zeker het
aantal eieren per natief preparaat geen maatstaf is voor het aantal wormen
per dier, geven deze getallen toch wel een indruk over het voorkomen van
deze endoparasiet bij duiven in een besmet hok.

Geeraerts (1962) behandelde experimenteel met Capillaria besmette
duiven met Promintic, 0,1 ml subcutaan. Het bleek dat Promintic een bij-
zonder goed middel was. Uit zijn proeven bleek ook dat er geen immuniteit
ontstond tijdens of na de besmetting. Toxiciteit trad pas op na een vier-
voudig dosis. Pêche ur e.a. (1962) kwamen tot eenzelfde resultaat.
Promintic bleek werkzaam te zijn tegen de volwassen worm en tegen de
larve.

Alle duiven van bovengenoemde eigenaar werden met Promintic behandeld
met dezelfde dosering als Geeraerts gebruikte, doch hier werd een
5 maal verdunde oplossing gebruikt, daar in de praktijk een dosering van

0.1.ml niet handig is. De inspuiting gebeurde subcutaan naast het borst-
been. Enkele dieren kregen een kwartier na de injectie braakneigingen, doch
enkele uren later vertoonde geen van de dieren enige vorm van nausea.
De \\olgetide dag vlogen de duiven weer normaal rond.

Op de plaats van inspuiting ontstond een necroseplek, die na 4 weken ver-
dwenen was. Van enige verdere nevenwerking kon niets worden opgemerkt.
Twee dagen na de behandeling werden verschillende vogels ingekorfd voor
een vlucht van meer dan 600 km, die ze zeer goed uitvlogen.
Eén week, één maand en twee maanden na de Promintic-injectie werden van
elk der 22 duiven de faeces nader onderzocht; alle bleken geen
Capillaria-
eieren meer in de faeces te hebben. Echter werden bij de no\'s 5, 6, 9 en 13
bij ieder onderzoek spoelworm-eieren aangetroffen cn bij de no\'s 3 en 13
enkele coccidiënoöcysten. Het bleek dat de duiven, na de behandeling met
Promintic, levendiger werden, meer glans vertoonden, langer in de lucht
verbleven en dat de rui een vlottere voortgang vond.

0]j drie andere hokken (met een totaal van 280 duiven) werd eveneens een
behandeling tegen
Capillaria ingesteld; ook hier met 100% resultaat. Nu
werd de injectie subcutaan in de nek, vlak achter de kop gegeven en kon
geen necrose vastgesteld worden. Daar de duiven hadden gevast werd het
bezwaar van nausea voor een groot deel opgeheven.

Conclusies.

1. Promintic blijkt tegen capillariasis bij de duif voor 100% effectief te
zijn.

2. Promintic heeft, afgaande op het faecesonderzoek, geen werking op
Ascaridia en coccidiën.

3. Behalve nausea, en soms voorbijgaande necrose, zijn geen neven-
verschijnselen waargenomen.

4. Wanneer bij vage klachten Capillaria-eieren in de faeces worden waar-
genomen, is een behandeling tegen
Capillaria bij postduiven gewenst.

5. Daar geen immuniteit tegen Capillaria optreedt, moet opgepast worden
voor een herinfectie.

SAMENVATTING.

Gapillariasis blijkt bij duiven vaak subklinisch te kunnen optreden; soms echter kan
de infectie een dodelijk verloop hebben. Meestal is bij capillariasis de ontlasting te
dun, te slijmerig en te groen en verloopt de rui te langzaam.

-ocr page 92-

Er werden 4 hokken met duiven (in totaal 390 stuks), die zwaar besmet waren met
Capillaria, behandeld met Promintic.

In de faeces der behandelde duiven werden na 1 weck, een maand en twee maanden
geen
Capillaria-eieren meer aangetoond. De duiven bleken na de behandeling leven-
diger te zijn, meer glans te vertonen en de rui vond een vlottere voortgang.

SUMMARY.

Capillariasis is frequently found to appear in a subclinical form in pigeons; in some
cases, however, this infestation may terminate in death. The faeces usually are too
thin, too slimy and too green and moulting is too slow in capillariasis.
Four pigeon-cotes with pigeons (a total number of 390 birds) severely infested with
Capillaria were treated with Promintic. Eggs of Capillaria were no longer identifiable
in the faeces of the treated pigeons within seven days, thirty days and sixty days.
After treatment, the pi.gcons were found to have become livelier and glossier, and
moulting proceeded more rapidly.

RÉSUMÉ.

Chez les pigeons la capillariasis paraît pouvoir se présenter souvent dans un degré
subclinique, parfois cependant l\'infection peut avoir un cours mortel. La capillariasis
est souvent accompagnée d\'une défécation trop diluée, trop muqueuse et trop verte
et d\'une mue trop lente.

4 Pigeonniers (en total 390 pigeons) gravement infectés de Capillaria ont été traités
avec du Promintic. Après huit jours, un mois et deux mois on nc trouva plus d\'oeufs
de
Capillaria dans les fèces des pigeons traités.

.Après le traitement les pigeons s\'avéraient être plus alertes, plus resplendissants, et
la mue avait un cours plus rapide.

ZUSAMMENFASSUNG.

Capillariasis scheint bei Tauben oft subklinisch aufzutreten: manchmal kann die
Infektion jedoch einen tödlichen Verlauf nehmen. Meistens ist bei Capillariasis der
Kot zu dünn, zu schleimig und zu grün und dic Mauser verläuft zu langsam.
4 Taubenschläge, besetzt mit insgesamt 390 Tauben, dic mit
Capillaria infiziert
waren, wurden mit Promintic behandelt. Im Fäzes der behandelten Tiere wurden
nach einer Woche, einem Monat und nach 2 Monaten keine
Capillaria-cicr mehr
an,getroffen. Die Tauben schienen nach der Behandlung lebendiger zu sein, ein
glänzenderes Gefieder zu besitzen und die Mauser schneller überstanden zu haben.

LITERATUUR

G e e r a e r t s, G.: Bestrijding van capillariose bij duiven en kippen met methyri-
dine.
Vlaams Diergeneesk. Tijdschr., 4, 105, (1962).
Pécheur, M., Pouplard, L., Grégoire, C.: Behandeling van capillariose
bij dc duif door methyridine.
Vleams Diergeneesk. Tijdschr., 4, 114, (1962).

Kleur van de ei.schaal en erfelijkheid.

Een methode wordt beschreven waarmede de kleur van de eischaal foto-elektrisch
wordt bepaald en wordt uitgedrukt in percentages teruggekaatst licht. Uit deze ge-
gevens kon worden afgeleid dat de erfelijkheidsgraad 0.4027 bedroeg, maar dat in
alle gevallen de gevonden waarden voor de fokhennen groter waren dan voor de fok-
hanen, zodat wel van dominantie kan worden gesproken.

Pluimveepers, XVIII, 748, (1962).

-ocr page 93-

Eenvoudige en snelle bacteriologische bedrijfs-
controle op vleesverwerkende bedrijven met
agar-,.worsten" in Rilsan-kunstdarm.

A simple and quick method for bacteriological plant-
control of surface contaminations.

door L. TEN CATE^)

Uit het chemisch-bacteriologisch laboratorium der Engros-
slachtcrij [Velling N.V., Borculo.

Inleiding.

De toenemende verkoop van voorverpakt vlees en voorverpakte vlees-
waren stelt steeds hogere hygiënische eisen aan de deze waren jjrodu-
cerende en distribuerende bedrijven. Vlees is nu eenmaal een ideale voe-
dingsbodem voor vrijwel alle micro-organismen en de hoge waterdamp-
s])anning onder de plasticfolie, waarmee deze voorverpakte waren overdekt
zijn — tezamen met de veelal verlengde en vertraagde weg van producent
naar consument —- verhogen deze reeds gunstige groeimogelijkheden in
niet geringe mate, met als gevolg een snel bederf, naast een — zij het ook
geringe — kans op \\ermeerdering van mogelijk reeds in minimale hoeveel-
heden aanwezige [Jatliogenc bacteriën.

.\\lleen een strikt doorgevoerde bedrijfshygiëne zal de hoeveelheden dezer
in wezen onvermijdelijke kiemen zo klein mogelijk kunnen houden, terwijl
daarna een rigoureus doorge\\\'oerde koelketting bij zo laag mogelijke tem-
peratuur de vermeerdering dezer micro-organismen zoveel mogelijk dient
tegen te houden.

lU-drijfscontrole.

De taak van het bacteriologisch bedrijfslaboratoriurn bestaat nu onder
meer in de controle op de doorvoering dezer zowel voor producent als con-
sument noodzakelijke bedrijfshygiëne: de graad van besmetting der ge-
bruikte grondstoffen en de reinheid der aanwezige machines, gereed-
schappen (messen!), tafels, hakblokken, muren, vloeren, verpakkings-
materiaal, kleding, enz. enz. (Mol, 1960).

Wil deze controle enige zin hebben, dan zal niet volstaan kunnen worden
met enkele sporadische steekproeven, maar zal deze regelmatig en inten-
sief dienen te geschieden.

Worden daarvoor de klassieke methodes toegepast (,,swabs"), dan treden
hierbij grote praktische moeilijkheden op, omdat — althans bij een enigs-
zins uitvoerig onderzoek, dat bovendien regelmatig moet worden uitge-
voerd — enorme hoeveelheden glaswerk (petrischalen, pipetten, verdun-
ningsvloeistoffen, enz.) gebruikt moeten worden, die de efficiency en de
snelheid van werken van een doorgaans klein bedrijfslaboratoriurn in hoge
mate belenuneren.

L\'itvoerige onderzoekingen van A n g e 1 o 11 i et al. (1958) hebben boven-
dien de onbetrouwbaarheid dezer klassieke ,,swab"-methodes voldoende
aangetoond. Ook de invoering van „Calciumalginaat"-watjes, welke na

L. ten Cate, chef van het chcmisch-bactcriologisch laboratorium der Engros-
slachtcrij Welling N.V., Borculo.

-ocr page 94-

het afstrijken in een caigon- of natriunicitraatoplossing geheel verteerd
werden (Reuter, 1962), geven niet veel verbetering.
De door L e i s t n e r (1956) aanbevolen „stemper\'-inethode met roestvrij
stalen stempels van een bepaald oppervlak heeft op zichzelf al bezwaren,
omdat deze methode alleen voor zachte oppervlaktes, zoals het vlees zelf,
gebruikt kan worden. Voor oppervlaktes, zoals b.v. tafels en snijplanken,
is deze methode geheel onbruikbaar. Bovendien wordt hierbij het aantal
kiemen, dat door het stempel overgenomen wordt, nog eens op gelijke
schaal \\\'erminderd bij het weer afdrukken van het, eerst op het vlees ge-
drukte, stempel op de agarplaat. De, overigens ongemotiveerde, bewering
van L e i s t n e r dat hij met deze methode 50% der op het onderzochte
vlees aanwezige micro-organismen op de telplaten overbracht, lijkt daarom
ook op zijn minst hoogst twijfelachtig.

De „swab"-methodes, welke door A n g e 1 o 11 i et al. (1958) onderzocht
werden, gaven bij de kiemtellingen zeer wisselvallige uitkomsten, variërend
van 25 tot 90% der op het te onderzoeken oppervlak aanwezige bacteriën.
De enige mtehode, welke volgens hun onderzoek tot betrouwbare en re-
produceerbare uitkomsten leidde, was de oorspronkelijk van L i t s k y
(1955) afkomstige Stempelmethode met behulp van in injectiespuiten ge-
steriliseerde voedingsbodems, waarbij de agar telkens door een lichte
zuigerdruk naar buiten werd gebracht en na het stempelen op het te onder-
zoeken oppervlak met behulp van een steriel mes dan in dunne schijfjes
werd afgesneden, die met het stempeloppervlak naar boven in een petri-
schaal werden uitgebroed-. Na hun zeer nauwkeurig onderzoek, waarbij
met op steriele oppervlakten homogeen uitgestreken uitgewassen sporen-
suspensies werd gewerkt, kwamen zij aangaande de „stcmpel"-methode
\\olgens L i t s k y („agar-syringe-method") tot de volgende conclusie:

„. , , de agar-injeciespuit-methode is niet voor een dergelijk grote ver-
scheidenheid van mogelijkheden geschikt als de wattenprop-methode.
Voor vlakke of licht gekromde, niet poreuze oppei-vlaktes echter, welke
bedekt zijn met een regelmatige kiembesmetting, is deze methode echter
veel doeltreffender dan de wattenpropmethode. De onderzoekingen
toonden aan, dat de agar-injectiespuit-methode dermate onveranderlijk
ongeveer de helft der micro-organismen van het proefoppcrvlak af-
haalde, dat — wanneer de uitkomsten der kiemtellingen met de factor
2 zouden worden vermenigvuldigd - - een veel betrouwbaarder beeld
van de totale contaminaties verkregen wordt dan met wélke andere
techniek ook. Zijn eenvoud maakt deze tot een aantrekkelijk methode
en dient te worden overwogen in alle omstandigheden, waar routine-
bepalingen noodzakelijk zijn, . , ,"

Ook aan deze „L i t s k y"-methode kleven echter enkele bezwaren van meer
praktische aard. Bij eigen onderzoek bleek de normale, in veterinaire krin-
gen welbekende Janet-Record-spuit (diameter 40 mm, inhoud 150 ml)
niet aan de gestelde verwachtingen te voldoen, omdat de glazen cylinder
dezer spuiten niet bestand bleek te zijn tegen een natte sterilisatie bij
120° C en daarbij geregeld stuksprong. Het was daarom noodzakelijk ge-
heel metalen spuiten te gebruiken, althans voor agars, welke bij hogere
temperaturen dan 100° C moeten worden gesteriliseerd.
Wanneer echter enigszins behoorlijke hoeveelheden agars in voorraad ge-
maakt en gehouden dienen te worden, zijn hiertoe vrij veel van dergelijke

-ocr page 95-

spuiten nodig, waaidoor dit een nogal kostbare aangelegenheid wordt.
Bovendien zijn de met agar gevulde spuiten met uitgetrokken zuigers
lastig in het transport en veel ruimte in beslag nemend. Vaak lekt ook
bij de sterilisatie, vermoedelijk door een verschil in uitzetting van zuiger
en cylinder, bij de verhitting een vrij grote hoeveelheid agar uit de spuiten
in de autoclaaf.

Ook aan de niet door Angelotti et al. (1958), maar door Seidel
en Plaschke (1958) beschreven andere onderzoekmethodes („Bacto-
Strips"); een door K a n z aanbevolen systeem van dunne agars tussen ste-
riliseerbaar plactic, welke na gebruik in steriele oude filmpak-cassettes
moeten worden uitgebroed, en een door henzelf gepropageerde methode,
waarbij met voedingsbodems geïmpregneerde stroken verbandgaas in petri-
schalen worden gesteriliseerd, welke na aandrukken op het te onderzoeken
oppervlak opnieuw in deze schalen worden uitgebroed, zijn alle om-
slachtig in hun voorbereidingen en bewerkelijk.

Eigen methode.

De bezwaren, welke aan de - - overigens meest betrouwbare — methode
van L i t s k y kleven, kunnen op uitnemende wijze ondervangen worden
door de voor het onderzoek benodigde agars niet te steriliseren in injectie-
spuiten, maar in steriliseerbare „Rilsan"-kunstdarmen (kaliber 50/004),
welke uit een polyamide kunststof bestaan en een temperatuur van 140° C
kunnen verdragen. Hun prijs is voor het gestelde doel te verwaarlozen.
De kunstdarm wordt hiertoe in stroken van 65 cm lang gesneden, aan één
zijde met een voor elke soort agar verschillend gekleurd worsttouw afge-
bonden (vijf lussen) en na vulling met 300 ml voorgesmolten agar, met
dezelfde kleur touw aan de vulzijde eveneens afgebonden en, na dubbel-
geslagen te zijn, over een in de autoclaaf passend rekje gehangen ter ste-
rilisatie volgens voorschrift (zie foto 1). In de vouw wordt een klein gaatje
geknipt, waardoor aanwezige en vrijkomende lucht bij de verhitting kan
ontwijken en bij de later optredende onderdruk bij het afkoelen geen
schade aan de kunstdarm kan ontstaan, hoewel dit laatste bezwaar ook
oj) te heffen is door het laten afkoelen onder druk, zoals dit b.v. gebrui-
kelijk is bij de sterilisatie van conserven in glazen potten (knakworst, e.d.).
Worden de darmen met agar onmiddellijk na het openen der autoclaaf
onder het gaatje afgeklemd of afgebonden, dan bestaat er geen gevaar
voor na-infectie der agars.

Na enige afkoeling der „agar"-worsten dienen deze nog eens te worden
„nagebonden", omdat de Rilsan-darm niét met de inhoud meekrimpt, het-
geen echter geen bezwaar is. Dit „nabinden" moet geschieden vóórdat de
agar is gestold, omdat anders breuken in de agarmassa kunnen optreden.
De gevulde darmen worden hiertoe aan de bovenzijde vastgehouden en
zolang rondgedraaid, tot de lucht van boven ontweken is en de darm
strak om de agar getrokken zit. Daarna worden zij met dezelfde kleur
worsttouw, als voor het afljinden der uiteinden gebruikt is, stijf afgebon-
den (eventueel met een lus voor het hangend laten opstijven, waardoor
mogelijk nog aanwezige luchtbellen in de top opgesloten worden). Na
stolling wordt de agar-„worst" volgens de regelen der kunst netjes bijge-
knipt en ziet er dan ongeveer zo uit als een „theeworstje" of een „Saks",
met een volkomen glad en glanzend uiterlijk.

-ocr page 96-

De op deze wijze ver]<regen agar-stangeii zijn ongeveer 34 mm dik en on-
geveer 17 cm lang, welke lengte proefondervindelijk het handigst gebleken
is, omdat de „worst" hierbij goed in de hand ligt. Kortere lengten, speciaal
voor minder vaak benodigde agars, zijn echter eveneens bruikbaar. De
oppervlakte der doorsnede bedraagt praktisch negen vierkante centi-
meters.

Deze „worst"-agars blijven onbeperkt houdbaar; ook zonder koeling blij-
ven zij steriel en drogen niet uit, daar de polyamide-darm ondoorlaatbaar
is voor gassen en vocht. Bovendien plakt de ingesloten agar niet aan de
darmwand vast, maar laat zich er gemakkelijk glijdend uitdrukken.

Wanneer zij gebruikt moeten worden, wordt de agar-stang in de linker-
hand genomen en op de plaats van onderzoek eerst met een steriel mes
(hersenrnes, te flamberen in de vlam van een draagbaar spirituslampje)
aan één zijde het kopje afgesneden.

Na elke afdruk wordt door middel van een zachte druk ojs het achtereinde
met de pink de agar ongeveer een kwart tot een halve centimeter uit de
darm gedrukt (foto 2). Met het hersenrnes, dat bij continu-onderzoek van
één object (b.v. een werktafel of vele stukken gesneden vlees) niet telkens
opnieuw gesteriliseerd behoeft te worden, wordt dan een plaatje van on-
geveer een kwart tot een halve centimeter dik vlak afgesneden, waarna
liet nog op het mes liggende schijfje in een ter rechterzijde door een assis-
tent even geopende petrischaal wordt neergelegd met de stempelkant naar
boven. In een schaal van normale afmetingen (ca. 10 cm diam.) kunnen
zo telkens vier tot vijf plakjes agar verzameld worden. Eventueel kunnen
met onderbrekingen proefschijfjes ingelegd worden, welke niét gestempeld
werden, om zo de steriliteit der werkmethode te controleren.
Uit één agar-„worst" kunnen op deze wijze in een snel tempo ongeveer
veertig afdrukken worden vervaardigd.

Moet aan de agar vóór het stollen nog een of andere vloeistof worden toe-
gevoegd (melkzuur, rauw bloed of penicilline b.v.), dan gelukt dit uit-
stekend met behulp van cen injectiespuit of onder steriele omstandigheden
via een kleine trechter, gestoken in het opengeknipte gaatje in het midden
der darm. Wordt de „worst" daarna eerst wat losser afgebonden, of rond
het gaatje met een slangenklem afgeknepen, zodat er nog enige vrije
ruimte in de darm blijft, dan laat zich de nog dunne agar uitstekend men-
gen vóór het definitieve afbinden.

Tot nu toe werd op de hierboven beschreven wijze met goed gevolg ge-
werkt met agars voor algemene kiemtellingen, Nutrient-Agar CM 3 en
\'I\'rypton-glucose-extract-agar CM 127 can Oxoid; Violet Red Bile-Agar
CM 107 mèt en zonder glucose van Oxoid voor de Coli-achtigen mèt
of zonder Salmonella\'s; S.S.-agar CM 99 van Oxoid voor Salmonella\'s
en Shigella\'s; Packer- en Telluriet-agars voor de faecale Streptococcen
(waarbij echter ook de nièt-faecale Aerococcen opkomen; de Moor,
1957); Tomaten-agar CM 113 van Oxoid voor Lactobacillen en een
zure Mout-agar CM 59 van Oxoid voor gisten. Ook de mangaan-
dioxyde-agar vlgs Schuddeboom en Gr ever (1958) laat zich op
de bovenomschreven wijze uitstekend gebruiken voor het aantonen \\\'an
catalase-negatieve kiemen, welke op verpakte, voorgekookte vleeswaren,
b.v. ham en Casseler rib, zeer onaangename groenverkleuringen teweeg
kunnen brengen (ten C a t e, 1962). Ook anaeroben laten zich volgens

-ocr page 97-

deze methode uitstekend kweken, wanneer aan de binnenzijde van het
deksel der petrischaal, die in dit geval niet te laag mag zijn, een poeder-
vormig ingevouwen stuk filtreerpapier met pyrogallol, soda en infusoriën-
aarde wordt ingeplakt en de schaal wordt afgedicht met cellofaanplakband
en daarna verzegeld met kristallijne parafine (Mossel, 1962).
Het bleek tenslotte wenselijk de vastheid der agars te verhogen door de
hoeveelheid agar der verschillende recepten te verdubbelen. Na enige oefe-
ning gelukte het gemakkelijk om binnen een kwartier tijds tachtig of meer
afdrukken in petrischalen gereed te maken (foto 3), welke dan direct ge-
reed zijn voor het bebroeden bij de gewenste temperaturen en meestal
binnen één of twee dagen afgelezen kunnen worden. Doorgaans gelukt het
ook de schalen voor het bebroeden direct om te keren, daar de afgesneden
agar-schijfjes zich goed aan de bodem der petrischaal vasthechten.
Eventueel kunnen ook schijfjes van verschillende voedingsbodemsoorten in
één jjctrischaal verzameld worden (zie foto 4), waardoor na het bebroeden
een aardig totaalbeeld der flora van een bepaald object kan worden ver-
kregen.

Vanzelfsprekend is deze bovenomschreven methode niet alleen bruikbaar
in de vleeswarenindustrie, maar onder èlke omstandigheid, waar de con-
trole van oppervlakte-contarninaties noodzakelijk is (ziekenhuizen en ope-
ratiezalen b.v.).

Eveneens is het mogelijk, door het toepassen van grotere kalibers (b.v.
12/003 van Rilsan), agar-schijven af te snijden, welke de bodem van een
gehele petrischaal bedekken, welke zo voor het maken van afstrijkjes ge-
schikt zijn. Het is op deze manier mogelijk, speciaal van moeilijker te be-
reiden voedingsbodems, om grotere hoeveelheden in voorraad te maken,
zonder dat deze in petrischalen kunnen uitdrogen en ruimte in de koel-
cellen in beslag nemen.

Kiemtellingen.

Getracht werd nog na te gaan in hoeverre met deze methode ook betrouw-
bare kiemtellingen te verrichten waren. Eveneens of het ook mogelijk zou
zijn - - wanneer de contaminatie tè groot mocht zijn voor directe tellingen
ojj dc afdrukken — om dit door middel van verdunningen te doen.
Hiertoe werden de stempelmcdia dan in plaats van met ca. 3% agar met
15% gelatine vervaardigd en de na het stempelen afgesneden schijfjes op-
gelost in de verdunningsvloeistof bij ca. 30° C.

Tenslotte werd nog getracht of het mogelijk kon zijn, door het nemen van
steeds herhaalde afdrukken van één omlijnd oppei-vlakje, uit de te ver-
wachten verschillen in aantallen opkomende kolonies op de opeenvolgende
schijfjes algebraïsch het oorspronkelijke kiemgetal te berekenen, benevens
het percentage kiemen, dat bij elke stempeling door een schijfje agar
wordt opgenomen.

Dc hierbij verkregen uitkomsten waren echter — zoals eigenlijk ook te
verwachten was — volkomen insignificant. Het is immers zo, dat — in
tegenstelling tot de experimenten van A n g e 1 o t t i et al. (1958), waarbij
met homogene verdelingen van uitgewassen sjjoren en microkokken ge-
werkt werd — in de praktijk op elk te onderzoeken oppervlak reeds in
meerdere of mindere mate kolonievorming opgetreden is, en het niet
mogelijk is de kolonie in zijn geheel bij de stempeling over te nemen.

-ocr page 98-

Foto 1.

Rekje met gevulde Rilsan-darmen, gereed voor de sterilisatie. In de vouw wordt

een gaatje geknipt.

Foto 2.

Stempelen met de agar-„worst". Op de achtergrond een petrischaal met reeds drie

afgesneden agarplaatjes.

-ocr page 99-

Foto 4.

Vier petrischalen met agar-schijfjes na het bebroeden. Boven links en rechts telluriet-
agar met Aerokokken vóór en na de reiniging van een werktafel. Onderaan een
„bonte rij" en een petrischaal met tel-agarschijven.

-ocr page 100-

Hoe ruwer het te onderzoeken oppervlak is, des te moeilijker zal het agar-
stempel de flora overnemen. De ene keer zal een bepaalde kolonie meer
kiemen loslaten dan een andere keer, waardoor steeds wisselende uitkom-
sten ontstaan. Kiemtellingen kunnen dus eigenlijk alleen nauwkeurig ver-
richt worden in een vloeistof (b.v. melk of hampekel), waar de kiemen
zich gesepareerd ontwikkelen en geen kolonievorming kan optreden.
In de praktijk is dan ook gebleken, dat voor onderlinge vergelijking tussen
contaminaties van oppervlaktes niet verder gegaan moet worden dan een
vrij grove indeling in zes groepen:

1. Geen groei op de platen = O

2. Zeer geringe groei (tot 10 kolonies) = ±:

3. Geringe groei (10 tot ca. 30 kolonies) = -I-

4. Matige groei (ca. 30 tot ca. 100 kolonies) = 4-

5. Sterke groei (meer dan 100 kolonies) = -f -f

6. Overwoekering der platen („Rasen-Wachstum") = -f-

Om een uitkomst per vierkante centimeter te verkrijgen, zouden deze tel-
lingen dan eigenlijk nog door 4/2 gedeeld mcxiten worden (x 2 en ge-
deeld door het oppervlak van 9 cm^).

Deze ruwe indeling der contaminaties werd eveneens toegepast door
Kelch en Friesz (1959). Na enige routine gelukt het echter op de
hierboven beschreven wijze uitstekend cen vrij objectief inzicht tc ver-
werven over de hygiënische toestand op een bepaald bcdiijf of de wijze,
waarop reiniging en desinfectie worden uitgevoerd. Zoals hierboven reeds
werd aangevoerd, zeggen absolute getallen, vooral bij reeds opgetreden
kolonievorming, bij oppervlakte-tellingen zeer weinig.

SAMENVATTING.

Een methode wordt beschreven, waarbij bacteriologische bcdrijfscontrolcs van opper-
vlakte-contaminaties zeer snel en eenvoudig volgens de stcmpcl-mcthode kunnen
worden uitgevoerd met behulp van agar-„worsten", gesteriliseerd in polyamide
(Rilsan) -kunstdarmen.

summary.

Description of a method of bacteriological inspection in industry in which very
rapid and simple tests for surface contamination may be made by the stamping
method using agar "sausage" sterilized in polyamide (Rilsan) artificial casings.

Résume.

Une méthode simple et rapide à tampon est décrit pour la contrôle hygiénique de
contamination en surface avec des „saucissons d\'agar", stérilisés en boyaux artificiels
de polyamide (Rilsan).

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Methode beschrieben, wonach bakteriologische Betricbskontrollen der
Obcrflächenkontaminationen schnell und einfach nach der Stempelmethode ausge-
führt werden können unter Zuhilfenahme von Agar-„würsten", sterilisiert in Polyamid
(Rilsan)-kunstdarmen.

-ocr page 101-

LITERATUUR

A n g e 1 O t t i, F o t e r, Busch and Lewis: A comparative evaluation of method
for determining the bacterial contamination of surfaces.
Food Res 23 175
(1958).

Gate, ten: Groene verkleuringen in vleeswaren van bacteriële origine. Tijdschr.
Diergeneesk.,
87, 303, (1962).

Kelch und Friesz: Durchführung bakteriologischer Kontrollen in Fleisch ver-
arbeitenden Betrieben.
Fleischwirtschaft, 11, 1011, (1959).

Leistner: Bakteriologische Probleme bei der Vorverpackung von Fleisch und
Flcischwaren.
Fleischwirtschaft, 8, 422, (1956).

Litsky in Walter: Symposium on Methods for determining bacterial Conta-
mination on Surfaces.
Bact. Rev., 19, 284, (1955).

Mol: De zorg voor hygiëne in het vlceswarenbedrijf. Conserva, 9, 72, (1960).

Moor, de: .Aspecten van de diagnostiek van Streptococci, in het bijzonder bij
sepsis lenta. Versl. & Med. betr. Volksgezondheid (dec. 1957).

Mossel: La prevention des infections et des toxi-infections alimentaires, blz 87
(Brussel, 1962).

Reuter: Vorschlag für eine modifizierte bakteriologische Bctriebskontrolle. Fleisch-
wirtschaft,
14, 26, (1962).

Schuddeboom & Grever: Isolierung von bei Fleischwaren Grünverfarbung
verursachenden Milchsäurebakterien.
Ibidum, 10, 234, (1958).

Seidel und Plaschke: Gedanken zum 70-jährigen Jubileum der Petrischaale
und ein Beitrag zum Einsatz flexibler Bakterienährböden in der Lebensmittel-
industrie.
Ibidum, 10, 276, (1958).

Ken dag niet voeren.

Onderzoekingen gedurende een periode van drie jaar aan de Universiteit van
Connecticut hebben volgens Singsen bevestigd, dat pluimveefokkers één dag per
weck het voeren kunnen overlaan. Er treedt geen produktiedaling op, terwijl de
vruchtbaarheid en dc broeduitkomsten duidelijk verbeterd werden.
Het overslaan van het voeren gedurende 24 uur, dus bijv. van zondag 8 uur des
ochtends tot maandagochtend 8 uur, zou de voederrekening met ongeveer 10%
verlagen. Bij een pluimvccstapel van 10.000 hennen zou dit cen besparing van
$ 3000 tot 4000 per jaar betekenen.

.Alle hennen moeten vanaf het opbokken tot twee weken na de hoogste eierproduktie
op een energierijk voer volledig worden gevoerd, alvorens met het gewijzigde voeder-
schema kan worden be,gonnen.

Veteelt- en Zuivelber., 6, 34, (1963).

Maagzweren bij varken.s.

Maagzweren zijn bij de mens een reeds jarenlang bekend probleem. Nu en dan
werden ze ook bij varkens waargenomen.

Sedert kort echter heeft men in de staat Indiana in de U.S.A. ontdekt dat dit kwaad
veel meer voorkomt dan men dacht. In ieder geval bleek dat van 164 geslachte
mestvarkens, afkomstig uit verschillende delen van het land en van verschillende
rassen 25% last had van maagzweren. Deze aandoening vertoont veel gelijkenis met
die welke men bij de mens kent. Men acht het dan ook niet uitgesloten dat varkens
zullen kunnen dienen als proefdieren om dieper in de oorzaken van het ontstaan
van de zweren door te dringen.

Landbouwdocumentatie, 19, 37, (1963).

-ocr page 102-

A contribution to the pathogenesis of diarrhoea
in cattle.1)

A histological and patho-anatomical study of the
bovine intestine in normal and disease with particu-
lar reference to the vegetative nervous elements.

by IBRAHIM EL. D. EID ZAYED2)

The object of this study is to try to find lesions which could be responsible
for the diarrhoea accompanying Johne\'s disease and non-specific chronic
enteritis. Consequently our attention was not only directed to the patho-
logical lesions of the various layers of the intestinal wall, but also to pos-
sible lesions in the ganglia of the Auerbach\'s and Meissner\'s plexus. In
addition changes in the layers of the intestinal tract in cases of chronic
enteritis were examined.

The research covers five cases serving for control and 21 cases of para-
tuberculosis, non-specific chronic enteritis and other intestinal disturbances,
al going hand in hand with diarrhoea.

The normal material originated from 3 cows, 4 to 5 years old and two
calves, nine months and one year respectively. The pathological material
came from animals ranging in age from 2/2 to 10 years.
As a result of the microscopic lesions and the cause of the intestinal devia-
tions these cases were classified under the following 4 groups:

I. Three cows with non-specific hypertrophic chronic enteritis of un-
known cause.

II. Thirteen cows with specific chronic enteritis caused by Johne\'s bacilli.
Among these there was one cow that suffered from diarrhoea, but on
examination of smears and sections of the intestinal wall,
Mycobacte-
rium johnei
could not be found. Only in the ileocoecal valve a mild
lesion, presumably of paratubercular nature, could be seen.

III. Two cows which on account of diarrhoea they showed, were suspected
of paratuberculosis. However, not any morphological lesions in any
of the intestinal layers were observed.

IV. Two cows suffering from a persistent diarrhoea as an effect of disto-
matosis of the liver.

The following parts of the intestines were subjected to the examination:
A section of the duodenum at the end of its first curve, a section of the
jejunum near the centre, a section of the ileum about a meter above the
ileocoecal valve, a section about a hand\'s breadth above that valve and a
section at the ileal side of the ileocoecal valve. Furthermore sections were
taken from the apex of the coecum, from the ascending colon at the junc-
tion of its proximal and coiled loops, and from the rectum about half a
meter before the anus. For every part subjected to this examination the
same method of fixation, staining and cutting was used. All pieces were
being fixed for 30 days in 12% neutralized formalin in distilled water.

1  Summary of the authors\' work during his stay at the Department of Patho-
logy, Faculty of Veterinary Medecine, Utrecht, The Netherlands (Thesis 1960).

2  Dr. Ibrahim EI D. Eid Zayed; present adress: Department of Pathology,
Faculty of Veterinary Medecine, Giza, Egypt.

-ocr page 103-

In part I of this study the macroscopic and microscopic anatomy of the
normal intestine has been described. In each of the 26 cases e.xamined, the
submucosal glands were always observed in the ileocoecal valve and in the
colon. In 3 out of the 26 cases these glands were shown in the rectum, while
in 6 cases they were observed in the terminal part of the ileum. Their pre-
sence always is accompained by a large amount of lymphoid tissue and
sometimes they are surrounded by muscle fibres originating from the mus-
cularis mucosae. Therefore it is believed that the glands make their way
from the lamina propria into the submucosa via a locally thin or disconti-
nuous muscularis mucosae. This weakening of the muscularis mucosae is
believed to be caused by the mechanical effect of the great amount of
lymphoid tissue overlying it.

\\Vhile examining the intramural ganglia of the plexus myentericus and the
plexus submucosae we applied, for the normal as well as for the patho-
logical material, the slightly modified Bielschowsky-Gros method of silver-
impregnation. The ganglia of the myenteric plexus are always found in the
stratum intermuscularis, while fibres of the plexus spread between the over-
and underlying muscle bundles. The neurons are only found in that part
of the plexus lying between the two muscle layere.

The ganglia of the Meissner\'s ple.xus are smaller than those of the myen-
teric plexus and the neurons of the submucous plexus are smaller too. The
neurons in the ganglia of both, the myenteric and the submucous plexus,
in the entire intestinal tract are of two kinds, in form corresponding with
type I and type II according to Dogiel\'s description of neurons. Of many
ganglion-cells however, the Dogiel-type could not be defined as their pro-
cesses appeared not to to be impregnated and it is precisely the form and the
course of these processes on which their classification is based. For this
reason it was also impossible to determine which of the two neuron-types
predominates in the various parts of the intestinal tract.
In both plexuses many small ganglion-cells were observed whose processes
were not impregnated either. These cells are more frequent in the Meissner\'s
plexus than in the Auerbach\'s plexus. It is assumed that they are the smal-
lest fonn of neurons of Dogiel-types I and II. The occurrence of anasto-
motic and synaptic connections between the neurons has been described.
In the stratum intermuscularis, on the smooth muscular fibres, on the ca-
pillary walls and in the submucosa, the autonomic tenninal vegetative
nerve-network was observed and in the junctions of this network we saw
the autonomic interstitial cells. We have concluded that this network is
composed of the anastomosing processes of the autonomic interstitial cells.
We are convinced that the autonomic interstitial cells are of a nervous origin
because those cells just like their processes, in case of chronic enteritis and
other intesUnal disorders, show the same pathological changes as the
ganglion-cells and the nei-ve fibres.

In preparadons stained with chiysyl violet, the Nissl-substance is seen only
in a few ganglion-cells, while its distribution and quantity differ from one
ganglion-cell to another.

In part II we explained that in Johne\'s disease, to a certain degree, there
is no correlation between the macroscopic appearance of the intestine and
the bacteriological and histological findings. It is of clinical significance
that duodenum and rectum are rarely affected.

-ocr page 104-

The baciUi are found both intra- and extracellularly.

In all our cases of Johne\'s disease degenerative or necrotic changes have
been found neither in the newly formed inflammatory tissue nor in the
superficial and glandular epithelium nor in the deeper layers of the intes-
tinal wall. Not infrequently paratubercular lesions were observed in the
submucosa, in the connective tissue between the muscle bundles of the mus-
cularis and beneath the serosa. No increase in connective tissue of the la-
mina propria has been noticed in these cases.

In the non-specific hypertrophic chronic enteritis as well as in Johne\'s di-
sease there is a remarkable decrease in the number of Lieberkiihn glands,
presumably as a result of atrophy of a number of them.

In part III the technique and the final results of the measurements of the
lamina propria, the muscularis muco.sae and the submucosa are mentioned.
The relation between the results of the maesurements of the above-
mentioned layers of the wall of normal intestines and intestines affected
by chronic enteritis has been demonstrated in graphs.

The results mentioned in this part make it clear that there is a remarkable
thickening of the lamina propria and of the submucosa in those parts of
the intestinal tract which are the seat of a specific or non-specific chronic
inflammation. The thickness of the muscularis mucosae however, has not
changed in any of the cases with non-specific hypertrophic chronic enteritis
or Johne\'s disease. In cases of chronic enteritis, specific as well as non-
specific, marked pathological changes of the intramural ganglia are ob-
sei-ved in those parts of the intestinal tract where the chronic inflammation
occurs and, in the same degree, also in the unaffected parts. The ganglia
in all parts of the intestinal tract in the cases studied in groups II and IV
also show the same pathological changes as observed in the case with
chronic enteritis.

This leads to the conclusion that the diarrhoea might be due to pathological
changes in the intramural ganglia of both the Auerbach\'s and Meissner\'s
plexus.

These pathological changes of the .\\uerbach\'s and the Meissner\'s plexus
can be summarized under two categories, namely the regrcssi\\c changes
and the progressive changes:

Regressive changes:

Shrinking or swelling of the neurons occurs, both coupled with degeneration
of the cytoplasm and regressive changes in the nuclei, (pyknosis and chro-
matolysisl.

The processes of the ganglion-cells have degenerated, usually they dctach
themselves from the neurons and lie around them. Vacuoles of different
fonn and size are obsci-ved in the cytoplasm of the neurons. In the dis-
cussion it is suggested to divide the vacuolization process into 4 stages, pre-
ceded by a preliminary stage. These 4 stages are illusrated in inicro- photo-
graphs.

In the nuclei of some degenerated ganglion-cells one or two small vacuoles
are to be seen. The autonomic interstitial cells are shrunken, showing va-
cuoles in their cytoplasm, their nuclei are pyknotic.

Often one or two small vacuoles are obsei-ved in the nuclei or between the
processes of the autonomic interstitial cells.

-ocr page 105-

Progressive changes.

There is hypertrophy and liyperplasia of the ganglion-cell processes, causing
a disharmony of the nonnal tissue picture.

We also ohsen-cd hyperplasia of the fine nen e fibres of the plexus together
with an increase in the number of the Schwann cells nuclei.
Finally we observed hypei-plasia of the autonomic terminal nei-ve network
as is demonstrated in the micro-photographs.

Systematization of the lesions of the enteric plexuses.

The manner in which the lesions of the enteric plexuses arc disposed in the
intestine, is a point of real interest, for it may throw light upon its patho-
genesis; it may also give an answer to the questions hereafter which might
arise in this case:

1. Are the changes in the plexuses with chronic enteritis of a primary or
a secondary occurrence with regard to the inflammation?

2. Are the fimctional disturbances caused by the lesions of the plexuses or
conversely?

We tried to answer these questions on the basis of our findings:
If the pathological changes of the plexuses are caused by enteritis, they
would be present only in the parts affected by it. As this is not so in our
cases and the plexus with its ganglia in the normal areas arc also affected,
it is obxious that the change in the plexuses are primaiy to the histological
structural lesions.

■Another proof is the occurrence of these pathological changes in the ganglia
of intestines that are free from morphological enteritis.
The last-mentioned phenomenon is seen in the common protoplasmic
nuclear stains (as in the cases described in groups IV and V).
Thus the changes in the plexuses are primary to both the histological lesions
in the different intestinal coats and the functional disturbances.
According to the literature reported and reviewed by the physiologists and
as result of otu\' findings, we came to the conclusion that it is highly pro-
bable that the diarrhoea accompanying chronic enteritis and other intestinal
disturbances, is the result of the regressive changes occurring in the myen-
teric and the submucous plexus.

In order to make this conclusion more acceptable, I shoidd like to propose
the following explanation for the pathogenesis of diarrhoea in relation to
the pathological changes in the two enteric plexuses:

The effect of the myenteric plexus.

In all our cases with diarrhoea, including the cases with non-specific or
specific chronic enteritis and even the cases without morphological lesion
of the different intestinal coats, degenerative changes were observed in the
ganglia of the Auerbach\'s plexus and the autonomic interstitial cells. These
degenerative changes in the ganglion-cells and the nerve fibres of the plexus
and in the autonomic ner\\\'e-network, have as a restdt that the inhibitory
effect of the plexus on the smooth musculature of the intestine is lost. Thus
the peristaltic rushes will increase as an effect of the constant stimuli rea-
ching the musculature and diarrhoea follows.

-ocr page 106-

Alvarez (1948) reported that there is a marked slackening in the rate of
rhythmic contraction, particularly after splanchniectomy.
The intestine becomes extremely irritable, to such a degree that the animal
(rabbit) often dies of diarrhoea.

The removal of the coeliac plexus leaves the intestine so irritable that it
often leads to the death of the animal as an effect of diarrhoea.

The effect of the Meissner\'s plexus.

As a result of the degenerative changes occurring in the Meissner\'s plexus,
the villous movements will be retarded and accordingly the absorption of
the intestinal contents will be slackened.

The slow absorption of the contents of the small intestine most probably, is
another factor that initiates the diarrhoea. This explains the emaciation
accompanying Johne\'s disease.

While it is known that Johne\'s disease is a specific chronic enteritis, the
diarrhoea accompanying it is in some cases of an intennittent nature. On
the strength of thé findings bf our study we suggest that the operating me-
chanism as described above, is accompanied with or followed by a pro-
gressive proliferating jDrocess. This process is responsible for a more or less
antigonising action for the results obtained by the degenerative changes. It
is probable that mainly the proliferative changes taking place in the auto-
nomic temiinal nervous network and in the ganglia of the Auerbach\'s
plexus momentarily stop the diarrhoea. Sooner or later the degenerative
changes overcome those proliferative changes in both the ganglia and the
autonomic terminal nervous network and the diarrhoea will reappear.
Then there is an oscillation taking place as a result of the predominance
of the regressive or the progressive changes, especially when the latter occur
in the autonomic terminal nen\'ous network.

In our silver preparations we were impressed by the enormous proliferative
process occurring in the autonomic terminal ner\\ous network. Van
E s v e 1 d found that this nervous network alone can keep up the rhythm
of the intestinal movements. Hence we believe that this autonomic terminal
nervous network plays an important part in the mechanism of the intestinal
movements.

As a result of our findings we came to the conclusion that the pathological
changes observed in the intramural ganglia of the myenteric and the sub-
mucous plexuses, may be due to any cause that can lead to a disease or
an inflammation of the intestine. However, they precede the functional
disturbances and other morphological changes of the intestinal layers.
It is suggested that with distomatosis of the liver, the toxins secrcted by the
parasites cause pathological changes of the neurons in the intramural
ganglia of the intestinal tract, thus giving rise to the occurrence of the
accompanying diarrhoea.

Moreover we are convinced that the histological changes observed in the
intramural ganglia are not specific to paratuberculosis, non-specific chronic
enteritis or any other intestinal disease.

SAMENVATTING.

De opzet van dit onderzoek was te trachten veranderingen te vinden waaraan de
diarree, één van de symptomen van paratuberculose en aspecifieke chronische ente-
ritis, kan worden toegeschreven. Onze aandacht was daarom niet alleen gericht op

-ocr page 107-

de pathologische veranderingen van dc verschillende lagen van de darmwand, maar
ook op mogelijke afwijkingen in de ganglia van de Auerbachse en Mcissncrse plexus.
Bovendien werd besloten bij chronische enteritis veranderde lagen van het darm-
kanaal qualitatief te onderzoeken.

Het onderzoek strekt zich uit over vijl controle-gevallen en 21 gevallen van para-
tuberculose, niet-specifieke chronische enteritis en andere darmafwijkingen, welke
alle gepaard gingen met diarree.

Het normale materiaal is afkomstig van drie volwassen runderen, 4 tot 5 jaar oud,
en twee kalveren van 9 maanden en een jaar.

Het pathologische materiaal werd verkregen van dieren, waarvan de leeftijd lag
tussen twee en een half en tien jaar. Deze gevallen werden op grond van de micro-
scopische veranderingen en dc oorzaak van de darmafwijkingen verdeeld in de vol-
gende vier groepen:

1. Drie koeien met een aspecifieke hypertrofische chronische enteritis van onbe-
kende oorzaak.

2. Dertien koeien met een specifieke chronische enteritis, veroorzaakt door de para-
tuberkelbacil. Bovendien is in deze groep een koe opgenomen, die leed aan
diarree, maar waarbij in het darmkanaal door onderzoek van uitstrijkjes en
coupes van de darmwand
Mycobacterium johnei niet kon worden aangetoond.
Alleen in de ilcocoecale klep werd een weinig uitgebreide verandering gezien,
die toch waarschijnlijk van paratuberculeuze aard was.

3. Twee koeien, die om hun diarree, verdacht werden van paratuberculose. Zij
toonden echter geen enkele morfologische afwijking in één van de lagen van de
darmwand.

4. Twee koeien met een langdurige diarree als gevolg van sterke levcrbeschadiging
door distomatose.

De in het onderzoek betrokken stukjes darm werden genomen uit het duodenum nabij
de S-vormige bocht, uit het jejunum dicht bij het midden, uit het ileum ongeveer
een meter en eveneens een handbreedte vóór de ilcocoecale klep, uit de ileumzijde
van deze klep, uit de punt van het coecum, uit het colon ascenclens op de overgang
van de ansa proximalis en het labyrinth en uit het rectum ongeveer een halve meter
vóór de anus.

Voor ieder van de in het onderzoek betrokken gevallen werden dezelfde methoden
gebruikt bij het fixeren, het kleuren en het snijden. Alle materiaal werd gedurende
dertig dagen gefixeerd in met gedistilleerd water toebereide 12% geneutraliseerde
formaline.

In hoofdstuk I van deze studie wordt de macroscopische en microscopische anatomie
van de normale darm beschreven. In dc submucosa liggende klieren werden gezien
in de ilcocoecale klep en het colon van elk van de 26 onderzochte gevallen. In drie
van de twintig gevallen werden zulke klieren aangetoond in het rectum, terwijl zij
in zes gevallen in het einddeel van het ileum werden gevonden. Hun aanwezigheid
gaat altijd gepaard met het voorkomen van een grote hoeveelheid lymfoid weefsel
en soms worden zij omgeven door spiercellen, die afkomstig zijn van de muscularis
mucosae. Het wordt daarom waarschijnlijk genoemd, dat de klieren hun weg van de
lamina propria naar de submucosa vinden door een plaatselijk verdunde of onder-
broken muscularis mucosae. Deze verzwakking van dc muscularis mucosae zou het
gevolg zijn van de mechanische invloed van de grote hoeveelheid lymfoid weefsel,
die erop rust.

Bij het onderzoek van de intramurale ganglia van de plexus myentericus en de plexus
submucosus werd zowel bij het normale als het pathologische materiaal een zilver-
impregnatie toegepast volgens de door schrijver enigszins gewijzigde methode van
Bielschowsky-Gros.

De ganglia van de plexus myentericus worden steeds gevonden in het stratum inter-
musculare, terwijl vezels van de plexus zich verbreiden tussen de erboven en eronder
liggende spierbundels. Het voorkomen van ganglioncellen is geheel beperkt tot dat
deel van de plexus, dat tussen de twee spierlagen ligt.

-ocr page 108-

De ganglia van de Meissnerse plexus zijn kleiner dan die uit de plexus myentericus.
Ook de neuronen uit de plexus submucosus zijn kleiner dan die uit de plexus myen-
tericus. De neuronen van de ganglia uit de beide plexus kunnen in het gehele darm-
kanaal worden verdeeld in twee groepen, die naar de vorm overeenkomen met de
door Dogiel als type I en type II beschreven neuronen. Van veel ganglioncellen kon
het Dogiel-type niet worden bepaald, daar hun uitlopers niet met zilver geïmpreg-
neerd bleken te zijn en de classificatie juist gegrond is op de vorm en het verloop
van de uitlopers. Daardoor was het eveneens niet mogelijk uit te maken, welke van
de beide neurontypes in de verschillende delen van het darmkanaal het meest voor-
komt.

Bovendien werden in beide plexus vele kleine ganglioncellen gezien, waarvan dc
uitlopers eveneens ongeïmpregneerd waren gebleven. Deze cellen komen meer voor
in dc Meissnerse plexus dan in de Auerbachsc plexus. Verondersteld wordt, dat zij
de kleinste vorm van neuronen zijn van zowel type I als type II volgens Dogiel.
Het vCKirkomen van anastomoscrende en synaptische verbindingen tussen neuronen
werd beschreven.

In het Stratum intermuscularc, op de gladde spiervezels, op de capillairwanden en
in de submucosa werd het autonome perifere vegetatieve zenuwnct waargenomen.
De autonome interstitiële cellen werden op de knooppunten van dit netwerk gezien.
De mening wordt naar voren gebracht, dat dit netwerk bestaat uit dc anastomosc-
rende snoervormige uitlopers van de autonome interstitiële cellen.
Wij zijn tot de overtuiging gekomen, dat de autonome interstitiële cellen van ner-
veuze oorsprong zijn op grond van het feit, dat zij — evenals hun uidopers — bij
chronische enteritis en de andere onderzochte darmafwijkingen dezelfde pathologische
veranderingen tonen als de ganglioncellen en de zenuwvezels.

In coupes, gekleurd met cresyl violet, wordt alleen in sommige ganglioncellen de
Nissl-substantie gevonden, terwijl de lokalisatie en hoeveelheid ervan van cel tot cel
anders is.

In Hoofdstuk II wordt beschreven, dat er bij paratubcrculosc geen samenhang be-
staat tussen het macroscopische beeld van de darm en de bacteriologische en histo-
logische bevindingen. Het is van klinische betekenis, dat het duodenum cn het rec-
tum slechts zelden aangetast zijn.

De bacillen worden zowel intra- als extraccllulair gevonden. In geen onzer gevallen
van paratubcrculosc zijn er dc.generaticve of necrotische veranderingen in het nieuw-
gevormde ontstekingsweefsel gevonden, evenmin als in het oppervlakte- en klier-
cpithcel of in de diepere lagen van de darmwand. Niet zelden werden paratubercu-
leuze veranderingen gezien in dc submucosa, in het bindweefsel tussen de spier-
bundels van de muscularis en onder de serosa. Er werd geen toename waar.gcnomcn
van het bindweefsel van de lamina propria.

Bij de niet specifieke chronische enteritis is er daarentegen wèl cen toename van
cellen en vezels van het bindweefsel van de lamina propria.

Zowel bij de a-specifieke hypertrofiërende enteritis als bij paratubcrculosc is er een
opmerkelijke vermindering van het aantal Liebcrkühnse klieren, naar wij vermoeden
als gevolg van atrofie van cen aantal klierbuizen.

In Hoofdstuk III worden de techniek en dc eindresultaten genoemd van de metingen
van de lamina propria, van de muscularis mucosae en de submucosa. De verhouding
tussen de gegevens, verkregen door meting van de bovengenoemde lagen van de wand
van normale en chronisch veranderde darmen, is eveneens in grafieken uiteen,gezet.
De in dit hoofdstuk verkregen gegevens maken het duidelijk, dat cr een aanzienlijke
verdikking is van de lamina propria en van de submucosa in die delen van het darm-
kanaal, die de zetel zijn van cen specifieke of niet-specifieke chronische ontsteking.
De dikte van de muscularis mucosae is echter in geen van de gevallen van chronische
hypertrofiërende enteritis of paratubcrculosc veranderd.

In gevallen van chronische enteritis, zowel specifieke als niet-specifieke, worden niet
alleen duidelijke pathologische veranderingen gezien van de intramurale ganglia in

-ocr page 109-

die delen van het darmknaal, waar de chronische ontsteking plaats vindt, maar
eveneens — en in dezelfde mate — in de niet aangetaste delen van dc darm.
Bovendien tonen de ganglia uit alle delen van het darmkanaal bij de gevallen uit
groep III en IV dezelfde pathologische veranderingen als waargenomen bij de chro-
nische enteritiden. Dit brengt ons tot de gevolgtrekking dat de diarree mogelijk zou
moeten worden toegeschreven aan de pathologische veranderingen in de intramurale
ganglia van zowel de Auerbachse- als de Meissnerse plexus.

Deze veranderingen van de plexus van Auerbach en van Meissner kunnen worden
samengevat in twee groepen, namelijk als regressieve en als progressieve veranderingen.

Regressieve veranderingen.

Er is schrompeling van de ganglioncellen of zwelling ervan, die beide gepaard gaan
met korrelige degeneratie van het cytoplasma en regressieve veranderingen van hun
kernen (pyknose en chromatolysis).

De uidopers van de ganghoncellen zijn gedegenereerd; meestal maken zij zich vrij
van de neuronen en liggen rondom hen. Vacuolen van verschillende vorm en af-
meting liggen in het cytoplasma van de neuronen. In de discussie is voorgesteld het
proces van de vacuolevorming in vier stadia te verdelen, aan welke een inleidend
stadium vcxjrafgaat. Deze vier stadia zijn weergegeven in microfoto\'s. In de kernen
van sommige gedegenereerde ganglioncellen worden één tot twee kleine vacuolen
gezien.

De autonome interstitiële cellen zijn geschrompeld en tonen vacuolen in hun cyto-
plasma, hun kernen zijn pyknotisch. Niet zelden worden één tot twee kleine vacuolen
gezien in dc nuclei of tussen de uitlopers van de autonome interstitiële cellen.

Progressieve veranderingen.

Er is hypertrofie en hyperlasic van de uitlopers van ganglioncellen, een verstoring
veroorzakend van het normale weefselbceld. Ook werd hypcrplasie van de fijne
zenuwvezels van de plexus, tezamen met een toename van het aantal kernen van de
Schwannse cellen gezien. Hyperplasie van het perifere autonome vegetatieve zenuw-
net werd waargenomen.

l.\'it onze bevindingen hebben wij de gevolgtrekking gemaakt, dat de pathologische
veranderingen, die werden gevonden in de intramurale ganglia van de plexus myente-
ricus en de plexus submucosus, het gevolg kunnen zijn van iedere oorzaak, die aan-
leiding zou kunnen zijn tot een ziekte of cen ontsteking van de darm; zij gaan echter
v(K)raf aan de functiestoornissen en de andere morfologische veranderingen van de
darm.

Dc mogelijkheid is aangegeven, dat bij distomatose van de lever de door de parasieten
uitgescheiden toxinen pathologische veranderingen veroorzaken van dc neuronen in
de intramurale ganglia van het darmkanaal en zo aanleiding geven tot het optreden
van diarree.

Bovendien zijn wij tot de overtuiging gekomen, dat de waargenomen histologische
veranderingen in de intramurale ganglia niet specifiek zijn voor paratuberculose,
a-specifieke chronische enteritis of enige andere darmaandocning.

„Dcbeaking".

Ilct inkorten van de bovensnavel voorkomt kannibalisme, beperkt vocdcrvcrlics en
bevordert dc leg doordat de pikorde minder effectief wordt. Dc beste resultaten
worden bereikt met inkorten tot op de helft van de bovensnavel als de kuikens 5
of 7 da.gen oud zijn.

Pluimveepers, XVIII, 735, (1962).

-ocr page 110-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Driemaal een worp lammeren binnen de veertien
maanden.

Three times lambing within fourteen months,
door
C. SCHALK1)

Zoals beschreven in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde 1963, pag. 38,
werden bij veehouder K. te K. in de maand juli 1962 uit 8 ooien t.g.v. een
extra worp totaal 10 lammeren verkregen. In september wierp een andere
ooi ook nog een levende tweeling.

Het resultaat van de „speling der natuur" was dus 12 lammeren van 9
ooien. Het aantal dat hier\\an werd gespeend bedroeg 8 flinke lammeren,
die voor een zeer goede prijs verkocht zijn geworden.

De melkgift van deze „bijzondere" moeders was in het najaar overvloedig,
wat bleek uit de snelle groei der lammeren.

Deze ooien kregen alle een bepaald merkteken, om ze te herkennen. Bij
twee van de ooien is dit merkteken tijdens de winter verdwenen.
Dat de ooien geen nadelige gevolgen hebben ondervonden van de extra
worp, bleek uit het tijdstip van de volgende worp. Begin februari 1963
wierpen 3, eind februari 2, half maart 1 en begin april de laatst gemerkte
ooi him lammeren. Van deze 7 dieren werden 11 lammeren verkregen, en
wel 4 tweelingen en 3 eenlingen.

Twee eenlingen en één lam van een tweeling bleken niet levensvatbaar.
Het viel bij deze lammeren op, dat ze een stuk kleiner waien bij de ge-
boorte dan de o\\erige lammeren. De melkgift van de „bijzondere" ooien
blijkt ook nu weer overvloedig te zijn, daar de lammeren nu even groot zijn
als de rest.

Zoals ook bij de overige schapen in Nederland, zijn dc dieren in de afge-
lopen winter veel binnen geweest. Het rantsoen, per dier, bedroeg, als ze
een hele dag binnen bleven:
2/2 ons gedroogd ])ulp,
2/2 ons eiwitrijke brokjes,
2/2 ons hele haverkorrels,
hooi en water naar believen.
Daar ik geen reactie heb gekregen op mijn vorige artikel, en noch de heer
K., noch de andere schapenhouders uit deze streek zoiets hebben meege-
maakt of gehoord, mag ik toch wel aannemen dat bovenstaand gebeuren
bij zoveel dieren op één bedrijf een unicum is.

SUMMARY.

A description of very successful lambing in a herd of 9 ewes, which got 23 lambs
within a period of 14 months; only 3 lambs died.
The ewes remained in perfect condition.

1  C. Schalk, praktizcrend dierenarts te Klundert, Zevenbergseweg 8.

-ocr page 111-

REFERATEN

Algemeen

ZIJN OUDE METHODEN ALTIJD VEROUDERD?

Bossina, Dr. K. K.: Zijn oude methoden altijd verouderd? Ned. Tijdschr.
Geneesk.,
106, 2028, (1962).

In een tijd, waarin het elektrocardiogram van de om de aarde cirkelende kosmo-
nauten in een ruimtevaardaboratorium ergens op onze aardbol kan worden geregi-
streerd, lijkt het aforisme van Osler: „Observe, record, tabulate, communicate, use
your five senses" op zijn plaats.

Hoewel in een modern hartonderzoek de modcrni* methoden — rönt.genologie,
hartcatherisatie, angiografie, aortografie, elektrocardiografie, intracardiale fono-
cardiografie, selectieve cardiografie, en radio-elektrocardiografie — niet gemist kun-
nen worden, toont spreker (op het ledencongrcs van dc Koninklijke Nedcrlandsche
Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst in 1962) aan, dat het in vele gevallen
mogelijk is met onze zintuigen, dus o.a. met percussie en auscultatie, congenitale
vitia cordis te diagnosticren.

}. H. Soeteman.

Bacteriële- en virusziekten

SITUATIE VAN RABIES IN DUITSLAND.

K a u k e r, E. und Zettl, K.: Die neueste epidemiologische Situation der Tollwut
in Deutschland.
Mh. Tierheilk., 14, 107, (1962).

Kauker en Zettl geven een overzicht van dc situatie, in de eerste plaats van
de Bondsrepubliek, maar naar aanleiding van de officiële rapporten van de „Sowjet
bezettingszone" ook van de toestand aldaar, met schetskaarten.

Aan dit artikel zij ontleend, dat de wilde dieren 80% van de hondsdolheid gevallen
vormen, waarvan 2/3 vossen. Er is een wisselwerking tussen de oecologie van de
vos.sen en de epidemiologie van dc rabies. Die dynamiek tus.sen de vos.scnpopulatic
en de rabies speelt zich in een periode van drie jaar af. Dit blijkt uit een curve van
de frequentie der rabiesgevallcn. De schrijvers verwachten daarom voor Duitsland
in 1963 weer veel rabiesgevallen.

Dc westgrens van de rabies vormen de Wczer, het Mittelland- en Dortmund-Ecms-
kanaal en de Rijn, de zuidgrens loopt langs de Neckar naar de Donau.
Het feit dat sinds jaren een cpizoötische ziektehaard bestaat, bewijst dat de omstan-
digheden in het betrokken gebied optimaal zijn, m.a.w. de aanfok van vossen is zo-
danig groot dat deze de sterfte door de ziekte voldoende aanvult. Om een indruk
te geven van de vossenstand in het kerngebied worden afschotcijfers van 51-80 per
jaar per 10.000 h.a. genoemd.

In de U.S.A. is gebleken, dat de rabies onder het wild tot stilstand kornt als de
vossenpopulatie minder dan 1 per vierkante mijl bedraagt. Daar het afschieten van
vossen tot dusverre niet tot het gewenste resultaat gevoerd heeft, wordt aangeraden
de vossen in hun holen te vergassen.

C. A. van Dorssen.

VACCINATIE TEGEN MOND- EN KLAUWZEER.

Bekkum, J. G. van. Fish, R. C. and Dale, C. N.: Immunogenic studies in
Dutch catde vaccinated with foot-and-mouth discase vaccines under field conditions.
1. Neutralizing antibody response to O and A types.
Am. J. vet Res., 98 77,
(1963).

Deze publikatie is het eerste deel van een verslag over een gedurende enige jaren
voortgezette reeks serologische waarnemingen betreffende onder praktijkomstandig-
heden tegen mond- en klauwzeer geënte zwart-bonte Hollandse runderen.

-ocr page 112-

De waarnemingen hadden ten doel beter geïnformeerd te worden over de immuni-
teitsstatus van de Nederlandse rundveestapel en als leidraad te dienen voor een doel-
matig vaccinatieschema. De beschreven gegevens beslaan een periode van ruim 2 jaar
(1958-1960).

Van een groep van ± 70 dieren, verdeeld over 2 bedrijven, werden om de drie
maanden serummonsters met behulp van een virusneutralisatietest onderzocht.
Bij het begin van de waarnemingsperiode waren 3 groepen runderen aanwezig: on-
geënte, éénmaal geënte en meerdere malen geënte dieren.

De serologische reactie van deze groepen na een enting met 15 ral vaccin tegen elk
der 3 typen werd nagegaan voor de typen .X en 0.

3 weken na de vaccinatie vertoonden alle groepen een titerstijging tegen A en O.
De ongeënte en de éénmaal tevoren geënte groep gaven een duidelijke stijging te
zien; de oudere reeds meerdere malen tevoren geënte dieren, welke reeds hoge anti-
lichaamtiters hadden, reageerden echter weinig.

De gemiddelde serumtiters van de beide reeds eerder geënte groepen bleven de vol-
gende 107 weken hoog.

In de éénmaal geënte groep daalden de titers echter snel zodat aangenomen kan wor-
den dat vele van deze dieren binnen een jaar wederom voor een infectie gevoelig
waren.

Op grond van deze gegevens en reeds eerder verkregen inzicht in het verband tussen
serumtiters en immuniteit lijkt het waarschijnlijk dat aan het eind van het weide-
seizoen nog slechts ongeveer 60% van dc rundveestapel voldoende onvatbaarheid
heeft.

Dit percentage immune dieren schijnt echter voldoende te zijn om epizoötiën tc
voorkomen. Ook uitbreiding van lokale ziektegevallen is, mits tevens een afslacht-
systeem wordt toegepast, te beperken.

De auteurs bepleiten het verrichten van onderzoekingen welke ten doel hebben de
immuniteitsduur van meerdere malen geënte runderen vast te stellen. Daarbij zal
het serologisch onderzoek met besmcttingsprocven gepaard dienen te gaan.
De eventueel aanwezige mogelijkheid om bij deze dieren de jaarlijkse vaccinatie tc
discontinueren zou dan in discussie gebracht kunnen worden.

I. Nathans.

TYFUS DOOR MODELMELK.

Ruhland und S c h i e d e 1, W.: Erfahrungen und Ergebnisse einer Typhus-
epidemie.
Münch, med. Wschr., 104, 1077, (1962).

In Worms en omgeving was in de zomer van 1960 een tyfusuitbraak, waarbij 48
volwassenen en 30 kinderen waren aangetast. Het bleek dat de besmetting werd over-
gebracht door „Vorzugsmilch" die in flessen rechtstreeks van een modelboerderij
voor rauw gebruik werd afgeleverd. Van de patiënten hadden zich 40 direct met
deze melk besmet. Op het melkbedrijf kon een
Salmonella typhi uitschcider worden
aangetoond.

De padënten werden deels met chlooramphenicol en deels met Cortison behandeld.
Ook met deze laatste behandeling (duur 6 ä 8 dagen) werden goede resultaten be-
reikt. Reeds in enkele uren daalde de koorts en verbeterde dc algemene toestand.
De behandeling werd nog ongeveer 5 dagen na het koortsvrij worden voortgezet.

C. A. van Dorssen.

Kunstmatige Inseminatie

TOXICITEIT VAN RUBBER BIJ K.I. BIJ VARKENS.

B e s c t h, L.: Biological testing of the Toxicity of Rubber used in .Artificial Vaginas
with Boar Semen.
Nord. VetMed., 14, 689, (1962).

Schrijver heeft zeer veel proeven genomen om de toxiciteit van gununi van de binnen-
wand en slangen van kunstschedes aan te tonen. Reeds eerder waren van de hand
van Hörnicke, Bane, Brantch, .Anderson en Kaune dergelijke publi-
katies verschenen.

-ocr page 113-

Vooral wanneer het sperma enige tijd werd bewaard, was de achteruitgang in kwali-
teit microscopisch goed waar te nemen, waarbij bleek dat het bcresperma in dit
opzicht gevoeliger is dan stieresperma terwijl ook de duur van het contact en de
grootte van het aanrakingsoppcrvlak tussen sperma en rubber een rol spelen.
Onderzoek van de componenten van het gummi (latex, grondstoffen en conserverings-
middelen) toonden aan, dat deze geen toxische invloed uitoefenen, maar door het
vulcaniseren schijnen de toxische stoffen te ontstaan.

Om de invloed van deze stoffen zoveel mogelijk uit te schakelen, dient men de binnen-
wand en de schede goed te reinigen met 96% alcohol, 2% sodawater helpt niet zo
goed en gedestilleerd water heeft geen invloed.

De sterk toxisch werkende gummisoorten zijn door geen enkel middel goed te reinigen.
Voor de biologische proeven acht schrijver het bcresperma buitengewoon geschikt
doordat het gevoeliger reageert dan stieresperma en omdat dc hoeveelheid per eja-
culatie veel groter is.

]. H. ter Heege.

Voedingsmiddelenhygiëne

BEZOEDELING V.AN NOODSL.\\CHTPL.\\ATSEN MET SALMONELLA\'S.

L i p p m a n n: Zur Problem der Verhütung von Schmierinfektionen mit Salmonella-
bakterien in Notschlachtungsbetrieben.
Mh. VetMed., 17, 498, (1962).
Uit 5 koeien, 7 varkens, 2 schapen en 1 kalf, die op dezelfde dag in cen nood-
slachtplaats werden geslacht, werd
Salmonella enteritidis gekweekt. Aangenomen
werd dat deze kadavers bezoedeld waren door het tezamen afslachten met het kalf.
Er werden (zekerheidshalve) ook nog 8 runderen, 6 varkens, I kalf en 2 schapen
afgekeurd, die op dezelfde of de daaropvolgende dag .geslacht waren, omdat zij met
het niet ontsmette gereedschap geslacht waren en wegens ruimtegebrek nauw contact
met de besmette kadavers hadden gehad.

Schrijver stelt voor om een slachtverbod in te stellen voor kalveren met enteritis,
aangezien de economische schade hierdoor niet opweegt te.gen het risico van ver-
spreiding van ziektekiemen. \\\'oordat deze dieren vernietigd zouden worden diende
dan eerst een bacteriologische faecesonderzoek plaats tc hebben.
Runderen, ouder dan 3 maanden met darmontsteking, dienden niet eerder dan na
negatief faecesonderzoek geslacht te worden.

C. A. van Dorssen.

Ziekten van het Kleine Huisdier

PROTEUS IN VERBAND MET OTITIS BIJ HONDEN.

Eraser, G.: Studies of Proteus organisms of canine origin, ƒ. comp. Path., 73, 9.
(1963).

Van 100 onderzochte Proieui-culturcn, afkomstig uit honden (de meeste uit oor-
aandoeningen, maar ook uit neus, tonsillcn, huidaandoeningen en uit de darm) waren
er 90
Proteus niirabilis, 9 Proteus vulgaris en 1 Proteus morganii.
In 16% van 523 gevallen van otitis externa werd cen Proteus gekweekt, waarvan
96%
Proteus mirahilis. Schrijver kent aan deze bevinding klinische waarde toe, daar
dit vaak moeilijk te genezen gevallen zijn. Hij vermoedt dat de infectie meestal van
buitenaf tot stand komt of door auto-infectie uit de darm; er zijn geen aanwijzingen
voor een ascenderende infectie bij volwassen honden.
Proteus mirahilis komt in het
rectum van honden met otitis frequenter voor dan bij klinisch .gezonde honden.

C. A. van Dorssen.

-ocr page 114-

BOEKBESPREKING

VETERINÄRMEDIZINISCHE MIKROBIOLOGIE.
Prof. Dr. M. W. R e w o und M. D. S h u k o w a.

(Herausgegeben von Prof. Dr. A. Voigt, Leipzig. Veb. Gustav Fischer Verlag, Jena
1963. DM 43,-)

Vertaling uit het Russisch door Dr. W. Bathkc.

Blijkens het voorwoord van de Duitse bewerker was de bedoeling van Voigt niet
alleen een bestaand hiaat in de vakliteratuur voor de diergeneeskundige vakopleiding
aan te vullen, maar tevens „den durch die neuen Produktionverhältnisse auf dem
Lande bedingten höheren Anforderungen an die tierärztliche Arbeit durch Vorlage
eines entsprechenden Fachbuches gerecht zu werden" (Oost-Duitsland, Ref.)
Volgens Voigt voorziet het boek van Rewo en Shukowa in deze behoefte,
omdat het boek zich baseert op tientallen jarenlange ervaringen en onderzoekingen
onder de omstandigheden van de „sowjetischen Landwirtschaft".
Bathkc, die zijn diergeneeskundige studie in Moskou heeft voltooid, heeft het
betreffende boek zo letterlijk mogelijk vertaald uit het Russisch, waarna Voigt,
die door een studieverblijf in de USSR overtuigd is van dc hoge stand van de vete-
rinaire wetenschap en haar zichtbare resultaten in de Sovjet Unie, het bewerkt heeft
waarbij o.a. verschillende immunologische theorieën zijn herzien, dc namen van
geneesmiddelen en desinfectia aan dc Duitse omstandigheden aangepast, en de
nomenclatvmr meer in overeenstemming met Bergey\'s Manual gebracht, zonder de
invloed van de classificatie van Krassilnikov volledig tc retoucheren.

Het boek begint met de gebruikelijke historische inleiding, aanvangende met de ont-
dekking van het microscoop. Behalve Antonie van Leeuwenhoek, Pas-
teur, Koch enz. wordt hierin ook grote aandacht besteed aan Russische geleerden,
natuurlijk in de eerste plaats Metschnikow, op wiens werk ook verder in het
boek herhaaldelijk wordt teruggekomen. Natuurlijk wordt bij sommige belan.grijke
ontdckkin.gen de rol van Russische onderzoekers extra onderstreept, zoals B r a u c 1 1,
die het eerst de betekenis als ziekteoorzaak van dc miltvuurbacil zou begrepen heb-
ben, hoewel deze reeds 6 jaar eerder door Pollcnder (1849) en een jaar later
door Davaine microscopisch was waargenomen (zie ook bladz. 309).
Aan het einde van dit historisch overzicht wordt medegedeeld, dat sinds het begin
van de grote socialistische oktober-rcvolutie Russische microbiologen actief deel-
namen aan het liquideren van cen reeks infectieziekten bij het vee, die een treurig
erfstuk vormde van dc voorrevolutionairc orde van samenleving. De veterinaire
wetenschap reageert snel op dc, door de socialistische vorm van veehouderij, ont-
staande en uit te werken nieuwe problemencomplexen betreffende de microbiologie,
epizoötiologie en praktische immunologie.

Het hoofdbestanddeel van het boek omvat een deel algemene microbiologie van 83
bladzijden, infectie- en immuniteitsleer van 99 bladzijden, speciale microbiologie
(inclusief virulogie) met korte klinische beschrijving der ziekten, 328 bladzijden, een
aanhangsel met verklaringen van Latijnse en Griekse vaktermen en na de index een
lijstje van „sowjetische" geneesmiddelnamen met verklaring in de terminiologie van
de D.D.R. Recensent was verrast bij de „Russische" namen aurcomycine en terra-
mycine aan te treffen.

Vooral in het gedeelte over infectie en immuniteitsleer is het boek vaak aanmerkelijk
uitvoeriger dan een leerboek. Diverse theorieën worden besproken o.a. ook minder
gangbare meningen van Russische schrijvers betreffende het in elkaar overgaan van
virussen en bacteriën (bladz. 202 en volgende).

Het gedeelte over de bacteriën is voorzien van in het algemeen goede illustraties die
op de goede kwaliteit papier uitstekend tot hun recht komen. Toch zijn enkele minder
geslaagd o.a. de afbeelding van stafylokokken op bladz. 209 onderaan en die van
streptokokken op bladz. 214.

-ocr page 115-

Vooral voor de lezer met enige voorkennis is het zeer belangwekkend de bevindingen
der diverse Russische bacteriologen te lezen en kennis te nemen van hun onbekende
mfecties als heersende ziekte onder kamelen door
Pasteurella pestis, waarbij deze
bacteriën o.a. via verworpen focten verspreid kunnen worden.

Verouderd doet het aan „die Erreger der Pseudo-tuberculose" in een gezamenlijk
hoofdstukje onder te brengen (dus Pasteurella\'s en Corynebactcriën).
Bij de Salmonellose worden speciaal infecties van kalveren met
S. enteridis en met
S. typhimurium genoemd, maar niet met 5. dublin, en evenmin de S. dublin-mhcUe
der volwassen runderen. Merkwaardig is dat, voor kalveren met E. coli- of Salmonella-
infecties, behandeling met bacteriofagen voor de praktijk wordt aanbevolen (bladz.
276). Na 4 tot 8 uur vasten wordt deze 3x daags, gedurende 2 dagen, met slappe
soda-oplossing inge.gcven (terwijl de dieren waarschijnlijk verder blijven vasten;
resultaat daarom begrijpelijk, althans bij
E. coli. Recensent).

Ook preventief worden deze fagen aangeraden. Over de werking van het colostrum
komt op bladz. 286-287 daarentegen niets voor.

Terwijl de fagentherapic /s pagina in beslag neemt, wordt de behandeling met
antibiotica o.a. chloromycctine (= chlooramphenicol) in een zin van l\'/j regel af-
gedaan (bladz. 276 onderaan), terwijl furoxone als Salmonella-therapie voor kalveren
niet genoemd wordt.

Voor droes en voor wondbehandeling wordt eveneens medegedeeld, dat in de dier-
geneeskunde fagen worden toegepast (bladz. 75).

Ook bij de kaasbereiding en dc suikerindustrie (bij de laatste is waarschijnlijk een
zin uitgevallen) schijnt men in de USSR bacteriofagen toe te passen.
De pullorum snelagglutinatie met bloeddruppel wordt uitgevoerd op ontvette voor-
wcrpglaasjes met ongekleurd antigeen, dat grauwwitte vlokjes geeft. Dc druppel bloed
wordt uit dc vleugelader verkregen. Russische onderzoekers stellen voor, het antigeen
uit stalspecifieke stammen samen te stellen om betere resultaten te krijgen (bladz.
279). (De waarschijnlijke oorzaak hiervan, dc serologische varianten worden niet
genoemd.)

Het serologisch overzicht van de Salmonella\'s gaat niet verder dan de D-groet) (bladz

294-295). s 1 V

Re WO rekent Pseudomonas aeruginosa tot de „enterobacteriën" (bladz. 292), ter-
wijl de verwekker van malleus verwant zou zijn aan de Corynebactcriën (bladz. 326).
Men moet goed zoeken om op bladz. 237 regel 11 te lezen, dat de malleusbacterie
Gramnegatief is. Trouwens de kleurbaarheid volgens Gram wordt in het algemeen
maar terloops genoemd.

Dit zijn zo enkele grepen waarmede zij aangetoond dat dit boj\'kwcrk, hoewel een
belangwekkend leesboek voor belangstellende collegae, toch niet kan worden aan-
bevolen als een betrouwbare gids bij de studie voor onze studenten.
Ongetwijfeld biedt het aan wetenschappelijke stof meer en is smakelijker ingericht,
dan diverse in Duitsland voor de studie gebruikte compendia, waardoor het mogelijk
voor het land van herkomst wel als een verbetering is aan te merken.

C. A. van Dorssen.

-ocr page 116-

INGEZONDEN

VLEESCONSERVEN VOOR HOND EN KAT.

In de publikatie van het onderzoek door Prof. van Gils en Drs. van Logte-
stijn in het „Tijdschrift" van 1 juni 1963 zijn de merken van dc blikjes om
on-
begrijpelijke
redenen niet genoemd en wordt volstaan met de vage aanduiding „naar
ons idee meest verkochte merken".

De waarde van de publikatie is daardoor slechts gering.

Een vermelding van percentages bestanddelen in decimalen van onbekende fabrikaten
is zinloos, de conclusies hierdoor niet geoorloofd:

1. „Hygiënische gevaren zijn aan het gebruik van deze (welke?) conserven niet
verbonden." Van
geen fabrikaat weten wij het dus!!!!

2. „De samenstelling van de blikinhoud komt niet altijd overeen met die, welke
op het etiket is aangegeven." Een verdachtmaking van
elk fabrikaat!

3. „In cen monster werden delen van geslachtsorganen, in casu uteri, aange-
troffen." Is hier bezwaar tegen, anders dan een mogelijk wettelijk, aangeduid
in de nabeschouwing?

4. „Dc verwerking van ondeugdelijk materiaal" is cen beschuldiging, die niet
mag worden geuit, zonder man en paard te noemen en maakt
elk fabrikaat
verdacht.

5. „Het gehalte aan sommige (welke?) vitaminen, is beslist achteruit gegaan."
Dit zegt niets, hebben deze conserven een vitamine- en mincraalgchaltc, dat
het benodigde enigszins nabij komt?

6. „Een vergelijking van de prijzen en dc werkelijke „waarde" der verschillende
produkten biedt weinig houvast, omdat wc over het laatste onvoldoende ,gc-
informeerd zijn." In de nabeschouwing echter een positief oordeel.

De resultaten van het onderzoek komen overeen met wat ieder dierenarts wel meende
te weten, n.1. dat deze soort conserven geen volwaardige voeding zijn en hoogstens
bruikbaar als gedeelte van het rantsoen, of voor korte tijd als noodmaatregel.
Het toont de noodzaak van cen controle op deze produkten aan, teneinde de con-
sument te beschermen tegen de, in de inleiding vermelde, misleidende reclame der
fabrikanten.

Het geeft de practicus, wiens advies gevraagd wordt, geen basis voor een verant-
woord oordeel, wanneer het om een bepaald merk gaat. Zijn de auteurs bereid, dc
namen van dc merken, genummerd als in het artikel, mede tc delen? Met mij, zullen
de leden van de Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier hier vermoedelijk prijs
op stellen.

Rotterdam, 10 juni 1963. Joh. C. Peters.

Naschrift.

Naar aanleiding van en in antwoord op het ingezonden stuk van collega J o h. C.
Peters delen wij mede dat het onderhavige onderzoek, zoals ook uit het artikel
is op te maken, verricht werd naar aanleiding van het in de handel brengen van een
vrij groot aantal honden- en kattenconscrven-merken. Het was allerminst onze be-
doeling de uitslag van het onderzoek per merk te publiceren met alle consequenties
van dien.

Wèl wilden wij nagaan of de aangegeven inhoud in het algemeen overeenkwam met
de door analyse verkregen gegevens, terwijl daarnaast ook het hygiënische aspect werd
bezien.

Wij namen daarbij aan dat de dierenartsen met kleine-huisdieren praktijk niet zel-
den om advies zou worden gevraagd over in dc handel gebrachte vocderconserven.
Tot nu toe hadden zij daarbij wienig concrete gegevens in handen. Thans hebben
zij, althans van een aantal naar onze mening meest verspreide merken, hierover iets
in dit onderzoekverslag kennis kunnen nemen en zullen, met inachtneming van dc
beperktheid van het aantal onderzochte monsters en merken, hieruit de algemene
conclusie kunnen trekken dat er zeer veel kaf onder het koren is.
Dat de conclusies niet geoorloofd zouden zijn, menen wij tc mogen betwisten. In

-ocr page 117-

de publikatie werd nl. duidelijk vermeld hoe de materiaalkeuze was geweest en hoe
het onderzoek werd uitgevoerd.

Het was, achteraf gezien, een onvolledigheid tc vermelden dat dc op de wikkels
van twee merken aangegeven volledige chemische analyse juist werd bevonden. Voor
de collega\'s kan dit aanleiding zijn om hiermede met hun adviezen rekening te
houden.

Voorts kan worden gesteld dat het voor de geïnteresseerde lezer niet al te moeilijk zal
zijn vrijwel alle merken op grond van de door ons aan de wikkels ontleende inhouds-
aanduidingen tc herkennen.

Wij namen de moeite de opmerkin.gen stuk voor stuk te bezien en kunnen, gelet op
het vorenstaande, het gestelde als volgt nader toelichten.

Sub. 1. Indien bij een verantwoorde steekproef alle resultaten overeenkomen is
dit een belangrijke aanwijzing ten aanzien van het geheel en mag onder zekere
reserve een conclusie getrokken worden.

Sub. 2. Het niet altijd overeenkomen van de aangegeven en de werkelijke in-
houd moet de collega, die adviseren moet, tc denken geven; van hem zal de no-
di.ge voorzichtigheid in zijn adviezen mogen worden verwacht. Dit is daarom nog
geen verdachtmaking van elk fabrikaat. Wel kan als regel worden aangenomen
dat hoe vager de inhoudsaanduiding is, hoe groter het wantrouwen moet zijn. Het
omgekeerde is, naar uit ons onderzoek is gebleken, evenzeer het geval.
Sub. 3. Geslachtsorganen zijn, voor zover genoemd in artikel 2 van de Des-
tructiewet, destructif materiaal.

Testikels en secundaire geslachtsorganen zijn dit niet en kunnen dus vrij verwerkt
worden in Nederlandse voederconserven. Het zijn uitstekende voedingsmiddelen
voor dieren.

Sub. 4. Er bestaan geen voorschriften t.a.v. de verwerking en het vóórkomen van
ondeugelijk materiaal in voor dieren bestemd voedsel. Wij constateerden feiten,
op grond waarvan .gesteld wordt dat wij beschuldigingen uitten, terwijl cr nie-
mand iets ten laste valt te lc.ggen.

Sub. ,5. Wij hebben ons niet uitgesproken over de gehalten aan vitaminen en
mineralen, met uitzondering van keukenzout, aangezien het onderzoek hierop
niet werd verricht. Slechts werd opgemerkt dat de grondi.ge sterilisatiewijze be-
slist van invloed moet zijn geweest op het vitamine-gehalte, We achten voldoende
kennis omtrent de tcmpcratuurgcvoclighcid der verschillende vitaminen bij de
lezers — en bij de inzender — aanwezig.

Sub. 6. De vergelijking waarv-an in conclusie 6 sprake is, betreft die van de
produkten onderling, die in de nabeschouwing alleen die van de prijzen der con-
serven in vergelijking met verse slachtafvallen. De voedingswaarde kon hierbij
moeilijk in het geding worden gebracht, omdat deze tc zeer afhankelijk is van de
„toevallige" samenstelling hiervan.

In zijn slotbeschouwing .geeft de inzender aan, dat wat .gerapporteerd werd overeen-
kwam „met wat ieder dierenarts wel meende te weten, enz.". .Al zou dit het geval
zijn geweest, dan was het toch nuttig aan te tonen dat deze mening gefundeerd was.
Wij zijn tenslotte van mening dat controle op deze voederconserven ten behoeve van
het dier en zijn eigenaar gewenst is, maar zien geen andere mogelijkheid dit te ver-
krijgen dan door eraan mede te werken dat de producenten de volledige samen-
stelling van de inhoud vermelden op dc wikkels. De enige juiste houding van de
dierenarts-adviseur zal zijn uitsluitend die voederconserven aan te bevelen, die aan
deze eis voldoen.

Een nevenoogmerk van onze publikatie was dan ook aandacht op deze ontwikkeling
in de vocdermiddelenhandel te vestigen, hetgeen gezien de reactie van dc inzender,
die als representant van de Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier in het
geweer komt, wel als geslaagd mag worden beschouwd.

Gelet op het hiermee gestelde en mede in verband met wat hierover sub 2. in deze
repliek vermeld werd, is het nauwelijks nodig de namen der merken te publiceren.
Utrecht,. 26 juni 1963.
 ]. H. ]. van Gils.

]. G. van Logtestijn.

-ocr page 118-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

BEPALINGEN BIJ (WEDER-) INVOER VAN EEN HOND GEWIJZIGD.

Met ingang van 1 juli 1963 is een wijziging gekomen in cle beschikking in- en
doorvoer van honden en katten. Het belangrijkste punt van deze wijziging heeft
uitsluitend betrekking op honden en maakt het Nederlanders die hun hond mee-
nemen op een buitenlandse reis gemakkelijker, dit dier weer in Nederland in te
voeren.

Tot nog toe was daartoe een speciaal invoercertificaat van enting nodig, dat op
verzoek van de eigenaar door de dierenarts werd afgegeven en dat door de Inspec-
teur van de Veeartsenijkundige Dienst moest zijn gelegaliseerd. Het rose „entings-
bewijs rabies", dat in het kader van de rabiesbestrijding na enting van de hond
tegen rabies, te,gelijk met een entpenning is — en wordt — verstrekt, had alleen
betekenis voor het binnenland.

Met ingang van genoemde datum zal dit rose entingsbewijs echter gelijk worden ge-
steld aan het speciale „invoercertificaat". Het is dus voortaan niet altijd meer nodig,
wanneer men de hond mee op reis neemt naar het buitenland, het speciale „invoer-
certificaat" aan te vragen.

Hoewel uiteraard ook dit speciale invoercertificaat hiervoor gebruikt kan worden,
kan men voor de wederinvoer in Nederland desgewenst steeds volstaan met het rose
„entin.gsbewijs rabies".

Men dient er echter erkening mee te houden, dat het bij invoer van de hond in
andere landen op grond van de in die landen bestaande invoerbepalingen nood-
zakelijk kan zijn toch over het „invoercertificaat" te beschikken. In het bijzonder
wordt erop .gewezen dat bij invoer van een hond in België, on,geacht of deze invoer
uit Nederland of uit andere landen plaats vindt, dit „invoercertificaat" getoond
moet kunnen worden. Men doet goed zich omtrent de invoereisen in andere landen
te oriënteren bij de verte.genwoordigingen van die landen.

Kort samengevat komt het bovenstaande hierop neer, dat men bij terugkomst
(wederinvoer) in Nederland steeds voldoende heeft aan hel rose „entingsbewijs
rabies", maar zich vóór zijn vertrek naar het buitenland wel dient te realiseren of
men op reis cen land zal „aandoen", waar bij invoer het speciale „invoercertificaat"
verplicht is.

Voor katten blijft de bepaling van kracht, dat bij wederinvoer in Nederland een
geldig „invoercertificaat" tc allen tijde nodig is.

Een tweede wijziging die per 1 juli van kracht is geworden, betreft dc in- of doorvoer
van Belgische en Luxemburgse honden en katten. Deze in- of doorvoer is voortaan
slechts toegestaan, wanneer bij aankomst in Nederland cen geldig invoercertificaat
wordt overgelegd.

Perbesrichl Ministerie van Landbouw en Visserij.

PROFESSOR DR, D, A, DE JONG-STIGHTING,

Verslag over de werkzaamheden en de toestand over het jaar 1962.

De jaarlijkse bijeenkomst van Beheerders vond op 17 maart 1962 plaats. Op dc
voltallige vergadering werd Prof, Dr, O, Mühlbock van het Antoni van Leeuwen-
hoekhuis te Amsterdam geïnstalleerd.

Er werd besloten een subsidie, groot f 1050,- te verlenen aan de dierenarts H. A,
Brouwer voor completering van diens onderzoek over:
,J)e normale en de patho-
logische anatomie en histologie van de arteriële component van het coronaire cir-
culatiesysteem".

Het in 1961 gesubsidieerde onderzoek van Dr. J. K. Schönfeld leidde tot een publi-
katie getiteld:
„Pleiomorphe tussenstadia in de L-cyclus van staphylococcus", in de
bundel die Professor Dinger werd aangeboden ter gelegenheid van zijn 70e ver-
jaardag.

-ocr page 119-

Het kapitaal van de Stichting bedroeg per 31 december 1962 ƒ 41.117,99.
Het college van beheerders onderging verder geen wijziging.
Het is als volgt samengesteld:

Prof. Dr. J. D. Verlinde, voorzitter.

Prof. A. van der Schaaf, Leyenseweg 34, Bilthoven, secretaris-penningm..
Prof. Dr. A. B. Pondman

leden

Prof. J. H. ten Thije
Prof. Dr. A. de Minjer
Dr. L. Schalm
Prof. Dr. O. Mühlbock

STICHTING TER BEHARTIGING VAN DE VORMING TOT ASSISTEREND
LABOR.ATORIUM-PERSONEEL.

De vorming van assisterend laboratorium-personeel in de toekomst.

Door de industrialisatie van Nederland en de ontwikkeling van zickenhuislaboratoria,
onderwijsinstellingen en wetenschappelijke laboratoria is er een steeds grotere en
meer gedifferentieerde behoefte ontstaan aan assisterend laboratorium-personeel.
Een belangrijke categorie hiervan wordt gevormd door de analisten, waarvan de
chemische analisten weer het leeuwendeel uitmaken. Hun kennis werd gepeild via
de analisten-examens, welke de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging nu
ruim 45 jaar lang heeft verzorgd. Inmiddels is dit uitgegroeid tot een activiteit
waarbij, met zeer gewaardeerde steun van industrie en andere instanties hier te lande,
meer dan 3000 kandidaten met chemische, medische, klinische, botanische en zoölo-
gische opleiding per jaar worden geëxamineerd. .Andere wetenschappelijke vereni-
gingen zoals de Bond voor Matcrialenkennis en de Nederlandse Natuurkundige Ver-
eniging zijn examens voor resp. materiaalkundige en voor natuurkundige assistenten
gaan verzorgen, hetgeen niet wegneemt dat het zwaartepunt nog steeds berust bij
de K.N.C.V.

Het is voor de K.N.C.V. steeds moeilijker geworden, dc verantwoordelijkheid voor
deze taak alleen tc blijven dragen. Daarbij komt dc dringende noodzaak van een
meer efficiënte opleiding van dc diverse analisten. Dc overheid is zich bewust van
het belang van de opleiding van deze groep specialisten, doch om haar gedragslijn
goed te kunnen bepalen ziet zij zich gaarne geadviseerd door één overkoepelende
instantie. In verband hiermee heeft de K.N.C.V. het initiatief genomen tot de op-
richting van een stichting, die de belangen van de vorming van het gehele assis-
terend laboratorium-personeel zal behartigen.

Medeoprichters van deze „Stichting ter behartiging van de Vorming tot Assisterend
Laboratorium-personecr\' zijn de:

Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst,

Nederlandse Natuurkundige Vereniging,

Nederlandsche Dierkundige Vereeniging,

Bond voor Matcrialenkennis,

Koninklijk Instituut van Ingenieurs,

Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacic,
Koninklijke Nederlandsche Botanische Vereeniging,
Koninklijk Nederlands Genootschap voor Landbouwwetenschap,
Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Er zal voor worden zorg gedragen, dat de continuïteit van de reeds bestaande
examens bij deze overgang verzekerd blijft. Degenen, die zich momenteel op één der
bovengenoemde examens voorbereiden, kunnen dus zonder meer op de reeds inge-
slagen weg voortgaan.

Nadere inlichtingen over de Stichting kunnen ingewonnen worden bij het Secreta-
riaat: Vredelaan 5, Laren (N.H.).

-ocr page 120-

WERKWIJZE OP DE „LAYING-OFF FARM WENBY LODGE".

In december 1961 waren de plannen voor de bouw van de „Northern Stud Unit"
op Wenby Lodge gereed en er is nu plaats voor 2 eenheden, die ieder aan één
kant van het terrein liggen en ieder 100 stieren kunnen huisvesten. Aan de
noordkant van het bedrijf is de afdehng ontstaan door verbouwing van het oor-
spronkelijke gebouw met open schuren en binnenplaatsen voor 40 stieren, terwijl
aan de zuidkant onderdak wordt geboden door één enkele nieuwe schuur van
± 50 X 30 m met binnenplaatsen.

Interessant is de overspanning van ± 50 m., de grootste van dit soort die tot
dusverre in Groot Brittannië geconstrueerd is.

Behalve de ruimte voor de stieren heeft iedere eenheid een isolatie blok met
6 boxen, „a Dutch barn", voedsel- en gereedschappenopslagruimten, een was- en
desinfectecrruimte voor de staf en huizen voor de veehoeders.

Iedere eenheid wordt volkomen afgescheiden gehouden en een stuk land van
ongeveer 50 ha wordt als permanent bouwland tussen iedere eenheid gehouden.
Stafleden, die van de ene naar de andere eenheid gaan, moeten eerst door dc
desinfectecrruimte en dc beschermende kleren gebruiken die in iedere ruimte aan-
wezig zijn. Eveneens moeten stieren die van de ene naar de andere eenheid gaan
door de isolatieruimte gaan.

In beide eenheden leven ongeveer 80 stieren tezamen op binnenplaatsen met de
resterende 15 vastgebonden in boxen. Het aantal dat tezamen rondloopt varieert
tussen 6 en 24 en men is bezig het ideale aantal te vinden; duidelijk is echter al
dat minder ruimte de voorkeur verdient boven veel ruimte jjcr stier. Bij de
\'s zomers van ± 80% los in de wei lopende stieren verkregen cijfers variëren
de aantallen tussen 6 en 54.

Een probleem wat thans bekeken wordt is de vraag of de rantsoenbcrciding gebruikt
kan worden. De stieren zullen ongetwijfeld geneigd zijn de weiden meer te be-
schadigen dan een kudde koeien. Het voedingssysteem is eenvoudig: alleen gras
in mei, juni en juli en vervolgens gras, aangevuld met brokjes met 12-18% eiwit;
in de winter wordt hetzelfde krachtvoer gevoerd met hooi, stro en cen beperkte hoe-
veelheid silage.

De omheining is erg belangrijk en de oplossing van de buitenomhciningen werd
gevonden in de vorm van hoog schrikdraad. Dc biimcnomheiningen zijn gemaakt
van 2 of 3 draden schrikdraad.

Weinig problemen hebben zich voorgedaan in de weide. Men heeft ontdekt dat
het volkomen veilig is de weide te betreden om de stieren op te drijven door
2 mannen die ieder een zweep en een hond hebben. Van grote waarde is ook
geweest dat de kuddeopdrijver een paard ter beschikking heeft. Van belang is te
vermelden, dat slechts één stier, een .Ayrshire, het paard \'t hoofd bood, maar het
paard trotseerde hem altijd.

De volgende ontwikkeling zal zijn een diepvries zaadbank, zodat van de goede
stieren wanneer ze weer in dienst genomen worden, een voorraad sperma voor
onmiddellijk gebruik gereed is.

Milk Marketing Board: Report of the Production Division, 12, 107, 196l\\1962.

HET PAARDENGEBRUIK EN DE DIERENBESCHERMING
(Paardengezondheidskalender mei 1963)

In Nederland bestaan verscheidene organisaties dic zich ten doel stellen het dier
te beschermen tegenover mensen die zich onttrekken aan de zedelijke plichten, die
ze ten aanzien van het dier hebben te vervullen. Die zedelijke plichten bestaan
vooral hierin, dat het dier een behoorlijke behandeling, verpleging, voeding en
huisvesting moet worden gegeven.

In de wet zijn talrijke overtredingen van dit beginsel strafbaar gesteld o.a. be-
nadeling van de gezondheid, slechte verzorging, ook tijdens vervoer, het nodeloos
een dier pijn of letsel veroorzaken, of het nodeloos te kwellen, het dier arbeid

-ocr page 121-

laten verrichten welke kennelijk zijn krachten te Ijoven gaat of waartoe het uit
hoofde van zijn toestand ongeschikt is. In de loop der eeuwen is de houding van
de mens tegenover het dier wel sterk gewijzigd hetgeen o.a. mag blijken uit het
feit dat vroeger cen dier, dat de mens lichamelijke of stoffelijke schade had toe-
gebracht, als een redelijk wezen werd gestraft. Een dier dat een mens had gedood,
werd aan de justitie overgeleverd en bij vonnis werd het dan gelijk een misdadiger
ter dood veroordeeld.

Het is wel verklaarbaar dat dc houding van de mens zich heeft gewijzigd in ver-
band met voortgaande beschaving en kennis van het dier, doch ook in verband
met veranderingen in gebruiksdoeleinden, die men heeft nagestieefd cn daarmede
verband houdende veranderingen in de voeding en verpleging van het dier.
.\\anvankelijk was het paard een slachtdier en offerdier. Na het temmen als huisfdier
werd het gebruikt als trekdier voor sleep en ploeg, later ook voor de strijdwagens
en daarna als rijdier in het leger. Volgens het Oude Testament werden ze ook
voor praal- en erediensten gehouden. In het Romeinse Rijk werden aan het paard
zeer hoge eisen gesteld. De ruiters waren gepantserd en ook het paard kreeg een
bescherming. Het had daardoor een zware last te dragen, meestal over grote af-
standen. Aan de oefening van het paard werd zeer veel aandacht besteed. Ruiter
en paard moesten zich geheel op elkaar instellen. Zowel in het Griekse als Romeinse
Rijk bezaten de leden van de bevoorrechte standen een rijpaard, vandaar dat ze
„Ridders" werden genoemd. Na de Middeleeuwen verdwenen de zware ridder-
paarden uit het leger en werden ze ingeschakeld in de landbouw of voor slepcrswerk
gebruikt. Lichtere paarden uit het Oosten en Zuid-Europa werden meer als rijpaard
gebruikt. Zc werden ook wel .gekruist met de Ridderjjaarden.

Voor personenvervoer kwamen de koetspaarden hun intrede doen. In de 17e eeuw
begon de mancgedressuur sterk op de voorgrond te treden. Vooral in dc 18e en
19e eeuw werden ossen en koeien in onze streken als trekdier in de landbouw
geleidelijk door het landbouwwerkpaard vervangen. In de laatste wereldoorlog heeft
het paard er in belangrijke mate toe bijgedragen, dat de Nederlandse bevolking
van de hongerdood is gered. Zonder paarden zou de hongersnood algemeen zijn .ge-
weest. Na deze oorlog geschiedt het zware werk in de landbouw meer en meer
door machines, vandaar dat men zich in verschillende delen van het land toelegt
op het houden van een landbouwpaard dat ook voor landelijke ruitersport kan
worden gebruikt of zelfs gaat men over op pony\'s.

Het is zonder meer duidelijk dat ten aanzien van de behandeling van een paard
in de tijden dat het dier alleen in het wild leefde, als ridderpaard in het le,ger
dienst deed of onderworpen werd aan mancgedressuur, heel andere maatstaven werden
aan.gelegd voor hetgeen toelaatbaar was dan thans het geval is. Ook wat de voeding
betreft is steeds rekening gehouden met de omstandigheden. Aanvankelijk leefde
het paard als huisdier uitsluitend van ruwvoeder. In tijden van misoogsten en
ernstige hongersnood, kreeg het paard dikwijls zo weinig te eten dat van ernstige
ondervoeding sprake was en vele paarden daaraan stierven. De overwegende graan-
voeding deed pas haar intrede in het leger der Romeinen, omdat granen gemakke-
lijker waren mee te voeren dan ruwvoeder. .Aanvankelijk was het vooral gerst dat
gevoederd werd - - nu ook nog veel in het Midden Oosten — later ging men in
Europa meer over op haver omdat dit graan zich minder goed leende als volks-
voedsel. Aanvoerders en soldaten van zegevierende troepen werden na afloop van
dc strijd vaak beloond met land en het viel dan ook niet te verwonderen dat graan-
voedering van het paard \\-ooral van haver, naast ruwvoedering ook op vele boer-
derijen haar intrede deed. Toch bleef de voeding van het paard met uitsluitend
ruwvoeder in diverse gebieden of op vele bedrijven de enige voederwijze, zelfs nog
in de 18e en 19e eeuw.

Het toenemende zware werk o.a, bij de verbouw van bieten en aardappelen eiste
steeds geconcentreerder voeder voor het paard. Vooral haver werd een geliefkoosd
voeder, later wel aangevuld met bij produkten van de industrie, .\\an de legende,
dat haver het beste voer is voor een paard en niet te vervangen, is pas een einde
gekomen in de laatste 30 jaren door het beschikbaar komen van de mengvoeders.

-ocr page 122-

De mengvoeders hebben haver reeds voor een belangrijk gedeelte als paardenvoeder
verdrongen. De voeding van het paard is daardoor op een rationeler en fysiologisch
meer verantwoorde basis gekomen. Ondervoeding behoeft niet meer voor te komen.
In de wet is strafbaar gesteld hij die, zonder ledelijk doel of met overschrijding
van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, opzettelijk een dier
pijn veroorzaakt of de gezondheid van een dier benadeelt.

Het couperen van paardestaarten, dat tot voor enkele jaren geleden in ons land
was toegestaan, werd in 1961 bij de invoering van dc „Wet op de dierenbescher-
ming" verboden. Dat dit verbod niet leeft in het rechtsbewustzijn van de fokkers
van het trekpaard — bij welk ras het couperen uitsluitend toepassing vindt - - moge
blijken uit het feit dat zeer veel veulens toch worden gecoupeerd, waarvan grote
aantallen in het buitenland. Een en ander heeft tot gevolg gehad, dat bij de
behandeling van de Rijksbegroting voor de Landbouw op 16 januari j.1. in de Tweede
Kamer een motie is ingediend, waarin de regering werd voorgesteld een wets-
voorstel in te dienen om het coupeerverbod op te heffen. Deze motie werd aan-
vaard, zodat mag worden verwacht dat t.z.t. het couperen weer wordt toegestaan.
Bij dierenbescherming is men geneigd in eerste instantie te handelen naar maat-
staven die door het hart worden ingegeven. Pas daarna houdt men rekening met de
economie van de paardenhouderij en de mogelijkheid de soort in stand te houden.
Men zal er genoegen mee moeten nemen dat het paard in gevangenschap leeft en
tot werken wordt aangezet. Afkeurenswaardig is het, het dier in een stal te huis-
vesten, waaruit de mest niet op tijd wordt verwijderd, en waarin de lucht be-
zwangerd is met ammoniak cn het daglicht niet kan doordringen. In een dergelijk
geval wordeti de normale levensprocessen geschaad en zou van dierenmishandeling
gesproken kunnen worden. Eveneens is af te keuren een paard te zware arbeid
te laten verrichten en in het bijzonder als het dier helemaal niet getraind is.
Een slachtverbod voor paarden, door sommigen voorgestaan, zou een averechtse
uitwerking hebben op de gehele paardenfokkerij en dus een negatief effect tot
gevolg hebben. Een positief ingestelde dierenbescherming zal zich niet alleen in-
stellen op het behouden en bewaren van de soorten, doch tevens op het scheppende
element. In de loop der eeuwen zal de mens de gelegenheid moeten houden in de
fokrichting het dier aan te passen aan de nuttige taak die in een bepaald tijdsbestek
voor hem is weggelegd.

In het verleden heeft de mens ten aanzien van het paard wel onherstelbare fouten
gemaakt. Daarbij is te wijzen op het volledig uitroeien van het Europese wilde
paard. Het laatste exemplaar is in de tweede helft van de vorige eeuw gedood.
Thans zien wij de paardestapel achteruit gaan. Het paard wordt op menig bedrijf
het slachtoffer van een overdreven motorisatie en mechanisatie. Het jonge boeren-
geslacht dreigt waarden over boord te gooien, waar het op gevorderde leeftijd
spijt van kan hebben. Bovendien leren de berekeningen van de boekhoudbureaus
dat vooral op kleine en middelgrote bedrijven tot 20 ha en soms hoger, paarden
economischer zijn te houden dan trekkers.

In veel gevallen is een tekort aan arbeidskrachten in de landbouw mede oorzaak
van het afschaffen der paarden. In deze tijd kan een organisatie voor dieren-
bescherming een positieve bijdrage leveren voor dierenbescherming door te helpen
het nut van het paard voor de mens nog te vergroten en de jon,ge boer te wijzen
op de grote plaats die het edelste dier der schepping bij de mens kan innemen.

INVOER EN DOORVOER VAN HONDEN EN KATTEN IN BELGIË.

België staat thans de in- en doorvoer van honden en katten uit Nederland wederom
toe op vertoon door de begeleider van het dier van een certificaat van enting en
gezondheid, dat is afgegeven door een dierenarts en gelegaliseerd door een der
districts-inspecteurs van de Nederlandse Veeartsenijkundige Dienst. Hiervcrar ware
het bekende certificaat voor wederinvoer in Nederland te bezigen.
De in- en doorvoer in België is derhalve niet meer afhankelijk van een vooraf aan te
vragen ontheffing.

-ocr page 123-

VERENIGING „HET NEDERLANDS AALSTREPEN- OF WITRIKKENSTAM-
BOEK".

(Secretariaat: Da Costastraat 40, Alphen aan den Rijn, tel. (01720) 34 92, giro
364810.)

Jaarverslag over 1962 (verkort weergegeven).
Dit is de eerste maal, dat een jaarverslag verschijnt.

Nadat op 1 mei 1950 de vereniging was opgericht, werden aanvankelijk zoveel
moeilijkheden ondervonden, dat aan optreden in het openbaar niet gedacht kon
worden. De voornaamste sproten, gelijk onze leden bekend is, voort uit de Rundvee-
verordening 1950, die het aanhouden van dekrijpe stieren nagenoeg onmogelijk
maakte. Eerst nadat deze was ingetrokken kon van legale fokkerij sprake zijn.
Bezien wij nu de tijd, verlopen tussen 1 mei 1950 en 31 december 1962, dan valt
in de eerste plaats op, dat onze dieren
zeer sterk in aantal zijn toegenomen. In 1950
waren slechts tien boerderijen bekend met nauwelijks 50 dieren. Thans zijn er
74 hoeven, waarop onze dieren aanwezig zijn en hun aantal bedraagt tussen de
600 en de 700. Dit betekent, dat wij te vergelijken zijn met de kleinere paarden-
stamboeken, althans wat het aantal dieren betreft.

In 1962 is, na veel voorbereidend werk, een begin gemaakt met de opbouw van de
organisatie, de registratie en het afstammingsonderzoek. De leden zijn hierover
d.m.v. circulaires ingelicht.

Per 31 december waren van 11 leden de dieren geregistreerd en wel: 4 in Fries-
land, 2 in Zuid-Holland, 2 in Noord-Holland, 2 in Utrecht en 1 in Drenthe. Het
betreft hier in totaal
121 dieren en wel: 87 vrouwelijke zwarte, 19 mannelijke zwarte,
9 vrouwelijke rode, 5 mannelijke rode en 1 vrouwelijke vale Witrik. Verwacht mag
worden, dat de registratie in 1963 gerede voortgang mag hebben. Van diverse
bedrijven verschenen beschrijvingen in de pers.

Het was nog niet mogelijk in 1962 een verenigingsorgaan te doen verschijnen. Het
plan was dit voorlopig als kwartaalblad te laten uitkomen. Kopij hiervoor is in
zeer ruime mate aanwezig, doch het bestuur meent, dat een blad eerst kan ver-
schijnen wanneer een voldoend aantal dieren is ingeschreven, zodat een behoorlijke,
financiële basis is gelegd. Tot zolang zal het voornaamste contact met behulp van
circulaires worden onderhouden. Met de meeste aandrang verzoekt het bestuur de
fokkers zo spoedig mogelijk opgave te doen van aanwezige Witrikken of Aalstrepen
opdat ons blad spoedig uit kan komen.

Er moet op gewezen worden, dat alleen gebruik van prima stieren verantwoord is.
Deze dieren zijn verkrij,gbaar, ook met produktie,ge,gevens van moeder en groot-
moeder, zodat men beslist niet alleen „op de kleur" behoeft tc fokken. Wat de
produktiecontrolc betreft zijn er in het Noorden geen moeilijkheden, elders wel.
Zoals bekend, worden met name in Holland onze leden bij de Fok- en Controle-
verenigingen .geweerd, alhoewel zij er wèl aan mee moeten betalen via het Melk-
geldfonds. Hiertegen kan het bestuur alleen optreden, wanneer alle fokkers van
Aalstrepen of Witrikken medewerken.

Wat het optreden naar buiten betreft vermelden wij alleen het feit, dat het bestuur
n.a.v. binnengekomen opgaven een aanbieding heeft .gedaan aan bezitters van
buitenplaatsen e.d. Hieruit zijn enige contacten voortgekomen, die wellicht in 1963
tot resultaat zullen leiden.

Voor 1963 staat opnieuw uitbreiding te wachten. Verscheidene fokkers van andere
veeslagen hebben van onze stieren gebruik gemaakt en meer en meer ziet men het
verschijnsel, dat bezitters van zwartbont, roodbont of blaarkopvee, tóch enkele
Witrikken willen aanhouden. Ofschoon dit uitbreiding betekent, zien wij dit toch
niet zo graag. Het bestuur geeft de voorkeur aan gehele koppels Witrikken, al is
dit uiteraard niet in enkele jaren te bereiken.

Er bestaat contact met de instellingen in het buitenland, die de aanfok van andere
runderrassen met Witrikaftekening bevorderen. Het betreft hier het Engelse
Gloucestershirevee en de Pinzgauer runderen uit de Alpen.

-ocr page 124-

Hier volgt een overzicht van het aantal fokkers per provincie: Friesland 28: Noord-
Holland 13; Utrecht 11; Zuid-Holland 8; Drenthe 4; Groningen 4; Zeeland 4;
Noord-Brabant 2. Dit zijn veehouders die in het bezit zijn van één of meer dieren
van ons ras. De verwachting bestaat, dat in 1963 het aantal tot 100 zal stijgen.

UTRECHTS UNIVERSITEITSMUSEUM, AFD. DIERGENEESKUNDE.
.\\anwinsten.

1. Oud, met de hand geschreven, recept, uit vroeger boerenbezit: geschonken door
dierenarts G. Jongeneel uit Almkerk.

2. Kistje met zeer fraaie brandapparatuur en oud narcoseapparaat: ten geschenke
ontvangen van dr. A. P. Middelkoop te Utrecht.

3. Oude verlostang voor varkens, (aankoop)
"4. Vier oude plakaten; o.a. over:

a. runderziekte, 1801

b. het aanlijnen van honden, 1807

c. kwade droes, 1837

d. verbod van huidenverkoop van runderen, .gestorven aan lon.gzickte, 1843.

(aankoop)

Antibiotica in melk.

Hoewel in West-Duitsland antibiotica voor dc bestrijding van mastitis slechts op
recept worden verstrekt, leidt de overbi lasting van de dierenart.sen cr veelal toe,
dat de behandeling van de kcH\'ien door de veehouders zelf wordt uit,gevoerd. Door on-
voldoende kennis en aangeboren spaarzaamheid is de toegediende dosis vaak tc laag,
waardoor de ziekte van chronische aard kan worden. Ook worden antibiotica vaak
clandestien verkre.gen, waarbij dc samenstelling niet op de verpakking is aangegeven.
Bij een onderzoek in Beieren bleek .gemiddeld 15% van dc veestapels besmet tc zijn,
terwijl 3% van de aan de zuivelfabrieken afgeleverde melk penicilline bevatte, zodat
één op elk vijf veehouders penicillinc-houdende melk te vroeg afleverde.
\\\'ol,gens K a s 11 i wordt na het behandelen van cen koe met penicilline, bij de eerste
mclking tot ca. 100 I.E./ml penicilline uitgescheiden, bij dc tweede melking 50 I.E.,
bij dc derde melking 2 I.E., en bij de zesde mclking nog 0,01 I.E.. Bij dc yoghurt-
bereiding en dc bereiding van Emmenthalcr kaas veroorzaakt 0,01 I.E. penicilline
reeds moeilijkheden (1 I.E. = 0,6
y penicilline of 1 mg penicilline == 1670 I.E.).
Soortgelijke moeilijkheden worden in andere landen ondervonden. In Australië bleek
9,7% van dc aangeleverde melk penicilline-houdend te zijn. Aan.genomen wordt ,dat
10% van de bevolking der U.S.A. door penicilline in dc melk voor dit antibioticum
ongevoelig is geworden.

.Als controlemiddel noemt Frank o.a. de rcductascproef bij yoghurt, waarbij
0,04 I.E. of 0,024
y penicilline met zekerheid kunnen worden aangetoond. Deze
controlcmethodc is .gemakkelijk uitvoerbaar; de bebroedingstijd bedraagt 160 mi-
nuten. Voorts zou het kleuren van mastitisbsetrijdingsmiddclen met dc levensmiddelen-
kleurstoffen groen No. 4, blauw No. 3 of blauw No. 2 in een verdere toekomst
kunnen worden overwogen; blauw No. 2 wordt in de meeste landen toegelaten.
Zolang nog leken dc mastitisbcstrijding toepassen, worden voorlichting en waar-
schuwing onvoldoende geacht. Allereerst is cen verplichte omschrijving van het anti-
bioticum op de verpakking noodzakelijk. Verder zal men het niet zonder financiële
maatregelen kunnen stellen, in dc vorm van het niet uitbetalen van de melkprijs bij
levering van penicillinc-houdende melk, resp. het uitschakelen van het betrokken
veehoudersbedrijf bij de mclklcvering.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 27, (196.3).

-ocr page 125-

Ten vervolge op hetgeen aangaande het a.s.
congres in Hannover reeds werd vermeld, moge
thans de hoofdpunten worden medegedeeld van
een aantal persmededelingen, die het organiserend
comité heeft vrijgegeven.

PRELIMINARY TIMETABLE FOR THE SCIENTIFIC PROGRAMME.
Wednesday 14-8-\'63:

10.00-12.15 Opening Session in the Kuppclsaal of the Stadthalle.
15.00-16.30 Sectional meetings for the sections:
1 .Anatomy (4 papers),

10 .Avian Diseases (5 papers),

8 Problems of Small .Animals (5 papers),
3 Zootechny (5 papers),
5 Infectious Diseases (5 papers),

11 Professional Interests and Veterinary Education {5 papers).
Thursday 15-8-\'63:

9.00-11.00 Plenary Session. General Topics "Anaesthesia in Animals" (3 papers)

and "Comprative Cardiology" (1 paper).
11.20-12.30 Colour Television demonstrations (Eidophor) concerning small animal
subjects:

Prof. Völker, Hannover: "Pericardium operations in dogs".
Prof. .Archibald, Guclph/Canada: "Prepubic complete prostatec-
tomy".

Dr. Singleton, London: "Orthopaedic techniques".

Dr. K n o w 1 c s, Miami/US.A: ".Aspects of plastic and reconstructive

surgery".

15.00-17.30 Sectional meeting for the sections:

7 Hygiene of .Animal Products (6 papers),

2 Physiology, Bioehemistn/, Pharmacolo.gy (6 papers),
9 Problems of Large .Animals (6 papers),

8 Problems of Small .Animals (6 papers),

5 Infectious Diseases (6 papers),

6 Parasitology (6 papers).
Showing of selected films.

and Anthropozoonoscs"
(1 paper).

17.30-18.00
Friday 16-8-\'63:
9.00-12.15 Plenary Session. Geneial Topics "Zoonoses
(4 papers) and "Biological Standardization"
15.00-17.30 Scctional Meetin.gs for the sections:
6 Parasitology (6 papers),
3 Zootechny (6 papers),

8 Problems of Small .Animals (6 papers),

9 Problems of Large Animals (6 papers),
5 Infectious Diseases (6 papers),

CONGRESSEN

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.
XVIIe Wereld Diergeneeskundig Congres.

-ocr page 126-

12 Free Papers (6 papers) including discussion on the papers accepted
in summary of this section.
17.30-18.00 Showing of selected films.
Saturday I7-8-\'63:
9.00-12.1.5 Sectional meetings for the sections:
5 Infectious Diseases {8 papers),

3 Zootcchny (4 papers),

11 Professional Interests and Veterinary Education (4 papers),
7 Hygiene of Animal Products (8 papers),
9 Problems of Large Animals (8 papers),
10 Avian Diseases (8 papers),

4 Pathology (8 papers).
Monday 19-8-\'63:

9.00-11.00 Plenary Session. General Topic "Metabolic and Deficiency Diseases"
(4 papers).

11.20-12.30 Colour Television demonstrations (Eidophor) concerning large animal
subjects:

Prof. Es per son, Kopenha.gen: "Abomasal displacement in cattle",
Prof. Diernhofer, Vienna: "Lameness in breeding boars".
Dr. Miller, .Xewmarket/England: "Horses",
Prof. Rosenberger, Hannover: "Leucosis".
15.00-17.30 Sectional meeting for the sections:

5 Infectious Diseases (6 papers),
4 Pathology (6 papers),

9 Problems of Large Animals (6 papers),
8 Problems of Small Animals (6 papers),

7 Hygiene of Animal Products (6 papers),

6 Parasitology (6 papers) as well as dicussions on the papers accepted
in summary of the sections: 3 Zootechny and 11 Professional Interests
and Veterinary Education.

17.30-18.00 Showing of selected films.
Tuesday 20-8-\'63:
9.00-12.15 Sectional meetings for the sections:

5 Infectious Disea.ses (8 papers),

10 Avian Diseases (8 papers),

9 Problems of Large Animals (8 papers),
7 Hygiene of Animal Products (8 papers),

2 Physiology, Biochcimstry and Pharmacolo.gy (8 papers) as well as
discussions on the papers accepted in summary of sections 1 Anatomy,
4 Pathology, 6 Parasitology and 8 Problems of Small Animals,
15.00-17.30 Sectional meedngs for the sections:
6 Parasitology (6 papers),

4 Pathology (6 papers),

8 Problems of Small Animals (6 papers),

5 Infecdous Diseases (6 papers) including discussion on the papers
of this section accepted in summary.

Discussion on the papers accepted in summary of sections: 2 Physiology,
Biochemistry and Pharmacology, 7 Hygiene of Animal Products, 9
Problems of Large Animals and 10 .Avian Diseases.
17.30-18.00 Showing of selected films.
Wednesday 21-8-\'63:
9.00-12.15 Showing of films.
I. Social Events.
Wednesday 14-8-\'63: 6.00 p.m.

Reception for all Congress participants and ladies by the Federal Government
in the Stadthalle.*)

-ocr page 127-

Thursday, l5-8-\'63: 8.30 p.m.

"Königliche Spiele" (ballet and firework) in the Herrenhausen Gardens for all
Congress participants with ladies.
Friday 16-8-\'63: 8.00 p.m.

"Gemütliches Beisammensein" (Informal Reception) with dancing (2 bands)
in the Münchner Halle, Messegelände, arranged by the Deutsche Tierärzteschaft
(German Veterinary Association).*)
Sunday 18-8-\'63:

"Horse racing on the occations of the World Veterinary Congress" in the Grosze
Bult in Hannover.
Monday l9-8-\'63: 7.00 p.m.

Concert.*)
Tuesday, 20-8-\'63: 7.00 p.m.

Officiel Banquet with dancing (please send in your application in time), party
dress is requested.1)
(The Officiel Banquet shall not take place Wednesday, 21-8-\'63, as indicated in the
Preliminary Programme, but Tuesday, 20-8-\'63.)

II. Congress Fee.

The Congress fee for ordinary members (all veterinarians, who are members of their
national organization, which is affiliated to the World Association) is DM 60,-, in
case the enrolment form is received before July 10th 1963 (see Preliminary Pro-
gramme).

The fees for alt enrolment forms, which are received after July 10th 1963 or fees
which are paid during the Congress shall be increased to DM 80,- for ordinary
members.

On condition that the Organizing Committee passes a resolution, it is intended to
emit
Tageskarten (one-day participation cards) for DM 40,-. It is not necessary to
send in enrolment forms for Tageskarten. Owners of Ta.geskarten can participate in
the Congress events one day only, but receive all Congress documents. There is no
reduction of the Congress fee for accompanying persons.

It is therefore advisable to make us of the normal Con.gress fee of DM 60,- by means
of sending in the enrolment form before July 10th 1963.

What docs the Social Events and Excursion Programme of the XVII World Vete-
rinary Congress offer.

Each Congress needs a social programme, in order to give participants an opportunity
to visit institutions and places of professional interest to them and to create an
atmosphere favourable to personal contacts and the advancement of international
relations.

Veterinary Congresses in particular need an insi.ght into the basic framework of the
profession in the host country, as the veterinary calling depends more than many
others on different conditions peculiar to each country, e.g. the agricultural struc-
ture, the way animal husbandry is carried out and the incidence of infectious diseases.
During the World Veterinary Congress 1963 in Hannover various excursions, tours
and visits as well as post-Congress-excursions lasting from 3 to 8 days have been
planned in addition to the social evening programme. Details can be found in the
Preliminary Programme of the Congress.

The following is to provide a general survey of the Excursion Programme:

1  evening dress optional.

-ocr page 128-

A. Professional Institutions No.

1 School of Veterinary Medicine and the veterinary faculties (including

the Institute of Marine Biology of the Institutes of Parasitology and 4

Zoology of the University of Munich) ( 1)

2 Max-Planck-Institutcs 2

3 State Institute for Disease Control 2

4 Veterinary Institutes of the Chambers of Agriculture 2

10

B. Industrial plants of professional interest

1 Slaughterhouses 2

2 Meat Processing Factories 3

3 Dairies 2

4 Pharmaceutical factories 2

5 Instrument firms 1

6 Feedstuff firms 1

C. Other places of interest

1 Zoological Gardens and Game Parks 4

2 Botanical Gardens and Horticultural Shows 3

3 Museums 3

4 Visit to firms of no professional interest 3

5 Fashion Shows 1

14

D. Animal Husbandry

1 Studs, Horse Racing, Riding School 4

2a Collections of Breeding Animals 10

2b Animal Breeding Farms 4

2c Poultry Farms 3

3 Swine Performance Testing Station 1

4 A.I. Centres 2

5 Training Centre of Livestock Management 1

25

E. Places of Special Interest

Visits to places of cultural and art-historical interest during the excur-
sions. Vistits to places of particularly beauty 30

F. Receptions and other Social Events

1 Receptions in Hannover during the Congress:

Reception of Congress participants by the Federal Government in the
Stadthalle,

the informal reception arranged by the German Veterinary Association,
the performance of "Königliche Spiele (ballet, firework) in the
Herrenhausen Gardens,
concert performances,

banquet 5

2 Receptions and Invitations during the Excursions:

Receptions by the State Governments of the Federal States visited
during excursions as well as invitations following visits of industrial
plants and animal husbandry centres 30

-ocr page 129-

Altogether more than 150 separate events have been planned.

The German Agricultural Society announced that the "DLG-Ausschlachtungsschau"
will take place in Hamburg from September 1st to 4th. The Show starts with a
judging of livestock at the slaughterhouse in Hamburg. On the 4th day the carcasses
of the same animals can be judged and evalued. In between excursions to animal
breeding farms and meat processing factories as well as a series of lectures on related
subjects have been planned.

In the interest of a smooth run of the programme participants are requested kindly
to arrange their booking well in advance. It may not in very case be possible to comply
with requests, because the necessary number of single and double rooms had to be
booked before the actual requirements were known. Early bookings do, however,
to a large extent guarantee a consideration of the participants wishes.

Symposia.

Für die speziell Interessierten besteht die Gelegenheit, an Symposien teilzunehmen.
Folgende Symposien sind vorgesehen:

1. Sympoium .Anatomie, (14-, 15-, 16-, 19-, 20-8-\'63). Tagungsort: .Anatomisches
Institut, Tierärztliche Hochschule Hannover. .Anfragen: Prof. Dr. Nickel.

2. Internationales Symposium über vergleichende Leukoseforschung (12-, 13-8-\'63).
Tagungsort: Klinik für Rinderkrankheiten, Tierärztliche Hochschule, Hannover.
■Anfragen: Prof. Dr. Rosenberger.

3. Symposium der Veterinärpathologen

a) Pathomorphologie und Histochcraie der Pcrmcabilitätsstörungen einschliesslich
des Schocksyndroms,

b) Listeriose (vergleichende Pathologie).

Tagungsort: Pathologisches Institut der Tierärztlichen Hochschule, Hannover.
Anfragen: Prof. Dr. h.c. Gohrs.

4. Symposium "Infectious Pneumonia of Pigs" (21-8-\'63). Tagungsort: Klinik für
kleine Klauentiere, Tierärztliche Hochschule, Hannover. Anfragen: Dr. Martin
Kaplan, W.H.O. Genf.

5. Symposium über Komparative Kardiologie (Vorschlag Prof. Detwcilcr) (12-,
13-8-\'63). Tagungsort: Klinik für kleine Haustiere, Tierärztliche Hochschule,
Hannover. Anfragen: Prof. Dr. Dr. h.c. Völker.

6. Symposium über Parasitologic (22-, 23-8-\'63). Tagungsort: Institut für Parasito-
logie und veterinärmedizinische Zoologie, Tierärztliche Hochschule Hannover.
.Anfragen: Prof. Dr. Enigk.

7. Symposium über Krankheiten der Edelpelztiere (22-, 23-8.-\'63). Tagungsort:
Bundesforschungsanstalt für Kleintierzucht, Gelle, Dörnbergerstr. 25-27. An-
fragen: Dr. Loligcr.

8. Wcltvereinigung der Physiologen und Pharmakolo.gen. Konstituiicrung geplant
gcmäsz eines während des Madrider Kongresse unter dem Vorsitz von Prof.
Féhx Sanz gcfassten Beschlusses. .Anfragen an: Prof. Felix Sanz, Villanucva, 11,
Madrid (1) Zeit und Ort der Zusammenkunft werden noch bekannt gegeben.

Wie zal de vader zijn?

Bij vervanging van een Pekingwoerd door een Khaki Campbell werd na 4 dagen
het eerste ei gelegd dat door de nieuwe woerd was bevrucht. 13 dagen na verwis-
seling der woerden werd het laatste ei gelegd dat nog bevrucht was door de eerste
woerd. Naarmate de tussenperiode groter wordt genomen des te eerder worden eieren
gelegd die bevrucht zijn door de nieuwe woerd.

Pluimveepers, XVIII, 31, (1963).

-ocr page 130-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

De daling van het aantal mond- en klauwzeergevallen in ons land, heeft zich over
de tweede helft van juni voortgezet.

Gelderland en Overijssel, waar in de eerste maanden van dit jaar de uitbraak het
grootst was, zijn vrij gebleven. In Limburg beperkt de ziekte zich tot een enkel geval
en Noord-Brabant liep van 5 gevallen over de voorlaatste tot 2 gevallen over de
laatste week terug.

Kwamen er van 13 tot en met 19 juni nog 27 gevallen in ons land voor, van 20 tot
en met 26 juni was dit teruggelopen tot 6 en van 27 juni tot en met 3 juli tot 3
gevallen.

Een recapitulatie van 1 januari tot en met 3 juli 1963 laat nu het vol.gende beeld
zien:

Oud totaal Nieuwe gevallen Nieuw totaal

20-6 t.m. 26-6 27-6 t.m. 3-7

Groningen

3

_

_

3

Friesland

1

1

Drenthe

37

37

Overijssel

390

390

Gelderland

1.153

1.153

Zuid-Holland

4

-—

4

Noord-Brabant

415

5

2

422

Limburg

40

1

1

42

2.043

6

3

2.052

BESCHIKKING IN- EN DOORVOER HONDEN EN KATTEN.
Beschikking nr. ] 1781 - dd. 25 juni 1963.
Dc Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 50a van dc Veewet,

Besluit:

Artikel I

De beschikking in- cn doorvoer honden en katten (Stcrt. 1962, 82)1) wordt als
volgt gewijzigd:

A, in artikel 1, eerste lid, wordt in plaats van de woorden „De in- of doorvoer van
honden en katten, met uitzondering van die welke rechtstreeks worden aange-
voerd uit België en Luxemburg, is slechts toegestaan" gelezen:

De in- of doorvoer van honden en katten is slechts toegestaan.

B. aan artikel 1 wordt cen nieuw lid toegevoegd, luidende:

7. Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt, voor wat hon-
den betreft, met het certificaat, bedoeld in de vorige leden, gelijkgesteld een
bewijs van inenting tc.gen hondsdolheid, dat voldoet aan het bepaalde in de
leden 2-5 van artikel 1 van het Hondsdolheidsbesluit (Stb. 1963, 60).

Artikel II

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 juli 1963.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

Toelichting voor de Staatscourant:

Van de beide wijzigingen, door bovenstaande beschikking aangebracht in de invoer-

1  gewijzigd bij beschikking van 15 mei 1963, no. J 571, Stcrt. 96.

-ocr page 131-

regeling voor honden en katen, houdt de eerste (sub A) in, dat het entingscertificaat,
reeds vereist bij invoer van honden en katten uit andere landen, voortaan ook ver-
plicht is bij invoer uit België of Luxemburg, waarvoor tot dusver een uitzondering
gold.

De tweede wijziging (sub B) heeft betekenis voor diegenen in Nederland die een
hond medenemen op een buitenlandse reis. Deze personen behoeven in het vervolg
bij hun terugkeer in Nederland niet meer te beschikken over het speciale invoer-
certificaat, mits zij bij de wederinvoer van de hond een geldig bewijs van inenting,
bedoeld in het Hondsdolheidsbcsluit (welk bewijs overigens voor het binnenland be-
stemd is) kunnen tonen. Aangezien bij bovenstaande beschikking dit bewijs van in-
enting van de hond — in de praktijk aangeduid als „Entingsbewijs Rabies" — voor
wat de invoerregeling betreft gelijk is gesteld met het speciale invoercertificaat,
heeft men dus de keus tussen beide stukken. Dit geldt uiteraard alleen bij invoer
in Nederland; voor zover bij in- of doorvoer in (door) andere landen, zoals België,
het speciale invoercertificaat vereist is, zal men daar dus niet met het Nederlandse
„Entingsbewijs Rabies" kunnen volstaan.

INTREKKING VERVOERSVERBOD VAN VARKENS, SGHAPEN EN KAL-
VEREN UIT OOSTELIJK GEBIED N.A.AR OVERIG NEDERLAND.

25 juni 1963 | No. ] 1791 / Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.
De Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 38 van de Veewet,
Besluit:

Artikel I

De beschikking van 6 mei 1963, nr. J. 1274, Directie Juridische en Bedrijfsorganisa-
torische Zaken, Stcrt. 87, wordt ingetrokken.

Artikel II

Deze beschikking treedt onmiddellijk in werking.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

\'s-Gravenhage, 25 juni 1963.
Toelichting.

Bij bovenstaande beschikking wordt het bestaande verbod tot het vervoeren van
varkens, schapen en kalveren
uit een oostelijk gebied naar het overige deel van
Nederland ingetrokken.

VERLENGING SCHORSING VARKENSMARKTEN.
De Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 10 van de Veewet,
Besluit:

Artikel I

De beschikking van 15 mei 1963, no. J. 1380, Direcde Juridische en Bedrijfsorganisa-
torische Zaken, Stcrt. 941), wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 3 wordt in plaats van „8 juli 1963" gelezen: 1 augustus 1963.

Artikel H

Deze beschikking treedt in werking met ingang van dc dag volgende op die harer
bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

Toelichting.

De schorsing van de varkensmarkten in het gehele land is bij bovenstaande beschik-
king verlengd tot 1 augustus 1963.

1  gewijzigd bij beschikking van 13 juni 1963, no. J. 1657, Stcrt. no. 112.

-ocr page 132-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

Juli,

17, Centrale keuring N.W.P. Afdeling Drenthe, Assen.

18, Centrale keuring V.L.N. Afdeling Gelderland, Bennekom.

24, Centrale keuring N.W.P. Afdeling Friesland, Leeuwarden.
26, Centrale Paardenfokdag Zuid-Holland, Dordrecht.

29—2 au.gustus, American Veterinary Medical Association. Eeuwfeest, New York.
(pag. 467, 744)

Augustus,

1, Kroonkeuring V.L.N. Afd. Overijssel, Raalte.

2, Kroonkeuirng V.L.N. Afd. Utrecht, Mereveld.
2— 3, Nationale Pony-manifestatie, Soestdijk.

5, Centrale keuring V.L.N. Afd. Noord-Holland, Opmeer.
14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover.

(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399, 1536 (1962)); (pag. 118,
253, 620, 848, 915)
22—23, Symposium Ziekten van pelsdicren. pag. (119)
26—31, „Van Jachthoorn tot Kampvuur" (1000 paarden), Nijme.gen.

28, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Overijssel, Hardenberg.

29, Goudse vee- en kaastentoonstelling „Goveka", Gouda.
29, Jubileum Bondsfokveedag. (F.H.), Etten (N.-Br.).

29, Varkensfokdag N.L.1), Hoogeveen.
29—sept. 1, Internationale Congres K.I., Wels. (pa.g. 328, 849)

September,

2— 7, Wereldconferentie over Dierlijke Produktie, Rome.
2—11, Xle Internationale Congres over Genetica, Scheveningen.

7, Paardendag U.T.V., Utrecht.
6— 8, Belgische Dierenartsen Vereniging. Diergeneeskundige Dagen, Ant-
werpen.

11 —13, Kon. Ned. Chemische Vereniging. Viering 60-jarig bestaan, (pag. 849)
13—14, Nationale tentoonstelling K.V.N.T., \'s-Hertogenbosch.

14, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Contactdag met de afd. Utrecht en

Noord-Holland, (pag. 686)
18, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Drenthe, Assen.

20, Nationale Tentoonstelling van varkens cn schapen, \'s-Hertogenbosch.
(afgelast)

22—28, British Veterinary Association. Jaarlijks congres, Llandudno. (pag.
615, 621)

25, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Gelderland, Hengelo (Gld.).
25, Centrale verrichtingskeuringen N.W.P., Leeuwarden.

Oktober,

9—10, Centrale Jonge hengstenkeuring N.W.P., Groningen.
13—19, D.I.G., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstelling annex fokveedag. Hoornaar.
18—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, 110c Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag. 467, 620)
31, 6e Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur. Utrecht.

1  Ten aanzien van deze varkensfokdag moet enig voorbehoud v/orden gemaakt in
verband met het heersende mond- en klauwzeer.

-ocr page 133-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Hervattin.e; werkzaamheden.

In aansluiting op de mededeling van collega Harmsen in de vorige af-
levering volgt nog even een persoonlijk woord van dank voor de uitingen
van sympathie, die ik tijdens mijn rustperiode mocht ontvangen.
De afdelingen, die mij na mijn verblijf in Locarno verrasten met bloe-
men en fruit, heb ik schriftelijk kunnen bedanken, evenals de ontvangen
brieven.

Degenen, die via het bureau of mijn vrouw hun groeten en goede
wensen telefonisch doorgaven, zeg ik nu nog hartelijk dank.
En nu weer met nieuwe moed voorwaarts!

De leden, die — misschien zonder dat zij zich dat bewust waren —
mede oorzaak zijn geweest, dat ik enige tijd „knock out" was, zou ik
willen verwijzen naar de brief van de algemeen voorzitter: ik houd van
muziek, maar dan moet de toon goed zijn.

De Haan.

Contributie 1963.

LAASTE APPÈL.

Hoewel na de verzending van de contributienota voor het lidmaatschap van de
Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde over dc betaling 7 keer een mede-
deling is verschenen in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde (pag. 61, 124, 187,
253, 322, 390 en 467) en de algemeen voorzitter zich in mei j.1. met cen persoonlijke
brief tot alle leden heeft gericht, blijkt bij de laatste controle, dat een (klein) aantal
leden toch nog „vergeten" is deze contributie te voldoen.

Binnenkort — in elk geval vóór 1 augustus a.s. — zal deze leden, zonodig bij her-
haling, een bankkwitantie ad ƒ 250,. verhoogd met incassokosten worden aangeboden.
Degenen, die alsnog voor nadere vaststelling van de contributie in aanmerking menen
te komen, kunnen dit onmiddellijk na dc verschijning van deze aflevering alsnog
doen, met overle.gging van de laatste definitieve aanslag in de inkomstenbelasting of
dc daarmee .gelijkgestelde documenten. In haar vergadering van donderdag 18 juli
a.s. zal het Hoofdbestuur overwegen, of deze aanvragen nog voor behandeling in
aanmerking komen.

Rabiesenting en omzetbelasting.

Ter voorkoming van misverstanden moge erop gewezen worden dat omzetbelasting
niet verschuldigd is over de bedragen, welke verband houden met de plaats gehad
hebbende van rcgerin,gswc.ge voorgeschreven entingen tegen rabies.

Vergadering van het Algemeen Bestuur.

Door omstandigheden, hoofdzakelijk in verband met de verbouwing van het kan-
toor, is de toezending van het verslag van de vergadering van het .Algemeen Bestuur,
die op 29 april j.1. werd gehouden, vertraagd geworden.

Deze verzending had inmiddels begin juli plaats en mocht door adreswijziging enz.
het verslag nog niet zijn ontvangen, dan wordt men verzocht dit aan het bureau
van de Maatschappij te melden, opdat toezending alsnog kan .geschieden.

-ocr page 134-

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige student J. J. Keiler, Hengeveldstraat
10 te Utrecht, aangenomen als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Bekkum, Dr. J. G. van, tc Amsterdam (O.), naar Radioweg 32, aldaar (tel. onge-
wijzigd), gr. 577174. (147)
Burggraaff, A. E., te Mijdrecht, naar Stationsweg 18, aldaar, tel. (02979) 14 16.

(154)

Doorn, A. van, van Bodegraven naar Groningen, Parklaan 13, tcl. (05900) 3 77 17
(privé), 2 31 41 (bur.), gr. 885513, adj. dir. ab. (157)

Frytag-Drabbe Künzel-Poot, Mevr. L. A. von, van Bilthoven naar Den Hulst (Ov.),
tijd. adres J. P. Bakxlaan 139, tel. (05296) 205. (161)

Goemans, J. P. L., van Amsterdam naar Beek (bij Nijmegen), p/a hotel Spijker,
Rijksstraatweg 191, tel. (08805) 295. (162)

Hamstra, S., van Utrecht naar De Bilt, Thorbeekeweg 51, tel. (030) 6 14 31. (165)
Heege Hzn., J. H. ter, van Markelo naar Meppel, Prinses Margrietlaan 6, tel.

(05220) 26 29 (privé), 28 15 (bur.), h.k., R.K.V., R.K. (bz. d.). (166)

Hoopen, W. ten, te Lochem, naar Zwiepsewcg 134, aldaar, tel. (06730) 16 77.

(171)

Loman, J. H., te Den Hulst (Ov.), tel. gewijzigd in (05296) 205) (privé), (05200)
1 24 69 (bur.), adj. I.V.D. en adj. LV.G. (182)

Rijn, G. van, te Hillegom, tel. gewijzigd in (02520) 66 84. (194)

Schurink, J., te Dieverbrug (Dr.), tcl. gewijzigd in (05219) 12 10. (197)

Sorgdrager, H., te Haren (Gr.), tel. gewijzigd in (05900) 4 59 53. (199)

Til, J. van; 1963; Alkmaar, Boterstraat 26; tel. (02200) 1 27 60; D. (203)

Wensing, C. J. G., te De Bilt, naar Thorbcckeweg 45, aldaar, tel. (030) 6 23 63,
gr. 538573. (211)

Zee, J.; 1963; Hoorn, Koepoortseweg 4; tel. (02290) 40 66; D. (in mil. dienst).

(214)

Zoon, Mej. M. J.; 1963; Utrecht, Breitncrlaan 3; tel. (030) 2 98 21; gr. 13511;
wnd. D. (214)

Gevestigd:

Arink, H. B. F., te Loenen a.d. Vecht, Rijksstraatweg 75, tel. (02943) 13 15 (over-
name praktijk S. Spaargaren). (145)
Beekman, J., te Markelo, Prinses Beatrixstraat 21, tel. (05476) 531 (overname prak-
tijk J. H. ter Heege Hzn.). (146)
Frytag-Drabbe Künzel, J. M. A. L. von, te Den Hulst (Ov.), tijd. adres J. P. Bakx-
laan 139, tel. (05296) 205 (overname praktijk J. H. Loman). (161)
Krijger, J., te Krommenie, Zuiderhoofdstraat 61, tel. (02980) 8 14 06 (overname
praktijk J. Kuyper). (179)

Benoemd:

Doorn, A. van, te Groningen, te rekenen m.i.v. 1 mei 1963, tot Rijkskeurmcester in
bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst ter standplaats Groningen. (157)
Heege Hzn., J. H. ter, te Meppel, te rekenen m.i.v. 1 april 1963, tot Rijkskeurmcester
in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst ter standplaats Meppel. (166)
Veenhof, J., te Hedel, te rekenen m.i.v. 1 mei 1963, tot plaatsvervangend Inspecteur
van de Veeartsenijkundige Dienst in het district Gelderland ter standplaats Hedcl.

(204)

Eervol ontslag:

Weertman, C. G., te Amsterdam, te rekenen m.i.v. 1 mei 1963, op zijn verzoek, als
Rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst. (210)

-ocr page 135-

Promotie:

Dieten, S. W. J. van, te Oerie, is op 28 juni 1963 aan de Rijksuniversiteit te Utrecht
gepromoveerd tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift „Mortaliteit
van kalveren bij de partus ä tcrmc van M.R.IJ.-runderen". (156)

TER OVERNEMING GEVRAAGD

MIDDELGROTE OVERWEGEND
GROTE-HUISDIEREN PRAKTIJK

door een jong dierenarts (r.k) met enl<ele jaren praktijk-
ervaring.

Brieven onder no. 21/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht._

KIIGIL

NULON INJECTIESPUITEN

ONBREEKBAAR
VOOR MASSA-INJECTIES
TIJDS-BESPARING »»

BUDGETS-BESPARING

Verkrijgbaar bij;

INSTRUMENTENHANDEL OF: L\'UNIVERS - Pr. Bernhardlaan 9 - Bussum

fi

Ter overname aangeboden per 10 oktober 1963 of eventueel eerder,

EEN HELFT VAN EEN OVERWEGEND
GROTE-HUISDIEREN PRAKTIJK

in het centrum van het land. Na overleg eventueel ook
associatie mogelijk.
Brieven onder no, 20/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

Uw dissertatie is in goede handen
bij de drukker van dit Ti\'idschriH.

Drukkerij G. van E)ijk n.v.

BRUGSTRAAT 18-22 — BREUKELEN

Tel. 03462 - 304

-ocr page 136-

VETAVAX

VACCIN
TEGEN

HONDEZIEKTE

Uiterst fijne weefsel suspensie
Geen locale reactie
Rubber doorsteekdop ook
voor solvens

Frequent toegepast in de
gehele wereld

S SH

voor Nederland:

centrafarm

rotterdam 010-121312

-ocr page 137-

INHOUD

oorspronkelijke artikelen

Jac. Jansen Sr., H. Kunst en R. Wemmenhove, The active Im-
munization of Ducks against Duck Plague
......927

P. IV. M. van Adrichem, Een beenafwijking bij jonge schapen —

A bone defect in young sheep —........933

H. de Roever-Bonnet. Toxoplasmose bij schapen in Nederland —
Toxoplasmosis in sheep in The Netherlands
— .... 940

klinische lessen

G. Wagenaar en C. J. van Nie, Een merkwaardige hartafwijking

bij het paard — A remarkable heart defect in a horse — . . 950

uit en voor de praktijk

F. W. J. Swart, Torsio intestini bij het varken — Torsio intestini
in pigs
—.............955

refer.aten

Bacteriële- en virusziekten.........957

Farmacologie en toxicologie.........961

boekbespreking

U. F. Richardson and S. B. Kendall, Veterinary Protozoology 962

ingezonden

Vleesconserven voor hond en kat II (C. H. Wijnand en J. H. J.
van GilsjJ. G. van Logtestijn)
........964

berichten en verslagen

Bestrijding van trilziekte..........965

Gebruik van antibiotica en oestrogenen bij de slachtkuikenteelt 966

De viering van het 100-jarig bestaan van de A.V.M.A. 969

Giftige planten voor paarden.........970

„Potassium in the Animal organism".......972

Commissie van overleg voor de varkenshouderij, 30ste verslag . 972

Overzicht van gedekte merries in 1962 ..............973

De produktie van slacht gevogelte........975

congressen

Cursus medische statistiek.........977

mededelingen

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......978

varia............. 939, 954, 956, 980

doorlopende agenda................981

kon. ned. maatschappij voor diergeneeskunde

Van het Bureau............982

Van de Groepen............983

Personalia.............983

-ocr page 138-

Pseudovogelpest entstof

(Hitchner en Lasota)

Infectieuze bronchitis entstof

Gecontroleerd op: werkzaamheid
duurzaamheid
onschadelijkheid

LABORATORIA DR. DE ZEEUW n.v. DE BILT

TEL. 030 - 60045

Mr. A. P, J. Fortuin

Mr. F. Smit

J. H. J. van der Steen

P. G. Weynands

Fiscaal-Economische dienst voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Utrecht • \'s-Gravenhage - Nijmegen

Ufrech»

Tel. 030-20241
Koningslaan 62

\'s-Gravenhage

Tel. 070-639<?08
Houtweg 3

Nijmegen

Tel. 08800 - 32132
Barbarossastraat 54

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnementstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracht, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dienst

-ocr page 139-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

The active Immunization of Ducks against Duck
Plague.

by JAC. J.ANSEN Sr.i), H. KUNST^) and
R. WEMMENHOVE\')

Institute for Veterinary Virulogy of the State University of
Utrecht, Biltstraat 168, Utrecht, The Netherlands.

Introduction.

Daring the XlVth International Veterinary Congress (London, 1949),
one of us (Jansen) reported on a new disease in ducks, to which the name
duck plague was given. At the same time he armounced, also on behalf
of his co-operator (Kunst) that the disease was caused by a virus that
differed comijlctely both from the Newcastle disease virus and from the
fowl-plague virus.

Many experiments have been made on the properties of the \\irus. Repea-
ted attempts to cultivate duck plague virus on the chorioallantoic mem-
brane, in the allantoic cavity or in the anmiotic sac of chicken eggs, using
blood of diseased ducks as an inoculum, were unsuccessful. On the other\'
hand the virus could be cultivated on the chorioallantoic membrane of
duck eggs at the 12th day of incubation, when blood from field cases was
used. Four days after inoculation the membranes were collected and the
second egg passage made with a suspension of ground membranes in broth.
The embryos died after four days, showing extensive haemorrhages. An
injection of the allantoic membrane of infected eggs was lethal for ducks.
.After the 12th duck-egg passage, an attempt was made to infect chicken
eggs. After three passages using chicken eggs at the ninth day of incuba-
tion, the chicken embryos died four to five days after inoculation and they
also showed extensive haemorrhages. The pathogenicity for ducks decreased
rapidly in chicken eggs; after the tenth chicken e.gg passage, ducks could
still be infected, but by the 20th passage the pathogenicity for ducks had
disappeared when the latter were challenged by intramuscular injection
with the harvested material.

The fact that ducks injected with chicken egg-cultivated duck plague virus
were immune to duck plague showed that the virus under cultivation was
still the duck plague virus.

These results gave us the opportunity to study the possibility of inmnmiza-
tion against duck [jlague, using the virus that had been attenuated during
chicken egg passages against the original duck plague virus of unaltered
virulence.

Active Immunization.

In order to demonstrate clearly the possibility of active immunizadon,
the following experim.ents were performed.

Eleven adult female ducks (about 9 months old), numbers 770 to 776 and

1) Prof, Dr, Jac, Jansen Sr,; Dr, H, Kunst and R. Weramenhove, resp. Professor
and Scientific Staff Members of the Institute for Virulogy of the State University
of Utrecht, Biltstraat 168, Utrecht, The Netherlands.

-ocr page 140-

778 to 781, were used (20-12-1962); blood samples being immediately
taken from all the ducks in order to study the development of the serum
virus neutralizing antibodies. A quarter of an hour later, all the ducks
were injected in the muscles of the breast with a suspension of attenuated
virus. Attenuation was brought about by passaging the vims, isolated from
a spontaneous outbreak first in duck eggs and then transferring it to chick
embryo for further passage until it had become avirulent for ducks. All the
ducks received an injection of 1 cc of a suspension made from one chorio
allantoic membrane in 15 cc physiological saline solution.
Twenty five days later, on the 14-1-1963, blood samples were taken from
all 11 ducks in order to study the development of virus neutralizing anti-
bodies. On the following day, the 26th day, the ducks were challenged with
virulent duck plague virus.

At the same time and in the same way 10 normal ducks as controls were
injected with the same virulent virus. The numbers of the control ducks
were 755 to 762 and 765, 766; the first eight ducks were adult females
nine months old, the last two 765, 766, were drakes of about one year old.
The virus used for this challenge has been obtained as follows. Blood from
the heart and liver tissue of a duck which died of plague on the 8-10-1956,
had been freeze-dried and preserved in a vacuum at a temperature of
—20° C. This material was used on 25-6-1962, to infect duck 717 intra-
muscularly. Duck 717 died 5 days later on 30-6-1962 and at post mortem
showed typical lesions of duck plague. The tissue material of this duck,
presen\'ed in the same way as described above at —20° C., was used on
29-1-1963 for the injection of both the immunized and control group of
ducks.

The results of this experiment are given in the following table:

20-12-1962

15-1-1963 18-1

19-1 20-1

21-1 22-1

final
result

11

ducks

immunized

injected with
virulent virus

11 X —

755

not immunized

»

756

t>

»

-1-

757

»

II

-1-

758

II

759

760

»

f9

-t-

lOx

761

j>

»

762

»

it

-1-

765

>9

-1-

766

i>

»

-1-

died

— remained normal

Of the 11 ducks which had been immunized none died, nor were even the
slightest symptoms of illness observed. The 10 control ducks all died of
duck plague. Eight of them, all female and about 9 months old, died some-

-ocr page 141-

what earlier than the 2 drakes numbers 765 and 766, which were about
1 year old. Some attention is drawn to the fact that these two did die later.
Two ducks (784 and 785) were injected with the same dose of virus used
in the above experiment and two more ducks (782 and 783) were injected
with 0.001 m.i. of this dose. The first 2 ducks died after 5 and 6 days and
the 2 others died after 7 and 6 days. This shows first of all that the virus
used was of a high virulence and secondly that the vaccinated birds, which
resisted an infection with this virus, were solidly immune.
That the attenuated virus did not even cause clinical sym.ptoms in the adult
ducks concurs with the reactions after vaccination of ducklings of a few
days old; they showed almost no reactions.

Experiment with ducklings of nine days old.

On 13-12-1962 10 ducklings (4 males and 6 females of nine days old) that
had been hatched in our Institute, were vaccinated by an intramuscular
injection of duck plague virus. This virus had been made avirulent for
ducklings by using chicken egg passages; a suspension of one chorio allan-
toic membrane in 15 cc physiological saline solution was used. Each
duckling received one cc of this suspension. On the third and the fourth
day after vaccination the ducklings appeared to be somewhat listless, but
during the following days they all behaved quite normally.
Forty seven days after vaccination (on 29-1-1963) the 10 ducklings were
infected in exactly the same way as had been done in the first experiment
with the adult ducks; using exactly the same virulent material. The adult
ducks already mentioned (782, 783, 784 and 785) served as controls. The
final result was that the whole group of the 10 ducklings survived and
the 4 adult controls died.

When adding up the figures of these 2 experiments the following favou-
rable outcome was obtained: all the control ducks, totalling 14 di^, while
all the vaccinated ducklings and ducks, totalling 21, proved to be solidly
immune against a dose of virulent virus that was at least a thousand times
the minimum lethal dose.

Postmortem examination of the 14 control ducks that died after infection.

All the 14 control ducks were examined extensively after death and without
exception they all showed macroscopically perceptible pathological changes
which could be considered as positive for duck plague. A.t the same time,
a very detailed bacteriological examination made on 4 of these ducks gave
completely negative results.

In 10 cases the parasitological findings were negatieve; but in 2 ducks
3 female
Tetrameres fissispina were found in the mucosa of the stomach
and in 1 duck 20
Tetrameres fissispina.

In another duck numerous Tetrameres fissispina were found together with
severe tuberculosis of the spleen (duck number 785). It can be said there-
fore that, apart from this latter duck all these experiments have been
carried out on healthy birds.

As has been pointed out already in earlier publications the post mortem
picture will be influenced by the interval between the infection and the
time of death, a fact which is quite easily understood. For the sake of

-ocr page 142-

clarity a summarized report of the postmortem of 3 of our control ducks
is given:

Duck 759; interval between infection and death nearly 3 days:

The sinus infraorbitalis sinistra very haemorrhagic; haemorrhages in the
oesophagus and in the trachea. A haemorrhagic ovary, spleen swollen (3
times normal size) with haemorrhages; intestines inflamed, the cloaca with
scattered haemorrhagic spots, no parasites, bacteriological examination
negative.

Lesions of a diphtcritic character are lacking as time was too .short to
allow them to develop.

Duck 755; interval between infection and death nearly 4y2 day:

Diptheritic laryngitis, pharyngitis and oesophagitis, haemorrhagic oopho-
ritis, on the cen\'ix and in much organs petechiae (heart, liver, spleen, pan-
creas, brains, intestines, salpinx and both sinuses infraorbitals), deep in-
vasive necrosis of the cloaca affecting the submucosa.

Duck 765; interval between infection and death nearly 7 days:

A thick diptheritic layer in the pharynx, larynx and oesophagus. The mu-
cosa of the trachea is completely covered with a similar layer that had
detached itself from the underlaying haemorrhagical mucosa.
Throughout in the body many haemorrhagical spots. The inflamed hae-
morrhagical mucosa of the cloaca was covered by a greenish diptheritical
layer. The penis had also an inflamed and diptheritical aspect and even in
the urethra small diptheritic particles could be detected. Furthermore symp-
toms of a sepsis of a general character, such as a somewhat swollen and very
dark coloiued liver, a dark swollen spleen, were observed. Except for 2
Tetrameres fissispina no parasites. The bacterioscopical examination was
negative.

All other postmortem examinations were more or less in accordancc with
one of these 3 postmortem findings.

The virus neutralizing antibodies in the bloodseruni.

These experiments were performed by using chicken eggs that had been
incubated for 10 days. The mixture of the virus and serinn was injected
on to the chorio allantoic membranes. One cc duck serum and 0.1 cc virus
suspension obtained from 1 chorio allantois membrane suspended in 50 cc
of broth was mixed 30 minutes (kept at room temperature) previous to
use. From this serum virus mixture 5 drops for each chicken egg was used.
(The virus actually used being that from the chicken egg adapted strain.)
It was well known that the virus alone killed the chicken embryos in
about 3 days. To test each sample of duck serum, 6 eggs were used. The
results obtained with the 11 duck sera of experiment I (adult ducks) was
as indicated in the table.

From the results it is clear that, 25 days after the active immunization,
the humoral antibodies were demonstrated in 8 of the 10 ducks; since the
survival time of the embryo was prolonged. The results obtained with the
bloodsera of ducks 774 and 780 prove however that a duck can be solidly
immune notwithstanding the fact that no antibodies could be demon-

-ocr page 143-

stratcd in tlie bloodserum. The results found in these 2 ducks: ( ) ? and
— ? produced no evidence as to the development of antibodies in these
spc;cific cases since the serum in normal ducks had the same small inhibiting
|)roi3erties.

Number of ducks

inhibition of serum
taken immediately
before vaccination

inhibition of scrum
taken 25 days
after vaccination

770

_ ?

-t-

771

_ ?

not done

772

-1- -1-

773

4-

774

_ ?

i ) ?

775

_ ?

4-

776

?

4-

778

( )?

4-

779

_ ?

4-

780

_ ?

_ ?

781

_ ?

4-

— ? Delay of the embryos\' death varying from 0-24 hours.

( ) Delay of more than 24 hours, but in only one of the 6 eggs.

-I- .An average delay of the death of the 6 embryos of about 48 hours.

-1-4- An average delay of the death of the 6 embryos of about 72 hours.

The bloodsera of the 10 ducklings, 32 days after the active imnumization,
were also examined. In 4 cases a clear delay in the death of the embryo
was observed; in 3 cases a slight delay was noticable, the other 3 sera did
not show a convincing delay. Nevertheless all these vaccinated ducklings
I)ro\\ed to be solidly imnume against a severe experimental infection 15
days later. The infectious dose of the virus was at least a thousand times
the dose of virus which kills adult ducks.

SUMMARY.

When duck plague virus has been isolated by means of cultivation in duck eggs, it
is possible to continue cultivation in chicken eggs. During the passage in chicken
eggs the virus increases in virulence for the chicken embryo, but becomes avirulent for
the duck. This avirulent virus can be used for the active immunization of ducks.
A total of 21 ducks were vaccinated, all of them resisted a severe intramuscular
infection, which killed the entire group of 14 control ducks.

Virus neutralizing antibodies could be demonstrated in the bloodscrum of the
majority, but not in all of the vaccinated birds. The immunization experiments with
ducks give therefore a much clearer proof of the immunity than the serumtest.

SAMENVATTING.

Met eendepestvirus dat via isolatie in het eendeëi en daarna via kippeëipassages
avirulent is .geworden voor de eend doch virulent voor het kippeëmbryo, is een zeer
goede immuniteit bij eenden op tc wekken tegen het volvirulente, onveranderde eende-
pestvirus.

In totaal werden 21 eenden geënt, zij bleken alle een zware experimentele infectie
te kunnen doorstaan (de 14 controle-eenden stierven alle aan eendepest).

-ocr page 144-

In cen deel der eenden konden na de vaccinatie neutraliserende immuunstoffen aan-
getoond worden. De dierexperimentele immuniteitsproef is echter veel duidelijker
bewijs voor de immuniteit dan de serumproef.

RÉSUMÉ.

Avec le virus de la peste du canard qui, par isolation dans l\'oeuf de cane et après
cela par des passages de l\'oeuf de poule, est devenu avirulent pour le canard et
virulent pour l\'embryon de poule, une très bonne immunité peut être acquise chez les
canards contre le virus de la peste du canard. 21 Canards au total ont été vaccinés.
Ils se montraient résistants contre une grave infection expérimentelle ; 14 canards
témoins mouraient tous de la peste du canard.

Après la vaccination des anticorps pourraient être indiqués chez quelques canards.
Le test d\'immunité avec le canard est cependant beaucoup plus convaincant que le
test avec le sérum.

ZUSAMMENFASSUNG.

Mit Entenpestvirus, das mittels Isolation im Entenci und danach mittels Hühnerei-
passagen avirulent für die Ente jedoch virulent für das Hühnerembryo geworden ist,
kann bei Enten eine sehr gute Immunität gegen das vollvirulente, unveränderte
Entenpestvirus hervorgerufen werden.

Insgesamt v™rden 21 Enten schutzgeimpft. Es zeigte sich, dass alle einer schweren
experimentellen Infektion gewachsen waren; 14 Kontrollenten starben an Entenpest.
Bei eini.gen Enten konnten nach der Schutzimpfung neutralisierende Immunstoffe
nachgewiesen werden. Die tiercxperimentclle Immunitätsprobe ist jedoch ein viel
deutlicher Beweis für die Immunität als die Scrumprobe.

REFERENCES

Jansen, J. and Kunst, IL: Proc. XIV Int. Vet. Congr,, 3, 363, London, (1949).
Jansen, J,: Duck Plague,
Brit. vet. ]., 117, 349, (1961).

Proef met bevroren .sperma.

Gedurende het lopende jaar is het werk in de Gloucester en Little Horwood Centra
van bevriezing en bewaring in vloeibare lucht vervolgd.

Een kleine proef werd genomen, waarvan het doel was resultaten in de praktijk
te vergelijken van sperma dat bewaard en opgeslagen was in kooldioxyde en alcohol.
Sperma van 6 stieren van verschillende rassen werd gebruikt op een basis van .ge-
splitste monsters.

Na twee maanden opgeslagen te zijn, werd het sperma gebruikt met de volgende
resultaten:

eerste percentage bevrucht:

inseminaties 90-120 dagen

bewaring in vloeibare lucht 196 71,9%

bewaring in CO2 201 58,7%

Hoewel geen grote betekenis kan worden gehecht aan de resultaten die verkregen
werden uit dit onderzoek op zulk een kleine schaal, bevestigen zij de rapporten dat
bevriezing en bewaring in vloeibare lucht beter is dan bewaring in
CO2,
Voorgesteld wordt dat een groter onderzoek, dat veel meer inseminaties zal omvatten,
het komende jaar zal worden uitgevoerd,

Milk Marketing Board: Rep. Production Division, 12, 111, (1961\\1962).

-ocr page 145-

Een beenafwijking bij jonge schapen.

A bone defect in young heep.
door P. W. M. VAN ADRICHEMi)

Uit het Instituut voor Veevoedingsonderzoek te Hoorn.

Inleiding.

In maart 1961 waren op het Instituut voor Veevoedingsonderzoek een
zevental schapen aanwezig, die duidelijke afwijkingen aan de benen ver-
toonden. Deze eenjarige hoogdrachtige ooien waren op ons Veevoedings-
proefbedrijf in maart 1960 geboren.

De beenafwijkingen bestonden uit harde verdikkingen in de buurt van
de gewrichten van voor- en achterbenen. De dieren vertoonden tevens een
x-benige stand. De abnormale verdikkingen waren het duidelijkst zicht-
baar juist boven het kootgewricht zowel lateraal als mediaal (zie foto\'s 1
2 en 3*).

-ocr page 146-

Rij druk op deze liarde knobbels vertoonden de jonge schapen enige pijn-
uiting. De dieren liepen abnormaal stijf en voorzichtig, terwijl ze zowel
in de weide als in een hok met tegeK loer, zeer veel gingen liggen. Wanneer
ze eenmaal lagen waren ze moeilijk overeind te krijgen en het opstaan
bleek duidelijk pijnlijk te zijn. Bij het vaginaal onderzoek bleken de ooien
nauwe bekkens te hebben. Dit had tot gevolg, dat de partus bij deze jonge
dieren moeilijk verliep. Twee ooien moesten van 4 lammeren verlost wor-
den door middel van totale embryotomie. IJe 7 eenjarige schapen kregen
samen 12 lannneren, waarvan echter de helft vlak vóór of tijdens dc
moeilijke .geboorte stierf. Doordat de dieren weinig graasden moesten ze
met krachtvoeder worden bijgevoerd om in een goede conditie te blijven.
Deze beenafwijking betekende dus een aanzienlijke economische schade.

Bloedonderzoek.

Uit de vena jugularis van 4 patiënten werd een bloedmonster genomen
waarin op dezelfde dag het gehalte aan calcium, fosfor en alkalische

fosfatase in

het bloedseriun bci)aald

werd. Ook het bloed

van een normaal

schaap werd geanalyseerd.

De uitslag

was als volgt:

Nununer

Beenafwij king

Onderzoek bloedserum

schaap

Ca

P

alkalische

mg%

mg%

fosfatase

B.E.

41

geen

11,2

9,0

8,2

52

-j-

12,9

7,3

7,5

57

11,3

10,6

14,6

58

12,2

8,6

9,5

72

11,9

10,5

7,8

Het serumcalciumgehaltc was niet afwijkend, maar het fosforgehaltc was
hoog-normaal. Bij jonge dieren zien we meestal een hoger fosforgehaltc
dan bij volwassen individuen en bij volwassen schapen \\arieert het nor-
male gehalte van 5,0-9,0 mg%. Het gehalte aan alkalische fosfatase in
het bloedserum, uitgedrukt in Bodanski-eenheden (B.E.), was verhoogd
bij schaap no. 57. Dit schaap vertoonde ook de ernstigste beenafvvijkingen
en van de voorbenen van dit dier werden ter hoogte van het kootgewriclit
enige röntgenfoto\'s gemaakt (foto\'s 4 en 5)1)

Röntgenfoto\'s.

De meest in het oog s]3ringende afwijking is de onvolledige sluiting van de
epifysairlijnen. Speciaal de distale epyfisairlijn van het os metacarpale wis
over haar gehele lengte nog open. Bij een oppervlakkige beschouwing van
de röntgenopnamen zou men deze open epyfisairlijnen voor onregelmatige
gewrichtsxlakken kunnen houden, maar wanneer we ons goed de anatJ-
mische verhoudingen van het voorbeen realiseren, dan kunnen we duidelijk

1  Volgaarne wil ik hitr nogmaals mijn dank betuigen aan de radioloog van het
St. Jans Ziekenhuis te Hoorn, collega J. de M e u 1 e m e e s t c r, die direct
bereid was om enige uitstekende röntgenopnamen te maken.

-ocr page 147-

<- Pijpbeen

Epifysairlijn

Kootbeen

Kroonbeen

— Pijpbeen

Epifysairlijn

Kootbeen

Kroonbeen

-ocr page 148-

de veel gladdere gewrichtsvlakken van het koot- en kroongewricht onder-
scheiden van de onscherpe epifysairlijnen. Ook de proximale epifysairlijn
van het kootheen was nog niet geheel gesloten. Bij deze volwassen een-
jarige schapen hadden de epifysairlijnen gesloten en verbeend moeten zijn.
De tweede, duidelijk waarneembare afwijking op het röntgenbeeld is het
uitwijken van de diafyse ter hoogte van de epifyse. Deze exostosen zijn
speciaal vlak boven het kootgewricht zowel lateraal als mediaal waar-
neembaar.

Diagnose: rachitis.

Therapie: 1.000.000 I.E. vit. D3 intramusculair.1)
Verloop.

Na enige weken werd opgemerkt, dat de schapen beter begonnen te lopen
en minder vaak gingen liggen. De exostosen bleven duidelijk zichtbaar,
maar in de algemene toestand trad een aanmerkelijke verbetering op.
Hierbij moet opgemerkt worden, dat de dieren inmiddels ook gelamd
hadden.

Op 6 oktober 1961, dus 6/2 maand na de vitamine Dg-injectie, werden
van schaap 57 wederom röntgenfoto\'s van de voorbenen gemaakt (foto\'s
6 en 7). Op deze opnamen is de verkalking van de epifysairlijnen zeer
duidelijk waarneembaar. Tevens zien we dat op dat tijdstip de exostosen
meer afgerond zijn.

Discu.ssie.

De röntgenopnamen zijn ongetwijfeld van doorslaggevende betekenis ge-
weest om tot de diagnose „rachitis" te komen. Immers het bloedbecld
geeft ons geen bevesüging van ons oorspronkelijk vermoeden, dat wij met
Engelse ziekte te maken hadden. Althans bij het rachitische kind wordt
steeds een laag fosforgehalte in het bloedserum aangetroffen, terwijl de
alkalische fosfatase-waarde aanzienlijk verhoogd is.

Bechtel e.a. (1936) be.schrijven gevallen van rachitis bij kalveren, die
naast de karakteristieke beenveranderingen tevens gepaard gingen met
een daling van het calcium- en/of anorganische fosforgehalte van het
bloedplasma. Door Fitch (1943) werden enige gevallen van rachitis
beschreven, optredend bij Nieuw-Zeelandse schapen op een leeftijd van
9-12 maanden. Het gemiddelde calcium- en fosforgehalte van het bloed-
serum bedroeg respectievelijk 6,3 en 2,4 mg%. Hij wijst erop dat de ziekte
steeds in de wintermaanden uitbreekt en bij toenemende zonbestraliag
weer geneest. Bovendien zorgen de meeste veehouders in Nieuw-Zeeland
ervoor dat hun schapen niet te lang op de groene haver weiden, omdat
anders volgens hun ervaringen, de kans voor het optreden van been-
afwijkingen toeneemt.

Ook Ewer en Bartrum (1948) wijzen erop dat het serumcalciu:n-
gehalte van rachitische schapen binnen de nonnale grenzen schommelt,
maar dat er vaak een verlaagd fosforgehalte aanwezig is.

1  De N.V. Philips-Duphar zeggen we hiermede dank voor het welwillend ter De-
schikking stellen van het vitaminepreparaat Dohyfral D3-IOO.

-ocr page 149-

Bij onze schapen blij]<t het fosforgehalte zowel bij het normale individu als
bij de rachitische dieren hoog te zijn, terwijl alleen bij ooi no. 57, het al-
kalische fosfatasegehalte in het bloedserum was gestegen.
Het grasmonster, afkomstig van het perceel waar de schapen de gehele
zomer vertoefd hadden, had een calciumgehalte van 0,71% en een fosfor-
gehalte van 0,47% in de droge stof De calcium-fosforverhouding bedroeg
— 1 j5.

De fosforbehoefte van het groeiend schaap is tamelijk goed bekend. Vol-
gens Du Toit en Malan (1938) is een dagelijkse fosforvoorziening
van 1,5 gram voldoende voor de normale ontwikkeling en ter voorkoming
van Engelse ziekte. Een andere onderzoeker, S t e w a r t (1934-1935, ref.),
is zelfs van mening dat bij een ruime vitamine-D-voorziening met 1 gram
fosfor per dag volstaan kan worden. \\Ve kunnen daarom zeker aannemen
dat de absolute hoeveelheid calcium en fosfor en de verhouding van deze
elementen in het gras in dit geval het optreden van rachitis niet in de hand
gewerkt zullen hebben. Maar het blijkt voor het jonge schaap toch nood-
zakelijk te zijn, dat daarnaast ook een ruime vitamine-D-voorziening ge-
waarborgd is om zodoende de kalkafzetting in het bot te stimuleren. In de
weide bestaan er voor het schaap twee vitamine-D-bronnen nl. 1. het door
de zon bestraalde weidebestand; 2. het rechtstreeks door de zon bestraalde
huidvet waarbij de aanwezige sterolen worden omgezet in vitamine D.

ad 1. M O O r e e.a. zijn van mening, dat vers groen gras geen vitamine D
bevat, maar dat het erin \\ oor zou kunnen komen doordat er, door
beschadiging of anderszins, afgestorven delen tussen zitten. In deze
afgestorven bruingekleurde plantedelen zou het ergosterol dan door
het zonlicht omgezet kunnen worden in vitamine D.
Naast andere onderaoekers heeft ook W e i t s (1956) aangetoond,
dat bruin blad een aanzienlijke vitamine-D-werking bezit. Volgens
hem is deze werking geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk voor het
vitamine-D-effect van „vers" gras en voor de herhaaldelijk waar-
genomen verschillen in vitaminegehalte.

ad 2. Dit vitamine kan door de huid worden geresorbeerd, terwijl het ook
in en vlak onder de huid ge\\ormd kan worden.

De vitamine-D-voorziening is dus afhankelijk van de zonbestraling, maar
tevens van de hoeveelheid wol, die het .schaap bezit. Immers, de vacht zal
het doordringen van de ultraviolette stralen naar de huid tegengaan.
Qu ar terman e.a. (1961) konden aantonen, dat het scheren van scha-
J5en een zeer belangrijke invloed had op het vitamine-D-gehalte van het
bloed. In juni en augustus was de vitamine-D-concentratie in het bloed
van geschoren schapen 2-3 maal zo hoog als van ongeschoren schapen op
hetzelfde perceel. In november waren de concentraties in het bloed weer
gelijk voor beide groepen. Dc lammeren zullen dus in hun eerste levensjaar,
omdat ze in de zomer reeds een aanzienlijke vacht bezitten, toch slechts
weinig vitamine D vormen met behulp van de zonbestraling.
Deze vitamine-D-voorziening blijkt zelfs in gevaar te kunnen komen wan-
neer er bovendien maar weinig uren zonneschijn zijn. De zomermaanden
van 1960 werden gekenmerkt door weinig zon en veel regen. We menen
daarom, dat we deze been afwijkingen moeten verklaren door een gebrek
aan vitamine D tengevolge van de slechte weersomstandigheden.
Een factor, die mogelijk het optreden van deze beenafwijkingen heeft

-ocr page 150-

bevorderd is het caroteengehalte van het grasbestand. Grant (Nieuw-
Zeeland, 1953) wijst erop dat de zeer grote hoeveelheden caroteen, die
door schapen en koeien worden opgenomen een verklaring zou kunnen zijn
voor de rachitogene werking ervan gedurende de winter, wanneer de zon-
bestraling te wensen overlaat en de lichaamsreserve gering is. W e i t s
(1956) komt eveneens tot de conclusie, dat bij een niet al te ruim aanbod
van vitamine D, de antagonistische werking van het caroteen merkbaar
kan worden. We zullen ook hierdoor voor een goede vitamine-D-voorzie-
ning moeten zorg dragen.

Conclusie.

Het is gewenst aan gespeende lammeren vitamine D3 toe te dienen. Men
voorkomt hiermede afwijkingen aan de voor- en achterbenen, een moei-
lijke gang en verminderde voederopname. Eveneens wordt daardoor de
ontwikkeling van het bekken veilig gesteld, zodat de éénjarige moedcr-
dieren hun lanuneren gemakkelijk ter wereld kunnen brengen.
Het éénmalig toedienen van een stootdosis vitamine D3 zal onder praktijk-
omstandigheden de eenvoudigste methode zijn om de vitamine-D-voorzie-
ning te waarborgen. Deze dosis kan ook per os verstrekt worden.

SUMM.ARY.

It is advisable to administer vitamin Da to weaned lambs. This prevents deviations
of the fore- and hindlegs, an impaired gait and a reduced feed intake. In addition,
this ensures a normal development of the pelvis so that one-year-old mother animals
will have no difficulty in giving birth to their young.

.Administration of a single massive dose of vitamin D3 will be the simplest method
to ensure the vitamin D supply under field conditions. This dose may also be given
orally.

RÉSUMÉ.

Il est recommandablc d\'administrer aux agneaux au sevrage de la vitamine Da.
Ce faisant on préviendra des troubles aux jambes dc devant et de derrière, la marchc
difficile et une ingestion diminuée. En même temps on assure le développement du
bassin, de sorte que les animaux-mères d\'un an peuvent aisément mettre bas leurs
agneaux.

Une seule administration d\'une dose de choc de Vitamin Da sera, dans les condi-
tions de la pratique, la méthode la plus simple de garantir l\'approvisionnement en
vitamine D. Cette dose peut également être administrée per os.

ZUS.AMMENFASSUNG.

Es ist anzuraten entwöhnten Lämmern Vitamin Da zu verabreichen.

Man verhütet hiermit Abweichungen an Vorder- und Hinterbeinen, mühsamen Gang

und verminderte Nahrungsaufnahme. Ebenfalls wird hierdurch die Entwicklung des

Beckens gesichert, sodass die einjährigen Muttertiere ihre Lämmer leichter zur Welt

bringen.

Die einmalige Verabreichung eines Da-Vitaminstosses wird in der Praxis die ein-
fachste Methode sein, um die Vitamin D-Versorgung zu sichern. Diese Dosis kann
auch per os verabreicht werden.

-ocr page 151-

LITERATUUR

B e c h t e 1 Ernest, H., Hallman, E. T., Huffman, C. F,, Duncan,
C. W.: Pathology of rickets in dairy calvcs.
Michigan State Coll., Techn. Bull.
150, May 1936.

Du T o i t, P. J., M a 1 a n, A. L: Calcium and phosphorus deficiency in relation
to the production of ostcodystrophic diseases.
Acta Convent. Tert Trop Morb ,
I, 115, (1938).

Ewer, T. K., B a r t r u m. P.: Rickets in sheep. Austr. Vet., April 1948, 73.

Fitch, L. W. N.: Rickets in hoggets: with a note on the aetiology and definition
of the disease.
Austr. Vet. J., 19, 2, (1943).

Grant, A. B.: Carotene: a rachito,genie factor in green feeds. Nature, 172, 627,
(1953).

Moore, L. A., Thomas, J. W., J a c o b s o n, W. C., M e 1 i n, C. G., She p-
h e r d, J. B.: Comparative antirachitic value of field-cured hay, barn-dried hay
and wilted grassilagc for growing dairy calves.
J. Dairy Sc., 31, 489, (1948).

Q u a r t e r m a n, J., D a 1 g a r n o, A. C., McDonald, I.: The natura! source of
vitamin D for sheep.
Proc. Nutrit. Soc., 20, (2), (1961).

S te wart, J.: Referaat (1934-1935). 4th Rep. Dir. Inst. Anim. Path. Univ. Cam-
bridge, 179.

Weits, J.: De antirachitische werking van Nederlandse ruw\\\'oeders in verband
met het antagonisme tussen carotceii en vitamine D.
Mededelingen van de land-
bouwhogeschool te Wageningen,
56, 1, (1956).

X\'oorjaarskatten. ,

Bij de inenting van honden en katten tegen rabies, in vijf dorpen gehouden, zijn in
totaal ingeënt 240 honden en 213 katten. Van de laatsten waren nog al enige absent
gebleven, door drukke voorjaar.swerkzaamheden.

Franeker Courant, 26-2-1963.

„Su.spciided life" voor piepkuikens.

Volgens Dr. R. Cordon (Monsanto CJhem. Co.) is men er in geslaagd de groei
van slachtkuikens tijdelijk stop te zetten door het tryptofaan aan het voer te ont-
trekken. Na verstrekking van een normaal voeder groeiden dc dieren weer .gewoon
verder. De „levensduur" der kuikens zou worden verlengd met eenzelfde tijdsbestek
als gedurende welke de groei wordt stilgezet.

Pluimveepers, XVIII, 1, (1963).

Het mysterie der platina dooiers.

Berg verkreeg aanwijzingen dat het verschijnsel van eieren met kleurloze dooiers
wordt veroorzaakt door een infectie, waarvan de verwekker zich in het strooisel be-
vindt. Na overbrenging van strooisel uit cen „besmet" hok naar de kooien van ge-
zonde dieren begonnen laatstgenoemde dieren eveneens eieren met kleurloze dooiers
te leggen.

Pluimveepers, XVIII, 1, (1963).

-ocr page 152-

Toxoplasmose bij schapen in Nederland.

Toxoplasmosis in sheep in the Netherlands.

door H. DE ROEVER-BONNET1)

Instituut voor Tropische Hgygiëne and Geografische Patho-
logie; onderafdeling van het Koninklijk Instituut voor de
Tropen.

In 1960 werd door Bool \\ an het Centraal Diergeneeskimdig Instituiit te
Amsterdam een onderzoek ingesteld naar het voorkomen van EA bij vrou-
welijke schapen.

De voor dit doel afgenomen schapesera werden in ons laboratorium onder-
zocht op het voorkomen van antilichamen tegen
Toxoplasma. Hiervoor
werd gebruik gemaakt van de reactie van Sabin-Feldman. Alle sera werden
30 minuten bij 56° geïnactiveerd en daarna onderzocht in de \\\'erdunningen
1\'\'16, 1/64, 1/128, 1/256, enz. Alle titers zijn „endpoints". De sera werden be-
waard bij ^20°.

In het geheel werd van 1 75 sera de titer bepaald. De uitkomsten zijn weer-
gegeven in tabel I, in lijn A van fig. 1 en kolom 1 van fig. 2. Slechts 11 %
van alle schapen bleek een titer te hebben van < 1/16; alle andere waren
positief in de verdunning 1/16 of hoger.

In fig. 1 is duidelijk te zien, dat bij de verdunning 1 \'256 een top bestond.
Bij nadere bestudering van de cijfers bleek, dat deze top werd veroorzaakt
door het grote aantal schapesera met de titer 1\'256, dat afkomstig was van
eenzelfde bedrijf Br. (fig. 1, lijn C; kolom 3 fig. 2). Wanneer de uitkom-
sten van de sera van dit ene bedrijf buiten beschouwing werden gelaten,
viel deze top weg (fig. I, lijn B; kolom 2 fig. 2). Er ontstaat dan een vi\'ij
vlakke curve.

Bij de beoordeling van deze curven moet er wel rekening mee worden ge-
houden, dat de serum-verdimning 1\'32 niet werd onderzocht, zodat bij dc
liter 1/16 ook alle titers 1/32 zijn inbegrepen. Hetzelfde geldt voor de titer

< 16; deze is samengesteld uit de liters 1/8, 1\'4 en negatief.

Bij het bedrijf Br. hadden alle schapen op één na een titer van 1/16 of
hoger. Het ene schaap van dit bedrijf, dat aanx ankelijk een titer had \\an

< 1/16, bleek later een titer gekregen te hebben van 1\'256.

Bij de schapen van andere bedrijven had 17% een liter van < 1/16, en 83%
dus een titer van 1\'16 of hoger. Deze schapen waren afkomstig \\an be-
drijven in Groningen, de Peel, Noord-Holland, Texel, Den Helder en en-
hele andere streken, waaronder Limburg.

Alle schajjen waren vrouwelijke dieren, zodat niet kon worden nagegaan,
of hel aantal positieve liters bij mannelijke dieren misschien lager zou zijn
geweest, zoals F o 1 k e r s (1962) vond bij varkens.

In 1957 vond De Roe v e r-B onnet bij niet geïnactiveerde sera van 22
schapen een groter percentage met een titer < 1 16 dan ihans (tabel I).
Dit verschil kan mogelijk \\erklaard worden uit het feit, dat dc 175 sera

\') Dr, H. dc Roever-Bonnet, Hoofd van de Afd, Gele Koorts van het Instituut voor
Tropische Hygiëne en Geografische Pathologie, Mauritskade 57, Am3terdani-0.

-ocr page 153-

\\an thans alle afkomstig waren van vrouwelijke schapen. Van de 22
schapen, die in 1957 werden onderzocht, was het geslacht niet bekend;
waarschijnlijk waren hierbij ook mannelijke schapen. Folkers (1962)
\\ond nl. een verschil in titers van sera van mannelijke en vrouwelijke var-
kens en ditzelfde zou misschien ook voor schapen kunnen gelden.
Een andere mogelijkheid is, dat het verschil te wijten is aan het feit, dat de
sera van 1962 alle werden afgenomen in het \\ oorjaar. In 1957 vond ik n.l.,
dat in het voorjaar meer positieve reacties voorkwamen dan in de herfst.
Wanneer wordt aangenomen, dat de reactie van Sabin Feldman, bepaald
in ons laboratorium, vergelijkbaar is met die bepaald in het laboratorium
van het Instituut voor Tropische en Protozoaire Ziekten te Utrecht (in
beide laboratoria wordt dezelfde
Toxoplasma-stam gebruikt), dan blijkt,
dat het percentage positieve schapen groter is dan het percentage positieve
varkens, dat Folkers (1962) vond bij vrouwelijke varkens en dat bij de
schapen veel meer hoge titers voorkomen.

De titerverdelingen van de varkenssera van F o 1 k e r s en van de 26 niet ge-
inactiveerde varkenssera uit Amsterdam (De Roever-Bonnet, 1957)
wijken niet erg veel van elkaar af, zoals blijkt uit onderstaande tabel:

Titer

<16

16

64

128

256

512

Folkers 1962

64%

18%

10%

4%

2%

2%

.Amsterdam 1957

50%

34%

0%

8%

8%

liet grotere aantal titers 1\'16 in Amsterdam is mogelijk te verklaren uit het
niet activeren, daar dit slechts in\\loed heeft op de lage titers (Cathie,
1957).

l)j \\ raag was nu, of wellicht deze besmetting met Toxoplasrna een oorzaak
zou kimnen zijn voor het optreden van abortus bij schapen (hierbij wordt
onder abortus ook verstaan het te vroeg lammeren), en of uit deze cijfers
daarvoor een bewijs zou kunnen worden gevonden. Nu was het helaas niet
mogelijk van alle schapen nauwkeurige gegevens te krijgen. Dr. Wensvoort,
die de sera in Noord-Holland en Texel verzamelde, gaf mij wel nauw-
keurige gegevens over de schapen, waarvan hij sera had ingestuurd. Ook
van het bedrijf Br. waren vrij goede gegevens bekend.

In tabel H a is weergegeven de titei-verdeling van de sera van schapen,
waarvan bekend was, dat zij te vroeg hadden gelammerd (59 schapen).
Van 15 schapen meende Dr. Wensvoort, dat de oorzaak van de abortus
bekend was. De titerverdeling van dc sera van deze schapen is weergegeven
in tabel H b. Wordt dit aantal afgetrokken van het totale aantal sera van
schapen met abortus, dan blijven er 44 schapen over, die te vroeg hadden
gelammerd en waarbij hiervoor geen oorzaak is gevonden. De titerverdeling
van de sera van deze schapen is weergegeven in tabel II c, lijn A van fig. 3,
cn kolom 1 van fig. 4.

Er waren sera van 49 schapen, waarvan niet bekend was, dat zij te vroeg
hadden gelammerd. De titerverdeling van de sera van deze schapen is weer-
gegeven in tabel 11 d, lijn B van fig. 3 en kolom 2 van fig. 4. Bij deze 49
sera waren er echter 27 afkomstig van een bedrijf, waarvan wel bekend was
dat er veel scha]3en te vroeg hadden gelammerd, maar niet of van de 27
ingezonden sera er misschien enkele afkomstig waren van schapen met

-ocr page 154-

abortus. Wanneer deze 27 sera, die dus afkomstig waren van schapen, waar-
van geen nauwkeurige gegevens bekend waren, werden afgetrokken van de
49, afkomstig van schapen zonder abortus, dan bleven er 22 over waarvan
met zekerheid bekend was, dat zij niet te vroeg liadden gelammerd. De
titerverdeling van deze 22 sera is weergegeven in tabel Hf, lijn C van fig. 3,
en kolom 3 van fig. 4.

Vergelijking van de cijfers van tabel II en de lijnen A, B en C van fig. 3
toont, dat er slechts geringe verschillen bestaan in het aantal positieve reac-
ties en de hoogte van de titers in sera \\ an schapen met en zonder abortus;
maar de aantallen zijn zeker te klein om hieruit met zekerheid conclusies
te kunnen trekken.

Bij het bedrijf Br. waren 10 schapen, die te vroeg hadden gelammerd. De
titerverdeling \\\'an de sera van deze schapen is weergegeven in tabel II g.
De titerverdeling van de sera van 57 schapen zonder abortus van ditzelfde
bedrijf is weergegeven in tabel II h. Ook hieruit blijkt, dat abortus voor-
komt bij zeer verschillende titers. Overigens blijkt ook nog, dat het aantal
gevallen van abortus in dit bedrijf, waar praktisch 100% van de schapen
positief was, niet bijzonder groot is.

De sera van schapen, waarbij voor abortus een andeie oorzaak werd op-
gegeven, bleken zeer verschillende titers te hebben, \\ariërend van < 1/16
tot 1/512 (tabel III).

Van 57 schapen werden gepaarde sera ont\\angen. Het 2e serum was 1-3/2
maand na het eerste afgenomen. In 40 sera werd geen verandering van dc
titer waargenomen; hierbij werd een titerverancleirng van één verdimning
buiten beschouwingg elaten. In 9 sera werd een vier- of meervoudige stij-
ging van de titer gevonden, in 8 een vier- of meer\\\'oudige daling. Van de 9
sera met titerstijging \\arieerden de eerste titers van < 1/16 tot 1/512 (tabel
IV). Van de schapen met abortus, waarvan gepaaide sera werden ontvan-
gen, hadden 14 een gelijkblijvende titer, variërend van < 1/16 tot 1/.\'\')12.
iVee schapen met abortus hadden een stijgende titer. Beide hadden ecu
begintiter van < 1/16: de één steeg tot 1/128, de ander tot 1/256. Bij al deze
schapen was het eerste serinn afgenomen na het lammeren.

Het lijkt niet mogelijk uit de uitkomsten van dit onderzoek te kimnen \\ast-
stellen, dat toxoplasmose de oorzaak is \\oor het aborteren van schapen in
Nederland. Een uitjiebreider onderzoek zal hier\\oor nodig zijn. In \\er-
schillende landen van de wereld neemt men tegenwoordig wel aan, dat
abortus bij schapen kan worden veroorzaakt door een
Toxopla.una-\\n{pcx\\<i
(Nieuw-Zeeland, Engeland, Amerika).

In Engeland zijn het Bever Icy en Watson (1959, 1961, 1962) en
B e
V e r 1 e y en M a c k a y (1962), die op grond van hun onderzoekingen
bij schapen menen te mogen aannemen, dat toxoplasmose oorzaak kan zijn
van het te vroeg lammeren van schapen. Zij slaagden er verscheidene malen
in uit de vruchten van scha]5en
Toxoplasma te kweken. Hel is echter de
vraag, of men dit mag zien als een bewijs, dat een abortus door
Toxoplasma
is veroorzaakt. In een kudde schapen, waarin zeer veel vrouwelijke dieren
met
Toxoplasma zijn geïnfecteerd, zou het kunnen gebeuren, dat de jongen
van deze geïnfecteerde vrouwtjesdieren congenitaal worden besmet zonder
dat dit direct schadelijke gevolgen heeft, precies op de manier, waarop dit
gebeurt bij muizen met avirulente infecties. Deze muizen krijgen nl. jongen,
die wel parasieten herbergen, maar verder gezond zijn. Deze geïnfecteerde

-ocr page 155-

jongen krijgen via de \\-rouvvtjes ook weer op dezelfde manier geïnfecteerde
jongen (Beverley, 1959). Het is misschien mogelijk, dat dit ook bij
schapen gebeurt.

De interpretatie van positieve kweekproeven zal trouwens steeds moeilijker
worden, nu is gebleken, dat het mogelijk is uit ogenschijnlijk gezonde dieren
zowel \\irulente als avirulente
Toxoplasma parasieten te kweken (D e
Roever Bonnet, 1963).

S.AMENVATTING.

Van 175 schapesera, afkomstig van verschillende streken van Nederland, werd de
titer van de reactie van Sabin Feldman bepaald. 1 1 % bleek cen titer tc hebben van

< 1/16, 12% van 1/16, 77% een titer van 1/64 of hoger.

Er was geen duidelijk verschil tussen het aantal positieve reacties en de hoogte van
de tuers van sera, afkomstig van schapen met abortus en van sera afkomstig van
schapeft, die niet te vroeg hadden gelammerd.

SL\'MM.ARY.

175 sera of sheep were examined. The titer of the dyetest of Sabin-Fcldman was

< 1/16 in 11%, 1/16 in 12% and > 1/64 in 77%.

There was no difference in the number of positive reactions and the end-points of
the titers in sera of sheep with abortion and in sera of sheep without abortion.
RÉSUMÉ.

De 175 sérums de moutons originaires de diverses contrées des Pays Bas on établit
le titre de la réaction de Sabin Feldman.

11% parai.ssaient avoir un titre de < 1/16; 12% de 1/16; 77% un titre de 1/64 ou
plus élevé.

Il n\'y avait pas de différence évidente entre le nombre de réactions positives et
la hauteur des titres de sérums originaires de moutons ayant avorté et de sérums
originaires de moutons qui n\'avaient pas accouché trop tôt.
ZUS.\\MMENFASSUNG.

\\\'on 175 Schafsera, die aus verschiedenen Gc.geiiden in den Niederlanden stammten,
wurde mittels der Sabin-Fcidman-Reaktion der Titer bestimmt.
11% ergab einen Titer von < 1/16; 12% von 1/16; 77% van 1\'64 und höher.
Kein deutlicher Unterschied wurde zwischen der .Anzahl positiver Reaktionen und
der Höhe der Titerscra, herrührend von Schafen mit Abortus und Sera herrührend
von Schafen, die nicht zu früh lammten, gefunden.

LITERATUUR

Beverley, J. K. A.: Congenital transmission of Toxoplasmosis through successive

generations of mice. Nature (London), 183, 1348, (1959).
Beverley,;. K. A. and W a t s o n, W. A. : Ovine abortion due to Toxoplasmosis.

Nature (London), 184, 2041, (1959).
B e V e r 1 c y, J. K. A. and Watson, W. A. ; Ovine abortion due to Toxoplasmosis

in Yorkshire. Vet. Ree., 73, 6, (1961).
Beverley, J. K. A. and M a c k a y, R. R. : Ovine abortion and Toxoplasmosis in

East Midlands. Vet. Ree., 74, 499, (1962).
B e v e r 1 e y, J. K. A. and W a t s o n, W. A. : Further studies on Toxoplasmosis and

ovine abortion in Yorkshire. Vet. Ree., 74, 548, (1962).
C a t h 1 e, I. .A. B. : An apparaisal of the diagnostic value of the serological tests for

Toxoplasmosis. Trans. Roy. Soc. trop. Med. Hyg., 51, 104, (1957).
Folkers, C.: Studies on toxoplasmosis in pigs, with special reference to patho-
genicity and immunity. Thesis Utrecht. 1962.
RoeverBonnet, H. dc: Toxoplasmosis in slaughter cattle, particularly in sheep.

Doc. Med. Geogr. Trop., 9, 336, (1957).
RoeverBonnet, H. de: Mice and golden hamsters infected with an avirulent
and a virulent Toxoplasma strain.
Trop, geogr Afed., 15 45 (1963)

-ocr page 156-

Tabel I.

Titers van de reactie van Sabin Feldman van schapesera.

Titer 1 : ......:

<16

16

64

128

256

512

1024

2048

4096

8192

16384

Totaal

Groningen

20

4

1

0

3

4

4

3

1

0

0

0

Peel

30

6

7

10

2

4

0

1

0

0

0

0

Noord-Holland

24

4

2

0

4

3

7

1

2

0

0

1

Texel

12

2

1

2

4

1

0

1

0

0

0

1

Den Helder

12

1

6

1

2

1

1

0

0

0

0

0

Diff. Reg.

10

2

3

0

1

2

1

1

0

0

0

0

108

19

20

13

16

15

13

7

3

0

0

2

(100%)

(17%)

(18%)

(12%)

(15%)

(14%)

(12%)

(7%)

(3%)

(0%)

(0%)

(2%)

Bedrijf BR.

67

1

1

7

13

34

6

3

0

2

0

0

(100%)

(2%)

(2%)

(10%)

(19%)

(51%)

(9%)

(4%)

(0%)

(3%)

(0%)

(0%)

.Alle schapen

175

20

21

20

29

49

19

10

3

2

0

2

(100%)

(11%)

(12%)

(11%)

(17%)

(28%)

(11%)

(6%)

(2%)

(1%)

(0%)

(1%)

Schapen

22

(4%)

(4%)

Amsterdam 1957

(100%)

(37%)

(18%)

(9%)

(14%)

(14%)

Varkens (Kölkers)

62

(100%)

(67%)

(21%)

(7%)

(1-2%)

(1-2%)

(1-2%)

Varkens Amsterdam

26

(100%)

(50%)

(34%)

(0%)

(8%)

(8%)

CD

-ocr page 157-

Titers van de reactie van Sabin Feldman van sera van schapen met cn

zonder abortus.

•O
Ol

Titer 1 : ......:

<16

16

64

128

256

512

1024

2048

4096

8192

16384

Totaal

a.

Met abortus

59

11

10

3

12

6

11

2

2

0

0

2

(100%)

(19%)

(16%)

(5%)

(20%)

(12%)

(19%)

(3%)

(3%)

(0%)

(0%)

(3%)

b.

Andere oorzaken van abortus

15

4

3

0

5

2

1

0

0

0

0

0

c.

Abortus door onbekende oorzaak

44

7

7

3

7

4

10

2

2

0

0

2

(100%)

(16%)

(16%)

(7%)

(16%)

(9%)

(24%)

(4%)

(4%)

(0%)

(0%)

(4%)

cl.

Geen abortus

49

8

10

10

4

9

2

4

2

0

0

0

(100%)

(16%)

(21%)

(21%)

(8%)

(18%)

(4%)

(8%)

(4%)

(0%)

(0%)

(0%)

e.

Bedrijf D.

27

4

7

10

2

3

0

1

0

0

0

0

f.

Geen abortus zonder D.

22

4

3

0

2

6

2

3

2

0

0

0

(100%)

(18%)

(14%)

(0%)

(9%)

(27%)

(9%)

(14%)

(9%)

(0%)

(0%)

(0%)

g-

Bedrijf BR met abortus

10

1

0

1

4

2

0

1

0

1

0

0

h.

Bedrijf BR zonder abortus

57

0

1

6

9

32

6

2

0

1

0

0

-ocr page 158-

Titers van de reactie van Sabin Feldman van sera van schapen, waarl
voor de abortus een oorzaak was te vinden.

Titer 1 : ....

<16

16 64

128

256

512

Totaal

Distomatose

11

3

3 0

4

1

0

Nauwe schuur

2

0

0 0

1

0

1

0

Brucellose

1

0

0 0

0

1

EA

1

1

0 0

0

0

0

15

4

3 0

5

2

1

Tabel IV.

Titers van de reactie van Sabin Feldman van gepaarde schapesera.

Titer 1 ; ...

<16

16 64 128

256

512

1024

2048

8192

Totaal

Geen veranciering van titer

40

4

2 4 8

16

4

2

le titer <

1/16

2

stijging tot

1

1

le titer

1/16

1

stijging tot

1

le titer

1/64

1

stijging tot

1

1

le titer

1/128

4

stijging tot

1

2

le titer

1/512

1

stijging tot

1

9

2

2

1

2

1

1

le titer

1/64

1

daling tot

1

le titer

1/256

daling tot

2

5

-ocr page 159-

A — alle schapen

____D — alle schapen zonder bedrijf Br

______C = bedrijf Br.

PEKtNIAGE n
0F PfACTII)M5 \\ L)

-----D = varkens (Kölkers)

to

14584 PEdPSOCAL
OF HIEP

-ocr page 160-

PEPCmiAGE
PD5. »fACTITO
70 _

alle schapen

alle schapen, zonder bedrijf Br.
schapen van het bedrijf Br.
varkens (Folkers)

40

20 .

P

1

/

t
1

É

mrr

?OJS

i

! 1
;j

1

li

M

3.

nrnfn

.BfCIPMCAL
OF TiTED

00
ai

51?

40«

16^54

256

64

128

-ocr page 161-

Figuur 3. Reactie van Sabin Feldman van sera van schapen mèt en zonder
abortus.

ra

— schapen met abortus zonder bekende oorzaak
= schapen zonder abortus

= schapen zonder abortus, uitgezonderd die van
bedrijf D

I

IH84

BfCIPOOCAL -
Of TITEO

Figuur 4. Reactie van Sabin Feldman van sera van schapen mèt en zonder
abortus.

l?6

?56

51?

-ocr page 162-

KLINISCHE LESSEN

Een merkwaardige hartafwijking bij het paard.

A remarkable heart defect in the horse.

door G. WAGENAAR\') en C. J. VAN NIE^)

Bij een 12-jarige Gelderse merrie vonden wij een zeer merkwaardige
hartafwijking.

Anamnese.

Het paard eet sinds 14 dagen veel te weinig. Vóór die tijd ging het altijd goed.
De laatste weken is het paard vermagerd, het heeft geen uithoudingsvermogen
meer en het krijgt oedemen.

Van het klinisch onderzoek waren de volgende gegevens van belang.
Respiratie apparaat.

De ademhaling was te frequent, ± 30 per minuut. Er waren geen abnormale
ademhalingsgeruisen te horen, wel waren de geruisen wat verscherpt.

Circulatie apparaat.

De pols was 90 per minuut en regelmatig.

Er was veel koud oedeem tussen de voorbenen en onder de buik. Er was een ver-
hoogde tensie voelbaar op de vena jugularis, terwijl er een venepols zichtbaar was,
die opliep bijna tot aan de kaak. Zowel de verhoogde tensie als de venepols
moesten als pathologisch worden beschouwd.

Er was zowel links als rechts een bijgeruis te horen. Rechts was er sprake van
cen duidelijke rauwe systolische souffle, terwijl er links een presystolische souffle
te horen was.

Er bestond verder een anemie. Het witte bloedbecld leverde het volgende op:
4200 witte bloedcellen, 28 polymorfkemige leucocyten, 71 lymfocyten en 1 eosi-
nofiele leucocyt. Beslist geen ontstckingsbloedbeeld.

Enkele dagen na aankomst in de kliniek stierf het dier. Wij konden voor
de waargenomen verschijnselen slechts een tweetal verklaringen vinden
en wel:

a. Een gedilateerd hart.

Wanneer het rechter hart is gedilateerd, en soms wel als alleen de
rechter boezem is gedilateerd, kan het zijn, dat de atrioventriculairc
kleppen gaan lekken. Het gevolg is stuwing, een pathologische venepols
en meestal een systolisch bijgeruis, hetgeen het duidelijkst rechts
hoorbaar behoort te zijn.

b. Een endocarditis van de rechter atrio-ventriculaire kleppen. Wanneer
deze kleppen door een endocarditis insufficiënt worden, d.w.z. bloed
terug laten vloeien, zullen dezelfde verschijnselen als onder a. kunnen
worden waargenomen.

\') Prof. Dr. G. Wagenaar, Directeur van de Kliniek voor Veterinaire Inwendige
Ziekten, Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172.
Dr. C. J. van Nie, dierenarts, Adjunct-directeur Slachthuis Leiden, Maresingel 20.

-ocr page 163-

Wij lionden de afwijking niet goed diagnostiseren. Voor een dilatatie was
geen oorzaak aan te wijzen en op een endocarditis wees o.a. het bloed-
beeld niet.

Toch meenden WIJ de diagnose endocarditis te moeten stellen. De sectie
leverde echter heel wat anders op.

Sectie.

Rij de secde werd veel oedeem vastgesteld, terwijl er ook wat vocht in de
borst-, de pericardiaal- en de buikholte werd gevonden. Ook de lever was
gestuwd.

Het hart leverde een verrassende vondst op.

Distaal van de valv. semilunaris aortae dextra bevond zich een groot
aneuiysma van de sinus valsalva. Dit aneurysma had de doorsnede van
een pink en een lengte van ± 2 cm. De bodem van het aneurysma ver-
toonde een scheur met een gekartelde rand, welke scheur uitmondde in
het rechter atrium (foto 1 en 2).

Dit aneurysma moet een gevolg zijn van een congenitale onderontwikke-
ling van de wand van de sinus valsalva. Secundair, en waarschijnlijk
slechts enkele weken vóór de dood, moet de perforatie zijn ontstaan
(Edwards, J. E., 1960, zie tekening).

(Tekening Anatomisch Instituut)

-ocr page 164-

Foto 1.

Het geperforeerde aneurisma, zoals dit tussen 2 atrio-ventriculaire
kleppen in het rechter atrium uitpuilt.
-» : aneurysma; R.A.: R. atrium; R.V.: R. ventrikel.

(Foto Anatomisch Instituut)

Foto 2.

De ingang van het aneurysma gezien vanuit de aojta.
De semilunairklep, die de entree naar de opening onzichtbaar
maakte, is doorgesneden en met spelden vastgeprikt.
—> ; opening van het aneurysma; A: aorta; C: coronair arterie.

(Foto Anatomisch Instituut)

-ocr page 165-

Epicrise.

Nadat de sectie bekend was, werden ook een aantal zaken van het
klinisch onderzoek duidelijker.

Wij memoreerden reeds, dat een positieve venepols wordt veroorzaakt
door het terugstuwen van het bloed uit de rechter kamer in de rechter
bwzem. In het bovengenoemde zeldzame geval werd er bloed gestuwd
uit de aorta in de rechter boezem. Doordat de druk in de aorta altijd
belangrijk hoger is dan in de boezem, was het te verwachten, dat er een
permanent geruis zou zijn te horen. Hiertegenover staat, dat een con-
tractie van de rechter boezem ongetwijfeld de bloedstroom aorta - rechter
boezem zal hebben afgeremd.

De presystoHsche souffle links is veel moeilijker verklaarbaar. Het zou
echter kunnen zijn, dat de aorta-kleppen tengevolge van de bestaande
aandoening niet meer volledig hebben gesloten!

Natuurlijk zal de opening tussen de aorta en de rechter boezem slechts
kort hebben bestaan, anders waren er al veel eerder klinische verschijn-
selen opgetreden.

SAMENVATTING.

Schrijvers beschrijven een zeldzaam voorkomende hartafwijking bij een 12-jarige
merrie. Dit paard was haar gehele leven gezond geweest, doch de laatste weken werd
het paard mager, het kreeg oedemen, het had geen eetlust en geen uithoudings-
vermogen.

Bij het klinisch onderzoek werd een stuwing van de vena jugularis gevonden, als-
mede een pathologische venepols. Bij auscultatie van het hart werd links een
presystoHsche souffle gehoord en rechts een rauwe systolische souffle. Er bestond
geen aanleiding om aan een hartsdilatatie te denken, zodat de diagnose werd gesteld
op een endocarditis van de rechter atrio-ventriculaire kleppen.

Bij sectie bleek echter een groot aneurysma te bestaan van de sinus valsalva, behorende
bij de valv. semilunaris aortae dextra. Dit aneurysma was geperforeerd naar de
rechter boezem. Hierdoor was er dus een verbinding ontstaan tussen de aorta en
de rechter boezem. Hoewel het aneurysma ongetwijfeld een gevolg was van een con-
,genitale onderontwikkeling van de wand van de sinus valsalva, zal de perforatie pas
enkele weken vóór de dood van het dier hebben plaats gevonden.

SUMMARY.

Report on a rare cardiac defect in a twelve-year-old mare. This horse had been in
good health throughout her life but during the last few weeks the animal had become
emaciated, developed oedema, showed lack of appedte and lost its stamina.
Clinical examination revealed stasis of the jugular vein as well as a pathological
venous pulse. A presystolic murmur was heard on the left side at auscultation of the
heart, a harsh systolic murmur being heard on the right side. There was nothing to
suggest dilataUon of the heart so that a diagnosis of endocarditis of the right atrio-
ventricular valves was established.

A large aneurysm of the aortic sinus belonging to the right semilunar valve of the
aorta was, however, found to be present at autopsy. This aneury.sm had perforated
into the right auricle. This had accordingly resulted in a communication between
the aorta and the right auricle. Although the aneurysm was undoubtedly due to
congenital defective development of the wall of the aortic sinus, perforation pro-
bably did not occur until a few weeks prior to the death of the animal.

-ocr page 166-

RÉSUMÉ.

L\'auteur décrit une cardiopathie rare d\'une jument âgée de 12 ans. Ce cheval avait
été bien portant durant toute sa vie, mais pendant les dernières semaines elle mai-
grissait, elle contractait des oedèmes, elle n\'avait plus d\'appétit ni d\'endurance.
Pendant l\'examen clinique on trouva une congestion de la veine jugulaire, et un pouls
veineux pathologique. Pendant l\'auscultation du coeur on perçut un souffle présysto-
lique à gauche et à droite un souffle systolique cru.

Il n\'y avait pas lieu de supposer une dilatation du coeur, de sorte qu\'on porta le
diagnostic d\'une endocardite des valvules atrio-ventriculaires droites.
Pendant la section cependant on trouva un grand anévrisme du sinus valsalva appar-
tenant à la valvula seminularis aortae dextra. Cet anévrisme était perforé vers l\'oreil-
lette droite. Ainsi une communication était faite entre l\'aorte et l\'oreillette droite.
Bienque sans doute l\'anévrisme fût une conséquence d\'une hypoplasie congénitale
de la paroi du sinus valsalva, la perforation n\'aura eu lieu que quelques semaines
avant la mort de l\'animal.

ZUSAMMENFASSUNG.

Von einer zwölfjährigen Stute wird eine selten vorkommende Hcrzabwcichung be-
schrieben. Das Pferd war bisher vollkommen gesund, aber in den letzten Wochen
ma.gerte es ab, es zeigten sich Ödeme, Fressunlust und kein Aushaltungsvcrmögen.
Bei der klinischen Untersuchung stellte man eine Stauung der Vena jugularis und
einen pathologischen Pulsschlag fest. Bei Auskultation des Herzens hörte man links-
seitig ein präsystolisches Geräusch und rechts ein rauhes systolisches Geräusch. Es
bestand kein Grund der Annahme einer Hcrzdilatation, sodass die Diagnose auf
Endocarditis der rechtsseitigen atrioventriculären Klappen gestellt wurde.
Die Sektion ergab jedoch ein grosses Aneurysma des Sinus valsalva gehörend zur
Valv. seminularis aortae dextra. Dieses Aneursyma hatte die rechte Vorkammer
perforiert. Hierdurch war eine Verbindung zwischen Aorta und rechter Vorkammer
entstanden. Obwohl das Aneurysma ohne Zweifel die Folge einer kongenitalen
Unterentwicklung der Sinus valsalva-wand war, wird die Perforation erst einige
Wochen vor dem Tod des Tieres stattgefunden haben.

LITERATUUR

E d war d s, J. E. and G o u 1 d, S. E.: Pathology of the heart. 1960, p. 435. (Uitg.
C. C. Thomas, Springfield, 111.)

Het koelen en bewaren van melk op de boerderij.

De vraag naar een vereenvoudigde wcrkwdjze bij het melken en naar de mogelijkheid
van het ophalen van de melk om de 2 of 3 dagen, is een logisch gevolg van de op
allerlei gebied in onze samenleving tot ontwikkeling gekomen rationalisatie.
Daarbij zijn twee dingen van beslissende betekenis.

De melk moet snel gekoeld kunnen worden en het toevoegen van de pas gewonnen
ongekoelde melk aan reeds gekoelde melk mag geen nadelige invloed hebben op de
kwaliteit van het produkt.

Bij genomen proeven werd de melk gewonnen in een doorloopmelkstal en via een
melkleiding met melksluis in een tank opgevangen. Er werd gekoeld met directe ver-
damping tot 4 ä 6° C. Na een aantal voorbereidende proeven werd de melk van
drie dagen, dus zes melkmalen, verzameld. Wanneer verse melk werd toegevoegd,
kwam de temperatuur niet boven 10° C; dit is zeer belangrijk, omdat een te sterke
tcmperatuursverhoging funest is. Wanneer men bij het melken voldoende hygiënisch
te werk gaat, is het mogelijk op deze wijze het aantal bacteriën in de melk klein te
houden. Ook in fysisch opzicht was de melk zonder gebreken.

Veeteelt- en Zuivelber., 5, 222, (1963).

-ocr page 167-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Torsio infesfini bij het varken.

Torsio intestini in pigs.
door F. W. J. SWARTi)

In de leerboeken wordt de torsio intestini \\an het varken slechts terloops
of in het geheel niet genoemd.

Hutyra (1922) geeft aan dat dit lijden bijna uitsluitend bij paarden voor-
komt en vermeldt alleen dat door G 1 a g e enkele gevallen \\ an torsio van
het colon bij het \\arken beschre\\en zijn.

Door West er (19,35) wordt het voorkomen van een volvulus van de
darm bij het varken niet genoemd.

Toch komt de torsio intestini bij het varken vrij frequent voor, maar wordt
— omdat bij varkens de aandacht niet of in te geringe mate op de indi-
viduele patiënt gericht is — slecht sporadisch gediagnostiseerd.
Meestal betreft het bij het \\arken een torsie \\an het colon-convoluut, een
enkele maal van het coecum. Predisponerend \\ oor de torsie \\ an het colon
convoluut is de kegehorm van de centripetale en de daarbinnen verlopen-
de centrifugale windingen \\an het colon ascendens. Deze spiralen zijn
onderling verbonden door het ligamentiim intercolicum en caudo-dorsaal
is het convoluut slechts gefixeerd door het ligamentum dorsale colicum.
Ook de plaats \\an het colon-convoluut in de buikholte lijkt mij voor het
optreden van een torsie te predisponeren. De dikke darmkegel ligt links
in het craniale twee deide deel van de buikholte, direct tegen de linker
buikwand aan. Op de linker buikwand inwerkende druk, b.v. bij vechten,
kan dus mogelijk een torsie van de tamelijk los in de buikholte liggende
colonkegel bewerkstelligen.

Ook een torsie \\an het coecum komt, hoewel in mindere mate, bij het
varken voor. De plaats \\ an draaiing ligt hier craniaal van de plaats waar
het ileum in het coecum uitmondt, dus craniaal van de iliocoecaalklep.
Het coecum vertoont hier normaal enige insnoering, terwijl het daar niet
door het ligamentum iliocoecale wordt gefixeerd.

Behalve door mechanische oorzaken die een torsie kunnen bewerkstelligen,
bleek mij dat vaak vrij veel zand bij het \\oorkomen van een torsie in de
darm aanwezig was. De torsio intestini bij het varken treedt zowel bij
zeugen als bij mestvarkens op.

De dieren vertonen koliekverschijnselen met daannee vaak gepaard gaande
emesis. Door optredend meteorisme van de darm neemt de buikomvang
sterk toe, \\oedsel of drinken wordt niet opgenomen, defaecatie vindt niet
plaats.

Zonder operatief ingrijpen volgt de dood na één of enkele dagen. Door
laparotomie en repositie van de getordeerde darmgedeelten zijn deze pa-
tiënten, vaak ook in gevallen waar de kans gering lijkt, te genezen.
Wat de anesthesie betreft geef ik hier de voorkeur aan combelen intra-
veneus of intramusculair met daarnaast lokale infiltratie anesthesie met
xylocaine 1%.

1) F. W. J. Swart, dierenarts bij de Stichting C.L.O.-Controle, Hoogland bij Amers-
foort.

-ocr page 168-

Chloralhydraat intraperitoneaal is direct al, door de grote spanning in de
buikholte bij deze afwijking, gecontra-indiceerd; terwijl het mij voorkomt
dat chloralhydraat 5% intraperitoneaal, wanneer de aseptiek niet abso-
luut in acht genomen kan worden, enige predispositie voor het optreden
van peritonitis schept.

De laparotomiesnede wordt gemaakt in het bovenste deel van de linker
buikwand van caudo-dorsaal naar cranio-ventraal, op een lijn die loopt
van het dwarsuitsteeksel van de 5e lendewervel naar de punt van het car-
tilago xyphoidea.

Door sterk meteorisme puilen de getordeerde darmgedeelten meestal direct
naar buiten en de repositie kan het beste plaats vinden door een zo groot
mogelijk deel van de darm naar buiten te brengen. Door een eventuele
punctie is de spanning aanmerkelijk te verminderen en de repositie lukt
hierna gemakkelijk. Behandeling van de buikholte en de wond met anti-
biotica is een vereiste. Sluiting van de wond heeft plaats met een tweelagige
spier/peritoneum en huidhechting.

Bij een gunstig verloop treedt de volgende dag profuse diarree op, daarna
herstelt zich eetlust en normale habitus.

Ook in een geval waarbij het coecum was getordeerd en reeds door een
verkleving van het coecum met het ileum oppervlakkige necrose aanwezig
was, herstelde deze patiënt zich wonderwel.

SAMENVATTING.

Torsie van het colon en ook van het coecum bij het varken is geen zeldzame be-
vinding. De anatomische bouw en de ligging van het colon predisponeren bij het
varken voor het optreden van een torsio coli.

Naast plotseling optredende koliekverschijnselen ziet men cmcsis, anorexie en tym-
panic. Door laparotomie en repositie van het getordeerde darmgedelte kan bij tijdig
ingrijpen herstel verkre,gen worden.

SUMMARY.

In pigs rotation of the colon as well as of the caecum is not rare. The anatomical
structure and the position of the colon of pi.gs predispose for torsio coli.
Next to sudden colic strokes vomiting and bloat can be observed. Recovery can be
obtained by laparotomia and reposition of the rotated part of the gut.

LITERATUUR

Hutyra, Dr. F. und Marek, Dr. Josef: Spezielle Pathologie und Therapie

der Haustiere. (1922)
W e s t e r, Prof. Dr. J.: Orgaanziekten bij de grote huisdieren. (1935)

En dc bloeddruk?

Verstrekking aan konijnen van knoflook, bijv. in gemalen toestand via het voer, of
als sap via het drinkwater, wordt ten sterkste aanbevolen. Het bevordert de al.ge-
mene gezondheidstoestand, bestrijdt o.a. wormen en heeft een gunstige invloed op
de smaak en malsheid van het vlees.

Pluimveepers, XVIII, 37, (1963).

-ocr page 169-

REFERATEN

Bacferiële- en virusziekten

BRUCELLOSEBESTRIJDING.

B O t h w e 11, P. W., M c D i a r m i d, A., B a r t r a m, H. G., Mackenzie-
W i n 11 e, H. A., Williamson, A. R. H.: Brucellosis control and eradication.
Vet. Rec., 74, ......, f/962J.

Door bovengenoemde medewerkers werd een „Technical Group" gevormd, die zich
bezighield met de bestrijding van abortus Bang in Oxford en omgeving; zowel bij
de mens als bij het dier werd deze ziekte bestudeerd.

Tabel 1. Brucellose bij de mens t.m. 1958.

Totaal
aantal
sterf-

\'49 \'50 \'51 \'52 \'53 \'54 \'55 56 \'57 \'58 gevallen

Engeland

aantal gevallen

0

0

0

0

0

0

0

94

90

82

en Wales

lantal sterfgevallen

onbek.

1

2

1

3

0

1

3

0

1

12

Schotland

aantal gevallen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

aantal sterfgevallen

0

0

0

0

0

0

0

1

1

0

2

Noord-

aantal gevallen

8

6

8

4

7

4

1

13

6

5

Ierland

aantal sterfgevallen

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Eire

aantal gevallen

6

10

10

8

9

4

7

3

7

8

aantal sterfgevallen

0

0

0

0

0

0

0

1

1

2

4

Percentsgewijze vóórkomen (1958: Noord-Ierland 0.357 gevallen per 100.000 inwoners

Eire 0.267 gevallen per 100.000 inwoners

Bij de mens.

Tabel 1 toont het aantal gevallen op de Britse eilanden gedurende de jaren 1949
tot 1959, het aantal sterfgevallen is tevens aangegeven.

Brucellosis hoeft in Engeland, Schotland en Wales niet te worden aangegeven, de
gevonden cijfers zijn dan ook verstrekt door het Public Health Laboratory Service en
niet door het ministerie. In de jaren 1959, 1960 en 1961 werden resp. 88, 84 en
101 gevallen gevonden.

Gedurende de laatste jaren heeft er dus géén significante daling van het aantal
brucellosegevallen bij dc mens plaatsgehad.

Daar zeer veel patiënten geen direct contact hadden met rundvec, moet het drinken
van ongekookte melk als de voornaamste besmettingsbron worden gezien, een mening,
die in 1960 nogmaals door Graham Wilson werd bevestigd, gezien het aantal
gevallen bij de stadsbevolking.

Het aantal gevallen met dodelijke afloop is de laatste jaren sterk gedaald. Het aantal
ziektegevallen daarentegen zal waarschijnlijk hoger liggen dan de gegeven getallen;
men schat dat dit aantal wel 2/2X zo groot kan zijn. Dit komt omdat dc diagnose
niet zo erg gemakkelijk te stellen is bij de mens, de klinische verschijnselen zijn niet
altijd duidelijk; jeugdinfecties en chronische brucellose worden gemakkelijk over het
hoofd gezien (wordt in Engeland de bloedagglutinatie niet onderzocht? - ref.).
Het lijkt gemakkelijk brucellose bij de mens te bestrijden door de pasteurisatie van
alle consumpticmelk; dit is echter moeilijk te verwezenlijken, terwijl daarnaast de
mogelijkheid van
contactinfectie blijft bestaan. Door de ziekte onder het vee geheel
uit te roeien, wordt de mogelijkheid van infectie door de melk of door direct contact
weggenomen. De laatste infectiekans komt echter vooral op het platteland nog veel

-ocr page 170-

voor, zodat men wel kan stellen dat ± 80% van de gevallen onder de plattelands-
bevolking hierdoor wordt veroorzaakt.

Gegevens over het melkonderzoek gedurende de laatste jaren tonen dat het probleem
van de brucelloseverspreiding via de melk nog lang niet is opgelost; een nauwkeurig
toezicht op de pasteurisatie en voorlichting op dit gebied aan de gehele bevolking is
voor de bestrijding der ziekte onder de mensen noodzakelijk.

Al is de mortaliteit van de brucellose bij de mens dan niet zo erg groot, toch verdient
deze ziekte de aandacht van de volksgezondheid en veterinaire ziektebestrijding.
Daarvoor zijn drie redenen aan te geven:

1. het aantal gevallen is waarschijnlijk veelvuldigcr dan nu bekend;

2. preventief is deze ziekte goed te bestrijden;

3. het voorkomen van de ziekte bij de mens is de barometer voor het voorkomen
onder het vee, waardoor in de veehouderij jaarlijks grote financiële verliezen
ontstaan.

Brucellose onder de dieren.

Het rundvee is de voornaamste gastheer van de Brucella abortus; hoewel ook scha-
pen, paarden, herten en ratten als zodanig kunnen optreden.

Het vóórkomen van brucellose onder „dairy cattle" en „beef cattle" is zeer verschil-
lend en hangt ook samen met dc landstreek en de manier waarop het bedrijf wordt
gevoerd;in sommige streken is 30% van de koppels besmet (invloed van de handel!).
Zelf gefokte, geënte koppels zijn gewoonlijk abortus-vrij of kunnen een infectie goed
doorstaan, zodat slechts enkele dieren worden aangetast. Desondanks is het waar-
schijnlijk dat ongeveer 10%; van dc melk /3ruc«//a-houdend is. Men wil trachten door
een uitgebreid georganiseerd melkonderzoek de infectie onder het melkvee aan te
tonen, maar men mag niet uit het oog verliezen dat het „beef"-vee nog een reservoir
van smetstof kan vormen.

Klinische abortus ziet men tegenwoordig op bedrijven die aan de vrijwillige bestrijding
meedoen niet veel, alleen in die gevallen, waar de vaccinatie achterwege is gebleven,
of een sterke infectie heeft plaatsgehad.

Ondanks het potentiële gevaar van deze infectie is slechts de helft van de vaars-
kalveren in Engeland geënt met strain 19; het is tc hopen dat door gratis vaccinatie
dit aantal groter zal worden.

De financiële verliezen zijn zeer groot (ruw geschat £ 25 per geïnfecteerde koe).
Steriliteit, verlaagde melkgift en la.gere marktwaarde spelen een grote rol. Vooral
voor de exporterende veehouders kan abortus Bang fataal zijn (positieve bloedtiters
bij jonge stieren door dc melk van geïnfecteerde moederdieren).
De veebeslagen waarvan slechts enkele dieren besmet zijn, kunnen het best gesaneerd
worden door deze dieren op te ruimen.

Engeland, Wales en Schotland zijn bijna dc enige landen in Europa waar brucellose
niet behoeft tc worden aangegeven, in Noord-Icrland en Eire moet dit sinds 1949.

Het belang van aangifte, „notification".

Men kan als bezwaar van dc aangifteplicht aanvoeren, dat deze niet altijd een vol-
ledig beeld van de ziekte geeft, terwijl hierdoor de waardering voor de ziektebestrij-
ding ook niet toeneemt.

Er zijn echter ook grote voordelen voor aan te voeren; wanneer alle klinische ge-
vallen in Oxford en omstreken bekend zouden zijn geweest en een bestrijdings-
campagne zou zijn opgezet, zouden veel geïnfecteerde beslagen zijn opgespoord, waar-
door vele later optredende besmettingen helemaal zouden zijn voorkomen.
Daarom moet er de nadruk op worden gelegd bij alle belanghebbenden dat door het
invoeren van de aangifteplicht het mogelijk is te controleren in hoeverre deze ziekte
zich uitbreidt.

Eén van de grootste voordelen van de aangifte ligt hierin dat hierdoor infecties van
mens en dier kunnen worden voorkomen. Vaak is het zo, dat de diagnose „brucellose"
pas wordt gesteld als de ziekte al ver om zich heen heeft gegrepen.

-ocr page 171-

Op Malta heeft men destijds (1906) als eerste maatregel een aangifteplicht voor
mens en dier ingesteld. Ook in het Verenigd Koninkrijk heeft men al vele keren
op het instellen van deze aangifteplicht aangedrongen; in 1959 is dit het laatst ge-
schied door de Public Health Committee of the British Medical Association.

Wettelijke voorschriften inzake Brucellose bij de mens.

Hoewel de aanmeldingsplicht niet algemeen geldt, kan een plaatselijke autoriteit in
zijn streek een verzoek daartoe richten tot het Ministry of Health; dit is in 9 gevallen
geschied.

Tot nu toe is wel gebleken dat deze maatregel voor verspreid liggende gebieden niet
veel waarde heeft. De controle wordt vooral gericht op het consumptiemelkonderzoek,
cen verdergaand onderzoek van de veestapel is niet gedaan.

Volgens het tegenwoordige standpunt van het Ministry of Health is de ringtest van
melk of wei niet overtuigend voor het aantonen van
Brucella, daarvoor is cultureel
aantonen noodzakelijk.

De melk van veebeslagen met positieve ringtest wordt toegelaten tot dc consumptie;
dit is onlogisch en gevaarlijk. De uitscheiding van
Br. abortus vindt niet alleen plaats
m de periode van 6-8 weken na het kalven, soms kan dit wel levenslang het geval
zijn, zij het intermitterend.

(De schrijvers tonen nogal kritiek op het Ministry of Health, waarbij ze er ook op
wijzen, dat de naam „undulant fever" in officiële stukken niet meer zou moeten
worden gebruikt, daar deze naam ouderwets en klinisch misleidend is. Zij wijzen
uitdrukkelijk op de lacunes in de geldende wet.geving op dit gebied - ref.)

De thans geldende „Epizootic Abortion Order" en „Br. melitensis Order" zijn de
enige middelen om de abortus-infectie onder dieren te bestrijden; deze zijn ver-
ouderd. Maatregelen, die van kracht worden ten aanzien van cen veebeslag wanneer
brucellose is vastgesteld, zijn niet aanwezig. Zodra abortus Bang is vastgesteld, dient
de melk van de besmette koppel te worden gepasteuriseerd. Dc vraag is hoe lang dit
moet worden gedaan. Dit pasteuriseren moet worden volgehouden tot:

1. alle dieren zijn onderzocht en dc positieve zijn op,geruimd;

2. bovendien de melkgevende dieren 2 x zijn onderzocht op de melk met tussenpozen
van 6 maanden.

Er is geen enkele wettelijke maatregel om de abortus tc bestrijden, men kan bij op-
ruimen van de geïnfecteerde dieren de eigenaars niet schadeloos stellen, zelfs is het
met mogelijk een geinfectecrd dier goed te
merken, de eigenaar kan het overal ver-
kopen waar hij wil. Daardoor kunnen andere beslagen .gemakkelijk besmet worden.
Daarom zijn het .gehele stelsel van voorschriften betreffende pasteurisatie van de melk
en de uitgebreide maatregelen bij de bestrijding van deze ziekte bij de mens waarde-
loos, indien de ziekte bij het vee
niet door wettelijke bepalin.gen kan worden be-
streden.

De schrijvers stellen daarom voor een nieuwe verordening „Brucellosis Regulations"
voor te schrijven, waarin de bestrijding van deze ziekte uitvoerig en grondig worde
.geregeld.

Vooruitzichten van een bestrijdingscampagne.

Het duurde in Engeland van 1934 tot 1960 vóór de tuberculosebestrijding tot een
goed einde was gebracht en het is moeilijk een gissing te maken hoeveel tijd nodig
zou zijn om brucellose uit te roeien.

Wanneer het 5 jaar zou duren zijn tenminste in deze periode 500 mensen in Enge-
land en Wales lijdende geweest aan brucellose, 10 zullen er aan gestorven zijn en
het geldelijk verlies zal £ 80.000.000 zijn geweest.

Daarom meent de bovengenoemde Oxford-groep dat zo spoedig mogelijk de be-
strijding moet beginnen. Deze moet bestaan uit:

1. voorschriften over enting met strain 19, marktverordeningen;

2. bepaalde districten moeten abortusvrij gemaakt worden.

-ocr page 172-

In Denemarken heeft men al veel langer studie gemaakt van dit onderwerp, de
ziekte werd daar georganiseerd bestreden met goede resultaten.

In Engeland heeft men hieraan tot nu toe niet veel gedaan, de vaccinatie met strain
19 werd vrijwillig verricht, misschien dat door de thans ingestelde gratis enting
deze vaccinatie op grotere schaal zal worden uitgevoerd. Ondanks de vaccinatie is
echter de abortus Bang onder het vee en in de melk nog veel aanwezig.
Van veel belang voor het bruccllose-vrij maken van de vecbeslagen is de uitvoering
van de bloed-agglutinatie.

S t a b 1 e f O r t h verrichtte over een tijdvak van 10 jaar (\'30-\'40) een onderzoek m
140 beslagen, waarbij hij aantoonde, dat het mogelijk is op basis van het bloed-
onderzoek abortus goed te bestrijden. Het aantal gevallen verminderde in het proef-
gebied zeer snel. In 1940 werd dit onderzoek gestaakt; het is nu bekend dat gedu-
rende de laatste jaren weer ernstige infecdes in deze beslagen zijn voorgekomen.
S t a b 1 e f O r t h kwam tot de conclusie dat de enting niet gemist kan worden
bij de bestrijding wanneer in een gebied zeer veel geïnfecteerde dieren zijn; boven-
dien is het mogelijk om met behulp van de agglutinatietest en hygiënische maat-
regelen de veebeslagen te saneren. Wanneer echter een bedrijf hcrbcsmet wordt,
dienen zeer strenge maatregelen te worden genomen, omdat een abortusvrij beslag
zeer gevoelig voor infecde is. Deze bestrijdingswijze kan alleen worden toegepast in
die gebieden waar hygiënische maatregelen worden doorgevoerd, waar veterinaire
diensten de controle en bloedonderzoeken kunnen uitvoeren en waar de veehouders
volledig meewerken. Samen met de endng zou zo\'n bestrijding succes kunnen hebben.
Bij deze poging om een ziekte onder de dieren en mensen uit te roeien moet men
allereerst de veterinaire en medische gezondheidszorg en paruculiere veehouders-
organisaties uitvoerig van de problemen op de hoogte brengen. In Engeland heerst
hierover op dit ogenblik veel misverstand. In Amerika heeft men in dit opzicht
algemeen opvoedend gewerkt door de uitgifte van een boekje, getiteld „What is
known about Brucellosis".

Men hoopt dat in Engeland de British Veterinary Association zich moeite zal willen
geven om te komen tot een bestrijdingsschema, waarin dc ABR als eerste maatregel
zou kunnen werken bij het uitzoeken van de besmette beslagen, waarna door bloed-
onderzoek en onderzoek van se- en cxcreta zou kunnen worden vastgesteld welke
dieren dienen te worden opgeruimd. Deze onderzoekmethodes zijn betrouwbaar, be-
halve wanneer de volwassen dieren zijn geënt met strain 19 (over het bestaan van
de C.B.R. wordt in het overigens uitvoerige artikel niet gesproken - ref.). Algemene
endng van jonge dieren zou een waardevol middel zijn in dc strijd tegen abortus,
alleen wanneer" de beslagen door regelmatige controle abortusvrij blijken te zijn kan
deze enting achterwege blijven op verzoek van de eigenaars.

Geënte kalveren dienen permanent duidelijk gemerkt te zijn, regelmatig melkonder-
zoek is gewenst, en een certificaat moet de juiste entdatum vermelden.

Voorstellen van de groep.

1. Betreffende brucellosis bij de mens.

a. De term „undulant fever" dient te worden vervangen door „Brucellose".
Door een circulaire van het „Ministry of Health" en het „Ministry of .Agri-
culture, Fisheries and Food" dient nog eens uitvoerig de aandacht op deze

ziekte te worden gevesdgd.

b. Aangifteplicht voor brucellose of daarop lijkende ziektegevallen moet ver-
plicht worden. Door serologisch of cultureel onderzoek kan de diagnose wor-
den gesteld, het is gewenst bij het vastellen van een ziektegeval na te gaan
of de pasteurisade van de genuttigde melk goed is geweest en eventueel het
onderzoek verder te richten op de veestapel.

2. Veterinair: „pasteurisatieplicht".

Wanneer een veebeslag door cultureel onderzoek of via proefdieren als besmet
wordt aangemerkt, dient de melk te worden gepasteuriseerd; deze maatregel

-ocr page 173-

blijft van kracht tot alle geïnfecteerde dieren zijn opgeruimd en twee uitgevoerde
bloedonderzoekingen met een interval van 6 maanden negaUef zijn geweest.
Door de moeihjkheid bij de diagnose kan het soms even duren vóór de pasteu-
risatievoorschriften kunnen worden voorgeschreven, zelfs de moderne culturele
methoden zijn niet altijd volkomen betrouwbaar. Daarom zou men gaarne een
positieve ABR de indicatie willen noemen waarop pasteurisatie dringend wordt
voorgeschreven. Tevens is dan een standaardisatie van de diagnostische reacties
en antigenen in de Public Health Laboratory Service en veterinaire laboratoria
nodig.

Door middel van voorlichtende artikelen dient men bekend te maken in welke
volgorde de verschillende onderzoekingsmethoden dienen te worden gevolgd bij
het opsporen van de geïnfecteerde dieren, bijv. weitest, ABR, etc. In de streek
rond Oxford wordt een 6-maandelijks busonderzoek middels de ABR toegepast;
dit dient een algemeen routine-onderzoek te worden.

3. Het is moeilijker vast te stellen wat er met de besmette dieren moet gebeuren,
wettelijk zijn hiervoor geen bepalingen aanwezig.

Hierover is het volgende op te merken:

a. abortus Bang bij het vee moet worden aangegeven;

b. vergoeding van opgeruimde dieren;

c. desinfectie en isolering van besmette bedrijven;

d. merken en registreren van besmette dieren (veehouder wijzen op de gevaren
die ontstaan door aankoop van zo\'n dier);

e. bepalingen betreffende de handel in geïnfecteerde dieren;

f. enting met strain 19 van de jonge dieren.

4. Vorming van abortusvrije gebieden; daar thans reeds enkele streken als zodanig
bekend staan, dient men vanuit deze centra verder te bouwen.

(Aan het artikel zijn verder de woordelijke tekst van de veranderde bepaling betref-
fende de
Bruc. abortus en Bruc. melitensis toegevoegd, Ref.)

ƒ. H. ter Heege Gzn.

Farmacologie en toxicologie

MICROBIOLOGISCHE BESTUDERING VAN EEN NIEUW SOORT PENI-
CILLINE (BRL 1621).

J O n e s, A., B a g 1 e y, H. M. and C 1 e v e r 1 y, L. M.: Microbiological studies on
a New Penicillin BRL 1621.
Vet. Rec., 74, 1113, (1962).

Een nieuw soort penicilline, BRL. 1621, werd, wat betreft zijn activiteit tegen stafy-
lokokken, Streptokokken en corynebacteriën, verkregen uit runderen in vitro, verge-
leken met 5 andere antibiotica (methicilline, penicilline-G, streptomycinesulfaat,
novobiocine en chloortctracyclinc-HCl).

Hoewel bij deze proeven naast penicilline-G gevoelige stafylokokken-stammen tevens
pcnicilline-G-resistente stammen werden gebruikt, waren alle geteste bacterie-
culturen (ook de Streptokokken en dc corj\'nebacteriën) gevoelig voor BRL. 1621-
concentratie van 5,0 /ig/ml of minder.

In vitro gelukte het echter wèl om bij stafylokokken tegen BRL. 1621 een sprongs-
gewijze resistentie, die typerend is voor een penicilline, op te wekken. Alle resistente
stammen vormden penicillinase.

Tijdens een laboratoriumproef, waarbij melk werd gebruikt met concentraties van
5,0 en 20 ßg, onderscheidde BRL. 1621 zich gunstig van andere antibiotica, die op
het ogenblik gebruikt worden bij de mastitisbestrijding.

A. ]. Nooitgedagt.

-ocr page 174-

BOEKBESPREKING

VETERINARY PROTOZOOLOGY.

U. F. Richardson and S. B. Kendall.

f3rd Edition, pp. VII 311. 38 figs, 1963. Oliver - Boyd, Edinburgh. Price: 15
guilders)

When this textbook on Veterinary Protozoology was first published by U. F.
Richardson in 1948 it was designed chiefly to meet the needs of the English-
speaking students. Since that date it has been subjected to two revisions by Dr.
Kendall, being now in its 3rd eidtion, and both the presentation and text have
improved considerably, some of the chapters having been completely rewritten.
The latest edition is slightly over 300 pages with 38 illustrations. While major con-
sideration has been given to those diseases of economic importance in the Tropics
attention has also been given to those protozoon-infections which occur in Europe.
In the introducting chapter, a very condensed account is given of the nature, struc-
ture, physiology and classification of the Protozoon, all in 14 pages.
The class
Mastigophora, is dealt with in Chapters II to VI, the only family of patho-
genic importance being the
Trypanosomidae.

The most important aspccts of trypanosomiasis in cattle are dealt with in Chapters
III to VI, but some statements require modification. While it is true, that cattle and
trypanosomiasis cannot co-exist it is not true to say "consequently men" cannot also
exist (page 25) since Africans have lived without catde in tsetse belts for centuries.
Now would everyone agree that
T. congolense is "in most respects similar to T. si-
rnae",
as in morphology as well as in patho.genicity and host preference it differs
widely. The description of
T. sirnae on page 45 requires to be altered to bring it
more in line with the present accepted ideas. This section is, however, greatly im-
proved by the inclusion of four excellent photographs and some of the original in-
adequate drawings, such as figures 7 and 10, could safely be omitted.
In Chapter \\\'I, any reference to the use of tartar emetic and dimidium bromide
for the treatment of trypanosomiasis is only of historic interest. They only therefore
require brief mention and more attention given to the value of present day drugs,
such as cthidium, metamidium and berenil. The toxicity of Antrycide for horses and
Prothidium for cattle require more emphasis.

Reference to the use of insecticides for the control of tsetse is inadequate since no
mention is made of the recent techniques of ground application of D.D.T. and Diel-
dron to the resting sites of
G. palpalis and G. morsitans. Nor is the work of C u n-
n i n g h a m, Grey and others on anti.genic variation of trypanosomes given any
reference.

Discussion of the Mastigophora of European importance is found in Chapter VII
on
Trichomonas and related parasites and Chapter VIII on Histomonas and Enta-
moeba
is also included. The trichomonad of the pigeon is described under T. gal-
linae
and no mention is made of the synonym 7\'. hepatica by what the parasite is
generally known in Holland. The paragraph on the morphology of 7\'.
foetus would
be improved by a more accurate text-figure and some reference made to such im-
portant cell-structures as the parabasal body, the blepharoplasts, and the costa and
marginal filaments of the unduladng membrae — all subjected to recent re-exami-
nation under the electro-microscope. Also in the same section the paragraph on
symptoms and pathology of
T. foetus should be rewritten so that the symptoms arc
given more clearly in logical order and some pathology included,
in Chapter VIII some reference to
Entamoeba invadens should be included owing
to its importance as a pathogen of reptiles.

Chapter IX deals chiefly with Coccidia of poultr>\' and livestock and is generally
satisfactory. The same may be said of Chapter X, which deals with the
Plasmodium
and makes brief reference to the Leucocytozoon and Haemoproteus species. Some
reference, however, should be made to the importance of Culicine mosquitoes in the
transmission of avian malaria, especially of
Plasmodium gallinaceum.

-ocr page 175-

An adequate list is given in Chapter XI of the more important Babesia of cattle but
this section of the book vviould be improved by inclusion of photographs of blood
infections especially to show the distinction between
B. bovis, B. divergens and B.
bigemina
in cattle. Also too much emphasis is laid on the use of trypan blue in the
treatment of these infections, this drug being now largely replaced by Phenamidine.
More definite references to the tick-vectors would increase the value of this section
to the student.

Chapter XII deals with Aegyptianella, Theileria, Toxoplasma and Encephalitozoon
infections. It would be more in keeping with present-day thinking if Theileria annu-
lata, T. mutans
and T. lawrencei were placed within the family Gonderia and cer-
tainly some reference should be made to the fact that, unlike
T. parva, the small
piroplasms of these 3 species multiply within the red blood corpuscles. It is this fact,
which probably leads to the infection being readily transmitted by blood passage
and to the production of a state of premunity following infection. More emphasis
should also be given to the variations on pathogenicity of 7\'.
(G.) annulata strains
from different regions of S. Europe, Asia and Africa where mortality may differ
from 5 to 95 percent of infected cattle. Mild strains of annulata are used for immu-
nization not only in Israel, but also in N. Africa and the Near East. In discussing
the control of
T. parva the following sentence as it appears on page 185 is ambiguous:
"It is believed that the infection is not passed through the egg, so tick control mea-
sures are likely to be effective". In fact there is no evidence to show that the
Thei-
leria
do pass through the egg, the infected tick cleans itself of infection on feeding,
and tick control has completely eradicated
parva infections from S. Africa. Tick
cotrol measures have also been successful against
Babesia even though the infection
does pass through the eg.g.

The section on Toxoplasma shows a few important omissions. Identification of the
parasite "by spinning fresh spinal fluid in a centrifuge" and staining the fixed sedi-
ment is of little diagnostic value in domestic animals. The subinoculation into mice
of suspension of suspectcd tissue substance is more likely to be succesful. Inadequate
reference has been made to the recent work in New Zealand on sheep infections
which cause most economic loss amongst livestock. The various methods of multi-
plication of this parasite as shown by electro-microscope tend to place it more firmly
within the
Sporozoa. The paragraph on transmission of infection also requires to be
brought up-to-date.

The inclusion of Anaplasma, Eperythrozoon, Sarcocystis, Globidium and Besnoitia
species in the same chapter as the Ciliata is confusing and the recent elucidation of
the methods of multiplication of
Anaplasma in the red blood cells should be listed
for inclusion in the next edition.

The book concludes with two useful chapters on chemotherapy and techniques.
The references are excellent but require correction in a few instances. Wright
and W o o d f o r t (1958) arc mentioned in the test in page 158, but omitted in the
list of references. The same applies to T r a g e r (1959) on page 274 while Little
and O I e s o n are given in the list of references without any year of publication.
The mistakes and omissions mentioned do not however dctract from the value of the
book to English-speaking students, who will find it most useful. The book is excel-
lently produced at a moderate cost of fifteen guilders. It will no doubt conUnue to
find a place as a textbook for students and laboratory workers for many years to
come.

S. G. Wilson.

-ocr page 176-

INGEZONDEN

VLEESCONSERVEN VOOR HOND EN KAT (H).

Met veel belangstelling las ik in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde d.d, 1 juni
1963 het artikel „Vleesconserven voor hond en kat" van Prof. Van Gils en de
heer Van Logtestijn. Gaarna wil ik daarover het volgende opmerken.
Helaas vallen vleesconserven voor hond en kat buiten dc Vleeskeuringswct (KB 26
nov. 1937, Stbl. 513 tot uitvoering van art. 2, eerste lid onder a en b der Vlees-
keuringswct). In art. 3 onder b van dit KB staat, dat van hetgeen in dc wet onder
vleeswaar wordt verstaan, worden uitgezonderd: „mede door verwerking van vlees
verkregen produkten, welke hetzij op grond van hun verpakking, hetzij uit anderen
hoofde kennelijk voor dierlijk voedsel zijn bestemd".

Het komt mij voor, dat dc vlccshygiëne zijn taak niet dient tc beperken tot het be-
vinden van de gezondheid van de mens, maar van mens en dier.

Naar mijn mening is het praktisch niet mogelijk orn voederconserven, die dcstructie-
matcriaal bevatten in te voeren, daar destructicmateriaal ondermeer gcdestruccrd
dient te worden.

Wel geeft de dcstructiewct de mogelijkheid destructicmateriaal te verwerken tot
voederconserven. In art. 13, 3e lid onder c van de destructicwct staat, dat geen de-
structie plaats vindt ten aanzien van destructicmateriaal, dat ingevolge vergunning van
onze Minister wordt bestemd tot vervaardiging van met name genoemde produkten
in door onze Minister aangewezen fabrieken.

De meest gewenste toestand lijkt mij dan ook, dat genoemde vergunningen ook inder-
daad uitgereikt zullen worden, en dat door wetswijziging het produkt niet aan de
vleeswarensector wordt onttrokken en dus blijft ressorteren onder toezicht van de
vleeskeuringsdienst.

Verkoop van dit produkt in slagerijen is bij de vigerende bepalingen niet mogelijk
en naar het mij voorkomt ook niet gewenst.

De enige juiste plaats waar de verkoop van voederconserven moet plaats vinden zijn
de winkels en zaken, die zich gespecialiseerd hebben in de verkoop van dieren en
voedingsmiddelen.

Paterswolde, juni 1963. C. A. Wijnand.

Naschrift.

Naar aanleiding van en in antwoord op het ingezonden stuk van collega C.
W ij n a n d delen wij het volgende mede.

Gaarne sluiten wij ons aan bij dc door inzender geplaatste suggestie om „vlceshou-
dende" conserven onder toezicht van de vleeskeuringsambtenaar te brengen. Uit een
oogpunt van Volksgezondheid is het zelfs in hoge mate gewenst, dat cr controle
wordt uitgeoefend op het voedsel van de vaak in zeer nauw contact met dc mens
levende kleine huisdieren.

De situatie van thans is bepaald niet gunstig, daar „verse afvallen" naar de bezitters
van kleine huisdieren gaan en hierin niet onaanzienlijke besmettingskan\'-.en van deze
dieren liggen opgesloten. Verwerking tot conserven zal maken dat infecties met micro-
organismen praktisch uitgesloten zullen worden. In feite zijn bij dc keuring van een
slachtdier de nadien door de producent als dierlijk voedsel bestemde delen reeds aan
toezicht onderworpen geweest en in vrij verkeer gegeven. Een aantal organen en
delen, thans tot destructicmateriaal verklaard, zouden voor de produktie van voeder-
conserven eveneens vrij te geven zijn. Hiertoe zouden behalve utcri, inclusief foeti,
oorsuitsnijsels, ogen en darmslijm, ook door broeiwater verontreinigde varkenslongen
— die een zeer aanzienlijke hoeveelheid materiaal vormen - een wezenlijke bijdrage
kunnen leveren in de voedselvoorziening der kleine huisdieren.

Alles hangt echter af van een goed door te voeren sluitende regeling, daar de Minister
anders niet gauw geneigd zal zijn vergunningen tot verwerking tc verlenen. Indien

-ocr page 177-

vt-rzanu-ling, vcrvofr cn verwerking in uiteraard andere dan vleeswarenfabrieken goed
controleerbaar wordt gemaakt, zal genoemde autoriteit moeilijk bezwaar tegen ge-
vraagde ontheffing kunnen aanvoeren. Tenslotte is alles met goed sluitende voor-
schriften uitvoerbaar en controleerbaar te maken.

\\\'oor een onder controle stellen van voederconserven in blik is geen wijziging der
Vleeskeuringswet maar van het Koninklijk Bcluit van 25-1 1-1937 nodig. Naar ons
mzicht is geen reëel bezwaar aan tc voeren tegen verkoop van in blik verpakte
voederconserven door de slager.

Utrecht, juli 1963, j ƒ/. j „„n Gils.

]. G. van Logtestijn.

BERICHTEN EN VERSLAGEN

BESTRIJDING VAN TRILZIEKTE,

De Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee deed de volgende mededeling aan
de lokkers, vermeerderaars en kuikenbroeders toekomen:

Denk aan het enten tegen trilziekte.

Reeds in een vorige circulaire is gewezen op het belang van het enten van dc jonge
dieren tegen trilziekte, doch helaas blijkt hieraan vooral op de vermecrderings-
bedrijven nog niet overal aandacht tc zijn besteed. Voor zover ook u de jonge dieren
nog niet te.gen de ziekte hebt geënt, meen ik .goed te doen u hieraan tc herinneren,
vooral nu cr in de meeste gevallen nog de tijd cn de gelegenheid voor is,
Trilziktc bij kuikens komt namelijk nog steeds voor in ons land, met alle schadelijke
.gevolgen van dien! Gevol.gen, welke ook voor u schadelijk kunnen zijn, want de
ziekte is in dc meeste .gevallen terug te voeren tot een besmetting via de broed-
eieren, Eventuele aanspraken om schadevergoeding — en deze kunnen om aanzien-
lijke bedra.gen gaan! — zullen dus al of niet via de kuikenbroeder uiteindelijk terecht
komen bij
degeen, die de besmette eieren heeft geleverd.

Vooral nu het met weinig moeite en kosten mogelijk is geworden de dieren op de
fok- en vermeerderingsbedrijven te
enten, waardoor dus ook de nakomelingen tegen
trilziektc worden beschermd, hebben de kuikcnbrocders en de afnemers het volste
recht van u te verlangen, dat u hier ook aan mee doet.

Het enten dient door uw dierenarts te geschieden, doch daar de entstof zich vanzelf
door de hele koppel vcrspieidt, behoeft per koppel slechts 5 ä 10% van het aantal
dieren te worden geënt. De kosten zijn dan ook slechts .gering.

De enting moet bij voorkeur plaats vinden op een leeftijd tussen dc 2 en 4 maanden;
bij oudere — leg.gende — dieren is dit minder aan te bevelen, daar het een tijdelijke
produkticdaling gedurende ± 1 week tengevol.ge kan hebbben. Voorts moet men
4 weken wachten met het gebruiken van dc broedeieren, want kort na het enten
zijn dc eieren besmet, hetgeen ernsti,gc moeilijkheden bij de kuikens geeft! Bij jonge
niet le.g.gende dieren geeft het enten tegen trilziekte in het geheel
geen merkbare
reactie,
zodat het zonodig ook .gecombineerd met eventuele entingen tegen andere
ziekten plaats kan vinden.

Vraag na afloop van de dicicnarts een schriftelijke verklaring, dat hij op uw bedrijf
op die en die datum zo cn zoveel dieren (ras, leeftijd en kuikenmerken vermelden)
heeft geënt tegen trilziekte, met entstof van die en die firma en dat en dat partij-
nummer. Dit is namelijk voor u het bewijs,
dat uit uw broedeieren geen trilziekte
meer kan voortkomen en
waarmee u zich kunt beschermen tegen eventuele aan-
spraken
om schadevergoeding van de afnemers!

Tussen haakjes: hebt u ook de andere entin.gen (te.gen pest, bronchitis en pokken-
difterie) al toegepast bij uw kostbare jonge dieren, waar u het het komende seizoen
van hebben moet? Zo niet, bedenk dan, dat
U al deze entingen vóór de dieren aan
de leg gaan of vijf maanden oud worden, moet hebben afgewerkt,
wilt u tenminste
de grootst mogelijke zekerheid hebben, dat uw dieren tegen deze zeer schadelijke
ziekten zijn beschermd. De \'.egenwoordige pluimveehouderij stelt nu eenmaal zijn

-ocr page 178-

eisen en wie met zijn tijd mee wil gaan, moet een juist gebruik van de mogelijkheden
maken. Doet men dit niet, dan loopt men onnodige risico\'s, terwijl men bovendien
cen gevaar vormt voor andere pluimveehouders in de om,gevin.g!

Ten aanzien van de af te geven verklaring werd de redactie verzocht het boven-
staande voor de dierenartsen met het volgende aan te vullen:

„In verband met de mogelijke financiële consequenties, die eventuele trilziektcgevallcn
voor de fokker of vermeerderaar kunnen hebben, is het voor deze pluimveehouders
van essentieel belang, dat de dierenarts na het enten tegen trilziekte
een schriftelijke
verklaring
hierover afgeeft.

Aangezien van diverse zijden blijkt, dat over de inhoud van een dergelijke verklaring
nogal verschillend wordt gedacht, lijkt het goed hierbij als voorbeeld de volgende
model verklaring voor tc stellen:

196 ... . van
. (naam)

VERKLARING TRILZIEKTE-VACCINATIE.
........................., dierenarts te . ,

Ondergetekende.....................

verklaart, dat door hem persoonlijk op
fokker

-r- no........

vermeerderaar

..................................... (adres)

onderstaande dieren tegen trilziekte (infectieuze aviaire encefalomyelitis) zijn ge-
ent met vaccin partij nr........... van fabrikant ......................:

Aantal

Ras/
kruising

Geslacht

Geboorte-
datum

sericlettcrs en nrs.
van dc kuikenmcrken

Ondergetekende: fo./vb. nr.

gegevens juist zijn en overeen komen met

de kuikcnaflevcringsforniuliercn.

(handtekening dierenarts)

verklaart, dat de hierboven vermelde
de kuikenmerk-lettcrs en -nummers van

(handtekening pluimveehouder)

Aldus wordt op deze wijze een deugdelijke verklaring verkregen, die voor de pluim-
veehouders van waarde kan zijn."

ONDERZOEK NAAR DE GEBRUIKSMOGELIJKHEDEN VAN ANTIBIOTICA
EN OESTROGENEN BIJ DE SLACHTKUIKENTEELT IN NEDERLAND.

In het kader van een onderzoek naar toepassing van antibiotica en stilbeenderivaten
werden onder auspiciën van cen werkgroep voor het agrarisch economisch aspect
door A. R. Kuit, van het Instituut voor de Pluimveeteelt „Het Spelderholt" tc
Beekbergen, een verslag in de serie verslagen van landbouwkundige onderzoekingen
onder no. 67.14 gepubliceerd, getiteld: „Onderzoek naar de gebruiksmogelijkheden
van antibiotica en oestrogenen bij de slachtkuikenteelt in Nederland".

-ocr page 179-

„I. Inleiding.

In het onderzoek werden in hoofdzaak gegevens verzameld over de economische kant
van het gebruik van antibiotica en oestrogenen. Tot de factoren die in dit verband
van invlocd zijn op de economie van de opfok werden gerekend:

a. groei, voederverbruik en gezondheidstoestand tijdens dc opfok,

b. uiterlijk, samenstelling en smaak van het eindprodukt.

Dc aspecten van de volksgezondheid en de algemene gezondheidstoestand van de
veestapel werden voor dit verslag buiten beschouwing gelaten.

In dit hoofdstuk worden de uitkomsten die vermeld zijn in hoofdstuk I aangevuld
met resultaten van onderzoek dat met hetzelfde diermateriaal is uitgevoerd door het
Laboratorium voor Kennis der Menselijke Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong
te Utrecht, het Laboratorium voor Fysiologie der Dieren te Wageningen en het Voor-
lichtin.gsburcau voor de Voeding te \'s-Gravenhage. De daar behandelde onder-
werpen waren respectievelijk de structuur van bepaalde weefsels, de activiteit van de
schildklier en de smaak van het toebereide kuiken.

II. Antibiotica.

Het onderzoek had voor het grootste deel betrekking op het gebruik van procaïne-
penicilline. Daarnaast werd aureomycine (chloortetracycline) aangewend en werden
op enige punten gegevens verkre.gen over het gebruik van geïnactiveerde penicilline
en kopersulfaat.

In het algemeen was dc invlocd van antibiotica op groei, voederverbruik en de .ge-
zondheidstoestand gunstig. De verschillen met onbehandelde kuikens waren dooreen-
gcnonien niet groot.

Het effect van antibitica op de groei nam toe tot de leeftijd van 6 a 8 weken. Ge-
middeld waren kuikens, die 5 mg/kg procaïnc-pcnicilline hadden ontvangen in voeder
met een normaal gehalte aan dierlijk eiwit, op 8 weken 25 gram zwaarder dan niet
behandelde dieren. Dit verschil bleef tot het einde van de proefperiode, die 9 a 13
weken duurde, bestaan. Het eindgewicht van dc kuikens varieerde van 900 tot 1800
gram. Het aantal kilogranmien voer, nodig voor 1 kg groei was bij het gebruik van
penicilline .gemiddeld iets lager. Dc uitval werd door het gebruik dooreen.gcnomen
in gunstige zin beïnvloed.

In voeders met een laag gehalte aan eiwitrijke produkten van dierlijke oorsprong,
was het effect van antibiotica iets groter dan in voeders met een normaal gehalte!
Voorts werd opgemerkt, dat 5 mg procaïne-pcnicillinc per kg voeder voor normale
groeibcvordering wellicht voldoende is. Voor het behoud van het op 6 a 8 weken
bereikte effect was het wenselijk, om ook na dic tijd met het verstrekken van anti-
bioticum door te .gaan.

Aureomycine, verstrekt als „.\'Kurofac 10" gedroeg zich ten aanzien van groei- en
voederverbruik vrijwel gelijk aan penicilline. Met handel.sprcparaten cn zuivere pre-
paraten werden overeenkomsti.ge uitkomsten verkregen. Over kopersulfaat en .ge-
inactiveerde penicilline werden aanwijzingen verkregen dat, althans onder bepaalde
omstandigheden, een groei bevorderende werking aanwezig kan zijn.
De slachtkwaliteit werd uitwendig aan een .groot aantal .geslachte dieren beoordeeld,
waarbij werd gelet op bevleesdhcid, kleur, vetaanzet en beschadigingen. Als uit-
komst werd een verschil ten gunste van de met antibiotica behandelde kuikens ge-
vonden dat praktisch niet van betekenis was. Veranderingen in dc voedersamenstelling
hadden in dit opzicht cen grotere invloed dan het verstrekken van antibiotica.
Chemische analyse van twee spieren, m. peroneus longus en m. pectoralis major
toonde aan, dat het .gebruik van procaïne-penicilline geen invlocd van enige beteke-
nis had op het vocht-, vet- en eiwitgehalte van het vlees.

flet histologisch onderzoek van spierweefsel had betrekking op de rijkdom aan z.g.
b-vezelen, toename van epimysiaal bindweefsel, degeneratie van spicrvezelen, het
voorkomen van lymphoïd weefsel in de spier en pcrimysiale vetafzetting. Het leidde
tot de vol.gende conclusie:

-ocr page 180-

„Van enige nadelige invloed van met het voedsel toegediende antibiotica op het
histologisch beeld van het onderzochte spierweefsel werden geen duidelijke be-
wijzen gevonden".

De einduitkomst van het onderzoek naar de activiteit van de schildklier werd als
volgt omschreven:

„Ook in deze proef werden geen wezenlijke verschillen in schildklieractiviteit tus-
sen de proefgroepen gevonden. Men mag hier uit besluiten, dat de voortgezette
toediening van de hier gebruikte antibioticum-dosis tot het tijdstip van slachten
geen nadelige invloed heeft op de schildklier".
Bij de organoleptische beoordeling werden geen verschillen gevonden ten aanzien
van uiterlijk, geur, kleur, consistentie en smaak. De uitkomst werd omschreven:

„De indruk is, dat de consument waarschijnlijk niets bijzonders proeft aan kui-
kens, die gefokt zijn met voer, waaraan antibiotica zijn toegevoegd".
Een berekening van het geldelijk voordeel (prijzen eind 1959) op grond van de
gewijzigde groei en het voederverbruik gaf als uitkomst, dat het voordeel bij lichte
kuikens door gebruik van antibiotica met gemiddeld bijna 3 ct. steeg, terwijl bij
zware kuikens de stijging ruim 1 ct. was. Daarboven kan rekening worden gehouden
met enig voordeel wegens lagere uitval.

Als het probleem van het ontstaan van resistente bacteristammen buiten beschouwing
wordt gelaten, kan het oordeel over het gebruik van antibiouca als volgt worden
omschreven:

Er zijn gegronde redenen om aan te nemen, dat lage doseringen antibiotica de opfok
van slachtkuikens in vele gevallen in gunstige zin beïnvloeden zonder dat de kwaliteit
van het eindprodukt wordt benadeeld. Het resultaat zal tot uiting komen in een
financieel voordeel van dooreengenomen enkele centen per kuiken. Als wordt uitge-
gaan van een betrekkelijk klein arbeidsinkomen per kuiken moet aan de mogelijkheid
van enkele centen voordeel een wezenlijk belang worden toegekend.

III. Ocstrogenen.

Het onderzoek had voor het grootste deel betrekking op het implanteren van hexoc-
strol-tabletten. Daarnaast werden als oestrogeru\' stoffen stilboestrol en diënocstro-
diacetaat aangewend terwijl ook gegevens werden verkregen over het gebruik van
methylthiouracil.

Het onderhuids aanbrengen van hexoestrol had een gunstige invloed op groei en
slachtkwaliteit. De werking ten aanzien van voederverbruik en uitval was min of
meer ongunstig.

Na implantatie van 15 mg hexoestrol, op 1\'/z ä 5 weken voor het slachten, werd bij
zware kuikens met een eindgewicht van ca. 1725 gram dooreengenomen een hoger
lichaamsgewicht vastgesteld van 93 gram. Dezelfde dosis, op 2 ä 3 weken voor de
aflevering toegediend aan lichte kuikens met een eindgewicht van ca. 1025 gram
had een gewichtsvermeerdering van ca. 45 gram tot gevolg.

Het grootste deel van de extra groei kwam tot stand in de eerste week van de im-
plantatieperiode. De hoeveelheid voer, nodig voor 1 kg groei was, over de hele opfok-
pcriode gerekend, bij de geïmplanteerde dieren dooreengenomen iets hoger. Het ver-
schil was groter naarmate de implantatieperiode langer duurde. De uitval tijdens de
implantatieperiode was bij de behandelde dieren ongeveer tweemaal zo groot als bij
de niet behandelde. In de meeste proeven was de uitval echter zeer gering.
De slachtkwaliteit werd, beoordeeld naar maatstaven van groothandel en poelier,
belangrijk verbeterd. Een grotere hoeveelheid onder de huid en in de buikholte
afgezet vet gaf de bout een opvallend blanker aanzien. De bevleesdheid werd in het
al.gemeen ook als gunstiger aangemerkt. Ten aanzien van het totaal aan beschadi-
gingen, tijdens het leven en het slachtproces opgedaan, werden geen verschillen van
betekenis waargenomen. De hoeveelheid in de buikholte afgezet los vet steeg door
behandeling met hexoestrol van 4 tot ca. 40 gram. Chemische analyses van twee
spieren, m. peroneus longus en m. pectoralis major, toonden aan, dat het gebruik

-ocr page 181-

van hcxoestrol geen verschil van praktisch belang deed ontstaan in het vocht- en
het eiwitgehalte van het vlees. Het vetgehalte van het vlees werd gemiddeld ver-
hoogd van 1 tot 1,25 procent. De verhoging was in dc borstspier (m. pectoralis)
het grootst.

Het implanteren van 15 mg diaethylstilboestrol of het verstrekken van 70 mg dië-
nocstrol-diacctaat per kg voer gedurende ongeveer 3 weken voor het slachten, had
geen duidelijke invloed op de groei. De werking van stilboestrol was ten aanzien van
het voederrendement ongeveer gelijk aan die van hcxoestrol. Van diënocstrol-diace-
taat werd in dit opzicht geen effect waargenomen.

De invloed van diënocstrol-diacetaat op de slachtkwaliteit was zeer klein. De slacht-
kwaliteit van kuikens, die met stilboestrol waren behandeld, hield ongeveer het mid-
den tussen de kwaliteit van niet behandelde en van met hcxoestrol geïmplanteerde
dieren. De invloed van diënoestrol en stilboestrol op het vocht-, vet- en eiwitgehalte
van het vlees was niet van betekenis.

Met mcthylthiouracil, aangewend tijdens een speciale afmestperiode van ca. 9 dagen,
werd een verbetering van dc slachtkwaliteit bereikt, die belangrijk kleiner was dan
die met hcxoestrol. Het gecombineerd gebruik van mcthylthiouracil en stilboestrol
gedurende vijf weken resulteerde in een duidelijk vertraagde groei en een zeer vet
slachtprodukt. De groeiremming kon worden opgeheven door de behandelingsperiodc
te verkorten tot drie weken. In combinatie met hcxoestrol werd ook in dat geval een
zeer vet kuiken verkregen.

Het histologisch onderzoek van spierweefsel had betrekking op de rijkdom aan b-
vezelen, toename van bindweefsel, degeneratie van spierweefsel, vetafzctting tussen
spiervezelen en het voorkomen van lymphoïd weefsel bij kuikens, die met hcxoestrol,
stilboestrol of diënocstrol-diacetaat waren behandeld. Het leidde tot de volgende
conclusie:

„Uit de resultaten van het onderzoek is niet komen vast te staan, dat het toe-
dienen van oestrogene preparaten als in de proef toegepast, invloed heeft uitge-
oefend op het histologische beeld van het spierweefsel".

Bij de organoleptische beoordeling werd door sonnnige personen een bijsmaak ge-
proefd en werd soms een min of meer droge consistentie van het witte vlees waarge-
nomen. Als alle beoordelingen werden bijeengenomen, kwam echter geen duidelijk
verband met de behandelingen met hcxoestrol of mcthylthiouracil lutar voren. De
bcoordeling.\'cijfers voor uiterlijk, geur, kleur, consistentie, smaak en totale indruk
lagen voor alle onderzochte groepen op hetzelfde peil.

Een berekening over de kostprijs (prijzen eind 1959) op grond van de in dit onder-
zoek verkregen gegevens gaf als uitkomst, dat niet behandelde kuikens 4 ä 5 cent
per kilogram goedkoper geproduceerd werden dan met 15 rng hcxoestrol geïmplan-
teerde dieren. Het verschil werd voor stilboestrol iets groter geschat. Voor deze
berekening werden de kosten van de implantatictablct en het arbeidsloon voor het
aanbrengen ervan samen begroot op 6 rent pi r kuiken.

Het aspect van de volksgezondheid buiten beschouwing latend, kan het oordeel over
het gebruik van hexoestroltabicten als volgt worden omschreven:
Hcxoestrol beïnvloedt de groei van kuikens in gunstige zin. Daartegenover moet reke-
ning worden gehouden met een enigszins hoger voederverbruik en een wat grotere
uitval. De slachtkwaliteit, naar maatstaven van groothandel en pcK4ier, wordt aan-
merkelijk verbeterd. De vetaanzet wordt duidelijk vergroot en komt tot uiting in een
blankere bout. De behandeling brengt een hogere kostprijs met zich mee van enkele
centen per kilogram levend gewicht.

Na het beëindigen van dit onderzoek werd in verschillende landen, waaronder Neder-
land, het gebruik van hormoonpreparaten bij het mesten van pluimvee verboden."

DE VIERING VAN HET 100-JARIG BESTA.AN V.A.N DE A.V.M.A.

De American Vetcrinary Medical Association beschikt over een persdienst, die pe-
riodiek de pers voorziet van een communiqué, getiteld „A\\\'M.\\ News Release", dat

-ocr page 182-

uiteraard thans in het teken van de Eeuwfeestviering is gehouden en waaruit de
volgende berichtjes zijn overgenomen.

De Flying Veterinary Association zal tijdens de viering zijn tweede jaarvergadering
houden.

Meer dan 100 dierenartsen in U.S. en Canada, merendeels praktizerende dieren-
artsen, militairen, leraren en dierenartsen, werkzaam bij het bedrijfsleven, vliegen
hetzij ter uitoefening van hun beroep, hetzij voor hun plezier.

Zij, die veraf gelegen en moeilijk te bereiken gebieden moeten bereizen, geven aan
het gebruik van een vliegtuig, eventueel een helicopter, de voorkeur, zoals dit o.m.
ook het geval is voor het inzenden van materiaal, het bezoeken van conferenties e.d.
Meestal wordt hiervoor de éénmotorige Piper of Cessna gel)ruikt, voorzien van een
driewielig landingsgestel.

Ook de Women\'s Veterinary Medical .Association zal zijn jaarvergadering tijdens
de viering houden.

Momenteel zijn cr ongeveer 300 vrouwelijke dierenartsen in U.S. en Canada, tegen-
over 50 in 1941. 60% hunner verrichten particuliere praktijk en 40% is werkzaam
bij wetenschappelijk onderzoek, onderwijs, de vleeskeuring en bij dierentuinen.
Meer dan 50% hunner is getrouwd en heeft een gezin en daar in de eerstvolgende
20 jaar wordt voorzien dat het in de diergeneeskundige sector werkzame aantal
vrouwen zal toenemen en de U.S. in 1980 het dubbele aantal dierenartsen nodig zal
hebben dan er thans reeds is, zal de werkgelegenheid voor vrouwelijke dierenartsen
zeker blijven toenemen.

Het „zwakke geslacht" is zich bewust geworden van de unieke en vcclzijdi.ge moge-
lijkheden die de diergeneeskunde biedt; ongeveer 200 vrouwelijke studenten studeren
er thans aan de 18 colleges die de U.S. telt en aan het Ontario Veterinary College in
Canada. Immers, de moderne diergeneeskunde stelt de vrouw in staat hetzelfde werk
te verrichten als haar hedendaagse mannelijke collega, dank zij het toenemend ge-
bruik van tranquillizers en betere anesthetica bij de behandeling van dieren.
Vrouwen, die zich het beroep van dierenarts kiezen, kunnen vcrzeckerd zijn van een
interessant beroep, bij dc uitoefening waarvan zij aanzienlijk kunnen bijdra.gen tot de
bevordering van de medische en wetenschappelijke vooruitgang van hun land.

Tentoon.stellingen.

Ter gele.genheid van de viering van het 100-jarig bestaan van de .\'\\VM.\\ zullen om-
streeks 130 connnerciële tentoonstellingen van de meest uiteenlopende aard worden
gehouden.

Kleurentelevisie.

Uitzendingen in kleurentelevisie zullen het wetenschappelijk programma van de her-
denking verlevendigen.

De uitzendingen zullen worden gcrclayeerd vanuit dc N.B.C. studio\'s via een „closed
circuit system" naar de Imperial Ballroom van het Americana Hotel, alwaar 5000
congressisten in staat zullen zijn de uitzending bij te wonen.

De 17 demonstraties, die alle op 31 juli zullen worden gehouden en merendeels op
chirurgisch gebied zullen liggen, zullen o.m. inhouden de verwijdering van cen worm
uit het hart van cen levende hond, de techniek bij spinale operaties bij de hond,
longrcsectie bij de hond, het aanbrengen van een immobiliserend plcisterverband bij
een pony met cen fractuur, de onderzoektechniek bij honden met nerveuze stoor-
nissen, de anesthesie bij varkens en cen methode ter bepaling van het prestatie-
vermogen van paarden.

GIFTIGE PL.ANTEN VOOR PAARDEN.
(Paardengezondheidskalender juni 1963)

Zo nu en dan hoort men van vergiftigingsverschijnselen bij paarden na de opname
van bepaalde planten of plantedelen. Wanneer de aanwezigheid van giftige inscc-

-ocr page 183-

ticiden of onkruidbestrijdingsmiddelen uitgesloten geacht kan worden (bij sterke
wind kunnen dergelijke verstoven stoffen ver worden weggevoerd en bij langdurige
droogte kunnen zij lang gifüg blijven), moet men de giftigheid wel in de plant of
het plantedecl zelf zoeken. Sommige planten zijn in alle delen gifug, andere daaren-
tegen slechts in bepaalde delen (bijv. de vrucht, de wortel e.d.). Deze gedeeltelijke
giftigheid houdt in, dat men soms maandenlang niets merkt maar dat plotseling
(bij het verschijnen van bloemen, vruchten e.d.) hevige vergiftigingen gaan op-
treden.

In de natuur komen vele giftige soorten voor: op goed behandeld weiland behoeft
men echter niet erg bevreesd te zijn voor moeilijkheden. Bovendien worden vele van
dergelijke planten ofwel geheel versmaad, dan wel vanwege smaak of geur slechts in
geringe hoeveelheden opgenomen.

Bovendien is de giftigheid soms zo gering, dat alleen bij onbeperkte opname gevaren
dreigen.

Niet alleen in de natuur vinden we dergelijke planten, ook vele cultuurgcwassen heb-
ben deze ongunstige eigensechap. Vooral onder vele siergewassen (planten, heesters,
bomen) komen zeer giftige soorten voor. In het algemeen wordt de gezondheid van
de landbouwpaarden weinig door deze cultuurgewassen bedreigd omdat deze dieren
veelal in behoorlijk afgesloten weiden verblijven. Anders is het wel eens gesteld met
sportpaarden, ponies enz. Deze hebben vaak een ruimte tot haar beschikking waar
genoemde cultuurplanten en ook vele giftige natuurplanten kunnen voorkomen (par-
ken, bossen, gazons).

Zonder verder op deze zeer interessante materie in te gaan, willen we hieronder een
lijst van in Nederland voorkomende wilde of gekweekte planten geven, die moeilijk-
heden kunnen veroorzaken. Men bedenke wel dat cr slechts heel weinig soorten zijn
waaraan de dieren na de opname van één blaadje, takje, bloem of vrucht doodgaan.
Men neme dc lijst daarom niet al tc tragisch op. Dc moeilijkheden komen vaak door-
dat dc dieren een tekort hebben aan ander voer (gras), dan wel aan een bepaald
ingrediënt. Op zoek naar voedsel of dat ingrediënt worden dan wel eens giftige plan-
ten of plantedelen verorberd met alle gevolgen van dien.

De giftigheid van onderstaande planten varieert zeer sterk en hangt soms ook met
het weer of seizoen samen; ook de verschijnselen zijn verschillend.

Taxus Lelietje van Dalen

Paardestaart Egelboterbloem

Moeraspaardestaart Grote boterbloem

Rhodondendron Blaartrekkende boterbloem

Zwarte nachtschade Scherpe boterbloem

•Aardappelplant Kruipende boterbloem

Brem Monnikskap

Bastaardklaver Gele mosterd

Gevlekte scheerling Goudenregen

Waterschecrling Liguster

Tomaat (blad) Tabak

Klaproos Herik

Kleine klaproos

Bosrank; wildemanskruid; bosancmoon, stinkend nieskruid; wrangwortel; kerstroos;
akelei; tuinridderspoor; wilde ridderspoor; kardinaal.smuts; wegedoorn; vuilboom;
bittere lupine; laurierkers; lijsterbes: heggerank; watertorkruid; pijptorkruid; klim-
op; jacobskruiskruid; waterkruiskruid; es; doornappel; bilzekruid: wolfskers; bitter-
zoet; vingerhoedskruid; boekweit: zwarte gifbes; stinkende gouwe; gele hoornpapaver;
blauwmaanzaad (melksap uit groene bol); mierikswortel; zeepkruid: bolderik; muur;
St. Janskruid; vlas; geelhartje; waterpeper; varkensgras; pcrzikkruid; peperboompje;
kroontjeskruid; kleine wolfsmelk; tuinwolfsmelk; bingelkruid; wonderboom; palm-
boompje; eik; gevlekte aronskelk; jeneverbes; gele lis; narcis; sneeuwklokje; hyacinth;

-ocr page 184-

gekweekte sierui; herfsttijloos; eenbes; kievitsbloem; dolik; adelaarsvaren; raai; honds-
draf.

Hiermede zijn de belangrijkste planten, heesters en bomen wel opgesomd. Met na-
druk willen we er nogmaals op wijzen dat door bepaalde planten nooit vergiftigingen
voorkomen omdat de dieren daarvoor veel te weinig opnemen. Dit is een zeer geluk-
kige omstandigheid. In het algemeen kan worden gesteld dat de grootste gevaren
dreigen in siertuinen, bossen, eikewallen enz. Ook op vele renbanen e.d. zij men
voorzichtig (omgevend geboomte, hindernissen).

De meer geïnteresseerden zij verwezen naar het Engelse boekje: British Poisonous
Plants, door A. A. Forsyth.

„POTASSIUM IN THE ANIMAL ORGANISM".

Proceedings of the 6th congress of the International Potash Institute. Amsterdam,
1960.

Als we voorop stellen dat dit verslag in totaal ruim 800 bladzijden omvat, dat hierin
13 lezingen alsmede 6 korte mededelingen met de daarop volgende discussie zijn
verwerkt, dat er één lezing bij is, die gevolgd wordt door meer dan 700 literatuur-
verwijzingen (wat een belanrijke aanwijzing is voor de gedegenheid van de gehou-
den voordrachten), dan behoeft het geen verder betoog dat het onmogelijk is een
enigszins volledig overzicht te geven van de inhoud van dit boekwerk. We zullen
ons dus tot enkele hoofdzaken beperken.

Naast een tweetal algemene inleidingen (Prof. Dewez over de Nederlandse Land-
bouw en Ir. Fenders over de Nederlandse Landbouwvoorlichtingsdienst) worden
drie hoofdthema\'s behandeld, n.1.:

Kalium in het normale dierlijke organisme (met als inleiders U s s i n g, W i 1-

brandt, Simonnct en Conway).
Kalium in het zieke dierlijke organisme (Seekles, Reinberg en R o-
w i n s k y).

Kalium als bestanddeel van de aan het dierlijk organisme toegediende mineralen
(Wöhlbicr, Cuthbertson, Thorbek en Latteur).
Deze opsomming maakt het duidelijk dat het een boekwerk is waarvan het de moeite
waard is om van de inhoud kennis te nemen als men is geïnteresseerd in de minc-
ralenstofwisseling van het dier.

De alfabetische lijst van auteurs, waarnaar wordt gerefereerd (20 blz.) en een alfabe-
tische index der onderwerpen, wat men zelden in een congresverslag aantreft, comple-
teren dit boek op zeer waardevolle wijze, omdat het daardoor ook als naslagwerk
geschikt werd gemaakt.

Th. de Groot.

DERTIGSTE VERSLAG VAN DE COMMISSIE VAN OVERLEG VOOR DE
VARKENSHOUDERIJ, TEVENS BELAST MET HET TOEZICHT OP DE
SELECTIEMESTERIJEN IN 1962.

De voorlopige resultaten verkregen bij een proef, 2x voeren in vergelijking met 3x
voeren per dag, wees er op, dat de resultaten ten aanzien van 2x voeren per dag
iets minder gunstig zijn. De omvang van de proef was beperkt, zodat deze proef
wordt voortgezet.

Tengevolge van het voorkomen van mond- en klauwzeer is het in 1962 gedurende
geruime tijd niet mogelijk geweest, om biggen in te zenden naar de selectiemesterijen.
Flierdoor konden in 1962 door de selecdemesterijen minder tomen worden afgeleverd,
dan het voorafgaande jaar.

In 1962 werden in totaal 687 N.L.-tomen beoordeeld. Hiervan werden 172 tomen
met individuele voedering gemest.

Door de selectiemesterijen, waar groepsvoedering wordt toegepast, werden 515 tomen
afgeleverd.

-ocr page 185-

Van 172 tomen met individuele voedering werden 130 tomen, dat is 75,6%, en van
515 tomen met groepsvoedering werden 324 tomen, dat is 62,9%, premiewaardig
bevonden.

Daar de produktie van vlees hoe langer hoe meer op de voorgrond moet staan, is
met ingang van 1 januari 1962 het beoordelingsschema voor het rugspek gewijzigd.
De spekmeting wordt op dezelfde wijze uitgevoerd, doch bij de beoordeling wordt
een iets dikker rugspek eerder als fout aangemerkt.

Ook de beoordelingsschema\'s voor volvlezigheid en gewichtspercentage van het
achterstel werden verscherpt.

Door de wijziging van beoordelingsschema\'s is een vergelijking van de daarop be-
trekking hebbende waarderingen in voorafgaande jaren niet meer mogelijk. Er kan
gezegd worden, dat de resultaten bij individuele voedering wat gunsti.ger waren dan
bij de groepsvoedering.

Zowel bij groepsvoedering als bij de individuele voedering was, in vergelijking met
1961, het voederverbruik iets gunstiger. Het slachtvcrlies was vrijwel gelijk. Het
karbonadepercentage en het .gewichtspcrcentage van het achterstel waren gunstiger.
Bij de tomen met groepsvoedering was ook de hamvorm iets beter dan in 1961.
Dat deze verbeteringen niet of weinig tot uitdrukking komen in het waarderingscijfer
voor slachttypc vindt zijn oorzaak in de wijziging in het systeem van beoordeling.
Ook het aantal door de selectiemestcrijen afgeleverde G.Y.-tomen is minder dan het
voorafgaande jaar. In 1962 bedroeg het aantal 103 tomen, waarvan 73,8% premie-
waardig werden bevonden. Dit is bijna 4% hoger dan het voorafgaande jaar. Dc
stijging van het percentage premiewaardige tomen t.o.v. 1961 is het gevolg van een
iets hoger vleespercentage (55,9) en een lager vetpercentage, terwijl ook het ham-
percentage (21,9) is vooruitgegaan.

De hamvorm werd hetzelfde gewaardeerd (6,0). Het waarderingscijfer voor slacht-
type steeg van 6,20 tot 6,32.

Van het Piétrainras werden in 1962 slechts 6 tomen onderzocht.
Daar dit ras wordt aangewend als slagersvarkens, zijn ze op dezelfde wijze onder-
zocht als de G.Y. selectievarkens.

Van de 6 onderzochte tomen werden 5 geprimeerd. Het vleespercentage (61,8) en
het hampercentage (25,3) waren hoog. Het voederverbruik (3.40 V.E.) per kg
groei ligt wat hoog.

De waardering voor de hamvorm (6,9) is iets gedaald, maar het blijft hoog.
Het waarderingscijfer voor slachttypc steeg van 7,00 naar 7,05.

P. Tacken.

OVERZIGHT VAN GEDEKTE MERRIES IN 1962.

Niettegenstaande de werkpaardenstapel per mei 1962 met ± 8000 (± 5.5%) bleek
teruggelopen te zijn, is de animo voor het laten dekken van merries in 1962 groter
geweest dan in 1961. Totaal werden cr 941 (± 2.8%) meer merries gedekt dan in
1961. Wel viel er verschil in animo daarvoor te constateren bij de verschillende fok-
richtingen.

Bij het type trekpaard (K.V.N.T.) werden 8 (—5%) hengsten minder benut en
het aantal gedekte merries daalde met 798 - 8.20%).

Bij het „Noord Nederiands Warmbloed Paardenstamboek" (N.W.P.) werden met
hetzelfde aantal van 84 hengsten 52 (— 1.1%) minder merries gedekt.
Bij de „Vereniging ter bevordering van de I.andbouw tuigpaardfokkerij in Neder-
land" (V.L.N.) dekten 6 (± 10.5%) hengsten minder van het Groningstype.
De bij deze stamboekvereniging door Groningstype hengsten gedekte merries steeg
daarentegen van 3776 tot 3812 = 36 stuks (± 0.95%)\'. Tezamen met het N.W.P.
dekten in 1962 totaal 6 hengsten van het Groningstype minder en bedroeg het aantal
door Groningstype hengsten minder .gedekte merries 16 (± 0.18%). De vermindering
van de Groningstype hengsten had plaats met elk 1 hengst in Overijssel, Utrecht (nu
nihil) en Limburg (idem nihil) ; met 2 hengsten in Gelderland en N.-Holland.
Zeeland daarentegen vermeerderde met 1 Groninger-type hengst.

-ocr page 186-

Bij dc V.L.N. werden 2 (± 2.5%) hengsten van het Gcldcrstypc minder benut en de
bij deze stambockvereniging door Gcldcrstypc hengsten gedekte merries steeg van
5.637 tot 6.154 = 517 stuks (± 9.2%). Van het Gronings- en Gelderstype bij de
V.L.N. tezamen werden 8 (4- 5.8%) hengsten minder benut, terwijl het aantal door
beide typen hengsten gedekte merries steeg van 9413 tot 9966 = 553 stuks ( ±5.9%).
Bij de „Kon. Vereniging Het Friesch Paardenstamboek" (F.P.S.) daalde het aantal
ter dekking staande hengsten van 23 tot 21 = 2 stuks (± 8.7%). Het aantal door
dit type gedekte merriën steeg van 1.002 tot 1.033 = 31 stuks (± 3%).
Bij het „Nederlandsch .Shetland Pony Stamboek" (Ned. Shctl. P.S.) daalde het
aantal ter dekking gestelde hengsten van 142 tot 139 = 3 stuks (± 2.1%). Het aantal
gedekte merries steeg opnieuw en wel van 6834 tot 7206 = 372 (± 5.4%).
Door de vermeerderingen bij dc V.L.N., het F.P.S. en het Ned. Shtel. P.S. (resp.
553 -f 31 4- 372 = 956) bleef de vermindering van het totaal aantal gedekte
merriën bij de vijf grootste stambockverenigingen (K.V.N.T. - 798 en N.W.P. - 52)
beperkt tot 105 stuks (± 0.33%).

Aantal dekkingen bij de voornaamste fokrichtingen.

Gron.

Gron.

Geld.

Shctl.

Jaar

Trekpaard

N.W.P.

V.L.N.

V.L.N.

Fries

Pony

Totaal

1957

15.110

6.656

5.830

6.237

1.309

4.199

39.341

1958

13.770

6.159

5.513

6.233

1.257

4.676

37.608

1959

13.069

6.212

5 394

6.465

1.294

4.821

37.255

1960

10.609

5.409

4.173

5.673

1.137

5.105

32.106

1961

9.739

4.930

3.776

5.637

1.002

6.834

31.918

1962

8.940

4.878

3.812

6.154

1.033

7.^06

32.023

Het aantal dekkingen geregistreerd door de „Stichting Nederlandse Draf- en Ren-
sport" (N.D.R.) vermeerderde met 179 merries (± 23.4%) tot 945 totaal: gesplitst
in 529 draver- en 416 volbloed merries. De vermeerdering was rcsp. gesjjlitst in 29
(± 5.8%) en 150 (± 56.4%) merries. Derhalve een vrij grotere animo voor de
volbloedfokkerij. Er dekten totaal 24 draver- en 11 volbloed hengsten. In 1961 resp.
25 en 12.

De sterke ontwikkeling van „Het Nederlandse Fjordenpaardenstanibock" hield ook
in 1962 aan. Het aantal in 1962 ter dekking gestelde hengsten in dc bestaande en
nieuw gevormde kernen bedroeg 12 te.genover 7 in 1961.

Het aantal gedekte mcirics vermeerderde met 300 (± 95.5%) tot totaal 614. Dc
grote animo voor het houden van Fjordenpaarden, zoals deze in 1961 vi(4 te con-
stateren door een import van 870 bleek, hoewel in mindere mate, ook in 1962 te be-
staan toen er 400 stuks werden geïmporteerd. Tus.sen de importeurs van deze paarden
en het Stamboek bestaat een goed contact, hetgeen dc toeneming van de fokkerij
ten goede komt, maar ook van grote invloed is op de kwaliteit van de voor dc fokkerij
te benutten dieren. .Mie geïmporteerde Fjordenpaarden worden vanwege het Stamboek
beoordeeld en de paarden, die aan de door het St.amboek te stellen kwaliteitseisen
voldoen, worden van een brandmerk voorzien. Merries zonder brandmerk worden niet
toegelaten bij de uitsluitend door het Stamboek zelf ter dekking gestelde hengsten.
In de, reeds in 1961, bestaande noodzaak van invoer van goed manlijk fokmateriaal
werd in het begin van 1962 voorzien door de aankoop van 5 hengsten in Denemarken.
Voor de fokkerij, georganiseerd in de drie Stamboeken voor rijpony\'s t.w. het:
„New Forest Pony Stamboek",
„Nederlands Welsh-Pony Stamboek" en het
„Nederlandse Stamboek voor IJslandse Pony\'s"
bleef de toenemende belangstelling ook in 1962 bestaan. Het aantal ter dekking ge-
stelde hengsten bedroeg resp. 12; 10 en 2 tegenover resp. 7; 4 en 1 in 1961.
Het aantal gedekte merries bedroeg rcsp. 249; 247 en 67 tegenover resp. 129; 124
en 53 in 1961. Totaal 563 tegenover 306 in 1961.

-ocr page 187-

Een vermeerdering van 257 (± 84%) gedekte merries en 12 (100%) ter dekking
gestelde hengsten. Gelet op de activiteiten van deze „kleinpaardstambocken" en de
grote interesse, die voor deze fokkerij bestaat, speciaal ook bij jeugdige paarden-
liefhebbers van buiten de landbouw, is ook hiervoor cen voortgaande uitbreidende
ontwikkeling te verwachten.

Van cie in 1961 verschenen nieuwe ster aan de Nederlandse Paardenhemel „De
Stichting Nederlandse Haflinger Club", die „onderdak" heeft bij de „Kon. Ver.
Het Nederlandsche Trekpaard" nam de ontwikkeling in 1962 ook toe. Het aantal van
dit type ter dekking gestelde hengsten kwam door dc import van 3 stuks op 4 en
het aantal gedekte merries steeg van 44 in 1961 tot 181 in 1962. Een vermeerdering
van 137 (±311%). Ook bij dit Stamboek is verdere uitbreiding te verwachten. In
het najaar van 1962 werden opnieuw 100 merries en 1 hengst geïmporteerd, welke
bij loting werden toegewezen aan de daarvoor beschikbare 900 aanvragers.
Door de bij „De Nederlandsche Arabieren Club" ingeschreven en ter dekking ge-
stelde hengsten werden in totaal 161 merries gedekt, tegenover 11 hengsten en 122
merries in 1961. Ook bij deze fokkerij een uitbreiding van de gedekte merries en
wel met 39 (± 32%) tegenover 42 (± 52% in 1961).

De bij het „Nederlands Hackney Stamboek" ingeschreven en ter dekking gestelde
hengsten bedroeg in 1962 totaal 4 tegenover 5 in 1961. Het aantal gedekte merries
daalde van 55 in 1961 tot 30 in 1962, hetgeen een vermindering van 25 (± 45.5%)
betekent.

De door de „Commissie-Commissie Keuring" volgens de Paardenwet 1939 goed-
gekeurde hengsten bedroeg 3 tegenover 5 in 1961. Het aantal door die hengsten ge-
dekte merries was 41 tegenover 94 in 1961. Een vermindering van 53 (± 49.1%)
stuks.

Het aantal ter dekking gestelde hengsten en het aantal gedekte mcrriën bij de kleinere
paardentypen met inbegrip van de N.D.R. bedroeg resp. 92 en 2535 tegenover 78
en 1700 in 1961. Een vermeerdering van resp. 14 hengsten (± 18%) en 835 merriën
(±49.1%).

Met inbegrip van de vermeerdering van de 106 gedekte merries bij de grotere
paardenstamboeken heeft 1962 het resultaat opgeleverd, dat cr 941 (± 2.8%) meer
merries zijn .gedekt dan in 1961. Gelet op de belangrijke vermindering van de Neder-
landse paardcnstapcl cen verheugend te constateren feit.

Bericht Ministerie van Landbouw en Visserij, Directie Veeteelt en Zuivel.

DE PRODUKTIE VAN SLACHTGEVOGELTE.

Enkele dagen geleden verscheen het verslag1) van de Studiegroep Pluimveehouderij
over het onderwerp: „De produktie van slachtgevogelte". De studiegroep Pluimvee-
houderij is ingestf ld door de Commissie Nieuwe Bedrijfssystemen in de Landbouw.
Er wordt op gewezen dat de produktie van slachtgevogelte snel is toegenomen. In de
periode 1957 tot 1961 verdubbelde de jaarproduktie. Door het beschikbaar komen
van nieuwe technische mogelijkheden werd de produktie in grotere eenheden mo.gidijk.
De opbrengstprijzen daalden in de laatste jaren. Hierdoor wordt het moeilijk om
kuikens in eenheden van 1000-1500 stuks op tc fokken. De opbrengstprijs hgt dan te
ver beneden de kostprijs. Bij dergelijke kleine eenheden zijn er weinig mogelijkheden
v
(X)r kostprijsverlaging omdat er niet gemechaniseerd kan worden.
Bij eenheden van 5000 dieren kunnen verschillende arbeidsbesparende maatregelen
worden genomen, zodat cen kostprijs wordt verkre.gen die maar weinig hoger is dan
die van cen gespecialiseerd slachtkuikenbedrijf met minstens 20.000 dieren.
Weliswaar zou een gespecialiseerd slachtkuikenbedrijf misschien een iets lagere kost-
prijs kunnen bereiken dan een .gemengd landbouwbedrijf met 5.000-10.000 dieren;

1  De produktie van slachtgevogelte. Publikatie nr. 4 in dc serie Nieuwe Bedrijfs-
systemen in de Landbouw. \\\'erkrijgbaar door storting van .ƒ 1,50 op giro 966643
van het Proefstation voor de Akker- en Weidebouw, Bornsestceg 45 te Wageningen
onder vermelding: Voor Publikatie nr. 4.

-ocr page 188-

een moeilijkheid voor gespecialiseerde bedrijven blijft echter de ongelijkmatige ver-
deling van de arbeid over de tijd en het grote prijsrisico.

Op gemengde bedrijven kunnen arbeidstoppen veel gemakkelijker worden opgevangen,
terwijl prijsschommelingen er relatief een minder grote invloed hebben.
Doelmatig ingerichte gemengde bedrijven, met eenheden van minstens 5.000 slacht-
kuikens en een goede bedrijfsvoering, zullen de concurrentie tegen gespecialiseerde
slachtkuikenbedrijven wel op kunnen nemen.

Dit is één van de conclusies. De inhoud van dit rapport bestaat uit vier gedeelten,
waaraan we het volgende ontlenen.

1. Een statistisch overzicht.

Hieruit blijkt dat zowel in Nederland als in andere landen de produktie van slacht-
gevogelte belangrijk is toegenomen. De consumptie per hoofd van de bevolking is
eveneens gestegen.

In Nederland is de consumpde in vergelijking met andere landen nog steeds laag.
Er blijkt bij het slachtgevogelte een dalende tendens aanwezig te zijn in de prijzen
die de boer krijgt.

2. Technische aspecten van dc slachtkuikenproduktie.

Werd tot voor enkele jaren meestal gewerkt met de kruisingen zwaar x middelzwaar,
in de laatste jaren wordt voor de slachtkuikens meestal van zware hennen uitgegaan.
Voor de vermeerderaars geeft het houden van deze zware moederdieren nogal wat
moeilijkheden. In het rapport wordt aangegeven hoe deze moeilijkheden zoveel moge-
lijk ondervan.gen kunnen worden.

Aan de huisvesting van slachtkuikens worden hoge eisen gesteld. Een goed geïsoleerd
hok met een doelmati.ge ventilatie is noodzakelijk.

Het arbeidsonderzoek bij slachtkuikenbedrijven heeft aangetoond dat er nog belang-
rijke mogelijkheden zijn om arbeid te besparen. Er komen vrij .grote arbeidstoppen
voor aan het einde van de mestperiode.

Bij het voeren is de cnergie-eiwitverhouding zeer belangrijk. \\\'oor een snelle groei is
een ho.ger energicwaarde gewenst. Aan voeder in korrelvorm wordt over het algemeen
de voorkeur gegeven. Niet alleen de hoeveelheid voer per kg groei is belangrijk, maar
vooral de vocderkosten per kg groei.

Er komt steeds meer vraa.g naar het panklare produkt. De wijze van verwerking op
de slachterijen beïnvloedt de kwaliteit van het eindprodukt in sterke mate. De gehele
verwerking zou nog meer dan tot nu toe gericht moeten worden op het verkrijgen
van een eindprodukt van goede kwaliteit.

3. Bedrijfseconomische aspecten van de slachtkuikenproduktie.

Het L.E.I. berekende in een voorlopige calculatie voor het eerste half jaar van 1962
een kostprijs van f 1,62 per kg levend gewicht.

De kostprijs is vrij sterk afhankelijk van de omvang van de produktie. Als de koppel-
grootte van 1000 naar 5000 stijgt, zal de kostprijs vrij sterk dalen. Boven 5000 dieren
zal de invloed van de koppelgrootte op de kostprijs veel geringer zijn.
Er is voor het mesten van kuikens veel vermogen nodig, terwijl de kuikenmester er
rekening mee moet houden dat de uitkomsten van zijn bedrijf vrij onstabiel zijn. In
het verslag wordt erop gewezen dat één van de belangrijkste oorzaken hiervan is de
geringe toe.gevoegde waarde in verhouding tot de bruto-opbrengst.
Door de grote mate van onzekerheid heeft de integratie in deze produktietak grote
vormen aangenomen.

Wat ons land betreft gaat de produktie in kleine eenheden steeds verder terug. Voor
gemengde bedrijven met mnistens 5000 dieren worden er in de slachtkuikenproduktie
wel mogelijkheden gezien. Uiteraard zal het aantal bedrijven dat aan de produktie
kan deelnemen beperkt blijven.

-ocr page 189-

4. Ander slachtgevogelte.

De opfok van P e k i n g e e n d e n is in de laatste jaren sterk uitgebreid. Er waren
weinig belemmerende factoren omdat de huisvesting weinig investeringen vergt. De
prijs van de kuikens is hoog doordat de produktie van broedeieren veel kosten vraagt.
De produktie vindt in verhouding tot de slachtkuikens vaak in kleine eenheden plaats.
Door het vrijwel ontbreken van binnenlandse consumptie en de zeer eenzijdige export-
mogelijkheden (alleen West-Duitsland) heeft deze produktietak een vrij grote mate
van onzekerheid.

De consumptie van kalkoenen beperkt zich tot de feestdagen in december. De
opfok van kalkoenen heeft daarom een seizoenkarakter en is slechts van incidentele
betekenis. Het voederverbruik per kg groei is bij jonge kalkoenen laag. De prijs van
de eendagskuikens is echter hoog door een hoog voederverbruik en cen lage produktie
van de moederdieren. Tijdens de opfok van kalkoenen neemt op oudere leeftijd het
voederverbruik per kg groei vrij sterk toe. Er wordt daardoor een moment bereikt
waarbij het niet meer rendabel is om de kalkoenen langer aan te houden.

CONGRESSEN

NEDERLANDS INSTITUUT VOOR PRAEVENTIEVE GENEESKUNDE TE
LEIDEN.

Cursus „Medische Statistiek".

Deze cursus wordt georganiseerd door het Nederlands Instituut voor Praeventieve
Geneeskunde te Leiden
en de Medisch-Biologische Sectie van de Verenieing voor
Statistiek.

Doel van de cursus.

De cursus is bestemd voor artsen en andere werkers op medisch-biologisch en ver-
want gebied, die zich op de hoogte willen stellen van de gedachtengan.g van de sta-
tistiek en de betekenis van de modern statistische methoden voor het beschrijven en
analyseren van waamemingsuitkomsten.

Voor het volgen van de cursus is geen statistische kennis of ervaring vereist. De
noodzakelijke kennis van dc wiskunde beperkt zich tot enkele onderwerpen uit de
algebra, die gedurende de cursus in het kort worden behandeld.

Te behandelen onderwerpen.

De cursusstof kan in drie groepen worden verdeeld:

A. De opzet en uitvoering van onderzoeken;

B. Beschrijvende statistiek;

C. Mathematische statistiek (statistica) :

1. Gedachtengang;

2. Enkele klassieke methoden;

3. Verdelingsvrije methoden;

4. Toetsen betreffende kwalitatieve .gegevens;

5. De keuze van een statistische methode.

Bij de lessen wordt gebruik gemaakt van de „Inleiding tot de Medische Statistiek"
door H. de Jonge (2 delen, elk van ƒ 22,-), uitgegeven als Verhandeling van het
.N.LP.G.

Duur, tijd en plaats(en).

De cursus bestaat uit 30 lessen van 2 uur, die jaarlijks worden gegeven in de avond-
uren van 19.30—21.30 uur, met een frequentie van ca. 3 keer per maand, van midden
september tot en met juni van het daaropvolgend jaar. De cursus vindt plaats te

-ocr page 190-

Leiden (N.LP.G.) en bij voldoende belangstelling ook in ten hoogste twee andere
plaatsen (bij de keuze van deze plaatsen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden
met de woonplaatsen van de deelnemers).

In principe dient men na elke les enkele uren uit te trekken voor het bestuderen van
de behandelde stof en/of het maken van enkele opgaven.

Kosten.

Het cursusgeld bedraagt f 125,- (exclusief de bovengenoemde leerboeken).
Het dient vóór 31 december van het jaar waarin dc cursus aanvangt te worden vol-
daan op postgirorekening 202277 van het Nederlands Instituut voor Praeventieve
Geneeskunde te Leiden.

Inlichtingen en aanmelding.

Verdere inlichtingen worden verstrekt door Afdeling Statistiek, Nederlands Instituut
voor Praeventieve Geneeskunde, Wassenaarsewcg 56, Leiden, tel. (01710) 5 09 40
t/m 5 09 44, toestel 237.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

BUITENL.ANDSE DIERENARTSEN IN ONS LAND.

Enkele buitenlandse dierenartsen brengen deze zomer, mede in verband met het
zeventiende Veterinaire Wereldcongres, dat van 14 tot 21 augustus a.s. te Hannover
wordt gehouden, een bezoek aan ons land. Dit teneinde zich nader te oriënteren op
het gebied van dierziekten en hun bestrijding.

Van 13 tot 26 juli was Dr. G. F. van der M c r w e, hoofdassistent van de Vee-
artsenijkundige Dienst te Pretoria in Zuid-Afrika, onze gast.

Hij toonde speciale interesse voor het voorkomen en de uitroeiing van, alsmede de
controle op bepaalde dierziekten, zowel van dc veterinaire als van dc administratieve
kant bekeken. Ook de kunstmatige inseminatie trok zijn belangstelling.
Hij bezocht daartoe behalve de Veeartsenijkundige Dienst en de Faculteit der Dier-
geneeskunde te Utrecht, dc afdelingen Amsterdam en Rotterdam van het Centraal
Diergeneeskundig Instituut, enkele Provinciale Gezondheidsdiensten en K.I.-stations.
Dinsdag 16 juli j.1. arriveerde Dr. Sergio Bogado, dierenarts en directeur van
het Federale laboratorium voor vaccins te Gastro in dc Braziliaanse staat Parana.
Dr. Bogado heeft in opdracht van het Federale Ministerie van Landbouw een reis
gemaakt naar Portugal en Suanje, ter bestudering van de Afrikaanse varkenspest.
Hij onderhoudt in Brazilië goede relaties met de Nederlandse boerenkolonies bij
Gastro Castrolanda, Carambei en Tronco.

Hij toonde speciaal interesse voor dc produktie van vaccins en sera in het algemeen
en meer in het bijzonder voor die van vaccins tegen mond- en klauwzeer.
Hij bezocht daartoe onder meer de beide afdelingen van het Centraal Diergenees-
kundig Instituut. Ook leptospirose had zijn belangstelling en hij bracht in verband
daarmede bezoeken aan de Faculteit der Diergeneeskunde tc Utrecht en het Konink-
lijk Instituut voor de Tropen.

Voorts bezocht hij het Instituut voor Veetccltkundig Onderzoek „Schoonoord" tc
Zeist, het Rijksveeteelt consulentschap voor de varkensfokkerij te Utrecht, de Cen-
trale Melk Controle Dienst te Arnhem en een selectiemesterij tc Lochem.
Een Engelse dierenarts, Mr. Keith C. Smith, bezocht ons land van 22 tot 27
juli. Hij bracht een bezoek aan enkele veevoederfabrieken, bezocht het C.D.I. te
Rotterdam en trad in contact met enige Nederlandse dierenartsen, onder meer over
de pluimvcefokkerij.

-ocr page 191-

MOND- EN KLAUWZEER.

Juli heeft een verdere daling van het aantal mond- en klauwzeergevallen te zien
gegeven. Liep Noord-Brabant over de week van 4 tot en met 10 juli terug tot 1
.geval, over de week van 11 tot 18 juli bleef deze provincie vrij.

In Limburg handhaaft de ziekte zich rondom Venray hardnekkig met drie gevallen,
zowel over de eerste als over de tweede week van juli.

Een recapitulatie van 1 januari tot en met 17 juli toont ons het vol.gende beeld:

Oud

Nieuwe gevallen

Nieuw

totaal

4 t.m. 10/7

11 t.m. 17/7

totaal

Groningen

3

_

3

Friesland

1

_

1

Drenthe

37

_

37

Overijssel

390

_

390

Gelderland

1.153

_

1.153

Zuid-Holland

4

_

4

Noord-Brabant

422

1

_

423

Limburg

42

3

3

48

Totaal

2.052

4

3

2.059

INZENDING VAN MATERIAAL VOOR ONDERZOEK OP RABIES.

Ilct C.D.I., afdeling Rotterdam, ontvangt van dierenartsen regelmatig rechtstreeks
materiaal voor onderzoek op rabies.

De dierenartsen wordt verzocht in voorkomende .gevallen terzake eerst contact op
te nemen met de Inspecteur-Districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst. Voor
de verzending van de verdachte kadavers in speciaal daartoe bestemde containers
draagt deze dan in overleg met de dierenarts zorg.

■Mdus wordt bereikt, dat de gewenste informatie naast het laboratorium ook de ver-
dere instanties ter kennis komt, inclusief de medische autoriteiten, indien mensen
zijn gebeten of gekrabd, terwijl ieder besmettingsgevaar tijdens het transport wordt
geëlimineerd.

31STE ALGEMENE VERGADERING VAN HET GOMITfi DE L\'OFFIGE
INTERNATIONAL DES EPIZOÖTIES.

Van 13 tot 18 mei is tc Parijs de 31ste algemene vergadering van het Office Inter-
national des Epizootics .gehouden. Delegaties uit zestig landen namen aan deze zitting
deel, alsmede waarnemers van vele internationale organisaties.

\\ oorzittcr van de algemene vergadering was Dr. A. F r a n g a E Silva, president
van het Office International en directeur-generaal van de Portugese Veeartsenijkun-
dige Dienst.

De directeur van het Office, Dr. R. V i 11 o z, beschreef in zijn rapport over de weten-
schappelijke en technische werkzaamheden van het Office, de belangrijke resultaten
over de periode mei 1962 tot mei 1963, met betrekking tot voorlichting, statistiek,
documentatie, studie en onderzoek.

Hoofdpunt van de agenda was de discussie over de epizootologie, de diagnose van en
de endng tegen rabies, waarover 25 rapporten waren ingediend. Deze discussie stond
onder leiding van Prof. P. L é p i n e, hoofd van de virologische afdeling van het Insti-
tuut Pasteur te Parijs.

Mond- en klauwzeer.

Andere agendapunten waren abortus cn mastitis bij runderen. De heer J. M. van
d
e n B O r n. Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid en Directeur van de Veeartse-
nijkundige Dienst in Den Haag, sprak over de mond- en klauwzeerepizoötie, zoals die
zich in 1962 in Nederland heeft voorgedaan.

-ocr page 192-

Aan de hand van een serie kleurendia\'s gaf hij een indruk van de maatregelen die
daarbij zijn genomen.

Vele belangrijke rapporten werden ingediend over de gezondheidstoestand van het
vee en de methoden die in de aangesloten landen worden toegepast bij de bestrijding
van besmettelijke ziekten en de uitvoering van programma\'s, die de uitroeiing van
deze ziekten beogen.

Permanente commissies.

Duidelijk kwam naar voren hoe juist het besluit van het bestuur van het Office is
geweest, uitbreiding te geven aan de werkzaamheden van de gespecialiseerde perma-
nente commissies.

De permanente commissie voor mond- en klauwzeer, onder voorzitterschap van Dr.
R. W i 11 e m s uit België, organiseert regelmatig conferenties en volgt met grote nauw-
gezetheid de ontwikkeling van het mond- en klauwzeer, dat in het nabije oosten door
SAT. I wordt veroorzaakt.

De permanente commissie voor ziekten veroorzaakt door anaerobe organismen onder
voorzitterschap van Prof. R. K a t i t c h uit Joegoslavië, bereidt een wercldsympc^-
sium voor, dat in september a.s. te Londen zal worden gehouden.
De permanente commissie voor de bestudering van sanitaire voorschriften bij in- en
uitvoer van dieren en dierlijke produkten, vergaderde tezamen met de permanente
commissie voor bestudering van het voortbestaan van virussen in vlees onder leiding
van Dr. H. Gasse uit Frankrijk.

Dr. E. F r i t s c h i bracht rapport uit over de eerste regionale conferentie te Wenen in
oktober 1962 van de permanente commissie voor Europa. Deze bijeenkomst was ge-
wijd aan de regionale bestrijding van de klassieke varkenspest en de Teschenerziektc.
De eerstvolgende vergadering zal in oktobr a.s. te Lissabon worden gehouden.
Dr. Y. T a n a k a uit Japan, vertegenwoordiger van het Office in Azië, bracht even-
eens rapport uit en Dr. C a r 1 o s R u i z M a r t i n e z, vice-president van het Office
gaf een verslag over dc eerste Amerikaanse conferentie, die in november 1962 in
Mexico is gehouden.

De werkzaamheden van de permanente, in hoge mate gespecialiseerde commissies
en van de regionale commissies hebben belangrijk bijgedragen tot de doelmatigheid
van de werkzaamheden van het Office.

De 32ste algemene zitting van het bestuur van het Office zal van 18 tot 23 mei 1964
te Parijs worden gehouden.

PULLORUM ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum antigcen partij no. 106, geproduceerd door het Centraal Dier-
geneeskundig Instituut te Rotterdam, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien
door de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt ver-
klaard tot 1-9-1964.

Giftigheid van voederwikke.

Vooral de gewone voederv^kke, Vicia sativa, var. Willamette bleek, indien zij van 20
tot 40% in het rantsoen van kalkoenkuikens en hoenderkuikens werd opgenomen,
giftig te zijn en een hoge sterfte te veroorzaken.

Verhitting gedurende 8 uur verminderde de giftigheid. Zachte wikke (V. villosa,
var. glabrescens)
is minder giftig, maar remt de groei wel af.
Autoclaafbehandeling van het zaad geeft ook hier verbetering.

Pluimveepers, XVIII, 134, (1963).

-ocr page 193-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

Augustus,

1, Kroonkeuring V.L.N. Afd. Overijssel, Raalte.

2, Kroonkeuirng V.L.N. Afd. Utrecht, Mereveld.
2— 3, Nationale Pony-manifestatie, Soestdijk.

5, Centrale keuring V.L.N. Afd. Noord-Holland, Opmeer.
14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover,
(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399, 1536 (1962)); (pag 118
253, 620, 848, 915)
22—23, Symposium Ziekten van pelsdieren. pag. (119)
26—31, „Van Jachthoorn tot Kampvuur" (1000 paarden), Nijmegen.

28, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Overijssel, Hardenberg.

29, Goudse vee- en kaastentoonstelling „Goveka", Gouda.
29, Jubileum Bondsfokvecdag (F.H.), Etten (N.-Br.)

29, Varkensfokdag N.L.1), Hoogeveen.
29—sept. 1, Internationale Congres K.I., Wels. (pag. 328, 849)
September,

2— 7, Wereldconferentie over Dierlijke Produktie, Rome.
2—11, Xle Internationale Congres over Genetica, Scheveningen.

7, Paardendag U.T.V., Utrecht.
6— 8, Belgische Dierenartsen Vereniging. Diergeneeskundige Dagen, Ant-
werpen.

11—13, Kon. Ned. Chemische Vereniging. Viering 60-jarig bestaan, (pag. 849)
13—14, Nationale tentoonstelling K.V.N.T., \'s-Hertogenbosch.

14, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Contactdag met de afd. Utrecht en

Noord-Holland, (pag. 686)
18, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Drenthe, Assen.

20, Nationale Tentoonstelling van varkens en schapen, \'s-Hertogenbosch.
(afgelast)

21, Réunie van oud-leden „.Absyrtus", Zeist.

22—28, British Veterinary Association. Jaarlijks congres, Llandudno. (pag.
615,621)

25, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Gelderiand, Hengelo (Gld.).
25, Centrale verrichtingskeuringen N.W.P., Leeuwarden.

Oktober,

9—10, Centrale Jonge hengstenkeuring N.W.P., Groningen.
13—19, D.I.G., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstelling annex fokveedag, Hoornaar.
!8—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, l!Oe Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag. 467, 620)
31, 6e Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur. Utrecht.

1  Ten aanzien van deze varkensfokdag moet enig voorbehoud worden gemaakt in
verband met het heersende mond- en klauwzeer.

1964

Februari,

16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel.
September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388)

-ocr page 194-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL, (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU
Algemene Vergadering 1963.

In aansluiting op vroegere mededelingen betreffende de aanstaande llOe Algemene
Vergadering, wordt er nu reeds op geattendeerd, dat
vrijdagavond 18 oktobr a.s. weer
het van ouds gebruikelijke diner zal worden gehouden.

Met de vele, zeer goede herinneringen aan de vele feestelijke evenementen van de
Eeuwfeestviering, meende het Hoofdbestuur aanvankelijk na de Huishoudelijke Ver-
gadering een „vrije avond" te reserveren, waarop men in eigen kring bij elkaar komt
en hier of daar gaat eten.

Van verschillende zijden is echter gevraagd op vrijdagavond „iets te doen". Wat dat
zal zijn, behalve het diner met dames, zal in volgende afleveringen worden mee-
gedeeld.

Regeling bureauwerkzaamheden.

In verband met het steeds toenemende aantal vergaderingen, vcrtegenwoordigin.gen,
besprekingen etc. is de secretaris uit de aard der zaak heel vaak telefonisch of per-
soonlijk niet bereikbaar.

Op voorstel van en in overleg met het Hoofdbestuur zal de secretaris voortaan elke
woensdag
reserveren voor burcauwerkzaamheden, maar ook voor telefonisch en per-
soonlijk contact met de leden.

Mocht deze „spreekdag" door onvoorziene omstandigheden vervallen, dan zal dit -
zo mogelijk — tijdig worden bekendgemaakt in deze rubriek van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde.

Mantelcontract.

Ter algemene kennisgeving kan worden meegedeeld, dat donderdag 29 augustus a.s.
opnieuw een vergadering zal worden gehouden van het Hoofdbestuur met de 30
vertegenwoordigers van de afdelingen, de leden-dierenartsen van de kleine mantcl-
contractcommissie en dc jurist van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
ter bespreking van een ontwerp-mantelovereenkomst inzake de verhouding van de
dierenarts tot de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren.

Vóór genoemde datum hebben bedoelde vertegenwoordigers nog gelegenheid voor
overleg met hun afdelingsbesturen over het ontwerp.

Vakantie-uitwisseling.

Een Amsterdamse jongen, bevorderd naar de 3e klasse van het gymnasium, wil graag
dierenarts worden, maar van de uitoefening van dit beroep weet hij nagenoeg niets.
Praktizerende dierenartsen, die deze jongen van 18-28 augustus a.s. willen opnemen
en meenemen, worden verzocht zich in verbinding te stellen met het bureau van dc
Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Een meisje of jongen uit het betreffende dierenartsgezin kan als „tegenprestatie" een
1 O-tal dagen in het gezin van bedoelde jongen worden ontvangen.

-ocr page 195-

VAN DE GROEPEN

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

Internationaal congres Hannover (14-21 augustus).

Speciale mededeling voor de leden der Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.
Vrijdag 16 augustus van 6.30 tot 8 uur zal cen cocktail-party worden gehouden voor
deelnemers van het congres en hun respectieve dames/heren. Kaarten aan te vragen
bij Dr. W. Weiss, Hans Bockler-Allee 16, Hannover 3.

Maandag 19 augustus van 3 tot 5.30 uur zal de algemene vergadering van de
W.S.A.V.A. plaatsvinden in de vergaderzaal bestemd voor de afdeling Kleine Huis-
dieren Specialisten.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de volgende collegae aangenomen als lid van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde:

W. E. H. van Herten, Dorpstraat 39, Horn (L.).

N. P. Kas, Bussumergrindweg 15, Hilversum.

A. de Lange, Rijssensestraat 30, Nijverdal,

J. R. van der Lee, van Slinglandtstraat 67, Arnhem.

E. J. J. G. van Oostveen, Hugo Verriesthof 19, \'s-Hertogenbosch.

H. H. L. Sasse, Buys Ballotstraat 50, Utrecht.

J. Zee, Kocpoortsweg 4. Hoorn.

Mej. M. J. Zoon, Brcitnerlaan 3, Utrecht.

Het Hoofdbestuur draagt de volgende collegae voor het lidmaatschap van de Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde voor:

J. L. Cornelisse, Weerdsingcl O.Z. 40, Utrecht.
Mej. I. G. Loeber, H. de Grootstraat 11, Utrecht.

G. Porte, Van Speykstraat 2 bis. Utrecht.
S. G. J. Postma, Draafsingel 31, Hoorn.
R. H. Scholtz, Stroeslaan 5, Hilversum.
A. Snijders, Plantsoen 16, Ruurlo.

J. Warrink, v. Asch van Wijckskadc 18, Utrecht.
Mej T. Pauw, Duindoornlaan 19, Haarlem.

Het Hoofdbestuur heeft de volgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde:
P. M. van den Berg, Braamstraat 2, Utrecht.

H. G. Byron, woonark „Faja Lobbi" t/o Mozartbrug, Utrecht.
H. Nijland, Goedestraat 145, Utrecht.

P. A. J. Rops, Havikstraat 7 bis, Utrecht.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Brons, Dr. A. W., van Terncuzen naar Ermelo (G.), Emmalaan 6. (152)

Brouwer, H., van Groningen naar Emmeloord (gem. Noordoostpoldcr), Ketting-
straat 36, tel. (05270) 25 12 (bur.), gr. 997095, dir. Vet. Dienst N.O.P. en ab.,
h.k. „Zuidelijke IJsselmeerpolders" (Oostelijk Flevoland), h.k. Urk. (153)

Golstein Brouwers, G. W. M., van Roermond naar Haelen, \'t Laar 10, tel (04759)
548, gr. 1025318. (162)

Heere, W., te Utrecht, aangesloten onder gr. 649371. (166)

Stegehuis, G. J., te Neede, tel. te wijzigen in (05450) 315 (privé), (05443) 15 91
(bur.), dir. v. d. K.I.-ver. „de Achterhoek", K.D., R.K. (bz. d.). 200)

Voeten, A. G., te Bo.xtel, naar Leenhoflaan 1, gr. 1129456. (208)

Weertman, G. G., te Amsterdam, tel. gewijzigd in (020) 79 03 13. (210)

-ocr page 196-

Gevestigd:

Moolhuizen, G., te Neede, Ruwenhofstraat 17, tel. (05450) 615, gr. 1122143, sp.

8-9 (overname praktijk G. J. Stegehuis). (185)

Eervol ontslag:

Brouwer, H., te Emmeloord, te rekenen m.i.v. 1 mei 1963, op zijn verzoek, als Rijks-
keurmeester in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst. (153)

Diergeneeskundig examen:
Geslaagd op 8 juli 1963:

Gornelisse, J. L. (inlassen 155)

Dijk, J. van (inlassen 158)

Loeber, Mej, I. G. (inlassen 181)

Porte, G. (inlassen 191)

Postma, S. G. J. Oplassen 191)

Scholtz, R. H. (inlassen 196)

Snijders, A. (inlassen 199)

Warrink, J. (inlassen 210)

Overleden:

Hoogstra, S. J., te Oost en West Souburg, is overleden te Velp (gem. Rheden) op

15 juh 1963. (170)

Odé, H. J., te Zeist, is aldaar overleden op 8 juli 1963. (188)

GEVRAAGD per 1 oktober 1963

EEN VASTE ASSISTENT

in grotc-huisdieren praktijk in het Noorden des lands. Huurhius met grote
tuin beschikbaar. Salaris ƒ 15.000, - per jaar, exclusief verzekeringen.
Brieven onder no. 23/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

Assurantiekantoor F. Dte

MAURITSSTRAAT 98 — UTRECHT — TELEF. 030—11520

Volledige voorlichting en assistentie bij
vestiging, praktijkovemame of associatie;

Deskundige bemiddeling en voortdurende controle van Uw
verzekeringen.

-ocr page 197-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

P. W. M. van Adrickem, De invloed van het voeder op enige
fermentatie produkten in de pens van normale runderen en van
acetonemie patiënten - Feed influences on some fermentation
products in the rumen of normal and ketotic cows
.... 985
C. J. van Nie, The ventral or apical ventricular septal defect

in animals —............993

P. L. Bergström, P. C. Hart en H. E. van der Veen, Mest-
proeven over de invloed van daglicht bij kalvermesten —
Fattening experiments about the influence of daylight in veal
production
—............1()U2

LIT EN VOOR DE PRAKTIJK

K. H. Hermans. Het homogeen mengen van kleine toevoegingen
door het voer - - Homogeneous mixing of small quantities of
supplements in the feed
—.........IÜI4

REFERATEN

Algemeen ....
Bacteriële- en virusziekten
Kunstmatige inseminatie .

1016
1018
1020

BOEKBESPREKING

O. Mraz, ]. Tesarcik en F. Varejka. Nomina und Synonima

1021

1022
1022
1022
1026

1027

1028

1030

1031
1034

BERICHTEN EN VERSLAGEN

IV.V.A., Gamgee-prijs voor Sir Thomas Dalling
Mr. B. IV. Biesheuvel minister van Landbouw
Toekomstmogelijkheden in de veehouderij .

Over derde klasse melk......

Verslag landbouwkundig onderzoek in Nederland 1961
Doelmatige selectie in de rundveefokkerij .
Factoren die de vleeskwaliteit beïnvloeden.
Verslag over de landbouw in Nederland 1960 .
De handel in kleine huisdieren ....

CONGRESSEN

Vereniging „Het Nederlandsch Landhuishoudkundig Congres" 1037

1038

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

c

VARIA ....
DOORLOPENDE .AGEND.A

. 997, 1001, 1013, 1037, 1040, 1042
........1039

KON. NED. MA.ATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau...........1041

Van de Afdelingen...........1041

Van de Groepen............1041

Personalia.............1042

-ocr page 198-

Pseudovogelpest entstof

(Hitchner en Lasota)

Infectieuze bronchitis entstof

Gecontroleerd op: werkzaamheid
duurzaamheid
onschadelijkheid

LABORATORIA DR. DE ZEEUW n.v. DE BILT

TEL. 030 - 60045

Mr. A. P. J Fortuin

Mr. F. Smit

J. H. J. van der Steen

P. G. Weynands

Fiscaal-Economische dienst voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Utrecht - \'s-Gravenhage - Nijmegen

Utrecht

Tel. 030-20241
Koningslaan 62

\'s-Gravenhage

Tel. 070 - 639908
Houtweg 3

Nijmegen

Tel. 08800-32132
Barbarossastraat 54

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnennentstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracht, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dienst

-ocr page 199-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De invloed van hef voeder op enige fermenfafie-
produkfen in de pens van normale runderen en
van acefonemiepafiënfen.1!

Feed influences on some fermentation products in the
rumen of normal and ketotic cows.*)

doo7 P. W. M. VAN ADRICHEM2)

Inleiding.

The diversity of function and complex symbiotic relationships of the
ruminal micro-organisms have made the rumen milieu a veritable
widow\'s cruse for the biochemist, the microbiologist and the physiologist.

R. L. Reid 1961
(Reactions in the rumen)

Van oudsher heeft men in de voedingswetenschap getracht de waarde van
een voedermiddel in een bepaalde gemakkelijk hanteerbare maat uit te
drukken.

Henneberg en Stohmann (I860) slaagden erin een bruikbare
methodiek voor de analyse van de voedermiddelen te ontwikkelen. Deze
zogenaamde Weender analysemethode geeft opheldering over de gehalte-
cijfers aan droge stof, asbestanddelen, organische stof, ruw eiwit, werkelijk
eiwit, ruw vet, ruwe celstof en overige koolhydraten. Deze methodiek, die
tot op heden in grote lijnen over de gehele wereld in gebruik is gebleven,
moet gezien worden als een werkelijk grootse bijdrage tot een praktisch
hanteerbaar wetenschappelijk verantwoord systeem, waarin het beschik-
bare feitenmateriaal omtrent de voederbehoeften der dieren en de mate
waarin de verschillende voederstoffen hierin kunnen voorzien, met elkaar
in verband gebracht kunnen worden.

Oskar Kellner slaagde erin een nieuwe voederwaarde-eenheid tc
ontwikkelen, die op calorische basis berustte (de zetmeelwaarde). Kellner
gaf tevens de correctie aan, die bij het berekenen van de zetmeelwaarde uit
de chemische analyse van een voedermiddel moest worden aangebracht.
Uit de jongste onderzoekingen — speciaal van A r m s t r o n g en B 1 a x-
t er (19,\'j7) — blijkt nu wel, dat de verschillende vluchtige vetzuren, die
in de pens door fermentatie gevormd worden en hun onderlinge verhou-
dingen, van doorslaggevende betekenis zijn voor de netto-energiewaarde
van een voedermiddel. De praktische bevindingen van Kellner en
Fingerling, dat de netto-energiewaarden van voedermiddelen met
gelijke waarden aan omzetbare energie belangrijk kunnen verschillen, zou
hiermede verklaard kunnen worden.

Deze lagere vluchtige vetzuren werden reeds in 1883 door Tappeiner
naast grote hoeveelheden koolzuur en methaan in de pens van het rund
aangetoond. In 1942 ontdekten McAnally en Phillipson en later
B a r c r O f t e.a. (1944), dat aanzienlijke hoeveelheden vluchtige vetzuren
uit de pens-netmaag van het schaap geresorbeerd worden en dat ze als

1  Autoreferaat van proefschrift. Utrecht 1962.
Summary of thesis. Utrecht 1962.

2  Dr. P. W. M. van Adrichem, Dierenarts aan het Instituut voor Veevoedings-
onderzoek „Hoorn", Kecrn 33, Hoorn.

-ocr page 200-

een belangijrke energiebron beschouwd moeten worden. Uit energetisch
oogpunt bezien is het dus belangrijk om te weten welke vetzuurverhouding
er ontstaat in de pens op een bepaald rantsoen. Daarenboven heeft ieder
vetzuur haar eigen specifieke functie. Het azijnzuur is \\an belang voor de
cholesterol-synthese en speelt een hoofdrol bij de cyclische processen van
de vetvorming. Daarnaast vormt het evenals de andere vetzuren een bron
\\an energie, die in de Krebcyclus vrijkomt. Het propionzuur is de voor-
naamste glycogeen- en glucosevormer van de herkauwer. Tevens kan het
na carboxylatie via het barnsteenzuur in de citroenzuurcyclus aangewend
worden als een energiebron.

Het boterzuur wordt speciaal door het penswandepitheel gebruikt en is
derhalve van belang voor een goede functie van dit slijmvlies, waardoorheen
vele voedingsstoffen geresorbeerd moeten worden. Ook in de mammae
kan het bij voorkeur benut worden als een energiebron voor de melk-
synthese.

Ons onderzoek heeft tot doel gehad om na te gaan in welke verhouding de
\\luchtige vetzuren in de pens aanwezig zijn na opname van verschillende
natuurlijke rantsoenen. Met het oog op de grote verschillen in de eiwit-
voorziening van de runderen, speciaal tussen de zomer- en de winter-
voedering, hebben we ook aandacht besteed aan de annnoniakvorming in
de pens. Tevens hebben we een uitgebreid onderzoek ingesteld naar enige
fermentaticprodukten, speciaal de lagere vluchtige vetzuren, die aanwezig
zijn in de pensvlocistof van runderen, lijdende aan acetonemie.
Tenslotte menen we uit de resultaten van onze onderzoekingen bepaalde
rantsoenen te kunnen aanbevelen, waarmede de kans op het ontstaan van
acetonemie verkleind kan worden.

Het verkrijgen van bruikbare monsters pensinhoud.

Wanneer men een onderzoek wil instellen naar de stoffen, die in de [jens
van het rund aanwezig zijn, is het van groot belang om een geschikte me-
thode te vinden waarmede men in staat is om op eenvoudige wijze een
monster van de pensinhoud te nemen.

Wij zijn speciaal geïnteresseerd in het vloeibare gedeelte van de pensinhoud,
dat bij de penscontracties door de vaste massa heentrekt en waarin de
fermentaticprodukten zijn opgelost.

Bij onze experimenten met fistelkoeien is wel gebleken, dat in deze vloei-
stof, wanneer zij gedurende enige dagen op dezelfde tijd, bij een constant
rantsoen, genomen wordt, de totale hoeveelheid en de onderlinge verhou-
dingen van de drie voornaamste vluchtige vetzuren slechts weinig variëren.
Het is heel eenvoudig om een monster van de vloeibare pensinhoud via
een pensfistel te verkrijgen, maar om een monster per os te verzamelen
werd door ons een zogenaamde bestuurbare maagsonde ontwikkeld waar-
mede we in staat waren de ventrale penszak te bereiken. Zowel op stal
als in de weide kunnen we met de bestuurbare maagsonde een royale hoe-
veelheid pensvloeistof nemen, die qua samenstelling overeenkomt met een
monster, dat via een pensfistel wordt verkregen. Alleen de pH van de
pensvloeistof, die via deze sonde kan worden verkregen, zal zelfs bij een
vlotte monsterneming 0,1-0,2 pH eenheden hoger zijn, omdat er wat speek-
sel langs de sonde in de pens loopt.

-ocr page 201-

De voorbehandeling van de vloeibare pensinhoud en de chromatografische
bepaling.

De vloeibare pensinhoud wordt met zwavelzuur aangezuurd, waardoor
de fermentatie wordt stopgezet en we het milieu tevens geschikt maken
om, met behulp van het stoorndestillatieapparaat van Noyons, uit de
zure pensinhoud het azijnzuur, propionzuur en boterzuur over te destil-
leren. Uit het destillaat wordt na enige bewerking een oplossing verkregen
waarin de vetzuren met behulp van een silicagelkolom (E 1 s d e n), of door
middel van gaschromatografie (James en Martin) bepaald worden.
Beide methodes hebben we gebezigd en we zijn tot de conclusie gekomen,
dat de methode van J a m e s en M a r t i n de voorkeur verdient.

De zuurtegraad van de pensvloeistof.

Volgens onze onderzoekingen zal onder normale omstandigheden de pH
in de pensvloeistof variëren tussen 5,7 en 7,5. Ze kan in de loop van de
dag belangrijk schommelen, omdat ze de resultante is van verschillende
factoren, die zelf ook weer voortdurend kunnen veranderen. Het voedsel
zelf en de bacteriële activiteit in de pens zal naast het tijdstip van de
monstername, bepalend zijn voor de waarde van de pH. Het rantsoen be-
ïnvloedt door zijn chemische en fysische samenstelling de afscheiding van
het alkalische speeksel, de vorming van het ammoniak en de lagere vluch-
tige vetzuren en de activiteit van de pensflora.

Het jonge lentegras, waar\\ an grote hoeveelheden kunnen worden opge-
nomen en dat bovendien zeer gemakkelijke fermenteerbaar is en een hoog
gehalte aan gemakkelijk aantastbare koolhydraten bezit, zal .snel een lage
pH in de pens kunnen veroorzaken. De vorming van de vluchtige vetzuren
in de pens uit een rantsoen, dat veel ruwvezel bevat geschiedt veel trager,
maar blijft langer op een bepaald niveau gehandhaafd. Willen we een oor-
deel uitspreken over de zuurtegraad van een monster pensinhoud, dan
zullen we dus met de aard en de hoeveelheid van de voedermiddelen en
het tijdstip waarop deze zijn verstrekt, rekening moeten houden. De hoe-
veelheid lagere vluchtige vetzuren is primair bepalend voor de pH van
de pensinhoud. We vonden tussen de pH en de totale hoeveelheid vluch-
tige vetzuren, uitgedrukt in mg aeq. per 100 g pensvloeistof, een corre-
latiecoëfficiënt van —0,94.

Het verband tussen deze twee grootheden kan weergegeven worden door
de volgende formule:

y -.....- 0,188 X -f- 8,439

waarbij x = som van azijnzuur, propionzuur en boterzuur in mg aeq. per
100 g pensvloeistof

y = pH pensvloeistof.
Vanzelfsprekend kunnen we, gebruik makend van deze gegevens, ook uit
de pH van de pensvloeistof een schatting maken van de totale hoeveelheid
vluchtige vetzuren, die aanwezig is. Voor dit doel moet het lineaire ver-
band anders berekend worden en kan dan als volgt worden weergegeven:
y = — 4,722 X -(- 40,880

X = pH.

y = de totale hoeveelheid vluchtige vetzuren, uitgedrukt in mg aeq. per
100 g pensvloeistof.

-ocr page 202-

De ammoniakvorming in de pens.

Tijdens de fermentatie van de eiwitten en de N-lioudende niet-eiwitver-
bindingen in de pens komt veel ammoniak vrij, dat deels weer gesynthe-
tiseerd kan worden tot bacterieel eiwit, of in de lever omgezet wordt in
ureum. Via de urine kan het ureum het lichaam verlaten, maar deze
stikstofverbinding kan ook met het speeksel en vermoedelijk eveneens via
de penswand weer in de pens terugkeren.

Voor de synthese van bacterieel eiwit moeten voldoende koolhydraten in
de pensvloeistof aanwezig zijn. De vraag of het ammoniak schadelijk voor
de gezondheid van het dier kan zijn, zal onder meer afhangen van de con-
centratie waarin het, na opname van een bepaald rantsoen, in de pens-
vloeistof aanwezig is. Volgens onze onderzoekingen bereikt het ammoniak-
gehalte op een stalrantsoen ongeveer 2 uur na de laatste voedselopname
zijn hoogste waarde en varieert tussen 20 en 30 mg per 100 ml pens-
vloeistof.

Ten naaste bij kan de ammoniakconcentratie in de pens van een rund,
dat met hooi en krachtvoeder volgens de normen gevoederd wordt, be-
rekend worden door de totale hoeveelheid ruw eiwit, die per dag wordt
verstrekt, te delen door 100. Dit quotiënt geeft het maximale aantal mg
NH3 weer dat in 100 ml pensvloeistof op zo\'n rantsoen gevormd wordt.
Stijgt de ZW/vre-verhouding in het rantsoen boven 5,5, dan daalt de
ammoniakconcentratie tot 10 a 20 mg en wordt deze verhouding nauwer
dan 4,6 dan stijgt de auimoniakproduktie tot 30 a 40 mg%. De anunoniak-
concentratie in de pens na het voederen van geënsileerde produkten is af-
hankelijk van het welslagen van het inkuilproces. Heeft er tijdens het con-
serveren een grote eiwitafbraak plaats gevonden, dan zal de ammoniak-
concentratie in de pensvloeistof door de aanwezigheid van vele amiden,
hoger zijn dan wanneer het oorspronkelijk produkt gevoederd wordt. In
de weideperiode vinden we de hoogste ammoniakconcentraties in de pens.
Dit ammoniakgehalte wordt positief beïnvloed door het ruw-eiwitgehalte
en negatief door de overige koolhydraten van het gras, maar volgens onze
onderzoekingen is de betekenis van de overige koolhydraten in dit opzicht
groter dan van het ruweiwit. We hebben getracht het verband te be-
rekenen tussen het ammoniakgehalte in de pens en de overige kool-
hydraten en het ruw-eiwitgehalte in het gras.

Dit verband wordt weergegeven door de volgende regressievergelijking:

y = 0,587 x — 1,279 z -f 72,268, waarin
y = mg
NH3 in ml pensvloeistof; x = percentage re in ds van het gras;
z = percentage overige koolhydraten in ds van het gras.

In sommige gevallen kan toch de ammoniakconcentratie in de pensvloeistof
hoger zijn dan door deze formule wordt aangegeven. Wanneer namelijk
de laatste stikstofbemesting nog kort geleden heeft plaats gevonden en er
nog veel amiden in de plant aanwezig zijn, zal het ammoniakgehalte be-
duidend kunnen stijgen, omdat door een relatief tekort aan koolhydraten
of andere energierijke verbindingen, de eiwitsynthese verminderd is.

Bij een hoge ammoniakconcentratie in de pensvloeistof (60 mg%) kan het
bloedureiungehalte stijgen tot 70 a 80 mg%.

Nimmer helaben we verschijnselen waargenomen, die op een ammoniak-
intoxicatie wijzen. Wel hebben we op stal kunnen aantonen, dat tenge-

-ocr page 203-

volge van een stijging van het ainmoniakgehalte in de pensvloeistof door
toevoegen van 200 gram ureum aan het rantsoen het magnesiumgehalte in
het bloedserum sterk kan dalen. Zo zakte het bloed-magnesiumgehalte van
een koe van 1,5 naar 0,7 mg% en van een ander rund, dat hetzelfde rant-
soen ontving van 2,7 naar 1,7 mg%. Men heeft wel gedacht, dat door de vor-
ming van het, in een bepaald milieu, onoplosbaar magnesiumammonium-
fosfaat de magnesiumbenutting kan verminderen. Dit zou naar onze
mening een verklaring kunnen zijn voor het feit, dat sommige onderzoekers
na toediening van een ammoniakverbinding geen hypomagnesiëmie waar-
namen. Wanneer het anion namelijk aanleiding kan geven tot een daling
van de pH, blijft het annnoniummagnesiumfosfaat in oplossing en kan het
magnesium wel benut worden.

De vorming van de lagere vluchtige vetzuren na opname van diverse rant-
soenen.

Met het oog op de grote betekenis van de vetzuren voor het herkauwers-
organisme zelf en voor de produktie, hebben we een onderzoek ingesteld
naar de vorming van het azijnzuur, propionzuur en boterzuur in de pens
na opname van verschillende rantsoenen. We hebben allereerst de vorming
van de vluchtige vetzuren na opname van diverse ruwvoeders, voorname-
lijk gras, hooi en silage, bepaald.

Vervolgens werd op enige krachtvoederrant.soenen en tevens op gecombi-
neerde rantsoenen van ruwvoer met krachtvoer, de vetzuurvorming in de
runderpens nagegaan.

a. DE VORMING VAN DE VETZUREN OP EEN GRASRANTSOEN.

Ons onderzoek hebben %ve verricht op 24 percelen grasland, gelegen op
verschillende grond.soorten in de provincies Friesland, Noord-Holland,
Utrecht, Gelderland, Overijssel en Noord-Brabant. Van 106 runderen, die
op deze percelen liepen, hebben we een monster van de pensinhoud ge-
nomen. Deze monstername geschiedde steeds tussen 10 en 12 uur. Overi-
gens is ons wel gebleken, dat in de weide de vetzuurverhouding in de pens
gedurende de dag maar weinig varieert.

Dc gemiddelde vetzuurverhouding van alle onderzochte monsters, bedroeg:
azijnzuur 64,76 St. afw. ± 3,23
propionzuur 19,81 St. afw. ±: 3,13
boterzuur 15,42 St. afw. ± 2,20
Er bestaat dus volgens onze onderzoekingen een grote variatie in de vet-
zuurpercentages van de afzonderlijke vetzuren. We hebben berekend met
de F-toets, dat de percelen zelf voor alle vetzuren een betrouwbare bron
van variatie vormen. Voor de vorming van de vetzuren blijken er zeer
significante perceelverschillen te bestaan.

We vonden geen duidelijk verband tussen de samenstelling van het gras,
geanalyseerd volgens de Weender-analysemethode en de vetzuurverhou-
ding in de pensvloeistof. Wel blijkt, dat de datum waarop de monsters ge-
nomen zijn, van invloed is op de gevonden vetzuurverhouding. In het alge-
meen zien we in het voorjaar een lager azijnzuurpercentage dan in de
herfst; maar speciaal het propionzuurgehalte wordt duidelijk door het sei-
zoen beïnvloed. Na opname van het jonge lentegras kan het propionzuur-

-ocr page 204-

gehalte in de pens zelfs tot 30% stijgen, terwijl het gehalte in het najaar
soms niet meer dan 17% bedraagt. Daling van het propionzuurgehalte is
waarschijnlijk een gevolg van de gelijktijdige vermindering van het suiker-
gehalte in het gras. Het boterzuurpercentage toont gedurende het gehele
seizoen grote schommelingen.

b. DE VORMING VAN DE VETZUREN OP EEN HOOIRANTSOEN.

Op een hooirantsoen zien we vee! minder variaties optreden in de vetzuur-
verhouding. We schrijven dit toe aan het feit, dat tijdens de hooiwinning
vele gemakkelijk aantastbare koolhydraten verloren gaan. Wordt naast
een hooirantsoen krachtvoeder verstrekt, dan zien we, afhankelijk van de
samenstelling van het krachtvoeder, meestal een stijging van het propion-
zuurpercentage met 1 a 2%.
Onze gemiddelde waarnemingen waren:
azijnzuur 67,70%

propionzuur 19,65%
boterzuur 12,64%

c. DE VORMING VAN DE VETZUREN OP EEN RANTSOEN, BESTAANDE
UIT GRASSILAGE.

Wanneer het gras wordt ingekuild, dan blijkt het al dan niet slagen van
het conserveringsproces een grote invloed te hebben op de te vormen
vetzuurverhouding in de pensvloeistof.

We konden uit onze onderzoekingen berekenen, hoe het melkzuur en het
boterzuur in de silage, het propionzuur- en boterzuurgehalte in de pens-
\\loeistof beïnvloeden. Tussen het boterzuurgehalte van de silage en het
boterzuurpercentage in de pensvloeistof bestaat een correlatiecoëfficiënt
van -fO,92. Het verband tussen deze twee grootheden wordt weergegeven
door de volgende regressievergelijking:

y = 6,248 X 11,499
y = % boterzuur in de pensvloeistof.
X = % boterzuur in de silage.

Tevens vonden we tussen het melkzuur in de silage en het propionzuur-
gehalte in de pensvloeistof een correlatiecoëfficiënt van 0,94. Het ver-
band tussen deze twee grootheden kan worden voorgesteld door de vol-
gende regressievergelijking:

y = 7,638 X 13,824
y = % propionzuur in de pensvloeistof.
X = % melkzuur in de silage.

Omdat de vetzuurverhouding in de pens zich na opname van geconser-
veerde produkten gedurende de dag kan wijzigen, zijn deze formules ge-
baseerd op de analyses van de monsters pensinhoud, die 2 uur na de silage-
voedering genomen werden.

Uitgaande van hetzelfde gras, dat op verschillende wijze geconserveerd is,
kunnen we produkten verkrijgen, die een geheel andere verhouding tussen
het boterzuur en propionzuur in de pensvloeistof veroorzaken. Wanneer
deze verhouding groter dan 1 wordt, achten we dit ongunstig voor het
hoog producerende rund.

-ocr page 205-

Men is gewend de voederwaarde van een silage uit te drukken in de zet-
meelwaarde en het percentage voedernormruweiwit. Naar onze mening
zullen we echter tevens rekening moeten gaan houden met de hoeveelheid
melkzuur en boterzuur, die in de silage aanwezig is en waaruit het gehalte
aan propionzuur en boterzuur in de pensvloeistof kan worden berekend.
Zodoende zal men georiënteerd raken over het propionzuurvormend ver-
mogen van de silage en over de verhouding tussen het boterzuur en
propionzuur in de pens. Deze kennis is naar onze mening van groot be-
lang, omdat speciaal de pas afgekalfde, hoog producerende runderen tot
instandhouding van de melkproduktie en ter voorkoming van stoornissen
in de koolhydraatstofwisseling, een grote hoeveelheid propionzuur nodig
hebben. Een slecht geslaagde silage in het rantsoen zal speciaal voor deze
runderen een oorzaak kunnen zijn voor een niet optimale melkgift en uit-
eindelijk tot bepaalde ziektesyrnptomen kunnen voeren.

d. DE VORMING VAN DE VETZUREN OP EEN MESTRANTSOEN.

Op een mestrantsoen variëren de \\etzuurpercentages in de pensvloeistof,
afhankelijk van de verhouding tussen het krachtvoeder en het ruwvoeder
in het rantsoen. Wanneer niet meer dan 1 kg hooi of stro verstrekt wordt,
aangevuld met 6, 7 of 8 kg krachtvoeder per dag, kan het propionzuur-
gehalte stijgen tot boven 40%, tei-wijl het azijnzuurpercentage gelijk-
tijdig daalt tot 45%. Verhogen we de ruwvoedergift met enige kilogram-
men, dan zien we het propionzuurgehalte spoedig tot 20% dalen. Bij onze
onderzoekingen is eveneens gebleken, dat bij het voederen van grote hoe-
veelheden krachtvoeder, de variaties in de vetzuursamenstelling van de
pensvloeistof tussen de runderen onderling, groter zijn dan wanneer veel
ruwvoeder in het rantsoen is opgenomen. Bij een mestproef bleken twee
stiertjes, die het minst in gewicht toenamen, een afwijkende fermentatie
in de pens te vertonen ten opzichte van de andere dieren uit de groep.
Een verschil in eiwitgehalte van een overigens o\\ereenkomstig mestrant-
soen veroorzaakte geen andere vetzuurverhouding in de pensvloeistof.

c. DE VORMING VAN DE VETZUREN OP EEN R.\\NTSOEN, BESTAANDE
UIT HOOIBROKJES EN KRACHTVOEDER.

Wanneer we hooibrokjes, gecombineerd met krachtvoeder in de verhouding
6 : 1 aan jonge runderen verstrekken, zien we in vergelijking met een
rantsoen ongemalen hooi, geen verandering in het propionzuurgehalte van
de pensvloeistof.

Shaw (1958) en Ensor (1959) namen wel een verhoging van het
propionzuurgehalte waar wanneer een combinatie van lucernebrokjes met
maismeel verstrekt werd. Wij konden wel bevestigen, dat de totale hoe-
veelheid vluchtige vetzuren in de pensvloeistof significant toenam wanneer,
in plaats van hooi, hooibrokjes werden verstrekt. Wij schrijven dit toe aan
een snellere vetzuurvorming door de bacteriën en aan een verminderde
speekselsecretie, waardoor de concentratie van de vetzuren toeneemt.

f. DE VORMING VAN DE VETZUREN NA OVERVOEDERING MET
KRACHTVOEDER.

Na overvoedering met krachtvoeder daalde binnen 12 uur de pH in de
pens tot 4,92, terwijl het melkzuurpercentage steeg tot 621 mg%. De proto-

-ocr page 206-

zoen werden bewegeloos. Dit lioge nielkzinngehalte was na 36 uur nog in
de pens aanwezig. Aanvankelijk daalde na de overmatige krachtvoeder-
opname het propionzuur- en boterzuurgehalte en steeg het azijnzuur-
percentage in de pensvloeistof. Na 36 uur was de vetzuurverhouding radi-
caal veranderd.

azijnzuur 45,4%

propionzuur 50,3%
boterzuur 4,3%

De totale hoeveelheid vetzuren bedroeg toen 6,2 mg aeq. per 100 gram
pensvloeistof.

Het melkzuur blijft blijkbaar lang genoeg in de pensvloeistof aanwezig om
bepaalde bacteriën de gelegenheid te geven om hieruit propionzuur te
vormen. Overigens heeft dit rund behalve enige diarree, geen enkel ziekte-
symptoom vertoond en at het 24 uur na de overvoedering weer praktisch
haar volledige rantsoen.

Acetonemie.

Deze stofwisselingsziekte wordt onder meer gekemnerkl door een daling
van het glucosegehalte en een stijging van het percentage acetonlichamen
in het bloedserum.

Bij ons onderzoek is duidelijk naar voren gekomen, dat naast de „klassieke"
vorm van acetonemie nog een ander ziektebeeld voorkomt, dat we de „sub-
pathologische acetonemie" zouden willen noemen.

l)eze „ziekte" wordt eveneens gekenmerkt door een laag glucosegehalte en
een hoog percentage acetonlichamen in het bloed, maar de runderen eten
nog wel hun volledig rantsoen en de veehouder is in het algemeen over
de melkproduktie goed tevreden, al kan men soms de opmerking horen
dat zo\'n „patiënt" wel enige kg melk meer zou kunnen geven. Naar onze
mening komen in de ])raktijk vele subpathologische acetoncmiepatiënten
\\oor, maar ze worden meestal niet onderkend. We rekenen deze gevallen
tot een voorstadium van het klassieke ziektebeeld en zijn ervan overtuigd,
dat we door een wijziging in het rantsoen deze „patiënten" kunnen ge-
nezen en dat we eveneens het optreden van deze „ziekte" kunnen voor-
komen.

Bij ons onderzoek van 33 acetoncmiepatiënten in West-Friesland hebben
we speciaal aandacht besteed aan het rantsoen, dat aan de dieren ver-
strekt werd. De samenstelling van de rantsoenen was zeer gevarieerd, maar
alle rantsoenen bleken, in die hoeveelheid waarmede ze aan de nieuw-
nielkse koeien verstrekt werden, te weinig energie te leveren. Meestal werd
20-30% onder de zetmeelwaarde- en vre-norm gevoederd. In de vloeibare
pensinhoud van 18 patiënten bleek het propionzuurgehalte lager dan 16%
te zijn. We hebben aanwijzingen gevonden, dat dit verlaagd propionzuur-
gehalte niet veroorzaakt wordt door een verminderde voedselopname,
maar dat een stoornis in de fermentatie aanwezig kan zijn. Of deze ge-
wijzigde fermentatie primair of secundair optreedt, is niet geheel duidelijk.
De ernstigste acetoncmiepatiënten vertonen het laagste propionzuurgehalte
in de pensvloeistof. Met propionzuurverhogende middelen kan men de
patiënt genezen.

Het propionzuur speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van acetonemie
en gezien het feit, dat dit zuur een voorstof is van het glucose en oxaal-

-ocr page 207-

azijnzuur, die beide sleutelposities innemen voor het goed functioneren van
de citroenzuurcyclus, kan het gebrek aan propionzuur het ontstaan van
acetonemie wel verklaren. Het is mogelijk voor het optreden van deze
ziekte duidelijke jjredisponerende momenten aan te geven.
In al die gevallen waarbij een voor acetonemie gevoelig dier, om welke
reden dan ook, één of twee dagen te weinig voedsel tot zich neemt, kan
de subpathologischc acetonemie overgaan in het klassieke ziektebeeld.
Een
slechte silage ]3redisponeert voor het optreden van slepende melkziekte, niet
alleen door het hoge boterzuurgehalte, dat naast de vorming van aceton-
lichamen ook een daling van het bloedglucosegehalte veroorzaakt, maar
tevens doordat ze door haar laag melkzuurgehalte niet in staat is een extra
hoeveelheid propionzuur in de pensvloeistof te doen vormen. We menen
in de nauwe kalium-natrium verhouding, die bij acetonemiepatiënten in de
urine aanwezig kan zijn, een aanwijzing gevonden te hebben, dat de bij-
nier bij sommige patiënten onvoldoende fnuctioneert. We komen tot de
conclusie, dat de slepende melkziekte in de meeste gevallen veroorzaakt
wordt door een tekort aan propionzuur.
Deze pro]3ionzutirdeficiëntie kan ontstaan door:

a. ondervoeding;

b. ongunstige fermentatie in de pens, waarbij te weinig propionzuur
ontstaat of dc verhouding tussen het boterzuur en ]3ropionzuur > 1
wordt;

c. een combinatie van a en b.

De hoofdmaatregel ter voorkoming van slepende melkziekte bestaat hierin,
dat de \\eehouder ervoor zorgt, dat de hoog producerende runderen vol-
doende energie in hun rantsoen ontvangen en dat daarenboven kort na
d(" isartus die voedermiddelen worden verstrekt, die de propionzuur-
xorming in de pens stimuleren.

Dc invlocd van enige voedermiddelen op het propionzuurgehalte in de
pens.

Onze produktieve rimderen hebben veel propionzuur nodig om een hoge
melkproduktie in stand te kunnen houden, zonder dat daarbij acetonemie
optreedt. In de weide zal voldoende propionzuur in de pens gevormd kun-
nen worden, wanneer het gras een aanzienlijk gehalte aan gemakkelijk
aantastbare koolhydraten bezit en de verteerbaaVheid van de droge stof
hoog is. In het voorjaar zal daarom de kans op een propionzuurtekort,
zelfs bij een zeer hoge produktie, minimaal wezen. In de late zomer en het
najaar zal er minder propionzuur in de pens van het rund gevormd wor-
den, zodat voor sommige hoog produktieve runderen het bijvoederen van
krachtvoeder gewenst kan zijn. Omdat dc verschillende granen de pro-
pionzum-vorming ongelijk beïnvloeden, is het van groot belang de pro-
dukten, die in dit opzicht de sterkste specifieke werking vertonen, voor dit
doel op te sporen.

\\\'an enige voedermiddelen werd het effect op de propionzuurvorming door
ons bepaald met behulp van fistelkoeien. We hebben reeds opgemerkt, dat
een goed geslaagde silage een hoog propionzuurgehalte in de pens ver-
oorzaakt. Wanneer daarentegen het ingekuilde produkt veel boterzuur
bevat, is de silage uit het oogpimt van de propionzuurvorming het slecht-
ste voedermiddel.

-ocr page 208-

Uit de voederbieten, die op vele bedrijven gevoederd worden, kan een hoog
percentage propionzuur gevormd worden. Uit onze onderzoekingen is ge-
bleken, dat wanneer naast een hooirantsoen 30 kg voederbieten wordt ver-
strekt, het propionzuurgehalte in de pens kan variëren van 20-26%, af-
hankelijk van het droge-stofgehalte van de bieten. Daar komt echter bij,
dat het boterzuurgehalte tengevolge van de bietenvoedering eveneens
stijgt en varieert van 16-20%. Vanzelfsprekend zal het azijnzuurpercen-
tage naast het hoge propion- en boterzuurgehalte laag zijn. Bij het voede-
ren van grote hoeveelheden bietenkoppen en -blad zien we niet die hoge
propionzuur- en boterzuurgehalten in de pensvloeistof optreden.
Naast het ruwvoeder vormt het krachtvoeder een groot gedeelte van het
rantsoen, dat aan de hoog producerende runderen moet worden verstrekt.
Doordat de graan- en koeksoorten, waaruit het krachtvoer wordt samen-
gesteld, sterk kunnen variëren zal ook het propionzuurvormend vermogen
aan schommelingen onderhevig zijn. Naast een basisrantsoen, dat bestond
uit 11 kg hooi en 1 kg B-meel weid 4 kg van het te onderzoeken kracht-
voeder aan 3 fistelkoeien verstrekt.
De resultaten staan in nevenstaande tabel vermeld.

Het koken van de granen of de aardappels heeft dus duidelijk invloed op
het propionzuurgehalte van de pensvloeistof. Ook het produkt „rumapo"
vertoont een duidelijk propionzuurverhogend effect. Dit „rumapo" be-
staat uit maïsmeel, dat op een bijzondere wijze uit de korrel is verkregen.
Door bepaalde technische bewerkingen verkrijgt het maïsmeel geheel an-
dere eigenschappen. Het meel is zeer fijn verdeeld en kan veel meer water
opnemen, alvorens verzadigd te raken, dan het onverhitte maïsmeel.

Wanneer we deze proefnemingen overzien, dan komen we tot de con-
clusie, dat we in staat zijn door middel van bepaalde produkten verschui-
vingen in de vetzuurverhouding in de pensvloeistof te veroorzaken.
Door gebruik te maken van natuurlijke voedermiddelen, waarvan sommige
al dan niet een technische bewerking hebben ondergaan, kunnen we het
percentage azijnzuur, propionzuur en boterzuur in de pensvloeistof naar
believen doen stijgen of dalen. Van deze kennis kunnen we gebruik ma-
ken om bij een dreigend propionzuurtekort het rantsoen in die zin te
wijzigen, dat de propionzuurvorming gestimuleerd wordt.
Het voederen van een goed geslaagde silage, aangevuld met krachtvoedcr
waarin bijvoorbeeld maisglutengluose, geëxpandeerde mais of verhit rogge-
meel verwerkt is, zal een hoog propionzuurgehalte in de pens veroorzaken
en de kans op het ontstaan van acetonemie sterk verminderen. We moeten
ook in deze richting echter niet gaan overdrijven, omdat dan het gevaar
bestaat, dat het vetgehalte van de melk ongunstig beïnvkx\'d wordt.

S.AMENVATTING.

In dit proefschrift zijn de rcsuhaten neergelegd van het onderzoek naar enige fer-
inentatieprodukten, die in de pens van het rund gevormd kunnen worden. Om ook
onder praktijkomstandigheden gemakkelijk een monster vloeibare pensinhoud uit
de ventrale penszak te verkrijgen, werd een bestuurbare maagsonde ontwikkeld.
De zuurtegraad van dc pensinhoud varieert, afhankelijk van de samenstelling van
het rantsoen en het tijdstip van de monstername van 5,7 - 7,5. De fermentatieve
ammoniakvorming in de pens van weidende koeien hangt meer af van het gehalte
aan koolhydraten in het gras dan van het gehalte aan ruw eiwit.

De verhouding van de lagere vluchtige vetzuren, die in de pens ontstaat is sterk af-

-ocr page 209-

Gemiddelde analyse

van de pensvloeistof

Samenstelling van het rantsoen

%

%

%

Totaal zuur mg aeq.

naast hooi en 1 kg B-meel

azijnzuur

propionzuur

boterzuur

100 g pensvloeistof

1.

4 kg B-meel

66,07 ± 0,32*)

18,80 ± 0,32

15,13 ± 0,63

11,13 ± 0,58

2.

4 kg suikerpulp

66,67 ± 0,69

20,20 ± 0,40

13,10 ± 1,00

11,70 ± 0,35

3.

4 kg maisglutenglucose

67,35 ± 0,49

20,43 ± 0,34

12,07 ± 0,30

11,17 ± 0,27

4.

4 kg onverhit maismeel I

70,33 ± 0,48

15,87 ± 0,32

13,80 ± 0,26

10,57 ± 0,24

5.

4 kg gekookt maismeel

67,13 ± 0,41

18,47 ± 0,12

14,40 ± 0,51

10,73 ± 0,32

6.

4 kg „rumapo"

64,23 ± 0,47

21,07 ± 0,45

14,67 ± 0,29

10,20 ± 0,90

7.

4 kg onverhit maismeel II

68,33 ± 0,27

17,10 ± 0,12

14,60 ± 0,15

10,40 ± 0,32

8.

4 kg „Finbrood"

67,47 ± 0,24

18,83 ± 0,15

13,67 ± 0,23

10,50 ± 0,45

9.

4 kg roggemeel

68,23 ± 0,56

18,60 ± 0,68

13,13 ± 0,34

10,47 ± 0,74

10.

4 kg gekookt roggemeel

62,70 ± 0,98

22,67 ± 0,32

14,67 ± 0,64

11,23 ± 0,09

11.

4 kg grasmeel

67,43 ± 0,07

19,87 ± 0,07

12,70 ± 0,12

10,23 ± 0,54

12.

18 kg rauwe aardappelen

69,13 ± 0,58

18,13 ± 0,74

12,80 ± 0,50

9,43 ± 0,29

13.

18 kg gestoomde aardappelen

65,67 ± 0,41

21,37 ± 0,56

12,97 ± 0,17

9,07 ± 1,34

14.

30 kg voederbieten 4- 3 kg B-meel

60,90 ± 1,11

21,43 ± 0,26

17,67 ± 0,87

11,47 ± 0,46

Standaardafwijking van het gemiddelde.

O

0

01

-ocr page 210-

hankelijk van de aard van het rantsoen. In het voorjaar wordt er in de pens meer
propionzuur gevormd en minder azijnzuur dan in de herfst. Bij de opname van ge-
ensileerd gras wordt de vetzuurvorming beïnvloed door de kwaliteit van dit produkt.
Een melkzuurhoudende silage verhoogt het propionzuurgehalte in de pensvloeistof.
Duidelijke verlaging van het propionzuurpercentage in de pens was bij uitgesproken
gevallen van acetonemie regel. De preventieve bestrijding van deze ziekte zal gericht
moeten worden op een voeding, die voldoende energie bevat en het propionzuur-
gehalte in de pensvloeistof verhoogt.

De propionzuurvormende eigenschappen van verschillende voedermiddelen werden
getest. Van de granen bleek het gekookte roggemeel het hoogste propionzuurpercen-
tage in de pens te veroorzaken.

SUMMARY.

This thesis contains the results of the study of some products of fermentation which
can be formed in the bovine rumen. To make it more easy to draw samples of the
liquid content out of the ventral sac of the rumen a controllable stomach-tube was
developed.

The pH of the rumen-contents depends on the composition of the ration and of the
moment the sample wa.s drawn of 5,7-7,5. The fermentative formation of ammonia in
the rumen of grazing cows depends more of the carbo-hydrate content of the grass
than of the crude protein content.

The proportion of lower volatile fatty acids, formed in the rumen, depends above
all of the kind of the ration. In spring-time more propionic acid will be formed than
in the autumn-time.

During the intake of grass-sila.ge the formation of fatty acids is influenced by the
quality of the silage.

A lactic acid content of the silage increases the propionic acid content of the rumen-
liquid. A notable reduction of the propionic acid content of the rumen is a normal
fact in cases of acetonacmia.

The fight against this disease must culminate in a nutrition-scheme containing suf-
ficient energy and increasing the proportion of propionic acid content of the rumen-
liquid.

The propionic acid stimulating properties of various feeding-stuffs were examined.
In this test it was established that of the cereals cooked rye-meal produces the
highest proportion of propionic acid in the rumen.

RÉSUMÉ.

La dissertation en question mentionne les résultats dc l\'étude de quelques produits
de fermentation pouvant se former dans la panse bovine. Pour pouvoir se procurer
aussi dans la pratique le plus facilement possible un échantillon du contenu liquide
du sac ventral de la panse on a développé une sonde stomachique diri.geablc.
Le pH du contenu de la panse varie selon la composition de la ration et l\'instant
de la prise d\'échantillon de 5,7-7,5. La formation fermentative d\'ammoniaque dans
la pense dc vaches broutantes dépend plus de la teneur de hydro-carbonés des herbes
que de la teneur dc protéine brut,

La proportion des acides sébaciques volatils moindres, formée dans la panse, dépend
surtout du caractère dc la ration. Au printemps li se forme plus d\'acide propioniquc
qu\'en automne. A l\'ingestion des herbes ensilées la formation des acides sébaciques
est influencée par la qualité du produit en question.

Un ensilage contenant des acides lactiques augmente le contenu d\'acide propioniquc
dans le liquide de la panse. Une diminution évidente du contenu d\'acide propioniquc
de la panse était régulière dans les cas évidents d\'une acétonémie.
Le traitement préventif de cette maladie doit donc se spécialiser sur le terrain d\'une
nourriture qui contienne assez d\'énergie en augmentant la proportion d\'acide pro-
pioniquc du liquide de la panse.

-ocr page 211-

Lo-s qualités de la formation d\'acide propionique de différentes sortes de fourrage ont
été examinées.

Des céréales la farine de seigle cuite résulte de produire la plus haute proportion
d\'acide propionique dans la panse.

ZUSAMMENFASSUNG.

Diese Dissertation enthält die Untcrsuchungser.gcbnisse einiger Fermentationsprodukte,
die gebildet werden können im Rinderpansen. Um in der Praxis einfacher Muster des
flüssigen Inhalts des ventralen Pansensacks zu .gewinnen wurde eine lenkbare Magen-
sonde entwickelt.

Der Säuregrad des Panseninhalts ist abhängig von der Zusammenstelling der Ration
sowie vom Zeitpunkt der Musterzichung von 5,7-7,5. Die fermentative Ammoniak-
bildung im Pansen der weidenden Kühe hängt mehr ab vom Kohlenhydratgehalt dann
vom Roheiweissgehalt im Grase.

Das Verhältniss der niedrigen flüchugen Fettsäuren, die im Pansen gebildet werden,
ist in der Hauptsache abhängig von der Beschaffenheit der Ration. Im Frühjahr bil-
det sich mehr Propionsäure im Pansen als im Herbst. Durch seine Qualität beeinflusst
die Aufnahme von Speichergras die Fcttsäurebildung. Eine milchsäurehaltige Speiche-
rung erhöht den Propionsäuregehalt der Pansenflüssigkeit. Eine deutliche Verringe-
rung des Propionsäurgchalt des Pan.sens ist normal bei ausgesprochener Acetonämie.
Die Vorbeugung dieser Krankheit müsste sich auf eine Nahrung verlegen, die ge-
nügend Energie enthält sowie den Propionsäuregehalt der Pansenflüssigkeit fördert.
Die propionsäurebildende Eigenschaften verschiedener Füttcrungsmittel wurden unter-
sucht. Dabei erwies sich mit Bezug auf Getreidearten als im höchsten Masse die
Propionsäurebildung im Pansen aktivierend .gekochtes Ro.g.genkernmehl.

De duurste stier ter wereld.

Deze betiteling heeft betrekking op dc dertien maanden oude stier „Lindcrtis Evulse",
die voor DM 705.000 (ƒ 634.500,-) uit het Verenigd Koninkrijk in het bezit kwam
van een Noord-Amerikaanse fokvereniging.

Met dit bcHi werd niet alleen het bestaande wereldrecord van ruim ƒ 500.000,- ge-
broken, dat in 1960 te Buenos Aires werd gevestigd, maar ook de Britse „topprijs"
van „slechts" ƒ 350.000,-.

Veeteelt- en Zuivelber., 5, 232, (1963).
Zinkbacitracine voor kuikens, kalveren en varkens.

Aan de Universiteit te Giessen (West-Duitsland) heeft Prof. Dr. L. Krüger proe-
ven genomen met het tocvoe.gen van antibiotica aan het voer van kuikens, kalveren
en varkens.

Bij een tweetal proeven met kuikens werd 5 mg zinkbacitracine per kg voer toege-
voegd. Vergeleken met de controlegroep werd een verlaging van de voederkosten
bereikt met resp. 3 en 4%. Werd aan
varkens gedurende de mestpcriode van 30 tot
100 kg cen hoeveelheid van 30 mg zinkbacitracine per dier per dag verstrekt, dan
werd het voederverbruik met 2,4% verminderd en de voerkosten daalden met 1%.
Toevoeging van 60 mg van het antibioticum per dier per dag aan het rantsoen voor
mestkalveren resulteerde in een 30 g hogere da.gelijkse groei. Behalve een snellere
groei, vertoonden de dieren een betere slachtkwaliteit. De kosten van het zinkbaci-
tracine inbegrepen, daalden de voerkosten met D.M. 4,6 per dier.
De conclusie van Prof. Krüger was, dat de toekomst zal moeten leren, welke de moge-
lijkheden zijn bij het gebruik van zinkbacitracine in de veevoeding.

Veeteelt- en Zuivelber., 5, 231, (1963).

-ocr page 212-

The ventral or apical ventricular septal defect
in animals.

by C. J. VAN NIE>)

Introduction.

The ventral or apical ventricular septal defect (ventr. v.s.d.) lies in the
apical region of the muscular part of the ventricular septum.
In the literature available to this subject another three cases are recorded.
Joes t (1925) records one case in an ass, the anomaly was attended with
a high foramen interventriculare, a subaortal stenose, a valv. tricus-
pidalis with two cusps and an anomaly of the pars membranacea septi cordis.
An explanation of the development of the anomaly is not given.
W i m s a t t and Lewis (1948) mention a case in a yak. They discuss
some hypothesis about the development of the anomaly: perforation of
the wall through abscesses: persistance and dilatation of the ajjcrture of
Gallilei and perforation during the development of the heart, alike the
perforation of the septum primum. They state, the last one is probable,
i\'hey record in the same heart a double orifice of the mitral valve and
anomalous formation of the trabeculae carneae.

Siller (1958) mentions two cases in poultry. He does not explain the
development. He declares that the anomaly is very rare in ]50idtry, for
he has observed only two cases in a collection of 288 hearts with ventri-
cular septal defects.

Ca.sc description. Heart 1515. Calf, 4 months old. (fig. 1 and 2)

In our collection of more than 400 hearts of pigs and cattle with congenital
malformations only one calf heart with a ventr. v.s.d. occurs.
This calf is aged 4 months. The history mentions a fast but quiet resjjira-
tory frecjuention. The calf drunk much, it grew slowly.

The dissection of the animal had the following residts: the organs, excei^t
the heart, are normal. The heart is enlarged, 1/2 times.
A large oval shaped defect is situated in the ventral part of the muscular
ventricular sejjtum. The axis are 2/2 cm. and 1\'/a cm., the longitudinal
axis of the defect falls together with that of the ventricular septum, (see
picture)

When viewed from the left side, the defect is situated between the mm.
papilläres sinister and dexter, the first one is short, muscular and taken up
in the parietal wall. very strong muscular trabecula carnea runs to the
left edge of the defect; a m. transversus runs between the left dorsal edges
of the defect and the right side of the base of the m. papillaris sinister. The
m. papillaris dexter is alsto taken up in the wall.

Viewed from the right side the defect is located ventrally of the poorly
fonned m. papillaris septalis sinister and to the right-ventral of the m. pa-
pillaris septalis dexter. Both mm. papilläres are totally taken up in the
septum.

C. J. van Nie D.V.M., ass. Director of the Municipal Slaughterhouse at Leyden,
Maresingel 20.

-ocr page 213-

Ventral or apical ventricular septal deject.

V.b.d.: Valvula bicuspidalis
V.s. : Ventriculus sinister
: Defect.

A.d. : Atrium dextrum

Ao. : ,\\orta

A.p. : Arteria pulmonalis

A.s. : Atrium sinistrum

D.B. : Ductus Botalli

V.c.ca. : Vena cava caudalis

V.c.cr. : Vena cava cranialis

V.d. : Ventriculus dexter

V.s. : Ventriculus sinister

Vv.p. : Venae pulmonales

-ocr page 214-

The in. papillaris parietalis is [joorly developed and has only one top.
Much hypertrophic trabeculae carneae are situated in the conus arterio-
sus. A pillar-shaped trabecula carnea arises in the extreme ventral part
of the right ventricle. From the top of it two chordae tendineae make
connection with the tricuspic valve.

The trabeculae carneae continue in the wall of the defect.
The moderator band and the valves are of a normal shape.
Abscesses or infarcts are not perceived macroscopically.

Comment.

The little amount of cases of a ventr. v.s.d., three in the great dorncstic
animals and two in poultry, make it impossible to have an exact opinion
about the development of this anomaly.

The hypothesis of W i m s a 11 and Lewis (1948) concerning the secon-
dary perforation is not founded on the studies of Patten (1948) and
Shaner (1928). Both never recorded any form of such secondary
perforation of the ventricular septum. The question arises: Why is these
secondary perforation obsei-ved so veiy rare?

The hypothesis concerning the resorption of an abscess in the muscular
part of the septum is not very probable. Abscesses and their resorption
stadia are often recorded, the change of an extreme resorption stadia in a
defect is not known.

The hypothesis of the aperture of Galilei is also not real, these apertura
have never been seen.

The author supposes on hypothetical basis, that the ventr. v.s.d. develops
as follows: The ventricles develop inde]iendently of the growing together
of the endocardial cushions, they have the shape of a pouch. Between both
])ouches an interventricular sulcus and the attached medial walls of these
pouches are situated. The attached walls are the beginning of the muscular
\\ entricle se])tum (Shaner, 1928).

The resorjjtion of the sjwngy mass in the lumen of the ventricles also
continues in a part of the young ventricular septum. This resorption is nor-
mally limited to some restrict trabecular formations. .\\n abnormal re-
sorjition of the deeper layers of these formations give a strong deformation
and in extreme cases a defect in the septum, so abnormal and hyper-
trabecularization must be present.

The cases of J o e s t, W i m s a t t and Lewis as well as in the authors
case, this anomaly is seen.

In severe cases of an abnormal resorption the defect will be very large.

.An extreme case is a common ventricle (single ventricle).

The author is of the opinion that a ventr. v.s.d. has a congenital origin.

SUMMARY.

A case report of a ventral or apical ventricular septum defect in a calf heart.
Three hypothesis of W i m s a 11 and Lewis are discussed.

The author\'s opinion, that the defect developes through abnormal resorption of
the spongy mass in the ventricles is discussed.

SAMENV.A.TTING.

Een beschrijving van een ventraal of apicaal ventrikelseptumdefect bij het hart van
«en kalf.

-ocr page 215-

Drie hypothesen van Wimsatt en Lewis worden besproken.

De schrijver is van mening, dat het defect zich ontwikkelt door een abnormale

resorptie van de sponzige massa in de ventrikels.

RÉSUMÉ.

Une description d\'un défaut du septum interventriculaire ventral ou apical dans le
coeur d\'un veau.

Trois hypothèses de Wimsatt et Lewis sont discutées.

L\'auteur est d\'avis que le défaut se développe par suite d\'une résorption anormale de
la masse spongieuse dans les ventricules.

ZUS.^MMENF.^SSUNG.

Es wird ein ventraler oder apikaler Ventrikelseptumdefekt im Herzen eines Kalbes
beschrieben.

Besprochen werden 3 Hypothesen von W i m s a 11 und Lewis.
Der Autor meint, dass sich der Defekt durch eine abnormale Resorption der schwam-
migen Masse in den Ventrikeln entwickelt hat.

REFERENCES

J o e s t, E.: Spezielle pathologische .Anatomie der Haustiere, Miszbildungen des

Herzens. R. Schocts Verlag, Berlin, Band IV, 339, (1925).
Patten, B. M.: Embryology of the Pig; The Blakiston Company Philadelphia,
Toronto, (1946).

S h a n e r, R. F.: The development of the muscular architecture of the ventricles
of the pig\'s heart, with a review of the adult heart and a note on two
abnormal mammalian hearts.
The Anat. Ree., 39, 1, (1928).
Siller, W. G.: Ventricular Septal Defects in the Fowl. ƒ. Path. Bact., LXXVI,
431, (1958).

Wimsatt, W. A. and Lewis, I". T.; Duplication of the mitral valve and a rare
apical interventricular foramen in the heart of a yak calf.
Am. J. Anat., 83, 67,
(1948).

(ken „filled niilk" voor kleine kinderen?

Volgens een bericht in het tijdschrift van het Amerikaanse Geneeskundig Genoot-
schap zou de zogenaamde „filled milk" nauwelijks geschikt zijn voor de voeding
van zuigelingen.

Zoals bekend is in „filled milk" het dierlijke vet door plantaardig vervangen, omdat
men meende daarmee dc verteerbaarheid te verbeteren. Uit Zwitserse onderzoekingen
zou nu gebleken zijn, dat dit tegenvalt. Vergeleken werden normale gecondenseerde
melk en ongesuikerde condens, waarin het melkvet door een mengsel van 94% cocos-
nootolie en 6% maiskiemolie was vervangen. Dc kinderen, die met dit laatste pro-
dukt werden gevoed, hadden veel last van diarree en groeiden slecht.
Het cholesterolgehalte van het bloed was weliswaar een stuk lager, maar de onder-
zoekers betwijfelen overigens of het zin heeft, dit gehalte in het bloed van zuige-
lingen laag te houden, omdat er toch geen definitieve normen voor hoeveelheid en
samenstelling van het voedingsvet in de eerste levensmaanden bestaan. Zij zijn eerder
van mening, dat het bij de zuigelingenvoeding in de eerste plaats belangrijker is, dat
de kinderen de voeding goed verdragen en een normale ontwikkeling en groei ver-
tonen.

Landbouivdocumentatie, 19, 578, (1963).

-ocr page 216-

Mestproeven over de invloed van daglicht bij
kalver mesten.1}

Fattening experiments about the influence of daylight
in veal production.

door P. L. BERGSTRÖM^), P. C. HARTi) en
H. E. VAN DER VEEN^)

Inleiding.

De produktie van vlees van vette kalveren neemt onder de verschillende
produktievormen van rundvlees een belangrijke plaats in. In tabel 1 wordt
een overzicht gegeven van het in ons land aanwezige aantal melk- en kalf-
koeien, het aantal slachtingen van nuchtere kalveren en het aantal slach-
tingen van gras- en vette kalveren over de jaren 1950 tot en met 1962.

Tabel 1.2)

Aantal aanwezige melk- en kalfkoeien, aantal slachtingen van nuchtere
kalveren en gras- en vette kalveren.

jaar
mei/juni

melk- en kalf-
koeien, X
1000

slachtingen nuch-
tere kalveren,
X 1000

slachtingen gras-
en vette kalveren,
X 1000

1950

1520

698.1

51.3

1955

1510

744.3

162.1

1957

1493

441.8

300.5

1958

1525

445.1

277.2

1959

1565

389.5

317.7

1960

1628

372.3

411.2

1961

1676

318.5

333.2

1962

1751

nog niet bekend

nog niet bekend

Uit bovenstaande tabel volgt, dat het aantal melk- en kalfkoeien in de
jaren 1950 t.m. 1962 met ca. 200.000 stuks is gestegen. In 1950 werd het
overgrote deel van de 750.000 stierkalveren, die jaarlijks werden geboren,
nog als nuchtere kalveren geslacht. In de loop der jaren is dit aantal sterk
teruggelopen, terwijl het aantal slachtingen van gras- en vette kalveren
over het geheel genomen een sterke stijging vertoont. In 1961 was het
aantal geslachte gras- en vette kalveren iets lager, mogelijk omdat toen
een groter aantal kalveren werd aangehouden om als vleesstiertjes te wor-
den afgemest.

1  157e Mededeling van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord", Driebergscweg 10 d, Zeist. Samenvatting van I.V.O.-rapporten B. 10 en
B. 41.

\') P. L. Bergström, Dr. P. C. Hart en H. E. van der Veen, wetenschappelijke mede-
werkers van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord", Drie-
bergscweg 10 d, Zeist.

2) Ontleend aan „Landbouwcijfers 1962-1963".

-ocr page 217-

Het mesten van vette kalveren is een bedrijf dat in ons land van oudsher,
vooral op de kleine zandbedrijven, werd uitgeoefend. De dieren werden
hierbij kort na de geboorte in zogenaamde „kalverkisten" opgesloten om
met volle melk te worden gemest tot een leeftijd van ongeveer 3 maanden.
De kalverkisten werden op een donkere, warme plaats gezet, waarbij vaak
aan de dieren zeer weinig bewegingsvrijheid werd gelaten. Bij deze wijze
van mesten liet de hygiëne vaak veel te wensen over, terwijl door het
volle-melk dieet een sterke anemie en andere deficiëntieverschijnselen op-
traden. Het is tegen deze toestanden dat men van de zijde van de dieren-
bescherming meende te moeten ageren, en wel met name tegen de geringe
bewegingsvrijheid en het mesten in duister.

Intussen was echter op dit gebied veel veranderd. Zo treft men thans de
dieren steeds meer aan in comfortabele kalverhokjes, veelal op latten-
roosters, die een betere hygiëne mogelijk maken en een sneller constateren
van storingen bevorderen.

Het volle-melk dieet heeft thans voor het grootste deel plaats gemaakt voor
een dieet, waarbij melkvervangende preparaten worden gebruikt. Het is
mogelijk gebleken ook op deze wijze kalfsvlees van priina kwaliteit te pro-
duceren.

Er was echter één factor, die door de praktische mesters van veel belang
werd geacht, nl. het mesten in duister of schemerdonker. Men meent na-
melijk, dat het mesten met het oog op de zo gewenste „blanke" vleeskleur
onder deze omstandigheden dient te geschieden. Om een indruk te ver-
krijgen over de noodzaak van dit mesten in verduisterde ruimten werden
door het I.V.O. een aantal proeven gedaan met mestkalveren, die in vrij
volledige duisternis, respectievelijk onder toetreding van normaal daglicht
zijn gemest.

In de nieuwe Wet op de Dierenbescherming van 25 januari 1961 worden
de voorschriften voor het mesten van kalveren bij Algemene Maatregel
van Bestuur geregeld. Deze voorschriften komen in liet kort erop neer, dat:

a. m de ruimten tussen zonsop- en zonsondergang minstens een zodanige
schermerduisternis moet heersen, dat de kalveren en hun onmiddellijke
omgeving duidelijk zijn te onderscheiden;

b. aan de dieren voldoende gelegenheid wordt gegeven om op beide zijden
te gaan liggen en staande de kop vrij te bewegen.

Wij menen, dat deze eisen alleszins redeiijk zijn te noemen en dat de for-
mulering niet in te veel details treedt, hetgeen met het oog op nieuwe ont-
wikkelingen in deze materie ongewenst zou zijn.

Proefopzet.

In de jaren 1958 tot en met 1962 zijn een aantal mestproeven met mest-
kalveren uitgevoerd. Het ging hier om zes proefseries, die de volgende
aantallen dieren omvatten, welke in de eindberekening zijn opgenomen.
Voor de proefseries I en IV zijn kalveren op de markt aangekocht, de
tweelingparen (niet identieke paren) en afstammelingengroepen werden
door ons rechtstreeks van het bedrijf van de fokker aangekocht.
Voor het mesten van de kalveren stonden ons drie ruimten ter beschikking,
die corresponderen met de proefseries a, b en c uit tabel 2.
Deze ruimten vormen wat betreft het stalklimaat elk een aparte eenheid.
De ruimten a en b zijn door een dunne lichtwerende tussenwand in een

-ocr page 218-

lichte ruimte (normaal daglicht) en een donkere ruimte (vrij volledige
duisternis) verdeeld. De ruimte c was een halfdonkere ruimte.
Op grond van de ervaringen bij groeisnelheid en voederconversie wordt de
vergelijking tussen licht en donker (verder aan te geven als L en D groepen)
per proefruimte en per gelijktijdig gemeste groepen gemaakt. Om deze
redenen vormt de groep, die in halfdonker werd gemest (verder aan te
geven als H groep) een op zichzelf staande, niet geheel vergelijkbare groep
ten opzichte van de andere groepen.

Tabel 2.

Aantallen proefdieren en verdeling over de proefseries en behandelings-

groepen.

Bchandelingsgroep Aard van het
Proefserie licht donker halfdonker_uitgangsmateriaal

14 4 — MRIJ-kalvcren

II 5 5 — FH MRIJ tweelingparen

III 6 6 — FH MRIJ tweelingparen

® 6 — \\ FH-kalveren van 3 K.l.-stieren

FH-kalveren van 1 K.I.-stier

FH-kalveren

Totaal 50 51 12

Er werd naar gestreefd de temperatuur in de ruimten op 18° C tc hand-
haven, wat vrij goed lukte. Een uitzondering hierop \\\'ormt de proefserie
IVb, die gemest werden bij een temperatuiu\' van maximum 8 a 10° C.
De dieren werden gemest in kalvcrhokjes van 150 cm lang, 110 cm hoog en
50 a 53 cm breed, die van tussenschotten van 100 cm lengte waren voor-
zien en waarin de dieren aangebonden waren. De bodem bestond uit latten-
roosters. Deze kalvcrhokjes hebben voor het hier gestelde einclgewicht van
ongeveer 135 kg ten volle voldaan en boden aan de dieren voldoende
ruimte om ongehinderd tc gaan liggen.

De voedering van de dieren bestond bij proefserie I en III t.m. VI uit een
melkvervangend preparaat dat werd samengesteld naar aanwijzingen van
het Instituut voor Veevoedingsonderzoek te Hoorn. Deze kunstmelk werd
verstrekt in een vaste verdunning van 125 g poeder per liter en werd ge-
voerd in lichaamswarme toestand.

De dieren van proefserie II werden met \\olle melk gemest. Het mestschema
was vergelijkbaar met de in de praktijk gevolgde scliema\'s. De wegingen
van de dieren vonden eens per 14 dagen plaats.

De indeling in gelijkwaardige groepen was gebaseerd op een beoordeling
van de kalveren en het aanvangsgewicht. Na de mestperiode zijn de dieren
op subjectieve wijze beoordeeld, vóór het slachten en in geslachte toestand.
Hierbij gold vooral de vleeskleur als belangrijk kenmerk van de kwaliteit.
Ter ondersteuning van de beoordelingsresultaten, waaraan werd medege-
werkt door het voormalig Proefstation voor het Slagcrsbedrijf te Utrecht,

IVb 6 6 — \'

Va 6 6 — ,

Vb 5 6 — /

Vla 6 6 —

VIb 6 e — )

VIc_—_—_12 )

-ocr page 219-

zijn van de dieren bloedmonsters genomen voor bepaling van het hemo-
globinegehalte, het aantal erytrocyten en een differentiatie van het witte
bloedbeeld. Verder zijn \\ an de karkassen spiermonsters onderzocht op myo-
globinegehalte en het totaal aan kleurcomponenten („totale kleur"), terwijl
het ijzergehalte van de lever werd bepaald om te ,trachten uit deze gegevens
een objectieve maatstaf voor de vleeskleur te kunnen opstellen.

Het verloop van de proef.

Bij proefserie I deden zich aanvankelijk moeilijkheden voor, voornamelijk
ten gevolge van diarree, terwijl bij proefserie lï één dier één dag voor het
slachten moest worden opgeruimd ten gevolge van de zogenaamde „lal".
Bij dit laatste dier was tevens een nephritis fibroplastica aanwezig. Het
groeiverloop van de dieren van de I. groep van proefserie IVa was door
onljekende oorzaak onbevredigd.

Het mesten van de proefseries V en VI is met zeer weinig stoornissen ver-
lopen en derhalve zijn deze dan ook als de meest waardevolle proefseries
aan te merken.

De proefresultaten.

Voor de interpretatie \\an de resultaten is gelet op de \\-olgende criteria:

1. groeisnelheid;

2. voederconversie;

3. slachtkwaliteit (en wel in het bijzonder de kleur van het vlees).
1. GROEISNELHEID.

In figuur 1 (pag. 1010) is het groeiverloop van de diverse proefseries weer-
gegeven tot aan het tijdstip, waarop met de aflevering werd begonnen. Uit
dit groeiverloop volgt, dat de groeiresultaten \\an cle L groepen in vele ge-
vallen iets boven die van de vergelijkbare D groepen liggen (proefserie I, 11
en Va) of nagenoeg gelijk rnet deze (proefserie III, IVb, Vb, Vla en VIb).
Slechts bij proefserie IVa, waar de L groep relatief slechte groeiresultaten
liet zien, lag het groeiverloop van de L groep lager. De gemiddelde dage-
lijkse gewichtstoename, waarin dus de gehele mestperiode is betrokken, is
in tabel 3 weergegeven.

Ofschoon door de grote spreiding van de waarden binnen de groepen de
verschillen niet significant zijn, is er toch een tendens tot betere groei-
resultaten van de dieren van de L groepen waar te nemen. Bij de tweeling-
paren die in de proefseries II en III waren opgenomen kwam dit nog eens
naar voren, waar bij een totaal van tien paren de groeiresultaten bij zeven
paren ten gunste van de L partner lagen.

De resultaten van de dieren van dc H groep, die echter om eerder vermelde
redenen niet geheel vergelijkbaar is, vertonen een grote overeenkomst met
de groeiresultaten van proefserie VIb.

Er dient op te worden gewezen dat een duidelijke invloed van de proef-
ruimte op de groeiresultaten is vast te stellen. Per proefserie zijn de ver-
schillen tussen L en D groepen die in dezelfde ruimte zijn gemest vaak re-
latief gering, vergeleken m.et de niveau-verschillen tussen groepen die wel
gelijktijdig doch in verschillende ruimten werden gemest. Dit was vooral bij
proefserie V en VI duidelijk te zien.

-ocr page 220-

Gemiddelde dagelijkse gewichtstoename in kg
(= nuchter eindgewicht — nuchter aanvangsgewicht)
aantal proef dagen

behandelingsgroep

D H

verschil ten
gunste van

proefserie

I

0,860

0,07

0,769

0,05

L

II

0,880

0,06

0,784

±

0,09

L

III

0,877

0,04

0,866

0,05

L

IVa

0,698

±

0,07

0,840

±

0,06

D

IVb

0,608

0,06

0,612

0,06

D

Va

0,923

0,03

0,915

0,02

L

Vb

0,952

0,02

0,942

±

0,02

L

Vla

0,965

0,02

0,957

±

0,03

L

VIb

0,928

0,01

0,924

±

0,01

L

VIc

0,932 ± 0,01

2. VOEDERCONVERSIE.

In tabel 4 is het verbruik aan liters kunstmelk, respectievelijk volle melk
benodigd voor 1 kg gewichtstoename, weergegeven. Waar gewerkt weid
met een constante verdunning van 1 ä 8 voor de kustmelk is het aantal kg
kunstmelkpoeder hieruit af te leiden.

Tabel 4.

verschil ten
gunste van

behandelingsgroep
D

proefserie

H

(Kunstmelk)

I

11,55

±

0,37

12,37

±

0,25

L

III

12,52

0,37

12,69

±

0,49

L

IVa

15,20

0,98

13,02

±

0,60

D

IX\'b

15,37

±

0,38

14,07

0,76

D

Va

12,48

0,32

12,24

±

0,40

D

Vb

11,76

0,32

12,24

0,24

L

Vla

11,04

±

0,16

11,36

0,08

L

VIb

11,20

0,16

11,28

0,17

L

VIc

11,12 :

t 0,08

(Volle melk)

II

11,35

0,50

12,87

1,03

L

Het beeld van de voederconversie verloopt vrijwel parallel aan dat van de
groeiresultaten uit tabel 3. Ook hier zijn geen statistisch betrouwbare ver-
schillen aanwezig, doch bestaat er een tendens tot een voordeliger voeder-
conversie bij de dieren van de L-groepen.

-ocr page 221-

3. SLACHTKWALITEIT.

De slachtkwaliteit wordt bepaald door:

a) aanhoudingspercentage;

b) kwantitatieve karkaskenmerken;

c) kwaliteit van het vlees, met name ten aanzien van de kleur,
a) Aanhoudingspercentage.

Het aanhoudingspercentage (dit is het karkasgewicht in afgekoelde toe-
stand in procenten van het nuchter le\\end eindgewicht) is in tabel 5 weer-
gegeven.

Tabel 5.

verschil ten
gunste van

proefserie

behandelingsgroep
D

H

I

59,1

0,9

57,2

0,4

L

II

61,6

±

0,6

61,8

1,0

D

III

62,6

±

0,6

62,9

0,4

D

IVa

60,8

0,8

62,0

0,4

D

IVb

59,7

±

1,1

60,7

1,6

D

Va

62,4

0,7

63,5

±

0,8

D

Vb

63,3

0,3

63,1

0,4

L

Vla

60,2

±

0,6

62,6

±

0,8

D

VIb

60,5

0,5

61,0

±

0,5

D

VIc

61,0 ± 0,3

De tendens tot een hoger aanhoudingspercentage van de dieren van de D-
groepen is een gevolg van een groter gewichtsverlies van de dieren van de
D groepen tijdens het vasten, gedurende 12 uur vóór het slachten.

b) Kwantitatieve kenmerken.

De kwantitatieve kenmerken zijn in de eerste plaats langs subjectieve weg
benaderd. De dieren zijn in le\\ende en geslachte toestand beoordeeld op ge-
vleesdheid, vetheid en beenderstelsel.

Hiervoor werd een puntenschaal van 1 tot 10 gebruikt, waarbij ten aanzien
van de vetheid dient te worden opgemerkt dat een optimale vetheid de
hoogste waardering kreeg.

In de volgende tabel zijn een aantal van deze gegevens weergegeven die
betrekking hebben op de karkasbeoordeling omdat deze de meest directe
indruk geeft van de slachtkwaliteit.

Van een groot gedeelte van de proefdieren is verder een karkasanalyse ge-
maakt die in het algemeen de subjectieve beoordeling wat betreft de vlees-
vet-verhouding ondersteunde.

Uit tabel 6a volgt dat ten aanzien van gevleesdheid geen sytematische ver-
schillen tussen de L en D-groepen van elke proefserie aanwezig waren. De
verschillen zijn vaak gering en het beeld met betrekking tot de proeffactor
wisselt.

-ocr page 222-

Tabel 6a.

Resultaten van de .subjectieve karkasbeoordeling.

Proefserie

Gevleesdheid

Vetheid

Vleeskleur

Algemene inoruk

voorvoet

achtervoet

L

D

H

L

D

H L

D

H L

D

H L

D

H

I

7,3±0,3

6,8 ±0,3

7,9 ±0,2

7,4 ±0,2

7,1 ±0,2

7,1 ±0,1

7,0 ±0,2

7,5 ±0,2

7,3 ±0,3

7,0 ±0,5

11

7,8±0,5

7,2 ±0,4

8,1 ±0,4

7,6 ±0,4

8,4 ±0,5

7,2 ±0,6

3,1 ±0,3

8,2 ±0,4

8,0 ±0,4

7,4 ±0,3

III

6,8 ±0,2

7,1 ±0,2

7,8 ±0,2

7,9 ±0,2

7,0 ±0,6

6,5 ±0,5

7,4 ±0,4

7,0 ±0,5

7,3±0,3

7,2 ±0,3

IVa

5,4 ±0,3

6,6 ±0,4

6,5 ±0,2

7,0 ±0,5

5,3 ±0,4

6,3 ±0,5

5,7 ±0,3

6,7 ±0,2

5,8 ±0,2

6,4 ±0,3

IVb

5,4 ±0,4

5,4 ±0,7

6,7 ±0,4

6,3 ±0,6

4,5 ±0,7

4,8 ±0,5

6,4±0,3

6,2 ±0,6

6,0 ±0,4

5,7 ±0,4

Va

7,4 ±0,3

7,6 ±0,3

7,6 ±0,4

7,7 ±0,3

7,5 ±0,5

7,3 ±0,4

7,5 ±0,2

7,5 ±0,2

7,4 ±0,2

7,5 ±0,2

Vb

7,2 ±0,4

7,3 ±0,3

7,0 ±0,4

7,3 ±0,3

8,1 ±0,2

8,3 ±0,5

6,8 ±0,5

7,8 ±0,3

7,2±0,3

7,6±0,3

Vla

7,3 ±0,2

7,5 ±0,2

7,3 ±0,2

7,5 ±0,2

9,3 ±0,4

8,3 ±0,4

8,3 ±0,3

7,0 ±0,21)

7,8 ±0,2

7,4 ±0,2

VIb

7,0 ±0,1

7,0±0,1

7,3 ±0,1

7,0 ±0,2

9,2 ±0,5

7,5 ±0,52)

7,5 ±0,3

7,3 ±0,1

7,3 ±0,2

7,0 ±0,2

VIc

7,0 ±0,1

7,2±0,1

8,5 ±0,3

7,5 ±0,2

7,3±0,3

1) significant P < 0,01

2) significant P < 0,05

-ocr page 223-

Tabel 6b.

Resultaten van de objectieve bepaling.îmethoden t.a.v. de vleeskleur.

Proef-
serie

Hb-gehalte bloed
g%

myoglobine-gehalte
longhaas mg/g

„totale kleur"
longhaas

Fe-gehalte lever

Is

L

D

H L

D

H L

D

H

L

D

H

I

7,5 ±0,8

6,9 ±0,4

1,43±0,14

1,21±0,10

26

2

21

±

2

II

6,1 ±0,3

5,8 ±0,7

0,50 ±0,25

0,52 ±0,09

13

2

18

3

III

6,4 ±0,2

7,4 ±0,6

0,92 ±0,15

1,00±0,15

29

±

2

35

±

3

IVa

8,3 ±0,4

8,6 ±0,7

1,22±0,12

1,36±0,18

2,22 ±0,30

2,49±0,32

41

±

8

42

14

IVb

7,7 ±0,3

6,8 ±0,7

1,28 ±0,09

1,46±0,16

2,09±0,19

2,27 ±0,27

28

2

37

4

Va

7,7 ±0,4

8,1 ±0,5

0,79 ±0,08

0,78±0,10

2,02 ±0,17

1,94±0,14

35

±

4

37

3

Vb

7,7 ±0,5

9,0 ±0,7

0,94 ±0,22

0,79±0,10

2,49 ±0,32

1,92±0,13

30

5

29

1

Via

8,0 ±0,4

10,0 ± 0,31 )

1,35±0,12

2,09±0,15i)

2,75 ±0,31

4,22±0,31i)

23

3

32

32 )

VIb

9,0 ±0,2

8,8 ±0,3

1,27±0,13

1,67±0,10

2,92±0,25

3,46 ±0,2 7

26

2

25

±

2

Vie

9,1 ±0,4

1,44±0,12

3,07 ±0,21

25 ± 2

significant P < 0,01
2) significant P < 0,05

-ocr page 224-

ffQ

e
e

-ocr page 225-

Wat de vetheid betreft zijn slechts bij proefserie VI duidelijker verschillen
aanwezig tussen de L en D groepen, ten gunste van daglicht. Bij de sub-
jectieve beoordeling werd een optimale vetheid hoog gewaardeerd en waar
bij vette kalveren een grote vetheid zelden een nadeel betekent, werd in alle
gevallen puntenaftrek gegeven, wanneer de vetheid kwantitatief niet vol-
doende was of omdat de vetbedekking niet voldoende egaal was.

c) Kwaliteit van het vlees.

De kleur van de oog- en mondslijmvliezen bij het levende dieren alsmede
de kleur (blankheid) van het vlees zijn langs subjectieve weg beoordeeld
volgens een puntenschaal van 1 tot 10, waarbij een groter blankheid hoger
werd gewaardeerd.

Uit de gegevens van tabel 6b volgt dat de vleeskleur een wisselend beeld
vertoont wat betreft de subjectieve waardering en dat over het geheel ge-
nomen geen systematische verschillen ten gunste van de L of D groepen
naar voren komen.

Ter ondersteuning van de subjectieve beoordeling van de vleeskleur be-
schikten wij nog over een aantal objectieve gegevens die min of meer met
de vleeskleur samenhangen; te weten: het hemoglobine-gehalte van het
bloed, het myoglobine-gehalte en de totale kleur van de longhaas en het
ijzergehalte van de lever (tabel VI b).

Uit deze gegevens volgt dat er geen systematische verschillen zijn tussen de
L en D groepen wat betreft de resultaten van deze chemische bepalingen.
Slechts bij proefserie Vla zijn significante verschillen aanwezig ten gimste
van de L groepen omdat relatief lagere waarden op een sterker anemie en
bleker vleeskleur duiden.

Bovendien is het aantal erytrocyten en leucocyten per mm^ bepaald en is
een differentiatie van het witte bloedbecld gemaakt. De waarden lagen ge-
middeld echter binnen de grenzen die voor normale fokkalveren van de-
zelfde leeftijd worden opgegeven.

In het kader van deze publikatie kan niet nader worden ingegaan op de
interpretatie van de bovengenoemde chemische bepalingen, het verband
met de subjectieve beoordeling en het verband tussen de waarden onder-
ling. Uit een omvangrijker materiaal bleek dat er een zeker verband be-
staat, doch dat de correlatiecoëfficiënten doorgaans niet hoog zijn. Aange-
zien voorts de niveauverschillen tussen de diverse proefseries vrij groot
zijn, zouden wij hier dan ook willen volstaan met de conclusie dat de factor
licht op de vleeskleur weinig invloed heeft en zeker niet nadelig werkt ver-
geleken met de dieren die in donker worden gemest.

Discussie.

Bij de bovenvermelde proeven konden tu.ssen de L en D groepen ten aan-
zien van de slachtkwaliteit geen systematische verschillen worden vastge-
steld. Voor de groeisnelheid en de voederconversie gold dat de groepen
uit het daglicht een tendens tot betere resultaten vertoonden. De groep uit
het halfdonker, die niet geheel vergelijkbaar is omdat zij in een andere
ruimte werd gemest, neemt tussen de proefseries IVa en VIb voor vrijwel
alle criteria een intermediaire plaats in. De dieren van de proefserie IVb,
waar een temperatuurfactor was ingebracht (températuur tot maximum

-ocr page 226-

8° C), vertonen een slechter groei- en voederconversie en bovenal een
slechter vetbedekking.

Nu doet zich de vraag voor in welke grootte-orde de verschillen tussen de
L en D groepen liggen. Uitgaande van de resultaten van de proefserie V
en VI, die door de weinige storingen als de meest waardevolle moeten wor-
den gezien, en aannemende dat de resultaten op normale praktijkomstandig-
heden zijn over te brengen, komt dit neer op een hoger gewicht van onge-
veer 0,7 kg en een betere voederconversie van 3,15 kg kunstmelkpoeder
bij een mestperiode van 100 dagen en een gewichtstoename van 90 kg.
Het is vooral dit laatste verschil dat zeker het mesten in normaal daglicht
aantrekkelijk kan maken, te meer waar dit geen extra voorzieningen
vraagt.

Op het gedrag van de dieren konden wij geen invloed vaststellen bij
gedragswaarnemingen. In de door ons gebruikte ruimten was derhalve
geen groter onrust in de L ruimte, terwijl de dieren uit de D ruimte zich
niet schrikachtiger toonden.

Over het vraagstuk van de invloed van daglicht bij kalvermesten zijn
twee andere publikaties bekend. Swart (1955) vond bij vollemelks-
kalveren wel verschillen, ten gunste van het niesten in donker. K r i p p 1
(1962) daarentegen vermeldt resultaten die onze ervaringen volledig
ondersteunen. Op de slachtkwaliteit is de voeding waarschijnlijk van veel
groter in\\loed, zoals jiroefserie II, waarvan dc dieren met volle melk
werden gemest, laat zien. De resultaten van het chemisch onderzoek ver-
tonen hier zeer lage waarden voor, terwijl hier duidelijker sprake was
van de deficiëntie-verschijnselen, zoals wij die bij mestkalveren kennen.
De mate van anemie bij de kunstmelkkalveren is niet zo sterk als bij de
vollemelkskalveren en het hemoglobine-gehalte benadert waarden die
voor normale fokkalveren worden opgegeven (9-11 g%) terwijl toch van
goed blank kalfsvlees kan worden gesproken.

S.\\MENVATTING.

Bij een mestproef met vette kalveren, waarbij een gedeelte der dieren in daglicht en
een ander gedeelte in vrij volledige duisternis werd gemest, konden geen systematische
verschillen in slachtkwaliteit tussen de beide behandelingsgroepen worden vastgesteld.
Ten aanzien van de groeisnelheid en de voederconversie was een tendens tot betere
resultaten vast te stellen bij de dieren die in normaal daglicht werden gemest.

SUMMARY.

In a fattening experiment with veal calves, in which part of the animals were
fattened in normal daylight and part in rather complete darkness, no systematic
differences in carcass quality between the two groups were found.
As regard growth rate and food conversion a tendency towards better results was
observed in the group fattened in normal daylight.

RÉSUMÉ.

Dans un expériment d\'engraissement avec des veaux de boucherie dans lequel la
moitié des animaux fut engraissée en plein jour et l\'autre moitié dans l\'obscurité,
aucune différence systématique en qualité bouchère ne fut constatée entre les deux
groupes.

Quant à la vitesse de croissance et la conversion des aliments on a pu constater une
tendance vers des meilleurs résultats dans les animaux engraissés en plein jour.

-ocr page 227-

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei einem Mastversuch mit Schlachtkälbern, wobei Tiere im Tagcslicht und andere
Tiere in fast völligem Dunkel gemästet wurden, konnten keine systematischen Unter-
schiede in Schlachtqualität zwischen den beiden Gruppen festgestellt werden.
Mit Bezug auf das Wachstum und die Futterverwertung zeigte sich bei den in
normalem Tageslicht gemästeten Tieren eine Tendenz zu bessere Ergenissen.

LITER.ATUUR

Krippl, J.: Untersuchungen über den Einfluss des Ta.ges!ichtes bei der Mast von

Kälbern. Puhl. Inst, für Tierzucht Techn. Hochschule, München, 1, (1962).
Swart, F. W. J.; Kan het doel van het mesten van kalveren in kisten in het donker

redelijk genoemd worden? Resumé CLO-dagen, 50, (1955).
Bergström, P. L., Hart, Dr. P. C. en Veen, H. E. van der: Proeven om-
trent de invloed van daglicht bij kalvcrmesten.
I.V.O.-publ. B. 10 en B. 41.

Mastitis en melkproduktie.

H. Brodauf van het „Tierhygienisches Institut, Freiburg" onderzocht de moge-
lijkheid van selectie op produktieve koeien die toch een behoorlijke weerstand tegen
mastitis hebben.

Hij vergeleek daartoe de resistentie tegen mastitis en de melkproduktie. Op grond
van een redelijk hoge h^ voor resistentie tegen mastitis (0,38 resp. 0,27) meent hij
dat het zin heeft op produktieve koeien te selecteren die weinig gevoelig voor mas-
titis zijn.

Züchtungskunde, 35, 11, (1963).

De veestapel van Indonesië.

Over het algemeen daalde de veestapel van Indonesië aanmerkelijk in de 5 jaren
voorafgaande aan 1959. Het aantal runderen liep terug van 5.025.000 in 1954 tot
4.876.000 in 1959, buffers van 2.924.000 tot 2.822.000, geiten en schapen van
9.479.000 tot 7.811.000. Het aantal varkens nam echter toe van 1.378.000 tot

I.943.000.

Maatregelen genomen ter verbetering zijn: (1) invoer van fokvee, (2) kruising van
gewone melkkoeien met fokmatcriaal en (3) toepassing van kunstmatige inseminatie.
Het fokken van konijnen nam sterk toe in midden Java, d.w.z. in cen streek die altijd
door voedingsoedeem wordt bedreigd.

Tropical Abstracts, 18, 350, (1963).
Abattoirs tc midden van de weiden van Kenya.

Een poging is ondernomen om de economische waarde van twee abattoirs in weide-
gebieden in Kenya .gelegen te schatten. In de betreffende gebieden komt veel te veel
vee voor. De dieren zijn kleiner dan normaal en niet meer geschikt voor de produktie
van vers vlees voor de verkoop. De twee abattoirs verwerken de dieren ter plaatse
tot gedroogd vlees of poedervlees.

Tegenover een netto-verlies van £ 24.687 staan echter onschatbare voordelen zoals:
(1) goedkoop vlees, (2) controle op ziekten, (3) vermindering van de overbeweiding,
(4) betere voeding, (5) goedkoper dierlijk voedsel, en (6) industrialisatie.
Conclusie: deze methode is misschien ook geschikt voor andere droge gebieden met
veel vee.

Tropical Abstracts, 18, 349, (1963).

-ocr page 228-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Hef homogeen mengen van kleine toevoegingen
door hef voer.

Homogeneous mixing of small quantities of supple-
ments in the feed.

door K. H. HERMANS1)

Het is nog maar enkele jaren geleden, dat de practicus na zijn visites ge-
maakt te hebben, \'s avonds vele recepten klaarmaakte. Geduldig roerend
in een mortier werden al of niet mooi verpulverde en gemengde poeders
samengesteld.

Veel medicamenten, die per os werden toegediend, zijn nu vervangen door
injecties.

De laatste tijd echter, met het toenemen van de bemoeienissen van de prac-
ticus met de pluimveestapel, is het poedermengen weer teruggekomen.
De hoeveelheden medicament die voor. een zieke koppel kunnen worden
voorgeschreven zijn wel niet zo groot, maar de gelijkmatige verdeling ervan
over alle voer, bestemd \\oor b.v. acht dagen, kan soms grote problemen
scheppen. Het toedienen van een medicament door het drinkwater is dan
ook veel eenvoudiger, mits men over een doseervat beschikt.
Wanneer de zieke koppel echter nog vrij goed voer opneemt, dan zal de
practicus liever een therapie door het voer voorschrijven, daar deze medica-
menten niet zo goed oplosbaar behoeven te zijn en dus goedkoper.
Toen de pluimveekoppels nog niet zo groot waren gaf de menging van het
geneesmiddel met het voer niet zo\'n grote moeillijkheid. Nu de koppels soms
groter zijn dan 1000 dieren, is dat een probleem geworden. De eigenaar
met het pure geneesmiddel naar zijn leverancier sturen om het daar te
laten mengen heeft ook zijn bezwaren; vooral omdat ze daar vaak kritiek
te horen krijgen.

Nu is het misschien interessant voor vele collegae, die hier veel mee te
maken hebben, om te zien hoe dit mengen eenvoudig kan worden opge-
lost. (zie foto)

Wanneer b.v. 250 gram medicament voorgeschreven wordt, te mengen door
1000 kilo voer, dan kan dat met behulp van de op de foto zichtbare trom-
mel eenvoudig geschieden.

De eigenaar (de meeste hebben een auto) brengt 100 kilo voer (meel of
kunstkorrel, bij dit laatste treedt wel weer iets ontmenging op, maar dat
valt wel mee). Daarvan wordt telkens 50 pond in de trommel gestort samen
met 62,5 gram van het geneesmiddel. Na enkele minuten draaien is het
dan gemengd. Dit herhaalt men driemaal en alle 100 kilo is van een thera-
peutisch mengsel voorzien, bestemd om tegelijk met 900 kilo ongemengd
voer ver\\\'oederd te worden. De eigenaar kan thuis deze 100 kilo weer gaan
mengen door 900 onvermengde kilo\'s, maar dat gebeurt niet vaak.
Meestal doet hij b.v. 4 maal daags op 4 uiteenlopende plaatsen op de voer-
ketting de berekende hoeveelheid gemengd voer. Dit geeft wel geen vol-
maakte verdeling, maar het voldoet in de praktijk zeer goed. Wanneer hij

1  K. H. Hermans, praktizerend dierenarts te Mill, Stationsstraat 2.

-ocr page 229-

kunstkorrel voert, dan moet hij de ketting enkele malen stilzetten, zodat ook
het zich altijd vormende meel waarin dan het grootste deel van het medi-
cament zit, geheel wordt opgenomen.

Het spreekt wel \\ anzelf dat hierdoor zeer gemakkelijk gegrepen wordt naar
een
mengsel van verschillende medicamenten, die tevens nog kunnen bij-
gemengd worden met de benodigde vitamines. Immers dit laatste wordt
nog veel te vaak vergeten, daar de meeste therapeutica een nadelige invloed
hebben op het beschikbaar zijn van de aanwezige vitamines in het voer
voor de darmcellen.

Enkele technische gegevens: een oud goed gereinigd olievat, scheef door-
boord. Een lange as erdoor met aan één zijde een oud kamwiel van een
fiets; 2 ophangpunten, een vertraging en een motor van een oude was-
machine (meestal wel te vinden bij een vvasmachinedealer). In de trommel
op één plaats een 5 cm breed schotje aanbrengen, om te zorgen dat het
meel gedeeltelijk mee omhoog genomen wordt. De gevulde trommel onge-
veer 30 toeren per minuut laten maken.

Men kan het apparaat op zijn goede werkzaamheid testen door de trom-
mel te vullen met 50 pond meel en 1 eetlepel suiker; het ven\'olgens ge-
durende enkele minuten in werking stellen en daarna na te gaan of de
suikerkorrels gelijkmatig over de massa zijn verdeeld.

SAMENVATTING.

Schrijver geeft een eenvoudige methode aan voor het mengen van kleine hoeveel-
heden medicament in grote hoeveelheden voeder.

SUMMARY.

A description of a simple method for mixing small quantities of supplements in large
quantities of mash.

-ocr page 230-

REFERATEN

Algemeen

ZIEKTEN VAN ZEUGEN VÓÓR, TIJDENS EN NA DE GEBOORTE.

Schulze, W. und B o 1 1 w a h n, W.: Zu den Erkrankungen der Sauen vor,
während und nach der Gebürt.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 640, 685, (1962).
Na cen algemene inleiding over de drachtigheidsduur en dc fysiologie van het nor-
male geboorteproces, komt schrijver tot de bespreking van pathologische gevallen,
die voor het grootste deel op dezelfde wijze als in ons land gebruikelijk, worden be-
handeld. Ten aanzien van enkele afwijkende gevallen worden hieronder opmerkingen
gemaakt.

Abortus.

Elke .abortus moet — zolang cr geen actiologische opheldering is verkregen — als in-
fectieus worden beschouwd, de dierenarts dient er voor te zorgen dat materiaal (bloed,
foeti cn secundinae) wordt verzam.eld, dat serologisch en bacteriologisch wordt onder-
zocht (voor het serologisch onderzoek is het gewenst bloedmonsters van meerdere
dieren te nemen). De volgende microörganismen kunnen abortus veroorzaken:
Bru-
cella, Listeria,
Streptokokken, leptosipren, corynbactcriën, vlckziektebactcriën en Sal-
monellae.
Bij het aantreffen van een van deze verwekkers moet er voor worden ge-
zorgd, dat ook het personeel dat met de verzorging van de dieren is belast, in het
onderzoek wordt betrokken.

In verband met het gevaar voor verwerpen moeten drachtige dieren niet actief of
passief tegen vlekziekte worden geïmmuniseerd en wanneer ze onverhoopt ziek worden
alleen met antibiotica worden behandeld.

Actinomycose van het uier is vaak cen menginfectic van pathogene actinoniyccs met
corynebacteriën en kokken.

In een vroeg stadium is van behandeling met antibiotica nog wat heil te verwachten,
bij een ouder proces zal alleen chirurgische behandeling succes geven.

Kreupelheden.

a. etterige klauw- en kroongewrichtontstekingen: behandelen met lok:di- (intra-
articulaire) injectie van aureomycinesuspensie en 10-20% kamfcrzalf (verband om
de klauw 5 dagen laten zitten).

b. tarsitis chronica deformans: vooral bij het Veredelde Lnndvarken vermoedelijk
door het streven van dc fokkerij om cen steeds langer varken te verwerven. Een
therapie is cr niet.

c. epiphysiolysis: de kraakbeenkap van de fcmurkop laat los in de epifyse, vooral
voorkomend bij jonge dieren.

De kreupelheid wordt geleidelijk steeds heviger; de diagnose is tc stellen door
auscultatie van het heupgewricht terwijl het been passief wordt bewogen. Thera-
peutisch geen behandeling met succes, profylactisch zorgen voor goede vitamine-
voorziening en cen juist eiwitgehalte van het voer.

Obstipaties.

Een gevolg van te kleine stal, endoparasieten, tc weinig drinkwater, tc weinig ruw-
vezel in het voedsel, opnemen van stro, zand enz. Denk aan darminvaginaties en
torsie.

Uieroedeem.

Vooral in de laatste dagen der graviditeit, kan uieroedeem gemakkelijk aanleiding
geven tot verwondingen door schuren of door de achterklauwen. Ncuroëndocrine
stoornissen zijn de oorzaak; therapeutisch kan men Ga-injecties en bijv. vetidrex
toepassen.

-ocr page 231-

Prolapsus vaginae.

Gaat vaak samen met prolapsus recti in de laatste week van de dracht. Gevaarlijk
zijn verwondingen, ontstekingen (die eventueel kunnen overgaan op de uterus) en
de vertraging die in de partus optreedt door de slechte ontsluiting. Komt vooral voor
bij oude en slecht gevoede zeugen.

Therapie: rcpositie, recidieve verhinderen, ontstekingen behandelen; veel zorg be-
steden aan het verloop van de partus.

Oudere prolapsen kunnen sterk gezwollen zijn; men kan dan spoelen met koude des-
infecterende vloeistoffen, rcpositie verrichten onder plaatselijke verdoving, schede
sluiten met Flessa hechtingen of bandjes.

Prolapsus recti ware met tabakszaknaad te sluiten. Wanneer de ontsluiting voor dc
partus niet voldoende is, moet uiterlijk 12 uur nadat de melk in het uier is geschoten
sectio worden gedaan.

Eclampsie.

Komt meestal vlak vóór of tijdens de partus voor, na de tonisch clonische krampen
in het begin ziet men langzamerhand het comateuze stadium intreden. De partus en
het puerpcrium zijn bijna steeds gestoord.

Voor een goede therapie van de eclampsie is het nodig de circulatie op peil te
houden en de partus snel te beëindigen. Sedativa helpen niet, door ACTH en Pred-
nisolon zijn de resultaten van de therapie beter geworden. Sectio onder lokale ver-
doving is zeer goed zo lang dc frequentie van de hartslag beneden 140 ligt.

Partus.

Over primaire en secundaire weeënzwakte wordt in dit artikel niets nieuws gemeld;
eveneens wat betreft schedeverwondingen, vulva hematomen en uterus rupturen.
Torsio uteri: door hystcrotomie de biggen geboren doen worden en daarna rcpositie.
Prolapsus uteri: meestal bij oudere zeugen, partieel of totaal, het geprolabeerde deel
zwelt meestal zeer snel, bij totale prolapsus is er gevaar van verbloeding door het
scheuren van de bloedvaten in de ligamentae lata.

Repositie: wanneer dc prolaps partieel en kortdurend is en het moederdier geen al-
gemene storing vertoont, kan onder narcose met hoogliggend achterstel de rcpositie
verricht worden. Het veiligst is dan de laparotomic te doen en dc uterus door
trekken en massage weer in de buikholte te reponeren. Dit heeft het voordeel dat men
inzicht kan krijgen omtrent eventuele blcK-ding in dc ligamentae lata. De vulva sluiten
met Flessa hechtingen.

Bij langdurige — niet reponccrbare — prolapsus is amputatie van de uterus aan-
gewezen. Circulatie moeilijkheden dienen zo goed mogelijk te worden bestreden; de
schrijevrs raden aan ook laparotomic te doen om eventueel mecgcstulpte organen
(blaas, darm) te kunnen reponeren.

Operatietechniek.

1. laparotomic, controle van de banden en utcrushoornen;

2. provisorische ligatuur om de geprolabeerde uterus;

3. sluiten van de buikwand;

4. definitieve ligatuur van gummislang stevig aanleggen;

5. amputatie van dc uterus 5-10 cm van dc ligatuur;

6. repositie van de stomp;

(door referent werden veel zeugen met totale prolapsus uteri als volgt behandeld:

1. piton 5 cm^ subcutaan, geprolabeerde gedeelte met zeer veel koud water of
sneeuw wassen;

2. incisie maken in dc prolaps, door nauwkeurige controle nagaan of er darm
of blaas in de prolaps aanwezig is; zonodig deze organen reponeren door mas-
sage en achter hoog Icg.gen, de blaas eventueel puncteren;

-ocr page 232-

3. na repositie van de organen de uterus kort bij de vulva afbinden met binnen-
band van fiets; strak aanhalen, einde met een koordje samenbinden;

4. amputatie van het geprolabeerde deel, repositie van de stomp;

5. sluiten van de vulva na bindheehtingen).

Puerperale stoornissen.

Puerperale sepsis: mastitiden; endometritiden: syndroom van ziekteverschiijnselen,
met als middelpunt agalactie, 12-48 uur na de geboorte; behandeling met sulfa-
preparaten, antibiotica, Prednisolon.

(Schrijvers maken geen onderscheid tussen endometritis en mastitis, Ref.)
Kwaadaardige zeugen.

Het zijn meestal alleen primiparae en de kwaadaardigheid vindt vaak haar oorzaak
in mastitiden, schedcverwondingen of stalwisseling vlak vóór het biggen. Opeten van
de secundinae heeft geen invloed. Tandenknippen van de biggen is nutteloos, daar
het open zijn van de pulpaholte een porte d\'entree is voor micro-organismen.

]. H. ter Heege Gzn.

Bacteriële- en virusziekten

DE BRUIKB.AARHEID VAN PENICILLINE BRL 1621 VOOR DE BESTRIJ-
DING
VAN STAFYLOKOKKEN MASTITIS BIJ KOEIEN.

Wilson, C. D., Coats, W. Brander, G. C.: Studies of a New Penicillin
BRL 1621, for the treatment and control of Staphylococcal mastitis in Cows.
Vet.
Ree.,
74, 1120, (1962).

De penicillines BRL. 1621 cn BRL. 1241 werden beide in vivo en in vitro onder-
zocht op hun activiteit tegen penicilline-G resistente en tegen penicillinc-G gevoelige
stafylokkenstammen en ook tegen een aantal pathogene streptokokkenstammen.
De antibiotica gaven gedurende dc eerste 16 uur hoge spiegels in de uier, maar ze
konden in de melk van dc derde melktijd na de behandeling niet meer worden
aangetoond.

In de 900 kwartieren, die gedurende de proeven behandeld werden, werd geen irri-
tatie waargenomen.

Op een aantal bedrijven waar chronisch mastitis heerste, zowel tengevolge van peni-
cillinc-G resistente als van penicillinc-G gevoelige stafylokokkenstammen, en waar
eerder uitgevoerde behandelingen met bestaande antibiotica het aantal klinische ge-
vallen niet had verminderd, werd een aantal praktijkproeven uitgevoerd.
Na de behandeling bleek zowel penicilline BRL. 1621 als penicilline BRL. 1241
actief te zijn tegen streptokokken en penicillinegevoeligc stafylokokken, maar tevens
tegen penicillinc-G resistente stafylokokkenstammen.

Wegens zijn grotere activiteit tegen stafylokokken, gaf men uiteindelijk de voorkeur
aan penicilline BRL. 1621.

A. ]. Nooitgedagt.

DOOD NA INJECTIE MET ANTIRABIESVACCIN.

B a e r, G. M., Goodrich, W. O. and Dean, D. J.: Death from anaphylactic
shock in a dog vaccinated with antirabies vaccine of chicken embryo origin.
J. Am.
vet. med. Ass.,
141, 1048, (1962).

Anafylacrische shock na de injectie van L.E.P. rabicsvaccin is zeer zeldzaam.
Bij meer dan 500.000 in de staat New-York geënte honden werden 9 gevallen waar-
,genomen. In Chemung Country werd één geval geconstateerd op 2.859 honden.
De shock wordt aan de niet virus-componenten van het vaccin toegeschreven. Ge-
woonlijk herstellen de dieren na injectie met adrenaline of antihistamine of zonder
behandeling.

Baer c.s. beschrijven een geval van een vierjarige mopshond, die 10 ä 15 minuten
na de enting plotseling ziekteverschijnselen vertoonde en een uur later stierf. Bij

-ocr page 233-

sectie werd een groot bloedstolsel in het pericard aangetroffen. Dc coronaire vaten
waren sterlc verwijd, verder was er longoedeem, (m.i. kondigen deze schrijvers dit
ten onrechte als een geval van shock aan; het kan echter zeer wel zijn dat de vaat-
ruptuur is ontstaan door emoties bij het enten. Ref.)

C. A. van Dorssen.

DE B.M.R.

Matschullat, G.: Die Brabanter Mastitis Reaktion, ein neues Verfahren zur
Ermittlung von Sekretionsstörungen des Euters durch die Kannenmilch
Untersuchung.
Arch. Lebensm. hyg., 14, 20, (1963).

De Brabantse Mastitis-Reaktie (B.M.R.) werd door de schrijver toegepast op de
wijze zoals deze door Jaartsvcld in zijn dissertatie (Thesis 1961) werd aan-
gegeven. Hij beschrijft het principe en de uitvoering van deze methode.
Naar aanleiding van een aantal praktijk-proeven komt hij tot de volgende conclusie:

1. De B.M.R. wijst met een relatief vrij grote zekerheid de bedrijven met mastitis
problemen aan. Voor een Gezondheidsdienst ter bestrijding van mastitis biedt
de B.M.R. als oriënterend onderzoek reële mogelijkheden.

2. Door de eenvoud van de methodiek is het mogelijk de B.M.R. regelmatig
uit te voeren, waardoor men een goede indruk houdt van het vóórkomen van
mastitis op bedrijven in een bepaalde streek.

F. H. J. Jaartsvcld.

OVER PASTEURELLA PSEUDOTUBERCULOSIS.

M O 1 1 a r e t, H. H.: Le Bacillc de Malassez et Vignal - Caractères et biochimiques.
Paris, 1962.

Mollaret, assistent van het Instituut Pasteur te Parijs is op dit moment wel één
der belangrijkste autoriteiten op het gebied van
Pasteurella pseudotuberculosis. Hij
zelf gebruikt deze naam liever niet meer, vanwege de misverstanden, die er uit kun-
nen voorkomen. De bacterie heeft n.1. behalve een morfologische gelijkenis, die tal-
rijke andere bacteriën ook bezitten, niets gemeen met
Pasteurella septica (\'= multo-
cida),
er is geen verband met de tuberkelbacterie, noch met de bacil van Preisz
en N
O c a r d (Cbt. pseudotuberculosis), terwijl de meeste misverstanden voortkomen
uit de begrippen tuberculose, paratubcrculosc en pseudotuberculose.
Deze bacterie heeft lange tijd alleen de belangstelling van enkele veterinairen ge-
trokken; in de laatste jaren is hij belangrijk geworden door zijn betekenis voor de
mens. Destijds waren alleen bij dc mens enkele gevallen van septicemic bekend en
een enkel geval van lokalisatie in het oog, dc longen en de milt. Sedert dc onder-
zoekingen van Knap p-M a r s h o f f (1959) kennen wij bij de mens de acute ont-
steking van de mesenteriale lymfklieren waarvan er sindsdien al honderden gevallen
zijn gediagnostiseerd.

In zijn monografie geeft Mollaret cen uitvoerig overzicht over de eigenschappen
van genoemde bacterie.

Tenslotte bespreekt hij de verwantschap met de „bacil van Y e r s i n", d.vv\'.z. dc
Pasteurella pestis, en de plaats van deze beide bacteriën in het systeem.
Uit een praktisch oogpunt zijn twee eigenschappen voldoende om de bacil van
Malassez en Vignal te onderscheiden van die van Y e r s i n;
Pasteurella
pseudotuberculosis
is bewegelijk en splitst ureum, Pasteurella pestis daarentegen is
onbewegelijk en splitst ureum niet.

Klinisch beschouwt Mollaret het verschil alleen kwantitatief n.1. cr is een viru-
lentie verschil, maar beide bacteriën vertonen een tropisme voor de lymfklieren, de
septische en pulmonaire vormen van beide infecties zijn identiek en de toxinen van
beide bacteriën zijn neurotroop. Ook bestaat er gelijkenis in het histologisch beeld,
zodat D u j a r d i n-B e a u m e t z schreef: „la peste est une pseudotuberculose".
Het enige onderscheid zou dus de graad van virulentie zijn, maar Mollaret merkt
hierbij op, dat vóór de tijd van de antibiotica de septicemiën met
Pasteurella pseudo-
tuberculosis
bij de mens óók steeds dodelijk verliepen. Experimenteel zijn hond en

-ocr page 234-

kat voor beide bacteriën ongevoelig (de kat sporadisch spontaan wel, Ref.), terwijl
het verschil, dat de rat alleen gevoelig zou zijn voor
Pasteurella pestis, niet blijkt op
te gaan. Virulentieverschillen zijn overigens een zwak argument, daar er spontaan
avirulente stammen van
Pasteurella pestis bestaan.

De gevoeligheid voor antibiotica en ook voor fagen is dezelfde. Pasteurella pseudo-
tuberculosis
kan zijn bewegelijkheid verliezen. Het enige constante verschil is dus
de ureumomzetting, wat M o 1 1 a r e t niet voldoende vindt om twee afzonderlijke
soorten te onderscheiden; hij beschouwt dit als een variëteitsverschil, zoals de drie
variëteiten, die D é v i g n a t (1951) bij
Pasteurella pestis heeft onderscheiden (orien-
talis, antiqua
en mediaevalis).

Deze zelfde gedachten heeft Dévignat in 1951 ontwikkeld, toen hij de pseudo-
tubcrkelbacterie beschouwde als een transformatie van
Pasteurella pestis var. mediae-
valis,
dus van de pestbacil die in de middeleeuwen West-Europa teisterde. Verande-
ringen onder laboratoriumomstandigheden van
Pasteurella pestis en Pasteurella
pseudotuberculosis,
al dan niet door fagen, zijn verschillende malen in de literatuur
beschreven.

Verder wil M o 11 a r e t de beide bacteriën brengen in een afzonderlijk geslacht
Yersinia (Van Loghem, 1949) ; dus naar P a u 1 Y e r s i n (de ontdekker van de
aetiotopie van de pest. Ref.)

De naam Pasteurella wil M o 1 1 a r c t alleen voor „Pasteurella septica" reserveren.
De verwekker van de tularemic wil hij onderbrengen in een nieuw geslacht
Franci-
sella.

De monografie is voorzien van een literatuurlijst van meer dan 350 nummers.

C. A. van Dorssen.

Kunstmatige Inseminatie

DE INVLOED V.\\N ATROPINESULF.AAT OP DE SAMENSTELLING VAN
BERESPERMA.

D z i u k, P. j. and M a n n, T.: Effect of atropine on the composition of semen and
secretory function of male accessory organs in the boar. ƒ.
Reprod. Fertil., 5, 10,
(1963).

Bij de ejaculatie van cen beer zijn in het sperma enkele fracties te onderscheiden.
.Achtereenvolgens worden cen voorloop, cen spermiënrijke en een sprcmiënarme fractie
af.gescheiden.

Indien van een beer, 30 minuten na inspuiting van 25 tot 50 mg atropinesulfaat,
sperma wordt verzameld, blijkt dat het gehele nu verkregen ejaculaat zeer veel lijkt
op de spermiënrijke fractie van cen normaal ejaculaat. Tijdens het dekken spceksclt
en „gaapt" dc beer vrijwel niet, overigens is de wijze van dekken niet veranderd.
Het volume van het ejaculaat is tot op ongeveer een kwart van het normale ver-
minderd, het totaal aantal spermiën blijft ongeveer gelijk.

Uit de chemische samenstelling kan afgeleid worden welke geslachtsklieren wèl en
welke niet aan de ejaculatie deelnemen. Uit de zeer sterke vermindering van
chloride en het afwezig zijn van dc tapioca korrels in het sperma moet afge-
leid worden dat tengevolge van dc inspuiting van atropinesulfaat de glandulae
urethrales (die de aanwezigheid van chloride in het sperma veroorzaken) en dc gl. bul-
bourethrales (die voor de tapiocakorrcls zorgen) niet bijdragen tot de vorming van
het ejaculaat. Er wordt verondersteld dat het opheffen van de parasympatische
prikkels de conctracties van de glandulae bulbourethrales en de secretie van de glan-
dulae urethrales verhindert. In de bulbourethraal klieren, evenals in de vesiculae
seminales, is namelijk reeds vóór de dekking een grote hoeveelheid secretum aan-
wezig, de urethraalklieren moeten tijdens de dekking het secretum vormen.
(Opmerking: De gelijkheid van het besproken ejaculaat en de spermiënrijke fractie
betreft alleen de hoeveelheid en de concentraUe; de chemische samenstelling is ver-
schillend, daar aan de vorming van de spermiënrijke fractie ook de glandulae ure-
thrales meewerken. Ref.)

W. J. Smidt.

-ocr page 235-

BOEKBESPREKING

NOMINA UND SYNONYMA,

der pathogenen und saprophytären Mikroben isoliert aus den wirtschaftlich oder
epidemiologisch bedeutenden Wirbeltieren und Lebensmitteln tierischer Herkunft.
O. Mr az, J. Tesarcik en F. Varcjka.
fVeb Gustav Fischer Verlag Jena 1963, 488 pag. 49,70 D.M.)

Kennis van de juiste nomenclatuur is noodzakelijk voor de literatuurstudie en speelt
ook een grote rol bij de microbiologische diagnostiek.

De bestendigheid van de soortnamen is in vele gevallen betrekkelijk. Door de voort-
durende ontwikkeling van de wetenschap vermeerdert zich de kennis van de micro-
organismen en daarmede veranderen de maatstaven voor de classificatie. Een soort
kan in een ander geslacht worden ingedeeld
(„Comb, nov."), twee zelfstandige soor-
ten kunnen verenigd worden, een nieuwe naam kan worden gevormd
(„nom. nov.")
of een nieuwe soort beschreven („spec. nov."). Daardoor verliezen vele soortnamen
hun geldigheid en worden tot synoniemen. Hoewel deze in de tegenwoordige stand
der wetenschap niet meer thuishoren, behouden zij hun waarde als sleutel voor de
vakliteratuur. Daarom hebben drie microbiologen (een landbouwkundige en twee
veterinairen) van de landbouwkundige hogeschool in Brno bovengenoemd werk
samengesteld, dat door hen voornamelijk voor veterinaire microbiolgen bestemd is,
waarvan de titel een resumé is van dc inhoud.

Zij herleiden de namen tot drie recente systemen, nl. voor Rickettsia\'s dat van
Philips (1956), voor de Schizomyceten van B e r g e y\' Manual 7th Ed. (1957)
en voor dc schimmels van Cou bert (1955).

Het boek is zodanig ingericht, dat van dc microörganismen eerst een alfabetische
lijst wordt gegeven van de geldige namen, daarna een zelfde lijst waarbij telkens bij
ieder microörganisme de synoniemen worden opgegeven, vervolgens een lijst van vul-
gaire namen uit het Duits, Engels, Frans en Russisch en tenslotte een alfabetische
lijst van namen en synoniemen dooreen met achter de namen dc mededeling „geldige
benaming" en achter de synoniemen de thans gebruikelijke naam. Eén en ander is
voorzien van literatuuropgaven.

In een aanhangsel wordt nog een kort overzicht in tabelvorm gegeven van de be-
langrijkste indelingssystcmen, b.v. wat de bacteriën betreft die van Breed, M u r-
ray en Smith (1957) (= B c r g e y\'s Manual), van K r a s s i 1 n i k o v, van
P r
é V O t en van Topleyen Miles (= Topley and Wilson\'s Principles
of Bacteriology and Immunity).

Een en ander is een keurig boekwerk geworden in een voldoende overzichtelijke druk,
dat zich plezierig laat raadplegen, zodat wij een paar steekproeven hebben genomen,
waaruit echter bleek dat het nog niet volmaakt is. Het begrip
Mycobacterium buty-
ricum
werd in het boek niet aangetroffen. Het 2e voorbeeld betrof „Bacillus bipolaris
suiseptica"
(bladz. 194) waarvoor als naam aangegeven Pasteurella suilla (T r e v i-
san, 1887) en niet tevens
Pasteurella multocida. Op bladz. 214 staat dan achter
P. suilla „gültige Bezeichnung". Er is zeer zeker iets voor te zeggen de Pasteurella
van het varken met zijn karakteristieke groeiwijze als afzonderlijke soort te beschou-
wen, maar als men alles herleidt tot Berge y\'s Manual kan men zich deze vrijheid
niet permitteren.

Al met al lijkt mij het bock een aanwinst bij het raadplegen van dc literatuur, zeker
voor de jongere collegae, die al deze oude synoniemen niet meer hebben behoeven
te leren.

C. A. van Dorssen.

-ocr page 236-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.
Gamgee-prijs voor Sir Thomas Dalling.

Reeds geruime tijd treft men voorbereidingen teneinde de uitreiking van de Gamgee-
prijs te kunnen doen plaatsvinden bij de opening van het 17e Wereld Diergeneeskun-
dig Congres te Hannover.

De Gamgee-prijs, genoemd naar één van de stichters van dc steeds terugkerende
internationale diergeneeskundige congressen, bestaande uit een gouden medaille,
wordt uitgereikt aan hen die zich voor de diergeneeskunde buitengewoon verdienstelijk
hebben gemaakt.

Nu hebben bij de plaats gehad hebbende stemming van de 46 leden-landen, aan-
gesloten bij de W.V..\\., 44 leden-landen hun stem uitgebracht met als resultaat dat
de meeste stemmen werden uitgebracht op
Sir Thomas Dalling, die derhalve de prijs
uit de handen van de voorziter van de W.V..A. in ontvangst zal nemen.

Mr. B. W. BIESHEUVEL MINISTER VAN L.XNDBOUW EN VISSERIJ.

Bij Koninklijk Besluit van 24 juli 1963 is mr. B. W. Biesheuvel benoemd tot minister
van landbouw en visserij. Na de beëdiging van de nieuwe bewindsman d
(X)r H. M.
de Koningin, heeft minister Marijnen op dezelfde dag ten departemente de porte-
feuille van Landbouw en Visserij aan de nieuwe minister overgedragen.
Minister Bicsheuvel heeft na een kennismaking met hoofdambtenaren een aanvang
gemaakt met zijn werkzaamheden.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.
TOEKOMSTMOGELIJKHEDEN IN DE VEEHOUDERIJ.

De commissie „Nieuwe bedrijfssystemen in de landbouw", uitgaande van het Minis-
terie van Landbouw en Visserij, publiceerde 3 interessante rapporten waaruit hier
rapportsgewijs de conclusies volgen.

I. De toekomstige mogelijkheden voor het houden van legkippen in bedrijfsverband.

Conclusies:

Haar beschouwingen samenvattende komt de studiegroep tot de volgende conclusies
en aanbevelingen:

1. Het houden van pluimvee op dc boerenbedrijven zal ook in de toekomst in
hoofdzaak bepaald worden door de beschikbare hoeveelheid arbeid op de be-
drijven, het seizoenspatroon van de arbeidsbehoefte in verband met de andere
bedrijfsonderdelen, alsmede door dc vermogenspositie, de capaciteiten en dc in-
teresse van de boer.

2. De studiegroep is op grond van de tot nu toe bekende gegevens en inzichten van
mening, dat gezien vanuit het oogpunt van de produktiescctor, het houden van
legkippen op het boerenbedrijf, mits gebruik gemaakt wordt van de mogelijk-
heden die de techniek biedt, niet achter behoeft te staan bij die op het grote,
gespecialiseerde pluimveebedrijf.

3. Voor zover thans bekend is, zijn in het algemeen gesproken de voordelen van
het bedrijf met alleen legkippen ook te behalen op het niet te sterk gemengde
boerenbedrijf waar de legkippen rationeel in voldoende omvang gehouden wor-
den. Een belangrijk punt in dit verband is evenwel de vakkennis, waarmede
het bedrijf met alleen kippen een voorsprong zal kunnen hebben, ofschoon bij
overgang naar het bcdrijfstype met alleen legkippen op verschillende bedrijven
tegenslagen kunnen voorkomen, want dit bcdrijfstype vraagt ten aanzien van de
legkippen ook meer vakkennis en onderncmingscapaciteiten. Evenwel zal er op
den duur een aantal pluimveehouders kunnen zijn op bedrijven met alleen leg-
kippen, met een hogere vakkennis dan op het bcdrijfstype waar men zijn vak-

-ocr page 237-

kennis over verschillende produktietakken dient te verdelen. Op het gemengde
bedrijf dient men dan ook ten aanzien van de vakkennis waakzaam te zijn. On-
derwijs, voorlichting en de vorming van verenigingen voor bedrijfsvoorlichting
en van studiegroepen van practici, moeten van groot belang geacht worden.

4. De studiegroep is van mening dat op het boerenbedrijf, waar kippen worden ge-
houden, gestreefd moet worden naar een zodanig aantal kippen, dat een zo
voordelig mogelijke produktie bereikt wordt. Het optimale aantal zal van bedrijf
tot bedrijf verschillen. Om zo goed mogelijk te profiteren van de technische mo-
gelijkheden zal dit optimale aantal naar het oordeel van de commissie kunnen
variëren van 400-1500 legkippen. Boven 1500 kippen krijgt het bedrijf naar het
oordeel van de studiegroep een tamelijk sterk gespecialiseerd karakter. In som-
mige gevallen zal ook op het gemengde bedrijf echter met voordeel een kippen-
stapel van enkele duizenden dieren kunnen worden gehouden.

5. Ofschoon het waarschijnlijk is, dat er bedrijven zullen zijn waar men zal stoppen
met het houden van legkippen, dan wel minder legkippen zal gaan houden kan
ook gesteld worden dat de tendens bestaat, dat door een in het voorgaande aan-
gegeven toename van het aantal dieren per bedrijf, het totale aanbod van eieren
groter, onder bepaalde omstandigheden zelfs enkele malen zo groot kan worden.
De consequentie hiervan is, dat marktonderzoek zeer urgent geacht dient te
worden.

6. Alvorens men overgaat tot grote veranderin.gen in de bedrijfsorganisatie, is
bedrijfsplanning noodzakelijk. Bij het maken van begrotingen heeft men reke-
ning te houden met een sterk wisselend inkomen uit de legkippen. Een eenvou-
dige bedrijfseconomische boekhouding maakt het opstellen van begrotingen en
het bedijfsbeleid gemakkelijker.

7. Wil men de economische en technische mogelijkheden ten volle benutten, dan
vraagt verhoging van de economische weerstand van de bedrijven extra aan-
dacht. Een verantwoorde financiering, waarbij het vreemd vermogen cen grotere
rol zal gaan spelen, is in dit verband van .grote betekenis.

8. .Afschrijving op machines en huisvesting dient bij het opstellen van bedrijfs-
plannen en bedrijfseconomische berekeningen plaats te vinden op basis van eco-
nomische veroudering. Dit houdt in, dat het hierbij verstandig is te streven naar
snelle afschrijving. Ten aanzien van de huisvesting voor legkippen wordt gedacht
aan 15 jaar.

9. Bij het geven van richtlijnen voor een betere opzet en inrichting van de pluim-
veehouderij, moet men rekening houden met de bestaande toestand en onder-
scheid maken tussen:

a. nieuw te stichten bedrijf;

b. modernisering door reorganisatie van een bestaand bedrijf:

c. toepassing van arbeidsbesparende methoden bij het bestaande bedrijf.

10. Omdat de opfok van kuikens een arbcidstop en een ongelijkmatige vermogens-
behoefte met zich brengt, heeft de studie,groep zich afgevraagd of het bedrijfs-
type dat zich toelegt op dc opfok van kuikens en verkoop van jonge hennen niet
meer aanbeveling zal verdienen, nu het voor verschillende bedrijven .gewenst
voorkomt een groter aantal le.gkippen te houden. Om diverse redenen geeft de
studiegroep ten aanzien van bedrijven met een groter aantal legkippen toch de
voorkeur aan eigen opfok van kuikens.

Ten aanzien van de bedrijfsuitkomsten bleek cr weinig verschil te zijn tussen
vroegbroedkuikens en laatbrocdkuikens,

11. Om zoveel mogelijk te profiteren van de mogelijkheden die het houden van leg-
kippen biedt, verdient het aanbeveling in het bijzonder aandacht te besteden aan
de volgende punten:

a, systematische benutting avn dc beschikbare huisvesting;

b, het kiezen van een voor het desbetreffende bedrijf zo geschikt mo,gelijk
voedersysteem;

-ocr page 238-

c. het rationeel verzamelen van de eieren op het bedrijf;

d. systematische toepassing van gezondheidszorg.

12. De kosten voor huisvesting zijn thans ongeveer slechts 5% van dc nettokosten
voor eierproduktie. De huisvesting heeft toch een grote betekenis voor de finan-
ciële resultaten. Verhoging van de hokbezetting zonder grote extra uitgaven,
terwijl de produktie per kip gelijk blijft, betekent een grote vermeerdering van
het inkomen per gewerkt uur.

De mogelijkheden van de natuurlijke ventilatie zijn in verschillende gevallen
beter te benutten. Hoe hoog de bezettingsdichtheid kan worden op,gevoerd bij
betere isolatie en ventilatie is nog moeilijk te voorzien. Veel hoger dan 5 ä 6
dieren per m^ zal men waarschijnlijk voorshands niet kunnen gaan.
Aan de opfokruimte mag men geen lagere eisen stellen dan aan de overige huis-
vesting. Provisorische oplossingen als het opfokken in de voederbergplaats van
de open loopstal kunnen niet algemeen aangeraden worden.

Ontwikkeling van mogelijkheden voor zelfbouw verdienen aanbeveling. In be-
paalde gevallen zal men hiervan met voordeel gebruik kunnen maken.

13. Gezien het feit, dat de voederkosten ongeveer 75% van de nettokosten van de
eierproduktie uitmaken, dienen alle mogelijkheden tot verlaging van deze post
extra aandacht te hebben. In het bijzonder het tegengaan van het morsen. Bij
het samenstellen van voedermengsels dient men vooral te letten op he econo-
misch rendement van het voeder.

14. Volledige voeders kunnen bij legkippen dezelfde resultaten geven als de meel-
graanmethode. Het gevaar voor kannibalisme is bij korrelvoeding groter dan bij
meelvoedering. Bij .gebruik van voorraadvoedcrbakken heeft korrelvoeder het
voordeel van het gemakkelijker tcx\'vloeien dan meel,

15. Uit een kostenvergclijking blijkt dat bij een aangenomen uurloon van f 2,- de
automatische voederketting bij 3000 kippen met voordeel is aan te schaffen en
de voederwagen bij 500-1000 kippen. Hierbij is in vergelijking met voorraad-
voedcrbakken nog .geen rekening gehouden met de grotere voerbaklengte en
de winst aan hokruimte, hetgeen belangrijke factoren zijn ten gunste van de
automatische voedering. Het voordeel van de mechanisatie dient men in bedrijfs-
verband te beoordelen.

In het algemeen kan .gesteld worden, dat volledi.ge automatische voedering bij
2000 dieren zeker rendabel is, terwijl er gevallen denkbaar zijn, dat de ketting
ook bij b.v. 1500 dieren al met voordeel gebruikt kan worden. Om de automa-
tische voederketting tc .gebruiken, dient het hok minstens ongeveer 12 m breed
te zijn. De voederwagen is toe te passen in hokken met cen breedte van onge-
veer 8 m.

16. De totale arbeidsbehocfte per hen inclusief opfok, zal bij een voldoende omvang
en rationeel werken niet meer dan 1 uur per kip per jaar behoeven tc zijn.

Veel arbeid kan worden bespaard indien men op het bedrijf de eieren vanuit de
nesten direct op de „keys" (pakbladen) plaatst. Deze besparing is van dezelfde
orde van grootte als dc automatisering van het voeren met cen voerketting. Een
groot voordeel is het ook, dat de eieren op de „keys" minder kwetsbaar zijn.

17. In verband met de grote pluimvecdichtheid in ons land, heeft, in vergelijking
met landen als En.geland en de U.S..A. uit oogpunt van gezondheidszorg, het
stichten van grote bedrijven in ons land extra risico\'s. Past men consequent een
goede gezondheidszorg toe, dan is het evenwel mogelijk enkele duizenden leg-
hennen op één bedrijf te houden zonder groot gevaar voor het uitbreken van
ziekten. Als richtlijnen voor dc gezondheidszorg kunnen gelden:

a. opfok van kuikens gescheiden van leghennen;

b. alle kuikens op een bedrijf moeten van dezelfde leeftijd zijn;

c. voorkoming van terreinbesmetting;

d. de entingen tegen pseudo-vogclpest en infectieuze bronchitis bij gezonde
dieren volgens cen van te voren opgesteld schema uitvoeren;

e. systematische ontsmetting van de hokken.

-ocr page 239-

18. Er zijn verschillende wegen waarlangs de kwaliteit van de eieren verbeterd kan
worden. Plannen zijn in voorbereiding om de fokkers in deze richting te stimu-
leren. Bij produktie in grotere eenheden kunnen de verzamelkosten voor eieren
lager zijn, terwijl het ei in verse toestand van de boerderij gehaald kan worden.
De uitbetaling van eieren naar kwaliteit moet beschouwd worden als de beste
sdmulans voor kwaliteitsverbetering. Indien de situatie in ons land op den duur
zodanig zou worden dat de consumptie-eieren geproduceerd worden op minder
bedrijven met meer kippen per bedrijf, dan zal het misschien gemakkelijker zijn
te komen tot uitbetaling van de eieren naar kwaliteit dan momenteel het geval
is. Door produktie in grotere eenheden dan de huidige zal naar de mening van
de studiegroep de kwaliteit van de eieren waarschijnlijk gunstig beïnvloed wor-
den.

II. De produktie van rundvlees.

Conclusies:

1. Een geleidelijke uitbreiding van de rundvleesproduktie in Nederland is ver-
antwoord.

2. In alle landen van West-Europa is de laatste jaren een uitbreiding van de pro-
duktie van rund- en kalfsvlees tc constateren.

3. In het algemeen kan een verhoging van de produktie van rund- en kalfsvlees in
Nederland slechts plaatsvinden door het aanhouden van stierkalveren die in het
voorjaar worden geboren.

4. Vanwege het geringe aanbod van nuchtere stierkalveren in de zomermaanden
is de mogelijkheid tot uitbreiding van het aantal continu-kalvermestbedrijven
zeer beperkt.

5. De ontwikkeling van de melkvervangende preparaten (kunstmelk) is een sterke
stimulans geweest voor de produktie van kalfsvlees.

6. Dc huidige voedernormen voor mestvec berusten in hoofdzaak op buitenlandse
gegevens en binnenlandse praktijkervaringen.

7. De huisvesdng van mestkalveren moet aan hoge eisen voldoen, vooral wat betreft
isolatie en ventilatie.

8. In een loopstal bestemd voor het houden van mestvec zijn de investeringskosten
en de arbeidsbehoefte laag.

9. Het veelvuldig optreden van ziekten op jeugdige leeftijd beïnvloedt de renta-
biliteit van het mesten van jonge dieren ongunstig.

10. De kwaliteitsnormen voor slachtrijp vee zijn tot nu toe onvoldoende op objec-
tieve maatstaven gebaseerd.

11. De kwaliteit van het Nederlandse rund- en kalfsvlees voldoet aan hoge eisen.
Invoer van buiterdandse vlccsrassen voor praktijkdoeleinden is niet gewenst,
zolang door proeven niet is aangetoond dat de kwaliteit van dit vlees beter of
gelijk is aan die van Nederlands rundvee en het houden van vleesrassen finan-
cieel gunstig is voor de boer.

12. In verband met de gev/enste regelmatige aanvoer van slachtrunderen (waardoor
geen grote seizoenschommclingen) zullen de diverse bcdrijfstypen moeten streven
naar verschillende soorten mestdieren.

13. Gezien de grote schommelingen in de vee- en vleesprijzen zijn hoge investeringen
doorgaans niet verantwoord. Bij gelijkblijvende jaarlijkse vaste kosten moet aan
een lage investering de voorkeur worden gegeven.

14. De ontwikkeling van een beperkt aantal grote markten verhoogt de betekenis
van de marktnoteringen, mits op een nauwkeuriger en uniformer wijze verkregen
dan thans nog het geval is.

15. De vlees- en vlceswarenverkoop zal in de toekomst in meerdere mate geschieden
in grotere winkelbedrijven en in mindere mate bij de slagers.

16. Het houden van mestvec op daarvoor geschikte bedrijven (i.v.m. ruwvoedcr-
voorraad, arbeid) zal in de regel het arbeidsinkomen van het totale bedrijf ver-
hogen.

-ocr page 240-

17. Het mesten van kalveren geschiedt in steeds grotere eenheden; het vindt meestal
plaats op de kleine gezinsbedrijven, waarvan enkele zich hebben ontwikkeld
tot een min of meer gespecialiseerd kalvermestbedrijf.

18. Verwacht mag worden dat de concentratie van de kalvermesterij voorlopig zal
toenemen ten koste van de bedrijven met een gering aantal mestkalveren.

19. Een uitbreiding van de rundvleesproduktie zal in de eerste plaats met voordeel
kunnen geschieden op de daarvoor in aanmerking komende akkerbouwbedrijven.

20. Door verschuiving in de verhouding van de prijzen van melk en vlees kan de
leeftijdsopbouw van de Nederlandse veestapel veranderen.

Hl. Huisvesting voor varkens in Denemarken.
Conclusies:

1. In Denemarken wordt grote waarde gehecht aan de beheersing van het klimaat
in de varkensstallen. Het Deense onderzoek omtrent dc betekenis hiervan heeft,
hoewel het niet volledig is, voldoende het belang van een goed stalklimaat aan-
getoond.

2. Voor mestvarkens is vcxiral belangrijk een stal met een goede temperatuur
(10-20° C) en geen tocht.

3. De nieuwe stallen in Denemarken zijn zeer goed geïsoleerd. Met name moet
genoemd worden het gebruik van dubbel glas en de zorg besteed aan de isolatie
van de vloeren.

4. Bij de luchtverversing wordt veelvuldig gebruik gemaakt van mechanische ven-
tilatie. Het valt op dat geen onderdorpels gebruikt worden maar luchtinlaat-
openingen boven in de nmur. Het gebruik van alleen één grote ventilator zon-
der regelingsmogelijkheden lijkt wat te eenvoudig. Het aanbrengen van kleppen
onderin de ventilatiekoker is een verbetering, waardoor de inval van koude
lucht wordt voorkomen.

5. Zowel mest- als fokstallen zijn ruim en hoog. Een beperking van de ruimte lijkt
voordeliger dan het toepassen van kunstmatige verwarming.

6. Opvallend is het dat voor de wanden tussen de hokken uitsluitend hout wordt
gebruikt.

7. Gezien de geringe betekenis die in Denemarken aan de uitloop voor zeugen
wordt gehecht, is het de moeite waard de hier te lande vermeende noodzaak
van uitloop aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Hierbij moet ook met de
voeding, de wijze van huisvesting en dc arbeidsbesparing rekening worden ge-
houden.

8. Het onderbrengen van drachtige zeugen in boxen, waarbij de dieren verder geen
beweging krijgen, lijkt ook in ons land aandacht te verdienen. Een variant hier-
van is het vasdeggen aan de ketting.

9. Met roostervloeren in de mestgang zijn ook in Denemarken goede ervaringen op-
gedaan. Beproevenswaard lijkt de roostervloer op de rundveestand.

10. Ook in Denemarken worden pogingen gedaan om de voeding van mestvarkens
te automatiseren.

De droogvoerbak hebben wij nergens aangetroffen.

P. Hoekstra.

OVER DERDE KL.ASSE MELK.

In ons vorige nummer stonden wij stil bij het besluit van de Stichting voor Melk-
hygiëne (S.V.M.) om het prijsverschil tussen le en 3e klasse melk op ƒ 2,- per 100
kilo te brengen. Dit prijsverschil wordt bereikt door de toeslag voor le klasse melk
op ƒ 0,75 en de korting voor 3e klasse melk op ƒ 1,25 te bepalen. Men had dit prijs-
verschil van ƒ 2,- natuurlijk ook kunnen bewerkstelligen door zowel de toeslag als de
korting te verho.gen tot ƒ 1,-, maar dan had de inhouding, die op het mclkgeld toe-
gepast wordt om de kwaliteitsbetaling te financieren, m.et ongeveer ƒ 0,20 per 100

-ocr page 241-

kilo verhoogd moeten worden en daartegen maakten de standsorganisaties bezwaren.
Die bezwaren vinden hun oorsprong in de grote ontevredenheid over het melkprijs-
beleid in het algemeen en over de consumptiemelkprijs in het bijzonder. Hoezeer ook
wij die ontevredenheid delen, toch menen wij, dat zij geen overwegende invloed mag
hebben op het streven naar kwaliteitsverbetering en op de middelen, die daarbij
toegepast kunnen worden.

Wil dit nu zeggen, dat wij de voorkur gegeven zouden hebben aan een toeslag voor
le klasse melk van ƒ 1,- en een korting voor 3e klasse melk van eveneens ƒ1,-? Hoe-
wel ons gevoel voor symmetrie en onze bereidheid om voor geheel Nederland de
grootst mogelijke uniformiteit na te streven ons in die richting proberen te dringen,
menen wij toch, dat het S.V.M.-besluit — los van de overwegingen der stand-
organisaties — juist moet worden geacht. Voor ons weegt het kwaliteitsverschil tussen
2e en 3e klasse melk zwaarder dan het kwaliteitsverschil tussen le en 2e klasse melk.
Dit geldt reeds voor melk, die niet slechter dan 3e klasse is, maar dit geldt in nog
veel sterkere mate voor de melk, die feitelijk in een 4e of 5e klasse thuis hoort, maar
bij gebreke aan deze klassen dan maar in de 3e wordt ingedeeld. Een korting van
ƒ 1,25 naast een toeslag van ƒ 0,75 achten wij dan ook niet onbillijk.

Extra korting bij voortdurende onvoldoende kwaliteit.

In dezelfde circulaire deelt de S.V.M. mede, dat boven de normale kwaliteitskorting
van ƒ 1,25 voor 3e klasse melk een extra korting van ƒ 1,- per 100 kilo melk zal
worden toegepast indien voor de vierde maal achtereen de melk in de 3e klasse wordt
ingedeeld. Om van die extra korting voor de 3c klasse melk af te komen, moet de
melk tweemaal achtereen in dc le klasse of driemaal achtereen in de 2e en/of le
klasse ingedeeld zijn.

Wat te zeggen van deze nieuwe bepaling, die tengevolge kan hebben dat voor 3e
klasse melk cen totale korting gaat gelden van ƒ 2,25, waardoor het prijsverschil
ten opzichte van le klass melk ƒ 3,- per 100 kilo gaat belopen?

Laten wij voorop stellen, dat de veehouder, die eens een enkele keer melk van af-
wijkende kwaliteit aflevert — en juist bij zo\'n toevallige afwijking kan het wel eens
meteen 3e klasse zijn — van deze nieuwe regeling geen gevaar heeft te duchten.
Zij is — zoals ook de S.V.M. uitdrukkelijk mededeelt -- bsetemd voor het kleine
groepje veehouders, dat zich niets van de hygiënische voorschriften aantrekt en dat
dag in dag uit melk van inferieure kwaliteit aflevert. Het is dit kleine groepje, dat
het voor de overgrote meerderheid der goed meewerkende veehouders bederft. Laatst-
bedoelde veehouders is het cen doorlopende ergernis, dat de goede melk, die zij af-
leveren, vermengd wordt met de slechte melk van dat kleine groepje onverschilligen.
Liever hadden wij dan ook .gezien, dat er cen regeling was gekomen, waarbij door-
lopend slechte melk cen afzonderlijke bestemming had gekregen, maar nu dat blijk-
baar nog niet mogelijk is, achten wij deze cxtra-korting-regeling in ieder geval
cen stap op de goede weg.

Intussen wordt het nu wel zaak om nog sneller dan tot dusverre dc hulp van het
melkcontrolesysteem in tc loepeu, wanneer men moeilijkheden ten aanzien van de
melkkwaliteit ondervindt en zelf de oorzaken niet kan vinden.

C.M.C. Melk, 19, 19, 1963.

VERSLAG LANDBOUWKUNDIG ONDERZOEK IN NEDERLAND 1961.
Uitgegeven door de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek T.N.O.
(Uitgeverij Ceres te Meppel)

Men kan over het nut van deze uitgave verschillend denken, maar als men een
overzicht wil hebben van het onderzoek dat in Nederland wordt verricht op het ge-
bied van de Landbouw in dc meest algemene zin, dan kan men van dit jaarlijks
verschijnend boekwerkje een uitstekend gebruik maken.

Of dit in feite ook gebeurt is natuurlijk moeilijk uit te maken, maar als het zou ge-
beuren kan worden voorkomen dat doublures worden gemaakt in die zin dat men

-ocr page 242-

kan nagaan of men misschien in cen of ander instituut bezig is aan hetzelfde onder-
werp. Het kan m.a.w. de coördinatie van het onderzcx-k in de hand werken.
Ook kan men als men een bepaald onderzoek wil aanvatten, nagaan, waar men op
soortgelijk terrein bezig is en aldus profiteren van elders opgedane ervaringen.
Meent men dit boekje te moeten raadplegen om resultaten van onderzoekingen op
het spoor te komen, dan zal men in het algemeen bedrogen uitkomen omdat, be-
houdens een enkele uitzondering, slechts wordt meegedeeld wat men doet of gedaan
heeft en in het laatste geval eindigt de betreffende alinea veelal met: „de resultaten
hebben tot cen publikatie geleid" of cen soortgelijke zinsnede, zonder dat wordt aan-
gegeven wanneer en in welk tijdschrift die publikatie verscheen.
En dan komt de moeilijkheid dat in dit boekje geen enkele onderzoeker met name
wordt genoemd en zelfs de adressen van de instituten die het onderzoek hebben ver-
richt niet worden vermeld. En er zal niemand zijn die weet waar men alle meer dan
100 verschillende instellin.gen moet vinden.

Uiteraard zou het te ver voeren om een overzicht te geven van alles wat in het
200 blz. tellende boekje wordt vermeld. Het is verdeeld in 13 hoofdstukken, waarvan
voor de dierenarts de hoofdstukken „Veeteelt en Veevoeding" (30 blz.) en „Dier-
geneeskunde" (13 blz.) het meest interessant zijn. Eerstgenoemd hoofdstuk omvat
de mededelingen van 12, het laatstgenoemde van 14 instellingen.

Th. de Groot.

DOELM.ATIGE SELECTIE IN DE RUNDVEEFOKKERIJ.»)

De selectie in de rundveefokkerij heeft in het algemeen tot doel cen koe te fokken,
die onder de Nederlandse omstandigheden melk en vlees op de meest economische
wijze kan produceren. Dit houdt in dat de dieren, die voor de voortplanting gebruikt
moeten worden, in hun combinatie van eigenschappen in erfelijke aanleg het ge-
stelde fokdoel zo dicht mogelijk moeten benaderen.

Gezien het grote aantal eigenschappen, die wij gaarne in één dier gecombineerd zien,
is het noodzakelijk, op verschillende eigenschappen
gelijktijdig te selecteren. De be-
langrijkheid van de verschillende eigenschappen zal echter bij de selectie afgewogen
moeten worden. Doelmatig selecteren houdt daarom tevens in: de mogelijkheden
uitbuiten om dieren met een gunstige combinatie van eigenschappen een zo goed
mogelijke invloed in de fokkerij te geven.

Bij de selectie op een eigenschap, als bijv. melkproduktie, vetgehalte, exterieur, melk-
baarheid, enz., hebben wij in de eerste plaats te maken met de „variatie", of de
ver-
schillen
in deze eigenschappen. Hoe groter de variatie, hoe gemakkelijker het is, sterk
uitblinkende dieren voor de fokkerij te gebruiken.

De variatie wordt echter niet alleen bepaald door de erfelijke aanleg van de dieren,
maar ook in meer of minder sterke mate door de milieu-omstandigheden. Het deel
van de variatie in een eigenschap, dat door dc erfelijke aanleg bepaald wordt, wordt
wel de
erfelijkheidsgraad genoemd. Deze kan maximaal 1 (of 100%) bedragen en
geeft dan aan, dat de waargenomen ei.genschap uitsluitend door de erfelijke aanleg
wordt bepaald zoals bijv. de haarkleur — zwartbont of roodbont — bij ons rund-
vee).

Voor een eigenschap als de melkproduktie is de erfelijkheidsgraad betrekkelijk laag
(ca. 0,35 of 35% van de variatie) en de invloed van het milieu dus groot (ca.
65% van de variatie). Bij het vetgehalte liggen de verhoudingen net omgekeerd en
is de erfelijkheidsgraad hoog (ca. 0,65).

Het effect van de selectie nu, is afhankelijk van het selectie-verschil (d.w.z. hoeveel
de fokdieren beter zijn dan het gemiddelde) en de
erfelijkheidsgraad van de eigen-
schap waarop geselecteerd wordt (zie boven).

Zodra wc meerdere eigenschappen bij de selectie betrekken, neemt het selectie-
verschil op elke afzonderlijke eigenschap belangrijk af.

-ocr page 243-

De mogelijkheden van selectie bij de vrouwelijke dieren binnen de eigen veestapel
zijn beperkt. Er moet al vrij ruim aangefokt worden, wil men de veestapel op peil
houden, aangezien allerlei „bijkomstige" factoren (zoals het niet drachtig worden,
mastitis, enz.) die kunnen maken, dat dieren ontijdig opgeruimd moeten worden, de
selectie mede beïnvloeden. Hierdoor is de mogelijkheid, om alleen van de allerbeste
koeien nakomelingen aan te houden, slechts gering.

Wat dc selectie van de stieren betreft, op dit punt zijn de mogelijkheden veel ruimer.
Vooral bij het toepassen van K.I. is slechts een gering aantal stieren nodig. Door
nu te trachten, een zodanige goede keus tc maken, dat de dieren met een werkelijk
goede erfelijke aanleg gebruikt worden, kan van deze kant het grootste effect ver-
wacht worden,

Het komt er nu dus op aan, de al,gemene fokwaarde van de stieren zo goed mogelijk
tc schatten. We onderscheiden hierbij:

a. Schatting van de fokwaarde op grond van het exterieur.

Om aan het exterieur van de stier tc zien, hoe hij in de melkproduktie of het vet-
gehalte zal vererven, is
niet mogelijk. Voor de cxteriurvererving hebben wij enig
houvast, vooral wanner we letten op hoofdzaken (ontwikkeling, type, enz.). De
erfclijkhcidsgraad van het aantal punten echter is laag (ca. 0,2).

b. Schatting van de fokwaarde op grond van de afstamming.

.•\\an de afstamming zullen hoge eisen gesteld moeten worden. Wat de melk-
produktie-afstamming betreft, zullen wij in de eerste plaats moeten letten op de
produktievererving van de
vader, omdat die een goed houvast geeft. Uit onder-
zoekingen (met een beperkt materiaal - Red.) is tot dusver geen duidelijk ver-
band tussen de produktievererving van dc zoon en de hoogte van de produktie van
zijn moeder gebleken. Ten aanzien van het vetgehalte geeft de moeder een goed
houvast, maar ook de vetgehaltevererving van de vader is belangrijk.

Doelmatige selectie van de jonge stieren op grond van de afstamming geeft dus een
grotere kans op een goede vererving. In hoeverre deze schatting juist is, zal moeten
blijken uit een
nakomelingenonderzoek. De .goed verervende stieren die dan over-
blijven (bijv. tot 50%) zullen inderdaad ook volop gebruikt moeten worden. Een
klein aantal van de allerbest verervende stieren zal zo mogelijk de volgende gene-
ratie jon.ge stieren weer moeten leveren.

Met het oog op een doelmatige selectie is het nuttig zich te realiseren, welk percen-
ta.ge van het selectie-effect naar schatting met de verschillende selectie-methoden
kan worden gehaald.

1. Verreweg het meeste effect, nl. 46%, is te behalen door van uit.gczocht best ver-
ervende vaders zoons aan te houden. Deze kans wordt in de praktijk helaas nog
meermalen verwaarloosd.

2. Door zoons van inderdaad beste moeders te nemen (niet beperken tot enkele
fokstallen, maar over een ruim aantal bedrijven de
beste koeienfamilies uitzoeken!)
kan 24% van het selectie-effect verkre.gen worden. In de praktijk wordt hier ook
niet altijd voldoende aandacht aan geschonken en worden meer dan eens K.l.-
stieren aangeschaft, die afkomstig zijn van naar erfelijke aanleg gemiddelde
koeien op top-fokbedrijven,

3. Eenzelfde selectie-effect van 24% wordt ten aanzien van de dochters verkregen
door het gebruik van .goed verervende vaderdieren. Bij de K.I. is dit effect dus
te verwachten, wanneer in belangrijke mate gebruik wordt gemaakt
van stieren,
die bewezen hebben goed te fokken (bijv. 50% van de oudere stieren).

Dit punt heeft wel de aandacht in de praktijk, maar het aantal inseminaties van
deze stieren is toch vaak maar weinig meer dan dat van de andere aanwezi.gc, nog
„onbekend" verervende stieren. Om zo weinig mogelijk risico te lopen is het dan
ook gewenst, van jonge stieren niet meer dan bijv. een 1000 proef-inseminaties te
verrichten en dan eerst de resultaten van de nakomelingen-test af te wachten.

-ocr page 244-

4. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt, is het effect van de selectie bij dc vrouwe-
lijke dieren binnen de eigen veestapel vrij gering. Het bedraagt nl. 6%, maar
uiteraard dient ook deze beperkte mogelijkheid zo goed mogelijk te worden benut.
Voor de K.I.-besturen, die een belangrijke taak hebben in het algemene fokkersbeleid
van de vereniging, is het nuttig zich ernstig te bezinnen in hoeverre het mogelijk is,
onder de huidige omstandigheden een doelmatige selectie te bereiken. Hiermee wordt
een zeer groot algemeen belang gediend.

Mededelingen, Maandblad van het Friesch Rnudvee-Stamboek en van de Bond
van K.1.-verenigingen in Friesland, juni 1963, no. 188, blz. 125-126.

FACTOREN DIE DE VLEESKWALITEIT BEÏNVLOEDEN.

Een kwaliteitsbeoordeling verwijst naar dc eisen die de koper of verbruiker aan het
vlees stelt. Dit houdt dan van zelf in dat deze bereid moet zijn daarvoor te betalen.

Eisen.

Een Amerikanase studie bij dc consument heeft aangetoond dat de malsheid van
het vlees primair is. Verder moet het vlees een juiste verhouding tussen vlees, vet
en been hebben, lichte kersrode kleur hebben, dc vetbedckking moet gelijkmatig zijn
(ongeveer 0,6 cm dik en wit of roomachtig van kleur) en het moet verder goed ge-
marmerd zijn en een aangename geur bezitten.

Voor de mester zijn deze aspecten echter slechts van indirect belang, omdat hij geen
gesneden vlees produceert doch karkassen. Het is tot dusver niet goed mogelijk dc
vlccskwaliteit direct en op praktische wijze aan te geven. Men kan slechts beoordelen:
de vetbedckking, de leeftijd, de vorm, het gewicht en het geslacht. Deze waardering
wordt in de eindindruk verwerkt, die echter subjectief wordt aangegeven. Wel moet
men zich afvragen welke factoren (die de boer kan beheersen) deze subjectieve waar-
dcringsmaatstaf kunnen beïnvloeden. Hiertoe behoren: de teeltkeuze en omgeving;
dc voeding; beweging; leeftijd; behandeling en het gewicht.

Teeltkeuze cn omgeving.

Rassen als zodanig hebben weinig of geen invloed op dc belangrijkste maatstaven,
waarop vlees wordt beoordeeld. Jeugd, sterke voeding en vet werken gunstig t.a.v.
dc malsheid. Hierbij beroept men zich op een Amerikaans onderzoek van H u s a i n i
e.a. die Hcrcford en F.H. ossen met elkaar vergeleken heeft en in de malsheid geen
verschil bij deze jong geslachte dieren vond. Wel staat vast dat bepaalde rassen op
jeugdige leeftijd meer vet aanzetten, dat aanleiding geeft tot sappiger, .geuriger vlees,
maar de malsheid niet direct beïnvloedt. Gewoonlijk wordt een ras echter niet
genomen vanwege de slachtkwaliteit, dan wel vanwege de aanpassing aan dc om-
geving (het geheel wordt door een Zuid-.\\frikaanse bril beoordeeld, Ref.). Inmiddels
is wel gevonden dat bepaalde individuen malser vlees leveren dan andere. Over dc
erfelijkheid dient meer bekend te worden. Malsheid is waarschijnlijk correlatief ver-
bonden met de groeisnelheid, wellicht kan dat aspect uitkomst brengen.

Voeding.

Des te royaler de voeding des tc malser wordt het vlees; de economie maakt het
veelal noodzakelijk hiervan af te wijken. Te schrale voeding doet het percentage bind-
weefsel steeds toenemen, en daarmee neemt de malsheid af. Vers gras leidt tot een
geler vet en dat .geeft wel eens de indruk dat het dier ouder is dan in werkelijkheid
het geval is, omdat ook vet van oudere dieren geel is (cumulatief effect).

Geslacht.

Vaarzen zetten eerder vet aan dan ossen, maar minder egaal verdeeld. Stieren zetten
niet gemakkelijk vet aan, op oudere leeftijd wordt de geur minder gunstig. Ook is
de kleur van stierevlees veelal te donker.

-ocr page 245-

Beweging.

Matige beweging is gunstig; zware beweging is echter ongewenst: het geeft te veel
bindweefsel en een tc donkere kleur van het vlees.

Leeftijd.

Deze factor heeft de mester geheel in de hand. Des te dunner de spiervezel is, des te
malser is het vlees. Het aantal vezels is bij de geboorte bepaald, de dikte staat echter
onder invloed van de leeftijd. Kalfsvlees — met de dunste vezels — is echter om
andere redenen minder aantrekkelijk. In Zuid-Afrika wordt de beste kwaliteit bereikt
op ± 30 maanden: malsheid, geur, sappigheid.

Behandeling.

Dieren die goed uitgerust zijn vóór het slachten hebben ccn grote voorraad spier-
suiker. Hieruit ontstaat na het slachten melkzuur. Des te meer melkzuur, des te beter;
dat geeft zachter en sappiger vlees, ook wordt dc kleur aantrekkelijker terwijl het de
.groei van rottingsbacteriën tegengaat. Een bijkomend voordcel is dat ook minder
kneuzing gaat optreden bij een betere behandeling van de slachtdieren.

Gewicht.

In Zuid-Afrika wordt de voorkeur gegeven aan karkassen tussen 250 en 300 kg; dit
betekent een levend gewicht van ± 450 kg.

Uit het voorgaande is wel duidelijk dat ook in Zuid-Afrika de vleesbeoordcling nog
sterk subjectief is en dat elk land blijkbaar nog zijn eigen eisen stelt. Verder is ook de
wens van de consument aan veranderin.gen onderhevig. Al met al is en blijft de mest-
vcebcoordeling voorlopig een sterk subjectief geval.

Landbouwdocumentatie, 19, 142, (1963).

VERSLAG OVER DE L.ANDBOUW IN NEDERLAND OVER 1960.

(Versl. en med. v. h. Minist. van Landb. en Viss. 1962 - no. 1, \'s-Gravenhage, 1962.)
Uit bovengenoemde verslag van 481 bladzijden en talrijke tabellen volgen hier en-
kele details:

„Dat dc landbouw moet worden bedreven onder klimatologische omstandigheden
die van jaar tot jaar zeer verschillend kunnen zijn, werd in 1960 nog weer eens
duidelijk. Kon 1959 een uitzonderlijk droog jaar worden genoemd, 1960 zal onge-
twijfeld als een uitermate nat jaar tc boek blijven staan. In feite geldt deze kwali-
ficatie slechts het tweede halfjaar, doch de regens waren toen zo overvloedig, dat de
totale regenval belangrijk boven het gemiddelde van de jaren 1921-1950 lag. Als
gevolg daarvan werden in vele sectoren van de landbouw moeilijkheden ondervonden,
doch voornamelijk in de akkerbouw.

Het boekjaar 1959-1960, dat zich kenmerkte door een uitzonderlijk droge zomer,
heeft voor de Nederlandse landbouw zeer uiteenlopende bedrijfsresultaten gebracht.
Het was voor de akkerbouwers een gunstig jaar v/egens de hoge geldopbrengsten van
granen en suikerbieten. Voor de weidebcdrijven op veengrond, die dat jaar geen
wateroverlast hadden, waren de uitkomsten eveneens beter dan in 1958-1959. Voor
dc gemengde bedrijven op de zandgrond, waar de droogte grote voeraankopen voor
rundvee noodzakelijk maakte en waar varkens- en pluimveehouderij slechtere resul-
taten gaven dan dc laatste jaren, was het — ondanks hogere melkproduktie en
droogteschade-uitkcringen — een zeer ongunstig jaar.

Het boekjaar 1960-1961 gaf een geheel ander beeld te zien. Op grond van voor-
lopige gegevens voor dit boekjaar kan worden gesteld, dat de uitkomsten van de
akkerbouwbedrijven belangrijk minder waren dan in 1959-1960; die van de weide-
bcdrijven bleven enigszins beneden de resultaten van het vorig jaar, doch de ge-
mengde bedrijven op zandgrond gaven aanmerkelijk betere uitkomsten te zien. De
natte zomer en herfst van 1969 hebben aan deze uitkomst het hunne bijgedragen.
De oppervlakte grasland verminderde met 4755 ha nl. van 1.331.571 ha in 1959

-ocr page 246-

tot 1.326.816 ha in 1960; dc vermindering had uitsluitend betrekking op de kunst-
weiden. Dit moet voor een deel worden toegeschreven aan de abnormale droogte in
1959, waardoor verscheidene weiden verdorden, terwijl nieuw ingezaaid grasland
moeilijk aansloeg.

Het jaar 1960 gaf de hoogste bruto-grasproduktie die tot heden in ons land bekend
is. Dit was het gevolg van de gunstige weersomstandigheden tijdens dc groei van het
gras en de droge, zachte winter die aan het groeiseizoen voorafging.
De zware regenval, die eind juni inzette en vrijwel het gehele tweede halfjaar aan-
hield, was gunstig voor cen sterke grasgroei.

De hooiwinning werd daardoor ernstig bemoeilijkt, maar kuilgras kon in grote hoe-
veelheden worden gewonnen; dit was evenwel van matige kwaliteit. Knollen, suiker-
bietekoppen en -blad waren er eveneens in overvloed.

De rundveestapel breidde zich nog iets uit (3% vol.gens dc mei-telling, 2% volgens
de december-telling). In tegenstelling met voorgaande jaren richtte deze uitbreiding
zich meer op de melkproduktie dan op de vleesproduktie, hetgeen verband hield met
cen ruim aanbod en dientengevolge lage prijzen van slachtvee en rundvlees.
Ook dit jaar kwam er geen wezenlijke verbetering in de zuivelsituatic. De melk-
produktie nam toe tot 6,7 miljoen ton (vorig jaar 6,3 miljoen ton), terwijl de prijzen
sterk daalden. Aanvullende maatregelen ter verruiming van de afzet in binnen- en
buitenland hadden echter tot gevolg daar bij de jaarwisseling geen abnormaal grote
voorraden meer aanwezig waren.

De .gemiddede jaarproduktie per koe was ho.gcr dan ooit tevoren, n.1. 4203 kg.
Hoewel de uitkomst van de varkensmcsterij dit jaar slechter was dan in de beide
voorafgaande jaren, overtrof zij toch nog de niet hoog gespannen verwachtingen.
Dit was tc danken aan dc gelijkmatige spreiding van het aanbod van varkens over
het gehele jaar en aan de meevallende afzetmo,gelijkheden.

De binnenlandse vleesproduktie steeg tot 609.800 ton (vorig jaar 583.200 ton). De
toeneming van de rund- en kalfsproduktie bedroeg 27.600 ton, die van varkensvlees
79.100 ton. Het aantal varkensslachtingen was ca. 1,2 miljoen stuks groter dan in
1959.

Het verbruik van vlees (incl. slachtafvallen en spek) per hoofd van de bevolking
steeg met meer dan 3 kg en bedroeg 40,5 kg (vorig jaar 37,2 kg).
De prijzen van vlees waren tengevolge van het grote aanbod lager dan in 1959.
In verband met dc toegenomen binnenlandse produktie verminderde de invoer van
vlees aanzienlijk; dc waarde bedroeg ƒ 77,0 miljoen tegen ƒ 85,1 miljoen in 1959.
Deze vermindering had vooral betrekking op eetbare slachtafvallen uit de Verenigde
Staten, rundvlees uit België en Brazilië en gezouten paardevlees uit .Ar.gentinië.
De totale waarde van de uitvoer van alle soorten vlees nam tengevolge van de grotere
binnenlandse produktie toe tot ƒ 662,5 miljoen (vorig jaar ƒ 537,6 miljoen). Vlees-
waren en vleesconserven namen daarbij opnieuw in betekenis toe.
De hoenderstapel bleek in mei 1960 in vergelijking met mei 1959 enigszins te zijn
afgenomen; in december 1960 kon echter een kleine toeneming worden geconsta-
teerd, zodat het totale aantal hoenders toen bijna 33 miljoen bedroeg. In het alge-
meen valt het op dat de mesterij is toegenomen, maar dat er minder leghennen wer-
den aangehouden. Hieruit blijkt sterk dc toenemende belangstelling voor het houden
van slachtpluimvee.

Het aantal ingelegde broedeieren van legrassen verminderde tot ca. 73,6 miljoen
(vorig jaar 90,6 miljoen). Hiervan werden ruim 50 miljoen kuikens verkregen (uit-
komstpercentage 67,9; vorig jaar 67,7).

De broederij voor mcstkuikens nam sterk toe, maar de inleg van broedeieren voor
uitvoer van eendagskuikens was belangrijk minder.

Op de bocrenpluimveebcdrijven nam het aantal hoenders van zuiver ras weer toe.
Het percentage hiervan, berekend op basis van de door de vermecrderingsbcdrijven
afgeleverde broedeieren, bedroeg 39,7 (vorig jaar 35,1). De meest voorkomende
kruising is nog steeds Witte Leghorn x Rhode Island Red (70,1%, vorig jaar
65,0%).

-ocr page 247-

Ook het aantal eenden, zowel slaehteenden als legeenden, was dit jaar groter.
De financiële resultaten van de pluimveehouderij waren dit jaar bevredigend. De
prijzen van eieren en slachtkippen waren in het begin van het jaar laag, doch stegen
daarna aanmerkelijk.

De controle-activiteit op het gebied van dc landbouw beweegt zich voornamelijk:

1. op het terrein van de bescherming en de gezondheid en/of kwaliteit — produkti-
viteit, bruikbaarheid van dier en plant —; in sommige gevallen is hieraan de
bescherming van de mens tegen „ongezonde" dieren en planten verbonden;

2. op sociaal-economisch gebied, zoals lonen, prijzen en rusttijden;

3. op het gebied van dc marktordenend-econoniische landbouwmaatregelen.

Evenals vorig jaar vroegen dc voorschriften voor de dierziektenbestrijding veel aan-
dacht. In tegenstelling tot de naburige landen bleef Nederland ook in 1960 nagenoeg
vrij van mond- en klauwzeer, hetgeen ongetwijfeld aan de voorbehoedende entingen
tc danken is. De naleving van de desbetreffende voorschriften kon echter slechts
worden afgedwongen door een uitgebreide controle, vooral op de veemarkten.
De verordeningen voor dc abortus Bang-bcstrijding kwamen in het verslagjaar over
het gehele land in werking; met name aan het weideverbod voor dieren van nict-
vrije bedrijven werd de nodige aandacht besteed. Dit betrof bovendien in een aantal
gevallen zg. gewetensbezwaarden, dus veehouders die op godsdienstige gronden be-
zwaar hebben tegen deze vorm van ziektebestrijding.

Veel aandacht werd ook besteed aan de uitoefening van de diergeneeskundige prak-
tijk door onbevoegden. De handel in allerlei patentgeneesmiddclen neemt steeds
groter omvang aan. Voor een deel zijn dit weliswaar waardeloze, maar overigens
onschuldige preparaten, waarmede de veehouders alleen veel geld uit de zak ge-
klopt wordt; voor een ander deel zijn het op zich zelf deugdelijke geneesmiddelen,
die echter bij een onvoorzichtige en ondeskundige toepassing gevaar opleveren.
Een ander object van controle in deze rubriek betreft dc naleving van de destructie-
voorschriften. Dc destructie van gestorven en doodgeboren dieren is in dc eerste
plaats nodig om de verspreiding van besmetting te voorkomen. Daarnaast moet zo-
veel mogelijk belet worden dat het vlees van dergelijke kadavers voor menselijke
consumptie gebruikt wordt; bij de huidige vleesprijzen is dit gevaar aanwezig (cro-
quetten en gehaktballen in patates-kramen).

Per 1 maart 1960 trad de door het Produktschap voor Veevoeder uitgevaardigde
„Verordening gezondheidseisen geïmporteerde eiwitten" in werking. Met ingang van
25 juli d.a.v. werd een aantal uitvoeringsmaatregelen van kracht en onmiddellijk
daarop werd een aanvang gemaakt met de uit die verordening voortvloeiende be-
monsteringen. Voor de uitvoering dezer bemonsteringen diende — gelet op het bij-
zondere doel daarvan — een aantal speciale voorzieningen tc worden getroffen,
welke geleidelijk hun beslag kregen. Circa 85% van de sedert eind juli 1960 inge-
voerde hoeveelheden dierlijke eiwitten werd aan bemonstering onderworpen.
Met ingang van 1 december 1960 werden door het Produktschap voor Veevoeder
de in de verordening opgenomen sancties van toepassing verklaard op een aantal
met name genoemde soorten dierlijke eiwitten en wel op grond van dc inmiddels met
betrekking tot die soorten verkregen gegevens aangaande .Sa/77!on«//ae-besmettingen.
.Aangezien enerzijds bij het bedrijfsleven een toenemende geneigdheid tot verwerking
van allerlei niet toegelaten preparaten in meng- veevoeders viel waar te nemen en
anderzijds de aanmaningen tot voorzichtigheid en bedachtzaamheid van de zijde van
de wetenschap toenamen, werd tot verscherping van het toezicht overgegaan. Hoe-
wel in een aantal gevallen verbaliserend werd opgetreden, moet ten zeerste worden
betwijfeld of de ten dienste staande controlemiddelen en -mogelijkheden hier wel
het gewenste effect kunnen sorteren. Het feit dat de veehouder zelf ongelimiteerd
allerlei stoffen aan dc door hem aan te wenden voeders kan toevoegen, leidde tot een
levendige handel in velerlei stoffen in de vorm van geconcentreerde preparaten. Ver-
werking hiervan door de veehouders zelf levert grotere gevaren op dan wanneer
deze geschiedt door de goed geoutilleerde mengvoederindustrie.

-ocr page 248-

In de pluimvecscctor is vooral aandacht besteed aan de maatregelen ter verbetering
van de pluimveestapel op de fokbedrijven, alsmede aan de doorlevering van pro-
dukten daarvan via de vermeerderingsbedrijven en kuikenbroederijen naar de boeren-
pluimveehouders. Toen op 1 juli 1960 te dezer zake nieuwe voorschriften van kracht
werden, speciaal ten doel hebbend de herkomst van het aan de bocrenpluimvee-
houders af te leveren materiaal te waarborgen, werd de controle bij de kuiken-
broeders geïntensiveerd.

Bijzondere aandacht bleef gevesdgd op de voorschriften met betrekking tot de be-
strijding van besmettelijke ziekten onder het pluimvee, in casu de inenting van hoen-
ders tegen pokken en difterie, de ontsmetting van broedeieren en broedmachines bij
fokkers en kuikenbroeders, alsmede de uitoefening der diergeneeskunde door onbe-
voegden. Deze controle wierp goede resultaten af.

Mocht in 1959 bij de mei-telling worden geconstateerd dat het aantal jonge paarden
iets groter was dan het jaar tevoren, in 1960 daarentegen was dit aantal wederom
kleiner.

.\\angezien het aantal dekkingen in 1959 ongeveer gelijk was aan dat in 1958, wijst
een daling van het aantal veulens van ruim 6% in mei 1960 en ruim 13% in de-
cember 1960 erop dat opnieuw meer veulens naar de slachtbank gingen.
Was het aantal veulens, waaruit de 1- en 2-jarigen van 1960 zijn opgefokt, ruim
8% groter dan het aantal veulens waaruit de 1- en 2-jarigen van 1959 zijn opge-
fokt, het aantal 1- en 2-jarigen van 1960 was daarentegen ruim 9% kleiner dan dat
van 1959.

In het bijzonder in deze categorie jonge paarden blijkt de bestemmin.g „slachtbank"
een bedenkelijke omvang te hebben verkregen.

Dc werkpaardenstapel (exclusief pony\'s) verminderde vol.gens de deccmber-telling
met 6% (vorig jaar 4,8%) en wel van 146.322 tot 137.601.

De veroudering van de werkpaardenstapel ging door. Bij de december-tellingen in
1958, 1959 en 1960 maakten de paarden van 12 jaar en ouder resp. 36%, 37% en
37,3% van de werkpaardenstapcl uit. Deze veroudering begint nu toch wel in de
uitstoot merkbaar te worden. De uitstoot bedroeg namelijk van 1958 op 1959 en
van 1959 op 1960 resp. 9% en 12% van de werkpaardenstapel.
In 1960 werd een nogal opvallend aantal merries minder .gedekt dan in de voor-
gaande jaren; vergeleken bij 1959 betekende dit zelfs een teruggang van bijna 13%.
.■\\an het dekseizoen 1960 gin.g een periode vooraf, waarin de slachtprijzen voor
paarden een aanmerkelijke inzinking vertoonden, welke deze daling van het aantal
dekkingen goeddeels verklaart. Afgewacht moet worden welke invloed dit in de
toekomst zal hebben op dc aanvulling van de werkpaardenstapcl.
Dc invoer van slachtpaarden bedroeg dit jaar 20.399 stuks ter waarde van ƒ 9,9 mil-
joen tegen 23.490 stuks ter waarde van ƒ 11,7 miljoen in 1959. Oost-Duitsland was
de grootste leverancier, terwijl ook uit andere Oostcuropese landen belangrijke aan-
tallen afkomstig waren. Na Oost-Duitsland leverde West-Duitsland het grootste con-
tingent slachtpaarden.

Dc invoer van gebruiks- en fokpaarden bedroeg 1251 stuks (vorig jaar 1349). Hoofd-
zakelijk waren dit hitten uit Polen en Tsjechoslowakije.

De uitvoer van paarden nam toe van 895 tot 3151 stuks. Hiervan waren 1490 stuks
slachtpaarden (vorig jaar 134), voornamelijk bestemd voor België en Frankrijk. Van
de andere paarden (werkpaarden) was België dc belangrijkste afnemer met 1396
stuks."

C. A. van Dorssen.

DE HANDEL IN KLEINE HUISDIEREN1).

.\'Mie dieren spreken de mens niet evenveel aan: er zijn zelfs la.gere dieren, waarvan

1  Verslag van de lezing van Dr. M. J. Dobbelaar, Nijmegen, gehouden tijdens
de 61e ledenvergadering der Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier op
11 mei 1963 te Utrccht.

-ocr page 249-

wij geen wéét hebben. We hebben ahhans geen behoefte om hen te verzorgen — tenzij
in een laboratorium — en niemand van ons piekert over de dieren, die gedood wor-
den als hij bijv. water opzet voor zijn kopje thee. Ook bij de gewone huishoudelijke
hygiëne worden immense hoeveelheden leven, waaronder slechts enkele schadelijke
bacteriën, vernietigd.

Bij de bestrijding der lagere diersoorten wordt eigenlijk geen onderscheid tussen scha-
delijk en nuttig gemaakt. Dit gebeult natuurlijk wel bij de hogere diersoorten.
Schadelijke, hogere dieren, als ratten en muizen worden met alle middelen bestreden
en niemand verzet zich daartegen. Dat verzet rijst pas als de mens het in het wild
levende dier kiest als jachtobject of het opvangt en dresseert. De nuttige dieren in
engere zin treffen we voornamelijk op dc boerderijen, waar zij met het oog op eco-
nomisch voordeel worden geëxploiteerd.

iNuttige dieren in ruimere zin zijn ook bijvoorbeeld de honden die dienst doen als
surveillancchond, blindegeleidehond of jachthond; de duiven, die als sport worden
ingezet op wedstrijd vluchten, en niet te vergeten de laboratoriumdieren die nood-
zakelijk zijn voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de mens en ook in de
economie cen belangrijke rol spelen (denk aan de geneesmiddelenindustrie). Tegen
het gebruik van dieren voor laboratoriumproeven verzet zich de Anti-Vivisectie-
stichting en — zij het wat gematigder — de Nederlandse Vereniging tot Bescherming
van Dieren.

Tenslotte zijn er nog de zogenaamde gezelschapsdieren, die als het ware lid zijn ge-
worden van het gezin en vaak door emotionele banden met de mens zijn verbonden.
Merkwaardig genoeg zijn cr geen stemmen die zich er tegen verzetten, dat we deze
dieren levenslang gevangen houden en dat we hen dan bovendien — zij het vaak
met de beste bedoelingen — slecht voeden; zo kan men de samenleving van mens
en dier immers ook zien! Natuurlijk overlappen de genoemde terreinen elkaar. Zo
kunnen muizen schadelijk zowel als nuttig, wild zowel als gezelschapsdier zijn.
Hoewel honden en katten ook soms een nuttige functie vervullen — op de boerderij
bijvoorbeeld — zijn zij toch wel uitgesproken gezelschapsdier en als zodanig nemen
zij in het hart van hun baas toch wel een zeer bijzondere plaats in.
Hiermede kom ik midden in het probleem. In maart 1962 heeft Mevrouw Polak een
zekere V. een klap in het gezicht gegeven, omdat hij een malafide dierenhandelaar
zou zijn en deze gebeurtenis heeft dc dierenhandel — en daardoor ook de labora-
toriumdieren — nogal sterk in de publiciteit gebracht.

Wat is cr met de dierenhandel eigenlijk aan de hand? Bij dc handel in boerderij-
dieren loopt alles langs gebaande wegen. De dieren hebben cen bepaalde econo-
mische waarde, afhankelijk van hun te verwachten produktie (vlees, eieren, jongen)
en tegen diefstal en bedrog in de handel wordt terdege gewaakt. Als dc laboratoria
deze dieren nodig hebben levert dit geen probleem op: ze worden gewoon tc.gen de
marktwaarde gekocht, met het oog op besmetting bij voorkeur niet van de markt,
doch rechtsreeks van de boerderij.
Hoe zit het echter met de handel in honden?

De ideale toestand zou zijn dat de fokker de mensen, aan wie hij zijn hondjes wil
toevertrouwen, zorgvuldig zou uitzoeken en met hen zou afspreken dat zij het hondje
in .geval van teleurstelling moeten terugbrengen. In deze transactie zou het geld bij-
zaak moeten zijn. Dat zou natuurlijk alleen maar kunnen bij fokkers op kleine schaal,
als liefhebberij, en zelfs dän moet men nog maar de tijd hebben om de geschikte
toekomsti.ge eigenaars uit te zoeken. In werkelijkheid wordt op grote schaal gefokt
en vindt selectie der adspirant-kopcrs op hun geschiktheid niet of nauwelijks plaats.
De fokkers hebben zich georganiseerd en houden de afstamming van hun honden
zo nauwkeurig mogelijke bij. Ik zeg met opzet „zo nauwkeurig mogelijk", want strikt
genomen is het niet mogelijk een hond te identificeren. De stamboekpapicren die bij
een bepaalde hond horen, zijn dan ook op tientallen andere honden toepasselijk.
Nu zijn het niet alleen de kynologen die honden fokken, ook particulieren doen hier-
aan — vaak ongewild — op grote schaal mee, veel mensen die een hond hebben
aangeschaft, willen daar eni.ge tijd later toch weer van af en door al deze factoren

-ocr page 250-

ontstaat een marktaanbod dat de vraag ruimschoots overtreft, met als gevolg dat de
prijzen enorm dalen. De hond is bovendien ook cen mode-artikel: zo zijn bijvoorbeeld
door de Lassie-films de Schotse collies momenteel erg in trek, uiteraard ten koste van
andere rassen, terwijl de vraag en het aanbod in de loop van het jaar ook nogal
sterk kunnen variëren.

En hier verschijnt nu de figuur die onlan,gs zo in de publiciteit kwam, de dieren-
handelaar, veelal een kleine scharrelaar, die met de in- en verkoop van honden iets
probeert te verdienen. Hij heeft zijn eigen wekelijkse markt o.m. te Tilburg en
Nijverdal en hij profiteert natuurlijk ten volle van het ruime aanbod door tegen lage
prijs in te kopen. Wie lijdt hier het verlies? Natuurlijk de fokker, die voor zijn pups
geen andere afnemer kon vinden of de particulier die voor duur geld een rashond
kocht, doch toen tot de ontdekking kwam dat hij hem niet langer kon houden.
Zo\'n dierenhandelaar is in de ogen van de „hondenliefhebbers" natuurlijk cen weinig
acceptabele figuur en voor de kynoloog in het bijzonder een onbarmhartige concur-
rent, te,gen wie hij slechts éé wapen heeft: het stamboek. Of dit wapen echter wel
zo doeltreffend is, valt te betwijfelen: ik zei reeds dat honden slechts tot op zekere
hoogte te identificeren zijn en stamboekpapieren zijn er genog te krijgen. Een honden-
handelaar die zelf fokt, krijgt nooit cen stamboekbewijs en door deze discriminatie
worden vervalsingen natuurlijk in de hand gewerkt.

Een handelaar zal allicht eerst proberen een hond particulier te verkopen, zo ge-
middeld tegen de helft van de prijs die een kynoloog zou vragen en pas als hem dat
niet lukt komt hij bij de laboratoria die een nóg lagere prijs betalen, ongeveer l/20e
deel van de prijs die het zélf fokken zou kosten, een economische factor van grote
betekenis! In sommige gevallen, bijvoorbeeld wanneer geneesmiddelen eerst jarenlang
op honden getest moeten worden, ligt dat wel enigszins anders doordat dan aan de
kwaliteit van de proefdieren zulke ho,gc eisen moeten worden gesteld en de totale
kosten van zo\'n onderzoek zó hoog liggen, dat de kostprijs geen factor van betekenis
meer vormt. Voor deze proeven fokt men de dieren zelf, d.w.z. er is cen organisatie
van Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek, die in Zeist proefdieren voor labo-
ratoria fokt.

Professor Polak beticht de hondenhandelaren er van dat zij de honden stelen, roven,
ronselen en verkwanselen. Dat is bij elkaar nogal wat! Er zullen inderdaad wel on-
gerechtigheden gebeuren, maar wie zal daar het oog op houden? Hoewel we onze
huisdieren niet kunnen identificteren laten wc ze immers vrij rondlopen? Natuurlijk
worden er honden gestolen en het is ook best mogeijlk dat deze aan een laboratorium
tc koop worden aangeboden. Nu ligt de prijs daar niet aantrekkelijk en bovendien
laten wij in Nijmegen zulke „leveranciers" cen ontvangstbewijs ondertekenen en wij
nummeren dc gekochte dieren. Ook kopen wij niet van minderjarigen. Het komt
bij ons dan ook niet voor dat gestolen honden door dc eigenaars worden opgeëist.
Wel hebben wij andere ervaringen opgedaan die ons hebben geleerd een forse pen-
sionprijs te vragen ingeval gebrachte dieren naderhand weer worden opgevraagd:
het is inderdaad wel gebeurd dat mensen hun hond vóór de vacantie kwamen bren-
gen en hem nä de vacantie weer met een smoesje op kwamen halen.
Natuurlijk is niet na te gaan hoeveel van de als vermist aangeven honden nu werkelijk
zijn gestolen: een deel zal bijvoorbeeld bij verkeersongelukken verongelukken of aan
het zwerven geslagen zijn en mogelijk wordt ook een deel bij een dierenhandelaar
tc koop aangeboden, maar, gezien de lage prijs die daar wordt ,gebode.i, is dat laatste
toch niet zo héél erg waarschijnlijk.

Overigens is er een zeer effectief middel om ook deze kleine kans u t te schakelen,
namelijk de honden steeds aangelijnd te houden. Eigenlijk is degenf die een hond
houdt, daartoe verplicht. Wie zijn hond loslaat, doet er in principf reeds afstand
van een neemt bovendien het risico dat deze bij verkeersongelukken betrokken ge-
raakt, waardoor zijn medemens schade of letsel bekomt, soms zelfs he; leven verliest.
Behalve dat verwijt men de handelaar dat hij dieren levert aan beoefeaaars van para-
medicinale praktijken, bijvoorbeeld voor het bereiden van hondevft voor allerlei

-ocr page 251-

zalfjes van twijfelachtige waarde. Het komt ook voor dat kattevlees voor konijne-
vlees wordt verkocht. Dit laatste is natuurlijk bedrog, maar ik zie niet in waarom je
een hond niet voor andere doeleinden zou mogen gebruiken, mits je hem behoorlijk
doodt. Uiteindelijk gebeurt dit toch: alle dierkadavers gaan naar de destructie-
bedrijven, die er diermeel uit bereiden,

U ziet wel dat de handel in dieren een zeer complexe aangelegenheid is en dat de
controverse tussen de partijen in feite stoelt op een verschil in mentaliteit: voor de
een is de hond een soort levensgezel, voor de ander een handelsobject zonder meer.
Wie de handel in honden wil saneren, staat voor de noodzaak van een reeks ingrijpen-
de maatregelen als: opsluiting van alle fok-reuen — (alle andere reuen castreren)
— registratie van alle dekkingen, afmaken van alle pups die niet geplaatst kunnen
worden en registratie van elke verandering van eigenaar.

Het identificatie probleem moet natuurlijk ook eerst opgelost worden. Dit zou een
veel te kostbaar controle-apparaat vragen en het enige wat men nu zelf kan doen is
zijn hond aangelijnd te houden.

CONGRESSEN

VERENIGING „HET NEDERL.\\NDSCH LANDHUISHOUDKUNDIG CON-
GRES",

Het 110e Ned. Landhuishoudkundig Congres zal worden gehouden op

dinsdagmiddag 5 en woensdag 6 november 1963 in de schouwburgzaal van
„\'t Voorhuys" te Emmeloord.
Op de eerste dag vindt te 13.30 uur de huishoudelijke vergadering plaats, te 14 uur
houdt de heer m r, E. K u y 1 m a n, alg. secretaris van het Kon. Ned. Landbouw-
Comité, een inleiding over:

„Voor en tegen het Landbouwschap".
De dames-congressisten kunnen, hetzij deze inleiding bijwonen, hetzij (bij voldoende
deelname) een bezoek brengen aan bezienswaardigheden in de N.O. Polder.
Aan het College van Burgemeester en Wethouders der gemeente Noord-Oostpolder
is verzocht de dames en heren congressisten officieel te ontvangen.
Des avonds vindt een gemeenschappelijke maaltijd plaats in „\'t Voorhuys" te
Emmeloord.

Woensdagmorgen wordt door de heer drs. A. J. V e n s t r a, hoofdsociograaf bij
de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, een inleiding .gehouden over het onderwerp:

„De inrichting van de IJsselmeerpolders".
Na een gemeenschappelijke koffiemaaltijd volgt, bij voldoende deelname, een excursie
per autobus door de N.O. Polder en Oostelijk Flevoland.
Het Congres is gratis toegankelijk, ook voor niet-leden.

Nadere inlichtingen zijn te verkrijgen bij het Secretariaat: Spotvogcllaan 16, Den
Haag.

Vruchtbaarheid van kalkoenen.

Stamverschillen werden waargenomen met betrekking tot de vruchtbaarheid van kal-
koenhennen. Kruising van niet-verwante stammen verhoogde de vruchtbaarheid van
de nakomelingen niet. In het algemeen wordt aanbevolen elke twee weken te insemi-
neren. Alleen bij stammen die van zichzelf reeds een bevruchting van meer dan
90% hadden, zou eenmaal per 3 weken insemineren voldoende zijn.

Pluimveepers, XVIII, 170, (1963).

-ocr page 252-

MEDEDELINGEN

Van de Veearfsenijkundige Dienst

BESCHIKKING ENTSTOFFEN VOOR DIEREN.

Op 12 juni 1963 verschcen een Koninklijk Besluit, houdende voorschriften betref-
fende het gebruik van entstoffen voor dieren.

Met ingang van 6 augustus is in aansluiting hierop een Beschikking van de Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst van kracht geworden, waarin de toelating, resp.
aanwijzing van verschillende entstoffen is opgenomen.

Een exemplaar van de tekst van het Koninklijk Besluit van 12 juni 1963 (Staatsblad
van het Koninkrijk der Nederlanden nr. 287), alsmede van de Beschikking entstoffen
voor dieren van 1 augustus 1963 (De Nederlandse Staatscourant van 5 augustus 1963,
nr. 149), is inmiddels aan alle dierenartsen toegezonden.

Ter verkrijging van de voorgeschreven vergunning voor enting met miltvuun-accin
en Swivaxvaccin, dienen de dierenartsen zich te wenden tot de inspecteur-districts-
hoofd, in wiens district zal worden geënt.

Met betrekking tot de enting van varkens tegen mond- en klauwzeer kan binnenkort
een Ministeriële beschikking op grond van art. 3, lid 3 van het Koninklijk Besluit
tegemoet worden gezien.

BUITENL.\\NDSE DIERENARTSEN IN ONS LAND.

Op 1 augustus arriveerde in Rotterdam Dr. Y. P. L i u, directeur van en professor
aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de Taiwan-üniversiteit te Tapei op
Formosa.

Dr. Liu bezocht de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht,
waar hij werd ontvangen door de voorzitter van het Faculteitsbestuur, Prof. Dr. C.
Romijn.

\\\'ervolgens bracht hij een bezoek aan de afdeling Roterdam van het Centraal Dier-
geneeskundig Instituut.

Dierenarts Per Hoybraten, verbonden aan het slachthuis van de Noorse hoofd-
stad Oslo, verbleef van 1 tot 7 augustus in ons land. Hij bezocht enkele slachthuizen,
een baconbcdrijf, was de gast van het district Noord-Brabant van de Veeartsenijkun-
dige Dienst tc Boxtel en van de Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht, waar hij
werd ontvangen door Prof. Dr. J. H. J. van Gils.

MOND- EN KLAUWZEER.

In de weck van 17 tot en met 24 juli kwamen in ons land geen nieuwe gevallen
van mond- en klauwzeer voor. In de laatste weck van juli bleek het gebied rondom
Venray echter nog niet betrouwbaar te zijn. Hier werd in die week op twee be-
drijven mond- en klauwzeer geconstateerd.

Waaruit blijkt, dat ondanks het feit dat per 1 augustus de varkensmarkten weer
open gingen en het houden van verkopingen, keuringen en tentoonstellingen, alsmede
het op soortgelijke wijze bijeen brengen van varkens weer was toegestaan, uiterste
waakzaamheid geboden blijft.

Sedert 17 mei waren deze in het gehele land gesloten en verboden geweest, nadat
tot die datum de schorsing niet van kracht was geweest voor de provincies Utrecht,
Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland.

\\\'an 1 januari tot 1 augustus 1963 hebben zich in ons land nu de volgende gevallen
voorgedaan:

-ocr page 253-

nieuwe

gevallen

nieuw totaal

oud totaal

17/7 t/m 24/7

25/7 t/m 1/8

Groningen

3

,

3

Friesland

1

_

_

1

Drenthe

37

-

37

Overijssel

390

_

,

390

Gelderland

1.153

_

_

1,153

Zuid-Holland

4

_

_

4

Moord-Brabant

423

-

_

423

Limburg

48

2

50

2.059

2

2,061

DOORLOPENDE AGENDA

1963

Augustus,

14—21, World Veterinary Association. 17e Internationaal Congres, Hannover.

(pag. 1680 (I960)); (pag. 62, 285, 1399, 1536 (1962)); (pag. 118,
253, 620, 848, 915)
22—23, Symposium Ziekten van pelsdieren. pag. (119)
26—31, „Van Jachthoorn tot Kampvuur" (1000 paarden), Nijmegen.

28, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Overijssel, Hardenberg. \'

29, Goudse vee- en kaastentoonstelling „Goveka", Gouda.
29, Jubileum Bondsfokvecdag (F.H.), Etten (N.-Br.).

29, Varkensfokdag N.L.»), Hoogeveen.
29—sept. 1, Internationale Congres K.I., Wels. (pag. 328, 849)
September,

2— 7, Wereldconferentie over Dierlijke Produktie, Rome.
2—11, Xle Internationale Congres over Genetica, Scheveningen.

7, Paardendag U.T.V., Utrecht.
6— 8, Belgische Dierenartsen Vereniging. Diergeneeskundige Dagen, Ant-
werpen.

11, Groep K.I. en Zootechniek, K.N.M.v.D. Excursie naar Oostmalle (Bel-
,gië), (pag. 1042),

11—13, Kon. Ned. Chemische Vereniging, Viering 60-jarig bestaan, (pag, 849)
13—14, Nationale tentoonstelling K,V,N,T,, \'s-Herto.genbosch.

14, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Contactdag met de afd. Utrecht en
Noord-Holland, (pag, 686)
16—21, Tentoonstelling „Frisiana", Leeuwarden.

18, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Drenthe, Assen,

18, Groep Directeuren van \\\'leeskeuringsdiensten K,N.M.v.D. Vergadering
met Ver. van Directeuien van Gem. Slachthuizen, R.I.V., Bilthoven.

20, Nationale Tentoonstelling van varkens en schapen, \'s-Hertogenbosch.
(afgelast)

21, Réunie van oud-leden „Absyrtus", Zeist,

22—28, British Veterinary Association, Jaarlijks congres, Llandudno, (pag,
615, 621)

25, Centrale keuring K.V.N,T, Afd, Gelderland, Hengelo (Gld,).
25, Centrale verrichtingskeuringen N.W.P., Leeuwarden.

-ocr page 254-

Oktober,

2, Sticrenkeuring, Leeuwarden.

5, Afd. Gelderland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.30 uur, Hotel
Royal, Amhem (pag. 1041).
9—10, Centrale Jonge hengstenkeuring N.W.P., Groningen.
13—19, D.LG., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstelling annex fokveedag, Hoornaar.
18—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, 110e Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag. 467, 620)
31, 6e Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur. Utrecht.
November,

5 en 6, 110c Ned. Landhuishoudkundig Congres, Emmelcxjrd (pag. 1037).
Namelken met de hand.

Van de op de boerderij te verrichten werkzaamheden vraagt het tweemaal daags mel-
ken van de koeien relatief veel tijd. In Nederland wordt immers bij machinaal mel-
ken over het algemeen met één apparaat per m.elkcr gewerkt, waarbij tijd beschikbaar
blijft, de koe met de hand na te melken.

Vooral in de Verenigde Staten, Nieuw-Zceland, En.geland, Zweden en Israël bedient
één melker vaak twee of meer apparaten, waarbij machinaal wordt nagemolken.
Hierdoor kan sneller worden gewerkt en wordt een aangenamer dagindeling moge-
lijk. De vrees voor eventuele nadelige gevolgen heeft in ons land de invoering van
deze werkwijze geremd.

In aanmerking nemend, dat in het buitenland vrijwel geen ver.gelijkende proeven
zijn genomen, die de voor- en nadelen van beide methoden v;.n melken aantonen,
heeft de Commissie van Beheer „Onderzoek werktijdverkorting in de veehouderij"
van het Proefstation voor Akker- en Weidebouw, het Instituut voor Veeteeltkundig
Ondrezoek „Schoonoord" te Zeist bereid gevonden, terzake cen onderzoek in tc
stellen.

Bij de namelkproeven, welke in 1959 werden begonnen en in 1960 werden voort-
gezet, waren in totaal 230 koeien betrokken, waaronder 19 paar eeneiige tweelingen
van de proefboerderij „De Bunzing" te Zeist, en voorts koeien van de proefboerderij
„De Schothorst" te Hoogland, de proefboerderij „Zegveld" en een praktijkbedrijf
te IJsselstein.

Het onderzoek leidde tot de volgende conclusies:

1. Bij een goede uitvoering en bij redelijk voor machinaal melken geschikte koeien
zal machinaal melken praktisch .geen of hoogstens een gering produktieverlics,
van 0,25 kg per da.g (1,5%) kunnen geven.

2. Machinaal namelken geeft geen of hoogstens cen nadelig verschil van 0,05% bij
het vetgehalte.

3. Machinaal namelken heeft geen invloed op het eiwitgehalte.

4. Machinaal namelken schijnt bij een goede uitvoering op de lan.ge duur zelfs een
.gunstige invloed op het mastitisbecid te hebben.

5. Machinaal namelken heeft een gunstige invloed op dc reinheid van de melk,
omdat .geen verontreinigde handnamelk verkregen wordt.

6. Machinaal namelken geeft een arbeidsbesparing van ca. 40% (PiAa) op de
zuivere melkarbeid. De arbeidsprestatie neemt toe van 13-14 koeien per uur
(PiAi, namelken met de hand) tot ca. 23 koeien per uur
(P1A2).

7. Zelfs al wordt rekening gehouden met een eventueel produktieverlics van 1,5%
dan kan machinaal namelken met voordeel worden toegepast op bedrijven met
12 en meer melkkoeien.

8. Machinaal namelken vraagt meer oplettendheid en organisatievermogen van de
melker, maar geeft tevens een arbcidsverlichting. Verschillende grotere bedrijven
kunnen met behulp van machinaal namelken in vele gevallen een oplossing vin-
den voor het melkerstekort, zonder dat dit extra investeringen nodig maakt.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 27, (1963).

-ocr page 255-

Koninklijke Nederlandse
Maafsehappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU.

Programma Algemene Vergadering 1963.

Het programma van de .Algemene Vergadering 1963 is voor de leden als losse
bijlage aan deze aflevering van het Tijdsehrift voor Diergeneeskunde toegevoegd.
Voor het geval het programma bij verzending abusievelijk niet mocht zijn ingelegd,
wordt op verzoek alsnog een exemplaar toegezonden door het brueati.
.Aan leden, die wegens wanbetaling geen tijdschrift ontvangen, zal het programma
separaat worden verzonden.

Achterstallige contributies.

Als deze aflevering verschijnt, is inmiddels aan de leden, die aan de laatste herinne-
ring in de aflevering van 15 juli tot nog toe geen gehcxjr hebben gegeven, een
bankkwitantie aangeboden.

Ter voorkoming van nog meer administratief werk wordt de desbetreffende collegae
dringend verzocht de kwitanties te volden en niet te retourneren met dc aantekening
als „wordt per giro betaald", „wordt over gecorrespondeerd" ctc.

Tarief voor de enting tegen trilziekte bij kuikens.

Nu bij de pluimveehouders de belangstelling voor de enting van kuikens tegen tril-
ziekte blijkt toe te nemen heeft het Hoofdbestuur zich nader beraden over het te
berekenen tarief.

Op grond van het rapport van de Tarievencommissie adviseert het Hoofdbestuur het
volgende tarief in rekening te brengen:

per te behandelen bedrijf: een visitebedrag -f ƒ0,10 per gevaccineerd kuiken
-I- de gebruikelijke berekening van de vaccinkosten.

Zoals bekend, wordt de entstof vcxjrlopig gratis beschikbaar gesteld.
Het Hoofdbestuur rekent erop dat alle practici zich aan dit advies — dat zowel
voor de dierenarts als voor de pluimveehouder aanvaardbaar is — gebonden achten.
Doet men dit niet, dan ontstaat in het land bij dc pluimveehouder onnodig verwar-
ring en wordt de onderlinge collegialc verhouding verstoord.

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Gelderland.

De Afdeling Gelderland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
houdt haar eerstvolgende ledenvergadering op
zaterdag 5 oktober a.s. om 14.30 uur
in Hotel Royal te Arnhem.

VAN DE GROEPEN.

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

Op grond van de bestuursverkiezingen gehouden tijdens de 61ste ledenvergadering
van 11 mei 1963, mede op grond van de verdere bestuursvergadering van 18 juli
daaropvolgende, heeft het bestuur van de Groep zich alsvolgt geconstitueerd:

-ocr page 256-

Dr. M. A. J. Verwer, voorzitter, Utrecht,
Dr. H. H. Thalheimer, secretaris, \'s-Gravenhage,
J. E. Gajentaan, penningmeester, .Amsterdam,
J. Boom, lid, Rotterdam,
Dr. P. Zwart, lid, Bunnik.

Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten.

De jaarlijkse gecombineerde ledenvergadering van de Groep Directeuren van Vlees-
keuringsdiensten en de Vereniging van Directeuren van Gemeentelijke Slachthuizen
zal plaats hebben op
woensdag 18 september in het Rijks Instituut voor de Volks-
gezondheid
te Bilthoven.

Groep Kunstmatige Inseminatie en Zootechniek.

De groep organiseert op 11 september a.s. een excursie naar Oostmalle (België).
PERSON.ALIA.

Het Hoofdbestuur heeft dc diergeneeskundige studenten G. v. d. Hem, van Lynden
van Sandenburglaan 34, Utrecht, en L. F. den Houtcr, Wittevrouwenstraat 22 bis.
Utrecht, aangenomen als kandidaat lid van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde.

In verband met vakanties blijft de rubriek „.Adreswijzigingen en dergelijke" van de
„Personalia" ditmaal achterwege. Te beginnen met het eerstvolgend te verschijnen
tijdschrift wordt publikatie van de desbetreffende gegevens op de gebruikelijke wijze
hervat.

Eén uitzondering wordt echter gemaakt vcxjr de zeer eervolle benoeming van Dr.
H. J. Wcckenstroo tot Officier in de Huisorde van Oranje Nassau. In de volgende
aflevering verschijnt hierover een uitvoerige mededeling.

Malse dikbillen.

In „Great Britain" werd in het kader van een onderzoek naar groei en kwaliteit van
vleesrunderen bij een dikbil van een vlccsras geconstateerd dat dc bijzondere ge-
spierdheid ook gepaard ging met een grote malsheid van het vlees.

News Letter No. 32; C.A.B, blz. 8.

\'s Werelds oudste koeien?

Door M. C e n a zijn gegevens verzameld uit verschillende landen ointrent koeien,
welke een hoge leeftijd bereikten. Als een der oudste wordt een Poolse koe genoemd,
geboren in 1923, die 30 maal gekalfd had en nog in 1958 melkgevend was. Ze moest
daarna wegens een ongeluk worden opgeruimd. Al haar kalveren waren sticrkalve-
ren. Enkele andere koeien werden respectievelijk 36, 35, 34 en 31 jaar oud.
De recordleeftijd (zonder nadere gegevens) betreft een koe van 40 jaar; 30 x ge-
kalfd en nog melkgevende op 37-jarigc leeftijd.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 275, (1963).

Natriuniacrylaat.

De groei van kuikens werd bevorderd door dagelijkse verstrekking van natrium-
acrylaat. De optimale hoeveelheid ligt tusen 333 en 1000 d.p.m.

Werkzaam waren ook de kalium en magnesiumzouten van acrylzuur. 500 d.p.m. na-
trium acrylaat vermindert de sterfte en verbetert de groei van met PPLO besmette
kuikens en vulde in dit opzicht chloortetracycline aan.

Pluimveepers, XVIII, 148, (1963).

-ocr page 257-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

IV. Sybesma, Enterse ziekte onder de huidige omstandigheden.
Praktische mogelijkheden ter beperking van de schade . .
1043
ƒ. Hoekstra, Nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek van het
leucosecomplex bij kippen — New trends in the research about

leucosis in fowl ■—...........1050

ƒ. Jacobs, Detection and significance of penicillin in milk . . 1055

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

F. W. J. Swart, Pseudomonas-infectie bij kalkoenen — Pseudo-
monas infection in turkeys
—........1066

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten.........1068

Exotische dieren, pelsdieren en proefdieren.....1069

Kunstmatige Inseminatie.........1070

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....1070

Stofwisselings- en deficiëntieziekten.......1071

Zootechniek............1071

BOEKBESPREKING

R. von der Aa, Bakterien-Systematik.......1073

H. Meyer, Magnesiumstoffwechsel, Magnesiumbedarf und
Magnesiumversorgung bei den Haustieren
.....1073

INGEZONDEN

Dierziektenbestrijding (J. J. van Dijk)......1075

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Proeven met schürf- en wormbestrijdingsmiddelen onder prak-
tijkomstandigheden
...........1076

De verzorging van het paard na het gebruik.....1076

Veehouderij in Engeland en Wales.......1078

Verplichting tot het brandmerken op de hoeven van buiten-
landse werkpaarden
...........1078

De bestrijding van trilziekte en van ziekten der ademhalings-
organen bij pluimvee
..........1079

In Brakel herleeft de historie........1080

Diergeneeskundige dagen 1963 - Antwerpen 6-7 september . 1080

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1082

VARIA............ 1049, 1054, 1067, 1084

DOORLOPENDE AGENDA............1083

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het bureau...........1085

Van de afdelingen...........1086

Personalia . \'............1086

-ocr page 258-
-ocr page 259-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Enterse ziekte onder de huidige omstandigheden.
Praktische mogelijkheden ter beperking van de
schade.^)

Practical possibilities for reduction of loss caused by
muscle degeneration in pigs.

door W. SYBESMA2)

Uit het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord", Zeist.

Inleiding.

Het kwaliteitsgebrek van varkensvlees dat in Nederland bekend staat
onder de naam Enterse ziekte (Tacken, 1952) wordt nog immer ge-
signaleerd.

Het I.V.O. „Schoonoord" houdt zich reeds een aantal jaren bezig met
bovenstaand probleem. Zo is komen vast te staan dat het natte, slappe,
bleke vlees biochemisch gekenmerkt wordt o.a. door een hoger totaal kool-
hydraatgehalte, een hoger vrij-water gehalte en een lagere pH, terwijl
de oplosbaarheid der eiwitten sterk gedaald is (Hart, 1961a, 1961b).
De laatstgenoemde eigenschap vormt de basis van de zogenaamde trans-
missiewaardemethode die door Hart werd ontwikkeld (Hart, 1962).
Het is hierdoor beter mogelijk geworden de ernst van het euvel op objec-
tieve wijze in een enkel getal weer tc geven. Resultaten van andere proe-
ven zullen eerlang worden gepubliceerd.

Omvang en schade.

De omvang van het genoemde kwalitcitsgebrek is moeilijk te schatten.
De door de keiuingsdiensten voor de normale consumptie afgekeurde hoe-
veelheden vlees geven niet een juist beeld van het werkeliji<e aantal ge-
vallen. Immers meestal pas na het uitsnijden komt voor de dag of het
vlees te nat, te slap en te bleek is. De goedkeuring heeft dan echter al
plaats gehad. De in geringe mate aangetaste karbonaden gaan nog grif
van de hand als de zogenaamde blanke karbonaden (ongeveer 20% van
de Nederlandse Landvarkens karbonaden vertonen dit beeld).
Met de hammen is het echter anders gesteld. Op bepaalde exportslachte-
rijen worden minstens 1% van het aantal ongeschikt verklaard om te
worden ingeblikt, aangezien een te grote gelei-afzet wordt verwacht. Dit
houdt in dat het eindprodukt minder ham en meer gelei dan de als nor-
maal gekwalificeerde hammen oplevert. Bij de wel ingeblikte hammen
zal de gelei-afzet ook niet over de hele linie constant zijn. Deze indirecte
schade is echter eveneens moeilijk te becijferen.

160ste mededeling van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoon-
oord", Zeist.

Dr. W. Sybesma, wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Veeteelt-
kundig Onderzoek „Schoonoord", Driebergseweg 10 d, Zeist.

-ocr page 260-

Oorzaak.

Het is gebleken dat rasverschillen bestaan (Haring, 1963), zodat het
aannemelijk is te veronderstellen dat er een erfelijk bepaalde gevoeligheid
in het spel is. Voorts spelen milieu-factoren een rol.

Het valt buiten het bestek van dit artikel in te gaan op de in de literatuur
genoemde mogelijkheden (Ludvigsen, 1953); (Bugard, Henry
en J au bert, 1962). Beperken we ons tot de waargenomen verschijnse-
len in de spieren, dan kunnen we ons afvragen hoe een en ander kan ont-
staan. Hieromtrent valt het volgende te zeggen.

Eén van de belangrijkste bestanddelen van het spierweefsel is het myo-
globine, omdat dit samen met de cytochroomsystemen er voor zorgt dat
de energierijke fosfaten als adenosinetriphosphaat (ATP) en creatinetri-
phosphaat (CTP), die de directe energievoorziening in de spieren moeten
waarborgen, worden gevormd. Dit geschiedt door middel van de oxyda-
tieve fosforylering (Lawrie, 1953). Het myoglobine nu dient als op-
slagplaats van de bij genoemde processen benodigde zuurstof. Bij een ho-
gere energiebehoefte, bijvoorbeeld bij spierarbeid, zal een deel van de bij
de glycolysis vrijkomende energie door middel van resynthese wederom
worden vastgelegd in genoemde fosfaatverbindingen indien voldoende
zuurstof aanwezig is. Is dat niet het geval, dan komt deze energie in de
vorm van warmte vrij (B err ens, 1959). Deze anaerobe stofwisseling,
die nodig is geworden om aan de vergrote energiebehoefte te voldoen,
resulteert bovendien in een melkzuurophoping door een onvolledige ver-
branding (Kit, 1960). De mate daarvan hangt ook van het glycogeen
niveau af. Doordat er niet meer in voldoende mate resynthese plaats vindt
bij deze anaerobe stofwisseling is deze uit het oogpunt van energievoorzie-
ning veel onvoordeliger voor het organisme. Deze processen hebben meer
het karakter van afbraakprocessen. Er vindt op den duur een verstikking
plaats van het weefsel. Het dier houdt het dan ook bij anaerobe processen
minder lang vol. Het is gebleken dat dieren met verschijnselen van spier-
degeneratie een lager myoglobinegehalte hebben (Hart, 1961b). Deze
lage myoglobinegehalten predisponeren nu voor bovengenoemde anaerobe
processen.

Dieren met een laag myoglobinegehalte zijn minder goed in staat zuurstof-
arme perioden te overbruggen. Ze zijn gevoeliger voor toestanden waarin
de behoefte aan energie is vergroot (bijvoorbeeld opwinding tijdens trans-
port). Het lage gehalte aan ATP vermindert echter het reactievermogen
en het weerstandsvermogen (in energetische zin) der cellen (Seekles,

1957).

Het tekort aan myoglobine leidt bij een vergrote energiebehoefte tot een
zuurstofcrisis. Deze leidt onder bepaalde omstandigheden tot een warmte-
crisis,
die samen gaat met een melkzuurophoping. Deze ophoping op zichzelf
wordt voorts bevorderd door het onvermogen van het dier om het melk-
zuur via het bloed uit de spieren af te voeren (Ludvigsen, 1957).
Bij het niet voldoende afvoeren van de geproduceerde warmte zullen de
schadelijke processen bovendien nog worden gestimuleerd door de hogere
temperatuur ter plaatse. Deze processen, die zich afspelen tijdens het leven
van het dier, hebben echter ook grote invloed op de
postmortale processen.
Een laag gehalte aan ATP en CTP veroorzaakt een snelle rigor mortis,
waarbij tevens een snelle glycolysis plaats vindt. De pH-daling van het

-ocr page 261-

vlees naar z\'n diepste punt geschiedt veel sneller dan normaal (binnen 1
uur inplaats van na ± 10 uur; B e nd a 11, 1960). De postmortale proces-
sen zijn temperatuurgevoelig. Beneden 25° C kan een duidelijke afrem-
ming worden geconstateerd (Marsh).

Dit is in het kort een hypothese over het ontstaan van het bleke, slappe
en natte vlees. Naast de invloed van een hereditaire component (zoals
een te laag myoglobinegehalte) geeft deze hypothese ook aan dat milieu-
factoren belangrijk kunnen zijn.

Milieufactoren.

Bij het bestuderen van het voorkomen van het onderhavige kwaliteits-
gebrek stuitte men al spoedig op seizoensinvloeden. Vooral in de zomer-
maanden treedt het gebrek frequenter op dan \'s winters (L u d v i g s e n,
1953).

Is daar een verklaring voor te vinden in het licht van bovenstaande hypo-
these?

\'s Winters is de energiebehoefte van het dier groter dan \'s zomers. Deze
behoefte is echter een warmtebehoefte. De overtollige geproduceerde
warmte kan \'s winters gemakkelijker worden afgevoerd dan zomers om-
dat de temperatuur van de omgeving en de vochtigheidsgraad van de
lucht in de regel lager is, ondanks het feit dat de lucht minder waterdamp
kan bevatten dan \'s zomers. Van een warmtecrisis zal dan ook niet gauw
sprake zijn. De melkzuurophoping zal minder groot zijn omdat een lagere
milieu (weefsel) temperatuur een lagere zuurstofbehoefte tot gevolg heeft.
Immers warmteophoping ontbreekt. Na de slachting is de koeling direct
effectief door de lage slachttemperatuur.

\'s Zomers bestaat er een geheel andere situatie. Door de hogere tempera-
turen, die gepaard kunnen gaan met een hoge vochtigheids.graad, kan
rondom de dieren een tro])ische klimaatstoestand ontstaan (Bianca,
1953). De warmteafgifte is onder dergelijke omstandigheden zeer slecht
terwijl de zuurstofvoorziening ook niet aan de eisen voldoet, vooral als
de energiebehoefte soms plotseling vergroot wordt.

\'s Zomers is de kans groot dat zowel een zuurstofcrisis als een warmte-
crisis optreedt. Daar komt dan nog bij, dat ook na de dood de omgevings-
temperatuur niet meewerkt aan een gunstig verloop van de postmortale
processen.

Deze algemene weersgesteldheden spiegelen zich af in de bijzondere kli-
maatsomstandigheden van de stal. Een bedompte, slecht geventileerde, stal
in de winter zal \'s zomers nog slechter geventileerd en nog bedompter zijn.
Een transport van te veel varkens in een veewagen zal \'s winters benau-
wend zijn, maar \'s zomers verstikkend.

De te nemen maatregelen.

Gezien de grote waarschijnlijkheid dat het kwaliteitsgebrek erfelijk is, zal
het zinvol zijn door selectie te proberen genoemde ongewenste vleeseigen-
schap kwijt te raken.

Maar maatregelen die beogen voor het vlees gunstige milieuomstandig-
heden te scheppen, kunnen daarnaast niet gemist worden. Daarbij moe-
ten we bedenken dat het natuurprodukt „vlees" meer en meer het karak-
ter van een kunstprodukt heeft gekregen. Het zal dan ook op dienovereen-

-ocr page 262-

koinstige wijze moeten worden behandeld. Willen we een constant eind-
produkt van de in stofwisselingsopzicht zo labiele varkens verkrijgen, dan
zal onder meer het slachtproces (waaronder ook het vervoer naar de
slachterij kan worden begrepen) moeten worden geconditioneerd. Er zal
naar gestreefd moeten worden de nadelige in\\ loeden zoveel mogelijk uit te
schakelen.

Het is daarom nuttig de volgende, in dit kader zo belangrijke factoren eens
nader te bekijken:

I. Het myoglobinegehalte der spieren;
n. Het glycogeen-niveau;
JII. ]3e zuurstofvoorziening;
IV. De warmteproduktie en -afgifte.

I. HET MYOGLOBINEGEHALTE.

Zoals in voorgaande hypothese is gesteld, is het niveau van het myoglobine
belangrijk bij de aetiologie. Een verhoging van een laag myoglobinegehalte
is waarschijnlijk mogelijk door training van de desbetreffende spieren
(aangezien spieractiviteit samengaat met een hoger myoglobinegehalte;
Lawrie, 1953).

Een dergelijke training zou echter de snelheid van het afmesten nadelig be-
ïnvloeden, omdat Sjjierarbeid energie vraagt. We gaan niet in op de gun-
stige werking van vitamine E en selenium op sonnnige spierdystrofie-vor-
men, die het nadeel van een myoglobinetekort gedeeltelijk opheffen (Or-
stadius, 1961).

II. HET GLYCOGEEN NIVEAU.

Hoe hoger het oors]5ronkelijke glycogeen niveau is, hoe groter onder on-
gunstige omstandigheden de melkzuurophoping zal zijn. Daarom is glyco-
geenafnanie (bijv. spierarbeid of koudwaterbehandeling) gunstig gebleken
ten aanzien van de vleeskwaliteit (Briskey, 1959; S a y r e, 1961).
Conditio sine qua non is echter wel om onder de aanbevolen omstandig-
heden \\an spierarbeid een voldoende zuurstofvoorziening te handhaven.
Met andere woorden, een plotselinge overgang van inactiviteit naar gefor-
ceerde activiteit zou juist de anaerobe glycolysis met de daarbij optredende
melkzuuropho]jing bevorderen. (Voorts moeten we bedenken dat een te
grote glycogeen afname nadelig is voor de houdbaarheid van het vlees).

III. DE ZUURSTOFVOORZIENING.

De zuurstofvoorziening van de spieren kan onder verschillende omstandig-
heden in de knel raken. Dit is bijvoorbeeld het geval in de volgende si-
tuaties:

1. het myoglobinegehalte is te laag;

2. de zuurstofvoorziening is inferieur door slechte ventilatie in een stal,
c.q. in een veewagen;

3. de bloedcirculatie is gestoord, waardoor het zuurstoftransport in het
lichaam onvoldoende functioneert. De zuurstoftoevoer in de weefsels
stagneert;

4. de energiebehoefte is te groot voor een normale zuurstofvoorziening;

5. combinaties van de voorgaande situaties.

-ocr page 263-

Door geen extreme eisen te stellen aan het te slachten dier moet het moge-
lijk zijn een zuurstoftekort te voorkomen.

IV. DE WARMTEPRODUKTIE EN -AFGIFTE.

Het varken is door het bezit van een speklaag zeer in het nadeel wat de
warmte-afgifte aangaat t.o.v. andere slachtdieren, zowel tijdens het leven
als na de dood. Een sterk verhoogde warmteproduktie treedt op bij een
zowel sterk verhoogde energiebehoefte als een te kleine zuurstofreserve.
Opgejaagde - en daardoor opgewonden - dieren raken dan ook snel over-
verhit.

Wanneer deze oververhitte dieren \'s zomers geslacht worden, vindt er pas
afkoeling plaats in de koelruimte. Daarvóór verhindert de broeibak (60° C)
dat de temperatuur na de dood snel kan dalen. Deze procedure werkt in
het nadeel \\ an de vleeskwaliteit. Het feit, dat de kwalitatieve spierdegene-
ratie bij huisslachtingen niet zelden voorkomt zal gedeeltelijk toe te schrij-
ven zijn aan het ontbreken van koeling. Het transport van de slachtdieren
zal ruim en fris moeten geschieden over een niet al te grote afstand. Een
douche-installaue, die oververhitte dieren vóór de slachting afkoelt, zou
zijn nut zeker bewijzen. De slachtprocedure zou eveneens kunnen worden
gewijzigd en wel in die zin dat de broeibakfase plaats zou maken voor een
snellere en hygiënischer ontharingsmanier bij een lagere temperatuur. Een
snelle afkoeling van het geslachte dier zou voorts kunnen worden bewerk-
stelligd door het spek gedeeltelijk los te maken, waardoor de warmte-
afgifte van liet vlees zou worden versneld. (Uit een oogpunt van vlees-
bezoedeling is dit echter niet zonder meer aan te bevelen.)
In het kort komen de te nemen maatregelen hierop neer dat in eerste in-
stantie een
zuurstof crisis moet worden voorkomen, omdat (vooral \'s zomers)
een
warmtecrisis, gepaard gaande met een melkzuurophoping in de spieren,
daarvan het gevolg is.

SAMENVATTING.

.\\an de hand van htcratuur.ge.gcvens werd een hypothese opgesteld die als leidraad
kan dienen voor het treffen van praktische maatregelen, welke kunnen worden ge-
nomen om het optreden van nat, slap en bleek varkensvlees (de zogenaamde Entersc
ziekte) te verminderen.

Het lage myoglobincgehalte der spieren zou de varkens predisponeren voor cen
anaëroob verloop van dc spierstofwisseling. Immers een gevolg daarvan is het on-
vermogen zuurstof in de spieren disponibel te hebben (zuurstofcrisis). De bij de
anaerobe stofwisseling vrijkomende warmte is tevens in het geding. Er kan nl. een
warmtecrisis ontstaan die accelererend werkt op de (anaërobe) glycolysis.
Het ontbreken van ATP en CTP werkt voorts cen snelle pH daling na de dood in
de hand, vooral als de overtollige warmte niet snel genoeg (door koeling) wordt
afgevoerd. Op grond van genoemde hypothese zal men het slachtproces moeten con-
ditioneren in die zin dat de zuurstofvexjiziening vóór de dood adequaat moet zijn
aan de energiebehoefte, terwijl de thermoregulatie normaal moet functioneren. Maat-
regelen in het genetische vlak zullen uiteraard niet gemist kunnen worden om op den
duur de kwalitatieve spierdegeneratie bij het varken terug te dringen.

SUMMARY.

From literature a hypothesis is constructed with reference to the causes of the so-
called Muscle Degeneration in pigs.

-ocr page 264-

The low myoglobin content, the diminishing ATP (adenosinetriphosphate) and CTP
(creadnetriphosphate) content of the musclus during transport to the slaughterhouse
require a sufficient oxygen supply for the higher need of rapid available energy.
Furthermore attendon must be given to the heat tolerance of the animal.
In order to reduce the frequency of the above mentioned disorder various practical
measures are proposed. Genedc measures, however, remain of great importance.

RÉSUMÉ.

Il est présentée une hypothèse, extrahée de la littérature, quant à l\'origine de la
dégénération musculaire du porc.

La diminution du taux de myoglobine, la baisse des teneurs en ATP (adenosinetri-
phosphate) et en CTP (creatinetriphosphate) des muscles pendant le transport de-
mandent un approvisionnement suffisant de l\'oxygène, pour résister l\'augmentation
du besoin énergétique.

La tolérance de la chaleur est aussi très importante.

Quelques applications pratiques ont été proposées pour diminuer la présence de la
myopathie. Des mesures génétiques sont de même inévitables pour améliorer la
qualité de la viande.

ZUSAMMENFASSUNG.

•Aus Literaturangaben ist eine Hypothese abgeleitet worden über die möglichen Ur-
sachen von Muskeldegeneration beim Schwein.

Der niedrige Myoglobingchalt und das Verschwinden des ATP (adenosinetriphos-
phate) und CTP (creadnetriphosphate) aus den Muskeln unter den Transportbc-
dingungen vor der Schlachtung, fordern eine ausreichende Oxygenzuführung für den
höheren Energiebedarf.

Auch die Wärmtetoleranz soll man beachten.

Einige praktische Massnahmen werden empfohlen um das Auftreten von blass-wässe-
rigem Fleisch von weicher Konsistenz einzuschränken. Züchterische Massnahmen sind
aber ebenfalls unbedingt notwendig.

LITERATUUR

B e n d a 1 1, J. R. : Post Mortem Changes in Muscle. Structure and function of Muscle

G. H. Bourne Ed. Vol. IH Academ. Press. New York, London, 1960.
B e r r e n s, L. : Enige aspekten van de vorming en het verbruik van adenosinetri-

fosfaat in dieriijke weefsels. Proefschift, Utrecht 1959.
Bianca, W., geciteerd door O o s t e r 1 e e, C. C.: Een onderzoek naar de invloed
van klimaatsfaktoren op het warmte evenwicht en de melkproduktie van runderen
in verband met het vraagstuk van de boerderijbouw in Nederland. Proefschrift,
Utrecht 1958.

B r i s k e y, E. J., B r a y, R. W., H o e k s t r a, W. H., G r u m m e r, R. H.,
Philips, P. H. : The effect of various levels of exercise in altering the chemical
and physical characteristics of certain Pork Ham Muscles, ƒ.
Anim. Sci., 18, 153,
(1959).

B u g a r d. P., Henry, M., J o u b e r t, L.: Maladies de civilisation et dirigisme

biologique. Masson et Cie, edit. Paris (1962).
Haring, F. : Die Züchtung von Fleischschweinen und die Folgeerscheinungen, die
sich ins besondere im Hinblick auf die Qualität von Fleisch und Fett ergeben.
Die Fleischwirtschaft, 15, 5, (1963).
Hart, P. C. : De bepaling van de vleeskleur door meting van extinctiewaarde.

Tijdschr. Diergeneesk., 86, 340, 1961a).
Hart, P. C.: Fysisch-chemische kenmerken van spierdegeneratie bij varkens.

Tijdschr. Diergeneesk., 86, 663, (1961b).
Hart, P. C. : Fysisch-chemische kenmerken van gedegenereerd vlees bij varkens II.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 156, (1962).

-ocr page 265-

Kit, S.: Intermediary Metabolism of Building Blocks Involved in Growth. Funda-
mental Aspects of Normal and Malignant Growth. Nowinski. W.W., Ed. Elsevier
publishing Company, Amsterdam (1960).

Lawrie, R. A.: The activity of the Cytochrome system in Muscle and its Relation
to Myoglobin.
Biochem. ]., 55, 198, (1953).

L u d V i g s e n, J. B.: Muscular Degeneration in Hogs. 15th International Veterinary
Congress, Stockholm, Proc.
Part IV, p. 602, (1953).

Ludvigsen, J. B.: Akuter Herztod und Skelettmuskel entartung des Schweines.
Arch. exp. VetMed., 11, 198, (1957).

M a r s h, B. B.: Geciteerd door B e n d a 1 1, J. R.

Orstadius, K.: Nutritional Muscular Dystrophy in pigs. Proefschrift, Uppsala
1961.

S a y r e, R. N., B r i s k e y, E. J., H o e k s t r a, W. G. and B r a y, R. W.: Effect of
pre-slaughter change to a cold environment on characteristics on pork muscle.
J. anim. Sci., 20, 487, (1961).

Seekles, L.: Studiedag Veevoeding, Wageningen. U. Twijnstra, (1957).

Tacken, P. H. W.: Spierdegeneratie bij varkens, een acute psychosomatische de-
compositie op basis van een labiel physiologisch-chemisch evenwicht.
Tijdschr.
Diergeneesk.,
77, 487, (1952).

Vergelijking van melkprijzen in West-Europa.

De Bond van Melkproducenten in Sleeswijk-Holstein heeft uit een onderzoek vastge-
steld, dat in een aantal West-Europese landen de verbruikersprijs van een liter losse
consumptiemelk met een vetgehalte van 3%, in Nederlandse valuta omgerekend als
volgt is:

Prijs per liter

Land cents

Oostenrijk 33*)

West-Duitsland 39,5

Denemarken, Luxemburg en Nederland 43

België 45

Frankrijk 47

Italië 48,5

Groot Brittannië 63**)

Zweden 64

*) Verhoging tot West-Europees niveau is in overweging.
Vetgehalte 3,7%.

Veeteelt, en Zuivelber., 5, 233, (1963).

Hoe lang draagt een konijn?

Schr. ontkent dat een konijn van 28 tot 32 dagen drachtig kan zijn. Nauwkeurig
onderzoek toonde aan dat 31 dagen het meeste voorkomt en de meeste levenskrachtige
jongen geeft; 30 en 32 dagen geeft minder re.gelmatig verlopende geboorten.

Pluimveepers, XYIU, 176, (1963).

De Charolaisproef in Engeland.

Door import van Charolaisstieren en zaad wordt in 1963 de geboorte van 25.000
door Charolaisstieren verwekte kalveren verwacht. Dit materiaal wordt onderzocht
op afkalven, groei en slachtkwaliteit.

Der Tierzüchter, 20-4.1963.

-ocr page 266-

Nieuwe ontwikkelingen in het onderzoek van het
leucosecomplex bij kippen.1!

New trends in the research about leucosis in fowl.

door J. HOEKSTRA2)

Uit de laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, afd. Rotterdam.

Wie de jaarverslagen van instituten en gezondheidsdiensten die zich met
pluimveeonderzoek bezighouden nagaat, zal al spoedig getroffen worden
door het feit dat van de ingezonden kadavers van volwassen kippen niet
minder dan circa 25% geleden blijkt te hebben aan leucose of neurolymfo-
inatose. Met uitzondering misschien van de ademhalingsziekten zijn er
vrijwel geen pluimveeaandoeningen bekend, die een groter economische
schade veroorzaken.

Het is daarom meer dan begrijpelijk, dat het leucosecomplex zich zowel van
de zijde van de pluimveehouders, als van de onderzoekers in een blijvende
belangstelling mag verheugen. Een belanstelling die tot dusver slechts ge-
temperd werd door de welhaastonoverkomelijke moeilijkheden, die zowel
het onderzoek als de praktische bestrijding bij deze ziekten ondervonden
en die tot gevolg hadden dat vele pluimveehouders een zekere uitval door
ziekten van het leucosecomplex als een „normaal" bedrijfsrisico in hun
calculatie opnamen.

Toen ons tijdens een recente studiereis in de Verenigde Staten de gelegen-
heid werd geboden kennis te nemen van nieuwe onderzoekingsmethoden op
dit terrein, grepen wij deze kans uiteraard met beide handen aan. Inder-
daad bleek een ontwikkeling in het leucoseonderzoek plaats te hebben ge-
\\-onden, waarvan alle consequenties thans stellig nog niet te overzien zijn,
doch die een totale omwenteling op het gebied van het leucoseonderzoek
meer dan waarschijnlijk maken.

Ten einde dc betekenis van deze nieuwe onderzoekmethoden tegen de juiste
achtergrond te schetsen, is het goed om eerst de voortgang van onze kennis
\\ an het leucosecomplex tot nu toe in het kort in herinnering tc brengen.

De ziekten van het leucosecomplex zijn reeds sedert het begin van deze
eeuw bekend.

(X\'cr het verloop van de sterfte in de koppels, de klinische, patholoog-ana-
tomische en de histologische afwijkingen zijn in de loop der jaren een groot
aantal gegevens verzameld, die ons een tamelijk juist beeld van deze ziek-
ten hebben verstrekt.

Veel moeilijker bleek het een helder inzicht in de aetiologie te verkrijgen.
Reeds in de oudste publikaties werd op de mogelijkheid, respectievelijk de
waarschijnlijkheid, van virusinfecties gewezen, doch een afdoend bewijs
bleek moeilijk te leveren. Met name overbrengingsproeven hadden zeer
wisselvallige resultaten. Daarnaast kwam de theorie van de erfelijke vat-
baarheid naar voren, waarbij soms vrij scherpe tegenstellingen aan de dag

1  Opmerkingen naar aanleiding van een studiereis naar de U.S.A. in opdracht van
T.N.O., ondernomen door W. J. Roepke (Socsterberg) en J. Hoekstra.

2  Prof. Dr. J. Hoekstra, wetenschappelijk hoofdambtenaar aan het Centraal Dier-
geneeskundig Instituut, afd. Rotterdam; postbus 6007, Rotterdam.

-ocr page 267-

traden tussen voor- en tegenstanders. Tussen hen, die de erfelijke factoren
van het meeste belang achtten, en anderen die de ziekten van "het leucose-
complex als een zuivere infectie-aangelegenheid wensten te zien. Deze
tegenstelling overigens, is meer schijn dan werkelijkheid, want in feite is
ook de gevoeligheid voor bepaalde infectieziekten erfelijk bepaald. \\Vèl kan
nien van mening verschillen of hier aan de inwendige-," dan wel de uitwen-
dige ziekte-oorzaken de meeste betekenis moet worden toegekend.
Als consequenties van de erfelijkheidstheorie is zowel op experimentele
schaal als ook door vele fokbedrijven, vooral in de U.S.A., getracht door
foktechnische methoden dieren met hoge weerstand tegen leucose te ver-
krijgen. Hoewel in vele gevallen zeker wel enig resultaat werd geboekt, kan
men zich toch niet aan de indruk onttrekken dat het beoogde nuttige
effect veelal sterk onder de verwachting is gebleven. Van het tegenover-
gestelde doel: het fokken van dieren die juist zeer gevoelig voor leucose
waren, is wel gebruik gemaakt om geschikt proefdiermateriaal te verkrij-
gen. Het bekende Pluimvee Instituut te East Lansing past dit al jarenlang
toe.

Ondanks de moeilijkheden die het onderzoek naar de aetiologie van de
leucose bood, zijn toch in de loop der jaren verschillende vaststaande ge-
gevens beschikbaar gekomen. Voornamelijk wel door het werk van het
Pluimvee instituut in East Lansing U.S..\\. onder leiding van B u r m e s-
ter. Men wist hier in de loop der jaren een pluimveestapel met een be-
kende en hoge gevoeligheid voor leucose, doch vrij van de leucose-infectie,
op te bouwen en streng geïsoleerd als zodanig te "handhaven.
Met grote groepen kuikens, uit deze koppels verkregen, werden dan leu-
cose-infectieproeven ingesteld, tezamen met een groep controlekuikens die
niet besmet werd.

De verkregen resultaten lieten, doorgaans na een lange observatieperiode,
soms van 500 dagen, duidelijke verschillen zien. Wel is waar trad in de
regel ook in de controlegroep enige leucose op, doch wanneer de uitval in
de kunstmatig besmette groepen significant hoger was behoefde dit een
conclusie niet perse in de weg te staan. Zo werd onder meer vastgesteld
dat de infectie het best door intraperitoneale injectie was over te brengen,
doch ook andere wijzen van besmetting hadden effect. Slechts zeer jonge
kuikens bleken gevoelig. Bij dieren van enkele weken oud lukte de trans-
missie niet meer. Onder oudere dieren werden virusdragers aangetoond,
terwijl andere exemplaren juist een zekere parentale immuniteit aan het
nageslacht meegaven. Infectie via het broedei werd eveneens vastgesteld.
Het virus zelf bleek slechts houdbaar bij zeer lage temperaturen, namelijk
60-70° G onder nul. - i > .1

Bij deze overbrengingsproeven kwam geen duidelijke splitsing in de ver-
schillende klinische en patholoog-anatomische beelden van het leucose-
complex te voorschijn, zodat de vraag onbeantwoord moest blijven of men
met één virus dan wel met een groep verwante virussen te doen had.
Een belangrijk aantal vraagstukken is door de East Lansing groep op deze
wijze opgelost, doch dat nam niet weg dat de gegevens slechts zeer moei-
zaam werden verkregen, moeilijk of niet door andere instituten konden
worden gereproduceerd en nog een groot aantal vragen onbeantwoord
lieten. Zo was het bijv. een dikwijls omstreden punt of de leucose-virus-
stam RPL 12, waar het meeste werk in East Lansing mee geschiedde, wel

-ocr page 268-

voldoende representatief was voor de groep der leucose-virusstammen
zoals men die in de praktijk waarneemt.

Het was dan ook een vondst van de eerste orde toen Rubin een techniek
ontdekte waarmede het leucosevirus, zonder gebruik van proefdieren en
binnen de tijdsduur van enkele weken, aantoonbaar bleek te zijn.
Rubin werkt aan de Universiteit van Berkeley reeds jaren met het z.g.
Rous-sarcoom, een infectieuze tumor bij kippen die in de praktijk als
ziektebeeld zelden wordt gezien doch reeds tientallen jaren grote be-
kendheid geniet als model studieobject voor virologen en oncologen.
Dit Rous-sarcoom groeit zeer goed wanneer weefselculturen van kippe-
embryo-fibrioblasten met celhoudend dan wel celvrij Rous-virus-materiaal
in contact gebracht worden. Men kan voorts het Rous-virus in aflopende
verdunningen op monolayers (weefselculturen ter dikte van één cellaag
op glasplaatjes) brengen. Bij de best gekozen verdunningen zullen dan af-
zonderlijk losliggende „tumortjes" (plaques) microscopisch waargenomen
kunnen worden onder vaststelling van hun aantal. Op deze wijze kan dan
worden berekend van hoeveel actieve virus-partikeltjes men uitgegaan is.
Een quantitatieve techniek dus, vergelijkbaar met het berekenen van het
bacteriologisch kiemgetal met behulp van de grote plaat-methodes.
Voor deze technieken gebruikte Rubin broedeieren van de Kimber Farms
in Californië en doorgaans behoefde hij zich over de leveranties niet te
beklagen. Slechts een enkel embryo gaf celculturen waarop zijn Rous-
sarcoom minder of vrijwel geheel niet groeide. Wel werden deze eieren,
die blijkbaar een remmende factor ten opzichte van het Rous-sarcoom be-
zaten, regelmatig gevonden en merkwaardigerwijs opvallend vaak onder
broedeieren, afkomstig van een foktoom, die op de Kimber Farm geselec-
teerd was op grond van hoge leucosegevoeligheid en leucose-uitval. Vrij
snel nadien kon de remmende factor (Rous Inhibiting Factor) geïdentifi-
ceerd worden als een virus en wel als een virus uit de leucosegroep en
antigenetisch overigens ook nauw verwant aan het Rous-virus zelf.
Het RIF (leucose)-virus bleek op weefselcultures de groei van Rous-
sarcoom door interferentie te kunnen remmen; vooral wanneer het zich
door enkele weefselcultuurpassages in de cellen sterk vermeerderd had. Dit
interferentieverschijnsel blijkt zo specifiek te zijn dat omgekeerd uit rem-
ming van het Rous-sarcoom geconcludeerd kan worden dat het embryonale
uitgangsmedium leucosc-virus bevat. Op deze wijze konden moederdieren
worden gevonden die regelmatig het leucose-virus in de eieren uitscheid-
den. Deze dieren bevatten het virus ook constant in hoge concentratie in
het bloed.

Flet Rous-sarcoom-virus en het leucose-virus bleken immunologisch zeer
nauw verwant te zijn. Antisera tegen het ene virus neutraliseerden groten-
deels ook het andere. Vele kippesera bleken antistoffen tegen leucose te
bevatten en wanneer deze sera aan een weefselcultuur werden toegevoegd,
kon eveneens de groei van de Rous-sarcomen worden tegengegaan. In dit
geval uiteraard niet door het interferentieprincipe, doch door specifieke
virus neutralisatie.

Behalve dus dat het leucose-virus zelf werd aangetoond, kon nu ook de
hoeveelheid aan antistoffen in sera- en dooiermateriaal worden gemeten.

Nadere onderzoekingen, in eerste instantie over de epidemiologie van de
leucose, zijn thans op diverse Amerikaanse instituten in volle gang en de

-ocr page 269-

betekenis van de resultaten die verwacht mogen worden is nog nauwelijks
te overzien. Verschillende concrete gegevens, met deze techniek verkregen,
zijn inmiddels al bekend geworden. Deels bevestigen zij de oudere opvat-
tingen, deels geven zij nadere bijzonderheden of leiden zij tot andere in-
zichten.

De „normale" volwassen pluimveekoppel blijkt bij virologisch leucose-
onderzoek uiteen te vallen in twee groepen dieren. Het merendeel van de
dieren scheidt geen virus uit, doch is in het bezit van antistoffen, aantoon-
baar in de sera en tevens in de eidooiers. Daar staan andere dieren tegen-
over, die vrijwel gedurende hun gehele leven leucose-virus in hoge concen-
tratie in het bloed bezitten en dit virus regelmatig uitscheiden zowel met
de faeces, als ook zeer regelmatig in de eieren. Broedt men zulke eieren
uit, dan worden hieruit kuikens geboren die op hun beurt vanaf hun em-
bryonale periode virusdragers zijn. Deze dieren blijken vrijwel geen anti-
stoffen tegen de infectie op te bouwen en worden derhalve immuun-tole-
rante dieren genoemd. Zij blijven virusdragers en virusuitscheiders en
zullen ook hun hokgenoten vanaf de eerste dag reeds infecteren. Deze
contactinfecties resulteren dan in infecties waarvan een klein deel even-
eens tot blijvende virusdragers leidt, het merendeel overigens tot een op-
bouw van immuniteit.

De klinische en pathologisch-anatomische verschijnselen van de leueose
vindt men onder de immuun-tolerante dieren 6 tot 10 x meer dan onder
de kuikens die naderhand door contact zijn besmet.

Een gesloten causaal verband tussen de ziekte „leueose" als zodanig ener-
zijds en het betrokken virus anderzijds bleek overigens niet te bestaan.
Niet alle virusdragende dieren worden leucotisch, wat op zichzelf niet te
verwonderen is, doch ook virusvrije koppels blijven een uitval van enkele
procenten aan leueose opleveren. Dit laatste werd vastgesteld in de ge-
isoleerde vrije koppels van East Lansing, waar men ondanks een gering
aantal leucose-gevallen nooit het leucose-virus kon aantonen.
De betrokken smetstof moet volgens deze inzichten dan ook meer worden
opgevat als een leucose-stimulerend virus dan als een leucose-veroor-
zakende smetstof. Als zodanig staat het trouwens niet alleen. Er zijn be-
paalde muizentumoren bekend die zich in vee! sterker mate gaan manifes-
teren wanneer de dieren tevens met een bepaald virus besmet worden
(De Ome, Berkeley).

Of het leucose-virus, behalve het stimuleren van een abnormale celvorming,
nog andere schadelijke eigenschappen heeft, is tot dusver niet bekend.
Een hoge pathogeniteit zal het reeds daarom niet kunnen hebben, omdat
blijkt dat vele dieren de aanwezigheid van het virus in bloed en organen
zonder meer verdragen. Toch hadden de onderzoekers van de Kimber
Farms (Californië) wel de indruk gekregen dat de virusdragende, immuun-
tolerante, dieren achter lagen, onder andere in produktie, bij hun virus-
vrije zusterdieren.

Het onderlinge verband van de verschillende beelden uit het leucose-
complex is, aetiologisch bezien, nog onzeker. Er werden bepaalde aanwij-
zingen verkregen die ervoor pleiten, dat het voor een belangrijk deel
slechts van de concentratie van de smetstof afhangt, of men de typische
leverziekte dan wel een vorm van erytroblastose, of mogelijk ostepetrose
zal opwekken. Volgens de eerste indrukken schijnt de neurolymfomatose

-ocr page 270-

een aparte positie in te nemen. Het aantal vraagstukken, dat nog op een
oplossing wacht, is zeer groot, doch vele daarvan zijn met de thans ont-
wikkelde methoden minstens voor onderzoek toegankelijk geworden.

Voorspellingen te doen is in het algemeen een hachelijke bezigheid, maar
men kan zich hier toch moeilijk aan de indruk onttrekken, dat het in de
toekomst mogelijk moet zijn:

a. na te gaan hoe de aetiologieën van de verschillende beelden uit het
leucosecomplex zich verhouden;

b. de virusdragende dieren te elimineren;

c. een virusvrije opfok, althans voor de eerste levensweken, te garanderen;

d. na te gaan of vaccinatiemethoden tijdens de opfok een nuttig effect
zullen hebben.

Tenslotte zal ook de genetische factor opnieuw onder de loupe moeten
worden genomen.

Tot dusver trachtte men genetisch resistente stammen te verkrijgen door
die families uit te zoeken waarin de minste leucose-gevallen werden aange-
troffen. Vertaald in de termen van de nieuwere inzichten, zou men kunnen
zeggen dat hier een selectie plaats vond van die groepen waaronder de
minste imnuiun-tolerante virusdragers te vinden zouden zijn geweest. Met
andere woorden, een selectie uit de minst geïnfecteerde groepen. Maar of
dit dan ook noodzakelijkerwijs en te allen tijde genetisch de meest resis-
tente families zijn blijft een open vraag.

S.AMENVATTING.

Naar aanleiding van een studiereis naar de U.S..A. wordt een beknopt overzicht ge-
geven van de nieuwere ontwikkelingen op het gebied van het leucose-onderzoek bij
kippen.

SUMMARY.

.A brief review of the most recent developments in the field of leukaemia research in
chicks, based on a study trip to the U.S.A.

RÉSUMÉ.

Par suite d\'un voyage dans les Etats-Unis l\'auteur présente un bref apcr(;u des évolu-
tions récentes dans le domaine de I\'examen de leucose chez les poules.

ZUSAMMENFASSUNG.

.Aus Anlasz einer Studienreise nach den Vereinigten Staaten gibt der Verfasser eine
kurze Ubersicht der neuesten Entwicklungen auf dem Gebiet der Leukoseunter-
suchung beim Geflügel.

Kromme borstbenen.

Kromme borstbenen ontstaan als gevolg van erfelijke en niet-erfelijkc factoren. .Aan-
genomen mag worden dat hier sprake is van een vorm van rachitis.
Het aantal gevallen is o.m. groter uit uitlopen met een pH hoger dan 7,5. Extra
verstrekking van vitamine E (naast vitamine D) werkt gunstig. Door selectie is het
percentage te verlagen.

Pluimveepers, XVHI, 149, 1963).

-ocr page 271-

Detection and significance of penicillin in milk.

by J. JACOBS1)

From the National Institute of Public Health, Utrecht, The
Netherlands.

Introduction.

Since the discovery of the antibiodc penicillin by Fleming in 1928,
and the isolation of the pure substance by F 1 o r e y et al. in 1938, this
antibiotic has assumed great importance; because of its widespread use
in human and veterinary medicine, virtually all human subjects have at
some time come across it. After World War II, penicillin assumed impor-
tance in veterinary medicine, particularly as a therapeutic in the treat-
ment of mastitis. Penicillin can enter the milk after administration to
cows by the oral route, by injection or by the intramammary route; in-
vestigations have shown, however, that the last mentioned mode of admi-
nistration is the most important as a cause of the occurrence of peni-
cillin in milk (W r i g h t, 1960; Brown, 1960).

Since mastitis is very frequent in cows, has direct financial consequences
for the dairy farmer and in the majority of cases can be cured with peni-
cillin within a short time, it is obvious that the antibiotic is used for this
purpose on a large scale.

The introduction of commercial penicillin products in tubes has contri-
buted to the fact that mastitis is increasingly treated with penicillin by
the dairy farmer, without veterinary assistance or advice. While mastitis
caused by a penicillin-sensitive micro-organism, is generally curable by
administration of a siu\'table dose of a short acting penicillin compound
(demonstrable in milk up to 48 hours after infusion), in some cases re-
peated after 24 to 48 hours, there has been an increasing use in the past
few years of long acting penicillin compounds, recommended by the in-
dustry and desired by the farmer because they save time and expense.
Partly as a result of the use of these compounds, which remain demon-
strable in the milk for longer periods (in some cases as long as 18 days
after infusion), the risk of the occurrence of residues of penicillin in milk
is increased. Small quantities of penicillin in consumer milk may entail
a risk to the consumer. I\'he most important risk is the occurrence of
hypersensitive reactions, and this risk will be discussed in detail. The lit-
erature contains data on the frequency of penicillin in milk.
In the USA, Welch found in 1954 that 3.2% of 94 samples contained
I)cnicillin, while in 1955, penicillin was foimd in 11.6% of 474 samples,
and in 1956 in 5.9% of 1706 samples. In a study in 1959, the Food and
Drug Administration detected penicillin in 3.7% of 1170 samples (Jes-
ter, 1959). In the course of a steady field test programme covering a
period of 4 months and including 10,000 samples, Kosikowski
(1960a) found that 6.5% of the supply from "producer can farms" and
5.1% of the supply from "bulk tank farms" was contaminated with pe-
nicillin. In Canada, in 1952, substances inhibiting the growth of
Strepto-
coccm lactis
were found in 7.3% of samples, and in 1.4% of cases the

1  Drs. J. Jacobs, veterinary bacteriologist. Laboratory for Zoonoses, National In-
stitute of Public Health, Sterrenbos 1, Utrecht.

-ocr page 272-

samples contained more than 0.05 U. penicillin per ml. (Thatcher,
1958). An English study covering some 5000 samples in 1956, showed a
high frequency of penicillin contamination (Berridge, 1956b). An in-
vestigation into dairy farm milk supplied to five dairies in Australia in 1960
showed that 9.7% of the samples contained penicillin, and that more than
0.05 U. penicillin per ml. was demonstrable in 3.2% of the total number of
cases (Nay lor, 1960). In Denmark, which like Norway exercises strict
control on the supply of intramammary preparations, penicillin was found
in 0.6% of milk samples from 15,557 farms in 1959; in 1962, penicillin was
demonstrated in 1.2% of 754 tank-trucks and 1.7% of 1387 milk cans
examined.

An investigation in Norway in 1961 showed that 0.1-0.6% of the samples
examined contained penicillin. A Dutch investigation in 1959 demon-
strated penicillin in 2.4% of 419 samples examined; in 1960 this was the
case with 0.9% of 578 samples, while another investigation (G a 1 e s 1 o ot,
1962b) revealed 0.6% of positive samples.

Demonstration of penicillin in milk.

The dairy industry attaches great importanc to the occurrence of anti-
biotics in commercial milk, in connection with the preparation of butter,
cheese and yoghurt. The requirements made in terms of sensitivity of the
various methods are for the most part determined by the concentration
which inhibits the growth of yoghurt and lactic starter. It is generally
assumed that disturbances in the manufacture of butter and cheese occur
when the milk contains 0.1 U. penicillin per ml., or more; in the case
of yoghurt, the corresponding penicillin concentration is 0.005 U./ml.
.\'\\lthough the dairy industry is hardly interested in concentrations below
this limit these very low concentrations are certainly important from
the point of view of public health, particidarly with regard to the risk of
allergy; the object should be to keep milk absolutely free from penicillin.
To ensure this there should be, besides various legal measures, simple but
reliable methods of control, which should be very sensitive but require
little time or work so that they can be used in largescale investigations and
in laboratories with less elaborate equipment.

Plate methods make use of a solid nutrient medium inoculated with a
penicillin-sensitive bacterium; in the presence of penicillin, a zone of inhi-
bition forms around a cup or paper disc in which the milk tested is con-
tained. Such methods have been described by authors such as Arret and
Kirshbaum (1960) and by Naylor (I960), with
Sarcina lutea as
test organism; by Arret and Kirshbaum (1960) and K o s i k o w s-
ki (1960a) with
Bacillus subtilis; by Igarashi (1961) with Bacillus
stearothermophilus;
and by Galesloot (1962) with Bacillus calido-
lactis.
The sensitivity of these methods varies from 0.01 to 0.0025 U./ml.,
and the time required from 2/2 to 12 hours.

Tube methods make use of an indicator to follow the growth of a test
culture in the milk under investigation; various micro-organisms and indi-
cators can be used, and differences in sensitivity and duration occur accord-
ingly. Berridge (1956a) used
Streptococcus thermophilus and brom-
cresol purple, and was able to demonstrate 0.1 U./ml. in 2/2 hours.
Neal and Calbert (1955), using the same micro-organism with tri-

-ocr page 273-

phenyltetrazolium chloride as indicator, were able to demonstrate 0.04
U./ml. in 2/2 hours. The majority of the above-mentioned methods are
suitable for laboratory practice because of their simplicity and the limited
time required.

Whitehead and Cox (1956) and Galesloot (1956) described
typical morphological changes seen during the culture of lactic starter and
yoghurt bacilli in milk containing penicillin.

A method which has received attenion in the past few years is that of in-
directly demonstrating the presence of penicillin by demonstrating a tracer
dye which was previously used to mark the antibiotic (Dalgaard
Mikkelsen and R a s m u s s e n, 1957; S h a h a n i, 1958; R a s-
mussen and S i m e s e n, 1960; Hogh and R a s m u s s e n, 1961;
Dalgaard Mikkelsen and R a s m u s s e n, 1962; Hogh and
Rasmussen, 1962), Despite the advantages of this method, which
could be used if all penicillin for intramammary use would be marked with a
tracer dye, it is in our opinion not so valuable because other penicillin com-
pounds thans those for intramammary administration can be used in the
treatment of mastitis, and also because residues possibly present in milk
as a result of non-intramannnary penicillin administration, are not de-
monstrable.

Personal investigations.

In personal investigations on the demonstradon of penicillin in milk, we
have tested a number of the above mentioned methods as to practical
value. We selected a number of [jlate methods and one tube method, which
will be discussed in detail.

I. TUBE TEST ACCORDING TO NEAL & CALBERT (1956), MODI-
FIED1).

Principle: In the presence of live cells the colourless triphenyltetra-
zolium chloride (TTC^) is converted into the red formazan. On the basis
of a study of TTC conversion in pasteurized milk inoculated with a test
germ, conclusions can be formed as to the presence of substances inhibi-
ting bacterial growth.

Material and methods.

As test agent wc used a strain of Streptococcus thermophiius, highly sensitive
to penicillin, which is cultured at 37° C. in sterile skim milk, from which it is
su\'oinoculated every day and regularly examined for impurities on blood plates.
After 12-14 hours\' incubation at 37° C., the skim milk culture is used as inocu-
lation fluid, diluted 1:1 with pasteurized skim milk if necessary.
The milk to be tested, in quantities of 9 ml. per tube (14 mm. diameter) is
pasteurized in a water bath at 80° C. for 7 minutes. After rapid cooling to
below 47° C., 1 ml. inoculation fluid is added per tube; the tubes are sealed
with sterile rubber stoppers, rotated twice and then incubatcd in a water bath
of 47° C. for two hours. After this, 0.5 ml. 2.4% TTC solution is added to
each tube; the tubes are then further incubated at 47° C. for 30 minutes. The
tubes in which the culture has grown show a pink colour, as do the control tubes
containing milk absolutely free of penicillin. In the case of growth inhibition

1  Oud modification consisted of incubaUon of the tubes at 47° C. instead of
37° C. as indicated by Neal & Calbert.

-ocr page 274-

the colour remains white, while partial inhibition is associated with the occur-
rence of lighter pink shades.

In this way it is possible to demonstrate 0.001-0.003 U. penicillin per ml. in
about 3 hours. In order to prove that the growth-inhibiting substance is peni-
cillin, a sample of milk in which growth inhibiUon occurs, is treated with peni-
cillinase. Experiments made to study the activity of penicillinase have shown
that, in order to effect optimally complete hydrolysis of penicillin in milk, it
is advisable to expose the penicillin present to the effect of at least ten times
as much penicillinase for one hour at 37° C.

II. PLATE TEST ACCORDING TO G.A.LESLOOT (1962).
Material and methods.

As test strain we used the obligatory thermophile sporogenic Bacillus calido-
lactis -
a type of Bacillus stearothermophilus. After 48 hours\' incubation at
55° C. on nutrient agar (Difco), the stram can be kept for one year in tubes
sealed with rubber stoppers in the refrigerator. The culture for use is obtained
by inoculation into a thin layer of sprayed fluid (e.g. 10 ml. in a 100 ml. flask)
which contains 1% yeast etxract, 2% tryptone and 0.05% glucose, and in-
cubated for 17 hours at 55° C. This culture for use is subinoculated every day.
The test plates are prepared by adding to 12 ml. liquid (45-55° C.) plate count
agar (Difco), 3 ml. of the culture for use, and pouring the mixture into a hori-
zontal Petri dish of 15 cm. diameter, previously warmed to 55° C. The plates
required for one day can be simultaneously made and remain serviceable for
several days if kept in the refrigerator. Discs of filter paper with a diameter of
12.7 mm. (Schleicher & Schiill 601) are grasped with the aid of previously
cleansed tweezers and the edge is dipped into the milk to be tested; when the
disc is saturated, it is placed on the agar plate and softly pressed on. The plates
are incubated for 2/2 hours at 55° C. In the presence of growth-inhibiting
substances in the milk, the paper disc is surrounded by a clear zone, the dia-
meter of which is in proportion to the concentration of these substances in the
milk.

Proof that the inhibitory substance is penicillin is obtained by using paper discs
previously soaked in a penicillinase solution (2000 U./ml.) and then dried. In
the presence of penicillin, no inhibitory zone occurs around these paper discs.
If penicillinase paper discs are mounted, the plates arc first incubated at 37° C.
for 30 minutes.

It was found unnecessary to pasteurize the milk in advance. Non-concentric clear
zones which sometimes occur at the margin of the paper discs, are to be ascribed
to the fact that growth-inhibiting substances are irregularly spread in the paper.
Ten Reading units of nisine per ml. milk cause no positive result, so that the
presence of nisin-producing
Streptococci will not work disturbing easily. In
this way it is possible to demonstrate 0.0025 U./ml. in 2/2 hours.

In a number of other methods tested, which make use of commer-
cial ready-use media, test paper, etc., jjoor sensitivity or too long
duration proved to be disadvantages as a result of which these methods
with the exception of that described by Kosikowski and L e d f o r d
(1960), are of little practical value. Using the last mentioned method
we were able to demonstrate 0.05 U. penicilline per ml. in 4 hours.
A comparison of these methods of investigation warrants the conclusion
that the plate method according to Galesloot yields by far the most
useful results if a large number of samples is to be rapidly tested and if
small quantities of penicillin are to be detected.

-ocr page 275-

Significance in public health.

The question as to whether, and to what extent, the presence of penicillin
in milk can endanger public health, cannot be answered without further
study, because little is known as yet about the extent to which and the
manner in which regular oral intake of small quantities of penicillin in-
fluences man. The dangers would seem to lurk chiefly in the occurrence
of hypersensitive reactions and bacterial resistance to penicillin, as well as
in the occurrence of penicillin-resistant human pathogens in milk and
dairy products.

Penicillin is important among the antibiotics which may occur in milk
and cause hypersensitive reactions (Welch, 1958). Four types of reac-
tions are distinguished (Schindel, 1957; G a r r o d, 1958), viz:

a. Reacdons caused by local contact, manifested by lesions of the skin,
mucosa or site of injection.

b. Reacdons in the form of skin allergies, e.g. urticaria, erythema and
eczema.

c. Systemic reactions such as serum sickness, anaphylactic shock and car-
diac and renal disorders.

d. Reactions of some tissues in the form of degeneration or inflammation,
particularly of bone marrow, following repeated administration of
chloramphenicol, resulting in various blood dyscrasias such as asplastic
anaemia, thrombocytopenic purpura and agranulocytopenia (Dun-
lop, 1960; Ross, 1957).

Such reactions, widely known in the literature, are far more frequent
after parenteral than after oral administradon. The scanty reports men-
tioning reactions following ingestion of penicillin-containing milk, more-
over, are not very convincing (V i c k e r s, 1958; E r s k i n e, 1958; Z i m-
mermann, 1958/1959; B o r r i e, 1961).

In none of the cases described the milk or milk product concerned, was
tested for penicillin. The fact that Zimmermann saw favourable res-
ponses to penicillinase administration in many of his cases, is as such not
conclusive of the presence of penicillin allergy. On the one hand, improve-
ment was somtimes also seen after administration of other agents, and on
the other hand, relapses somedmes occurred after penicillinase injection.
The dangers consequently appear not to be so great, and it is fair to ask
why public health authorities are so interested in the subject.
The Food and Drug .Administration provided 31 experts in the fields of
andbiotic therapy, allergy and paediatrics with data on the occurrence
of penicillin in milk in the USA, and asked them the following quesdon:
"Can the quanUUes of penicillin which apparently occur in milk be held
responsible for the occurrence of human hypersensitive reacdons?"
According to these experts it is unlikely that these minute oral quandties
can sensitize non-hypersensitive subjects; the majority was of the opinion,
however, that these quantities could provoke reactions in hypersensitive
subjects. This does mean a risk, but how great is this risk? About 10%
of all subjects are predisposed to hypersensitivity to some substance. Some
show symptoms upon the very first contact (atopic group), while others
tolerate two or several contacts before developing a reaction (Welch,
1957). Vickers (1958) indicates that 5% of the population are hyper-
sensitive to penicillin; in subjects regularly in touch with the substance,

-ocr page 276-

this rate is 12-15%. Hopkins (1947) observed alleigic reactions in
11% of cases of skin infection treated with penicillin, while this rate was
27% in patients with eczenie-like affections. However, in less than 1%
of cases were the reactions such as to contraindicate treatment.
Brown (1961) determined the reaction to penicillin medication in a
large number of venereal patients, and found deviating reactions in
7.20/oo- Heggie (1960) saw untoward reactions in less than 1% of
16,000 recruits treated with penicillin. Kitchen (1951) and Welch
(1953) regard the number of cases as small, and diminishing when re-
garded against the background of the ever increasing use of penicillin.
It is often possible to give an immunological explanation of existing peni-
cillin hypersensitivity. With the aid of a haemagglutination techniciue of
her own design, Epp (1959) demonstrated antibodies against penicillin
in sera from subjects treated or untreated with penicillin, with or without
hypersensitivity to this substance. In a subsequent study (Epp, 1962) it
was found that the antibody consists of several components, some of which
can pass the placenta and might thus cause congenital liypersensitivity.
A mere skin test is insufficient to detect penicillin hypersensitivity, and
in addition there is an insufficiently positive correlation between this test
and the haemagglutination test (Harris, 1961).

In conclusion it can be stated that, while no sufficiently reliable method
is as yet axailable to establish human penicillin hypersensitivity, it is not
yet possible to answer the question as to the extent of the danger of aller-
gic reactions in humans consuming milk with penicillin residues.
In view of this uncertainty, and the potential public health hazard, at-
tempts should be made to ensure that commercial milk is optimally free of
penicillin, while maintaining penicillin as a therapeutic agent in mastitis.
In order to achieve this the measures summarized here may be considered.

1. Organized control of mastitis in cows, which will gradually reduce the
incidence of this affection and, therefore, the use of penicillin.

2. Legislation to prohibit the manufacture and marketing of long acting
Ijenicillin compoimds (excreted in milk for a period exceeding 3 x 24
hoiu\'s).

3. Legislation to prohibit farmers from sup])lying dairies with milk from
cows treated by intramammary application of penicillin less thans 3 x
24 hours previously.

A recommended check on these measures is the routine examination
of milk for penicillin at dairies.

Addendum.

.\'\\fter finishing this publication, the author received the results of an inves-
tigation on the presence of antibiotics in milk in Great Britain.
This investigation was directed by the Milk Hygiene Subcommittee of the
milk and milk products technical advisory connnittee and took place from
January 1961 till January 1962 in England and Wales and from February
1961 till Februari 1962 in Scotland. During the investigation farm milk
was tested at the dairy factories.

The more than 44.000 samples were taken so, that they represented a
random sample of milk, produced in Great Britain during the
above mentioned year. The samples were controlled in 56 laboratories

-ocr page 277-

spread over het whole country using the T.T.C. test, according to N e a 1
and Calbert, which allowed to detect till 0,01 I.U. penicillin per ml.
milk, but which is not absolutely specific for penicillin. During the inves-
tigadon it was shown that penicillin is the most frequent occurring sub-
stance in milk with regard to growth inhibiting agents in general.
In England and Wales 11% of 41.700 samples, representing 14% of the
total milk sampled, were found to contain antibiotics. The lowest per-
centage, 7.7%, was found during October and the highest, 16.6%, during
January. In Scotland 9.9% of the 2.700 samples, representing 11.6% of
the total milk sampled, contained antibiotics. The lowest percentage,
4.7%, was here found during July and the highest, 13.8%, during May!

SUMMARY.

Chiefly as a result of the use of penicillin for mastitis in cows, it has been esta-
blished in many countries in the past few years that penicillin residues are present
m consumer milk. review is presented of various methods so far used in demon-
strating milk contamination by penicillin, along with a report on personal inves-
tigations. The plate test according to G a 1 e s 1 o o t is recommended as the method
of choice for examining large numbers of milk samples and demonstrating low con-
centrations of penicillin.

The public health significance of penicillin residues in consumer milk is then dis-
cussed. A brief survey of the existing literature and of the many questions concer-
ning penicillin allergy that remain unsolved is followed by a review of various
measures to ensure optimal freedom of consumer milk from penicillin.

SAMENVATTING.

Voornamelijk door het op zeer ruime schaal gebruiken van penicilline bij de be-
strijding van mastitis bij koeien is in de laatste jaren in vele landen vastgesteld
dat penicilline-residuen in melk voorkomen. Het toenemend gebruik van z.g. „long-
acting" penicilline preparaten bij de mastitisbestrijding heeft de kans op het voor-
komen van penicilline-residuen in melk vergroot. In o.a. de U.S.A. zijn een aantal
onderzoekingen naar het voorkomen van penicilline in melk verricht. Het percen-
tage positieve monsters varieerde hierbij van 3,2 tot 11,%. Ook in Canada, Aus-
tralië, Engeland, Denemarken, Noorwegen en Nederland vond men penicilline in
melk.

Door de auteur werden een aantal methoden om lage concentraties penicilline in
melk aan te tonen, al dan niet gemodificeerd, onderzocht op hun praktische ge
schiktheid, d.w.z. de mogelijkheid om met behulp van deze methoden in korte tijd
met betrekkelijk eenvoudige middelen een groot aantal monsters op aanwezigheid
van geringe hoeveelheden penicilline tc kunnen onderzoeken.

Met behulp van de enigszins gemodificeerde buisjestest volgens Neal en Cal-
bert, welke test berust op omzetting van T.T.C. in het roodgekleurde formazan in
aanwezigheid van levende cellen, hier de voor penicilline zeer gevoelige bacterie
Streptococcus thermophiius, gelukte het om in ± 3 uur 0,003 a 0,001 I.E. peni-
cilline per ml aan te tonen. Bij peniciüine concentraties boven deze waarden wordt
de bacteriegroei geremd, zodat géén reductie van het T.T.C., en daardoor rood-
kleuring, optreedt.

Met behulp van de door Galesloot ct al. ontwikkelde plaatmcthode gelukte het
in 2/2 uur 0,0025 I.E. penicilline per ml aan tc tonen. Deze prcx\'f berust op het
waarnemen van een concentrische remmingszóne rondom een in de melk .gedoopt fil-
treerpapierschijfje, hetwelk gelegd wordt op een voedingsbodem, beënt met de voor
penicilline zéér gevoelige
Bacillus calidolactis. Een meetbare remmingszóne treedt
cp als de melk 0,0025 I.E. of meer penicilline per ml bevat.

-ocr page 278-

Bij een aantal overige beproefde methoden, waarbij gebruik gemaakt werd van
de in de handel verkrijgbare gebruiksklare bodems, testpapier enz., traden een geringe
gevoeligheid of een te lange tijdsduur als nadelen op, waardoor deze methoden,
met uitzondering van die beschreven door Kosikowski en Ledford, van wei-
nig praktische betekenis. Als mogelijke gevaren voor de volksgezondheid van sporen
penicilline in consumptiemelk wordt in de bestaande literatuur over dit onderwerp
in de eerste plaats genoemd het optreden van overgevoeligheidsreacties. Daarnaast
zou het resistent worden van bacteriën voor penicilline en het voorkomen in melk
en zuivelprodukten van penicilline resistente pathogene bacteriën gevaren kunnen
opleveren. Onder de eventueel in melk voorkomende antibiotica, welke overge-
voeligheidsreacties kunnen veroorzaken, neemt penicilline de belangrijkste plaats
in. Auteur geeft een kort overzicht over de bestaande literatuur en de nog vele
onopgeloste vragen op het gebied van de penicilline-allergie en beveelt de volgende
maatregelen aan om, onder handhaving van penicilline als therapeuticum voor
mastitis, een zo volledig mogelijk penicilline-vrije consumptiemelk in de handel te
brengen.

1. Georganiseerde masdtisbestrijding bij melkkoeien waardoor de frequentie van
het optreden van deze ziekte en het daarmede gepaard gaande gebruik van peni-
ciUine op den duur zal worden gereduceerd.

2. Wettelijke bepalingen, inhoudende een verbod tot het fabriceren en verhandelen
van „long-acting" penicilline-preparaten (langer dan 3 x 24 uur in de melk uit-
gescheiden).

3. Wettelijke bepalingen welke het de bcK\'r verbieden melk, afkomstig van intra-
mammair met penicilline behandelde koeien binnen 3 x 24 uur na de laatste
behandeling aan de zuivelfabriek af te leveren.

Ter controle van deze maatregelen wordt aanbevolen een regelmatige controle door
de zuivelfabriek op het voorkomen van penicilline in de geleverde melk.

RÉSUMÉ.

Dans beaucoup de pays on a trouvé — ces dernières années — des résidues de
pénicilline dans le lait, le plus souvent l\'emploi de la pénicilline dans la lutte contre
la mammite des vaches en est la cause. L\'auteur passe en revue les différentes
méthodes employées jusqu\'à présent pour détecter la pénicilline dans le lait, don-
nant en outre les résultats des ses recherches personelles —■ décrivant e.a. la mé-
thode des disques selon Galesloot. A son avis cette dernière méhode présente
de grands avantages pour l\'analyse d\'échantillons en grand nombre et pour dé-
tecter des concentrations faibles. Il décrit ensuite le rôle des résidues de pénicilline
dans le domaine de la santé publique. Après un bref aperçu de la littérature sur
ce sujet et sur les questions restées encore ouvertes au sujet de la pénicilline-allergie
l\'auteur conseille différentes mesures ayant pour but une production de lait pour
la consommation presque totalement exempt de pénicilline.

ZUSAMMENFASSUNG.

Durch den häufigen Gebrauch von Penicillin bei der Bekämpfung der Rinder-
mastidden wurde den vergangenen Jahren festgestellt, dass Penicillinrückstände in
der Milch vorkommen. Der Verfasser gibt eine Übersicht der verschiedenen Me-
thoden, die bisher in der Literatur beschrieben wurden. Ausserdem beschreibt et
eigene Untersuchungen, u.a. mit der Plattenmethode nach Galesloot, die bei
der Untersuchung sehr vieler Milchproben zugleich und bei der Notwendigkeit sehr
kleine Mengen des Antibiotikums aufzuweisen, den Vorzug verdient.
Im Folgendem bespricht Verfasser die Bedeutung von Penicillinrückständen in der
Milch für die Volksgesundheit. Nach einer kurzen Übersicht über die Literatur und
die vielen nicht gelösten Fragen, die auf dem Gebiet der Penicillinallergie be-
stehen, diskutiert Verfasser verschiedene Massnahmen, um zu einer völlig Penicillin-
freien Konsum-Milch zu kommen.

-ocr page 279-

RESUMEN.

Durante los ûltimos anos se la comprobado en muchos paises — principalmente
por el uso de penicilina en la lucha contra la mastitis en vacas — que hay residuos
de penicilina en la leche. El autor da un compendio de los métodos diversos des-
critos hasta ahora para la desecciôn de penicillina en leche, asi como de propias
investigaciones con entre ostros el método de plaça segûn Galesloot que el
autor prefiere investigando grandes cantidades de muestras de leche y en la detec-
ciön de côncentraticones bajas.

Luego se considéra la significaciôn de residuos de penicilina en leche para la salud
publica. Después de un breve resumen de la literatura sobre est problema y las
muchas preguntas aûn irresueltas en materia de la alergiâ de penicilina, el autor
da varias medidas para producir leche para consumo que esté libre de penicilina lo
mâs posible.

REFERENCES

Albright, J. L., T u c k e y, S. L. and Woods, G. T.: Antibiotics in milk.

y. dairy Sci., 44, 779, (1961).
Arret, B. and Kirshbaum, A. : A rapid assay method for detecting peni-
cillin in milk. Tentative Methods for the determination of Antibiotics in milk.
Personal communication (1960).
B a t s o n, J. M. ; Anaphylactoid reactions to oral administration of penicillin
New

Engl. J. Med., 262, 590, (1960).
Berridge, N. J.: The rapid routine assay of low concentrations of penicillin in

milk. ]. dairy Res., 23, 336, (1956a).
Berridge, N. J. : The incidence of penicillin. ]. dairy Sci., 23, 342, (1956b).
Bierlein, K. J.: Repeated anaphylactic reactions in a patient highly sensitized

to penicillin. Ann. Allergy, 14, 35, (1956).
B 1 o b e 1, H. : Concentrations of penicillin in milk secretions and blood serums of
cows following intramammary infusion of one or more quarters.
J. Amer. vet.
med. Ass.,
137, 110, (1960).
B o r r i e, P. and Barrett, J. : Dermatitis caused by penicillin in bulked milk

supplies. British Med. J., 11, 1267, (1961).
Brown, R. W.: Residues in milk from antibiotics used in mastitis treatment. The
nature and fate of chemicals applied to soils, plants and animals. A symposium
in April 1960 at the Plant Industry Station and .Agricultural Research Center,
Beltsville, Maryland, U.S.A. (1960).
Brown, W. J., Simpson, W. G. and Price, E. V.: Revaluation of reactions
to penicillin in venereal disease clinic patients.
Publ. Hlth Rep., 76, 189, (1961).
Dalgaard-Mikkelsen, Sv. and Rasmussen, F.: Robefarve i antibiotika-

holdige intramammaria. Nord. VetMed., 9, 852, (1957).
D a 1 g a a r d-M i k k e 1 s e n, Sv. and Rasmussen, F. : Tracer dyes for rapid
detection of antibiotica in milk. XVI Int. Dairy Congress, Copenhagen (1962).
D u n 1 o p, D. M. and McMurdoch, J. : Dangers of antibiotic treatment.

Brit. med. Bull., 16, 67, (1960).
D urbin, C. G.: Public health significance of antibiotics in foods. J. Amer. vet.

med. Ass., 130, 280, (1957).
Epp, M.: Serological procedure for the dection of antibodies to penicillin. Science,
130, 1472, (1959).

Epp, M.: Incidence of penicillin antibodies. Canad. ]. publ. Hlth., 53, 79, (1962).
Epp, M. : Penicillin antibody in maternal and cord bloods and its possible re-
lationship to hypersensitivity.
Immunology, 5, 287, (1962).
Erskine, D. : Dermatitis caused by penicillin in milk. Lancet, 1, 431, (1958).
Feinberg, S. M. and F e i n b e r g, A. R.: Allergy to penicillin. J. Amer. med.

Ass., 160, 778, (1956).
Fr o m e r, J. L. : Dermatologie allergy. Ann. Allergy, 15, 32, (1957).

-ocr page 280-

F u d e n b e r g, H, H. and German, J. L.: Certain physical and biologie cha-
racteristics of penicillin antibody.
Blood, 15, 683, (1960).
16, 89, (1962a).

Galesloot, Th. E.: Invloed van penicilline op de morfologie van yoghurt- en
zuurselbacteriën.
Ned. Melk-zuivel Tijdschr., 10, 64, (1956).

Galesloot, Th. E. en H a s s i n g, F.: Een snelle en gevoelige methode om
met papierschijfjes penicilline in melk aan te tonen.
Ned. Melk-zuivel Tijdschr.,
16, 89, (1962a).

Galesloot, Th. E.: Symposium gebruik van antibiotica bij de bestrijding van
mastitis. Zuiveltechnologische aspecten.
Ned. Melk-zuivel Tijdschr., 16, 63,
(1962b).

G a r r O d, L. P.: Sensitivity reactions to antibiotics. Sensitivity reactions to drugs,
109. Symposium ed. by M. L. Rosenheim Blackwell Scientific Publications, Ox-
ford, (1958).

Harris, J. and V a u g h a n, J. H.: Immunologic reactions to penicillin. J. Aller-
gy,
32, 119, (1961).

H e g g i e, D.: Incidence of circulating antibody to penicillin in penicillin hyper-
sensitivity reactions.
New Engl. J. Med., 262, 1160, (I960).

H 0 g h, P. and Rasmussen, F.: Tracer dye Green S (Food Green Nr. 4) in
penicillin preparations for intramammary application.
Acta Vet. Scand., 2, 185,

(1961).

Hogh, P. and Rasmussen, F.: Tracer dye Green S (Food Green Nr. 4) in
penicillin preparations for intramammary application.
Acta Vet. Scand., 3, 51,

(1962).

Hopkins, J. G. and Lawrence, IL: Sensitization to penicillin. ]. Allergy,
18, 251, (1947).

Igarashi, R. T., B a u g h a m, R. W., Nelson, F. E. and Hartman, P. A.:
Rapid antibiotic assay methods using
Bacillus stearothermophilus. J. Milk Food
TechnoL,
24, 143, (1961).

Jester, W. R., Wright, W. W. and W c 1 c h, H.: AntibioUcs in fluid milk.
Antibiotic and Chemother., 9, 393, (1959).

Kampelmacher, E H., Guinée, P. A. M. en Noorle Jansen, L.
M. van: Een eenvoudige onderzoekmethode ter vaststelling van antibiotica bij
slachtdieren die tijdens het leven therapeutisch met antibiotica werden be-
handeld.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 16, (1962).

K ä s 11 i, P. and Brunschwilder, F.: Wie lange und welchen Mengen wer-
den Antibiotika bei der intramammairen Behandlung der Kuh mit der Milch
aus,geschicden?
Path, et Microbiol., 24, 774, (1961).

Keohane J.: Penicilline anaphylaxis. case report and some notes on its pre-
vention.
Canad. med. Ass. J., 77, 695, (1957).

Kitchen, D. K., Rein, C. R., Thomas, E. W. and Spoor, H. J.: Reac-
tions to penicillin.
Amer. J. Syph., 35, 578, (1951).

K o 1 o d n y, M. H. and D e n h o f f, E.: Reactions co penicillin therapy, ƒ. Amer.
med. Ass.,
130, 1058, (1946).

Kosikowski, F. V. and L e d f o r d, R. A.: Test for antibiotics in milk. ].
Amer. vet. med. 136, 297, (1960a).

Kosikowski, F. V.: The control of antibiotics in milk through a sound test
program.
]. Milk Food TechnoL, 23, 285, (1960b).

Kramer, J. and K i r s b a u m. A.: Effect of paper on the performance assay
in the control of antibiotic sensitivity discs.
Appl. Microbiol., 9, 334, (1961).

Ley, A. B., Harris, J. P., B r i n k 1 e y, M., L i 1 e s, B., Jack, J. A. and
C a h a n. A.: Circulating anubody directed against penicillin.
Science, 127,
1118, (1958).

Madalin, H. E.: Anaphylactoid reaction following u.se of a penicillin lozenge.
J. Mich. med. Soc., 53, 1, (1954).

-ocr page 281-

M ij 1 1 D e k k e r, L. P. van der, M o s s e 1, D. A. A., Bruin, A. S. and
M a n t e n, A.: The presumptive detection of some antibiotics in foods, using a
simple microbiological test. /.
Science food and Agr., 9, 475, (1959).

Naylor, J.: The incidence of penicillin in .Australian milk supplies. Austr. ]. dairy
TechnoL,
15, 153, (1960).

Neal, C. E. and Calbert, H. E.: The use of 2, 3, 5, - triphenyl tetrazolium
chloride as a test for antibiotic substances in milk.
J. dairy Sci., 38, 629, (1955).

Rasmussen, F. and S i m e s e n, B.: Tracer dye Green S in penicillin prepa-
rations for intramammary application.
Nord. VetMed., 12, 120, (1960).

Ross, J. M.: .Antibiotics in relation to public health. Vet. Rec., 69, 270, (1957).

Schindel, L.: Unexpected reactions to modern therapeutics. William Heine-
man Ltd., London, (1957).

Schmidt, O. C.: Untersuchungen über den Nachweis von Antibiotika in der
Milch.
Berl. Münch, tierärzl. Wschr. 75, 228, (1962).

Schnei erson, S. S.: The hazards of antibiotics. Consumers Rep., 18, 162,
(1953).

S c h u p p 1 i, R.: Uber den Zusammenhang zwischen Penicillinallergien und Pilz-
infektionen.
Dtsch. med. Wschr., 87, 333, (1962).

S h a h a n i, K. M.: Visual detection of antibiotics in milk by means of a dye.
Antibiot. Ann., 1958-\'59, 883, (1959).

S i e g a 1, S., Steinhardt, R. W. and Gerber, R.: Fatal and near fatal peni-
cillin anaphylaxis.
]. Allergy, 24, 1, (1953).

Siegel, B. B.: Hidden contacts with peniciHin. Bull. Wld Hlth Org., 21, 703,
(1959).

Si me sen, B.: Penicillin preparations for intramammary application. Nord. Vet
Med., 11, 523, (1959).

Simons, R. D. G. Ph.: Sympo. ium gebruik van antibiotica bij dc bestrijding
van mastitis. Medische aspecten.
Ned. Melk-zuivel Tijdschr., 16, 73, (1962).

Thatcher, F. S.: Antibiotics in foods: a review of some public health aspects.
Canad. ]. publ. Hlth., 49, 58, (1958).

U V a r o v, O.: The concentrations of some antibiotics in milk after intramammary
infusion.
Vet. Rec., 72, 1228, (1960).

V i c k e r s, H. R., B a g r a n t u n i, L. and .Alexander, S.: Dermatitis caused
by penicillin in milk.
Lancet, 1, 351, (1958).

Watson, K. G., J o u b e r t, S. M. and Bennett, M. A. E.: The occurrence
of haemagglutinating antibody to penicillin.
Immunology, 3, 1, (1960).

W e 1 c h, H.: Problems of antibiotics in food as the food and drug administration
.sees them.
Amer. ]. publ. Hlth., 47, 701, (1957).

Welch, I-L, Jester, W. R. and Burton, J. M.: Antibiotics in fluid milk.
Antibiot. and Chemother., 5, 572, (1955).

Welch, H., Lewis, C. N., K e r 1 a n, J. and Putnam, L. E.: Acute anaphy-
lactoid reactions attributable to penicillin.
Antibiot. and Chemother., 3, 891,
(1953).

Welch, K., Lewis, C. N., Weinstein, H. J. and B o e c k m a n, B. B.:
Severe reactions to antibiotics.
Antibiot. Ann., 1957-1958, 296, (1958).

Welz, W.: Bietrag zur Methodik biologischer Hemmstoffteste in Milch. Arch.
Lebensmitt.-Hyg.,
12, 196, (1961).

Whitehead, H. R. and C o x, G. -A.: The detection of penicillin in milk. /.
appl. Bact., 19, 247, (1956).

Wright, W. W. and La Verne, C. H.: Antibiotic residues in milk. J. Amer.
vet. med. Ass.,
137, 525, (1960).

Zimmerman, M. C.: Penicillinase treatment of fifty-two patients with allergic
reactions to penicillin.
Antibiot. Ann. 1957-1958, 312, (1958).

Zimmerman, M. C.: Chronic penicillin urticaria from dairy products proved
by penicillinase cures.
Arch. Derm. Syph., 79, 1, (1959).

-ocr page 282-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Pseudomonas-infeetie bij kalkoenen.

Pseudomonas infection in turkeys.

door F. W. J. SWARTi)

Bij een koppel van honderd witte Beltsville kalkoenen van vijf maanden
oud werd optredende kreupelheid geweten aan vitamine D- en mangaan-
deficiëntie.

Bij onderzoek bleek dat sommige dieren een hobbelende gang vertoonden,
de keellel was opgetrokken en de kop cyanotisch verkleurd. De voedsel-
opname van de aangetaste dieren was onvoldoende, terwijl witte stinkende
faeces werden geproduceerd.

Bij sectie bleek de lever sterk gezwollen en groenachtig verkleurd, ook de
milt was sterk vergroot met een grijsachtige marmertekening. Uit lever en
milt werd een reincultuur van een hemolytische gram-negatieve aërobe
staafvormige bacterie gekweekt, welke geen pigment vormde maar overigens
de kenmerken vertoonde van het genus
Pseudomonas.
Stafset h, Mack en Ryff (1940) beschrijven hetzelfde beeld bij kal-
koenen waarbij uit hart en lever een reincultuur van
Pseudomonas aerugi-
nosa
werd geïsoleerd.

Na experimentele infectie ontwikkelde zich na 24 uur tot 14 dagen het
ziektebeeld van lusteloosheid, ruw veerkleed, cyanosis van de kop en hob-
belende gang; sommige dieren kregen witte waterdunne stinkende ont-
lasting.

Bij sectie vond men slecht gestold bloed, enteritis, geelachtige haarden in
de lever, met daarbij soms ook groenachtige verkleuring.
Ook de longen, testikels, nieren en het darmslijmvlies waren soms groen
verkleurd. De milt was gezwollen en vertoonde grijsachtige haardjes en
strepen. Vaak is het moeilijk de dieren experimenteel per os te infecteren.
Predisponerende factoren, waarbij speciaal gedacht wordt aan vitamine
A-gebrek schijnen hier een rol te spelen. Hinshaw en Lloyd (1934)
constateerden bij aangetaste dieren een vitamine A-gebrek. Green (1933)
zag bij konijnen met vitamine A-gebrek spontane infecties met
Pseudomonas
aeruginosa.

Om deze Pseudomonas-micctie. bij kalkoenen te voorkómen, zal bij de op-
fok veel aandacht aan de vitamine A-voorziening moeten worden besteed.

SAMENVATTING.

Bij een koppel van 100 witte Beltsville kalkoenen trad ziekte en kreupelheid op als
gevolg van een
Pseudomonas-\'ml^cüft.

SUMMARY.

Unthriftiness and lameness in a flock of white Beltsville turkeys was due to a Pseu-
domonas
infection.

F. W. J. Swart, dierenarts bij de Stichting C.L.O.-Controle, Hoogland bij Amers-
foort.

-ocr page 283-

LITERATUUR

Green, Meridian, Ruth: Amer. ]. Hyg., 14, 101, (1933).
Hinshaw, Lloyd: Hitgardia, 8, 281, (1934).

Stafseth, Mack, Ryff: Poultry Science, March 1940, vol XIX, no. 2.

Afzeta.specten voor melkveehouderij.

In een korte uiteenzetting gaf Ir. J. B. R i t z e m a van I k e m a, hoofddirecteur
van de Goöp. Condensfabriek „Friesland", de vele F\'riese boeren die op 21 februari
de graslanddag in Sneek bezochten, een beeld van de afzetaspccten voor de melk.

Allereerst noemde hij (natuurlijk) de consumptiemelkafzet — de financiële pijler _

waarvan de mogelijkheden naar zijn mening nog niet uitgeput zijn (als men de mid-
delen er maar voor geeft, red.) en waarin ruwweg 1/3 van onze nationale melk-
produktie wordt afgezet.

De kaassector neemt eveneens 1/3 van de melkproduktie op, waarvan de helft in het
binnenland wordt afgezet en de rest moet worden geëxporteerd.
Het laatste derde deel van de melkproduktie wordt voor de helft verwerkt tot vol
melkpoeder, terwijl de andere helft in de condenssector verdwijnt.

CMC Melk, 23, 393, (1963).

K.I. in Denemarken.

In 1961 vierde de K.I. in Denemarken haar 25-jarig bestaan. Er zijn 90 K.I.-stations
van verschillende grootte

1 met meer dan 100.000 koeien,

2 met 50.000-100.000 koeien,
12 met 30.000-50.000 koeien,
40 met 10.000-30.000 koeien,
32 met 1.000-10.000 koeien\'

3 met minder dan 1.000 koeien.

Door 1288 stieren werden 1.608.419 dieren geïnsemineerd, dat is ± 97% van de
„bevruchtbare" koeienstapel.

De inseminaties worden uitgevoerd door 298 dierenartsen en 300 inseminatoren. Van
de 298 dierenartsen die inseminaties doen zijn 243 gewone practici.

Der Tierzüchter, 20-4-1963.

De paringsduur bij nertsen.

Dc paringsduur varieert van 5 minuten tot 4 uur met cen gemiddelde van 47,5 minuut.
In het begin van dc paartijd duren ze korter dan aan het eind. Een verlenging van
de paringsduur met 10 minuten heeft een toeneming van de worpgrootte ten ge-
volge.

Pluimveepers, XVni, 185, (1963).

Over de hygiëne bij melkmachines.

In 1961 werden in Allgäu meer dan 2000 melkmachinegebruikers bezocht, waarbij
de volgende gegevens werden verkregen.

De onderhoudstoestand en de reinheid van de melkmachines waren op 15% van de
bedrijven goed, op 35% voldoende en op 50% onvoldoende. De melkmachines werden
op 13% van de bedrijven bewaard in een melklokaal, op 77% in de keuken of in
de gang en op 10% van de bedrijven in de stal.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 269, (1963).

-ocr page 284-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

GOEDE RESULTATEN MET EEN LEVEND VACCIN TEGEN MOND- EN
KLAUWZEER TYPE A.

M a y r, A., W i t t m a n n, G., Drager, K., Schneider, B. Bengels-
do r f f, M., P i 1 z, W., A r m b r u s t e r, O. und Garbe, H. G.: Unschädlichkeit
und Wirksamkeit einer monovalenten Maul- und Klauenseuche-Lebendvakzine —
Typ A — beim Rind.
Zbl. Vet. Med., 9, 356, (1962).

M a y r en medewerkers hebben een monovalent levend vaccin ontwikkeld tegen mond-
en klauwzeer type A 4.

Het levend vaccin werd uit virus bereid, dat enkele honderden passages over weefsel-
cultuur van kalfsnieren gemaakt had. Het was na intramusculaire injectie onschade-
lijk voor Duitse en Deense runderen. Het werd door de gevaccineerde dieren met
speeksel, urine en melk verscheidene dagen uitgescheiden, maar het uitgescheiden
virus was niet in staat ziekte te verwekken bij runderen en varkens. Door passage van
rund op rund gelukte reactivering van het virus niet.

Het levend vaccin gaf een uitstekende immuniteit en wel niet alleen tegen type A 4,
maar ook tegen de variëteiten A 1, A 2, A5 en A 7. Het virus van de 558e cultuur-
passage gaf geen slechtere immuniteit dan van de 419e.

C. A. van Dorssen.

P.P.L.O.-INFECTIE VAN VARKENS.

1. Roberts, E. D., S w i t s e r, W. P. and Ramsey, T. K.: Pathology of the
visceral organs of swine inoculated with
Mycoplasma hyorhinis. Am. ]. vet.
Res.,
24, 9, (1963).

IL Roberts, E. D., S w i t s e r, W. P. and Ramsey, F. K.: The pathology
of
Mycoplasma hyorhinis arthritis produced experimentally in swine. Am. J.
vet. Res.,
24, 19, (1963).
1. De onderzoekingen van Switser sinds 1953 hebben de aandacht er op ge-
vestigd, dat behalve
Pasteurella multocida en Haemophilus suis bij polyserositis van
het varken een P.P.L.O.
Mycoplasma hyorhinis cen actiologische rol speelt. Hij kon
de ziekte door intraperitoneale infectie met cultuur opwekken.

Roberts, Switser en Ramsey geven een uitvoerige pathologische beschrij-
ving van de organen van dergelijke intraperitoneaal besmette varkens (big.gen?, leef-
tijd niet opgegeven), waarbij zich fibrinopurulente serositis had ontwikkeld.
IL Zij besmetten 24 biggen van 3 weken oud intraperitoneaal. Bij 16 hiervan ont-
stond tevens polyartritis, waarvan een uitvoerige beschrijving werdt .gegeven.
Zij vermelden dat Leece, Justice en Elliot (1960) cen menginfectic van
Mycoplasma hyorhinis en Haernophilis suis beschreven, waarbij zij de Mycoplasma
aansprakelijk stelden voor de ontsteking van de synoviale membraan. Gewezen wordt
op de gelijkenis van de ziektebeelden met dc ziekte van G 1 ä s s e r, waarbij .gewoon-
lijk verband gelegd wordt met
Haemophilus suis.

C. A. van Dorssen.

PSEUDOTUBERCULOSE BIJ DE CHINCHILLA DOOR EEN AFWIJKENDE
PASTEURELLA.

B c c h t, H.: Untersuchungen über die Pseudotuberculose beim Chinchilla. Dtsch.
tierärztl. Wschr.,
69, 626, (1962).

In de aflevering van 1 november van de D.t.W. doet Be cht mededelin.gen over
dezelfde ziekte bij de chinchilla zoals deze in dc aflevering van 15 januari 1963 van
ons Tijdschrift
(Tijdschr. Dirgeneesk., 91, 96, (1963)) door T e r p s t r a en A k k e r-
m a n s en door Daniels en Goudswaard beschreven is. Het betrof hier dus
een sectiebeeld als bij pseudotuberculose, maar de verwekker die uit 24 gevallen werd
gekweekt, week in het bijzonder af door de constante splitsing van saccharose en het

-ocr page 285-

onvermogen rhamnose en sahcine om te zetten. Verder was deze bacterie ook niet
pathogeen voor andere knaagdieren. Twintig gevallen konden tot dezelfde fokker
teruggevoerd worden, maar er was ook een pas uit Californië geïmporteerd dier bij.
De bacterie werd verder gekweekt uit een abces aan het omentum van een herders-
hond (waarvan contact met chinchilla\'s niet vermeld wordt).

(Deze publikatie en de Nederlandse publikaties, die elkaar volkomen bevesdgen, zijn
onafhankelijk van elkaar ontstaan. De Duitse schrijver komt nog minder ver met
zijn standpunt dan Daniels en Goudswaard, die althans van een nieuwe
species spreken, maar dit voorlopig aanduiden met
Pasteurella X. Het lijkt referent,
nu deze onderzoeken elkaar volkomen bevesti.gen, voor genoemde schrijvers toch wel
de moeite waard om voor deze
X een naam in de plaats te stellen. Rcf.)

C. A. van Dorssen.

Exotische dieren, pelsdieren en proefdieren

BACTERIËLE EN SCHIMMELINFECTIES BIJ KAMELEN.

G a t t R u t t c r, T. E. and Mack, R.: Diseases of Camels. Part V. Bacterial and
Fungal Diseases.
Vet. Bull., 33, 119, (1963).

GattRutterenMack geven naar aanleiding van naar schatting 50 publikaties
een overzicht van bovengenoemd onderwerp.

Er is een wcreldpopulatie van circa 10 miljoen kamelen. Over deze dieren zijn in
latere jaren maar drie handbot-ken geschreven, waarvan het laatste het Franse boek
van Curasson (1947). Het bedoelde artikel wil hierop een aanvulling geven.
De eerste ziekte die besproken wordt is anthrax. Deze ziekte kan tot epizoötiën met
hevige verliezen aanleiding geven, o.a. in centraal-Azië. Noodslachtingen kunnen
aanleiding geven tot massale infecties bij de mens (in één geval ontstond miltvuur
bij 37 personen).

Brucella infecties zijn zowel beschreven van Brucella melitensis als van Brucella abor-
tus.
Het is niet zeker of de kamelen door deze infectie aborteren.
Boutvuur kan in 2 tot 3 dagen tot de dood leiden. Men vermoedt, dat verschillende
auteurs deze infectie voor anthrax hebben versleten.

Paratuberculose is tot dusver alleen in de Sovjet-Unie beschreven. De ziekte manifes-
teert zich op de leeftijd van 2 tot 3 jaar. Dc klinische verschijnselen hebben een letaal
verloop in 4 tot 6 weken,

Pasteurellose is gekarakteriseerd door subcutaan oedeem van halsstrcek en gastro-
enterids. Ook deze ziekte, die na 2 tot 8 da.gen dodelijk verloopt, wordt wel vcxir
anthrax gehouden. Kamelen zijn weinig gevoelig voor
Pasteurella pestis. Door expe-
rimentele infecde gelukte het alleen voorbijgaande ziekte op te wekken, waarbij bij
slachdng lymfklierontsteking in het gehele lichaam werd waargenomen. Volgens
oudere literatuur zou in Afrika spontane pest onder kamelen voorkomen,
Salmonellose kan aanleiding geven tot grote sterfte. Uitputting door overwerken pre-
disponeert; door mest besmet water kan dc ziekte overbrengen. De ziekte kan acuut
of chronisch zijn.

Tuberculose is zeldzaam. Het door Dekker en Van der Schaaf beschreven
geval wordt genoemd naast slechts twee andere publikaties; de infectie is van het
bovine type.

Tetanus is in de nieuwe literatuur niet beschreven.
Streptokokken zouden aanleiding geven tot abortus.
In verband met pustuleuze dermatitis werden stafylokokken gekweekt.
Kamelen zijn .gevoelig voor epizoötische lymfangitis, malleus en „besmettelijke long-
ziekte".

Een huidaandoening met multiple abcessen wordt toegeschreven aan Actinomyces
(Nocardia) cameli.

Ook komt een „streptothricosis" van de longen voor, waarvoor verschillende oor-
zaken genoemd worden, o.a.
Nocardia farcinica.

C. A. van Dorssen.

-ocr page 286-

Kunsfmafige Inseminafie

HET PERCENTAGE EIDOOIER IN DE ONDERMELKVERDUNNING.

Komaromy, J.: Vergleichende Untersuchungen über die Vitalität der Bullen-
samenzellen unter besondere Berücksichtigung der Eidotterkonzentration im Verdun-
ningsmittcl. Inaugural Dissertation, Zürich 1962.

De schrijver had van zijn promotor toestemming ontvangen in Nederland zijn onder-
zoek te verrichten. De gelegenheid hiertoe werd hem geboden door het Instituut
voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord".

Het onderzoek omvat de invloed van verschillende eidooierconcentraties in een op-
lossing van ondermelkpoeder op de spermiën, hetwelk werd nagegaan aan de hand
van de beweeglijkheid, de levend-dood kleuring en het vermogen methyleenblauw
te reduceren. Na toevoeging van het verdunningsmiddel vond afkoeling èn op de
gebruikelijke manier èn zeer snel (koudeshock) plaats.

Dc beweeglijkheid blijft in het eerste geval bij een concentratie van 10, 20 en 40%
eidooier in het verdunningsmiddel gelijk tot ongeveer 100 uur, daarna blijft het bij
20 en 40% eidooier beter dan bij 10%. Werd een koudeshock toegediend, dan bleek
de gunstige invloed van 20 en 40% boven 10% eerder op te treden. De levend-dood
kleuring is onderzocht na verdunning in de ondermelkpoederoplossing zonder en
met 5% eidooier. Ook hier werd de beschermende invloed van de eidooier duidelijk,
zij het in niet zo sterke mate als bij de beweeglijkheid, vooral niet na het toepassen
van een koudeshock. De tijd, nodig voor het reduceren van methyleenblauw wordt
duidelijk beïnvloed door de aanwezigheid van eidooier: bij een normale wijze van
afkoeling geeft de toevoeging van 5% eidooier in de ondermelkpoederoplossing reeds
na enkele uren een gunstige werking te zien, tussen 5% en 10 of 20% eidooier treedt
pas verschil op na meer dan 76 uur. De invloed van een koudeshock is met behulp
van deze test niet duidelijk aantoonbaar.

Bij een onderlinge vergelijking van de invloed van bewaring en koudeshock op de
drie genoemde testen en op de grootte van het fructoseverbruik van de spermiën
blijkt, dat de beweeglijkheid de grootste verschillen vertoont, gevolgd door dc methy-
leenblauw-reductasetcst. De levend-dood kleuring daarentegen verandert slechts zeer
weinig na bewaring of koudeshock.

JV. J. Smidt.

Parasitaire-, protozoaire- en fropisehe ziekten

DISTOM.ATOSE BIJ DE MENS DOOR HET ETEN VAN WATERKERS.
V a n b r e u s e g h e m, R., G r y s e, G. de, Wever,
A. de, G r e g o i r e, C. et
Gremsbergen, G. van: Existe-t-il en Belgique un problème de la distomatose
humainc.
Ann. Méd. Vét., 106, 236, (1962).

In Frankrijk zijn honderden gevallen van distomatose bij de mens beschreven, die
worden toegeschreven aan het eten van waterkers, die in het water gekweekt wordt.
Hoewel de kwekers met het oog op schade aan de planten bewust slakken bestrijden is
hierop toch in de kwekerijen
Lymnea truncatula aangetoond, die de Fasciola hepatica
overbrengt.

Schrijvers noemen twee recente Nederlandse publikaties, die beide handelen over
één patiënt. Van deze personen zou zich één in Frankrijk besmet hebben door water-
kers te eten.

De ziekte begint 8 ä 15 dagen na dc ingestie der metaccrcariën als de jonge lar\\en
de lever penetreren onder het beeld van toxisch-infectieuze hepatitis; er zijn dan
natuurlijk nog geen parasieteneieren aan te tonen. Drie ä vier maanden na de ingestie
treden door de volwassen parasieten verstoppingen der galwegen op; dan zijn er wel
eieren aanwezig. In beide perioden kan
Urticaria voorkomen, verder vergroting van
lever en milt en huid en longverschijnselen door aberrant migrerende parasieten.
De schrijvers wijzen op het voorkomen van deze infectie in België en waarschuwen
voor het gevaar van waterbesmetting in de kwekerijen van waterkers.

C. A. van Dorssen.

-ocr page 287-

DUIVESCHURFT BIJ DE MENS.

C r e m e r, Dr. G. en M o r r i ë n, J. J.: Dermanyssusschurft (duiveschurft) bij de
mens.
Ned. Tijdschr. Geneesk., 106, 520, (1962).

Dermanyssus gallinae of „kippcluis" is een soort mijten, die niet alleen bij kippen
maar ook bij duiven en kanaries voorkomt.

De mijten zijn grijs, zwart, of, als ze bloed gezogen hebben, rood. Ze komen in de
huizen, als de nesten verlaten worden. Vandaar dat kippenhouders er in huis nooit
last van hebben.

Schrijvers zagen de hierdoor veroorzaakte schurftachtige huidaandoening in één jaar
tijd van dertien patiënten in zes gezinnen, elf van deze patiënten hadden duivenesten
aan hun huis, twee hielden kanaries.

Inspuitingen met extract van mijten geven geen duidelijke aanwijzing voor het be-
staan van allergie.

De therapie bestaat uit het verwijderen van de duivenesten, het schoonmaken van
dc gevel met Durotox (Shell) en het behandelen van de patiënten met een indiffe-
rent schudmixtuur.

J. H. Soeteman.

Stofwisselings- en deficiëntieziekten

EXPERIMENTELE MELKZIEKTE BIJ RUNDEREN.

E n d e r. F., D i s h i n g t o n, I. U. and II e 1 g e b o s t a d, A.: Parturient paresis
and related forms of hypocalcemic disorders, induced experimentally in dairy cows
Acta Vet. Scand. suppl. 1, vol. 3, (1962).

Gedurende de periode van 1952-1961 werd een groot aantal voederproeven met
koeien van 5-10 jaar oud uitgevoerd om de invloed van de hoeveelheid en de ver-
houding van kalk en fosfor in het rantsoen vóór de partus, op het optreden van
melkziekte na te gaan.

Het optreden van melkziekte na de partus bleek behalve van de Ga/P-verhouding ook
in sterke mate beïnvloed te worden door de alkali-alkaliciteit van het rantsoen.
Rantsoenen met cen overmaat aan calcium en normaal of te laag fosforgehalte, waar-
bij de Ga/P-verhouding varieëerde van 5 tot 10, bleken bij een hoge alkali-alkaliciteit
bij bijna 50% van dc procrfkoeien melkziekte en bij 20% melkziektc-achtige symp-
tomen op tc wekken.

Op rantsoenen met dezelfde kalk/fosforverhouding, maar veel A.I.V.-kuil en daar-
door een lage alkali-alkaliciteit, kwam melkziekte bij de proefkoeien praktisch niet
voor. Negatieve controlegroepen met rantsoenen met een normale Ca/P-verhouding
en normale alkali-alkaliciteit vertoonden na dc partus geen melkziekte.
Aan koeien die bij een vorige partus melkziekte hadden gehad werd een rantsoen
verstrekt met een normale alkali-alkaliciteit en een zeer nauwe Ca/P-verhouding.
Dit rantsoen had ten aanzien van melkziekte cen profylactisch effect.
De rantsoenen die vóór het kalven aan dc proefdieren werden verstrekt hadden vol-
gens de daarvoor gestelde normen een te laag ruw-eiwit gehalte.
(Mogelijk zag men daardoor bij een normale Ca/P-verhouding en alkali-alkaliciteit
geen melkziekte optreden, Ref.)

F. W. }. Swart.

Zootechniek

STIERKEUZE.

O\'Connor, L. K.: Auswahl von Bullen der Milchrassen. Der Tierzüchter, 15, 40,
(1963).

Zowel de vader als dc moeder dragen evenveel bij tot het genenpatroon van een
stier, maar volgens O\'C o n n o r is de nauwkeurigheid waarmee de fokwaarde van de
vader en van de moeder vastgesteld wordt, verschillend. Om dit na te gaan is men

-ocr page 288-

in Engeland uitgegaan van een groot aantal stieren waarvan de produkdevererving
bekend is.

De produktievererving van de zonen van deze stieren heeft men enerzijds vergeleken
met de produktievererving van de vaders en anderzijds met de produktie van de
moeders.

De vergelijking tussen de produktievererving van de vaders en van de zonen is be-
keken door Robertson. Wat de melkhoeveelheid betreft vindt hij dat, wanneer
de vaders een verhoging van de melkhoeveelheid geven van 100 kg („Contemporary
Comparison system" op basis van 25 dochters) de zonen gemiddeld een verhoging
geven van 22 kg, terwijl de verwachte verhoging 33 kg zou moeten zijn. Ofschoon
de gevonden waarde lager ligt dan de verwachte waarde geeft dit volgens O\'C o n-
nor toch nog een go<"d houvast. Wat het vetgehalte betreft vind Robertson
dat, daar waar vaders een stijging te zien geven van 0,5% hun zonen een gemiddelde
stijging geven van 0,16%, hetgeen overeenstemt met de verwachte stijging.
Het onderzoek naar het verband tussen de melkproduktie van de moeders en de pro-
duktievererving van dc zonen is nog niet geëindigd.

Gevonden is dat gemiddeld iedere 100 kg melk die de moeder produceert boven het
stalgemiddelde, bij de zoon tot uiting komt in een produktieverhogend effect van
gemiddeld 6,3 kg, hetgeen vèr beneden de verwachting ligt.

Bij de mclkvctproduktie ligt dit anders. Voor iedere 0,5% dat de moeder boven
het stalgemiddelde ligt, wordt bij de zonen gemiddeld een vetproduktie verhogend
effect gevonden van 0,11%, hetgeen meer is dan de verwachte verhoging.
Dat de melkhcK\'veelheid van de moeder geen goede maatstaf is, wordt door O\'C o n-
nor als volgt verklaard; in het algemeen wordt de beste koe extra bevoorrecht,
wordt nl. vaak extra gevoerd waardoor de melkproduktie hoger is dan die welke nor-
maal het geval zou zijn geweest. Het vetgehalte stemt beter overeen en geeft meer
houvast, wat zijn oorzaak moet hebben in het feit dat deze minder te beïnvloeden is.
Volgens O\'C o n n o r is het meest raadzaam stieren te kiezen van vaders met een
goede produktievererving.

A. F. A. Brands.

HET VOORKOMEN VAN ISO-BOTERZUUR IN SILAGE.

J O n c s, D. J. C. and 1" r i c k e r, D. J.: Iso-butyric acid in silage. Nature, 196,
1211, (1962).

Daar tot nu toe slechts een enkele keer iso-boterzuur kwalitatief in sila.ge was aan-
getoond en nog geen kwantitatieve bepaling verricht was, werden in de winter van
1961-1962 in het zuidoosten van Engeland 400 monsters silage onderzocht op vluch-
tige vetzuren met behulp van gaschromatografie. Hierbij bleek in 38 monsters iso-
boterzuur in meetbare hoeveelheden voor te komen n.1. gemiddeld 0,35 mg/ml in het
kuilsap of 0,13% berekend op droge stof.

Het iso-boterzuur kwam in hetzelfde pH-bereik van de silage voor als waarbij het
n-boterzuur voorkomt, doch het vormde slechts een zeer gering deel van het totale
gehalte aan boterzuur. De pH van de kuil waarbij het grootste aantal monsters met
iso-boterzuur voorkwam, 23 gevallen, was tussen 5,1 en 5,5.

De resultaten doen veronderstellen dat het iso-boterzuur in kleine hoeveelheden
waarschijnlijk zeer verspreid voorkomt in silages ten gevolge van secondaire fermen-
tatieprocessen.

Deze verspreiding zal des te groter zijn naarmate het jaargetijde voor het bereiden
van een kuil slechter is geweest.

A. J. H. Schotman.

-ocr page 289-

BOEKBESPREKING

BAKTERIEN-SYSTEMATIK.

Nach „Bergey\'s manueal of determinative Bacteriology" für den veterinärmedizi-
nischen Gebrauch.

Prof. Dr. R u d o 1 f von der .A a (Bcrhn).

l\'i/itg. VEB Gustav Fischer Verlag, Jen a 1963; 4,80 DM)

Voor hen, die niet over Bergey\'s Manual 7th Ed. beschikken, heeft Prof. Von der
.A a een uittreksel samengesteld, dat uitvoeriger is, maar in opzet iets doet denken aan
het overzicht dat recensent in ons tijdschrift n.a.v. de zesde druk van dat handboek
heeft gegeven
(Tijdschr. Diergeneesk., 74, 731, (1949)).

Dit soort overzichten leggen de samensteller beperkingen op. Daardoor komen de
verschillen, vi\'aarop het grote aantal families, geslachten enz. berust, weinig tot uiting.
Wel is duidelijk aangegeven of de bacteriën al dan niet bewegelijk, Grampositief of
negadef, aerobe of anaerobe zijn.

Het boekje van 110 bladzijden wordt besloten met een klapper waarin ook vulgaire
namen en Latijnse synoniemen zijn opgenomen. Het is een handige vraagbaak voor
ieder die de juiste namen der bacteriën wil weten.

C. A. van Dorssen.

M.AGNESILMSTOFWECHSEL, M.\\GNESIUMBEDARF UND MAGNESIUM-
VERSORGUNG BEI DEN H.AUSTIEREN.

H. Me y e r

Habilitationsschrift. (Tierärtzliche Hochschule — Hannover 1960)
(Uitgave: Verlag M. en H. Schaper — Hannover 1963.)

In deze bespreking moet ik mij uiteraard tot enkele belangrijke punten beperken.
Vele fermenten zijn slechts werkzaam bij aanwezigheid van Mg. Als zodanig komt
het als essentiële factor voor in vele enzym-systemen (fosfaten, peptidasen en car-
boxylasen) en heeft daarmede een belangrijke functie bij de intermediaire stofwis-
seling.

Ten aanzu-n van de structuur der mitochondriën heeft het een stabiliserende wer-
king. Bij tekorten of bij wanverhoudingen t.o.v. Ca en P kunnen weefsel-verkalkingen
en tonisch-klonische krampen ontstaan.

Het Mg-gehalte in de melk is vrij constant (9-12 mg%), ook wanneer de Mg-op-
name uit het voedsel onvoldoende is. Bij een melkkoe met een goede produktie is
het verlies aan Mg via dc melk ± 3 g per dag.

Het Mg-gehalte en de as van de beenderen is bij vele dieren ± 0,57c — 1 % ; bij
het rund is dit ± 0,55% — 0,70% en is gemiddeld bij jonge dieren hoger dan bij
oudere dieren.

Bij dieren inet een enkelvoudige maag heeft de Mg-resorpdc vooral in het eerste
stuk van de dunnedarm plaats. Deze resorptie wordt ongunstig beïnvloed door
storingen in het maagdarmkanaal en door hoge gehalten aan Ga en phydne-fosfor-
zuur. Bij dieren met voormagen heeft dc Mg-resorptie ook in belangrijke mate plaats
in de voormagen. De rcsorpde wordt bij deze dieren ongunstig beïnvloed bij een
sterke NH3-vorming in de pens (te hoog eiwit-aantal in verhouding tot het zetineel-
aanbod) en een hoog K- en Ca-gehalte van het voer. Indien in dc dunnedarm het
milieu alkalisch is, wordt in de darm Mg vastgelegd als ammonium-magnesium-sulfaat.
De Mg-resorptie uit magnesiumsulfaat is gunstiger dan uit Mg-nitraat en Mg-carbo-
naat en wordt door de aanwezigheid van fosfaten ongunstig beïnvlcxd.
Behalve dc afgifte van Mg via de melk, waarbij de afgifte vrij constant is in ver-
houding tot de melkproduktie, wordt Mg uitgescheiden via de urine. De uitschei-
ding via de huid is gering. Bij jonge kalveren is het percentage van het Mg dat
uit het weefsel geresorbeerd wordt aanmerkelijk hoger dan bij oudere dieren. Bij
koeien wordt 65 ä 75% tot 90%, van het in het voedsel aanwezige Mg in de ont-

-ocr page 290-

lasting teruggevonden. Mg-resorptie uit snelgroeiend weidegras, in sterk bemest wei-
land, bedraagt slechts 15 a 20% en kan zelfs dalen tot 10 a 15%.
Dc Mg-spiegel van het bloed wordt niet in sterke mate gereguleerd. Bij een hypo-
functie van de bijnieren neemt het Mg-gehalte in het bloed toe; bij een hyper-
functie en een onvolkomen afbraak van het aldostcron daalt de Mg-bloedspiegel.
De bijnierhormonen zijn waarschijnlijk van invloed op de mate van uitscheiding door
de nier. Bij een te hoog resorbeerbaar Mg-aanbod in het voer kan langs hormonale
weg een te sterke toename van het bloed-Mg voorkomen worden. Bij een te laag
aanbod en of te geringe resorbtie heeft het lichaam geen of onvoldoende regulatie
mogelijkheden om de M.g-bloedspiegel op peil te houden, al kan de daling van het
bloed-Mg tijdelijk wat tegengehouden worden door mobilisatie van Mg uit de
beenderen.

Bij legkippen is de Mg-voorziening in het voer niet altijd voldoende. Men mag er
op rekenen dat dit onder normale omstandigheden bij het paard, het varken, de
vleeseters en de kleine laboratoriumdieren wel het geval is.

Vanaf de 4e tot de 6e levensweek is bij kalveren met uitsluitend melkvoeding het
Mg-aanbod te laag. Bij jongvee en koeien is de Mg-voorziening op stal als regel
wel voldoende, maar vooral in het voorjaar, bij snelgroeiend gras, is het aanbod
vrijwel steeds te laag en wordt daarvan procentsgewijze minder geresorbeerd. Bij
deze dieren moet derhalve aan de M.g-verzorging en de mogelijkheid tot M,g-re-
sorptie speciale aandacht worden besteed. Ook bij moederschapen kunnen vooral in
het voorjaar Mg-tekorten ontstaan, terwijl dit bij deze dieren onder slechte om-
standigheden ook in de winterperiode het geval kan zijn.

Met nadelen tengevolge van een verhoogd Mg-aanbod behoeft in het algemeen
nauwelijks rekening te worden gehouden. Onder zeer abnonnale omstandi.gheden
zou een te groot Mg-aanbod kunnen leiden tot diarrheeën, de vorming van nier- en
darmstenen en bij een gelijktijdige onvoldoende P-voorzicning tot décalcificatie van
de beenderen.

Deze uitgebreide literatuur-studie — aan,gcvuld met eigen werk — die ongeveer 200
bladzijden tekst bevat en wa<arbij geput is uit ongeveer 800 publikaties geeft een
beknopt en, voor zover dit in een dergelijk bestek mogelijk is, goed overzicht van
onze huidige kennis over de Mg-stofwisseling en Mg-verzorging bij onze huisdieren.
Zonder dat daarop in dc tekst wordt ingegaan, worden in tabel 34 een drietal lite-
ratuur-gegcvens vermeld, waaruit wordt aangehaald, dat de pH van het bloed bij
grastetanie-patiënten niet is veranderd. Men kan van mij moeilijk verwachten, dat ik
het daarmede eens kan zijn. Zowel pH als alkalireserve zijn bij grastetanie als regel
verlaagd. Ook met de op blz. 171 vermelde conclusie ten aanzien van oorzaak en
pathogenese van grastetanie komt de schrijver wel erg gemakkelijk klaar.
Tenslote: de eerste drie zinnen van de inleiding — in 1906 (!) geschreven — vormen
een wellicht wat ondoordacht, ongenuanceerd en daardoor een wat ongelukkig ge-
kozen uitgangspunt, waarmede ik niet wil zeggen dat dit de grote waarde van dit
werk vermindert.

P. Tacken.

-ocr page 291-

INGEZONDEN

DIERZIEKTENBESTRIJDING.

De bestrijding van viruspest en mond- en klauwzeer bij varkens geschiedt door af-
slachting.

Miljoenen guldens zijn hiervoor besteed en het resultaat kan slechts zeer twijfel-
achtig genoemd worden. Honderden praktizerende dierenartsen, die veelvouden van
tienduizenden varkens hebben geënt tegen varkenspest met een groot — zo niet af-
doende resultaat — geloven zeker dai ditzelfde kan met de preventieve enting tegen
mond- en klauwzeer.

Op sommige bedrijven in het Oosten (en Zuiden?) worden nu de varkens wèl pre-
ventief tegen mond- en klauwzeer geënt, echter onder bepaalde voorwaarden en drie-
of meermalen.

De kosten zijn voor de veehouders!!

Als reden tegen een algemene enting wordt opgegeven, dat de immuniteit geen
100% zou zijn. Het zou echter zeker de moeite waard geweest zijn om dit eens op
grote schaal, zo niet algemeen, te proberen, en dit had zeer zeker veel minder ge-
kost dan 42 miljoen gulden, welke in 1962 dc kosten zijn geweest voor het af-
slachten en vernietigen van varkens wegens mond- en klauwzeer.
Met afslachten en radio-praatjes (postbus 51, den Haag) kunnen virusziekten niet
bestreden worden. Hoe moet het dan wel?

De veehouders hebben behoefte aan-, en de praktizerende dierenartsen vragen
dringend om een wettelijk geregeld verplichte algemene enting bij varkens tegen
mond- en klauwzeer en varkenspest, en wel zó:

op de markten worden alleen geënte varkens toe,gelaten,
de fokzeugen en fokberen moeten éénmaal per jaar worden geënt.
De administratie en de indentificatic is goed uitvoerbaar met oormerken en/of
tatoeëring, en de controle is eenvoudiger dan die op vervoerbewijzen van runderen.
Behalve wat massaal in de eerste tijd, zijn de entingen verdeeld over het gehele jaar,
zodat iedere dierenarts deze zelf verrichten kan.

Oudewater, 2 juli 1963 J. J. van Dijk.

-ocr page 292-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

PROEVEN MET SCHURFT- EN WORMBESTRIJDINGSMIDDELEN ONDER
PRAKTIJKOMSTANDIGHEDEN.

•Aan een door de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Holland uit-
gegeven verslag van door collega J. J. K o o p m a n en de Heer P. N. Roele Czn
genomen serie van 3 proeven omtrent het gebruik van Neguvon (Bayer) tegenover het
gecombineerde gebruik van piperazine en Neoscabexaan bij varkens, wordt het vol-
gende ontleend.

D toediening van Neguvon — dat na orale verstrekking snel in de bloedbaan komt,
doch niet in het vlees wordt opgehoopt — geschiedde gedurende 3 achtereenvol-
gende dagen in een dosering van 50 mg/kg lichaamsgewicht, in verse 10% waterige
oplossing door het voer gemengd. Na 10 dagen werd deze behandeling herhaald.
De gecombineerde Neoscabexaan-piperazine behandeling geschiedde v.w.b. dc
schurftbehandeling door een spraybehandeling met Neoscabexaan (waarbij ook de
hokken niet werden vergeten), die na 10 en 20 dagen werd herhaald. Als worm-
middel werd hierbij Nobiworm gegeven in een dosering van 200 mg/kg lichaamsge-
wicht, goed door het voer gemengd, het resultaat werd beoordeeld d.m.v. onderzoek
van de faeces op eieren.

Bij de proeven werden gelijkwaardige groepen van mestvarkens gehuisvest in stallen
van het Deense en het Gelderse type en werden per proefneming in beide stal-
typen een gelijk aantal groepen op bovenbeschreven wijze tegelijkertijd behandeld.
Het resultaat van de eerste proef, genomen met 64 varkens, was dat het effect van
Ne.guvon op
Asc lumbricoides wat beter schijnt te zijn dan dat van piperazine
(dihydrochloride). Het resultaat op een schurftinfectie is minder goed als de hok-
ken waarin de varkens het middel Neguvon hebben gehad, niet eveneens worden
behandeld.

Er schijnt een toxisch effect te zijn, dat zich tijdelijk uit in de gemiddelde groei per
dier per dag; een herhaling van dc proef is evenwel gewenst, vooral ook om nadere
informatie over het verschil in voedergebruik te verkrijgen.

Onder praktijkomstandigheden mag men verwachten, dat de dosering van Neguvon
minder nauwkeurig zal gebeuren als in de proef. Dit brengt een zeker risico met
zich en maakt het middel voor de praktijk minder aantrekkelijk. Mede hierom wordt
voorlopig de voorkeur gegeven aan de conventionele therapie rnet Neoscabexaan
voor schurft en piperazine voor worminfectics.

Een herhalin,g van de proef, eveneens met 64 dieren, had o.m. tot resultaat dat in
de Deense stal een aanmerkelijk groter verschil in brutowinst aanwezig was tussen
de piperazine- en Neguvongroepen dan in de Gelderse stal.

Het verschil in bchandclingskosten bedroeg, gerekend naar de groothandelsprijzen,
per dier voor de Neguvongroep 40% meer dan voor de dieren van de Neoscabc-
xaan/piperazine .groep.

Ook laij deze proef bleef de Neguvon-groep gemiddeld in groei tenachtcr, v.z.v. het
de Deense stal betreft en voor dc groep die in dc Gelderse stal werd afgemest geldt
dit in mindere mate.

Ook op grond van deze proef wordt voorlopig dc voorkeur gegeven aan de Neosca-
bexaan-piperazine behandeling.

Voorts bleek bij een tweetal proeven, dat als algemene conclusie kan worden gesteld
dat bij geringe besmetting met wormen een herhaling van de wormkuur bij varkens
(piperazine) niet nodig is te achten en dat het toedienen van een wormkuur aan
mestvarkens in het begin van de mestperiode alleszins een verantwoorde maatregel
is te achten.

DE VERZORGING VAN HET P.A.ARD NA HET GEBRUIK.
Paardengezondheidskalender juli 1963.

Het moet een goede gewoonte zijn dat men, na van de diensten van zijn paard te
hebben geprofiteerd, het naar behoren verzorgt. Daarbij is het van belang, dat die-

-ocr page 293-

gene die met het paard gewerkt heeft, ook zoveel mogelijk de verzorging op zich
neemt. Hij weet welke prestaties zijn verricht. Hij kent de aard van de inspanning
en de tijd en het tempo waarin is gewerkt. Hij heeft in die tijd de reacties van het
dier op de krachtsinspanning kunnen waarnemen. Het zijn deze factoren die be-
palen op welke wijze men na dc arbeid het dier dient te verzorgen en deze kun-
nen het beste beoordeeld worden door de man die met het paard heeft gewerkt.
Een paard dat nat bezweet thuis komt, hoeft nog geen zwaar werk te hebben ver-
richt. Wanneer er tegen het einde van de winter of in het vroege voorjaar, voor die
tijd van het jaar warme dagen zijn, en de paarden nc^ de dikke winte\'rbeharing
hebben, kunnen zij reeds bij een geringe inspanning sterk gaan zweten. Ook tempe-
ramentvolle dieren kunnen, wanneer zc zich opwinden, heftig gaan zweten. Voor
een buitenstaander zal dit de indruk wekken, dat deze dieren zwaar werk hebben ge-
daan. Ze kunnen dan echter nauwelijks vermoeid zijn. Dc verzorger kan volstaan
met het dier met stro droog tc wrijven en ervoor te zorgen dat het niet op de tocht
komt te staan. Bij paarden die een dikke „winterpels" hebben en zelfs bij geringe
arbeid vlug gaan zweten, moeten te.gen het voorjaar zo mogelijk dagelijks met een
roskam (liefst van hard rubber) de losse haren worden verwijderd. Het beste resul-
taat wordt verkregen wanneer de paarden na het werk zijn opgedroogd. Ze komen
daardoor sneller in hun zomerhaar en raken gemakkelijk de warmte kwijt, die ze
bij het werken produceren.

Paarden die gedurende lange tijd zware arbeid hebben verricht en moe en bezweet
thuis komen, moeten grondig verzorgd worden. Nadat men het tuig heeft afgeno-
men, laat men het dier drinken. Geef een emmertje niet te koud water. Later kan
men het dier naar behoefte laten drinken. Daarna wrijft men het in de stal droog.
Nog beter is het met een natte spons vuil en zweet weg te wassen, vooral op die
plaatsen waar drukkende tuigdelen (ook deze reinigen!) hebben gezeten.
Niet alleen bespaart men zich daardoor later veel werk bij het poetsen, maar het
bevordert tevens de bloedcirculatie in de huid. Het paard zal sneller opdrogen,
eerder overtollige warmte verliezen en spoediger uitgerust zijn.

Het is iedereen bekend, dat paarden na een langdurige rustperiode niet ineens volop
voor het werk moeten worden gebruikt. Men dient de arbeidsprestaties .geleidelijk op
te voeren. Toch kunnen de zware voorjaarswerkzaamheden nog vaak snel verricht
moeten worden, terwijl de paarden onvoldoende daarop zijn voorbereid. Het is dan
van belang de dieren na de arbeid nog enige malen gade tc slaan om zich ervan te
overtui.gen, dat zij geen nadelige gevolgen hebben ondervonden.

Er kunnen zich onder andere verschijnselen van spierbevangenheid, hoefbevangen-
heid, koliek en bij drachtige merries van verwerpen voordoen, waarbij deskundige
hulp dient te worden geboden.

Hetgeen hier is betoogd voor het paard dat in de landbouw gebruik wordt, geldt
ook voor het sportpaard. De ruiter zorgt na afloop van de rit zelf voor een goede
verzorging. Het paard heeft vaak in cross of springconcours grote en zware pres-
taties geleverd. Het is van groot belang, dat het daarna wordt afgestapt met wat los-
sere singel, om tot rust te komen en tc kunnen opdrogen; zo nodig legt men een deken

op-

Bij jeugdige ruiters, maar ook zelfs bij de oudere, wordt nog te vaak waargenomen
dat ze bij een foutief springconcours, het parcours met een nors uitdrukking op het
gezicht verlaten en vergeten hun rijdier door cen halsklop te belonen vcwr het werk
dat het te hunnen genoege heeft verricht, ook al is dat dan niet altijd even succes-
vol uitgevallen.

Voorts ziet men nog al eens, dat de verdere verzorging van het paard daarna aan
een ander wordt overgelaten, een behandeling die niet is goed te praten, ook al laat
deze verdere verzorging niets tc wensen over. Er dient een hechte band te bestaan
tussen paard en ruiter, en deze ontstaat vooral, wanneer dc ruiter zich niet alleen
tijdens de rit, maar ook daarna met zijn paard bezighoudt en het verzorgt tot het
weer geheel tot rust is gekomen. Hierdoor krijgt het dier vertrouwen in zijn berijder,
hetgeen hogere prestaties tot gevolg kan hebben.

-ocr page 294-

Steeds zal voorkomen moeten worden, dat een bezweet en vermoeid paard in een
tochtige wagen wordt weggevoerd.

DE VEEHOUDERIJ IN ENGEL.AND EN WALES.

(Milk Marketing Board. Report of the Production Division. No 12. 1961\\62. 159
blz., vele tabellen, ca. 100 afbeeldingen.)

Dit met vele kleuren en zwartwit foto\'s en tekeningen verluchtigde jaarverslag be-
vat evenals zijn voorgangers weer talloze belangwekkende gegevens over allerlei as-
pecten van de rundveehouderij en -fokkerij in Engeland en Wales.
Zo treft men er in aan cijfers over dc toename der melkproduktie, de melkcontrole,
de verschuivingen die er optreden in de betekenis der verschillende rassen, de K.L
(die voor 80% in handen van dc Milk Marketing Board is), de leeftijdsopbouw van
de stierenstapel enz.

Verder wordt er een verslag gegeven van een twintigtal verschillende onderzoekingen,
die op zeer uiteenlopende onderwerpen betrekking hebben. Bij wijze van voorbeeld
zouden de volgende genoemd kunnen worden: De cmtwikkeling der kalverprijzen,
de betekenis van het toepassen van gebruikskruising (tot soms de helft van de
koeien die tot de melkrassen behoren worden geïnsemineerd met zaad van vlees-
stieren, zo zelfs dat af en toe de selectiemogelijkheden onder de melkrassen in het
gedrang dreigen te komen), de redenen van beëindiging der melkveehouderij (het
arbiedsproblecm speelt hierbij een grote rol; vooral de kleinere bedrijven worden
opgeheven), genetische verschillen tussen bedrijven die de stieren voor de fokkerij
verkopen, kruising met Charollais stieren, variatie in ovaricle functie bij melkvee,
zaadblaasjes ontsteking, bevruchtend vermogen van postmortem uit de epididymis
gehaalde zaadcellen die na het verzamelen werden diepgevroren, ongewone inhoud
van het scrotum bij een stier, osteoarthritis bij stieren enz.

Het behoeft geen betoog dat we dit jaarverslag gaarne ter bestudering aanbevelen.

Th.de Groot.

VERPLICHTING TOT HET BR.ANDMERKEN OP DE HOEVEN VAN
BUITENLANDSE WERKPAARDEN.

In het op 12 augustus 1963 tc verschijnen Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie zul-
len worden afgekondigd dc door het bestuur van het Produktschap voor Vee en
Vlees op 31 juli 1963 vastgestelde Verordening buitenlandse werkpaarden 1963 en
het daarop gebaseerde door de Voorzitter van bedoeld Produktschap vastgestelde
Uitvoeringsbesluit vaststelling werkpaardenmerk 1963, krachtens welke voorschrif-
ten met in.gang van 13 augustus 1963 alle te importeren werkpaarden — door of
vanwege de importeurs — van een brandmerk op dc hoef van de rcchtervoorvoet
dienen te worden voorzien. Bedoeld paardenmerk moet diep ingebrand en duidelijk
zichtbaar worden aangebracht op dc voorvlakte van de hoef van de rcchtervoor-
voct, direct onder de kroonrand, en bestaat uit een cirkelvormig brandmerk, waar-
van de middellijn, gemeten van de binnenzijde van de omtrek, 2J/2 cm bedraagt en
waarvan de breedte van de buitenrand 15/2 mm bedraagt, voorzien van een dwars-
balk door het middelpunt ter breedte van 2/2 mm.

Van dc toepassing van deze voorschriften zijn uitgezonderd alle tc importeren
slachtpaarden, sportpaarden (kennelijke rijpaarden, dravers, renpaarden, e.d.),
pony\'s en raspaarden (zoals Fjordenpaarden en Haflingers).

Aanleiding tot het vaststellen van de bovenbedoelde voorschriften is de omstandig-
heid, dat in het door de Nederlandse Veeartsenijkundige Dienst bij de voor uit-
voer naar Frankrijk bestemde paarden af te geven gezondheidscertificaat ingevolge
een desbetreffende van Franse zijde gestelde eis o.a. moet worden verklaard, dat
deze paarden tenminste 6 maanden in Nederland hebben verbleven.
Paarden voorzien van bovenbedoeld brandmerk komen niet voor uitvoer naar
Frankrijk in aanmerking.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

-ocr page 295-

DE BESTRIJDING VAN TRILZIEKTE EN VAN ZIEKTEN DER ADEM-
HALINGSORGANEN BIJ PLUIMVEE.

Tweede mededeling van de Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee.
Aan fokkers en vermeerderaars.

Infectieuze bronchitis, pseudo-vogelpest, pokken-difterie en trilziekte kunnen het
beste bestreden worden door middel van voorbehoedende entingen, waarvoor zoals
bekend jaarlijks een entschema wordt uitgegeven om aan te geven wanneer (op wel-
ke leeftijd) en waartegen het beste kan worden geënt.

Dc ervaringen hebben in de loop van de jaren afdoende bewezen, dat bij een juiste
toepassing van de entingen
volgens het entschema een voldoende bescherming tegen
de genoemde ziekten wordt verkregen. In die streken, waar de entingen
op grote
schaal
worden uitgevoerd komen deze schadelijke ziekten vrijwel niet meer voor. He-
laas laat over het gehele land bezien het enten nog zeer veel te wensen over. Het
gevolg hiervan is, dat de bedrijven
waar niet of onvoldoende geënt wordt, vroeger of
later
stuk voor stuk met deze ziekten te kampen krijgen. Deze door vele pluimvee-
houders gevolgde gedragslijn veroorzaakt zeer grote schade (over het gehele land
"t 20 a 30 miljoen per jaar) en vormt een ernstige bedreiging niet alleen voor het
eigen bedrijf, maar ook voor andere pluimveehouders.

In het belang van onze pluimveehouderij, die zich al geruime tijd in een ongunstige
positie bevindt, is het thans de hoogste tijd te trachten de schade tengevolge van
infectieuze bronchitis, pseudo-vogelpest, pokken-difterie en trilziekte tot een mini-
mum te beperken. Dit geldt in de eerste plaats voor onze fok- en vermeerderingsbe-
drijven met hun kostbare diermateriaal. Teneinde het enten op grote schaal ingang
te doen vinden stelt de Gezondheidsdienst voor Pluimvee de fokkers en vermeerde-
raars in de gelegenheid gebruik te maken van een waarschuwingssysteem.
Voor dit
waarschuwingssysteem, waaraan voor de deelnemers geen kosten verbon-
den zijn, kan men zich - voorlopig tot 1 september — op basis van vrijwilligheid
opgeven door middel van het aangehechte aanmeldingsformulier. De meeste be-
drijven zullen het jaarlijks uitgegeven entschcma kunnen volgen. Voor andere daar-
entegen — en dit geldt in hoofdzaak voor de fokbedrijven — zal het schema in
overleg met de eigenaar aan de bedrijfsomstandigheden moeten worden aangepast.
In de aanvang zullen vele bedrijven, die nimmer of sporadisch geënt hebben, het
verrichten van sommige entingen moeten beperken tot bepaalde leeftijdsgroepen
(men kan nu eenmaal niet ongestraft volop gevoelige, leggende hennen tegen pseudo-
vogelpest of infectieuze bronchitis enten). Dit betekent dus, dat ook het waar-
schuwingssysteem op de betreffende bedrijven in het begin beperkt zal blijven tot
bepaalde leeftijdsgroepen.

.Aan de hand van het voor een bepaald bedrijf opgestelde schema ontvangt de eige-
naar
voor elke enting afzonderlijk tijdig een schrihelijk bericht, waarin wordt aan-
gegeven welke enting bij welke koppels en op welke datum moet worden toegepast.
Vanzelfsprekend is het van het allergrootste belang, dat ziekten of andere moeilijk-
heden, die zich bij pluimvee voordoen, direct worden gemeld (en dat zonodig en-
kele dieren voor onderzoek worden opgestuurd). Eventueel kan dan het entschcma
aan de gewijzigde omstandigheden worden aangepast, of kan door het treffen van
bepaalde maatregelen de enting toch op tijd worden uitgevoerd. U kunt vanzelf-
sprekend bij het oplossen van eventuele moeilijkheden rekenen op de hulp en de
steun van de Gezondheidsdienst.

Het is de bedoeling, dat de resultaten van de toegepaste entingen op het bedrijf
worden bijgehouden en steekproefsgewijze door de Gezondheidsdienst door middel
van laboratoriumonderzoek worden gecontroleerd. De Gezondheidsdienst overweegt
voorts de mogelijkheid op den duur op grond van de aldus beschikbaar komende
gegevens gezondheidscertificaten af te geven voor de deelnemende bedrijven.
Met het Produktschap voor Pluimvee en Eieren is overeengekomen, dat ook door
haar
Inspectiedienst aan deze op vrijwillige basis geschoeide, georganiseerde be-
strijdingscampagne medewerking zal worden verleend door het geven van inlich-
tingen en het verzamelen van gegevens.

-ocr page 296-

Indien u van het waarsehuwingssysteem wilt profiteren, dan is het zaak het aan-
meldingsformulier direct in te vullen en op te sturen, want het is zo 1 september!

AANMELDINGSFORMULIER

Ondergetekende: fokker/vermeerderaar no.: ...............

............................................. (naam)

............................................. (straat)

............................................. (woonplaats)

wenst gebruik te maken van het waarschuwingssysteem ten behoeve van de vrijwillig
georganiseerde bestrijding van infectieuze bronchitis, pseudo-vogelpest, pokken-dif-
terie en trilziekte.

.............................. (datum)

.............................. (handtekening)

IN BRAKEL HERLEEFT DE HISTORIE.

Stellig niet in de Bommelerwaard alleen zullen vele oudere paardenliefhebbers zich
de Brakelse paardenmarkt herinneren. Langzamerhand zijn de paarden echter vrijwel
van de bedrijven verdwenen en met hen gingen de glorie en de romantiek dezer markt
verloren. Op het Marktplein worden de gulle lach van de Franse handelaren en de
forse handslag van hun Nederlandse collega\'s dan ook niet meer gehoord. Slechts de
herinnering bleef. "Vooral plezierige herinneringen. Want de Brakelse markt had een
aparte charme.

Inderdaad, de paarden verdwenen merendeels.

De pony\'s daarentegen deden bij honderden hun intrede in de Bommelerwaard. Het
landschapsbeeld wordt er tegenwoordig mede door beheerst. De fokkerij neemt een
voorname plaats in. Dat zal ongetwijfeld op
donderdag 26 september a.s. blijken, wan-
neer de eerste Brakelse pony-jaarmarkt gehouden wordt.

Op een historische plek, in cen bekoorlijke om.geving met op de achtergrond de
bomenrijen van de Heerlijkheid, zal voortaan elk jaar op de laatste donderdag van
september de geheel eigen sfeer van de Brakelse markt weer velen ertoe brengen van
heinde en ver in de Bommelenvaard van de partij te zijn.

DIERGENEESKUNDIGE DAGEN 1963 - ANTWERPEN 6-7 SEPTEMBER.

Thema: Het Diergeneeskundig beroep in verband met de eisen gesteld door de ac-
tuele, hygiënische en economische toestand.

1) Voorlopig programma.

Vrijdag 6 september:

9.30 uur: Samenkomst in de Dierentuin: 26 Koningin Astridplein.

10.00 uur: Bezoek aan GEVAERT - Oude God (maximum bezoekers aan-
vaard: 100.

12.30 uur: Lunch - GEVAERT.

13.45 uur: Terugreis naar de Dierentuin.

14.30 uur: Opening van de tentoonstelling voor geneesmiddels in de hall
van de Dierentuin.

15.00 uur: Opening van het Kongres in de Keurvelzaal van de Dierentuin.

-ocr page 297-

15.30-18.00 uur: Academische zitting - Voordrachten: „Demographische studie
van het diergeneeskundig beroep in België" door Ere Directeur-
Generaal Dr. D u h a u t - Discussie.

Naar alle waarschijnlijkheid zal Dr. K n o w 1 e s, Voorzitter
van A.V.M.A. (.American Veterinary Medical Association) een
voordracht .geven over „Diergeneeskundige praktijk in de
U.S.A.".

19.00 uur: Vertrek naar het hotel „Withof" te Brasschaat - Polygoon.
Avondmaal: 115 fr. (dienst inbegrepen)
Menu : Hors d\'oeuvres variés
Crème d\'asper.ges

Rôti de boeuf en chevreuil - sauce poivrade
Glaces - (drank: wijn, bier of water)
Gezellig samenzijn met orkest en attracties.

23.00-24.00 uur: Terugreis naar Antwerpen.

Zaterdag 7 september:

9.00 uur: Academische ziting in de Keurvelzaal van de Dierentuin -
Voordrachten:

„Structurele en economische ontwikkeling van de pluimvee-,
runder- en varkensteelt" door Prof. L e B i h a n en M. C o u-
lomb, assistent van het Nationaal Instituut voor Landbouw-
kundig Onderzoek te Parijs.
Discussie.

11.30 uur: Ontvangst op het Stadhuis te .Antwerpen.

12.30 uur: Lunch in het restaurant van de A.M.I. (met zicht op de haven) :
135 fr. (dienst inbegrepen, zonder drank).
Menu: Crème andalouse

Poulet sauté cocotte
Crème Beau Rivage - Moka.

15.00-18.00 uur: Academische zitting in de Keurvelzaal van de Dierentuin —
Voordrachten:

„Moderne aspecten van de Vleeshygiëne" door Dr. K a m p e 1-
m a c h e r. Hoofd van het Laboratorium voor de Zoönosen van
het Rijks Instituut voor dc Volksgezondheid te Utrecht en
■Algemeen Secretaris van de Wereldvereniging voor Dieren-
artsen-Hygiënisten.

„Dc aanpassing van het Diergeneeskundige onderwijs aan de
huidi.ge economische en hygiënische omstandigheden" door
Prof. Dr. A V e r s t r a e t e. Voorzitter van de .Academische
Raad van de Veeartsenijschool te Gent.

20.00

Sluitingsbanket in de Marmeren zaal van de Dierentuin
Deelname in de onkosten: 350 fr.
Menu: Aperitief

Consommé Madrilène
Croûte ostendaise
Filet de boeuf - sauce Godard
Canetons de Rouen
Compote de pêches
Dijonnaise - Moka
Drank: Witte en rode wijn.
Bal voor de jeugd. Inschrijving en koud gerecht: 100 fr.

-ocr page 298-

Zondag 8 september:

11.30 uur: Artistenmis in de St. Karei Boromeüskerk, Conscieneeplein,
Antwerpen.

2) Verplaatsing van de deelnemers.

Wegens parkeermoeilijkheden in Antwerpen, werd er beslist dat alle op het pro-
gramma voorziene verplaatsingen per autobus zullen gedaan worden tegen een
globale som van 75 fr. per persoon.

3) Parking.

Een grote parking i; voorzien aan de achterkant van de Dierentuin (Ploegstraat).
De mogelijkheid bestaat om de personenauto\'s in een gesloten parking onder be-
waking te plaatsen (Vestingstraat en Eiermarkt) 100 fr. voor het verblijf van
vrijdag tot zondagmorgen.

4) Tentoonstelling.

Gedurende het Kongres zal er in een zaal van de Dierentuin een tentoonstelling
gehouden worden van geneesmiddels.

5) Inschrijvingsrechten. 100 fr.

Het inschrijvingstarief voor het Kongres en het sluitingsbanket hangt af van de

medewerking van dc handelsfirma\'s in geneesmiddels.

In principe zal het inschrijvingstarief de 100 fr. niet overschrijden.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

VERVOERSVERBOD VOOR VARKENS EN HERKAUWERS.

Opnieuw hebben zich enkele gevallen van mond- en klauwzeer onder varkens —
in Noord-Brabant en Limburg — voorgedaan en wel 4 gevallen te Boekei en 1 geval
te Gemert en 4 gevallen in de gemeente Venray.

In de betreffende gebieden werd een vcr\\\'Ocrsvcrbod voor varkens en herkauwers
afgekondigd.

-ocr page 299-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

September,

2— 7, Wereldconferentie over Dierlijke Produktie, Rome.

2—11, Xle Internationale Congres over Genetica, Scheveningen.

4, Centrale Fokveedag, Ommen.

7, Paardendag U.T.V., Utrecht.

6— 8, Belgische Dierenartsen Vereniging. Diergeneeskundige Dagen, Ant-
werpen. (pag. 1080, 1085)

11, Groep K.I. en Zootechniek, K.N.M.v.D. Excursie naar Oostmalle (Bel-
gië), (pag. 1042).

11, Centrale varkensfokdag, Raaltc.

11—-13, Kon. Ned. Chemische Vereniging. Viering 60-jarig bestaan, (pag. 849)

13—14, Nationale tentoonstelling K.V.N.T., \'s-Hertogenbosch.

14, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Contactdag met de afd. Utrecht en
Noord-Holland, (pag. 686)

16—21, Tentoonstelling „Frisiana", Leeuwarden,

18, Centule keuring K,V,N,T. Afd, Drenthe, Assen.

18, Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten K.N.M.v.D. Vergadering
met Ver. va i Directeuien van Gem. Slachthuizen, R.I.V, Bilthoven.

20, Nationale Tentoonstelling van varkens en schapen, \'s-Hertogenbosch.
(afgelast)

21, Réunie vai oud-leden „.Absyrtus", Zeist.

22—28, British Veteiinary Association. Jaarlijks congres, Llandudno (pag.
615, 621)

25, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Gelderland, Hengelo (Gld.).

25, Centrale verrichtingskeuringen N.W.P., Leeuwarden.

26, Eerste Brakelsc pony-jaarmarkt, (pag. 1080)

27, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Beurs-
café (Muranozaal), Rotterdam, (pag. 1086)

Oktober,

2, Stierenkeuring, Leeuwarden.

5, Afd. Gelderland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.30 uur, Hotel
Royal, Arnhem (pag. 1041),
9—10, Centrale Jonge hengstenkeuring N,W,P,, Groningen,
13—19, D,I.G., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstelling annex fokveedag. Hoornaar.
18—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, 110e Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag. 467, 620)
31, 6e Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur. Utrecht

November,

5 en 6, 110e Ned. Landhuishoudkundig Congres, Emmeloord (pag. 1037).
Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 17, 1963 1 083

-ocr page 300-

1964

Februari,

16—23, 2e Internationale Week van de Landbouvi\', Brussel.
September,

6—13, Ve Internationaal Con.gres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388)

Erfelijke bepaalde vit. Bj-tekorten.

De Carneau duif is duidelijke gevoeliger voor een vitamine Bj^-tekort dan de tentoon-
stellingspostduif. Deze gebreksverschijnselen staan volgens dit onderzoek met andere
factoren in verband dan met een verminderde enzymv/erking.

Pluimveepers, XVIII, 172, (1963).

Schrikdraad zonder kortsluiting!

Door het veeteeltkundig proefstation te Ruakura (Nieuw-Zeeland) is cen volkomen
nieuw type schrikdraadafrastering ontwikkeld waarbij geen kortsluitin,g kan optreden
door begroeiing langs de percelen. Het kan zelfs onder de grond worden aangelegd.
De spanningsgever is voorzien van transistors. Korte schokken van 2000-3000 volt
worden opgewekt. Het apparaat werkt bij 230 volt netspanning en 70 milliampère,
hetgeen voldoet aan de Nieuw-Zeelandse veiligheidseisen. Isolatoren zijn niet nodig.
Men kan de draad zonder meer aan palen bevestigen of in een verticale spiraal (zoals
in de oorlog gebruikte geïsoleerde telefoonlijnen) over de grond uitleggen. Er bestaat
ook een type dat voorzien is van een batterij-spanningsgevcr.

Het idee voor de ontwikkeling is ontstaan uit een onderzoek naar de spanning dic
tijdens het melken ontstaat in dc omgeving van doorloopmelkstallen. Dc industrie
heeft grote belangstelling voor het apparaat, maar zal moeten wachten totdat het
Nieuw-Zeclandse Ministerie van Landbouw er octrooi op heeft genomen.

Landbouwdocumentatie, 19, 272, (1963).

(iekleurde melk in Japan.

In Japan is vraag naar rode, groene, gele en blauwe melkpoeder. En aangezien de
Japanse koeien nog steeds hardnekkig weigeren om melk van enige kleur te produ-
ceren, is men wel gedwongen om er tijdens het droogproces een kleur aan toe tc
voegen.

.\\an het groene poeder zijn plantaardige vitamines toegevoegd, aan het gele eidooiers
en honing, aan het rode gemalen wortels en sinaasappels en het blauwe poeder blauwe
suiker. Laatstgenoemd poeder wordt vrij algemeen gebruikt als dessert (soort
yoghurt) dat de Japanners eten met fruit. De Japanse zuivelindustrie is zeer ge-
interesseerd of de aandelen van deze gekleurd melkindustrie ook in waarde zullen
stijgen in verband met de aantrekkelijke kleur van het produkt.

De Keurstamboeker, 11, 387, (1963).

Een goedkope sex-methode.

In .Amerika is althans bij één speciaal fokprodukt vastgesteld dat het geslacht van
één dag oude slachtkuikens kan worden bepaald aan het verschil in lengte van de
slagpennen en de dekveren aan het gewricht van de uitgespreide kuikenvleugel. Bij
haantjes zijn de slagpennen even lang of korter dan de dekveerpennen, bij de henne-
tjes lan.ger. Per uur kunnen tot 1600 kuikens worden „gesekst". Of dit verschil bij
andere slachtkuikens ook voorkomt is niet bekend.

Pluimveepers, XVIII, 107, (1963).

-ocr page 301-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

\'VAN HET BUREAU
Algemene Vergadering 1963.

Feestelijke vr ij dagavond.

In aansluiting op de eerste summiere aankondiging van de feestelijke bijeenkomst
na de huishoudelijke vergadering op 18 oktober a.s. volgen even enkele inlichtingen
op vragen, die na de verschijning van de aflevering van 1 augustus j.1. zijn gesteld:

a. het diner zal — hoewel er een aantal gasten wordt geïnviteerd — een onofficieel
karakter hebben; deelnemers, die een ongedwongen, gezellige maaltijd met hun
vrienden willen genieten, behoeven zich dus niet te laten weerhouden.

b. Het is de bedoeling een prettige tafelopstelling tc maken, d.w.z. men kan in kleine
vriendengroepjes aan afzonderlijke tafels aanzitten (b.v. 6, 8 of 10 personen).

c. Mede dcx>r interne reorganisatie van het Jaarbeurs Restaurant zal het diner
uitstekend worden verzorgd.

d. Op het diner volgt een soiree; of de muzikale verzorging die van het slotbankct
van het Eeuwfeest in het Kurhaus zal kunnen evenaren, is niet helemaal zeker;
collega Frik is echter ook nu de „impressario", die samen met de algemeen secre-
taris een goed ensemble engageert.

„Spreekdag".

De secretaris kan in verband met een vertegenwoordiging elders woensdag 11 septem-
ber a.s.
niet op het bureau zijn. In plaats daarvan is hij maandag 9 september a.s.
beschikbaar voor telefonisch contact of ontvangst.

Huldiging Dr. H. J. Weekenstroo.

In de vorige aflevering kon op het laatste ogenblik nog even melding worden ge-
maakt van dc hoge onderscheiding, die Dr. Weekenstroo ten beurt is gevallen, n.l.
zijn benoeming tot Officier in de Huisorde van Oranje.

In de volgende aflevering komt hierover nog het reeds toegezegde „praatje met een
plaatje". In verband met vakantie van de betreffende clicheerinrichting, kon de hier-
voor bedoelde foto echter niet meer klaar zijn voor deze aflevering.

Tarief voor de enting tegen trilziekte.

In aansluiting op de publikatie van het advies van het Hoofdbestuur inzake de
enting tegen trilziekte, wordt naar aanleiding van een enkele vraag, die hierover is
binnengekomen, duidelijkheidshalve nog even vermeld, dat met het tarief van
een visitebedrag 4- ƒ 0,10 per gevaccineerd kuiken de gebruikelijke berekening
van de vaccinkosten wordt bedoeld:

ƒ 0,10 per kuiken, dat per os wordt gevaccineerd. Zoals bekend, wordt per koppel
4-10% van de dieren per os geënt.

Belgische Diergeneeskundige dagen 1963.

De Diergeneeskundige dagen 1963 van de Belgische Dierenartsenvereniging zullen
dit jaar in Antwerpen worden gehouden op
vrijdag 6 en zaterdag 7 september a.s.
Het bestuur van de Belgische Dierenartsenvereniging zal gaarne Nederlandse collegae

-ocr page 302-

met hun dames, die aan deze Diergeneeskundige dagen willen deelnemen, hartelijk
ontvangen.

In verband met deze vriendelijke uitnodiging, die via het bureau van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde binnenkwam, is het programma verkort opge-
nomen onder „Berichten en Verslagen" (pag. 1080)

Voor inschrijving, hotelreservering etc. dient men zich direct na de verschijning van
deze aflevering op te geven bij het bureau van de K.N.M.v.D. te Utrecht.

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Zuid-Holland.

De Afdeling Zuid-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
houdt haar eerstvolgende ledenvergadering op
vrijdag 27 september a.s. om 20.00 uur
in het Beurscafé (Muranozaal) te Rotterdam.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de volgende collegae aangenomen als lid van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde:

J. L. Cornelisse, Weerdsingel O.Z. 40, Utrecht.
G. Porte, Oude Leye F-27, post Lieve Vrouwen Parochie.
S. G. J. Postma, Draafsingel 31, Hoorn.
R. H. Scholtz, Strocslaan 5, Hilversum.

Snijders, Plantsoen 16, Ruurlo.
J. Warrink, Larensev/eg 29, Holten (Ov.).
Mej. T. Pauw, Duindoornlaan 19, Haarlem.

Het Hoofdbestuur draagt dc volgende collega voor het lidmaatschap van de Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde vcxjr:

J. van Dijk, Burg. Falkenaweg 126, Heerenveen.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Akkermans, P. A., te Veldhoven, naar Westcrvclden 23 aldaar, tel. (04995) 25 40,
gr. 1081059. (144)

Dam, B. J. van, van Tivon naar „Haklaieth", Kcriat Gat 787/3, Israël. (216)

Eijk, W. van der, van Dicver naar Soest, Larixlaan 10, tel. (02955) 51 63 (privé),
(03402) 40 90 (bur.), gr. 676372. (160)

Haagsma, J., van Bilthoven naar Groenekan, Kon. Wilhelminaweg 351, tel. (03401)
266. (164)

Heege Hzn., J. H. ter, van Markelo naar Meppel, Pr. Margrictlaan 6, tel. (05220)
26 29 (privé), 28 15 (bur.), h.k., R.K.V., R.K. (bz.d.). (166)

Jansen, P. F. J., van Hazcrswoudc naar Haarlem, van Ricbeecklaan 26. (173)

Kalkman W. M., te Rcncssc, naar Jan van Rencsscweg 9 aldaar (tel. ongewijzigd).

(174)

Klaassen, J., van Brcukclen naar Breukeleveen (post Tienhoven), Herenweg 49, tel.

(02958) 11 00 (privé), (03462) 587 (bur.) tot 9.30 v.m. (176)

Kuijk, M. M. F. H. van, van Utrecht naar Soestdijk, Dr. Rupcrdaan 1, tel. (02955)
45 54, gr. 683864, P., ass. bij G. A. Kok. (179)

Maas, H J. L., van Hoogland naar Nijkcrk, Slichtenhorsterwcg 30, huize „de Neude".

(183)

Porte, G.; 1963; Oude Lcije F-27 (post Lieve Vrouwen Parochie) ; tel. (05182) 411 :
D. (in mil. dienst). (191)

Postma, S. G. J.: 1963; Hoorn, Draafsingel 31 : tel. (02290) 53 95; wnd. D. (191)
Remmen. J. W. A., te Schijndcl, naar Meester Michelsstraat 21, aldaar (tel. onge-
wijzigd), gr. 1090905. (192)
Roek, G. K., van Abcoude naar Zutphen, Heeckcrenlaan 8, tel. (06750) 39 41 (bur.),
h.k., dir. ab., R.K.V., R.K. (bz.d.), Ir. R.M.L.S. (193)

-ocr page 303-

Scholtz, R H.; 1963; Hilversum, Stroeslaan 5; tcl. (02950) 4 92 21; D (in mil.
dienst. (195)

Steenis, G. van, te Beiruth, tijd. adres: Capelle a.d. IJssel, K. Doormanplein 31 tel
(01804) 24 13. (217)

Tulner, P. R., te Gorrcdijk, naar Heerenackcr 44 aldaar, tel. (05133) 740, er.

1140321. (203)

Verhagen, G., te Haarlem, naar .Anthony Fokkerlaan 31 aldaar (tel. ongewijzigd).

(205)

Warrmk, J.; 1963; Holten (Ov.), Larenseweg 29; tel. (05483) 515 (bur); P.,
ass. bij Th, A. Oostenbrug. (210)

Wensvoort, Dr. P., van Alkmaar naar De Bilt, Bunniksewcg 74, wetensch, h,ambt, A,
R.U. (F.d.D., afd. Path. .Anatomie). (211)\'

Zandnga Jr., J. W., te Ens (gem. .Noordoostpolder), aangesloten onder gr. 1008882.

(214)

Inspectie van de volksgezondheid, belast met het toezicht op de levensmiddelen.

Het bureau van bovenbedoelde dienst te \'s-Gravenhage is verplaatst naar Noordeinde
35, aldaar, tel. (070) 63 09 72.

Benoemd:

Beusekom, C. van, te Bergen (N.H.), te rekenen m.i.v. 1 oktober 1963, tot Directeur
van de gezondheidsdienst voor dieren in Noord-Holland. (14-7)

Moerman, H., te Twello, te rekenen m.i.v 1 mei 1963, tot Rijkskeurmeester in bij-
zondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst ter standplaats Voorst. (185)

Overleden:

Bonga, B., te \'s-Gravenhage, is aldaar overleden op 5 augustus 1963. (150)

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deelnemingen in het beleggingsfonds voor Medici lijn elk kwartaal
verkrijgbaar voor artsen, tandartsen en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen, ook indien zij buiten Nederland wonen.

Men kan in het Fonds porticiperen voor één of meer deelnemingen.
Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000,-.

Inlichtingen verstrekt de directie:
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappi|

Keizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 6766]

-ocr page 304-

Diergeneeskundige
Studenten Kring.

Ab-actiaat: UTRECHT - BILTSTRAAT 172 (Poortgebouw)

Gironummer 271994 ten name van de fiscus van de Dier-
geneeskundige Studenten Kring.

JAARVERSLAG van dc Diergeneeskundige Studenten Kring, tevens Diergenees-
kundige Faculteit van de „Stichting Utrechtse Studenten Faculteiten", over het
verenigingsjaar 1961 - 1962.

Het afgelopen jaar is voor de Diergeneeskundige Studenten Kring niet zonder be-
tekenis geweest. Behalve het zesde lAistrum, dat de hoofdschotel vormde, zijn nog
talrijke zaken het vermelden waard.

Tijdens de Jaarvergadering, welke gehouden werd op 27 oktober 1961 in de Blauwe
Zaal van „Esplanade", werd de Heer
Th. C. Winkel het roer van de D.S.K. in
handen gegeven. Naast hem kwamen te staan: de heren J. Groenewold als Ab actis,
F. Zwanenburg als Fiscus, C. C. J. M. van der Meys als Vice-Pracscs en Mej. A.
van Ditmarsch als Vice-.\\b actis.

De Candidaten-commissie bestond uit de Praeses der D.S.K. en de Heren K.
Schipper en M. J. A. Nabuurs. Voor de door hem georganiseerde lezingen, waar ik
nog op terug kom, was grote belangstelling.

Het Presidiaat van de Museum-commissie was ook dit jaar weer in handen van de
Heer J. C. Legel, met als medeleden Mej. M. E. van Emden en de Vice-Praeses
der D.S.K.

Naast het Lustrum werden dit jaar twee feesten georganiseerd, waartoe een Feest-
commissie was samengesteld, bestaande uit de Heren W. Edel, Praeses; J. L. J.
Gaakeer, Ab actis; M. G. van den Ende, Fiscus; J. J. C. M. de Schutter, Lid en
R. van de Lende, Lid.

Het St. Nicolaasfeest in café-restaurant „De Harmonie" te Maarssen op 1 december
was een gezellig feest. De Goed Heilig Man kwam ook. Het Drafsportfecst, van ge-
heel andere aard, vond plaats in het Paviljo<-n van de dierentuin te Amersfoort.
Voor het werk van de Lustrum-commissie, die bestond uit de Heren G. A. van Exel,
Praeses; J. C. Baars, Ab actis; J. A. H. van Lieshout, Fiscus; H. W. B. Engel, Vice-
Praeses; W. J. van Baaien, Lid en Mej. M. E. van Emden, Lid, kunnen wij mets
dan lof\'hebben. De leden van deze commissie hebben met een korte tijd voor voor-
bereiding een uitstekend Lustrum gepresenteerd.

Opmerkelijk was hun geestdrift, die grote en vele tegenslagen tot onbenullige voor-
valletjes reduceerde. De D.S.K. is hun veel dank verschuldigd.

Zij, die de ondankbare functies in dc D.S.K. hebben zijn de Comissarissen van Studie-
belangen. In het afgelopen jaar kon het Bestuur haar voordeel doen met hun ad-
viezen en opmerkingen aan.gaande studiezaken.

De Huishoudelijke Vergaderingen.

Twee van deze vergaderingen werden dit jaar gehouden; beide in het Instituut
voor Veterinaire Anatomie.

De Buitengewone Ledenvergaderingen en de Lezingen.

De eerste Buitengewone Ledenvergadering werd gehouden op 21 november 1961.
Sprekers van deze avond waren de Heer M. K a r s e m e ij e r, die een door hem
vermeend tekort aan dierenartsen motiveerde en de Heer A. v a n K e u 1 e n, die een
lezing hield over „De Ethiek van de Dierenarts".

-ocr page 305-

De tweede vond plaats op 26 februari, toen Ir. C. M. H u p k e s sprak over de
Europese Economische Gemeenschap en daarbij speciaal de moeilijkheden op land-
bouwgebied toelichtte.

De 20ste februari vond de Eerstejaarslezing plaats. Prof. Dr. C. R o m ij n hield
een causerie over de studie in de diergeneeskunde en de Heer L. J. K a s, directeur
van het abattoir te Hilversum, besprak de verschillende richtingen, die de\'dierenarts
na zijn studie kan inslaan.

Een twee-, in plaats van een drie faculteitenlezing werd in samenwerking met de
Tandheelkundige Studenten Faculteit georganiseerd op 16 mei; Prof. Dr W H C
Tenhaeff sprak over „Het probleem der onbevoegde genezers (magnetiseurs\'
gebedsdragers e.d.)".

De Honorair-bestuursleden.

Het Bestuur vergaderde het afgelopen jaar acht maal met de Honorair-bestuurs-
leden. Het is duidelijk, dat hun doordachte adviezen zeer ter harte zijn genomen
De tweede juli bracht het Bestuur en een groot aan leden van de Diergeneeskundige
Studenten Kring de laatste eer aan de Heer A. J. P. M. Ketelaars, student en
Honorair-bestuurshd, die enkele dagen daar\\.oor tengevolge van een noodlottig ver-
keersongeval om het leven was gekomen.

Excursies.

De eerste excursie was de traditionele tocht naar Gent. Op de heenreis werd de
Coöperatieve Handelsvereniging te Veghel (N.-Br.) bezocht, waar de directie, na
een rondleiding over de verschillende afdelingen, de excursisten een uitstekend \'ver-
zorgde Brabantse koffietafel aanbood. Aangekomen in Gent, werd de bus naar
een voetbalveld gedirigeerd. Dat de hier gespeelde wedstrijd slechts een geringe en
zeer eervolle nederlaag voor de Utrechters opleverde, is voor een groot deel te dan-
ken aan het werk van de Vice-Ab actis, die zich onvermoeid toonde dc fighting-
spirit er bij de spelers in te gieten. Des avonds bood de Vlaams Diergeneeskundige
Kring „Willen is Kunnen" een feest aan in salon ,Napoleon". Het nagenoeg ont-
breken van vrouwelijke leden in bovengenoemde Kring is waarschijnliijk een reden,
dat een en ander tijdens een zangborrel anders toegaat dan hier. Enkele leden van\'
het Bestuur vertoefden nog enige tijd op het plaatselijk politie-bureau om te discus-
siëren over dc Benelux, de Europese Economische Gemeenschap en klopgeesten. De
volgende dag werd na het bezichtigen der Faculteit en een bezoek aan een bier-
brouwerij, de terugtocht aanvaard. Het zojuist genoemde vond plaats op 28 fe-
bruari en 1 maart.

Een D.S.K. gezelschap van ruim 30 heren maakte 16, 17 en 18 april een driedaagse
tournee door de Duitse Bondsrepubliek. Bezocht werden de firma H. Hauptner te
Solingen, de Behringwerke bij Marburg en de Farbwerke Hoechst A.G. te Frankfurt.
De gastheren, die overigens wel enige hulde verdienen voor hun Überorganisierung,
hadden de ontvangst zo zakelijk en schools opgezet, dat de excursisten hun gevoel
voor humor en improvisatie-vermogen bitter hard nodig hadden. Alleen bij de firma
H. Hauptner kan van een uitstekend en prettig verzorgd programma gesproken
worden.

De derde excursie in dit Bestuursjaar bestond uit een bezoek aan Zwanenbergs Vlees-
fabrieken te Oss op 9 mei, waar het vrij grote aantal deelnemers een interessante
rondleiding met goed te volgen explicatie ten deel viel. Na het door de direcde
aangeboden diner vertrok de bus naar Son om de N.C.B. Destructor te bezichtigen.
De stank der hopen varkenskadavers tengevolge van het mond- en klauwzeer en
een N.C.B. propagandafilm van ca. een uur lengte, veroorzaakten een dof gevoel
van onbehagen, dat in Vlijmen snel vervaagde tijdens de in dit plaatsje gehouden
zangborrel.

Faculteit der Diergeneeskunde.

De betrekkingen met de Faculteit der Diergeneeskunde zijn ook dit jaar van zeer

-ocr page 306-

goede aard geweest. De D.S.K. is in het bijzonder dank verschvddigd aan de Voor-
zitter, Prof. Dr. C. Romijn, voor het open oor, dat hij immer verleende en de ad-
viezen, die hij bij vele kwesties, de studenten betreffende, gaf. De goede verstand-
houding met de Faculteit kwam ook tot uiting bij de talrijke bezoeken, die bij de
hoogleraren afgelegd werden.

Tijdens het afgelopen Bestuursjaar vonden vele promoties plaats. Het Bestuur mocht
13 Zeergeleerde Heren complimenteren met het succesvol verdedigen van hun dis-
sertatie.

De Faculteit kreeg dit jaar enkele slagen te verwerken in de vorm van het overlijden
van een Hoogleraar en enkele Oud-Hoogleraren.

Het voltallige Bestuur was aanwezig bij de crematie van Prof. Dr. B. Sjollema, in
leven o.a. ook erelid van de D.S.K. Een grote slag was het plotseling overlijden
van Prof. Dr. N. C. W. Hesse op 20 maart. Ook het heengaan van Prof. Dr. D. K,
de Jongh bracht bij vele D.S.K.-Ieden een gevoel van verslagenheid teweeg. Naar
de nabestaanden van Prof. Dr. D. K. de Jongh stuurde het Bestuur een blijk van
medeleven.

De 18e april overleed Prof. C. F. van Oyen.

Evenals voorgaande jaren stond de D.S.K. ook dit jaar op zeer goede voet met de
Maatschappij voor Diergeneeskunde. Het vaccineren van de Nederlandse runderen
tegen mond- en klauwzeer tijdens de dreigende epizoötie bij deze dieren in het af-
gelopen winterseizoen verliep goed en snel, nadat de Maatschappij voor Diergenees-
kunde en het D.S.K. Bestuur een beroep hadden gedaan op de studenten en de Fa-
culteit.

Dat het D.S.K. Bestuur het gehele Eeuwfeest de gast was van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde zal zij niet licht vergeten. Tijdens het
hoogtepunt van het Eeuwfeest, het gala-banket in het Kurhaus te Scheveningen,
hield de Praeses een zeer geestige tafelrede.

Op de receptie in de Aula van de Rijksuniversiteit bood de Praeses het Hoofdbestuur
namens de Diergeneeskundige Studenten Kring een zilveren asbak rnet het Absyrtus-
embleem aan.

Universitaire Vertegenwoordigingen.

De Praeses woonde vijf maal de Praesidcsvcrgaderingcn der Utrechtse Studenten
Faculteiten bij.

Ter gelegenheid van het dende lustrum van Unitas Studiosorum Rheno-Traiectina
woonden Praeses en Ab acds op 23 november de Plechtige Opening bij, waarna
het Bestuur van de D.S.K. een eerbiedwaardige rij van meer dan een tiental gelegen-
heden zich liet vertegenwoordigen.

Stamboeken eu Paardensport.

De belangrijkste manifestade op dit gebied was de Studenten Drafsportdag 1962.
De 31ste mei. Hemelvaartsdag, trokken vele belangstellenden naar de drafbaan
„Mereveld" om de meest bijzondere course van deze middag, n.1. de „Peerdenpieten-
Course" te zien verrijden.

De Heer C. C. J. M. van der Meys kwam na een adembenemende strijd als eerste
met Ycwel Boy langs de paal. \'s Avonds werd hij tijdens het gala-feest^ls „Peerden-
piet 1962" gehuldigd.

Het Bestuur met haar gasten was ook deze maal op traditionele wijze in calèches,
onder escorte van ruiters te paard van de Veterinaire Studenten Rijvereniging „De
Solleysel", vanaf de Biltstraat 172 naar de Drafbaan gereden. Prof. Dr. C. Romijn
reikte als Voorzitter van de Faculteit der Diergeneeskunde de Professorenprijs uit.
De Praeses overhandigde op de Jaarlingen- en Volbloedshow te Hilversum op 15
november 1961 aan de eigenaars van de volbloedhengst Koridon, de Heren A. Fran-
kena en I. Zandstra, een wisselbeker. Het volgende jaar en wel op 14 november deed

-ocr page 307-

de Vicc-Praeses hetzelfde, maar toen ging de beker naar de Heer D. J. Mellema
D.E.zn., voor zijn hengst Nicolas.

De winnaars van het vorige jaar ontvingen een herinneringsplaquette. Een nieuwe
beker ging naar de Heer J. J. Glimmerveen voor de beste draverhengst voor de
Sulky, l\'Espoir B.

Fiscus en Vice-Praeses vertrokken in de ochtend van 15 september, met het Eeuw-
feest nog in hun benen, naar \'s Hertogenbosch om de tweede dag van de Nationale
Trekpaardententoonstelling bij te wonen en de eigenaar van Liliane van Schoondijke,
de beste tweejarige merrie, met een wisselbeker te verblijden.

De Vereniging tot Bevordering van de Landbouwtuigpaardfokkerij in Nederland,
het V.L.N., hield 19 oktober haar jaarlijkse Gentrale Keuringen van één- en twee-
jarige hengsten van het Groninger en het Gelderse type op het concoursterrein
achter de veemarkt te Utrecht. De Heren C. Blanken en H. Stehouwer Jr. waren
zowel de eigenaren van de beste tweejarige hengst van het Groninger- als wel van
het Gelderse type en ontvingen hiervoor uit handen van de Vice-Praeses twee wi.ssel-
bekers. De eigenaren van de winnaars van het vorige jaar werd een herinnerings-
plaquette aangeboden.

De Praeses woonde dit verenigingsjaar twee maal het „Steunpilarenfeest" van de
Utrechtse Paardensport Vereniging bij. De eerste maal in gezelschap van zijn voor-
ganger, de tweede maal in dat van zijn opvolger.

I.V.S.U. cn andere internationale contacten.

Dti jaar vond wederom een congres plaats van de International Vetcrinary Students
Union (I.V.S.U.), en wel van 1 tot 10 september in het zonnige Cordoba. De
Praeses, Fiscus en nog een zestal leden van de Diergeneeskundige Studenten Kring
namen aan dit congres deel, waarvan zij met zeer veel lovende woorden terugkeerden.
De voorbesprekingen, waarbij de Praeses was vertegenwoordigd, werden het afge-
lopen jaar in West-Berlijn .gehouden.

Voor de individuele uitwisseling bestond dit jaar minder belangstelling dan vorig
jaar.

Woensdag 21 maart arriveerde een bus met een twintigtal Argentijnse veterinaire
studenten van de universiteit van La Plata bij de sociëteit „Eigen Huis". Een ieder
werd toegewezen aan een D.S.K, lid, die cen begroetingsceremonieel had te onder-
gaan, De zang- en danskunst van onze buitenlandse collegae maakten in het stu-
dentencafé „Pandoer" op velen een overweldigende indruk.

Voorts was het Bestuur van de D,S,K, bij diverse gelegenheden, waaronder de
uitreiking van de Erecode op 22 oktober, aanwezig.

Het Lustrum.

Drie dagen lang vierde de Diergeneeskundige Studenten Kring feest. Het prograimna
was aantrekkelijk en niet zwaar belast. Woensdag 24 oktober startte het I.ustrum
met de Plechtige Opening in het Groot-Auditorium der Universiteit. Redes werden
uitgesproken door de Praeses van de Diergeneeskundige Studenten Kring, door dc
Rector Magnificus, Prof. Dr. W. G, v a n U n n i k en door Prof. Dr, G, R o m ij n.
Voorzitter van de Faculteit der Diergeneeskunde.

Prof, Dr, H, k. M e y 1 i n g werd tot erelid van de Diergeneeskundige Studenten
Kring benoemd.

Na afloop hield het Bestuur een druk bezochte receptie. Het college van commissa-
rissen van studiebelangen bood bij deze gelegenheid de D,S,K. een bok „Absyrto"
genaamd aan. Na een bezoek aan de Kliniek voor Heelkunde verkeert het „Absyrt"
nog in goede gezondheid.

Deze dag besloot met een Ft>rumavond, Prof, Dr, W. K, Hirschfeld was .ge-
spreksleider bij de voordrachten en discussies over „De verhouding mens-dier",
waarbij Ds J. H a n n e m a n het dier in d.e religie, de heer H. G. van Milten-
burg het dier in de broodwinning, Dr. W. v. d. Akker het dier als hobby, de
Heer G. H, P, J, Goud a-Q u i n t het dier in de geneeskunde en de Heer N, P,

-ocr page 308-

Kas het dier in de studie behchtte. Na de pauze brachten dc Honorair-bestuurs-
leden een cabaret, dat bij de aanwezigen zeer in de smaaJc viel.
De tweede dag ving aan met de voetbalwedstrijd tussen de D.S.K. en de Vlaams
Diergeneeskundige Kring „Willen is Kunnen" uit Gent op het Velox-terrein. Na
de aftrap, wederom verzorgd door de Heer T. Hendrikse en onder de deskundige
leiding van de Heer Sjors van Asperen, bleek al spoedig de superioriteit van de
Utrechters. De eindstand luidde dan ook 3-1 in het voordeel van de D.S.K.
Om 13.00 uur ving een gezamenlijke lunch aan voor het wetenschappelijk corps,
het personeel en de studenten. Ongemerkt ging deze lunch over in de kermis, die
zich uitstrekte over een deel van het Faculteitsterrein, beginnend bij de Kliniek voor
Heelkunde en eindigend in de manége.

Met verschillende zaken kon men zich vermaken. Om enkele te noemen: ringrijden,
schildpaddenraces, kegelen en een elektronische kermis.

Op de bonte avond, speciaal georganiseerd voor het niet-wetenschappelijk perso-
neel, werden de aanwezigen op een aangename wijze beziggehouden met het af-
wisselend optreden van kleinkunstenaars en het bin.gospel, een gemodificeerd kienen.
De laatste dag heeft voor de Lustrum-Commissie wel de grootste moeilijkheden opge-
leverd. De windhonden rennen moesten in verband met het rabies-probleem te elfder
ure worden afgelast. In plaats daarvan werd een hippisch programma van goede
kwaliteit samengesteld, dat in de manége in de Johannapolder werd uitgevoerd.
Voordat het gala-toneel een aanvang nam, werd door het Bestuur en Honorair-
bcstuursleden gedineerd in hotel-restaurant „Hamdorff" te Laren. Bij het vorige
Lustrum was dit een primeur. Het is alleszins wenseijlk, dat hier een traditie van
wordt gemaakt.

In de Singer Concertzaal werd door de toneelgroep „Centrum" dc voorpremière van
het stuk „Les Bonnes" (De Meiden) van Jean Genet opgevoerd. Het was een een-
actcr, die de aanwezigen anderhalf uur bezig hield.

Het sluitstuk van het Lustrum, het gala-bal in hotel-restaurant „Hatndorff" zal de
annalen van de Diergeneesk\\mdi,ge Studenten Kring ingaan als een groots en brui-
send feest.

Uit dit verslag moge blijken, dat het Zesde Lustrum een .goede kwaliteit betoonde,
waarvoor alle lof toekomt aan de Lustrumcommissie 1962, al wist deze zich gesteund
door het enthousiasme der leden.

In dit verslag vermeldde ik reeds het geschenk der studievertegenwoordigers. Er
waren echter meer cadeaux, die het Bestuur in ontvangst mocht nemen.
De Honorair-bestuursleden boden tijdens het Honorairendiner een model aan van
een tafel, waarop in mozaïek het Absyrtusemblcem staat afgebeeld.
Hopelijk laat de echte uitvoering niet lang op zich wachten, zodat een ieder deze
tafel op dc D.S.K. kamer kan bewonderen. Het niet-wctenschappelijk personeel
bedacht de D.S.K. met een geldsom, die besteed mag worden aan een nieuwe ver-
lichting op de D.S.K. Kamer. Van de Tandheelkundige Studenten Vereniging „John
Tomes" ontving het Bestuur een rijzweepje.

Over het geschenk van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde vinden nog besprekingen plaats in verband met de verbeteringen aan het
meubilair op de D.S.K. Kamer.

Van de Utrechtse Paardensport Vereniging ontving het Bestuur van dc D.S.K. cen
prachtig wandmeubel.

Dit relaas wil ik besluiten met op tc merken, dat indien de Lustrumviering de saam-
horigheid en collegialiteit der leden nog meer heeft bevorderd, de Diergeneeskun-
dig Studenten Kring ook dit jaar zijn bestaansrecht ruimschoots heeft bewezen.

J. Groenewold, D.S.K. h.t. Ab actis 1961-1962.

Utrecht, 20 november 1962.

-ocr page 309-

INHOUD

M. Karsemeijer, Ten geleide............1093

Wetenschappelijk programma IlOe Algemene Vergadering Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde
..........1094

L. Seekles en H. ]. Hendriks, Hypomagnesemie en grastetanie.
Biochemische aspecten — Hypornagnesaernia and grass tetany.
Biochemical aspects
—..........1095

G. P. A. Frijlink, Kopziekte in de praktijk — Hypomagnesae-

mic teany in veterinary practice —.......1142

A. Kemp, De betekenis van het voedermagnesium bij het ont-
staan van hypomagnesemie en hypomagnesemische tetanie bij
rundvee — The significance of magnesium in the feed in
causing bovine hypomagnesaemia and hypomagnesaemic tetany
1154

A. Kemp, J. H. Geurink en H. ]. Immink, Het effect van mag-
nesiumtoediening op de magnesium gehalten van het bloedserum
bij melkkoeien met hypomagnesemie — The effect of admini-
stration of magnesium on the serummagnesium content in milch
cows suffering from hypomagnesaemia
—.....1172

//. de Groot, Landbouwkundige maatregelen ter verbetering
van de magnesiumvoeding van weidend rundvee — Agricultu-
ral measures to improve the magnesium intake for grazing cows
1181

INGEZONDEN

Overzicht van gedekte merries in 1962 ......1194

BERICHTEN EN ^\'ERSLAGEN

Animal Health Yearbook 1962 ........ 1194

Voorzichtigheid bij het voederen van vers geoogste granen aan
paarden
.............1194

Landbouwtelling mei 1963 ......... 1195

In- en doorvoer van levend slacht pluimvee in W .-Duitsland
verboden
.............1196

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1196

VARIA............. 1180, 1193, 1197

DOORLOPENDE AGENDA............1198

KON. NED. M.A.ATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het bureau............1199

Van de afdelingen...........1202

Personalia.............1202

-ocr page 310-

NIEUW

KOMBINIT

breed specfrum chemotherapeuticum
fegen hef C.R.D. COMPLEX bij pluimvee

handhaving groei

beperking pathologisch-anatomische
veranderingen die tot afkeuring
kunnen leiden (slachtkuikens)
kosten economisch verantwoord.

LABORATORIA DR. DE ZEEUW n.v.

TEL. 030 - 60045

DE BILT

Mr. A. P. J. Fortuin

Mr. F. Smit

J. H. J. van der Steen

P. G. Weynands

Fiscaal-Economische dienst voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Utrecht - \'s-Gravenhage ■ Nijmegen

Utrecht

fel. 030-20241
Koningslaan 62

\'s-Gravenhage

Tel. 070 - 639908
Houtweg 3

Nijmegen

Tel. 08800-32132
Barbarossastraat 54

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnementstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracht, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dienst

-ocr page 311-

Het zal misschien bij verschillende leden van de Maatschappij enige
verwondering hebben gewekt, dat de wetenschappelijke vergadering
in 1963 een ander karakter draagt dan gedurende een reeks van
jaren het geval was.

Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat, toen het Hoofdbestuur medio
1962 door de Nederlandse Vereniging voor Weide- en Voederbouw
van het Koninklijk Genootschap voor Landbouwwetenschap be-
naderd werd om gezamenlijk eens een studiedag te organiseren, die
geheel aan het „kopziekte"-vraagstuk zou zijn gewijd, het Hoofd-
bestuur hiermede, na enig beraad, gaarne instemde.

Enige jaren geleden heeft de British Veterinary Association, onze
zustervereniging in Engeland, eveneens en met groot succes een der-
gelijke dag gehouden.

Grastetanie of kopziekte is immers nog altijd een ziekte, waarmede
de dierenartsen telken jare veelvuldig worden geconfronteerd en die
nog steeds grote schade aan de rundveestapel toebrengt. En hoewel
wij al tientallen jaren over een bevredigende therapie beschikken, is
het aantal slachtoffers bijna ieder jaar belangrijk te noemen.
In de moderne tijd treedt bij de bestrijding van ziekten bij mens en
dier de algemene preventie echter steeds meer en meer op de voor-
grond.

Het zal wel voor geen tegenspraak vatbaar zijn, dat men het rund is
gaan ontwikkelen in een richting, berekend op een hoge, misschien
te hoge, melkproduktie. Daarom is het melkgevend rund bedenkelijk
veel op een kunstprodukt gaan gelijken, waarbij de natuurlijke ver-
houdingen uit het oog zijn verloren, althans op de achtergrond zijn
geraakt.

Voeg daar nog bij, dat de grasgroei door een aantal kunstmest-
stoffen als het ware „opgejaagd" wordt, hetgeen ongetwijfeld zijn
invloed zal doen gelden op de gezondheidstoestand van het melk-
gevende rund, en daarom grastetanie in de hand werken.
Voor de genoemde preventie is een onderzoek van bodem, plant en
dier van eminente betekenis en wil dit onderzoek vruchtdragend zijn,
dan zullen de landbouwkundigen, de biochemici en de dierenartsen
zich gezamenlijk aan deze problematiek moeten wijden. Dit is dan
ook de reden, waarom voor de weentschappelijke vergadering van
onze Maatschappij het onderwerp „Kopziekte" als thema werd ge-
kozen.

-ocr page 312-

In deze aflevering van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde zijn de
voordrachten weergegeven, zodat iedere belangstellende hiervan
kennis kan nemen. Het is de bedoeling, dat op de vergadering iedere
inleider zijn voordracht kort toelicht 15 minuten), zodat er

daarna volop gelegenheid zal zijn voor een ruime discussie na afloop
van de vier voordrachten.

Onder de toehoorders zullen, behalve de leden der Maatschappij,
ook vele landbouwkundigen en anderen aanwezig zijn en wij grijpen
gaarne deze gelegenheid aan om hen reeds bij voorbaat een hartelijk
welkom toe te roepen.

Namens het Hoofdbestuur van de
Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde,
M. KARSEMEIJER,
Algemeen voorzitter.

10.30 uur Openingsrede door de Voorzitter van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Prof. Dr. L. Seekles: „Hypomagnesemie en grastetanie -
biochemische aspecten".

Drs. G. P. A. Frijlink: „Kopziekte in de praktijk".
Lunchpauze.

14.00 uur A. Kemp: „De betekenis van het voedermagnesium bij
het ontstaan van hypomagnesemie en hypomagnesemische
tetanie bij rundvee".

Ir. H. de Groot: „Landbouwkundige maatregelen ter ver-
betering van de magnesiumvoeding van weidend rund-
vee".

Discussie onder leiding van de Voorzitter van de Neder-
landse Vereniging voor Weide- en Voederbouw.
Sluiting van de bijeenkomst door de Voorzitter van de
Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

De vergadering zal worden gehouden in de grote zaal van het Jaar-
beurs Restaurant te Utrecht.

-ocr page 313-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Hypomagnesemie en grastetanie. Biochemische
aspecten.1)

Hypomagnesaemia and grass tetany. Biochemical
aspects.

door L. SEEKLES**) en H. J. HENDRIKS***)

Uit het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie van
de Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht.

Inleiding.

Ofschoon men zich in Nederland reeds vijf en dertig jaar lang intensief
bezig houdt met het vraagstuk van de kopziekte (voedingstetanie, gras-
tetanie, lactatietetanie) in al zijn aspecten, is het nog niet gelukt alle
vragen met betrekking tot het wezen en het ontstaan van de ziekte, als-
mede tot het vóórkomen ervan, bevredigend te beantwoorden.
Het staat intussen wel vast dat men er zich voor moet hoeden het
probleem te simplistisch te zien. Kopziekte is n.l. niet steeds gebonden
aan het opnemen van weidevoeder (gras), noch aan een hoge melk-
produktie (Seekles, 1961). De ziekte kan zowel voorkomen op sterk
geïntensiveerde bedrijven — zoals meestal wel het geval is — na het op-
nemen van welig gras in voor- en najaar, als ook op stal, zelfs wanneer
geen gedroogd of geënsileerd gras doch krachtvoer wordt gegeven. De
indruk wordt gewekt dat de z.g. staltetanie in de loop der jaren steeds
veelvuldiger voorkomt. De ziekte draagt niet zelden een chronisch karak-
ter, d.w.z. zij kan maanden lang latent aanwezig zijn, (chronische hypo-
magnesemie), waarna zij plotseling manifest wordt. Een sterke hypo-
magnesemie en een matige hyjjocalccmie vormen, zoals bekend is, de
chemische hoofdsymptonien bij alle vormen van voedingstetanie. (Seek-
les, 1953). Blijft de hypocalcemie uit, dan komt het in liet algemeen niet
tot tetanie, ook al is het gehalte aan magnesium van het bloedplasma
sterk verlaagd. In het tetanie.syndroom is dus het calciuniniveau \\an het
plasma van zeer grote betekenis. Welke functie het gehalte aan an-
organisch fosfaat van het bloedi)lasma bij het tot stand komen van het
tetaniesyndroom vervult, is nog duister. Het is een feit dat het gehalte
aan anorganisch fosfaat van het plasma van kopziektepatiënten zeer sterk
kan wisselen en dat het gemiddeld boven de waarde van normaal runder-
bloedplasma ligt.

De ervaring heeft geleerd dat kopziekte voor kan komen op niet intensief
gevoerde bedrijven, waar dus geen grote hoeveelheden kunstmest of gier
worden gebruikt, noch voeder van abnormale samenstelling wordt op-

1  Voordracht, in te leiden op 19 oktober a.s. op de 110c .Algemene Vergadering
van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht,

-ocr page 314-

genomen. Omgekeerd blijft de ziekte niet zelden uit, of wordt slechts een
laag percentage van de melkveestapel aangetast bij intensieve bedrijfs-
voering, gekenmerkt door een rijkelijke opname van eiwit en kalium door
koeien met een hoge melkproduktie. Dit wijst erop dat er nog andere
factoren in het spel moeten zijn dan die welke rechtstreeks samenhangen
met intensieve bedrijfsvoering, dan wel met een abnormale samenstelling
van het voeder. Wij zoeken deze factoren in het dier zelf, en wel in een
minder doeltreffende regulering van de lichaamsfuncties, waardoor de
aanpassing van de dieren aan prikkels van uitwendige en inwendige
oorsprong — die o.m. ook van het voeder kunnen uitgaan — in gevaar
komt. Dit betekent dus dat het weerstandsvermogen, dat van dier tot
dier verschilt, bij bepaalde „overgevoelige" dieren te kort schiet (Seek-
les, 1958).

Omdat het dier geen constante fysiologische resp. biochemische eenheid
is, kan de dierfysioloog, resp. de biochemicus geen genoegen nemen met
de in landbouwkringen niet zelden toegepaste methode van de statisdsche
analyse, ter vaststelling van de samenhang van oekologische (uitwendige)
factoren met het ontstaan van ziekte bij dieren. Dit betekent stellig niet
dat een dergelijke analyse voor de praktijk niet van waarde zou kunnen
zijn. De dierfysioloog en biochemicus willen echter meer weten, n.1.
waarom een dier onder bepaalde omstandigheden wel of niet een normale
reactie vertoont. Dit is dus een vraag van somadsche (lichamelijke) aard.
Bij de voedingstetanie gaat het om een aanpassingsstoornis, waarbij
oekologische en somatische factoren om de voorrang strijden. Een be-
langrijk somatisch kenmerk van kopziekte is de verhoogde neuromuscu-
laire prikkelbaarheid die o.m. samenhangt met het sterk verhoogde
Ca/Mg-quotient in het bloedplasma. Onzerzijds wordt aan het samengaan
van maagdarmstoornissen met de overige ziekteverschijnselen een zekere
pathognomonische betekenis toegekend. Door gisting en rotting vormen
zich bij voedingstetanie en bij andere enterogene autointoxicaties sterk
werkende vergiften, o.m. biogene aminen die veranderingen van de
permeabiliteit van de grensvlakken in het lichaam en dus storingen in
het „milieu intérieur" (Claude Bernard) kunnen doen ontstaan,
waardoor de normale regulering van de lichaamsfuncties wordt geschaad
(Seekles, 1956).

Rij het ontstaan van deze toestand van non-adaptatie spelen indirect ook
oekologische factoren een rol, bijv. plotseling optredende of lang aan-
houdende veranderingen van de weersomstandigheden en wijzigingen van
de aard van het voeder, waardoor het maagdarmkanaal in mechanische
en biochemische zin (zie verderop) wordt overbelast. Wij zullen enkele
van deze factoren nader bezien, en in het bijzonder de reacties van het
dier, resp. zijn somatische toestand, toetsen aan bepaalde oekologische
invloeden, zoals de weersomstandigheden en de samenstelling van het
beschikbare (weide)voeder. Tot dit laatste bestaat des te meer aanleiding
omdat het nu eenmaal vast staat dat in het algemeen de frequentie van
de kopziekte toeneemt met de intensiteit van de bedrijfsvoering, d.w.z.
met het opvoeren van de grasopbrengst en het aantal melkkoeien per
hectare, en met de melkopbrengst per koe (Seekles, 1961).
Op grond van praktijkervaringen neemt men aan dat het gebruik van
grote hoeveelheden kunstmest — stikstof, kali, fosfaat — en van (varkens)-
gier, alsmede de toename van het gehalte aan grassen in het weidebestand

-ocr page 315-

ten koste van klaver en onkruiden, het ontstaan van voedingstetanie be-
vordert. Als eerste en wellicht voornaamste effect van een dergelijk een-
zijdig bemestingsregime dient men rekening te houden met een van het
normale afwijkende samenstelling van het weidevoeder die hiervan het
gevolg kan of zal zijn.

Wij hebben ons in dit artikel ten doel gesteld de analyseuitkomsten van de
door ons in de loop van verscheidene jaren verzamelde gewasmonsters te
toetsen aan de gegevens, verkregen bij het bloedonderzoek van de pa-
tiënten, waarvan men mag aannemen dat de tijdsduur van het verblijf in
de voorjaarsweide lang genoeg was, om een meer permanente invloed
van een voeder van afwijketide samenstelling te waarborgen.

Deze gewasmonsters zijn afkomstig van weiden, waarop op de dag van de
monsterneming één of meer gevallen van voorjaarskopziekte waren vast-
gesteld. Zij werden verzameld volgens de daarvoor geldende voorschriften
(Brands ma, 1954). Alle gehalten werden omgerekend op de zand-
vrije droge stof. Het betreft liier 291 gewasmonsters uit het gehele land,
en van verschillende grondsoorten, waarvan er 288 afkomstig waren van
de bovenbedoelde kopziekteweiden, terwijl 3 gewasmonsters verzameld
werden tijdens de „kopziektetijd" op bedrijven, waar men nooit kopziekte
had waargenomen (tabel B). Deze kleine controlegroep hebben wij aan-
.gevuld met de 47 monsters voorjaarsgras die door B r a n d s m a in 1952
op 14 „normale" bedrijven tot en met 1 juni waren genomen (tabel A).
Hoewel deze bedrijven, die hetzij op zand of op klei lagen, min of meer
over het gehele land verspreid lagen, waren toch enkele belangrijke
veehouderijgebieden, zoals bijv. de provincie Zuid-Holland, niet vertegen-
woordigd, tei-wijl in ons materiaal grasmonsters uit deze provincie Wèl
voorkomen.

Genoemde auteur (Brands ma) vermeldt verder o.m.: „De koeien
hebben gedurende de laatste jaren niet geleden aan kopziekte (gras-
tetanie), slepende melkziekte (acetonemie), likzucht of slechte vrucht-
baarheid. De groei der kalveren is goed. Melkziekte bleek op vrijwel alle
liedrijven wel eens te zijn voorgekomen; ook gedurende de laatste jaren
was dit op een aantal ervan het geval geweest, echter slechts in geringe
mate." Als vergelijkingsgroep voor ons kopziektemateriaal zijn deze mon-
sters dus wel geschikt. Voorts deelt B r a n d s m a mede: „In 1952 onder-
scheidde het wcideseizoen zich in enkele opzichten van wat wij over het
algemeen als normaal beschouwen. Door de vroeg intredende warmte
groeide het gras snel en kv/amen de koeien omstreeks 15 april op ver-
schillende bedrijven overdag al in de weide, \'s Nachts werden zij veelal

nog opgestald"...... „In April en Mei was de neerslag gering, terwijl de

temperatuur veelal hoger lag dan het gemiddelde voor de tijd van het
jaar. In April was de grasgroei liierdoor mogelijk aanzienlijk gestimuleerd.
Van half Mei tot half Juni echter leed de grasgroei op een aantal van
onze zandbedrijven in aanzienlijke mate door de droogte."
Op grond hiervan hebben wij de gewasmonsters die na 1 juni 1952 waren
genomen niet in onze beschouwingen opgenomen. Het spreekt overigens
vanzelf dat de klimatologische omstandi.gheden in de jaren waarin wij
onze grasmonsters verzamelden in het algemeen verschilden van die in
1952. Dit doet er echter weinig toe omdat ons materiaal van typische
kopziekteweiden afkomstig is, verzameld in een periode van ca. 5 a 6

-ocr page 316-

weken die kritiek was voor het ontstaan van kopziekte. Het gaat er ons
slechts om vergelijkingen te trekken tussen dit kopziektegras en „normaal"
gras. verzameld in eenzelfde tijdsbestek waarin op andere dan de door
B r a n d s m a bemonsterde bedrijven kopziekte voorkwam. Hierbij dient
echter wel te worden bedacht dat B r a n d s ni a \' s monsters slechts uit
één bepaald jaar (1952) stamden, terwijl onze monsters kopziektegras in
een tijdsverloop van verscheidene jaren verzameld waren.
Tenslotte hebben wij ons omvangrijke proefmateriaal getoetst aan de
opvattingen die de laatste jaren in Nederland van landbouwkundige zijde
naar voren zijn gebracht als grondslag \\oor praktijkadviezen, met het
doel kopziekte onder het melkvee te voorkómen.

Verschillende vormen van hypomagnesemie cn grastetanie.

In de meeste gevallen, alhoewel niet altijd, zijn het de koeien met de
hoogste melkproduktie, die in het algemeen ook de „grote eters" zullen
zijn^ welke het grootste gevaar lopen kopziekte te krijgen. Recente onder-
zoekingen, uitgevoerd in het rijkslandbouwconsulentschap Noord-Holland-
Zuid (Ir. \'P. H. J. Everts, 1961) ten Noorden van het Noordzcekanaal,
in samenwerking met de Prov. Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Holland (directeur D. Rempt) hebben aangetoond dat de grastetanie-
frequentie absoluut en relatief het hoogste is in de leeftijdsgroep van
4 tot 6 jaar (Tabel 1).

Tabel 1.

Grasteianie-frequentie in 1958 en 1959, in verband met de leeftijd der
patiënten (van 2 tot boven 10 jaar).

Leeftijd

Tetanie-frequentie

Leeftijdsopbouw van de veestapel*)

Age

Tetany incidence

Age of total livestock

< 4 jaar

20%

42%

4—6 jaar

52%

35%

> 6 jaar

28%

23%

Table 1.

Incidence of gross tetany in 1958 and 1959 in relation to the age of the
animals (2 lo > 10 years).

*) Bepaald volgens de telling in mei 1960.

In West-Europa kan men drie vormen van voedingstetanie resp. hypo-
magnesemie onderscheiden (Seekles, 1961).

1. De ook hier te lande meest bekende vorm is die, waarbij de daling van
het plasmamagnesium binnen enkele uren of dagen tot ontwikkeling
komt. Zij is gekenmerkt door een toestand van uitgesproken hyper-
esthesie en convulsieve tetanie, die, wanneer er niet wordt ingegrepen,
spoedig tot de dood voert. Een voorzichtige intraveneuze inspuiting met
een mengsel van mag-nesium- en calciumzouten is in de regel heilzaam.
Door het snelle verloop zijn teleurstellingen helaas geen uitzondering.

-ocr page 317-

Naar ruwe schatting kan wel 1 op 6 gevallen dodelijk verlopen, door-
dat men niet tijdig kan ingrijpen. Doordat het verloop van de ziekte
van jaar tot jaar kan verschillen, mag men dit cijfer niet als onver-
anderlijk aannemen. De gevallen van kopziekte in de herfst lijken veel
op die in het voorjaar. Men krijgt wel eens de indruk dat de herfst-
gevallen moeilijker te genezen zijn, en dat zij niet zelden nog meer
aanleiding geven tot een dodelijk verloop dan de voorjaarsgevallen.

2. In het bijzonder in bepaalde streken van Engeland, waar de dieren
het gehele jaar buiten blijven, ontwikkelt zich niet zelden hypomag-
nesemie zonder klinische symptomen, waarbij het plasmamagnesium
in de loop van de winter langzaam tot op\' de helft of een derde
vermindert. Er treedt blijkbaar bij dit langzame verloop een aanpassing
van het neuromusculaire apparaat van het dier aan de geleidelijk
plaats vindende verandering van de Ca/Mg-verhouding in het bloed-
plasma op, zodat de vernachte hyperesthesie uit blijft. Inspuiting
van magnesiumzout heeft slechts een voorbijgaande stijging van he\'t
plasmamagnesium tot gevolg. Na 24 uur zijn in de regel cfe plasma-
magnesiumwaarden weer subnormaal geworden.

3. Bij de derde vonn van hypomagnesemie, die slechts gradueel van de
eerste en de tweede verschilt, komt de daling van het plasmaniagne-
sium niet zo snel tot stand als bij de eerste vorm, maar ook niet zo
geleidelijk als bij de koeien die in Engeland in de weide overwinteren.
In ons land vindt men haar niet zelden bij melkkoeien gedurende dc
zomer, vooral bij langdurig nat en guur weer. Er ontwikkelt zich een
toestand van latente tetanie, waarbij men niet zelden hy]jeresthesie
kan vaststellen. Verschillende oorzaken, bijv. plotselinge veranderingen
van het weer of van de kwaliteit van het gewas, kunnen een acute
tetanie aanval doen ontstaan. (Seekles, 1953).

De invloed van een calciiimmagnesiiiminspuiting op het ziektebeeld is
moeilijk te voorspellen. Het plasmamagnesium kan binnen 24 uur tot
op de aanvankelijke lage waarde terugvallen, maar het is ook mogelijk
dat het inagnesiumgehalte gedurende lange tijd genormaliseerd blijft,
en de koe blijvend genezen is. Er werd in deze gevallen nogal eens een
gunstige invloed waargenomen van een ter ondersteuning van dc intra-
veneuze calciummagnesiuniinspuiting gegeven subcutane injectie van
een 10 procentige oplossing van magnesiumcliloride (400 a 500 ml
op verschillende plaatsen onder de huid gebracht, en door zachte
massage over een groter oppervlak verdeeld).

De chronische gevallen van hypomagnesemie die men bij sommige
koeien gedurende de winter op stal aantreft — „stalkopziekte" —
gelijken, wat hun hardnekkigheid en de reactie op de calcium-
magnesiumbehandeling betreft, veel op de vorm van chronische hypo-
magnesemie in de weide. Hierop vormen echter een uitzondering de
gevallen die zich, niet zelden na een voorafgaande langdurige aceton-
emie, in de laatste maanden van de stalperiode kunnen voordoen,
vooral wanneer er veel kuilgras wordt gevoederd. Er kan zich dan een
vorm van kopziekte ontwikkelen die even acuut en gevaarlijk is als
die welke men in voor- en najaar in de wei aantreft.

4. Volledigheidshalve moet nog worden vermeld dat op de zuidelijke
hoogvlakten van Noord-Amerika (Texas) onder het rundvee — ook

-ocr page 318-

het jonge vee bij schapen, en zelfs bij konijnen een niet hypo-
magnesemie gepaard gaande vorm van tetanie voorkomt, wanneer de
dieren weiden op jonge tarwe en haver. Men spreekt daarom wel van
„wheat poisoning". (Deys e.m., 1953).

Wij beperken ons in dit artikel tot de ziektegevallen die zich op de
voorjaarsweide voordoen, en noemen deze dus grastetanie of kopziekte.

De weersomstandigheden.

De ervaring leert dat er zich in het voorjaar, bij snelle grasgroei en
aanzienlijke schommelingen van de temperatuur — warme, vochtige da-
gen, gevolgd door koude, gure nachten — meer kopziektegevallen voor-
doen dan bij langzame grasgroei en een meer constante, niet te hoge
temperatuur. Ook hebben wij reeds jaren lang opgemerkt dat het aantal
kopziektegevallen in de herfst des te groter is, naarmate er in de vooraf-
gaande maanden meer regen is gevallen. De in de jaren 1958 (zeer nat)
en 1959 (zeer droge zomer) in Noord-Holland ten noorden van het
Noordzeekanaal gedane waarnemingen hebben hiervan opnieuw een be-
vestiging opgeleverd. (Everts e.m., 1961) (Fig. 1 en 2).

Fig. 1.

Kopzieklejrequentie in het natte jaar 1958.
Ambtsgebied Noord-Holland-Zuid, ten N. van het Noordzeekanaal (7).

Fig. 1.

Tetany incidence in the wet year 1958.
Area: North Holland-South, north of the Northsee Canal.

Het klimaat — temperatuur in combinatie met regenval en wind — kan
blijkbaar op twee manieren het onstaan van kopziekte resp. hypomagne-
semie in de hand werken, n.1.
direct door sterke temperatuurschommelingen
binnen korte tijd, zoals eerder werd venneld, en
indirect door verandering
van de chemische samenstelling van het weidevoer op de lange baan.
Wat dit laatste betreft moge worden gewezen op de statistische waar-
nemingen van landbouwkundige zijde, die een correlatie hebben opge-
leverd tussen de schommelingen van de kopziektefrequentie en de ge-
middelde 24-uurstemperatuur van de lucht (Hart e.m., 1956).

-ocr page 319-

Kopziektefrequentie in het droge jaar 1959.
Ambtsgebied Noord-Holland-Zuid, ten N. van het Noordzeekanaal (7).

1

A

/

\\

n

J

\\

\\

A

3-1 7-2 M Z-5 B-B .<<-7 1-8 59 3-10 7-11 5-12
Fig. 2.

Tetany incidence in the dry year 1959.

Area: North Holland-South, north of the Northsee Canal.

Er zou volgens dit onderzoek een latentietijd van ca. 5 dagen bestaan
tussen een verandering van de temperatuur en de toe- of afname van de
kopziektefrequentie. Deze periode van ca. 5 dagen brengt men in verband
met de in dat tijdsverloop plaats vindende veranderingen in de minerale
samenstelling van het gewas. Voorts werd door middel \\an pot- en veld-
proeven aangetoond dat bij de overgang van koud naar warm een stijging
van het kationengehalte van de planten plaats vindt, en wel in de eerste
plaats van het kaliumgehalte (Dijkshoorn e.m., 1957; Kemp e.m.,
1957). De K/(Ca Mg)-verhouding in het weidegras stijgt daardoor. De
overgang van warm naar koud zou daarentegen verbonden zijn met een
daling van het kaliumgehalte van de K/(Ca Mg)-verhouding. Zoals
verderop zal worden uiteengezet, mag men uit de bovengenoemde statis-
tische en experimentele gegevens echter niet zonder meer besluiten dat
kopziekte veroorzaakt wordt door een hoge waarde van de K/(Ca -j- Mg)-
verhouding in het weidegras.

Dat er echter geen bepaalde latentietijd bestaat tussen het tijdstip waarop
de koeien in het voorjaar de stal verlaten en de dag waarop kopziekte
uitbreekt, tonen onze oudere waarnemingen die wij aan 621 kopziekte-
patiënten hebben verricht (Seekles, 1953). Tot en met de vijfde dag
van de weidegang deed zich de ziekte voor bij 183 (29,5%) van deze
621 dieren. Op deze vijf achtereenvolgende dagen kregen respectievelijk
3%, 4%), 5%, 6,5% en 11% van de dieren kopziekte. Er waren zelfs
koeien die binnen enkele uren nadat zij de stal hadden verlaten de kop-
ziekteverschijnselen
in optima forma vertoonden.

Hypomagnesemie na de overgang van de stal naar de weide.

Het is een bekend feit dat de overgang van de stal naar de weide, resp.
van wintervoeder op jong weidegras op stal, een „stress-factor" vormt die

50

fl

(U

>

<->

<3

VO

V

bo

O

a
"t)

30

\'n
&

0

20

—■

.O

f3
C

s

3

10

OS
<

0

-ocr page 320-

al heel spoedig een meer of minder uitgesproken hyi^omagnesemie tot
gevolg kan hebben. Deze hypomagnesemie kan op kopziekteweiden tot
klinische kopziekte leiden. In ons laboratorium uitgevoerde voederbalans-
proeven met melkkoeien op stal hebben enkele belangwekkende uitkomsten
opgeleverd (Van der Horst, 1960). „Kalium-rijk" en „stikstof-rijk"
gras veroorzaakten slechts een voorbijgaande hypomagnesemie die na
4 tot 5 dagen vanzelf weer verdween. Daarentegen ontstond er na de
opname van gras dat van een typische kopziekteweide afkomstig was,
een grotere en lange aanhoudende daling van het serummagnesium, welke
na 12 dagen nog steeds voortduurde. Zij kon slechts worden opgeheven
door bijvoedering van 50 g magnesiumoxyde per dag, waarna binnen
enkele dagen het serummagnesiumpeil weer normaal was.
De bij de overgang van stalvoeder op welig voorjaarsgras ontstane hypo-
magnesemie is niet onveranderlijk met hoge kaliumgehalten of hoge
K/(Ca Mg)-verhoudingen in het gras verbonden. Het vraagstuk is
aanzienlijk ingewikkelder. De balansproeven toonden o.m. aan dat, in
tegenstelling tot „kalium-rijk" en „stikstof-rijk" gras, de natrium- en stik-
stofbalansen na het opnemen van „kopziektegras" negatief waren. De
dieren vertoonden bovendien een sterke tegenzin het „kopziektegras" op
te nemen, en er was een ernstige diarree. De opgenomen hoeveelheid
droge stof liep tot op de helft terug. Toch waren de magnesiumbalansen
niet negatief, zoals men wellicht geneigd zou zijn te onderstellen op grond
van de waargenomen hypomagnesemie. (Dit betekent uiteraard niet dat
een negatieve magnesiumbalans nooit de oorzaak van hypomagnesemie
of kopziekte zou kunnen zijn.) Het vraagstuk van de beschikbaarheid van
het in weidevoeder aanwezige magnesium, en de uitscheiding van mag-
nesium door de nieren onder invloed van mineralocorticoiden, met de
hormonen van de adenohypofyse op de achtergrond, is nog niet opgelost.
Hetzelfde geldt voor de uitscheiding van magnesium door de wand van de
dikke darm. Voor zover het absorptie van magnesium uit de darm betreft,
zij slechts vermeld dat hoge kalium- en fytaatgehalten in het voeder, als-
mede wellicht ook de vorming van grote hoeveelheden ammoniak in de
pens, de beschikbaarheid van magnesium kunnen verminderen (Nau-
mann e.m., 1959; De Groot, 1959; M e y e r e.m., 1960; Seekles,
1960; Roberts e.m., 1960; Hendriks, 1962). Er bestaat alle aan-
leiding in het bijzonder de functie van het bijnierschors-hypofysesysteem
en wellicht ook andere endocrine klieren (ovarium, bijschildklieren), in
verband met hypomagnesemie en grastetanie, aan een nauwgezet experi-
menteel onderzoek te onderwerpen (A i k a w a, 1960; Sybesma, 1961).

Storing van de maagdarmfunctie als pathognonionische factor.

Acute en chronische kopziekte gaan dikwijls gepaard met de uitscheiding
van dunne, kwalijk riekende mest (Seekles, 1958). Waarnemingen bij
315 gevallen van voorjaarskopziekte toonden dit verschijnsel bij 42% van
de patiënten. Klaarblijkelijk heeft men hier te doen met abnormale gis-
tings- en rottingsprocessen in de darm, waarbij o.m. biogene aminen
worden gevormd. Bij 6 van de 315 kopziektepatiënten (2%) was er
obstipatie — die, zoals de ervaring leert, later veelal in diarree kan over-
gaan — en van 177 koeien (56%) werd geen abnormale darmfunctie
gerapporteerd. Het is overigens wel waarschijnlijk dat zich ook in deze

-ocr page 321-

groep van z.g. „normalen" verscheidene dieren hebben bevonden, waar-
bij de mest „normaal-dun" is geweest. Recente onderzoekingen in dit
laboratorium hebben uitgewezen dat zelfs in de faeces van normale run-
deren talrijke biogene aminen kunnen worden geïdentificeerd (Van
Rheenen, 1962, 1963). Een onderzoek naar het voorkomen van deze
vergiften in de mest van koeien in de voorjaarsweide, waarbij hypo-
magnesemie en eventueel kopziekte voorkwam, zal binnenkort worden
gepubliceerd (Van Rheenen, 1963).

Er werd reeds vroeger op gewezen dat er bij het rund een opvallende
analogie aan het licht treedt tussen de verschijnselen bij kopziekte ener-
zijds en die bij andere vormen van gastro-intestinale auto-intoxicatie
anderzijds (Seekles, 1939, 1953). Dit geldt met name voor de stoor-
nissen die zich voordoen na het opnemen van veel kaliumnitraat
(Seekles, 1932), eiwit (S j o 11 e m a, 1933), geil weidegras (Se e k 1 e s,
1933), en onrijpe appels, zowel als bij indigesties van onbekende oor-
sprong en bij de gastro-intestinale vorm van mond- en klauwzeer
(Seekles, 1939, 1961).

Tabel 2.

Analogie tussen grastetanie en andere vormen van gastro-intestinale auto-
intoxicatie („indigestie").

1. Intestinale storin.gen: obstipatie, meestal gevolgd door kwalijk riekende diarree.
(Intestinal disturbances: constipation mostly followed by evil smelling diarrhoea.)

2. Hyperglycemie, dikwijls ketosis. (Hyperglycaemia, often ketosis.)

3. Indikking van het bloed. (Thickening of the blood.)

4. Meestal acidose, soms alkalose. (Mostly acidosis, sometimes alcalosis.)

5. Hypomagnesemie en hypoealcemie in verschillende mate.
(Hypomagnesaemia and hypocalcaemia to varying extent.)

6. Meestal hoge gehalten aan anorganisch fosfaat in het bloedplasma, vooral in de
chronische gevallen.
(Mostly high values of inorganic phosphate in the blood
plasma, especially in chronic cases.)

7. In het be.ginstadium verhoogde, later verlaagde waarden voor histamine-achtige
stoffen in het bloed.
(In the initial stage increased and later decreased values of
histamin-like substances in the blood.)
(Seekles, 1952)

Table 2.

Similarity between grass tetany and other forms of gastro-intestinal auto-
intoxication (indigestion ).

Het is ons eenmaal gelukt bij een pink die op stal stond en een normaal,
kalium-arm voeder kreeg, door middel van voedering met ammonium-
lactaat een ernstige indigestie op te wekken (Seekles, 1958). Aan-
sluitend daarop ontwikkelden zich de typische klinische en biochemische
verschijnselen van kopziekte. Het dier werd behandeld met een intra-
veneuze inspuiting van calcium- en magnesiumzout en genas.
Alhoewel er geen identiteit, doch ten hoogste een analogie, bestaat tussen
de stoornissen die men bij grastetanie waarneemt en die welke bij andere
gastro-intestinale autointoxicades voorkomen (Seekles, 1953, 1961)
achten wij dit verschijnsel toch van pathognomonische en wellicht zelfs

-ocr page 322-

van pathogenetische betekenis voor het vraagstuk van de hypomagnesemie
en grastetanie. Wij zoeken de verbinding tussen de beide groepen van
afwijkingen in de processen welke zich in de darm afspelen, n.l. in de
eerste plaats in de vorming van produkten die de permeabiliteit van de
vaatwanden kunnen beïnvloeden. Hiertoe behoren sonunige biogene ami-
nen. De snelle migratie van een groot deel van het magnesium en een
kleiner deel van het calcium uit het bloed, al of niet gecombineerd met
een toevloeiing van anorganisch fosfaat naar het bloed, in voor kopziekte
kritieke tijden, zouden met permeabihteitsstoornissen kunnen samen-
hangen. Het effect hiervan zou des te ernstiger gevolgen kunnen hebben,
naarmate de toevoer van magnesium naar het bloed langs de normale
weg — absorptie uit de darm — door een verminderde opneembaarheid
resp. een laag gehalte aan magnesium in het voeder, zou afnemen.

Hypomagnesemie en grastetanie in verband met hoge equivalentsverhou-
dingen K/(Ca Mg) in het gewas.

Dat men uiterst voorzichtig moet zijn een bepaald bestanddeel (in dit
geval kalium), dat via de (kunst)mest in een te grote hoeveelheid in het
gewas, en daardoor in de koe belandt, aan te zien voor de veroorzaker
van het kwaad, blijkt uit het volgende.

Op grond van statistische onderzoekingen werd van landbouwkundige zijde
de conclusie getrokken dat in het bijzonder het hoge kaliumgehalte van
het gewas, in verhouding tot de som van calcium en magnesium — de
equivalentsverhouding K/(Ca Mg) — de frequentie van de kopziekte
zou bepalen (Wind, 1958). Indien de verhouding K/(Ca Mg) niet
hoger is dan 1.80, zou het gevaar voor kopziekte verwaarloosbaar klein
zijn: slechts één koe van 2604 grazende melkkoeien (0,04%) kreeg volgens
deze statistiek kopziekte. Wij hebben er vroeger reeds op gewezen dat wij
dit resultaat niet konden bevestigen (Seekles, 1960). Neemt men, zoals
men wel eens geneigd is te doen, 3% kalium in de zandvrije droge stof
aan als de onderste grens voor het ontstaan van kopziekte, dan ver-
toonden 74 van de 288 in de hierna afgedrukte tabel B vermelde gras-
monsters (25.7%), afkomstig van weiden waarop op de dag van de
monsterneming één of meer gevallen van kopziekte waren voorgekomen,
dit vrij lage kaliumgehalte.1) Bij 38 van deze gewasmonsters (51.4%
van de 74 monsters met K-waarden tot 3%, d.w.z. 13.5% berekend over
het gehele materiaal van 228 grasmonsters), schommelde de K/(Ca Mg)-
verhouding tussen 0.63 en 1.80. De kopziektefrequentie onder de op deze
weiden grazende melkkoeien bedroeg ruim 7%. Dit cijfer wijkt dus wel
zeer ver af van het eerder genoemde cijfer 0.04%. Er blijkt zonder meer
uit dat een equivalentsverhouding K/(Ca Mg) tot 1.80 generlei garantie
biedt dat koeien die gras van deze minerale samenstelling opnemen geen
kopziekte zullen krijgen.

Er zou geen aanleiding bestaan uitvoeriger op deze zaak, waarover men
de laatste tijd weinig meer in Nederland hoort, in te gaan, ware het niet
dat de gesignaleerde onjuiste opvatting zich tot in de allerlaatste tijd,

-ocr page 323-

n.1. tijdens het Diergeneeskundig Wereld-Congres, augustus 1963, in het
buitenland heeft weten te handhaven (Devuyst, 1963), al dient erop
te worden gewezen dat er in de buitenlandse literatuur ook stemmen
tegen hebben geklonken, die onze opvattingen bevestigden (Alten e.m.
1958, 1960; Werner, 1959).

De bewerking van het gehele tot onze beschikking staande materiaal van
288 monsters kopziektegras (tabel B), waarvan de eerder genoemde 74
monsters met kaliumgehalten tot 3% een deel vormen, toont eens te meer
aan dat een hoge K/(Ca Mg)-verhouding in het weidevoeder niet dè
beheersende factor zijn kan voor het ontstaan van kopziekte (tabellen 3
en 4).

Tabel 3.

Equivalentsverhouding KI(Ca -f- Mg) van 288 monsters kopziektegras in
verband met kopziektefrequentie.

Aantal grasmonsters
Number of grass
samples

Kopziektefrequentie
Incidence of grass tetany

KiiCa Mg)

Percentage

verwacht1)
expected

gevonden
found

Tot 1.80
Up to
1.81 - 2.20
2.21 - 2.60
2.61 - 3.00
> 3.00

50

52
88
59
39

17.4

18.1

30.5
20.5
13,5

0,04

1.7
5.1

6.8
17,4

7,1

ca. 7-10

288

100

1  (Wind, 1958).

Uit tabel 3 kunnen enkele gevolgtrekkingen worden afgeleid. De conclusie,
eerder door ons afgeleid tiit de beschouwing van 74 grasmonsters met
K-waarden tot
3%, wordt door die welke men kan afleiden uit het
onderzoek van het volledige materiaal van 288 grasmonsters niet slechts
bevestigd, maar zelfs geaccentueerd. Het absolute aantal kopziektepatiën-
ten bij de laagste K/(Ca -f Mg)-verhoudingen (tot 1,80) blijkt gestegen
te zijn van 38 tot 50, het percentage van deze gevallen van 13,5 tot 17,4,
Voorts blijkt de kopziektefrequende tot een K/(Ca Mg)-verhouding
van 2,60 in ons materiaal hoger en bij de hoogste K/(Ca Mg)-ver-
houdingen (> 3,00) lager te zijn dan andere Nederlandse onderzoekers
aannemen. Wij kunnen niet bevestigen dat er tegelijk met de stijging
van de K/(Ca -f- Mg)-verhouding in het gewas een regelmatige toename
van de kopziektefrequentie valt waar te nemen. (Men vergelijke de laatste
twee kolommen van tabel 3.) Wellicht ten overvloede, willen wij wijzen
op het verschil in werkwijze die door ons en door anderen is gevolgd.
Wij verzamelden onze gege\\ens in de loop van verscheidene jaren op

-ocr page 324-

bedrijven, verspreid over het gehele land, terwijl de door anderen op-
gestelde statistiek betrekking heeft op een bepaald jaar en bedrijven in
de omgeving van de stad Utrecht. Een beperking naar tijd en plaats kan,
mede in verband met het wisselende karakter van de kopziekte in ver-
schillende jaren en landstreken, niet maatgevend zijn bij de beoordeling
\\ an de grastetanie als algemeen ziektekundig vraagstuk.
Een differentiatie van de K/(Ca -f Mg)-verhoudingen in ons materiaal,
betrokken op de toegepaste bemesting (waarover later meer) levert nog
enkele aanvullende uitkomsten. (Tabel 4).

A

O

" S

co

m

O

r-.

co

Ti-

^

CM

II

II

II

II

II

II

co

LO

O

CM

co

^

#

^

^

^

CM

O

lO

in

^

CM

II

11

II

II

II

O

CO

r««

CM

co

Ti-

cn

^

#

^

#

co

m

UD

CM

^

CM

CM

II

II

II

O

II

II

co

CM

^ ,

lO

CM

co

CM

CM

s

^

^

^

^

CM

O

co

CM

CO

II

II

II

O

II

II

lO

r--

m

CO

^

^

^

O

CO

CM

CM

co

11

II

II

II

II

II

II

lO

11

<J>

1 i
CM

11
CM

11

11

CM

m

tO

r^

CO

m

CO

C

■3

s

OJ

\'SD

cj

-a

CS .-a
«3

c

bn
-l-

lO

ö

rt

U O

bo

.5 5

T3 ^

J.l

3

c

>

\'3

O-

w

O

c
-w

O)

c £

■5 -Q

e
§ =

—N-«
^ §

\'5

m
ö

O*

lij

00

-O

-O

a

S -O
<

s
a

• 2

c


c
\'C

s
^ §

ao

e

s

n

JS

a

rt .H—.

> O

53

S

OJ

-c

-e ö 3 ö c
O ü ü 55 ^ O Ü

■o\' »J

.■2 ^
>~l <

C c

s s

OJ \'to

O, a.

Ü

CJ

-ocr page 325-

Neemt men de bemestingsgroepen a en b (veel extra-kali) samen, dan
blijkt dus dat 48% van de laagste equivalentsverhouding K/(Ca Mg)
uit deze groepen voortkomen, d.w.z. uit 119 -)- 55 = 174 (60%) van de
288 gewasmonsters, terwijl 52% van de laagste K/(Ca Mg)-verhou-
dingen te vinden zijn bij de resterende 117 (40%) grasmonsters, afkomstig
van gronden die niet extra met kali zijn bemest (c d -f e f).
Kwalitatief is dit wel in overeenstemming met de verwachting, al zou men
wellicht eerder hebben verwacht dat het verschil tussen (a -j- b) en
(c -(- d -f- e f) in dezelfde zin groter had kunnen zijn, d.w.z. dat men
relatief nog meer lage verhoudingsgetallen zou hebben aangetroffen in
de bemestingsgroepen (c-|-d-|-e-|-f)en minder in de bemestings-
groepen (a b).

Beschouwt men de hogere K\'(Ca Mg)-verhoudingen, dan blijken deze,
conform de verwachting, relatief sterker vertegenwoordigd in de bemes-
tingsgroepen (a b) dan in (c -f d e -f- f), n.1. achtereenvolgens
voor K/(Ca Mg) tussen 1.81 — 2.20, 2.21 — 2.60, 2.61 — 3.00 en
> 3.00 respectievelijk in 51%, 68%, 68% en 60% van de monsters die
tot deze ondergroepen behoren, terwijl deze 174 monsters (a b) samen
60% van het totale aantal grasmonsters uitmaken. De verwachte tendens
zit er dus wel in, al zou vooral voor de groep K/(Ca Mg) > 3.00 een
hoger percentage voor (a b) wel in de lijn der verwachtingen hebben
gelegen.

^Vij zullen thans de K/(Ca Mg)-verhoudingen van de monsters kop-
ziektegras (Tabel 4) vergelijken met die van de controlemonsters, afkom-
stig van de bedrijven waar nooit kopziekte was voorgekomen (Nrs. 160,
250 en 251 van tabel A) en van de bedrijven waar men volgens Brands-
ma de ziekte de laatste jaren niet had waargenomen (tabel A).
In deze laatstgenoemde 50 normale grasmonsters werd 39 maal een
K\'(Ca Mg)-verhouding tot 1.8 aangetroffen, 10 maal een verhouding
tussen 1.81 — 2.20, en eenmaal een verhouding tussen 2.20 en 2.60. Wat
dit betreft voldoen deze 50 monsters dus wel aan de destijds van land-
bouwkundige zijde uitgesproken verwachting dat kopziekte op dergelijke
bedrijven uitzondering zal zijn, al dient er op te worden gewezen dat
Brand sma\'s monsters slechts uit een enkel jaar (1952) stamden.

Ter afronding van deze paragraaf vermelden wij zeer in het kort de
uitkomsten die één van ons (Hendriks, 1962) onlangs heeft verkregen
met behulp van voederbalansproeven met vier melkkoeien onder een
zware belasting met per os toegediend kalium in de vorm van lactaat en
chloride. Er werd tot 700 g kalium per dag opgenomen. Slechts op één
dag, n.1. aan het einde van de tweeweekse proeven met kaliumlactaat,
werd bij één van de beide koeien een lichte hypomagnesemie — daling van
het plasmamagnesium van 2.1 tot 1.7 mg% — waargenomen. De equiva-
lentsverhouding K/(Ca Mg) van het totale voeder (grondrantsoen be-
staande uit hooi plus toegediend kaliumlactaat) lag tussen 3.2 en 4.0. Bij de
proeven met kaliumchloride — equivalentsverhouding K/(Ca Mg) tussen
3.74 en 5.23 bij een laag magnesiumgehalte, n.1. 0.13% van het verstrekte
grondrantsoen — was er geen enkel effect op het magnesiumgehalte van
het bloedserum merkbaar.

Wij wijzen erop dat deze uitkomsten niet in overeenstemming zijn met
die van De Groot (1961). In belastings- en balansproeven met ammo-

-ocr page 326-

niunilactaat ontstond weliswaar éénmaal, n.l. bij belasting met 540 g
ammoniumlactaat bij een magnesiiimgehalte van 0.19% in het hooi, een
aanval van krampen, maar hypomagnesemie bleef uit. Klaarblijkelijk be-
trof het hier een geval van ammoniakvergiftiging. Deze uitkomsten wijken
af van die welke Head en Rook (1957) verkregen na het toedienen
van ammoniumacetaat of -carbonaat (en van kaliumchloride), waarbij
wel hypomagnesemie werd gevonden.

De gevolgtrekking uit onze proeven en uit onze jarenlange waarnemingen
over kopziekte kan geen andere zijn, dan dat de equivalentsverhouding
Kj(Ca Mg) in het voeder niet beschouwd mag worden als de bepalende
factor voor het al of niet ontstaan van kopziekte.

Storing van de neutraliteitsregulering bij kopziekte.

Wij hebben vroeger reeds gewezen (Seekles, 1953) op stoornis van de
neutraliteitsregulering — meestal acidosis, een enkele keer alkalosis — zo-
als deze werd vastgesteld door Tacken (1947). Eén van ons (Hen-
driks, 1962) heeft dit vraagstuk opnieuw bewerkt en daarbij rekening
gehouden met het klinische iDeeld van de patiënten, n.l. het al of niet
bestaan van krampen (Fig. 4) *).

Uit fig. 4 blijkt dat, in vergelijking met normale melkkoeien (I), er bij
koeien met hypomagnesemie zonder en met niet-ernstige klinische ver-
schijnselen (dus geen krampen, II), een aanzienlijk grotere spreiding be-
staat van de standaardbicarbonaat-concentratie en de pH van het bloed.
Dit wijst dus op een grotere instabiliteit van het dierlijk organisme ten
aanzien van de neutraliteitsregulering bij hypomagnesemie, het voorsta-
dium van de kopziekte. Zodra de dieren krampen krijgen (Hl) is er een
zeer duidelijke verschuiving in acidotisclie richting: de standaard bicarbo-
naat-concentratie en de pH van het bloed nemen beide af. Dit ligt in
de lijn der verwachting, omdat er bij zware spierarbeid zoveel melkziuir
in korte tijd gevormd wordt, dat de oxydatieprocessen in het lichaam niet
bij machte zijn de overmaat melkzuur door verbranding, resp. omzetting
tot glycogeen, onschadelijk te maken.

Wij hebben de zuur-base-toestand van de 288 monsters kopziektegra«
(tabel B) en van de 50 monsters gras afkomstig van normale weiden
(tabel A) getoetst aan de in fig. 4 weergegeven neutraliteitsregulering in
het bloed van normale koeien en van dieren met hypomagnesemie en
kopziekte. Wij vestigen er de aandacht op dat de patiënten die op de
288 kopziekteweiden ziek werden andere dieren waren dan waarop fig. 4
betrekking heeft.

Voor de beoordeling van de zuur-basebalans in de grasmonsters volgen wij
de rekenmethode die door Brouwer hier te lande is ontwikkeld (zie
Wind, 1958), mede naar aanleiding van ouder werk van Hongaarse
zijde (Mareken We liman n, 1931, 1932).

In weidegras bestaat er meestal een base-overschot (TA), te berekenen
als volgt:

TA = K -f Na Ca iMg — Cl — S — P
Hierbij worden alle waarden uitgedrukt in milliequivalenten per kg droge
(zandvrije) stof. Voor de omrekening van procenten tot milliequivalenten

*) Bijzonderheden zullen later in dit tijdschrift worden gepubliceerd.
1108

-ocr page 327-

Magnesium in het bloedserum (Magnesium in the blood serum)
laag (low) subnormaal (sub-normal) normaal (normal)

-ocr page 328-

kan rnen tegenwoordig gebruik maken van voor dit doel opgestelde ta-
bellen (Meded. I.B.S. 96, 1959). Wij hebben dit voor ons materiaal ge-
daan, teneinde een vergelijking ervan mogelijk te maken met materiaal
van anderen. (Brandsma, 1954; Wind, 1958). Wij willen er echter
op wijzen, dat wij het, op grond van biochemische overwegingen, juister
achten voor het element fosfor rekening te houden met een waardigheid
van 1.7, en niet van 3, zoals men in de hierboven genoemde tabellen doet.
Wij laten deze kwestie, die voor het doel dat wij thans nastreven van
ondergeschikt belang is, rusten.

Voor onze verdere biochemische beschouwingen is het gewenst het „totale
alkalioverschot" TA in twee delen te splitsen, n.1. de „alkali-alkaliciteit"
AA = K -f Na — Cl — S en de „aardkali-alkaliciteit" EA= Ca -f
Mg — P. De betekenis van dit onderscheid hangt samen met de om-
standigheid dat de elementen K, Na en Cl in het algemeen gemakkelijk
worden geabsorbeerd en in het dierlijk organisme snel worden omgezet.
Zij gaan dus in het bloed over en worden naar behoefte door de nieren
uitgescheiden. De elementen Ca, Mg en P worden daarentegen veel
moeilijker door de darmvlokken opgenomen, en zelfs voor een groot deel
met de faeces uitgescheiden. Hun omzettingssnelheid in het dierlijk orga-
nisme is klein. Zij worden slechts voor een zeer klein deel door de nieren
in de urine afgescheiden, wanneer de urine alkalisch reageert, zoals bij
planteneters op een normaal rantsoen altijd het geval is. Voor zover deze
elementen in de weefsels zijn overgegaan, vindt de uitscheiding naar be-
hoefte grotendeels in de dikke darm plaats. Het element S staat in bio-
chemisch opzicht tussen de genoemde groepen van elementen in. Men is
geneigd het te rangschikken bij de elementen K, Na en Cl. Het is gemak-
kelijk in te zien dat de eerder genoemde waarde T.A. (totaal base-over-
schot) = AA -H EA.

De fysiologisch-chemische betekenis van het bovenstaande is hierin te zoe-
ken dat de neutraliteitsregulering in bloed en urine in hoge mate wordt be-
paald door .\\.\\ = K -I- Na — Cl — .S, in combinatie met zure en alkalische
produkten uit de intermediaire stofwisseling, zoals melkzuur, citroenzuur,
pyrodruivenzuur, acetonlichamen en eventueel ammoniak, die zich door
renmiing van bepaalde kringprocessen in de celstofwisseling in het bloed
kunnen ophopen, en eventueel als zout door de nieren worden uit-
gescheiden. Daarentegen heeft EA = Ca Mg — P in de eerste
plaats invloed op de zuur-base-balans van de darminhoud, waarbij valt op
te merken dat deze balans ook zal worden beïnvloed door de afscheiding
van maagzuur, natriumbicarbonaat in pancreassap en gal, alsmede door de
microbiologische processen die zich in de pens en in de dikke darm af-
spelen, waarbij zuren en ammoniak gevormd worden.

In de 50 grasmonsters afkomstig van normale weiden (tabel A) schommelt
de AA-waarde, die dus de neutraliteitsregulering van het bloed voor een
groot deel beheerst, tussen wijde grenzen, n.1. 61 en 669. Dat toch de pH
en de standaardbicarbonaat-concentratie in het normale runderbloed (fig.
4) slechts binnen betrekkelijk nauwe grenzen fluctueren, wordt groten-
deels veroorzaakt door de functie van de nieren die naar behoefte meer of
minder kaliumbicarbonaat uitscheiden en daardoor verhinderen dat er
bij hoge A.\\-waarden alkalosis zou ontstaan.

De 288 grasmonsters afkomstig van kopziekteweiden (tabel B), waarop op
de dag van de monsterneming gevallen van klinische kopziekte waren voor-

-ocr page 329-

gekomen, vertonen een veel grotere spreiding van de AA-waarden. Deze
schommelen n.1. van — 107 (zuur-overschot, slechts éénmaal) tot 810
(sterk base-overschot).

Ook zonder gebruik te maken van distributiegrafieken of statistische be-
rekeningen1) kan men uit een beschouwing van de cijfers opmaken, dat
de grotere spreiding van de AA-waarden in het kopziektegras haar uit-
drukking zal kunnen vinden in een minder goede neutraliteitsregulering in
het bloed van de dieren die dit gras hebben opgenomen, onze kopziekte-
patiënten. (Wij laten in eerste instantie de ruweiwitwaarden, alsmede de
grondsoort, buiten beschouwing.*)

Grafiek 4, gebied II, brengt dit in beeld \\oor lijders aan hypomagnesemie
zonder, of slechts met niet-ernstige klinische verschijnselen van kopziekte,
waarvan in het bloed de pH en de standaardbicarbonaat-concentratie
werden bepaald. Indien er bovendien nog krampen optreden, hetgeen bij
de meeste van onze patiënten het geval was, dan is het duidelijk dat, door
de invasie van organische zuren in het bloed, een verdere verschuiving in
acidotische richting (gebied III) verwacht mag worden. Dit is, zoals reeds
werd vermeld, reeds vele jaren geleden aangetoond. (Zie tabel 2 en
Tac ken, 1947).

Een differentiatie van de spreiding van de AA-waarden van de 288 mon-
sters kopziektegras naar gelang van de bemesting (zie verderop) levert,
zoals verwacht mocht worden, geen nieuwe gezichtspunten, zoals onder-
staand staatje aantoont:

geen kali, geen gier ( 85 monsters); spreiding AA 64 tot 662

gier, geen kali ( 55 monsters): spreiding AA 93 tot 639

chili e.a. ( 7 monsters): spreiding AA 267 tot 641

slootaarde e.a. ( 18 monsters): spreiding AA 238 tot 699

onbemest ( 7 monsters): s])reiding AA 300 tot 678

kaU e.a. (119 monsters): spreiding AA — 107 tot 810

(Een negatieve AA-waarde, dus zuuroverschot kwam slechts eenmaal
voor; de eerstvolgende lage AA-waarde in de grasmonsters van de weiden
die met kali waren bemest, was 56.)

Er bestaat overigens geen aanleiding aan de instabiliteit van de neutrali-
teitsregulering, resp. de acidosis van het bloed van kopziektepatiënten, een
directe pathognomonische betekenis te hechten. Wij zien de gesignaleerde
afwijking allereerst als een secundair, begeleidend verschijnsel: acidosis
van secundaire oorsprong ziet men ook bij andere ziekten. Maar wèl kan
een verziuing van het bloed en de weefsels, vooral als deze toestand lang
aanhoudt, hetgeen bij langdurig verblijf in kopziekteweiden niet denk-
ijeeldig is, repercussies op de stofwisseling hebben, waarbij met name de
oxydo-reductie-processen die mede de efficiëntie van de verwerking van
het voedsel beheersen, in het gedrang kimnen komen (Seekles, 1947).
Tevens zien wij in afwijkende en sterk schommelende AA-waarden van het
gewas een stress-factor die het dier verder uit zijn stofwisselingsevenwicht
kan brengen. Zij dienen daarom zoveel mogelijk vermeden te worden.
Voor de landbouwkundigen is de belangrijke taak weggelegd aan dit
euvel, door een meer verantwoord bemestingsbeleid van het grasland, het
hoofd te bieden.

1  Wij hopen hierop later nog nader in tc gaan.

-ocr page 330-

Wanneer wij thans aandacht schenken aan de tweede component van het
„totaal base-overschot" TA, de EA-waarde = Ca
-f Mg — P die in de
eerste plaats mede de zuurbase-toestand van de darminhoud bepaalt, dan
komen wij tot aanzienlijke verschillen bij vergelijking van de normale
grasmonsters (tabel A) met de monsters kopziektegras (tabel B). Wij laten
een beschouwing over het ruweiwitgehalte en de grondsoort ook hier
achterwege.

Met slechts één uitzondering, n.l. no. 250 waar een EA-waarde van — 139
werd vastgesteld, waren bij de normale grasmonsters de EA-waarden alle
positief. Zij schommelden tussen 1 en 311. Wel was er dus hier een zeer
grote spreiding in het aardkali-overschot. In de grasmonsters, afkomstig
van kopziekteweiden was het beeld echter geheel anders. Hier was niet
alleen de strooiing nog veel aanzienlijker dan bij de normale grasmonsters,
n.l. van — 426 tot
-I- 531, maar het aantal monsters met een negatieve
EA-waarde (overmaat fosforzuur t.o.v. calcium en magnesium) bedroeg
zelfs 223, d.w.z. 77% van het totale aantal van 288.* Volledigheidshalve
volgt hieronder een staatje, waarin de spreidingen en het aantal nega-
tieve EA-waarden worden vermeld in verband met de bemesting.

geen kali, geen gier ( 85 monsten) : spreiding E.A: —26« tot 280, negatieven 62 = 73%

gier, geen kali ( 55 monsters): spreiding EA: —426 tot 531. negatieven 35 = 64%

(•hili e.a. ( 7 monsters): spreiding EA: —154 tot 100, negatieven 5 = 71%

slootaarde e.d. ( 18 monsters): spreiding EA: —157 tot 80, negatieven 13 = 72%

onbemest ( 7 monsters): spreiding EA: — 26 tot —178, negatieven 7 = 100%

kali e.a, (119 monsters): spreiding EA: —256 tot 224, negatieven 101 = 85%

Men ziet dat de negatieve EA-waarden in alle bernestingsgroepen de meer-
derheid vormen. Lage EA-waarden zijn reeds door S j o 11 e ni a (1931in
kopziektegras gevonden. Het aardalkali-tekort en de spreiding van de EA-
waarden in ons materiaal zijn echter aanzienlijk groter.
Wii kennen aan de abnormaal lage EA-waarden van het kopziektegras,
waardoor de zuur-basetoestand in het niaagdannkanaal mede wordt be-
paald, een pathognomonische en wellicht zelfs een pathogenetische be-
tekenis toe. Hierdoor toch kimnen niet slechts de enzymatische processen
in pens en dikke darm, maar ook de motiliteit van het maagdarmkanaal
in ongunstige zin beïnvloed worden, met als gevolg de reeds eerder gesigna-
leerde afwijkingen: stasis met als gevolg dysbacterie waardoor abnormale
gisting en zelfs rotting, uitlopend in de vorming van enterogene vergiften.
Hierdoor stoornissen van de permeabiliteit van de vaatwanden, met de
mogelijkheid van abnormale migratie van ionen als eerder beschreven.
Tenslotte als reactie op de afwijkende darminhoud een profuse diarree.

Dat hierbij de absorptie van nutriënten — Mg, Ca, Cu enz. — nauwelijks
normaal kan blijven, behoeft geen verder betoog. Onze met succes be-
kroonde pogingen om met behulp van dagelijkse doses van 50 g magnesium-
oxyde kopziekte in een groot aantal gevallen te voorkómen, berust op twee
overwegingen. In de eerste plaats komt het toegediende technische magne-
siumoxyde tegemoet aan het reeds lang bekende tekort aan aardalkali (Ca
4- Mg) in het maagdarmkanaal, na de opname van kopziektegras. Wij wij-
zen er in dit verband op dat magnesiumoxyde —
„magnesia usta" — reeds
eeuwen lang in de menselijke geneeskunde wordt toegepast ter stabilisering

* Hierbij is de waardigheid van het element P op 3, en niet op 1.7 gesteld.
1112

-ocr page 331-

van de inaagdarmfunctie bij toestanden van superaciditeit. Maar boven-
dien kan voorziening van het op deze wijze in zijn functie genormaliseerde
maagdarmkanaal met een overmaat aan magnesiumoxyde een goede kans
bieden het wegvloeien van magnesium uit het bloed van voor kopziekte
gevoelige koeien te compenseren door een toevloeiing van magnesium uit
de darm naar het bloed, waardcxjr het magnesiumpeil van het bloedplasma
op ongeveer een normale hoogte gestabiliseerd wordt. De in de praktijk
bereikte gunstige resultaten zullen ons niet verhinderen de onderzoekingen
die tot doel hebben de juistheid van onze werkhypothese nader te toetsen,
voort te zetten.

Overigens ligt er ook hier een taak voor de landbouwkundige: het weg-
nemen van de ernstigste excessen t.a.v. de E.A.-waarden van het gewas, door
een beter bemestingsbeleid. Zij dienen o.m. te beoordelen of de in de laatste
jaren aanbevolen magnesiumbemesting enig uitzicht op verbetering kan
bieden. Dan wel of het wellicht toch praktischer en doeltreffender is de
koeien het magnesiumoxyde per os te geven, als men per se een gefor-
ceerde bemesting wil blijven toepassen teneinde de grasopbrengst niet te
doen verminderen.

Toetsing yan de betrouwbaarheid van de in de laatste jaren in Nederland
gebruikelijke landbouwkundige adviesbasis tot het voorkómen van kop-
ziekte.

Van landijouwkundige zijde heeft men gesteld dat het magnesiumgehalte
van het bloedserum van grazend melkvee wordt bepaald door de gehalten
aan magnesium, kalium en ruweiwit van het weidebestand (K e m p,
1962). Aan deze, door haar eenvoud en overzichtelijkheid aantrekkelijke
stelling liggen waarnemingen bij een groot aantal grazende koeien ten
grondslag, alsmede proeven over de opneembaarheid van magnesium uit
het voeder onder de invloed van het kalium en het ruweiwit in het ge-
voederde gras.

Zoals hiervóór reeds is vermeld, hebben ook wij in onze balansproeven
een aanwijzing gekregen dat vooral aan het begin van de belasting met
kalium, er soms enige neiging bestaat tot een negatieve magnesiumbalans
(Hendriks, 1962). Dat hypomagnesemie reeds zou worden opgewekt
door een extra-gift van 200 g kalium (Kemp, 1962) hebben wij\'echter
niet kunnen vaststellen.

Dat voorts het benuttingspercentage van het magnesium kleiner wordt
naarmate het gras jonger en dus het stikstofgehalte hoger is, lijkt zeer
waarschijnlijk. Het onderstelde verband tussen het serummagnesiumpeil
van het grazende melkvee en de samenstelling van het gras wordt weer-
gegeven in fig. 3.

Wij hebben ons ten doel gesteld de juistheid van de toepassing van deze
grafiek voor het „voorspellen" van het gehalte aan magnesium in het
bloedserum van het grazende vee te toetsen aan de samenstelling van het
door ons onderzochte plantenmateriaal en het door ons verrichte bloed-
onderzoek (Tabel B). Ook voor de „normale" grasmonsters (Tabel A)
werd een dergelijke „voorspelling" afgeleid. De controle van het bloed-
serum ontbreekt hier echter.

Wij achten deze toetsing zowel voor het fysiologisch-chemisch inzicht in het
vraagstuk van de grastetanie, als voor de praktische bestrijding van prin-

-ocr page 332-

De gebieden, waarin de waarden van de actuele bloed-pH en de standaard-
bicarbrioaatconcentratie vallen van: normale koeien (I): koeien met hypo-
magnesemie zonder of met niet-ernstige klinische verschijnselen (geen
krampen) (II); koeien met hypomagnesemie met krampen (III).

HCC 2 ]st m mol/|

30
25
20
15
10

m

6.8 e.9 7.0 7.1 7.2 73 7.4 7.5

Fig. 4.

Areas of actual blood-pH and standard bicarbonate concentration of: nor-
mal cows (1); cows suffering from hypomagnesaemia without or with non-
serious clinical features (no cramps) (II); cows suffering from hypomag-
nesaemia with cramps (III).

cipieel belang. Indien het n.1. zou blijken dat er weinig of geen uitzonderin-
gen op de van landbouwkundige zijde gestelde regel zouden zijn, zou men
een gebrekkig reguleringsmechanisme bij het dier, dus somatische factoren
leidende tot een grotere vatbaarheid voor kopziekte, als oorzaak van de
ziekte mogen uitsluiten. De landbouwkundige methode zou dan met het
volste vertrouwen op een zeer goede uitslag steeds mogen worden toege-
past. Indien er echter discrepanties zouden blijken te bestaan tussen het
verwachte en het in werkelijkheid tot stand gekomen effect van het, ojj
grond van de voedersamenstelling gegeven advies, dan zou men ook terdege
rekening moeten houden met het dier als fysiologisch-chemische eenheid,
met een eigen regulering van zijn lichaamsfuncties, dat op een eigen, speci-
fieke wijze op het voeder, van welke samenstelling dan ook, reageert.
Een beschouwing van de 50 monsters normaal voorjaarsgras (geen ko])-
ziekte), samengebracht in tabel .A., leert het volgende. In 27 van de 50 ge-
vallen zou het advies „grazen zonder bijvoedering" juist zijn geweest. In
18 gevallen (in de laatste kolom .gemerkt met ) had het advies moeten
luiclen „grazen met bijvoedering", terwijl hier toch geen kopziekte te
duchten was. (Er wordt overigens onzerzijds niet gesuggereerd dat op al
deze 18 bedrijven het serununagnesiumpeil van alle koeien per se boven
2 mg% zou moeten liggen.) In de 5 overige gevallen, gemerkt met -I- ,

pH

-ocr page 333-

zou men zonder meer de weiden voor grazen, zelfs met bij voedering, heb-
ben afgekeurd. Hier bestaat dus inderdaad een grote discrepantie tussen
het op grond van de gewassensamenstelling te geven advies en de in wer-
kelijkheid bestaande, onge\\aarlijke toestand. Er kan slechts worden ge-
zegd dat men met het van landbouwkundige zijde te geven advies „a°an
de veilige kant" blijft, hetgeen op zichzelf wel gewaardeerd moet worden.

Dat, zoals bij onze latere beschouwing \\ an de monsters kopziektegras zal
blijken, gezegd mag worden dat het in vele gevallen „toch wel aardig uit-
komt", is mede te danken aan het weinig gedifferentieerd zijn van de ru-
brieken, waarin men de gewasmonsters indeelt. Ook hierop zouden wij
geen kridek willen oefenen, omdat het immers gaat om een op de praktijk
gerichte wijze van beoordeling. Toch mag er wel op worden gewezen dat
het fysiologisch-chemisch en ook klinisch wel een groot verschil uitmaakt
of men 0.1 of 0.9 mg% Mg, beide behorende tot één rubriek, in het bloed-
serum aantreft, dan wel 1.0 of 1.9 mg% (eveneens in één rubriek). Door
met deze toch wel grote variatie in één en dezelfde rubriek geen rekening
te houden, loopt men het gevaar wezenlijke verschillen te verdoezelen. Ook
hier geldt de oude waarheid: „naarmate een definitie ruimer is, zegt zij
minder". Enerzijds kan dit er toe leiden dat men de veehouder onnodig
ongerust maakt, zoals wij zagen bij de beschouwing over de 50 kopziekte-
vrije bedrijven, en anderzijds bestaat er het gevaar dat men de belang-
hebbende een niet-verantwoord gevoel van veiligheid geeft, n.1. in die ge-
vallen waar de samenstelling van het gewas niet op kopzi\'ektegevaar zou
wijzen, terwijl dit gevaar soms wel degelijk bestaat. (Zie tabel B.)

Niet van alle, maar wel van vele kopziektepatiënten die wij op de kop-
ziekteweiden aantroffen, hebben wij het bloedserum kunnen onderzoeken
op magnesium. Hierdoor was in zeer vele gevallen een toetsing mogelijk
van de „voorspelling" aan de toestand die in werkelijkheid bij de dieren
bleek te bestaan. De uitkomst van onze bevinding is weergegeven in tabel 5.
Ter toelichting van de gebruikte notaties dient\'het volgende. Daar, waar
een groot verschil bleek te bestaan tussen de „vei-wachting" en de werkelijk-
heid, bijv. verwacht: laag Mg, ge\\onden normaal Mg (of omgekeerd) werd
dit aangegeven met -f-. Waar het verschil slechts één rubriek bedroeg,
bijv. laag - subnormaal, subnormaal - normaal (en omgekeerd), werd dit
aangegeven met . Daar, waar de verwachting „laag" was
en geen bloed
kon worden onderzocht,
werd aangenomen dat het Mg-gehalle inderdaad
minder dan 1 mg% bedroeg: het waren immers klinische kopziektepatiënten.
In die gevallen werd geen verschil genoteerd. Indien een normaal Mg-
gehalte was verwacht en de dieren toch kopziekte kregen, dus naar alle
waarschijnlijkheid een Mg-gehalte < 1 mg% hadden, werd dit als (-f -h )
aangemerkt, waarmee bedoeld wordt, waarschijnlijk een groot verschil tus-
sen de verwachting en de werkelijkheid". Indien het waarschijnlijk be-
staande verschil slechts één rubriek betrof, werd dit aangegeven met ( ).
Indien er op een bepaalde dag meer koeien op hetzelfde perceel kopziekte
kregen, waarvan het bloed werd onderzocht, dan is dit als één analyse
beschouwd, en dus eventueel van één notatieteken voorzien.
Ten aanzien van de indeling van de 288 monsters kopziektegras in groepen
op grond van de toegepaste bemesting, zijn wij er ons van bewust dat deze
indeling vrij willekeurig is, en weinig houvast biedt. In afwachting van een
nadere behandeling vermelden wij slechts dat bemestingen met kali (a)

V

-ocr page 334-

en gier (b) de naam hebben groot gevaar op te leveren. Voorts dat andere
meststoffen, zonder kali of gier (c), minder gevaarlijk zouden zijn. Verder
dat chih (d) weinig schade zou berokkenen — „na chili geen kopziekte";
hetzelfde zou voor slootaarde (e) en onbemeste gronden (f) gelden. Wij
laten deze meningen voor wat zij zijn. In de meeste gevallen konden de hoe-
veelheden (kunst)-mest die per hectare werden gegeven, worden geno-
teerd. Wij gaan hier thans niet verder op in.

De in tabel 5 aangegeven verschillen tussen de op grond van de samen-

getoetst aan de

Tabel 5.

Magnesiumgehalte van het bloedserum. De „verwachting"

werkelijkheid.

X <3

S

«U • ~

0 ^
^ ë

1 ^


-f-

^ O

C
O
<o

O CD
co ^

,-H CJ

3 c

M \'2

rt 5

II

11
s

§ s


^ O —

"O

-O

"S U

x;

tw) C
t« <

— — co

-O

CVJ ^ ^

-O ü -O
8 i £

QJ -O ^

«O S

«

c -O

M
<

-O

s

I §

c

Jo
O

S -S

SC

«j ..ii
ts

I\'

O

c

«

c
n
T3

■si

ni C ^

to fc J., g

2 , «j fe «

a
c/l
a

tlO

.11 i
«

-ocr page 335-

Stelling van het gewas (Mg, K, ruweiwit) gekoesterde verwachting ten aan-
zien van het Mg-peil van het bloedserum van het grazende vee, en het
Mg-gehalte dat werd bepaald, resp. kon worden geschat, tonen aan dat de
„verwachting" lang niet altijd in vervulling gaat. In de 282 gevallen waar-
in een vergelijking mogelijk was, werd 113 maal een afwijking met zeker-
heid of grote waarschijnlijkheid vastgesteld. Het verschil stond volkomen
vast in 91 van deze gevallen, op grond van de uitkomsten van het bloed-
onderzoek; in de overige 22 gevallen was het „zeer waarschijnlijk". Zeer
grote verschillen, over twee rubrieken (zie fig. 3) kwamen in de 91 „zekere"
afwijkingen 22 maal voor. De gevonden verschillen ging naar beide kanten:
\\erwachting gunstig <—^ toch kopziekte, en verwachting ongunstig
<—> geen kopziekte, maar bijv. hersenafwijkingen die aan kopziekte deden
denken. Dit resultaat is wel bedenkelijk.

Samenvattend kan slechts worden gezegd dat de adviesbasis, berustend op
de gehalten aan Mg, K en ruweiwit in het gewas, aan de zeer veilige kant
blijft, en wellicht een stap in de goede richting is, omdat zij poogt een al te
grote onevenwichtigheid in het voeder te voorkomen. Wij zouden in deze
richting nog een stap verder willen gaan door de raad te geven in alle ge-
vallen, waar kopziekte op een bedrijf pleegt voor te komen, de raad te geven
magnesiumoxyde-houdende voederkoekjes te gebruiken, ongeacht de samen-
stelling van het gewas.

Voorts is de aangetoonde discrepantie een aansporing verder naar de op-
lossing van het kopziektevraagstuk te zoeken, n.1. door het weerstands-
vermogen van onze dieren te verhogen. De toediening van magnesium-
oxyde is reeds een stap in deze richting, omdat magnesiumionen de reflex-
prikkelbaarheid onderdrukken, en daardoor de dieren een tijdelijke bescher-
ming kunnen geven tegen schadelijke prikkels, van welke oorsprong deze
ook mogen zijn, dus ook prikkels van chemische aard (intoxicaties).
Over enkele in tabel B genoemde gehalten (ruwe celstof, koper) die nog
niet ter sprake kwamen, willen wij kort zijn.

Ruwe celstof dient o.i. te worden gezien in haar samenwerking met ruw-
eiwit. Omdat echter in de normale grasmonsters deze waarde niet is be-
paald, moeten wij voorlopig dit punt in het midden laten. Een soms verkon-
digde mening is dat kopziekte samen zou hangen met een gebrek aan
sporenelementen, bijv. koper. Uit de tabellen A en B kan worden afgeleid
dat het gehalte aan koper in beide grassoorten niet abnormaal laag is. Er
zijn voorts geen aanwijzingen dat in het vroege voorjaar, de kopziektetijd,
de dieren in het algemeen met kopergebrek te kampen hebben (K r u y t,
1956). Dit wordt pas later in het jaar een probleem. Ook dit punt laten
wij thans rusten.

Er konden tenslotte geen duidelijke verschillen worden gevonden in af-
hankelijkheid van de duur van de weidegang en van de grondsoort.
Dankbetuiging.

Dit onderzoek is tot stand gekomen met steun van de Nationale Raad voor Land-
bouwkundig Onderzoek T.N.O.

Aan de Heer H. K. N o b e 1 s, analist aan het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire
Chemie betuigen wij onze dank voor het uitvoeren van de berekeningen.

SAMENVATTING.

1. Uit een onderzoek van 288 monsters kopziektegras, verzameld gedurende de voor-
jaarperioden van de grastetanie in de loop van verscheidene jaren uit het gehele

-ocr page 336-

land (tabel B), in vergelijking met 50 monsters normaal voorjaarsgras (tabel A),
alsmede uit balansproeven met koeien op stal, volgt dat er geen aanwijzing be-
staat dat de equivalentsverhouding K/(Ca Mg) in het gras de bepalende factor
is voor het al of niet ontstaan van kopziekte. (Tabellen 3 en 4.)

2. De adviesbasis (fig. 3), berustend op de gehalten aan magnesium, kalium en
ruweiwit in het weidegras, als grondslag voor het verminderen van het kopziekte-
gevaar, is wellicht cen stap in de goede richting, omdat zij er naar streeft de
ernstigste fouten in de voeding weg te nemen. Zij is echter in vele gevallen niet
afdoende. (Tabel 5)

3. De leeftijd van de dieren is van belang voor het ontstaan van kopziekte. Vier- tot
zesjarige dieren lopen het meeste gevaar (Tabel 1). In natte, gure zomers is
het gevaar voor kopziekte groter dan in droge, warme jaren. (Fig. 1 en 2)

4. Overgang van de stal naar de weide, resp. van stalvoeder op weidevoeder op stal,
is een stress-factor waardoor tijdelijk of meer permanent hypomagnesemie kan
ontstaan. Daling van het calcium in het bloedserum is essentieel voor het tot
stand komen van manifeste tetanie (grastetanie).

5. Aan abnormale processen in het maagdarmkanaal (enterogene auto-intoxicatie)
wordt pathognomonische en wellicht pathogenetische betekenis gehecht bij het
ontstaan van kopziekte. (Tabel 2)

6. Fluctuaties van de neutraliteitsregulering in het bloed (fig. 4) bij hypomagnesemie
correleren met zeer wisselende AA-waarden (AA = K -f Na — Cl — S) in het
voeder van kopziekteweiden. De acidosis bij grastetanie hangt samen met pro-
duktie van melkzuur bij de spiercontracties.

7. De sterk wisselende en over het algemeen sterk verlaagde, negatieve EA-waarden
(EA = Ca
-I- Mg — F) van het voeder van kopziekteweiden zijn van pathogno-
monisch en wellicht van pathogenetisch belang voor het tot stand komen van ab-
normale toestanden in het maagdarmkanaal bij kopziektepatiënten. Dagelijkse
toediening van magnesiumoxyde draagt bij tot normalisering van deze in het
maagdarmkanaal opgewekte abnormale toestanden.

8. Grastetanie is een stoornis waarbij oekologische en somatische factoren om de
voorrang strijden. De maatregelen die tot voorkoming van de ziekte kunnen
leiden dienen gebaseerd te zijn op het wegnemen van schadelijke uitwendige
factoren (voeder, klimaat) en verhoging van het weerstandsvermogen van de
dieren. Regelmatige toediening van magnesiumoxyde gedurende dc tijd die
kritiek is voor het uitbreken van kopziekte, is een goed, maar niet afdoend mid-
del. Het streven dient cr op gericht te zijn het weerstandsvermogen van het
melkvee te verhogen door verbetering van de werking van het regulerend systeem
dat de lichaamsfuncties beheerst.

SUMMARY.

1. Analysis of 288 samples of tetany prone pastures collected in the course of many
years during the spring period of grass tetany from tetany fanns in the whole
country (tabel B), in comparison with 50 samples normal spring grass (table A),
has shown that the equivalent ratio
Kj{Ca. Mg) in the grass is not the deter-
mining factor in the appearance of grass tetany. (Tables 3 and 4) The same con-
clusion follows from balance trials in which potassium chloride and potassium
lactate were administered to dairy cattle.

2. A usual basis of advice in The Netherlands to prevent grass tetany is based on
the magnesium, potassium and crude protein contents of the pasture. (Fig. 3).
This may be a step forward in so far as some of the most serious nutritional
errors might be eliminated. However, in very many cases it is not effective.
(Table 5)

3. At the age of four to six years dairy cattle in The Netherlands seem to be most
exposed to grass tetany. (Table 1) In wet and rough summers the danger of
grass tetany is greater than in dry and warm years. (Fig. 1 and 2)

4. Transfer of the animals from the byre to pasture or from winter feed to lush
pasture in the cowhouse may be a stress factor giving rise to temporary or per-

-ocr page 337-

manent hypomagnesacmia. A decrease of plasma calcium in addition to hypo-
magnesaemia is essential for the development of clinical grass tetany.

5. .Abnormal processes in the gastrointestinal tract (enterogenic autointoxication) are
of pathognomonic and perhaps of pathogenetic importance with regard to the
origination of grass tetany. (Table 2)

6. In hypomagnesaemia fluctuations in the acid base balance of the blood (fig. 4)
correlate with changes of the AA values
{AA = K -(- Na — CI — S in equiva-
lents) of tetany prone feed. The acidosis observed in grass tetany is caused by
the production of lactic acid due to muscle contractions.

7. The considerable variations, and in general the strongly negative EA values (E.A
= Ca 4- Mg — P; P trivalent) of the tetany prone feed are of pathognomonic
and perhaps of pathogenetic importance with regard to the origination of abnor-
mal conditions in the gastrointestinal tract in cases of grass tetany. The daily
administration of magnesium oxide contributes to the regulation of these abnor-
mal conditions.

8. Grass tetany is a condition of non-adaptation in which both ecological and
somatic factors contend for the mastery. Preventive measures have to be based
on the elimination of injurious environmental condidon such as inappropiate feed
and extreme climatic factors, as well as on the improvement of resistance. Con-
stant supply of magnesium oxide during the periods that are critical for the ap-
pearance of grass tetany is helpful but not in all cases effective. We have to direct
our attention constantly to other measures yet to increase resistance in the animals
by improving the regulation of their body functions.

RÉSUMÉ.

1. D\'une analyse de 288 échantillons d\'herbe provenant de „prairies à tétanie" (ta-
bleau B) et de 50 échantillons d\'herbe normale (tableau A) il résulte que le
rapport K,((Ca -f- Mg) — en milli-équivalents — de la nourriture n\'est pas dé-
cisif en cc qui concerne la naissance dc la tétanie. (Talbeaux 3 ct 4) La même
conclusion résulte des expériences de bilan effectuées avec des vaches laitières
après l\'administration de la chloridc et dc la lactate de potassium.

2. l\'ne base d\'avis en usage aux Pays-Bas dans le but de prévenir la tétanie d\'her-
bage s\'assoit sur les teneurs en magnésium, potassium et protéides de l\'herbage.
(Fig. 3) Très souvent les mesures recommendées ne sont pas effectives. (Tableau
5).

3. Aux Pays-Bas les vaches laitières à l\'âge de quatre à six ans sont spécialement
exposées au danger de la tétanie. (Tableau 1) Pendant les étés humides et rudes
le danger est plus grand qu\'en étés secs et chauds. (Fig. 1 et 2)

4. Le mettage au vert ainsi que le changement de la nourriture d\'hiver en pâture
riche du printemps est un „stress" qui peut occasionner l\'hypomagnésiémie tem-
poraire ou plus permanente. Une réduction du taux en calcium dans le sérum
sanguin est essentielle pour le développement de la tétanie d\'herbage.

5 Des processes gastro-intestinaux (autointoxication intestinale) sont d\'importance
pathognomique ou peut-être pathogénique en ce qui concerne la naissance de la
tétanie d\'herbage (Tableau 2).

6. Il y a une corrélation entre les fluctuations de l\'équilibre acido-basique en cas
d\'hypomagnésiémie (fig. 4) et les changements des valeurs AA = K -f- Na — Cl

S — en équivalents — dans l\'herbe provenant de fermes où se présente la
tétanie d\'herbage. L\'acidose observée en cas de tétanie est causée par la pro-
duction de l\'acide lactique par les contractions musculaires.

7. Les variations considérables et en général les valeurs EA fortement négatives
(EA = Ca -(- Mg — P, en équivalents; P trivalent) dans l\'herbe provenant
de „prairies à tétanie" sont d\'importance pathognomique ou peut-être patho-
génique en ce qui concerne la naissance des désordres gastrointestinaux en cas de
la tétanie d\'herbage. L\' administration quotidienne d\'oxyde de magnésium con-
tribue à la correction de ces désordres.

-ocr page 338-

8. La tétanie d\'herbage est une condition de non-adaptation dans laquelle des élé-
ments écologiques et somatiques jouent un rôle. Les mesures préventives doivent
être basées sur l\'élimination des conditions d\'origine „externes" qui exercent une
influence directe sur les animaux comme l\'irrégularité du climat et de la nour-
riture, ainsi que sur l\'amélioration de la capacité de résistance des vaches contre
la chute menaçante du magnésium, capacité que détermine les caractères „in-
ternes" des animaux. Le moyen le plus directe et, par conséquent, le meilleur
pour protéger les vaches laitières contre la tétanie d\'herbage consiste à leur
donner régulièrement des galettes „anti-tétanie" à l\'oxyde de magnésium. Bien
que cette solution puisse être considérée comme „bonne", elle n\'est cependant
pas „satisfaisante". Nour recherchons la solution de ce problème dans l\'augmen-
tation de la capacité de résistance par l\'amélioration de la régulation internes des
fonctions métaboliques chez les vaches laitières.

ZUSAMMENFASSUNG.

1. Eine Analyse von 288 Grasproben herrührend von Tetanieweiden (Tabelle B) und
von 50 Grasproben von normalen Weiden (Tabelle A) hat keinen wirklichen
Kausauzusammenhang ergeben zwischen Weidctetanie und hohen K/(Ca -t- Mg) -
"Verhältnissen im Futter. Dieses Resultat wird bestätigt von Bilanzversuchen mit
grossen Mengen Kaliumchlorid und Kaliumlaktat.

2. Die in den Niederlanden übliche Beratung zwecks Vorbeugung der Weidctetanie,
gegründet auf den Magnesium-, Kalium- und Eiweissgehalt des Futters (Fig. 3)
bedeutet eine Verbesserung soweit sie einige der schwersten Emährungsfehler be-
heben könnte. In manchen Fällen genügt sie jedoch nicht. (Tabelle 5).

3. Neue Beobachtungen in Holland haben gezeigt, dass die Tetaniefrequenz absolut
und relativ am höchstens ist in der Altersgruppe von 4 bis 6 Jahren (Tabelle 1 ).
Die Anzahl Tetaniefälle im Herbst ist desto grösser, wenn in den vorhergehenden
Monaten viel Niederschläge stattgefunden haben. (Fig. 1 und 2)

4. Der Übergang vom Stall nach der Weide oder vom Winterfutter auf schnell
gewachsenes Frühlingsgrass im Stall bildet einen „Stress\', der eine vorübergehende
oder eine mehr bleibende Hypomagnesämie hervorrufen kann. Eine Herabsetzung
des Kalziumspiegels des Blutserums hat sich einen wesentlichen Faktor gezeigt in
die Entwicklung der khnischen Weidctetanie.

5. Wir betrachten die Störung der Magendarmfunktion als einen pathognomonischcn
und vielleicht als einen pathogenetischen Moment bei der Entwicklung der Weidc-
teanie. (Tabelle 2)

6. Bei der Hypomagnesiämie korrelieren Schwankungen der Neutralitätsrcgulierung
des Blutes (Fig. 4) mit den Änderungen der A.A-Wcrte im Futter (A.\\ = K
Na — Gl, in Milliäquivalenten). Die bei der Weidctetanie beobachtete Azidose
rührt von der Bildung von Milchsäure bei der schweren Muskelarbeit her.

7. Die erheblichen Schwankungen und im Allgemeinen die stark negativen EA-Werte
im Futter (E.\\ = Ca Mg — P, in Milliäquivalenten; P dreiwertig) sind von
pathognomonischer und vielleicht von pathogenetischer Bedeutung für das Ent-
stehen der anormalen Verhältnisse im Magendarmtraktus bei der Weidetetanie.
Die tägliche Verabreichung von Magnesium oxyd trägt bei zur Normalisierung
dieser Verhältnisse.

8. Bei der Weidetetanie handelt es sich um eine Anpassungsstörung, wobei ökolo-
gische und somatische Faktoren um den Vorrang streiten. Die Vorbeugung sollte
gegründet sein auf das Beheben schädlicher äusseren Umstände herrührend des
Futters und des Klimas, sowie auch auf Erhöhung der Resistenz der Tiere. Regel-
inässige Zufuhr von Magnesiumoxyd während der für Weidetetanie kritischen
Perioden hat sich manchmal, jedoch nicht immer, als ein wirksames Mittel ge-
zeigt. Man muss sich also noch auf andere Mittel besinnen um die Resistenz der
Tiere zu erhöhen mittels Verbesserung der Wirksamkeit des neurovegetativen
Systems das die Regulierung der Körperfunktionen beherrscht.

-ocr page 339-

LITERATUUR

Aikawa, J. K., Harms, D. R. en R e a r d o n, J. Z.: Effects of cordsone on
magnesium metabolism in the rabbit.
Am. J. Physiol., 199, 229, (1960).

.-X 1 t e n, F., Rosenberger, G. en Welte, E. : Zur Frage der Ursache und des
Wesens der Weidetetanie.
Zbl. VetMed., 5, 201, (1958).

Über die Ursache und das Wesen der Weidetetanie. Berl. Münch, tierärztl. Wschr.,
73, 109, (1960).

Brandsma, S.: Over de minerale bestanddelen en hun onderlinge betrekkingen
in weidegras van „normale" bedrijven.
Meded. Landbouwhogeschool, 54, (6),
245, (1954).

D e V u y s t, A. : Maladies métaboliques et carentelles d\'origine alimentaire. Kongress-
berichte des XVII Welt-Tierärztekongress,
1, 105, (1963).

Deys, W. B., Grift, J, van der, Seekles, L., Wind, J.: Sporenelementen
en andere biochemische onderwerpen bij planten en dieren.
Rapport Studiegroep
Landbouw (C.O.P.),
66, (1953).

D ij k s h O O r n, W. en Hart, M. L. \'t : The effect of alteration of temperature
upon the cadonic composition in perennial ryegrass.
Neth. ]. agric. Sci., 5, 24,

^ (1957).

Everts, P. H. J. (in samenwerking met D. Rempt): Kopziekte-enquête in
1958/1959 in het gedeelte van het ambtsgebied Noord-Holland-Zuid, gelegen ten
noorden van het Noordzeekanaal, .\\mbtsbericht 1961.
Tijdschr. Diergeneesk., 86,
640, (1961).

Groot, Th. de: Enkele opmerkingen over het verband tussen de voeding en het
serummagnesiumgchaltc.
Tijdschr. Diergeneesk., 89, 1289, (1959).

Groot, Th. d e: Magnesium intake and utilization. Tijdschr. Diergeneesk. 86, 1265,
(1961).

Hart, M. L. \'t en K e m p, A. : Invloed van de weersomstandigheden op het op-
treden van kopziekte bij rundvee.
Tijdschr. Diergeneesk., 81, 84, (1956).

Head, M. L. and R o o k, J. F. : Some effects of spring grass on rumen digestion
and the metabolism of the dairy cow.
Proc. Nutr. Soc., 16, 25, (1957).

Hendriks, H. J. : Enige biochemische aspecten van voedingstetanie. Proefschrift
Utrecht, (1962).

H O r s t, G. J. G. V a n d e r: Balance experiments with milking cows. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
85, 1060, (1960).

l.B.S. Tabellen ter herleiding van dc gehalten aan macro-elementen en ruw eiwit in
voedermiddclen.
Mededeling 96. Wageningen, (1959).

Kemp, A. : Over het ontstaan en de preventie van hypomagnesemie bij rundvee.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 529, (1962).

K e m p, A. en Hart, M. L. \'t: Grass tetany in grazing milking cows. Neth. J. agric.
Sei.,
5, 4, (1957).

K r u y t, K. J. : Het kopergehaltc van het bloedplasma van de normale melkkoe in
de Krimpcncrwaard. Proefschrift Utrecht, (1956).

M a r e k, J. und W e 11 m a n n, O. : Die Rachitis I, IL Gustav Fischer, Jena (1931-
1932).

M e y e r, H. und Steinbeck, H. : Der Einfluss hoher Phosphor und Kaliumgaben
auf den Magnesiumstoffwechscl beim Rind.
Dtsch. tierärtzl. Wschr., 67, 315,
(1960).

Naumann, K. und Barth, K. : Chemische Untersuchungen im Weidetetanie-
gcbiet des Niederrheins.
Landw. Forsch., 12, 186, (1959).

Rheenen, D. L. van: Determination of biogenic amines in faeces of normal dairy
cattle.
Nature, 193, 170, (1962).

Rheenen, D. L. van: High-voltage paper electrophoretic and paper chromato-
graphic identification of biogenic amines in faeces of normal dairy cattle.
Ree.
Trav. chim. des Pays-Bas,
82, 225, (1963).

Rheenen, D. L. van: Proefschrift Utrecht (verschijnt binnenkort).

Roberts, A. H. en Y u d k i n, J. : Dietary phytate as a possible cause of magne-
sium deficiency.
Nature, 185, 823, (1960).

-ocr page 340-

R O O k, J. A. F. and Head, M. J.: Flypomagnesaemia and grass tetany, N,I.R.D,
Shinfield, Annual report (1957),

Seekles, L,: Blood serum changes in bovine toxaemias in relation to intravenous
calcium therapy.
Vet. Ree., 51, 969, (1939).

Seekles, L,: De betekenis der neutraliteitsregulering voor het dierlijke organisme,
Tijdschr. Diergeneesk., 72, 721, (1947).

Seekles, L,: Het tetanievraagstuk bij het rund, Tijdschr. Diergeneesk., 78, 1,
(1953).

Seekles, L,: Biochemische beschouwingen over het „regulerend stelsel" in het
dierlijk organisme en het verband hiervan met de stofwisseling der mineralen,
Monographie (N,V, Twijnstra Maarssen, 1956),

Seekles, L,: Voedingstetanie (grastetanie) bij het rund. Een somatisch en oeko-
logisch vraagstuk.
Meded. Veearts.school Rijksuniversiteit te Gent (België), 2, 68,

(1958).

Seekles, L.: Control of diseases in cattle and sheep at pasture. O.E.E.C. Mono-
graphy, Chapter HI,
57, (1959). (In dit hoofdstuk zijn bijdragen van R. .Allcroft,
S, Bartlett, F. Ender, L. Seekles en J. Verdeyen verwerkt.)

Seekles, L.: .Aspects of physiological disorders in grazing livestock. Proc. 8th
Intern. Grassl. Congress, 15, (1960).

Seekles, L.: Significance of potassium in the mineral composition of food and
fodder.
Proc. 6th Intern. Potash Congress, Amsterdam, 349, (1960).

Seekles, L.: Uber Weidetetanien. Zbl. Vet.Med., 8, 733, (1961).

Seekles, L, und S j o 1 1 e m a, B,; Untersuchungen über die Ätiologie der Gras-
tetanie. I. Mitteilung, Die Aufnahme, Umsetzun.gen und Ausscheidung von in
Lösung zugeführtem Kaliumnitrat beim Rinde. Die Zusammensetzung des Blutes
bei der Nitratvergiftung.
Arch. wiss. prakt. Tierheilk., 65, 351, (1932).

Seekles, L, und S j o 1 1 e m a, B,: Untersuchungen über die Ätiologie der Gras-
tetanie, IIL Mitteilung, Die Fütterung von Rindern mit nitrathaltigen Gras. Die
kombinierte Wirkung von Nitrat und Graseiweiss auf den Mineralbcstand des
Blutserums.
Arch. wiss. prakt. Tierheilk., 66, 117, (1933).

Seekles, L. et Strengers, Th.: Le metabolisme de l\'histamine chez les che-
vaux et les bovins.
Comptes rend. Vie Congres internat, de path, comp., Madrid,
II, 331, (1952).

S j O 1 1 e m a, B.: Het ruw-eiwit, werkelijk eiwit en nitraatgchaltc van ons weidegras,
zomede de volledige analyse van enige monsters weidegras.
Landbk. Tijdschr., 43,
515, (1931).

S j o 1 1 e m a, B.: De minerale samenstelling van een aantal weidegrasmonsters,
Landbk. Tijdschr., 43, 522, (1931).

S j o 11 e m a, B.: Beschouwingen over de doelmatigheid der minerale samenstelling
van jong weidegras en van het stalvoeder, in het bijzonder voor melkvee,
Landbk.
Tijdschr.,
43, 525, (1931).

Sjollema, B, en Seekles, L,: Over de stoornissen der minerale stofwisseling
bij kalf- en kopziekte,
Tijdschr. Diergeneesk., 56, 979, (1929).

Sjollema, B, und Seekles, L.: Untersuchungen über die Ätiologie der Gras-
tetanie, II. Mitteilung. Der Einfluss einer Aufnahme von grösseren Mengen Eiweisz-
körper.
Arch. wiss. prakt. Tierheilk., 66, 60, (1933).

Sybesma, W.: Veranderingen in de bijnierschors van het zieke rund. Proefschrift
Utrecht, (1961),

Tacken, P, H. W.: Een studie betreffende de neutraliteitsregulering bij enkele
stofwisselingsziekten van paard en rund. Proefschrift Utrecht, (1947),

Werner, W,: Über die Mineralstoffversorgung an Milchkühe unter besonderer
Berücksichtigung der KJ(Ca -f- Mg)-Verhältnisse,
Futter u. Futterg., 10, 30,

(1959).

Wind, J.: Control of diseases in catde and sheep at pasture. O.E.E.C, Mono-
graphy, chapter V,
93, (1958). (In dit hoofdstuk zijn bijdragen verwerkt van
E, Brouwer, A, Thompson, M, L, \'t Hart, S, Bardett, F, Ender en W, B. Deys.)

-ocr page 341-

Normaal voorjaarsgras (droge stof)*)
Normal spring grass (dry matter basis)

No. Grondsoort Ruw eiwit Cu K AAi) EA^) Mg in bloedserum mg%

^^ mgfkg Ca Mg Mg in blood serum mg%

Crude protein

% Berekend^) Gevonden"\') Verschil

Calculated Found Difference

vcenjpeat

18.2

10.7

—.

669

35

1.05

S

N

kleijclay

31.1

15.0

2.53

603

- 139

<0.1

L

4- 4-

23.1

14.2

1.28

508

96

1.7

S

4-

za.ndj sand

19.4

_

1.8

324

71

1.4

S

»

17.4

7.2

1.9

269

50

1.6

s

4-

ii

18.0

7.2

1.6

198

149

1.3

s

4-

i)

21.0

1.7

305

110

1.4

s

4-

»

15.6

7.0

1.7

272

169

2.1

N

yj

13.2

5.2

1.9

222

99

2.7

N

>j

18.0

1.9

392

38

1.3

s

4-

21.6

8.7

2.0

343

23

0.8

L

4- 4-

»

16.5

8.6

1.9

281

61

1.6

S

4-

20.0

1.8

359

72

1.3

s

4-

)y

16.2

9.2

1.7

271

56

2.0

N

»

17.8

9.2

1.6

337

89

1.9

S

4-

>J

19.4

—.

1.6

275

86

1.8

s

4-

J)

23.2

11.3

1.3

385

157

2.1

N

»>

16.2

9.0

1.4

186

104

2.4

N

160

250

251

(B r a n d s m a)
936
959

984

966
965

985

930
961

986

928
960

987

931

^ 953

to

-ocr page 342-

No.

Grondsoort

Ruw eiwit

Cu

K

AAi)

EA2)

Mg in

bloed serum

mg%

Soil

mg/kg

Ca Mg

Mg in

blood serum

mg%

Crude protein

frf

Berekend^)

Gevonden^)

Verschil

%

Calculated

Found

Difference

933

zandhfind

17.0

.

1.6

338

75

2.0

N

yy

95.5

14.6

9.5

2.1

374

40

2.2

N

yy

988

yt

22.5

11.6

1.6

241

57

2.3

N

yy

902

21.4

_

1.9

297

17

1.1

S

yy

935

16.6

1.3

382

257

1.7

S

yy

952

y,

15.2

9.4

1.6

249

66

2.2

N

yy

992

yy

15.2

9.7

1.2

149

145

2.7

N

yy

901

23.8

_

2.0

382

29

0.3

L

yy

4-

934

19.9

—.

2.0

348

78

0.8

L

yy

4- 4-

951

jy

19.0

11.8

1.5

393

311

1.1

S

yy

993

yy

20.2

10.3

1.7

376

203

0.9

L

yy

4- 4-

898

kleijclay

25.2

14.2

1.7

515

73

2.0

N

yy

937

18.4

13.5

1.2

352

135

2.8

N

yy

962

18.8

10.0

1.8

340

47

2.4

N

yy

1000

22.0

10.0

1.5

176

54

2.5

N

yy

900

20.7

9.8

1.4

501

135

2.4

N

yy

939

24.7

12.2

1.1

460

143

2.6

N

yy

957

15.8

8.0

1.5

449

156

2.7

N

yy

982

yy

15.4

6.2

1.7

230

137

2.5

N

yy

932

21.0

_

1.8

329

1

1.9

S

yy

954

21.5

11.0

1.0

263

103

2.8

N

yy

990

22.0

11.6

1.8

247

101

1.7

S

yy

4-

-ocr page 343-

903

»

19.4

1.4

287

150

2.4

N

i>

926

>J

22.5

-

1.7

553

86

1.8

S

»

950

))

16.0

11.6

1.1

222

232

2.7

N

998

JJ

17.0

9.6

1.4

310

139

2.6

N

>y

929

JJ

19.0

_

1.0

221

166

2.9

N

949

20.0

13.4

2.1

303

49

1.9

S

>>
))

995

»

11.9

15.2

1.5

61

51

>3.0

N

927

ii

21.8

_

1.0

173

139

2.7

N

)>

973

JJ

17.0

13.0

1.1

97

136

2.9

N

j>

994

23.6

13.2

1.3

114

149

2.4

N

}f

-ocr page 344-

Gras van kopziekteweiden (zandvrije droge stof).
Grass from tetany pastures (sandfree dry matter basis).

%

%

%

%

%

%

mg Cu

ruwe

K

NO,

Eiwit

K

Na

Mg

Ca

Cl

S04

P-205

ik?

celst.

Ca W

Bemesting:

kali en

andere meststoffen

(Potassium and others)

1

2.85

0.21

0.18

0.52

0.64

1.28

1.14

12.6

15.1

1.71

2

25.5

2.87

0.21

0,13

0.59

1.33

1.32

0.98

7.9

15.9

1.8:

3

25,2

4.12

0.25

0,17

0.28

2.91

1.05

1.11

5.8

18.3

3.7:

4

25.6

3.26

0.33

0,15

0,31

0.17

1.10

1.19

10.3

17.1

3.01

5

18.4

2.90

0.18

0,13

0.44

1.59

1.09

1.03

9.7

18.5

2.2

6

21.7

3.51

0.21

0,16

0.41

1.68

1.23

1.00

7.7

19.4

2.6\'

7

20.6

3.90

0.20

0.13

0.33

1,05

1,09

0.94

10.2

22.4

3|

8

22.4

3.40

0.20

0.16

0.39

1,67

0,99

0.99

15.8

16.6

9

17.6

3.78

0.49

0.16

0.49

2,97

1,08

1.17

9.9

21.2

2.5

10

21.0

2.92 X

0.31

0.17

0.40

1,45

1,27

0.94

15.9

19.5

2.21

11

23.1

3.84

0.23

0.14

0.35

1.71

1,19

1.04

12.6

20.1

4.1

12

18.0

3.15

0.58

0.16

0.50

2.69

1,16

0.91

13.3

18.9

3.q

13

24.4

4.38

0.36

0.14

0.23

2.90

1,26

1.11

10.4

20.7

4.^

14

15.3

3.61

0.05

0.15

0.57

1.89

0,96

0.92

26.2

22.2

2.21

15

22.0

3,24

0.21

0.13

0.36

1.40

1,10

0.90

9.6

17.7

2.91

16

19.3

3.69

0.59

0.16

0.27

1.10

0,97

1.05

8.6

18.5

3.5\'

17

19.3

2,34

0.14

0,16

0.29

1.50

1.00

0.80

7.3

23.3

2.1

18

16.4

2.87

0.32

0.16

0.33

1.42

1.24

1,01

10.5

21.9

2.41

19

20.0

2,70

0.17

0.13

0.29

1.37

0.97

0,98

9.1

19.7

2.7!

20

21.0

2.73 x

0.24

0.15

0.33

1.83

1.04

1.01

8.6

2.4:

21

26.2

3.98

0.11

0.14

0.33

1.77

0.81

1,25

6.7

19.2

3.3:

22

21.7

3.31

0.28

0.12

0.55

2.10

1.54

1.17

8.2

20.2

2.2;

23

18.4

3.76

0.25

0.11

0.65

2.08

0.97

1.02

9.8

20.2

2.3;

24

21.2

3.22

0.17

0.12

0.51

1.84

0.79

1.05

7.9

19.1

2.3!

25

21.3

4.58 X

0.55

0.13

0.55

1.39

1.01

1.04

7.7

19.5

3.0;

26

20.4

2.58

0.14

0.15

0.61

1.82

0.70

0.88

10.5

17.1

1.5(

27

22.4

3.24

0.17

0.19

0.45

1.48

0.85

0.97

8.6

19.4

2.11

28

22.2

3.18

0.09

0.14

0.29

1.61

0.88

0.94

7.5

19.0

3.1;

29

23.3

3.34

0.21

0.14

0.39

2.03

0.66

1.10

8.7

18.8

2.7(

30

23.7

3.97

0.22

0.11

0.34

2.68

0.77

1,10

9.9

18.5

3.6(

31

18.9

2.77

0.29

0.12

0.34

1.60

0.67

0,94

9.1

20.0

2.6!

32

21.8

3.53

0.34

0.14

0.48

2.14

0.70

1.05

9.3

20.0

2.5f

33

20.2

3.27

0.20

0.14

0.44

2.32

0.80

1,03

9.2

19.2

2.3f

34

21.2

4.03

0.17

0.14

0.31

1.87

0.77

1,25

6.6

18.6

2.9(

35

16.2

2.97

0.18

0.12

0.52

1.36

0.77

0.91

8,1

23.8

2.1;

36

21.1

3.48

0,21

0.12

0.48

1.65

0.80

0.93

7,5

21.3

2.6:

37

19.8

4.19

0,13

0.11

0.41

2.36

0.86

1.08

6.9

19.3

3.9(

38

20.5

3.13

0,49

0.14

0.57

1.96

0.86

0.87

7.9

21.6

2.1(

39

21.6

2.84

0,13

0.12

0.45

1.52

0.57

1.03

4.6

19,5

2.2\'

40

24.0

3.33

0.10

0.14

0.51

1.19

0.57

0.94

11.6

18.9

2.3

41

21.9

3.22

0.26

0.13

0.44

1.81

0.88

1.12

12,0

16.4

2.5:

-ocr page 345-

Mr bloedserum mg% Dagen in

Mg blood serum jg ^ygi

EA

Verwacht
Expected

Gevonden
Found

Verschil
Difference

Days on
pasture

Soil

- 73

0

G

-- 17

0.25

0.5

5

A

109

0.3

2.3

5

C

— 226

0.1

0.6

3

B

- 113

1.3

0.5

5

C

— 91

0.8

B

129

0.95

13

C

- 96

0.8

0.6

4

C

— 122

1.2

0.5

3

C

— 58

10

C

- - 150

<0.1

0.4

14

B

— 6

1.65

( )

6

B

— 241

<0.1

2.0

14

C

20

1.55

0.6

4-

10

C

— 98

0.3

0.3

17

B

— 179

1.0

0.6

14

C

— 66

2.15

0.4

20

C

— 134

2.05

( )

A

— 167

1.2

( )

B

— 139

1.7

0.4

A

-- 250

<0.1

0.4

C

- 120

<0.1

8

B

— 12

<0.1

0.5

13

A

— 92

0.2

0.5

8

C

— 60

7

C

55

1.65

0.3

2

C

— 31

1.5

0.4

4-

3

C

— 135

0.65

3

C

— 153

0.2

0.4

9

C

— 203

<0.1

7

C

— 130

1.05

0.9; 0.5; 0.5

11

C

— 86

0.25

4

C

— 98

0.8

0.3

3

C

— 256

<0.1

0.5

10

C

— 26

1.3

0.4

34

C

— 55

<0.1

0.3

19

G

— 159

<0.1

22

C

36

0.9

0.2

3

C

- Ill

0.55

C

— 25

0.1

0.4

14

C

— 146

0.3

9

B

-ocr page 346-

No.

%

%

%

%

%

%

%

%

mg Cu

ruwe

Eiwit

K

Na

Mg

Ca

Cl

SO4

P2O5

/kg

celst.

42

21.5

2.91

0.21

0.14

0.85

1.03

0.97

0.88

7.6

17.1

43

15.8

3.60

0.19

0.12

0.45

1.42

1.10

1.17

11.7

14.2

44

20.6

3.38

0.25

0.11

0.52

1.62

0.48

1.15

3.8

18.0

45

25.4

4.04

0.12

0.13

0.51

1.39

1.75

0.84

12.6

18.1

46

21.9

4.15

0.13

0.12

0.46

0.85

1.20

0.90

10.3

17.6

47

23.1

3.47

0.17

0.13

0.58

1.07

0.91

1.08

8.9

20.7

48

23.6

3.64

0.25

0.13

0.46

1.97

0.75

1.21

10.3

21.1

49

21.4

3.15

0.27

0.13

0.42

1.59

0.62

1.01

8.4

19.8

50

20.1

2.50

0.18

0.10

0.37

0.72

0.44

0.81

6.1

19.0

51

17.1

2.78

0.12

0.12

0.38

0.91

0.52

0.75

8.2

21.0

52

18.5

2.32

0.10

0.11

0.34

0.75

0.41

0.91

6.5

23.4

53

20.7

3.15

0.20

0.14

0.32

1.48

0.62

1.05

9.0

20.3

54

17.7

3.14

0.52

0.13

0.39

2.00

0.45

1.22

5.5

19.1

55

17.8

3.30

0.16

0.15

0.36

1.95

0.73

0.96

15.0

23.0

56

19.7

2.03

0.45

0.18

0.65

0.93

1.39

0.98

14.5

22.5

57

16.1

3.02

0.13

0.16

0.41

1.60

0.38

0.94

10.4

23.2

58

15.8

3.00

0.15

0.17

0.41

1.85

0.42

0.91

6.2

23.3

59

25.6

4.60

0.19

0.14

0.63

2.54

1.18

1.39

13.7

21.9

60

12.0

3.38

0.20

0.12

0.39

2.45

0.38

0.67

13.6

29.9

61

23.8

3.42

0.11

0.10

0.55

0.74

1.24

0.89

10.5

18.7

62

31.7

4.40

0.13

0.19

0.51

1.31

0.92

1.11

11.0

13.8

63

12.8

2.04 X

0.16

0.10

0.56

1.17

0.62

0.80

12.5

64

22.9

4.07

0.08

0.16

0.47

1.84

0.66

1.07

7.9

25.6

65

18.8

3.43

0.10

0.15

0.31

0.74

0.67

1.09

6.2

21.0

66

24.9

3.58

0.09

0.17

0.45

1.49

0.71

1.04

7.1

18.3

67

17.3

3.32

0.23

0.12

0.52

1.82

0.91

1.02

6.7

21.3

68

21.9

3.42

0.08

0.18

0.51

1.66

0.39

0.93

8.5

21.2

69

21.1

2.06

0.27

0.23

0.60

1.16

2.03

0.90

9.9

21.5

70

23.7

3.87

0.08

0.17

0.40

1.82

0.95

1.12

8.5

18.0

71

18.1

2.09

0.16

0.16

0.67

1.18

0.60

0.93

10.8

20.8

72

15.4

3.12

0.15

0.14

0.60

1.76

0.43

0.90

5.9

21.7

73

23.8

3.17

0.18

0.18

0.45

1.56

■ 0.53

1.05

10.1

20.7

74

18.6

2.72

0.10

0.15

0.53

1.51

0.44

1.02

8.9

21.1

75

15.6

3.33

0.12

0.14

0.49

2.02

0.44

0.98

36.1

25.2

76

18.4

2.77

0.24

0.23

1.01

1.39

0.45

1.11

8.0

16.4

77

18.2

3.15

0.15

0.14

0.49

1.66

0.55

1.05

7.6

21.2

78

20.5

3.57

0.14

0.15

0.44

1.25

0.62

0.93

10.1

23.0

79

15.4

2.43

0.13

0.16

0.39

1.15

0.85

0.93

6.8

24.9

80

13.6

2.19

0.07

0.15

0.62

1.35

0.42

0.73

9.2

23.5

81

21.0

2.89

0.17

0.10

0.57

1.07

0.95

1.00

12.5

15.0

82

30.2

3.78

0.18

0.12

0.58

1.47

1.09

1.34

10.9

18.0

83

27.8

3.75

0.11

0.11

0.60

1.24

1.04

1.37

11.4

22.4

K

Ca-f

-ocr page 347-

Mg bloedserum m.

Dagen in

kA EA

Mg blood serum

de wei

Grondsoort^)

Verwacht

Gevonden

Verschil

Days on

SoiP-)

Expected

Found

Difference

pasture

! 167

1.0

0,5

4-

12

C

— 170

0.8

0,5

4

B

— 136

<0.1

0,6

_

G

1 7

<0.1

1,0

21

A

— 51

<0.1

0,6

10

B

1 — 60

<0.1

_

G

— 174

<0.1

1,3

4-

_

B

— 110

0.5

0,8

17

G

— 75

0.7

0,3

6

G

— 28

1.35

0,4

4-

6

A

\' — 125

1.45

( )

27

G

— 169

0.8

21

G

— 214

1.1

0,6

4-

21

G

— 103

1.35

0,4

4-

12

C

58

2.6

0,5

4- 4-

19

G

— 60

2.0

0.7

4- 4-

21

G

— 40

2.15

0,4

4- 4-

26

G

— 158

<0,1

42

G

11

1.8

0,6

4-

8

G

— 19

<0,1

0.4

6

A

— 58

0,6

0,4

4

B

24

19

A

85

0,05

0,5

14

G

..... 183

1.1

0,5

4-

15

B

74

0.5

0,9

14

G

72

0.8

0,5

10

G

10

1,25

0.4

4-

14

B

108

2,75

0.4

4- 4-

42

B

— 133

0.4

0,5

13

G

4 73

2,5

0,6

4- 4-

23

G

34

1,7

0,4

4-

14

G

— 71

1,25

0.5

4-

4

G

— 43

1,8

0.6

4-

18

G

— 54

1,5

0,5

4-

30

B

224

2,55

0,5

4- 4-

28

G

— 84

1,25

0.3

4-

31

G

— 50

0.7

0,7

30

B

— 66

2.5

0.5

4- 4-

30

G

4- 124

2.8

0.4

4-

34

B

56

0.05

_

— 178

<0,1

0.6

1

G

— 190

<0,1

21

A

^--

1129

-ocr page 348-

No.

%

%

%

%

%

%

%

%

mg Cu

ruwe

Kj

Eiwit

K

Na

Mg

Ca

Cl

SO4

P-205

.\'kg\'

celst.

Ca

84

27.4

3.44

0.10

0.11

0.53

1.40

0.93

1.19

9.7

17.5

2.\'

85

21.9

3.25

0.18

0.10

0.48

1.99

0.86

0.97

9.2

16.9

2.1

86

21.0

3.47

0.08

0.11

0.41

1.74

0.88

1.14

10.0

20.3

3.(

87

20.7

3.55

0.20

0.10

0.40

1.70

0.74

1.12

8.1

18.9

3.2

88

23.3

3.68

0.14

0.11

0.36

1.11

0.94

1.12

9.9

17.9

3.4

89

19.0

3.71 X

0.26

0.10

0.50

1.94

0.77

1.02

8.4

19.7

2.{

90

17.5

3.10

0.16

0.08

0.49

1.31

0.58

0.89

10.6

20.4

2.5

91

20.7

2.73

0.23

0.10

0.39

1.12

0.88

0.98

10.1

17.8

2.3

92

18.7

3.03

0.21

0.11

0.49

1.78

1.04

1.08

14.5

20.0

2.3

93

20.8

2.83

0.10

0.11

0.39

1.07

0.72

0.94

9.2

21.5

2.5

94

28.6

3.49

0.21

0.11

0.41

1.83

1.12

1.05

14.1

17.8

3.C

95

25.2

3.07

0.17

0.12

0.43

1.57

0.91

1.09

11.4

20.2

2-j

96

20.3

3.16

0.19

0.10

0.42

1.45

1.03

1.02

8.7

20.8

2.\'

97

18.1

3.44

0.11

0.12

0.49

2.24

0.82

1.10

9.0

22.6

2.

98

19.1

2.93

0.30

0.14

0.38

1.43

0.87

0.99

10.8

22.3

2.

99

14.6

2.72

0.12

0.11

0.37

1.10

0.66

0.93

9.5

21.7

2.

100

21.3

3.54

0.12

0.12

0.43

1.86

0.94

1.09

13.0

20.7

2.

10!

26.3

3.16

0.17

0.11

0.60

1.37

0.76

0.98

9.4

17.5

2.

102

23.0

3.64

0.22

0.11

0.52

1.94

1.29

1.17

11.8

16.6

2.e

103

28.9

3.58

0.24

0.12

0.43

1.85

1.55

1.05

11.6

15.7

2.!

104

23.8

3.43

0.19

0.10

0.58

1.90

0.92

1.05

7.5

20.0

2.3

105

26.5

3.01

0.42

0.10

0.55

1.92

0.83

1.01

10.0

20.6

2.1

106

15.4

2.49

0.24

0.09

0.49

1.59

0.83

1.06

6.3

18.0

2.(5

107

17.7

3.34

0.14

0.13

0.34

1.76

0.56

0.92

9.0

20.5

3.d

108

22.2

3.26

0.17

0.12

0.44

1.65

1.07

1.03

9.0

19.6

2.^

109

15.2

3.22

0.18

0.13

0.52

1.29

0.63

0.96

13.8

23.5

110

2.87

0.13

0.09

0.36

1.08

0.68

0.94

10.2

19.5

111

22.4

3.54

0.13

0.12

0.45

1.47

0.65

0.99

9.5

20.0

2i

112

21.1

3.01

0.19

0.12

0.44

2.06

0.93

0.95

13.3

17.4

2A

113

19.6

2.23

0.29

0.23

0.41

1.42

1.07

0.73

14.2

25.9

1-4

114

22.8

3.51

0.15

0.13

0.41

1.77

1.11

1.15

10.8

20.1

115

16.3

2.18

0.14

0.12

0.52

1.05

0.94

0.62

12.1

22.5

\'j

116

18.1

2.56

0.18

0.10

0.58

1.15

0.66

0.93

6.1

20.8

117

18.1

3.46

0.25

0.13

0.81

2.07

0.70

1.12

9.3

22.1

l.j

118

22.6

4.19

0.27

0.17

0.49

2.65

0.96

1.11

13.9

22.3

2-1

119

14.0

2.31

0.24

0.10

0.55

1.09

0.55

0.85

4.2

26.2

b. Bemesting:

gier e.a., geen

kali

(Liquid manure, no potassium)

1

120

22.14

3.06

0.21

0.13

0.68

1.09

0.78

0.82

12.0

15.5

1.:

121

33.11

3.52

0.15

0.16

0.74

1.11

1.12

0.98

15.0

13.6

2.;

122

22.3

2.91

0.28

0.15

0.66

1.03

0.87

0.82

13.4

17.2

i.f

123

28.8

3.78

0.14

0.12

0.60

1.19

1.59

0.75

11.1

15.7

2.\'

124

23.19

3.43

0.17

0.13

0.64

1.44

1.42

0.67

12.2

20.0

2.(

-ocr page 349-

Mg bloedserum mg%

Dagen in

AA

EA

Mg blood serum

de wei

Grondsoort\')

Verwacht

Gevonden

Verschil

Days on

Soil^)

Expected

Found

Difference

pasture

334

— 248

<0.1

0.3

5

C

170

— 88

<0.1

0.5

2

C

249

- 187

<0.1

0.6

6

C

361

— 191

<0.1

0.5

6

G

494

— 203

<0.1

0.4

7

G

355

— 99

_

9

G

372

— 65

<0.1

0.6

1

C

300

— 137

0.25

0.7

7

G

147

— 121

0.55

0.4

3

G

315

— 112

0.45

0.6

12

G

235

- 149

<0.1

0.5

5

A

227

— 147

<0.1

0,4

12

C

268

— 139

<0.1

0.6

8

G

|125

— 121

0,5

0.7

7

G

296

— 113

1,3

0.3

4-

28

B

301

- - 118

1,7

0.4

4-

6

B

237

— 147

<0,1

0.5

7

G

338

— 25

<0,1

1,0; 0.3

5

G

211

— 144

<0,1

0.4

5

A

175

— 130

<0,1

1,1

4-

4

G

233

— 73

<0,1

1,0

4-

8

C

238

— 70

<0,1

0,4

6

B

119

— 129

1.35

(4-)

_

G

302

— 112

0.95

0,4

3

G

219

— 116

<0.1

_

G

407

— 39

1.45

0,4

4-

10

G

344

— 143

0.5

30

G

413

— 94

<0.1

4

G

78

- - 82

0.45

0.3

28

G

73

86

2,75

0.5

4- 4-

2

G

233

— 174

<0,1

0.4

1

G

127

4- 97

2.1

0,3

4- 4-

42

G

>72

— 22

1,0

0,6

4-

28

G

>64

38

0,75

0,8

30

C

!41

— 84

0,25

0,4

2

C

!72

— 2

1,95

0,6

4-

28

G

104

100

0.5

2,0

4- 4-

2

B

120

4- 87

<0.1

5

A

i95

106

1.1

0,3

4-

7

A

!61

4- 81

<0.1

0,4

5

A

!50

143

<0.1

0.4

6

.A

j
l

1131

-ocr page 350-

%

%

%

%

%

%

%

% rag Cu

ruwe

K

No.

Eiwit

K

Na

Mg

Ca

Cl

SO4

P2O5

ikg

celst.

Ca l

125

21.0

3.57

0.12

0.12

0.66

1.23

1.02

0.77

11.4

19.5

2.

126

18.51

3.18

0.19

0.14

0.63

1.90

0.67

0.89

11.0

18.7

1.

127

22.64

4.07

0.17

0.13

0.52

2.07

1.27

0.97

10.2

18.1

2.

128

18.4

2.91

0.11

0.22

1.58

0.66

0.48

0.61

23.3

19.6

0.

129

25.3

3.46 X

0.19

0.16

0.49

1.79

0.59

0.81

12.5

19.4

2.

130

24.3

3.71

0.20

0.17

0.50

1.83

0.76

0.87

11.4

17.7

2.

131

20.0

3.75

0.17

0.13

0.65

2.46

0.48

0.66

9.3

21.4

2.-

132

19.69

2.92

0.12

0.15

0.70

1.14

0.67

0.66

8.7

22.6

1.

133

16.79

3.42

0.12

0.15

0.59

1.27

0.27

0.64

8.8

22.1

2.\'

134

16.98

3.15

0.22

0.15

0.67

1.35

1.05

0.76

9.2

21.6

1.

135

23.34

3.04

0.27

0.15

0.41

1.72

0.65

0.94

13.8

18.3

2.

136

20.3

3.55

0.25

0.11

0.45

1.20

1.30

1.05

10.7

16.4

2.

137

24.81

3.00

0.24

0.11

0.50

0.58

1.29

1.30

9.6

17.1

2.

138

26.29

3.66

0.18

0.11

0.60

0.69

1.18

1.12

12.9

16.2

2.

139

20.1

2.34

0.26

0.16

0.38

1.22

0.86

1.02

11.9

17.6

1.

140

23.33

3.46

0.19

0.13

0.53

1.33

0.74

1.22

11.2

17.4

2.

141

24.4

4.13

0.16

0.13

0.66

1.50

0.80

1.23

10.1

17.4

2.

142

22.5

3.77

0.25

0.13

0.55

1.93

0.65

0.96

9.4

17.9

2.

143

18.7

3.56

0.24

0.10

0.41

1.84

0.84

1.14

6.0

18.3

3.

144

28.4

4.24

0.20

0.11

0.38

0.75

1.54

0.98

9.1

19.6

3.1

145

23.1

3.50

0.15

0.12

0.48

1.39

0.87

1.00

10.0

18.0

2.(

146

22.45

3.71

0.19

0.13

0.84

1.56

0.85

1.07

9.4

20.5

1.

147

24.38

3.45

0.13

0.13

0.63

1.15

0.72

1.04

14.9

17.0

2.

148

20.0

3.34

0.15

0.13

0.45

1.74

0.84

0.98

7.5

22.9

2.

149

22.2

4.19

0.27

0.11

0.64

2.30

1.01

1.29

20.9

20.1

2.

150

25.9

3.83

0.16

0.10

0.57

1.66

1.47

0.88

10.5

18.6

2.

151

16.8

2.97

0.21

0.15

0.64

1.19

0.91

0.89

8.6

19.9

1.

152

18.0

3.20

0.17

0.13

0.53

1.68

0.73

1.04

7.7

19.5

2.

153

19.4

3.52

0.13

0.11

0.68

1.93

0.98

1.08

7.3

19.2

2.

154

18.95

3.38

0.29

0.11

0.53

1.51

0.55

1.00

7.9

20.0

2.

155

22.8

3.53

0.52

0.12

0.42

2.17

0.65

0.99

11.8

20.4

2.

156

23.21

2.81

0.27

0.15

0.59

1.21

1.93

1.12

18.5

15.0

1.

157

18.27

2.95

0.23

0.14

0.57

0.94

1.54

0.90

9.0

18.4

2.

158

23.48

2.69

0.26

0.15

0.59

0.83

1.47

0.86

12.3

16.6

1

159

25.31

3.20

0.15

0.13

0.42

0.90

1.26

1.50

13.1

16.5

2.

1602) 17,16

3.34

0.24

0.13

0.78

1.41

0.92

1.09

7.3

17.6

1

161

18.24

3.08

0.32

0.16

0.47

1.38

1.31

0.95

10.7

22.7

2

162

23.5

3.34

0.14

0.16

0.30

0.89

1.19

1.06

12.6

20.2

3

163

19.62

2.85

0.12

0.15

0.38

1.32

0.89

0.96

9.7

19.3

2

164

18.93

4.07

0.31

0.15

0.48

1.71

1.77

1.06

11.4

23.6

2

165

17.68

3.12

0.14

0.17

0.31

1.26

0.91

1.02

8.8

22.8

2

166

17.86

3.30

0.17

0.17

0.54

1.38

1.33

1.19

11.2

20.4

2

-ocr page 351-

Mg bloedserum mg% Dagen in

Mg blood serum je wei Grondsoort^)

AA

Verwacht

Gevonden

Verschil

Days on

SoiP

Expected

Found

Difference

pasture

|07

4-

103

<0.1

0.3

28

B

4-

53

1.2

( )

1

B

ke

43

<0.1

0.4

5

C

07

4-

531

2.45

0.4

4- 4-

8

C

40

4-

35

21

G

f62

4-

22

0.45

0.7

13

B

>40

4-

152

0.1

0.3

21

B

137

4-

193

1.45

( )

)13

4-

147

1.45

0.2

4-

14

A

i02

4-

136

1.65

0.6

21

B

!75

69

0.8

G

i07

.—

129

<0.1

0.4

14

B

129

209

<0.1

B

i74

84

<0,1

0.5

7

A

.87

109

2.05

B

[139

144

<0.1

0,4

6

A

137

— -

84

<0.1

0.4

10

A

f94

24

<0.1

131

205

<0.1

0.3

6

G

i39

234

<0.1

0.5

14

B

|88

83

<0.1

0.4

2

A

15

4-

74

<0.1

0.5

7

A

66

18

<0.1

0.5

A

54

82

0.45

0.4

17

G

30

136

<0.1

10

A

76

-

5

<0.1

0.5

31

B

25

4-

66

1.8

0.5

5

A

!67

67

1.0

0.6

14

A

!09

27

<0.1

0.3

7

A

150

68

0.1

G

182

109

<0.1

0.5; 0.7

6

A

93

56

1.05

0.4

4-

6

B

269

4-

30

1.4

0.4

4-

8

A

261

4-

54

1.2

0.4

4-

1

A

i58

307

<0.1

0.4

7

A

569

4-

35

1.05

( )

A

!65

34

1.65

0.5

4-

9

A

117

165

0.7

0.5

12

C

i24

93

1.5

0,6

4-

5

C

i25

85

0.5

0.8

14

B

il4

126

1.85

( )

3

G

i52

93

1.7

0,4

4-

23

A

-ocr page 352-

No.

%
Eiwit

%
K

%
Na

%
Mg

%
Ca

%
Cl

%
SO<

%
P2O5

mg Cu
ikg

ruwe
celst.

K

Ca \\

167

21.97

3,90

0,25

0,16

0.51

2.03

1.33

1.19

10,7

20.8

2.5

168

22.6

4,13

0,29

0,21

0.61

1.35

1,02

1.35

15,2

21.3

2,2

169

23,3

3,86

0,15

0,21

0.71

1.76

0.56

1.32

13,4

16.3

1,8

170

19,9

4.09

0,22

0.15

0.64

1.91

0.55

1.41

14,3

22.6

2,3

171

23,7

4,76 X

0,16

0.16

0.40

1.80

0.81

1,32

14,0

18.0

3,6i

172

24,7

3.68

0.19

0,21

0.43

1.83

0.71

1,23

15,2

22.7

2,4:

173

17,5

3.65

0.20

0,18

0.53

2.04

0.73

0.84

11,3

23.0

3.4!

174

20,6

2,89

0,20

0,20

0,32

1,28

0.92

1,21

14,2

20.3

2.2

c. Bemesting: andere meststoffen dan kali

en gier

(other fertilizers, no potassium, no liquid manure)

175

24,6

3.28

0,07

0.17

0,54

1.02

1.57

1,34

13,1

15.3

2,0;

176

25,1

2,99

0,14

0.18

0,59

0,66

1.28

1,06

14,9

15.2

1,7:

177

23,8

3,41

0,10

0.14

0,60

1,13

1.11

1.18

9,0

17.3

2,1

178

23,5

3,66

0,17

0.18

0,45

1,91

0.89

0.67

12,2

2,5

179

27.0

3,31

0,12

0.19

0.51

1,69

1.31

1.06

16,6

16.8

2,0(

180

27.3

3,22

0,11

0.16

0.47

0,47

0.52

0.61

11,6

17.3

2.2,

181

18.4

2,28

0,09

0.22

0.65

0,74

1.23

0.97

14,8

17.3

l.ll

182

18.9

1,93

0,11

0.18

0.73

0,75

1.24

1.22

13,2

18.2

0,9

183

19.1

3,15

0,14

0.24

0.65

1,61

1.22

0.94

7,4

22.9

1,5!

184

21,7

3,04

0,05

0,19

0.37

0,69

0.99

1.05

7,0

18.2

2.2(

185

21,4

3,58

0,12

0.16

0,62

1,36

1.46

0.99

12,6

19.2

2,07

186

22,0

3.42

0,03

0.17

0,53

0,66

0.93

0.70

10,5

19.4

2.1^

187

28,7

4,28

0,06

0.17

0,45

1,18

1,59

1.05

8,2

17.8

2,4^

188

17,5

4,49

0,05

0.19

0.49

1,23

0,78

0.64

7.3

17.6

2,8^

189

23,3

4.48

0,08

0.19

0.49

1,26

1,29

0,48

11.0

17.5

2,86

190

19,7

3,06

0,05

0.18

0.35

1,46

1,00

1.12

8,5

16.4

2,42

191

19,9

2,96

0.07

0.22

0.73

1,41

1,22

1,33

9,4

19.4

1.38

192

25.8

4,13

0,09

0.22

0.38

1,90

1,35

1,40

12,0

20.0

2.83

193

20.9

2.99

0.15

0.22

0,53

1,64

1,24

l.Il

11,7

20,9

1,72

194

21,6

2,31

0.29

0.14

0,95

1,21

1,28

1.00

12,1

14.5

1,00

195

27.2

3.95

O.ll

0.10

0,40

0,94

1,33

0.76

16,3

17.7

3.58

196

26.4

3,34

0.09

0,10

0,40

0,83

1,35

0.96

13.1

16.2

3,02

197

19.9

2,35

0.24

0,13

0,46

0,65

0,96

0.96

10.7

15.3

1,79

198

23.2

3,06

0.27

0.13

0,43

1,33

1,05

0.88

10.4

18.6

2,431

199

27.4

2,97

0.18

0.13

0,82

0,86

1.65

1.28

11.7

18.4

1,47|

200

25.1

3,68

0.10

0.12

0,54

1,18

1,58

1.09

11.0

17.5

2,56

201

25.1

4,73 X

0,15

0.11

0,48

1,69

1,32

0,83

3.11

202

23.4

3,55

0,27

0.10

0,54

1,35

1.23

0.84

12.3

18.8

2.58

203

24.4

3,53

0,23

0.10

0,42

1,60

1.40

1.05

8.7

18.4

3.09

204

20,8

2.66

0,09

0.12

0,37

1,32

0,98

0,90

10.0

18.3

2.20

205

22,5

2,57

0,38

0.12

0,52

1,03

1,29

0,81

8.4

19.6

1.71

206

23,8

3.54 X

0,41

0.12

0,53

2,13

1,16

0,99

7.5

2.49

1134

-ocr page 353-

Mg bloedserum mg%

Dagen in

AA

EA

Mg blood serum

dc wei

Grondsoort^)

Verwacht

Gevonden

Verschil

Days on

SoiP )

Expected

Found

Difference

pasture

357

— 216

0.35

0.5

17

A

590

— 93

1.25

( )

A

1 439

— 31

0.95

0.5

7

A

; 489

-- 154

0.35

0.5

12

A

611

— 426

_

_

_

: 361

— 132

1.3

0.3

4-

14

B

1 293

4- 58

1.65

0.4

4-

16

A

1 274

- 187

2.1

{4- )

A

254

— 156

0.8

0.5

7

A

i 373

-- 6

1.25

0.3

4-

7

B

\' 366

— 85

0.05

0.5

11

B

287

4- 90

0.85

0.7

7

B

149

— 37

0.95

0.4

5

C

631

4- 109

0.25

0.4

5

A

\'1 157

95

2.6

0.6

4- 4-

6

A

72

-..... 4

2.7

0.5

4- 4-

4

C

159

4- 124

2.45

2.2

_

A

399

— 103

1.25

0.3

4-

3

C

280

4- 22

0.8

0,5

10

A

508

4- 109

1.05

0.4

4-

1

A

457

- 79

<0.1

0,5

28

B

662

131

1.3

0.6

4-

22

A

557

4- 198

0.6

0.6

45

B

186

— 151

1.8

2.1

4-

2

C

135

— 17

2.3

0.7

4- 4-

10

C

279

— 221

1.25

( )

B

109

— 23

2.2

( )

B

109

66

1.6

0.3

4-

8

A

i 517

— 39

<0.1

0.7

9

A

379

— 124

<0.1

0.5

6

B

322

— 69

1.6

0,6

4-

7

B

i 306

— 50

0.3

1,0

4-

11

A

; 251

- - 25

<0.1

0,7

3

B

323

— 92

<0.1

0.8

14

A

523

— 21

6

B

388

4- 5

<0.1

0.5

19

B

260

— 152

<0.1

0.6

10

B

144

— 96

0.95

0.7

20

B

263

4- 17

1.05

0.5

4-

32

B

241

— 54

29

R

-ocr page 354-

No.

%

%

%

%

%

%

%

%

mg Cu

ruwe

K

Eiwit

K

Na

Mg

Ca

Cl

SO4

P-.OB

,\'kg

celst.

Ca M

207

23.0

3.52

0.19

0.13

0.42

1.35

1.14

0.88

9.5

18.6

2,8

208

22.5

3.35

0.06

0.12

0.75

0.95

1.17

1.14

8.3

18.4

0,6:

209

20.6

3.40

0.19

0.14

0.37

2.04

0.91

1.08

11.3

20.4

2,91

210

20.1

2.00

0.29

0.19

0.42

1.07

1.19

0.73

9.9

21.5

1,31

211

18.3

2.57

0.16

0.11

0.14

1.30

0.97

0.92

10.8

19.1

4,12

212

25.6

4.32

0.09

0.11

0.54

1.41

1.37

1.01

13.3

18.8

3.07

213

22.5

3.60

0.25

0.13

0.46

1.62

1.41

1.06

10.6

20.9

2.74

214

24.5

2.64 X

0.05

0.12

0.76

0.63

0.75

1.02

14.8

1.41

215

28.3

3.55 X

0.11

0.11

0.81

1.01

i.aa

216

25.1

3.57

0.10

0.11

0.51

0.99

1.03

0.93

14.4

14.3

2.64

217

26.6

3.59

0.08

0.11

0.72

0.98

0.75

1.02

11.6

14.5

1.84

218

24.6

3.43

0.08

0.12

0.62

1.04

1.11

1.16

9.5

16.9

2.15

219

24.0

3.18

0.17

0.11

0.56

0.99

0.78

0.87

13.0

19.4

2.2c

220

23.7

2.97

0.11

0.13

0.81

0.92

0.76

0.98

10.2

16.7

1.49|

221

27.2

3.55

0.12

0.13

0.50

0.89

0.84

1.16

10.5

17.3

3.641

222

32.9

3.81

0.15

0.13

0.40

1.41

1.17

1.36

10.6

18.1

3.18

223

25.6

3.80

0.15

0.14

0.54

1.26

0.66

0.91

11.5

18.8

2.53

224

22.9

2.49

0.47

0.15

0.64

1.54

0.63

1.16

6.7

21.6

1.43j

225

22.0

4.67

0.10

0.13

0.76

1.81

0.32

1.13

9.8

17.8

2.46

226

23.4

3.40

0.12

0.14

0.63

1.48

0.71

0.99

13.2

18.9

2.03

227

17.8

3.11

0.04

0.17

0.41

1.46

0.66

1.04

12.7

19.3

2.28

228

19.7

2.92

0.04

0.11

0.70

1.10

0.51

0.88

11.9

22.6

1.70

229

4.11

0.13

0.10

0.40

1.93

1.01

1.19

9.7

18.8

3.72

230

25.4

3.18

0.20

0.15

0.55

0.88

1.00

1.14

11.4

13.8

2.ü4j

231

28.0

4.01

0.17

0.14

0.69

1.41

0.92

1.20

11.8

14.6

2.23

232

26.9

3.44

0.23

0.14

0.47

0.86

1.28

1.22

18.7

14.9

2.52

233

23.9

3.25

0.12

0.22

0.68

0.88

1.59

1.11

11.0

13.7

1.6C

234

23.7

2.98

0.14

0.17

0.71

0.96

1.55

1.27

11.3

16.4

1.54

235

27.4

3.51

0.15

0.14

0.44

1.35

1.76

1.13

10.6

16.7

2.54

236

24.4

3.22

0.20

0.16

0.64

1.52

1.51

1.43

12.7

16.6

1.83

237

29.3

3.58

0.21

0.19

0.48

0.85

1.15

1.07

13.4

16.5

2.31

238

24.6

3.34

0.16

0.22

0.68

1.13

0.92

1.13

11.0

16.1

1.63|

239

17.1

1.64

0.21

0.21

1.07

0.93

0.89

1.01

16.0

17.4

0.63

240

25.5

3.60

0.22

0.15

0.48

0.74

1.09

1.00

16.0

16,6

2.54

241

26.2

3.26

0.18

0.15

0.46

1.43

1.21

1.24

14.9

19.1

2.36i

242

22.5

3.88

0.22

0.17

0.43

1.63

0.95

1.05

16.1

19,8

2.77!

243

29.0

3.49

0.15

0.16

0.76

0.87

1.82

1.27

12.5

16,3

1.75

244

27.6

3.54

0.24

0.18

0.19

1.01

1.01

1.13

14.3

16,6

3.74.

245

21.5

3.06

0.20

0.15

0.52

1.09

1.05

1.22

21.5

17,5

2.04

246

24.2

3.12

0.15

0.15

0.60

1.01

0.96

1.13

13.5

17,6

1.89

247

23.8

3.07

0.27

0.16

0.60

1.07

0.69

1.15

14.8

17,8

1.82

248

23.2

3.13

0.18

0.12

0.49

1.13

0.82

1.21

14.7

16,9

2.53

-ocr page 355-

Mg bloedserum mg% Dagen in

Mg blood serum__Grondsoortl)

AA EA

Verwacht Gevonden Verschil Days on SoiP^)

Expected

Found

Difference

pasture

366

— 55

<0.1

0.6

18

A

1371

— 9

<0.1

0.3

1

C

1187

— 156

0.65

28

B

, 88

4- 58

2.65

i )

10

B

|l59

— -229

1.15

0.4

4-

41

B

461

— 67

<0.1

0.8

42

B

279

— 111

<0.1

_

B

364

— 102

0.65

0.9

14

A

—■

2

B

463

— 48

<0.1

0.7

4

B

!522

18

<0.1

0.6

7

B

389

— 82

<0.1

0.5

14

B

427

4- 2

<0.1

0.6

5

A

,390

4- 97

0.35

0.9

21

C

,534

— 133

<0.1

___

,A

398

— 268

<0.1

21

A

545

0

<0.1

1.0

4-

21

B

276

— 33

1.25

0.5

18

B

660

4- 9

<0.1

0.5

5

A

356

- 25

0.15

0.4

10

B

260

— 94

1.85

1.4

13

B

344

67

0.5

1.0

4-

14

B

354

— 221

<0.1

0.3; 0.3; 0.4; 0.5

2

B

445

— 84

0.35

0.8

2

B

510

-- 48

<0.1

0.7

4

A

470

— 166

<0.1

0.3

4

A

305

4- 51

1.8

0.4

4-

6

A

230

— 43

1.25

0.5

4-

4

B

215

— 142

1.05

0.4

4-

5

B

■168

— 153

0.7

0.4

5

E

[527

— 56

0.6

0.7

5

i414

4- 43

1.65

0.5

4-

6

A

64

4- 280

3.1

0.9

4- 4-

4

B

\'581

— 60

<0.1

0.7

4

1257

— 171

0.1

0.7

2

B

!431

— 89

0.55

0.3

26

.A

j334

— 26

<0.1

0.5

5

B

,515

— 234

0.45

0.9

12

B

i343

— 133

1.05

0.5

4-

8

B

369

— 46

0.6

1.0

4-

10

A

457

— 55

0.9

0.5

12

C

389

— 167

<0.1

2.5

4- 4-

1

B

-ocr page 356-

No.

%
Eiwit

%
K

%
Na

%
Mg

%
Ca

%
CI

%

SO4

%
P2O5

mg Cu
/kg

ruwe
celst.

K

249

25.3

3.65

0.10

0.09

0.41

1.13

1.00

1.14

15.1

17.9

2.6

2502) 31 1

4.27

0.20

0.13

0.65

1.30

1.01

1.35

15.0

16.9

2.5

2512)

23.1

3.32

0.17

0.21

0.98

0.81

0.90

1.34

14.2

15.4

1.3

252

23.7

3.66

0.16

0.12

0.54

0.91

1.08

1.04

16.2

17.0

2.3S

253

22.2

3.70

0.15

0.13

0.65

1.53

0.84

1.24

13.1

17.4

2.21

254

24.3

3.81 X

0.14

0.12

0.48

0.91

1.04

1.00

14.5

17.7

2.8

255

21.8

3.09

0.10

0.12

0.33

1.52

0.62

1.02

14.5

19.1

3.a

256

23.4

3.52

0.15

0.11

0.52

1.92

1.10

1.39

13.5

19.2

2.5i

257

15.9

2.82

0.13

0.11

0.50

1.24

0.45

1.16

8.9

22.6

2.8t

258

18.4

2.31

0.15

0.10

0.37

1.33

0.71

1.09

16.6

19.6

2.1:

259

14.3

2.47

0.15

0.07

0.51

1.34

0.76

1.22

13.6

20.2

2.0,

d. Bemesting: chili e.a.; geen kali, geen gier
(Chile a.o.; no potassium, no liquid manure).

260

33.0

3.56

0.15

0.08

0.43

0.48

0.96

0.95

11.4

14.8

261

23.6

3.53

0.25

0.10

0.45

1.41

0.92

0.91

11.8

19.4

262

16.8

2.38

0.53

0.14

0.63

1.38

0.79

0.96

9.7

16.6

263

20.1

3.13

0.37

0.11

0.30

1.20

0.45

1.06

9.4

20.0

264

22.8

3.98

0.23

0.12

0.39

1.84

0.71

0.98

11.5

21.2

265

16.1

2.84

0.13

0.12

0.30

1.08

0.48

0.78

6.4

24.0

266

11.8

1.92

0.22

0.10

0.51

0.76

0.51

0.56

5.1

31.1

e. Bemesting: slootaarde e.a.; geen kali, geen gier
(Mud from ditches; no potassium; no liquid manure).

267

25.2

3.00

0.14

0.10

0.48

0.71

1.11

0.87

8.8

17.1

2.,3<

268

24.9

3.39

0.15

0.11

0.76

0.70

0.91

0.92

13.5

15.7

1.8!

269

27.6

3.69

0.22

0.11

0.42

0.88

1.09

0.96

12.1

15.8

3.1\'

270

28.0

3.45

0.26

0.11

0.61

1.34

1.03

0.92

12.7

16.4

2.2

271

19.8

2.47

0.22

0.12

0.66

0.82

0.82

0.91

12.9

15.7

1.4

272

25.6

3.76

0.23

0.13

0.62

1.64

1.17

1.14

15.7

18.0

2.3

273

23.1

2.97

0.29

0.11

0.56

1.06

0.94

0.94

9.6

17.4

2.0

274

20.6

4.24

0.18

0.10

0.43

0.81

1.13

1.09

12.3

18.3

3.6!

275

25.8

3.56

0.16

0.11

0.44

1.13

1.13

0.93

9.4

18.1

2.9:

276

26.0

4.11

0.23

0.14

0.49

1.22

1.09

1.17

12.6

14.5

2.9!

277

27.7

3.55

0.43

0.14

0.62

1.03

0.90

1.10

11.7

16.5

2.1\'

278

24.5

3.36

0.18

0.13

0.68

1.35

0.53

1.13

10.0

16.9

1.9:

279

31.1

3.87

0.28

0.13

0.60

1.39

0.93

1.04

9.2

16.2

2.4.

280

32.5

4.56 X

0.18

0.10

0.58

2.06

1.24

3.1\'

281

25.7

3.50

0.25

0.13

0.45

1.39

1.07

0.82

14.1

20.0

2.61

282

17.8

2.85

0.44

0.12

0.51

1.64

1.05

0.96

11.8

18,4

2.0;

283

21.2

3.61 X

0.17

0.13

0.47

1.35

1.23

1.18

9.6

19.1

2.7\'

284

18.6

3.51

0.22

0.11

0.54

1.36

1.05

0.95

7.9

19.8

2.41

-ocr page 357-

Mg bloedserum

mg%

Days on

AA

EA

Mg blood serum

pasture

Grondsoort\')

Verwacht

Gevonden

Verschil

Dagen in

Soil^)

:

Expected

Found

Difference

de wei

[50

- 203

<0.1

0.3

5

C

P

— 139

<0.1

i )

A

p

96

1.7

( )

A

25

- - 70

<0.1

0.3

12

A

jo5

93

<0.1

j62

— 120

4

C

pe

- 167

0.25

0.6

18

B

p5

— 237

2.01

( )

15

B

P

— 150

1.3

0.9

4-

21

C

i33

■ 194

1.25

(4-)

h

— 203

1.1

( )

41

— 120

<0.1

0.5

14

A

22

- 78

<0.1

0.4

30

A

86

23

2.15

0.7

4- 4-

7

C

75

— 154

0.2

0.4

5

C

51

- 120

<0.1

0.5

5

C

79

— 81

1.5

0.4

4-

21

G

67

100

2.5

( 4-)

--

A

98

— 46

<0.1

0.5

1

B

45

80

<0.1

0.6

4

A

65

— 106

<0.1

0.6

6

B

03

5

<0.1

0.5

7

A

26

4- 43

1.25

0.4

4-

4

A

55

— 66

<0.1

0.4

6

B

91

— 27

<0.1

0.3

6

B

99

— 64

<0.1

0.5

6

A

127

— 83

<0.1

0.7

5

B

181

— 134

<0.1

0.4

9.

A

— 41

<0,1

0.7

5

A

(47

— 31

<0.1

0.6

3

A

26

— 33

<0.1

0.5

5

B

A

90

— 13

<0.1

B

38

48

1.2

0.6

4-

13

A

61

— 157

24

B

91

— 41

<0.1

0.4

14

B

1139

-ocr page 358-

% % % % % % % % mg Cu ruwe ^

Eiwit K Na Mg Ca Cl SO4 PaOs /kg celst. Ca M(

f. Onbemest

(No treatment)

285

22.7

2.77

0.28

0.17

0.48

1.44

0.60

0.96

13.1

17.8

1.85

286

22.5

3.07

0.41

0.17

0.59

1.03

0.57

1.14

16.6

18.7

1.81

287

28.0

2.77

0.33

0.13

0.41

1.07

0.59

1.16

22.0

17.9

2.26

288

19.7

2.89

0.12

0.20

0.62

0.72

0.71

1.20

10.0

17.9

1.53

289

24.0

4.70

0.17

0.14

0.48

1.36

1.03

1.09

9.6

18.5

3.38

290

21.4

3.40

0.36

0.19

0.49

1.90

0.51

1.19

18.4

21.3

2.17

291

23.5

3.28

0.25

0.20

0.43

1.61

0.63

1.17

15.2

19.3

2.21

A - klei (clay)
B = veen (peat)
C = zand (sand).

2) Normaal gras (normal grass).

x) Bepaald met vlamfotometer (determined by means of flame photometer).

.Andere K-cijfers met „kalignost-mcthode" (other K-data determined by means ol
„kalignost-method").

-ocr page 359-

Mg bloedserum mg%

Dagen in

AA

EA

Mg

blood serum

dc wei

Grondsoort^

Verwacht

Gevonden

Verschil

Days on

Soin )

Expected

Found

Difference

pasture

300

— 26

1.55

0.7

12

B

554

— 48

1.3

0.5

2

B

428

— 178

0.25

2.2

B

441

— 34

2.15

( )

G

678

— 106

<0.1

0.5

8

B

385

— 102

1.5

( )

_

A

363

— 113

1.5

( )

-ocr page 360-

Kopziekte in de praktijk 1l

Hypomagnesemie tetany in veterinary practice.

door G. P. A. FRIJLINK2)

Uit het Instituut Buitenpraktijk van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

Teneinde op verantwoorde wijze het kopzielcteprobleem te kunnen be-
studeren is de samenwerking vereist tussen een aantal deskundigen
ojj
verschillend gebied.

Sedert een aantal praktizerende dierenartsen nu ruim dertig jaar geleden
regelmatig met dit ziektebeeld werden geconfronteerd werd door hen in
samenwerking met biochemici en bodemkundigen baanbrekend werk ver-
richt.

Op verschillende manieren werd het kopziektevraagstuk benaderd; sta-
tistisch materiaal werd vergeleken, er werden beweidingsproeven genomen
en balansproeven opgezet. Veel is in de loop dezer dertig jaren opge-
helderd, maar ook duistere punten zijn gebleven.

Belangrijk zijn echter nog steeds de waarnemingen van de praktizerende
dierenartsen bij onderzoek en behandeling der patiënten. Temeer is dit
belangrijk, omdat de mogelijkheid bestaat dat in de loop der jaren het
klinisch beeld een wijziging ondergaat. Meerdere collegae zijn deze me-
ning toegedaan t.o.v. melkziekte.

In verband met de plaats die de praktizerende dierenarts inneemt bij het
onderzoek naar alles wat met kopziekte verband houdt, wil ik hier de pret-
tige samenwerking releveren met prof. Seekles en zijn medewerkers en
de Heer Kemp als contact-man van hen, die zich in Wageningen met
dit onderzoek bezig houden.

Het werkgebied van het Instituut Buitenj)raktijk, voor een belangrijk deel
gelegen in de van oudsher beruchte kopziektestreek, heeft in de loop der
jaren veel materiaal opgeleverd voor het onderzoek.

Onze ervaring in dit gebied is, dat ondanks de grote vorderingen welke
zijn gemaakt op het gebied der preventie, er nog geen sprake is van een
belangrijk teruglopen van het aantal ziektegevallen. Deze bevinding komt
overeen met de mededeling van de dierenarts J. B. White, gedaan op
het symposion voor hypomagnesaemie te Londen in november 1960.
We kunnen dan ook allerminst stellen dat bij de huidige stand van het
onderzoek naar de maatregelen waarmede kopziekte kan worden voor-
komen, de praktizerende dierenarts zich geen zorgen meer behoeft te
maken over de behandeling van patiënten. Waar de evolutie van de
studie in de biochemische en bodemkundige aspecten van het kopziekte-
vraagstuk voldoende in de andere voordrachten van deze dag naar voren
zullen komen, wil ik mij beperken tot die zaken, waarmede de practicus

1  Voordracht, in te leiden op 19 oktober 1963 tijdens de 110e Algemene Ver-
gadering van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht.

2  G. P. A. Frijlink, wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniversiteit
Utrecht, Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 361-

te maken had en nog heeft. Uit de omvangrijke literatuur wil ik dan
ook alleen die publicaties vermelden die voor de behandelende dieren-
artsen van direct belang waren.

Eén der eerste beschrijvingen van het klinisch beeld is die van H u i z i n-
ga (1926), die meende de diagnose „meningitis cerebrospinalis" te moe-
ten stellen.

V a n Z ij V e r d e n (19261 meende dat hier mede gevallen van kopziekte
werden bedoeld, zoals in de Rijnstreek regelmatig voorkwamen. Ook hij
geeft een beschrijving van het ziektebebeeld, dat in grote trekken overeen-
komt met het beeld zoals we dat ook nog heden kennen. Hij vestigt de
aandacht op een mededeling van P o e 1 s en L a m e r i s die een schimmel,
Puccinia, voorkomend op gras, als oorzaak zagen. Van Z ij verden ver-
onderstelt echter met een eiwitvergiftiging van uit de darm te maken te
hebben. Zijn therapie was: opstallen en luchtinsufflatie in het uier.
Sjollema beschrijft in 1928 een aantal gevallen onder de naam voor-
jaarsziekte. Hij sprak van een aan kalfzjekte verwant syndroom en op zijn
advies vonden behandelingen plaats met CaCla-injecties en wel met succes.
In de discussie na een voordracht van Sjollema tijdens de Algemene Jaar-
vergadering van de Maatschappij voor Diergeneeskunde in oktober 1928
werd de wenselijkheid naar voren gebracht bij de therapie met het ver-
schil in symptomen rekening te houden. Deze mening moeten we ook
thans nog handhaven, ondanks het feit dat de pharmaceutische industrie,
naar men zegt op verzoek van de dierenart.sen, een „uniform geneesmiddel"
in de handel brengt voor de behandeling van kop- en melkziekte.
In 1929 werd er door Van Heelsbergen op gewezen, dat de bij
runderen in het Oosten van ons land voorkomende ziekte, welke voor
kopziekte werd gehouden wel eens de z.g. Bornasche ziekte kon zijn. Deze
ziekte is een door een virus veroorzaakte enzoötische encefalomyelitis,
voorkomend bij paarden, rundereti en schapen. Een gestoorde Ca-balans
zou ook bij infectieuze zenuwaandoeningen voorkomen.
Sjollema en Seekles publiceren in 1929 nieuwe gegevens over
bloedserumonderzoek, waarbij o.m. ook Mg-bepalingen werden verricht.
Het verschil in symptomen bij kalfziekte en voorjaarsziekte (kopziekte)
werd toegeschreven aan de gevonden verschillen in de verhouding der
mineralen. Krampen bij kalfziekte zouden uitblijven door de als regel ge-
vonden hoge Mg-waarden. Ook hier werd gesuggereerd de therapie te
regelen naar de gevonden verschillen.

Eveneens werd melding gemaakt van het feit dat beide syndromen niet
steeds scherp gescheiden zijn, maar in elkaar over kunnen gaan, terwijl
er ook soortgelijke ziektesyndromen zijn waargenomen met geheel andere
oorzaken.

Seekles, Sjollema en Van der Kaay vermelden in 1930 de re-
sultaten van intraveneuze injecties met CaCla bij kalf- en kopziektepa-
tiënten. In het bijzonder werd de invloed van deze injecties op het hart
nagegaan en wel op eenvoudige wijze door auscultatie tijdens de infusie.
Het bleek van belang te zijn de snelheid van injiceren te regelen naar de
bevindingen bij de auscultatie. Geconcludeerd werd dat vooral herhaalde
injecties met Ca-zouten het hart tijdelijk functioneel konden schaden. Er
werden ook behandelingen ingesteld met Ca-gluconaat en Ca-lactaat en
daarnaast ook combinaties met andere middelen als parathormoon en
MgCl2. Gebleken is dat een combinatie van CaClg en MgCl2 in de

-ocr page 362-

juiste verliouding liet minste risico opleverde voor het hart. Het optreden
van recidive bleek niet in verband te staan met de in eerste instantie ge-
geven doseringen. Overigens waren de aantallen behandelde dieren te
gering om vergaande conclusies te trekken.

In 1931 weerleggen Sjollema en Seekles de mening van Van
Heelsbergen dat kopziekte identiek zou zijn met de Bornaziekte van
het paard. In het bloedserum ontbreekt n.1. een afwijkende minerale
samenstelling, één der hoofdsymptomen bij kopziekte. Beiden zijn het
met Van Heelsbergen eens dat een histologisch onderzoek van het
centrale zenuwstelsel van kopziekte patiënten wenselijk is.
In dit zelfde jaar deelt Sjollema nog eens uitvoerig de klinische symp-
tomen mee, zoals deze hem door verschillende dierenartsen werden mee-
gedeeld. Belangrijk is dat in deze publikatie wordt vermeld, dat aan de
acute aanvallen van kopziekte „een labiele periode van soms wel meer
dan 24 uur"\' kan vooraf gaan.

Eveneens in 1931 deelt Pulles zijn goede ervaringen mee met de intra-
veneuze Ca/Mg-therapie. Hij geeft een verbeterde infusietechniek aan;
adviseert na te gaan wat de laagst mogelijke therapeutische dosis is in
verband met de schadelijke werking van een te hoge dosis CaCl2 en
waarschuwt het luchtinsufflatie instrument niet af te schaffen, omdat de
oude therapie gehandhaafd dient te worden in gevallen waar bij hart-
auscultatie afwijkingen worden geconstateerd.

B r o e r s m a deelde in 1932 mee dat door hem verrichte secties zijn ver-
moeden bevestigden dat runderen, welke in een acute kopziekteaanval
stierven, van te voren chronisch ziek waren. Hij \\ond regelmatig degene-
ratie van lever, nier en hartspier. De sectiebeelden deden aan vergiftiging
denken.

In een praktijkmededeling wordt door K u i j) e r s in 1933 naar voren
gebracht dat een goede veehouder één tot vier dagen van te voren een
afwijkend gedrag kan waarnemen bij runderen, welke een acute aanval
van kopziekte gaan krijgen. Hij kende de ziekte reeds meer dan 30 jaar
en was steeds weer getroffen door „de verscheidenheid der symjnomen".
.\\ls oorzaak ziet hij een te rijkelijke eiwit\\oeding en tc zware stikstofbe-
mesting der weiden. Hij gelooft niet aan een te kort \\ an Ca en Mg in het
lichaam van dc patiënt, maar neemt alleen aan dat er een abnormale ver-
houding tussen deze elementen in het bloed is ontstaan. Hij ziet dit als
een gevolg van de ziekte en niet als de oorzaak. Merkwaardig doet zijn
mededeling aan dat hij succes had met preventieve behandeling van
runderen met Ca- en Mg-injecties. Hetzelfde doel bereikte hij echter ook
met een purgans.

In 1936 komt Jonker met een belangwekkende beschouwing, waarin
hij de vraag stelt of kopziekte een vorm van tetanie is of dat er overeen-
komst bestaat met het beeld van eclampsie. Hij becritiseert de publikatie
van Sjollema, waarin deze een parallel trekt tussen kopziekte en te-
tanie van het kind. Bij kinderen blijkt het beeld van latente tetanie ge-
bonden aan rachitische afwijkingen. Bewijzend voor de diagnose is ook de
verhoogde elektrische prikkelbaarheid van de perifere zenuwen. Bij deze
latente tetanie of spasmofilie der kinderen wordt de oorzaak gezien in een
hypocalcemie t.g.v. een onvoldoende functie van de bijschildklieren. Bij
de beschrijving van het klinisch beeld wordt ook schrikachtigheid ge-
noemd. Manifeste tetanie kan bij het bestaan van latente tetanie

-ocr page 363-

worden opgeroepen door secundaire oorzaken als bijvoorbeeld emotie en
voedingsstoornissen.

Waar bij runderen, die doorgaans het slachtoffer worden van kopziekte
in verband met de hogere leeftijd meest geen klinische rachitis meer be-
staat en bovendien de bewijzende verhoogde elektrische prikkelbaarheid
der perifere zenuwen nimmer is aangetoond, meent Jonker dat deze
parallel niet opgaat. Ook de steeds waargenomen verlaagde Mg-getallen
in het bloedserum van kopziekte runderen werd bij het menselijk tetanie-
beeld niet gevonden. Hij breekt dan ook een lans voor de door Dayus
uit Nieuw Zeeland gebruikte naam: „weide eclampsie".
In de zelfde publikatie stelt hij de \\raag of de eclamptische vorm van
melkziekte soms ook kopziekte is. Bij het beschrijven van enkele secde-
beelden van kopziektepatiënten valt ons op dat ook longoedeem wordt
genoemd. Deze complicade komt ook heden nog voor en is voor ons aan-
leiding de prognose infaust te stellen.

In 1949 publiceren Seekles en Van Asperen een artikel, waarin
nogmaals wordt onderstreept dat er voor de
Pathogenese van kopziekte
geen eenvoudige verklaring te geven \\alt. De gevonden lage Ca- en zeer
lage Mg-waarden in het bloedserum zouden in eerste instantie doen
denken aan een deficiëntie van een of beide dezer mineralen. Deze ver-
onderstelling bleek de auteurs niet houdbaar en zij stellen dat er bij kop-
ziekte sprake moet zijn van een ernstige verstoring van het fysiologisch
chemisch evenwicht als gevolg van een intestinale intoxicatie.
In een voordracht, gehouden door Seekles op de Algemene Vergade-
ring van de Maatschappij voor Diergeneeskunde in oktober 1952 komen
enkele andere gezichtspunten naar voren. Uit publikaties van W. M. A 1 1-
croft (Engeland) en F. Ender (Noorwegen) was gebleken dat hypo-
magnesemie en tetanie waren te voorkomen door dagelijks een zekere
hoeveelheid Mg aan het rantsoen toe te voegen.

Hierdoor kwam de oude strijdvraag weer boven of kopziekte gezien moet
worden als een deficientiezickte. Als tegenargumenten noemt Seekles
de feiten, dat op de lichte, meeste Mg-anne gronden kopziekte niet het
meest voorkomt en dat de echte deficiëntieziekten alle een lange aan-
loopperiode hebben, hetgeen bij tetanie niet het geval zou zijn. Er werd
echter niet ontkend, dat er in ons land kopziekte zou kunnen voorkomen
door een absoluut te kort in het voedingsmagnesium.
In de inleiding van een artikel van Seekles en Boogaert in 1955
wordt geconcludeerd dat kopziekte een bijzondere vorm van indigestie is,
waarbij de sterke specifieke daling van het bloedmagnesiumgehalte in de
Pathogenese een belangrijke rol speelt. In het algemeen zou een absoluut
te kort aan voedingsmagnesium hiervan niet de oorzaak zijn. De toename
van de prikkelbaarheid van weefsels en organen, resulterend in acute
tetanie als gevolg van een relatief Mg-tekort in het bloed, moet kunnen
worden voorkómen door te zorgen dat bloed en weefsels over voldoende
Mg kunnen beschikken. Hiertoe staan verschillende wegen open, waar-
van een compenserende aanvoer van Mg vanuit de darm er één is.
Deze proef werd met een groot aantal runderen uitgevoerd door het ver-
strekken van Mg-bevattende voederkoekjes. Het dagelijks rantsoen moest
50 gram Mg-oxyde bevatten. Mits ononderbroken gegeven waren de re-
sultaten goed. Bij een voortgezette proef, een jaar later, werden de ver-
kregen got>de uitkomsten bevestigd. (S e e k 1 e s en B o o g a e r d t, 1956).

-ocr page 364-

In 1958 komt wederom een mededeling uit de praktijk en wel van S i e-
b e n g a. Hij adviseert de collegae zich te interesseren voor de landbouw-
kundige zijde van het kopziekteprobleem, dat in wezen een bemestings-
probleem is. Door voorlichting van de veehouder, ook door zijn dieren-
arts, kan enorme schade worden voorkomen. Een ander advies van Sie-
benga is: zorg voor een mogelijkheid van dagelijkse opname van voldoende
Mg., niet via het voeren van Mg-koekjes, maar via de mogelijkheid van
opnemen van Mg-houdend gras. Dit kan in de eerste plaats door een
gezonde bodembemesting, en daar waar een tekort aan Mg in de bodem,
bestaat door een aanvullende Mg-bemesting.

Landbouwkundige aspecten van het kopziektevraagstuk worden in 1959
ook naar voren gebracht door Kemp, die stelt dat het vraagstuk op
verschillende manieren kan worden benaderd. Men kan in de eerste
plaats trachten meer inzicht te verkrijgen in de aard van het regelings-
m.echanisme van het dier en de mogelijkheid hier invloed op uit te oefe-
nen wanneer het scheef dreigt te gaan. Aan de andere kant kan men de
samenstelling van het voedsel gaan bestuderen en de factoren die deze
samenstelling beïnvloeden. Men zou moeten trachten deze factoren zo-
danig te beïnvloeden, dat een rationele voeding ontstaat die minder zware
eisen stelt aan het reguleringsmechanisme van het dier.
Van deze laatste mogelijkheid is het I.B.S. te Wageningen uitgegaan.
Aanvankelijk bestond dit uit een statistisch onderzoek op bedrijven uil ons
Instituut Buitenpraktijk. Later werd gewerkt met experimentele bewei-
dingsproeven. Uit dit onderzoek resulteerde een aantal adviezen voor een
juiste bedrijfsvoering van de veehouder, waarvan een behoorlijke pre-
ventieve werking uitging t.o.v. de mogelijkheid kopziekte te voorkomen.
Uit de statistische bewerking van het onderzoek op de bedrijven van de
Buitenpraktijk vonden Kemp en \'t Hart een positieve correlatie

tussen het optreden van kopziekte enerzijds en het cjuotiënt ^^ ^—^^

bij de grasmonsters welke werden onderzocht anderzijds. Het bleek dat
een ongunstig quotiënt kon ontstaan door cen te hoog kaligetal van de
onderzochte grasmonsters, maar ook door een nomiaal kaligetal en te
lage Ca- en Mg-waarden.

Ook Reinders (1959) geeft zijn visie op het verband tussen hypo-
magnesemie en voeding. Hij onderscheidt een primaire en een secun-
daire vorm van hypomagnesemie. Met de primaire vorm wordt een zui-
vere Mg- deficiëntie bedoeld, die volgens hem in Nederland weinig of
niet zou voorkomen. De secundaire vorm zou in ons land alleen gezien
worden. Voldoende Mg wordt opgenomen, maar door meerdere gecom-
pliceerde factoren wordt de resorptie in het maagdarmkanaal geremd.
Ook de uitscheiding in de urine zou te groot zijn om een voldoende re-
tentie te waarborgen.

Een aantal groeibelemmerende factoren voor de pensflora worden ge-
noemd. Deze factoren hebben alle een te geringe bacteriële opbouw en af-
braak van het voedsel in de pens tot gevolg, met als onmidddellijk gevolg
een indigestie. Hierdoor ontstaat ook een abnormale micro-flora in de
dunne darm. Een juiste verhouding van v.r.e./Z.W. zou het ontstaan van
deze toestand voorkomen en hypomagnesemie zou niet optreden.
In een overzicht van wat tot op dat moment bekend was over de ver-

-ocr page 365-

schillende inzichten t.o.v. het kopziektevraagstuk bespreekt De Groot
m 1959 een aantal publikaties van de laatste jaren, die elkaar gedeeltelijk
steunen, maar die ook ruimte laten voor verschillende hypothesen. Het bloed
Mg-gehalte is de resultante van de resorptie uit de digestietractus en de
excrede via urine en secretie via de melk. Mobilisatie uit het skelet valt
te verwaarlozen in verband met de geringe hoeveelheid en het langzame
tempo. Ook een geringe terugresorptie naar het darmkanaal valt te ver-
waarlozen, temeer daar hiervan toch ook weer een belangrijk deel op-
nieuw wordt geresorbeerd.

Bij het ontstaan van hypomagnesemie zijn twee dingen van zeer groot be-
lang, te weten de met de voeding opgenomen totale hoeveelheid Mg en de
mate waarmee dit in de digestietractus geresorbeerd kan worden, (door
anderen ook de „beschikbare hoeveelheid Mg" genoemd.) De hoeveelheid
opgenomen Mg is weer afhankelijk van de hoeveelheid droge stof welke
het rund opneemt en het Mg-gehalte van de droge stof. In het laatste be-
staat een grote variatiebreedte. De resorbeerbaarheid van het Mg hangt
van zeer veel factoren af. Van belang zou ook zijn of Mg afkomsdg is van
gras of van hooi.

Kemp en De Groot toonden in een proefje aan dat Mg-resorptie
reeds in de pens een aanvang neemt. Eenwaardige ionen bemoeilijken in
het algemeen de resorptie van tweewaardige ionen. Dit verklaart de rem-
mende werking van K, Na en tot zekere hoogte ook NH4 ionen. De
Groot concludeert, dat alhoewel de pathogenese van de hypomagne-
semie nog niet volkomen helder is, er gelukkig toch zoveel inzicht is ge-
komen dat de veehouders waardevolle adviezen kunnen worden gegeven
in verband met de strijd tegen de kopziekte.

In 1961 geeft D e G r o o t een ovei-zicht van zijn publikatie in „The British
Veterinary Journal"
betreffende de invloed \\an het serum Mg-gehalte op
het elektrocardiogram van melkkoeien. Aangenomen mag worden dat een
langdurige hypomagnesemie een nadelige invloed heeft op de hartfuncde.
De mogelijkheid van een ongunstige invloed op de levensduur van be-
trokken runderen is niet uitgesloten.

In november 1960 bezocht ik het symposion over hypomagnesemie in
Londen en ik wil hier met een kort referaat van enkele voordrachten het
standpunt van Engelse onderzo(.>kers weergeven.

D O u g 1 a s besprak de rol van Mg in de zoogdierfysiologie. Mg speelt
een rol als catalysator bij enzymprocessen, maar daarnaast is het ook
werkzaam bij de overdracht van prikkels van zenuw naar spier. Te veel
Mg vermindert de mogelijkheid tot prikkeloverdracht, te weinig Mg ver-
oorzaakt een hypersensibiliteit van spier en zenuw. Field geeft zijn me-
ning over de resorptie en secretie weer bij herkauwers. De kennis\'is nog
onvoldoende, maar uitgebreid door het gebruik van de radioisotoop Mg2s.
Kemp bespreekt de opname van Mg uit gras en de beschikbaarheid
daarvan voor de melkkoe.

Bij de mededelingen van de practicus VV h i t e wil ik iets langer stilstaan
Ook hij stelt vast, dat het aantal gevallen van kopziekte de laatste jaren
toeneemt. Hij verklaart dit door de toename van het gebruik van kali- en
sdkstofmeststoffen. De ziekte komt voor bij melkrassen, vleesrassen en
schapen. Er sterven veel schapen aan hypomagnesemie; de diagnose is
moeilijk te stellen want de symptomen zijn vaag^ Deze waarneming werd

-ocr page 366-

bevestigd door Field (Schotland) in een persoonlijke mededeling, tijdens
een bezoek aan onze Buitenpraktijk.

White nam de ziekte ook bij kalveren waar. In ernstige gevallen geeft
hij de voorkeur aan intraveneuze injecties van gecombineerde Ca- en Mg-
oplossingen. Deze injectie wordt gevolgd door een langzaam gegeven in-
jectie van 80 cm^ 25% Mg-sulfaatoplossing. Tenslotte geeft hij nog 60
cm3 van deze oplossing subcutaan. Wanneer na enkele minuten geen
voldoende relaxatie optreedt geeft hij eveneens intraveneus langzaam 600 tot
1000 mg ehloorpromazine. Hij bepaalt de juiste dosering door de injectie
te staken bij het intreden van voldoende relaxatie. De patiënt wordt hier-
na op de knieën gezet, gesteund door strobalen en warm afgedekt. Sub-
klinische gevallen van kopziekte behandelt hij alleen met subcutane Mg-
sulfaat injecties. Zonodig worden de Mg-injecties de volgende dag herhaald
en ehloorpromazine om de 8 tot 12 uur. Recidive tracht hij te voorkomen
door zo spoedig mogelijk Mg per os te geven en dit 3 tot 4 weken vol te
houden.

De discussie werd na deze voordracht levendig gehouden door het feit
dat hiervcKsr van te voren dierenartsen uit zeer verschillende streken van
Engeland waren aangezocht. Van hun reacties laat ik alleen de door hen
toegepaste therapiën volgen.

M a c K e 1 1 e r paste de conventionele therapie toe als genoemd door
White, met dien verstande dat hij gaarne nog glycerine toediende. In
ernstige gevallen gaf hij bovendien prednisolon. De slechtste kans maakten
de dieren die \'s morgens vroeg gevonden werden en in de nacht vele men
hadden gelegen. Deze dieren toonden bij sectie bloedingen in de menin-
gen.

N i s b e t gaf 400 cm» 20% Ca-borogluconaat met fosfor en Mg intraveneus
en daarnaast 400 cm3 20% Mg-sulfaat subcutaan. Dit laatste werd zo
nodig na 24 uur herhaald. Aan alle herstellende dieren werd tien dagen
lang Mg per os verstrekt, zij werden een week binnen gehouden en op droog
voedsel gezet. In zeer ernstige gevallen gaf hij bij de eerste behandeling
bovendien 150 cm3 Mg-sulfaat, zeer langzaam intraveneus. Chloralhydraat
en ehloorpromazine waren waardevolle aanvullende behandelingsmiddelen.
S t e e 1 e-B
O d g e r \'s routinebehandeling bestond uit een intraveneuze
injectie van 3,3% Mg-lactaat. Toevoeging van ehloorpromazine, zelfs in
kleine hoeveelheden maakte dat het verloop vaak letaal was. Ook de lang-
zame intraveneuze Mg-sulfaat injecties verliepen ongunstig en waren
buiten gebruik geraakt. De laatste jaren behandelde hij acute gevallen
met een intraveneuze injectie van 500 tot 1000 mg ehloorpromazine in
400 cm3 Ca-borogluconaat. Geen Mg-zouten werden gegeven. Het ad-
vies was hem gegeven door prof. M e s s e r v y. De resultaten waren zeer
gunstig.

Anderson behandelde zijn patiënten op de zelfde wijze als White. Sub-
klinische gevallen gaf hij ook alleen Mg subcutaan. Ernstige gevallen pf
hij altijd eerst 10 cm3 van een oplossing, bevattende 3 grains pentobarbital
per cm3. Deze injectie diende hij snel intraveneus toe. De dieren werden
spoedig rustig, waarna de Ca,/Mg-oplossing werd ingespoten. Hierdoor
vei-minderde het aantal gevallen, waarbij de patiënten stierven vóór de
Ca,/Mg-injectie was voltooid. Tenslotte werd 10 tot 14 dagen lang Mg per
os verstrekt aan genezende patiënten. Eveneens werd dit gedaan met die-
ren uit de zelfde koppel, die naar zijn mening ook risico liepen.

-ocr page 367-

R o b s o n behandelde op klassieke wijze, waarbij ook een subcutane in-
jectie van Mg-sulfaat volgde. Enkele gevallen hadden echter een intra-
veneuze injectie van Mg-sulfaat of Mg-chloride nodig, al dan niet ge-
combineerd met chloralhydraat of chloorpromazine.

P i c k e r i n g tenslotte had veel lof voor de lang geleden door een Hol-
lander Sjollema aanbevolen injectie met Ca- en Mg-chloride oplos-
sing. Deze therapie had hij echter laten varen vanwege de risico\'s bij min-
der geslaagde intraveneuze toediening. Hij behandelde nu als de andere
collega\'s, maar zijn residtaten waren slecht.

Het is opmerkelijk, dat we in de zeer uitgebreide literatuur, betrekking
hebbend op het kopziektevraagstuk, steeds weer lezen over alle mogelijke
]3rcventieve maatregelen, maar dat weinig venneld wordt over mogelijke
therapiën.

Een uitzondering vormt een publikatie van Alfred Marr (1958), die
meedeelt dat de behandeling niet zo succesvol is als bij melkziekte en de
mortaliteit veel hoger ligt.

Mislukkingen kunnen op drie manieren voorkomen:

1. de krampen kunnen worden bedwongen, maar de koe blijft liggen,
weigert te eten en moet uiteindelijk worden geslacht. In zulke gevallen
is een ernstige vettige leverdegeneratie altijd een postmortale bevin-
ding;

2. in een aantal gevallen, dat zich tijdens de behandeling in ernstige
krampen bevindt, blijkt het onmogelijk deze te bedwingen en de dood
volgt in korte tijd;

3. de dood kan optreden tijdens de behandeling, zelfs wanneer de uiter-
ste zorg wordt betracht bij de toediening van Ca en Mg.

De auteur heeft waargenomen dat gevallen uit deze beide laatste groe-
pen bij venapunctie vaak heel donker, zuurstofarm bloed hebben. Hij stelt
hier een ongunstige prognose en waarschuwt dc ei.genaar voor het te ver-
wachten letaal verloop. De onmiddellijke behandeling van hypomagnese-
miekrampen bestaat uit parenterale toediening van Ca- en Mg-zouten.
Overigens is de therapeutische behandeling aangepast aan de ernst der
symptomen.

De auteur vindt de volgende methode bevredigend: 200 cm^ van een
complexgebonden Ca,/Mg-oplossing wordt langzaam intraveneus .gegeven,
gevolgd door de zeer langzame intraveneuze toediening van 100 cm^ 25%
Mg-sulfaat. Deze laatste injectie moet ongeveer 10 tot 15 minuten in be-
slag nemen in verband met het gevaar van de toxische werking van Mg-
ionen op het hart, met de mogelijkheid van een acute dood.
Sommige klinici hebben bezwaar tegen deze injectie, maar schrijver acht
haar van groot belang, omdat ze zeer spoedig de krampen kan bedwingen.
Ze moet echter met grote zorg worden toegepast. De intraveneuze injectie
moet worden gevolgd door een subcutane injectie van 200 cm^ complex-
.gebonden Ca/Mg-oplossing en 300 cm^ van de 25% Mg-sulfaatoplossing.
In minder ernstige gevallen, waarbij nog geen krampen bestaan, wordt op
dezelfde wijze gehandeld met uitzondering van de intraveneuze Mg-sul-
faat injectie.

In sommige ernstige gevallen, waarbij bovengenoemde therapie de kram-
pen niet kan opheffen, zijn goede resultaten verkregen met intraveneuze
injectie van chloralhydraat.

-ocr page 368-

De injectietherapie moet altijd worden aangevuld met orale Mg-toediening.
Tot slot van dit literatuuroverzicht vermeld ik een praktijk-mededeling
van Visser in 1960, waarin deze het nieuwe middel Tetonex beschrijft,
dat hij met veel succes bij een dertigtal ernstige patiënten gebruikte. Op dit
middel kom ik terug bij de bespreking van onze eigen ervaring in de
Buitenpraktijk.

We zien dat een aantal dierenartsen, vaak gebaseerd op vele jaren er-
varing een bewuste voorkeur hebben voor een bepaalde behandelings-
methode. Zo zijn er in ons land die zeer beslist zijn in hun mening, dat
met de oorspronkelijke Ca/Mg chloride-oplossingen meer successen waren
te behalen. Ook over doseringen bij de Ca/Mg-therapie lopen de me-
ningen nog al uiteen. In de laatste jaren komt hier nog de vraag bij of het
wenselijk is nog geheel andere middelen als aanvullende, eventueel inleiden-
de, therapie toe te passen.

Deze vragen waren voor mij in 1960 aanleiding een nader onderzoek op
te zetten over de therapeutische mogelijkheden bij kopziekte. Als ambtelijk
praktizerend dierenarts was het mogelijk door een speciale taakverdeling
aan het Instituut praktisch alle kopziektepatiënten gedurende enkele
jaren zelf te behandelen. Uit de ervaring, hierbij opgedaan, wil ik U en-
kele mededelingen doen.

Vooropgesteld dat de therapie bij kopziekte nog altijd een symptomatische
is, moet grote waarde worden toegekend aan een nauwkeurig observeren
van de patiënt. De waargenomen klinische afwijkingen werden, uiteraard
na de behandeling, nauwkeurig beschreven.

In alle ernstige gevallen werd zo spoedig mogelijk een intraveneuze injectie
gegeven met een compex gebonden Ca/Mg-oplossing, aequivalent aan de
klassieke 40-15 oplossingen. Onmiddellijk vóór de intraveneuze toediening
wordt aan deze oplossing toegevoegd lÖO cm3 van een oplossing, per 300
cm3 40 g Mg-chloride bevattende. Dit komt dus neer op ongeveer 13 g
Mg-chloride.

Hieraan ligt ten grondslag, dat bij ernstige patiënten de voorkeur wordt
gegeven aan sterk geïoniseerde oplossingen boven de organisch gebonden
injectievloeistoffen. Op de vraag in hoeverre in het korte ogenblik vóór
deze vloeistof in de bloedbaan komt zich tóch nog Ga-chloride vormt kan
ik geen antwoord geven. Sedert kort kunnen we deze periode nog ver-
korten door de 100 cm^ Mg-chloride met een injectiespuit tijdens het in-
funderen in de plastic verpakking van de basis vloeistof te spuiten.
Bij de honderden patiënten, welke op deze wijze werden behandeld —
merendeels door co-assistenten waarbij soms de routine ontbrak, met de
daaraan verbonden kans dat een deel van het infuus in de subcutis komt
— zagen we nimmer weefselnecrose. Onmiddellijk vóór onze injectie werd
een bloedmonster genomen waarin Ca, Mg en P werden bepaald. Wij
hadden behoefte aan een snelle routinebepaling van deze elementen. Ge-
schikt was de colorimetrische titratie met het Vitatron apparaat volgens
Schwarzenbach. Deze methode werd beschreven door Claes, Doncker
en Rosselle (1959).

Bij een controlebezoek aan onze patiënt beschikten we dan ook meestal
over de uitslag van de bloedanalyse. Het behoeft geen betoog, dat het be-
schikken over deze uitkomsten terwijl de patiënt nog in behandeling is, van
grote waarde is.

Bij het controlebezoek werden wederom de klinische verschijnselen vast-
1150

-ocr page 369-

gelegd, een bloedmonster genomen en indien nodig een aanvullende be-
handeling ingesteld. Uit onze controlebloedmonsters blijkt dat, onafhan-
kelijk van de symptomen tijdens het controlebezoek, de Mg-waarden van
het bloed 6 tot 12 uur na de hiervoor genoemde behandeling normaal of
zelfs boven normaal zijn. De voorzorgen na de behandeling bestonden uit
opstallen en het geven van een hooi-water rantsoen.
In een aantal gevallen was na 12 uur een herbehandeling nodig.
Het bij de primaire behandeling geven van een subcutaan of intramuscu-
lair depot met complexgebonden Ca/Mg-oplossingen had weinig effect op
de snelheid van herstel of het voorkomen van recidive. Een deel van de
herbehandelingen de volgende dag kan voorkomen worden door zo spoe-
dig mogelijk de patiënten Mg oraal in de vorm van veekoekjes te geven.
Waar de Mg-resorptie reeds in de pens een aanvang neemt en wel binnen
enkele uren, is hiervan een heilzame werking te verwachten.

Uit het bovenstaande moge ik concluderen dat het niet noodzakelijk is:
le. bij de primaire behandeling een hogere dosering Ca/Mg te geven;
2e. deze primaire behandeling binnen 6 uur te herhalen.

Voor de gevallen welke na deze behandeling herstellen spreekt dit van
zelf.

Waar geen herstel optreedt kunnen we de patiënten op de zelfde wijze
in groepen verdelen als Alfred M a r r (1958) dit deed.
le. De krampen kunnen met de gebruikelijke therapie worden bedwon-
gen, maar de patiënt blijft liggen; eet niet; is soporeus en moet uit-
eindelijk worden geslacht.
In veel gevallen zijn dit de dieren die in de vroege morgen zijn gevonden
en reeds vóór de behandeling vele uren in krampen hebben gelegen. In
verband met de bij deze groep gevonden degeneratieve orgaanveranderin-
gen moeten we de prognose bij deze dieren infaust stellen.
2e. In een aantal gevallen kunnen de krampen met de gebruikelijke the-
rapie niet bedwongen worden. De dood kan binnen korte tijd volgen.

Ons onderzoek leerde dat het verhogen van de dosering bij de primaire
behandehng geen zin heeft, daar ook bij deze patiënten het bloed Mg-
gehalte na de behandeling uren lang hcK)g normaal blijft.
Niet zelden zien we bij deze patiënten als ongunstige complicatie long-
oedeem optreden. In verband hiermee dienen we met onze intraveneuze
Ga-injecties wel dubbel voorzichtig te zijn en zeker geen overdosering te
geven. In 1933 wees Hoedemaker hier reeds op. Deze gevallen nu
vragen naar een geheel andere therapie en hier kan inderdaad, zoals wi j
vonden, een injectie met pentobarbital redding brengen (publikatie V i s-
ser, 1960).

In het voorjaar van 1960 kreeg ik de beschikking over een preparaat: „Tri-
naven". Het was afkomstig uit Engeland en, volgens mededeling op de
verpakking, bestemd voor het pijnloos afmaken van honden. Enkele En-
gelse collegae hadden het met succes toegepast bij kopziekte. Trinaven werd
op verschillende plaatsen in ons land geanalyseerd en in de handel gebracht
onder de namen „tetonex" en „triotal".

In meerdere gevallen zagen wij, na het falen van de basistherapie na een
injectie met pentobarbital de krampen binnen enkele minuten verdwijnen.
De patiënten werden op de knieën gezet en kwamen na één tot enkele

-ocr page 370-

uren op de been. Hierna konden ze worden opgestald. De dieren blijven
nog urenlang suf en dromerig.

Een veehouder zei na het opstallen van een dergelijke patiënt heel type-
rend: „Zie zo, ik weet dat de koe binnen staat, maar ze heeft er zelf geen
benul van".

Het spreekt voor zich, dat behandeling van patiënten uit de eerste groep
met pentobarbital geen zin heeft.

3e. De patiënten die tijdens de behandeling met Ca/Mg-infusie sterven.
Deze dieren sterven een acute hartdood.

Uit een onderzoek van De Groot is gebleken dat een langer durende
hypomagnesemie een schadelijke invloed heeft op het hart. Het valt dan
ook niet te verwonderen dat er patiënten zullen sterven na het vrij plot-
seling in de bloedbaan brengen van Mg-ionen.

Of een inleidende behandeling met pentobarbital bij de dieren uit deze
groep hierin veel verandering zal brengen valt te betwijfelen. Na de be-
handeling met pentobarbital zal toch immers de injectie met Ca/Mg-oplos-
sing moeten volgen.

Onze ervaring met dit nieuwe middel geeft mij aanleiding te concluderen
dat het een welkome aanvulling is voor de behandeling van een aantal ko]5-
ziektepatiënten, die wij door ons onderzoek en door het nauwkeurig gade-
slaan van de klinische symptomen vóór en tijdens de klassieke behandeling
kunnen selecteren.

Voor het gebruik bij iedere kopziektekoe zonder meer bestaat geen aan-
leiding.

S.A,MENVATTING.

Na een overzicht van een groot, maar verre van volledig aantal publikaties be-
trekking hebbende op het kopziekte-vraagstuk, waardoor cen inzicht wordt ver-
kregen in de problematiek, wordt een beschrijving gegeven van de thans gebruike-
lijke behandeling van deze patiënten door het Instituut Buitenpraktijk.
De gegeven voorschriften werden gemotiveerd.

SUMMARY.

A review of a large (if by no means complete) number of papers concerned with the
problem of grass tetany, affording an insight into the problem, is followed by a
description of the methods currently used in the treatment of these cases by the "In-
stituut Buitenpraktijk". The reasons for the instructions given are stated.

RÉSUMÉ.

Après l\'aperçu d\'un nombre de publications grand mais loin d\'être complet con-
cernant le problème de la tétanie d\'herbage, grâce auquel on obtient une certaine
intelligence de l\'ensemble des problèmes, on décrit les méthodes courantes pour le
traitement dc ces maladies (patients) par l\'Institut Buitenpraktijk (Pratique en Cam-
pagne). Les prescriptions données sont motivées.

ZUSAMMENF.ASSUNG.

Eine \'Übersicht einer grossen, jedoch längst nicht vollständiger, Zahl von Veröffent-
lichungen über das \'Wesen der Weidetetanie, wodurch eine Erkenntnis der Proble-
matik cnnittelt wird, wird gefolgt von einer Beschreibung der jetzt angewandten
Methoden zur Behandlung dieser Patienten im Aussenpraxis-Institut.
Die erteilten Vorschriften werden motiviert.

LITERATUUR

Broersma, S. : „Kopziekte" (Grastetanie). Tijdschr. Diergeneesk., 59, 1003,
(1932).

-ocr page 371-

C 1 a e s, H. J., D o n c k e r, K. d c en R o s e 1 1 e, N.: Vlugge roudnebepaling van
serum-magnesium.
Chcm. Wbi, 35, 39, (1959).

Groot, Th. de: Enkele opmerkingen over het verband tussen de voeding en het
serum magnesium-gehalte.
Tijdschr. Diergeneesk., 84, 1289, (1959).

Groot, Th. d e: De invloed van het serum magnesium-gehalte op het elektrocardio-
gram bij melkkoeien, (ref. art.
Brit. vet. /., 116, 225, 1960), Tijdschr. Diergeneesk.,
86, 137, (1961).

Hoedemaker, L.: Een experimenteel onderzoek bij het rund van de verande-
ringen in de longen na intraveneuze injecties van calcium verbindingen. Diss.
Utrecht, (1933).

Heelsbergen, T. van: Kopziekte bij het rund. Tijdschr. Diergeneesk., 56,
1077, (1929).

H u i z i n g a, K.: Meningitis cerebrospinalis enzootica? Tijdschr. Diergeneesk., 53,
881, (1926).

Jonker, B.: Kopziekte, grastetanie, eclampsie van het rund. Overeenkomst met
paresis puerperalis en acetonaemie.
Tijdschr. Diergeneesk., 63, 177, (1936).

Kemp, A.: Landbouwkundige aspecten van het kopziektevraagstuk. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
84, 469, (1959).

Kuipers, K. R.: Kopziekte. Tijdschr. Diergeneesk., 60, 1, (1933).

M a r r, A.; Hypocalcacmia and hypomagnesaemia in cattle. Vet. Ree., 70, 945,

(1958).

Proceedings Gonference on Hypomagnesaemia, London, (1960).

Pulles, H. A.: Iets over de intraveneuze infusie van geneesmiddelen, speciaal bij
grastetanie en paresis puerperahs bovis.
Tijdschr. Diergeneesk., 58, 1334, (1931).

Reinders, J. S.: Hypomagnesaemie en voeding. Tijdschr. Diergeneesk., 84, 630,

(1959).

S e e k 1 e s, L., S j o 11 e m a, B. en K a a y, F. C. V a n d e r: Over den invloed eener
injectie van calciumchloride-oplossing bij kalfziekte en grastetanie op aard en
frequentie van den hartslag; zoomede eenige opmerkingen over den invloed van
enkele andere zoutoplossingen.
Tijdschr. Diergeneesk., 57, 1229, (1930).

Seekles, L. en A s p e r e n, K. van: De cholinesterase-activiteit bij grastetanie
en paresis puerperalis.
Tijdschr. Diergeneesk., 74, 191, (1949).

Seekles, L.: Flet tetanievraagstuk bij het rund. Tijdschr. Diergeneesk., 78, 1.
(1953).

Seekles, L. en Boogaerdt, J.: Uitkomsten van een voederprocf met magne-
sium-oxyde houdende koekjes ter voorkoming van grastetanie.
Tijdschr. Dier-
geneesk.,
80, 331, (1955).

Seekles, L. en Boogaerdt, J.: Uitkomsten van een voortgezette voederprocf
met magnesium-oxyde houdende koekjes als voorbehoedmiddel tegen kopziekte.
Tijdschr. Diergeneesk., 81, 281, (1956).

Sicbenga, J.: De preventie van de kopziekte. Tijdschr. Diergeneesk., 83, 795,
(1958).

S j O 1 1 e m a, B.: Over het v/czen en de therapie van paresis puerperalis VI, Tijdschr.
Diergeneesk.,
55, 1192, (1928).

Sjollema, B. en Seekles, L.: Over de stoornissen der minerale stofwisseling bij
kalf- en kopziekte.
Tijdschr. Diergeneesk., 56, 979, (1929).

Sjollema, B, en Seekles, L,: Borna-ziekte bij het paard en grastetanie bij het
rund,
Tijdschr. Diergeneesk., 58, 809, (1931).

S j O 11 e m a, B,: De symptomen van grastetanie bij het rund, Tijdschr. Diergeneesk.,
58, 80, (1931).

Visser, M,: Een belangrijke aanvulling van de kopziekte therapie, Tijdschr. Dier-
geneesk.,
85, 1655, (1960).

White, J, B,: Proc, Gonf. on Hypomagnesaemia, London, (1960).

Z ij V e r d e n, J. van: Gerebro-spinaal meningitis bij het rund. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
53, 1065, (1926).

-ocr page 372-

De betekenis van het voedermagnesium bij het
ontstaan van hypomagnesemie en van hypomag-
ncsemische tetanie bij rundvee.1

The significance of magnesium in the feed in causing
bovine hypomagnesaemia and hypomagnesaemie te-
tany.

door A. KEMP2)

Uit het Instituut voor Biologisch en Scheikundig Onderzoek
van Landbouwgewassen te Wageningen.

Inleiding.

Het is prof. d r. B. S j o 11 e m a geweest die ruim dertig jaar geleden
als eerste publiceerde over de „stofwisselingsziekte", waaraan in ons land
de naam kopziekte werd verbonden. In deze tijd werden ook de eerste
proeven met ratten en met honden uitgevoerd, waarbij op magnesium-
arme rantsoenen een overeenkomstig ziektebeeld werd opgewekt. Al spoe-
dig hierna verschenen eveneens mededelingen uit Engeland en Nieuw
Zeeland over kopziekte bij runderen. Sindsdien werden over dit onderwerp
in vele landen onderzoekingen uitgevoerd, waarbij steeds de door prof.
Sjollema gelegde basis als uitgangspunt werd gekozen. Dit uitgangs-
punt is het lage magnesiumgehalte van het bloedserum dat steeds aan het
optreden van de klinische verschijnselen voorafgaat.

Bij het ontstaan van kopziekte onderscheidde prof. Sjollema nl. twee
stadia, t.w.:

a. Een labiele toestand van het dier waarbij de serummagnesiumgehalten,
welke normaal op een niveau van ongeveer 2,5 mg/100 ml worden
gedacht, tot lage waarden zijn gedaald en waarbij zich (nog) geen
duidelijke klinische verschijnselen voordoen (hypomagnesemie). Hier-
aan kan worden toegevoegd dat in dit stadium, evenals in het tweede,
de hoeveelheid met de urine uitgescheiden magnesium zeer klein is
en minder dan 1 gram per dag bedraagt (Kemp c.s., 1960).

b. Een manifeste toestand waarbij de ziekteverschijnselen in meer of min-
der hevige vorm optreden (hypomagncsemische tetanie = kopziekte).
De magnesiumgehalten van het bloedserum zijn in dit stadium vrijwel
steeds lager dan 1.0 mg per 100 ml.

Hoewel het eerste stadium steeds aan het tweede voorafgaat, behoeft een
optredende hypomagnesemie niet direct gevolgd te worden door een kop-
ziekteaanval. In perioden waarin kopziekte het meest frequent optreedt,
zoals in ons land meestal in het voorjaar en in het najaar gedurende de
eerste en de laatste weken van de weideperiode, is het percentage dieren
met subnormale en lage serummagnesiumgehalten aanzienlijk hoger dan
het percentage aan kopziekte lijdende dieren. Dit mag afgeleid worden
uit het feit, dat wanneer één of enkele dieren uit een koppel aan hypo-

1  Voordracht, in te leiden op 19 oktober 1963 op dc 110 Algemene Vergadering
van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht.

2  A. Kemp, technisch hoofdambtenaar aan het Instituut voor Biologisch en Schei-
kundig Onderzoek van Landbouwgewassen te Wageningen, Bornsesteeg 65/67.

-ocr page 373-

magnesemische tetanie lijden, bij alle of bijna alle andere dieren sub-
normale of lage serummagnesiumwaarden worden gevonden. Het gehele
koppel bevindt zich dan in een meer of minder labiele toestand, (Kemp,
1959). Deze labiliteit is bij vele dieren ook reeds klinisch waarneembaar,
ofschoon nog niet duidelijk van het tweede stadium kan worden gespro-
ken. Bij de discussies over het ontstaan en de preventie van hypomagne-
semie en van kopziekte, alsook over de schade die hierdoor wordt aan-
gericht is dit een belangrijk aspect. Men kan zich zelfs de vraag stellen
— gezien de invloed van het magnesiumgehalte van het bloedserum op het
elektrocardiogram, en misschien hierdoor op de levensduur van onze melk-
koeien (De Groot, 1960) — of de schade ten gevolge van de frequenter
optredende hypomagnesemie niet groter zal zijn dan die ten gevolge van
de kopziekte.

Bij het vaststellen of men al of niet met een geval van kopziekte te
maken heeft is het klinische beeld zelfs bij „zeer typische gevallen" geen
betrouwbaar criterium. Men is het er weliswaar over eens dat er een
causaal verband bestaat tussen hypomagnesemie en kopziekte, doch het
komt voor dat een gelijk ziektebeeld optreedt zonder hypomagnesemie en
dat derhalve geen kopziekte genoemd kan worden. Zo kan b.v. een typisch
op kopziekte gelijkend ziektebeeld ontstaan ten gevolge van „eiwitvergif-
tiging". Op grond van waarnemingen in de praktijk mag echter verwacht
worden, dat deze gevallen met zeer duidelijke tetanieverschijnselen zonder
hypomagnesemie slechts sporadisch zullen voorkomen. Niettemin houdt
dit toch in dat vooral ook bij minder duidelijke gevallen, bij het stellen
van een betrouwbare diagnose het bloedonderzoek op magnesium in feite
niet gemist kan worden. Hoewel dit laatste meestal praktisch onuitvoer-
baar is, dient deze moeilijkheid bij alle beschouwingen over kopziekte
niet uit het oog te worden verloren.

Het ontstaan van hypomagnesemie.

Sinds de tijd dat prof. Sjollema zijn onderzoekingen op dit gebied
aanving is er al veel te doen geweest over de vraag of de oorzaak van
hypomagnesemie gelegen kan zijn in een onvoldoende voorziening van
het rund met voedermagnesium. Ook werd gedacht aan een stof die haar
werking uitoefent door beïnvloeding van het centrum dat ondersteld
wordt de magnesiumstofwisseling te reguleren.

In dit verband werd gezocht naar het „biogene vergift" van enterogene
oorsprong dat de specifieke, scherpe daling van het magnesiumgehalte in
het bloedserum bij tetanie veroorzaakt, (Seekles^ 1953). Een tekort
aan magnesium in het voedsel als oorzaak van hypomagnesemie kon moei-
lijk worden aanvaard, omdat de meeste gevallen van tetanie op de zwaar-
dere gronden zouden voorkomen en de magnesiumopname met het voer
ruimschoots in de behoefte van melkkoeien zou voorzien. Ook de snelheid
waarmee de tetanie zich in het algemeen ontwikkelt, zou pleiten tegen
de deficiëntiegedachten. Hiertegen kan echter worden aangevoerd, dat
factoren als botanische samenstelling van het weidebestand en bemesting
van het grasland een grotere invloed uitoefenen op het magnesiumgehalte
van het weidevoer dan verschillen in grondsoort. De grondsoort is daarom
geen geschikt criterium voor een al of niet voldoende magnesiumvoeding
van het dier. Het is bovendien aan twijfel onderhevig of kopziekte inder-
daad op de zwaardere gronden het meest voorkomt.

-ocr page 374-

Het andere argument tegen de deficiëntieopvatting, nl. dat de magnesium-
opname met het voer ruimschoots in de behoefte van melkkoeien zou
voorzien, suggereert dat betrouwbare gegevens bekend waren over deze
magnesiumbehoefte, wat zeker niet het geval was. De aangegeven normen
waren voor een deel gebaseerd op „fysiologische overwegingen" en \\oor
een ander deel op proeven met ossen of met weinig melkkoeien op zeer
afwijkende rantsoenen t.o.v. de in Nederland gangbare. Gegevens over
weidegras ontbraken in het geheel. Resultaten van uitgebreide proef-
nemingen in de laatste jaren over magnesiumbehoefte van melkkoeien
hebben echter betere informaties verschaft over de magnesiumbehoefte
van melkkoeien (Rook c.s., 1958a, 1958b; Kemp c.s. 1960, 1961). De
gegevens van deze ongeveer tegelijkertijd uitgevoerde Engelse en Neder-
landse proefnemingen tonen nl. aan dat hypomagnesemie bij melkkoeien
ontstaat als gevolg van een tekort aan voor het dier benutbaar magnesium.

Van 1958 af werd aan ons instituut een groot aantal balansproeven uit-
gevoerd met melkkoeien die met vers gemaaid weidegras werden gevoe-
derd (zie foto 1 en 2). Ook werd een aantal proeven genomen waarbij
een wintervoerrantsoen werd verstrekt. Bij al deze proeven werd nauw-
keurig de per dag met het voeder plus drinkwater opgenomen hoeveelheid
magnesium bepaald, alsook de hoeveelheden magnesium die in de melk
en afzonderlijk in de faeces en in de urine werden uitgescheiden. Behalve
dat uit deze gegevens de magnesiumbalans kan worden berekend, ver-
schaffen deze proeven ook meer inzicht in de benutting van het voeder-
magnesium door het dier.

In deze publikatie zal slechts in het kort een beschouwing worden ge-
geven over de resultaten, zonder vermelding \\an het uitvoerige cijfermate-
riaal, daar dit reeds in de hiervoorgenoemde publikaties uitvoerig werd ge-
daan.

De magnesiumopname uit het gras bedroeg gemiddeld ruim 16 gram ])er
dag, waarvan gemiddeld 83% met dc faeces werd uitgescheiden. Het
grootste deel van het voedermagnesium wordt dus met de faeces uitge-
scheiden en het gemiddelde „benuttingspercentage" bedroeg in deze proe-
ven 17%. Onder het „benuttingspercentage" wordt hier verstaan dat
deel van de opgenomen hoeveelheid voedermagnesiimi dat niet met de
faeces wordt lutgescheiden. Dit is dus het schijnbaar benutte deel, daar
in de faeces ook endogeen magnesium wordt tutgcschciden wat werkelijk
benutbaar magnesium is. Waarschijnlijk is echter het endogeen faecaal
magnesium relatief zeer weinig (Field, 1960), zodat het werkelijke be-
nuttingspercentage mogelijk dicht bij het uit deze proeven te berekenen
schijnbare benuttingspercentage zal liggen. Een uit een oogpimt van
magnesiumvoorziening van het dier zeer belangrijk punt hierbij is dat
deze „benuttingspercentages" zeer sterk kunnen variëren. Als gemiddelde
„benuttingspercentage" van voedermagnesium in weidegras bij 35 melk-
koeien vonden wij 17% met een variatie van 7% tot 26% met één
uitzondering van 33%. Rook (1958) vond in weidegras eveneens een
gemiddelde van 17% met een spreiding van 5% tot 27%. Er is dus cen
grote mate van overeenstemming tussen de resultaten van deze beide
onderzoekingen en — gezien het vrij grote aantal gegevens hierover —
mag hieruit geconcludeerd worden dat in zeer veel gevallen meer dan
80% van het voedermagnesium met de faeces wordt uitgescheiden en het

-ocr page 375-

Foto\'s 1 en 2.

Proefstal voor het uitvoeren van balansproeven rnet melkkoeien op de proefboerderij
„Droevendaal" te Wageningen.

-ocr page 376-

„benuttingspercentage" lager dan 20% zal zijn. Dit werpt uiteraard een
geheel ander licht op de magnesiumvoorziening van het dier.
Magnesium is nodig voor onderhoud en voor produktie. In de melk werd
in onze proeven gemiddeld 0,12 gram magnesium per liter afgescheiden,
zodat een koe met een melkproduktie van 20 1 per dag hiervoor 2,4 gram
„benutbaar" magnesium nodig had. Naarmate het aanbod van „benut-
baar" voedermagnesium boven deze behoefte voor de uitscheiding in de
melk groter was, werd meer magnesium met de urine uitgescheiden. Het
dierlijk organisme treedt hier sterk regulerend op en er was een hoge
positieve correlatie tussen de hoeveelheid „benutbaar" voedermagnesium
boven de behoefte voor de melk (Mg-voer - Mg-faeces - Mg-melk) en de
hoeveelheid met de urine uitgescheiden magnesium (r = 0,92). Bedroeg
deze hoeveelheid „benutbaar" voedermagnesium boven de behoefte voor
de melk minder dan ± 2,5 gram per dag, dan was de magnesiumbalans
negatief en trad er een verarming van het lichaam aan magnesium op.
Was het aanbod groter dan ongeveer 2,5 gram per dag, dan was de
balans niet meer negatief en werd al naar gelang het aanbod de over-
tollige hoeveelheid magnesium met de urine uitgescheiden. Dit suggereert
dat de onderhoudsbehoefte van een volwassen melkkoe ongeveer 2,5
gram „benutbaar" magnesium per dag zou bedragen.
Het niveau van het magnesiumgehalte van het bloedserum hangt sterk
samen met de hoeveelheid magnesium, die met de urine wordt uitgeschei-
den. Er was nl. een fraai verband tussen deze beide grootheden en wel
in die zin, dat hypomagnesemie alleen optrad wanneer per dag minder
dan 1 gram magnesium met de urine het lichaam verliet. Zeer lage
serummagnesiumgehalten (< 1,0 mg/100 ml) werden alleen gevonden
bij een uitscheiding van minder dan 0,5 gram per dag. Bij hogere uit-
scheidingen dan 1 gram per dag waren alle serummagnesiumgehalten
normaal. Zoals in het voorgaande reeds werd vermeld was de uitscheiding
van magnesium met de urine lager naarmate het aanbod van „bentitbaar"
voedermagnesium boven de behoefte voor de melk lager was. Dit be-
tekent dus eveneens dat hypomagnesemie slechts dan optrad, wanneer
het aanbod van benutbaar voedermagnesium boven de behoefte voor de
melk laag was. Deze laatste hoeveelheid leek minder dan ongeveer 0,5
gram per dag te moeten bedragen, alvorens het niveau van het serinn-
magnesiumgehalte ging dalen. De magnesiumbalansen waren hierbij dus
negatief.

Dit samenspel tussen opname en uitscheiding van magnesium in verband
met het niveau van het serummagnesiumgehalte kan dus als volgt worden
gezien. Bij een dagelijks aanbod van „benutbaar" voedermagnesium van
ongeveer 2,5 gram plus 0,12 gram maal het aantal per dag geproduceerde
liters melk, was de uitscheiding aan magnesium in faeces, urine en melk
ongeveer even groot als het aanbod (balansevenwicht). De uitscheiding
in de urine bedroeg dan ongeveer 2,5 gram magnesium per dag.
Nam het aanbod toe, dan werd deze overtollige hoeveelheid met de urine
uitgescheiden. Bij een afnemend aanbod en een langzamerhand optredend
tekort daalde weliswaar ook de hoeveelheid magnesium die met de urine
het lichaam verliet, doch de totale uitscheiding aan magnesium werd
groter dan de hoeveelheid die beschikbaar was, waardoor de balans nega-
tief werd. Bij een aanbod lager dan ongeveer 0,5 gram per dag, corres-
ponderende met een uitscheiding van magnesium met de urine van min-

-ocr page 377-

der dan 1 gram, gingen de serummagnesiumgehalten dalen. Hieruit volgt
eveneens, dat de hoeveelheid magnesium die met de urine het lichaam
verlaat een betere maat lijkt te zijn ter beoordeling van de magnesium-
voorziening van het dier dan het magnesiumgehalte van het bloedserum.
Deze magnesiumuitscheiding met de urine is ook bij weidende melkkoeien
voldoende betrouwbaar te bepalen (Kemp, 1960).

Bij het ontstaan van hypomagnesemie ten gevolge van een tekort aan
benutbaar voedermagnesium valt het op dat de magnesiumvoorraad in
het lichaam, zijnde ongeveer 250 gram, waarvan globaal 70% in het
geraamte aanwezig is, blijkbaar niet of onvoldoende in staat is om dit tekort
aan te vullen en een dreigende hypomagnesemie te voorkomen. Dit is
trouwens in overeenstemming met het feit dat waarden voor de balans
lager dan —1,4 gram magnesium per dag en hoger dan 1,5 gram per dag,
dus sterk van nul afwijkende waarden, bij ons onderzoek niet werden ge-
vonden.

Dit in tegenstelling tot b.v. het natrium, waarvan bij melkkoeien met een
natriumarme voeding de balansen sterk negatief kunnen zijn, terwijl bij
dezelfde dieren, overgaande op een rijkere natriumvoeding deze sterk
negadeve waarden van b.v. —4 gram per dag kunnen veranderen in
-f 4 gram per dag en dus een sterke tijdelijke retentie plaatsvindt (niet
gepubliceerde gegevens).

Verschillende onderzoekers wijzen er in dit verband ook op dat het
magnesium in het geraamte van oudere dieren zeer weinig mobiel is in
tegenstelling tot dat van jonge dieren en dat deze mobiliteit geleidelijk
afneemt met sdjgende leeftijd, (Blaxter and M c G i i 1, 1956;
Taylor, 1959; Breibart c.s., 1960; Field, 1960). Dit zal een
belangrijke reden zijn, waarom oudere koeien gevoeliger zijn voor hypo-
magnesemie dan kalveren. Blaxter and McGill (1956) toonden
aan dat hypomagncsemische tetanie bij kalveren ontstaat als gevolg van
een tekort aan magnesium in het voer. Deze onderzoekers vonden bij
kalveren, die hieraan gestorven waren, dat 60% van het normaal in het
skelet aanwezige magnesium was verbruikt bij een gelijk gebleven mag-
nesiumgehalte van de zachte weefsels. Volgens Gunning ham (1936)
is het magnesiumgehalte van het skelet van oudere runderen die aan
hypomagncsemische tetanie waren gestorven gelijk aan dat van runderen
zonder hypomagnesemie.

Dit laatste wijst er ook op dat de aanvullingsmogelijkheid bij oudere
dieren zeer beperkt is. De gegevens van onze balansproeven wijzen bij
optredende tekorten ook op een slechts geringe aanvulling van ma.gnesium
uit de lichaamsvoorraad, welke aanvulling echter onvoldoende is om hypo-
magnesemie te voorkomen. Dit verschil in mobiliteit bij jonge en oude
dieren is echter geen reden om een principieel verschil te zien tussen het
ontstaan van hypomagnesemie bij kalveren en bij koeien. Beide ontstaan
als gevolg van een tekort aan voor het dier benutbaar voedermagnesium,
zij het dat de hypomagnesemie bij kalveren minder snel tot uiting komt
dan bij koeien in het algemeen het geval is.

Het door middel van balansproeven kwantitatief benaderen van de mag-
nesiumstofwisseling van melkkoeien zoals in het voorgaande werd gedaan,
biedt de mogelijkheid om een schatting te maken omtrent de magnesium-
behoefte van deze dieren. De onderhoudsbehoefte wordt hierbij gesteld

-ocr page 378-

op 2,5 gram „benutbaar" magnesium per dag, terwijl voor afscheiding in
de melk met de gemiddelde hoeveelheid van 0,12 gram per liter kan
worden gerekend. Voor een melkkoe met een produktie van 20 1 melk
per dag Isedraagt dan de minimale behoefte aan „benutbaar" magnesium,
ten einde een evenwicht te kunnen handhaven tussen opname en uit-
scheiding, 2,5 (20 X 0,12) = 4,9 gram per dag.

Bij een gemiddeld benuttingspercentage van 17% moet de benodigde
hoeveelheid voedermagnesium dan 100/17 x 4,9 = 29 gram per dag zijn.
Bij deze berekening van de behoefte is het echter niet toelaatbaar alleen
een gemiddeld benuttingspercentage te gebruiken aangezien de spreiding
om dit gemiddelde groot is en deze variatie veel invloed uitoefent op de
grootte van de uiteindelijke behoefte.

Daarom worden in onderstaande tabel de benodigde hoeveelheden voeder-
magnesium vermeld bij vier benuttingspercentages. In deze tabel wordt
een melkproduktie van 20 1 per dag aangehouden, terwijl e\\eneens het
benodigde percentage ma.gnesium in de droge stof van het gras wordt
vermeld bij een droge-stofopnarne van 15 kg per dag.

Tabel 1. Benodigde hoeveelheden voedermagnesium in g\'dag voor melk-
koeien op weidevoer bij uiteenlopende benuttingspercentages.

Gewenst Mg-gehalte
Benuttingspercentage Benodigd voedermagnesium ^^^ weidevoer

^ 49 gram 0,33%

15 ^^ 33 „ 0,22%>

20 } O, 25 „ 0,17%

25 (y 20 „ 0,13%

Bij jong eiwitrijk cn kalirijk gras,
2) Bij ouder gras met % re < 18% en % K < 3%,

Concluderend uit het voorgaande kan een tekort aan voor het dier benut-
baar voedermagnesium ontstaan door:

a. een te geringe droge-stofopnaine;

b. een te laag magnesiurngchalte van de droge stof;

c. een onvoldoende benutting van het \\-ocdermagnesium.

Hoewel bij een optredend magnesimntekort deze factoren dikwijls in com-
binatie een rol spelen is dit niet noodzakelijk. Zo kan soms bij een vrij
hoog magnesiumgehalte van het gras nog een tekort optreden ten ge-
volge van de zeer slechte benutting door het dier, terwijl het eveneens
voorkomt dat het voedermagnesium zeer goed wordt benut, doch dat de
hoeveelheid met het voer opgenomen magnesium niet toereikend is door
een te laag magnesiumgehalte. Ook bestaat de mogelijkheid dat een te
geringe opname aan droge stof alleen reeds een tekort doet ontstaan.

Ad. a.

Een voorbeeld \\an een optredend magnesiumtekort door een onvoldoende
opname aan droge stof en een hierop volgende hypomagnesemie is het
effect bij het laten vasten van de dieren.

Zo wekte H a 1 s e (1960) hypomagnesemie op met klinische verschijnselen
1160

-ocr page 379-

bij melkkoeien tot serummagnesiumwaarden lager dan 1,0 mg/100 ml als
direct gevolg van een tweedaagse periode van vasten. Inglis (1960)
en Oy art (1962) vonden hetzelfde bij drachtige en niet drachtige, niet
lacterende schapen. Bij onze balansproeven werd meermalen hetzelfde
waargenomen bij melkkoeien aan het begin van de voorperiode direct na
de overgang van het stalrantsoen op het weidegras. De droge-stofopname
is dan in vele gevallen gedurende de eerste een of twee dagen laag. Dit
effect van vasten op de magnesiumvoorziening en op de serummagnesium-
gehalten vormt wellicht ook de verklaring waarom bij koeien, die leden
aan mond- en klauwzeer, in vele gevallen een hypomagnesemie werd
waargenomen. Door deze dieren kon onvoldoende droge stof en magnesium
worden opgenomen. Verwacht mag worden dat dit snelle effect van
voederonthouding op de sei-ummagnesiumgehalten alleen bij volwassen
dieren met weinig mobiel magnesium uit de lichaam.svoorraad gerealiseerd
kan worden.

Onder praktijkomstandigheden in ons land is het waarschijnlijk zó, dat
dit effect van een te geringe vocderopname (magnesiumopname) perio-
diek ook een niet onbelangrijke rol zal spelen bij het ontstaan van hypo-
magnesemie. Met name gedurende de weideperiode is het vooral in tijden
met veel neerslag niet denkbeeldig, dat vooral hoogproduktievc dieren niet
aan de vereiste droge-stofopname kunnen komen b.v. door het soms zeer
lage droge-stofgehalte van het gras of door een minder goede smakelijk-
heid. Van niet te onderschatten betekenis zijn hierbij wellicht ook de
individuele verschillen in voederopname tussen de dieren. Het zijn waar-
schijnlijk niet de grote eters die het meest gevoelig voor hypomagnesemie
zullen zijn. Het is echter tot nu toe niet mogelijk om hierover goede
gegevens te verzamelen, daar een betrouwbare methode ter vaststelling
van de vocderopname van weidend vee niet beschikbaar is. In verband
met de mogelijke ver.schillen in voedero])name moet bij de interpretatie
van de in tabel 1 vermelde magnesiumgehalten dan ook de nodige voor-
zichtigheid in acht worden genomen.

Ad. b.

Het magnesiumgehalte van het rantsoen is een belangrijke factor bij de
magnesiumvoorziening van het dier. Hoewel dit aspect ook in Nederland
een grote rol speelt bij het al of niet ontstaan van kopziekte, is het
interessant vooral ook aandacht te schenken aan het frequent optreden
van hypomagnesemische tetanie en acetonurie bij melkkoeien op stal in
Noorwegen gedurende de laatste wereldoorlog. Doordat de bezetters be-
slag hadden gelegd op het hooi, bestonden de winterrant.soenen voor een
groot deel uit cellulose en haiingrneel en waren dienten.gevolge zeer
magnesium- en energiearm. Brei rem c.s. (1949), die als eersten ex-
]5erinienteel hypomagnesemische tetanie bij runderen opwekten, beschouw-
den in dit verband een tekort aan magnesium en aan energie als oor-
zakelijke factoren. Daar deze beide factoren in de toen gevoederde rant-
soenen steeds gekoppeld voorkwamen, heeft men in latere proeven de
invloed hiervan afzonderlijk bestudeerd. Hierbij werd aangetoond dat
hypomagnesemie kan worden opgewekt door een onvoldoende magnesium-
verstrekking, doch men slaagde er niet in dit te doen met rantsoenen met
alleen een tekort aan energie en met voldoende magnesium (mondelinge
mededeling H v i d s t e n, 1961). Dit duidt er op dat de correlatie tussen

-ocr page 380-

energiearme rantsoenen en het optreden van hypomagnesemie een schijn-
correlatie was en dat ook bij deze stalkopziekte in Noorwegen het mag-
nesiumtekort in het voer de causale factor is geweest.

De winterrantsoenen in Nederland zullen gemiddeld magnesium-
rijker zijn dan het weidevoer (Brouwer en Brandsma, 1953). Dit
zal mede een reden zijn waarom kopziekte in ons land gedurende de
stalperiode minder frequent optreedt dan tijdens de weidegang. Bij de
door ons onderzochte „stalgevallen" was het ontstaan niet van principieel
andere aard dan bij het veel uitvoeriger bestudeerde optreden in de
weideperiode. Verreweg de meeste magnesiumgehalten van het weidevoer
(grassen klaver kruiden) in ons land liggen tussen 0,10 en 0,35%
magnesium in de droge stof. Van de factoren die van invloed zijn op
het magnesiumgehalte van het gras is het magnesiumgehalte van de grond
niet de belangrijkste.

Geheel anders is het gesteld met de bemesting met magnesium, met behulp
waarvan belangrijke verhogingen van het magnesiumgehalte van het gras
verkregen kunnen worden. Zo werden bij in het voorjaar aangewende
magnesiumgiften in de vorm van kieseriet van 0; 80; 160; en 240 kg MgO
per ha de magnesiumgehalten van het gras in hetzelfde voorjaar verhoogd
van 0,17% tot resp. 0,22%; 0,26% en 0,30%. Deze verhoging van het
magnesiumgehalte van het gras kwam ook duidelijk tot uitdrukking in
een stijging of in het op peil houden van de serummagnesiumgehalten bij
melkkoeien (K e m p en G e u r i n k, 1962). Het is in dit verband interes-
sant te weten dat reeds in 1936 Cunningham in Nieuw Zeeland
publiceerde over magnesiumbemesting op grasland ten einde het optreden
van hypomagnesemie te voorkomen. In de laatste jaren is de literatuur
over dit onderwerp zelfs vrij uitvoerig geworden. Hier kunnen b.v. ge-
noemd worden de beweidingsproeven die werden uitgevoerd aan het
Central Veterinary Laboratory in Weybridge, Engeland (Allcroft,
1960). De resultaten van het meer kwantitatief benaderen van de magne-
siumstofwisseling van melkkoeien, vooral in de laatste jaren, heeft de
zin van magnesiumbemesting voldoende aangetoond.

Over de vraag of een zware kalibemesting van het grasland een ongunstige
invloed uitoefent op het optreden van kopziekte, is al heel wat te doen
geweest. Afgezien van het feit dat hierbij allerlei factoren een rol hebben
gespeeld en nog spelen, hebben de soms tegenstrijdige resultaten van
proefnemingen hieraan ook bijgedragen.

Men is het er tegenwoordig echter toch wel over eens dat een zware
kalibemesting van het grasland invloed uitoefent op de magnesiumvoeding
van het dier en dus indirect op het ontstaan van hypomagnesemie en
kopziekte. Zo werd in uitvoerige beweidingsproeven op de proefboerderij
Droevendaal in Wageningen aangetoond, dat door het toepassen van
zware kalibemestingen de serummagnesiumgehalten bij melkkoeien kun-
nen gaan dalen, terwijl hierbij eveneens duidelijke verschijnselen van
kopziekte werden opgewekt, van lichte tot zeer ernstige gevallen (Kemp,
1958, 1959). De onderzoekingen van B a r 11 e 11 c.s. (1954); S m y t h
c.s. (1958) en Hvidsten c.s. (1959) leidden tot overeenkomstige con-
clusies.

De verklaring van dit ongunstige effect van kalibemesting op de serum-
magnesiumgehalten moet gezocht worden in de teruggang van het mag-
nesiumgehalte van het gras, waardoor dus de totale magnesiumopname

-ocr page 381-

vermindert en in een vermindering van de benutbaarheid van het voeder-
magnesium. Het is nl. gebleken bij koeien en bij schapen dat een ver-
hoging van de kaliumopname met het rantsoen, hetzij door het verhogen
van het kaliumgehalte van het voedermiddel of door het toevoegen van
extra kalium in de vorm van kaliumchloride of kahumacetaat, de uit-
scheiding aan magnesium met de urine vermindert en die in de faeces
wordt verhoogd. Dit zou kunnen wijzen op een verminderde benutbaar-
heid van het voedermagnesium (Kemp c.s., 1960, 1962; Hendriks,
1962; Oy art, 1962).

Het is overigens begrijpelijk dat niet onder alle omstandigheden hypo-
magnesemie kan worden opgewekt door het toepassen van zware kali-
bemestingen of door het verstrekken van extra kalium boven het rant-
soen. De totale hoeveelheid met het voer opgenomen magnesium kan
zoveel bedragen dat, niettegenstaande het verlagen van de voor het dier
benutbare hoeveelheid magnesium onder invloed van extra kalium, de
behoefte toch nog gedekt kan worden. In dergelijke gevallen zal alleen
de uitscheiding aan magnesium in de urine verlaagd worden, terwijl de
serummagnesiumgehalten zich op een normaal niveau kunnen handhaven.
Ogenschijnlijk soms tegenstrijdige proefresultaten kunnen hierdoor vaak
alle tegenstrijdigheid verliezen.

Als belangrijke factoren die eveneens van invloed zijn op de magnesium-
voeding van het dier via het magnesiumgehalte van het weidevoer, moeten
ten slotte genoemd worden de botanische samenstelling van het weide-
bestand en het seizoen. Het is niet toevallig dat in Nederland de kopziekte
gedurende de weideperiode vooral optreedt in het voorjaar en in de herfst.
In deze perioden zijn de magnesiumgehalten van het weidevoer nl. het
laagst en dan vooral in het vroege voorjaar en in de late herfst (Kemp,
1960). Ook de correlatie tussen temperatuurschommeUngen in voorjaar
en herfst en de frequenüeverdeling van het aantal kopziektegevallen houdt
verband met veranderingen in de chemische samenstelling van het gras
(\'t Hart en Kemp, 1954; K e m p en \'t H a r t, 1957).\'
De lagere magnesiumgehalten van het gras in voor- en najaar houden
enerzijds verband met de slechtere opname van het bodemmagnesium
door de plant bij lagere temperaturen, (Dijkshoorn en \'t H a r t,
1957). Anderzijds is het percentage klavers en misschien ook dat van de
kruiden in de zomer relatief hoger dan in het voorjaar en in de herfst.
Daar het magnesiumgehalte van klavers en van kruiden gemiddeld be-
langrijk hoger is dan dat van gras (Van der Kley, 1957), wordt de
hoeveelheid met het rantsoen opgenomen magnesium door deze soorten
gunstig beïnvloed. Indien de benutdng van het magnesium uit klavers
en kruiden niet of slechts weinig lager is dan dat uit gras, betekent dit
een toename van de beschikbare hoeveelheid magnesium voor het dier.
Zware bemestingen met stikstof oefenen een ongunstige invloed uit door-
dat het weidebestand door het verdringen van klavers en kruiden in een
eenzijdige richting van bijna uitsluitend grassen wordt verschoven. Hier-
bij komt dat het stikstofgehalte van het gras wordt verhoogd, hetgeen
waarschijnlijk samengaat met een slechtere benutdng van het door het
dier ,opgenomen voedermagnesium (Kemp c.s., 1961; Hendriks
1962). Dat deze stikstofgehalten van het gras dikwijls in het voorjaar en in
de herfst het hoogst zijn, draagt er mede toe bij dat in deze tijden van het
wcideseizoen het weidevoer een uit een oogpunt van magnesiumvoorzic-

-ocr page 382-

ning van het dier minder gimstige samenstelling heeft dan in de zomer.
Ad. c.

De benutting van het voedermagnesium door het dier is eveneens een zeer
belangrijke factor bij het al of niet ontstaan van hypomagnesemie en kop-
ziekte. Vermeld werd reeds dat de variatie in de benuttingspercentaps
groot is en de samenstelling van het rantsoen blijkt op deze benutting
een belangrijke invloed te kunnen uitoefenen.

Een recent onderzoek van Rook en Rowland (1962) toonde aan
dat bij melkkoeien op een kunstmatig rantsoen bestaande uit papierpulp
met melasse, maïsvlokken en bloedmeel, het benutdngspercentage van
het magnesium meer dan 60% kan bedragen. Ten opzichte van een
gemiddeld benutdngspercentage van 17% in weidegras is dit bijzonder
hoog. Dit wijst er ook op dat de samenstelling van het voer een grote
invloed heeft op de benutting en hierdoor op de magnesiumvoorziening.
Op dit kunstmatige rantsoen bleek het nl. mogelijk om, dank zij deze
hoge benutting, bij een dagelijkse magnesiumopname met het voer van
5 gram bij deze melkkoeien een normaal serummagnesiumgehalte te hand-
haven. Op dit rantsoen ontwikkelde zich snel hypomagnesemie nadat de
magnesiumopname tot 1,5 k 2,0 gram per dag was teruggebracht.
In \'het voorgaande werd reeds vermeld dat verhoging van de kalium-
opname met het voer het benuttingspercentage van het magnesium doet
verlagen. Daarbij werd eveneens aangetoond dat de benutting van het
voedermagnesium toeneemt, naarmate het gras ouder wordt. Wanneer
na elkaar aan dezelfde koeien gras gevoederd werd van hetzelfde perceel
met gehalten aan ruw eiwit van 25%, 18% en 14%, werden respec-
tievelijk de volgende benutdngspercentages voor magnesium berekend,
t.w. 10%, 14% en 20% (Kemp, 1961). De hoeveelheid benutbaar mag-
nesium boven de behoefte voor de melk nam toe naarmate het gras ouder
werd, evenals de hoeveelheid magnesium die in de urine werd uitgeschei-
den. Welke component of componenten uit het gras voor deze betere
benutting verantwoordelijk zijn is niet bekend. Mogelijk speelt hier het
veranderde stikstofgehaltc een rol, daar door Hendriks (1962) werd
gevonden dat door het verstrekken van ammoniumzouten de bcnutüiig
van het voedermagnesium afnam. Hoewel in het algemeen nog te weinig
bekend is over de invloed van de samenstelling van het gras op de be-
nutting van het voedermagnesium, moet er bij de berekening van de
behoefte aan voedermagnesium echter wel rekening mee worden gehouden
dat het magnesium uit jong eiwitrijk en kalirijk gras slechter door het
vee kan worden benut, dan dat uit minder snel gegroeid en kaliarmer
materiaal. Als zodanig moeten ook de in tabel 1 vermelde normen ge-
hanteerd worden.

Wanneer in het voorgaande nog weinig werd gesproken over individuele
verschillen tussen de dieren in gevoeligheid voor kopziekte, dan betekent
dit niet dat deze er niet zijn. Integendeel, ieder die regelmatig met kop-
ziekte bij het vee in aanraking komt, weet dat deze verschillen er zijn en
de opmerking door veehouders „die familie is erg gevoelig" wordt nogal
eens gehoord. Dit laatste wordt ook vermeld bij de resultaten van de in
1958 en 1959 in Noord Holland uitgevoerde kopziekte-enquète onder
leiding van Everts en Rempt (kopziekte-enquête). Treffend is ook
dat van de door ons in 1954 bezochte kopziektegevallen in de Buiten-

-ocr page 383-

praktijk van de Faculteit der Diergeneeskunde in Utrecht een groot percen-
tage nieuw aangekochte dieren voorkwam, waaruit afgeleid zou kunnen
worden dat de veehouders hun voor kopziekte erg gevoelige dieren nogal
eens verkopen. Anderzijds moet de invloed van deze verschillen in indivi-
duele gevoeligheid ook weer niet worden overtrokken, daar het niet moei-
lijk is om bij een „niet gevoelig" dier hypomagnesemie op te wekken en
evenmin om de omstandigheden zo te maken dat bij een „gevoelig" dier een
normaal serummagnesiumgehalte wordt gehandhaafd.

In verband met de benutting van het voedermagnesium vertonen deze
individuele verschillen tussen de dieren een interessant aspect. Wanneer
gedurende een weideperiode van b.v. tien melkkoeien tweemaal per week
bloedmonsters worden genomen, waarin het magnesiumgehalte wordt
bepaald, dan is het opvallend dat de schommelingen van de serummag-
nesiumgehalten in de loop van de tijd van alle dieren nagenoeg gelijk
zijn. Er kunnen tussen de dieren echter belangrijke verschillen bestaan
in het niveau waarop deze fluctuaties plaatsvinden; Bartlett c.s.
(1954), Kemp (1962). Bij het uitvoeren van de balansproeven op stal
werd hetzelfde verschijnsel waargenomen met dit verschil dat de schom-
melingen hier minder sterk waren, daar gedurende de gehele proef ge-
tracht werd een zo gelijk mogelijk voeder te verstrekken.
Na bewerking van dit materiaal bleek dat de hoogste benuttingspercen-
tages werden gevonden bij die koeien, die ook de hoogste serummagne-
siumgehalten vertoonden binnen de groep die hetzelfde rantsoen ontving.
Omgekeerd werden de laagste serummagnesiumgehalten aangetroffen bij
de dieren met de laagste benuttingspercentages. De achtergronden hiervan
zijn nog niet duidelijk.

Vermeldenswaard in dit verband is dat met name in Engeland tegen-
woordig veel onderzoek gebeurt over benutting van het voedermagnesium
door het dier, waarbij vooral aandacht wordt ge.schonken aan de opname
van magnesium uit de verschillende delen van het maag-darmkanaal.
Mogelijk zal dit fundamenteel fysiologisch gerichte onderzoek ons in de
toekomst in staat stellen het beeld van de magnesiumdeficiënte voeding
als oorzaak van het ontstaan van hypomagnesemie, beter te doorzien en
voor te stellen.

De preventie van hypomagnesemie en van kopziekte.

Op de proefboerderij „Droevendaal" te Wageningen is het al sinds enkele
jaren niet moeilijk meer om kopziekte bij koeien op te wekken of te
voorkomen. Ook van normale praktijkbedrijven zijn vele voorbeelden
bekend waar men met succes de juiste maatregelen heeft toegepast. Het
uitgangspunt bij de preventie van kopziekte moet zijn dat het rantsoen,
of dit nu bestaat uit uitsluitend gras of uit gras plus bijvoeder, voldoende
benutbaar magnesium bevat opdat hiermee regelmatig de behoefte van
het dier wordt gedekt. De twee belangrijke factoren hierbij zijn dus de
totale hoeveelheid magnesium die met het rantsoen wordt opgenomen en
de benutting hiervan.

Soms wordt wel verondersteld dat het in verband met de maatregelen die
worden genomen om het opbrengstniveau van de graslanden te verhogen
of hoog te houden, niet goed mogelijk zou zijn weidevoer te verbouwen
dat als enig voer geschikt zou zijn voor een optimale produktie en ge-
zondheid van het vee. Voor wat het magnesium betreft ligt, door een

-ocr page 384-

oordeelkundige bemesting van het grasland ook met behoud van een
hoog produktieniveau door het gebruik van veel stikstof, het verkrijgen
en/of handhaven van een goede chemische samenstelling van het gras
echter binnen het bereik. Anderzijds is het mogelijk om door middel van
het verstrekken van bijvoeder in de voor kopziekte gevaarlijke perioden
het rantsoen zo samen te stellen dat de magnesiumvoorziening optimaal
is. Technische en economische factoren zijn hiermede bepalend bij de
keuze. Bij de preventie van hypomagnesemie door bemestingsmaatregelen
is het regelmatig uitvoeren van magnesiumbemesting een belangrijk wa-
pen. Op de hiervoor genoemde proefboerderij treedt in het voorjaar bij
de overgang van de stal naar zeer zwaar met kalium en met stikstof
bemeste proefweiden, op de objecten, waar met behulp van magnesium-
bemestingen het magnesiumgehalte van het gras belangrijk werd verhoogd,
geen enkele daling van de serummagnesiumgehalten meer op (Kemp en
Geur in k, 1962).

Dit in tegenstelling tot de objecten zonder magnesiinnbemesting, waar
soms zeer lage serummagnesiumgehalten worden gevonden.

Reeds in 1934 heeft Cunningham aangetoond dat het optreden van
hypomagnesemische tetanie in Nieuw Zeeland kon worden voorkomen
door het toedienen van extra magnesium aan het door de dieren op-
genomen rantsoen. De gunstige werking van deze orale toediening is later
ook in Engeland en in andere landen bevestigd. In Nederland werd dit
op grote schaal toege]5ast door S e e k 1 e s en Boogaerdt (1955, 1956),
waarmee eveneens gunstige resultaten werden bereikt. Op grond van cle
in dit artikel beschreven nieuwere inzichten in de magnesiumvoeding van
rundvee kan deze gunstige invloed wel woiden verklaard. Zowel het ver-
hogen van het magnesiumgehalte van het voer door weidebouwkimdige
maatregelen, als ook het verhogen van de dagelijkse magnesiumopname
door middel van het oraal toedienen van extra magnesiimi, moet gezien
worden als het opheffen van een tekort en is als zodanig een causaal
gerichte jirofylaxis. Dat het toedienen van extra magnesitun, in perioden
dat de hoeveelheid voedermagnesium ontoereikend is om in de behoefte
van het dier te voorzien, regelmatig moet geschieden, houdt verband met
de onvoldoende mobiliteit van de magnesitun voorraad van het lichaam.

Het verhogen van het serummagnesiumgehalte van zeer lage tot normale
waarden door middel van het verstrekken van extra magnesium in de
\\orm van koekjes vindt in het algemeen snel plaats. In alle gevallen,
waarbij wij zeer lage serummagnesiumgehalten bij melkkoeien in de weide
of op stal — soms zelfs met lichte klini.sche verschijnselen — opwekten,
werd binnen twee dagen en meestal binnen één dag weer een normaal se-
rtimmagnesiumgehalte bereikt door het op de eerste dag verstrekken van
75 gram MgO per dier per dag in koekjes, \'s Morgens werd dan 50 gram
gegeven en \'s avonds 25 gram. De tweede dag en volgende dagen kan dan
met 50 gram in twee keer worden volstaan ten einde een normaal serum-
magnesiumgehalte te handhaven. De dieren bleven bij deze proeven onder
dezelfde omstandigheden als waarbij de hypomagnesemie werd o]5gewekt,
en het was in vele gevallen treffend, hoe reeds minder dan 12 uur nadat
het eerste magnesium werd toegediend een opvallende conditieverbetering
van het dier viel te constateren. Reeds na twee uur werd een lichte
stijging van het serummagnsiumgehalte waargenomen (Kemp, 1959).

-ocr page 385-

De hoeveelheid extra te verstrekken magnesium die nodig is om een nor-
maal serummagnesiumgehalte te handhaven hangt uiteraard af van de
hoeveelheid voedermagnesium die het dier met het rantsoen opneemt en
de mate waarin dit kan worden benut. Gezien onze ervaringen zal een
hoeveelheid van 50 gram MgO per dier per dag, indien regelmatig toe-
gediend, in verreweg de meeste gevallen voldoende zijn om hypomagne-
semie te voorkomen. Onder zeer extreme omstandigheden en bij dieren
waarbij het moeilijk is om een normaal niveau te handhaven, is er geen
bezwaar tegen om wat hoger te gaan. Deze magnesiumverstrekking kan
het best geschieden door het per dag voeren van l kg eiwitarme koek
met een gehalte van 5% MgO.

In dit verband moet opgemerkt worden dat de wijze van voorlichting
geven op dit gebied, met name door de veevoederhandel, dikwijls teleur-
stellend is. De op de verpakking vermelde magnesiumgehalten van de
koek zijn in vele gevallen aanzienlijk lager dan het werkelijke percentage
(Kemp, 196,3). Ook zijn er ge\\allen waarbij geen gehalte wordt
vermeld en de opgegeven hoeveelheid per dag te vervoederen koekjes
overeenkomt met de verstrekking van 20 gram MgO. De veel gevonden
te lage magnesiumgehalten kunnen veelal niet verklaard worden doordat
met „technisch magnesiumoxyde" werd gewerkt. Mede ter verduidelijking
\\\'an de te stellen eisen verdient het in dit veiband aanbeveling in het
vervolg een gehalte van 5% zuiver magnesiumoxyde in de in verse toe-
stand te vervoederen koekjes als norm te hanteren. Wanneer het bij-
voederen van magnesiumkoek niet aan de gestelde verwachtingen beant-
woordt, dan moet dit allereerst gezocht worden in het voeren van koek
met een te laag magnesiumgehalte, óf in het
0!u-egelmatig verstrekken van
te kleine hoeveelheden. Ook wordt dikwijls in het voorjaar te vroeg op-
gehouden en in de herfst te laat begonnen.

Op vele bedrijven wordt aan de magnesiumvoorziening in \'t geheel geen
of veel te weinig zorg besteed. Mede gezien de invloed die de dierenarts
in het algemeen oj) de veehouders kan uitoefenen, is een positieve instel-
ling van de Nederlandse dierenartsen ten opzichte van dit facet van de
preventie van de kopziekte van zeer grote betekenis.

SAMENVATTING.

le. Een meer kwantitatieve benadering van de magnesiumstofwisseling bij melk-
koeien door middel van cen groot aantal in de laatste jaren uitgevoerde balans-
proeven heeft uitvoeri.ger informaties verschaft over de magnesiumbehoefte van
melkkoeien en over de oorzaak van het ontstaan van hypomagnesemie en hypo-
magnesemische tetanie. De bereikte resultaten maken het mo.gelijk in vele ge-
vallen een verklaring te geven voor de werking van de eerder, veelal langs
statistische weg, gevonden factoren die van invloed zouden zijn op het optreden
en het voorkómen van kopziekte.
2e. Er is cen hoge correlatie tussen de „benutbare" hoeveelheid voedermagnesium
boven de behoefte voor de melk en het magnesium dat met de urine het
lichaam verlaat. Overtollige hoeveelheden voedermagnesium worden met de
urine uitgescheiden. Hypomagnesemie wordt waargenomen bij een uitscheiding
aan magnesium met de urine van minder dan 1,0 gram per dag, en ontstaat
als gevolg van een tekort aan voor het dier benutbaar vocdermagnesium. De
met de urine uitgescheiden hoeveelheid magnesium is een betere maat ter be-
oordeling van de magnesiumvoorziening van het dier, dan het magnesiumgehalte
van het bloedserum.

-ocr page 386-

3e. Er is geen principieel verschil tussen de experimenteel bij kleine proefdieren
en bij kalveren opgewekte hypomagncsemische tetanie op magnesiumarme rant-
soenen, de stalkopziekte in Noorwegen gedurende de laatste wereldoorlog, de
kopziekte bij schapen b.v. in Schotland, Noorwegen en ook in ons land en de
kopziekte bij rundvee in Nederland.

4e. De dagelijkse behoefte aan „benutbaar" voedermagnesium van melkkoeien wordt
geschat op 2,5 gram magnesium voor „onderhoud" plus 0,12 gram magnesium
per liter geproduceerde melk (2,5 0,12 M). Dc benuttingspercentages die
met de hoeveelheid uit het voer opgenomen magnesium de „benutbare" hcx;-
veelheid voedermagnesium bepalen, bedragen in weidegras gemiddeld 17% met
een spreiding van 5% tot 33%. Deze spreiding, die een grote invloed uit-
oefent op de magnesiumvcKjrziening van het dier (tabel 1), wordt beïnvlcx-d
door de samenstelling van het voer en door individuele verschillen tussen de
dieren.

5e. Bij de preventie van kopziekte moet het voorkómen van hypomagnesemie door
een verbetering van de magnesiumvoorziening van het dier uitgangspunt zijn.
Het verhogen van het magnesiumgehalte van het gras, als ook het regelmatig
verstrekken van magnesium b.v. in de vorm van voederkoekjes, wordt gezien
als een causaal gerichte profylaxis. Hierbij gaat het niet alleen om de 1 tot 2%
kopziektegevallen die jaarlijks in ons land zouden voorkomen, doch in even
sterke mate om het veel hogere percentage labiele dieren met hypomagnesemie.

SUMMARY.

1. A more quantitative approach to the problem of magnesium metabolism in dairy
cows, based on a large number of balance trials performed in recent years, has
supplied more detailed information on the magnesium requirements of dairy
cows as well as the cause of hypomagnesaemia and hypomagnesaemie tetany.
The results obtained frequently make it possible to account for the action of
factors previously often detected as the result of statistical studies, which factors
are believed to be of importance in the origin and prevention of grass tetany.

2. There is a close correlation between the amount of „available" dietary magnesium
above the amount secreted in milk and the magnesium which is excreted in the
urine. Excess quantities of magnesium are excreted in the urine. Hypomagne-
saemia is observed when the urinary excretion of magnesium is less than 1 gram
daily and arises as a result from a deficiency in dietary magnesium utilizable by
the animals. The amount of magnesium excreted in the urine affords a better
measure of the magnesium supply of the animals than does the magnesium con-
tent of the scrum.

3. Basically, there is no difference between hypomagnesaemie tetany induced experi-
mentally in small laboratory animals and calves fed rations containing only small
amounts of magnesium, the hypomagnesaemie tetany occurring in Norway during
the last world war, grass tetany of sheep such as that occurring in Scotland,
Norway and also in the Netherlands and grass tetany of cattle in the Netherlands.

4. The daily requirements of „available" dietary magnesium in dairy cows are esti-
mated at 2.5 g. of magnesium for „maintenance" plus 4.12 g. of magnesium per
Htre of milk yielded (2.5 0.12 of M).

The „utilization" percentage in herbage which determine the „utilizable" propor-
tion of dietary magnseium in conjunction with the total magnesium intake from
the feed is seventeen per cent on an average ranging from five per cent to thirty-
three per cent. This range which is an important factor in the magnesium supply
of the animal (Table 1), is affected by the composition of the feed and by indi-
vidual differences between the animals.

5. The prevention of grass tetany should be based on the prevention of hypomagne-
saemia by increasing the magnesium supply of the animal. Increasing the mag-
nesium. content of the grass as well as a regular supply of magnesium for instance
in the form of feeding-cakes, is regarded as a causal prevention. This is not only

-ocr page 387-

necessary in view of the annual incidence of grass tetany in the Netherlands,
which is believed to be from one to two per cent, but also because of the much
higher proportion of animals with hypomagnesaemia.

RÉSUMÉ.

1. Des recherches plus quantitatives dans le domaine du métabolisme de magnesium
des vaches laitières à l\'aide d\'un grand nombre d\'expériences de bilan faites les
dernières années ont procuré des renseignements plus détaillés sur le besoin de
magnésium des vaches laitières et sur la cause de l\'hypomagnésémie et de tétanie
hypomagnésémique. Dans plusieurs cas les résultats obtenus permettent de donner
une interprétation des facteurs trouvés autrefois le plus souvent par la voie de la
statistique, lesquels pourraient influencer la présence et la prévention de la tétanie.

2. Il y a une grande corrélation entre la quantité „utilisable" de magnésium de
fourrage en dessus du besoin pour le lait et le magnésium qui quitte le corps avec
l\'urine. Les quantités superflues de magnésium sont excrétées dans l\'urine. L\'hypo-
magnésémie est constatée si l\'excrétion de magnésium dans l\'urine consiste en
moins de 1,0 gramme par jour et est le résultat d\'un manque de magnésium de
fourrage utilisable pour l\'animal. La quantité de magnésium excrétée dans l\'urine
est un meilleur critère pour l\'appréciation de l\'approvisionnement de magnésium
de l\'animal que la teneur en magnésium du sérum.

3. Il n\'y a pas de différence principielle entre la tétanie hypomagnésémique provo-
quée en guise d\'expérience chez les petits animaux d\'expérience et chez les veaux
sur des rations déficientes en magnésium, la tétanie d\'étable en Nor\\\'ège durant
la dernière guerre mondiale, la tétanie des moutons notamment en Ecosse, en
Norvège et également dans notre pays et la tétanie d\'herbage bovine aux Pays Bas.

4. Le besoin quotidien de magnésium de fourrage „utilisable" des vaches laitières
est estimé à 2,5 gr. de magnésium pour l\'„entretien" ct à 0,12 gr. de magnésium
par litre de lait produit f2,5 4- 0,12 L). Les pourcentages d\'utilisation qui déter-
minent avec la quantité de magnésium ingéré dans le fourrage la quantité „uti-
lisable" de magnésium de fourrage, s\'élèvent dans l\'herbe de pâturage en moyenne
à 17% avec une dispersion de 5% à 33%. Cete dispersion qui exerce une grande
influence sur l\'approvisionnement dc magnésium de l\'animal (Table 1) est in-
fluencée par la composition du fourrage ct par les différences individuelles entre
les animaux.

5. La prévention de l\'hypomagnésémie grâce à une amélioration de l\'approvisionne-
ment de magnésium de l\'animal doit être le point dc départ pour la prévention
de la tétanie. L\'augmentation de la teneur en magnésium de l\'herbe, tout comme
d\'administration régulière de magnésium, par exemple dans la forme de gâteaux
de fourrage, est considérée comme une prophylaxie causale. Ici il ne s\'agit pas
seulement du 1 à 2% de cas de tétanie qui se présenteraient annuellement dans
notre pays, mais dans une mesure aussi forte du pourcentage bien plus élevé
d\'animaux labiles souffrant d\'hypomagnésémie.

ZUSAMMENFASSUNG.

1. Eine mehr quantitative Ermittelung der Magncsiumstoffwechsel der Milchkühe
mittels einer grossen Zahl letztjährig-aus,geführten Bilanzversuehen hat einge-
hendere Informationen verschafft über dem Magnesiumbedarf der Milchkühe
sowie hinsichtlich der Ursache des Entstehens der Hypomagnesämie und der
hypomagnesamischen Tetanie. Die erreichten Resultate ermöglichen es vielfach
eine Erklärung zu geben der Wirkung der zuvor meist auf statischem Wege er-
mittelten Faktoren die das Auftreten und das Vorkommen der Weidetetanie be-
einflüssen sollen.

2. Es besteht eine hochgradige Korrelation zwischen „verwertungsfähige" Menge
Futtermagnesium ausser der Milcherzeugungsbedürfnis und mit dem Harn aus-
scheidenden Magnesium. Überflüssige Magnesiummengen verlassen mit dem Harn
den Körper. Hypomagnesämie wird konstatiert bei einer Magnesiumausscheidung

-ocr page 388-

im Harn von weniger als 1.0 Gramm pro Tag, und entsteht infolge eines Defizits
an für das Tier verwertungsfähiges Futtermagnesiums. Die mit dem Harn aus-
geschiedene Magnesiummenge ist ein besserer Masstab zur Beurteilung der Mag-
nesiumversorgung des Tieres wie der Magnesiumgehalt des Blutserums.

3. Es besteht kein grundsätzlicher Unterschied zwischen experimentierungsmässig bei
Kleinprobetieren und Kälbern erweckter hypomagnesämischen Tetanie auf Grund
magnesiumarmer Rationen, und der Weidetetanie in Norwegen im letzten Welt-
kriege, der Weidetetanie der Schafe z.B. in Schottland, Norwegen und auch in
unserem Lande und der Weidetetanie in Holland.

4. Der tägliche Bedarf an „verwertungsfähigem" Futtermagnesium der Milch-
kühe wird geschätzt auf 2,5 Gramm Magnesium für Erhaltung sowie 0,12 Gramm
Magnesium pro Liter erzeugter Milch (2,5 0,12 M). Die Benutzungsprozent-
sätze die mit der Menge dem Futter entzogenen Magnesium die „verwertungs-
fähige" Futtermagnesiumsmenge bestimmen, betragen im Wiesengras durch-
schnittlich 17% mit einem Spielraum von 5 bis 33%. Dieser Spielraum, der einen
grossen Einfluss ausübt auf die Magnesiumversorgung der Tiere (Tabelle 1), wird
bceinflusst durch Zusammenstellung des Futters sowie Individualunterschiede der
Tiere.

5. Bei der Vorbeugung der Weidetetanie muss das Verhüten der Flypomagncsämie
durch Verbesserung der Magnesiumversorgung der Tiere der Ausgangspunkt sein.
Die Erhöhung des Magnesiumgehaltes des Wiesengrases sowie der regelmässige
Zusatz von Magnesium z.B. in Futterkuchenform wird gesehen als eine kausal-
gerichtcte Prophylaxe. Dabei handelt es sich nicht nur um 1 bis 2% Weide-
tetaniefällc die jährlich in unserem Lande vorkommen, aber auch um dem viel
höheren Prozentsatz der labilen Tiere mit Hypomagncsämie.

LITER.^TUUR.

1 1 c rof t, R.: Prevention of hypomagnesaemia. Proc. Conf. on Hypomagnesaemia,
B.V.A., London, 102, (1960).

B a r t 1 e t t, S., B r o w n, B. B., F o o t, A. S., A 1 1 c r o f t, R., P a r r, W. II.: The
influence of fertiliser treatment of grassland on the incidence of hypomagnesaemia
in milking cows.
Brit. Vet. ]., 110, (1954).

Blaxter, K. L. and M c G i 1 1, R. F.: Magnesium metabolism in cattle. Vet. Rev.
and Ann., 2, 35, (1956).

B r e i b a r t, S., Johng L., Mc Coord, /\\., Forbes, G. B.: Relation of age
to radiomagnesium exchange in bone.
Proc. Soc. Exp. Bio and Med., 105, (I960).

B r e i r e m, K n u t, E n d c r. F., Halse, K., S 1 a g s v o 1 d, L.: Experiments on
hypomagnesaemia and ketosis in dairy cows.
Acta Agric. Suecana, 3, 89, (1949).

Brouwer, E. en Brandsma, S.: Over de minerale bestanddelen en hun onder-
linge verhoudingen in verschillende voedermiddclen en rantsoenen.
Meded. Landb.
hogeschool
53, 31, (1953).

Cunningham, I. J.: Magnesium in animal diets. The influence of the level of
dietary magnesium on the magnesium and calcium of the bones, the bodies, and
the blood serum of rats.
N.Z. ]. Sci. Tech., 55, 191, (1933-1934).

Cunningham, I. J.: The distribution of magnesium in the animal organism
and the effect of dietary magnesium.
N.Z. }. Sci. Tech., 18, (1936).

D ij k s h o o r n, W. en \'t Hart, M. L.: The effect of alteration of temperature
upon the cationic composition in perennial ryegrass.
Neth. J. Agric. Sci., 5, 17,
(1957).

Field, A. C.: The absorption and excretion of magnesium in the ruminant. Proc.
Conf. on Hypomagnesaemia, B.V.A., London, 13, (1960).

Groot, Th. de: The influence of the magnesium content of the bloodserum on the
electrocardiogram in milk cows.
Brit. vet. ]., 116, 225, (1960).

Halse, Karl: Changes in serum calcium and magnesium in cows subjected to
short periods of fasting.
Proc. Int. Grassl. Congr., 553, (1960).

-ocr page 389-

\'t Hart, M. L. en Kemp, A.: De invloed van de weersomstandigheden op het
optreden van kopzielite bij rundvee.
Tijdschr. Diergeneesk., 81, 84, (1956).

Hendriks, H. J.: Eni.ge biochemische aspecten van voedingstetanie. Proefschrift,
Utrecht, (1962).

H vi d sten, H., 0 d e 1 i e n, M., B a c r u g, R., T o 1 1 e r s r u d, S.t The in-
fluence of fertiliser treatment of pastures on the mineral composition of the
herba.ge and the incidence of hypomagnesaemia in dairy cows.
Acta Agric. Scan-
dinavica,
9, 261, (1959).

I n g 1 \' s, J. S. S.: Studies on hypomagnesaemia in ruminants. Proc. Int. Crassl.
congr., 558, (1960).

Kemp, A. and \'t Hart, M. L.: Grasstetany in grazing milking cows. Neth. ].
Agric. Sci.,
5, 4, (1957).

Kemp, A.: Influence of fertiliser treatment of grassland on the incidence of hypo-
magnesaemia and hypomagnesaemic tetany (grass tetany) in milking cows.
Neth.
]. Agric. Sci.
6, 281, (1958).

Kemp, A.: Landbouwkundige aspecten van het kopziektevraagstuk. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
9, 469, (1959).

Kemp, A.: Hypomagnesaemia in milking cows: The response of serummagnesium
to alterations in herba.ge composition resulting from potash and nitrogen dres-
sin.gs on pasture.
Neth. J. Agric. Sci. 8, 281, (1960).

K e m p. A., D e ij s, W. B., Hemkes, O. J., E s, A. J. H. van: Intake and utili-
zation of magnesium from herbage by lactating cows.
Proc. Conf. on Hypomag-
nesaemia, B.V.A., London, 2.3, (1960).

Kemp, A., D e ij s, W. B., Hemke s, O. J., van E s, A. J. H.: Hypomagnesae-
mia in milking cows: Intake and utilization of magnesium from herba.ge by
lactating cows.
Neth. J. Agric. Sci., 9, 134. (1961).

Kemp, A.: Over bet ontstaan en dc preventie van hypomagnesemie bij rundvee.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 529, (1962).

Kemp, A. en G e u r i n k, J. H.: Enkele voorlopige gcgcven.s over de magnesium-
bemesting van grasland op zandgrond in verband met de preventie van hypo-
magnesemie bij melkkoeien.
Jaarboek I.B.S., 167, (1962).

Kemp, A.: Het voedt ren van magnesiumhoudende koekjes in de praktijk. Tijdschr.
Diergeneesk.,
88, 103, (1963).

Kley, F. van der: De betekenis van tweezaadlobbige graslandplanten voor de
minerale samenstelling van weidegras. Proefschr. Wageningen (1957).

„Kopziekte-enquctc in 1958;\'59 in het gedcehe van het ambts.gcbicd Noord-Holland
(Zuid), gele,gen len Ncxjrden van het Noordzeekanaal".
Tijdschr. Diergeneesk.,
86, 648, (1961).

O y a r t, W.: Einflu.ss von Kalium-Bclastung auf den Magnesium-Stoffwechsel.
Tierärztl. Wschr. 75, 323, (1962).

Rook, J. A. F., Balch, C. C,, Line, C,: Magnesium metabolism in the dairy
cow I, Metabolism on stall rations.
J. Agric. Sci., 51, 189, (1958a).

Rook, J. A, F., Balch, C, C,, Line, C,: Magnesium metabolism in the dairy
cow II, Metabolism during the spring grazing season.
]. Agric. Sci., 51, 199,
(1958b).

Rook, J. A. F, and Rowland, S. J.: Hypomagnesaemia and grass tetany in
dairy catde.
Outlook on Agric., 3, 4, (1962).

Seekles, L.: Het tetanievraagstuk bij bet rund, Tijdschr. Diergeneesk. 78, 1,
(1953).

Seekles, L, en Boogaerdt,J,: Uitkomsten van cen voederproef met magncsium-
oxydc-houdende vocderkoekjes ter voorkoming van grastetanie,
Tijdschr. Dier-
geneesk.,
80, 331, (1955).

Seekles, L. en Boogaerdt,J.: Uitkomsten van een voortgezette voederproef met
magnesiumoxyde-houdende koekjes als voorbehoedmiddel tegen kopziekte,
Tijd-
schr. Diergeneesk.
81, 281, (1956).

Sjollema, B,: De minerale samenstelling van een aantal weidegrasmonsters.
Landbouwk. Tijdschr. 43, 593, (1931).

-ocr page 390-

Sjollema, B.: Over de oorzaken en gevolgen van irrationele opname van macro-
elementen bij melkkoeien en de behoefte van melkkoeien aan deze elementen.
Mededel. Inst. Moderne Veevoeding „De Schothorst". 1951/1952.
Smyth, P. J., Conway, A. and Walsh, M. J.; The influence of different
fertiliser treatments on the hypomagnesaemia proneness of a ryegrass sward.
Vet.
Ree., 70, 846, (1958).
T a y 1 o r, T. G.: The magnesium of bone material, ƒ. Agric. Sci., 52, 207, (1959).

Het effect van magnesiumtoediening op de mag-
nesiumgehalten van het bloedserum bij melk-
koeien met hypomagnesemie.1)

The effect of administration of magnesium on the
serummagnesium content in milch cows suffering from
hypomagnesaemia.

door A. KEMP2, J. H. GEURINK** en H. J. IMMINK**.

Uit het Instituut voor Biologisch en Scheikundig Onderzoek
van Landbouwgewassen te Wageningen.

In het voorjaar van 1963 werden op de proefboerderij „Droevendaal"

0.ni. twee proeven uitgevoerd niet in totaal 16 melkkoeien, waarbij in de
weide hypomagnesemie was opgewekt. Het doel van deze proefnemingen
was om na te gaan hoe de magnesiumgehalten van het bloedserum ver-
anderden door:

1. Intraveneuze toediening van een oplossing van magnesiumchloride,
(chloretum magnesicum 40 gram, acjua destillata ad 300 ml, Brocades
Stheeman en Pharmacia).

2. Magnesiumverstrekking in de vorm van „technisch MgO" in voeder-
koekjes, bevattende 4,93% zuiver MgO op het oorspronkelijk materi-
aal (U. Twijnstra).

3. Een combinatie van de hiervoorgenoemde intraveneuze en orale toe-
diening van magnesium.

1  Voordracht, in te leiden op 19 oktober 1963 op dc 110c Algemene Vergade-
ring van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht.

2  A. Kemp, technisch hoofdambtenaar; J. H. Geurink en H. J. Immink, land-
bouwkundig assistenten, werkzaam aan het Instituut voor Biologisch en Schei-
kundig Onderzoek van Landbouwgewassen te Wageningen, Bornsesteeg 65/67.

-ocr page 391-

Tabel 1

Proef 1. Veranderingen van de rnagnesiumgehalten (mgjlOO ml) van het
bloedserum bij mellikoeien met hypomagnesemie na intraveneuze enjof
orale toediening van magnesium.

Datum

17/4

24/4

29/4

29/4

29/4 29/4

29/4

29/4 30/4

30/4

1/5 1/5

1/5

2/5 2/5

3/5

3/5

4/5

Uur

9

9

9

16

16 18

20

22 8

14.30

8.30 23.30

23.30

9 15.30

9

16.15

9

vóór

na

vóór

na

inj.

inj.

inj.

inj.

Naam

Op stal

In de weide —►

Groep Dientje 3

2,90

2,55

0,30

0,30

9,90 2,55

1,85

1,75 1,50

1,20

1,20

1,60 1,40

1,85

1,85

2,40

A Joh. 4 J.M.

2,75

2,90

1,10

1,10

10,80 2,75

2,30

2,15 2,00

2,25

2,40

2,75 2,50

2,50

2,10

2,40

Gem:

2,85

2,75

0,70

0,70

10,35 2,65

2,10

1,95 1,75

1,75

1,80

2,20 1,95

2,20

2,00

2,40

Hielkje 4

2,25

2,60

0,50

0,50

8,10 2,40

1,85

1,65 1,35

0,80

0,60

0,40 0,70

1,50

1,60

2,05

B Dientje 2

2,85

3,10

0,65

0,60

9,30 2,60

2,20

2,00 1,65

0,95

0,85

0,60 1,00

2,20

2,35

2,45

Gem.:

2,55

2,85

0,60

0,55

8,70 2,50

2,05

1,85 1,50

0,90

0,75

0,50 0,85

1,85

2,00

2,25

Klaske 14

2,45

2,70

1,35

1,35

1,50

1,10

1,05

1,25 1,50

2,55

2,40

2,45

G Janna 6

2,70

2,70

1,15

1,10

1,15

0,95

0,90 0,80

12.00

2,65 2,60

2,75

2,45

2,40

Gem.:

2,60

2,70

1,25

1,25

1:35

1,05

1,00

De gehalten van het bloedserum na orale toediening van magnesium zijn vet gedrukt.

-ocr page 392-

Opzet van de proeven.

OPZET PROEF 1.

Deze proef werd uitgevoerd met 6 melkkoeien, variërende in leeftijd van
3 tot 9 jaar en met melkprodukties welke uiteenliepen van 17 tot 27 liter
per dag. Op 24 april \'s morgens om 10 uur werden deze koeien naar proef-
weiden gebracht, welke door middel van bemestingsmaatregelen „kop-
ziektegevoelig" waren gemaakt. De dieren weidden alle onder dezelfde
omstandigheden en er werd geen bijvoeder verstrekt. Op 29 april om
9 uur waren de magnesiumgehalten van het bloedserum zó laag geworden,
dat bij de meeste dieren een verdere daling moest worden voorkomen.
Deze hypomagnesemie ging bij enkele dieren gepaard met verschijnselen
als schrikachtigheid, voorzichtige gang, „erg dun" en een verminderde
melkproduktie. Op deze datum om 16 uur werden de volgende drie proef-
groepen van elk twee koeien gevormd, die alle op hetzelfde perceel bleven
weiden (tabel 1).

Groep .A.

Toediening van 40 gram magnesiumchloride intraveneus op 29 april om
16 uur. Direct hierna werd per dier 0,5 kg magnesiumkoek gegeven, be-
vattende 24.7 gram MgO. Vervolgens telkens bij het melken weer 0,5 kg
tot aan het einde van de proef op 4 mei. Op deze wijze werd pei- dag
50 gram MgO extra verstrekt.

Groep B.

Ook deze beide dieren ontvingen evenals groep A o]) dezelfde datum en
tijd 40 gram magnesiumchloride intraveneus. Echter tot 2 mei om 9 uur
werden aan deze dieren geen magnesiumkoekjes verstrekt. Op deze datum
en tijd werd per dier 1 kg van deze koek gegeven eti \'s middags bij het
melken nog 0,5 kg. Ver\\olgens als bij groe|) A steeds bij het melken 0,5 kg
tot aan het einde van dc proef.

Groep C.

.\\an de dieren van deze groep werd bij het begin van de proef op 29 april
in het geheel geen magnesium toegediend, noch intraveneus, noch oraal.
Op 1 mei om 23.30 uur werd aan koe Janna 6 (het dier was enigszins
schrikachtig en „erg dun") intraveneus 40 gram magnesiumchloride toe-
gediend en direct hierna werd bovendien 1 kg magnesiumkoek gegeven.
Verder als bij groep en B steeds bij het melken 0,5 kg tot aan het einde
van de proef. Koe Klaske 14 kreeg op 2 mei om 9 uur 1 kg magnesiumkoek,
\'s middags bij het melken 0,5 kg en vervolgens als koe Janna 6.

OPZET PROEF 2.

Bij deze proef, die in grote lijnen een herhaling was van proef 1, waren
10 melkkoeien betrokken, in leeftijd variërende van 2 tot 8 jaar en met

-ocr page 393-

inelkprodukties van 13 tot 28 liter per dag. Op 28 april om 10 uur werden
deze koeien eveneens van de stal naar „kopziektegevoelige" proefweiden
gebracht en ook bij deze proef werd geen bijvoeder verstrekt.
Na bepaling van het bloedserumniagnesiumgehalte op 6 mei om 9 uur,
bleken ook hier deze waarden laag en soms zeer laag geworden te zijn.
Op 7 mei om 9 uiu\' werd deze bemonstering herhaald, waarbij bleek dat
de daling zich had voortgezet. Ook bij deze dieren was teruggang in
conditie en melkproduktie waarneembaar. Op 7 mei om 18 uur werden
de \\olgende vier groepen gevormd, die ook bij deze proef op hetzelfde
perceel bleven weiden (tabel 2).

Groep A.

Toediening van 40 gram magnesiumchloride, intraveneus op 7 mei om
18 uur. Direct hierna werd per dier 1 kg magnesiumkoek verstrekt. Ver-
volgens bij het melken steeds 0,5 kg tot aan het einde van de proef op
13 mei. Het verschil van deze magnesiumverstrekking met die aan proef 1
groep A was, dat nu op de eerste dag nog een extra „stoot" magnesium-
oxyde van bijna 50 gram werd gegeven.

Groep B.

Toediening van 40 gram magncsiumchloride, intraveneus op dezelfde
datum en tijd als groep A. Evenals bij proef 1 groep B, werd hiernaast
echter geen magnesium oraal gegeven. Dit duurde tot 10 mei, toen om
10 uur 2 kg magnesiumkoek per dier werd gegeven, dus bijna 100 gram
MgO. \'s Avonds bij het melken werd 0,5 kg koek gegeven en vervolgens
per melktijd 0,5 kg tot aan het einde van de proef.

Groep C.

Evenals bij proef 1 werd hier bij het begin van de proef in het geheel geen
magnesium toegediend. Op 10 mei om 10 uur werd als bij groep B per
dier bijna 100 gram MgO in koekjes gegeven en vervolgens per melktijd
0,5 kg tot 13 mei.

Groep D.

Niettegenstaande het gevaarlijk lage serummagnesiumniveau van koe
Ymkje 5 op 7 mei (het dier was traag, „erg dun"\' en het gaf minder melk),
werd geen magnesium intraveneus gegeven, doch werd om. 18.00 uur 2 kg
magnesiumkoek verstrekt. Vervolgens per melktijd 0.5 kg, ook tot 13 mei.

De bepaling van magnesium in het serum van runderbloed.

I. HET ONTEIWITTEN VAN HET SERUM DAT VERKREGEN WERD
NA STOLLING V.AN HET BLOED EN DAARNA CENTRIFUGEREN.

5 ml van het bloedserum, 10 ml gedestilleerd water en 10 ml 10% triehloor-
azijnzuuroplossing (10 gram CCbCOOH in 90 ml ged. water) worden met
een roerstaaf goed gemengd.

Na een half uur wordt gefiltreerd door een Mg-vrij filter. 5 ml van het filtraat
komt overeen met 1 ml bloedserum. Indien het serum uit een koelkast komt,

-ocr page 394-

Proef 2. Veranderingen van de magnesium- en calciumgehalten van het
bloedserum bij melkkoeien met hypomagnesemie na intraveneuze enjof
orale toediening van magnesium.

Ca in mg/100 ml

Mg in mg/100 ml

Datum —>

24/4

28/4

6/5

7/5

7/5

7/5

7/5

7/5

7/5

8/5

8/5

9/5

10/5

10/5

11/5

12/5

13/5

7/5

7/5

7/5

Uur ^

9

9

9

9

18
vóór
inj.

18
na
inj.

20

22

24

9

14

9

9

17.30

9

8

9

18
vóór
inj.

18
na
inj.

24

Groep
A

Naam
Janna 7
Dientje 4
Dina 3

Op
2,70
2,90
2,55

stal
3,10
2,80
2,80

In de
1,30
0,80
0,95

weide
1,15
0,60
0,65

—»

1,05
0,70
0,70

15,50
12,25
14,70

3,05
2,70
3,10

2,25
2,20
2,40

2,35
2,25
2,35

2,55
2,20
2,15

2,55
2,35
1,85

2,75
2,65
2,30

3,05
2,40
2,50

3,00
2,55
2,40

3,00
2,55
2,70

3,20
2,50
2,55

10,1
9,7
9,4

9,9
10,0
9,2

10,1
9,8
9,2

Gem.:

2,70

2,90

1,00

0,80

0,80

14,15

2,95

2,30

2,30

2,30

2,25

2,55

2,65

2,65

2,75

2,75

9,7

9,7

9,7

B

Hielkje 7
Janke 117
Dina 4

3,10
2,75
2,55

2,90
3,20
2,80

0,95
1,30
0,80

0,70
1,25
0,60

0,95
1,20
0,60

15,75
13,25
12,60

2,55
2,95
2,30

2,05
2,40
1,80

1,80
2,20
1,65

1,35
1,80
1,20

1,45
1,80
1,05

1,50
2,15
1,00

1,80
2,25
1,05

2,20

2,55
3,00
2,35

2,55
2,80
2,30

2,50
2,15
2,55

10.7

10.8
9,8

10,9
10,5
9,7

10,6

10,5
9,4

Gem.:

2,80

2,95

1,00

0,85

0,90

13,85

2,60

2,10

1,90

1,45

1,45

1,55

1,70

2,65

2,55

2,40

10,4

10,4

10,2

C

Dientje 5 3,05
Dientje J.M. 2,70
Gees 9 2,80

3,10
2,80
2,80

1,75
1,50
1,05

1,60
1,10
1,35

1,50
1,05
1,20

1,95
0,90
2,35

2,15
0,80
2,55

2,30

2,85
2,35
3,00

3,00
2,55
2,85

2,85
2,30
2,70

Gem.:

2,85

2,90

1 1,45

1,35

1,25

1,75

1,85

2,75

2,80

2,60

D

Ymkje 5

2,60

3,10

1 0,75

0,65

0,60

0,90

1,25

1,35

2,00

2,00

2,50

2,70

2,75

2,65

2,35

De gehalten van het bloedserum na orale toediening van magnesium zijn vet gedruk.

-ocr page 395-

moet men met het pipetteren wachten totdat het serum op kamertemperatuur
is gekomen.

II. DE BEPALING VAN MAGNESIUM (ENIGSZINS GEWIJZIGDE
METHODE VAN ORANGE en RHEIN).

Benodigde reagentia.

10% trichloorazijnzuur, 1,6 N NaOH, 0,1% polyvinylalcohol (0,5 ml chlo-
roform toevoegen).

1 gram polyvinylalcohol oplossen in ca. 300 ml ged. water onder verwarming
tot ca. 60° G en zolang roeren totdat alles opgelost is. Oplossing afkoelen
en overspcx?len in een maatkolf en aanvullen tot 1 liter.

Titaangeel 0,05%: Een oplossing van 0,5% titaangeel in 50% ethanol is
in een donkere fles houdbaar. Door verdunning met gedestilleerd water maakt
men van deze sterke oplossing vlak voor de bepaling een oplossing van
0,05%. Deze verdunde oplossing is slechts beperkt houdbaar.

Magnesiumstandaard: 10,131 gram MgS04.7Hä0 oplossen in ged. water,
aanvullen tot 1 liter. (1 ml van deze oplossing bevat 1 mg magnesium.) Deze
oplossing kan men conserveren door toevoeging van 0,5 ml chloroform na
het aanvullen tot 1 liter. 10 ml van deze oplossing aangevuld tot 500 ml
geeft een oplossing die 0,02 mg of 20
y Mg per ml bevat.

Alle reagentia worden gefiltreerd door een Mg-vrij filter. De Mg-ijklijn:
de ijklijn wordt bepaald voor O, 10, 20, 30 en 40 y Mg.

Vijf met zoutzuur en daarna met ged. water gespoelde reageerbuizen worden
gebruikt voor de bepaling van de ijklijn.

le buis (blanco): 3 ml ged. water

2e buis (10 y Mg)

3e buis (20 y Mg)

4e buis (30 y Mg)

5e buis (40 y Mg)

Daarna voegt men aan elke buis toe: 2,0 ml trichloorazijnzuur 10%; 1,0 ml
polyvinylalcohol-opl. 0,1%; 1,5 ml titaangeel-opl. 0,05%.
De inhoud van de buizen wordt gemengd met cen roerstaafje, voorzien van
een knop of een omgebogen punt. De roerstaafjes blijven in de buizen staan
en worden gebruikt voor latere mengingen. Vervolgens voegt men aan elke
buis toe 5,0 ml NaOH (1,6 N). Daarna wordt de inhoud goed gemengd
De buizen worden gedurende 45 minuten in het donker geplaatst. Na nog-
maals mengen wordt in een cuvette van 1 cm de optische dichtheid ten
opzichte van water gemeten bij 545 m/i. Voordat de ijklijn wordt uitgezet
trekt men de opüsche dichtheid van de blanco af van de optische dicht-
heden der magnesiumbevattende oplossingen.

Van het heldere onteiwitte serum wordt 5 ml in een reageerbuis gepipetteerd.
Daarna voegt men toe: 1,0 ml polyvinylalcohol 0,1%; 1,5 ml titaangeel-
opl. 0,05% (mengen); 5,0 ml NaOH (1,6 N), Na nogmaals goed mengen
worden de buizen gedurende 45 minuten in het donker weggezet, waarna
(na menging) bij 545 m/x in een cuvette van 1 cm de optische dichtheid wordt
bepaald. Men zet tevens een blanco in en één of meer standaardoplossingen
ter controle van de ijklijn. De gevonden optische dichtheden worden ver-
minderd met de optische dichtheid van de blanco. De met behulp van de
ijklijn gevonden hoeveelheid Mg (bv. 257) is het Mg-gehalte van 1 ml
oorspronkelijk bloedserum. In mg% wordt dit gehalte dan 100 x 0,025 = 2,5,

0,5 ml verd. standaard, 2,5 ml ged. water

1,0 ml verd. standaard, 2,0 ml ged. water

1,5 ml verd. standaard, 1,5 ml ged. water

2,0 ml verd. standaard, 1,0 ml ged. water

-ocr page 396-

opmerkingen.

1. De metingen van de optische dichtheden kunnen het best worden uitge-
voerd bij 545
mii, daar bij deze golflengte het verschil tussen de op-
tische dichtheid van een bepaling en de optische dichtheid van de blanco
het grootst is. Eventueel kan ook nog goed worden gemeten bij 540 of
550 mß.

2. Het steeds in bloedserum aanwezige calcium stoort bij deze bepalingen
niet. Dit werd ook gevonden door O r a n g e en R h e i n,
(J. Biol. Chem.
52, 349, (1922) en 71, 283, (1927)).

Bespreking van de resultaten.

In tabel 1 en 2 wordt het verloop van alle serummagnesiumgehalten in
beide proeven van alle dieren afzonderlijk vermeld. Voor het in de weide
gaan van de proefkoeien waren de magnesiumgehalten van het bloedserum
op een normaal, soms zelfs vrij hoog niveau. Op de stal werd geen extra
magnesium verstrekt. De dalingen van de inagnesiumgehalten na de over-
gang van de stal naar de weide zijn in beide proeven bij alle dieren zeer
opvallend. Er werd geen object opgenomen waarbij direct vanaf de stal
extra magnesium werd verstrekt teneinde een normaal serummagnesitun-
niveau te kunnen handhaven. Dat dit gemakkelijk kan, hebben andere
proeven meennalen aangetoond.

Bij het eigenlijke begin van beide proeven, nl. op 29 ajjril en op 7 mei,
waren de gemiddelde serummagnesiumgehalten van de groepen C hoger
dan die van de koeien uit de groepen A. B en D. Deze indeling werd
gevolgd (teneinde het risico van ernstig zieke dieren wat te verminderen)
door de koeien met zeer lage serummagnesiumgehalten niet in de controle-
groepen C op te nemen, doch door deze mede gelet o]j leeftijd en melk-
produktie — zo goed mogelijk o\\ er de groepen B en D te verdelen.
Door de intraveneuze magnesiumtoediening stegen de magnesiurngchalten
van het bloedserum tot waarden uiteenlopend van 8 tot 16 mg\'100 ml.
Bij alle dieren waren deze gehalten twee imr na de injectie weer tot een
normaal niveau gedaald.

Door het verstrekken van magnesiimi in koekjes, tegelijkertijd met de
injectie (groepen A), bleef het serummagnesiumgehalte bij vier van de vijf
koeien op een normaal niveau. Dit in tegenstelling tot de waarden in de
groepen B waar geen magnesiumkoek werd verstrekt en waar ook geen
enkel dier het serummagnesiumgehalte constant boven 2,0 mg/100 ml
kon handhaven. Koe Dientje 3 in proef 1, groep A kon dit ook niet
ondanks de magnesiumtoediening. Een hoeveelheid van bijna 50 gram
magnesiumoxyde per dag was bij dit — gezien het zeer lage serummagne-
siumniveau op 29 april — waarschijnlijk zeer gevoelige dier blijkbaar niet
voldoende, hoewel zeer lage waarden als in proef 1, groep B (0,40 en
0,60 mg/ 100 ml) niet meer voorkwamen.

Over het geheel komt duidelijk tot uitdrukking dat één dag na het intra-
veneus toedienen van magnesium de serummagnesiumgehalten reeds weer
een gevaarlijk niveau kunnen hebben bereikt, wat voorkomen kan worden
door tegelijkertijd magnesium oraal te geven. De in proef 2 bepaalde
calciumgehalten van het bloedserum zijn alle normaal en er zijn ook geen
verschillen vóór en na de injectie met magnesiumchloride waar te nemen.

-ocr page 397-

Tengevolge van de magnesiumverstrekking van bijna 100 gram MgO
aan koe Ymkje 5 in proef 2 op 7 mei om 18 uur („Groep" D) steeg
het serummagnesiumgehalte zeer snel en was reeds de volgende morgen
om 9 uur (misschien al eerder) weer op een normaal niveau. De eerder
vermelde verschijnselen waren geheel verdwenen en ook de melkproduktie
was weer normaal. Opvallend is hierbij ook, dat twee uur na de mag-
nesiumverstrekking al een toename van het serummagnesiumgehalte van
0,60 naar 0,90 mg/100 ml werd vastgesteld.

In beide proeven werden resp. vanaf 2 mei en 10 m.ei aan alle dieren
magnesiumkoekjes verstrekt. Na één dag reeds waren de verschillen in
serummagnesiumgehalten tussen de groepen verdwenen en waren nage-
noeg alle waarden op een normaal niveau gekomen. De gegevens sugge-
reren wel dat, wanneer de eerste maal een extra dosis magnesium werd
gegeven (proef 2), de normale niveaus eerder werden bereikt dan wanneer
dit niet werd gedaan (proef 1), hetgeen overigens geheel begrijpelijk is.
In proef 2, groep B en C werd dit ook geïllustreerd door de snelle
stijging van de serummagnesiumgehalten van de koeien Dina 4 en
Dientje J. M. Van deze dieren werd n.l., gezien het lage uitgangsniveau,
één keer extra het magnesiumgehalte in het bloed bepaald. De vooruit-
gang in conditie en melkproduktie was bij deze dieren ook zeer in het
oog lopend. Het was echter toch bij vele van de in labiele toestand ver-
kerende dieren opvallend hoe door het verstrekken van extra magnesium
de uiterlijk waarneembare labiliteit verdween, wat in vele gevallen even-
eens tot uitdrukking kwam in een verhoogde melkgift.
Gezien de vrij snelle teruggang van de serummagnesiumgehalten na een
intraveneuze toediening van magnesium, zou het in verband met het
voorgaande overweging verdienen bij de nazorg ook een regelmatige orale
magncsiumverstrekking te betrekken. Men kan zich afvragen of de dieren
dan niet sneller zidlen herstellen.

Het is vanzelfsprekend dat wanneer een of enkele dieren uit een koppel
aan kopziekte lijden, aan de andere koeien extra magnesium moet worden
verstrekt. Hierdoor worden de serummagnesiumgehalten van het gehele
kojjpel op een normaal niveau gebracht, waarmee het verdere optreden
van kopziekte wordt voorkomen. In deze gevallen zal een gift van 75
gram zuiver MgO op de eerste dag en vei-volgens 50 gram per dag in
het algemeen voldoende zijn. Voor het handhaven van een normaal serum-
magnesiumniveau zal een hoeveelheid van 50 gram MgO extra per dier
per dag in de behoefte voorzien. Men zou kunnen overwegen om aan
enkele zeer gevoelige dieren onder voor de magnesiumvoeding erg on-
gunstige omstandigheden wat hoger te gaan.

Wat de opname van de magnesiumkoekjes door het vee betreft, ondervindt
men in het algemeen geen moeilijkheden wanneer hieraan vooral bij
jonge dieren voldoende zorg wordt besteed en de koekjes vers worden
gevoerd. De wijze van koekjes voeren laat in de praktijk nogal eens te
wensen over. Het is echter mogelijk dat meer veehouders hier voldoende
zorg aan gaan besteden wanneer de gunstige werking van deze extra
magnesiumverstrekking bij een meer intensieve voorlichting duidelijk tot
uitdrukking komt. Dat overeenkomstige resultaten kunnen worden be-
reikt door een doelmatiger graslandbemesting waarbij ook een magnesium-
bemesdng regelmatig plaats moet vinden, wordt in dit artikel verder buiten
beschouwing gelaten.

-ocr page 398-

In twee proeven werd aangetoond dat door een orale toediening van magnesium
in de vorm van „technisch MgO" dc serummagnesiumgehalten bij melkkoeien met
hypomagnesemie snel omhcxjg gebracht kunnen worden en op een normaal niveau
gehandhaafd kunnen worden. Na intraveneuze toediening van magnesium als mag-
nesiumchloride kunnen de serummagnesiumwaarden reeds één dag later weer een
gevaarlijk niveau hebben bereikt. Wordt hiernaast voldoende magnesium oraal
gegeven, b.v. in de vorm van magnesiumkoekjes, dan treedt deze daling niet op.

SUMMARY.

Two experiments with dairy cows with hypomagnesaemia showed that the magnesium
content of the serum may be rapidly increased and maintained at a normal level by
oral administration of magnesium in the form of „technical MgO".
When magnesium is administered intravenously as magnesium chloride, the magne-
sium concentrations may be reduced to dangerous levels agam one day later. When
a sufficient quantity of magnesium is given orally as well, for instance in the form
of magnesium cakes, this decrease will not occur.

RÉSUMÉ.

En deux expériences on démontra que par une administration orale de magnésium
dans la forme de „MgO technique", les teneurs en magnésium du sérum des vaches
laitières souffrant d\'hypomagnésémie peuvent être remontées rapidement et main-
tenues sur un niveau normal.

Après l\'administradon intraveineuse de magnésium comme chloride il est possible
que les teneurs en magnésium, le lendemain déjà, aient atteint un niveau dan.gereux.
Si l\'on administre cn outre suffisamment de magnésium per os, par exemple dans la
forme de gâteaux au magnésium, cet abaissement ne se présente pas.

ZUSAMMENFASSUNG.

In zwei Versuchen wird gezeigt dass durch Oralverabreichung von Magnesium in
der Fonn von „technischem MgO" der Serummagnesiurngehalt bei Milchkühen mit
Hypomagnesämie rasch erhöht und auch auf einem normalen Niveau erhalten wer-
den kann.

Nach intravenöser Verabreichung von Magnesium als Magnesiumchlorid können die
Magnesiumwerte bereits nach einem Tag später schon ein gefähriiches Niveau er-
reichen. Gibt man dazu oral genügend Magnesium, z.B. in Form von Magnesium-
kuchen, dann kommt diese Senkung nicht vor.

Test-station voor rundvleesproduktie.

De Engelse Milk Marketing Board overweegt over te gaan tot het stichten van een
grote „selectie-mesterij" voor rundvleesproduktie. Het plan omvat een meststation,
waar 4000-5000 dieren gemest kunnen worden tot een levend gewicht van
8-8/2 cwt
= ± 400 kg, te bereiken op cen leeftijd van 12 maanden. Nagegaan zullen worden
de voederconversie en de groei. De vererving van de eigenschappen van te gebruiken
vleesstieren wordt zeer belangrijk geacht.

Veeteelt- cn Zuivelber., 6, 275, (1963).

-ocr page 399-

Landbouwkundige maatregelen ter verbetering
van de magnesiumvoeding van weidend rund-
vee.1)

Agricuhural measures to improve the magnesium in-
take for grazing cows.

door Ir. H. DE GROOT2)

Uit het Proefstation voor de Akker- en Weidebouw fP.A.W.J
te Wageningen.

Inleiding.

Het in ernstige mate voorkomen van kopziekte op sommige bedrijven, ter-
wijl op andere bedrijven het vee vrij bleef, vormt reeds lang een sterke
aanwijzing, dat de ziekte in verband staat met de voeding en derhalve
met de samenstelling van het gras. Het resultaat van het onderzoek van
Kemp (1959, 1960, 1961), waaruit blijkt dat het optreden van hypo-
magnesemie samerdiangt met het stikstof-, het kali- en het magnesiumge-
halte3 van het gras, kan de grondslag vormen \\ oor het nemen van maat-
regelen.

Anderzijds moet worden bedacht, dat op de meeste bedrijven in ons land
de omstandigheden er toe hebben geleid, dat het glasland intensief wordt
en moet worden gebruikt. Hoge graslandopbrengsten zijn daar noodzake-
lijk en, indien mogelijk, moeten wijzigingen hoge opbrengsten of het verder
opvoeren van de opbrengsten niet verhinderen.

Weidegras is in het algemeen een relatief goedkoop voer. Uit de vele
voederproeven met melkvee gedurende de weidetijd komt als resultaat
naar voren, dat deze bijvoeding gedurende een groot deel van het weide-
seizcx^n op vele bedrijven veelal niet rendabel is. Hoewel het nemen van
maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van het weidegras ook geld
zullen kunnen kosten, zullen deze maatregelen daarom in zijn algemeen-
heid vaak de voorkeiu\' verdienen, indien deze ook tot het doel kimnen lei-
den. De bijvoeding kan dan als overgangs- of als aanvullende maatregel
worden beschouwd.

Naast de samenstelling van het gras zal ook de opgenomen hoeveelheid
van belang zijn. Het zal daarom gewenst zijn naast de factoren, die de
samenstelling beïnvloeden, tevens aandacht aan de opgenomen hoeveel-
heid te schenken.

Factoren, die de samenstelling van gras beïnvloeden.

Een groot aantal factoren bepaalt mede welke chemische samenstelling
het gewas uiteindelijk krijgt. Sommige factoren zijn weer in meer of min-
der sterke mate afhankelijk van een deel van de andere factoren, wat het

1  Voordracht, in tc leiden op 19 oktober 1963 op de Algemene Vergadering van
de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht.

2  Ir. H. de Groot, medewerker aan het Proefstation voor de .Akker- en Weide-
bouw, Bornsesteeg 45, Wageningen.

3  Als niet anders is aangegeven, zijn met de gehalten van N, K en Mg steeds
bedoeld de gehalten in dro.ge stof.

-ocr page 400-

geheel ingewikkeld maakt. Dit wordt hier grotendeels buiten beschouwing
gelaten. Voor een deel heeft de boer te maken met factoren, die hij niet
of nauwelijks kan beïnvloeden: de grond, de waterhuishouding en de
weersomstandigheden. Tenzij omvangrijke cultuurtechnische werken wor-
den uitgevoerd is bij blijvend grasland de grond een onveranderlijk ge-
geven. De boer kan de waterhuishouding gewoonlijk alleen regelen \\oor-
zover het de detailontwatering betreft. Beregening wordt op grasland zeer
weinig toegepast.

De botanische samenstelling kan een belangrijke invloed op de chemische
samenstelling van het gras uitoefenen. Voor een deel wordt bij blijvend
grasland de botanische samenstelling mede bepaald door de bovenge-
noemde drie factoren: grond, waterhuishouding en weersomstandigheden,
anderzijds kan de boer door maatregelen invloed uitoefenen, zodat het zin
heeft wat dieper op deze factor in te gaan.

Bemesting, verzorging van het grasland in engere zin, gebruik cn tijd
van inscharen zijn invloeden, die de boer tot op zekere hoogte in de hand
heeft. Op langere tennijn geldt dit ook voor de bemestingstoestand.
Naast de directe invloed op de chemische samenstelling, kan een in-
directe komen doordat de botanische samenstelling erdoor wordt ge-
wijzigd. Enkele van deze maatregelen zullen nader moeten worden be-
schouwd, waarbij de bemesting als een van de belangrijkste de meeste
aandacht zal vragen.

BOTANISCHE SAMENSTELLING.

Bij elke plantensoort is een grote variatie in samenstelling te vinden, wan-
neer de planten onder zeer uiteenlopende omstandigheden zijn gegroeid.
Het vergelijken van de samenstelling van plantensoorten heeft daarom
alleen zin, als de planten onder dezelfde omstandigheden zijn gegroeid.
De verschillen bij de grassoorten onderling zijn niet erg groot. B o s c h
(1954) gaf de samenstelling van Engels raaigras, kropaar, kweek en wit-
bol afkomstig van eenzelfde proefveld. Kropaar had een hoger kaligehalte
dan Engels raaigras. Kweek had een hoger stikstof- en kaligehalte en een
lager magnesiumgehalte en was dus duidelijk ongunstiger. Witbol had een
hoger kaligehalte en een lager magnesiumgehalte.

Ten opzichte van de grassen als groep hebben vele dicotylen, die in het
grasland voorkomen, een sterk verschillende samenstelling. Op hetzelfde
proefveld vond Bosch (1954) bij de paardebloemen hogere kali- en mag-
nesiumgehalten, Dit was ook het geval bij de overigens minder gewaar-
deerde veldzuring, die bovendien een hoger stikstofgehalte had.
Van der Kleij (1957) heeft witte klaver, paardebloemen en smalle
weegbree op een groot aantal standplaatsen vergeleken t,o.v. de grassen
als groep. Witte klaver had een veel hoger stikstofgehalte, terwijl het mag-
nesiunigehalte gemiddeld bijna het dubbele was. Ook hij vond bij de paar-
debloemen een veel hoger kaligehalte en ongeveer het dubbele magne-
siumgehalte. Smalle weegbree had een hoger magnesiumgehalte dan het
gras.

De Vries en D ij k s h o o r n (1961) vonden echter maar een klem
verschil in magnesium,gehalte tussen smalle weegbree en Engels raaigras.
Als algemene regel kan men stellen, dat de chemische samenstelling van
het grasgewas duidelijk wordt beïnvloed door de verhouding waarin de
grassen, de klavers en overige kruiden voorkomen. De laatste groep kan

-ocr page 401-

alleen dan een waardevolle bijdrage leveren als de planten goed door het
vee worden opgenomen, terwijl het daarnaast van belang is, dat ze niet
verhinderen een hoge opbrengst te verkrijgen. Juist vanwege het laatste
feit zullen de overige kruiden wel tot een bescheiden plaats beperkt moe-
ten blij\\en. Witte klaver is een in grasland zeer gewaardeerde planten-
soort, maar komt op de meeste, intensief gebruikte en bemeste graslanden
slechts in geringe mate voor. Bovendien is de ontwikkeling in het voor-
jaar gewoonlijk zodanig, dat de in\\loed van witte klaver in het begin van
de weidetijd gering zal zijn.

Bij het intensief gebruikte blij\\ end grasland met een hoge opbrengst zul-
len in het algemeen de grassen sterk gaan overwegen en zijn er weinig
mogelijkheden om via de botanische samenstelling tot een gunstiger toe-
stand te komen.

Bij kunstweiden en bij de aanleg van blijvend grasland kan de witte
klaver aanvankelijk wel een flink deel van het bestand uitmaken. Hoewel
het lang niet altijd gelukt een goede ontwikkeling van de witte klaver te
krijgen is het wel van belang er naar te streven, omdat de witte klaver
hier zeker wel kan bijdragen tot een terugdringen van het kopziektege-
vaar. (Anderzijds is het risico dat trommelzucht optreedt groter.)

BEMESTING

De bemestingstoestand en de bemesting moeten in verband met de chemi-
sche samenstelling wel als zeer belangrijke factoren worden beschouwd.
Toch is het niet zo eenvoudig om via bemesting en bemestingstoestand tot
resultaten te komen, die gewenst zijn. Men heeft niet alle factoren in de
hand. Onze kennis schiet bovendien oj) sommige punten te kort, terwijl
de enorme variaties in omstandigheden altijd een handicap zullen blijven.
In sommige gevallen zal men pas op langere termijn een betere toestand
kunnen krijgen. Wij zullen ons hier tot enige hoofdzaken van de stik-
stof-, de kali- en de magnesiumbemesting moeten beperken.

Stikst ofbemesting

Op vele bedrijven zal het grasland stikstof krijgen met de gier en de stal-
mest (in al zijn variaties, waarop hier niet wordt ingegaan), maar de
kunstmeststikstof overweegt toch veelal sterk. Eenvoudigheidshalve wil-
len wij hier vooral onderzoek aanhalen, dat met kunstmest is gedaan. In
principe behoeft dit geen verschil te geven. Weliswaar zijn de N-gehalten
\\an gier en stalmest in h.et produkt als zodanig veel lager dan bij kunst-
mest, maar doordat er per ha veel grotere hoeveelheden worden ge-
geven kan, vooral met gier, toch een flinke hoeveelheid stikstof voor de
planten beschikbaar zijn.

Gehalten zijn relatieve begrippen. Het N-gehalte van de droge stof van
gras zal niet alleen afhankelijk zijn van de opgenomen hoeveelheid stik-
stof maar ook van de totale hoeveelheid gevormde droge-stof. Een grote
produktie kan leiden tot lage gehalten. Omgekeerd kunnen groeirem-
mingen tot gevolg hebben, dat de gehalten hoger zijn dan wat was ver-
wacht. Naarmate het gras ouder wordt, vinden we lagere stikstofgehalten.
Bij maaitijdsproeven wordt bij gras per week een teruglopen van het stik-
stofgehalte van ongeveer 0,25% N gevonden. Het hangt in sterke mate van
de oogsttijd af in hoeverre of stikstofbemesting een invloed zal hebben op

-ocr page 402-

het N-gehahe. De produktievermeerdering tengevolge van de stikstofbe-
inesting heeft echter tot gevolg, dat de boer eerder gaat inscharen omdat
er naar zijn mening reeds voldoende gras is. Hoewel matige hoeveelheden
N, afhankelijk van het jaar, bij de eerste snede weinig of geen invloed
hebben op het stikstofgehalte bij gelijke oogstdaturn, zal in de praktijk
door dit vroeger inscharen wel gras met een hoger N-gehalte aan de
koeien worden gegeven. Bij een in 1953 door Bosch op hiimiisrijke zand-
grond genomen proef werd berekend, dat een opbrengst van 1200 kg
droge stof per ha bij 0,20, 40, 60 N resp. werd bereikt op 17, 13, 10, 8 mei,
waarbij de N-gehalte waren 2,2%, 2,25%, 2,4%, 2,65%, (Frankema
en D e W i t, 1958).

In de praktijk komen in het bijzonder in voorjaren met slechte grasgroei
extremen voor, omdat een boer clan wel eens vee inschaart in zeer jong
gras, dat nog maar kort tevoren met stikstof was bemest. In dergelijke
gevallen zal men de kans om van de produktievermeerdering door de
stikstofbemesting te profiteren grotendeels missen. Uit dezelfde overweging
is het onjuist om stikstof te strooien op het land, waar vee in loopt.
Indien de omstandigheden het toelaten is een vroeg aanwenden van dc
stikstof in het voorjaar gunstig, zowel met het oog op de produktiever-
meerdering als met het oog op het gehalte. (Oostendorp en K e u-
ning, 1961).

In de nazomer en herfst heeft de stikstofbemesting in het algemeen meer
invloed op het N-gehalte. Giften van 60 kg N per ha kunnen dan reeds
een zeer duidelijke invloed hebben blijkens de proeven van M u 1 d e r
(1949). Dit is een reden om in die tijd voorzichtig te zijn met flinke be-
mestingen.

De stikstofbemesting kan ook de minerale samenstelling van het gras nog
verder beïnvloeden. In hoeverre dit het geval is, is van verschillende fac-
toren afhankelijk. Met betrekking tot K en Mg kan het volgende opge-
merkt worden.

Mulder (1949) heeft er o]3 gewezen, dat bij een kalitekort de op-
brengstverhoging door een stikstofbemesting geringer is, de N-gehalten in
het gras hoger zijn en de K-gehalten lager.

Indien er in ruime mate K beschikbaar is, srimuleren alle stikstofmeststof-
fen de K-opname, zodat - - vooral als gras in jonge toestand wordt geoogst
— zeer hoge K-gehalten voorkomen blijkens diverse onderzoekingen.
Ook bij Mg worden in jonger toestand van het gras hogere gehalten ge-
vonden, maar de verhoging is weinig opvallend. Men mag bij een stik-
stofbemesting rekenen op enige verhoging van het Mg-gehalte, met uit-
zondering van de bemesting met zwavelzure ammoniak, die daarom relatief
ongunstig naar voren komt volgens de proeven van Van Burg (1963).

Kalibemesting

Door middel van een kalibemesting, hetzij met behulp van organische
meststoffen als gier en stalmest, hetzij met behulp van kalihoudende kunst-
meststoffen, is het kaligehalte van gras te verhogen, .\'\\fgezien van extre-
men, die in de praktijk betrekkelijk weinig voorkomen, is de te bereiken
opbrengstverhoging weinig opvallend en zonder weging moeilijk vast te
stellen. De kosten van een kalibemesting zijn in bedrijfsverband gezien,
vaak gering, omdat de organische meststoffen voor een groot deel of zelfs

-ocr page 403-

geheel in de behoefte kunnen voorzien, üni het risico van een tekort te
vermijden, is er in het verleden vaak ruim bemest. Dit is vooral het geval
geweest op vele kleinere bedrijven, waar door de uitbreiding van de rund-
veestapel, de varkensstapel en de piuimveestapel veel grotere hoeveel-
heden organische meststoffen beschikbaar kwamen, waarmee onvoldoende
rekening werd gehouden bij het bemestingsbeleid.

Op kleigronden, die van nature nogal wat kali bevatten en waar door
verwering steeds weer kali voor de planten beschikbaar komt, kunnen de
organische bemestingen voldoende zijn geweest om tot een te hoge kali-
toestand te leiden.

Op vele bedrijven komt het bovendien voor, dat bepaalde percelen in de
loop der jaren een veel groter deel van de organi.sche meststoffen krijgen
dan andere percelen, waardoor op het zelfde bedrijf naast te hoge kalitoe-
standen ook lage toestanden voorkomen.

Nu is een te ruime kalivoorziening in tweeërlei opzicht nadelig:

1. de beschikbaarheid van het magnesium voor de koe loopt door de hoge
kaligehalten terug volgens Kemp (1960);

2. de opname van magnesium door de plant wordt gedrukt, waardoor de
Mg-gehalten lager zullen zijn. Dit komt \\ ooral tot uiting in combinatie
met een stikstofbemesting. Van Burg (1961) stelt het zo:

„Op gronden met een te hoge kalitoestand wordt dus de chemische
samenstelling van het gras in ongunstige zin beïnvloed naarmate de
stikstofbemesting opgevoerd wordt".
Gierbemesting is vaak zeer slecht op weinig kalibehoevend land, omdat
tegelijk stikstof en kali worden gegeven en bo\\endien vaak in grote hoe-
veelheden.

Het is bij het streven om de magnesiumvoorziening van het vee te ver-
ijeteren daarom van uitermate groot belang te zorgen voor een juiste kali-
voorziening van het gewas.

Grondonderzoek oj) kali kan hierbij een goed hulpmiddel zijn. Dit neemt
niet weg, dat het ook dan nog niet altijd eenvoudig is. Na een winter met
veel neerslag kan vooral op de lichte gronden de kalitoestand in het voor-
jaar veel lager zijn dan in de herfst tengevolge van uitspoeling. Bij een
geringe uitspoeling of het ontbreken van deze kan de kalitoestand in het
voorjaar wel eens hoger zijn dan in de herfst. Men zal gemakkelijk enigs-
zins foutief kunnen bemesten. Wanneer éénmaal iets te veel wordt ge-
geven, zal dit veelal nog geen nare gevolgen behoeven te hebben als het
niveau goed was. De ongewenste toestanden ontstaan in het algemeen
door meerdere keren te veel geven.

In de praktijk schuilt de moeilijkheid vaak vooral in het moeten aan-
wenden van gier en/of stalmest. Bedrijfs- en weersomstandigheden maken,
dat deze meststoffen niet altijd overeenkomstig het voornemen kunnen
worden aangewend, soms moet de tijd van aanwending verschuiven, in
andere gevallen zal de meststof over andere percelen worden gebracht.
Dit betekent dat op bepaalde percelen de bemesting tijdelijk onvoldoende
kan zijn, op andere dat te veel wordt gegeven.

Om een opeenvolging van onjuiste bemestingen te voorkomen is het daar-
om gewenst een goede perceelsboekhouding te voeren.
Een ander facet is dat bij maaien de kali-onttrekking groter is dan bij
weiden, waarbij een groot deel van de in het gras aanwezige kali met de
uitwerpselen van de dieren weer op het perceel terugkomt, zij het dan

-ocr page 404-

onregelmatig verdeeld. Bij de bemesting kan met het gebruik rekening
worden gehouden, maar omdat door een te geringe of door een over-
vloedige grasgroei het werkelijke gebruik nogal eens moet afwijken van
het voorgenomen gebruik, ontstaan eveneens afwijkingen tussen gegeven
en gewenste bemestingen. Een tekort kan snel worden aangevuld, maar
teveel betekent een gevaar.

De werkelijkheid zal daarom een meer of minder grove benadering zijn
van de gewenste bemesting.

Een te hoge kalitoestand zal verlaagd kunnen worden door het weglaten
van elke kalibemesting (ook geen gier of stalmest), gecombineerd met
veel maaien. Op de zandgronden is de normale kalitoestand dan gewoon-
lijk na 1 ä 2 jaar wel weer bereikt, op kleigronden kan dit langer duren.

De magnesiumbemesting.

Vroeger heeft men weinig aandacht geschonken aan de magnesiumbemes-
ting op grasland, omdat bij proefvelden geen opbrengstverhoging werd
waargenomen. Nu blijkt, dat het magnesiumgehalte van direct belang ge-
acht kan worden in verband met het optreden van kopziekte ligt het an-
ders. Zowel door enige buitenlandse onderzoekers als door enkele Neder-
landse onderzoekers (Slu ijs mans, Bosch en H arm sen (1958),
Van Burg (1961), Kemp (1962), is aangetoond, dat door bemesting
met magnesium het magnesiumgehalte kan worden verhoogd.
Uit de gegevens is af te leiden, dat de verhoging van het magnesiumge-
halte afhankelijk is van de kalitoestand en de kalibemesting, van de stik-
stofbemesting en van de gebruikte Mg-nieststof of Mg-houdende meststof.
Bij grotere hoeveelheden Mg is de verhoging minder dan evenredig.
S i u ij s m a n s kreeg, afhankelijk van de kalitoestand van laag naar hoog,
met 60 kg MgO/ha verhogingen van het Mg-gehalte van 0,08% tot 0,06%.
Wanneer daarnaast echter een zware kalibemesting werd gegeven, was de
verhoging slechts 0,0.3 ä 0,02%. Deze gegevens wijzen nog eens op het
belang van het goed regelen van de kalivoorziening.

Kieseriet is de meest aangewezen magnesiummeststof. Over de werkings-
duur is nog weinig bekend, maar deze zal zich zeker wel over een geheel
seizoen uitstrekken. Men moet echter verwachten, dat na een voorjaars-
bemesting het effect in de herfst veel geringer zal zijn dan bij de eerste
snede. Door een regelmatige bemesting zal, althans op zandgrond, een
cumulatief effect kunnen optreden (Van Burg, 1961; Bosch en
Harmsen, 1958; Kemp, 1962).

Magnesiumhoudende kalkmeststoffen werken zeer langzaam en komen
alleen in aanmerking als bekalking nodig is.

Magnesamon is een stikstofmeststof met 10% MgO, waarvan 6% in water
oplosbaar is en 4% alleen in mineraal zuur, zodat er ten dele ook een snelle
werking van mag worden verwacht. Anderzijds kan de meststof dienen
voor het op peil houden of vergroten van de Mg-toestand van de grond.
Omdat de stikstofbemesting toch in meerdere giften wordt verdeeld, kan
zonder extra kosten de magnesiumtoediening ook in meerdere keren ge-
beuren.

Voor zand- en dalgronden is het mogelijk een advies over de Mg-bemes-
ting te geven op basis van grondonderzoek, waarbij dan tegelijkertijd on-
derzoek naar de kalitoestand nodig is, omdat bij het advies rekening wordt

-ocr page 405-

gehouden met de kalitoestand en met de stikstofbemesting (Sluijs-
ni a n s, 1963).

Voor kleigronden wordt grondonderzoek niet aangeraden. Voor zover
bekend zijn de magnesiumgehalten van de kleigronden in vergelijking met
die van zandgronden hoog. Verwacht mag worden dat veelal bij een goede
kalitoestand en een daarbij passende kalibemesting het Mg-gehalte be-
hoorlijk hoog zal liggen. Zolang de kalitoestand te hoog is, kan ook daar
een magnesiumbemesting verbetering brengen. (Bosch en H a r rn s e n,
1958; Th. de Groot, 1963).

TIJD VAN INSCHAREN

In verband met de vrij belangrijke verschillen in chemische samenstel-
ling tussen jong en oud gras wordt nogal eens aangeraden in een later
groeistadium in te scharen. Blijkens de proeven van Bosch (1950) ne-
men de beweidingsvcrliezen sterk toe als het gras veel langer is, zelfs wan-
neer rantsoenbeweiding wordt toegejiast. Uit een oogpunt van opbrengst
heeft een dergelijk systeem derhalve grote bezwaren. Laat inscharen be-
tekent bovendien vaak dat meer tijd moet worden besteed aan het af-
maaien van resten.

In de praktijk komt het voor, dat wordt ingeschaard in zeer jong en zeer
kort gras, dat nog niet zolang geleden met stikstof was bemest. Dergelijke
gevallen moet men trachten te voorkomen. Maar het is voor de boer on-
mogelijk om altijd het meest gewenste te benaderen, omdat hij niet alle
omstandigheden in de hand heeft.

Dc opgenomen hoeveelheid gras

Wanneer wij er van uitgaan, dat het dier minimaal een bepaalde hoeveel-
heid Mg moet binnenkrijgen, is naast de chemische samenstelling ook
van groot belang hoeveel gras het dier opneemt. De samenstelling wordt
gewoonlijk als percentages in de droge stof opgegeven, zodat het dan
juister is te stellen, dat het dier een bepaalde hoeveelheid droge stof
moet opnemen. Nu bestaat er helaas nog geen eenvoudige en nauwkeu-
rige methode om de opname van een weidend dier te bepalen. Door het
uitmaaien van stroken voor de beweiding en het bepalen \\an de resten
na de beweiding kan men een idee krijgen \\ an de verbruikte kg gras en
droge stof. Bij het rendeinent.sonderzoek is dit in 1956 en in 1957 op
grote schaal gedaan. In zijn samenvatting geeft K leter (1961) voor
1956 als gemiddelde op 17,6 kg verbruikte ds per grootvee weidedag
en voor 1957 19,0 kg. Uit de gegevens blijkt verder dat in de maanden
mei en september en oktober de gemiddelden lager waren. In die perioden
waren de droge-stofgehalten van het gras eveneens lager. Het is ook wel
zeer waarschijnlijk, dat de dieren bij lage ds-gehalten minder gemakkelijk
veel droge stof opnemen dan bij hogere ds-gehalten.

Hoewel de gewoonlijk aangehouden opname van 15 kg ds voor een koe,
die ca. 20 kg melk geeft, wel verantwoord lijkt, moet rekening worden ge-
houden met de mogelijkheid, dat deze tijdelijk wel eens lager kan liggen.
In het algemeen neemt bij gras het droge-stofgehalte langzaam toe met
het ouder worden. Het ds-gehalte hangt verder nauw samen met de groei-
snelheid. Wanneer door een wijziging van de groeiomstandigheden een
versnelling van de groei optreedt, kan het ds-gehalte tijdelijk wel af-

-ocr page 406-

nemen i.p.v. langzaam toenemen blijkens de potproeven van D ij k s-
hoorn(1957).

Jagtenberg (1962) kwam eveneens tot de conclusie, dat snelgroeiend
gras een lager ds-gehalte heeft. Elke, overigens goede, bemesting kan tot
enige verlaging van het ds-gehalte leiden. Hogere opbrengsten gaan als
regel samen met lagere ds-gehalten.

Vooral in het voorjaar kan het gras snel groeien en de lage ds-gehalten
zullen, naar wij kunnen veronderstellen, een beletsel kunnen zijn \\oor de
dieren om voldoende droge stof op te nemen. In de nazomer speelt een
andere factor daarnaast gewoonlijk een grotere rol dan in het voorjaar:
namelijk de smakelijkheid. Op percelen, die reeds enkele keren zijn be-
weid zijn de koeien als regel niet zo gretig.

Het is daarom van belang zo mogelijk voor een afwisselend gebruik van
maaien en weiden te zorgen.

Ook een stalbemesting kort \\óór het inscharen, is met het oog op de op-
name minder gewenst. In de praktijk is wel bekend, dat op dergelijke wei-
den de melkgift vaak teruggaat.

De boer kan via gebruik, verzorging en bemesting in bepaalde gevallen
wel enige invloed uitoefenen bij dit probleem.

Het is te hopen, dat er spoedig een techniek beschikbaar komt, die het
mogelijk maakt meer over de opname te weten te komen en over de fac-
toren die hierop invloed uitoefenen.

Bijvoeding.

Gezien het grote aantal factoren, dat bij het gehele probleem een rol speelt
en waai-van een deel moeilijk of niet te beïnvloeden is, moet er op
worden gerekend, dat het moeilijk zal zijn om de mogelijkheid van een on-
voldoende magnesiumvoeding geheel uit te sluiten. Daarnaast zijn er in de
praktijk tal van gevallen, waarin pas op langere termijn verbetering van
de toestand is te verkrijgen.

Het is gelukkig mogelijk om door middel van een bijvoeding te helpen.
In zijn algemeenheid is de bijvoeding niet goedkoop. Bedrijfseconomisch
gezien kan men ze als een noodozakelijk kwaad beschouwen, zolang er
voldoende gras door de dieren kan worden opgenomen. Wil men boven-
dien hebben, dat alle dieren hun portie van het bijvoer krijgen, dan is in-
dividuele voeding nodig. Dit kost extra werk, waarvoor de tijd op som-
mige bedrijven moeilijk is te vinden.

Vele produkten zijn bijgevoerd als middel om het optreden van kopziekte
te beperken. Het is niet te zeggen wat het effect is geweest. Van de bij-
voeding van enkele produkten is getracht door onderzoek het effect vast
te stellen (Bosch en Harmsen, 1958; Oostendorp en Harm-
sen, 1959).

Ik noem in dit verband droge pulp, ingekuilde natte pulp en aardappel-
\\ezels, die in de praktijk goed bleken te voldoen. Het komt een enkele
keer voor, dat een dier een van deze produkten weigert. Onderzoek leer-
de, dat 2 kg droge pulp niet altijd voldoende was om een sterke daling van
het Mg-gehalte van het bloedserum te verhinderen. Het is te verwachten,
dat dit ook wel het geval zal kunnen zijn bij het bijvoeren van ca. 2 kg
droge stof met ingekuilde natte pulp of aardappelvezels. Het kan dus wel
eens nodig zijn meer te geven.

-ocr page 407-

De/e industriële bijprodukten komen slechts in beperkte mate aan de
markt, waardoor een grote vraag de prijs doet oplopen. Het is daarom
gelukkig dat daarnaast de mogelijkheid bestaat tot het bijvoeren van Mg-
houdende koeken, waarbi j \\ olgens het advies van Seekles (1956) elke koe
dagelijks 50 gram MgO (30 gram Mg) moet worden gegeven. Helaas
blijken er een paar bezwaren te zijn. In de eerste jjlaats komt het nogal
eens voor dat enkele koeien van een groep de koeken weigeren. Het is wel
nodig uit te gaan van verse koek en te zorgen voor schone handen, terwijl
het voeren van de koek direct na het verzamelen van de dieren gimstiger
voor het willen eten schijnt te zijn dan het voeren tijdens het melken.
Een ander bezwaar is, dat het xrij \\\'aak voorkomt dat de koeken niet de
hoeveelheid Mg bevatten, die wordt opgegeven (Kemp, 1963). Het ge-
\\olg is, dat de dieren niet de gewenste hoeveelheid Mg bijgevoerd krijgen.
Het is van veel belang, dat dc fabrikanten zorgen dat de koeken zoveel
Mg bevatten als wordt opgegeven.

Uiteraard zullen er gevallen zijn, dat bij de dieren, die b.v. in plaats van
30 gram Mg slechts 20 gram krijgen, cen flinke daling van het Mg-ge-
halte van het bloedserum wordt voorkomen, maar wij kimnen nu niet
vaststellen of 30 g Mg in de praktijk praktisch altijd voldoende is om het
optreden van kopziekte ten gevolge van hypomagnesemie tc \\erhinderen.
Het is verder wellicht nuttig er oj) te wijzen, dat de waarnemingen niet
wijzen op een gunstige invloed van de bijvoedering van keukenzout (D e
Groot, 1959; Oostendorp, 1961), noch van een hoog natriumgehaltc
in het gewas (Kemp, 1959). Dc wenselijkheid \\ an de bijvoeding met
keukenzout, eventueel door middel van pekel, bcoordele men in verband
met de natriumvoorzicning.

S.AMENVATTING.

Voor de meeste bedrijven in ons land is een intensief ,grasland,gebniik, waarbij hoge
graslandopbrengsten worden verkregen, een eeonomisrhe noodzakelijkheid. Land-
bouwkundige maatregelen ter verbetering van de magnesiumvoeding van weidend
rundvee moeten bij voorkeur deze hoge opbrengsten niet verhinderen.
Volgens het onderzoek van Kemp hangt het optreden van hypomagnesemie samen
met het N-, het K- en het M,g-gehalte van het gras. Van de vele factoren die
de chemische samenstelling van het gras beïnvloeden, is in de eerste plaats aandacht
besteed aan de botanische samenstelling. Hoewel deze factor grote invloed kan
hebben, is er bij een intensief .gebruik van blijvend grasland weinig perspectief om
langs die weg tot verbetering te komen.

De invloed, die via de bemesting kan worden uitgeoefend, is zeer groot. De on-
gimstige invloed die van de stikstof kan uitgaan, is (e beperken door te letten op
dc aanwendingstijd en de soortenkeuze cn door extreme giften te vermijden, vooral
in combinatie met een te ruime kalivoorziening.

Overmaat kali is schadelijk. Men moet er naar streven niet meer kali te .geven dan
nodig is voor een goede opbren.gst. Hoge kalitoestanden, gewoonlijk ontstaan door
meerdere keren te veel te geven, moeten worden vermeden door een juiste be-
mestingspolitiek, inclusief het .gebruik van gier en stalmest. Indien de kalitoestand
te hoog is, kan deze door veel maaien worden teruggebracht.

Door middel van een magnesiumbemesting kan op alle grondsoorten het Mg-gehalte
van het gewas worden verhoogd. Op zand- en dalgronden kan grondonderzoek hier-
bij een hulpmiddel zijn voor het bepalen van de grootte van de gift. Het effect is
afhankelijk van de kalitoestand en vooral van de kalibemesting. Verwacht wordt,
dat op veel zandgronden regelmatig een Mg-bemesting nodig is. .Ms snelwerkende
meststof komt kieseriet in aanmerking. Het gebruik van magnesamon als stikstofmest
kan in voorkomende gevallen worden aanbevolen.

-ocr page 408-

Hoewel ouder gras een gunstiger samenstelling heeft, zijn er grote bezwaren om in
een later groeistadium in te scharen.

De met het gras opgenomen hoeveelheid droge stof is mogelijk soms te gering om
voldoende beschikbaar Mg op te nemen. Maatregelen, die de smakelijkheid van het
gras doen afnemen, zijn daarom ongewenst.

Door middel van een geschikte bijvoeding is de magnesiumvoeding te verbeteren.
Hoewel met 2 kg droge pulp per dier per dag of met 2 kg ds uit ingekuilde
natte pulp of aardappelvezels goede resultaten zijn bereikt, is dit niet altijd voldoende.
Het bijvoeren van magnesiumhoudende koeken, waarbij elke koe dagelijks 30 g Mg
(50 g MgO) wordt gegeven, biedt meer zekerheid. De opname is soms minder goed.
Omdat nogal vaak koeken met een te laag gehalte in de handel zijn gebracht, is
niet bekend of in de praktijk 30 g Mg het optreden van kopziekte ten gevolge van
hypomagnesemie praktisch altijd voorkomt.

SUMMARY.

The intensive use of pasture-land, resulting in high pasture yields, is an economic
necessity for most farms in the Netherlands. There yields should preferably not be
prevented by agricultural measures designed to increase the magnesium intake of
grazing cattle.

Studies by Kemp showed that there is a relationship between the appearance of
hypomagnesaemia and the N, K and Mg content of the grass. Of the many factors
affecting the chemical composition of the grass, the botanical composition was that
which primarily received attention. Though this may be a very important factor,
there is little prospect of achieving any improvement by this method.
A marked cffcct may be exerted by fertilization. The possible adverse effect of ni-
trogen may be reduced by paying attention to the period of application and the type
employed as well as by avoiding the use of extremely large quantities, particularly in
conjunction with an excessive potassium supply.

Excessive potassium is injurious. Efforts should be made to limit the amount of
potassium given to that required to ensure a satisfactory yield. High potassium levels
of the soil, which are usually due to the fact that too much potassium has been given
several times, should be avoided by a correct fertilization policy including the use of
liquid and farmyard manure. When the potassium level of the soil is too high, it may
be reduced by frequent mowing.

Magnesium manuring will increase the Mg content of the growth on all types of soil.
Examination of the soil may be helpful in determining the quantity of dressing re-
quired for sandy soil and cleared peat moors. The effect will depend on the pot-
assium level and particularly on potassium manuring. Constant Mg manuring will
probably be necessary on several types of sandy soil. Natural magnesium sulphate
(MgSO-iHaO) may serve as a quick-acting fertilizer. The use of magnesamon as a
nitrogenous fertilizer is to be recommended in appropiatc cases. Though the compo-
sition of older grass is more satisfactory, there are great objections to turning out to
grass at a later stage of growth.

The amount of dry substance ingested with the grass may possibly be too small in
some cases too permit an adequate intake of available magnesium. Measures reducing
the palatableness of the grass therefore arc not advisable.

Th magnesium intake may be increased by a suitable addition to the diet. Although
satisfactory results have been obtained when each animal was given two kg. of dry
beet pulp daily or two kg. of dry substance from ensiled wet beet pulp or potato
fibres, this will not be sufficient in every case. Supplements consisting of magnesium-
containing cakes, each cow being given thirty g. of magnesium (fifty g. of MgO)
daily, will be more hkely to be sucessful. The intake is inadequate in some cases. As
cakes having too low a content are often marketed, it is not known whether thirty g.
of magnesium will prevent grass tetany resulting from hypomagnesaemia in almost
every case in actual practice.

-ocr page 409-

RÉSUMÉ.

Pour la plupart des agricultures dans notre pays un emploi intensif du pâturage,
grâce auquel on obtient des rendements élevés, est une nécessité économique. Il ne
faut surtout pas que les mesures agronomiques pour améliorer le fourrage en mag-
nésium des bovins en pâturage encombrent ces rendements.

Selon les recherches de Kemp la présence d\'hypomagnésémie est liée à la teneur
de N., K., et Mg. de l\'herbe. Parmi les différents facteurs qui influencent la compo-
sition chimique de l\'herbe, on a en premier lieu étudié la composition botanique.
Bien que ce facteur puisse avoir une grande influence, il y a, de cette façon, dans
un usage intensif du pâturage permanent, peu de possibilités pour améliorer la situa-
don.

L\'influence que l\'on peut exercer à l\'aide de l\'engrais est très grande. On peut
réduire l\'influence défavorable que peut avoir l\'azote en choisissant bien le moment
d\'usage et l\'espèce et en évitant des dons extrêmes, surtout en combinaison avec un
approvisionnement trop grand de potassium. Un surplus de potassium est nuisible.
Il faut tendre à ne donner pas plus de potassium que n\'est nécessaire pour un bon
rendement. Des teneurs trop grandes en potassium, causées d\'ordinaire par une
administration trop élevée et plusieurs fois répété doivent être évitées par un
régime correct d\'engrais, y compris l\'usage de purin ct de fumier de ferme. Si la
teneur en potassium est trop élevée, cell-ci peut être réduite par des fauches fré-
quentes.

l\'aide d\'un engrais au magnésium la teneur en magnésium de la végétation peut
être augmentée sur toutes sortes de terrains. Sur des terrains sablonneux l\'examen
du sol peut être un moyen auxiliaire pour déterminer la quantité du don. L\'effet
dépend de la teneur en potassium et surtout de l\'engrais au potassium. On s\'attend
à ce qe sur beaucoup de terrains sablonneux un engrais au magnésium est nécessaire
régulièrement. Comme engrais à action rapide le kieseriet entre en considération.
Le cas échéant, l\'emploi de magnésamon peut être recommandé comme engrais azoté.
Bien que l\'herbe plus vieille ait une composition plus favorable, c\'est un grand
désavantage de mettre le bétail au vert dans un stade plus avancé de la croissance.
La quantité dc matière sèche ingère avec l\'herbe est peut-être trop petite pour l\'inges-
tion suffisante de Mg. disponible. C\'est pourquoi des mesures enlevant à l\'herbe sa
saveur sont à déconseiller.

A l\'aide d\'une suralimentation appropriée l\'on peut améliorer le fourrage au magné-
sium, Bien qu\'on ait atteint dc bons résultats à l\'aide de 2 kilogr, de pulpe sèche par
animal par jour ou à l\'aide de 2 kilogrammes dc matière sèche originaire de pulpe
humide ensilée ou de fibres de pommes dc terre, cela ne suffit pas toujours, La sur-
alimentation aux gâteaux contenant du Mg pendant laquelle on donne chaque jour
à chaque vache 30 gr, de Mg, (50 gr. dc MgO) offre plus de certitude. L\'ingestion
est parfois moins bonne.

Comme des gâteaux avec une teneur trop basse en magnésium ont assez souvent été
lancés dans le commerce, on ignore si dans la pratique 30 grammes de Mg prévien-
nent toujours la tétanie d\'herbage comme conséquence dc l\'hypomagnésémie.

ZUSAMMENFASSUNG.

Ein intensiver Gerbauch des Graslandes, wobei hohe Graslanderträge erwirkt wer-
den, ist eine ökonomische Notwendigkeit der meisten Betriebe unseres Landes. Agrar-
wirtschaftliche Massnahmen zur Verbesserung des Magnesiumfutters des weidenden
Rindviehes müssen vorzugsweise diese Erträge nicht beeinträchtigen.
Laut den Untersuchungen von Kemp besteht ein Zusammenhang zwischen Auf-
treten von Hypomagncsämie und dem N-, K- und Mg-Gchalt des Wiesengrases, Unter
den vielfachen Faktoren die die chemische Zusammenstellung vom Gras beeinflussen
ist vor allem die botanische Zusammenstellung beachtet worden. Obwohl dieser Fak-
tor einen grossen Einfluss haben kann, ist bei einem intensiven Gebrauch des blei-
benden Graslandes die Perspektive so eine Verbesserung zu erzielen sehr geringfügig.
Der Einfluss, den man durch düngen ausüben kann, ist recht gross. Der ungünstige

-ocr page 410-

Einfluss, der Stickstoff haben kann, ist zu beschränken durch Beachtung der An-
wendungszeiten und der Sortenwahl und auch durch Vermeidung extremer Gifte, be-
sonders in Verbindung mit einer zu reichlichen Kaliversorgung.

Zuviel Kali schadet. Deshalb müsste man trachten nicht mehr Kali zu geben als nötig
ist für einen guten Ertrag. Hohe Kalizustände, gewöhnlich die Folge von mehrfachen
Ubermass, müsste man vermeiden durch richtige Düngungspolitik, dabei einbegriffen
die Nutzung von Jauche und Stallmist. Ist der Kalizustand zu hoch, dann kann man
diesen verrin,gem durch öfters zu mähen.

Man kann den Mg-Bestand vom Gewächs erhöhen bei jeder Bodenart durch Mag-
nesiumdüngung. Bei Sand- und Talböden kann die Bodenuntersuchung ein Hilfs-
mittel sein zur Bestimmung der Grösse der Zugabe.

Der Effekt hängt ab vom Kalizustand und vor allem vor der Kalidüngung. Erwartet
wird, dass bei viele Sandboden eine regelmässige Magnesiumdüngung nötig wäre.
Als schnellwirkende Düngung kommt Kicserit in Betracht. Die Anwendung von
Magnesamon als Stickstoffdüngung wird vielfach angeraten.

Obwohl Altgras eine günstigere Zusammenstellun,g besitzt, stösst man auf Schwierig-
keiten beim in die Weide führen in einem späteren Wachstumsstand.
Die mit Gras eingenommene Menge Trockenstoffe ist wo möglich manchmal zu gering
um genügend verfügbares Magnesium einzunehmen. Massnahmen den guten Ge-
schmack des Grases beeinträchtigend sind deshalb nicht erwünscht.
Mit einer geeigneten Zusatznahrung kann man die Magnesiumfüttcrung verbessern.
Obwohl mit 2 KG. Trockensubstanz pro Tier pro Tag oder mit 2 KG. Trocken-
substanz von Eingrub-nass-pulpc oder Kartoffelfaser gute Erfol.ge erzielt wurden ist
das nicht immer .genügend. Die Zusatznahrung von Magnesiumhaiti,gc Kuchen, wobei
jede Kuh täglich 30 Gr. Mg (.\'50 Gr. MgO) erhält, bietet mehr Gewissheit. Die
■Aufnahme ist manchmal weniger gut. Da häufig im Handel Kuchen mit zu geringem
Gehalt auftreten, ist es nicht bekannt ob praktisch 30 Gr. Mg das Auftreten von
Weidetetanie wegen Hypomagnesämie immer verhütet.

LITER.ATUUR

Bosch, S,: Enkele resultaten van een proefneming met inscharen bij uiteenlopende

hoeveelheden gras. Verslag CILO 68-71 (1950).
Bosch, S,: Mededeling op cen lezing (1954).

Bosch, S. en Harmsen, H. E.: Dc invloed van cen magnesiumbcmesting op

de minerale samenstelling van weide.gras. P.A.W.-meded. 10, (1958).
Bosch, S, en Harmsen, H, E,: De invloed van bijvoedering in dc weide op
het magnesiumgehalte van het bloedserum van melkvee.
Intern rapport P.A.W. 18
(1958).

Bur.g, P, F, J, van: Stikstofbemesting van grasland (4), Stikstof (37), 23, (1963).
Burg, P. F, J, van, en .Arnold, G, H,: De magnesiumvoorziening van gras-
land,
Stikstof (30) 219 (april 1961).
D ij k s h O O r n, W. and \'t H a r t, M, L,: The effect of alteration of temperature
upon the cationic composition in perennial ryegrass,
Neth. J. Agr. Sci., 5, 18,
(1957).

F r a n k e n a, H. J, en de Wit, G. T,: Stikstofbemesting, stikstofopname en gras-

groeii n bet voorjaar. Landbouwk. Tijdschr., 70, 465, (1958).
Groot, Th. de: Enkele opmerkingen over het verband tussen de voeding en het

scrummagnesium-,gehalte. Tijdschr. Diergeneesk., 84, 1289, (1959).
Groot, Th. de: De landbouwkundi.ge aspecten van de mineralenvoorziening van

rundvee. Stikstof (37), 4, (1963).
Hart, M. L. \'t en Kemp, A,: De invloed van de weersomstandigheden op het

optreden van kopziekte bij rundvee. Tijdschr. Diergeneesk., 81, 84, (1956).
J a g t e n b e r g, W. D.: Het droge-stofgehalte van weidegras. Landbouwvoorlichting
19, 626, (1962).

Kemp, A and \'t Hart, M, L.: Grass tetany in grazing milking cows. Neth. }.
Agr. Sci.,
5, (1957).

-ocr page 411-

Kemp, A.: Enkele waarneming over het natriumgehaltc van weidegras in verband
met het magncsiumgehalte van het bloedserum bij melkkoeien. Meded 88
laar-
boek I.B.S., 163, (1959).

Kemp, A.: Hypomagnesaemia in milking cows: the response of serum magnesium
to alterations in herbage composition resulting from potash and nitro,gen dressings
on pasture.
Neth. ]. Agr. Sc., 8, 281, (1960). Meded. I.B.S. 140.

Kemp, A. en D e ij s, W. B., Hemkes, O. J. and van E s, A. J. H.: Hypo
magnesaemia in milking cows: intake and utilization of magnesium from herbage
by lactating cows.
Neth. J. Agr. Sc., 9, 134, (1961).

Kemp, A.: Over het ontstaan en de preventie van hypomagnesemie bij rundvee.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 529, (1962). Meded. I.B.S. 171.

K e m p, A. en Geurink, J. H.: Enkele voorlopige gegevens over de magnesium-
bemesting van grasland op zandgrond in verband met de preventie van hypo-
magnesemie bij melkkoeien. Meded. 194.
Jaarboek I.B.S., 167, (1962).

Kemp, A.: Het voederen van magnesiumhoudende koekjes in de praktijk. Land-
bouwvoorl.,
20, 28, (1963).

Kley, F. K. van der: De betekenis van tweezaadlobbige grasplanten voor de
minerale samenstelling van weidegras (1957).

K 1 e t e r, H. J.: De samenstelling en het rendement van weidegras tijdens de be-
weiding. Publ. nr. 16
Afd. Graslandcultuur v. d. L.H. (1961).

Mulder, E. G.: Onderzoekingen over de stikstofvoeding van landbouwgewassen
I Proeven met kalkammonsalpeter op grasland.
Versl. Landb Onderz 55 7
(1949). \' \'

Oostendorp, D. en Harmsen, 11. E.: De invloed van bijvoedering in de
weide op het magnesiumgehalte van het bloedserum van melkvee (voorjaar 1959).
Intern rapport nr. 42, P. A. W. (1959).

Oostendorp, D. en K e u n i n g, J. A.: Stikstofbemesting in het voorjaar op
grasland. Gestencilde verslagen van interprov. proeven nr. 85 (1961).

Seekles, L.: Ma.gnesiumoxyde-houdende voederkoekjes als voorbehoedend middel
tegen kopziekte.
Landbouwvoorl. 13, 111, (1956).

S 1 u ij s m a n s, C. M. J.: Bemesting van grasland met magnesium op basis van
grondonderzoek.
Landbouwvoorlichting, 20, 198, (1963).

V r i e s, D. M. de und D ij k s h o o r n, W.: Eini.ge Probleme in Bezug auf den
Mineralstoffgehalt von Grünlandpfianzen.
Meded. I.B.S. 163, (1961).

Selectiemogelijkheden bij slachtkonijnen.

Bij de nakomelingen van 8 rammen konden erfelijke verschillen worden aangetoond
wat groei en uitslachtpercenta.ges betreft. Verschillen, die door selectie binnen de
rassen tot betere stammen voor de vleesproduktie kunnen leiden.

Pluimveepers, XVHl, .344, (1963)

Spa.sti.sche parese.

Schmäh Istieg en Mätzke van Flannover menen met een elektrisch appa-
raat, genaamd „Neuroton 621" de „accomodation", (de tonus? referent) en het
„accomodation quotient" van spieren te kunnen bepalen. Zij geloven hiermee kli-
nisch gezonde dieren, maar die dragers zijn van genetische factoren voor de spas-
tische parese, te kunnen onderkennen.

An. Br. Abstr., 31, 49, (1963)
1193

-ocr page 412-

INGEZONDEN

OVERZICHT VAN GEDEKTE MERRIES IN 1962.

In het tijdschrift van 1 augustus 1963 is op blz. 973 c.v. geplaatst een „Overzicht
van gedekte merries in 1962" hetwelk mij aanleiding geeft tot het maken van enkele
opmerkingen. Speciaal over hetgeen hier wordt vermeld aangaande het aantal dek-
kingen geregistreerd door de „Stichting Nederlandse Draf- cn Rensport".
In bedoeld overzicht wordt vermeld dat er in 1962 416 volbloed merries zijn gedekt.
Een zo groot aantal Engelse volbloed merries is in Nederland niet aanwezig. Bedoeld
is dan ook het aantal merries dat door goedgekeurde volbloedhengsten is gedekt.
Dit aantal is inderdaad 416 en wel 59 volbloed merries en 357 andere merries.
In 1961 waren deze getallen resp. 51 en 216.

De conclusie in het overzicht dat er een grotere animo is voor de volbloedfokkerij
moet zijn „een grotere belangstelling voor de
halfbloedfokkerij". Een steeds groter
aantal rij- en springpaarden hebben een volbloedhengst als vader.
Winsum.
 P- ]■ Bruins.

BERICHTEN EN VERSLAGEN

ANIMAL HE.ALTH YEARBOOK 1962. FAO-WHO-OIE.

Over de opzet en indeling van bovengenoemde jaarboek is naar aanleiding van eerdere
jaargangen in ons tijdschrift destijds mededeling gedaan.

Behalve de gebruikelijke statistische overzichten van veeziekten over de gehele wereld
pleegt het boek altijd tc besluiten met een of meer artikelsgewijze beschrijvingen
over speciale onderwerpen. In dit zesde jaarboek is hiervoor een voorlopige studie
gekozen betreffende de economische verliezen door dierziekten, uitgaande van de
wereldcampagnc tegen de honger. Dit stuk is in het Engels, het Frans en Spaans
opgenomen. Ook aan dit artikel zijn uitvoerige tabellen toegevoegd.
Schatting van de totale verliezen is slechts voorlopig in enkele landen mogelijk ge-
weest. Echter blijkt hieruit, dat in landen waar reeds sinds jaren veterinaire maat-
regelen worden genomen de schade niet meer dan 15 ä 20% betreft, maar in landen
waar dit niet het geval is, de schade tot 30 a 40% kan bedragen. Vooral wordt be-
langrijke schade aangericht door mond- en klauwzeer, varkenspest en pseudovogelpest.
De schaden door chronische ziekten zijn minder spectaculair maar blijven aanzienlijk,
genoemd worden tuberculose, brucellose, mastitis en parasitaire aandoeningen.
Teneinde de gegevens per land beter te kunnen vergelijken, wordt aangedrongen op
normalisatie van dc gebruikelijke terminologie.

Het doel van het artikel is de aandacht der landen te vragen voor de noodzakelijk-
heid van het verkrijgen van de gegevens betreffende deze economische schade. De
FAO hoopt dat het tevens de basis zal vormen voor verdere discussie en de diensten
en belanghebbende organen zal opwekken om hun gezichtspunt over dit ingewikkelde
maar belangrijke probleem tot uitdrukking te brengen.

C. A. van Dorssen.

VOORZICHTIGHEID BIJ HET VOEDEREN VAN VERS GEOOGSTE
GRANEN AAN PAARDEN.

(Paardengezondheidskalender augustus 1963)

Paarden zijn zeer gevoelig voor plotseling aangebrachte veranderingen in het rant-
soen en voor bedorven voedermiddelen. Ook voor bepaalde gifstoffen leggen paarden
een grote gevoeligheid aan de dag. In tarwe en rogge komen gifstoffen voor, gebonden
aan de eiwitfractie, welke behalve bij paarden ook bij andere huisdieren ziektever-
schijnselen kunnen veroorzaken. Vooral in vers geoogste en onrijpe tarwe en rc>gge
zijn ze het gevaarlijkst. Voor andere granen, bijv. gerst en haver, gelden de bezwaren

-ocr page 413-

eigenlijk alleen indien ze vers geoogst en onrijp zijn. Het vochtgehalte en de enzy-
matische processen die nog in de korrels plaatsvinden, spelen samen een rol. Er
schijnen daarbij giftige tussenverbindingen te ontstaan.

Als bij de voedering van goed „bestorven" granen van de oude oogst plotseling wordt
overgegaan naar vers geoogste granen, zal bij paarden vergiftiging kunnen optreden.
Dit geldt in het bijzonder wanneer in verband met de herfstwerkzaamheden vrij
grote hoeveelheden worden verstrekt. In eerste instantie ziet men vaak koliekverschijn-
selen, als gevolg van een aandoening van maag en darmen. Daarin vinden abnormale
omzettingen plaats, waarbij bepaalde schadelijke rottingsstoffen worden gevormd. Deze
schadelijke stoffen, waartoe o.a. histamine behoort, worden onder normale omstandig-
heden ontgift in de lever en gedeeltelijk ook door het lichaam uitgescheiden via
nieren en huid. Dit onschadelijk maken van de gifstoffen is aan bepaalde grenzen ge-
bonden. Een orgaan kan niet plotseling tot het uiterste voor een bepaalde functie
worden ingeschakeld. Het heeft een tijd van voorbereiding nodig. Wanneer het
lichaam wordt overstroomd met gifstoffen, kan het zijn dat de lever en de uitscheiding
in hun functie tekort schieten en zelfvergiftiging (auto-intoxicatie) van het lichaam
optreedt. Men ziet dan behalve ziekteverschnijsclen van het maag-darmkanaal (ko-
liek, geelzucht, dunne slijmerige ontlasting, geeuwen, enz.) ook nerveuze stoornissen,
zich uitende in sufheid, slaperigheid, kolderachtige verschijnselen en soms zelfs ver-
lammingen. Heel dikwijls leidt deze vergiftiging bij paarden tot het optreden van
hoefbevangenheid. De gifstoffen veroorzaken nl. een verwijding van de bloedvaten
in de hoeven.

Niet alle paarden zijn even gevoelig voor deze aandoeningen. In de praktijk zal men
kunnen opmerken, dat vette dieren gevoeliger zijn dan dieren in normale voedings-
toestand. De verklaring is waarschijnlijk deze, dat dc lever van vette dieren als regel
beschadigd is door vettige degeneratie en dan niet tot een maximale ontgifting in
staat is.

Uit het voorgaande is duidelijk geworden, dat de paardenhouder met het voederen
van vers gcoo,gste granen de uiterste voorzichtigheid moet betrachten. Slechts zeer
geleidelijk zal hij op de nieuwe oogst mogen overgaan of er mee moeten wachten
tot de granen goed „bestor\\en" zijn, hetgeen meestal na ongeveer twee maanden
bewaren het geval is. Extra aandacht zal daarbij ook nog moeten worden geschonken
aan het voorkomen van schimmels.

In dringende gevallen, indien de oude oogst .geheel geruimd is en de nieuwe oogst
nog niet geschikt is om te vervoederen, zal men verstandig doen gebruik te maken
van mengvoeders. Hierin zal slechts cen klein percentage verse granen kunnen voor-
komen omdat de meeste bestanddelen afkomstig zijn van importpartijen, die lang
onderweg zijn en in deze maanden nog van de oude oogst afkomstig zijn of minstens
twee maanden geleden zijn geoogst.

Tenslotte zouden we de raad willen geven bij het optreden van bovengenoemde ziekte-
verschijnselen direct de dierenarts te ontbieden en het paard tc laten vasten.

LANDBOUWTELLING MEI 1963.

Land- en tuinbouwtrekkers

1962

1963

•Aantal trekkers in eigendom van

land- en tuinbouwbedrijven

82.957

90.299

combinaties

2.572

2.762

coöperaties

826

717

loonbedrijven

9.629

10.362

Totaal aantal trekkers

95.884

104.090

Totaal aantal pk

2.324.353

2.579,832

Melkmachines

Aantal installaties

57.107

64.211

Persbericht Ministerie van

Landbouw en

-ocr page 414-

IN- EN DOORVOER VAN LEVEND SLACHTGE\\\'OGELTE IN \\V.-DüITS-
LAND VERBODEN.

Volgens een circulaire van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren van 21 augu.s-
tus 1963 is de in- en doorvoer van
levend slnchtpluimvee in West-Duitsland op grond
van
veterinaire bepalingen verboden.

In verband hiermee kan vanaf 1 september 1963 geen uitvoer van levend gevogelte
naar West-Duitsland meer plaats vinden en kan
geslacht gevogelte — behalve ganzen

_ alleen in panklare toestand voor invoer in West-Duitsland in aanmerking komen.

Ook de invoer van veren en delen van veren is verboden.

Door de Duitse minister van landbouw kunnen uitzonderingen worden toegestaan,
voorzover daardoor niet het binnenslepen van besmettelijke veeziekten is te vrezen.

Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee.

.00 uur
.20 uur

.35 uur
:.05 uur

10.50-11
11.00-11

11.20-11
11.35-12

15.00-15
15.15-16

15.45-16
16

.15 uur
i.00 uur

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PROGRAMMA VOOR DE
ZESDE VOORLIGHTINGSD.A.G VAN DE VEEARTSENIJKUNDIGE DIENST
TE HOUDEN OP DONDERD.\'VG 31 OKTOBER 1963
IN HET JAARBEURSRESTAURANT TE UTRECHT.

10.15 uur Opening door de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, dc
heer J. M. vandenBorn.
10.30-10.50 uur Dr. J. G. v a n B c k k u m. Directeur van het Centraal Diergenees-
kundig Instituut, afdeling Amsterdam: „De enting van varkens
tegen mond- en klauwzeer".
Discussie.

De heer E. de N o o ij. Inspecteur-districtshoofd van de Vee-
artsenijkundige Dienst, ambtsgebied Overijssel: „Dc taak van dc
vleeskeuringsdienst bij dc destructie (speciaal voorcentralisatic)".

Discussie.

Dc heer J. M. v a n d e n B o r n: „De wering van exotische mond-
en klauwzeer".
12.05-12.15 uur Discussie.
12.15-12.35 uur Film over varkenspest.
12.35-14.00 uur Lunchpauze.

14.00-15.00 uur „Rabies".

A. van Keulen, Inspecteur i.a.d. van de Veeartsenijkundige
Dienst: veterinaire aspecten;

B. V. B e k k c r, Inspccteur i.a.d. van de Geneeskundige Inspectie
van dc Volksgezondheid: medische aspecten:

Drs. A. A. V e 11 h O e n, voorheen wetenschappelijk ambtenaar
van het C.D.I., afd. Roterdam: laboratoriumwerkzaamheden.

Discussie.

De heer J. v a n d e r W a a 1, adj. Inspecteur van de Veeartsenij-
kundige Dienst, ambtsgebied Noord-Holland: „Rotkreupel en
schurft bij schapen" (met dia\'s).
i.00 uur Discussie.
1.00 uur Sluiting.

-ocr page 415-

MOND- EN KLAUWZEER.

Per 1 augustus is het marktverbod voor varkens, dat met ingang van 17 mei 1963
van kracht was geworden, opgeheven. Dit werd verantwoord geacht, gezien de sterke
daling in het aantal gevallen van mond- en klauwzeer in de daaraan voorafgaande
maand.

Dat uiterste waakzaamheid echter noodzakelijk blijft, wordt onderstreept door enkele
nieuwe gevallen, die zich nadien in Noord-Brabant en Limburg hebben voorgedaan
en die in een vorig bericht al werden vermeld.

In de laatste week van augustus hebben zich in Limburg opnieuw twee .gevallen
voorgedaan, waardoor het totale aantal is geste.gen tot 2072.

In Venray en omgeving, waar de smetstof zich het hardnekkigst blijkt te handhaven,
zijn inmiddels verscherpte maatregelen genomen. Zoals extra controle op de ont-
smetting van veewagens, die slachtvarkens aanvoeren en een verscherpt toezicht op
het vervoersverbod in het besmet verklaarde gebied. Dit teneinde iedere kans op
verspreiding van smetstof door vervoer de kop in te drukken.

INENTING \\ ARKENS K.I.-STATIONS TEGEN MOND- EN KLAUWZEER.
No. J. 2153, Directie Jurdische en Bedrijfsorganisatorische Zaken.
De Minister van Landbouw en Visserij,

gelet op artikel 3, derde lid, van het besluit entstoffen voor dieren (Stb. 1963, 287),
Besluit:

Artikel 1

Als inrichtingen, bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit entstoffen voor dieren,
worden voor het gehele land aangewezen: inrichtingen voor de winning van sperma
ten behcK\'vc van de kunstmati.ge in.scminatie bij varkens.

Artikel 2.

Deze beschikking treedt in werking met ingang van dc dag volgende op die van haar
bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant.
\'s-Gravenhage, 13 augustus 1963.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

Toelichting:

Door deze beschikking wordt dc mogelijkheid geopend tot het verkrijgen van een
vergunning (aan te vragen bij de inspecteur-districtshoofd van de Veeartsenijkundige
Dienst) tot inenting te.gen mond- en klauwzeer van de varken van cen K. 1 .-staticm.

(Ned. Staatscourant van 15 augui;tus 1963, No. 157.)

Aiiloniatische kuikenladder.

In .Amerika is een machine ontwikkelt waarmee in grote clachtkuikenhokken dc
kuikens automatisch worden gevangen en .geladen. Met een bezetting van 6 man
kunnen per uur 8000 kuikens worden verwerkt. Dc dieren worden op een transport-
band gedreven, gedurende het transport automatisch geteld en in kooien opgesloten.
Gummivingers voorkomen beschadiging van de kuikens.

Pluimveepers. XVIII, 294, (1963).

-ocr page 416-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

September,

16—21, Tentoonstelling „Frisiana", Leeuwarden.

18, Centiale keuring K.V.N.T. Afd. Drenthe, Assen.

18, Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten K.N.M.v.D. Vergadering
met Ver. van Dirccteuien van Gem. Slachthuizen, R.LV., Bilthoven.

20, Nationale Tentoonstelling van varkens en schapen, \'s-Hertogenbosch.
(afgelast)

20, .\\fd. Zeeland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 16.00 uur, Strandhotel,
Vlissingen. (pag. 1202)

21, Réunie var oud-leden „Absyrtus", Zeist.

22—28, British Veteunary Association. Jaarlijks congres, Llandudno. (pag.
615, 621)

25, Centrale keuring K.V.N.T. Afd. Gelderland, Hengelo (Gld.).

25, Centrale verrichtingskeuringen N.W.P., Leeuwarden.

25, Afd. O-verijssel K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Restaurant
Dalzicht, Nijverdal. (pag. 1202)

26, Eerste Brakelse pony-jaarmarkt, (pag. 1080)

27, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Beurs-
café (Muranozaal), Rotterdam, (pag. 1086)

27, .Afd. Noord-Holland K.N.M.v.D. Ledenveragdering, 20.00 uur. Restau-
rant Kockenbicr, Alkmaar, (pag. 1202)

Oktober,

1, .Afd. Utrecht K..\\.M.v.D. .Algemene ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Smits, Utrecht, (pag. 1202)

2, Sticrenkeuring, Leeuwarden.

5, Afd. Gelderland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.30 uur. Hotel
Royal, Arnhem (pag. 1041).

9—10, Centrale Jonge hengstenkeuring N.W.P., Groningen.

13-—19, D.LG., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstelling annex fokveedag. Hoornaar.

18—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, 110e Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag. 467, 620)

31, 6e Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur. Utrecht

November,

5 en 6, 110e Ned. Landhuishoudkundig Congres, Emmeloord (pag. 1037).

9—10, Genootschap v. Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, Zutphen.

1964

Februari,

16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel.

September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388)

-ocr page 417-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde,

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Huldi.ging Dr. A. J. Weekenstroo.

Afscheid bij de Koninklijke Stallen.

Zoals reeds eerder werd medegedeeld is collega Weekenstroo 1 augustus j.1. benoemd
tot Officier in de Huisorde van Oranje.

Deze hoge onderscheiding werd uitgereikt door Lt. Kol. W. F. K. Bischoff van
Heemskerck, de Opperstalmeester van Hare Majesteit de Koningin, tijdens een bijeen-
komst in de Koninklijke Stallen ter gelegenheid van het afscheid van collega Weeken-
stroo die 25 jaar de paarden van het Koninklijk Huis heeft behandeld.

De heer Bischoff van Heemskerck wees er op dat de Huisorde v/ordt verleend voor
persoonlijke diensten die aan het Koninklijk Huis zijn bewezen, tevens bracht hij de
dank van Hare Majesteit de Koningin en Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bcrnhard
over voor de vele goede zorgen die collega Weekenstroo aan de dieren heeft besteed.
Hier werd aan toegevoegd, dat sinds de oorlog geen verliezen aan de dieren zijn
geleden.

„Dierenarts Weekenstroo had zijn hart aan zijn Stallen verpand en daar zijn allen,
de dieren niet uitgezonderd dankbaar voor", zei de Opperstalmeester die hier nog
aan toevoegde dat hij veel respect had voor een dierenarts, wiens beroep hij veel
moeilijker vond dan dat van een „mensenarts".

Daarna wenste Koetsier-Majoor J. L. Lammcrs Dr. Weekenstroo geluk met zijn
hoge onderscheiding en dankte hem speciaal voor de bijzonder prettige manier waar-
op hij steeds met het hele persooneel heeft samengewerkt.
Daarna werd door de heer Lammers een tweetal cadcaux uitgereikt.
Dc huldiging vond in cen kleine intieme kring plaats in het kader van dc Konink-
lijke Stallen, waarbij ook de secretaris van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
.genecskunde aanwezig mocht zijn op uitnodiging van Lt. Kol. Bischoff van Heems-
kerck. Bovendien was aanwezig collega D. M, F. Greup te \'s-Gravenhage, die tot
opvolger van collega Weekenstroo zal worden benoemd.

Collega Weekenstroo heeft in bijzonder gevoevolle woorden zijn dank overgebracht
voor de hoge onderscheiding, waarna hij zichtbaar bewogen afscheid nam van de-
genen waarmee hij gedurende vele jaren heeft samengewerkt.

Bijgaande foto laat duidelijk zien dat de grote Weekenstroo zeer onder de indruk
was van de hoge onderscheiding die hij heeft ontvangen en de eenvoudige maar
indrukwekkende huldiging die hem ten afscheid werd gebracht.

-ocr page 418- -ocr page 419-

Algemene Vergadering 1963.
Feestelijke vr ij dagavond.

In aansluiting op de eerste voorlopige aankondi.ging van de feestelijke avond in het
kader van de a.s. .Algemene Vergadering volgen nu nadere exacte bijzonderheden.
Reeds is medegedeeld, dat dit jaar aan de gebruikelijke reünie van leden en kan-
didaat-leden met hun dames een gezamenlijk diner zal voorafgaan.
Uit de voorlopige reacties hierop is nu al gebleken, dat er ook dit jaar veel belang-
stelling is voor dit diner.

Voor een .goed overzicht volgt hieronder nu in cen aantal punten het „programma"
voor vrijdagavond 18 oktober a.s.

1. De huishoudelijke ver,gadering, die 11.00 uur v.m. wordt geopend en tijdens
de lunch wordt onderbroken, kan reeds ongeveer 5.00 uur n.m. zijn afgelopen.

2. Het borreluur in het Jaarbeurs Restaurant zal ook dit jaar weer velen bij elkaar
brengen; de.genen die in het verleden hieraan hebben meegedaan zullen er nog
dc beste herinnering aan hebben.

3. Het diner, dat tegen 8.00 uur begint, wordt gehouden in de grote dinerzaal.
■Ms de ruimte het toelaat zal behalve een „hoofdtaiel" een aantal kleinere tafels
worden op.gesteld, zodat men onderlinge kleine groepjes kan vormen, waarmee
gezamenlijk kan worden getafeld.

4. Het menu bestaat uit:

Crème à r.Andalouse
Suprème de turbot aux Câpres
Schnitzel Caprice -
riz-pilaw - petits pois
Dame blanche

Desgewenst kunnen hier kleine veranderingen in worden aangebracht. Dit menu
kost ƒ 12,- per persoon inclusief bediening. Wijnen kunnen aan tafel worden
besteld.

5. Men kan aan het diner deelnemen door vóór 1 oktober zoveel maal ƒ 12,- te
storten, als men plaatsen wil hebben, op gironummer 511606 ten name van de
Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht, rnet vennelding: Diner Algemene
Vergadering Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Dierenart.sen mogen behalve hun vrouw ook andere huisgenoten introduceren.
De dinerkaarten worden tijdig toegezonden.

Het menu en dc prijs zijn in ampel overleg met de directie van het Jaarbeurs
Restaurant vastgesteld, waarbij enerzijds rekening is gehouden met de eisen, die
aan een goed verzorgd, smakelijk menu mogen worden gesteld, maar anderzijds
ook met de gemiddelde financiële draagkracht van de te verwachten deelnemers.

6. Na het diner wordt even geantichambreerd, terwijl de dinerzaal gereed wordt
gemaakt voor het avondfeest, waarvoor de dinerzaal, de serre en zonodig ook de
tearoom beschikbaar komen. Men kan zich eventueel wat terugtrekken uit
de eigenlijke feestzaal, waar de muziek is opgesteld, in een rustiger om,geving.
Voor de soiree wordt geen entree gevraagd.

Voor zover niet aan het diner kan worden deelgenomen, is men omstreeks half elf
welkom op de soiree.

7. Het diner mag in verband met de aanwezigheid van enige gasten een enigszins
officieel karakter dragen, het is de bedoeling, dat het avondfeest in een gezelli.ge,
ongedwongen sfeer zal worden gevierd. Om praktische redenen zal ook ditmaal
geen avondkleding worden gedragen.

8. Laat ieder nog even punt 5 doorlezen, met zijn huisgenoten ovcrlc,ggen en zijn
girobiljet invullen.

.Als men zich tijdig op.geeft kan het diner goed worden voorbereid en uitstekend
worden verzorgd.

Advertenties inzake praktijkoverdracht.

Voor de goede orde wordt erop geattendeerd, dat het laatste jaar door verzekerings-

-ocr page 420-

maatschappijen, assurantieliantoren e.d. enige lieren een advertentie in het T.v.D.
werd geplaatst, waarin een praktijk ter overneming werd aangeboden.
Deze advertenties waren onder nummer geplaatst en de binnenkomende brieven
werden door het bureau van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde door-
gezonden naar de betreffende verzekeringsmaatschappij etc.

Het is bekend dat hierdoor ongewenste situaties zijn ontstaan, omdat derden de be-
schikking kregen over praktijkgegevens, waarvan soms misbruik werd gemaakt.
Het heeft b.v. ten gevolge gehad dat een praktijk „op de markt" werd gebracht,
zodat de overdrachtssommen soms hoog werden opgedreven.

Ter voorkoming van bovengenoemde ongewenste gang van zaken heeft de Redactie
van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde in overleg met het Hoofdbestuur besloten
voortaan advertenties betreffende praktijkovernemingen alleen te plaatsen, indien deze

_ al of niet onder nummer — worden aangeboden door een dierenarts, zodat dc

betreffende ingekomen brieven ook weer aan die dierenarts worden doorgezonden.

V.^N DE .AFDELINGEN
Afdeling Utrecht.

De afdeUng van Utrecht van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde zal
op
dinsdag 1 oktober a.s. om 20.00 uur een algemene ledenvergadering houden in
Hotel Smits te Utrecht.

.Afdeling Noord-Holland.

De afdeling Noord-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde zal
op
vrijdag 27 september om 20.00 uur een ledenvergadering houden in Restaurant
Koekenbier
te Alkmaar. Door een vertegenw<x)rdigcr van de Paritaire Tarieven
Gommissie zal een uiteenzetting worden gegeven over de historie, het beleid en de
gehele gang van zaken bij het tot stand komen van de tarieven voor de georganiseerde
dierziektebestrijding.

Afdeling Overijssel.

De afdeling Overijssel van dc Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt
zijn eerstvolgende ledenvergadering op
woensdag 25 september a.s. om 20.00 uur in
Restaurant Dalzicht te Nijverdal.

.\\fdeling Zeeland.

De afdeling Zeeland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde zal op
vrijdag 20 september om 16.00 uur een ledenvergadering houden in het Strandhotel
te Vlissingen.

PERSONALIA

Adreswijzigingen cn dergelijke:

Bloem, G., te Leiden, praktijkadres gewijzigd in Plantsoen 23 (achterzijde), tcl.

(01710) 2 1101, gr. 148539.
Gesar E., te Leeuwarden, naar Mr. P. J. Troclstrawcg 74 aldaar (tel. ongewijzigd).

(154)

Grcmers, F. X. M. M., te Rotterdam, tel. bureau gewijzigd in 15 39 1 1. (155)
Eisma, W. .A., te Rotterdam, tel.
bureau gewijzigd in 15 39 11. (159)

Hoekstra, Prof. Dr J., te Zeist, tel. bureau gewijzigd in (010) 15 39 11. (168)
Huitema, Dr. H., te Rotterdam, tel.
bureau gewijzigd in 15 39 11. (171)

Jansen, P. F. J., van Hazerswoude naar Haarlem, van Riebeecklaan 26, tel. (02500)
5 44 16, K.D. ab. (173)

Koopman, T. te Beesd, naar Voorstraat 69, aldaar (tel. ongewijzigd), gr. 1027602.

(178)

Kruijt, Dr. K. J., te Lekkerkcrk, tel. bureau gewijzigd in (01730) 3 71 11. (179)
Pauw, Mej T.: 1963: Haarlem, Duindoornlaan 19; tel. (02500) 4 23 66; wnd. D.

(190)

-ocr page 421-

Pinksc, C. H. A., van Veghel naar Denekamp, B.D. 7, tel. (05413) 442, gr. 1152008,

P., ass. bij H. B. Brummelhuis. (190)
Pot, II. W., van Lichtenvoorde naar Baarn, Emmalaan 9-A, tel. (02954) 32 49

(privé), 27 15 (bur.), h.k., dir. ab., R.K.V., R.K. (bz.d.). (191)

Rispens, B. H., te Schiedam, tel bureau gewijzigd in (010) 15 39 11. (193)

Rondhuis, P. R., te Vlaardingen, tel. bureau gewijzigd in (010) 15 39 11. (194)

Rutten, .A. M. J., van Dc Koog naar Den Burg (Texel) de Zes 2b, tel (02220)

29 36. (194)

Smit, M. P.; 1963; .-Xnisterdam, Charles Lrickertstraat l-III: tel. (020) 15 06 79

(privé), 94 99 55 (bur.); gr. 13500 op rek. S-18418, K.D.-bct. ab. (199)

Velcma, W., van .Amsterdam naar Lichtenvoorde, Schatbergstraat 52 tel. (05443)

19 09, gr. 1155526, h.k., R.K. (bz.d.). \' \' (205)

Vloten, J. van, te Rotterdam, tcl. bureau .gewijzigd in 15 39 11. (207)

Waveren, G. M, van, tc Rotterdam, tcl. bureau gewijzigd in 15 39 11. (210)

Centraal diergeneeskundig instituut, afdeling Rotterdam.

Het telefoonnummer van bovenbedoeld instituut is gewijzigd in (010) 15 39 11.

(90)

Gevestigd:

Snijders, A., tc Ruurlo, Dominccsteeg 16, tcl. (06735) 308, ,gr. 134515, .geass. met
II. S. van der Mculen. (199)

Benoemd:

Eijk, VV. van der, tc Soest, te rekenen m.i.v. 1 mei 1963, tot adjunct-Inspecteur
van de Veeartseniikundige Dienst ter standplaats Soest. (160)

Humalda, P. A., te Oldeboorn (Fr.), te rekenen m.i.v, 15 juli 1963, tot Rijkskeur-
meester in bijzondere dienst bij dc \\\'ecartscnijkundige Dienst ter standplaats
,\\kkrum. (172)

VVerff, G. D. van der, te Leeuwarden, te rekenen m.i.v, 1 mei 1963, tot adjunct-
Inspecteur van de Vceartsenijkundi.ge Dienst ter standplaats Leeuwarden. (211)

Afscheidsreceptie Dr. ]. \\\\\'. Thijn.

liet Bestuur van de Stichting Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Drenthe,
Gronin.gcrstraat 107a tc .Assen, zal ter gelegenheid van de beëindiging van zijn
functie als directeur een afscheidsreceptie aanbieden aan Dr. J. W. T h ij n, welke
zal worden gehouden op
donderdag 3 oktober a.s. des namiddags 1 uur in café-restau-
rant
„Bellevue", Nassaulaan tc Assen.
Overleden:

Oskam, A. .A., tc Lckkerkerk, is aldaar overleden op 24 augustus 1963. (\'89)

Laboratoria Dr. de Zeeuw N.V., De Bilt

vraagt voor spoedige in dienst treding

representatieve vertegenwoordiger

voor het bezoeken der dierenartsen.
Ervaring noodzakelijk.
Brieven aan de directie.

-ocr page 422-

n.v. vemedia

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten

minervalaan 63

Tj\'llliliM tel. 732934 MYCOFARM

amsterdam-z ^HBïtfTi^

verkoopkantoor voor diergeneeskundige preparaten.

Bij de vennootschap kan op korte termijn in dienst treden een
nieuwe medewerker voor de

WETENSCHAPPELIJKE VOORLICHTING
AAN DIERENARTSEN

en de

VERKOOP VAN DIERGENEESKUNDIGE
PREPARATEN

Indien de nieuwe funktionaris nog geen ervaring als dieren-
artsenbezoeker heeft, zal hij een ruime interne opleiding ont-
vangen. Hiervoor is het noodzakelijk, dat hij de B-richting van
het middelbaar onderwijs volledig en met goed gevolg heeft
doorlopen en op enigerlei wijze kennis op een behoorlijk
niveau heeft verkregen van diergeneeskundige of agrarische
problemen. (Gedurende de opleiding vindt volwaardige hono-
rering plaats).

De ambulante aard van de werkkring vereist het bezit van een
rijbewijs B.

Belangstellenden, die ouder zijn dan 25 jaar nodigen wij uit zich schriftelijk
te richten tot de Direktie van N.V. Vemedia, Minervalaan 63 te Am-
sterdam.

Wij verzoeken op enveloppe en brief ons kenmerk 298|GV te vermelden.

-ocr page 423-

INHOUD

NECROLOGIE

In memoriam Hendrik Jan Odé........1205

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

E. J. Voûte, A. H. M. Grimbergen, H. van Dijk en E. J. van
Kuiken, De voeding van ziektekiemvrije biggen —■ The feeding

of germ-free piglets —..........\'207

J. I. Terpstra, Over de onderkenning van „viruspneumonie" bij
varkens en haar bestrijding — The diagnosis of viruspneumonia

in pigs and its control —..........1215

U. Haije, Besmetting en desinfectie van broedmachines — In-
fection and disinfection of incubators
—......i227

UIT EN \\\'OOR DE PRAKTIJK

A. Osinga, De bestrijding van stofwisselingsstoornissen en defi-
ciëntieziekten — The control of metabolic disturbances and de-
ficiency diseases
—...........1232

1236

1236

1237

1238

1239

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten.....

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten .

Pluimveeziekten........

Ziekten van het Kleine Huisdier ....
Zootechniek.........

BOEKBESPREKING

R. R. P. van der Mark, Siervogels als liefhebberij .... 1240
D. Vogt en H. Wermuth, Thieme\'s Aquarium en Terrarium-

boek ..............1240

U. F. Richardson and S. B. Kendall. Veterinary Protozoology 1241

DIERGENEESKUNDIGE SNAPSHOTS

G. Sutmöller, Teat wounds caused by Piranhas (Serasalmus
spp.)
..............1242

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Vlllth Meeting of the European Meat Research Workers I 1 244

Enting van varkens tegen mond- en klauwzeer .... 1251

Enting van varkens is weer mogelijk.......1251

Overgevoeligheidsverschijnselen bij paarden.....1252

MEDEDELINGEN

Van de Veterinaire Hoofdinspectie van de Volksgezondheid . 1254

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1263

VARIA............. 1214, 1239, 1243

DOORLOPENDE AGENDA............1263

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau............1264

Van de Afdelingen...........1264

Van de Groepen...........1265

Personalia.............1268

-ocr page 424-

Pfizer

-ocr page 425-

IN MEMORIAM
Hendrik Jan Odé.

Op 8 juli 1963 overleed te zijnen huize te Zeist, Hen-
drik Jan Odé in de leeftijd van 87 jaren.
Hij werd op 5 april 1876 te Winterswijk geboren, ge-
noot aldaar lager en middelbaar onderwijs en liet zich
op 17-jarige leeftijd aan de Rijks Veeartsenijschool
als student inschrijven. Met dezelfde snelheid, waar-
mede hij de H.B.S. had doorlopen, volbracht hij zijn
studie te Utrecht, zodat aan hem reeds in 1897 op
21-jarige leeftijd het diploma van veearts werd uit-
gereikt.

Hij ging terug naar de omgeving van zijn geboorte-
grond en vestigde zich als praktizerend dierenarts te
Lichtenvoorde, welke standplaats hij vier jaren later
voor die van Aalten verwisselde. Aldaar schiep hij zich
een drukke praktijk, welke over de Duitse grens reikte.
Hij verbleef er tot 1917, in welk jaar hij benoemd
werd tot Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst.
Zijn bescheiden aard had hem aanvankelijk niet naar
deze functie doen solliciteren, doch hij ging daartoe
eerst over op aandringen van de toenmalige Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst, Prof. Remmelts.
Zijn eerste standplaats in deze was Venlo. Met waar-
dering werd er gewaagd van zijn optreden als voor-
zitter van de afdeling Venlo var. de Limburgse Ver-
eniging tot bescherming van Dieren. In 1922 kwam
evenwel door zijn overplaatsing naar Arnhem aan
dit werk, waarbij men hem node bleek te kunnen mis-
sen, een einde.

Zijn verblijf in Arnhem is slechts van korte duur ge-
weest. Tengevolge van de samenvoeging van de Vee-
artsenijkundige Dienst met de Veterinaire Inspectie
van de Volksgezondheid werd Arnhem als standplaats
opgeheven en kreeg Odé in de bekende dubbele func-
tie de provincie Overijssel met een gedeelte van Gel-
derland als arbeidsterrein toegewezen. Dientengevolge
kwam hij in Zwolle.

Het was in deze periode van zijn loopbaan, dat ik
Odé in het begin van de dertiger jaren leerde kennen.
Alras bemerkte ik dat — naast zijn correcte verschij-

-ocr page 426-

ning — hij bovendien zeer aangenaam in de omgang
was. Behalve dat hij als voorlichter in veterinaire
vraagstukken in zijn ambtsgebied met succes optrad,
oefende hij tevens in zekere zin een vaderlijk gezag
uit, zodat men ook voor persoonlijke aangelegenheden
zijn raad gaarne inwon. Zijn smaakvol ingerichte wo-
ning was een gastvrij huis en zijn echtgenote stond hem
als gastvrouwe op voortreffelijke wijze terzijde. Was
het wonder, dat men hem in 1936 met lede ogen zag
vertrekken naar Heemstede voor de aanvaarding van
de overeenkomstige functie in de provincie Noord-
Holland en het noordwestelijk deel van de provincie
Utrecht.

In de vijf nog resterende jaren van zijn ambtelijke
loopbaan in een voor hem geheel nieuw district wist
hij ook hier een ieder voor zich in te nemen.
In het eerste oorlogsjaar werd hij gepensioneerd. Van
rusten was echter nog geen sprake. Gedurende onge-
veer drie jaar na 1941 trad hij op als hoofd van de
Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Holland.
Zijn werkzaamheden beperkten zich niet tot die ver-
bonden aan zijn functie. Hij \'s opgetreden als voor-
zitter van de afdeling Gelderland-Overijssel van de
Maatschappij voor Diergeneeskunde, als adviserend
lid van de Overijsselse Landbouwmaatschappij, als lid
van de commissie ter bestrijding van de tuberculose
onder het rundvee en als lid van de commissie tot be-
studering van het vraagstuk van de overbevolking der
universiteiten.

In zijn laatste standplaats Heemstede was hij voor-
zitter van de Nederlandse Protestanten Bond aldaar.
Daarenboven is hij vele jaren lid geweest van het
Hoofdbestuur van de Maatschappij voor Diergenees-
kunde.

In 1947, bij zijn 50-jarig jubileum als dierenarts, werd
hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje
Nassau.

In 1952 koos hij zich Zeist als woonplaats. Na nog elf
jaar van de fraaie omgeving van dit woonoord in vol-
ledige rust te hebben genoten is Odé op hoge leeftijd
ontslapen.

Met hem is een beminnelijk en rechtschapen mens
heengegaan, van wien gezegd kan worden dat hij geen
vijanden had. Voor zijn vrouw, met wie hij meer
dan 35 jaar gehuwd is geweest, betekent zijn heen-
gaan het achterlaten van een grote, niet te vullen
leegte.

Geheel overeenkomstig zijn wens heeft de crematie
van zijn stoffelijk overschot in alle stilte op Wester-
veld plaatsgevonden.

Dat zijn asse in vrede moge rusten.

Voorburg. ]. M. VAN VI.OTEN.

-ocr page 427-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De voeding van ziektekiemvrije biggen.1

The feeding of germ-free piglets.

door E. J. VOÜTE\') en A. H. M. GRIMBERGEN^),

met technische assistentie van Mej. H. V.AN DIJK\'\') en de
heer E. J. VAN KlTKEN-i)

Van de Stichting voor Onderzoek van Pluimvee en Varkens
te Amersfoort.

Inleiding.

De noodzaak, oin ook in dc varkenshouderij te komen tot meer intensieve
methoden van opfok, heeft tot gevolg gehad, dat men zich meer en meer
bewust is geworden van de grote rol, die allerlei ziekten hierbij spelen.
Voor een maximale groei en voederbenutting is het bovendien nodig ook
die microörganismen te weren, welke hun aanwezigheid in darm- of milieu-
flora slechts verraden door groeivertraging of slechte voederconversie.
In de V.S. poogt men daarom deze problemen op te lossen door op vele
Ix\'drijven de gehele varkensstaijcl op te ruimen en te vervangen door z.g.
S.P.F. biggen. Aangezien de epithelio endochoriale placenta van de zeug
de foetus beschermt tegen infecties in utero kan men in principe volledig
steriele biggen verkrijgen door de nog ongeboren dieren op steriele wijze
uit de uterus te verwijderen, b.\\\'. door hysterectomie.

Deze, bij een juist uitgevoerde techniek, steriele biggen kan men volledig
steriel opfokken (germ free animals), hetgeen echter een zeer goed uitge-
rust laboratorium vraagt en alleen van belang is voor wetenschappelijk
onderzoek. Men kan deze steriele biggen echter ook opfokken in een gron-
dig gedesinfecteerde stal, waar ieder contact met andere normale \\arkens
onmogelijk is. Dit zijn dan de z.g. S.P.F. biggen (Specific Pathogen Free),
welke gebruikt kimnen worden voor rei
)0])ulatie van een varkensstapel.
Voor verdere bijzonderheden verwijzen wij naar publikaties van B e t t s
(1961); H O e r 1 e i n (1956); VV b i t e h a i r en T h o m p s o n (1956);
Y o u n g en U n d e r d a h 1 (1959).

Wij willen hier in het midden laten of een dergelijke rcisopulatietechniek
in ons dichtbevolkte land kans van slagen zou liebben. Ten behoeve van
IM-oefnemingen op het gebied van varkensziekten of varkens\\oeding is het
echter aantrekkelijk om te kimnen beschikken over ziektekiemvrije dieren
om het aantal variabelen (ziekten, milieuflora) zo klein mogelijk te
houdeti.

Het doel van ons onderzoek was nu een zo eenvoudig mogelijke methode
te vinden voor het produceren en opfokken van ziektekiemvrije dieren.
Aangezien de literatuur op het gebied van de voeding van deze dieren
zeer vage gegevens verschaft, besloten wij in de eerste plaats op dit punt
onze aandacht te richten.

1  Lezing, gehouden op dc C.L.O.-studieda.gen, gehouden op 14 februari 1963
te Utrecht.

\'), ■\') : E. J. Voûte, Drs. A. H. M. Grimbergen, Mej. H. van Dijk en de heer

E. J. van Kuiken : resp. directeur, biochemicus, dicrenvei-zorgstcr en analyst
bij de Stichting voor Onderzoek van Pluimvee en Varkens tc .Amersfoort,
Utrechtscweg 371.

-ocr page 428-

Literatuur betreffende de voeding van S.P.F. biggen.

De laatste jaren is veel onderzoek verricht over de voeding van jonge big-
gen in het algemeen. Een zeer uitgebreid overzicht hierover geven Lucas
en L O d g e (1961) enMannersenMcCrea( 1957). De meeste proe-
\\en zijn echter gedaan of met normaal opgefokte biggen, of met vroeg-
gespeende dieren.

S.P.F. biggen krijgen echter geen moedermelk noch colostrum, zodat ze
niet zonder meer gelijk gesteld kunnen worden met vroeggespeende biggen.
Over de specifieke behoeften van deze S.P.F. biggen is weinig bekend.

Door Underdahl (1951) wordt het volgende rantsoen vermeld: 946
ml koemelk met één ei, mineralen en vitaminen tot een kunstmelk gehomo-
geniseerd. Van deze melk werd gedurende de eerste week drie maal per
dag per dier 118 ml gegeven. Na één week werd deze hoeveelheid geleide-
lijk opgevoerd tot maximaal 350 ml per dier per voeding.
In Cambridge gebruikte men aanvankelijk een handelspreparaat van
Glaxo en later van Spillers (Betts, 1962, pers. med). De samenstelling
van deze preparaten is echter geheim. Stöcli (1961, Zwitserland) ver-
meldt een rantsoen, bestaande uit gekookte koemelk, gedroogde biest en
het preparaat „Fruminal".

Ook Whitehair en Thompson (1956) gebruikten koebiest in hun
kunstmelk. De bedoeling van het verstrekken van biest is, om de biggen
hiermede antilichamen te geven, welke normaal bij de zeug opgefokte
dieren via het colostrum krijgen. De mogelijkheid tot het vormen van aan-
toonbare antilichamen is n.1. bij biggen tot 3 weken oud zeer gering
(Miller en H a r m o n, 1962). Bovendien is het eiwitgehalte van co-
lostrum zeer hoog, zodat verstrekken van biest de voeding gedurende de
eerste dagen meer in overeenstemming brengt met de natuurlijke gang
van zaken.

Berry en Jenson (1962) vonden, dat zevenmaal per dag voederen
een betere groei gaf dan de veelal gebruikelijke driemaal per dag. Deze
onderzoekers vergeleken ook drie \\erschillende rantsoenen met elkaar n.1.

a. kunstmelk: bestaande uit 58% lactose, 30% caseïne, 5% maïsolie,
mineralen en vitaminen;

b. het koemelk-ei-mineralen-rantsoen van Underdahl (1951);

c. een handelspreparaat babyvoeding.

Rantsoen c (babyvoeding) bleek volkomen ongeschikt, op rantsoen b was
de groei beter dan oj) rantsoen a. Toevoeging van een antibioticum gaf
bij deze biggen geen betere groei.

Lecce en Reep (1961) merkten op, dat bij biggen, welke geen co-
lostrum hadden gehad, vaak op de derde levensdag diarree optreedt. Zij
brachten dit in verband met de aanwezigheid in de darm van een bepaald
serotype
E. coli.

Hartman etal. (1961) konden aantonen, dat er verschillen bestaan in
enzym-activiteit van het digestieapparaat tussen normaal bij de zeug op-
gefokte dieren en vroeggespeende (na 1 week) biggen. Het is niet bekend
of deze verschillen uitsluitend werden veroorzaakt door het verschil in
voeding.

-ocr page 429-

Methodiek.

De biggen werden verkregen, niet door hysteiectomie, maar volgens een
methode beschreven door Y o u n g en U n d e r d a h 1 (1951).
De vulva van de zeug wordt goed gereinigd en gedesinfecteerd. De biggen
worden, direct tijdens de geboorte, in steriele plastic zakken opgevangen.
Onmiddellijk nadat een big in een zak is opgevangen wordt de zak dicht-
gebonden en terstond naar de geïsoleerde ruimte gebracht. Hier worden
de dieren met steriele doeken ontdaan van vliezen, bloed en slijm. Ver-
volgens worden zij ieder apart in een plastic bak geplaatst. In deze bak
blijven de diertjes één week. Hierna worden ze met 3 ä 4 samen in één
grotere plastic bak overgebracht. Wanneer men langer dan één week
waclit met het samenbrengen van de dieren wordt veel hinder onder-
vonden van vechten en bijten.

De plastic bakken zijn voorzien van een vlonder met gaten waardoor mest
en urine worden afgevoerd (zie foto).

Het opvangen van de biggen tijdens de geboorte dient zeer zorgvuldig te
geschieden. Y o u n g en U n d e r d a h 1 (1951) vermeldden reeds, dat de
diertjes niet in leven gehouden konden worden, wanneer ze niet onmid-
dellijk in plastic zakken werden opgevangen.

Enige tijd voordat de biggen geboren zullen worden, dienen de geïsoleerde
ruimte en de plastic bakken grondig gereinigd te worden met een oplossing
van Teepol en chlooramine (Teepol 5% ; chloorainine 5%) of 10% forma-
line. Nadat de lokaliteit waarin de biggen zullen worden ondergebracht
geheel in gereedheid is gebracht, wordt met behulp van een goed vernevel-
apparaat per m^ 20 ml 10% formaline verstoven. Na 2 dagen wordt nog-

-ocr page 430-

maals op gelijke wijze fornialine verneveld. Een dag later worden dan de
verwarming en de ventilatie in werking gesteld.

De temperatuur wordt gedurende de eerste week op 32° C constant ge-
houden. Daarna wordt de temperatuur zeer geleidelijk omlaag gebracht
tot 20° C op 3 weken leeftijd. De ventilatie geschiedt door inblazen van
buitenlucht (per uur ongeveer 10 x de inhoud van de ruimte). De relatieve
\\ochtigheidsgraad bedraagt ongeveer 50%.

De eerste 12 uur na de geboorte krijgen de dieren geen voedsel. Hierna
wordt met de voedering begonnen (6 x per dag). De kunstmelk wordt ver-
strekt in platte schaaltjes, waarvan de dieren vrij snel leren drinken. Na
14 dagen wordt water ad libitum ter beschikking gesteld, terwijl na 4
weken wordt begonnen niet bijvoederen van babybiggenmeel. Na 5 weken
wordt uitsluitend babybiggenmeel gevoederd.

Het is ons gebleken, dat aldus opgefokte biggen zelfs na 8 weken nog niet
zonder meer tussen normaal bij de zeug opgegroeide dieren geplaatst kun-
nen worden; wanneer ze echter in een goed gereinigde stal, waar geen
andere biggen aanwezig zijn, worden onderbracht, blijven ze in leven.

Experiment 1.

Bij 15 dieren werd vanaf de eerste dag gedurende één week het volgende
rantsoen gegeven:

420 g gecondenseerde melk (koffiemelk),
2,4 ml zoutoplossing,
57,6 ml water.
De zout-oplossing was als volgt samengesteld:
49,8 g FeS04. 7 H.,0,
3,6 g MnCL,. 4 H.,0,
3,9 g CUSO4. 5 H.,0,
0,26 g K J.
a(i. dest. ad 1000 ml.
Vlak vóór het gebruik werd nog 400 mg ascorbinezuur toegevoegd.
De samenstelling van deze melk was als volgt:
vet 8,8%

eiwit 5,5%
lactose 7,6%

De bruto energie bedroeg 138 Kcal ]5er 100 g of 25 Kcal per g eiwit.
De resultaten van dit rantsoen waren bevredigend (Tabel 1).

Tabel 1.

Gewichten van bigi^en gevoederd gedurende één week met gecondenseerde

melk.

Big no.

Geboorte gewicht

Gewicht na 8 dagen

(grammen)

(grammen)

1

1850

2400

2

1450

2000

3

1300

1850

4

1400

2300

5\')

1500

1750

*) Big no. 5 kreeg na enkele dagen een keelinfectie.
1210

-ocr page 431-

Na 8 dagen werd getracht o\\ er te schakelen op een handelspreparaat (Big-
C)-Spray) kunstmelk met toevoeging van extra vetten. Dit mislukte echter
door het optreden \\an diarree. Ook kan deze kunstmelk niet gesteriliseerd
worden; hieraan wijten wij het feit, dat enkele dieren stierven aan long-
ontsteking en pleuritis
(E. coli).

Hoewel in verdere proe\\en de indruk werd gekregen, dat stabilisatie van
het vet met glycerine monostearaat enige verbetering gaf, werden verdere
jjogingen om extra \\et in de kimstmelk te verwerken gestaakt.

Experiment 2.

Bij deze proef werden twee rantsoenen met elkaar vergeleken n.1. basismelk
en (\'iwitrnelk .

De baslmelk werd aldus bereid:

,355 g vollemelkpoeder (28% vet),

1000 ml water,

5 ml zoutoi)lossing (zie boven),

500 mg ascorbinezuur (kort \\oor gebruik toegevoegd),

1 mg nicotinezuur,

3600 I.E. vitamine Dg,

500 mg glycerine monostearaat.

Dit mengsel werd bij dz 50° C gehomogeniseerd en vervolgens 15 minuten
ge])asteiu\'iseerd oj) 100° C in infusieflessen.
De samenstelling van deze basismelk was als volgt:

%-et 7,4%

eiwit 6,9%
lactose 9,7%

De bruto energie bedroeg 141 Kcal [)er 100 g of 21 Kcal per g eiwit. De
berekening van de bruto energie geschiedde volgens de door P e r r i n
(1 958) aangegeven wijze.

Uit magere melkpoeder, opgelost in water, werd caseïne bereid door preci-
])ilatie met melkzuur. Met behulp van deze caseïne kon het eiwitgehalte
\\ an de basismelk verhoogd worden. De aldus verkregen
„eiwitmelk" had de
\\olgende samenstelling:

vet 6,5%

eiwit 8,9%
lactose 8,6%

Dc bruto energie bedroeg per 100 g 139 Kcal of 15,6 Kcal per g eiwit.

Van een toom van 10 biggen kregen 6 dieren de „basismelk" en 4 dieren
„eiwitmelk". Vanaf het einde van de 3e week kregen alle dieren basismelk
en werd begonnen met het bijvoedcren \\an babybiggenmeel.
De resultaten van deze proef staan in tabel 2 vermeld.
Toepassing van een variantie-analyse op deze cijfers toonde aan, dat de
dieren op eiwitmelk \\ ooral de eerste week significant sneller groeiden dan
op „basismelk".

-ocr page 432-

Gewichten in grammen van biggen, gevoederd met basismelk en
basismelk eiwit.

Big no.

Geboorte-

le week

2e week

3c week

4e weck

gewieht

I

1500

1700

2500

4300

5100

II

1250

1500

2450

4000

5250

basis-

III

1250

1600

2400

4000

5250

melk

IV

1500

1550

2400

3600

4750

V

1250

1400

2200

3750

4750

VI

1000

1250

2150

3500

4250

gemiddeld

1292

1500

2342

3858

4891

basis-

VII

1250

1750

2750

4250

5000

melk

VIII

1250

1750

2650

4350

5750

IX

1250

1600

2600

4250

4250

eiwit

XII

1500

1800

2750

4500

6000

gemiddeld

1300

1725

2688

4337

5462

Discussie.

Bij het samenstellen van een rantsoen voor S.P.F. biggen zijn wij oor-
spronkelijk van het standpunt uitgegaan, dat de kunstmelk zoveel moge-
lijk gelijk moest worden gemaakt aan zeugemclk. Bovendien diende de melk
steriliseerbaar te zijn. Van niet gesteriliseerde melk kan immers geen voor-
raad worden aangelegd. Bij de hoge omgevingstemperatuur van 32° C
treedt dan zeer snel een ontoelaatbare groei van bacteriën op. Dit levert bij
de manier van drinken van de dieren gevaar op \\ oor longontsteking door
overigens zeer vulgaire typen bacteriën
(E. coli; Pseudomonas).
Uit verschillende experimenten (Lucas en L o d g e, 1961) is op te ma-
ken dat, bij de zeug, per big per dag ongeveer 770 ml moedermelk wordt
opgenomen in de eerste levensweek, vanaf de tweede tot de 6e week blijft
deze hoeveelheid constant op ± 1 liter. Daarna wordt de melkgift van de
zeug minder. De biggen zuigen ongeveer ieder uur.

De samenstelling van zeugemelk wijkt nogal \\ an die van koemelk af; zeuge-
melk is geconcentreerder dan koemelk en heeft een zeer hoog gehalte aan
vet (Tabel 3).

Tabel 3.

Gemiddelde samenstelling van zeugemelk (Lucas en Lodge, 1961).

5,7%
8,6%
4,8%

Eiwit
Vet

Lactose

De bruto energie bedraagt 126 Kcal per 100 g of 22 Kcal per g eiwit.
Het door U n d e r d a h 1 (1951) gebruikte rantsoen (koemelk, ei en mine-
ralen), heeft een berekende samenstelling van 4,3% eiwit; 4,7% vet, 4,9%
lactose, met 84 Kcal bruto energie per 100 gram. Deze melk is, vergeleken
met zeugemelk weinig geconcentreerd. Wij wilden daarom een geconcen-

-ocr page 433-

treerder melk gebruiken, ook al omdat het volume dat de diertjes gedu-
rende de eerste week per voeding kunnen opnemen volgens onze ervaringen
niet meer dan 30-60 ml bedraagt, d.w.z. 180-360 ml per dier per dag. (Ver-
gelijk hiermede de bovenvermelde hoeveelheid bij de zeug: 770 ml!)
De oriënterende proef 1 met gecondenseerde melk verliep zó gunstig, dat
wij zochten naar een goedkoper rantsoen van ongeveer gelijke samenstel-
hng. Uit proef 2 blijkt, dat volle melkpoeder, in water opgelost, eveneens
redelijk voldoet. In zeugemelk (Tabel 3) is de energie-eiwitverhouding 22
Kcal per gram eiwit, een waarde welke ong\\eer gelijk is aan die van onze
basismelk (21 Kcal per g eiwit).

Volgens MannerenMcCrea (1957-1958) zou \\-oor de eerste 4 levens-
weken als meest gunstige energie-eiwitverhouding gelden 14-16 Kcal per
gram eiwit. Uit proef 2 blijkt inderdaad, dat vooral gedurende de eerste
levensweek de groei op een vergelijkbaar rantsoen met deze energie-eiwit-
verhouding beter is.

Wel moet hierbij voor ogen gehouden worden dat, vergeleken met biggen
bij de zeug, de voederopname beperkt is, vooral de eerste dagen als de
dieren nog moeten leren drinken.

Dat ook in proef 2 de grot:i nog achter bleef bij wat bereikt kan worden
door biggen, welke normaal door de zeug worden gevoed, moet daarom
o.i. in de eerste plaats geweten worden aan de beperkte voederopname ge-
durende de eerste week.

S.AMENVATTING.

Beschreven wordt een methode om ziektekiemvrije biggen op te vangen in steriele
plastic zakken. De dieren worden in een geïsoleerde ruimte in plastic bakken opge-
fokt met een kunstmelk.

Een kunstmelk, bestaande uit een oplossing van I gewichtsdeel volle melkpoeder
(28% vet) en 4 gewichtsdelen water, aangevuld met mineralen en vitaminen bleek
redelijk te voldoen.

Aanwijzingen werden verkre,gen, dat een extra toevoeging van eiwit (caseïne) de
groei bevorderde.

SUMMARY.

Report on a method of collecting .germ-free piglings in sterilized plastic bags. The
animals are subsequently reared on artificial milk in plastic boxes in an isolated
room.

An artificial milk consisting of a solution of one part of full-cream milk-powder
(twenty-eight per cent of fat) by weight and four parts of water by weight, supple-
mented by minerals and vitamins, was found to satisfy reasonable requirements.
There was evidence to suggest that growth was promoted by the addition of protein
(casein).

RÉSUMÉ.

Une méthode est décrite pour recueillir des porcelets exempts de germes pathogènes
dans des sacs stériles de plastique. Les animaux sont ensuite élevés dans une espace
isolée dans des cuves de plastique à l\'aide d\'un lait artificiel.

Un lait artificiel consistant en une solution d\'une partie en poids de lait sec entier
(28% de matière grasse) sur quatre parties en poids d\'eau, complétée de minéraux
et de vitamines parut satisfaire assez bien.

On acquit des indices qu\'une addition supplémentaire de protéine (caséine) favori-
sait la croissance.

-ocr page 434-

ZUSAMMENFASSUNG.

Beschrieben wurde eine Methode zum Auffangen krankheitskeimfreier Ferkeln in
sterilen Kunststoffhülsen. Die Tiere werden dan weiter in einem Isolierraum in
Kunststoffkästen mit Kunstmilch aufgezüchtet.

Die Kunstmilch, bestehend aus einer Lösung von einem Gcwichtsteil voller Trocken-
milch (28% Fett) und vier Gewichtsteile Wasser, ergänzt mit Mineralien und Vita-
minen, schien redlich zu genügen.

Es gab .Anweisungen dass ein Extra-zusatz von Eiweiss (Kasein) den Wuchs be-
förderte.

LITERATUUR

A b e 1 s e t h, M. K.: Application of Specific pathogen free animals to research and

production. Can. vet. ]., 3, 48, (1962).
Betts, A. O.: Pathogen free pigs for Research and the practical control of pigs

diseases. Vet. Ree., 73, 1349, (1961).
Berry, Th. and Jensen, A. H.: S.P.F. Pigs. ƒ. Am. vet. med. Ass., 141, 15,
(1962).

Eaton, B. G.: S.P.F. Pigs in Practice, ƒ. Am. vet. med. Ass., 140, 6, (1962).
Gibbon, A.: Swine repopulation. Mod. vet. Pract., 43, 4, (1962).
G o r e t. P., B e r t r a n d, M. et J o u b e r t, L.: .\'Mlaitement et immunité. Ree.

Méd. Vét., (10), (I960).
Hartman, P. A. e.a.: Digestive enzyme development in the young pig. ]. Anim.

Sc., 20, 114, (1961).
Hoerlein e.a.: Hysterotomy to obtain baby Pigs. /. Am. vet. med. Ass., 128,
3, (1956).

L a g n e a u, F. et Par af. A.: Sevrage et pathologie du Porcelet. Ree. Méd. Vét.,
(10), (1960).

Lecce, J. G. and Reep, B. R.: /, exp. Med., 115, 491, (1962).
L u c a s, J. A. M. and L o d g e, G. A.: The Nutrition of the young pig, Common-
wealth Bureaux. Technisch comm.
22, (1961).
Manners, M. J. and M c C r c a, M. R.: Nutrition of the baby pig. Agric. Rev..
3, 37, (1957).

Miller, E. R. and H a r ra s c n, B. G.: Antibody absorbtion, retentio and pro-
duction by the baby pig.
]. Anim.. Sc., 21, 309, (1962).
S m i t h c O r d s, J. F.: S.P.F. pigs, where do wc stand? Mod. Vet. Pract., 42,
24, (1961).

Whitehair and Thompson, C. M.: Observation and Raising Disease free

Swine. J. Am. vet. med. Ass., 94, 2, (1956).
Young, G. and U n d e r d a h 1, N. R.: Swine repopulation. J. Am. vet. med.

Ass., Ï40, 11, (1962).
Young, G. A. and U n d c r d a h 1, N. R.: Diet and Technic for Starting pigs

without colostrum. Arch. Biochem. Biophys., 32, 449, (1951).
Young, G. A. and U n d c r d a h 1, N. R.: An isolation Brooder for raising disease

free pigs. J. Am. vet. med. Ass., 131, 279, (1957).
Young, G. A. and U n d e r d a h 1, N. R. e.a.: Swine Repopulation. J. Am. vet.
rned.l
134, 491, (1959).

Vruchtbaarheid erfelijk bepaald?

Bij een onderzoek bleken er grote verschillen in vruchtbaarheid te bestaan tussen 11
Simmenthaler stieren.

An. Br. Ab.ür., 31, 49, (1963)

-ocr page 435-

Over de onderkenning van „viruspneumonie" bij
varkens en haar bestrijding.1)

The diagnosis of virus pneumonia in pigs and its
control.

door J. I. TERPSTRA2)

Uit de Laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, afd. Rotterdam.

Inleiding.

Er komt een chronische longaandoening bij varkens voor, die infectieus is
en die onder bepaalde omstandigheden ernstige schade kan veroorzaken.
De oorzaak van deze ziekte, die viruspneumonie of enzoötische pneumonie
wordt genoemd, is niet bekend, zodat ze alleen nader gedefinieerd kan wor-
den door een beschrijving van de verschillende verschijningsvormen, met
alle bezwaren van dien.

Het lijkt er op, dat varkens van elke leeftijd even vatbaar zijn, als er ten
minste geen verhoogde resistentie is opgetreden als gevolg van een voor-
gaande infectie.

De incubatietijd duurt gewoonlijk 10 dagen tot 3 weken, waarna aan het
varken als meest karakteristiek verschijnsel hoesten te beluisteren valt.
De periode, waarin de dieren hoesten, kan weken tot maanden duren.
Min of meer karakterisuek is het feit, dat het hoesten vooral wordt ge-
hoord als de varkens \'s morgens worden gevoed of wanneer ze worden
ojjgejaagd. Zijn de longafwijkingen uitgebreid, dan kan het type van de
ademhaling veranderen en ontwikkelt zich de z
.g. dubbelslag.
De longlaesies bevinden zich voornamelijk in de cardiale en\'apicale kwab-
ben en in de voorste ventrale delen van de hoofdkwabben. De pneumoni-
sche delen zijn scherp gescheiden van dc normale; zij zijn blauw-grijs van
kleur en kunnen op doorsnee min of meer op lymfoid weefsel lijken. Het
o]jpervlak van het pneumonisch gebied is even hoog als dat van het nor-
male of het Ls iets ingezonken. De longklieren zijn meestal vergroot.
Het histologiscsh beeld is min of meer gekarakteriseerd door een hypcrplasie
van lymfoide cellen, in het bijzonder peribronchiaal en rondom de bloed-
vaten, door een vergroting van het aantal lymfoide en histiocytaire cellen
in het interstitium, waardoor dit breed is en door een min of meer duidelijke
alveolaircelpneiunonie. Door de woekering van lymfoide cellen rondom de
bronchiën en in de bronchiaalwand kan het lumen hiervan vernauwd of
afgesloten worden, met atelectase als gevolg. Bronchitis is geen kenmer-
kende verandering die bij deze ziekte behoort.

De ziekte komt vooral tot uiting op de leeftijd van 4-6 weken als de infec-
tie van de zeug op de biggen is overgedragen; op de leeftijd van 10-12
weken enige tijd nadat geïnfecteerde en niet geïnfecteerde koppels bij el-
kaar zijn gevoegd en enige tijd nadat geïnfecteerde biggen hun entree
in het mesthok hebben gemaakt.

Het infectieuze agens wordt verspreid via de lucht van \\arken tot varken,

1  Naar aanleiding van een gehouden voordracht.

2  Dr. J. I. Terpstra, wnd. directeur van het Centraal Diergeneeskundig Instituut,
afd. Rotterdam; postbus 6007, Rotterdam-7.

-ocr page 436-

waarna langzamerhand hoesten wordt opgemerkt bij verschillende indi-
viduen van de koppels in één stal. De tijd, dat varkens aan een infectie
worden blootgesteld in een stal, is lang, doordat het geïnfecteerde varken
lang smetstof-uitscheider kan zijn. Zeker langer dan een jaar.

ziekte ontleent zijn economisch belang meer aan het feit, dat de groei-
capaciteit van het geïnfecteerde dier min of meer is verminderd, dan door
het aantal sterfgevallen, dat na de infectie kan optreden.
De ziekte is experimenteel bij het varken op te wekken door ruimtelijk
contact of door het inbrengen van geïnfecteerd longweefsl, ook als dit geen
bacteriën bevat, via neus of trachea. Een andere infectieweg dan de respi-
ratoire is experimenteel althans niet bekend.

Het is dus door deze gegevens van kliniek, epidemiologie, sectie, histologie
en experiment, dat het ziektebeeld van de z.g. viruspneumonie ten naaste
bij gekarakteriseerd is. Staande voor een praktijkgeval heeft men echter
lang niet altijd de beschikking over al deze gegevens. Bovendien kunnen
ze nog onvolcloende zijn om de diagnose op vlugge en eenvoudige wijze te
stellen.

I3e oorzaken hiervan zijn tweeërlei:

le. er zijn omstandigheden, waardoor het karakter van de ziekte in haar

verschillende verschijningsvormen ten zeerste wordt beïnvloed;
2e. er zijn andere longafwijkingen, die in verschillend opzicht verwarring
kunnen wekken met de viruspneumonie.

De omstandigheden, die het karakter van de viruspneumonie beïnvloeden.

De schade, die de ziekte veroorzaakt, is het grootst in de zeugen-biggenstal,
die overvol is en waar de verschillende koppels met elkaar in contact kun-
nen komen en op de grote gevulde meststal, waar varkens zijn van verschil-
lende leeftijdsgroepen en die nog nooit met het infectieuze agens in contact
zijn geweest en nu worden geïnfecteerd.

Óp deze bedrijven is de infectieweg het kortst, is de incubatietijd verkort
en zijn de klinische verschijnselen het hevigst.

Bij een experiment met 24 biggen, die in een betrekkelijk kleine ruimte
waren gehuisvest, zagen wij vers]3rciding \\ an de infectie reeds na 1 week,
terwijl deze pas na ± 1 maand werd geconstateerd na infectie met het-
zelfde agens in een kojipel van 5 biggen in een luchtig hok.
Ook zal tijdens het \\erloop van de infectie in een overbevolkt bedrijf niet
van elke big geconstateerd kunnen worden, dat deze af en toe hoest.
Bij het bovengenoemde experiment, waar sprake was van 3 koppels van
8 biggen, hoestten er twee van elke koppel niet gedurende een observatie-
periode van zt 4 maanden. \'1\'oen de longen tijdens de slachting werden
onderzocht, werden echter wel kleine pneumonische haardjes of residuën
daarvan opgemerkt, die bij histologisch onderzoek niet te onderscheiden
waren van die van viruspneumonie. Dc hevigheid van de verschijnselen
en de grootte van de schade van deze ziekte worden tevens ten zeerste be-
ïnvloed door klimaatfactoren.

Vocht en koude en vooral sterke schonunelingen van temperatuur zijn in
dit o])zicht de grote vijanden van de varkenshouderij.

Het is onder deze omstandigheden, dat het intensief gevoerde bedrijf
zijn grootste schade lijdt door een sterk verminderde groeicapaciteit en
ook doordat het aantal sterfgevallen nu wezenlijk gaat tellen.

-ocr page 437-

De longontstekingen, die onder deze omstandigheden kunnen ontstaan,
kunnen zó uitgebreid zijn, dat verschillende dieren ernstig ziek zijn. Ze
eten dan niet meer, liggen veel en hoesten af en toe. Er bestaat adem-
nood, waar cyanose — vooral duidelijk aan snuit en oren — het gevolg van
is. In deze toestand is de temperatuur duidelijk verhoogd.
Ondanks deze ernstige toestand zal een geschikte medicamenteuze behan-
deling (0,5 g streptomycine 2x per dag) soms nog redding kunnen bren-
gen. Deze verbetering is echter meestal van korte duur als het stalklimaat
niet drastisch wordt verbeterd.

De maatregelen, die ter verbetering van de toestand moeten worden ge-
nomen, zijn: verhoging van de temperatuur, die liefst constant gehouden
moet worden, het zorgen voor een droge bedding en vermindering van
de varkensdichtheid, het liefst door verwijdering van de meest zieke dieren.
Het is opmerkelijk te zien, hoe door deze wijze van handelen de ernst
van de toestand in de stal binnen enkele dagen vaak aanzienlijk verbeterd
kan worden.

Van Ierse zijde is enige jaren geleden propaganda gemaakt voor een ex-
cessief hoge temperatuur (±: .30° C) in de varkensstal en een zeer hoge
vochtigheidstoestand, onder welke omstandigheden de viruspneumonie vrij-
wel niet tot ontwikkeling zou kunnen komen. Op het Centraal Diergenees-
kimdig Instituut hebben wij onder deze omstandigheden een proef geno-
men met 26 varkens en het voortschrijden van een kunstmatig toegediende
infectie, het slachtgewicht en de slachtkwaliteit van deze dieren verge-
leken met die van een controlegroep, die onder voor ons normale omstan-
digheden werd gehouden. Het resultaat was teleurstellend.
.•\\fgezien van het feit, dat de z.g. „sweat-box" .gelijk te stellen is met alles
wat men onder een zwijnenstal kan verstaan, was het klinisch verloop van
de viruspneumonie hier niet minder erg en waren de slachtgewichten en
de slachtkwaliteit van het vlees onder normale omstandigheden beter. In
beide gevallen bleken ook na histologisch ondrzoek van de longen min of
meer duidelijke sporen van de \\iruspneuinonie aanwezig bij vrijwel alle
proefvarkens.

Een opmerkelijk verschil in de omstandigheden van het „swcat-box"-idee
was de geringe bacteriepojjulatie in de omgeving, die ±: 1000-maal zo
klein was als in de controlegroep.

Ook bleek het aantal secundair geïnfecteerde [ineumoniei-n in de „sweat-
box" kleiner dan in de controlegroep.
Pasteurellae werden hierbij bijv. niet
aangetroffen, zoals in de controlegroep.

Overigens is het wel duidelijk, dat de ernst van de pneumonieën van de
z.g. „break-dwons" in het overbevolkte bedrijf niet alleen het gevolg
is van een vergrote mogelijkheid tot contact met liet virus, maar tevens
samenhangt met het gelijktijdig optreden van bacteriële longinfecties.
In ons onderzoekmateriaal isoleerden wij het afgelopen jaar uit pneumo-
nieën van varkens in afnemende veelvuldigheid:
Past. multocida, E. coli,
H. suis,
streptokokken, Sh. haemolytica, Bord. bronchiseptica en C. pyoge-
nes.

Deze bacteriën hebben meestal slechts secundaire betekenis. Zo is het mij
niet bekend, of ooit is gelukt met
Pasteurellae, streptokokken of E. coli
alléén, een pneumonie op te wekken. Vrijwel steeds kan men bij een Pas-
te urella-xni&ciït
van de longen de laesies, die verantwoordelijk worden ge-

-ocr page 438-

steld voor het agens van de viruspneumonie, aantreffen. Toch blijlit bij liis-
tologisch onderzoek, dat
Pasteurellae een duidelijk irriterende invloed op
het longweefsel uitoefenen. Het aantal leucocyten in bronchiën, inter-
stitium en alveolen is duidelijk vermeerderd, hetgeen soms gepaard gaat
met fibrinevorming in de alveolen en oedeem in het interstitium. Roberts
e.a. (1962) stelden tevens vast, dat bij een gelijktijdige
Pasteurella-\'mïectic
de lymfoide hyperplasieën en de proliferatie van septumcellen meer gepro-
nonceerd zijn en dat het aantal eosinofiele leucocyten in het longweefsel is
verhoogd.

Sinds enige tijd typeren wij de verschillende geïsoleerde PasteuTellü-sttiïu-
men en stelden hierbij vast, dat de meeste uit de longen geïsoleerde stam-
men behoren tot het type A en slechts enkele tot het type D.
Pattison (1961) berichtte, dat de hemofiele bacteriën, die uit pneu-
monieën van varkens gekweekt werden, in zoverre van
H. suis verschilden,
dat ze gewoonlijk de X-factor kunnen missen. In het verloop van een var-
kenspest-infectie geven deze bacteriën aanleiding tot eigenaardige long-
veranderingen. Wij hebben dit alles kunnen bevestigen.
De laesies bevinden zich in de apicale kwabben, maar ook wel dorsaal in
de hoofdkwab. Zij zijn vast op doorsnee en roodbruin gekleurd. Ter plaatse
bestaat een fibrineuze pleuritis. Histologisch vallen bij deze pneumonieën
in het bijzonder op haardjes, die gevormd worden door eigenaardige lang-
werpige en gekromde cellen, die min of meer parallel ten opzichte van el-
kaar gerangschikt zijn, waardoor de haardjes een enigszins gedraaid uiter-
lijk hebben. Zij liggen in de alveoli, maar ook wel in het lumen van de
bronchiën en markeren soms als een zoom het aangetaste van het gezonde
weefsel. Deze afwijkingen zijn typisch voor een infectie van het long-
weefsel met deze bacteriën.

Ook mycoplasma\'s kunnen herhaaldelijk uit pneumonieën van het varken
geïsoleerd worden. Het is echter nooit gelukt hiermee een pneumonie op
te wekken.

Roberts (1962) meent dat kweekbare myocoplasma\'s geen karakteris-
tieke veranderingen in het longweefsel veroorzaken. Mogelijk is het aantal
eosinofiele leucocyten wat verhoogd als ze in het verloop van de virus-
pneumonie worden aangetroffen. Tot nu toe werd aan het Centraal Dier-
geneeskundig Instituut uit de longen van varkens slechts éénmaal een virus
gekweekt met cytopathogeen effect (geen virus van .\\ujeszky). De patho-
gene betekenis hiervan is nog niet bekend.

Naast bacteriën kunnen parasitaire infecties aan de viruspneumonie een
ernstiger karakter geven. U n d e r d a h 1 en Kelly (1957) infecteerden
biggen met ascariseieren per os en 5 dagen daarna via de respiratietractus
met door virus geïnfecteerd longmateriaal. De longconsolidaties, die hier-
van het gevolg waren, bedroegen het 10-voudige van de viruscontroles.
Varkens, waaraan alleen ascariseieren waren gegeven, hoestten wel na 7-10
dagen, maar tijdens sectie 3 weken daarna, werden geen pneumonieën ge-
vonden.

Ook longworminfecties verergeren het verloop van de viruspneumonie.

.Ms de omstandigheden van klimaat niet te ongunstig zijn en de bacterie-
of parasietenpopulatie niet te groot is, dan worden ook op het intensief
gevoerde bedrijf, na weken of maanden veelvuldig hoesten, geen ernstig
zieke dieren meer aangetroffen. Het beeld is dan zo, dat de groei van de

-ocr page 439-

verschillende koppels wat onregelmatig is en hier en daar een duidelijke
achterblijver kan worden aangetroffen. Af en toe wordt nog hoesten ge-
hoord en in rust kan bij verschillende dieren de
z.g. dubbelslag worden
opgemerkt.

Engelse ervaringen hebben geleerd, dat men in deze gevallen bij slachting
20-50% van de voorste longdelen bij macroscopisch onderzoek aangetast
kan vinden. De wisseling van het aantal longafwijkingen hangt, behalve
van de klimatologische, bacteriologische en parasitaire invloeden, tevens
samen met het tijdstip, waarop de infectie in de stal werd geïntroduceerd.

Het vinden van zoveel longafwijkingen bij het slachten in deze omstan-
digheden, is karakteristiek voor de viruspneumonie, indien althans long-
worminfecties kunnen worden uitgesloten. Histologisch onderzoek ter na-
dere beoordeling van de toestand wordt dan niet nodig geoordeeld. In
Engeland, waar een certificaat voor het vrij zijn van viruspneumonie voor
een bedrijf alleen gegeven wordt, als bewezen is, dat de zeugen geen smet-
stofverspreiders zijn, heeft men daarom bepaald, dat van elke toom biggen
gedurende minstens 18 maanden bij minstens 1/3 deel longonderzoek moet
worden verricht, nadat deze dieren onder intensieve omstandigheden zijn
gemest.

Histologisch onderzoek acht men wel nodig, als het aantal pneumoniën
duidelijk lager is, n.1. 5-20%. In het bijzonder wordt dan gelet op de aan-
wezigheid van longwormen (ook bij macroscopisch onderzoek) en er wor-
den minstens 4 longstukjes genomen van het grensgebied van normaal en
abnormaal longweefsel, die in fonnaline worden gefixeerd. In deze gevallen,
waar de diagnose viruspneumonie nog wel moeilijkheden kan geven, wordt
het eindoordeel over het bedrijf: vrij of geïnfecteerd, niet door de histo-
loog gegeven, maar door de klinicus, die de bedrijfsomstandigheden kent
en de bevindingen van de histoloog mede in zijn oordeel betrekt.
Is het aantal longafwijkingen bij geslachte dieren van het dichtbevolkte
mestbedrijf kleiner dan 5%, dan gaat men in Engeland niet over tot his-
tologisch onderzoek, omdat men viruspneumonie nu uitgesloten acht.
De techni.sche leiders van de z.g. Association for the Advancement of Virus-
])neumonia free Pigs, die een dergelijk systeem van viruspneumoniebestrij-
ding als voornaamste punt op haar programma heeft, zijn over het alge-
meen wel tevreden over de diagnostische mogelijkheden, die dit systeem
biedt.

Uit hun publikaties blijkt echter, dat ze desondanks met teleurstellingen
te kampen hebben en dat het in sommige omstandigheden uiterst moei-
lijk is, te komen tot een definitief oordeel over een bedrijf.
De moeilijkheid om tot de diagnose „viruspneumonie" te komen, wordt
echter nog veel groter als het bedrijf minder rationeel gevoerd is en boven-
dien geen secties kunnen worden verricht. Op dergelijke bedrijven komt
het infectieuze karakter van de ziekte vaak slecht tot uiting; de ziekte blijft
soms beperkt tot één of twee koppels, de incubatietijd is langer en de ernst
van de klinische verschijnselen is geringer.

Het is wel zeker, dat de poging van de gezondheidsdiensten, de varkens-
houder op te voeden in hygiënische zin, door hem te adviseren tot betere
omstandigheden van klimaat en hem schuw te maken voor overbevolkte
stallen met verschillende leeftijdsgroepen varkens, de mogelijkheid om tot
een diagnose te geraken zeer in de weg staat.

-ocr page 440-

Het is niet ondenkbaar, dat in deze goed geleide bedrijven, de resistentie,
die bepaalde koppels varkens ten opzichte van het virus vertonen, het ver-
loop van een niet te virulente infectie maskeert. Zo zagen wij in een ex-
periment, dat één koppel varkens significant beter groeide dan twee an-
dere, hoewel de mogelijkheden tot infectie en de omstandigheden van
klimaat dezelfde waren. De hoestpcriode van dit koppel was ook belang-
rijk korter.

Andere longafwijkingen, die in verschillend opzicht verwarring kunnen
wekken met de viruspneumonie.

Door dit alles mag „niet-hoesten" onder deze omstandigheden geen vrij-
brief zijn voor het oordeel: „vrij van viruspneumonie", ook „het hoesten"
kan op zichzelf dan niet meer dan een aanwijzing tot viruspneumonie zijn,
omdat er ook andere oorzaken zijn, waardoor een varken kan hoesten.

1. „NIESZIEKTE".

In Nederland komt een ziekte voor bij zogende biggen vanaf de 3e dag tot
de speenleeftijd, die zich kenmerkt door niezen, snuffelen en af en toe be-
moeilijkte ademhaling en een scherpe hoest. Zeugen en mestvarkens onder-
vinden geen last, hoewel een kort niezen van de zeug wel eens opgemerkt
wordt. Het lijkt wel of de zeug, die jaar op jaar uitscheider van het oor-
zakelijk agens kan zijn, dit op de biggen overbrengt, waarna deze ook
biggen van andere tomen besmetten.

Zijn er veel jonge biggen aanwezig, dan is de uitbraak explosief en ver-
spreidt zij zich snel door de stal. De biggen kunnen in het verloop van de in-
fectie sterk in groei ten achter komen of zelfs sterven als gevolg van de
pneumonie. Gewoonlijk is het ziekteverloop echter maar kort, duurt niet
langer clan een week, is de groei vrijwel normaal en heeft men moeite de
biggen 1-2 weken daarna aan het hoesten te krijgen.

Het is wel zeker, dat het verloop van dc ziekte in hoge mate wordt be-
paald door het milieu. Ze komt vooral voor op overbevolkte bedrijven en
wel meer in de winter dan in de zomer.

Bij sterfgevallen, die na 1-2 weken optreden en dan ter sectie komen, valt
een rinitis op, een geringe tot matige atrofie der conchae en een pneumonie
van de voorste longkwabben. Uit de pneumonische delen worden herhaal-
delijk Bordetella\'s, hemofiele bacteriën en PPLO\'s gekweekt.
Bij histologisch onderzoek valt op, dat het epitheel der conchae min of
meer gedegnercerd is: in de propria mucosa is het aantal histiocytaire
cellen vergroot, in het bijzonder rondom het kliei\'weefsel. Af en toe wor-
den in de epitheelcellen van het klierweefsel en de uitvoergangen insluit-
lichaampjes aangetroffen.

Er bestaat een purulente bronchitis, waardoor het lumen van de bron-
chiën verstopt kan raken en een deel van de alveolen is gecollabeerd.
Het longweefsel kan tevens het beeld van een interstitiële pneumonie te
zien geven, hoewel de lynifocytenophopingen rondom de bronchiën en in
het hier en daar verbrede interstitium gering zijn. In bepaalde gebieden
is het alveolair epitheel meerlagig. Het slijmvlies van de bronchiën kan
later iets hyperplastisch zijn en de muscularis verzwaard.
Sterven de biggen in een later stadium aan de gevolgen van de ziekte, dan
blijken ze nog al eens anemisch te zijn en kunnen pleuritiden, pericardi-

-ocr page 441-

tiden, lobaire pneuiiioniën en abces\\orniingen in de longen worden aan-
getroffen.

G o O d w i n en VV h i t 11 e s t o n e (1962) vonden bij baconvarkens, die
als big aan deze ziekte geleden hadden, soms nog bij "16% veranderingen
aan de voorste longkwabben, die zij beschrijven als "diepe fissuren, terwijl
weinig van het oorspronkelijke pneumoni.sche weefsel was overgeble\\en.
Histologisch vielen hierbij de chronische veranderingen aan de bloed\\aten
en de fibrotische veranderingen aan de bronchiën op.

Als regel genezen de biggen echter vrij snel als de uitwendige omstandig-
heden gunstig zijn.

Het gelukt slecht dit ziektebeeld, dat eerst door Done (195.5) beschreven
werd, in het experiment op andere biggen over te brengen, zodat een
ziektebeeld wordt gecreëerd, dat enigszins vergelijkbaar is met dat in de
praktijk. Na intranasale injecties von longmateriaal of na contact van zieke
biggen met biggen van het Centraal Diergeneeskundig Instituut, ook als
deze geen colostrum hadden gehad, hebben wij ondanks vele pogingen
klinisch slechts een gering snuiven of niezen kunnen opwekken in het ver-
loop van één tot enkele weken. Werden deze dieren afgemaakt, dan werd
iiieesUl wel een atrofie van de conchae opgemerkt, maar geen pneumonie.
Hij histologisch onderzoek kan dan wel een interstitiële pneumonie worden
gevonden, die herinnert aan een viruspneumonie, maar die door zijn ge-
ringe intensiteit en de hyperplasie \\an het bronchiaal-epitheel een vraag-
teken laat staan.

In hoeverre verschilt nu deze ziekte van wat wij verstaan onder virus-
pneumonie?

(iewoonlijk beperkt ze zich tot de zogende biggen. Het ziekteverloop is
kort en duurt gewoonlijk niet langer dan 1-2 weken, terwijl ook de jmeu-
monieën zich sneller oplossen.

De uitbraak van de ziekte is min of meer ex])losief. Zij is ook heel moeilijk
over te brengen en het is alsof he])aalde omstandigheden van het milieu,
die niet alleen bestaan uit verhoogde mogelijkheid tot contact, hier bij-
zondere invloeden doen gelden. Soms zijn hier wel eens de aanwezigheid
van veel luizen en vliegen en het tekort aan vitamine .\\ als medebepalen-
de factoren genoemd.

Daarnaast zijn er ook punten van overeenkomst. Dc ziekte wordt overge-
bracht door zeugen, die lang drager van de smetstof kunnen zijn en geeft
aanleiding tot pneumonieën van de voorste longkwabben, die ook histo-
logisch vele aspecten met die van de viruspneumonie gemeen hebben.
()\\erbevolking en ongunstige omstandigheden van klimaat geven in beide
gevallen een ernstiger klinisch verloop.

De Zweedse onderzoekers Ba kos (1960) en Obel (1961) spelen met
de gedachte, dat een aetiologische .samenhang bestaat tussen de nies-
ziekte, de viruspneumonie en de atrofische rinitis, in het bijzonder ook door
de vele punten van overeenkomst, die bestaan bij de anatomische en his-
tologische veranderingen van deze drie afwijkingen.

W h i t 11 e s t O n e en G o o d w i n (1962) vermelden de geschiedenis
\\an een bedrijf, dat vrij was \\an viruspneumonie, maar waarin op
zeker ogenblik de niesziekte uitbrak.. .\\ls deze ziekte dan genezen is en na
een lange tijd opnieuw uitbreekt, verloopt ze op een wijze, waarop ze ten-
slotte niet meer te onderscheiden is van de viruspneumonie. De ziekte slaat
over op het mesthok en de longafwijkingen zijn van lange duur. In dit

-ocr page 442-

geval leek het onmogelijk, dat er een contact geweest was met varkens van
verdachte oorsprong.

Toch geloven zij uiteindelijk aan een verschillende aetiologie van beide
ziekten om de zojuist genoemde punten van verschil en de verschillende
gegevens van het microscopisch onderzoek in beide condities.
In microscopische preparaten, die volgens Giemsa worden gekleurd, meent
VV h i t 11 e s t
O n e n.1. kleine voorwerpjes te zien van bepaalde vorm en
kleur, die hij alleen in gevallen van viruspneumonie kan aantonen en die
hij verdenkt van een PPLO-karakter. Deze vormsels zijn echter nog niet
kweekbaar gebleken. Voor zover mij bekend is Whittlestone de
enige, die deze methode van onderzoek voor diagnostische doeleinden ge-
bruikt. Dit is ook niet verwonderlijk als men bedenkt, dat mogelijkheden
tot vergissing met kleurstofneerslagen, eosinofiele granula, kleine bacteriën
en niet specifieke vormsels moeilijk uit te sluiten zijn.

Volgens een recente publikatie in de British Journal of cxperimental Patho-
logie (pag. 291, 1963)
is het de schrijvers onlangs gelukt via weefselculturen
een agens te isoleren, v/aarmee het ziektebeeld van de enzoötische pneu-
monie kon worden opgewekt.

De vraag of de niesziekte en de viruspneumonie een gelijke of verschillen-
de aetiologie hebben, lijkt alleen afdoende te kunnen worden opgelost als
infectieproeven kunnen worden genomen met het aetiologisch agens alleen.
Het zal dus gekweekt moeten worden. Zelfs dan echter behoeven de moei-
lijkheden nog niet overwonnen te zijn, omdat andere factoren dan het in-
fectieuze agens het ziekteverloop van de niesziekte immers in hoge mate
bepalen.

2. INFLUENZA.

Een andere ziekte, die aanleiding zou kimnen geven tot verwarring met de
virusiMieinnonie, is influenza. Deze ziekte is echter voor zover mij bekend
nooit op het vasteland van Europa vastgesteld.

Zij wordt beschreven als een acuut ziektebeeld, dat zich na een korte in-
cubatiei^eriode van enkele dagen over de gehele stal heeft verspreid. De
varkens zijn down, hebben een ges])annen ademhaling en ceti hoge tem-
jjeratuiu\'. Na een week zijn de meeste dieren weer hersteld. In vergelijking
met de z.g. viruspneinuonie zijn de interlobulaire septa sterk verbreed ten
gevolge van een hemorragisch oedeem. Naast de histologische veranderin-
gen, die voor de virus])neumonie min of meer kenmerkend zijn, valt de
degeneratie van het bronchiaalepitheel op. Vaak wordt ook een fibrineuze
plemitis aangetroffen.

Een ziektebeeld als dit hebben wij een enkele maal bij koppels zogende
biggen aangetroffen. Het influenza-virus werd echter niet gekweekt en in
het serum werden geen antilichamen hiertegen aangetroffen.

3. VARKENSPEST.

Het varkenspestvirus kan ook aanleiding geven tot een pnetnnonie, die
macroscopisch en cjua lokalisatie niet te onderscheiden is van de virus-
pnemnonie.

In voor viruspneumonie geschikte omstadigheden wordt de ])neumonie
echter niet sterk door de stal \\erspreid. Histologisch zijn er ook grote ver-
schillen. Het duidelijkst is de in graad variërende collaps. In sommige ge-
bieden komen veel neutrofiele leucocyten voor, o.a. ook in het bronchiaal-

-ocr page 443-

exsudaat. Een lynifocytaire peribronchitis is echter geen ]<enmerk van deze
pneiiinonie.

4. GELIJKTIJDIGE INFECTIES MET VARKENSPEST EN HEMOFIELE
BACTERIËN.

üp de pneumonieën die tijdens een varkenspest- en een gelijktijdige infec-
tie met hemofiele bacteriën o]3treden, werd reeds gewezen. Volgens
M a c k e n z i e zijn sommige stammen dezer bacteriën hiertoe ook op
zich zelf in staat. De veranderingen komen dan meest voor in de voorste
dorsale delen van de hoofdkwabben en hebben hetzelfde karakter als reeds
werd beschreven. Na intratracheale injectie van een grote dosis bacteriën
stierven de dieren na 36 uur onder invloed van de hevige acute pneumonie
en jjleuritis. Bij kleinere dosis ontwikkelde zich na 7 dagen een minder
acuut ziektebeeld met verhoogde temperatuur, ademhalingsbezwaren en
met eten. Tot 3 weken na de experimentele infectie konden de hemofiele
bacteriën nog uit de longlaesies worden geïsoleerd.

5. BORDETELLA-INFECTIE.

Ook aan Bord. bronchiseptica, die nog al eens als secundaire kiem bij pneu-
monieën van varkens wordt aangetroffen, moet soms primaire betekenis
worden toegekend.

Na intranasale applicade van een bouilloncultuur van deze kiem wekten
wij pneumonieën op bij kunstmatig opgefokte biggen. Enkele dagen na de
infectie werd een snuivend geluid gehoord, dat kort daarna gevolgd werd
door hoesten. Toen de dieren na 14 dagen werden afgemaakt, bestond er
een geringe atrofie van de conchae. De pneumonieën, die een catarraal ont-
stckingsbeeld \\ertoonden, waren gelokaliseerd als bij viruspnetmionie. His-
tologi.sch vielen de bronchitis en bronchiolitis en de slijmige degeneratie van
het bronchusepitheel op. Meerdere bronchieën waren verstopt door ont-
stekinpcellen en gedesquameerde epitheelcellen, met atelectase als gevolg.
Aan l\'E c u i e r (1961) viel tevens bij enkele kunstmatig opgewekte pneu-
monieën door
Bordelellae een sterke actieve hyperemie en oedeem in
acute stadia op, als gevolg van vaatwandlaesies en een vroeg inzettende
fibröse van het interstitium in het later verloo[). Ook de epitlielisatie van
de alveolenwand zou uitgesproken zijn.

6. LONGWORMINVASIE.

De longworminvasies vormen een lastige complicatie bij het onderzoek
van de viruspneumonie. Een belangrijk verschil is echter, dat pneumonieën
veroorzaakt door longwormen, ook als grote groepen \\\'arkens gehuisvest
zijn in kleine ruimten, geen uitbreiding ondergaan.

Hoewel het systeem van bedrijfsvoering (buitenloop) verantwoordelijk is
voor de longworminfecties, kunnen ze soms aangetroffen worden bij dieren,
die steeds binnen gehouden zijn (grasvoedering).

Lichte infecties verlopen gewoonlijk symptooniloos. Een hevige infectie
geeft aanleiding tot geprononceerde ongelijkmatige groei. Longworm-
infecties geven merkwaardig weinig aanleiding tot bacteriële infecties. Be-
handeling met antibiotica heeft dan ook weinig zin. Daarentegen zou vol-
gens sommigen met de nieuwere wormmiddelen cyaanacethydrazide
(Dick, 1958; Lienert, 1958) of diethylcarbamazine (Bessono
1959; Bück, 1959) de longwormpneumonie goed te beïnvloeden zijn.

v.

-ocr page 444-

Het systeem van opfok veranderen is het middel tot preventie. Bij het
onderzoek van longlaesies na experimentele infecties bleek Ma c k e n z i e
(1958, 1959) dat de plaats der veranderingen afhankelijk is van de infec-
terende dosis. De predilectieplaats vormen de achterste delen van de
hoofdkwabben, terwijl de voorste kwabben alleen bij hevige infecties wor-
den aangetast. De aanwezigheid van longwormen op deze plaatsen gaat
gepaard met lobulair emfyseem. Consolidatie van de long geschiedt echter
in de ventrale delen van de voorste lobi, evenals dit tevens met virus-
pneumonie het geval is. Hoesten door longwormen treedt vrijwel alleen
op als de parasieten aanleiding geven tot pneumonische veranderingen in
de voorste lobi. De histologische veranderingen hangen dan sterk af van de
infectieduur. Deze zijn:

a. bronchitis, waarbij het epitheel min of meer uitgebreid is veranderd
in slijmproducerende cellen en infiltratie van de lamina propria met
mononucleare cellen en eosinofiele leucocyten;

b. hypertrofie van de bronchiaalspieren;

c. een lymfo-reticulaire peribronchitis, met soms fibrose;

d. perivasculaire lymfoidcelinfiltraties;

e. matige vergroting van het alveolair epitheel;

f. de aanwezigheid van longwormen en eieren en reuzencellen;

g. vesiculair emfyseem;

h. eosinofiele granulomata.

Het vinden van deze veranderingen sluit de aanwezigheid van de virus-
pneumonie echter niet uit.

Mackenzie zag, dat in gevallen waar een gelijktijdige infectie met
longwormen en het agens der viruspneumonie bestond, de laesies ten ge-
\\olge van de viruspneumonie uitgebreider waren en dat de ziekte ernstiger
was verlopen.

7. Pneumonieën ten gevolge van aspiraties door plantendelen schijnen
ook nog al eens voor te komen, meestal door gulzig eten. In de vroege
jeugd ontstaan, blijven ze tot één koijpel beperkt, ook als deze later met
individuen van andere koppels wordt gemengd. Af en toe wordt hoesten
gehoord. Secundaire bacteriën kunnen een complicerende rol s]jelen.
De
laesies blijven meest tot de \\oorste lobi beperkt. Indien klein, bestaan ze
uit gecollabeerde niet oedemateuze lobuli.
Microscopisch zijn karakteristiek:

a. |)lantaardige delen of overblijfselen hiervan in bronchioli of alveoli;

b. vreemd-lichaam-cel-formaties en soms intracytoplasmatische va-
cuolen, die materiaal bevatten;

c. geen lymfoidcclhyperplasie van bronchioli en bloedvaten.

Pneumonieën ten gevolge van purulente infecties van de bovenste lucht-
wegen worden ook nog al eens waargenomen. Er bestaat dan tevens een
rinitis, chronische hoest en de dieren gedijen niet. De longlaesies bevinden
zich weer voornamelijk in de voorste longkwabben. Microscopisch blijken
de bronchioli geblokkeerd met polymorfkernige leucocyten, waardoor al-
veoli collaberen. Peribronchialc en perivasculaire infiltraties worden niet
waargenomen.

Zie hier dan in het kort een overzicht van de belangrijkste pneumonieën
bij het varken en een beschouwing hoe deze, volgens ons althans, in prin-
cipe van elkaar kunnen worden onderscheiden.

-ocr page 445-

Bestrijding van viruspneumonie.

Welke instelling geeft deze kennis tegenover de organisaties van de
bestrijding van viruspneumonie, zoals deze nu in Nederland geregeld is?
Het is duidelijk, dat een hoestend varken nog niet altijd behoeft te lijden
aan een viruspneumonie en dat het „niet-hoesten" het dier niet uitsluit als
lijder of potentiële verspreider van de ziekte.

Zekerheid, dat de smetstof niet op een bedrijf is, kan slechts in enkele ge-
\\allen bestaan, nl. als er geen contact mogelijk is met varkens van niet
gecontroleerde bedrijven en als:

1. het bedrijf is opgebouwd uit varkens, waarvan het contact met de
moeder direct na de geboorte is verbroken;

2. als van het materiaal gedurende langere tijd is gecontroleerd, dat
het de ziekte niet op de nakomelingen overbrengt.

.Slechts weinigen in Nederland zullen in staat zijn de lasten, die voor de
bedrijfsvoering uit deze maatregelen voortvloeien, te dragen. Bovendien
zullen er ook dan nog gevallen zijn, waar teleurstellingen zich door de in-
sleep van smetstof doen gelden.

Zo ontwikkelde zich bijv. in een stal van het Centraal Diergeneeskundig
Instituut, die reeds lange tijd viruspneumonie-vrij was, plotseling dit ziekte-
beeld zonder dat contact met een besmet varken mogelijk was geweest.
Ook experimenteel gedroeg deze infectie zich als een viruspneumonie.
Met behulp van suspensies van afwijkend longmateriaal van een hoestend
varken, werden de longafwijkingen na intranasale infectie overgebracht
op cen ander \\arkcn, waarna dit de infectie overbracht op varkens, die
hiermede contact hadden.

Waarnemingen als deze zijn ook elders bekend, hoewel ze sporadisch voor-
komen. Het lijkt er dus op, dat zich in de praktijk soms andere wegen van
infectie voordoen, dan die van dier tot dier.

Wij zullen - - gezien dit alles - - er dus genoegen mee moeten nemen, dat
ook in de toekomst voorlopi.g een groot deel van de varkenshouders met deze
ziekte zal moeten leven. We hebben gezien, dat de omstandigheden, waar-
onder dit gebeurt, \\an uitslag,ge\\encle betekenis zijn voor de schade, die de
ziekte veroorzaakt. Het zal dan ook van belang zijn de boer op te \\oeden
in die richting, waarbij deze omstandigheden zo gelukkig mogelijk worden
gekozen.

In de eerste plaats komt deze benadering van het probleem in aanmerking
voor de kleine bedrijven, die geen contact met varkens van ongecontro-
leerde bedrijven kunnen vermijden en die niet ojjgebouwd kunnen worden
met „viruspneumonie-vrije"\' varkens. Deze meestal niet te controleren be-
drijven het predicaat „virusijncumonie-vrij" te geven kan tot teleurstelling
en schade, ook voor waarlijk vrije bedrijven, leiden.

Toch zouden wij, ook al is een 100% zekerheid in de praktijk zelden te ver-
krijgen, wel gebaat zijn met een aantal bedrij\\en, waarvan we met grote
waarschijnlijkheid zouden kunnen zeggen, dat de ziekte hier niet voor-
komt. Deze indruk krijgt men het best o]} dichtbevolkte fok- en fok-
niestbedrijven, die zich houden aan een bepaalde bedrijfsvoering, die ge-
durende een lange tijd intensief gecontroleerd worden en waar naast kli-
nisch onderzoek af en toe ook de mogelijkheid tot het doen van secties be-
staat, Het lijkt dan ook juist, dat men bij zijn pogingen tot het certificaat-
waardig maken van bedrijven, zich in eerste instantie tot deze beperkt en

-ocr page 446-

de anderen leert met de ziekte le leven onder gelukkiger omstandigheden
dan voorheen.

S.A.MENVATTING.

Een kort overzicht wordt gegeven van dc factoren waarmee in principe rekening moet
worden gehouden ter onderkenning en bestrijding van de „viruspneumonie" en de
meest voorkomende pneumonieën bij het varken.

SUMMARY.

A brief review of the factors which have to be taken into account in the identifi-
cation and control of "virus pneumonia" and of the forms of pneumonia which are
most common in pigs.

RÉSUMÉ.

Un bref aperçu est donné des facteurs dont il faut en principe tenir compte afin de
reconnaître et de combattre la „pneumonie-virus" ct des pneumonies les plus cou-
rantes du porc.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird cine kurze Übersieht von den Faktoren gegeben, womit man grundsätzlich
bei der Feststellung und Bekämpfung der „Viruspneumonie" Rechnung halten muss
und von den meist vorkommenden Pneumonien bei Schweinen.

LITERATUUR

B a k o s, K., Obel, A. L., S w a h n, O. und W a 1 z 1, H. : „Inclusion-body-rhinitis"
bei Ferkeln mt experimenteller enzootischre Pneumonie.
Zbl. VetMed., 7, 262,
(1960).

Bessonov, A. S.: Ditrazin (diethenlcarbamasine phosphate) for metastrongyles

in pigs. Trudy vsesoyuz Inst. Gel\'mint., 6, 187, (1959).
Bück, G., G u e s n e 1, J. J. et R a m b e 1 o s o n, L.: Essais de traitement de la
bronchite vermineuse porcine.
Rev. Elev., 1, 1, (1954).
Ref. in Vet. Rull, 25, no. 2056, (1955).
Dick, J. R.: New lungworm treatment of swine. Vet.Med., 53, 413, (1958).
Done, J. T.: An „inclusion-body" rhinitis of pigs (preliminary report). Vet. Ree.,
67, 525, (1955).

I\'E c u i e r, G., Roberts, E. D. and S w i t z c r, W. P. : An outbreak of Bordetella

bronchiteptica pneumonia in swine. Vet.Med., 56, 420, (1961).
Goodwin, R. F. W. and Whittlestone, P.: A respiratory disease of pigs
(type XI) differing from enzootic pneumonia, the field disease.
]. Compt. Path.
Therap.,
72, 389, (1962).
L i e n e r t, E. : Nematodenmitel beim Schwein. Wien, tierärztl. Mschr., 45, 579,
(1958).

Mackenzie, A.: Studies on lungworm infection of pigs. Vet. Ree., 70, 843, 903,

(1958); 7\\, 209, (1959).
Obel, A. L. : Ueber Lungenveränderungen bei „inclusion-body-rhinitis" des Schwei-

nees. Zbl. Vet.Med., 8, 509, (1961).
P a 11 i s o n, I. H. and M a t t h e w s, P. R. J. : The identification of a hacmophilus-
like organism associated with pneumonia and pleurisy in the pig. ƒ.
comp. Path.
Ther.,
71, 44, (1961).
Roberts, E. D., S w i t z e r, W. P. and I\'E c u i e r, G. : Influence of Past, multo-
cida and Mycoplasma hyarhinis (PPLO) on the histopathology of field cases of
swine pneumonia.
Corn. Vet., 52, 306, (1962).
Und e r d a h 1, N. R. and K e 1 1 y, G. W. : The enhancement of virus pneumonia of
pigs by the migration of Ascaris suum larvae.
J. Am. vet. med. Ass., 130, 173,
(1957).

-ocr page 447-

Besmetting en desinfectie van broedmachines.

Infection and disinfection of incubators,
door U. HAIJE\')

Kansen van besmetting van de broedmachine.

Broedmachines liunnen een belangrijlce rol spelen bij het verspreiden van
infectieziekten.

De temperatuur en de relatieve vochtigheid, die tijdens het broedproces ge-
handhaafd moeten worden, vormen een ideaal milieu voor de meeste ziekte-
\\erwekker&. Bovendien wordt de verspreiding van deze ziektekiemen sterk
be\\\'orderd door de geforceerde ventilatie die in de broedmachine noodzake-
lijk is voor gelijkmatige tempcratuurverdeling, toevoer van de nodige zuur-
stof en afvoer van het overmatige koolzuur.

De inhoud van de broedeieren, dooiermassa, eiwit en embryo, vormt een
zeer geschikte voedingsbodem voor vele virussen en andere micro-organis-
men. De eischaal en de eivliezen bieden wel een zekere bescherming tegen
infecties van buitenaf, maar deze barrière blijkt voor verscheidene ziekte-
vei-wckkers niet afdoende te zijn.

Een aantal onderzoekers heeft vastgesteld dat (onder andere) verschillende
Sahnonella-typen de eischaal kunnen passeren. Hierbij spelen schaalkwali-
teit cn het milieu een grote rol. Buxton en Gordon (1947) toonden
bijvoorbeeld aan dat
Salmonella thompson zeer gemakkelijk de eischaal kan
passeren bij een temperatuur van 37°C. Bij kamertemperatuur bleek dit
minder gemakkelijk te gaan.

Gregory (1948) vermeldt de penetratie \\an de eischaal door S. typhi-
murium
en S. bredeney bij verschillende temperaturen en vochtigheid.
Clarenburg en R o m ij n (1954) daarentegen konden geen eischaal-
penetratie vaststellen bij hun experimenten met
S. bareilly. Zij onderzochten
broedeieren die kunstmatig besmet waren met cen mengsel van kippe-
faeces en bouilloncultuur van
S. bareilly. Deze eieren werden gedurende 21
dagen bebroed en dagelijks werden een aantal eieren onderzocht. Geen enkel
geval van besmetting van ei-inhoud of embryo door
S. bareilly kon worden
aangetoond. B i g 1 a n d en Papas (1953) hadden met
S. bareilly dezelf-
de ervaring.

Uit de verschillende experimenten op dit terrein valt op te maken dat even-
tuele passage van de eischaal en eivliezen door ziektekiemen vooral tijdens
de eerste week van het broedproces plaats vindt en dat hierop bij eieren
die op een koele plaats worden bewaard veel minder kans bestaat.
De mogelijkheid van een z.g. germinatieve besmetting van broedeieren moet
ook als cen mogelijke bron van infectie voor de broedmachine worden be-
schouwd. In dit geval zijn de eieren afkomstig van moederdieren waarvan
het ovarium ziektekiemen herbergt. In vele gevallen zullen de embryo\'s uit
deze eieren niet tot volledige ontwikkeling komen, evenals in de gevallen
dat de besmetting via pa.ssage van de eischaal is ontstaan. De enkele be-
smette kuikens echter die geboren worden, kunnen een enorme versprei-
ding van de ziektekiemen teweeg brengen. Het dons en de eiresten worden
door de ventilatie over de gehele uitkomstruimte verspreid en besmetting

1) U. Haije, wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor de Pluimveeteelt
„Het Spelderholt" te Beekbergen.

-ocr page 448-

\\an de andere kuikens via luclilvvegen of digestietractus kan gemakkelijk
plaatsvinden.

Niet alleen de kiemen die tot het geslacht Salmonella behoren vormen een
ge\\aar voor de jonge kuikens, maar ook vele andere zoals
Escherichia coli,
Staphylococcus
species, Streptococcus species, Pseudomonas species en een
aantal anaerobe kiemen met proteolytische eigenschappen. Deze kiemen
spelen een grote rol bij navel- en dooierrcst-ontstekingen (Volkmar,
1929).

Verder kunnen ook schimmels via de broedmachine de kuikens infecteren.
Zeer berucht is o.a. infectie met
Aspergillus fumigatus (O\'Meara en
Chute, 1959).

Welke rol de broedmachine speelt bij dc verspreiding van Mycoplasma galli-
narum-infecties is niet geheel duidelijk. Het staat echter wel vast (Van
Roekei et al., 1952), dat deze infecties via het ei kunnen worden over-
gebracht.

Het kunstmatig broeden neemt bij de moderne pluimveehouderij een sleutel-
positie in. Verspreiding \\ an infecties via de broedmachine kan zeer verstrek-
kende gevolgen hebben.

Niet alleen de economische schade, die door besmetting van broedmachines
kan ontstaan, is belangrijk. Een aantal van de verwekkers van deze besmet-
tingen is ook gevaarlijk \\oor de mens en vormt een wezenlijk gevaar voor
de \\-olksgezondheid.

Ontsmetting van eieren eu broedmachine.

Welke maatregelen kunnen nu getroffen worden om het risico tot een mini-
mum te beperken?

Hienoor is het noodzakelijk de belangrijkste factoren, die deel uitmaken
van de broederij, de revue te laten passeren.

De broedeieren, die bij de boerderij gebruikt worden, zijn meestal afkomstig
\\an verschillcTide vermeerderaars. Alleen dc fokkers gebruiken voornamelijk
mateiiaal dat op het eigen bedrijf wordt geproduceerd. De bedrijven, cïic
broedeieren ]3roducercn, worden ieder jaar o]3 ])ulloi um onderzoclit en de
kansen op aflevering van besmet materiaal is gering, wat betreft pullorum-
infecties, indien dit onderzoek goed verricht is. Voor het broeden worden
alleen eieren gebruikt die aan bepaalde eisen \\oldoen wat betreft gewicht
en afmeting. De eischaal moet onbeschadigd cn schoon zijn.
Een broedei mag niet ouder zijn dan een week en moet gedurende die tijd
op de juiste wijze bij een temperatuur van ongeveer ]0°C bewaard zijn.
Hoewel het liaast \\ anzclf spreekt dat dc ver])akkingsmaterialen, waarin de
broedeieren naar de broederij worden vervoerd, aan strenge hygiënische
eisen moeten voldoen, blijkt hiertegen in de praktijk nogal eens te worden
gezondigd.

Na aankomst op de broederij worden dc eieren gesorteerd en e\\entueel
enige tijd bewaard. De lokaliteiten en de materialen, die hierbij gebruikt
worden, dienen aan redelijke normen van hygiëne te voldoen.
Hierna volgt het verblijf in de broedmachine hetgeen de meest kwetsbare
schakel \\onnt bij de broederij. Niet alleen het milieu in deze machines is
bevorderlijk voor het optreden van infecties, maar ook de praktijk van het
broeden.

Broedmachines zijn in het broed.seizoen vrijwel continu in bedrijf. De capa-
citeit bedraagt meestal ± 16.000 eieren per machine. Wekelijks worden

-ocr page 449-

eieren ingelegd. In de machine zijn dus op een gegeven ogenblik alle em-
biyonale stadia aanwezig. Op de 18e broeddag worden de eieren o\\ergelegd
op de uitkomstladen. Rij de oudere typen broedmachines be\\indt de uit-
komstruimte zich in de eigenlijke broedmachine. Bij de nieuwere tyjjen zijn
de uitkomstruimten gescheiden of geheel apart geplaatst. Hierdoor wordt
\\\'erspreiding van dons en dergelijke in de broedruimte voorkomen. Box en-
dien kan men na iedere uitkomst de uitkomstruimte goed reinigen en ont-
smetten zonder het broedproces te storen.

Het ontsmetten van broedeieren is een middel om de kansen op infecties
tijdens het broeden sterk te verminderen. De ontsmetting kan uitgevoerd
worden voordat de inleg heeft plaatsgevonden en tijdens het broeden.
1\'heoretisch kan het ontsmetten \\óór het inleggen op verschillende wijze
gebeuren. Voorwaarde is dat de ontsmetting doeltreffend is en geen nade-
lige invloed uitoefent o]3 de ontwikkeling van het embryo. In dc praktijk
blijkt de ontsmetting door formaldehydedaiiij) de meest bruikbare en de
minst schadelijke methode te zijn. Wassen of onderdompelen \\an broed-
eieren in desinfecterende \\ loeistoffen moet in het algemeen worden afge-
raden, daar hierdoor eerder een penetratie van de eischaal wordt bevor-
derd dan tegengegaan (Wilson, 1948).

Het gebruik van formaldehyde-damij ontsmetting \\an broedeieren en
broedmachines is het eerst aanbevolen door Pernot (1908). De formal-
dehyde-damp wordt verkregen \\ia een autokatalytisch proces door toevoe-
ging van formaline aan kaliumpermanganaat (kristallen). Bij dit proces ont-
staat een hoge temperatuur van ca. 119°C, waardoor ook veel waterdam]}
\\ rijkomt. Deze waterdamp begunstigt het effect van deze desinfectie. Grote
wateroppei-vlakten absorberen echter veel formaldehydedarnp waardoor de
concentratie in de lucht snel terugloopt. Bij het ontsmetten \\an de broed-
machine moet men de eventuele aanwezige waterbakken verwijderen.
De ontsmetting van broedeieren en broedmachines is in Nederland verplicht
gesteld voor fokkers en kuikenbrocders. Het Produktschap voor Pluinu ee en
Eieren geeft hiervoor in zijn besluiten van 23 november 1959 en 7 december
1959 Afl. 51 nr. P.IE 56. de nodige richtlijnen. Hierin wordt bejjaald dat
alle broedeieren moeten worden ontsmet vóór zij in de broedmachine wor-
den geplaatst. Alle broedmachines moeten worden ontsmet vóórdat broed-
eieren worden ingelegd. Bo\\endien moet tijdens het broeden in de machine
ontsmet worden op een zodanige wijze, dat alle in dc broedmachine aan-
wezige eieren tenminste éénmaal ontsmet worden. De ontsmetting dient te
geschieden door middel \\ an formaline en kaliumpermanganaat in de ver-
houding van 30 gram formaline en 20 gram kaliumpermanganaat per ku-
bieke meter inhoud van de te ontsmetten ruimte. Over de duur van deze
ontsmeting wordt in deze besluiten niets voorgeschreven. In het algemeen
wordt een periode van 20-30 minuten als voldoende beschouwd.
Een belangrijk ]junt bij deze wijze van ontsmetten is de vraag of er kans is
o]j kiembeschadiging. Hierover zijn tal \\\'an artikelen geschre\\en, waaruit
blijkt dat de meningen nogal uiteenlopen. In het algemeen is men van
oordeel dat de embryo\'s het meest gevoelig zijn in de periode die ligt tussen
24 en 96 uur broeden (M a r c e 11 u s et al.,\' 1930; Wilson, 1951; L a n-
c a s t e r, Gordon en 1\' u c k e r, 1952).

G 1 a r e n b u r g en R o m ij n (1954) hebben dit probleem onderzocht en
vonden bij één groep broedeieren een enigermate ongunstig effect. Bij de
overige dertien groepen was er geen \\erschil in uitkomst wat betreft aantal

-ocr page 450-

en kwaliteit der kinkens. Deze onderzoekers zijn van oordeel dat de kwali-
teit der broedeieren een belangrijke rol speelt. Bij broedeieren van goede
kwaliteit en op de juiste wijze bewaard werd geen verschil in broeduitkom-
sten gevonden, hoewel op verschillende tijdstippen variërend van 0-72 uiu"
broeden ontsmet werd.

Het resultaat van de ontsmetting met formaldehydedamij wordt sterk be-
ïnvloed door de concentratie van deze damp en de aard van de oppervlak-
ten die zich in de te ontsmetten ruimten be\\ inden. Vochtige oppervlakten
absorberen veel damp. Het doordringingsvermogen van de formaldehyde-
damp in opgehoopt vuil is maar zeer gering. Door C 1 a r e n b u r g en R o-
m ij n (1954) is aangetoond dat grove mest]3artikels het ontsmetten met for-
maldehydedamp sterk ongunstig beïnvloeden. Het mechanisch reinigen van
broedmachines kan dus niet worden nagelaten bij deze wijze \\an ontsmet-
ten.

Het ontsmetten is slechts een maatregel in de reeks die men moet treffen
om de kansen op infecties zoveel mogelijk te beperken. De constructie van
de broedmachine heeft ook een grote invloed oj) de concentratie van de
formaldehydedamp. Tijdens het ontsmetten moeten de ventilatieopeningen
van de machine gesloten zijn en het slagrad moet ongeveer drie minuten
na het begin der ontsmetting worden stilgezet. Onder deze omstandigheden
moet ook de verwarming worden uitgeschakeld. Ondanks deze voorzorgen
loo]5t de concentratie van de formaldehydedamp toch snel terug. Na onge-
veer tien minuten is de concentratie ongeveer 50% van de beginconcentra-
tie en na 30 minuten nog maar 7.5% der beginconcentratie (Claren-
burg en Romijn, 1954). Het teruglopen der concentratie is sterk af-
hankelijk \\an de constructie en de slijtageverschijnselen van de machine.
Bij oude machines loopt de concentratie nog veel sneller terug.
Formaldehydedamp kan ook nog tijdens de uitkomst als ontsmettingsmiddel
worden gebruikt. Zolang do kuikens vochtig zijn wordt er geen schade ver-
oorzaakt. Zodra de kuikens droog zijn echter wel. Het verdient dan ook
aanbeveling, om ontsmetting tijdens de uitkomst zo mogelijk te veirnijden.

Tenslotte nog een enkel woord over de hygiëne bij de uitkomst der kuikens.
Pasgeboren kuikens zijn zeer gevoelig voor infecties. Wanneer voor het ver-
zenclen der kuikens gebruik gemaakt wordt van vuile kuikendozen met \\uil
strooisel erin, is de kans op grote kuikensterftc zeer groot. Tegen het meer-
malig gcbi tüken van de kuikendozen bestaan ernstige bezwaren. Indien men
dc dozen meerdere malen gebruikt dient men ze na elk gebruik te reinigen
en te ontsmetten. Het ontsmetten kan geschieden met formaldehydedamp.
Het strooisel behoort in ieder geval na elk gebruik vernietigd te worden,
het liefst dcxir veibranding.

SAMENVATTING.

Een kort overzicht wordt gegeven over de rol die de broedmachine kan si^elen bij
het overbrengen van infecties op pasgeboren kuikens.

Desinfectie van broedmachine en broedeieren kan de risico\'s op dit gebied belangrijk
verminderen. Het in acht nemen van dc nodige hygiëne bij het verzenden en sor-
teren der broedeieren en het verzenden der pasgeboren kuikens blijft hierbij een
essentiële voorwaarde.

Ontsmetting door middel van formalinedamp is voor dc praktijk cen zeer doeltreffende
en vrijwel onschadelijke methode.

-ocr page 451-

SUMMARY.

The role which ihc incubator may play in the transmission of infections to newborn
chickens is briefly reviewed.

Disinfection of the incubator and hatching-eggs may considerably reduce the hazards
involved. It is essential that the necessary hygienic precautions should be adopted
in forwarding and sorting the hatching-eggs as well as in forwarding the newborn
chickens.

Disinfection by formalin fumigation is a highly effective and virtually innocuous
method for practical purposes.

RÉSUMÉ.

Un bref aperçu est présenté sur l\'influence de la couveuse dans la transmission d\'in-
fections sur des poussins nouveaux-nés.

En désinfectant la couveuse et les oeufs à couver, on pourra réduire considérable-
ment les risques dans ce domaine. Une condition essentielle c\'est qu\'on observe une
hygiène stricte pendant l\'envoi et le triage des oeufs à couver et pendant le transport
des poussins nouveaux-nés.

La désinfection à l\'aide dc vapeurs de formaldéhyde est pour la pratique une méthode
très efficace ct à peu près inoffensive.

ZUSAMMENFASSUNG.

Gegeben wird eine kurze Übersicht der Rolle, welche Brutmaschinen spielen können
beim übertragen von Infektionen auf neugeborene Kücken.

Die Desinfizierung von Brutmaschinen und der Bruteier kann die diesbezügliche
Gefahren bedeutend verringern. Die Beachtung der nötigen Flygicnc beim Versand
und beim Sortieren der Bruteier sowie beim Versand der neugeborenen Kücken bleibt
jedoch dabei eine wesentliche Bedingung.

Desinfektion mittels Formalindampf ist praktisch eine sehr zweckmässige und dabei
auch fast unschädliche Methode.

LITER.ATUUR

B i g 1 a n d, G. H. and Papas, G. ; Experiment in egg penetration by Salmonella.

Canad. ]. comp. Med. and vet. Sei., 17, 105, (1953).
Buxton, A. and Gordon, R. F. : The epidemiology and control of Salmonella

thompson infection of fowls. /. Hyg. Cambridge, 45, 265, (1947).
Clarenburg, .A. and Romijn, C.: The effectiveness of fumigation with the
formaldehyde-potassium-permanganatc and the influence on the hatchability.
Proc.
10th World\'s Poultry Cong.,
214, (1954).
Gregory, D. W. : Salmonella infections of turkey eggs. Poultry Sci., 27, 359,
(1948).

Lancaster,!. E., G o r d o n, R. F. and Tucker, J. : The disinfection, prior to
incubation, of hen\'s eggs contaminated with Salmonella pullorum.
Brit vet ].,
108, 418, (1952).

Marcellus, F. N., G w a t k i n, R. and Glover, J, S. : Incubator disinfection
in the control of Salmonella pullorum.
Proc. 4th World\'s Poultry Cong.. Sect. C.,
401, (1930).

O\'Meara, D. C. and Chute, II. L. : Aspergillosis experimentally produced in

hatching chicks. Avian Dis., 3, 404, (1959).
Per not, E. F.: An investigation of the mortality of incubator chicks. Oregon Agr.

Ept. Sta. Bull., 103, (1908).
Van Rockel et al.: Chronic respiratory disease of chickens. Am. J. vet. Res., 13,
252, (1952).

Volkmar, F.: Omphalitis in baby chicks and poults. J. Am. vet. med. Ass., 75,
647, (1929).

Wilson, J. E.: Avian Salmonellosis. Vet. Ree., 60, 615, (1948).
Wilson, J. E. : The control of Salmonellosis in poultry with special reference to
fumigation of incubators.
Vet. Ree., 63, 501, (1951).

-ocr page 452-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

De bestrijding van stofwisselingsstoornissen en
deficiëntieziekten.

The control of metabolic disturbances and deficiency
diseases.

door A. OSINGA\')

De stofwisselingsstoornissen en de deficiëntieziekten zijn de laatste decennia
enorm in betekenis toegenomen door:
de hoog opge\\ oerde prodiiktie-eisen,
de intensieve voeding en
de sterk toegenomen graslandbemesting.
Van de Nederlandse veehouder wordt verlangd, dat hij zo goedkoop moge-
lijk produceert. Hieraan is onvermijdelijk verbonden een sterke intensivering
van de veehouderijbedrijven, met daaruit voortvloeiend de nodige ge-
varen voor de gezondheid van de veestapel. Het ligt dan ook voor de hand,
dat in de toekomst de stofwissclingsstoornissen eerder zullen toe- dan af-
nemen en dat de bestrijding ervan aan betekenis zal winnen.
De vraag rijst nu onmiddellijk: ,,Welke middelen kimnen worden aange-
wend om te bevorderen, dat de genoemde ziekten doelmatig en efficiënt
worden bestreden en dat niet onbevoegden op dit terrein gaan pionieren
met alle schadelijke gevolgen van dien voor de veehouder".

Wanneer op een bepaald bedrijf een stofwisselingsstoornis of deficiëntie-
ziekte een ])robleem \\ormt, dan is volgens mij de meest voor de hand
liggende gang van zaken dc volgende:

De diagnose wordt gesteld o]) grond van:

1. klinische \\ erschijnselen;

2. zonodig analyse van voeder, bloed, urine cn haar en eventueel
grondonderzoek.

B. De behandeling kan bestaan uit:

1. verandering van het rantsoen;

2. toedienen van supi)lementen via het \\oeder of het drinkwater;

3. toedienen \\ an injecties o.a. mineralen, vitaminen, hormonen, suiker,
enz.;

4. wijziging van de bemesting e.d.

Gaarne zou ik naar aanleiding van bovenstaand schema enige opmerkingen
willen maken.

sub Al.

De klinische verschijnselen kunnen alleen goed beoordeeld worden door
een deskundige op dit gebied. De enige, die qua opleiding en beroep hier-
voor in aanmerking komt is de dierenarts. Dit kan zijn de praktizerende
dierenarts of de dierenarts-specialist, verbonden aan een Gezondheids-
dienst, Proefinstituut Hoorn of de dierenarts verbonden aan een veevoeder-
industrie.

Dr. Osinga, praktizerend dierenarts te Stiens, Uniaweg 43.
1232 Tijdschr. Diergeneesk, deel 88, afl. 19, 1963

-ocr page 453-

Volgens mijn mening is echter de praktizerende dierenarts de aangewezen
persoon om als eerste een goed onderzoek in te stellen, omdat:

a. hij het bedrijf eti de omstandigheden kent;

b. hij het vertrouwen heeft van cle veehouder en deze zich als regel
bij moeilijkheden ook allereerst tot zijn dierenarts zal wenden;

c. hij de behandeling moet instellen of laten instellen en de resultaten
hiervan zonodig regelmatig kan controleren.

De practicus dient daarna zonodig een dierenarts-specialist op dit terrein in
consult te vragen.

Dat het betrokken bedrijf buiten medeweten van de desbetreffende prac-
ticus door „stofwissclingsziekten-deskimdigen" wordt bezocht, b.v. collegae
\\crbonden aan de veevoederindustrie, meen ik scherp te moeten \\eroor-
delen, omdat dit gemakkelijk aanleiding geeft tot het geven van niet eens-
luidende adviezen en daardoor het vertrouwen van de veehouder in zijn
adviseurs in dezen wordt ondermijnd en gemakkelijk een efficiiënte be-
handeling van de ziekte kan schaden.

stib

Voor het stellen van cen juiste diagnose op dit terrein zijn dikwijls analyses
nodig van o.a. voeder, bloed, urine, haar, enz. Hiervoor is nodig dat be-
schikt kan worden over een goed geoutilleerd laboratoriian, dat de gevraag-
de onderzoekingen
goed en snel kan uitvoeren.

Wat betreft de snelle uitvoering van het gevraagde onderzoek, zou ik er op
willen wijzen, dat wanneer het onderzoek lang duint, de gevolgen zijn dat
de uitslag i.v.m. de behandeling dikwijls geen waarde meer heeft en de
animo van degene, die het materiaal heeft ingezonden verflauwt met o.a.
als gevolg, dat de betrokkene onderzoek van materiaal achterwege laat,
daar waar het noodzakelijk is om tot een juiste diagnose te komen.
Het is een eis des tijds, dat de gcmidtk\'lde tijdsdiuu\' gelegen tussen het tijd-
stip van inzenden van het materiaal en het bekend worden van de analyse-
uitslag waar mogelijk wordt ingekort.

De Gezondheidsdiensten van Dieren nemen hoe langer ho<ï meer de taak op
zich om het biochemisch onderzoek van dierlijke produkten zoals bloed,
urine, haar e.d. te verrichten, terwijl andere laboratoria zich bezig houden
met analyses van voeder- en grondmonsters.

Een goede onderlinge samenwerking tussen de dierenartsen en de landbouw-
voorlichtinpdeskundigen enerzijds en genoemde laboratoria anderzijds is
noodzakelijk.

Dat menige Gezondheidsdienst van Dieren reeds een dierenarts heeft aan-
getrokken, die zich uitsluitend bezighoudt met de [jroblemen „bodem-plant-
dier", dient te worden toegejuicht.
Deze specialist is bij uitstek geschikt om;

a. te zorgen voor coördinatie op het gebied van de bestrijding der
stofwisselingsziekten, waar dit nodig is;

b. de praktizerende dierenarts met raad en daad bij te staan;

c. regelmatig op bijeenkomsten van praktizerende dierenartsen en
landbouwdeskundigen mededelingen te doen over de nieuwste in-
zichten op dit terrein.

Hoe intensiever het onderlinge contact tussen de betrokken deskundigen,
des te efficiënter kimnen de stofwisselingsziekten worden bestreden, des te

-ocr page 454-

groter de waardering van de veeliouder en des te groter zijn vertrouwen
in de gestelde bestrijding en daardoor minder kans dat onbevoegden in de
verleiding worden gebracht om zich met genoemde bestrijding actief te
gaan bezighouden.

Vermoedelijk zal spoedig blijken, dat menige Gezondheidsdienst om aan de
haar gestelde eisen te kimnen voldoen een biochemicus zal moeten aan-
trekken, die zich met de leiding van het biochemisch laboratorium kan be-
lasten.

sub Bi.

Dikwijls zijn door een rantsoenwijziging verdere moeilijkheden te voor-
komen, b.v. acetonemie berust in een groot deel der gevallen op het voeren
onder de norm.

sub Ba-

Is na onderzoek gebleken, dat bepaalde tekorten in de voeding beslaan, dan
dient zonodig een supplement te worden verstrekt, dat qua samenstelling
hierbij is aangepast.

De veevoederindustrie lijkt de meest aangewezen instelling om het ge-
vraagde supplement te fabriceren, omdat die op dit gebied het best is ge-
outilleerd en zonodig het supplement door het voer verwerken kan.
Hierbij zal de veevoederindustrie echter zeker aan enige redelijke eisen
moeten voldoen, n.1.:

a. dient ze bereid te zijn om in alle gevallen het voorgeschreven supple-
ment te fabriceren en aan de \\ eehouder af te leveren;

b. de samenstelling van het supplement dient op de label te worden
vermeld. Dit laatste om te bevorderen dat de dieren inderdaad
wordt verstrekt wat werd voorgeschreven.

Verder dient nog veel te worden bijgeschaafd aan de samenwerking „vee-
\\oederindustrie-praktizerende dierenartsen". Indien beide partijen zich als
doel hebben gesteld om in de eerste plaats het belang van de veehouder
te dienen, zal hier ongetwijfeld met wat goede wil een vorm van samen-
werking kunnen worden gevonden, die in aller voordeel is. Volgens mijn
mening is de meest juiste toestand, dat de veevoederindustrie zich
niet in-
laat met het leveren van allerlei geneesmiddelen aan de veehouder en dat
de dierenarts het leveren van mineralen supplementen overlaat aan de ter-
zake deskundigen, n.1. de veevoederindustrie.

Kan de beschreven vorm van samenwerking niet worden gevonden, dan
zullen ongetwijfeld de farmaceutische industrieën hun activiteiten op dit
terrein uitbreiden en daardoor de dierenarts in staat stellen de veehouder de
gewenste supplementen te doen toekomen.

sub ßg.

Het toedienen van injecties \\an mineralen, vitaminen, hormonen enz. dient
vanzelfsprekend uitsluitend door de praktizerende dierenarts te geschieden.

sub Bi.

Wanneer deficiënties op een bepaald bedrijf blijken voor te komen, dient
in samenwerking met landbouwdeskundigen te worden nagegaan of door
bemesting, drainage e.d. de grond en daardoor het gewas dusdanig kunnen
worden beïnvloed, dat de deficiënties worden opgeheven.

-ocr page 455-

Dc vraag rijst of de ])raktizerende dierenarts van vandaag berekend is, vvat
betreft
kennis en tijd, voor de taak die volgens het voorgaande op hem rust.
Voor een goed inzicht in deze vrij moeilijke materie is een gedegen kennis
noodzakelijk. De grondslag voor deze kennis wordt gelegd in Utrecht aan de
I\'aculteit der Diergeneeskunde. Dat men aldaar een open oog heeft voor
de snelle ontwikkeling op het gebied \\an de stofwissclingsstoornissen blijkt
o.a. uit het feit, dat enige jaren geleden een docent werd benoemd om uit-
sluitend onderwijs te geven in de Veevoeding.

Dc vraag rijst of het niet noodzakelijk is dat het onderwijs, wat betreft de
stofwisselingsstoomissen cn deficiëntieziekten, verder wordt uitgebreid.
Door het bijhouden van de belangrijkste literatuur en het regelmatig volgen
van post-universitair onderwijs dient de practicus bij te blijven. Er is m.i.
\\ooral op dit terrein behoefte aan doelmatig post-universitair onderwijs en
de reeds eerder genoemde dierenarts-specialist, verbonden aan de Gezond-
heidsdienst, kan in dezen zeer nuttig werk doen door zijn kennis over te
dragen op de collcgae-practici. De opzet van de Gezondheidsdienst voor Vee
in Friesland om bij monde van collega Reinders op bijeenkomsten van prac-
tici in bedoelde leemte te voorzien, dient te worden toegejuicht.
Wat betreft de factor „tijd" meen ik te moeten stellen, dat in de afgelopen
jaren de doorsnee practicus veelal de tijd ontbrak om zich voldoende inten-
sief met de stofwisselingsziekten bezig te houden. Teveel werd hij in beslag
genomen door de massabestrijding van tuberculose, mond- en klauwzeer en
abortus.

Het is een gelukkige omstandigheid dat door het gunstige verloop van dc
tuberculo.sebestrijding het onderzoek d.m.v. systematische tuberculinatie
zijn betekenis heeft verloren en vermoedelijk spoedig zal verdwijnen. De
hierdoor beschikbaar gekomen tijd zal de practicus o.a. kunnen aanwenden
ter bestrijding van stofwisselingsstoornissen en deficiëntieziekten.
Moge de ongecontroleerde lekenhulp, die zich na de Tweede Wereld-
oorlog op verschillend diergeneeskundig terrein heeft ontwikkeld in de vorm
van o.a. kippenselecteurs, varkensdokters en „mestkalverdeskundigen", voor
ons allen een aansporing zijn om onze krachten in te spannen ter behoud
van de bestrijding van de stofwisselingsstoomissen en deficiëntieziekten,
opdat een wetenschappelijk verantwoorde bestrijding mogelijk wordt in het
belang \\an dc Nederlandse veehouderij.

S.\'XMENVATTING,

Schrijvcr is de mening toegedaan dat de betekenis van stofwisselingsstoomissen en
deficiëntieziekten bij de veestapel is toegenomen en dat derhalve de bestrijding
daarvan aan belangrijkheid zal winnen.

Hij belicht enkele aspecten dezer bestrijding en laat zijn gedachten gaan over de
samenwerking der hierbij betrokken dierenartsen, instanties cn industrie.

SUMMARY.

The author is of the opinion that the significance of metabolic disturbances and defi-
ciency diseases in cattlc has increased and that consequently their control has grown
more important.

He mentions some aspects of this control and gives his mind to the cooperation
between the veterinarians, the authorities and the industry, involved in this matter.

-ocr page 456-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

PASTEURELLA PSEUDOTUBERCULOSE BIJ VARKENS.

R c u s s, U.: Enzoötisches Auftreten der Rodentiose in einem Schweinenbestand.
ßerl. Münch, tierärztl. Wschr., 75, 203, (1962).

In een bedrijf deed zich een enzoötische sterfte onder de opgroeiende varkens voor,
niet onder dc zeugen en biggen. Bij sectie werden gevonden: icterus, catarrale tot
hemorragische darmontsteking, soms petechiën van larynx, nieren en blaas en zwel-
ling van de lever. Microscopisch werd interstitiële nefritis aangetoond.
Uit al de dieren werd uit lever, nieren en milt
Pasteurella pseudotuberculosis ge-
kweekt. Varkenspestvirus kon door overspuiting van orgaansuspensie niet worden
aangetoond. VVcl werd uit het hierdoor ontstane entabces
Pasteurella pseudotuber-
culosis
gekweekt. Serologisch kon leptospirose worden uitgesloten.
Reuss deelde mee, dat reeds in 1905 Poels deze bacterie bij varkens aan-
toonde; daarna zou de infectie slechts tweemaal in de literatuur zijn beschreven.

C. A. van Dorssen.

\\ IRUSABORTUS BIJ HET RUND.

S t o r z, J. und M c K c r c h c r, D. G.: Etiological studies on epizootic bovine
abortion.
Zbl. VetMed., 9, 520, (1962).

In Californië komt een epizoötische abortus bij runderen voor, die speciaal drachtige
vaarzen aantast. Aan dc verworpen vruchten ziet men subcutaan oedeem, ascites,
hemorragiën cn hepatitis.

S t O r z toonde hierbij een virus uit dc Psittacosis — Lymphogranuloma — venereum-
groep aan (5 stammen geïsoleerd). Hij kon hiermede abortus opwekken door intrafcx--
taal, intraveneus, intramusculair en subcutaan te besmetten. Orale infectie en contact
met ziekte dieren gelukte niet. Wel was in de foetus van een rund, dat met een aerosol
besmet was, 18 dagen later, bij slachting het virus aan te tonen. Experimenteel be-
smette koeien aborteerden of kregen levenszwakke kalveren. Dieren die éénmaal ge-
aborteerd hadden bicken immuun. Uit foetus en vruchtvliezen van deze dieren was
geen virus aan te tonen. Wol reageerden deze dieren inet koorts op de experimentele
herinfcctie. Studies van B e c s en M a r t i n, en van Sc hoop en Kaukcr zouden
erop wijzen, dat de ziekte ook in Duitsland voorkomt.

(Dergelijke oedemateuzc vruchten kennen wij hier in Nederland ook. De ervaring
heeft geleerd, dat deze als regel bactcriologisch steriel zijn. Voor zover bekend is
hier nooit een virologisch onderzoek verricht. Rcf.)

C. A. van Dorssen.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

BEH.ANDELING VAN DICTIOCAULUS-INFECTIE BIJ HET RUND.

E n i g k. Prof. Dr. K. und D ü n v c 1, Dr. D.: Weitere Versuche zur Behandlung
der Dictyocaulosc des Rindes.
Tierärztl. Umschau, 3, 123, (1963).
Bij kunstmatig met Dictyocaulus viviparus geïnfecteerde kalveren werd de werking
van methyridine (promintic en mintic, I.C.I.; Dekelmin, Cela Ingelheim) subcutaan
en intraperitoncaal en van thiabendazol (Merck, Sharp & Dohme) peroraal na-
gegaan.

Daarnaast werd ook de werkzaamheid van intratracheale injecdcs van de prepa-
raten H.G. 25 en Merckojod (Merck Darmstadt) beproefd.

Door middel van tracheotomie werd het aantal afgedreven wormen bepaald en door
sectie het aantal, dat in de longen aanwezig was.

Met 200 mg/kg methyridine intraperitoncaal werd gemiddeld 94,7%, bij de sub-
cutane toediening van dezelfde dosis 84,1% van de geslachtsrijpe wormen afgedreven.

-ocr page 457-

Bij orale toediening van 200 mg/kg thiabendazole werd 65,4% van de geslachtsrijpe
wormen afgedreven.

Op de onvolwassen longwormstadia had thiabendazole geen werking; methyridine
werkte vanaf de twaalfde dag na de infectie. Met methyridine intraperitoneaal be-
gint de wormafdrijving reeds 1 uur na dc toediening, bij de subcutane applicatie
3 ä 5 uur later. Bij thiabendazole begint het afdrijven pas 16-20 uur na dc toediening
en bereikt het hoogtepunt twee dagen na dc behandeling.

Zowel methyridine als thiabendazole veroorzaken een voorbijgaande verlamming van
de longwormen en geen irreversibcli neuromusculaire blokkade, zoals dit het geval
is bij maagdarmstrongyliden. Nadeel van deze tijdelijke verlamming is, dat de wor-
men bij dieren in de weide niet geëlimineerd worden, als .gevolg van dc sterke slijm-
afscheiding door de bij deze dieren aanwezige uitgesproken bronchitis. Bij sterk be-
smette dieren is het daarom noodzakelijk deze bij behandeling op te stallen.
Thiabendazol, peroraal toegediend, werd bij een dosering van 200 m.g/kg en daar-
boven steeds goed verdragen, ook wanneer deze dosis na enkele dagen weer werd
toegediend.

Intraperitoneale toediening van methyridine wordt niet reacticloos vcrdra.gen. Vijftien
van 76 procfkalveren vertoonden na dc applicatie koliekverschijnsclen. Bij verzwakte
dieren en dieren met sterk geforceerde ademhaling moet intraperitoneale toediening
daarom ontraden worden. Subcutaan wordt methyridine beter verdragen. Ofschoon
de werkzaamheid hierbij minder is, is methyridine op deze wijze toegediend ook een
gCK-d werkzaam preparaat tegen Dictyocaulus viviparus. Na opdrijven is het nood-
zakelijk de dieren twee uur rust te geven, voordat men tot behandeling overgaat.
Men moet er rekening mee houden, dat 2-4 da.gen na de toediening van methyridine
de larven van
Dictyocaulus viviparus, die met de faeces afkomen, zich tot infec-
tieuze larven kunnen ontwikkelen.

Met intratracheale injecties van de preparaten G.H. 25 en Merckojod werden, zelfs
bij overdosering en wentelen van de dieren na de injectie, niet meer longwonnen
afgedreven dan bij de onbehandelde controlc-dieren.

F. H\'. J. Swart.

Pluimveeziekten

BESTR1,JDING VAN AVIAIRE I\'ARASIE TEN.

E n i g k. Prof. Dr. K.: Die Bekämpfung wirtschaftlich wichtiger Parasiten des
Huhnes.
Dtsch. tierärztl. Wschr., Sonderheft Gcflü.gclkrankhciten, 15. März, 1963.

(7rt/):7/fln\'o-infecties nemen dcKjr de intensivering van de pluimveehouderij steeds
meer toe.

Ilet beste anthelminticum tegen capillaria is methyridine (Mintic I.C.I., Dckclmin
Cela., Ingelheim), toegediend met het drinkwater. Vanaf 5 uur \'s avonds laat men
de dieren dorsten om de vol.gende dag om 10 uur drinkwater tc verstrekken, waaraan
0,25% van één der genoemde preparaten is toegevoegd. 300 cm^ per dier is cen vol-
doende dosering. Zo mogelijk moet het .gemedicineerde drinkwater in afgesloten
drinkemmers worden verstrekt om verdamping van het middel en hierdoor mindere
werkzaamheid tegen te gaan. Ook moet men zorgen voor voldoende drinkplaatsen,
zodat alle dieren gelegenheid krij.gen snel en voldoende geneesmiddel op te nemen.
Dc volgende dag wordt weer normaal drinkwater verstrekt.

Niet alleen volwassen wormen, maar ook larven en 5e stadia worden afgedreven.
Door
Capillaria wordt het darmslijmvlies sterk beschadi.gd. Regeneratie van deze
cpitheeldefecten wordt gunstig beïnvloed door toediening van extra vitamine A.
Ook bij ganzen, eenden en duiven kunnen
Capillaria-\\i\\iecnes met succes bestreden
worden met methyridine.

Bij ^icarij-infecties verdient pipcrazinecitraat de voorkeur boven methyridine. Met
0,2% in het drinkwater gedurende 3 ä 4 dagen worden volwassen en onvolwassen
stadia van de ascariden afgedreven.

-ocr page 458-

Bij Weieraiii-infcctics is phtnothiazinc het werkzaamste middel. Dit wordt in een
dosering van 0,8-1 g/kg met het voeder vermengd toegediend.

Bij infectie met Syngamus trachea zag men goede resultaten met thiabcndazol
(Merck, Sharp & Dohme) per os. Hiertoe wordt 0,065% gedurende drie weken aan
het voer toegevoegd. In ernstige gevallen, wanneer een snelle werking verlangd wordt,
kan gedurende een week 0,29% in het voeder gegeven worden. Met disophenol, in
cen dosis van 10,5 mg/kg subcutaan toegediend, treedt bij 16% van de behandelde
dieren cen dodelijke intoxicatie op.

Tegen Dermanyssus avium wordt een bespuiting met 1% Gammexaan suspensie aan-
bevolen. De in U.S.A. gebruikelijke methode om 3 g contactinsccticide met het voer
van de kippen te vermengen, moet afgeraden worden, daar dit in het vetweefsel van
de dieren en in de eieren overgaat.

Bestrijding van vederluizen kan plaats hebben met alle contactinsecticiden in het
stofbad, zoals gechloreerde koolwaterstoffen, fosforzure esters en carbamaten, be-
halve hexacloorcyclohexaan, daar dit een muffe lucht aan de eieren geeft. Derris-
poeder is nog steeds het beste en onschadelijkste middel (ref.).

Een vlie.genplaag kan zich vooral in hokken met een permanente mestbak ontwik-
kelen. Door bestrooien met 1% Diazonpoeder, 4-6 g per m^ kalksdkstof, 1-3 kg
per 10 m^, is de ontwikkeling van de vliegemaden tegen te gaan. In Amerika wordt
50 mgjkg Bayer 22408 door het voeder gemengd, waardoor de vliegemaden in dc
mest gedood worden, terwijl dit middel bovendien nog een anthelmintische werking
heeft.

Door het regelmadg opnemen van nitrofurazon, nitrophenide en nicarbazin in het
kuikenopfokvoer is de infectie met
E. tenella in betekenis afgenomen. Daarentegen
treedt de dunne darmcoccidiose door
E. necatrix, E. maxima en de laatste tijd ook
E. hrunetti meer op de voorgrond. Bij het opnemen van de nieuwere breed spectrum
coccidiostatica, amprolium en zoaleen in het voeder, is de ontwikkeling van dc im-
muniteit van de dieren t.o.v. de verschillende Êimerio-stammen afhankelijk van dc
mate van de eerste infectie.

Goede hygiëne moet daarom bij gebruik van coccidiostatica in de eerste plaats wor-
den betracht.

F. W. J. Swart.

Ziekten van het Kleine Huisdier

NOCARDIOSE VAN HET CENTRALE ZENUWSTELSEL BIJ EEN HOND.

Rhoad es, H. E., Reynolds, H. T., R a h n, D. P. and Small, E.: Nocar-
diosis in a dog with multiple lesions of the central ner\\ous system. ƒ.
Am. vet. med.
Ass.,
142, 278, (1963).

Een vier maanden oude hond vertoonde purulente oog- en neusuitvloeiing en con-
vulsies en werd met vermoeden van nerveuze hondezickte afgemaakt. Bij sectie wer-
den multiple granulomen in dc longen, de lever, dc nieren, en in de hersenen aange-
troffen.

De oorzaak van deze processen bleek Nocardia asteroïdes te zijn. Deze aerobe actino-
myceet was als Grampositieve filamenten in de perifere delen van de processen tc
zien en werd daaruit ook gekweekt en gedetermineerd. Op Sabouraud dextrose agar
was de bacterie niet zuurvast, wel na 2 weken kweken bij 37° C in lakmoesmelk.
Voor ontkleuring werd 1% zwavelzuur gedurende 3 minuten gebruikt.
In de literatuur wordt als regel aandoening van lymfklieren, longen, nieren, lever en
milt beschreven. Hoewel nocardiose van het centraal zenuwstelsel bij de mens her-
haaldelijk is aangetoond, zijn bij de hond maar twee eerdere gevallen waargenomen.
In het onderhavige geval bleek uit het histologisch onderzoek, dat de infectie waar-
schijnlijk niet gepaard was gegaan met de ziekte van Carré. Schrijvers vermoeden, dat
hersennocardiose hier vaak voor zal worden gehouden.

C. A. van Dorssen.

-ocr page 459-

Zootechniek

DE BRUIKBAARHEIDSDUUR BIJ RUNDVEE.

O\'B 1 e n e s, G. V. and V 1 e c k, L. D. van: Reasons for disposal of dairy cows
from New York herds, ƒ.
Dairy Sci., 45, 7087, (1962).

Door middel van een enquête is een oriënterend onderzoek ingesteld naar de reden
van afvoer van melkkoeien van dc bedrijven. Gegevens zijn bekend van in totaal
7.362 koeien, afgevoerd in dc periode van oktober I960 tot maart 1961 (alleen
wintermaanden!).

Dat men voorzichtig moet zijn bij de interpretering van de antwoorden blijkt wel uit
dit onderzoek. Gebruik is gemaakt v.m twee verschillende enquêteformulieren, waarbij
het verschil enkel bestaat uit een andere volgorde van dc gestelde vra.gen. Onder-
zoekers vinden een zeer significant verschil tussen de antwoorden.
De voornaamste redenen van afvoer zijn te lage produktie (27%), steriliteit (16%)
en verkoop voor dc fokkerij (14%).

Tussen rassen vinden zij verschillen. Bij Yersey en Guernsey worden 10% meer
koeien vanwege tc lage produktie afgevoerd dan bij de Holstein Friesian.
Bij Brown Swiss wordt 21% en bij Yersey 13% afgevoerd vanwege steriliteit. Uier-
aandoeningen zijn vaker oorzaak van afvoer bij de Holstein Fricsians (17%) dan bij
de andere rassen.

A. F. A. Brands.

KLEUR- EN HOORN V.ARIATIES BIJ BUFFELS.

Rife, David, C.: Color and horn variations in water buffalo. /. Heredity 53
239, (1962).

Na er op .gewezen te hebben dat er ± 78.000.000 buffels in de wereld vtxjrkomen,
waarvan ± 45.000.000 in India, bespreekt de auteur de verschillen tussen dc „swamp
buffalo" en de „river buffalo".

„Swamp buffaloes" worden gehouden voor het werk en worden .gevonden in Thai-
land, de Filippijnen en andere Zuidoost Aziatische landen.

De „river buffalo", speciaal op melkproduktie .geselecteerd, komt in landen ten
westen van Burma voor. De dieren zijn zwaar en dieper dan de mocrasbuffels, terwijl
dc hoorns in vele vormen voorkomen. Die van dc moerasbuffels wijken altijd sterk
lateraal uit met uiteindelijk een buiging naar achteren.

De mocrasbuffcl is meestal grijs met witte onderbenen en een witte streep onder de
hals. Ook komen witte dieren met on.eepigmentccrde huid voor.
De rivierbuffcl is meest zwart, soms bruin en soms grijs.

Wat de overerving der kleur betreft komt R i f e tot de vol.gende conclusies:
Een dominant gen (W) is verantwoordelijk voor dc witte kleur bij de moerasbuffel;
zijn allele (w) geeft .grijs in homozygotc dieren.

Een dominant .gen (B) is verantwoordelijk voor zwart bij de rivierbuffels; zijn allele

(b) .geeft grijs bij homozygote dieren.

Dieren van B-W genotype zijn grijsachtig wit.

Dc bruine kleur (rr) is reccssief ten opzichte van (R) bij de rivierbuffel.
Witte onderbenen zijn recessicf t.o.v. hun afwezigheid.
Witte stippen op het hoofd zijn dominant t.a.v. cenkleurigheid.
Quantitatieve factoren zijn verantwoordelijk voor de verschillende hoornvormen.

P. Hoekstra.

Hoe eieren te wassen?

Wassen van eieren in een ontsmettingsmiddel, gevol.gd door een verstuiving met olie
en twee behandelingen met een tweetal emulsies (orthofenylfcnol en natriumhypo-
chloride) bleken afdoende om bederf gedurende zes weken bewaren te voorkomen.
De eerste methode had minder gewichtsverlies ten gevolge, maar de kwaliteit van
de ei-inhoud was in alle gevallen gelijk.

Pluimveepers, XVIII, 196, (1963).

-ocr page 460-

BOEKBESPREKING

SIERXOGELS ALS LIEFHEBBERIJ.
R. R. P.
V a n d c r M a r k.

(Thieme & Cie, Zutphen, 1962, gebonden ƒ 4,50)

Van der Mark is ce.i uitnemend vogelkenner en charmant causeur, die zijn
lezers veel tc vertellen heeft. De titel van zijn boekje „Siervogels als liefhebberij",
karakteriseert reeds de instelling van dc auteur tegenover dieren.
Vele soorten van pauwen, kalkoenen, parelhoenders, gierparclhoenders, kwartels,
patrijzen, frankoliens en tropische duiven worden in dit werk besproken. Aan de
soortbeschrijving gaan korte hoofdstukken over voeding, huisvesting en kweek van
elk der gencK-mde diergroepen vooraf. Dc beschrijvingen der soorten zijn bondig en
karakteristiek. Zij worden telkens gevolgd door opgaven van het gebied waar dc
dieren in dc natuur voorkomen. Bij elke soort worden eventueel nadere bijzonder-
heden verstrekt over speciale voorzieningen wat betreft huisvesting, ncstclgclegenheid
en voeding, nodig om de dieren in goede conditie te houden en met succes tc laten
broeden.

Vele goede afbeeldingen zijn in het boekje opgenomen.

Bijzonder aardig zijn dc notities over de historie van verschillende vogels. Waren
kalkoenen in 1541 in Engeland nog zo zeldzaam dat Aartsbisschop Cranuner het
opdienen van meer dan een gerecht van kalkoenenhancn aan statiebanketten ver-
bood (de hennen waren blijkbaar nog te kostbaar), in 1960 werden in de Verenigde
Staten reeds meer dan 82 miljoen kalkoenen gefokt, doch nog steeds is de kalkoen
voor de tafel een hooggewaardeerde vogel. Welk een charme en gedetailleerde kennis
vinden wij in de beschrijving van het oude bedrijf van kwartelvangen.
Opmerkingen kunnen tot enkele verlangens beperkt blijven. Het lijkt wenselijk dat
nog iets dieper werd ingegaan op elke vogelsoort apart, hoewel men bij zorgvuldig
lezen wel het noodzakelijke kan vinden. Persoonlijk vind ik het jammer dat het
fraaie schilderij „witte pauwen" van Melchior d\'Hondecoeter in zwart-wit werd
afgedrukt in plaats van op dezelfde verzorgde wijze als de muskaatduiven die het
omslag sieren.

Dit boekje is, evenals dc liefhebberij die erin bcschrcven wordt, „een tonicum voor
de mens van deze enerverende tijd".

P. Zwart.

THIEME\'S .AQUARIUM EN TERRARIUMBOEK.

D. V o g t en H. W e r m u t h.

(Thieme & Cie, Zutphen, 1962, gebonden ƒ 13,50)

In dc aanhef van dc korte inhoudsbeschrijving op dc omslag lezen wij dat „alles
wat dc aquarium- en terrarium-liefhebber over zijn dieren en de verzorging daarvan
moet weten hier in een bock (is) samengevat".

Dit is een ernstige overschatting van dc hoeveelheid stof welke in 294 pagina\'s ge-
boden wordt. Weliswaar bevat het bock veel gegevens, doch bij een dergelijk uitge-
breid terrein — zoetwateraquaria, zeewateraquaria, terraria voor kikkers, padden,
slangen, schildpadden, hagedissen en zelfs krokodillen — is het onmogelijk meer dan
aanduidingen tc geven. Nog tc meer daar huisvesting en techniek reeds bijna de helft
van het werk in beslag nemen, kan men zich voorstellen hoe fragmentarisch de ge-
gevens zijn.

Daar is nog aan toe te voegen dat de auteurs zich hebben laten verleiden vele bij-
zondere en zeldzame dieren in hun werk op tc nemen; dieren die door liefhebbers
vrijwel niet gehouden kunnen worden. Wie zal het zich bijvoorbeeld kunnen ver-
oorloven om een 2 meter lange krokodil in een bassin met 1000 liter water te houden.
Elke regel geschreven over de vrijwel uitgestorven brughagedis is overbodig in een
boekje dat zich zo\'n hooggestemd doel voor ogen stelt. Het doet zelfs wat lach-

-ocr page 461-

wekkend aan indien wij bij de 27 woorden die aan dc 2,5 meter lang wordende
Caiman crocodilurus nog de opmerking lezen dat zij „op oudere leeftijd verdraag-
zamer zijn".

Zou men als veterinair aanwijzingen in dit bo<\'kje zoeken betreffende ziekten en hun
therapie, dan wordt men geconfronteerd met cen evidente ondeskundigheid. De
weinige opmerkingen over vitaminen, laten duidelijk zien dat onvolledige kennis nog
welig floreert bij de auteurs. Zo zou vitamine D pas werkzaam worden indien het
door ultraviolet licht of zonlicht geactiveerd wordt. De gregarine die op pag. 112
.genoemd wordt als parasiet van meclwormen en die gevaar op zou leveren voor rep-
tielen is slechts éénmaal in 1917 bij
Lacerta agilis gevonden en wordt over het alge-
meen zelfs niet als een parasiet van reptielen beschouwd, laat staan dat daarom meel-
wormen als een gevaarlijk voer moeten worden beschouwd.

Zelfs sprookjes als zouden sommige hagedissen bij gebrek aan chitine hun eigen
maag verteren en uitspu.gen, om daarna cen ellendige dood te sterven, kan men hier
aantreffen. Interessant is de mededeling van dc bewerker over externe fixatie van
het gebroken huisje van cen kokerjuffer door middel van cen plastic buisje waar het
kokertje in geschoven werd.

Het is te betreuren dat de auteurs gemeend hebben zoveel in cen klein bestek tc
moeten samenpersen. Vooral het gedeelte over terraria is daardoor ernstig in dc
verdrukking gekomen en dat terwijl er tot nog toe geen goed Nederlands werk over
tcrrariumkunde bestaat. Een beginnend terrariumhouder zal in dit boekje weinig
kunnen vinden over goedkope, eenvoudig tc houden dieren, terwijl de gevorderde
liefhebber slechts wat namen van zeldzame en bovendien veelal kolossale reptielen
en amfibiën aantreft.

Tot overmaat van ramp hanteert de bewerker een aantal fraaie gennanismen en
zijn dc afbeeldingen wat primitief getekend en flets van kleur.

P. Zwart.

VETERINARY PROTOZOOLOGY.

U. F. Richardson and S. B. Kendall.

(3rd Edition, pp. VU 311. 38 figs., 1963. Oliver and Boyd. Edinburgh. Price:
15 guilders)

Rectification.

The review of this book (sec pages 962 and 963) in number 15 (1963) of this
journal should be corrected as follows, as regards the text on page 963, second para-
graph :

"Chapter XII deals with Aegyptianella, Theileria, Toxoplasma and Encephalitozoon
infections. The old classification of the Theileria has been retained which is fortunate
as recent work has shown that
T. parva differs less from the ;;o-callcd Gonderia spp.
than was at first assumed. More emphasis should however be given to the variations
on pathogenicity of 7\'.
(G.) annulata strains from different regions of E. F^urope, Asia
and Africa where mortality may differ from 5 to 95 percent of infected cattle. Mild
strains of
annulata arc used for immunization not only in Isra.?l, but also in N. Africa
and the Near East."

The paragraph should end here and the remaining sentences omitted.

S. G. IVilson.

-ocr page 462-

VETERINARY SNAPSHOT

Teaf wounds caused by Piranhas ISerasalmus
spp.l

by P. SUTMOLLER*)

From the Institute for Tropical and Protozoan Diseases,
Veterinary Faculty of the State University, Utrecht.

It is one of the famous Amazon stories that an old cow is sacrified to let the rest
of the herd pass safely through a stream infested with Piranhas.
This blood thirsty fish is generally not larger than 20 cms and inhabits most of
the rivers and lakes of tropical South America. Its teeth are razor-sharp and can
rip off the flesh of any man or animals.

Less spectacular and little known is the damage which is shown in the pictures. What
about the poor farmer whose cows all have lost their teats and whose bulls are
castrated ?

*) Dr. Paul Sutmoller, Field Officer, Pan .American Foot-and-Mouth Disease Cen-
ter, Caixa Postal 589-ZC-OO, Rio de Janeiro, Brazil.

-ocr page 463-

To the veterinary traveller occurs the question "Is there any other organism that
affects the reproductive efficiency of a herd more seriously?"

De opmars der Cliarollais.

De Charolaü iji vergelijking met de Simmenthaler.

In Grub, Beieren, werden 13 jonge Charollais stieren vergeleken met twee groepen
Sinmienthalers.

De proefperiode was vanaf de leeftijd van 140 dagen tot een levend gewicht van
510 kg.

De dagelijkse gewichtstoename van de Charollais groep was 1071 gram tegen 1033
en 1045 voor de 2 Simmenhaler groepen; in de voedselopname was er geen signifi-
cant verschil tussen de groepen.

Het uitslachtingspcrcentage was voor de Charollais 62,2% tegen resp. 60,6% en
59,7% voor dc 2 Simmenthaler grcK-pen. Dit was voor een belangrijk deel te wijten
aan een geringer huidgewicht en een betere bespiering van de achterhand.

An. Br. Abstr., 31, 33, (1963)

Centrale stallingen voor wachtstieren.

Dc gedachte, dat bij de kunstmati.ge inseminatie het onbeperkt gebruiken van jong
stieren materiaal gevaren kan opleveren, wint meer en meer veld.
Dit vraagstuk cn dc conclusie, dat het gebruik van oudere stieren beter verant-
woord is, werden in vergaderingen van bonden van K.I.-verenigingen aan de orde
gesteld.

In verband hiermede bestaan in verschillende landsdelen plannen tot samenwerking
tussen K.I.-verenigingen tot het oprichten van centrale stallingen voor zogenaamde
wachtstieren.

Veeteelt- en Zuivelber.. 6, 331, (1963)

-ocr page 464-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

VIIITH MEETING OF THE EUROPEAN MEAT RESEARCH WORKERS. I
Kort verslag en samenvattingen van de voordrachten, welke tijdens deze bijeenkomst
werden gehouden.

Van 19-27 augustus 1962 werd te Moskou de 8stc bijeenkomst van onderzoekers op
het gebied van vlees en vleeswaren gehouden. Deze bijeenkomst, die jaarlijks in en
door een ander land georganiseerd wordt, trekt meestal slechts 60 ä 70 deelnemers,
die elkaar in de loop der jaren goed hebben leren kennen en waartussen nauwe
wetenschappelijke en persoonlijke betrekkingen bestaan. Dit keer echter waren er,
behalve het gewone groepje, meer dan 400 deelnmers uit het gehele Russische rijk
bijeen gekomen op uitnodiging van het .AU Union Research Institute of Moscov,
hetgeen de bijeenkomst een congreskarakter heeft gegeven, met alle bezwaren van
dien. De zeer matige of soms geheel ontbrekende kennis der westerse talen bij de
Russische deelnemers maakte het, ondanks de aanwezigheid en de hulp van vele
tolken, voor de buitenlanders moeilijk nauw contact met hen te krijgen.
Met zekere openheid liet men ons echter toe in enkele zeer grote vlccsproduktie-
en -verwerkingsbedrijven en in het vlcesresearch-instituut. Als produktiebedrijf kregen
we een sovchose, waarin 25000 varkens per jaar werden gemest, te zien en waar de
voederdistributie vanuit een centraal-gelegen mengafdeling, met behulp van druk-
pijpleidingen, efficiënt was geregeld. De grote slachterijen, tevens vleeswarenfabrieken
van Moskou en Leningrad, met een produktiecapaciteit tot 15000 slachtdieren per
dag, waren bepaald niet modern, al leek cr een redelijk goede arbeidsefficiëncy en een
grote vaardigheid der arbeiders tc bestaan.

In het zeer grote vlecsonderzockingsinstituut, waaraan 600 men.sen — waarvan onge-
veer 300 academici of daarmee gelijk te stellen personen — werkten, waren moderne
apparaten en instrumenten aanwezig, hoewel nog niet alle aangesloten en in gebruik.
De afdeling vlecswarentechnologie was naar onze indruk goed te noemen en om-
vatte een grote technische ontwikkelingsafdeling.

Natuurlijk kregen wc ook wat paradeobjccten te zien, w.o. de reusachtige permanente
tentoonstelling, waar de vlees- en vlceswarenbranche een groot eigen paviljoen heeft,
en enkele musea. Ook de officiële ontvangsten ontbraken niet en het onthaal daarbij
deed vermoedelijk weinig onder voor dat, wat bezoekers in de Czarentijd tc beurt is
gevallen en waarmee de Russen zich uitnemende gastheren toonden.
Het wetenschappelijk gedeelte van dc bijeenkomst was goed verzorgd; dc voor-
drachten waren keurig in enkele moderne talen gedrukt, terwijl de discussie door
middel van tolken te volgen was. Van deze voordrachten werden door de Neder-
landse deelnemers samenvattingen gemaakt, welke door de grote omvang in enkele
afleveringen zullen worden gepubliceerd. Op aanvraag is de volledige tekst in leen
te verkrijgen bij de Afdeling Vlees en Vleeswarenondcrzoek van het Centraal Insti-
tuut voor Voedingsonderzoek, Utrechtseweg 48 tc Zeist en het Instituut voor Voe-
dingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong, Biltstraat 166 te Utrecht.

G o r b a t O V, V. M. (Mo,skou, U.S.S.R.) : Problems of scientific basing of some
technological processes of meat and meat products manufacture.
Tot voor kort was de vleesindustrie weinig gemechaniseerd. Thans wordt mechanisatie
en verbetering steeds belangrijker; dit is mogelijk dank zij de huidige stand van dc
exacte wetenschappen. Bij deze ontwikkeling is het van groot belang, dat de biolo-
gische waarde van vlees zo goed mogelijk bewaard blijft.
De belangrijkste problemen zij thans dc volgende:

1. Dc produktie van eerste kwaliteit vlees. Dit is uiteraard afhankelijk van de slacht-
kwaliteit van de slachtdieren, maar ook andere factoren spelen een rol, o.a. het
verdoven en het slachten. De huidige methoden voor het verdoven geven een
sterke prikkel aan het zenuwstelsel, waardoor een aantal veranderingen optreden.
Om het vlees houdbaar te maken moet het dan gezouten worden. Door het in-
spuiten van een bepaalde stof kunnen de zenuwprikkels of de gevolgen hiervan
worden vemiinderd. In Rusland wordt in deze richting gewerkt.

-ocr page 465-

2. Hoe wordt de kwaliteit door de bewerking beïnvloed? Door iedere bewerking
worden de biochemische, fysisch-chemische en chemische eigenschappen van het
vlees beïnvloed. Het is dus belangrijk deze invloed tc kennen. Door het verkleinen
bijvoorbeeld wordt de gehele celstructuur vernield. Het gevolg is dat, door het
veel grotere contactoppervlak, allerlei chemische reacties kunnen verlopen. Het
doorkleuren met nitriethoudend „klcurzout" bijvoorbeeld verloopt veel sneller.
Ook wordt de waterbinding beïnvloed. Thans wordt in Rusland onderzocht wat
de opdmale deeltjesgrootte is voor verkleind vlees en verkleind spek.

3. Warmte- en koude behandelingen zijn ook van groot belang voor de houdbaarheid
van vlees. Het is gebleken, dat invriezen direct na het slachten voordelen biedt.
Toch gaan ook dan enzymadsche processen door. In Ru.sland tracht men door het
gebruik van bepaalde stoffen, welke ingespoten worden vóór het invriezen, de
houdbaarheid te verlengen.

4. Ook roken is een probleem, het is een kostbaar proces. Het vervangen van het
roken door toevoegen van een preparaat opent perspectieven. Hiervoor is het
noodzakelijk dat de samenstelling van de rook bekend is en de invloed van elk
van deze componenten op het eindprodukt. Wat dit probleem betreft is volgens
spreker internationale samenwerking noodzakelijk.

5. Ook het drogen van vlees zonder dat denaturering of coagulatie optreedt is een
probleem.

6. Tenslotte de vorming van de specifieke smaak en geur van vleeswaren.
Hierover zijn slechts incidentele gegevens bekend. Wanneer de identiteit van deze
stoffen bekend was, zou men de vaak langdurige bewerkingen sterk kunnen in-
korten. Dit vindt o.a. reeds plaats door het gebruik van bacterieculturcs bij de
bereiding van droge worst. Desondanks is dit een gebied waarvan slechts uiterst
weinig bekend is. Ook hier is samenwerking met andere landen noodzakelijk.

1. Belenky, .\\cad. N.G. (All Union Meat Research Institute, Moscou,
U.S.S.R.) : The problem of biological evaluation of technological methods in meat
industry.

Vleesprodukten, die organoleptisch goede eigenschappen bezitten, zijn niet altijd in
eenzelfde mate voor het organisme te waarderen. De voortschrijdende mechanisatie
cn dc ontwikkeling van dc technologie wijzigen de structuur en de samenstelling en
er is grote behoefte aan exacte biologische waardebepalingena De vcrtecrbaarheid,
het transport en de assimilecrbaarheid voor de stofwisseling hangen samen met dc
chemi.sche samenstelling en fysische eigenschappen, welke beïnvloed kunnen worden
door bewerking en bewaring.

Onder verschillende omstandigheden, zoals tijdens het bevriezen en ontdooien, treden
fysische desintegrerende en ten dele omkeeibare reacties op in de complexe eiwit-
moleculen, waarbij o.a. door zuurstofopname hydro- en
Peroxydasen ontstaan.
De wijze van verkleinen, snijden dan wel cutteren, heeft invloed op de assimilatie
van de proteïne-stikstof; dit was bij gesneden produkten 3-5% hoger. Bij vet, ge-
sneden dan wel gecutterd, was het iets geringere verschil in het voordeel van laatst-
genoemd proces.

Ook andere technologische bewerkingswijzen werden getoetst op invloeden van bio-
logische aard, o.a. vetemulgcring door ultrasonische trillingen, door hittebehande-
ling en door toevoegingen met plantaardige vetten. Op de voordelen van het laatste,
in verband met arteriosclerosis, wordt terloops gewezen, terwijl de maagsap-secretie-
proeven van Pavlov en Gordeyevwel worden aangeduid als methoden om de
organoleptische eigenschappen van vleesprodukten te onderzoeken, maar ze worden
tevens ongeschikt verklaard, omdat secretie en assimilatie geen vergelijkbare groot-
heden zijn.

2. B e r g, L. V a n d e n, K h a n, A. W., L e n t z, C. P. (Ottawa, Canada) : Rela-
tion between quality and biochemical changes in poultry meat during storage
at above-freezing temperatures.

-ocr page 466-

Wanneer kippevlees aseptiseh bij 0° C in een stikstofatniosfeer werd bewaard, bleken
na 4 ä 5 weken geur- en smaakveranderingen te zijn opgetreden t.o.v. vlees dat bij
— 40° C werd bewaard. Aangezien geen bacteriën aanwezig waren en het verschijn-
sel bij rauw vlees 2 ä 3 weken eerder te bemerken was dan bij verhit vlees, duidt dit
op bepaalde biochemische veranderingen, vooral tot uiting komend in de vorming
van vrije aminozuren en SH-groepen bevattende verbindingen. De binding van een-
en tweewaardige ionen aan het vlees nam af, evenals dc waterbinding (vnl. van dc
borstspieren).

Op grond van deze en andere resultaten komen dc genoemde onderzoekers cr toe
te stellen, dat de ijsvorming bij het invriezen niet in eerste instantie verantwoordelijk
is voor de achteruitgang van geur en smaak, ofschcxin er wel enige invloed zal zijn
van het invriezen op de smaak van het produkt.

3. R O s t O V t s e V, Dr. Agric. Sc. N.F. (Lenin All-Union Academy of Agric. Sc.,
U.S.S.R.): The theoretical and practical fundamentals for increasing meat pro-
ductivity of cattle.

In de laatste jaren zijn vele proeven gedaan om dc rundvleesproduktie in Rusland
op te voeren. Hiertoe gebruikte men inlandse zowel als voorheen geïmporteerde en
thans in grote aantallen voorkomende runderrassen.

Het rantsoen heeft daarbij alle aandacht, zowel als de perioden waarin het verstrekt
wordt. Relatieve ondervoeding gedurende de jeugd en ook later heeft bij later vol-
.gende optimale voederperiodes als resultaat, dat minder vlees en meer, ook in Rus-
land volgens schrijver, ongewenst vet afgezet wordt. Proeven met optimale en gemiti-
geerde rantsoenen lieten gedurende de eerste twee zesmaandse perioden een zeer
groot verschil in groei zien; in de volgende periode was de groei bij optimale rant-
soenen langzamer dan bij de beperkte.

Met het oog op de sterke groeivertraging, die aan het einde van de mestperiode op-
treedt, werd .getracht het meest gunstige slachtmoment te bepalen. Lokale omstan-
di.gheden, alsook de leeftijd, zijn bepalend voor een speciale „mestperiode", welke het
kortst moet zijn voor oud en volwassen vee, nl. 2\'/2-3 maanden, 3-4 maanden voor
runderen van 2-3 jaar, 6-7 maanden voor 1-jarigen en 8-9 maanden voor kalveren.
.\\an kwaliteit, vetkleur, percenta,ge vlees, been, vet en mineralen, alsook aan het
gewicht der huiden, wordt veel aandacht geschonken.

Met zwartbonten, dic „of Dutch root" genoemd worden, zijn ver.gelijkende proeven
genomen met de „Red Gorbatov" en Fl en F2 kruislingen hiertussen. Dc verschillen
waren niet groot ofschoon de Red Gorbatov en de Fl iets hogere gewichtstoename
hadden.

4. N e s h e v, Dr. I. A., I g n a t o V s k y, Dr. I. G. (Bulgaria): The use of lamb
in Bulgaria.

In Bulgarije worden alle lammeren, die niet voor de fokkerij gebruikt worden, ge-
slacht zodra het levend gewicht ruim 8 kg is. Met de kop meegewo.gen is het slacht-
gcwicht dan 5 kg. Deze .gewichten worden, afhankelijk van ras en melkrijkhcid der
ooien, bereikt na 3 of 5 weken. Bij lagere gewichten is het vlees onrijp en wordt als
„minderwertig" beschouwd. Om de vleesproduktie, die om allerlei redenen stijgen
moet, te bevorderen, werd besloten de lammeren pas tc slachten als een levend ge-
wicht van 10-14 kg was bereikt.

Voorts werd een onderzoek ingesteld of nog lan.ger aanhouden voordelen zou kunnen
bieden. Hiertoe werden 3 groepen van 157 lammeren aangehouden, waarvan groep
één tot het gewicht van ruim 10 kg was, groep twee onder bijvoedering 2 ä 3 maan-
den oud werd met een levend gewicht van gemiddeld 16.2 kg en groep drie tot 6 ä 8
maanden, welke een gewicht van 23.3 kg bereikte.

Opbren.gsten van vlees, huiden en wol en melk der ooien, waarvan de lammeren
vroeg gespeend waren, zowel de voederkosten werden berekend en hieruit bleek dat
de totale winst voor groep 1 per dier 91.36 Lewen (Buig. munteenheid), 51.28 L
voor groep 2 en 33,93 L voor groep 3 was. De geslachte gewichten waren resp. 6.1

-ocr page 467-

9.1 cn 8.6 kg (groep 3 zonder kop) cn de gcslachtgcwicht-pcrcentages resp. 59.9
56.7 en 37.3. \'

De niet in de berekening opgenomen meerwaarde van de wol van de ooien uit groep
1, maakt de verschillen nog groter.

5. G a t h e r u m, D. P. and L a w r i e, R. A. (Low Tempcrturc Research Station,
Cambridge, England): Preliminary observations on intra- and inter-litter diffe-
rences in the composition of 1. dorsi muscles from pigs of twee breeds.

\\\'oor voorlopige waarnemingen werden de rugspieren van twee proefgroepen van 16
baconvarkens van verschillend ras (Large White en Landrace) gebruikt. Elke groep
was samengesteld uit 4 subgroepen van 2 zeugen en 2 borgen, welke van 4 verschil-
lende zeugen, die door eenzelfde beer gedekt werden, afkomstig waren. Alle proef-
varkens werden onder volkomen gelijke omstandigheden gemest tot het bacongewicht
(200 Ibs) waarna slachting en 3 dagen koeling volgde.

Van elke spier werd het gewicht en de gewichtsverhouding met de andere spieren
m dezelfde zijde bepaald; voorts werd de oppervlakte van de spierdoordsnede en
dc pH gemeten en naast het totaal-N ook dat van sarcoplasma, myofibrillen en
stroma bepaald. De voederconversie.gegevens completeren het geheel.
Naast duidelijke verschillen in de onderzochte criteria, welke door ras, geslacht en
moeder bepaald werden, was er in de worpen een duidelijke spreiding der verschil-
lende waarden, welke erop duidt dat de invloed van het individu groot is. Tussen
de groepen is de spreiding minder groot.

6. Otto, E. (Institut für Tierzuchtforschung, Dummerstorf; D.D.R.): Pork hams
shape and composition.

Voor bet onderzoek, dat in aansluiting op eerder verricht .gclijk,gericht onderzoek
aan hammen van varkens van gemiddeld 99 kg levend .gewicht werd verricht, werden
thans 150 varkens met een .gemiddeld levend gewicht van 111 (grenzen 108 en 115)
kg gebruikt, zowel behorend tot het type „Deutsches Edclschwein" als „Deutsches
veredeltes Landschwein".

Lengte, breedte, drie dikten en de spekdikte aan de dorsale, laterale en ventrale
zijde werden bij de normaal uitgesneden hammen gemeten, waarna behalve het totale
gewicht ook dc gewichten aan spek, inwendig vet, zwoerd, spierweefsel en been
werden bepaald.

Dc variabiliteit van het inwendig vetgewicht bleek het grootst, van de benen het
geringst te zijn. Ook de spierwecfsclpcrcentagcs hadden een grote spreiding.
Bij het onderzoek bleek cen geringe correlatie tussen de uitwendige maten en de spier-
rijkdorn te bestaan. Langere en bredere hammen hadden iets meer spiergewicht
door zwaardere Mm. semimembranaccus en seniitendineus en minder spek en inwen-
dig vet. In het algemeen is het spicrpercentage het hoogst bij de zwaarste hammen.
De grote variabiliteit van het aandeel der verschillende weefsels duidt er op dat cr
lan.gs foktechnische weg verbeteringen zijn te verkrijgen.

7. Otto, E. (Institut für Tierzuchtforschung, Dummerstorf; D.D.R.): The de-
termination of fresh meat colour and the possibility of its evaluation.

Voor de bepaling van dc vleeskleur is hct rcmissiespcctrum zeer geschikt; statistische
bewerking is echter onmogelijk. Het is echter wel mogelijk om op eenvoudige wijze
de helderheid van de gemeten kleur te bepalen. Hierdoor wordt de kleur vastgelegd
in ccn getal. Dit .getal blijkt goed bruikbaar.

Dc totale meting is echter omslachtig en tijdrovend. Het blijkt nu dat er een sterke
correlatie (corr. coëff. = -(- 0.98) bestaat tussen de helderheid bij een golflengte
(540 nm) en de helderheid, berekend uit het gehele spectrum.

Tussen de helderheid van de kleur van verschillende spieren van een slachtdier be-
stond slechts een zwakke correlatie. Ook tussen de helderheid en de andere para-
meters voor de kleur (verzadiging en kleurtoon) bestond geen correlatie.
Door gebruik te maken van een remissie-kogclfotometer met fotocel konden goed re-
produceerbare waarden voor de helderheid worden verkregen.

-ocr page 468-

8. Pczacki, \\V., Cybulkowa, B., Bienskowskri, B. and B u c h t a, C.
(Afdeling voor Vleesteehnologie van de Landbouwhogeschool; Poznan, Polen):
The usefulness of slaughter products as dependent on the physiological develop-
ment of boars during the castration period.

Dit onderzoek beschrijft de invloed van het castratietijdstip van manlijke varkens,
welke bij 3 groepen proefbccrtjcs werd verricht op de leeftijd van 6 weken, 3 maan-
den en een half jaar.

Behalve op gewichtstoename en uiterlijke vorm werd dc kwaliteit voor de verwerking
nagegaan en de invloed op de ontwikkeling en de samenstelling der verschillende
weefsels als vlees, vet, been en huid bepaald.

Bij het levend gewicht van 120 kg, dat in volgorde als genoemd door de 3 groepen
werd bereikt in gemiddeld 260, 250 en 266 dagen hadden de laat-castraten een
typisch bcrenuiterlijk en de hoogste percentages been en huid. Tussen de techno-
logische eigenschappen der weefsels werden nauwelijks verschillen waargenomen. De
op 3 maanden gecastreerde dieren gaven 3% meer spierweefsel dan de vroeg-cas-
traten: met dc laat-castraten was het verschil kleiner.

Op grond van de resultaten van het onderzoek, dat slechts bij 3 proefgroepen van 7
varkens werd verricht, wordt castratie op een leeftijd van 3 maanden het meest effi-
ciënt geacht. Tabellen met gegevens over dc maten, gewichten en samenstelling der
onderdelen en een aantal grotere spieren completeren het geheel.

9. R a n i c k i, M. A. en K o 1 a c z y k, S. (Meat Research Division, Institute of
Animal physiology and Nutrition, Polish Academy of Sciences; Bydgoszcz,
Polen) : Myoglobin and hydration of meat in pigs.

Er is nog weinig bekend over de fysiologische achtergrond van de waterbinding van
vlees. Nagegaan is het verband tussen waterbinding en myglobinegehalte.
Van 41 gezonde baconvarkens werd een stuk van dc M. long dorsi onderzocht. Hier-
van werd bepaald het water-, vet- en eiwitgehalte, het gehalte aan myoglobine, het
totaal .gehalte aan kleurstoffen en het gehalte „niet gebonden water".
Er bleek een significante correlatie tc bestaan tussen de waterbinding en het myo-
globinegehalte, tussen de waterbinding en het watergchalte en tussen het myglobine-
gehalte en het watergchalte.

Bij dc be.spreking wordt het vol.gende opgemerkt:

Het myoglobine.gchalte is een index voor het inetabolisme van het dier. Uit de cor-
relatie tussen het watergehalte en het myoglobinegehalte blijkt dat bij een meer oxy-
datieve stofwisseling het water.gehalte lager is. Dit is in overeenstemming met an-
dere waarnemin.gen. Dc oorzaak van de correlatie tussen myo.globincgchalte en water-
binding is niet duidelijk. Mogelijk is een langzamer daling van de pH na het slachten
bij een hoog myo.globincgchalte hiervan de oorzaak.

De beïnvloeding van het watergchalte door het myoglobinegehalte gaat via de water-
binding.

Selectie op hoog vocdcrrendement, dus een minder oxydatieve stofwisseling, geeft een
geringere waterbinding.

10. Dahl, O. (Malmö, Zweden): Content of creatine - an index of the quality
of meat products?

Dc kwaliteitsbepaling van vlees is mogelijk via het gehalte aan hydroxyprolinc en
tryptophaan. Een goede kwaliteit vlees bevat veel (duur) spierweefsel en weinig bind-
weefsel. Na.gegaan is of ook creatine voor dit doel geschikt is.

Het crcatinegchalte houdt verband met het eiwitgehalte, vandaar dat het creatinc-
gehalte wordt uitgedrukt als een percentage van het eiwitgehalte. Daar van de in de
literatuur gegeven cijfers het corresponderende eiwitgehalte niet bekend is, waren
deze gegevens niet bruikbaar.

Door dc auteur werden onderzocht: skelctspieren, hart, organen en slachtafvallen.
Gebruikt werden twee methoden:
a. een kleurreactie met pikrinezuur;

-ocr page 469-

b. een kleurreactie met diacetyl en a-naphthol.

In methode b. geeft ook arginine een reactie; deze storing is slechts gering en kan
verholpen vi^orden door een chromatografische scheiding.

Vlees, ontdaan van vet en bindweefsel, heeft een kreatinegehalte van meer dan 2%
van het ruw eiwitgehalte; organen minder dan 0,5% van het ruw eiwitgehalte, bloed,
bindweefsel, lever en long zelfs minder dan 0,2%. De resultaten van de beide me-
thoden a. en b. stemden goed overeen. Deze overeenstemming was bij organen minder
goed.

In een aantal gevallen werd ook het hydroxyprolincgehalte bepaald. Er bleek een
relatie te bestaan tussen het krcatine- en het hydroxyprolincgehalte.
Uit het bovenstaande blijkt dat deze methode geschikt is voor de kwaliteitsbepaling
van vleeswaren, met uitzondering van leverprodukten en produkten, gemaakt uit
gekookt vlees, echter zonder kookwater.

Uit een onderzoek van 28 vleeswarenmonsters (Bologna and Luncheon sausage)
bleek dat een duidelijk negatieve correlatie aanwezig was tussen het kreatinegehalte
en het hydroxyprolincgehalte.

11. S c h ö n, L. (Kulmbach, Duitsland): The possibility of objective evaluation of
beef carcasses.

De objectieve bepaling van de slachtkwaliteit levert geen moeilijkheden op bij weten-
schappelijk onderzoek. De hierbij toegepaste methoden zijn echter te rijdrovend voor
toepassing bij de handel.

Met 290 runderen is nagegaan of er kenmerken zijn welke geschikt zijn voor de
objectieve bepaling van de slachtkwaliteit.

De planimetrische bepaling van het oppervlak van de M. long. dorsi bleek onge-
schikt wegens de wisselende resultaten en lage correlaties.

De samenstelling van een riblap tussen de 9e en 11e rib (vlees - vet - been) gaf een
goede correlatie voor wat betreft het beenderpercentage van het slachtdier, voor het
vlees- en vetpercentage was dit echter niet steeds het geval (jong mestvec).
De samenstelling van de flank gaf zowel voor het vlees-, vet- en beenderpercentage
goede correlaties. Het uitsnijden van de flank is voor de praktijk echter tijdrovend.
Ook moet men de leeftijd der dieren in ogenschouw nemen.

De voorschenkel bleek zeer geschikt voor de beoordeling van het beenderpercentage.
liet gewicht van het nier- en bckkenholtevet bleek goed te correleren met het vet-
percentage, uitgezonderd bij vette dieren.

De oorzaak van afwijkingen bij bovengenoemde relaties werd besproken.

12. M a k s a k O V, V. Y. (Oekraïne, U.S.S.R.): Objective determination of meat
quality by its "marblencss".

Naast het vetgehalte is ook de vetverdeling van belang voor de kwaliteitsbeoordeling
van vlees; deze eigenschap wordt aangeduid met „marmering". Bij een sterke mar-
mering is het vet over vele kleine plekken verdeeld, hetgeen een gunstige verdeling is.
Een methode is ontwikkeld om de marmering in een objectief te bepalen getal vast
te leggen. Deze methode omvat de bepaling van het oppervlak van de vctfracties en
van het aantal vctfracties; dit laatste uitgedrukt als aantal vetinsluitingen per 10 cm
lengte (gemiddelde van een aantal horizontale en verticale lijnen waarlangs het aan-
tal vetinsluitingen wordt geteld). Het eerste getal is een goede maat voor het vet-
gehalte, het tweede getal voor de marmering.

Twee methoden, een directe en een fotografische, voor de bepaling van de marmering
worden bcschrcven.

13. Krzywicki, K. en W i s m e r-P e d e r s e n, J. (Roskilde, Denemarken):
Some properties of sarcoplasmic proteins of normal and watery pork muscle.

Volgens de literatuur hangt de geringe waterbinding van gedegenereerd vlees samen
met een snelle pH-daling na het slachten. Waarschijnlijk wordt het onveranderd
actomyosine afgeschermd door gedenatureerd sarcoplasma eiwit.

-ocr page 470-

Bij clectroforen van vlepscxtract bleek dat normaal vlees 4 vlekken geeft, gedegene-
reerd vlees geeft slechts 3 vlekken, bovendien zijn de concentraties lager, soms is de
4e vlek zeer zwak aanwezig.

Bij kwantitatieve bepaling van deze 4 fracties van vleesextract van varkens met ver-
schillende pH\'s, 3/4 uur na het slachten, bleek dat bij pH = 6,0 slechts gemiddeld
73% van de hoeveelheid eiwit aanwezig tc zijn, vergeleken met de hoeveelheid eiwit
aanwezig bij pH = 6,3-6,4. Ook de extracten van het vlees met hoger pH bevatten
een kleinere hoeveelheid eiwit in het electroforen-diagram dan in extracten van vlees
met een pH van 6,3-6,4.

Het bleek dat de fractie, waarvan de oplosbaarheid het sterkst afnam bij daling
van de pH overeenkwam met de globuline X-fractie van het sarcoplasma.
Wanneer men sarcoplasma-eiwit verwarmt tot 38° C bij verschillende pH-waarden,
dan blijkt het volgende: beneden pH = 6,0 treedt een sterke daling van de oplos-
bare eiwitten op, boven pH ~ 6,3-6,4 een gerin.ge daling, he.geen in overeenstemming
is met de elektroforese.

Vlees met een la.ge pH heeft een kleinere hoeveelheid extraheerbaar sarcoplasma-
eiwit dan vlees met een pH van 6,3 en hoger. Dit wordt veroorzaakt door de snelle
pH-dalin.g direct na het slachten, waardoor denaturerin.g optreedt.
Waarschijnlijk vindt een condensatie plaats van deze sarcoplasma fractie met de fi-
brillairc eiwitten, waardoor de waterbinding sterk vermindert.

Verder bleek er een samenhang te bestaan tussen kleur en pH van het vlees uur
na het slachten). Een la.ge pH — en dus een slechte waterbinding — correspon-
deerde met een bleke kleur. Zowel kleur als waterbinding zijn optimaal indien de
pH (3/4 uur na het slachten) ca 6,3 is.

14. B e n d a 1 1, J., H a 11 u n d, O. en W i s m e r-Pe d e rs e n, J. (Roskilde, Dene-
marken) : A study of the post-mortem pH changes in the musclcs of Danish
Landrace pigs, in relation to the occurrence of watery pork.

Onder .gedegenereerd varkensvlees („watery pork") wordt verstaan bleek vlees met
gerin.ge waterbinding, waarvan dc pH % uur na het slachten lager is dan 6,2. Vóór
en tijdens het slachten is er geen verschil waarneembaar tussen varkens met normaal
of met .gedegenereerd vlees. Naar de oorzaak van deze snelle pH-daling, welke bij
ca. 37° C verantwoordelijk is voor de slechte waterljinding, wordt nog steeds veel
onderzoek verricht.

Bij het onderzoek werd van een aantal varkens binnen 5 minuten na het slachten
een monster genomen. Hiervan werd onder anaerobe omstandigheden bij 37° C dc
snelheid van de pH-daling gemeten, verder de temperatuurcoëfficiënt en de buffer-
capaciteit.

Hierbij bleek dat de varkens konden worden ingedeeld in twee groepen A en B.
A met een lan.gzame pH-daling (0,65 cenheid/uur) en B met cen snelle pH-daling
(1,05 eenheid/uur). Dc eind-pH was voor beide groepen gelijk. De varkens van
groep A hadden normaal vlees, van groep B gede.genereerd vlees.
Dc tcmpcraturcoëfficiënt van de pH-daling was voor beide groepen gelijk, evenals
de buffcrcapaciteit.

In de bespreking worden enkele mogelijke oorzaken van dit verschijnsel besproken.
Er moet een verschil in enzymactiviteit bestaan.

De snelheidsbepalende reactie is waarschijnlijk dc splitsing van ATP in .^DP cn
anorganisch fosfaat. Het bijbehorende enzym, het fibrillaire ATP-ase is zeer ge-
voelig voor een juiste zoutconcentratie.

Gesuggereerd wordt dat mogelijk de elementaire oorzaak is gelegen in het hormoon
deoxycorticosterone, dat de Na\'K-balans controleert en op deze wijze de ATP-ase-
activiteit beïnvloedt.

15. B e 1 e n k y, A c a d. N. G. (All Union Meat Research Institute; Moscou,
U.S.S.R.) : Demotation of slaughter live-stock.

De onderzoeker deed proeven met een sedativum, hetwelk in bepaalde hoeveelheden
met behulp van een pistool in de spieren van slachtdieren werd geschoten. Dit pre-

-ocr page 471-

paraat, Demotin genaamd, bestaat uit de componenten diacetyl-choline-jodide en
methyl-amino-cthanol-pyrocatechol; het wordt in Rusland synthetisch bereid.
Behalve invloed op de motorische centra, waarbij rust door bewegingsloosheid wordt
opgewekt, is er een nawerking op de spicrstofwisseling, welke bepaalde invloeden op
het postmortale rijpingsproces heeft en waardoor o.m. een mooiere vlecskleur ont-
staat.

Eigenaardig is dat de pH niet verder daalt dan tot gemiddeld 6,7 (6,4-7,0), terwijl
vert(4d wordt dat het vlees veel malser is dan bij de normale daling tot 5,5-5,8.
.Aan het eind van het verhaal wordt meegedeeld dat de in vlees van proefdieren op-
tredende processen niet .geheel te verklaren zijn en dat nog veel onderzoek nodig
zal zijn.

16. Savic, I. en T a d i c, R. (Yugoslav Institute of Meat Technology, Yugosla-
via) : An examination of hog behaviour during and after CO-j immobilization.
De doelstellin.gen van dit onderzoek inzake
CO2 bedwelming waren na te gaan;

1. wat de optimale CO2 concentratie moest zijn;

2. of het gewicht der varkens invloed had op de duur der onbeweeglijkheidsfase;

3. hoe het gedragspatroon .gedurende en na deze fase was, en

4. of er ook onaangename effecten voor het organisme aan de CO2 bedwelmings-
methodc waren verbonden.

Niet vermeld is het aantal proefdieren, maar uit de discussie bleek dat meer dan 800
varkens waren onderzocht.

In korte trekken samengevat zijn de resultaten als volgt:

sub 1: beneden 55% CO2 wordt geen onbeweeglijkheid verkre.gen, terwijl verhoging

der dosis vanaf 80% geen beter effect meer heeft;
sub 2: er is geen essentieel verschil tussen het bedwelmende effect van lichtere en

zwaardere (90, 100 en 110 kg) varkens;
sub 3: het tijdstip van wijzigingen in het gedragspatroon gedurende de bedwelmin.gs-

periode en daarna vertoont een vrij grote spreiding;
sub 4: dc methode is als fysiologisch acceptabel en technologisch goed te beschouwen.

ENTING VAN VARKENS TEGEN MOND- EN KLAUWZEER.

Vra.gen Tweede Kamerlid Tuijnman beantwoord.

In antwoord op schriftelijke vragen van het lid der Tweede Kamer, de heer D. S.
Tuijnman, over de enting van varkens te.gen mond- en klauwzeer, heeft minister
Biesheuvel de Tweede Kamer laten weten, dat tot vaccinatie van varkens kan worden
overgegaan, mits aan veterinair noodzakelijke maatregelen wordt voldaan.
Uit het antwoord blijkt verder, dat voor de vaccinatie-mogelijkheden van bi.ggen,
die antistoffen van het moederdier hebben verkregen, nog verder onderzoek gaande is.
De tot nu toe verkregen resultaten tonen aan dat jon.ge varkens, die beschikken over
antistoffen, verkre.gen van het moederdier, tot enkele maanden na de .geboorte niet
voldoende reageren op een enting te.gen mond- en klauwzeer. Bij een acute dreigin.g
kan deze omstandigheid een gevaar vormen vcx)r de bestrijding. Dc praktische be-
tekenis hiervan is ondanks lopend experimenteel onderzoek nog niet precies te be-
palen.

Voor en tegen andermaal tegen elkaar afwegende meent de minister, dat vooralsnag
het accent meer moet worden gelegd op het individuele bedrijfsbeschermende cle-
ment van de vaccinatie dan op het algemene bestrijdingsaspect, reden waarom hij
de mogelijkheid tot enting heeft geopend.

Persbericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

ENTING VAN VARKENS IS WEER MOGELIJK.

Op voorwaarden van een algemene ver.gunning.

De onlangs afgekondigde beperking van de mogelijkheid tot vrijwillige enting van
varkens tegen mond- en klauwzeer is, zoals bekend, op bezwaren gestuit bij het agra-
rische bedrijfsleven, dat uit een oogpunt van bedrijfsbescherming te.gen de gevreesde

-ocr page 472-

dierziekte grote waarde hecht aan een voorbehoedende werking van de enting. De
Minister van Landbouw en Visserij is thans aan de verlangens uit de praktijk van
de veehouderij tegemoetgekomen. Met wijziging van de maatregel heeft Minister
Biesheuvel voor het gehele land, voor alle varkenshouders, de mogelijkheid geopend
tot het inenten van varkens op algemene vergunning. Deze \\ergunning is evenwel
in het kader van eventueel noodzakelijke bestrijdingsmaatregelen aan door de direc-
teur van de Veeartsenijkundige Dienst gestelde voorwaarden gebonden. Deze voor-
waarden zijn neergelegd in een schema van herhaalde entingen en met verplichting
tot het bijhouden van een entrcgistcr, dat onder controle staat van de Veeartsenij-
kundige Dienst.

De nieuwe regeling treedt in werking op maandag 16 september 1963.
De algemene vergunning geldt niet ingeval van enting van varkens, bestemd voor
export, waarvan het importerende land enting eist. Voor deze gevallen is een indi-
viduele vergunning van dc Veeartsenijkundige Dienst nodig.

Preshericht Ministerie van Landbouw en Visserij.

OVERGEVOELIGHEIDSVERSCHIJNSELEX BIJ P.AARDEN.
(Paardengezondheidskalender, september 1963)

Evenals bij de mens kent men ook bij paarden het overgevoelig zijn of worden voor
bepaalde stoffen die in het lichaam via dc neus, de mond, de huid of per injectie
worden opgenomen. Deze stoffen kunnen zijn: voedingsstoffen, gifstoffen( o.a. in bac-
teriën, schimmels, insecten enz.) chemische stoffen, geneesmiddelen, soortvreemde
eiwitten (in sera en vaccins), specerijen, conserveringsmiddelen, vcrfraaiingmiddelen
in levensmiddelen enz. Bij pasgeboren veulens ziet men wel een zeer ernstige vorm
van geelzucht optreden als gevolg van overgevoeligheidsreacties, enigszins te verge-
lijken met hetgeen kan geschieden als een rhesus-ncgaticve vrouw een rhesus-positief
kind bij zich draagt.

De inademing van bepaalde stoffen kan bij mens en dier overgcvoclighcidsverschijnsc-
len opwekken, b.v. hooikoorts, astma-aanvallen, dampigheid e.d. Men heeft zich voor
te stellen, dat dergelijke stoffen, ook „allergcnen" genoemd, bij sommige daarvoor
gevoelige mensen en dieren bepaalde reacties kunnen teweegbrengen in of aan de
oppervlakte van dc cellen. Geven zc aanleiding tot de vorming van antistoffen of
afweerstoffen, dan spreekt men ook van „antigenen". Bij de reacties door het samen-
treffen van antigeen en anti-lichamen komen histamine en scxjrtgelijke stoffen vrij,
welke de weefsels kunnen aantasten.

Men neemt wel aan, dat het ontstaan van overgevoeligheid op erfelijke grondslagen
kan berusten. Ook psychische invloeden zijn niet altijd helemaal uit tc sluiten. .Mie
ziekten waarbij ovcrgevocligheidsproccssen betrokken zijn, vat men samen onder
„allergische ziekten".

.Achtereenvolgens zullen we dc volgende allergische ziekten aan een bespreking onder-
werpen :

1. geelzucht cn bloedarmoede van pasgeboren veulens;

2. staart- en mancnjcuk:

3. anafylaxie en allergie

4. lichtgevoeligheid;

5. neteluitslag (urticaria).

Geelzucht en bloedarmoede van pasgeboren veulens.

De ziekte is waargenomen bij paarden cn muildieren. Vooral bij veulens van de vol-
bloeds schijnt de ziekte nogal eens tc worden opgemerkt. In het bloed van het moeder-
dier ontwikkelen zich tijdens dc drachtigheid antistoffen tegen antigenen in de rode
bloedcellen van het veulen. Waarschijnlijk is wel dat er dan op een of andere wijze
enig contact heeft bestaan tussen de rode bloedlichamen van dc moeder en de vrucht,
dus beide bloedvaatstelsels die normaal volledig gescheiden zijn, op een bepaalde
plaats misschien enige verbinding met elkaar hebben gehad.

Het blocdtype van het moederdier en van het vaderdier is dan onverenigbaar. Het

-ocr page 473-

veulen bezit dan in de rode bloedcellen dezelfde antigenen die bij de vader voor-
komen. Ook is het mogelijk dat reeds antistoffen zijn .gevormd bij een vorige dracht
of na bloedtransfusie zijn ontstaan ofwel na het toedienen van vaccins die nog
weefselcellen hebben bevat.

Bij de mens kunnen antistoffen tijdens zwan.gerschap de placenta passeren en over-
gaan in het bloed van het kind. Bij het paard is dat niet mogelijk en heeft passage
van antistoffen plaats met behulp van de biest. In de biest is het gehalte aan anti-
stoffen nog veel hoger, wel 4- tot 8-maal zo hoog als in het bloed van het moederdier.
Het veulen wordt gezond geboren, doch zodra biest is opgenomen en antistoffen in het
bloed verschijnen, gaan de rode bloedlichamen samenklonteren, soms gedeeltelijk
uiteenvallen en het vuclen wordt ziek. In milt en lever heeft verdere afbraak van de
aangetaste bloedcellen plaats. Dc hoeveelheid opgenomen biest en het gehalte der
daarin voorkomende antistoffen bepalen de ernst van het ziektebeeld.

Verschijnselen.

De eerste ziekteverschijnselen ontwikkelen zich 12 tot 36 uren na de geboorte, soms
ook reeds eerder, b.v. na 8 uren, doch ook wel eens later, zelfs nog 96 uren \'na de
.geboorte. Het veulen wordt suf, ligt slap terneer en komt alleen .gedurende cen korte
periode nog even overeind om te zuigen of is daartoe zelfs niet meer in staat. De
slijmvliezen zijn bleek en worden na 24 uur steeds .geler. Dc temperatuur is normaal
of verlaagd. Pols en ademhaling zijn versneld. De urine is geel gekleurd en na 24 uur
ook dikwijls iets rood van kleur, gelijk portwijn.

Op grond van de verschijnselen die bij sectic worden waargenomen, is de diagnose
niet altijd met zekerheid te stellen. Ook bij andere ziekten worden wel bloedarmoede,
.geelzucht en een vergrote milt waargenomen. Men zal het bloed en de biest van de
moeder moeten onderzoeken op antilichamen en zal daarvoor gaarne de beschikking
hebben over rode bloedlichamen van de hengst of donor voor het geval bij dc merrie
bloedtransfusie heeft plaatsgehad.

Het verloop is verschillend. Sommi.ge patiënten sterven tengevolge van ernstige bloed-
armoede in 12-36 uren, de meeste echter pas op de 3c of 4e dag, doch enkele ook nog
wel ruim een week later. Zonder behandeling blijven alleen die veulens in het leven
die een bchooriijk aantal rode blo<-dce!len overhouden.

Voorbehoedend zal men, als bekend is, dat het bloed van de merrie antilichamen
bevat b.v. blijkens een onderzo<\'k van het bloed aan het einde van de dracht of uit
onderzoek van de biest of omdat eerder een veulen van dezelfde merrie aan de ziekte
is gestorven, het veulen direct na de geboorte bij de moeder wegnemen en biest ver-
strekken van een pleegmoeder die de antilichamen niet in het bloed bezit. De ei.gen
moeder wordt zorgvuldig uitgemolken en pas 2 da.gen na de geboorte kan men het
veulen weer bij de moeder laten. Er bestaat dan weinig gevaar meer voor passage
van antilichamen door de warmwand van het veulen.

Het is aan te bevelen de merrie een volgende keer door cen andere hengst tc laten
dekken.

Voor de behandeling van aangetaste veulens zal men de dierenarts raadplegen. Voor
lichte gevallen is onthouding van de biest en enkele dagen ver\\\'anging door melk
zonder antilichamen aangewezen. Gedurende cen korte periode, hoogstens 4-6 dagen,
is het gewenst ook antibiotica toe te dienen. Tijdens dc eerste week wordt beweging
zoveel mogelijk beperkt.

Ernstige gevallen zijn alleen door bloedtransfusie te redden. Men vervangt dan 3-7
liter bloed van het veulen door een overeenkomstige hoeveelheid van een donor.
Als donor mag noch de moeder noch de vader van het veulen dienen. Het moet een
paard zijn waar\\-an de rode bloedlichamen niet samenklonteren of uiteenvallen door
serum of biest van de moeder of serum van het veulen, en het serum van de donor
mag ook geen antilichamen bevatten tegen de rode bloedcellen van de vader van
het veulen. Overmatige inspanning van het veulen moet vermeden worden.
In een volgende kalender zal deze artikelenreeks worden vervolgd met het onderwerp
„Staart- en manenjeuk".

-ocr page 474-

MEDEDELINGEN

Van de Veterinaire Hoofdinspectie van de
Volksgezondheid

VERSLAG VAN EEN STUDIEREIS NAAR ROEMENIË VAN 18-28 SEP-
TEMBER 19621).

Aanleiding lot en doel van dc reis.

Van de zijde van de Roemeense Re,gering was door bemiddeling van haar tc dezer
stede gevestigde legatie de wens tc kennen gegeven met Nederland een veterinaire
overeenkomst af te sluiten, teneinde het handelsverkeer tussen beide landen te be-
vorderen.

Door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontving dc Minister
van Landbouw en Visserij aan het einde van het vorig jaar een aantal uittreksels
— ten dele in de Franse, ten dele in de En.gelse taal — van de in Roemenië gel-
dende wettelijke voorschriften op het gebied van de preventie en bestrijding van be-
smettelijke veeziekten, alsmede van de bepalingen ten aanzien van de vleeskeuring en
het toezicht op voedingsmiddelen van agrarische herkomst.

Na bestudering van bovenaangeduide uittreksels bleek er voldoende grond aanwezig
te zijn voor een oriënterend bezoek aan Roemenië en werd in overleg met de zaak-
gelastigde van de Roemeense legatie het tijdstip daar\\\'an vastgesteld.
.Aanvankelijk bestond de Nederlandse delegatie uit twee perronen.
■Aangezien echter de Veterinaire Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, tevens
Directeur van de Veeartseniikundige Dienst, op 15 september plotseling voor een
operatief ingrijpen in het ziekenhuis moest worden opgenomen, was ondergetekende
genoodzaakt alleen de reis naar Roemenië te ondernemen.

Voor goed begrip zij vermeld, dat van Ro<-meensc zijde niet alleen contact met ons
land was opgenomen, doch ook met België, als gevolg waarvan reeds einde juni van
dit jaar een Belgische delegatie, bestaande uit drie ncrsonen, Roemenie bezocht.
Het doel van dc reis was een zo goed mogelijk inzicht te verkrijgen omtrent de Roe-
meense veterinaire maatregelen en de uitvoering daarvan, een inz\'cht. hetwelk naar
het mij wil voorkomen, verbreed wordt indien de opbouw van dc verschillende daar-
bij betrokken instellingen en instanties ook aan de orde komt.

Met deze opdracht vertrok ik op 18 september per vliegtuig van de K.L.M. naar
Zürich om van daaruit, na cen oponthoud van ruim 3 uren, met een Roemeens
vliegtuig de reis voort te zetten. Om 21 uur - - Roemeense tijd 20 uur - - kwam ik
in Boekarest aan. Niet minder dan vier Roemenen, waar\\-an drie veterinairen, waren
ter begroeting aanwezig.

Indien gesteld wordt, dat een reisschema voor mij was uitgestippeld en dat derhalve
slechts datgene bczichti,gd zou worden, hetwelk men wenste te tonen, dan kan m
dit verband worden opgemerkt, dat op mijn verzm-k werd ingelast een bezoek aan
het Openbaar Slachthuis tc Constanza en dat niet uitsluitend moderne, doch óók
verouderde inrichtingen in het programma werden op,genomen.

Bij het fotograferen werd mij de grootst mogelijke vTijheid gelaten en geen enkele
maal werd tegen een opname bezwaren geuit.

Per auto ben ik van Constanza aan de Zwarte Zcc, via Boekarest, het oliecentrum
Ploësti en Sinaja, door de Karpaten naar Zevenburgen .gereisd en vandaar west-
waarts met als eindpunt Timisoara, het vroegere Hongaarse Temesvar, een totaal-
afstand van 900 a 1000 kilometers. Vanuit laatst.geno(-mdc plaats per vliegtuig terug
naar Boekarest.

1  Dit verslag werd opgemaakt door Dr. ,1. M van Vloten, Inspecteur van de
Volksgezondheid en Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst i.a.d.

-ocr page 475-

Op deze reis werd ik begeleid door een 1\'rans en een Duits sprekende Roemeen, die
beiden uiterst voorkomend waren en al het mogelijke deden mij zoveel als in hun
vermogen lag van hun land te laten zien.

Enige gegevens omtrent Roemenië.

De Roemeense Volksrepubliek heeft op een oppervlakte van 237.400 km\'-\' een be-
volking van ongeveer 18 miljoen zielen, hetgeen betekent 75 inwoners per km\'-\'. Reeds
in 1948 had Boekarest een inwonertal van 1.049.000 en steekt qua omvang van be-
volking daarmede ver boven de overige plaatsen in Roemenië uit.
Gescheiden door de Karpaten kan men aan dit land twee gedeelten onderkennen,
te weten het oude Roemenië, omvattende Wallachijc, Moldavië en Dobroedsja, hoofd-
zakelijk laagland en het noordwestelijk daarvan gelegen Zevenburgen, zijnde het
oude Hongaarse gebied, dat na de eerste wereldoorlog aan Roemenië is toegevoegd en
een meer bergachtig karakter heeft.

Roemenië heeft een uitgesproken landklimaat: hete zomers en lange, strenge win-
ters. Dc bodem is rijk aan mineralen. Olie is een zeer belangrijke bron van inkom-
sten, doch ook methaaangas komt in zeer grote hoeveelheden voor en wordt op zeer
veel plaatsen bereids voor verwarming aangewend,

Nicttegentaandc een toenemende industrialisatie is Roemenië overwegend een agra-
risch land. Van dc te verbouwen produkten moet allereerst mais worden genoemd en
maïsvelden ziet men dan ook vrijwel overal.

Bij de oriënterende bespreking, welke op de eerste dag van mijn verblijf tc Boekarest
onder leiding van Prof. Dr. G 1 i g o r, Ministre-adjoint du Conseil Superieur dc
l\'Agriculture — zijnde een dierenarts — op het Ministerie plaats vond, werden mij
omtrent de veestapel dc navolgende gegevens verstrekt:
5 miljoen runderen,
1 miljoen paarden,
5,5 miljoen varkens,
13 miljoen schapen en
60 miljoen stuks pluimvee.

Ten aanzien van veeziekten werd naar aanleiding van door mij gestelde vragen het
onderstaande medegedeeld:

\'l\'uberculose kwam op dc Staatsbedijven in 1950 in een percentage van 0.15 nog
voor en op de Coöperadevc bedrijven in 1960 bij 3% van dc aanwezige runderen.
Men hoopt cchtcr binnen een jaar deze aandoening geheel geëlimineerd te hebben.
Indien bij de tuberculinatie, welke vroeger geschiedde met Alt-tubcrculine en thans
met P.P.D., een reagecrdcr wordt aangetroffen, dan volgt merking en slachting van
het betrokken dier, hetwelk door de Staat wordt overgenomen.
Brucellosis wordt in Roemenië beschouwd als een import-ziekte, afkomstig uit Zwit-
serland. Bij invoer van vee wordt dan ook de nodige voorzichtigheid betracht. Ge-
durende twee maanden blijft het ingevoerde vee onder controle van een veterinair
m quarantaine in speciaal daarvoor aangewezen Staatsbedrijven, gelegen in de na-
bijheid van de grens.

Blijkt bij het ingestelde onderzoek -- complementbinding cn agglutinatie — een
positieve reactie aanwezig tc zijn, dan wordt het betreffende dier geslacht.
Mastitis vormt in Ro<-menië geen probleem en komt vrij zelden voor. Zulks wordt
toegeschreven aan de klimatologische omstandigheden. In het algemeen droog weer
en veel zon remmen de ontwikkeling af van deze ziekte. Bij het vóórkomen van mas-
titis geeft een mengsel van penicilline en streptomycine, genaamd masticilline, gun-
stige resultaten.

Sinds 15 maart 1960 is Rcx-menië vrij van mond- en klauwzeer.

Daarvoor werd voornamelijk de O twee stam en bij uitzondering de A infectie vast-
gesteld.

In verband met het feit, dat in Europees Turkije de S.AT stam is waargenomen, is
aan de Bulgaars-Turkse grens in een brede strook alle vee geëvacueerd. Dc Grieks-

-ocr page 476-

Turkse grens wordt gevormd door de rivier Maritza, Ter voorkoming van insleep
van smetstof wordt in de Zwaite Zee-havens Contanza, Braïla en Galatz een obliga-
toire desinfectie toegepast van schepen, personen en verpakkingsmateriaal met 2-3%
formaline.

Aan de landgrens bestaat cr een verplichte ontsmetting van spoorwagons en wagens
met 2-3% waterige oplossing van NaOH. Bovendien is er in een strook van 15 km
langs de grens de verplichting tot inenting met monovalent O twee cultuur vaccin,
hetwelk een immuniteit van 7-8 maanden zou geven.

Miltvuur wordt — in verspreid voorkomende gevallen — vooral in het zuiden van
Wallachije waargenomen en komt ook bij jonge schapen voor.

Indien zich een geval voordoet, wordt zo mogelijk tot simultaan-enting overgegaan.
Het laatste geval van
malleus heeft zich in 1951 voorgedaan en dat van dourine in
1949,

In 1961 beperkte het aantal .gevallen van varkenspest zich tot 140, verspreid over 5
haarden. Voor 1962 bedragen deze cijfers 21 en 4. Bij het constateren van varken.s-
pest is afslachting gebiedend voorgeschreven en wordt een ring-enting met kristal-
violetvaccin rondom de haarden toegepast.

In 1961 zijn 6 gevallen van trichinose waargenomen. Het onderzoek op trichinen
vormt een mtegrerend onderdeel van de vleeskeuring.

Het gebied rondom Pitesti, gelegen noordoostelijk van Boekarest, wordt gezien als de
bron van de trichinose. Ter verdere terugdringing van deze ziekte en mede uit eco-
nomische overwegin.gen met het oog op de voedselvoorraden is een speciale dienst
ingesteld, welke strijd te.gen ratten en insecten voert. Deze dienst wordt aangeduid
met de letters D.D.D. (Disinfection, Deratination, Desinsectination).
Boutvuur is een zeldzaam voorkomende aandoenin.g.

Rabies wordt in het bcr.g- en woudgedeelte van Roemenië door vossen en wolven
in stand gehouden. De bestrijding van laatstbedcx-lde ziekte is uiterst moeilijk.
Ten aanzien van
pluimveeziekten zij vermeld, dat pullorum niet vCKirkomt en dat
in 1962 in 7 gemeenten zich 350 gevallen van
Newcastle disease hebben voorgedaan.
Export van vee geschiedt uitsluitend vanuit Staatsbedrijven. Deze ressorteren onder
het Ministerie van Landbouw en staan onder voortdurende controle van een aan
elk bedrijf verbonden dierenarts.

Bij vee-transporten naar het buitenland gaat ter verzorging van de dieren, naar mij
werd verzekerd, per wagon ccn man mede tot de plaats van bestemming.

■Aan het einde van de bespreking is door mij aan Prof. Gligor dc vraag gesteld, wat
Roemenië uit Nederland wenst te importeren en wat naar ons land te exporteren.

Uit het antwoord bleek, dat voor wat de invoer betreft belangstelling bestaat voor:

a. levende runderen van het Fries-Hollandse veeslag. Terloops was reeds mede-
gedeeld, dat via Duitsland dergelijke runderen bereids in Roemenië waren inge-
voerd ;

b. levend pluimvee met een grote vleesproduktie en grote eierenopbrengst;

c. bloembollen:

d. kassen voor tomatencultuur;

e. industriële produkten.

Voor uitvoer naar Nederland werd gedacht aan:

a. levende paarden en runderen;

b. rund-, varkens- en paardevlees;

c. vleeswaren in de vorm van salamie en in blik;

d. geslacht pluimvee;

e. kaas;

f. vis en visprodukten, waaronder kaviaar.

In verband met het gestelde onder a — uitvoer naar Nederland — zij vermeld, dat
ik in Boekarest in de lift van het hotel de directeur van de Donau-Rijn-Handel N.V.
ontmoette, die mij vertelde belangstelling te hebben voor paarden.

-ocr page 477-

Wat ik in Roemenië waarnam en vernam.

Aan de buitenzijde van Boekarest bevindt zich het Instituut Pasteur, alwaar — naast
onderzoekingen op het terrein der diergeneeskunde — óók de produktie van sera en
vaccins plaatsvindt. .\'Van deze inrichting zijn meer dan 1000 personen, waaronder 94
dierenartsen, werkzaam. Naar mij werd medegedeeld, worden in dit Instituut óók
entstoffen voor export geproduceerd en als afnemende landen werden genoemd
België, Engeland en Zwitserland. Opvallend was de grote vergader- en demonstratie-
zaal.

Onder dit centrale instituut ressorteren de regionale instituten, alwaar patholoog-
anatomische, bacteriologische, parasitologische en serologische onderzoekingen, zo-
mede die ten aanzien van levensmiddelen van dierlijke herkomst, streeksgewijze
worden verricht.

Ik had het genoegen het regionale instituut te Timisoara, daterend van 1958 en
nog niet geheel klaar, te bezichtigen.

Aan deze inrichting waren als wetenschappelijke personen 7 dierenartsen en 2 che-
mici verbonden.

Aangezien Roemenië terzake in 16 regionen is verdeeld, zijn vele dierenartsen aan
deze inrichtingen werkzaam. Het huidige aantal van 3000 Roemeense dierenartsen
wordt mede in verband met de grootte van het land dan ook onvoldoende geacht
en getracht wordt dit aantal op te voeren tot minstens 5000.

De studie voor dierenarts is, met inbegrip van kost en inwoning, kosteloos. .Alléén
de studieboeken, welke de student in zijn bezit wil hebben, moet hij zelf betalen.
Wanneer hij afgestudeerd is beoordeelt een Staatscommissie waar hij te werk zal
worden gesteld.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de landstreek waarvan hij af-
komstig is en hij kan terzake wensen kenbaar maken. Indien hij tijdens zijn studie
speciale belangstelling aan de dag heeft gelegd voor wetenschappelijk onderzoek en
daarvoor aanleg blijkt te bezitten, krijgt hij een plaats aan een der bovenbedoelde
instituten.

.Alle dierenartsen, óók de praktizerende, zijn Staatsambtenaar, hetgeen inhoudt, dat
zij van Staatswe.ge worden betaald. Boven zijn salaris kan hij bij een uitzonderlijk
goed gedrag een premie krijgen en zelfs een onderscheiding, waaraan faciliteiten
zijn verbonden.

Het door de praktizerende dierenarts te gebruiken instrumentarium en de te zijner
beschikking staande apotheek zijn eigendom van de Staat. De tegen kwitantie ont-
vangen gelden wegens door hern geleverde medicamenten vloeien terug in de
Staatskas. Ook de honoraria voor werkzaamheden ten behoeve van de zo,genaamde
private veehouders komen in de kas van de Staat.

Iedere praktizerende dierenarts heeft te zijner beschikking een gemotoriseerd voer-
tuig, hetwelk het eigendom van de Staat is. In uitzonderingsgvallen, indien de om-
standigheden daartoe nopen, is dit vervoersmiddel een auto. De voor de uitoefening
van de praktijk benodigde benzine wordt door de Staat betaald.

Voor ingrijpende operaties, onderscheidenlijk voor speciale behandelingen, kent men
veterinaire hospitalen. Een dergelijke inrichting werd mij getoond in Timisoara.
Daaraan waren twee dierenartsen, waarvan één inwonend, verbonden.
Bij opneming in het hospitaal moet voor een klein dier 5 Lei (ƒ 1,50) en voor een
groot dier 10 Lei (ƒ 3,-) per dag betaald worden.

Verstrekte medicamenten worden in rekening gebracht en het benodigde voer wordt
gewoonlijk door de eigenaar van het dier zelf aangevoerd.

In de omgeving van Ploesti, met name te Blejoi en te Breaza, werd een tweetal
inrichtingen ten behoeve van kunstmatige inseminatie bij runderen en schapen be-
zichtigd. Bevruchting van deze dieren vindt vrijwel uitsluitend plaats langs kunst-
matige weg. .Alleen in de bergachtige streken heeft bevruchting op de nätuurlijke
wijze plaats.

Door het aanhouden van prima stieren -- Simmenthalers, oorspronkelijk uit Zwit-

-ocr page 478-

seriand — hoopt men tot verbetering van het ras, zowel in de melk- als in de vlees-
richting, te geraken.

De directeur van de inrichting te Blejoi, een landbouwkundig ingenieur, — er was
ook een veterinair aan verbonden — deelde mede, dat bij de 1ste inseminatie 62,5%
van de runderen drachtig werd en bij de 2de inseminatie dit percentage steeg tot
85,5. Volgde bij een 3de inseminatie geen graviditeit dan werd een speciaal onder-
zoek naar de oorzaak daarvan ingesteld.

De inseminatie vindt kosteloos plaats. Iedere 4 dagen wordt sperma afgenomen en
bij jonge dieren om 6-8 dagen. In een keurig ingericht laboratorium wordt het
sperma regelmatig onderzocht en — vermengd met eigeel en citraat — bewaard.
Zeer interessant was het bezoek aan de Gospodarie Agricola Colectiva te Harman in
de omgeving van Brasov, het vroegere Kronstad.

Dit collectieve boerenbedrijf was in 1950 gestart met 44 families met 108 ha, als-
mede 4 koeien en 1 varken. Thans was het uitgegroeid tot 738 families met 2058 ha,
ongeacht de benodigde weidegrond, welke aan de Staat toebehoort en door deze
aan het collectieve bedrijf in gebruik wordt gegeven.

Dit bedrijf omvatte thans 1150 runderen, waarvan 527 koeien, 1350 varkens, waar-
van 121 zeugen, 1750 schapen, 147 paarden en 3750 stuks pluimvee (hennen).
Aan dit gemengde bedrijf -- waar tevens aardappelen, suikerbieten, haver, gerst,
mais, boekweit, klaver, alsmede op een oppervlakte van 6 ha fruit wordt verbouwd
— zijn verbonden een dierenarts, een landbouwkundig ingenieur en een drietal
landbouwtechnici.

Aan het hoofd staat een president, bijgestaan door een raad, terwijl voorts een com-
plete administratie ter beschikking staat.

In deze collectieve gemeenschap zijn mannen en vrouwen gelijk berechtigd en .ge-
nieten zij onder meer dezelfde salariëring, met dien verstande, dat de mannen het
zware en de vrouwen het lichte werk verrichten.

Voorzover de kinderen de leeftijd van 16 jaar nog niet hebben bereikt en vrij van
school zijn, mogen ook zij in het collectieve bedrijf worden ingeschakeld. Niet zodra
zij echter 16 jaar zijn geworden, moeten zij, indien zij althans collectivist wensen te
worden, bij de raad van het bedrijf een daartoe strekkend verzoek indienen. Zij zijn
daarin echter .geheel vrij.

De betaling, welke de collectivisten maandelijks ontvangen, is iedere maand gelijk
en niet afhankelijk van de opbrengst in die periode.

Een zekere reserve wordt gekweekt om mis-oogst te kunnen opvangen.
Bij grote calamiteiten springt de Staat bij. Behalve in geld worden de collectivisten
regelmati,g ook in natura betaald, met name in eieren, melk, kaas, suiker en koffie.
Tweemaal per jaar, na de oogst en na het opmaken van de balans van het bedrijf,
worden onder hen bovendien verdeeld fruit, groenten, aardappelen, wijn, hooi, stro
en vocdcrmiddelen voor dieren.

Getracht wordt de arbeid in het collectieve bedrijf tc stimuleren door het verlenen
van premies voor bijzondere prestaties.

Bij ziekte van een collectivist wordt het gemiddelde van de laatste zes maanden als
maandloon uitgekeerd. Voor de vorming van een pensioenfonds wordt 4% van de
totaal-opbrengst van het collectieve bedrijf aangewend.

Op mijn vraag of het aantal collectieve bedrijven zich in stijgende lijn bevindt, kreeg
ik een ontkennend antwoord met als motivering, dat er naar wordt gestreefd kleine
bedrijven samen te voegen tot grotere.

Het collectieve bedrijf beschikt over grote, goed ingerichte en verspreid staande
stallen, voor elke diersoort afzonderlijk en aan de buitenzijde geheel wit.
In de varkensstallen zeugen met bi,ggen in diverse grootten in ruime zindelijke
hokken. Een grote koppel rundvee — Simmenthalers — liep een eindweegs verder
onder toezicht te grazen.

De collectivisten wonen bijeen in eenvoudige gelijkvormige huizen. Bij de bouw
daarvan wordt hulp van het bedrijf ondervonden. .Aangezien het in Roemenië alge-
meen gebruikelijk is, dat óók de .gehuwde vrouw in het arbeidsproces is in.geschakeld,

-ocr page 479-

worden bij deze collectieve bedrijven ook kinderverzorgingsplaatsen aangetroffen.
.Aan iedere collectivist is bovendien nog een kwart ha grond toegewezen voor eigen
gebruik. Daarenboven heeft hij het recht een koe cn twee kalveren, een zeug en twee
mestvarkens, tien schapen en pluimvee in ongelimiteerde hoeveelheid te houden.
Het bezit van arbcidsdieren is evenwel aan dc eenling niet toegestaan.
Het was vooral in de omgeving van Timisoara, dat langs de weg grote rode borden
stonden met opschriften betrekking hebbende op het collectivisme.
De vertaling van een dezer opschriften luidde als volgt:

„Collectivisten! Het is noodzakelijk, dat in de collectieve landbouwbedrijven
een grotere opmerkzaamheid wordt besteed aan dc vermeerdering van de vee-
stapel, welke een volksgoed is, teneinde aldus een verhoging van het inkomen
veilig te stellen."

Naast de collectieve landbouwbedrijven kent men die van de Staat. Het Staatsbedrijf,
hetwelk mij werd getoond, was gelegen te Gcarmata in de omgeving van Timisoara
en heeft een oppervlakte van 3500 ha.

C.ezien de uitgestrektheid van dit bedrijf is van de goede gedachte uitgegaan de
benodigde voedingsmiddelen zo dicht mogelijk bij de huisvesting van de consumenten
te verbouwen. Heel duidelijk kwam dit tot uitdrukking bij dc varkensstallen, waarin
uitsluitend varkens van het inheemse landtype worden gehouden, met als voor-
naamste kenmerken: hoog op de benen, enigszins langgerekt en grote hangende oren.
De runderen waren Sirnmenthalers. Met het sperma van eigen stieren werden de
koeien langs kunstmatige weg bevrucht. Opvallend was, dat het melken uitsluitend
met de hand geschiedde.

Op dit bedrijf bevonden zich niet minder dan 34.000 kalkoenen, welke in koppels
van 2500 in het open veld werden gehouden. Een overdekte ruimte bood daarbij een
beschutting gedurende dc nacht. Eigenaardig was het evenwel, dat de kalkoenen de
overdekking vrijwel geheel hadden vernield.

Een geslagen pomp in de onmiddellijke omgeving stelde de drinkwatervoorziening
veilig.

Naast veeteelt, werd ook akkerbouw bedreven met onder meer een zeer uitgebreide
druiven teelt.

In totaal heb ik een viertal openbare slachthuizen gezien.

Dat de Boekarest is een grote enigszins verouderde inrichting, waaraan ongeveer
1300 personen verbonden zijn, die allen, slachters en vleesrijders incluis, in Staats-
dienst, dus Staats-ambtenaar, zijn.

Achttien dierenartsen, waaronder enige vrouwelijke, zijn in dit bedrijf werkzaam.
Runderen werden door middel van de neksteek gedood, In de grote runderhal vond
de keuring aan de band plaats, waarbij een dierenarts staande op een verhoging de
geslachte dieren, voornamelijk jongvee van matige kwaliteit, aan zich voorbij zag
trekken. Met het afkeuren van levers had hij een zeer royale hand; veel levers ver-
dwenen in het confiscaatvat.

Enige meters verder verzamelde een meisje organen met interne secretie, met name
bijnieren.

De wervelkolom werd electrisch gekliefd. Nadat de keuring beëindigd was, werd
slechts een enkel goedkeuringsmerk op het vlees geplaatst en direct daarna werd
het vlees afgestoken in vierendelen.

Toen mijnerzijds de opmerking werd gemaakt, dat dit verse afsteken het aspect van
het vlees niet ten goede kwam, luidde het antwoord, dat dit vlees voor vleeswaren-
bereiding bestemd was.

Voor goed begrip zij vermeld, dat de Staat bij aanvoer op het slachthuis van dc
slachtdieren deze overneemt van de oorspronkelijke eigenaren en dat al het vlees
in het slachthuis derhalve eigendom van de Staat is en dat het van hieruit verdeeld
wordt over vleeswarenfabrieken en vleeswinkels. Ten behoeve van deze verdeling
wordt bij runderen een indeling in 4 klassen en voor paarden en varkens in 3 klassen
toegepast.

-ocr page 480-

Zowel in de runder- als in de varkenshal werd ten behoeve van de hygiëne rijkelijk
met water gewerkt.

Varkens worden bij hun volle bewustzijn aan een jacobsladder omhoog gehesen en
vervolgens gestoken. Met electrische bedwelming was de ervaring opgedaan, dat dit
aanleiding gaf tot spierbloedingen.

Overwogen werd, aldus mijn zegsman, een installatie voor CO^-bedwelming te
bouwen.

Varkens, bestemd voor vleeswarenbereiding, werden zonder gebroeid te zijn van de
huid ontdaan. De huid wordt aangewend voor lederbereiding.

Ook het onderliggende vet — spek — werd verwijderd en onmiddellijk daarna ge-
smolten. De lange en strenge winter is oorzaak van een grote behoefte aan vet.
Varkens, bestemd voor winkelverkoop, worden op de gebruikelijke wijze gebroeid en
onthaard. Een vrouwelijke dierenarts was zodanig opgesteld, dat alle geslachte var-
kens haar moesten passeren. Zij was speciaal belast met een onderzoek op de aan-
wezigheid van de
Cysticercus cellulosae.

Daartoe maakte zij insnijdingen in de nek- en psoasspieren.
Voordien waren reeds monsters voor het onderzoek op trichinen genomen.
De zich op het terrein bevindende
pluimveeslachterij was modern met veel licht en
roestvrij staal. Deze inrichting, waar ook voor export werd geslacht, stond onder
leiding van een vrouwelijke dierenarts.

Het in het openbaar slachthius verzamelde bloed werd op het terrein zelve tot bloed-
meel verwerkt.

Het bij het slachthuis behorende laboratorium was onderverdeeld in drie gedeelten,
te weten respectievelijk voor het bacteriologisch-, chemisch- en trichinoscopisch
onderzoek. In het laatste gedeelte bevond zich een drietal trichinoscopen. Per dag
werden per persoon 60-75 geslachte varkens op het voorkomen van trichinen onder-
zocht.

Het vleesvervoer over grotere afstand geschiedde in gekoelde wagens, welke aan de
binnenzijde geheel met metaal waren bekleed. Het voor vleeswinkels bestemde vlees,
alsmede vlees voor vervoer over grotere afstand, vond hangende plaats. Opvallend
was het, dat bij het laden van het vlees, het schoeisel van de man in de wagen door
grote witte hoezen bedekt was.

Het openbaar slachthuis te Contanza, een stad van 167.000 inwoners aan de Zwarte
Zee, dateert van 1936 en alhoewel reeds meer dan 25 jaar oud wordt daaraan nog
steeds gebouwd. Het slachthuis is in het bezit van een spoorwegaansluiting. Op het
grote terrein bevindt zich, geheel apart, een modern ingerichte pluimveeslachterij.
Daarnaast ligt de plaats waar het aangevoerde vee door de Staat wordt overgenomen
en alwaar zich de stallen bevinden. In dit gedeelte is eveneens aanwezig de afdeling
waar zieke en wrakke dieren worden geslacht.

De slachtdieren, waaraan bij de keuring vóór het slachten geen afwijkingen zijn
waargenomen, worden voorzover het runderen betreft, voor het betreden van de
slachthal door middel van een douche zoveel mogelijk van vuil gereinigd. In de
slachthal is een centrale verbloedingsplaats en de keuring geschiedt aan de band.
In de varkenshal worden de varkens eensdeels onthuid en van vet ontdaan, ander-
deels op de gebruikelijke wijze gebroeid en onthaard.

De genomen monsters voor het onderzoek op trichinen worden in een onmiddellijk
aan de varkens-hal grenzende ruimte op de gebruikelijke wijze verwerkt en met
behulp van een tweetal trichinoscopen bekeken.

.Aan de andere zijde van de vei bindingsgang, waarop de slachthallen uitkomen, be-
vinden zich de koelruimten en — in aansluiting daarop — de laadplaats van het
vlees, alsmede een reeds in vergevorderd stadium van aanbouw zijnde vleeswaren-
fabriek.

De scheiding tussen het onreine en het reine deel van het slachthuis komt hier zeer
duidelijk tot uiting.

Het openbaar slachthuis te Timisoara is gesticht in 1905. Tot 1944 was er praktisch
1260

-ocr page 481-

gesproken niets aan veranderd. In 1960 is een aanvang gemaakt met de moderni-
senng en verwacht wordt, dat in 1965 een meer aan de eisen des tijds beantwoor-
dende inrichting zal zijn verkregen.

Aan de hand van een maquette werden mij de plannen, waarin was opgenomen de
oprichting van een vleeswarenfabriek, toegelicht. Het ligt in de bedoeling het gehele
terrein te asfalteren.

Centraal bevond zich het koelhuis met een diepvries-afdeling. Aan de ene zijde de
runderslachthal met centrale verbloedingsplaats en keuring aan de band en aan de
andere zijde de varkenshal, welke reeds duidelijk tekenen van vernieuwing vertoont.
Ook hier worden de varkens zonder voorafgaande bedwelming gedood.
In tegenstelling tot de beide vorige slachthuizen passeren alle geslachte varkens de
broeikuip en de ontharingsmachine. Keuring vindt plaats aan de lopende band.
Op mijn vraag in de lokaliteit, waar het trichine-onderzoek geschiedt, wanneer het
laaUte geval van trichinen was geconstateerd, kwam van een der onderzoekende
meisjes spontaan het antwoord: in maart van dit jaar.

Ter verduidelijking zij opgemerkt, dat Timisoara is gelegen in een Duits sprekend
gedeelte van Roemenië. De vindster had een premie van 500 Lei (ƒ 150,-) ont-
vangen. Aan dit slachthuis zijn 5 dierenartsen verbonden.

Het nieuwe openbare slachthuis te Ploësti is vrijwel gereed cn zou op 15 oktober in
gebruik worden genomen. Teneinde dit te kunnen verwezenlijken, werd in een drie-
ploegen-stelsel in continu-arbeid de afwerking van dit slachthuis ter hand genomen.
Te rechterzijde van de verbindingsgang zijn de slachthallen voor de verschillende
diersoorten gelegen en aan de linkerzijde de koelruimten met daarachter een zeer
goed ingerichte afdeling voor vleeswarenbereiding met de nieuwste machines. Run-
deren zullen hangend worden verbloed en de keuring zal plaatsvinden aan de band.
Een scherpe scheiding tussen het reine en het onreine gedeelte is aangebracht. Op-
vallend was het, dat in elke afdeling goede ruime wasgelegenheden en toiletten zijn
ingericht. Bij de kleedgelegenheden bevinden zich bovendien douches. Kortom, dit
binnenkort in bedrijf te stellen slachthuis maakte een zeer goede indruk.
In Sinaja werd een speciale salamie-fabriek in ogenschouw genomen.
Het is een oude inrichting, doch ook hiér is de modernisering van het bedrijf ter
hand .genomen. Aangezien de produktie is ingesteld op de bereiding van winter-
salamie, ligt het bedrijf in de zomer stil. Ditmaal werd deze rust benut voor het aan-
brengen van vernieuwingen, verbeteringen en het plaatsen van nieuwe machines.
De geproduceerde salamie eist een lange rijpingstijd van 6 maanden en meer. Voor
dit doel zijn boven Sinaja eni.ge bewaarplaatsen ingericht, waarin duizenden worsten,
elk voorzien van de datum van bereiding, het nummer van dc afbinder en het ken-
teken van de charge, bedekt met schimmel hingen te drogen. Beweerd werd, dat de
lucht ter plaatse daartoe zeer geëigend was.

De vleeswarenfabriek te Sibin, het oude Hermanstad, gelegen aan weerszijden van
een straat, bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte.

Het geheel maakt een behoorlijke indruk en aan de reinheid wordt de nodige aan-
dacht besteed. Op het terrein van het nieuwe gedeelte is een speciaal voor deze
vleeswarenfabriek producerende blikfabriek gebouwd, welke op het punt staat in
bedrijf te worden gesteld. Mijn zegsman vertelde mij, dat de aldaar te vervaardigen
blikken niet van papieren wikkels zullen worden voorzien, doch — in stede daarvan
- - de opschriften en aanduidingen gelithografeerd zuilen zijn op het blik.
In Boekarest werd mij een 14 jaar oude inrichting voor diepvriesprodukten ge-
toond, waarin 1200 personen werkzaam zijn. De huidige directeur van dit bedrijf
is een ingenieur. Aan dit zeer hygiënisch bedrijf is, behalve een dierenarts, ook een
medicus verbonden. Deze laatste controleert het personeel niet alleen op ziekte-
verschijnselen, doch let er tevens op of .geen uitscheiders van pathogene bacteriën
onder hen voorkomen. Nauwkeurige aandacht wordt besteed aan het vrouwelijke
personeel. Tijdens de menstruatie wordt vanwege het bedrijf maandverband ver-
strekt.

-ocr page 482-

Gocdi- kleedlokalen, voorzien van vvas- en douche-gelegenheden, zijn aanwezig. Ten
behoeve van de reiniging van de bedrijfskleding staat cen eigen wasserij ter be-
schikkin.g.

Behalve groenten en fruit wordt óók vlees voor diepvriesdocleinden verwerkt.
Het te verwerken vlees had cen gemiddelde temperatuur van 5° C, echter nimmer
boven 10° C. Het personeel in deze afdeling was, hetzij van hoofddeksels, hetzij van
cen doek rondom het haar, voorzien, terwijl dc mond was afgedekt als bij iemand,
die een operatie verricht.

Op de verpakking werd door middel van een etiket de datum van dc verpakking,
het gewicht, alsmede een nummer aangebracht.

Opslag der diepvries-produkten vond plaats bij een temperatuur van — 36° C.
Een zeer hygiënische inrichting is het nielkverwerkende bedrijf te Boekarest met
400 man personeel. Da.gelijks wordt in dit continu-bcdrijf 300.000 liter melk ver-
werkt. De produkten zijn naast melk in flessen, room, slagroom, yoghurt en boter,
alsmede roomijs. Naar mij werd medegedeeld telt Ro<-mcnië zeven van dergelijke
bedrijven.

Ook hier een ei.gen wasserij voor de bedrijfskleding. Het personeel war, in het wit
.gekleed, de schoonmaaksters daarente.gen in het blauw.

Voor de verpakking van boter en roomijs, alsmede voor het vullen van dc flessen
met melk, worden de meest moderne machines gebruikt.

Na daags voor mijn vertrek naar Nederland per vliegtuig uit Timisoara in Boekarest
te zijn teruggekeerd, had ik wederom een onderhoud met Prof. Dr. O 1 i g o r. Hij
wilde gaarne vernemen welke mijn bcvindin.gen waren tijdens mijn verblijf in zijn
land en bij aldien ik op- of aanmerkingen had, verzocht hij mij deze openhartig
uit te spreken.

Van deze mij geboden .gelegenheid heb ik dankbaar gebruik gemaakt.
Naar aanleiding van mijn opmerking, dat het mij getoonde diepvriesbedrijf, alsmede
het nielkverwerkende bedrijf, beide tc Boekarest, op cen hoger plan stonden dan de
openbare slachthuizen te Boekarest, Constanza cn Timisoara, repliceerde Prof. Gligor,
dat ik niet uit het oog moest verliezen, dat dit oude inrichtingen waren, almicde dat
in deze eeuw Roemenië driemaal in ccn oorlog betrokken was geweest en dat het
mij bovendien wel opgevallen zou zijn, dat overal niet voortvarendheid aan vernieu-
wingen en verbeteringen gewerkt werd, getuige het nieuwe openbare shuhthuis te
Ploësti.

Gezien het feit, dat het mij bekend was, dat in Roemenie is voorgeschn-ven, dat
slachthuispersoneel een periodiek geneeskundig onderzoek, niet inbegrip van faeccs-
controlc, moet ondergaan, meende ik tc moeten vaststellen, dat dc toiletten en dc
daarbij geboden gele,genhcid tot het wassen der handen met deze bepaling niet sti\'cds
in overeenstemming waren, .\\ndcrs gezc.gd, aan het wassen der handen na gebruik-
making van het toilet zal meer aandacht moeten worden besteed cn goede gelegen-
heden, vcx)rzovcr niet aanwezig, zullen daartoe dienen te worden geschapen.
Professor Gligor onderschreef dit volkomen.

Tengevolge van het feit, dat — naar het mij voorkwam — verschillende koi4iiirich-
tin.gen te klein waren in verband met dc hoeveelheid daarin geborgen vlees, hing het
vlees meermalen te dicht opeen, hetgeen een gcK-de luchtcirculatic en in verband
daarmede de verlenging van de houdbaarheid van het vlees, niet ten gCK\'dc komt.
Onaangenaam was ik getroffen door het feit dat het slachten van varkens .gcschicddc
zonder enige voorafgaande bedwelming. Indien elektrische bedwelming moeilijk-
heden veroorzaakt met betrekking tot het optreden van spierbloedin.gen, dan is er
toch nog de bedwelming met een Schermer of Cash pistool en de nieuwere methode
door middel van
CO2.

Professor Gligor stelde dc globale weergave van mijn bevindingen ten zeerste op prijs
en verzekerde, dat bij cen volgens bezoek aan zijn land geconstateerd zou kunnen
worden, dat met de gemaakte opmerkingen rekening was .gehouden.

Ik mo,ge dit verslag besluiten met de mededeling, dat allerwegc in Roemenië ge-
1262

-ocr page 483-

büuwd wordt, niet alleen in het industriële vlak, doch ook woningen in flatvorni en
dat, naar het mij voorkwam, ook veel gevoel voor kunst bestaat, getuige de musea,
welke in vele, zelfs kleine, plaatsen worden aangetroffen en waarvan mij het inte-
rieur met een zekere trots is getoond.

Via Praag keerde ik op 28 september in het vaderland terug.
Een vermoeiende, doch zcci- interessante reis was ten einde.

Van de Veearfsenijkundige Diensf

MOND- EN KL.\\UWZEER.

Dc mond- en klauwzceruitbraak 1962-1963 begon op 19 oktober 1962 te Sieben-
gewald in Limburg. De ziekte blijkt zich ook het langst in deze provincie tc hand-
haven.

In de week van 29 augustus tot 5 september kwamen alleen in Limburg twee nieuwe
ziektegevallen voor. De week daarop deden zich in het gehele land geen nieuwe ge-
vallen voor, maar in de week van 12 tot 19 september meldde Limburg weer een
nieuw geval.

Dc hardnekkigheid waarmee dc smetstof zich in deze provincie handhaaft, gaf aan-
leiding tot verscherpte controle in het Limburgse gebied.

PILLORUM-.ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. S-002, geproduceerd door N.V. Philips
Duphar te Olst, voldoet aan dc gestelde ci.sen en is mitsdien door de Directeur van
dc Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 15 juli 1964.

DOORLOPENDE AGENDA

1963

Oktober,

1, Afd. Utrecht K.N.M.v.D. .Algemene ledenvergadering, 20.00 uur, Hotel
Smits, Utrccht. (pag. 1202)

2, Sticrenkcuring, Leeuwarden.

5, Afd. Gelderland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 14.30 u\\ir. Hotel
Royal, Arnhem (pag. 1041).

5, .Afd. Limburg K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 15.00 uur. Hotel Vonken,
Valkenburg, (pag. 1264)

8, .Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Modern, Tilburr. (pag. 1264)
9-10, Centrale Jonge hengstenkeuring N.W.P., Groningen.

12, Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier K.N.M.v.D. 63c leden-
vergadering, 14.30 uur. Kliniek voor Kleine Huisdieren, Utrecht (pag
1265)

13—19, D.I.G., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstclling annex fokveedag. Hoornaar.

18—19, Kon, Ned, Maatschappij voor Diergeneeskunde, 110e Algemene Ver-
gadering, Utrecht, (pag, 467, 620)

31, 6e Vooriichting.sdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur, Utrccht

November,

5 en 6, 110e Ned, Landhuishoudkundig Congres, Emmeloord (pag. 1037).
9—10, Genootschap v. Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, Zutphen.

-ocr page 484-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij
voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Koninkijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU
.Algemene Vergadering 1963.

Aanvulling van het programma.

Met de vorige aflevering is de leden als losse bijlage een aanvulling van het pro-
.gramma toegezonden.

Voor het geval bedoelde bijlage niet mocht zijn ontvangen, wordt deze op verzoek
alsnog toegestuurd.

Feestelijke vrijdagavond.

Blijkens de opgaven voor het „Maatschappijdiner" stond bij het ter perse gaan van
deze aflevering al vast, df t er veel animo voor de feestelijke maaltijd is. In verband
met de — onvermijdelijke — latere verschijning van de aflevering van 15 september
j.1. werd tijd voor opgave enkele dagen verkort.

Degenen, die aan het diner willen deelnemen en zich nog niet hebben opgegeven,

wordt verzocht dit spoedig na de verschijning van dit nummer te doen.

Voor nadere gegevens wordt verwezen naar pagina 1201 van de vorige aflevering.

Jubilea.

De volgende dierenartsen hopen op donderdag 3 oktober a.s. him veertigjarig dieren-
artsenjubilcum te vieren:

K. F. M. H. Bloemen, Panhcclderweg, Heel.
C. F. P. Soetens, Celebesstraat 36, Baarn.
Onderstaande dierenartsen hopen op maandag 7 oktober a.s. hun vijfentwintigjarig
dierenartsjubileum tc vieren:

C. H. Hcrweijer, Nieuwestraat 62, Strijen.
W. Weening, Nieuwe Zeeweg 46, Noordwijk aan Zee.
B. A. Wolbert, Denckamperstraat 32, Oldenzaal,

Promoties.

Op donderdag 3 oktober a.s. om 16.15 uur hoopt collega A. W. Kersjes te Utrecht
aan de Rijksuniversiteit tc promoveren op het proefschrift, getiteld: „Over synovia en
synovitis".

Op donderdag 17 oktober om 16.15 uur hoopt collega H. A. Brouwer te Oss aan.
de Rijksuniversiteit tc Utrecht te promoveren op het proefschrift, getiteld: „De nor-
male en pathologische anatomie en histologie van de arteriële component van het
coronaire circulatiesysteem".

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Limburg.

De afdeling Limburg van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt
zijn eerstvolgende ledenvergadering op
zaterdag 5 otober a.s., om 15.00 uur in Hotel
Vonken, Valkenburg.

Afdeling Noord-Brabant.

De afdeling Noord-Brabar.t van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde

-ocr page 485-

zal zijn eerstvolgende ledenvergadering houden op dinsdag 8 oktober a.s. om 20.00
uur
in Hotel Modern, Tilburg.

V.\'VN DE GROEPEN

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

De Groep houdt haar 63e ledenvergadering op zaterdag 12 oktober a.s., om 14.30
uur
in de Kliniek voor Kleine Huisdieren. Alexander Numankade 91, Utrecht.
Als spreker zal optreden collega H. L. L. van Werven: De arts van het Kleine
H uisdier.

Groep: Hoofden van Vleeskeuringsdiensten. Jaarverslag 1962.

Op 1 januari 1962 telde de Groep 138 leden.

In de loop van het jaar verminderde dit aantal met 13, n.1.

a. met 2, door het overlijden van de coli. J. Kranenburg en J. Groene-
wold;

b. met 3. door bedanken wegens pensioncnn.g (H. H. ten Have, V. Manen
en N i e u h
O f f) ;

c. met 3, door bedanken wegens verandering van werkkring (W. Altenburg,
Dr. Van Nie, T. van Roon);

d. met 5, door overschrijving van lid naar buitengewcxjn lid (S. B r a n d s m a,
F. J. A. Bruins, E. a! Galesloot, H. J. Hei Iers ig, H. P. Piel).

Het aantal vermeerderde in de loop van het jaar weer met 11 leden, n.1.

a. met 7, door toetreding van dc coli. R. F e d d e s, C. J. Hoe k, Dr. B. H. K e s-
s e n s, J. M e e r t e n s, E. Th. F. S o o d t, J. T e e s, J. V e c n h o f.

b. met 4, door overschrijving van buitengewoon lid naar lid (M. B. ten Have
F. Koppen, K. P. Postma, H. Vis).

Op 31 december 1962 was het aantal leden dus geworden: 136.
Het aantal buitengewone leden was op 1 januari 1962: 60.
Dit aantal verminderde met 6, n.1.

a. met 2, wegens overlijden van de coli. W. F. G. van G a p e 1 1 e en H. P. Piel;

b. rnet 4, door overschrijving van buitengewoon lid naar lid (M. B. ten Have,
F. K o p p e n, K. P. P o s t m a, H. V i s).

En dit aantal steeg met 11, n.1.

a. met .\'),d oor overschrijving van lid naar buitengewoon lid {S>. B r a n d s m a,
F. J. A. Bruins, E. A. Galesloot, H. J. H e i 1 e r s i g, H. P. Piel);

b. met 6, door toetreding tot buitengewoon lid (H. Blaak, H. J. ter Heege,
E. J. v. d. Kuip, J. P. v. N
O u h u y s, T. v. d. Poe 1, J. T u e r 1 i n g s).

Op 31 december 1962 telde de Groep dus 65 buitengewone leden.
Door de dood ontvielen de Groep 2 leden en 2 buitengewone leden, n.1. de collegae
J. Groenewold (24-12), J. Kranenburg (25-10), W. F. G. van Gapelle (31-1),
H. P. Piel (21-10).

Voorts overleed op 18-4 Prof. C. F. van Oijen, de leermeester van bijna alle tegen-
woordige directeuren van vleeskeuringsdiensten en op 28-12 Dr. A. Clarenburg die
als hoofd van de afd. Zoönosen van het R.I.V. met de Groep zeer goede relaties
onderhield en vele malen lezingen verzorgde.

Jubilea.

De Maatschappij voor Diergeneeskunde herdacht dit jaar haar 100-jarig bestaan.
De oud-veterinaire hoofdinspecteur E. J. A. Qu a e d v 1 i e g en coli. G. v a n
Soest vierden hun 50-jarig dierenarts-jubileum, de coli. F. J. A. Bruins, J.
Drijfhout, E. A. Galesloot, J. A. H a g e, P. J. H i 1 a r i d e s, B. Lok
en Dr. J. M. vanVloten hun 40-jarig dierenarts-jubileum en de coli. J. Kraai,
J. M e e r t e n s, K. v. d. Poel, R. S c h u u r m a n s en G. W. J. Wouters hun
25-jarig dierenarts-jubileum.

-ocr page 486-

Onderscheidingen.

Ter gelegenheid van haar 100-jarig bestaan vi/erd de Maatschappij voor Diergenees-
kunde onderscheiden met het predikaat:
Koninklijke.

De voorzitter van de Maatschappij, tevens ere-lid van de Groep, M. K a r s c m e y c r,
coll. F. J. Bruins en Dr. C. Postma werden benoemd tot Officier in de
Orde van Oranje Nassau en coll. A. Hibma tot Ridder in de Orde van Oranje
Nassau.

Ter gelegenheid van zijn 40-jarig dierenarts-jubileum benoemde de Groep Dr. J. M.
van Vloten tot
ere-lid, hierbij tot uitdrukking brengend de waardering voor de
steun die de Groep altijd van hem ontvangt èn de waardering voor de prettige ver-
houding die steeds tussen de Veterinaire Hoofdinspectie en dc Groep bestaat.

Ledenvergaderingen.

Er werden 4 ledenvergaderingen gehouden, waarvan ,3 te Utrccht en 1 tc \'s-Her-
togenbosch,

De eerste vergadering werd gehouden op zaterdag 10 februari te Utrecht,
,\\aanwezig waren 50 leden, 13 buitengewone leden en 3 gasten,

\\\'oor dc lunch hield Dr, A, Tasman van het R,I,\\\', een voordracht over het
vóórkomen en de preventie van tetanus.

Na de lunch sprak coll. van Keulen over radioactiviteit en vleeskeuring.
De 2e ledenvergadering, tevens de jaarvergadering, had plaats op donderdag 12 april
te Utrecht.

.Aanwezig waren 55 leden, 12 buitengewone leden en 2 gasten.

Ir. J. B. Obbink van het C.B.S. behandelde het onderwerp; De statistiek van de
dierlijke produktie.
De aanwezigen kregen een indruk waarom de wekelijkse opgaven
van het aantal slachtingen voor het C.B.S. belangrijk zijn en waarvoor al dit cijfer-
materiaal dient. Dat ook het C.B.S. van de discussie na dc lezing profijt heeft ge-
trokken, moge blijken uit het feit dat met ingang van 1 januari 1963 dc redactie
van dc opgavefonnulicren werd gewijzigd.

Dc bespreking over het vervoer van vlees en de nadere keuring van ingevoerd voor-
verpakt vl( es nam in deze vergadering nog al wat tijd in beslag.

Dc secretaris en dc penningmeester brachten hun jaarverslag uit. De kascotuinissic,
bestaande uit dc coll. Meiessen en Naafs bracht verslag uit van haar controle-
werkzaamheden. Het jaar sloot met een batig saldo van ƒ 1438,15.
Het jaarverslag van dc secretaris en het financieel verslag werden onveranderd goed-
gekeurd. Tot dc leden van dc kascommissie 1962 werden benoemd coll. Snijder
en coll. Den Baars.

Dc 3c ledenvergadering werd gehouden op donderdag 24 mei in het Oranje-hotel
te \'s-Hertogenbosch. 46 leden en 13 buitengewone leden tekenden de presentielijst.
Dc vergadering duurde slechts kort, cr werden alleen enkele huishoudelijke zaken
afgewikkeld. De verdere dag was dc Groep met de dames (42!) de gast van Grasso\'s
Machinefabrieken N.V., die tevens de gehele organisatie op zich had genomen. Dc
dames bezichtigden \'s morgens de St. Jan\'s Kathedraal en na de lunch de fabrieken
van de Gruytcr. Om in de sfeer te blijven, mag hier worden gezegd dat de dames voor
100% tevreden waren over deze excursie.

Dc heren zagen in de fabriekshallen van Grasso het produktieproces van onderdelen
voor koelmachines en kregen aldus een indruk wat cr zoal moet gebeuren voor een
koelmachine kan worden afgeleverd. .Aan het slot hield Ir. S t o 1 k een lezing over
vlecskocling.

Deze gehele dag stond in het teken van de gemoedelijke Brabantse gastvrijheid, ge-
kleurd met een zacht zakelijk tintje.

De 4e vergadering werd gehouden op donderdag 6 december te Utrecht. Aanwezig
waren 51 leden, 14 buitengewone leden en 2 gasten.

Dit was een zeer belangrijke vergadering, afgestemd op de dagelijkse praktijk van
de vleeskeuring. C^oll. .A. J. .A. B c r k e m c y e r hield een zeer gedegen inleiding over

-ocr page 487-

het „Proces-verbaal". Het bestuur meende .goed te doen vooraf ter oriëntatie aan
de leden toe te zenden de brochure: „Opsporing van strafbare feiten" uitge.geven
door dc Hoofdinspectie. Dit geschenk betekende echter een flinke aderlating voor
de kas.

Verder gaf Dr. V a n 1 o t c n een duidelijke uiteenzetting over de nadere wijziging
van het Eisenbesluit (K.B. van 23 oktober 1962) en over de nadere keuring van
ingevoerd voorverpakt vlees. Vele schriftelijke vragen hierover werden door de spre-
ker beantwoord.

Evenals het vorig jaar werd weer cen gemeenschappelijke vergadering belegd met
dc Vereniging van Slachthuisdirccteuren en wel op donderdag 4 oktober te Utrecht.
De presentielijst werd .gctckent door 68 personen.

De Vereniging van Slachthuisdirccteuren, belast met de organisatie, had als sprekers
uitgenodigd Prof. Dr. J. H. J. van Gils, die sprak over zijn reis naar Rusland
en Ir. D. K r o e s k e, die het onderwerp: „Vergelijkende mestproeven met jonge
mannelijke varkens" behandelde.

De goede verhouding met de Vereniging van Slachthuisdirccteuren kwam verder tot
uiting in het gezamenlijk uitgeven van dc brochure „Vlecsvervocr", de gezamenlijke
organisatie van de opleiding van de Vleeskeuringslaboranten en een gecombineerde
bestuur: vergadering, waarin actuele vlecskcuringsproblemen — o.a. nadere keuring
— ter sprake kwamen.

lieatuur.

Dr. A. \\V. A. Bos, Waalwijk, voorzitter;

D. Frielin.g, Kampen, secretaris;

G. Hoogstraten, .Amstelveen, penningmeester;

K. V. d. Poel, Brielle, lid;

A. H. P. V. d. Put, Geleen, lid;

Dr. D. M. Hoogland, De Bilt-ere-voorzitter;

D. V. d. Veen, Oudewater, erelid;

M. Karsemeijer, Alphen a.d. Rijn, erelid, tevens adviseur;
Dr. J. J. M. van Vloten, \'s-Gravenhagc, erelid;

,1. ,1. Ooms, Tilburg, afgevaardigde in het algemeen bestuur van dc Maatschappij
voor Diergeneeskunde.

liesluursrictiviteiten en vertegenwoordigingen.

Er werden 2 bestuursvergaderin.gen gehouden en, zoals reeds vcrnu4d, ccn bistuurs-
vergadering tezamen met het bestuur der Vereniging van Slachthuisdirccteuren.
Het .gehele bestuur was aanwezig bij dc officiële herdenking van het 100-jarig be-
staan der Maatschappij voor Diergeneeskunde in dc Domkerk te Utrecht.
Tweemaal was cen deputatie van het bestuur op bezoek bij de Veterinaire Hoofd-
inspectie ter bespreking van enkele actuele vraagstukken. Eveneens tweemaal werd
cen deputatie uitgenodigd door het P.V.V. voor een bespreking ter verkrijging van
uniformiteit inzake weging van .geslachte dieren.

Enkele bestuursleden vertegenwoordigden de Groep bij de crematie van coll. J.
Kranenburg.

Ook waren enkele be.stuursleden aanwezig bij de feestelijke herdenking van het 60-
jarig bestaan van het slachthuis te Utrecht, bij het afscheid van coll. F. J. A.
Bruins en bij het Symposium Radioactiviteit en Stralenbescherming tc Leiden.
Daar het bestuur wegens een ledenvergadering verhinderd was, nam coll. B u s s i n k
namens de Groep de honneurs waar bij de heropening van het gemoderniseerde
slachthuis te Doetinchem.

Coll. dc Vries vertegenwoordigde dc Groep op het congres tc Nice.
Nabeschouwing.

Het jaar 1962 verliep voor de vereniging zonder schokkende gebeurtenissen. Het

-ocr page 488-

aantal mutaties was bijzonder groot. Het ledenaantal daalde met twee; een tijdelijk
verschijnsel, daar enkele vacatures nog niet waren vervuld.
Het aantal buitengewone leden steeg met vijf.

De vergaderingen waren steeds behoorlijk goed bezocht (60-75 personen) en hadden
steeds een geanimeerd verrloop.

Dc nadere wijziging van het Eisenbesluit (K.B. van 23 okt. 1962) met een zeer be-
langrijke uitbreiding der verkoopplaatsen van vlees werd op 28 november van kracht.
Welke gevolgen deze uitbreiding der verkoopplaatsen voor de vleeskeuringsdiensten
zal hebben en welke vlucht deze wijze van verkoop zal hebben, is momenteel nog
niet te bekijken. Maar zeker is, dat de controlewerkzaamheden der keuringsdiensten
aanmerkelijk verzwaard zullen worden.

D. Frieling, secretaris.

PERSON.ALIA

Het Hoofdbestuur heeft collega J. van Dijk, Burg. Falkenaweg 16, Heerenveen, aan-
genomen als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Het Hoofdbestuur heeft de diergeneeskundige student K. F. G. Moll, M. H. Tromp-
straat 11 bis, Utrecht, aangenomen als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Boots, P. J. M. H., te Breda, naar Kon. Emmalaan 10, aldaar, tel. (01600) 3 38 64,
gr. 1077483. (150)

Brouwer, H. A., van Zeist naar Oss, St. Willibrordusweg 98, tel. (04120) 40 81
(privé), 88 88 toestel 213 (bur.), gr. 875394, research-dierenarts bij Unilever.

(153)

Bijlenga, Dr. G., te Genève, naar 5 .\\venue Mare Monnier aldaar (tel. ongewijzigd).

(215)

Heege Gzn., J. H. ter, van Voorschoten naar Assen, lepenlaan 15, tcl. (05920)
27 84 (privé), 33 47 (bur.), gr. 871868, dir. v.d. prov. G.v.D. in Drenthe. (166)
Hooft P. Jzn., P. J., van \'s-Gravenhage naar Wouw (N.-Br.), St. Leonardushof 8,
gr. 1156475, (170)

Hoopen, W, ten, te Lochem, naar Haitsma Mulicrlaan 11, aldaar, tel, (06730) 14 96.

(171)

Jacobs, J., van Grocnckan naar Meppel, Zuideinde 99, tel. (05220) 17 45 (bur.), h.

V. d. wetensch. afd. v. d. N.V. Verapharm. (172)

Jansen, P. F. J., te Haariem, aangesloten onder tel. bureau (02500) 1 75 75. (173)
Jansingh, L. W., van Grootegast naar Veendam, Ubbo Wilkensstraat 3, tel. (05987)
25 08, R.D. (173)

Janssen, B. H. A., te \'s-Hertogenbosch, gr. gewijzigd in 1085193. (173)

Knops, C. J., te Sittard, naar Vijvcrweg 4 aldaar (tel. on.gewijzigd). (\'77)

Lckkerkerkcr, A., te Haaksbergen, naar Molenweg 48 aldaar (tel. ongewijzigd). (181)
Lycklama a Nijeholt, P.; 1963; Utrecht, Mulderstraat 43 bis; tel. (030) 2 45 93
(privé), 1 19 94 toestel 281 (bur.); wetensch. ambt. R.U. (F.d.D., afd. trop cn
protozoaire ziekten). (182)

Nubé, H. J., te Leeuwarden, naar Harlingerstraatweg 107 aldaar, (tel. ongewijzigd).

(187)

Rosmalen, Dr. W. G. van, te Rotterdam-Overschie, tel. .gewijzigd in (010) 15 11 35.

(194)

Sasse, H. H. L.; 1963; Utrecht, Tolstcc.gplantsoen 28 H; D. (in mil. dienst). (195)
Schnitker, H., van San Jacinto naar .Arlington (Galifornia), 4229 van Buren blvd.

(217)

Soodt, E. Th. F., van Amsterdam naar Elburg, Wildcmaetstraat 15, tel. bureau
(05250) 734. (199)

Warrink, J., te Holten (Ov.), aangesloten onder tel. (05483) 253 (privé), 515
(bur.). (210)

-ocr page 489-

Zwart, Dr. P., te Bunnik, functie gewijzigd in wctensch. h.ambt. R.U. (F.d.D.,
afd. heelkunde). (214)

Gevestigd:

Grootenhuis-Woltin.g, Mevr. D. M., te Naarden, Julianalaan 20, tel. (02959) 3 07 82,
sp. (uitsl. kl. huisd.) ma. en wo. 14-15, di., do. en vr. 20-21 uur (vrije vestiging).

064)

Benoemd:

Rinses, A., te Scherpenisse, te rekenen m.i.v. 1 juli 1963, tot Rijksheurmeester in
bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Oud-Vosscmeer.

(193)

Smit, M. P., te .Amsterdam, tc rekenen m.i.v. 1 juli 1963, tot Rijkskeurmeester in
bijzondere dienst bij dc Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Amsterdam.

(199)

Eervol ontslag:

Brouwer, H. A., te Oss, te rekenen m.i.v. 1 september 1963, op zijn verzoek, als
Rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst. (153)

Groot, J. H. de, te Zutphen, te rekenen m.i.v. 1 oktober 1963, op zijn verzoek, als
Rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst. (1*64)

RECTIFICATIE

DIERZIEKTENBESTRIJDING.

In de onder de rubriek „Ingezonden" opgenomen bijdrage van collega J. J. van
Dijk (Oudewater) op pag. 1075 (aflevering 17, 1963) dient de zin

„de fokzeugen en fokberen moeten éénmaal per jaar worden geënt"
ten rechte te worden gelezen:

„de fokzeugen en fokberen moeten éénmaal per halfjaar worden geënt".

BANDEN VOOR HET
TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE 1962

Verkrijgbaar bij het secretariaat ä ƒ 4,50 per stel.

-ocr page 490-

WOLFS NEDERLAND N.V.

vraagt

VERTEGENWOORDIGER

goed geïntroduceerd bij dierenartsen van
Noord-West Nederland, voor verkoop
van welbekende pharmaceutische
specialiteiten.

Sollicitaties te zenden aan
WOLFS NEDERLAND N.V. - Postbus 70 - EMMEN.

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deelnemingen In het beleggingsfonds voor Medici zijn elk kwartaal
verkrijgbaar voor artsen, tandartsen
en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen,
ook indien zij buiten Nederland wonen.

Men kan in het Fonds participeren voor één of meer deelnemingen.
Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000, — .

Inlichtingen verstrekt de directie:
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappif

Keizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 67661

VASTE ASSISTENT gevraagd

in grote-huisdieren praktijk in het Noorden van het land.
Huis met tuin beschikbaar; salaris nader overeen te komen.

Brieven onder no, 30,/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rübenslaan 123 te Utrecht.

Per 1 januari 1964 ter overneming aangeboden een

GROTE-HUISDIEREN PRAKTIJK

IN HET NOORDEN VAN HET LAND.

Indien gewenst, is assistentie vanaf heden mogelijk.

Brieven onder no. 29/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht, _

-ocr page 491-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

[V. T. Truijen, Kreupele en verlamde varkens — Lameness and

paralysis in pigs —...........1271

J. M. M. Goossens, K. H. Hermans, P. H. A. M. van Maanen,
C. W. J. M. van der Riet en L. J. ]. A. Roppe, Behandeling van
stoornissen in de geslachtscyclus bij het rund met Nymfalon —
Treatment of disturbances in the bovine sexual cyclus with
Nymfalon
—............1294

KLINISCHE LESSEN

G. Wagenaar, P. Krediet en C. J. van Nie, Enkele gevallen
van aangeboren hartgebreken bij het rund — Some cases of
congenital heart defects in the cow
—......1298

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

]. J. Koopman, Chronische kopervergiftiging bij schapen en
lammeren — Chronical copper intoxication in sheep and lambs
1308

REFERATEN

Algemeen.............1310

Bacteriële- en virusziekten.........1311

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....1312

Voedingsmiddelenhygiëne.........1313

Zootechniek.............1313

BOEKBESPREKING

F. C. Aitken, Feeding of fur-bearing animals.....1315

BERICHTEN EN VERSLAGEN

VlIUh Meeting of the European Meat Research Workers II . 1316

CONGRESSEN

Wissenschaftliche Gesellschaft für Veterinärmedizin in der

D.D.R., Congres Leipzig, 8-10 oktober 1964 ..... 1318

Wessanen\'s rundveestudiedagen, Zwolle en Utrecht, okt. 1963 1318

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1319

VARIA............ 1293, 1307, 1309, 1324

DOORLOPENDE AGENDA............1324

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het bureau............1325

Personalia.............1325

-ocr page 492-
-ocr page 493-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Kreupele en verlamde varkens.

Lameness and paralysis in pigs.

door W. T. TRUIJEN»)

Van de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Brabant.

Inleiding.

Kreupelheden en verlanuningen komen bij varkens nogal eens voor. In
de economie van de varkenshouderij spelen deze verschijnselen een rol
omdat ze optreden als symptoom van ziekten, waardoor de groei, het
voederverbruik en andere belangrijke levensprocessen in ongunstige zin be-
ïnvloed worden, of omdat ze als een op zichzelf staande afwijking een na-
delig effect sorteren.

Het is vooral de practicus die steeds weer ojjnieuw voor het probleem komt
te staan de diagnose te stellen en therapeutisch juist in te grijpen, of een,
vooral economisch, verantwoord advies te geven.

Het is de bedoeling van dit artikel een overzicht te geven van de voor-
naamste oorzaken van deze afwijkingen. Eveneens zullen de te gebruiken
therapieën en de te geven adviezen, welke zoveel mogelijk op de praktijk
afgestemd zijn, bcsi)roken worden.

Na een korte beschouwing over de anaumese, het klinische onderzoek en
de sectie, hebben wij getracht het elkaar vaak overlappende terrein van de
bewegingsstoornissen, eingszins te ordenen. Hierbij worden eerst de echte
kreupelheden besproken, waarna in het tweede gedeelte de verlammingen
onder de loep genomen worden.

Niet alle in dit artikel genoemde ziektegevallen komen in Nederland voor.
Waar deze toch behandeld worden, geschiedt dit met het oog op de moge-
lijkheid dat ze in de toekomst wèl zullen voorkomen.

De anamne.se.

Voor het stellen van een juiste diagnose, is cen goede anamnese van het
grootste belang. Hiierbij kunnen dc volgende vragen, die men de eigenaar
of zichzelf kan stellen, van betekenis zijn.

1. ALGEMEEN.

Treedt de aandoening bij één dier of bij meerdere dieren op?
Zijn het jonge of oude dieren?
Zijn het fok- of mestvarkens?

Wanneer werd de afv/ijking voor het eerst geconstateerd?
Is de afwijking plot.seling of geleidelijk ontstaan?
Is zij sinds het ontstaan verergerd of gelijk gebleven?
Liggen de dieren veel?

Zijn ze pas aangekocht, vervoerd of van hok veranderd?
Zijn ze pas gedekt, of hebben ze pas gebigd?
Vechten de dieren?

-ocr page 494-

Is de kreupelheid op harde bodem ernstiger dan op zachte?
Wordt de kreupelheid bij beweging minder?

2. VOEDING.

Hoe is de voedingstoestand?

Hoe is de eetlust?

Zijn de dieren snel gegroeid?

Wordt er volledig meel gevoerd of voert men op een andere manier?
(b.v. eigen granen, pulp, keukenafval, etc.)
Kan er een vergiftiging in het spel zijn?

3. HYGIËNE EN HUISVESTING.

Binnenhok: hoe is de vloer (eventueel oneffenheden), hoe is de stal-
temperatuur; wordt er voldoende bodemstrooisel gebruikt?
Buitenhok: is dit voldoende geïsoleerd en droog?

Weiland of uitloop: bevinden zich daar harde voorwerpen (steenpuin);
is de grond bevroren ?

Hoe is het gesteld met de doorgang van binnen naar buiten (hoge
drempel, te nauwe deuropening) ?
Dat de practicus vaak de tijd ontbreekt om een uitvoerige anamnese op te
nemen is algemeen bekend, maar toch zijn wij van mening, dat het bij
deze afwijkingen zaak is, niet de patiënt alleen te onderzoeken, maar ook
de zogenaamde „Umwelt" bij het onderzoek te betrekken.

Het klinisch onderzoek.

Dit zal zich hoofdzakelijk beperken tot enkele punten n.1.:

1. het opnemen van de lichaamstemperatuur;

2. het vaststellen aan welke poot (poten) het dier kreupel is, of waar het
verlamd is:

3. het constateren of het een belastings- of bewegings-kreupelhcid is, waar-
bij het laten uitvoeren van actieve bewegingen een hulpmiddel kan
zijn;

4. het lokaliseren van eventuele aandoeningen van huid, spieren, pezen,
gewrichten, beenderen, klauwen, tussen-ïilauwspleet of zool, waardoor
de kreupelheid veroorzaakt zou kunnen worden.

Palpatie, percussie en het uitvoeren van passieve bewegingen kunnen
hierbij van nut zijn. Bij grotere dieren is ook rectaal onderzoek mogelijk.
In bijzondere gevallen kan men dan nog overgaan tot:

5. punctie van gewrichten met daarop aansluitend macroscopisch, micro-
scopisch en bacteriologisch onderzoek van het punctaat en eventueel
een gevoeligheidsbepaling van het gekweekte micro-organisme;

6. bloedonderzoek (bloed-kweek; serumagglutinatie-, precipatie- en
complementbindingsreactie; onderzoek op sporenelementen);

7. diagnostische injecties (b.v. V.Z.-tuberculinatie);

8. röntgenologisch onderzoek.

Het pathologisch-anatomisch onderzoek.

Waanneer het een koppelaandoening betreft en indien deze met sterfte ge-
paard gaat, kan het verrichten van sectie op één of meer gestorven dieren
van veel belang zijn. Indien er nog geen sterfte is opgetreden, maar wel

-ocr page 495-

\\eel dieren ernstig ziek zijn, is het raadzaam in overleg met de eigenaar
een dier met duidelijke verschijnselen op te offeren voor het onderzoek.
Hierbij kan behalve van het pathologisch-anatomisch onderzoek, bij bij-
zondere gevallen gebruik gemaakt worden van het microscopisch, bacte-
riologisch, virulogisch, serologisch en biologisch onderzoek, (inspuiten
van proefdieren). In dergelijke gevallen is het raadzaam dat de practicus
een beroej) doet op een laboratorium dat hiertoe de mogelijkheden biedt.
Wanneer dieren voor een dergelijk onderzoek worden opgestuurd naar een
laboratorium, is het noodzakelijk dat er een duidelijke en zo uitgebreid
mogelijke anamnese aan wordt toegevoegd.

I. Kreupelheden.

Onder kreupelheid wordt \\erstaan: het niet normaal kunnen gebruiken
van een of meerdere ledematen.

Kreupelheden treden hoofdzakelijk op ten gevolge van infectieziekten,
\\oedingsfouten of mechanisch insult. .Van de hand van deze indeling willen
wij thans een aantal ziekten en afwijkingen bespreken, waarbij nader in-
gegaan wordt op klinische symptomen, diagnostiek, therapie en eventueel
te verstrekken adviezen, tenzij deze zeer voor de hand liggend zijn of als
algemeen bekend \\-erondersteid mogen worden. Tot slot zal een en ander
gezegd worden over de differentieel diagnostiek.

A. INFECTIE-ZIEKTEN.

1. Mond- en klauwzeer.

Aetiologie: tot nu toe zijn in Nederland \\oorgekomen de mond- en klauw-
zeer virus-typen A, O en C; in andere landen (.Afrika, Azië) de typen
SAT-1, -2 en -3 en Asia-1.

Klinische symptomen: dc eerste symptomen zijn: blijven liggen, lopen op de
voorknieën en kreupelheid; daarna: blaren oj) de mucosa van de mond,
op de kroonrand cn de huid tussen en boven de klauwen, op de spenen van
zogende zeugen en op het rostrum. De blaren breken spoedig door. De
incubatietijd is 2-7 dagen, soms ook langer. Voorts stijging van de lichaams-
tem])eratuin-, anorcxie, speekselvloed en smakken. Abortus, mastitis en chro-
nische deformiteiten van de klauwen treden gewoonlijk op. Sterfte treedt
hoofdzakelijk op bij jonge dieren (aantasting van het myocard). De totale
sterfte is zelden hoger dan 5%.

De diagnose is meestal wel te stellen, hoewel twijfelgevallen voorkomen. In
dergelijke gevallen is laboratorium-diagnostiek mogelijk via diverse me-
thoden (o.a. complement-bindingsreactie en virus-neutralisatie-test).
Therapie: geen. In Nederland staat de ziekte in artikel 7 van de Veewet.
Op besmette bedrijven worden de varkens afgeslacht.

Profylaxis: een tweemalige vaccinatie met ± 14 dagen tussentijd, zal voor
beperkte tijd voldoende immuniteit geven. Hierdoor is men gedwongen de
enting regelmatig te herhalen. Momenteel vindt hierover in ons land een
onderzoek plaats. (Van B e k k u m, 1962)

2. Tuberculose: (Mycobacterium tuberculosis).

Door Dietz en Kuntze (1959) wordt tuberculose als veroorzaker van
artritis genoemd. Bij dergelijke gevallen kan men afwijkingen in de vorm

-ocr page 496-

van afwijkende gang, kreupelheid of verlammingen w aarnemen. Gezien het
geringe aantal gevallen van bovine tuberculose zal dit bij varkens in ons
land weinig voorkomen.

Het aviaire type komt hoofdzakelijk voor in die streken waar overjarige
kippen worden gehouden. (R o b ij n s, 1960)

Diagnostiek is eventueel mogelijk met behidp van tuberculinatie in het oor.
Bij toepassing van V-Z-tuberculinatie wordt de aviaire en bovine tuber-
culine elk aan één zijde van de kop in een huidplooi van de oorbasis ge-
injiceerd. Het varken liefst niet aan de oren fixeren, doch met een lus om
de bovenkaak.

Therapie: geen. Advies: slachten.
3. Vlekziekte:
(Erysipelothrix rhusiopathiae).

Vaak wordt hierdoor een polyatritis veroorzaakt, die aanvankelijk acuut
verloopt, met gewrichtsontsteking, pijn en kreupelheid.
Meestal duurt het slechts korte tijd, waardoor het nogal eens over het hoofd
gezien wordt. Daarna, wanneer het proces chronisch is geworden, is het
dier meestal helemaal pijnlijk en vertoont stijve gangen. Uiteindelijk wordt
het vaak een ossificerende arthritis deformans met exostosen.
Volgens Dietz en Kuntze (1959) komt het vooral bij oudere varkens
voor. Jansen, Van Dorssen en Frederik (1956) beschrijven dit
bij 10 weken oude biggen, die waarschijnlijk reeds bij de zeug vlekziekte
hadden doorgemaakt. Ze vertoonden kreupelheid, met dcformiteiten aan
de proximale uiteinden van metacarpus en metatarsus en de distale gedeel-
ten van carpus en tai-sus.

Diagnostiek: bij het levende dier. In het acute stadium ziet men hoge tem-
peratuur, anorexie en vlekken op de huid; deze diagnose kan bevestigd
worden door middel van een bloedkweek (J aarts veld, 19581. In het
chronische stadium stelt men de diagnose door middel van het aantonen
van agglutininen in het bloedserum; ook een gewrichtspunctic behoort tot
de mogelijkheden.

Postmortaal: diagnosestelling door het kweken \\an dc specifieke micro-
organismen uit de gewrichten.

Therapie: In het acute stadium de gebruikelijke therapie met penicilline
en vlekziekteserurn; het laatste eventueel intraveneus toe te dienen
(J aarts veld, 1958).

In het chronische stadium (D i e t z en K u n t z e, 1959) : Vit. D 2 - brhan-
deling naast voederregulatie en voorts 200.000-500.000 I.E. penicilline of
penicilline met streptomycine. Eventueel de behandeling herhalen. Ook is
het mogelijk een lokale behandeling met antibiotica -j- hydrocortison in te
stellen.

Voorts kan men een behandeling met een antihistaminicum instellen.
De
preventie van vlekziekte is mogelijk door middel van immunisatie. De
meest bekende methodes zijn: ^

1. simultaanenting;

2. enting met gedood vaccin;

3. enting met levend, avirulent vaccin.

Over de \\oor- en nadelen hiervan vindt men een uitgebreid overzicht in
Diergeneeskundig Memorandum (1959).

-ocr page 497-

4. Corynebacterium p y o g e n e s.

Volgens V a n d e r S c h a a f (1957), die ook een publikatie van Göret
en J o u b e r t aanhaalt, treedt er een pyobacillose bij biggen op, die lijkt
op een polyartritis.

Hierbij ontstaat een etterige ontsteking van de huid, de subcutis en zelfs van
de musculatuur van de ledematen. Tengevolge van bindvveefselwoekeringen
rondom de multipele ettterhaardjes kan elefantiasis optreden, vooral van de
achterste ledematen.

Volgens 1) i e t z en K u n t z e (1959) komen pyemieën bij varkens zelden
\\oor. Hierbij kimnen metastatisch artritiden optreden. Als een der veroor-
zakers noemen zij
Corynebacterium pyogenes.

De B r u i n en J a a r t s V e 1 d (1962) beschrijven het gecombineerd voor-
komen van ontstoken staartstompen en abcessen elders in het lichaam. Der-
gelijke varkens worden vaak kreupel of raken verlamd in de achterhand.
Bij bacteriologisch onderzoek werd hieruit in de meeste gevallen een rein-
cultiuH- \\an
Corynebacterium pyogenes geïsoleerd. De verlamming ontstaat
door druk op het ruggemerg ten gevolge van wervelabcessen.
Hoewel
Corynebacterium pyogenes met antibiotica is te beïnvloeden, is
hierxan in een zover gevorderd stadium weinig succes te verwachten.

5. Streptokokken, Stafylokokken en Pneumokokken.

Streptokokken vv-orden vaak gevonden als veroorzakers van acute
artritiden bij varkens. Voorts kunnen ze ook metastati.sch en als secundaire
infecties abcessen veroorzaken.

a. Artritis: meestal bij jonge dieren (V a n d e r S c h a a f, 1957; 1) o n e,
1957; Brookshank, 1958; Dunne, 1958; D i e t z en K u n t z e,
1959). De aandoening bepei kt zich vaak tot één gewricht. Het is een acute
artritis met een sterke zwelling ten gevolge van toename van de synoviale
vloeistof; deze is troebel en bevat veel leukocyten en fibrine.
Therapie: intra-articulaire injectie met antibiotica, (zonodig na gevoelig-
heidsbe]}aling) eventueel gecombineerd met parenterale sulfamezathine-
toediening of sulfapreparaten per os; tevens wordt kokkenvacin curatief èn
preventief toegepast.
(Diergeneeskundig Memorandum, 1955)

b. Abcessen: ook abcessen, verspreid in het lichaam, kunnen veroorzaakt
worden door Streptokokken. Afhankelijk \\an de plaats in het lichaam kan
kreupelheid of verlamming hierbij optreden. Dit komt meestal voor bij
oudere dieren.

Stafylokokken kunnen optreden als veroorzakers van artritiden en
abcessen. Men treft hetzelfde beeld als bij streptokokkeninfectie aan.
Pneumokokken: Terpstra en Akker mans (1954) beschrijven
een ]3neumokokkeninfectie bij biggen van 4-6 weken oud. Deze biggen
waren enkele dagen te\\oren gecastreerd. Op de 2e dag na de castratie
waren er enkele biggen gestorven; enige andere konden niet meer over-
eind of liepen moeilijk. Soms waren slechts enkele dieren in de koppel ziek,
soms ook de gehele koppel.

De verschijnselen waren verminderde eetlust, temperatuurverhoging (40-
40,5° C). De castratiewond was gezwollen en pijnlijk, evenals enkele ge-
wrichten (vooral aan de achterbenen).

-ocr page 498-

Therapie: sulfamezathine of penicilline per injectionem (50.000-100.000
I.E., 1-2 injecties).

Sectie: sereus bloederig geïnfiltreerde castratie-wond, fibrineuze peritonitis;
soms geringe fibrineuze pleuritis. De meeste gewrichten zijn overvuld met
vocht en bevatten soms pus-vlokjes. IDe parenchymateuze organen zijn ge-
zwollen en vertonen een gewolkt aspect. Enkele petechiën zijn onder de se-
reuze vliezen, de miltkapsel en in de nierschors zichtbaar.

6. Clostridium.

Het genus Clostridium kan verdeeld worden in twee groepen (Mori 11,
1958).

De eerste groep bestaat uit die welke het lichaam binnen gaan via wonden
of via de digestie-tractus en zich in de weefsels vermeerderen, de zoge-
naamde gas-gangreen groep. Hiertoe behoren o.a.
Clostridium chauvoei,
Clostridium septicum
en Clostridium perfringens.

De tweede groep is niet erg invasief, maar kan zich plaatselijk sterk ver-
meerderen en zeer krachtige toxinen produceren. Hiertoe behoort o.a.
Clostridium tetani.

a. Clostridium chauvoei:

Infectie hiermede komt bij varkens niet vaak \\oor. De predilectieplaats is
spierweef.sel. Ze veroorzaken een acuut ontstekingsproces, met veel gasvor-
ming, koorts, bacteriëmie, toxemic en de dood. Door aantasting van de
spieren treedt kreupelheid op.
Therapie: antibiotica (penicilline, aureomycine).

b. Clostridium septicum en Clostridium perfringens:

Komen speciaal voor bij wonden in spierweefsel. De wond wordt meestal
snel afgesloten door hemorragie cn zwelling van de plaatselijke spieren.
Hierdoor wordt het milieu voor de ontwikkeling van de clostridiën gunstig.
De algemene verschijnselen zijn koorts, anorexie, kreupelheid, zwakte en
dood binnen enkele uren tot 2-3 dagen. In de meeste gevallen treedt de
infectie o[) in aansluiting op injecties.

Jaartsvcld, Jan ssens en Jobse (1962) beschrijven een drietal ge-
vallen die optraden in aansluting op injecties met ijzerpreparaten. Zij toon-
den aan dat de huid be.smet kan zijn met deze bacteriën, die dan met de
injectienaald in het spierweefsel terecht komen.
Therapie: behandeling met penicilline.

Profylaxis: huiddesinfectie vóói\' het toedienen van injecties en vóór het
toepassen van chiiurgische ingrepen (castratie e.d.); nauwkeurige desinfec-
tie van het te gebruiken instrumentarium.

7. Haemophilus suis.

Ook wel genoemd de ziekte van Glasser (Glasser, 1950; Van der
Schaaf, 1957; DietzenKuntze, 1959).

l.)e bacterie kan een polyserositis opwekken. De ziekte komt in Nederland
veel voor. Ze treedt op bij biggen tussen 4 en 12 weken en wel vooral na
voederverandering of na vervoer („Marktziekte" - „Reisziekte").
De klinische symptomen zijn: kreupelheid, verminderde eetlust, tempera-
tiuirverhoging, een dubbelslag bij ademhaling, wegkruipen in het stro en

-ocr page 499-

pijnlijke gezwollen gewrichten. Soms ziet men hoesten en belemmerde
ademhaling.

Therapie: sulfapreparaten of antibiotica (tetracyclines, streptomycine).

8. Brucella suis.

Tot heden werd Brucella suis in Nederland nog niet aangetoond.
In verschillende nabuurlanden, vooral in België, komt deze ziekte echter
wel voor. Hierbij kunnen optreden: steriliteit, abortus, doodgeboren biggen,
orchitis, chronische artritiden en verlammingen, (I)ietz en Kuntze\'
1959; Mant hei, 1958).

De diagnose kan serologisch en bacteriologisch gesteld worden. Men kan de
brucella\'s direct uit het gewrichtspunctaat aantonen of b.v. uit vemorpen
foeten en testikels van beren. H u t y r a en M a r e k (1945) geven aan dat
ook
Brucella abortus bij varkens voorkomt.

9. Salmonella.

Volgens D i e t z en K u n t z e (1959) zouden bij salmonellosis metastatisch
artritiden kunnen optreden.

10. Escherichia coli.

Een coli-septicemie (Done, 1957; Dietz en Kuntze, 1959) kan bij
vroeggespeende biggen optreden, met als gevolg een diffuse purulente
meningitis en fibrino-purulent e.xsudaat in de sereuze holten. Hierbij kun-
nen metastatisch artritiden optreden. Meestal zijn de dieren echter dood
voordat het zover komt.

11. Panaritium.

Tot slot van deze infectieuze aandoeningen willen wij vermelden het zg.
panaritium (G 1 ä s s e r, H u p k a en We t z e 1, 1950i Reiche 1, 1962)!
Het is een ontsteking van onderhuids weefsel tussen de klauwen, aan de
kroonrand of aan de zoolballen; treedt meestal op in aansluiting op ver-
wondingen van de huid op die plaatsen, waarbij pyogcne- en necrose-bacil-
len optreden. De dieren liggen veel, zij zijn kreupel en zij hebben tempera-
tuurverhoging en slechte eetlust.

Tussen de wijduiteenstaande klauwen of aan de kroonrand of de zoolballen
ziet men een rode zwelling, die warm en pijnlijk is. Na enige tijd treedt er
doorbraak op, waarbij stinkende etter of necrose van huid en onderhuid is
waar te nemen. Het [jroces gaat hiermede in de meeste gevallen de goede
richting op.

Therapie: Behandeling met antibiotica; voorts wassen met wann sodawater
om de korsten te verweken; eventueel een nat desinfecterend verband aan-
leggen, waardoor het proces bespoedigd wordt. Men kan de fluctuerende
abcessen openen en de necrotische gedeelten verwijderen, fistelkanalen
splijten en een behandeling instellen met b.v. jodium-\'of levertraanzalf.

B. VOEDINGSFOUTEN.

1. Rachitis en osteomalacic.

Hierbij spelen calcium en fosfor een grote rol. In het rantsoen voor jonge
dieren en fokvarkens moeten de hoe\\eelheden Ca en P resp. 0.6% en 0,4%

-ocr page 500-

van de luchtdroge stof bedragen. Van grote betekenis is tevens het hand-
haven van een gunstige Ca-P-verhouding. Deze zal ongeveer 1,5 moeten
zijn (Neeteson, 1955; H a 1 a m a, 1958).

Het vitamine D heeft op deze kalk fosfor-stofwisseling een grote invloed.
Hiervan heeft het groeiende varken per kg totaalvoer (luchtdroog) nodig
200 I.E.

Zodra er dus tekorten of een foutieve verhouding ontstaan, zal de kans op
afwijkingen toenemen. Juist bij zeer snel groeiende varkens zullen deze
fouten de ernstigste gevolgen hebben. Bij de jonge groeiende dieren zal dit
zich uiten in rachitis, bij oudere dieren in osteomalacie. Deze beender-
verweking ziet men wel bij zeugen tegen het einde van de draagtijd en
tijdens de lactatie-periode.

Klinisch beeld.

Rachitis: achterblijven in groei, moeilijk staan, gespannen onbeholj)en
gang, wisselende kreupelheid, trippelen, verdikkingen aan de beenderen,
verkromde beenderen; kortom een beeld dat ieder practicus wel zal kennen.
Osteomalacie: achteruitgang in voedingstoestand, stijf lopen, moei-
lijk opstaan en gaan liggen en soms kreupelheden; voorts stofwisselings-
stoornissen en lil^ucht. Hierbij treden nogal eens fracturen op, meestal in
bekken, femur en ribben. Ook ziet men wel luxaties.

Therapie:

In beide gevallen zal een verbetering van het rantsoen (vooral letten oj) Ca
en P), geregelde v/eidegang (zonlicht) en vitamine D per injectionem ver-
betering mogelijk maken, vooral bij beginnende ge\\allen.
Zijn de afwijkingen reeds in ernstige mate aanwezig, dan zal dit slechts re-
sulteren in een versteviging van het beenweefsel waardoor fractuien voor-
kómen kunnen worden, maar de deformiteiten zullen niet meer verdwijnen.

2. E p i f y s i o 1 y s i s.

Deze treedt meestal op aan de ko]) van de femur.

H u [) k a (1959) beschrijft deze aandoening bij jonge beren, en Von
M i c k w i t z (1961) bij zeugen. Bij jonge beren, die pas aangekocht waren
trad deze epifysiolysis ojj bij het transport of na de eerste dekking; bij
zeugen in het verloojj van de draagtijd of na een zcx)gperiode. In beide ge-
vallen wordt het toegeschreven aan deficiënties in de voeding. Ilupka
vermoedt een avitaminose, terwijl bij de drie door Von M i c k w i t z be-
schreven gevallen van een duidelijk tekort aan dierlijk eiwit sprake was.
De aandoening begint soms met een geringe belastingkrcupelheid in één
of beide achterbenen; t.g.v. transport, dekken e.d. kan zich hieruit een
ernstige kreupelheid ontwikkelen, waarbij dan alleen de punt van de klauw
belast wordt, terwijl het been naar mediaan geplaatst wordt. Het opstaan
is zonder hulp bijna onmogelijk. Bij beren heeft het impotentia coeundi tot
gevolg.

Bij het stellen van de diagnose zal de anamnese een belangrijk hulpmiddel
zijn; mogelijk is crepitatie te voelen en ten slotte is röntgenologisch moge-
lijk om het gedeeltelijke of volledige loslaten van de femurkop vast te stellen.

3. M a n g a a n-d e f i c i ë n t i e.

Naast gebogen voorbenen kan hierbij ook kreupelheid optreden.
1278

-ocr page 501-

C. MECHANISCH INSULT.

1. Door de zeug veroorzaakte 1 a e s i e s b ij d e b ig g e n.

Deze kunnen resulteren in kreupelheid tengevolge van fracturen \\\'an been-
deren van één of meer ledematen, beschadiging van spieren, gewrichten of

zenuwen, of aftrappen \\an de hoornschoenen van de klauwtjes.

2. Fouten in hokken of uitloop.

a. Varkens, die steeds binnen worden gehouden in hokken met betonnen
\\ loeren zonder strooisel kimnen op den duur een te sterke afslijting van
de klauwen vertonen, waardoor pijnlijk lopen of kreupelheid kan op-
treden.

b. Bij dieren, die altijd buiten lopen in een natte of modderige uitloop of
die steeds in hokken \\\'erblijven met een dikke laag natte mest, kan door
de weke bodem de hoornschoen te weinig afslijten en daardoor veel te
lang worden, zodat eveneens kreupelheden kunnen ontstaan..

De stand van de klauwen kan zodoende sterk gaan afwijken van nor-
maal.

Knezevic (1962) beschrijft o.a. 4 gevallen van impotentia coëundi
bij dekberen ten gevolge van de zogenaamde stalklauwen, welke door
orthopedische behandeling werden genezen. Deze 4 beren dekten alle
weer binnen vier weken na de behandeling. Knezevic pleit voor een
gedeeltelijk verharde (beton) uitloop, waarop de dieren iedere dag
gedwongen zijn te lopen. Bij oudere dieren zou een regelmatige klauw-
\\erzorging (2.\\ per jaar) gewenst zijn.

c. Harde oneffenheden in de \\arkensweide — zoals ruwe bevroren grond
of b.\\-. steenpuin, waarmee lage gedeelten van de v/eide zijn opgevuld
om het ontstaan van modderpoelen tegen te gaan - - kunnen kneuzin-
gen en beschadigingen van de zool veroorzaïven, waardoor de dieren
kreupel gaan lojsen. Ook slechte roostervloeren in stallen voor mest-
varkens kunnen hetzelfde resultaat hebben.

d. .Slecht geïsoleerde hokken, natte vloeren en het ontbreken van bodem-
strooisel zullen vermoedelijk het optreden van reuma beïnvloeden.

(Anthony, 19.5.5)

e. Het vechten van varkens onderling, b.v. omdat ze uit eenzelfde trog
moeten eten, geeft nogal eens beschadiging van spieren, zenuwen of ge-
wrichten ten gevolge van bijtwonden. Ook hierdoor kunnen kreupel-
heden ontstaan.

3. Ruwe behandeling.

a. Steekwonden kunnen optreden ten gevolge van onvoorzichtig uitmesten
(riek). Artritiden kunnen hieruit voortkomen.

b. Ten ge\\olge van lossen en laden van varkens kunnen fracturen, dis-
torsies e.d. optreden.

c. Het laten dekken van zeer jonge varkens door een naar verhouding
te zware beer kan soortgelijke gevolgen hebben.

d. Ruwe omgang met zeugen die naar de beer geleid worden (touw aan
achterbeen), kan eveneens tot dergelijke aandoeningen leiden.

-ocr page 502-

Dc klinische symptomen zullen hierbij in het algemeen duidelijk genoeg zijn.
Bij fractiuen van beenderen der ledematen zal het betreffende been totaal
niet belast worden. Ontschoening, bijtwonden, te sterk afgesleten klauwen
en te lange klauwen zijn duidelijk waarneembaar.

Zooikneuzingen, steekwonden, distorsies e.d. geven heel wat meer moeilijk-
heden bij het onderzoek. Hierbij zal palpatie van klauwen, spieren en ge-
wrichten van het betreffende been van nut kunnen zijn. Bij dit soort aan-
doeningen zijn een uitvoerige anamnese en het goed opnemen van de omge-
ving van het dier (hok en uitloop) noodzakelijk om de diagnose te kunnen
stellen.

Wat de therapie betreft kunnen we kort zijn. Fracturen zullen bij \\arkens
om economische redenen zelden voor behandeling in aanmerking komen.
Voor klauwtjes waarvan de hoornschoen is afgetrapt en voor steek- en
bijtwonden, zal een nonnale wondbehandeling meestal wel voldoende zijn.
Te lange klauwen kimnen bijgeknipt worden. Een luxatie kan men even-
tueel onder narcose proberen te reponeren en een distorsie heeft rust nodig.
Belangrijker dan de therapie zijn hier de adviezen die de practicus dient
te geven ter voorkoming van dergelijke aandoeningen in de toekomst.
Wat laesies van biggen door de zeug betreft is het van belang kennis te ne-
men van dc nieuwere ontwikkelingen op het gebied van de zogenaamde
kraamstallen. Hierdoor neemt het aantal van dergelijke „verkeers"-onge-
\\allen sterk af. Vechten van zeugen wordt sterk verminderd door toepas-
sing van liet .systeem \\an de individuele voeding, waarbij iedere zeug in cen
afgesloten ruimte aan de trog komt en haar hok- of disgenoten niet kan
storen.

De meest gewenste leeftijd om zeugen te laten dekken is rond de 8 maanden;
dit zal echter ook afhankelijk moeten zijn van de ontwikkeling.
Toe|)assing van kunstmatige inseminatie is een methode om bovengenoem-
de „ongelukken" te voorkomen.

DIFFERENTIEEL DIAGNOSTIEK BETREFFENDE KREUPELHEDEN.

Hierbij willen wij als uitgangspunten nemen, het al of niet enzoötisch
\\oorkomen op het bedrijf cn de leeftijd van de dieren waarbij de kreupel-
heid optreedt.

1. Enzoötisch optredende kreupelheden.

Treedt de kreupelheid enzoötisch op bij alle leeftijdsgroepen dan moet men
denken aan mond- en klauwzeer of aan een infectie met
Corynebacterium
pyogenes
of Brucella suis. In het eerste geval zullen de kreupelheden snel
ontstaan en ziet men bovendien al vrij spoedig blaren en bloederige erosies
aan de kroonrand. Bij een
Corynebacterium pyogenes-\'mi&cim verloopt de
aandoening vele trager en zal er bovendien een fluctuerende zwelling van
de gewrichten zichtbaar zijn.

Bij een Brucella .fMU-infectie kan men naast de kreupelheden die veel lijken
op die bij een
Corynebacterium pyogenes-infeciie, op het bedrijf eveneens
\\ei-werperi, steriliteit en Orchitis aantreffen.

Behalve de bovengenoemde kreupelheden die dus bij alle leeftijdsgrcK-pen
op een bedrijf voorkomen zijn er andere kreupelheden die speciaal optreden
op een bepaalde leeftijd.

Bij biggen, die nog bij de zeug zijn, dient men bij het enzoötisch optreden
1280

-ocr page 503-

\\-an kreupelheden te denken aan Haemophilus suis, Streptokokken-, stafylo-
kokken-, Pneumokokken- of
Clostridium-miect\\e.s, of aan rachitis. De Hae-
mophilus suis-
en kokken-infectie zijn meestal acuut en hierbij ziet men al
vrij spoedig pijnlijke gezwollen gewrichten en temperatuurverhoging. Een
Clostridium-\'mïectK ziet men nogal eens in aansluiting op injecties, waarbij
dan sterke zwelling rond de injectieplaats optreedt. Bij rachitis zijn er be-
halve de kreupelheid meestal voldoende andere symptomen zoals dwerg-
groei, verkromming der ledematen en kyphosis in het caudale deel der rug-
wervelkolom.

Bij pasgespeende biggen — en dan vooral in aansluiting op voeder-verande-
ring en vervoer — zien we nogal eens een
Haemophilus-\'m{ecü&, die dan
enzoötisch optreedt.

Bij loopvarkens spelen als enzoötie vlekziekte en rachitis de hoofdrol. Het
grote verschil is dat de vlekziekte-artritis meestal het gevolg is van een of
andere vorm van acute vlekziekte, die vaak aan de aandacht van de eige-
naar ontsnapt is, terwijl rachitis geleidelijk ontstaat. Voor de differentieel
diagnostiek, die klinisch bijzonder moeilijk kan zijn, is het aantonen van
vlekziektc-agglutininen in het bloedserum mogelijk.

In deze categorie spelen fouten in de huisvesting en uitloop ook nogal eens
een rol. De kreupelheid is dan meestal gelokaliseerd in de klauw en een
inspectie van hok en uitloop zal de diagnose vergemakkelijken.
Bij zeugen kan men enzoötisch optredende kreupelheden zien bij osteoma-
lacic en voorts weer ten gevolge van de hierboven vcimelde fouten in de
huisvesting. Osteomalacic treedt in hoofdzaak op tegen het einde van de
draagtijd en in de lactatie-periode.

2. Sporadisch optredende kreupelheden.

Op enige uitzonderingen na zullen deze in hoofdzaak optreden ten gevolge
van mechani.sch insult. Als voorbeelden zijn te noemen het aftrajipen van de
hoornschoen van de klauwtjes bij biggen, steekwonden, ruwe behandeling
bij laden of lossen etc. Bebake mechanisch insult zijn in dit verband nog
van belang panaritium en epifysiolysis.
De diagnose van panaritium zal niet zo moeilijk zijn.

Bij de epifysiolysis is de anamnese van veel belang. Aanvankelijk is een ge-
ringe belastingskreupelheid aanwezig, die bv. na transport, dekken e.d. vrij
plotseling in een ernstige kreupelheid overgaat, waarbij alleen nog de punt
van de klauwen belast wordt en het been naar mediaan geplaatst wordt.
Deze epifysiolysis treedt in lioofdzaak op bij beren en zeugen.

H. Verlammingen.

Verlamming of paralysis is het verlies van het vermogen om een lichaams-
deel, spier of spiergroep te bewegen (Pinkhof, 1949). Het woord paresis,
hetgeen letterlijk „verslapping" betekent, duidt meer op een onvolkomen
verlamming of zwakte der beweging. Hierbij is de motiliteit sterk vermin-
derd, maar niet geheel gestoord.

Wester (1935) zegt: „Wat men paralyse noemt is meestal parese".
Deze twee begrippen worden dus blijkbaar nogal eens verwisseld.
Dc verlamming kan zijn een slappe verlamming óf een spastische verlam-
ming. In het eerste geval zijn de willekeurige en tevens de onwillekeurige
contracties onmogelijk. Bij de spasdsche paralyse zijn de willekeurige be-

-ocr page 504-

wegingen onmogelijk öf verminderd, terwijl de reflexprikkelbaarheid van
de spieren verhoogd is. Hierdoor verslappen de buigers niet bij het strek-
ken en de strekkers niet bij het buigen. Er ontstaat een rigiditeit van de
extremiteiten.

Verlammingen kunnen voorkomen met of zonder gevoelsstoomissen, afhan-
kelijk van het al of niet tegelijk beschadigd zijn van de sensibele zenuwen.
Door talrijke oorzaken kunnen bij varkens verlammingen of storingen in het
bewegingsapparaat optreden, die uiteindelijk kunnen overgaan in een ver-
lammingstoestand.

Wanneer wij deze oorzaken in groepen gaan indelen komen wij tot het
volgend overzicht:

A. Infectieziekten;

B. Parasitaire ziekten;

C. Voedingsfouten;

D. Intoxicaties;

E. Diversen.

VVij zullen de verschillende afwijkingen ook in deze volgorde bespreken,
om aan het slot weer een beschouwing te wijden aan de differentieel-
diagnostiek,

.A. INFECTIEZIEKTEN.
1. Ziekte van A u j e s z k y.

Het virus wordt uitgescheiden via het neusslijmvlies. De incubatietijd is 5-9
dagen.

Klinische symptomen:

Bij oudere varkens (.A k k e r m a n s, 1963; Meens en Van Golstein
Brouwers, 1960) temperatuurverhoging, verminderde eetlust, apathie
en moeilijk opstaan. Voorts kunnen optreden: \\-erlengde drachtigheidsduur.
schijndracht en abortus; soms worden dode en/of gemununificeerde biggen
geboren.

Bij jonge dieren: eerst lichte ataxie, rillen en doelloos roncllojjen, dan exci-
taties, woelen in stro, tandenknarsen, schuimbekken, bijten in voorwerpen.
Vrij spoedig dwangbewegingen, opisthotonus, fietsbewegingen, steeds lig-
gen op éénzelfde zijde, voortschrijdende verlammingen beginnend in de
achterhand, stei-fte binnen enige dagen. Hoe jonger de biggen zijn, hoe
sneller de ziekte verloopt en hoe meer sterfte er optreedt.
T e r p s t r a (1958a) — en \\olgens deze auteur ook diverse andere onder-
zoekers - - is van mening dat deze ziekte veel meer voorkomt dan men
denkt.

Akkermans (1963) toonde door middel van ondeizoek naar de aan-
wezigheid van neutraliserende antilichamen in het bloedserum aan, dat
deze ziekte over het gehele land verspreid voorkomt en vooral op fok-
bedrijven manifest wordt.

Als gevolg van het wisselend klinisch beeld is de diagnose echter vaak moei-
lijk.

Bij sectie vindt men weinig afwijkingen. Een lege maag, sterke gasvorming
in de dunne darmtractus, duidelijke rinitis en soms een overvulde blaas
(paralyse) zijn het meest opvallend (Akkerman s, 1963; M e e n s en
Van Golstein B ro u w e r s, 1960).

-ocr page 505-

Bij het histologisch hersenonderzoek is het voorkomen van necrotische haar-
den typisch. Voorts kan men zien: focale gliosis,
pseudo-neuronofagie en/of
neuronofagie en de aanwezigheid van Infiltraten van ontstekingscellen,
waaronder veel eosinofielen in de hersen\\ liezen en in de Virchow-Robinse
ruimten van de bloedvaten in de hersenen.

De diagnostiek is mogelijk via biologisch onderzoek, n.1. het intracerebaal,
intramusculair of subcutaan inspuiten van konijnen, caviae of muizen met
liersen- of ruggemergmateriaal \\ an het verdachte dier. Bij posiuef resultaat
sterft het proefdier 3 x 24 uur na de injectie.

Betere resultaten werden verkregen met het enten van weefselculturen
(Akkermans, 1963). Voorts is mogelijk de virusneutralisatie-reactie.
Therapie: geen.

Profylaxis is in zoverre mogelijk, dat men gezonde biggen uit aangetaste
koppels cen seruminjectie kan geven (Akkermans, 1962).

2. Teschener z i e k t e. (Veeartsenijkundige Dienst, 1954; J o n e s,
1958: K O e s t n e r, L a n g en K a s z a, 1962).

Veroorzakei\' is een neurotroojj virus, dat de basale gedeelten van de her-
senen, de kleine hersenen, de bulbus en de medulla spinalis (vnl. het lende-
merg) aantast. Verschillende onderzoekers (o.a. H u c k, C art w right
en P a t e r s o n, 1962), nemen aan dat de ziekte van Talfan en poliomye-
lids suum tot één groep van virussen behoren. Daarom zullen wij deze hier
niet apart bespreken.

De ziekte komt, voor zover bekend, uitsluitend bij varkens voor en kan
acuut, subacuut en chronisch verlopen. De incubatietijd is 1-4 weken. Kli-
nische sym])tomcn: temp. 40-41° C, matheid, verminderde eetlust, wanke-
lende gang in de achterhand.

Gewoonlijk treedt na enige uren of dagen een soort irritatiestadium op,
waarna een stijfheid van cle extremiteiten kan volgen, waarbij het dier her-
haaldelijk kan \\allen. .Sommige dieren vertonen een stijve trippelende gang,
terwijl ook verstijving van spieren kan \\oorkomen waarbij de \\oorbenen
naar voren geplaatst worden en de achterbenen achterwaarts gestrekt wor-
den. Bij ernstige gevallen kan men tremor, nystagmus, hevige clonische con-
vulsics en coma waarnemen.

Tenslotte treedt paralyse op, waarbij het dier kan zitten als een hond of
terzijde vallen en hulpeloos blijven liggen. Geluidsprikkels of aanraking kan
dan hevige opisthotonus en „fietsbewegingen" van de voorbenen tot gevolg
hebben. Sterfte kan in acute gevallen binnen 1 tot 4 dagen optreden.
Bij meer slepende gevallen ziet men een progressieve paralyse, waarbij het
dier uiteindelijk met decubitus blijft liggen, totdat het comateus wordt of
sterft aan bulbaire storingen. Bij het begin van een epizootic, en bij jonge
dieren, kan in 70-80% der gevallen sterfte optreden.
De natuurlijke infectie vindt waarschijnlijk plaats via de neus.
Bij
sectie zijn meestal geen macroscopisch zichtbare afwijkingen te vinden.
De diagnose moet dan ook gesteld worden aan de hand van het klinisch
beeld op het bedrijf met daarbij het histologisch hersenonderzoek. Hiertoe
is opzending van vers materiaal, nl, de ongeopende schedel en intact lende-
merg, gewikkeld in een in 1% formol gedrenkte doek naar het Centraal
Diergeneeskundig Instituut, afd, Amsterdam, gewenst,
\'Therapie: zonder succes. Vaccinatie is mogelijk, maar schijnt in verschil-
lende landen met wisselend succes te zijn toegepast.

-ocr page 506-

Deze ziekte is in ons land voor zover bekend nog niet voorgekomen.

3. Rabies.

Rabies schijnt zelden bij varkens voor te komen. De verschijnselen zijn de-
zelfde als bij andere diersoorten. Een excitatie-stadium, gevolgd door zwak-
te en uiteindelijke paralyse, gaan \\ ooraf aan de dood. In Amerika vond men
in de jaren 1952 en 1953 11.000 gevallen van rabies bij honden tegen 70
gevallen bij varkens (Shop e, 1958). Ook in West-Duitsland wordt rabies
bij varkens zelden geconstateerd.
(Deutsche Tierärztliche Wochenschrift:
„Tierseuchenberichte").

4. Listeriosis (Listeria monocytogenes).

Volgens Schwarte (1958) is de wijze van infecde en de incubatie-tijd
niet bekend. De ziekte komt het meest voor bij jonge dieren.
De
klinische verschijnselen wijzen op een aandoening van het centrale ze-
nuwstelsel. Temperatuurverhoging treedt in uiteenlopende mate op. De
meeste grotere varkens vertonen tremor; soms slepen ze met de achterbenen.
Verschillende graden van incoördinatie tot paralyse toe komen voor, tei-wijl
de voorbenen vaak een zekere stijfheid vertonen, zoals bij tetanus (geen
cirkelbewegingen).

J a r r e t, M c I n t y r e en T h o r p e (1959) beschrijven een praktijkgeval
waarbij verschillende biggen op een leeftijd van ± 3 weken stierven zonder
duidelijke verschijnselen. Op hetzelfde bedrijf werden ook enkele biggen in
een toom dood geboren. De moeders van deze biggen hadden ± 14 dagen
vóór het biggen slechts vage verschijnselen vertoond, n.1.: korte lijd niet eleu
en 2-3 dagen koorts. Tijdens het onderzoek werden slechts bij één big kort-
durende afwijkingen gevonden in de vorm van convulsies, nystagmus,
opisthotonus en achterover vallen. Daarna was deze big weer normaal.
De
diagnose kan gesteld worden op het klinisch beeld, aangevuld met sectie,
bacteriologisch onderzoek en histologisch hersenonderzoek.
Behandeling kan plaats vinden met antibiotica, hoewel biggen bij de zeug
met symjJtomen van een ernstige aantasting van het centrale zneuwstelsel
hierop niet schijnen te reageren.

5. Clostridium botulinum.

Komt bij varkens zelden voor. Het is eigenlijk meer een intoxicatie dan een
infectie (Mori 11 en B a j w a, 1958). De incubatie-periode is 8-72 uur.
Klinische symptomen\', progressieve zwakte van de spieren, beginnend in
hoofd, hals en voorhand en zich achterwaarts verspreidend over het lichaam.
Dit uit zich o.a. in locomotiesloornissen, eerst in de voorhand en daarna in
de achterhand.

Deze zwakte gaat o\\er in paralyse en uiteindelijk worden ook de adem-
halingsspieren aangetast, waarna de dood volgt len gevolge van verstikking.
Therapie: in vroeg stadiiun zou antitoxine-toediening helpen.

6. Streptokokken.

Deze worden vaak gevonden bij aandoeningen \\an het centrale zenuw-
stelsel, meestal bij jonge dieren (Dunne, 1958; Done, 1957; Brook-
shank, 1958; Jansen en VanDorssen, 1951).
De biggen vertonen duidelijke symptomen van encefalitis. Aanvankelijk

-ocr page 507-

temperatuunerhoging en anorexie; later paralyse in de achterhand, con-
vulsies en sterfte binnen 12-36 uur.
Therapie: behandeling met antibiotica.

7. S 1 i n g e r z i e k t e.

De aetiologie van deze veel voorkomende ziekte is nog steeds niet geheel
duidelijk. De reden dat wij de slingerziekte hier bespreken is dat vele onder-
zoekers (Sojka, Er skin e en Lloyd, 1957; L e m c k e, Bellis en
Hirsch, 1957) haar in verband brengen met
Escherichia coli.

De ziekte kan optreden bij varkens van verschillende leefdjden (Runn
1958). \' .1 V 1

Symptomen.

Biggen kunnen plotseling minder levendig worden en door oedeem van de
subcutis een korte dikke kop krijgen. Voorts kan oedeem aan de oogleden
optreden en de romp kan rond en dik worden. De conjunctivae kunnen rood
zijn en de stem kan door oedeem van strottenhoofd en stembanden hees
worden. Flankenslag kan voorkomen. Bij opwinding (injectie!) kunnen de
dieren na enkele minuten lucht happen acuut sterven ten gevolge van hart
en skeletmusculatuurdegeneratie.

Bij lopers (tot 50 kg lichaamsgewicht) kan men 3 stadia onderscheiden:

le. zwelling der oogleden, verminderde eetlust, slingeren in de achterhand
en bleke huid;

2e. sterk oedeem van de oogleden, zwelling van de kop en grote zwakte
in de achterhand; wegkruipen in het stro. Dc dieren kunnen bijna niet
meer overeind, de stem is anders en soms vertonen ze temperatuurver-
hoging (secundaire infecties!);

3e. paralyse; de voorste ledematen worden naar achteren gestrekt, de kop
wordt naar de grond gebogen. Er bestaat inspiratorische dyspnoe, cya-
nose en oedeem der oogleden. Voorts zijn waar te nemen de stem-
verandering, een te lage temperatuur en normale faeces.

Bij jonge varkens (boven 50 kg lichaam.sgewicht) treft men vaak een mil-
dere vorm aan, waarbij voortdurend slechte eetlust, een bleke huid, een
hcht oedeem van de oogleden, slingeren in de achterhand en trage be-
wegingen zijn op te merken.

Volgens E r s k i n e, S O j k a en L 1 O y d (1957) is slingerziekte een entero-
toxemie. Bij alle gevallen van slingerziekte kweekten zij hemolytische
Esche-
richia coli
uit dikke darm en mesenteriale lymfklieren. Er treedt volgens
hen nooit slingerziekte op zonder deze
Escherichia coli. Deze onderzoekers
slaagden er in de ziekte op te wekken met een extract van
E. coli.
Een medicamenteuze therapie is er tot heden nog niet.
Het juiste advies is: vasten en uitsluitend water verstrekken. Voor biggen
bij de zeug moet men de bijvoeding stopzetten en de zeugen minder voeren.
Bij gespeende biggen en oudere varkens laat men 1-2 dagen vasten, daarna
enkele dagen karnemelk geven en dan langzaam overgaan op licht ver-
teerbaar voer.

Terpstra (1958) vermeldt nog als profylaxis het toedienen van een
sulfapreparaat of streptomycine per os gedurende enige dagen aan de nog
gezonde koppelgenoten van dieren met slingerziekte.

-ocr page 508-

8. Leptospirosis.

Komt volgens Smith (1957) in de V.S. steeds meer voor. Reservoir voor
de spirochaeten zijn vele diersoorten en ook van deze ziekte herstelde var-
kens. Humane infecties komen voor bij slagers en andere mensen, die met
varkens omgaan. Over het optreden van deze ziekte bij varkens in Neder-
land is weinig bekend.

Symptomen: temperatuurstijging, verminderde eetlust, darmstoornissen,
conjuncti\\-itis. Wankele gang, speciaal in de achterhand; soms zijn de dieren
achter verlamd of vertonen ze draaibewegingen, stijfheid en krampen.
Therapie: breedspetcrum-antibiotica vóór de 5e ziektedag.
Diagnose: het aantonen van leptospiren via urine-onderzoek (donkerveld
microscoop); voorts door middel van agglutinatie en C.B.R.

9. Tuberculosis (Myobacterium tuberculosis).

Done (1957) beschrijft een viertal verschillende tuberculeuze aandoe-
ningen van het centrale zenuwstelsel. Ook hierbij kan men verlammingen
waarnemen.

10. Corynebacterium pyogenes.

Over het verband tussen het zogenaamde staartbijten bij varkens en het
ontstaan van verlammingen in de achterhand en de rol die
Corynebacterium
pyogenes
hierbij kan spelen, is reeds eerder gesproken.

11. Brucella suis.

S p i n c e m a i 11 e (1962) geeft aan dat bij biggen en zeugen sporadisch
\\erlammingen der achterhand kunnen optreden bij een brucella-infectie.

B. PARASITAIRE EN PROTOZOAIRE ZIEKTEN.

1. Trinchinella spiralis (Lindquist, 1958).

De parasiet behoort tot de familie der Trinchinellidae.
Het volwassen wormpje ( c? is 1.4-1.6 mm en 9 3-4 mm lang) leeft in de
darmen en de larven in de spieren (in cysten). Als gastheren treden hoofd-
zakelijk mens en varken op, maar deze worm komt ook bij vele andere
zoogdieren \\oor.

In de eerste jjlaats worden de skeletspieren aangetast, maar daarnaast kan
rnen ook laesies vinden in myocard, longen en soms ook in de hersenen en
meningen.

Symptomen bij varkens: verlies van eetlust, paralyse van de achterhand,
incontinentia, diarree, stijfheid van de spieren. Daar de symptomen bij
natuurlijke infecties zelden optreden, is deze ziekte in dit verband dus van
weinig praktisch belang.

2. S a r c o s p o r i d i O s i s (Dunlap, 1958).

De veroorzaker is Sarcocytis miescheriana en ze wordt gevonden in de vorm
van cysten in de spieren.

Deze cysten bevatten sporen. Infectie vindt plaats per os \\ia faeces van
dieren die geïnfecteerd vlees gegeten hebben.

Symptomen: bij zware infecties: diarree, temperatuurverhoging, zwakte in
de lendenen, paralyse van de achterhand.
Behandeling: niet bekend.

-ocr page 509-

C. VOEDINGSFOUTEN.

1. Vitamine A-d e f i c i ë n t i e (L u c a s en Lodge 1961).

Hierbij kunnen optreden een slingerende of stijve gang; verlies \\ an controle,
eerst over het achterstel en later ook over de voorbenen; acute paralyse van
de achterhand.

2. Pantotheenzuu r-d e ficiëntie (Goodwin, 1962).

Zeer typisch hierbij is de zogenaamde ganze-pas („goose-stepping"); in-
coördinatie en paralyse van de achterhand kunnen als gevolg van deze
deficiëntie ook ontstaan. Over het algemeen zal men aan deze deficiënties
moeten gaan denken in gevallen van zeer snel groeiende dieren en op be-
drijven waar naast de volledige mengvoeders andere produkten zoals gra-
nen, pulp, bieten, keukenafval e.d. in vrij grote hoeveelheden worden bij-
gevoerd of waar alleen dergelijke produkten worden gevoerd.
In dergelijke gevallen zal het noodzakelijk zijn de vitaminen- en mineralen-
voorziennig aan deze bijzondere omstandigheden aan te passen.

D. INTOXIGATIES (Dekker, 1960; H o s k a m, 1962; Dunne, 1958; Link,
1958).

Met het toenemen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de land-
bouw en vooral ook in de tuinbouw en de fruitteelt, neemt ook het aantal
vergiftigingen bij varkens toe. I^e meest voorkomende zijn wel de intoxi-
caties ten gevolge van rodenticiden, doch ook andere treden van tijd tot
tijd op.

1. Keukenzout (Smith, 1958).

Deze intoxicatie komt vooi bij varkens die met zoute vis-afval of vismeel
of pekelwater van gezouten vlees, waarin veel NaCl zit, gevoerd worden.
Dc toxische dosis ligt bij het varken bij meer dan 2 g/kg lichaamsgewicht.
Herhaalde lage dosering geeft geen acute intoxicatie.

Symptomen van acute intoxicatie zijn: enorme dorst, onrust, dwang-, kauw-
en draaibewegingen, krampen, anorexie, braken, ataxie en verlammingen
van de achterhand. Soms ook diarree, ]3olyurie en blindheid. Meestal ster-
ven de dieren binnen 24-48 uiu\'.

Voor onderzoek is een voeder- en drinkwatennonster gewenst.
De
.sectie van het gestorven dier vertoont vaak geen afwijkingen. Soms een
hemorragische enteritis, hersenhyperemie en encefalitis.
Therapie: veel water laten drinken, intraperitoneale injectie van 5% glu-
cose of 10% calciumborogluconaat.

Verder geeft men inhullende middelen om de enteritis tegen te gaan: bolus
alba 300 g., carbo adsorbens tot 100 g.

2. Koper.

Een intoxicatie met koper zou b.v. kunnen optreden op fokbedrijven waar
de varkens in boomgaarden lopen, die met koperhoudende verbindingen,
b.v. Bordeauxse of Bourgondische pap, bespoten zijn. Hierbij kunnen moto-
rische verlammingen optreden.
Therapie: inhullende middelen, laxantia.
Voor onderzoek is leverweefsel en nierweefsel noodzakelijk.

-ocr page 510-

3. C u m a r i n e-v e r b i n d i n g e n.

Deze worden veel gebruikt bij de muizen- en ratten-bestrijding. Wanneer
dieren herhaaldelijk kleine hoeveelheden van deze stoffen opnemen, wordt
de vorming van het protrombine in de lever geremd; dit brengt op zijn
beurt weer een verlenging van de bloedstollingstijd met zich mee en tevens
worden de capillaire vaten beschadigd.

Varkens zijn zeer gevoelig voor deze rodenticiden. Bij regelmatige opname
van kleine doses of bij opname van een grote dosis ineens kan men de vol-
gende symptomen zien; verlammingen, bloederige diarree, dyspnoe, tachy-
cardie, subcutane bloedingen, anemie en braken.

Sectie: uitgebreide bloedingen van de spieren, speciaal waar de ribben of
andere beenderen uitsteken.

Voor onderzoek zijn maagdai-minhoud, bloed, lever en urine gewenst.
Therapie: Vit. K 3 in een dosering van 0.5-1 mg/kg lichaamsgewicht, dage-
lijks intramusculair gedurende 3 dagen.

E. DIVERSEN.

1. Paralyse van de achterhand (erfelijk).

De achterhand van de biggen is bij de geboorte volkomen verlamd. De big-
gen kunnen zich slechts kruipend voortbewegen; ze lij^gen meestal op de
rechterzijde. De meeste aangetaste dieren gaan binnen enkele dagen dood.
Bij dieren die in leven blijven, herstelt de verlamming zich niet. Het gebrek
berust waarschijnlijk op een enkelvoudige recessieve factor (Koch,
Fischer en Schumann, 1952).

Berge (1941 ) haalt een vrijwel identiek geval aan, vermeld door K o r o-
V eek ja. Deze vond bij histologisch onderzoek een degeneratieve atrofie
van de motorische cellen.

2. Mechanisch Insul t.

Verlammingen bij biggen kunnen ontstaan ten ge\\olge van wervelfracturen
doordat biggen onder de zeug komen of door de zeug getrapt worden.

3. Spierdegeneratie.

Hierbij ziet men parese- en paralyse-achtige verschijnselen met cyanose en
dyspnoe.

Bij sectie wordt een bleke musculatiuir, lage pH-waarde van het vlees en
hyaline-degeneratie waargenomen. Bij deze afwijking, die vooral in Dene-
marken en Zweden veel voorkomt, denkt men aan cen verminderde wer-
king van schildklier cn bijnierschors, onder invlocd van groeihormonen bij
vroegrijpe rassen.

Het wordt beschouwd als een constitutionele aanleg van het vleestype en als
een afwijking van het adaptatievermogen.
\'l\'herapie: prednisolon, resp. A.C.T.H.

4. Bevangenheid door de warmte.

Dit komt speciaal voor bij vette dieren en dan in te warme stallen in de
zomer (slechte isolatie, b.v. bij dakbedekking met uitsluitend golfplaten).
De dieren beginnen plotseling te wankelen en te duizelen, vallen neer en
liggen apathisch als in een diepe narcose. De ademhaling is oppervlakkig,

-ocr page 511-

de pols verhoogd en zwak; de lichaamstemperatuur is verhoogd, soms tot
42° C; de slijmvliezen zijn cyanotisch. Meestal volgt de dood direct, of na
enige uren.

Therapie: Dieren op een koele plaats brengen en daar rustig laten liggen.
Zorgen voor goede ventilatie in de stal. Het dier begieten met koud water.
Eventueel analeptica en „hart"-middelen toedienen. T^e dieren moet men
veel laten drinken.

5. O t i t i s.

Volgens G 1 ä s s e r, H u p k a en W e t z e 1 (1950) kan een Otitis van
buiten uit ontstaan ten gevolge van een ontsteking van de uitwendige ge-
hoorgang, waarbij het trommelvlies doorbroken wordt en zo de
Otitis media
ontstaat; veel vaker zal de ontsteking \\an het middenoor en \\an het
in-
wendige oor ontstaan vanuit de mond-keelholte of door een bacteriële
infectie via de bloedbaan.

De bacteriën die hierbij gevonden worden zijn o.a. Streptokokken, Coryne-
bacterium pyogenes
en Myobacterium tuberculosis.

De symptomen zijn: scheve kop, waarbij de zieke kant omlaag wordt ge-
houden en ner\\euze verschijnselen in de vorm van cirkelbewegingen. Uit-
eindelijk kan het dier niet meer overeind. In dit laatste geval zijn waar-
schijnlijk de hersenvliezen of de hersenen bij de ontsteking betrokken.
Therapeutisch is er in het vergevorderde stadium weinig aan te doen. In
het beginstadium is reiniging en desinfectie van het uitwendige oor mogelijk
en een behandeling met antibiotica zou dan nog succes kunnen hebben;
meestal wordt de ])racticus in dit stadium niet geraadpleegd.

DIFFERENTIEEL DI.AGNOSTIEK BETREFFE.NDE VERL.A.MMINGEN.
1. Verlammingen als koppelziekte.

De enzoötisch optredende ziekten bij biggen die met verlammingen gepaard
gaan, zullen wat de diagnose-stelling betreft het grootste probleem opleveren.
In deze gevallen zal men vooral moeten denken aan de ziekte van Aujeszky,
dc Teschener-ziekte en streptokokken-infecties.

Het meest karakteristieke symptoom bij de ziekte van Aujeszky bij jonge
biggen is de paralyse, waarna zeer snel de dood kan intreden. Praktisch
alleen bij biggen ouder dan 10 dagen, wordt dit \\ oorafgegaan door dwang-
bewcgingen, excitatie, fietsbewegingen e.d. Betreft het jonge biggen dan
zijn meestal hele tomen aangetast. Bij varkens boven de speenleeftijd komt
de ziekte klinisch zelden voor.

Bij de Teschener-ziekte kunnen dieren van alle leeftijden worden aangetast,
lioewel ook hier weer jonge dieren de voorkeur genieten. De dieren zijn snel
te irriteren en vertonen convulsies, gevolgd door een progressieve paralyse.
Ook streptokokken-infccties komen meestal bij jonge biggen voor. Hierbij
ziet men naast de aantasting van het centrale zenuwstelsel nogal eens ge-
wrichtsontstekingen optreden.

Voor de diagnose van deze ziekten zal dus in vele gevallen laboratorium-
onderzoek noodzakelijk zijn.

Bij lopers spelen aandoeningen die verband houden met de voeding de
hoofdrol. Het zijn: slingerziekte, spierdegeneratie, vitamine A- en panto-
theenzuur-deficiënties en intoxicaties met keukenzout en koper.
Een uitvoerige anamnese is hierbij onmisbaar. De eerste twee aandoeningen

-ocr page 512-

treden in hoofdzaak op bij snelgroeiende dieren of dieren die overdadig
gevoerd worden. Plotseling optredende sterftegevallen, geen temperatuur-
verhoging, wankelen in de achterhand en oedemen zijn naast de verlam-
mingen hierbij typisch.

Bij spierdegeneratie treden naast parese en paralyse vaak dyspneu en cya-
nose op.

De twee bovengenoemde deficiënties zal men bij normale voeding zelden
aantreffen. Bij de pantotheenzuur-deficiëntie is de „ganze-pas" een zeer ty-
pisch symptoom.

Bij keukenzout-intoxicaties treedt het sterk verhoogde dorstgevoel op de
voorgrond. Aan een koper-intoxicatie zal men moeten gaan denken bij var-
kens met motorische verlammingen, die b.v. in pasgespoten boomgaarden
lopen.

2. Sporadisch optredende verlammingen.

Deze kunnen bij alle leeftijdsgroepen voorkomen als gevolg van rabies,
CAostridium botulirnum, Brucella suis, cumarinevergiftiging, mechanisch
insult en otitis.

Rabies komt bij varkens zelden voor en hierbij zal naast de typische ver-
schijnselen de annamnese hulp moeten bieden. Aan een
Clostridium botu-
/mum-intoxicatie kan men gaan denken wanneer de dieren in contact zijn
geweest met voedselresten (b.v. varkens die op vuilnisbelten lopen e.d.).
Bij een
Brucella-\'miectie zal men naast eventuele verlammingen ook kun-
nen aantreffen kreupelheden, verwerpen, steriliteit en orchitis.
Bij cumarinevergiftiging is de bloederige diarree typisch. Mier zou verwar-
ring met varkenspest mogelijk kunnen zijn; bij varkenspest vindt men echter
meestal hoge temperaturen, terwijl bij cumarinevergiftiging de typische
spierbloedingen de diagnose vergemakkelijken. Bij mechanisch insult is de
oorzaak meestal vrij duidelijk. Biggen, die door de zeug getrapt worden, en
dwarslaesies van het ruggemerg bij oudere dieren ten gevolge van ruwe
behandeling (laden, lossen e.d.), zijn hiervan voorbeelden. Een otitis is
door de houding van de kop niet moeilijk te diagnostiseren.
Bij biggen bij de zeug ziet men soms één of enkele exemplaren in een toom
die vanaf de geboorte verlamd zijn. Meestal zal dit een erfelijke afwijking
zijn.

Bij sporadisch optredende verlammingen bij ottdere \\ arkens kan men o.a.
te maken hebben met tuberculose, listeriose, leptospirose, een
Corynebacte-
rium pyogenes-ïniectïe
en bevangenheid door de warmte.
Tuberculose zal een hoge uitzondering zijn. Bij listeriose ziet men bij oudere
varkens meestal tremor, stijfheid in de voorbenen en slepen met de achter-
benen. Bij leptospirose zijn weinig typische verschijnselen aanwezig. Een
urine-onderzoek zou hier noodzakelijk zijn.

Wervelabcessen na staartbijten, waaruit vaak verlammingen voortkomen,
worden vaak door
Corynebacterium pyogenes veroorzaakt. Bij bevangen-
heid door de warmte zal de diagnose weinig moeilijkheden opleveren.

Tot slot moge vermeld worden dat hier slechts op enkele punten wat dieper
werd ingegaan.

Men kan zich voorstellen dat deze bespreking zich ook zou kunnen uit-
strekken tot vele andere oorzaken van kreupelheid en verlamming zoals b.v.
tumoren, neoplasieën, trombose, myositis, neuritis, ganglionitis, tendinitis,

-ocr page 513-

bursitis, chondritis, spondylitis etc. etc. Dit zou echter te ver voeren en het
doel voorbijschieten.

SAMENVATTING.

Na een inleiding over de betekenis van kreupelheden cn verlammingen bij varkens,
vtfordt wat dieper ingegaan op de anamnese, het klinisch onderzoek en de sectie.
Vervolgens worden in twee afzonderlijke hoofdstukken de kreupelheden en verlam-
mingen behandeld met aan het eind van ieder hoofdstuk een differentieel-diagnos-
tische beschouwing.

SUMMARY.

.An introduction concerned with the significance of forms of lameness and paralysis
in pigs is followed by a more detailed discussion of the histories, clinical study and
autopsy. Lameness and paralysis then are dealt with in two separate chapters, each
chapter being concluded with a discussion of the differential diagnosis.

RÉSUMÉ.

Après une introduction sur l\'importance de claudications et de paralyses chez les
porcs, l\'anamnèse, l\'examen clinique et la section sont élaborés plus amplement.
Ensuite les claudications et les paralyses sont traitées dans deux chapitres différents
se terminant chacun par des considérations d\'ordre diagnostique différentiel.

ZUSAMMENFASSUNG.

Nach einer Einleitung über die Bedeutung der Krüppelkrankheiten und Lähmungen
bei Schweinen, wird näher auf die Anamnese, klinische Untersuchung und Sektion
eingegangen.

Ferner werden in zwei verschiedenen Abschnitten mit einer differential-diagnostischen
Nachbeschauung am Ende jedes Kapitels, die obengenannten Krankheiten näher be-
sprochen.

LITER.ATUUR

A k k e r m a n s, J. P. W. M.: Ziekte van Aujeszky bij het varken in Nederland. Dis-
sertatie Utrecht, 1963.

Akkermans, J. P. W. M.: Persoonlijke mededeling. (1962).

Anthony, D. J.: Diseases of the pig, 4e druk, Londen, (1955).

B c k k u m, J. G. van: Ervaringen met de enting van varkens tegen mond- en
klauwzeer.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 1680, (1962).

Berge, S.: The inheritance of paralysed hind legs, scrotal hernia and atresia ani
in pigs.
]. Heredity, 32, 271, (1941).

Bolz, W.: Lehrbuch der Allgemeinen Chirurgie für Tierärzte, 2e druk, Stuttgart,
(1951).

B r o o k s h a n k, N. H.: Disorders of the lactating sow and newborn pig. Vet. Ree.,
70, 1148, (1958).

B r u i n, J. J. M. d e en J a a r t s v e 1 d, F. H. J.: Staartafwijkingen bij varkens als
oorzaak voor het ontstaan van abcessen.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 847, (1962).

Dekker, N. D. M. en Schotman, A. J. H.: Intoxicaties bij onze grote huis-
dieren.
Dierg. Memorandum, 7, 89, (1960).

Diergeneeskundig Memorandum: Vlekziektebestrijding, 6, 203, (1959).

Diergeneeskundig Memorandum: Biggenziekten, 2, 21, (1955).

D i e t z, O. und K u n t z e, A.: Die Arthritiden des Schweines. Berl. Münch, tier-
ärtzl. Wschr.,
72, 61, (1959).

Done, J. T.: The pathological Differentiation of Diseases of the Central Nervous
System of the Pig.
Vet. Ree., 69, 1341, (1957).

-ocr page 514-

Doyle, L. P.: Paralysis and Lameness, Ch. 41 v. „Diseases of Swine". Dunne,
H. VV., Ames, (1958).

Dunlap, J. S.; Protozoa, Ch. 29 „Diseases of Swine". Dunne, H. W., Ames,
(1958).

D u n n e, H. W.: Streptococcosis en Colibacillosis, Ch. 7 en 24, „Diseases of Swine",
D u n n e, H. W., Ames, (1958).

Erskine, R. G., S o j k a, W. J. and Lloyd, M. K.: The experimental Repro-
duction of a syndrome indistinguishable from Oedema Disease.
Vet. Ree., 68, 301,
(1957).

Glasser, K., H u p k a, E. und Wetzel, R.: Die Krankheiten des Schweines,
5e druk, Hannover, (1950).

G O O d w in, R. F. W.: Some clinical and experimental observations on naturally-
occurring pantothenic acid deficiency in pigs. ƒ.
comp. Path., 72, 214, (1962).

Ha lam a, A. K.: Probleme der mineralstoffütterung beim Schweinen. Wiener tier-
ärztl. Mschr.,
45, 639, (1958).

H o s k a m, E. G.: Vergifugingen bij landbouwhuisdieren. Tijdschr. Diergeneesk.,
87, 3, (1962).

Huck, R. A., C a r t w r i g h t, S. F. and P a t e r s o n, A. B.: Enterovirus-neutra-
lizing Antibodies in the seia of normal Pigs in S.E.-England.
Res. Vet. Sei., 3, 429,
(1962).

H u p k a, E.: Über die Begattungsimpotenz der Jungeber. (Epiphysiolysis). Dtsch.
tierärztl. Wschr.,
66, 201, (1959).

Hutyra, F. von und Marek, J.: Spezielle Pathologie und Therapie der Flaus-
dere, 9e druk, Jena, (1945).

Jaartsvcld, F. H. J.: Diagnostiek van vlekziekte bij het varken met behulp van
een bloedkweek.
Tijdschr. Diergeneesk., 83, 791, (1958).

Jaartsvcld, F. H. J., J a n s s c n s, F. Th. M. en Jobs c, C. J.: Clostridium-
infectie bij biggen.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 768, (1962).

Jansen, J. en Dorssen, C. A. van: Mcningo-encephalitis bij varkens door
Streptococcen. Tijdschr. Diergeneesk., 76, 815, (1951).

J a n s e n, J., D O r s s e n, C. A. V a n en F r c d e r i k, G. H.: Deformerende arthritis
en pcri-arthritis door Erysepclothrix rhusiopathiac-infectie bij jonge varkens.
Tijdschr. Diergeneesk.. 81, 55, (1956).

J a r r e t, W. F. H., M c I n t y r e, W. L M. and Thorpe, E.: Erysipelothrix mono-
cyto.genes Infection in Piglets.
Vet. Ree., 71, 225, (1959).

Jones, T. C.: Porcinc Encephalomyelitis (Teschen Disease), Ch. 14, „Diseases of
Swine\'", Dunne, H. W., Ames, (1958).

Knezevic, P.: Klauenpflegc beim Schwein. Dtsch. tierärztl. Wschr., 69, 364,
(1962).

Koch, P., Fischer, H. und S c h u m a n n, H.: Erbpathologic der Landwirt-
schaftlichen Hausticrc. Berlin, (1957).

K o e s t n c r, A., L a n g, J. F. and K a s z a, L.: Occurrence of Viral Polioencephalo-
myelitis in Suckhng Pigs in Ohio.
]. Am. vet. med. Ass., 140, 811, (1962).

Landbouwdocumentatie, 18, 196, (1962).

L e m c k c, R. M., Bellis, D. B. and Hirsch, A.: Preliminary observations on
the relation of Escherichia coli to Gut Oedema of Baby Pigs.
Vet. Ree., 69, 601,

(1957).

L i n d q u i s t, W. D.: Nematodes, Acanthoccphalids, Trematodes and Cestodes,
Ch. 28, „Diseases of Swine", Dunne, H. W., Ames, (1958).

Link, R. P.: Toxic Plants, Rodenticides, Flerbicides, Lead and Yellow Fat Di-
seases, Ch. 32, „Diseases of Swine", Dunne, H. W., Ames, (1958).

L u c a s, I. .A. M. and L o d g c, G. A.: The nutrition of the young Pig. Techn. Com-
munication no. 22 of the Commonw. Bur. Anim. Nutrition, (1961).

M a n t h e i, C. .4.: Brucellosis, Ch. 17, „Diseases of Swine", D u n n e, H. W., Ames,

(1958).

-ocr page 515-

Meens, H C. M. en Golstein Brouwers, G. W. van: Enlcele gevallen
725
096%"" Limburg. Tijdschr. Diergeneesk., 85,

G. von: Zum Vorkommen der Epiphysiolysis bei Sauen. Dtsch tier-
ärztl. Wschr.,
68, 627, (1961).

C;; Infeetions, Ch. 19, „Diseases of Swine", Dunne,

H. W., Ames, (1958).

G. S.: Botulism, Ch. 33, „Diseases of Swine-

Dun n e, H. W., Ames, (1958).

Neeteson, F. A.: Enige aspecten van de varkensvoeding. Diergeneesk Memo-
randum,
2, 93, (1955).

Pinkhof H.: Vertalend en verklarend woordenboek van uitheemse geneeskundige
termen. Haarlem, (1949).

R ei c h e 1, K.: Die Differentialdiagnose der nicht zentralner\',-ös bedingten Motili-
tätsstörungen des Schwemes.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 69 653 (1962)

^ ^"\'^^^"^\'"änderungen bei Kalkstoffwechselstörun.gen der Haustiere.

Zbl. VetMed., 8, 781, (1961).

Robijn.s, K. G.: Het voorkomen van aviaire tuberculose in Zeeland cn dc invloed

hiervan op de rundertubcrculosc-bestrijding". Dissertatie, Utrecht, (1960)
Ru pp, L.: Die Oedernkrankheit des Schweines. Pathogenese, Prophylaxe Theranie
Prakt. Tierärzt., 363, (1958). \' \' > f

^ 82 ^970 ^(ll57] \' Infectieuze Arthritiden bij varkens. Tijdschr. Diergeneesk.,
Listeriosis, Ch, 15, „Disca.ses of Swine", Dunne, H W.

Ames, (1958),

Schop c, R, E.: Rabies in Swine, Ch, 13, „Diseases of Swine", Dunne H W
Ames, (1958), > ■ ■>

S mi t h, D, L. T,: Sodium Salt Poisoning, Ch, 31, „Diseases of Swine", Dunne
H, W., Ames, (1958).

Smith, H. C.: Infectious diseases of Swine, Kansas City (1957)

Sojka, W. J Erskine, R. G. and Lloyd, M. K.:\'„Haemolytic Escherichia

coh and „Odema Disease of Pigs". Vet. Rec., 69, 293 (1957)
Spincemaille, J,: Varkensbruccllose, Voordracht te Gent, 15 maart 1962

I- Akkermans, J. P. W. M.: Over Pneurnococceninfecties.
Iijdschr. Diergeneesk., 79, 141, (1954).

V/L^c varkens. Tijdschr. Diergeneesk., 83,

T»? I y (/ yo oaj.

Terpstra, J. I.: Haemolytische colibacteriën als oorzaak van ziekte bij het var-
ken.
Tijdschr. Diergeneesk., 83, 1078, (1958b).
Uebclc: Handlexikon der Tierärztlichen Praxis. Stutt.gart, (1954)
Veeartsen ij kundige Dienst: Teschener ziekte dér varkens; mededeling

van de V.D,, Tijdschr. Diergeneesk., 79, 829, (1954).
Ve r s 1 a g van de gehouden voordrachten van de „Fortbildungscursus" te Hannover

op 12 en 13 oktober 1961 onder leiding van Prof. Dr. W. Schulze.
Wester, J.: Orgaanzickten der grote huisdieren. Utrecht, (1935).

Exterieur en produktie.

In Zuid-Amerika wenst men „Brahmans" (Noord-Amerikaanse Zebu\'s) te impor-
teren voor kruising met „local stock". De concurrent van de „Brahman" is de Bra-
zihaanse Brahman die echter door te veel letten op bijzondere exterieurkenmerken
met voldoende in economische richting is ontwikkeld.

An. Br. Abstr., 18, 418, (1963)
1293

-ocr page 516-

Behandeling van stoornissen in de geslachts-
cyelus bij het rund
mef Nymfalon.1)

Treatment of disiurbances in the bovine sexual cyclus
with Nymfalon.

door J. M. M. GOOSSENSi), k. H. HERMANS^), P. H. A, M.
VAN MAANEN3),
C. W. J. M. VAN DER RIET^) en
L. J, J. A. ROPPE5).

Inleiding.

Voortplantingsstoornissen bij runderen, zich manifesterend in talrijke vor-
men en gradaties, richten onder de Nederlandse rundveestapel jaarlijks
zeer grote financiële schade aan.

In de praktijk krijgt men bijna dagelijks van de zijde der veehouders pro-
blemen op het gebied der steriliteit ter beantwoording en behandeling voor-
gelegd, waarbij het vaak moeilijk is een goede diagnose te stellen.
De laatste jaren heeft men echter meer inzicht verkregen in de fysiologie
van de geslachtscyclus van het rund, waardoor men beter in staat is vooral
de endocrine stoornissen causaal te bestrijden.

Deze endocrine stoornissen uiten zich dikwijls in geblokkeerde of gederail-
leerde geslachtscycli, welke gepaard gaan met een verminderde fertiliteit.
De practicus zal trachten deze stoornissen op te heffen en de geslachts-
functies met de overige lichaamsfuncties te laten harmoniëren, waardoor
een herstel tot een optimale fertiliteit mogelijk wordt.

In dit artikel laten wij de resultaten volgen van een onder praktijkomstan-
digheden \\erricht onderzoek over de behandeling van runderen met on-
regelmatige cycli en nymfomanie met Nymfalon.

Casuïstiek.

In het land van Cuyk heeft men van oudsher met zeer goede fokdieren te
maken en steriliteitsproblcmen hebben in dit fokgebied dan ook veel be-
langstelling.

Gedurende enkele maanden van het weide-seizoen van 1962 kregen wij
54 runderen met nymfomanie te behandelen, met daarnaast nog 29 dieren
die onregelmatige cycli vertoonden en niet drachtig te krijgen waren.
Deze laatste groep dieren vertoonde nog niet het typische gedrag en de
langdurige en intense tochtigheidsverschijnselen, zoals die bij nymfomanie-
patiënten bijna altijd op te merken zijn. Men zou de verschijnselen bij deze
dieren samen kunnen vatten onder het begrip „nymfomanisme", waarmede
bedoeld wordt een ziektetoestand, die een voorstadiimi is van nymfomanie
of voor het tot stand komen van nymfomanie predisjwnerend kan zijn.

1  Nymfalon (combinatie-preparaat met 3000 I.E. gevriesdroogd placentair gonado-
trofine en 125 mg progesteron in waterige suspensie) werd ons welwillend door
Laboratoria Nobilis N.V. te Boxmeer ter beschikking gesteld.
J. M. M. Goossens, praktizerend dierenarts te Oploo:

2) K. H. Hermans, praktizerend dierenarts te Mill;

3) P. H. A. M. van Maanen, praktiztrend dierenarts te Cuyk;

G. W. J. M. van der Riet, praktizerend dierenarts te Wanroy;
®) L. J. J. A. Roppe, praktizerend dierenarts te Boxmeer.

-ocr page 517-

Vaak hadden de nynifoniane runderen in het beginstadium nog geen alar-
merende symptomen vertoond, hoewel de verschillende eigenaren vermeld-
den dat er reeds vóór de laatste drachtigheid moeilijkheden geweest waren
om het dier drachtig te krijgen. Na de laatste partus waren dan in vele ge-
vallen de banden en platen niet geheel teruggekomen en via onregelmatige
cycli had dit uiteindelijk geresulteerd in nymfomanie, eventueel later nog
gevolgd door anafrodisie tengevolge van een totale degeneratie van de
ovaria.

De acuut alarmerende verschijnselen werden vooral in het voorjaar waar-
genomen, wanneer de dieren in de wei kwamen: uit „nymphomanisme"
resulteerde dan een acute nymfomanie.

Uit de anamnese bleek dat veel nymfomanie-patiënten gedurende langere
of kortere tijd in de nabijheid verkeerd hadden van een reeds eerder nym-
fomaan geworden nmd in dezelfde of naburige weide en nu zelf ook de
verschijnselen gingen vertonen (vriendinnenkwestie?).
Bij het klinisch onderzoek van het genitaal-apparaat werden bijna altijd
afwijkende ovaria, in veel mindere mate afwijkingen aan de uterus, cervix
en vagina aangetroffen. Veranderingen in het ovarium, voor wat betreft
de consistentie, grootte, vorm en aanwezigheid van cysten, kwamen zowel
bij typisch nymfomane dieren als bij dieren met onregelmatige cycli voor.
.\\fwijkingen aan banden, platen en vulva die bij nymfomane runderen
geregeld opgemerkt kunnen worden, werden — zij het in mindere mate —
ook bij dieren met onregelmatige cycli geconstateerd.
Oj) grond van publikaties van T r a i n i n en d 1 e r (1960, 1962) en van
Talsma en Cesar (1962) gingen wij over tot de volgende therapie:
toediening van 12.Ö mg Progesteron, gecombineerd met 3000 I.E. luteïni-
serend hormoon, intraveneus.

Manueel werden aanwezige cysten niet meer tot ruptureren gebracht,
waardoor men het gevaar van een inwendige bloeding — hoewel zelden
voorkomend — kon vermijden. Na verloop van een week kon vastgesteld
worden, dat behoudens enkele uitzonderingen, de cysten verdwenen waren.
De nymfomanie-patiënten werden vaak enkele uren na de toediening van
de intraveneuze injectie aanmerkelijk rustiger, en ook lieten enkele dieren
de melk veel beter schieten en was de melkgift dikwijls hoger. Alle op de
therapie reagerende dieren waren binnen één week normaal, vooral wat
hun nerveuze gedrag betreft. Slechts bij enkele patiënten was een tweede
injectie noodzakelijk.

In de volgende tabel geven wij de residtaten weer, die wij met bovenge-
noemde therapie verkregen.

Aantal

Resultaat

Aantal

dieren

gedrag, resp.

dieren

herstel tot

geïnsemi-

normale

necrd

oestrus en

dyclus

pos. neg.

54

51 3

40

29

27 2

27

Drachtig
aant. %

Aantal
insemi-
naties

Nymfomanie

Onregelmatige

tochtigheid

29 72,5 60
19 70,3 35

-ocr page 518-

Van de 54 nynifonianie-paliënten reageerden er 51 dieren positief op de
intraveneuze behandeling niet Nynifalon. Bij 3 dieren werd geen resultaat
geboekt.

Oni economische redenen werden 11 van de 51 op de therapie reagerende
dieren niet meer geïnsemineerd. Van de overige 40 dieren werden er 29
drachtig na in totaal 60 inseminaties.

Van dc 29 in behandeling gekomen dieren met onregelmatige cycli,
welke dieren ook niet drachtig te krijgen waren, reageerden er 27 positief
op de therapie. De cycli van deze dieren werden in de meeste gevallen na
één intraveneuze injectie weer normaal.

Met nadruk willen wij erop wijzen, dat het i^ijzonder belangrijk is de in-
jectie intraveneus te doen plaats vinden, daar bij subcutane en intramus-
culaire toediening veel minder goede resultaten verkregen werden.
In enkele gevallen was, evenals bij patiënten met nymfomanie, een tweede
injectie noodzakelijk. De 27 dieren die op de therapie gereageerd hadden,
werden geïnsemineerd, waarbij 19 dieren drachtig werden na in totaal
35 inseminaties.

Bij enkele dieren, die wel op de thera])ie gereageerd hadden, maar die niet
meer drachtig te krijgen waren, bleek een enclometritis aanwezig te zijn,
die het drachtig worden \\erhinderd had.

Discussie.

M c E u t e c (1958) stelt dat ovarium-stoornissen, zoals cysteuze degene-
ratie van de Graafse follikel en van het corpus luteum, verschillende gra-
den van eenzelfde ziekte zouden vertegenwoordigen, en wel naar alle
waarschijnlijkheid een laag gehalte \\an door de hypofyse geproduceerd
luteïniserend hormoon in het bloed. Ook wij zijn van mening, dat de tal-
rijke ziektebeelden zoals onregelmatige bronst, nymfomanie en anafrodisie
in ])rincii)e vaak op eenzelfde endocrine stoornis berusten, zich afspelend
in het hypolhalamus-hy]3ofyse systeem, waarbij de mate van stoornis be-
]3alencl is voor het tot sand komen van het uitwendig ziektebeeld.
Daar het luteïniserend hormoon betrokken is bij de ovulatie en, naar men
mag veronderstellen, ook bij het bewerken van de rupturering en/of de
luteïnisering van de cysteus gedegenereerde follikels of corpora lutea in het
ovarium, is dc toediening van dit hormoon bij runderen met nymfomanie
en onregelmatige cycli een gerichte therapie.

Dc gelijktijdige toediening van progesteron, dat de ocstrogeen-j)roduktie
remt, wat waarschijnlijk plaats vindt door de onderdrukking van de pro-
duktie van follikel-stimulerend hormoon in de hyjxifyse-voorkwab, zal mee-
werken de cysten te doen rcgresseren en een herstel van de normale cyclus
te bewerkstelligen.

S.\\MENVATTING.

Samenvattend kan gezegd worden, dat de intraveneuze therapie met 125 mg pro-
gesteron in waterige suspensie, gecombineerd met 3000 I.E. placentair gonadotrofinc,
cen doeltreffende behandeling mogelijk maakt van runderen lijdende aan nymfomanie
en onregelmatige cycli.

Van in totaal 54 behandelde patiënten met nymfomanie re.igeerden er 51 gunstig
op de therapie, waarvan er 40 dieren weer geïnsemineerd werden, met als resultaat
dat na 60 inseminaties er 29 drachtig werden (72,5%).

-ocr page 519-

Bij 29 runderen met onregelmatige cycli had de therapie bij 27 dieren een positief
effect, waarvan er na 35 inseminaties 19 drachtig werden (70,3%).
Met bovengenoemde therapie werden door ons betere en snellere resultaten bereikt
dan bij het manueel verwijderen van cysten in het ovarium, toediening van gonado-
trope hormonen alleen of van progesteron alleen.

SUMMARY.

It may be said that intraveneous therapy with 125 mg of progesterone in aqueous
suspension combined with 3000 I.U. placentary gonadotrophin offers the possibility
of an efficacious treatment of cows suffering from nymphomania or irregular cycli.
51 of 54 treated cows suffering from nymphomania reacted positively on the therapy.
40 of them were inseminated. .After 60 inseminations 29 got pregnant (72,5%).
In 27 of 29 cows with irregular cycli a positive effect was observed; after 35 inse-
minations 19 .got pregnant (70,3%).

The therapy described gave better and quicker results than manual elimination of
ovarian cysts, or administration of mere gonadotrophic hormones or pro.gesterone.

RÉSUMÉ.

On peut conclure que la thérapie intraveineuse avec 125 mg de progesterone en
suspension aqueuse en combinaison avec 3000 U.I.de gonadotrophine placentaire rend
po.ssible un traitement efficace de bovins qui souffrent de nymphomanie ou de cycles
irréguliers.

Des 54 bovins nymphomanes traitées 51 réagissaient bien à la thérapie. 40 furent
inséminées, et après 60 inséminations 29 étaient pleines (72,5%).
27 animaux des 29 qui avaient des cycles irréguliers et qui furent traités réagissaient
bien. Après 35 inséminations 19 étaient pleines (70,3%).

La thérapie susmentionnée donnait des résultats meilleurs et plus rapides que l\'élimi-
nation manuelle de cystes ovarielles, que l\'administration des hormones seules ou
de la progesterone seule.

ZUSAMMENFASSUNG.

Aus den Proben kann man schliessen dass die intravenöse Therapie mit 125 mg
Progesteron in wasseriger Su.spension zusammen mit 3000 LE. plazentaren Gonado-
trophin eine wirksame Behandlung ermöglicht von Rindern die an Nymphomanie oder
unregelmässige Cycli leiden.

54 Tiere wurden behandelt, 51 mit gutem Erfolg. 40 wurden inseminiert, und nach
60 Inseminationen wurden 29 (72,5%) trächtig.

29 Rinder mit unregelmässigen Cycli wurden behandelt, 27 mit gutem Erfolg. Nach
35 Inseminationen wurden 19 (70,3%) trächtig.

Mit obenerwähnter Therapie hatten wir bessere und schnellere Erfolge als bei der
manuellen Entfernung von Cysten aus dem Ovarium und als bei Verabreichung
von nur gonadotrope Hormonen oder nur Progesteron.

LITERATUUR

McEntee, K. : Cystic Corpora Lutea in Cattlc. Intern. ]. Fertil., 3, 120, (1958).
Talsma, D. en Cesar, E.: Behandeling van nymfomanie bij het rund. Tijdschr.

Diergeneesk., 87, 1141, (1962).
Trainin, D. and .Adler, J. H. : Treatment of Bovine Cystic Ovaries using
Gonadotrophin and Progesterone Intravenously.
Refuah Veterinarith, 17 34.33,
(1960).

T r a i n i n, D. and .A d 1 e r, J. H.; The treatment of Ovarian Cysts in Cattle by the
Intravenous injection of Gonadotrophin and Progesterone (Report on 110 cases).
Refuah Veterinarith, 19, 108, (1962).

-ocr page 520-

KLINISCHE LESSEN

Enkele gevallen van aangeboren hartgebreken
bij het rund.

Some cases of congenital heart defects in the cow.

door G. WAGENAARi), P. KREDIET-^) en C. J. VAN NIE^)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Inwendige Ziekten der Rijk.s-
universiteit te Utrecht.

Uit het Instituut voor Veterinaire Anatomie der Rijksuniver-
siteit te Utrecht.

Kliniek.

Elk jaar krijgen wij wel enkele kalveren in de kliniek met aangeboren
hartgebreken.

Van enkele kalveren willen wij U de ziektegeschiedenis niet onthouden.

Geval I.

Anamnese.

In december 1961 kregen wij ter onderzoek aangeboden een in maart 1961 ge-
boren kalf. Dc klacht was, dat het kalf onvoldoende groride en een wat dikke
buik had. Volgens de eigenaar at het kalf redelijk goed, terwijl het verder ook
geen zieke indruk maakte.

Onderzoek.

Bij onderzoek werden dc volgende afwijkingen gevonden:

De ademhaling was steeds te snel (± 60,/minuut), toch was het kalf echter nooit
benauwd.

Bij beluisteren van het hart viel het volgende op:

Links was een duidelijke rauwe systolische „soufflé" te horen van grote inten-
siteit, die de hele Istc hartetoon overheerste en precies tot aan de 2e hartetoon
duurde. Hetzelfde geluid was rechts ook te horen. Misschien was de „soufflé"
rechts iets duidelijker dan links te horen.
Stuwringsverschijnselen waren er niet.

Verder werden cr geen afwijkingen gevonden, het bloedbeeld was normaal, de
verhouding van dc serumeiwitten eveneens.

Diagnose.

Op grond van on^e ervaring moest een dergelijke luide souffle aan een
links-rechts shunt worden toegeschreven.

In principe zou men bij abnormale verbindingen tussen het linker en het
rechter hart aan de volgende mogelijkheden kunnen denken,
a. Een open foramen ovale, de verbinding tussen de beide boezems. Bij
een dergelijke verbinding mag men geen souffle verwachten. In beide

Prof. Dr. G. Wagenaar, Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Faculteit
der Diergeneeskunde; Biltstraat 172, Utrecht.

Dr. P. Krediet, Wetenschappelijk Hoofdambtenaar aan de Rijksuniversiteit te

Utrecht, Faculteit der Diergeneeskunde; Bekkerstraat 141, Utrecht.

Dr. C. J. van Nie, adj. Directeur van het abattoir te Leiden; Maresingel 20,

Leiden.

-ocr page 521-

atria is de druk zeer laag, zodat er bijna geen bloed van links naar
rechts of omgekeerd zal stromen. Hierdoor zal er geen bijgeruis ont-
staan.

b. Een open ductus Botalli, de verbinding dus tussen de aorta en de a.
pulmonalis.

Wij constateerden deze afwijking tot nu toe nimmer bij een levend
rund. Door de hogere druk in de aorta is er een permanente bloed-
stroom van de aorta naar de a. pulmonalis. Het hierdoor ontstane bij-
garuis is, met wisseling in intensiteit, permanent aanwezig.

c. Het kamer-septumdefect.

Wanneer het kamerseptum niet gesloten is zal cr door te hoge druk
in de linker kamer een stroom kunnen zijn van links naar rechts
tijdens de
systole. Hierdoor ontstaan er wervelingen, die de „soufflé"
veroorzaken.

Op grond van dexe overwegingen was het duidelijk dat de kans op een
kamer-septumdefect het grootst was.

Wanneer er een kamer-septumdefect is, kan de aorta ook verplaatst zijn.
Soms is de a. pulmonalis nog meer of minder afgesloten.
Van de verhouding tussen de bloedstroom naar de a. pulmonalis en naar
de aorta zal het afhangen of het dier zuurstofgebrek zal hebben of niet.

Pathologische anatomie.

Het hart maakt de indruk regelmatig te zijn vergroot. De apex is duidelijk
afgerond. Van links gezien ligt de aorta craniaal van de a. pulmonalis.
De wand van de ventriculus sinister en de mm. papilläres zijn gehyper-
trofieerd. De valv. bicuspidalis heeft een normaal aspect. In het septum
ventriculorum bevindt zich een hoog, ovaal-rond defect (assen: 3 en 1/a
cm. De lange as staat verticaaH. Het defect bevindt zich
dorsaal en rechts
in het septum ventriculorum. Het septum wijkt enigszins af in de richting
van de linker ventrikel.

Van de ventriculus dexter uit bezien ligt het defect dorsaal van de septale
insertie van de trabecula septomarginaüs, deze laatste is normaal gevormd,
eveneens de valv. tricuspidalis. De aorta „rijdt" boven het defect en be-
vindt zich voor 90% in dextropositie. De aa. coronariae hebben één ge-
meenschappelijk orificium, er zijn 3 valv. semilunares.
De crista supra ventrien laris is gering ontwikkeld.
De a. pulmonalis is niet afwijkend, er zijn 3 valv. semilunares.
De wand en de mm. papilläres van de ventriculus dexter hebben een nor-
maal aspect.

De rechter boezem vertoont geen afwijkingen. Er is een gering foramen
ovale secundum. De ductus Botalli is gesloten.

Geval II.

Het tweede geval was praktisch identiek aan het eerste.
Anamnese.

Het betrof een aangekocht 1 maand oud proefkalf van het Instituut van Parasi-
taire Ziekten. Direct na aankoop bleek dat het kalf erg kortademig was.
Het kalf werd gebruikt voor een infectieproef met cysticerci.
Vier maanden na aankoop stierf het kalf.

-ocr page 522-

Onderzoek.

Ook bij dit kalf was een zeer duidelijke rauwe systolische „soufflé" over het
gehele hart te horen, zowel links als rechts.

Wij stelden dc diagnose „aangeboren hartgebrek", vermoedelijk een kamer-septum-
defect.

Patliologisclic anatomie.

Belialve een grote hoeveelheid cysticerci in alle spieren, ook in het hart,
wordt aan het hart het volgende vastgesteld:
Uitwendig worden geen afwijkingen waargenomen.

De wand en de mm. papilläres van de ventriculus sinister hebben een nor-
maal aspect. Dc val\\\'. bicus]3idalis is niet afwijkend.

In het vcntrikelseptum be\\ indt zich links-dorsaal cen defect, met cen middel-
lijn van 4 cm. liet defect ligt ventraal van de valv. semilunaris aortae sinis-
tra.

De linker boezem is niet afwijkend.

In de ventriculus de.xter bevindt zich het defect in het ventrikelseptum

links-dorsaal van de septale insertie van de trabecula septomarginalis en

\\entraal van de valv. semihmares a. pidmonalis. De a. pulrnonalis „rijdt\'"

boven het defect en be\\ indt \\ oor 25% in laevopositie.

Het se))tum wijkt enigszins af in de richting van de rechter ventrikel.

De wand, de mm. papilläres en de \\alv. tricuspidalis hebben cen normaal

aspect.

De atria zijn niet afwijkend.

De aorta en a. pulmonalis hebben 3 \\alv. semihmares.
De aa. coronariae hebben normale orificiac.

Het foramen ovale secundum en de ductus Botalli zijn gesloten.
() p m e r k i n g.

Beide harten hebben een hoog V.S.D. (ventrikel septum defect), waarvan
alleen de ligging verschilt. De aorta en de a. pidmonalis zijn beide normaal
ontwikkeld. Een stoornis in de ontwikkeling van het truncus-bulbusseptum
is niet opgetreden. De aansluiting tussen het truncus-bulbussepturn en het
ventrikelseptum is echter uitgebleven. In het eerste geval ligt het defect
meer naar rechts en in het tweede ge\\ al meer naar links; de afwijking van
het septum ventriculorum is hieraan tegengesteld (naar links en naar
rechts). Het gevolg hiervan is een schijnbare dextro- en laevopositie van
respectievelijk de aorta en de a. pulmonalis.

Door de vrij lange levensduur van de kalveren zal ook een functionele
aanpassing zijn opgetreden. In hoeverre dan ook cen links-rechts of rechts-
links shunt aanwezig was, zal de clinicus moeten beoordelen.

Een „emrbyologische nabeschouwing".

Het hart wordt aanvankelijk aangelegd als een dubbele rechte buis.
Na de sluiting van de voordarm voegen beide buizen zich ventraal daarvan
samen tot één rechte buis, gelegen in de pericardiale coeloomholte. Het
voorste deel bevindt zich ventraal van de eerste kieuwboog en vlak bij de
primitieve mondholte (stomodaeum) van de voordarm (de arteriële pool),
het achterste deel ligt in de voorste darmpoort (de veneuze pool).

-ocr page 523-

Ceval I.

Aa.c.

Arteria coronariae

A.d.

Atrium dextrum

Ao.

Aorta

A.p.

Arteria pulmonalis

A.s.

Atrium sinistrum

Ceval II.

Trabecula septomarginalis
Vena cava caudalis
Vena cava cranialis
Ventriculus dexter
Ventriculus sinister
Venae pulmonales

T.s.m.

V.c.ca.

V.c.cr.

V.d.

V.S.

Vv.p.

-ocr page 524-

De rechte hartebuis gaat zich nu krommen en krijgt van ventraal gezien
de vorm van een S door het uitgroeien van twee zijdelingse bochten. De
onderste arm van de S wordt de sinus venosus en het toekomstige atrium,
de onderste bocht en het middenstuk de ventrikel, de bovenste, craniale
bocht de bulbus cordis, de bovenste arm de truncus arteriosus (foto 1).
Deze kromming wordt gevolgd door de verplaatsing van de sinus venosus
en het atrium naar rechts en naar cranio-dorsaal, waardoor het atrium
tegen de truncus arteriosus komt te liggen. Het atrium groeit nu naar
beide zijden uit (de harte oren) en omvat de truncus. De sinus venosus
wordt hierbij grotendeels in het atrium opgenomen. De truncus arteriosus
splitst zich naar craniaal in twee takken, die links en rechts om de voor-
darm heen lopen door de eerste kieuwbogen heen naar dorsaal, zich daar
naar achterwaarts ombuigen en dorsaal van de voordarm en ventraal van
de neuraalbuis naar caudaal gaan lopen als de dorsale aortae. Later voegen
zich bij het eerste paar kieuwboogarteriën nog een tweede, een derde en
een vierde paar (door het resp. kieuwboogmesoderm van 2, 3 en 4 heen
groeiend). De overgang van truncus arteriosus naar de kieuwboog arteriën
wordt een wijd gedeelte, als het ware een verkeersplein, de saccus aorti-
cus (foto 7).

In het hart treden nu grote veranderingen op. Op de overgang van het
atrium in de ventrikel vorm.en zich onder het endocard vijf celopeenhopin-
gen, de vijf atrio-ventriculaire endocardkussens. De caudodorsale en de
CTanio-ventrale kussens zijn het grootst. Over het dak van het atrium ont-
staat een richel van endocardweefsel, die deze beide grotere endocard-
kussens verbindt. Als de richel steeds verder concentrisch in het lumen
gaat uitgroeien in de richting van het atrio-ventriculaire kanaal, wordt
het atrium geleidelijk in twee delen gesplitst. Het caudo-dorsale en het
cranio-ventrale endocardkussen worden onder leiding van het atrium
septum naar elkaar gebracht, waarop zij samengroeien. Dorsaal in het
atrium septum ontstaat een opening, het foramen ovale primum.
Over de bodem van dc ventrikel ontstaat een plooi, welke aan de caudale
zijde verbonden is met het caudo-dorsale
atrio-ventriculaire endocard-
kussen, terwijl de cranio-ventrale uitloper tot in de bulbus cordis door-
loopt. .\\ls de ventrikel nu links en rcchts van deze plooi sterk naar buiten
gaat uitgroeien, ontstaan de beide ventrikels. De plooi bli,jft achter en
wordt tot septum ventriculorum. Het atrium septum groeit nu door de
samengroeiende atrio-ventriculaire endocardkussens heen en verbindt zich
met hk caudo-dorsale deel van de bovenrand van het septmn ventriculo-
rum. Het atrio-ventriculaire kanaal is nu in tweeën gedeeld, het rechter
deel heeft drie endocardkussens, nl. twee wandstandig en een septaal, ge-
vormd uit de rechter helften van de samengegroeide cranio-ventrale en
caudo-dorsale endocardkussens, terwijl het linker kanaal twee kussens
heeft, waarvan een wandstandig en cen, eveneens samengegroeid, septaal.
.\\ls deze kussens later tot kleppen worden, heeft het rechter kanaal een
drieslippige klep (valv. tricuspidalis), het linker kanaal een tweeslippige
(valv. bicuspidalis).

Beide atria staan met elkaar in verbinding door het foramen ovale pnniuni.
De beide ventrikels zijn over het vrij gebleven, craniale deel van het ven-
trikelseptum heen met elkaar verbonden en monden zo gemeenschappelijk
uit door de bulbus cordis in de truncus arteriosus. In de aan het cranio-
dorsale einde van de truncus arteriosus gelegen saccus aorticus ontstaat nu

-ocr page 525-

ook een septum, komend van de dorsale wand van de saccus, caudaal van
*de uittredingsplaats van het 4e paar kieuwboog arteriën (aortabogen) en
craniaal van het gemeenschappelijk begin van de naar caudaal gerichte
truncus pulmonalis en het 6e paar kieuwboogarteriën (de zgn. pulmonaal-
bogen).

Het uit de dorsale wand van de saccus aorticus uitgroeiende septum zet
zich voort in de truncus arteriosus als het truncus septum (foto 2).
Dit truncus septum nu gaat bij zijn verdere uitgroei langs de truncuswand
om de lengte-as van de truncus rechts om draaien. Het gevolg hiervan
is dat de oorspronkelijk caudaal gelegen truncus pulmonalis via links naar
voren draait, terwijl het oorspronkelijk craniale deel, de truncus aorticus,
via rechts naar caudaal gaat verlopen. Dit wordt vooral duidelijk als het
septum zich spoedig door splijting gaat verdubbelen en de beide truncus
los van elkaar komen te liggen (foto 3 en 7). Op de overgang van bulbus
en truncus arteriosus hebben zich nu in de wand ook endocardkussens ge-
vormd, en wel vier.

Het truncus septum doorgroeit nu twee tegenover elkaar liggende kussens
en deelt deze midden door. Daardoor is er nu in elk vaatdeel een volledig
wandstandig endocardkussen en aan elke zijde van het septum nog een
half endocardkussen, dus in totaal per deel drie onafhankelijke groepjes
endocardkussenweefsel. -Als nu later elk van deze groepjes een klep gaat
vormen, heeft elke truncus een drieslippige klep. (valvulae semilunares
aortae resp. pulmonales) (foto\'s 5 en 6).

Het truncus septum zet zijn uitgroei naar ventraal langs de bulbus wand
voort. De onderrand van het truncus-bulbus septum komt nu juist tegen-
over de craniale, vrije boveiuand van het ventrikelseptum te staan, ten-
minste als de draaiing van het truncus-bulbus septum juist voldoende ver
is geweest (pl.m. 210° rechtsom). De cranio-ventrale randen van trimcus-
bulbus septum en ventrikelseptum maken contact met elkaar langs de
cranio-ventrale wand van het hart. Dit verloopt vrij eenvoudig. Veel moei-
lijker wordt de caudo-dorsale aansluiting van het truncus-bulbus septum.
We zagen reeds, dat het atriumseptum het caudo-dorsale deel van het
ventrikelseptum bereikt heeft, waarbij het atriumseptum het voorste en
het achterste atrio-ventriculaire endocardkussen doorgroeide. De caudo-
dorsale rand van het truncus-bulbus sejjtum maakt nu contact inet het
cranio-ventrale atrio-ventricidaire endocardkussen. Dit kussen vormt nu
de verbinding tussen het trimcus-bulbus septimi, het atriumseptinn en
het ventrikelseptinn.

Het resultaat is echter wel zo, dat cle truncus ])ulmonalis zonder meer
wordt aangesloten op de bulbus en de rechter ventrikel, maar de aortastam
(de truncus aorticus) wordt in zijn verbinding met het linker ventrikel
aanvankelijk sterk belemmerd door dit craniale atrio-ventriculair endo-
cardkussen. Pas als dit kussen zich sterk uitholt wordt de aorta goed met
het linker ventrikel verbonden (foto 4 en 8). Nadat de randen van het
trimcus-bulbus septum en het ventrikelseptum aansluiting hebben gekre-
gen, is in het midden tussen de concave bovenrand van het ventrikelseptum
en de eveneens concave onderrand van het truncus-bulbus septum een ope-
ning over, het foramen interventriculare, een opening die linker en rechter
ventrikel nog geruime tijd blijft verbinden. Later in de embryonale ont-
wikkeling gaat dit foramen zich geleidelijk sluiten.

-ocr page 526-

Foto 1.

Het hart (h) ligt in de pericardiale coe-
loomholte, ventraal van de pharynx, wel-
ke kieuwzakken (p.p.) heeft gevormd.
Het caudale einde van het hart is de si-
nus venosus (s.v.), het craniale deel de
truncus arteriosus (t. art.) welke met de
dorsale aortae (d.a.) is verbonden door
het eerste en tweede paar kieuwboog ar-
teriën (1 en II). (v.c. --
V. cranialis,
v.o.m. ^ ornphalo mesenterica)

Foto 2.

Embryo van 11,9 mm lengte. Uit het
hart komt nog één stamvat, de truncus
arteriosus (t.art.), welke eerst naar cau-
daal afgeeft de truncus pulmonalis (t.p.)
en daarna uitmondt in de saccus aorti-
cus (s.a.), van waaruit het derde en
vierde paar kieuwboog arteriën ontsprin-
gen (III en IV).

Foto 3.

Embryo van 16,5 mm. De splitsing van
de truncus arteriosus is verder voortge-
schreden. De semilunair kleppen in de
truncus aorticus en de truncus pulmo-
nalis zijn reeds zichtbaar. De bulbus cor-
dis is nog onverdeeld. De linker vierde
kieuwboog arterie (IV) wordt reeds de
voornaamste verbinding met de dorsale
aortae. N.B. tussen IV en VI is een ana-
stomose zichtbaar! (o.n. = oernier)

Foto 4.

Embryo van 21,0 mm. De splitsing van
de truncus arteriosus is voltooid. De ar-
cus aorticus is gevormd. De truncus pul-
monalis is door de ductus arteriosus Bo-
talli eveneens met de aorta dorsalis ver-
bonden. De aa. pulmonalis zijn zeer klein.
De .grijze schaduw is de lever (l). De
voorste extremiteit met de a. subclavia
sinistra is hier goed te zien (a. subcL).

Foto\'s 2, 3 en 4: Jonge, nog levende varkensembryonen zijn via het hart opgespoten
met O.I.-inkt, waardoor grote delen van het arteriële vaatstelsel gevuld werden. Door
insluiting in plastic werden de embryonen vrijwel geheel doorzichtig gemaakt.

-ocr page 527-

Foto 5.

Sshematisch is aangegeven hoe het trun-
cus-bulbus septum de oorspronkelijke vier
bulbus kussens verdeelt in twee maal drie
kussens, drie voor elke stam.

fÊ WÊ

Foto 6.

Embryo van 12 mm — 19 dagen. Duide-
lijk is in deze coupe te zien dat de trun-
cus arteriosus uitmondt in de saccus aor-
ticus (s.a.) (t = tong, a = atrium, ph
= pharyn.t, end.k. = endocardkussen).

Foto 7.

Draadmodel van het kieuwboog arterie
stelsel van een 24 mm embryo. Van de
saccus aorticus uit lopen het derde (III)
en vierde (IV) paar kieuwboog arteriën
naar de dorsale aortae. III buigt naar
voren om als a. carotis interna (c.i.). Uit
de saccus ontspringen de beide aa. caro-
tides externae. De truncus pulmonalis
(t.p.) heeft geen verbinding meer met
de saccus aorticus, en loopt voornamelijk
via de linker zesde kieuwboog arterie
(VI) naar de linker dorsale aorta door.
De dorsale aortae vloeien naar caudaal
samen tot de aorta dorsalis (a.d.). Even

Foto 8.

Hij een 12 crn runder embryo zijn ven-
trikels en arteriestarnmen volgespoten
met plastic. Daarna is het gehele embryo
opgelost in 20% KOIl-oplossing. De
ductus Botalli is als een belangrijk vat te
zien (d.B.) (a.a. — arcus aorticus, a.p.
= arcus pulmonalis).

craniaal daarna ontspringen de aa. sub-
claviae (s.c.). De aa. pulmonalis (ap.)
zijn dunne vaatjes, die met een gemeen-
schappelijk begin uit de truncus pulmo-
nalis ontspringen.

-ocr page 528-

Uit het zo juist geschetste proces van de hartseptatie valt te concluderen,
dat niet het ventrikelseptum eerst contact wordt gemaakt door het atrium-
septum met behulp met twee atrio-ventriculaire endocardkussens, en daar-
na door het met een spiraalslag naar beneden groeiend truncus-bulbus sep-
tum. Storingen in één van beide of beide actieve groeiprocessen (van het
atrium en van het truncus-bulbus septum) doet het ontstaan van goede
aansluitingen ernstig gevaar lopen. Daar het truncus-bulbus septum zowel
moet uitgroeien als over de juiste hoek een spiraalslag rechtsom moet ma-
ken is deze septatie erg gevoelig voor storingen. Te weinig uitgroeien van
het truncus septum, een onjuiste draaiing ervan, of beiden tegelijk levert
vele afwijkingen op, terwijl ook nog de mogelijkheid bestaat, dat het trun-
cus-bulbus septum de truncus arteriosus in twee ongelijke delen splitst
(Krediet, Diss. 1962).

Beide beschreven kalverharten zijn gekenmerkt door een zgn. ventrikel-
septum defect, beter zou het zijn te spreken van een foramen interventri-
culare persistens.

Bij kalverhart I lopen de truncus aorticus en de truncus pulmonalis nage-
noeg evenwijdig, de draaiing van het truncus septum is hier geheel onvol-
doende geweest. De onderrand van het truncus-bulbus septum maakt met
de bovenrand van het ventrikelseptum een hoek van ongeveer 110°. De
aansluiting is niet alleen achterwege gebleven, de aorta staat veel te vee!
boven de rechter ventrikel, in dextropositie dus.

Bij kalverhart II is de draaiing wel bijna voltooid (de hoek bedraagt hier
ongeveer 30°). Hier is echter de truncus puhnonalis meer boven de linker
ventrikel gekomen. Hier staat de tnmcus puhnonalis dus in laevopositie.
In beide gevallen is de aansluiting van de septa en daarmee de sluiting
van het foramen interventriculare onmogelijk geworden. Daar zowel het
bloedvaatstelsel als het hart steeds trachten — hoe dan ook -- een circulatie
op gang tc houden, hebben zich secimdaire veiplaatsingen en aanpassingen
voorgedaan.

Voor de embryonale bloedsomloop is een open foramen interventriculare,
en een onjuiste verdeling van het bloed over beide stamvaten geen ernstige
belemmering (ductus Botallü). Voor het jonge dier wordt na de geboorte
en na de sluiting van de ductus Botalli de situatie echter veel ernstiger en
treden klinisch waarneembare storingen op.

Over de wijze, waarop het bloed na de aanpassing aan de foutieve situatie
nu wel circuleert, kan alleen een diepgaand klinisch onderzoek inclusief
hartcatlieterisatie uitsluitsel geven. Op grond van de anatomische bevin-
dingen is zelfs het bestaan van een links-rechts of een lechts-links gerichte
bloedstroom door het foramen interventriculare persistens niet goed vast
te stellen.

SAMENVATTING.

Twee kalveren worden beschreven welke lijdende waren aan een aangeboren hart-
defect.

De klinische diagnose werd gesteld op een ventrikelseptumdefect, hetgeen bij sectie
kon worden bevestiga.

■Aan het klinische verslag is een embryologische verklaring toegevoegd.

-ocr page 529-

SUMMARY.

A report on two calves showing a congenital cardiac defect.

A clinical diagnosis of interventricular septal defect was established, which diagnosis
was verified at autopsy.

The clinical report is supplemented by an cmbryological explanation.
RÉSUMÉ.

Deux veaux sont décrits souffrant d\'une cardiopathie congénitale.

Le cas fut diagnostiqué en clinique comme un défaut du septum interventriculaire,

cc qui fut confirmé par la section.

Un commentaire embryologique a été ajouté au rapport clinique.
ZUSAMMENF.A.SSUNG.

Es wurde von zwei Kälbern ein angeborener Herzdefekt beschrieben.

Bei der klinischen Diagnose stellte man einen Ventrikelseptumdefekt fest, was sich

bei der Sektion bestätigte.

Dem klinischen Bericht wurde eine embryologische Erläuterung beigefügt.

Redenen van afvoer in Noord-Anierika.

Bij een onderzoek naar dc vcrwijderingsoorzaken van 7362 koeien tijdens een 6-
maandelijksc periode bleek dat 27-32% afgevoerd werd wegens een lage produktie,
16-19% we.gens steriliteit, 14-20% wegens uierstooornissen cn 2-4% wegens onge-
wenst type.

Wat de verschillen tussen de rassen betreft bleken Jersey\'s en Guernsey\'s in hogere
percentages dan dc Holstein-Friesian vanwege lage produkties uitgeselecteerd tc wor-
den. De Friesian-Holstein had het meeste last van uieraandoeningen.
Steriliteit kwam het meest onder de Brown Swiss voor.

An. Br. Abstr., 31, 40, (1963)

Ffet schapenra.s van de toekonrst.

Over vruchtbaarheid werden door de .Animal Breeding Research Organisation in
Edinburgh gegevens verzameld en worden kruisingsproeven genomen.
De algemeen verbreide mening dat paringen van tweeling-ram x tweclingooien de
vruchtbaarheid zouden verbeteren, werd bestreden. Wil men de vruchtbaarheid ver-
groten, dan zal gekruist moeten worden met een (vreemd?) ras, dat een grote vrucht-
baarheid erfelijk bezit.

Een rassenkruising van Dorset Horns met Witlshire Horns en een Fins ras wordt
beproefd. Van dit laatste werden 5 rammen en 100 ooien geïmporteerd; de rammen
waren afkomstig van grote worpen, en wel van 5, 6 en 7 lammeren. Getracht wordt
nu de volgende eigenschappen tc combineren, n.1. van de Dorset Horn de mogelijk-
heid om tweemaal per jaar te werpen, met de melkrijkheid van de Wiltshire en de
vruchtbaarheid, die in het Finse ras erfelijk vastligt.

Dat men een einddoel (nieuw ras) niet spoedig zal bereiken, is duidelijk, indien
men bedenkt dat de eerste resultaten van betekenis pas na 10 jaar bereikt kunnen
worden, en dat het wel 20 jaar kan duren eer een fokzuiver nieuw ras is verkregen.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 326, (1963)

-ocr page 530-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Chronische kopervergiftiging bij schapen en
lammeren.

Chronical copper intoxication in sheep and lambs.

door J, J. KOOPMAN1)

Van de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Holland.

In een publikatie van Wensvoort en Hos kam2) wordt de aan-
dacht gevestigd op het optreden van chronische kopervergiftiging na het

langdurig opnemen van krachtvoermengsels, waaraan kopersulfaat was toe-
gevoegd.

Hieronder volgen enkele waarnemingen betreffende dit onderzoek.

1. Gedurende het voorjaar 1963 stierven op een bedrijf enkele ooien met
de anamnese dat de dieren het goed hadden gedaan, maar na het lam-
meren icterus vertoonden, suf en stil waren; er was hemoglobinurie
aanwezig en na enkele dagen stierven de dieren. Bij sectie werd sterke
icterus, een geel-oranje verkleurde lever en donkergekleurde nieren ge-
vonden. Het onderzoek van de lever op koper leverde op: 988 mg/kg
en dat van de nier 417 mg/kg droge stof. De dieren hadden gedurende
langere tijd schapenkorrels gegeten in verband met de langdurige en
barre winter.

2. In de creepfeeding-groep op de Proefboerderij Noord-Holland te Wog-
meer was op 21 juni het lam 392 stil, vertoonde geen eetlust en had
dikke oren; op 22 juni is het dier gestorven. Bij sectie vonden wij een
sterke icterische verkleuring van slijmvliezen van oog en mond en van
het onderhuidse bindweefsel en vet en het darmscheil. De lever was
geel-oranje van kleur en hard van consistentie. De nieren waren bruin-
zwart gekleurd en in de blaas bevond zich donkerbruingekleurde urine.
Het onderzoek van de lever en de nier op koper was positief, respec-
tievelijk 765 mg en 244 mg/kg droge stof. Het lam had vanaf media
maart de beschikking gehad over lammerenkorrels.

3. Op het bedrijf van de Gez. K. te S. stierven achtereenvolgens twee lam-
meren na het vertonen van verschijnselen, die op kopervergiftiging
duiden. Sufheid, dikke oren, gele oogslijmvliezen en donkergekleurde
urine. Van beide dieren wees de sectie duidelijk in de richting van een
chronische kopervergiftiging, n.1. sterk icterische slijmvliezen, onder-
huids bindweefsel en niervet, geel-oranjekleurige levers die stevig wa-
ren van consistentie en stug bij het snijden en donkergekleurde nieren;
voorts was bij beide dieren donkerbruine urine in de blaas aanwezig.
Het onderzoek op koper was voor de beide levers respectievelijk 873 en
1666 mg/kg droge stof en voor de beide onderzochte nieren respectieve-
lijk 165 en 194 mg/kg drog stof.

1  J. J. Koopman, dierenarts bij de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren in
Noord-Holland en waarnemend dierenarts T.N.O. onderzoek Schapeziekten,
Postbus 88, Alkmaar.

2  Het onderzoek op koper werd verricht door Mej. Dra. E. G. Hos kam van
het G.D.I. Afd. Rotterdam, waarvoor onze hartelijke dank.

-ocr page 531-

Het eerste dier had vanaf 7 mei de beschikking gehad over lammer-
korrels en stierf op 2 juli, bij het tweede lam was dit het geval vanaf
4 maart en het stierf op 4 juli.

Aan het krachtvoer dat aan de creepfeeding lammeren werd verstrekt
was — volgens opgave — 2,5 mg elementair koper toegevoegd; later
onderzoek van twee monsters leerde dat aan de lammerenkorrels re.sp.

63 en 65 mg elementair koper was toegevoegd. Deze hoeveelheid is _

zoals blijkt uit de bovenbeschreven ervaring — dus \\eel te hoog.

Bespreking.

13oor de toevoeging van bovengenoemde hoeveelheid koper zijn de dieren
gestorven tengevolge van chronische kopervergiftiging na een~ opname die
duurde van respectievelijk 12 weken, 4 weken en 15 weken.
De dieren hebben ad libitum van de lammerenkorrels kunnen opnemen.
Vanaf medio mei bedroeg de opname gemiddeld ± 300 g per dier per dag.
Mogelijk speelt naast de individuele gevoeligheid ook nog de hoeveelheid
opgenomen krachtvoer een rol.

Het lijkt wenselijk om alvorens extra koper aan een krachtvoermengsel toe
te voegen ook het eigen kopergehalte van het krachtvoer te kennen.
Voorts is het dienstig om door middel van balansproeven de toelaatbare
hoeveelheid totaal koper in het rantsoen van lammeren en schapen vast
te stellen.

SUMMARY.

Description of three cases of copper intoxication in sheep and lambs, occurring after
ingestion of small quandties of copper-containing supplements in the feed during
resp. 12,4 and 15 weeks. It seems desirable to know first the coppercontent of the
mixture of concentrates before adding to it a copper-containing supplement and to
determine by means of balance trials the tolerable quantity of copper in rations for
lambs and sheep.

LITERATUUR

Wensvoort, P. en H o s k a m, E. G.: Kopervergiftiging bij schapen na het lang-
durig verstrekken van krachtvoer.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 687, (1962).

Salmonella in Amerikaanse diepvrieskippen.

In Duitsland konden uit 50% van de dieren in een zending diepvriesslachtkuikens uit
de Ver. Staten
S. typhimurium of S. heidelberg worden gekweekt. De slachtkuikens
waren met de weer toegevoegde organen in cryovac verpakt, waarop een stempel was
aangebracht dat zij de inspectie van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw
waren gepasseerd.

Sehr, zijn van mening dat herkeuring, respectievelijk een invoerverbod dringend
nodig is.

Pluimveepers, XVIII, 193, (1963).

-ocr page 532-

REFERATEN

Algemeen

ADEMHALINGSZIEKTEN BIJ PAARDEN.

Mahaffey, L. W.: Respiratory conditions in horses. Vet. Ree., 74, 1295, (1962).
Mahaffey (Equine Research Station of the Animal Health Trust, Newmarket)
geeft in de vorm van cen voordracht cen zeer uitvoerig overzicht over dit onderwerp.
Milieu-omstandigheden schijnen bij ademhalingsziekten vaker cen directe predispone-
rende invloed te hebben dan bij ziekten van andere orgaansystemen. Hitte, stof,
slechte ventilatie, plotselinge en afwisselende blootstelling aan koude, worden in dit
verband genoemd; de laatste factor is vooral van belang bij volbloeden, die aan on-
gewone temperatuurfluctuatics niet gewend zijn. Het trilhaar-epitheel van de lucht-
wegen en de werking van dc slijmvliezen zijn van veel belang voor de beschutting
tegen infectie. Bepaalde omstandigheden, o.a. inhalatienarcose, beïnvloeden de wer-
king in deze natuurlijke afweer. Ook plotselinge afkoeling kan hiertoe aanleiding
zijn door ischemic van de nasofarynx.

Van sommige ziekteoorzaken is het voldoende als ze bij inhalatie in de voorste lucht-
wegen terecht komen, b.v. bij droes; in andere gevallen is het nodig dat het agens
door de longen wordt geïnhaleerd, b.v. bij cpizoötisch hoesten bij renpaarden.
Schrijver bespreekt vervolgens enkele ziekten afzonderlijk en begint met verschillende
vormen van rinitis. Hierbij noemt hij de enzoötische neusuitvloeiing bij veulens van
ongeveer 2 maanden en ouder, waarbij lymfklierzwelling kan optreden, maar nooit
abcesvorming. Vermoed wordt dat dit een virusinfectie is. Hij wijst er o.a. verder
op dat in de sinus maxillaris vaak tumorvorming voorkomt, zelfs bij paarden van
3 jaar kan daar al carcinoom aanwezig zijn. Bij iedere persisterende eenzijdige neus-
uitvloeiing van paarden raadt hij aan zo spoedig mogelijk ten behoeve van verdere
diagnose te trepaneren.

Luchtzakontstekingen komen slechts zelden voor, deze geven speciaal neusuitvloeiing
als het hoofd laag gehouden wordt.

Neusbloeden komt bij renpaarden herhaaldelijk voor; voor congenitaal neusbloeden
is nog geen therapie beschikbaar.

Een andere afwijking bij renpaerdcn is een expiratoir snurken, dat duidelijk van het
cornagegeluid is te onderscheiden, en dat ontstaat door trillingen van het palatum
molle. Deze toestand is operatief te beïnvloeden.

Over de cornage operatie vlg. Hobday vermeldt hij, dat 50% van de paarden
hierdoor verbeteren. Sommige winnen rennen en andere zijn zeer bruikbaar als hunter.
Epizoötisch hoesten komt in Engeland voor tussen juli en september en wel vooral
in droge hete zomers. (1935, 1947 cn 1955, in 1959 in iets mindere mate.) Er is
geen twijfel aan dat de oorzaak een virus is. Als de dieren ru\'.t krijgen .genezen zij in
ongeveer negen dagen en kunnen daarna weer normaal in training worden genomen.
Wordt tijdens de ziekte getraind, dan kan zich uit de bronchitis een pneumonie ont-
wikkelen, waarbij penicilline gewoonlijk afdoende is.

Hemolytische Streptokokken bij het paard behoren alle tot Lancefield\'s groep C.
Behalve
Streptococcus onderscheidt Mahaffey nog vier .-.i-derc typen. De meest
frequent voorkomende van deze vergist lactose cn sorbitol maar geen trehalose (dus
Streptococcus epidemicus, Ref.). Mahaffey en Rossdale hebben deze via
een tubus in de intacte bronchiën ingebracht (inhalatie van 400 cnr\' vier dagen
oude bouillon cultuur) zonder ziekte op te wekken. Doorsteekt men echter de trachea
met een injectienaald dan is dit voldoende om een abces te doen ontstaan. Deze
Streptokokken spelen een belangrijke rol bij pneumoniën bij transporten onder on-
gunstige omstandigheden (scheepsvervoer van Ierse slachtpaarden). MahaHcy
neemt aan dat hierbij geen virus betrokken is, maar dat inhalatie van stof in de
scheepsruimen hier een rol speelt. Mahaffey is overtuigd van het feit dat met
jonge culturen goedaardige droes bij gevoelige paarden is op te wekken. Hij noemt
in dit verband Australische proeven van Ba se ley en Battle, die in 1940 een

-ocr page 533-

streptokokken-vaccin tegen deze ziekte hebben weten te ontwikkelen (buiten Aus-
tralië is dit nooit toegepast).

Hoewel hij er op wijst, dat indien harde klierzwellingen aanwezig zijn penicilline
gecontraindiceerd is, beveelt hij aan — indien de diagnose op een stal is ingesteld —
direct bij de eerste tempcratuurverhoging enkele da.gen hoge doses penicilline te in-
jiceren (tot 10.000.000 E. per dag).

Het verloop van de droes in Engeland is de laatste jaren minder heftig dan vroeger.
Opvallend is dat de streptokokken, die geïsoleerd worden, groeien in kolonies die een
dof aspect hebben en niet het bekende gladde slijmige oppervlak.
Bij veulens van 2 a 3 maanden komt een suppuratieve bronchopneumonie voor door
Corynebacterium equi. Deze infectie is ook experimenteel op tc wekken. Ook in
andere organen treden suppuratieve veranderingen op, o.a. komen soms lever-
abcessen voor. Hoewel de bacterie gevoelig is voor tetracycline, penicilline, strepto-
mycine en Sulfonamiden, zijn de kansen van genezing ongunstig aangezien de therapie
gewoonlijk te laat wordt ingezet.

Wat betreft de virusinfectie van de respiratietractus onderscheiden Amerikaanse onder-
zoekers tegenwoordig 2 specifieke virussen, het equine rinopneumonitisvirus en het
equine artcritisvirus. Beide virussen zij ook in staat abortus te geven. De term
„paardeninfluenza" dient als algemene term te vervallen. Wel zijn in Oost-Europa
infecties van paarden met A-type influenza virus beschreven.

Vermoed wordt, dat het „Hoppegarten hoesten" van het continent en de „epizootic
cough" in Engeland verschillende ziekten zijn, aangezien het in Engeland nooit ge-
lukt is met fikraten de besmetting over te brengen. Overigens geven „Hoppegarten
hoesten" en „epizootic cough" geen abortus.

Het rinopneumonitisvirus is bestudeerd in Kentucky en geeft in de winter vrij on-
schuldig verlopende catarren onder de jonge dieren, die echter soms tot bacteriële
complicaties aanleiding kunnen geven.

Het artcritisvirus, dat door D a 1 1 en medewerkers is bestudeerd en experimenteel
overgebracht, is zeer contagieus en .geeft aanleiding tot conjunctivitis, oedeem van de
oogleden, neusuitvloeiing en oedeem van de ledematen en de mannelijke geslachts-
delen. In 50% van de gevallen ook longoedeem. Hoesten is niet frequent. Bij ten
minste 50% der drachtige merries treedt abortus op.

Therapeutisch kunnen alleen secundaire bacteriële infecties worden bestreden met
penicilline of terramycine. In Engeland is dit virus nooit aangetoond. Het vermoeden
is, op grond van histologisch onderzoek van focten, dat het in Ierland wel aanwezig is.
Het is natuurlijk mogelijk dat in deze landen het virus ei.genlijk zodanig inheems is,
dat de meeste paarden voldoende immuniteit bezitten, waardoor dc aanwezigheid
zich niet manifesteert. Abortus-enzoötiën zijn in Engeland ;n de laatste jaren niet
bekend geworden.

Verder bespreekt de schrijver nog de dampigheid („broken wind"). Verscheidene
oorzaken kunnen tot deze symptomen aanleiding geven, zelfs echinokokken en tuber-
culose.

Veulens sterven soms kort na de geboorte onder convulsies en adenmood („barkers").
Deze ademnood kan verscheidene oorzaken hebben, o.a. trauma bij de .geboorte.
Tenslotte noemt schrijver nog in het kort de navelinfectie bij de pasgeborenen,
welke ook aanleiding kunnen geven tot pleuritis, pericarditis en purulente broncho-
pneumoniën. Ondanks behandeling met antibiotica is de prognose slecht.

C. A. va7i Dorssen.

Bacteriële- en virusziekten

OOGAANDOENING BIJ HET RUND DOOR RICKETTSIA.

Voigt, A. und Dick, O.: Weitcrc Untersuchungen zur Aetiologie und Therapie
der infektiösen Gerato-Konjunktivitis des Rindes.
Tierärztl. Umschau, 17, 229,
(1962).

Bij drie spontane gevallen van typische kerato-conjunctivitis konden in preparaten

-ocr page 534-

van verschillende gedeelten aan het oog kokkoïde vormsels worden gezien, die vaak
bij tweeëen waren gelegen (kleuring vlg. Giemsa, langzame methode, en vlg. Stamp).
Zc konden in de dooierzak van 6 dagen bebroede kippeëieren gekweekt worden, die
met bacterievrij materiaal, dat door de Seitzfilter gefiltreerd was, werden geënt.
Het gelukte met dit dooierzakmateriaal de ziekte weer op te wekken, maar alleen bij
instillatie in de voorste oogkamer, niet door scarificatie van de uitwendige oogbal.
De schrijvers vermoeden dat bij de spontane infectie predisponerende momenten
een rol spelen.

Voigt en Dick hebben hiermede ook voor Duitsland aangetoond, dat de oorzaak
van deze oogaandoening een
Rickettsia is (Ricolesia bovis).

C. A. van Dorssen.

LEPTOSPIROSE BIJ HERTEN.

T r a i n e r, D. O., H a n s o n, R. P., P O p e, E. P. and C a r b r e y, E. A.: The role
of deer in the epizootiology in Wisconsin.
Amer. ]. vet. Res., 24, 159, (1963).
Van 1256 in het wild levende herten (white tailed deer, Odocileus virginianus) bleek
bij serologisch onderzoek 26% positief te zijn t.o.v.
Leptospira pomona.
Evenals bij runderen bleek, dat een grote populatiedichtheid de infectie bevorderde.
Vermoed wordt dat speciaal tijdens de bronsttijd de nieuwe infecties tot stand komen.

C. A. van Dorssen.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

BIOLOGIE VAN DE LEVERBOTSLAK.

C h O w a n i e s, W. i D r ó z d z, J.: Badania nad biologia i ekologia Galba trunca-
tula
oraz nad formami larwalnymi Fasciola hepatica. Acta Parasitol. Polon., 7, 143,
(1959).
(English summary p. 159.)

De schrijvers trekken o.m, de volgende conclusies uit een vierjarig onderzoek be-
treffende de biologie en o<-cologie van de leverbotslak
Limnaea truncatula in Polen.
Kleine plekken, die weinig begroeid zijn, met een lage waterstand en een kleiig-lemige
bodem zijn het meest geschikte biotoop voor
L. truncatula; oevers begroeid met
biezen en zure grassen het minste. De slak wordt vooral verspreid door water, de
mens en door dieren. De meeste slakken worden in de maand juli gevonden, het hoog-
ste percentage met de larven van
Fasciola hepatica geïnfecteerde in juli en september.
De meeste infecdes ziet men bij slakken van 3-4,5 mm lengte; die van 1-2 mm sterven
meestal tengevolge van een infectie en die groter dan 7 mm vertonen resistentie.
Van de miracidiën, die een slak infecteren, slagen slechts één of enkele erin zich
normaal tc ontwikkelen. De larven kunnen in dc slak overwinteren.
Drainage wordt aanbevolen ter bestrijding van L.
truncatula, maar er wordt op
gewezen, dat ondeskundige pogingen tot drainage vaak het terrein uitermate geschikt
maken voor de slak.

]. Jansen Jr.

WORMEN BIJ DE P.ATRIJS.

B e z u b i k, B.: Helminthofauna of partridge (Perdix perdix L.) in the Lublin pala-
dnate.
Acta Parasitol. Polon., 7, 179, (1959).

B e z u b i k onderzocht 270 patrijzen en vond de volgende wormsoorten: Hymenolepis
cantaniana, Heterakis gallinarum, Ascaridia compar, Capillaria caudinjlata, C. bur-
sata, C. annulata
en Syngamus trachea.

De infecties waren over het algemeen van weinig betekenis, zowel wat het aantal ge-
infecteerde dieren als wat het aantal parasieten per dier betreft. Soms werd een
enteritis door grote aantallen van de lintworm
Hymenolepis cantaniana gezien.
Volgens B e z u b i k kan de patrijs van belang zijn voor de verspreiding van kippen-
parasieten, daar alle door hem gevonden wormen ook in de kip voorkomen.
(Ascaridia

-ocr page 535-

compar werd in Nederland tol nu toe slechts in de patrijs waargenomen, in de kip
vindt men als regel
A. galli, Ref.).

]. Jansen Jr.

Voedingsmiddelenhygiëne

CYSTICERCOSE IN FR.ANKRIJK.

C h a b a s s e, Y. et G e n t h o n, H.: Observations sur la frequence et les locali-
sations de la
Cysticercose bovine aux abattoirs d\'.Angers. Rec Med vét Alfort 138
1083, (1962).

Onder invloed van de Duitse bezetting werd het onderzoek op het voorkomen van
cysticercosis bij runderen en kalveren in het bezette deel van Frankrijk sterk ge-
ïntensiveerd, zo delen de auteurs mede.

Van sporadische bevindingen steeg het aantal positieve gevallen daardoor zeer sterk.
Na de bevrijding was ook de interesse weer voorbij totdat in 1960 voor de „export-
abattoirs" zeer stringente bepalingen werden voorgeschreven t.a.v. de keuring der
slachtdieren. Opnieuw steeg het aantal positieve bevindingen in deze keurings-
diensten en men is er thans van overtuigd ten aanzien van Cysticercose met een pro-
bleem te doen te hebben.

De auteurs namen de moeite de resultaten van het desbetreffend onderzoek te publi-
ceren en in overzichtelijke tabellen weer tc geven. Interessant zijn daarbij de volgende
gegevens van de positieve getallen:

1. in 80% der gevallen was de leeftijd jonger dan 4 jaar;

2. in 75% der runderen en 23% der kalveren werd slechts één blaasworm gevonden;

3. in 7,3% der runderen en 38,5% der kalveren werden naast dode ook levende
parasieten aangetroffen; bij kalveren tot 2 maanden waren daarbij reeds ver-
kalkte exemplaren.

J. H. J. van Gils.

Zootechniek

CASTR.ATIE EN VLEESPRODUKTIE.

Tu r ton, J. D.: The effect of castration on Meat production and quality in cattle,
sheep and pigs.
An. Breed. Abstr., 30, 447, (1962).

T u r t o n geeft in dit artikel een literatuuroverzicht van de voornaamste onderzoe-
kingen, die hebben plaatsgevonden betreffende de invloed van de castratie op dc
vleesproduktie. Achtereenvolgens haalt hij ondcrzoekin.gen aan die handelen over dc
castratie van ramlammeren, stieren en beren.

Schapen.

Op een leeftijd van 5 maanden hebben dc ramlammeren een betere spierontwikkeling
ofschoon dc spicr-bot vcrhoudmg kleiner is dan bij de hamels, wat zijn oorzaak vindt
in de veel sterkere ontwikkeling van het beenderstel bij de ramlammeren.
Op oudere leeftijd verandert deze spier-bot verhouding doordat bij de hamels de
beenderen langer doorgroeien. Bij een leeftijd van 11 maanden is het verschil tussen
de spier-bot verhoudingen verdwenen. De groeisnelheid is bij de ramlammeren beter
dan bij de hamels. Op een leeftijd van 4 maanden hebben ramlammeren en hamels
een gewicht van respectievelijk 124% en 110% t.o.v. ooilammeren op dezelfde leeftijd.
Op grond van deze vindingen wordt castratie meestal afgeraden, tc meer omdat qua
slachtkwaliteit waarschijnlijk geen belangrijke verschillen verwacht mogen worden.

Rundvee.

In vele proeven is aangetoond dat stieren sneller groeien dan ossen. De gevonden
verschillen variëren nogal sterk. De leeftijd bij castratie schijnt wel enige invloed
te hebben op de groeiverschillen.

-ocr page 536-

In Zweden is hieromtrent een onderzoek gedaan met eeneiige tweehngen. Een stel
werd niet gecastreerd, terwijl het andere stel respectievelijk jp cen leeftijd van 1, 6
en 12 maanden werden gecastreerd. Het gewicht bij 25 maanden gaf geen significant
verschil te zien tussen de drie groepen ossen.

Het gemiddelde gewicht van de stieren was echter 32 kg hoger dan dat van de ossen.
Door enige onderzoekers is waargenomen dat ossen in de weide even snel groeien dan
stieren.

Hoewel vanouds wordt gesteld dat ossen een betere slachtkwaliteit hebben, blijkt
daarover volgens recente proeven geen eenstemmigheid te bestaan.

Varkens.

Bij varkens is veel minder bekend omtrent verschillen m groeisnelhcid tussen borgen
en beren. Neemt men de gedane onderzoekingen samen dan lijkt het wel dat beren
tot een leeftijd van 3 4 4 maanden iets sneller groeien, maar dat daarna de rollen
omgedraaid kunnen zijn.

De voederconversie is dan weer eens beter bij beren en dan weer eens bij borgen.
Soortgelijk zijn de uitkomsten met betrekking tot de slachtkwaliteit.
Bovendien speelt het feit een rol dat vlees van beren vaak een ongewenste geur ver-
spreidt.

A. F. A. Brands.

RESULTATEN VAN K.I. BIJ VARKENS.

Hoffmann, H. H. und Hoffmann, IL: Non-return und Abferkclergcbnisse
in der künstlichen Besamung beim Schwein.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 76, 209,
(1963).

Van januari 1961 t.m. maart 1962 werden in het gebied van München 305 varkens
geïnsemineerd. Op non-return-basis van 120 dagen was het drachtighcidspercentage
61,3 na eerste inseminatie.

Door middel van navraag bij de varkenshouders was het mogelijk gegevens te ver-
zamelen van 221 zeugen. Van deze 221 dieren hadden 143 een toom biggen gebracht.
De werkelijke drachtigheid bedroeg 44,6% na eerste inseminatie, terwijl dit getal op
non-return-basis van deze groep 64,7% bedroeg.

Tevens vonden de auteurs dat bij gebruik van ouder sperma het verschil tussen dc
non-return- en dc werkelijke drachtigheidscijfers steeds groter werd, hetgeen te lezen
is in de volgende tabel:

Vergelijking van non-return- en werkelijke drachtigheid (eerste inseminaties).

ouderdom

sperma

totaal

0-12

uur

12-60

uur

aantal

niet

daarvan

aan-

niet

daar-

aan-

niet

daar-

meer

gf-

tal

meer

van

tal

meer

van

aange-

worpen

aange-

.ge-

aange-

ge-

boden

boden

worpen

boden

worpen

zeugen

105

72

73,6%

45

30

53,3%

150

102

68,0%

gelten

47

27

74,1%

24

14

71,4%,

71

41

73,2%

totaal

152

99

73,7%

69

44

59,1%

221

143

69,2%

Opmerkelijk hierbij is dat het verschil bij zeugen groter is dan bij gelten. Men mag
dus de non-return cijfers niet op dezelfde wijze hanteren als bij de runder K.I.

A. Rutgers.

-ocr page 537-

BOEKBESPREKING

FEEDING OF FUR-BEARING ANIMALS.
F. C. A i t k e n.

(Technical communication No. 73. Commonwealth Agricultural Bureaux. Farnham
Royal Bucks, Engeland. 1962, pp. 105.)

De auteur heeft de .-^ware tanl: op zieh .eenomen de vvetensehappehjke hteratuur over
de voeding van pelsdieren tr verzamelen en samen te vatten. Daarbij zijn veel ge-
gevens verwerkt welke werden ontleend aan Scandinavische en Russische ondcrzoc-
kin.gen. In die landen speelt dc vos nog een belangrijke rol in de economie. In
Canada en de Verenigde Staten is de vos grotendeels verdrongen door de nerts.
Werden cr aan het eind van de dertiger jaren nog 150.000 vossen op Canadese farms
gehouden, in 1959 en 1960 waren het er minder dan 2000, terwijl daartegenover
het aantal nertsen in diezelfde periode steeg van 100.000 tot 500.000. De totale
wcrcldproduktie aan jonge nertsen werd in 1960 .geschat op 11 miljoen.
In vijf hoofdstukken worden achtcreenvol,gens besproken: vos, nerts, chinchilla,
nutria en „overi.ge dieren" (bever, muscusrat, wasbeer en fret). Elk hoofdstuk is voor-
zien van een korte mieiding die cen indruk geeft van dc omvang en betekenis van
de fokkerij van de betrefiendc diersoort.

Aan de techniek van huisvesting wordt voorbijgegaan. In de paragraaf over voort-
planting worden telkens gegevens verstrekt over het aantal worpen per jaar en dc ge-
middelde grootte van een worp, evenals over sterfte bij jonge dieren. Ook over de
.groei, dat wil ze.ggcn het gcboorte-gewicht, dc gewichtstoename en het volwassen
.gewicht worden, eventueel in tabellen samengevat, mededelingen gedaan.
De vertcerbaarhcid van diverse nutriënten is het onderwerp \\an de volgende para-
graaf over elke dicr.soort. Daarop aansluitend worden de diceten behandeld, zo mo-
gelijk voorzien van cen systematisch overzicht van dc percentages waarin de afzon-
derlijke, meest .gebruikelijke, vcK-din.gsstoffen in het voer versverkt worden.
De behoeften aan energie, proteïnen, vetten, mineralen en vitaminen worden eveneens
afzonderlijk gerefereerd.

Elk hoofdstuk is gecompleteerd met cen paragraaf over ziekten welke op kunnen
treden als gevolg van fouten in dc samenstelling of bij het bewaren van het voedsel.
Hoewel een aantal van dc opgenomen literatuurgegevens nog met vast gefundeerd zijn
omdat dc gebruikte aantallen proefdieren soms .gering waren, h.eeft dc auteur deze
toch, met de vereiste voorzichtigheid, opgenomen in haar overzichten.
Vooral nu de eveneens zeer gcM-de publikatie van het Committee on Animal Nu-
trition, U.S.A. over Nutrient requirements for Foxes and Minks reeds weer 10 jaar
oud is, is deze bewerking van de literatuur over dit onderwerp bijzonder toe te
juichen. Dat in dit boekje ook de op kleinere schaal gehouden, doch plaatselijk niet
minder belangrijke pelsdieren zijn opgenomen, verhoogt de waarde daarvan nog
meer.

Het is een rijke bron van informatie voor ieder die bij de voeding van pelsdieren be-
trokken is.

P. Zwart.

BANDEN VOOR HET
TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE 1962

Verkrijgbaar bij het secretariaat a ƒ 4,50 per stel.

-ocr page 538-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

VIIITH MEETING OF THE EUROPEAN MEAT RESEARCH WORKERS II1).

17. T a d i c, R. en C i r i c, M. (Yugoslav Institute of Meat Technology, Yugo-
slavia) : .An examination of the influence of COa immobilization of hogs on
bleeding and physical and chemical changes in meat.

A. De CO2 bedwelming (1) werd vergeleken met de elektrische (2) (0,5 A, 70 V),
waarbij de verbloedingstijden en de hoeveelheden bloed werden gemeten, het
Hb-gehalte bepaald en organen en weefsels onderzocht op de verschillen.
Hierbij bleek de verblocdingstijd bij 1 gemiddeld 32 (26-38) seconden te duren
cn bij 2 gemiddeld 39 (28-45).

De blocdhoeveelheden waren resp. 3,4 en 3% van het levend gewicht met gren-
zen 3,2-3,7 en 2,4-3,6.

De Hb-gehalten, welke aan de M. pectoralis en M. gracilis werden bepaald,
waren bij de COa-proefdieren ± 25% lager.

Behalve spierbloedingen bij 5% der elektrisch bedwelmde varkens, waren er bij
organoleptisch onderzoek geen aantoonbare verschillen op te merken.

B. Vervolgens werden de glycogeen- en de pH-waarden direct na de slachting en
24 uur later vergeleken aan de onder A. genoemde spieren. Behalve onderlinge
verschillen tussen deze twee spieren waren er significante verschillen in de
glycogeen- en pH-waarden tussen de spieren van de dieren der proefgroepen.
De glycogeengehalten waren bij de COa-groep hoger, de pH-waarde daalde
0,2 eenheid lager.

18. S h e s t a k O V, S. D. (Ukrainian Research Institute for the Meat and Milk
industry; Kiev, U.S.S.R.): Intensity of autolytic processes in exsanguinated
and unexsanguinated muscles.

Voor dit onderzoek werden zeven series slachtrunderen na bedwelming normaal ver-
bloed, waarna fysiologische NaCl-oplossing door de bloedvaten werd geperst om de
verbloedingsgraad nog te verbeteren.

Bij zeven andere series (er wordt niet vermeld hoe groot elke serie was) werden na
bedwelming direct de aorta en de v. cava afgebonden.

Van 3 grote achterhandspieren werden monsters genomen, daarvan extracten ge-
maakt, waarna hiervan de volgende bepalingen werden verricht: pH, totaal-N, rest-N
(na prccipitatie der proteinen), vrije aminozuren, melkzur, reducerende enzymen,
totaal P en anorganisch P.

.Aan de hand van tabellen en discussies wordt geconcludeerd dat de autolytische pro-
cessen in het spierweefsel van niet-uitgcbloede dieren sneller verlopen.

19. Palm in, V. V. (Teen. Inst. of Meat and Milk Industry; Moskow, U.S.S.R.):
Changes in nitrogen compounds properties during y-irradiation of beef.

In aansluiting op voorgaande publikaties worden de resultaten besproken van het
onderzoek van sommige eigenschappen van glutathion, vrije aminozuren en in water
(y gamma-) oplosbare eiwitten in rundvlees, indien dit blootgesteld wordt aan
y-bestraling.

Gemalen rundvlees werd daartoe gebracht in hermetisch gesloten blikken. Een deel
van de blikken werd geheel gevuld, daarna geëvacueerd, andere blikken werden
slechts half gevuld en niet geëvacueerd.

De bestralingsdoses en -tijd varieerden van 0,7 x 10" x tot 5,0 en 10"r gedurende resp.
23 tot 3 uur.

De afbraak van glutathion bleek veel intensiever bij aanwezigheid van zuurstof; een
totale bestralingsdosis van 1,5 tot 3,0 x lO^r geeft de grootste afbraak; de intensiteit
van deze bestraling bleek daarbij van ininder belang te zijn.

1  Het le decl van dit verslag treft men op pag. 1244 van dit tijdschrift (aflevering
19, 1963).

-ocr page 539-

Hoge stralingsdoses remmen de cathepsinen-activiteit en daarmee de autolyse: tege-
lijk echter verandert het karakter van deze autolyse, wat zich manifesteert in andere
aminozurenverhoudingen en een anders verlopende afbraak daarvan.
Door elektroforesebcpalingen werd geconstateerd, dat door de bestraling onder in-
vloed van OH-radikalen en
H2O2 de in water oplosbare eiwitten denatureren.

20. F r u m k i n, M. L., S u n y a k o v a, Z. M., B u s h k a n e t s, G. S. en
Karpova, I. N. (Gentral Research Institute of Canning and Vegetable-drying
Industry, U.S.S.R.): Investigations of inhibiting oxidative processes in fatty
tissue of poultry irradiated by y-rays.

Een bestralingsdosis van niet meer dan 1,5 x 10®r verhoogt de houdbaarheid van
kippevlces aanmerkelijk, zonder dat een specifiek afwijkende geur of smaak ontstaat.
De oxydatieve processen in vet worden echter gestimuleerd, wat een direct toxisch
effect en inactivering van vitaminen A, E en D tot gevolg zou hebben.
In de hier beschreven experimenten werd een niet nader genoemd aantal haantjes
door het voer een evenmin genoemde hoeveelheid gebutyleerd oxytoluol — ook wel
ionol genoemd — als antioxydans toegediend. De houdbaarheid van deze haantjes
werd na het slachten bestudeerd, door vergelijking van een niet bestraalde groep rnet
twee groepen die resp. 0,6 en 1,5 x 10®r ontvingen.

Bepalingen van tocopherol, linoleenzuur en arachidonzuur voerden de schrijvers tot dc
conclusie dat toevoeging van ionol aan het voer van de haantjes verhoging van vet-
oxydatie door bestraling voorkwam.

21. S i 1 a e v, M. P. (Central Research Institute of Canning and Vegetable-Drying
Industry, U.S.S.R.): Studies of cattle irradiation prior to slaughter to prevent

proteolytic spoilage of meat preserved by y-irradiadon.

Om de ongewenste eivwtomzettingen in bestraald vlees, veroorzaakt door Proteasen
die binnen de pH-grenzen 5,4-6,0 een hoge activiteit bezitten, zoveel mogelijk te be-
perken, moet ervoor gezorgd worden dat de pH van het vlees hoog blijft.
Verschillende onderzoekers trachtten dit te bereiken door het inspuiten van adre-
naline in de slachtdieren vóór het slachten, waardoor de glycogeenvoorraden in de
spieren worden vernietigd.

In dit onderzoek werd nagegaan of deze glycogeenvoorraad ook door bestraling vóór
het slachten kan worden vernietigd; het is nl. bekend dat door bestraling de adrc-
nalineconcentratie in de weefsels wordt verhoogd. Voor het onderzoek werden ko-
nijnen en kippen gebruikt, omdat het vlees van deze dieren in vergelijking met dat
van de grote dieren slechts weinig organoleptische veranderingen vertoont na be-
straling met conserverende doses.

In een serie — niet nader omschreven — proeven werd een aanzienlijke vermindering
van de glycogeenvoorraad bereikt.

Bij nader onderzoek bleek de pH in bestraald spierweefse l van konijnen na 48 uur
0,8 hoger te zijn dan in dat van de controles. Het waterbindend vermogen van de
vleesciwitten werd door de bestraling aanzienlijk vergroot; dat bleek bij vriezen ge-
volgd door dooien, bij verhitten en verkleinen.

De proteolytische processen verliepen in door bestraling geconserveerd konijne- en
kippevlees twee tot drie maal zo langzaam.

22. F r u m k i n, M. L., Pavlova, G. L. en D o z o r e t s, D. P. (Central
Research Institute of Canning and Vegetable-drying industry, U.S.S.R.) : Change
of proteolytic activity of irradiated meat during storage and heat treatment.
■Ms vlees bestraald wordt met 1,5-2,0 Mrad blijven de enzymen voldoende actief om
de aseptische anaerobe glycolyse mogelijk te maken, waardoor de organoleptische
eigenschappen van vlees veranderen.

Om dit te voorkomen moeten de enzymen dus ofwel geheel geïnactiveerd, ofwel sterk
geremd worden, b.v. door warmte of door koude.

Gedurende 3 tot 40 minuten werden een aantal speciaal bereide en verpakte vlees-
monsters tot 75, 77 of 80° C verhit; een aantal daarvan werd daarna snel gekoeld.

-ocr page 540-

Dc enzymen bleken in 20 minuten bij 77° C volkomen geïnactiveerd, dit werd ge-
controleerd met behulp van een gemodificeerde methode-Anson. Het bleek mogelijk
bestraald vlees gedurende 7 maanden bij 0-4° C te bewaren, zonder dat autolyse
optrad.

Een aantal monsters vlees werd bestraald met 2 Mrad, daarnaast werden controle-
monsters niet bestraald maar verder op dezelfde manier behandeld.
Vóór dc bestraling, direct daarna en gedurende het bewaren bij verschillende tempe-
raturen na 30, 80 en 210 dagen werden bepaald het amino-ammonia stikstofgehalte,
de pH, de activiteit van protcïnasen en de intensiteit van de proteolyse-autolyse.
In een zestal tabellen en grafieken wordt nog een overzicht gegeven van de verkregen
resultaten.

CONGRESSEN

WISSENSCHAFTLICHE GESELLSCHAFT FÜR VETERINÄRMEDIZIN IN
DER DEUTSCHEN DEMOKRATISCHEN REPUBLIK.

Ter gelegenheid van haar 10-jarig bestaan zal bovengenoemde vereniging een inter-
nationaal congres houden in Leipzig, van
8-10 oktober 1964.
De volgende hoofdonderwerpen zullen worden behandeld:

1. Leucose;

2. Stoornissen en ziekten bij de opfok van runderen en varkens:

3. Nadelige invloeden door \\ oedermiddelen en chemische ,toffen:

4. Problemen op het gebied der hygiëne en profylaxis bij de grote huisdieren
(gezondheidsdiensten voor dieren);

5. Vrije onderwerpen.

De congrestalen zijn Duits, Russisch, Engels en Frans.

Voordrachten, voorzien van een samenvatting (20 regels type) en opgave van de
duur ervan (15-40 minuten) en het formaat van te vertonen diapositieven en films
kunnen tot
20 j.anuari 1964 worden ingediend bij het secretariaat van de vereniging:
Berlin W 8, Charlottenstraszc 66.

WESSANEN\'S RUNDVEE.STUDIEDAGEN.

Door Wcssanen\'s Koninklijke Fabrieken N.\\\'. zullen de navolgende rundvcestudie-
da,gen worden .gehouden:

te Zwolle, op vrijdag 25 oktober, in de „Buitensociëtcit"";
te
Utrecht, op donderdag 31 oktober, in „Tivoli".
Het programma luidt als volgt:

10.30 uur Ope ning door de heer J. i s, directeur van Wcssanen\'s Koninklijke
Fabrieken N.V.

Inleiding door de heer G. E i k e 1 e n b o o m, adviseur Wcssanen\'s Ko-
ninklijke Fabrieken N.V.
11.00 uur Prof. M. F r e n s, directeur van de Stichting Instituut voor Vee-
voedin.gsonderzoek „Hoorn": „Dc behoefte aan en dc voorziening met
calcium en fosfor bij de melkkoe".
Beantwoording van vragen.
12.15 uur Koffiemaaltijd.

13.15 uur Dr. P. W. M. van d r i c h e m, dierenarts bij de Stichting Instituut
voor Veevoedingsonderzoek „Hoorn": „De invloed van de voeding op
gezondheid en produktie van het melkvee".
Beantwoording van vragen.
14.15 uur De heer G. Eikelenboom, Research-afdeling Wcssanen\'s Konink-
lijke Fabrieken N.V.: „De invloed van de voedin.g op het vetgehalte van
dc melk".

Beantwoording van vragen.
15.15 uur Sluiting.

-ocr page 541-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

DE BEHANDELING VAN SCHAPEN TEGEN LEVERBOTZIEKTE.

(Mededeling van de Werkgroep Leverbotonderzoek onder auipiciën van de Afdeling
Diergeneeskunde T.N.O.)

Aangezien te verwachten is dal er in dc komende maanden in ernstige mate leverbot-
ziekte op de schapenbedrijven zal optreden, heeft de Leverbotcommissie van de Af-
deling Diergeneeskunde T.N.O. het van belang geacht om zowel de dierenarts als de
schapenhouder, op het gevaar van de leverbotzicktc, zowel als op dc mogelijkheden
ter beperking van de schade te wijzen.

De veehouders is in een radiocauserie en in de landbouwbladen op dit probleem ge-
wezen en het werd nuttig geacht om de dierenartsen in dit verband een beknopt over-
zicht te geven over de opvattingen in de Werkgroep Leverbot T.N.O.
Uitgangspunt bij de bestrijding van de leverbotziekte dient altijd de profylaxis te
zijn. Dit geldt speciaal voor dc acute vorm van de ziekte, waartegen nauwelijks medi-
camenteus opgetreden kan worden.

Het bestrijden van de leverbotslak, mei als doel het voorkómen van infecties in de
komende weken, heeft op dit ogenblik weinig zin meer, omdat het nuttig effect
zowel t,a,v, de slak als van de reeds op het gras aanwezige metacercariën, in verband
met de weersomstandigheden niet al te hoog moet worden aangeslagen.

Het verdient in de eerste plaats aanbeveling de dieren gedurende de komende maan-
den in te scharen op de leverbotv/ije percelen. Dit zijn in het algemeen de hoge,
goed afwaterende weiden met een redelijk doorlaatbare bodem. Hel is eveneens be-
langrijk de mogelijkheden tot isolatie van de „leverbothoeken" op een bedrijf te over-
wegen. In een deel van de gevallen is door een simpele afrastering rond een goed
te lokaliseren leverbotinfectieplaats het infectiegevaar in een ,.leverbotweide" te be-
zweren.

Het bijvoeren van hooi, schapenbiks e.d. kan ook gunstig werken. De weerstand van
het schaap wordt erdoor op peil gehouden of verhoogd en de opname van gras, mèt
de daarop aanwezige infectieuze metacercariën, wordt erdoor verlaagd. De herinfectie
komt dus op een lager niveau te liggen,

■Ms laatste mogelijkheid rest dan op dit ogenblik de medicamenteuze behandeling,
die eigenlijk no.g steeds uitsluitend berust op de toepassing van meer of minder mo-
derne gechloreerde koolwaterstoffen. Deze middelen bezitten cen uitstekende anthel-
mintische werking, zij het dat deze, helaas, voornamelijk beperkt is tot de geslachts-
rijpe leverbotten. De jonge leverbotten zijn ongevoelig of veel minder gevoelig.
Wat tegen de jonge leverbotten met de genoemde middelen te bereiken is, hangt
enerzijds van het ontwikkelingsstadium van de jonge leverbot, anderzijds van de do-
sering van het geneesmiddel af.

In het algemeen zou men hoger moeten doseren, ware het niet, dat het gevaar van
vergiftiging daarmee stijgt. De genoemde koolwaterstoffen zijn, ondanks de gerenom-
meerde werking, in principe ondeugdelijke leverbotmiddelen. Ze veroorzaken namelijk
Ijijna steeds een vaak klinisch niet-waarneembare necrose van de levereilandjes, daar-
mede — bij wijze van spreken dat deel van de lever beschadigend, dat door de le-
verbot nog intact gelaten is. Dil is wat men juist niet van cen levebotmiddel zou willen
verwachten. Zou men dus met het oog op de relatieve ongevoeligheid van de thans
overvloedig aanwezige jonge leverbotten hoog moeten doseren, men zal dit juist in
verband met de kans op vergiftigingen graag zoveel mogelijk achterwege laten.
Ergens zal men dus in de praktijk een tussenweg moeten bewandelen, met enerzijds
het risico van een onvoldoende werking als gevolg van een eigenlijk toch nog te lage
dosering en anderzijds zo nu en dan de onplezierige verrassing van een al of niet ten
dode gedoemd vergiftigingsgeval. Dit laatste is, indien een behandeling noodzakelijk

-ocr page 542-

is, de onvermijdelijlse consequentie van de leverbotziekte; de schapenhouder zal het
risico ervan dienen te dragen.

De vergiftigingen zijn de uiting van een bijzondere bedrijfs- of zelfs streekgevoelig-
heid, die meestal wel aan de veehouders of/en de dierenartsen bekend is en die zo-
nodig vastgesteld kan worden door middel van elkaar opvolgende proefbehandelingen
met toenemende hoeveelheden anthelminticum.

Uit utiliteitsoverwegingen is in de eerste plaats de toediening van gezuiverde tetra-
chloorkooistof in capsule aan te bevelen en wel in de dosering van 1 tot 3 ml per
schaap. In het algemeen zal er, zeker de eerstkomende beide maanden, naar ge-
streefd moeten worden zoveel mogelijk 2 ml per schaap toe tc dienen en wel \'s avonds
één capsule en de volgende ochtend de tweede. Men zij er zich van bewust dat in bij-
zondere gevallen sterfte bij het schaap reeds na de toediening van één capsule kan
optreden.

Herhaling van de kuur zal elke 5-6 weken nodig of zelfs noodzakelijk zijn; de laatste
behandeling met één capsule per dier zal 3-4 weken vóór de partus kunnen plaats
vinden. Doortastende en tegelijk potige schapenhouders ontrade men de laatste
kuur, teneinde abortus bij het schaap te vermijden. Niet het geneesmiddel is (uit-
sluitend) de oorzaak van het verwerpen bij de schapen, maar de ruwe behandeling
van de hoogdrachtige dieren bij de toediening ervan.

De mening wordt soms verkondigd, dat CCl-i paren teraal in hogere dosis (intra-
musculair of subcutaan; gemengd met plantaardige olie) kan worden toegediend
zonder grotere kans op vergiftiging; het nuttig effect zou er door verhoogd worden.
Dit is in voorlopige proeven in ons land (nog) niet zonder meer bevestigd.
Hetol moet geacht worden toekomstmogelijkheden te hebben in de door de fabrikant
voorgeschreven dosis. De kans op vergiftiging schijnt uitermate klein en dc werk-
zaamheid groot. Een zeker nadeel is de grote hoeveelheid (circa 50 ml) suspensie
die per os moet worden toegediend. Het gebruik van een doseerpistool is welhaast
noodzakelijk. Ingeven met de fles moet geacht worden tot de mogelijkheden te be-
horen. Te adviseren is de dieren vooraf.gaand te laten dorsten en de kennelijk smake-
loze suspensie uit de fles te laten drinken.

Hexachlorofeen kan voorlopig niet worden geadviseerd als leverbotmiddel bij het
schaap (Dorsman).

Hexachlooraethaan zou wel te gebruiken zijn, maar het is de vraag of het voordelen
heeft boven tetrachloorkooistof, terwijl de toe te dienen massa groter is.
Er zal naar gestreefd worden in dc komende winter nadere mededelingen te ver-
strekken betreffende de preventie en de therapie van leverbotziekte bij schapen zowel
als runderen. Tevens ligt het in de bedoeling, en het .,leverbotcentrum" zal daartoe
gaarne een beroep doen op de praktizerende dierenartsen, een enquête te houden
over de behandeling van de leverbotziektc, zoals die in de praktijk plaats vindt.

IN- EN DOORVOER HONDEN EN K.ATTEN.
Italië.

Nederlandse honden en katten kunnen weer op de oude voet in Italië worden inge-
voerd. Dus op vertoon van een geldig certificaat van gezondheid en enting tegen
hondsdolheid, afgegeven door een dierenarts en gelegaliseerd door de betreffende
Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst.

Bedoeld wordt het bekende certificaat van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Voorlopig is het nog raadzaam dit certificaat door belanghebbende na legalisatie door
de Veeartsenijkundige Dienst in tweevoud aan tc bieden aan het Italiaanse consulaat
te .Amsterdam of Rotterdam.
Nederlandse Antillen.

Het hoofd van de Veterinaire Dienst der Nederlandse Antillen tc Cura^ao deelt mede,
dat voor de in- en doorvoer van honden en katten wordt geëist:

1. Een geldige gezondheidsverklaring, hetgeen inhoudt dat <lezc gezondheidsverkla-
ring enkele dagen vóór vertrek uit Nederland is afgegeven.

-ocr page 543-

2. Een geldig bewijs van vaccinade tegen rabies. Dit houdt in dat de vaccinatie van
het dier minstens één maand en hoogstens één jaar voor aankomst in de Neder-
landse Antillen is geschied.
Voor beide documenten kan het bekende certificaat voor de wederinvoer in .Neder-
land worden gebruikt, mits de tijdstippen waarop het gezondheidsonderzoek en de
entmg van het dier zullen plaatsvinden zó worden gekozen dat aan het gestelde wordt
voldaan.

EXPORT FOK- EN GEBRLTKSRUNDEREN EN FOK- EN GEBRUIKS-
VARKENS.

Gezien de huidige stand van de abortusbestrijding in Nederland, heeft de Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst, na overleg terzake met de betrokken instanties van
het bedrijfsleven, besloten voor de export van fok- en gebruiksrunderen en fok- en
gebruiksvarkens, slechts dieren toe te laten, die afkomstig zijn van officieel als abor-
tusvrij erkende bedrijven.

Voor de varkens geldt deze eis uiteraard slechts, indien op het hcrkomstbcdrijf tevens
rundvee wordt gehouden.

De bepaling dat de dieren ook van A.B.R.-vrije bedrijven mogen komen, vervalt hier-
mee.

Deze regeling wordt met ingang van 1 november 1963 van kracht.

ENTING VAN VARKENS TEGEN MOND- EN KLAUWZEER.

13 sept. 1963 J No. J. 2374 | Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken

De Minister van Landbouw en Visserij,

gelet op ratikel 3, derde lid, van het Besluit entstoffen voor dieien (Stbl. 1963, 287),
Besluit:

Artikel 1.

Als gebied, waarin vergunning kan worden verleend voor het inenten van varkens
welke worden gehouden op de bedrijven en inrichtingen, wcrdt aangewezen: het
gehele land.

Artikel 2.

Dc beschikking van 13 augustus 1963, no. J. 21.53, Directie Juridische en Bedrijfs-
organisatorische Zaken, Stcrt. 157, wordt ingetrokken.

Ardkel 3.

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 16 september 1963.
\'s-Gravenhage, 13 september 1963.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

Toelichting.

Door deze beschikking wordt het mogelijk gemaakt, dat alle varkenshouders in den
lande vergunning kunnen krijgen tot inenting van de varkens tegen mond- en klauw-
zeer. Blijkens de heden eveneens gepubliceerde beschikking van de Directeur van
de Veeartsenijkundige Dienst heeft deze op grond hiervan de bedoelde inenting met
ingang van 16 september 1963 bij wege van algemene vergunning toegestaan, indien
een aantal voorschriften, o.m. aangaande het aan te houden inentingsschema\' en het
houden van een entrcgister, wordt nagekomen.

Deze algemene vergunning geldt niet bij de export van varkens, wanneer het impor-
terende land inenung verlangt. Voor deze inenting kan op aanvraag een individuele
vergunning worden verkregen.

-ocr page 544-

13 september 1963 | No. LjVD. 6809 | Directie van de Landbouw. Veeartsenijkundige
Dienst.

De Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst,

Gelet op de artikelen 3, 4 en 5 van het Besluit entstoffen voor dieren (Stb. 1963, 287),
Besluit:

.Artikel 1.

In het gebied, aangewezen ingevolge het derde lid van artikel 3 van het Besluit
entstoffen voor dieren, wordt, behoudens in geval van de intenting ten behoeve
van de export moet geschieden, bij wege van algemene vergunning toegestaan varkens
met dode of geïnactiveerde entstoffen tegen mond- en klauwzeer in te enten, mits
daarbij de volgende voorschriften worden nagekomen:

a. bij het begin van de entingen moeten alle op het bedrijf of de inrichting aan-
wezige varkens, die op dat tijdstip ouder zijn dan twee weken, worden ingeënt
met monovalent mond- en klauwzecrvaccin type C, welke inenting na 14 dagen
moet worden herhaald:

b. de dieren, geboren uit zeugen die tweemaal zijn ingeënt, moeten op een leeftijd
van drie maanden worden ingeënt en deze inenting moet na 14 dagen worden
herhaald;

e. aan het bedrijf of de inrichting mogen slechts varkens worden toegevoegd, die
tweemaal met een tussenruimte van 14 dagen te.gen mond- en klauwzeer werden
ingeënt en de toevoeging mag pas minstens één week na de laatste inenting plaats-
vinden;

d. alle op het bedrijf of dc inrichting aanwezige varkens, welke de eerste twee in-
entingen ondergingen, moeten regelmatig om de drie ma inden opnieuw worden
ingeënt, tenzij de entingen met instemming van de betrokken districtsinspecteur
van de Veeartsenijkundige Dienst kunnen worden gestaakt;

e. bij het begin van de entingen moet door de eigenaar, houder of hoeder van de
varkens ten overstaan van de op het bedrijf of de inrichtin.gen praktizerende
dierenarts op een door deze te verstrekken formulier worden verklaard, dat hij
ermede bekend is, dat de entingen op de wijze als onder :.-d bepaald, dienen tc
.geschieden.

.Artikel 2.

1. De eigenaar, houder of hoeder van varkens, dic krachtens de in artikel 1 bedoelde
vergunning worden ingeënt, is verplicht op zijn bedrijf of inrichting een register tc
houden en dit op eerste aanvraag door of vanwege de betrokken districtsinspec-
teur van de Veeartsenijkundige Dienst te tonen.

2. In dit register worden de door de betrokken dierenarts bij de varkens verrichte
inentingen tegen mond- en klauwzeer genoteerd en geparafeerd.

.Artikel 3.

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 16 september 1963.
\'s-Gravenhage, 13 september 1963.

De Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst
(w.g.) J. M. V. d. Born.

WIJZIGING BESCHIKKING ENTSTOFFEN VOOR DIEREN.

20 september 1963 | No. L VD 6944 | Directie van de Landbouw, Veeartsenijkundige

Dienst.

De Directeur van de Veeartsenijkundi.ge Dienst,

Gelet op de artikelen 2, vierde lid, en 6 van het Besluit entstoffen voor dieren (Stb.
1963, 287),

-ocr page 545-

Artikel 1.

A. Aan artikel 3 wordt, met vervanging van de punt achter „De Bilt" door een
puntkomma, toegevoegd:

d. Centraal Diergeneeskundig Instituut.

B. .Aan artikel 5, onder 2, wordt, met vervanging van de pu-it achter „Joegoslavië"
door een puntkomma, toegevoegd:

c. het Staatsseruminstituut „Phylaxia", te Budapest, Hongarije (Handelsaandui-
ding: Kristalviolet Varkenspestvaccin „Phylaxia").

Artikel II.

Deze beschikking zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant cn
treedt in werking met ingang van dc dag na die harcr publikatie.
\'s-Gravenhage, 20 september 1963.

De Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst,
enz.

Toelichting.

Besluit:

In bovenstaande beschikking houdt het gestelde onder A in, dat ook het gebruik van
het levende vaccin tegen pseudo-vogelpest, bereid dcx>r het daargenoemde instituut,
is toegestaan. Bij het gestelde onder B wordt voor inenting van varkens tegen varkens-
pest mede toegelaten het kristalvioletvaccin, bereid op basis van het virus van de
klassieke varkenspest door het daargenoemde instituut.

IN

STAAT VAN DE GEVALLEN V.AN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN,
NEDERL.AND VOORGEKOMEN GEDI RENDE DE MAAND JULI 1963.
De getallen geven het aantal veebeslagen aan.

D.
«

j:

c
ü
c.

c
15
oS

H S

(J

Pro\'

■ 2
-S

-O.

S- 2

C ^

OJ -r-

-K t;

c

^ ó

Ó 13

-a 3

3 .\'>\'

O

-c

■O.

> ^

^ .S

t/3 -a

O
tt.

< :s

Groningen

Friesland

Drenthe

Overijssel

Gelderland

,—

Utrecht

Noordholland

Zuidholland

Zeeland

Xoordbrabant

2

Limburg

9

Tot. V. h. Rijk

17

1

7

1

29
21
9

19
1
9
8
90

19
1

21

26

-ocr page 546-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

Oktober,

13—19, D.I.G., Lustrumviering, (pag. 859)

16, Kaastentoonstelling annex fokveedag, Hoornaar.

18—19, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, 110e Algemene Ver-
.gadcring. Utrecht, (pag. 467, 620, 982, 1041, 1085, 1201,^1264, 1325)

19, Centrale Jonge Hengstenkeuring V.L.N., Utrecht.

25, Wessanen Rundveestudiedag, Zwolle, (pag. 1318)

31, 6e Voorlichtin.gsdag Veeartsenijkundige Dienst. 10.15 uur. Utrecht.
(pa.g. 1196)

31, Wessanen Rundveestudiedag, Utrecht, (pag. 1318)

November,

5 en 6, 110e Ned. Landhuishoudkundig Congres, Emmeioord. (pag. 1037)

9—10, Genootschap v. Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, Zutphen.

December,

18, Afd, Zuid-Holland K.N.M.v.D. \\\'crgadering, 20.00 uur, Muranozaal,
Beurscafé, Rotterdam,

19, Afd, Gronin.gen K,N,M,v.D. Vcrgaderin.g, 14.00 uur. Restaurant Riehe,
Groningen.

1964

Februari,

16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel.

September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388)

Oktober,

8—10, Wiss. Gesellschaft f. Vet.Med, in der D,D.R., Intern, Congres, Leipzig,
(pa.g. 1318)

K.1. in Engeland en Wales.

In de periode april 1961-eind maart 1962 werden 2,106,236 eerste inseminaties bij
runderen uitgevoerd, waar\\an 1,699,172 door de Milk-Marketing Board. De stijging
van het aantal inseminaties bedroeg ± 5%, Het aantal inseminaties met sperma van
stieren van melk- en dualpurposerassen daalde, waartegenover een sterke stijging van
de inseminaties met sperma van Hercfords viel tc constateren, hetgeen ten koste ging
van o.a, dc zwartbonte stieren.

Voor het eerst werden 2473 koeien met sperma van Charolais-stieren geïnsemineerd.
Omtrent de 23 centra van de Milk-Marketing Board kunnen nog dc volgende cijfers
worden vermeld: bevruchtingspercentage na le inscimnatie: 77% niet terugkomers
na 30-60 dagen; 43,788 eerste inseminaties met diepvricsspcnna, waarbij het bc-
vruchtingspercentage (non return) 67.2 bedrcx-g.

Van de inseminaties met sperma van melk- en dual-purposcrassen was 53,2% afkom-
stig van op vererving onderzochte stieren. Van de 731 K.I,-stieren waren er 185 vol-
ledig op rust .gesteld.

Er werden 117 contracten gesloten in het kader van het stiermoeder-inseminatie-
programrna, waarvan 93 met zwartbontfokkers. Sinds 1955 zijn in totaal 1190 con-
tracten afgesloten, waaruit 156 stieren op K.I.-centra geplaatst zijn,
In het verslagjaar werden 3074 doses sperma uitgevoerd, waarvan 2027 voor expe-
rimentele doeleinden.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 327, (1963)
1324 Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 20, 1963

-ocr page 547-

Koninkli/ke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Burau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) I 14 13.
Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Programma Algemene Vergadering 1963.

Huishoudelijke zitting.

.M.S de Ujd het toelaat, zal collega J. C. Peters (Rotterdam) in het kader van de
rondvraag een korte uiteenzetting geven over;
De betekenis van „bijzondere" dieren
in de diergeneeskundige praktijk.

Krachtens de gewijzigde statuten en het huishoudelijk reglement staat dit jaar als
punt 3 op het programma; Notulen van de 109e Algemene Vergadering van 19
oktober 1962. Ter vergemakkelijking van de behandeling van dit punt zal de leden
nog een los exemplaar van dc notulen worden toegezonden vóór vrijdag 18 oktober a.s.

Wetenschappelijke zitting.

.Aan het einde van deze bijeenkomst op zaterdagochtend, vóór de lunchpauze, zal een
bijzonder interessante gcluids-kleurenfilm worden vertoond over;
Mieren als tussen-
fase bij de verspreiding van leverbotziekte.

Deze film, die vooraf wordt gegaan door een korte inleiding, is ter gelegenheid van
het laatste \\V.V..A.-Congres in Hannover bekroond als beste film.

Feestelijke avond.

Destijds is bij het eerste overleg met het Jaarbeurs-Restaurant het aantal deelnemers
aan het diner geschat op 100. Zoals gebruikelijk is er een marge van 10% minder of
10% meer dan het aantal opgegeven deelnemers.

Op het moment dat deze aflevering ter perse ging was het .geschatte aanal deelnemers
nagenoeg bereikt. Er mo.gen cr dus nog 10 bij. Willen deze 10 zich nu eens niet
enkele minuten voordat het diner begint, opgeven, maar telefonisch direct na de
verschijning van deze aflevering. Het bedrag ad f 12,— per deelnemer kan dan niet
meer per giro worden overgemaakt, maar wordt in de pauze van dc huishoudelijke
vergadering of direct na afloop hiervan geïnd door de secretaresse.

Jubileum.

Op 5 november 1963 hoopt dierenarts J. D. van der Woerd, Dr. Biegclstraat 6,
Gorinchem, zijn 25-jarig diercnartsjubileum te vieren.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur draagt dc vol.gende collegae voor het lidmaatschap van de Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde voor;

.A. Nahum, Locff Bcrchmakerstraat 30 bis, Utrccht.
H. G. A. Oldc Rickcrink, Malicstraat 20 bis. Utrecht.
H. W. F. Picard, F. C. Dondersstraat 20, Utrecht.
M. van Schothorst, Stcinenburglaan 12, De Bilt.
H. Wijma, F. G. Dondersstraat 29, Utrecht.

Het Hoofdbestuur heeft de volgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde;

J. J. L. Franssen, Poortstraat 20, Utrecht.
D. P. Teenstra, Oudegracht 147 bis, Utrecht.

-ocr page 548-

Adreswijzigingen cn dergelijke:

Bic, J. de, te Hollandschcveld, aangesloten onder gr. 992479. (148)

Bollen, L. N. M., van Nijmegen naar Hellendoorn, Geerhard Boschstraat 17. (150)
Bolscher, A. J. W., van Dclden naar Tilligte (Ov.), Ootmarsumstraat 149, tel.

(05412) 333. (150)

Folkers, Dr. C. (gepromoveerd 13-12-1962 te Utrecht), van Bunnik naar Kaduna
(Northern Nigeria), Ministry of Animal and Forest Resources, senior veterinary
Officer, Tsetse en Trypanosomiasis, Unit. (van 160 naar 216)

Grootyhuis, Dr. G., te Nieuwenhoorn, tel. gewijzigd in (01883) 31 05. (164)

Ilaar, B. ter, te Morrinsville, huisnummer wijzigen in 414. (216)

Heida, IJ., te Leeuwarden, adres bureau gewijzigd in Spanjaardslaan 151 (tel. on-
gewijzigd).

(167)

Laan, J. P. van der, van Dwingelo naar .Apeldoorn, Mollcruslaan 35, tel. (06760)

1 44 88, ass. bij M. Lourens. (179)
La.gerweij, E.. van Utrecht naar Zürich (Zwitseriand), Hadlaubstrasse 145.

(van 180 naar 216)

Loon J Th. G. van, „Miamcy" en „1\'évélage" wijzigen in resp. „Zinder" en „l\'Ele-
vage". (216)
Meulen, H. S. van der, te Ruurio, tel. gewijzigd in (06735) 605 (privé), 200 (prak-
tijk), geassocieerd met h. Snijders. ■ (184)
Rütte-Schaafsma, mevr. A. E. Ie, zie Wagenaar-Schaafsma, mevr. A. E. ..(l^\'l)
Timmerman, H., te Oldemarkt, naar Koningin Julianaweg 3 aldaar (tel. ongewijzigd).

(203)

Wagenaar-Schaafsma, mevr. A. E.; 1963; Utrecht, Oudwijkerlaan 31; tel. (030)

2 74 72; gr. 510616; D. (inlassen 209)
Wouters,
g" W. J., te Alkmaar, tel. bureau gewijzi.gd in 1 46 42. (213)

Gevestigd:

Poll, P. H. A., te Zeist, Kersbcrgenlaan 16, tel. (03404) 1 51 :)2, ,gr. 676486, sp. dag.

13-14 en ma., wo. en vr. 19-20 (overname praktijk 11. .A. Brouwer). (191)

Vink, K. D., te Sneek, Stationsstraat 17, tel. (05150) 36 55 (privé), 27 14 (praktijk),
gr. 1025437 (overname praktijk E. J. S. Bron en geassocieerd met D. R. Vink en
T. Bottema). 207)

Inspectie van dc Veeartsenijkundige Dienst en Veterinaire Inspectie van de Volks-
gezondheid in het district(ambtsgebied Friesland.

Ilct bureau van bovenbedoelde diensten te Leeuwarden is aldaar verplaatst naar
Spanjaardslaan 151. Het telefoonnummer (05100) 2 48 16 is ongewijzi.gd .ge-
bleven. (76)

Openbaar slachthuis te Alkmaar.

Ilct telefoonnummer van bovenbedoelde dienst is gewijzigd in (02200) 1 46 42. (112)
Benoemd:

Coppoolse, J. P., te Grijpskerke (Z.), te rekenen m.i.v. 1 september 1963, tot mede-
directeur van „Gronin.gen", paarden- en vceverzckeringsmaatschappij. (155\'!
Loman, J. H., te Den Hulst (Ov.), te rekenen m.i.v. 1 juli 1963, tot adjunct Inspec-
teur bij de Veeartsenijkundige Dienst. (182)

Dr. van Vloten gaat de Rijksdienst verlaten.

Bij Koninklijk besluit van 14 juni 1963 No. 34 is aan Dr. J. M. van Vloten, veterinair
inspecteur van de Volk.sgczondheid tevens inspecteur van de Veeartsenijkundige
Dienst, in algemene dienst, op zijn verzoek met ingang van 1 juli 1963 eervol ont-
slag als zodanig uit \'s Rijks dienst verleend onder dankbetuiging voor de bewezen
langdurige diensten.

In zekere zin in strijd met het bovengestelde is hij toch werkzaam gebleven.
Met ingang van 1 januari 1964 zal hij echter de Rijksdienst verlaten.

a

-ocr page 549-

Geslaagd op 23 september 1963:
Staal, E. G. A.

Geslaagd op 27 september 1963:
Nahum, A.

Olde Riekerink, II. G. A.
Pieard, H. \\V. F.
Schothorst, M. van
VVijma, H.

(inlassen 200)

(inlassen
(inlassen
(inlassen
(inlassen
(inlassen

186)
188)
190)
196)
213)

Overleden: .

Vloten, Dr. J. G. G. van, te ütrciht, is aldaar overleden op 3 oktober 1963. (207)

. NIJLON INJECTIESPUITEN

ONBREEKBAAR
VOOR MASSA-INJECTIES
TIJDS-BESPARING
BUDGETS-BESPARING

Verkrijgbaar bij:

JNSTRUMENTENHANDEL OF: L\'UNIVERS - Pr. Bernhardlaan 9 - Bussum

ASSISTENT gevraagd

op korte termijn In grote gemengde praktijk in Zuid-Holland. Na inwerk-
periode volledige associatie. Gedacht wordt aan een jong collega.

Brieven onder no. 34/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht,

TER OVERNAME

MILLIGRAM STATIEF BALANS

en

GRAMBALANS TOT 500 GRAM.

Brieven onder no. 35/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

GEVRAAGD in middelgrote grote-huisdieren praktijk in Zuid-Holland een

VASTE ASSISTENT.

(enige praktijkervaring wenselijk).
Woning beschikbaar. Overneming na een jaar samenwerking is mogelijk.

Brieven onder no. 33/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

Kil G IL

-ocr page 550-

VLEESKEURINGSDIENST „KRING LEKKERKERK"

Bij de gemeenschappelijke vleeskeuringsdienst voor de ge-
meenten Ammerstol, Bergambacht, Berkenwoude, Krimpen
aan de Lek, Krimpen aan den IJssel, Lekkerkerk, Ouderkerk
aan den IJssel, Schoonhoven, Stolwijk en Vlist, is, in verband
met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de
huidige functionaris, per 1 mei 1964 te vervullen de betrekking
van

DIRECTEUR

In diensttreding bij voorkeur op 1 februari 1964.

Gegadigden dienen een academische opleiding voor dieren-
arts ie hebben gevolgd en te beschikken over een ruime
praktische ervaring in een vleeskeuringsdienst.

Salarlsgrenzen: ƒ 15.240,- lot ƒ 18.708,- per jaar (7 jaarlijkse
periodieke verhogingen), exclusief A.O.W.-compensatie, huur-
compensatie en vakantietoelage.

Aanstelling boven het minimum is niet uitgesloten.

Spaarpremle-, verplaatsingskosten- en I.Z.A.-regeling zijn van
toepassing.

Voor het gebruik van een eigen auto wordt een vaste ver-
goeding verleend.

In de Kring is een engrosslachterij, tevens exportslachterij, ge-
vestigd.

Bij aanstelling tot Rijkskeurmeester in bijzondere dienst geniet
men bovendien de daarvoor geldende rijksbeloning.

Voor het verkrijgen van een woning binnen de Kring zal
ruime medewerking worden verleend.

Sollicitaties te richten tot Burgemeester en Wethouders van de
gemeente Lekkerkerk binnen 14 dagen na de verschijning van
dit blad.

-ocr page 551-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

iS". van den Akker, De ziektekundige ontleedkunde in de dier-
geneeskunde
............1329

Jac. Jansen, Over het vóórkomen van eendepest — About the

incidence of duck plague —.........1341

T. Eernstman, De invloed van het micro- en macroklimaat en
van isoleringsmaatregelen op het optreden van enzoötische of
viruspneumonie bij varkens. Een kritisch literatuuroverzicht III
— The influence of the micro- and macro-climate and of iso-
lation measures on the incidence of enzootic or virus pneumonia
of pigs. A critical review of the literature III ■
— . . . . 1344

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

C. Schalk, Het gebruik van hormonen bij schapen tijdens het
dekseizoen — Endocrine traetment of sheep
— .... 1366

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten.........1371

Exotische dieren, pelsdieren en proefdieren.....1372

Heelkunde.............1372

Inwendige ziekten...........1373

Stofwisselings- en deficiëntiezieklen.......1374

BOEKBESPREKING

H. de Jong, Inleiding tot de medische statistiek .... 1375

H. Schleiter, Klauenpflege bei Haustieren.....1375

D. C. Blood and J. A. Henderson, Veterinary Medecine . . 1376

BERICHTEN EN VERSLAGEN

W.V.A. Resoluties XVIIe Wereld Diergeneeskundig Congres 1377

Bestrijding van trilziekte bij pluimvee III......1378

Staart- en manenjeuk..........1379

Vllth Meeting of the European Meat Research Workers III . 1380

CONGRESSEN

A.e.V. Regionale veevoedingsbijeenkomst......1387

Genootschap voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en

Natuurwetenschappen, Najaarvergadering.....1388

Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren" . . . 1388

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1390

VARIA.......... 1343, 1370, 1389, 1390, 1391

DOORLOPENDE AGENDA............1391

KON. NED. MA.ATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau............1392

Van de Afdelingen...........1392

Van de Groepen...........1393

Personalia.................1393

RECTIFICATIES............. . 1394

-ocr page 552-

y

Handelsmerk

iïl
1

f

(Thiabendazole)

Een nieuw anthelminticum
voor rundvee en schapen.

Thans ook in Nederland.

MeRCK SHaRP 6 DOHfllG DeDeRLauD nv ^

Haarlem Tel. (02500) 22070

Postbus 581

-ocr page 553-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De ziektekundige ontleedkunde in de diergenees-
kunde.1!

door S. VAN DEN AKKER

Mevrouw en Mijne Heren Curatoren,

Dames en Heren Hoogleraren, Lectoren, Privaatdocenten

en Leden van de Wetenschappelijke Staf,

Dames en Heren Studenten en voorts gij allen, die

door Uw aanwezigheid van Uw belangstelling blijk geeft.

Zeer gewaardeerde toehoorders.

De ziektekundige ontleedkunde en weefselleer, meestal pathologische ana-
tomie genoemd, tracht door macroscopisch en microscopisch onderzoek de
afwijkingen van organen, weefsels en cellen te leren kennen. Deze weten-
schap kon pas tot ontwikkeling komen toen na de Middeleeuwen de op
ethische en religieuze motieven berustende weerstand tegen het verrichten
van lijkopening bij de mens langzamerhand afnam. Tn die tijd werd het
medisch denken nog geheel beheerst door de opvattingen van G a 1 e n u s,
de geniale arts die in de tweede eeuw van onze jaartelling in Rome leefde.
G a 1 e n u s had al een vrij uitgebreide kennis van de normale anatomie, on-
misbaar als basis voor fysiologie en pathologische anatomie. Nu men zich
zelf kon overtuigen van de bouw van het menselijk lichaam, bleek echter
dat zijn beschrijvingen vaak onjuist waren en grotendeels berustten op
onderzoek van dieren. Steeds meer gingen ook de anatomen stelselmatig
de veranderingen na, die bij ziekte in het lichaam werden aangetroffen.
De grootste onder hen, Morgagni, hoogleraar aan de Universiteit van
Padua, legde in 1761 zijn ervaringen neer in zijn beroemde werk „Over de
zetel en de oorzaak der ziekten". Hij trachtte hierin ook de tijdens het leven
waargenomen ziekteverschijnselen te verklaren uit de na de dood gecon-
stateerde afwijkingen.

Verbeteringen aan het microscoop in de eerste helft der 19e eeuw maakten
het vervolgens mogelijk ook fijnere structuren van gezonde en zieke or-
ganen en weefsels te bestuderen, en hierdoor het inzicht in het wezen der
ziekten verder te verdiepen. Met een dergelijke voortvarendheid werd de
bestudering van de ziekelijke veranderingen ter hand genomen, dat in
1936 Nieuwenhuyse, de toenmalige hoogleraar in de medische
Ziektekundige Ontleedkunde aan deze Universiteit, in zijn inaugurale rede
verklaarde, dat bij de mens nauwelijks een ziekte was aan te wijzen, die
pathologisch-anatomisch nog niet uitvoerig beschreven was. Men vroeg
zich dan ook af of de pathologische anatomie nog iets nieuws van betekenis
kon brengen. Natuurlijk blijft ze onmisbaar bij het onderwijs. Steeds zal
ook de kliniek een beroep op haar blijven doen voor het verifiëren van de
gestelde diagnose, of voor het vaststellen van de doodsoorzaak wanneer dit
bij het leven niet mogelijk was, evenals voor het onderzoek van wegge-

1  Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar aan de Rijks-
universiteit te Utrecht op maandag 28 oktober 1963.

-ocr page 554-

nomen gezwellen en proefuitsnijdingen. Maar kan de pathologische ana-
tomie ook nog een bijdrage leveren tot de oplossing van de vele nog res-
terende problemen, of moet ze dit aan andere wetenschappen overlaten ?

De ziektekundige ontleedkunde heeft echter de laatste decennia de beschik-
king gekregen over een aantal nieuwe onderzoekingsmethoden, die het
haar mogelijk maken verder mee te werken aan de vooruitgang van de
kennis der ziekten. Met het elektronenmicroscoop kunnen celstructuren
bestudeerd worden, honderd maal kleiner dan met het lichtmicroscoop
mogelijk is, terwijl door histochemische methoden steeds meer stoffen, zelfs
enzymen, aangetoond en gelokaliseerd kunnen worden, waardoor ook een
beter inzicht kan worden verkregen in het functioneren van de cellen.
Ook de fluorescerende antilichamentechniek is een nieuw wapen in het
arsenaal van de patholoog-anatoom. Door antilichamen, gekoppeld aan een
fluorescerende stof, op een weefselcoupe in te laten werken, kunnen niet
alleen virussen, maar ook andere eiwitten en eiwitbevattende stoffen ter
plaatse aangetoond worden.

Ook de veterinaire ziektekundige ontleedkunde maakt gebruik van deze
en andere nieuwe methoden. Maar ook zonder hen ligt nog een wijd ar-
beidsterrein voor haar open. Bij de dieren is het nl. niet zo, dat nauwelijks
een ziekte is aan te wijzen, waarvan het macroscopisch en microscopisch
beeld nog niet uitvoerig is beschreven. Integendeel, het aantal ziekten waar-
bij pathologisch-anatomisch onderzoek nog een beter inzicht kan geven in
de aard der aandoening, is talrijk. Deze achteretand bij haar zusterweten-
schap vindt haar oorzaak in de overheersende rol die de economie nu een-
maal in de diergeneeskunde speelt. V e g e t i u s, de meeste bekende dier-
geneeskundige uit de oudheid en schrijver van het eerste werk over de ge-
neeskunde der dieren, klaagde reeds dat vele eigenaren wegens de dure
medicijnen er de voorkeur aan gaven him dieren zonder behandeling te
laten sterven. Pas toen besmettelijke ziekten als veepest, longziekte, milt-
vuur, mond- en klauwzeer en schaapspokken, die in de 18e eeuw de vee-
stapel teisterden, het bestaan van de opbloeiende landbouw en veeteelt in
VVest-Europa bedreigden, besloot men tot het oprichten van veeartsenij-
scholen. De eerste kwam tot stand in Lyon in 1761, het jaar waarin het
werk van Morgagni verscheen.

Hoewel natuurlijk in het begin het peil van deze scholen niet hoog was,
kon de diergeneeskunde toch beginnen aan het inhalen van haar achter-
stand. Bij de normale ontleedkunde ging dit, voortbouwend op de reeds
verworven kennis, sneller dan bij de ziektekundige ontleedkunde waar niets
van bekend was. Vermeldenswaard is dat de diergeneeskunde nu op haar
beurt te maken kreeg met de weerzin, die was ontstaan tegen het aanraken
van gestorven dieren, een weerzin die zich ook uitstrekte tot ieder die hier
op één of andere wijze mee te maken had. Deze aversie is misschien wel
mede ontstaan, doordat niet in hoog aanzien staande lieden zich bezig
hielden met het onthulden van de kadavers, en misschien ook wel handel
dreven in het vlees van deze dieren, met alle mogelijke onaangename ge-
volgen van dien.

Bij de opening van de Veeartsenijschool in Dresden in 1774 bleek het zelfs
nodig een verordening uit te vaardigen, waarbij het strafbaar gesteld werd
de leerlingen van de nieuwe school wegens hun bemoeiingen met dierlijke
kadavers als „ehrlos" te betitelen. Om de onjuistheid van een dergelijke

-ocr page 555-

betiteling duidelijk te doen blijken, verrichtte de Hertog van Kurland bij
de eerste ontleding van een paard de eerste snede.

Na een moeizaam begin maakte de veterinaire pathologie snelle vorderin-
gen, mede doordat ze al spoedig kon beschikken over de mogelijkheden,
die de verbeteringen van het microscoop boden. In de 2e helft der 19e
eeuw kreeg ze echter een concurrente in de toen opkomende bacteriologie.
De grote mogelijkheden die de bacteriologie bood voor de bestrijding van de
economisch zo belangrijke besmettelijke veeziekten, waren voor velen van
de beste beoefenaren der diergeneeskunde aanleiding hun krachten aan
deze nieuwe wetenschap te wijden. Ook de veterinaire patholoog-ana-
tomen gingen zich met de bacteriologie bezig houden. Namen als B o 1-
linger, Johne, Kitt en Schütz getuigen hiervan. In Engeland en
de Verenigde Staten van Amerika is het nog steeds zo, dat er geen aparte
leerstoelen voor de ziektekundige ontleedkunde zijn, maar dat deze met
bacteriologie, virulogie en parasitologie in een Department of Pathology
tot één geheel zijn samengevoegd.

Dit heeft ongetwijfeld grote voordelen. Het leidt gemakkelijk tot het voor
de oplossing van veel vraagstukken zo nodige teamwork, het voorkomt
eenzijdigheid, maar leidt ook tot minder sterke specialisering. Wanneer
we verder zien dat het kleine corps veterinaire patholoog-anatomen zich
bezig heeft te houden met de ziekten van talrijke diersoorten, dan is het
niet verwonderlijk dat van vele dierziekten onze kennis nog onvolledig is.
Ik wil er slechts enkele van noemen. Zo is afgrenzing van verschillende
ziekten van de bloedvormende organen nog niet mogelijk. Ook de kennis
van de ziekten van het beenderstelsel is nog onvoldoende. De pathologische
anatomie van de huidaandoeningen vormt zelfs een nog vrijwel braak-
liggend terrein.

Maar ook bij ziekten die veel beter bestudeerd zijn is vaak nog verder
onderzoek gewenst. De nieraandoeningen zijn hiervan een voorbeeld. Het
stellen van een juiste diagnose levert hierbij meestal geen moeilijkheden op.
Minder gemakkelijk is vaak de vraag te beantwoorden in hoeverre tijdens
het leven de nierhmctie verminderd is geweest. Dit is begrijpelijk als we
bedenken, dat 75% van het nierweefsel uitgeschakeld kan zijn voordat de
nieren insufficiënt worden. Soms is echter uit dc aanwezigheid van ver-
anderingen elders in het lichaam af te leiden, dat de nierfimctie tekort
geschoten is. Hoe welkom deze veranderingen ook zijn, toch roepen ze
weer vele nieuwe vragen op.

Deze extra-renale veranderingen zijn voor een deel een direct gevolg van
de uremie, de ophoping van stoffen in het bloed die onvoldoende door de
zieke nieren worden uitgescheiden. Voor een deel worden ze beschouwd
als een gevolg van de secundair verhoogde bloeddruk en van de eveneens
secundair verhoogde functie van de bijschildkliertjes.
De afwijkingen die een direct gevolg zijn van de uremie, worden vooral
aangetroffen in het spijsverteringskanaal en het circulatie-apparaat. Ont-
stekingsprocessen in mondholte, maag en darmen vormen tezamen met
die in het hart en de grote bloedvaten bij de hond vaak een karakteristiek
sectiebeeld. Bij de andere huisdieren is dit zelden het geval, doordat de
ontstekingsprocessen in mondholte en in hart en grote bloedvaten, juist
de meest typische afwijkingen, bijna nooit aanwezig zijn. Een verklaring
hiervoor ontbreekt. Misschien is het bij de nut-huisdieren van betekenis,

-ocr page 556-

dat deze uit economische overwegingen meestal naar het abattoir worden
verwezen, voordat het eindstadium van de ziekte bereikt is. Echter ook
bij de kat is het uremisch sectiebeeld meestal zeer onvolledig vergeleken bij
dat van de hond. Onbekend is ook waarom bij de mens, waarbij eveneens
sprake is van een typisch uremisch sectiebeeld, afwijkingen voorkomen die
bij de hond ontbreken, terwijl ook het omgekeerde het geval is.
Deze tekortkomingen in onze kennis berusten op een nog onvoldoende in-
zicht in de oorzaken en ontstaanswijze van de pathologisch-anatomische
veranderingen. Het is aannemelijk dat het veelvuldig voorkomen van af-
wijkingen aan de slijmvliezen van het spijsverteringskanaal berust op uit-
scheiding van in het bloed circulerende stoffen. Men denkt hierbij wel aan
ureum. De hieruit door omzetting gevormde ammoniak zou de slijmvliezen
beschadigen en predisponeren voor bacteriële infecties. Prändl kon in
het maagslijmvlies van aan ureniie gestorven honden inderdaad een ver-
meerderde hoveelheid van het ureumsplitsende ferment urease aantonen.
Onverklaard, en ook door hun bijzondere lokahsatie intrigerend, zijn de
afwijkingen aan hart en grote vaten. De op weefselversterf en ontsteking
berustende veranderingen beperken zich nl. tot de linker voorkamer van
het hart en tot het begin van de lichaamsslagader en longslagader. Deze
necrotiserende endocarditis en arteriitis, ook wel met de minder juiste
naam „atheromatose" betiteld, zijn alleen bij de hond beschreven, maar
komen ook bij de andere huisdieren een enkele maal voor.
Bij de mens zijn ze echter onbekend.

Toch is het een medicus geweest, nl. de Amerikaan Holman, die met
zijn medewerkers getracht heeft de oorzaak en de ontstaanswijze van deze
veranderingen na te gaan Hij zag ze bij proeven op honden ter bestude-
ring van de vergiftiging door zware metalen, zoals lood en kwik. De dieren
stierven in het verloop van 1 a. 2 weken onder uremische verschijnselen.
Onbekend met het sectiebeeld van de spontane uremie bij de hond stelde
Holman in volgende proeven vast, dat inderdaad de uremie, gevolg
van de door het zware metaal veroorzaakte nierbeschadiging, essentieel
was voor het optreden van de ontsteking in hart en grote bloedvaten. Het
bleek echter dat het dieet, waarop de proefdieren gehouden werden, een
sterk predisponerende werking had. Verder onderzoek toonde aan dat dit
berustte op het hoge gehalte aan vetten, dat in de vorm van boter of lever-
traan bijna 50% van de calorische waarde van het dieet leverde. Op grond
van het feit dat toevoeging van Vit. E aan het dieet een preventieve wer-
king had, veronderstelde Holman dat onverzadigde vetzuren de actieve
dieet-factor vormden. Vit. E voorkomt nl., zowel in als buiten het lichaam,
de oxydatie van de onverzadigde vetzuren. Ook neemt de hoeveelheid
Vit. E in een dieet af, wanneer hierin onverzadigde vetzuren aanwezig zijn.
Het is niet met zekerheid bekend waarop de schadelijke werking van de
oxydatie van de onverzadigde vetzuren berust. Ze vormen een bestanddeel
van verschillende celstructuren, en misschien worden deze door de ont-
stane peroxyden beschadigd.

Behalve in linker boezem en grote vaten werden ook degeneratieve ver-
anderingen in kleine slagaders gevonden. Hierbij was echter geen invloed
van het vetrijke dieet aantoonbaar.

Holman en zijn medewerkers onderzochten ook de laesies in de linker
boezem en in het begin van de lichaams- en longslagader. Ze kregen aan-
wijzingen dat de typische lokalisatie berust op een verhoogde doorlaat-

-ocr page 557-

baarheid van het bedekkende endotheel ter plaatse. Ze spoten nl. hun
proefdieren intraveneus in met een kleurstof, Èvan\'s blauw, en zagen dat
de ontstoken gebieden zich sterk blauw kleurden. Het bleek echter dat bij
normale honden dezelfde plaatsen zich ook kleurden, zij het minder sterk.
Opvallend is dat Holman niet de afwijking van het borstvlies vermeldt,
die volgens onze ervaring vaker bij de spontane uremie van de hond voor-
komt dan de veranderingen in linker boezem en grote vaten, en die even-
eens gekenmerkt is door het weefselversterf en ontsteking.
Een nader onderzoek van de processen in hart, grote vaten en borstvlies
bij de spontane nieraandoeningen van de hond is zeker gewenst. Deze
bieden misschien ook de mogelijkheid na te gaan of inderdaad Vit. E en
onverzadigde vetzuren een rol spelen bij het ontstaan van de afwijkingen.
Want hoewel de uitkomsten van Holman nooit door anderen zijn beves-
tigd, zijn er toch wel aanwijzingen dat het vetrijke dieet in zijn experimen-
ten van betekenis kan zijn geweest.

M c .A. 1 1 i s t e r en Waters vonden nl. dezelfde necrotiserende endo-
carditis en arteriitis bij honden die grote doses Vit. D kregen. Het Vit. D
werd toegediend in olie, die ruim 60% van de calorische waarde van het
dieet leverde. Het ureumgehalte van het bloed was bij deze dieren slechts
weinig verhoogd.

Steun, zij het indirect, vinden we ook in talrijke andere experimenten
waarbij proefhonden, op een normaal dieet gehouden, ook uremie kregen,
maar nooit de necrotiserende endocarditis en arteriitis vertoonden.
Deze experimenten hadden tot doel het bij de mens al lang bekend zijnde
verband tussen nieraandoeningen, verhoogde bloeddruk en vaatverande-
ringen te bestuderen. Toen G o 1 d b 1 a 11 er in 1934 in slaagde bij de rat
en de hond door afklemining van de nierslagaders een blijvende bloeddruk-
verhoging op te wekken, kreeg men hierdoor de beschikking over goede
]3roefdieren. Het bleek dat de kleine slagaders in het lichaam clegeneratieve
veranderingen vertoonden, die overeenkwamen met die weike bij de
benigne en maligne hypertensie van de mens gevonden worden. Deze zg.
hyaline en fibrinoide degeneratie trad ook op wanneer op andere wijze
de nierfunctie beïnvloed werd. Verder bleek o.m. dat de vaatveranderingen
ook konden optreden zonder dat de bloeddruk verhoogd was. Een van de
gevolgtrekkingen uit deze experimenten was dan ook, dat blijkbaar een
normale nierfunctie van belang is voor het instandhouden van intacte vaat-
wanden.

Dat onverzadigde vetzuren inderdaad een rol kunnen spelen bij het op-
treden van degeneratieve processen van vaatwanden, bleek bij enkele
varkensziekten die vooral in Zweden bestudeerd werden. Obel vond
fibrinoide degeneratie van kleinere slagaders bij de zg. leverdystrofie. Zij
kon deze ziekte, die ze hepatosis dietetica noemde, opwekken met een dieet
rijk aan levertraan en deficiënt ten aanzien van Vit. E en de zwavelhou-
dende aminozuren methionine en cystine. Onttrekking van de levertraan en
toevoeging van Vit. E aan het dieet voorkwam het optreden van de ziekte.
Later bleek ook selenium prevendef te werken. Sinds Schwarz in 1959
aantoonde dat cystine meestal sporen selenium bevat, en verder gebleken
is dat een Vit. E-deficiënt dieet bij ratten levemecrose op kan wekken, is de
betekenis van de zwavelhoudende aminozuren voor het ontstaan van de
afwijkingen min of meer dubieus geworden.

-ocr page 558-

Grant, die eveneens in Stockholm werkte, vond bij een varkensziekte,
die klinisch grote overeenkomst vertoont met de acute hartdood en waar-
schijnlijk identiek is met de zg. Mulberryheart disease of moerbeihart-
ziekte, hyaline degeneratie van kleine slagaders en haarvaten. Hij kon deze
micro-angiopathie opwekken met diëten waarin veel onverzadigde vet-
zuren voorkwamen. Ook hier werkten Vit. E en selenium preventief. De
onstabiele vetzuren, zoals die in ranzige vetten en oliën en in slecht ge-
oogst of bewaard graan voorkomen, bleken in het bijzonder de vaatveran-
deringen op te wekken.

Een andere stofwisselingsziekte, waarbij eveneens Vit. E deficiëntie een
rol speelt, is de spierdystrofie. Hierbij zijn er degeneratieve veranderingen
van de skeletspieren en de hartspier. Ze komt o.a. voor bij kalveren, lam-
meren en varkens, bij de laatste vaak samengaand met leverdystrofie en
micro-angiopathie.

Opmerkelijk is, dat zowel bij deze spierdystrofie als bij de micro-angio-
pathie en de leverdystrofie degeneratieve veranderingen van de nieren ge-
vonden worden.

Bij de uremie van de hond, zowel bij de experimenteel opgewekte, als bij
die optredend in het verloop van chronische nierontstekingen, komen nl.
behalve vaatafwijkingen eveneens degeneratieve veranderingen van hart-
spier en skeletspier voor.

We kunnen ons dan ook afvragen of de nierafwijkingen bij deze Vit. E
deficiënties alleen maar een begeleidend verschijnsel zijn, of dat ze mis-
schien een rol spelen bij het ontstaan van de veranderingen in bloedvaten,
hart- en skeletspieren. Het is zeker van belang bij verder onderzoek van
deze en ook van andere op Vit. E deficiëntie berustende ziekten aandacht
te schenken aan de nieren.

Dat de nierveranderingen bij Vit. E deficiëntie zeer subtiel kunnen zijn,
blijkt uit een onderzoek van E m m e 1. Hij vond dat bij Vit. E deficiënte
ratten de veranderingen aan de nierbuisjes die een gevolg zijn van de na
de dood intredende ontbinding veel sneller optraden dan bij normale rat-
ten. Onderzocht hij echter het nierweefsel onmiddellijk na de dood dan
kon hij geen afwijkingen aan de nierbuisjes vaststellen.

Zoals al opgemerkt, zijn vaatafwijkingen bij de chronische nieraandoenin-
gen van de hond wel bekend. Ze zijn het meest uitvoerig onderzocht door
Dahme. Behalve in de nieren vond hij ze vooral in het hart. De krans-
slagaders met hun grotere vertakkingen vertoonden hyaline veranderin-
gen, soms met kalkafzetting. In de kleinere vertakkingen was er eveneens
hyaline degeneratie aanwezig, soms met vervetting gepaard gaande. Ook
werd wel toename van het gladde spierweefsel van de vaatwand aange-
troffen. Dahme meent dat deze veranderingen identiek zijn met de
arteriosclerose van de mens.

De vraag of arteriosclerose bij de dieren voorkomt is niet gemakkelijk te
beantwoorden. Afwijkingen, die overeenkomsten met de arteriosclerose
van de mens vertonen, worden bij verschillende diersoorten aangetroffen.
Zowel proliferatieve veranderingen met sclerose, als degeneratieve met ver-
vetting, waarbij echter zelden cholesterol wordt aangetroffen, komen ieder
op zichzelf wel voor. De voor de arteriosclerose van de mens typische com-
binatie van deze beide processen met de eveneens typische lokalisatie in
de grote slagaders en de kransslagaders is bij sommige \\ ogelsoorten, o.a.

-ocr page 559-

bij de papegaai en ook bij het varken, aangetroffen. Men kan echter niet
van arteriosclerose als dierziekte spreken, omdat de vaatafwijkingen geen
ziekteverschijnselen veroorzaken. De bij de mens zo beruchte gevolgen als
bv. het hartinfarct en de beroerte zijn bij de dieren onbekend.
Dahme baseert zijn mening dat de vaatafwijkingen bij de door hem
onderzochte honden identiek zouden zijn met de menselijke arteriosclerose
niet alleen op de morfologische overeenkomsten, maar ook op de veronder-
stelling dat de dieren gedurende het leven een verhoogde bloeddruk hadden.
Tot
voor kort nam men nl. vrij algemeen aan dat de chronische nefritis van
de hond met bloeddrukverhoging gepaard gaat, en wel omdat hierbij vaak
hypertrofie van de hartspier aanwezig is, evenals dit bij de experimentele
hypertensie van de hond, en de hypertensie van de mens het geval is. De
diktetoename van de hartspier wordt hierbij verklaard door de grotere ar-
beid die het hart moet verrichten om het bloed tegen een verhoogde druk
door het vaatstelsel te pompen.

Bloeddrukmetingen, die de laatste jaren verricht zijn bij honden met chro-
nische nieraandoeningen, hebben echter aangetoond dat deze zeker niet
altijd met verhoging van de bloeddruk gepaard gaan, en dat men op grond
van de aanwezigheid van harthypertrofie niet zonder meer mag aannemen
dat bij het leven hypertensie aanwezig is geweest.

Schulze vond nl. bij 56 honden met een chronische nefritis slechts 4
maal een geringe verhoging van de bloeddruk, terwijl Spörri en Lee-
man n bij 13 honden geen significante bloeddrukverhoging konden aan-
tonen. Persson en medewerkers onderzochten 8 honden met een chro-
nische nierontsteking en vonden een normale bloeddruk. Deze onderzoekers
veronderstelden dat de harthypertrofie een gevolg was van de bloed-
armoede die bij hun honden aanwezig was. Anemie is ook door anderen
bij honden met chronische nicraandoeningen vermeld, en is ook bij de
mens als begeleidend verschijnsel bekend. F o r s e 11 en ook N a e t z heb-
ben in 1958 aangetoond dat de anemie bij chronische nieraandoeningen
berust op een tekort aan erythropoietinc, een stof die de beenmergactiviteit
stimuleert. De normale nier schijnt de grootste producent te zijn van deze
stof.

Harthypertrofie komt ook bij de biggen-anemie regelmatig voor, en is
ook bij anemie bij de mens wel bekend. Ze is experimenteel opgewekt bij
honden door herhaalde aderlating. De hypertrofie van de hartspier bij
anemie wordt verklaard door het grotere slagvolume dat nodig is om de
weefsels toch van voldoende zuurstof te voorzien. Vermeldenswaard is dat
de Fransman Robin al in 1948 op grond van het feit, dat hij bij een
groot aantal honden met chronische nieraandoeningen wel harthyper-
trofie maar nooit bloeddrukverhoging vond, veronderstelde dat deze een
gemeenschappelijke, in de nier gelegen, oorzaak zouden hebben,
\'lot volkomen tegenstrijdige resultaten kwam echter de Engelse onder-
zoeker Mcintyre, die bij 160 honden met chronische nieraandoeningen
wel een verhoogde bloeddruk vond. Zijn uitkomsten zijn ook om de volgen-
de reden merkwaardig.

Bij de mens is bloeddrukverhoging bijna steeds aanwezig bij de glomerulo-
nefritis, terwijl ze bij de interstitiële nefritis, die zelden aangetroffen wordt,
niet of niet met zekerheid is aangetoond. Bij de hond is echter, zoals bij de
huisdieren in het algemeen, juist de interstitiële nefritis de meest voorko-
mende vorm van nierontsteking.

-ocr page 560-

Nader onderzoek, waarbij enerzijds de clinicus zal moeten vaststellen of al
dan niet bloeddrukverhoging aanwezig is, en waarbij anderzijds de patho-
loog-anatoom zal moeten nagaan of er vaatveranderingen zijn en tevens
de aard van de nierafwijking zal moeten vaststellen, zal eerst kunnen aan-
tonen hoe bij de hond de relatie tussen nieraandoeningen, hypertensie en
bloedvaatveranderingen is. Misschien kan een dergelijk onderzoek bij-
dragen tot een beter inzicht in dit voor de mens zo belangrijke vraagstuk.
Tegenstrijdigheden ontmoeten we ook bij de veranderingen die het gevolg
zijn van een secundaire hyperfunctie van de bijschildklieren. Deze hyper-
functie leidt enerzijds door onttrekking van kalk aan de beenderen tot
osteodystrofie, soms in dergelijke mate dat onder- en bovenkaak van de
hond buigzaam als rubber worden, anderzijds tot afzetting van kalk op
verschillende plaatsen in het lichaam.

Men denkt wel dat de bijschildklieren op de volgende wijze geprikkeld
worden.

De beschadigde nieren scheiden minder fosfaten uit dan normaal, waar-
door de fosfaatspiegel van het bloed stijgt. Tegelijkertijd daalt het Ca-
gehalte in het bloed. Deze verstoring van de normale Ca-P verhouding
prikkelt de bijschildkliertjes tot vermeerderde functie. Hierdoor zou kalk
aan de beenderen onttrokken worden, de hypocalcemie zou overgaan in
hypercalcemie, en als gevolg hiervan zou kalkafzetting in verschillende
weefsels optreden. K r o o k vond in overeenstemming met deze hypothese
bij zijn honden met
Calcinosis inderdaad een verhoogde Ca-spiegel in het
bloed; P e r s s o
n daarentegen niet.

Afzetting van kalk komt echter ook wel voor bij een normale Ca-spiegel
van het bloed, nl. in degenererend of afgestorven weefsel. Wanneer we nu
zien dat linker boezem, begin van lichaams- en longslagader, borstvlies en
maagslijmvlies tot de plaatsen behoren waar de kalkafzettingen gevonden
worden, dan is het wel duidelijk dat hier ook dit mechanisme in het spel
kan zijn.

Van belang is in dit verband de mededeling van D ahme, dat bij schrom-
pelnieren die op een glomerulosclerose berusten, nooit verschijnselen van
een Ca-stofwisselingsstoornis gevonden zouden worden. Hij meent dat men
de aanwezigheid van kalkafzettingen zelfs als differentieel diagnostisch
hulpmiddel kan gebruiken, wanneer bij schrompelnieren niet meer met
zekerheid is na te gaan of het proces in de glomeruli is begonnen, of dat
een interstitiële nefritis aanwezig is. Verder klinisch-chemisch en patho-
logisch-anatomisch onderzoek zal ook hier een verklaring van de ogen-
schijnlijke tegenstrijdigheden moeten geven, en misschien kunnen leiden
tot een beter begrip van de Ca-stofwisseling bij de nieraandoeningen.

In de voorgaande beschouwing werden verschillende malen gegevens uit
de ziektekunde van de mens aangehaald. Dit is niet verwonderlijk. De vete-
rinaire patholoog-anatoom zal zich bij de bestudering van een probleem
steeds op de hoogte stellen van hetgeen hierover bekend is in de medische
pathologie, die immers vaak verder gevorderd is. Ik heb echter ook aange-
duid dat bestudering van dierziekten kan bijdragen tot vermeerdering van
de kennis van de ziekten van de mens.

De diverse diersoorten en de mens vertonen nl. naast een grote overeen-
komst ook verschillen in bouw en functie van organen en weefsels. Variaties
in de wijze, waarop een ziekte zich openbaart kunnen op deze verschillen

-ocr page 561-

berusten. Slaagt men erin de achtergrond hiervan te begrijpen, dan kan dit
leiden tot een beter inzicht in het wezen der ziekte.

Een voorbeeld hiervan levert een aandoening van het centraal zenuwstelsel,
en wel de misvorming van r n o 1 d-C h i a r i, zo genoemd naar de beide
onderzoekers die ze het eerst beschreven.

Deze misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i is een aangeboren afwijking
waarbij de kleine hersenen en het verlengde merg, tezamen het rhomb-
encephalon genoemd, gedeeltelijk door het achterhoofdsgat in het wervel-
kanaal verplaatst zijn. Hoewel niet veel voorkomend is de misvorming van
A r n
O 1 d-C h i a r i bij de mens toch niet zeldzaam. Ze gaat vaak samen
met een andere aangeboren afwijking, de spina bifida. Hierbij is er onder
meer een defect in de wervelkolom, meestal in het lenden-kruisgedeelte.
De spina bifida berust op een stoornis in de sluiting van de neuraalplaat
tot neuraalbuis, het latere ruggemerg.

Er zijn verschillende theorieën geopperd omtrent de ontstaanswijze van de
misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i, die echter geen van alle bevredigen.
Volgens één van deze theorieën zou de spina bifida de oorzaak zijn. Een op
het ruggemerg uitgeoefende trekkracht zou hierbij verantwoordelijk zijn
voor de verplaatsing van delen van kleine hersenen en verlengde merg door
het achterhoofdsgat.

Men stelt zich dit als volgt voor.

In de beginperiode van de ontwikkeling van de vrucht reikt het ruggemerg
tot het einde van het kruisbeen. De wortels van de ruggemergszenuwen
lopen alle in horizontale richting naar de bijbehorende tussenwervelgaten.
In een later stadium van de embryonale ontwikkeling ,gaat de wervelkolom
sneller groeien dan het ruggemerg. Als gevolg hiervan schuift de wervel-
kolom over het ruggemerg naar beneden, of zoals men ook zou kunnen
zeggen het ru.ggemcrg „stijgt op" in het wervelkanaal. Tengevolge van deze
ascensus medullae reikt bij de mens uiteindelijk het ruggemerg niet verder
dan de eerste lenclenwervel. De wortels van de ruggemergszenuwen van
het laatste gedeelte van het ruggemerg gaan nu in benedenwaartse richting
in het wervelkanaal verlopen om de voor hun bestemde tussenwervelgaten
te bereiken.

Bij aanwezigheid van een spina bifida, die al in de eerste maand van de
ontwikkeling ontstaat, is echter het ruggemerg op die plaats aan de om-
geving gefixeerd. Gaat nu de wervelkolom sneller groeien dan het rugge-
merg, dan kan dit niet „opstijgen" in het ruggemergskanaal. De hierdoor
op het ruggemerg uitgeoefende trekkracht zou verantwoordelijk zijn voor
de verplaatsing van delen van kleine hersenen en verlengde merg in het
wervelkanaal. Deze theorie verklaart natuurlijk niet de gevallen waarbij
geen spina bifida aanwezig is.

Een nieuwe hypothese is in 1957 naar voren gebracht door Barry, Pat-
ten en Stewart. Zij veronderstellen, dat de misvorming van Arnold-
C h i a r i het gevolg is van een te sterke groei van het centraal zenuw-
stelsel t.o.v. de benige oinhulling. Te sterke groei van de hersenen zou lei-
den tot uittreden van delen van het rhombencephalon door het achter-
hoofdsgat, terwijl te sterke groei van het ruggemerg het sluiten van de
wervelkolom zou verhinderen. Deze theorie verklaart dus ook het afzon-
derlijk voorkomen van de misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i en de spina
bifida.

-ocr page 562-

De hypothese van Barry, Patten en Stewart steunt op de volgende
bevindingen. In 1953 vond Patten, dat bij embryo\'s met spina bifida het
neuraalplaatweefsel ter plaatse een abnormaal sterke groei vertoonde.
Daarna was hij met Barry en Stewart in de gelegenheid drie men-
selijke embryo\'s te onderzoeken van resp. 10, 17 en 18 v/eken, waarbij zowel
een spina bifida als de misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i aanwezig was.
Bij het onderzoek van het ruggemerg bleek dat de wortels van de direct
boven de spina bifida uittredende spinaalzenuwen, als gevolg van de op
het ruggemerg uitgeoefende tractie, inderdaad in opwaartse richting lie-
pen. Hoger in het wervelkanaal was het verloop echter weer normaal, waar-
uit bleek dat hier de trekkracht uitgewerkt was, en dat deze dus niet de
oorzaak kon zijn van de verplaatsing van delen van kleine hersenen en
verlengde merg door het achterhoofdsgat. Door metingen bleek verder
dat het ruggemerg vlak boven de spina Ijifida sterker ontwikkeld was dan
normaal.

In de schedel vonden zij het rhombencephalon vergroot. Maar ook de
hemisferen van de grote hersenen waren zeer groot. Tengevolge hiervan
was het tentorium cerebelli, het bindweefselvlies tussen grote en kleine
hersenen, omlaag gedrukt en de ruimte, beschikbaar voor het groeiende
rhombencephalon, verkleind, waardoor dit genoodzaakt werd door het
achterhoofdsgat uit te treden.

Bij de huisdieren was de misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i tot voor kort
slechts bij een kalf en een biggetje vermeld. Beide dieren hadden tevens
een spina bifida.

Dat de misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i echter niet zo zeldzaam is,
blijkt wel lut het feit dat wij ze bij 14 lammeren, 2 kalveren en een hond
konden waarnemen. Uitgezonderd bij één kalf was steeds een spina bifida
aanwezig. Het is echter mogelijk dat bij dit kalf een zg. verborgen spina
bifida aanwezig is geweest.

Overigens mogen uit deze gegevens geen conclusies getrokken worden om-
trent de frequentie van het zelfstandig voorkomen van de mis\\orming van
A r n o 1 d-C h i a r i bij de huisdieren. Het was nl. de aanwezigheid van
een spina bifida, die aanleiding was tot het verdere onderzoek van het
centraal zenuwstelsel dat de hersenafwijking aan het licht bracht.
Van een aantal lammeren was de wervelkolom voor nader onderzoek be-
schikbaar. Ook hier bleek uit het verloop van de wortels van de rugge-
mersgzenuwen dat de spina bifida niet de oorzaak was van de misvorming
van A r n O 1 d-C h i a r i. Trouwens, alleen al het feit, dat deze bij dieren
voorkomt, maakt de spina bifida-theorie onwaarschijnlijk. Bij de dieren is
cr namelijk slechts een geringe „opstijging" van het ruggemerg dat nor-
maal tot de laatste lenden wervel reikt. Wanneer een spina bifida aanwezig
is zal er dus slechts een geringe tractie op het ruggemerg uitgeoefend wor-
den, en het is niet aannemelijk dat deze verantwoordelijk zou zijn voor de
verplaatsing van de hersendelen door het achterhoofdsgat.
De bevindingen in de schedel kwamen eveneens overeen met die van
Barry c.s. Ook bij deze lammeren bleken de hemisferen van de grote
hersenen zeer groot te zijn, en ook hier had dit geleid tot een verkleining
van de voor kleine hersenen en verlengde merg beschikbare ruimte. Dank
zij de bouw van de schedel, die afwijkt van die bij de mens, bleek dit zelfs
bijzonder duidelijk. Bij de mens vormen de lengte-as van voorste en achterste

-ocr page 563-

schedelgroeve, waarin resp. de grote hersenen en kleine hersenen met ver-
lengde merg gelegen zijn, een bijna rechte hoek met elkaar. Bij de dieren,
afgezien van de apen, liggen voorste en achterste schedelgroeve echter
in eikaars verlengde.

Hierdoor konden bij de lannneren de groeiende hemisferen zich naar
achteren verplaatsen. Een V-vormige groeve aan de bovenzijde, veroor-
zaakt door het tentorium cerebelli, gaf precies aan welk deel van de hemis-
feren zich onder dit vlies door naar de achterste schedelgroeve verplaatst
had. Bovendien bleek aan de onderzijde van de hersenen uit het verloop
van de hersenzenuwen, dat ook het basale deel van de grote hersenen zich
naar achteren verplaatst had en dus eveneens te groot was voor de be-
schikbare ruimte.

Het onderzoek van de hersenen van de beide kalveren en de hond, behept
met de misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i, leverde overeenkomstige
resultaten op.

F r a u c h i g e r en F a n k h a u s e r vermeldden bij het door hun onder-
zochte kalf eveneens de V-vormige groeve op de hemisferen. Zij schreven
de verplaatsing van de hemisferen toe aan een volumetoename tengevolge
van de aanwezige hersenwaterzucht.

Onze bevindingen bevestigen echter wel duidelijk de opvatting van B a r r y,
P a t t e n en S t e w a i\' t, dat er bij de misvorming van A r n o 1 d-C h i a r i
een te sterke groei is van de hersenen t.o.v. de benige omhulling, en dat de
hersenen in hun geheel in dit proces betrokken zijn.

Ze tonen tevens aan hoe bestudering van een ziekte bij de dieren de ziekte-
kunde \\ an de mens len goede kan komen.

Thans zij het mij vergund Hare Majesteit de Koningin eerbiedig te danken
voor mijn benoeming lol hoogleraar aan deze Universiteit.

Mevrouw en Mijne Heren Curatoren,

Gi j hebt mij willen voordragen \\ oor dit ambt. Ik ben U hiervoor zeer erken-
telijk. Dat Gij de ziektekundige ontleedkunde een afzonderlijke leerstoel
hebt waardig gekeurd, bewijst dat Gij een open oog hebt voor de belangrijke
laak dic dit vak in dc diergeneeskunde heeft te vervullen. De wetenschap
dat Gij met mij overtuigd zijl, dat voor een richtige uitvoering hiervan
de vorming van een goed bezette wetenschappelijke staf noodzakelijk is,
doet mij met vertrouwen mijn ambt aanvaarden.

U, Mijnheer de Sercrelaris, dank ik voor de steun die ik reeds vele malen
van U en Uw medewerkers mocht ondervinden, en waarop ik ook in de
toekomst hoop te mogen rekenen.

Dames en Heren Hoogleraren, Lectoren en Docenten,

Ik beschouw het als een groot voorrecht in Uw kring te zijn opgenomen.

Mijne Heren Hoogleraren in de Faculteit der Diergeneeskunde,

De ziektekundige ontleedkunde is wel typisch een dienstverlenend vak. Van
haar kant moet zij echter ook voortdurend een beroep doen op de andere
vakken der diergeneeskunde. Een goed contact met U i? dan ook van groot
belang.

-ocr page 564-

Ik hoop dat dit contact in de nabije toekomst mag uitgroeien tot een inten-
sieve samenwerking op die gebieden der diergeneeskunde waar de ziekte-
kundige ontleedkunde kan bijdragen tot oplossing van de nog bestaande
problemen.

Hooggeachte Ten Thije,

Het was op Uw voordracht dat ik destijds benoemd werd tot medewerker
aan Uw Instituut. Daardoor kon ik mij verder bekwamen in de ziekte-
kundige ontleedkunde. Ik ben U daar zeer dankbaar \\ oor. Bij de verdere
opbouw van de afdeling algemene- en vergelijkende ziektekunde kunt U
steeds op mijn volle medewerking rekenen.

Hooggeachte De Vries,

Toen wij indertijd aan ons instituut meer aandacht aan de pathologie van
het centraal zenuwstelsel konden schenken dan tevoren mogelijk was, moch-
ten we daarbij een beroep doen op Uw hulp. De weiwillendheid en het
enthousiasme waarmede U steeds bereid bleek mij van Uw grote kennis
te laten profiteren, hebben mij zeer getroffen. Door omstandigheden moest
het werk worden afgebroken, maar dank zij U is een basis gelegd waarop
hopelijk spoedig kan worden voortgebouwd.

Dames en Heren Leden van de Wetenschappelijke Staf,

Ik hoop dat ook in de toekomst onze goede verstandhouding zal voortduren.

Dames en Heren medewerkers.

De wijze waarop ieder van U zijn taak verricht, vervult mij met vreugde.
Ik ben ervan overtuigd dat onze gezamenlijke inspanning goede vruchten
zal afwerpen.

Dames en Heren Studenten,

De benoeming van een hoogleraar, zeker wanneer deze een gevolg is van
de splitsing van een leerstoel, pleegt voor U nog wel eens uitbreiding van de
leerstof met zich mee te brengen. Wat de ziektekundige ontleedkunde be-
treft kan ik U geruststellen. Dit vak vergt ook nu al veel van U. Niet al-
leen moet U zich de theoreti.sche kennis verwerven, onmisbaar voor een
goed begrip van de verschillende ziekten, maar U zult de ziektekundige
ontleedkunde ook praktisch moeten kunnen toepassen. De hiervoor beno-
digde ervaring zult U zich gedurende Uw studietijd eigen moeten maken.
Uit mijn jarenlang contact met U weet ik hoe moeilijk dit voor U is. Ik
beschouw het daarom als mijn plicht U ook hierbij zoveel mogelijk steun
te bieden.

Tenslotte wil ik er mijn blijdschap over uitspreken dat U, moeder, hier van-
middag aanwezig is.

Ik dank U voor Uw aandacht.

-ocr page 565-

Over hef vóórkomen van eendepesf.

About the incidence of duck plague.

door JAC. JANSEN*)

Vit het Instituut voor Virulogie van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

Reeds eerder werd medegedeeld dat de gevallen van eendepest zich be-
perken tot die eendenbedrijven, waar de eenden in sloten, kanalen of
vijvers kunnen zwemmen. Op de grote commerciële eendenfarms, zoals
wij die kennen op de zandgrond van Gelderland, en waar de eenden alleen
maar een drinkgoot ter beschikking staat, is de ziekte tot nu toe niet waar-
genomen.

Thans, eind juni 1963, zijn ons in totaal 26 gevallen van eendepest bekend
geworden, verspreid over 14 plaatsen. Uit het hierbij gevoegde kaartje van
Nederland blijkt, dat 12 van de 14 plaatsen, waar in totaal 24 gevallen
voorkwamen, zich bevinden in waterrijk gebied. In de twee aanvankelijk
uitzonderingen schijnende gevallen, Vaassen en Eindhoven, bleek dat het
hier eenden betrof in vijvers, m.a.w. ook nu weer deed de ziekte zich voor
bij eenden met zwemgelegenheid. Dat alle 26 gevallen voorkwamen bij
eenden die gelegenheid tot zwemmen hadden en dat geen enkel geval
gezien werd bij eenden zonder mogelijkheid tot zwemmen, doet toch wel
zeer sterk vermoeden, dat het water, met daarbij misschien wat er in leeft,
een factor van betekenis is voor de overbrenging.
De 26 gevallen zijn in onderstaande tabel samengevat:

Plaatsnamen

Aantal bedrijven

1.

Breukclen

1923

Mei 1

2.

Benschop

1930

Mei 1

3.

Zaandam

1940

Jan., Febr., Mrt. 5

4.

Broek in Waterland

1951

Juni 1

5.

Wageningen

1959

April 1

6.

Noordeloos

i960

April 1

7.

Wageningen

1960

Mei 1

8.

Amsterdam

1960

Juni 1

9.

Vaassen

1961

Maart |

10.

Hilversum

1961

Maart 1

11.

Haarlem

1961

Mei 1

12.

Urk

1961

Mei 1

13.

Urk

1962

April 1

14.

Wieringen

1962

Mei 1

15.

Wieringen

1962

Juli 1

16.

Oostzaan

1962

Juli 3

17.

Eindhoven

1963

Mei 1

18.

Oostzaan

1963

Mei 1

19.

Oostzaan

1963

Mei 1

20.

Hilversum

1963

Mei 1

*)

Prof. Dr. Jac. Jansen, hoogleraar

aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat

-ocr page 566-

Plaatst men de gevallen per maand van het jaar, dan blijkt dat de situatie
op eind juni 1963 als volgt was:
jan. febr. mrt. april mei juni juli aug. sept. okt. nov. dec.

1 2 4 3 10 2 4— — _ — —
Hierbij valt op het hoge cijfer 10 in mei en het niet voorkomen van eende-
pest in de aaneengesloten rij maanden augustus tot en met december. Men
krijgt dus de indruk, dat gesproken mag worden van een seizoenziekte, n.l.
vooral in het voorjaar en het begin van de zomer, doch niet in de nazomer,
de herfst en het begin van de winter.

1

Breukelen

2

Benschop

3

Zaandam

4

Broek in W

5

Wageningen

6

Noordeloos

7

Amsterdam

8

Vaassen

9

Hilversum

10

Haarlem

11

Urk

12

Wieringen

13

Oostzaan

14

Eindhoven

-ocr page 567-

.Alle 26 tot nu toe bekend geworden gevallen van eendepest, kwamen voor bij eenden
welke zwemgelegenheid hadden. De ziekte werd nimmer gezien op bedrijven met
alleen maar watervoorziening door middel van een goot.

In de maanden augustus t.m. december werd de ziekte niet, \'n de overige maanden,
vooral in mei, wèl waargenomen.

SUMMARY.

All 26 cases of duck plague knovm up to now, have occurred in ducks which had
an opportunity for swimming. The disease has not been observed on farms with water
supply by means of a gutter only.

During the months of August up to and including December the disease was not
observed; however, it was observed during the remaining months, particularly in
May.

RÉSUMÉ.

Tous les 26 cas de la peste du canard, connus jusqu\'ici, ont été constatés chez des
canards qui avaient l\'occasion de nager. La maladie n\'a pas été observée aux fermes
d\'élevage avec approvision d\'eau au moyen d\'un tuyau seulement.
Pendant les mois d\'août jusqu\'à et y compris le mois de décembre, la maladie n\'a
pas été observée; par contre, elle a été observée pendant les autres mois, surtout au
mois de mai.

ZUSAMMENFASSUNG.

.Alle bis jetzt bekannt gewordenen 26 Fälle von Entenpest zeigten sich bei Enten die
Gelegenheit zum Schwimmen hatten. Die Krankheit wurde niemals in Beständen be-
obachtet in denen die Wasserversorgung nur mittels einer Rinne stattfand.
Während der Monate Augusts bis einschliesslich Dezember wurde die Krankheit
nicht, während der übrigen Monate, besonders im Mai, wohl beobachtet.

Ureum voor schapen en runderen in Australië.

Ilct ruvk^voer bevat in de droge tijd in Australië weinig eiwit. Om dit aan te vullen
heeft men gedacht aan ter beschikking stelling van ureum. Gebleken is echter dat
ureum zeer vergiftig is wanneer het in grote hoeveelheden wordt opgenomen.
Wat Australië betreft bleek dat de bespuiting van een droog weidebestand met een
mengsel van ureum en molasse onpraktisch is. Het beschikbaar stellen in de vorm
van likstenen of oplossingen geeft hoge vrachtkosten. Het toevoegen van ureum aan
een graanmengsel is wellicht de meest veilige en economische methode.
Het toevoegen van ureum aan drinkwater kan ernstige verliezen geven.

An. Br. Ab.Ur., 18, 417, (1963).

Atrofische rinitis in Engeland niet gevreesd.

In Engeland behoeven gevallen van atrofische rinitis niet meer aangegeven te wor-
den en aangetaste dieren behoeven niet geslacht te worden. Dit in de eerste plaats
omdat het aantal gevallen steeds terugloopt en in de 2e plaats omdat de economische
betekenis niet groot is.

Vet. Ree., 74, 1366, (1962).

-ocr page 568-

De invloed van hef micro- en hef macroklimaat
en van isoleringsmaafregelen op hef opfreden
van enzoötische of viruspneumonie bij varkens.
Een kritisch literatuuroverzicht. - Ul.1l

The influence of the micro- and the macro-climate and
of isolation measures on the incidence of enzootic or
virus pneumonia of pigs. A critical review of the lite-
rature. - III.*)

door T. EERNSTMAN2)

Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouivdocumen-
tatie te Wageningen.

„La constance de la température, chez les Oiseaux et les Mammifères,
est réalisée par un mécanisme complexe, où il n\'est presque point
d\'organe qui n\'intervienne entre l\'excitation des cellules thermosensibles
et les réactions produisant ou absorbant de la chaleur". -
Bounoure,
1960.

h. De invloed van de luchtvochtigheid op het optreden van enzoötische
pneumonie bij het varken, mede in verband met de temperatuur en de
luchtsnelheid.

h. 1. Inleiding.

Er zijn verscheidene mededelingen over het plotseling in heviger mate op-
treden van enzoötische pneumonie, die doen vermoeden dat zij hun ver-
klaring grotendeels in dc in paragraaf c. uiteengezette theorieën van
K i n g d
O n over de invloed van de luchtvochtigheid op de activiteit van
het betreffende virus moeten vinden. Zo bijvoorbeeld de veelzeggende
mededeling van Goodwin (Goodwin en Whittlestone, 1960;
discussie) dat hij, zodra de weersomstandigheden zeer vochtig worden, het
altijd veel drukker heeft om varkens te onderzoeken, die zijn gaan hoesten,
bij de bedrijven die zijn aangesloten bij de „Association for the Advance-
ment of Virus Pneumonia Free Pig\'s".3)

Daarnaast zijn er echter ook mededelingen met een andere tendens, waar-
uit een langzamer nadelig uitwerkende invloed van de luchtvochtigheid
schijnt te spreken, zonder dat er een gevaarlijk pneumonie-virus aanwezig
is. Zo vonden Price en Ling (1936; geciteerd door I n g 1 i s en Ro-
bertson, 1949) dat varkens, die op vochtige laagliggende terreinen ge-
houden werden, „het" alle „slecht deden". In Denemarken (In gl is en
Robertson, 1949) werd waargenomen dat de dieren zelfs gingen hoes-

1  Voor deel I en II, zie Tijdschr. Diergeneesk., 87, 96.5, (1962) en 87, 1188,
(1962).

Part I and II in Tijdschr. Diergeneesk., 87, 965, (1962) and 87, 1188, (1962).

2  T. Eernstman, Landbouwkundig ingenieur, werkzaam als literatuuronderzoeker
aan het Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouv/documentatie te
Wageningen.

-ocr page 569-

ten en „het slecht deden" indien zij in goed geïsoleerde stalgebouwen waren
ondergebracht op een vochtig laag terrein. De wijze waarop deze grote
luchtvochtigheid zijn nadelige invloed in dit soort gevallen uitoefent, is
zonder nadere gegevens, in het bijzonder zonder micro-klimatologische ge-
gevens over de betrokken stallen, echter natuurlijk moeilijk uit te maken.
In andere gevallen kan een snellere invloed van grote luchtvochdgheid op-
treden, waarbij wij ook niet in de eerste plaats aan de boven besproken
invloed van de luchtvochtigheid op de activiteit van het virus belioeven
te denken. De oorzaak van deze snelle invloed moet dan waarschijnlijk in
de eerste plaats gezocht worden in de vermindering van de weerstand van
de varkens door de abnormale, door de grote luchtvochtigheid geïntensi-
veerde en eventueel aan vrij snelle verandering onderhevige warmte-
afgifte-processen, waardoor reeds aanwezige ziekteverschijnselen van en-
zoötische of van een gewone pneumonie zeer verergerd kunnen worden,
of één van deze of een andere aandoening van de ademhalingswegen ge-
makkelijker opgelopen kan worden.

De laatstgenoemde meer snelle invloed van de luchtvochtigheid hangt sa-
men met de factoren temperatuur —• zowel die van de stallucht als die
van het varken — en luchtsnelheid.

Wij zullen derhalve de gecombineerde invloed van enkele van deze en van
al deze factoren in de praktijk bekijken en ook de directe warmte-uitwisse-
lingsprocessen van het varken met zijn omgeving in verband met de lucht-
vochtigheid theoretisch bezien.

h.2. Het waterdamptransport in de stal en zijn
invloed.

Mütze (1953) zocht naar gegevens over de vraag in welke mate de voch-
tigheid van de stallucht van de luchtverversing afhankelijk is, om deze ge-
gevens met het verloop van de biggensterfte in het algemeen te verge-
lijken. De relatieve luchtvochtigheid in stallen met een dubbel-plafond-
ventilatie-inrichting en met luchtafvoerschachten lag gemiddeld bij 81,6%.
De gemiddelde relatieve vochtigheid van de buitenlucht bedroeg gedurende
deze waarnemingen 81,2%. De lucht was in de stallen dus
gemiddeld 0,4%
vochtiger. Daarentegen was in de stallen, die over geen ventilatie-inrich-
ting of slechts over ventilatiegaten beschikten, de lucht
gemiddeld 4,4%
vochtiger dan de buitenlucht.

De verliezen aan biggen in de goed geventileerde stallen bedroegen ten
hoogste 23%i). De verliezen in de slecht geventileerde stallen lagen daar-
entegen bij 38,2%. Het aantal waarnemingen was volgens Mütze echter
toch nog te gering om daaruit bindende conclusies te kunnen trekken.
Het aanwezig zijn van ventilatie-mogelijkheden zegt bovendien op zich
zelf nog niets over hun uitwerking. Het gaat er om hóe men hen gebruikt.
Dit kunnen wij b.v. zeer goed uit door Gysel (1962) in een varkensstal
in de omgeving van Bern gedane waarnemingen zien. Wanneer in decem-
ber en januari de buitentemperaturen daalden, werd getracht daling van
de staltemperatuur zo veel mogelijk te voorkomen, door de toevoer van
verse lucht te verminderen. Daardoor steeg de relatieve vochtigheid in de
stal
boven (meestal ii= 10%) die van de buitenlucht. In februari en maart

-ocr page 570-

steeg de temperatuur van de buitenlucht (en was het gewicht van de mest-
varkens groter) en ging men weer meer verse lucht toevoeren. Daardoor
daalde de relatieve vochtigheid in de stal meestal, en werd b.v. gedurende
maart meestal ± 8 a 10%
lager dan die van de buitenlucht (soms heers-
ten echter in februari of maart weer gedurende een week omgekeerde ver-
houdingen). De mogelijkheid van deze wisselingen moet men ook bij de
volgende mededelingen in deze paragraaf in gedachten houden.
Dedié (1957) wijst er op dat het varken als bijzonder gevoelig voor te
hoge luchtvochtigheid geldt, maar dat dit ervaringsbeginsel misschien meer
ontstaan is door
de sterke stalbezetting en het zèlf veroorzaken van veel
vocht in de stal door de varkens, in het bijzonder bij natte voedering, dan
dat het zijn oorzaak vindt in de vochtigheid van de buitenlucht. Van de
toegevoerde verse lucht is namelijk in het koele jaargetijde weliswaar de
relatieve luchtvochtigheid slechts weinig lager dan die van de stallucht;
maar de absolute vochtigheid ervan is door de lage temperatuur van de
buitenlucht aanzienlijk lager.

Heinig, Klink en Gratz (1958) wijzen juist op het ontstaan van
grote vochtigheid in
te gering bezette stallen, wanneer de temperatuur van
de buitenlucht laag is. Dan kunnen de varkens de stalruimte met hun
lichaamswarmte niet genoeg verwarmen, doordat deze warmte door de om-
gevende wanden, het dak, de vensters en de deuren afvloeit. De binnen-
stromende lucht wordt dan bovendien niet genoeg verwannd. De stal wordt
dan niet alleen koel, maar ook vochtig, omdat door het ontbrekende tem-
peratuur\\erval de waterdamp onvolledig verwijderd wordt. De genoemde
auteurs zien dit als de meest werkelijke oor/aken van de hoge biggenverlie-
zen, die in het bijzonder in de koudste maanden van het jaar optreden, zo-
als deze auteurs door onderzoekingen van Peters (1957) weten.
Uit deze mededelingen van Dedié (1957) en Heinig e.a. (1958) zou
men concluderen dat zowel bij te sterk als bij te gering bezette stallen de
warmteproduktie door de varlvens in de koude maanden altijd
relatief te
gering is om de aanwezige hoeveelheid vocht tot een aanvaardbaar mini-
mum terug te brengen.

Het omgekeerde schijnt toch echter ook in een zekere mate, waarschijnlijk
voornamelijk in de warme maanden, te kunnen optreden. De laatste tijd
schijnt het voorkomen van te droge stallen namejijk ook meer aandacht
te zijn gaan vragen. Op de vierde National Farm Buildings Conference te
Oxford in 1959\') kwam men in één der afzonderlijke studiegroepen voor
bepaalde onderwerpen namelijk o.a. tot de uitspraak dat er niets méér be-
vorderlijk is voor het optreden van ademhalingsziekten dan een droge en
stoffige atmosfeer. Deze ervaring is betreffende aandoenmgen van de adem-
halingsorganen van de mens reeds veel eerder bekend. Zo vermeldt reeds
Eernstman (1897) als één der eerste te nemen therapeutische maat-
regelen bij het bestrijden van Pneumonia catarrhalis (= bronchopneu-
monie = lobulaire pneumonie): „zorgen voor frisse en vochtige kamerlucht
(ketel met water op de kachel)".

Over de invloed van stoffigheid in de stal werd reeds in paragraaf f. ge-
sproken2).

Meier (1957) heeft de ervaring dat jongere dieren absoluut een grotere

-ocr page 571-

\\ atbaarlieid voor bronchopneumonie vertonen dan volwassen var]<ensi),
hoewel de relatieve luchtvochtigheidswaarden in grote stallen met zware
dieren bij de gebruikelijke vrij grote bezettingsdichtheid, hoger zijn dan
de relatieve luchtvochtigheidswaarden in de met een gelijk aantal varkens
van een geringere gewichtsklasse belegde stallen. Verder\'zegt Meier dat
de extra hoeveelheid geproduceerde warmte en het daarmee verbonden
betere fimctioneren van de luchtaiXoerschachten de extra hoeveelheid
Nochtigheid die door grotere dieren wordt voortgebracht, niet geheel kan
compenseren. Dit geldt volgens hem op zijn minst voor de volgens een vast
plan vastgestelde aantallen van in een stal onder te brengen varkens, zoals
deze aantallen tegenwoordig door de mestbedrij\\en geëist worden. Het
is uit het artikel van Meier niet duidelijk of hij de oplossing van dit
\\ raagstuk \\an het verschil in vatbaarheid van grotere en kleinere dieren
ook in een verschil \\an het stofgehalte zoekt, hoewel zijn artikel verder
grotendeels een pleidooi tegen droog stofrijk voedsel en vóór vloeibaar of
\\ochtig-kruimelig voedsel is (hetgeen dus nog meer vocht in de stal
brengt!). Door de grotere relatieve vochtigheid in de stallen van de vol-
wassen varkens zou hij deze stallen minder stoffig kunnen \\ermoeden.
K au f (1955/\'56) deelt mede dat in de meeste gevallen (ook bij het vol-
ledig gelijk zijn \\an de temperatum\' \\\'an de stal- en die van de buiten-
lucht) de stallucht niet slechts relatief, maar ook absoluut vochtiger is dan
de buiteiducht. Dientengevolge \\indt er een lopend waterdamjnransport
uit de stal naar de vrije atmosfeer ])laats (in de winter bemerkbaar als rijp
aan de ventilatie-o])eningen). dat in eerste benadel ing, bij verwaarlozing
\\an de ventilatie, een functie van het dampdrukverschil tussen stal- en
buitenlucht is. Dit \\erschil wordt na het binnendringen van koude lucht
bijzonder groot^) en de equivalenttemperatuur (zie pag. 1348) van de
stallucht door dc uitwerking van het waterdamptransixirt aanzienlijk snel-
ler veranderd dan in het geval van aangevoerde warme lucht. Evenzo be-
xordert natuurlijk ook water of gier in de varkensstal de verdamping en
derhalve ook de afkoeling.

Sommerend kan K a u f zeggen dat in het geval van binnendringen van
koude lucht de tijdelijke veranderingen van de cquivalenttemperaturen

\\an de stallucht, de tijdelijke \\eranderingen in de \\entilatiefactor ( ^

zie K a u f l.c.) en de dampdrukverschillen groter zijn dan bij het aanvoeren
\\an warme lucht.

K a u f hield deze beschouwingen met het oog op het optreden van vlek-
ziekte bij varkens, waarbij hij \\ond dat een veel groter percentage vlek-
ziekte-gevallen een dodelijke afloop had na het gedurende 5-7 dagen heer-
sen van een overwegend negatieve temperatuurgradiënt (dit betekent: af-

-ocr page 572-

koeling > verwarming; een positieve temperatuurgradiënt betekent: afkoe-
ling < verwarming), tijdens overigens warm of vrij warm weer, terwijl
juist altijd in de eerste plaats het warme weer zelf voor verergering van
deze ziekte aansprakelijk werd gesteld. Hoewel de warmte ook een rol
speelt, is de besproken grote invloed van het binnendringen van koude
lucht op het organisme van de varkens natuurlijk ook een belangrijke aan-
wijzing voor de grote invloed die dit binnendringen op de door ons be-
sproken enzoötische pneumonie zal hebben. Deze invloed zal hierbij mis-
schien nog veel groter zijn daar het hier een ziekte van de ademhalings-
wegen betreft.

h.3. De warmt e-afgifte door het varken in verband
met de luchtvochtigheid.

Kauf (l.c.) wijst er ook op dat men de afkoelingswet van Newton
alleen maar met succes kan toepassen wanneer de warmte-afgevende li-
chamen en de omgevende lucht droog zijn. Hoewel de vraag of varkens
kunnen zweten volgens Kauf nog niet beantwoord is\'), toonden zijn
onderzoekingen toch aan, dat de waterdampdruk in de grenslaag vlak rond-
om het lichaam van het varken duidelijk hoger is dan de waterdampdruk
van de stallucht^).

Kauf nam voor zijn berekeningen van de warmte-afgifte door varkens
derhalve de door R o b i t z s c h (1935, 1939, 1952/\'53) gewijzigde afkoe-
lingswet van Newton tot grondslag. De aangebrachte wijziging in deze
wet betekent dat deze nu geldt voor de warmte-afgifte van een vochtig li-
chaam aan een vochtige lucht^). De door Kauf eerst zuiver oriënterend
uitgevoerde waarnemingen gaven als uitkomst dat het verschil tussen de
equivalent-temperatuiu\' van de grenslaag vlak rondom het varken (T\'M)
en de equivalent-temperatuur van cle lucht (T\'L), als gemiddelde uit
50 afzonderlijke metingen bepaald, bij 27 graden"!) ligt, echte al naar
de bevvegingstoestand, leeftijd, reinheid, enz. tussen 20 en 32 graden^)

Het varken bezit waarschijnlijk alleen — en dan nog weinige - actieve zweet-
klieren aan dc kop.

Zie ook de mening van Hill (1919) en van Lee en Philips (1948), dat
men beter met de absolute in plaats van met de relatieve luchtvochtigheid kan
rekenen bij het bepalen van de grootte van dc huidverdamping. Deze, hier be-
treffende runderen, uitgesproken mening wordt ook in het kort besproken in
Zwart (1953), p. 17.

In de b.v. door Petit en Debruyckere (1962), p. 502, vermelde formule
van Winslow, Herrington en Gag ge voor warmte-afgifte door con-
vecde, is deze theoretische wijziging niet door een afzonderlijke grootheid uitge-
drukt, maar waarschijnlijk opgenomen in een experimenteel vast te stellen „con-
vectie-coëfficiënt", welke afhankelijk is van de aard van het aan de convectie-
stromen onderworpen oppervlak. Zie ook Petit en Van Lancker (1956a),
p. 8-9, en over de toepassing van de afkoelingswet van Newton in verband
met de kritische temperatuur van varkens, p. 12-13.

Kauf geeft niet op of hij de genoemde graden in cenh.-den volgens Celsius of
volgens Fahrenheit uitgedrukt bedoelt, maar daar de absolute temperatuur, welke
mede aan de grootheid T\' ten grondslag ligt, altijd in "Celsius uitgedrukt wordt
(welke dan ook "Kelvin genoemd kunnen worden), moet hij met de genoemde 27
graden dus wel 27° Celsius bedoelen.

-ocr page 573-

schoinnielt. (Hierbij wordt onder de ec|uivalent-teniperatuur T\' verstaan;

T 1570 -= dc absolute temperatuur, die evenredig is met de totale

warmte-inhoud van vochtige lucht. Hierin is T = de absolute temperatuur,
e = de dampdruk, ]) = de luchtdruk).

Neemt men echter voor een thermisch in evenwicht verkerend, dus ge-
acclimatiseerd varken het verschil T\'M — T"L = 27 giadeni) als normale
toestand aan, dan moet het lichaam op iedere verandering van T\'L zo-
danig reageren, met een overeenkomstige regeling van T\'M, dat het nor-
male verschil zo spoedig mogelijk weer hersteld is en een normale hoeveel-
heid warmte wordt afgege\\ en.

Er zij hierbij opgemerkt dat de aanwezigheid van het door K a u f gecon-
stateerde vochtige laagje rondom het varken niet alleen het gevolg be-
hoeft te zijn van van binnen uit het varken aangevoerd vocht. B i a n c a
(1953; geciteerd door O o s t e r 1 e e, 1958) vond ook leeds dat met name
bij afwezigheid van luchtbewegingen (b.v. in een stal met onvoldoende
\\entilatie) rondom liet rund een warme luchtlaag kan blijven hangen en
concludeerde hieruit dat deze dus meer waterdamp kan bevatten dan de
omringende lucht (Bianca noemde dit verschijnsel „fysiologische voch-
tigheid"). Hierbij moet men wel in aanmerking nemen dat de huidtempe-
raturen lager zijn dan de rectale temperaturen. Het verschil in damp-
sparuiing tussen het huidoppervlak - waterlaagje en de dampspanning van
de lucht rondom het dier, is echter in ieder geval toch geringer dan de
vochtigheid van de stallucht zou doen vermoeden.

h.3.1. De nadelige invloed van een snelle verhoging van de relatieve lucht-
vochtigheid bij snelle daling van de temperatuur.
Beschermende en pathologische reacties bij grote warmteafgifte.

I^en voorbeeld uit de praktijk over de gezamenlijke uitwerking van lucht-
\\(>chtigheicl, temperatuur en luchtstromingen hebben wij in de waarne-
mingen van Gordon en Luke (1955). Deze onderzoekers vonden dat
de absolute vochtigheid in een varkensstal zonder slaaphok iets lager was
dan in zo\'n stal mèt een slaaphok, welk resultaat toe te schrijven was aan
de grotere luchtsnelheid die in de stal zonder slaaphok heerste.

De relatieve vochtigheid was iets hoger in de stal zonder slaaphok dan in de
stal mèt een slaaphok. Het
percentage varkens dat wegens ziekte een be-
handeling moest ondergaan, was
bijna tweemaal zo groot in de stal zonder
slaaphok dan dat in die mèt een slaaphok. Toch was de stal zonder slaap-
hok totdien als een betrekkelijk bevredigend type meststal beschouwd! De
gegeven ziektepercentages (zie l.c., p. 1004) betroffen
in hoofdzaak ziekten
van de ademhalingsorganen.
In deze gevallen is men geneigd de invloed
van de relatieve vochtigheid als een invloed van bijkomstige aard te beschou-
wen, daar de voornaamste invloed \\ an de temperatuur en de luchtbewegin-
gen lijkt te zijn uitgegaan, maar deze er bij komende invloed kan toch zeer
essentieel zijn geweest! De verschillen tussen de minimumtemperaturen in
de twee typen stallen waren in de maand mei bijvoorbeeld:

1) Zie noot 4 op pag. 1348.

-ocr page 574-

Minimum

Gemiddelde

Verschil tussen

temperatuur-

minimum

binnen en

extremen

temperatuur

buiten

5tal met slaaphok

58-71° F

65° F

26,4° F

stal zonder slaaphok

44-68° F

56° F

12,4° F

uitloop

32-52° F

43,6° F

De auteurs wijzen er op dat de verschillen tussen de temperaturen in de
twee typen stallen bij koud weer nog groter zullen zijn. Men moet bij deze
temperatuunvaarden tevens bedenken dat zij alle waargenomen zijn gedu-
lende een tijd die men, zeggen deze auteurs, de optimum-tijd zou kunnen
noemen, nl. tussen 11 u. a.m. en 3 u, p.m. Al deze tempcratiuumetingen
werden op enkele inches boven het oppervlak van de vloer of de grond uit-
gevoerd.

Dc auteurs bepaalden ook de luchtsnelheden in de twee stallen. Het bleek
dat het slaaphok een egaliserende uitwerking op het milieu had (zie l.c., fig.
10). De auteuis konden echter geen directe betrekking tuisen de toegenomen
luchtsnelheid en het hogere ziektepercentage in de stal zonder slaaphok
vinden. Zij \\inden dit echter „probably not suri^rising", daar er vele fac-
toren zijn die ziekte en gezondheid bepalen, en er bovendien tussen deze
factoren nog wisselwerkingen kunnen bestaan. Toch liebben deze onder-
zoekers het ge\\oel dat de
grote variatie in de luchtsnelheid een zekere rol
s]3eelde bij hel veroorzaken van het grotere ziektepercentage in deze stal.

Al deze waarnemingen van Gordon en Luke lopen over cen jaar"!). De
onderzoekers baseren hun oordeel \\ erder op een vaststelling van B a e t j e r
(1924: geciteerd naar Bedford, 1948), dat bij een temi)eratuur van
60° tot 65° F luchtstromingen met een lagere snelheid dan 40 feet per mi-
nuut niet bcmeikbaar waren op cle menselijke wang, terwijl bij 50° F een
luchtstroom met een snelheid van 30 feet jser miniuit reeds net waarge-
nomen kon worden. Op grond \\ an deze cijfers trokken Gordon en Luke
de conclusie dat de varkens zonder slaaphok af en toe in cen gedeelte van
dc stal aan een luchtsnelheid blootgesteld zijn geweest, die door een mens
als tocht zou zijn onder\\\'onden, terwijl in de stal met een slaaphok bemerk-
bare tochten nauwelijks optraden.

Reeds enige jaren voordien gaf Luke (.S o u t a r, 1953; discussie) ook de
\\olgende gegevens: Bij waarnemingen over één week in juni in een slaa])-
hok varieerde de temperatuur tussen 67° en 81° F (een traject van 14°).
De relatieve \\ochtigheid in het slaaphok varieerde in die zelfde tijd tussen
42 en 65% (een traject van 23%). Toen de stal eens leeg was en de tem-
peratuur snel daalde, steeg de relatieve vochtigheid zéér snel. De tempera-
tuur in de overige stalruirnte varieerde gedurende de genoemde week tus-
sen 55° en 75° F (een traject van 20°), tenvijl de relatieve vochtigheid
daar tussen 48 en 88% schommelde (een traject van 40%). De gemiddelde
temperatuur in het slaaphok was 74° F, terwijl zij in de overige stalruimte
65° F was. .Al deze waarnemingen werden \\ lak bij de bodem gedaan. Luke
durfde al bij voorbaai te zeggen dat de tegenstellingen midden in de winter

1) Gedurende dit ja.ir passeerden op zijn minsts 700 varkens iedere (dubbele) stal-
afdeling van beide types.

-ocr page 575-

nog niccr uitgesprolien zullen zijn (zie voor een foto van het laatstbesproken
slaaphok: S o u t a r, 1953, fig. 2 bij de opmerkingen \\ an L u k e).
Het is goed er hierbij opmerkzaam op te zijn dat juist ten tijde van de grote
temperatuurdalingen, dus wanneer het snel koeler wordt in de stal — het-
geen bovendien meestal met een koude tocht gepaard zal gaan - - het stijgen
van de relatieve vochtigheid een grote rol zou kimnen spelen, dat wil zeg-
gen dat het bereiken van een bepaalde hoge waarde ervan misschien be-
slissend zou kunnen zijn over de vraag of een bepaalde lage temperatuur
werkelijk een ongunstige invloed zal uitoefenen op het weerstandsvermogen
\\ an de varkens tegen bepaalde ziekten^), waarschijnlijk voornamelijk via
cen verstoring van lum wannteregelingsmechanisme.

Het eerder overschrijden \\ an een bepaalde drempelwaarde \\ an warmte-
afgifte ]Der tijdseenheid zou immers eerder tot een funeste werking op het
afweermechanisme \\an het lichaam tegen bepaalde infecties kunnen lei-
den.ii)

Tenslotte zij aan het eind van deze onder-paragraaf vermeld dat Gordon
en Luke (1955) ook twee grafieken samenstelden betreffende de zoge-
naamde
„effectieve temfyeratuur". De auteurs delen hierbij mede dat, hoe-
wel „effectieve tcmperatuiu-schalen" gebaseerd zijn op subjectieve indruk-
ken, er, voor zover het mensen betreft, gevonden is dat de effectieve tem-
peratuur, die de gecombineerde uitwerking van de relatie\\e vochtigheid, de
luchttemijcratuur cn de luchtsnelheid in één enkele index vergelijkt, zeer
goed correleert met verscheidene fysiologi.sche reacties zoals de polsslag en
de lichaamstemperatuur. Uit dc twee grafieken blijkt dat de gemiddelde
effectieve temperatiuu\' in de stal met een slaaphok hoger was dan die in de
stal zonder slaajjhok, zodat ook hieruit weer de egaliserende werking van
het slaaphok bleek. (Zie voor een wijze van berekening van de effectieve
temperatuur H o u g h t e n en Y a g 1 o g 1 o u, 1923, en \\ oor ervaringen met
deze methode: I n g 1 i s en Robertson, 1951).

N.B. In de volgende onder-paragraaf h.4.I. zal nog een voorbeeld bespro-
ken worden van de invlocd \\an plotselinge tcmperatiuirdalingen in
een vochtig zeeklimaat: „hot wcather pneumonia".

h.4. De invloed van verschillende combinatiesvan
luchtvochtigheid en t e m j) e r a t u u r.

h.4.1. De \'J\'urkse had-stallen in Noord-Ierland: hoge temperatuur en grote
luchtvochtigheid. De invloed van de grote luchtvochtigheid in
Noord-Ierland op het klimaat in deze stallen en op het optreden
van „hot weather pneumonia".

Hoe belangrijk het is de factor luchtvochtigheid in verband met andere
factoren te beschouwen, blijkt uit de proeven van Gordon en Luke

Zie ook de resultaten van de in onder-paragraaf h.4.2. besproken waarnemingen.

2) Zie voor fysiologische en neurologisch-energetische beschouwingen over de tempe-
ratuurgevoeligheid Hoffmann (1961), p. 199 e.a., Burkhardt (1961),
p. 165-166, 173 e.a. en Murray (1962), p. 145 e.v. Voor de invloed van de
koude op de stofwisselingsprocessen en de cellulaire functies bij dc mens en vele
proefdieren zij verwezen naar Smith en Hoyer (1962). Over deze invloeden
bij varkens zijn b.v. belangrijke literatuuropgaven te vinden in het „1st Supple-
ment 1958-1961" op „.\\ Bibliography of Farm Buildings Research, Part I: Buil-
dings for pigs", en ook in het „Part 1" over 1945-1958 zelf.

-ocr page 576-

(1956), waaruit men juist dc gevolgtrekking zou kunnen maken dat hoge
relatieve luchtvochtigheid géén ongunstige invloed op het optreden van
viruspneumonie heeft, mits de temperatuur maar hoog is en er geen lucht-
stromingen optreden.

Deze onderzoekers beperkten namelijk in twee grote commerciële mest-
stallen de ventilatie tot een minimum en verkregen zo een grote vermin-
dering van het aantal ziektegevallen, terwijl de produktie versneld werd.
Verschillende factoren, die men als ongunstig zou kunnen beschouwen in
andere gevallen, bleken hier geen nadelige uitwerking te hebben. De hoge
relatieve en absolute luchtvochtigheid, die, toen de genoemde auteurs hun
artikel schreven, reeds twee jaar lang in deze stallen heersten, hadden dus
een gunstige werking.

Toch kreeg men in de eerste door dc onderzoekers beschreven meststal
van het McGuckian-type\') een buitengewoon ongimstige indruk wanneer
men hem binnentrad. De warmte was drukkend en de atmosfeer zeer be-
nauwd. In de tweede door deze onderzoekers beschreven stal werd de tole-
rantie van de varkens op verdere beperking van de ventilatie onderzocht,
en hiertoe de luchtafvoer nog meer verminderd. Hierdoor ontstond een at-
mosfeer als van een Turks bad. Ook nu vertoonden de varkens merkwaar-
digerwijze geen tekenen van onder een bepaalde druk te leven en het
aantal ziektegevallen werd met meer dan 25% verminderd.
Onder deze omstandigheden hadden de varkens de neiging voortdurend
op willekeurige plaatsen in hel gebouw te urineren en te clefaeceren, in het
bijzonder in perioden van zeer warm weer. In 1956 had men reeds grote
aantallen varkens geobserveerd en waren er nog geen schadelijke uitwer-
kingen ontdekt. Zelfs gedurende de zeer warme zomer van 1955, toen de
binnentemperaturen 85° F bereikten, bleven de varkens „het goed doen".
Ondanks de atmosferische omstandigheden en het feit dat de vloer dikwijls
\\ochtig van de urine was en bevuild rnet faeces, en er ook gewoonlijk con-
denswatcr van het dak en dc nuu-en droop, kwamen er jiraktisch geen ziek-
ten, van welke aard ook, voor.

In deze tweede door Cordon en L u k e beschreven meststal traden voor-
heen altijd zeer veel ziekten op, in het bijzonder was pneumonie altijd aan-
wezig, en waren diarreeën van verschillende typen zeer gewoon.
In 1959 deelde Lamont^) mede dat het gehalte aan bacteriën in deze

Turkse-bad-stallen verrassend laag is, ongeveer , van dat in ge-

,5000

wone stallen. Na vier jaar waren deze „tropical houses" nog steeds een
succes.

Typisch is nu dat bij proeven van S h a n k s (1942) de ervaring van ver-
mindering van het aantal ziektegevallen niet werd opgedaan. S h a n k s
sloot namelijk in een grote stal alle \\entilatiegelegenheden, waardoor de
temperatuur steeg tot 70° a 80° F. In deze laatste stal was de atmosfeer
zo bedorven en zo benauwd en vol met annnoniak dat men er tranen in
de ogen kreeg wanneer men er binnenkwam. Evenals in koude grote stallen
waren de varkens hierin verre van gezond. In beide gevallen traden pneu-
monie en hoesten algemeen op. In de warme en stoffige stal waren de

Zie voor literatuur over dit type stal Tijdschr. Diergeneesk., 87, 967 (noot 3),
1962.

Vermeld door A n O n y ra u s (1959),

-ocr page 577-

varkens nog ongezonder. Pneumonie trad hierin zeer veel op en de varkens
hoestten onophoudelijk. Zij gedijden zéér slecht.

Waarin nu de oorzaak van het verschil in resultaat \\ an deze proeven van
S h a n k s met die van Gordon en Luke ligt, is niet zonder een nauw-
keurige bestudering van de verschillen in de stalklimaatsomstandigheden
uit te maken. Misschien moeten wij de oorzaak zoeken in de verschillen
in de wijzen waarop de weinige natuurlijk toch nodige ventilatie gegeven
werd. (Voor deze wijze van ventilatie verwijs ik naar de betreffende ar-
tikelen.) Misschien kon hierdoor in de stal van S h a n k s tocht ontstaan?
I3aarnaast moeten wij in aanmerking nemen dat S h a n k s ook spreekt van
een grote stofontwikkeling in zijn stal.

Het is bij een bespreking van deze ,,1\'urkse bad"-stallen belangrijk te ver-
melden dat Robinson en Lee (1941) vonden dat de rectale tempera-
tiuir van het varken zeer oploopt bij hoge luchttemperaturen en lucht-
vochtigheidsgraden. De rectale temperatuur van varkens van ongeveer
130 Ibs (Engelse ponden) begint te stijgen, wanneer de omgevingstempe-
ratuur (dry bidb temperature) een hoogte van 85°-90° F bereikt. Beneden
85° F hebben noch dc temperatuur noch de vochtigheid enige regelmatige
uitwerking op de rectale temperatuur. De vochtigheid begint pas een regel-
matige uitwerking te hebben boven een omgevingstemperatuur van 95° F
(of boven een hogere temperatuur). Er bleek zich geen acclimatisatie te
ontwikkelen, wanneer de varkens herhaalde malen of aan een hcet-vochtige
öf aan een heet-droge atmosfeer werden blootgesteld\')
Dat dergelijke temperaturen in de praktijk kunnen voorkomen, bewijst
een mededeling van Luke in zijn inleiding tot de discussie na de rede
van G
O r d O n en L u k e (1955). Luke deelt daarin namelijk enige tem-
peratuuropgaven mee, die afgelezen waren in de door Shanks (1942)
ontworpen en later^) door hem verbeterde stallen. Deze verbeteringen be-
stonden in hoofdzaak uit het verschaffen van Je mogelijkheid tot grotere
ventilatie bij warm en zeer warm weer. De bedoelde waarnemingen zijn
dus uit de tijd vóórdat er in dit type stallen de Turkse-bad-proeven werden
genomen. Gedurende de maand juli van 1955 werden er nu de volgende
waarnemingen in zo\'n verbeterde stal gedaan: „Van 16 aflezingen op maxi-
nunn- en minimumthci inometers waren er elf 90° F of hoger, de maximum-
temperatuur was 95° F. De enige verandering in het gedrag van de var-
kens was dat zij volgens hun natuurlijke instincten reageerden en zich
rondwentelden". Over de luchtvochtigheid gedurende deze extreme tempe-
raturen wordt geen opgave gedaan.

Gezien deze binnen één maand optredende hoge temperaturen, kan men
zich afvragen wat dc maximumtemperaturen in de Turkse-bad-stallen dan
niet kunnen bedragen. Lamont (1959)3) deelt mede dat de tempera-
tuur er op 85° F en een luchtvochtigheid van 90% wordt gehouden. Hoe
vaak zullen deze waarden echter \'s zomers overschreden worden? Het is
goed dit te bedenken bij het beoordelen van de gimstige uitwerking van
deze Turkse-bad-stallen.

Bij al deze proeven met extreem hoge temperaturen moeten wij ook in aanmerking
nemen dat de oppervlakte-temperatuur van de varkens ook aanzienlijk varieert
met hun gewicht (zie paragraaf e).
2) Zie noot 3) in het
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 967, (1962).
Vermeld door ."V n O n y m u s (1959).

-ocr page 578-

Niet oveal zullen deze extreme hoge temperaturen zo vaak optreden in de
gematigde luchtstreken. In Noord-Ierland, waar de juist beschreven waar-
nemingen gedaan werden, is de warmte \'s zomers een probleem, weshalve
men er vroeger speciaal naar de bovengenoemde extrri-ventilatie zocht.
S
O u t a r ( 1953; discussie) deelde echter bijvoorbeeld mede dat in Schot-
land buitens])ori,ge hitte geen probleem is, en men door noodmaatregelen
de temperatuur bij grote warmte gemakkelijk kan \\ erlagen. (Onder andere
maakt men daar dan soms de vloeren nat - een werkwijze die So u t a r
onder andere omstandigheden zeer laakbaar vindt — hetgeen de tempe-
ratuur zéér snel doet daelen).

Dat de grote warmte in Noord-Ierland \'s zomers een probleem was, is
echter niet het gevolg \\ an de warmte per .se. Luke (zie S o u t a r, 1953;
discussie [). 739) deelt namelijk mede dat, in het bijzonder in de late
zomer, wanneer de avondtemperaturen hoog kunnen zijn en er weinig
luchtbeweging is, de \\arkens er de voorkeur aan geven in de buitenloop te
liggen. Indien er dan, zoals daar kan gebeuren, een scherpe daling van de
vroege morgen temperatuur plaatsvindt, is het optreden van pneumonie
een bekend ge\\olg. G o r d o n en Luke ( 1955) noemen dit „hot weather
pneumonia".

Wij moeten er hierbij rekening mee houden dat in dit vochtige eiland-
zeeklimaat de stijging van de relatiexe luchtvochtigheid in deze vroege
koude morgenuren een zeer belangrijke rol bij de dan natuurlijk zeer sterk
verhoogde waniite-afgifte van de varkens kan spelen.

In de Winkler Prins Encyclopaedie (11de deel, 1951) beschrijft men het klimaat
van Ierland als dóór en dóór oceanisch, waardoor cr — mede dank zij de warme
Golfstroomdrift — cen zeer grote luchtvochtigheid heerst. Dit heeft tot .gevolg,
zegt men verder, dat iedere temperatuurdaling daar onmiddellijk gematigd wordt
door de bij condensatie van de waterdamp vrijkomende condensatiewarmte.
In de door ons beschouwde gevallen blijkt dc temperatuur dus echter in de vroc.gc
morgenuren\') toch .sterk tc hebben kunnen dalen. Om zich cen juiste indruk te
vormen van de bij deze temperatuurveranderingen betrokken factoren, zij er hierbij
op gewezen, dat wij hier dus te maken hebben met cen wederzijds tegenspel van
aan de ene kant daling van dc luchttempcratvuir tengevolge van warmteverlies
door straling, verdamping, convectie en geleiding, door welke daling de relatieve
vochtigheid dus zal stijgen, en
nan de andere kant het vrijkomen van warmte wan-
neer er waterdamp condenseert, telkens wanneer de stijgende relatieve lucht-
vochtigheid de waarde van 100% bereikt.

Bij dit wederzijds tegenspel moeten wij ook rekening houden met het feit dat cr
verschillen tussen de aantallen graden temperatuurdaling beslaan die cr nodig zijn
om het dauwpunt te bereiken, wanneer men van verschillende combinaties van
temperatuur en relatieve luchtvochtigheid uitgaat. Een voorbeeld van deze ver-
schillen in een stal hebben wij in dc volgende tabel 4.

\') Er moet hierbij opgemerkt worden dat dc besproken waarnemin.gen waarschijnlijk
in hoofdzaak betrekking hebben op het bedrijf van de .gebroeders McGuckian,
dat te Gloughmills in het Graafschap .\\ntrim in het Oosten van Noord-Ierland
ligt. Er zijn uitgesproken verschillen tussen de jaartemperatuurcurven van het
Oosten en het Westen van het eiland.

-ocr page 579-

Tabel 4 (naar tabel 5 in K e II e y, 1930).
Aantal graden F temperatuurdaling, nodig om het dauwpunt te bereiken.

Uitgaande van cen
relatieve

Uitgaande van

een staltemperatuur

van

vochti,gheid

32° F

45° F

50° F

60° F

van (%)

( = 0° C)

( = 7,5° C)

( = 10° C) ( =

± 15,5° C)

100

0,1

0.1

0,1

0,1

90

2,4

2,8

2,9

2,9

80

4,9

5,8

5,9

6,3

70

7,9

9,2

9,4

9,9

60

11,0

13,0

13,3

13,9

50

14,9

17,0

17,9

18,7

40

19,4

22,0

22,7

24,3

De relatieve luchtvochtigheid blijkt dus als uitgangspunt een grotere invloed op
deze verschillen te hebben dan de temperatuur, indien men hun eenheden als
„gelijkwaardig" beschouwt. In de buitenloop van een stal vindt natuurlijk een
ander verloop van het genoemde wederzijdse tegenspel plaats, waardoor ook de
temperatuurdalingen, nodig om het dauwpunt te bereiken, van die in een stal
zullen verschillen.

Via liet door Kauf (zie pag. 1348) geconstateerde vochtige laagje rondom
het varken, en via het aanwezige waterfilmpje in de lorigeni), zal er door
het varken aanzienlijk meer warmte afgegeven worden aan de omringende
lucht, die nu veel meer warmte per volume-eenheid behoeft om een graad
in temperatuur toe te nemen dan relatief drogere lucht. Hierbij zij volle-
digheidshalve ook opgemerkt dat het wai mteverlies door verdamping echter,
gezien de grote dampspanning van de omringende lucht, tot een minimum
gereduceerd zal zijn. De warmte-afgifte door geleiding aan de bodem kan,
indien deze bodem - van welke aard hij ook zij - ook vochtiger is ge-
worden, natuurlijk ook aanzienlijk groter worden.

Deze beschouwingen over de invloed van de lokale luchtvochtigheid lijken
ook belangrijk bij het beschouwen van de resultaten van de Turkse-bad-
stallen. Het komt mij namelijk voor dat men bij pogingen om de omstan-
digheden in deze stallen in andere landen dezelfde te laten zijn als in de
stallen in Noord-Ierland, veel aandacht zal moeten schenken aan het feit
dat de luchtvochtigheid in Ierland zo groot is, hetgeen een grote vermin-
derende invloed moet hebben op het waterdamptransport uit de stal (ver-
gelijk de mededelingen van K a u f op pag. 1,347).

1) Daar mij .geen gegevens over de warmtcafgifte via de longen bij het varken bekend
zijn, deel ik hier ter vergelijking de percentages warmte-afgifte voor de verschil-
lende wijzen van warmte-afgifte bij het rund mede, zoals deze door V i e r o r d t
(geciteerd door O o s t e r 1 e e, 1958, naar K e 1 1 e y, 1930) werden bepaald:
bij 10° C heeft ± 73% van de warmte-afgifte plaats door straling, convectie en
.geleiding, ± 14,5% door verdamping van water via de huid, en ± 10,7% via
de longen en de luchtwegen (hiervan is 7,2% toe te schrijven aan verdamping en
3,5% aan de verwarming van de lucht in de longen). Door het praktisch ont-
breken van werkzame zweetklieren bij het varken zal bij dit dier de warmte-
afgifte via de lon.gen wel groter zijn dan die door verdamping via de huid.
Bij het beoordelen van deze percentages moeten wij er rekening mee houden, dat
deze bij een andere temperatuur weer geheel anders zullen zijn (zie b.v. H a r d y
en Du Bois, 1938; ook geciteerd door O o s t e r 1 e e, 1958, p. 38-39).

-ocr page 580-

De warmtehuishouding en het gedrag van de hichtstromen in deze stallen
in Noord-Ierland zijn overigens op zich zelf nog een nadere studie waard.
Behalve uit de bovenstaande, blijkt dit nog in versterkte mate uit zeer re-
cent door G
O r d O n (1962b) meegedeelde gegevens. Met behulp van een
moderne elektrische weerstands-metingi) stelde hij namelijk tot zijn eigen
verbazing vast dat de toevoer van verse lucht aan ieder varken per uur
(the air supply per pig per hour) in deze stallen inderdaad wel beperkt is
te noemen in vergelijking met wat hiervoor in het algemeen wordt aanbe-
volen, maar de mate van algehele luchtververvanging in de stal — uitge-
drukt per varken per uur (the air change rate per pig per hom) — niet
beperkt is en zelfs zeer positief is te noemen. Dat dit mogelijk is, is verwon-
derlijk, zegt G
O r d O n, wanneer men in aanmerking neemt dat de gehele
ventilatie door de vensteropening plaats heeft, welke ventilatie slechts ver-
sterkt wordt via het bovenste deel van de deur wanneer dit nodig is. Nog
verwonderlijker is het feit, zegt G o r d o n verder, dat de temperatuur in
de stal gedurende de zomermaanden op voldoende wijze geregeld kan
worden zonder de hulp van horizontale ventilatie.

In een iets eerdere, eveneens zeer recente pvtblikatie deelde G o r d o n
(1962a) mede dat de in deze stallen gemeten luchtsnelheden wel hoog
waren, maar toch in feite niet buitensporig hoog, wanneer men ze in ver-
band met de heersende luchttemperatuur bekijkt. Hij wijst er zelfs op dat
het belang van een grote luchtsnelheid onder zulke omstandigheden zelfs
niet altijd ingezien wordt. Bij het werken in zo\'n atmosfeer werd het
G
O r d O n duidelijk dat deze omstandigheden onverdraaglijk zouden zijn
geweest, wanneer er geen luchtsnelheid van een zekere grootte had geheerst.
Bij het interpreteren van zijn gegevens moeten wij verder in acht nemen
dat G
O r d O n er met nadruk op wijst dat al deze luchtsnelheden op een
tijdstip van de dag gemeten werden, waarop de temperatuur meestal op
zijn hoogst pleegt te zijn. De zelfde snelheden zullen gedurende een koelere
periode natuiulijk een ander effect hebben, en door de mens en het dier
als tocht kimnen worden ondervonden.

Uit door G O r d O n meegedeelde gegevens over de temperaturen in deze
stallen is te zien dat deze temperaturen nog een aanzienlijke \\ariatie kun-
nen vertonen. Midden in een stal (van een type Bj) mat Go rdon b.v.:
90,5° - 85,5° - 77° - 79° - 74,5° F; „feet" van de voorzijde van de stal af:
79° en 68° F. Midden in een ander type stal (Bg): 86° - 84,5° - 80° -
79° - 68° - 81,5° F; 3 „feet" van de voorzijde van de stal af: 76° F; l/a
„feet" van de voorzijde af: 72° F; U/a „feet" van de achterzijde af: 77° F;
en 2 „feet" vanaf de deur: 85° F.

Uit deze temperatuurgegevens kunnen wij ook de conclusie trekken dat
„de stallen met hoge temperatuur en hoge luchtvochtigheid" in Noord-
lerland niet altijd die temperatuur van 85° F hebben, waarop zij volgens
Laniont (1959) — zie hierboven pag. 1353 — „altijd" gehouden worden,
den.

1) De vermindering in elektrische weerstand van een platinu-spiraaldraad door af-
gifte van warmte aan voornamelijk waterstof, dat kunstmatig in de stallucht is
gebracht, wordt gemeten. Daar de hoeveelheid waterstof door de voortdurende
ventilatie vermindert, neemt ook de warmte-afgifte van de draad aan „de om-
ringende lucht met waterstof" langzaam af, waardoor dan dus ook de weerstand
van de draad minder snel afneemt.

-ocr page 581-

Verder zien wij dat de temperaturen dichter bij de wanden altijd lager
waren. De varken.s kunnen dus ook nog koelere plekjes opzoeken! De in
deze twee typen stallen Bj en B2 geregistreerde temperaturen en lucht-
snelheden werden alle vlak bij de vloer gemeten. Elders in zijn artikel deelt
Gordon gegevens mede waaruit blijkt hoe de temperaturen in stallen in
het algemeen naar boven toe toenemen, en de luchtsnelheden naar boven
toe aanzieidijk afnemen. De luchtsnelheid is in vele stallen op 8/2 „feet"
boven de grond slechts ongeveer 1/3 of 1/4 van die vlak bij de grond.
Uit Duitsland werd zeer recent door Petersen (1961) medegedeeld dat
men het mogelijk acht dat door de toepassing van het in Ierland ontwik-
kelde stoombad bij proeven in Duitsland de conditie van de dieren ver-
zwakt zal worden, waardoor meer uit\\al door ziekten e.d. zal optreden.
Om deze reden onder andere raadt Petersen af deze methode te ge-
bruiken. Of men reeds bepaalde aanwijzingen voor deze conditie-verzwak-
king heeft, vermeldt Petersen echter niet.

Concluderend kunnen wij zeggen dat de aanduiding van een stal als „een
stal met een hoge temperatuur en een hoge luchtvochtigheid" verder nog
niets zegt over het al of niet slagen van het houden van varkens daarin,
zowel omdat er dan nog niets over de verdere kenmerken van deze stal
(in het bijzonder niet betreffende zijn xentilatie en warmte-huishouding)
als niets over zijn klimatologische ligging bekend is, hetgeen wij dus ook
als volgt kunnen zeggen: zowel omdat er dan nog niets over zijn micro-
klimaat als nog niets over het hem onn\'ingende macro-klimaat bekend is.
In hoeverre een stal van dit type dus geschikt is om het optreden van en-
zoötische of viruspneumonie tegen te gaan of het verloop er van minder
hevig te doen zijn, is derhahe zonder nadere gegevens voor ieder afzon-
derlijk geval ook niet uit te maken.

h.4.2. Ervaringen met andere combinaties v,a n 1 u c h t-
vochtigheid en temperatuur.

Mütze (I9531) ging de invloed van verschillende combinaties van lucht-
vochtigheid en temperatuur o]) de biggensterfte naM. Mütze zegt hier-
over onder andere dat zijn onderzoekingen niet tot een volkomen ondubbel-
zinnig resultaat leidden. Mütze acht dit begrijpelijk omdat er zoveel fac-
toren zijn — zoals voedering, verzorging, letale factoren, inteelt, bijzondere
infecties en parasieten — die naast de huisvesting de sterfte van de biggen
veroorzaken. Toch kan hij uit zijn onderzoekingen de conclusie trekken,
dat temperaturen beneden 4° C en relatieve lucht\\ochtigheden boven
88% in een stal, de biggen verliezen ten dele tot 80% laten toenemen.
Wanneer beide waarden in één stal worden gevonden noemt Mütze
dit het type van een nat-koude stal. Staltemperaturen tussen 5 en 10° C
hij relatieve luchtvochtigheid boven 88%, gingen gepaard met 40-50%
verliezen aan biggen. Hetzelfde gold voor de relatieve luchtvochtigheids-
waarden tussen 83 en 88%, wanneer deze bij zeer lage temperaturen
(onder 4° C) optreden. Temperaturen boven 10° C en relatieve lucht-
vochtigheidswaarden beneden 83% hebben op de verliezen aan biggen

Zie ook pag. 1345.

-ocr page 582-

geen aantoonbaar ongunstige invloed gehad. Twee grafieken, achterin
de dissertatie van M ü t z e opgenomen, geven zeer sprekend de aflran-
kelijkheid van de biggensterfte van de temperatuur, respectievelijk van de
luchtvochtigheid weer. Bij de samenstelling van deze grafieken werd geen
rekening gehouden met de stalbouw van de verschillende stallen, waarin
de waarnemingen gedaan werden. Elders in zijn dissertatie beschrijft
M ü t z e de bouw van deze stallen echter nauwkeurig.
Mütze vergelijkt verder zijn resultaten met die van Weber (1925).
Deze zet namelijk uitvoerig uiteen, dat temperaturen tussen 14° en 15° C
voor varkens te laag zijn. Voor mestvarkens zou echter 10°-12° C vol-
doende zijn. Een relatieve vochtigheid van de stallucht van 92% noemt
Weber „niet zonder bedenkingen", die boven 95% slecht. Daarbij wijst
W e b e r er echter in het bijzonder op, dat een opfok in de buitenlucht
natuurlijk een opfok bij lagere temperaturen toestaat,
Ivosi) (1958) deelt mede dat zijn onderzoekingen, evenals die van an-
dere onderzoekers, laten zien dat in de praktijk de relatieve luchtvochtig-
heid in varkensstallen altijd hoger ligt dan onze „maximaal toelaatbare
grenzen" aangeven en dat het niet mogelijk is er bij de bestaande manier
van het opgesloten houden van varkens gedurende de winter, verande-
ring in te brengen, In door I v o s onderzochte varkensstallen bewoog
de relatieve luchtvochtigheid zich \'s winters tussen 81 en 98%, hetgeen
I
V O s hoog acht, I v o s deed echter ook proeven met andere luchtvochtig-
heidsgraden en stelde uit de hierdoor verkregen gegevens twee grafieken
samen, waarvan de eerste het verband tussen de relatieve luchtvochtigheid
en de biggensterfte aangeeft en de tweede het verband tussen de absolute
luchtvochtigheid en de biggensterfte, (Deze gegevens moeten bij wille-
keurige temperaturen zijn verkregen, daar I v o s hierover geen enkele
mededeling doet,) Uit de eerste grafiek blijkt dat de sterfte boven een
relatieve luchtvochtigheid van 85% toenam en boven 92% zelfs zeer sterk.
Uit de tweede grafiek zien wij dat de sterfte afnam bij toename van de
absolute luchtvochtigheid. Ivos merkte tlienaangaande op dat wij hieruit
kunnen zien hoe in varkensstallen in tegenstelling met in andere gebouwen
(runderstallen) de verzadiging van de lucht met waterdamp belangrijk is
ten opzichte van gemeten temperatuur of absolute luchtvochtigheid.
Ivos (1958) komt op grond van zijn waarnemingen verder tot de con-
clusie dat voor de gezondheid van de varkens in het algemeen dc lage tem-
peraturen beneden 7° C aanzienlijk schadelijk zijn wanneer de lucht voch-
tig is en de varkens zich in een gesloten ruimte bevinden. Beneden 6° C
werd de sterfte zeer groot. Als ondergrens neemt Ivos derhalve 10° Cl
aan. Een bovengrens kon hij niet vaststellen. Een relatieve luchtvochtigheid
boven 85% beïnvloedt in liet algemeen, maar vooral in koude varkens-
stallen, het levende organisme zeer nadelig. Bij zulke omstandigheden heeft
ook elke relatief sterke kracht van de luchtbeweging een slechte invloed.
Richter (1951; geciteerd door Ivos, l.c.) neemt de temperatuuronder-
grens iets hoger. Hij heeft namelijk de ervaring dat er in vochtige varkens-
stallen met een temperatuur tussen 10° C en 13° C (= 50° en 55,4° F)
ziekten van de ademhalingsorganen voorkomen; de varkens hebben het
benauwd en sterven. Of R i c h t e r ook een bepaalde grens voor de rela-
tieve lucht\\ ochtigheid opgeeft, citeert I o s niet.

Hoogleraar aan de Universiteit te Zagreb, Joegoslavië,

-ocr page 583-

Wel deelt 1 v o s verder waarden van de relatieve luchtvochtigheid mee,
die door andere onderzoekers toelaatbaar worden geacht: D a m m a n n
(1902): 30-70%, Klimmer (1924): 40-70%, Do u glas (naar Van
Es): 40-70%, Miessner-Schoop (1935): 50-70% (beneden 50%
droog, boven 70% vochtig), Alikaev (1948): 60%, Skorohodko
(1950): 65-75%, S c h m i d t, K 1 i e s c h en G o e r 111 e r (1956): max.
70%, N u s s h a g (1954): max. 75%, Roots, HauptenHartwigk
(1955): 75-80%.

Door het vrij sterk uiteenlopen van deze waarden, krijg ik het vermoeden
dat in al deze gevallen andere nevenomstandigheden aanwezig werden ge-
acht. in het bijzonder andere temperaturen en andere luchtsnelheden.
Minder nauwgezet is ook een verdere opga\\e van Alikaev (l.c.). Deze
stelde namelijk vast dat bij een relatieve luchtvochtigheid boven 88%
„vaak" ziekten van de ademhalingsorganen voorkomen en ook sterfte op-
treedt. De aanzienlijke verschillen in de biggenstefrte bij verschillende
temperatiu\'en en deze zelfde relatieve luchtvochtigheid, zoals M ü t z e (zie
pag. 1348) deze waarnam, werden dus blijkbaar niet door hem geconsta-
teerd.

D e d i é (1957) is nauwkeiu\'iger: Hij geeft op dat met het stijgen van de
relatieve luchtvochtigheid boven 80% en dalen van de temperatuur be-
neden 10°-12° C: de biggenverliezen snel stijgen. Hij citeert verder P o e h 1-
mann (1954a) volgens welke de relatieve luchtvochtigheid bij 10° C
80%, bij 15° C 75% en bij 20° C 65% zo mogelijk niet overschrijden moet.
Srédovitch (1956) formtdeerde zijn resultaten in Joego-Slavië als
volgt: Indien in een stal de relatieve luchtvochtigheid gedurende lange tijd
stijgt tot 70%, is de toestand nauwelijks verdraagbaar. Het kritieke jnmt
wordt bereikt wanneer de relatieve luchtvochtigheidsgraad tussen 70 en
80% schommelt en terzelfder tijd dc temperatimr in de stal aanzienlijk
daalt. Een relatieve luchtvochtigheidsgraad boven 80% veroorzaakt een
verergering. De genoemde auteur en zijn medewerkers schatten dat het
optimale traject van de relatieve luchtvochtigheidsgraad zich tussen 40 en
60% bevindt in dc loop van 24 tuir, rnet een passende temperatuur.
Kesner (1956; geciteerd door Niznansky, 1957) uit Tsjecho-Slo-
wakije, deelt mede dat één van de hoofdoorzaken van de biggensterfte in
Tsjecho-Slowakije de in de winter ontoelaatbare w.aarden van 85-95%
van de relatieve luchtvochtigheid zijn, die dan in de met muren gebouwde
stallen van de daar gebruikelijke constructie kunnen heersen. Onder de
oorzaken van deze biggensterfte kunnen wij viruspneumonie als één van
de belangrijkste rekenen, daar Niznansky het bovenstaande citeert als
illustratie van de noodzaak van het bestuderen van het microklimaat in
de stallen in Tsjecho-Slowakije, in het bijzonder met het oog op het be-
strijden van viruspneumonie.

Mens ik (1960) (Tsjecho-Slowakije) deelt mede dat uit in de winter
uitgevoerde proeven met kunstmatige besmetting met het virus van de
daar heersende pneumonie^) bleek, dat een gesloten stal met koude wan-

1) Waarschijnlijk is dit virus een variant van het Amerikaanse „swine-influenza"-
virus, daar er na de oorlog invoer van varkens door de UNNRA naar Tsjecho-
Slowakije heeft plaatsvonden (Hjärre, 1956; geciteerd door P e h 1, 1960).
Vcx>r ons doel maakt dit echter geen verschil, daar de invloed van het stalklimaat
op beide ziekten in grote trekken dezelfde genoemd kan worden.

-ocr page 584-

den, vloer en dak bij een gebrekkige ventilatie, een temperatuur van 1°
tot 10° C en een relatieve luchtvochtigheid van 95-100%, voor biggen tot
op een leeftijd van 3 maanden absoluut ongeschikt is. Na kunstmatige be-
smetting in zo\'n omgeving had de viruspneumonie een hevig verloop. In
droge omgeving bij een overvloed van frisse lucht en goede isolatie van de
wanden, vloer en dak werden de biggen na kunstmatige besmetting öf
helemaal niet óf slechts licht ziek.

0\\er de relaties tussen de luchtvochtigheid, de temperatuur en de venti-
latie in het algemeen en in het bijzonder in varkensstallen kan men verder
ook gegevens vinden in de literatuuroverzichten van b e 11 (1959) en
Bond (1959), de studie van P e t i t en V a n L a n c k e r (1956 a en b),
die van Petit en De B r u y c k e r e (1962), die van G y s e 1 (1962),
„A Bibliography of Farm Buildings Research" (1954-1958), Part I. Buil-
dings for Pigs (1959) (met korte referaten) met het „1st Supplement
1958-1961" (1962) hierop, en méér in het bijzonder betreffende deze re-
laties in runderstallen in Z w a r t (1953), p. 17 en p. 20-22 en O o s t e r-
lee (1958).

SAMENVATTING.

■Aansluitend aan de in het eerste ardkel in paragraaf e. besproken vermoedelijke
invloed van de luchtvochtigheid op de acdvitcit van het „virus" (?) van enzoötische
of viruspneumonie bij varkens, worden waarnemingen uit dc praktijk besproken
waaruit dc invloed van dc luchtvochtigheid op het optreden van deze ziekte blijkt.
Men zou hieruit de conclusie willen trekken dat er zowel een langzame ongunstige
invloed van grote luchtvochtigheid over een langere periode op het algemeen welzijn
van de varkens kan uitgaan, als een snellere die het optreden, respectievelijk het on-
gunstige verloop van enzoötische pneumonie kan begunstigen. Deze snellere invloed
kan namelijk behalve via het voortvliegende „virus", ook via het warmteregelings-
mechanisme van de varkens worden uitgeoefend, welk mechanisme door sterke af-
koeling bijzondere processen kan doen ontstaan. Bij het ontstaan van deze afkoclingcn
spelen ook de met de relatieve luchtvochtigheid verbonden factoren temperatuur en
luchtsnelheid dus natuurlijk een grote rol.

De auteur gaat waarnemingen uit de praktijk na over de invloed van deze met elkaar
verbonden factoren (ook van de combinatie van grote luchtvochtigheid en hoge tem-
peratuur: de „Turkse-bad"-stallen) en bespreekt eerder tevens onderzoekingen be-
treffende de theoretische grondslagen van dc warmte-afgifte door het varken in ver-
band met de waterdampdruk in de stal en die van een laagje vlak rondom het varken.
N\'erder wordt het waterdamptransport uit de stal in verband met verschillende fac-
toren besproken.

Zeer droge (en stoffige) stallen dragen ook in hoge mate bij tot het ontstaan van
pneumonieën.

SUMMARY.

(h.1.) Besides the influence on the activity of the "virus", as discussed in section c.\'),
the humidity of the air can exert also other influences on the origin and the course
of the enzootic pneumonia with pigs. A bad and rather quick influence arises from a
great relative humidity of the air in cold circumstances, because the loss of heat
increases considerably (A unit of the volume of the air needs much more heat to rise
one centigrade in temperature. — The heat-loss through evaporation decreases how-
ever.) There also exists a bad slower working influence of a great local humidity of
the outer air during a long period on the general health of the pigs.

-ocr page 585-

(h.2.) The transport of the water-vapour in the stable is closely connected with the
temperature of the air (in and outside the stable), the pression of the water-vapour
(in and outside the stable) and the ventilation. The complications proceeding from
this connection are studied particularly wnth respect to too humid stables. A dry (and
dusty) micro-climate however also extremely favours the arisiiig of pneumonias.
)h.3.) The pression of the water-vapour in a thin layer close around the skin of the
pigs is distinctly higher than the pression of the water-vapour in the stable. For
this reason K a u f uses a modification of a formula of Newton, to calculate the
loss of heat and to form an opinion on the heat regulation of the pigs.
(h.3.1.) The author supposes that the influence of a great relative humidity of the
air in cold circumstances is much greater than is generally believed. The relative
humidity can increase very quickly when the temperature decreases.
(h.4.1.) A combination of a high temperature and of a great relative humidity of the
air ("a Turkish bath") appeared not to be harmful in Northern Ireland, but on the
contrary to dimini.sh the number of cases of enzootic pneumonia enormously. The
author supposes that the thoroughly oceanic climate of Ireland contributes highly to
the stability of the stable-climate, through a moderation of the transport of the water-
vapour leaving the stable (see also the formula drawn up by K a u f, mentioned in
section h.2.), a fact which also involves a decrease of the heat-loss. In other coun-
tries, with a less oceanic climate, the ventilation must probably be controlled in a
rather different way to obtain the same micro-climate. Also with the sudden appea-
rance of "hot weather pneumonia" (caused by very cold morning hours during for
the rest hot periods in summer with pigs which stayed in the open air since the
preceding evening in order to seek coolness), the great relative humidity of the air
of Ireland must play a part.

(h.4.2.) In considering other combinations of the relative humidity of the air and
of the temperature, it appears that the effect of these two facors has always to be
studied together, especially with the combinations of the higher values of the rela-
tive humidity of the air and of the low temperatures.

RÉSUMÉ.

(h.l.) L\'humidité de l\'air peut avoir une influence non seulement sur l\'activité du
„virus", comme discuté dans le paragraphe c.\'), mais aussi sur l\'origine et l\'évolu-
tion de la pneumonie enzootique du porc. Une grande humidité relatievc de l\'air
lorsqu\'il fait froid, a une mauvaise influence qui se produit assez rapide, parce que
la déperdition de chaleur des cochons augmente beaucoup. (Une unité du volume
de l\'air demande beaucoup plus de chaleur pour que la temperature monte d\'un degré.
— La déperdition dc chaleur par l\'évaporation est diminuée toutefois). Il existe
aussi une influence mauvaise d\'une grande humidité locale de l\'air qui s\'exerce lente-
ment sur la santé générale des pores.

(h.2.) Le transport de la vapeur d\'eau dans l\'étable est lié étroitement avec la tem-
pérature de l\'air (celle qui regne dans l\'étable et celle au dehors), la pression de la
vapeur d\'eau (celle qui règne dans l\'étable et celle au dehors) et la ventilation. Les
complications provenant de cette liaison ont été étudiées surtout pour les étables
trop humides. Un micro-cl imat sec (et poussiéreux) pourtant favorise également
beaucoup la genèse de pneumonies.

(h.3.) La pression de la vapeur d\'eau dans une mince couche tout près de la peau
des cochons est nettement plus haute que la pression dc la vapeur d\'eau dans l\'étable.
Pour cette raison K a u f emploie une formule de Newton modifiée, pour calculer
la déperdition de chaleur ct pour seformer une opinion sur la régulation de la chaleur
(h.3.1.) L\'auteur suppose que l\'influence d\'une grande humidité relative de l\'air
lorsqu\'il fait froid soit beaucoup plus grande que l\'on ne le pense généralement: le
des cochons.

-ocr page 586-

(h.3.1.) L\'auteur suppose que l\'influence d\'une grande humidité relative de l\'air
lorsqu\'il fait froid soit beaucoup plus .grande que l\'on ne le pense généralement: le
degré de l\'humidité relative de l\'air peut s\'accroître très vite quand la température
baisse.

(h.4.1.) Une combinaison d\'une température élevée et d\'une grande humidité rela-
tive de l\'air („un bain turc") paraît ne pas être nuisible dans l\'Irlande du Nord; par
contre, elle peut faire diminuer de façon notable le nombre des cas de la pneumonie
enzootique (c\'est-à-dire dans les expérimentations de Gordon et Luke, 1956),
pendant 4 années — voir L a m o n t, 1959 — mais pas dans les expériences faites
par Shanks, 1942). L\'auteur suppose que le climat foncièrement océanique dc
l\'Irlande doit attribuer d\'une manière importante à la stabilité du micro-climat de
l\'étable, par une modération du transport de la vapeur d\'eau sortant de l\'étable
(voir aussi la formule de Kauf, mentionnée à la paragraphe h.2.) ce qui entraîne
aussi une moindre perte de chaleur. En d\'autres pays, d\'un limât moins océanique,
on doit régler la ventilation d\'une manière assez différente pour obtenir le même
micro-climat. — Lorsque le „bot weather pneumonia" se déclare soudain (qui est
causée par les heures matinales très froides pendant des périodes d\'été qui pour le
reste sont chaudes, chez des porcs restés se rafraîchissant dès le soir en plein air),
la grande humidité relative de l\'air de l\'Irlande doit jouer une rôle,
(h.4.2.) Lorsqu\'on prend en considération d\'autres combinaisons de l\'humidité rela-
tive de l\'air et de la température, il paraît qu\'on doit toujours étudier l\'effect de ces
deux facteurs ensemble, surtout dans les combinaisons des pourcentages plus grands
de l\'humidité relative de l\'air et des températures basses.

ZUSA.MMENFASSUNG.

(h.l.) Ausser dem Einfluss auf die Aktivit.ät des Virus, wie es in Paragraph c.\') er-
wähnt ist, kann die Luftfeuchti.gkeit auch andere Einflüsse auf das Entstehen und auf
den Verlauf der enzootischen Pneumonie beim Schwein ausüben. Einen schlechten
und ziemlich schnell wirkenden Einfluss kann die grosse Luftfeuchti.gkeit in einer
kalten Umwelt durch die stark gesteigerte \'Wärme-abgabe ausüben (Eine Volumen-
einheit der Luft benötigt viel mehr Wärme um die Temperatur mit einem Grad
zu erhöhen. — Die Wärmeabgabe durch Verdampfung wird jedoch verringert.)
Eine hohe lokale Luftfeuchtigkeit hat auch einen über eine lange Periode langsam wir-
kenden schlechten Einfluss auf den allgemeinen Gesundheitszustand der Schweine.
(h.2.) Der Transport von Wasserdampf im Stall steht in engem Zusammenhang mit
der Lufttemperatur (in und ausserhalb der Ställe), dem Dampfdruck in der Luft
(in und ausserhalb der Ställe) und der Ventilation. Die Komplikationen, die sich
durch diesen Zusammenhang ergeben, werden vor allem im bezug auf die übermässig
feuchten Ställe studiert. Ein trockenes (und staubiges) Mikroklima begünstigt aber
ebenfalls in hohem Masse das Entstehen von Pneumonien.

(h.3.) Der Druck des Wasserdampfs, welcher in einer dünnen Schicht die Haut der
Schweine umgibt, ist merklich höher, wie der Druck des Wasserdampfs im Stalle.
Deshalb gebraucht Kauf eine Modifikation des N e w t o n\'schen .Abkühlungs-
.gesetzes, um den Wärmcvcrlust der Schweine zu errechnen und ."Vngaben über die
Wärmere.gulierung der Schweine zu erhalten.

(h.3.1.) Der Verfasser nimmt an, dass der Einfluss einer grossen relativen Luft-
feuchtigkeit in einer kalten Umwelt bei weitem grösser ist, wie man im allgemeinen
denkt: diese Luftfeuchtigkeit kann beim Sinken der Temperatur sehr schnell an-
steigen.

(h.4.1.) Die Kombination einer hohen Temperatur und einer grossen relativen Luft-
feuchtigkeit (im sogenannten „Türkischen Bad") erwies sich in .Nord-Irland als nicht
schädlich, ja selbst günstig, da sie die Anzahl der Fälle der enzootischen Pneumonie in
hohem Masse verringerte (und zwar in den Experimenten von Gordon und Luke,

i)Siehe Tijdschr. Diergeneesk., 87, 970, (1962).

-ocr page 587-

1956, durch 4 Jahre — siehe L a m o n t, 1959 — jedoch nicht in den Versuchen
von Shanks, 1942). Der Verfasser ist der Meinung, dass das allgemeine ozeanische
Klima Irlands in beträchtlichem Masse zur Beständigkeit des Mikroklimas dieser
Ställe durch eine Einschränkun,g des Abzugs der Wasserdämpie aus dem Stall bei-
tragt (siehe auch die von Kauf verfasste Formel, die in Paragraph h.2. genannt ist),
wodurch auch eine Verringerung der Wärmeverluste herbeigeführt wird. In anderen
Ländern mit einem weniger ausgesprochen ozeanischem oder kontinentalem Klima,
muss man die Ventilation wahrscheinlich auf eine ziemlich andere Weise regulieren,
und dasselbe Mikroklima zu erhalten. - .Auch bei dem plötzlichen Entstehen der
„bot weather pneumonia" (verursacht im Sommer durch die Abwechslung von sehr
niedrigen Temperaturen in den Morgenstunden und hohen Temperaturen im Laufe
des Tages, nach welchen die Schweine von Abend bis Morgen im Freien Abkühlung
suchten), wird die grosse Luftfeuchtigkeit von Irland eine Rolle spielen.
(h.4.2.) Auf Grund der Beobachtun,gen über andere Kombinationen der relativen
Luftfeuchtigkeit und der Temperatur zeigt sich, dass man den Einfluss dieser zwei
Faktoren immer zusammen in Betracht ziehen muss, insbesondere in den Kombina-
tionen von höheren Werten der relativen Luftfeuchtigkeit und niedrigen Tempera-
turen.

RIASSUNTO.

(h.1.) L\'umiditä dell\'aria puè esercitare un\'influenza non solamente sull\'attivita del
„virus", come discusso nel paragrafo c.\'l, ma anche sull\'origine e il decorso della
pneumonia enzootica nel suino. Una grande umiditä relativa dcU\'aria durante il
freddo ha un\'influenza uociva che si produce abbastanza rapidamentc, perché la
pèrdita di calore dei porei aumenta molto. (Una unitä di volume dell\'aria richiede
molto pifi di calore per elevarsi di un grado in temperatura. — La pèrdita di calore
per cvaporazione é diminuita tuttavia). E^siste anche un\'influenza nociva d\'una grande
umiditä locale dell\'aria esterna che influisce lentamentc la salute generale dei porei.
(h.2.). II trasporto di vapor acqueo nella stalla è legato strettamente colla temperatura
dell\'aria (quella che rcgna nella stalla e quella al di fuori) e la pressione del vapor
acqueo (quella che rcgna nella stalla e quella al di fuori) e la ventilazione. Lc com-
plicazioni provenienti di questo collegamento sono state studiate sopratutto per le
stalle troppo umide. Un micro-clima secco (c polveroso) perö favori.sce ugualmente
molto la genesi di polmoniti.

(h.3.) La pressione del vapor acqueo in uno Strato sottile molto vicino alia pelle
dci porei è nettamente piii alta che la pressione del vapor acqueo nella stalla. Perciö
K a u f si serve di una formula di Newton modificata, per calcolare la pèrdita di
calore e per formarsi un\'opinione sulla regolazione del calore dei porei.
(h.3.1.) L\'autore suppone che l\'influenza d\'una grande umiditä relativa dell\'aria
durante il freddo sia molto piü grande di quel che generalnientc si pensa: il grado
rclativo d\'umiditä dell\'aria puö accrcsccrsi molto presto quando la temperatura si
abbassa.

(h.4.1.) Una combinazionc d\'una temperatura alta e d\'una .grande umiditä relativa
dell\'aria („un bagno turco") pare che non sia nociva in Irlinda del Nord; al con-
trario, essa puó fare diminuire in misura notcvolc il numero dei casi della pneumonia
enzootica nel suino (cioè negli esperimenti de Gordon c Luke, 1956, durante
quattro anni — vedete L a m o n t, 1959 — ma non negli esperimenti fatti per
Shanks, 1942). L\'autore suppone che il clima strettamente oceanico dell\'Irlanda
contribuisce in modo particolare alla stabilitä del micro-clima della stalla, per una
moderazione del trasporto del vapor acqueo uscente dalla rtalla (vedete anche la
formula di Kauf, menzionata al paragrafo h.2.), che comporta anche una pèrdita
piü piccola di calorc. In altri paesi, con un clima meno occanico, si deve regolare
la ventilazione in un modo abbastanza differente per ottenerc il mismo micro-clima. —

1) Vedete Tijdschr. Diergeneesk., 87, 970, (1962).

-ocr page 588-

Sc la „hot weather pneumonia" si manifesta subito (la quale è causata per le ore
mattutine molto fredde durante periodi estivi che del resto sono caldi, con porei ri-
masti fin dalla sera prima all\'aria aperta per rinfrescarsi), un accrescimento rapido
delTumidità relativa dell\'aria è forse anche di estrema importanza.
(h.4.2.) Se si considéra altre combinazioni dcU\'umidità relativa dell\'aria e dclla
temperatura, parc che si deve sempre studiare gli effetti di questi fattori insieme,
sopratutto nelle combinazioni delle percentuali più alte dcU\'umidità relativa dell\'aria
e delle basse temperature.

LITERATUUR1)\'-\')

Abe 11 (1959): zie lit.lijst deel II.
Anonymus (1959): zie lit.lijst deel II.

Bianca, W.: Klimatologische Untersuchungen in einem Offenstall. Zsch.r Tier-

zücht. u. ZüchtungsbioL, 61 I, I, (1953).
A bibliography of farm buildings research, 1945-1958, Part I: Buildings for pigs.
Agricultural Research Council, 1959, 36 pp. En het „1st Supplement 1958-1961"
(1962), 70 pp.
Bond (1959): zie lit.lijst deel II.

B o u n o u r e, L. : La régulation chez les organismes vivants et non vivants. Sciences

(Paris), 2, 63, (1960\\\'61).
Burkhardt, D.: Allgemeine Sinnesphysiologie und Elektrophysiologie der Re-
ceptoren.
Fortschritte der Zoologie, 13, 146, (1961).
D e d i é, K.: Das Stallklima in Schweinemastställen. Mh. VetMed., 12, 148, (1957a).
D e d i é, K.: Das Stallklima in Schweinezuchtställen. Mh. VetMed., 12, 372, (1957b).
Eernstman, T.: Vademecum voor den praktizeerenden geneesheer in Nederland

en de koloniën, le druk: Utrecht, Semarang, 1897: 12e druk: Utrecht, 1948.
Goodwin and Whittlestone (1960): zie lit.lijst deel I.
Gordon, W. A. M.: Environmental studies in pig-housing. 1. Air velocity.
Brit.

vet. ]., 118, 171, (1962a).
Cordon, W. A. M.: Environmental studies in pig-housing. II. Ventilation and its

measurement. Brit. vet. ]., 118, 243, (1962b).
Gordon and Luke (1955): zie lit.lijst deel I.

G O r d O n, W, M. and Luke, D. : Observations on restricted ventilation in pig-

houses. Vet. Ree., 68, 1030, (1956).
G y s e 1, A.: Erhebungen über Temperatur und Luftfeuchtigkeit in Schweineställen
samt einigen Unterlagen zur Gestaltung des Stallklimas auf Grund ausländischer
Angaben.
Landwirtsch. Mh., 40, 311, (1962).
H a r d y, J. D. and D u B o i s, E. F.; Technic of measuring radiation and convection.

J. of Nutr., 15, 464, (1938).
H e i n i g, W., K I i n k, G. and G r a t z, W. : Zur Aufstallung lerkclführender Sauen.

Tierzucht, 12, 323, (1958).
Hill, L. : The science of ventilation and open-air treatment. Part 1. Med. Res.

Comn. London Spec. Rep. Series, 32, (1919), 249 pp.
Hoffmann, C.: Vergleichende Physiologie des Temperatursinnes und der che-
mischen Sinne.
Fortschritte der Zoologie, 13, 190, (1961).
Hough ten, F. G. and Y a g 1 o g 1 o u, C. P.: Trans. Amer. Soc. Heat Vent.

Engrs., 29, 163, (1923).
Inglis and Robertson (1949): zie lit.lijst deel I.
I n g 1 i s and Robertson (1951) : zie lit.lijst deel II.

1) Overal waar in deze literatuurlijst staat „zie lit.lijst deel I" of „zie lit.lijst deel
11", is een verwijzing naar de literatuurlijst bij deel I, resp. deel H van dit lite-
ratuuroverzicht bedoeld, in het
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 974, (1962), resp. 87,
1202, (1962).

De door Ivos (1958) geciteerde artikelen zijn niet in deze lijst genoemd.

-ocr page 589-

Ivos (1958) : zie lit.lijst deel II.
Kauf (1955/\'56): zie lit.lijst deel II.

Kelley, M. A. R.: Ventilation of farm barns. Teehn. Bull U.S Dept of Arhc

No. 187, (1930), 74 pp.
Kesner (1956): zie Niznänsky (1957).

L a m o n t, H. G. (1959) : Opmerkingen uit een rede van hem op de Fourth National
Farm Buildings Conference te Oxford, 1959, meegedeeld door Anonymus

(1959). Zie bij deze laatste in lit.lijst deel II.

L e e , D. H. K. and P h i 1 1 i p s, R. W.: Assessment of the adaptability of livestock

to climatic stress. /. Anim. Sci., 7, 391, (1948).
Meier (1957): zie lit.lijst deel II.

M e n s i k, J.: Der Einfluss mikroklimatischcr Bedingungen auf Entstehung und Ver-
lauf der Erkrankung bei Ferkel n nach experimenteller Infektion mit dem Virus
der Schweinegrippe.
Vedecké prace Vyzkumného üstavu veterindrniho v Brne, 99,

(1960) (Ref. in Landw. Lil. d. Tsch. SL, 5, 19, (I960)).

Murray, R. W.: Temperature receptors. Advances in Compar. Physiol, a Bio-
chemistry,
1, 117, (1962).
Mütze, M.: Untersuchungen über klimatische Einflüsse auf das Ferkelsterben.

Inaug. Diss. Glessen, 1953, 44 pp.
Niznänsky, F.: Probleme der wirtschaftlich wichtigen Schweinekrankheiten in

der C.S.R. und ihre Lösung. Mh. VetMed., 12, 541, (1957).
Oosterlee (1958): zie ht.lijst deel II.

P e h 1, K. H.: Die Fcrkelgrippe als Virusinfektion und ihre Prophylaxe. Sitzungs-
berichte der Deutsche .\\kad. d. Landwirtsch.-wissenschaften zu Berlin Band IX
Heft 4 (1960), 22 pp.
Peters, E.: Ferkelverluste, Wirtschaftlichkeit und Stallbau.
Tierzucht, 5, (1957).

(Gecit. door H e i n i g. Klink en G r a t z, 1958).
Petersen, W.: Stallteniperatur und Fleischwüchsigkeit.
Dtsch. Landwirtsch.

Presse, 84, 334, (1961).
Petit, K. L. en D e b r u y c k c r e, M.: Fundamentele gegevens aangaande het
bioklimaat in stallen en hokken.
Meded. van de Landbouwhogeschool en de Op-
zoekingsstations van de Staat te Gent,
27, 499, (1962).
Petit, K. cn L a n c k c r, J, van: Bouw-hygiënische berekeningen en onderzm k
in varkensstallen.
Meded. van de Landbouwhogeschool en de Opzoekingsstations
van de Staat te Cent,
21, /, (1956a).
Petit, K. en L a n c k e r, J. van: Klimaatonderzoek in mclkveestallen. Meded.
van de Landbouwhogeschool en de Opzoekingsstations van de Staat te Gent
21
77, (1956b). \' \'

Poehlrnann (1954a): zic Dedic (1957).

R o b i n s o n, K. W, and Lee, D. H. K.: Reactions of the pig to hot atmospheres.

Proe. Royal Soc. of Queensland, 53, 145, (1941).
Shanks 0952): zic lit.lijst deel I.

Smith, R. E. and H o y e r, D. J.: Metabolism and cellular function in cold accli-
mation.
Physiol. Rev., 42, 60, (1962), 667 lit. opgn.
Sou tar (1953) : ziet lit.lijst deel II.
Srédovitch (1956): zic lit.lijst dccl II.
Vierord t (z.j.) : zie Kelley (1930), p. 8.
Weber (1925): zie Mütze 0953).

Winkler Prins Encyclopaedic, lie deel, Amsterdam, Brussel, 1951. (Geciteerd

uit de rubriek: Ierland, Klimaat).
Zwart, T.: Over de invloed van het klimaat, in het bijzonder van het stalklimaat,
op de productie van het rund. Rapport voor dc commissie Stalklimaatonderzoek
T.N.O., 1953, 34 pp.

-ocr page 590-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Hef gebruik van hormonen bij schapen fijdens
hef dekseizoen.

Endocrine treatment in slieep.

door C. SCHALK1)

Inleiding.

In verschillende landen is over de vruchtbaarheid bij onze landbouw-
huisdieren de laatste 25 jaren veel geschreven en geëxperimenteerd.
Ook schapen zijn als proefdieren gebruikt.

Het verhogen van de vruchtbaarheid wordt vooral verkregen d.m.v. se-
lectie en verbeterde voeding. Met hormooninjecties zijn in het buitenland
eveneens interessante resultaten \\erkregen, zowel wat betreft het opwek-
ken van meerlingen in het natuurlijke (vruchtbare) seizoen, als het vcr-
krij.gen van drachtigheid in het voor schajjen onvruclitbare seizoen.
Hierbij geliruikt men veelal oestronpreparaten en progesteron ter syn-
chronisering van de oestrus, en gonadotrope hormonen pregnyl en gestyl
ter verhoging van het aantal ovulaties.

Over de fysiologie van de cyclus gedurende het gehele jaar, bij lacte-
rende en niet-lacterende ooien, is echter nog tc weinig bekend om over de
werking van de geïnjiceerde hormonen een juist oordcel te vellen.
Bekende onderzoekers als C o 1 e, D u t t, Gordon, Ha m m o n d Jr.,
K u d 1 a c, Phillips, R a e s i d e, Robinson, Schmidt e.a. heb-
ben proefnemingen beschreven die bijna altijd een positief resultaat op-
leverden. Soms was het aantal dieren ïjij de verrichte proef klein en leidde
het verkregen resultaat niet tot een betrouwbare conchisic. Bij grotere
aantallen echter is het gewettigd om bij de uitkomsten het toeval uit te
sluiten, en de gevolgde methode als juist te interpreteren.
De laatste drie jaren is door mij op beperkte schaal geëxi)erimenteerd met
bovengenoemde hormonen2) om de vruchtbaarheid van een koppel
schapen van de gemeente Klundert te verhogen.
{Tijdschr. Diergeneesk.,
86, 1444, (1961)). De methoden die werden gevolgd, waren een navolging
op basis van improvisatie van die, welke in de literatuur door dc verschil-
lende auteius met een positief resultaat zijn beschreven. De resultaten van
anderen konden echter niet worden bevestigd.

Ten eerste verschilden de uitwendige omstandigheden waaronder de
proeven in het buitenland werden uitgevoerd. Ten tweede waren de ge-
l)ruikte hormonen dikwijls van een ander fabrikaat.

Het resultaat van het onderhavige experiment betreffende de invloed op
het hormoonevenwicht bij de proefdieren is die van een „verstoring" ge-
weest, zodat in plaats van een positief resultaat, een negatief- of een „ver-
laat"-normaal resultaat werd verkregen.

In het volgende verslag zijn twee proefnemingen, die in 1961/\'62 en in
1962/\'63 zijn verricht, nader beschreven.

1  C. Schalk, praktizerend dierenarts te Klundert, Zevenbergscweg 8.

2  Gaarne betuig ik mijn erkentelijkheid jegens de N.V. Organon te Oss voor het
beschikbaarstellen van de hormoonpreparaten.

-ocr page 591-

Proef 1 (1961/"62).

Half september werden 16 ooien, (gemengd inlands ras \\ an verschillende
leeftijden), in twee groepen verdeeld, die alle op de eerste dag van de
proef een éénmalige dosis van 0,75 cm^^ oestromensyl (Duphar) intramus-
culair toegediend kregen.

Op de 18e dag kregen 8 dieren (proefgroep) 750 I.E. gestyl in solvens
(Organon) subcutaan en op de 21e dag 100 I.E. pregnyl in soivens (Orga-
non) subcutaan geappliceerd. De 8 overige dieren ontvingen geen gonado-
trope hormonen (controlegroejj).

Proef 2 (1962/\'63).

Deze keer kregen de dieren progesteron in olie (Organon) en pregnyl en
gestyl in solvens (Organon) toegediend. Half september werden 18 ooien in
3 gelijke groepen verdeeld en als volgt behandeld:

Groep 1.

5 dagen achtereen werd lx daags 25 mg progesteron intramusculair ge-
injiceerd, terwijl op de 7e dag zowel 500 I.E. pregnyl als gestyl subcutaan
werd gegeven.

Deze groep bestond uit 1 jaarling en 5 oudere ooien.
Groep 2.

9 dagen achtereen werd 15 mg progesteron intramusculair en op de 11e
dag evenveel gonadotroop hormoon als bij groep 1 toegediend. Deze groep,
alle oudere scha]3en. hadden het \\orige jaar alle tweelingen gegeven.

Groep 3.

■Als groe]) 2, deze groep bestond geheel uit jaarlingen.

Een ram werd na beide proexen gedurende 3 weken 2x daags bij de ooien

toegelaten ter controle van dc bronst, en waarbij bij proef 2 tevens direct

dekking mogelijk was (bij proef 1 pas bij de daaropvolgende bronst).

Hij sonnnige oudere dieren was reeds bronst geconstateerd, terwijl bij dc

jaarlingen nog geen bronstverschijnselen waren waargenomen, voordat de

proefneming begon.

Het verloop van dc proef.

PROEF 1.

Na de oestronbehandeling werden de meeste dieren bokkig gezien na onge-
veer 3-4 dagen. De bronstduur bedroeg ongeveer 36 uur. De volgende
bronstperiode verliep niet zo regelmatig. Na gemiddeld I6/2 dag volgde
de volgende bronst, die echter bij sommige dieren wel 4 dagen duurde. In
deze periode kon worden waargenomen, dat praktisch alle dieren werden
gedekt. Daarna werd de ram los bij de ooien gelaten. Rij veel dieren (zo-
wel uit de jjroef- als uit de controlegroep) trad echter nog een volgende
bronstcyclus op (na gemiddeld 16^ dag) en nadien bij sommige dieren
nog één.

PROEF 2.

Hieronder worden het aantal dagen aangegeven, waarna de dieren na de
laatste injectie werden gedekt.

-ocr page 592-

Groep 1:

1 ooi na 2 dagen, 1 na 18 dagen, 1 na 19 dagen, 1 na 21 dagen, 1 na 22
dagen en 1 ooi (jaarling) pas na 2 maanden.

Groep 2:

5 dieren werden na 1/a dag gedekt, echter 16-17 dagen na de laatste in-
jectie werden deze vijf dieren nogmaals, alsmede de zesde, gedekt.
Twee ooien werden 16 dagen na de voorgaande dekking herhaald gedekt
en 1 ooi hiervan na 1 7 dagen voor de vierde maal.

Groep 3:

2 jaarlingen werden na 1/a dag en 1 na 3 dagen gedekt. 2 werden 22 dagen
na de laatste injectie gedekt, en 1 ooi uit deze groep is nooit bronstig gezien.

Bij groep 2 van proef 2 waren de bronstvei-schijnselen bij alle ooien tijdens
de eerste bronst zeer zwak tot onduidelijk. Nochtans werden de dieren vlot
gedekt. 16-17 dagen nadien was de (volgende) bronst bij deze dieren echter
zeer hevig. Als de ram (met begeleider) kwam, renden de dieren in galop
naar het hek en verdrongen zich om de ram om gedekt te worden. I.v.m.
het aantal van vijf bronstige ooien werden slechts twee dieren achter el-
kaar gedekt, waarna de overige om resp. 12 en 5 uur bij de ram weiden
gedaan.

Resultaten van de proeven.

_Proef 1_Aantal ooien_.Aantal lammeren per ooi

6 2
10 1
O O

Het gemiddelde aantal lammeren per ooi bedroeg derhalve 1,38.
Uit het tijdstip van lammeren bleek, dat slechts 2 ooien uit de ])roefgroep
van de eerste dekking hadden geconcipieerd, met als resultaat: 1 ooi wierp
een tweeling en de andere een eenling. Alle overige ooien hadden na de
eerste dekking nog 2-4 cycli doorgemaakt voordat drachtigheid volgde.
Eén van de geboren lammeren bleek niet levensvatbaar en is de eerste dag
reeds gestorven.

_Proef 2_Aantal ooien__.Aantal lammeren per ooi

4 2

11 1
3 (jaarlingen) O

Het gemiddelde aantal per ooi bedroeg derhalve 1,05.
Bij deze proef bleek slechts 1 ooi van de eerste dekking drachtig geworden
te zijn, de andere hadden nog 1-2 bronstcycli nodig om drachtig te wor-
den. De ooi uit groep 1, die precies volgens het schema handelde (toeval?)
wierp 1 lam. De drie jaarlingen die niet drachtig bleken te zijn, waren af-
komstig resp. 1 uit groep 1, 2 uit groep 3. De vier tweelingen die werden
geboren, waren afkomstig resp. 1 uit groep 1, 2 uit groep 2 en 1 uit groep

3 (niet levensvatbaar).

-ocr page 593-

Van de 26 keren dat een bronstperiode werd waargenomen, werden 17
dieren slechts éénmaal gedekt (of \'s morgens óf \'s avonds), terwijl 9 ooien
èn \'s morgens èn \'s avonds (of omgekeerd) werden gedekt.
Bij deze proef zijn 3 lammeren gestorven, nl. een tweeling bleek niet levens-
vatbaar en 1 lam werd doodgeboren.

Het rantsoen werd tijdens de proeven niet veranderd om het „Flushing"-
effect uit te schakelen. Het bijvoederen werd in de winter in de namiddag
gedaan als de dieren werden opgehokt. Het rantsoen dat op die manier
naast weidegang werd gegeven, bestond per dier per dag uit:

hooi ad lib. ca 1 /a kg

voederbieten ca 1 34 kg

schapenbrokjes ca i/^ kg (U.T. brokjes, 20% r.e.)

Bovenstaande bijvoedering werd gegeven van eind november tot half
maart, daarna werd tot begin april doorgegaan met dezelfde hoeveelheid
hooi en brokjes.

Discussie.

Volgens de verwachtingen hadden bij proef 1 de ooien ongeveer 3 dagen
na de oestron-mjecties bronstverschijnselen moeten vertonen, om bij de
daaropvolgende bronst, ongeveer 17 dagen later, gedekt (en bevrucht)
te worden. Bij iiroef 2 zou tijdens de bronst, die enkele dagen na de laatste
jHogesteroninjectie zou moeten optreden, direct dekking en bevruchting
kunnen volgen.

Door de meerdere achtereenvolgende bronstcycli van de meeste ooien is
het vermelden van de resultaten per groep niet meer van belang.
Een „carry-over effect" van de hormonen zou n.1. niet bestaan.
Het synchroniseren van de oestrus bij pioef 2 valt in eerste instantie uit
in het voordeel van groep 2 t.o.v. groep 1.

9x 15 mg zou dus beter zijn dan 5x 25 mg progesteron. Bij beide groepen
volgden echter daarna nog meerdere bionstcycli.

Hoewel groep 2 en 3 van proef 2 gelijk werden behandeld, zijn de resul-
taten geheel verschillend wat betreft het vertonen van de eerste bronst na
de behandeling. Dit zou wellicht kunnen worden verklaard uit het feit, dat
groep 3 geheel uit jaarlingen bestond, waarbij nog geen enkel symptoom
van uitwendige bronst was opgemerkt.

Een conclusie is o[) grond van het vermelde enigszins voorbarig; daarbij
gevoegd zij, dat de proefuitkomsten bovendien niet velgelijkbaar zijn met
die van buitenlandse onderzoekers.

Naar aanleiding van de resultaten in proef 2 groep 2 zij echter vermeld,
dat het wenselijk lijkt bij een volgende proef de dosering te verhogen en
de duur van de behandeling met progesteron langer te laten duren.

SAMENVATTING.

Twee proefnemingen worden beschreven over het gebruik van hormonen in het voor
ooien vruchtbare seizoen.

De gevolgde methoden zijn die, waarmede in het buitenland gunstige resultaten
zijn verkregen. De buitenlandse resultaten konden niet worden bevestigd. Waar-
schijnlijk door de andere uitwendige omstandigheden heeft de hormoonbehandeling
geleid tot zowel een negatief als tot een „vertraagd" normaal resultaat.

-ocr page 594-

SUMMARY.

Two trials conccming the use of hormones in the season, fertile for the ewes, are
described.

The used methods arc the same as those followed in foreign countries with favour-
able results. The foreign results could not be confirmed. It is probable the external
conditions being different the hormone-treatment had a negative as well as a
"delayed" normal result.

RÉSUMÉ.

Deux expériences sont décrites sur l\'administration d\'hormones dans la saison fertile
pour les brebis.

Les méthodes suivies sont celles qui à l\'étranger ont fourni des résultats favorables.
Les résultats de rétraii.ger n\'ont pas pu être confirmés. Probablement par suite de
conditions extérieures différentes, le traitement aux hormones a abouti aussi bien
à un résultat négatif qu\'à un résultat normal „attardé".

ZUSAMMENFASSUNG.

Beschrieben werden zwei Untersuchungen hinsichtlich der Benutzung von Hormonen
in der für Mutterschafe fruchtbaren Zeit.

Befolgt wurden die Methoden, mit denen man im Ausland günstige Resultate erzielt
hatte. Die ausländischen Resultate ergaben jedoch keine Bestätigung. Wahrscheinlich
haben bei der Hoi-monbchandlung andere, äussere Umstände zu einem negativen,
bezw. „verlangsamten" normalen Resultat geführt.

Hoe goed is de zwartbonte!

Dit zei Dr. T. R. Preston van het „Rowett Research Institute" in Bucksburn,
bij de openingszitting van een landbouw conferentie, die de waarde onderzocht van
verschillende voedingssystemen voor de vleesprodukde, daarbij ook rekenend dc gerst-
vleesproduktie methode, waarmee hij zelf experimenteert.

„Een zakelijke benadering door dc boer is noodzakelijk", verklaarde hij. „Veeteelt is
„business" en we moeien deze op dezelfde manier bekijken als de fabrikant zijn zaak
bekijkt". Om efficiëntie te verkrijgen moet de boer nagaan wat hij te verkopen heeft
in verhouding tot wat de verbruiker vraagt; zijn grondstoffen; en het verwerken van
deze materialen tot het eindprodukt.

Bij het vlees is het produkt waarnaar de vraag het meest zal uitgaan dat wat verlangd
wordt door de supermarkt en de zelfbedieningswinkel. Dit moet in het oog gehouden
worden als men de vleesproduktie wil uitbreiden. In het bijzonder het uiterlijk, de
afwezigheid van overtollig vet en het mals en smakelijk zijn, zijn de kwaliteitseisen
waarnaar de verbruiker zoekt. De kleinhandelaar in vlees wil uniformiteit in karkas
en hoeveelheid.

Dr. Preston beweerde: „Eén van de belangrijkste zaken bij de conversie van vee
tot vlees is de groeisnelheid. Friese zwartbonte stieren zijn verreweg de geschiktste
dieren voor dit doel. Hoeveel beter zou het zijn als wc in plaats van zoveel drukte
te maken over kruisingsprodukten en de invoer van Charollais, deze uitvoerden en al-
leen zwartbonten hielden! Dan zouden we cen veel efficiënter dier hebben voor de
vleesproduktie".

The Scotsman, 30 augustus 1963.

-ocr page 595-

REFERATEN

Bacteriële. en virusziekten

DODELIJK VERLOPENDE ENTEROKOKKEN-DIARREE NA HET GEBRUIK
VAN CHLOORAMPHENICOL.

Braun, R. F.: Ned. Tijdschr. Geneesk., 106, 1028, (1962).

Bij dc mens is stafyiokoklien-diarree na gebruik van brecdspectrum-antibiotica be-
schreven. De mening is ook uitgesproken, dat dan niet ?lleen de stafylokokken gaan
woekeren, maar dat gelijktijdig zich ook de Clostridien zullen vermenigvuldigen.
Bij het klinische beeld voegen zich dan de verschijnselen, teweeg gebracht door de
endotoxinen van deze microörganismen. Op deze wijze ontstaat dan shock (door
diarree, braken en transpireren), ho.gc temperatuur, een bloedbeeld met sterke leuko-
cytose, verschuiving naar links en toxische korrcling en tenslotte een beneveld bewust-
zijn. In de eerste plaats oude mensen en kinderen, vooral in p.-.-ioden van verzwakking
b.v. na maagrescctie, zijn gevoelig. Ook
Proteus en Pseudomonas kunnen deze ziekte-
beelden geven.

Braun beschrijft een geval van een 81-jari.gc vrouw, die in verband met bronchitis
en mo.gelijke pneumonie dagelijks werd behandeld met 2 gram chlooramphenicol
aanvankelijk per os, later per injectie.

Terwijl de oorspronkelijke klachten verbeterden, ontwikkelde zich in 5 dagen enteritis
met waterdunne ontlasting, waarin ettervlokken. Uit deze etter/lokken werden entero-
kokken gekweekt, die resistent waren te.gen chlooramphenicol. Stafylokokken en
Clostridien werden niet aangetoond. Patiënte is op de 7e dag aan shock overleden.
Schrijver merkt op, dat hetzelfde bed was .gebruikt voor een andere patiënte, die
we.gens bronchiëetasie-bronchitis werd behandeld met chloor.imphenicol, zodat een
ncvcninfcctie met resistente enterokokken uit de omgeving van het bed mogelijk
.geweest is.

C. A. van Dorssen.

INGEWANDSWORMEN EN V.VRKENSPEST.

S t e f a n s k i, W., M a j d a n, S. and W e r t c j u k, M.: Research on helminths as
possible vectors of hog cholera.
Bull. Acad. Polon. Ser. Sc. Biol., 7, 143, (19.59).
Door toediening aan .gezonde varkens van infectieuze .4i<;«rw-cieren, afkomstig van
dieren met varkenspest, kon geen varkenspest op.gcwckt worden.

Onder bepaalde omstandigheden, vooral als de viru.sconcentratie hoog was, kon de
ziekte op.gcwckt worden door het laten meeslepen van het virus
met Strorigyloides-
larven door de huid.

Vwrlopi.ge proeven konden ,geen verschil aantonen in imnuiniteitsgraad tus.sen wel
of niet met ascariden besmette varkens na enting rnet kristalviolet-vaccin.

J. Jansen Jr.

S\'FREPTOKOKKEN VAN NIEUWE SEROLOGISCHE GROEPEN BII
VARKENS.

Moor, C. E. de: Scpticaemic infections in pi.gs caused by haemolytic streptococci
of New Lanccficld groups designated R, S and T.
Acta leidensia, 32, 220, (1962).
In dit artikel geeft De M o o r een overzicht van zijn onderzoek over hemolytische
varkensstreptokokken. Hij wijst erop, dat Jansen en a n Dorssen in 1951 de
eersten geweest zijn die op het voorkomen van dergelijke Streptokokken bij varkens
de aandacht hebben gevestigd cn met hun stammen bij varkens experimenteel ziekte
hebben opgewekt.

Het materiaal, dat door Dc Moor (R.I.V.) bestudeerd is, omvat inmiddels 150
stammen. Hoewel de bacteriën morfologisch veel overeenkomst vertonen (enkel-
voudig of in paren, korte ketens zeldzaam, tendens tot ovale of staafvormen) en trou-
wens ook cultureel (hemolyse, gepaard gaande met inuline omzetting) is uit het

-ocr page 596-

onderzoek gebleken, dat volgens het systeem van Lancefield verschillende groepen
zijn te onderscheiden, d.vi^.z. De Moor kan aan dit systeem toevoegen R.S en T.
Op één na konden alle 150 stammen in één van deze groepen worden ondergebracht.
Terwijl S speciaal voorkomt bij jonge biggen, werden R. en T. bij iets oudere varkens
geïsoleerd. .Als verschijnselen worden genoemd: bacteriëmie, abortus, meningitis en
artritis. Deze
Streptokokken komen alleen bij varkens voor. Bij stammen uit de mens
en onder ongeveer 2000 stammen uit andere diersoorten dan het varken werden zij
niet aangetroffen.

C. A. van Dorssen.

Exotische dieren, pelsdieren en proefdieren

WORMEN BIJ DE RHESUS-AAP.

B e z u b i k, B. and F u r m a g a, S.: The helminth parasites in Macacus rhesus
.-«Ludeb., from China. Acta Parasitol. Polon., 7, 597, (1959).

In 100 apen werden 10 verschillende ingewandswormen vastgesteld, waaronder
Fasciola hepatica, Cysticercus tenuicollis en de ook bij de mens voorkomende wormen
Bertiella studeri, Oesophagostomum bifurcum, Ternidens deminutus en Trichuris
trichiura.

if ; „ J. Jansen Jr.

MOND- EN KLAUWZEER BIJ DE OLIFANT.

McGaugley, C. A.: Diseases of elephants Part IV Foot- and Mouth disease.
Ceylon Vet. ƒ., 10, 3, (1962).

Mond- en klauwzeervirus is pathogeen voor herkauwers (runderen, schapen, geiten,
buffels, herten, antilopen) en voor varkens.

Ook bij de olifanten is de ziekte sinds 1851 bekend. Gilchart stelde toen reeds
vast, dat deze ziekte dezelfde was als bij het rundvee.

Voor diagnostische doeleinden kan de infectie met blaarinhoud overgebracht worden
op kalveren, biggen, cavia\'s of zuigclingenmuizen. De olifanten bcsinetten zich door
zieke runderen of buffels. Onderling is dc ziekte voor olifanten niet contagicus. De
schrijver vergelijkt dit met mond- en klauwzeer bij cavia\'s.

Klinische verschijnselen zijn: koorts, pijn in dc mond, geen eetlust en kreupel lopen.
Blaren treden op in de mond, terwijl de slurf door blaarvorming ernstig ontstoken
kan raken. Ook zou blaarvorming in de ingewanden optreden. .Aan de poten kunnen
processen voorkomen om de nagels en aan de rand van de voetzool. De gevaarlijkste
complicatie is een secundaire infectie van de voet met pusvorming cn het loslaten
van de voetzool.

C. A. van Dorssen.

PARASITAIRE ZIEKTEN VAN NERTSEN.

Zimmermann, H.: Invasionskrankheiten bei Farmnerzen. Acta Parasitol. Polon.,

7, 539, (1959).

Van 208 gesececrde nertsen werd bij 1,9% een parasitaire infectie als doodsoorzaak
vastgesteld. Dit percentage is veel lager dan vroeger door het gebruik van hoog ge-
plaatste kooien met gaasbodems.

Enige betekenis hebben nog coccidiose (Eimeria sp.) en infecties met de trematoden
Apophallus muehlingi en Tocotrema lingua.

J. Jansen Jr.

Heelkunde

FRACTUREN VAN DE SESAMBEENDEREN.

Wirst ad, H. F.: Fractures of the proximal phalangeal sesamoid bones. Vet. Rec.,
75, 509, (1963).

-ocr page 597-

Fracturen van scsambcendcren hebben dc neiging niet, zoals gebruikelijk, door mid-
del van callusvorming te genezen, hetgeen vermoedelijk zijn oorzaak vindt in de ge-
ringe bloedvoorzicning van deze beenderen.

Bij paarden worden door de schrijver, die hoogleraar in dc heelkunde te Oslo is, het
meest breuken van de sesambeentjes aan de kogel gezien, minder frequent die aan
het straalbeen. Dc functies van deze hulpbcentjes zijn welbekend en zij nemen voor een
ongestcx>rde locomotie een belangrijke plaats in. Dit geldt in het bijzonder voor paar-
den, die op een snelle gang zijn aangewezen en/of als springpaarden worden gebruikt.
Voor de Pathogenese van deze fracturen, die voornamelijk optreden in het proximale
deel van de scsambcendcren, wijst de auteur op de enorme trek- en drukkracht, die
vanuit het kogelbandapparaat, dc buigpezen en het kootgcwricht op de scsambcen-
dcren wordt uitgeoefend. Het horizontale verloop van de bcenbalkjes in het proximale
deel van de scsambcendcren en dc daaraan evenwijdig liggende breukvlakte geven
steun aan de veronderstelling, dat vooral de trekkrachten voor het ontstaan van dit
soort fracturen verantwoordelijk zijn. Daarnaast worden nog enkele predisponerende
factoren geopperd zoals jeugdige leeftijd, gebrek aan training, wanverhouding in de
minerale stofwisseling en algemene zwakte in aansluiting aan andere ziekten.
Gedurende de laatste tien jaren werden 82 fracturen bij 62 patiënten aangetroffen,
waaronder de dravers met 44 stuks het leeuwenaandeel vormden. Het aantal ren-
paarden bedroeg 13 en de rest bestond uit inheemse landbouwpaarden. Bijzonder op-
vallend is ook de splitsing in voor- en achterbenen. Terwijl bij dravers 2/3 van het
aantal fracturen aan een van de achterbenen optrad, waren het bij renpaarden voor-
namelijk de voorbenen.

Het veelvuldig voorkomen van scsambeenfracturen aan de achterbenen van dravers
wordt toegeschreven aan de bijzonder in.spannende bewegingen van deze ledematen.
De klinische verschijnselen zijn bij deze fracturen niet zo evident, dat men de diagnose
rnet zekerheid kan stellen. Meestal is de aanvankelijke kreupelheid binnen enkele
dagen aanmerkelijk verminderd. Een versterkte pulsatie van de digitaalarterie wordt
in tegenstelling tot fracturen aan een van de phalangen niet waargenomen. Het
röntgenonderzoek is beslissend voor de diagnose.

Met dc tot voor kort gebruikelijke conservatieve behandelingsmethoden (cautheri-
satic cn orthopedisch beslag) werd een gcnezingsperccntage van bijna 50% bereikt.
Uit dien hoofde wordt sinds een jaar op grond van gunstige berichten uit Amerika,
Duitsland — (en ook Nederland. Ref.) de operatieve verwijdering van de afge-
broken apex van het sesambeen uitgevoerd. Een definidef oordeel over deze behan-
dlingsmethode durft de schrijver nog niet tc geven.

H. J. Wintzer.

Inwendige ziekfen

LONGASPERGILLOSE BIJ DE MENS.

Ekelmans, G, .A.: Longaspcrgillose. Proefschrift (Faculteit der Geneeskunde),
Utrecht, 1963,

Klinische gegevens maken het waarschijnlijk, dat bij 86% van patiënten met long-
aspcrgillose preëxistente longafwijkingen aanwezig waren, die zowel lokaal als dif-
fuus voorkwamen.

Patiënten met longaspergilloom hadden doorgaans vooraf lokale longafwijkingen, In
de meeste gevallen waren dit afwijkin.gen zoals bronchiëctasic, gereinigde tuberculeuze
caverne, gereinigde abcesholte, bulla bij longemfyseem, bronchuscyste en andere aan-
doeningen waarbij holtevorming optreedt.

Diffuse longaspcrgillose en ook gedisscmineerde aspcrgillose kwamen niet alleen voor
bij patiënten met allerlei ernsdge longziekten, maar ook bij lijders aan cardiale in-
sufficiëntie en algemene ziekten, zoals systeemaandoeningen, bloedziekten, diabetes,
carcinoom e.d., ten gevolge waarvan de patiënten in een slechte toestand waren ge-
raakt.

-ocr page 598-

Evenals bij andere infectieziekten hangt het ziek-worden in geval van longaspergillosc
af van de ontvankelijkheid van de gastheer en van de virulentie van de schimmel.
Wanneer
A. fumigatus, gewoonlijk cen saprofiet, bij de mens niet slechts als toevallige
verontreinigin.g in de luchtwe,gen voorkomt maar als ziekteverwekker optreedt, dan
is de schimmel voor de mens pathogeen geworden, gelukkig echter meestal met een
geringe virulentie.

Het onderzoek heeft aangetoond dat longaspergillosc in de regel vóórkomt bij per-
sonen met tevoren aanwezige longafwijkingen, of met cen verminderde weerstand ten
gevolge van een ernstige ziekte. Hieruit zou kunnen blijken dat bepaalde condities
aanwezig moeten zijn om de groei van
Aspergillus in het lichaam mogelijk tc maken.
Aspergillus fumigatus is dan voor de mens conditioneel pathogeen.
Uit het feit dat
A. fumigatus bij de mens vaker wordt geïsoleerd dan andere Asper-
gilli zou men kunnen concluderen dat juist deze schimmel onder bepaalde condities
pathogeen kan worden voor de mens. Over cen verschil in virulentie van diverse
stammen van
A. fumigatus is in de literatuur niets bekend.

De invloed van antibiotica op het ontstaan van aspcrgillose is wellicht minder groot
als door velen wordt aangenomen. Het materiaal dat gegevens zou kunnen verschaf-
fen over het gebruik van corticostcroïden als predisponerende factor was zeer beperkt,
zodat de schrijver zich hieromtrent .geen mening heeft kunnen vormen.
Evenmin is dit het geval met de behandeling van ernstige systeemziekten, zoals
leukemie met antileukemische middelen, van maligne tumoren en morbus Hodgkin
met cytostatica, waarna leukopenie en agranulocytosc kunnen optreden. De genoemde
behandelingen bij deze ziekten worden in de literatuur vermeld als factoren die
kunnen predisponeren tot het ontstaan van ernstige mycosen zoals aspergillosc (o.a.
Baker, 1962). Dc .gegevens omtrent het beroep van de eigen patiënten en van die
uit de literatuur wijzen er niet op, dat aspergillosc tegenwoordig als beroepsziekte
moet worden beschouwd. Mogelijk was dit wel het geval aan het einde van dc vori.gc
eeuw met de pruikenm.ikers van R c n o n en de duivenmesters van D i c u 1 a f o y.
Dat er bij deze patiënten een frecjuente en intensieve besmetting plaatsvond, is zeker,
maar in hoeverre er bij hen preëxistente ziekten waren, is niet meer na te gaan.

C. A. van Dorssen.

Stofwisselings- en deficiëntieziekten

MELKZIEKTE.

R i e d e r, Dr. L.: Die Gcbarparese - eine Folge von Nebennieren-Rinde-Insuffizienz.
Tierärztl. Umschau, (4), 195, (196.3).

Daar bij cen vierde deel van de melkziekte-patiënten norm de kalkgchalten in hct
bloedserum werden gevonden met daarbij overeenkomende fosforwaarden, acht schrij-
ver dat dc hypocalcemie bij melkziekte secundair optreedt.

Primair wordt melkziekte veroorzaakt door cen verstoring van het hormonale even-
wicht. Herstel van het hormonale evenwicht kan verkregen worden dcx)r inspuiting
van bijnicrschorshormoon.

Bij dieren, waar de therapie met calcium-infusic en uicrinsufflatie faalde, werd herstel
zonder rccidicve verkregen met een hoge dosis bijnierschorshonnoon (Deltacortril).
Ook post partum optredende uieroedemen werden dcxjr deze behandeling gunstig be-
ïnvloed.

Bij koeien, die eerder melkziekte gehad hadden, kon met 50 mg bijnicrschorshormoon
vlak vóór of tijdens de partus melkziekte worden voorkomen.

F. W. J. Swart.

Diergenee.skunclige conferentie over chinchilla\'s.

Op 20 oktober 1962 werd cen Brits veterinair symposium over dc chinchilla gehouden.
65 personen, waaronder veel veterinairen, namen hieraan deel.

Vet. Ree., 74, 1234, (1962).

-ocr page 599-

BOEKBESPREKING

INLEIDING TOT DE MEDISCHE STATISTIEK I.

Deel I: Fundamentele besrippen en technieken, Verdelingsvrije methoden.
H. d e J
O n g.

f2e druk 1963, uitgegeven als nummer XIJ van de Verhandelingen van het Neder-
lands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde te Leiden. XIV, 421 met vele ta-
bellen en grafieken, prijs
ƒ 17,50)

Het is een verheugend verschijnsel, dat vrij korte tijd na het verschijnen van de
eerste druk van dit bock nu reeds een tweede nodig blijkt te zijn, niettegenstaande
het feit, dat dit boek slechts bestemd is voor een betrekkelijk klein taalgebied als
het onze.

Dit bewijst, dat de voor de medische research heden ten dage onontbeerlijke statis-
tische technieken ook hier te lande (terecht!) hoe langer hoe meer ingang vinden.
Na de lovende besprekingen, waarmede de eerste druk allerwege begroet is, is een
woord van aanbeveling welhaast overbodig.

De tweede druk verschilt ondermeer van de eerste door een aanzienlijke uitbreiding
van de algemene beschouwingen over dc gewenste ,gang van zaken bij onderzoekingen
op medisch gebied. Verder is het hoofdstuk over kansrekening herzien en uitgebreid.
Een belangrijke verbetering is voorts, dat de tabellen verzam-ling nu in zijn geheel
als bijla,ge I in deel I is ondergebracht en nu niet meer verdeeld is over decl I en II.
Dit verhoogt de handigheid in het gebruik ten zeerste.
Moge spoedig een derde druk van dit boek nodig zijn!

y, Boogaerdt.

KL.A.UENPFLEGE BEI H.A.USTIEREN.
Prof. Dr, med. vet, habil, H. S c h 1 e i t e r,

(S. Ilirzel Verlag, Leipzig, 2e Aufl. 1963. VIII. 104 pag., 99 afbeeldingen. D.M.
10.80)

In 1953 verscheen tc Leipzig een door dezelfde auteur geschreven boekje getiteld
„Klauenpflege beim Rind", Kort geleden beleefde dit werkje zijn zeer uitgebreide
tweede druk onder de titel „Klauenpflcgc bei Haustieren", 100 pagina\'s, (inclusief
99 duidelijke afbeeldingen) keurig verzorgde, prettig leesbare lectuur over wat dc
„Klauenpfleger" in dc D,D,R. dient tc kunnen en te v«ten om in het raam van zijn
„Arbeitsgemeinschaft" zijn beroep tegen door het Ministerie vastgestelde tarieven
te mogen uitoefenen,

Dc 19c januari 1953 werd namelijk het beroep van klauwverzorgcr, evenals dat van
castreur en schapcnschcerdcr, bij de wet geregeld. De gestelde eisen deden de behoefte
voelen aan een geschrift dat niet uitsluitend het klauwbekappen zou onderwijzen,
maar tevens de entourage zou belichten van een beroep dat in de toekomst van belang
zou worden, en zal worden, (De economische schade als direct gevolg van slecht ver-
zorgde klauwen bij runderen wordt hoog aangeslagen.)

Dus: wat anatomie, wat klauwgcbreken, wat ideologie, wat besmettelijke ziekten met
ontsmettingsvoorschriften, iets over de omgang met dieren, uittreksels uit diverse
verordeningen en wetten. Zeer leerzaam voor een toekomstig klauwverzorgcr; niet
oninteressant voor een dierenarts. Zuiver praktisch. Slechts hier en daar een verkla-
ring van „het ontstaan van", waarbij het geloof een rol moet spelen. Het klauw-
bekappen wordt op verschillende manieren duidelijk gedemonstreerd aan de hand
van goede foto\'s.

De gekozen methoden komen overeen met de exameneisen.

Toch, ondanks de lokale afstemming, een boekje waar veel aanvaardbare dingen in
staan en dat, hier en daar misschien wat theoretisch, de puntjes op de i\'s zet.

-ocr page 600-

Alleen „die genaue Grösse einer Klaue ist von Fall zu Fall verschieden und richtet
sich nach Grösse und Alter des betreffenden Tieres". Met andere woorden, wanneer
is die klauw nu góed besneden, hoeveel moet er precies af. Niet te veel en niet te
weinig! En daarover hoopte ik nu juist een aanwijzing te vinden.

E. Toussaint Raven.

VETERINARY MEDICINE.

D. C. Blood, B.V.Sc, and J. A. Henderson, D.V.M., M.S.

(2nd Ed., London; Baillière, Tindall and Cox, 7 and 8 Henrietta street, 1963, 1200

pag., 90 sh.)

Het boek Veterinary Medicine is een handboek over „Medicine" bij grote huis-
dieren. Wij moeten hierbij bedenken dat het begrip „Medicine" wat ruimer moet
worden gezien dan alleen de inwendige ziekten.

In het boek worden de inwendige ziekten, de parasitaire- en de infectie-ziekten van
de grote huisdieren behandeld. Het is hierdoor een kluif van enorme afmetingen ge-
worden.

Het boek bezit geen enkel plaatje en slechts een beperkt aantal tabellen. Dit maakt
het doorbladeren van het boek weliswaar saai, maar de prijs kon daardoor onge-
twijfeld laag worden gehouden.

Het heeft als handboek het bezwaar, dat het voor de specialist misschien wat te alge-
meen blijft; maar dit is voor de meeste lezers eerder een voordeel dan een nadeel.
Wanneer wij in het inleidende gedeelte over de klinische diagnostiek lezen dat de
betekenis van het „Alarm reaction - adaptation syndrome" van de diergeneeskunde
momenteel nog onbekend is, dan beseffen wij met schrijvers te doen te hebben die
met beide benen op de grond staan.

Op de eerste 340 pagina\'s worden de orgaanziekten behandeld. De wijze van be-
handeling is beknopt en sober maar beslist goed. Dat de therapieën wel eens wat af-
wijken van de onze is een bewijs dat er meer wegen naar Rome leiden.
Het feit dat na de behandeling van iedere ziekte een korte recente literatuurverwijzing
is opgenomen, maakt een nadere bestudering van een bepaald onderwerp gemak-
kelijk.

Na de orgaanziekten worden cr 250 pagina\'-, .gewijd aan de bacteriële ziekten en daar-
na 2 hoofdstukken aan de virusziekten. Ook hier is de behandeling goed.
Op de virusziekten volgen de ziekten veroorzaakt door de Rick.\'tsia\'s, de schimmels en
dc protozoën.

Zeer uitgebreid worden de parasitaire ziekten behandeld. Na deze ziekten volgt cen
hoofdstuk over de stofwisselingsstoornissen, een hoofdstuk over de deficiëntieziekten,
daarna de vergiftigingen enz.

Zonder voorbehoud kan gezegd worden dat wij hier een buitengewoon goed hand-
boek hebben, dat zeker voor de Nederlandse dierenarts en ook voor de student in de
diergeneeskunde van grote betekenis kan zijn.
Gaarne bevelen wij het van harte aan.

G. IVagenaar.

BANDEN VOOR HET
TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE 1962

Verkrijgbaar bij het secretariaat ä ƒ 4,50 per stel.

-ocr page 601-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.

Resoluties XVIIe Wereld Diergeneeskundig Congres, Hannover, 1963.

Thans moge een opgave volgen van de 10 resoluties, welke op het bovengenoemde
congres werden aangenomen.

I.

"The XVH th World Veterinary Congress, meeting in Plenary Session, has received
the special report on the progress of
establishing international standards for biological
products,
with special reference to the recent activities of WHO F.AO OIE
and LA.M.S. \' • ••

Considerable progress has been made since the previous report to the XVIthe Con-
gress, but further developments are necessary, especially in those fields relating to
public health.

It is therefore resolved, that the W.H.O. Expert Comm.ittee on Biological Standardi-
zation be commended for the excellent work so far achieved, and that it continues
this important activity which is essential to world animal and public health. It further
commends the outstanding support of F..A..O,, O.I.E. and LA.M.S. and all labora-
tories and individuals, which have made this progress possible.

It is agreed that work should be continued in the development of international stan-
dards for the sera and vaccines listed at the XVIth Congress. It is also agreed that
diagnostic sera and standard strains should be prepared for those diseases common
to man and animals."

II.

"The XVIlth World Veterinary Congress calls attention to the important contribu-
tions to a
better understanding and solution of major problems of human health
obtained from studies in comparative medicine, notably in the fields of cancer,
cardio-vascular and other chronic degenerative diseases, and viral agents. It com-
tnends the international collaborative efforts on these problems undertaken by
F.A.O., I.A.M.S., O.I.E. and W.H.O., and urges continued and expanded efforts in
such work."

III.

"The XVH th World Veterinary Congress recognizes the increasing importance of
human and animal leukemias
and reconmiends that all national and international
agencies concerned with human and animal health intensify research in this field."

IV.

"As Cysticercus bovis (inermis) infection in cattle and Taenia saginata infection in
man constitute a serious health and economic problem, the XVIIth World Veterinary
Congress requests W.H.O. and F.A.O. te devote special attention to the problem and
to work for:

1. The improvement of hygienic conditions in developing countries to break the
cycle of infection from animals to man and from man to animals, and that both
educational and economic assistance be provided for the control of this parasite,
and

2. (in the more developed countries)

(a) The standardization of methods of examination of cattle for this parasite,

(b) Encouragement of the adoption of regulations that will prevent meat affected
with either dead or living cysts being used for human consumption without
previous treatment,

(c) Since presently used methods arc inadequate, encouragement of those with
responsibility for sewage disposal to require the use of methods known to be
adequate for the destruction of the eggs of
Taenia saginata. Agricultural use
of sewage should be limited to properly treated sewage, and

(d) Encouragement of further research in the entire cysticercosis problem."

-ocr page 602-

"The XVIIth World Veterinary Congress recommends that veterinarians should
place increased emphasis on the study of animal nutrition."

VI.

"The XVIIth World Veterinary Congress, recognizing the usefulness and importance
of the work accomplished by the O.I.E., recommends that all countries, and inter-
national organizations increase their support of O.I.E., in order to allow it better to
fulfill the great task with which it is charged."

VII.

"Giving consideration to numerous facts presented by speakers during the XVIIth
World Veterinary Congress, the Section on Professional Interest and Veterinary
Education recommends that at the next World Veterinary Congress attention should
be given to the problem of post-graduate study for practising veterinarians."

VIII.

"A special section dealing with the physiology and pathology of reproduction of
domestic animals seems ab.solutely necessary for the future World Veterinary Con-
gresses."

IX.

"The XVIIth World Veterinary Congress, taking note of the present invasion of
the Near East Region and Turkey by a Southern ,A.frican Territories type of Foot-
and-Mouth Disease, and also of the Panzootics of .African Horse .Sickness and African
Swine Fever, stresses the continued threat of the spread of these and other higlily
infectious diseases to regions not here-to-fore infected.

The Congress urges continual vigilance against such diseases and the application
in each country of all possible precautions and sanitary measures.
Further the Congress, realizing the need for emergency action on an international
basis to ijrevent dissemination, urges that international organizations such as the
International Office of Epizootics, F.A.O, and W.H.O. should establish a fund to
permit immediate action to deal with such emergencies."

X.

„The World Veterinary ,\\ssociation recognises the importance of the Pan American
Veterinary Congresses and gives its moral support and encouragement to these im-
portant events."

DE BESTRIJDING VAN TRILZIEKTE BIJ PLUIMVEE.

(3e mededeling van de Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee aan fokkers,

vermeerderaars en kuikenbroeders)

Uitbreiding van het ei-onderzoek tot de legrassen.

Sedert eind vorig jaar cen entstof tegen trilziekte in ons land beschikbaar kwam, is
hiervan vooral bij de slachtkuikenmoederdieren op de fok- en vermecrderingsbcdrijven
op grote schaal gebruik gemaakt. De bereikte resultaten zijn bijzonder gunstig, zodat
thans zonder meer kan worden aanbevolen dc enting
ook bij de legrassen toe te
passen.

Vooral nu het broedseizoen voor de legrassen weer begint te naderen, is het de hoog-
ste tijd hierop nog eens met nadruk tc wijzen. \\\'oor de meeste bedrijven is
thans —
nu er niet van gebroed wordt — nog gele.genheid zonder verlies van broedeieren de
de legrassen te enten.

Stel u hiervoor dus zo spoedig mogelijk met uw dierenarts in verbinding om cen af-
spraak te maken. Zoals bekend behoeft per koppel slechts 4 a 5% van het aantal
dieren te worden geënt. Zorg dat u in het bezit komt van een schriftelijke verklaring
van uw dierenarts, dat hij uw kippen heeft geënt, want daarmee beschermt u zich
tegen eventuele schade-aanspraken wanneer zich nog ooit irilziekte zou voordoen

-ocr page 603-

onder de kuikens bij uw afnemers! Bovendien is te verwachten, dat de afnemers
binnenkort uitsluitend kuikens verlangen van tegen trilziekte geënte en dus be-
schermde moederdieren.

Voor dic bedrijven, welke al van niet geënte koppels broedeieren afleveren, heeft de
Gezondheidsdienst voor Pluimvee nu
ook voor de legrassen de mogelijkheid van een
broedei-onderzoek geopend,
evenals voor de slachtrassen. Met behulp van dit onder-
zoek wordt nagegaan of dc hennen de ziekte reeds hebben doorgemaakt en dus al
ongevoelig zijn, of nog niet en dan alsnog moeten worden geënt \\a de enting dient
echter 4 weken te worden gewacht met het gebruiken van de broedeieren.
Dc laatste maanden ontvangen wij herhaaldelijk broedeieren rechtstreeks van de
fok- of vermeerderingsbcdrijven voor het onderzoek op trilziekte. Ik verzoek u echter
drin.gend dit niet meer te willen doen, aangezien hierdoor onze „planning" van het
onderzoek in de war dreigt te lopen en bovendien vele eieren kapot aankomen. Geeft
u zich dus alleen even schriftelijk bij ons op, dan wordt ervoor gezorgd dat de inspec-
teur van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren per koppel of leeftijdsgroep 25
broedeieren bij u komt halen. Hij zorgt tevens voor het vervoer naar Soesterbcrg!
Rechtstreeks door de pluimveehouders toegezonden eieren zullen niet kunnen worden
onderzocht.

Tenslotte raad ik degenen aan, die zich hebben aangemeld voor ons waarschuwings-
systeem voor toe te passen entingen, bij iedere eventuele inzending van zieke of ge-
storven dieren voor onderzoek steeds nadrukkelijk te vermelden, dat zij reeds aan dit
systeem deelnemen.

Zorgt ervoor, dat alle entingen vóór het broedseizoen zijn afgewerkt dan hebt u ge-
daan wat mogelijk is, wat zowel uzelf als uw afnemers ten goede zal komen!

STA.ART- EN MANENJEUK.
(Paardengezondheidskalender oktober 1963)

Vooral in het oosten van ons land komt bij paarden \'s zomers in de weide meermalen
cen chronische aandoening voor van de staart, schoft, oren en manenkam, welke elk
jaar terugkeert Deze huidaandoening gaat gepaard met jeuk, veel schuren en haar-
uitval.

Aan de manen ziet men, behalve haaruitval, ook wel kluwens van kriskras door elkaar
gestrengelde haren. De huid is eerst met schilfers bedekt, doch als gevolg van het
schuren ontstaan wel verwondingen en etterige ontstekingen. Waar de dieren in de
weide geen bomen of palen vinden om tegen te schuren, .gaan ze veel wentelen. De
jeuk kan zo erg zijn, dat de paarden ongeschikt worden voor het werk. Bij hoge tem-
peraturen en vooral tijdens het zweten is de jeuk het ergste.

De oorzaak is waarschijnlijk tc zoeken in overgevoeligheid voor stoffen die bij een in-
sectensteek in het lichaam komen. In Australië wordt de .Ucck van de zandvlieg
Culicoides robertsi voor het optreden van de ziekte verantwoordelijk gesteld. Het is
nog niet bekend of en welk insect in Nederland daarvoor verantwoordelijk moet wor-
den gesteld.

Sommige paarden zijn veel gevoeliger dan andere. Op hetzelfde bedrijf kunnen dieren
voorkomen waar\\-an één wel gevoelig is en andere niet. Volwassen paarden zijn ge-
voeliger dan jonge paarden.

In de Scandinavische landen vond men bij aangetaste dieren met soortgelijke ziekte-
verschijnselen een gestoorde darmflora en een afwijkende pH in de darm. De toe-
name van bacteriën, die B-vitaminen gebruiken of afbreken, zou misschien kunnen
wijzen op een gebrek aan B-vitaminen, als oorzaak van de ziekteverschijnselen. Men
zag cen daling van het aantal colibacteriën en meende door het toedienen van een
cultuur van colibacteriën goede resultaten te zien.

Aan bijvoeding van koolhydraatrijke stoffen, b.v. melasse, wordt grote waarde ge-
hecht. Men vermoedt daar, dat een hoog gehalte aan eiwit in het voedsel de ziekte
nadelig kan beïnvloeden. Onderzoekingen, die in het oosten van het land door
„De Schothorst" in samenwerking met andere instanties zijn verricht, wijzen er op, dat
de ziekte hier niet geheel overeenkomt met die welke men in Scandinavië ziet: o.a.

-ocr page 604-

wordt in de darm een geheel andere pH gevonden. Een duidelijk verband met bodem
en gewas kon niet worden vastgesteld. Het vermoeden werd reeds uitgesproken, dat
overgevoeligheid voor bepaalde stoffen een rol zou kunnen ;r)elen.
De jeuk verdwijnt als het weer kouder wordt en ook bij voortdurend verblijf op stal.
Enkele dieren genezen ogenschijnlijk in de weide, wanneer paardenmcel (2 kg) plus
2 ons gedroogde gist of een vitamine B-preparaat per dag wordt verstrekt. Bij andere
geeft deze bijvoeding onvoldoende of geen resultaat. Verstrekken van bieten enJof
keukenzout had geen resultaat.

Het zal uit het voorgaande duidelijk zijn, dat ook door het gebruik van zalven, oliën
en strooipoeders de oorzaken van het ziekteproces niet kunnen worden weggenomen,
tenzij zc de insckten op een afstand weten te houden, door een bijzondere reuk en
geur. Wel kunnen soms de bijkomende verschijnselen worden verzacht.
Op grond van ervaringen, in .Australië opgedaan, kan men aldaar de ziekte voor-
kómen door de paarden op te sluiten in een afgeschermde ruimte vanaf 4.30 uur na-
middag tot 7 uur voormiddag. Dc genoemde insckten steken n.l. vooral in de late
namiddag en in de eerste uren van de nacht. Kort na het aanbreken van de dag
verdwijnen ze voorlopig en kan men de paarden laten weiden tot 4.30 uur n.m.
Behandeling vindt daar plaats door bestuiving van het paard met insektendodende
middelen. Een behandeling geeft beschutting voor één weck.

Door een wekelijkse bestuiving verdwijnt het lijden binnen 4 weken. Bij regenval en
ook bij kortharige dieren wordt een iets meer geconcentreerde oplossing genomen.
Voor zeer waardevolle dieren zou men bij de overgevoeligheidsverschijnselen ook een
behandeling kunnen toepassen met andhistamine- en hormoonpreparaten, zoals bij
dc mens gebruikelijk is.

Het verdient alleszins aanbeveling de ervaring in Australië opgedaan, ook in Neder-
land eens te testen en de behandeling van aangetaste dieren dienovereenkomstig te
behandelen met insecticiden.

In een volgende kalender zal deze artikelenreeks worden vervolgd met het onder-
werp: „Anaphylaxie en .Allergie".

VIIITH MEETING OF THE EUROPEAN MEAT RESEARCH WORKERS III1)

24, S o 1 o v y e v, V. I. (All Union Meat Research Institute; Moscou, U.S.S.R.):
To the problem of the chemism of processes, stipulating the improvement of the
consistency of meat at ripening and treatment with proteolytic enzymes.
Door rijping en door de werking van proteolytische enzymen neemt de malsheid van
vlees toe. De malsheid is o.a. van de volgende bestanddelen afhankelijk: collageen
(door koken malser), elastine (koken heeft geen invloed) en de structuureiwitten
(door koken minder mals). Door de dissociatie van het actomyosine neemt de mals-
heid toe; er zijn echter nog andere oorzaken van het mals worden, nl. door de rijping
en de proteolytische enzymactiviteit.

1. Veranderingen in malsheid en de waterbinding.

Na het slachten nemen malsheid en waterbinding eerst af; na 2 dagen bij 10° C
wordt een minimum bereikt, daarna nemen beide weer toe. Enzymbehandeling
heeft een soortgelijk effect.

2. Eindstandige N-groepen van een myosinefractie.

Door rijping neemt het gehalte aan vrije aminozuren toe, waardoor de smaak
verandert. Met een chemische onderzoekmethode bleek dat bij de rijping steeds
dezelfde soort nieuwe eindgroepen ontstonden. Zowel bij de rijping als bij de
behandeling met enzymen worden dus de eiwitketens doorbroken. Hierdoor ver-
andert de structuur van myosine. Microscopisch kan deze desintegratie worden
waargenomen.

3. Verandering van de bindweefselcomponenten.

De invloed van enzymen en van de rijping op verschillende bindweefselfracties

1  Het le en 2e decl van dit verslag treft men aan op resp. pag. 1244 (aflevering 19)
en 1316 (aflevering 20) van deze jaargang van dit tijdschrift.

-ocr page 605-

werd bestudeerd. Hierbij bleek dat de oplosbaarheid i n alkali nauwelijks toenam.
De oplosbaarheid bij 120° C nam echter belangrijk toe. Hieruit volgt dat de
structuur zodanig gewijzigd werd, dat verdere afbraak door hoge temperaturen
mogelijk werd.

De beste resultaten door enzymbehandeling zullen verkregen worden door een
combinatie, waarbij zowel het actomyosine als het bindweefsel in voldoende mate
wordt afgebroken,

25. Barnet t, H, W,, Witty, R. en Rubin, L, J, (Research Laboratories,
Canada Packers Limited; Toronto, Canada): The preparation of meat spreads
by enzymatic digestion.

Vleespasta\'s worden normaal vervaardigd door voorkoken van de grondstoffen, ver-
kleinen en inblikken. De consistentie van het eindprodukt hangt sterk af van de \'voor-
behandeling, nl. de mate van eiwitdenaturering tijdens het voorkoken.
Door 0,1% papaine te gebruiken kon zonder voorkoken een beter eindprodukt wor-
den verkregen voor wat betreft de consistentie. De consistentie was voornamelijk af-
hankelijk van de enzymconcentratie en nauwelijks van de tijdsuur of de temperatuur
van de behandeling.

Gelijktijdig met de betere consistentie ontwikkelde zich echter een bittere afwijkende
smaak. Deze werd veroorzaakt door de inwerking van het papaine op de eiwitten.
Trypsine en chymotr>psine gaven eveneens een goede consistentie doch geen afwij-
kende smaak; deze enzymen zijn echter te duur.

26. P e z a c k i, W., S z o s t a k, D., C h m i e 1 e w s k i, J. en W a s i k, A. (Chair
of Meat Technology-Agricultural College; Poznan, Polen): The influence of
prefreezing of meat on the quality of fermented sausages.

In ontdooid vlees verlopen de processen, o.a. de Proteolyse, sneller dan in vers vlees,
aangezien door het vriezen de structuur gewijzigd is.

Nagegaan is of voor-vriezen van de grondstoffen voor droge worst zin had en zo ja,
bij welke temperaturen. Onderzocht werden drie charges, waarbij de grondstoffen
24 uur bij 0/4° C, —3° C en —24° C werden bewaard To). De rijping vond plaats
bij 10/14° G, 75/85% vochtigheid gedurende 40 dagen. Gedurende deze periode
werden regelmatig monsters onderzocht.

De kleur vertoonde de grootste verschillen, To = — 3° C is de beste kleur, To =
— 24° C de slechtste. De kleurstabilitcit was het beste bij Tn = 0/4° C en het
slechtste bij^To = — 24° C. Bij To = - 3° C had de kern dc beste kleur, bij
To = —24° C de buitenzijde. De oorzaak hier\\an wordt besproken; deze is nog
niet duidelijk.

Hoe lager de opslagtempcratuur van de grondstoffen (To), des tc groter de enzym-
activiteit tijdens de rijping van de worst: dit blijkt o.a. uit een grotere omzetting
van saccharose en aan toename van dc buffercapaciteit van het waterig extract.
Dc gewichtsverliezen tijdens opslag namen toe bij lagere temperatuur (To), veroor-
zaak door geringere waterbinding; dit is zeer ongewenst.

Bij organoleptisch onderzoek gaf To = 0/4° C en To = —3° C geen verschil te
zien. Een .grondstoftemperatuur van To = — 24° C gaf een duidelijk mindere smaak,
geur en kleur.

Geconcludeerd werd, dat 24 uur invriezen van de grondstoffen bij —24° C nadelig
was, tussen 24 uur invriezen bij — 3° C en 24 bewaren bij 0/4° C bestond geen ver-
schil, zij het dat in het laatste geval een betere houdbaarheid bereikt werd.
De tabellen en grafieken waarnaar in de tekst wordt verwezen zijn niet in de publi-
katie opgenomen.

27. K r a s i k O V a, V. L, M a r u s h k i n a, V. L, L u d a n o V a, N. V. (AU Union
Research Institute of Meat Industry: Moskou, U.S.S.R.): The effect of anti-
bacterial substances on beef microflora.

De werking van uit spierweefsel en andere organen geïsoleerde antimicrobe stoffen
werd ngaegaan m.b.v. de zgn. „cup-methode".

-ocr page 606-

Dc diameter van de heldere hof rond de cup is cen maatstaf voor de antimicrobc
werking.

Een diameter van 15-20 mm wijst op de aanwezigheid van een gevoelig organisme,
terwijl een diameter kleiner dan 15 mm weinig gevoelig organismen aanduidt.
Voor het bereiden van deze test-vloeistof werd steeds vers materiaal gebruikt.
Op de karkassen komen veel kokken voor, dit zijn hoofdzakelijk stafylokokken en ba-
cillen en daarnaast slijmvormende bacteriën, zoals
achromobacter- en pseudomonas
soorten.

De stafylokokken schijnen gevoeliger te zijn voor antimicrobe stoffen uit vlees dan
de gram-negatieve staafjes.

Er werd een proef gedaan met kleine stukjes vlees, die bespoten werden met de
extractie-vloeistof.

D bewaartijd werd door het bespuiten 1-7 dagen verlengd bij een temperatuur van
2/4° C en relaueve vochtigheid 85/90%.

28. Moerman, P. C. (Stichting Proefstation voor het Slagersbedrijf; Utrecht
Nederland) : A comparative investigation of the counting of bacteria in minced
meat by three institutes.

In het kader van een onderzoek over de invloed van Na. sulfiet op de microflora van
rauw .gehakt, werd nage.gaan in hoeverre het mogelijk was om op drie instituten
overeenstemmende resultaten te verkrijgen.

Na een beschrijving van de methodiek volgt een overzicht van het onderzoek.
Bij de telling uit bacteriesuspensics werden geen moeilijkheden ondervonden. Zowel
verschillende methodieken als verschillende media gaven op de drie instituten goed
overeenstemmende uitkomsten.

Ook bij de telling van het aantal toegevoegde salmonella- en co/i-bactcriën in ascp-
tisch bereid gehakt werden goed overeenstemmende resultaten verkregen.
Bij de telling van het aantal toegevoegde
salmonella- en co/t-bacteriën in rauw
handelsgchakt werd in het begin geen goede overeenstemming verkregen. Pas nadat
alle bij de tcllin.gen behorende werkzaamheden in één vertrek hadden plaatsgevonden,
waardoor kleine mcthodiekverschillen konden worden opgeheven en tenslotte ook
dezelfde voedingsbodem werd gebruikt, werden meer goed overeenstemmende resul-
taten verkregen.

Dc noodzaak van het gebruik van precies dezelfde methoden bij dit soort onder-
zoeken wordt onderstreept.

29. Kar an-D j u r d j i c, S., T a d i c, Z. en T a d i c, R. (Yugoslav Institute of
Meat Technology; Belgrado, Yugoslavia) : .An examination of the action of
low temperatures on the selected strains of micro-organisms in meat and sub-
strata on the meat basis.

Van een aantal bacteriën werden de groeimogelijkheden nagegaan bij lage tempe-
raturen in diverse media.

Naarmate de temperaturen daalden vanaf -1- 12° C, kwam een duidelijk onderscheid
naar voren. Microkokken en streptokokken groeien nog vrij goed bij 6° C, bacilli niet
meer. Bij lage temperaturen schijnt vleessap een beschermende invloed uit te oefenen.
De indruk bestaat dat streptokokken het minst gevoelig zijn voor lage temperaturen.
Bij zeer lage temperaturen (—30° C) vindt een geringere afsterving plaats dan bij
(—15° C), terwijl vleessap en vet ook dan een beschermend effect uitoefenen.
Tenslotte werd aangetoond dat herhaald invriezen en ontdooien vooral voor kokken
een schadelijke invloed op de overleving uitoefent; voor bacilli is die invloed ge-
ringer.

30. Iskandaryan, A. K. (.All Union Meat Research Institute, Moscou,
U.S.S.R.) : Studies on the mechanism of formation of cured meats green pig-
ments.

Verstoring van de normale roserode kleur van gepekelde vleeswaren houdt voor-
namelijk verband met de elektrochemische toestand van de ijzer-ionen der haem-

-ocr page 607-

pigmenten. Afhankelijk van de verhouding der hoeveelheden ferro- en ferriionen dezer
pigmenten treedt grijze, groene of bruine verkleuring op.

Schrijver geeft een calorimetrische methode voor de bepaling van de ferro- en ferri-
ionenconcentratie van haempigmentoplossing, berustend op de vorming van ferri-
rhodanide.

Met behulp van hemoglobineoplossingen (als model) wordt vastgesteld dat hydro-
xylamine (tussenprodukt van de nitraat- en nitrietreductie bij het pekelen) in zwak
zuur milieu bij afwezigheid van atmosferische zuurstof de ferri-vorm der pigmenten
tot ferro reduceert (en wel kwantitatief bij pH 5,2), waarbij dan een grijze kleur
ontstaat.

Door atmosferische zuurstof, opgelost in de pekels, wordt ca. 86% der haempigmenten
tot de ferri-vorm geoxideerd onder bruinkleuring. Een overmaat hydroxylamine remt
deze oxidatie sterk en dit resulteert in een groenverkleuring, waarin zich slechts ca.
6% van het ijzer in de ferritoestand bevindt.

31. Lö r i n c z, F. en I n cz e, K. (Hungarian Meat Research Institute; Budapest,
Hongarije) : Data concerning the differentiation of the microflora of canned
hams.

Bij cen vergelijkend onderzoek over aard en aantal microörganismen, voorkomend in
15 hammen, die eenzelfde warmtebehandeling hadden ondergaan, kon geen verband
gevonden worden tussen de microörganismen, die in de verschillende hammen op 9
vergelijkbare plaatsen aanwezig waren.

Het hoogste aëroob kiemgetal was ca. 93 per gram, het hoogst anaëroob kiemgetal
was 1000 per gram. Vele monsters bleken steriel te zijn. Diverse .groepen van orga-
nismen werden aangetroffen, waarbij .speciale aandacht geschonken werd aan het
voorkomen van en het onderscheid tussen enterokokken
(Streptococcus faecalis) en
aerokokken
(Aerococcus viridans).

Aangezien de eerste veelal beschouwd worden als indicator organismen voor faecale
contaminatie, is een duidelijk onderscheid tussen beide groepen gewenst.
Het bleek echter, dat vele morfologische en biochemische iegenschappen van beide
groepen van organismen veel overeenkomst met elkaar vertoonden. Toch bleek het
mogelijk te zijn een differentiatie toe te passen gebaseerd op ketenvorming, hydrolyse
van arginine en groei bij lage pH-waarden.

32. T a k a c s, J. en M é h e s, G. (Central Laboratory of Veterinary Meat Control
Service; Budapest, Hongarije): Hygienical and microbiological qualification
method of in casing stuffed sausages.

De vleesindustrie in Hongarije is tien jaren geleden overgegaan tot massaproduktie,
gebaseerd op voorschriften en standaardisatie wat betreft de bereiding en de ver-
werkingstechnologie, terwijl voor verschillende vleeswaren normen werden gegeven
t.a.v. de samenstelling, bewaartemperatuur, garantieperiode, e.d.
De kwaliteitsbeoordeling — in deze voordracht beschreven — omvat organoleptisch-,
chemisch-analytisch- en microbiologisch onderzoek. Het organoleptisch onderzoek
geschiedt met behulp van een puntenwaardering der verschillende eigenschappen.
Het bacteriologisch onderzoek omvat bepaling van het totaal kiemgetal van de coli-
aerogenes en van protcolyten. De bepaling van het kiemgetal geschiedt middels de
Koch\'se plaatmethode; gedurende twee dagen wordt bebroed bij 32° C, daarbij zou-
den arobe, facultatief anaerobe, mesofiele en psychrofiele kiemen geteld kunnen wor-
den. De protcolyten worden geteld op basis van hun vermogen gelatine te vervloeien.
De monsters mogen geen pathogene, toxicogcne en enterogene kiemen bevatten, ter-
wijl niet meer dan 100.000 kiemen per gram materiaal mogen vcwrkomen.
Was het kiemgetal lager dan 5000, dan werden slechts sporevormende aerobe sapro-
fyten gekweekt; bij hesere kiemgetallen verschenen ook microkokken en lacto-
bacillen; bij kiemgetallen hoger dan 100.000 vond men ook
Streptokokken en entero-
kokken.

Voor rauwe worsten worden de volgende karakteristieken aangegeven: pH 5,8-6,0,
watergehalte 25-28%, zoutgehalte 3,5%.

-ocr page 608-

33. Rubinstein, Yu., I , O r 1 o v a, V., K u c k e 1, Yu. P., A c k i n e h e v a,
M. Ya. en K e r b e r, K. V. (The Institute of Nutrition of the Academy of Me-
dical Sciences, U.S.S.R.) : Hygienic evaluation of meat treated with antibiotics
(Chlortetracycline and nistatine) to prolong its storage time.

Vices werd behandeld met een spray, bevattende 100 mg chloortetracycline (CTC)
of 200 mg nistatine per liter.

De organoleptische eigenschappen van het vlees werden hierdoor niet nadelig be-
ïnvloed.

Vier groepen honden werden betrokken in een proef, waarbij het voederrantsoen resp.
bevatte:

1. met CTC-spray behandeld vlees, daarna gekookt in CTC bevattend water. Het
vlees bleek in de meeste gevallen geen CTC meer te bevatten!

2. met CTC- en nistatine-spray behandeld vlees, daarna gekookt in CTC en nista-
tine bevattend water. Ook dit vlees bevatte geen antibiotica meer;

3. onbehandeld vlees, met suppletie van de antibiotica als zodanig;

4. onbehandeld vlees.

De honden werden onderzocht vóór de proef, viermaal tijdens de proef, die een jaar
duurde; daarna werden de dieren gedood en de hersenen, spieren en organen onder-
zocht op antibiotica.

Geen significante verschillen tussen de groepen 1, 2 en 4 konden worden aangetoond
t.a.v.: bloedcelbeeld, bloedsuikergehalte, bloedperoxydase- en choline-esterase acti-
viteit, bloedserumeiwitgehalte, levervct-glycogeen en -lipoidgehalte, kwalitatieve en
kwantitatieve faeces-bacterieflora.

Na de dood konden geen antibiotica in de organen worden aangetoond.

34. Bogoroditskaya, V. P. en M o i s e e n k o, V. Sh. (U.S.S.R.): Methods
for determination of residual Chlortetracycline and nistatine in meat muscle

tissue.

Met behulp van een niet nader beschreven agar-diffusiemethode werden een aantal
proeven uitgevoerd, waarin resten van chloortetracycline en nistatine in vlees werden
aangetoond.

Hiertoe werden vleesextracten gemaakt met behulp van resp. een zoutzure citraat-
buffer en fosfaat-buffer. Van het filtraat werd 0,1 ml in ponsgaatjes in de voedings-
bodem gebracht. .Ms testkiemen werden gebruikt bepaalde typen van
B. subtilis en
B. cereus voor tetracycline en van Candida-soorten voor nistatine. Tot 0,1 y tetra-
cycline en 40-60 y nistatine per gram vlees konden nog worden aangetoond.
Bij stukken vlees, behandeld met de in de handel gebruikelijke antibiotica-spray, kon
geen nistatine en slechts in de oppervlakkige laag chloortetracycline aangetoond
worden. Nistatine bleek onder invloed van licht afgebroken te worden.

35. W a r n o e, K. (Danish Meat Research Institute, Denmark): Methods for re-
ducing the numbers of bacteria on meat intended for canning.

De conservenindustrie vermijdt hoe langer hoc meer het gebruik van vleespreserven.
Veel meer belang gaat men hechten aan de hygiëne in de fabriek, haar inventaris en
vooral ook aan een goede conditie en behandeling van het uitgangsmateriaal.
Voor het reinigen en desinfecteren van dc fabriek en de machines e.d. worden be-
paalde methoden aanbevolen, uit te voeren door speciale reinigingsploegen.
Wil men het oppervlaktekiemgetal van hammen reduceren, dan kan dat zeer wel
door zc 10 seconden te dompelen in een oplossing, die 20% NaCl en 0,2% NaNOa
bevat en die een temperatuur heeft van ongeveer 102° C.

Het bactcriegehalte van spuitpekcl kan men heel goed reduceren door deze pekel te
bestralen met U.V. licht in een speciaal voor dit doel ontworpen apparaat.
Ook bij de worstfabricage dienen de uitgangsprodukten, speciaal de kruiden, zo kiem-
arm mogelijk te zijn.

Strenge individuele hygiëne is vereist bij het bewerken van de rauwe produkten;
Salmonella- en stafylokokkendragers moeten daarbij geweerd worden. Voor desinfectie

-ocr page 609-

van de handen wordt een „aantrekkehjke" lotion aanbevolen, welke quaternaire am-
moniumverbindingen houdend is.

36. Krudy, E. S. (Research Laboratories J. Sainsbury Ltd.; London, Engeland):
Some observations on the incidences of
Salmonella in pig carcasses.

Bij de bestrijding van de salmonellosis moet vooral aandacht worden geschonken aan
de
Salmonella-dragers onder mens en dier, voorts ook aan zieke dieren. Vooral bij
varkens komen veel dragers voor. Teneinde een indruk te krijgen van het voorkomen
van salmonellosis bij varkens werd een uitgebreid onderzoek uitgevoerd in een slacht-
huis met bijbehorende stallen. In de periode van april 1959 tot mei 1962 werden van
in totaal 1049 varkens 1550 faeces-monsters onderzocht; voorts 500 „swabs" van de
huid in de flankstreck en 2617 lymfklieren. Het materiaal werd gebracht in 10 ml
seleniet- of tetrathionaatvloeistof, 48 uur bebroed bij 37° C, waarna werd uitge-
streken op bismuth-sulfiet en desoxycholaat citraat agar en nogmaals 24-48 uur bij
37° C bebroed. Slechts negen maal konden
Salmonellae worden gekweekt, uit de
faeces.

Schrijver meent dat de slachtdieren een minder groot gevaar betekenen voor de mens
dan de menselijke dragers en de gewijzigde eetgewoonten. Overigens dient natuurlijk
alle aandacht te worden geschonken aan de hygiëne in het slachthuis, de stallen en
de vervoersmiddelen. Zo spoedig mogelijk na het afvoeren van de mestbedrijven die-
nen de varkens te worden geslacht.

37. E s e r, H. en N i i n i v a a r a, F. P. (Institute for Meattechnology, University
Helsinki, Finland) : On aroma of dry sausage.

Sedert enige jaren tracht men o.a. door gebruik tc maken van bacterieculturcs, de
bereiding van droge worstsoorten te versnellen. Eén der criteria voor een goed eind-
produkt is het aroma van de worst. Bekend is dat hierop bacterie-enzymen een invloed
uitoefenen. Welke stoffen van het grootste belang zijn voor het aroma van deze pro-
dukten is niet bekend. Genoemde onderzoekers hebben nagegaan welke carbonyl-
verbindingen in het produkt aanwezig zijn. Door gaschromatografisch onderzoek
werd de aanwezigheid van een groot aantal aldehyden en ketonen vastgesteld. Daar-
naast werden esters van lagere en hogere vetzuren aangetroffen. Men was zich ervan
bewust, dat genoemde verbindingen slechts een gedeelte zullen zijn van het complex
van stoffen, die tezamen het aroma vormen.

38. K r y 1 O V a, N. N., B a z a r o v a, K. I. en K u z n e t s o v a, V. V. (All-Union
Research Institute of Meat Industry; Moscou, U.S.S.R.): Interaction of smoke
components with meat constituents.

Met behulp van modelproeven werd de werking nagegaan van rook of rookbestand-
delen op aminozuur- en sulfhydrylgroepen van vices.

Van dc rookbestanddelen waren de fenolen het meest actief. Ze reageerden voor-
namelijk met de sulfhydrylgroepen, echter ook wel met de aminozuurgroepen in het
vlees.

De fenolen met hoger kookpunt reageerden sterker met de SH groepen dan die met
lagere.

De neutrale rookfracties (voornamelijk carbonylvcrbindingen) reageerden nauwelijks,
wat misschien te wijten was aan de lage reactietemperatuur van 20° G. Bij hesere
temperaturen zijn Maillard reacties mogelijk.

De zure fractie verlaagt het aminozuurgehalte iets en ook de basische fractie het
sulfhydrylgroepengehalte.

39. L a p s h i n, I. I. (Moscow Institute of National Economy named after Plekha-
nov; Moscou, U.S.S.R.): Liquid smoke used for processing food products.

Een afvalprodukt van de houtindustrie „sour water", heeft men bij 125-130° C in-
gedampt tot een s.g. van ± 1,3; het eindprodukt bevat nog 16 tot 24% water. Als dit
produkt 7 tot 10 maal met water wordt verdund, lost een gedeelte niet meer op.
Deze onoplosbare bestanddelen absorberen 3,4 benzopyreen en worden afgefiltreerd.
Het filtraat wordt als vloeibare rook gebruikt.

-ocr page 610-

Om de vleesprodukten die hiermee zijn behandeld een goede kleur en smaak te geven,
moeten ze nog een thermische behandeling ondergaan.

Bij heet roken duurt dit 15-30 minuten, bij koud roken ontwikkelt de kleur zich in
4-10 uur en het aroma in 2-3 dagen.

40. H a d e r, H. en K u c h 1 i n g, E. (Institut für Fleischwirtschaft; Magdeburg,
D.D.R.) : A method for continuous clectro-static smoking and thermal treat-
ment of sausa.ges with infra-red rays.

Er wordt een apparatuur beschreven, waarin de worstjes continu worden voorge-
droogd, elektrostadsch gerookt, gaar gemaakt en gekoeld. De verwarming tijdens
het voorkoken en gaar maken geschiedt door middel van regelbare infrarode stralen.
De rook wordt in een aparte .generator ontwikkeld en elektrostatisch op de worstjes
neergeslagen. Bij vergelijking met de klassieke wijze van worstbereiding, werden de
continu bereide worstjes organoleptisch iets beter beoordeeld; microbiologisch was er
weinig verschil. De besparing aan energie en arbeidsloon was vrij groot, maar schrij-
vers delen niets mede over de investeringskosten.

41. S i m i d u, W. en S i m i d u, U. (Kyoto University and Institute of Food Micro-
biology, Chiba University, Japan) : Problems in the preservation of fish sau-
sages.

Conservering van vis-worst in Japan.

Men wil de houdbaarheid van visworst verlengen door:

1. hoge temperatuur bij de bereiding (90° C) ;

2. kunststofomhulsels;

3. toevoeging van con.scrvecrmiddelen.

Door verhitting op 90° C en gebruik te maken van kunststoffen kunnen visworstjes
meer dan een maand bij kamertemperatinir bewaard worden.

Van verschillende conserveermiddelen gaf alleen nitrofurazone een goede remming
(5 nitro - 2 furfuralsemicarbazone).

Vele gisten en schimmels zijn belangrijk minder gevoelig voor nitrofurazone dan bac-
teriën. Nitrofurazone remt vooral sporevormers en is daarom juist geschikt voor het
conserveren van vis-worst.

Een combinatie van verhitten (90° C) èn itrofurazone doodt de sporen of gaat de
kieming tegen. Dit is nagegaan voor
Bacillus mesentericus en Bacillus rnycoides.

42. Mlynarik, I. (Hungarian Meat Research Institute; Budapest, Hongarije):
Research on ham curing and manufacture.

Er zijn vele methodes bekend voor de bereiding van ham.

M. versnelde het pekelproccs door de ham na uitbenen met pekel (16° Bé) in tc
spuiten, waarvoor een spuit met 60 naalden met cen diameter van 2 mm en cen
lengte van 120 mm gebruikt werd.

De druk bij het inspuiten bedroeg 5 kg/cm^; de hoeveelheid pekel die in,gespoten
werd was 10 a 12% van het gewicht van de ham. Er bleek cen goede nitriet- en
zoutverdeling te ontstaan, terwijl geur, smaak en kleur der produkten beter waren
dan van de hammen die ader .gespoten waren.

De hammen werden in cellofaan verpakt en .gekookt. Het bleek, dat het gewichts-
verlies door geleivorming ca. 2/2% lager was dan van de hammen zonder cellofaan.
Verder was het aëroob en het anaëroob kiemgetal van de verpakte hammen aanzien-
lijk lager dan van de onverpakte produkten.

43. Iskandaryan, A. K. (AU Union Research Institute of Meat Industry,
U.S.S.R.) : Intensification of meat red coulouring development during curing.

Schrijver betoogt dat de reductie van metmyoglobine bij het pekelproces, nodig voor
de daaropvolgende vorming van nitrosomyo.globine, continu gebeurt door in de pekel
aanwezig hydroxylamine. Bij verhoogde temperatuur worden kleurvormings- en an-
dere reacties sterk versneld.

Een gedetailleerd voorschrift wordt gegeven voor het pekelen van hammen bij 15° C.

-ocr page 611-

De eiwitverliezen bij het pekelen zijn, vergeleken met de gebruikelijke methode (bij
3-4° C), tweemaal zo klein, terwijl de pekeltijd 5 a 6 maal bekort wordt (tot 7 da-
gen). De hammen bevatten na roken en koken 5-6% zout; kleur en aroma zijn goed.
Suikertoevoeging aan de pekels is niet meer nodig.

De methode is ook toe te passen op zijden, buiken en picnics, evenals op vlees voor
worstbereiding. Gebruik van nitraatpekels van verhoogde temperatuur bij de droge
worstbereiding zal de produktietijd sterk bekorten en het gebruik van startculturcs
overbodig maken.

44. Zukdl, E. en Cselkó, M. (Hungarian Meat Research Institute; Budapest,
Hongarije) : Investigations of particles size on the cut surfaces of cooked sau-
sage.

Nagegaan is de invloed van de doorsnede van de openingen van de platen van de
wolf, waardoor de grondstoffen verkleind worden, op de gemiddelde deeltjesgrootte
in het snijvlak van kookworstsoorten. De deeltjesgrootte bleek niet gelijk te zijn
aan een grootte van de plaatopeningen, doch kleiner.
Het volgende is gebleken:

— de deeltjesgrootte volgt een logarithmische normaalverdeling;

— spek geeft een kleinere gemiddelde deeltjesgrootte dan rund- of varkensvlees,
vooral zacht spek, door afsmelten van de randen;

— tussen rund- en varkensvlees werd geen verschil gevonden;

— bij de grote plaatopeningen is het verschil tussen de gemiddelde deeltjesgrootte
in verhouding kleiner dan bij kleine plaatopeningen; d.w.z. dat bij grove platen
alleen grote verschillen tussen de diameters van de openingen een zichtbaar ver-
schil opleveren in het eiwitprodukt;

—• dc spreiding hangt alleen van de grondstof, niet van de grootte van de ope-
ningen, af.

45. G a b r i e 1 y a n t s, M. .A. (Moscow Institute of the National Economy named
after G.V. Plekhanov, U.S.S.R.): .New technology of cookcd and semi-cooked
sausa.ge production with the use of liquid smoke.

Er wordt een methode beschreven om worst gedurende 1 minuut te dopen in „vloei-
bare rook", bereid vol,gens Lapshin, in plaats van ze op de gewone manier te roken.
Dc thermische behandeling, die anders tijdens het roken plaats vindt, gebeurt na
het dopen in verwarmingskamers, echter gedurende veel korter tijd (45 minuten),
maar bij ho,ger temperatuur (120-140° C). Gedurende deze warmtebehandeling poly-
meriseren de rookbestanddelen en worden de worsten gepasteuriseerd.
De op deze wijze „gerookte" worsten waren organoleptisch geheel gelijk aan worsten,
die op de conventionele wijze waren gerookt. Bovendien waren ze geheel vrij van de
cancrogene stof 3.4-benzopyreen.

CONGRESSEN

REGIONALE VEEVOEDINGSSTUDIEBIJEENKOMST VOOR VEEHOUDERS.

Door de A.C.V. Controle wordt een regionale veevoedingsstudicbijeenkomst voor

veehouders gehouden tc Alphen aan de Rijn op donderdag 21 november in Avifauna.

Toegang vrij.

Het programma ziet er o.m. als volgt uit:

10.00 uur Opening door de heer H. S m i t, voorzitter A.C.V. Controle.

10.15-11.00 uur Causerie door Prof. Ir. S. I w e m a, hoogleraar in de veevoeding
aan de Landbouwhogeschool, getiteld:
„De voeding van de jonge
big".

11.00-11.30 uur Discussie.

11.30-11.45 uur Korte causerie door de heer E. J. Bats, directeur A.C.V. Con-
trole, getiteld:
„Wat is en doet de A.C.V. Controle".

-ocr page 612-

11.45-12.00 uur Discussie.
12.00-13.00 uur Middagpauze.

13.00-13.45 uur Causerie door de heer Ir. F. de Boer, Rijksconsulent voor de

veevoeding, getiteld: „De rundveevoeding in deze winter".
13.45-14.15 uur Discussie.
14.15 uur Sluiting door de voorzitter,

GENOOTSCHAP VOOR GESCHIEDENIS DER GENEESKUNDE, WISKUNDE
EN NATUURWETENSCHAPPEN,

Najaarsvergadering op zaterdag 9 en zondag 10 november 1963 te Zutfen.
Zaterdag, 9 november:

15.30 uur Algemene Vergadering in Ons Huis, Zaadmarkt 102.

17.00 uur Officiële ontvangst door het College van Burgemeester en Wethouders

van Zutfen ten Stadhuize,
20,00 uur Wetenschappelijke vergadering in Ons Huis, Zaadmarkt 102,

Dr, A, Verjaal (Heemstede): De geschiedenis van de gebroken nek,
D, dc Moulin, chirurg (Boxtel): Heelkundige illustraties in vroeg-
middeleeuwse handschriften.

Dr. A. J. E. M. S m e u r (Gouda): De logarithmentafel van Ezechiël
de Decker en Adriaan Vlacq.
Na afloop gezellig samenzijn in Hotel \'sGravenhof, \'sGravenhof 2.

Zondag, 10 november:

11.00 uur Bezichtiging van het geheel opnieuw, in een gerestaureerd klooster, inge-
richte Gemeente Museum met korte inleiding van Mevr. Drs. M. M.
Doornink-Hoogenraad,
12.30 uur Gemeenschappelijke koffietafel in Hotel \'s Gravenhof.
14.00 uur Wetenschappelijke vergadering in Hotel \'s Gravenhof.

Dr. E. M. Kruytzer (Maastricht): J. Th. Binkhorst van den Bink-
horst. Burgemeester en geoloog (1810-1876).

Dr. M. de Jong (\'s-Gravenhage) : Inleiding op het werk van Garcia
da Orta. Zic Dutch Classics on History of Science VI.
Dr. S.
A. Klein (\'s-Gravenhage) : Dc historie van de ontdekking der
narcose.
16.00 uur Sluitin,g.

Voor de koffiemaaltijd a f 4,- (exclusief), waarbij ook niet-leden van harte welkom
zijn, is het noodzakelijk dat men zich vóór 6 november opgeft bij de secretaresse,
Mevr, Dr, J, G, van Cittcrt-Eymers, secr,. Trans 8, Utrecht,

Mededelingen:

Bij de wetenschappelijke vergadering zijn belangstellenden welkom. De algemene
vergadering is uitsluitend toegankelijk voor leden en begunstigers.
Hotelreserveringen gaarne via V,V,V, of rechtstreeks aan de hotels.
Het bestuur verzoekt de leden geregeld gegevens te willen zenden voor de rubriek
„personaUa" in GeWiNa als jubilea, promotie\'s, onderscheidingen enz. Deze worden
gaarne ingewacht p/a Rijksmuseum voor de Geschiedenis der Natuurwetenschappen,
Steenstraat la te Leiden,

5E INTERNATIONAAL CONGRES „VOORTPLANTING BIJ DIEREN",

Aangaande dit congres, dat zoals bekend in 1964 in Trento (Italië) zal worden ,ge-
houden en waarvan het algemeen secretariaat gevesti,gd is tc Milaan (Via Monte
Ortigara 35), kan, in aansluiting aan hetgeen hierover reeds werd medegedeeld,
het volgende worden bericht.

Secties.

Er zijn 4 secties, waarvoor de tekst der lezingen vóór 30 jwii 1964 moeten worden

-ocr page 613-

ingediend bij het algemeen secretariaat. Gedurende de zittingen der secties zal simul-
taan vertahng in de officiële congrestalen (Engels, Frans, Duits, Italiaans, Russisch
en Spaans) mogelijk zijn.

Symposia.

Dc secdes behelzen ook te organiseren symposia, waaraan specialisten kunnen deel-
nemen. De voordrachten hiervoor, in tc zenden
vóór 31 mei 1964, kunnen in het
Engels en het Frans worden vertaald.

Korte mededelingen („free papers") dienen in vijfvoud vóór 31 mei 1964 bij het
algemeen secretariaat te worden ingediend, gesteld in één der congrestalen. Zij
mogen niet langer dan 4 pagina\'s type met ten hoogste 3 tabellen of foto\'s omvatten
en dienen voorzien te zijn van een samenvatting (waaronder één in het Engels) van
ten hoogste 10 regels.

Het wetenschappelijk comité zal beslissen of de inzendingen zullen worden aange-
nomen, sprekers voor deze rubriek krijgen 5 minuten tijd om hun onderwerp in te
leiden, waarna 8 minuten kan worden besteed aan discussie.

Films.

Geluidsfilms en stomme films, 8 en 16 mm breed, kunnen worden geprojecteerd;
zij mogen niet langer zijn dan 100 meter. Opgave hiervan dient te geschieden
vóór
31 mei 1964.

Lezingen.

De tekst van de voordrachten dient het algemeen secretariaat in vijfvoud te bereiken
vóór 30 april 1964, de schrijvers hiervan dienen het congres persoonlijk bij te wonen.
De samenvatting, niet langer dan 50 regels type, dienen in minstens 3 der congres-
talen tc worden bijgevoegd.

Buffel versus Rund.

In India produceert het rund bijna dc helft van alle melk en levert 90% van alle
werkkracht.

Ofschoon de buffel per dier een hogere melkvetopbrengst levert dan het rund heeft
de laatste een grotere economische betekenis door de combinatie van „werk en
melk".

Er wordt gepropageerd om alle buffels door runderen te vervangen.

An. Br. Abstr., 18, 417, (1963).

Eenden- en karperteelt.

Opfok van slachteenden met vrije toegang tot water biedt vele voordelen boven de
opfok op het land.

Op de kosten van arbeid en voeding bijv. kan aanzienlijk worden bespaard. Boven-
dien wordt door de aanwezigheid van de eenden de groei van de vis in deze water-
vlakten sterk bevorderd (waarschijnlijk als gevolg van de eendcmest).

Pluimveepers, XVIH, 264, (1963).

Wereldcongres van zwartbontfokkers.

Van 5-7 september 1964 zal in Amsterdam een wereldcongres van zwartbontfokkers
plaatsvinden.

Ter gelegenheid hiervan zullen het Nederlandse en het Friese Rundveestamboek een
grote tentcxjnstelling houden.

Der Tierzüchter, 5-12-1962.

-ocr page 614-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

INSTRUCTIEDAG TE UTRECHT.

Op 5 oktober is in de blauwe zaal van het Jaarbeursrestaurant te Utrecht een in-
structiedag voor opzichters van dc Veeartsenijkundige Dienst en controleurs van de
Volksgezondheid .gehouden. Een negentigtal opzichters en controleurs, alsmede ad-
ministratief personeel, woonden deze dag bij.

Na een openingswoord van de heer J. M. van den Born, veterinair hoofdinspecteur
van de Volksgezondheid en directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, sprak de heer
D. J. Vervoorn, inspecteur in algemene dienst van de Veeartsenijkundi.ge Dienst
en veterinair inspecteur van de Volksgezondheid over de varkenspestbestrijding in
Nederland.

Dr. J. M. van Vloten, veterinair inspecteur van de Volksgezondheid, behandelde
het onderwerp uitvoeringsbesluiten op vleeskeuringsgebied van de laatste jaren.
Na een film over varkensziekten, sprak de heer H. A. van den Berg, inspecteur
in algemene dienst van de Veeartsenijkundige Dienst en veterinair inspecteur van
de Volksgezondheid over export van vee, de voorbereiding, keuring en export-
bescheiden.

Export van vlees en vleeswaren was het onderwerp van de lieer J. P. W. Anemaet,
inspecteur in algemene dienst van dc Veeartsenijkundige Dienst en veterinair in-
specteur van de Volks.gezondheid. Tenslotte sprak dc heer J. van der Waal,
adjunct-inspecteur van dc Veeartsenijkundige Dienst, district Noord-Holland, tevens
veterinair adjunct-inspecteur van de Volksgezondheid, over rotkreupel en schapen-
schurft. Hij lichtte zijn lezing toe met een fraaie serie dia\'s.

Daar de sprekers hun inleidingen vooral op de praktijk hadden afgestemd, sloten
deze direct aan op het dagelijkse werk van de aanwczi.gen. Op iedere inleiding vol,gde
dan ook een levendige discussie.

De heer Van den Born kon in zijn slotwoord wijzen op cen geslaagde en leerzame
dag, die voor herhaling vatbaar is gebleken.

MOND- EN KLAUWZEER IN NOORD-HOLLAND.

In dc weck van 3 tot 10 oktober hebben zich in de gemeente Landsmeer in Noord-
Holland op twee bedrijven gevallen van mond- en klauwzeer voorgedaan. Het betrof
hier type O, waardoor op het ene bedrijf één pink en op het andere drie pinken
werden aangetast.

In de week van 10 tot 17 oktober deden zich in dezelfde gemeente weer twee gevallen
van het type O voor. Nu werden op het ene bedrijf twee pinken en op het andere
vier pinken en cen varken aangetast.

In een gebied van vijf kilometer rond de besmette bedrijven is een vervoersverbod
van kracht en is een intensieve bedrijfscontrole uitgevoerd.

Bloedgroepen bij kippen.

Er zijn tot nu toe 12 onafhankelijke autosomale bloedgroepensystemen bij de kip
vastgesteld, die alle uit verschillende blocdgroepenfactoren bestaan (totaal 54, waar-
van 21 tot het B-systeem behoren).

Het lijkt, met het oog op het fokken van produktieve lijnen, lonend de onderlinge
samenhang te bestuderen.

Pluimveepers, XVIII, 457, (1963).
1390 Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 21, 1963

-ocr page 615-

DOORLOPENDE AGENDA

1963

November,

5 en 6, 110e Ned. Landhuishoudkundig Congres, Emmeloord. (pag. 1037)
9—10, Genootschap v. Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Najaarsvergadering, Zutphen. (pag. 1388)
12, Groep K.I. en Zootechniek K.N.M.v.D. Vergadering, 10.30 uur, I.V.O.

Schoonoord, Zeist. (pag. 1393)
21, A.C.V.-Controle. Regionale Veevoedingsbijeenkomst, Alphen a.d. Rijn.
(pag. 1387)

23, Groep Geneeskunde v. h. Kleine Huisdier K.N.M.v.D. Vergadering,
14.30 uur. Kliniek v. Kleine Huisdieren, Utrecht, (pag. 1393)

December,

12, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel Dalzicht,
Nijverdal. (pag. 1392)

13, Afd. Utrecht K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel Smits, Utrecht,
(pag. 1392)

18, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur, Muranozaal,
Beurscafé, Rotterdam, (pag. 1393)

19, Afd. Groningen-Drenthe K.N.M.v.D. Vergadering, 14.00 uur, Restaurant
Riehe, Groningen, (pag. 1392)

1964
Februari,

16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel.
September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388, 1388)

Oktober,

8—10, Wiss. Gesellschaft f. Vet.Med. in der D.D.R., Intern. Congres, Leipzig,
(pag. 1318)

De voorspelling van het percentage spieren.

Door B u t t e r f i e 1 d werden in .Australië volwassen Hereford koeien uitgesneden
om te speuren naar een correlatie tussen het .gewicht van een spier of spiergroep
met het totale gewicht aan spieren.

Gevonden werden positieve correlatiecoëfficiënten resp. 0,9550 en 0,9908 voor de
semitendinosis en de biceps femoris.

An. Br. Abstr., 31, 34, (1963).

Eischaalporeusheid en bacteriën.

De poreusheid van de eischaal bleek geen invlocd te hebben op het binnendringend
vermogen van
P. fluorescens door de cischaalmcmbraan. Verse eieren hielden de
bacteriën het best tegen. Een duidelijke interactie werd gevonden tussen de leeftijd
van het ei en de mate van besmetting enerzijds en de mate van penetratie van bac-
teriën door de cischaalmcmbraan anderzijds.

Pluimveepers, XVIII, 288, (1963).

Zoinermelkstallen in Rusland.

In Rusland worden de koeien \'s zomers meestal in de weide gemolken.
In plaats van een melkwagen of een vaste zomermelkstal gebruikt men daar verplaats-
bare standen. Bijv. 15 op een rij staande, van buizen gemaakte compartimenten waar-
in de koeien gemolken en bijgevoerd worden.

La Revue de l\'élevage, april 1963.
Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 21, 1963 139]

-ocr page 616-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij
voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Openstaande (1963) en achterstallige (1962) nota\'s.

In verband met de afsluiting van de boekhouding op 31 december a.s. wordt een
ieder die nog openstaande en achterstallige nota\'s heeft, resp. over 1962 en 1963,
dringend verzocht deze zo spoedig mogelijk te voldoen op girorekening 511606
t.n.v. de Maatschappij voor Diergeneeskunde of op de Bankrekening bij de Twentsche
Bank te Utrecht.

Door „slordigheid" van sommige leden wordt het Bureau volkomen onnodig belast
met een grote hoeveelheid onprettig werk. Dit is te voorkomen, door vorderingen
van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeeskunde steeds op tijd te voldoen.
Deze nota\'s betreffen:

a. contributies (1963, of soms daarvoor),

b. certificaten,

c. tijdschriftbanden,

d. losse afleveringen van het tijdschrift,

e. advertenties,

f. waamemingsbemiddeling,

g. aesculaaptekens.

„Spreekdag".

De secretaris kan in verband met een vertegenwoordiging elders woensdag 6 no-
vember a.s. niet op het bureau zijn. In plaats daarvan is hij maandag 4 november a.s.
beschikbaar voor telefonisch contact of ontvangst.

Jubileum.

Op 5 november 1963 hoopt de dierenarts J. D. van der Woerd, Dr. Biegelstraat,
Gorinchem, zijn 25-jarig dierenartsjubilcum tc vieren.

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Groningen-Drenthe.

De afdeling Groningen-Drenthe van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergenees-
kunde zal haar eerstvolgende vergadering houden op
donderdag 19 december a.s., om
14.00 uur in Hotel Riche te Groningen.

Afdeling Overijssel.

De afdeling Overijssel van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt
haar eerstvolgende vergadering op
donderdag 12 december a.s. om 20.00 uur in Hotel
Dalzicht te Nijverdal.

Dr. C. H. d e B o i s zal spreken over „Factoren die de vruchtbaarheid van het
rund beïnvloeden".

Afdeling Utrecht.

De afdeling Utrecht van dc Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde houdt
haar eerstvolgende vergadering op
vrijdag 13 december a.s. om 20.00 uur in Hotel
Smits, Utrecht.

-ocr page 617-

Afdeling Zuid-Holland.

De afdeling Zuid-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
houdt haar eerstvolgende vergadering op
woensdag 18 deecmber a.s., om 20.00 uur
in de Muranozaal van het Beurscafé te Rotterdam.

VAN DE GROEPEN

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

De Groep organiseert haar 64e ledenvergadering op zaterdag 23 november a.s., om
14.30 uur in de Klineik voor Kleine Huisdieren te Utrecht.

Als sprekers zullen aanwezig zijn: Mej. Dr. G. W. T i e c k e n, W. de Haan en
G. F. G. W. van den Hurk, die een zeer actueel onderwerp zullen inleiden:
Oragnisatie en opzet van een praktijk voor Kleine Huisdieren.

Groep Kunstmatige Inseminatie en Zootechniek.

De Groep zal haar eerstvolgende vergadering houden op dinsdag 12 november a.s.
om 10.30 uur in de recreatiezaal van het Instituut voor Veeteeltonderzoek „Schoon-
oord", Driebergseweg 10 d, Zeist.
Als sprekers zullen aanwezig zijn

Drs. P. L. Bergström: Erfelijke verschillen in vleesproduktiegeschiktheid bij
runderen.

Drs. J. G. Aalbers en Drs. J. Boender: Houdbaarheid van stiersperma, resp.
varkenssperma.

PERSONALIA

Adreswijzigingen en dergelijke:

Rectificatie:

In het tijdschrift van 1 oktober j.l. (pag. 1269) is vermeld dat collega Dr. P. Zwart,
te Bunnik, is verbonden aan de afdeling Heelkunde van de Faculteit der Dier-
geneeskunde. Dit is een abuis, want deze collega is werkzaam bij het Insdtuut
voor Veterinaire Pathologie, afd. Algemene cn vergelijkende pathologie. (214)
.■\\brahamse, A. A., van Emmeloord naar Amersfoort, Madocrastraat 39 tel
privé
(03490) 1 56 81. (144)

Bergström, P. L., te Woudenberg, tcl. bureau gewijzigd in (03404) 1 71 II. (147)
Bestcbrocr, A. G., van Alphen a.d. Rijn naar Alkmaar, Bergerweg 61, tcl. (02200)
1 82 00 (privé), 1 73 47 (bur.), D. b. d. prov. G.v.D. in N.-Holland. (147)
Boer, G. F. de, van Amsterdam naar Uithoorn, Raadhuisstraat 18. (149)

Bollen, L. N. M., tc Hellendoorn, aangesloten onder tcl. (05486) 44 33, ass. bij
D. W. de Groot. \' (150)

Bosma, J., te Joure, naar Scheen 25 aldaar (tel. ongewijzigd). (151)

Bron, E. J. S., te Sneek, naar Goeman Borgesiuslaan 29 aldaar (tel. ongewijzigd), h.k.

van de vleeskeuringskring Bolsward, (152)

Dobbenburgh, O. A, van, te Houten, tcl, gewijzigd in (03468) 559, R.D. (156)
Fredcriks, H. FI. J., van Colombo naar Lahore (West Pakistan), 105 Allama Iqbal
Road. (216)

Gajentaan, J. E., tc Amsterdam, geass. met Dr. J. Gajentaan, pennm. groep
geneesk. v. h. kl. huisd. v. d. K.N.M.v.D. (gr. groep 539180) (161)

Grünwald, C. C., tc .\\rnhem, naar Zijpendaalscweg 71 aldaar (tcl. ongewijzigd), sp.
13-14 en 19-20, za, volgens afspraak, (164)

Hoogstraten, G., te Amstelveen, tel, bureau gewijzigd in (02963) 12 17, (170)

Jacobs, J., te Meppel, aangesloten onder tel. privé (05220) 32 12, gr. gewijzigd in
1158083. \' (172)

Karens, M. J,, te Gouda, naar Helena Rietbergstraat 3 aldaar (tel, ongewijzigd).

(175)\'

-ocr page 618-

Kessel, H. A. V. C., te Zundert, naar Burg. Manderslaan 61, aldaar, tel. (01696)
23 49, gr. gewijzigd in 1068965, geass. met C. J. J. Meeuwissen te Sprundel
(N.-Br.). (175)

Kingma, H. P., te Hellendoom, naar Jacob Kapteijnstraat 26 aldaar (tel. onge-
wijzigd). (175)
Klooster, A. Th. van \'t, te Wageningen, diens tijd. adres in Engeland is komen te ver-
vallen, aangesloten onder tel.
privé (08370) 40 40. (176)
Koopman, S. P., te Uithoorn, aangesloten onder tel.
privé (02975) 10 43. (178)
Koppen, F., te Middelburg, naar de Ruijterstraat 65, aldaar, tel. (01180) 5134
(privé), 24 51 (bur.), aangesloten onder gr. 171938. (178)
Lee, J. R. van der, van Utrecht naar Arnhem, van Slin.gelandtstraat 67, tel. (08300)
3\'05 04, (180)
Leeuwen, J. M. van, van Garderen naar .\'\\bbckerk. Noordeinde 43, tel.
bureau
(02290) 44 89, D. b. h. Inst. v. Veevoedingsonderz. „Hoorn" te Hoorn. (180)
Moerman, H., te Twello, tel. te wijzigen in (06701) 16 37, P., plv. h.k., R.K.

(bz.d.). (185)

Nahum, .A..; 1963; Mantgurn (Fr.), Poststraat 40; tel. (05104) 256; P., ass. bij
A. A. Kleinjan. (186)

Omloo, P. A., van Roermond naar Valkenburg (L.), Berkelplein 46, tel. (04406)
34 55, aan.gcsloten onder gr. 1153965. (188)

Oom.s, J. J., te Tilburg, gr. gewijzigd in 1090384. (188)

Sasse, FI. H. L., te Utrecht, aangesloten onder gr. 533483. (195)

Soodt, E. Th. F., te Elburg, aangesloten onder tel. privé (05250), 669, gr. gewijzigd
in 1158349. (199)

Vijver, H. H. F. M. van de, van Biervliet naar IJzendijkc, Minnepoortstraat 12, tel.

(01176) 388, gr. 683054, P. (209)

Zee, J., van Hoorn naar \'s-Gravenhage, Louis Couperusplcin 55-111 ( tel. (070)
11 07 30. (214)

Zuur, P. J., le Morrinsville, huisnummer wijzigen in 34, aangesloten onder tel. 66 38
(privé), 67 38 (kliniek). (218)

Benoemd:

Gajentaan, Dr. J., te Amsterdam, te rekenen m.i.v. 1 oktober 1963, tot Rijkskeur-
meestcr in bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Am-
sterdam. (161)
Heeg^ j X., tc Halfweg, te rekenen m.i.v. 1 oktober 1963, tot Rijkskcurmcester in
bijzondere dienst bij de Veeartsenijkundige Dien:,t, ter standplaats .\'Amsterdam.

(166)

Gevestigd:

Mul, G. N. M., te Alphen a.d. Rijn, Prins Bernhardlaan 13, tel. (01720) 37 03, geass.

met J. J. den Hertog. (185)

Zee, L. van der, te Workum, Inthiemasingcl 21, tel. (05151) 229 (praktijk), geass.
met D. van der Zee. (214)

Openbaar slachthuis en veemarkt te Leeuwarden:

Bovenbedoenlde diensten te Leeuwarden zijn sinds 1 september 1963 ondergebracht
in één bedrijf. Dc veemarkt wordt m.i.v. 8 november 1963 verplaatst naar de
Frieslandhal, Hcliconweg 52 aldaar, tel. (05100) 2 06 41*.

RECTIFICATIE

.ADEMHALINGSZIEKTEN BIJ P.A.ARDEN.

In het betreffende referaat in afl. 20, pag. 1310, 12e regel van beneden van dit tijd-
schrift dient te zin:

-ocr page 619-

„De meest frequent voorkomende van deze vergist lactose en sorbitol, maar geen
trehalose (dus Streptococcus epidemicus, Ref.)"
ten rechte te worden gelezen:

„De meest frequent voorkomende van deze vergist lactose en sorbitol maar geen
trehalose (dus Streptococcus zoö-epidemicus, Ref.)."

De 28e zin van boven, op pag. 1311:

„Het arteritisvirus, dat door Da II en medewerkers is bestudeerd..."
dient ten rechte te luiden:

„Het arteritisvirus, dat door Doll en medewerkers is bestudeerd. . ."

Diergeneeskundige
Studenten Kring.

Ab-actiaat: UTRECHT - BILTSTR.Wr 172 (Poortgebouw)

Gironummer 271994 ten name van de fiscus van de Dier-
geneeskundige Studenten Kring.

Namens het Bestuur van dc Diergeneeskundige Studenten Kring dank ik een ieder,
die, op welke wijze dan ook, heeft medegewerkt dc uitwisseling van Nederlandse
veterinaire ^;tudenten met buitenlandse collega\'s in het kader van dc International
Vetcrinary Student Union, tot ccn succes te maken.

Daar deze uitwisseling ieder jaar een groter aantal studenten omvat, hopen wij dat
volgend jaar nog meer dierenartsen door het ontvangen van een buitenlander het
een Nederlandse student willen mogelijk maken zich in het buitenland te oriënteren.

Namens het D.S.K. Bestuur,
P. }. Goedhart, h.t. .Ab actis.

Dc „Milkograf".

In Zweden tracht men ook de melkcontrole tc automatiseren. Dit vooral in verband
met een gebrek aan en de hoge lonen van monsternemers.

Men wil nu zoveel mogelijk de monstername voor het vctgeh.altc door de boer laten
verrichten en de mcikhoevcclhcid automatisch registreren met een z.g. „Milkograf".
Met dit apparaat kunnen ook nog verschillende gegevens over de melkbaarhcid der
koe verzameld worden.

Het apparaat is reeds bij 150.000 procfkocien gebruikt, maar nog niet officieel in
gebruik genomen.

Der Tierzüchter, 5-7-1963.

Het africhten van bruikbare beren voor K.I.

Men heeft een proef gedaan met 14 beren van een leeftijd van 7-11 maanden van
verschillende rassen. Zij werden in 2 groepen verdeeld.

In de eerste groep hebben dc beren de mogelijkheid gehad cf\'n of twee natuurlijke
dekkingen te verrichten, alvorens afgericht te worden op een kunstzeug, terwijl die
van de 2e groep nooit gepaard werden met zeugen. Dc laatste bleken nu in 7 dagen
afgericht tc kunnen worden, terwijl men er 14 nodig had voor de beren van de le
groep.

Revue de l\'Elevage, (4), 501, (1963).
Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 21, 1963
 I395

-ocr page 620-

BELEGGINGSFONDS VOOR MEDICI

Deelnemingen in het beleggingsfonds voor Medici lijn elk kwartaal
verkrijgboor voor artsen, tandartsen
en dierenartsen, hun echtgenoten
en minderjarige kinderen, ook
Indien zij bulten Nederland wonen.

Men kan in het Fonds participeren voor één of meer deelnemingen.
Waarde per deelneming thans ongeveer f 1.000, — .

Inlichtingen verstrekt de directie:
N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Maatschappi|

Keizersgracht 706 - Amsterdam - Tel. 67661

Gevraagd zo spoedig mogelijk, een

VAST ASSISTENT

in het Oosten van het land; na een periode van assistentie kan associatie
volgen. Woonhuis beschikbaar.

Brieven onder no. 36/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

AANGEBODEN

PLATTELANDSPRAKTIJK

in het centrum des lands.
Br. onder no. 39/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

TER OVERNEMING AANGEBODEN

GOEDE PLATTELANDS PRAKTIJK

in het Westen des lands.
Br. onder no. 38/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

Meisje, 17 jr. met veel interesse voor dieren, zag zich gaarne geplaatst als

LEERLING-ASSISTENTE BIJ DIERENARTS,

liefst omgeving Utrecht.
Brieven naar N. Waldorp, Soestd. weg 266, Bilthoven, tel. 03402 - 3327.

Uw dissertatie is in goede handen
bij de drukker van dit Tijdschrift.

Drukkerij G. van Dijk n.v,

BRUGSTRAAT 18-22 — BREUKELEN

Tel. 03462 - 304

-ocr page 621-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

]. Donker-Voet, Leptospirosis bij huisdieren — Leptospirosis

in domestic animals —..........1397

ƒ. Jacobs, P. A. M. Guinée, E. H. Kampelmacher en A. van
Keulen, Onderzoekingen over het voorkomen van Salmonella-
kiemen in geïmporteerd vismeel — Studies on the incidence

of Salmonellae in imported fishmeal —......1404

J. E. T. Langeler, De werking van methyridine („Mintic"
LC.1.) bij een groep kalveren, experimenteel geïnfecteerd met
Cooperia, Ostertagia en Trichostrongylus — The effect of
methyridine („Mintic" LC.I.) on a group of calves, experimen-
tally infected with Cooperia, Ostertagia and Trichostrongylus
1415

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten.........1429

Exotische dieren, pelsdicren en proefdieren.....1429

Heelkunde.............1430

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....1430

Voedingsmiddelenhygiëne.........1431

Zootechniek.............1431

BOEKBESPREKING

J. Brüggemann und K. H. Niesar, Studien zur industriellen
Mischfutterherstellung II
.........1432

INGEZONDEN

Het homogeen mengen van kleine toevoegingen door het voer

(P. van Dijk, F. H\'. J. Swart, K. H. Hermans) .... 1432

BERICHTEN EN VERSL.AGEN

Pelsdierencongres te Celle.........1435

World Veterinary Association, vergadering Perm. Committee 1441

Variety Meat Conference.........1441

Vllth Meeting of the European Meat Research Workers IV . 1443

CONGRESSEN

C.L.0.-Studiedagen, februari 1964, Utrecht.....1447

Ille Intern. Congres over Dierziekten, aug. 1964, Stockholm 1447

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1448

VARIA.............1403, 1432, 1448

DOORLOPENDE AGENDA............1448

KON. NED. MA.ATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van hst Bureau...........1449

Van de Groepen...........1456

Personalia.............1456

RECTIFICATIES..............1458

-ocr page 622-

T

Handelsmerk

f

J

(Thiabendazole)

1

Een nieuw anthelminticum
voor rundvee en schapen.

Postbus 581

Haarlem

Tel. (02500) 22070

Thans ook in Nederland.

MeRCKSHaRpeDoumeiieDeRLaiiDnY®

-ocr page 623-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Leptospirosis bij huisdieren.

Leptospirosis in domestic animals,
door J. DONKER-VOET1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie van de Facul-
teit der Diergeneeskunde.

Inleiding.

Infecties met leptospiren komen over de gehele wereld verspreid voor, zo-
wel bij de mens als bij vele diersoorten. Reeds in 1886 gaf Weil een be-
schrijving van de ziektegevallen bij de mens, al kende hij de aetiologie van
de aandoening niet.

Pathogene leptospiren werden het eerst in Japan geïsoleerd in 1916 en vrij-
wel gelijktijdig in Duitsland, waar ook de eerste gevallen van besmettelijke
geelzucht bij honden werden beschreven. De Japanse onderzoekers vonden
dat de rat
(Rattus norvegicus) de drager was van de Leptospira ictero-
haemorrghagiae,
de veroorzaker van de ziekte van Weil. Op een enkele uit-
zondering na zijn het latent-geïnfecteerde, in het wild levende knaagdieren,
die de voornaamste reservoirs \\\'an de leptospiren vormen. Zij kunnen direct
of indirect de mens en de huisdieren besmetten. Als uitzondering geldt de
hond, die de primaire gastheer voor de
L. canicola is, terwijl runderen en
varkens misschien de primaire gastheer voor de
L. pornona vormen. In De-
nemarken is echter een muisachtig knaagdier
(Apodemus agrarius) als re-
servoir % oor de
L. pomona gevonden en het is zeer goed mogelijk, dat er nog
meerdere reservoirs ontdekt worden (B o r g-P e t e re n en F e n n e-
stadt, 1956).

De leptospiren behoren tot het genus Leptospira van de familie der Trepo-
nemataceae.
Ze hebben de vorm van een dun, gegolfd, cylindri.sch draadje,
waarvan dc uiteinden omgebogen zijn tot haken.

Het organisme is zeer buigzaam en actief beweeglijk, waarbij het snel om
zijn lengte-as wentelt. De lengte varieert van 6-15 fx, doch de dikte is nauwe-
lijks 0.25 f).. Leptospiren laten zich in uitstrijkpreparaten moeilijk kleuren,
in weefselcoupcs gelukt dit wel, zij het met speciale impregnatiemethoderi.
Onder de donkerveldmicroscoop laten de leptospiren zich in levende toe-
stand goed herkennen; een druppel verse urine kan il voldoende zijn om
de diagnose met zekerheid te stellen.

Over de stofwisseling van leptospiren is niet heel vcol bekend. Wèl weet
men dat dc leptospiren zuurstof nodig hebben en dat ze zich kunnen ver-
meerderen in een zwak alkalisch medium, dat vers konijneserum bevat. In
de literatuur zijn cen aantal voedingsbodems van verschillende samenstel-
ling beschreven, die alle het konijneserum gemeen hebben. Buiten het li-
chaam van een gastheer kunnen leptospiren in vers neutraal water lange tijd
in leven blijven, maar in onverdunde melk of onverdunde urine, zelfs al
is deze zwak alkalisch, leven leptospiren slechts enkele uren. Experimenteel
is aangetoond, dat letpospiren lange tijd in vochtige aarde kunnen blijven
leven.

1  Mevr. Dr. J. Donker-Voet, wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijksuniver-
siteit te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 624-

Na 1916 werden spoedig ook andere typen van leptospiren ontdekt, welke
morfologisch niet van de
L. ictero-haemorrhagiae zijn te onderscheiden.
Het bleek dat differentiatie van verschillende typen alleen mogelijk was
met behulp van serologische methoden; men spreekt dan ook van sero-
typen. In 1954 stelden Wo I f f en Broom een klassificatiesysteem \\oor,
dat berust op een analyse van het antigeen en waarin begrepen zijn 34
serotypen welke van mens en (of) dier geïsoleerd werden. Sindsdien is het
aantal serotypen reeds weer belangrijk uitgebreid. De waarde van een dif-
ferentiatie van stammen van pathogene leptospiren is duidelijk, daar op
deze wijze inzicht kan worden verkregen in de epidemiologie van de in-
fecties.

Onderzoekingen van de sera van huisdieren in verschillende landen hebben
aangetoond, dat een aantal dieren antilichamen kunnen herbergen tegen
verschillende van de serotypen die ook pathogeen voor de mens zijn. De
betekenis van deze vondsten is niet altijd duidelijk, maar het staat vast dat
minstens 4 serotypen, ook in de gewesten met een gematigd klimaat, van
veterinair belang zijn, namelijk de
L. ictero-haemorrhagiae, L. canicola, L.
grippo-typhosa
en L. pomona. L. pomona is tot nu toe nooit in Nederland
aangetoond, de andere serotypen komen ook in ons land voor.
Zoals reeds gezegd zijn het de kleine knaagdieren, die gewoonlijk als blij-
vende gastheer voor de leptospiren optreden. Leptospiren kunnen het li-
chaam binnendringen via de slijmvliezen of via kleine huidlaesies, waarna
ze in de bloedstroom terecht komen. Na een voorbijgaande leptospiremie
lokaliseren de organismen zich in de nieren, van waaruit ze met de urine
worden uitgescheiden. Ratten, die met
L. ictero-haemorrhagiae besmet zijn
blijven dit waarschijnlijk hun gehele leven. Ook bij honden, die hadden
geleden aan een spontane infectie met
L. canicola, konden drie jaar na het
klinisch herstel nog leptospiren in de nieren worden aangetoond. Het is
verstandig om er rekening mee te houden, dat de dragerstatus levenslang
kan duren.

Leptospirosis bij de hond.

De leptospirosis bij de hond komt in twee karakteristieke vormen voor: de
Weilse ziekte of besmettelijke geelzucht en de Stuttgarter hondeziekte. De
besmettelijke geelzucht, veroorzaakt door
Leptospira ictero-haemorrhagiae,
werd het eerst beschreven bij de hond door U h 1 e n h u t h en F r o m m e
in 1919, terwijl K 1 a r e n b e e k en S c h ü f f n e r in 1933 de
L. canicola
voor het eerst isoleerden.

Als besmettingsbron van de hond komt, wat betreft de eerstgenoemde lepto-
spira, in de eerste plaats de bruine rat
(Rattus norvegicus) in aanmerking.
Deze kan zonder zelf ziekteverschijnselen te vertonen, leptospiren in de
nieren herbergen, welke dan met de urine worden uitgescheiden. De be-
smetting zal dus in de meeste gevallen plaatsvinden door contact met be-
smet water of het opnemen van met ratte-urine besmet voedsel. Ook het
vangen van ratten kan aanleiding tot een infectie zijn. Het percentage van
de ratten, dat besmet is met
L. ictero-haemorrhagiae wisselt naar de streek
en de leeftijd van de ratten, oudere ratten zijn vaker besmet dan jonge
dieren; in de literatuur wordt een percentage opgegeven van 10-55%.
De voornaamste symptomen bij de hond zijn: temperatuursverhoging, bra-
ken, sufheid en in vele gevallen na enkele dagen het optreden van sterke

-ocr page 625-

geelzucht, waarbij de temperatuur meestal weer normaal wordt. Dikwijls is
er de eerste dagen een constipatie, terwijl er later diarree optreedt, soms met
bloed gemengd. Bloedingen zijn ook dikwijls in de slijmvliezen en in de on-
gepigmenteerde huid te zien. De urine is van geel tot bruin gekleurd en
bevat galkleurstoffen en eiwit. In het sediment zijn rode bloedlichaampjes,
blaas- en nierepitheelcellen en soms ook niercylinders te vinden. De ziekte
verloopt bij de hond in vele gevallen dodelijk.

Bij de sectie vallen op: de geelzucht, de acute miltzwelling en de bloedingen
onder de sereuze vliezen en in vele organen.

De diagnose kan met zekerheid gesteld worden door het aantonen \\an de
leptospiren. In de eerste dagen van de ziekte circuleren deze in het bloed,
later nestelen zij zich in de nieren en worden met de urine uitgescheiden.
Het vervaardigen van een donkerveldpreparaat \\ an vers bloed of urine kan
dikwijls reeds voldoende zijn om de diagnose te stellen. Gelukt dit niet, dan
kan getracht worden de leptospiren direct op de daarvoor geschikte voe-
dingsbodems te kweken of kunnen proefdieren, in dit geval jonge cavia\'s,
besmet worden, waaina de leptospiren bij deze dieren in\'bloed, peritoneaal-
vocht of nieren kunnen worden aangetoond.

In een verder gevorderd stadium \\-an de ziekte kunnen ook serologische
methoden gebruikt worden om de aandoening te diagnostiseren. Hierbij
moet er rekening mee worden gehouden, dat een eenmalig onderzoek dik-
wijls niet voldoende is. Antilichamen beginnen meestal pas na 10 dagen te
verschijnen, maar liunnen in het bloed zeer lang aanwezig blijven. Geeft
het tweede ondereoek ccn hogere serologische titer te zien, dan wijst dit in
het algemeen wel op een actief proces, waarbij vooral ook met het klinische
beeld rekening moet worden gehouden.

De meest gebruikte methoden voor dc serologische reacties zijn de agglu-
tinatie-lysis-reactie en de agglutinatie-reactie. In het eerste geval wordt ge-
bruik gemaakt \\an goed gegroeide levende culturen, die gemengd worden
met het te onderzoeken serum, dat in serie verdund is. Na een incubatie
van 4 uur bij 30° C kan de reactie afgelezen worden. Van elke verdunning
wordt een donkeneldpreparaat gemaakt, waarbij in de lagere verdunningen
bij een positief serum lysis optreedt, die in hogere verdunningen geleidelijk
plaatsmaakt voor een agglutinatie, totdat er geen verschil meer te zien is
in het aantal vrijbewegende leptospiren in de serum-.mtigeen mengsels en
in de controles.

De agglutinatiemethode wordt geheel op dezelfde manier uitgevoerd, echter
wordt als antigeen gebruik gemaakt van met formaline gedode culturen.
Bij deze methode treedt geen lysis, doch alleen aggluthiatie op. Het aflezen
gebeurt op dezelfde wijze via donkerveld-preparaten. Het voordeel van deze
laatste methode is, dat er hierbij geen gevaar voor laboratoriuminfecties
bestaat, het nadeel is, dat de reacties moeilijker zijn af te lezen en de titers
minder hoog zijn.

Ook de complementbindingsreactie kan met goed resultaat gebruikt wor-
den. In de laatste jaren wordt in Amerika voor het onderzoek van rund-
veebedrijven ook gebruik gemaakt van een plaatreactie, waarbij een druppel
serum gemengd wordt met een speciaal hien\'oor bereid antigeen en het
mengsel samen op een schonunelkastje wordt geschud. Hoewel de reactie
minder gevoelig is dan de buisjes-reactie, heeft ze het grote \\oordeel van de
snellere werkwijze, daar de reactie macroscopisch is af te lezen. Dit plaat-
antigeen is in de U.S.A, in de handel \\-erkrijgbaar.

-ocr page 626-

Een tweede leptospirentype, dat bij de hond ziekteverschijnselen kan ver-
oorzaken, is de
Leptospira canicola, die over de gehele wereld verspreid
voorkomt. De infectie verloopt vaak chronisch en kan alle honderassen aan-
tasten; ze kan echter ook symptoomloos verlopen, waarbij de hond drager
wordt. Maar de infectie kan ook een acute of subacute ziekte veroorzaken,
met fataal verloop.

De leptospiren, die in de eerste dagen na de infectie in het bloed circu-
leren, veroorzaken een tcmperatuursverhoging, gebrek aan eetlust en sufheid.
Dit stadium kan onopgemerkt voorbijgaan. In het tweede stadium concen-
treren de leptospiren zich in de nieren en treden de verschijnselen hiervan
op. Het dier is gewoonlijk zeer dorstig, maar de opgenomen vloeistof wordt
weer uitgebraakt en dit heeft een snelle dehydrade tot gevolg. Opvallend
is vaak de sterke vaatinjectie op de oogbol. Geelzucht is betrekkelijk zeld-
zaam; wèl is — evenals bij Weilse ziekte — een hersenprikkeling beschre-
ven. De uitscheiding van de urine kan verminderd zijn en totale anurie kan
optreden. De tong en het mondslijmvlies gaan dikwijls zweren vertonen,
waarbij de adem zeer onaangenaam ruikt.

Het ureumgehalte van het bloed stijgt en dit geeft t:cn waardevolle aan-
wijzing voor de prognose. Waarden, die boven 150 mg/% liggen, moeten
als zeer ernstig beschouwd worden. In een later stadium is het beeld te
zien van een chronische nefritis. De klinische verschijnselen kunnen sterk
verschillen, afhankelijk van de graad van beschadiging van de nieren. Dorst
en Polyurie treden het meest op de voorgrond, daarna insufficiëntie van
de nieren en de dood door uremie. Voor het isoleren van de
L. canicola
wordt meestal gbruik gemaakt van Syrische hamsters, die gevoeliger zijn
dan caviae.

Therapeutisch komen bij de leptospirosis van de hond antibiotica in aan-
merking; dikwijls wordt een combinatie van penicilline en streptomycine
gegeven, terwijl ook gunstige resultaten vermeld worden na inspuiting van
immiuinscrum. Daarnaast moeten de dieren symptomatisch behandeld wor-
den, men moet zorgen voor voldoende vochtopname en regelen van het
dieet. De behandeling van leptospirosis bij de hond is het meest effectief in
een vroeg stadium; wanneer er reeds ernstige schade aan de nieren is toe-
gebracht, is elke behandeling van geen of weinig waarde.
Profylacdsch kan tegen beide serotypen geënt worden. Uit proeven is ge-
bleken, dat vaccinatie tegen
L. ictero-haemorrhagiae geen bescherming
geeft tegen
L. canicola, vaccin tegen L. canicola geeft ccn gedeeltelijke be-
scherming tegen
L. ictero-haemorrhagiae. Het is dus nodig om een gemengd
vaccin te gebruiken. Het voordeel van vaccinatie is, dat hiermede ook een
gevarenbron voor de mens uitgeschakeld wordt.

Leptospirosis bij de kat.

In Indonesië bleken katten voor te komen, die met verschillende lepto-
spiren-typen geïnfecteerd waren, zonder echter ziekteverschijnselen te ver-
tonen (Esse veld en Collier, 1938).

Ook in Europa zijn positieve agglutinatiereacties met het bloedserum van
katten vastgesteld tegenover verschillende leptospiren-typen. In Nederland
is schrijfster geen geval van leptospirosis bij de kat bekend.

Leptospirosis bij rund en varken.

De leptospirosis die economisch het meest belangrijk is, is die van het rund
1400

-ocr page 627-

en het varken, veroorzaakt door de Leptospira pomona. In 1944 beschreef
Jungherr de ziekte voor het eerst bij runderen in de U.S.A., waar de
aandoening in de eerste plaats een bedrijfsprobleem is.
De symptomen van de ziekte kunnen sterk variëren, ze kunnen zowel acuut
als chronisch zijn en van licht tot zeer ernstig wisselen. Zowel bij rund als
varken is het meest op de voorgrond tredende symptoom abortus. Andere
symptomen kunnen zijn: koorts, teruglopen in de melkproduktie, geen eet-
lust, hemoglobinurie, anemie, sufheid en icterus. Het sterftecijfer is meestal
laag, 5% of minder, maar de verspreiding in een kudde kan 100% be-
dragen. Van de drachtige runderen kan 15 tot 20% aborteren, maar dit
percentage kan bij varkens 100% bedragen.

Varkens aborteren gewoonlijk twee tot vier weken vóór de partus, bij run-
deren kan de abortus op elk tijdstip van de dracht optreden.
De ziekte wordt meestal op een bedrijf gebracht door de introductie van
een gezonde drager. De urine van chronische dragers vormt de voornaam-
ste bron van besmetting van gevoelige dieren. Vooral varkens kunnen zeer
lang leptospiren met de urine uitscheiden, bij runderen stopt de leptospirurie
gewoonlijk na enkele maanden. De infectie geschiedt via de slijmvliezen van
oog, neus of keel, maar ook via kleine huidverwondingen. De infectie kan
zich verspreiden, doordat met de urine slecht gedraineerd grasland of slo-
ten worden besmet. Waar de leptospiren in de nieren huizen is het gemak-
kelijk te zien, dat ook het sperma besmet kan zijn. De uitbraak op vele be-
drijven is dan ook terug te brengen tot de aankoop van een besmette stier
of beer.

In Zwitserland, waar de Leptospira pomona zowel bij het rund als het var-
ken voorkomt, ziet men de meeste gevallen op de alpenweiden, waar var-
kens en runderen samen geweid worden (Rürki, 1962).
Ook knaagdieren zijn genoemd bij de overbrenging van
L. pomona, maar
deze schijnen toch een ondergeschikte rol te spelen bij de besmetting van
runderen en varkens.

Leptospirosis kan in een kudde voorkómen worden door geen besmette
dieren op het bedrijf te brengen. Een serologisch onderzoek van een aan te
kopen dier is dus altijd aangewezen. Wanneer de ziekte reeds op een bedrijf
aanwezig is, wordt vaccinatie van de gevoelige dieren aanbevolen om de
verspreiding van de ziekte te voorkomen.

Behalve L. pomona, kunnen ook L. grippo-typhosa en L. canicola een be-
smetting bij runderen geven. Van der Hoeden (1958) zag in Israël in
de laatste 15 jaar gevallen van
L. grippo-typhosa bij runderen, karbouwen
en geiten. Ook onder mensen werden gevallen van besmetting met
L.
grippo-typhosa
waargenomen. Het grootste deel van deze mensen werkte op
bevloeide velden. Het zouden hier vooral de veldmuizen zijn, die met de
urine voor de verspreiding zorgen. Ook in egels werd dit serotype aange-
toond.

Ook L. canicola werd in Israël als oorzaak van leptospirosis bij runderen,
honden, varkens en mensen gevonden. Behalve honden zouden hier jak-
halzen als drager een rol spelen. Bij een onderzoek bleek meer dan 40%
besmet te zijn. Of teken ook een rol bij de overbrenging spelen is nog niet
met zekerheid vastgesteld, wèl is het zeker dat leptospiren lange tijd in de
teek kunnen blijven leven.

Wat het vóórkomen van leptospiren bij runderen in Nederland betreft,

-ocr page 628-

werd door schrijfster in 1961 een onderzoek ingesteld naar het voorkomen
van antilichamen tegenover
L. ictero-haemorrhagiae, L. canicola, L. grippo-
typhosa
en L. pomona in de sera van runderen die geaborteerd hadden en
van een groep klinisch gezonde willekeurige runderen.
In het serum van de 252 runderen, die geaborteerd hadden, werd 1 maal
een positieve agglutinatie-lysis reactie gevonden, met
L. ictero-haemorrha-
giae
antigeen (1:3000), terwijl in de groep van 1070 willekeurige nmder-
sera 3 maal een positieve reactie werd gevonden tegenover
L. ictero-hae-
morrhagiae
(1 X 1:1000, 2 X 1:100), 1 maal tegenover L. canicola (1:100)
en 2 maal tegenover
L. grippo-typhosa (1 x 1:100, 1 x 1:300). Geen der
onderzochte sera bevatte antilichamen tegen
L. pomona. Er werden geen
aanwijzingen verkregen, dat in Nederland leptospiren een belangrijke oor-
zaak van abortus bij het rund vormen. Ook een onderzoek van 140 wille-
keurige varkenssera \\ erlie]j negatief1).

Leptospirosis bij paarden.

De mening bestaat dat maanblindheid van het paard \\\'eroorzaakt zou wor-
den door een leptospiren-infectie. Serologische onderzoekingen wijzen er-
op, dat subklinische infecties met leptospiren in sommige landen vaak bij
paarden voorkomen.

Bij een onderzoek in 1959 door het Centraal Diergeneeskundig Institimt
in Rotterdam verricht van 100 sera van ingevoerde slachtpaarden, bleken
25 dieren een positieve agglutinatiereactie met verschillende leptospiren-
serotypen te geven. De helft der dieren (50 stuks) had pathologische af-
wijkingen aan één of beide ogen. De positieve gevallen waren als volgt ver-
deeld: paarden met klinische afwijkingen 50, waarvan positief 16 (32%);
paarden zonder klinische afwijkingen 50, waarvan 9 (18%) positief. Ver-
moed wordt dat maanblindheid bij het paard een late reactie op een lepto-
spiren-infectie zou zijn; verschillende serotypen zouden hierbij een rol kun-
nen spelen.

Hoewel de theorie om de maanblindheid aan een leptos]5iren-infectie toe
te schrijven zeker aantrekkelijk is, is het bewijs hiervoor toch niet met
zekerheid geleverd.

Samenvattend kan gezegd worden, dat dc lejjtospirosis in Ncderiand in
hoofdzaak een besmetting is bij de hond, veroorzaakt door L.
ictero-hae-
morrhagiae
en L. canicola, maar dat de Nederlandse dierenarts toch reke-
ning moet houden met de mogelijkheid dat andere diersoorten eventueel
met andere serotypen besmet zouden kunnen zijn, wat vooral geldt voor
geïmporteerde dieren.

SAMENVATTING.

Een korte samenvatting wordt gegeven van de actuele kennis van de leptospirosis
van de huisdieren.

SUMMARY.

short summary is given of the current knowledgc of leptospirosis in domcstic
animals.

1  Bovenstaande bevindingen komen niet overeen met het in het tijdschrift van de
firma Pfizer „Angradata" door J. Ligot in 1962 gepubliceerde cijfer van 22,8%
runderen met antilichamen in Nederland. Bij navraag bleek dit percentage niet
voor Nederland, maar voor Zwitserland te gelden,

-ocr page 629-

RÉSUMÉ.

On donne un bref aperçu de la connaissance contemporaine du leptospirosis des ani-
maux domestiques.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Zusammenfassung gegeben der aktuellen Kenntniss der Leptospirosis bei

Haustieren.

LITER.\'>iTUUR

Bor g-P e t e r s e n, C. and F e n n e s t a d, K. L, : A field rodent (Apodemus agra-
rius) as carrier of Leptospira pomona in Denmark.
]. Am. vet. med. Ass., 128,
204, (1956).

B ü r k i, F.: Leptospirenaborte beim Rind. Schweiz. Arch. Tierheilk., 104, 650,
(1962).

D o n k e r-V o e t, J.; Een onderzoek naar het voorkomen van Leptospira pomona-
infecties als oorzaak van abortus bij het rund in Nederland.
Tijdschr. Diergeneesk.,
86, 613, (1961).

E s s e v e 1 d, A. and G o 1 1 i e r, W. .A. : Leptospirose bei Katzen auf Java. Z. Immun.
Forsch.,
93, 512, (1938).

Hoeden, J. van der: Leptospirosis canicolaris in pigs and its probable transfer
tu human beings.
J. Inf. Dis., 98, 33, (1956).

Hoeden, J. van der: Leptospirosis in a Mid-Eastern Country. Proe. 6th int.
Congressess on Trop. Med. and Malaria,
4, 420, (1958).

Hoeden, J. van der: Leptospira! infections in hedgehogs. /. Inf. Dis., 103, 225,
(1958).

Hoeden, J. van der and S z e n b e r g, E.: Current Knowledge of the Distri-
bution of Leptospirae in Israel.
Refuah Vet., 18, 115, (1961).

J u n g h e r r, E.: Bovine Leptospirosis. ]. Am. vet. med. Ass., 105, 276, (1944).

Klarenbcek, en S c h ü f f n e r, W. .A. P. : Het voorkomen van een af-
wijkend Leptospira-ras in Nederland.
Ned. Tijdsehr. Geneesk., 77, 4271, (1933).

L i g o t, J.: Leptospiren. Agradata, 4, 9, (1962).

U h 1 e n h u t h, P. und Fromme, W.: Experimentelle Untersuchungen über den
Infektionsmodus, die Epidemiologie und Scrumbehandlung der Weilschen Krank-
heit (Icterus infectiosus).
Zschr. Immunitätsf., 28, 1, (1919).

Wolff, J. W. and B r o o m, J. C.: The Genus Leptospira Noguchi, 1917. Problems
of Classification and a suggested System based on .Antigenic Analysis,
Doc. de Med.
Ceogr. et Trop.,
6, 78, (1954).

Hoe moet men eieren bewaren?

Bij een bepaling van de houdbaarheid van eieren behandeld door thermostabilisatie
(1), verstuiving van olie (2), en olieëmulsic (3), verstuiving van aerosol (4) en be-
waring in Cry-o-vac (5) en polyethyleen (6) zakken bleek bij bewaring bij 55°,
78,5° en 102° F (5) het best tc voldoen (weinig gewichtsverlies, hoge eenheden
van Haugh), De inwendige eikwaliteit bij (1) bleef bij 78,5° F gedurende twee
weken en bij 102° F gedurende één week goed, maar het gewichtsverlies was groot;
(6) gaf minder gewichtsverlies, maar groter kwaliteitsverlies. Door behandeling van
de eischaal bieef de inwendige eikwaliteit en het gewicht beter behouden dan bij (1)
en bij de onbehandelde controlegroep.

Pluimveepers, 6, 443, (1963).

-ocr page 630-

Onderzoekingen over hef voorkomen van
Salmonella-kiemen in
geïmporteerd vismeel.

Studies on the incidence of Salmonellae in imported
fishmeal.

door J. JACOBS!), P. A. M. GUINÉE^),

E. H. KAMPELMACHERi) en A. VAN KEULEN=)

Inleiding.

In de laatste jaren zijn zowel in ons land als ook in verschillende andere
landen publikaties verschenen, waaruit blijkt, dat een meer of minder hoog
percentage varkens met
Salmonella-kiemen is besmet (Galton et al.,
1954; Newell et al, 1959; F e y en V a 11 e 11 e, 1961; Kampel-
macher et al., 1961, 1963; Noordam en Postma, 1961; K e n-
d e r e s k i, 1962). Door verschillende auteurs wordt verband gelegd tussen
de
Salmonella-hesmeit\'mgen bij varkens en het voorkomen van Salmonella-
kiemen
in het voer (Rhode en B i s c h o f f, 1956; Winkle en
R h O d e, 1957; N e w e 11 et al., 19.59).

Behalve diermeel (Rhode en B i s c h o f f, 1956; Walker, 1957;
Newell et al., 1959; Morehouse, 1961; Van der Schaaf, 1962),
wordt in de literatuur ook vismeel regelmatig als bron \\an
Salmonella-
besmetting in varkensvoer genoemd (Bischoff, 1955; Bischoff en
Rhode, 1956; A d a m, 1957; R a c k o w en Wiese, 1958; Newell
et al., 1959; Reports 1959, 1961; Morehouse, 1961). Ook in
plantaardige voedermiddelen zijn
Salmonella-kiemen gevonden (Rut-
quist, 1961).

In Nederland bleek \\an het in het tweede halfjaar van 1961 ingevoerde
dienneel ± 12^2% besmet te zijn, terwijl het geïmporteerde vismeel in
0,5% van de onderzochte monsters
Salmonella-kiemen bleek te bevatten
(ontleend aan VanderSchaafct al., 1962). Het hier genoemde per-
centage van bc.smette vismeelrnonsters is opmerkelijk laag, vergeleken bij
de door andere auteurs genoemde percentages (Bischoff (1 955) 1 25/2% ;
Bischoff en Rhode (1956) d= 15%; Adam (1958) 15,8%;
Rackowen Wiese (1958) gem. 2,5%; Morehouse (1961) ± 11%;
Report (1961) 6,2%).

Een en ander was voor de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst aan-
leiding om samen met het Laboratorium voor Zoönosen van het Rijks Insti-
timt \\oor de Volksgezondheid een onderzoek in te stellen naar de besmet-
tingsgraad met
Salmonella van het in Nederland geïmporteerde vismeel.

Materiaal en methoden.

Bij een eerste, informatief, onderzoek werden 7 zakken vismeel, afkomstig
uit Peru, onderzocht. Eerst werden van 5 verschillende plaatsen uit iedere
zak 5 monsters ä 10 g getrokken om zodoende de huidige monstername
na te bootsen. Vervolgens werd ieder der bovengenomde zakken in ±

1) J. Jacobs, Dr. P. A. M. Guinée en Dr. E. H. Kampelmacher; bacteriologen en
hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen van het Rijks Institut voor de Volks-
gezondheid; Sterrenbos 1, Utrecht.

A. van Keulen, Inspecteur Veeartsenijkundige Dienst en Inspecteur Volksgezond-
heid i.a.d.

-ocr page 631-

1000 monsters van 50 g verdeeld. Alle monsters, welke op deze twee ma-
nieren werden verkregen, werden op de aanwezigheid van
Salmonella-
kiemen
onderzocht zoals aanstonds wordt beschreven.
Bij het hoofdonderzoek werden de te onderzoeken monsters aselect ge-
trokken in overleg met een statisticus, die de door ons gevonden resultaten
later zou bewerken, waardoor er voor gezorgd werd, dat de verkregen
steekproef een zo nauwkeurig mogelijke afspiegeling van de jaarimport aan
vismeel over 1962 was. Volgens de gegevens, verstrekt door het Produkt-
schap voor Veevoeder, werden in het eerste halfjaar van 1962 in Neder-
land ingevoerd 99.039 ton vismeel in zakken van ± 50 kg inhoud, afkom-
stig uit de volgende landen:

Land van

le halfjaar

%

2e halfjaar

%

Totaal

herkomst

1962

1962

1962

%

Peru

81.153

81,9

80.040

93,3

161.193

87.2

Chili

9.123

9,2

1.800

2,1

10.923

6,0

Zuid-Afrika

6.223

6,3

210

0,2

6.433

3,4

Denemarken

1.248

1,3

1.325

1,6

2.573

1.4

IJsland

701

0,7

861

1,0

1.562

0,85

Voorwegen

226

0,2

859

1,0

1.085

0,58

Angola

200

0,2

270

0,3

470

0,25

Marokko

164

0,2

239

0,3

403

0,21

Argentinië

200

0,2

200

0,11

Naar ons van de zijde van de Vereniging van Importeurs van Dierlijke
Eiwitten werd medegedeeld, zou er in het tweede halfjaar van 1962 prak-
tisch uitsluitend vismeel uit Peru en Chili worden geïmporteerd. Wanneer
men de import uit de andere landen verwaasloost (bij elkaar minder dan
10% in het eerste halfjaar 1962), ziet men, dat in het eerste halfjaar van
1962 90% van het vismeel werd geïmporteerd uit Peru en 10% uit Chili,
reden waarom in deze verhouding de steekproef werd samengesteld uit
de populatie zakken, afkomstig uit deze twee landen in het tweede half-
jaar van 1962.

Er werd bepaald, dat de steekproef een omvang zou hebben van 30 zak-
ken, van
lO verschillende schepen zou worden genomen en laagsgewijze
zou worden getrol:ken. Daartoe werd uit 30 verschillende partijen, afkom-
stig van een zo groot mogelijk aantal fabrieken in het land van herkomst,
willekeurig een zak getrokken. Bij het uitzoeken van de zakken op het
schip, werd er op gelet, dat deze uit verschillende ruimen afkomstig waren.
De uiteindelijke samenstelling van de steekproef blijkt uit tabel 2. De al-
dus gekozen zakken werden door een ambtenaar van de Algemene Inspec-
tie Dienst in het ruim van het schip omhuld met een stevige plastic zak,
welke werd dichtgebonden. Daarna werden de aldus verpakte zakken aan
dek gehesen en zonder verder contact met schip of wal in een gereed-
staande auto gedragen en direct naar het Rijks Instituut voor de Volks-
gezondheid vervoerd. Elke zak werd door een ambtenaar van de A.I.D.
voorzien van een label, vermeldende het nummer van het ambtsedig relaas
dat bij iedere zak werd opgemaakt. In dit ambtsedig relaas werden alle
bijzonderheden van het monster vastgelegd, zoals tijdstip waarop het ge-

-ocr page 632-

nomen werd, grootte van het monster en van de partij waaruit het monster
was genomen, naam van de boot, grootte en aard van de scheepslading,
importhaven, importeur, land en fabriek van herkomst en — voor zover
bekend — de aanmaakdatum van de partij.

In het Laboratorium voor Zoönosen werden de verzauiclde zakken naast
elkaar in een afgesloten kamer op een stelling plat neergelegd. Vóór het
begin van het onderzoek werd het plastic omhulsel van elk van de zakken
aan een grondige inspectie onderworpen om na te gaan of er, door welke
oorzaak dan ook, een beschadiging en daardoor een mogelijke besmetting
van de zak was opgetreden. Dit bleek bij geen der te onderzoeken zakken
het geval te zijn.

Teneinde behalve over het voorkomen van Salmonella-kiemen ook een in-
druk van de hygiënische gesteldheid van het te onderzoeken vismeel te ver-
krijgen, werd van een monster van iedere zak het totaal aantal aerobe en
anaerobe kiemen benaderend bepaald.

Methode van onderzoek op Salmonella-kiemen.

Gedurende 3 dagen per week werden telkens uit elk van 10 zakken 50
monsters genomen met een steriele halfronde goot van verchroomd koper,
welke in de zak werd gestoken. Na terugtrekken uit de zak bexond zich in
deze goot ± 50 g vismeel. Deze hoeveelheid werd in een steriele trechter
gestort, welke op een steriele fles met een inhoud van 250 ml was geplaatst.
Om verontreiniging van de omgeving te voorkomen, werd onder het ge-
opende deel van de zak tijdens het nemen der monsters een steriele alumi-
nium bak geschoven. Na het verzamelen van de monsters werden zak en plas-
tic omhulsel weer dichtgebonden. Voor elke zak werden een nieuwe steriele
goot, trechter en bak gebruikt. Alvorens na het dichtbinden van de bemon-
sterde zak een volgende werd geopend, werd het tafelblad waarop de
flessen zich bevonden voorzien van een nieuw vel papier en wasten de
medewerkers hun handen grondig met een desinfecterende zeep.
Aan de monsters werd vervolgens toegevoegd 200 ml van één van de vol-
gende ophopingsvloeistoffen en wel zó, dat in elk der vier o]3hopingsmedia
een gelijk aantal monsters werd onderzocht:
tetrathionaatbouillon volgens M ü 1 1 e r\'),
tetrathionaatbouillon volgens M ü 1 1 e r-K a u f f m a n n\'),
de ophopingsvloeistof volgens Rappaport (R a p p a p o r t et al., 1956),
selenietbriljantgroenbouillon volgens Osborn en .Stokes^).
Na 24 en 72 uur bebroeden bij 37° C werd uit de ophopingsvloeistof een
öse (0 6 mm) uitgestreken op briljantgroen-fenolroodagarplaten rnet een
doorsnede van 13 cmi). Deze platen werden 18-24 uur bebroed bij
37° G. Verdachte kolonies werden overgeënt op T.S.I.-agarbuizen (Difco)
en verder biochemisch en serologisch onderzocht.

Bepaling van het aerobe en anaerobe kiemcijfer.

Om een indruk te krijgen van het totaal aantal aanwezige levende kiemen
per gram van het onderzochte materiaal, werden ben.^derende aerobe en
anaerobe kiemtellingen verricht. Hiervoor werden tien, honderd en
duizend-voudige verdunningen bereid, van waaruit 5 x 1 ml steriel werd

Voor de recepten worde verwezen naar: Guinée, P. A, M. en Kampei-
macher, E. H.:
Antonie v. Leeuwenhoek, 28, 417, (1962).

-ocr page 633-

Tabel 1. Onderzoek naar het voorkomen van Salmonellakiemen in 7 zakken vismeel, afkomstig uit Peru.

,, , -------- 1----Nummers van de positieve 50 g monsters

Aantal positieve
monsters per zak

Nr. zak ■ ®

Salmonellatype

(1 t.m. 1000)

Frequentie van isolatie

60, 65, 87, 99, 274, 317, 416, 509

26, 30, 40, 49, 58, 67, 74, 125, 140,
151, 159, 199, 201, 237, 260, 360, 362,
401, 419, 455, 461, 483, 492, 542, 579,
602, 603, 615, 622, 649, 714, 770, 819,
873, 891, 901, 919, 933, 951, 952, 961
59, 298, 312, 368, 437, 876, 881, 882,
884, 886, 887, 892, 903, 914, 917, 918,
920

30, 285, 320, 430, 474, 659, 735

265, 285
380, 412

I

8

II

41

III

17

IV

V
VI
VII

7

2«)
2*)

S. senftenberg
S. binza
S. osnabrück
S. panama
S. typhi murium

6 maal
1 maal
1 maal
26 maal
15 maal

12 maal

3 maal

1 maal

1 maal

6 maal

1 maal

2 maal
2 maal

S. panama
S. muenchen
S. oranienburg
S. senftenberg
S. senftenberg
S. muenchen
S. binza
mgulani

\') Onderzoek na eerste positieve bevinding gestaakt.

O

-ocr page 634-

Onderzoek naar het voorkomen van Salmonella-kiemen in 30 zakken vis-
meel, afkomstig uit Peru en Chili.

Land
van
herkomst

Codenummer
zak schip

Lading

Grootte
van de
partij

A

L

7000 ton vismeel

150

ton

Peru

B

L

7000 ton vismeel

50

ton

Peru

C

L

7000 ton vismeel

250

ton

Peru

D

H

5300 ton vismeel

50

ton

Peru

3

132, 153,

E

T

1650 ton vismeel

200

ton

Peru

F

T

1650 ton vismeel

200

ton

Peru

G

H

5300 ton vismeel

50

ton

Peru

H

T

1650 ton vismeel

200

ton

Peru

2

409, 560

J

H

5300 ton vismeel

300

ton

Peru

1

832

K

P

2100 ton vismeel

300

ton

Peru

2

652, 675

180 ton lading

L

P

2100 ton vismeel

100

ton

Peru

180 ton lading

M

P

2100 ton vismeel

100

ton

Peru

1

894

180 ton lading

N

B

800 ton vismeel

100

ton

Peru

1147 ton lading

O

B

800 ton vismeel

100

ton

Peru

1147 ton lading

P

B

800 ton vismeel

100

ton

Chili

1147 ton lading

Q

W

800 ton vismeel

150

ton

Peru

2

49, 372

1140 ton lading

R

W

800 ton vismeel

200

ton

Peru

1

37

1140 ton lading

Totaal kiemgetal
aëroob anaëroob

Totaal aantal
onderzochte
monsters

Aantal Nummer van het Salmonellatypen
positieve positieve monster
monsters

per zak__

S. bredeney

S. manchester
S. panama
S. typhi murium

S. typhi murium lx

5. worthington

S. panama

S. dublin

S. typhi murium 2x

5,4 x 103
1,6 X 103

1,6 X 10^

2,4 X 103

<

10
102
10
10

860
830
848
756

1,6 X 10»

2,4 X 103
2,4 X 102
5,4 X 102

<

10
10
10
102

824
830
837
891

5,4 X 102
5,4 X 102

102
102

951
836

1,6 X 10»

103

859

2,4 X 10®

10

897

2,4 X 103

10^

860

1,6 X 103

102

840

5,4 X 102

102

848

5,4 X 102

102

653

2,4 X 102

102

706

-ocr page 635-

300

ton

Peru

2

1, 26

5.

typhi murium

2x

5,4 X

102

103

717

100

ton

Peru

5

458, 476,

482,

S.

typhi murium

4x

2,4 X

103

10

800

515, 799

s.

Panama

50

ton

Peru

3

100, 585,

681

s.

typhi murium

3x

5,4 X

102

10

746

300

ton

Peru

1,6 X

10»

102

843

100

ton

Peru

5,4 X

102

10

948

250

ton

Peru

6

5, 664, 681, 682,

s.

typhi murium

6x

5,4 X

102

102

796

583, 691

200

ton

Peru

1

327

s.

typhi murium

2,4 X

102

10

852

50

ton

Peru

2,4 X

10^

10®

898

50

ton

Peru

1

901

s.

newport

5,4 X

102

102

946

50

ton

Peru

5,4 X

10

10

846

50

ton

Peru

1,6 X

103

102

897

200

ton

Chili

5,4 X

10

10

844

150

ton

Chili

1

169

s.

newington

842

800 ton
1140 ton
650 ton
7646 ton
650 ton
7646 ton
650 ton
7646 ton
2670 ton
bijlading
2670 ton
bijlading
2670 ton
bijlading
950 ton
50 ton
950 ton
50 ton
950 ton
50 ton
950 ton
50 ton
800 ton

vismeel

lading

vismeel

lading

vismeel

lading

vismeel

lading

vismeel

vismeel

vismeel

vismeel

lading

vismeel

lading

vismeel

lading

vismeel

lading

vismeel

s w

T Ho

U Ho

V Ho
W A-B
X A-B

Y A-B
ZA L.B
ZB L.B.
ZC L.B
ZD L.B
ZE Ka
ZF Bu

koper en erts
500 ton vismeel
koper, huiden e,
rozenhoutolie

-ocr page 636-

overgebracht in 5 buizen runderbouillon en 5 x 1 ml in 5 buizen uitge-
kookte bouillon volgens Tarrozzi. Na 48 uur bebroeden bij 37° C wer-
den de „most probable numbers" van aerobe en facultatief plus obligaat
anaerobe kiemen bepaald, daarbij gebruik makend van de door de A.B.H.A.
gepubliceerde M.P.N.-tabel (Standard methods for the examination of
water and waste water, 11th Edition, 1961).

Resultaten.

Bij een eerste, informatief onderzoek, waarbij per zak 5 monsters van 10
gram werden onderzocht, gelukte het niet uit deze 35 willekeurig getrokken
monsters
Salmonella-kiemen te isoleren. De resultaten van het nader onder-
zoek van deze 7 zakken waarbij de gehele inhoud, verdeeld in monsters van
50 gram, werd onderzocht, zijn in tabel 1 weergegeven. Op deze wijze onder-
zocht bleken 6 van de 7 zakken met
Salmonella-kiemen besmet te zijn. Hier-
door wordt de geringe betrouwbaarheid van de eerste methode aangetoond.
De resultaten van het hoofdonderzoek zijn weergegeven in tabel 2.
Van de 30 onderzochte zakken bleken er 14 besmet te zijn. Daar het ge-
trokken monster van 30 zakken, blijkens de wijze van bemonsteren, als een
aselecte steekproef uit de in Nederland aangevoerde zakken vismeel mag
worden beschouwd, volgt, dat de beste schatting van het percentage be-
smette zakken 14:30 = 47% bedraagt. Aangenomen mag worden, dat de
verdeling van de besmette zakken een binomiale verdeling is: de frequentie
van de schepen, waarbij O, 1, 2 en 3 besmette zakken per 3 onderzochte
zakken werden gevonden, is hiermede in overeenstemming.
I^aaruit volgt, dat met een betrouwbaarheid van 99% kan worden gesteld,
dat tenminste 26% van de in Nederland geïmporteerde zakken vismeel (4
miljoen zakken per jaar) met
Salmonella-kiemen zijn besmet en met een
betrouwbaarheid van 95%, dat tenminste 31% der zakken zijn besmet.
Hierbij dient te worden opgemerkt, dat in de literatuur melding wordt
gemaakt van het geleidelijk afsterven van
Salmonella-kiemen in vismeel bij
langere bewaring (Van der Schaaf et al., 1962; Mossel, 1963).
Voorlopige onderzoekingen in het Laboratorium voor Zoönosen wijzen
eveneens in deze richting. Uit proefnemingen met vismeel, kunstmatig he-
smet met gelyofiliseerde cultuur van
S. typhi murium, stelden wij de vol-
gende gegevens omtrent het spontaan afsterven van dit
Salmonella-type vast.
Om één dag na de besmetting
S. typhi murium te kimnen aantonen in alle
van 25 monsters van 1, 5 en 10 gram, moest het kiemgetal minstens 10^
per gram bedragen.

Toen het kiemgetal 10^ bedroeg, waren 24 uur na de besmetting alle 25
monsters van 5 en 10 gram en 80% van de 25 monsters van 1 gram positief.
Toen het kiemgetal 10\' per gram bedroeg, werden positieve uitslagen
verkregen in 80%, 64% en 16% van de 25 monsters van resp. 10, 5 en 1
gram.

Eén week na besmetting waren alle monsters van 10 gram, welke oorspron-
kelijk 101 en 102 kiemen per gram bevatten, negatief.
Twee weken na besmetting waren alle monsters van 10 gram, welke oor-
spronkelijk 101, 10"\', 103 en 104 kiemen per gram bevatten, negatief.
Vier weken na besmetting waren 92% van alle monsters van 10 gram, welke
oorspronkelijk 10^ kiemen per gram bevatten positief, terwijl alle monsters
met lagere kiemcijfers weer negatief waren.

-ocr page 637-

Eén jaar na besmetting waren alle monsters van 10 gram, welke oorspron-
kelijk 105 kiemen per gram bevatten, ook negatief.

Aangezien bij het bovenbeschreven onderzoek de zakken, afhankelijk van
het tijdstip van onderzoek, pas geruime tijd na aanmaak van het meel wer-
den onderzocht, dient er met nadruk op te worden gewezen, dat bovenge-
noemde cijfers minimumgetallen zijn.

Tevens blijkt uit tabel 2, dat in 8 \\ an de 14 met Salmonella-kiemen besmette
zakken
S. typhi murium aanwezig was. Dit houdt in, dat met een zekerheid
\\-an 99% kan worden gesteld, dat 10%, en met een zekerheid van 95% dat
14% der in Nederland geïmporteerde zakken vismeel met
S. typhi murium
zijn gecontamineerd.

Discussie.

Rij het onderzoek op Salmonella van produkten als vismeel, waarin deze
kiem onregelmatig verspreid en/of in geringe aantallen voorkomt, zijn de
wijze van bemonsteren en onderzoek van het monster bepalend voor de
resultaten, welke men bij dit onderzoek verkrijgt. Slechts het op de juiste
wijze uitgevoerde onderzoek van een statistisch verantwoord getrokken
steekproef, kan geldige informatie opleveren omtrent de werkelijke mate
waarin vismeel met
Salmonella-kïemen is besmet.

Ten aanzien van het op de juiste wijze onderzoeken van een bepaalde hoe-
\\cclheid vismeel op
Salmonella-kiemen, kan, op grond van in dit laborato-
rium opgedane ervaring, worden gesteld, dat uitsluitend het onderzoek van
de totale hoeveelheid, dus van de gehele steekproef, betrouwbare informatie
oplevert over het al dan niet aanwezig zijn van
Salmonella-kiemen. De volg-
nummers van de positieve monsters, vermeld in tabel 2, leveren in deze een
duidelijk bewijs.

Bij vele tot op heden uitgevoerde onderzoekingen van geïmporteerde vis-
melen, onder andere in Nederland, is aan bovengenoemde voorwaarden
niet voldaan, zodat de resultaten ervan géén conclusies toelaten omtrent de
werkelijke mate van besmetting van geïmporteerd vismeel. Evenzo geldt,
dat uitsluitend de scrotypefrequentie in de op de juiste wijze onderzochte
aselecte steekproef bepalend is voor de serotypefrequentieverdeling in de
gehele populatie. In dit licht gezien, moeten vele gegevens, ook die voor
Nederland, met betrekking tot de mate van voorkomen van de verschillende
s(>rotypen in geïmporteerde vismeel, en het voorkomen van
S. typhi murium
in het bijzonder, als onjuist worden beschouwd.

Dankbetuiging.

Gaarne betuigen wij op deze plaats onze welgemeende dank aan: Dr. F. D r i o n.
Hoofd van de Afdeling Bewerking Waarnemingsuitkomsten, T.N.O., Den Haag;
het Bestuur van het Produktschap voor Veevoeder, Den Haag; het Bestuur van de
Vereniging van Importeurs van Dierlijke Eiwitten, Rotterdam en de Algemene In-
spectie Dienst van het Ministerie van Landbouw, Den Haag.

Zonder de volledige medewerking van genoemde personen of instanties zou dit onder-
zoek niet mogelijk zijn geweest.

SAMENVATTING.

In de eerste helft van 1962 was 90% van het in Nederland geïmporteerde vismeel
(totale hoeveelheid geïmporteerd vismeel in 1962 185.000 ton) uit Peru en 10%
uit Chili afkomstig.

-ocr page 638-

Op grond van een statistische analyse van deze import werden in het tweede halfjaar
van 1962 van 10 schepen elk 3 zakken vismeel verzameld. Van de aldus verkregen
30 zakken werden per week per zak 50 monsters van 50 g onderzocht en wel zó lang
tot de inhoud van alle zakken geheel onderzocht was.

Op grond van gegevens bij dit onderzoek verkregen kan met een zekerheid van 99%
worden gesteld, dat 26% van de in Nederland geïmporteerde zakken vismeel (4 mil-
joen zakken per jaar) en met een zekerheid van 95% dat 31% der zakken met
Salmonella-\'kitmtn zijn besmet. In 8 van de 14 positieve zakken bleken de Salmonella-
kiemen
onder andere tot het type S. typhi murium te behoren, hetgeen betekent, dat
met een betrouwbaarheid van 99% kan worden gesteld, dat 10% en met een be-
trouwbaarheid van 95%, dat 14% der in Nederland geïmporteerde zakken vismeel
met
S. typhi murium besmet zijn.

Bij een voorproef met 7 zakken vismeel, afkomstig uit Peru, was gebleken, dat in
5 monsters van 10 g, genomen van 5 verschillende plaatsen per zak, geen
Salmonella-
kiemen
konden worden gevonden. Toen vervolgens de zakken geheel werden onder-
zocht (in 1000 monsters van 50 g), bleken 6 van de 7 zakken in meer of minder
sterke mate met
Salmonella-kiemen gecontamineerd te zijn.

De auteurs wijzen er met nadruk op, dat slechts een volledig onderzoek van een
statistisch verantwoorde steekproef betrouwbare informatie kan geven omtrent het
voorkomen van
Salmonella-kiemen in geïmporteerd vismeel.

SUMMARY.

In the first half of 1962, 81.9% of the annual 185.000 tons of fish meal imported
into The Netherlands, originated from Peru, while 9.2% came from Chili. On the
basis of a statistical study of this import, three bags of fish meal from each of 10 ships
were collected in the latter half of 1962. Each of the 30 bags had been com-
pletely examined. On the basis of the findings obtained in this way, it was calculated
with 99% reliability that 26% of the bags of fish meal imported into The Nether-
lands (4 million bags per year) are contaminated with
Salmonella. The contamina-
tion rate was calculated to be 31% with a reliability of 95%. In 8 out of 14 positive
bags the serotypes found included
S. typhi murium; this means that 10% (99%
reliability) or 14% (95% reliability) of the bags of fish meal imported into The
Netherlands are contaminated with
typhi murium.

A prehminary study of 7 bags of fish meal from Peru showed that no Salmonella
could be isolated from five 10 gr samples obtained from five different sites in each
bag. A subsequent examination of the entire bag contents (i.e. 1000 samples of 50 gr)
showed that 6 of the 7 bags were contaminated by
Salmonella.

It is concluded that only a complete examination of a statistically correct random
sample can give reliable information on the occurrence of
Salmonella in imported lots
of fish meal.

RÉSUMÉ.

Dans la première moitié de 1962 90% de la farine de poisson importée aux Pays Bas
(quantité totale de la farine de poisson importée en 1962: 185.000 tonnes) était
originaire du Pérou et 10% du Chili.

A l\'occasion d\'une analyse statistique de cette importation on a collectionné dans
la seconde moitié de 1962 de 10 bateaux chacun 3 sacs de farine de poisson.
Des 30 sacs ainsi obtenus on a examiné par semaine par sac 50 échantillons de 50
grammes et cela jusqu\'à ce que le contenu de tous les sacs fût entièrement examiné.
En vertu des données obtenues grâce à cet examen on peut constater avec une cer-
titude de 99% que 26% des sacs de farine de poisson importés aux Pays Bas (4
millions de sacs par an) et avec une certitude de 95% que 31% des sacs ont été
contaminés de germes de
Salmonella. Dans 8 des 14 sacs positifs les germes pa-
rurent appartenir notamment au type de
typhi murium, ce qui veut dire qu\'avec
une certitude de 99% on peut constater que 10% et avec une certitude de 95%

-ocr page 639-

que 14% des sacs de farine de poisson Importés aux Pays Bas ont été contaminés de
S. typhi murium.

Lors d\'une expérience préalable avec 7 sacs de farine de poisson originaires du Pérou
il avait paru que dans 5 échantillons de 10 grammes, prélevés sur 5 endroits diffé-
rents du sac, on ne réussit pas à trouver de germes de
Salmonella. Lorsqu\'on procéda
ensuite à examiner ces sacs entièrement (en 1000 échantillons de 50 grammes), 6
exemplaires sur 7 sacs parurent être ocntaminés de germes de
Salmonella dans une
mesure plus ou moins grande.

Les auteurs tiennent à assurer que seul un examen complet d\'un sondage statistique-
ment justifié pourra donner des renseignements véridiques sur la présence de germes
de
Salmonella dans la farine de poisson importée.

ZUSAMMENFASSUNG.

In der ersten Hälfte des Jahres 1962 stammten 90% des in den Niederlanden einge-
führten Fischmehls (totale Menge des importierten Fischmehls in 1962: 185.000
Tonnen) aus Peru und 10% aus Chile.

.Auf Grund einer statistischen Analyse dieses Imports vjiurden in der zweiten Hälfte
des Jahres 1962 von 10 Schiffen je 3 Säcke Fischmehl genommen. Von den so er-
haltenen 30 Säcken wurden wöchentlich per Sack 30 Muster von je 50 Gramm unter-
sucht, und zwar solange, bis der Inhalt sämtlicher Säcke vollständig untersucht war.
.Auf Grund der verrichteten Untersuchungen kann mit einer Sicherheit von 99%
angenommen werden, dass 26% der in den Niederlanden eingeführten Säcke Fisch-
mehl (4 Millionen Säcke per Jahr), und mit einer Sicherheit von 95%, dass 31%
der Säcke mit
Salmonella-\'ketmen kontaminiert sind. In 8 von den 14 positiven
Säcken erwies sich, dass die Keime u.a. zum Typus
S. typhi murium gehörten, was
bedeutet, dass mit einer Sicherheit von 99% behauptet werden kann, dass 10% und
mit einer Sicherheit von 95%, dass 14% der in den Niederlanden eingeführten
Säcke Fischmehl mit
S. typhi murium kontaminiert sind.

Bei einer Probe mit 7 Säcken Fischmehl aus Peru erwies sich, dass in 5 Mustern von
10 Gramm, genommen auf 5 verschiedenen Stellen desselben Sackes, keine
Salmo-
nella-keime
gefunden wurden. .Als danach die Säcke ganz untersucht wurden, (in
1000 Muster von 50 Gramm), enthielten 6 von den 7 Säcken in mehr oder weniger
grossem Umfang
Salmonella-keimt.

Mit Nachdruck weisen die Verfasser darauf hin, dass nur eine umfassende Unter-
suchung einer statistisch verantworteten Stichprobe eine 2uvcrlässi.ge Information
über das Vorhandensein von
Salmonella-Vcimen in importierten Fischmehl ver-
schafft.

LITERATUUR

Adam, W.: Über die Herstellung und Pasteurisierung von Fischmehl im Hinblick
auf dessen Gehalt an Salmonellabakterien.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 70, 49,
(1957).

■Anderson, K. and Woodruff, P. : The bacteriological screening of dessicated

coconut. Med. J. of Australia, I, 856, (1961).
Bischoff, J. und Rhode, R. : Salmonellen in Fisch- und Fleischmehlen aus-
ländischer Herkunft.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 68, 307, (1956).
F e y, H. und V a 11 e t t e, H.: Nachweis von Salmonellen in Fluss- und Abwässern
sowie bei gesunden Schlachtschweinen in Genf.
Schw. Arch. Tierheilk., 103, 10,

(1961).

G a 1 t o n, M. M., Smith, W. V., M c E 1 r a t h, H. B. and Hardy, A. B. : Sal-
monella in swine, cattle and the environment of abattoirs,
j. inf. Dis., 95, 236,
(1954).

Guinée, P. A. M. and Kampelmacher, E. H.: Influence of variation of the
enrichment method for detection of Salmonella.
Ant. v. Leeuwenh., 28, 417,

(1962).

-ocr page 640-

Ju reik, W.: Die zunehmende Salmonella-Infektionen — ein Seuchen — und
lebensmittelhygienisches Problem.
Wien, tierärtzl. Mschr., 49, 436, (1962).

K a m p e 1 m a c h e r, E. H., Guinée, P. A. M., H o f s t r a, K, and Keulen,
A. van: Studies on Salmonella in slaughter-houses.
Zbl. f. VetMed., 8, 1025,
(1961).

K a m p e 1 m a ch c r, E. H., Guinée, P. A. M., H o f s t r a, K. and Keulen,
A. v a n: Further studies on Salmonella in slaughter-houses and in normal slaughter
pigs.
Zbl. VetMed., 10, 1, (1963).

Kendereski, S.: Ein Beitrag zum Auftreten von Bakterien der Salmonella-
Gruppe in Fleisch und in den Organen notgeschlachteten Tiere.
Schlacht- und
Viehhof Zeitung,
2, 37, (1962).

Morehouse L. G. and W e d m a n, E. E.: Salmonella and other disease pro-
ducing organisms in animal by-products. survey.
J. Am. vet. med. ^ü., 139,
989, (1961).

Mossel, D. A. A.: La survie des Salmonellae dans les différents produits alimen-
taires.
Ann. Inst. Pasteur, 104, 551, (1963).

Newell, K. W., M c G 1 a r i n, R., M u r d o c k, G. R., McDonald, W. N.
and Hutchinson, FL L.: Salmonellosis in Northern Ireland, with special
reference to pigs and Salmonella contaminated pig meal. ƒ.
Hyg., 57, 92, (1959).

N o o r d a m, A. L. and Postma, G.: Varkensvlees als bron van paratyphus („an-
dere Salmonellosen").
Ned. Tijdschr. Geneesk., 105, 1421, (1961).

Rackow, H. G. und Wiese, H.: Ergebnisse und Erfahrungen 3 jähriger bakte-
riologischer Einführungsuntersuchungen von Futtermitteln tierischer Herkunft
auf gesetzlicher Grundlage.
Berl. Münch, tierärtzl. Wschr., 71, 340, (1958).

Rappaport, F., K o n f o r t i, N. and Navon, Betty: A new enrichment
medium for certain Salmonellae.
]. din. Path., 9, 261, (1956).

Report of the Working Party of the PubUc Health Laboratory Service; Salmonella
organisms in animal feeding stuffs.
Monthly Bull, of the Ministry of Health and
the Public Health Laboratory Service,
18, 26, (1959).

Report of the Working Party of the Public Health Laboratory Service; Salmonella
organisms in animal feeding stuffs.
Monthly Bull, of Ministry of Health and the
Public Health Laboratory Service,
20, 73, (1961).

Rhode, R. und Bischoff, J.: Die epidemiologische Bedeutung Salmonella-
infizierter Tierfuttermittcl (insbesondere KnochDnschrot und Fischmehl) als
Quelle verschiedene Lebensmittelvergiftungen.
Zbl. Bakt. I Ref., 159, 145, (1956).

Röhr, W.: Salmonellen in Futtermitteln, Mschr. VetMed., 15, 296, (1960).

Rutquist, L.: Vorkommen von Salmonella in Futtermitteln vegetabilischen Ur-
sprungs.
Zbl. VetMed., 8, 1016, (1961).

Schaaf, A. van der: Salmonellose onder de werking van de Veewet. Tijdschr.
Diergeneesk.,
87, 976, (1962).

Schaaf, A. van der, Z ij 1, H. J. M. van en Hägens, F. M.: Diermeel en
Salmonellosis.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 211, (1962).

Seeliger, H. P. R.: Salmonellen in Deutschland seit 1950, Arch. Lebensrnittelh.,
8, 256, (1957).

Standard methods for the examination of water and waste water, including bottom-
sediments and sludges. 11th Ed, 1961, 502-507. Am. Publ. Hlth. Ass. Inc., New
York.

Walker, J. H. G.: Organic fertihzers as a source of Salmonella infection. The
Lancet, August 10, 238-284, (1957).

Winkle, S. von und Rhode, R,: Uber die Gefahr der bakteriologische unkon-
trollierten Importes ausländischer Tierfuttermittcl mit besonderer Berücksichti-
gung der Schweinezucht.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 70, 443, (1957).

-ocr page 641-

De werking van methyridine („Mintic", I.C.I.)
bij een groep kalveren, experimenteel geïnfec-
teerd met Cooperia, Ostertagia en Trichosfron-
gylus.

The effect of methyridine („Mintic" I.C.I.) on a
group of calves, experimentally infected with Cooperia,
Ostertagia and Trichostrongylus.

door J. E. T. LANGELER*)

Uit de Laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig In-
stituut, afdeling Rotterdam.

Inleiding.

Methyridine is een pyridine-derivaat, dat in 1961 door de Imperial Chemi-
cal Industries Ltd., VVilmslow, England, om zijn goede eigenschappen als
anthelminticum op de markt is gebracht. Het is een lichtbruin gekleurde,
enigszins visceuze vloeistof, die zich zeer gemakkelijk met water vermengt
en die de volgende structuur heeft:

_ CHo — CHo — O — CHo

Het middel wordt in twee vormen in de handel gebracht:

le. als steriele 90% oplossing in water voor subcutane of intraperitoneale

injectie (,,Promintic", I.C.I.);
2e. als 47,9% met hydroxylamine hydrochloride gestabiliseerde oplossing

van het sulfaat in water voor orale toediening („Mintic", I.C.I.).
Het zou zowel tegen volwassen als jonge, nog larvale, stadia van talrijke
maagdarmnematoden werkzaam zijn, terwijl ook werkzaamheid tegen
longnematoclen werd aangegeven.

Naar aanleiding van deze berichten is aan het Centraal Diergeneeskundig
Instituut te Rotterdam in 1962 de werking van het middel nagegaan bij
een groep kalveren, kunstmatig geïnfecteerd met
Cooperia, Ostertagia en
Trichostrongylus. Dit experiment wordt in het hier aangeboden artikel be-
schreven. Genoemde geslachten maken deel uit van de familie der
Tricho-
strongylidae,
welke in hoofdzaak verantwoordelijk is voor de maagdarm-
strongylose van rund en schaap.

De anthelmintische werking van methyridine is het eerst op muizen vast-
gesteld en vervolgens bij rund, schaap en andere huisdieren geprobeerd
(Broome en Greenhal gh, 1961).

Vooral tegen darmwormen bleek bij rund en schaap de werking reeds
direct uitstekend te zijn; de werking tegen maagwormen is iets minder
(Wal ley, 1961). In latere proeven werd het sterk anthelmintische

-ocr page 642-

effect verder aangetoond, waarbij tevens werd vastgesteld, dat dit even-
zeer bij intraperitoneale als bij subcutane toediening het geval is (VV al -
ley, 1962). Hendriks (1962, 1963) beschreef de werking bij kippen
tegen
Capillaria obsignata. Bij subcutane toediening van het middel treedt
bij rund en schaap dikwijls een lokale, soms blijvende zwelling op, die
echter onschuldig is en niet opweegt tegen de zeer grote voordelen die het
biedt (Thorpe, 1962).

In Engeland is het reeds op uitgebreide schaal in de praktijk beproefd
(Young, 1961; Hamilton, 1961; Gracey en Kern 1961;
Macrae, 1961). Zelfs bij ernstige, klinische gevallen van maagdarm-
strongylose treedt bij kalveren spoedig verbetering in, de diarree houdt
binnen 5 dagen op, de dieren gaan er beter uitzien en liggende dieren
gaan weer opstaan (Young, 1961). In Duitsland is de werking van
methyridine bij maagdarmstrongylose van het schaap nagegaan door
BochenHörchner (1963) en ook uit Nederland zijn reeds resulaten
gemeld bij schapen (Tesink, 1963).

De werking tegen longwormen {Dictyocaulus spp.) bij rund en schaap is
beschreven door Wal ley (1963), door Gründer (1963) en door
Enigk en Düwel (1963). Bij lichte longworminfecties, vooral indien
gelijktijdig maagdarmstrongylose in het spel is, is het middel geschikt, bij
zware infecties echter schijnt de werking onvoldoende te zijn, volgens deze
auteurs.

Macrae (1961) beschouwt methyridine als het middel dat cen bijkans
revolutionaire omwenteling teweeg zal brengen in de bestrijding van
maagdarmstrongylose. Gibson (1961) acht het waarschijnlijk, dat
methyridine het routine-middel bij de behandeling van maagdarmstrongy-
lose van runderen zal worden en mogelijk ook bij schapen fenothiazine
naar de kroon zal gaan steken.

Met de toxiciteit van methyridine bij overdosering moet echter rekening
gehouden worden. Bij subcutane of intraperitoneale toediening wordt een
dosering aanbevolen van 200 mg per kg. lich. gew. Deze wordt bij alle
diersoorten (voor zover bekend) goed verdragen. Bij subcutane toediening
van 400 mg per kg. lich. gew. treedt bij rund en schaajj echter reeds
sterfte op (Wal ley, 1961).

Zowel bij orale, subcutane als intraperitoneale toediening bereikt het mid-
del alle plaatsen van het maagdarmkanaal, en wel doordat het in de
bloedbaan wordt opgenomen en van daar naar de digestietractus wordt
uitgescheiden, waar het zijn werking als anthelminticum ontplooit
(Broome, 1961).

Opzet en uitvoering van het onderzoek.

12 jonge stierkalveren (11 F.H. en 1 M.R.IJ.), door bemiddeling van de
veehandel aangekocht op 23-2-\'62, werden vanaf die datum opgestald
aan het C.D.I.

Volgens schatting was het jongste kalf ± 6 weken en het oudste ± 11 ä

13 weken oud bij aankomst. Geen der dieren had weidegang gehad; een
infectie met maagdarmwormen was onwaarschijnlijk.

De huisvesting aan het C.D.I. werd zodanig geregeld, dat infectie met
Trichostrongyliden vanaf de stalbodem uitgesloten kon worden geacht.
De dieren werden daartoe aangebonden geplaatst en de stal werd 2x per

-ocr page 643-

week uitgemest, uitgespoten en schoongeschiobd. Aan voedsel werd per
dag per dier verstrekt, hooi ad libitum en 3 liter volle melk, verstrekt in
2 porties van I/2 liter.

Op 7-3-\'62 werden de twaalf kalveren ieder per os geïnfecteerd met
48.813 ± 3213 Trichostrongylidenlarven van het infectieuze stadium,
gepipetteerd uit een suspensie van ruim 700.000 larven. Elk van de 12
porties larven was gesuspendeerd in ± 100 ml met noritpoeder gezuiverd
leidingwater en werd met een flacon ingegeven, welke 2 x met water werd
nagespoeld. De procentuele samenstelling van de suspensie van 700.000
larven was vooraf globaal bepaald door 320 larven, hieruit willekeurig
genomen, op geslacht te determineren.

Gevonden werden: Cooperia 96, Ostertagia 9, Trichostrongylus 215, totaal
320; of in procenten:

Cooperia 30% 14.644 ± 964
Ostertagia 3% 1.464 i 96
Trichostrongylus 67%_32.705 ± 2153

100% 48.813 ± 3213

Een onderverdeling van deze geslachten naar de soort werd niet gemaakt,
daar dit bij de meeste larven niet mogelijk is. Er kan echter aangenomen
worden, dat het geslacht
Cooperia voor de overgrote meerderheid bestond
C. oncophora, het geslacht Ostertagia uit O. ostertagi en het geslacht Tri-
chostrongylus
uit T. axei, daar bij determinatie van Trichostrongyliden uit
lebmaag en dunnedarm van Nederlandse slachtrunderen blijkt, dat deze
soorten meestal de overgrote meerderheid uitmaken van genoemde ge-
slachten.

De larven waren verkregen door verse faeces van een graskalf met
ernstige klinische verschijnselen van maagdarmstrongylose (diarree, ver-
vuild achterstel, sterke vermagering, ruw baarkleed) te mengen met zaag-
sel en water tot een rulle substantie, en de/e vervolgens gedurende 7 dagen
te bebroeden bij 27° C. De infectieuze lai-ven, welke zich in die periode
uit de eieren hadden ontwikkeld, werden uit de bebroede substantie door
middel van de Baermann-methode geïsoleerd. Op het tijdstip van toe-
diening aan de kalveren waren de lanen ± 6 weken oud.
De gewichten van de kalveren liepen daags vóór de infectie uiteen van
59 kg tot 99 kg (gemiddeld gewicht 75,7 kg) en hun leeftijden varieerden
naar schatdng van ± 8 weken tot
dr 13 a 15 weken.
Gedurende de ]5rocf werden de dieren wekelijks gewogen, in totaal zes
maal.

Twaalf dagen na de toediening van de larven werd een indeling volgens
lichaamsgewichten gemaakt in 3 gelijkwaardige groepen van ieder 4
dieren. Ieder dier van Groep I kreeg op die dag „Mintic" (I.C.I.) per
os in de voorgeschreven dosering van 0,55 ml per kg lichaamsgewicht,
overeenkomende met 200 mg methyridine per kg lichaamsgewicht.
Met ingang van diezelfde twaalfde dag werden bij de overige 8 dieren
dagelijks, gedurende 5 dagen achtereen, met behulp van een verzadigde
NaCl-oplossing, ei-concentraties uit zt 1 gram faeces gedaan (12e-17e
dag). Een centrifugebuisje met geslepen rand, geheel en al gevuld met
een suspensie van d= 1 gram faeces in verzadigde NaCl-oplossing, wordt
met een ontvet dekglaasje bedekt. Bij centrifugeren stijgen Trichostrongy-
liden-cieren, indien aanwezig, op en hechten zich aan de onderrand van

-ocr page 644-

dit dekglaasje. Het wordt rechtstandig afgenomen, op een voorwerpglaasje
gelegd en vervolgens microscopisch onderzocht. Deze methode wordt
toegepast indien het aantal eieren per gram faeces te gering is (< 6)
om met de telkamer bepaald te kunnen worden.

Voorts werd bij alle 12 dieren vanaf de 19e — 41e dag dagelijks
(behalve tijdens de week-einden) het aantal eieren per gram faeces be-
paald volgens een gewijzigde Mac Mastei-methode, beschreven door
Dorsman (1957). Zowel de ei-concentraties als de eitellingen werden
steeds in duplo verricht. De voor de bepalingen benodigde faecesmonsters
werden rectaal afgenomen en voor zover mogelijk op hetzelfde uur van de
dag (\'s ochtends 8.30 uur).

Uitvoering der proef.

Op dag O (7-3-\'62) \'s ochtends om 9 uur werden aan ieder kalf oraal
48.813 ± 3213 infectieuze Trichostrongylidenlarven toegediend.
Op dag 12, \'s namiddags 15.30 uur, kreeg ieder kalf van Groep I oraal
„Mintic" (I.C.I.) in de voorgeschreven dosering van 0,55 ml per kg lich.
gew., onverdund. Flacon 1 x met water nagespoeld.

12e — 17e dag: ei-concentraties bepaald met behulp van een verzadigde
NaCl-oplossing uit ± 1 gram faeces van ieder van de kalveren van de
groepen II en III.

19e — 41e dag: dagelijks (behalve tijdens de week-einden) werd het
aantal eieren per gram faeces bij alle 12 kalveren bepaald.
Op dag 33 werden de groepen II en IH gevormd op basis van de tot
die dag verkregen waarden voor het aantal eieren per gram faeces. Er
werd tevens voor gezorgd, dat de som van de lichaamsgewichten in beide
groepen met elkaar in overeenstemming waren.

Op dag 34, \'s namiddags om 15.30 uur, werd aan ieder kalf van Groep H
oraal „Mintic" (I.C.I.) in dc voorgeschreven dosering van 0,55 ml per
kg lichaamsgewicht, onverdund gegeven. Flacon 1 x met water nagespoeld.
De kalveren van groep III kregen geen methyridine en evenmin een
ander anthelminticum (controlegroep).

Dag 41: Alle kalveren werden geslacht; lebmagen en dunnedarmen uit-
gespoeld, inhouden kwantitatief verzameld en behandeld met een fixatie-
vloeistof ter fixatie van dc aanwezige wormen.

Het aantal en het geslacht van de wormen in de verkregen orgaaninhou-
den werden op een later tijdstip bepaald, resp, door middel van verdun-
ningstellingen en door determinatie. Met de verkregen gegevens werd
vervolgens de werkzaamheid van methyridine op ieder van de geslachten
Cooperia, Ostertagia en Trichostrongylus nagegaan.

Techniek van het post-mortaal orgaanonderzoek.
LEBMAAG,

Dit orgaan, nog bevestigd aan de boekmaag, wordt vanaf de pylortis langs
de grote curvatuur opengeknipt tot aan de boekmaag, waarna de inhoud
er onder de kraan uitgespoeld wordt en kwantitatief wordt opgevangen in
een emmer. Deze inhoud wordt vervolgens bij gedeelten op een ronde,
metalen zeef gebracht met een doorsnede van 20 cm, een opstaande rand
van 7 cm hoogte en een maaswijdte van 80 mazen per lin, inch,

-ocr page 645-

Na uitspoelen met een krachtige waterstraal blijven de wormen met de
grovere vezelbestanddelen uit de maaginhoud op de zeef liggen. Deze
substantie wordt overgebracht in een pot met ingeslepen stop en over-
goten met een formaline-fixatievloeistof *) ter fixatie van de wormen.
Zodra de telling en de determinatie van de wormen zullen plaatsvinden
wordt de inhoud overgebracht in een emmer van 12 liter, op welks bin-
nenwand een merkteken (streep) is aangebracht, dat de hoogte van de
vloeistofspiegel aangeeft indien de emmer 10 liter vloeistof bevat. De
emmer wordt tot die streep met water bijgevuld, de inhoud wordt homogeen
gemengd en vervolgens wordt er al roerende met een cylindrisch glazen
monsterbuisje van bekende inhoud tienmaal achtereen een monster uit-
genomen en uitgegoten in een Petrischaaltje.

Onder het prepareermicroscoop worden hier de wormen stuk voor stuk
uit verwijderd en overgebracht in een bakje met fixatievloeistof, waarbij
ze tegelijkertijd geteld en gedetermineerd worden. Het aantal wormen,
dat in de betreffende lebmaag aanwezig was, wordt dan door berekening
als volgt gevonden:

10,000

,\'\\antal wormen --^- x gem, aant. wormen per schaaltje.

inhoud monsterbuisjes in ml

DUNNEDARM.

Dit orgaan wordt longitudinaal tussen duim en wijsvinger uitgeknepen en
de inhoud opgevangen in een emmer of schaal. Het orgaan wordt éénmaal
nagespoeld met fixatievloeistof. De emmer- of schaalinhoud wordt ver-
volgens bij gedeelten over een zeef met opslaande rand (zie boven) ge-
goten, met een krachtige waterstraal uitgespoeld ter verwijdering van
slijm- en kleurstofbestanddelen en vervolgens behandeld als beschreven
onder de behandeling van de lebmaag.

\\\'erkregen uitkomsten der proef.

Een overzicht van de beschikbare parasitologische resultaten van de proef
vanaf het begin tot aan de datum van slachten is weergegeven in tabel 1.
De gewichten van de kalveren zijn vermeld in tabel 2.

EII\'ELLINGEN.

Op dag 12 werden bij één kalf voor het eerst enkele eieren in de faeces
aantoonbaar. Op dag 19 waren de monsters van 7 van de 8 nog onbehan-
delde kalveren positief, op dag 21 de monsters van alle 8 kalveren. De
prépatent periode van de tot stand gebrachte infectie bedroeg dus 12-21
dagen.

De periode van de eiteüingen (19c-41e dagl kan in drie gedeelten worden
verdeeld:

19e — 26e dag: aanloopperiode
27e — 34e dag: constante periode (periode A)
36e — 40e dag: vergelijkingsperiode (periode R),
Blijkens de cijfers van de eitellingen bedraagt de som van de uitkomsten
dezer tellingen in periode A:

"■) Het recept hiervan luidt als volgt: 8 vol. delen fysiol. NaCl-opIossing

1 vol. deel formaline 40%

-ocr page 646-

bij de le proefgroep I: 403
bij de 2e proefgroep II: 11896
bij de controlegroep III: 10023
Hieruit valt te zien, dat de 2e proefgroep een iets sterkere infectie schijnt
te hebben dan de controlegroep; de berekening van de werking van
methyridine op de ei-produktie van de wormen in de 2e proefgroep zal
daardoor in ieder geval niet geflatteerd uitvallen.

Bij de le proefgroep is de som van de uitkomsten van de eitellingen aan-
zienlijk lager dan bij de controlegroep, hetgeen toegeschreven moet wor-
den aan de werking van methyridine, toegediend op de 12e dag post-
infectionem.

De som van de eitellingen in periode B bedraagt:
bij de le proefgroep I: 233
bij de 2e proefgroep II: 520
bij de controlegroep III: 4932
De controlegroep heeft dus de hoogste som, de beide andere hebben een
veel lagere door het toegepaste anthelminticum. De reductie in deze groe-
pen t.o.v. de controlegroep is gemakkelijk te berekenen (1% reductie =

49,32).

le proefgroep: reductie in de eitellingen t.o.v. controlegroep 95,3%.
2e proefgroep: reductie in de eitellingen t.o.v. controlegroep 89,5%.

Statistische analyse van de uitliomsten der eitellingen.

De uitkomsten van de eitellingen wijzen duidelijk op werkzaamheid van
methyridine op de tot stand gebracht infectie met
Cooperia, Ostertagia en
Trichostrongylus. Bij statistische analyse dezer uitkomsten blijkt het vol-
gende :

a. In groep I (methyridine toegediend op de 12e dag van de infectie) zijn
de verschillen tussen de kalveren onderling, wat betreft het aantal
uitgescheiden eieren in dc faeces, niet significant (P > 0,05). Het
verechil tussen periode A en B is evenmin significant (P > 0,05),
hetgeen voor de hand ligt, daar methyridine reeds weken vóór het
begin van periode A werd gegeven.

In groep II (methyridine toegediend op de 34e dag van de infectie)
zijn de verschillen tussen de kalveren onderling, wat betreft het aantal
uitgescheiden eieren in de faeces, zeer significant (P < 0,01). De
Trichostrongyliden-infectie heeft zich dus niet homogeen in dc groep
gevestigd. Het verschil tussen periode A en B is in deze groep, in
tegenstelling tot groep I, zeer significant (P < 0,01); methyridine heeft
een sterke invloed op het aantal uitgescheiden eieren per gram faeces
gehad.

In groep III (controlegroep) zijn de verschillen tussen de kalveren on-
derling, wat betreft het aantal uitgescheiden eieren, evenals in groep
II, zeer significant (P < 0,01). Ook in deze groep hebben de Tricho-
strongyliden zich dus niet homogeen gevestigd. Significant verschil
tussen periode A en B bestaat in deze groep niet (P > 0,05).

b. In periode A bestaat een significant verschil (P < 0,05) tussen groep
I (methyridine op de 12e dag) en groep II (methyridine op de 34e
dag). Tussen de groepen I en III bestaat een zeer significant verschil

-ocr page 647-

Tabel 1

Trichostrongyliden infectieproef 12 kalveren maart - april 1962

.Aantal Trichostrongyliden eieren per gram faeces

Nr. kalf Ei-concentraties met verz.

NaCl opl. uit — 1 gram
faeces (in duplo)

Aanloopperiode

periode A

periode B

Datum

19/3

20/3 21/3 22/3 23/3

26/3

27/3

28/3

29/3

30/3

2/4

3/4

4/4

5/4

6/4

9/4

10/4

10/4

12/4

13/4

16/4 17/4

le proefgroep

1 879

Mintic

< 6

< 6

< 6

< 6

< 6

25

13

6

<6

38

<6

13

31

19

19

4-

2 884

Mintic

< 6

< 6

< 6

< 6

< 6

31

19

6

38

<6

31

13

19

13

13

4-

3 889

Mintic

< 6

< 6

< 6

< 6

< 6

19

25

13

6

13

19

25

6

25

31

4-

4 891

Mintic

< 6

< 6

< 6

< 6

< 6

6

19

6

31

6

38

\'25

19

19

19

4-

<24

<24

<24

<24

<24

81

76

31

75

57

88

76

75

76

82

2e proefgroep

5 881

0-0

0-0

0-0

0-0

< 6

< 6

13

13

25

69

100

113

200

181

138

138

Mintic

38

50

13

4-

6 882

•—

0-0

1-0

0-0

3-0

31

38

100

94

169

406

581

569

563

563

806

644

Mintic

<6

<6

<6

4-

7 887

1-0

1-0

1-0

1-0

0-0

25

88

63

100

213

719

825

756

800

956

1094

1219

Mintic

131

119

150

4-

8 890

0-0

0-0

0-0

1-1

25

63

69

75

94

88

106

469

206

194

275

400

Mintic

13

<6

6

-1-

81

189

245

282

501

12821612

1907

1769

1894

2313

2401

182

169

169

controlegroep

9 886

0-0

0-1

0-0

1-0

25

63

75

131

275

363

500

388

194

338

269

356

350

369

306

4-

10 883

0-0

0-0

0-1

3-2

19

25

31

56

119

175

206

300

519

469

388

481

394

381

313

4-

11 885

0-0

0-1

1-1

3-2

38

63

88

113

269

194

444

569

506

475

513

594

450

656

413

12 888

0-0

1-0

0-0

0-2

31

31

38

50

106

381

338

344

444

425

475

488

400

481

419

113

182

232

350

769

11131488

1601

1663

1707

1645

1919

1594

1887

1451

dag:

12

13

14

15

16

19

20

21

22

23

26

27

28

29

30

33

34

34

36

37

40

41

Procentuele samenstelling van de larvensuspensie, waarmede de infectie (op 7/3) tot stand werd gebracht:

Cooperia 30% -f Ostertagia 3% Trichostrongylus 67% = 100%.

-ocr page 648-

Tabel 2
Gewichten in kilogrammen

6-3-\'62

14-3-\'62

19-3-\'62

27-3-\'62

3-4-\'62

10-4-\'62

I 879

59

60

66

74

76

82

884

60

64

67

76

77

86

889

83

90

96

101

104

114

891

99

110

114

122

124

132

(M.R.IJ.)

301

324

343

373

381

414

II 881

67

76

80

87

92

98

882

66

76

80

87

94

98

887

76

84

90

99

100

104

890

80

84

86

96

96

102

289

320

336

369

382

402

Hl 886

82

90

96

100

102

108

883

66

63

68

73

74

84

885

98

105

110

114

120

126

888

72

80

84

90

93

100

318

338

358

377

389 ■

418

dag:

le

7e

12e

20e

27e

34e

P < 0,01), tussen de groepen II en III geen significant verschil
(P >0,05).

Dat her verschil tussen de groejjen I en II slechts „significant" is, en niet
„zeer significant", wordt veroorzaakt door het feit dat in groep II
significante verschillen tussen de kalveren bestaan.
In periode B is het verschil tussen groep I en groe]3 II niet significant
(P >0,05). Het verschil tussen groep I en groep III is zeer signifi-
cant (P < 0,01) en het verschil tussen groep 11 en groep III eveneens
zeer significant (P < 0,01).

Daar het verschil tussen IB en IIB niet significant is, is het verschil
in reductie van IB t.o.v. IIIB en van IIB t.o.v. IIIB ook niet significant.
De beide reducties in de eitellingen (resp. 95,3% en 89,5%) kunnen
dus samengevoegd worden tot een gemiddelde reductie van 92,4%.

LICHAAMSGEWICHTEN

Blijkens tabel 2 stegen de lichaamsgewichten van de kalveren in alle
drie groepen regelmatig. De stijging was in de controlegroep (III) iets
minder dan in de proefgroepen (I en II) doch dit verschil was niet
significant (P > 0,05).

Gemiddeld kalvergewicht

6/3

10/4

stijging

I

75,2 kg

103,5 kg

37,6%

II

72,2 kg

100,5 kg

39,2%

III

79,5 kg

104,5 kg

31,4%

-ocr page 649-

KLINISCHE VERSCHIJNSELEN.

Deze waren zeer gering. Geen diarree (soms wel iets dunnere ontlasting
dan gewoonlijk, doch dit kon aan afwijkende hooi-kwaliteit worden toe-
geschreven; in het algemeen bleef de consistentie van de faeces steeds
voldoende stevig), geen vermagering (vgl. tabel 2 der lichaamsgewichten),
geen ruw baarkleed, wel vermindering van „kleur" bij de meeste dieren
vanaf de 10e a 12e dag post-infectionem tot aan de datum van slachten.
De infectie kwam alleen duidelijk tot uiting in het aantal eieren per
gram faeces.

NEVENVERSCHIJNSELEN VAN DE BEHANDELING .MET METHYRIDINE.

Na de toediening van methyridine per os („Mintic", I.C.I.) werd bij alle
kalveren een geringe schuimvorming in de bek waargenomen. Het middag-
rantsoen melk, kort na de toediening van het anthelminticum verstrekt,
werd graag opgenomen, doch er was nadien een trage, verminderde hooi-
o])name. De volgende ochtend was dc eetlust volledig teruggekeerd.

POST-MORT.AAL ONDERZOEK.

Bij het ])ost-mortaal onderzoek van de lebmaag- en dunnedarminhouden,
uitgevoerd als boven beschreven, is bij het nemen van de monsters uit
de emmer een buisje gebruikt met een inhoud van 13,9 ml. Het totaal
aantal wormen kan dus bij benadering worden berekend door de som
van dc aantallen wormen in de 10 petrischalen te vermenigvuldigen met

10-000.^ 1

13.9 10

Na het nemen van monsters werden in de yjctrischaaltjes de volgende
aantallen wormen geteld:

Kalfno.

lebmaag

I 879

5

4-

5

4-

3

4-

5

4-

5

4-

4

4- 2 -H 3

2 0 = 34, waarvan Tricho-

strongylus 33 en Ostertagia 1

884

3

4-

4

4-

4

4-

0

4-

3

4-

3

4-4 5

5 3 = 34, waarvan Tricho-

strongylus 33 en Ostertagia 1

889

2

4-

3

4-

4

4-

4

4-

4

4-

1

3 4-3

3 4-4 = 31, waarvan Tricho-

strongylus 28 en Ostertagia 3

891

6

4-

6

4-

3

4-

2

4-

2

4-

3

4-3 3

3 4- 2 = 33, waarvan Tricho-

strongylus 32 en Ostertagia 1

dunnedarm

I 879

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

884

0

0

0

0

0

-1-

0

0

0

0

0

889

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

891

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Totaal in groep I: 126 ex. Trichostrongylus en 6 ex. Ostertagia.

-ocr page 650-

lebmaag

II 881 2 0 4 2 2 3-1-1-1-2 3 1 = 20, waarvan Trich. 20
982 0 0 0 0 1 0 0 0 0 0= 1, waarvan Trich. 1
887 3 3 4 1 5 2 2 3 4 1 = 28, waarvan Trich. 20

en Ost. 8

890 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1= 1, waarvan Trich. 1

dunnedarm

II 881 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
882 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
887 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
890 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0

Totaal in groep II: 42 ex. Trichostrongylus en 8 ex. Ostertagia.

lebniaag

III 886 13 7 8 7 5 8 7 7 8 7 = 77,

waarvan Trich. 68 en Ost. 9

883

22

21

24

18

19

23

18 18 22 24 = 209,

waarvan Trich. 208 en Ost, 1

885

7

13

14

13

13

15

11 14 14 9 = 123,

waarvan Trich. 101 en Ost. 22

888

13

14

10

12

11

14

12 10 14 10 = 120,

waarvan Trich. 11 7 en Ost. 3

dunnedarm

III 886

3

3

4

7

2

3

3 3 4 5 = 37,

waarvan Coop. 37

883

1

2

2

1

2

0

1 1 1 2 = 13,

waarvan Coop. 12 en Trich. 1

885

9

10

11

9

6

11

-f-

11 6 7 11 = 91,

waarvan Coop. 91

888

3

2

3

3

4

6

2 4 2 2 = 31,

waarvan Coop. 30 en Trich. 1
Totaal
in groep III: 496 ex. Trichostrongylus, 35 ex. Ostertagia en 170 ex. Cooperia.

De werkzaamheid van medryridine in deze proef (het afdrijvingspercen-
tage) kan nu met de formule

gem. aantal wormen in controlegroep — gem. aantal in proefgroep ^ ^^^

gem. aantal in controlegroep
worden berekend. De volgende uitkomsten worden verkregen:

Trichostrongylus Ostertagia

496 - 126 370 ,, , „ 35 - 6 29
^ -496-= 496 = ^ 35 \' = 35 =

^ 496 — 42 454 35 — 8 27

g-ep II—^gg-= = 91,5% - 33 = 33 = 77,1%

Cooperia: groep I, 100%; groep II, 100%.

Daar echter de aantallen wormen, geteld in de petrischalen, uiterst variabel
waren (zie boven), zijn deze berekende afdrijvingspercentages weinig be-
trouwbaar.

-ocr page 651-

Gerechtvaardigd lijkt de conclusie, dat methyridine, zowel op de 12e als
op de 34e dag toegediend,
Cooperia volledig heeft afgedreven en op Tri-
chostrongylus
en Ostertagia een sterk afdrijvende werking heeft gehad.

Statistische analyse van het aantal wormen, post-mortem gevonden.
Wat betreft het totaal aantal wormen per dier is het verschil tussen
groep I en II niet significant (P > 0,05); het verschil tussen de behan-
delde groepen I -f II en III zeer significant (P < 0,01).
Slechts een gedeelte van het aantal larven, dat per dier is toegediend, heeft
zich tot volwassen wormen ontwikkeld (is gevestigd); het resterende ge-
deelte is verloren gegaan.

Van lebmaag -(- dunnedarm tezamen zijn per dier genomen 10 monsters,
per groep 40 monsters. Bij een vestigingspercentage van 100% is het be-
rekende aantal wormen in deze 40 monsters:

40 X 13,9 X 32705 = 1821 exemplaren Trichostrongylus.
10.000

40 x 13,9 X 1464 = 81 exemplaren Ostertagia.
ÏO.ÖOO

40 X 13,9 X 14644 = 814 exemplaren Cooperia.
10.000

Gevonden werden, in lebmaag -f- dunnedarm tezamen, van de dieren van
groep III (zie boven): 496 exemplaren
Trichostrongylus; 35 exemplaren
Ostertagia; 170 exemplaren Cooperia.

De berekende gemiddelde vestigingspercentages zijn dus voor:

496 35

Trichostrongylus: =27,2% Ostertagia: - ^ =43,2%

loiil ol

Cooperia: gjj = 20,9%

Ook deze berekende vestigingspercentages zijn weinig betrouwbaar, doch
zij geven althans een indruk van de mate, waarin de Trichostrongyliden-
larven zich in de gastheer hebben gevestigd.

Bespreking van de uitkomsten der proef.

De toediening van methyridine aan kalveren, geïnfecteerd met Tricho-
strongyliden, bleek een sterke invloed uit te oefenen op het aantal eieren
per gram faeces, dat werd uitgescheiden.

Vond de toediening plaats op de 12e dag van de infectie (groep I), dus
in de prépatentperiode, dan verschenen er naderhand slechts weinig eieren
in de faeces; indien de toediening op de 34e dag, dus in de patentperiode
van de infectie, plaats vond (groep II), dan daalde het aantal reeds uit-
gescheiden eieren in sterke mate. Een dergelijke vermindering van ei-
uitscheiding behoeft niet het gevolg te zijn van afdrijving van de wormen,
maar kan ook veroorzaakt zijn door een tijdelijke remming in de ei-
produktie.

Dat hier echter van een werkelijke afdrijving van de wormen gesproken
kan worden, blijkt uit het post-mortaal onderzoek.

Er bestaat n.1. een zeer significant verschil tussen het aantal wormen per
dier in de controlegroep en de som van deze aantallen in de beide proef-

-ocr page 652-

groepen. Methyridine heeft dus, zowel op de 12e als op de 34e dag
gegeven, een sterke wormafdrijvende werking uitgeoefend.
De worminfectie van de kalveren was niet deiTnate sterk, dat klinische
verschijnselen optraden. Als mogelijke oorzaken zijn daarvoor aan te
voeren:

le. het aantal toegediende larven was te gering;

2e. het ziekteverwekkend vermogen dezer larven was te gering;

3e. de resistentie van de kalveren was te hoog.

Wat het aantal toegediende larven betreft: dit wijkt niet af van het
aantal dat bij andere overeenkomstige proeven werd gegeven en dat wel
ziektesymptomen veroorzaakte, zij het niet in ernstige mate.
Het ziekteverwekkend vermogen bleek geringer te zijn dan verwacht werd,
doch een reden om de proef uit dien hoofde van minder waarde te achten
behoeft dit allerminst te zijn. Bij de beoordeling van de werking van een
anthelminticum gaat het om de afdrijvende werking op de wormen en
niet in eerste instantie om klinische symptomen. Bovendien is het nimmer
geheel zeker of tussen waargenomen klinische symptomen en wormen wel
cen direct causaal verband bestaat.

De resistenüe van de kalveren tegen de toegediende larven was ongetwij-
feld hoog en het niet-optreden van klinische verschijnselen zal aan deze
omstandigheid in hoofdzaak moeten worden toegeschreven. Weliswaar
spreekt de leeftijd van de kalveren (2-4 maanden) voor een hoge ge-
voeligheid, doch voeding, huisvesting en omgang met de dieren zijn aan
het C.D,I, steeds optimaal, stress-factoren ontbreken, zodat een zeer hoge
weerstand tegen ziekte onstaat, niet vergelijkbaar met die onder omstan-
digheden, zoals deze zich in de praktijk kunnen voordoen. Aantasting met
wonnen en klinische symptomen gaan overigens ook in de praktijk niet
altijd samen en zeker bestaat hiertussen geen lineair verband.
De regelmatige stijging in de lichaamsgewichten der kalveren tenslotte,
in casu het niet-optreden van een groeivertraging, past geheel in het kader
van het ontbreken van klinische symptomen.
Dankbetuiging.

Het beschreven experiment werd uit.gcvocrd met technische nulp van Mej. C. M. J.
Arts te \'s-Gravenhage: de statistische bewerking van de resultaten is van Drs, A,
Schoenmakers tc Utrecht,

Voor beider hulp wordt hier gaarne dank betuigd,
SAMENVATTING.

Beschreven wordt de werking van een oplossing van methyridine-sulfaat in water
(„Mintic", I.C.I.) bij 8 jonge kalveren van 2-4 maanden oud, welke met nog 4
andere even jonge kalveren experimenteel geïnfecteerd waren met
Cooperia, Oster-
tagia en Trichostrongylus,
drie belangrijke geslachten uit de familie der Tricho-
strongylidae.

De dosering bedroeg 0,55 ml „Mintic" (I,C,I,) per kg lich, gew,, overeenkomende
met 200 mg methyridine per kg oraal.

Vier kalveren (groep I) kregen het middel op de 12e en vier op de 34c dag van
dc infectie (groep II), In beide groepen werd een vermindering in het aantal uit-
gescheiden eieren per gram faeces vastgesteld van rond 90%, berekend t,o,v. de
onbehandelde groep (groep III), eveneens uit 4 kalveren bestaande.
Uit post-mortaal onderzoek van dc lebmaag- en dunnedarminhoud bleek, dat
Cooperia
volledig en Ostertagia en Trichostrongylus in sterke mate waren afgedreven. Het
verschil in het aantal wormen per dier tussen de behandelde groepen (I II) en
de controlegroep III was zeer significant (P < 0,01).

-ocr page 653-

In het verloop van de proef stegen de lichaamsgewichten van alle kalveren regel-
matig; cr was geen significant verschil in stijging tussen de behandelde groepen en
de controlegroep (P ^ 0,05).

-Als nevenverschijnsel van de behandeling met methyridine werd bij alle kalveren
direct na de toediening een verhoging van salivatie waargenomen en een tijdelijke
vermindering van eetlust.

SUMMARY.

description is given of the effect of an aqueous solution of methyridine sulphate
(„Mintic", I.C.I.) on 8 young calves, aged 2-4 months, experimentally infected,
like 4 controls, with
Cooperia, Ostertagia and Trichostrongylus, three important genera
of the
Trichostrongylidae.

The preparation was given at the recommended dose of 0,55 ml per kg body wci.ght,
orally, corresponding to 200 mg per kg body weight of methyridine.
Four of the calvcs (group I) received the preparation on the 12th, and four others on
the 34th day of infection (group II). In both groups a decrease in the number of
eggs per gram faeces was established of about 90%, as compared with the controls
(group III).

Post-mortem investigation of the contents of abomasum and small intestine showed,
that
Cooperia was fully expelled and Ostertagia and Trichostrongylus were expelled
to a large extent.

The difference in the total number of worms in the control group III and the medi-
cated groups (I -I- II) was highly significant (P 4 0,01).

In the course of the experiment the body weights of all calves raised regularly; there
was no significant difference in rise between the medicated groups and the control
group (P > 0,05).

No symptoms of toxicity were observed, others than an increase of salivation imme-
diately after administration and a short enduring decrease of appetite.

RÉSUMÉ.

L\'auteur donne une description de l\'effet d\'une solution du sulfate de methyridine
(„Mintic", I.C.I.) chez 8 veaux à l\'âge de 2 à 4 mois. Avec 4 veaux comparables
il les a infecté artificiellement de
Cooperia, Ostertagia et Trichostrongylus, trois es-
pèces importantes de
Trichostrongylidae.

La dose de „Mintic" se montait de 0,55 ml par kg de poids vif, c\'est-à-dire 200 mgr
methyridine par kg poids vif, donnée par voie orale.

Quatre veaux (groupe I) ont reçu le remède au douzième et quatre autres (groupe
II) l\'ont reçu au 34ième jour après l\'infection.

Tous les deux groupes ont montré une diminution du nombre d\'oeufs excrétés par
gramme de fèces a peu près de 90% en comparaison avec le groupe de contrôle (III),
composé comme les autres groupes de 4 veaux.

L\'examen des contenus de la caillette et de l\'intestin grêle relevait que Cooperia
avait disparu complètement tandis que Ostertagia et Trichostrongylus avaient disparu
à un pourcentage élevé.

La différence entre le nombre total de vers du groupe pas traité (III) et le nombre
de vers dans les groupes traités (I II) était très significante (P < 0,01).
.Au cours de l\'expérience les poids vifs de tous les veaux montaient régulièrement, il
n\'y avait pas de différence significante entre les groupes médicamentés et le groupe
de contrôle (P > 0,05).

Pas de symptômes de toxicité ont été aperçu, sauf une salivation peu élevée et une
diminution de l\'appétit peu de temps après l\'administration de la methyridine.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wurde die Wirkung einer wässerigen Lösung von Methyridine-Sulfat („Mintic",
I.C.I.) bei 8 jun.gen Kälbern, 2-4 Monate alt, .geprüft, welche, ebenso wie 4 gleich-
artige Kontrollkälber, künstlich mit
Cooperia, Ostertagia und Trichostrongylus, drei
wichtige Gattungen der
Trichostrongylidae, infiziert worden waren.

-ocr page 654-

Bei oraler Applikation betrug die Dosierung 0,55 ml Mintic pro Kg Körpergewicht,
eine Menge, die 200 mg pro Kg Methyridin entspricht.

Vier Kälber (Gruppe I) erhielten das Mittel am 12ten, und vier am 34sten Tag
nach der Infektion (Gruppell). In beiden Gruppen wurde eine Verringerung der
Anzahl ausgeschiedenen Eier pro Gramm Kot von rund 90%, im Vergleich mit der
Kontrollgruppe III, festgestellt.

Bei der nach der Sektion vorgenommenen Untersuchung des Labmagen- und Dünn-
darminhalts steltte es sich heraus, dass
Cooperia vollständig, Ostertagia und Tricho-
strongylus
in reichlichem Masse abgetrieben worden waren. Die Gesamtzahl der
Würmer in der Kontrollgruppe III war sehr signifikant grösser als in den beiden
behandelten Gruppen I II (P < 0,01).

Im Verlaufe des Experiments stiegen die Körpergewichte der Kälber regelmässig; der
Unterschied im Gewichtsanstieg zwischen den behandelten Gruppen und der Kontroll-
gruppe war nicht signifikant (P > 0,05).

Ausser Speichelflusz unmittelbar nach der Applikation und kurzdauernden, geringen
Appetitverlust wurden keine toxische Erscheinungen bei den Kälbern beobachtet.

LITERATUUR

B o c h, J. und Hörchner, F.: Versuche zur Bekämpfung der Magendarmwürmer

des Schafes mit Dekelmin. Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 76, 69, (1963).
Broome, A. W. J.: Preliminary observations on the mode of action of methyridine.

Vet. Rec., 73, 186, (1961).
Broome, A. W. J. and Greenhalgh, N.: A new anthelmintic with unusual

properties. Nature, 189, 59, (1961).
Dorsman, W.: Variation within a day in the Nematode cgg-count of the rectal

contents of cattle. Tijdschr. Diergeneesk., 82, 655, (1957).
Enigk, K. und D ü w e 1, D.: Weitere Versuche zur Behandlung der Dictyocaulose

des Rindes. Tierärztl. Umschau, 18, 123, (1963).
G i b s o n, T, E.: Recent advances in the anthelmintic treatment of domestic animals.

Vet. Rec., 73, 1059, (1961).
Gracey, J. F. and K e r r, J. A. M.: Some observations on the action of methyri-
dine in lambs.
Vet. Rec., 73, 171, (1961).
Gründer, H. D.: Behandlungsversuche mit „Dekelmin" bei der Lungenwurmer-

krankung des Rindes. Dtsch. tierärztl. Wschr., 70, 61, (1963).
H a m i 11 o n, J.: Some observations on the use of methyridine in the field. Vet. Rec.,
73, 169, (1961).

H e n d r i k s, J.: The use of Promintic as anthelmintic against experimental infections
of Capillaria obsignata Madsen, 1945 in chickens.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 314,
(1962).

Hendriks, J.: Methyridine in the drinking water against Capillaria obsignata
Madsen, 1945, in experimentally infected chickens.
Tijdschr. Diergeneesk., 88,
418, (1963).

M a c r a e, R. R.: A clinical evaluation of methyridine in normal veterinary practice.

Vet. Rec., 193, (1961).
Tesink, J.: Bestrijding van ingewandswormen bij schapen; een praktijkproef.

Tijdschr. Diergeneesk., 88, 18, (1963).
Thorpe, E.: Pathological effects of the administration of mcthyridine to rats,

sheep and cattle, ƒ. comp. path. Ther., 72, 29, (1962).
Wal ley, J. K.: Methyridine, a new anthelmintic for sheep and cattle. Vet. Rec.,
73, 159, (1961).

Wal ley, J. K.: The anthelmintic activity of methyridine by intraperitoneal injec-
tion in sheep and cattle.
Vet. Rec., 74, 927, (1962).
W a 11 e y, J. K.: Methyridine in the treatment of lungworm disease in catde and

sheep. Vet. Rec., 75, 8, (1963).
Young, J.: Observations on the use of methyridine as an anthelmintic in practice.
Vet. Rec., 73, 192, (1961).

-ocr page 655-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

LEPTOSPIREN BIJ RUNDEREN IN DUITSLAND.

H a r t w i g k, H. und S t o e b b e, E.: Lcptospirenfunde in Harn und in den Nieren
von Rindern.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 75, 241, (1962).

Blijkens culturen uit blaasinhoud en uit afwijkende nieren van normaal geslachte
runderen, konden bij deze dieren
Leptospira pomona, Leptospira ictero-haemorrhagiae
en Leptospira canicola worden aangetoond.

Schrijvers vermoeden, dat ongeveer 12% van gezond geslachte runderen besmet
zouden zijn. Aangezien de schrijvers zelf erkennen geen nodtics te hebben gemaakt
betreffende de afwijkingen van de nieren, erkennen zij de noodzakelijkheid dit onder-
zoek te herhalen met macroscopisch en histologisch normale dieren. (Mogelijk is de
frequentie dan veel geringer. Ref.)

C. A. van Dorssen.

ANONIEME TUBERKELBACTERIËN.

Geurden, L. M. G., D e v o s, A., S t a e 1 e n s, M. en V i a e n e, N.: Etude de
souches polonaises do mycobactcries anonymes d\'origine humaine.
Meded. Vee-
artsenijschool Rijksuniversiteit Cent,
7, 1, (1963).

Twaalf Poolse stammen van mycobacteriën, uit sputum van mensen geïsoleerd, waar-
van de ziektegeschiedenis niet bekend is, werden nader onderzocht.
Het gelukte niet de bestudeerde stammen individueel te idendficeren, doch de rem-
mende invloed van nitrofurazone op de „anonyme" mycobacteriën werd bevestigd.
Er werden ook proeven met koudbloedige dieren gedaan. Geurden c.s. menen dat
de mensen besmet zijn door drinkwater of daarmede besmette eetwaren.

C. A. van Dorssen.

ENTEROVIRUS BIJ RUNDEREN.

L i e s s, B. und H ö p k c n, W.: Versuche zur Differenzierung von Entcrovirus-
stämmen des Rindes.
Zbl. Bakt. I Orig., 186, 437, (1962).

Het vcxjrkomen van virus in het darmkanaal van gezonde runderen is ongeveer 10
jaar bekend. Deze niet bckendpathogcne virussen, die in celculturen kunnen ge-
ïsoleerd worden, zijn verwant aan de E.C.H.O. virussen van de mensen, en worden
in analogie daarmede aangeduid met E.C.B.O. (enteric cytophatogenic bovine or-
phan) virussen. (Zo spreekt men ook van E.C.M.O. (van de aap = monkey) en
van E.G.S.O. (van het varken = .swine)).

De schrijvers onderzochten in verband met polio-onderzoek de faeces van 317 run-
deren. Poliovirus konden zij daarin niet aantonen. Wel isoleerden zij 24 virussen,
die voor weefselculturen van apeniercn, en kalfsnieren en kalfstcstikel cellen patho-
geen waren.

Van deze virussen werd een nadere studie gemaakt. O.a. werd gevonden, dat ze
serologisch in twee groepen waren tc verdelen.

C. A. van Dorssen.

Exotische dieren, pelsdieren en proefdieren

P.ARASITAIRE EPIZOÖTISCHE CONJUNCTIVITIS BIJ RIJSTVOGELS.

F a i n, A. et B af or t, J.: Conjonctivite epizoodque chez Padda oryzivora, produite
par un acarien
Sternostoma paddae Fain, 1958. Bull. Soc. Boy. de Zool. d\'Anvers,
31, 3, (1963).

Het is de eerste keer dat een conjunctivitis beschreven wordt waarbij mijten, soms
in grote getale, in de conjunctivaalzak konden worden gevonden.

-ocr page 656-

Alle 26 geparasiteerde rijstvogels leden aan cen purulente conjunctivitis, die acuut
of sbuacuut verliep. Ook op de cornea waren soms mijten aanwezig. Daarnaast werden
af en toe mijten gevonden in de neusgangen, doch nooit in de longen.
De auteurs zijn van mening dat de mijten een belangrijke rol tpclen in de aetiologie
van de waargenomen conjunctivitis, mc^elijk doordat zij portes d\'entrées zouden
doen ontstaan voor microörganismen.

De mijten werden gedetermineerd als Sternostoma paddae (verwant aan S. traehea-
colum,
welke laatste ernstige laesies in de trachea, longen en luchtzakken van ka-
naries kan veroorzaken).

P. Zwart.

Heelkunde

BEH.ANDELING VAN LEBMAAGDISLOCATIE EN -VERWIJDING,

H O 1 c O m b e, R, B,, Laukaa, Finland: Konservatieve Behandlung bei Erweiterung
und Dislokation des Labmagens vom Rind,
Tierärztl. Umschau, 18, 130, (1963).
Volgens auteur geeft de chirurgische behandeling van lebmaagdilatatie en -dislocatie
slechts in 50-80% van de gevallen een bevredigend resultaat. Met bet inspuiten van
middelen, die de gladde musculatuur deden ontspannen en door tegelijkertijd vasten,
kon men de omvang van de lebmaag zodanig doen verminderen, dat wanneer het
dier daarbij vóór hoog geplaatst werd gedurende zes dagen, hierna door de lebmaag
de normale positie weer werd in.gcnomen,

17 Dieren met lebmaagdilatatie en -dislocatie spoot men in met 20 cm® Novalgin,
10-15 cm-\' 1% methopromazin en 125 mg Prednisolon, Daarna 48 uur vasten, dc
derde dag werd ^ van bet normale rantsoen verstrekt, de daarop volgende da.g de
helft, dan werd dc hoeveelheid voer lan.gzamerhand verhoogd, totdat op de zesde
dag het normale rantsoen weer werd verstrekt. Bij het begin van de behandeling
werden de dieren met de voorbenen 25 cm ho.gcr .geplaatst en wel zo lan.g, totdat het
normale rantsoen werd gegeven.

Van de 17 aldus behandelde dieren genazen er 16. Bij 14 dieren konden 7-10 da.gen
na de behandeling geen symptomen van lebmaagdilatatie of -di;;locatic meer worden
waargenomen.

(Daar cen lebmaagdislocatie door vasten vaak wordt op.gchcven, maar recidiveert
wanneer het dier weer op het normale rantsoen staat, is het januncr, dat deze pa-
tiënten niet langer dan 10 dagen na de behandeling zijn vervol,gd, Ref.).

F. W. ]. Swart.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

KLEINE DOSES PHENOTHIAZINE TEGEN DE LONGWORMEN VAN HET
SCHAAP.

D a r s k i, J,: Wplyw malych fenotiazyny na larwy nicicni piucnych znajdujacc sic
w przewodzie pokarmowyrn owicc.
Acta ParasitoL Polon., 7, 521, (1959). (En.glish
summary p, 526.)

Y 1 y a n O V, D,: Tbc comparative action of continous administration of phenothia-
zine upon males and females of
Dictyocaulus. Helminthologia, 2, 140, (1960).
Een dosis van 1 g phenothiazine per dag per schaap reducecrde volgens D a r s k i
bet aantal larven van
Dictyocaulus met 50,38%, van Protostrongylus met 51,03%
en van
Muellerius met 55,04% ; 3-4 dagen na het beëindigen van de toediening van
phenothiazine werden weer evenveel larven uitgescheiden als voor de aanvang van
de proef.

Ylyanov gaf schapen gedurende 26 dagen 0,5 g per kg phenothiazine. Na deze
tijd herbergden de dieren vijf maal minder longwormen dan le controles. Bovendien
was het aantal mannelijke exemplaren tot 18% van alle wormen verminderd tegen
61% bij de controles.

/. Jansen Jr.

-ocr page 657-

AEROGENE ECHINOCOCCUS-INYECTIE?

Komandarev, S. und W i s c h n j a k o w, J.: Zur Frage der aerogenen Invasion
mit Echinokokkus.
Helminthologia, 2, 241, (1960).

Proeven met lammeren bewezen, dat een aerogene Echinococcus-inlecüt niet mogelijk
is, daar alle eieren door het trilhaarepitheel van het respiratieapparaat verwijderd
worden. Infectie treedt pas op nadat de eieren opgehoest en doorgeslikt zijn.

/. Jansen Jr.

Voedingsmiddelenhygiëne

C e b O t a r e V, R. S. and P o 1 i s c u k, V. P.; Gongylonematosis of domestic animals
under conditions of Ukrainian Polesie and forest-steppe areas.
Acta Parasitol. Polon.,
7, 549, (1959).

De nematode Gongylonema pulchrum werd in slachthuizen vastgesteld bij 32-94%
der volwassen runderen, 39-95% der schapen en 0-37% der varkens. De infectie per
dier varieerde van enkele exemplaren van de parasiet tot enkele honderden.
(C. pulchrum, voorkomend in de oesophagus, is in ons land niet vastgesteld. Ref.)

J. Jansen Jr.

Zoöfechniek

Evenals in de vorige delen van de Lucrarile Stüntifice Ale Institutului de Cercetari
Zootehnice.
Deel 20, (Boekarest), wordt ook nu een verzameling publikaties aan-
geboden, die liggen op het gebied van de veeteelt, voeding en voortplanting. De
samenvattin,gen worden in 4 talen gegeven, zodat velen van hei onderzoek van dit
Roemeense instituut kennis kunnen nemen.

Op het gebied van de voortplanting zijn twee publikaties over de K.I. bij schapen
interessant, daar wij deze hier niet toepassen.

KWALITEIT VAN SPERMA EN VRUCHTBA.ARHEID VAN MERINO\'S.

Seserman, L, Paraschivescu, M., L u n c a, N. and O t e 1, V.: Qualities
of the sperm and fecundity of the palas merino rams.

Van 30 rammen zijn met behulp van 1471 ejaculaten en 12193 eerste insemina-
ties gegevens verzameld.

De gemiddelde ejaculaatgrootte bedroeg 1,14 cnv\'\' (0,25-3) en wel voor l-jarige
bokken 0,99 en voor volwassen bokken 1,21 cm®. Het aantal spermiën per cm^ be-
droeg 3,239 (1,375-5,040) miljard. Flet percentage abnormale spermiën was slechts
2,5% en van alle ejaculaten kon 4% niet worden verdund. De bevruchtingsresultaten
na dc eerste inseminatie varieerden per bok van 57,20 tot 90,59 met cen gemiddelde
van 76,30.

K.I. VAN SCHAPEN IN ROEMENIË.

L u n c a, N., O t e 1, V., Paraschivescu, M., M o h n .1 c s, M., Seserman,
O., F e r e d e a n t, T., H a r s i a n, A., G e o r g e s c u, O. and P a u n e s c u, J. :
Contributions to the extension of artificial insemination with diluted sperm for sheep.
In 1960 werd vanuit 7 bokkenstations sperma geleverd voor 173.826 schapen. Het
grootste station verstrekte zelfs sperma voor ruim 100.000 schapen. Met het oog
op het korte dekseizoen biedt cen station voor het inscmineren van 30.000 schapen
de beste arbeidsvoorwaarden aan de aldaar benodigde vier man personeel.
Met het sperma van één bok kunnen 730-950 schapen worden geïnsemineerd, afhan-
kelijk van de routine van het personeel. Het sperma wordt 4 tot 7 maal verdund en
per inseminatie wordt 0,1-0,2 cm^ gebruikt. Totaal kan een drachtigheidspercentage
worden bereikt van 91.

J. Hendrikse.

-ocr page 658-

BOEKBESPREKING

STUDIEN ZUR INDUSTRIELLEN MISCHFUTTERHERSTELLUNG.

2. Der Einfluss der morphologischen Beschaffenheit der Mischkomponenten auf den

Homogenitätsgrad einer Mischung.
Johs. Brüggemann und K. H. N i e s a r.

(Schriftenreihe des Fachverbandes der Futtermittelindustrie e.V. Hamburg. Pag. 94.
4.25 D.M. Uitgave December 1962.)

In aansluiting op hel eerste deel „Das Veirnisehungs Problem" waarin een aantal
meng-principes worden besproken en getest, is nu het tweede deeltje verschenen
waarin wat dieper op de theoretische achtergrond van het mengprobleem wordt in-
gegaan. De ontwikkeling van dc mengvoederindustrie gaat steeds verder in de richting
van het toevoegen van allerlei preparaten, zoals vitaminen, sporenelementen, anti-
biotica, e.d.

Dc dosering hiervan varieert van 0.0001 tot 0.1%. En hoewel meestal speciaal samen-
gestelde
Premixen worden gebruikt, rijst toch de vraag of deze kleine hoeveelheden
door het mengvoeder
kunnen worden gemengd.

Dit boekje geeft daarop een antwoord. Het blijkt mogelijk, indien enkele gegevens
van het preparaat en het mengvoeder waaraan het moet worden toegevoegd be-
paald worden, van te voren te berekenen hoe de toevalsverdeling van dit preparaat
in het voeder eruit zal zien. Indien een mengmachine het preparaat zo door het
voeder vermengt dat een toevalsverdeling is bereikt zegt men dat het preparaat
homogeen is verdeeld. Dit betekent echter niet, zoals veelal wordt verondersteld, dat
iedere portie van dat mengsel de berekende hoeveelheid preparaat zal bevatten. In
monsters van b.v. 20 g (een hoeveelheid voer dat een jong kuiken per dag consu-
meert) zullen afwijkingen van over de 100% voorkomen.

In het tweede hoofdstuk worden de problemen rond het ontmengen besproken.
Het blijkt dat, indien de verhouding tussen het aantal grove en fijne deeltjes in een
mengsel boven een bepaalde waarde stijgt, ontmenging optreedt. Blijft deze ver-
houding onder die waarde, of anders gezegd als de ruimte tussen de grovere deeltjes
geheel door het fijne meel wordt opgevuld zal geen ontmenging plaats vinden, zelfs
niet als het s.g. van de grove deeltjes ongeveer 2 ä 2/2 x zo groot is als dat van het
meel. De grote partikels liggen nu „ingemetseld". Ook hier is, na de bepaling van
het s.g.: het schudgewicht, enz. van dc componenten, van te voren te voorspellen of
een bepaald m.engsel zal ontmengen of niet.

Voor degenen die zich bezighouden met de mengvoederbereiding en degenen die pre-
paraten leveren voor de mengvoeders bevat het boekje zeer veel waardevolle ge-
gevens.

Tot slot nog enkele opmerkingen.

1. In het boekje komen veel reken- en drukfouten voor die het narekenen van dc
tabellen en formules bemoeilijken. Een kritische lezer kan niet zonder meer aan-
nemen dat een opgegeven getal juist is.

2. De in het eerste hoofdstuk gegeven berekening van de standaardafwijking Sw is
nagenoeg identiek met de berekening gegeven door K. Stange
(Chemie-Inge-
nieur-Techniék,
54, 331, (1954). In het boekje blijkt dit echter nergens, terwijl
de schrijvers wel met deze literatuur op de hoogte waren (aangegeven in een
noot in het eerste deel).

P. van Dijk.

Invloeden op bloedcelgehaltes bij konijnen.

De hemoglobineconcentratie en het aantal rode bloedlichaampjes daalde bij een be-
volkingsdichtheid van meer dan 50 konijnen per acre. Het aantal witte bloedlichaamp-
jes nam toe tijdens het vechten in de paartijd en bij hoge bevolkingsdichtheid.

Pluimveepers, XVIII, 507, (1963).

-ocr page 659-

INGEZONDEN

HET HOMOGEEN MENGEN VAN KLEINE TOEVOEGINGEN DOOR HET
VOER.

Enkele opmerkingen bij het artikel van K. H. Hermans „Het homogeen mengen
van kleine toevoegingen door het voer"
(Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1014, (1963)).

1. Het zal een ieder duidelijk zijn, dat het voorgestelde mengen van medicamenten
door het voer, vele malen beter is dan het wel gebruikte „om.icheppen met de hand"
of zelfs „over het voer strooien" van een preparaat.

Als zodanig is deze bijdrage voor de pracdci van grote waarde, want velen zullen
de moeilijkheden bij het juiste toedienen van medicamenten aan dieren, door de
schrijver aangehaald, kunnen bevesdgen. Ook voor de mengvoederindustrie is dit
punt de laatste tijd een bron van discussie.

Toch zou ik graag nog op enkele gevaren willen wijzen.

1. In het vcxjrbeeld wordt 62.5 gram geneesmiddel gemengd op 50 pond (25 kg)
voer, dit is 0.25%. In het beschreven mengapparaat kan, indien het medicament
volkomen „free flowing" is, een dergelijk mengsel met een mengverhouding dus
van 1:400 nog redelijkerwijs worden gemaakt, maar verder moet men beslist
niet gaan.

Wel maak ik bezwaar tegen, de in dit verband genoemde „kleinere hoeveelheid
medicament op een grote hoeveelheid voeder" (samenvatting).
De relatieve begrippen klein en groot zouden voor enkele tientallen jaren geleden
zeker juist zijn toegepast, maar in de tegenwoordige tijd, waarin men rekent met
milligrammen en zelfs microgrammen (voor vitamine
B12 b.v.) per kg, niet meer.

2. Het mengen van een poedervormig medicament op een kunstkorrel is beslist te
ontraden. Vooral als het voeder bestaat uit goede korrels (dus zonder gruis)
treedt niet „iets" maar volledige ontmenging op.

3. De beschreven methode voor het testen van de goede werkzaamheid van deze
menger ligt in hetzelfde vlak als de oude methode om grote menginstallaties te
beproeven met houtblokjes. Deze methoden zijn uit de üjd. Het is in de praktijk
meennalen gebleken dat als goed bekend staande mengapparaten achteraf na een
grondige controle als ondeugdelijk moesten worden aangemerkt.

Ik mag dan ook in dit verband wijzen op dc twee boekjes van Brügge mann
en N i e s a r „Studien zur industriellen Mischfuttcrhcrstellung" deel 1 en 2, die
zijn uitgegeven door het „Fachverband der Futtermittelindustrie e.V.", Hamburg.
Tot slot zou ik willen opmerken dat men het mengen van medicamenten op voeder
goed moet doen, of het anders liever over tc laten aan terzake kundigen i.e. de meng-
voeder- of de farmaceutische industrie, al zijn ook hier bezwaren tegen aan te voeren.
Vooral de eersten zijn meer ingettcld op tonnen dan op kilogrammen voeder.
Voor de „doe het zelf(ers)" zijn er allerlei mengapparaten in de handel in alle
maten, soorten en prijzen, goede en slechte. Maar al bezit men het beste meng-
apparaat, dan nog moet men zich er rekenschap van geven dat:

a. niet alle preparaten (medicamenten) zich laten mengen, doordat ze kleven, hygro-
scopisch, te grof of elektrostatisch geladen zijn, enz. enz.;

b. de mengverhouding zodanig is dat het dier per opgenomen hoeveelheid voeder
ook de gewenste hoeveelheid medicament binnen krijgt, en de mogelijkheid wordt
uitgesloten dat het porde voeder, door allerlei toevallige omstandigheden een
toxische dosis of, wat in dit geval misschien op hetzelfde neerkomt, geheel geen
geneesmiddel bevat.

Zoötechnisch Instituut, Utrecht. p. van Dijk.

II. Naar aanleiding van het ardkel van collega K. H. Hermans, veroorloof ik
mij enige opmerkingen.

Ten aanzien van de homogeniteit van mengvoeders dienen heden ten dage strenge
Tijdschr. Diergeneesk., deel 88, afl. 22, 1963 I433

-ocr page 660-

eisen te worden gesteld. Di t geldt met name de uniforme verdeling van de zg. micro-
ingrediënten zoals vitamines, sporeëlementen, geneesmiddelen enz., daar de invloed
die deze micro-ingrediënten op het eindresultaat bij een mengvoeder uitoefenen zeer
groot kan zijn. Voor geneesmiddelen geldt dit wel heel in het bijzonder.
De oplossing voor het vraagstuk van een homogene verdeling van kleine hoeveelheden,
b.v. vitamines, is gevonden langs de weg der trapsgewijze verdunning, de zg.
Pre-
mixes. Het bereiden van goede premixes stelt andere eisen dan de gebruikelijke
mengvoederbereiding en vindt plaats in daartoe gespecialiseerde eenheden. Het pro-
bleem is daarmee voor de mengvocderbereider teruggebracht tot het inmengen van
het premix in het mengvoeder in zodanige hoeveelheden, dat dit min of meer als
macro-ingrediënt kan worden beschouwd. Alleen op deze wijze zijn de voorwaarden
geschapen voor een homogene verdeling van de micro-componenten in het meng-
voeder en daarmee een gelijkmatige opname door de dieren.

Het wil mij, gezien de huidige eisen van de premix-techniek, vóórkomen dat het in-
mengen van 250 gram medicament op 25 kilo willekeurig mengvoeder in de beschre-
ven apparatuur, niet de garantie biedt van een homogeen mengsel. Bij gebruik van
kunstkorrels lijkt een goede verdeling uitgesloten. Volgens schrijver treedt dan wel iets
ontmenging op, maar het valt volgens hem wel mee! Ik vrees dat het .gebruik van een
der.gelijk niet homogeen gemengd of ontmengd geneesmiddel-prcmix in de praktijk
wel eens averechtse .gevolgen zou kunnen hebben!

Hoogland. I\'. W. ]. Swart.

Naschrift.

Buiten mijn verwachtingen is er nog enig commentaar gekomen op mijn artikeltje
over het homogeen men.gen van kleine toevoegingen door het vCK-r. En nog wel van
zeer deskundige zijde.

Ik ben hen voor hun opmerkingen zeer dankbaar, want daardoor komt deze kwestie
opnieuw in de belangstelling. Toch neemt het mijn bezwaar tegen hun commentaar
niet weg. Nu wordt cr een te groot probleem van gemaakt. Zoiets van „plus royaliste
que le roi"; er zal immers altijd wel een nóg betere methode zijn.
Over mijn mengtechniek gesproken: ook ik zal meestal eerst van een zeer kleine hoe-
veelheid, in de mortier eerst een premix maken, en dan deze premix in dc trommel
verder mengen met het te .geven voer of ik zal de eigenaar van een te behandelen
koppel dieren een zeer volumineus premix geven, dat dan toegepast kan worden als
beschreven in mijn oorspronkelijk artikeltje.

Het komt mij vcxjr dat op deze wijze meegegeven medicamenten voor de ei.genaar
zeer gemakkelijk toe te passen zijn. Bovendien heeft de bchimdelend dierenarts zo
de mogelijkheid zijn persoonlijke kijk op de zaak te effectueren, zonder commentaar
van buitenaf. Een en ander geschiedt hier zo al jaren tot grote tevredenheid van
pluimveehouders, dierenarts en de behandelde dieren.

Wanneer de plaatselijke molenaar kleine hoeveelheden zou moeten mengen dan stuit
dat op dezelfde technische bezwaren als de commentators opperen te.gen mijn methode.
De menginstallaties van de grote en middelgrote mengvoederindustrieën zijn over
het al.gemeen niet berekend op de menging van geneesmiddelen door 250 of 500 kg
mengvoeder. Zo kan o.a. een vrij belangrijk gedeelte van het gemedicineerde meng-
voeder in dergelijke grote installaties achter blijven.

De eisen welke aan cen behandeling moeten worden gesteld, ;.ijn van geval tot geval
verschillend. Het verwerken van één geneesmiddel in één bepaalde therapeutische do-
sering in (grote partijen) m.en.gvoeder, zoals momenteel .n mengvoederindustrie-
kringen wordt voorgestaan, zal daarom in vele gevallen op
veterinair-technische
bezwaren stuiten.

Dergelijke bezwaren bestaan niet voor een kleine mengmachine, waarmee één of meer
geneesmiddelen in elke gewenste concentratie door mengvoeder kunnen worden ge-
mengd.

j^i]] K. H. Hermans.

-ocr page 661-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

PELSDIERENCONGRES TE CELLE.

Op 22, 23 en 24 augustus 1963 had in Celle het tweede internationale congres plaats
over ziekten bij pelsdicren. De vergaderingen werden gehouden in het Bundes-
forschungsanstalt für Kleintierzucht (directeur Prof. Dr. A. Mehner).
De organisator, Dr. H. L ö 1 i g e r, had uitnodigingen verstuurd naar onderzoekers
m verschillende landen en zo waien er dierenartsen uit Canada, Noorwegen, Zweden,
Finland, Denemarken, Engeland, Zwitserland, Oostenrijk, Hongarije, Joe\'go-Slavië[
Nederland en Duitsland. De U.S.A. en Rusland waren niet vertegenwoordigd.
De eerste dag werden problemen besproken, die verband hielden met ziekten bij de
nerts. Op de tweede dag werd aandacht besteed aan de nutria en de chinchilla en
op de laatste dag werden een viertal nertsenfarms bezocht gelegen in de omgeving
van Soltau, Bremerhafen en Cuxhafen.

Na een openingswoord van de directeur kreeg Mej. B. K n o x, de enige vrouwelijke
spreekster, als eerste het woord en wel over „Die Staupe der Nerze in Dänemark".
De laatste 10 jaren was de ziekte vastgesteld op 239 bedrijven. In 1962 bleken 56
farms te zijn besmet: in 1963 werden tot dusverre 42 uitbraken geconstateerd. In-
sleep van virus op de farms is vaak een gevolg van aankoop van besmette nertsen.
Ook honden kunnen als vector dienen. De incubatietijd is soms zeer lang (7 weken-
3 maanden). Vaak worden bedrijven, die geografisch dicht bij elkaar liggen, aan-
getast. Op de 2e, 3e enz. faim zijn de klinische verschijnselen alsmede het verioop
ernstiger. Men krijgt de indruk, dat dc virulentie toeneemt. De diagnose wordt uit-
sluitend gesteld door afschraapsels te maken van de trachea en de blaas van de
ter onderzoek aangeboden dieren en deze te kleuren vol.gens de methode van Pa,ge-
Green.

De ziekte staat in Denemarken in de Veewet. Dc Veeartsenijkundige Dienst treft
maatregelen, die bestaan uit quarantainevoorschriften, het laten vaccineren van de
nog gezonde diren op het aangetast bedrijf, alsmede op de farms gelegen in de
onmiddellijke omgeving hiervan.

Twee maanden na het laatste sterfgeval aan hondeziekte wordt de farm „vrij van
infectie" verklaard. Opvallend is, dat de ziekte meestal begint bij de Pastels. Deze
kleurvariëteit zou gcvoeli.ger zijn voor de infectie. Ook zag men wel een enkele maal
doorbraken van vaccinatie, echter steeds bij vertegenwoordigers uit deze groep. Profy-
lactisch wordt cen nerts tweemaal ge\\\'accmeer(i en wel 3 weken na het spenen (het-
geen geschiedt op een leeftijd van 6-8 weken) en even vóór de paartijd. Het dier is
dan voor het leven immuun.

De jongen van geïmmuniseerde moeders zijn tijdens de zoogperiode enigermate passief
geïmmuniseerd. Opgemerkt moet worden, dat nakomelingen van tegen hondeziekte ge-
ente teven niet tijdens of direct na het spenen kunnen worden gevaccincerd. De pas-
sief verkregen antilichamen gaan de vorming van een actieve immuniteit door het
levende vaccin-virus (c.gg-adapted) te.gen.

De resultaten van een toegepaste vaccinatie op besmette farms waren nu eens bevre-
di.gend en dan weer teleurstellend. Hierover was de Deense onderzoekster minder
optimistisch dan .Akkermans (Nederland). Hij gaf een exposé over de resul-
taten van de vaccinatie op bedrijven waar de ziekte uitgebroken was. Op 14 farms zag
men na enting geen uitval meer, op 2 andere stierf ± 20%. Dit waren echter be-
drijven waar het lijden reeds ongeveer 2 maanden heerste vooraleer de diagnose „dis-
temper" was gesteld. Soms zijn de fokkers huiverig te vaccineren tijdens de paar-
en draagtijd, omdat zij nadelige gevolgen vrezen met betrekking tot de worpgrootte.
Op 2 farms werd in Nederland .geënt resp. op 1 en 4 april. Het percentage teven, dat
wierp was normaal en de nestgrootte gaf weinig verschillen te zien in vergelijking met
voorgaande jaren. Men kan op elk moment van het jaar vaccineren, een stellin.g, die
door Miss Knox later bij de discussie ondersteund werd.

Minder eenstemmigheid was er over de uitspraak, dat men pas behoeft te vaccineren,
zodra zich verdachte verschijnselen voordoen. Er waren voor- en tegenstanders. Een

-ocr page 662-

en ander is misschien een gevolg van virulentie verschillen van de onderscheiden
virusstammen.

Prof. J a k s i c uit Belgrado vond bij 326 aan distemper gestorven nertsen bij 80%
een catarrale broncho-pneumonie. Opvallend was het voorkomen van bloedingen in
de alveoli, de infundibulairgangen en de bronchioli. Aan deze waarneming zou patho-
gnomonische betekenis kunnen worden toegekend voor het stellen van de diagnose
distemper. Insluitlichaampjes zijn in het epitheel van trachea en bronchiën gemak-
kelijk te vinden.

Bij de discussie werd door sommigen verondersteld, dat de veranderingen in de longen
veroorzaakt zouden kunnen zijn door secundaire bacteriële infecties. Prof. J a k s i c
deelde echter mede, dat hij slechts enkele malen kiemen had gevonden, die ook in
normale lichamen voorkwamen en die hij dan ook als saprofyten beschouwde.
Dr. L ö 1 i g e r uit Celle deelde mede, dat in Duitsland op enkele bedrijven bij nertsen
infccties van
Brucella abortus (type III) zijn vastgesteld. Aanleiding tot onderzoek
was het voorkomen van brucellosis bij een fokker en een andere maal de vaststelling
van deze ziekte bij een hond, die regelmatig op een farm kwam.
Dc infectie zou vaker voorkomen. Dat het lijden zo weinig wordt vastgesteld is een
gevolg van moeilijkheden bij de diagnostiek. Klinisch ziet men abortus, agalactie en
misschien ook steriliteit en bij sectie een endometritis en een glomerulo-nefritis. De
veranderingen in dc nieren zijn histoligsch gekenmerkt door een sterke infiltratie
met plasmacellen, echter geen leververanderingen (differentieel-diagnostisch bij Alcu-
tian-disease een interstitiële nefritis en ook plasmacelinfiltraten in de lever). Sero-
logisch werden met de agglutinatiereactie (buisjesmethode) titers gevonden van
40-160.

Zoals haast vanzelf spreekt werden door enkele deskundigen problemen toegelicht,
verband houdende met Aleutian-disease.

Als eerste kreeg hierover het woord de Canadees K a r s t a d. Hij stelde, dat Aleutian-
disease een virusinfectie is. Met orgaansuspensies van aan deze ziekte lijdende nertsen
kan men de ziekte opwekken, niet alleen bij dragers van het gen aleutian maar ook
bij soorten, die deze kleurfactor niet hebben. Na filtratie van de orgaansuspensies
krijgt men eveneens de karakteristieke verschijnselen bij de ingespoten proefdieren.
Wordt uitgegaan van weefsels van gezonde „blauwe" nertsen, dan krijgt men geen
ziekteverschijnselen. Wel dient opgemerkt te worden, dat de incubatietijd bij Stan-
dards en Pastels vrij lang is.

Het virus is te kweken op weefselcultures van nierepitheelcellen of van testikelcellen
van nertsen. 48 uur na enting ontstaan veranderingen in de kern; 24 uur later is de
cultuur totaal gedestrueerd. Serumneutralisaties zijn niet mogelijk, doordat het virus
gedurende een zeer lange tijd in het bloed van de aangetaste nertsen kan voorkomen.
Spuit men echter konijnen in met weefsel van aan Aleutian-disease lijdende of ge-
storven nertsen, dan worden wel antilichamen gevormd, die in het scrum met behulp
van een neutralisatie aantoonbaar zijn.In het serum van konijnen komt namelijk geen
virus meer voor.

De smetstof is tamelijk resistent. Na verwarming van de weeisclsuspensies gedurende
30 minuten op 65° of 80° C is het virus nog steeds virulent. Verwarming gedurende
3 minuten op 100° C maakt het agens echter onwerkzaam.

Formaline in een concentratie van 0,3%, toegevoegd aan het virus in weefselcultures
doodt de smetstof, v^anneer de buisjes hierna nog tenminste gedurende 24 uur bij
37° C worden bebroed. Laat men bebroeding achterwege, dan is de cultuur nog
weken infectieus.

De waarde van vaccins is problematisch. Spreker zag geen beschermende werking.
Wel is verschillende malen geconstateerd, dat saffieren afkomstig uit bepaalde fa-
milies meer resistent waren tegen genoemde ziekte dan soortgenoten, afkomstig van
andere „ouders en voorouders". Er bestaat dus een duidelijke erfelijke predispositie.
Speeksel, urine en faeces van zieke dieren kunnen het virus bevatten. Contact-infecties
zijn dus mogelijk, In de paartijd zouden reuen als virus-vector kunnen fungeren.
Ook G, Trautwein (Duitsland) meende, dat de ziekte door een virus veroor-

-ocr page 663-

zaakt werd. Hij ging speciaal in op de secde en de histologische waarneembare af-
wijkmgen bij de aangetaste nertsen. Bij secde ziet men een vergroting van vrijwel alle
lymfklieren, een milthyperplasie, gezwollen bleke nieren met petechiën en striae en een
degeneratie van de lever. Maakt men „Tupfpreparaten" van lymfklieren en been-
merg, dan ziet men een zeer sterke toename van het aantal plasmacellen. Histologisch
ziet men Infiltraten van deze cellen in vrijwel alle organen (lever, milt, nier, hart,
long, hersenen). Opvallend is voorts het voorkomen van hyalinisatie in de capillairen
van de glomeruli. Ook worden veranderingen, kenmerkend voor het bestaan van een
„Periarteriitis nodosa" waargenomen (62% van de gevallen), zoals een fibrinoide
necrose van de vaatwanden met een perivasculaire ontstekingsreactie. Hierbij komen
aanvankelijk meer leucocyten voor dan plasmacellen en lymfocyten. Later is deze
verhouding echter zodanig gewijzigd, dat nauwelijks meer een „polymorfkernige" is
te vinden. De prolifcraties van de ontstekingscellen kunnen tot een totale afsluiting
van de bloedvaten lijden.

Dr. Stute (Duitsland) ging in op de veranderingen in de onderHnge verhouding
van de serumeiwitten, die bij Aleutian disease kunnen worden waargenomen. Een
hypergammaglobulinemie is een van de verschijnselen van deze aandoening. Ge-
noemde afwijking kan door papierclektroforese (P.E.) en enigermate ook met behulp
van de jodium-agglutinade-test (I.A.T.) worden opgespoord. Laatstgenoemde me-
thode is zeer eenvoudig. Er komen echter miswijzigingen voor .A,an positieve hemo-
lytische sera kan geen betekenis worden toegekend; aan negatieve hemolytische sera
echter wel. Men kan ongeveer zeggen dat er bij:

8% van de nertsen geen correlatie bestaat tussen I.A.T. en P.E.;

2% van de nertsen geen correlatie bestaat tussen sectie en P.E.;

18% van de nertsen geen correlatie bestaat tussen sectie ïn I.A.T..

Ikt blijkt, dat vaak dieren een hypergammaglobulinemie hebben, die bij sectie en
histologisch onderzoek geen veranderingen vertonen, terwijl dierexperimentcel ook
geen virus is aan te tonen. Een gehalte van meer dan 20% y-globuline in het serum
zou te hoog zijn. Opgemerkt moet nog worden, dat ook het „totaal eiwit" van het
■serum (bepaald volgens methode Kjehdahl) verhoogd is. In Duitsland zou ongeveer
7% van de saffieren besmet zijn met het virus.

Tuberculose. Infecties veroorzaakt door Mycobacterium tuberculosis var. bovinum
en avium bij nertsen zijn verschillende malen vastgesteld. H. Kraft (Duitsland)
zag een infectie veroorzaakt door het humane type. Opvallend hierbij was het voor-
komen van ulcera op de huid van de rug. Enkele exemplaren vertoonden laesies in
alle organen (sepsis). De verzorger van de dieren leed aan tuberculose. Opvallend
was, dat alleen standards werden aangetast en dat de ziekte niet werd waargenomen
bij saffieren. De verhouding tussen deze kleuren was 2:1. De infectie werd vast-
gesteld bij 33 nertsen.

Prof. E. Lapcevic (Jocgo-Slavië) beschreef een uitbraak van de ziekte van
Auje.szky op een nertsenfarm waar van dc 856 aanwezige dieren er 185 = 21,6%
stierven. De smetstof was d.m.v. besmette slachtafvallen van varkens (longen, milt,
bloed) op het bedrijf gekomen. De klinische verschijnselen waren vrijwel identiek
met die van botulismc t.w. speekselvloed, paralyse, tranende ogen, neusuitvlociing.
Differentieel diagnostisch was alleen het feit, dat bij botulisme het lichaam totaal
paralytisch is, terwijl er bij de ziekte van Aujeszky nog een zekere kramptoestand
bestaat van de kauwmusculatuur en de spieren van de voorhand.
Het virus kon geïsoleerd worden uit longen, milt en nieren. Geen smetstof werd aan-
getoond in de hersenen. Dit verschijnsel is ook proefondervindelijk waargenomen door
Karstad in Canada en in een natuurlijke uitbraak door Akkermans in Ne-
derland. In streken waar de ziekte van Aujeszky veel voorkomt bij varkens (Balkan-
staten) zou men kunnen overwegen de nertsen te vacicneran. Spreker waarschuwt
echter tegen het gebruik van levende, d.m.v. weefselcultures vei-zwakte, vaccins. Men
kan bij nertsen alleen dode vaccins gebruiken. Deze diersoort is zeer gevoelig voor
de infectie.

-ocr page 664-

Akkermans (Nederland) hield een korte voordracht over het enzoötisch voor-
komen van pasteurellosis onder nertsen in het verzorgingsgebied van een centrale
voerkeuken. Besproken werden de klinische verschijnselen, de sectie, het verloop, het
voorkomen van antilichamen, alsmede dc toegepaste maatregelen. De geïsoleerde
stammen konden niet worden ondergebracht bij de typen van Carter (A, B, C, D, E).
Het betrof hier een specifieke groep. Er werden aanwijzingen verkregen, dat het
geven van eendeslachtafvallen bij het ontstaan van de aandoening van invloed zou
kunnen zijn geweest.

Prof. Dr. C, S p r e h n besprak de parasitaire aandoeningen bij de verschillende pels-
dieren. In het algemeen komen deze infecties bij de nerts weinig voor als gevolg
van de wijze van houden op een gaasbodem ± 1 meter van de grond.
Zo nu en dan ziet men coccidiosis en capillariasis bij jonge dieren. De moederdieren
zouden latent besmet zijn geweest. Spreker stelt nadrukkelijk, dat voor het ontstaan
van deze aandoenin.gen andere factoren, zoals deficiënties, voedselintoxicaties, bacte-
riële infecties e.a., mede het klinische beeld bepalen. Volkomen gezonde jongen zijn
experimenteel niet te besmetten. Trematoden en Cestoden komen bij nertsen in West-
Europa niet voor (wel in .Amerika) als .gevolg van het ontbreken van de geschikte
tussengastheren.

Bij de zilvervos kunnen besmettingen van Sirongyloides stercoralis, Uncinaria steno-
cephala
en Toxocara canis aanleiding geven tot het ontstaan van verliezen. Ook ecto-
parasieten veroorzaken op sommi.ge farms moeilijkheden bijv.
Acaris siro en Demodex
canis
(schurft).

Bij de nutria vindt men zo nu en dan leverbot (Fasciola hepatica en Dicrocoelium
dendriticum).
Ook infecties met Strongyloides .specimen en met Trichostrongyliden
zijn waargenomen, alsmede darmcoccidiosis
(Eimeria perniciosa).
Bij chinchilla\'s komt veel Guardiasis (Lamblia duodenalis) voor. Deze protozo is
eigenlijk een normale bewoner (symbiont) van de dunne darm.

.\\ls gevolg van factoren, die dc algemene weerstand van het dier verzwakken (slechte
voeding, voederwisselingen, hoge vochti,gheidsgraad) kunnen deze microörganismen
zich sterk vermeerderen. Men vindt ze dan ook in andere darm,gedeelten. Het gevolg
hiervan is een enteritis, met hierop aansluitend vaak een bacteriëmie (therapie:
.\\tcbrinc). Ook heeft men
Entamoeba coli kunnen isoleren. Deze protozo is facul-
tatief pathogeen.

Uit de voordracht van Dr. Kraft bleek, dat ook hij weinig vertrouwen had in de
economische vooruitzichten van de chinchillafokkerij. Hij wilde beslist geen propa-
gandist zijn en dc aanschaf van dieren stimuleren (ondanks het schrijven van twee
boekjes!).

De afwijkingen, die het meest worden waargenomen, zijn: enteritiden, verstoppingen
en koliek. Bij sterfte door koliek is de sectie vaak negatief. Deze aandoening is meestal
een gevolg van voedingsfouten (ranzig voer, schimmel), waardoor een intoxicatie
ontstaat, Dc meeste chinchilla\'s sterven \'s nachts. Vaak worden door eigenaar geen
ziekteverschijnselen waargenomen. De therapie is als bij paarden (tranquillizers). Het
geven van laxantia is gecontraïndiceerd. Verstoppingen worden als regel te laat opge-
merkt, Men moet de eigenaar adviseren de mest iedere dag tc controleren en niet
alleen op consistentie tc letten, maar ook op hoeveelheid en kleur. Soms is het niet
tijdig „defaeceren" het gevolg van onregelmati.gc voeding of zelfs van een anorexie.
Van de 1387 geseceerde chinchilla\'s had 50-60% enteritis. De aandoening is deels
specifiek
(E. coli, Aerobacter aerogenes, Pseudomonas aeruginosa) en berust deels
op andere oorzaken als voederwisselingen, milieuveranderingen, onregelmatig voede-
ren, deficiënties. Pieudomonaj-infecties veroorzaken meestal een necrotiserende ente-
ritis van de dikke darm. Het lijden komt zo nu en dan stalenzoötisch voor. De ver-
liezen kunnen groot zijn. Iedere wisseling van milieu geeft darmstoringen. Ook de
luchtvochti,gheidsgraad is belangrijk. Deze mag beslist niet meer bedragen dan
50-60%. Met voederwisselingen moet men voorzichtig zijn. Vaak ontstaat hierdoor
een maagovervulling en soms koliek.

-ocr page 665-

Opgemerkt moet nog worden, dat een normale darmflora vrijwel uitsluitend bestaat
uit Streptokokken en aerobe sporevormers. Specimen van de
Enterobacteriaceae zijn
slechts in een gering aantal aanwezig.

Een tweede groot probelem bij de chinchillafokkerij i-, de steriliteit van het vrouwe-
lijke dier.

De voedster is om de 28-30 dagen bronstig. De vulva opent zich en er wordt een
slijmprop afgestoten. Endometritiden komen veel voor. Dit is vast te stellen door een
oorspeculum in de vagina te brengen. Men moet echter met het stellen van de dia-
gnose voorzichtig zijn. Er bestaat namelijk soms een hypersecretie van de uterine
klieren (kunstmatig op te wekken door injectie van follikelhormoon preparaten). Een
onderzoek op dc aanwezigheid van ontstekingscellen is echter bewijzend voor eerst-
genoemde afwijking. Storingen in het hormonale evenwicht zouden vaak aanleiding
geven tot steriliteit. Er worden „ter correctie" subcutaan stilbeenpreparaten toege-
diend. Het dier is meestal 6 dagen post injectionem bronstig. De therapie van een
endometritis bestaat in het inbrengen van antibiotica via vagina in de uterus (dage-
lijks gedurende 4 a 5 dagen).

Ook kent men vruchtbaarheidsstoringen bij het mannelijke dier. Het gemakkelijkst
te verhelpen is het voorkomen van een haarlis rond dc penis. Ernstiger zijn de ver-
stoppingen in de ductus deferens of de uretra t.g.v. een overmatige produktie van
spermiën en van secretum van de accessoire geslachtsklieren. Zit de verstopping laag,
dan kan het dier vrij snel sterven aan de gevolgen van een acuut optredende uremie.
Bij sectie is de meest kenmerkende afwijking het voorkomen van een sterke o\\\'er-
vulling van de zaadblaasjes!

Listeria-septicemiën geven vaak aanleiding tot verschillende sterfgevallen. Er is wel
reclame gemaakt voor vaccinaties. Dr. Kraft meent, dat de enting van weinig of
.geen betekenis is. Vaak vindt men kalkincrustaties in de grote lichaamsslagaderen,
dc nieren en het hart. Een en ander zou het gevolg zijn van stofwisselingsstoornissen.
Bij zeer jonge dieren zou een vitamine E-deficiëntie aanleiding kunnen geven tot
een plotselinge hartstilstand.

Dr. Kraft is een tegenstander van het geven van „pellets". Men heeft geen enkele
controle wat er in zit. Hij heeft de indruk, dat dit voedsel vaak veel te lang wordt
bewaard, waardoor zeer belangrijke nutriënten worden gedestrueerd. Met goed gras
hooi en water heeft men een goede en economisch verantwoorde voeding.

De voordracht van O. S i e g m a n n droeg als titel: „Zur Epizootologie der Pseudo-
tuberculose beim Chinchilla". Spreker zag in Celle onder 10.54 door hem geseceerde
chinchilla\'s in de jaren 1960-1962 slechts driemaal een infectie veroorzaakt door
Pasteurella pseudotuberculosis (Malassez, Vignal).

Vanaf april 1962 tot februari 1963 isoleerde hij een op Pasteurella pseudotuberculosis
.gelijkende stam uit 41 dieren op een totaal van bijna 500 secties. Biochemisch, sero-
logisch en ook wat de pathogeniteit voor proefdieren betreft, onderscheiden deze
kiemen zich van de klassieke verwekker van pseudotuberculosis. Zo werd saccharose
.gesplitst, alsmede adoniet en ornithine. Serologisch konden dc specimen niet worden
ondergebracht bij de tj^pen van Knapp. 38 stammen waren volkomen identiek; 3
vertoonden kleine antigenetische verschillen. Voor caviae, muizen en konijnen was de
kiem niet pathogeen, echter wel voor de mens. Door Knapp (Duitsland) en T h a 1
(Noorwegen) werden de bacteriën uitvoerig bestudeerd.

Deze onderzoekers stellen voor de bacterie voorlopig Pasteurella X te noemen. Door
S i e g m a n n werd een enquête ingesteld om iets naders tc weten tc komen over de
epizootologie. 17 fokkers zonden het formulier terug. 16 hadden hun dieren gekocht
bij dezelfde Zwitserse importfirma. Enige tijd hierna verscheen een publikatie van
de Zwitser B e c h t (1961), die bij 20 dieren uit deze fokkerij genoemde infectie had
waargenomen. Er is dus waarschijnlijk een gemeenschappelijke besmettingshaard
geweest. De incubatietijd was meestal zeer lang (3-5 maanden). Het zou interessant
zijn om alsnog na te gaan of de chinchilla\'s, waaruit de door Akkermans en
Terpstra beschreven stammen (identiek met
Past. X), afkomstig waren van de--
zelfde importeur. Opvallend is, dat in Nederiand vanaf oktober 1962 geen enkel

-ocr page 666-

geval van pseudotuberculosis bij chinchilla\'s meer werd vastgesteld.

Miss Knox deelde mede ook dergelijke infecties te hebben waargenomen bij uit

Canada geïmporteerde dieren.

Kar stad (Canada) deelde iets mede over een dodelijk verlopende hepato-nefritis
bij nutria\'s.
Bij sectie vond men bleke en gezvv\'ollen nieren, alsmede een gedegene-
reerde gestuwde lever. Histologisch waren kerninsluitlichaampjes aantoonbaar in de
levercellen en in de cellen van de tubuli contorti van de nieren. Vermoedelijk wordt
de aandoening door een virus veroorzaakt.

Het gelukte namelijk om op nutrianiercellen cen cythopathogeen agens te isoleren.
In de cellen van de weefselcultures werden in de kern acidofyle insluitlichaampjes
gevonden. Te vermelden is voorts nog het voorkomen van kristallen in de buisjes
(Komt ook bij culturs van „human adenovirus" voor). Deze infectie wordt zeer vaak
vastgesteld. Stressfactoren bepalen mede het klinische beeld. In de praktijk blijven
de sterfgevallen beperkt tot 1 of hoogstens 2 dieren. Experimentele infecties slaan
pas aan, wanneer men de algemene weerstand van het dier door een deficiënte
voeding heeft verzwakt.

C sik vary (Hongarije) besprak (als laatste) algemene oroblemen, die verband
hielden met het fokken van pelsdieren in Hongarije.

Er bestaat in dit land een grote nutria-fokkerij. De meest voorkomende ziekte onder
deze diersoort is paratyfus. Verliezen worden minder, wanneer men het zwem-
water van deze dieren dagelijks ververst (kan verversen). Ook de ziekte van Aujeszky
komt veel voor als .gevolg van het eten van varkensslachtafvallen. Met levende aan-
gepaste vaccins kan men de dieren goed beschermen. Bij nertsen wordt veel sterfte
waargenomen als gevolg van allerlei darminfecties, die optreden na het geven van
sterk verontreinigd voedsel. Men isoleert veel
Salmonella en pathogene E. coli (pa-
thogeniteit nagegaan in een dierexperiment en serologisch). Ook pasteurellosis geeft
vaak aanleiding tot grote verliezen vooral bij warm weer. Het eten van bedorven
voedsel zou bij deze aandoening een „stress\' werking uitoefenen. Bij de karakulschapen
komt in Hongarije veel Listeriosis voor.

Konijnenfokkerijen lijden vaak grote verliezen door darm- en levercoccidiosis. Dc
ernst van deze ziekte wordt mede bepaald door de voeding. Bedorven en minder ge-
schikt voer veranderen de darmflora zodanig, dat er cen gunstig milieu ontstaat voor
de vermeerdering van deze para.siet. Ook alle mogelijke darmstoringen komen voor
t.g.v. voedingsfouten. Een veel voorkomende ziekte is ook tuberculosis. Myxomatosis
is in 1963 in Hongarije voor de eerste maal vastgesteld.

Zaterdag 24 augustus werd een bezoek gebracht aan een vijftal farms.
De meeste nertsfokkcrijen liggen in Duitsland aan de kust. Er is daar gemakkelijk aan
vis en visafvallen te komen. Dieper in het land treft men slechts hier en daar een
farm aan. De meeste fokkers maken zelf hun meelsupplement en vitaminekern. Runder-
slachtafvallen worden weinig .gegeven, daarente.gen wel veel bloed (10%) en lever
(5%). In Duitsland zouden momenteel ± 250.000 nertsen zijn te.gen 220.000 in
Nederland.

De bezochte farms waren zeer modern uitgerust (aparte fok- en pelssheds, automa-
tische drinkwatervoorziening, plastic nokplaten in de sheds, afschermbare wanden
(vocht), mechanisch voortgedreven voedseltransportlorries).

De mooiste farm was die van de heer Witke te Bremerhafen. De 8000 daar aanwezi.ge
dieren werden door 4 mensen verzorgd. In Nederland rekent men 1 man per 1000
dieren. De nertsen waren hier zeer groot. Opvallend was het systeem 1 jong (reu)
bij de „moeder" te laten; om de groei na de zoogperiode van laatstgenoemd dier
te stimuleren. De nertsen hield men tot de pelstijd met 2-4 exemplaren bij elkaar
(ruimtebesparing). Op de bezochte farms werd noch geënt tegen botulisme, noch
tegen hondeziekte. Geen der eigenaars had deze aandoeningen ooit gezien. Bezoekers
op de farms werden streng geweerd. Personeel moest voor het betreden van de farm
van kleding wisselen.

/. P. W. Akkermans.

-ocr page 667-

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.
Vergadering Permanent Committee, Hannover.

Aan het verslag van deze vergadering is het volgende ontleend.
Opening.

Bij de opening herdacht de voorzitter. Prof, Dr, W, I, B, B e v e r i d g e, de over-
leden leden van het comité Dr, W, H a g a n en Prof, Dr, O, Ramon,

Notulen.

De notulen van de vorige vergadering (Parijs, mei 1962), alsmede het jaarverslag
1962, de balans 1962 en de begroting 1963 werden goedgekeurd.

Contributieverhoging.

Besloten werd met ingang van 1 augustus 1965 de contributie per vertegenwoordigd
dierenarts te verhogen van 1 shilling tot 1 Yi shiUing per jaar,

XVIIIde Wereld Diergeneeskundig Congres.

Het volgende congres zal in 1967 te Parijs worden gehouden.

Nieuwe leden.

Griekenland, Guatemala, Luxemburg, Marokko, Thailand, Tunesië en Venezuela
werden als lid aangenomen.

De aanvraag vcx)r het „associate membership" van de World Association for Buja-
trics werd tot de volgende vergadering aangehouden,

Gamgee-prijs.

Medegedeeld werd dat Sir Thomas Dalling deze prijs had ontvangen.
Bibliotheek van de W.V.A.

Waarschijnlijk zullen de uitgevers van de boeken, uitgestald op de tentoonstelling ter
gelegenheid van het congres te Hannover, deze boeken aan de W,V,A, ten geschenke
geven. Hiervan zou een bibliotheek kunnen worden ingericht, waarvoor de Vee-
artsenijkundige Hogeschool te Hannover reeds de lokaliteiten heeft aangeboden. Van-
wege de wenselijkheid deze bibliotheek in dezelfde stad als het secretariaat in te
richten, zal worden nagegaan of „Utrcht" hiervoor voelt.

Erelidmaatschap van het congres

Aan Prof, Dr, K, 1. Skrjabin (U,S,S,R,) zal het erelidmaatschap van het Con-
gres worden aangeboden.

Film project.

Aan de lijst van veterinaire films zal in 1964 een bijvoegsel worden toegevoegd; een
nieuwe catalogus zal in 1966 verschijnen,

I.A.W.V.P.

Aan de International Women\'s Auxihary to the Veterinary Profession werd de „ob-
server status" t,a,v, de W,V,A, verleend.

Resoluties Congres Hannover.

10 van de 14 resoluties, tijdens het Congres voorgesteld, zullen tijdens de slotzitting
ter aanvaarding worden voorgedragen.

Als laatste punt vindt de verkiezing van het bestuur van de W,V,A, en de leden van
het Association Fund Committee plaats,

VARIETY MEAT CONFERENCE.

Binnen het kader van de grote Amerikaanse Voedsel en Landbouwprodukten tentoon-
stelling van 7-24 november in het R,.A,1,-gebouw te Amsterdam, wordt op 22 novem-

-ocr page 668-

ber in de Glazen zaal van het R.A.I.-gebouw een „Variety Meat Conference" ge-
houden.

Het doel van deze bijeenkomst is om de consumptie van vleesprodukten te stimuleren
en de handel in vleesprodukten tussen de Verenigde Staten en Europa te bespreken.
Laatstgenoemd punt wordt van Amerikaanse zijde belicht door Aled P. Davies,
vice-president van het welbekende Amerikaanse Vleesinstituut (A.M.I.).
De voorzitter van het Produktschap voor Vee en Vlees, de heer .joh. de Veer,
neemt de Europese kant van dit interessante onderwerp voor zijn rekening.
Een forum, geleid door Dr. Louis Smith, directeur van de afdeling Vee en
Vlees van het Amerikaanse ministerie van Landbouw zal zich uitspreken over vragen,
die gesteld worden door het auditorium. Hierbij wordt gedacht aan problemen be-
treffende handel, produktie, detailverkoop, inspectie van vlees en vleesprodukten,
w.o. Variety Meats.

Naast Dr. Louis Smith bestaat het forum uit drie Amerikaanse en drie Neder-
landse specialisten. Dit zijn de heren James B. Nance, voorzitter van de National
Livestock and Meat Board, Floyd A. Segel, voorzitter van de National Indepen-
dent Meat Packers Association (NIMPA), Dr. Robert K. Somers, geassocieerd
directeur van de afdeling vleeskeuring van het Amerikaanse ministerie van Land-
bouw. J. J. Koch, specialist buitenlandse aangelegenheden Productschap voor Vee
en Vlees, H. K i p s Ph.D., vooi-zitter Commissie Bedrijfschemie Researchvcreni.ging
Nederlandse Vlecswarenfabrikanten, Drs. J. P. W. A n e m a t. Inspecteur in Alge-
mene dienst Veterinaire Hoofdinspectie Volksgezondheid.

De „National Livestock and Meatboard" laat, met een beknopte toelichting film- en
ander voorlichtingsmateriaal zien. Hierdoor krijgen de aanwezigen een indruk wat
in de Verenigde Staten alzo wordt gedaan om de consument vertrouwd te maken
met de belangrijkste waarden van vlees- en vleesprodukten.

Enkele voorbeelden van dit soort vleespropaganda zullen de gasten mee naar huis
krijgen. Uitnodigingen voor de „Variety Meat Conference" v/orden gezonden aan
vooraanstaande vertegenwoordigers van de West-Europese Vleeswereld, t.w. impor-
teurs, exporteurs, fabrikanten, groot- en detailhandel, overheid, verenigingsleven en
redacteuren van vakbladen.

De tentoonstelling zelf (U.S. Food and Agriculture Exhibition) duurt van 7 tot 24
november. Ten behoeve van het publick zowel als direct betrokkenen (slagers, horeca-
bedrijven, kookscholen en vakpers) zal worden gedemonstreerd met vleesprodukten als
bevroren lever, tong, nieren en staarten, zowel als met Europese worstsoorten en con-
serven die hieruit worden gefabriceerd. Speciaal zal de aandacht worden gevestigd
op de snacks en kleine hapjes die met een beetje fantasie tot cen succesnummer voor
de huisvrouw kunnen worden. De deelnemers aan de „Variety Meat Conference"
zullen dit „aan den lijve" kunnen ondervinden.

De demonstraties vinden plaats gedurende de gehele duur van de tentoonstelling in
een speciale stand die door de vleesafdeling van het Amerikaanse Ministerie van land-
bouw wordt verzorgd.

Op andere plaatsen in het R.A.I.-gebouw zullen typisch Amerikaanse vleesgerechten
zoals Hot Dogs and Hamburgers verkrijgbaar zijn, terwijl — uiteraard — het Bar-
becue feest niet ontbreekt.

Samenvattend kan worden gesteld dat een bezoek aan de tentoonstelling op vrijdag
22 onvember des morgens en deelname aan de „Variety Meat Conference" des mid-
dags aan de vleesmensen zeer waardevolle inlichtingen zal verschaffen. Nadere in-
lichtingen over dit evenement zullen gaarne worden verstrekt door de organisaties
welke werkzaam zijn in de vleeshandel en industrie en door de heer L.
Koop, William
Boothlaan 17 d, Rotterdam,
die als verbindingsman optreedt.

Persbericht Food and Agriculture Information Center

for European American Trade, R.A.I .-gebouw, Amsterdam.

-ocr page 669-

VlIIth MEETING OF THE EUROPEAN MEAT RESEARCH WORKERS IV1).

47. S z c zu c k i, C. en Ps u t y, E. (Bezirks-Laboiatoriuni für Kontrolle und For-
schung in der Fleischindustrie; Lodz, Polen) : Problems of samples selection for
chemical analysis of sausage products.

Op grond van onderzoekingen over de afwezigheid van homogeniteit der chemische
samenstelling van de grondstoffen, van het worstdeeg gedurende de produktie, en
van het eindprodukt, stelt men dat de monstername het hoofdprobleem is bij de
laboratoriumcontrole der worstwarenproduktie.

De fouten, welke tengevolge van van de ontoereikende monstername in de schatting
van de gemiddelde samenstelling der te onderzoeken partij begaan worden, kunnen
zo rgoot zijn, dat de analyse resultaten geen praktisch nut meer hebben. Statistische
zekerstelling der analyse resultaten is vereist.

De nauwkeurigheid van de schatUng der gemiddelde samenstelling is van een aantal
factoren afhankelijk, waaronder de afwezigheid van homogeniteit van het produkt en
het aantal genomen monsters de belangrijkste zijn. Vastgesteld wordt dat de afwezig-
heid van homogeniteit der worstsamenstelling afhangt van de verkleiningsgraad van
het deeg en dientengevolge karakteristiek is voor de betreffende assortimentsgroepen.
De controverse dat de monstername zo representatief mogelijk moet zijn bij zo laag
mogelijke kosten, vereist aanpassing van het aantal der te nemen monsters aan de
noodzakelijke graad van nauwkeurigheid.

48. K r O 1, B. en M e e s t e r, J. (Centraal Instituut voor Voedingsonderzoek T.N.O.;
Zeist, Nederland) : Some aspects concerning the Feder number of meat products.

In het kader van de pogingen tot harmonisatie van de wettelijke eisen voor vlees-
waren in de E.E.G.-landen, wordt cen overzicht gegeven van de achtergronden van en
de kritiek op het federgetal als basis voor de beoordeling van de samenstelling der
produkten en voor de berekening van het toegevoegde vocht.

De in verschillende landen bestaande eisen op dit gebied en het bereikte stadium
der harmonisatie worden besproken. Voorgesteld wordt om internationaal de ver-
houding vocht/eiwit als gemeenschappelijk uitgangspunt te aanvaarden.

49. K u r k O, V. I. en K e 1 m a n, L. F. (All Union Research Institute of Meat
Industry, U.S.S.R.) : Smoke phenols.

Uitgaande van de uit een rookcondensaat geëxtraheerde fenolen werd op twee ma-
nieren getracht deze in groepen te scheiden:

a. door middel van gefractioneerde vacuum destillatie;

b. door gefractioneerde extractie met sterke loog.

De verkregen groepen fenolen werden papierchromatografisch onderzocht.

Van de gedestilleerde fracties hadden alleen de midden-fracties (kookpunt 76-89° C)

een rookaroma en van de loogfractics alleen de eerste fractie.

In deze fracties was guayacol aantoonbaar, dat zelf geen rookaroma heeft, naast een
aantal niet geïdentificeerde fenolen. .Aangenomen wordt dat het specifieke rook-
aroma ontstaat door de combinatie van de fenolen uit deze groep.
Laag kokende fenolen van het cresol- en xylenoltypc en stoffen van het dimethyl-
pyrogalloltype zijn onbelangrijk voor het rookaroma.

50. Charpentier, J. en M e s 1 é, L. (Jouy-en-Josas et Paris, Frankrijk): Re-
search on colour change of „Paris hams" during the production process.

Door middel van pekelproeven met hamspieren, in pekels zonder toegevoegd nitriet,
wordt aangetoond dat het gebruik van pekels met beperkte nitrietvorming (tot 30
mg nitriet per kg vlees gevend), en van vlees met een lage pH (doch voldoende pig-

1  Het le, 2e en 3e deel van dit verslag treft men aan op resp. pag. 1244 (aflevering
19, 1316 (aflevering 20) en 1380 (aflevering 21) van deze jaargang van dit
tijdschrift.

-ocr page 670-

ment bevattend), de vorming van nitrosomyoglobine bevordert. Bij een te hoog nitriet-
gehalte van het vlees treedt ongewenste oxydatie der pigmenten op.
Bij het bepalen van een pH-optimum voor vers vlees met het oog op de technologische
verwerking moet men echter ook rekening houden met het verband tussen de pH
en andere kwaliteitsfactoren, bijv. met het groter worden van het waterbindend ver-
mogen bij hogere pH, en zullen de tegenstrijdige invloeden tegen elkaar afgewogen
moeten worden.

Door belichtingsproeven en reflectiemetingen op plakken gekookte ham is vastgesteld
dat een lagere pH van het vlees naast de genoemde betere kleurvorming ook een gro-
tere kleurstabihteit ten gevolge heeft.

Een hoog nitrietgehalte van het vlees blijkt de verkleuring te remmen. Gezien de
tegengestelde invloed van nitriet op de kleurvorming zal dus ook bij het bepalen
van een optimum waarde van het nitrietgehalte een compromis gesloten moeten wor-
den. Het reducerend vermogen van de ham zelf blijkt niet voldoende te zijn om de
verkleuring afdoende tegen te gaan.

51. M e s 1 é, L., Bernard, C., B a r r a u d, C. en N o w o s i e 1 e c k a, K.
(Paris, Frankrijk): Phosphates addition during ham curing.

Nagegaan wordt in hoeverre de toepassing van fosfaten bij gekookte ham voordelen
biedt en achteraf aantoonbaar is.

Daartoe is een aantal hammen, voorzien van O, 0.15 en 0.30% P2O5 (in de vorm
van een mengsel van handelsfosfaten), kort (6 dagen!), resp. lang (15 dagen) ge-
pekeld en gedrained, en vervolgens ingeblikt, gekookt en geanalyseerd.
De toevoeging van fosfaten vermindert de kookverliezen en verbetert de smaak en
de malsheid iets. De rendementsverbetering bij het koken is echter gering (vooral als
de hammen tamelijk laag gekookt worden), en is in het eindrendement niet meer te
zien, daar dan de variaties in afsnijden en uitbenen overheersen.

De fosfaattoevoeging vergroot de geleiafzet bij de korte, en verkleint deze bij de lange
pekelmethode; dit komt ook tot uiting in het watergehalte der hammen. De verschil-
len zijn echter weinig geaccentueerd en dienen nog nader gepreciseerd te worden.
De pekeltijd heeft een minstens even duidelijke invloed als de toevoeging van fos-
faten. De kort gepekelde hammen hebben een kleiner kookverlies en geleiafzet dan
de lang gepekelde.

Door chromatografische analyse volgens de methode van Pohja en Schott, kort na het
koken tiitgevoerd, kan men een eventuele toevoeging van fosfaten aantonen. Er blijft
echter twijfel bestaan, vooral als de hammen reeds enige tijd bewaard zijn en een
matige hoeveelheid fosfaat bevatten.

Uit een statistische berekening blijkt dat een P-getal groter dan 2,5 vrijwel zeker
op een fosfaatoevoeging wijst, Ook het totale fosfaatgehalte van de gekookte ham zou
hiervoor gebruikt kunnen worden; aan een normaal gepekelde ham met meer dan
0.520% PaO,^) is zeer waarschijnlijk fosfaat toegevoegd,

52. S h i s h k i n a, N. N. (All Union Research Institute of Meat Industry,
U.S.S.R.) : Effect of the method and type of packing on meat and meat pro-
ducts quality, coulour and microflora.

Bij dit onderzoek werd de houdbaarheid van onverpakte vlees en van in cellofaan
verpakt klein gesneden vlees vergeleken met de houdbaarheid van in polyaethyleen
verpakt vlees en van vacuum verpakt klein gesneden vlees.

Nagegaan werd de verandering van het uiterlijk, de pH, de kleur en het kiemgetal.
Bij onverpakt vlees werd de kleur donkerder en steeg de pH; na 6 ä 7 dagen was
het vlees kleverig en werd de geur afwijkend. In polyaethyleen verpakt vlees had een
vrijwel constante pH; de kleur werd iets bleker; na 8 ä 9 dagen werd een afwijkende
geur waargenomen. Het kiemgetal van het in polyaethyleen verpakte vlees steeg min-
der snel dan van het onverpakte vlees.

Het in cellofaan verpakte klein gesneden vlees was na 5 ä 6 dagen bruin verkleurd,
sterk gesmet en had een sterk afwijkende geur; de pH was gestegen. Bij vacuum-
verpakt verkleind vlees werd pas na 7 ä 8 dagen een afwijkende geur waargenomen;

-ocr page 671-

de kleur was iets bleker; de pH bleef constant; het kiemgetal steeg minder sterk dan
bij het in cellofaan verpakte vlees.

53. Reuter, H. (Bctriebslaboratorium der Fleischwerke E. Schafft; Ansbach/Mfr.,
WDld.) : Methods of portioning and packing raw and deep-frozen meats.

Een overzicht wordt gegeven van de voorwaarden waaraan bij voorverpakking van
vers vlees moet worden voldaan: hvgiënisch slachten; voorkoelen bij 0° C; uitsluitend
le kwahteit; bij voorkeur centraal voorverpakken; zuurstof doorlatende verpakking.
Op deze wijze blijft het voorverpakte vlees (bij 0° C) gedurende 48 uur in een goed
verkoopbare en hygiënisch verantwoorde toestand.

Bij voorverpakt diepbevroren vlees moet aan de volgende voorwaarden voldaan wor-
den: uitsluitend le kwaliteit; vers, nog niet eerder bevroren geweest zijnde; gasdicht
verpakkingsmateriaal; voorbehandeling met zuurstof; invriezen bij —38° C, bewaren
bij —23° C, transport en verkoop bij maximaal —18° C. In vacuumvcrpakking is
het vlees op deze wijze gedurende 3 a 4 maanden houdbaar zonder dat de rode kleur
achteruitgaat.

54. K i d n e y, A. J. (T. Wall and Sons (Meat and Handy Foods) Ltd., Engeland) ;
Technological problems of vacuum-packcd sliced cooked ham.

Nagegaan werd de houdbaarheid van voorverpakte gesneden ham. De eerste methode
betrof ham, welke na het koken onder zeer hygiënische wijze werd behandeld, waarbij
de ham niet aangeraakt werd. Alle gereedschappen werden viermaal daags met een
quaternaire ammoniumverbinding ontsmet. Na 10 dagen opslag van de gesneden
ham bij 4° C bleek het kiemgetal kleiner te zijn dan 5.000,/g.

Werd deze opslag gevolgd door een opslag gedurende 3 dagen bij 18° C dan steeg
het kiemgetal tot ca. 10®/g.

Bestraling met ioniserende stralen (10^> rad) had weinig effect; aangeraden wordt dc
verpakking te voorzien van een opschrift „binnen 24 uur consumeren".
De tweede methode betrof gesneden ham, welke na het verpakken gepasteuriseerd
werd. Hierbij werd de op zeer hygiënische wijze voorverpakte ham gepasteuriseerd
in water van 85-90° C. Na 3/4 minut bleek de inwendige temperatuur 70° C te zijn.
Voor een goede houdbaarheid was een pasteurisaüctijd van 10 a 20 minuten nood-
zakelijk. Hierbij werd een houdbaarheid van 14 dagen bij kamertemperatuur bereikt.
Deze methode heeft zijn nut in de praktijk bewezen.

55. K a u k h c h e s vi 1 y, E. I., Z h u r a v s k a y a, N. K. en G u i g o, E. I.
(U.S.S.R.) ; Technological basis for meat preservation by frccze-drying.

Droogvriczen is een conserveringsmethode, waarbij het vlees slechts weinig verandert,
hetgeen blijkt uit de aanwezigheid van acticve enzymen. De vol,gende factoren bepalen
dc kwaliteit van het op deze wijze gedroogde vlees:
de hoedanigheid van het uitgangsmateriaal;

de voorbehandeling van het vlees; voorvriezen heeft daarbij een gunstig effect;
de droogsnclheid; deze moet zo groot zijn dat de temperatuur beneden — 10° C

blijft totdat 80 a 90% van het water is verwijderd;
de opslagomstandighcden; de opslag moet snel .gebeuren onder vacuum of stik-
stof in een volkomen droge atmosfeer:
de wateropname van het vlees wordt bevorderd door het gebruik van zout-
oplossingen.

Voorts worden de eigenschappen, welke een vriesdroogcenheid moet hebben, ge-
noemd.

56. Gacvoy, E. V. (All Union Scientific Research Institute of Meat Industry,
U.S.S.R.): The problem of animal raw material preservation.

Na het slachten treden in het vlees autolytische/protcolytische processen op, eerst al-
leen enzymatisch, later ook microbiologisch.

Verschillende conserveringsmethoden worden in het kort besproken, speciaal die
welke geschikt zijn voor de conservering van slachtafvallen:

-ocr page 672-

antiseptica, alleen voor technische doeleinden,
lage temperatuur; voor niet te lang durende opslag,
hoge temperatuur.

Uitvoerig wordt de mogelijkheid besproken om formaldehyde en aluminiumsulfaat
te gebruiken.

57. Emanuel, N. M. (Academy of Sciences of the U.S.S.R.): Chain Theory of
antioxidants action.

.A.an de hand van cen aantal experimenten wordt een overzicht gegeven van dc
reactie-kinetica van de vetoxydatie.
Besproken worden achtereenvolgens:

— de vetoxydatie,

— de werking van Inhibitoren,

— de invloed van ioniserende stralen.

58. G O r b a t O V, V. M., F y e d o r o v, N. E., G o r b a t o v, A. V., en R o g o v,
I.A. (U.S.S.R.): Structure-mechanical properties of some products of the meat
industry.

In verband met hct transport van verkleind vlees door leidingen, valkokers en trech-
ters worden de „structuur-mechanische" eigenschappen besproken.
Na een korte bespreking van de mogelijke structuren worden de volgende eigen-
schappen besproken: viscositeit en relaxatieperiode als functie van de afschuifkracht.
Het gedrag van vlees, vlees/water en vlees/vct/water wordt besproken evenals de
wijzigingscoëfficiënt tussen vlees en metalen.

Aangegeven wordt op welke wijze de „structuur-mechanische" eigenschappen be-
paald kunnen worden.

Door toepassing van een model i.p.v. vlees kon het onderzoek versneld worden. Als
model werd .gebruikt een waterige kleisuspensic. Het gedrag van het model komt
sterk overeen met dat van vlees.

59. Natuss-Andreyc V, V. A. (U.S.S.R.): One of the regularities of the
physico-chemical technology of blood.

Door onjuist centrifugeren van bloed wordt door beschadiging van dc rode bloed-
lichaampjes rood gekleurd serum verkregen, dat alleen voor technische doeleinden
geschikt is.

Nagegaan werd aan welke eisen een centrifuge moet voldoen om kleurloos (geel)
serum te verkrijgen.

De snelheid moet zo laag zijn, dat de druk niet hoger wordt dan ca. 15 kg/cm*^.
Aangegeven wordt hoe een centrifu.ge moet worden afgesteld om cen goed resultaat
te verkrijgen.

60. Lapshin, A. A. (Leningrad Technological Institute of Refrigeration Indus-
try, U.S.S.R.) : The development of new methods and equipment for commercial
production of edible fats and complex automadon of technological processes.

In cen overwicht wordt aangegeven op welke wijze in Rusland getracht wordt de pro-
duktie en de arbeidsproduktiviteit bij de winning van vet uit vetweefsel en uit been-
deren op te voeren.

Dit gebeburt met een hydromechanische methode, waarbij het vet door cavitatie wordt
losgemaakt.

61. Sehnal, J. (Meat Institute; Brno, Tsjechoslowakije): Hog slaughtering and
dressing line.

Besproken wordt een slachtlijnplan voor varkens, die cen capaciteit heeft van 80-120
dieren per uur, onafhankelijk van de gewichtsklasse der dieren. De dieren worden
gedouched, alvorens ze in de stallen komen; in elke ruimte worden 50 dieren toege-
laten. Vanuit de stallen worden de varkens voorzichtig, doch mechanisch, naar dc
slachtplaats gedreven.

-ocr page 673-

Daartoe maakt men gebruik van „harken" die onder een variabele spanning gezet
kunnen worden. Het dier zet zichzelf min of meer klem en dan valt automatisch de
vork-elektrode neer, onder een hoek van 40° met het lichaam, op de kop. De ver-
doving duurt 12 tot 20 sec. (afhankelijk van de grootte van het dier).
Via een transportbaan wordt het dier hangend gestoken en komt vervol,gens op
scharnierende platen te liggen, waarmee het ook boven de broeibak wordt vervoerd.
Boven de bak wordt het karkas met warm water gesproeid. Vervolgens vindt de ont-
haring plaats op een tafel, waarin openingen zijn gebracht voor de schrapers; de
restanten van de haren worden manueel verwijderd. Deze wijze van ontharen voor-
komt onnodige beschadiging van de huid (zwoerd). De varkens worden aan de
achterpoten opgehangen met behulp van speciale „kluisters", waardoor geen in-
snijdingen in het vlees behoeven te worden gemaakt en ze ondergaan dan diverse be-
handelingen zoals de verwijdering van de darm, etc. De gehalveerde varkens worden
na douchen, gekoeld weggehangen. Het is de bedoeling een en ander in 1964 defini-
tief uit te voeren.

62. Dole zal, B. (Meat Institute; Brno, Tsjechoslowakije) : A new technology
introduced in meat industry in G.S.S.R.

In diverse Oost-Europese landen schijnt men intensief bezig te zijn met het zoeken
naar oplossingen van de problemen rond de mechanisatie en automatisering van het
produktieproces van vleeswaren. D. beschrijft een proces waarbij men ontbeend
vlees via een wolf in opslagruimten verzamelt, waardoor men tamelijk homo,geen
uitgangsmateriaal krijgt. Dit materiaal wordt na menging met „nitrous brine" en
andere ingrediënten door een soort colloïdmolen gevoerd en vervolgens .gemengd met
kruiden en spekblokjes. Door gebruik te maken van speciale wolven en kruiden-
extracten kan men genoemde behandelin.gen nog beter automatiseren. Tocpa.ssing van
kunstdarmen bevordert de uniformiteit en de efficiëntie van het produktieproces.
Het roken vindt reeds in 55% der gevallen plaats met behulp van generatoren, doch
aan de toepassing van „liquid smokes" schijnt ook gewerkt te worden. De vooruitzich-
ten om door weerstandsverhitting vleeswaren op een snelle wijze op de gewenste
temperaturen te bren.gen schijnen eveneens gunstig te zijn.

Tenslotte werd genoemd, dat steeds meer vers vlees in polyaethyleen verpakt wordt;
dit gebeurt thans met een capaciteit van 50 kg per uur per man!

CONGRESSEN

C.L.O. STUDIED.\\GEN.

De Stichting C.L.O.-Gontrole zal, thans voor de 13 achtereenvolgende keer, op 4 en

5 februari 1964 de C.L.O.-Studiedagen in Tivoli te Utrecht organiseren.

Aan het secretariaat (p.a. „de Schothorst", Hoogland) zijn nadere inlichtingen te

bekomen.

Ille INTERNATIONAAL CONGRES OVER DIERZIEKTEN.

Te Kopenhagen zal dit congres worden gehouden van 21-23 augustus 1964.
Nadere inlichtingen over deelname, inzendingen, hotelresen/ering enz., zijn te ver-
krijgen aan het secretariaat: Bulowsvej 13, Copenhagen V.

-ocr page 674-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

PULLORUM-ANTIGEEN.

Het trivalent pullorum-antigeen partij no. 94, geproduceerd door Laboratoria Nobilis

N.V. te Boxmeer, voldoet aan de gestelde eisen en is mitsdien door de Directeur van

de Veeartsenijkundige Dienst voor toepassing geschikt verklaard tot 1-10-1965.

DOORLOPENDE AGENDA

1963

November,

21, A.C.V.-Controle. Regionale Veevoedingsbijeenkomst, Alphen a.d. Rijn.
(pag. 1387)

23, Groep Geneeskunde v. h. Kleine Huisdier K.N.M.v.D. Vergadering,
14.30 uur. Kliniek v. Kleine Huisdieren, Utrecht, (pag. 1393)

December,

12, Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten K.N.M.v.D. Vergadering,
10.00 uur. Hotel Smits, Utrecht, (pag. 1456)

12, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel Dalzicht,
Nijverdal. (pag. 1392)

13, Afd. Utrecht K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel Smits, Utrecht,
(pag. 1392)

18, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur, Muranozaal,
Beurscafé, Rotterdam, (pag. 1393)

19, Afd. Groningen-Drenthe K.N.M.v.D, Vergadering, 14.00 uur. Restaurant
Riche, Groningen, (pag. 1392)

1964

Februari,

4— 5, C.L.O.-Studieda,gcn, Utrecht, (pag. 1447)
16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel.

Augustus,

21—23, IIIc Internationaal Congres voor Dierziekten, Kopenhagen, (pag, 1447)

September,

6—13, Ve Internationaal Con,grcs „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388, 1388)

Oktober,

8—10, Wiss. Gesellschaft f. Vet.Med. in der D.D.R., Intern. Congres, Leipzig,
(pag. 1318)

„Toni Turkey\'s".

Veelbelovend wordt een opfoksysteem voor kalkoenhanen genoemd, waarbij de jonge
dieren op een leeftijd van 8 a 12 weken vrije uitloop krijgen in milo-aanplantingen en
geleidelijk aan — te beginnen op 22 weken — dagelijks een hoeveelheid korrelvoer
met 28% eiwit over het veld uitgestrooid krijgen bijgevoerd, totdat ze slachtrijp zijn.

Pluimveepers, XVIII, 498, (1963).

-ocr page 675-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13,

Gironummer 511606 ten name van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Veterinaire Week, Indrukken en Overpeinzingen.

Het begin op het Domplein is al warm en hartelijk. Goede koffie in een mooie zaal 1,
voor hen die van verre en dichtbij gekomen zijn: een ware verkwikking. De stemming
is er meteen al. Het is die bijzondere stemming die er altijd is, waar veel vctcrinairen
zijn. Zo met zon overtrokken en met kruidige buitenlucht doorwaaid. That very
peculiar mood.

De voorzitter van de Commissie voor de Veterinaire Week moet dan ook op een
stoel gaan staan om het geroezemoes te overstemmen. Het lukt tenslotte en zonder
een cortège drijft deze goede herder zijn schapen waarheen hij wil. Hij laat echter
wel 4 belhamels voorop gaan,

In de Aula is een welkomstwoord en dat is goed. Men weet het nu tenminste en men
hoort dat de „hatching" aan de gang is. Men hoort ook de prenatale hartcslag van het
kuiken. De President Curator verbreekt de schaal en hij doet het stijlvol en met clan.
Het kuiken stapt in ons midden, dc schaal blijft over. Maar daar maakt de Bouwheer
handig gebruik van. Hij laat „op schaal" toekomstige verblijven zien, waar nieuwe
eieren bebroed zullen worden. Neen, het zullen geen luchtkastelen zijn die slechts
windeieren bevatten.

Vooraf heeft cchtcr de voorzitter van de broed-broederschap aangetoond hoe het
brocdproces voor de brcxdmeesters zelf zal veranderen. Dat broeden is zo zijn eigen
specialisme.

En nu de schapen weer. Hij die voor heel andere schapen het meest gedaan heeft,
gaat de prijs ontvangen. De schat-bewaarder reikt hem uit. De schapen-dokter buigt
ontroerd het hoofd. Het wordt heel stil nu, even, en dan een klaterend applaus. De
goede herder leidt nu allen weg, de schapen en de schapen-dokter. Het kuiken hup-
pelt sjielpend mee; men gaat de gangen door, de trappen op.

En boven aangekomen, voltrekt het wonder zich aan het Domplein. Dat wonder dat
daar telkens weerkeert. Het is Engclscr dan Engeland zelf. Het „standing in a queu"
wordt cr tot cultus. Dc schapen-dokter en zijn gemalin schudden dc vele uitgestoken
handen. De worm van feliciterenden groeit achter aan en brokkelt vooraan lan.gzaam
af. De proglotdden verspreiden zich, zij laven zich en voeden zich. En Curatoren
zijn: een gulle gastheer.

Om twaalf uur fladdert het kuiken luid piepend al, het Domplein op.

Studenten zorgen voor de lunch. Het is een gladde lunch, aan gladde tafels en gladde

tongen prijzen ons een bierglas aan.

„Charmante jonge vrouwen,

een mooi glas voor \'n pop.
Wie zou daar niet van houen,

wie kan daar tegen op."
Het loopt gesmeerd. Gesmeerd zijn ook de broodjes en goed belegd door vaardige
handen. Er is genoeg. Met gulle handen uit grote manden worden suppleties uitge-
deeld :

„A tisket, A tasket, \'t is in my yellow basket,
O take it, O taste it,

I, handsome lady ask it."

-ocr page 676-

Het kuiken groeit. De lezingen beginnen en de instituten draaien door.
Reeds begint het kweek-proces voor nummer zes.

En de dames? The Ladies Programm!

Aan de stille Zuiderzee, drinken die midda.g, de dames de thee. De slotvoogdes van
Muiden heeft het theeklokje doen luiden.

Nu, dat heeft dan ook zijn uitwerking gehad hoor. Er was meer dan voldoende, er
was zelfs over. Nou ja, over drie jaar misschien......

De donderdag wordt zwaarder. Maar dc instituten draaien door. Dat moet ook wel,
want:

„Koeien krijgen kalveren en lebmaag-dislocaties
En honden slikken fluitjes in,

en krijgen heup-luxaties,
Kamelen zijn wel erg groot,

maar soms is er wat met een poot."

-ocr page 677-

De middag brengt een keur van demonstraties. Laten we het vooral eenvoudig houden
jongens. Zo op het peil van de a!,gemeen practicus......

Waar zijn trouwens al die practici? Zij zijn waarschijnlijk bezig met het jongste spe-
cialisme: dat van de allround practicus. En sommige exquise schotels van het menu
van deze week, zijn misschien wat zwaar geworden.
Gaat men die dan in Hannover savoureren?

De dames zien die dag de dure woning van een der provinciën in het \'Gelderse
Haagje, 11 miljoen exclusief. Dat is het wel, exclusief!

Vooraf heeft men van uit de hoogte neergekeken. Goede koffie in een nieuw Motel.

Genietend van het schoonste weer, ziet men op de omtrek neer.

iNa Amhem, Rijsenburg: Na sla en koffietafel het verzadigde gevoel en daarna

buiten in een luie stoel. Geen telefoontjes nu of ander krijgsgewoel.

Langs Slot Hubertus op naar Ede.

De legende van het Yoghurt plantje wordt hier radicaal ontluisterd.
Maar nog veel meer nuttigs wordt hen ingefluisterd —
Zoals wij graag het bier zien met een schuimige zoom.
Verlangen de dames op melk de room.

Ook hier een gulle gastheer. Thee en een borrel en fijne soorten kaas.

Onze dames staan eenvoudig paf.

Men neemt er tenslotte zijn Pet-je voor af.

Excursie dames.
Dan komt de avond van de tweede dag.

De tempel heet: „Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen".

De wetenschappen hebben hun beurt gehad. De kunst van het vermaak blijft over.
In de hal reeds worden wij aangenaam getroffen. Er is de speciale sfeer van een
avond in de stad en uitgaand publick en daar dan zelf bij te horen.
Het binnen schrijden, het langs ruisen en dan opeens: That international flavour; die
Duft die eine schone Frau begleitet!

In de zaal zet de muziek in en het is goed. De toch al blijde gezichten gaan nu
stralen. Golven van melodisch ritme slaan over de grote gladde vloer. A la dance!
Take your partner!

En weer voltrekt zich een wonder, dat van de dansvloer.

„Daar glijden de paren van verschillende jaren

aan mij voorbij.
De slanken, de schonen, de dochters, de zonen

wat zijn zij blij!

-ocr page 678-

Ze zwieren en glijden en sommigen schrijden

rij na rij.

Dat duurt zo kwartieren, met vreugd en vertieren

steeds een hij en een zij."

En onze dames?

„Le Bon Dieu créa la femme
Aussi les nôtres.

Cela devenait clair et limpide, ce soir même.

Mon Dieu! Quelles femmes!

Quelles femmes admirables.

Des Beautées considerables.

Quelles femmes merveilleuses

Les Veterineuses!"

En wat zal cr op zo\'n dansvloer verhandeld worden? Zal er gefluisterd worden over
de flora van de pens? Zal er gemeierd worden over melkziekte? Naar eikaars ge-
zondheid hoeft niet geïnformeerd te worden, die spat er af.

De drop-omzetten der drogisten zijn al lang geleden tot een minimum gedaald. Een
enkel aspirientje kan nog traag verhandeld zijn geweest in deze dagen. Ook textiel
bereikt een zeker laagte-punt! Maar geen nood. De curve van de zonnebrand-olie
richt zich naar hct zenith van de zon.

En met welk resultaat: Turgor prima! Huidskleur: boven-natuurlijk.
En ons komen de regels in gedachten van Ben Jonson:

„Still to be neat, still to be drest
As you were going to a feast;
Still to be powderd, still perfum\'d
Lady, it is to be presurn\'d.
Though art\'s hid causes are not found
All is not sweet, all is not sound."

Maar wat hebben de minstrelen dan verkondigd? Het komt niet in de proceedings
van dit congres. Uw waarnemer heeft slechts flarden kunnen opvangen, maar die zijn
dan ook niet ontmoedigend .geweest. Wat deze ridders hun cclelvrouwen ook mogen
hebben toegevoegd, het straalt af van dc fonkelende blikken der vele graciën.
Wij denken aan de vreugde van Yama Saki die in de Flower Drum Song haar opper-
ste verrukking, dat zij cen jongevrouw is, zoals zij is, uitzingt met de woorden;

„I enjoy being a girl!

When men say: you are as sweet as candy,

I enjoy being a girl!

It goes to my head like brandy,

I enjoy being a girl,

being a girl like me!"

Ja, de vonken spatten cr af en het feest zet zich voort in deze zomernacht. Maar als
het dan later wordt, heb ik een droomgezicht.

Ik zie een geestverschijning. Het is cen oude dame. Zij heeft de gedaante van mijn
reeds lang gestorven Oma. Lc Bon Dieu ait son âme! Haar goedige gelaat heeft een
bezorgde trek. Ach zij kan de zon wel in hct water zien schijnen. Ook zij is jong en
mooi geweest. Het was toen: fin de siècle. Maar zij gaat nu waarschuwend rond en
bij de meest verrukte paren hoor ik haar fluisteren: zcxjn doe nu je o.gen dicht,
dochter wil niet luisteren. Wordt zij begrepen? Opeens is zij weg.
Wij gaan ook maar weg, het is al laat.
Maar het is knoer-gezellig geweest.

Het kuiken was trouwens vanavond ook nog aan hct woord. Het heeft al echt ge-
kraaid als een hormonen haan. Het heeft alle ran.gen doorlopen. Van kuiken tot kip
maar ook tot haan. Wat een baard overigens......

-ocr page 679-

En de draagtijd van een hoogleraar in de zootechniek is 3 jaar. Dat past dan in de
Mammoet, want een olifant doet er 2 jaar over.

De andere dag gaat het verder met lezingen en lunches en drukke demonstraties.
Onze echtgenoten zien de modeshow. Zij hebben echt-genoten! Maar hun getal heeft
zich verdubbeld. Komt dit uit dc goochel-Winkel? Er is benenwerk en goede bege-
leiding, muzikaal dan, maar dat hoort ook zo.
Een Vos verliest zijn haren wel maar niet zijn streken!
En als men alles haarfijn heeft bekeken,
\'t Zij Peau de pêche of Pied de Poule om \'t even.
Heeft men de nummers naarstig opgeschreven.

Het programma spoedt zich voort. Voort naar de sluiting en naar het diner.
De Herder leidt zijn schapen de manege in. Ze voelen zich thuis. Vers zaagsel, balen
stro en een podium. Er wordt lof gezwaaid. Broed- en kuiken-meesters worden ge-
prezen. Het kuiken is kip geworden, het kan nu het moeras v/cer in. Men kijkt al
naar een nieuw gaaf ci.

Tot slot het diner, In Hof van Holland is het feestelijk eind. Informal dress. Jawel!
Hoe ,goed ziet het er uit! Het geroezemoes begint al gauw. D^ bitter en de borrel de
sherry en de drank en af en toe: „ik heb nog wat, ik dank", We gaan aan tafel.
Waarom dat restaurant nu Zomerdijk moet heten? Het wordt ons duidelijk bij de
consommé, We hebben wel eens eerder kwelwater gezien, achter een winterdijk was
dat. Wat een vreugd overigens voor de parasitologen dat het nu net consommé ver-
micelli moet zijn!

Behalve de noisettes de veau zijn cr slcchts vriendelijke noten op de zangen der slot-
troubadours. Men moet trouwens wel oppassen met een tafelrede. Schapen zei U?
.Ms wolven als U zich verspreekt hoor!

Maar in een accolade van speeches vallen Maatschappij en Faculteit elkaar schreiend
van ontroering in de armen. En het is goed.

Dansend is daarna het slot gekomen. Weer ruisende robes en lachende ogen, talrijke

paren en veel melody. Zacht neuriënd zitten wij cr bij.

Eens zong Bonnie Lou op muziek van Benjamin - Weiss - Alstone;

„While dancing with someone and longing for you
I saw you my darling, with somebody new.
And over your shoulder I watched your stand by
The smile on your lips, was a tear to my eye.
Music stopped playing, bul you could n\'t see
That my eyes were saying: „change partners with me".
You looked o so happy, but nobody knew
I was dancing with someone and longing for you."
Rijdend door de nacht naar huis, vallen mij de regels in van de Canadese dichter
F. R. Scott:

„After the present falls the past.
After the festival the fast
Always the deepest, is the last."

Jean Teinturier.

Assistentieregeling.

Met het oog op de a.s. kerstvakantie volgen hieronder weer de richtlijnen ten aan-
zien van dc uitvoering van de koninklijke besluiten betreffende assistentie bij dc
georganiseerde dierziektenbestrijding.

Ter voorkoming van enig misverstand wordt er op geattendeerd, dat het K.B. van
16 augustus 1956 en van 23 augustus 1957, zoals dit is gewijzigd bij besluiten van
1 september 1959 en van 5 oktober 1957, onveranderd van kracht blijven.
Kort samengevat houdt dit dus in, dat uitsluitend studenten kunnen worden inge-
schakeld, die
het eerste gedeelte van het doctoraal examen met goed gevolg hebben
afgelegd en in het bezit zijn van een vergunning van dc Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst. Deze assistentie mag alleen worden verleentl aan dierenartsen, die

-ocr page 680-

een verklaring van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde
bezitten, v/aaiuit blijkt, dat zij behoefte hebben aan assistentie.

De Faculteit der Diergeneeskunde zal evenals verleden jaar de normale universitaire
vakanties weer handhaven, zodat ook nu geen verlenging van de vakanties meer zal
plaats hebben ten behoeve van dc werkzaamheden, die in het kader van de georgani-
seerde dierziektenbestrijding worden verricht.

Verder zal het Waarnemingsburcau van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde zich ook nu zoveel mogelijk onthouden van dienstverleningen
bij de uitvoering van dc assistentiercgcling. Ook dit houdt verband met de gang van
zaken gedurende de laatste assistentiepcrioden.
Deze regeling verloopt als volgt:

Door de Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren wordt ook dit jaar in overleg
met de Provinciale Commissies voor vestigingsrcgeling bepaald, welke dierenartsen
voor assistentie in aanmerking komen: bovendien wordt bij dit overleg het aantal
toegewezen assistentiedagen en dc mate van urgentie vastgesteld.

Evenals vorig jaar vindt door het Waarnemingsbureau geen indeling plaats van de
bevoegde assistenten bij de daarvoor in aanmerking komende dierenartsen.
Studenten die wensen tc assisteren, kunnen aan de hand van ne provinciale dieren-
artsenlijsten, die op de DSK-kamer ter inzage liggen, zelf een af.spraak met een
dierenarts maken.

Hierop volgt de aanvraag van de verklaring (vergunning) bij de Directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst met bij een met name genoemde dierenarts gedurende een
omschreven periode te assisteren bij dc tuberculose-, mond- en klauwzeer- of brucel-
losisbestrijding.

Indien deze verklaring wordt verstrekt, op grond van de provinciale dierenartsen-
lijsten, ontvangt de betreffende dierenarts tevens een verklaring van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, dat hij behoefte heeft aan een
assistent gedurende bovenbedoelde omschreven periode voor de hierboven genoemde
werkzaamheden.

De dierenarts, die op deze wijze zelf geen assistent kan krijgen, kan de bemiddeling
van het Waarnemingsburcau inroepen. Ditzelfde geldt voor de student, die wenst
te assisteren en hiervoor geen dierenarts kan vinden. In beide gevallen treedt het
Waarnemingsbureau bemiddelend op en zal zo inogelijk contact worden gelegd tussen
dierenarts en assistent. De benodigde verklaringen worden daarna op dezelfde manier
aangevraagd en afgegeven.

De assistenten worden dus niet meer „toegewezen", maar zij kunnen zich vrijwillig
beschikbaar stellen aan de dierenartsen, die behoefte hebben aan assistentie en dus
voorkomen op de provinciale lijsten.

De afrekening van het honorarium vindt rechtstreeks plaats tussen de dierenarts en
de assistent, onmiddellijk na afloop van de assistentie periode.

Dit laatste sluit tevens in, dat de dierenarts zelf verzekeringsplichtig is. (zie volgende
mededeling.)

Uit de aard der zaak zullen de verklaringen door de Directeur van de Veeart.senij-
kundige Dienst en dc Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde
voor de tuberculosebestrijding worden verstrekt van de aanvang van het jaarlijks
onderzoek af, d.w.z. van heden tot 15 februari 1964 en voor de mond- en klauwzeer-
bestrijding van 1 februari tot 15 april 1964.

De brucellosisbestrijding is niet aan een bepaalde periode gebonden, zodat de ver-
klaringen hien\'oor gedurende het gehele jaar kunnen worden verstrekt.
Reeds nu kan worden meegedeeld, dat in verband met het beperkte aantal bevoegde
assistenten alleen voor urgente gevallen asssistenten beschikba.ar zullen zijn.
De dierenartsen zullen er dus rekening mee moeten houden, dat zij de werkzaamheden
zo veel mogelijk zelf moeten doen.

Tenslotte zal ook dit jaar worden getracht tijdelijk werkverlof te verkrijgen voor
assistentieverlening voor de jonge dierenartsen, die in militaire dienst zijn.

-ocr page 681-

Verzekcrini;.

De huidige voorziening regelt de navolgende uitkeringen resp, schadeloosstellingen:
I.
Ongevallen.

A. overlijden.............ƒ 15.000,—

ongehuvv\'den............„ 5.000,—

B. levenslange gehele ongeschiktheid.......„ 40.000,—

(bij levenslange gedeeltelijke on,geschiktheid een percentage hiervan)

C. tijdelijke gehele ongeschiktheid........„ 20,—

per dag (uitkeringsduur max. 1 jaar)

D. geneeskundige behandeling enz........„ 1.000,—

Het risico van motor/scooterrijden is onder dc verzekering begrepen.

H. Ziekte.

Ziekengeld.....ƒ 20,— per dag (3 wachtdagen)

Geneeskundige behandeling f 1.000,— voorzover hierin niet elders is

voorzien.

Deze uitkeringen geschieden uiterlijk tot en met de laatste dag van de overeen-
gekomen assistentieperiode.

Hl. Wettelijke Aansprakelijkheid.

In hoedanigheid van dier.geneeskundige hulp en als particulier.

A. ingeval van dood, letsel of benadeling van de gezondheid

van één persoon ten hoogste........ƒ 20.000,—

B. ingeval van dood, letsel of benadeling van de gezondheid

van meer dan één persoon bij hetzelfde voorval ten hoogste „ 50.000,—

C. ingeval van schade, ontstaan door beschadiging van goederen
van derden, dan wel door dood, letsel of benadeling van de
gezondheid van aan derden toebehorende dieren ten hoogste „ 5.000,—

Premie.

De premie voor deze gecombineerde vorm van verzekering bedraagt .f 2,— per
kalenderdag, met dien verstande dat bij cen verzekeringstermijn van meer dan 30
dagen de premie voor de termijn na 30 dagen ,ƒ 1,50 per kalenderdag bedraagt.
De minimum te betalen premie bedraagt ƒ 5,— per verzekerde per aanmelding.

Onder de verzekering is dus medebegrepen een uitkering van f 20,— per dag voor
ziekengeld, ingaande na verloop van drie dagen na dc dag waarop cen student volgens
vaststelling door een daartoe bevoegd geneesheer volledig arbeidsongeschikt is ge-
worden cn eindigende op dc laatste dag van dc overeengekomen assistentieperiode.
Aangezien aanspraak op deze uitkering kan worden gemaakt indien de overeenkomst
tot assistentie bij een en dezelfde dierenarts voor minstens vier
achtereenvolgende
kalenderdagen is aangegaan, verdient het dus aanbeveling dat een assistentieperiode
niet wordt onderbroken door de hierin voorkomende zon- en feestdagen eruit te
lichten.

Met betrekking tot de on.gevallendekking kan het ook van ijelang zijn dat deze op
genoemde dagen doorgaat, daar het kan voorkomen dat een student dan moet reizen,
waarbij hem een ongeval kan overkomen.

Teneinde dc belangen van de dierenartsen en die van dc studenten het beste te dienen
werd met bovengenoemde assurantiebedrijf overeengekomen dat zon- en feestda.gen
worden medeverzekerd, zodat hierover ook premie in rekening wordt gebracht.

Ten einde de administratieve behandeling van deze verzekering zo eenvoudig mogelijk
te doen verlopen, zal zonder tegenbericht van iedere assistentie opgave worden ge-
daan aan N.V. Assurantiebedrijf der Crediet- en Effectenbank N.V., Kromme Nieuwe
Gracht 6 te Utrecht, telefoon (030) 1 58 51, die de dierenartsen de kosten recht-
streeks per nota in rekening zal brengen.

-ocr page 682-

Voor schademeldingen en/of nadere inlichtingen kan men zich met voornoemd bedrijf
in verbinding stellen.

In vorige assistentiepcrioden moest reeds enige malen een beroep op deze verzekering
worden gedaan, waaronder een ernstig geval, waarvoor een hoge uitkering werd ont-
vangen.

Mede in verband hiermee, wordt, elke dierenarts die assistenie van een student krijgt
dan ook met klem aangeraden van deze verzekeringsmogelijkheid gebruikt te maken.

Aankoop boekwerk.

Professor B o n s m a, hoogleraar Veeteelt in Pretoria, zou graag kopen het boek
van Prof. J. U. Duerst: „Grundlagen der Rinderzucht", uitg. 1931.
Wil degene die het boek in zijn bezit heeft en het af wil staan, dit opgeven aan
Prof. Stegenga, Duivendaal 5, Wageningen.

HERHALING.

Openstaande (1963) en achterstallige (1962) nota\'s.

In verband met de afsluiting van de boekhouding op 31 december a.s. wordt een
ieder die nog openstaande en achterstallige nota\'s heeft, re;p. over 1962 en 1963,
dringend verzocht deze zo spoedig mogelijk te voldoen op girorekening 511606
t.n.v. van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde of op de bankrekening
bij de Twentsche Bank N.V. te Utrecht.

Door „slordigheid" van sommige leden wordt het bureau volkomen onnodig belast
met een grote hoeveelheid onprettig werk. Dit is te voorkomen, door vorderingen
van dc Kon. Ned. Maatschappij voor Diergenecksunde steeds cp tijd te voldoen.
Deze nota\'s betreffen:

a. contributies (1963, of soms daarvoor),

b. certificaten,

c. tijdschriftbanden,

d. losse afleveringen van het tijdschrift,

e. advertenties,

f. waarnemingsbemiddeling,

g. aesculaaptekens.

VAN DE GROEPEN

Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten.

Op donderdag 12 december a.s., om 10.00 uur zal de Groep een ledenvergadering
houden in
Hotel Smits te Utrecht.

PERSONALIA

Hct Hoofdbestuur heeft de volgende collegae aangenomen als lid van dc Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde:

A. Nahum, Poststraat 40, Mantgum.
H. G. A. Olde Riekerink, Aalsgaardenstraat 34, Losser.
H. W. F. Picard, Lobbedijk 19, Houten.
M. van Schothorst, Steinenburglaan 12, De Bilt.
H. Wijma, F. G. Dondersstraat 29, Utrecht.
Het Hoofdbestuur heeft de volgende collega voorgedragen voor het lidmaatschap van
de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde:

E. G. A. Staal, Floris Heermalenstraat 15, Utrecht.

Adreswijzigingen en dergelijke:

Bcrgsma, G., te Dordrecht, naar van Baerlestraat 88, aldaar, tel. (01850) 31-81
(privé), 63 21 (bur.). (147)

-ocr page 683-

Boer, G. F. de, te Uithoorn, tel. bureau (020) 5 33 22. (149)

Bollen, L. N. M., te Hellendoorn, functie wijzigen in „wnd. D.". (150)

Cremers, J. H. J., te Heerlen, naar Muzelaan 40 aldaar (tel. ongewijzigd), gr. ge-
wijzigd in 1055558. (155)
Daas, J. den, te Druten, tel. gewijzigd in (08870) 23 26. (155)
Devos, O. J. H., van Goes naar \'s Heer Abtskerke, Grotedijk 2, tel.
bureau (01100)
66 10. (156)
Lint, G. B. de, te Epe, naar Quickbornlaan 13 („er naast"), (tel. ongewijzigd).

(181)

Loenen, J. W. A. C. van, te Wommels(Fr.), naar van Sminialaan 24 aldaar (tel.

ongewijzigd). (181)

Majoewskij, Dr. W. H. F. C., te Arnhem, naar Velperweg 152-11 aldaar (tel. onge-
wijzigd). (183)
Olde Riekerink, H. G, A.; 1963; Losser (Ov.), Aals.gaardenstraat 34; tel. (05423)
375; D. (in mil. dienst). (188)
Overhaus, H. B. M., te Ouderkerk a.d. Amstel, huisadres veranderen in
Koningin
Wilhelminalaan 18, tel. gewijzigd in (02963) 12 12. (189)
Picard, H. W. F.; 1963; Houten (U.), Lobbedijk 19; tel. (03468) 273; D. (in mil.

dienst). (190)

Reitsma, P., te Alkmaar, naar Prinsessclaan 8, aldaar, tel. (02200) 1 49 47 (privé),

1 73 47 (bur.). (192)
Schothorst, M. van; 1963; De Bilt, Steinenburglaan 12; tel. (030) 6 05 87 (privé),

2 71 51 (bur.); gr. 501036; wetensch. ambt. b. h. R.LV. (196)
Shimshony, A.; 1963; Kiryat Tivon (Israël), Habonimstraat 46; D.

(van 198 naar 217)

Staal, E. G. A.; 1963; Utrecht, Floris Heermalestraat 15; tcl. (030) 1 90 80; wnd. D.

(200)

Veen, R., van Amsterdam naar Nunspeet, Albertlaan 40, aangesloten onder gr.

626073. (204)

Vries, J. de, te Leeuwarden, tel. bureau gewijzigd in 2 33 09 (ab.), 2 06 41* (vee-
markt), h.k., dir. ab. en veemarkt, R.K.V., R.K. (bz. d.). (209)

Gevestigd:

Gremers, G. F. Th., te Heerlen, Goriovallumstraat 53, tel. (04440) 72 44, b.g.g.

40 18, gr. 1053417 (overname praktijk van J. H. J. Gremers). (155)

Metz, A. J. M., te Zeddarn, Oude Doetinchemseweg 5-F, tel. (08345) 300, geass.
met W. A. van Jaarsveld. (184)

Diergeneeskundig ej;amen:
Geslaagd op 28 oktober 1963:

Chanoch, U. (inlassen 154)

Heller, D. (inlassen 167)

Lesschen, J. W. A. (inlassen 181)

Maarssen, A. J. I. te (inlassen 182)

Machnai, B. (inlassen 183)

Németh, F. (inlassen 186)

Schuring, A. E. (inlassen 197)

Overleden:

Seit, Prof. B., te Emmen, is aldaar overleden op 25 oktober 1963, (198)

-ocr page 684-

RECTIFICATIE

In de vertalingen van de samenvatting van het autoreferaat van het proefschrift van
collega Dr. P. W. M, van Adrichem, getiteld: De invloed van het voeder op
enige fennentatieprodukten in de pens van normale runderen en acetonemiepatiënten
(Tijdschr. Diergeneesk., 88, 985, (1963)), zijn storende onjuistheden geslopen, die
aan de zin van de tekst geweld aandoen.

Derhalve moge hieronder de tekst der samenvatting en de gecorrigeerde vertalingen
worden weergegeven.

SAMENVATTING.

In dit proefschrift zijn de resultaten neergelegd van het onderzoek naar enige fer-
mentatieprodukten, die in de pens van het rund gevormd kunnen worden. Om ook
onder praktijkomstandigheden gemakkelijk een monster vloeibare pensinhoud uit
de ventrale penszak te verkrijgen, werd een bestuurbare maagsonde ontwikkeld.
De zuurtegraad van de pensinhoud varieert, afhankelijk van de samenstelling van
het rantsoen en het tijdstip van de monstername van 5,7 - 7,5. De fermentatieve
ammoniakvorming in de pens van weidende koeien hangt meer af van het gehalte
aan koolhydraten in het gras dan van het gehalte aan ruw eiwit.

De verhouding van de lagere vluchtige vetzuren, die in de pens ontstaat is sterk af-
hankelijk van de aard van het rantsoen. In het voorjaar wordt er in de pens meer
propionzuur gevormd en minder azijnzuur dan in de herfst. Bij de opname van ge-
ensilecrd gras wordt de vetzuurvorming beïnvloed door de kwaliteit van dit produkt.
Een melkzuurhoudende silage verhoogt het propionzuurgehalte in de pensvloeistof.
Duidelijke verlaging van het propionzuurpercentage in de pens was bij uitgesproken
gevallen van acetoncmie regel. De preventieve bestrijding van deze ziekte zal gericht
moeten worden op een voeding, die voldoende energie bevat en het propionzuur-
gehalte in de pensvloeistof verhoogt.

De propionzuurvorniende eigenschappen van verschillende voedermiddelen werden
getest. Van de granen bleek het gekookte roggemeel het hoogste propionzuurpercen-
tage in de pens te veroorzaken.

SUMMARY.

This thesis contains the results of the study of some fermentation products which can
be formed in the bovine rumen.

To make it more easy to take samples of the fluid rumen content out of the ventral
sac of the rumen, a dirigible stomach tube was developed.

The pH of the rumen content varies from 5.7 to 7.5, dependent on the composition
of the ration and on the moment of sampling.

The fermentative formation of ammonia in the rumen of grazing cows depends more
on the carbohydrate content of the grass than on the crude protein content. The
proportion of the lower volatile fatty acids, formed in the rumen, depends especially
on the kind of the ration.

On pasture, in spring-time more propionic acid will be formed than in autumn.
When grasssila,ge is fed, the formation of fatty acids in the rumen is influenced by
the quality of the silage. A silage with a high lactic-acid content increases the pro-
pionic-acid content of the rumen-fluid.

In most cases of severe ketosis there was a distinct decrease of the propionic-acid
content in the rumen. To prevent the outbreak of this metabolic disorder, the radon
of the high producing milking cow must contain sufficient energy and must, more-
over, sdmulate the propionic-acid formation in the rumen-fluid. The propionic acid
stimulating properties of various feedingstuffs were examined.

In these experiments could be established that of the cereals, cooked rye meal pro-
duced the highest propionic-acid percentage in the rumen.

-ocr page 685-

RÉSUMÉ.

La dissertation en question mentionne les résultats de l\'étude de quelques produits
de fermentation qui peuvent se former dans le rumen bovine.

Pour pouvoir se procurer dans la pratique le plus facilement possible un échantillon
du contenu liquide, se trouvant dans le sac ventral du rumen, on a développé une
sonde stomachique dirigeable.

Le pH dans le rumen varie selon la composition de la ration et l\'instant de la prise
d\'échantillon de 5.7 et 7.5. La formation fermentative d\'ammoniaque dans le rumen
de vaches broutantes dépend plus de la teneur de glucides des herbes que de la teneur
de protides.

La proportion des acides gras volatils à courte chaînc, formée dans le rumen, dépend
surtout du caractère de la ration. Au printemps, dans le rumen des vaches broutantes
il se forme plus d\'acide propionique qu\'en automne.

A l\'ingestion des herbes ensilées la formation des acides gras volatils est influencée
par la qualité du produit en question. L\'n ensilage contenant de l\'acide lactique
augmente le pourcentage d\'acide propionique dans le liquide du rumen. Une dimi-
nudon evidente du pourcentage d\'acide propionique dans le rumen était régulière
dans les cas évidents d\'acetonaemie.

Le traitement préventif de cette maladie doit donc se spécialiser sur le terrain d\'une
nourriture qui contienne assez d\'energie en augmentant le pourcentage d\'acide pro-
pionique dans le rumen.

Les qualités de la formation d\'acide propionique de différentes sorte dc fourrage ont
été examinées.

Des céréales la farine de seigle cuite résulte de produire la plus haute proportion
d\'acide dans le rumen.

ZUSAMMENFASSUNG.

Diese Dissertation enthält die Untersuchungsergebnisse ■.■iniger Fermentadons-
produkte die gebildet werden können im Rinderpansen.

Um auch in der Praxis auf einfacher Weise eine Probe des flüssigen Inhalts des ven-
tralen Pansensackes zu gewinnen, wurde eine lenkbare Magensonde entwickelt.
Der Säuregrad des Panseninhalts ist sowohl abhängi.g von der Zusammensetzung der
Ration wie vom Zeitpunkt der Probe-entnahmc und schwankt zwischen 5.7 und 7.5.
Die fermentative .Ammoniakbildung im Pansen der weidenden Kühe ist mehr ab-
hängig vom Kohlenhydratgehalt als vom Roheiweiszgehalt des Grases.
Das Verhältnis der niedrigen flüchtigen Fettsäuren, die im Pansen .gebildet werden, ist
hauptsächlich abhängig von der Beschaffenheit der Ration. Im Frühjahr wird bei
weidenden Kühen mehr Propionsäure im Pan.sen gebildet als im Herbst. Bei der
Aufnahme der Grassilage wird die Fcttsäurebildung beeinflusst von der Qualität der
Silage.

Eine milchsäurchaltige Silage erhöht den Propionsäuregehalt der Pansenflüssigkeit.
Bei aus.gesprochcncr Acctonacmie wird regelmässig eine deutliche Herabsetzung des
Propionsäuregehaltcs im Pansen gefunden.

Die Vorbeugung dieser Krankheit soll sich bezwecken auf die Nahrung, die sowohl
genügend Energie enthalten wie den Propionsäuregehalte der Pansenflüssigkeit for-
dern soll.

Die propionsäurebildenden Eigenschaften verschiedener Futtermittel wurden geprüft.
Dabei erwies sich in bezug auf Getreidearten, dass das .gekochte Ro,g.gen mehl in
hohem Mas.se die Propionsäurebildung im Pansen aktiviert.

..\\DEMHALINGSZIEKTEN BIJ PA.ARDEN.

In het betreffende referaat in afl. 20, pag. 1310, 12e regel van bencden van dit tijd-
schrift dient de zin:

„Behalvc Streptococcus onderscheidt Mahaffcy no.g vier andere typen"
ten rechte te worden gelezen:

„Behalvc Streptococcus equi onderscheidt Mahaffey nog vier andere typen".

-ocr page 686-

Diergeneeskundige
Studenten Kring.

Ab-actiaat: UTRECHT - BILTSTRAAT 172 (Poortgebouw)

Gironummer 271994 ten name van de fiscus van de Dier-
geneeskundige Studenten Kring.

Bestuurssamc nstelling.

Het Bestuur van de Diergeneeskundige Studenten Kring heeft de eer U mede te
delen, dat het zich voor het jaar 1963/1964 als volgt heeft samengesteld:

Praeses
Ab actis
Fiscus

Vice-Praeses
Vice-Ab actis

J. G. Vos
J. A. Smak
A. M. van Schaik
E. C. Osinga
Mej. M. Klasens

Namens het Bestuur,

J. A. Smak, D.S.K. h.t. .A.b actis.

. NULON INJECTIESPUITEN

ONBREEKBAAR
VOOR MASSA-INJECTIES
TIJDS-BESPARING "

BUDGETS-BESPARING

Verkrijgbaar bij:

INSTRUMENTENHANDEL OF; L\'UNIVERS - Pr. Bernhardlaan 9 - Bussum

GEVRAAGD per 1 januari 1964 een

ASSISTENT

nnet mogelijkheden tot associatie in grote gemengde praktijk
in het Westen des lands.

Brieven onder no, 40/63 aan de Redactie van het Tijdschrih voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

Oudere dierenarts in het Noorden des lands
zoekt hem passende werkzaamheden.

Brieven onder no. 41,/63 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123 te Utrecht.

-ocr page 687-

INHOUD

VETERINAIRE WEEK 1963

Voordrachten en demonstraties, gehouden tijdens de Veteri-
naire Week op 12, 13 en 14 juni 1963 te Utrecht Lectures
and demonstrations held during the Veterinary Week on June
I2th, 13th and 14th at Utrecht
—.......1461

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1838

VARIA...... 1471, 1498, 1512, 1520, 1546, 1552, 1558,

1579, 1584, 1603, 1639, 1663, 1675, 1747, 1759, 1788, 1822, 1828, 1833, 1840

DOORLOPENDE AGENDA............1840

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van de Afdelingen...........1841

Personalia.............1841

-ocr page 688- -ocr page 689-

\\jetc^ïXi^^ii^t MJtd/C

gehouden te Utrecht
op 12, 13 en 14 Juni 1963

-ocr page 690-

œt

It 5^\'V-

* * ^ \'

# ■-r * *

V > - r

HBC- i\'w.\'■ * v-.v;

[wSKiS\'ïiÇï; -a.?«

-ocr page 691-

G. Wagenaar, Welkomstwoord........1461

Mr. C. Th. E. Graaf van Lynden van Sandenburg, Openings-
woord
..............1463

C. Romijn, De reorganisatie van het onderwijs in de dier-
geneeskunde — Reorganisation of the veterinary education .
1464
P. Hoekstra, De nieuwe diergeneeskundige faculteit — The new

Veterinary Faculty —..........1468

]. H. ]. van Gils, Uitreiking van de Schimmel-Viruly-Prijs 1472
A. M. Frens, Nieuwe gegevens over de voeder opname en de
voederverwerking bij het rund — Recent data about food intake

and food conversion in the cow —.......1479

/, H. ]. van Gils, Het cysticercosisprobleern in Nederland —

The cysticercosis problem in the Netherlands — . . . 1488

G. H. Huisman, De bepaling van het hartminuutvolume bij
de hond met behulp van para-amino-hippuurzuur — Determi-
nation of the cardiac output of dogs by means of sodium para-

arnino hippurate —...........1499

14^. /. Kraan, De bepaling van de „renal blood flow" en de
„glomular filtration rate" bij de hond met behulp met para-
amino-hippuurzuur en kreatinine — The determination of renal

blood flow and glomerular filtration rate in dogs by means of
sodium para-amino hippurate and creatinine
— . . . . 1513
C. Romijn en W. Lokhorst, Enkele aspecten van de stofwisseling
bij pluimvee — Some aspects of the metabolism in poultry
— 1521
S. G. Wilson, Future opportunities for veterinarians in the

Tropics .............1548

F. J. Grornmers, Een overzicht van de betekenis van het machi-
naal melken in de aetiologie van mastitis — Machine milking

and the etiology of mastitis —........1553

L. Seekles, Inleiding tot het acetonernie-vraagstuk. De ana-
lytisch-chemische methode — Introduction to the acetonaemia
problem. The method of chemical analysis
— .... 1559

H. J. Hendriks, Het opwekken van acetonemie bij het rund —

Provoking of acetonaemia in cattle —......1572

/. Elerna, Het vet metabolisme bij acetonemie — Fat metabo-
lism in bovine ketosis
—.........1580

I. Mulder, Vetzuren in het bloed bij acetonemie - - Plasma fatty

acids in bovine acetonaemia —........1585

P. Hoekstra, Kentering in de waardering der exterieurkeuring

van lunderen — A turn in the evaluation of cattle conformation 1590

C. H. W. de Bois, Enkele aspecten van de fysiologie en patho-

fysiologie van de geslachtscyclus bij het rund — Some aspects

of the physiology and pathology of the bovine estrous cycle — 1604

A. van der Schaaf en F. M. Hagens, Enkele minder bekende

aspecten van het Salmonella-vraagstuk — Some other aspects

of the Salmonellosis-problern —........1624

A. J. H. Schotman, Het belang van het klinisch-chemisch onder-
zoek voor de praktijk — The importance of clinical-chemical
investigation for the veterinary practice
—.....1640

INHOUD

-ocr page 692-

G. H. B. Tennissen, Braken bij hond en kat — Vomiting in dogs

and cats —.............1665

H. A. Meijling, Enkele aspecten van de structuur en de bete-
kenis van het perifere vegetatieve zenuwstelsel — Some aspects
of the structure and the significance of the peripheral vegetative

nervous system —...........1677

P. Krediet, Het experimented opwekken van posttraumatische
dystrofie bij proefdieren — Experimental inducing of post-
traumatic dystrophia in laboratory animals
— .... 1693
E. L. M. J. Wiertz-Hoessels, Veranderingen in de innervatie

van dwars-gestreepte spieren bij posttraumatische dystrofie —
Changes in the innervation of transversly striated muscles in

post-traumatic dystrophia —........1703

J. Hendrikse, Enkele oorzaken van afwijkende ejaculaten —

Some causes of deviating ejaculates —......1721

A. van der Schaaf en F. M. Hagens, Ongunstige beïnvloeding
van de algemene gezondheidstoestand van caviae door implan-
tatie van Hexoestrol — Unfavourable effect of Hexoestrol- im-
plantation on the general condition of guineapigs
— . . . 1728
P. Wensvoort, Bacteriële ziekten van het lam — Lamb diseases

of bacterial origin —..........1734

C. A. van Dorssen, G. A. de Vries en A. C. Smidt, Een geval
van dermatitis bij een paard door Dermatophilus sp. in Neder-
land — A case of dermatitis in a horse caused by Dermatophilus

sp. in the Netherlands —.........1748

G. Wagenaar, De diagnostiek van de endocarditis bij het rund

— The diagnosis of endocarditis in cattle —.....1760

E. Lagerwey en S. R. Numans, Inhalatienarcose bij de grote

huisdieren (demonstratie).........1789

5, R. Numans, E. Lagerwey en H. J. Wintzer, Onthoorning

(demonstratie)............1797

Demonstratie aan de Kliniek voor Kleine Huisdieren en het In-
stituut voor Ophthalmologie
.........1802

]. Hendrikse, Stier met epididymitis (demonstratie) . . 1804

C. H. W. de Bois, De operatieve behandeling van de inversio
et prolapsus vaginae bij het rund (demonstratie)
.... 1805
ƒ. Kroneman en H. ]. Breukink, Demonstratie van patiënten

aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten......1815

/. H. ten Thije, Demonstratie van pathologisch veranderde

organen en weefsels...........1824

/. G. van Logtestijn en K. E. Dijkmann, Onderzoek van vlees-
waren (demonstratie)
..........1829

G. H. Huisman en W. ]. Kraan, Demonstratie aan het Insti-
tuut voor Fysiologie
...........1834

M. Karsemeijer, Slotwoord bij de beëindiging van de Veteri-
naire Week 1963
...........1835

C. Romijn, Sluiting van de Veterinaire Week 1963 . 1837

-ocr page 693-

VETERINAIRE WEEK 1963

Welkomstwoord ter gelegenheid van de
Veterinaire Week
1963.

door G. WAGENAAR1)

Dames en Heren,

Het is mij een grote vreugde U allen namens de Faculteit voor Diergenees-
kunde en namens de Commissie voor de Veterinaire Week van harte wel-
kom te heten.

De Veterinaire Week is voor ons, leden van de Commissie, als een ei dat
thans op het punt staat om uit te komen. Maandenlang hebben wij bij-
zonder trouw dit ei warm gehouden en straks zal dit volhouden worden
beloond. Het jonge individu zal als Veterinaire Week een eigen leven gaan
leiden waar de Commissie niet veel meer aan kan doen. Behoudens enig
toezicht lopen dan ook nu de werkzaamheden van de Commissie af.

Dat U, mijnheer Piekaar, namens de Minister van Onderwijs, Kunsten
en Wetenschappen deze openingszitting bijwoont, stemt ons tot grote
vreugde. Het feit dat de Voorzitter van de Faculteit vandaag het plan tot
reorganisatie van het diergeneeskundig onderwijs als het ware ten doop
houdt, vervulde ons met zoveel trots, dat wij de vrijheid gevonden hebben
Zijne Excellentie hierbij uit te nodigen. Wilt U zo goed zijn om de Mi-
nister, vooral met het oog op onze onvoldoende staloutillage, een goede
gezondheid voor zijn mammouth toe te wensen.

Wij zijn blij dal U, mijnheer de President Curator, de officiële opening van
deze Veterinaire Week als van ouds wilt \\errichten. Wij weten dat de
diergeneeskunde een warme plaats in Uw hart inneemt en wij zijn blij U
hier in ons midden te hebben.

Wanneer wij onze vergelijking met het uitkomende ei nog even mogen vol-
houden, dan hopen wij dat U, als het ware de eitand van het jonge kuiken
vonnend, straks met enkele flinke tikken de schaal verbreekt, waarin de
Veterinaire Week nu nog verborgen zit.

Dat de Rector en de Secretaris van de .A-cademische Senaat aanwezig zijn.
verheugt ons zeer. U, mijnheer de Rector, zidt als theoloog reeds uit de
historie van de Arke Noachs bekendheid hebben met de veelheid van de
diersoorten. Hoe eenvoudig was de wereld toen. Wanneer er thans een
Ark zou vertrekken, dan zou dat niet zo eenvoudig zijn.
Niet alleen zou de Veeartsenijkundige Dienst, wiens vertegenwoordigers
wij hier gaarne welkom heten, de zo noodzakelijke controle op diergenees-
kundig gebied verrichten, maar ook het Landbouwschap, wiens vertegen-
woordigers uit de Gezondheidscommissie voor Dieren ik niet minder wel-
kom heet, zou voor de dierziektenbestrijding van al die dieren in de bres
willen springen.

En het Jjandbouwschap zou misschien vergeten, mijnheer de Rector, dat
ook Noach indertijd al een koekoek aan boord gehad moet hebben.

1  Prof. Dr. G. Wagenaar, Hoogleraar aan de Faculteit voor Diergeneeskunde van
de Rijksuniversiteit te Utrecht, Voorzitter van de Commissie voor de Veterinaire
Week 1963; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 694-

Ons welkom gaat ook uit naar de vertegenwoordigers van andere Facul-
teiten, alsmede naar de vele leden van de wetenschappelijke staf.

In het bijzonder heten wij welkom de vertegenwoordiger van de Land-
bouw Hogeschool te Wageningen.

Een hartelijk woord van welkom gaat uit naar de vertegenwoordigers van
de Veeartsenijkundige Hogeschool te Gent en naar de vertegenwoordigers
van de Belgische zustervereniging van onze Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

Tot slot begroet ik gaarne de leden van het Hoofdbestuur en het Algemeen
Bestuur van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde. In U begroet ik alle dierenartsen hier aanwezig, welke richting van
ons vak zij ook vertegenwoordigen.

Tot slot een hartelijk woord van welkom aan de dames die hun echtgenoot
tijdens deze dagen vergezellen.
Nogmaals allen van harte welkom.

-ocr page 695-

Openingswoord fer gelegenheid van
de Veterinaire Week
1963.

Wederom nam — zoals voorheen
bij de opening van de Veterinaire
Weken ook steeds het geval is ge-
weest — na het welkomstwoord,
thans uitgesproken door de voor-
zitter van de Commissie Veteri-
naire Week 1963, Prof. Dr. G.
Wagenaar, de Voorzitter van het
College van Curatoren Mr. C.
Th. E. Graaf van Lynden
van San denburg het
woord, teneinde de Veterinaire
Week 1963 met een kort woord
te openen.

Aanvangende met een terugblik
in het verleden, werd grote vol-
doening uitgesproken over het feit dat de instelling van de Veterinaire
Week — zoals deze vanaf 1936 is uitgegroeid — als jjostuniversitaire cursus
kennelijk in een grote behoefte voorziet, gezien de steeds groeiende op-
komst van deelnemers hieraan.

De blik wendend op de naaste toekomst werd een globaal overzicht gegeven
van de stand van zaken bij dc uitvoering van het ]3roject, hetwelk het dier-
geneeskundig onderwijs ten nauwste raakt, nl. de bouv/ \\an hct nieuwe
universitair centnnn in de Johannapolder; een onderworp waarover in een
volgende voordracht nader zou worden gcrajjporteerd.

Een andere aangelegenheid, c\\eneens van zeer ingrijy)cnde aard op de
universitaire vorming van de Nederlandse dierenarts, nl. de wijzigingen in
het studieplan, waarover mede door de Voorzitter v-an de Faculteit der
Diergeneeskunde nader zcu worden bericht, werd door de spreker genoemd.
De hieraan verbonden aspecten — ook voor de andere studierichtingen aan
de Universiteit - - werden gememoreerd en het was met grote voldoening
dat gewag kon worden gemaakt van de \\ooruitstrevendc geest, welke in
de gelederen der dierenartsen heerste.

Met des te groter genoegen opende de President-Curator daarom deze
Veterinaire Week 1963 in het volste vertrouwen dat ook het verloop hier-
van voor alle deelnemers, wien een hartelijk welkom werd toegeroepen en
een vruchtbaar — hoewel korstondig — verblijf in de Alma Mater werd
toegewenst, in bijzondere mate bevredigend zou zijn.

-ocr page 696-

De reorganisafie van het onderwijs in de

diergeneeskunde.

Reorganization of the veterinairy education,
door C. ROMIJN1)

De ontwikkeling die de diergeneeskundige wetenschap heeft doorgemaakt
na de tweede Wereldoorlog loopt geheel parallel aan die der overige na-
tuurwetenschappen, met dien verstande, dat bestaande vakken enoiTn in
omvang zijn toegenomen en vele, geheel nieuwe takken van wetenschap
zijn ontstaan. Ofschoon de meeste nieuwe feiten en beschouwingen pas
jaren na hun ontdekking in de hand- en leerboeken worden aange-
troffen, leert de ervaring dat de docent, die op de hoogte blijft van de
ontwikkeling in zijn vak, zich haast zijn onderwijs aan de modernere ziens-
wijzen aan te passen, hetgeen veelal resulteert in een uitbreiding van de
leerstof, daar een overeenkomend quantum „verouderde" materie maar
node wordt geschrapt.

Voor de student wordt het onderwijs hierdoor uiteraard veel boeiender,
doch voor hem is de cumlulatie van toename der leerstof een oorzaak van
studieverlenging, die hem langer dan moreel en financieel verantwoord is,
van een zelfstandige maatschappelijke positie verwijdert. Mede gelet op de
omstandigheid dat het merendeel der studenten nog twee jaren dient te re-
serveren voor militaire dienst, impliceert dit dat eerst negen tot tien jaren na
het verlaten van het Gymnasium of de H.B.S., het stadium van zelfstan-
digheid wordt bereikt.

Behalve deze maatschappelijke overwegingen zijn er andere, die voor een
grondige herziening van het onderwijsprogramma pleiten. De oj) zich zelf
noodzakelijke splitsing van vele leerstoelen heeft geleid tot een differen-
tiatie in het onderwijs, die weliswaar een verbreding van het geheel be-
tekent, doch cx)k geresulteerd heeft in een overlapping van onderwijsstof.
die niet bevorderlijk is voor de efficiëntie van de studie als geheel.
De faculteit heeft reeds vele jaren deze ontwikkeling „met bezorgdheid
gadegeslagen" en daar deze bezigheid niet voldoende is om een oplossing
te brengen, is in het najaar van 1961 een commissie uit haar leden samen-
gesteld, de „commissie reorganisatie onderwijs", onder presidium van de
\\oorzitter van de faculteit, met een ruim mandaat inzake het uitbrengen
van een preadvies aan de faculteit. Hiermede werd reeds vooruitgelopen
op art. 56 sub 3, van de toen nog niet van kracht zijnde W.W.O.
De betreffende commissie heeft de haar opgedragen taak met voortvarend-
heid aangevat en zich acuut in drie subcommissies gesplitst, één voor de
„fundamentele opleiding" (precandidaats), één voor de opleiding tot het
D I examen en één voor de opleiding tot het D II, terwijl beide laatste
commissies tezamen tevens de taak hadden de postdoctorale eindopleiding
onder de loupe te nemen.

Bij de uitoefening van haar werkzaamheden heeft de commissie zich laten
leiden door de volgende grondprincipes, die van principiële betekenis zijn
voor de verzorging van het onderwijs op lange termijn.

1  Prof. Dr. C. Romijn, Hoogleraar aan en Voorzitter van de Faculteit der Dier-
geneeskunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht; .Alexander Numankade 93,
Utrecht.

-ocr page 697-

Ic. Het faculteitsbesluit het Dierenartsdiploma „universeel" te houden,
hetgeen impliceert dat tijdens de academische studie nog geen echte
specialisatie
zal plaats hebben.
2e. De totale studiediuu- op maximaal 6 jaren te brengen, met dien ver-
stande dat hiervan vijf jaren worden besteed aan de theoretisch-
wetenschappelijke vorming en het laatste jaar zoveel mogelijk geheel
voor praktische scholing wordt gereserveerd in de vorm van co-assistent-
.schajjpen enz.

.3e. Volle aandacht te schenken aan het advies van de F.A.O. conferentie
over
„Veterinai7 Education", die in 1960 te Londen werd gehouden en
waarin als maximale studieduur zes jaren werd geadviseerd, temeer
daar dit advies geheel in dezelfde richting gaat als de wensen van onze
Regering en het College van Curatoren.
4e. Het zorgvuldig inachtncmen van de bepalingen die in de nieuwe
W.W.O. zijn vervat met betrekking tot onderwijsaangelegenheden, in
het bijzonder de artikelen 59, 1 en 3 en art. 61 sub b. en vooral ook
art. 62.

Do kentering in het onderwijsbeleid aan de universiteiten wordt uit de
tekst van deze artikelen zonder meer duidelijk:

a) Niet de individuele hoogleraar of lector is verantwoordelijk voor zijn
onderwijs, doch de faculteit
als geheel en kan dus tc dien aanzien coör-
dinerend en (of) corrigerend optreden.

b) De wetenschappelijke staf wordt, veel meer dan tot heden gebruikelijk,
betrokken bij alle beleidsaangelegenheden, het onderwijs betreffende.

Dc genoemde faculteitscommi.ssie heeft beide punten op royale wijze gehan-
teerd en als zeer bruikbaar in de [jraktijk bevonden. Zij wil dan ook niet
verhelen, dat de nieuwe W.VV.O. haar tot grote steun is geweest en nog is,
voor dc uitoefening van haar taak.

Gedurende de cursus 1961-1962 heeft de commissie een grote activiteit ont-
plooid, hetgeen resulteerde in het gereedkomen van een preadvies aan dc
faculteit in het voorjaar van 1962. In dc historisch belangrijke faculteits-
vergadering van 15 maart 1962 werd dit preadvies uitvoerig besproken
en door de faculteit aanvaard. Na bijwerking op enkele ondergeschikte
IJunten kon in mei 1962 worden voldaan aan het gestelde in art. 59 sub 4
van de W.W.O., met name het ter kennisbrengen van de ontworpen rege-
ling aan de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschai)j)en, de Aca-
demische Raad, het College van Curatoren eii het College van Rector en
.Assessoren.

De inhoud van dit rajjjjort omvat in hoofdzaak de volgende regeling:
Teneinde een volledig verantwoorde opleiding tot dierenarts \'in zes jaren
te realiseren, heeft de commissie voorgesteld dc verdeling over de diverse
examens te wijzigen, in dien zin, dat de eerste twee jaren worden bestemd
voor de „fundamentele opleiding", het derde studiejaar voor de „inleiding
tot het klinisch onderwijs", terwijl de laatste drie jaren als typische „klini-
sche opleiding op universitair niveau" kunnen worden betiteld. Volgens de
huidige terminologie komt dit hierop neer, dat het Candidaatsexamen 2e
gedeelte na twee jaren wordt afgelegd, het D I examen na drie jaren, het
D II examen na vijf jaren en tenslotte na zes jaren het Dierenartsexamen.
Hiermede is tegemoetgekomen aan de huidige moeilijkheid van een te
korte studieduur voor het Doctoraalexamen 2e gedeelte.

-ocr page 698-

Bovengeschetste tijdwinst gaat ten koste van de opleidingsduur voor het
Candidaatsexamen. Teneinde aan de degelijkheid van de fundamentele
opleiding geen afbreuk te doen, wordt voorgesteld een zodanige wijziging
in het onderwijsprogramma aan te brengen, dat reeds in het eerste studie-
jaar een belangrijk deel der onderwijsstof van het huidige tweede studie-
jaar kan worden behandeld.

Het behoeft geen nader betoog dat de gedetailleerde uitwerking van ge-
noemde regeling een ware Sisyphusarbeid betekent, welke nochtans door
de inmiddels tot „permanente onderwijscommissie" gepromoveerde reor-
ganisatiecommissie met blijmoedigheid is aangevat, zich daarbij gesteund
wetende door alle belanghebbenden, niet in het minst door de weten-
schappelijke staf, die immers in zo ruime mate bij het onderwijs is be-
trokken.

U zult mij ten goede houden dat ik U een volledig overzicht van het onder-
wijsrapport bespaar, doch mijn toelichting beperk tot enkele onderdelen.

Ie. Een belangrijk punt is de spreiding van examens en tentamens, im-
mers de verlenging van de D H opleiding tot twee jaren brengt de
noodzaak met zich mede gedurende die periode een aantal vakken in
tentamenvoiTn te examineren met een vrijstellend karakter bij vol-
doende uitslag.

Het academisch statuut biedt daartoe ruime mogelijkheden en uit dien
hoofde kan halverwege de D H opleiding, tentamen wordt afgelegd
in: Virusziekten, Bacteriële ziekten. Parasitaire ziekten. Tropische
ziekten. Bijzondere Farmacologie, Melkhygiëne en een deel van de
Pathologie, terwijl na anderhalf jaar ook de Zoötechnische vakken als
tentamen kunnen worden afgelegd. Hiermede is een royale spreiding
\\an vakken gegarandeerd, hetgeen een wezenlijke verlichting voor
de student betekent.

Eenzelfde gang van zaken is ook in de overige studieperioden nagestreefd;
zo wil ik wijzen op de mogelijkheid tijdens de D 1 studie omstreeks de
Kerstvakantie een vrijstellend tentamen af te leggen in de Algemetie Heel-
kunde, de Algemene Bacteriologie, de Algemene Veeteelt en Statistiek eu
de Huisvesting en verzorging van kleine huisdieren en varkens en even-
tueel nog andere vakken.

Het komt de faculteit voor, dat de openstelling tot deze tentamenregeling
een belangrijke stap is in de richting van „studiebegeleiding", daar immers
de student meer dan tot nu toe een richtlijn geboden wordt inzake de volg-
orde waarin en de tijdsduur gedurende welke hij bepaalde vakken zal heb-
ben te bestuderen. .Als ik mij niet bedrieg leeft ook in andere faculteiten
dit positieve streven tot betere benutting van de beschikbare tijd te ge-
raken en de student beter omschreven richtlijnen te bieden.
Tenslotte wil ik nog enige aandacht vragen voor de fundamentele op-
leiding vóór het Candidaatsexamen. Dit is het deel van de studie waar-
binnen zich de grootste veranderingen voltrekken, eensdeels veroorzaakt
door de inkorting tot twee jaren, anderdeels tenge\\olge van de penetratie
van echte veterinaire vakken in het eerste studiejaar.

Na een bepsreking met de faculteit voor Wiskunde en Natuurwetenschap-
pen op 25 mei 1962 over de algemene richtlijnen die bij de herziening van
de propaedeuse zouden worden gevolgd, is door de subconmiissie voor de
Candidaatsopleiding in samenwerking met alle betrokken docenten en

-ocr page 699-

medewerkers een nieuwe indeling van de studie gedurende de eerste twee
studiejaren ontworpen.

Op dit moment is een stadium bereikt waarop een ontwerprooster gereed
is, dat met de aanvang van het studiejaar 1963-1964 van kracht wordt en
vóór dit tijdstip nog aan een algemene discussie met de faculteit voor Wis-
kunde en Natuurwetenschappen zal worden onderworpen.
Deze regeling, die een meer definitieve vorm heeft gekregen op de verga-
dering van 18 maart 1963, bevat de volgende belangwekkende wijzigingen
in de bestaande situatie:

le. Het onderwijs in de propaedeutische analytische- en organische chemie
zal aan het einde van de eerste helft van het eerste studiejaar worden
afgesloten met een tentamen, dat een vrijstellend karakter draagt.
2e. Het onderwijs in de fysische- en colloidchemie zal eveneens na een half

jaar studie met een tentamen worden afgesloten.
3e. De omvang en de aard van de te doceren stof in de propaedeutische

chemie zal geheel afgestemd zijn op de fysiologische chemie.
4e. De natuurkunde zal als „Veterinaire fysica" worden gedoceerd en

omstreeks Pasen hierin een tentamen kunnen worden afgelegd,
.\'je. De dierkunde zal met de behandeling van de theoretische stof met
Kerstmis zijn afgesloten, gevolgd door een blokpracticum in januari,
waarna eveneens een tentamen in dit vak kan worden afgelegd.
6e. Het onderwijs in de plantkunde omvat de leer der voeder-, vergift- en
artsenijplanten, alsmede de beginselen der plantensystematiek. Het
tentamen in dit vak wordt aan het einde van het eerste studiejaar
afgelegd.

7e. Het vak „Cytologie" wordt als examenvak opgenomen in het Aca-
demisch Statuut en hierin zal reeds vóór de Kerstvakantie een tenta-
men kunnen worden afgelegd.
8e. De omvang van de practica is zodanig, dat in het eerste studiejaar
vele middagen open blijven voor de student, teneinde zich in algemene
zin te kunnen ontplooien en zich op de diverse tentamina te kunnen
\\oorbereiden. Van een overbelasting in het eerste studiejaar is dan
ook geen sprake, integendeel, de nieuwe regeling betekent een wezen-
lijke verlichting, al lijkt dit voor een outsider niet het geval te zijn.
In de tweede helft van het eerste studiejaar treden de echte veterinaire
vakken meer op de voorgrond, hetgeen ook voor de student de aan-
trekkelijkheid van de studie in het eerste jaar zal verhogen.
De continuering van dit programma in het tweede jaar, na het C I
examen brengt in zoverre een verlichting mee ten opzichte van de be-
staande toestand, dat omstreeks Kerstmis meerdere tentamina ter
ontlasting van de C II stof kimnen worden afgelegd.

De faculteit is zich ervan bewust dat zich nog vele verwachte en onver-
wachte moeilijkheden zullen voordoen in de komende jaren, die een over-
gang vormen van de bestaande naar de nieuwe toestand. Zij blijft even-
wel diligent deze het hoofd te bieden, doch houdt er nu reeds rekening
mede, dat de grote toeloop aan eerstejaarsstudenten problemen opwerpt
voor wier oplossing nog ingrijpende maatregelen nodig zullen zijn.
In het besef dat U overtuigd bent van de volledige inzet van het gehele
potentieel aan intellect en materieel ten behoeve van het diergeneeskundig
onderwijs in Nederland, ziet zij de toekomst in vol vertrouwen tegemoet.

-ocr page 700-

De nieuwe diergeneeskundige faculteit.

The new Veterinary Faculty.

door P. HOEKSTRA1)

Mijnheer de Voorzitter,
Dames en Heren,

Toen ik, drie jaar geleden, ter gelegenheid van de vorige Veterinaire Week,
van dezelfde plaats over dit onderwerp sprak, heb ik volgens het verslag o.a.
het volgende opgemerkt.

„In het najaar van 1961 hoopt men met de eerste gebouwen van de
Diergeneeskundige Faculteit te beginnen, die omstreeks 1970 geheel vol-
tooid moet zijn.

Het volgende bouwrooster werd vastgesteld;

eerste bouwronde, 1961-1964, bouw van de Klinieken voor Verloskunde,
Chirurgie, Inwendige Ziekten en Kleine Huisdieren, het Pathologisch
Instituut, het Instituut Buitenpraktijk en de Apotheek;
tweede bouwronde, 1962-1964, bouw van het zoötechnisch complex,
d.w.z. van het Zoötechnisch Instituut en de Proefboerderij;
derde bouwronde, 1963-1967, bouw van het hygiënisch-infectieziekten-
complex, d.w.z. van de Instiuten \\oor Vlees- en Melkhygiëne, Bacterie-
ziekten, Virusziekten, Parasitaire ziekten en Tropische- en Protozoaire
ziekten, alsmede het Instituut voor Farmacologie;

vierde bouwronde, 1965-1969, bouw van het vóór-candidaatscomplex,
d.w.z. de Instituten voor Anatomie-Embryologie, Histologie-Cytologie,
Veterinaire Fysiologie, de Medisch Veterinaire Chemie, alsmede van
het Hoofdgebouw."
Alvorens nu na te gaan wat van deze schone jjlannen is gerealiseerd, wil ik
eerst een korte uiteenzetting geven over de ligging en opzet van de
nieuwe faculteit te midden van het nieuwe imiversiteitscomplex (zie afbeel-
ding eu toelichting).

Ligging en indeling van het Universiteitsterrein.

.A. Nieuwe rijksweg 23; Utreeht-Zeist-Amersfoort;

B. Nieuwe rijksweg 22; nieuwe oostelijke rondweg;

C. Nieuwe „berenkuil", ten zuid-oosten van de oude;

D. Fort Rijnauwen;

E. Fort Hoofddijk;

F. Proefboerderij de Uithof;

1. Fysische laboratoria;

2. Chemische laboratoria;

3. en 4. Medische faculteit, inclusief Tandheelkunde;

5. Hortus;

6. en 7. Biologische instituten;

8. A faculteiten, .Aula en centrale gebouwen;

9. Hubrechdaboratorium;

10. Sterrenwacht;

11. Sportvelden;

1  Prof. Dr. P. Hoekstra, Hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde der
Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 701-

Ol

-ocr page 702-

12. Vóór-candidaatsinGtitutcn, Instituut voor Farmacologie en hoofdgebouw
Diergeneeskundige Faculteit;

13. Instituten voor Bacteriële-, Parasitaire- en Protozoaire ziekten. Pathologie
en Vlees- en Melkhygiëne;

14. Kliniek voor Inwendige Ziekten;

15. Kliniek voor Verloskunde en Gynaecologie;

16. Apotheek;

17. Buitenpraktijk;

18. Kliniek voor Kleine Huisdieren;

19. Kliniek voor Heelkunde;

20. Röntgenologie;

21. Zoötechnisch Instituut en Proefboerderij;

22. en 23, Reserve;
24, Virusziekten.

Thans de vraa.g: hoe ver is men nu gevorderd met hel maken en realiseren
van plannen?

U zult reeds begrepen hebben, dat de 3 jaar geleden uitgesproken ver-
wachtingen niet vervuld zijn. Het lijkt er niet op. Werden toen de eerste
bouwactiviteiten in de herfst van 1961 verwacht, nu, jimi 1963, is de rea-
liteit dat er nog geen spade in de grond gestoken is en niet verwacht mag
worden dat dit vóór 1964 het geval zal zijn.
Een achterstand dus van 2-3 jaar.

Wat zijn de oorzaken van deze vertraging en is er in deze jaren dan niets
gebciu-d?

In de eerste plaats bleek dat de uitwerking van de opgemaakte program-
ma\'s van eisen moeilijker was en meer tijd vroeg dan was verwacht en dit
zowel voor de architecten als voor de instituutsbeheerders,
In de tweede plaats bleek dat met betrekking tot de stalcomplexen pioniers-
werk moest worden verricht. Pionierswerk omdat enerzijds niet met tra-
ditionele boerdcrijbouw kan worden volstaan - - onze ruimten moeten
\'s winters en \'s zomers worden gebruikt en zijn veelal slechts gedeeltelijk
bezet en anderzijds fabriekshallen hiervoor ook moeilijk als voorbeeld
kunnen dienen.

Gaat de uitwerking der plannen, met name voor dc stallen der drie kli-
nieken, dus nogal met wat moeilijkheden gepaard, anderzijds is er in de
afgelopen 3 jaar toch wel wat gedaan. Is er ook wel vooruitgang geboekt
die de kwaliteit van het geheel zeker ten goede zal komen. Zo zijn bijv, in
het algemeen de plannen rijper geworden en werden verschillende ver-
anderingen en aanvullingen aangebracht. Ook werd in de afgelopen jaren
een herberekening gemaakt van het aantal te verwachten studenten, dit
mede in verband met de grote toeloop in de laatste jaren.
Het resultaat hiervan was o,a, een vergroting van de practicumzalen. Voor
de latere studiejaren wordt thans op een maxiinale capaciteit van 130 ge-
rekend in plaats van 80, zoals bij de eerste opzet.

Verder werd met de „Heidemaatschappij" een plan gemaakt voor de ont-
watering, egalisatie en nieuwe indeling der weidegronden en werd veel aan-
dacht besteed aan het probleem van de verwerking van al of niet infec-
tieuze afval, zoals kadavers en mest.

In feite is de achterstand in de ontwikkeling der bouwplannen ook weer
niet zo verschrikkelijk, omdat een onteigeningsprocedure, die voor ver-
schillende percelen noodzakelijk bleek te zijn, toch geen daadwerkelijke
bouw voor 1964 mogelijk maakt.

-ocr page 703-

In één opzicht werden wel zichtbare vorderingen gemaakt en dat is t.a.v.
de verbouwing van de proefboerderij van het Zoötechnisch Instituut, „de
Uitliof". Hoewel tijdeHjk, omdat hij ligt in het complex bestemd voor de
Medische Faculteit, is het toch wel een grote aanwinst voor onze faculteit.
Verschillende proeven met runderen, varkens en kippen zijn aan de gang
en materiaal voor practica kan op behoorlijke schaal gehuisvest worden.
De nieuwste aanwinst is een afdeling voor nertsen.
Hoe is nu de stand van zaken ?

\\^erwacht wordt dat in 1964 met de bouw der klinieken begonnen wordt
en dat de eerste bouwronde — die dus omvat de klinieken, de pathologie, het
sectiezaal-slachthuis complex, de buitenpraktijk en de apotheek — eind 1967
voltooid zal zijn.

De zootechniek als 2e bouwronde staat dan op ])apier voor 1966-1968 en
dc 3e bouwronde, omvattende de instituten voor infectieziekten en voe-
dingsmiddelenhygiëne voor 1968 en 1969.

En volgens het schema zal ook dc 4e bouwronde, omvattende de pre-
klinische instituten en het faculteitshoofdgebouw, in 1969 voltooid moeten
zijn.

U zult zich rnèt mij afvragen of dit niet weer veel te optimistisch is gesteld.
Er is echter één omstandigheid die een behoorlijk optimisme rechtvaardigt
en dat is dat „Den Haag" er juist in toegestemd heeft dat onze faculteit
laij wijze van uitzondering en als proef door een zgn. bouwteam wordt ge-
bouwd. Dit betekent dat het gehele werk, d.w.z. de gehele faculteit, aan
één grote aannemer wordt opgedragen die het werk min of meer in regie
uitvoert.

We behoeven dus niet gebouw voor gebouw aan te besteden met de grote
kans clat steeds weei andere aannemers zich op dit werk moeten instellen,
maar één maatschappij kan zich voor dit werk inzetten en dus ook zorgen
voor een goede organisatie in dc tijd. Zijn grondwerkers kan hij bijv. effi-
ciënt gebruiken en mogelijk ook buitenlandse arbeiders aantrekken.
Door de mogelijkheden die het bouwteam ons verschaft zien we de toe-
komst chis weer wat optimistischer tegemoet.

Toch zal het U en mij benieuwen wat over 3 jaar ter gelegenheid van de
volgende Veterinaire Week op deze ])laats over deze voorspellingen te
melden zal zijn.

Efficiëntie bij het melken in Rhodesië en hoe deze verbeterd kan worden.

Gedurende de maanden juni en juli 1962 werd een overzicht gemaakt van het werk
en de efficiëntie bij het melken in de melkstallen van 40 boerderijen in Mashonaland.
De voornaamste resultaten zijn:

1. het gebruik van melkmachines neenU tcw;

2. uitgedrukt in het aantal koeien per man per uur bij het handmelken is de effi-
ciëntie in het Ver. Koninkrijk met gehuurde krachten meer dan 2x zo groot als
met lokale krachten;

3. de efficiëntie in het gebruik van melkmachines nadert dat van het Ver. Koninkrijk.
In Rhodesië zijn de gemiddelde kosten van betaalde krachten ± 12/^ cent per 4,5 1
melk tegenover ± 19 cent in het Ver. Koninkrijk. Het werk in Rhodesië vereist
echter constant toezicht.

Tropical Abstracts, 18, 417, (1963).

-ocr page 704-

Uitreiking van de Schimmel-Viruly-prijs.

door J. H. J, VAN GILS1)

Ter gelegenheid van de uitreiking van de Schimmel-Viruly-prijs tijdens de
Veterinaire Weck 1963 hield Prof. Dr. J. H. J. van Gils op
12 juni 1963
de volgende inleiding.

Mijnheer de voorzitter, dames en heren.

Door het Algemeen Bestuur van de „Stichting Jubileumfonds der Veeartse-
nijktmdige Hoogeschool 1921" is mij als voorzitter van deze stichting de
taak ojjgelegd om, zoals in het programma van deze Veterinaire Week is
aangekondigd, de Schimmel-Viruly-prijs uit te reiken.

Ik meen dat het van belang kan zijn op dit moment ook enkele woorden
aan het bestaan en het doel \\ an deze stichting te wijden.

Zoals de naam reeds aanduidt werd het kortweg geheten „Jubileumfonds"
ingesteld in 1921, toen herdacht werd dat het honderd jaar geleden was,
dat met het diergeneeskundig onderwijs in ons land een aanvang was ge-
maakt. Deze herdenking werd door diergeneeskundig Nederland plechtig
en met enthousiasme gevierd, niet in het minst omdat kort daarvoor, in
het jaar 1918, de voormalige Rijksveeartsenijschool was verheven tot „Vce-
artsenijkimdige Hoogeschool".

Het bleef niet alleen bij een ])lechtige en enthousiaste viering; men wilde
een blijvende herinnering aan dit jubiletan verbinden. Dit heeft in zijn
nadere vormgeving geleid tot het in het leven roepen van de „Stichting
Jubileumfonds der Veeartsenijkundige Hoogeschool 1921". Door bij-
dragen van vele leden werd hiertoe het voor die tijd ongetwijfeld respec-
tabele bedrag van ƒ 4.250,- bijeengebracht.

Het beheei\' van dc stichting werd in handen gelegd van de Senaat der
Veeartsenijkundige Hoogeschool en berust sinds 1925, het jaar van dc incor-
[)oratie dezer Hoogeschool in de Utrechtse universiteit, bij de Faculteit dei\'
Diergeneeskunde.

Door het comité, dat zich onder voorzitterschap van Prof. Dr. D. d e
Jong had beijverd om het stichtingskapitaal iiijeen te brengen, werd in
de begeleidende oorkonde aangegeven, dat het moest dienen ter bevorde-
ring van veeartsenijkundig onderwijs en diergeneeskundige kennis.
„Andere voorwaarden meenden de gevers aan de schenking niet te mogen
verbinden, zodat het Fonds cloor latere giften zal zijn uit te breiden",
aldus staat geschreven in de acte van overdracht. Deze laatste zin wordt
door mij thans aangehaald om met name de woorden „zodat het Fonds
door latere giften zal zijn uit te breiden" levendig te houden.
Intussen is deze oproep van weleer verstaan door enkelen, die met hun ver-
scheiden uit deze wereld van hun bijzondere belangstelling voor het Jubi-
leimifonds en haar doelstelling hebben blijk gegeven.

Het Stichtingskapitaal, dat thans door een voorzichtig beheer tot ruim
ƒ 10.000,- is uitgegroeid en waaruit meermalen financiële steim werd ver-
leend ten behoeve van publikaties en wetenschappelijke bijeenkomsten, is

1  Prof. Dr. J, H, J, van Gils, Hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde
van de Rijksuniversiteit te Utrecht, voorzitter van de „Stichting Jubileumfonds
der Veeartsenijkundige Floogeschool 1921"; Biltstraat 166, Utrecht.

-ocr page 705-

in 1962 versterkt met een aanzienlijk legaat uit de nalatenschap van wijlen
collega A. W. H e i d e m a. Hieraan is de bepaling verbonden dat\' dit
legaat, alsook de revenuen, moeten dienen tot bevordering van de zoö-
technische kennis der diergeneeskundige studenten.

Een tweede en zeer aanzienlijk legaat is afkomstig uit de nalatenschap van
de in 1957 overleden Mevrouw H. J. van Z ij v e r d e n-S c h i m m e 1.
Hieraan is dc testamentaire bepaling verbonden, dat

„het kapitaal in stand moet worden gehouden, maar de revenuen die-
nen te worden bestemd om één maal per 5 jaren, in de lustrumjaren
van de Veeartsenijkundige Hoogeschool, als „Schimmel-Viruly-prij.s"
uit te keren aan de academische Nederlander, die zich naar het oordeel
van het bestuur van het Jubileumfonds in de 5 daaraan voorafgaande
jaren hct meest verdienstelijk heeft gemaakt ter bevordering van de
diergeneeskunde".

Het bestuur van de „Stichting Jubileumfonds" koos de plechtige openinp
van de Veterinaire Week als het moment, waarop deze Schimniel-Viruly-
prijs voor de eerste maal zal worden uitgereikt. Ik acht het goed ook even
stil te staan bij de personen, wier namen aan deze prijs verbonden zijn.
Mevrouw v a n Z ij v e r d e n-S c h i m m e 1, de eigenlijke schenkster van
hct legaat, laatstelijk weduwe van wijlen de dierenarts V a n Z ij v e r d e n,
wenste de gedachtenis aan haar ouders, de heer en mevrouw S c h i in in e 1-
1 r u 1 y, levend te houden in de Nederlandse diergeneeskundige wereld.
Zij had wel geen betere keuze kunnen doen om hen te eren, dan door hun
namen te \\ erhinden aan deze prijs die, voor zover thans tc overzien is, lot
in lengte van jaren eens in de 5 jaar zal worden uitgereikt.

Een korte schildering van Dr. Schimmel, de centrale figuur in deze
thans uitgestorven familie, leert dat hij dierenarts was met hart en ziel.
Reeds op 21-jarige leeftijd werd hij cuiii laude tot veearts bevorderd, waar-
na hij paardenarts werd en in deze kwaliteit
3 jaar later als leraar aan
de Koninklijke Militaire Academie werd verbonden om onderwijs te geven
in paardenkennis. In 1877 werd hem de positie van leraar aan \'s Rijks-
Veeartscnijschool aangeboden, welke hij gaarne aannam, ofschoon hct hem
aan zijn hart ging de militaire loopbaan op te geven.

.•\\ls kM-aar doceerde hij, we zouden kunnen zeggen de hoofdvakken, chi-
rurgie en opcratieleer, met als belangrijke later afgesplitste onderdelen
hoef- en oogheelkunde. Ook doceerde hij in de aanvang nog inwendige
ziekten- en geneesleer. Als leider der kliniek, waar zeer veel paarden kw-a-
men, kon hij het niet nalaten zijn kennis voor exterieur en rassen in zijn
onderricht te verweven.

Zijn organisatorische gaven maakten dat hij niet behoefde tc berusten in
de toestand van verwaarlozing, waarin de huisvesting en de outillage van
\'s-Rijks-Veeartsenijschool verkeerde. Hij vond de juiste weg om de overheid
te overtuigen dat verbetering noodzakelijk, zelfs een landsbelang, was. De
overheid raakte mede hierdoor tot de overtuiging dat de heer Schimmel
cen goed directeur zou kunnen zijn en heeft hem, zodra daartoe de gelegen-
heid kwam, als zodanig benoemd.

Met grote tact gezegend heeft hij in de ruim 5 jaren, die zijn directoraat
duurde, zeer veel van de regering gedaan gekregen. Hij had daarnaast de
gave om, zonder de leidende hand te doen voelen, ook de interne organi-

-ocr page 706-

satie en het onderwijs aan \'s Rijks-Vecartsenijscliool belangrijk te verbete-
ren. Steeds heeft hij geijverd om dit onderwijs te doen bevorderen tot hoger
onderwijs en al is dit, mede door de oorlogstoestand pas in 1918 geschied,
zijn aandeel in de voorbereiding hier\\an is niet te onderschatten.
De weg naar Den Haag had voor hem geen onbekende stiikken meer; met
een zo grote regelmaat had hij deze afgelegd om de belangen van zijn
veeartsenijschool te bepleiten I

Hoe hij bij de studenten, toen nog in „.\\bsyrtus" verenigd, stond aange-
schre\\\'en, moge blijken uit het feit dat hem het erepresidentschap werd
aangeboden.

Als wc tenslotte de indrukwekkende lijst van ]>ublikaties bezien, dan spreekt
daaruit zijn grote werkkracht, zijn encyclopedische kennis en zijn breed-
gespreide interesse voor de diergeneeskimdige wetenschap.
Reeds tijdens zijn leven heeft de heer Schimmel erkenning van zijn grote
verdiensten mogen beleven. Het Ridderschap in de Orde \\an de Neder-
landse Leeuw en het honores causa doctoraat in de geneeskimde zijn hier-
van bewijzen.

Dat mevrouw Schimmel en beider dochter, mevrouw Van Zijverden-
Schinimel, zeer veel over de diergeneeskunde en liaar ontwikkeling, alsook
over het diergeneeskundig onderwijs te horen zullen hebben gekregen, staat
wel vast. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de dochter een dieren-
arts, als man harer keuze, tot levenspartner heeft uitgekozen.
Dat zij tenslotte de gedachtenis aan haar ouders levend heeft willen hou-
den in de door het legaat mogelijk gemaakte Schimmel-Viruly-prijs, moge,
behalve als een hommage aan haar ouders, ook gezien worden als cen be-
wijs hoezeer deze gehele familie meeleefde met de ontwikkeling van de
diergeneeskundige wetenschap.

Thans wil ik overgaan tot de uitreiking van de reeds meerdere malen ge-
noemde prijs.

Ik meen dat ik niet beter kan doen dan U de tekst van de oorkonde, waar-
mee het bestuur van de „Stichting Jubileumfonds"\' de prijs wil doen ver-
gezellen, thans voor te lezen.

„Ilct Bestuur v.an dc „Stichting Jubileuinfonds der Vee.artsenijkundige llooge-
.school 1921",

Itrachtens testamentaire beschikking van mevrouw II. J. van Zijverden-Schimmcl
aangewezen tot het beheer van het door haar geschonken legaat en het uitkeren
van de vruchten daarvan in cen lustrumjaar der Veeartsenijkundige Hoogeschool
onder de naam

aan de academisch gevormde Nederlander, die zich naa;- de mening van het
Stichtingsbestuur gedurende de voorafgaande 5 jaren het meest verdienstelijk
heeft gemaakt ter bevordering van de diergeneeskunde, zulks als aandenken aan
haar ouders, de heer dr. h.c. W. C. Schimmel, in leven leraar en direkteur van
\'s Rijks Veeartsenijschool te Utrecht, en mevrouw Schimmel, geboren Viruly,
heeft besloten deze prijs voor de eerste maal in het jaar 1963 toe te kennen aan

Ter herinnering hieraan is deze oorkonde uitgereikt.

J. H. J. van Gils, voorzitter.
Utrecht, 12 juni 1963. D. Swierstra, secretaris.

-ocr page 707-

Hoogncachte Doctor Wensvoort,

\\Vanneer iomaiid een prijs wint voor een pieslatie, is dit \\rijwel steeds
omdat hij of zij zich welbewust tot het verwerven i\'tvan heeft ingezet.
In dit bijzondere geval kon hiervan geen s[)iakc zijn, want liij mijn weten
is over hel legaat van mevrouw \\\'an Zij\\erden-Schimmel en de hieraan
verbonden Schinunel-\\\'iruly-prijs ninuner eerder gepubliceerd.
De weinige woorden die thans zijti afgedrukt in het prograuuna van de
Veterinaire Weck 1963 zijn zo recent, dat ccn bewuste mededinging naar
deze prijs uitgesloten was.

Het was voor het Bestuur van de ,,Stichting jubiieumfonds" geen gemak-
kelijke taak om zonder dat sjjccialc Injdiagcn hiertoe werden ingediend,
uit te maken wie van de Nederlandse academici het meest voldeed aan dc
in het testament gestelde voorwaarden van .,zich gediu\'ende de
5 vooraf-
gaande jaren het meeste verdienstelijk tc hebben gemaakt ter bevordering
van dc diergeneeskunde".

Ik wil U en allen mededelen, dat er veelvuldige en zeer serieuze overwegin-
gen zijn geweest, waarbij dc weteitschappelijki\' bijdragen der potentiële can-
didaten op hun waarde beoordeeld en tegen elkaar afgewogen werden.
Dat het bestuin- U, Doctor Wensvoort, als winnaar heeft kimnen aan-
wijzen, vindt zijn grond in dc voortreffelijke wetenschappelijke kwaliteiten
van Uw onderzoek, waarvan U in het eveneens o]) eminente wijze ra])por-
tcren daarvan uiting hebt gegeven. Uw belangstelling heeft zich daarbij
speciaal op één diersoort — het schaa]) - - gericht, maar de aandoeningen die
daarbij blijkens Uw jjublikaties Uw interesse hadden, zijn zo breed ge-
spreid, dat zij welhaast het gehele terrein der gcneeskimde van dit dier be-
strijken. Uit Uw werk blijkt dc gedegenheid van Uw wijze van onderzoek.
Uw kritische instelling. Uw produktivitcit en Uw bereidheid om door pu-
blikatie Uw kermis aan anderen mede te delen en daarvan profijt te doen
hebben.

-ocr page 708-

De waarde van de resiiltaten van Uw onderzoek voor de bestrijding van
schapeziekten grijpt tot over de grenzen; zij lieeft waarde voor verschillen-
de takken \\ an wetenschap.

Met deze korte trekken meen ik Uw \\erdiensten, op grond waarvan het
bestuur van de „Stichting Jubileiunfonds" U tot winnaar der Schimmel-
Viruly-prijs heeft verkozen, voldoende uiteengezet te hebben.
Het verheugt mij bijzonder, dat ik U, en met U ook Uw vrouw, namens
het bestuur van de „Stichting Jubileumfonds der Veeartsenijkundige Hoo-
geschool 1921", en mede ook persoonlijk, hartelijk geluk mag wensen met
de door U als eerste behaalde Schimmel-Viruly-prijs, welke ik U thans mag
uitreiken, vergezeld van een fraaie oorkonde, waarop dit feit vermeld werd.

-ocr page 709-

I î 11 î

Jlllf

-ocr page 710-

Nieuwe gegevens over de voederopname en de
voederverwerking bij het rund.

Recent data about jood ijitake and .jood conversion in
the cow.

door A. M. FRENS1)

Uit het Instituut voor Veevoedingsonderzoek, Hoorn.

De voederopnanie van het nind en van de overige lierkauwers wordt ken-
nelijk door andere regels beheerst, dan door die welke men op algemeen
fysiologische gronden zou willen stellen voor het bereiken van de verzadi-
gingstocstand. Bij andere diersoorten, zoals b.v. bij het varken, is de behoefte
aan voederwaarde min of meer maatgevend voor de voederopname. Van
minder geconcentreerd \\oecler neemt een varken in de regel meer op en
tracht zo zijn behoefte aan voederwaarde zo goed mogelijk tc dekken.
Koeien echter, die zoveel hooi kimnen eten als zij willen en die uitsluitend
met hooi gevoederd worden, nemen van goed hooi met een hoge voeder-
waaixle belangrijk meer op dan van slecht hooi met een lage voederwaarde.
Het verband tussen opname en concentratie ligt hier dus volkómen tegen-
gesteld en dit illustreert duidelijk hoezeer de opname van ruwvoeder bij
het rund door eigen regels beheerst wordt.

Voor de voederpiaktijk is het van veel belang, dat meer over die bijzon-
dere regels bekend wordt. Want de hoeveelheden droge stof die koeien
in de vorm van ruwvoeder willen opnemen kunnen zo sterk wisselen, dat
dit invloed kan hebben op de winstgevendheid van de rundveehouderij.
Het is dan ook geen wonder, dat men zich van wetenschappelijke zijde
heeft ingespannen om antwoord te vinden op de vraag waarom een rund
ophoudt met het eten van ruwNOcder, ook wanneer het dier daarmede nog
te weinig voederwaarde tot zich heeft genomen om zijn fysiologische be-
hoefte te dekken.

Vroeger heeft men zich meestal van deze \\ raag afgemaakt door aan te
nemen, dat tic inhoud van de pens het vohuue van het opgenomen voeder
be]3aalt. Nieuwere proeven hebben evenwel met zekerheid aangetoond,
dat één en dezelfde koe zeer verschillende volumina ruwvoeder kan op-
nemen, al naar dc kwaliteit daaivan. Het fysische volume van de pens,
dat men b.v. kan vaststellen door de pens-netmaag van een geslachte koe
geheel met water te vullen, blijkt nauwelijks enig verband te houden met
de ruwvoederopnameca[)aciteit van liet dier. Ook de ruimte, die in de
lichaamsholte, naast de overige zich daarin bevindende organen voor de
pens-netmaag overblijft, houdt geen verband met de natuurlijke inhoud
die bij normale koeien ma.ximaal wordt gevonden. Dit laatste volume is
belangrijk minder en ligt zo in de orde van grootte van 50 a 60% van het
fysische pensvolume.

Dit grote verschil tussen penscapaciteit en natuurlijke inhoud maakt het
al direct vrij onwaarschijnlijk, dat de fysische penscapaciteit een bepa-
lende rol zou spelen bij de ruwvoederopname.

1  Prof. A. M. Frens, Buitengewoon hoogleraar aan de Faculteit der Diergenees-
kunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht; Dirccteur van het Veevoedings-
instituut „Hoorn", Keern 33, Hoorn.

-ocr page 711-

Het is dan ook bij nieuwere onderzoekingen gebleken, dat niet het dode
volume, maar wel de fysiologische activiteiten van de pens-netmaag, die
zich uiten in de tonus, de bewegingen en de fermentatie, maatgevend zijn
voor dc hoeveelheden ruwvoeder die in dc pens ondergebracht en verwerkt
kunnen worden. Door al deze activiteiten wordt de passagesnelheid van de
inhoud beheerst, maar natuurlijk ook in sterke mate door de hoedanig-
heden van het voeder. Het verwerken van zeer grof, eiwitarm hooi met
een hoog gehalte aan ruwe celstof en een daardoor stevige samenhang van
de stengels kost veel tijd aan dc daarvoor in aanmerking komende pens-
bacteriën ook al worden him feinientatieprocessen krachtiger ondersteimd
door bij dit soort voeder extra aangewende herkauwarbeid die de stengels
verkleint en hun verteerbare substantie voor de fermentaties toegankelijk
maakt.

Het duurt dus langer voor dergelijk hooi volledig gefermenteerd is en voor
de bestanddelen, die door de fermentatie niet in oplossing gebracht kunnen
worden, gereduceerd zijn tot partikeltjes, die klein genoeg zijn om de pens
weer te kunnen verlaten.

De verdwijningssnelheid van het voeder int de pens-netmaag is een factor
waarvan door onderzoekingen van B a 1 c h, C a m p 1 i n g, F r e e r en
andere medewerkers van het National Institute for Research in Dairying
tc Reading gebleken is, dat de mogelijkheden tot meer of minder opname
van ruwvoeder er door worden beïnvloed. Hoe grondiger de fermentatie
is, des te meer van de organische stof uit het ruwvoeder wordt er door in
oplossing gebracht en in staat gesteld de pens-netmaag via re.sorptie door
de slijmvlicswand of met de vloeistofstrooni naar de boek- en lebmaag te
verlaten. Maar er zijn ook voeders van welke tot 50% van de organische
stof in de pens onopgelost blijft en dus in dc voiin van ge.schikte partikeltjes
moet verdwijnen. Behalve de fermentatie zijn het kauwen en het her-
kauwen dus belangrijk voor het mogelijk maken \\an de overgang naar de
boekmaag. De slokdarmsleuf en de boekniaagingang selecteren namelijk
uit de aangeboden (jensinhoud de deeltjes van beperkte afmetingen ciie
voor passage geschikt zijn.

Fermentatie en deeltjesreductic beheersen dus de verdwijningssnelheid van
een ruwvoeder en daarmede ook de hoeveelheden die ervan worden opge-
nomen. Dit wordt geïllustreerd door een ])roef van C a m p 1 i n g c.s.
f1961), dic koeien hooi of haverstro ad libitum gaven in cén maaltijd per
dag. Van het hooi aten zij meer dan tweemaal zoveel dan van het stro
maar de verdwijningssnelheid uit de pens was bij het hooi zoveel groter
dat na 24 uur juist vóór de volgende maaltijd van elk voedermiddel onge-
veer evenveel in de pens was o\\ergebleven. De fermentatie van het stro
kon verbeterd worden door een verdunde urcumoplossing continu in de
pens te laten druppelen.

Hierdoor werd de verteerbaarheid van het stro 18% hoger en namen de
dieren cr 40% meer van op. Toch bleek ook nu na 24 uur niet meer van
het stro in de jjens te zijn overgebleven, dan wanneer dit voeder zonder
ureum gegeven werd. Hier werd de verhoogde verdwijningssnelheid dus
hoofdzakelijk door fermentatieverbetering verkregen. Ongeacht de fer-
mentatie zal de verdwijningssnelheid van een voer, dat vóór de toediening
al zodanig bewerkt is, dat de deeltjes klein genoeg gemaakt zijn om zonder
kauwen of herkauwen de pens te kunnen verlaten, in principe groter zijn
dan van het onbewerkte materiaal. In overeenstemming met verschillende

-ocr page 712-

andere onderzoekers hebben wij te Hoorn duidelijk kunnen vaststellen,
dat jonge runderen meer droge stof konden opnemen, wanneer zij tot
brokjes geperst gemalen hooi kregen, dan wanneer hetzelfde hooi in nor-
male lange toestand werd gevoederd.

Wanneer inderdaad de verdwijningssnelheid maatgevend is voor de hoe-
veelheid ruwvoeder die kan worden opgenomen en niet de vullingstoestand
van de pens bij het einde van de maaltijd, zou daaruit de wat zonderlinge
conclusie voortvloeien, dat een koe, die op een nieuw ruwvoeder over-
gaat al van te voren moet weten hoe groot de verdwijningssnelheid van
dit voeder zal zijn.

C a m p 1 i n g c.s. hebben lum metingen echter verricht nadat de koeien
22 dagen het betreffende ruwvoeder hadden ontvangen en dus alle ge-
legenheid hadden gehad om de opname op de verdwijningssnelheid in te
stellen. Dit instellen is ongetwijfeld noodzakelijk en dc ervaring leert dan
ook, dat bij een plotselinge overgang van het ene rantsoen op het andere
gemakkelijk lichte storingen in de spijsvertering optreden, die zich ook
uiten in een onregelmatige melkproduktie. Men was veelal geneigd derge-
lijke overgangsstoornissen toe tc sclirijven aan een nog niet direct inge-
steld zijn van de pensflora op het nieuwe rantsoen. De pensflora en de door
haar te verrichten fermentaties vormt e\\-enwel slechts één factor die de
verdwijningssnelheid bepaalt. Op de andere factoren, dus o[) de deeltjes-
grootte van het opgenomen voeder en de meer of minder sterke mecha-
nische reductie moet de koe zich bij een overgang van het ene naar het
andere voeder evengoed instellen en haar eetlust bepalen als een resultaat
van enige dagen „trial and error".

De vraag is gerezen, of er bij dc koe ook nog andere eetlustbepalende in-
\\\'loeden zijn aan te geven. Zo zou men zich kimnen voorstellen, dat ook de
vullingsgraad van boekmaag, lebmaag en darmkanaal met deeltjes van
j)assende afmetingen enig effect o|i de verdere toevoer en dus op cle ver-
dwijningssnelheid uit de pens zou kunnen uitoefenen. Het is in dit ver-
band van belang, dat Stevens c.s. (1960) hebben vastgesteld, dat de
bewegingen van de boekmaag, de boekmaagbnig en de boekmaagingang
vertraagd worden door een versterkte vulling van de lebmaag. Het trans-
port van deeltjes van ])ens naar lebmaag wordt dus trager wanneer de leb-
maag voller is en dientengevolge ook weer de verdvvijningssnelheid uit de
pens en daarmede de opname. Men zou deze remmende invloed van deel-
tjes die de ])ens al hebben verlaten als een afweer tegen overvoedering
in tweede linie kunnen beschouwen die in actic komt, indien de selectie
bij de boekmaagingang tekort schiet om overviilling van de lebmaag te
voorkomen. Dit is dus speciaal bij fijn verdeeld voeder en met name ook
bij krachtvoeder van betekenis.

Rij het bepalen van de voederopname van het rund spelen, zoals wij ge-
zien hebben, de fysische en mechanische factoren een belangrijker rol clan
bij andere diersoorten. Niettemin moet ook bij het rund zeker de nodige
aandacht worden geschonken aan de zogenaamde chernostatische regu-
lering van de voederopname.

Hieronder wordt verstaan, dat van het voeder afkomstige stoffen na hun
resorptie in de intermediaire stofwisseling een zodanige concentratie be-
reiken, dat hierdoor langs reflcctorische weg een gevoel van verzadiging
ontstaat, ongeacht de vulling van het maagdarmkanaal. Het is bekend, dat

-ocr page 713-

bij andere diersoorten het glucosegehalte van het bloedserum een dergelijk
effect uitoefent. De duidelijke verhoging van dit gehalte, die kort na de
maaltijd optreedt geeft bij die dieren aanleiding tot het verzadigingsgevoel.
Herkauwer.; hebben echter een laag — maar weinig variabel — bloedsuiker-
gehalte en daarom is het niet erg waarschijnlijk, dat de glucose bij de
voederopname van herkauwers een belangrijke regulerende rol speelt. Daar
bij de herkauwer een belangrijk deel van de energievoorziening niet via
glucose maar via de geresorbeerde vluchtige vetzuren, azijnzuur, propion-
zuin- en boterzuur verloopt, is het begrijpelijk dat men onderzocht heeft
of deze stoffen een chemostatische werking op de voederopname uit-
oefenen. Rook, B a 1 c h en G a m p 1 i n g (i960) hebben de hooiopname
van vaarzen gemeten die via pensfistels een continu infuus in de pens kre-
gen van 45 liter water per dag, waarin 3500 kgcal. azijnzuur, propionzuur of
boterzuur was opgelost. Het Isleek dat alleen azijnzuur de hooiopname dui-
delijk deed verminderen, terwijl de andere zuren in dit opzicht geen effect
hadden. En er zijn nog meer proeven genomen die er op wijzen dat bij
herkauwers speciaal azijnzuur een chemostatisch effect kan hebben. Dit is
ook in overeenstennning met de praktische ervaring, dat koeien niet graag
kuilgras eten waarin de voor conservering nodige zuurgraad door een hoog
gehalte aan azijnzinir werd verkregen. Dergelijke silage mag dan tech-
nisch geslaagd heten, omdat door de bereikte zuurgraad verliezen aan
voederwaarde werden vermeden, uit diëtetisch oogpiuit staat zij achter
bij een goede melkzuurhoudende silage. Wat de vocderopname betreft kan
zelfs een mislukte silage, die veel boterzuur bevat, het van een azijnzuur-
houdende kuil winnen.

Al heeft azijnzuur dus een chemostatische werking wanneer het in grotere
hoeveelheden met het voeder wordt toegediend, toch blijft het de vraag of
het azijnzuur dat onder optimale voedingsomstandigheclen normaal in de
pens gevormd wordt ook als zodanig werkzaam is. Het zou namelijk kun-
nen zijn, dat een abnormale verhouding tussen azijnzuur en propionzuur
meer invloed op de eetlust heeft dan de absolute hoeveelheid azijnzuur die
in de pens ontstaat of aan de pensinhoud wordt toegevoegd. Wanneer dit
zo zou zijn, kan de slechte eetlust van acctonemiepatiënten mede veroor-
zaakt worden door de relatieve verhoging van het azijnzuur die men bij
dergelijke dieren dikwijls in de pens kan aantreffen.

Het staat wel vast, dat behalve azijnzuur ook NH^ een chemostatisch
effect op de voederopname kan hebben. Clark c.s. (1951) hebben aan-
getoond, dat de motiliteit van de pens vermindert als er veel NH3 in de
inhoud voorkomt. En deze verlaagde motiliteit vermindert de eetlust. Bij
zeer eiwitrijk ruwvoeder, dat meestal ook vele niet-eiwitstikstof bevat, komt
de NH;j produktie in de pens zeer snel na de opname op gang en dit kan dus
een renunendc werking op de voedero])name uitoefenen. Hierdoor moet
waarschijnlijk verklaard worden, dat de opname van droge stof in de
weide, speciaal wanneer het zwaar bemest jong gras betreft, veelal belang-
rijk lager ligt dan men met het oog op de hoge verteerbaarheid en de lage
gehalten aan ruwe celstof zou verwachten. Men mag er niet op rekenen,
dat koeien van eiwitrijk jong weidegras veel meer droge stof opnemen dan
2,5% van hun gewicht per dag. Dat betekent voor een koe van 550 kg
lichaamsgewicht dus ongeveer 14 kg droge stof.

Hoe meer gemakkelijk aantastbare koolhydraten er naast de stikstofverbin-
dingen in het gras voorkomen, des te meer zal de
NH3 vorming in de pens

-ocr page 714-

door gelijktijdige eiwitsynthese beperkt worden, zodat de koeien meer van
het betreffende gras kimnen opnemen. Hier ligt naar mijn mening de ver-
klaring voor de belangrijke verschillen, die er in de opname van voorjaars-
gras en herfstgras bestaan. Het eerste bevat namelijk veel meer suiker-
achtige stoffen. Dat ook op winterrantsocnen NH3 vorming de eetlust kan
beperken hebben wij in de afgelopen winter kunnen constateren. Een
groep melkkoeien gaven wij toen naast een eiwitarm grondrantsoen 150 g
ureum per dag. De in het grondrantsoen voorkomende silage maakte het
pensmilieu blijkbaar niet geschikt voor eiwitsynthese en het gevolg was dat
de
NH3, die zich in de pens uit het ureum \\ormde, aanleiding gaf tot een
verminderde eetlust.

Behalve door mechanische factoren en chemische stoffen kan de voeder-
opname bij het rundvee ook invloed ondergaan van onstoffelijke warmte-
energie. Uit het voorafgaande is wel gebleken dat de uitspraak van B r o-
beck (1948): „animals eat to keep warm and stop eating to prevent
hyperthermia", bij runderen zeker te eenzijdig is om de gehele regeling
van de voederopname samen te vatten.

Daar staat echter tegenover, dat juist bij het rundvee, met zijn groot ver-
bruik van ruwvoeder, dat een hoge specifiek dynamische warmte heeft, de
noodzakelijkheid van een aanzienlijke warmteafgifte bestaat. De warmte-
afgiftecapaciteit van het dier is bij een bepaalde omgevingstemperatuur
en luchtvochtigheid een vaststaande grootheid, die niet ongestraft over-
schreden kan worden.

Daarom is het denkbaar, dat onder bepaalde omstandigheden de voeder-
opname beperkt wordt, niet door de mechanische mogelijkheden of door
chemostatische effecten, maar door de noodzakelijkheid om hyperthermic
te voorkomen. Deze thermostatische regeling van de voederopnanie zal
vooral bij melkkoeien die bij hoge temperaturen leven gemakkelijk kun-
nen optreden. Want voor iedere kg melk die uit ruwvoeder geproduceerd
wordt
moei een hoeveelheid warmte van 500-1000 kcal. extra worden af-
gegeven boven de ongeveer 12000 kcal. die een niet lacterende koe o]) een
onderhoudsrantsoen afgeeft. De maximale warmteafgiftecapaciteit, die bij
een temperatuur van 27° C en een luchtvochtigheid van 85% ongeveer
20000 kcal. per dag bedraagt, wordt i)ij cen melkkoe dus al vrij spoedig
bereikt en wanneer het dier om zijn produktie te onderhouden zoveel zou
moeten eten dat deze grenswaarde overschreden zou worden, zal het ge-
noodzaakt worden de voederopname te beperken om hyperthermie te voor-
komen. Het in werking treden van deze thermostatische beperking van de
voederopname is vooral bij melkkoeien een realiteit, waarmede op warme
dagen, onder tropische klimaatsomstandigheden maar ook in slecht ge-
ventileerde overbevolkte stallen zeker rekening moet worden gehouden.
Wanneer wij de regels waardoor de voederopname en de voederverwerking
bij het rundvee beheerst worden nog eens overzien, moeten wij wel tot de
conclusie komen dat daarbij verschillende factoren naast en door elkaar
werken. Dit verklaart de ontoereikendheid van de pogingen die gedaan
zijn om uit bepaalde eigenschappen van het voeder af te leiden hoeveel
ervan zal kunnen worden opgenomen. Ik denk hierbij aan het ballastopti-
mum volgens Lehman n, het volume van de droge stof in combinatie
met het watervolume, zoals dat in de „Sättigungseinheiten" volgens
Krüger gecombineerd werd en aan de „Nutritive value index" volgens

-ocr page 715-

G r a m p t o n, die geen van alle rekening houden met de invloed van de
deeltjesgrootte op de verblijfsduur in de pens of met de chemostatische ef-
fecten van de verschillende uit het voeder gevormde produkten. Een zekere
rangorde in de verschillende factoren is echter wel aan te geven.
]3e verblijfsduur van het voeder in de pens, die door de deeltjesgrootte \\ an
het voeder en de mogelijkheden tot deeltjesreductie beheerst wordt, is on-
getwijfeld de eerste bepalende factor. Zijn de deeltjes zo klein of worden
ze zo snel gereduceerd, dat de pensbarrière als beperkende factor tekort
schiet, dan komt de remmende in\\ loed van de mechanische boek- en leb-
maagvulling als tweede barrière tot uiting. Het feit dat bij krachtvoeder
vrijwel alleen deze tweede barrière kan functioneren geeft een verklaring
\\-oor de geringe invloed van een hogere of lagere krachtvoedergift op de
maximale ruwvoederconsumptie. Dit geldt vooral bij ruwvoeder met zo-
danige eigenschappen dat het lang in de pens wordt vastgehouden.
De chemostatische factoren, van welke ik het
NH3 en het azijnzuur ge-
noemd heb, maar waartoe ongetwijfeld ook nog andere metabolieten of
endocrine stoffen gerekend moeten worden, werken waarschijnlijk langs
neurovegetatieve wegen op de beide mechanische barrières in. Zij bepalen
zodoende tot op zekere hoogte het niveau, waarop de beide regelings-
mechanismen hun functie uitoefenen. " °
De thermostatische beperkingsmogelijkheid tenslotte zie ik als een soort
noodvoorziening, die alleen in werking treedt wanneer de warmteafgifte-
capaciteit van het dier ontoereikend is om de met de verwerking van het
nodige voeder gepaard gaande extra warmteprodukde te elimineren.
Op deze wijze wordt het mogelijk de %-erschillende factoren die bepalend
zijn voor de voederopname en de voederverwerking van het rundvee in
een logische volgorde samen te vatten. Het zal echter nog veel detailstudie
vragen, voordat een zinvolle combinatie van al deze factoren tot een voor
uiteenlopende rantsoenen geldige betrouwbare voederopname-index ge-
lukt zal zijn.

Toch is ook het onderkennen van de verschillende factoren in een logisch
verband van grote betekenis voor diegenen die zich afvragen waarom een
gezonde koe niet altijd zoveel opnemen en verwerken kan van op zichzelf
uitstekend voeder als met haar rcëele behoefte aan voederwaarde overeen-
stemt.

SAMENVATTING.

Bij de vocderopname en de voederverwerking door het rund en de overige her-
kauwers, treden de fysische eigenschappen van het voeder meer op de voorgrond dan
bij niet-herkauwende dieren.

Zodoende gelden voor het bereiken van een bepaalde verzadigingstocstand bij het
rund bijzondere regels. De hoeveelheid ruwvoeder die ad libitum maximaal wordt
opgenomen, hangt bij een gegeven penstonus vooral samen met de mogelijkheden
die dit ruwvoeder heeft om weer uit de pensruimte te verdwijnen. Deze verdwijning
geschiedt öf door resorptie van door fermentatie oplosbaar geworden bestanddelen
óf door verder transport naar boekmaag en lebmaag. Het gemak waarmede opge-
nomen voeder door kauwen, fermenteren en herkauwen verwerkt kan worden tot op-
geloste stoffen en voor verdere passage geschikte, nog niet verteerde voederpartikel-
tjes, beheerst de verdwijningssnelheid. Van gemakkelijk aantastbaar voeder kunnen
dus grotere hoeveelheden worden opgenomen en daardoor behoeft de spontane voeder-
opname geen verband te houden met de fysiologische behoefte aan voedende stoffen.

-ocr page 716-

Ook dc fysische vullingstoestand van boekmaag en Icbmaag heeft invloed op de vcr-
dwijningssnelheid uit de pens en dus op de mogelijke vocderopname.
Hoewel fysische en mcchanischc factoren dus een grote rol spelen, moet ook bij het
rund rekening worden gehouden met een chemostatische regulering van de vcK-der-
opname door uit het voeder geresorbeerde stoffen, die bij een bepaalde concentratie
in de intermediaire stofwisseling een verzadigingsgevoel geven ongeacht dc vullings-
toestand van het maagdarmkanaal.

In de pens ontstane stoffen zoals azijnzuur en NH3 kunnen een dergelijke chemo-
statische werking uitoefenen en dus de voederopname beperken. Ook een zekere
thermostatische regulering verdient bij het rund aandacht, omdat de uit het voeder
vrijgemaakte warmte-energie in verhouding tot de maximale warmte-afgiftecapaciteit
van het rund groot is. Het rund kan dus onder bepaalde omstandigheden genood-
zaakt worden de vocderopname te beperken om hyperthermic tc voorkomen.
Voor een goed begrip van de betekenis der verschillende factoren die bepalend zijn
voor de kwantitatieve vocderopname en voederverwerking, moet worden getracht ze
in een logische volgorde ten opzichte van elkaar te rangschikken.

SUMMARY.

Feed intake and assimilation in cattle and other ruminants arc more dependent of
the physical characteristics of the feed than they are in non-ruminant animals.
As a consequence the attainment of satiety is governed by particular rules in cattlc.
At a given tonus of the rumen, the maximum amount of rougha.ge a cow can eat,
will mainly depend on the rate at which the rumen contents formed by this roughage
can leave the rumen again. The rumen contents disappear by the absorption of con-
stituents rendered soluble by rumen-fermentation or by further transport to the
omasum and abomasum. The ease with which the feed can be transformed into dis-
solved substances and undigested particles suitable for further passage determines its
disappearance-rate from the rumen. This is effectuated by ch"wing, fermentation and
rumination.

Accordingly readily digestible feeds may be consumed in larger quantities and as
they have a higher nutritive value in cattle there is no need of a direct relationship
between the spontaneous feed intake and the physiological need of nutrients.
The physical sate of repletion of the omasum and the abomasum also affect the dis-
appearance-rate from the rumen and consequently the spontaneous feed intake.
Beside the physical and mechanical factors mentioned above chcmostatic regulations
of the feed intake arc secondary factors in cattle. Nevertheless the influence of some
substances absorbed from the feed, which hamper the feed intake at a certain con-
centration in intermediate metabolism cannot be denied in cattle. Substances resorbcd
from the rumen such as acetic acid and ammonia may exert this chcmostatic effect
and so reduce the feed intake regardless of the state of repletion of the gastro-
intestinal tract. Another factor meriting attention in cattle is a certain thermostatic
regulation of the feed intake. In proportion to the maximal heat elimination capacity
of cattle the amount of thermal energy released from the consumed ration is consi-
derable. In certain climatic conditions cattle may therefore be compelled to restrict
the feed intake in order to prevent hyperthermia.

For a proper understanding of the various factors determining the quantitative intake
and assimilation of the feed, efforts should be made to arrange these factors in logical
sequence,

RÉSUMÉ,

Pendant I\'ingestion et la digestion des aliments chez le bovin ct chez les autres
ruminants Ics qualités physiques de I\'aliment s\'imposent davantage que chez les ani-
maux non-ruminants,

Ainsi il faut des conditions spéciales afin d\'obtenir une certainc satiété chez le bovin.
La quantité d\'aliments bruts qui est ingérée au maximum spontanément s\'accorde

-ocr page 717-

surtout, donne un certain tonus du rumen, des possibilités qu\'ont ces aliments bruts
pour disparaître du rumen. Ceci se fait ou bien par suite d\'une résorption des con-
stituants que la fermentation a rendus solubles ou bien par un transport ultérieur
vers le feuillet et la caillette. La rapidité de la disparidon dépend de l\'aisance avec
laquelle les aliments ingérés peuvent être convertis en substances dissolues et en par-
ticules d\'aliments suffisamment mincé, mais non encore digérées par la mastication, la
fermentation et la rumination. Des aliments aisément digestibles de plus grandes
quantités peuvent dons être ingérées et par suite l\'ingestion spontanée d\'aliments ne
se rapporte pas nécessairement au besoin physiologique de matières nutritives.
L\'état physique de rcmplissement du feuillet et de la caillette influence également la
rapidité de disparition du rumen et par conséquent l\'ingestion quantitative des ali-
ments. Bien que des influences physiques et mécaniques jouent donc un grand rôle,
il faut tenir compte chez le bovin également d\'une régulation chimostatique de l\'in-
gestion des aliments par des matières résorbées des aliments qui préventent à une
certaine concentration dans le métabolisme intermédiaire, l\'ingestion spontanée, indé-
pendamment de l\'état de rcmplissement du canal gastro-intestinal.
Les matières formées dans le rumen, comme l\'acide acétique et le NH3 peuvent exer-
cer une telle action chimiostatique et par conséquent limiter l\'ingestion d\'aliments.
Une certaine régulation thermostadque mérite également l\'attention chez le bovin,
parce que l\'énergie thermique libérée des alimenas est considérable en comparaison
de la capacité maximale de clinipation de chaleur du bovin. Le bovin peut donc
dans certaines conditions être forcé de limiter l\'ingestion des aliments afin d\'éviter
une hyperthermic.

Pour une bonne compréhension de l\'importance des différents facteurs qui sont déter-
minatifs pour l\'ingestion quantitative des aliments et leur digestion, il faudra tenter
de les ranger dans une succession logique l\'un par rapport à l\'autre.

ZUS.A.MMENFASSUNG.

Bel der Aufnahme und Verarbeitung des Futters durch das Rind und übrige Wieder-
käuern treten die physischen Eigenschaften des Futters mehr auf den Vordergrund,
als bei den nicht-wiederkauenden Tieren.

Warum gelten beim Rind zum Erreichen eines gewissen Sätigungszustandcs besondere
Regeln. Die Menge Rauhfutter, die ad libitum maximal aufgenommen wird, hängt
mit einem bestimmten Pansentonus zusammen, vor allem jedoch mit der Möglichkeit
die dieses Rauhfutter hat, um wieder aus dem Pansen zu verschwinden. Dieses Ver-
schwinden geschieht entweder durch Resorption der durch Fermentation aufgelösten
Bestandteile oder durch Weitertransport nach dem Blätter- und Labmagen.
Die Leichtigkeit mit der das aufgenommene Futter durch Kauen, Fermentieren und
Wiederkauen zu aufgelösten Stoffen und für die Weiterpassagc in geeignete, noch
nicht aufgelöste Futterteilchen verarbeitet werden kann, beherrscht die Verschwin-
dungsschnellheit. Von leicht verdaulichem Futter können also grössere Mengen auf-
genommen werden; dadurch braucht die spontane Futteraufnahme keinen Verband
mit dem fysiologischen Bedarf an Nährstoffen zu haben.

.Auch der fysische Füllungszustand des Blätter- und Labmagens hat auf die Vcr-
schwindungsschnellheit aus dem Pansen und daher auf die mögliche Futteraufnahme
Einfluss. Obschon also fysische und mechanische Einflüsse eine grosse Rolle spielen,
muss beim P.ind auch mit einer chemostatischen Regulierung der Futteraufnahme
durch aus dem Futter resorbierte Stoffe gerechnet werden, die bei einer bestimmten
Konzentration im intermediären Stoffwechsel eine weitere Futteraufnahme hemmen,
ungeachtet des Füllungszustandes vom Magendarmkanal.

In dem Pansen entstehende Stoffe, wie Essigsäure und NH3, können eine solche
chcmostatische Wirkung ausüben und daher die Futtcraufnanme einschränken. Auch
auf eine gewisse thermostatische Regulierung beim Rind muss hingewiesen werden,
da die aus dem Futter freikommende Wärmeenergie im Verhältnis zur maximalen
Wärmeabgabe des Rindes gross ist. Unter bestimmten Umständen kann das Rind
genötigt sein, die Futteraufnahme einzuschränken, um Hyperthermie zu verhüten.

-ocr page 718-

Um die Bedeutung der verschiedenen Falitoren, die, betreffs einer quantitativen
Futteraufnahme und Futterverarbeitung bestimmend sind gut zu verstehen, muss
man versuchen, dieselben in ihrer logischen Rangfolge zueinander zu ordnen.

DISCUSSIE
Vraag: Prof. A. van der Schaaf, Utrecht.

Zou het mogelijk zijn, dat de chemostatisch genoemde werking van azijnzuur en
ammoniak eigenlijk is toe te schrijven aan de bacteriostatischc werking van beide
stoffen, waarvan de eerstgenoemde feitelijk het eerste praktisch toegepaste andbio-
ticum is?

Antwoord:

Prof. Frens: Het gehalte aan azijnzuur is in normale pensinhoud het hoogste van
alle vluchtige vetzuren. De pensflora moet dus vrij resistent te.gen dit zuur zijn en
daarom lijkt het mij niet erg waarschijnlijk, dat van buitenaf toegevoegd azijnzuur
bacteriostatisch zou werken zolang de pH van de pensinhoud er niet door verandert.
Van ammoniak is bekend, dat hogere concentraties in de pens en in het bloed de
pensbcwegin.gen afremmen. Dit laatste is zeker een chemostatische en geen bacterio-
statischc werking. Ofschoon de besproken stoffen misschien ook wel bacteriostatisch
kunnen werken geloof ik toch, dat wij bij hun invlocd op de vocderopname voor-
namelijk met chemostatische effecten te doen hebben.

Vraag: Prof. H. van Gendercn, Utrecht.

Bestaan er bij koeien storin.gcn in het deel van de regulatie der vocderopname dat
berust op chemostatische regeling via neuro-ve.getatievc mechanismen? Bij de mens
zou een bepaalde vorm van vetzucht berusten op een laesie in het centraal zenuw-
stelsel, waardoor het vcrzadigingsgevoel niet of in een later stadium optreedt.

Antwoord:

Prof. Frens: Een dergelijke storing bij koeien is mij niet bekend. Wel kan onder
invloed van verlaagde vagusprikkelbaarheid hel ledigingsmechanisme van de voor-
magen eerst bij cen sterkere vulling effectief worden. Er blijft dan voortdurend meer
pensinhoud in de pens aanwezig, maar de dieren gaan niet meer eten. De door vraa.g-
stcller bedoelde neuro-ve.getalieve regulatie krijgt bij koeien eerst betekenis als de
pensbarrière tekort schiet. Daarom zou een laesie in het centraal zenuwstelsel, die
bij de mens vetzucht veroorzaakt, dit bij runderen waarschijnlijk niet doen als het
voederrantsoen de gebruikelijke structuur en samenstelling heeft.

Vraag: Dr. H. J. Hendrik s. Utrecht.

Hoe is de regulatie van dc vocderopname bij zuigkalveren? En hoe verandert de re-
gulatie wanneer het kalf zich ontwikkelt van een dier met .,één" maag tot een dier
met „meer" ma.gen? Mogelijk kan een vergelijkend onderzoek bij kalveren een nader
inzicht verschaffen over de „zwaarte" der verschillende factoren die de vocderopname
bepalen.

Antwoord:

Prof. Frens: Het staat wel vast, dat bij het zuigende of drinkende kalf, dat nog
geen vast voeder opneemt, de slokdarmsleufreflex zo goed werkt, dat het vloeibare
voedsel in eerste instantie in de lebraaag terecht komt. Als de lebmaag vol is kan ook
nog wat in de pens terugvloeien. Waarschijnlijk is de vulling van de lebmaag de pri-
maire oorzaak voor het stoppen met drinken.

Bij het jonge kalf kan ook het glucosegehalte van het bloed, dat veel hoger is en
meer schommelt dan bij een volw.-issen rund, een rol spelen bij het opwekken en
handhaven van het vcrzadigingsgevoel. Bij dc evolutie van het jonge kalf tot volledig

-ocr page 719-

functionerende herlcauwer, wordt de betekenis van de pensbarrière voor de verwer-
king van ruwvoeder geleidelijk groter.

Vraag: Drs. G. K. v a n M e u r s, Utrecht.

Kunnen bij vergelijkende proeven over de factoren die de voederopname bepalen de
subjectieve factoren smaak en smakelijkheid ook moeilijkheden opleveren?

Antwoord:

Prof. Frens: Deze factoren zijn moeilijk te definiëren, omdat wij ons niet in de
plaats van het rund kunnen stellen. Wij zeg.gen b.v. dat goed hooi voor de koe sma-
kelijker is dan slecht hooi
omdat het dier er meer van eet. De smakelijkheid wordt
dus bepaald door de opnamecapaciteit en niet omgekeerd. Dc smaak en de reuk van
het rund spelen een rol bij het uitkiezen van hct voeder en bij de volgorde waarin
hct voeder opgenomen wordt als het dier de vrije keuze heeft. Wordt maar één
voeder beschikbaar gesteld, dan bepaalt dc reuk en de smaak of de koe ervan wil
eten. Maar als het dier tot eten overgaat, is het verder niet meer de smaak, die\'
bepalend is voor de hoeveelheid die wordt opgenomen. Natuurlijk dient men bij de
opzet van proeven over de voederopname rekening te houden met reuk en smaak
van het voeder en verschillen hierin zoveel mogelijk te vermijden.

Vraag: Drs. A. F. R. t e r S c h u r e, Tilburg.

Bij één maaltijd per dag was na 24 uur van havcrstro en van hooi evenveel in de pens
overgebleven. Zou bij cen voortdurende beschikbaarstelling van het voeder niet meer
opgenomen en verteerd worden! Is de rcst-hoeveelheid niet noodzakelijk om een vol-
doende hoeveelheid bacteriën in de pens te houden?

Antwoord:

Prof. I\' r c n s: Metingen van de verdwijningssnelheid uit de pens hebben aangetoond,
dat deze snelheid direct na het bereiken van de maximale vulling het grootst is en
.geleidelijk vermindert tot er praktisch niets meer verdwijnt.

Wanneer het dier vaker per dag kan eten zal dc pensinhoud dichter bij de maximale
vullingstoestand blijven en zal de gemiddelde vcrdwijningssnelheid over een etmaal
ook groter zijn. Dit verklaart waarom dc totale vocderopname bij frequentere maal-
tijden groter kan zijn.

In de resthoeveelheid blijft de bacterieflora aanvankelijk bestaan. Laat men de
dieren evenwel langer hongeren, dan raken op dc duur de fermentabele bestanddelen
op en wijzigt de bacterieflora zich bij gebrek aan substraat, ook al is cr stoffelijk
nog een restvoorraad van onfermenteerbaar materiaal aanwezig. Deze restvoorraad
is ook van betekenis voor het zolang mo.gclijk op gang houden van de mechanische
pensfuncties cn dc spccksclcirculatic.

Vraag: Drs. A. F. R. t e r S c h u r e, Tilburg.

Het glucosegehalte van hct bloed is bij herkauwers nagenoeg constant. Wordt dit
veroorzaakt door de continuïteit van de darmvertering, omdat het voedsel lang-
zamerhand van de pens naar de darmen overgaat?

Antwoord:

Prof. Frens: Hct bloedsuiker bij de herkauwers is afkomstig van de glucosesynthcse
in de lever en van de enzymatische vertering in dc darm.

De fermentatieve vertering van het voeder in de pens levert geen glucose op maar
stoffen als azijnzuur, propionzuur en boterzuur, die ten dele tot .glucose gesynthcti.seerd
kunnen worden in dc lever. Alleen de voederstoffen die aan de fermentatieve pens-
vertering ontsnappen worden enzymatisch verteerd en deze ontsnapping vindt min
of meer continu plaats, zodat er veel minder verband is tussen de maaltijden en de
enzymatische vertering dan bij andere diersoorten het geval is en het glucosegehalte
van het bloed praktisch constant blijft.

-ocr page 720-

Het cystieercosisprobleem in Nederland.

The cysticercosis problem in the Netherlands.

door l H. J. VAN GILS1)

Uit het Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong
van de Faculteit der Diergeneeskunde.

Inleiding.

Ondanks de niet-aflatende activiteit van ongeveer 300 keuringsdieren-
artsen en twee maal zoveel keurmeesters van slachtdieren en vlees gedu-
rende een periode van meer dan 40 jaren, kunnen we nog steeds van een
cysticercosis-taeniasis probleem spreken.

Reeds enkele 1 O-tallen jaren vóór de inwerkingtreding van de Vlees-
keuringswet werd in vrijwel alle grote gemeenten in ons land een aan-
vang gemaakt met de bestrijding van dc taeniasis krachtens plaatselijke
vleeskeuringsverordeningen. Sinds 1922 werden alle geslachte kalveren en
runderen op het voorkomen van cysticerci onderzocht en het vlees, waarin
levende parasieten werden aangetroffen, ongevaarlijk gemaakt voor in-
fectie door verhitting dan wel bevriezing.

Afgezien van geringe fluctuaties bleef echter het percentage cysticcrcosis-
gevallen jarenlang vrijwel op eenzelfde peil, ondanks de reeds vermelde
decennia-lange bestrijdingspcriodc door middel van de vleeskeuring. Deze
evenwichtssituatic werd beschouwd als het maximaal tc bereiken gimstige
resultaat van de keuring, gelet op dc onvolmaaktheid van de methode van
onderzoek, welke was voorgeschreven. Met dit resultaat was men niet
ontevreden in de gelederen der keuringsdierenartsen en bij de Veterinaire
Inspectie van de \\\'olksgczondheid.

Tabel 1.

Percentages Cysticercus bovLs-gevallen in Nederland.

Jaar

Runderen

Kalveren

1950

1.48

0.66

1951

1.53

0.83

1952

1.54

0.71

1953

1.74

0.91

1954

1.92

0.93

1955

2.44

1.13

1956

2.60

0.59

1957

2.56

0.72

1958

2.76

0.75

1959

3.06

1.08

1960

3.11

0.90

1961

3.31

0.77

Year

Gattle

Galves

Table 1.

Total percentages of living and dead cysticercus bovis in beefcattle and
calves in the Netherlands.

1  Prof. Dr. J. H, J. van Gils, Hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde
van de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 166, Utrecht.

-ocr page 721-

Tabel 2.

Aantal runderen met levende en gedegenereerde cysticerci.

Jaar

Levende

%

Gedegen.

Totaal

% van alle

Cyst.

Cyst.

runderen

1954

2549

23.0

8543

11092

1.92

1955

3418

22.1

11969

15387

2.44

1956

4045

24.8

11847

15892

2.60

1957

3687

23.6

11954

15641

2.56

1958

3720

21.6

13469

17189

2.76

1959

4262

21.7

15422

19684

3.06

1960

4614

21.5

16857

21471

3.11

1961

4832

20.7

18503

23335

3.31

Year

Living

% living of

Dead

Total

% of all

cysts

total cysts

cysts

beefcattle

Table 2.

Number of living and dead cysticerci in beef cattle in the Netherlands.

Tabel 3.

Aantal kalveren met levende en gedegenereerde cysticerci.

Jaar

Levende

%

Gedegen.

Totaal

% van alle

Cyst.

Cyst.

kalveren

1954

405

37.4

679

1084

0.93

1955

647

46.8

733

1380

1.13

1956

416

48.1

448

864

0.59

1957

528

50.5

518

1046

0.72

1958

542

50.6

530

1072

0.75

1959

854

52.3

783

1637

1.08

1960

651

46.6

745

1396

0.90

1961

518

40.3

769

1287

0.77

Year

Living

% living of

Dead

Total

% of all

cysts

total cysts

cysts

calves

Table 3.

Number of living and dead cysticerci in calves in the Netherlands.
Toename van cysticercosis.

Sinds 19.53 echter nemen we een voortdiuendc stijging van het percentage
cysticercose gevallen bij volwassen slachtrunderen waar, een stijging, die
in mindere mate en meer onregelmatig ook merkbaar is bij slachtkalveren.
Deze nog steeds voortdurende stijging had uiteraard de aandacht van hen
die met het toezicht op de Volksgezondheid betrokken zijn, hetgeen resul-
teerde in een initiatief van de Veterinair Hoofdinspecteur van de Volks-
gezondheid om deze zaak nader te doen bestuderen. Op zijn verzoek werd
het cysticercosevraagstuk, gekoppeld aan het taenia-probleem, door de Ge-
zondheidsraad als project van onderzoek aangenomen. Een hiertoe in het
leven geroepen commissie van humaan- en veterinair-rnedische deskimdigen,
onder leiding van de Voorzitter van de Gezondheidsraad, kreeg de taak het

-ocr page 722-

cysticcrcosis-taeniasis iHobleein te bestuderen, te trachten de oorzaken van
de geinelde frequenliestijging op te sporen cn zo inogeüjk wegen aan te
geven, waarlatigs tenminste weer een daling zou zijn te \\erkrijgen. Het
ideaal, een totale uitroeiing van deze bij mens en rimd \\oorkomende ])ava-
siet, kon gevoeglijk als een vrome wens achter de hand gehouden worden.

Hoewel deze bekend verondersteld mag worden, geeft het schema van de
gehele ontwikkelingscyclus van de
Taenia saginata een goed inzicht waar de
aangrijpingspunten \\oor dc bestrijding van deze parasiet gevonden kunnen
worden.

Schema van de kringloop van Taenia saginata en Cysticercus bovis
(naar Silverman).

c>\'sticcrccn in prediiectieplaatsen
(kauwspieren, tong, hart, middenrif,
skeietspieren)

progloUidrn, die
80.000

O

^ bevatten

met eitjes besmette rivieren,

Nadat uit de gegevens van een enquête was gebleken dat het aantal
Vaenifl-dragers in ons land zeer groot moest zijn, in ieder geval aanzienlijk
groter dan op grond \\ an voorgaande peilingen van meer beperkte omvang
werd aangenomen, werd intensief aandacht besteed aan de mogelijkheden
tot bestrijding van de parasiet.

Vooropgesteld moet worden dat de stijging van het percentage Taenia-
dragcrs en met cysticerci besmette runderen met elkaar verband houdt.
Het is zeer aannemelijk dat door de gewijzigde eetgewoonten van de mens,
die meer rauw vlees — in de vorm van biefstuk tartaar en de snel toe te
bereiden gebraden biefstuk, roastbeef en onvoldoende doorgebraden gehakt
e.d, — gebruikt dan voorheen, het aantal \'/\'aenia-dragers is gestegen. Bo-
vendien is de consumptie van vlees niet onbelangrijk toegenomen door dc
heersende welvaart.

Een vergroting van het aantal 7"aenzfl-dragers heeft uiteraard weer een ver-
meerdering van de kansen oin runderen met
Taenia-eïeitn te besmetten tot
gevolg. Deze kansen zijn waarschijnlijk ook groter dan voorheen in verband

-ocr page 723-

tnct de gewijzigde leefgewooiiien van de mensen, die er veel meer dan vroe-
ger op uit treklsen en kamperen in de natuur. Lintwormdragers zijn daarbij
ais zaaimachines van
Taenia-eieren te beschouwen.

De cijfers over het percentage cysticercusdragers onder de runderen duiden
erop dat we ons nog bevinden in de opgang van de spiraal en we kunnen
eerlang het tijdstip tegemoet zien, waarop we persoonlijk als lintendragers
van de parasieten zullen fungeren.

Enkele bestrijdingsmogelijkheden.

Naar aanleiding van de bestudering van het cysticercosis-tacniasis probleem
bicken er ten aanzien van de bestrijding van de parasitaire cyclus enkele
mogelijkheden tot verbetering van de huidige toestand, welke op het ter-
rein van de dierenarts-hygiënist liggen en die in korte trekken behandeld
zullen worden. .Van de buiten onze directe belangstellingssfeer vallende
mo.gelijkheden zullen we hier voorbijgaan. Een van de bedoelde mogelijk-
heden tot verbetering van de bestrijding is gerelateerd met de wijze van
onderzoek; een andere met de beoordeling \\ an runderen en kalveren waar-
bij dode cysticerci worden aangetroffen.

ONDERZOEK MET BEHULP VAN ULTRAVIOLETTE BESTRALING.

Naar aanleiding van publikaties over fluorescerende eigenschai)[H\'n van
cysticerci die, indien deze in een donkere ruimte door U.V.-licht be-
straald worden, een helderrood fluorescerend licht uitstralen, werd aan ons
Instituut eerst een oriënterend onderzoek verricht.

Bij dit onderzoek bleek inderdaad dat door bestraling met ultraviolet-licht
in een donkere ruimte levende cysticerci helder rood fluoresceerden. Bij
verkalkte e.xemplaren was de fluorescentie verdwenen, maar hij verkaasde
bleef dit verschijnsel nog vrij lang aanwezig. Ook het vocht van een aan-
gesneden blaasworm bleek de hiermee bevochtigde spicroppervlakte te
doen fluoresceren. Met een dun laagje sijicrvezelen bedekte — dus juist
niet aangesneden - - cysticerci zijn door hun krachtige fluorescentie nog
o|3 te sporen.

Gezien deze gunstige resultaten werd op ons verzoek aan het slachthuis te
Eindhoven een uitgebreide proef genomen.1)

De doelstelling van dit praktijkonderzoek was of inderdaad het U.V.-onder-
zoek tot een verhoging van het jjcrccntage iwsitievc gevallen van cysticer-
cosc zou voeren en tevens of deze methode uit\\ocrbaar zou zijn en geen al
te storend element in dc nonnale gang van zaken bij dc keuring zou be-
tekenen.

AVat dit laatste betreft kunnen we kort zijn. Een uitbreiding van het onder-
zoek door middel van U.V.-licht bleek aan een slachthuis inderdaad uit-
voerbaar te zijn, maar het eiste tijd en stoorde, zij het in geringe mate,
de gang van de keuringswerkzaamheden.

Een belemmerende factor voor algemene invoering is, dat deze methode
uitsluitend op abattoirs en grotere slachterijen uitvoerbaar is en in gedecen-
traliseerde diensten niet realiseerbaar.

-ocr page 724-

^Vat het eerstgenoemde aangaat, n.l. of inderdaad een verhoging van het
aantal cysticercose-bevindingen te bereiken was, werden zeer ]50siticve re-
sultaten geboekt. Van 1000 runderen, welke een willekeurige selectie vorm-
den van een ruim 6 x zo groot aantal slachtrunderen, werden, nadat de
routine-inspectie had plaatsgevonden, de gemaakte sneevlakten van de
kauwspieren en het hart, alsmede de slokdarm in een naast de slachthal
gelegen en hiertoe \\erduisterd vertrek opnieuw onderzocht met behulp van
U.V.-licht.

De resultaten \\an het onderzoek zijn in tabel 4 weergegeven.

Tabel 4.

Aantal waargenomen cysticerci bij slachtrunderen.

Uitsluitend met
U.V.-onderzoek
Levende %
rvst.

%

Levende
cyst.

Dode
cyst.

Aantal

Periode

April-Juni
April-June
1956-1958
Jan.-Juni
Jan.-June
1959

Jan.-Juni
Jan.-June
1959

60 0.51

1.77

210

11828

6390

1000
(van 6390)

63 0.99

185

2.92

2.2

22

14 1.40

3.70

37

U.V.-rays
examination
Living %
cysts

%

%

Living
cysts

Dead
cysts

Number

Period

-ocr page 725-

U.V.-licht werd 0pges]300rd zo kon stijgen, duidt op de grote waarde \\an
dit onderzoeksystccm. Het is dan ook jammer dat de eerder aangevoerde
bezwaren als belemmeringen moeten worden gezien voor de introductie
\\an U.V.-onderzoek in de voorschriften krachtens de Vleeskeuringswet.

DE BEOORDELING VAN SLACHTDIEREN, WELKE MET CYSTICERCI
ZIJN BESMET.

In ons land — evenals in vele andere — moet het vlees van slachtrunderen
en -kalveren onvoorwaardelijk goedgekeurd worden indien slechts een of
enkele gestorven cysticerci bij het onderzoek na de slachting worden aan-
getroffen. In het Onderzoekingsregulatief is de methode aangegeven hoe
nagegaan dient te worden of de cysticercus levensvatb^r geacht moet
worden.

De wetenschappelijke basis voor deze beoordelingswijze is de gedachten-
gang dat, indien een - - of enkele — gestorven cysticerci worden waarge-
nomen, eventueel elders in de musculatuur voorkomende e.xemplaren ook
gestorven ztdlen zijn.

Omdat deze stelling minstens aanvechtbaar is, werd getracht hierover meer
te weten te komen door een onderzoek in te stellen naar gevallen, waarbij
in de spieren van één slachtdier meerdere cysticerci waren waargenomen,
waarbij nagegaan was of er in deze gevallen levensvatbare en gestorven
naast elkaar voorkomend waren aangetroffen. Hiertoe werden de op
cysticercosis betrekking hebbende vleeskeurings-administratiegegevens van
het Gemeentelijk Slaclithuis te Hilversum gebruikt, welke zich hiertoe zeer
wel leenden.*) Hierbij bleek dat over een tijdvak van 4 jaar bij 11 run-
deren en 5 kalveren meervoudige cysticerci waren geregistreerd. In 3 der
11 runderen en 2 van de 5 kalveren waren naast dode ook levende cysti-
cerci waargenomen, d.i. in resp. 27 en 40% der waargenomen gevallen.

Tabel 5.

Meervoudige cysticerci bij runderen en kalveren.

Totaal

Met levende en gestorven cysticerci

In %

Runderen
Beefcattle
Kalveren
Calves

11
5

3
2

27

40

Total

With living and dead cysts

In %

Table 5.

Multiple cysts in beefcattle and calves.

Het naast elkaar voorkomen van levende en gestorven blaaswornien kan op
tweeërlei wijze verklaard worden.

Runderen kunnen op meerdere achtereenvolgende momenten met eieren
\\-an de
Taenia saginata besmet worden. Elke blaasworm die gevonden
wordt kan, in het algemeen gesproken, als bewijs dienen dat het milieu
waarin het rund geleefd heeft besmet was met de eieren van deze lintworm.

-ocr page 726-

Herhaling van de besmetting ligt in deze gevallen dus voor de hand. Hier-
uit moet geconcludeerd worden dat ook het waarnemen van één dode
cysticercus in de musculatuur van een slachtdier een aanduiding is dat
daarnaast ook levende blaaswormen kunnen voorkomen.
Bij de tweede verklaring van het zowel in levende als dode toestand aan-
treffen van cysticerci in één slachtdier, is herhaald voorkomen van besmet-
ting niet eens nodig, indien we aannemen dat de ontwikkelingssnelheid van
de blaasworm niet overal in het spierweefsel even snel verloopt. Bij een
snelle ontwikkeling volgt logischerwijze een snelle dood. Het is een en\'arings-
gegeven, dat in de hartmusculatuur waargenomen cysticerci overwegend
gedegenereerd, veelal zelfs verkalkt, zijn; bij de in de kauwmusculatuur
voorkomende is «dit in veel mindere mate het geval.

De nauwkeurige administratie van de keuringsdienst van Hilversum bood
ook gelegenheid om over grotere getallen na te gaan in welke toestand
cysticerci op de verschillende vindplaatsen werden waargenomen.
De belangrijkste gegevens hieromtrent zijn in tabel 6 weergegeven.

Tabel 6.

Aantalle?! cysticerci bij runderen en kalveren in hart- en kauwmusculatuur.

Levende

Dode

Bij 28.381 runderen

cyst.

In %

cyst.

Totaal

In kauwspieren

199

44.2

251

Masticatory muscles

450

In de hartspier

31

28.4

78

Heartmuscles

109

Bij 10.150 kalveren

Calves 10.150

In kauwspieren

Masticatory muscles

57

81.4

13

70

In de hartspier

16

52.0

15

Heartmuscles

31

Beefcattle 28.831

Living

In %

Dead

Total

cysts

cysts

Table 6.

Number of beefcattle and calves with living and dead cysts in the
masticatory and heartmuscles.

Uit deze gegevens is langs statistische weg berekend dat de ontwikkelings-
snelheid, inclusief het afstelden, in de hartspier sneller \\ erloopt dan in de
kauwspieren. Het verschil bleek significant le zijn.

Over de toestand der in de skeletspieren aangetroffen cysticerci zijn geen
exacte gegevens bekend; op ervaringsgegevens afgaande is de indruk dat
hierin voorkomende en bij toeval ontdekte blaaswonnen vrijwel steeds
levend zijn.

De fysiologie geeft ons, wat de ontwikkelingssnelheid der parasieten in de
verschillende spieren betreft, enig houvast doordat er relatie aanwezig is
gebleken met de mate van bloedvoorziening hierin.

Bij spieractiviteit is een 10 maal hogere zuurstofspiegel nodig dan in de rust-
situatie. Deze zuurstofspiegel wordt bereikt door een 100- tot 200-voudige

-ocr page 727-

\\ergroting van de hoeveelheid aangevoerd bloed. Het effect van de bloed-
voorziening, in casu zuurstof-voedselvoorziening, is uiteraard evident. We
moeten dus ook aannemen dat de ontwikkelingssnelheid, inclusief het dege-
nereren der cysticerci, het grootst is in de continu werkende hartspier "en
m de middenrifmusculatuur. Rij herkauwers zijn de kauwspieren als semi-
continuwerkend te beschouwen, zodat ook hierin een goede ontwikkelings-
.snelheid bereikt wordt. In de skeletspieren terecht gekomen blaas-
wormen zullen zich in veel langzamer tempo ontwikkelen en dientengevolge
nog in levensvatbare toestand aanwezig kunnen zijn, indien tegelijkertijd in
de hart- en kauwmusculatuin- terecht gekomen exemplaren reeds gedege-
nereerd zijn.

De gevolgtrekking uit het beschreven onderzoek en de hieraan gekoppelde
beschouwing is dus dat ook indien één of enkele gestorven exemplaren van
Cysticercus bovis op de onderzockplaatsen gevonden worden, de bij de Wet
N oorgeschreven maatregelen moeten worden genomen, die\' bij het waar-
nemen van levensvatbare exemplaren \\\'an toepassing zijn.
Verwacht mag worden dat zowel uitbreiding van het onderzoek als wijzi-
ging der bestaande wettelijke voorschriften zullen bijdragen tot oplossing van
het cysticercosis-taeniasis-piobleem.

SAMENVATTING.

Na een periode van evenwicht in hct voorkomen van Cysticercus inermis in het
vlees van geslachte runderen en kalveren, is in Nederland sinds 1950 een aanzienlijke
stijging van het percentage positieve gevallen waargenomen. Ook het aantal
Taenia
saginata-dragcTi
bij de mens is gestegen.

Nagegaan werd of uitbreiding van het onderzoek der predilectie-organen met behulp
van ultra-violet licht praktisch uitvoerbaar zou zijn en betere resultaten zou geven.
Dit bleek inderdaad het geval te zijn.

Volgens de wettelijke bepalingen in Nederland en vele andere landen kan vlees van
runderen en kalveren, waarin slechts een of enkele dode cysticerci worden aange-
troffen, worden goedgekeurd.

Aan de hand van onderzoek van gevallen met multiple cysticerci is gebleken dat in
een vrij hoog percentage zowel dode als levende parasieten worden waargenomen.
Onderzoek naar hct verband tus.sen de lokalisatie en de levenssituatie van de cysti-
cerci had tot resultaat dat vast is komen tc staan, dat dc ontwikkclingscyclus in het
hart sneller verloopt dan in de overige vindplaatsen. Het verschil is statistisch signi-
ficant. Verondersteld wordt dat de ontwikkelingscyclus in de skeletspieren langer
duurt dan in de kauwspieren.

Op grond van de resultaten van deze onderzoekingen wordt bepleit, dat de wettelijke
voorschriften met betrekking tot de beoordeling van vlees van runderen en kalveren,
waarbij een of enkele dode cysticerci worden gevonden, hiernaar gericht worden.\'

SUMMARY.

After a period of balance in the occurrence of Cysticercus inermis in becfcattle and
calves, an important increase of the percentage of positive cases has been observed in
the Netherlands since 1950.

Reported is an investigation whether an extension of the examination method of the
predilecdon-organs with ultra-violet rays would give better results and whether this
method could be executed in a practical way. This was indeed the case.
According to the regulations in the Netherlands and in many other countries meat
of beefcattle and calves is to be approved if only one or a few dead cysticerci are
observed. An examination of a number of cases with multiple cysticerci showed that
in a rather high percentage dead as well as living parasites v,ere observed.

-ocr page 728-

Investigations concerning the relation between the localisation and the situation of
living of cysticerci resulted in the conclusion that the cycle of development and dege-
neration in the heartmuscle goes faster than in other muscles. This difference is statis-
tically significant. The author suggests that the development of the parasite in
most skeletal muscles takes a longer period than in the masticatory muscles.
On the base of the results of these investigations it is argued that the regulations
concerning the judgment of meat of beefcattle and calves, in which one or a few
dead cysticerci are observed, should be brought into accordancc with them.

RÉSUMÉ.

Après une période d\'équilibre dans l\'apparence dc Cysticercus inermis dans la viande
de boeufs et de veaux abattus, aux Pays Bas il est perccvu une hausse considérable du
pourcentage des cas positifs, .Aussi le nombre de
Taenia saginata chez les hommes
est haussé.

On a contrôlé si une extension de l\'enquête des organes de prédilection par moyen
de lumière ultra-violette serait réalisable pratiquement et donnerait des résultats
meilleurs. Il se trouva que c\'était certainement le cas.

Selon les stipulations légales aux Pays Bas et à beaucoup d\'autres pays la viande de
boeufs et de veaux, dans laquelle qu\'un ou quelques cysticerci morts furent trouvés,
peut être approuvée.

.A l\'aide d\'une enquête de cas avec multiple cysticerci il semblait que dans un assez
grand pourcentage aussi bien de parasites morts que vivants furent percevus.
D\'une enquête du rapport entre la localisation et la situation vitale des cysticerci ré-
sultait la détermination que le cycle de développement dans la coeur s\'écoule plus
vitement que dans lês autres habitats. La différence est significative statistiquement.
Il est supposé que le cycle dc développement dans les muscles du squelette dura plus
longtenaps que celui dans les masticateurs.

.Au fond des résultats de ces enquêtes il est plaidé que les stipulations légales par
rapport au jugement de la viande de boeufs et de veaux où un ou quelques cysticerci
morts sont trouvés, seront réglées à ceci.

ZUSAMMENFASSUNG.

Nach einer Periode mit gleichbleibendem Vorkommen von Cysticercus inermis im
Fleisch von Schlachtrindcrn und -kälbern wurde in den Niederlanden seit 1950 ein
erhebliches Ansteigen der Prozentsatzes positiver Fälle beobachtet. Auch die .Anzahl
der
Taenia iögmatö-Träger unter der Bevölkerung ist gcstic.gcn.

Es wurde untersucht, ob eine Erweiterung der Untersuchung von den Praedilektions-
organen mit Hilfe von ultraviolettem Licht praktisch durchführbar sci und bessere
Resultate geben würde. Dies erwies sich tatsächlich so.

Nach den gesetzlichen Bestimmungen in den Niederlanden und vielen anderen
Ländern kann das Fleisch von Rindern und Kälbern als tauglich beurteilt werden,
wenn darin nur eine oder einige abgestorbene Finnen angetroffen werden.
Auf Grund einer Untersuchung der Fälle mit multiplen Cysticerci zeigte sich, dass in
einem ziemlich hohen Prozentsatz sowohl tote als auch lebende Parasiten ange-
troffen wurden.

Eine Untersuchung des Zusammenhangs zwischen der Lokalisation und der Lebens-
situation der Finnen ergab als feststehend, dass der Entwicklungszyklus im Herzen
schneller verläuft als in den übrigen Fundorten. Der Unterschied ist statistisch sig-
nifikant. Es wird vermutet dass der Entwicklungszyklus in der Körpermuskulatur
länger dauert als in den Kaumuskeln.

.Auf Grund der Ergebnisse dieser Untersuchungen wird vorgestellt, die gesetzlichen
Vorschriften bezüglich der Beurteilung von Fleisch von Rindern und Kälbern, bei
denen eine oder einige tote Finnen gefunden werden, hieran anzupassen,

-ocr page 729-

DISCUSSIE
Vraag: Prof. A. M. frens, Utrecht.

Is het percentage blaaswornien van de Taenia saginata, dat gevonden wordt bij uit
Ierland en Denemarken geïmporteerde slachtrunderen hoger dan in ons land?
M.a.w. speelt de import van slachtvee een rol bij het in stand blijven of een toename
der infectie?

Antwoord:

Bij vanuit Ierland ingevoerde slachtrunderen is het percenlage met Cysticercus
inermis
besmette dieren aanzienlijk hoger dan bij Nederlandse en ook Deense run-
deren. Bij de ingevoerde Ierse ossen vooral worden veelal levende blaaswormen
waargenomen. Gelet op de vrij beperkte invoer, in vergelijking met de eigen slacht-
veeproduktie, is de invloed op de besmettingsgraad bij mens en dier niet al te groot
te achten.

Vraag: Drs. J. S. vanderKamp, Groningen.

In de inleiding werd gesproken over de voorkeursplaatsen kauwspieren en hart.
Dienen de onderzoekplaatsen misschien uitgebreid te worden? Zal dit laatste be-
zwaren van de zijde van de eigenaar meebrengen ?

Antwoord:

Dc term voorkeursplaatsen is uitsluitend in verband te zien met de hoeveelheid bloed
die deze plaatsen ontvangen. Deze — ingeval van besmetting niet larven voorziene
- hoeveelheid bloed hangt weer af van de activiteit van de verschillende spieren.
De tot nu toe in het onderzoek betrokken spieren zijn ofwel continu of zeer frequent
in actie, zodat de infectiegraad hierdoor evenredig hoger geacht kan worden dan
die van de skeletspicren. Het is moeilijk skeletspiercn of spiergroepen met hogere
infectickansen dan andere aan te wijzen.

Vraag: Prof. A. van der Schaaf, Utrecht.

Dr. Hemmes heeft ongeveer 6 jaar geleden bij vraagsteller voederproeven bij
varkens laten doen naar het voorkomen van
Taenia ec/iinococcus-eicren in het stof
van graanschepen die in dc Rotterdamse haven voedergraan hadden ontscheept.
Dit onderzoek verliep toen negatief. Zou het gewenst zijn eenzelfde onderzoek te
doen bij kalveren, om na tc gaan of eieren dan wel proglottiden van
Taenia saginata
in het graan cn in het graanstof voorkomen ?

Antwoord:

Behalve door dierproeven is bij genoemd onderzoek met behulp van verzamel-
tnethoden ook nagegaan of microscopisch wormeieren konden worden aangetoond.
Ook dit onderzoek is negatief verlopen.

Gelet op het resultaat van beide onderzoeken zou er van een voederprocf met kal-
veren niet veel heil te verwachten zijn geweest.

Vraag: Drs. W. v a n G c m e r t, West-Tcrschelling.

Wat is de kortste tijd tussen de besmetting van het rund met Taenia saginata-tierer\\
en het verkalkt zijn van de hieruit ontwikkelde blaaswormen?

Antwoord:

De kortste tijd voor deze ontwikkeling is spreker niet bekend. Als gemiddelde duur
van de ontwikkeling van ei tot infectieuze blaasworm wordt 18 weken aangegeven.
Verkalking echter kan veel eerder optreden als de blaasworm reeds vroeg in de
loop van zijn ontwikkeling sterft, door b.v. immuniteitsinvloeden. Hierover zijn
slechts weinig gegevens bekend,

-ocr page 730-

Vraag: Dr. J. M. van Vloten, \'s-Gravenhage.

Moet de cyclus van de Taenia saginata niet op minstens twee plaatsen onderbroken
worden om beter effect van de bestrijding te verkrijgen? Moeten voor de bestrijding
van de taeniasis de artsen niet gemobiliseerd worden? Is het spreker bekend dat er
lintwoi-mdragers zijn die zich hiertegen niet wensen te laten behandelen?

Antwoord:

De bedoeling van deze inleiding was enkele meer speciaal voor veterinair-medici
belangrijke aspecten en onderzoekingen te vermelden. Voor de bestrijding van de
parasiet in zijn verschijningsvorm zullen behalve dierenartsen ook de artsen en de
lintwormdragende mensen geactiveerd moeten worden. Ook spreker is het bekend
dat er onder laatstgenoemde categorie zijn, die zich zeer happy voelen met hun
overigens ongenode gast. Er zijn dames die het behoud van goede lijnen aan hun
„lint" toeschrijven.

Vraagstukken in de Deense varkenshouderij.

Onlangs werd door Prof. Clausen uit Denemarken, voor de Vereniging van de
Deense Erkende Varkensfokbedrijven een breedvoerige uitcen.\'.ctting gegeven over de
aspecten van de Deense varkenshouderij.

Prof. Clausen is zoals onze lezers weten, de opvolger van de zeer sympathieke
Prof. J e s p e r s e n, die zich vele leiders van de varkensweck nog wel zullen her-
inneren.

In de uiteenzetting die gecommenteerd werd door S. d e J o .i g, in het nummer van
16 mei 1963 van „De Landbode" vinden wij dat het gemiddeld voederverbruik per
kg groei in de Deense selectiemcsterijen, van 3,88 V.E. in 1907 tot 2,95 V.E. nu
gedaald is. Dit betekent een winst van gemiddeld 68 V.E. per gemest varken.
Volgens Prof. Clausen zou dit voederverbruik nog kunnen verminderd worden
tot op 2,50 V.E. per kg op voet.

De groei per dag cn per varken steeg in de selectiemcsterijen van 629 gram in 1933
tot nu gemiddeld 689 gram.

Wat de lengte van dc varkens betreft, lijkt men in sonunigc bloedlijnen een sprong
te ver tc zijn gegaan. Dit heeft dan ook als gevolg dat men van mening is nu niet
verder meer te moeten selecteren op de lengte der varkens. Meer aandacht werd ge-
schonken aan de gevleesdheid van de ribbenstukken. Met dit c\'oel wordt sinds 3 jaar
in de inschrijvingsdocumenten de vlecsoppervlakte van de ribbenstukken fotografisch
vastgelegd.

Daarnevens wordt op steeds breder schaal gebruik gemaakt van de echoapparaten
om de spekdikte te meten op het levend dier.

De bedoeling is om alle fokvarkens in de erkende fokbedrijven op de leeftijd van
8 maanden langs deze methode te meten.

Dat ook inzake constitutie van de varkens praktische resultaten bekomen werden
met het Deense selectiesysteem, blijkt uit het aanzienlijk verschil van het sterfte-
percentage op de erkende fokbedrijven. Inderdaad, in de eerstvcrnoemde bedrijven
beliep het sterftepercentage 16,8%, tegenover 22% op de demonstratiebedrijven.
Tenslotte lijkt het interessant tc vermelden dat in Denemarken eerder uitzonderlijk
ernstige moeilijkheden worden ondervonden inzake bevruchting bij de varkens. Prof.
Clausen noemt zelf het zeer hoge percentage van 21% zeugen, die op dc demon-
stratiebedrijven gedurende de laatste jaren moesten wordoen opgeruimd omdat men
ze niet drachtig kon krijgen.

De bezorgdheid van Prof. Clausen om de grootste aandacht te schenken aan de
algemene gezondheidstoestand van de varkens, lijkt dan ook volkomen begrijpelijk.

De Belgische Veefokkerij, (14), 9, (1963).

-ocr page 731-

De bepaling van hef hartvolume bij de hond mef
behulp van para-amino hippuurzuur.1)

Determination of the cardiac output of dogs by means
of sodium para-amino hippurate.*)

door G. H. HUISMAN2)

Uit het Laboratorium voor Veterinaire Fysiologie van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

Inleiding.

Het ligt in de bedoeling van collega Kraan en van mij, om u in de beide
nu volgende \\-oordrachtjes een indruk te geven van de opzet en uitvoering
van, en de moeilijkheden bij een onderzoek, dat op dit moment nog in
volle gang is. U mag derhalve van ons nog geen eindconclusies verwachten,
daar hiervoor het aantal onderzochte gezonde honden nog te gering is,
terwijl patiëntenmateriaal nog slechts in één geval aan bod is gekomeri.
Het doel van dit gezamenlijk onderzoek is, om uiteindelijk te komen tot
een bepaling van de mate, waarin een gestoorde hartfunctie (de „heart
failure") de nierfunctie beïn\\\'locdt. Op de wijze waarop een dergelijke be-
ïnvloeding van de nierfunctie plaats zou kunnen vinden en op de gevolgen
er van, zoals het al of niet v-ormen van transsudaat, hoop ik aan het einde
van deze voordracht nog even terug te komen.

Voor het onderzoek van de hartfunctie staan ons verschillende moderne
hulpmiddelen ter beschikking, zoals het elektrocardiogram, het fonocardio-
gram en de intravasalc en intracardiale drukineting, ter completering van
het normale klinische routine-onderzoek. Oji grond hiervan is een voldoen-
de selectie mogelijk van het patiëntenmateriaal, dat voor een nader onder-
zoek van de relatie tussen hart- en nierfunctie in aanmerking komt.
Daar ons echter is gebleken, dat in de literatuur over deze relatie bij de
hond onder klinisch abnormale omstandigheden nog vrijwel niets bekend
is, dienden wij uiteraard eerst over te gaan tot het ontwikkelen van een
geschikte methodiek en het testen hiervan op gezonde honden, waarbij de
verkregen uitkomsten dan zouden moeten dienen als vergelijkingsmate-
riaal met de uitkomsten verkregen bij patiënten.

Als we ons nu afvragen oj) welke wijze de hartfunctie de nierfunctie kan be-
ïnvloeden, dan is het duidelijk dat de voornaamste factoren hier gelegen
moeten zijn in de hemodynamica, waarbij de belangrijkste in deze zijn,
de bloeddruk (artericel en veneus) en het hartminuut\\-ohune, d.w.z. de
hoeveelheid bloed per minuut, door elk der ventrikels uitgeworpen. Im-
mers de bloeddruk dient te zorgen voor een voldoende hoge filtratie-druk
in de nier-glomeruli, terwijl bloeddruk en „output" mede \'bepalen hoeveel
bloed per tijdseenheid door de nier wordt gefiltreerd. Deze fenomenen, in
relatie met hct door collega Kraan te behandelen nierfunctie-onderzoek,
dienen dus in eerste instantie te worden bepaald.

1  Voorlopige mededeling. Preliminary communication.

2  G. H. Huisman, wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht,
Alexander Numankade 93, Utrecht.

-ocr page 732-
-ocr page 733-

U ziet hier een schema, voorstellende de grote en kleine circulatie, met
daarin aangegeven het rechter hart, de longen, het linker hart en het ar-
teriële systeem, met de arteria renalis, de arteria femoralis en de nieren.
Tenslotte het gehele perifere capillairnet en het veneuze stelsel.
Bij de hond in nembutal-narcose worden nu via een vena jugularis twee
hart catheters ingebracht onder röntgen-controle, waarvan de ene (schuin
gearceerd) via rechter boezem en rechter ventrikel wordt geschoven tot
in de arteria pulmonalis, terwijl de andere (zwart aangegeven) blijft lig-
gen in de rechter ventrikel, met de punt naar de uitstroomrichting van het
bloed (zie figuren 1, 2 en 3).

Via de pulmonalis-catheter wordt door middel van een constant infuus-
pomp, met een snelheid van 1.16 cm^ per minuut, een infuus van Na-para-
aminohippuraat (PAH), de stof die door ons wordt gebruikt voor de
„output"-bepaling, in de circulatie gebracht. Deze stof passeert de longen
en het linker hart, waar een homogene menging tot 3tand wordt gebracht

-ocr page 734-

Fig. 4. Synchrone registratie van het E.C.G. (afl. I en 11), de arteriële
bloeddruk en de druk in de rechter ventrikel.

cn
O
ro

--^^----^—

ARt. fFMäS.ni.J

R. S\'CHt^rkft.

-ocr page 735- -ocr page 736-

met het bloed, om vervolgens via het arleriële systeem gedeeltelijk de nieren,
de plaats waar het PAH praktisch kwantitatief wordt uitgescheiden, te be-
reiken. Gedeeltelijk passeert het PAH ongehinderd via het perifere capillair-
net, waarbij tenslotte in het veneuze stelsel weer menging optreedt van
bloed uit de vena renalis, dat arm is aan PAH en de rest van het veneuze
bloed, dat rijk is aan PAH. Een en ander is in het schema aangegeven door
een groter of kleiner aantal stippen.

De voor de „ouput"-bepaling benodigde bloedmonsters worden verkregen
uit de ventrikel-catheter (gemengd veneus monster) en uit een catheter die
via de arteria femoralis geschoven wordt tot in de aorta, proximaal van de
uitmondingen der a.a. renales (dwars gearceerd aangegeven in fig. 1). Ge-
durende de tijd tussen het nemen der monsters zijn deze beide catheters aan-
gesloten op elektromanometers, waardoor een voortdiuende controle wordt
verkregen op arteriële en intraventriculaire druk (zie figuur 4).
De gebruikte bloedvaten worden na alfoop der proef alle gehecht. Dit is
schematisch de proefopstelling, die nodig is gebleken voor dit onderzoek en
die bij de nu volgende be.spreking der ,,output"\'-mcthodiek, nog ter sjirake
zal komen.

Dc methoden ter bepaling van het hartminuutvolume.

Aan alle door ons gebruikte methoden voor „output"-bepaling ligt het vroe-
ger door Fick ontwikkelde principe ten grondslag. De methode volgens
F i c k wordt door ons ook gebruikt als controle oj) de methode met het
P.\\H, en het lijkt me daarom goed deze eerst in uw herinnering terug te
roepen.

Zoals de mcesten onder U wel bekend zal zijn, wordt bij de Fick-methode
het zuurstof-verbruik van het proefdier gemeten, terwijl bloedmonsters
onder paraffine worden verzameld uit een arterie (in ons geval de arteria
femoralis) en een gemengd-veneus bloedmonster uit rechter ventrikel of
arteria pulmonalis. Van deze monsters worden dan de zuurstofgehalten
bepaald.

Als men nu weet, hoeveel O2 het dier oi)neemt per minuut en men kent
de mate waarin deze hoeveelheid Oo als het ware wordt verdund door
opname in het bloed, (en hiervoor is het verschil in zuurstofgehalte tussen
veneus en arterieel bloed een maat, welk verschil iimners wordt veroor-
zaakt door die in de longen opgenomen hoeveelheid O^), dan is dus door
deling van deze componenten de hoeveelheid bloed bekend, die per minuut
door de longcapillairen stroomt. Deze moet echter gelijk zijn aan de hoe-
veelheid bloed door de rechter ventrikel per minuut uitgeworpen, i.c. de
„output". f)it wordt weergegeven door de formule

0-2

c.o. = -

A02 - V02

De zuurstofopname van de hond wordt gemeten door het dier via een
tracheotubus te laten ademen uit een met zuivere zuurstof gevulde spiro-
graaf van B e n e d i c t-R o t h, terwijl de 0
.2-analysc der bloedmonsters
geschiedt volgens de methode van S 1 y k e.

Op dit Fick-principe kunnen allerlei variaties worden toegepast waardoor
„output"-bepaling mogelijk is, als maar wordt gezorgd een stof te kiezen,
waarvan de opname in het dier, of cle afgifte, in hoeveelheid bekend is.

-ocr page 737-

Een dergelijke stof menen wij gevonden te hebbben in het door mij reeds
eerder genoemde para-aminohippuurzuur (PAH). Deze stof wordt door de
nier n.l. praktisch kwantitatief uitgescheiden in de urine. Dit betekent,
dat, als de concentratie in de urine bekend is en de hoeveelheid uitge-
scheiden urine per tijdseenheid wordt gemeten, men daarmee een waarde
heeft gevonden, die vergelijkbaar is met die voor O2 in de originele Fick-
formule, alleen gaat het hierbij dus niet om de PAH-opname, maar de
PAH-afgifte.

In deze redenering wordt het arterioveneuze verschil derhalve veroorzaakt
door de uitscheiding van het P.\\H via de nier. Dit verschil kan weer wor-
den bepaald uit bloedmonsters: in de bloed- en urinemonsters wordt het
hiijpuraat spectrofotometrisch bepaald. Deling der componenten levert
dan, evenals bij de Fick-fornnde, het hartminuutvolume. De zojuist ge-
volgde redenering wordt weergegeven in de fonnide

"^PAH

Apah-Vpah
" 1 Het.

waarin U dus aangeeft het aantal mg PAH per cin^ urine en V het aantal
cm\'^ urine per miniutt. Het produkt UV levert dus de hoeveelheid uitge-
scheiden PAH per minuut op. ApAH — VPAH is het verschil in gehalte
aan hijipuraat in arterieel en veneus bloed. Daar het PAH wordt bepaald
in het plasma, moet de formule gecorrigeerd worden met het celvolume,
om het geheel in liters bloed te krijgen, dus delen door 1 — Het.
Het zal U duidelijk zijn, dat deze redenering alleen juist is, als het PAH
inderdaad alleen wordt intgescheiden via de nier, daar alleen hier kwan-
tiatieve meting via blaascatheters mogelijk is. Nu is helaas gebleken dat
dit niet geheel opgaat. Een geringe fractie van het P.MI wordt door de
nier geacetyleerd en als zodanig uitgescheiden. Deze fractie kan niet
spectrofotometrisch worden be]jaald. Verder blijkt ook nog een fractie
via andere weg te worden gebonden of uitgescheiden (zweetklieren e.d.).
Dit is in het schema (fig. 1) aangegeven als „extra-renaal verlies". Dit
alles betkent, dat de „methode UV", zoals ik hem kortheidshalve zal aan-
duiden, meestal een wat lagere waarde zal geven dan de Oy-methode.

Het gebruik van PAH levert echter nog een mogelijkheid van „output"-
bepaling langs andere weg. Zoals U hebt gezien wordt het PAH toegediend
via een constant infuus, met een snelheid van 1.16 cm\'^ per minuut. Een
dergelijk constant infuus in de arteria pulmonalis is echter volledig ver-
gelijkbaar met de Og-opname in de oorspronkelijke Fick-formtde. De ver-
menging met het bloed vindt plaats in longcapiilairen en linker hart, zo-
dat aangenomen mag worden, dat in het arteriële bloed een homogene ver-
deling is verkregen. Perifeer wordt PAH uitgescheiden (renaal en extra-
renaal), vergelijkbaar met Oa-afgifte in de weefsels, zodat veneus een lagere
hippuraat-concentratie wordt aangetroffen.

Hiermede is dus weer voldaan aan de eisen van het Fick-principe: bekend
is de hoeveelheid toegediende PAH (concentratie infuus x snelheid) en
het arterioveneuze verschil kan spectrofotometrisch worden bepaald. Deling
der componenten levert dan weer het hartminuutvolume op.
In formule weergegeven:

-ocr page 738-

I V.PAH
APAH—VPAH
C.O. = 1 ^ Hct.

waarin dus 1 voorstelt de PAH-concentratie van het infuus en V de loop-
snelheid (1.16 cmS/min.). Om de „output" uitgedrukt te krijgen in liters
bloed per minuut, moet het geheel natiunlijk weer worden gedeeld door
1 - Hct.

Bespreking der voorlopige resultaten.

Als ik nu met behulp van dc tabel uit figiuu\' 5 dc tot nu toe verkregen
resultaten mag toelichten, dan ziet U in de eerste kolom aan,gegeven hel
nunnner van het experiment, tevens oxereenkomend met een bepaalde
procfliond. Zoals U ziet is nog slechts bij de hond no. 1 de proef tweemaal
verricht.

De tweede kolom geeft aan het gewicht in kg van elk dier tijdens hct expe-
riment. De derde kolom geeft aan de waarden \\ oor het hartminuut-vohmie
(C.O.), berekend vol.gens de drie zojuist geschetste methoden. De volgende
vijf kolommen zidlen IJ worden toegelicht door collega Kraan. Aan het einde
\\an figuur 5 ziet u nog drie kolonunen, weergevende resp, arteriële druk
met zijn syslolische en diastolische variatie, dc druk in de rechter ventrikel
en de hartfreciuentie.

UV

Vergelijken we nu eerst de getallen uit de kc^lom ^ — in verticale ï\'ich-

ting, dan blijkt dat dc gemiddelde „outjjut" (berekend uit v\'ier be])alingen
ieder) bij de verschillende dieren vrij sterk kan variëren. Deze variatie
hangt duidelijk niet samen rnet een verschil in lichaamsgewicht (vergelijk
b.v. exp. 2,
3 en 12). Ook wanneer dc zgn. hartindcx („output" per inS
lichaamsoppervlakte) wordt bepaald, gaan deze cijfers geen gunstiger beeld
leveren. Dit zou kimnen wijzen op een minder grote nauwkeuri.ghcid van

deze meüiode, echter dc andere melhoden-^-^^ - en ^^ leveren in we-
zen hetzelfde beeld op. Bovendien treffen we ditzelfde fenomeen aan in de
fysiologische en farmacologische literatuur, waarin enkele „outprrt"-bepa-
lingen bij honden volgens de Fick-methodc of de kleurslof-verdunninp-
rnethode worden beschreven, als inleiding voor experimenten. Dit staat lijn-
recht in tegenstelling met de „oulput"-bepaling bij de mens, waarvan de
normale waarden wel redelijk zijn begrensd, mits met de bepaling wordt
gewacht tot ongeveer 60 minuten na toediening van hel narcoticum. Ook
bij al onze methoden wordt 90-120 minuten gewacht, ahoi-ens bloed-
monsters worden genomen. Een en ander is noodzakelijk, om cen voldoende
gestabiliseerde plasmaconcenli-alie van P.AH op te bouwen en een gestabili-
seerde circulatie onder narcose te verkrijgen.

Ondanks deze voorzorgen \\inden wij, evenals andere onderzoekers, bij de
hond sterke fluctuaties in de „output", waarvan de richUng niet valt te
voorspellen. Dit betekent dus eigenlijk, dat bij fysiologische en farma-
cologische experimenten elke hond, voor zover het dc „oulput"-bepaling
betreft, zijn eigen blanco waarde moet leveren. Dit zullen wij, daar we pa-
tiënten willen onderzoeken, uiteraard niet kunnen toepassen.

-ocr page 739-

RENAL FRACTION %

C.O. l./min.

FILTR.

FRACTIE
%

EXP

GEW.

HART.
FREQ.
per mm.

G.ER.
c.c./min.

ART.
DRUK
m.m. Hg

DRUK
R.VENTR.
m.m. Hg

ER.Bf
l./min.

UV
A-l/

O2
A-V

I y
A -1/

O2

N2

Kg

A-V

A-V

E.R.PE
c.c./min.

A-l/

3.07 3.08 -

U5 /
/103

19

0.55

17.9 17.9

71.2

32.5

117

219.0

17.3 15.2 U.5

135/
/102

OAO

2.31 2.63 2.76

224.1

17

51.9

23.2

16

162

136

V100

5.87 6.01 -

19

1.15

19.6 19.1 -

447.5

104.7

23.0

140

Cfq\'
Ol

165 /

/1I6

2.72 3.23 -

0.63

23.2 19.5 -

22.5

284.0

89.4

31.5

127

10

4.62 5.30

144,

22

0.99

21.4 18.7

414.7

95.9

23.1

176

88

2
S"

164

4.95
1.53

5.32 5.35

1.02

20.6 19.2 19.1

447.2

21.5

124.7

279

13

195

\'117

145,

14.5

1.82 2.80

0.42

27.5 23.1 15.0

229.0

49.8

21.7

18

152

111

112 /

/ 33

2.29
4.18

22

0.52

22.7

253.0

49.5

19.6

8
14

209

127,

25.5

4.53 3.90

0.95

22.7 21.0 24.4

406.3

174.8

43.0

174

77

16.1 14.5 15.2

154 .

3.34 4.83 4.61

23.5

0.70

335.7

108.5

32.3

11

186

124

301.6

134,

3.56

24.5

3.33

0.74

10

20.8

22.2

114.0

37.8

24

195

98

153/
/1OI

11

25.5

3.22

4.11

0.76

23.6

18.5

397.4

122.7

30.9

21

200

190/
/l25

12

30

1.84

2.29

0.38

20.7

16.6

166.2

49.5

29.8

24

152

25.9 23.5 38.4

94

13

3.40 3.75 2.29

A

20

0.88

433.7

98.0

22.6

14

144

60

Ol

o

55

U

0.S4 0.72

0.021

15.0

7.3

1.1

33

3.3 2.9

-ocr page 740-

De oorzaak van de weinig stabiele „output" is dus een probleem, dat nog
om een oplossing vraagt.

Een factor die hierbij een rol zou kunnen spelen, zou het gebruik van nem-
butal als algemeen anestheticum kunnen zijn. Nembutal is nl. gebleken in
zekere opzichten voor dit werk een minder geschikt narcoticum te zijn. Als U
de kolom „hartfrequentie" uit figuur 5 bekijkt, dan ziet U nl. dat bij het
merendeel der proefdieren een te hoge frequentie is geregistreerd (De ge-
tallen stellen gemiddelden voor van de geregistreerde frequenties van direct
na het narcotiseren tot aan het einde van het experiment). Dit duidelijk
frequentieverhogende effect van het nembutal moet worden geweten aan
een vagusblokkerende werking.

Ook de bloeddruk wordt door nembutal niet geheel ongemoeid gelaten.
Direct na de intraveneuze toediening ziet men gewoonlijk enige hypotensie
optrden, terwijl na enige tijd de druk weer gaat stijgen en stabiliseert op een
niveau, dat hoger is dan bij gebruik van narcotica als morfine, aether, ure-
than of combinaties van deze.

Opvallend zijn ook de relatief zeer lage systolische drukken die gemeten
worden in de rechter ventrikel. In de meeste handboeken wordt opgegeven,
dat de maximale systolische druk rechts ongeveer 1/3 bedraagt van de maxi-
male .systolische druk in het linker hart. Vergelijken we in onze proeven
de arteriële druk met de druk in de rechter \\entrikel, dan blijkt de laatste
zeer sterk verlaagd te zijn. Dit moet betekenen, dat door het longcapillair-
bed aan de bloedstroom vrijwel geen weerstand wordt geboden. Dit is des
tc merkwaardiger, daar in de literatuur juist melding wordt gemaakt van
een stijging onder nembutal-narcose \\an de perifere weerstand in het alge-
meen. Naar men mij mededeelde, worden ook bij de mens bij cathcterisatie
van de rechter ventrikel onder kcmithal-narcose dergelijke lage drukken
aangetroffen.

Een belangrijke invloed van nembutal op het hartminuutvolume wordt ook
beschreven (Nash c.s., 1956). Een progressieve daling van de C.O. zou
optreden met het verstrijken van de tijd na toedienen van het narcoticum.
Een dergelijke afname is door ons in enkele gevallen wel aangetroffen (elke
C.O.-waarde is een gemiddelde van achtereenvolgens vier bepalingen, die
ieder ongeveer 15 minuten duren), maar ze bleek zeer zeker geen regel te
zijn. Het is mogelijk, dat de lange tijd die door ons wordt genomen, voor
de stabilisatie der circulatie (ongeveer 2/2 uur), hierbij een rol speelt.
Een voor onze hippuraat-methodiek zeer belangrijk ncmbutal-effect, is de
invloed die wordt uitgeoefend op het circulerend celvolume. Tijdens het uit-
voeren van de eerste exjjerimenten, vermeld in deze tabel, bleek ons namelijk
dat de hematocriet na het toedienen van nembutal zeer sterk daalde. In
e.xperiment no. 11 b.v. bedroeg de Het. \\óór narcose 59%, direct na nar-
cose trad echter een daling op tot 48%. Zowel in de UV als in de IV me-
tliodc wordt echter gebruik gemaakt van de Het. voor omrekening der „out-
put" van plasma in liters bloed. Sterke verschillen in Het. kunnen derhalve
de berekende output niet onbelangrijk beïnvloeden. Uit literatuurgegevens
blijkt, dat opslag van erytrocyten in de milt deze daling van het celvolume
onder nembutal veroorzaakt (Hahn c.s., 1942; Carr c.s., 1944). Adre-
naline-toediening zou het circulerend celvolume onder nembutal-narcose
weer verhogen. Dat de milt het verantwoordelijke orgaan is, blijkt ook wel
uit het feit, dat wij bij verschillende van onze proefhonden een vrij sterk
vergrote milt konden palperen.

-ocr page 741-

Als we nu de waarden voor de C.O. in de tabel, verkregen volgens de drie
verschillende methoden met elkaar gaan vergelijken, dan blijkt er, behou-
dens enkele uitzonderingen, een redelijke overeenstemm.ing te bestaan. Het
aantal bepalingen laat echter nog niet een statistische bewerking toe. Bij en-
kele experimenten echter ziet U in de tabel in de kolom voor IV inplaats
van getallen, een bolletje getekend. Bij deze dieren werd nl. volgens
de IV methode een zeer sterk afwijkende waarde voor de C.O. gevonden.
In alle gevallen betrof het een afwijking naar boven. Een volledige ver-
klaring hiervoor kunnen wij U thans nog niet geven, maar wel is het moge-
lijk de richting aan te geven, waarin wij denken de oplossing voor dit
]3ro-
bleem te moeten vinden.
Bezien we n.l. nog eens de formule

I V pa h

Ap..\\H—VpAH

dan ligt hierin IV van te voren \\ ast, immers concentratie en loopsnelheid
van het infuus zijn al bekend, vóórdat er een hond aan te pas komt. Als de
breuk een te hoge waarde geeft, dan moet de oorzaak hiervan gelegen zijn
in het arterioveneuze verschil A-V, m.a.w. dit verschil is te klein!!
Uit de geineten concentraties bleek dat in het arteriële bloed de concentratie
aan PAH lager was, dan men o]5 grond \\ an de geïnfimdeerde hoeveelheid
PAH mocht verwachten. Dit betekent derhalve dat, hoewel een bekende
hoeveelheid PAH wordt ingesjjoten (IV), deze hoeveelheid op de plaats
waar het arteriële monster wordt genomen in werkelijkheid al niet meer
aanwezig is, m.a.w. er „\\erdwijnt\'\' P.A.H tussen art. pidrnonalis en art. fe-
moralis.

Als we nu met behulp \\an de schematische tekening van figimr 1 nagaan,
op welke jjlaats dit zou kunnen gebeuren, dan zal het U duidelijk zijn dat
in alle arteriën, mits het PAH homogeen over het bloed is verdeeld, de
concentratie gelijk is. Dit betekent dus dat het infuus niet vcidwcnen kan
zijn in hart of grote arteriën. De enige mogelijkheid die dan logischerwijze
nog overblijft is, dat de oorzaak gezocht moet woiden in de passa,ge van
het longbcd. Een ex[3crimentccl gefundeerd bewijs hier\\oor hebben we
Ttog niet. Wel is het ons opgevallen, dat bij de honden die een dergelijke
ho.ge IV-waardc vertonen, de Fick-bcpaling dikwijls veel moeilijkheden op-
levert, door het optreden van heftige benauwdheid, die weer het gevolg
is van zeer sterke ;>lijmafscheiding vanuit de trachea in de trachcotubus.
Verder vertonen deze dieren een abnormaal grote specksclaLschciding. Het
zal zeker zaak zijn om te trachten, indien dit verschijnsel in het verloop van
verdere experimenten weer optreedt, in het tracheaalslijm dc aanwezigheid
van PAH aan te tonen.

Een mogelijke longprikkeling of zelfs beschadiging zou veroorzaakt kimnen
worden door de pulmonalis-cathctcr, die, zoals U op het lantaarnplaatje
hebt gezien, doorgeschoven is tot in het longbed. Ook op dit punt hopen
wij dat toekomstige experimenten enige zekerheid zullen \\erschaffen.
Dezelfde factor A-V wordt echter gebruikt in de formule UV, die zoals uit
vergelijking met de Fick-methode blijkt, wel aanvaardbare resultaten geeft.
Dit is wel begrijpelijk, daar de UV-methode immers niet werkt met de
hoeveelheid toegediende PAH, maar juist met de hoeveelheid uitgescheiden
hippuraat. Is er dus na het nemen van het arteriële monster alleen uitschei-
ding via de nier, dan zal de UV-rnethode een betrouwbare waarde moeten

-ocr page 742-

geven, daar de formule van kracht is bij elke concentratie PAH in het bloed
en in wezen onafhankelijk van de geïnfundeerde hoeveelheid.
Uit hetgeen we hier hebben besproken is het waarschijnlijk al duidelijk ge-
worden, dat er nog cen tweede mogelijkheid is, die de berekening der
„output" kan beïnvloeden. Dat is nl. het optreden van extra verlies aan
P.\\H tussen arterieel en veneus monster, d.w.z. ergens in het perifere ca-
])illair-netwerk. De concentratie van het veneuze monster wordt dan niet
meer alleen bepaald door de normale uitscheiding in de nier, maar ook nog
door verlies elders, d.w.z. de veneuze concentratie wordt te laag en daar-
door het arterioveneuze verschil A-V te hoog. Een dergelijk verlies zal nu
echter niet de IV-methode beïnvloeden, daar die evenals de Fick-methode
de bloeddoorstroming door het long\\eld bepaalt, mits de zojuist besproken
mogelijkheid van verlies niet optreedt.

Nu wordt echter wel bcïin locd de UV-niethode, daar die steunt op de voor-
waarde, dat uitsluitend in de nier het hijjpuraat uitgescheiden wordt: de
UV-methode zal dus een te lage waarde voor de „output" geven.
Ook van deze mogelijkheid kunnen wij U een voorbeeld tonen. E.xperiment
no, 14 n.1., dat in de tabel met open cijfers is aangegeven, betreft een onder-
zoek verricht bij een patiënt, lijdende aan een zeer ernslige levercirrhose. Bij
dit dier werd t^ij onderzoek van het circulatie-apparaat tevens een luide
soufflé vastge,steld, die fonocardiografisch werd gediagnostiseerd als het ge-
volg van een atriov-cntriculaire klepinsufficiëntie. Het E.C,G, was niet af-
wijkend. De hond had een ernstige hydrops ascites die niet reageerde op
diuretica en diureiica gecombineerd met cardiaca.

Het hart-nierfunctieonderzock leverde ccn sterk verlaagde ,,output" op, zo-
wel bij de IV als de 02-nicthode, De UV-methode echter gaf cen nog veel
lagere waarde aan, n.1, 0,10 liter bloed min,, die duidelijk niet in overeen-
stemming kon zijn met de werkelijkheid. Bij dit dier hebben wc ook kimnen
achterhalen, waar het extra yjcrifcre vcriic-s aan hippuraat optrad, In de
ascitesvlocistof kon nl, een hoge concentratie aan P.AH worden vastgesteld.
De urincproduktie bij deze patiënt tijdens het onderzoek was praktisch nihil.
Dit kan worden verklaard uit het zeer lage hartminuutvolume en uit de
abnormaal lage waarden van de artëriële druk, nl, mm Hg, De con-

sccjucnties die deze abnormale toestand bij de patiënt had voor de nier-
functie, zullen U in de volgende voordracht worden uiteengezet.

De oorzaak en gevolgen van een ,,heart failure" vormen een zeer gecompli-
ceerd probleem. Om niet te veel in details te vervallen zou ik het ontstaan
en het verloop sterk vereenvoudigd als volgt willen weergeven:
In eerste instantie zal de arbeidscapaciteit van het hart niet meer voldoende
zijn om te voldoen aan de eisen, die gesteld worden om cen adequate circu-
latie te handhaven. Dit kan een gevolg zijn van een verlangde te hoge ar-
beidsprestatie, dus een extracardiale oorzaak, het is ook mogelijk dat de
oorzaak in het hart zelf gelegen is, d,w.z. het
arbeidsvermogen van het hart
is door intracardiale oorzaak verlaagd, bij gelijk gebleven eisen.
Het arbeidsvermogen van de hartspier is binnen fysiologische grenzen even-
redig met de vezellengte, dus door hypertrofie en dilatatie is nog compen-
satie mogelijk. Tenslotte zal voortgaande dilatatie echter leiden tot over-
rekking, op welk moment juist een progressieve afname van het arbeids-
vermogen zal optreden, tot vèr onder het niveau dat bestond vóór het be-

-ocr page 743-

gin van liypertrofie en dilatatie. Het stadium van de „heart failure" is dan
begonnen.

De gevolgen hiervan zijn:

1. primaire veranderingen in bloedstroom en druk door gestoorde hart-
functie;

2. secundaire verstoring van het electrolyt- cn watermetabolisme.

De nierfunctie is bij beide aspecten der „heart failure" nauw betrokken. De
„volume flow" van een orgaan wordt n.l. gereguleerd door:

a. de lokale perifere weerstand;

b. de behoefte aan O2 in het orgaan;

c. vasomotorisch actieve stoffen in bloed of weefsels;

d. de totale behoefte van het systeem aan bloed „flow".

Bij „heart failure" daalt nu het hartminuutvolume beneden een waarde,
die optimaal is voor doorstroming van alle organen. Hierbij neemt de vaso-
constrictoren-tonus in de periferie toe, maar
\'juist in de nier meer dan in
andere organen.
„De „\\-olume flow" \\-an de nier daalt dus niet alleen in
absolute zin in sterke mate, maar ook relatief t.o.v, andere organen. Bij de
mens zijn wat dit betreft getallen bekend, die er op wijzen, dat een afname
\\an de „output" van het hart tot 50% \\an de optimale waarde, kan resul-
teren in een afname van de „nier-flow" tot 25% van dc normale waarde.
De oorzaak van de verhoogde weerstand in de nier is nog niet gevonden.
Experimenten die op dit gebied zijn verricht (Goody er, 1962) wijzen
echter in de richting van een hiunoraal agens, dat de tonus der arteriolae
in de nier zou beïnvloeden, Dc gevolgen die deze verschijnselen hebben
\\oor Na- cu waterretentie zullen nu door collega Kraan worden behandeld,

LrrER,\\TUUR

C a r r, D, T, and Essex, H, E.: The hemoglobin concentration of the blood of
intact and splencctomizcd dogs under pentobarbital sodium anesthesia with parti-
cular reference to the effect of hemorrhage.
Am. J. Physiol., 142, 40, (1944).
G o o d y e r, V, N.: "Renal function and renal impairment in congestive heart
failure," In: Heart, Kidney and Electrolytes pp 89, Grune and Stratton, New York,
London (1962).

Grossman, J., Weston, R. E. and L e i t e r, L.: A method for determining
cardiac output by the direct Fick principle without gas analysis, ƒ.
Clin. Invest.,
32, 161, (1963).

H a h n, P. F., Bale, W. F. and Bonner Jr., J. F.: Removal of red cells from
the active circulation by sodium pentobarbital.
Am. J. Physiol., 138, 415, (1942).
N a s h, G. B., D a V i s, F. and W o o d b u r y, R. A.: Cardiovascular effects of anes-
thetic doses of pentobarbital sodium.
Am. ]. Physiol, 185, 107, (1956).

SAMENVATTING.

Een beschrijving wordt gegeven van de ontwikkeling van een methode tot bepaling
van het hartminuutvolume van gezonde honden en honden met een gestoorde hart-
functie, waarbij o.a. gebruik wordt gemaakt van het door Grossman en Wes-
ton gemodificeerde F i c k-principe.

Met behulp van para-amino-hippuurzuur worden simultaan hartminuutvolume en
„renal fraction" bepaald. Tevens wordt met elektromanometers de bloeddruk ge-
meten in de arteria pulmonalis, de rechter ventrikel en de arteria femoralis.
Aan de hand van de voorlopige resultaten wordt uitvoerig ingegaan op de oorzaak
van de moeilijkheden die bij de ontwikkeling der methodiek werden ontmoet.

-ocr page 744-

SUMMARY.

A description has been given of a method, based on the F i c k-principle modified by
Grossman and Weston, to determine the cardiac output of normal dogs and
of dogs with a heart failure.

Simultaneously cardiac output and renal fraction are measured with sodium para-
aminohippurate. The results are compared with those from the direct F i c k-method.
Bloodpressures in the pulmonary artery, right ventricle and femoral artery are
continuously recorded.

RÉSUMÉ.

Une descripition est donnée du développement d\'une méthode servant à déterminer
le volume du coeur de chiens sains et de chiens souffrant d\'une fonction cardiaque
dérangée, pendant laquelle on se sert notamment du principe de F i c k modifié par
Grossman et Weston.

A l\'aide d\'acide para-amino-hippurique on détermine simuitanément le débit car-
diaque par minute et la „fracrion rénale". En même temps on mesure à l\'aide d\'clcc-
tromanomètres la tension artérielle dans l\'artère pulmonaire, le ventricule droit et
l\'artère fémorale.

A l\'aide des résultats provisoires on discute amplement la cause des difficultés
éprouvées lors du développement des méthodes.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Beschreibung von der Entwicklung einer Methode zur Bestimmun.g
des Herzzeitvolumens gesunder Hunde, bczw. von Hunden mit gestörter Herz-
funktion gegeben, bei der u.a. von dem durch Grossman und Weston modifi-
ziertem F i c k-Prinzip Gebrauch gemacht wurde.

Mit Hilfe von Para-amino-hippursiiure wird das simultane Herzminutenvolumen und
die „renal fraction" bestimmt. Ausserdem wird mit dem Elektromanometer der Blut-
druck in der Arteria pulmonalis, dem rechten Ventrikel und der .Arteria femoralis
gemessen.

.An Hand der vorläufi.gen Resultate wird ausführlich auf die Ursache der Schwierig-
keiten eingegrin,gen, die sich bei der Entwicklung dieser Methode ergaben.

De sticren.stapel van de Milk Marketing Board.

De Milk Marketing Board (van Engeland en Wales) bezit nu 956 K.I.-stieren, waar-
van ongeveer 250 te wachten staan op de resultaten en prestaties van hun nakome-
lingen.

Een aantal van deze stieren is gehuisvest op een terrein in Warwickshire. Dc stieren
worden gehouden op een onderhoudsdieet en zijn gehuisvest in groepen van 15 in
kralen van ongeveer 9 m^ per stier; op deze wijze gehouden leven zij vreedzaam met
elkaar, maar op het ogenblik is nog niet veel bekend over het effect van het niet
mogen dekken gedurende 4 jaar op het voortplantingsvermogen van een stier.
Van de 200 jonge stieren die ieder jaar voor de fokkerij gekocht worden, wordt
slechts 28% aangehouden voor verder gebruik; dit dus aan de hand van de resul-
taten van de prestaties van hun eerste stel dochters. "Verder wordt 47% verkocht
wegens onvoldoende prestaties der dochters en 25% om diergeneeskundige redenen.

Neivs Letter No. 38, Commonwealth Agr. Bur. of An. Br. and Gen., blz. 4.

-ocr page 745-

De bepaling van de „renal blood flow" en de
,,glomerular filfrafion rafe" bij de kond mef be-
hulp van para-amino hippuurzuur en kreatinine.1)

The determination of renal blood flow and glomerular
filtration rate in dogs by means of sodium para-amino-
hippurale and creatinine.

door W. J. KRAAN2)

Uit het Laboratorium voor Veterinaire Fysiologie van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

Inleiding.

Het is één van de meest intrigerende problemen uit de hart-nierfysiologie
dat, wanneer het hartmintmtvolume door ,.heart failure" daalt, de fractie
die de nier ontvangt van het hartminuutvolume niet evenredig maar veel
sterker daalt.

De nier neemt in dit opzicht een zeer aparte plaats in tegenover andere
organen zoals bijvoorbeeld hart, hersenen en lever.

Voor hart en hersenen zou gelden dat bij daling van het hartminuut-
\\-olume, de hoeveelheid bloed die deze organen van het hartminuutvolume
ontvangen in absolute waarde gelijk blijft, zodat de fractie relatief gezien
stijgt. Voor de lever zou gelden dat de „bloodflow" door dit orgaan even-
redig daalt met het hartminuutvolume, zodat de fractie gelijk blijft.
Een tweede gevolg van de daling van het hartminuutvolume is dat de
nier, die min of meer ischaemisch is, natrium gaat retineren. Deze natrium-
retentie is verantwoordelijk voor het ontstaan van transsudaten en
oedemen.

Deze drie symptomen: daling van het hartminuutvolume, daling van de
„renal blood flow" en verminderde natriumexcretie door de nier zijn de
kardinale punten van het syndroom dat beschreven wordt als: „congesti\\\'e
heart failure".

De problemen die deze aandoening oproept, zijn van tweeërlei aard, nl:
hemodynamische problemen (daling van het hartminuutvolume en de
„renal blood flow") en problemen op het gebied van de electrolyten- en
waterhuishouding (natriumretentie en oedemen). In ons onderzoek hebben
wij ons voorlopig bepaald tot het eerste (hemodynamische) aspect. De
benadering van het probleem is dus eenzijdig; de bereikte resultaten
betreffen bovendien slechts de uitwerking van een methode.

Grondslagen van het nierfunctieonderzoek.

De nier heeft drie mechani.smen om urine te vormen n.1.:

1. filtratie van het bloedplasma in de glomerulus;

2. selectieve terugresorptie van water en opgeloste stoffen in de tubulus;

3. de secretie van sommige stoffen in de tubulus.

1  Voorlopige mededeling. Preliminary communication.

2  W. J. Kraan, wetenschappelijk ambtenaar le kl. aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Alexander Numankade 93, Utrecht.

-ocr page 746-

Jiet is mogelijli om in nierproeven enkele van deze mechanismen te meten
of althans een indruk te krijgen van de hoeveelheid functionerend weefsel.
Gemeten kunnen worden:

de glomerulusfiltratie („glomerular filtration rate", G.F.R.);
de hoeveelheid bloed die per minuut door de nier stroomt („renal
blood flow", R.B.F.);

de maximale secretorische capaciteit van de tubulus („tubular mass",
Tm).

De glomerulusfiltraüe kurmen wij bij de hond bepalen door middel van
de kreatinine „clearance".

Om de kennismaking met het begrip „clearance" te vernieuwen, moge het
volgende dienen:

Van een stof X bepalen wij de hoeveelheid in milligrammen die per
minuut in de urine wordt uitgescheiden. Deze hoeveelheid wordt gemeten
door de concentratie van X in de urine in mg per ml, de factor U, te
vermenigvuldigen met het aantal mi\'s urine per minuut, de factor V.
Wanneer de concentratie van X in het bloedpla,sma wordt voorgesteld
door P, dan zal de hoeveelheid y:)lasma die per minuut nodig is geweest
om de hoeveelheid UV in de luine uit te scheiden, kunnen worden be-
rekend uit het quotiënt
U V

P .

Dit quotiënt noemen wij de „clearance" van X. Met andere woorden:
de „clearance" van X is die hoeveelheid plasma die ]K-r minuut bevrijd
of „geklaard" wordt van X.

Wanneer wij nu van een stof weten dat deze alleen gefiltreerd wordt
door de glomerulus en niet wordt uitgescheiden of geresorbeerd door dc
tubulus, dan zal dc hoeveelheid plasma die per minuut nodig is voor de
uitscheiding van deze stof gelijk zijn aan de hoeveelheid plasma die per
minuut door de glomerus wordt gefiltreerd. De „clearance" van dergelijke
stoffen is dus gelijk aan de „glomerular filtration rate". Voor de bepaling
van de G.F.R. kmmen wij bij de mens en de hond gebruik maken \\an
bijv. inuline en mannitol en bij de hond bo\\ endien nog van het kreatinine.

Er zijn stoffen die zo efficiënt door de nier worden uitgescheiden, dat de
concentratie van deze stoflen in de \\ena renalis praktisch nul is. In één
niercirculatie worden deze stoffen dus giotendeels uit het bloedplasma
verwijderd. Een dergelijke uitscheiding kan uiteraard alleen plaatsvinden
door de combinatie van glomerulusfiltratie en tubulussecretie. Wanneer
een stof in één circulaüe voor 100% wordt uitgescheiden, dan zal de
„clearance" van deze stof (de hoeveelheid plasma die per minuut van deze
stof bevrijd wordt) gelijk z.ijn aan de totale hoeveelheid plasma die per
minuut door de nier stroomt.

Dergelijke stoffen zijn o.a. het Diodrast, dat in één niercirculatie voor
74% wordt uitgescheiden en het ParaAminoHippuurzuur (PAH) dat
in één circulatie voor 90% wordt lutgescheiden. Om dus de totale hoeveel-
heid plasma te kennen die per minuut door de nier stroomt, moeten wij
de „clearance" van bijv. PAH (uitscheiding 90%) vermenigvuldigen met
100/90. Dit nu wordt in de praktijk niet gedaan. De clearance van PAH
is een maat voor de effectieve plasmadoorstroming van de nier („effective
renal plasma flow", E.R.P.F.).

Men beredeneert dit als volgt: van het bloed dat door de nier stroomt is
1514

-ocr page 747-

een gedeelte bestemd voor niei\'weefsel dat niet direct bij de vorming van
urine is betrokken, bijv. het bloed voor de kapsel, nierbekken, bindweefsel
etc. Men neemt nu aan dat dit gedeelte ongeveer 10% bedraagt van
de totale bloeddoorstroming van de nier. De overige 90% is betrokken bij
de vorming van urine en wordt als zodanig de effectieve bloeddoorstro-
ming genoemd. De gemeten PAH-,xlearance", die in feite 90% bedraagt
van de „total renal plasma flow" is een maat voor de „effective renal
plasma flow", dat wil dus zeggen voor die hoeveelheid plasma die direct
betrokken is bij de vorming van urine. Door invoering van de hematocriet
kunnen wij uit de „plasma flow" de „blood flow" berekenen.

Wat zojuist gezegd is over de P.A.H-„c!earance", geldt alleen wanneer de
plasmaconcentratie van het PAH laag is, n.1. 2 tot 4 mg%. Alleen dan
is de nier in staat om deze stof prakdsch totaal uit te scheiden. Wanneer
wij de plasmaconcentratie van PAH verhogen, bijv. tot 30 mg%, dan
zal het transportmechanisme van de tubulus verzadigd raken.
Dit betekent dat de nier de uitscheiding \\an PAH niet meer zo efficiënt
\\-erricht en dat dus steeds meer PAH in de vena renalis zal verschijnen
naarmate de plasmaconcentrade van PAH wordt opgevoerd.
Als gevolg daai-van zal de „clearance" van PAH dalen. Wij noemen dit
verschijnsel „selfdepression" van de „clearance" en het treedt op bij al
die stoffen die voor hun uitscheiding van het uitscheidingsmechanisme
van de tubulus gebruik maken. De hoeveelheid PAH door de tubulus
uitgescheiden, is gebonden aan een ma.ximum dat gemeten kan worden
en dat uitgedrukt wordt in milligrammen PAH per minuut.
De berekening gaat als volgt: wanneer wij van de totale hoeveelheid per
minuut in de urine uitgescheiden PAH, de door de glomerulus gefiltreerde
hoeveelheid PAH aftrekken, blijft die hoeveelheid \'PAH over die door de
tubulus wordt uitgescheiden. Deze hoeveelheid wordt uitgedrukt in milli-
grammen per minuut en aangegeven door het symbool T. Bij opvoeren
van de plasmaconcen trade van PAH zal de waarde T constant worden
en wij spreken dan van Tm. De Tm-waarde wordt dus bereikt wanneer
de tubulus met PAH verzadigd is. De
Tmpah („tubular mass") is een
maat voor de totale hoeveelheid actief tubulusweefsel. Warmeer bij ischae-
mie bepaalde gedeelten van de nier voor urincvorming zijn uitgeschakeld,
zal de Tmpah dalen.

Daar in onze proeven de pla.smaconcentratie van PAH laag moest worden
gehouden voor de berekening van de „effective renal plasma flow", zijn
geen Tm waarden vermeld.

Wij hebben nu verschillende grootheden leren kennen, n.1.:
het hartminuutvolume (C.O.), zie vooidracht Huisman;
de „glomerular filtration rate" (G.F.R.);
de „effective renal plasma flow" (E.R.P.F.);
de „effective renal blood flow" (E.R.B.F.i.
De fractie die de nier ontvangt van het hartminuutvolume, noemen wij
de „renal fraction" en deze fracde wordt aangegeven door het quotiënt:
E.R.B.F./C.O. Daar het hartminuutvolume op drie manieren is berekend,
wordt de „renal fraction" uitgedrukt in E.R.B.F. resp. gedeeld door
UV IV O2

A—V A—V

-ocr page 748-

De fractie die van de „effective renal plasma flow" in de glomerulus ge-
filtreerd wordt, de filtratiefractie, wordt aangegeven door het quotiënt:
G.F.R./E.R.P.F.

In de tabel (fig. 5) op blz. 1507 zijn de „renal fraction" en de filtratie-
fractie in resp. de vijfde en de achtste kolom vermeld. De fracties worden
uitgedrukt in procenten.

Techniek van de „clearance"-bepaling.

Vóór de proef wordt bij de nuchtere hond bloed- en urineonderzoek ver-
richt. Van het bloed wordt bepaald: het hemoglobinegehalte, de hemato-
criet en het ureumgehalte. Van de urine wordt bepaald: de reactie, de
aanwezigheid van eiwit en suiker, terwijl tevens het sediment wordt
onderzocht.

Daarna wordt de hond in nembutalnarcose gebracht. De invloed van
barbituraten op de nierfunctie is zodanig dat bij diepe narcose vasocon-
strictie in de nier optreedt, met als gevolg afname van „plasmaflow",
glomerulusfiltratie en water- en electrolytenuitscheiding. Bij oppervlakkige
narcose is geen of nauwelijks verlaging van deze factoren te verwachten.
Overigens blijft nog de invloed van het nembutal op de circulade, zoals\'
door Huisman beschreven; daling van bloeddruk en hartminuutvolume
deelt zich uiteraard ook m.ede aan de nierfunctie.

Wel wordt tijdens de „clearance"-proeven getracht de narcose oppervlak-
kig te houden door eerst dan narcoticum bij te geven, wanneer de hond
uit de narcose dreigt te ontwaken en door bewegingen het ])roefvcrloop
zou verstoren.

De hond krijgt nu door een slokdarmsonde water ingegeven. Voor honden
van ± 20 kg is dit 500 ml. Deze „prehydratie" geeft één tot anderhalf
uur later aanleiding tot het optreden van een, voor de „clearance"-
bepalingen gewenste, redelijk meetbare diurese. Deze diurese is een z.g.
vcrdunningsdiurese door verminderde afscheiding van antidiuretisch hor-
moon (A
.b.H.) Opmerkelijk is overigens nog dat de afscheiding van het
A.D.H. wordt gestimuleerd door o.a. barbituraten. Het nembutal zou dus
dc geïnduceerde verdunningsfdiurese kunnen tegenwerken.
Na het prepareren van de bloedvaten en het invoeren van de cathetcrs
onder röntgencontrole, wordt door middel van een constant-infuuspomp
een infuus gegeven van kreatinine en natrium para-aminohippuraat. Er
wordt nu minstens één uur gewacht met het verzamelen van bloed- en
urinemonsters. Deze tijd is nodig om een constant plasmaniveau van krea-
tinine en hippuraat te verkrijgen.

In de blaas wordt een catheter aangebracht die tijdens de gehele proef
blijft liggen. Bij teven wordt een rubbercatheter met vier openingen ge-
bruikt.

Na lediging van de blaas wordt nu gedurende 4 perioden van ± 15
minuten urine verzameld. Na elke periode wordt de blaas geledigd door
spoeling met fysiologische zoutoplossing en inblazen van lucht. Halverwege
elke periode worden de bloedmonsters uit rechter hart en art. femoralis
genomen. Voor de bepaling van de „renal blood flow" en de „glomerular
filtration rate" hebben wij slechts het arteriële monster nodig; het ge-
mengd veneuze monster uit het rechter hart is nodig voor de bepaling van
het hartminuutvolume, zoals door Huisman beschreven. Voor de be-
paling van het hartminuutvolume is immers de factor A-V onontbeerlijk.

-ocr page 749-

Het para-aminohippuurzuur wordt als natrium-para-aminohippuraat ge-
infundeerd, In het plasma en de urine wordt de concentratie aan zuur
gemeten volgens de methode van Smith en medewerkers (1945). Het
kreatinine wordt bepaald met de J a f f é reactie, zoals beschreven door
Loken (1954).

Bespreking van de resultaten.

In de tabel op blz. 1507 (fig. 5) valt het allereerst op dat de waarden
„renal blood plasmaflow" en de „glomerular filtration rate" niet zijn
uitgedrukt per kg lichaamsgewicht of m2 lichaamsoppervlak. Eensdeels
hebben wij dit nagelaten omdat
WIJ menen dat het aantal experimenten
nog te klein is om reeds te gaan spreken van een gemiddelde „blood flow"
of „filtration rate" per kg of m2 lichaamsoppervlak, anderdeels omdat
het vooral de fracties zijn die ons interesseren.

Immers, daling of stijging van de diverse fracties kan ons een inzicht
verschaffen in de processen in de nier. Een daling van de „renal fraction"
])ast in het beeld van de in de inleiding beschreven „congestive heart
failure". Een stijging van de filtratiefractie, bij een gelijktijdige daling
van de „effective renal plasma flow", betekent dat, ondanks een ver-
minderde bloeddoorstroming van de nier, de „glomerular filtration rate"
gelijk blijft of minder daalt dan de E.R.P.F. De glomerulusfiltratie wordt
dus efficiënter; dit kan worden bereikt door vasoconstrictie van de effe-
rente arteriolae van de glomeruli.

Hoewel, met lage beneden- en hoge bovenwaarden schommelen dc „renal
fractions" (met uitzondering van het laatste experiment) rond 20%.
Algemeen wordt een „renal fraction" van 20% als normaal aangegeven.
De filtratiefractie schommelt, hoewel eveneens met lage beneden- en hoge
bovenwaarden en met uitzondering van het laatste experiment, rond 29%.
In de literatuur wordt doorgaans een filtratiefractie van 32% aangegeven.
Dc hond heeft in vergelijking met de mens, waarvoor een gemiddelde
filtratiefractie van 20% zou gelden, dus een zeer efficiënte glomerulus-
filtratie.

In de tabel behoeft nu het laatste experiment nog enige verklaring.
Het betreft de enige patiënt in deze .serie. Deze hond, een 6-jarige bastaard-
reu, leed aan levercirrhose en hydrops ascites.

Hoewel gesteld is dat geen gemiddelden van hartminuutvolume en „renal
blood flow" worden opgegeven, valt het toch wel op dat het geregisteerde
hartminuutvolume, resp, 0,64 en 0,72 1/min,, zeer laag is. Een dergelijk
laag hartmintmtvolume zou echter een „effective real blood flow" doen
verwachten van 0.14 1/min. (renal fraction: 20%). Dc geregistreerde
E.R.B.F. bedraagt echter 0.021 1/min. Hoewel mogelijk het nembutal nog
enige invloed heeft gehad, menen wij toch wel te mogen spreken van
i.schaemie van de nier.

De „effective renal plasma flow" bedraagt 15 ml/min. Verwacht zou
worden een „glomerular filtration rate" van 4 a 5 ml.\'min. (filtratie-
fractie ± 30%). De G.F.R. bedraagt echter 1,1 ml/min.
Een verklaring hiervoor vinden wij in de geregisteerde bloeddruk. Als een
normale arteriële druk mag worden aangenomen 90 mm Hg. Door afname
van deze druk in de afferente arteriolae van de glomerulus resulteert een
druk van it: 60 mm Hg in de glomeruluscapillairen. De effectieve filtratie-

-ocr page 750-

druk bedraagt nu 60 mm Hg - 35 mm Hg, zijnde de som van de colloid-
osmotische druk van het bloedplasma (30 mm Hg) en de druk in de
Bowmanse kapsel (5 mm Hg).

In het beschreven experiment bedroeg de arteriële druk 55 mm Hg.
Wetende dat deze druk in de afferente arteriolae verder daalt, dan is
het niet denkbeeldig dat de druk in de glcmeruluscapillairen gelijk dreigt
te worden aan de som van de colloidosmotische druk van het bloedplasma
en de druk in de Bowmanse kapsel, waardoor de glomerulusfiltratie zou
worden stopgezet. Dat hier een dergelijke: toestand werd bereikt, blijkt
uit het feit dat over de periode van ruim één uur de urincproduktie
nauwelijks 0.1 ml/min. bedroeg.

Afgaande op het lage hartminuutvolume en de nog sterker verlaagde
„renal blood flow" zou men kunnen zeggen dat deze patiënt past in het
beeld van de „congestive heart failure"\' zoals in de inleiding is beschreven,
hoewel wij de verslechtering van hart- en nierfunctie zullen moeten be-
schouwen als een complicatie van de waarschijnlijk primair aanwezige
levercirrhose.

Elke therapie op deze patiënt toegepast, zal er op gericht moeten zijn
het overtollige vocht uit het lichaam te verwijderen.

Dat een therapie, alleen gericht op de aanzetting van de diurese, hier moet
falen wordt duidelijk als wij de lage „renal blood flow" in acht nemen.
Elke diuretische therapie zal dus gepaard moeten gaan aan een verhoging
van de „renal blcxjd flow", hetzij door verhoging van het hartminuut-
volume (hartmiddelen), hetzij door een diiccte verbetering van de „renal
blood flow". In dit verband kan bijv. gedacht worden aan het amino-
phyllin, dat naast een positieve beïnvloeding van de hartfunctie, de „renal
blood flow" verbetert door verwijding van de arteriolae in de nier.
In het onderhavige geval bestond de therapie uit het toedienen van
cardiaca en van hct aldactone, een middel dat de natriumexcretie bevor-
dert. De verklaring van de werking van hct aldactone geeft aanleiding
terug te komen op het in de inleiding gestelde over de „congestive heart
failure".

De „renal blood flow" daalt bij vermindering van het hartminuutvolume
meer dan deze vermindering van het hartminuutvokmre zou doen ver-
wachten. De oorzaken van de sterke daling \\ an de „renal blood flow" zijn
nog niet opgehelderd.

Een op deze daling van de „renal blood flow" aansluitend symptoom
is de verminderde natriumexcretie door de nier. Deze verminderde
natriumexcretie kan niet, of zeker niet alleen, verklaard worden uit dc
veranderde hemodynamische verhoudingen in de nier zelf. Er inoeten dus
extrarenale factoren zijn die deze natriumretentie veroorzaken. Het is in
de laatste tien jaren duidelijk geworden dat het door de zona glomerulosa
van de bijnierschors afgescheiden steroid aldostcron in deze een grote rol
speelt. Het aldosteron nu bevordert de natriumresorjJtie in vooral de distale
tubulus. Bij de bovenbeschreven sterke daling van de „renal blood flow"
wordt een verhoogde afscheiding van het aldosteron en daardoor een ver-
minderde natriumexcretie waargenomen.

Het is waarschijnlijk dat deze verhoogde aldosteronsecretie o.a. door de
nier zelf wordt .ge\'induceerd. De verhoogde natriumresorptie in de nier
betekent mede het passief terugresorberen van water, waardoor oedemen
en transsudaten ontstaan.

-ocr page 751-

J)e werking van het aldactone berust nu op het feit dat deze stof in de
tiibuluscel de plaats inneemt van het aldosteron, zonder overigens de
secretie van deze stof door de bijnierschors te beïnvloeden.
Het aldactone neemt wèl de plaats in van het aldosteron, doch niet zijn,
natriumretinerende, werking. Een \\erhoogde uitscheiding van natrium en
dus ook water is het gevolg.

Uit het voorgaande wordt duidelijk dat een uitbreiding van ons onderzoek
in dc richting van de electrolytenhuishouding noodzakelijk is.

S.AMEN V.ATTING.

Een beschrijving wordt .gegeven van de grondslagen en de techniek van het nier-
functieonderzoek bij dc hond.

Het gebruik van P.AH maakt het mogelijk de nierfunctie gelijktijdig met het hart-
minuutvolume te bepalen, zoals door Huisman is beschreven.
Besproken worden de resultaten bij 14 gezonde honden en 1 hond, lijdende aan lever-
cirrhose.

SUMM.ARY.

.A description is given of the methods used in the estimation of renal function in dogs.
Using P.AH, it was possible to combine estimation of renal function and cardiac
output, as described by Huisman.

The results in 14 experiments with healthy dogs and 1 dog, suffering from cirrhosis
of the liver, are discussed.

RÉSUMÉ.

t.\'ne description est donnée des principes et dc la technique Je l\'examen de la fonc-
tion rénale du chien.

L\'usage de l\'acide para-amino-hippurique rend po.ssible la détermination simulitanée
dc la fonction rénale et du débit cardiaque par minute, comme l\'a décrit H u i s-
m a n.

Les résultats de 14 chiens sains et d\'un seul chien souffrant .Je cirrhose du foie sont
décrits.

ZUSAMMENF.ASSUNG.

Es wird eine Beschreibung von den Grundlagen und der Technik der .\\ierenfunktions-
untersuchung beim Hund gegeben.

Die .Anwendung der Para-aminohippursäure ermöglicht es, gleichzeitig die Nieren
funktion und das Hcrzzeitvolumens zu ermitteln, wie dies durch Huisman be-
schrieben wird.

Weiterhin werden die Resultate bei 14 .gesunden Hunden ,md einem an Lcber-
cirrhose leidenden Hund besprochen.

LITERATUUR

G o o d y e r, A. V. N. : Renal Function and Renal Impairment in Congestive Heart
Failure. In: Heart, Kidney and Electrolytes, p.
89. (Grune & Stratton, New York,
London, 1962).

Loken, F. : On die determination of Creatinine in plasma by the Jaffé- reaction
after adsorption to Lloyd\'s reagent.
Scand. ]. Clin. Lab. Invest., 6, 325, (1954).
Merri 11, J. P.: Renal Circulation in Congestive Heart Failure. In: Heart, Kidney

and Electrolytes, p. 117. (Grune & Stratton, New York, London, 1962).
S e 1 k u r t, E. E.: Physiology. (Little, Brown and Company, Boston, 1962).

-ocr page 752-

Smith, H. W.: The Kidney, Structure and Function in Health and Disease.

Oxford University Press, New York, (1958).
Smith, H. W., F i n k e 1 s t e i n, N., A 1 i m i n o s a, L., Crawford, B. and
G r a b e r M.: The Renal Clearances of substituted hippuric acid derivatives and
other aromatic acids in dog and man. ƒ.
Clin. Invest., 24, 388, (1945).

DISCUSSIE

Vraag: Drs. G. J. W. v. d. M e y (Utrecht) aan H u i s m a n.

Hoeveel metingen zijn verricht van de arteriële druk en waarom zijn geen standaard-
deviaties der gemiddelden opgegeven ?

Antwoord:

De in de tabel vermelde gemiddelde waarden voor de systolische en diastolische ar-
teriële druk zijn een gemiddelde van zes bepalingen gedurende een periode van ca.
twee uren, te beginnen 1 /s uur na toediening der narcose. De schommelingen in de
arteriële bloeddruk waren dermate gering, dat de opgegeven waarden een goede
indruk geven van de gedurende het experiment bestaande arteriële druk. Ter vereen-
voudiging van dc tabel zijn daarom geen standaarddeviaties opgegeven.

Vraag: Drs. G. J. W. v. d. M e y (Utrecht) aan Huisman.

Bepaalde IV waarden zijn door U niet opgegeven omdat ze tc hoog zijn. U doet dan
een arbitraire beslissing. Is dit wel juist?

Antwoord:

De niet vermelde zeer hoge IV waarden waren het gevolg van een storing in het
verloop van het experiment en als zodanig niet bruikbaar bij de berekening van het
hartminuutvolume.

Vraag: Prof. Dr. C. R o m ij n (Utrecht) aan Huisman cn Kraan.

Kan een vergelijkin.g tussen de Fick-methode en b.v. de IV-methode een indruk
geven over het „extra-rcnale verlies" aan hippuraat?

Antwoord:

Als de moeilijkheden bij de IV-methode kunnen worden opgelost, dan zullen de
zuurstof- en IV\'-methode dezelfde waarde moeten opleveren. In dat geval zal een
vergelijking van de aldus verkregen resultaten met die van de UV-methode inder-
daad een juiste indruk geven van het „extra-rcnale verlies".

Problemen van het voeden en houden van melkkoeien.

In Latijns Amerika is dc gemiddelde melkproduktie per koe laag ten gevolge van
onvoldoende verzorging en ongunstige klimaatsomstandigheden. De streken waar een
intensieve veeteelt met goede resultaten wordt bedreven, zijn gewoonlijk die met
een gematigd klimaat vanwege hun hoogte, nabijheid van de zee, koele luchtstroom
of breedtegraad.

Gewezen wordt op de moeilijke problemen van de voedselproduktie en verzorging in
de warme en tamelijk warme luchtstreken, zoals: warmtcresistentic, fokken, voeden
en „management". Gezegd wordt dat het ruwvezelpercentage van tropische grassen
niet veel hoger is dan dat van vele soorten in de gematigde zónes; de verteerbaarheid
is echter lager. Een hoogproducerende koe wordt meer door een dieet met een laag
eiwitgehalte beïnvloed dan de laagproducerende.

Tropical Abstracts, 18, 417, (1963).

-ocr page 753-

Enkele aspecten van de stofwisseling bij
pluimvee.

Some aspects of the metabolism in poultry.

door C. ROMIJN1) en W. LOKHORST2)

Uit het Laboratorium voor Veterinaire Fysiologie van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

Inleiding.

Het is een opmerkelijk feit dat in het kader van de preventieve Dier-
geneeskimde de belangstelling van veterinaire zijde voor vraagstukken die
samenhangen met de huisvesting van onze landbouwhuisdieren enorm
is toegenomen. Vooral de huisvesting van rund, varken en pluimvee is
een object van intensievere studie geworden, waarbij in het bijzonder de
invloed van klimaatsfactoren op de produktie en de warmteregulatie
werd onderzocht. Met betrekking tot het pluimvee dient o.a. het werk
van Osbaldiston en Sainsbury (1963) alsmede dat van
Sainsbury (1963) en van B o r c h e r t (1961) te worden vermeld, die
evenals vele andere auteurs grote aandacht hebben besteed aan de eisen
die aan pluimvechokken dienen te worden gesteld in verband met ven-
tilatie, temperatuurregeling en dergelijke. Alle onderzoekers zijn het er
evenwel over eens dat veel te weinig onderzoek is verricht naar de funda-
mentele fysiologische mechanismen, in het bijzonder de respiratoire stof-
wisseling bij de diverse dieren, om met vrucht het meer op de praktijk
gerichte onderzoek te kunnen opbouwen.

Terwijl de oudere literatuur op dit gebied voor een belangrijk deel is
samengevat dcwr Brody (1945) in diens standaardwerk „Bioenergetics
and Growth" is de nieuwere ontwikkeling in onze kennis van de respira-
toire stofwisseling bij de huisdieren uitstekend te overzien aan de hand
van de E.A.A.P.3) publikaties nr. 8 en nr. 10, zijnde de bijdragen aan
de beide Symposia over „Energy Metabolism" die in 1958 te Kopenhagen
en in 1961 te Wageningen zijn georganiseerd.

Eigen onderzoek.

Met betrekking tot het stofwisselingsondcrzoek bij pluimvee moge ver-
wezen worden naar de publikaties van R o m ij n (1950) en van R o m ij n
en Lokhorst (1961a), waarin onderzoek naar invloed van de leeftijd,
het geslacht en diverse idtwendige factoren is beschreven en de methodiek
voor het bepalen van de respiratoire stofwisseling van kippen, op langere
termijn, belangrijk werd verbeterd. Aangezien bovenvermeld onderzoek
voornamelijk werd verricht met vastende dieren, teneinde bij de be-
studering van de klimaatsinvloeden geen hinder te ondervinden van de
specifiek dynamische werking van het voedsel, kon een goed beeld wor-

1  Prof. Dr. C. Romijn, Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Alexander
Numankade 93, Utrecht.

2  Mej. W. Lokhorst, laboratoriumassistente A aan het Laboratorium voor Vete-
rinaire Fysiologie van de Faculteit der Diergeneeskunde, Alexander Numan-
kade 93, Utrecht.

3  European Association for .Animal Production.

-ocr page 754-

den verkregen van de karakteristieke liongerstofwisseling bij de kip.
Het meest merkwaardige feit was iiet optreden van een extreem laag
Respiratoir Quotient (R.Q.) na enkele dagen vasten, dat zich verder
gedurende de gehele vastenperiode wist te handhaven en snel in grootte
toenam na de toediening van voedsel. Ofschoon in de bctrelfende publi-
katie (Romijn, 1950) reeds op dit lage R.Q. werd geattendeerd, werd
geen verder onderzoek verricht naar de oorzaken van het optreden ervan.
In een recente publikatie van R o m ij n en Lokhorst (1961 b) wordt
nader op de mogelijke oorzaken van het lage vasten-R.Q. ingegaan, als-
mede de literatuur besproken waarin gegevens over dit verschijnsel zijn
te vinden.

Gedurende de laatste 2 jaren werd door ons aanvullend onderzoek op
dit gebied verricht en samengevat in deze publikatie.

Materiaal en Methodiek.

Voor het stofwisselingsonderzoek werd gebruik gemaakt van volwassen
dieren, zowel hanen als hennen, voornamelijk zuivere Noord-Hollandse
Blauwen, een enkele maal van de z.g. Noord Hollandse Witten, terwijl
enkele proeven met eenden zijn genomen en wel met Peking- en Kaapse
eenden.

De voeding van de dieren bestond uit het z.g. Pro\\icobbs, een volledig
korrelvoeder voor fokdieren van zware rassen. Productive energy 1903
Kcal/kg, ruw eiwit 17.0%, droge stof 89%, en fysische caloriewaardc
4,350 kcal/gram droge stof. Water kon ad libitum worden ojjgenomen.
De voederopname bedroeg in de regel 140-150 gram korrelvoeder per dag.
Nadere details zijn in de publikatie van R o m ij n en L o k h o r s t (1961a)
te vinden, alsmede een uitvoerige beschrijving van de gebruikte rcs-
])iratiekamer en apparatuur voor de continue registratie van de rcsi)ira-
toire stofwisseling. De bijdrage van de eiwitomzetting aan de totale stof-
wisseling werd berekend liit de hoeveelheid lu-incstikstof die per 24 uien
door de dieren in de gemengde excreta werden uitgescheiden en die
kwantitatief volgens de methode van Ekman (1948) werd be]3aald.
De respiratiekamer, die tevens als klimaatkamer fungeerde — daar dc
tempcratuiH- en de vochtigheid op een gewenst niveau kunnen worden
ingesteld - heeft een inwendig volume van circa 300 liter, en werd
bij elke jjrocfrccks slechts door één dier bezet. l)c ventilatie werd oj)
een zodanige grootte ingesteld dat de CO.^-overmaat, c.tj. het Os-deficit
van de uittredende lucht circa 0.5 procent bedroeg. Dc samenstelling van
deze respiradelucht werd continu gemeten met behuljj van onze diafero-
meter, waarvan de „D.C. output" na versterking in een Pyc microvolt-
meter op een millivoltrecorder werd geregistreerd. De ijking van het in-
strument geschiedde met behidp van een gasmengsel van bekende samen-
stelling (Haldane analyse) waarbij de gevoeligheid van de registratie-
apparatuur zodanig werd ingesteld dat 0.01% CO^, resp. 0.01% Oo
corresponderen met 1 schaaldeel van het registratiepapier. Op deze wijze
is tijdens de registratie snel een indruk te krijgen omtrent de grootte van
de gaswisseling en de waarde van het R.Q.

.Alvorens een proefdier in de respiratiekamer te brengen werd dit enige tijd
(± 1 week) op een gewone batterij geplaatst en werd de voederopname
bepaald teneinde tijdens de eigenlijke proef dezelfde condities te kunnen

-ocr page 755-

realiseren. Nadat het dier in de stofwisselingskamer was overgebracht
werd de temperatuur hierin constant gehouden, in de meeste gevallen
op 10°C, elke morgen om 9 uur werd het proefdier gewogen en werd door
terugwegen de voederopname en wateropname gedurende het afgelopen
etmaal berekend. Door het automatisch inschakelen van een kunstver-
lichting (100 Watt) kon de daglengte ingesteld worden van 7 uur \'s
morgens tot 7 uur \'s avonds. De respiratiekamer werd dus slechts éénmaal
per etmaal geopend, waarbij te\\ ens de excreta van het verstreken etmaal
werden verzameld voor eventuele weging, drooggewichtsbepaling en ana-
lyse van urinestikstof of (en) andere bestanddelen.

Nadat het dier enkele dagen (meestal 3 tot 4 dagen) aan de condities van
het experiment was gewend werd met de legistraties van de stofwisseling
begonnen, waarbij dus de etmaalfluctuaties in Oj verbruik, CO^ produktie,
R.Q. konden worden berekend.

De waiTnteproduktie laat zich uit deze residtaten berekenen met behulp
van dc formule die door R o m ij n en L o k h o r s t (1961b) werd gegeven
en wel T = 3.871 O^ -h 1.194 CO. — 0.048 P; w.iarin T = warmte
in kcal., Og = O^ verbruik in liters,
CO-, = CO2 produktie in liters
en P = eiwitverbranding in grammen (6.25 x urinestikstof). Op grond
van de zeer kleine coëfficiënt \\an P kan de fornuile vereenvoudigd worden
tot:

T = 3.871 O^i 1 194 CO..

Nadat de etmaalvariatic in het metabolisme gedurende een aantal dagen
was geregistreerd, werd de dieren voedsel onthouden en een vastenperiode
van een week ingeleid. Gedurende deze periode werd de gaswisseling
wederom continu geregistreerd en werden het lichaamsgewicht evenals
de wateropname genoteerd. .A^l naar behoefte werden de excreta voor
analyse verzameld. Na afloop van de vastenperiode werd hetzelfde voeder
toegediend en alle registraties en metingen nog gedurende een „herstel-
periode" van 3 ä 4 dagen voortgezet.

Na afloop van de proef werden de dieren teruggezet in hun normaal
verblijf, ev. op de batterij en werden de geregistreerde cur\\-en van de
respiratoire stofwisseling uitgemeten. Terwille van dc overzichtelijkheid
werd iedere 2 uren de gaswisseling uitgedrukt in de grootte van hel
O2 verbruik, resp. CO2 produktie, in de daaraan voorafgaande 2 uren.
In de grafieken corresponderen dus 12 punten met een volledig etmaal.
Voor bijzonderheden, de techniek van registratie en berekening betreffen-
de, kan worden gerefereerd aan de publikaties van R o m ij n en L o k-
horst (1961a, 1961b).

Resultaten:

De resultaten welke bij 12 Noord Hollandse Blauwen, 7 Kaapse eenden
en 1 Pekingeend werden verkregen, kwamen dermate goed met elkaar
overeen dat het weinig zin heeft het volledig getallenmateriaal hier weer
te geven. Als voorbeeld zijn in tabel 1 de resultaten, verkregen bij één
der Kaapse eenden, samengevat, terwijl in tabel 2 de documentatie van
de proef met één der Noord Hollandse Blauwe hanen (nr. 84) is weer-
gegeven.

-ocr page 756-

Tabel 1.
Kaapse eend Nr. 7695
Respiratoire stofwisseling tijdens normale voeding en tijdens vasten.

t. = 10° C.

Dag Uur

O2 verbr.

CO2 prod.

R.Q.

Lich. gew. Voeder-

L/2 uren

L/2 uren

grm. opn.

grm/24 u.

1 13

3.23

2.26

0.70

1725 95

15

3.00

2.46

0.82

17

3.36

2.77

0.82

19

3.23

2.77

0.86

21

3.46

3.18

0.92

23

3.72

3.39

0.91

2 1

2.67

2,77

1.04

3

2.82

2.77

0.98

5

2.98

3.18

0.94

-7
/

3.69

3.49

0.94

9
1 1

3.21

2.57

0.80

1750 45

1 1
13

3.23

2.26

0.70

15

3.08

2.36

0.77

17

3.46

2.57

0.74

19

3.13

2.67

0.85

21

3.33

3.13

0.94

23

3.21

3.08

0.96

:•! I

2.88

2.98

1.02

3

3.23

3.03

0.94

5

3.00

2.93

0.97

7

3.84

3.43

0.89

9
1 1

3.18

2.73

0.86

1765 39

1 1
13

2.78

1.87

0.67

15

3.18

2.22

0.70

17

2.95

2.32

0.79

19

3.16

2.68

0.85

21

2.95

2.63

0.93

23

2.93

3.12

1.03

4 1

2.93

3.12

1.03

3

3.15

3.12

0.99

5

4.04

3.50

0.87

7

3.66

3.17

0.87

9

3.36

2.47

0.74

1770 vasten

13

2.91

1.72

0.59

15

3.28

2.04

0.62

17

3.31

1.97

0.60

19

3.17

1.99

0.63

21

2.74

1.67

0.61

23

3.15

1.78

0.56

-ocr page 757-

Dag Uur O2 verbr. CO2 prod.

L/2 uren Ly2 uren

R.Q. Lich. gew.

Voeder-

opn.
grm|24 u.

1
3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23
1
3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23
1

3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23
1
3
5
7
9
11
13
15

3.05
3.05
3.11
3.66
3.40

3.05
3.05
3.05
3.40
3.24
2.79
3.05
3.40
3.40

3.77
3.53

3.05
2.66
2.66
3.05

2.52
2.79

2.53
2.40
2.73
2.99
2.66

2.78
2.71
2.66
2.86
2.48
2.58
2.63
2.47
2.68
2.86
2.73

1.75
1.75
1.75
2.07
1.91

1.70
1.75
1.75
1.91
1.91
1.65
1.75
1.96
1.91
2.18
2.02

1.70
1.49
1.49
1.70

1.43
1.59
1.42
1.32
1.52
1.67
1.52

1.57
1.57
1.52
1.62
1.37
1.42

1.44
1.39
1.49
1.64
1.54

0.57
0.57
0.56
0.57
0.56

0.56
0.57
0.57
0.56
0.59
0.59
0.57
0.58
0.56
0.58
0.57

0.56
0.56
0.56
0.56
0.57
0.57
0.56
0.55
0.56
0.56
0.57

0.56
0.58
0.57
0.57
0.55
0.55
0.55
0.56
0.56
0.57
0.56

1705

vasten

1685

vasten

1650

1635

vasten

2.56

1.47

0.58

-ocr page 758-

Dag Uur 0-2 verbr. COn prod, R.Q. Lich. gew. Voeder-

L/2 uren L/2 uren gmi. opn.

grm/24 u.

17 2.85 1.66 0.58

19 3.02 1.73 0.57

21 2.82 1.60 0,57

23 2.46 1.41 0.57

9 1 2.77 1.60 0.58

3 3.02 1.73 0.57

5 3.02 1.73 0.57

7 3.02 1.73 0.57

9 3.33 1.86 0.56 1640 vasten

13 3.12 1.73 0.56

15 3.02 1.78 0.59

17 2.92 1.68 0.58

19 3.09 1.78 0.58

21 2.77 1.63 0.59

23 2.60 1.49 0.57

10 1 2.77 1.63 0.59

3 2.72 1.58 0.58

5 2.87 1.68 0.59

7 3.04 1.73 0.57

9 3.32 1.93 0.58 1605 vasten

11 — — —

13 2.59 1.48 0.57

15 2.76 1.53 0.55

17 3.03 1.73 0.57

19 3.20 1.82 0.57

21 2.98 1.68 0.56

23 2.71 1.58 0.58

1 1 1 2.59 1.53 0,59

3 3.03 1,73 0,57

5 2,91 1,68 0,58

7 2.98 1,68 0,56

9 2,40 1.97 0,58 1570 vasten

11 — — —

13 2,81 1,61 0,57

15 3.12 1,81 0,57

17 3.10 1,76 0,58

19 3.17 1.76 0,57

21 2,51 1,42 0,56

23 2.34 1.32 0.56

12 1 2.51 1.42 0.56

3 2.51 1.42 0.56

5 2,61 1.51 0.58

7 3.05 1.76 0.58

-ocr page 759-

Dag Uur Ol verbr. CO\'> prod. R.Q. Lich. gew. Voeder-
L/2 uren L/2 uren grin. opn.

grmy24 u.

9
11
13
15
17
19
21
23
1
3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23
1

3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23
1
3
5
7
9
11
13
15
17
19
21
23

3.59

2.60
2.78
3.02
3.20
2.67
2.55

2.10

1.53
1.62
1.76
1.81
1.53
1.44

0.58

0.59
0.58
0.58
0.57
0.57
0.56

1545

13

3.02

2.29
2.51
2.72
2.55

2.29
2.18
2.18
2.38
2.33
2.55

3.30

3.01
3.16
3.05
3.42
3.12
3.05
3.10
2.79
2.79
3.44
3.92

3.51
3.47
3.44
3.83
3.83
3.19

1.77

1.34
1.38
1.51
1.43
1.30
1.25
1.25

1.30
1.25

1.43
1.86

2.05

2.31
2.21
2.66
2.48
2.09
2.22
2.62
2.57
3.01
3.36

3.19

3.44
3.44
3.70
3.61
3.23

0.59

0.59
0.55
0.56
0.56
0.57
0.57
0.57
0.55
0.54
0.56
0.56

0.68
0.73
0.74
0.78
0.79
0.69
0.72
0.94
0.92
0.88
0.86

0.91
0.99
1.00
0.97
0.94
1.01

1520

vasten

14

1480

voeder

1595

120

-ocr page 760-

Dag

Uur

O2 vcrbr.

CO2 prod.

R.Q.

Lich, gew.

Voeder-

L/2 uren

L/2 uren

grm.

opn.

grm/24 u.

16

1

3.27

3.53

1.08

3

3.40

3,61

1.06

5

3.51

3.70

1.05

7

3.61

3.57

0.99

9

3.83

3,44

0.90

1620

160

11
13

3.16

2,88

0.91

15

3.75

3,59

0.96

17

3.75

3,79

1.01

19

3.97

4,07

1.03

21

3.95

3,95

1,00

23

3.14

3,59

1,14

17

1

3.14

3.59

1,14

3

2.84

3.16

1,11

5

3.06

3.04

0,99

7

3.16

2.84

0,90

9

3.46

2.65

0.77

1640

160

11
13

3.56

3.28

0.92

Teneinde op overzichtelijlie wijze een oordeel over de resultaten te kunnen
vormen is voor één der dieren, n.1. voor hen nr. 3, een grafische weergave
van de proefresultaten opgenomen, (fig. 1, pag. 1533).

Bij nadere beschouwing van de tabellen en de figuur springt allereerst
in het oog de dagelijkse variatie in stofwisselingsintensitcit, kennelijk ver-
band houdende met het moment van vocderopname. De grootte van het
zuurstofverbruik, c.q. koolzuurproduktie, bereikt vroeg in de morgen een
minimum en wel kort vóór het moment waarop de verlichting om 7 luu"
ingeschakeld wordt vóór de dagperiode van 12 uren. Voor hen nr. 3
(fig. 1) bedraagt het 02-verbruik des morgens om 7 uur 4.60, 4.78, 4.30
liters per 2 uren met een overeenkomende C02-produktie van 2.85, 2.97
en 2.95 liters per 2 uren op de morgens, voorafgaande aan de vasten-
periode.

Na het aanflitsen van de dagverlichting treedt een stijging op van dc
stofwisseling, ofschoon eerst om 9 uur een voedering plaats heeft. Ten-
gevolge van deze voederverstrekking stijgt het metabolisme snel en bereikt
een maximale waarde in het begin van de namiddag als gevolg van dc
specifiek dynamische werking van het voeder. Als maxima werden op de
betreffende dagen 6.93, 6.66 Uters O2 per 2 uren verbruikt en 5.31, 5.56
liters CO2 geproduceerd. De respiratoire quotiënten om 7 uur des morgens
bedroegen 0.62, 0.62 en 0.69, terwijl deze bij de maxima van de stofwisse-
ling, in het begin van de middag, op 0.77 en 0.83 konden worden berekend.

-ocr page 761-

Tabel 2
N. Holl. Blauwe Haan.
Respiratoire stofwisseling tijdens normale voeding en tijdens vasten.

t. = 25° C.

Dag

Uur

O2 verbr,
L/2 u.

CO2 procl.
L/2 u.

R.Q.

Lich. gew. Voeder- Water-
grm. opn. opn.

grm/24 u. grni/24 u.

1

12

5.61

4.94

0.88

3693 130 482

14

5.00

4.33

0.87

16

5.36

4.57

0.85

18

5.61

5.06

0.90

20

4.27

3.66

0.86

22

3.78

3.47

0.92

24

4.39

3.90

0.89

2

2

4.39

3.90

0.89

4

4.21

3.78

0.90

6

5.79

5.12

0.88

8

5.12

4.45

0.87

10

4.21

3.78

0.90

3678 140 209

12

5.97

4.51

0.76

14

4.82

4.39

0.91

16

4.88

4.14

0.85

18

5.36

4.82

0.90

20

4.88

4.02

0.83

22

4.08

3.41

0.84

24

4.51

3.90

0.86

3

2

4.33

3.73

0.86

4

4.33

3.73

0.86

6

5.53

4.87

0.88

8

4.33

3.85

0.89

10

4.33

3.37

0.78

3683 140 211

12

5.71

4.09

0.72

14

5.89

4.69

0.80

16

5.11

4.51

0.88

18

5.41

4.87

0.90

20

4.63

4.21

0.91

22

4.21

3.61

0.86

24

4.21

3.85

0.91

4

2

4.08

3.73

0.91

4

4.20

3.38

0.81

6

5.48

4.43

0.81

8

5.19

4.26

0.82

10

5.25

4.37

0.83

3738 140 197

12

4.90

4.14

0.85

14

5.36

4.61

0.86

16

4.20

4.43

1.06

18

4.78

5.01

1.05

20

4.43

4.20

0.95

22

4.20

4.08

0.97

-ocr page 762-

Dag

Uur

O-i verbr.
L/2 u.

COa prod.
L/2 u.

R.Q.

Lieh. gew. Voeder- Water-
grm. opn. opn.

grm/24 u. gmV24 u.

24

4.78

4.31

0.90

5

2

4.78

4.20

0.88

4

4.12

3.41

0.83

6

5.64

4.94

0.88

8

4.35

3.29

0.76

10

3.82

3.00

0.78

3721 140 268

12

4.70

2.94

0.63

14

4.88

2.82

0.58

16

5.00

2.88

0.58

18

4.41

2.59

0.59

20

3.76

2.18

0.58

22

3.41

2.00

0.59

24

3.65

2.18

0.60

6

2

3.47

2.04

0.59

4

3.59

2.10

0.58

6

4.61

2.76

0.60

8

3.89

2.34

0.60

10

4.31

2.64

0.61

3628 vasten ?

12

3.41

1.98

0.58

14

4.07

2.34

0.57

16

3.71

2.04

0.55

18

3.59

2.10

0.58

20

3.17

1.68

0.53

22

3.53

1.98

0.56

24

3.17

1.68

0.53

7

2

3.32

1.96

0.59

4

3.81

2.15

0.56

6

4.67

2.70

0.58

8

4.11

2.27

0.55

10

4.11

2.27

0.55

3568 vasten 81

12

3.38

1.84

0.55

14

3.50

1.90

0.54

16

3 81

2.15

0.56

18

3.87

2.03

0.53

20

3.32

1.96

0.59

22

2.58

1.54

0.60

24

3.07

1.84

0.60

8

2

3.11

1.74

0.56

4

2.92

1.62

0.55

6

4.23

2.42

0.57

8

3.54

2.05

0.58

10

3.54

2.05

0.58

3528 vasten 39

12

3.11

1.86

0.60

14

4.10

2.30

0.56

16

3.42

1.86

0.55

18

3.73

1.93

0.52

-ocr page 763-

Dag

Uur

0\'2 verbr.

CO2 prod.

R.Q.

Lich. gew. Voeder-

Water-

L/2 u.

L/2 u.

grm. opn.

gnn/24 u.

opn.
gnny24 u.

20

3.23

1.86

0.58

22

2.61

1.55

0.60

24

2.61

1.55

0.60

9

2

2.99

1.78

0.60

4

2.99

1.65

0.55

6

4.07

2.35

0.58

8

2.99

1.78

0.60

10

3.24

2.03

0.63

3473 vasten

38

12

3.50

1.91

0.55

14

3.18

1.78

0.56

16

2.99

1.65

0.55

18

3.50

1.91

0.55

20

3.18

1.78

0.56

22

3.18

1.78

0.56

24

2.99

1.65

0.55

10

2

2.96

1.76

0.60

4

2.96

1.76

0.60

6

4.28

2.45

0.57

8

3.40

2.01

0.59

10

3.59

1.95

0.54

3428 vasten

39

12

2.77

1.64

0.59

14

3.59

2.08

0.58

16

2.83

1.51

0.53

18

3.15

1.89

0.60

20

2.96

1.76

0.60

22

2.45

1.45

0.59

24

2.45

1.45

0.59

II

2

2.97

1.64

0.55

4

2.84

1.52

0.53

6

3.29

2.02

0.62

8

2.78

1.64

0.59

10

2.97

1.64

0.55

3413 vasten

71

12

2.84

1.52

0.53

14

2.97

1.64

0.55

16

2.78

1.64

0.59

18

3.16

1.77

0.56

20

2.46

1.45

0.59

22

3.16

1.77

0.56

24

3.41

1.90

0.56

12

2

3.38

2.00

0.59

4

3.38

2.00

0.59

6

3.38

1.88

0.56

8

2.94

1.75

0.60

10

3.06

1.88

0.61

3343 vasten

?

12

3.56

2.06

0.58

14

3.31

1.75

0.53

-ocr page 764-

Dag

Uur

O2 verbr.

CO2 prod.

R.Q.

L/2 u.

L/2 u.

16

3.25

1.81

0.56

18

2.69

1.50

0.56

20

2.81

1.63

0.58

22

3.13

1.75

0.56

24

2.69

1.50

0.56

13

2

3.06

1.75

0.57

4

3.19

1.91

0.60

6

3.83

2.23

0.58

8

4.08

2.30

0.56

10

3.44

2.04

0.59

12

4.27

2.55

0.60

14

3.06

2.17

0.71

16

3.57

2.55

0.71

18

2.55

2.49

0.98

20

2.42

2.23

0.92

22

24

14

2

4

6

3.83

3.77

0.98

8

10

4.09

3.64

0.89

12

4.60

3.70

0.81

14

4.47

3.70

0.83

16

4.21

3.64

0.86

18

4.47

3.83

0.86

20

4.15

3.51

0.85

22

3.64

3.26

0.89

24

4.47

3.83

0.86

15

2

4.09

3.38

0.83

4

4.47

3.83

0.86

6

5.35

4.52

0.85

8

5.10

4.33

0.85

10

5.22

4.52

0.85

12

5.10

4.46

0.88

14

5.41

4.97

0.92

16

5.29

4.90

0.93

18

5.29

4.90

0.93

20

5.03

4.46

0.89

22

4.14

3.76

0.91

24

4.97

4.33

0.87

16

2

4.99

4.59

0.91

4

4.74

4.29

0.91

6

5.49

4.48

0.82

8

4.48

3.16

0.70

Lich. gew. Voeder- Water-
grm. opn. opn.

grm|24 u. gmV24 u.

162

voeder

3318

248

12Ü

3488

339

3578

140

294

140

3588

-ocr page 765-

N. HOLL. BL. HEN, 3.3K.G. t=15 C. REL.VOCHT= 84%

CTC

c

SS

1

1.0

0.6

einde
~ vasten

r 10
0.9
08
0.7
0.6
0.5

r300

R.Q.

_____•__________«

Water opname

lich.gew
eg)

3300
3200
3100
3000
2900

6
D

I

(-n
oo
oo

12 dagen

-ocr page 766-

Er is dus in de loop van een üjdsperiode van circa 5 uren een toename
in stofwisselingsintensiteit met 56 en 51.5% van de laagste waarde die
gedurende een etmaal kon worden vastgesteld (des morgens om 7 uur).
Deze berekening is gebaseerd op de warmteproduktie die uit bovenstaande
gegevens kan worden berekend met behulp van de reeds vermelde formule.
Interessant is verder het feit, dat het R.Q. reeds 22 uren na de laatste
voederverstrekking gedaald is tot een waarde, vèr beneden die van het
R.Q. voor zuiver vetverbranding (0.71), terwijl op het moment dat de
warmteproduktie zijn maximale waarden bereikt het R.Q. een getallen-
waarde heeft die karakteristiek is voor een ..gemengde" verbranding. Blijk-
baar is dus bij de kip snel het moment bereikt waarop de vetverbranding
domineert en eventuele nevenprocessen gaan optreden, een situatie die
bij zoogdieren eerst na langere tijd vasten v/ordt gerealiseerd. De bijzonder
lage waarde voor het R.Q. zal aanstonds nader worden besproken.
Bovenstaande situatie is karakteristiek voor die dieren welke dus éénmaal
per etmaal worden gevoederd en hun rantsoen in korte tijd opnemen, in
de regel binnen 1 tot 2 uren na toediening. Met het intreden van de
vastenperiode daalt de stofwisselingsintensiteit verder, zodat 2 etmalen
na de laatste voedertoediening een zuurstofverbruik van 3.43 1/2 uren
en een COg-produktie van 1.94 1/2 uren kon worden geregistreerd. Vanaf
dit moment wordt in feite een niveau van „basaalmetabolisme" bereikt,
daar op de daaropvolgende dagen om 7 uur des morgens de stofwisselings-
intensiteit vrijwel niet meer verminderd is, n.1. een 02-verbruik van resp.
3.45, 3.40 enz. kon worden geregistreerd en een COj-produktie van 2.02
en 1.70 1/2 uren.

Bij het vastende dier blijkt het metabolisme eveneens toe te nemen ten-
gevolge van het intreden van de dagperiode, doch de toename blijft,
wegens het achterwege blijven van voeder, zeer beperkt en wel een
toename in 02-opname van 3.43 tot 3.89 1/2 uren gedurende het derde
etmaal, volgend op de laatste voederverstrekking. In de daaropvolgende
etmalen bedraagt deze toename van 3.45 tot 4.16 en van 3.40 tot 3.46,
hetgeen slechts een toename van 14.0, 18.4 en 3.4% van de etmaalminima
representeert. Kennelijk zijn deze dagstijgingen een gevolg van bewegings-
activiteit enz., die onder normale omstandigheden in sterke mate over-
vleugeld worden door de voederopname.

Het R.Q. bereikt gedurende de vastenperiode bijzonder lage waarden en
wel des morgens om 7 uur op de resp. etmalen na de laatste voedering
waarden van 0.69, 0.57, 0.59, om daarna opvallend constant te blijven,
waarbij een enkele maal een extreem lage waarde van 0.52 kon worden
berekend. Vermeldenswaard is de omstandigheid dat de dagelijkse, zij
het geringe toename in stofwsselingsintensiteit
niet gepaard gaat met een
verandering van het R.Q., zoals bij het dier onder condities van normale
voedering wel het geval is. Tijdens de vastenperiode is de absolute grootte
van het metabolisme uiteraard belangrijk lager dan in de toestand van
voedering wèl het geval is. Tijdens de vastenperiode is de\' absolute grootte
lichaamsgewicht bedraagt de warmteproduktie bij hen nr. 3 bij een tempe-
ratuur van 10° C 94.8 Kcal per etmaal onder bovengenoemde voeder-
condities; gedurende de vastenperiode (basaalstofwisseling) is deze ge-
daald tot 59.9 Kcal per 1 kg lichaamsgewicht per dag bij dezelfde
omgevingstemperatuur, d.w.z. een daling van 36.8%.

-ocr page 767-

Een der meest opvallende verschijnselen tijdens de vastenperiode is de
lage waarde van het Respiratoir Quotient, en wel uit hoofde van het
feit dat dit R.Q. zijn lage waarde blijft behouden gedurende de gehele
vastenperiode tot het moment waarop wederom voeder werd verstrekt,
waarna niet alleen de warmteproduktie in korte tijd tot de prebasale
waarde stijgt, doch het R.Q. daarbij enige tijd zelfs tot boven de waarde
voor zuiver koolhydraatverbranding toeneemt en een grootheidsorde van
1.24 bereikt, om na 3 etmalen weer af te nemen tot de normale dag-
fluctuaties, karakteristiek voor de toestand van éénmalige voedering per
dag.

Een gedetailleerd onderzoek werd verricht naar de mogelijke oorzaken
\\an het lage R.Q. bij kippen en eenden onder basale \\oorwaarden.
Dat gedurende een periode van vasten of hongeren de reservevetten de
voornaamste energiebron vormen blijkt voldoende uit de omstandigheid
dat deze vetdepots belangrijk in omvang afnemen, hetgeen uit onder-
zoek bij geslachte dieren onomstotelijk kwam vast te staan. Indien de
dieren hun energie uit zuiver vetverbranding zouden betrekken kan het
R.Q. volgens Carpenter (1948) niet lager worden dan 0.71. Daar
dc gegevens van genoemde auteiu\' op de vetreserves van zoogdieren be-
trekking hebben was het gewenst de depotvetten van de kip aan een
nadere analyse te onderwerpen. Bij elementairanalyse van het betreffende
vet bleek de samenstelling te zijn: 77.17% C, 11.96% H en 11.14% O,
hetgeen bij volledige verbranding een R.Q. van 0.709 oplevert, dus in
voortreffelijke overeenstemming is met de door Carpenter vermelde
waarde voor reservevetten van zoogdieren.

Bij onderzoek naar de fysische caloriewaarde met behulp van de bom-
calorimeter bleek deze voor kippevet te zijn 9.321, terwijl het Jood-
additiegetal op 84.3 kon worden vastgesteld en het verzepingsgetal op
191 mg KOH per 1 gram vet.

Een R.Q. van 0.57, hetwelk tijdens de basaalslofwisseling vrijwel constant
wordt gehandhaafd, duidt dus op het bestaan van intermediaire stof-
wisselingsprocessen die naast de oxydatieve vetafbraak plaats grijpen.
In de literatuur vindt men eveneens dit laag R.Q. voor vastende vogels
meermalen vermeld. Reeds in 1897 beschrijft Bardier een onderzoek,
verricht met ganzen, waarbij het R.Q. in vastende toestand tot 0.52 en
0.53 daalde, ofschoon Benedict en Lee (1937) van mening zijn dat
respiratoire quotiënten bij ganzen indien zij belangrijk van 0.70 afwijken

op methodieke fouten moeten berusten.
Bij vastende kippen vermeldt Gerhartz (1914) een R.Q. dat tot 0.59
kan dalen; hij maakte gebruik van de respirometer volgens R e g n a u 1 t
en R e i s e t. Deze auteur kan ook geen afdoende verklaring voor het
verschijnsel geven, ofschoon hij aan de mogelijkheid van vorming van
oxyboterzuur denkt bij een R.Q. dat veel lager ligt dan dat voor vet-
verbranding. Een synthese van glycogeen uit vet acht hij alleen dan waar-
schijnlijk als het R.Q. weinig lager dan 0.71 ligt.

Dukes (1937) schrijft lage waarden voor het R.Q. bij vastende
Plymouth Rocks toe aan onnauwkeurigheden in de techniek van stof-
wisselingsondcrzoek en elimineert de betreffende uitkomsten uit zijn proef-
resultaten.

Henry, Magee en Reid (1934) verrichtten onderzoek aan 2 vastende

-ocr page 768-

R.I.R. hennen en vennelden een R.Q. van 0.68 met een minimale waarde
van 0.64. Op grond van het feit dat de auteurs geen ketolichamen konden
aantonen concluderen zij dat er geen kwestie van een abnormale vct-
verbranding kan zijn, doch dat de bijzondere wijze van oxydatieve eiwit-
afbraak bij vogels — met urinezuur als excretieprodukt — hiervoor verant-
woordelijk moet zijn.

Een laag R.Q. bij vastende gestreepte Plymouth Rocks wordt vermeld
door Mellen en Hill {1955) en deze auteurs achten de vorming van
ketonlichamen hiervoor zonder meer verantwoordelijk, ofschoon zij geen
enkel experiment beschrijven ter staving van hun opinie.
Bij duiven zijn door Smith en Riddle (1944) onderzoekingen ver-
richt met vastende dieren, waarbij eveneens waarden voor het R.Q. van
0.68 - 0.63 werden gevonden, vergezeld van een „moderate acetonemia".
Ook deze auteurs verzuimen te vermelden wat zij onder een „matige
acetonaemie" verstaan.

Bij onderzoek in ons laboratorium met Noord-Hollandse Blauwen vond
Rom ij n (1950) bij dieren die 6 etmalen hadden gevast een R.Q. van
0.64, waarbij 2 uren na vcxïdselopname een stijging tot 0.85 kon worden
geconstateerd.

komijn en Lokhorst (1961a) vonden bij Noord-Hollandse Witten
na 2 etmalen vasten een R.Q. van 0.69 en na 4 etmalen vasten een R.Q.
van 0.64. Het probleem van een laag R.Q. bij zoogdieren onder overeen-
komende omstandigheden is uitvoerig beschreven door Soskin (1941).
Terwijl dus aan de realiteit van een laag R.Q. bij vastende vogels niet
behoeft te worden getwijfeld, lo])en de meningen over de oorzaken ervan
uitermate uiteen.

Methodische onnauwkeurigheden, zoals door D u k e s en Benedict en
Lee ondersteld, kunnen buiten beschouwing blijven, gezien de perfectione-
ring in het moderne stofwisselingsonderzock.

Met betrekking tot de opinie van Henry, Magee en Reid (1934),
volgens welke auteurs de specifieke eiwitafbraak een verklaring zou kun-
nen zijn, kan het volgende worden opgemerkt.

Volgens King (1957) bedraagt het R.Q. bij vogels in geval van zuiver
eiwitverbranding 0.735, terwijl dit voor vetverbranding 0.709 bedraagt.
Indien dus bij vastende dieren uitsluitend vetten en eiwitten als energie-
bron fimgeren zal het R.Q. een waarde bezitten van ongeveer 0.72 en
nooit beneden 0.709 kunnen dalen. Bovendien blijkt uit berekening dat
oxydatieve afbraak van alanine, leucine en andere aminozuren tot CO2,
H2O en urinezuur steeds een R.Q. oplevert van 0.67, terwijl in onze
proeven een R.Q. van 0.57 regel is bij vastende dieren en dit zelden
boven de 0.60 stijgt. Overigens bleek uit ons onderzoek dat de bijdrage
die eiwitten leveren aan de totale energieproduktie tijdens vasten gering
is, hetgeen uit bijgaande tabel moge blijken (tabel 3).
Uit nevenstaande tabel 3 komt duidelijk naar voren dat tijdens vasten niet
alleen de totale warmteproduktie vermindert, doch tevens de bijdrage die
de eiwitten hierin leveren, hetgeen niet verwonderlijk is uit een oogpunt
van stikstofbalans.

De geringe stikstofuitscheiding tijdens vasten is dus mede in tegenspraak
tot de onderstelling van H e n r y, M a g e e en R e i d, zodat de oxydadeve
eiwitafbraak beslist geen oorzaak voor het lage R.Q. kan zijn. De moge-
lijkheid voor het optreden van ketonlichamen tijdens vasten is door

-ocr page 769-

Tabel 3.

pAivitbijdrage aan de totale warmte produktie bij vastend pluimvee.

Ol
oo

Dier

Lieh. gew.
kg.

Conditie

Warmteprod.
(kcal./24 uren)

R.Q.

Eiwitverbr.
kcal.

Eiwitbijdrage in
totale stofwisseling

N.-Holl. Witte cf

3.5

norm, voeding

270.34

0.82

35.91

13.3%

»

3.5

na 2 dagen vasten

200.63

0.69

3.63

7.6%

N.-Holl. BI. cT

3.6

norm. voeding

284.50

0.89

75.40

26.5%

>}

3.6

na 3 dagen vasten

176.10

0.58

15.50

8.8%

N.-Holl. BI. (-f

3.7

norm. voeding

308.91

0.84

135.2

43.8%

JJ

3.7

na 2 dagen vasten

224.97

0.57

17.6

7.8%

N.-Holl. BI. cf

4.0

na 2 dagen vasten

182.36

0.68

14.23

7.8%

Pekingeend

3.0

na 5 etm. vasten

233.50

0.58

18.9

8.1%

Kaapse eend

1.7

na 5 etm. vasten

152.48

0.56

6.3

4.1%

-ocr page 770-

meerdere auteurs vermeld; vaak evenwel zonder hiernaar een experimen-
teel onderzoek in te stellen (Mei len en H i 11, 1955 en Smith en
R i d d 1 e, 1944), of althans de resultaten hiervan te vermelden.

Een optreden van ketonlichamen in het bloed van vastende eenden wordt
door Mirsky e.a. (1941/\'42) beschreven en gestaafd door getallen-
materiaal. Mede op grond van deze gegevens werd door ons een nader
onderzoek ingesteld naar het voorkomen van ketonlichamen in het bloed
van normaal gevoederde kippen en bij dieren die enige dagen hebben
gevast. Door ons werd hiei-voor de methode van Reid (1960) gebruikt,
die bij vogelbloed uitstekend uitvoerbaar bleek en onder de nodige voor-
zorgen reproduceerbare waarden oplevert. Tevens werd bij een aantal
dieren de alkalireserve van het bloed bepaald met behulp van het „con-
stant volume" apparaat volgens van Slyke, waarbij met beludp van de
hematocrietwaarde het COo-gehalte van het „true plasma" kon worden
berekend, nadat het „whole blood" gesatureerd was met lucht, waarin de
pCO^ 40 mm Hg bedroeg. De resultaten van de alkalireserv\'cbepalingen
zijn in tabel 4 samengevat.

Tabel 4.

Alkalireserve in het „true plasma" van N.-Holl. Blauwen in nonnale
voedingstoestand en tijdens vasten.

Dieren in normale vocdingstoestand Dieren tijdens vasten

60.95 50.66

56.60 50.96

48.39 45.64

57.93 50.00

62.69 57.51

53.13 55.03

60.93 52.69

53.28- 54.91

56.27 53.10

47.27 57.75
52.19 62.97

56.28 43.77
53.06 43.63
46.32 57.13

54.29 54.25
54.24 48.58

.gemiddeld 53.98 ± 4.26 52.41 ± 5.35

Bij wisktmdige bewerking van de betreffende uitkomsten bleek dat er
geen significant verschil bestaat tussen de alkalireserve in het bloed van
normale- en in dat van vastende dieren (A = 0.92). Er kan dus niet
van een verzuring van het plasma worden gesproken en een noemens-
waarde vorming van ketozuren is op grond hiervan reeds onwaarschijnlijk.
Bij de directe bepaling van de ketonlichamen kon afzonderlijk worden be-
paald het ;8-hydroxyboterzuur enerzijds en het acetylazijnzuur met aceton
anderzijds. In tabel 5 zijn de concentraties van de betreffende stoffen
in het bloed van normale- en \\an vastende kippen weergegeven.

-ocr page 771-

Tabel 5.

Ketonlichamen in het bloed van normale en vastende dieren.
Normale dieren Vastende dieren

aceton

/3-hydroxy-

aceton

/3-hydroxy-

acetylazijnzuur

boterzuur

acetylazijnzuur

boterzuur

0.9 mg%

0.5 mg%

0,6 mg%

0.6 mg%

1.3 „

0.7 „

2.0 „

1.2 „

1.9 „

0.8 „

1,3 „

1,2

1.9

0.8 „

1,2

1.6 „

1.3

0.7 „

1.9 „

0,8 „

1.2 „

0,8

1,0 „

0.6 „

0.8 „

0,4 „

2,4 „

1.2 „

0.7

0,6 „

2,4 „

0.6 „

1.5 „

0.7

1,4

0.6 „

1.7 „

1,0 „

1,7

0.6 „

0.8 „

0,5 „

2,4

1.6 „

2.2 „

1,2

2.6 „

1,0 „

1.6 „

0,7 „

2,2

2,8 „

1.0 „

0,7 „

2,0

1.4 „

1.2

0.8 „

2.0 „

0.8 „

1.3

0.6

1.0 „

0,8 „

0.6 „

3,2

3.0 „

1.2 „

0.6 „

2.0 „

1.4 „

2.0 „

0.8 „

g-em.1.3 ± 0.56

0.7 ± 0.055

1.9 ± 0.66

1.2 ± 0.74

A aceton acetylazijnzuur = 2.97
A /?-hydroxyboterzuur = 2.78

Uit bovenstaande tabel blijkt weliswaar cen significante toename van
ketonlichamen in het bloecl bij vastende dieren, doch de absolute con-
centraties zijn nog dermate laag dat niet van een ketonemie kan worden
gesproken.

Op grond van bovenstaande, experimentele gegevens wekt het verwonde-
ring dat Mirsky e.a. (1941 \'42) zulk een sterke toename van de keton-
lichamen in het bloed van vastende eenden konden aantonen en wel een
toename van enkele mg% tot niet minder dan circa 45 mg%, zodat van
een duidelijke ketonemie moet worden gesproken.

Teneinde groter zekerheid te verkrijgen werd door ons bij een aantal
eenden n.1. bij een Peking eend en een zevental Kaapse eenden het
bloed op ketonlichamen onderzocht, zowel onder condities van normale
voeding als in vastende toestand. De verkregen resultaten kwamen evenwel
volkomen overeen met die welke bij kippen werden verkregen, zodat
aangenomen moet worden dat soortspecifieke verschillen in de vetstof-
wisseling voor deze controverse verantwoordelijk zijn. Mirsky werkte met
„White domestic ducks" van 4-5 Lbs.

De geringe concentraties aan ketonlichamen geven een verklaring voor
het feit dat de alkalireserve bij vastende dieren niet significant verschilt

-ocr page 772-

van die bij noimale dieren, immers een concentratie van 2 mg% /3-hydroxy-
boterzuur of acetylazijnzuur is in staat slechts 0.02 mMol NaHCOg te
binden, terwijl de totale concentratie NaHC03 in het circulerende plasma
bij de kip op circa 4 mMol kan worden berekend (uit de alkalireserve!).
Teneinde zekerheid te verkrijgen omtrent een mogelijke snelle uitscheiding
\\ an ketonlichamen door de nier werden de gemengde excreta van vasten-
de dieren op ketonlichamen onderzocht. De resultaten zijn in onderstaande
tabel 6 verzameld.

Tabel 6.

Ketonlichamen in de verse excreta van normaal gevoederde en vastende
N.-Holl. Blauwen in mg^/o.

Normale dieren Vastende dieren

aceton

/?-hydroxy-

aceton 4-

/?-hydroxy-

acctylazijnzuur

boterzuur

acctylazijnzuur

boterzuur

1.4

1.6

1.3

1.2

0.8

0.8

1.3

1.1

1.4

1.6

2.8

1.2

0.4

0.5

2.6

2.0

0.9

1.2

2.0

1.4

0.7

1.1

2.2

2.2

0.8

0.7

1.1

1.1

2.0

2.0

2.5

0.6

3.4

0.6

0.8

2.2

2.4

1.0

1.8

1.7

1.2

1.0

2.0

2.6

2.8

1.2

0.7

i;cm. 0.9 ± 0.4

1.1 ± 0.4

1.9 ± 0.8

1.4 ± 0.6

Uit de gegevens van tabel 6 blijkt dat ook in de excreta niet van een
ophoping van ketonlichamen kan worden gesproken.

Een andere mogelijkheid is dat alle ketonlichamen snel tot aceton worden
omgezet en via de exspiratielucht worden uitgescheiden. Tegen die
mogelijkheid pleit enerzijds de geringe concentratie \\an deze stof in het
bloed, anderzijds het feit dat wij in de exs])iratielucht geen aceton konden
aantonen.

Voor andere mogelijkheden ter verklaring van het lage vasten-R.Q. zijn
van bijzonder belang het onderzoek van H a w 1 e y, Johnson en
Muriin (1933) en in latere tijd dat van Furnass (1960), welke
auteurs wijzen op de mogelijkheid van een partiële oxydatie \\an het
depotvet bij de mens, met dien verstande, dat een deel van de op-
genomen zuurstof zich zou verbinden met waterstofatomen uit het depot-

-ocr page 773-

vet, resulterende in een desaturatie van dit vet onder verandering \\an
zijn fysische eigenschappen. Bij deze incomplete oxydatie zou dan alleen
water vrijkomen, onder sparing van de aanwezige koolstof. Volgens deze
voorstelling van zaken zal het gedeeltelijk geoxydeerde vetzuurmolccule
weer in het depotvet worden opgenomen en dus niet een aanleiding zijn
tot daling van de alkalireserve in het bloed.

Het is duidelijk dat het R.Q. reeds een aanzienlijke daling zal ondergaan
indien een betrekkelijk klein deel van de verzadigde vetzuren aan deze
bewerking wordt onderworpen, daar hierbij geen CO2 wordt geprodu-
ceerd, doch alleen water vrijkomt. Verder ligt de onderstelling voor de
hand dat vooral de verzadigde vetzuren voor deze incomplete oxydatie
in aanmerking komen.

H a w 1 e y, J O h n s O n en M u r 1 i n (1933) namen proeven bij mensen
die op een zeer vetrijk dieet waren geplaatst en waarbij de respiratoire
stofwisseling werd gemeten. Zij vermelden o.a.

„It is suggested that in the oxidation of fatty acid-chains the uptake
of o.xygen may considerably outrun for a time the production of carbon
dioxide and this account for a depression of the R.Q. A process of
desaturation which would remove hydrogen but not produce any carbon
dioxide, followed by oxidation with ]}roduction of CX)2 would fulfill
the requirements."

Furnass (1960) maakt geen melding van bovenstaande literatuurop-
gave, doch is in zijn uitspraak met betrekking tot een laag R.Q. bij de
mens dezelfde onderstelling toegedaan als eerstgenoemde auteurs. Hierbij
dient te worden opgemerkt dat dc partiële oxydatie van de vetzuurketen
niet per se behoeft te resulteren in een onverzadigd worden van dit vet-
zuur, immers de vorming van een hydroxyzuur of een ketozuur ingebouwd
in het vet is e\\\'eneens niet uitgesloten. In dit verhand is het van belang
dat in het natuurlijke vet ricinusolie het dihyclroxystearinezuur als glycerol-
estcr \\oorkomt, evenals een oxydatieprodukt van olieztun-, het z.g. licin-
oliczuur met een empirische formule van Cii^H3403, hetwelk dus even-
eens als hydroxyzuur moet worden beschouwd. Verder komt het kcto-
stearinezuur, met het zuurstofatoom aan het vijfde koolstofatoom vanal
de carboxylgroep, in sommige paddestoelen voor.

Het verschil in oxydatievorm is dus voornamelijk hierin gelegen dat in
het laatste geval de zuurstof gedeeltelijk in het vet blijft ingebouwd, terwijl
bij de vorming van onverzadigde oxyclatieprodukten dit element als water
woi\'dt afgestaan.

Teneinde de eventuele vorming van dubbele bindingen in het reservevet
nader te onderzoeken werd het Joodadditiegetal bepaald van reservevet
bij normale- en bij vastende dieren. Dc resultaten hiervan zijn in tabel 7
samengevat.

Met betrekking tot het Joodadditiegetal kan worden geconcludeerd dat
er tijdens vasten geen toename van dubbele bindingen in het depotvet
plaatsvindt (Dc waarde van A = 0.42, dus verre van significant!). Dat
hier alleszins de gelegenheid voor zou zijn moge blijken uit de procentuele
samenstelling van het reservevet, welke door middel van gaschromato-
grafie, na omzetting in de methylesters der vetzuren, werd bepaald. In
tabel 8 is een overzicht van de samenstelling \\ an het depotvet bij normaal
gevoederde dieren gegeven.

-ocr page 774-

Joodadditiegetal van het depotvet bij normale en vastende N.-Holl.

Blauwen.

Normale dieren

Na 7 dagen vasten

3 dagen na het vasten

75.4

82.0

73.5

78.7

82.3

74.8

74.1

80.2

81.0

74.7

72.4

79.8

77.8

69.8

80.8

71.6

84.6

79.5

80.5

87.3

72.9

72.7

75.4

75.8

75.7

gemiddeld 76.3 ± 4.6

78.9 ± 4.1

76.4 ± 4.0

A = ü.42

Tabel 8.

Procentuele vetzuursarnenstelling van depotvet bij N.-Holl. Blauwen.
Voedering: 140 gram ,T\'rovicobbs" per dag.

Vetzuur % verzadigd of onverzadigd

Oliezuur

46.0

A 9:10

linolzuur

25.6

A 9:10 en 12:13

palmitinezuur

15.6

verzadigd

palmitoleinezuur

6.4

A 1:2 (?)

stearinezuur

3.3

verzadigd

linoleenzuur

1.2

A 9:10, 12:13 en 15:16

margarinezuur

0.7

verzadigd

myristinezuur

0.6

verzadigd

isomargarinezuur

0.2

verzadigd

Uit tabel 8 blijkt, dat in ieder geval nog 20% van het totale vetzuur-
gehalte uit verzadigde vetzuren bestaat, d.w.z, met alle mogelijkheid van
dien tot het vormen van onverzadigde zuren.

Uit bovengenoemde tabel kan worden berekend, dat in geval van het
éénmaal onverzadigd worden van de aanwezige verzadigde zuren, het
joodadditiegetal met ongeveer 17 zal toenemen.

In werkelijkheid blijkt er van een significante toename in het joodadditie-
getal geen sprake te zijn (tabel 7). Een partiële oxydatie van het depotvet
is dus uit dien hoofde al onwaarschijnlijk; bovendien bleek uit de elemen-
tairanalyse van het depotvet vóór en na een vastenperiode van 7 dagen
dat de samenstelling van het vet zich gedurende deze periode niet wijzigt.

-ocr page 775-

Het ontbreken van een ketonemie bij vastende kippen en eenden waarbij
de vetreserves als energiebron fungeren leidt tot de onderstelling dat
een actieve gluconeogenese zal plaats vinden teneinde de vetverbranding
volgens het normale schema te cloen plaats vinden. Een glycogeenvorming
uit glycoplastische vet- of aminozuren zal zonder twijfel in een laag R.Q.
resulteren en dit blijven doen indien synchroon met de oxydatie van de
gevormde glucose een nieuwe hoeveellieid wederom uit vet wordt .ge-
synthetiseerd.

Het bestaan van een gluconeogenese kan worden getoetst aan het glucose-
gehalte van het bloed, hetgeen in dat geval tijdens vasten niet ver
beneden de normale waarde zal zijn gedaald. Wij hebben derhalve het
bloedsuikergehalte van de Kaapse eenden en van de kippen bepaald
onder condities van normale voedering en na een vastenperiode van
meerdere dagen. De resultaten zijn in de tabellen 9 en 10 weergegeven.

Tabel 9.

Bloedsuikergehalte van Kaapse eenden in normale- en in vastenconditie.
_
(mg%) _

Dier no. Normaal Na een vastenperiode van

5 dagen

7 dagen

11 dagen

2880

164

167

143

151

4980

162

151

158

172

2895

151

156

154

151

7695

158

168

146

174

2879

166

167

145

152

2878

206

179

168

167

2892

153

176

110 (?)

154

Gemiddeld

166 ±

19 166 ±

10

146 ± 18

160 ± 10

Tabel 10.

Bloedsuikergehalte

van N.-Holl. Blauwen in normale- en in

vastenconditie.

fnig%)

Dier no.

Normaal

Na een
5 da.gen

vastenperiode
7 dagen

van

9 dagen

5 dagen
na vasten

? 1

164

161

151

158

162

9 3

180

175

157

162

c^ 6

132

171

145

145

151

Cf 7

160

153

145

143

d" 8

145

143

140

128

151

d" 84

156

163

147

136

155

Gemiddeld

156 ± 17

161 ± 12

148 ± 6

146 ± 13

152 ± 7

Uit de tabellen 9 en 10 blijkt, dat de bloedsuikerspiegel bij vastende
dieren niet afwijkt van die bij dieren onder normale condities van
voedering (na 11 dagen vasten is geen significant verschil met de toestand

-ocr page 776-

vóór het vasten te constateren), en, daar de glycogeenvoorraad bij vogels
relatief gering is vindt er ongetwijfeld een ghiconeogenese plaats.
Een gluconeogenese, hetzij uit vetzuren, hetzij uit aminozuren, kan dus
eventueel als een oorzaak van het lage R.Q. gedurende een honger-
periode worden beschouwd. Hierbij dient vooropgesteld te worden dat
de nieuwvorming van glucose, resp. glycogeen, groter moet zijn dan de
hoeveelheid die aan de respiratoire stofwisseling deelneemt. In wezen zal
het weinig verschil maken of de glycogeen\\-onning uit vet dan wel uit
aminozuren plaatsvindt; een geringe urinezuurvorming tijdens vasten (zie
boven) behoeft nog niet te duiden op een glycogeenvorming uit vet,
immers door transaminering kan de aminogroep worden overgedragen op
ketozuren die bij de vetomzetting worden gevormd. In feite komt dit dan
toch neer op een verbruik van de vetreserves met behoud van de stikstof-
voorraad, onder nieuwvorming van enerzijds aminozuren, anderzijds
glucose en (of) glycogeen. Een definitief bewijs voor een eventuele vor-
ming uit vetten zou door middel van isotopen kunnen worden geleverd,
zoals door Lang (1952) is uiteen gezet.

Nader onderzoek naar de glycogeen reserves in lever, hart en spierweefsel
is in volle gang.

S.\\MENVATTING.

Een onderzoek naar dc grootte van de respiratoire stofwisseling bij pluimvee heeft tot
doel enerzijds richtlijnen te kunnen verstrekken ten behoeve van de huisvesting van
slacht- en legdieren, anderzijds beter georiënteerd tc geraken over dc fundamentele
grondslagen van de fysiologie der stofwisseling.

In bovenstaande publikatie wordt een methode beschreven voor meting van de stof-
wisselingsintensiteit bij kippen en eenden op lange termijn, waarbij de COa-afgiftc,
de Oi-opnamc en de lichaamstemperatuur continu worden geregistreerd.
Het is gebleken dat de dagelijkse schommelingen in warmteproduktie vrij groot zijn
als gevolg van de vocderopname. Een toename overdag met .\')6% van dc intensiteit
des nachts is regel. De dagelijkse variatie uit zich bovendien in het R.Q., dat overdag
stijgt tot 0.8 ä 0.9, terwijl vroeg in dc morgen het R.Q. op 0.7 of lager (0.6) kon
worden berekend. Bij vastende dieren daalt het metabolisme binnen twee etmalen tot
een vrij constant nivacu, dat lange tijd kan worden gehandhaafd, ten koste van de
vetreserves. Het R.Q. daalt hierbij tot beneden de waarde voor zuiver vetverbranding
(0.71) en wel tot circa 0.58, terwijl een enkele maal een R.Q. van 0.54 of zelfs 0.52
kon worden berekend. Bij verder onderzoek naar dc oorzaak van dit lage R.Q. kon-
den de volgende factoren als oorzaak worden uitgesloten; le. onvolkomenheden in dc
techniek, 2e. bijzondere wijze van eiwtomzctting bij vogels, 3e. abnormale vetverbran-
ding. Als meest waarschijnlijke oorzaak is de gluconeogenese te vermelden, waar
\\\'0or
o.a. het bloedsuikergehalte bij vastende dieren pleit. Nader onderzoek over het glyco-
geengchalte van lever, hart en spieren vóór, tijdens en na het vasten zal worden ver-
richt.

SUMMARY.

The respiratory metabolism of poultry (fowls and ducks) has been determined under
conditions of normal feeding and of fasting. Food intake increases the heat produc-
tion with at least 50 per cent, resulting in daily fluctuations of the respiratory meta-
bolism, accompanied by a variation of the respirator)\' quotient. In the fasting animal
the daily variations of the metabolism are ver)\' low, whereas the R.Q. reaches a con-
stant figure, far below 0.71 and may be as low as 0.58, occasionally 0.54 or 0.52.
An explanation for this unusual low R.Q. has been given, based on experiments on
fat composition, ketobodies and blood sugar. The authors arc of opinion that gluco-

-ocr page 777-

neogencsis forms the most acceptable mechanism in this respect. Further research
on the formation of glycogen during fasting should support this supposition.

RÉSUMÉ.

Le métabolisme respiratoire des poules et des canards a été déterminé pendant de
nourriture normal et pendant le jeûne.

L\'assimilation des aliments cause une augmentation de la production de chaleur
de plus que 50%. L\'animal jeûnant a un métabolisme très constant, pendant que
le quotient respiratoire se baisse jusqu\'à 0.58, 0.54 et même 0.52. Les auteurs
tâchent d\'expliquer cet Q.R. bas, et ils supposent que la conversion de la graisse
dans des hydrates dc carbone soit la cause la plus plausible.

ZUS-AMMENF-ASSUNG.

Der respiratorische Stoffwechsel des Geflügels (Hühner und Enten) ist bestimmt
worden unter Bedingungen normaler Fütterung und des Hungerns.
Futteraufnahme hat eine Steigerung des Stoffwechsels mit mindestens 50 prozent zu-
folge unter Begleitung täglicher Schwankungen des Respiratorischen Quotienten.
Bei Hungertieren sind die täglichen Variationen des Stoffwechsels niedrig und der
R.Q. erreicht den relativ konstanten Wert von 0.58; kann aber gelegenüich bis 0.54
oder sogar 0.52 herabsinken. Eine Erklärung für den niedrigen Wert des R.Q. wurde
.gegeben auf Grund von Experimenten über den Eiweissstoffwechsel, Fettstoffwechsel
und Blutzuckergehalt. Unserer Meinung nach ist die Neubildung von Zucker, b.z.w.
Glycogen aus Fett als der warscheinlichste Mechanismus zu betrachten. Weitere Ex-
perimente über den Glyco.gengehalt mehrerer Organe sollen diese .Annahme be-
stäti.gen.

LITERATUUR

Bardie r, E. : Echanges re.^piratoires chez les animaux gras en inanition. C.R soc

biol., 49, 162, (1897).
Benedict, F. G. and Lee, R. C. : Lipogenesis in the animal body, with special
reference to the physiology of the goose.
Carnegie Inst. Wash. Publ., 489, (1937).
B o r c h e r t, K. L. : Ueber Grundlagen zur Schaffung eines optimalen Klimas in

Hühnerställen. Arch. Cefl.k., 25, 60, (1961).
Brody, S.: Bioenergctics and Growth. Rcinhold Publ. Corp., New York, (1945).
Carpenter,
T. M.: Tables, factors and formulas. Cam. Inst. Publ., 303C 24
(1948).

Dukes, H. H.: Studies on the energy metabolism of the hen. ƒ. Nutrition 14
341, (1937).

Ekman, P.: A new chemical method for separating faecal nitrogen from urinary
nitrogen in poultry excreta. Official report eight Worid\'s Poultry Congress Copen-
hagen,
220-226, (1948).
F u r n a s s, B. : Observations on 24-hour oxygen consumption and
CO2 excretion

during carbohydate feeding. /. Physiol., 150, IIP, (1960).
c; e r h a r t z, H. : Ueber die zum Aufbau der Eeizclle notwendige Energie Pfl

Arch., 156, 1, (1914).
H a w 1 e y, E. E., J o h n s o n, C. W. and M u r 1 i n, J. R. : The possibility of glu-
coneogenesis from fat. II. The effect of hi.gh fat diets on the respiratory metaboiism
and ketosis in man. /.
Nutrition, 6, 523, (1933).
Henry, K. M., Magee, H. E. and Reid, E.: Some effects of fasting on the
composition of the blood and respiratory exchange in fowls.
J exp Biol 11 58
(1934). \' \'

K- i n g, J. R. : Comments on the theory of indirect calorimetry as applied to birds.

Northwest Science, 31, 155, (1957).
Lang, K. : Der intermcdiaere Stoffwechsel, in Lehrb. der Physiol, von Trendelen-
burg und Schütz, Spinger Verlag, Berlin,
76, (1952).

-ocr page 778-

Mellen, W. J. and Hill, F. W.: Studies on the avian respiratory quotient.

Poultry Sci., 34, 1085, (1955).
M i r s k y. A., Nelson, N., G r a y m a n, I. and Korenberg, M.: Studies on

normal and depancreatized domestic ducks. Am. ]. Physiol., 135, 223, (1941).
O s b a 1 d i s t o n, G. W. and S a i n s b u r y, D. W. B.: The brooding environment.

World\'s Poultry Sc. ]., 19, 5, (1963).
Reid, R, L.: The determination of ketone bodies in blood. The analyst, 85, 265,
(1960).

Romijn, G.: Stofwisselingsonderzock bij de kip, 2e mededeling. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
75, 719, (1950).
R O m ij n, C. and Lokhorst, W.: Heat regulation in the fowl. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
86, 153, (1961a).
R O m ij n, C. and Lokhorst, W.: Some aspects of energy metabolism in birds.

2. Symposium on energy metabolism E.A.A.P. publ. nr. 10, Wageningen (1951, b).
Sainsbury, D. W. B.: Ventilation.
Broiler Bulletin nr. 17, 18, (1963).
Smith, G. G, and Riddle, O.: Effects of fasting on the respiratory metabolism

of normal and hypophysectomized pigeons. Am. J. Physiol., 141, 303, (1944).
Soskin, S.: The blcxjd sugar: its origin, regulation and utilization. Physiol. Re-
views,
21, 140, (1941).

DISCUSSIE
Vraag: Dr. E. J. V o ü t e, Amersfoort.

De wateropnamc is lager gedurende vasten; beïnvloedt dat de stofwisseling ? De
Blauwe kammen ziekte geeft invloed door slechte waterhuishouding en glycogeen-
stofwisscling. Is hier meer van bekend in het kader van dit onderzoek?

Antwoord:

Vermoedelijk ontstaat geen watertekort tengevolge van sterk verminderde water-
uitscheiding enerzijds en het optreden van veel „metabolisch water" tengevolge van
verhoogde vetverbranding.

Vraag: Drs. A. Hoogerbruggc, Utrecht.

Heeft de spreiding van het R.Q. vóór de vastenperiode tc maken met de belichtings-
tijd, en zo ja kan dit dan verband houden met de voederopname?

Antwoord:

De spreiding is vooral het gevolg van vocderopname, daar de belichtingstijd bij vas-
tende dieren vrijwel geen variatie in het R.Q. opwekt.

Vraag: Prof. Dr. W. K. H i r s c h f e 1 d. Utrecht.

Hoe komt u aan de naam muskaateend? Er is nl. een grote naamsverwarring bij deze
eend, die Kaapse eend. Manilla eend, en zelfs Kaapse Bergeend genoemd wordt.

Antwoord:

De naam is afkomstig van de Zootechniek, dus vermoedelijk foutief doorgegeven.

Piétrains naar Engeland?

Het P.I.D.A. hetwelk het centraal organisme is, dat zich in Engeland bezighoudt met
de varkensproduktie, heeft bij het Ministerie van Landbouw aldaar een aanvraag
hernieuwd met het oog op het bekomen van de toelating tot invoer van enkele kweek-
varkens van het ras Piétrain, die zouden gebruikt worden voor het verrichten van
kruisingen ten experimentelen titel.

De Belgische Veefokkerij, 17, (15), 2, (1963).

-ocr page 779-

Lezing en pauze Heelkunde.

-ocr page 780-

Future opportunities for veterinarians in the
Tropics.

by S. G. WILSON1)

From the Institute of Tropical and Protozoan Diseases of
the Veterinary Faculty.

It is usually dangerous to forecast future developments in any conncction
but as regards Africa it is especially difficult. A great many unpredictable
happenings can occur within the next 10 years and conditions could rajjidly
change. It is reasonably certain however to forecast that most developing
countries, including those in Africa, will require a supply of veterinarians
from Europe for many years to come.

■Mthough numerous vacancies exist for veterinarians in .Africa and Asia and
S. America it is difficult to get young graduates interested in these posts.
There are several reasons for this apparent indifference.
There nmst be some scepticism for instance within those of the profession
who have already served abroad as to how far the efforts in the past have
been appreciated. Do these countries really want oiu" help now that they
are independent? And what are they doing to help themselves?
This critical attiude is encouraged by the very excellent conditions which
])revail here in Europe where there is full employment within the profes-
sion. General practice is lucrative and flourishing, laboratories and re-
search institutes require more staff and the health services are exi)anding.
By contrast, life abroad has lost many of its attraction.?. The cost of living
is high and salaiy scales have not increased in proportion. There is political
uncertanties to be met and absence of future career prospects. It is easy
therefore to understand why yoimg men want to stay at home.
This, however, is un unfortimate state of affairs when seen from the i^oint
of view of an African government. With inde])endencc, the former conser-
vative financial policy has often been discarded and expansion of all scn ices
has been the key-note. This has applied to medical services, education,
buildings and roads and expenditure has been very considerable and so
extra income must be foimd. This revenue must, in most cases, come from
increased agricultural output as often economic crops and cattle are the
chief, if not only, assets the country possesses. Cattle productivity must there-
fore be increased and losses due to disease reduced to a minimum.
There is therefore a real urge from the top, from cabinet and ministerial
level, to improve and expand the agriculture and vetennar>\' services.
Secondly there is a considerable internal demand for more protein in the
form of meat and milk. The .African diet is notoriously low in protein and
meat consumed is usually 2 to 8 kilo per annum compared with 40 to 90
kgs in the more favoured conutries.

With increased urbanisation and the emergency of a salaried class of wor-
kers with increased purchasing power, the demand for meat grows almost
daily. In Nigeria over 700,000 head of cattle and millions of sheep and
goats are slaughtered each year. Many of these slaughter cattle are walked

1  Prof. Dr. S. G. Wilson, Professor at the State University of Utrecht; Biltstraat
172, Utrecht.

-ocr page 781-

for long distances inland towards the coast while others are transported
by rail. Government, if at all possible, will never allow disease outbreaks
to interfere with this trade.

The third point to consider is that the veterinarian in the Tropics has now
a most valuable service to offer. Rinderpest can be controlled and eradica-
ted by the use of a variety of vaccines. Trypanosomiasis can be cured by
the use of the recently developed drugs. Cattle owners therefore are moving
ra])idly away from the old subsistence level when their herds were greatly
reduced each year by epizootics into a period of safety where herds can
sutvive and become productive. Cattle owners therefore have demanded
more and more veterinarians and laboratories have been built and equipped
all over .Africa.

Just, however, when all appeared set for real progress, self government
came more quickly than expected. In the changing conditions many of
the experienced veterinary staff departed for their homeland.
The present ]30sition therefore is one of complete instabihty - - increased
demand for veterinarians by the emerging countries, while at the same
time the trained veterinarian himself is on the decrease.
The situation is aggreviated when the Africans consider the state of their
present higher education of system. Sudan and Egypt are the only coun-
tries in .Africa possessing a veterinary faculty.

East Africa, concentrating on an Assistant Veterinary Officer course, has
not produced a single qualified veterinarian to-date. West Africa is only
now starting in 1963 to establish a Veterinary Faculty. A small number of
.\\fricans have gone abroad each year for training but it is safe to say that
the internal supply will be insufficient to meet the needs of the different
countries for many years.

There is also the international aspect of disease control in that Europe can-
not ignore the disease jjosition in Africa or Asia because of the possible
rapid spread of epizootics due to modern methods of conmiunication. Vetc-
rinary help therefore is urgently requested in the developing countries
and the need will persist for many years.
What services exist in these countries?

General practice is usually impossible and all work is carried out by the
state vetcrinary service, often known as the Field Services Division. Pro-
vinces are staffed as far as possible by veterinary officers assisted by trained
but unqualified personnel. Control of epizootics by mass vaccination is
given ])riority and drug therapy applied where available as in the case of
trypanosome and helminth infections.

Animal Industries such as cattle markets, cattle-trade-routes, abattoirs and
hides and skins development are given considerable attention. Cattle bree-
ding and improvement centres have also to be supervised.

\'The chief obstacle to progress, apart from poor communication and occa-
sional lack of cooperation from cattlc-owncrs, is the paucity of trained vete-
rinary personnel. In Europe, it is common to have one veterinarian to
3000 herd of cattle — in Africa the proportion is more likely to be one
veterinary officer to 120,000 herd of cattle. For every 40 to 50 veterinary
officers in The Netherlands, there is only one in East and West Africa.
In the larger territories there is a well developed laboratory service in ad-
dition to field staff. These countries can therefore offer a greater variety

-ocr page 782-

of posts. At these laboratories, vaccine production is the first and most im-
portant duty. This involves considerable supervision of vaccine production,
research into new methods, and investigation into field application and
results. These laboratories must also produce a comprehensive diagnostic
service and here, as in vaccine production, contact nuist be maintained with
the field staff.

Opportunities also exist for research chiefly in connection with vaccines
and diagnosis, but disease surveys into disease incidence and methods of
control are also important.

Special laboratories exist to deal with specific problems such as tsetse
fly survey and control by insecticides and related trypanosome problems.
Farms and laboratories have been established to study animal feeding,
breeding and management especially for meat production.
Animal Industries also have laboratory connections in the investigation of
improved method of curing of hides and skins, in abattoir design and ma-
nagement and in cattle marketing methods.

This is a time therefore of opportunity for our profession and European
countries are actively thinking along different way of helping. Most .Afri-
can governments have numerous vacancies on their normal list of estab-
lished posts and men who accept these vacancies are paid a salary by the
country itself. Universities are also interested to assist both in research and
in teaching at the new universities.

There is also the normal Technical .Assistance Program designed to send
senior and junior experts to develo[)ing countries. Special organizations
such as F..\\.0. and E.E.C". are also sending out expert staff.
The demand everywhere is constant and at times overwhelming but the
response to-date has been limited.

SUMM.ARY.

Most developing countries will require veterinarians from Europe for many years to
come.

The appeal to young officers however of a life abroad has been reduced by the ex-
cellent opportunities now offered of employment in Europe in contrast to the in-
creased cost of living and political uncertainties abroad.

On the other hand, increased animal production is becoming more necessary in
developing (ountrics to provide not only increased revenue but also to meet the
growing demands for meat. The veterinarian has a real service to offer.
It is unfortunate that these
increased demands coincide with decreased numbers of
veterinarians available.

Opportunities of useful work exist both in the Field Divisions and in well equipped
laboratories, and cover a wide field of duties. Appointment may be to establish posts
payed for by the local governments of through Technical Assistance Programs or by
special .Agencies.

SAMENVATTING.

Voor de komende jaren zullen de meeste ontwikkelingsgebieden Europese dieren-
artsen nodig hebben.

De aantrekkelijkheid hiervan is vcxjr jonge dierenartsen verminderd door de uit-
stekende werkgelegenheid in Europa zelf in tegenstelling tot de verhoogde levens-
standaard en politieke onzekerheid in de Tropen.

Anderzijds wordt een verhoging van de dierlijke produktie in de ontwikkelingslanden
steeds noodzakelijker, niet alleen ter verhoging van de inkomsten, maar ook om aan
de verhoogde vraag naar vlees te.gemoet te komen.

-ocr page 783-

De dicrenarts kan hierbij zeer goede diensten bewijzen.

Ongelukkigerwijze valt deze verhoogde vraag samen met een vermindering van het
aantal beschikbare dierenartsen.

Gelegenheid tot nuttig werk op velerlei gebied besaat zowel in de buitendienst als
aan goed uitgeruste laboratoria. Door een aanstelling kunnen posten worden vervuld,
die door de resp. regeringen, Technical Assistance Programs of bijzonderc organi-
saties worden bckostigd.

RÉSUMÉ.

La plupart des pays en voie de développement, dans les années à suivre, auront
besoin de médecins vétérinaires européens.

L\'attraction dc ces postes pour les jeunes vétérinaires a diminué par suite des ex-
cellentes possibilités de travail en Europe, formant un contraste net au niveau de
vie renchéri et à l\'incertitude politique augmentée sous les tropiques.
D\'autre part une augmentation de la production anim.ale devient de plus en plus né-
cessaire dans les pays en voie de développement, non seulement pour une majoration
des revenus, mais aussi afin de répondre au besoin augmentée de viande.
Dans ce cas le médecin vétérinaire pourra rendre de très bons services.
Malheureusement cette demande augmentée coincide avec une diminution du nombre
de médecins vétérinaires disponibles.

Dans plusieurs domaines l\'occasion se présente de faire un travail utile, tant dans le
service extérieur qu\'à des laboratoires bien outillés. On peut être nommé dans diverses
positions, défrayées par les gouvernements respectifs, par les Programmes d\'Assis-
tance Technique ou des organisations particulières.

ZUSAMMENFASSUNG.

In den kommenden Jahren werden in den meisten Entwicklungsländern europäische
Tierärzte vonnöten sein.

Der .\\nreiz hierzu ist für ankommende Tierärzte, ungeachtet des höheren Lebens-
standards in den Tropen, durch vorzügliche .Arbeitsangebote in Europa nicht ver-
lockend. Ausserdem spielt die politische Unsicherheit in den Tropen gleichfalls eine
grosse Rolle.

Andrerseits wird eine Steigerung der Tierproduktion in den Entwicklungsländern
immer dringender, nicht nur um die Einkünfte zu erhöhen, sondern auch um der
wachsenden Nachfrage nach Fleisch gerecht werden zu können. Hier kann der Tier-
arzt sehr gute Dienste leisten.

Bedauerlicherweise fällt die erhöhte Nachfrage mit einem Rückgang der zur Ver-
fügung stehenden Tierärzte zusammen.

Auf allerlei Gebieten besteht sowohl im .Aussendienst, als luch an den gut ausge-
rüsteten Laboratorien Gelegenheit zu nutzbringender Aufbaurarbeit. Die Anstellung,
bezw. die zu bekleidende Position wird durch die betreffenden Regierungen, Technical
.\\ssistance Programs oder spezielle Organisationen besoldet.

DISCUSSION

Question: Prof. Dr. Th. de G r o o t, Wageningen.

Does not the transport of the animals from the North to the South in Nigeria waste
a lot of meat? Would not a transport by train be much more economically?

Answer:

The present method of walking cattle down from the Northern producing zones to
the markets on the coast is very wasteful. Losses are about 15 percent in deaths and
illness and the total financial losses must be about 10 million guilders per annum.
Trains are being used for transport where ever possible and Kano city is now a very
big cattle railing centre. Catde also suffer on the train and loose condition in the
heat and journeys are limited to 30 hours from loading to unloading.
Also many areas have no train-service and cattle must walk.

-ocr page 784-

Question: Drs. F. W. J. Swart, Hoogland.

Are those vaccinations done by the veterinarian himself of by laymen under his
supervision?

Answer:

Vaccinations are generally done by laymen but under as close vetcrinary super-
vision as possible. This especially applies to drugs for
Trypanosome-treatment as
these may be given undcr-strength and produce drugs resistance.

•Also care must be taken that owners are not forced to pay illegally for drugs, which
are usually issued free of cost by the government.

Question: Prof. Dr. Th. d e G r o o t, Wageningen.

Is not there a chance that in the near future the independent peoples of the .African
countries will have great objections against white people and their assistance?

Answer:

The answer generally is No.

Most countries wish to develop and progress and the only way to do so is to seek and
accept Western assistance.

In particular, veterinarians from Europe will be welcome in Nigeria and elsewhere
for many years to come. This is because very few .African veterinarians are being
trained in Europe, the veterinary faculties at the new Universities have not yet been
started. At the same time the need for disease control and development of animal
industries increases.

Enkele opmerkingen over de embryonale sterfte bij de zeug.

95 gekruiste zeugen Landras x Poland China zijn onderzocht op de Universiteit van
Columbia ten tijde van de geslachtsrijpheid, in het midden van dc dracht en bij dc
partus.

De eerste waarneming betrof cen sterke embryonale sterfte van 32,8%, waarvan
31,3% zich voordoet .gedurende dc eerste helft van de dracht. Daarenboven was cr
cen relatie tussen het aantal voortgebrachte eicellen en de sterfte hiervan aan dc ene
kant en dc gewichten bij hct spenen cn op een leeftijd van 32 weken aan de andere
kant, hoewel dc stam invloed heeft op de ovulatie, de eml>ryonale sterfte en dc
grootte van de worp.

Maar de meest interessante vondst was dc nauwe relatie tussen het aantal bi.g.gen
en de lengte van de uterus, evenals die tussen het gewicht van de jong-geborcnen
en het volume van de uterus. Men komt tot de hypothese, dat de embryonale sterfte
te wijten zou zijn aan een „overbevolking" van de uterus of aan een primair of secon-
dair in gebreke blijven van de uterus om dc foetus tc voeden. Dit wordt bevestigd
door het feit dat vetheid van zeugen dc grootte van dc worp vermindert dcxjrdat de
embryonale sterfte hierdoor toeneemt.

De auteurs van deze studie stellen voor op een levend gewicht van 100 kg dc stam-
men te selecteren naar de lengte van de uterus om de grootte van de dracht tc ver-
meerderen. .Ms men het uitgedrukte gezichtspunt accepteert, houdt dit een zekere
tegenstelling in tussen een groot aantal biggen bij de geboorte en een groot individueel
gewicht. En dat zijn in Frankrijk op het ogenblik juist de twee criteria waarop .ge-
selecteerd wordt.

Maar als men fokzeugen bij dieren van 100 kg kiest naar de lengte van de uterus,
loopt men het risico te gaan in de richdng van een selectie van sexueel vroegrijpe
stammen, wat weer andere problemen geeft. Men moet daarenboven deze lengte
zonder te veel moeilijkheden kunnen bepalen.

Revue de l\'Elevage, (4), 501, (1963).

-ocr page 785-

Een overzicht van de betekenis van het machi-
naal melken in de aetiologie van mastitis.

Machine rnilking and the etiology of mastitis.

door F. J. GROMMERS1)

Uit het Zoötechnisch Instituut van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

In de aetiologie \\an de uieraandoeningen cn mastitis meer in het bijzonder,
speelt een groot aantal factoren een rol.

AKorcns over te gaan tot de beschrijving van de rol die het machinaal mel-
ken hierbij speelt, is het nuttig de plaats \\ an het melken in het grote geheel
\\an de iJredisponcrende factoren tc bepalen.

.Allereerst moet dan een onderscheid gemaakt worden in genetische en
milieu factoren.

Wat dc genetische factoren betreft, is bij di\\erse onderzoekingen gebleken
dat er een erfelijk bepaalde variatie in gevoeligheid voor mastitis bestaat
(h- = ± 0,3). Deze \\\'ariatie schijnt ook te bestaan voor het ontstaan van
tcpclbeschadigingen.

De milieufactoren kunnen worden ondcrxerdeeld in:

huisvesting,
klimaat,
\\ ocding,

\\crzorging a. hygiëne

b. melktechniek.

De redenen \\ oor het aan de oide stellen van het laatstgenoemde punt zijn:

1. dat het ccn van de belangrijkste factoren is,

2. dat het de gemakkelijkst te beïn\\loeden factor is,

3. dal er wat dit punt betreft nog veel te verbeteren is.

Het is in dit verband niet mis tc verstaan dal Nederlandse specialisten oj)
liet gebied van machinaal melken \\ an mening zijn, dat zc\\ cn van de tien
boeren in ons land niet goed machinaal melken!

Voor een goed begrip \\an het volgende, is het gewenst om met een paar
woorden het grond])rincipe van de werking \\an de melkmachine te ver-
melden.

Hoewel men bij de ontwikkeling van de melkmachine onder andere ge-
tracht heeft het handmelkcn te imiteren (een machine van dit type is door
het Zoötechnisch Instituut afgestaan aan de Diergeneeskundige afdeling
\\an het Univcrsiteits Museum), werken alle thans in gebruik zijnde melk-
machines door middel van zuigkracht. Deze methode van melken benadert
dus meer het zuigen van het kalf, maar zij kan er desalniettemin niet mee
gelijk gesteld worden. De zuigkracht bedraagt minstens een half atmosfeer
onderdruk en deze wordt centraal opgewekt.

Door middel van een buis — de stallciding - - en een slang kan deze onder-
druk zich uitbreiden tot het eigenlijke mclkapparaat. Vanaf de aansluiting

1  Drs. F. J. Grommers, wetenschappelijk ambtenaar le kl. aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht,

-ocr page 786-

op het apparaat — de emmer — bestaan er twee kichtwegen naar elk van
de vier tepelhouders.

Iedere tepelhouder bestaat uit een metalen omhulsel (beker) en een iets
kleinere rubber tepelvoering. In de ruimte binnenin de tepeKoering - -
waar zich tijdens het melken de tepel bevindt — heerst steeds, ten naaste
bij, een onderdruk van een half atmosfeer.

In de luchtmantel om de tejielvoering, wordt met beludp van een jjidsator
een drukwisseling opgewekt van een half of een heel atmosfeer. Hierdoor
wordt een speen afwisselend leeggezogen (zuigslag) of gemasseerd (pers-
slag). Het is gebleken dat de massagefase absoluut onontbeerlijk is ter
ondersteuning van de blocdcircidatie in de speen.

De betekenis van het machinaal melken voor het ontstaan van uier- en
speenaandoeningen in de meest uitgebreide zin, wordt bepaald door drie
componenten, waartussen cen wisselwerking bestaat.
Deze drie componenten zijn: de koe, de machine en de melker.

A. Dc invloed van de koe.

Vooropgesteld dient te worden dat een klein percentage van de koeien
niet of niet goed met de machine tc melken is.

.Afgezien hiervan is ideaal voor het machinaal melken het zgn. „mclk-
machine-uier". Hierbij is de totale hoeveelheid melk gelijk verdeeld over
de vier kwartieren, de spenen hebben een gemiddelde grootte en zijn na-
genoeg in een vierkant in een horizontaal \\ lak ge])laatst, terwijl de stand
van de spenen dan \\ rijwel verticaal is. Deze criteria waarborgen een gelijk-
matig uitmelken van de vier kwartieren. Afwijkingen van dc genoemde
punten veroorzaakt meestal een te lang zuigen aan het ene, of een tc korte
melktijd voor een ander kwartier. Dit heeft tot gevolg dat aan koeien met
een dergelijk uier e.xtra zorg besteed moet worden.

Voor te grote spenen is te weinig ruimte in dc tepelhouders, terwijl te kleine
of te lange spenen tijdens de persslag niet goed gemasseerd kunnen woi-
dcn. Dit is de reden dat \\aarz£n dikwijls cyanotische, pijnlijke spenen
in de wandeling blauwe spenen genoemd - - hebben na het machinaal mel-
ken. Hoewel dit theoretisch wel is tegen tc gaan door het vactumi wat
minder die]) tc maken en de pulsaticfrcquentie op tc \\ocren, is dit in de
dagelijkse praktijk van het melken vrijwel niet uitvoerbaar. De blauwe
punten aan te lange spenen zijn om dezelfde praktische reden vrijwel niet
te voorkomen.

Voorts is gebleken dat de vorm van het slotgat een rol speelt in de aetio-
logie van mastitis. De variatie in de vorm van het slotgat is zeer groot.
In verband met het arbeidsprobleem is de laatste jaren het melkbaarheids-
onclerzoek in Nederland snel in omvang toegenomen. Het is namelijk ge-
bleken dat de melksnelheid sterk genetisch bepaald is (h^ 0,,5-0,7), ter-
wijl de individuele variatie zeer groot is (± 0,7-4,5 kg/min.) en de ver-
schillen tussen de gemiddelden van de nakomelingen groepen van stieren
eveneens beduidend is (± 1,5-3,0 kg/min.). Uit dit onderzoek is de ten-
dens naar voren gekomen tot grotere frequentie van mastitis bij zowel de
taaimelkse als de zeer vlot melkbare dieren. Box endien bestaat er het ge-
vaar dat taaimelkse koeien de organisatie van het werk verstoren, waar-
door de opvolgende koe of koeien niet op de juiste wijze gemolken kunnen
worden.

-ocr page 787-

B. De invloed van de machine.

In Nederland zijn ongeveer twintig verschillende merken melkmachines in
de handel. Deze vertonen onderling grotere of kleinere verschillen, die
bovendien soms van jaar op jaar wijzigingen ondergaan. In het algemeen
kan men stellen dat zij melktechnisch niet veel verschillen. Afgezien van
deze variaties kunnen als belangrijkste schadelijke factoren aangemerkt
worden:

een fluctuerend „vacuum";

een zuigkracht, sterker dan ruim een half atmosfeer onderdruk;
een aanhoudend zuigen aan een uier waarin geen direct afvoerbare
melk aanwezig is;

een onjuiste verhouding zuigslag - persslag;
een te hoge pulsatiefrequentie;
een onvoldoend snelle melkafvoer („nat"melken);
tepelvoeringen met nauwe en harde bovenrand;
tc wijde of te slappe tepelvoeringen;

versleten tepelvoeringen, uit een oogpimt van werking en hygiëne.
Een aantal van deze punten vinden lum oorzaak in het streven om zo snel
mogelijk te melken. In het algemeen is men hierbij geneigd om zover te
gaan, dat bij de meerderheid van de koeien nog juist geen afwijkingen
worden veroorzaakt.

Wat betreft de overbrenging \\an bacteriën van de ene koe op de andere
is er geen duidelijk verschil tussen handmelken en machinaal melken.

De genoemde factoren kunnen o.a. leiden tot:
storingen in bloedcirculatie \\ an de tepel;
hemorragieën in de tepel;
weefsel laederingen;

wijzigingen in chemische en cellulaire samenstelling van de melk.
Het laatstgenoemde punt is een symptoom van de reactie van de uier. Een
bacteriële mastitis zal slechts ontstaan bij aanwezigheid van pathogene
bacteriën.

Er behoeft dan echter nog geen acuut en klinisch waarneembaar geval
van mastitis te ontstaan, dit kan dan bijvoorbeeld pas ontstaan bij een vol-
gend of langdurig inwerkend insult.

Omgekeerd is het zo, dat bij aanwezigheid van pathogene micro-organis-
men slechts een klinisch waarneembare mastitis zal ontstaan als de uier
ertoe gepredisponeerd is door — bijvoorbeeld — één of meer van de voren-
genoemde schadelijke factoren.

C. De invloed van de melker.

Uit het vorengaande blijkt dat hygiënisch werken zeer belangrijk is. Verder
is een zeer goed hulpmiddel voor het onderkennen van afwijkingen aan de
melk in een vroeg stadium, de zgn. vóórmelkbeker. De eerste stralen melk
worden hierbij op een zwart plaatje gemolken. Helaas worden deze vóór-
melkbekers uit gemakzucht nog weinig gebruikt. Op de grond of op de
hand melken van de eerste stralen is een veel toegepaste onjuiste hande-
ling. De praktizerende dierenartsen kunnen in dit verband het goede voor-
beeld geven.

-ocr page 788-

De invloed van de melker ligt \\ erder \\ooral op het gebied van de organi-
satie van het werk. Dit dient er op gericht te zijn het melken van de indi-
\\iduele koe volkomen aan te passen aan de fysiologie \\an de melkafgifte.
Hierbij zijn drie grondprincii^es van allesoverheersende betekenis, namelijk:

goede voorbehandeling;

het op tijd aanbrengen van de tepelhouders;
het op tijd afnemen van cle tepelhouclers.

De \\oorbchandeling heeft cen drieledig doel, te weten:
reiniging van de uier en spenen;
beoordeling van de eerste stralen melk;

opwekking van de neuro-hormonale reflex voor de ejectie van de melk.
Op tijd aanbrengen van de tepelhouders betekent, dat dit moet gebeuren
op het moment dat de koe de melk heeft ,,laten schieten". De tijd die hier-
\\oor nodig is hangt af \\an o.a. lactatiestadium en weersfactoren, maar is
zelden langer dan één minuut na het einde van de voorbehandeling. Dc
oxytocine is slechts 7 tot 9 minuten in circulatie, zodat hct gewenst is dit
tijdbestek volledig tc benutten, om alle handelingen, inclusief hct na-
melken, in die tijd uit te voeren.

Het op tijd afnemen van de tepelhouders wil zeggen, dat men dit moet
doen zodra de melkstroom praktisch beëindigd is.

Dit moment kan men als buitenstaander, die niets van cle hoogte van de
melkgift weet en die geen melk ziet af\\\'loeien cloor doorzichtige onderdelen
\\an hct ajjparaat, vrij goed beooidelen aan de hand van de bewegingen
van de tcpelhouders.

Het is namelijk zo, dat de tepelhouders tijdens het melken een geringe be-
weging op en neer maken, omhoog bij cle zuigslag en omlaag bij de ])ers-
slag. Als cle koe praktisch geen melk meer geeft, dan maken dc tcpelhouders
cen grotere excursie, terwijl de beweging meer abrupt ïs. Dit verschil is zeer
duidelijk waarneembaar.

Een volgend belangrijk jjunt is, dat cle tcpelhouders niet ruw afgenomen
mogen woiden. Dit gebeurt in de praktijk vrij \\eel en houdt hct gevaar in
van laeclering van het tepelweefsel.

Tegenwoordig wordt hct met-cle-hand-na-melken wel \\er\\angen door het
zgn. machinaal-na-melken. hetgeen betekent dat in ongeveer de laatste
halve of kw^art minuut dat het apparaat nog aanhangt, de uier op cen be-
[jaalcle manier wordt gemasseerd. Deze methode kan bij vrijwel alle koeien
worden toegepast en geeft een belangrijke arbeidsbesjjaring.
Mits goed toegepast — dit is het knelpunt — houdt deze methode moge-
lijkhcclen in tot reductie \\an het aantal mastitisgevallen.
Dit is althans de indruk die verkregen is bij onderzoek naar de consequen-
ties van deze methode. De verklaring hier\\oor kan zijn een minder inten-
sief manueel contact met cle spenen, waardoor overbrenging van bacteriën
\\\'an de ene koe op de andere wordt tegengegaan.

Naast de hygiëne is de organisatie van het machinaal melken een zeer be-
langrijke factor voor cle preventie van uieraancloeningen in het algemeen
en mastitis in het bijzonder.

Een eenvoudige manier om een indruk te krijgen van deze organisatie, is
het registreren van het moment van de diverse handelingen van de melker
en dit uit te werken in een blokschema,

-ocr page 789-

Dit is van veel belang, aangezien juist op het gebied van de organisatie
van het machinaal melken zoveel fouten gemaakt worden.

SAMENVATTING.

Als men het geheel van factoren die een rol spelen bij de predispositie voor mastitis
overziet, is het duidelijk dat maatregelen gericht op de preventie van mastitis
zich voor een belangrijk deel zullen concentreren op dc verbetering van het — machi-
naal — melken in al zijn facetten.

SUMM.ARY.

When the factors involved in predisposition to mastitis are considered as a whole,
it is obvious that measures designed to prevent mastitis will have to be largely di-
rected towards the improvement of machine milking in all its aspects.

RÉSUMÉ.

Lorsqu\'on considère l\'ensemble des facteurs qui jouent un rôle dans la prédisposition
à la mastitc, il est évident que les mesures préventives de inastite devront se con-
centrer en grande partie sur l\'amélioration de la traite machinale dans tous ses aspects.

ZUSAMMENFASSUNG.

Betrachtet man sämtliche Faktoren, die bei der Prädisposition für Mastitis eine Rolle
spielen, dann wird deutlich, dass die Massnahmen zur Verhütung von Mastitis zum
grössten Teil auf die Verbesserung des maschinellen Melkens ;n allen seinen Vorgän-
gen konzentriert werden müssen.

DISCUSSIE

Vraa.g: Drs. .A. Stevens, Goor.

1. Hoe komt dc druk in de ruimte oni de tcpelvcx-ring tot stand?

2. Is het vetgehalte van de melk hij het achterwege laten van het met de hand na-
melken duidelijk lager? Dit in verband met het feit dat in dc laatste mclkstralen
ccn hoger vetgehalte aanwezig is.

3. Is bij niet goed leeg melken, onder .goede hygiënische omstandigheden, het gevaar
voor mastitis groter dan wanneer gtx\'d uitgemolken wordt?

Antwoord:

ad I. De drukwisseling in de luchtmantcl om dc tcpclvocring (pulsaticruimte)
kan op verschillende manieren tot stand gebracht worden. Bij het in de prak-
tijk meest toegepaste systeem geschiedt dit met behulp van een zgn. pulsator,
die meestal op dc deksel van de emmer is geplaatst.

Deze pulsator is een even ingenieus als eenvoudig mechanisme, dat, aange-
dreven door de onderdruk, afwisselend verbinding geeft met dc stallciding of
met de omgeving.

ad 2. Bij het achterwege laten van het-met-de-hand-na-melkcn is het extra belang-
rijk om goed vóór te behandelen en op tijd de tepelhouders aan tc brengen.
Dit om vlot en goed uitmelken te bevorderen.

Het reeds gereleveerde onderzoek naar de consequenties van machinaal-na-
melken is uitgevoerd midden in de lactatie der procfkoeien en hierbij bleek dat
het mclkvctverlies
maximaal 0,05% bedroeg. Let wel, dit is een maximum en
geen gemiddelde. Overigens is het vraagstuk van de meikvetvorming nog steeds
niet geheel opgelost. Wat echter wel zeker is, is dat een belangrijk decl van het
melkvet dat bij de volgende melktijd uitgemolken zal worden, aan het einde
van de voorgaande melktijd reeds is gesecerneerd.

-ocr page 790-

ad 3. Bij de beantwoording van deze vraag zou ik aan de goede hygiënische om-
standigheden nog een suppositie willen toevoegen, namelijk deze, dat de koe
geen drager is van pathogene bacteriën in de uier.

Als dit het geval is, dan zal niet goed uitmelken zeker geen groter gevaar
voor een — bacteriële — mastitis opleveren.

Als deze vraag gesteld is in het licht van het niet meer met-de-hand-na-melken
dan moet bedacht worden, dat uit vorengenoemd onderzoek gebleken is, dat
er eveneens slechts een .gering verlies in melkhoeveelheid optreedt. Bovendien
kan een uier nooit volkomen leeggemolken worden, de in de uier achter-
blijvende rest-melk kan tot 20% van de afgegeven hoeveelheid bedragen.

Utrechtse Studenten 1960 en 1961.

(Enkele hoofdzaken uit het Rapport)

1. In 1960 volgden 7632, in 1961: 8480 personen het Onderwijs aan de Rijks-
universiteit te Utrecht.

2. Van hen studeerden in beide jaren resp. 6932 en 7720 studenten voor een aca-
demische graad.

3. Sinds 1958 steeg het pcrcenta.ge vrouwelijke studenten licht, doch geleidelijk
(22,2% in 1958 - 23,3% in 1961).

4. Evenals in voorgaande jaren bestond in 1961 de helft van de studerenden uit
eerste- tot en met derdejaarsstudenten.

5. In 1960 studeerden 471, in 1961: 528 studenten aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht af.

6. Ruim 6% van dc studerenden was reeds eerder aan een andere universiteit of
hogeschool ingeschreven; 11% van de studerenden was eerder in Utrecht of
elders ingeschreven in een andere studierichting.

7. De gemiddelde leeftijd van de studerenden is sinds 1958 geleidelijk afgenomen.
Vrouwelijke studenten zijn gemiddeld jonger dan mannelijke.

8. In 1961 bezat 4% van dc mannelijke studenten een h.b.s.-A-diplioma, (5%
van de vrouwelijke studenten) ; 52% van de mannelijke studenten was in het
bezit van een h.b.s.-B-diploma (vrouwen 26%); 19% van de mannelijke stu-
derenden bezat het einddiploma gymnasium-a (vrouwen 39%) en 25% het
einddiploma gymnasium-/? (vrouwen 30%).

9. 51% van de studerenden was afkomstig uit hoger-, 42% uit middelbaar en 7%
uit lager milieu. Deze percentages ondergingen sinds 1958 .geen wijziging van
betekenis.

10. Het aantrekkingsgebied van de Rijksuniversiteit Utrecht heeft sinds 1958 geen
wijziging van betekenis ondergaan. Het recruteringsgebied van de vrouwelijke
studenten is kleiner en ligt dichter bij de stad Utrecht.

11. Het aantal gehuwde studenten nam — ook relatief — toe. In 1958 was 8,9%
van de studerenden gehuwd, in 1961: 10,3%.

12. Het aantal kamerbewoners is onder de ouderejaarsstudenten sinds 1957 in sterke
mate gedaald.

13. Ongeveer 6% van de ouderejaarsstudenten heeft een volledige werkkring.

14. Er zijn tekenen, die er op wijzen dat de belangstelling voor de studentengezellig-
hidsverenigingen relatief afneemt.

Mededeling van het Bureau Studentendocumentatie R.U. te Utrecht, No. 1.

-ocr page 791-

Inleiding fot het acetonemie-vraagstuk.
De analytisch-chemische methode.

Introduction to the acetonaemia problem. The method
oj chemical analy.m.

door L. SEEKLES1)

Uit het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie van
de Faculteit der Diergeneeskunde.

Tijdens de vorige Veterinaire \\Veek hebben wij aandacht gevraagd voor
de biochemische as])ecten van de sle])ende melkziekte (acetonemic) bij de
melkkoe, een vraagstuk waarbij somatische (veterinair-biochemische) en
oekologische (landbouwkundige) facetten om de voorrang strijden (S e e k-
1 e s, 1960). Het doel van die uiteenzetting was „de veterinair-biochemische
achtergrond van het vraagstuk nader te belichten en daardoor het inzicht
in de samenhang van de bedrijfsfactoren en de lichamelijke functies van
het dier te verdiepen".

Sedert de publikatie van dit overzicht werd in ons laboratorium het onder-
zoek over deze stofwisselingsstoornis in verschillende richtingen voortgezet.
De analytisch-chemische bepalingsmethode van de acetonlichamen in bloed
werd gewijzigd en aanzienlijk verbeterd. Voorts werd een begin gemaakt
met het uitwerken van een methode die het de jjracticus mogelijk zal ma-
ken acetylazijnzuur van aceton te onderscheiden, een onderscheid dat van
belang kan zijn voor de symptomatologie van deze ziekte.
Dat drie van mijn medewerkers bereid bleken hun veterinair-biochemische
onderzoekingen ook uit te strekken tot het vraagstuk van de acetonemie,
stemt mij tot giote voldoening.

T)r. 11. J, Hendriks heeft zich l)ezig gehouden met het opwekken van
acetonemie bij de melkkoe. Hierbij zat het streven voor op elk gewenst
ogenblik te kunnen beschikken over acetonemiepatiënten. Dr. J. Elema
heeft de enzymatische veranderingen in het organisme van aan acetonemie
lijdende melkkoeien aan een nader onderzoek onderworpen, en daarmede
een nieuwe bijdrage geleverd tot onze kennis van het chemisme bij de
endogene vorming van acetonlichamen. Dr. 1. Mulder heeft aandacht
geschonken aan cle gestoorde energiehuishouding bij acetonemie, en daar-
bij in het bijzonder de functie van de onveresterde vetzttren als bron van
energie betrokken. Deze studie is van bijzondere betekenis omdat de ace-
tonemie is gekenmerkt door een relatief tekort aan gemakkelijk toegan-
kelijke bronnen van energie. De drie genoemde heren zullen van hun be-
vindingen, in het kader van deze Veterinaire Week, verslag uitbrengen.
De belangwekkende aspecten die de bestudering van de pensdigestie in
\\erband met het acetonemievraagstuk oplevert, waaraan mijn vroegere
medewerker B a a ij (1959) een uitvoerig onderzoek heeft gewijd, konden
onzerzijds in de laatste drie jaar niet verder worden uitgewerkt. Inmiddels
werd echter ook aan dit deel van het vraagstuk, door het verdienstelijk
werk van Van Adrichem (1962), hier te lande ruime aandacht ge-
schonken.

1  Prof. Dr. L. Seekles, hoogleraar aan cle Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat
172, Utrecht.

-ocr page 792-

Acetonlichamen.

Zoals reecis vroeger werd uiteengezet (Seekles, 1960) kent men vanouds
drie acetonlichamen, n.1. acctvlazijnzuur (CH3 - CO - CH, - COOHi,
;8-hydroxyboterzuur (CH3 - CHOÏI - CHo - COOH) en aceton (CH3 -
CO - CH3). Enkele jaren geleden heeft men in de pens van het rund nog
een vierde acctonlichaam gevonden, n.1. isopropylalcohol, ook propanol-2
genoemd (CH3 - CHOH - CH3). Op goede gronden neemt men aan dat
hij alle dieren acetylazijnziuu" het primair gevormde acctonlichaam van en-
dogene oorsprong is. Deze stof kan cloor reductie (binding van waterstof)
worden omgezet in /3-hyclroxyboterzmn\', en door decarboxylatie (verlies
van kooldioxyde) in aceton. Isopropylalcohol kan door oxydatie (verlies
\\an waterstof) overgaan in aceton.

Van de vier genoemde acetonlichamen hebben er in feite slechts twee
keton-eigenschappen, n.1. acetylazijnzuur en aceton. Het zijn deze beide
stoffen, waarop men in cle regel bij het kwalitatieve onderzoek van urine
of melk reageert, bijv. met de reacties van L e g a 1 of R o t h e r a. De beide
andere kan men langs indirecte weg aantonen, nl. door deze stoffen eerst
cloor oxydatie om te zetten in acetylazijnzuur, resp, aceton, maar in het alge-
meen laat men dit kwalitatieve onderzoek achterwege.

De kwantitatieve bepaling van acetonlichamen in bloed.

Bij de kwantitatieve bepaling van het totale gehalte aan acetonlichamen in
het bloed, cen methode van onderzoek die voor cle beoordeling van de
ernst van de stoornis onontbeerlijk is, worden alle acetonlichamen door
oxydatie en decarboxylatie omgezet in aceton, en als zodanig in gewichts-
hoeveelheden in 100 ml bloed uitgedrukt. Indien men inzicht wil ver-
werven in het aandeel dat acetylazijnzuiu\' plus aceton heeft in het geheel
der acetonlichamen, dan wordt de bepaling oj) soortgelijke wijze uitge-
N\'oerd, echter met weglating van hct oxydatieproces, O]) de betekenis hier-
van hojjen wij in een volgende publikatie terug te komen.
Tot voor kort bepaalden wij het totale gehalte aan acetonlichamen volgens
een door ons gewijzigde methode van Engfeldt (Pincussen,
1921). Hierbij werd als oxydatiemiddel een mengsel \\ an kaliumbichromaat
en zwavelzuur gebruikt. Het bij kooktemperatuur gevormde aceton werd
overgedestilleerd en in hct destillaat jodometrisch bepaald. Een bezwaar
van deze werkwijze was dat blijkbaar cen deel van het door oxydatie en
decarboxylatie gevormde aceton verder werd geoxydeerd voordat hct dc
rcactievloeistof kon vcilaten, waardoor de uitkomsten wat te laag uit-
vielen. Op zichzelf was dit in eerste instantie geen overwegend bezwaar,
indien men volstond met het uit\\oeren van een vergelijkend onderzoek.
Omdat n.1, de afwijking steeds in dezelfde richting wees, was onderlinge
vergelijking van bloedmonsters zeer wel mogelijk, mits de bepaling steeds
nauwkciuig op dezelfde manier ])laats vond. Dit laatste leverde nog wel
eens moeilijkheden op, vooral ook omdat de destillatietijd — slechts 10
minuten -- vrij kort moest zijn om al te grote wisselingen in de uitkomsten
te voorkomen. Geheel bevredigend was deze werkwijze uiteraard niet,
zodat voor nauwkeuriger onderzoek werd omgezien naar een betere me-
thode.

Door het mengsel van kaliumbichromaat en zwavelzuur, waarvan het oxy-
derend vermogen zeer stei k is, te vervangen door een mengsel van kalium-

-ocr page 793-

bichroniaat en fosforziuu\', waarvan het oxyderend vermogen aanzienlijk
kleiner is, is het gelukt het bo\\envennelde bezwaar — „verlies"\' van ace-
ton gevormd uit acetylazijnzuur en /?-hydroxyboterzuur — grotendeels te
ondervangen. Slechts voor de bepaling \\an isopropylalcohol is de „oude"
methode beter dan de „nieuwe". (Zic verderop.)

Voorschrift voor de verbeterde bepaling van acetonlichamen in bloed.
Reagentia (voor zover mogelijk „pro analysi") :

a. zetmeeloplossing 1%;

b. natriumthiosulfaat 0.1 n : 0.1 g mol. .XaaSaOa.SH-iO, d.i. 24.822 g — dus rond
25 g — oplossen tot 1 liter; de juiste titer van deze oplossing moet, nadat deze
8 a 14 dagen onder afsluiting van dc lucht is bewaard, worden gesteld; voor de
jodomctrischc titratie van het overgedcstilleerde aceton (zie uitvoering) wordt de
0.1 n oplossing van natriumthiosulfaat vooraf 1 : 10 verdund met uitgekookt
gedcst. water, dat men heeft laten afko(4en onder uitsluiting van kooldioxyde van
de lucht, door gebruik te maken van een op dc kolf bevestigde stop, voorzien van
een buisjes gevuld met natronkalk;

c. kaliumbichromaatoplossing: 5 g kaliumbichromaat met gedcst. water tot 250 ml;

d. fosforzuur 85% (s.g. 1.71);

e. natriunihydroxydc oplossing 50%; 50 g natriunihydroxydc met gedcst water tot
100 ml;

f. jodium 0.1 n ; 25 g kaliumjodide en 12.7 g jodium in gedcst. water tot 1 liter;
deze oplossing wordt iedere dag met gedcst. water 1 ; 10 verdund;

g. zwavelzuur 20% ;

h. zwavelzuur 1/12 n;

i. natriumwolframaat 10%; indien nodig, kan men het zout als volgt zuiveren;
100 g natriumwolframaat wordt tot verzadiging opgelost in warm, gedestilleerd
water; deze warme oplossing filtreert men door ccn glasfilter en men brengt het
filtraat in centrifugebuizen; daarna voegt men zove(4 zuivere alcohol (96%) toe
tot bij omroeren een dik neerslag ontstaat: men centrifugeert gedurende 15 min.
bij .3000 toeren en schenkt de bovenstaande vloeistof af; het sediment wordt op-
gelost in gedcst. water, opnieuv»^ wordt alcohol toegevoegd, geroerd en gecentri-
fugeerd : deze handeling wordt nogmaals herhaald ; het neerslag brengt men over
in een porccleinen schaal, men dampt in op het waterbad tot droog (op het eind
goed roeren om het natriumwolframaat los tc houden) ; daarna droogt men in een
droogstoof bij 105° C na.

Glaswerk enz.

Erlenmeyers van 100 ml met ingeslepen stop; trechters 0 ca. 8 cm: pipetten: 1 ml,
2 ml, 5 ml, 15 ml (.geijkt), 10 ml, 20 ml, 40 ml; platbodemdestilleerkolven 100 ml
met slijpstuk (bijv. .\\.S. 29); rondbodcirikolven 100 a 150 ml met slijp.stuk (bijv.
N.S. 29) ; gla.sfilter nr. Jcna 3G4; vouwfiltcrs 0 15 cm Schleicher & Schüll nr. 595;
buret van 15 ml, verdeeld in 0,1 ml.

Uitvoering.

Bloed; ca. 100 ml bloed uit de halsader opvangen in een flesje dat 200 mg gepoederd
kaliumoxalaat bevat: terstond goed zwenken; indien men de voorkeur geeft aan een
kaliumoxalaatoplossing in plaats van het droge poeder, dan kan men dezelfde hoe-
veelheid bloed opvangen in een flesje waarin zich 0.6 a 0.7 ml van een verzadigde
oplossing van kaliumoxalaat bevindt. (De fout die men hierbij maakt is verwaar-
loosbaar klein.)

-ocr page 794-

In een Erlenmeyerkolf van 100 ml met ingeslepen stop brengt men achtereenvolgens
40 ml 1/12 n zwavelzuur en 5 ml bloed; na goed mengen wacht men tenminste 5 min.
(volledige hemolyse). Vervolgens voegt men toe 5 ml 10% natriumwolframaat-
oplossing. Goed schudden, daarna filtreren door droog vouwfilter 0 15 cm. Het fil-
traat moet helder en kleurloos zijn.

Bij het verrichten van serie-onderzoek is het aan te bevelen een aantal destillatie-
toestellen vooraf .gereed te maken. Men brengt hiertoe in een destilleerkolf van 100
ml, voorzien van een normaal slijpstuk, en aangesloten op een kofder met allonge,
5 ml van de kaliumbichromaatoplossin.g, 10 ml fosforzuur on enkele kooksteentjes
(siliciumcarbide). Onmiddellijk voordat de destillatie kan beginnen voegt men 20 ml
bloedfiltraat toe en sluit de destilleerkolf. (Indien men de totale hoeveelheid acetyl-
azijnzuur plus aceton, dus zonder /3-hydroxyboterzuur, wenst te bepalen, neme men
5 ml water in plaats van 5 ml kaliumbichromaatoplossing.)

Als ontvanger van het destillaat dient een rondbodemkolf van 100 a 150 ml inhoud,
waarin 2 ml 50% natriumhydroxyde-oplossing en 15 ml 0.01 n jodiumoplossing.
Men plaatst de ontvanger in een bekerglas, gevuld met ijs en water.
Men destilleert precies 30 minuten met kleine vlam en spoelt daarna koeler en allonge
met water uit. De ontvanger met inhoud wordt vervolgens afgesloten en gedurende
15 min. bij kamertemperatuur in het donker bewaard. Tenslotte voegt men 10 ml
zwavelzuur 20% toe en titreert langzaam m.et 0.01 n natriumthiosulfaatoplossing tot
lichtgele kleur. Na toevoeging van ca. 0.5 ml zetmeeloplossing titreert men verder
tot kleurloos.

Een blanco-bepaling wordt op dezelfde wijze uitgevoerd, waarbij het bloedfiltraat is
vervangen door een gelijk volumen gedest. water. De tijdsduur van de destillatie be-
hoeft hierbij niet precies 30 min. te zijn. Het maakt geen verschil of raen de destil-
latie in bijv. 10 min. met een grotere vlam uitvoert.

Berekening.

1 ml 0.01 n jodium komt overeen met 0.0966 mg aceton. Men drukt het gehalte aan
totaal-aceton uit in mg per 100 ml bloed.

Voorbeeld:

In ontvangkolf 15 ml jodium 0.0098 n = 0.1470 m eq.

Voor blanco gebruikt 14.82 ml thio 0.0099 n = 0.1467 m eq.

0.0003 m eq.

In ontvangkolf 15 ml jodium 0.0098 n = 0.1470 m eq.

Verbruikt voor bepaling 11.13 ml thio 0.0099 n = 0.1100 m eq.

0.0370 m eq.

blanco 0.0003 m eq.

netto voor bepaling 0.0367 m eq.

(0-01 m eq. jodium = 0.0966 mg aceton)
3.67 x 0.0966 mg aceton = 0.355 mg aceton in 2 ml bloed.
In 100 ml bloed dus 50 x 0.355 = 17.8 mg aceton.

Toetsing van de juistheid van de bepahngsmethode voor de vier aceton-
lichanien.

De toetsing van de juistheid van de bepalingsmethode met behulp van het
oxydatiemengsel kaliumbichromaat met fosforzuur geschiedde allereerst
raet ingewogen hoeveelheden van de vier acetonlichamen afzonderlijk.
Daarna werd in mengsels van bekende samenstelling nagegaan hoeveel van
het totaal aan ingewogen stoffen werd teruggevonden. In een aantal bloed-
monsters van acetonemiepatiënten werden voorts de uitkomsten, verkregen
met de „nieuwe" methode (kaliumbichromaat plus fosforzuur) vergeleken

-ocr page 795-

met die, verl;regen met de „oude" methode (l<aliumbichromaat) plus
zwavelzuur).

(Bij de „oude" methode bedraagt de destillatietijd precies 10 minuten. Het
oxydatiemiddel (c\') bestaat uit een mengsel van 10 g kaliumbichromaat
en 100 ml geconcentreerd zwavelzuur, aangevuld met gedest. water tot
500 ml. Van dit mengsel gebruikt men voor elke bepaling 10 ml, waaraan
men bovendien nog toevoegt 1 ml 20% zwavelzuur.)

üeze en nog andere controlebepalingen gaven de volgende uitkomsten,
(a, b, c)

a. Bepaling van het gehalte aan aceton in, of gevormd uit, de zuivere
stoffen: aceton, acetylazijnzuur, j3-hydroxyboterzuur en isopropylalcohol.

Na inweging van de zuivere stoffen en verdunning met gedestilleerd
water werden de destillaties, met en zonder oxydatiemiddel, uitgevoerd
met hoeveelheden stof equiv alent met ca. 25 mg totaal-aceton in 100 ml
„bloed". Dit betekent dat iedere bepaling werd uitgevoerd met een hoe-
veelheid stof welke aanwezig is in 2 ml „bloed" (20 ml „bloedfiltraat"

2

verdund 1:10"). Deze hoeveelheid is dus equivalent met 25 x -

1 Ut)

= 0.5 mg aceton.

Uit de talrijke door ons genomen proeven hebben wij een keuze gemaakt.
De meest representatieve uitkomsten zijn opgenomen in tabel 1.
Zoals te verwachten was, levert de bepaling van aceton weinig moeilijk-
heden op. Zowel volgens de „oude" als volgens de „nieuwe" oxydatie-
methode, en zelfs zonder toevoeging van een oxydatiemiddel, zijn de
opbrengsten zeer bevredigend: tot ca. 95%.

Omdat inmiddels was gevonden dat de „oude" methode voor de bepa-
ling van /3-hydroxyboterzuur geen goede resultaten oplevert, werden
voor de bepaling van acetylazijnzuin- slechts de „nieuwe" methode, en
de werkwijze zonder toevoeging van een oxydatiemiddel, beproefd. Eerst-
bedoelde methode levert een opbrengst van ca. 93% op indien de des-
tillatietijd wordt verlengd tot 30 minuten. Wel bestaat er blijkbaar een
betrekkelijk sterke remming bij het ovcrdestilleren van aceton wanneer
er alleen zwavelzuur wordt toegevoegd: opbrengst ca. 56-71%, afhan-
kelijk van de destillatietijd. Met fosforzuur zonder oxydatiemiddel is
daarentegen de opbrengst goed (tot ca. 92%), mits er 30 minuten wordt
gedestilleerd.

De oxydatie van /?-hydroxyboterzuur gaf, conform de verwachting, de
grootste moeilijkheden. Bij toepassing van de „oude" oxydatiemethode
bleek de opbrengst sterk afhankelijk te zijn van de hoeveelheid oxydatie-
middel die werd gebruikt. Bij gebruik van 5 ml van het mengsel c\' werd
de hoogste opbrengst (ca. 65%) verkregen, hetgeen nog zeer onbe-
vredigend is. Toepassing van de „oude" methode met bovendien een
hoeveelheid fosforzuur — 10 ml bleek het voordeligste te zijn — gaf
een opbrengst van ca. 95%. Doch ook volgens de „nieuwe" methode,
zelfs met weglating van zwavelzuur, werden bevredigende uitkomsten
verkregen (94%).

(Met kaliumpermanganaat of cerisulfaat, beide gecombineerd met
zwavelzuur, werden zeer onbevredigende opbrengsten verkregen, resp.
tot ca. 23 en ca. 3%.)

-ocr page 796-

Bepalingen van „aceton" in ingewogen hoeveelheden van de zuivere aceton-
lichamen opgelost in water, in een hoeveelheid equivalent met ca. 25 mg
totaal-aceton in 100 ml bloed.

Ui
CTJ

oxydatie-
middel
c2) (ml)

oxydatie-
middel
c\'i) (ml)

teruggevonden

destillatie-
tijd (min.)

H3PO4 85%
(ml)

H2SO4 20%

(ml)

Opmerkingen

Stof

Aceton^)

10

1

10

92.5

Duplobcpalingen tonen

5

_

10

10

93.5

zeer goede

_

5

10

30

94.0

overeenstemming

_

__

10

10

94.3

10

30

94.9

Acetyl-

1

10

56.4

azijnzuur\'\')

1

30

70.9

Duplobcpalingen

10

10

87.7

tonen verschillen

_

_

—.

10

30

91.6

van enkele procenten

_

5

10

10

87.4

—.

—.

5

10

30

92.9

/3-hydroxy-

1

1

10

11.3

boterzuur"

2

1

—■

10

32.1

3

1

__

10

45.3

4

1

_

_

10

63.5

Duplobcpalingen

5

1

,

10

65.1

tonen zeer goede

6

1

_

10

62.5

overeenstemming.

7

8

1

1

10
10

58,4
51.1

Toevoeging van 20 of 40
ml water extra, en ver-

9

1

_

_

10

47.6

lenging van de destillatie-

10

1

_

_

10

41.1

tijd tot 30 min., verhoogt

20

l

__

10

17.7

de opbrengst slechts met

20

l

—•

30

20.3

enkele procenten

-ocr page 797-

3

1

30

66.2

5

1

-

1

30

82.6

5

1

2

30

86.4

Duplobepalingen

5

1

3

30

90.6

tonen zeer goede

5

1

4

30

87.8

overeenstemming.

5

1

- -

5

30

90.1

Een hoeveelheid van

5

1

6

30

88.7

10 ml fosforzuur levert

5

1

-

7

30

94.3

dc hoogste opbrengst.

5

1

8

30

90.8

5

1

9

30

95.0

5

1

10

30

95.5

5

1

20

30

91.7

5

10

30

91.3

5
5
10
15

10

20
20
20

30
30
30
30

94.0
94.0
94.2
94.5

Duplobepalingen
vertonen zeer goede
overeenstemming

20

20

30

94.5

Isopropyl-

10

1

10

89.3

Duplobepalingen

alcohol)

10

1

30

78.2

ver.schillen enkele

10

30

0

procenten

5

10

30

22.4

Mengsel Ia**)

5

10

30

90.9

Duplobepalingen

Sf

—•

—■

10

30

8.2

komen goed met

Mengsel Ib")

5

10

30

88.3

elkaar overeen

j>

10

30

48.2

Mengsel Ila»)

5

10

30

90.4

Du])lobepalingen

ti

10

30

13.2

komen goed met

Mengsel Ilb»)

5

10

30

91.5

elkaar overeen

>f

10

30

48.7

Voetnoten zie pag. 1566.

Ui
O)
Oi

-ocr page 798-

„oud" oxydatiemiddel (c\') : 10 g kaliumbichromaat en 100 ml geconcentreerd
zwavelzuur, aangevuld met gedest. water tot 500 ml.

„nieuw" oxydatiemiddel (c) : 5 g kaliumbichromaat met gedest. water tot 250 ml.

\'•\') Gemiddelde waarde uit 2 of meer bepalingen.

Aceton („AndaR"), gedestilleerd k.p. 56.6 - 56.8° C.

5) Als ethylacetoacetaat (B.D.H.), gedestilleerd 72-73° C (12,5 - 14 mm Hg); de
door hydrolyse gevormde ethylalcohol stoort
onder deze proef omstandigheden de
bepaling niet; bij latere proeven werd het lithiumacetoacetaat gebruikt, bereid
volgens Hall.

®) Als natriumzout. IH2O (B.D.H.), nagedroogd en chromatografisch onderzocht:
bleek homogeen te zijn.

\'\') Isopropylalcohol (AnalaR), gedestilleerd k.p. 82° C.

®) Mengsel Ia: 3 mg% totaal-aceton, verdeeld als volgt: 90% als /3-hydroxyboter-
zuur, 8% als acetylazijnzuur, 2% als aceton. Mengsel Ib: 3 mg totaal-aceton,
verdeeld als volgt: 50% als ,ö-hydroxyboterzuur, 40% als acetylazijnzuur, 10%
als aceton.

") Mengsel Ila: 30 mg% totaal-aceton, verdeeld als volgt: 90% als /3-hydroxy-
boterzuur, 8% als acetylazijnzuur, 2% als aceton. Mengsel Ilb: 30 mg% totaal-
aceton, verdeeld als volgt: 50% als /3-hydroxyboterzuur, 40% als acetylazijn-
zuur, 10% als aceton.

cn

-ocr page 799-

\'l enslotte bleek de ,,oude" methode voor de bepaling van isopropyl-
alcohol aanzienlijke betere uitkomsten op te leveren dan de „nieuwe"
methode: opbrengsten resp. 89 en 22%. Omdat echter de betekenis
van laatstgenoemde stof aanzienlijk achter staat bij die van ;8-hydroxy-
boterzuur, werd voorlopig met dit „verlies" genoegen genomen. Wel
ligt het in de bedoeling ook voor isopropylalcohol een bepalingsmethode
uit te werken die meer bevredigend is.

Als proef op de som werden volgens de „nieuwe" methode proefmengsels
onderzocht bestaande uit aceton, acetylazijnzuur en jS-hydroxyboter-
zuur in wisselende verhouding, en tot een gehalte van 3 en 30 mg%
totaal-aceton --- te vergelijken met bloed \\ an normale koeien en van
acctonemiepatiënten. In deze proefmengsels werd ca. 91% terugge-
vonden, hetgeen zeer bevredigend is.

h. Invloed van de glucose-concentratie van het bloed op de uitkomsten vol-
gens de „nieuuie" acetonbepaling.

Het is denkbaar dat bij cle inwerking van een oxydatiemiddel op glu-
cose vluchtige stoffen met reducerend vermogen ontstaan, die de ace-
tonbepaling kunnen storen. Naarmate het bloedsuikergehalte hoger is,
zou men een grotere storing mogen verwachten. Hij acetonemie van de
melkkoe doet zich echter de „gelukkige"" omstandigheid voor dat hct
glucosegehalte van het bloed niet is \\ erhoogd, doch verlaagd, zodat men
mag verwachten dat, indien glucose dc acetonbepaling stoort, deze sto-
ring in gevallen van acetonemie kleiner zal zijn dan in die gevallen,
waar het bloed een normaal of verhoogd gehalte aan glucose bevat.

Tabel 2.

Invloed van de glucose-concentratie van het bloed op de uitkomsten van
de „nieuwe" acetonbepaling (gehalten in mg%).

oorspron-

glucose-

totaal-

totaal-

stijging

stij.ging

kelijke

concentratie

aceton vóór

aceton na

glucose

aceton

glucose-

na

glucose-

glucose-

roncentratic

; toevoeging

toevocgin,g

tocvocging

van

glucose

A Laag

totaal-accton.gehaltc

61.6

212,2

4,0

5.2

150,6

1.2

58.9

190.6

3.8

5,2

131,7

1,4

49.2

186,4

5,1

6,4

137,2

1.3

51,5

194,1

4.4

5,8

142,6

1.4

B Hoog totaal-aceton.gehalte (natief of

na toevoe.ging

van aceton)

43,3

178,4

20,1

21,4

135,1

1.4

44,4

188,8

22,1

22,9

144.4

0.8

43,5

190,0

19,6

20.7

146,5

1,1

*) 37,1

192.3

26,8

27,9

155,2

1.1

44,0

195.2

23,0

24.2

151,2

1,2

*) zonder acetontoevocging (experimentele acetonemie)

-ocr page 800-

Voor deze controleproeven werd normaal runderbloed gebruikt, waar-
aan al of niet een extra-hoeveelheid glucose en (of) aceton werd toe-
gevoegd. De glucosebepaling \\ ond plaats volgens de gewijzigde methode
\\\'an H a g e d
O r n-J e n s e n (onteiwitting van het bloed met caclmium-
sulfaat plus natriumhydroxyde). In één ge\\al werd bloed gebruikt, dat
afkomstig was van een koe waarbij acetonemie experimenteel was o])-
gewekt (tabel 2).

Uit tabel 2 volgt dat zelfs bij een aanzienlijke verhoging van het ge-
halte aan glucose in het bloed de afwijking van het gehalte aan totaal-
aceton zo gering is, dat zij de diagnose ,,acetonemie" niet in gevaar kan
brengen. Er behoex en dus vooraf geen bijzondere maatregelen te wor-
den genomen om glucose te verwijderen.

c. Vergelijking van de uitkomsten verkregen mei de „oude" en met de
„nieuwe" be palingsmethode.

Omdat gevallen van tyjjische, jjrimaire acetonemie ontbraken, werd het
vergelijkend onderzoek uitgevoerd met het bloed van patiënten lijdende
aan een vorm van secundaire acetonemie. Dank zij de medewerking van
de Kliniek voor Heelkunde, waarvoor wij gaarne onze dank betuigen,
kregen wij de beschikking over bloedmonsters van 18 rimderen met leb-
maagafwijkingen, waarbij, zoals bekend is, acetonemie niet zelden een
bijkomstig verschijnsel is. (Tabel 3)

Tabel 3 toont dat de verschillen tussen de gevonden gehalten aan totaal-
aceton, bepaald volgens de „oude" en de „nieuwe" methode, en de
schommelingen van deze verschillen uitgedrukt in procenten van vol-
gens de „oude" methode vastgestelde waarden, het grootste zijn bij de
lage en matig verhoogde gehalten aan totaal -aceton in het bloed. Bij
bloed met sterker verhoogde gehalten aan totaal-aceton worden de ])ro-
centuele verschillen en de spreiding ervan kleiner. Ten dele kan dit ver-
klaard worden uit onvermijdelijke titratiefouten die bij absoluut kleinere
hoeveelheden een grotere invloed uitoefenen dan bij grotere kwanti-
teiten. Maar bovendien is er de omstandigheid dat, naarmate het ge-
halte aan acetonlichamen lager is, de methodische fout nog om een
andere reden -- in het bijzonder bij de „oude" bejjaling — toeneemt.
Immers, bij deze methode, waarbij cen oxydatiemengsel met een groot
oxyderend vermogen gedurende een betrekkelijk korte tijd (10 minu-
ten) inwerkt, zal een klein verschil in oxydatietijd een grotere invloed
kunnen uitoefenen oj) de o.xydatieve destructie van een deel van het ge-
vormde aceton, dan bij de „nieuwe" methode, waarbij een oxydatie-
mengsel met een kleiner oxyderend vermogen wordt gebruikt, terwijl
een zelfde verschil in oxydatietijd op de totale duur van de langere
oxydatie (30 minuten) dan minder uitmaakt. \\\'oor een ander deel kun-
nen de waargenomen verschillen berusten op wisselende hoeveelheden
isopropylalcohol, welke stof — zoals reeds werd vermeld — in tegen-
stelling tot acetylazijnzuur en (8-hydro.xyboterzuur, nauwkeuriger vol-
gens de „oude" dan volgens de „nieuwe" methode kan worden be-
paald. Omdat echter, voor zover wij thans zien kunnen, isopropyl-
alcohol in betekenis vèr achter staat bij acetylazijnzuur en (S-hydroxy-
boterzuur in het kader van het acetonemievraagstuk, menen wij ge-
rechtigd te zijn aan de „nieuwe" methode de voorkeur te moeten geven.

-ocr page 801-

en de „nieuwe\'

]\'ergelijking van de uitkomsten (mg% totaal-aceton) volgens de „oude\'
methode in bloed van acetonemiepatiënten.

„Oude" methode

„Nieuwe" methode

verschil

(KaCriOT H2SO.1)

(KaCraOT H3PO.1)

mg% % van de

„oude"

waarde

Laag totaal-acetongehalte

1.6

3.0

4-

1.4

88

2.0

3.1

1.1

55

2.0

6.4

-1-

4.4

220

2.8

5.4

4-

2.6

93

2.8

5.6

2.8

100

3.6

7.8

-1-

4.2

117

B

Matig

verhoogd totaal-acetongehalte

4.3

8.1

-t-

3.8

88

4.5

7.5

4-

3.0

67

5.4

13.3

4-

7.9

146

5.7

8.5

2.8

49

6.3

14.6

8.3

132

6.6

12.4

-1-

5.8

88

7.8

16.0

8.2

105

8.2

10.8

2.6

32

C

Steike:

r verhoogd totaal-acctongchaltc

10.8

16.7

-f

5.9

55

11.7

14.9

4-

3.2

27

16.7

22.0

4-

5.3

32

23.5

33.7

4-

10.2

43

Wèl achten wij het noodzakelijk dit vraagstuk nog nader te onderzoeken
aan de hand van bloedmonsters afkomstig \\-an patiënten, lijdende aan de
ty])ische, primaire vorm van acetonemic.

Bespreking van de uitkomsten.

Door het tot voor kort gebruikelijke oxydatiemiddel, bestaande uit kalium-
bichromaat en zwavelzuur, te vervangen door een oxydatiemiddel be-
staande uit kaliumbichromaat en fosforzuur, werden bij de jodometrische
bepaling van het overgedestilleerde aceton aanzienlijk hogere waarden
gevonden. Het bleek dat ca. 90-95% van de drie acetonlichamen acetyl-
azijnzuur, ^-hydroxyboterzuur en aceton wordt teruggevonden. Glucose
stoort de bcisaling niet. Voor het vierde acetonlichaam isopropylalcohol
levert de nieuwe oxydatiemethode echter aanzienlijke lagere waarden aan
aceton dan de oude. In afwachting van de uitwerking van een methode die
het mogelijk maakt om ook laatstgenoemde stof op meer bevredigende

-ocr page 802-

wijze kwantitatief te bepalen, achten wij het verantwoord hij de bestude-
ring van het acetonemie-vraagstuk reeds thans over te gaan tot de toepas-
sing van de nieuwe bepalingsmethode voor „totaal-aceton".
^Vij hebben er vroeger reeds op gewezen (Seekles, 1960) dat er, naast
de vier genoemde acetonlichamen, waarschijnlijk nog andere stofwisselings-
jjrodukten zijn die, in gevallen van klinische of sub-klinische acetonemie,
in verhoogde concentratie in bloed en weefsels, en in de lutscheidings-
produkten aanwezig zijn, en die daardoor mede het karakter van de ace-
tonemie in chemisch en wellicht ook in klinisch opzicht bepalen. Zo is bijv.
de kenmerkende geur die de patiënten — hetzij mens of dier — ver-
spreiden, nog niet op geheel bevredigende wijze te correleren met de be-
kende acetonlichamen. Op theoretische gronden is o.m. dc vorming van
butylalcoholen, althans in dc pens, niet onwaarschijnlijk. Ook ten aanzien
van het klinische beeld, zoals dit bijv. tot uitdrukking kan komen in een
meer of minder uitgesproken toestand van sufheid, dan wel \\an excitatie,
ontbreekt het inzicht in het samengaan van deze verschijnselen met de
aanwezigheid in bloed en weefsels van stoffen met een neurotrope wer-
king. Er zijn in dit verband reeds vorderingen gemaakt ten aanzien van
het onderzoek naar het naast elkaar voorkomen van acetylazijnzuur en
aceton, een onderzoek dat voor de diagnostiek van belang kan zijn. Wij
hopen hierop binnenkort terug te komen.

Dankbetuiging.

Gaarne betuigen wij onze dank aan Dr. II. J. Hendriks voor de verzorging van
de bloedmonsters en aan Mejuffrouw VV. K 1 a z i n g a, analyste A, voor de hulp
verleend bij het analytiseh-chemiscb onderzoek.

SAMENVATTING.

\\\'oor de kwantitatieve bepaling van aeetonliehamen in het bloed werd een methode
uitgewerkt die berust op dc oxydatie van deze stoffen met behulp van kaliumbichro-
maat en fosforzuur - in plaats van het vroeger gebruikelijke kaliumbichromaat en
zwavelzuur, waarbij verliezen optraden - - gevolgd d
(K)r jodomctrischc titratie van het
overgedcstilleerde aceton. Van acetylazijnzuur, /3-hydroxybotcrzuur en aceton wordt
op deze wijze ca. 90-95% teruggevonden. Glucose stoort dc ocpaling niet. Voor iso-
propylalcohol levert echter de oxydatie met kaliumbicromaat en zwavelzuur betere
resultaten op dan de oxydatie met kaliumbichromaat en fosforzuur. Er wordt met
behulp van de beide genoemde methodes van deze stof rcsp. ca. 90% en ca. 22%
teruggevonden. Omdat echter, voor zover wij thans kunnen zien, isopropylalcohol in
betekenis ver achter staat bij acetylazijnzuur en /J-hydroxyboterzuur, in het kader
van het acetonemie-vraagstuk, menen wij gerechtigd tc zijn aan dc nieuwe oxydatie-
methode met kaliumbichromaat cn fosforzuur dc voorkeur te geven.

SUMMARY.

For the quantitative determination of acetone bodies in blood a method has been
worked out based on the oxidation of these compounds with a mixture of potassium
bichromate and pho,sphorir acid, destination of the acetone formed and iodometric
titration of total-acctone in the destillate. In this way about 90 to 95 percent of the
amount of acetoacetic acid, /3-hydroxybutyric acid and acetone is recovered, whereas
the oxidation by means of the mixture of potassium bichromate and sulphuric acid
hitherto used gives considerable losses. Glucose dcx-s no interfere. For isopropyl
alcohol recovery is only 22 percent when oxidized with potassium bichromate and
phosphoric acid, and about 90 percent with the mixture of potassium bichromate
and sulphuric acid.

-ocr page 803-

However, since the importance of isopropyl alcohol in relation to the acetonaemia
problem is inferior to that of acetoacetic acid and /3-hydroxybutyric acid, we feel
justified in recommending the new oxidation procedure with potassium bichromate
and phosphoric acid for research work in acctonacmia,

RÉSUMÉ.

Pour la détermination du teneur en corps cctonic]ucs dans le sang on a développe
une méthode basée sur l\'oxydation au moyen d\'une mixture de bichromate de pot-
assium et d\'acide phosphorique, destination de l\'acétone formée et titration iodomé-
trique de l\'acétone-totale dans le destillat. Selon cette méthode on retrouve 90 à 95
pour cent du taux cn acide acéto-acétique, acide j8-hydroxy-butyrique et acétone.
L\'oxydation au moyen de la mixture de bichromate de potassium ct d\'acide sulfurique
appliquée jusqu\'à présent donne des pertes considérables. Quant à l\'alcohol isopropy-
lique l\'oxydation au moyen de la mixture de bichromate de potassium et d\'acide
phosphorique donne des résultats peu satisfaisants c.-à-d. 22 pour cent, tandis qu\'on
obtient environ 90 pour cent à l\'aide dc la mixture de bichromate de potassium ct
d\'acide sulfurique.

En cc qui concerne l\'acétonémie l\'importance dc l\'alcohol isopropylique est inférieure
à celle dc l\'acide acéto-acétique et l\'acide ^-hydroxybutyrique. C\'est pourquoi on est
jusdfié à recommander la nouvelle méthode d\'oxydation au moyen de la mixture de
bichromate de potassium et d\'acide phosphorique pour les recherches dans le do-
maine de l\'acétonémie.

ZUSAMMENFASSUNG.

l\'Or die quantitative Bcstinmiung der Azetonkörper im Blut wurde eine Methode aus-
gearbeitet, gegründet auf die Oxydation mit einer Mischung von Kaliumbichromat
und Phosphorsäure, Destillation des gebildeten Azetons und jodometrische Titration
des Gesamtazetons im Destillat. In dic.scr Weise wird 90 bis 95% der Gesamtmenge
an .\\zetcssigsäurc, /3-Hydroxybuttcrsäurc und .\\zcton zurückgefunden. Glykosc stört
nicht. Bei der Oxydation mittels der üblichcn Mischung von Kaliumbichromat und
Schwefelsäure zeigen sich erhcblichc Verluste, Vom Lsopropylalkohol wird nach dem
neuen Oxydationsverfahren nur etwa 22% zurückgefunden, was im Vergleich mit
dem Resultat des alten Verfahrens (Kaliumbichromat und Schwefelsäure), etwa
90%, zu niedrig ist. Weil jedoch die Bedeutung des Isopropylalkohols im Rahmen
des Azetonämicproblems zurücksteht hinter der ,Azctcssig,säurc und /?-Ilydroxybuttcr-
säure, glauben wir berechtigt zu sein die Anwendung des neuen Oxydationsverfahrens,
mittels Kaliumbichromat und Phosphorsäure, bei Untersuchungen über ,\'\\zctonämie
zu empfehlen,

LITER.VFUUR

Adrichem, P. W. M, van: De invlocd van het voedcr op enigc fermcntatie-
produkten in dc pens van normale runderen cn van acctonacmiepatientcn, Proef-
schrift, Utrccht 1962,
B a a ij, P, K, : Enkele aspccten van de pensdigestie bij runderen in verband met

acetonemic, Proefschrift, Utrecht 1959,
Hall, L, M,:
Analytical Biochemistry, 3, 75, (1962).
P i n c u s s e n, L,: Mikromethodik (1921), 69,

Seekles, L, : Slepende melkziekte (Acetonemic); biochemische aspccten. Tijdschr.
Diergeneesk.,
85, 1478, (1960).

-ocr page 804-

Hef opwekken van acetonemie bij het rund.

Provoking acetonaemia in cattle.

door II. J. HENDRIKS1)

Uit het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie van
de Faculteit der Diergeneeskunde.

Het wetenschappelijk onderzoek van vele jaren in verschillende laboratoria
en instituten heeft, wat betreft de preventie en therapie van stotwisselings-
ziekten, geleid tot een aantal gunstige resultaten. Geheel tevreden kunnen
we echter nog niet zijn. Het wordt steeds meer duidelijk, dat het voor een
adequate behandeling der dieren noodzakelijk is om de pathogenese der
afwijkingen grondig te kennen.

Eén van de problemen, waar we voor gesteld zijn, is de slepende melk-
ziekte. In 1962 zijn we meer doelbewust begonnen - in bescheiden vorm -
met proeven op dit gebied. In het kader van een laboratoriumwerkgroep
was het de taak \\an de schrijver om een zodanige methode te vinden, dat
wij op elk gewenst ogenblik zouden kunnen beschikken over patiënten,
lijdende aan slepende melkziekte.

Bij de proefopzet zijn we uitgegaan van de gedachte, dat deze ziekte langs
nict-medicamenteuze weg bestreden kan worden door een voeder te ver-
strekken, dat arm is aan ruw eiwit cn rijk aan koolhydraten. Door nu onze
proefdieren vanaf ongeveer 3 tot 4 weken vóór de partus 8 kg zg. E-koek
per dag te geven met, als alle koeken zijn opgenomen, hooi naar behoefte
en door dadelijk nä de partus dit rantsoen te verminderen tot 3 kg E-kock
en 1 kg hooi, alles per da.g, ontstond in het merendeel der gevallen na
kortere of langere tijd een uitgesproken acetonemie.

De samenstelling van de E-koekjes, die in 1962 werden gebruikt was als
volgt:

20 % gemalen lijnkoek
1
7,5% soyaschroot
25 % katocnzaadschroot
5 % grondnotenschroot RE ±37%
5 % negerzaadschilfers VRE 32%
15 % sovabonen RV ±5%

1 % zout ZW 64

2,5% mineralen
9 % melasse

De E-koekjcs, die in 1963 werden gebruikt waren als volgt samengesteld:
10 % lijnkoek
25 % katoenzaadschilfers
15 % soyabonen
5 % sesamschilfers
30 % soyaschroot RE ± 36%

2,5% maïs VRE dr 32%

2,5% mineralen RV ±: 5,4%

1 % zout ZW 65,8

9 % melasse

1  Dr. H. J. Hendriks, wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 805-

Het rantsoen dat verstrekt werd vóór de partus was in energetiscli opzicht
voldoende. Het rantsoen dat na de partus werd gegeven kwam in energe-
tisch opzicht niet aan de norm en was wel 60-75% te laag.1)

V I

\\ A r
\\ / \\ /

V

V

Grafisch overzicht van het verloop der concentraties aan glucose en aceton-
lichamen in het bloed van „Petra" en „Janneke"

A O».

"7 i l 7 ï i Tö Ti Ti 13 u ts 16 ï? ï» 19 JÖ 21 iiTn 2* 25 2S

INA (8i,.rM9S2 --/

voerdiir»t 30 dtgrn

ïi?

Grafisch overzicht van het verloop der concentraties aan glucose en aceton-
lichamen in het bloed van „Astra" en „Ina"

1  Voor de berekeningen zijn we Drs. K. K. van Hellemond veel dank ver-
sehuldigd.

-ocr page 806-

Zowel de proeven \\an 1962 als die van 1963 moeten beschouwd worden
als inleidende proeven. In de volgende jaren zullen we deze op grond van
de verkregen resultaten nog uitbreiden en aanvullen.

In beide eerder genoemde jaren bepaalden we de concentratie aan glucose
in de bloedmonsters volgens de methode van Hagedorn - Jensen
na onteiwitting \\an het bloed volgens F u j i t a en I w a t a k e. De con-
centraties aan acetonlichamen werden bepaald volgens de methode, die
hiervoor reeds uiteengezet is door Prof. Seekles.1)

De proef in 1962 werd uitgevoerd met 4 koeien (figuren 1 en 2), In 3
van de 4 gevallen werd een duidelijke stijging gevonden in de concen-
tratie van acetonlichamen en een daling van het glucosegehalte van het
bloed. Rij de ])ijl gemerkt met „Ib" werd leverbiopsie gedaan. Een enkele
maal vonden we na de biopsie een tijdelijke normalisatie der gehalten aan
glucose en acetonlichamen. Dit is waarschijnlijk het gevolg van het ver-
strekken van veel hooi, hetgeen noodzakelijk is om een behoorlijke pens-
vulling te krijgen, waardoor de lever tegen de buikwand gedrukt wordt.
Hierdoor wordt het nemen van het levermonster vergemakkelijkt.
Opgemerkt moet worden, dat bij „Petra" na de leverbiopsie een blijvend
herstel van de normale glucose- en acetonlichamenconcentratie werd
waargenomen, hoewel het experimentele voeder werd gegeven. Bij „Ina"
werd later eveneens een herstel gezien. Bij deze koe werd dit waarschijn-
lijk veroorzaakt door bepaalde experimentele ingrepen, zoals een infuus
met glucose en het verstrekken van i5ro])yleeng!ycol.

In 1963 werd de proef slechts weinig gewijzigd voortgezet. Om het aan-
tal variabelen te beperken, werden de gluco.seïnfusen niet gegeven. In deze
periode gebruikten we 7 koeien.

Bij één der proefdieren werd in het geheel geen acetoncnue gevonden. De
oorzaak hiervan is niet duidelijk. Opgemerkt moet echter worden, dat
deze koe na het afkalven een ernstige mastitis had aan alle kwartieren.
Door de ijchandelende medewerker van het Instituut Buitenpraktijk werd
gesteld, dat het niet onmogelijk is, dat deze mastitis bij dc aankoop, enkele
weken \\óór de partus, reeds in latente \\-orm aanwezig was. Voorshands
willen we een relatie tussen deze mastitis en het uitblijven van de ge-
wenste resultaten niet uitsluiten.

In een ander geval, dat hier overigens onbesproken blijft, werd een matige
acetonemie waargenomen (laagste concentratie aan acetonlichamen
4,9 mg%, hoogste waarde 10,3 mg%). Deze koe was een koopkoe, die
eerder kalfde dan verwacht werd. Dc voorpcriodc, waarin het dier 8 kg
E-koek kreeg, was daarom slechts 11 dagen.

De overige 4 koeien (zie fig. 3 en 4) reageerden goed. Bij de koe „Wilma"
(fig. 3) werd in de rechterachtertepel op 2 april 1963 een canule inge-
bracht, daar deze tepel verstopt was. De glucoseconcentratie in het bloed
steeg daarna en die der acetonlichamen daalde, hoewel het voederregime
gehandhaafd werd. Bij de proefdieren „Klara" en „Marga" werden de
gehalten aan glucose en acetonlichamen [Das normaal na het verstrekken
van gewoon wintervoeder. De gestippelde pijl betekent, dat door middel
van hooivocdering de pioefclieren voorbereid werden o]) de leverbiopsie.
Deze kon door omstandigheden echter niet doorgaan.

1  Voor de accurate uitvoering der bepalingen danken wij Mej. W. Klazinga
en Mej. H. J. v. d. M o 1 e n.

-ocr page 807-

KORA II (Sjaar) 19S3
voordiert H dagen

*--glucos*

O--acetonlichamm

;-60
r..

2J 24 2S 26 27 2a 29 X 2 3 7 13

11 \\7 13 U IS 16 17 18 2Q

WILMA ( 2 iaar) 1963
veordlirrt « <J»g»n

«iF-\'---

12 22 23 24 25 26 27 29 29 30 31 J. 2 3 t 5 6 7 8 9 10 11 12 13 U 16 19
II III IV

Grafisch overzicht van het verloop der concentraties aan glucose en aceton-
lichamen in het bloed van ,,Kora
11" en ..Wilma"

5. 8 11 19 22 26 29 30 J_ 2 3 < 5 6 7 B 9 10 11 12 13 U IS 16 20 2< 30

Grafisch overzicht van het verloop der concentraties aan glucose en aceton-
lichamen in het bloed van ,,Klara" en ^.Marga"

-ocr page 808-

LENA ( i ;aar) 1963

80

iO

^ 5

voor^irrl <1 dès»«
«lucotr

70

}S

V 1

O—»c»loMithim»n

30
7$

E X

/

/

/

z

20

1

9 30

i

20

10

-------

,0----

------0-\'

-------------^-----^

\\

\\

10

5

O O

_____O-\'\'

11 IJ u li 16 lï H 19 iO Ï1 22 23 2i 2S 21 27 ïl Ï9 ÏO 31 J_ 2 3

Grafisch overzicht van het verloop der concentraties aan glucose en aceton-
lichamen in het bloed van „Lena"

De proef met de koe „Lena" (fig. 5) is pas kort geleden afgesloten. Het
proefdieet heeft in dit geval een matig resultaat gehad.
In het algemeen kan gezegd worden dat er nauwelijks klinische verschijn-
selen zijn waargenomen. Een enkele koe („Ina"" en „Kora H") was suf
en „Klara" was enigermate geëxciteerd. De melkproduktie daalde door
de proef. Wij kregen de indruk, dat de koeien gevoelig waren voor mas-
titis.

Overzien we de residtaten van deze inleidende proeven, dan kunnen we
dus nog niet zeggen, of de door ons opgewekte stofwisselingsafwijking een
echte hongerketose is of een afwijking, die verwant is aan slepende melk-
ziekte.

De argumenten tegen cle op\\atting, dat cle heschre\\en acetonemie een
hongerketose is, zijn:

1. een blijvend herstel van dc glucose- en acctonconccntratics in hct
bloecl na de leverbiojisie hij „Petra";

2. een blijvend herstel na het inbrengen van een canule in het tepelka-
naal bij ,,Wilma".

Aan beide koeien werd ook na het genoemde herstel het experimen-
tele voeder gegeven.
De argumenten
vóór de opvatting, dat cle opgewekte acetonemie een
hongerketose is, zijn:

1. cen blijvend herstel van cle aceton- en glucoseconcentraties in hct
bloed als normaal wintervoeder gcge\\en woiclt bij „Marga", ,,Klara"
en „Kora 11";

2. een tijdelijk herstel na een één- of tweemalige verstrekking van veel
hooi i.v.m. leverbiopsie („Kora 11", „Marga").

In het volgende seizoen zullen we de proeven voortzetten met koeien, die
enkele maanden voor de proef afgekalfd hebben. De factoren drachtig-
heid en partus schakelen we dan uit.

Enkele maanden vóór de partus en enkele weken na het afkalven werd
éénmaal per week een bloedmonster genomen, waarin de concentratie aan
vit. A en carotenen werd bepaald.*) Voor zover de resultaten uitgewerkt

"■) Deze bepalingen v/erden uitgevoerd door Dr. F. J. Mulder, N.V. Philips-
Duphar Researchlaboratorium te Weesp. Wij betuigen hieiAOor gaarne onze dank.

-ocr page 809-

zijn, is het duidelijk, dat in onze proeven nâ de partus in het algemeen
de concentraties van beide stoffen verlaagd zijn. Volgend jaar hopen vv\'e
na te gaan of dit ook het ge\\al is bij de kalfkoeien die dit experimentele
\\oeder niet krijgen.

S.AMENVATTING.

Door het bcschrcven vcK\'derregime is het ons gelukt, om acetonemie op te wekken
bij koeien.

Hierbij kregen de dieren \\xiór de partus een energetisch adequaat rantsoen, dat veel
eiwit (en vet) bevatte en dadelijk nâ de partus ongeveer hetzelfde rantsoen in dier
voege, dat de energiebehoefte slechts voor ongeveer 25% gedekt was.
De proeven werden uitgevoerd met 11 koeien. In één geval mislukte de proef (maxi-
male concentratie acetonlichamen kleiner dan 10 mg%), in 3 gevallen was het re-
sultaat matig (concentratie aan acetonlichamen was maximaal 10-15 mg%) en in
7 gevallen was het resultaat goed te noemen (concentratie aan acetonlichamen groter
dan 15 mg%).

Op grond van de verkregen gegevens was het niet mogelijk, uit te maken of hier
sprake was van hongerketose of van een afwijking die lijkt op slepende melkziekte,
of van beide.

SUMMARY.

.\\cetonacmia was induced in cows by a diet described in the paper. The animals were
given an energetically adequate ration containing large quandties of protein (and
fat) prior to parturition and a qualitatively similar ration following parturition, which,
however, covered about twenty-five per cent of the energy requirements. Eleven cows
have been used in the experiments. The experiment failed in one case, the maximum
concentration of acetone bodies being less thans 10 mg. per 100 ml. Results were fairly
good in three cases, the maximum concentration of acetone bodies varying from 10
to 15 mg. i)er 100 ml. and satisfactory in seven cases in which the concentration of
acetone bodies was more than 15 mg. per 100 ml. The results obtained did not make
it possible to decide whether the resulting condition was one of hunger ketosis, a
condition bearing a resemblance to acetonaemia, or both.

RfiSUMÉ.

A 1\'aide d\'un regime d\'aliments décrit dans l\'article on a réussi à provoquer une
acétonémic chez des vaches. Avant le vêlage les animaux recevaient une ration
énergétiqucment adéquate, contenant beaucoup de protéine (et de graisse) et immé-
diatement après à la cétose à peu près la même ration à tel point que le besoin
énergétique n\'était couvert que pour environ 25%. Les expériences étaient faites
avec 11 vaches. Dans un seul cas l\'expérience ne réussit pas (la concentration maxi-
male dc corps acétoniques était plus petite que 10 mg%), dans 3 cas le résultat était
médiocre (la concentration dc corps acétoniques était au maximum 10-15 mg%) et
dans 7 cas le résultat était bon (la concentration de corps acétoniques était plus
grande que 15 mg%). A la base des données acquises il n\'était pas possible de dé-
cider s\'il s\'agissait ici d\'une cétose de carence ou d\'un trouble ressemblant de lactation
à la cétose chronique, ou des deux.

ZUSAMMENFASSUNG.

Durch ein im .Artikel bcschiebcnes Futteregime ist es gelungen, Azetonaemie bei
Kühen zu erzeugen. Hierbei erhielten die Tiere vor dem Abkalben eine energetisch
adäquate Ration, die viel Eiweiss (und Fett) enthielt und oofort nach dem Partus
eine im qualitativem Sinn ähnliches in welches jedoch das Energiebedürfnis nur zu
ungefähr 25% gedeckt war. Die Untersuchungen wurden mit 11 Kühen durchgeführt.
In einem Fall misslang der Versuch (die maximale Konzentration an Azetonkörpem

-ocr page 810-

war kleiner als 10 mg9ó), in 3 Fällen war das Resultat nxässig (die Konzentration an
Azetonkörper betrug maximal 10-15 mg%) und in 7 Fällen wai das Resultat gut zu
nennen (die Konzentration an Azetonkörper war grösser als 15 mg%). Auf Grund
der erhaltenen Resultate war es nicht möglich festzustellen, ob hier von einer Hunger-
ketose, einer der Rinderazetonämic ähnlichen Störung oder von beiden die Rede war,

DISCUSSIE
Vraag: Drs, J. J. Knap e, Hengelo (O.),

1) Is bij stofwisselingsziekten het acetongehalte in het bloed bij runderen verhoogd,
daar vraagsteller meent bij in nood gedode melkziekte- en kopziekte-dieren een
„acetongeur" aan het vlees te kunnen vaststellen?

2) Na hoeveel tijd is het glucose- en acetongehalte in het bloed na de partus weder-
om normaal?

Antwoord:

1) Bij stofwisselingsziekten als kopziekte- en melkziekte kunnen de concentraties aan
acteonhchamen verhoogd zijn. Prof. Seekles heeft dit vele malen geconstateerd.
Men moet echter wel voorzichtig zijn bij het vaststellen of een bepaalde geur
die van aceton is. De ervaring leert, dat hierbij veel fouten gemaakt worden, al
neemt dit niet weg, dat er zeker personen zijn, die gevoelig zijn voor aceton.

2) Als met de tweede vraag bedoeld wordt hoe lang het duurt dat de glucose- cn
acetonlichamenconcentraties na een partus weer normaal zijn, dan kan gesteld
worden dat dit varieert van enkele uren tot 1 ä 2 dagen, m.a.w. zolang als de
stress van de partus blijft nawerken.

Wordt met de vraag bedoeld, hoe lan.g het duurt, dat in onze proeven de con-
centraties aan acetonlichamen en glucose weer normaal zijn, dan kan gesteld
worden, dat dit afhankelijk is van het dier. In sommige gevallen werden de con-
centraties pas dan normaal als normaal wintervoeder geg -ven werd. In andi rr
gevallen gebeurde dit eerder, bijv. na de leverbiopsie.

Vraag: Prof. A. M. F" r e n s. Hoorn.

Dr. Hendriks heeft zijn proefkoeien vóór de partus een nogal abnornuial rantsoen
ge,geven met zeer weinig hooi en buitengewoon veel eiwitrijk en zetmeelwaarderijk
krachtvoer. Heeft hij dc indruk dat deze bijzondere voedering vóór de partus cr toe
heeft medegewerkt, dat nä de partus op een energiearm rantsoen een verhoogd ge-
halte aan acetonlichamen en een verlaagd glucosegehalte in het bloed optrad?

Antwoord:

Inderdaad bestaat er de indruk dat het rantsoen vóór de partus medegewerkt heeft
aan het ontstaan van de acetonemie na de partus. Het is bekend, dat vette melk-
koeien gepredisponeerd zijn voor acetonemic. Door het vCK^dcr vóór dc partus werden
de dieren vet. Bij één koe, genoemd in de voordracht werd na de partus geen ace-
tonemie gevonden. Het voeder, dat normaal vanaf 3 ä 4 weTcen vóór de partus ge-
geven werd, kreeg dit dier slechts 11 dagen. Een acetonemie heeft zich niet ont-
wikkeld.

Vraag: Prof. H. van Gendercn, Utrecht.

Bij de behandeling van de invloed van de leverbiopsie op het glucosegehalte van het
bloed hebt U geen melding gemaakt van een mogelijke invloed van de bijnier die door
de „stress" van deze ingreep invloed op de glucose-huishouding kan hebben. Ver-
wacht U deze invloed in Uw gevallen niet?

Antwoord:

Een invloed van de „stress" bij de leverbiopsie op het glucosegehalte van het bloed
kan zeker bestaan. Gezien de proefopzet was het echter niet mogelijk om uit te

-ocr page 811-

maken of de gevonden verhoging van de glucose concentraües is ontstaan door het
verstrekken van veel hooi of door de invloed van „stress". Uit de resultaten van de
.gerefereerde proeven zijn we tot een nieuwe proefopzet gekomen. Hierbij zullen we
zeker een studie maken van het verloop van het aantal eosinofiele leucocyten tijdens
de proef. Hier
\\\'00r zullen de dieren eerst vrij van parasieten gemaakt dienen te
worden. Indien het ons lukt om daarnaast de concentratie aan metabolische produk-
ten van de bijnicrschorshormonen tc bepalen, dan zullen we ook het verloop hiervan
bestuderen. Op ons laboratorium zijn wij bezig om een geschikte chemisch-analytische
methode hiervoor tc vinden.

Vraag: Drs. .A. J. H. Schotman, Utrecht.

In verband met het niet passen van een koe met een mastitis in een proefreeks van
Dr. Hendriks dc volgende opmerking:

Aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten zijn enige acctonemiepatiënten „drooggezet"
onder gelijktijdige behandeling met een antibioticum. Het acetongehalte in het bloed
daalde binnen enkele dagen van vrij hoge waarden tot de normale waarde. De melk-
gift werd weer op peil gebracht door 3x daags melken.

Antwoord:

In dc voordracht is gesteld, dat wij een relatie tussen de genoemde mastitis en het
uitblijven van acetonemie niet uitsluiten. Daar dit slechts één geval betrof, hebben
wij cr niet verder over uitgeweid. Overigens is het naar onze mening zeer wel moge-
lijk, dat de vermindering van de melkproduktie door de mastitis een grote invloed
gehad heeft. Mogelijk is zelfs de vermindering van de melkproduktie bij slepende
melkziekte een compensatie, daar dan minder glucose nodig is voor de vorming van
melksuiker.

Meer melk door uiermassage.

Goede voorbehandeling van dc uier voor het melken betaalt zich zelf door meer melk,

die in kortere tijd wordt geproduceerd.

Proef.

.\\an de Universiteit van Missouri zijn 2 proeven genomen met 17 tweelingen, waar-
van bij de helft uiermassage werd toegepast.

Bij de eerste proef waarbij 5 paar tweelingen werden ingezet, gaven dc 5 gemasseerde
dieren 18% meer melk dan hun tweelingzusters. In dc tweede proef werden 12 paar
tweelingen gebruikt.

Van de helft werd dc uier 30 seconden vóórdat de machine werd aangezet, behandeld
met koud stromend water en massage met de hand. Dc behandelde dieren produceer-
den 32,8% melk en 32% vet meer. Tevens bleven dc behandelde dieren 47 dagen
langer in produktie. De melktijd was bij de behandelde dieren gemiddelde 2,9 min.
tegen 5,1 min. bij de onbehandelde.
Voorwaarden.

Belangrijk is dat binnen 2 minuten na dc behandeling de machine aangezet moet
zijn, omdat het laten schieten van de melk dan voorbij is. Als de wachttijd te lang is,
wordt de koe niet volledig uitgemolken.

Landbouwdoeumentatie, 19, 1116, (1963).

-ocr page 812-

Hef vet metabolisme bij acetonemie.

Fat metabolism in bovine ketosis.

door J. ELEMA1)

Van het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie van
de Faculteit der Diergeneeskunde.

Acetonemic wordt onder andere gekenmerlvt door het voorkomen van een
sterk verhoogde concentratie van acetonlicliamen in bloed en urine. Het
optreden van deze acetonlichamen nu vindt zijn oorsprong in een ontspo-
ring \\-an het metabolisme van het betrokken organisme. Over het alge-
meen wordt aangenomen, dat hier gesproken moet worden van een ge-
stoorde vetzuur afbraak en/of synthese. Het is immers zo, dat een hoger
vetzuur, zoals pahnitinezuur of stearinezuur, afgebroken wordt volgens de
oxydatie van Knoop, d.w.z. dat van de lange parafineachtige keten steeds
stukken van 2 koolstofatomen worden afgebroken, die dan elk weer één
molecule acetyl Co etizyme A, ook wel actief acetaat genaamd, vormen.
Dit actief acetaat verdwijnt normaal in de citroenzuur cyclus (zie fig. 1).

Figuur 1.

hogere vetzuren ƒ hydroxy boterzuur

I

acetyl—Co-enzyme A < > acetylazijnzuur

citroenzuur cyclus aceton

l\'orming van acetonlichamen uit hogere vetzuren. Bij ketose-patiënten is
de overgang van Acetyl Co A naar de citroemuurcyclus geheel of gedeel-
telijk geblokkeerd.

Het is dus duidelijk dat deze gang van zaken ernstig gestoord kan worden,
als deze citroenzuurcyclus geheel of gedeeltelijk ophoudt met functioneren.
Immers in een dergelijk geval kan dc grote aanvoer van acetyl Co-enzyme
uit de vetafbraak niet verbrand worden in de citroenzuur cyclus. Het
enige alternatief voor dit actief acetaat is dan tc verdwijnen via, wat nor-
maal op het tweede plan staat, het acetylazijnzuur en eventueel /3-hydroxy-
boterzuur en aceton. Een dergelijke situatie nu doet zich bij acetonemie
\\oor, waarbij de uiteindelijke oorzaak van deze acetonemie, zij het hormo-
naal of alimentair, in het midden gelaten kan worden.
Gaan we nu uit van het standpunt dat acetonemie onder andere veroor-
zaakt wordt door een tekort aan energie, dan doet een vervette lever wel
zeer paradoxaal aan. Immers door verbranding van deze vetten zou een
zeer grote hoeveelheid energie ter beschikking van het organisme komen.
Uit het feit dat dit niet gebeurt blijkt wel dat er behalve het boven ge-
memoreerde defect in de citroenzuurcyclus er nog iets fout moet zijn met
het vetzuur metabolisme zelf.

-ocr page 813-

Olli liier een nader inzicht in te verkrijgen hebben wij enige experimenten
uitgevoerd met levercoupes die verkregen werden door een leverbiopsie*).
Hierbij werd gebruik gemaakt van koeien met een experimentele aceto-
nemie. Deze ketose is, zoals reeds in extenso door Dr. Hendriks is
uiteengezet, verkregen door een koolhydraatarm en eiwitrijk diëet vóór
de partus, gevolgd door een energetisch onvoldoende diëet nä de partus.
De aldus verkregen levercoupes werden geïncubeerd in een Ringer-bicarbo-
naat medium in een atmosfeer van 95% zuurstof en 5% kooldioxyde met
20 fiC natriumacetaat-li4C. Uit figuur 2 blijkt wat we verwachten mogen.

Figuur 2.

hoqere vetzuren
t
!

malonyl —Co-enzyme A

acetyl — Co-enzyme A
t

natrium acetaat

De vorming van hogere vetzuren uit Na-acetaat door levercoupes.

Natriumacetaat-li\'\'C gaat door enzymatische omzetting over in actief
acetaat (= acetyl Co A; stap a) en dit weer in malonyl Co A (stap b)
onder invloed van het enzyme acetyl carboxylase. Van dit punt af worden
nu de verschillende hogere vetzuren gevormd (stap c). Men mag dus aan-

Figuur 3.

activiUit van de mitochondrwn-g^bonden «niyman 19

De vorming van hogere vetzuren hij normale levercoupes (gearceerd) en
de remming hiervan hij levercoupes van acetonemie-patiënten. De activiteit
van de controle is gesteld op 100%.

-ocr page 814-

nemen, dat de hoeveellieid radioactief acetaat die per tijdseenheid omge-
zet wordt in radioactief hoger vetzuur een maat is voor de snelheid waar-
mee de vetzuursynthese plaatsvindt.

De uitkomsten van deze experimenten zijn weergegeven in figuur 3. Deze
resultaten waren zeer verrassend. Mochten we, gezien de zeer sterke ver-
vetting, een verhoogde aanmaak van vetten verwacliten, het tegengestelde
bleek waar te zijn. Er was een sterk geremde synthese van vet.
De oorzaak hiervan moet gezocht worden in een achteruitgang van de
activiteit van het enzyme acetyl carboxylase. Dit is ook in overeenstem-
ming met proeven met hongerende ratten zoals die door L y n e n en
\\V i e 1 a n d in München uitgevoerd zijn. Dat er in ons geval echter, on-
danks een geremde synthese, een zo sterke vervetting van de lever optreedt
kan dus maar op één manier verklaard worden, n.l. dat de afvoer van deze
vetten uit de levercellen totaal geblokkeerd is.

Wat zijn nu de consequenties van een dergelijke ontsporing voor de lever-
cel als zodanig?

Het gehele biochemische gebeuren in de cel wordt gereguleerd door en-
zymen van allerlei soort. Een gedeelte van deze enzymen bevindt zich in
het celplasma. Een ander gedeelte echter is voor zijn werking gebonden
aan kleine lichaampjes, de mitochondriën, die zich ook in de cel bevinden.
Het is duidelijk dat deze mitochondriën de cel nooit verlaten.
De mitochondriën-gebonden enzymen komen dus slechts in zeer speciale
gevallen in het bloed van het organisme voor; namelijk in die gevallen
waarbij de cel zelve ten gronde gaat. In een gezond organisme treedt steeds
een vernieuwing van dc cellen op, waarbij de oude cellen vervangen wor-
den. Dit is dus een geval waarbij de enzymen in het bloed kunnen komen.
Dit geeft dus aanleiding tot het verschijnen, ook in normale gevallen, van
een, zij het laag, activiteitsniveau van de mitochondriën gebonden-enzy-
men in het blocd]jlasma. Treedt cr nu een [jlotselinge en zeer sterke afbraak

Figuur 4.

specifieke activiteit van de hogere vetzuren

Activiteit van verschillende enzymen in bloedplasma van normale
(gearceerd) en acetonemie-patiënten (gearceerd). De normaal waarde
is gesteld op 100%.

-ocr page 815-

resp. vernietiging op van liciiaaniscelien, dan stijgt meteen dit niveau.
Enkele uit de humane geneeskunde zeer bekend geworden gevallen zijn
bijv.: bij een hartinfarct, maar ook bij een hepatitis.

In het geval van de leververvetting is het duidelijk, dat een dergelijke mas-
sale hoeveelheid vet moet leiden tot een zeer sterke degeneratie van de
cellen in kwestie. Er mag dus bij de acetonemie-patiënten gerekend wor-
den op een sterk verhoogd niveau van deze enzymen.
Figuur 4 geeft hier een duidelijk beeld van. De circa 100 gevallen waarbij
deze enzymen bepaald zijn, zijn door bemiddeling van het Instituut Buiten-
praktijk*) verkregen van gevallen van klinische slepende melkziekte-
patiënten in de jaren 1960, 1961 en 1962. Het is duidelijk dat dit uit een
gemiddelde van ernstige en niet ernstige patiënten verkregen is. In de
ernstige gevallen is het beeld dus nog uitgesprokener.

S.AMENVATTING.

1. Bij experimentele ketose bij koeien, opgewekt direct na de partus, treedt een
sterke leververvetting op.

2. De hogere vetzuren synthese uitgaande van natrium acetaat-P^C, is in lever-
coupes, verkregen door biopsies, sterk geremd.

3. Ten gevolge van de leververvetting en de dientengevolge optredende degene-
ratie van deze cellen is er een verhoogde activiteit van intracellulaire enzymen in
het bloed waar te nemen.

4. Significante verschillen zijn waar te nemen voor LDH, MDH, Aldolase en GOT,
terwijl GPT nauwelijks of niet significant verhoogd is.

SUMMARY.

1. Severe steatosis of the liver appears in cows in whom ketosis is experimentally
induced immediately after parturition.

2. The synthesis of higher fatty acids originating from sodium acetate U\'\'C is in-
hibited to a marked extent in liver sections obtained by biopsy.

3. The blood shows increased activity of intracellular enzymes, which is due to the
steatosis of the liver and the resulting degeneration of these cells.

4. The LDH, MDH, aldolase and GOT levels showed significant differences, where-
as the GPT level had hardly increased or failed to show a significant increase.

RÉSUMÉ.

1. Durant la cctose expérimentale chez les vaches, provoquée immédiatement après
la parturition, une dégénérescence graisseuse du foie se produit.

2. La synthèse des acides gras à longue chaîne carbonique partant du natrium
acétate-U\'\'C, est fortement enrayée dans les coupes de foie obtenues par la
biopsie.

3. Par suite de la dégénérescence graisseuse du foie et la dcgénération de ces cellules
qui en est la conséquence, on peut observer une activité agrandie des enzymes
intracellulaires dans le sang.

1. On peut constater des différences significatives pour la LDH, MDH, l\'aldolase et
la GOT, tandisque le GPT est à peine plus élevée.

ZUSAMMENFASSUNG.

1. Bei experimenteller Ketose bei Kühen, die direkt nach dem Partus erzeugt wird,
tritt starke Leberverfettung auf.

2. Die höhere Fettsäuresynthese, ausgehend von Natrium Acetat-U\'\'C, ist in Leber-
schnitten, wie durch Biopsie festgestellt wurde, stark gehemmt.

-ocr page 816-

3. Infolge der Leberv-erfettung und der demzufolge auftretenden Degeneration der
Zellen ist eine erhöhte Tätigkeit der intrazellulären Enzyme im Blut wahrzu-
nehmen.

4. Signifikante Unterschiede sind für LDH, MDH, Aldolase wahrzunehmen, während
GPT kaum oder nicht bemerkenswert erhöht ist.

DISCUSSIE
Vraag: Prof. H. van Genderen, Utrecht.

Welk aandeel zou een mogelijke extra toevloed van vet van de weefsels op de lever-
vervetting in Uw proeven gehad kunnen hebben?

Antwoord:

Het is in principe mogelijk, dat een toevloed van vet naar de lever in vivo een roi
speelt, hoewel hiervan in de literatuur niets bekend is. Van cen geblokkeerde afvoer
zijn daarentegen wel resultaten bekend. Speciaal bij levcrvcrvettingen ten gevolge van
tetrachloorkoolstof zijn hierover uitgebreide proeven van zeer recente datum bekend
geworden.

Vraag: Dr. P. W. M. van A d r i c h e m, Hoorn.

Is er ook bij het rund in de lever zeer veel G.O.T. aanwezig? Zal de stijging van
het G.O.H.-gehalte in het plasma dus in de eerste plaats veroorzaakt worden door
cen afwijkende lever en niet door storingen in andere organen?

Antwoord:

Er bevindt zich inderdaad in de lever van runderen een zeer hoog gehalte aan
G.O.T., terwijl G.P.T. in de lever in veel mindere mate voorkomt. De in het bloed-
plasma geconstateerde stijging geeft een soortgelijk beeld, namelijk een sterke
G.O.T. stijging en geen of een geringe G.P.T. stijging. Een meer definitief uit-
sluitsel zou verkregen kunnen worden door bepalin.g van de verhouding van de resp.
iso-enzymen van G.O.T.

*) Ik betuig hierbij mijn hartelijke dank voor de grote hulpvaardigheid die ik hierbij
heb ondervonden van staf en personeel van hct Instituut Buitenpraktijk.

Contact lenzen.

Contact lenzen voor hoenders zijn thans in de Ver. Staten in de handel verkrijgbaar.
Zij zouden vechten verminderen en vcrenpikken voorkomen; - r ontstaat geen pikorde
zodat dieren zonder bezwaar bij een koppel kunnen worden geplaatst. Snavelbranden
is niet meer nodig en cr zou minder breuk bij de .gelegde eieren optreden. De plastic
lenzen zijn snel aan te bren.gen.

De promotor, A. S c h r i n c r, verwacht er veel van, ook voor kalkoenen en andere
diersoorten. Zij kunnen eveneens in verschillende kleuren geleverd worden.

Pluimvee pers, 6, 373, (1963).

Fleckvieh naar Ziiid-Afrika.

Nadat reeds gedurende vele jaren Fleckvieh met succes in Zuid-West-.Afrika werd .ge-
bruikt (oude Duitse kolonie) is men thans ook in de Unie van Zuid-.Afrika begonnen
dit ras te proberen.

Dit vooral in verband met de resultaten van langdurige proeven in Omatjense (Zuid-
West-Afrika), waarbij onder die omstandigheden dit ras als beste melk-vleesras werd
aangemerkt.

Der Tierzüchter, 20-7-1963.

-ocr page 817-

Vetzuren in bet bloed bij acetonemie.

Plasma fatty acids in bovine acetonemia.

door I. MULDER1)

Uit het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie van
de Faculteit der Diergeneeskunde.

De bestudering van een stof\\visseIingsziel;te als de acetonemie is zowel
vruchtbaar voor het zuiver-wetenschappelijk onderzoek als voor cle meer
o]) de praktijk gerichte research. De kennis van abnormale biochemische
processen kan leiden tot een beter inzicht in de normale levensverrichtin-
gen. Hiervan kunnen wij weer gebruik maken oni met enige zekerheid de
abnormale processen in normale te doen verkeren. Bij het onderzoek van
deze abnormale ]3rocessen dient het vraagstuk van zoveel mogelijk kanten
benaderd te worden. Dit verklaart U misschien waarom nog een lid van
onze werkgroep over deze acetonemie gaat spreken.

Enkele nieuwe algemeen biochemische inzichten en methoden hebben ons
onderzoekterrein op dit gebied verruimd. Hierover en over enkele voor-
lo[)ige resultaten met hier en daar een speculatie over het belang voor de
])raktijk, handelt deze voordracht.

Het biochemisch defect dat bij de slepende melkziekte een sterk verhoogde
concentratie aan acetonlichamen in bloed cn mine veroorzaakt, is, zoals
hiervoor ook reeds door Prof. S e e k 1 e s is vermeld, terug te voeren tot een
tekort aan een directe energiebron. Misschien kunnen wij nog beter spreken
van een tekort aan de
juiste directe energiebron. Dit woordenspel wordt
zinvol wanneer we de veranderde opvatting o\\er de energiehuishouding in
het dierlijk organisme beschouwen.

Tot voor kort gold het in het bloed circulerende glucose als de enige direct
beschikbare brandstof, die eventueel uit de re.servevoorraad glycogeen kan
worden nageleverd. Enige jaren geleden is echter gebleken dat ook de an-

Schema 1.

H,C-0-C0-R,
I

HC-O-CO-Rj

I

H;C-0 CO-Rj
lipase

CHjOH ^RrCOOH onveresterde (of vrije) hogere vetzuren

I

CH OH < Rj-COOH „non esterified fatty acids" (nefa)

\' I

triglyceride
(in depotvet )

CHjOH VR-COOH in plasma als albuminecomplex

1  Dr. L Mulder, wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 818-

dere belangrijke reser\\estof, het vet, een vorm heeft waarin het in het bloed
naar behoefte kan circuleren, en waarin het als directe energiebron dienst
kan doen. Dit zijn nl. de vrije of onveresterde hogere \\etzuren, die uit het
depotvet onder invloed van een enzym, lipase, kunnen ontstaan en in het

bloed - daar ze als zodanig natiuulijk onoplosbaar zijn ..... als complex

met albumine getransporteerd worden (schema 1). Proeven hebben uitge-
wezen, dat onder bep.aalde omstandigheden een belangiijk deel van dc
energiebehoefte \\an onderzochte spiergroepen door oxydatie van deze on-
\\ eresterde vetzuren wordt gedekt.

Uit hun ontstaanswijze is reeds duidelijk dat de vrije \\etzuren in het plas-
ma en die in het depotvet qua aard (maar misschien niet qua verhouding)
dezelfde zullen zijn, zoals bijv. oliezuur, stearinezuur, palmitinezuur etc.
Een schematisch beeld van de oxydatieve afbraak van zo\'n vetzuiu" (schema
2} waarbij dus de energie wordt geleverd, geeft ons een inzicht, wat deze
stoffen met de acetonemic te maken kunnen hebben.

Schema 2.

vetzuuroxidatie
(bijv. palmitinezuur )

CH-CH-CH;CHjcH;CHjcH-CHjcH-CHjcH-CHjCH-CH^CH-COOH

V________^

CH-CO-CH-COOH acetylazijnzuur 6CH;C00H azijnzuur

6 CO 12 Hp

2CH-C00H azijnzuur \\ CHCHOH-CH^COOH hydroxyboterzuur

\\

i

2C0 \'iH0 >CH-CO-CH aceton

Door middel \\an dc zg. /S-oxydatie worden \\an de carboxylkant van het
\\etzuur telkens brokstukken \\an twee C-atomcn afgesplitst, die in de vorm
van azijnzuiu" verder geoxydeerd worden. Het aan het „kopeind" verblij-
vende 4-C-stuk kan echter, tenminste door dc lever, niet verder vewerkt
worden dan tot acetylazijnziuu\', één van dc ketonlichamen. Wanneer dit
in grote hoeveelheid ontstaat, kunnen hieruit de andere ketonlichamen,
/3-hydroxyboterzuur en aceton, gevormd worden. In normale omstandig-
heden wordt het acetylazijnzuur door de spieren, die het wèl kunnen ver-
werken, verder geoxydeerd. Dit is bovendien een mogelijke verklaring voor
de gunstige invloed die lichaamsbeweging, bijv. een behoorlijk eind lopen
met dc koe, niet zelden op de acetonemie blijkt te hebben.
Zoals bekend, wordt in een hongertoestand achtereenvolgens de kool-
hydraatreserve (n.l. het glycogeen), daarna het vet en tenslotte het eiwit

-ocr page 819-

aangesijroken. De lever produceert, hoewel er ook andere mogelijkheden
zijn, alleen reeds volgens het bo\\en beschreven schema in de „vetfase" een
overmaat aan acetylazijnzuur, wat een verklaring inhoudt van het optreden
\\an ketosis bij hongeren. Bij de slepende melkziekte hebben we een verge-
lijkbare toestand. Ook hier bestaat een — zij het dan misschien slechts re-
latief — te kort aan suikers en een teveel aan vet. Dit is in
overeenstemminG;
met het hiervoor door Dr. Hendriks beschreven ketogene dieet.
Onze experimenten hebben inderaad aangetoond, dat zowel bij „natiuir-
lijke" slepende melkziektepatiënten als bij die proefdieren die een behoor-
lijke acetonemie ontwikkelden, de concentratie aan hogere onveresterde
vetziuen ca. lOx zo hoog was als normaal. Deze verhoging treedt ook op
bij honger en, zij het in mindere mate, tijdens de partus. Bij dc partus is
waarschijnlijk de verhoogde energiebehoefte aan de gestegen vetzuur-
concentratie in het bloed debet.

Tabel 1.

oliezuur

Verhouding

stearinezuur

in onveresterde vetzuren van plasma

Marga

Klara

Kora II

X)

Lena

Voor acetonemie

2,0

Tijdens acetonemie

1.0

1 0

1 5

Na acetonemie

10

0,8

1,5

X) slechts matige acetonemie
O) herstel door goed voeder

l\'ariaties in de concentraties van hogere onveresterde vetzuren in plasma
cn van glucose en aceton iri bloed van proefkoeien. Voor de hoeveelheid en
•samenstelling van het experimentele voeder zij verwezen naar de voordracht

van Dr. Hendriks.

In tabel 1 is weergegeven hoe ongeveer de onveresterde vetzuurconcentratie
(nefa) verandert tezamen met de glucose- cn acetonconcentraties bij de
acetonemie die op stal werd opgewekt. Het valt op, dat de onveresterde
\\ctzuren veel sterker in concentratie wisselen dan glucose. Onze hoop, uit de
verhouding nefa/glucose bij de partus iets te kimnen voorspellen omtrent
gevoeligheid voor acetonemie, is niet bevestigd, misschien ook door een te
gering aantal waarnemingen. Behalve bij de partus gaat meestal een hoog
glucosegehalte gepaard met een laag gehalte aan onveresterde vetzuren in
het plasma en omgekeerd. Dit geldt ook in andere gevallen dan acetonemie.
Wanneer het glucosegehalte laag en het vetzuurgehalte zeer hoog is, ont-
staat de acetonemie, hetgeen we ook kunnen „verklaren" met de oude stel-
regel dat vet alleen normaal kan verbranden in het vuur van de kool-
hydraten.

-ocr page 820-

Over de aard van de bij ons op stal verkregen afwijking en over het verschil
tussen hongerketosis en acetonemie door slepende melkziekte is hiervoor
reeds gesproken. In dit verband is het misschien goed op te merken dat de
onverestcrde \\etzuurconcentratie e\\enals het glucosegehalte in het bloed
wordt beïnvloed door het hormoon insuline en dat ook andere hormonen
zoals adrenaline en zijn verwanten en ACl\'H en Cortisol invloed schijnen
te hebben op de verhouding nefa/glucose.

Uit onderzoek met behulp met gaschromatografie bleek dat de verhouding
van de verschillende vetzuren, het „vetzuurpatroon"\', niet zoals wij ver-
wachtten bij acetonemie sterk van het normale verschilde. Wel is geble-
ken, dat bij verschillende dieren op stal onder bijna identieke omstandig-
heden verschillende vetzum-patronen optraden. In deze richting zal zeker
\\erder gezocht worden.

Het is een algemene biochemische regel gebleken, dat de hogere on\\\'eres-
terde vetzuren pas in belangrijke mate in het plasma gaan optreden wan-
neer andere energiebronnen afnemen of gaan ontbreken. Omgekeerd blijkt
de concentratie van cle onverestcrde vetziuen bij herkauwers in normale
gevallen bijzonder laag te zijn, bijv. vergeleken met de mens, waarschijn-
lijk in verband met het constante en vrij grote aanbod van energie in de
\\orm van lagere, vluchtige vetziuen uit cle pens. Een geringe hoeveellieid
\\an het ketogene boterzuur kan hierbij blijkbaar geen kwaad. Wanneer
echter door andere omstandigheden het gehalte aan hogere vetzuren in
liet bloed is verhoogd, kan misschien een geringe hoeveelheid boterzuur uit
])ens of uit slechte kuil de druppel zijn die cle emmer doet overlopen.
Daarom zijn wij kort geleden begonnen cle inx loed van lagere vetzuren uit
kuil in ons onderzoek te betrekken, waarover wij te zijner tijd resultaten
hopen mee te delen.

S.\\MK.\\V.\\T1\'ING.

Voor de energievoorziening van dierlijke weefsels zijn, zoals de laatste jaren is ge-
bleken, behalve het bloedglucose dc in hct bloed circuleren lc hogere onverestcrde
vetzuren van groot belang. Enkele biochemische aspecten van deze vetzuren en hun
mogelijke rol bij hct ontstaan van acctoncmic werden besproken. Zowel melkkoeien
waarbij op stal acetonemie werd opgewekt als spontane slepende melkziektcpaticnten
vertoonden cen sterk verhoogd .gehalte aan deze onverecsterdc hogere vetzuren in
hct plasma.

SUMMARY.

In recent years, it was shown that besides the blood glucose, the higher uncstcrificd
fatty acids circulating in the blood arc also of vital importance to the sujjply of energy
to animal tissues.

Certain biochemical features of these fatty acids and their possible role in the patho-
genesis of acetonaemia are discussed. Dairy cows in whom acctonaemia was induced
in the cow-shed as well as animals with spontaneous acetonaemia showed a marked
increase in the concentration of these unesterified higher fatty acids in the plasma.

RÉSUME.

Pendant les dernières années il a paru que les acides gras à longue chaîne non cstéri-
fiés qui circulent dans le sang ont, à part la glucose sanguine, une grande importance
pour l\'approvisionnement dc l\'énergie des tissus animaux.

Quelques aspects biochimiques de ces acides gras et leur rôle possible dans la .genè.se
de l\'acétonémie son discutés. Les vaches laitières chez lesquelles on provoqua l\'acéto-
némie dans l\'étable, aussi bien que les malades spontanées du mal de lactation

-ocr page 821-

chronique, démontraient une teneur fortement élevée en ces acides gras à longue
chaîne non estérifiés dans le plasma.

ZUS.\\MMENF.ASSUNG.

Wie sich in den letzten Jahren ergeben hat, sind zur Energieversorgung der ticrischen
Gewebe ausser Blutglukose, die im Blut zirkulierenden höheren unverestcrten Fett-
säuren von grosser Wichtigkeit.

Es werden einige biochemische .\\spektc dieser Fettsäuren und ihre eventuelle Rolle
beim Entstehen der .Azetonaemie besprochen. Sowohl Milchkühe, bei denen Aceto-
naemie im Stall erzeugt wurde, als an spontaner schleichender Milchkrankhcit lei-
dende Patienten zeigten im Plasma einen stark erhöhten Gehalt an diesen unveres-
tcrten höheren Fettsäuren.

DISCUSSIE
Vraag: Dr. J. S. Reinders, Leeuwarden.

Bij een voederprocf van 2 groepen pas gekalfde koeien van 6 dieren waarbij de ene
groep volgens de
noiTn gevoerd werd en de proefgroep met een tekort van 1 \'/> kg
Z.W., werd bij de proefgroep geen klinische acetoncmie gezien. Wel werd gedurende
3\'/; maand bij de proefgroep een verlaagd glucosegehalte van het bloed gezien van
± 5 mg% en een verhoogd acetongehalte van ± 3 mg%. De hoeveelheid melk was
bij dc proefgroep iets lager, het vetgehalte van de melk iets hoger zodat het aantal
vetgrammen per dag in beide groepen gelijk was. Het eiwitgehalte van de melk was
bij de proefgroep iets lager. Het niet zien van klinische acetonemie in de proefgroep
mcK:t toegeschreven worden aan het voeren van een kuil met een hoog melkzuur-
gehalte.

Antwoord:

.Alhoewel vele andere factoren het optreden van klinische acetonemie kunnen heb-
ben voorkómen, kan zeker een grote hoeveelheid van het antiketogne melkzuur
doorsla.ggevend geweest zijn. De conclusie van Dr. Reinders lijkt mij dus alleszins
gc re c h t vaa rd i gd.

Misschien ben ik echter in mijn voordracht op een bepaald punt niet duidelijk ge-
weest. Met een directe energiebron is bedoeld een stof of groep van stoffen die door-
dat zij bijv. in het bloed circuleren, een voorraad vonnen waaruit het organisme
naar behoefte kan putten, zoals bijv. het bloedglucose en de hogere niet-veresterde
vetzuren. Waar sprake is van de
juiste directe energiebron is in de eerste plaats ge-
dacht aan het bloedglucose, waarnaast misschien nog kleine hoeveelheden andere
stoffen een rol spelen. Natuurlijk wordt alle energie uiteindelijk geput uit het op-
genomen voeder. We,gens dc vele omzettingen en omzwer\\-ingen voordat de vocdin.gs-
stoffen aan de weefsels ten goede komen, zou ik hier van indirecte energievoorziening
willen spreken. Dat deze van buitengewoon belang is in verband met de acetonemie
is zeker, maar de interpretatie is veel moeilijker dan voor de problemen betreffende
de energievoorziening door middel van de reeds in het bloed circulerende stoffen.

Vraag: Dr. P. W. M. van .Adrichem, Hoorn.

Schommelt de nefa-concentratic in het plasma niet voortdurend tijdens de partus?
Antwoord:

Zoals reeds is gezegd, is de concentratie van de hogere onveresterde vetzuren in het
bloed in het algemeen veel minder constant dan bijv. de glucoseconcentratic. Bij dc
partus vonden wij zeer uiteenlopende waarden, en de indruk bestaat, hoewel wij hier
niet speciaal naar gezocht hebben, dat inderdaad de nefa-concentratic omstreeks de
partus sterk schommelen kan. Bij proeven, niet tijdens de partus, waarbij de nefa-
concentratie gedurende enige uren vervolgd diende te worden, vonden wij soms ook
„onverklaarbare" uitschieters. Het is mogelijk dat hier psychische factoren, misschien
via de genoemde hormonen, een invloed hebben.

-ocr page 822-

Kentering in de waardering der exterieurkeuring
van runderen.

A turn in the evaluation of cattle conformation.

door P. HOEKSTRA1)

Uit het Zootechnisch Instituut van de Faculteit der Dier-
geneeskunde te Utrecht.

Het enige middel om de waarde \\ an een rund te taxeren was vóór 1900,
toen nog weinig melkcontrólegegevens ter beschikking stonden, de beoor-
deling van het exterieiu\'.

Na 1900 konden, naast het exterieur, ook de gegevens der melkcontrole
bij de taxatie in aanmerking worden genomen.

De leer van het exterieur, die zich gedurende vele eeuwen ongestoord had
kunnen ontwikkelen, was echter dermate uitgewerkt en algemeen geacce]3-
teerd geworden, dat ze zich zo maar niet naar het tweecle plan liet ver-
wijzen.

Tot op de huidige dag zijn er nog mensen die uit het exterieur van een
stier met bravour de melkjiroduktie van zijn dochters diuxen te voorspel-
len en tot voor kort werd door \\elen met stelligheid verkondigd, dat een
bepaald klein, gestopt type wel een garantie was \\oor een goede consti-
tutie en een goede voedenerwerking.

Nu dit fokdoel wat in discrediet is geraakt - onze koeien zijn te klein ge-
worden ^ wordt het uit het exterieur voorspellen van de fokwaarde meei\'
naar voren gebracht, j e m a (1962) stelt het zo, dat goede fokdieren,
dus \\olgens mij, dieren die goede nakomelingen leveien, „in hun exterieur
gekenmerkt zijn door iets bijzonders, iets dat men met klasse, adel of
soort aanduidt".

Het nieuwste argument ter verdediging van de exterieuikeuring is de in-
troductie van het begrip „daiiy chai acter". S t a j) e 1 (1962) vertaalt dit
door hem uit Noord-Amerika overgenomen begrip, dat daar in de beoor-
delingsschalen van de stamboeken naast uier en spenen wordt gewaar-
deerd, als „uiterlijke melkrijkheid". En hij meent dat dit begrip gehan-
teerd moet worden om de gegevens der melkcontrole, die door het opdrij-
ven der melklijsten niet al te veel zeggen, te controleren en te verifiëren.
Hij schrijft: „Men moet zich de vraag stellen: Past deze koe met haar
„dairy character" wel bij deze cijfers? Stennnen cijfers en „dairy charac-
ter wel overeen?" In principe zijn we m.i. hiermee weer tot dc tijden van
vóór de melkcontrole teruggekeerd. Niet uit de cijfers der melkcontrole,
die natuurlijk met verstand van zaken gehanteerd moeten worden - men
weet nu eenmaal dat speciaal op fokbedrijven de lijsten geweldig kunnen
worden opgevoerd — maar uit het exterieur wordt uiteindelijk de inelk-
produktie-aanleg van een dier voorspeld.

l.aten we nu echter eens ])roberen om nuchter en zakelijk de waarde der
exterieurkeuring voor onze melk-vleesrunderen na te gaan.
Welke is de zin van de exterieurkeuring t.a.v. dc economische bruikbaar-
heid?

1  Prof. Dr. P. Hoekstra, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat
172, Utrecht.

-ocr page 823-

Anders geformideerd: Wat kan de exterieurkeuring van onze melk-vlees-
runderen ons leren t.a.v. de economische bruikbaarheid, zoals die is sa-
mengesteld uit de produktie van melkvet, eiwit en vlees, de voederwerking,
de vruchtbaarheid, de constitutie, de melkbaarheid en het karakter?
Ten aanzien van de melkhoeveelheid geeft eigenlijk alleen de ontwikke-
ling en kwaliteit van de uiei- ons positieve aanwijzingen; over vet- en ei-
wilgehalte zegt het exterieiu\' ons niets.

Uil de gespierdheid oj) verschillende plaatsen kunnen verder conclu.sies
t.a.v. de vleesproduktie getrokken worden.

Omtrent de \\oederverwerking. de vruchtbaarheid, de constitutie, de melk-
baarheid en het karakter leert het exterieur ons praktisch weer niets. Al-
leen bij grote afwijkingen, bij\\\'. een sterk ingezakte rug en een zeer sterk
opgetrokken huik zegt het exterieur ons bw iets omtrent een mogelijke
levensduur.

En hoe moeten we dan staan tegenover hel begrip „dairy character" en
de voorspelling van de fokwaarde uit het exterieur?

Hel is m.i. niet juist om voor onze dieren een begrip als „dairy character"
tc willen gebruiken. Voor de in Noord-Amerika gehouden s])ecifieke
melkrassen, als de Holstein-Friesian, de Jersey en de Guernsey, moge dit
misschien nog enige zin hebben, zeker niet voor onze ,.diial-]jurpose" die-
ren. Wc jjioberen immers een dier te fokken dal naast veel melkvet en
melkeiwit ook nog veel vlees prtxliiceert en bij zulk een fokdoel past toch
niet het van de zuivere melkrassen overgenomen begri]3 „dairy character".
Nog voorzichtiger moeten wc m.i. zijn met hel naar voren schuiven van
de exterieurkeuring om le beoordelen of er wel „fok in zit". D.w.z. —ik
citeer J c ma „dat men uit het constateren van zg. klasse, adel of soort,
die door de kcnnei\' en liefhebber in de bouw als harmonisch, evenwichtig,
gaaf en fraai worden onderkend eii waarbij o.a. een sprekende kop be-
hoort, zou mogen concluderen: dit is een goed fokclier".
Tegen deze .gedachtengang heb ik \\ijf bedenkingen:

In de eerste ])laats clat deze redenering niet meer jjast in onze tijd, onze
rationele tijd. Doordat het alleen aan ingewijden, kenners zoals men zelf
zegt, gegeven is deze adel. klasse of sooii tc onderkennen, woidt de ex-
lerieurbcoordeling, wat dit as]jeci betreft, loi een soort geheime handeling
gemaakt, waar een gewoon mens niet bij kan.

Als tweede bedenking moet genoemd worden, dat hel een veeg teken is
dat men nog nooit bewezen heeft dal dieren met zg. klasse, adel of soort
ook inderdaad goede fokdieren zijn.

In de derde plaats lieeft de geschiedenis van de stamboeken in Nederland
wel duidelijk bewezen dat ook de „kenners" zulk een ideaaltype met .soort
en adel niet kunnen onderscheiden en \\aslslellen. Hoe vaak zijn onze
stamboeken ten aanzien van hun type-ideaal al niet overstag gegaan!
In de vierde plaats is hel m.i. een onjuist standpimt om voor alle tijden en
voor alle omstandigheden, niet alleen voor Nederland, maar zelfs ook voor
de onze runderen importerende landen, een éénsoorlig ideaal-lype te wil-
len vaststellen. Hoe verschillend zijn niet de omstandigheden op verschil-
lende plaatsen en in verschillende tijden.

In de vijfde plaats brengt dit standpunt in de om economische redenen
in Nederland bedreven rundveehouderij een belangrijk element van sport-
fokkerij. Sporlfokkerij omdat het a]Ji)eleert aan onze gevoelens voor har-
monie en schoonheid. Hoe belangrijk de begiipjjen harmonie en schoon-

-ocr page 824-

heid ool^ mogen zijn, ze kunnen natuurlijk geen basis vormen van een om
economische motieven gedreven fokkerij. Een koe kan nog zo mooi ge-
bouwd zijn, maar wanneer zij te weinig geeft of niet regelmatig kalveren
produceert, is het een slechte koe. Een mooie koe behoeft geen goede koe
te zijn.

Het \\oorgaande samenvattende blijkt selectie op exterieur dus zeker zin
te hebben. Zeker zin te hebben t,a,v, bepaalde aspecten, zoals de gespierd-
heid, de uier, de benen, de ontwikkeling enz. Laten we echter met beide
benen op de grond blijven staan en ons niet verliezen in vage, min of meer
geheimzinnige, bijna mystieke begrippen als adel, type en soort, die slechts
enkele begenadigden in het rijk der veeteelt zouden kunnen hanteren.

Ter staving van bovengenoemde beweringen de volgende gegevens.
In de eerste plaats geeft de volgende staat een overzicht van de resul-
taten \\ an een langdurig ondei-zoek \\ an Ir. K. Bos r.i a naar de waarde
van de exterieurkem-ing voor de Nederlandse rimdveefokkerij iBosma
en Leignes Bakhov en, 1949).

Tahel 1.

Verhand tussen exterieur en melkproduktie;
totale correlatiecoëfficiënten van stamboekmateriaal omstreeks 1940

Friesland

Noord-Holland

bedrijfsvoering - melkproduktie

0,26

0,34

bedrijfsvoering - alg, voorkomen

(totaal aantal punten)

0,21

0,23

bedrijfsvoering - melktekens

0,07

0,16

alg, voorkomen (totaal punten) -

melkproduktie

0,05

0,12

melktekens - melkproduktie

0,33

0,39

Uit deze gegevens blijkt dat cr cen bchooriijk positief verband bestaat tus-
sen de bedrijfsvoering cn de melkproduktie, tussen dc bcdrijfsvoci ing en het
totaal aantal punten (goede fokkers verzorgen htm dieren goed* en tussen
het aantal \\oor de mclktekcns gegeven punten en dc melkproduktie.
Het verband tussen het totaal aantal voor het exterieur gegeven ])unten en
de melkproduktie is echter nihil,

Hoe groot het positieve verband is lussen de ontwikkeling en de kwaliteit
van cle uier en de melkproduktie blijkt verder uit de volgende staal (I) e
Jong, 1943),

Tabel 2.

Verband tussen exterieurbeoordeling van de uier en de hoeveelheid melk;
gegevens Ned. Rundvee Stamboek 1940.

ras

leeftijd bij

melkopbrengst in kg

afkalven

ab uier

b uier

bc uier

zwartbonten

2 jaar

3696

3207

3039

roodbonten

3 jaar

4015

3631

3321

-ocr page 825-

Hetzelfde positieve verband tussen uier en melkproduktie blijkt (A n o-
n i e m, 1959) uit de volgende staat, waarin gegevens van Duitse onder-
zoekingen zijn neergelegd.

Tabel 3.

l\'erband tussen uierwaardering en produktie in Duitsland;
gegevens landbouwtentoonstelling Leipzig 1959.
punten 1 tot 5; 1 — ideaal.

punten voor uier

aantal dieren

kg melk

1,0 - 1,6

44

5006

1,7 - 2,0

669

4088

2,1 - 2,4

2652

3895

2,5 - 2,8

3986

3662

2,9 - 3,2

937

3611

meer dan 3,2

217

3578

Wat de koeien betreft kan men dus alleen uit de ontwikkeling en kwaliteit
\\an de uier iets voorspellen omtrent de melkproduktie.
Maar niet alleen het exterieiu\' van \\rouwelijke dieren wordt beoordeeld.
Ook stierenkeuringen staan in het middelpunt der belangstelling. En dit in
zekere zin terecht omdat per stier grote aantallen nakomelingen worden
\\ erwekt. Hoe is het nu gesteld, na tientallen jaren van scherpe keuring o
]5
exterieur, met de fokwaarde \\an onze stierenstapel?

Nog niet zo goed, zoals blijkt uit de in de \\olgende staat vervatte gegevens
\\an een onderzoek van Geessink en S tegenga (1956) naar de over-
erving \\-an K.I.-stieren in Nederland (tabel 4).

Alleen maar lettende op de totaal indruk en op de percentage cijfers, waar-
bij de groepen „goed" en „vlot voldoende", resp. „niet goed" en „slecht"
samengenomen zijn, blijkt dat, ruwweg genomen, ±: 1/3 deel der sderen
\\erbcterend heeft gewerkt, ± 1/3 deel het peil van de moeders heeft ge-
handhaafd en =b 1/3 deel ongunstig heeft gewerkt. Dit betekent, dat, wan-
neer van de slecht fokkende stieren evenveel inseminaties zouden worden
verricht als van goed fokkende stieren, wij met de fokkerij geen vooruit-
gang zullen boeken.

Werkt dus ib 1/3 deel van de stieren enigszins verbeterend „goed", d.w.z.
in belangrijke mate verbeterend, werkt slechts ruim 10% van de stieren. In
dit materiaal nl. 27 stieren, d.w.z. 21 zwartbonten en 6 roodbonten, van de
212.

Ook L u s h en R o b e r t s o n hebben berekend (M i n k e m a, 1961), dat
slechts ongeveer 25% van de voor de fokkerij aangekochte stieren als rede-
lijk goed aangemerkt kan worden.

En in Nieuw-Zeeland is door McMeekan (1943) gevonden, dat slechts
1 op 3 stieren enigszins \\ erbeterend werkt en slechts 1 op 10 in belangrijke
mate vooruitgang teweegbrengt.

Op welk kompas varen nu de aankoopcommissies, die de moeilijke taak
hebben jonge stieren te kopen waarvan een zo groot mogelijk percentage
later goede overervers moet blijken te zijn?

-ocr page 826-

Tabel 4.

Overerving van Fries-Holl. en M.R.IJ. K.l.-stieren in 1956.

Oi

Ras

Aantal

Overerving

Exterieur

Melk-
hoeveelheid

Vetgehalte

Totaal
indruk

aantal

%

aantal

%

aantal

%

aantal

%

goed

vlot voldoende

15 )

28 (.

25

50 )

12 V

35

87
3

51

21
23

( 25

F.H.

177

voldoende

80

45

48

27

54

31

78

44

niet goed
slecht

36 )
18

30

14 )
53 (.

38

11

22

18

32
23

[ 31

goed

vlot voldoende

7 }
7 l

26

17 }
9

47

16

7

43

6
12

[ 33

M.R.IJ.

55

voldoende

15

27

12

22

15

27

15

27

niet goed
slecht

18 }
8
V

47

7 )
10

31

8
9

30

13
9

[

-ocr page 827-

Dat het aantal punten \\an de stier, d.w.z. het exterieur, bij hen een be-
langrijke rol speelt, blijkt uit de volgende staat, waaruit af te lezen is, dat
er een positief verband bestaat tussen aankoopprijs en exterieur (Hoek-
stra en V a n d e r M e y, 1962).

Tabel 5.

Verband tussen aankoopprijs en exterieur bij 363 Fr. Holl, in de jaren
1949 tjm 1953 geboren, in het N.R.\'S. gebruikte stieren.

gem. pnjs

aantal letter

106 b — ƒ 6518,—
206 b ƒ 8154,—
_51_
b  ƒ 11263,—

Dat dure stieren, dus over het algemeen stieren met een mooi exterieur, in
het algemeen toch niet beter fokken dan goedkopere dieren blijkt (H oe k-
s t r en V a n d e r M e y, 1962
I uit de volgende staat.

Tabel 6.

i\'erband tussen produktie dochters en aankoopprijs van 385 in de jaren
1949 tjm 1953 geboren, op jonge leeftijd gekochte en in het N.R.S. gebied
voor K.1. gebruikte stieren.

Prod. Prod.

Aantal dochters dochters

»■"^oep ct.Vr-^r, nakomc-

sucren Hngen gewogen gewoon

gem. gem.

A Kostprijs meer dan 33%
bo\\cn de gemiddelde
aankoopprijs van dat

jaar 93 27.182 137 134

B Gemiddelde aankoop-
prijs van dat jaar

of -- 33% 165 35.664 132 131

C Kostprijs minder dan
33% beneden de ge-
middelde aankoopprijs

van dat jaar 127 27.791 132 131

Het kleine significante verschil ten gunste van de dure stieren kan ge-
voegelijk op rekening \\an het betere moedermateriaal, waarmee ze ge-
paard werden en de betere verzorging der dochters worden geschreven.
Dat het exterieur inderdaad niets zegt omtrent de fokprestaties van een
stier t.a.v. de produktie blijkt (Hoekstra en Van der Mey, 1962)
uit de volgende staat. Hieruit is immers af te lezen dat in de groep der
voorlopig opgenomen stieren de b-stieren significant de beste zijn en in de

V

-ocr page 828-

groep der definitief opgenomen dieren de stieren met 83 en meer punten.
De iD-stieren zullen dit wel aan een uitstekende produktie-afstamming te
danken hebben — anders worden ze niet gekocht — en de hooggepunte
stieren aan de goede partners waarmee ze gepaard worden en de goede
„oppas" die de dochters genieten.

Tabel 7.

]\'erband tussen letter en punten van 363 voorlopig en 382 definitief ge-
keurde in het N.R.S. gebied gebruikte F.H.-stieren met de produktie van
hun dochters (vaarzen).

letter of
punten

aantal
stieren

aantal
nakome-
lingen

kg melkvet
(gewogen
gem.)

kg melkvet
(gewoon
gem.)

voorlopige

b —

106

21.980

137

134

keuring

b

206

42.703 ,

132

131

b

51

14.946

132

131

363

definitieve

75, 76, 77

42

8.167

129

131

keuring

78

55

12.490

137

132

79

83

12.280

129

131

80

68

12.608

135

132

81

53

12.944

132

131

82

44

14.353

133

131

83 en meer

37

11.279

137

136

382

Het is natuurlijk ook niet verwonderlijk, dat cr geen verband bestaat tus-
sen het exterieur van een stier, zoals dit tot uitdrukking wordt gebracht in
liet totaal aantal punten, en zijn fokj)restaties zoals die blijken uit de pro-
duktie van zijn dochters.

Als dit verband er niet is bij de vrouwelijke dieren - zie tabel 1 . -- waar-
in de melktekens nog verdisconteerd zijn, hoe zou dit dan wel hct geval
zijn bij cle stier?

Langzamerhand begint dan ook steeds ineer het besef door te dringen dat
gewaakt dient te worden voor een overwaardering van de resultaten der
exterieurkeuring, zoals die in Nederland wordt toegepast, in hct bijzonder
wel bij stieren.

Zo noemde reeds wijlen Prof. Ir. W. d e J o n g (1947) in zijn inaugurele
rede getiteld: „Een halve eeuw produktieteelt" als één der oorzaken van de
minder gunstige resultaten t.a.v. de melkopbrengst verkregen „het te veel
aandacht schenken aan gewenste of mooi gevormde exterieureigenschap-
pen die generlei invloed op de produktie hebben." En hij vervolgt: „hoe-
wel voor een ieder wel vaststaat, dat deze eigenschappen als zodanig gener-
lei invloed op de melkopbrengst hebben, zullen zij toch wanneer zij te sterk
naar voren worden gebracht, remmend werken, daar de selectie naar deze
eigenschappen niet anders kan doen dan die naar de gewenste produktie-
eigenschappen in de weg staan".

-ocr page 829-

En op de vergadering \\an de Nederlandse Zoötechnische Vereniging van
30 maart 1954, waar wijlen Prof. I r. ^V. d e J o n g en wijlen P ro f. D r.
G. M. V a n d e r P 1 a n k spraken over het ondei-werp: „Zijn er fundamen-
tele wijzigingen nodig in de fokmethode welke bij de rundveeverbetering in
Nederland wordt toegepast?", merkte Prof. de Jong volgens het verslag
op: „Men hecht in de praktijk naar mijn mening \\ eel te grote waarde aan
de vraag hoe het dier bij de exterieurkeuring uit de bus komt. De K.I.-
verenigingen bijv. betalen veel te veel voor stieren met een hoog aantal
punten. Dit is m.i. overdreven en wordt door mij als een uitwas be-
schouwd".

En wijlen Pro f. D r. G. M. v a n d e r P 1 a n k \\ertolkte op dezelfde ver-
gadering met ven-e zijn bekende, zakelijke standpunt „dat de selectie op
lichaamsbouw, de selectie op economische eigenschappen drukt; eenvoudig
gezegd: de exterieurkeiu-ing kost geld".

Van latere datum xvijzen ook uitspraken van M i n k e m a, Politiek en
R ij s s c n b e e k op cen kentering t.a.w de waardering van de exterieur-
keuring.

Zo bijv. M i n k e m a (1961), die voor K.I.-verenigingen de beproeving \\an
een vijftal jonge stieren propageert om 1 \\acante plaats te vervullen. Iets
dat \\olgens hem financieel ook wel kan, wanneer men, zoals hij schrijft:
„maar wat toegeeft op het cxteiieur en dc extcrieurafstamming".
Ook Politiek waarschuwt in zijn openbare les \\an 11 januari 1962, ge-
titeld: „Doel en streven in de rimdveefokkerij", tegen een overwaardering
van de exterieurkeuring als liij stelt: „Terecht mag aan schoonheidsken-
merken zonder een economische betekenis ideële waarde toegekend worden,
maar als deze kwaliteiten een belangrijke rol spelen in dc fokkerij dan gaat
dit ten koste van selectie op economisch belangrijke produktie- en ge-
bruikseigenschappen."

En dan tenslotte Rijsscnbeek (1962), die signaleert dat „de stier in
letterlijke en figtnuiijke zin in Nederland op een voetstuk is gezet" en als
ideaal voor het exterieur \\an een rund \\an de doorsnee-veehouder niets
anders wil stellen dan ,,een ruime, sterk gebouwde koe met cen goede melk-
produktie en een voldoende bcsjjiering".

En verder (R ij s s e n b e e k, 1963), dat de commissies voor de aankoop
\\an stieren voor K.I.-verenigingen overtuigd moeten zijn van 3 feiten, nl.

a. dat het exterieur van de stieren geen aanwijzingen geeft voor de pro-
duktieverci"ving;

b. dat het exterieur van jonge stieren weinig of niets zegt omtrent de ex-
tericiu-\\ererving;

c. dat de produktievereiving \\-an de vader wat de melkhoeveelheid be-
treft belangrijker is dan de produktie van de moeder.

En hij veivolgt: ,,VVat is nu de waarde van een betere extericurvererving?
Is het van betekenis voor cen langdurige bruikbaarheid? Ik heb daanoor
geen aanwijzingen kimnen vinden, zodat ik het antwoord schuldig moet
blijven. ^Vanneer iemand hierover gegevens naar voren kan brengen houd
ik mij daai-voor aanbevolen.

Dan blijft over het fraaie exterieur. Daarvoor lieb ik alle begrip, mede om-
dat het handelswaarde heeft, nog afgezien van het genoegen dat men er
\\ an kan hebben. Maar er staat tegenover dat de boer belang heeft bij een
koe die goed produceert; waarmee hij dus boer kan blijven. Dit moet hoofd-
zaak blijven. En als het moment is gekomen, dat de slager er aan te pas

-ocr page 830-

rnoct komen — dat is elk jaar met 25 procent, met een vierde gedeelte van
de melkveestapel het ge\\al — dan is het fraaie dier evenveel waard als elk
ander, tenzij het in gewicht te kort komt, want dan is het minder waard.
Ik heb gemeend dit duidelijk te moeten stellen, omdat bij de aankoop van
stieren het exterieur vaak een te belanrijke rol toebedeeld krijgt. Eveneens
speelt de exterieunererving een belangrijke rol bij het gebruik van de stie-
ren.

Wanneer een oudere stier een goed exterieur vererft, is men in vele geval-
len geneigd dit zwaarder te laten wegen dan de produktievererving."
In het buitenland, met name in de Scandinavische en Angelsaksische lan-
den zijn dit sedert lange tijd bekende klanken. Ik moge er slechts één aan-
halen, en wel een opmerking van Joseph Edwards (1963), weten-
schappelijk adviseur van de „Milk Marketting Board" in Engeland, die,
vertaald, als volgt luidt:

„In de tweede helft van de 19e eeuw werd grote invloed op het foktype
uitgeoefend, doordat men veel aandacht besteedde aan de bouw van het
dier en uiterlijke schoonheden, zoals de kleiu\' \\ an de huid, de vorm en zelfs
de stand van de horens. Thans moeten wij glimlachen om de pogingen
deze en andere uiterlijke kenmerken in verhand te brengen met de melk-
produktie en om de heftigheid waarmede keuringscommissies en anderen
aan zulke denkbeelden vasthielden".

Schrijft Edwards in de verleden tijd, in Nederland bchcxirt dit extreme
exterieurisme nog
niet tot het verleden. De aanhangers uiten zich echter
minder positief dan vroeger en worden ook minder talrijk. Toch zal het
nog geruime tijd duren vóór in cle veeteeltpraktijk van Nederland zakelijk-
heid heeft gezegevierd over „geloof" en „intuïtie". Daarvoor is de leer van
het exterieurisme te lang en te grondig onderwezen. En wordt nog dagelijks
onderwezen.

Zolang het gebruik \\an niet goed fokkende stieren nog wordt gestimuleerd
door het verkrijgen van een eerste prijs op een keuring, zolang is het exte-
riem\'ismc nog geen overwonnen standpunt.

SAMENV.ATTI.NG.

Was dc exterieurkeuring, vóór cr van melkcontrole sprake was, de enigc mogelijkheid
om de waarde van een melkrund te taxeren, daarna liet ze zich zonder meer niet
naar het tweede plan verwijzen.

Nadat echter bleek, dat uit het exterieur ook over dc constitutie en vocdervcrwcrking
geen betrouwbare voorspellingen gedaan kunnen worden, wordt thans gepropageerd,
dat men uit het algemeen voorkomen de fokwaarde kan voorspellen, eventueel het
„dair>\' character" (uiterlijke melkrijkheid).

Aan de hand van cijfers wordt betoogd dat alleen dc ontwikkeling en kwaliteit van
de uier aanwijzigingen geven omtrent de te verwachten melkproduktie en er noch bij
stieren, noch bij koeien een verband bestaat tussen het algemeen vcx)rkomen en dc
aanleg voor melkvetproduktic.

Ook wordt stelling genomen tegen het invoeren van het begrip „dairy character" en
het willen voorspellen van dc fokwaarde uit het exterieur.

SUMMARY.

Because examination of the conformation was the only method by which to assess the
value of dairy cattle before there was any question of milk recording, subsequently
it could not be simply relegated into the background.

Since it was found, however, that reliable predictions regarding the constitutions and
feed conversion could not be based on the conformation, it has been suggested that

-ocr page 831-

the „breeding value" and possibly the „dairy character" may be predicted from the
general appearance.

Figures are cited to show that only the development and quality of the udder will
afford an indication of the milk yield which can be anticipated and that there is
no relationship between the general appearance and the capacity for producing milk
fat.

\'1 he introduction of the term "dairy character" and the theory that the breeding
value may be predicted from the conformation arc also objected to.

RÉSUMÉ.

Si l\'inspection de l\'extérieur d\'une vache laitière, avant que le contrôle du lait
n\'entrât en ligne de compte, était l\'unique possibilité d\'estimation de la valeur d\'un
bovin, elle ne se laissait pourtant pas ensuite reléguer tout court au second plan.
Lorsqu\'il parut cependant que partant de l\'extérieur on ne pouvait pas non plus
prédire d\'une façon certaine ni la constitution ni l\'assimilation des aliments, on pro-
page à présent que l\'on peut prédire, partant de l\'apparence générale, la valeur
d\'élevage, éventuellement le „dairy character" (la richesse laitière extérieure).
A l\'aide des chiffres on démontre que seuls le développement et la qualité de la ma-
melle donnent des indications sur la production de lait à laquelle on pourra s\'attendre
et que ni chez les taureaux ni chez les vaches il n\'y a une corrélation entre l\'appa-
rence générale et les dispostions à la production de graisse dc lait.
On s\'oppose aussi à l\'introduction de la conception de „dairy character" et à la vo-
lonté de prédire, partant dc l\'extérieur, la valeur d\'élevage.

ZUSAMMENFASSUNG.

Schon ehe von Milchkontrolle die Rede war, war die Körung die einzige Möglichkeit,
um den Wert einer Milchkuh zu taxieren, sodass sie sich auch späterhin nicht ohne
weiteres auf den zweiten Platz verweisen Hess.

Zeigte sich erst, dass aus dem .Ausseren, auch auf der Konstitution und Futter-
verwertung keine zuverlässigen Vorau.ssagen gezogen werden können, so wird jetzt
wieder propagiert, dass man aus der äusseren Erscheinungsform den Zuchtwert vor-
aussagen kann und eventuell den „dairy character" (äusserlicher Milchrcichtum).
.An Hand von Zahlenmaterial behauptet man, dass allein Entwicklung und Qualität
der Euter Anweisungen für die zu erwartende Milchproduktion geben können und
weder bei Stieren, noch bei Kühen ein Verband zwischen dem allgemeinen Äusseren
und der Veranlagung zur Milchfettproduktion besteht.

Auch wird Stellung genommen gegen den Begriff „dairy charactcr" und das Vor-
aussagenwollen des Zuchtwcrtes nach dem Äusseren.

LITERATUUR

.Anoniem: Verband uicrwaardering en produktie ;n Duitsland. Fries Landbouw-
blad, 24 juli 1959.

Bosma, Ir. K. and Leignes Bakhoven, Ir. H. G. A. : The relation between
the conformation as a whole, the special dairy characteristics and the milk- resp.
the milkfatproduction. Verslagen Zoötechnisch Congres, Parijs 1949.
Edwards, Joseph: De ontwikkeling in dc opvattingen omtrent de rundvee-
fokkerij (vertaald).
Veeteelt- en Zuivelber., 6, 37, (1963).
G e e s s i n k, Ir. E. F. en Stegenga, Prof. Dr. Th.: De overerving van K.l.-
stieren. Jaarverslag 1956 van de commisise van toezicht op de K.I. in Nederland.
Hoekstra, P. en Mey, G. J. W. van der: Hoe komt een K.I.-vereniging aan

goed stierenmateriaal. Tijdschr. Diergeneesk., 87, 142, (1962.
J e p m a, Ir. J.: Gedachten over de veefokkerij. De Keurstamboeker, 19 april 1962.
Jong, Ir. W. de: Productie en exterieur van ons rundvee. Jaarboek Alg. Bond van
oud-leerlingen van inrichtingen van middelbaar landbouwonderwijs „Culturator
1943"; Verslag:
Fries Landbouwblad, 24 juli 1959.

-ocr page 832-

Jong, Prof. Ir. W. dc: Een halve eeuw productieteelt. Inaugurale rede, 29 mei
1947.

M c M e e k a n, C. F.: Principlcs of Animal Production. Whitecombe & Tombs Ltd.,
sec. cd.,
pag. 1953.

M i n k e m a, Ir. D.: Bespiegelingen over afstammelingenonderzoek van K.I.-stieren.

Veeteelt- en Zuivelber., 4, 237, (1961).
R ij s s e n b e e k, Ir. Th. C. J. M.: De selectie van stieren voor K.I.-verenigin.gen.

Veeteelt- en Zuivelber., 5, 203, (1962).
R ij s s e n b e e k, Ir. Th. C. J. M.: Foktechnisch beleid in K.I.-verenigingen. De

Keurstamboeker, no. 11 en 12, 1963.
Stapel, Ir. K.: Het compromis in de rundveefokkerij. De Keurstamboeker, 7 en
14 juni 1962.

DISCUSSIE
Vraag: Drs. F. J. Grommers, Utrecht.

Bij het citeren van enkele deskundigen (Politiek, Minkema, Rijssen-
b e e k) valt op dat alleen Minkema andere wegen aangeeft om tc komen tot een
beter verantwoorde stierenkeuze.

Wat is de inleider bekend omtrent de ideeën van de andere geciteerde insiders?
Antwoord:

Spreker antwoordt dat ook Politiek en Rijssenbeek wel nieuwe wegen heb-
ben gewezen.

Van Rijssenbeek is bijv. bekend zijn belangstelling voor het stiermocder-
programma, d.w.z. dat in de K.I.-verenigingen uit zeer goede koeien adspirant fok-
stieren worden gefokt. En ook Politiek heeft in dezen zijn licht niet onder de
korenmaat gezet.

Opmerking:

Drs. R. Strik werda wijst in dit verband op de lezing van Dr. Ir. R. D. Poli-
tiek over „Doelmatige selectie in de rundveefokkerij", gehouden op de K.I.-dag in
Oranjewoud op 28 februari 1963.

Een korte samenvatting hiervan is opgenomen in hct orgaan; Mededelingen van het
Friesch Rundvee-Stamboek en van de Bond van K.1 .-verenigingen in Friesland, juni
1963, no.
188, blz. 125-126.

Vraag: de heer J. van den Berg h, België.

Het is gemakkelijker te selecteren op melk- en vleesproduktie afzonderlijk. Is hct dan
voor de gewone veehouder niet het meest economisch zijn vee te selecteren op melk-
opbrengst alleen, om voor de vleesproduktie (afstammelingen van de minder pro-
duktieve koeien en het teveel aan kalveren) cen beroep te doen op kruisingen?
Opmerking: In België worden zwartbonte koeien nogal eens geïnsemineerd met
sperma van roodbonte stieren; dit .geeft veel betere mestkalveren.

Antwoord:

Inleider wijst er op dat wij niet als in Amerika de beschikkin.g hebben over honderd-
duizenden hectaren veeweide die eigenlijk alleen voor het houden van vleesrunderen
op extensieve wijze te gebruiken zijn en die maken dat men in de V.S. Europese
„dual purpose" rassen, zoals de Fries Hollandse zwartbonten en de „Brown Swiss",
daar geheel in de melkrichting fokt. Het is voor ons logischer om het in de „dual
puipose" rassen te zoeken.

En nu zijn wij zo gelukkig dat wij in onze zwartbonten, ja eigenlijk in al onze drie
rundveeslagen, runderrassen hebben die in staat zijn een hoge melkvetopbrengst te
combineren met een opbrengst van veel vlees van goede kwaliteit. Gezien deze goede

-ocr page 833-

eigenschappen lijkt het dan ook niet zo veel zin hebben om tot kruising van onze
rassen met vleesrassen over te gaan. Het is echter wèl gewenst dat proeven hieromtrent
genomen worden.

Opmerking:

Prof. Dr. Th. dc Groot voegt hier no.g aan toe: Uit een onderzoek van Dr.
M a s O n uit Engeland is gebleken dat jonge zwartbonten sneller groeien dan alle
andere Engelse rassen en ook dan alle kruisingsprodukten, inclusief de kruisings-
produkten van Hereford x British Friesian. Charollais en kruisingsprodukten waren
nog niet in dit onderzoek opgenomen.

Ook de slachtkwaliteit van de zwartbonten beantwoordt geheel aan moderne eisen.
Vraag: Drs. Th. L a m b e r s, Marum (Gr.).

Er bestaan „topstieren" die alleen uitnemende vrouwelijke afstammelingen leveren,
terwijl de fokker geneigd is de stierkalfjes hiervan direct op te ruimen omdat deze
in het algemeen slecht zouden zijn. Kan hieruit niet worden .geconcludeerd dat de
exterieureisen welke aan stieren worden .gesteld verkeerd zijn (nl. een rem vormen
voor de vooruitgang bij het fokken van goede koeien) ?

Antwoord:

Het is algemeen bekend dat bepaalde „topstieren" vooral als „stierenfokkers" uit-
munten, terwijl van andere hoofdzakelijk goede vrouwelijke nakomelingen zijn aan
te wijzen. In de verslagen van onderzoek op nakomclin.gen komt men deze opmer-
kingen ook vaak meer of minder duidelijk te.gen.

M.i. houdt dit verband met het feit dat het ideaal, dat men in Nederland stelt aan
een mannelijk dier, niet altijd aansluit bij dat wat men stelt aan een vrouwelijk
dier. Dc vrouwelijke veestapel behoort tot een ander deel van de rundveepopulatie
dan het mannelijk gedeelte. Let men bij de vrouwelijke dieren behcxjrlijk op melk-
type, bij de mannelijke dieren is het meer vleestype wat de klok slaat.
Zeer typerend werd dit eens door wijlen Prof. Ir. W. de Jong onder woorden ge-
bracht toen hij naar aanleiding van een reis naar .Amerika opmerkte, dat het hem
gefrappeerd had dat wat de vrouwelijke dieren betreft de idealen in exterieur van
Nederland en Amerika redelijk overeenstemden, maar t.a.v. de mannelijke dieren sterk
verschilden. Komt ons vrouwelijk ideaal in wezen wel overeen met de melktypischc
Holstein-Friesian, onze mannelijke tentoonstellingswinnaars lijken vaak vleestypes
bij de ranke Holstein-Friesian stier. Dit zo zijnde kan dus goed verklaard worden
dat bepaalde stieren vrijwel alleen maar exterieuristisch goede jonge stieren leveren
en andere vrijwel alleen maar goede vrouwelijke dieren produceren. Er zijn stieren
„lijnen" en koeien „lijnen".

Deze dualiteit in exterieur ideaal leidt bij paring van mannelijke en vrouwelijke
dieren natuurlijk tot cen tussenprodukt dat als .gcbruiksdier — melk en vlees — uit-
stekend kan zijn.

Vraag: Drs. E. H a 1; k e s t e e g t, Scha.gen.

1) Zou het niet gcx-d zijn om na 10 jaar nog eens weer eenzelfde onderzoek betref-
fende het verband tussen de punten bij de exterieurkeuring verkre.gen en de
produktieaanleg op te zetten? Dit in verband met het feit dat in de getoonde
tabellen veel materiaal, door natuurlijke dekking .geproduceerd, begrepen was.

2) Wat is een goede fokker?

Antwoord:

1) Het is inderdaad zinvol om na 10 jaar nog eens een dergelijk onderzCK-k op te
zetten. Dit niet zo zeer omdat er dan meer K.I. materiaal in verwerkt is — de
.gegevens betreffende de stieren zijn voor een groot deel K.I. gegevens --- maar
wel om eens te zien in hoeverre de exterieuraanbidding afgezwakt is.

-ocr page 834-

Het materiaal gebruikt voor de vaststelling van het verband tussen de uier en dc
melkproduktie is inderdaad in hoofdzaak verwekt door natuurlijke dekking.
2) Wat men een goede fokker noemt hangt af van wat men onder „goed" verstaat.
Zo kan men iemand een goed fokker noemen die er steeds maar weer in slaagt
produkten te fokken die grif voor goede prijzen worden verkocht. Zo iemand is
goed voor zijn portemonnaic.

Men kan ook iemand een goed fokker noemen die het vaak gelukt om op ten-
toonstellingen prijzen te behalen. Zo iemand is goed voor zijn sociaal aanzien
en misschien voor zijn portemonnaic.

M.i. is hij (zij) een goed fokker die regelmatig produkten aflevert die erfelijk
zoveel boven het gemiddelde van de Nederlandse veestapel liggen dat zij dit ge-
middelde kunnen verhogen. Om dit te kunnen zijn zal iemand over bijzonderc
kwaliteiten moeten beschikken, nl. bijzondere kwaliteiten van waarnemings-
vermogen, kennis, geheugen, inzicht, „feeling" en het maken van combinaties.
Hij (zij) moet gegevens van de fokprestaties en produkties van vele families en
individuele dieren kennen en weten welke combinaties t.a.v. bepaalde aspecten tot
een goed resultaat zullen kunnen leiden.

Vraag: Drs. A. Stevens, Goor.

Is het wenselijk om, gezien de tegenwoordige vetpositie, nog steeds te blijven streven
naar een verhoging van het vetgehalte?

Antwoord:

Zo lang de melk nog in belangrijke mate naar vetgehalte wordt uitbetaald, zo lang
zal het voor de individuele boer zinvol zijn te streven naar een verhoging van het
vetgehalte. En dit temeer omdat dit vrij gemakkelijk te bewerkstelligen is.
Nationaal gezien zal men aan de hand van dc prijzen der verschillende zuivel-
produkten moeten vaststellen welk vetgehalte voor Nederland in een bepaalde tijd
ongeveer optimaal is. In het algemeen wordt — meen ik — aangenomen dat men
niet streeft naar een hoger gemiddeld vetgehalte dan 4%.

Vraag: Prof. Dr. Th. de Groot, Wageningen.

Is spreker niet met mij van mening dat het zo is dat veel veehouders liever een
gokje wagen door een jonge stier, waarvan de fokwaarde niet bekend is, tc ge-
bruiken dan een oude stier, waarvan de fokwaarde bekend is? En of verder niet een
groter percentage der oudere stieren, waarvan de fokwaarde bekend is geworden, we-
gens onvoldoende vererving dient te worden uitgeselecteerd?

Antwoord:

Het is inderdaad zo dat veel veehouders graag eens gokken op een nieuwe, jonge
stier waarvan, behalve exterieur cn afstamining, niets bekend is. Kan dit voor een
enkele fokker misschien wel eens zin hebben - - in zijn vak neemt de factor geluk
immers een grote plaats in — voor een gewone veehouder is het in het geheel niet
verantwoord.

Ook ben ik mèt U van mening dat veel oude stieren met zgn. matige vererving veel
sneller opgennmd moeten worden. Een rol speelt hierbij soms dat bepaalde dieren
cxtcricuristisch nog al mooi zijn, en daardoor nog al veel gebruikt worden.

Vraag: Drs. J. S p r u y t, Meppel.

In aansluiting aan de vraag van Prof. de Groot over het gokken op jonge stieren zou
ik willen vragen of het grote gevaar niet zit in het opvolgen van bepaalde raad-
gevingen van „deskundigen" en het nadoen van „vooraanstaanden"?

Antwoord:

Het is waar dat de grote invloed van bepaalde personen vaak niet gunstig werkt.
Men durft dikwijls ongemotiveerd met gloed het gebruik van jonge stieren aan te

-ocr page 835-

bevelen onder het motto: op grond van afstamming en exterieur moet hij wel goed
fokken. In een geheel gebied wordt zo\'n stier dan aanbevolen en als het later tegen-
valt (kans van ± 66%) dan is de schade niet te overzien. Heeft zulk een jonge
stier éénmaal naam dan doet men de voorlopers na en bijna iedereen doet mee.
Het is zeer belangrijk dat de voorlichters op fokkerijgebied met zorg uitgekozen
worden.

Vraag: Dr. S. W. J. van D i c t e n, Oerie.

De keuring op exterieur van oudere stieren (met bekende vererving) is niet zinvol.
Hiermede is vraagsteller volledig akkoord.

Maar is de keuring van jonge stieren in verband met de (geringe of niet bestaande)
samenhang van het exterieur van de stier met de eigenschappen van de nakome-
lingen, wel zinvol?

Daarnaast mag gesteld worden dat cr wel een „zekere" waarde kan worden toege-
schreven aan het stimulerend cffcct van keuringen voor de veehouderij.
Wat is hierover Uw mening?

Antwoord:

Dat het geen zin heeft om stieren waarvan dc overerving bekend is op exterieur te
keuren staat vast. Iets anders is of jonge stieren ook niet meer aan exterieurkeuringen
moeten deelnemen.

U noemt al het feit dat uit ondcrzCK-kingen bekend is dat er praktisch geen verband
bestaat tussen dc letter bij voorlopige inschrijving van een stier verkregen cn het exte-
rieur van zijn dochters en dat het met het verband tussen de punten bij definitieve
inschrijving gegeven cn het exterieur der nakomelingen niet zo veel beter is. Over
een verband tussen exterieur en produktie behoeven wc natuurlijk niet eens te
praten.

Toch lijkt een exterieurkeuring van jonge stieren me nog wel gewenst. In de eerste
plaats om op de hoogte te blijven van de variatie in het ras. Verder ook om door het
geven van prijzen min of meer een ontwikkeling in een bepaalde richting te stinuderen.
Zo kan het nodig zijn het formaat wat te pou.sseren of slechte benen cn klauwen wat
af te straffen. Want al moge het dan waar zijn dat de totale beoordeling van een
stier, zoals die in letter of punten tot uitdrukking gebracht wordt, weinig zegt omtrent
het algemeen voorkomen der nakomelingen, voor bepaalde onderdelen ligt dc erfc-
lijkhcidsgraad zeker hoger. Zo bijv. voor klauwen, stand en gang, waarvan wc weten
dat die in hoge mate erfelijk bepaald zijn.

Ook kan men door deze periodieke keuringen de maten en de aard en omvang der
bcspiering in het oog houden.

Niet vergeten moet verder worden dat de exterieurkeuring van de toekomst ccn ge-
heel andere zal zijn dan die van tegenwoordig. In plaats van niet economisch gefun-
deerde normen als type, adel, platte dijen en een m
(X)ic kop zullen dan zakelijke eisen
gesteld worden. Zakelijke eisen aan formaat, bcspiering, benen, klauwen, stand en
gang en het is zeer waarschijnlijk dat dc erfclijkhcidsgraad voor deze onderdelen
veel hoger ligt dan die voor het algemene voorkomen.

Verder brengt, zoals U zelf reeds stelt, een keuring een element van competitie in
de rundveehouderij wat voor mensen zoals wij nu eenmaal stimulerend werkt.

De invloed van beweging.

Bij 30 stieren en 54 vrouwelijke dieren van het Tsjcchoslowaaksc roodbonte ras
werden verschillende perioden van beweging gegeven tussen de 3 en 23 maanden.
Dc lichaamsmaten, het lichaamsgewicht en de groei waren groter bij beweging. Ook
bleek na het kalven de melkopbrengst 8,5% tot 11,6% en het vetpercentage 0,1%
tot 0,7% hoger te zijn.

An. Br. Abstr., 31, 40, (1963).

-ocr page 836-

Enkele aspecten van de fysiologie en patho-
fysiologie van de geslachtscyclus bij het rund.

Some aspects of the physiology and pathology of the
bovine estrous cycle.

door C, H. W. DE BOIS1)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Verloskunde en Gynaecologie
van de Faculteit der Diergeneeskunde.

In deze voordracht zal worden getracht U cen overzicht tc geven van de
voornaamste resultaten van recente literatuur over de fysiologie van de
geslachtscyclus bij het vrouwelijke rund. Met nadruk zij erop gewezen,
dat dit overzicht verre van volledig is en niet valt vrij te pleiten van een
zekere persoonlijke voorkeur en interpretatie, hetgeen mogelijk in cle
discussie tot uiting zal komen.

Tenslotte zal een enkel woord worden gewijd aan het voorkomen en dc
behandeling \\an anafrodisie bij het rund.

Algemeen.

Het rund behoort tot de poly-oestrische dieren. Bij deze diersoort is de
lengte van de cyclus gemiddeld 21 dagen (18-23 dagen); bij pinken
bedraagt deze gemiddeld een dag "korter dan bij oudere dieren. Circa
2-6% van de runderen kan een cyclusduur van minder dan 18 dagen,
en circa 20% één van langer dan 23 dagen vertonen.
De dum- van de oestrus — waaronder valt te verstaan de periode waarin
het dier zich wil laten dekken — bedraagt gemiddeld 18 uur, doch kan
variëren van 6 - 30 uur. De ovula^e vindt ±: 1 1 uren na het ophouden
van cle uitwendige bronst plaats; deze tussentijd is bij ]jinken iets korter
dan bij oudere dieren. De dag van de oestrus wordt beschouwd als dc
eerste dag van de nieuwe cyclus (D.1); de ovulatie heeft dus op de tweede
dag (0.2) plaats.

De verschijnselen, die zich gedurende de geslachtscyclus bij het vrouwelijke
dier \\oordoen zijn van morfologische, functionele en psychische aard.
Deze jirocessen worden gereguleerd door een nauwe samenwerking van
het endocriene- met het zenuwstelsel; hierbij kunnen exogene factoren het
geheel sterk beïnvloeden.

Cyclische veranderingen van het geslachtsapparaat.

Gezien de grote klinische ervarenheid van dit gezelschap zal hier worden
\\olstaan met het schematisch weergeven van cle voornaamste bronst-
verschijnselen.

-ocr page 837-

Schema I.

Voornaamste klinisch waarneembare veranderingen van het geslachts-
apparaat bij het rund tijdens de cyclus.

B.

Progesteronfase

A.

Ocstronfase

hyperemie en zwelling
gezwollen, eventueel aan ven-
trale commisuur bronst-
secretum

oedemateus, bleekrozc van aspect
tegenovergestelde A.
niet gezwollen, eerste dagen van
cyclus wat bronstsecretum,
eventueel met bloed gemengd,
niet gezwollen, bloedvaatjes in
de propria mucosa zichtbaar.

Algemeen :
Vulva:

Mucosa V.
d. vagina en
portio vag.
uteri :
Uterus:

omvang groter dan tijdens pro- omvang kleiner dan tijdens

gesteronfase; uterus voelt vrij
stevig aan; ligt vaak a.h.w.
„opgerold"; ritmische uterus-
contracties

opgericht, omhullen a.h.w.
het ovarium

Fimbriae

tubae,

Fimbriae

ovarica:

Ovaria:

tijdens de oestrus een
rijpende follikel

ocstronfase; uterus voelt slap
aan, veelal een meer gestrekt
verloop; utcrusmusculatuur
atonisch.
slap, afhangend.

vanaf D.4- corpus luteum
periodicum waarneembaar.

-ocr page 838-

veel ervaring nodig. Overigens zijn de resultaten, die met deze methode
worden verkregen, bij het rund minder fraai dan bij knaagdieren.
Door de viscositeit van het vaginaalsecretum na te gaan met behulp van
een oestroscoop, zou volgens sonunige onderzoekers vastgesteld kunnen
worden, of de oestrus al dan niet aanwezig is.

OVARIA.

Hoewel veel van hetgeen zich in het ovarium afspeelt aan de klinicus
ontgaat, is het voor een juist begrip van de ovariële cyclus, gewenst,
hierover enkele mededelingen te doen.

Bij het pasgeboren kalf bevinden zich volgens Asdell (1955) in het
ovarium ca. 75.000 oöcyten; op l\'/s- tot 3-jarige leeftijd is dit aantal
gedaald tot 21.000 en op 12- tot 14-jarige leeftijd tot 2500. Gedurende
een runderleven vinden naar schatting slechts ca. 50 ovidaties plaats.
Deze getallen tonen aan, dat tienduizenden eicellen verloren gaan.
Reeds vanaf de geboorte ontwikkelen zich eicellen, doch deze kunnen
bij het jonge, nog niet geslachtsrijpe dier slechts tot een bepaald stadiiun
komen. Eerst als de puberteit wordt bereikt, wordt de cyclus geleidelijk
i aan compleet. Primordiaal follikels ontwikkelen zich via de z.g. primaire
! en secundaire follikels, tot follikels van De Graaf, waarvan er — althans
i bij het rund — in de meeste gevallen bij elke cyclus slechts één tot
I volledige ontwikkeling komt om daarna te ovuleren.
Atresie van priniordiaal-follikels komt slechts weinig voor, des te meer
in de latere stadia, zij het dat dit histologisch op verschillende manieren
kan geschieden. Hierbij kan het komen tot vorming van corpora atretica.
In de 24 uren, die aan de ovulatie voorafgaan, neemt de te o\\ulereri
follikel nog in omvang toe, terwijl ook histologisch nog belangrijke ver-
anderingen plaats vinden. Het zichtbare oppervlak van de follikel is dun
en doorschijnend, met op lïëfTïöögste punt de macula pellucida, een piek
ter grootte van een speldeknop.

Na de ovulatie vindt de ontwikkeling van het corpus luteum plaats.
De eerste twee a drie dagen post-ovulationem worden gekenmerkt door
hyperemie van de theca-laag en stcike ijkioivorming \\an de granulosa-
laag. Eosinofiele leucocyten zijn overvloedig aanwezig.
De periode van de derde tot de achtste dag wordt gekenmerkt door
proliferatie en vascularisatie. De granulosacellen hypertrofiëren, de ruim-
ten tussen de plooien oblitercren, en de omvang van het lumen neemt
sterk af. Vanaf de vijfde dag zijn de typische luteïnecellen aanwezig. Op
de negende dag is het corpus liileum compact van bouw en heeft een
gelobd uiterlijk, ten gevolge van bindweefselgroei. Tussen de negende
éti de iWSalfde dag bereiken de cellen him maximale grootte.. Vanaf de
veertiende dag zijn regressieve veranderingen waar te nemen; deze ver-
anderingen nemen vanaf de negentiende dag zeer snel toe.
De degeneratie is soms reeds compleet op de eerste dag (D.1) van de
volgende cyclus; in de overige gevallen uiterlijk op de eerste dag na de
ovulatie (D.2).

Rajakoski (1960, 1961) ging de eicel-rijping kwantitatief na aan de
hand van ovaria, afkomstig van proefdieren, die op verschillende tijd-
stippen van de cyclus waren geslacht. Het totale aantal normale en
atletische follikels è 1 mm. van beide ovaria bleek individueel aanzienlijk

-ocr page 839-

te variëren, n.1. van 10-266 met een gemiddelde van 92.4 (± 9.1).
R a j a k O s k i l.c. toonde verder aan, dat er met betrekking tot het aantal
follikels (diam. 1,00 tot 4,95) seizoensverschillen bestaan. In zijn materiaal
was het aantal van deze follikels in de winter en in het vroege voorjaar
groter dan in de herfst. Op een mogelijke verklaring voor dit verschijnsel
zal later worden ingegaan.

Rajakoski l.c. heeft verder nagegaan, of er significante verschillen
bestaan tussen de aantallen follikels è 1 mm. op de diverse tijdstippen van
de cyclus. In zijn materiaal blijkt dit niet het geval te zijn voor follikels
tot een diameter van 5 mm. Hierbij dient te worden opgemerkt, dat deze
groep follikels aanzienlijke individuele- en seizoensschommelingen vertoont,
en dat het aantal door Rajakoski l.c. onderzochte dieren te gering
is voor het trekken van verantwoorde conclusies. Er blijken wel cyclische
verschillen in aantal te bestaan voor follikels è 5 nnn.
Op de tweede dag van de cyclus is — althans na de ovulatie — geen
follikel van dit formaat aanwezig. Op de derde en vierde dag zijn vrijwel
steeds één of meer follikels met een diameter van 5-8 nnn aanwezig.
Van de vierde tot de zevende dag is er een toename van atretische follikels
\\an dit formaat, terwijl daarnaast één grote follikel (diam. 9-1,3 mm)
aanwezig is. Deze follikel wordt de twaalfde dag atretijch (cysteuze atresie)
en kan tot de zeventiende dag waarneembaar zijn.

Schema II.

Ovarium, klinische bevindingen.

Follikels

Corpus luteum

rijpende follikel
(10-15 mm)

idem

of n.a ovulatie „put"
kleine follikels\')
(5-8 mm)

.grote follikel^) (9-13 mm)
mogelijk tot ± Dn
aanwezig

kleine follikels^) (5-8 mm)

Dl
D2

D:I-D4
D.1
-D12

Dl2-Dt4

Dl

D4

Dfi-Ds

e.V. ... snel verkleinend
corpus luteum afk. vorige
cyclus

corpus luteum

± max. grootte corpus
luteum bereikt

Du-D2ü ... grote follikcH) (9-13 mm)
D.^i-Di ... follikel >
D20 (10-15 mm) Dio

. omvangsvermindcring
corpus luteum merkbaar

worden na D4 atretisch, uitgezonderd Opmerkingen:
één follikel.

wordt na D12 atretisch. D14 .. begin degeneratie.

•\') worden na D14 atretisch, uitgezonderd Dt-Da ... degeneratie compleet,
één follikel.

rijpt volledig en ovuleert tenslotte
(D2).

-ocr page 840-

Vanaf de twaalfde tot de zeventiende dag verschijnen weer follikels van
de klasse 5 - 8 nini; hierop volgt een toename van atretische follikels van
een dergelijk formaat. Eén grote normale follikcl resteert; deze neemt tot
ongeveer de twintigste dag van de cyclus slechts zeer langzaam in omvang
toe; eerst daarna vindt een duidelijke groei plaats, gevolgd door ovulatie.
Uit het bovenstaande blijkt, dat er als het ware twee golven van rijpende
follikels zijn en we naast een corpus luteum, follikels van verschillende
grootte kunnen aantreffen, (schema 2.)

Regulatie van de cyclus.

De regulatie van de cyclus geschiedt door het endocriene stelsel in samen-
werking met het zenuwstelsel. Exogene factoren kunnen het geheel sterk
beïnvloeden.

Opgemerkt zij, dat beide stelsels in hun totaliteit voor de voorplantings-
processen van belang zijn, doch dat hier slechts het gedeelte zal worden
besproken, dat van „direct" belang is voor de produktie van de z,g,
voortplantings-hornionen. Hiertoe behoren de gonadotrope hormonen, het
ocytocine, de oestrogene steroïden en het progesteron.
Alvorens nader op de betekenis van deze hormonen wordt ingegaan zal
een enkel woord worden gewijd aan de bouw van de hypofyse.

De hypofyse heeft zich, embryonaal gezien, uit twee verschillende aan-
leggingen ontwikkeld.

De adenohypofyse (Lobus glandularis) kcnit voort uit het z.g. zakje van
R a t h k e, een dorsaal gerichte uitstidjjing van het monddak, dat zich
vervolgens van het mond-epitheel losmaakt.

De neurohypofyse is voortgekomen uit een uitzakking van de bodem van
de derde ventrikel.

Heide aanleggingen tezamen vormen de hypofyse.

Wat door de klinicus wordt aangeduid als hypofyse-voorkwab (lobus
anterior) be^at uit de pars distalis en de pars Fubéialis van de adeno-
hypofyse. Volledigheidshalve zij ojigemerkt, dat dc pars distalis en de
pars tuberalis worden gevormd door het craniaal gerichte gedeelte van
het zakje van R a t h k e.

Uit het achterste gedeelte van het zakje ontwikkelt zich dc pars inter-
medialis van de adenohypofyse. Het pars tuberalis slaat voor een deel om
de neutrale steel (infundibulum) en vormt de z.g. hypofyse-steel.
De_neurohypofyse ontvangt zenuwvezels uit enkele in de hypothalamus
gelegen kernen.

De neurohypofyse bestaat uit mergloze zermwvezels, gliacellen, bloedvaten
en bindweefsel; de adenohypofyse bestaat uit verschillende soorten cellen
die een zeer innig contact hebben met de bloedvaten (bloedsinus). Men
onderscheidt acidofiele (a) cellen, basofiele (P) cellen en chromofobe (y)
cellen.

Tenslotte moet nog het hypothalamus-hypofysaire-portale vaatstelsel wor-
den vermeld. Dit bestaat uit éeh capillair netwerk (primaire plexus) ter
hoogte van de eminentia medianae, dat overgaat in een aantal portale
vaten in de pars tuberalis en vervolgens in een netwerk van sinusoïden
(secundaire plexus) in de pars distalis. De bloedstroom zou centrifugaal
gericht zijn.

-ocr page 841-

GONADOTROPE HORMONEN.

De gonadotrope hormonen worden in de adenohypofyse geproduceerd.
Chemisch hebben deze stoffen een zeer ingewiJd^elde, eiwitachtige struc-
tuur, waardoor het onderzoek ten zeerste wordt bemoeilijkt. Daar komt
nog bij, dat de werking van hypofyseweefselextracten sterk kan worden
beïnvloed door bijkomende substanties als hemoglobine en zouten van
zware metalen. Het effect van de extracten kan, door toevoeging van der-
gelijke stoffen tot een veelvoud worden verhoogd.

Aangenomen wordt dat er twee, mogelijk drie verschillende stoffen met
een gonadotrope werking door de adenohypofyse worden afgescheiden,
n.1. het
F.S.H. (follikel-stimulerend hormoon), het L.H. (luteïniserend
hormoon) ook wel genoemd
I.C.S.H. (interstitiële-cel-stimulerend hor-
moon) en het L.T.H. (luteotrope hormoon) of prolactin. Deze laatste stof
is van belang voor de melkgift: de rol van dit hormoon als handhaver
\\an het corpus luteum en als stimulator van de progesteronproduktie bij
het rund is echter dubieus.

Volgens Aron (1955) bestaat er slechts één gonadotroop hormoon. De
com])oncnten F.S.H. cn L.H. zijn \\olgens hem kunstprodukten, die ont-
staan ten gevolge van de chemische bewerkingen die het gonadotrope
hormoon bij de extractie en zuivering ondergaat.

Volgens Flammond (1955) is de verhouding F.S.H. : L.ÏL bepalend
voor het cycluspatroon bij zoogdieren. Het gehalte aan L.H. is bij het rund
hoog, het gehalte aan F.S.H. laag.
Bij het paard ligt de verhouding juist omgekeerd.

Het varken staat, wat dit e\\enwicht betreft, dichter bij het paard; het
schaap dichter bij het rund.

Volgens Hammond I.e. heeft de verhtuding F.S.H. : L.H. het gevolg,
dat ovailatie en luteïnisatie van de follikel bij \'het rund zo snel gaan, dat
onder sommige omstandigheden de uitwendige bronstverschijnselen achter-
wege blij\\en (suboestrus).

Uit experimenten met hyi^ofyseloze proefdieren blijkt, dat de eerste fase
van de eicelrijping autonoom verloopt, d.w.z. tot aan de holtevorming.
F.S.H. is nu nodig voor de verdere ontwikkeling, terwijl L.H. zorgt voor
de produktie van oestrogene en androgene steroïden en voor de ovulatie.
Door .synergisme van F.S.H. en L.H. werden eerst optimale resultaten
bereikt.

Tot op heden is het niet gelukt, het F.S.H. geheel zuiver te bereiden;
een verontreiniging met L.H. in de verhouding 1 : 10 tot 1 : 40 blijft be-
staan. Lamond en Emmens (1959) spreken ook van een gonado-
troop-complex, waarin de componenten F.S.H. en L.H. in een bepaalde
verhouding tot elkaar staan. De geleidelijke toenemende produktie van
oestrogene steroïden wijzigt zozeer de verhouding ten gunste van het L.H.,
dat tenslotte ovulatie optreedt. Corpus luteum vorniing en progesteron-
produktie geschieden eveneens onder invloed van het L.H., aldus ge-
noemde auteurs. \'

Nalbandov (1958, geciteerd naar Lamond en Lang (1961)) is
van mening, dat de verhouding F.S.H. tot L.H. zich niet wijzigt, doch dat
de afgescheiden hoeveelheid van dit hormooncomplex de stand van de
cyclus bepaalt.

c

-ocr page 842-

Lamond en Lang (1961) voeren nog een derde mogelijkheid aan.
Tot een bepaald niveau zou de functie van het ovarium worden geregu-
leerd door een constante afgifte van een bepaalde groep hypofysaire hor-
monen. De ovariële cyclus zou worden bewerkstelligd door afgifte van
een gonadotroop complex. L a m o n d en Lang halen hierbij het werk
aan van E v e r e 11 en S a w y er (1950).

Laatstgenoemde onderzoekers toonden aan, dat bij ratten die onder vol-
komen gelijke omstandigheden (licht, temperatuur, voeding, etc.) werden
gehouden, de afgifte van het hormoon, dat de ovulatie bewerkstelligt, ge-
schiedt tussen 2 en 4 uur op de dag van de ovulatie. Dit is dus geen
continue, doch ritmische afgifte.

Ver gezuiverde F.S.H.- of L.H.-prejiaraten^ afkomstig van adenohypofysc-
weefselextracties, worden door de dierenarts vrijwel niet benut. Veelvul-
dig gebruik wordt gemaakt van twee stoffen, die een zekere mate van
gonadotrope werking bezitten, nl. het serum-gonadotrofine en het urine-
gonadotrofine.

—.. " . \'I)\' c

Serum gonadotrofinc.^\'\'

Het serLuri gonadotrofinc wordt in de Angelsaksische literatuur aangeduid
met de afkorting P.M.S. (pregnant mare serum). Deze stof wordt in het
bloed van drachtige merries aangetroffen van ongeveer de 40e tot de
120e dag van de graviditeit. Het P.M.S. wordt per injectie toegediend
en behoudt gedurende enige dagen zijn werkzaamheid. De stof werkt
voornamelijk follikel-stimulerend \'eu minder luteïniserend. De wijze van
bereiding schijnt overigens van belang te zijn voor de mate van activiteit
van de stof.

1 • .

Urine gonadotrofinc.

Het urine gonadotrofinc wordt in de Angelsaksische literatuur aangeduid
als H.C.G. (human chorionic gonadotrophin). Deze stof is bij zwangere
vrouwen in de urine aanwezig, ongeveer van de 30e tot de 100c dag van
de graviditeit. Na toediening bij een dier verdwijnt het H.CI.G. zeei\' snel.
Bij hypofyseloze dieren blijkt het H.C.G.
geen foliikelstinuilerende werking
te bezitten, in tegenstelling tot het P.M
.S"

De werking van deze stof zou bij het normale dier als volgt kunnen worden
verklaard:

1. het H.C.G. en de circulerende hormonen stimuleren het ovarium;

2. ovariële steroïden werken stimulerend op het hypothalamisch hypo-
fysaire systeem;

3. gonadotrope hormonen afkomstig uit de hypofyse, stimuleren het
ovarium.

OESTROGENE STEROÏDEN.

De oestrogene steroïden worden gevormd in het ovarium, in de placenta
en in de bijnier. Er bestaat geen eensgezinde opvatting over de plaats in
het ovarium waar deze steroïden worden gevormd. De theca-cellen zijn
vermoedelijk de voornaamste producenten van deze stoffen, doch ook de
interstitiële- en granulosa-cellen schijnen voor de produktie nodig te zijn.
In de follikelvloeistof van het rund komen relatief vrij grote hoeveelheden
oestradiol-17j8 voor, het krachtigste natuurlijke oestrogene steroïd.

-ocr page 843-

De werking van cle oestrogene Steroiden bij het vrouwelijke zoogdier kornt
duidelijk tot uiting na o\\ariectoinie. Bij infantiele dieren treedt geen ont-
wikkeling op van het geslachtsapparaat, de inelkklieren en de tepels, even-
min van de typisch vrouwelijke skeletstructuur en vetverdeling. De adeno-
hypofyse neemt in omvang toe en z.g. castratiecellen ontstaan. Het gehalte
aan F.S.H. stijgt. De oestrogene Steroiden oefenen n.1. op de produktie en
afgifte hiervan een remmende invloed uit.

De directe invloed van de oestrogene Steroiden op het ovarium is na te
gaan bij de ovaria van hypofyse-loze dieren. Onder invloed van oestradiol
groeit een aantal kleine holteloze follikels, waardoor de omvang \\ an het
ovarium aanzienlijk toeneemt, terwijl deze toch nog ver beneden de om-
vang van een normaal ovarium blijft. De follikels blijven evenwel massief.
Toediening van testosteron resulteert wel in de holte-vorming, doch de
eicellen gaan dood. Eerst de combinatie van testosteron met F.S.H. be-
werkt holtevorining en levert een normaal levende ei-cel op.
De oestrogene Steroiden bewerkstelligen, bij het normale dier, een hyper-
emie van het gehele geslachtsapparaat. De hyperemie van de uterus wordt
gevolgd door wateropname en hypertrofie van endometrium en myo-
metrium. In het oppervlakte-epitheel vindt glycogeen afzetting plaats.
Het myometrium wordt gesensibiliseerd voor het uit de neurohypofyse
afkomstige ocytocine en gaat tenslotte ritmisch contraheren. De uterus-
contracties zijn van groot belang voor het sperma-transport. Reeds vrij
korte tijd nadat het ejaculaat in het cervixkanaal is gedeponeerd, worden
spermatozoïden in het bovenste gedeelte van de eileider aangetroffen.
In de praktijk worden of esters van het natuurlijke follikelhornioon, b.v.
oestradiol-monobenzoaat toegepast, of stoflen die chemisch niet of slechts
nauwelijks met de natuurlijke oestrogene Steroiden verwant zijn. Een proto-
type van deze laatste stof is het diaethylstilboestrol.

PROGESTERO.N.

Bij niet-drachtige dieren is het cor])us luteum de voornaamste producent
van progesteron. C.hemisch behoort deze stof lot de steroïden.
Het hormoon kan pas goed werken als het weefsel door de oestrogene
steroïden als het ware hierop is voorbereid. In het endometrium treden
onder invloed van het progesteron Ix\'langrijke proliferatieve veranderingen
op; het meest opvallend zijn wel de veranderingen aan de klierbuizen.
De uterusmusculatuur neemt in motiliteil af en reageert tenslotte niet
meer op het ocytocine.

In het algemeen wordt thans aangenomen, dat kleine hoeveelheden jjio-
gesteron nodig zijn voor de laatste fasen van de eicelrijijing en voor de
ovulatie. In de follikelvloeistof treffen we kort \\óór de ovulatie reeds
progesteron aan, afgescheiden door de follikelwand.
De oestrus en ovulatie worden reeds door kleine hoeveelheden [irogesteron
onderdrukt, mits op het juiste moment van de cyclus toegediend. Dient
men het bij het rund toe in de eerste urer; \\an de oestrus (25 mg), dan
wordt de tijdsduur tussen het einde van de oestrus en de ovulatie verkort.
Het voor de praktijk beschikbare progesteron wordt sedert vele jaren
synthetisch bereid. De stof dient intramusculair te worden gegeven. De
laatste jaren zijn vele stoffen met een progestatieve werking ontwikkeld,
die oraal werkzaam zijn.

-ocr page 844-

Bij de mens worden dergelijke stoffen benut voor de geboorteregulatie.
De in te nemen tabletten bevatten — naast een progestatieve stof — ook
een stof met een oestrogene werking (3 methoxy-ethinyl-oestradiol).
De laatste jaren wordt met dergelijke jni\'paraten ook bij onze huisdieren
geëxperimenteerd (onderdrukking oestrus, synchronisatie oestrus).

OCYTOCINE.

De neurohypofyse is o.a. de stapelplaats van het ocytocine en het Vaso-
pressine. De vorming van deze stoffen vindt, naar thans algemeen wordt
aangenomen, plaats in enkele in de hypothalamus gelegen kernen, n.l. dc
nuclei\' supra-optici en de nucle\'i\' para\\entricularis. In de ganglioncellen
van deze kernen worden secreetgranida gevormd, die via de vezels van
de tractus supra opticus hypofysicus naar de neurohypofyse worden ge-
voerd. Deze granula hopen zich rondom de capillairen op, vanwaar zc
gemakkelijk in de circulatie kunnen worden opgenomen.
Het ocytocine en het Vasopressine zijn nauw aan elkaar verwant; het
eerst zijn deze stoffen gesynthetiseerd door Du Vigncaud e.a. (1953).
Het zijn polypeptiden, opgebouwd uit slechts 8 aminozuren, waarvan de
beide stoffen er zes gemeenschappelijk hebben. Het moleculaire gewicht
is ± 1000.

Het ocytocine werkt \\ooral op de gladde s])ier\\ezels van de uterus
(ocytocine-effect) en op die van de melkklieren (melk-ejicerend effect).
Op de mogelijke rol van ocytocine bij de regulatie van dc cyclus zal later
worden ingegaan.

Het voor praktische doeleinden beschikbare ocytocine wordt de laatste
l jaren steeds meer synthetisch bereid. Ocytocinepreparaten, verkregen door
\' middel van extractie van hypofyse achtcrkwab weefsel, zijn nooit vrij
\'jvan het Vasopressine, hetgeen zijn bezwaien (o.a. bloeddruk verhogende
/werking) kan hebben.

BETEKENIS VAN DE UTERUS VOOR DE OVARIËLE CYCLUS.

De rol van de uterus in verband met de ovariële cyclus is evenmin geheel
duidelijk. Verschillende experimenten, onlangs verricht bij proefdieren,
wijzen erop, dat de uterus op één of andere wijze is betrokken bij dc
regulatie van de cyclus. Het onderzoek van Anderson e.a. (1962)
leert ons, dat de complete verwijdering van de uterus en cervix uteri tijdens
de i)rogesteronfase bij het rund tot gevolg heeft, dat het tijdens dc operatie
aanwezige corpus luteum zeer lang blijft bestaan (in dc proefopzet van
Anderson I.e. 270 dagen). Blijft evenwel een decl \\an de uterus in
situ, bijv. de cervix en het corpus uteri, of een gedeelte van de uterus
hoornen, dan treedt er wel regressie op \\an het corpus luteum en ver-
loopt de cyclus ongestoord, althans bij het merendeel van dc proefdieren.
Deze bevindingen van Anderson e.a. I.e., zou erop kunnen wijzen, dat
de uterus een „prikkel" produceert, welke de volgende werkingen heeft:

a. als een hormoon, hetzij direct werkend op het corpus luteum, hetzij
indirect via het hypothalamisch-hypofysaire systeem.

b. als een neuro-humorale stof, die ter plaatse afferente zenuwbanen
prikkelt, waarna via deze banen, via centraal zenuwstelsel en hypo-
thalamus, de adenohypofyse wordt be\'invloed,

-ocr page 845-

HET ZENUWSTELSEL.

Uit allerlei waarnemingen en e.xperinienten kan worden afgeleid, dat het
zenuwstelsel voor de regulatie van de verschillende aspecten van de ge-
slachtscyclus van zeer groot belang is.
Onderstaande twee voorbeelden mogen dit illustreren.

Hij het in oestrus zijnde vrouwelijke rund ontstaat bij nadering van het
mannelijke dier, bij het beroeren \\an de vulva en tijdens de dekking,
een verhoogde uitscheiding van ocytocine, met als gevolg een toename
\\ an de ritmische uteruscontracties. Dit laatste is, zoals reeds vermeld, van
groot belang voor het spermatransport.

De oestrische cyclus komt bij sommige diersoorten slechts gedurende een
bepaald gedeelte van het jaar voor (z.g. „season-breeders"). Dit kan men
alleen verklaren door aan te nemen, dat het zenuwstelsel als het ware
bemiddelend optreedt tussen de buitenwereld en het endocriene stelsel.
Naar alle waarschijnlijkheid vormt de wisselende daglengte hier de be-
langrijkste [jrikkel; het oog treedt als receptor oj), waarna de lichtprikkel
\\ ia de nervus opticus naar de hersenen wordt gevoerd. De vraag rijst nu:
op welke wijze het zenuwstelsel het endocriene stelsel vermag te beïnvloe-
den.

Aangezien het de adenohypofyse is, die door middel van afgifte van zijn
,,trope" hormonen de functie van de verschillende klieren met interne
secretie reguleert, kan men nagenoeg volstaan met na te gaan, langs welke
wegen het zenuwstelsel de adenohypofyse beïnvloedt.

Lange tijd heeft de opvatting geheerst, dat deze beïnvloeding uitsluitend
langs nerveuze banen zou geschieden. .Algemeen wordt thans aangenomen,
dat de adenohypofyse vrijwel niet, of helemaal niet langs neurale weg
wordt beïnvloed.

Weliswaar is deze opvatting momenteel de meest gangbare, maar in recente
literatuur zijn over dit punt nog heftige discussies gaande. Een veel
geciteerde auteur op dit gebied, Harris (1955), komt tot de volgende
conclusies:

„There is no sound evidence that a sympatic or parasympatic innervation of the
anterior pitiutary .gland plays any part in regulating the activity of this gland".

en met betrekking tot een zenuwverbinding met de hypothalannis:

„in conclusion it may be said that the available evidence indicates that the pars
distalis recieves very few, if any, fibres."

Prof. Meyling zal in zijn interessante voordracht hierover een ander ge-
luid laten horen.

Op grond van vele onderzoekingen is nten tot de hypothese gekomen,
dat de prikkeloverdracht langs humorale weg geschiedt. Het reeds eerder
vermelde hypothalamische-hypofysaire-portale vaatstelsel, neemt hierbij
een belangrijke plaats in. De bloedstroom zou dan gericht zijn naar de
hypofyse en niet naar de hypothalamus.

Ook over deze opvatting heerst geen eensgezindheid. Volgens de neuro-
hurnorale theorie worden door de neurosecretorische cellen in de hypo-
thalamus stoffen — z.g. „releasers" — afgegeven aan het portale vaat-
stelsel. Via dit vaatstelsel komen deze stoffen in de adenohypofyse.
Volgens Scharrer en Scha rr er (1954) geschiedt de overdracht
van de „releasers" ter hoogte van de prim.aire plexus van het vaatstelsel.

-ocr page 846-

Dc capillairen komen daar in innig contact met de neurosecretorisclic
vezels, die in de hypofysesteel verlopen. Saffran (1957) geeft aan,
dat deze stoffen tevens in de neurohypofysc worden bewaard om vandaar
via het bloed in de adenohypofyse te komen.

Verondersteld wordt, dat dc „releasers" ])olype]jtiden zijn en gelijken o])
het ocytocine en Vasopressine. Tot deze veionderstelling is men gekomen
op grond van het feit, dat de verschillende hormonen, die eventueel door
gefi bepaald orgaan met interne secretie worden geproduceerd, sterk aan
elkaar verwant zijn. Bijnierschorshormonen bijv. zijn steroïden, adenohypo-
fyse hormonen zijn grote polypeptiden of proteïnen.

In het algemeen is men geneigd om aan te nemen, dat voor de ver-
schillende „trope" hormonen, verschillende „releasers" zijn.
Saffran l.c. zou o.a. de aanwezigheid van cle „releasers" van het corti-
cotrope hormoon hebben aangetoond. Volgens genoemde auteur gelijkt
deze stof sterk op het Vasopressine. Reeds één milimicrogram, één miljoen-
ste van een milligram zou een stimulerende werking uitoefenen.
De huidige opvatting is, dat de regulatie van de produktie en afgifte van
de verschillende hypofysevoorkwabhormonen plaats vindt vanuit aparte
centra, door middel van verschillende ,,releasers".

Sommige onderzoekers zijn van mening, dat bij het rund het ocytocine
één van de „releasers" van één van de gonadotrope horinonen is. In ver-
band met deze theorie is het interessant te \\ermelden, dat ocytocine, l)ij
het rtmd toegediend gedurende de eerste zeven dagen van de cyclus, cle
normale vorming van het corpus luteum voorkomt. Dit heeft tot gevolg,
dat de cyclusdum- sterk wordt verkort, n.1. tot 8 ä 10 dagen (Arm-
strong e.a., 1959).

Mogelijk kunnen deze bevindingen in veiband worden gebracht met het-
geen Marion e.a. (1959) hebben waargenomen, n.1. dat de ovulatie bij
gedekte runderen eerder optreedt clan bij de niet-gcdekte.
.Andere proeven wijzen erop, dat het neurogene mechanisme een cholin-
ergische- en cen adrenergische component moet hebben. Atrojiinc bijv.,
toegediend in het begin van de oestrus, blokkeert dc ovulatie. Hansel
(19591 komt dan ook tot dc hypothese, dat het ocytocine de afgifte
van één van cle gonadotrope horinonen verhoogt en dat dc afgifte van het
andere hormoon wordt teweeg gebracht door een tweede neuro-humoraal
mechanisme, dat een cholinergische- en een adrenergische component
moet bezitten.

Hoe het ook zij, het mag wel als vaststaand worden beschouwd, dat de
hypothalamus en hogere zenuwcentra de functie van de adenohypofyse
reguleert.

De komende jaren zullen ons moeten leren langs welke wegen deze be-
ïnvloeding verloopt.

Het probleem van runderen, die niet tochtig willen worden.

Regelmatig worden ons runderen ter onderzoek en behandeling aange-
boden, die, naar men ons mededeelt, niet tochtig willen worden.
Het is nuttig hierbij te bedenken, dat deze mededeling is gebaseerd op het
waarnemingsvermogen van de eigenaar; m.a.w. schiet dit vermogen tekort,
dan worden we geconfronteerd met dieren, waarbij de oestrus in werke-
lijkheid wèl voorkomt. Eveneens dienen de informaties over het al- of niet

-ocr page 847-

gedekt zijn van de te onderzoeken dieren, met enige reserve te worden
bescliouwd.

De oorzaken voor het feit, dat nmderen niet tochtig willen worden, kunnen
op verschillende manieren worden ingedeeld. Op grond van de resultaten
van het klinisch onderzoek kan men vier groejjen dieren onderscheiden.
Groep 1: runderen, waarbij in de uterus een fysiologische of een patho-
logische inhoud wordt aangetroffen.
Groep 2: runderen, waarbij in de ovaria aangeboren afwijkingen, of ont-
stekingen, of nieuwvormingen worden aangetroffen.
Groep 3: nmderen, waarbij in een ovarium een corpus luteimi persistens,
of een cysteus corpus luteum wordt aangetroffen en waarbij de
uterus in klinisch opzicht normaal is.
Groep 4: runderen, waarbij in het genitaalapparaat géén afwijkingen
worden aangetroffen.

GROEP 1; RUNDEREN, VV.\\ARBIJ IN DE UTERUS EEN FYSIOLOGISCHE
OF EEN PATHOLOGISCHE INHOUD WORDT AANGETROFFEN.

Fysiologische inhoud: graviditeit.

Meer dan eens komt het \\oor, dat het ter onderzoek en behandeling aange-
boden rund drachig blijkt te zijn, ondanks de stellige verzekering van de
eigenaar, dat het dier niet (pinken), of nog niet na de laatste jjartus (oudere
runderen) is gedekt.

Pathologische inhoud o.a.: pyometra en nuimmificatie.
P y O m e t r a.

Dc pyometra is een uterusafwijking, die meermalen voorkomt en waarbij
de uterus soms tientallen liters pus bevat. In het ovarium wordt in de regel
een functionerend cor])us luteum aangetroffen.

M u m m i f i c a t i e.

I?ij de categorie runderen, die niet tochtig willen worden, komt de diagnose
„gemummificeerde \\rucht" een enkele maal \\\'oor. In het ovarium wordt
\\eelal ook nu weer een functionerend corpus luteimi aangetroffen.
Gezien de grote bekendheid met deze afwijkingen, zal terwille van de tijd
op de therapie niet nader worden ingegaan.

GROEP 2: RUNDEREN, WAARBIJ IN DE OVARIA ONTSTEKINGEN OF
NIEUWVORMINGEN WORDEN AANGETROFFEN.

Aangeboren afw ij kingen.

Ren volledig ontbreken van het ovarium komt rnaar zelden voor.
De — ook hier te lande — meest voorkomende aangeboren afwijking is de
hypoplasie van het ovarium; deze kan zowel eenzijdig als beiderzijds zijn.
Genoemde afwijking is o.a. uitvoerig beschreven door verschillende Zweedse
onderzoekers en men neemt aan, dat zij erfelijk bepaald is.

Ontsteking en nieuwvorming.

Beide vormen van afwijkingen komen gelukkig maar weinig voor. Veelal is
slechts één ovarium aangetast, in dergelijke gevallen kan de bronst nog wel

-ocr page 848-

optreden. Overigens zal eerst bij afwijkingen \\an betekenis de cyclus tot
stilstand komen.

In geval van nieuwvormingen hebben we nogal eens te maken met granu-
losa-cel-tumoren, soms tot 70 kg toe. Bij dieren met een dergelijke afwijking
kan de bronst achtenvege blijven, of gewoon doorgaan. Ook kan het ge-
beuren, dat de bronst tc vaak optreedt (nymfomanie).

GROEP 3: RUNDEREN, VV.A..\\RBIJ IN EEN OV.ARIUM EEN CORPUS LU-
TEUM PERSISTENS, OF EEN CYSTEUS CORPUS LUTEUM
WORDT AANGETROFFEN EN WAARBIJ DE UTERUS IN KLI-
NISCH OPZICHT NORMAAL IS.

Corpus luteum persistens.

Bij runderen met een in klinisch opzicht normale uterus wordt de diagnose
„corpus luteum persistens" vaak ten onrechte gesteld. Eerst na herhaald
onderzoek kunnen we met zekerheid vaststellen of het corpus luteum persis-
teert. In verreweg de meeste gevallen, zal het bij het eerste onderzoek ge-
constateerde corpus luteum, een normaal corjjus luteum pcriodicum blijken
te zijn. In dat geval hebben we dus te maken met een suboestrus (zie later).
Een corpus luteum persistens is vooral te verwachten in de eerste maanden
na de partus en het komt dan vooral bij goede melkgeefsters voor. Het corpus
luteum persistens kan zijn \\-oortgekomcn uit het corpus luteum graviditatis,
of uit een corpus lutCLun pcriodicum. In het laatste geval kan het dier al of
niet in oestrus zijn geweest. Vrijwel steeds treedt spontaan herstel \\an de
afwijking op.

Zoals U bekend is, kan het bij vroeg-embiyonale sterfte voorkomen, dat
het corpus luteum graviditatis blijft functioneren. In dc regel treedt na
enige tijd herstel o]j en \\ indt dc cyclus weer \\oortgang.

C y s t c u s c O r ]) u s 1 u t c u m.

Een cysteus corpus luteum zou ontstaan uit een follikcl die niet heeft gc-
ovidecrd en daarop gedeeltelijk is gcluteinisccrd.

Dergelijke vormsels zijn eivormig en glad \\ an oppeiA-lakte; ze fluctueren bij
palpatic. Een normaal corpus luteum \\oelt vrij stevig aan en is onregelmatig
\\-an oppervlak.

Dc meest gebruikelijke behandeling van het corpus luteum persistens of het
cysteus corpus luteum geschiedt d.m.v. het uitknijpen \\ an het corpus luteum
weefsel. Bij deze ingreejj bestaat een gering ge\\ aar voor verbloeding. Ook
kan deze behandeling adhesies van de fimbria tot gex\'olg hebben.
Sommige auteurs pas.sen een hormonale thcrajjie toe, vooral als de uitknijp-
methode niet lukt.

Een derde mogelijkheid — dit geldt speciaal \\oor het corpus luteum ]3er-
sistens — is het aannemen van een afwachtende houding in verband met de
grote kans op spontaan herstel. Uit gege\\ens in de literatuur kan men con-
cluderen, dat de resultaten, die met deze aanvankelijk afwachtende houding
worden verkregen, stellig niet minder gunstig — zo niet gunstiger — zijn,
dan die, welke men verkrijgt bij directe toepassing \\ an eerstgenoemde the-
rapie (uitknijpen).

-ocr page 849-

GROEP 4: RUNDEREN, WAARBIJ IN HET GENITAALAPPARAAT GÉÉN
AFWIJKINGEN WORDEN AANGETROFFEN.

Op grond \\ an dc resultaten \\ an ons klinisch onderzoek kunnen we de run-
deren, die niet tochtig worden, en waarbij in het genitaalapparaat geen af-
wijkingen worden gevonden, in twee groepen onderverdelen.
De ene sub-groep bestaat uit runderen met inactieve ovaria (anoestrus),
de andere bestaat uit runderen met actieve ovaria (suboestrus). In het
laatste ge\\\'al blijven dus de uitwendige bronstverschijnselen achterwege.

Anoestrus.

De ovaria \\an de subgroep anoestrus-runderen vertonen geen cyclische ac-
tiviteit. Bij het rectaal onderzoek voelen ze vrij glad aan, soms zacht, soms
vrij hard, en ze kunnen enigszins afge]3lat zijn.

Teneinde de diagnose met meer zekerheid te kunnen stellen, is het nood-
zakelijk het onderzoek na ca. 10 dagen te herhalen. Immers, een zich ont-
wikkelend corjjus luteum kan aan onze aandacht ontsnappen.

S u b-o e s t r u s.

De diagnose suboestrus (stille bronst) is veelal \\rij gemakkelijk tc stellen.
In de ovaria treffen we de normale cyclische variaties aan, zoals follikels
\\an verschillende grootte en corpus luteum weefsel.

Om dezelfde reden als reeds is genoemd bij de anoestius-runderen, is het
soms nodig ccn tweede onderzoek in te stellen. Ook kan een tweede onder-
zoek noodzakelijk zijn om na te gaan, of een bij het eerste onderzoek \\-ast-
gestelde corpus luteiun, een corpus luteinn periodictmi of een corpus luteiun
persistens is.

De cyclus kan com])leet zijn, d.w.z. dat follikelrij[)ing, ovulatie, corpus lu-
teum-vorming plaats vinden.

Worden dergelijke dieren op het juiste tijdsti]) geïnsemineerd, dan is de
kans op drachtighcid vrijwel gelijk aan die bij runderen, die wel uitwen-
dige bronsl\\erschijnselen vertonen.

Het kan ook voorkomen, dat de ox idatie verlaat is, of zelfs achterwege blijft
(anovulatoire cyclus).

Zoals bekend mag worden verondersteld, kunnen deze afwijkingen ook
voorkomen bij runderen die wèl oestrus \\ ertönen. (Wij hebben reeds opge-
merkt, dat de intranmsculaire toediening van 23 mg progesteron in de eerste
uren van de oestrus hierin verbetering kan brengen.)

Anoestrus of suboestrus komt vooral tijdens de slaljieriode voor. In verre-
weg de meeste ge\\allen — althans in de omge\\ ing van Utrecht — hebben
we te maken met een toestand van sub-oestrus.

Anoestrus of suboestrus bij pinken of oudere runderen is vooral te ver-
wachten als de omstandigheden, waaronder de dieren worden gehouden,
slecht zijn, bijv. een combinatie van inadequate voeding en donkere be-
huizing. Onder dergelijke omstandigheden is het dan ook meestal niet
slechts een enkel individu dat niet tochtig wil worden, maar komt dit
euvel bij het grootste gedeelte van de groep voor.
In de afgelopen winter is ons dit weer duidelijk gebleken.
Op verschillende bedrijven in onze buitenpraktijk worden de pinken in
stallen gehouden, die vrijwel geheel van daglicht verstoken zijn. De voe-
ding is matig. Bij 70
ä 80% van de pinken, soms zelfs bij alle pinken, blijven

-ocr page 850-

de uitwendige bronstverscliijnselen achterwege. Het aantal pinken in on.s
materiaal varieert van 5 tot 8. Uit ons onderzoek blijkt, dat bij 80 a 90%
\\ an deze pinken de ovaria wèl cyclisch actief zijn. Blijkbaar waren de om-
standigheden nog niet slecht genoeg om een groter aantal gevallen van
anoestrus te veroorzaken.

Het uitblijven van de oestrus bij „niet-gedekte" pinken gedurende de weide-
periode, komt in onze buitenpraktijk gelukkig maar weinig voor. In dc
meeste gevallen, kan men weer sub-oestrus vaststellen en in een gering
aantal gevallen anoestrus. Bij de overige runderen hebben we te maken
met een corpus luteiun persistens, al of niet gecombineerd met een uterus-
afwijking.

Meer dan oeus kunnen we bij deze groep dieren — pnd^nks de verklaring,
dat zij niet gedekt zijn — de diagnose „drachtigheid" stellen.

Over het na de partus uitblijven van de oestrus bij runderen, is reeds het
een en ander opgemerkt bij onze beschouwing over het corjnis luteum per-
sistens. Vooral bij goede melkgeefsters kan de eerste maanden post-partiun
de ovariële cyclus volledig ontbreken (anoestrus). De uterus is in deze ge-
vallen vaak opvallend klein (z.g. superinvolutie). Deze toestand kan vrij
lang aanhouden (3 ä 4 maanden), doch in dc regel treedt reeds eerder her-
stel op.

De overgebleven runderen verkeren in een toestand \\an suboestrus. Het
aantal suboestrus-gevallen oi\'der de dieren, die geen uitwendige bronst-
verschijnselen vertonen, wordt naar verhouding groter naarmate er meer
weken ]30st jiartum verstrijken.

Uiteindelijk herstellen de afwijkingen zich in verreweg de meeste gevallen
sjjontaan. Dit is af te leiden uit cle verzamelde cijfers met betrekking tot
het optreden van de eerste oestrus ]X)st partuur Zo bedraagt naar schat-
ting hct percentage rimdercn dat 70, resp. !)0 dagen post |)artiun nog niet
tochtig is geweest 10 ä 1.5%, rcsjj. 5%.

Bij runderen, die na dekkig niet drachtig zijn geworden, kan de oeslius
achterwege blijven. Meestal zijn er na de dekking minstens 3 a 4 maanden
verlopen vóór dit aan hct licht komt. Uiteraard is het op dat moment
moeilijk na tc gaan, waarom een dergelijk dier zo\'n lange tijd niet tochtig
is geweest.

De meest voor de hand liggende verklaring is een vroeg embryonale sterfte,
waarbij het voormalige coiyjus luteum graviditas is blij\\en fimctioncren
en tot corpus luteum persistens is geworden. (Hierop is reeds eerder ge-
wezen.)

Deze mogelijkheid blijft natuurlijk bestaan, ook wanneer bij herhaald on-
derzoek zou blijken, dat het bij het eerste onderzoek xastgestelde corpus
luteum géén corpus luteum persistens is. De toestand van een persisterend
corpus luteiun kan aan de toestand van suboestrus zijn voorafgegaan.
In verreweg de meeste gevallen zal ojj het tijdstip van ons onderzoek
(3 ä 4 maanden p.p.) het rund in suboestrus verkeren, zo de cyclus zich
niet reeds heeft hersteld. Onze ervaring is, dat dergelijke nmderen weer
snel ter dekking worden aangeboden.

Na bovenstaande uiteenzetting tenslotte iets over de behandeling van run-
deren, waarbij de oestrus achterwege blijft.

-ocr page 851-

Dc gulden regel, dat een goede therapie op de „oorzaken" van het lijden
dient tc zijn gericht, is voor het onderhavige geval vanzelfsprekend ook
van kracht.

Nogmaals moet er hier op worden gewezen, dat, vooral bij het meer mas-
saal voorkomen van de besproken afwijking, de grootst mogelijke aandacht
aan reeds genoemde factoren als: voeding, behuizing, eigenaar, e.d. moet
worden besteed. De laatste factor is uiteraard \\rij ongrijpbaar. Een grappig
voorbeeld moge dit illustreren.

Van een kopi^el bestaande uit negen dieren, dat werd gehouden op een
tamelijk afgelegen weide, kwam volgens de eigenaar bij geen enkel dier
oestrus Noor. Met rectaal onderzoek, dat tweemaal met een tussentijd van
een week werd uitgevoerd, leerde dat bij acht van de negen dieren de
ovaria actief waren.

Tijdens het tweede onderzoek uitte de eigenaar enigszins zijn misnoegen
o\\er het feit, dat bij het eerste onderzoek niet handelend was opgetreden.
Olli hem gei iist te stellen werden negen jjinken per injectionem behandeld
en verder werden op ons verzoek dc dieren naar een dichter bij de boerderij
gelegen weide overgebracht. Binnen drie weken waren alle pinken, waar-
van de ovaria bij ons onderzoek actief waren bevonden, tochtig geweest en
gedekt.

Het overgebleven dier werd ongeveer veertien dagen later tochtig. De
eigenaar was uiteraard zeei\' voldaan over de resultaten van de iiehandeling,

die had bestaan in het per pink toedienen van 5 cm^...... fysiologische

keukenzouto])lossing.

Het instellen van een individuele medicamenteuze behandeling geschiedt
dan ook eerst, als eventueel genomen algemene maatregelen geen resul-
taat opleveren, of als er geen oorzaken kunnen worden vastgesteld.
De meest gangbare behandeling bij suboestrus of anoestrus bij runderen is
de hormonale therapie. Terwille van de tijd laten wij een bespreking van
de literatuur hierover achterwege.

Oezien de vrij grote overeenstemming over de liandelwijze, zullen wij vol-
staan met het vetniclden van de ])rinci])es van de meest gangbare thcra-
[)ieën.

.\\lvorens hierojj \\ erder in te gaan een enkel woord over de door C^ o h e n
(1960 en 1962) voorgestelde behandeling.

Genoemde onderzoeker behandelt runderen in suboeslrus of anoestrus met
vitamine D^ (5.000.000 tot 10.000.000 E. i.m. of i
.V.). De resultaten van
deze methode zijn volgens Cohen I.e. beter dan die van de behandeling
met serum-gonadotrofinen (1500 I.E. P.M.S.).

De hormonale therapie kan geschieden met behulj) van gonadotrope hor-
monen en/of stoffen met een oestrogene of androgene werking.

De behandeling van sub-oestrus.

De kans ojs een succesvolle behandeling van suboestrus is het grootst, als
de dieren worden behandeld in de tweede helft van de cyclus omstreeks de
zestiende dag (D.16). Het spreekt vanzelf, dat de bepaling van dit tijdstip
bij een rund in suboestrus niet eenvoudig is en niet zonder het nodig onder-
zoek kan geschieden. Drie visites per rund kunnen noodzakelijk zijn, het-
geen onder normale praktijkomstandigheden op de nodige bezwaren stuit.
De gebruikelijke dosering bedraagt 1000-1500 I.E. P.M.S. of H.C.G., doch

-ocr page 852-

naar onze mening is liet veiliger de dosering aan de lage kant (1000 I.E. )
te houden. Dit geldt vooral als de toediening geschiedt omstreeks D.16.
De mogelijkheid van een superovulatie is bij laag gehouden dosering minder
groot. Aangegeven wordt, dat het gebruik van P.M.S. de voorkeur verdient
boven dat van H.C.G. Het valt echter nog tc bezien, of dit bij het rund
met zekerheid van kracht is.

Er is van gestyl geen gunstiger werking gezien dan van pregnyl, ook niet in
combinatie met oestron, aldus Teunissen (1946).
Een behandeling door middel van een stof met oestrogene werking is even-
eens mogelijk. Het meeste succes wordt ook nu verkregen bij toediening van
ca. 10-15 mg, ongeveer de 16e tot de 18e dag \\ an de cyclus.
Herhaald klinisch onderzoek is voor het vaststellen van het juiste tijdstip
in de regel weer nodig.

Behandeling door middel \\an gonadotrope hormonen en oestrogene stoffen
is eveneens mogelijk.

Bij het varken is het vrij zeker dat deze behandelwijze \\oordelen biedt
boven een behandeling door middel \\an stoffen met een uitsluitend gonado-
trope of oestrogene werking. ■
 <\\C- . ■ •
Bij het rund is het moeilijk hierover tc oordelen.

De behandeling van anoestrus.

De behandeling van anoestrus bestaat in de meeste gevallen uit toediening
\\\'an gonadotro])e hormonen. Vooral dc laatste tijd gaan cr stemmen op ten
gunste van het gebruik van P.M.S. De dosering bedraagt 1500 l.E. De
oestrus kan 2-5 dagen post injectionem worden \\-erwacht. Mocht op dit tijd-
stip nog geen oestrus zijn opgetreden, dan wordt de behandeling één, zo-
nodig tweemaal herhaald met een tussentijd \\an 5 a 6 dagen.

Slot.

De resultaten van dc hormonale thera[)ii\' voor stoornissen van de ge-
slachtscyclus zijn zeer wisselend. Gezien bovenstaande theoretische be-
schouwing behoeft ons dit niet te \\erwondercn, waar nog i)ij komt, dat dc
gevoerde bespreking slcchts een zeer cenxoudigc voorstelling van het wer-
kelijke gebeuren geeft.

Over de intcrcatic, die er bestaat tussen dc voortplantingshormonen en de
overige in het lichaam circulerende hormonen is bijvoorbeeld niet ge-
sproken. Het vaststellen van een juiste therapie wordt verder bemoeilijkt
door het feit, dat de hormonale status van het te behandelen dier een on-
bekende grootheid is.

Het opwekken van een superovulatie bij proefrunderen heeft verder ge-
leerd, dat naast de belangrijke factor \\ an de individuele gevoeligheid van
belang zijn dc factoren als: dosering en tijdstip van de cyclus waarop de
behandeling geschiedt.

Het is nuttig zich dit alles goed te realiseren.

Naar ik hoop moge deze voordracht enigszins duidelijk hebben gemaakt,
dat de hormonale behandeling van stoornissen van de geslachtscyclus bij
runderen, slechts met de grootste omzichtigheid dient te geschieden en eerst
dan als vaststaat, dat op een andere wijze het doel niet is te bereiken.

-ocr page 853-

De hormonale therapie bij bepaalde stoornissen van de ,gesi .ichtseyelus bij het rund
(o.a. anafrodisie) geeft vaak teleurstellende resultaten.
Verschillende factoren kunnen hieraan ten grondslag li.ggen^ ioals:

1. het verre van compleet zijn van onze huidige kennis van de wijze waarop de
cyclus wordt gereguleerd, van de hoeveelheid hormonen nodig voor een normaal
verloop van de cyclus, etc.;

2. een verkeerd gestelde diagnose, veelal een gevolg van onvoldoende inzicht in de
fysiologie van de cyclus zelf en../of in de verschillende vormen waarin een ana-
frodisie kan voorkomen ;

.3. veronachtzaming van de omstandigheden waarin de dieren worden gehouden;
4. samenhangende met het bovenstaande: een inadequate therapie.
In de voordracht zijn bovenstaande punten ter sprake gebracht.

SUMMARY.

The results produced by hormone therapy in particular disiurbances of the sexual
cycle in cattle (such as anaphrodisia) are frequently disappointing.
This may be due to various factors such as:

1. the fact that our present knowled.ge of the mechanism by which the cycle is regu-
lated, the amount of hormones essential to the cycle\'s running a normal course,
etc., is far from complete;

2. an error of diagnosis, often due to inadequate understanding of the physiology
of the cycle itself and/or the various forms which anaphrodisia may assume;

3. failure to take in\'o account the conditions in which the I\'.nimals are kept;

4. as a result of the above; inadequate treatment.
The above points are reviewed in the paper.

RÉSUMÉ.

Pour certains troubles du cycle sexuel du bovin (notamment Vanaphro<lisie) la thé-
rapie hormonale donne souvent des résultats décevants.
Différents facteurs peuvent en être la cause, comme:

1. Nos connaissances actuelles de la façon dont le cycle est réglé, dc la quantité
d\'hormones nécessaires pour une fonction normale du cycle, sont loin d\'être com-
plètes.

2. Un diagnostic mal porté, souvent la conséquence d\'une connaissance insuffisante
de la physiologie du cycle même, et/ou des différentes formes dans lesquelles une
anaphrodisic peut se présenter.

3. Une négli.gence des circonstances dans lesquelles les animaux son tenus.

4. En cohérence avec ce qui précède: une thérapie inadéquate.
Dans la conférence les points précédents sont soulevés.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Hormonbehandlung bei bestimmter Störun.gen des Gcschlechtszyklus beim Rind
(u.a. Anaphrodisic) gibt oft Anlass zu enttäuschenden Resultaten. Dem können ver-
schiedene Ursachen zugrunde liegen, wie:

1. unsere gegenv/ärtige, beim weitem noch nicht vollständige Kenntnis von der Art
und Weise wie der Cyclus reguliert wird, welche Hormonmengen beim normalen
Ablauf des Cyclus benötigt sind, u.s.w. ;

2. eine falsch gestellte Diagnose, meist als Folge ungenü.gender Einsicht in die Phy-
siologie des Cyclus selbst oder in die verschiedenen Formen, in denen Anaphrodisic
autreten kann :

3. Verunachtsamung der Verhältnisse unter denen die Tiere gehalten werden, und

4. mit dem oben angeführten zu.^ammenhängend : inadäquate Therapie.
Die angeführten Punkte sind im Vortrag erörtert worden.

-ocr page 854-

LITERATUUR

A n d e r s O n, L. L., N e a 1, F. C. and M e 1 a m p y, R. M.: Hysterectomy and ova-
rian function in beef heifers.
Am. ]. vet. Res., 2.3, 794, (1962).

A r m s t r o n g, D. T. and Hansel, W.: Alteration of the bovine estrous cycle with
oxytocin, ƒ.
Dairy Sci., 42, 533, (1959).

Aron, M.: (zie Hamburger, C. (1957)).

Asdell, S. A.: Catde. Fertility and Sterility. Uitg.: J. & A. Churchill Ltd Lon-
don, (1959).

B a i e r, W., H a e g e r, O. und L e i d 1, \\V.: Uber die Persistenz des Corpus lu-
teum beim Rind.
Tierärztl. Umschau, 8, 265, (1953).

Bane, A. and Rajakoski, E.: The bovine estrous cycle. Cornell Vet, 51, 77
(1961).

Bargmann, W.: The Neuiosecrctory system of the diencephalon. Endeavour., 19,
125, (1960).

Cohen, Ph.: Vitamin D.t and the Steroid Flormones. Vet. Ree., 74, 399, (1962).

Cole, H. H. and C u p p s, P. T.: Reproduction in domestic animals. Vol. I.
Acad. Press. New York - London, (1959).

D Ö c k e, F".: Superovulation und Eitransplantation bt MiTi Hnustior. A4h Vet.Med..
18, 92, (1963).

Eckert, R.: Beitrag zur Behandlung der ovariellen Sterilit.it mit Gonadotropinen.
Schweiz. Archiv Tierheilk., 101, 134, (1959).

Falck, B.: Site of production of oestrogen in rat ovary as studied in micro-
transplants.
Acta Physl. Scand., 47, suppl. 163; Lund (1959).

Gar m, O. and S k j e r v e n, O.: Undersokelse av cervikali.sm for diagnose av
tidlig drcktighet os endokrint bctingede forstyrrclser av scksualcyklus hos husdyr.
Nord. Vet.Med., 4, 1098, (1952).

Hafez, E. S. E. and S u g i e, T.: Superovulatory responses in beef cattle and an
experimental approach for non-surgical ova transfer.
Proc. IVth Int. Congr. on
Anim. Reprod. The Hague 5th-9th June (1961);
Vol. II, 387, (1961).

Hamburger, C.: \'1 he a.ssay of gonadotrophic honnones. Acta Endocr., suppl. 31,
59, (1957). Endocr. (iongr. .Norway.

Hammond, J.: Hormones in relation to fertility in Farm .Animals. Brit. Med.
Bull., 11, 165, (1955).

Hancock, J. L.: The clinical features of the reproductive oigans of pregnant and
non-pregnant cattle.
Vet. Ree., 74, 646, (1962).

Hansel, W.: (zie Cole and C u p p s: Vol. I; 1959).

Hansel, W.: Estrous Ciyclc and Ovulation Ciontrol in C.Utlc. ]. Dairy Sci., 44,
2307, (1961).

Hansel, W., Armstrong, D. 1". and M c E n t c c, K.: Recent studies of ovula-
tion in the cow. Reprod. and Inf. Ill symposion:
83, (1958). Pergamon Press, z

Hansel, W. and T r i m b e r g e r, G. VV.: The effect of progesterone on ovula-
tion time in dairy heifers.
}. Dairy Sci., 35, 65, (1952).

Hansel, W. and T r i m b e r g e r, G. W.: Atropine blockage of ovulation in the
cow and its possible significance.
]. Anim. Sci., 10, (3), (1951).

Harris, G. VV.: Neural Control of the pituitary Gland. Edw. Arnold (publishers)
Ltd., London, (1955).

Hurst, v.: Studies of Anestrum in Dairy Cattle. ]. Am. vet. med. Ass., 135, 471,
(1959).

Lamond, D. R. and Lang, D. R.: Hormones of Female Reproduction. Austr.
vet. ].,
37, 407, (1961).

M a r i o n, G. B., S m i t h, V. R., W i 1 e y, T. E. and B a r r e t t, G. R.: The Effects
of Sterile Copulation on Time of Ovulation in Dairy Heifers.
]. Dairy Sci., 33,
885, (1950).

M c E n t e e, K. and Z e p p, C. P.: Canine and Bovine Ovarian Tumors. Proc.
First World Congress on Fertility and Sterility, New York, May 22-28, (1953).

N a 1 b a n d o V, A. V. and C 1 a i r, L. E. St.: Relation of the nervous system to im-

-ocr page 855-

plantation. Reprod. and Infertility. Ill Symp., pag. 83, (1958); Pcrgamon Prrss.
Nestel, B. L., Kerk, M. J., W i g g a n, L. G. S. and M u r t a g h, J. E.:
Oestrus synchronization in hybrid beef heifers following the oral use of 6-methyl-
17-acetoxy progesterone.
Brit. vet. ]., 119, 23, (1963).
Rajakoski, E.: The ovarian follicular system in sexually mature heifers with
special reference to seasonal, cyclical and left-right variations.
Acta Endocr.,
suppl. 52, (1960).

Rajakoski, E.: Seasonal and cyclical variations of the ovarian follicular system
in cattle.
Proe. of the IV Int. Congr. on Anim. Reprod., 5-9 June, The Hague,
(1961).

Roberts, S. J.: Ovarian Dysfunction in the Bovine Animal. Vet. Ree., 69, 677,
(1957).

Saffran, M.: Hypothalamus and hypophysis. Het Hormoon, 21, (5), (1957).
Scharre r, E. and S c h a r r e r, B.: Hormones produced by nerosecretary cells.

Ree. Progress Hormone Res., 183, (1954).
Scott Blair, G. W.: Physical properties of cervical mucus in relation to bovine

fertility. Netherl. J. agrie. Sei., 4, (1), (1956).
Scott Blair, G. W. and Glover, F. A.: Some physical properties of bovine
cervical mucus and their bearing on problems of fertility.
Proe. Ill Int. Congr.
Anim. Reprod.; Cambridge 25-30 June, (1956).
Scott Blair, G. W. and Glover, F. A.: Farm testing for bovine pregnancy,

oestrus and sub-oestrus. Agriculture, 62, 16, (1962).
Short, R. v.: Steroids present in the follicular fluid of the cow. ƒ. Endoerin., 23,
401, (1962).

T e u n i s s e n, G. H. B.: Anaphrodisie bij het rund. Tijdschr. Diergeneesk., 68,
945, (1941).

Teunissen, G. H. B.: Anaphrodisie bij het rund, in het bijzonder betreffende de
resultaten van de behandeling met Gestyl.
Tijdschr. Diergeneesk., 71, 510, (1946).
U r a y, H.: Fehler in der hormonalen Steuerung als Sterilitätsursache beim weib-
lichen Rind.
Tierärztl. Mschr., 47, 696, (1960).
Vigneaud, V. du, R e s s 1 e r, C., Swan, J. M., Roberts, G. W.,
Katsoyannis, P. G. and Gordon, S.: The synthesis of an octapeptide
amide with the honnonal activity of oxvtocin.
J. Amer. Chem. Soc., 75, 4879,
(1953).

W e r f f ten Bosch, J. .J. van der: Neural and hormonal factors in the regula-
tion of gonadotrophin secretion.
Acta Endocr., suppl. 67, (1962).

DIGUSSIE

Opmerking: Prof. Dr. H. A. M e ij 1 i n g, Utrecht.

Van het z.g. portale stelsel tussen hypothalamus en hypofyse is eigenlijk nog niet
bekend hoe dc bloedstroom erin is.

Mijns inziens wil men wel aannemen, dat de richting is: hypothalamus —> adeno-
hypofyse, om hiermede de invloed van het hypothalamische systeem op de adeno-
hypofyse tc verklaren, omdat men nog vrij algemeen aanneemt, dat open zenuw-
vezels van de hypothalamus naar dit gedeelte van de hypofyse Iepen.
M e t u z a 1 s heeft echter bij het paard vezels uit de hypothalamus in de adeno-
hypofyse zien dringen, die neurosecretie tonen.

Ook komen in dc wand van bloedvaten sympathische vezels in de adenohypofyse, die
ook bij de synthese van hormonen wel een rol zullen sp( len.
De betekenis van het portale stelsel is dus zeker nog niet geheel bekend.

Vraag: Drs. A. A. Smorenburg Jr., Woerden.

Zijn cr nadelige invloeden bekend op de geslachtscyclus, of op een bestaande drachtig-
heid bij het rund t.g.v. toediening van corticosteroiden ?

Antwoord:

Hierover is mij, althans bij het rund, niets bekend.

-ocr page 856-

Enkele minder bekende aspecten van het

Salmonella-vraagstuk.

Some other aspects of the Salmonella-problem,
door A. VAN DER SCHAAF1) en F. M. HAGENS2)

UU hel Instituut voor Veterinaire Bacteriologie der Rijks-
universiteit te Utrecht.

Inleiding.

Gedurende de laatste 10 jaar is er een duidelijke stijging vast te stellen
van het aantal meestal vrij goedaardige Salmonellosen bij de mens (Kam-
pelmacher e.m., 1962). Daarentegen namen in dezelfde tijd de voor de
mens \\eel ernstiger infecties met
typhosa en S. paratyphi B af. De twee
genoemde bacteriesoorten zijn uitsluitend mens-pathogeen, terwijl de andere
Salmonellae in het algemeen zowel pathogeen zijn voor de mens als voor
het dier en de infecties bij de mens dus dikwijls beschouwd worden als zoö-
nosen. Vaak wordt verzuimd te vermelden, dat ook de mens primaire smet-
stofbron kan zijn en de dieren feitelijk alleen als tussengastheer fimgeren,
doch de laatste tijd is een kentering in dit opzicht vast te stellen.
In een recente Zwitserse publikatie (Messerli, 1962) wordt erop ge-
wezen, dat kaKeren pas geïnfecteerd werden met
S. typhimurium nadat de
verzorgers elders geïnfecteerd waren geworden; ook \\an Engelse zijde
(Morton, 1962) wordt een ernstige besmetting met
S. typhimurium en
S. anatum van een rundveebeslag gemeld, in dit geval niet direct door de
mpnj yerpQrz^akt dpoi; coutaf;t ,n\\et^ hf.\'t ^vt^ei;, i;lofh vja ^eqn ^opeii riool d^t
door het terrein liep, waar de koeien dagelijks gedurende een half uur wer-
den uitgelaten. De salmonellosis \\an de mensen was voorafgegaan aan die
van de runderen.

De toename \\ an de salmonellosis bij de mens is niet alleen een Nederlands
|)robeem maar is ook in Noord-Duitsland vastgesteld (Builing, 1961).
Veelvuldig zijn eveneens de meldingen uit Engeland (G a 1 r a i t li, 1961 ),
Zweden (S i 1 b e r s t o 1 p e en medcw., 1961 ) en de Verenigde .Staten van
Noord-Amerika (Leistner en medew., 1961). Meestal werd vlees of
\\oedsel met vleesresten vermengd als smetstofbron aangemerkt.
Een deel der infecties bij de mens is te verklaren uit veranderde eetgewoon-
ten b.v. het gebruik van lecds voorbereide vleeswaren bij picnics, het mee-
nemen van verwarmde spijzen uit cafetaria\'s. Ook de massale maaltijden
ter gelegenheid van feestelijke bijeenkomsten geven niet zelden aanleiding
tot voedselvergiftiging.

Het Orgaan van het Ministerie \\an Volksgezondheid in de U.S.A. „Morbi-
dity and Mortality" van 14 dec. 1962 vermeldt een dergelijk geval van mas-
saal ojjtredende maagdarmcatarre door een infectie met
S. typhimurium.
Van 1300 \\ooraanstaande personen in de staat Kansas, die hadden deel-
genomen aan een z.g. ,,politiek diner", werden 455 ziek, dc meesten binnen
24 uur doch sommigen jms enkele dagen nadien.

1  Prof. A. van der Schaaf, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Bilt-
straat 172.

2  Mej. Drs. F. M. Hägens, wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht, Biltstraat 172.

-ocr page 857-

De betreffende bacteriën zaten in het goed doorgebraden, doch van te vo-
ren aan plakf;cn gesneden, kalkoenevlees. Het diner was verzorgd door een
goed bekend staande inrichting voor uitzending \\an warme maaltijden. De
naspeuring van de infectiebron was minder gemakkelijk dan aanvankelijk
was gedacht. De fokkerij, die de kalkoenen had geleverd, bleek vrij te zijn.
De mede-eigenares van de reeds \\\'ermelde inrichting was uitscheidster zon-
der zelf ziek te zijn geweest, maar een week na de maaltijd werden nog
Salmonellae gekweekt van het aanrecht in de keuken, waar de kalkoenen
na het braden waren uitgesneden, en ze bleken tot hetzelfde faagtype te be-
horen, waardoor ook de gasten waren aangetast. De grote hoeveelheid vlees
was na het uitsnijden niet gekoeld en zo hadden de
Salmonellae de gelegen-
heid gekregen zich op en in het vlees aanzienlijk te vermeerderen zonder
dat de smaak nadelig werd beïnvloed.

Men behoeft echter niet zo ver van huis te gaan om massale infecties bij
de mens te kunnen waarnemen. Volgens mondelinge mededeling van de
Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst te Leeuwarden heeft zich in
een betrekkelijk klein Fries dorp op 17 september 1960 ook een dergelijk
geval voorgedaan. Ten behoeve van een liefdadig doel had men een actie
op touw gezet, die gesteund werd door verkoop van erwtensoep. Deze was
enige uren in een grote ketel gekookt, afgekoeld tot 60° C en huis aan huis
uitgevent.

Er werd een stuk worst gratis bijgevoegd cn dit werd meestal afgesneden in
de soep gedeponeerd. Deze worst was vers bereid en 16 ä 17 uur gerookt
bij 20 ä 30° C. Speciaal die dienaren der weldadigheid, die de soep dezelfde
dag nog gebruikten en niet meer opkookten, zijn ziek geworden.
S. typhi-
murium
werd onderkend als de ziekte\\-erwekker cn deze werd ook ge-
ïsoleerd uit het restant van de worst op de fabriek van herkomst. Het be-
trekkelijk geringe aantal
Salmonellae in de worst op zichzelf was onscha-
delijk doch door de sterke venneerdcring in de lauwwarme erwtensoep werd
voor vele personen de dosis morbificans bereikt.

Veelvuldig zijn dc mededelingen, vooral uit West-Europa, waarin de be-
smetting van huisdieren, speciaal van varkens wordt toegeschreven aan
Salmo?iella-houdend vis-, dier- of beendermeel. In Denemarken heeft dit
geleid tot \\erplichte hersterilisatie van alle geïmporteerde dierlijke voeder-
middelen en in Noorwegen tot een totaal importverbod. De fabricage van
het in de genoemde landen bereide vis- en diermeel is onder veterinair toe-
zicht gcj)laatst. Een betrouwbare garantie omtrent het volledig vrij zijn van
Salmonellae geeft dit toezicht uiteraard niet, doch in alle geval wordt be-
reikt dat er geen grove fouten tegen de hygiëne worden gemaakt. Het des-
ondanks voorkomen van
Salmonella-mÏQ.ctics in de Scandinavische landen,
speciaal bij varkens en kippen, heeft ertoe geleid dat men is gaan zoeken naar
Salmonellae in andere voedermiddelen. Reeds spoedig had dit zoeken re-
sultaat en reeds in 1958 meldden Hau ge en Bovre dat ook geïmpor-
teerde eiwitrijke produkten van plantaardige herkomst
Salmonellae konden
bevatten.

Een geheel ander aspect kreeg het probleem echter toen R u t q v i s t (1961)
aantoonde, dat in Zweden uit inlands koolzaad bereid meel eveneens z.g.
exotische
Salmonellae bevatte en de besmettingsgraad zelfs nog wat sterker
was dan die bij geïmporteerde produkten. De betreffende kiemen hadden
zich genesteld in de goten via welke het warme meel na de extractie van
de raapolie werd vervoerd naar de droger. Het onregelmatig verspreid zijn

-ocr page 858-

van de Salmonellae in liet meel werd toegeschreven aan de groei hiervan
in druppels condensvocht, die vanzelfsprekend onregelmatig in het meel
vielen. Het bleef echter de vraag hoe de kiemen zich in de transportgoten
hadden kunnen nestelen, want het meel was ten behoeve van de extractie
van de olie zo hoog verhit dat geen enkele species van de
Enterobacteria-
ceae
dit kon overleven. Aangenomen werd, dat de besmetting van de fabriek
via stof uit de omgeving had plaatsgevonden.

Het voorkomen van besmetting van huisdieren met Salmonellae via het
voer is dus geen eenvoudige zaak. Het streven zal er voornamelijk op ge-
richt moeten zijn het kiemgehalte in de geïmporteerde en in de hier te lande
bereide dierlijke en plantaardige eiwiten zo laag mogelijk te houden.
De vraag doet zich voor of er nog andere smetstofbronnen zijn waardoor
mensen of dieren besmet kunnen worden. Deze bronnen moeten er uiter-
aard zijn en hierbij is in de eerste plaats te denken aan de uitwerpselen van
besmette dieren. Niet alleen zoogdieren maar ook vogels en reptielen zijn
niet zelden uitscheider. Vooral de Griekse landschildpadden hebben een
minder gunstige repiUatie in dit opzicht gekregen.

Compost als bron van Salmonellae.

Reeds in de zomer van 1962 werd de aandacht van alle krantenlezende
Nederlanders gevestigd op het effluent van rioolwaterreinigingsinstallaties.
Door een tijdelijke verbinding van een leiding met dergelijk water met een
buis van de drinkwaterleiding van de stad Amsterdam ontstonden immers
een 5-tal tyfusgevallen.

Op 14 september van het vorige jaar reed in Bilthoven-Zuid een 10-tons
vrachtauto rond, die volgens mededeling van de chauffeur beladen was
met compost van een naburig rioolwaterzuiveringsbedrijf. De minder wel-
riekende substantie zou voornamelijk bestaan uit „biologisch gereinigd"
rioolslib. De massa had een korrelige structuur, was zwart-bruin van kleur
en de geur, hoewel niet jjenetrant, deed nog altijd aan menselijke faecaliën
denken. De aantrekkelijkheid voor vele aspirant-kopers was, dat de „edel-
compost" ü raison van 10 cent per kg door de verkoper persoonlijk werd
uitgestrooid.

Een bacteriologisch onderzoek van een monster van de compost leerde, dat
alle hoeveelheden van 1, 0,1 en 0,01 gram, geënt in de aankweekbodem
vlg. Mülle r-K a u f f ni a n n,
Salmonellae bevatte. Een aantal koloniën,
elk apart overgeënt van de Kauffmann-plaat op buizen T.S.I.-agar gaven
hierop de typische groei van die van
Salmonella. Bij serologische testing met
factoren-sera bleken de koloniën uit 10 mgr compost niet alle antigenetisch
identiek tc zijn. Door de afdeling Zoönosen van het Rijks Instituut voor de
Volksgezondheid werden toegezonden cultures gedetermineerd als
S. tak-
sony, S. muenchen
en S. worthington.

Deze Salmonella-soorten worden nogal eens bij onderzoek van mesenteriale
lymfklieren van varkens en ander materiaal van slachthuizen aangetroffen
(G u i n é e en K a ni p e 1 m a c h e r, 1962). Voor dieren schijnt de patho-
geniteit van deze
Salmonellae niet groot te zijn. S. muenchen wordt echter
niet zelden als verwekker van gastro-enteritis bij de mens aangetroffen. De
bevinding, dat compost een dergelijk groot aantal
Salmonellae kon bevat-
ten, was wel in sterke tegenstelling met hetgeen over V.A.M.-compost door
Jansen en Kunst in 1953 werd meegedeeld. Het was de auteurs bij

-ocr page 859-

een onderzoek in Drenthe, waar deze compost werd bereid, gebleken dat
door de hoge broeitemperatuur van het kunstmatig bevochtigde stadsvuil
voornamelijk uit Den Haag afkomstig — alle niet-sporevoi-mende bacte-
riën en ook \\ele sporen o.a. van
Cl. teiani werden gedood.
Een onderzoek ter plaatse van de bereiding van de onderhavige rioolslib-
compost leerde dat de bereiding \\an deze compost hemelsbreed verschilde
met die van dc V.A.M.-stadsvuilcornpo.st. De grondstoffen van de
Salmo-
nella-hevattendc
rioolslibcompost zijn enigszins uitgedroogd rioolslib, cacao-
doppenmccl, kinabastmeel, water en een gemengde kunstmestsoort, Granu-
mix genaamd. De bereiding vindt plaats in de open lucht op de vaalt van
de gemeente, (zie foto I)

Zorgvuldig worden de componenten mcchaniscli gemengd, verkleind en
gezeefd zodat een enigszins rulle massa ontstaat. Men laat de massa enkele
dagen broeien, doch dc temperatuur wordt niet hoger dan 45° C. Het
vochtige cacaodoppenmeel en het kinabastmeel bleken vrij van
Salmonellae
te zijn, doch bij het rioolslib was dit niet steeds het geval. Een bezoek aan
de betreffende rioolwaterzuiveringsinstallatie, die in 1957 werd gebouwd,
toonde aan dat dit ook wel zeer goed te verklaren valt. De tijd \\ an drogen
is n.l. zeer verschillend.

De compost wordt in grote hoeveelheden gemaakt. Het produktieproces,
waarvoor hoofdzakelijk zeer goedkope afvalstoffen worden gebruikt, geeft
een ruime winst. Door tussenhandelaren wordt het over een groot deel van
Nederland uitgevent en komt zo niet alleen terecht op particuliere tuinen,
doch ook op gemeentelijke grasvelden en sportterreinen. Ook wordt de
„compost" opgehaald door bloemisten en geleverd aan groentekwekers.
Volgens eigen ervaring kunnen in op tuingrond uitgestrooide compost, waar-

-ocr page 860-

bij zon en regen vrij spel hebben, Salmonellae nog ongeveer 6 weken wor-
den aangetoond. In broeikassen is de levensduur uiteraard veel langer. In
plastic zakken in een koelcel bewaard was het aantal
Salmonellae per gram
in 6 maanden nog slechts met 80 ä 90% gedaald. Het hoge vochtigheids-
percentage, dat 50 ä 60% bedroeg, is natuurlijk hiervoor mede aanspra-
kelijk.

Gedurende de wintermaanden leek het Salmonella-gehalte geleidelijk terug
te gaan. In mei 1963 was nog slechts 1 gram positief en konden in 100 mgr
geen
Salmonellae meer worden aangetoond. Deze afname kon worden toe-
geschreven aan de lange winter, waardoor in mei nog steeds slib van sep-
tember 1962 kon worden gebruikt. Tabel I geeft een overzicht van de
aangetoonde species.

Tabel I.

Salmonellagehalte van compost van de vaalt te Z.
monster d.d. 18- 9-1962 S. taksony, S. muenchen en S. worthington uit 10 mg
compost.

monster d.d. 26-11-1962 S. taksony, S. muenchen, S. worthington en 5. monte-

video uit 1 g compost,
monster d.d. 24- 5-1963
S. anatum en S. worthington uit 1 g compost.

Bij een onderzoek van in papieren zakken verpakte rioolslibcompost bleek
dat lang niet alle soorten van dergelijke compost
Salmonellae bevatten. Wel
werd in potgrond van een be]jaalde firma steeds .S".
typhimurium aangetrof-
fen. Bij 2 andere merken bleek de potgrond daarentegen bijna bacteriolo-
gisch steriel te zijn en ontbraken
Salmonellae geheel. De bereidingswijze en
de herkomst zijn blijkbaar beslissend voor het aantal en de aard van de
bacteriën, die in deze min of meer natuurlijke meststoffen kunnen worden
aangetroffen. Van enige toezicht op de bereiding of bacteriologische con-
trole op het bereide produkt is tot nu toe geen sprake. De literatuur-
gegevens over
Salmonellae in organische meststoffen zijn vrij schaars.
(Walker, 1957)

Effluent van rioolwaterzuiveringsinstallatie als bron van Salmonellae.

Behalve door rioolslibcompost worden ook Salmonellae in grote hoeveel-
heden wat betreft soorten en aantal verspreid door effluent van de riool-
waterzuiveringsinstallaties.

Vóór de 2e wereldoorlog waren er reeds enkele van deze installaties; in vele
stadsgemeenten fungeerden grachten als open riolen, doch op het platteland
was het nog heel lang gebruikelijk dat de menselijke faecaliën in specale
tonnen werden vereameld en periodiek opgehaald. Op het platteland werd
wel gebruik gemaakt van water-closets doch daar werden tevens sejitic
tanks en zinkputten aangelegd om door bacteriologische processen de orga-
nische stoffen te doen verteren. Het effluent werd gefiltreerd en kwam uit-
eindelijk terecht in het grondwater. Hierdoor vond geen verontreiniging
\\ an het opper\\\'lakte-water plaats.

In de laatste 10 jaar is er een hele ommekeer gekomen. Bijna alle grote
steden hebben nu een rioolwaterzuiveringsbedrijf1), doch ook op het platte-

1  Wij danken Ir. W. .A. H. Brouwer van het Rijksinstituut voor de Zuivering
van Afvalwater voor dc door hem verstrekte gegevens.

-ocr page 861-

land, behalve in de provincies Friesland en Limburg, zijn cn worden steeds
meer van deze miljoenen\\erslindende inrichtingen gemaakt. De onder-
staande schetskaarten geven hierv an een idee over de toename sedert 1948.

DE TOENAME VAN DE RIOOLWATER-ZUIVERINGSINSTALLATIES

SEDERT 1948

De gang van het reinigingsproces in een middelgrote centrale gemeente is
als volgt: Het rioolwater wordt met 2 grote pompen opgepompt en afge-
voerd naar bezinkingsbassins nadat het grove vuil en zand eruit is ver-
wijderd. Dit vuile zand wordt wekelijks getransporteerd naar de vaalt, die
vlakbij ligt. Het fijne bezonken slijk wordt afgevoerd naar een serie grote
tanks \\ an naar schatting 1000 tot 1800 m^ en daar gedurende ongeveer een
maand aan een anaerobe gisting onderworpen bij een temperatuur van
30° C. De benodigde energie wordt geleverd door het opvangen en het ge-
bruik van de brandbare gassen uit de tanks.

-ocr page 862-

Schuimvorming op de aereringsinstallatie van een rioolwaterzuiveringsbedrijf,

24-9-1962.

-ocr page 863-

Het uitgegiste slib wordt afgevoerd naar een grote serie droogvelden via
een pijpleiding en een systeem van goten. Hier blijft het slib liggen gedu-
rende verschillende tijden tot het \\erwerkt kan worden met de schop en
bijna reukloos is geworden. Het wordt afgevoerd naar de vaalt en dient
als grondstof voor de bereiding van compost.

Het reeds enigszins geschoonde water uit de voornoemde bassins wordt via
open goten, met een overloop \\oor te sterke aanvoer bij regenval, afge-
voerd naar een aëreringsinstallatic. De bedoeling van deze aërering is dat
het water zuurstofrijk en koolzuurarm wordt en tevens andere gassen kwijt-
raakt en dat tengevolge hierv an de zwevende colloidale deeltjes samenballen.
Deze bedoeling blijkt echter niet te kunnen worden nagekomen omdat de
hele installade soms met een laag schuim, die manshoog is en alles afsluit,
wordt bedekt (zie foto 2). Deze schiünivorming ontstaat tengevolge van
het gebruik van zeep, speciaal de moderne z.g. synthetische „zepen". Deze
laatste worden door de bacteriën, die het water moeten zuiveren, niet of
slechts tot phenol afgebroken.i)

Nadat het water de aëreringsinstallatie is gepasseerd kan het water tot rust
komen in bassins met een overloop, die het bovenste, meest opgehelderde
water in een zeer dun laagje in een goot doet verzamelen. Het water wordt
vervolgens in een droge periode in hoeveelheden van naar schatting 3000
a 4000 liter per minuut afgevoerd naar het openbare water. Het bezinksel

Tabel II.

Bacteriologisch onderzoek van de eind- en tussen produkten van een riool-
waterzuiveringsimtallatie.

Genomen monsters: 5a/moneWa-bevindingen:

1. „Zandbak" S. typhimurium en ,S. panama uit 1 gram.

2. vers slijk S. typhimurium en S. bredeney uit 5 g (niet getitreerd).

3. slijkgistingstank I manchester, S. bredeney, S. livingstone en S. heidelberg

uit 100 milligram.

4. slijkgistingstank III negatief met 1 gram.

5. actief slib S. typhimurium, S. bredeney, S. anatum uit 5 gram (niet

getitreerd).

6. effluent, geloosd op S. typhimurium, S. anatum cn bredeney uit 5 ml (niet
openbaar water (getitreerd).

7. sterk ingedroogd slib negatief in I en 5 gram.
van de droogvelden

(8 maanden)

8. half ingedroogd slib S. taksony, S. Stanley, S. derby, S. sandiego en S. bredeney
(1 maand) uit 5 gram (niet getitreerd).

Tot voor tien jaar werd voor reiniging zeep en soda gebruikt, terv/ijl tegenwoordig
deze stoffen, die gemakkelijk dcK)r Ca-ionen worden neergeslagen, grotendeels zijn
vervangen door op synthetische manier bereide detergentia. Deze worden in hun
vet-emulgerende werking niet nadelig door zouten of zuren beïnvloed en zijn
aanzienlijk goedkoper dan uit oliën of vetten bereide zepen. Dcxjr bacteriën worden
ze slechts in geringe mate aangetast, zodat zc plaatselijk reeds in aanzienlijke
mate in het drinkwater voorkomen. Van Duitse zijde is hier reeds in 1961 door
.A 1 t h a u s op gewezen en ook heeft de Rector Magnificus van de Delftse Hoge-
school, Prof. Dr. L. K r o n i g, in zijn jaarrede van 1962 aan het .genoemde
bezwaar van de synthetische wasmiddelen aandacht besteed.

-ocr page 864-

van de bassins wordt als actief slib afgevoerd naar de uitmonding van het
riool en gaat dus grotendeels naar de tanks voor anaërobe gisting.
Op verschillende plaatsen werden monsters van het slib en ook van het ge-
reinigde water genomen. Deze werden ook op de gebruikelijke manier op
Salmonellae onderzocht. Het resultaat is weergegeven in tabel H.
Het is merkwaardig dat het anaerobe gistingsproces verschillende
Salmo-
nellae
vrijwel ongemoeid laat. Bij een onderzoek van de inhoud van derge-
lijke tanks en het afgewerkte slib werden echter uitsluitend z.g. Ammon-
starke
Salmonellae gevonden. De indeling in Ammonschwache en Ammon-
starke
Salmonellae, die in de dertiger jaren door Hohn en Hermann
is gemaakt (zie Jansen, 1937) blijkt zeer nuttig te zijn om te weten te
komen welke soorten
Salmonellae men kan verwachten in het uitgewerkte
rioolslib, dat direct of indirect weer als meststof of aarde voor sierplanten
en voedergewassen wordt gebruikt.

Het effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallaties van een vijftal grote en
kleine plaatsen bleek steeds aanzienlijke hoeveelheden
Salmonellae te bevat-
ten. Uit één milliliter werd na aankweek gedurende 1-3 dagen in de bodem
vlg. M ü 11 e r-K auffmann of het seleniet medium volgens S t o k e s
en O s b o r n e bijna altijd een culttun\' van
Salmonella geïsoleerd. Bij een
nieuwe grote installatie in het centrum van het land gaf één öse effluent,
uitgestreken op een Ka u f f m a n n-bodem, direct zelfs enige koloniën van
S. bareilly.

Het opvallende bij de verschillende onderzoekingen was dat er geen duide-
lijk verschil viel vast te stellen in het
Salmonella-ge\\i2i\\tz in het influcnt en
het effluent. Er bleek eveneens weinig Ncrschil tussen de effluenten van
rioolwaterzuiveringsinstallaties, die ook afvalwater van een slachthuis en
die uitsluitend afvalwater van de menselijke samenleving verwerkten. Er
is de laatste tijd reeds meer literatuur over verspreiding van
Salmonellae met
oppei-v\'lakte-water verschenen. Een Zwitserse publikatie hieromtrent heeft
de aandacht getrokken. (F e y en V a 1 e t t e, 1961

Door Popjj werd er in 1962 op gewezen, dat in het Nedersaksische be-
heersgebied van Brunswijk (3091 kin^, 85,5.000 inwoners en een lengte van
800 km oi)]jervlaktewater) slechts nog 60 km stilstaand of stromend water
geheel vrij was van
Salmonellae, enterovirussen of andere van de mens af-
l<omstige pathogene microörgani,smen. Om het risico voor besmetting van
de mens te venninderen had men voor het gehele gebied verboden dat in
openbaar water werd gebaad. Niet vermeld werd of het ook verboden was
om bedoeld water te gebruiken voor drink- en badwater voor de huisdieren
en sproeiwater voor tuinen en akker- en weidegronden,i)

Salnionellosis als hospitalismus, speciaal in verband met de levensduur van
Salmonellae buiten liet dierlijk lichaam.

Uit de literatuur is bekend dat Salmonellae in het algemeen een vrij lange
leven,sduur hebben. Sommige, zoals
S. typhosa, S. choleraesuis en S. galli-
narium,
schijnen hierop een uitzondering te voiTnen, M a i r en Ross
(1960) hebben de overlevingsduur van i\',
typhimurium in tuingrond onder

Het zonlicht oefent een sterk bactericide invloed uit op de Salmonellae. Wanneer
men sterk besmet effluent in 5-liter plastic flessen buiten laat staan zijn de des-
betreffende kiemen na enkele dagen niet meer aantoonbaar; in dezelfde soort fles-
sen in de koelcel echter nog na 6 weken,

-ocr page 865-

natuurlijke omstandigheden nagegaan. Op plaatsen waar de zon niet direct
zijn bactericide invloed kon uitoefenen kon tot 251 dagen na de toevallige
maar vrij sterke besmetting met deze kiem, nog een positieve kweek wor-
den verkregen.

Het eerder genoemde ondei-zoek van het gedeeltelijk uitgedroogde slib van
rioolwaterzuiveringsinstallaties wijst erop, dat na 6-8 maanden dit slib vrij
is geworden \\ an
Salmonellae.

In potgrond, die S. typhimurium bevatte en in het Instituut voor Veteri-
naire Bacteriologie in plastic zakken \\erpakt in de koelcel werd bewaard,
bleek na 6 maanden het bacteriegehalte nog slechts weinig venninderd te
zijn.

Het toeval leidde tot een derde belangrijke waarneming ten aanzien van de
verspreiding en de houdbaarheid van een
Salmonella, die nogal eens aan-
leiding geeft tot ziekte zowel bij het dier als bij de mens, n.1. de
S. bovis
morbificans.

Deze werd op 28 november 1962 geïsoleerd uit de faeces van een rund met
een hevige, stinkende diarree. Het dier was in slechte algemene toestand
ter behandeling aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten aangeboden en
kwam uit de omge\\ ing van Rotterdam. Dc koe had een chronische trauma-
tische gastritis en was atactisch. Het dier werd daarom gelost in de manege
en bleef daar tot het resultaat van het faeces-onderzoek bekend was. Zoveel
mogelijk werden de faeces verwijderd doch in het dikke bed van zand,
houtzaagsel en turfstrooisel was dit niet goed mogelijk.
Op 3-12-1962 werd het dier moribtmd gedood; uit alle organen werd
S. bovis morbificans geïsoleerd.

Het bedrijf van herkomst bleek in de bimrt van een rioolwaterzuiverings-
installatie le liggen en de sloot die het effluent afvoerde liep langs een wei-
land, waarin de koeien van de betreffende veehouder tot begin november
hadden gelopen.

Uit het effluent werden verschillende Salmonellae, maar niet S. bovis mor-
bificans
geïsoleerd.

Op 5-12-1962 werd opnieuw een monster faeces voor onderzoek op Salmo-
nellae
van dc Kliniek ontvangen. Dit monster was afkomstig van een paard
met chronische longverschijnsclen. Het dier was voor onderzoek herhaalde-
lijk in de manege geweest en had vrij plotseling hoge temperatuur en diar-
ree gekregen. Uil de faeces werd direct, d.w.z. zonder „Anreicherung",
S. bovis morbificans geïsoleerd.

O]) dezelfde dag werden te\\ens faecesmonsters ingezonden van drie stieren,
een koe en een ander paard, alle uit verschillende bo.xen. Deze dieren waren
niet in de manege geweest, doch werden wel geregeld rectaal getempera-
tuurd. Het faecesonderzoek van één stier verliep negatief, van de andere
dieren alle positief t.o.v.
S. bovis morbificans. De dieren hebben geen dui-
delijke ziekteverschijnselen, die op salmonellosis wezen, vertoond. Anders
was het echter met een 2e paard met chronische longverschijnselen. Dit
kreeg ook hevige diarree en succombeerde op 11-12-1962. Bij sectie had
het sarcomen in longen en lever, een acuut gezwollen milt en een hevige
gastro-enteritis. Uit verschillende organen werd direct
S. bovis morbificans
geïsoleerd.

Op 10 december werd deze bacterie ook geïsoleerd uit faeces van een paard
met chronische vermagering, doch tegelijkertijd
S. typhimurium uit faeces
van een veulen met diarree.

-ocr page 866-

Het spreekt vanzelf, dat directeur en staf van de Kliniek voor Inwendige
Ziekten erg gealaiTneerd waren door deze vorm van hospitalismus.
Bij de mens is salmonellosis als ziekenhuisinfectie terdege bekend, (W i 1-
liams en Shooter, 1963), doch bij dierklinieken is dit veel minder het
geval. Verschillende mogelijkheden werden onder de loupe genomen. Een
onderzoek van het strooisel van de manege toonde aan, dat vermoedelijk
hier de infcctiebron schuilde. Na aankweek van 10, 5 en 1 gram van dit
materiaal, op verschillende plaatsen genomen, werd steeds een positief resul-
taat verkregen, doch uitsluitend werd
S. bovis morbificans geïsoleerd.
Een eerste poging om deze
Salmonella onschadelijk te maken mislukte.
Dertig kg Halamid, vermengd met zand, werd uitgestrooid en vervolgens
werd het strooisel overal natgespoten om de chlooramine te doen oplossen.
Na goed eggen werd na enige dagen een nieuw monster genomen en onder-
zocht op
Salmonella. Nu was ook 100 mgr van het materiaal positief t.o.v.
S. bovis morbificans; de vorige keer was volstaan met als kleinste hoeveel-
heid 1 gram te nemen. Ondertussen was de winter ingevallen en was het
niet meer mogelijk om nieuwe desinfectiepogingen te doen.
Volstaan werd met een proefdesinfectie van 100 liter van het manege-
strooisel, dat voor zeker driekwart uit zand bestond. Het bleek, dat de toe-
voeging van 1 van een 1%-oplossing van chlooramine aan de kruiwagen,
het kiemgehalte in enkele dagen zodanig deed dalen dat alleen een positief
resultaat met 10 gram materiaal werd verkregen. Na een week waren de
Salmonellae niet meer aantoonbaar. De proef was uitgevoerd bij een tem-
peratuur van 6-10° C.

Op 15 maart kon eindelijk de definitieve desinfectie van het manege-bed
worden verricht. Hiertoe werd 6000 1 van een 1%-oplossing \\\'an Halamid
uitgcsproeid en vervolgens werd het zand intensief geëgd. Na een week
konden geen
Salmonellae meer worden aangetoond.

Kort vóór de Veterinaire Week van 12-14 juni j.1. werd naar aanleiding
van een vastgestelde
Salmonella ewe/i-infectie bij een paard opnieuw een
monster materiaal genomen. Op een 10-tal verschillende plaatsen van de
hoefslag werd met een steriele eetlepel opper\\\'lakkig een schepje genomen
cn de gehele massa daarna intensief in een steriele plastic zak gemengd.
Opnieuw bleken
Salmonellae via „Anreicherung" in 10 en 1 gr aantoon-
baar. Deze werden door de afdeling Zoönosen van het Rijks Instituut \\oor
de Volksgezondheid gedetermineerd als
S. typhimurium en S. senftenberg
(de laatste alleen uit 10 gr).

Wanneer zijn deze Salmonellae in de manege terecht gekomen?
De eerste soort is meerdere malen in de afgelopen maanden bij patiënten
vastgesteld doch de tweede nimmer. Varkens, kippen, eenden, ratten of mui-
zen vallen als smetstofbron buiten be.schouwing. Van het gebruikte hout-
schaafsel kan men niet aannemen, dat
Salmonellae zich hierin kunnen
handhaven, zodat men tot de conclusie komt dat de besmetting o])nieuw
in de manege is gebracht via aangevoerde en smetstofuitscheidende paarden
of koeien.

In dit verband is het van belang te achten dat onderzoekingen \\ an hoefslag-
materiaal van 2 particuliere maneges t.o.v.
Salmonella een negatief resultaat
opleverden. De paarden die in deze maneges komen zullen ook wel nooit in
de gelegenheid zijn om oppervlaktewater te drinken wat uiteraard niet het
geval is met toekomstige patiënten van de klinieken. De conclusie dient dus
te worden getrokken dat
Salmonellae zich in stallen, die niet regelmatig

-ocr page 867-

worden schoongemaakt, of ruimten met een bodem van aarde, zand, „deep
litter", of ander strooiseknateriaal maandenlang kunnen handhaven en
speciaal bij dieren, die ziek zijn of aan stress onderhevig zijn geweest, aan-
leiding kunnen geven tot ernstige infecties.

De mededeling \\ an Moore en medewerkers (1962) toont aan dat ook in
de Large Animal Clinic van Michigan State University te East I^ansing
ernstig met deze \\orm van hospitalismus wordt rekening gehouden. Daar
was het echter niet
S. bovis morbificans, doch S. newport, die aanzienlijke
sterfte had veroorzaakt.

Uit de beschreven ziektcuitbraak dient te worden geconcludeerd, dat men
speciaal in kalver- en varkcnsmesterijen, met een voortdurende aanvoer van
nieuwe dieren, in hoge mate bedacht moet zijn op de ontwikkeling van een
constante stalbesmetting. Deze kan zich echter ook voordoen zonder aanvoer
van geïnfecteerde dieren n.l. door middel van direct of indirect van de mens
afkomstige
Salmonellae, waarbij speciaal valt te denken aan besmettingen
via compost cn oppervlaktewater.

In welke mate de besmetting van landbouwhuisdieren door elk van de ge-
noemde modi infectioses plaatsvindt is moeilijk te bepalen. Het volkomen
vrij blijven \\ an een koppel van 7 varkens, die gedurende 6 maanden in een
geïsoleerde stal met eiwitrijk biggenmeel werden gevoerd doet echter ver-
tnoeden dat aanvoer van bc.smette dieren en besmetting direct of indirect
\\an de mens afkomstig een belangrijker rol spelen dan die van het vismeel,
dat dank zij de maatregelen \\an het Produktschap voor Veevoeder prak-
tisch
Salmonella-vrij is.

S.AMENVATTING.

Df auteurs geven een beschrijving van enkele smetstofbronnen van Salmonellae die
door andere onderzoekers niet of slcchts zelden in beschouwing zijn genomen.
Deze bronnen bleken te zijn:

1. Rioolslib van rioolwaterzuiveringsbedrijven.

Compost, gemaakt van rioolslib, cacaotloppcnracel en kinabastmeel waaraan ge-
mengde kunstmest was toegevoegd, en dat niet door broei hoger was verhit dan
45° C, bleek sterk besmet te zijn met verschillende soorten
Salmonellae. Alleen
werden dc typen gevonden die door Hohn cn Hermann als „.Ammonstark"
werden aangeduid.

2. Effluent van bovengenoemde bedrijven.

Het cfflueiU van de rioolwaterzuiveringsbedrijven, die gedureiule dc laatste 15
jaar sterk in aantal zijn tcx-genomen, bleek in het algemeen niet minder
Salmo-
nellae
te bevatten dan het ongezuiverde rioolwater. De besmetting van het open-
bare water, waarop het effluent wordt geloosd, neemt dientengevolge toe. Dit
komt mede door het buiten gebruik raken van septictanks van huizen van parti-
culieren cn zelfs die van ziekenhuizen.

Strooisel van een manege.

Een geval van hospitalismus, veroorzaakt door S. bovis morbificans ontstond onder
paarden en runderen in de Grote Huisdierenkliniek te Utrecht. De betreffende
microörganismen werden aangetoond in elke gram van het strooisel in de over-
dekte manege. De ontsmetting kon wegens dc lange winterperiode pas na 3 maan-
den plaatsvinden en geschiedde door 6000 L van een oplossing van 1 % Halamid
te vermengen met het strooisel zodat een concentratie van 0.01 tot 0.05% werd
bereikt. Binnen 3 maanden na deze grondige ontsmetting, waarbij ook alle
E. coli
bleek te verdwijnen, werd een hernieuwde besmetting, die speciaal op dc hoefslag
was gelocaliseerd, vastgesteld. Dc 2e maal konden zelfs twee soorten
Salmonellae

-ocr page 868-

worden aangetoond, n.1. S. typhimurium en S. senftenherg. Het cultureel onder-
zoek van strooisel uit twee particuliere maneges verliep negatief t.o.v.
Salmonella.
Dc oorzaak van deze negatieve bevindingen kan zijn, dat in deze maneges alleen
gezonde rijpaarden en geen zieke dieren worden toe,gelaten. Tevens valt op te
merken, dat de genoemde rijpaarden zelden de gelegenheid hebben om zich te
besmetten door het drinken van opper\\\'laktcwater en het eten van vers gras of
ander groenvoer, dat eventueel besmet kan zijn.
De twee eerstgenoemde smetstofbronnen schijnen cen belangrijke rol te kunnen spelen
in de epizoötiologie van dc dier-salmonellosis en vermoedelijk via de voedingsmiddelen
van dierlijke oorsprong ook in de epidemiologie van de salmonellosis bij de mens.

SUMMARY.

Some other aspects of the Salmonella-problem.

The authors describe some sources of Salmonellae which have been neglected more
or less by other rescarchworkcrs.

1. Sludge.

Compost — made of scwcrsludge, meal of coconutshelb, extracted powder of
chinconabark and a mixed fertilizer - ■ which had not been sterilized by heating,
found to be highly contaminated with different types of
Salmonellae especially
those which since the investigations of Hohn and Hermann have been
called as „ammonstark".

2. Effluent of clearing works.

During the last 15 years the number of scwage-clearingworks is growing fast.
The effluent of those works contained .generally not less
Salmonellae than the
influent. The contamination of the rural water with these germs is increasing
because septic tanks arc not in use any longer, even not in hospitals.

3. Bedding of a ridingschool.

A proven case ol hospitalimus at the Large Animal Clinic in Utrecht was caused
by
S. bovis morbificans in horses and cattle. These microorganisms were found
in the bedding of the covered ridin.gschool. After a winterpcriod of three months,
desinfection was performed intensively by mixing 6000 litres of a 1 % solution of
chloramine with the contaminated bedding. Within the following three months
after the thorough désinfections of the bedding, two other types af
Salmonellae
namely 5. typhimurium and S. senftenberg were cultivated from the material
along the walls of the ridingschool.

The cultural tests of the bedding along the wall of two private ridingschools had
negative results, which might bc due to the fact that only healthy horses were
admitted and these animals generally have rare opportunity to drink surface
water and eat fresh green grass or other green fodders which could be contami-
nated.

The first two mentioned sources of Salmonellae seem to play an important role in
the epizootiology of salmonellosis in animals and indirectly through the food of animal
origin also in the epidcmiolo.gy of human salmonellosis.

RÉSUMÉ.

Les auteurs donnent une description de quelques sources de contamination de Sal-
monellae
que d\'autres explorateurs n\'ont pas, ou rarement, fait entrer en considé-
ration.

Les sources paraissaient être:

1. La bourbe d\'égouts du service de l\'épuration des eaux d\'cgouts.

Lc compost fait de bourbe d\'égouts, de farine de coques de cacao et de farine
de quinquina oîi on avait ajouté des en.grais chimiques mélangés et qui n\'avait
pas été chauffé par la fermentation au-dessus de 45° C, paraissait être fortement

-ocr page 869-

contaminé de Salmonellae. On trouva seuls les types que îlohn et Hermann
ont intitulés de „Ammonstark".

2. L\'effluent des services précités.

L\'effluent des services de l\'épuration des eaux d\'égouts qui ont fortement aug-
menté en nombre durant les dernières 15 années ne paraissait en général contenir
pas moins de
Salmonellae que les eaux d\'égouts non épurées. L\'infection des eaux
publique\'f où l\'effluent est lâché augmente par conséquent. Ce phénomène est
également causé par le fait que l\'emploi des fosses septiques des maisons particu-
lières et même des hôpitaux tombe en désuétude.

3. Litière d\'un manège.

Un cas d\'hospitalismus, causé par la 5\'. bovis morbificans se produisit parmi les
chevaux et les bovins de la Clinique des Grands Animaux Domestiques à Utrecht.
Les microörganismes en question furent démontrés dans chaque gramme de la
litière dans le manège couvert. Par suite de la longue période d\'hiver la désinfec-
tion ne pouvait se faire qu\'après 3 mois et elle se fit par le mélange de 6000
litres d\'une solution de 1 % d\'halamid avec la litière de sorte qu\'on obtînt une
concentration de 0,01 à 0,05%.

En moins de 3 mois après cette désinfection radicale durant laquelle VE. coli
paraissait disparaître également entièrement, on constata une nouvelle contami-
nation localisée spécialement sur les empreintes des chevaux. La deuxième fois
on pouvait même constater deux espèces de
Salmonella, notamment la S. typhi-
murium
et la S. senftenberg.

L\'examen par culture dc litière provenant de deux manèges particulières avait
un résultat négatif à l\'égard de
Salmonella. La cause de ces expériences négatives
peut être que dans ces manè.ges .seuls les chevaux de monture sains sont admis et
non pas les animaux malades. En outre on peut remarquer que les chevaux de
monture précités ont rarement l\'occasion de s\'infecter en buvant de l\'eau de sur-
face et en mangeant l\'herbe fraîche ou d\'autres fourrages verts qui pourraient être
contaminés.

Les deux sources de contamination citées en premier semblent pouvoir jouer un rôle
important dans l\'épizoötiologie de la salmonellosis animale et probablement par la
voie des aliments d\'origine animale aussi dans l\'épidémiologie de la salmonellosis chez
l\'homme.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die "Verfasser geben eine Beschreibung einiger Ansteckungsherde von Salmonella, die
durch andere Forscher nicht oder höchst selten in Betracht gezogen v^fcrden.
■Als Ansteckungsherde erwiesen sich:

1. Kanalschlamm von Kläranlagen.

Kompost, zubereitet mit Kanalschlamm und Mehl von Kakaonussschalen und
Chinarinde unter Zusatz von gemischtem Kunstdünger und bei keinem höheren
Gärungsgrad als 45° C., bewies stark mit
Salmonella verseucht zu sein. Allein die
durch Hohn und Hermann als „Ammonstark" angedeuteten Typen wurden
gefunden.

2. Die Abwässer der obengenannten Anlagen.

Die Abwässer von Kläranlagen, die in den letzten 15 .lahren eine starke Aus-
breitung erfahren haben, bewiesen i. allg. nicht weniger
Salmonella zu enthalten,
als ungereinigtes Kanalwasser. Die Verseuchung der öffentlichen Wasserläufe in
die die Abwässer abgeleitet werden, nimmt infolgedessen zu. Mitschuldig hieran
ist das ausser Gebrauch kommen der septischen Tanks der Privathäuser und
selbst Krankenhäuser.

3. Streu einer Manege.

Ein Fall Hospitalismus, verursacht durch S. bovis morbificans entstand unter
Pferden und Rindern in der Klinik für grosse Haustiere m Utrecht.

-ocr page 870-

Die betreffenden Mikroorganismen wurden in jedem Gramm der Streu der über-
dachten Manege nachgewiesen. Die Desinfektion konnte wegen der langen Winter-
periode erst nach 3 Monaten stattfinden. Dies geschah, indem 6000 Liter einer
einprozentigen Halamidlösung mit der Streu vermengd wurde, sodass eine Kon-
zentration von 0,01 mis 0,05% erreicht wurde.

Innerhalb drie Monate nach dieser gründlichen Desinfizierung, bei der auch alle
E. coli verschwunden waren, wurde eine erneute Verseuchung festgestellt, die sich
speziell auf den Hufschlag lokalisiert hatte. Beim zweiten Mal konnten selbst 2
Spezies von Salmonellen nachgewiesen werden, nämlich
S. typhimurium und
S. senftenberg.

Die kulturelle Untersuchung der Streu zweier Privatmanegen verlief, betreffs
Salmonella, negativ. Die Ursache dieser negativen Resultate kann daran liegen,
dass in diesen Manegen nur .gesunde Reitpferde und keine kranken Tiere zugelassen
werden. Ausserdem muss bemerkt werden, dass die genannten Reitpferde selten
Gelegenheit bekommen sich durch Trinken von Oberflächenwasser und dem
Fressen von frischem Gras oder anderem Grünfutter, das evtl. kontaminiert ist,
zu infizieren.

Die beiden erstgenannten Ansteckungsherde scheinen eine bedeutsame Rolle in der

Epizootiologie der Salmonellosis bei Tieren und vermutlich via Nahrungsmittel tie-
rischen Ursprungs auch in der Epidemiologie beim Menschen zu spielen.

LITER.ATUUR

.M t h a u s, IL: Die Detergentien, ein wasserhygienisches Problem unter besonderer
Berücksichtigung der Badewasserhygienc.
Arch, des Badewesens, 14, (11), (1961).

Bulling, E.: Die Verbreitung der Tiersalmonellosen in Niedersachen nach dem
Befunden der Jahre 1959 und 1960.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 74, 4.52,

(1961).

F e y, H. und Valette, H. : Nachwcis von Salmonellen in Flusz und Abwässern
sowie bei gesunden Schlachtschwcinen in Genf.
Schweiz. Arch. Tierheilk., 103,
519, (1961).

G a 1 r a i t h, N. S.: Studies of human salmonellosis in relation to infection in ani-
mals.
Vet. Ree., 73, 1296, (1961).

G a 1 b r a i t h, N. S., Taylor, G. E. D., G a v a n a g h. P., H a g a n, J. G. and
P a t t o n, J. L.; Pet foods and garden fertilizers as sources of human salmonello-
sis.
The Lancet, 372, (1962).

Guinée, P. A. M. and Kampelmacher, E. H.: Influence of variations of
the enrichment method for detection of salmonella.
A. v. Leeuwenhoek, 28, 417,

(1962).

H a u g e, St. und B o v r e, Kj.: Forekomst av salmonella bakicrien i importet vege-
tabilisk proteinkraffor of kraftforblanginger.
Nord. Vet.Med., 10, 255, (1958).

Jansen, J.: Ueber die Klassifikation der Typhus-Paratyhpus-Gruppe. Ztschr. Inf.
krh.,
52, 11, (1937).

Jansen, J. and Kunst, H.: Are pathogenic microorganisms killed in waste-
dumps where sufficiently high fermentation temperatures occur?
Neth. ]. agr. Sci.,
1, 111, (1953).

Kampelmacher, E. H., Guinée, P. A. M., H o f s t r a, K. en Keulen,
A. van: Verdere onderzoekingen over salmonella in slachthuizen en bij normale
slachtvarkens.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 1486, (1962).

L e i s t n e r, L., J o h a n t g c s, J., Deibel, R. H. and N i v e n, G. F. J. : The
occurrence and significance of salmonellae in meat animals and animal by-product
feeds.
Proc. 13th Research Conf. Res. Council of the Am. Meat Inst. Found.,
circ.
64, (1961).

M a i r, N. S. and Ross, I.: Survival of S. typhimurium in the soil. Mon. Bull.
Minist. Health Lab. Scrv.,
19, 39, (1960).

Messerli, W.: Salmonellose bei Mensch und Tier in gleichen Gehöft. Schw.
Arch. Tierheilk.,
104, 294, (1962).

-ocr page 871-

Moore, G. R., Rothenbacke r, H., Bennet, M. V. and B a r n e r, R. D.:

Bovine salmonellosis, ƒ. Am. vet. med. 141, 841, (1962).
Morton, D. H.: Salmonellosis: A serious outbreak in a dairy herd. Vet. Rec., 74,
423, (1962).

Popp, L.: Salmonella-Befunde im Gewässernetz des Niedersächsischen Verwaltungs-
bezirks Braunschweig.
Zentralbl. Bakt. Orig., 184, 459, (1962).
R u t q v i s t, L.: Vorkommen von Salmonella in Futtermitteln vegetabilischen Ur-
sprunges.
Zbl. Vet. Med., 8, 1016, (1961).
S i 1 be r s t o 1 p e, L., P 1 a z i k n o w s k i, U., K j e 1 1 a n d e r, J. und V a h 1 n e,
G.: An epidemic among infants caused by Salmonella muenchen. ƒ.
applied Bact.,
24, 134, (1961).

Walker, J. H. G.: Organic fertilizers as a source of salmonella infection. The
Lancet, 283, (1957).

Williams, R. E. O. and Shooter, R. A.-. Infection in Hospitals, Epidemiology
and control. Blackwell Scientific Publications, Oxford, 1963.

DISGUSSIE
Vraag: Drs. B. K o u w e n h o v e n, Utrecht.

Is het z.g. „tonnensysteem" uit hygiënisch oogpunt gezien niet beter dan de water-
closets?

Antwoord:

Uit algemeen hygiënisch oogpunt gezien ongetwijfeld, want n\'.et de inhoud der ton-
netjes werd echte compost gemaakt, die waarschijnlijk door zijn hoge ammoniak-
gchalte en langdurige bewaring werkelijk
Salmonella-vrij was. Voor de directe gezins-
hygiëne is natuurlijk de W.C. verre te verkiezen.

NASCHRIFT.

Na uitbreiding van het cultureel salmonella-onderzoek tot het terrein der I\'aculteit
bleek, dat ook
Salmonellae konden worden geïsoleerd uit het bevuilde zand tussen
dc voegen van de klinkers der „Veterinaire straat" waar dc p.r-tiënten, vnl. paarden
en runderen, worden gelost, geladen en voorgeleid.

Uit 1 en 5 gram werd van 1 plaats S. typhimurium en uit 10 gram van hetzelfde mon-
ster
S. typhimurium en S. anatum geïsoleerd. Van twee andere plaatsen kwam uit
de desbetreffende monsters uit 1, 5 en 10 gram steeds
S. dublin.

Dat het terrein van de Faculteit wordt besmet door patiënten is vanzelfsprekend, doch
hieruit volgt tevens dat op alle plaatsen waar grote huisdieren, dus ook dragers, uit
verschillende streken samenkomen, zoals op veemarkten en terreinen van slachthuizen
het geval is, overeenkomstige bevindingen zijn te verwachten.

De desbetreffende smetstofreservoirs kunnen alleen ontsmet worden wanneer geen
stenen doch beton of asfalt voor de bestrating worden gebruikt.

De invloed van de omgevingstemperatuur op de opbrengst van mager
varkensvlees.

Op een vergadering van de „American Society of Anima! Production" heeft
Eugène Seymour van de Universiteit van lowa (U.S.A.) bevestigd dat var-
kens, opgefokt bij een uniforme temperatuur van 15-16° C de neiging hadden een
hoger percentage mager vlees te produceren en een betere voedselverwerking te heb-
ben dan dieren, opgefokt onder dezelfde condities, maar bij een lagere temperatuur.

Revue de l\'Elevage, (4), 501, (1963).

-ocr page 872-

Hef belang van hef klinisch-chemisch onderzoek
voor de praktijk.

The importance of clinical-chemical investigation for
the veterinary practice.

door A. J. H. SCHOTMAN1)

Uit de Kliniek voor Inwendige Ziekten van de Faculteit der
Diergeneeskunde.

Inleiding.

De dierenartsen verbonden aan onze faculteit nemen, vergeleken met hun
collegae in de praktijk, een bevoorrechte plaats in, wanneer zij patiënten
te onderzoeken krijgen.

Ik behoef U daarover zeker niet verder in te lichten. Iedereen weet, dat in
de klinieken, evenals in de humane geneeskunde, een staf gespecialiseerde
mensen aanwzig is ten behoeve van het onderzoek van een patiënt. De
practicus moet echter
alleen dc vraagstukken die zich voordoen trachten op
te lossen.

Het ligt nu in mijn bedoeling in korte trekken aan te geven op welke wijze
de practicus misschien steun kan ondervinden ten behoeve van de diagnose,
de prognose of de behandeling van zijn patiënt.

In de loop der jaren zijn wij aan onze Kliniek tot een aantal klinisch-
chemische bepalingen gekomen, waarvan wij menen, dat deze hun belang
bij het klinisch onderzoek wel aangetoond hebben. Een aantal \\\'an deze
bepalingen — en vooral hun belang — zou ik thans met U willen be-
spreken.

Het ligt niet in de bedoeling de bepalingsmethoden tot in detail te be-
handelen. De voorschriften zijn in dc klinisch chemische handboeken te
vinden, of zij zijn uitgegeven door het Rijksinstituut
voor de Volksgezond-
heid (R.I.V.) te Utrecht in samenwerking met de Nederlandse Vereniging
voor Klinische Chemie. Mochten er echter nog vragen over dc metho-
dieken rijzen, dan lijkt het mij misschien beter deze tc behandelen tijdens
de demonstraies op ons klinisch-chemisch laboratorium.

Als eerste punt zou ik willen bespreken de bepaling van het hemoglobine-
gehalte in bloed.

Een geschikte methode voor een enkele hemoglobinebepaling, door een
practicus te verrichten, is met behulp \\ an een Sicca-hcmometer of met een
Sahli hemometer. Er zijn echter enige nadelen aan deze methode ver-
bonden :

1. het is geen objectieve methode, daar iedere persoon een andere ge-
voeligheid van het oog heeft voor de vergelijking van de kleuren;

2. een goede ijking van cle hemometer is door de gebruiker niet gemak-
kelijk uit te voeren;

.3. een vergelijking van uitkomsten tussen verschillende gebruikers van
de hemometer, dierenartsen of laboratoria, is niet goed mogelijk.

1  Drs. A. J. H. Schotman, wctenschappchjk hoofdambtenaar aan de Rijksuniver-
siteit te Utrecht; BiUstraat 172, Utrecht.

-ocr page 873-

Daarom moge aanbevolen worden de nieuwe bepaling welke op grond
van de onderzoekingen van Zijlstra en Van Kampen (1961) is
opgesteld. Het \\oorschrift is uitgege\\en door het Rijksinstituut voor de
Volksgezondheid.

De be]5aling berust op de omzetting \\ an hemoglobine bij een pH 7.0-7.4
met behulp van kaliumferricyanide en kaliumcyanide tot cyaanhemiglobine
(cyaanmethemoglobine, HiCN). De meting \\ an de verkregen kleur kan ver-
richt worden op een, eventueel daar\\oor speciaal ingerichte, colorimeter
met doorstroomcuvet.

Een groot voordeel van deze methode is dat cyaanhemiglobine het enige
hemoglobinederivaat is waarvan standaardmonsters voor ijking kunnen
worden gemaakt, welke maaiidenlang stabiel blijven. Door het R.I.V.
worden deze standaardmonsters beschikbaar gesteld. Een verder voordeel
is dat het een volkomen objectieve methode is, daar men de extinctie door
middel van een wijzer afleest.

Helangrijk is ook dat bij deze bepaling alle gewone hemoglobinederivaten
{HbO^, Hb, Hi (hemiglobine)) en HbCC) (carboxyhemoglobine) omgezet
worden tot cyaanhemiglobine. Plasmaproteinen beïnvloeden de bepaling
niet.

De methode is dus geschikt indien bij experimenten zeer nauwkeurige
hemoglobinebepalingen verricht moeten worden of indien men uitkomsten
tussen verschillende laboratoria zou willen vergelijken.
Ik wil echter nogmaals de nadridi er op leggen, dat de Sicca- of de Sahli-
hemometer voor de dierenarts in de jsraktijk zeer goed bruikbaar is voor
het onderzoek van
zijn patiënten.

Nog een enkel technisch detail. Het te gebruiken bloed kan onstolbaar ge-
maakt worden met heparine (3 dr. .5% heparine per 100 ml bloed). De
be])aling dient \\anzelfsprckencl zo s[5oedig mogelijk te gebeiuen, doch
zeker binnen 24 luu.

Over de bcpahng van het celvolume of de hematocrietwaarde wil ik kort
zijn.

Voor de be])aling maakt men gebruik van verdeelde centrifugebuisjes voor
gemakkelijk seditnentcerbare crytrocyten, of van dc speciale hematocriet-
buisjes volgens W i n t r o b e.

Het te onderzoeken bloed dient bij voorketn- met heparine onstolbaar ge-
maakt te zijn. Citraat en oxalaat dienen ontraden te worden doordat zij
invloed hebben op de osmotische verhoudingen, waardoor veranderingen in
de hematocrietwaarde kunnen optreden.

Hoewel het wenselijk is het bloed zo s])oedig mogelijk te verwerken i.v.m.
pH-verschuivingen, kan het bloed echter gedurende 18 uur in de ijskast
bewaard blijven zonder dat veranderingen optreden.

Het belang van een hematocrietwaarde is hierin gelegen, dat men een
indruk krijgt van het erytrocyten\\olume t.o.v. het jjlasmavolume. Zo zullen
bij alle anemieën en na groot bloedverlies, waarbij het bloedvolume op peil
wordt gehouden door een bloedverdunning met extracellulair vocht, ver-
laagde hematocrietwaarden gevonden worden, dus bij een kleiner aantal
crytrocyten zonder vermindering van het plasmavolume.
Een verhoogde hematocrietwaarde zal men kunnen vinden bij uitdroging
na verlies van vocht zonder bloed, bijv. bij ernstige diarree, koliek, oeso-
phagusobstructie (speekselverlies) of bij verlamming van Oesophagus en/of

-ocr page 874-

farynx (geen drinken mogelijk). De gevonden hematocrietwaarde kan dan
een indicatie zijn voor een in te stellen therapie, bijv. het toedienen van
vocht aan de patiënt.

De bepaling is ook door de practicus zeer goed uit te voeren indien op een
aanwezige centrifuge een speciale hematocrietopzet wordt geplaatst, waar-
in de hematocrietbuisjes gecentrifugeerd kunnen worden.

Een van de bepalingen welke naar onze mening van groot belang kan zijn
voor de dierenarts in de praktijk, doch welke hij helaas niet zelf kan ver-
richten, is het
bepalen van het serumeiwitspectrum zowel bij paarden als
runderen.

Zoals reeds door mij gepubliceerd in een tweetal artikelen in het Tijdschrift
voor Diergeneesliunde,
zijn en worden met de uitkomsten van deze bepaling
goede resultaten bereikt ten dienste van de diagnostiek en de prognose.
Over de methodiek zal ik nu niet verder uitweiden, op het laboratorium
kan men alles bezien. Om echter te willen weten wat de betekenis is van
deze bepaling voor de praktijk hebben wij een aantal uitkomsten van
serumeiwitspectra van onze patiënten ^ voorlopig alleen lunderen -- ver-
zameld.

Wij hadden de indruk gekregen dat de prognose dubieus of infaust kon
zijn bij een y-globulinegehalte > 45% en eventueel een albuminegehalte
< 25%. Dit hebben wij nu eerst eens nagegaan bij patiënten, waarbij het
klinisch onderzoek in de richting van een endocarditis wees.
In de volgende tabel zijn opgenomen de uitkomsten van de serumeiwit-
elektroforese van runderen, verdacht van een endocarditis in de jaren
1961-1962, terwijl tevens de uitslagen van eventuele secties zijn vermeld.

Tabel 1.

Overzicht van de resultaten van de serumeiwit elektroforese bij patiënten,
verdacht van een endocarditis, gedurende 1961-1962.

Uitslag sectie

Totaal onderzochte sera: Geen

44. Aantal Endo- Geen endo- sectie

carditis carditis

albuminegehalte < 25% 32 28

en y-globulinegeh. >45%

albuminegehalte < of > 12 9

25% en y-globulinegeh.
< 45%

Wij zien hieruit dat van de in totaal 44 onderzochte sera er 32 waren met
een aluminegehalte < 25% en een
y-globulinegehalte > 45%, Van deze 32
gevallen waren er 28, welke bij sectic een endocarditis hadden. Slechts 1
patiënt had bij de sectie geen endocarditis; van 3 dieren werd geen sectie
verkregen. Van de overblijvende 12 dieren met een
y-globulinegehalte
< 45% bleken nog 9 dieren een endocarditis te hebben.
Wij menen uit deze gevallen te mogen concluderen dat, indien een endo-
carditis aan de hand van het klinisch onderzoek vermoed wordt, deze endo-
carditis naar alle waarschijnlijkheid aanwezig is, indien het serum
y-globu-

-ocr page 875-

linegehalte > 45% en tevens het serumalbuminegehahe < 25% is. Duide-
lijk zichtbare processen, bijv. een mastitis, welke het serumeiwitspectrum
kunnen beïnvloeden, mogen natuurlijk niet aanwezig zijn.
Worden echter andere percentages van de serumfracties gevonden, bijv. een
y-globulinegehalte < 45%, dan mag men een endocarditis niet uitsluiten
indien het klinisch onderzoek toch in die richting wijst. Het is dan gewenst
om de bepaling van het serumeiwitspectrum te herhalen, teneinde na te
gaan of er eventuele veranderingen zijn opgetreden.

Van de vrij snelle veranderingen welke in het serinneiwitspectrum kunnen
optreden in de loop van enige dagen is de volgende tabel een voorbeeld.

Tabel 2.

\\\'eranderingen in het serumeiwitspectrum van een rund, lijdende aan een
endocarditis (bevestigd bij sectie).

Patiënt: 62753

le bloedafname
2e bloedafname na 10 dagen
% y-globuline

% albumine

32.8
20.4

39.6
57.3

Tevens hebben wij over de jaren 1960-1961-1962 nagegaan hoe het verdere
verloop van patiënten (runderen) was, welke \\olgens de bepaling van het
serumeiwitspectrum een gehalte hadden aan y-globuline > 45%. In tabel 3
zijn de uitkomsten van dit ondei-zoek samengevat.

Uit deze tabel blijkt allereerst dat van een groot aantal patiënten het ver-
dere verloop helaas niet bekend is, omdat er geen bericht werd ontvangen
of doordat het dier door de eigenaar verkocht werd.

Als positief resultaat zien wij echter dat in een groot aantal gevallen, 45%
van het totaal, de eventueel vermoedelijke diagnose door leverbiopsie of
sectie bevestigd kon worden.

Van een geheel herstel was in 8% der gevallen sprake, hoewel onder de
groep „geen bericht ontvangen" ook nog een deel geheel herstelden kan
schuilen.

Men krijgt echter uit deze tabel wel dc indruk dat een serumelektroforese
met een y-globulinegehalte > 45% vaak geen gunstige prognose heeft voor
een rund. Tevens ziet men dat een dergelijk ongunstig serumeiwitspectrum
een gestelde diagnose kan bevestigen, indien men hiervoor de tabellen uit
het gepubliceerde artikel over het serumeiwitspectrum van runderen be-
schouwt.

Opgemerkt dient te worden dat bijv. patiënten, lijdende aan een trauma-
tische gastritis, waarbij een dergelijk slecht serumeiwitspectrum aanwezig
is, toch wel kunnen herstellen indien eventueel aanwezige abcessen weer
verdwijnen. Het slechte serumeiwitspectrum wijst dus in dergelijke gevallen
op een zekere chroniciteit van het jDroces of op een complicatie door ab-
cessen.

Wij menen uit dit alles te mogen concluderen dat de bepaling van een
serumeiwitspectrum alleszins gerechtvaardigd is bij dubieuze gevallen of om
een diagnose te bevestigen, terwijl bij een y-globulinegehalte > 45% de
prognose dubieus tot ongunstig is. Bij dergelijke waarden wordt de eigenaar

-ocr page 876-

Overzicht van de sectieuitslag of het verdere verloop van patiënten( run-
deren) met een serumgarnmaglobulinegehalte > 45%, over 1960-1961-1962.

Sectie

Naar huis gezonden of opgeruimd
Bericht

Aantal

bevestiging

geen bevestiging

niet ontvangen; geen sectie-

.geen verder

geheel

patiënten

v. d. diagnose

V. d. diagnose

uitsl.; evt. verkocht

hersteli)

hersteld

1.

ziekten ademh. wegen

8

3

1

3

1

2.

hartziekten

51

43

3

5

3.

thromb. vena cava post.

16

8

8

4.

syndroom van Hoflund

8

7

1

5.

traumatische gastritis

15

5

6^)

1

6.

peritonitis

6

3

1

7.

leveraandocningen

16

9\')

7

8.

distomatose

5

3

—•

—■

2

9.

nefritiden, cystitis e.d.

10

6

1

2

1

10.

afw. genitaalapp.

5

1

2

2

11.

mastitiden

17

2

12

1

25)

12.

tumoren

3

3

13.

geen afwijkingen

4

2

2

14.

geen diagnose

28

1

14«)

8")

5

Totaal

192

86

6

70

14

16

Percentages

100

45

3

37

7

8

evt. opgeruimd, geslacht of gestorven; niets naders van bekend,
cen gedeelte hiervan doorgestuurd naar de afd. Heelkunde ter operatie,
waarvan 1 bevestigd door rectale exploratie,
eventueel bcvcstiijd door leverbiopsie.

waarvan 1 een goede driespeen werd; de andere gaf niet veel melk meer.
hiervan 4 verkocht.
") hiervan 5 slecht hersteld, geslacht of gestorven.

-ocr page 877-

van een patiënt geadviseerd liet \\oorlopig te proberen en bij een ongunstig
\\erloop het dier spoedig op te ruimen. Een herlialing \\an de bepaling van
het serumeiwitspectrum na bijv. één of twee weken is dan zeker gewenst.
Over het belang van het serumeiwitspectrum bij paarden wil ik thans niet
verder spreken. Hiervoor wil ik vemijzen naar het artikel in het
Tijdschrift
voor Diergeneeskunde.
Vooral de verhoging van de /3-globuIinefractie, ge-
ilaard met een albumineverlaging, speelt een rol bij liet stellen van dc
diagnose „worminfectie".

Tenslotte een opmerking. De bepaling geschiedt in serum, dus men dient
bloed af te nemen zonder antistollingsmicldelen.

Als een van de bepalingen om een beschadiging van de lever na te gaan
dient genoemd te worden de bepaling van de alkalische fosfatase in bloed-
plasma of -serum.

De alkalische fosfatase is een enzym, dat organische fosforzure esters splitst
in anorganische fosfaten. Zoals de naam reeds zegt is dc activiteit alleen
te bepalen in alkalisch milieu, n.1. bij pH > 9.

Het enzym komt in alle organen en lichaamsvloeistoffen voor. Hoewel de
\\oornaamste functie van de alkalische fosfatase gelegen is bij de bot-
vorming, zodat men bij verschillende ziekten van het bot en bij drachtig-
heid een verhoogd gehalte aan alkalische fosfatase kan vinden, is voor ons
van belang dat de alkalische fosfatase iets kan leren over de toestand van
dc lever. De alkalische fosfatase wordt n.1. door de lever in de gal uitge-
scheiden.

Een verhoogd gehalte aan alkalische fosfatase in bloedplasma kan men nu
vinden bij galstuwing. Soms is dit reeds het geval wanneer de galklcur-
stoffen in het bloed nog niet verhoogd zijn. Alle bilirubine kan door het
resterende le\\erweefsel met \\ rije galafvocr worden uitgescheiden.
Indien zich dit nu voordoet zou men een
lokale intrahepatische galstuwing
kunnen aannemen, dus een plaatselijk ]jroccs in de lever, te klein om door
andere leverfunctieproevcn aangetoond tc worden.

De verhoging van de alkalische fosfatase is dus niet een stuvvingsverschijnsel
zonder meer, daar dan parallel met dc alkalische fosfatase het seruiribili-
rubinegehalte zou stijgen.

Men vindt nu: bij stuwingsicterus vaak een sterk vermeerderde, bij geel-
zucht door parenchyrnbeschadiging cen matig vermeerderde alkalische fos-
fatase. Duidelijke afwijkingen welke op kunnen treden in het eiwitspectrum
en in de nog te bespreken transaminasen kunnen een verdere aanwijzing
zijn \\oor een beschadiging van het leveiiDarenchym als oorzaak van een
geelzucht.

De stijging van de alkalische fosfatase bij hepatitis is vooral in de vroege
stadia. Bepaalt men het gehalte aan alkalische fosfatase bijv. om de 5 dagen,
dan vindt men een geleidelijke daling.

Bij een levercirrhose kan men een serumbilirubine vinden dat veel lager is
dan bij een hepatitis acuta. Het alkalische fosfatasegehalte is in de regel
verhoogd, maar deze verhoging is sterk wisselend, mogelijk t.g.v. plaatse-
lijke stuwingsverschijnselen (retractieprocessen?). De verhoging verdwijnt
wanneer de produktie van alkalische fosfatase door de cellen is opgehouden
doordat ze te gronde zijn gegaan.

Een laag gehalte aan alkalische fosfatase bij een hoog serumbilirubine-
gehalte komt ook voor, n.1. bij een hemolytische icterus of indien de lever-

-ocr page 878-

cellen zo beschadigd zijn, dat de produktie van alkalische fosfatase gestoord
is.

Bij de bepaling van de alkalische fosfatase volgens de methode van B e s s e y
(zie G O r t e r en e G r a a f f), wordt door het enzym uit dinatriumpara-
nitrofenylfosfaat, dat kleurloos is, paranitrofenol vrijgemaakt doordat fosfaat
afgesplitst wordt. Het p-nitrofenol is in alkalisch milieu geel gekleurd. ])c
e.xtinctie van deze gele kleur kan worden gemeten.

De concentratie aan alkalische fosfatase in plasma wordt uitgedrukt in milli-
moleenheden. 1 mMolE = de hoeveelheid enzym in 1 1 plasma die in 1 uur
tijds 1 mMol paranitrofenol vrijmaakt.

Opgemerkt dient te worden dat het glycine voor de te gebruiken buffer van
pro analyse kwaliteit dient te zijn, daar men anders grote moeilijkheden bij
de bepaling kan krijgen.

Voor de bepaling in plasma dient bloed afgenomen te worden in een zeer
goed gereinigd (plastic) flesje, waarin zich heparine als antistollingsmiddel
bevindt. Het plasma kan eventueel enige dagen in de ijskast bewaard blij-
ven.

Uit ons onderzoek bij patiënten (runderen) is nu gebleken, dat de bepaling
van het gehalte aan alkalische fosfatase naast de bepaling van bijv. bili-
rubine, het y-globulinegehalte enz., van nut kan zijn om te weten te komen
of er iets met de lever aan de hand is. Vaak wordt n.l. een verhoogd ge-
halte aan alkalische fosfatase geconstateerd, terwijl er geen bilirubinc in
het bloedserum aanwezig is.

Voor volwassen normale runderen is uit ons onderzoek gebleken, dat het
gehalte aan alkalische fosfatase moet liggen beneden 1.0 mMolE. Er moet
aan gedacht worden dal jonge normale dieren een hogere activiteit hebben
t.g.v. de verhoogde botstofwisseling.

In tabel 4 hebben wij vermeld de percentages van de patiënten met in het
plasma een gehalte aan alkalische fosfatase > 1.0 niMolE, terwijl het bili-
rubinegehalte ne.gaticf was.

Uit deze tabel blijkt, dat ondanks het betrekkelijk geringe aantal patiënten
die vergeleken konden worden, er bij ccn aantal aandoeningen een aan-
zienlijk percentage is met het beeld van een verhoogde alkalische fosfatase
en een negatief bilirubincgehalte in het bloed, zoals bij de aanwezigheid
van een peritonitis, leveraandoeningen, distomatose en het syndroom van
Hoflund.

Het seriuneiwitspcctrum was vaak normaal; de leverpercussie bij deze pa-
tiënten was echter dikwijls vergroot, terwijl er hypcrtensie o]5 dc vena jugu-
laris en/of de vena mammaria was.

Bij het syndroom van Hoflund is het waarschijnlijk dat men te maken heeft
met een toxisch allergische reactie op eiwitafbraakprodukten.
Uit het bovenstaande menen wij te mogen afleiden, dat in deze gevallen
een aantasting van de lever heeft plaats gehad. Het is dus zaak om bij der-
gelijke patiënten de lever nauwkeurig te blijven obseiveren en door her-
haalde bepalingen van de alkalische fosfatase na te gaan of er herstel of
verdere destructie gekomen is.

Als volgende te bespreken bepalingen, welke van nut kunnen zijn orn een
inzicht te verkrijgen in de leverfunctie zou ik willen noemen enige enzym-
bepalingen, n.l,

-ocr page 879-

Overzicht van de percentages runderen, lijdende aan verschillende ziekten
rnet een alk. fosfatasegehalte >1.0 niMol Ejl plasma bij afwezigheid van

bilirubine.

Ol

Code

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

aantal patiënten

38

7

6

44

17

25

113

14

47

20

19

25

12

37

14

9

14

16

bilirubine negatief

27

2

6

27

10

11

66

2

8

7

5

16

9

21

6

7

11

12

alkalische fosfatase > 1.0 mMolE

10

0

1

8

5

3

17

0

2

6

3

9

6

8

2

3

2

5

% alk. fosf. > 1.0 mMolE t.o.v. het aantal
patiënten met negatieve bilirubine

37

0

17

30

50

27

26

0

25

86

60

56

67

38

33

43

18

42

Code:

1. bronchitiden, (broncho)pneumonieën

10.

syndroom van Hoflund

2. longemfyseem

11.

peritonitis

3. long worm

12.

leveraandoeningen

4. endocarditiden

13.

distomatose

5. trombose vena cava post.

14.

mastitiden

6. indigestie

15.

endometritiden

7. traumatische gastritis

16.

nefritiden

8. enteritis

17.

tumoren

9. lebmaagdislocatie

18.

paratubcrculosc

-ocr page 880-

Ie. de serumtransaminasen:

a. Serum Glutamine Oxaalazijnzuur Transaminase (SGOT);

b. Serum Glutamine Pyrodruivenzuur Transaminase (SGPT).
2e. het
serurnmelkzuurdeliydroge?iase (LDH = lactic dehydrogenase).
In fig. 1 zijn de werkingen van deze enzymen samengevat.

Fig. 1.

GOT

SGOT a-kctoglutaarzuur -f asparaginezuur glutaminezuur -f oxaalazijnzuur

appelzuur

oxaalazijnzuur DPNH H ^ appelzuur DPN

dehydrogenase

GPT

SGPT a-ketoglutaarzuur alanine "^glutaminezuur pyrodruivenzuur

LDH

pyrodruivenzuur DPNH H ~^melkzuur DPN

LDH

LDH pyrodruivenzuur DPNH H ^melkzuur DPN

GOT = glutamineoxaalazijnzuurtransaminase
GPT = glutaminepyrodruivenzuurtransaminase
LDH = melkzuurdehydrogenase
DPN = difosfopyridinenucleotide
DPNH = gereduceerd difosfopyridinenucleotide

Voor de bepalingen wordt gebruik gemaakt van de concentratieveranderin-
gen \\an een toegevoegde stof (DPNH \' t.g.v. dc werkingen \\an de en-
zymen. Deze veranderingen moeten gemeten worden in het ultraviolette
licht. Men heeft daarvoor dus een geschikte spectrofotometer nodig. Ph\' is
ook een colorimetrischc methode, waarbij de metingen in het zichtbare licht
worden gedaan, doch aan de bepalingen \\an de enzymactiviteiten in het
ultraviolette licht dient de voorkeur te worden gegeven.
De bepalingen geschieden in serum (dus geen antistollingsmiclclelen toe-
\\ oegen). Het bloed hiervoor dient in zeer goed gereinigde buizen te worden
opgevangen. Het is gewenst het serum, eventueel bloed, spoedig in de ijs-
kast te brengen waar het zo nodig enige dagen te bewaren is, hoewel een
snelle verwerking de voorkeur verdient.
Niet in de diepvries plaatsen, daar
hierbij vrij grote afwijkingen kunnen ontstaan.

Wat is het nut van deze be[)aling nu eigenlijk?

De transaminasen en het melkzuurdehydrogenase zijn enzymen, die in vele
weefsels, zoals lever, hartspier e.d. voorkomen. Wanneer er nu beschadiging
van weefsel optreedt, zullen deze enzymen dus in vermeerderde mate in het
bloed komen. Dit zal dus ook kunnen geschieden bij ziek zijn of te gronde
gaan van levercellen. Soms kan men de \\erhoging van de transaminasen
en LDH in het bloed reeds bemerken voordat bijv. een geelzucht zich ge-
openbaard heeft.

Door Huhn is in 1961 een artikel gepubliceerd over dergelijke onder-
zoekingen, waarbij gevonden was dat bij runderen het gehalte aan SGOT

-ocr page 881-

in lever en hart weefsel hoog was, terwijl het gehalte aan SGPT in de lever
\\ eel lager was.

Vooral bij acute beschadigingen van het leverparenchym vindt men een
soms sterke verhoging van de transaminasen, vooral SGOT, en van LDH.
Voor een duidelijke SGPT-verhoging is een intensievere leverbeschadiging
nodig. Bij niet ernstige chronische hepatitiden en bij niet progrediënte
cirrhosen kunnen normale transaminasenwaarden \\oorkomen.
Het is wenselijk de bepaling om de paar dagen te herhalen om te weten te
komen of er genezing van een beschadigd leverparenchym is, of om reeds
\\ roegtijdig het ontstaan van een rechute op het spoor te komen.
Helaas is het aan onze kliniek meestal niet mogelijk patiënten te blijven
\\ er\\ olgcn gedurende enige tijd. Het lijkt mij daarom juist op de weg van de
practicus te liggen om, vooral bij waardevolle patiënten, te laten vaststellen
of het herstel van een le\\-erbeschadiging volledig is.

Een voordeel van de transaminasenbepaling t.o.v. de bepaling van de al-
kalische fosfatase is, dat eerstgenoemden niet beïnvloed worden door bot-
ziekten.

Bij de beoordeling van de LDH moet men rekening houden met een ver-
hoogde waarde t.g.v. drachtigheid. Ook voor de LDH-waarden in bloed-
.scrum geldt, dat levernecrosen, hepatopathieën e.d. tot verhoging aanlei-
ding kunnen geven. Met de LDH-bepaling kan men tevens nagaan hoe de
lever reageert op bijv. geneesmiddelen of op andere belastingen.
In tabel 5 zijn vermeld de waarden \\oor SGOT, SGPT en LDH met — ter
\\ergelijking -- de waarden voor alkalische fosfatase, bilirubine en -/-globu-
line in scrum of plasma van normale runderen.

Tabel 5.

Gehalten aan SGO\'T, SGPT, LDH, alkalische fosfatase, bilirubine en
y-globuline iii serum of plasma van normale runderen.

Nr.

SGOT

SGPT

LDH

alk. fosf.

bil.

y-glob.

Wrobl.E*)

Wrobl.E.

Wrobl.E.

mMolE

mg/1

%

1

71

23.0

1540

0.7

_

38.4

2

86

22

2600

_

3

69

23

1940

0.9

37.7

4

79

27

2200

1.0

—■

34.1

5

95

16.6

2140

2.0

neg.

32.5

6

89

15.2

1700

0.7

neg.

39.5

7

88

34

2700

0.7

neg.

43.4

8

51

6.0

1820

0.5

neg.

38.7

9

88

8.0

1800

0.5

neg.

32.3

10

124

23.4

2100

0.7

neg.

37.4

11

81

20.0

1600

0.5

neg.

40.5

12

117

17.9

2500

1.6

neg.

33.3

Gemiddeld

: 86

19.7

2050

Spreiding:

51-124

6.0-34.0

1540-2700

*) Wrobl.E = Wróblcwski Eenheden.

-ocr page 882-

Opgemerkt dient te worden, dat nr. 10, 11 en 12 van de onderzochte dieren
vrij veel eosinofiele cellen in het bloed hadden. Bij sectie werd echter niets
afwijkends gvonclen.

De gevonden waarden stennnen, vooral wat betreft de SGOT en de SGPT
gehalten goed overeen met hetgeen in de literatuur venneld is. (G ü r 11 e r,
1960; Gr und er, 1961; H u h n, 1961.)

In tabel 6 zijn enige door ons bepaalde waarden vermeld voor dezelfde
bovengenoemde componenten van patiënten met verschillende ziekten. Men
ziet hier tevens dat het soms gewenst is meerdere bepalingen bij één patiënt
te \\errichten om eventuele \\erandcringen in de gehalten op het spoor te
komen.

Over jjaarden hebben wij helaas nog slechts weinig getallen, hoewel aan
het einde \\an deze lezing nog enkele voorbeelden van transaminasen- cn
dehydrogenasegehalten vermeld zullen worden.

Tenslotte wil ik U \\an de verschillende bepalingen die wij verrichten nog
noemen de bepaling van het chloridegehalte van plasma bij digestiestoor-
nissen en wel om een z.g. syndroom van Hoflimd nader te bevestigen.
De bepaling geschiedt in plasma \\olgens een colorimetrische methode, uit-
gegeven door het R.I.V. Volgens deze methode titreert men de chloride-
ionen met kwikionen. Hierbij wordt het niet geïoniseerde HgCU gevormd.

2 Cl- -f Hg t - HgClo

Het eindpimt van de titratie wordt waargenomen doordat \\\'rije Hg"^ ^ ■
ionen met de indicator difenylcarbazon cen violette kleur geven.
Het bloed wordt bij voorkeur afgenomen in een, met heparine (anti-
stollingsmiddel!) behandelde, spuit, zodat het bloed niet in aanraking met
lucht komt. Door bewaren in ijs is dit bloed nog na enige tijd te onder-
zoeken. Ook het afcentrifugeren om plasma te veikrijgen dient buiten in-
vloed van de lucht te geschieden.

Uit eigen i^epalingen vonden wij, clat het gemiddelde chloridegehalte in
plasma bij normale runderen 360 mg% bedroeg (spreiding 340-380 mg%).
In tabel 7 zijn dc chloridegehalten van enige runderen met het z.g. syn-
droom van Hoflimd (atonie van de voormagen) vermeld.
Van een aantal patiënten weid tevens het kaliumgehalte van het serum be-
paald. Het bleek dat dit sterk verlaagd kan zijn (normaal 16 ± 2 mg%).
De pH \\an het bloed was in deze gevallen verschoven naar de alkalische
kant, n.1. tot 7.64 (normaal 7.40), terwijl ook de actuele pCOo en de stan-
daardbicarbonaat concentratie sterk \\erhoogd waren, resp. tot 67 mm Hg
en tot 45 mMol 1 (gemiddelde normale waarden resp. 43 mm Hg en 22
inMol/l).

De therapie bij deze patiënten bestond uit de behandeling met physostig-
rnine teneinde de maagfunctie weer op gang tc brengen. Via de slokdarm-
sonde werden de soms grote hoeveelheden vloeistof uit de pens geheveld.
Wij menen uit de resultaten van het onderzoek te mogen concluderen dat
een herhaalde bepaling van het chloridegehalte in bloedplasma iets kan
zeggen over de toestand van het dier en of een bepaalde therapie succes
heeft (laag Cl slechte prognose).

Men moet bij het beschouwen van deze getallen natuurlijk niet vergeten
dat deze dieren op verschillende tijdstippen \\\'an de ziekte onderzocht wer-

-ocr page 883-

Gehalten aan SGOT, SGPT, LDH, alkalische fosfatase, bilirubine en
y-globuline in serum of plasma van runderen lijdende aan verschillende

ziekten.

(Jl

SGOT

SGPT

LDH

alk. fosf.

bil.

y-glob.

Code

Wrobll.E

Wrobl.E

Wrobl.E

mMolE

mg/1

%

Diagnose, leverbiopsie, sectie enz.

1-2-1 1

105

19.1

3330

0.7

4.1

51,3

endocard. stuwingslever metastasen

2

52

10.8

1400

0.8

neg.

51,4

endocarditis

3

77

18.5

1800

0.6

neg.

53,7

endocarditis

4

109

12.4

2120

0.9

neg.

46,9

endocard., geringe stuwing, matige distomatose

5

138

10.3

2660

0.8

neg.

58,8

endocarditis -f longhaardjcs

6

494

5.3

8660

2.7

neg.

44,6

endocarditis L.

1-1-3 1

360

10.2

1900

0.8

zw.

36,7

chr. bronchitis, broncheolitis

1-2-1 1

121

16.0

1000

0.8

neg.

40,6

(stuwing op venen), boezcmfibrillatic

1-2-2 1

605

57.8

8160

4.7

pos.

38,2

(stuwing op venen), pericard. (kleine endoc.)

2

242

10.6

2420

2.5

pos.

pericarditis (stuwing op venen)

3

245

11.2

2800

0.6

sp.

45,0

pericarditis (stuwing op venen)

1-2-3 1

129

8.8

7600

1.7

sptje

56.8

thromb, vena cava metast, pneumonie

1-3-3-1 1

60

24.5

3500

0.7

zw, -(-

33.4

traum gastritis

2

91

21.6

2800

2.1

neg.

39.1

chr, traum, gastr,, leverbiopsie: degeneratie

3

92

15.0

800

0.5

neg.

39.2

chr, traum, gastr,, (geen stuwing)

4

135

18.6

1600

0.7

pos.

31.9

chr, traum, gastr, 4- uitgebreide peritonitis

5

100

11.8

1360

0.6

zw, -1-

45.5

chr, traum, gastr,, (geen stuwing)

6

177

9.9

1000

0.7

sptje

44.9

chr, traum, gastr,, m. ingekapseld abces, lever

vergr, (geen stuwing)

7

169

18.0

1200

0.5

neg.

43.0

chr. traum. gastr., reticulitis? leverbiopsie e.a.

leverperc. vergroot

8

55

15.0

0.6

neg.

42.6

chr. traum. gastr., lever sterk vergroot

-ocr page 884-

Vervolg tabel 6.

SGOT

SGPT

LDH

alk. fosf.

bil.

y-glob.

Code

Wrobl.E

Wrobl.E

Wrobl.E

mMolE

mg/1

%

Diagnose, leverbiopsie, sectie enz.

1-3-3-2 1

85

20.6

1560

2.6

ncg.

35.9

recid. typmanie (papillomen cardia), lever

normaal, geen stuwing

1-3-3-3 1

147

29.2

2100

1.0

neg.

33.4

(bil. was pos. geweest), indigestie (syndr. v.

Hoflund?)

1-3-3-4 1

24.8

1360

1.3

neg.

41.3

Syndr. v. Hoflund t.g.v. traum. gastr., boekmaag-

198

dilatatie

2

142

12.2

1600

0.5

zw. -1-

43.6

id. na 5 dagen:

Syndr. v. Hoflund t.g.v. traum. gastritis

105

7.4

1920

0.4

sp.

51.7

1-3-3-6 1

103

31.0

2060

0.5

4.2

41.6

Lebmaagdislocatie L.

2

78

26.6

1320

1.0

pos.

34.7

Lebmaagdislocatie L,

3

246

17.4

1800

0.4

pos.

41.9

Lebmaagdislocatie L.

1-3-3-8 1

131

12.8

1600

1.6

sptje

32.3

Lebmaagdil. disl. R, iets stuwing v. mammae

1-3-4 1

172

36.0

3.3

sp.

33.1

Boosaard. catarraalkoorts 4- virus enteritis, ontst.

mondslijmvlies enz.

CT)
Ol
IsD

-ocr page 885-

1-3-8 1

326

15.0

5860

5.1

tot.

33.4

39.7

id. na 7 dagen:146

13.8

3950

3.0

tot.

19.7

49.5

chron. necrot. galblaasontstcking

1-9-1 1

222

12.2

3950

2.5

55.8

30.0

Mummificatie witte huid

89

27.5

5600

2.7

2.1

30.4

Mummificade witte huid

601

20.6

5100

2.3

neg.

39.9

Mummificatie witte huid, weinig meer tc merken

1154

24.8

3800

3.5

sptje

34.5

Mummificatie witte huid, toestand goed

117

25.6

2740

2.4

sptje

Mummificatie witte huid

96

19.6

1820

1.1

neg.

41.8

Mummificatie witte huid

796

21.8

4360

3.4

15.8

33.2

Mummificatie witte huid

804

29.0

2600

4.3

sptje

28.9

Mummificatie witte huid

506

39.4

5960

2.1

neg.

32.5

Mummificatie witte huid

1-10-1 1

119

26.0

6.5

sptje

46.8

Distomatose, trichostrongylose

leverbiopsie: .geringe interst. hepatitis

1-14-4 1

139

11.1

4830

4.2

54.0

56.2

scirreus carcinoom

2

242

10.6

2420

1.4

72.1

43.6

id. na 2 dagen

multiple tumoren

465

11.4

6800

2.5

125.5

1-15-1 1

70

7.3

950

0.3

neg.

35.5

Geen diagnose, leverbiopsie: g.a.

sinds 6 dagen geen melk en eetlust

CT)
cjl
oo

-ocr page 886-

Chloride- en kaliumgehalten in bloedplasma resp. serum van enige runderen
lijdende aan het z.g. syndroom van Hoflund.

bloedafname

Nr.

dagen na

chloride in

kalium in

afgevoerd

aankomst in
kliniek

plasma rag%

serum mg%

611286

0

171

9.8

naar huis

2

246

7.1

611349

0

325

12.9

naar huis

611358

0

253

3

328

naar huis

611428

0

188

19.5

1

162

14.8

geslacht

6238

0

290

14.0

1

298

12.5

2

380

11.7

3

371

10.1

6

256

9.0

7

8

239
258

9.4
5.0

9

244

7.4

geslacht

62117

3

255

14.8

4

258

13.7

5

276

13.3

7

259

10.9

geslacht

62136

0

258

11.7

1

281

12.5

4

353

11.7

5

357

11.5

11

374

17.6

naar huis

62210

1

375

21.8

4

368

21.5

6

372

21.1

11

319

17.9

naar huis

62387

0

243

12.9

3

349

14.0

geslacht

62400

0

332

18.7

2

333

16.8

4

265

16.0

7

143

16.4

geslacht

6335

0

231

1

235

geslacht

6357

4

309

geslacht

6364

1

182

geslacht

6381

1

232

geslacht

63112

0

318

geslacht

-ocr page 887-

den. Sommige dieren waren reeds 3 weken ziek, andere slechts 4 dagen.
Bij de andere cligestiestoornissen, bijv. een ongecompliceerde traumatische
gastritis, vonden wij sporadisch dergelijke exorbitante chlorideverlagingen.
\'1\'enslotte wil ik U nog enige patiënten beschiijven, waarbij verschillende
bepalingen zijn gedaan om te tiachten tot een diagnose te komen.

Nr. 61997.

Volgens de anamnese was de melkgift van dit rund zeer onregelmatig. Het
dier liep geregeld op.

Bij het onderzoek van het dier bleek stuwing op de venen of oedeem niet
voor te komen. Wel was de leverpercussie vergroot. Bij het onderzoek van
de faeces op worm- of leverboteieren werden één keer in het natief pre])a-
raat enkele leverboteieren gevonden. Het urineonderzoek leverde geen bij-
zonderheden op.

Het klinisch-chemisch onderzoek gaf het volgende resultaat te zien: leuco-
cyten 11000, jeugdvormen 5, staafkernige 2, segmentkernige 35, lymfocyten
32, eosinofiele 26; alkalische fosfata.sc 1,3 niMolE, albiunine 40,5%, a-glob.
15.0%, j8-glob. 7.2%, y-glob. 37.2%.

Een leverbiopsie, naar aanleiding van deze gegevens genomen, gaf een ge-
ringe parenchymateuze degeneratie te zien.

Volgens bovenstaande gegevens leek er een aandoening \\ an de lever te zijn,
mogelijk veroorzaakt door distomatose.

In overleg met de eigenaar werd het dier opgeruimd. Hierbij werd ge-
vonden dat het dier inderdaad lijdende was aan distomatose.

Nr. 62835.

Dit betrof een 1 7-jarige hengst, welke volgens de anaumese reeds een weck
niet in orde was. Het dier at minder; er was oedeemvorming. De tempe-
ratuur was iets te hoog, terwijl de ademhaling te frequent was. Het dier
had een neusbloeding gehad. Sinds 5 jaar was er een afwijkend geruis aan
het hart waargenomen.

In de kliniek werd bij het rectaal onderzoek gevonden dat dc achterland
van de milt gezwollen was, hetgeen op ccn vergroting van dit orgaan zou
kunnen wijzen. Verder werden er klinisch geen bijzonderheden gevonden.
De eetlust van het dier was matig.

Bij het chemisch bloedonderzoek werd in het seriun een matig verhoogd
;8-globulinegehalte gevonden, terwijl het gehalte aan melkziundehydroge-
nase (LDH) sterk was verhoogd. Andere afwijkingen kwamen niet voor
(zie tabel 8).

Tabel 8.

Gehalten aan transaminasen, melkzuurdehydrogenase, alkalische fosfatase
en ß- en
y-globulinen in serum van een paard lijdende aan een tumor
(reticulose-type) in de buik.

Patiënt:

62835

Datum

SGOT

SGPT

LDH

alk. fosf.

j3-glob.

y-glob.

VVrobl.E

Wrobl.E

Wrobl.E

mMol E

%

%

8-6

152

3.0

2400

7.0

23.2

21.1

18-6

230

2.7

1980

7.2

27.6

21.3

-ocr page 888-

Het dier is gestorven. Rij de sectie werd in de buik een tumor (reticulose-
type) gevonden.

Nu willen wij zeker niet beweren, dat de verhoging van de Id)H-concen-
tratie een specifieke reactie is, doch uiteindelijk bleek toch, dat deze LDH-
concentratie de enige afwijkende waarde was.

Er werd dus tevens aangetoond, dat men meerdere componenten in het
bloed dient te bepalen, daar slechts ccn bestanddeel afwijkend behoeft te
zijn.

Vermeld dient nog te worden dat door ons voorlopig, in overeenstemming
met hetgeen in de literatuur is opgegeven, als normale waarden voor trans-
aminasen en LDH in scrum van paarden worden beschouwd: SGOT <
350 Wrobl.E., SGPT < 15 Wrobl.E., LDH < 300 Wrobl.E.

Nr. 63319.

Volgens de anamnese had een 11 jaar oude hoogdrachtige Relgische merrie
weinig uithoudingsvennogen, een frequente hartslag, rode slijmvliezen en
een sterke transpiratie.

Bij aankomst bleek bij het klinisch onderzoek dat de conjuctiva en het vulva-
slijmvlies zeer geel gekleurd waren.

De therapie bestond uit het toedienen van methionine i.v. gedurende 6
dagen. Na 35 dagen is het dier, dat een goede eetlust vertoonde, weer naar
huis gegaan. In tabel 9 zijn de verschillende bepalingen samengevat welke
bij deze patiënt zijn gedaan.

Tabel 9.

Gehalten aan transaminasen, melkzuurdehydrogenase, bilirubine en al-
kalische fosfatase in serum van een paard met een leveraandoening.

Patiënt: 63319

Datum

SGOT

SGPT

LDH

bilirubine

alk. fosf.

Wrobl.E

Wrobl.E

Wrobl.E

mg%

mMol E

25-3

1200

60

6.3

10,8

28-3

2034

78

5740

4,2

9.1

1-4

2920

96

5860

3,1

7,0

4-4

2454

96

4800

3,4

7,7

10-4

1760

54

2700

2,8

12,4

16-4

1320

27

1980

2.3

8.9

23-4

764

12

1000

2,4

9,3

Men ziet hieruit dat er een geleidelijke verbetering optrad, hoewel de
SGOT-bepaling eerst nog een verhoging te zien gaf. Opgemerkt dient te
worden dat de bilirubine opgegeven is als mg% en niet meer als mg/1.
Ook blijkt dus uit dit onderzoek het belang van het regelmatig bepalen van
verschillende componenten in het bloed om na te gaan of een ingetreden
herstel doorgaat.

Naar onze mening zijn cr dus enige bepalingen, welke ik thans besproken
heb, welke van nut kunnen zijn voor de dierenarts in de praktijk. Met na-
druk wil ik er op wijzen, dat het klinisch onderzoek voorop moet staan.
Heeft men een patiënt „waar men niet uitkomt", wil men een bevestiging
\\an een vermoedelijke diagnose of wil men nagaan of een ingestelde be-

-ocr page 889-

handeling resultaat heeft gehad, dan is het tijd om een of meerdere klinisch-
chemische bepalingen te doen.

Men moet echter nagaan, eventueel in overleg met een laboratorium, wélke
bepalingen dan het beste gedaan kunnen worden. Dit ook om een over-
belasting van een laboratorium met nutteloze bepalingen te voorkomen.
Vanzelfsprekend is het gewenst, dat de aanvrager \\\'an bepalingen ook de
\\erkregen waarden kan interpreteren. Mocht dit n.1. moeilijkheden geven,
dan aarzele men niet contact op te nemen met terzake deskundigen. Juist
uit het contact tussen een laboratorium en de practicus kan men tot goede
resultaten komen.

Nu rijst natuurlijk de vraag wie deze bepalingen zou kunnen verrichten,
omdat men daarvoor een goed ingericht laboratorium, nodig heeft. Cen-
traal is dit moeilijk te doen, gezien de afstanden.

Onze gedachten zijn daarom uitgegaan naar de Provinciale Gezondheids-
diensten. Bij deze diensten zijn tenslotte reeds laboratoria aanwezig en heeft
men ook laboratoriumervaring. Indien tevens het geschikte personeel be-
nevens hct instrumentarium aanwezig is, zijn de bepalingen zeker uit te
\\oeren.

Het transport van bloedmonsters zou misschien nog enige moeilijkheden
kunnen opleveren. Doch het lijkt mij wel mogelijk om met de tegenwoor-
dige verbindingen en door toepassing van bijv. een goed geïsoleerd kistje
(koelbox) een bloedmonster te kunnen opzenden voor onderzoek. Eventueel
zou de practicus zelf reeds het plasma of serum kunnen bereiden.
Tenslotte zij nog meegedeeld dat door hct Rijksinstituut voor de Volks-
gezondheid te Utrecht in samenwerking met de Nederlandse Vereniging
voor Klinische Chemie regelmatig enquêtes gehouden worden betreffende
de toege]3aste klinisch-chemische bepalingsmethoden op laboratoria. Daar-
toe worden standaardmonsters verstuurd, waarvan de samenstelling pas
na de enquête wordt bekend gemaakt. Later kan men deze, dan bekende,
monsters betrekken om te gebruiken als standaardmonster om de toegepaste
bepalingsmethoden te blijven testen.

Het deelnemen aan deze enquêtes zou ik speciaal willen aanbevelen voor
die laboratoria, die zich op klinisch-chemische bepalingen willen gaan toe-
leggen. Verder zijn wij aan onze kliniek vanzelfsprekend gaarne bereid
nadere inlichtingen tc geven over bovengenoemde of andere methoden van
onderzoek of over de inteqjretatic van uitkomsten.

Indien het \\ oor de practicus mo.gelijk is op deze manier steun te verkrijgen
bij het stellen van een diagnose of om de resultaten van een therapie na
te gaan, lijkt mij de tc nemen moeite niet \\oor niets gedaan en zijn de te
maken kosten zeker niet versiiild.

S.\\MEN\\\'ATTIN\'G.

Vtxjr de dierenarts in de praktijk is het soms moeilijk om alleen aan de hand van het
klinische onderzoek van een rund of een paard tot een juiste diagnose of prognose te
komen.

In dergelijke gevallen kan een klinisch-chemisch bloedonderzoek voor de practicus
van groot belang zijn om tot dc goede diagnose, prognose of therapie te geraken.
Een aantal van dergelijke klinisch-chemische bepalingen, welke hun belang bij het
klinisch onderzoek aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten hebben bewezen, worden
behandeld omdat d^-zc bepalingen ook van nut voor de praktizerende dierenarts
kunnen zijn.

-ocr page 890-

Besproken worden de volgende bepalingen:

1. Het hemoglobinegehalte in het bloed.

Aanbevolen wordt de cyaanhemiglobinemethode, daar deze colorimetrische me-
thode volkomen objectief is en het mogelijk is stabiele standaardmonsters te ver-
krijgen voor de ijking van de methode.

2. Het celvolume of de hematocrietwaarde.

De bepaling, welke ook door de practicus op eenvoudige v-iijze kan worden uitge-
voerd, is van belang bij anemieën en voor het instellen van een therapie bij uit-
drogingsverschijnselen van een dier.

3. Het serumeiwitspectrum.

Uit de onderzoekingen van het serumeiwitspectrum van runderen is gebleken,
dat bij een y-globulinegehalte > 45% en eventueel een albuminegehalte < 25%,
de prognose dubieus tot infaust moet worden gesteld. Zeer duidelijk komt dit
naar voren bij padënten, waarbij volgens het klinisch onderzoek vermoedelijk een
endocarditis aanwezig is. Indien hierbij tevens een y-globulinegehalte gevonden
wordt > 45% mag men met vrij grote zekerheid aannemen, dat inderdaad de
patiënt lijdende is aan een endocarditis.

4. Het gehalte aan alkalische fosfatase in bloedplasma of -serum.

Een verhoging van dit gehalte bij runderen tot meer dan 1.0 mMolE wijst op een
leveraandoening. Het serumbilirubinegehalte hoeft dan nog niet verhoogd te zijn.

5. Het gehalte aan transaminasen (SGOT, SGPT) en melkzuurdehydrogenase
(LDH) in serum.

De bepaling van deze enzymen bij runderen kan van nut zijn om een lever-
aandoening op het spoor te komen doordat dan de gehalten aan transaminasen,
voornamelijk SGOT, en melkzuurdehydrogenase in het scrum sterk kunnen stijgen.

6. Het chloridegehalte van bloedplasma.

Uit de onderzoekingen is gebleken dat bij runderen, lijdende aan het z.g. syn-
droom van Hoflund (atonic van de voormagen) de bepaling van het chloride-
gehalte een dergelijke diagnose kan bevestigen. Er worden bij dit syndroom vaak
zeer lage chloridegchalten in het plasma gevonden. Vooral een herhaalde bepaling
van het chloridegehalte zou iets kunnen zeggen over de toestand van de patiënt
en over de prognose.

Tenslotte worden enige paiënten besproken waarbij het klinisch-chemisch onderzoek
van belang bleek te zijn voor de diagnose of de behandeling.

Gebleken is wel, dat men vaak niet kan volstaan met slechts één enkele bepaling van
een component, doch dat men meerdere componenten in het bloed liefst meerdere
malen moet bepalen.

.Aanbevolen wordt die bepalingen, welke niet door de practicus zelf verricht kunnen
worden, te laten uitvoeren op de eventueel daarvoor in te richten laboratoria van de
Provinciale Gezondheidsdiensten voor Dieren.

SUMMARY.

The veterinary practitioner may occasionnaly find difficulty m establishing a correct
diagnosis based merely on clinical examination in cattle or horses.
Clinical and chemical examination of the blood may be a valuable aid to the prac-
titioner enabling him to arrive at a correct diagnosis, prognosis or treatment in these
cases.

.\\ number of these clinical and chemical determinations found to be of value in
clinical studies in the Hospital of Internal Diseases are reviewed as these tests may
also be useful to the veterinary practidoner.
The following determinations are discussed:

1. The heamoglobin content of the blood.

The cyanhaemiglobin test is recommended as this is a completely objective colori-
metric method which makes it possible to obtain stable standard samples by which
to calibrate the test.

2. The cell volume or haematocrit value.

-ocr page 891-

This determination, a simpl" test which can also be performed by the practi-
tioner, is useful in cases of anaemia and in instituting a method of treatment when
an animal shows symptoms of dehydration.

3. The serum protein pattern.

Studies on the serum protein pattern in cattle showed that when the y-globulin
content is more than forty-five percent and the albumin content is less than
twenty-five percent, as the case may be, the prognosis will range from doubtful
to bad. This is plainly apparent in cases in which the clinical findings suggest the
presence of endocarditis. When the y-globulin content is also found to be more
than forty-five per cent, it will hardly be open to question that the patient is
actually affected with endocarditis.

4. The alkaline phosphatase content of the plasma or serum.

An increase of this content to more than 1.0 niMolU. in cattle suggests disease of
the liver. The serum bilirubin need not show an increase in this case.
.5. The transsaminase (SGOT, SGPT) and lactic dehydrogenase (LDH) content of
the serum.

Determination of these enzymes in cattlc may be useful in detecting liver disease
as the concentration of transaminases (mainly SGOT) an 1 lactic dehydrogenase
in the serum may show a marked increase in that case,
f). The chloride content of the plasma.

Studies showed that determination of the chloride content may serve to verify
the diagnosis in cattle affected with Hoflund\'s syndrome (atony of the fore-
stomachs). Very low plasma chloride levels are frequently observed in this syn-
drome. Repeated déterminations of the chloride content might be particularly
useful in supplying information on the condition of the patient and indicating
the prognosis.

In conclusion, a number of cases are discussed, in which clinical and chemical studies
were found to be useful from the point of view of diagnosis or treatment.
A single determination of a constituent will not suffice and several constituents of
the blood should preferably be determined several times.

It is recommended to have those tests which cannot be performed by the practitioner
hini.self, made in laboratories of the Provincial .Animal Health Services, which should
be equipped for the purpose if necessary.

RÉSUMÉ.

Le vétérinaire praticien éprouve parfois des difficultés s\'il veut porter un diagnostic
juste se basant seulement sur l\'examen clinique d\'un bovin Ju d\'un cheval.
Dans pareils cas un examen chimique clinique du sang peut être de grande impor-
tance pour le praticien afin d\'en arriver au bon diagnostic, .
tu pronostic ou à la thé-
rapie corrects.

Quelques-unes de ces déterminations chimiques cliniques, dont la valeur pour
\'lexamen clinique a été prouvée dans la Clinique pour Maladi.\'s Internes, sont traitées
parce que ces déterminations peuvent être également utiles pour les vétérinaires pra-
ticiens.

Les déterminations suivantes sont discutées:

1. La teneur en hémoglobine dans le sang.

La méthode du cyanhémiglobine est recommandée parce que cette méthode colo-
rimtrique est parfaitement objective et qu\'il est possible d\'obtenir des échantillons-
standard stabiles pour la vérification de la méthode.

2. Le volume de la cellule ou la valeur hématocrite.

La détermination que le praticien peut faire lui-même d\'une façon simple, est
d\'importance pour les anémies et pour l\'institution d\'une thérapie pour les phé-
nomènes de dessèchement d\'un animal.

3. Le spectre protéinique du sérum.

Des recherches concernant le spectre protéinique du sérum des bovins il a paru
qu\'à une teneur en globuline-y > 45% et éventuellement une teneur en albumine

-ocr page 892-

< 25% le pronostic devra varier dc douteux à néfaste. Ceci est particulièrement
manifeste chez les patients chcz qui l\'examen clinique fait croire à une endocardite.
Si l\'on trouve en même temps une teneur en globuline-y > 45%, on peut ad-
mettre avec une certitude assez grande que le patient souffre cn effcct d\'une endo-
cardite.

4. La teneur en phosphatase alcaline dans le plasma ou le sérum sanguins.

Une augmentation de cette teneur chez les bovins jusqu\'.-t plus de 1.0 niMolU.
fait croire à une affection hépatique. Il n\'est pas encore nécessaire que la teneur
en bilirubine du sérum ait augmenté dans ce stade.

5. La teneur en transaminascs (SGOT, SGPT ct l\'hydrogénasc de l\'acide lactique
(LDH) du sérum.

La détermination de ces enzymes chez les bovins peut être utile à la détection
d\'une affection hépatique parce que les teneurs en transaminascs, surtout le
SGOT, et l\'hydrogénasc dc l\'acide lactique du sérum peuvent augmenter forte-
ment.

6. La teneur en chloridc du plasma sanguin.

Les recherches ont révélé que chcz les bovins souffrant du syndrome dit de Hof-
lund, la détermination de la teneur en chloridc peut confirmer un tcl diagnostic.
On trouve souvent pour ce syndrome des teneurs très ba.sses en chloridc dans le
plasma. Une détermination répétée surtout pourrait nous mformer sur la condi-
tion du malade ct sur le pronostic.
Finalement quelques patients son discutés dont l\'examen chimique clinique paraissait
avoir dc l\'importance pour le diagnostic ou le traitement.

Il a paru que souvent on ne peut se contenter d\'une seule détermination d\'une com-
posante, mais qu\'il faudra déterminer plusieurs composantes dans le sang de préfé-
rence plusieurs fois.

L\'auteur recommande que ces déterminations que le praticien ne peut pas faire lui-
même, soient faites dans les laboratories des Services Hygiéniques Provinciaux pour
■Animaux à aménager éventuellement à ce but.

ZUS.AMMENF.ASSUNG.

Für den Tierarzt ist es in der Praxis manchmal schwierig, um rn Hand der klinischen
Untersuchung eines Rindes (xler Pferdes zu einer richtigen Diagnose zu kommen.
In solchen Fällen kann eine klinisch-chemische Blutuntcrsuchung für den Praktiker
von grossem Nutzen sein, um zu einer guten Diagnose, Prognose und Therapie zu
gelangen.

Es wird eine .Anzahl solcher klinisch-chemischer Bestinmuingen besprochen, die ihre
Brauchbarkeit bei klinischen Untcrsiu-hungen in der Klinik für innere Krankheiten
bereits gebracht haben, sodass diese Bestimmun.gen auch für den praktiziererulen
Tierarzt von Nutzen .sein können.
Es werden folgende Bestimmungen besprochen :

1. Der Hänioglobingehalt im Blut.

Empfohlen wird die Cyanhämiglobinmethode, da die.se ; olormctrische Methode
vollkommen objektiv ist und es ermöglicht stabile Stand.irdmustcr zur Eichung
der Methode zu erhalten.

2. Das Zellvolumen oder Hämatokritwert.

Die Bestinunung, die auch durch den Praktiker auf einfache Weise ausgeführt
werden kann und wichtig ist bei Anämien und zum Feststellen einer Therapie
bei Austrocknungserscheinungen eines Tieres.

3. Das Serumeiweissspcktrum.

Aus Untersuchungen des Scrumeiweissspektrums bei Rindern hat sich ergeben,
dass ein y-Globulingehalt > 45% und eventuell ein .Albumingehalte zu < 25%,
die Prognose zweifelhaft bis evtl. möglich gestellt werden nmss. Sehr deutlich
kommt dies zum .Ausdruck bei Patienten, bei denen auf Grund der klinischen
Untersuchung vermutlich eine Endocarditis vorhanden ist. Falls hierbei gleich-
zeitig ein y-Globulingchalt > 45% gefunden wird, daif man mit ziemlicher

-ocr page 893-

Sicherheit annehmen, dass der Patient tatsächhch an Endocarditis leidet.

4. Der Gehalt an alkalischer Phosphatase im Blutplasma oder Blutserum.

Eine Erliöhung dieses Gehaltes bei Rindern auf mehr ils 1.0 mMolE weist auf
Lebererkrankung hin. Der Serumbilirubingchalt braucht dann noch nicht ge-
stiegen zu sein.

5. Der Gehalt an Transaminasen (SGOT, SGPT und Milchsäuredehydrogenase
(LDH) im Serum.

Die Bestimmung dieser Enzyme kann bei Rindern von Nutzen sein, um eine
Lebererkrankung aufzuspüren, da dann der Gehalt an Transaminasen, haupt-
sächlich SGOT und Milchsäuredehydrogenase im Serum stark ansteigen.

6. Der Chloridgehalt im Blutplasma.

Aus Untersuchungen hat sich ergeben, dass bei Rinder, die an dem sogenannten
Syndrom von Hoflund (Atonic der Vorderma.gen) leiden, die Bestimmung des
Chloridgehaltes eine solche Diagnose bestätigen kann. Es werden bei diesem
Syndrom oft sehr niedrige Chloridgehalte im Plasma gefunden. Vor allem eine
nochmalige Bcstiimnung des Chloridgehaltes wird etwas über den Zustand des
Patienten und über die Prognose aussagen.
Schliesslich werden einige Patienten besprochen, bei denen die klinisch-chemische
Untersuchung wichtig für die Diagnose oder Behandlung war.

Wohl hat sich ergeben, dass eine einmalige Bestimmung eines Komponenten oftmals
nicht .genügt, sodass man verschiedene Komponenten im Blut besser mehrmals be-
stimmt.

Es wird empfohlen die Bestimmungen, die der Praktiker nicht selbst verrichten kann,
evtl. in hierfür noch einzurichtenden Laboratorien beim Provinzialen Gesundheits-
dienst für Tiere verrichten zu lassen.

LITER.ATUUR

G o r t e r, E. en G r a a f f, W. C. d e: Klinische Diagnostiek, 7c druk, deel I, p. 322.
Gründer, H. D.: Der diagnostische Wert einiger Lcbcruntersuchungsmcthoden
beim Rind unter besonderer Berücksichtigung der Serum transaminasen bcstim-
mung.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 68, 677, (1961).
Gürtler, IL; Die diagnostische Bedeutung einiger Serumfermente. Zbl. VetMed.,
7, 160, (I960).

Huhn, J. E.: Die Brauchbarkeit einiger Laboruntersuchun.gcn zur Leberdiagnostik

beim Rind, fieri. Miinch. tierärztl. Wschr., 74, 308, (1961).
K a m p e n, E. J. v a n en Z ij 1 s t r a, W. G.: Standardization of hemoglobinometry.

Clin. Chirn. Acta., 6, 538, (1961).
S c h o t m a n, A. J. II.; Het serumciwitspcctrum van normale en zicke runderen, be-
paald met behulp van dc papicrclcktroforcsc.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 804,
(1962).

Schotman, A. J. H.: Het serumeiwitspectrum van gezonde en zieke paarden en
pony\'s, bepaald met behulp van de papierclektroforcse.
Tijdschr. Diergeneesk., 88,
67,
(1963).

Z ij I s t r a, W. G. en K a m p e n, E. J. van; Standardization of hemoglobinometry.
Clin. Chim. Acta., 5, 719, (1960); 7, 96, (1962).

DISCUSSIE

Vraag: Dr. J. W. T h ij n. Assen.

Voor de praktijk kan men zich goed behelpen met de T a k a t a-rcactie en de W e 1 t-
m a n n coagulatieband en deze beide methoden vragen veel minder tijd en vragen
geen duurdcrde installatie.

Deze methoden zijn door de practicus zelf uit te voeren.
Antwoord:

Een reactie, uit te voeren door de practicus zelf om bepaalde efwijkingen na te gaan
in de lever zou natuurlijk zeer welkom zijn.

-ocr page 894-

Met de genoemde methoden Takata Ara en de Wehmann coagulatieband zijn echter
niet altijd gunsdge resultaten bereikt, daar de reacties niet specifiek zijn (O. D e h-
n e r,
Zbl. VtMed., 7, 122, (1960), J. E. H u h n, Berl. Münch, tierärtzl. Wschr., 74,
308, (1961)).

Volgens Bod ja (Veterinarija, Heft 7, 56, (I960)) was de reactie van Takata
A r a in 26% der gevallen twijfelachtig bij runderen met stofwisselingsziekten en zou
de proef regelmatig gedaan moeten worden.

Opgemerkt dient te worden dat juist door de bepaling van een serumeiwitspectrum,
men een veel beter inzicht krijgt in verhoudingen van dc samenstellende eiwitcompo-
nenten, daar bij deze bepaling de globulinen volledig gescheiden worden.
Zou men ook willen afgaan op de uitslagen van de Takata Ar a-rcactie en dc
Weltmann coagulatieband, dan zou zeker eerst een groot onderzoek nodig zijn bij
een zeer groot aantal runderen, zowel normale als dieren m\'-t allerlei ziekten, om de
betrouwbaarheid van de reacties te toetsen, hoewel ik bang ben dat de resultaten
negatief zullen uitvallen.

Vraag: Prof. A. v. d. S c h a a f. Utrecht.

De uitgebreide gegevens over een verband van endocarditis en verhoogd y-globulinc-
gehalte van het bloedserum doet een bacterioloog direct denken aan de bacteriële
infectie die de oorzaak is van de endocarditis.

Men zou zich kunnen denken, dat bij de verschuiving van het eiwitspectrum de oor-
zaak niet direct door het hartgcbrek wordt veroorzaakt, maar door de bacteriële oor-
zaak die voortdurend met trombi in circulatie komt.

Heeft U bij Uw proeven ook nagegaan welk micro-organisme de oorzaak was van de
endocarditis, en zo ja, of U een bepaald micro-organisme herft gevonden dat even-
tueel ook serologisch zou zijn na te speuren?

Antwoord:

Bij de uitwerking van onze bepalingen van het serumeiwitspectrum van runderen,
lijdende aan een endocarditis, hebben wij nooit een eventuele bacteriële oorzaak van
de endocarditis betrokken.

Uit een onderzoek van de kliniek- en de sectieverslagen is het misschien mogelijk iets
meer te weten te komen over de bacteriële invlocd bij endocarditiden.

Vraag: Drs. F. W. J. S w a r t. Hoogland.

Wat denkt de spreker van de chininc oxydasereactie, die bij dc mens wel toe-
gepast wordt om Icvcraandoeningen aan te tonen?

Deze reactie was steeds positief bij leverabcessen en distomatose bij willekeurige
slachtrunderen.

Antwoord:

Persoonlijk heeft spreker geen ervaring met gencK-mde chininc oxydasereactie.
Wel is in het
Pharmaceutisch Weekblad {97, 411, (1962)) een referaat verschenen
over de waarde van deze pro< f voor de differentiade van geelzucht.
Volgens de referent zou de toepassing van deze en nog een andere proef (vlokkings-
proef van J i r g 1) alleen gerechtvaardigd zijn als in twijfelgev:dlen deze proeven enige
waarde hebben. Anders heeft het geen zin het reeds zo uitgebreide arsenaal van lever-
functicproeven verder aan te vullen.

Opmerking: Prof. Dr. G. W a g c n a a r. Utrecht.

Gaarne wijs ik cr nog op, dat het biochemisch onderzoek een buitengewone steun
kan zijn voor de practicus. Men mag echter nimmer het normale klinische onderzoek
verwaarlozen.

Het klinische onderzoek is de basis voor alle diagnostiek, het laboratoriumonderzoek
is een nuttige, soms onmisbare steun.

Vraag: Drs, J, van Walsum, Bathmen,

Kan naar het oordeel van de spreker veel waarde worden toegekend aan het quali-
1662

-ocr page 895-

tatieve onderzoek van bloedserum op bilirubine (volgens H ij m a n s v. d. B e r g b)
ter vaststelling van een afwijkende leverfunctie?

Antwoord:

Een onderzoek naar de aanwezigheid van bilirubine in serum is zeker van groot
belang, omdat men daarbij door een eenvoudige proef-iets te weten kan komen over
de functie van de lever.

•Aan onze kliniek wordt de kwalitatieve bepaling van bilirubine in het serum dan ook
van iedere patiënt als routine uitgevoerd.

Vraag: Prof. A. M. Frens, Hoorn.

Bij koeien heeft de melkproduktie, en vooral het lactatiestadium waarin het dier zich
bevindt, grote invloed op de Ca- en P-stofwisseling van het .\'kelet. Er komen nega-
tieve en positieve balansen voor en een koe is in dit opzicht geen constant dier.
Hebben deze veranderingen ook invloed op het gehalte aan alkalische fosfatase in
het bloed, die van zodanige grootte is, dat men er bij de beoordeling van wat voor
cen gezonde volwassen koe als normaal moet worden beschouwd, rekening mee moet
houden ?

Antwoord:

Zoals reeds opgemerkt, wordt door ons aangenomen, op grond van onze onderzoekin-
gen, dat het gehalte aan alkalische fosfatase van normale runderen < 1.0 mMolE is.
Bij de normale dieren waarbij deze waarden bepaald zijn, kwamen zowel lage als
hoge melkprodukties voor, terwijl sommige dieren geen lactatie vertoonden.
Wel komen bij deze normale dieren allerlei waarden beneden 1.0 mMolE voor, vanaf
0.3 tot de grens van 1.0 mMolE.

Een eventueel verband tussen deze waarden en de grootte van de melkproduktie
hebben wij niet nagegaan, hoewel dit zeker interessant is om ie onderzoeken.
Wij menen daarom dat een .gehalte aan alkalische fosfatase < 1.0 mMolE normaal
is, iedere waarde daarboven pathologisch.

Ffooibrokjes en hooiwafels.

De produktie van hooibrokjes geschiedt door het hooi te malen en te persen. Bij de
hooiwafels wordt het hooi .gehakseld of .gekneusd en in wafels geperst.
De bewerkingswijze van het hooi heeft cen grote invloed op het uiteindelijke effect
van het geprepareerde ruwvoer.

Dc verschillen, die ontstaan in het vetgehalte van de melk bij hooibrokjes, worden
voor een groot deel geweten aan de maalfijnheid van het hooi. Een zeefgrootte van
0,95 cm geeft een te verwaarlozen daling van het vetgehalte. Een 0,16 cm .grote zeef
geeft een sterke verlaging. Deze verlaging wordt begeleid door een verlaging van het
azijnzuurgehalte in de pens.

Voordeel.

Het voordeel van de hooibrokjes is gelegen in de grotere opname van deze brokjes.
Bij gerantsoeneerde toediening bestaat tussen gewoon hooi en hooibrokjes geen ver-
schil. In mindere mate vinden wij bij vrije opname een grote voeropname bij hooi-
wafels. De voordelen van hooiwafels zijn hierdcxjr minder groot dan van hooibrokjes.
De belangrijkste factor voor de grotere opname van het hooi is het fijnmalen. De
toevoeging van water aan fijn gemalen hooi geeft bijna dezelfde opname aan voer
te zien als brokjes hooi met overeenkomstige groeiresultaten.

Landbouwdocumentatie, 19, 930, (1963).

-ocr page 896-

Belangstelling bij „Interne"

-ocr page 897-

Braken bij hond en kaf.

i\'oniiting in dogs and cats.

door G. II. B. TEUNISSEN1)

Uit de Kliniek voor Kleine Huisdieren van de Faculteit der
Diergeneeskunde.

Inleidina.

Het symptoom braken komt bij onze kleine huisdieren, zoals U bekend is,
zeer frequent voor. Plet behoeft op zichzelf helemaal geen ernstig symp-
toom te zijn; aan de andere kant is de differentieel diagnose \\\'oor de oor-
zaak van dit symptoom zó breed, dat dit onderwerp de aandacht waard is.
Het aantal ziekten en afwijkingen waarbij braken optreedt, is zeer groot;
het zal onmogelijk zijn ze alle de revue te laten passeren, althans te be-
spreken. Dc ene oorzaak komt veel frequenter voor dan de andere. Om
cr enigszins een beeld van te geven aan welk orgaan als zetel \\\'an de oor-
zaak \\an het braken het eerst gedacht moet worden, zullen we dc verschil-
lende organen in volgorde van hun belang behandelen.

Dc maag.

Verreweg het \\aakst zit de oorzaak in de maag, en er treedt dan reflec-
torisch braken op. Dit kan zijn ten gevolge van een eenvoudige indigestie
tot een heftige hemorragische gastritis.

Behalve de hemorragische gastritis, die te herkennen is aan het bloederige,
meestal koffi(>kleurige braaksel wat ook nog kan berusten op een he-
morragische diathese — zijn de andere maagafwijkingen in hun verschil-
lende vorm klinisch moeilijk te ondcrkeimen. Dc hemorragische diathese is
meestal
ccti uremische; urine-ondcrzock en eventueel bloedonderzoek zijn
dan dus aangewezen.

Het klinisch onderzoek van de maag moet zich beperken tot een ]3alpatic,
die ook nog maar zeer gebrekkig is door de anatomische verhoudingen: de
maag ligt immers voor een groot deel binnen de ribboog.
Algemene verschijnselen treden meestal niet erg o]) de \\oorgrond. Ook
het braaksel geeft weinig houvast; in de lichtste gevallen zullen de dieren
nog wat eten en dit weer uitbraken, meestal gevolgd door het braken van
wit, slijmig maagsecretum.

Doordat de pylorus lang niet altijd dc afsluiting met het duodenum vol-
ledig handhaaft, kan gal (te kennen aan de gele of groene kleur) al ge-
makkelijk bijgevoegd worden. Dc dieren kunnen dorstig zijn; het meestal
\\Tij gulzig o[)genomen water wordt vaak weer even snel uitgebraakt.
Dit verhoo,gde dorstge\\\'ocl is jaren lang beschouwd als te zijn een aanwij-
zing van te weinig secretie van HCl in de maag, van achylia gastrica; bij
hyperchylic was het dorstgevoel niet verhoogd. r)e therapie hierop gericht,
gaf geen moeilijkheden, bij de achylia was HCl het aangewezen medica-
ment, bij hyperchylia bicarbonas natricus. Het probleem ligt echter veel
minder eenvoudig.

1  Prof. Dr. G. H. B. Teunissen, hoo.gleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht;
Alexander Numankade 91, Utrecht.

-ocr page 898-

Bij functioneel onderzoek van de maag is wel gebleken, dat de behoefte
aan vocht als criterium niet opgaat. Het is juist in verband met de the-
rapie dat de klinicus wel geïnteresseerd is in de secretie van het maagslijni-
vlies.

Helaas is het onderzoek, bestaande uit hct uithevelen van dc maag cn hel
analyseren van de inhoud, vrij omslachtig en men zoekt dan ook naar een-
voudiger methoden. Hiertoe behoort die, waarbij gebruik gemaakt wordt
van kleurstoffen, die met de urine worden uitgescheiden, o.a. het diagnex-
blue. Dit is een ionen-wisselaar, die de kleurstof Azur A bevat. Deze kleur-
stof wordt door HCl vrij gemaakt uit het geheel, komt daarna in de darm
en wordt geresorbeerd. Een deel van de kleurstof komt als leucoverbinding
in de urine en moet daarin met HCH worden omgezet tot de gekleurde bin-
ding. Dc kleurintensiteit van cle urine wordt twee uur na het ingeven van
het diagnex-blue in capsules met een bepaalde standaard-schaal verge-
leken.

Deze schaal gaat van 0,3 tot 0,6 mg kleurstof in 300 ml urine (indien deze
hoeveelheid niet aanwezig is, dan moet cle urine tot 300 ml verdund wor-
den). Het is dus nodig dat de blaas totaal leeg gecatheteriseerd wordt,
hetgeen naast hct catheteriseren op zichzelf, vooral bij vrouwelijke dieren
die nooit gejongd hebben, een bezwaar kan zijn.

De uitkomst van de proef is zeer eenvoudig te interiircteien: beneden 0,3
mg betekent anaciditeit, er boven hypcracicliteit of therapeutisch vertaald:
beneden 0,3 mg geve men een zuur, boven 0,6 mg een zuur-neutraliserencl
medicament.

Welke rol de resorbcrende darm, de lever en de nier hij deze proef spelen,
is nog maar weinig bekend. De secretie bij deze functie-proeven van de
maag wordt aangezet cloor een injectie van histamine.

.\'\\lleen bij braken gedurende een langere periode zal men behoefte hebben
aan een dergelijk onderzoek en zeer waarschijnlijk is het dan zó, dat een
chronische hypertrofiërende gastritis gci)aarcl gaat met iiyperaciditeit en
cen atrofiëreiide met hyj)o- of anaciditeit.

De i^alpatie is te gelirekkig om ons een indruk tc geven omtrent de toe-
stand van de maagwand.

Bij maagaandoeningen, wat ernstiger dan een catarre, is soms pijnlijkheid
o|5 te merken. Het voor omhooghouden \\an het dier verbetert hct resultaat
van de pal])atie niet van belang.

Gastroscopie, teneinde een indruk van hct slijmvlies te krijgen, wordt wei-
nig toegepast. Wel kan door röntgenonderzoek, nadat BaSO^ als pap is in-
gegeven, soms een uitgesproken beeld van het in plooien liggende maag-
slijmvlies worden gezien; er is dan cx)k vrij veel gas in het maaglumen aan-
wezig.

I5ij een wat ernstiger maagaandoening zal het braken zich niet beperken
tot het uitbraken van voedsel, gevolgd door maagsap, al of niet met wat
gal bijgemengd, maar zal het braken blijven aanhouden, de eetlust zal ont-
breken en het drinken dat de dieren opnemen zal in veel gevallen ook weer
terugkomen. Onjuiste voeding (rauwkost) en onoordeelkundige wijze van
toediening (te grote hoeveelheden ineens) zijn vooral bij jonge honden de
oorzaak van braken.

Vergiftigingen kunnen zeer vaak met braken beginnen; zo denke men in
de tijd van rattenbestrijding aan thalliumvergiftiging.

-ocr page 899-

In veel gevallen van ernstig braken zal de afwijking zich niet beperken
tot de maag, maar zal ook de darm gaan meedoen, wat zich zal uiten in
min of meer heftige diarree.

Waar moeten we aan denken als oorzaken van een maagaandoening wan-
neer onze therapie, gericht op een meer of minder ernstige gastritis, faalt?

1. \\ REEMDE VOORWERPEN.

De anamnese kan ons een aanwijzing zijn, maar al te zeer moeten we er
niet op vertrouwen.

Hoe groot hun percentage van vooi komen bij honden met een maagaan-
doening is, is moeilijk te zeggen. Met zekerheid zeggen dat vreemde voor-
werpen niet aanwezig zijn, kunnen we cigeidijk nooit.
Dit wil dus zeggen, dat we bij iedere brakencle hond het epigastrium me-
diaal en ventraal, zorg\\\'uldig door palpatie zullen onderzoeken. Zware,
harde voorwerpen kunnen dikwijls te voelen zijn; lichtere (zoals spons-
rubber, textiel, plantaardige voorweri)en) maken het ons vaak moeilijk.
Een sedativum, bijvoorbeeld van de promazinereeks, kan de ])alpatie ver-
gemakkelijken.

Onze hcx)]) is daarna gevestigd o]) hel röntgenonderzoek. Geeft het voor-
werp contrast hij doorlichten of o]) de foto, dan is de diagnose gauw ge-
steld; is dit niet het geval, dan moeten we het contrast van het vreemde
voorwerp tegenover zijn omgeving trachten te verhogen, het best met
BaSO.,-pap.

Door af te wachten of dit contrast geheel uit de maag verdwijnt en er geen
rest - gekleefd aan het eventueel aanwezige vreemde voorwerp - - aan-
wezig blijft, kan een röntgenologische diagnose verkregen worden.
Wil men sneller tot lesultaat komen, dan kan men na een kwartier apo-
morfine insi)uiten, om de niet vastgehechte BaSO, te doen uitbraken en
dan opnieuw een foto te maken. Vrij grote voorwerpen kunnen maanden
in dc maag aanwezig blijven, zonder ernstige symptomen; op de duur ge-
ven ze echter aanleiding tot cen meer of minder heftige chronische gastri-
tis. Bij .\\ngora-katten moeten we aan een haarbal denken; deze zijn veel-
al tc palperen.

2. INFECTIES.

Braken, gepaard gaande niet cen meet of minder uitgespioken beeld van
een maangaandoening kennen we hij hondeziekte, hepatitis contagiosa
canis, leptospirose en ook bij niet specifieke algemene infecties. De meer
ly])ische symptomen voor ieder van deze infectieziekten zullen al naar hun
aard naast het braken aanwezig zijn of voor de dag komen. Bij de H.C.C.
zijn deze symptomen wel zeer vaag.

Bij de specifieke infectieziekten speelt dc leeftijd, en het al of niet geënt
zijn ertegen, een grote rol.

3. INGEWANDSPARASIETEN.

Ook bij zeer jonge dieren kunnen ingewandsparasieten een oorzaak vor-
iTien van braken. Toch moeten we erg voorzichtig zijn met „de" oorzaak
van het braken toe te schrijven aan de in het braaksel aanwezige ascariden
of aan de met de faeces afkomende taeniae; maar al te dikwijls komen ze

-ocr page 900-

als passief slachtoffer mee naar buiten en is er een ernstiger oorzaak voor
het braken aanwezig. Bij jonge katten niet een infectieuze gastro-enteritis
is dit wel zeer duidelijk.

4. UREMIE.

De renale urcuiie is heel dikwijls een oorzaak van braken. Dc neiging tot
braken zal nog worden aangezet doordat deze dieren vaak dorstig zijn en
de maag dc grote hoeveelheden vloeistof moeilijk \\erwerkt. Uremie is in
verreweg de meeste ge\\allen de oorzaak \\an bloedbraken (koffiekleurig).
De stank van dit braaksel is een penetrerende, uremische lucht.
Door het jjiofuse braken wordt door de \\erstoring \\an de elektroliet-huis-
hoiiding — in eerste instantie door het \\erlies van zoutzuur — de uremie
nog weer \\-erergerd.

5. DIL.AT.ATIE EX TORSIO \\ ENTRICULI.

Deze twee geven ook aanleiding tot braken of tot braakneiging. Het bege-
leidend symptoom van de gasophoping is vooral bij de torsio ventriculi wel
zeer ty])isch.

6. ULGUS VENTRICULI.

In de betekenis zoals deze bij de mens wordt gezien, komt ze bijna niet
voor bij de hond of kat. Meer of minder ernstige slijmvliesdefecten zijn
meestal aanwezig in het beeld van uremie en geven dan aanleiding tot
hematemesis.

7. C.ARCINOM.A.

Deze ernstige aandoening is niet onl)ekend; we zien haar enkele keren
]jer jaar.

Het \\erval \\ aii dc tumor staat o]) d(- Noorgrond, tot iwlpabele diktes leidt
het zelden. Dc symptomen zijn hardnekkig braken (soms met bloed), en
ernstig vermageren. Zijn deze symptomen aanwezig, dan moeten we oj)
onze hoede zijn \\oor carcinoom.

Het aanwezig zijn \\ an bloed in de faeces bij de hond heeft \\ oor de diagnose
\\ an carcinoom — en hetzelfde geld voor een ulcus weinig waarde. Dc
kans dat hier of daar in de digestietractus, mogelijk ten ge\\ olge van hemor-
ragische diatese of van kleine wondjes wat bloed \\rij komt, is groot. Het
ge\\en van een bloed\\rij dieet loont dus meestal de moeite niet met het
oog op de reactie op bloed.

Röntgenologisch onderzoek kan de waarschijnlijkheidsdiagnose ondersteu-
nen; na l.et geven van BaS04 liefst in een meer of minder kleverige
substantie -- is de verdikte maagwand soms te zien: de defecten in het
slijmvlies zijn ook hier, evenals bij de ulcus, naar onze er\\aring moeilijk
zichtbaar te maken.

8. PYLORUSKR.\'\\MP EN PYLORUSSTENOSIS.

In de buitenlandse literatuur wordt deze oorzaak nogal eens genoemd. Ner-
\\euze dieren van de kort-snuitige rassen zouden speciaal hieraan lijden,
en wel wanneer ze zich een beetje druk maken.

.-Ms criterium geldt de röntgendiagnostiek. Bij een normale hond is BaS04-
1668

-ocr page 901-

jjap na enkele minuten al bezig de maag te verlaten en zich in de dunne
darm te verspreiden; bij bemoeilijkte pylorus-passage duurt dit \\eel lan-
ger; bovendien zou de maag vrij veel gas bevatten.

Deze röntgenologische afwijking menen wij zelden te hebben gezien; een
eventueel vertraagde pylorus-])assage had altijd een andere oorzaak, ge-
legen in de maag zelve of in de omge\\ ing van de maag.

THER.APIE V.\\X M.A.AG.A.AXDOEM.N\'GEX.

Wat kunnen we doen aan bovenstaande maagaandoeningen? In vele ge-
\\ allen zullen we moeten steunen op een gebrekkige diagnose, de oorzaak
\\ an de gastritis zal meestal geheel onbekend zijn.

Het zwaartepunt van de behandeling ligt bij het dieet: vasten zowel wat
(^ten als wat drinken betreft, gediu-ende één of twee dagen. Ter compen-
satie hier\\an zijn subcutane injecties \\an fysiologische NaCl-ojjlossing
10% glucose of Ringerse oplossing zeer gewenst. Het NaCU vult het ver-
loren gegaan chloor weer aan en levens het \\ochtverlies. Hoewel sonnnigen
alleen de aandacht vestigen oj) hel NaCl en dit geconcentreerd inspuiten,
prelereren velen het gelijktijdige toedienen van vocht.
Na het vasten begint nu lichte kost: vleesnat met wat papkost of witte-
brood, beschuit; om daarna al weer gauw over te gaan op vlees, alles in
kleine hoeveelheden tegelijk. .Ms medicament komen bismuth-zouten in
aanmerking (± 1 gram per dag).

In de meer chronische ge\\allen kan een substitutie-therapie van jula]jium
met pcpsine geprobeerd worden of julapiuui met gentiaantinctuur. Helpt
dit niet, dan moet het over een andere boeg gegooid worden en bijvoor-
beeld bicarbonas natricus, magnesia usta of Sal. Carol, faci. geprobeerd
worden. Ook hier komen de bismuth-zouten in aanmerking.
1 Iet braken zelve kan ook geremd worden door het braakcentium aan tc
pakken, speciaal wanneer dit direct geprikkeld is, bijvoorbeeld door ver-
giftiging of bij wagenziekte. Tegenwoordig zal dan het eerst aan de pro-
mazinc-derivaten (largactil, ± 4 mg/kg) gedacht worden.
X\'rcemde vooi wcr]3en zullen \\eelal via dc pylorus nog wel in de darm te-
recht komen en dan hun weg kunnen vervolgen. Het braken zal dan op-
houden, resorptie, vooral \\an Nocht, in de darm is weer mogelijk. Beginnen
dc braakklachten opnieuw, dan wijst dat erop dat het corpus alienum
ergens in dc darmen moeilijkheden geeft door afsluiting van het lumen en
laesie van de wand.

Niet te grote en gladde xoorwerpen kunnen, zolang ze nog in dc maag zit-
ten, dooi\' een injectie van enkele milligrammen a])omorphine (vooral wan-
neer de patiënt eerst heeft gegeten) door braken naar buiten komen,
In de meeste gevallen zal operatief ingiijpen noodzakelijk zijn; een operatie
met een gunstige ])rognose,

Ken enkel woord over de behandeling van ingewandswormen.

De spoelwormen zullen we afdrijven met piperazine-derivaten, een hele
stap vooruit vergeleken met de andere medicamenten. Hun anthehnintische
werking is goed; bovendien zijn \\coraf \\asten cn laxeren na het toedienen
niet nodig.

Voor de lintwormen heeft het hydrochromas arecolinc zich lang gehand-
haafd, ondanks zijn minder ]jrcttige nevenwerkingen,

-ocr page 902-

Na een aantal andere nieuwe middelen, veelal berustend op de basis van
een phenol-ring met Cl eraan, die niet aan de gestelde verwachtingen be-
antwoordden, is er de laatste tijd één aan deze reeks toegevoegd, namelijk
chloor-nitrophenyl waaraan salicylamide is geko]3i3cld. Dit wordt door
Hayer in de handel gebracht onder de naam \\an Yomesan.
Hoewel sommige schrijvers menen, dat dit nieuwe middel niet bij alle lint-
wormsoorten werkt, wettigt de eerste ervaring toch wel de indruk dat dit
middel tegen de meest voorkomende lintworm, de
Dypilidium caninum in
alle geval, een stap vooruit is. Ingegeven op dc nuchtere maag, komen
de lintwormen zonder veel bijverschijnselen van de gastheer vrij vlot af;
een belangrijk deel schijnt in de darm ook nog opgelost te worden. De
dosering ligt bij 100 mg/kg lichaamsgewicht.

De oesophagus.

.Ms onderdeel van dc digestietractus, waar de oorzaak van braken ook
nog al eens zetelt, komt dc oesophagus in aanmerking.

1. BEMOEILIJKTE PASS.AGE.

Het meest komen cle stoornissen in cle passage voor. .Acuut kunnen deze
optreden door o.a. stukken bot, maar ook door andere vreemde voorwer-
]Den als ze in de slokdarm vastlopen.

Het specksclen, naast het terugkomen van het vaste voedsel (vloeibaar
voedsel ]5asseert vaak nog wel), is het meest op de voorgrond tredende
symptoom. .Sonde-onderzoek en röntgenologisch onderzoek zijn nodig voor
cle diagnose.

Daar het veelal ])unti.ge stukken wervel zijn die vastlopen, is men meestal
aangewezen o]j de chirurgische thera]jie; niet te grote, vrij gladde voor-
weipen kunnen na het ingeven van |)araffinimi li(|uidum niet een braak-
middel, verwijderd worden. Niet zo heel vaak lenen die voorwerpen zich
ertoe met een tang geëxtraheerd te worden.

2. A.ANGEBOREN AFWIJKINGEN.

Bij jonge dieren mogen (hoewel zc nu ook weer niet iedere dag voor-
komen) aangeboren afwijkingen van de oesophagus niet vergeten worden.
Het minst freciiient is de omsnoering van dc oesophagus ter hoogte van
het hart door abnormaal aangelegde grote vaten, meestal verband hou-
dend met een rechter aorta-boog. l)e sterk uitgezette oesophagus en de in-
snoering zijn röntgenologisch met BaSO.i als contrast duidelijk zichtbaar
te maken.

De anclere afwijking is cle sterk gedilateerde oeso])hagus tot aan de cardia
(mega-oesojjhagus, achalasie). Deze zien we meest bij jonge dieren; vooral
als de dieren meer vast voedsel krijgen, komen cle braakverschijnselen te
voorschijn. Het voedsel kan uren in de wijde slokdarm aanwezig blijven,
om dan plotseling met veel speeksel erbij, uitgebraakt te worden. Het hals-
gedeelte van de oesophagus is een slappe, fluctuerende buis.
Deze dieren zijn vaak in groei achtergebleven en anemisch.
Over het ontstaan van deze afwijking is weinig te zeggen. Ze is wel aan-
geboren; van erfelijkheid blijkt niet veel. Beide spierlagen van de oeso-
phagus zijn aanwezig, evenals de tussenliggende zenuw-elementen, zoals

-ocr page 903-

uit niicroscopiscli ondcrzoe]< in het Pathologisch Instituut is gebleken. Ter
hoogte van de cardia bevinden zich vermeerderd bindweefsel en klierele-
menten. Dit kunnen net zo goed reactieverschijnselen zijn op de prikke-
ling van het stagnerende voedsel, dus secimdair ontstaan.
Ook bij de mens is de mega-oesophagus bekend en in verband hiermee zijn
talrijke experimenten bij honden verricht. Microscopisch ligt het zwaarte-
]junt op de laesie van de ganglioncellen, met ernaast oedeem en „sclerose"
van de musculatuur. Bij mensen op oudere leeftijd wordt dit beeld gezien;
de klachten stannnen veelal \\anaf hun jeugd. Door de cardia bij honden
en konijnen af te koelen met koolzmu" tot - 80° C, waardoor de door-
bloeding wordt gestoord ten gevolge van vaatspasnrus en waardoor de
zenuwelementen aan zuurstofgebrek gaan lijden, kan hetzelfde beeld wor-
den opgewekt. De ganglioncellen vertoonden eerst het beeld van degene-
ratie, om daarna volledig op te lossen. Klinisch ging dit gedurende een tijds-
duur van negen maanden gepaard met dilatatie van de oesophagus en
x ertraagde [massage naar de maag.

De innervatie door de vagus is hierbij ook aan een onderzoek onderwor-
jjen. De conclusie is ,dat de vagus niet uitsluitend een parasympatisch effect
of een cholinergisch effect heeft, maar ook een sympatisch, dus adrener-
gisch effect op de cardia heeft. Farmacologisch is de contractie van de
cardia toch wel parasympatisch en wordt de cardia door atropine uitge-
sproken verslajJt.

Stoornissen in de \\ aguswerking geven zonder meer geen mega-oesophagus;
doorsnijden van de vagus heeft nooit een verwijden en verslapping tot ge-
volg. Laesies in de ganglioncellen van de zenuwjjlexus tussen de beide spier-
lagen geven stoornis in de coördinatie van de oesophagus-peristaltiek of het
totaal ontbreken ervan, gcjjaard gaande met hypertonie. Volgens sommige
onderzoekers zou de vagus alleen maar het craniale deel van de oesophagus
innerveren, zover dwarsgestrce])tc nuiscidatuur aanwezig is. De primaire
peristaltische golf gaat \\olgens hen ook niet verder dan de aorta-boog.
In de Amerikaanse literatuur wordt het zwaartepimt ook gelegd o]) de
zenuwelementen tussen de spierlagen; deze zouden bij de jjassage van grote,
harde voorwerpen beschadigd worden met als gevolg verslapping van de
muscidatiuu\'. Daarom zou vitamine Hj bij deze jjatii\'nten, vroegtijdig ge-
geven, van veel belang zijn.

Interessant in vciband met de zienswijze van de laesie van de ganglion-
cellen, is een publikatie uit Zuid-Amerika. Het frequent aantreffen van
mega-oesophagus wordt in verband gebracht met het veel voorkomen van
trypanosomiasis; deze ])rotozoën nestelen zich in gladde en dwarsgestreepte
spiervczelen, waarbij neiuotoxinen vrij zouden komen. In dc oesophagus-
musculatimr zoudeti deze dan doordringen tot in de ganglioncellen van de
Auerbachsc-plexus. Bij honden zou dit verloop ex]>erimenteel zijn aan te
tonen.

Als complicatie bij honden met een oesophagus, waarin steeds maar weer
een ophoping van voedsel optreedt, zien we het zich verslikken, met als
gevolg een slikpneumonie die zich lobulair uitbreidt en de algemene toe-
stand van deze dieren nog meer achterop brengt.

De therajDie van deze afwijking geeft langs medicamenteuze weg weinig
kans van slagen. Met atropine per injectie of per os (± 10 mg per dag)
of met synthetische produkten met dezelfde werking, met de bedoeling de

-ocr page 904-

spasmus van de cardia te verminderen, is weinig resultaat te bereiken. De
speekseh loed vermindert weliswaar, maar dit moet meer als schijnsucces
worden beschouwd, namelijk doordat de speekselsecretie wordt geremd.
Beter resultaat is te bereiken met een operatie, die daarin bestaat, dat na
thoracotomie en openen van het diafragma tot aan de oesophagus de se-
rosa en cle muscularis van de oesophagus in lengterichting worden ge-
kliefd tot op de mucosa. Hierdoor wordt de bemoeilijkte passage in dit deel
verminderd of opgeheven, en kan het voedsel de maag makkelijker be-
reiken.

Klinisch geeft deze operatie in \\eel gevallen verbetering, zich onder meer
uitend in betere groei van de patiënt.
Het voedsel moet voldoende stevig zijn, dus niet te dim.
Bij oudere fionden, waarbij deze symptomen zich op latere leeftijd ont-
wikkeld hebben, (mogelijk na een laesie van de slokdarm) is onze ervaring
met operatief ingrijpen minder gunstig; bij sommige van deze dieren heb-
ben we wel verbetering gezien na het toedienen van atropine.

3. VERL.AMMINGEN.

Verlammingen van de oesophagus treden weinig op. De verschijnselen
doen denken aan een obstructie. Sonde-onderzoek geeft weinig houvast,
de passage is niet belemmerd voor de diagnose.

Bij röntgenoiogi.sch onderzoek blijft de contraststof in de slokdarm steken,
een capsule met BaS04 verplaatst zich maar weinig bij slikbewegingen of
vertoont een heen en weer gaande beweging.

Soms is fimctioneel een duidelijke vernauwing te zien, die anatomisch niet
bevestigd wordt.

4. ONTSTEKINGEN

Ontsteking van de slokdarm komt zeer zelden voor, dit geldt in alle geval
voor een chronische ontsteking. Ook hier lijken de verschijnselen op die
\\an obstructie. Woekering van de mucosa en bindwcefselnieuwvorming
zijn pathologisch-anatomisch te vinden op de plaats waar de passage be-
moeilijkt is.

Een acute ontsteking in cle \\orm van een zeer heftig i>roces, waarbij cle
hele wand wordt aangetast, onder verschijnselen van autolysis, treedt een
enkele keer na een operatie o]). De dieren zijn zeer ziek, braken dunne, stin-
kende \\loeistof en sterven na 1 of 2 dagen; de ontsteking heeft zich dan uit-
gebreid in het bindweefsel \\an de omgeving.

De darmen.

Zetelden deze ooreaken van braken craniaal van dc maag, ook caudaal er-
van zijn er verscheidene; afgezien clan nog van de gezamenlijk optreden-
de gastro-enteritis.

1. CORPOR.A ALIENA.

Corpora aliena geven vooral wanneer ze vastlopen en de passage afsluiten,
aanleiding tot ernstig braken, vaak zelfs van faeces.

-ocr page 905-

2. INVAGINATIE.

Invaginatie kan de oorzaak zijn van dezelfde verschijnselen. Bloederige,
dunne, slijmerige faeces, vooral bij jonge honden, maken een zorgvuldige
buikpalpatie naar een invaginatie, eventueel gevolgd door een rectale ex-
ploratie, noodzakelijk.

3. STRANGULATIE.

Strangulatie \\ an de darm, tengevolge van een chronische lokale peritonitis,
gaat gepaard met ernstige braakklachten.

In de ananmese wordt meestal een voorafgegane buikoperatie vermeld. Het
aan\\-oerende danngedeelte krijgt, omdat de afsluiting langzaam ernstiger
wordt, de gelegenheid om gedeeltelijk wijder te worden wat het lumen be-
treft, terwijl de wand gelijktijdig gelegenheid krijgt te hypertrofiëren. Dit
wijde darmgedeelte is te palperen als een wijde buis, rijkelijk met gas
ge-
vuld.
Röntgenologisch is dit danngedeelte mooi te zien, eventueel na con-
trast niet BaSC).|,

In tegenstelling met de vreemde voorwerpen en invaginatie is de opera-
tieve ingreep hij deze patiënten weinig succesvol. Omdat het darmlumen
\\an het aanvoerende eu het afvoerende deel \\an de darm zo sterk ver-
schilt, is een side-to-side hechting noodzakelijk. Het mortaliteitspercentage
gediu-ende de eerste 24 uur na de operatie is lioog; bij sectie wordt steeds
een stci k gedegenereerde lever gevonden, waarschijnlijk als g%olg van de
abnormale omzettingen in het uitgezette darmgedeelte.

1. PRIKKELING VAN IIET PERI TONEUM.

Prikkeling van het peritoneum zal mede een oorzaak van braken kunnen
zijn. Het vaststellen van een aanwezige peritonitis is echter niet makkelijk;
niet altijd is een verhoogde temperatuur aanwezig, een frecjuente pols
wordt vaker opgemerkt. Dc gespannen, pijnlijke buikmuscidatuur, die ty-
pisch zou zijn voor een (i)re-\')perforatie\\c peritonitis, laat meestal \\erstek
gaan.

In het bijzonder bij de aanwezigheid van een corpus alienum is het zeer
moeilijk aan de hand van deze criteria het moment van operatie te be-
])alen.

Ken duidelijke defense musculair met uitgesjjroken pijnreactie treft men
ook nog niet zo zeer aan bij een invaginatie. Wel is de buik uitgesproken
gespannen en pijnlijk wanneer een lang stuk draad zich in de darm bevindt.
Het kan zijn dat een dubbel geslagen draad onder de tong vast zit en er
aan de anus zelfs weer uit komt. Een dergelijke draad snijdt aan de cur-
\\atuia minor door de darm heen en geeft op tal van plaatsen een begin-
nende peritonitis. .Ms zodanige draden ktmnen voorkomen: \\-islijnen, dra-
den van nylonkousen die op \\erschillende plaatsen gescheurd zijn, en an-
der textiel materiaal. Over deze draden-massa\'s is cle darm ineen gescho-
\\\'en gelijk de darm over de worst-hoorn.

Is het proces al te ver gevorderd, dan is het dier niet meer te redden.
Geeft een operatie nog een kan.sje, dan bestaat deze daaruit, dat op ver-
scheidene plaatsen de darm wordt geopend, de draad wordt doorgeknipt
en bij stukjes geëxtraheerd. Behalve de enterotomie-wonden moeten de
reeds aanwezige wonden bij de curvatura minor worden overgehecht.

-ocr page 906-

5. DRUK OP DE MAAG OF TRACTIE AAN DE MAAG.

Druk kan veroorzaakt worden in de eerste plaats door een vergrote lever,
maar ook door tal van andere nieuwvormingen in de buik. Behalve de
mechanische in\\ loed zal ook vaak de digestie en ook de circulatie gestoord
zijn.

Tractie wordt vaker uitgeoefend door de \\ergrote milt, die dan meer of
minder duidelijk op de \\-entrale buikwand is te voelen.
In chronische gevallen is milt-exstirpatie te overwegen.

Volledig is deze opsomming van afwijkingen waarbij braken optreedt niet;
er zijn nog diverse aandoeningen waarbij braken o])treedt, zij het dan
meestal niet als overheersend symjitoom.

Nieuwe gezichtspunten zijn evenmin naar \\oren gebracht. Als syinjnoom
is braken echter zo belangrijk, dat het geven van dit o\\erzicht ver-
antwoord leek.

SAMENVATTING.

Dit belangrijke symptoom treedt zeer dikwijls op. Veelal vindt hct zijn oorsprong in
een maagaandoening. Toch zijn cr enkele oorzaken, die hierin niet .gezeteld zijn,
zodat hct symptoom „braken" aanleiding .geeft tot een zeer uitgebreide differentieel
diagnose. Bij het klinisch onderzoek of uit dc anamnese is dikwijls al cen waarschijn-
lijke oorzaak aan te merken.

Buiten die in de maag, zijn afwijkingen in de oesophagus, aangeboien of later ont-
staan, van dc darm, van de lever en het pancreas, van het peritoneum en de nieren
de oorzaak.

Röntgenologisch- en laboratorium onderzoek kunnen dan dc diagnose in vele gevallen
verder verifiëren.

Ook treden maag-darmklachten op in hct verloop van infectieziekten.
SUMMARY.

This important symptom is very conunon. It frequently results from disease of the
stomach. There arc a number of causes other than gastric disease, however, so that
the symptom of "vomiting" is a reason foi establishing a detailed differential tlia-
gnosis.

A probable cause can often bc determined on clinical e.xamination or from the his-
tory.

In addition to those arising from the stomach, causes may consist in congénital or
acquired lesions of the oesophagus as well as lesions of the intestine, liver, pancreas,
peritoneum and kidney.

In several cases, the diagnosis may subsequently be verified bv X-ray and laboratory
tests.

Gastro-intcstinal symptoms may also occur during the course of infectious diseases.
RÉSUMÉ.

Ce symptôme important se présente souvent. Bien des fois il est originaire d\'une
affection dc l\'estomac. Pourtant il y a quelques causes d\'autre origine, de sorte
que le symptôme du vomissement donne lieu à un diagnostic différentiel très vaste.
Souvent pendant l\'examen clinique ou dans l\'anamnèsc une cause possible se fait
remarquer. .A part les troubles d\'estomac, ceux de l\'oesophage, congénitaux ou acquis
plus tard, des intestins, du foie et du pancréas, du péritoine ou des reins peuvent
être causatifs. Dans plusieurs cas un examen aux Rayons X et du laboratoire pourront
ensuite vérifier le diagnostic.

Des troubles d\'estomac et des intestins se produisent également pendant les maladies
infectieuses,

-ocr page 907-

ZUSAMMENFASSUNG.

Das bi\'lan.grciche Symptom „Erbrechen" tritt sehr oft auf. Meist findet dies seine
Ursache in einer Magenerl^rankung. Doch gibt es einige Ursachen, die nicht hieran
liegen, sodass das Symptom „Erbrechen" zu einer sehr ausgebreiteten differentiellen
Diagnose .Anleitung geben kann.

Bei der klinischen Untersuchung oder aus der .Anamnese ist bereits oft die wahr-
scheinliche Ursache zu erkennen.

.Ausser im Magen, sind oft .Abweichungen im Oesophagus, angeboren oder später
entstanden, an Darm, Leber, Pankreas, Peritoneum und .Nieren die Ursache.
Röntgenologische- und Laboratoriumsuntersuchung können in vielen Fällen die
Diagnose weiter verifizieren.

-Auch treten im Verlauf von Infektionskrankheiten Magen- und Darmbeschwerden
auf.

Fokzeugen aan de ketting.

De toenemende specialisatie in de landbouw heeft de laatste jaren geleid tot ver-
groting van het aantal fokzeugen per bedrijf. Mede hierdoor is ook veel aandacht
besteed aan de huisvesting vooral van fokvarkens, omdat gebleken is dat het aantal
per worp grootgebrachte bi.g.gen ir, sterke mate beïnvloed wordt door de huisvesting.
Hoewel met het houden van drachtige zeugen in loopstallen met uitloop goede resul-
taten zijn bereikt, kleven hieraan toch enkele bezwaren. Ook is het bij grote eenheden
zeugen niet altijd mogelijk om weidegang toe te passen, door hef niet voorhanden zijn
van voldoende percelen grasland waarop weidegang mogelijk is.
Deens systeem.

Daarom kwam er in de praktijk belangstelling vtxjr de manier waarop in Denemarken
en .N\'oorwegen fokzeugen worden gehouden. Hier geeft men geen weidegang meer en
komen de zeugen in individuele boxen, maar het bezwaar is dat de dieren moeilijk
schoon te houden zijn.

.Als er toch geen weidegang wordt .gegeven, kunnen de varkens ook op stand met

ketting en leren riem vastgezet worden. Op deze stand krijgen ze ook biggen.

.Als de bi.g.gen 3 weken oud zijn gaan zeug en bi.g.gen naar dc fokstal en blijven daar

weken todat de bi.g.gen afgewend worden.
Proef.

De eerste proef met deze wijze van varkens houden in ons land werd in 1962 op.gczet.
Met 60 oude zeugen en 50 jon.ge zeugen. Er werden 20 standplaatsen gemaakt waar-
van 4 bezet werden door drachtige zeugen en de overige 16 als kraamstal dienst deden.
Het gebruik als kraamstal is mogelijk door om de andere een dier te verwijderen en
enkele lage schotjes te plaat.sen. De standafmeting mag afhankelijk van dc grootte
van de zeug variëren van 200 x 75 tot 220 x 80 cm. De kraamhokken krijgen dan een
afmeting van 200 x 150 cm of 220 x 160 cm. In deze proef werd de stal als kraamstal
gebruikt door dc 4 zcu.gen die steeds aangebonden stonden en door zeugen die ge-
houden worden in een uitloopstal.

Beengebreken zijn bij de 4 zcu.gen die steeds aangebonden zijn, niet opgetreden.
Biggen.

Gedurende de periode 1 januari - 1 april 1963 hebben 22 zeugen in de stal geworpen.
Deze wierpen in totaal 219 bi.g.gen waarvan 8 dood geboren werden, 11 stierven door
uierontsteking en 10 om niet bekende oorzaken werden afgevoerd. In het begin van
de proef werden, doordat dc standen te klein waren, 3 big.gen dood gelegen. Op 8
weken konden dus 187 van de 219 biggen of 85% worden af.geleverd. Gezien het
ongunstige jaargetijde ligt het sterftepercentage vrij laag.

Hoewel de eerste ervarin.gen dus gunstig zijn, zullen voordat een definitief oordeel
gegeven kan worden, vergelijkende proeven met verschillende huisvestingssystemen
genomen moeten worden.

Landbouwdocumentatie, 19, 1086, (1963).

-ocr page 908-

„demonstratie.

-ocr page 909-

Enkele aspecten van de structuur en de beteke-
nis van het perifere vegetatieve zenuwstelsel.

Some aspects of the structure and the significance of
the peripheral vegetative nervous system.

door H. A. MEYLIXG*)

Uit het Instituut voor Anatomie van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

Bouw en functie.

De meest perifere einduiti)reiding \\ an het \\egetatie\\e zenuwstelsel toont
een geheel andere stiuctuur en organisatie dan het perifere cerebro-spinale
systeem.

Tot ongeveer 40 jaar geleden was \\rijwel de algemene ojnatting dat de
\\\'ezels van beide com[3onenten \\ an het \\cgetatieve zenuwstelsel, clus zowel
\\an de ortho- als de ]3aras\\\'mpathicus. direct met de geïnnerveerde weefsel-
comjjonenten in contact zouden treden, zoals de cerebro-sjjinale moto-
rische en sensibele \\ezels dat doen \'de motorische met de sjiiervezel en
de sensibele met dc cellen van een sensibel eindlichaampje).
Het is echter gebleken dat in alle \\egctatief geïnnerveerde weefsels een
zenuwnetwerk \\oorkomt, dat geschakeld is lussen de ortho- en parasym]3a-
ihische \\ezels enerzijds en de te innerveren weefselelementeu anderzijds.
Hoe dit verband aan weerszijden is weet men nog niet precies en er be-
staan hierover nog \\ erschilleude o]3vattingeii. Ook o\\er de aard \\an dit
perifere zenuwnetwerk zijn de meningen nog uiteenlojjend. Lange tijd
heeft men dit zenuwnetwerk beschouwd als te zijn gevormd door een net-
\\ orniig syncytium \\ an .Schwann-cellen. waarin de netu\'ofibrillen \\ an zowel
de oitho- als ])arasymi)athische vezels continu zouden doorlo])en. Deze o])-
\\atting was gebaseerd op het vrijwel uitsluitend gebruik van zih\'erimijreg-
natieiiiethoden die dc neurofibriilen electicf kleuren, maar niet hel plasma
waarin ze ingebed liggen.

R a m o n Y C\' a j a 1 had echter reeds iiiecr clan een hake eeuw geleden
aangegeven dat in alle \\(-gctatief geïnncrxeerde weefsels een netwerk van
kleine piimtieve gangliëncellen \\oorkoml. Hij kwam tot deze o\\-erluiging
door de bestudering van pre[3araten \\ olgens dc door G o 1 g i aangegeven
uiethodc behandeld. Hierbij \\oruit zich een chrooni-zilvcr neerslag o[) dc
oppervlakte van gangliëncellen en komt de \\orm \\an deze cellen iiict lum
uitlopers duidelijk le \\oorschijn. Hij bestudeerde vooral de darmwand,
waarin deze cellen alle eigenschappen \\an gangliëncellen toonden, alleen
waren ze in verhouding klein en \\orniden ze door onderlinge samen liang
\\an hun uitlopers een zenuwnetwerk. Hij noemde ze ..neuroncs sym]3athi-
Cjites intcrstitiels", 0\\er lum \\erband met de perifere vegetatie\\e zenuw-
\\czels sprak hij echter niet,

B c t h e had reeds in het begin \\ an deze eeuw gevonden dat hij coelente-
raten, waar \\oor het eerst in de fylogenetische reeks een zenuwstelsel o]>
ti-eedt, dit geheel is opgebouwd door een dergelijk netwerk \\an kleine
primitieve zenuwcellen.

\') Prof. Dr. H, Mcyling, hoogleraar aan dc Rijksuniversiteit te Utrecht; Bckker-
straat 141, Utrecht.

-ocr page 910-

Volgens H a n s t r ö m en C. U. A r i e n s K a p p e r s handhaaft hct zich
bij de hoger georganiseerde dieren naast een zich ontwikkelend centraal
zenuwstelsel. Bij de hogere vertebraten vindt men het nu als een primitief
zenuwcelnetwerk, het netwerk van autonome interstitiële cellen (A.I.C!.)
van C a j a 1, aan de uiterste periferie van het \\ egetatie\\\'e zenuwstelsel lig-
gen. kfet is hier geschakeld tussen het gecentraliseerde deel, de ortho- en de
parasympathicus, enerzijds, en de weefselelementen anderzijds. Hiermede
is in overeenstemming het feit dat het zich ook ontogenctisch als een apart
stelsel ontwikkelt. De A.I.C. ontwikkelen zich volgens T e 11 o, Van
C a m p e n h O u t en L e e u w e ter plaatse in de weefsels en krijgen se-
cundair verbinding met de vegetatiex\'c zenuw\\\'ezels. Leeuwe heeft door
een cytologische studie van de A.l.C. de gangliëncel-natuur van deze
cellen vrij overtuigend aangetoond.

Voor ons onderzoek van de neurovegetatieve periferie hebben wij gebruik
gemaakt \\ an verschillende methoden.

In de eerste plaats van de vitale methyleenblauwkleuring. Bij een juiste
samenstelling van de methyleenblauw-oplossing (waarbij vooral hct buf-
feren tot een bepaalde ]3H belangrijk is) kan men, door deze oplossing bij
een genarcotiseerd dier \\\'ia de bloedbaan door een orgaan te laten stro-
men een electieve kleuring van het netwerk van A.I.C. in de weefsels van
het orgaan verkrijgen. Het voordeel van deze methode is dat alle andere
weefselelementen ongekleurd blijven, waardoor men totaalpreparaten \\an
b.v.; de gehele darmwand, van de blocdvatwand enz. kan bestuderen wan-
neer men de weefsels doorzichtig maakt door ze in glycei\'ine of laevulose-
stroop in te sluiten. Door instellen \\\'an de microscoop op verschillende ni-
veaux van b.v. de darmwand kan men de totaliteit van dit perifere zenuw-
netwerk overzien.

Om een indruk te geven van dit zenuwcelnetwerk zijn hier enige micro-
foto\'s toegevoegd van dergelijke mcthyleenblauw-prcjjaraten van de darm
en de bloedvatwand.

In fig. 1 is scherp ingesteld ojj de [)lcxus myentcricus, die ligt tussen de
overlangse en de circulaire spierlaag. Duidelijk zijn de mazen van deze
plexus te zien, bestaande uit zenuwvezels, waartussen hier en daar groc])jes
grote gangliëncellen liggen. In de ruimten tussen deze mazen ziet men hct
driedimensionale zenuwcelnetwerk liggen. Fig. 2 toont dit netwerk bij
sterkere vergroting. Vier kernen van A.I.C. zijn te zien en ook cle uitlopers
\\\'an cle cellen, die onderling anastomoseren. Ook zijn elkaar kruisende uit-
lopers te zien: deze liggen cciiter op verschillend niveau want het netwerk
heeft een driedimensionale utibreiding, is een netwerk in dc vorm van een
spons. Fig. 3 laat dit netwerk zien in dc uitwendige spicrlaag. De mazen
zijn hier in de lengte uitgetrokken, het netwerk heeft zich cjua vorm aan-
gepast aan de richting van de loop van cle gladde spiervezels. Om iedere
spiervezel liggen uitlopers van dc A.I.C..

Fig. 4 toont een microfoto van het netwerk van A.I.C., gelegen in de vlok-
ken. Gefotografeerd is van de mucosa-opper\\lakte. Men ziet een drietal
meer kamvormige vlokken, die door het dekglas platgedrukt zijn op de
oppervlakte van de mucosa. Duidelijk is bij cle aangegeven vergroting reeds
te zien dat het gevormd is door anastomosen tussen de uitlopers van de
A.I.C.. Ook in de vaatwand komt een uitgebreid netwerk van A.I.C. voor.
In fig. 5 is het te zien in de wand van een arterie, gelegen in de blaas-

-ocr page 911-

wand. Het ligt door de gehele spierlaag heen en is zelfs te venolgen
tot aan het endotheel. Ook ligt het rondom venen en om capillairen
(fig. 6)).

Dc laatste 15 jaar zijn histochemische reacties uitgewerkt, waarmede adre-
nergische en cholinergische zenuwformatics te markeren zijn. Zoals bekend
mag worden verondersteld zijn de postganglionaire orthosympathische
\\czels adrenergisch, de postganglionaire jjarasympathische vezels daaren-
tegen cholinergisch, d.w.z. dat bij de overdracht van de zenuwimpuls aan
het einde \\an de postganglionaire orthosympathische vezels adrenaline-
achtige stoffen een rol spelen, bij de parasympathische vezels het acetyl-
choline. Dit vvat de effcrent geleidende vezels betreft, dus vezels waarin
de impuls naar perifeer loopt. Hoewel Langley oorspronkelijk aange-
geven heeft dat alle vegctatie\\\'e vezels uitsluitend een cfferent stelsel zou-
den zijn, is het wel vrij zeker dat er ook affeient geleidende vezels — dus
sensorische — in voorkomen, die zoals de histochemische reacties aangeven
cholinergisch zijn.

Met de methode \\ an C\'. h a m p y-C o u j a r d, het behandelen van weefsel-
stukjes met een ojjlossing van osmiumzuur en zink-jodide, kleurt men
adrenergische delen \\an hel perifere zenuwnet zwart. Hierbij kleuren zich
tcrritoriën van het ])erifcre net van .\'V.I.C^. clcctief. Er is nogal wat kritiek
geweest op de spccilicitcit \\-an deze reactie, maar vorig jaar zijn deze kri-
tieken door C\' h a ra p y en C^ o u j a r d-C h a ni [3 y vrijwel weerlegd.
In elk geval kleurt ze de .A.I.C. \\\'rijwel clcctief, zoals in fig. 7 te zien is,
waar ze als een netwerk rondom dwars doorgesneden Lieberkühn-klicren
liggen. Fig. 8 toont ze om capillairen in een pajiil \\an de snuit van een
varken, in fig. 9 in de cutis van de huid op dc mediale vlakte van de dij
van het varken, v.aarbij ze zelfs tot in het epitheel doorlopen.
Wat de cholinergische tcrritoriën van het ])erifcre zenuwnet betreft kan
men niet de ovcrdrachtslof, het acetylcholinc, histochemisch aantonen,
maar wel het enzym de cholincsterase dat bij het mechanisme van dc over-
dracht van dc impuls een rol speelt en ter plaatse gelokaliseerd is. Dc
bruine neerslag die bij de reactie ontstaat ligt waarschijnlijk niet in de
A.I.C., want deze cellen worden niet gekleurd. Wel ligt het enzym in de
naaste omgeving, maar dc juiste ligging is alleen elektronenmicroscopisch
in dergelijke preparaten aan te tonen, zoals reeds bij dc motorische eind-
plaat geschied is.

Fig. 10 is een microfoto \\ an een cholinesterasc-j)rc|)araat van dc maagwand
\\an een konijn. De plexus myentericus is sterk positief, waarbij de ])Iaats
van ligging van de gangliëncellen uitgespaard is. Ook ter plaatse van het
perifere zenuwnet. dat hier tussen de mazen uitgespannen is, is een posi-
tieve reactie waarneembaar. Fig. 11 en 12 laat de sterk positieve reactie
van respectievelijk de knoop van Tawara en de knoop van Keith-Flack
(sinusknoo]3) in het gelcidings-systeem van het hart van een j^aard zien.
De reactie is veel heftiger dan in het naastgelegen gewone hartspiervveefsel,
wat overeenkomt met het feit dat zowel in zilverimpregnatie- als in methy-
leenblauw preparaten een veel machtiger zemiwnetwerk in het geleidings-
systeem dan in dc gewone hartnuisculatuiu\' te zien is.

Zoals reeds opgemerkt is, is het perifere zenuwnctwerk behalve met cffe-
rent geleidende ortho- en parasympatische \\\'ezels ook met afferente (sen-
sorische) vezels verbonden, die waarschijnlijk tot het parasympatische sys-

-ocr page 912-

teem behoren. Maar daarnaast kent men ook typisch" vegetatieve senso-
rische orgaantjes en sensorische gebieden in bepaalde gedeelten \\an be-
paalde bloedvaten. Ze zullen hier niet alle besproken worden, maar een
uitzondering wil ik maken voor het glomus caroticum dat ligt in de hoek
\\an de vertakking van de art. carotis communis in de art. carotis exteina
en de art. carotis interna.

Dit orgaantje is volgens C. H e y m a n s en zijn school gevoelig voor \\ cr-
anderingen in de blocdplasma-samenstelling zoals schommelingen in dc
verhouding C02<~r02 gehalte, de verhouding Ca~^K ionen, om maar
enkele te noemen. Het \\angt de schommelingen regulerend op door mid-
del van reflexen die \\an het orgaantje uitgaan, waardoor een e\\\'enwicht
tussen orthosmpathicotonus en parasnipathicotonus gehandhaafd blijft.
Zoals fig. 13 toont bestaat het uit groe]3en kleine gangliëncellen waarin
met zilverimpregnatiemethoden een neurofibrillen-netwerk is aan te tonen,
terwijl ze bovendien Nissl-substantie bevatten. Om de groepen zenuw-
celletjes liggen sineus verwijde capillairen, waarmede ze in innig contact
treden. De afferente parasympathische vezels die in het orgaantje dringen
zijn verbonden met cen netwerk van kleine cellen, waar\\an uitlopers in
contact treden met de glomuscellen. In 1938 kon schrij\\-er i-eeds aantonen
dat dc genoemde uitlopers zich om de glomuscellen winden en hiermede
in eng, waarschijnlijk synaptisch, contact treden (fig. 14). Enkele jaren
geleden kon dit o.a. door Ross elektronenmicroscojiisch bevestigd woi-
den. Dat deze synapsen cholinergisch zijn laat fig. 15 zien, waar de
Choli-
nesterase blijkt opgehoo])t te zijn rondom de glomuscellen.

Samenvattend kan dus gezegd worden clat in alle organen en weefsels
een in het losse bindweefsel gelegen betrekkelijk zelfstandig vegetatief
zenuw-netwerk ligt, opgebouwd uit anastomoserende Dit is zowel

door centrifugaal (efferent) als centripetaal (afferent) geleidende vezels
met het centrale zenviwstelsel, d.w.z. in hoofdzaak met dc in het dicnce])ha-
lon gelegen vegetatieve kernen, verbonden. Het systeem \\an de perifere
ortho- en ]3arasympatische efferente en afferente vezels is dus een reflex-
systeem dat ck\' functie van de perifere, in de x\'crschillendc organen gelegen,
zenuwcel-netwerken onderling functioneel ko]3pelt.

Het is vooral Tinei geweest, die o]) de betrekkelijk autonome functie \\ an
de perifere zenuwcel-netwerken gewezen heeft. Deze j)criferc systemen, zoals
hij ze noemt, ontvangen niet alleen impulsen \\-an de postganglionaire ve-
zels, maar reageren ook op veranderingen in het hunioiale milieu, de weef-
selvochten, zoals circulerende hormonen, schommelingen in de verhouding
van O2 en COo gehalte ervan, schommelingen in dc \\erhouding \\an Ca
en K ionen enz.

Ieder lokaal systeem heeft \\olgens Tinei bo\\endien een eigen speci-
fieke gevoeligheid voor bepaalde hormonen. Door deze ])rikkels, verkregen
door veranderingen in de samenstelling van het luunorale milieu, kunnen
deze lokale systemen van .A.I.C. betrekkelijk autonoom dc functies van de
weefsels reguleren. Maar bovendien geven veranderingen in het humorale
milieu wijzigingen in de gevoeligheid van dit zenuwcel-netwerk voor im-
pulsen die ze ontvangen van de ortho- en parasympathische vezels en
daardoor wijzigingen in de reactie op deze imptdsen, via dit zenuvvnetwerk,
door de weefsels. Hierdoor kan prikkeling van dezelfde vegetatieve zenuw-
vezels bij wijzigingen in het humorale milieu een sterker of minder sterk

-ocr page 913-

t\'ffoct op dc bctrclfendc weefsels hebben en zelfs een gemodificeerd tot
tegengesteld effect. Als \\oorbeeld hierxan kan gewezen worden op de \\er-
schillende reacties die ])rikkeling van de orthosym])athische vezels, die naar
de uterus lopen, in dit orgaan opwekketi. Prikkeling van dezelfde ortho-
sympatische \\ezels kan zowel \\ersla])ping als contractie \\an de
niusculatitiu- tot ge\\\'olg heblien, samenhangend met de toestand waarin de
uterus zich be\\\'indt (gravide of niet graxide). Het htaiiorale milieu in de
uteruswand (inclusief de circiderende hormonen) zal in die \\erschillende
omstandigheden zeer verschillend zijn en dit zal uiteindelijk het effect
\\an de prikkeling van genoemde zenuwxezels bepalen.
Uit de genoemde opx attingen van \'1\' i n e 1, die steunen op de resultaten
\\an experimenten, moet o,a, volgen dat het antagonisme tussen ortho-
l\'ii parasympathictis niet zo star kan zijn als men wl\'I aangeeft. Ook het
histoclieiuisch onderzoek duidt daarop, In ons laboratorium hebben we de
indruk gekregen dat eenzelfde lokaal systeem, waarschijnlijk onder \\er-
schilleiide ftinctionole omstandigheden, afwisselend een meer adrenergische
ol cholinergische reactie kan tonen. Men heeft er niet \\olcloende rekening
mee gehouden dat dc ortho- en de parasym])atische \\czels niet het uit-
eindelijke effect bepalen, maar slechts een reguleren-le en coördinerende
werking op de perilcrc systemen \\an .A.I.C^ uitoefenen. Zoals reeds is ojj-
gcmerkt zijn de ])erifere in de weefsels gelegen zenuwcel-netwerken niet
alleen met effcrente ortho- en ]3arasympatische vezels verbonden, maar ook
met allerente, welke laatste waarschijnlijk grotendeels ])arasynipatisch zijn.
Dc werkzaamheid van de perifere systemen wordt dus niet alleen \\ an hoger
gelegen centra uit beïnvloed, maar omgekeerd worden ook ini[)ulsen naar
die centra toegezonden. Een plaatselijke actixiteit van een [jcrifcer svs-
teem vindt zo haar weeiklank in andere delen van het lichaam. Prikkels
die een perifeer systeem in een bepaald orgaan of xveefscl door wijzigingen
in het humorale milieu tei plaatse ontxangl. oefenen zo xia dc hoofdzake-
lijk in het diencephalon gelegen centra hun inxioed uit op het algcuicne
xcgctaticve ex-enwicht en kunnen in bepaalde gevallen leiden tot het oxcr-
hccrsen van óf ortho- óf pai asyuipatische effecten, dus tot een ortho- of
]jarasymi)atliicotonus. Dergelijke gestoorde xegetatiexc evenwichten mani-
festcreti zich dikwijls bij onze huisdieren.

.\\ls ty])isch xooibecid mag hier de melkziekte, de ]3aresis puerperalis, ge-
noemd worden, gekenmerkt door een ]3arasym]5athic(;tonischc toestand.
Sjollema en Seekles hebben bij dieren, lijdende aan deze ziekte,
een gestoorde Ca->tofwisseling gevonden: het C\'.a-gchalte x\'an het bloed is
xciiaagd. Langs cmijirische weg had men reeds gevonden dat het synip-
toinencoiuplcx verdxvijnt bij luchtinsufflatie in de uier, .Vlen mag nu aan-
nemen dat hierdoor het |)eriferc zcnuxvcel-nctwerk in de uier geprikkeld
wordt en dat dit xia de dieiicephale centia inx locd heeft op het gestoorde
neurovegctatiexe evenwicht, waarbij ook de C:a-stofwlsseling xveer in nor-
male banen komt. Maar men kan ook het gestoorde exeiivvicht her-
stellen, zoals genoemde onderzoekers hebben aangegeven, door Ua-ver-
bindingen in de bloedbaan te sjjuitcn, exentuecl met toexocging xan andere
stoffen. Men heeft daarom wel gedacht dat de ziekte primair zou berusten
o]) een Ca-gebrek bij het dier.

Dat dit zeker niet het geval behoeft te zijn blijkt xvel uit het ex|jerimentele
xverk xan C, Hey mans en zijn school. Deze Cla-xerbinding prikkelt

-ocr page 914-

n.1. het glonuis caroticum, dat gevoelig is voor veranderingen in het ionen-
evenwicht in het bloed en deze veranderingen langs nerveuze weg regu-
lerend kan opvangen. Want hetzelfde effect verkregen deze onderzoekers
bij hun dierexperimenten wanneer zij het glomus caroticum, geïsoleerd
van de bloedvaten maar met intacte zenuwverbindingen, met wisselende
Ca- of K-ionen bevattende \\loeistoffen lieten doorstromen, dus zonder
dat deze verbindingen in de bloedbaan kwamen.

In dit verband mag ook gewezen worden op de theorieën \\an F. Hoff.
Volgens deze auteur behoort zowel bij een ortho- als parasym]3athicotonus
een bepaald milieu interieur en een bc]jaalde bloedsamenstelling.

Orthosympathicotonus Parnsympathicotonm

aciclose alcalose

leucocytose overwegend lymfo- en monocyten

\\-erhoging stofwisseling \\ erlaging stofwisceling

\\erhoging bloedsuiker \\erlaging bloedsuiker

verhoging Ca-gehalte verlaging Ca-gehaltc

vennindering K-gehalte verhoging K-gelialte

Het doet er volgens deze auteur niet toe welke van deze factoren men in
de beide toestanden verandert, de andere volgen daarbij automatisch tot
de normale verhoudingen. Hij zegt, dat het er niet toe doet aan welk rad
\\an cen \\an deze met elkaar gekoppelde en \\an elkaar dus afhankelijke
factoren men draait, de andere wisselen daarbij automatisch.

De verhouding tussen neurovegetatieve- en hormonale regulatie van de
functie van organen en weefsels.

In de eerste plaats mag ci\' o]3 gewezen worden dat deze regulaties te veel
naast elkaar gezet zijn en er vrijwel nooit op cen verband tussen beide ge-
wezen is. Dit is ons inziens vooral te wijten aan de grote vlucht welke dc
bereiding en de toepassing van hormonen gevonden hebben, waardoor de
endoci\'inologie zich te veel als een aparte wctenschai3 ontwikkeld heeft.
Het is echter bekend dat hormonen niet een nieuw metabolisch proces
doen ontstaan, maar slechts invloed hebben en stimulerend werken o])
processen, die min of meer ook zonder hun aanwezigheid kunnen door-
gaan, waarschijnlijk opgewekt door de perifere zcnuwcel-nctwcrken in de
weefsels. Hierbij zou ieder systeem in dc verschillende organen volgens
Tinei zijn specifieke gevoeligheid voor bepaalde hormonen hebben. Mor-
fologische, maar vooral ook cxperiinenteel morfologische, onderzoekingen
\\an de laatste 15 jaren hebben hierop nu een beter licht geworpen,
In de eerste plaats is gebleken, dat de \\-orming \\an hormonen nauw ge-
koppeld is aan de werkzaamheid van vegetatieve gangliëncellen en voor en-
kele hormonen is reeds met vrij grote zekerheid vastgesteld dat ze cen
produkt zijn van ncurosecretie.

Dit proces \\-an neurosecretie is het eerst in 1926 aangetoond door Scha r-
r e r in gangliëncellen van vegetatieve kernen in de hypothalamus. Door
het werk van B a r g m a n n, Green, Harris en Spatz is komen
\\ast te staan dat het hormoon antidiuretine, waarvan men tot dan toe
dacht dat het gevormd werd door de [jituicyten van de neurohypofysc,
een secretie-]3rodukt is van de gangliëncellen van de nucleus supraopticus
(zie schema fig, 16 naar Spatz),

-ocr page 915-

Dit secretum kan electief gekleurd worden met de histochemische kleur-
methode van G o m o r i. Men ziet het met de neurieten \\ an genoemde
gangliëncellen afzakken naar cle neuro-hypofyse waar deze neurieten hun
einde vinden. Het wordt daar in het omliggende weefsel afgescheiden en
komt x-ei-volgens in dc recessus hypophysios, dus in de cercbro-spinale
\\\'locistof. Het is zeer waarschijnlijk dat het weer in de hypothalamus uit
deze \\\'locistof wordt opgenomen waar ter plaatse de subependymale glia-
laag praktisch ontbreekt. Hier zou het bepaalde kernen stinuderen en
de imiJuls zou verder langs ncr\\cuze weg naar de nieren geleid worden.
Dat het hormoon ook gedeeltelijk in de bloedcapillairen komt, kan niet
uitgeschakeld worden.

Het is zeer waarschijnlijk gemaakt, dat de met de G o m o r i -techniek ge-
kleurde substantie een hormoon is, omdat het mucoproteïnen be\\-at, die
ook in gonadotrope- en schildklierhoruionen voorkomen. Ran son zag
\\ eixlcr dat na doorsnijding van dc vezels van de nucl. supraojjticus diabetes
insipidus optreedt. Wat dc hormonen van de adeno-hypofyse betreft, heeft
Metüzals gezien dat ook hierin vezels van de hypothalamus dringen.
]io\\endien lopen ook met de bloed\\aten, die zich in dc adeno-hypofyse
\\ertakken, vegetatieve zenuw\\ezcls mee die tekenen van neurosecretie to-
nen.

Veel zekers omtrent de \\orming van \\oorkwab-hormonen door neiuo-
secrctie weet men echter nog niet. Wel heeft men morfologisch aangetoond,
dat gonadotrope hormonen niet uitsluiteticl \\\'ia de bloedbaan naar dc ge-
slachtsorganen \\ er\\ oerd worden, maar dat zc zeker in hoofdzaak gangliën-
cellen in cle hypothalanuis zullen stimuleren, \\anwaar de impuls dan langs
zenuw\\ezelen die door het ruggemerg lopen, de geslachtsorganen zal be-
reiken.

S ]) a t z vond n.l. dat ca]3illaircn uit de jjars tuberalis \\ an dc voorkwab
met lussen dringen in de achtcrkwab. Om deze cajjillairen vormen uit-
lopers van gangliëncellen van de nucleus inferior eindigingen, die als chcmo-
reccptoren mogen worden opgevat (zie schema lig. 16). De impids zou dan
via dc nucleus inferior en de door Bok beschreven tractus parependymalis
door het ruggemerg lo|)en om van hier \\ ia \\egetatieve zenuwvczcls dc ge-
slachtsklieren te bereiken, E.xpcrinienten bevestigen deze opvatting, \\\'er-
nietigt men de nucl, inferior met intacte hypofyse bij nog niet geslachts-
rijpe dieren, dan ontwikkelen zich de geslachtsklieren en cle secundaire
geslachtskenmerken zeer weinig. Vernietigt men deze kern bij \\-olwassen
dieren dan treedt atrofie van de geslachtsklieren op. Bij prikkeling \\an
deze kern kan men bij het konijn ovulatie o]3wckken. Men wil nog niet ge-
heel ontkennen dat cr mogelijk ook wel gonadotrope hormonen via de
bloedbaan de geslachtsklieren bereiken, maar daar werken zc, zoals verder-
op zal worden behandeld, niet direct op dc weefsels, maar door tussen-
komst van het perifere zenuwnet ter plaatse.

Ik ben er mij van bewust het geheel wat schematisch behandeld te heb-
ben en niet alle resultaten en opvatttingen van de verschillende onder-
zoekers vermeld te hebben. Dit zou buiten het bestek van deze voordracht
\\allen. Wel mag nog vermeld worden dat de z.g, portale circulatie tussen
adeno-liypofyse en de hypothalamus ook een rol kan spelen in de functio-
nele koppeling tussen deze gebieden. Het was mijn bedoeling slechts er op
te wijzen, dat voor een enkel hormoon reeds met vrij grote zekerheid is

-ocr page 916-

aangetoond dat het een produkt \\ an neuroseci\'ctie is en dat de in de iiy])o-
fyse afgesclieiden hormonen zeer waarschijnlijk [jrimair stimulerend wer-
ken o]3 \\egetatieve kernen in de hy]jothalanuis. Er wordt nog steeds door
histologen, farmacologen en fysiologen o]) dit gebied gewerkt.

Dat in het algemeen dc hormonen niet direct de weefselclcinenten bc-
in\\locden, maar dit doen door stimulering \\-an het zenuwnetwerk ter
plaatse is reeds door Tinei in 1937 gepostuleerd. Resultaten van \\er-
schillende ex])crimenten hebben dit be\\estigd.

Thyroxine, bij kik\\ors-larven ingespoten, veroorzaakt groei en differentia-
tie \\ an het slijm\\ lies van de darm. Maar \\oor deze beginnen ziet men eerst
\\eranderingen in dc plexus \\an Meissner en het jx-iifere zenuw-netwerk
optreden.

Ook de werking \\ an ]3rolactine op de kro]) van de duif wijst hier op. De
kro]3 van dc duif is een plaatselijke verwijding van dc oeso])hagus en even-
als deze met een cutaan slijnnlics bekleed. Xiets onderscheidt dus deze
krop \\an de oesojihagus. Toch werkt het prolactin? uitsluitend o]) hel
slijnnlics \\an de kro]) cn niet op het aangrenzende ocso|)hagusslijm\\jics.
Ieder hormoon heeft, zoals T incl reeds aangaf zijn, op ccn bepaalde-
plaats gelokaliseerde, sensibele zone. Men ziel zo bij prolacüne toediening
eerst een acti\\cring \\an hel zcnuwncl dal oui dc capillairen van het slijm-
\\ lies van de krop ligt. Er treedt als g\\olg hiervan cen sterkere doorbloeding
op. Daai na ziel men \\ ele inilo.sen in het straliiin germinalix uin en een \\ er-
meerdere afsloting \\an \\\'civcllc epitheelcellen, die met elkaar een massa
\\\'ormen, de z.g. kro]jniclk.

Dal hormonen, in hel algemeen gezegd, o]) een bepaalde streek werken
en niet direct o]) dc reagerende wccfsclek\'menlen. blijkt ook hieruit dat
l)ij castratie \\an cen leghorn-haan dc kam \\eilcj)t, maar dal bij dc z.g.
kuifhaan Tioendanras), die geen kam heeft maar ter ])!aalsc lange \\eren,
deze \\eren uitvallen. Hij beide dieren ziet men na castratie eerst een dc-
generatie \\ an het plaatselijke zenuwnet. Ook ziel men na castratie natuur-
lijk ecu atrol\'ic van dc gcnitaal-lraclus o])tn\'deii, maar ook hier ziet men
eerst degeneratie van hel ])laalsclijk zcnuwncl. S|)uit men bij cen castraat
het betreffende, uitgeschakelde, hormoon in dan ziet men eerst een herstel
en zelfs cen \\ crmcerderde groei \\an het zenuwnetwerk in de kam en dc
gcnitaallractus en eerst daarna een groei \\ an de weefsels. Hel zijn dus
wel dc lokale zenuwnelwcrken die dc \\crandcringen in dc weefsels onder
in\\lo(\'d \\ an dc hormonen bepalen.

Om dit definitief aan te lonen zou men de plaatselijke zctniwnclwerketi in
de organen moeten vernietigen. Zoals aangetoond is zijn ze zo innig met
de weefsclelemenlen vcrwc\\en dat dit ])rakiisch onmogelijk is.
C
O tl j a r d heeft nu laesies aangebracht iti de juxla-gcnitalc plexus, waar-
in ook vele gangliëncellen voorkomen, en die \\olgens hem met de netwer-
ken in het geslachtsapparaat één geheel \\ormen. Vooral dit zenuwstelsel
\\ an hel geslachisappaiaal is zeer ge\\oclig \\ oor bepaalde hormonen. Boven-
dien hebben ze het \\oordccl dat zc symmetrisch liggen, en zo een \\erge-
lijking lussen rechts en links mogelijk maakt. Vernietigde of lacdeerde hij
de ])lexus bij cen mannelijke — nog nicl geslachtsrijpe — ca\\ia eenzijdig,
dan trad een dttidelijke asymmetrie bij dc ontwikkeling van het geslachts-
apjjaraat o[): aan de gclaedecrde zijde ontwikkelde iiel zich niet verder.
Castreerde hij een mannelijke ca\\\'ia dubbelzijdig en lacdeerde hij vervol-

-ocr page 917-

gens de juxta-genitale jjlexus eenzijdig, dan reageerde na testosteron toe-
diening alleen die zijde \\an het geslachtsta]3])araat met de intacte plexus.
\\\'itamine R-deficiëntie geeft — zoals men weet — \'.-eranderingeu in het
gcnitaala]3paraat. C\' o u j a r d merkte op dal deze veel ONcreenkonist lonen
met die, \\erkregen na experimentele laesies \\an dc juxta-gcntale |)lcxus.
Dit l)racht hem er loc tc \\ eronderslcllen dat het \\ itaniine E iets te maken
heeft met de stofwisseling in het perifere \\ egclatieve zenuwstelsel. Hij vond
ook inderdaad bij vitanune E-deficiënlie veranderingen in dit systeem, een
ly|3ische degeneratie \\an de gangliëncellen eu hct ]3crifere zenuwnclwerk
\\an het genitaalapparaat. De ge\\olgen \\ an een \\ itamine E-dcficiëniie be-
rusten dus hoogst waarsch.ijnlijk op een primaire aandoening van het ]jeri-
fcrc \\-egetatie\\c zcmiwstclscl \\an hct gcslachtsa|)paraat.

In hct algemeen heeft dus hct perifere vegetatieve zenuwstelsel vooral cen
trofischc invloed op dc weefsels, onafhankelijk \\-an het centrale zenuw-
stelsel. Deze trofischc functie \\ er\\ ult hct dank zij zijn gevoeligheid vooi\' hct
wisselende humorale milieu, waarvan de hormonen een belangrijk onder-
deel uilmaken. Deze fimctie oefent hct waarschijnlijk uit. doordat de .A.I.C\'.,
die hct ]3erifere zetuiwnciwcrk \\ormcn. bij ]3rikkcling welke ontstaat door
veranderingen in hct humorale milieu, ncurosccreta afscheiden,
S[)ccifieke
sloffen (enzymen?) die hct Irofisch effect ojj de weefsels xeroorzaken.
Dit is nog een \\erondcrslclling, gebaseerd op hct feit dal de uitlojjcrs \\-an
de .X.l.C, plaatselijke aanzwcllingen, varicosilciten, tonen vooral in mclhy-
Icenblauw- en C\'. h a m p y - o u j a r d [jrcparaten. Op ecu vorming \\ an
specifieke stoffen kan ook wijzen hct feit dat dc rijk zijn aan libo-

nucleïnezuren, waarvan men weet dat ze dc matrijzen \\ormeti bij dc syn-
these van s]3ccificke civ\\itten. Het geheel is nog een veronderstelling, die
met histochcmischc tcchnicken en clcklionenmicroscopisch onderzoek na-
der bi\'studeerd kan worden,

\'rcuslotte mag nog gcwc,-cn worden o]) dc belangrijke rol die het vegeta-
tieve pei\'ilerc zenwnetwcrk speelt bij oiUstckingen en het ontstaan van
tumoren,

S t () h r vond dat bij dc genese van hct ulcus pcpticuiu dc eerste vcrande-
lingcu te zien zijn aan hel [)crifcre zenuwnctwcrk ter plaatse in de maag-
wand, Wiedmann zag veranclringen in dil zcnuvvnelwerk in dc huid
v an de mens bij ontstekingen hiervan, /. a y e d heei\'t in zijn pi-ocfschrift
ovci\' chronische diarree bij hct rund degeneratieve veranderingen in de
gangliëncellen van de ])lcxus van ,\\uerbach eu .Meissner en in hct perifere
zenuwnetwerk van dc darmwand beschicven. Ook de Weense school, on-
der leiding van jjrofessor (loronini, zag bij darnriandocningen duide-
lijke afwijkingen in hct jx-rifcre zenuwnctwcrk. Vrijwel alle onderzoekers
zijn het erover eens dal de afwijkingen in hct j)laalsclijk zenuwnctwcrk jjri-
mair zijn,

\\\'an belang hierbij is dat cen plaatselijk gcstooid zcnuwnctvvcrk waar-
schijnlijk langs vegetatief nerveuze weg rci^crcussies geeft in weefsels lig-
gende in andere gebieden van hct lichaam, waarbij opgevallen is dat er
veelal cen koppeling bestaat tussen bejjaaldc gebieden. Men heeft dit ex-
perimenteel kunnen aantonen door gelokaliseerde beschadigingeti aan te
brengen in plaatselijke peiü\'crc vegetatieve zcnuwgebieden, ,Ms grondslag
hiervoor mag gewezen worden op het feil dat de plaatselijk in de verschil-
lende organen gelegen vegetatieve vezels zowel door efferente als afferente

-ocr page 918-

banen niet centra, vooral in het diencephalon gelegen, verbonden xijn.
C o u j a r d zag bij zijn reeds beschreven experimenten dat bij beschadi-
ging van de juxta genitale plexus, naast storingen in het genitaalapparaat
onder andere optraden ulcera in het maagdarmkanaal, endocarditis en \\ er-
cler in andere weefsels naast verval van weefsel ook v.oekeringen tot vor-
ming van tumoren, die in enkele gevallen maligniteit toonden doordat ze
metastasen gaven. Dat deze reacties in andere gebieden opgewekt worden
via diencejibale centra heeft C; o u j a r d waarschijnlijk gemaakt doordat
gelokaliseerde laesies, in deze centra aangebracht, dezelfde storingen in ])e-
rifere organen tot gevolg hadden, alleen traden ze later op maar waren
ze meestal ook ernstiger van aard.

Dat hierbij een functionele koijpeling bestaat tussen bepaalde gebieden
blijkt uit het volgende.

Experimentele laesies, aangebracht in het zenuwa]3paraat van het \\as de-
ferens, doen naast storingen tot het geheel ophouden \\ an dc Spermiogenese,
dikwijls adenonien m de speekselklieren ontstaan. Omgekeerd geeft ver-
nietiging van het zenuwap]3araat \\an speekselgangen storingen in de s])er-
miogenese. Bij de vrouwelijke cavia geven laesies van de juxta-genitale
zenuwijlexiis naast atresie van follikels en cysteiuorming in het ovarium
dikwijls adenonien in de melkklier.

Wat de rol betreft, die het jjerifere vegctatic\\-e zenuwstelsel sjjeelt bij tu-
iiioien mag ik wijzen op het dezer dagen verschenen ]jroefschrift van de
arts Dr. Van der Bur g. Hij zag bij door carcinogene stoffen o]3gewckte
huid-carcinomen van de muis een ])rimairc reactie van dc zcnuwelementen
van cle huid.

De morfologische .studie van het vegetatieve zenuwstelsel is lange tijd ver-
waarloosd, vergeleken met die van het cerebrosjiinale stelsel. De laatste
jaren is hierin gelukkig een kentering gekomen. Met liet \\erder uitwerken
\\an histochemische methoden en met behuli) van het elektronemiiicro-
sco]3ische onderzoek van het ]5crifere \\egetatic\\e zenuvvgebicd, maar zeker
ook cx]x\'riuieiiteel, zal cr nog veel wetenswaardigs verkregen ktmnen wor-
den omtrent de functie van dit zcnuwsysteein, het ontstaan \\\'an ziekelijke
afwijkingen in weefsels en organen en misschien wat betreft de rol die
het \\egetatie\\e zenuwstelsel speelt bij het ontstaan van tumoren.

S.AMENV.AT\'II.NG.

Het perifere vegetatieve zcr.uvvstelsel, dat in bouw en strurtuur verschilt van het
ccrebro-spinalc systeem, speelt een grote rol in het ontstaan van ziekelijke afwij-
kingen in weefsels, organen en orgaanstclsels. De eerste morfologische veranderingen
bij ziekten manifesteren zich meestal in dit stelsel, dat aan de hand van microfoto\'s
wordt besproken.

Door de ontdekking van neuro-secretorischc processen, vooral in zenuwcellen van de
hypothalamus, is gebleken, dat dc vorming van hormonen nauw gekoppeld is aan dc
functie van gangliëncellen.

Ook is experimenteel vastgesteld, dat hormonen niet direct op de weefsel-elementen
inwerken, maar door tussenkomst van het perifere zenuwstelsel. De hormonen vor-
men als het ware een korte schakel in de nerveuze regulatie van de functie der or-
ganen.

Enkele experimenten, die dit aantonen, worden besproken.
1686

-ocr page 919-

SUMMARY.

The peripheral autonomic nervous system, the structure and organization of which
are different from those of the ccrcbro-spinal system, plays an important role in the
development of pathological processes in the tissues and the organs. The initial
morphological changes occuring in diseases become apparant in this system.
The structure and significance of this system is discussed with the aid of photo-
micrographs.

The identification of processes of neurosecretion, particularly in nerve cclls of the
hypothalamus, showed that the production of hormones is closely linked to the
function of ganglion cells.

In addition, experimental studies showed that hormones do not act directly on the
tissue cells but only through the intermediary of the peripheral vegetative nervous
systems. It can be said that hormones act as a short link in the nervous control of
the organs.

.A number of experiments showing this to be so are discussed.
RÉSUMÉ.

Le système nerveux végétatif périphérique qui diffère en constitution et en structure
du système cérébro-spinal, joue un grand rôle dans la naissance dc troubles maladifs
des tissues, des organes et des systèmes organiques. Les premières altérations morpho-
logiques accompagnant des maladies se manifestent le plus souvent dans cc système
qui est discuté à l\'aide de microphotographies.

La découverte dc processus ncuro-sécrétoires, surtout dans les cellules nerveuses de
l\'hypothalamc, a révélé que la formation d\'hormones est étroitement liée à la fonction
des cellules ganglionnaires.

On a également constaté à l\'aide d\'expériences que les hormones n\'agissent pas
directement sur les éléments tissulaires mais qu\'elles le font jiar l\'intermédiaire des
systèmes nerveux périphériques.

Les hormones forment pour ainsi dire une chaîne brève dans la régulation nerveuse
de la fonction des organes.

Quelques expériences démonstratives sont discutées.
ZUSAMMENFASSUNG.

Das periphere vegetative Ncn\'cnsystcm, das sich in Bau und Struktur von dem
cercbro-spiniilen System unterscheidet, spielt beim Zustandekommen krankhafter
•Abweichungen in Geweben, Organen und Organsystemen eine grosse Rolle. Die
ersten morphologischen Veränderungen bei Erkrankungen :ii?nifestiercn sich meist
in diesem System, das an I-Iand von Mikrophoto\'s besprochen v/ird.
Durch die Entdeckung ncuro-sekrctorischcr Prozesse, vor allem in den Nervenzellen
des Hypothalamus ergab sich, dass die Bildung der Hormone eng mit der Funktion der
Ganglienzellen zusammenhängt.

.Auch ist experimentell festgestellt worden, dass Hormone nicht direkt auf die Gewebe-
elemente einwirken, sondern durch Vermittlung der peripheren vegetativen Systemen.
Die Hormone bilden gleichsam ein kurzes Verbindungsglied in der nervösen Regu-
lation der Organfunktionen.

Es werden einige Experimente die dieses anweisen, besprochf^n.

-ocr page 920-
-ocr page 921-

l\'ii>. 1. Pexus myentericus van de darmwand van de rat. Binnen de mazen van de
plexus (p) ligt het terminale vegetatieve zenuwnetwerk. Vitale methyleen-
blauw-kleuring.

Fig. 2. Het terminale vegetatieve zenuwnet van fig. 1 bij sterkere vergroting.

Duidelijk is te zien dat het is opgebouwd uit onderling samenhangende
cellen, de autonome interstitiële cellen van Cajal (A.I.C.).

Fig. 3. Het terminale zenuwnet in de overlangse musculatuur van de darmwand
van een rat. Vitale methyleenblauw-kleuring.

Fig. 4. Het terminale zenuwnet in de vlokken van de dunne darm van een rat.

Fen drietal kamvormige vlokken zijn door het dekglas op de oppervlakte
van het slijmvlies plat gedrukt. Vitale methyleenblauw-kleuring.

l\'ig. 5. Het terminale zenuwnet in de wand van een kleine arterie van de urine-
blaas van een rat. De arterie loopt in dwarse richting in de foto. Enkele
dikke rnerg-houdende zenuwvezels (p.s.), waarschijnlijk afferente para-
sympathische vezels, en enkele dunne merg-loze zenuwvezels fo.s.J, waar-
schijnlijk motorische orthosympathische vezels, lopen in de adventitia van
de arterie. Vitale methyleenblauw-kleuring.

Fig. 6. Het terminale zenuwnet om een vene fv.J en om een capillair (c.) in de
maag van een kat. Vitale methyleenblauw-kleuring.

-ocr page 922-

a.m.

i i \'■hf\'^

^^ M. <, -V { K - -V

-ocr page 923-

I\'ig. 7. Gedeeltelijk gekleurde variceuze vezeltjes van het terminale zenuwnet van
A.I.C. in de darmwand van een rat.

C h a m p y-C o u j a r d kleuring (histochemische reactie op de adrenaline-
achtige stof jen).

Fig. 8. Huid van de snuit van een varken. Een dicht netwerk van A.I.C. ligt om
de capillairen in de hoge cutis papillen. C h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

Fig. 9. Huid van de mediale vlakte van de dij van een varken. A.I.C. liggen in de
cutis tegen de epidermis. C h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

Fig. 10. Sterk positieve acetylcholinesterase reactie in de ple.xus myentericus (p.m.)

in de maagwand van een konijn. De lichte plekken duiden de plaats van
de gangliëncellen aan. Ook positieve reactie ter plaatse van het terminale
zenuwnet tu.ssen de mazen van de plexus. Cholinesterase methode volgens
K O e l l e-G e r e b t z o f f.

Fig. 11. Positive acetylcholinesterase reactie in de knoop van Tawara in het ge-
leidingssystern van het hart van een paard. Cholinesterase methode van
K O e II e-G e r e b t z O j j.

Fig. 12. Sterk positieve acetylcholinesterase reactie in de knoop van Keith-Flack
(sinus knoop) van het hart van een paard. a.m. = atrium musculatuur;
s.k. — sinus knoop; z.b. = zenuwvezelbundel. Cholinesterase methode vol-
gens K O e 11 e-G e r e b t z o j j.

-ocr page 924-

/•\'ï^,\'. /.?. Clomus caroticum van een paard. In ballen gerankschikte glornus-cellen
zijn omgeven door .<:ineus verwijde capillairen, die volgestuwd zijn met rode
bloedcellen. Neurofibrillen in de glomuscellen, welke laatste uitlopers be-
zitten. Bielschowsk y-G ros zilverimpregnatie methode.

Fig. 14. Glomus caroticum van een paard. Om het cellichaarn van een glomuscel
winden zich uitlopers van zenuwvezels, hier vermoedelijk een synaps vor-
mende. Bielschowsk y-G ros zilverimpregnatie methode.

Fig. 15. Glomus caroticum van een paard. Sterk potitieve acetylcholinesterase
reactie om de glomus-cellen, waarschijnlijk ter plaatse van de in fig. 14
afgebeelde synapsen. Cholinesterase reactie volgens K o e 11 e-G e i e b-
tzoff.

Fig. 16. Schematische voorstelling van de hypofyse-hypothnlamus verbindingen bij
het konijn, (tiaar H. Spa t z, Act. Neuroveg. 1952, Bd III).

-ocr page 925-

Het experimenteel opwekken van posttraumati-
sche dystrotie bij proefdieren.

Kxperimental inducing of posttraumatic dystrophia in
laboratory animals.

door P. KREDIET1)

Uit het Anatomisch Instituut van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

In liet kader \\an de Veterinaire Week wil ik L\' \\ei-«lr,g uitbrengen \\an
ondcr/ockingen en experimenten, die wij hebben genomen ten einde een
beter inzicht te krijgen in het ontstaan \\-an dc posttrauinatischc dystrofie*\'\'M.
Deze aandoening komt bij de mens meestal voor in aansluiting op een
trauma. Dc verschijnselen, dic bij het optreden van posttraumatische dys-
t rol ie op de \\ oorgt ond treden, zi jn grotendeels van trofische aard. De eer-
ste \\crandcringen zijn storingen in dc doorbloeding \\an de huid, de vor-
ming van oedeem, daarna onmacht in de spieren, gevolgd door s])ier-
atrofic, botafwijkingen (ontkalking van de phalangen) en verder verstij-
ving \\-an de gewrichten,

.\\ls \\oornaanistc oorzaak xoor het ontstaan van deze verschijnselen zag
men een beschadiging \\an cen ccrcbrospinalc zenuw, xooral de n. me\'-
dianus of de n. ischiadicus.

Ilackethal en H 1 u ni c n s a t redeneerden nu als volgt: door het
traiuna ontstaat cen ascenderende neuritis, welke in de foramina interver-
Ichralia aanleiding geeft tot druk op de zenuw, waardoor uitvalsvcrschijn-
sclcn ontstaan. Proeven bij het konijn, waarbij zij de n. i.schiadicus kneus-
den, insnoerden of doorsneden, deden bij deze dicien posttiaumatische vcr-
.schijnsclen ontstaan in het achterbeen.

Rlkc ccrcbrospinale zenuw bevat echter ook een vrij belangrijk aantal vege-
lali(\'\\e zenuwvczclen, welke bij kneuzing of afsnoering mede worden be-
schadigd. Dc proeven van Ilackethal gaven ons inziens geen uitsluit-
sel, dat beschadiging \\an het cercbrospinalc zenuwstelsel dc ])rimaiie oor-
zaak zou zijn, het kan evengoed door dc beschadiging \\an de \\egctatieve
\\czclen worden \\eroorzaakt, of door beide.

Teneinde hierover opheldering tc verkrijgen, hebben wij in de eerste plaats
gezocht naar cen methode, het vegetatieve zcnuwstcisel te beschadigen
zonder het ccrcbrospinale daarin te betrekken. Als plaats van laedering
is uitgekozen het ganglion stcllatum (ortho-synipatisch) en de plexus pel-
victis (parasynipathi.sch ). In navolging van de proeven \\ an C^ o u j a r d
hebben we als beschadiging gekozen het aanbrengen van jjhenol op de
plcxi.is of op het ganglion.

1  Dr. P. Krediet, wetenschapp<\'lijl< hoofdambtenaar .A aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht: Bckkerstraat 141, Utrecht.

-ocr page 926-

Ook bleek de keuze van het proefdier van belang te zijn. Het is ons niet
gelukt, bij hond of rat posttraumatische dystrofie te \\eroorzaken, terwijl
het bij het konijn zeer gemakkelijk gaat. Onze proeven zijn dan ook alle
bij het konijn genomen.

Eerst brachten wij phenol aan in een plastic ca]5sule, waarin enkele gaatjes
waren gemaakt. i)eze werd operatief ter plaatse aangebracht. Al dadelijk
kregen drie van de vijf konijnen, waarbij phenol op het ganglion stcllatum
was aangebracht, verschijnselen van posttraumatische dystrofie aan hct
achterbeen. f)rie van de \\ier konijnen, waarbij het phenol op de plexus
pelvicus was gedeponeerd kregen eveneens de symptomen aan het achter-
been, waarbij één zelfs met totale verlanuning van de achterbenen. De
methode van laedering hebben we later sterk vereenvoudigd door gebruik
te maken van phenol, opgelost in paraffine met een smeltpunt \\an 35° (\'.
Dit mengsel wordt met een Arnold-injcctor in een dosering van 30 mg
phenol per injectie aangebracht. Ook is laedcrmg van het ganglion stclla-
tum niet meer toegcyiast, omdat diffusie \\ an de ph:-nol naar de plexus
brachialis niet geheel is uit te sluiten.

De injectie op de plexus pelvicus wordt nu als volgt uitgevoerd (fig. 1 ).
Vlak vóór de voorrand van het os-pubis, juist lateraal van dc m. rectus
abdominis wordt een kleine huidsnedc gemaakt. Het subcutane bindweefsel
wordt losgeijrepareerd tot dicht bij hct ])ecten ossis pubis. Nu wordt de
stomp gemaakte injectornaald, gevuld met ]Dhenol-])araffine, door de pccs-
platen van de schuine buikspieren gedrukt en, steeds extrapcritoncaal
blijvend, hct bekkenkanaal ingeschoven. De urineblaas ligt in hel bekken-
kanaal ook extra peritoncaal. Ventraal oj) dc blaas en dc urethra bevindt
zich de plexus pelvicus, Dc naald wordt doorgeschoven tot over dit ge-
bied heen, leeggedrukt en teruggetrokken. Blijkens verrichte sectie na in-
jectie van gekleurde paraffine bleek de jjaraffine inderdaad geheel tegen
de blaasmond cn de urethra aan te li.ggen. De geleidelijke diffusie van dc
phenol zorgt nu voor laedering van dc zenuwbanen en de ganglia van dc
ple.xus jjclvicus.

Ruim 90% van dc op deze wijze behandelde konijnen (ongeveer 50) ver-
tonen nu na kortere of langere tijd verschijnselen van posltraiunatische
dystrofie. Het eerste, wat wc zien is haaruitval op fic ondervoet van hel
achterbcen, meestal op de dorsale vlakte van de metatarsus (fig, 2), Dc
haren laten los onder medeneming van de opjierlaag van de huid, Dc kaal
geworden huid is of wordt oedemateus (fig, 3) en glazig, terwijl de sterk
ovcrvulde vaten er onder doorschemeren. Regelmatig wordt de huid ook
geheel afgesloten en treedt wondvorming op (fig, 4 en 5). Dil gebied van
de veranderde huid heeft een neiging zich uit tc breiden naar dc jjhalan-
gen (vooral lateraal) en naar de zoolvlakle (vooral mediaal). Als deze
verschijnselen enige tijd bestaan, treedt in hct aangetaste been een vermin-
derde reflexiïrikkelbaarheid op, vooral goed te zien bij hct opwekken van
de spreidreflexen (fig, 10 en 11),

Deze reflexen wekt men op door cen plotselinge overstrekking van dc
achterbenen. Het dier reageert normaal met een uit elkaar spreiden van
de lenen. Bij de proefdieren blijkt deze reflex na een enkele tol vele weken
na de phenol toediening te gaan afnemen. Daar een goede reflex alleen kan
optreden op basis van een goede spierlonus, geefl hel afnemen van de
reflexprikkelbaarhcid aan, dat in het mechanisme, dat de spiertonus be-
paalt, een storing is opgetreden. Dit verschijnsel komt vermoedelijk over-

-ocr page 927-

een met het syni]nooni, dat bij de imniane posttiaiimatische dystiofie op-
ticedt. nl. de oinnacht in cle .spieren \\an de aangetaste arm.

Van de konijnen hebben wij al naar de omstandigheden zich lieten aanzien,
één tot \\ele malen biopsieën genomen uit de aangetaste huid en uit een
spier \\an het aangetaste lidmaat. Xa enig zoeken is hiervoor altijd de m.
gastrocnemius genoiueii. later zelfs steeds het mediale hoofd. Dc uitge-
werkte be\\ indingen \\ an de s]3icrbiopsieën zullen apart in de x\'olgende voor-
dracht door mc\\ rouw AV i c r t z - H o e s s e 1 s worden bcsjjroken, hier zul-
len alleen dc samcn\\ attende conclusies daaruit worden aangehaald.
De hiiidbio]3sieën leverden als eerste belanrijke resultaat ojj. dat de capil-
lairen \\ an dc subcutis sterk o\\er\\-uld waren, hetgeen oxereenkomt met het
klinisch ziclitbare oedeem en het glazige as])cct \\an de huid. In de coupes
\\ an weefsel, gekleurd volgens de methode van C h a m p y-C: o ti j a r d
(zie vooidi acht Prof. M e y 1 i n g), waarbij dus adreualine-achtige stoffen
bevattende weefselelementeu zwart worden gekleurd, blijkt dat het aantal
zwartgekleurcle zgn. autonome interstitiële cellen \\\'an C a j a 1 (.X.I.C.)
toegenomen is (fig. 6), vooral in de subciitislaag vlak tegen de huid aan
cn om de caiiillaircn (fig. 7). Tevens blijkt dat de basale laag van dc epi-
dermis soms \\ rijwel zwart gekleurd is door het o])treden \\an de granulae
in het plasma. Dit verschijnsel treedt ook bij humane patiënten herhaal-
deljik op. Hoewel sommige patiënten klagen over een overgevoeligheid
\\an de huid bij licht aanraken, hebben wij tot nu toe geen rechtstreekse
correlatie kunnen aantonen tussen deze o\\crge\\oeligheid en het o]3treden
van vele .A.I.C. juist in en onder de huid. In de huid treden ook meer zwart-
geklfurde cellen met \\-ele lange uitlo]jers naar xoreti, welke in tic literatuur
vele namen hebben, en meestal als Langeihans cellen woideii aangeduid
(lig. H en 9). Dat zij adrenaline-achtige stoffen bevatten cn zich tegelijk
met het perifere \\egetatie\\e zenuwnet kleuren is weer een nieuw as
]3ect
van deze \\ ecl besijrokeii cellen. Dat zij in verband staan met dit netwerk
en een rol s])elen bij de tastzin wordt zeer aannemelijk gemaakt door het
zeer lr(\'(|uent optreden van de Langeilians cellen iii taste]}ithc(\'I (varkens-
snuit. ijunt \\an de tong, vingertoppen mens en aap. enz.). Dat zij bij de
aangetaste ijroefdieren en bij dc humane patiënten ook meer dan normaal
o])trcden. geeft wel te denken.

In het \\erderc \\cijoop \\an de aandoening bij dc ]jroefdieren blijft het luiid-
bceld \\ rij constant. Dit komt overeen met de vondst van T h o r b a n, dat
bij dc patiënten m(>t een tramna, dat tot het optreden van posttraumatische
dystrofie aanleiding zou ktmnen geven, soms na drie dagen reeds afwijkin-
gen aan te tonen zijn in de capillaire doorstroming van de huid. Patiënten
waarbij geen afwijkingen in de doorstroming optrad, kregen geen post-
traumatische dystrofie. Treedt na \\ele weken of enkele maanden bij de
proefdieren herstel in, dan is een vroeg syni]jtoom daarvan, dat de kale
huid wederom behaard wordt. Hel haar is nu donzig. Bovendien ontbreekt
de pigmentatie van de haren totaal. Het aangetaste huiddeel blijft duide-
lijk herkenbaar aan het witte donshaar. Het is daarom mogelijk enkele
foto\'s te geven van de ])redilcctie plaatsen bij een zwart konijn (fig,
12,13,14,15).

Zoals U in de voordracht \\an mevrouw AV i e r t z - H o e s s e 1 s zult horen,
vertonen de sjjierbiopsieën enige tijd na het ojnrcden van de posttraumati-
sche dystrofie ook afwijkingen. W\'c hebben nu getracht de gegevens, verkre-

-ocr page 928-

gen uit de huid- en de spierbiopsieën, samen met de macrosco]5ische waarne-
mingen in een chronoligsche volgorde te plaatsen. Daarbij zagen wij steeds
eenzelfde verloop van het allereerste optreden van de posttraumatische
dystrofie bij de konijnen.

Het eerste symptoom is de klinisch zichtbare verandering \\an de huid, het
kaal worden en het oedeem van de subcutis. Daarna treden storingen op
in het microscopische beeld van het ])crifere vegetatieve cindnct, zowel in
de huid (Krediet) als in de spier (VV i e r t z-H o e s s e 1 s). Daarna
neemt de reflexprikkelbaarheid, in het bijzonder van de beschreven spreid-
reflex af. Het merkwaardige is nu, dat het afnemen van de spreidreflex
direct is gecorreleerd met de veranderingen in de opbouw van het perifere
vegetatieve cindnet, maar dat de storingen in de motorische eindplaten
pas later optreden. Deze correlaties in positieve en negatieve zin vinden
wij hoogst merkwaardig en van groot belang voor de klinische behandeling
van de posttraumatische dystrofie bij patiënten.

Als werkhypothese voor verdere onderzoekingen zouden wij dan ook willen
stellen, dat de posttraumatische dystrofie mogelijk o]3 de \\olgende wijze
tot stand komt.

Het trauma veroorzaakt in het getroffen gebied reactie, ook in het ])laal-
selijk regulerende vegetatieve zenuwnctwerk. Is het trauma van ernstigci\'
aard, of werkt het over een langere tijd in, dan kan een toestand van ovcr-
prikkeling ontstaan, die reactie oproept in het centrale regulerende me-
chanisme van het vegetatieve systeem, o.a. gelegen in het diënccphalon.
Neemt de toestand van overprikkeling grote vormen aan, en is de getrof-
fen persoon of het ]5roefdicr constitutioneel gevoelig \\oor dysrcgulaties van
vegetatieve aard, dan kan deze overprikkclingstoestand verstoring van het
evenwicht in bepaalde verzorgingsgebieden veroorzaken, die daarvoor bij-
zonder gevoelig zijn. Hij dc mens zijn dc hand en de schouder predilectic-
plaatsen (hand-schouder syndroom), bij het konijn dc ondcr\\oct \\an het
achterbeen. De primaire oorzaak \\ an dc klinisch ziciitbare verschijnselen
is een verstoring van dc blocddoorstroming van de prcdilcctieijlaats.

Op grond van deze hypothese is elke therapie, welke een goede door-
bloeding \\ an het getroffen gebied stimuleert en een dysregulatie van het
vegetatie\\c zenuwstelsel voorkomt, juist, mits deze in onmiddellijke aan-
sluiting op het trauma wordt ingesteld.

SAMENVATTING.

Tengevolge van een traumatisch letsel treedt bij de mens soms als complicatie een
trofische storing op, voornamelijk in de arm.

De op de voorgrond tredende verschijnselen van deze post-traumatische dystrofie,
zoals pijn en zwelling, stijfheid in de gewrichten en atrofie van het subcutane weefsel,
wijzen in de richting van een storing in dc perifere vegetatieve regulatie. Al.genu\'en
wordt echter aangenomen, dat kneuzing of beschadiging van een cerpbro-.spinalc
zenuw de primaire oorzaak van dit lijden is.

Het doel, dat wij ons stelden was bij een proefdier post-traumatische dystrofie op
te wekken door het aanbrengen van laesies in het vegetatieve zenuwstelsel, vrijwel
zonder laedering van cercbro-spinale zenuwbanen. Dit is bereikt door het aanbrengen
van phcnol op dc plexus pclvicus en het ganglion stellatum. In beide gevallen treedt
de dystrofie op in de achterbenen.

-ocr page 929-

SUMMARY,

In human subjects, traumatic lesions occasionally give rise to i omplications consisting
of trophic disturbances mainly in the arm.

The presenting symptoms of this traumatic dystrophy such as pain and swelling, stiff-
ness of the joints and atrophy of the subcutanoeus tissues, suggest a disturbance of
the peripheral autonomic nervous regulation. Contusion of or damage to a cerebro-
spinal nerve is, however, commonly believed to be the primary cause of this con-
dition.

The object of the present author was to induce traumatic dystrophy in an cxp<-rimen-
tal animal by producing lesions of the autonomic nervous sy.Uem, virtually without
injury to the nerve fibres of the ccrebro-spinal system. This was accomplished by
applying phenol to the pelvic plexus and stellate ganglion. In either case, dystrophy
will occur in the hind legs.

RKSUMÉ.

Par suite d\'un accident traumatique un trouble trophique se produit parfois comme
complication chez l\'homme, surtout dans le bras.

Li\'s symptômes dc cette dystrophic post-traumatique qui s\'imposent, comme la dou-
leur et la tuméfaction, la rigidité dans les articulations et l\'atrophie dans les tissus sub-
cutanés, font croire à un dérangement de la régulation végétative périphère. On
accepte cependant généralement que la contusion ou la lésion d\'un nerf cérébro-
spinal est la cause primaire de cette souffrance.

Le but que nous nous sommes proposé a été de provoquer chez un aninuil d\'expé-
rience une dystrophic post-traumatique en produisant des lésions dans le système ner-
veux végétatif, à peu près sans léser les nerfs cérébro-spinaux, par l\'application de
phénol sur le plexus pelvien et le gan.glion stellaire. Dans les deux cas la dystrophic
se produit dans les extrémités de derrière.

ZUSAMMEiNFASSUNG.

.Ms Komplikation infolge einer traunuitischen Verletzung tritt beim Mens< hen
manchesmal eine trophische Störun.g, besonders im .Arm auf. Die auf tien Vorder-
grund tretenden Erscheinungen dieser post-trauinatischen Dystrophie wie Schmerz
und Anschwellung, Steifheit in den Gelenken und .Atrophie des s\\ibkutanen Gewebes
weisen in die Richtung einer Störung der p<-ripheren vegetativen Regulierung. .All-
gemein wird jedoch angenommen, dass Quetschung oder Beschädigung eines cerebro-
spinalen Nervs die primitive Ursache dieses Leidens ist.

Das gestellte Ziel war: bei einem Versuchstier durch .Anbringen von Läsionen im
ve.gctativen Nervensystem, jedoch unter rnö.glichster Vermeidung einer Verletzung
der cerebro-spinalen Nerven bahnen, eine post-traumatische Dystrophie zu erzeugen.
Dies .gelang durch .Aufbringen von Phenol auf den Plexus ])elvicus und dem Gan.glion
stellatum. In beiden Fällen trat Dystrophie in den Hinterbeinen auf.

-ocr page 930-

Fig. 1.

De injectie van phenol-parajfine op de plexus pelvicus. H.^t ventrale deel van de
bekke ngordel is veiicijdeid.

F,g. 2.

}l aar uit val op de dorsale vlakte van de ondervoet.
Fig. 3.

De kale huid is oedemateus.

Fig. 4 en 5.
In de kale delen zijn wonden ontstaan.

-ocr page 931-

Fig. 6.

In de subcutis, dicht tegen de epidermis aan liggen vele zivart gekleurde, interstitiële
cellen. De capillairen zijn verwijd (—*). (C h a ni p y-C o u j a r d-preparaat).

Fig. 7.

Detail uit fig. 6. Om de wijde capillairen (C) en tegen de epidermis liggen inter-
stitiële cellen. De uitlopers dringen de huid binnen.

Fig. 8.

Overzicht van huid en subcutis van een konijn. De cellen :<nn de basale laag (—*)
bevatten zwarte granula (C h a rn p y-C o u j a r d-preparaat).

Fig. 9.

Detail uit fig. 8. De uitlopers van de interstitiële cellen dringen ver door in de epi-
dermis (^)j terwijl een Langerhans\' cel (L) met zijn uitlopers vrijwel de oppervlakte

bereikt.

-ocr page 932-

fig. 10 en II.

De sp! eidrefle.x vóór (10) en na (11) dtukve-rhoging op het onderbeen.

Fig. 12 en 13.

De predilectieplaatsen zijn goed le herkennen aan Ihel teil geregenereerde don.haar
op de aangetaste huidgedwellen.

-ocr page 933-

l-\'ig. 14 en 15.

De predilectieplnatsen zijn goed te herkennen aan het wit geregenereerde don.Ouuir
op de (uingetdste huidgedeelten.

-ocr page 934-
-ocr page 935-

Veranderingen in de innervatie van dwarsge-
streepte spieren bij posttraumatische dystrofie.

Changes in the innervation of transversely striated
muscles in f)ost-traurnatic dystrofyhia.

door E. L. M. J. WIERTZ-HOESSELS1)

Uit hel Instituut voor Anatomie van de Faculteit der Dier-
geneeskunde,

1 )(■/(\' \\ ooidracht liandelt o\\cr een gcdecltt- \\ an de onderzoekingen, welke
in
U-aniverliand met Prof, Dr, [, F. Folkerls (Neurologische afdeling
van dc \\\'rijc L\'nivcrsitcit \\an .\\nisterclaui, Valcriusklinick) en Dr, P,
K r edict (X\'ctcrinaire Anatomie, Utrecht) worden \\erricht. Het onder-
zoek wordt gesteund door cen sulosidie \\an de Xcdcrlandse Organisatie
\\oor Zui\\er Wctcnschaijpclijk Onderzoek.

Zoals bekend worden cKvarsgcstrec])tc s]jieren zowel cercbro;]3inaal als \\cge-
taticf gcïmicrxciTcl, Tot dc eerste categorie behoren de motorische eind-
platen die \\oor contractie zoigcti, en de spicrspoclen. Deze laatste worden
hier buiten beschouwing gelaten. De \\egetatie\\e of autonome iimcr\\atie
\\ indt in hoofdzaak ])laats \\ ia dc capillairen. Zoals Prof. M c ij 1 i n g heeft
uiteengezet, worden cle organen niet direct gcïnncrvccrd door dc post-
ganglionairc ortho- en jjarasympathischc vezelen, maar \\ia een tussenge-
schakcld netwerk \\\'an interstitiële cellen \\an C\'a j a 1, Dit zijn kleine, jjri-
miticve ganglicncclictjcs met lange, \\ariciucuzc uillopers. Met zijti clan ook
dc/c cellen, die om dc ca])illairen voorkomen cu waarvan de uitlopers de
haarvaten over grote afstanden omwinden. Soms komen deze interstitiële
cclleu \\an (\'. ajal (,\\,I,C\\) ook ,,zelfstandig" om dc spieixezelen voor.
Ook in cle wanden \\ an dc grote vaten worden zjj aangetroffen.

Om de veranderingen in iuncivatic bij posttraiuuatische dystrofie (P.T.D.)
na tc gaan, hrbbcu wij ons (-ncizijds bediend van dc klassieke zcnuwklcu-
lingcn als zil\\crim])rcgnatic, \\italc methyleenblauw- eu goudchloiiclc-
klciuing, anclcizijcis \\an histochcmische methoden.

Van deze laatslcn passen wij in dc le plaats dc cholinestcrascicactic van
Koelie in dc modificatie \\ an G c r c b i z o f f toe. Met deze icchnick kan
men een beeld krijgen \\ an dc plaatsen, waar cle zciuiwpi ikkclo\\\'crclracht
lot stand komt \\ ia acetylcholine, Hct is ingewikkeld om deze stof zelf aan
tc tonen, maai\' hct enzym dat hct acctylcholinc helpt hydroliscrcn, is \\rij
eenvoudig aantoonbaar,

In ons onderzoek is dc cholincrgischc innervatie \\ an cle eind]3lateii belang-
rijker clan die \\ an dc capillairen. Wordt met cle gebruikelijke zcnuwklcurin-
gen cen positief bcclcl van dc motorische cindplaten verkregen (d,w,z, het
axoplasma kleurt zich), met dc cholincstcrascri\'actic krijgt men een nega-
tief beeld, Hct enzym ligt nl, in hoofdzaak opgehoopt aan de s]jicrzijclc van
hct uicmbraan-com])lcx (clc o\\ crclrachtsstof moet na dcpolarisatic van de
membraan worden afgebroken), zodat cle buiten-omtrek \\an dc cind]5laat
gemarkeerd wordt,

1  Mevr, Dr, E. L, M. J, Wicrtz-I Ioi-s,scls, wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de
Rijksuniversiteit te Utrecht: Bckkerstraat 141, Utrecht,

-ocr page 936-

Een motorische cindplaat (fig. 1) bestaat uit een zciuiw- en een sjjicr-
com])onent. Kort vóór dc cind]3laat wordt liet axon mergloos (merg-arni),
en tenslotte vertakt het zich in een aantal sleuven in het zooiplasma. Dit
laatste is een cyto])lasma-o]jhoping, waarin geen myofibrillen liggen eii
waarin grote kernen \\oorkomen („noyaux fondamen taux"). De axon-
menibraan en dc si)icrniembraan staan met elkaar in verbinding onder
vorming van cen com])lex membraansysteem. Aan dc randen \\ an de sleu-
ven worden lamellen gevormd, welke het subneuraal-ap])araat \\ an Cl o u-
t e a tl X worden genoemd. Elke diersoort lu-eft een min of meer eigen,
typische \\ orin \\ an subncuraal-a]3paiaat. Met de cholincstcrasereactie wor-
den de sleu\\en, maar \\ooral de lamellen gekleurd (fig. 2). De reactie
maakt gebruik \\an het feit, dat acctylthiocholine dat aan het substraat,
waarin dc coupes gebracht worden, is toegevoegd, gemakkelijker door het
acetvlcholincsterase wordt gehyclrolyseerd dan het in de spier aanwezige
acctylcholinc.

De tweede door ons gebruikte histochemischc methode is de reactie \\aii
C; h a 111 ]5 y-(; O tl j a r d, gemodificeerd door Maillet, Met deze tech-
niek worden adrenalinc-achtigc stoffen zwart gekleurd. Men kan dus hiermee
het postganglionaire orthosympathische systeem markeren. In ons onder-
zoek komt liet erop neer, dat men de cai)illair-inner\\atic kan aantonen.
Dc tcchniek is Ijijzonder ceiuoudig: de kleine verse wccfselstukjes komen
in cen mengsel \\ an ()s()4 eii ZnJ: de fixatie is tevens de kleming.
De waarde \\an de vitale methyleenblauwklciiring (volgens C o i\'r s en
W O o 1 f) en de goudchloridcklcuring (\\olgeiis Cï a i r n s) voor een onder-
zoek naar dc pathologie \\an motorische cind])laten. is o.i. betrekkelijk du-
bieus.

Om dit tc illustreren worden enkele motorische eindplaten afgebeeld, ge-
kleurd met dc intravitalc mcthylccnblauw methode. Het axon en zijn \\cr-
takkingcn zijn alleen zichtbaar. Fig. 3 is cen eindplaat \\ an cen normaal
konijn, fig. 4 \\an cen konijn met dystrofic. Hoewel dc \\orni hiervan al-
wijkt \\an het normale beeld hij is minder regelmatig —, is het verschil
slechts gering. Ook fig. 5 laai twee (jathologischc eindplaten zien. Bovendien
ziet men in één der axonen aanzwcllingen, een verschijnsel dat C. o ë r s cn
Wool f als ..axonic swcllings" beschrijven, cn dat in allerlei ])athologischc
omstandigheden voorkomt,

In fig. 6 ziet men cen motorischc eind|)laal, gekleurd met dc goudchloridc-
technick. De sleuven zijn duidelijk zichtbaar, terwijl ook de zoolkerncn
enigszins niccgcklcurd zijn, Fig, 7 tenslotte zijn motorische eindplaten \\an
cen dystrofischc sjjicr. Evenals in dc methyleenblauw])re]3araten ziet men
hier een iets minder regelmatige verdeling van het axoplasma in de mo-
torische eindplaat.

Het verschil tussen normale cn jiathologischc eindplaten is met deze klciir-
tcchnieken zo subtiel, dat het in de jjraktijk niet erg bruikbaar is. Zowel met
de
Cholinesterase- als met dc C h a m p y - C: o u j a i" d reactie zijn dc ver-
schillen \\ ecl evidenter en de gegevens meer gedetailleerd. De eerste kleurin-
gen passen wij slechts nu en dan toe als aanvttlling, en tevens omdat zij in
de literatuur nog veel gebruikt worden.

De normale motorische eind])laat \\ an dc mens (fig. 8 en 9) bestaat uit ccn
wisselend aantal korte sleuven met een onregelmatig subneuraal-ap])araat,
opgebouwd uit o\\erwegend lange lamellen. Oj) .sommige plaatsen kan men

-ocr page 937-

zien, dat de lamellen a.h.w. zijtakjes zijn \\-an de slenven. De grootte van
cle eindplaat is mede afhankelijk \\an de grootte van de spier\\ezel. Bij het
konijn heeft de normale motorische eindplaat langere sleii\\en, die veel
meer met elkaar samenhangen. De lamellen daarentegen zijn aanzienlijk
korter dan bij dc mens en zeer regelmatig (fig. 10).

Fig. 1 1 is een afbeelding van dc normale adrenergische innervatie van de
capillairen bij dc mens, fig. 12 bij het konijn. De capillairen \\ erlopen regel-
matig langs de spiervezels. Soms ziet men cellichamen \\an .A.I.C:., soms
lu\'t s]jiraal\\oruiig verloop \\ an lum uitlopers.

In fig. 13 ziet men een perica])illaiie .A.I.C. van een patiënt vergroot.
In s|)ierbiopsieën \\ an een drietal patiënten van Prof. F o 1 k e r t s met post-
traumatische dystrofie viel ons op. dat het regelmatige beeld van de vege-
tatieve adrencrgische innerxatie volkomen verstoord was. Ook de spier-
vezels bleken gedegenereerd te zijn en gedeeltelijk vervangen door bind-
weefsel. Er komt een groot aantal zwarte celelementen in \\oor (fig. 14),
die gerekend moeten worden tot de .A.I.C. en in tegenstelling tot het nor-
male geval, meestal geen contact hebben met de capillairen. Dergelijke
cellen hebben vaak een grotere diameter dan de klassieke .A.I.Cl. eu zij
kimnen \\reemde \\ormen aannemen.

Wij hebben de indruk dat een aantal \\an deze cellen nog bezig zijn zich te
clillerentiëren. Het toenemen van zenuwelementcn bij volwassen in-
dividuen door differentiatie uit ongedifferentieerde, a.h.w. embryonale
cellen, wordt wel \\akcr waargenomen. Uit het werk \\an V a n C a m p e n-
h o u t is bekend dat zcnuwelementen in het ])ancreas zich in normale
omstandigheden ontwikkelen uit eiitodermale cellen, terwijl Masson
iets dergelijks in jjathologisclie omstandigheden in het tiarmkanaal zag
optreden.

Fig. 1.5 laat zien dat dc genoemde zwarte cellen soms klassieke .A.I.C.. zijn
met rijk vertakte, onderling samenhangende uitlopers, die variqueus kun-
nen zijn. Hoewel enkele van deze celuitlo[;crs hier contact maken met een
ca|)illaii, \\ormeii zjj niet dc gebruikelijke cai^illair-innervatie.
Ook in lig. IG komen normale .A.I.C^. in het bindweefsel voor. Elders ziet
men pericapillaire en iierivasculaire .A.I.C.. In deze afbeelding ziet men
duidelijk de onregelmatigheid van de spiervezels. In de bio])sie van dezelfde
]3aliëiit werden ook zwarti\' cellen van een enigszins ander ty])e aangetrof-
leii: lig. 17 en 18. Naar onze mening zijn dit nerveuze elementen, beïioren-
de tot de categorie \\-an interstitiële cellen \\an Cajal, welke echter alleen
in pathologische omstandigheden voorkomen.

Ook fig, 19 toont een dergelijke cel, die ditmaal een granulaire cytopla,sma
inhoud heeft. Dergelijke cellen vond Prof. M e ij 1 i n g ook met de vitale
mcthyleenblauvvkleuring in noniiale weefsels. Fig. 20 laat nog eens een an-
dere vorm zien. De uitlopers \\ an deze cellen maken contact met jjericapil-
laire .A.I.Cl. en ook onderling kunnen zij uitgebreide netwerken vormen
o\\-er de op])ervlaktc van de spiervezels (fig. 21).

Hij deze drie neurologische patiënten is in één oogsopslag duidelijk, dat de
adrenergische inner\\atie een volkomen abnoniiaal beeld te zien geeft. .Aan-
vankelijk verwachtten wij dan ook, dat de cholinestcrasereactie slechts beel-
den van sterk gereduceerde eindjjlaten aan het licht zou brengen.
De resultaten vielen echter mee; weliswaar waren de meeste motorische
(\'indplaten gedegenereerd, maar toch in veel mindere mate dan de afwijken-

-ocr page 938-

de adrenergische innervatie deed vermoeden. In de figuren 22 t.m. 26
worden een aantal \\an deze eindplaten gedemonstreerd.
Uit de coupes, welke gekleurd worden met haematoxyline-eosine (H.e.)
en carmaluin. bleek dat ook de spiervezelen een minder pathologisch as-
])ect hadden dan men zou verwachten na de C h a m j) y-C o u j a r d-
heelclen. Daarentegen werden met elektroniyografisch onderzoek wel de-
gelijk sterke afwijkingen ge\\onden. De functiestoornissen corresponderen
in dit geval dus met de sterk abnormale adrenergische innervatie. niet met
de toestand van de motorische eindplaten.

Zoals door Dr. Krediet is uiteengezet, hebben wij bij een groot aantal
konijnen P.T.l). opgewekt door het ganglion stellatum of — bij voorkeiu\'
de plexus pelvicus met ]jhenol te prikkelen. Gezien het klinische beeld
zou men de sterkste afwijkingen in cle huid \\erwachten, in de spier veel
ininder. Het omgekeerde bleek het geval te zijn. Bij de eerste proefdieien
wachtten wij geruime tijd met het uitnemen \\an spierbiojjsieën, zodat dus
de dystrofie al langers tijd bestond.

Wij vonden in de met H.e. en carmaluin gekleurde coupes meer of minder
afwijkende spiervezels. Met dc Cholinesterase reactie werden afwijkende
motorische eindjjlaten gevonden, terwijl in dc C h a m ]) y - C o u j a r d
preparaten een abnormale adrenergische innervatie werd aangetoond. Fig.
27 is ccn voorbeeld van sterk degeneratieve veranderingen in dc spieren, er
komt veel vctweefsel \\oor. bindweefsel met groie vaten, de spicr\\ezcls zijn
onregelmatig en hebben geen egale consistentie. In fig. 28 is op dwars-
doorsnede le zien, dat de spiervezels vacuolair zijn. Fig. 29 toont ccn
Cholinesterase coupe, nagcklcurd mei carmaluin, waarin het onregelmatig
\\-erloop \\an de spiervezels te zien is. Rr komen cholinergisch geïnnervcerdc
capillairen voor. maar ook positieve manchetten om de s])iervezels. Dit
\\erschijnscl zien wij herhaaldelijk o|3treden bij diverse neurologische aan-
doeningen. Dc motorische eindplaten zijn hier \\rijwcl allemaal als zwarte
nio[>pen zichtbaar en cr heeft diffusie plaatsgevonden.

In de CUi a m ])\\ -C\'o u j a I\'el-])rcparaten vonden wij een uitges])ioken
pathologisch innervatiepalroon: fig. 30. E\\enals bij de humane ])atiëntcn
zien we rijkelijk niel-|3ericapillaire .A.I.C\'. \\oorkomcn, waar\\an de uil-
lopers netwerken vormen over de spiervezels. .A.I.f\', van het andere,
bovengcschieven type komen ook hier voor.

Met bchulj) van de cholinesterasereactic werden naast normale ook abnor-
male motorische cind|)laten gevonden: de degeneratie volgt geen vast ])a-
troon. In fig, 31 en 32 ziet men een cindplaal met gedeeltelijk intacte sleu-
\\en en lamellen, In fig, 33 treedt vervaging duidelijker o]3 dc voorgrond.
In fig, 34 zijn dc sleu\\en ramengcx locid. Lamellen ontbreken en cle zooi-
kernen zijn pathologisch qua vorm en rangschikking, In fig, 35 zijn cle
sleu\\en samengevloeid lot een boKoruiig geheel. Ook liier ontbreken dc
lamellen. In fig, 36 zijn de sleuven no,g enigszins te herkennen; er is geen
subncuraal-apparaat. Ook de zooikernen zijn gekleurd, Fig, 37 laat
enkele fragmenten van motorische eindjjlaten zien, en één te kleine maar
mogelijk normaal opgebouwde eindplaat (regeneratie?).

Bij nadere analyse van dc gege\\ens uil dc dierexperimenten, speciaal met
hel oog op dc factor tijd. bleek het wenselijk een aantal proeven tc doen,
waarbij het verloop van de storingen in inner\\atie van week tol week ge-
volgd kon worden. Uit de experimenten welke tot nog toe gedaan zijn,

-ocr page 939-

l)lijkt dat het eerste afwijkingen te constateren zijn in dc vegetatieve inner-
vatie, met name in liet adrenergische gedeelte. Pas in latere stadia worden
ook afwijkingen in de motorische cindplaten gevonden. Deze voorlopige
conclusie moet nog nader geverifieerd worden.

Momenteel kunnen wij zeggen, dat het macroscopische beeld \\an P.T.D.
en het microsco]3ische beeld van een gestoorde cajjillair iimeivatie in de
spieren samengaan. Ook het uitblijven van de s]jreidrcfle.\\ bleek hier on-
geveer mee samen te vallen. Deze .samenhang werd vooral duidelijk, toen
wij de gegevens grafisch tegen elkaar uitzetten, gerangschikt naar de lijd.
Een uitzondering op deze regel vormt één konijn, waarbij de storingen in dc
motorische cindplaten beduidend sterker zijn dan de afwijkingen in
adrenergische ca]jillair-inncrvatie. Dit bleek evenwel te wijten aan een
ncuritis, welke bij een vooiafgaande biopsie abusievelijk veroorzaakt was.
Fig. 38 t.m. 40 geven enkele s[x-cimina van motorische eindjjlaten, 5 we-
ken nadat phcnol op de plexus ]ielvicus werd aangcbiacht. Naast volkomen
intacte eind]3laten komen ook sterk gedegenereerde, vervaagde exemplaren
voor. De CMi a m p v-C; o u j a r d-preparateii tonen een gestoord beeld
(fig. 41).

Ongetwijfeld is het in een groot aantal gevallen zo, dat de vegetatieve in-
nervatie het eerst gestoord wordt, en ])as later dc motorische, ccrcbrospinalc
innervatie. .\\fwijkingen in het ccrebrosjsinale systeem ontstaan hier secun-
dair, via storingen in het vegetatieve zenuwstelsel.

Opmerkelijk is het feit, dat wij herhaaldelijk verlammingen aan de onder-
voet konden constateren, eu zelfs écmnaal volledigt- verlamming van het
achterbeen, terwijl de motorische eiud|)laten intact waren, maar dc adre-
nergische vegetatieve innervatie sterk gestoord was. Deze, op het eerste
gezicht zeer bevreemdende, gang van zaken is begrijpelijk, gezien het nau-
we contact dat ter jslaatse van de motori.schc eindplaat tussen hel cerehro-
S])inalc en het vegetatieve systeem bestaat. Om de motorische cind|)laten
blijken rijk geïnnerveerde ca])illairhissen te liggen, welke verantwoordc-
Ijjk zijn voor het „milieu intéiicur" van deze cindplaten, I\'\'ig, 42 is een
zilverpreparaat; de axoneii en hun vertakkingen zijn zwart, bij de drie
cindplaten treft men om dc o]jho])ing der zooikernen een ca|)illair aan,
Fig, 43, een C h a m p y-C: o u j a r d-pre])araat van Dr. K r e d i e t, laat
Iraai de adrenergische innervatie van de ca])illairlus, welke om een moto-
rische i\'ind])laat is gelegen, zien.

De betekenis van het vegetatieve zenuwstelsel voor het „milieu intéricm"
van de weelsels en dus van het organisme, is uitvoerig uiteengezet door
C o u j a 1 d, CJezien deze nauwe r(4atie tussen ca])illair en eindplaat is het
gemakkelijk voorstelbaar, dat pathologische veranderingen in dc inner-
vatie van deze ca|)illairen hun invloed cloen gelden o]j de motorische eind-
plaat, Zodoende /al deze niet meer normaal kunnen fimctionereii, hoewel
/ij histologisch nog volkomen intact is. Het ligt voor de hand aan te ne-
men, dat deze cincl])laten na verloop van tijd ook morfologisch zulleii ver-
anderen, Piof, M e ij I i n g kon ook elektronenmicroscopisch waarnemen,
dat in cle diepte om de motorische eindplaat ca|)illairen voorkomen; er be-
staat dus wel een zeer nauwe samenhang.

Dit onderzoek, waarmee wij reeds enigc jaren bezig zijn, zal nog verder
uitgebreid moeten worden. Enerzijds moeten een nog gioter aantal proef-
dieren op dezelfde wijze geanalyseerd worden, anderzijds moeten cr andere

-ocr page 940-

experimenten gedaan worden. Al deze gege\\ens moeten met elkaar \\cr-
geleken worden.

Wij trachten bovendien vast te stellen welk \\ erband \'ïr bestaat tussen onze
gegevens en het elcktromyografisch onderzoek. Tenslotte ligt het in onze
bedoeling ook bij dit pathologisch materiaal langs clektronenoinische weg
te trachten een beeld te krijgen van de motorische eindplaten en van dc
vegetatieve innervatie, met name van de perifere interstitiële cellen van
C a j a 1.

S.AMENV.ATTING.

Zowel bij neurolo.gische patiënten met post-traumatische dystrofic als bij proefdieren,
waarbij deze verschijnselen experimenteel werden opgewekt, worden veranderingen
waargenomen in de vegetatieve innervatie van de spieren.
De vegetatieve zenuwverzorging vindt in hoofdzaak plaats via de capillairen.
Het is gebleken dat pathologische reflexen van het achterbeen en macroscopische
verschijnselen aan de huid vrijwel op hetzelfde tijdstip optreden als de storin.gen in
het adrenergisch gedeelte van het perifere vegetatieve netwerk. Pas later kunnen ook
in de motorische eindplaten veranderingen optreden.

Degeneratie in het cercbro-spinale systeem wordt hier secundair veroorzaakt door
storingen in het vegetatieve zenuwstelsel. Verlammin,gen kunnen oprteden bij patho-
logische veranderingen in het ve.getatievc zenuwstelsel, terwijl de motorische eind-
platen nog geheel in tact zijn.

Het .geheel is aan de hand van microfoto\'s besproken.
SUMM.ARY.

Changes in the autonomie innervation of the muscles are o\'oserved in neurological
patients with traumatic dystrophy as well as in laboraty animals in whom these
symptoms are experimentally induced. The autonomic innervation of nmscle is mainly
supplied via the capillaries.

Pathological reflexes of the hindlegs and gross lesions of the skin are found vi rtually
to coincide with disturbances of the adrenergic portion of the autonomic nervous
system. Changes in the motor end-plates do not occur until later.
The degeneration of the ccrebro-spinal system is a secondary phenomenon caused
by disturbances of the autonomic nervous system. Paralysis may occur in the event
of pathological changes in the autonomic nervous system, the motor end-plates still
being completely unimpaired.

These findings were discussed on the basis of photomicrograph.1.
RÉSUME.

Tant chez les patients neurologiques ayant une dystrophic post-traumatique (jue
chez les animaux d\'expérience chez lesquels ces symptômes ont été provoqués à titre
d\'expérience, on constate des altérations dans l\'innervation végétative des muscles.
L\'approvisionnement des nerfs végétatifs se fait principalement par l\'intermédiaire des
capillaires. Il a paru que les réflexes pathologiques des extrémités de derrière et les
symptômes macroscopiques de la peau .se présentent à peu près au même moment que
les dérangements de la partie adrénergique du réseau végétatif périphérique. Ce n\'est
que plus tard que des altérations peuvent se présenter également dans les synapses
neuro-musculaires motoriques.

La dégénération dans le système cérébro-spinal est causée dans ce cas secondairement
par suite de troubles dans le système nerveux végétatif. Par suite d\'altérations patho-
logiques dans le système nerveux végétatif, des paralyses peuvent se produire tan-
disque les synapses neuro-musculaires motoriques l\'estent encore entièrement intactes.
L\'ensemble a été discuté à l\'aide de microphotographies.

-ocr page 941-

ZUSAMMENFASSUNG.

Sowohl bei Patienten mit post-traumatischer Dystrophie, als auch bei Versuchstieren,
bei denen diese Erscheinungen experimentell hervorgerufen wurden, wurden Ver-
ändcrun.gen in der vegetativen Innervation der Muskeln wahrgenommen.
Die vegetative Ner\\-enversorgung findet hauptsächlich über die Kapillaren statt.
Es zeigte sich, dass pathologische Reflexe des Hinterbeins und makroskopische Er-
scheinungen an der Haut nahezu zur gleichen Zeit mit den Störungen im adrener-
gischen Teil des peripheren ve.gctativen Netzgewebes auftreten. Erst später können
auch in den motorischen Endplatten Veränderungen auftreten.

Degeneration im cercbro-spinalen System wird hier durch Störun.gen im vegetativen
Nervensystem sekundär veranlasst. Lähmungen können bei pathologischen Vcrände-
run.gen im vegetativen Nervensystem auftreten, während die motorischen Endplatten
noch vollkommen intakt sind.

Das ganze Thema wurde an Hand von Mikrophotos erörtert.

-ocr page 942-

V » f.

* -J

4 ^

/y

64

-ocr page 943-

Fig. 1. Schematische tekening van een motorische eindplaat, naar C o u t e a u x.

a = axon, b = mergschede, c = sleuven, d — subneuraalapparaat,
e = spiervezel, f — zoolplasma, g = zooikernen, h = mitochondriën,
i = Schwann-kernen.

Fig. 2. Cholinesterase preparaat van een motorische eindplaat van de kat. Rijk
vertakte sleuven en een fijn, regelmatig subneuraalapparaat. Het perifere
deel van het axon is cholinesterase-positief. Op de basis van de sleuf lopen
de lamellen door.

Fig. .3. Normale motorische eindplaat van het konijn. Intravitale methyleenblauw-
kleuring.

Fig. 4. Motorische eindplaat van een konijn met posttraumatische dystrofie
(P.T.D.). Intravitale methyleenblauwkleuring.

Fig. 5. Als fig. 4. Bij de pijl: „axonic swellings".

Fig. 6. Normale motorische eindplaat met goudchloridekleuring.

Fig. 7. Motorische eindplaat van een dystrofische spier. Goudchloridekleuring.
Fig. 8. Normale motorische eindplaat van de mens. Cholinesterase reactie.

-ocr page 944-

f f

> I

il.

-ocr page 945-

Fig. 9. Normale motorische eindplaat van de mens. Cholinesterase reactie.
l\'ig. 10. Normale motorische eindplaat van het konijn. Cholinesterase reactie.

l\'ig. 11. Normale adrenergische capillair-innervatie bij de mens. C, h a m p y-
C
O u j a r d-kleuring.

Fig. 12. Normale adrenergische capillair-innervatie bij het konijn. Bij de pijlen:
cellichamen van interstitiële cellcn van Cajal (A.I.C.). C h a m p y-
C
O u j a r d-kleuring.

Fig. 13. Pericapillaire interstitiële cel bij dc mens. C h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

l\'ig. 14. Abnormale adrenergische innervatie bij een patiënt met F.\'l\'.D. h a rn p y-
C O u j a r d-kleuring.

l\'ig. 1.5. Niet-pericapillaire A.I.C,\'. bij posttraumatische dystrofie. Bij pijl een ca-
pillair. C h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

Fig. 16. Vrij in het bindweefsel voorkomende A.l.C. bij posttraumatische dystrofie.

Bij pijl: pericapillaire en perivasculaire A.l.C. Onregelmatige spiervezels.
C h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

-ocr page 946-

22

-ocr page 947-

Fig. 17. t.m. 21. Verschillende typen van interstitiële cellen van C a j a l, welke bij
P.T.D. gevonden worden. C h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

Fig. 22 t.m. 24. Abnormale motorische eindplaten van een patiënt met P.T.D.
Bij pijl: intacte sleuven en lamellen. Cholinesterase reactie.

-ocr page 948-

/

S.

-ocr page 949-

25 en 26. Abnormale motorische eindplaten van een patiënt met P.T.D.
Bij pijl: intacte sleuven en lamellen. C.holinesterase reactie.

h\'ig. 27 en 28. Haematoxyline-eosine preparaten van gedegenereerd spierweefsel bij
P.T.D.

Fig. 29. Onregelmatige spiervezels, en een pathologisch cholinergisch innervatie-
patroon bij P.T.D. Bij pijl: motorische eindplaten. Cholinesterase reactie.

l-\'ig. 30. Pathologisch adrenergisch innervatiepatroon bij ht^t konijn. C h a m p y-
C
O u j a r d-kleuring.

Fig. 31 en 32. Pathologisch veranderde motorische eindplaten van konijnen met
P.T.D. Bij pijl: intacte sleuven en lamellen. Cholinesterase reactie.

-ocr page 950-

»

34

33

35

r i

.e

f

37

38

-ocr page 951-

l\'ig. 3,3 t.m. 36. Pathologisch veranderde motorische eindplaten van konijnen met
P.T.D. Bij pijl: intacte sleuven en lamellen. Cholinesterase reactie.

l\'ig. 37. Veranderde motorische eindplaten bij een konijn met P.T.D. Bij pijl: een
weliswaar te kleine, maar normaal opgebouwde eindplaat. Cholinesterase
reactie.

Fig. 38. Normale motorische eindplaat van een konijn met P.T.D., 5 weken na
phenol-injectie. Cholinesterase reactie.

Fig. 39 en 40. Gedegenereerde eindplaten uit dezelfde biopsie als voorafgaande af-
beelding. Cholinesterase reactie.

-ocr page 952-

Fig. 41. Overzichtsjoto van gestoorde adrenergische innervatie van hetzelfde proef-
dier. C h a m p y-(: o u j a r d-kleuring.

Fig. 42. Motorische cindplaten, omgeven door capillaire?! (bij pijl). Zilveriiii pi eg-
natie volgens B
0 d i a n.

I\'ig. 43. Adrenergische innervatie van een capillairlus om een motorische eindplaat.
(: h a m p y-C o u j a r d-kleuring.

\' »"»Cf.

-ocr page 953-

Enkele oorzaken van afv/ijkende ejaeulafen.

Some causes of deviating ejaculates.

door J. HENDRIKSE1)

Uit de Kliniek voor Verloskunde en Gynaecologie van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

Inleiding.

Worden enkele keren na elkaar afwijkende ejaculaten verkregen, niet-
tegenstaande een juiste verzaineltechniek, dan moet aan een ziekelijke
toestand van het genitaalajiparaat worden gedacht.

De afwijkende ejaculaten kunnen ontstaan door een afwijkende of ont-
brekende Spermatogenese, door fouten in het afvoerende systeem, of door
een abnormale bij\\oeging.

Een abnormale Spermatogenese kan zijn aangeboren (bij hypoplasie) of
verkregen door dc een of andere vorm van degeneratie. Degeneratie kan
door vele oorzaken ontstaan, zoals koorts, honger, abnormale hormoon-
regulatie, chronische ziekten (bijv. diabetes, nefritis, levercirrhose, kanker,
vctnecrose), intoxicaties, psychische invloeden, röntgenbestraling, veneuze
stuwing (variocele), orchitis en epididymitis. Ook vedioogde temperaturen
(export naar warme landen
I kunnen nadelig werken.
De fouten in het afvoerend systeem kunnen ontstaan door het ontbreken
van bepaalde delen (aplasie), door ontsteking, vergroeiing of door tu-
moien. Door een \\an deze oorzaken kan dus worden verhinderd, dat het
sjjcrma op dc normale wijze wordt afgevoerd. Ook een onjuiste innervatie
\\an de ductus deferens of urethra of een slecht functioneren van de m.
s[jhincter vesicae kan het produceren van een noiinaal ejaculaat verhin-
deren. Abnormale bijvoegingen kuimen een nadelige invloed hebben ojj
de beweeglijkheid en het bevi uchtend vermogen \\an de spermiën.
Om een diagno.sc te kunnen stellen, dient na het opvragen van een uit-
\\oerige ananuicsc, een onderzoek te worden ingesteld naar de klinische af-
wijkingen, het sperma en het kiemepitheel (biopsie). Het kan gewenst zijn
om voor het spermaonderzoek de normale dekfrequentie aan te houden.
Daar het mij te ver zou voeren alle oorzaken en de verschillende graden
waarin de diverse afwijkingen kunnen optreden te bespreken, heb ik ine
bepaald tot enkele grepen uit deze materie en in het bijzonder tot de af-
wijkingen \\an de testes.

Uitwendig onderzoek.

In verschillende gevallen kan bij een fertiliteitstoornis de diagnose reeds
door een klinisch onderzoek worden vastgesteld. Bij het onderzoek van de
testes en epididymides wordt gelet op de grootte, symmetrie, vorm, ligging
en turgor (conditie van gevuld zijn).

Bij een stier is de gemiddelde lengte van de testikels 12 cm en de door-
snede 6 cm. Deze maten mogen nog enkele centimeters kleiner zijn. Tussen
beide testikels mag het verschil in lengte niet groter zijn dan 1 cm. Bij een

1  Dr. J. Hendrikse, wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniversiteit tc
Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 954-

te grote asymmetrie, moet ondanks de produktie van normale ejaculaten,
rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat deze dieren eerder
voor de fokkerij uitvallen. Het gewicht bedraagt 250-300 gram.
Een afwijkende ligging van de testikels komt bij de herkauwers het meest
voor. Elke afwijking van de verticale stand is ongewenst. Hoewel er dier-
soorten zijn met rond-ovale testikels, mogen deze bij de diersoorten waar
de vorm uitgesproken ovaal is, niet te rond zijn. Aan de andere kant zijn te
langgerekte vormen ook niet gewenst. Bij deze afwijkingen kan n.1. eerder
een storing in de Spermatogenese optreden.

Aan de turgor van de testikels moet ook aandacht worden besteed. Oudere
dieren hebben onder normale omstandigheden iets vastere testikels, door-
dat meer interstitieel bindweefsel aanwezig is. Een verschil in turgor tussen
de beide testikels is niet gewenst.

Ook bij de epididymis zijn klinisch vaak op eenvoudige wijze afwijkingen
te constateren, die zowel betrekking kunnen hebben op een aplasie als op
een afwijkende turgor, tumorvorming, ontsteking enz.
Aan de scrotaalhuid moet de nodige aandacht worden besteed, daar een
goede huidfunctie van veel belang is voor de thermoiegulatie. Verwon-
dingen van de scrotaalhuid moeten met grote nauwgezetheid worden be-
handeld, daar ontsteking zoveel mogelijk moet worden voorkomen.
Bij een peritonitis kan via de tunica vaginalis propria, een ontsteking in
het scrotum ontstaan. Zo\'n ontsteking (Periorchitis) veroorzaakt niet al-
leen een temperatuurstijging, maar ook een vergroting van het scrotum.
Na genezing kunnen adhesies tussen de tunica, scrotaalwand en de testis
worden geconstateerd. Indien deze klein en dun zijn, kunnen ze alleen
bij de sectie worden gevonden; deze dunne brides hebben geen praktische
betekenis.

De aanwezigheid van varices in de plexus panipiniformis of hematomen
in of in de nabijheid van het scrotum, kunnen een nadelige stuwing en
temperatuurstijging in het scrotum veroorzaken. Om dezelfde reden kun-
nen irriterende stoffen op de scrotaalhuid zeer nadelig werken.

Hypoplasie.

De belangrijkste aangeboren afwijking is de hypoplasie. Dit gebrek komt in
de regel tweezijdig voor en daar de hiermee behepte dieren geheel of bijna
geheel steriel zijn, is het met het oog op de verspreiding van weinig belang.
Bij het eenzijdig voorkomen is deze mogelijkheid van verspreiding wel
aanwezig, zodat de nodige aandacht hieraan moet worden besteed.

KLINISCH BEELD.

De hypoplasie is vóór de [juberteit moeilijk aantoonbaar. Bij jonge dieren
moet gedacht worden aan het feit, dat het optreden van de puberteit per
dier kan wisselen, daar dit tijdstip kan worden beïnvloed door voeding,
omgeving en erfelijke factoren.

De aangedane testikels zijn vaak kleiner. Tussen normale testikels kan een
variatie in grootte van 4-12% bestaan, zodat het diagnostiseren van een
eenzijdige hypoplasie in verband met de grootte, moeilijkheden kan op-
leveren. (Zijn niet alleen de testikels te klein, maar bovendien het gehele
geslachtsapparaat, dan is dit een geval van infantilisme.) Een hypoplas-

-ocr page 955-

tische testikel voelt wat vaster aan en de bijbal is kleiner en zachter dan
normaal. In 70% van deze gevallen is de zaadstreng van de aangetaste
testikel te kort, zodat deze dus minder diep in het scrotum afhangt.
Bij de verschillende graden van hypoplasie komen verschillende graden
van afwijkingen voor van het germinatieve epitheel. In de regel kan gezegd
worden dat de histologische afwijking des te groter is, naarmate de testikel
kleiner is. Het ejaculaat kan kwalitatief dus variëren; het aantal spermiën
en de beweeglijkheid is altijd te gering. De libido is meestal normaal.

MICROSCOPISCH BEELD.

In de ergste gevallen is het gehele germinatieve epitheel afwezig; het eja-
culaat bevat dan ook geen spermiën en geen reuzecellen. Bij een gedeelte-
lijke remming worden echter nog wel spermatiden en reuzecellen gevormd,
die dan in het ejaculaat zijn terug te vinden. (Bij een mechanische afslui-
ting van het afvoerende systeem komen ook geen spermiën of voorstadia
in het ejaculaat.) De doorsnede van de tubuli is normaal of iets te klein.
In de regel wordt voor de gehele testikel een uniform beeld gevonden, zodat
een biopsie hier een waardevol hulpmiddel kan zijn voor het stellen van
de diagnose.

Bij een gedeeltelijke hypoplasie (dus bij een verminderde spermatogenese)
kan ook het verschijnsel van „stickiness", multipele kernspoelen en struc-
turele chromosoomveranderingen een rol spelen.

Door een cytologisch onderzoek van het proces van de spermatogenesis is
n.1. aangetoond, dat storingen in de celdeling kunnen voorkomen. De die-
ren kunnen dan steriel zijn door de produktie van zeer abnormaal sperma;
maar ook bij een ogenschijnlijk normale bouw van de spermiën kan toch de
fertiliteit zijn gestoord of kunnen abnormale nakomelingen worden ver-
wekt, die al of niet levensvatbaar zijn.

Deze storingen kunnen verkregen zijn door een degeneratie van het kiem-
epitheel of zij kunnen zijn aangeboren en dan worden teruggevoerd tot een
abnormaliteit bij de spermatogenesis van de vader. Bij dc verkregen stoor-
nissen worden degeneratieve veranderingen gevonden bij de eerste rnyo-
tische deling (reductiedeling waarbij spermatocyten II worden gevormd),
daar de spennatocyten I het eerst worden aangetast.

Bij de aangeboren afwijkingen van de spermatogenesis (de primaire sperma-
togenetische afwijkingen) zijn de afwijkingen reeds te constateren bij de
deling van de spennatogoniën in de spermatocyten.

\'l ot deze groep van afwijkingen behoort hct verschijnsel van „s t i c k i -
nes s". Hierbij wordt het delingsproces van de chromosomen geremd,
daar deze als het ware aan elkaar blijven plakken. De aangetaste dieren
leveren een waterig ejaculaat en in het centrifugaal worden vrijwel alleen
pycnotische kernen gevonden. Het aantal kan variëren van 1.700.000 tot
72.000.000 per cm^ en in de coupes zijn deze in de spermatidenlaag te
vinden. Deze afwijking is vermoedelijk erfelijk.

Een ander verschijnsel is de multipele s p o e 1 v o r m i n g. In één
kern ontstaan n.1. verschillende spoelen, die aanleiding zijn tot vorming
van reuzecellen, terwijl ook pycnotische kernen worden gevormd. Ook
hierbij is het verkregen ejaculaat waterig, waarin beide celtypen kunnen
worden aangetoond. Vermoedelijk speelt ook hier een erfelijlce factor een
rol.

-ocr page 956-

Bij de i n t r a-c h r o ni o s o in a 1 e a f w ij k i n g e n zijn de spermiën
ogenschijnlijk normaal, maar tijdens de reductiedeling is er met de chro-
mosomen en genenverdeling iets verkeerd gegaan.

Voor iedere diersoort is niet alleen het aantal chromosomen en hun grootte
en vorm constant, maar dient de verdeling van de genen over het chro-
mosoom steeds dezelfde te zijn.
Afv^\'ijkingen kunnen ontstaan doordat:

a. bij de reductiedeling bijv. twee homologe eleinenten bij elkaar blij-
ven zodat na de bevruchting in het ene geval 3 homologe elemen-
ten (trisomie) en in het andere geval slechts één (monosomie) aan-
wezig is;

b. twee niet homogene chromosomen ook gedeelten uitwisselen (trans-
lokatie) en zodoende 2 geheel nieuwe chromosomen doen ontstaan;

c. de genen zich verplaatsen over het chromosoom door een inversie.

De anomaliën van de geslachtschromosomen, die n.1. het meest voorkomen,
komen bij de puberteit tot uiting. Zo is bijv. bij de man het Klinefelter-
syndroom bekend, waarbij de man 47 chromosomen bezit, n.1. 1 x-chromo-
soom te veel (de stier bezit 60 chromosomen). Dit verschijnsel gaat ge-
paard met micro-orchidie en aspermie. Bij jongens kornt dit bij 1 0]^
300-600 geboorten voor.

Bij vrouwen komt in 30-60% van de kernen en bij 3% van de segment-
vormige leucocyten bij de rand een donker gekleurd lichaampje („drum-
stick") voor, dat bestaat uit geslachtschromatine. Bij de geslachtschroma-
tine positieve mannen kan hetzelfde worden aangetoond.
Er zijn nog vele andere afwijkingen, die alleen door cytologische studies
zijn op te sporen. De diagnose moet gesteld worden met behulp van het
elektronenmicroscoop. Daar de chromosomen alleen zichtbaar zijn tijdens
de celdeling, is het kiemepitheel voor dit onderzoek juist zo geschikt.
Voor zover bekend, kunnen de intrachromosomale afwijkingen alleen bij
het rtind overgaan van vader op zoon en dit gaat dan gejjaard met een lage
fertiliteit. Voor het verl;rijgen van een eerste informatie kan veel waarde
worden toegekend aan de afwezigheid van secundaire mannelijke ge-
slachtskenmerken.

Het histologisch onderzoek kan post-mortem of na castratie geschieden,

maar is dan alleen nog maar van wetenschappelijk belang.

Van veel meer belang kan de testis-biopsie zijn, die in de veterinaire an-

drologie maar zelden wordt toegepast. Moet bij een kostbare patiënt een

verantwoorde diagnose en therapie worden ingesteld, dan is deze operatie

noodzakelijk.

De operatie kan bij het staande dier onder lokale anesthesie of bij het lig-
gende dier met sacraal-anesthesie gebeuren. De incisie geschiedt aan dc
laterale kant van de testis, vlak onder de epididymis en gaat tot op de tu-
nica albuginea. Na hier een V-\\ormige insnijding in gemaakt te hebben
wordt van het uitpuilende weefsel een stukje afgeknipt of afgesneden. Na-
bloedingen en ontstekingen mogen niet optreden.

Orchitis.

Een orchitis kan ontstaan door trauma of door infectie, die hematogeen
of ascenderend kan zijn.

-ocr page 957-

Een ascenderende ontsteking veroorzaakt cen (intra)-tubulair proces.
O]) snccvlakte worden kleine haardjes waargenomen in de onmiddellijke
nabijheid van de tubidi of het rete testis. Bij ernstige gevallen liggen deze
haardjes door de gehele testikel verspreid; hieruit kunnen vervolgens door
samenvloeiing erwtgrote liaardjes ontstaan. Aanvankelijk steken deze hel-
der af tegen het normale weefsel; later wordt dit verschil ininder duidelijk,
tenzij de haardjes pan verkalken. Voorts ontstaan Infiltraten in dc tubuli
en treedt beschadiging van het kiemepitheel op. Microscopisch kimnen
bovendien nog rcuzecellen worden waargenomen. Als verwekker kunnen
behalve bacteriën ook virussoorlen en P.P.L.O. optreden.
De interstitiële Orchitis ontstaat hematogeen, door trauma of per conti-
nuïtatem bij een Periorchitis. Bij dit proces treden minder typische ver-
anderingen op, die diffuus of in kleine haardjes kunnen voorkomen, maar
steeds met een duidelijke perivasculaire accentuering. Voorts ontstaat een
induratie van het interstitium en een degeneratie van de tubuli.
Bij een degeneratie wordt het lumen van de tubuli kleiner door ineen-
schrompeling en zodoende wordt de basaalmembraan \\erdikt. Lichte ge-
vallen zijn moeilijk aantoonbaar, maar in de ejaculaten komen minder
spermiën voor en vacuolen kunnen worden waargenomen in de cellen, die
bij de Spermatogenese betrokken zijn. Bij ernstiger gevallen vertoont de
cou]De meer lege tubuli, terwijl het ejaculaat nog minder spermiën bevat
en het percentage afwijkende spermiën sterk is toegenomen.

Atrofie.

Dit i)roces wordt nog wel eens apart genoemd en komt primair cn zonder
ontsteking tot stand in het interstitiële weefsel. De doorsnede \\an de tubuli
is niet kleiner, maar de testikels zijn dit wel en zijn vaak ook iets weker
van consistentie. .Als oorzaak wordt een intratubulaire stuwing, een avi-
taminose, een sterke uiti)utling, een hormonale storing of een to.xinen-
cii culatie vermeld. Onder bepaalde omstandigheden is dit proces reversibel
door een regeneratie van het kiemepitheel. Uit de aard der zaak is dit al-
leen mogelijk als h.et kiemc])itheei niet volledig te gronde is gegaan.

l ibrosis testis.

Dit is een eindstadium \\ an een degeneratie of atrofie. In het interstitium
is \\eel bindweefsel ontstaan, het kiemepitheel is verdwenen en de tubuli
vertonen verdikte wanden door hyalincvorming.

Calcificatie.

Dit kan ook zeer plaatselijk ontstaan door necrose ol zaadstuwing. Het
proces is meestal bilateraal en hoeft geen nadelig effect op de fertiliteit
uit te oefenen. Röntgenologisch kunnen de verkalkte haardjes worden aan-
getoond. Rondom de haardjes zijn reuzecellen te vinden.

S.AMENVATTING.

.Afwijkende ejaculaten kunnen ontstaan door cen afwijkende of ontbrekende spenna-
togenesc, door fouten in het afvoerend systeem, of door een abnormale bijvoeging.
In deze voordracht zijn met behulp van literatuur.gcgcvens, speciaal de afwijkingen
van de testikels besproken. Ook is een aantal oorzaken vermeld, die deze afwijkingen
in de hand kunnen werken

-ocr page 958-

SUMMARY.

Abnormal ejaculates may be due to defective spermatogenesis or the absence of
spermatogenesis, defects of the ejaculatory system or abnorm il admixtures.
Particular attention is paid to changes of the testes, which are discussed on the basis
of data from the literature. In addition, a number of causes promoting these changes
are stated.

RÉSUMÉ.

Des éjaculats anormaux peuvent naître par suite d\'une spermatogcnèsc anormale ou
faisant défaut, par des anomalies dans le système abducteur ou par une addition anor-
male.

Dans cette conférence spécialement les troubles des testicules sont discutés à l\'aide
de données de la littérature. En même temps quelques causes provoquant ces ano-
malies sont signalées.

ZUSAMMENFASSUNG.

Abweichende Ejakulate können durch eine abweichende oder fehlende Sperma-
togenese, durch Fehler im .Abführsystem oder durch abnormale Beimengung ent-
stehen.

Im vorliegenden Vortrag werden mittels Literaturangaben speziell die Abweichungen
von Testikel besprochen. Auch werden eine Anzahl Ursachen erwähnt, die diesen
Abweichungen verursachen können.

LITERATUUR

Anders, G. J. P. A.: Ghromosoom-anomalieën en chromosomale ziekten bij de

mens. Ned. Tijdschr. Geneesk., 106, 2071, (1962).
Bark er C. .A. V. : Some observations on testicular calcification in bulls. Canad. J.

comp. med. and vet. Sci., 20, 37, (1956).
B e r c h t o 1 d, M. and B ö g e 1, K. : Reversibele Azoöspermie bei Bullen und plcuro-
pneumonicähnliche Organismen (P.P.L.O.).
Schw. Archiv Tierheilk., 104, 76,
(1962).

C o 1 e, H. II. and G u p s, P. T. : Reprixluction in domestic animals, vol. II. London,
(1959).

Florent, Bouters en Vandeplassche: Invlocd van virusinfecties op dc

vruchtbaarheid van runderen. Vlaams Diergeneesk. Tijdschr., 31, 69, (1962).
H aase, H. : Zur klinischen Feststellung abnormer Hodenbefunde bei Vaterstieren.

Mh. VetMed., 22, 883, (1962).
H a y, M a r y F., L i n d n e r, H. R. and M a n n, T. : Relationship between morpho-
logy and endocrincfunction of the bull testis.
IV Int. Congress Animal Repr., vol.
II,
229, (1961).

H e 11 i n g a, G.; Het onderzoek bij stoornissen in de mannclijke vruchtbaarheid.

Proefschrift Amsterdam, (1949).
H i 11, H. J. and G a s s n e r, F. H. : Testicular biopsy in the bull.
Pert, and Steril.,
6,215,(1955).

Karras, W.: Psychogen bedingte Störungen der Spermatogenese als Sterilitäts-
ursache bei einem Zuchtbullen.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 66, 153, (1953).
K n u d s e n, O.: .A caryological study of spermiogenesis in bulls. Proc. Int. Vet.

Congress, 1:2, 723. Stockholm, (1953).
Knud sen, O.: Sticky chromosomes as a cause of testicular hypoplasia in bulls.

Acta Vet. Scand., 2, 1, (1961).
K Ö n i g, H. : Zur Pathologic der Geschlechtsorgane beim Stier. A rchiv Exp. VetMed.,
16, 501, (1962).

Lagerlöf, N. : Biological aspects of infertility in male domestic animals. II Congr.
Fert. and Steril., 985, (1956).

-ocr page 959-

Laing, J. A. and Young, J. B.: Observations on testicular hypoplasia in british

cattle. Ill Int. Congress Animal Reprod., vol. II, 68, Cambridge, (1956).
Lancaster, M. C.: A survey of pathological changes in the testicles of a.i. bulls.

Ill Int. Congress Animal Reprod., vol. II, 71, (1956).
Löliger, H. C.: über die Kcimcpithelatrophien bei niänlichen Wiederkäuern.

Dtsch. tierärtzl. Wschr., 68, 517, (1961).
McDonald, L. E.; Effects of testicular biopsy on spermatogenesis and testicular

cytology in the bull. Am. J. vet. Res., 21, 767, (1960).
N i e b e r 1 e, K. und Gohrs, P.; Lehrbuch der speziellen pathologischen Anatomie

der Haustiere. Jena, (1931).
N.N.:
Modern vet. Pract., 43, 80, (1962).

Rollinson, D. H. L.: Reproductive failure in the bull. Vet. Ree. 62, 527,
(1950).

Sluis, L. van de: The systematic examination of bulls on the grounds of ferti-|
lity and the recording of the results in the pedigree herdbooks.
IV Int. Congr.
Animal Reprod.,
vol. I, 116. The Hague, (1961).
U 1 1 n e r, W.: Hodenbiopsie in der Fertilitätsdiagnostik und ihre Technik. Berl.

Münch, tierärztl. Wschr., 69, 201, (1956).
U 1 1 n e r, W.: Die Hodenbiopsie in der Diagnostik. III Int. Congress Animal Re-
prod.,
vol. II, 73. Cambridge, (1956).
V a s t c r 1 i n g, H. W.: Praktische Spermatologie. Stuttgart, (1960).

DISGUSSIE

Vraag: Dr. J. Bouw, Bennekom.

Is bij stieren ook bekend of ze kunnen bevruchten als er sprake is van afwijkingen
in hct chromosomenstelsel?

Antwoord:

Dit is van stieren bekend, daar vastgesteld kan worden dat deze afwijkingen van
vader op zoon over kunnen gaan. Bij de meeste diersoorten is dit cchter niet hct geval.

Vraag: Drs. J. H. G. Wilson, Baarn.

Is cr, naar analogie van de humane geneeskunde, iets bekend over dc immunogene
eigenschappen van sticrcsperma, die aanleiding .geven tot steriliteit?

Antwoord:

Deze eigenschappen komen zowel bij de mannelijke als vrouwelijke individuen voor.
Bij de mannelijke is het dan voor het eigen spenna en bij de vrouwelijke individuen
voor hct sperma van cen bepaald vadcrdier. Dit laatste geval is wel gevonden, maar
heeft bij de koeien geen verlaging van de fertiliteit veroorzaakt.

Vraag: Drs. J. H. ter Heege, Assen.

Is er een verklaring voor het feit dat cen anatomische afwijking aan een testikel (ab-
normale ligging) oorzaak is van een stoornis in dc functie (i.e. spermaproduktie) ?

Antwoord:

Een verklaring hiervoor is nog niet gegeven. Het is alleen enkele onderzoekers op-
gevallen, dat de spermatogenese van testikels met een afwijkende ligging eerder
wordt gestoord.

Vraag: Prof. Dr. H. A. M e y 1 i n g. Utrecht.

De horizontale ligging van de testikel bij dc stier is misschien te beschouwen als een
meer embryonale ligging. In verband hiermede zouden er ook andere storingen in dc
embryogenese te vinden zijn. De vraag is, zijn deze testikels wel eens microscopisch
onderzocht en zijn hierbij ook afwijkingen in de orgaanembryogenese gevonden?

Antwoord:

Een dergelijk onderzoek is mij onbekend.

-ocr page 960-

Ongunstige beïnvloeding van de algemene ge-
zondheidstoestand van caviae door de implanta-
tie van Hexoestrol.

Unfavourable effect of Hexoestrolimplantation on the
general condition of guineapigs.

door A. VAN DER SCHAAF1) cn F. M. HAGENS2)

Uit het Instituut voor Bacteriologie van de Faculteit der
Diergeneeskunde.

Iedere microbioloog, die naast het \\errichten van laboratoriinnwerkzaarn-
heden als taak heeft een proefdierenstal te beheren, kent de moeilijkheden
die het gezond honden van de voorraad mannelijke cavia\'s met zich mee-
brengt. De mannetjes zijn n.1. onderling zeer vechtlustig, speciaal overdag.
Tengevolge \\an het bijten worden de dieren kaal op de rug en krijgen
daarnaast ook wondinfecties.

Wij hebben getracht het vechten te \\oorkomen door de mannetjes door
middel van \\rouwelijke hormonen te castreren. Dit geschiedde door de
implantatie van de /ïexo«/ro/-tabletjcs, die vroeger in Nederland gebruikt
werden ter verbetering \\\'an de kwaliteit van gemeste haantjes. Het resul-
taat van de eerste proef was ongunstig. Weliswaar vochten de dieren niet
meer, maar ze werden niet gezonder dan de onbehandelde controle-dieren
van dezelfde leeftijdsgroep. De groei \\an de jonge behandelde dieren was
zelfs aanzienlijk minder dan bij de niet-behandelcle en na een maand ver-
loren de gecastreerde caviae veel haar en sommige werden bijna geheel
kaal. Het kaalworden begon niet op de rug, zoals bij de vechtende manne-
tjes, maar onder de buik cn schreed daarna via cle flank voort van cau-
daal naar craniaal. Vooral dc kale dieren werden mager en vele hiervan
stierven, hoewel him eetlust praktisch tot het einde normaal bleef.
De nevenstaande groc]3sfoto\'s tonen de verschillen in grootte en beharing
der gecastreerde en controlediercn zeer duidelijk.

Na de eerste proefnemingen, die in de fokstal werden uitgevoerd en waar-
bij de temperatuur der omgeving varieerde tussen 15 en 20°C., werden
dezelfde proeven gedaan in een kelder, die dag en nacht sterk geventileerd
en tevens meer of minder kunstmatig verwarmd werd. Dc temperatuur is
hierbij iets hoger en de atmosfeer droger. In deze kelder werden de dieren in
groepjes van twee geplaatst in ronde glazen ]50tten van 30 cm diameter en
hoogte, zoals die ook voor cavia\'s met proefinfecties worden gebruikt.
Rij deze wijze van huisvesten bleven de verschijnselen gelijk. Het enige
verschil met de castraten in de fokstal was, dat de caviae in de kelder een
lagere mortaliteit hadden en daar geen intercurrente infecties optraden met
Pasteurella pseudotuberculosis, Bordetella bronchiseptica, Corynebacterium
fiyogenes, Diplococcus pneumoniae
of Streptococcus zoöefndemicus, die wel
v oorkwamen bij de gecastreerde caviae in de fokstal, hoewel de niet-behan-
delde controlediercn en de voorraad cavia\'s van de fokkerij van deze in-
fecties in die tijd geen last hadden.

1  Prof. A. van der Schaaf; hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde der
Rijksuniversiteit te Utrccht; Biltstraat 172, Utrecht.

2  F. M. Hägens, dierenarts. Werkgroep Leverbotonderzoek T.N.O.; Oostbroekse-
laan 64, Utrecht.

-ocr page 961-

Nadat de implantatie van 15 mg hexoestrol zo\'n ongunstige invloed op
mannelijke cavia\'s bleek uit te oefenen werden ook proeven genomen met
implantatie-tabletten van 15 mg oestradiol. Het onderzoek werd tevens
uitgebreid tot vrouwelijke dieren. Het bleek al spoedig dat er geen verschil
was wat betreft de nadelige werking van het synthetische preparaat hexoes-
trol en het biologische product oestradiol. Ook niet wanneer de observatie-
termijn werd verlengd tot 6 maanden.

IJe volgende tabel geeft een overzicht \\an de gewichtstoe- en afname bij
mannelijke en vrouwelijke caviae, vergeleken met de gewichten van de
controledieren, die alle gedurende de obser\\ atietijd in glazen potten werden
gehouden.

-ocr page 962-

oo

NJ

c

"Zr

^

00

co

O

CTl

Ol

4i

OO

4^

IO

Ó3

O

O

O

OO

4^

4^

4^

CTi

4^

ro

IO

O

Ol

O

-t-

Ol

O-,

O

^

^

CTl

Ol

O

Ol

Ol

O

O

O

Ol

4i

4^

O

CD

CT)

O

O

O

-1-

4^

4^

O

OO

O

O

O

Oi

cn

Ol

co

OJ

Ol

Ol

O

O

4ï-

4^

CT1

CTl

oo

ro

CO

O

O

O

4-

4-

4^

Ol

ro

O

O

O

O

^

CT)

Ol

ro

O

O

ro

O

CJl

Ol

O

O

to

4^

O

O

c

Ui

Ol

4^

Ol

lO

O

5

O

O

O

Ln

Ol

Ol

4-

to

oo

CO

O

Ol

O"

Ol

4^

ro

ro

tD

CTl

O

O

O

O

cji

Ol

4^

w

O

00

O

c

O

O

OO

i

ro

4^

O

O

co

O

O

■O

^

Ol

4^

O

O

OO

ö

co

Ol

O

Ol

3

Ol

Ol

Ol

4^

0

00

00

O

oo

O

c

Ol

O

r*

Ol

Ol

4-

4^

3-

Ol

Oi

00

Ol

O

Ol

O

X

^

^

CTl

Ol

n

O

CTl

O

C

CT)

Ol

O

O

3

Ol

Ol

Ol

Ol

2

Ol

Ol

OO

ro

w

ro

Ol

Ol

O

Ol

Ol

Ol

Ol

O

lO

Ol

IO

CD

Ol

O

O

CTl

CD

Ol

O

O

4^

Ol

O

Ol

3

Ol

Ol

Ol

4-

O

to

4-

03

CO

O

O

O

r^

4^

Ol

Ol

4-

3-

OO

oo

O

03

CTl

O

O

O

X

Ol

^

CTl

Ol

O

00

O

O

4-

O

CT)

O

Ol

O

3

CD

Ol

Ol

Ol

C

to

oo

ro

Ol

Ol

O

Ol

CTl

Ol

Ol

00

O

oo

IO

00

O

O

Ol

(O

lO

CT)

CT)

O

CT.

ro

4-

O

O

IO

O

Ol

Ol

3

CTl

CT)

Ol

Ol

S

4-

CD

4^

C/1

ro

Oi

Ol

C

CT)

CT)

CTl

Ol

O-

OO

CT)

OO

to

O

Ol

O

O

£ §

2 w

3 30

3 I\'

ö) C

§ I-

w

<
O

ll
f s

2

• ??

3 3 5

?? F? \'E.

O r® M

3 3 q

S 2 O.

^ ^ n

E E- n

rT rT ö

oi

O

s

O ^

ö ~
5\' s

O O
3

S 2 è-.

3 3 n.

3 3

3<; m

X S

O

fï w

" O.

3 5:

O

3

ö
^

2\'
S\' S"

Q 8.

N
TO

^ 3

^ TO

s. ~

TO O
3 g-

CTQ

TO S
S- TO

O 3

TO O

3 3

O
<3-
TO

3

c
era

2

Ca

Oi

CA?

Het bleek dat bij de vrouwelijke ca\\iae reeds spoedig na de implantatie
\\an hexoestrol of oestradiol een sterke hypertrofie van de wand van de
cervix, het corpus en de comu uteri optrad. Het epitheel vertoonde grote
cellen met een mucoide degeneratie. De inhoud, die normaal slechts gering
is, bestond bij de behandelde vrouwelijke caviae uit aanzienlijke hoeveel-

-ocr page 963-

lieden meer of minder troebel slijm. Soms was de inhoud zelfs purulent of
verkaasd.

De tabletjes van de beide oestrogenen werden zeer langzaam geresorbeerd.
Na een periode van 3 tot 6 maanden na de implantatie werden bij een aan-
tal cavia de tabletjes geëxstirpeerd. Dit ging meestal gemakkelijk omdat
ze onder de huid voelbaar waren. Na afspoelen in aqua dest. en drogen aan
de lucht bleken de tabletjes slechts 1 a 2 mg lichter te zijn geworden. De
dagelijks geresorbcerde hoeveelheid van de actieve stof is dus rh 5 micro-
gram. Bij een proef, waarbij halve en reeds éénmaal gebruikte tabletten
werden geïmplanteerd, was er geen duidelijk verschil in effect met de dieren
die met 15 mg van het preparaat werden geïmplanteerd.
Na de exstirpatie van de geïmplanteerde tabletten herstelden de dieren
snel. De kale huid werd opnieuw behaard, het lichaamsgewicht nam snel
toe en de mannetjes werden zelfs weer vruchtbaar. Bij de vrouwtjes was
dit laatste echter niet het geval, zelfs niet na cen waarnemingsperiode van
9 maanden. De baarmoederwand bleek bij deze dieren dun en slap te zijn
geworden en de inhoud bestond nog steeds uit troebel slijm of was verkaasd.
De oorzaak van het ongunstig effect van oestrogenen op de algemene ge-
zondheidstoestand van caviae kon niet worden vastgesteld. Er waren geen
belangrijke \\erandenngen in het bloed; er was geen anemie en evenmin
vvas het evenwicht tussen albumine en globuline van het bloedserum ver-
stoord. Wat de eetlust betreft viel op, dat de gecastreerde dieren zeker niet
minder aten dan de controle-caviae. Bij een voederproef met hooi bleek
zelfs, dat in het algemeen de behandelde dieren iets meer hiervan aten
dan de controles. De onderstaande grafiek geeft een overzicht van een
proef, waarbij de caviae één keer per 2 dagen per jsot met 2 dieren 80
gram goed hooi werd verstrekt en waarbij het restant werd gewogen en bij
de berekening van de geconsumeerde hoeveelheid van 80 gram werd afge-
trokken.

Grafiek 1.

Gemiddelde hoeveelheid hooi, die door tvee cavia\'s werd verbruikt van
een rantsoen van 80 gram f)er 2 dagen.

grams
consumcd
hay

80 r

/hcxoastrol
control

70
60
50
40
30
20
10

2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 22 24 26 28 30 32 days

Average quantities of hay consumed by 2 guinea pigs of o ration of 80 grams

per 2 days

-ocr page 964-

Bij sectie van intercurrcnt gestor\\en dieren werd soms alleen cen extreme
vermagering vastgesteld, dikwijls bleken echter afwijkingen, \\eroorzaakt
door verschillende microörganismen aanwezig te zijn. Naast pnetmionie en
pleuritis werd niet zelden cen verkleefd en \\crgrocid darmconvoluut aan-
getroffen. De betreffende peritonitis was dan \\crmocdelijk uitgegaan van
een darmzweer, die geperforeerd was; bij vrouwelijke dieren ook wel van
een puridente metritis. Dikwijls werd een slijmige bloederige maaginhoud
aangetroffen met usutu\' \\an het maagslijm\\lies. Ook werd eenmaal een
grote ulcus in de galblaaswand \\astgesteld. Herhaaldelijk werd pseudo-
tubercidose, vooral van de lever, bij sectie ge\\onden. Tegelijkertijd waren
de controledieren, die in een hok vlak bij de behandelde dieren zaten,
gezond en werd ook elders in de fokstal geen pseudotuberculose bij inter-
curreiUc sterfte in die periode aangetroffen.

Niet kon worden nagegaan of de behandelde cavia\'s cen verhoogde stof-
wisseling hadden. Dc \\ermagcring, gepaaid gaande met versterkte eet-
lust, zou hierop kunnen wijzen. De rectale temperatuur werd wel bij een
groot aantal dieren gecontroleerd, doch deze was eerder lager dan hoger
bij behandelde dieren in vergelijking met die \\an de controledieren.

Discussie.

Ongunstige effecten van implantatie met oestrogene stoffen bij cavia\'s zijn
in de literatuur niet tc vinden; wel vermeldden Cl h a r 1 e s en Ni col
(1961) dat dagelijkse intraperitoneale toediening van 0,5 mg stilbocstrol
in olie bij cavia\'s een stimulatie van het rcticulo-endotheliale systeem en
cen toename van dc gammaglobulincfractie van het bloedserum tot 177%
boven normaal veroorzaakte. Zij veronderstelden zelfs dat dit een toename
zou geven \\an de resistentie tegen bacteriële infecties. Verder hebben
\\V r i g h t cn Seebold (1958i waargenomen, dat cen verontreiniging
van cavia-i)cllcts met sporen stilbocstrol. dic bij dc fabricage was ontstaan,
aanleiding heeft gcge\\en tol steriliteit bij \\rouwclijke dieren. Deze auteurs
vermeldden ccliter niet de hier beschreven kaalheid, vermagering cn ver-
mindering van resistentie tegen infecties \\an dc huid en slijmvliezen.
De beschre\\en proeven hebben duidelijk aangetoond, dat behandeling met
oestrogene stoffen, zoals dat bij jonge nut-huisdieren, zoals broiler-kuikens,
mestkalveren en dito stieren, ossen, \\arkens en schapen \\eelvuldig is
verricht ter verkrijging van meer cn duurder vlees, bij cavia\'s een beslist
nadelig effect heeft. Men zal dus zeer voorzichtig moeten zijn met toe-
passing van dergelijke behandelingsmethoden bij dieren en mensen in het
algemeen en vooral cr rekening mee dienen tc liouden, dat onvrucht-
baarheid dikwijls wel op cen eenvoudige wijze valt te bereiken doch dat het
uiteindelijke resultaat voor de algemene gezondheid wel eens ongunstig kan
zijn.

S.AMENV.ATTING.

De subcutane implantatie van tabletten van 15 of 7yi m.c; hexoestrol en het natuur-
lijk oestrogen oestradiol veroorzaakte bij jonge mannelijke en vrouwelijke cavia\'s ccn
sterke groeivertraging.

Bij beide geslachten trad tevens symmetrisch op de flanken cn tenslotte over het
gehele lichaam, behalve op de kop, kaalheid op. Ook werd een verminderde weer-
stand van de huid en slijmvliezen vastgesteld tegen bacteriële infecties.

-ocr page 965-

Bij beide geslachten ontstond volledige onvruchtbaarheid, hoev/cl er dagelijks slechts
± 5 microgram van het oestrogeen werd geresorbeerd. Bij de mannetjes herstelden
de vruchtbaarheid, de groei en de kaalheid zich na exstirpatie van de tabletten.
Ook bij de vrouwtjes kwamen de groei en de beharing terug. Dc laatste bleven echter
onvruchtbaar doordat de baarmoeder veel te groot bleef doordat de uteruswand haar
contraherend vermogen verloren had.

SUMM.ARY.

Subcutaneous implantation of 15 or 7/2 mgr. tabloids of hexoestrol and the natural
oestrogen oestradiol in male and female guinea pigs caused in young animals a con-
siderable decrease in growthrate. In both sexes the skin became bare under the belly
and syrrunctrical on the sides, and in the treated animals a decreased resistance against
bacterial infecdons of the skin and mucous membranes has been demonstrated.
In both sexes total sterility has been established notwithstanding only 5 micrograms
of the CH-strogens have been resorbed daily. In the males the fertility, growthrate and
baldness were restored after cxstirpation of the tabloids. Also in the females the
baldness disappeared and the growth became normal. These animals did not become
fertile because the wall of the uterus had lost its elasticity.

RÉSUMÉ.

L\'implantation souscutanée de comprimés de 15 ou de l^-i m.? d\'hexoestrol ct d\'oes-
trogène naturel oestradiol causait chez des caviae mâles et femelles jeunes un ralen-
tissement considérable de la croissance.

Chez les deux sexes une perte de poils se présenta également, symmétrique sur les
flancs, et finalement sur le corps entier, la tête exceptée. On constata aussi une résis-
tance diminuée de la peau ct des muqueuses contre les infections bactériennes.
Une stérilité complète se présenta chez les deux sexes, bien que la quantité quoti-
dienne d\'oestrogène résorbée ne montât qu\'à 5 microgrammes environ.
Chez les mâles la fertilité, la croissance ct les poils se remettaient après l\'extirpation
des comprimés. Chez les femelles la croissance et les poils retournaient également,
mais elles restaient stériles par cc que l\'utérus restait beaucoup trop grand par suite
de la perte d\'élasticité de la paroi utcrale.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die subkutane Implantation von Tabletten von 15 oder 7/2 mg. Hexoestrol und von
natürlichem oestro.gen Oestradiol verursachte bei jungen männlichen und weiblichen
Meerschweinchen eine starke VVachstumshemmung.

Bei beiden Geschlechtcrn trat ausserdem synunetrisch auf den Flanken und schliess-
lich auf dem ganzen Körper, ausschliesslich des Kopfes, Kahlheit auf. .Auch wurde
eine verminderte Widerstand der Haut und der Schleimhäute ge.gen bakteriellen In-
fektionen festgestellt.

Bei beiden Geschlcchtcrn entstand vollkommene Unfruchtbarkeit, obwohl täglich nur
ungefähr 5 Mikrogramm Oestrogen resorbiert wurde.

Nach Exstirpation der Tableten wurden die Männchen wieder fruchtbar. Auch bei
den weiblichen Tieren stellte sich das Wachstum und die Behaarung wieder ein ;
sie blieben jedoch unfruchtbar, weil die Gebärmutter durch Verlust an Elastizität
der Uteruswand zu gross blieb.

LITER.ATUUR

Charles, L. M. and N i c o 1, T.: Effcct of diaethylstilboestrol on the serum

y-globulin in the guinea pig. Nature, 192, 565, (1961).
W r i g h t, J. F. and S c e b o 1 d, A. R. : Estrogen contamination of pelleted feed for
laboratory-animals, effect on guinea pig reproduction, ƒ.
Am. vet. med. Ass., 132,
258, (1958).

-ocr page 966-

Bacteriële ziekten van het lam

Lamb diseases of bacterial origin.

door P. WENSVOORT1)

Inleiding.

In deze voordracht, waarvoor bij het samenstellen gegevens werden ge-
bruikt die nagenoeg alle afkomstig zijn van Nederlandse bedrijven, wordt
een overzicht gegeven van de bacteriële ziekten van het jonge lam.
Elke practicus heeft wel eens te maken met schapenbedrijven waar een
groot aantal lammeren tijdens of vlak na de lammertijd sterft en ervaren
dat dit verlies zonder meer door de eigenaar wordt geaccepteerd. Het
maakt dan de indruk dat op schapenbedrijven voldoende lammeren wor-
den geteeld en dat het verlies niet al te hoog behoeft te worden aange-
slagen. Een ongeïnteresseerde instelling treft men vooral aan bij eigenaars
van bedrijven, waar het houden van schapen van ondergeschikte betekenis
is en de volwassen dieren slechts worden gehouden voor andere doeleinden
dan het produceren van lammeren. Bijvoorbeeld op cle rundveebedrijven
waar de schapen uitsluitend dienen voor het opknajjpen van het land,
of op de zeedijkbedrijven waar schapen de taak hebben de zoden in goede
staat te brengen of te houden ter beveiliging tegen het water. Het rende-
ment van het koppel of de kudde komt op deze bedrijven niet o]) de eerste
plaats.

Ook treft men wel bedrijven aan waar advies wordt gevraagd om sterfte
onder de lammeren te beperken of te voorkomen, maar waar de behande-
ling of de gegeven raad weinig succes oplevert omdat de vakbekwaamheid
\\an de schapenhouder ontoereikend is om cle te nemen maatregelen goed
uit te voeren.

De instelling van de schapenhouder is een geheel andere op stamboek-
bedrijven waar men om foktechnische redenen belang heeft bij een zo voor-
spoedig mogelijke opfok van alle geboren lammeren cn op de grotere
schapenbedrijven waar economische motieven de eigenaars dwingen zo-
veel mogelijk lammeren in leven te houden.

De grote schapenbedrijven in Nederland zijn vooral toeleveringsbedrijven.
De geteelde lammeren worden vroeg gespeend en elders afgeweid. Daar
de inkomsten van het grote schapenbedrijf voornamelijk wordt geleverd
door de opbrengst van deze jonge weiclelammeren (die minder is dan van
het afgeweide slachtbare dier), dienen om economische redenen hoge eisen
te worden gesteld aan de geteelde lammeren. Eén \\an die eisen betreft
het aantal dieren dat wordt geboren en groot gebracht.
Dit aantal wordt bepaald door het feit dat in Nederland de lammeren na
de partus gedmende enige maanden cloor cle ooien worden verzorgd, en
dat de uier twee tepels bezit.

1  Dr. P. Wensvoort, wetenschappelijk hoofdambtenaar .\\ aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht; Biltstraat 166, Utrecht.

-ocr page 967-

Het ideale aantal van twee lammeren per ooi wordt gemiddeld op de
kleinere stamboekbedrijven geboren. Op de grotere bedrijven worden on-
der gunstige omstandigheden 1,8 lammeren geteeld. Op vele grotere, niet
stamboekbedrijven, is dit aantal nog minder. Naast de wenselijkheid het
aantal geboren lammeren op de grotere schapenbedrijven met 10% te
laten toenemen teneinde het ideale aantal te bereiken, gaan op deze be-
drijven bovendien 10% van het aantal geboren lammeren dood. Deze
sterfte treedt op tijdens de partus en gedurende de lactatieperiode en is
berekend voor de periode die loopt vanaf de geboorte tot het tijdstip waar-
op de lammeren 100 dagen worden, een leeftijd waarop ze zonder bezwaar
kunnen worden gespeend.

De oorzaken van de sterfte zijn velerlei en toe te schrijven aan foutieve
embryonale ontwikkelingen; aan onvoldoende of deficiënte voeding van de
drachtige moederdieren; aan de partus; aan temperatuursinvloeden ge-
durende de eerste week na de geboorte en aan infectiezieken. De infec-
tieuze oorzaken zijn voornamelijk van bacteriële aard. Zowel infecties ver-
oorzaakt door anaëroob als aëroob groeiende bacteriën kunnen verliezen
onder lammeren teweeg brengen.

Hoewel gedurende de eerste 100 levensdagen lainmeren aan een groot
aantal oorzaken van uiteenlopende aard verloren gaan, is het mogelijk
deze oorzaken in een drietal groepen onder te brengen indien de leeftijd
van de lannneren in ogenschouw wordt genomen.

Ter verduidelijking dient onderstaande grafiek, waarvan de \\-erticale as
het percentage van de gemiddelde jaarlijkse verliezen aangeeft en de hori-
zontale as de leeftijd van de lannneren.

Grajiek 1.

12

M

weken.

In de eerste periode (A), die ongeveer 7 dagen duurt, gaan 6% van de
pasgeboren dieren dood. De oorzaken zijn in de regel niet infectieus van
aard en houden verband met de drachtigheidsperiode, met de partus en
met de periode vlak na de partus, waarin het temperatuurregulerings-

6 *

-ocr page 968-

mechanisme van het pasgeboren dier zicli nog onvoldoende kan instellen
op de soms zeer grillige dagelijkse temperatuurwisseling in de voorjaars-
maanden.

De tweede periode (B) is die \\ an de bacteriële infecties. Hierin gaat ge-
middeld 2% der lammei en dood. Een gestoorde puerperium of een gestoor-
de lactatie, waarbij respectievelijk endometritiden, vaginitiden en masti-
tiden optreden, zijn van betekenis voor het ontstaan van deze infecties.
Eveneens kunnen bacteriën-concentraties in de lammerschuur of op het
erf een bron vormen. De infecties treden vooral op vanaf de 2e week tot
en met de 5e week na de partus.

Het betrachten van hygiëne voor het bestrijden van de ziekten is gedu-
rende deze ]jeriode van het allergrootste belang.

De laatste periode (C) loopt vanaf de 4e tot en met de 12 week na de
geboorte. Ook hierin gaan gemiddeld 2% van de lammeren verloren.
Gedurende deze periode neemt het lam behalve melk een steeds grotere
hoeveelheid gras op. Vooral sterfte veroorzaakt door de toxine van
Clostri-
dium perfringens, type D,
hct zo bekende „bloed\'" treedt dan op.
Het bovenstaande is een voorstelling van de gemiddelde gang van zaken
bij lanmieren \\an gelijke leeftijd. Op hct schajjcnbedrijf duurt de lammeren-
periode echter enkele weken, zodat steeds dieren \\an \\erschillende ouder-
dom in het ko]3pel zijn aan te treffen. Ook o\\erlappen de genoemde pe-
rioden elkaar cn kunnen aard en omvang van de \\erliczcn jaarlijks sterk
variëren.

Hierdoor ontstaat soms een zeer gemêleerd beeld van ziekte en sterfte zodat
men aan het begin van het optreden van moeilijkheden zich niet .gemak-
kelijk cen juiste indruk kan \\ormen \\an de \\oornaamste oorzaak. In dit
stadium is het dan ook noodzakelijk alle voorkomende ziektegevallen zo
\\olledig mogelijk te onderzoeken. Pas na enige tijd wordt het duidelijk
welke oorzaken de meest \\oorkomende zijn en op grond hicrxan kiest men
de adxiezen die gericht zijn op de verj^leging van het drachtige moederdier;
op hct betrachten van hygiëne tijdens dc ])aitus en gedurende dc periode
dat de lammeren nog in en in dc omgeving van dc lammerschuur verblij-
\\en; of aan de voeding cn dc beweiding die van belang zijn bij het voor-
komen van enterotoxemie, veroorzaakt door
Clostridium perfringens type D.

Lammerziekten van bacteriële aard.

In deze voordracht zal geen aandacht worden besteed aan ziekten die in
de eerste groep thuishoren, maar aan ziekten van bacteriële aard, onderge-
bracht in de groepen B en C.

Uit zieke en gestorven lammeren kunnen tal van verwekkers worden ge-
isoleerd. Dc volgende soorten werden, voor zover bekend, in Nederland bij
lammeren gevonden (jaarverslagen P.G.D. en I.V.B, i
Erysipelothrix insidiosa Streptokokken (dysgalactiae)

Escherichia coli Streptokokken (faecalis)

Corynebacterium pyogenes .Streptokokken (zoöepidemicus)

Listeria monocytogenes Streptokokken (hemolytische, groep

Pasteurella multocida C, animal type)

Pasteurella haemolytica Clostridium perfringens type B

Mikrokokken Clostridium tetani

Stafylokokken (aureus) Spherophorus necrophorus

-ocr page 969-

Het voorkomen van een groot aantal soorten en het soms aantreffen van
meerdere van deze per bedrijf of kadaver geeft steun aan de opvatting dat
de verwekkers niet als primaire oorzaak mogen worden aangemerkt. Ook
de wijze waarop de infecties in het koppel kunnen optreden, waarbij ze
zich soms beperken tot de minder vitale lammeren, en het soms gelijktijdig
aantreffen bij het geïnfecteerde kadaver van afwijkingen van niet-infec-
tieuze aard die eveneens de dood van het lam of zijn mindere levensvatbaar-
heid kunnen verklaren, versterken deze zienswijze.

Een voorbeeld hiervan is de aangeboren voiTn van swayback. Sommige van
deze jonge, uit koperdeficiënte moeders geboren lammeren, kunnen zich niet
goed verplaatsen en hebben moeite de ooi bij het grazen te volgen. Ze lig-
gen veel en indien de dieren niet worden opgeruimd gaan ze dood aan een
septicemie of een pneumonie. De secundaire betekenis van dergelijke in-
fecties valt niet te ontkennen.

Een ander voorbeeld waarbij bacteriële infecties van ondergeschikt belang
zijn, zijn die welke optreden bij lammeren met een laag geboortegewicht.
Dergelijke lammeren worden op elk bedrijf wel aangetroffen. Ze behoren
tot een drie- of vierling of worden geboren uit te oude schapen, zieke of
jonge dieren, die aan de \\oedselconcurrentie in het koppel gedurende de
drachtigheidsperiode niet het hoofd hebben kunnen bieden of waarbij in de
gravide uterus niet alle omstandigheden gunstig waren voor een maximale
ontwikkeling \\an de lammeren. Deze te weinig ontwikkelde dieren kunnen
onvoldoende activiteit opbrengen om het grazende koppel te volgen en om
voldoende melk te bemachtigen. Worden dergelijke lammeien ziek of gaan
ze dood, dan isoleert men nog wel eens een bacterie. Het vinden van een
\\erwekker bij dergelijke lammeren dient echter op de juiste wijze te worden
geïnterpreteerd met behulp van gegevens, die ojj het bedrijf van liet ko]jpel
worden \\erkregen.

De soms heersende opvatting dat alle infecties van secundaire betekenis zijn,
in dien zin dat ze door het toepassen van dc thans tot onze beschikking
staande kennis omtrent \\ocding en vezorging ktinnen worden voorkomen,
is echter niet juist. Dc infccties worden nl. ook gezien bij de aanvankelijk
meest belovende lammeren, zoals onderstaande tabel eveneens toont. I^e
gegevens van deze tabel zijn ontleend aan een studie van M c H u g h en
Edwards (19.58), waarin gedurende tien jaren de geboortegewichten
\\ an de lammeren werden vergeleken met de oorzaak van sterven. Uit deze
studie bleek dat „navelziekte" juist slachtoffers maakt onder lammeren die
bij de partus tot de zwaarsten behoorden.

Tabel 1.

Een vergelijking van de doodsoorzaak met de geboortegewichten in Ibs.

te vroeg geboren

4.0

levenloos geboren

8.6

abnormaal gevormde lammeren

8.9

bemoeilijkte partus

11.5

zwakke lammeren

5.4

verstoten lammeren

8.7

verkleumde lammeren

8.7

verhongerde lammeren

8.5

verongelukte lammeren

9.6

navelziekte

10.4

-ocr page 970-

Ook het feit dat het optreden van een bacteriële ziekte soms een explosief
karakter kan gaan aannemen, waarbij in korte tijd een groot aantal slacht-
offers door dezelfde vei-wekker wordt veroorzaakt, pleit voor een meer
directe relatie tussen de pathogene kiem en het lam. De bestrijding van der-
gelijke uitbraken dient daarom vooiaksnog gericht te blijven op het be-
trachten van hygiëne en eliminatie van de vei-wekker door specifiek wer-
kende middelen.

Naast infecties van secundaire zijn er ook van primaire betekenis. Het be-
oordelen echter of ze tot de ene dan wel tot de andere vorm behoren is
niet gemakkelijk, daar de anamnese en het onderzoek van het koppel hier-
voor niet steeds voldoende duidelijke gegevens zullen opleveren. Evenmin
eenvoudig is het, na het onderzoek van de eerste slachtoffers, te voorspellen
hoe de infectie zich in het koppel zal gedragen.

Dit kan worden gedemonstreerd aan de hand van de volgende tabel, waarin
het aantal slachtoffers en het totaal aantal op het bedrijf geboren lammeren
werd opgenomen. Het blijkt nu uit deze tabel dat soms beduidende \\er-
liezen worden geleden, maar dat de infecties zich ook kunnen beperken tot
een klein aantal of een enkel dier uit het koppel.

Tabel 2.

Het aantal slachtoffers door een befmalde verwekker veroorzaakt.

Aantal per bedrijf Verwekker

Geboren
lamineren

Zieke
dieren

Gestorven
dieren

26

Q

3

Erysipelothrix insidiosa

40

3

10

Escherichia coli

120

20

Listeria monocytogenes

400

2

Listeria monocytogenes

30

1

Listeria monocytogenes

99

1

Pasteurella haemolytica

100

1

1

Pasteurella multocida

20

2

Pasteurella multocida

180

- -

1

Pasteurella multocida

80

10

Streptokokken

81

20

Streptokokken

19

13

Streptokokken

65

15

5

Streptokokken

120

1

Streptokokken

200

1

Spherophorus necrophorus

80

10

Clostridium welchii type B

Het klinisch onderzoek wint aan betekenis naarmate meerdere dieren onder
overeenkomende verschijnselen zijn gestonen of meerdere dieren dezelfde
symptomen vertonen. De anamnese en de symptomen worden duidelijker
indien de zieke dieren langer blijven leven en de \\erschijnselen zich be-
perken tot een bepaald orgaansysteem. Bij snel tot de dood verlopende in-
fecties is een aanvullend bacteriologisch onderzoek noodzakelijk.

-ocr page 971-

Dc anamnese spreekt van „zere oogjes" bij het optreden van een bacteriële
conjunctivitis; van „vol in de buik" bij acute peritonitis of enteritis die ge-
paard gaat met abnormale gasvorming; van diarree indien de ziekte-
verschijnselen zich beperken tot het darmkanaal; van verandering in het
timbre bij het blaten; van een „slag in het lijf" bij aandoeningen van de
luchtwegen; van slapte, van doorzakken door de pootjes en van kreupelen
bij aantasting van de gewrichten. Ook wordt meestal gesproken over luste-
loosheid, over verminderde zuigdrang en het langer dan normaal blijven
liggen van de lammeren.

Het koppelonderzoek bestaat uit het observeren van een zo groot mogelijk
aantal lammeren. Hierbij wordt gelet op de vulling van de buik die bij
anorexie onvoldoende is; op de stand van de voorpootjes die bij dyspnoe
dikwijls gestrekt en wijder van elkaar geplaatst zijn. Lammeren die lijden
aan polyartritis zakken dikwijls door hun gewrichten en blijven veel liggen.
Ze lopen met gebogen rug en gestrekte staart en vertonen een stijve gang.
Het opstaan gaat niet vlot. Abnormale bewegingen en houdingen doen ver-
moeden dat het centraal zenuwstelsel is aangetast. In de wol van de staart
en in de omgeving van de anus ziet men soms geel gekleurde faeces.

Bij het onderzoek van het individuele zieke lam controleert men de con-
junctiva en de cornea op afwijkende kleur en de aanwezigheid van exsu-
daat. In de mondholte wordt gelet op necrotiserende processen. Bij inspectie
van de huid en de buikhuid in het bijzonder lette men op pustelae en kleine
abcesjes. Aandacht wordt besteed aan het naveltje. Dit kan oedemateus ge-
zwollen zijn; er is soms pus uit te drukken en bij palpatie van de buikwand
kunnen verdikte en verharde navelvaten worden gevonden. De gewrichtjes,
indien afwijkend, voelen warm aan, terwijl de omvang dikwijls is toege-
nomen. Het palperen wekt pijnreacties op.

Voor gevallen waarin lammeren tengevolge van een septicemic sterven of
weinig typische klinische verschijnselen hebben vertoond, is een aanvullend
postmortaal onderzoek nuttig.

Hieibij kan men allerlei beelden aantreffen. Het minst overtuigend is de
negatieve sectie of die, waarbij de veranderingen zich beperken tot de
digestietractus en bestaan uit een waterige darminhoud en bloedinkjes in
de mucosa. Rij deze sectiebeelden dient men n.1. rekening te houden dat
de dood een gevolg was van een enterotoxemie \\ eroorzaakt door
Clostridium
perfringens type D,
of veroorzaakt werd door kunstmeststoffen die tijdens
liet grazen werden opgenomen. In dit laatste geval gaan de veranderingen
in de regel gepaard met afwijkingen van lebmaag en pens.
Overtuigender is het beeld van de septicemic, waarbij bloedinkjes, milt-
zwelling en degeneratie van de parenchymateuze organen doen vermoeden
te maken hebben met een bacteriële infectie. Een bacteriologisch onderzoek
blijft evenwel noodzakelijk.

Duidelijker te interpreteren wordt het sectiebeeld indien één of meer van
de volgende afwijkingen worden aangetroffen. In de gewrichten - -- en het
zijn vooral het tarsaal-, het carpaal- en het occipitaalgewricht die aangetast
zijn — treft men een grotere hoeveelheid synovia aan die minder visceus is,
of pus of fibrine bevat. De omgeving van het gewricht kan gezwollen zijn of
diverse afgekapselde abcesjes bevatten. In de grotere lichaamsholten zoals
buikholte, borstholte en pericard let men op vloeibaar exsudaat of op fibrine.
In het hart vindt men soms een endocarditis of een myocarditis apostema-

-ocr page 972-

tosa. De longen kunnen catarraal of fibrineus ontstoken zijn, ook treft men
wel purulente haardjes aan.

De navel kan pus of verweekte niet afgekapselde geïnfecteerde trombi be-
\\\'atten, waardoor haardvormige processen in de linker leverhelft ontstaan.
Dit laatste gaat meestal gepaard met lokale fibrineuze ])erihepatitis, die
vooral tussen lever en diafragma aanleiding geeft tot \\orming van veel fi-
brine en verkleving tot gevolg heeft. Diffiuis verspreid in de lever kunnen
1-5 mm grote necrosehaardjes worden gevonden, die vooral optreden bij
listeriose en pasteurellose.

In de nieren treft men soms infarcten aan of puruleiUe haardjes: in chro-
nische gevallen tevens een pyelonefritis. In de gehele darmtractus, kan men
scherp omschreven, geel dof gekleurde, soms door een rood zoompje om-
geven, necrotiserende defecten aantreffen, \\eroorzaakt door de necrosc-
bacil.

Deze processen geven necrosehaarden in lever en andere organen. Opper-
\\lakkige necrotische mucosagcdeelten, omringd door heftig roodgekleinde
dunne of dikke darmgedeelten, treden oj) bij infecties, veroorzaakt door
Clostridium perjringens type B. In de skeletspieren bevinden zich soms af-
gekapselde etterhaardjes die eveneens gevonden worden in het skelet zelf,
vooral in de wervels en soms in het rotsbeen. De schedelholte en het rugge-
mergkanaal dient te worden geopend voor het onderzoek \\an het centraal
zenuwstelsel. Hyperemie en fibrine-afzctting zijn uitwendig waar te nemen
veranderingen. Bij het openen van de ventrikels geven de hoe\\eelheicl en
de aard van de liquor een indruk omtrent de aanwezigheid van een menin-
go-encefalitis. Veelal is echter microscopisch onderzoek van het centraal
zenuwstelsel noodzakelijk.

Hoewel een groot aantal verwekkers uit lammeren kan worden geïsoleerd
en bacteriologisch onderzoek steeds nodig is om de jui.-itc verwekker aan te
wijzen, is er op grond \\an klinische verschijnselen en patholoog-anatomische
bevindingen toch wel onderscheid te maken en is het mogelijk bepaalde
steeds weer terugkerende ziektebeelden te beschrijven. Hieronder volgt een
opsomming \\an deze ziektebeelden waarbij in het kort dc kenmerken wor-
den genoemd.

Polyartritis.

Dit lijden wordt veelvuldig op het schapenbedrijf waargenomen en hierbij
treden geen andere veranderingen op dan die van de gewrichten.
Polyartritis wordt vooral gezien als koi)pelzickte bij lammeren van 1 tot 3
weken. Maar ook bij oudere lammeren, nl. op een leeftijd van 8 lot 12
weken, treedt ze oj). In het laatste geval wordt de niet etterige en met wei-
nig exsudaat verlopende ])olyartritis \\eroorzaakt door de vlekziektebacil.
Het is een chronisch verlopend lijden; de dieren liggen veel en lopen stijf
met gebogen rug.

Bij jonge lammeren zijn hemolytische Streptokokken de meest voorkomende
verwekkers. Er sterven geen of weinig lammeren. De dieren drinken nog
wel, maar zijn echter minder actief en kreupelen duidelijk.
Met behulp van antibiotica herstellen op vele bedrijven de lammeren vlot.
Soms is het ziekteverloop op geen enkele wijze te beïnvloeden en blijft een
aanzienlijk deel van de geïnfecteerde dieren kreupelen, waardoor ze zich
onvoldoende ontwikkelen. Uit dergelijke lammeren, die na verloop van
enkele weken als niet rendabele dieren worden afgevoerd, kan men dikwijls

-ocr page 973-

Corytiebacterium pyogenes ÏGolcren, hoewel deze aanvankelijk niet de oor-
zaak \\an de polyartritis was.

Conjunctivitis.

Dit is een infectieuze oogaandoening bij lammeren die reeds door Koens
(1946) werd beschreven.

Zc is gekenmerkt door een purulente ontsteking \\an de conjunctiva. I^e
lammeren zijn er overigens niet erg ziek van. Soms treedt keratitis op en
panolftalmie. De infectie komt vooral voor in lammerschuren en ze is te
beperken door de ooien op de weide te laten aflammeren. Door scheiding
van het koppel kan men de infectie isoleren tot een enkel perceel. De aetio-
logie is niet opgehelderd en het is de vraag of dc oorzaak uitsluitend van
bacteriële aard is. Differentieel diagnostisch komt het \\ eelvuldig optredend
entropion in aanmerking.

C O 1 i b a c i 11 O s e.

C\'olibacillose kan reeds snel na dc geboorte verliezen geven. De ziekte wordt
echter ook bij lammeren tot een leeftijd van 5 weken gezien. Meerdere
dieren worden ziek en na verloop van 2-7 dagen sterven er een aantal. Het
meest kenmerkende zijn de lichtgeel gekleurde faeces die door meerdere
dieren worden geproduceerd. Sommige lammeren vertonen verschijnselen
van polyartritis; van meningo-encefalitis, of stenen tijdens een septi-
cemic. (Roberts, 1957; T e r 1 e c h i, Bertram, 1959)

Listeriose.

De verschijnselen die bij jonge lanuneren ojnrcden zijn weinig kenmerkend.
De geïnfecteerde dieren zijn ernstig ziek en meerdere sterven na \\erloop
\\an enkele dagen. Hersenverschijnselen worden niet gezien.

Pasteurellose.

Evenals bij listeriose is het verloop van pasteiuellose bij jonge lammeren ge-
heel anders dan bij oudere dieren. Het ziekte- en het scctiebeeld zijn geken-
merkt door aandoeningen van dc gewrichten, van de sereuze vliezen en de
\\orming van necrosehaardjes in dc lever. Het beeld \\an dc hemorragische
se])ticemic en \\an de fibrineuze Pleuropneumonie wordt meer bij oudere
lanmieren gezien. (Biberstein, Kennedy, 1959)

N e c r O b a c i 1 1 O s e.

Dc latnmcren zijn erg ziek, ze s])cckselen, mond- cn pharynxslijmvlics is
oedemateus gezwollen. In dc mucosa van dc mondholte bevinden zich één of
meerdere scherp begrensde necrotische slijmvliesgedeelten. Van hieruit (ook
\\an dergelijk processen elders in het lichaam) kunnen metasta.sen optreden
in longen en lever. (Behrens, 1962)

Tetanus.

Daar het niet gebruikelijk is rammen te castreren en de staarten van de ooi-
lammeren pas op oudere leeftijd worden gecoupeerd, wordt tetanus bij
jonge lammeren zelden gezien. Ze treedt aansluitend aan de partus op en
vermoedelijk worden de dieren via de navel geïnfecteerd.

Lamme rendysenterie.

Deze door Clostridium perfringens type B \\eroorzaakte infectieziekte bij

-ocr page 974-

lammeren, jonger dan 10 dagen, wordt in Nederland zeer weinig waarge-
nomen.

Het is een acuut optredende ziekte waarbij vrij veel lammeren snel kunnen
sterven. Blijven zieke dieren wat langer leven, dan vertonen ze verschijn-
selen van diarree, waarbij bloed in de faeces wordt gevonden. Het sectic-
beeld is gekermierkt door een enteritis. Soms zijn enkele dunne darmlisjes
heftig rood gekleurd en met elkaar verkleefd. Ook kan necrose van de
dannmucosa optreden.

Kokkeninfecties.

Meer nog dan de bovengenoemde, zijn kokkeninfecties van belang.
Van een groepje van 30 bedrijven, waarvan werd nagegaan welke verwek-
kers verantwoordelijk waren voor de optredende infectie, bleek dat er in
17 gevallen kokken in het spel waren. Het aantal dieren dat per bedrijf ge-
ïnfecteerd was, varieerde sterk, n.1. van 1 tot 20 dieren of van 1% tot meer
dan 25% van het aantal geboren lammeren. Kokkeninfecties traden reeds
op bij lammeren van 3 en 4 dagen oud, maar werden ook bij 4 tot 5 weken
oude lammeren waargenomen.

Evenals bij andere verwekkers het geval is gaat tijdens een uitbraak een
aantal lammeren vrij acuut, gedurende een septicemie dood en vertoont
andere symptomen, afhankelijk van het orgaansysteem dat wordt aangetast.
Exenwel gebeurt het regelmatig dat het klinisch beeld dat in het besmette
koppel kan worden opgemerkt onderlinge grote overeenkomst vertoont. Een
reeds genoemd voorbeeld hiervan is de polyartritis. Een ander voorbeeld is
de peracute sterfte onder jonge lammeren. De klinische symptomen zijn niet
duidelijk. De lammeren vertonen minder intereses, zijn minder actief. Ze
hebben een gespannen buik, tei-wijl de omvang wat kan zijn toegenomen.
De dood treedt meestal binnen 24 uur in.

Het sectiebeeld van deze, meest in goede voedingstoestand verkerende
dieren, is gekenmerkt door vochtuittreding in de subcutis, door polyscrosi-
tis en heftige roodheid van het digestieapparaat. De subcutis is vochtig en
soms is dit vocht plaatselijk opgehoopt en rood gekleurd. Ook in de buik-
en borstholte en in het pericard bevindt zich wat vocht; dikwijls treft men
hierin ook fribine aan. Dc milt is gezwollen, de longen zijn oedemateus en
in de trachea vindt men vocht en ])etechiën. De lebmaag, gevuld met melk,
heeft een oedemateus gezwollen mucosa, die vlekkerig rood gekleurd is.
De dunne darm is slap en wijd en bevat slijmige geelgckleurde inhoud. Dc
mucosa van de dunne darm is plaatselijk donkerrood van kleur. In het
lumen bevinden zich, in een aantal gevallen, vrij veel bloed- en fibrine-
sliertjcs; ook wel is de mucosa plaatselijk bedekt door een laagje fibrine.
Daar deze vorm van kokkeninfecties optreedt bij lammeren beneden de leef-
tijd van 10 dagen, dc ziekte een snel verloop heeft en ook het sectiebeeld
grote overeenkomst bezit met dat van lammeren die sterven aan lammeren-
dysenterie, veroorzaakt door
Clostridium perfringens type B, kan men bij
het postmortaal onderzoek geen keuze doen en is bacteriologisch onderzoek
noodzakelijk.

Enterotoxemie.

Het overzicht van de bacteriële ziekten van het lam is onvolledig indien
niet tevens de enterotoxemie wordt besproken (groep«G, grafiek 1).
Enterotoxemie is geen eigenlijke infectieziekte, hoewel men soms heeft ge-

-ocr page 975-

rneend dat vooral verlies optrad op percelen waar regelmatig schape-
kadavers werden begraven.

Men toonde echter aan (Bullen, 1952) dat Clostridium perfringens type
D
ook int de digestietractus van normale slachtdieren kan worden geïso-
leerd.

Voor het optreden van enterotoxemie dient daarom aan meerdere voor-
waarden te worden voldaan, dan alleen de aanwezigheid van de
Clostridium.
■Stevens (1959) noemt de volgende: het milieu in de digestietractus
moet gunstig zijn voor eer ongebreidelde toename van de bacterie en voor
het produceren van toxinc ■, de toxine dient te worden geresorbeerd, hetgeen
beïnvloed wordt door panc.easenzymen; het dier moet niet beschikken over
een natuurlijke of \\ erkregen immuniteit

Een geschikt milieu ontstaat in de digestietractus bij daling van de pH, het-
geen kan optreden bij acute indigesties of na het opnemen van een te grote
hoeveelheid voedsel, waarvan de vertering een pH-daling tot gevolg heeft.
Enterotoxemie kan gedurende opname van allerlei soorten voedsel ontstaan.
Er vallen slachtoffers onder lammeren die alleen maar moedermelk op-
nemen; melk drinken en grazen of tevens nog krachtvoer ontvangen zoals
op Texel gebruikelijk is. Ook kan enterotoxemie optreden bij lammeren na
het spenen als ze zelfstandig grazen en het rantsoen slechts bestaat uit gras.
De indruk bestaat dat het dagelijks verstrekken van een kleine hoeveelheid
krachtvoer aan zogende latnmeren die met de ooien meegrazen, het aantal
slachtoffers doet dalen. Mogelijk gaat van de kleine hoeveelheid krachtvoer
een bufferende werking uit o]3 de pH van de digestietractus, teivvijl de
samenstelling van groeiend gras daarentegen dagelijks te sterk kan variëren.
Enterotoxemie is n\'\'et alleen een ziekte die oj) onverwachte ogenblikken
slachtoffers maakt, maar ook één waaivan het o])trcden zeer grillig is. Deze
grilligheid doet zich als volgt voor:

1. Er bestaat een grote variatie in de omvang van de verliezen die jaarlijks
optreden. Gemiddeld gaan 2% van de geboren lammeren dood. In
sommige jaren bedraagt het \\erlies belangrijk meer, en wel 10-20% van
het aantal geboren lammeren.

2. Er bestaat eveneens een groot verschil tussen bedrijven wat betreft de
grootte van de jaarlijkse verliezen. Het ene bedrijf verliest gemiddeld
een groter aantal lammeren dan het andere.

3. Er bestaat een verschil tussen bedrijven wat betreft het aantal lammeren
dat gemiddeld gedurende een bepaalde periode dood gaat. Op het ene
bedrijf sterven vooral lammeren van 3 tot 4 weken oud; op het andere
van een leeftijd van 3 maanden, terwijl er bedrijven zijn die de grootste
verliezen lijden gedurende augustus en september.

4. Indien ooien met lammeren in groepjes op gescheiden percelen volgens
het principe van de standweide worden gehouden, zoals op Texel ge-
bruikelijk is, ziet men gedurende een bepaalde periode op één perceel
veel lammeren sterven aan enterotoxemie, terwijl op de aangrenzende
percelen geen slachtoffers vallen.

5. Het weer heeft invloed op het optreden van enterotoxemie. Vooral
aansluitend aan verandering van het weertype ziet men gevallen van
enterotoxemie. Sterfte houdt gedurende een aantal dagen aan om daar-
na weer even plotseling op te houden als het is begonnen.

-ocr page 976-

6. Parasitaire infecties, die op zichzelf geen of weinig nadelige invloed uit-
oefenen op de gezondheid van het dier, kunnen aan het begin van het
invasieve stadium het optreden van enterotoxemie in de hand werken.
Deze afhankelijkheid wordt tevens vermoed bij virusziekten en bij be-
paalde ingrepen, zoals het toedienen van phenothiazine (S ut ton,
1953; Tunnicliff, 1944).

7. Enterotoxemie is in de regel een ziekte van het goed gevoede lam. Ze
kan echter ook optreden bij magere dieren, die na het doorstaan van
een ziekte (bijvoorbeeld trichostrongylose) weer in conditie gaan toe-
nemen.

De ziekte kemnerkt zich door het acLite verloop en voert vrijwel steeds tot
de dood. Soms kunnen typische verschijnselen worden waargenomen, meest-
al echter treft men de dieren reeds gestorven aan. De anamnese is karakte-
ristiek. Het verlies wordt geleden bij het meest belovende deel van het kop-
pel. Het zijn de snelst groeiende dieren, die in de regel het slachtoffer wor-
den. Daar eenlingen kunnen beschikken over alle geproduceerde melk en
dus sneller groeien dan tweelingen, wordt sterfte het meest onder de eerstge-
noemde groep lammeren gezien. Dit geldt voor de periode waarin de lam-
meren nog weinig grazen en de ooien nog veel melk produceren. Later
worden evenzovele tweelingen het slachtoffer. Een van dc twee en soms
beide, in de regel na verloop van enige tijd, kunnen dan stei-ven aan entero-
toxemie.

Afhankelijk van de ziekteduur kan men de volgende verschijnselen waar-
nemen :

1. De dood treedt snel in, soms binnen 10 minuten. Er worden weinig af-
wijkingen opgemerkt. Ziet men bij toeval verschijnselen, dan bestaan
deze uit het onrustig rondlopen en en het enkele keren in de lucht sprin-
gen. Daarna vallen de dieren dood neer. Ze worden dikwijls \'s morgens
dood gevonden.

2. Een aantal dieren blijft iets langer leven, maar sterft toch binnen 24
uur. Het symptomenbeeld kan wisselen.

a. een deel staat aanvankelijk, maar ligt later soporeus o]) dc grond. De
ogen zijn gesloten, de dieren ademen sneller en trekken de kop naar
achteren, soms tot deze in contact komt met de schoft. Daarna wordt
ze weer in de nonnale stand gebracht; dit herhaalt zich voortdurend
tot de dieren ster\\en.

b. een aantal lammeren vertoont afwijkingen, waarbij veel bewegingen
worden gemaakt. De verschijnselen doen in het laatste stadium der
ziekte denken aan die van hypomagnesemie van het rund. Aanvan-
kelijk lopen en staan de dieren nog, maken cirkelbewegingen, trek-
ken doelloos door de weide, blaten veel of staan met afwijkend ge-
plaatste poten. Daarna treden verschijnselen van
Opisthotonus op en
maken de lammeren al liggend fietsbewegingen.

3. Een klein deel der lammeren vertoont wel ziekteverschijnselen, maar gaat
niet dood. De lammeren, die zich in een goede conditie bevinden, zijn
suf, volgen de ooi minder snel en liggen veel. Ze grazen en drinken wei-
nig. Gedurende enkele dagen ontlasten ze geelgekleurde, breiige faeces.
Daarna herstellen ze vlot.

Door het acute ziekteverloop en door de snelle rotting, die na de dood spe-
ciaal bij enterotoxemie-lammeren optreedt, zijn de sectiebevindingen niet

-ocr page 977-

altijd even duidelijk. Dikwijls verloopt de sectie geheel negatief of worden
er cen te beperkt aantal aanwijzingen gevonden. De sectiebevindingen
kunnen echter ook heel typisch zijn.

In dit geval treft men bij uitwendige inspectie van het goed bc\\leesde
kadaver bloederig schuim in dc neusgaten, dat is ontstaan tijdens dc agonie.
Rond de staart en om de anus be\\\'inden zich dunne, geelgekleurde faeces.
De subcutis, spieren en organen zijn oedemateus of bevatten bloedinkjes.
In de thymus bevinden zich steeds petechiën, in de spieren van buikwand en
diafragma striae en vlekkerige bloedingen onder de serosa van lebmaag,
dimne- en dikke darm. De voormagen en de lebmaag zijn steeds goed ge-
vuld, terwijl weinig inhoud in dunne- en dikke darm wordt aangetroffen.
In het hartezakje vindt men bij lammeren steeds \\\'eel helder vocht, waarin
één of enkele fibrinestolsels. De nieren kunnen duidelijk veranderd zijn.
Het meest kenmerkende is wel indien vrij bloed tussen nier en kapsel wordt
aangetroffen. Bloedingen in de schors treden op, terwijl bij verse kadavers
sterk verweekte nieren eveneens typisch zijn. Bij oudere kadavers wordt het
echter moeilijker diagnostische waarde te hechten aan deze weke nieren, ge-
zien de snelle rotting, die normaal bij schapekadavers optreedt.
Enterotoxemie is de vooranamste oorzaak van acute sterfte bij lammeren.
Toch dient men steeds op andere mogelijkheden bedacht te zijn.
Acute pasteurellose en acute streptokokkeninfecties,
cx)k bij oudere lamme-
ren, komen hiervoor in aanmerking. Typisch is het, dat gedtnende een pe-
riode, waarin meerdere lammeren het slachtoffer worden \\ an enterotoxemie,
er soms één of meerdere dieren tengevolge van een bacteriële scpticemie
ten gronde gaan. Hoewel het voor de hand ligt hier te spreken van een
toevallig samen-optreden, is deze bevinding voor de diagnostiek in zoverre
\\an waarde, dat men bij het stellen van een koppeldiagnose niet volstaan
kan met het onderzoek van cen enkel lam.

Acute sterfte bij lannneren treedt ook op na opname \\an kunstmeststoffen
zoals Thomasslakkenrnecl en Kaliumnitraat. Veranderingen van de pens en
de lebmaag treden hierbij in de regel tevens op.

S.AMENVATTING.

Te veel lammeren sterven in de eerste levensmaanden.

Voor de Nederlandse schapenhouderij betekent dit een .groot verlies, daar het .ge-
middelde aantal lammeren dat per ooi wordt .geboren reeds minder bedraagt dan
twee, terwijl een optimale produktie van een ooi is bereikt indien ze twee lammeren
heeft te vcrzor.gen.

Er zijn vele oorzaken, waaronder de bacteriële lammcrziekten.

In de voordracht wordt aandacht besteed aan deze groep van ziekten, waarbij vooral
de nadruk wordt gelegd op infecties, die door aëroob groeiende bacteriën worden
veroorzaakt.

Inge.gaan wordt op de epidemiologische, klinische en patholoog-anatomische ken-
merken dezer ziekten.

SUMMARY.

Too many lambs die during the first months of life.

This causes heavy losses to Dutch sheep-farmers as the av.?ra.gc number of lambs
bom from each ewe is already less than two, an optimum production of an ewe having
been attained when she has two lambs to look after.
This is due to several causes, including bacterial infections in lambs.

-ocr page 978-

Attention is paid to this group of diseases and the importance of infections caused by
aerobic bacteria is stressed.

The epidemiological, clinical and pathologic-anatomical features of these forms of
disease are discussed.

RÉSUMÉ.

Trop d\'agneaux meurent pendant les premiers mois dc vie. Pour les éleveurs dc
moutons aux Pays Bas ceci veut dire une grande perte, puisque le nombre moyen
d\'agneaux qui sont nés par brebis est déjà moins de deux, tandisque le soins de
deux agneaux exigent dc la brebis une production optimale.

Il y a de nombreuses causes, parmi lesquelles les maladies bactériennes des agneaux.
Le conférencier considère ce groupe de maladies, et i! accentue surtout les infections
causées par les bactéries aërobien.

Les caractéristiques épidémiologiciucs, cliniques et pathologiques de ces maladies
sont discutés.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es sterben zu viele Lämmer in den ersten Lebensmonaten.

Das bedeutet für die niederländische Schafzucht einen grossen Verlust, da die Durch-
schnittszahl der geborenen Lämmer für jedes Mutterschaf weniger als 2 beträgt,
während eine optimale Produktion eines Mutterschafes, wenn dasselbe zwei Lämmer
zu versorgen hat, erreicht wird.

Es sind viele Ursachen hierfür anzuweisen, u.a. die bakteriellen Lämmerkrankheiten.
Im Vortrag wird die Aufmerksamkeit auf die Gruppe dieser Krankheiten gelenkt,
wobei der Nachdruck vor allem auf Infektionen .gelegt wird, die durch aërob wach-
sende Bakterien verursacht werden.

Eingegangen wird auf die epidemiologischen, klinischen und pathologisch-anato-
mischen Kennzeichen dieser Krankheiten.

LITERATUUR

Behrens, FL: Lehrbuch der Schafkrankheiten. P. Parcy, Berlin, Hamburg, 1962.
Biberstein, E. L. and Kennedy, P. C.: Septicemic pasteurellosis in lambs.

Am. }. vet. Res., 20, 94, (1959).
B u I I e n, J. J.: Enterosoxacmia in sheep; Clostridium wcichii, type D, in the alimen-
tary tract of normal animals, ƒ.
Path. Bact., 64, 201, (1952).
Jaarverslagen (1952-1962) van dc Provinciale Gezondheidsdiensten en hct Instituut

voor Veterinaire Bacteriologie van de Faculteit der Dicr.geneeskunde.
Koens, H.: Enkele praktijkervaringen op hct gebied van aandoenin.gen, die zich
vcxjrdoen gedurende de eerste levensdagen onder de lammeren van het eiland Texel.
Tijdschr. ^Diergeneesk., 71, 545, (1946).
M a r s h, H. and T u n n i c 1 i f f, E. A. : Entcrotoxacmia in feedlots lambs in conncc-
tion with an outbreak of coccidiosis.
J. Am. vet. med. Ass., 104, 13, (1944).
M c H u g h, J. F. and Edwards, M. S. FI. : Lambloss investigation at Rutherglen

Research Station, ƒ. Agric. Vict., 56, 425, (1958).
R o b e r t s, D. S.: Escherichia coli Infection in Lambs. Austr. vet. ]., 33, 43, (1957).
S k o g s h o 1 m, A. : Miljoundersohclscr over Listeria monocyto.gcncs i forbindeisc
med et utbrudd ar scptihemish listeriose kos nyfodte lam.
Nord. Vet.Med., 14,
329, (1962).

Stevens, A. J.: Entcrotoxacmia. Vet. Ree., 71, 692, (1959).

Sutton, G. D.: The association of entcrotoxacmia (pulpy kidney) with other
diseases of sheep.
J. S. African Vet. Med. Ass., 24, 31, (1953).

DISCUSSIE
Vraag: Drs. C. H. H e r w e y e r, Strijen.

Kan de door U genoemde conjunctivitis ook overgaan in een keratitis of heeft de
soms voorkomende keratius een andere oorzaak?

-ocr page 979-

Antwoord:

Dc genoemde conjunctivitis is in de regel een goedaardig verlopend proces. Soms
kan echter het hoornvlies worden aangetast en kan panolphthalmie optreden.

Vraag: Drs. C. H. Herweyer, Strijen.

Komt de in Amerika beschreven ,,stiff lamb disease" in Nederland voor?
Antwoord:

Deze ziekte, een gevolg van selenium deficiëntie of vitamine E-tekort, werd nooit in
Nederland door mij waargenomen. Een enkele keer werden spicrafwijkingcn gevonden
bij jonge lammeren. Het waren echter steeds individuele gevallen. Het grootste deel
van de onderzoekingen werd verricht op bedrijven waar schapen op permanente
weiden werden gehouden. De afwijking kan worden verwarht indien schapen op
kunstweiden lopen.

Vraag: Dr. J. S. Reinders, Leeuwarden.

Is de oorzaak bekend van de listeria septicemic waarbij 20 van de 120 lammeren
stierven? Zijn er dragers onder de volwassen schapen?

Antwoord:

De infectiebron werd niet gevonden. Van Noorse zijde is aangegeven dat Listeria
is te isoleren uit faeces van normale schapen en uit het strooibed van de lammer-
schuur. (Skogsholm, 1962).

Mesten van stieren.

De grootste stiermesterij in Engeland is wellicht een bedrijf in Shropshire, dat 235 ha

groot is en waar jaarlijks 1600-2000 stieren gemest gaan worden.

Nadat het bedrijf in 1959 werd gekocht, heeft men eerst enkele jaren het zogen van

kalveren toegepast. Daar de gebouwen zich niet leenden v(X)r een moderne kalver-

mestcrij, werden nieuwe stallen gebouwd, die zoveel mogelijk geautomatiseerd zijn.

Het voeren van 500 koeien neemt slechts een half uur in beslag.

De kalveren worden met ± 30 stuks in hokken van 8x9 rnctf-r gehouden. Het meel

dat gevoerd wordt, wordt vermengd met water, zodat het vochtgehalte ongeveer 18%

wordt. Het .gemorste meel en dat wat de kalveren niet opnemen wordt door een paar

varkens (die als reinigingsdienst werken) verorberd. Het uitmesten gaat automatisch;

water staat de dieren steeds ter beschikking.

De dieren, die elke drie weken worden gewogen, krijgen 5-10 kg gerst en geen hcrai.
De stieren v/orden opgezet als ze 250 kg wegen en men tracht zc in 4 maanden op
400 kg te krijgen. Sinds begin van dit jaar worden wekelijks 40-50 stieren verkocht.
Hoewel het nog niet mogelijk is definitieve cijfers tc geven, verwacht men per stier
een winst te maken van ƒ 100,-.

Landbouwdocumentatie, 19, 930, (1963).

Economie met één soort vee.

In India produceert de koe bijna de helft van al "s lands mclkvoorraad en meer dan
90% van zijn werkdieren. Hoewel de buffel een hogere melkopbrengst heeft dan de
koe, wordt aan de laatste een grotere waarde toegekend vanwege zijn grote prestaties
zowel in werk als in melkproduktie.

De auteur is van mening dat de buffel voor beide doeleinden uitgeschakeld zou
kunnen worden. Deze transformatie zal natuurlijk wel lan.gzaam verlopen en maakt
het noodzakelijk een aantal maatregelen tc treffen om de koe tot een economisch vol-
doende produktie-eenheid te brengen,

Tropical Abstracts, 18, 417, (1963).

-ocr page 980-

Een geval van dermatitis bij een paard door

Dermatophilus sp. in Nederland.

A case of dermatitis in a horse caused by Dermato-
philus sp. in the Netherlands.

door C. A. VAN DORSSEN1), G. A. DE \\ R1ES2) cn
A. C. SMIDT3)

Uit het Instituut voor Bacteriologie van de Faculteit der
Diergeneeskunde te Utrecht.

Uit het Centraal Bureau voor Schimmelculturen te Baarn.

Inleiding.

Door toevallige omstandigheden zijn wij in de gelegenheid geweest onze
persoonlijke kennis te verrijken betreffende de dermatitis, die veroorzaakt
wordt door
Dermatophilus sp., welke behoort tot de Actinomycetales.
Tot op heden is deze ziekte in Europa bij het paard alleen in Groot-Brit-
tannië gevonden. Wij vermoeden echter, dat deze aandoening op het
vaste land van Europa niet herkend wordt.

Casuïstiek.

De 7-jarige Hannoveraan.se appelschimmel ruin, die later lijdende bleek
aan genoemde infectie, had, tot medio Augustus 1961 met andere paarden,
in het land gelopen.

Toen hij op 21 augustus 1961 in eigendom van het Instituut \\oor Vete-
rinaire Bacteriologie o\\erging, bevonden zich op verschillende gedeelten
van de rom]) op])er\\lakkige, door korsten bedekte, laesies, die de indruk
maakten genezende bijtwonden te zijn. Het merendeel \\an deze [)lekken
genas sjwntaan onder tie wondkorst. Alleen o]j de linkerzijde \\an het kruis
bleven enkele afwijkingen o\\er, die een eczeemachtigc indruk maakten.
Hierop zaten harde brokkelige grauw-witte korsten, die enkele millimeters
boven het huidopperx lak promineerden. Kennelijk waren deze korsten
ontstaan door afstoting van de opperhuid, aangezien deze korsten bedekt
waren met ingeplante haren (foto 1).
In totaal waren er een tiental aanwezig.

De grootste plekken hadden ongeveer liet oppciA\'lak van een rijksdaalder.
Onder cle korst bevond zich een muco-pintdent secretiun. Door omstan-
digheden werden deze afwijkingen enige tijd opzettelijk niet behandeld,
waarbij bleek dat de processen zich op stal niet uitbreidden maar tevens
bleek er geen tendens tot spontane afstoting te zijn.

Medio december werd van een der grootste processen dc harde taaie korst
verwijderd. Hieronder bevond zich toen purulent exsudaat. Na mecha-
nische reiniging bleef een vochtig huidoppervlak over, dat ingepocderd
werd met sulfanilamidepoeder.

1  Dr. C. A. van Dorssen, Dierenarts, wetenschappelijk hoofdhambtcnaar .A aan
dc Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

2  Dr. G. de Vries, medisch mycoloog, Javalaan 20, Baarn.

3  Mej. A. C. Smidt. laboratoriumassistente aan de Rijksuniversiteit tc Utrecht;
Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 981-

Nadat een voorlojjig bacteriologisch onderzoek van de pus onder de korst
plaatsgevonden had, werd een verdere behandeling ingesteld. Het ge-
deelte van het kruis, waar zich de afwijkingen bevonden, werd kaal ge-
knipt en de korsten werden systematisch verwijderd. Ook onder deze kor-
sten bevond zich pus, die wederom van 2 plaatsen, bacteriologisch onder-
zocht werd.

Het bleek nu, dat de eerst bcliandelde laesie onder een korst van sulfa-
poeder goed was gaan opdrogen, zodat deze behandeling nu ook op de
andere plekken werd toegepast.

Deze droge poederbehandeling heeft tot volledige genezing geleid, terwijl
dc genezen huid geheel weer met haren bedekt is.

Laboratorium onderzoek.

Van in totaal .3 ])in\'idente processen werd de etter, welke zich onder de ge-
sloten korst bevond, microscopisch en cultineel onderzocht.
De resultaten van deze drie onderzoekingen waren volkomen eensluidend.
.Micro.scopisch bevonden zich in de etter talrijke Grampositieve draden en
\\erder Grampositieve ketens van ongeveer even lange als brede elementen,
alles ongeveer l/x breed. Hier en daar was een aanduiding van een ver-
takking te zien. Verder waren ook verbrede vormen te zien van soms meer
dan dubbele breedte; ook wel waren deze o\\ale elementen uiteen gevallen
in bolvormen dic in rijen van tweëen of \\ieren dwars op de lengterichting
\\\'an het element waren gelegen (foto\'s 2 cn 3).

Primaire kweek oj) de serumagarplaat le\\crde in alle drie de gevallen een
reincultuur op van ondoorzichtig geel gekleurde kolonies, die na één dag
duidelijk zichtbaar waren. Na 2 dagen groei waren zij zelfs al groter clan
een stafylokokken kolonie, waaraan zij overigens veel deden denken. Bij
blootstellen aan het daglicht bleek echter deze pigmentatie te \\erbleken.
Ook op dc ])aardebloed])lalen weid een overeenkomstige groei gezien, die
niet hemolytisch was. hi de serumbouillon was groei met grove vlokken
onder in de buis.

MICROSCOPISCHE BESCHRIJVING V.\\N DE KWEEK.

Alle structuren, die in de cidtmen gezien werden, waren Grampositief. In
de culturen werden in de eerste plaats dezelfde vormen gezien als in de pus.
Daarenboven werden duidelijk vertakte draaclvormen gezien en \\ooral in
ccn paar dagen oude culturen talrijke bolvormige elementen. Deze bolletjes
waren sterk bewegelijk, in tegenstelling met de overige vormen. Indien men
het natieve i)reparaat enkele tircn liet liggen, hadden de bolvormen de
neiging samen te klonteren. Kleine samengeklonterde groeperingen waren
aanvankelijk bewegelijk, maar tenslotte zetten zich de bolvormen af in
grotere conglomeraten om en tussen de myceliumdraden (foto 4).
Merkwaardig genoeg traden onder in de serttmhouillon de draadvormen
het sterkst op (ze vormden daar macroscopisch waarneembare \\ lokken) en
de bolvormen meer op vaste media, (serumagar, bloedagar, gestold serum).
Met de O.I. inktkleuring vlg. Burri werden om de draadvormen aan-
duidingen van kapsels gezien, niet om de bolvormen. Om de verbrede ge-
deelten der draden, waarin de bolvormen gevormd werden, bleek de kleur-
loze z^ne aanmerkelijk breder clan om de hyfen.

Opgemerkt zij, dat in dit stadium van onderzoek een cultuur ter \\eidere

-ocr page 982-

bestudering aan het Centraal Bureau voor Schimmelculturen te Baarn
verstrekt werd, alwaar op grond van de morfologie de conclusie
Derma-
tophilus
gesteld werd. (De Vries).

BIOCHEMISCHE EIGENSCHAPPEN.

Aangezien de te Baarn voor schimmels gebruikelijke niet eiwithoudende vergis-
tingsmedia voor de verdere determinatie ongeschikt bleken (wat in overeenstem-
ming is met dc literatuur), werd de studie der biochemische eigenschappen te
Utrecht ter hand genomen.

Van de aan het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie gebruikelijke vergistings-
media bleek het T.G.G. medium, vlg. De Moor, de beste resultaten op te
leveren. Dit medium bevat Tryptose Difco, gistextract en 1. cystine, terwijl phenol-
rood als indicator is toegevoegd. (Volledig recept; zie Dc Moor, 1957).
In dit medium gaven 3 afzonderlijke uit verschillende liuidlaesics geïsoleerde stam-
men alie volledig dezelfde vergistingen, n.1.: glucose 2 dagen, fructose 2
dagen, galactose 6 dagen (zwak), maltose -(- 2 dagen, dextrine -t- 2 dagen, ara-
binose 3 dagen; lactose, sucrose, dulcitol, sorbitol en mannitol waren negatief.
Het microörganisme groeide in de gelatine steek bij 22° en gaf daarin, in dc loop
van 7 dagen een kelkvormige vervloeiing. Verder werd gestold serum vlg.
Löffler vervloeid, melk werd gepeptoniseerd en ureum werd omgezet in het
gemodificeerde medium van Blake Christensen, zoals dit door K a u f f-
mann (1951) is aangegeven.
De katalasereactie was positief.

Gevoeligheidsbepaling.

Er werd een gevoeligheidsbepaling ingesteld met discs van Difco, waarbij bleek
dat het microörganisme gevoelig was voor penicilline, streptomycine, chloor-
amphenicol, aurcomycine, terramycine en sulfadiazine.

Dierproeven.

Dc cultuur werd op pathogeniteit onderzocht door er een ezel en een schaap
intracutaan mede te besmetten.

Beide dieren werden ingespoten met enkele cm\'\' cultuur (mengsel van 3 dagen
oude en 7 dagen oude serumbouillon cultuur), verdeeld over enkele dicht bijeen
gelc.gen depots, bij de ezel aan de hals en bij hct schaap aan dc rug.
Bij de ezel begon zich 4 dagen na de injectie pusvorming te ontwikkelen, waarbij
zwelling van de subcutis optrad. In dc pus werd de verwekker in reincultuur
aangetoond. Zes dagen na de injectie begonnen zich korsten tc vormen, waarna
het proces vrij snel spontaan is genezen.

Het schaap heeft op de injectie niet gereageerd. Het is cchter niet uitgesloten
dat de besmettin.gstechniek hierbij niet de juiste was.

Van 2 intraperitoneaal ingespoten caviae (I/2 cm^ van dezelfde cultuur aks de
ezel en het schaap) stierf cr één na 26 da.gen. Bij sectic werd purulente peri-
tontis geconstateerd, waarin
Dermatophilus in reincultuur. De andere cavia ver-
toonde geen ziekteverschijnselen.

Intramusculaire injectie in cavia en konijn had een negatief verloop.
Literatuuroverzicht en discussie.

Van Saceghem (1915; geciteerd vlg. l\'l o b e r t s, 1961) heeft als eer-
ste in de Congo een „dermatose contagieuse" bij runderen beschreven,
waarin hij een dradenvormend vertakkend organisme aantoonde, dat zowel
transversaal als longitudinaal deelde om sporen te vormen. Hij noemde het
Dermatophilus congolensis. Een jaar later bestudeerde hij het in cultuur.
Aan het artikel van Roberts zij tevens ontleend, dat B e k k e r (1928)

-ocr page 983-

Huid van hel paard met korstvorming tengevolge van Derrnatophilus infectie.
De haren zitten in de korsten. Natuurlijke grootte.

Foto 2.

*

Details van een Crampreparaat uit de pus onder de korst. Links korte elementen,
waarschijnlijk ontstaan door recente kieming van sporen. Rechts sporangium met
ernaast een hyphe. Vergroting 1:1000.

-ocr page 984-

Foto 4.

(

Drie dagen bij 37° C gegroeide serumbouillon cultuur. Vertakte hyphen, zoosporen
(de ronde stipjes). Vergroting 1:1500.

-ocr page 985-

een „mycotische dermatitis" met gelijl<soortige verwekl^er bij schapen in
Zuid-Afrika waarnam en Buil (1929) eveneens uit dermautis bij scha-
pen ( „lumpy wool disease"), dit microörganisme in cultuur bracht, en het
Actinomyces dermatonomus noemde.

Austwick (1958) verenigde deze microörganismen in het geslacht
Dermatophilus, als enig geslacht \\\'an een F\'amilie Dermatophilaceae, en
plaatste deze familie in de Orde
Actinomycetales. Binnen het geslacht on-
derscheidde hij drie soorten nl.
D. congolensis, D. dermatonomus en D.
pedis;
de laatste geïsoleerd uit een ontsteking aan de poten bij het schaap
(„strawberry foot").

Karakteristiek voor het geslacht Dermatophilus is hyfevorming waarin
transversale en longitudinale deling optreedt, waardoor bewegelijke coccen
worden gevonnd, die zoösporen worden genoemd.

De levenscyclus van het organisme is door Roberts (1961) weergegeven
als volgt: Hij begint zijn beschrijving bij de zoösporen, bewegelijke coccoide
cellen, die 0,5;U tot 1,1/i in doorsnede zijn. Zij kleuren zich Grampositief,
evenals trouwens alle hierna te beschrijven stadia. Zij zijn een vorm van
ongeslachtelijke vermenigvuldiging, in geen enkel opzicht vergelijkbaar met
de endosporen der
Eubacteriales, die geen vorm van vermenigvuldiging
zijn. Zij zijn zeer bewegelijk en kunnen zich in één minuut verscheidene
millimeters verplaatsen. Er zijn geen aanwijzingen van sexLiele fusie van
deze zoösporen.

Deze sporen gaan kiemen onder invloed van bepaalde milieu invloeden:
beperkte zuurstof, geschikte temperatuur bij voorkeur 37° C. en \\oldoende
eiwitconcentratie. Zij verliezen eerst hun bewegelijkheid en gaan opzwel-
len. R
O b e r t s beschouwt deze vergrote coccoide \\ orm als zodanig al als
ccn hyfe.

Hieruit ontwikkelt zich nu cen spruit, waardoor dit geheel eerst op een
trommelstok lijkt. De spruit groeit nu verder uit, waarna vanaf het oudste
gedeelte van de hyfe transversale sejjta optreden. Deze segmentatie houdt
ongeveer gelijke tred met het uitgroeien van de hyfe. Door o]jcenvolgende
golven van segmentatie worden de segmenten \\eider onderverdeeld.
Alnaar het milieu gunstiger is, treedt tevens vertakking op, beginnende van-
af het oudste einde. Ook in deze vertakkingen ontstaat segmentatie. Indien
echter de hoeveelheid nutriënten vermindeit, gaan de segmeiUen opnieuw
delen evenwijdig aan de as van de hyfe. Hierdoor ontstaan uit ieder seg-
ment een aantal kleine „coccen", terwijl de hyfe zelf 8 a 10 maal zo dik is
gewoiden als oorspronkelijk.

Volgens Austwick zouden deze structuren bijeen worden gehouden
door de oude hyfewand en door transversale septa zijn onderverdeeld, zo-
dat deze vorming zou zijn op te vatten als een multiloculair sporangium.
Hoewel Roberts met het fasecontrast microscoop waarnam, dat zoo-
sporen uit de kapsels breken door hun eigen bewegelijkheid „en deze acht-
terlaten als een lege tubus", vindt hij deze structuur kennelijk niet hecht
genoeg om aan de ei.sen van een sporangium le beantwoorden, waarom hij
dan ook vastgesteld heeft, dat een sporangium ontbreekt.
Dean c.s. (1961 ) delen mede, dat zowel de hyfen, de paketten coccen als
de individuele sporen zijn omgeven met kapsels, die volgens Burri zijn
aan te tonen. Wij merken hierbij op dat in onze eigen Burr i-preparaten
kleurloze kapsels om de hyfen werden waargenomen, die aanmerkelijk ver-
breed waren om de sporangien. Om de sporen zagen wij geen kapsels. De

-ocr page 986-

kokken, zoals deze in den beginne in dit soort van sporangien ontstaan, zijn
aanvankelijk iets kleiner dan de zoösporen en nog onbewegelijk. Volgens
Dean c.s. zijn er 8 kokken per transversaal segment. Indien in dit stadium
de omstandigheden verbeteren, b.v. nieuwe pepton wordt toegevoegd, gaan
deze kokken onmiddellijk weer hyfen vormen. Als dit niet plaats vindt
ontwikkelen zij zich tot de bewegelijke zoösporen.

Volgens Roberts dringt het mycelium de verhoornde cellen van het
stratum lucidum binnen, waar dankzij het eiwit van de cellen, de beperkte
zuurstof en de verhoogde temperatuur door de ontsteking, het milieu gun-
stig is. Bij spleten in oudere korsten worden daarentegen zoosporen ge-
voiTTid, die aanleiding geven tot nieuwe infectie.

Een met het voorgaande overeenkomende morfologische beschrijving trof-
fen wij aan bij M emery (1961). Deze heeft echter een minder afge-
ronde interpretatie van de microscopische beelden. Hij beschouwt de „grote
kokken" als arthros])oren en sluit niet uit dat de „kleine kokken" gameten
zouden zijn.

De specifieke verblijfplaats van Dermatophilus zou volgens Roberts de
huid zijn en de dermatitis-laesies zouden de enige bron vormen, waaruit
zoosporen de ziekte zouden overbrengen. In de buitenwereld zou hij niet
groeien, zodat het voortbestaan van de soort volledig afhankelijk zou zijn
van herhaalde overbrenging van de infectie.

Macadam (1961, 1962) neemt daarentegen aan, dat Dermatophilus
O]) de huid een saprofytair bestaan kan leiden.

In verband met het voorgaande kunnen wij vaststellen, dat wij dezelfde
beelden waarnamen als genoemde auteurs, waarmede de door ons uit-
gesproken conclusie
Dermatophilus gerechtvaardigd is.

Wat de kunstmatige kweek betreft hebben A i n s w o r t h en A u s t w i c k
medegedeeld, dat
Dermatophilus niet groeit 0]j moutagar en andere media
voor schimmels en daarentegen goed groeit op serumagar en bloedagar.
Ook Dean gelukte kweek op .Sabouraud-dextrosc-agar cn op aaidappcl
infuus dextrose-agar niet. R o b e r t s heeft de grote behoefte aangetoond,
die het micro-organisme heeft aan ])roteinc. Dean wees er op dat de toe-
voeging van serum bc\\orderlijk is
voor de vergisting van koolhydraten. De
door hem uit een hert geïsoleerde stam zette zonder seriun alleen glucose
en laevulose om, daarentegen met seriun ook sucrose en maltose en waar-
schijnlijk ook galactose, maar dit laatste blijkt niet duidelijk uit de tekst.
Vennoedelijk is dit de oorzaak, waardoor de vergisting van Van Sace-
ghem (1934) en die van Hudson (1937) (geciteerd volgens Ains-
worth en Austwick), beide betreffende
Dermatophilus congolense,
zo uiteen lopen. Terwijl bij Hudson alleen glucose en laevulose worden
omgezet, vermeldt Van Saceghem tevens omzetting \\an sucrose,
maltose en dextrine.. M e m e r y, eveneens
Dermatophilus congolense be-
schrijvende, noemt daarenboven nog omzetting van raffinose. In het alge-
meen wordt aangenomen dat
Dermatophilus congolense galactose niet zou
omzetten en daarentegen
Dermatophilus dermatonomus wel. Daarom was
voorlopig het door ons beschreven organisme in analogie met Miller
ook aangekondigd als
Dermatophilus dermatonomus. Sedertdien hebben
wij op de T.G.C. voedingsbodem een via Prof. W i 1 s o n uit tropisch
Afrika afkomstige stam kunnen vergelijken. Deze bleek de galactose reeds
na 2 dagen om te zetten, wat dus met deze theorie in strijd is.

-ocr page 987-

Dermatophilus pedis zou in tegenstelling met de voorgaande geen gelatine
en geen gecoaguleerd serum vervloeien en zou verder geen galactose om-
zetten.

Het veivlocicn van gelatine en gestold serum wordt ook beschreven door
D can. Ureumsplitsing wordt beschreven door M e m e r y, die ook aan-
geeft dat het door hem bestudeerde organisme katalase positief was.
Het lijkt voorlopig of er geen duidelijke scheiding tussen
Dermatophilus
congolense
en Dermatophilus dermatonomus is te maken, (vergelijk ook
13 e a n c.s.). Als dit zo zou zijn, wat wij aan bevoegder autoriteiten ter
beoordeling overlaten, dan zou de naam
Dermatophilus congolense op
grond van prioriteit de voorrang hebben.

In het algemeen werd infectie met Dermatophilus in West-Europa tot voor
kort als een uitheemse ziekte beschouwd. Ains worth en Austwick
vermeldden alleen het geval dat S t a b 1 c f o r t h (1937) bij het paard in
Engeland heeft beschreven.

Eerst in de allerlaatste tijd is in Engeland wederom de aandacht op deze
aandoening gevestigd (vergelijk het onderzoek van schapen van Aust-
wick en Davis, 1958), terwijl iedere mededeling over het voorkomen
op het vaste land van Europa ontbreekt.

Het systematisch onderzoek van ziekten van paarden, dat op het ogenblik
in Engeland, aan het Equine Research Station of the Animal Health Trust
in Newmarket plaats vindt, heeft onder anderen verband trachten te leg-
gen tussen een klinisch bekend beeld en
Dermatophilus als verwekker.
Scarnell (1961) geeft een uitvoerige klinische beschrijving met afbeel-
dingen van de verwekker in microsco]3ische preparaten uit de laesies. Hij
duidt deze vooi-zichtig aan met
Dermatophilus sp. Volgens Scarnell
komt zowel een acute als een chronische
voito van crusteuze dematitis voor.
Praktisch alle delen van het lichaam kunnen worden aangetast, behalve de
onderste gedeelten van boret en buik. De acute vonn is in Engeland in het
s])raakgebruik o.a. bekend onder de naam „rain scald" (scald is een vul-
gaire term voor eczeem; scald head = „zeer" hoofd). Men brengt n.l. van
ouds dit eczeem in verband met heftige regenval. De chronisch verlopende
infecties kunnen minder karakteristiek zijn, maar zijn vaak zeer hardnek-
kig en hinderlijk, bv. als zij onder het zadel voorkomen. De gehele boven-
zijde van het lichaam kan dan bedekt zijn met kleine plekjes, waarvan de
haren aan hun basis door korstvorming verkleefd zijn. Aanvankelijk vallen
deze plekjes alleen op door palpatic; later kunnen zij eventueel het baar-
kleed een borstelig effect geven. De korsten worden gevormd door afwij-
kende keratinevonning in het stratum corneum, gepaard gaande met ont-
stekingsexsudaat en infiltratie van leucocyten. De korsten zijn grijs en de
haren steken er doorheen. Onder de concave korst (Scarnell bedoelt
waarschijnlijk van binnenuit gerekend) bevindt zich gele vrij dunne etter.
Na genezing komt op deze plaatsen soms haar van\' afwijkende kleur terug.
In vitro bleek de verwekker gevoelig voor penicilline, chloortetracycline,
Oxytetracycline, chlooramphenicol en dihydrostre])tomycine.
Voor klinische doeleinden acht Scarnell olieachtige en zalfachtige pre-
paraten ongewenst. Hij adviseert chlooramphenicol in sprayvorm, 1%
gentiaanviolet, gemethyleerde alcohol en jodiumtinctuur. Hij raadt aan de
korsten pas laat te verwijderen om de huid eronder niet te beschadigen.
Het opstallen van de paarden beschouwt hij als noodzakelijk.

-ocr page 988-

Kort na deze publicatie deed Fox (1961) een casuistische mededeling
over
Dermatophilus-infectK bij een paard. Blijkens de foto was het crus-
teuze eczeem bij dit paard over vrijwel het gehele lichaam verspreid. Het
dier genas na behandeling met een lotion die sulfanilamide bevatte.
Miller, directeur van het Ecjuine Research Station in Newmarket heeft
in 1961 voor Ierse collegae een lezing over paardcnziekten gehouden,
waarvan een verslag in het
Irish Veterinary Journal in artikelvorm wordt
gegeven.

In deze lezing is ook aandacht gewijd aan de betrokken ziekte; door de on-
bekende verslaggever is de vemekker aangeduid als
„Haemotophilus hae-
matonomus,
the same as or similar to that causing lumpy-wool disease in
sheep", waaruit te concluderen \\ alt, dat M i 1 1 e r de naam
Derrnatophilus
dermatonomus
heeft gebezigd (in het Engels klinken deze namen meer ge-
lijk dan in het Nederlands).

Voor het ziektebeeld worden de termen „scab", „rain scald", „Irish scald" en
„peeling scald" genoemd. De naam „Irish scald" is onder dc grooms in
Newmarket gebruikelijk en is van Ierse grooms afkomstig.
Miller bracht de ziekte in verband met regenweer, waarbij schuilen
onder druipende bomen predisponerend zou werken, doordat de doorweekte
huid niet snel genoeg droogt.

Het eczeem zou ook op de benen kunnen voorkomen („heelbug"). Thera-
peutisch zou het beste zijn de korsten pas te verwijderen als ze makkelijk
loslaten en een opdrogende behandeling in te stellen. Zonder nadere be-
schrijving van proeven werd medegedeeld, dat de ziekte o]3 schapen zou
zijn over te brengen.

Bij de discussie die op de lezing volgde merkten Ierse collegae op, dat de
„rainscald" daar herhaaldelijk gezien wordt, maar dat nooit een behande-
ling wordt ingesteld. Ook zou de aandoening in West-Ierland, waar de
meeste regen valt, niet het meest frecjuent voorkomen.

In verband hiermede dient er op te worden gewezen, dat althans wat be-
treft
Derrnatophilus congolense, Macadam (1961/1962) de directe in-
vloed van vocht bij het tot stand komen van stre]5totrichose betwijfelt. Hij
deed in Noord-Virginia een proef met besmette nmderen, waaruit bleek,
dat de dieren die in vochtige omstandigheden gehouden worden, het snel-
ste genazen. Hij meende het voornamelijk \\oorkomen in de regentijd in de
tropen te moeten toeschrijven aan het in die tijd veelvuldig voorkomen
van insecten en teken. Door teken op met cultmir bevochtigde h\\iid tc
laten bijten, kon hij op die plaatsen de infectie tot stand brengen. Hij
nam aan dat
Derrnatophilus saprofitair op de huid voorkomt.

Nog zij opgemerkt, dat in de tropen (Afrika, Madagaskar) de Dermato-
philus-\'mkctie
bij het rundvee een economisch zeer schadelijke ziekte is, die,
nadat door insecten secundair ]5yogene bacteriën zijn ingebracht, kan leiden
tot beschadigingen van de lederhuid, die deze minder waard maken voor
de leerindustrie en ook de dood tengevolge kunnen hebben, (vlg. o.a.
Bruckle (1962), Bone (1962).

Ook in Engeland hebben R o b e r t s en V a 11 e 1 y (1962) de infectie bij
runderen geconstateerd, waarbij drie uitbraken worden beschreven. Als
predisponerend moment voor een uitbraak wordt genoemd het samen-
weiden met schapen in een weide met veel distels. Het 2e geval betrof kal-
veren waarbij de verdeling over het lichaam het vermoeden wettigde, dat

-ocr page 989-

de infectie primair tot stand gekomen was, door droogwrijven na de ge-
boorte en dat verdere uitbreiding om de bek en aan de oren was ontstaan
door nat worden bij drenken onder uit de emmer. Dit klinische beeld is in
Engeland niet onbekend en wordt „milk scald" genoemd.
Bij het derde geval bij een \\olwassen dier was waarschijnlijk chorioptes
.schurft primair geweest. Van dit laatste dier zijn in het artikel diverse
foto\'s afgebeeld.

Dean c.s. (1961) hebben er de aandacht op gevestigd dat Dermatophilus
ook bij de mens kan voorkomen. Bij twee personen, die een besmet hert
hadden geseceerd, ontwikkelden zich furunkels aan de handen en bij één
van hen ook aan het lichaam. Bij deze personen was in de pustulae de ver-
wekker praktisch in reincultimr aanwezig. Bij het hert werden in de laesies
tevens
Micrococcus tetragenus en Corynebacterium pyogenes aangetoond.

Wij hebben het onverwachte geluk gehad kennis te kunnen maken met deze
wonderlijke huidpa rasiet op hetzelfde moment, dat hierop in de Engelse
jjcrs de aandacht gevestigd werd.

Voor zover ons bekend, gaat het hier om het eerste geval dat op het vaste-
land van Europa is geconstateerd. Waarschijnlijk betreft het hier geen
nieuwe ziekte, maar is deze infectie hier steeds o\\-er het hoofd gezien.
Vooral de lc\\endige handel in paarden, die altijd met Engeland en Ierland
bestaan heeft, maakt deze veronderstelling aannemelijk. Waarschijnlijk is
hij economisch hier niet belangrijk, wal met klimaatverschillen in \\erband
zou kunnen gebracht worden. Wij hebben ons geen voorstelling kunnen
maken hoe onze patiënt zich besmet heeft. Het paard heeft in de weide al-
leen met paarden samen gelopen, niet met schapen of runderen. In de 2
jaar die sindsdien verlo])en zijn, hebben op stal zich geen recidieven voor-
gedaan, terwijl ook geen contaclinfcctie met de andere paarden of met de
verzorgers geconstateerd is.

Nog zij opgemerkt, dat in de bij cen appelschimmel normaal donkere huid
op verschillende delen van het lichaam ongepigmenlecrde kleine vlekjes
voorkomen, dic mogelijk bij een donker behaard paard een „vitiligo"-
achtig aspect zouden hebben gegeven. Gezien de uitspraak van S c a r n e 1 1
kunnen deze vlekjes reciduen van reeds eerder genezen kleine plaatse-
lijke processen zijn.

S.AMENVATTING.

Voor dc eerste maal is op het vasteland van Europa dermatitis door een Dermato-
philus
bij het paard beschreven.

SUMMARY.

First description on the European continent of a case of Dermatophilus dermatitis
in a horse.

RÉSUMÉ.

Première description sur le continent europeen d\'un cas de dermatitis par Derma-
tophilus
d\'un chcval.

ZUSAMMENF.ASSUNG.

Erste Beschreibun.g auf dem Festland von Europa von einem Fall von Dermatitis
verursacht von
Dermatophilus bei einem Pferde.

-ocr page 990-

LITERATUUR

A i n s w O r t h, G. G. and A u s t vv i c k, P. K. G.: Fungal diseases of animals.

Bucks, England (1959).
Austwick, P. K. C.: Cutaneous Streptothricosis, Mycotic Dermatitis and Straw-
berry Foot Rot and the Genus Dermatophilus Van Saceghem.
Vet. Rev., Annot 4,
33, (1958).

.Austwick, P. K. C. and Davies, T.; Mycotic Dermatitis in Great Britain

1954-1958. Vet. Ree., 70, 1081, (1963).
Bone, J. F.: Quiz of the month. Mod. Vet. Pract., 43, 52, (1962).
B r Ü c k 1 c, F. W.: Auf einer Groszviehfarm im Kongo. Blauen Hefte f. d. Tier-
arzt. 196212, /-.

Dean, D. J., Morris, A. G., S e v e r i n g h a u s, C. W\'., Kroll, E. T. and
R e i 1 1 y, J. R.: Streptothricosis, a new zoonotic disease.
New York State ]. Med.,
61, 1283, (1961).

Fox, M. W.: Dermatitis of the horse caused by Dermatophilus sp. Vet. Ree., 73,
914, (1961).

Kauffmann, F.: Enterobacteriaceae. Copenha.gen, (1951).

M a c A d a m, L: The effect of humidity on the lesions of Streptothricosis. Vet. Ree.,
73, 1039, (1961).

M a c A d a m, I.: Bovine streptothricosis. Production of lesions by the bites of the

tick Amblyomma variegatum. Vet. Ree., 74, 643, (1962).
M e m e r y, G.: La strcptothricose cutanée. Rev. d\'El. et méd. vét., 14, 141, (1961).
Miller, W. C.: Some problems on current equine diseases. Irish Vet. ]., 15, 149,
(1961).

Moor, C. E. de: Aspecten van de diagnostiek van streptococci in hct bijzonder bij
sepsis lenta.
Verslagen en Mededelingen betreffende de Volksgezondheid. 1956,
283, (1957).

Roberts, D. S.: The lifc-cycle of Dermatophilus dermatonomus. Austr. ]. expt.

BioL, 39, 465, (1961).
Roberts, H. E. and Valley, T. F.: Streptothricosis in cattle. Vet. Ree., 74,
693, (1962).

S c a r n c 1 1, J.: Clinical observations in dermatitis of the horse by Dermatophilus
sp. Vet. Ree., 73, 795, (1961).

DISCUSSIE

Van bovenstaand artikel is door de eerste ondergetekende een kort résumé gegeven
aan dc hand van lichtbeelden, die deels ontleend waren r.an dc literatuur.
Naar aanleiding daaivan werden de volgende vragen gesteld:

Vraag: Dr. G. de Moor, Bilthoven.

In hoeverre kan het zeer bekende staart-manen eczeem of zomerschurft bij paarden
hiermede te maken hebben?

Antwoord:

Spreker verwacht niet dat het echte staart-inanen eczeem door Dermatophilus verwekt
wordt, z.i. speelt hierbij de voedering met groenvoeder een belangrijke rol. Het ver-
dient echter aanbeveling voorkomende gevallen er op tc onderzoeken.

Vraag: Drs. J. E. H a g e, Purmerend.

Welke therapie kan worden in.gcstcld tegen deze dermatitis.
Antwoord:

Dermatophilus is gevoelig voor alle antibiotica en voor sulfanilamide. Persoonlijk be-
handelden wij met sulfanilamide poeder. In de literatuur wordt aangegeven sulfanil-
amide in lotionvorm, chlooramphenicol in sprayvorm, 1% gentiaanviolet, gemcthy-
leerde alcohol en jodiumtinctuur (op stal zetten is aan te bevelen).

-ocr page 991-

Vraag: Dr. J. S. Reinders, Leeuwarden.

X\'raagsteller doet mededeling over een andere zeldzame aandoening bij een paard,
dat uit Hongarije was ingevoerd, nl. parafilariose, waarbij knobbeltjes in de huid
ontstaan die beginnen te bloeden als de parasiet rijp is.

Antwoord:

Spreker vindt deze mededeling zeer belangwekkend. Hij wijst er echter op dat dc
door hem beschreven aandoening waarschijnlijk niet zeldzaam is, maar nooit hier
onderkend. Hij raadt Dr. Reinders aan in Friesland uit tc zien naar schapen met
korsten in de wol en hiervan Grampreparaten of Giemsapreparaten te maken. Er
moeten dan beelden te zien zijn als foto 2 rechts.

Vraag: Drs. F. W. J. S w a r t. Hoogland.

Op Texel komt bij schapen een afwijking voor in de wol, die men wolziekte noemt.
Daarbij ontstaan korstjes en donkere verkleuringen aan de wol. De korstjes zijn
eerst licht en worden daarna donker. Tot dusverre had onderzoek geen resultaat.

Antwoord:

Deze beschrijving doet zeker denken aan die van Austwick en Davies. Er
wordt bij de schapen een zeven dagen cyclus aangenomen, d.w.z. zeven dagen na
het ontstaan van de infectie wordt de korst afgestoten en groeit mede in de haren,
waarna de infectie zich eventueel herhaalt. Het verdient zeker aanbeveling dit op-
nieuw in onderzoek te nemen.

Do eerste wachtboerderij voor stieren in Beieren.

100.000 Maik werd beschikbaar gesteld voor dc aankoop v.in een boerderij, die tot
een wachtbocrdcrij voor stieren uitgebouwd zal worden. Nadat hun goede fokwaarde
aan de hand van de nakomelingschap bewezen is worden ze overgebracht naar het
K.L-station Altenbacht.

Der Tierzüchter, 5-12-1962.

I\'roduktiel.

Onlangs heroverde de Canadese zwartbonte koe Queen Montvic Pabst het nationale
record voor totale hoeveelheid melk: verkregen bij tweemaal daags melken in lactatie-
pcrioden van 305 dagen. Het totaal van haar 13 melklijsten bedraagt 93665 kg
(met 3.48% vet).

Nog opvallender is het evenwel dat zij op 29 juli 1963 het leven schonk aan haar
15e volbloed dochter: mede mogelijk gemaakt door drie tweelinggcboortcn. Onder
de 26 melkkoeien in dc stal van haar fokker telt zij momenteel 4 dochters, 13 klein-
dochters en 5 achterkleindochters, terwijl op 3 na alle 25 jonge dieren van haar
afstammen.

De Keurstamboeker, (20), 678, (1963.)

Kuikenoedeem.

Het optreden van kuikenocdeem na verstrekking van giftig vet ging ook bij dit
onderzoek gepaard met groeivermindering en vochtophoping in het hartzakje, de
buikholte en ondershuids.

Een omgekeerd verband werd aangetoond tussen hematocrietwaarde en dc ver-
strekte hoeveelheid „giftige factor" en een direct verband tu.ssen het vochtvolume in
het hartzakje en de verstrekte hoeveelheid „giftige factor". Verder bleek de samen-
stelling van het voeder van invloed op de vochtophoping.

Pluimveepers, XVIII, 555, (1963).

-ocr page 992-

De diagnostiek van de endocarditis bij het rund.

The diagnosis of endocarditis in cattle.

door G. WAGENAAR1)

Uit de Kliniek voor Inwendige Ziekten van de Faculteit de\'

Diergeneeskunde.

Inleiding.

Bij het stellen van de diagnose endocarditis bij het rund dient men met
het volgende rekening te houden:

1. Een endocarditis wordt veroorzaakt door bacteriën. Deze bacteriën
kunnen slechts hematogeen het hart bereiken. Zij moeten of vanuit
een ontstekingsjjroces elders in het lichaam komen of hematogeen ver-
spreid zijn bij een infectieziekte, waarbij bacteriën in de bloedbaan ko-
men. Wanneer men het dier steeds onder controle heeft gehad, moet
dit primaire proces in het verleden zijn opgevallen of nog
opvallen.

2. Wanneer het hart aangetast wordt door een endocarditis dan zullen,
afhankelijk van de ernst van het ziekteproces, de volgende verschijn-
selen alleen of gecombineerd aan het liart kunnen worden waarge-
nomen:

a. frecjuentiewijziging;

b. geleidingsstoornissen;

c. bijgeruisen.

3. Vanuit het hart kimnen ook andere organen worden aangetast door
embolische processen:

a, euibolieën vanuit het rcchterhart;

1). cmbolieën vanuit het linkerhart;

c. algemene verschijnselen bij embolische jirocessen.

Naarmate de afwijkingen in het hart ernstiger worden zullen er hemo-
dynamische bezwaren gaan optreden. Deze kunnen nog van tweeërlei
aard zijn.

4. De z.g. ,,Backward failure", waarbij de verschijnselen stroomopwaarts
van het hart optreden.

5. De z.g. ,,Forward failure", waarbij de verschijnselen stroomafwaarts
in het circulatie-apparaat optreden.

Wij hebben nu een eenvoudig schema gemaakt, waaromheen alle op te
merken symptomen gegroeijcerd kunnen worden. Natuurlijk zullen lang
niet alle symptomen gelijktijdig optreden, integendeel, soms zijn er slechts
zeer weinig symptomen op te merken. De symptomen kunnen soms zo
gering zijn, dat een endocarditis niet gediagnostiseerd of slechts vermoed
kan worden. Aangezien de endocarditis van het rund in de regel een voort-
schrijdend proces is, is het wel kunnen stellen van de diagnose meestal
slechts een kwestie van tijd.
Keren wij tot ons schema terug.

1  Prof. Dr. G. Wagenaar, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Bilt-
straat 172, Utrecht.

-ocr page 993-

1. Het primaire proces.

Dc endocarditis moet dus uit een primair proces ontstaan. Vanuit dit pri-
maire proces moeten de bacteriën via de bloedbaan naar het hart komen.
Het kan zijn dat de bacteriën in grote getale in het bloed voorkomen, b.v.
bij een infectieziekte gepaard gaande aan een bacteriëmie. Men denke b.v.
aan vlekziekte bij het varken.

Het zou echter ook kunnen zijn, dat bacteriën uit een gelokaliseerd ont-
stekingsproces in de circulatie komen. Het kan daarbij voorkomen, dat er
etter met bacteriën in de bloedbaan komt. In het laatste geval spreekt men
van een pyëmie.

Het staat nog niet met zekerheid vast op welke wijze de bacteriën in het
hart zelf de endocarditis doen ontstaan.
Er zijn nog altijd 2 theorieën:

a. de endocarditis ontstaat doordat de bacteriën zich hechten op het endo-
card van dc kleppen of van de wand tijdens het passeren van het bloed;

b. dc endocarditis ontstaat hematogeen via de coronair-circulatie, waar-
bij de bacteriën in de capillairen van de kleppen blijven zitten en dan
aanleiding geven tot een ontstekingsproces, dat doorbreekt naar het
hartlumen.

Heide mogelijkheden kunnen voorkomen. De Hruin (Diss. 19.53) trekt
uit zijn onderzoek de conclusie, dat de meerderheid van de endocarditiden
embolisch, dus via dc coronair-circidatie, ontstaat (± 66%).
Moderne onderzoekingen met de elektronenmicroscoop wijzen uit, dat er
— althans bij jonge dieren — betrekkelijk wijde spleten tussen de endothecl-
cellen voorkomen, waardoor bacteriën direct vanuit het hartlumen in het
endocard kunnen doordringen.

De oplossing van dit probleem is nog niet met zekerheid te geven. Het is
merkwaardig, dat men bij een trombose van de vena cava posterior dik-
wijls een cmbolische pneumonie vindt, maar slechts in 10% van de ge-
vallen cen endocarditis.

Als men uitgaat van het feit, dat vele endocarditiden veroorzaakt worden
door
Corynebacterium pyogenes, dan zou het ontstaan van een endocarditis
juist in het rechter hart wel mede kimnen worden verklaard door de voor
de
C. pyogenes gunstige lage Oo-spanning in het rechter hart.
Wanneer men werkelijk wat zou willen weten o\\cr het ontstaan van dc
endocarditis bij het rund, dan is een heel nauwkeurig onderzoek naar de
ouderdom van de verschillende [jroccssen in hel gehele rund noodzakelijk.
Men geeft aan, dat de bacteriën dic een rol spelen bij de endocarditis de
volgende zijn:

1. Corynebacterium pyogenes;

2. Stafylokokken;

3. Streptokokken;

4. Spherophorus necrophorus.

In ons materiaal komt C. pyogenes het meest voor.

Van de 50 gevallen verkregen wij 43 maal de sectie. In 29 gevallen werd
een bacteriologisch onderzoek ingesteld. Dit leverde het volgende op:
20 maal
Corynebacterium pyogenes,
1 maal coagulase-positieve stafylokokken,
8 maal geen groei.

-ocr page 994-

Hct is dus zonder meer duidelijk, dat pyogcne processen de oorzaak kunnen
zijn van het ontstaan van een endocarditis.

Processen als artritiden, tendiniden, mctritiden, mastitiden en abcessen die-
nen dan ook altijd met cle grootste zorg te worden behandeld.

3. Kmbolisch veroorzaakte ziekteprocessen.

Wij slaan de verschijnselen aan het hart over en bespreken eerst de uit-
zaaiingen.

a. EMBOLIEË.N VANUIT HET RECHTER HART,

De embolische processen die vanuit het rechter hart ontstaan, vindt men
in de longen. Dit kunnen zijn: een embolischc pneumonie en een trombose
van één of meer takken van de arteria pulmonalis.

De e m b O 1 i s c h e pneumonie.

Dikwijls ontstaat uit een endocarditis van het rechter hart cen embolische
pneumonie.
Kleine trombi lopen in de kleinste arteriën vast en veroorzaken
daarna in het longinterstitium cen klein ontstekirigshaardje. Deze haard-
jes hebben meestal een necro-purulent karakter. Wanneer dc haardjes
groter worden kunnen zij naar de bronchiën doorbreken. De pneumonie
kan zich dan bronchogcen uitbreiden.

Het diagnostiseren van een embolische pneumonie is moeilijk. De adem-
halingsfrccjuentie is verhcx>gd cn ligt meestal tussen de 30 cn 60, Dit is
echter bij alle koeien met een endocarditis het geval, ook wanneer er geen
embolische pneumonie is; zelfs bij cen endocarditis uitsluitend links is dc
adcmhalingsfreciuentie bijna altijd verhoogd,

.\\llecn wanneer cle embolische haarden zich sterk hebben uitgebreid en
aanleiding hebben gegeven tot cen broncho]5neumonie zal men misschien
bronchiale geruisen of onbestemd ademen kunnen horen. Ook door andere
factoren, b,v, longstuwing, kunnen cr abnormale ademhalingsgeruisen ont-
staan.

Het is te begrij]3en, dat cen dergelijke cmbolischc pneumonie lang niet altijd
hct symptoom hoesten doet ontstaan.

Ongeveer de helft van de koeien hoest spontaan, onafhankelijk of er een
cmbolische pneumonie is of niet.

Van 35 koeien met cen endocarditis rechts hadden cr 21 een embolische
pnemnonie, 11 hadden geen cmbolischc ijneumonie en van 3 koeien was dit
onbekend,

\'1\' T\' O m b O s e van een of meer takken van cl e Arteria
pulmonalis,

Trornbi in grotere of kleinere takken \\an de Arteria pulmonalis kunnen
waarschijnlijk op dezelfde wijze ontstaan als cen endocarditis, d,w,z. direct
door het afzetten van fibrine op de intima of indirect doordat embolische
haardjes in de longen naar een pulmonaalarterie doorbreken.
Koeien met trombi in de kleine arterievertakkingen zullen slechts weinig
verschijnselen vertonen, wanneer er echter grote vertakkingen aan beide
zijden zijn getromboseerd, dan zullen de verschijnselen duidelijker zijn. De

-ocr page 995-

ademhalingsfrcquentie is dan 50 of meer terwijl de dieren dikwijls expira-
torisch kreunen.

Van 5 koeien uit ons materiaal met beiderzijds trombi in grote pulmonalis-
takken hadden er 4 ernstige longverschijnselen van onbestemd tot tubair
ademen toe. Ook bij sectie waren cr ernstige longafwijkingen. Men moet
er echter rekening mee houden, dat deze afwijkingen niet embolisch vanuit
het hart behoeven te zijn ontstaan, een ontstaan vanuit het primaire pro-
ces lijkt ook mogelijk.

Van 21 koeien met een emboli.sche pneumonie hadden er 9 trombosen in
\\ertakkingen van de A. pulmonalis. Koeien zonder embolische pneumonie
hadden ook geen longtrombosen.

Het al of niet steriel zijn van de endocarditis liep niet parallel met het aan-
wezig zijn van een embolische pneumonie, hetgeen ook begrijpelijk is.
In tabel I is een samenvatting gegeven van voornoemde gevallen.

Tabel I.

Overzicht van de gevallen van een endocarditis rechts, al dan niet gepaard
gaande met een embolische pneumonie of met trombosen in takken van de

Arteria pulmonalis.

Hiervan

Bact.

Bact.

met bact.

onderz.

onderz.

.Aantal

onderz.

pos.

neg.

Geen embolische pneumonie

11

7

4

3

Embolische pneumonie

12

10

9

1

Embolische pneumonie

trombose in de .\\rt. puim.

9

5

3

2

32

22

16

6

b. EMBOLIEËN VANUI ]\' HET LINKER HART.

Hoewel embolieën vanuit het linker hart natuurlijk in allerlei organen kun-
nen optreden, zijn er toch blijkbaar predilectieplaatsen.
Men dient dan ook met de volgende mogelijkheden rekening tc houden:
cmbolischc processen in de nieren;
embolische ])rocessen in de gewrichten cn pcesschcden;
embolische jirocessen in het hart zelf via de coronair arteriën.

Embolische jd r o c c s s c n in de nieren.

Van 26 koeien met óók een endocarditis links ontvingen wij 18 maal de
nieren. In al deze gevallen waren er nierafwijkingen. Dit wil niet met
zekerheid zeggen, dat er in 8 gevallen macroscopisch geen nierafwijkingen
waren, maar het is wel waarschijnlijk.

Ook hier zien wij, net als bij de endocarditis rechts, dat er in =t \'^J^ van de
gevallen metastatische processen optreden.

De afwijkingen in de nieren varieerden van embolische haardjes, hemor-
ragische en anemische infarcten tot infarct littekens.

Bij 17 van de 18 dieren (lx werd de urine niet onderzocht) met nieraf-
wijkingen werden ook afwijkingen aan dc urine vastgesteld en wel;

-ocr page 996-

een spoor eiwit 8x

eiwit nierepitlieliën en andere cellen 5x

eiwit -(- nierepitheliën en bacteriën 4x

Het moet als een tekort van deze studie worden aangemerkt, dat geen bac-
teriëel onderzoek zowel van de nieren als van de urine heeft plaats gevon-
den.

Toch zijn de urine-afwijkingen beslist niet specifiek voor de endocarditis
links. Van 18 dieren met een endocarditis uitsluitend rechts was in 17 ge-
vallen het urine-onderzoek bekend. Slechts 4 dieren hadden een in-ine
zonder afwijkingen; 9 vertoonden een spoor eiwit in de urine en de res-
terende 4 zelfs nierepitheliën en eiwit.

De verklaring van dit laatste is niet eenvoudig. Eendeels kan het voor-
komen van eiwit mogelijk veroorzaakt worden door sterke veneuze stuwing.
Niet alle dieren met stuwing hadden echter eiwit in de mine, terwijl dieren
zonder veneuze stuwing en alleen een endocarditis rechts ook wel eiwit in
de urine hadden. Er zijn echter nog 2 serieuze mogelijkheden waar men
rekening mee heeft te houden, n.1. dat het oorspronkelijke ziekteproces of
de endocarditis een nierclegeneratie heeft veroorzaakt, of dat dc nefritis
zelfs het primaire proces is geweest.

Resumerende zou men kimnen zeggen, dat koeien met een endocarditis ei-
wit in de urine kunnen hebben. Wanneer er v-eel eiwit, veel nierepitheliën
of zelfs bacteriën in de urine zitten, moet de kans op een endocarditis links
groter geacht worden. Een nader onderzoek zou hier nog \\an nut kunnen
zijn.

Embolische processen in e e s s c h e d e n en ge-
wrichten.

Peesscheden en gewrichten zijn ook vaak embolisch aangetast. Dieren met
aangetaste gewrichten of peesschcden lopen stijf en/of kreupel.
Men zou \\ erwachten dat er alleen bij een endocarditis links dikke gewrich-
ten zouden oiJtreden. Dit is niet helemaal waar, want ook bij endocarditi-
den rechts ziet men wel dikke gewrichten. Er is echter een duidelijk verschil.
Wanneer men de afwijkingen aan dc benen bij dieren met een endocarditis
uitsluitend rechts vergelijkt met die van dieren met een endocarditis links
en rechts of alleen links, dan merkt men de volgende verschillen op (zie
tabel H).

Tabel 11.

Afwijkingen aan de benen bij een endocarditis rechts of bij een endocarditis

rechts en links.

Endocarditis uitsluitend
rechts

Endocarditis
rechts en links
of alleen links

Aantal gevallen

18

26

Aantal gevallen waarin de

16

25

benen zijn beschreven

Geen afwijking

5

3

Stijve gang

3

3

Afwijking aan 1 been

3

6

Afwijking aan meer benen

5

13

-ocr page 997-

jammer is het clat de klinische aantekeningen weliswaar stammen van vóór
de sectie, maar dat de gewrichten
na de sectie lang niet altijd zijn gecon-
tioleerd.

Hieruit blijkt, dat bij een endocarditis links vaak meer gewrichten of pees-
scheden zijn aangetast.

Dat er bij een endocarditis rechts ook veel beenafwijkingen voorkomen, kan
liggen aan het feit, dat juist de gewrichts- en peesontstekingen de oorzaak
geweest kunnen zijn van de endocaiditis.

E m b O 1 i s c h e processen in d c hartspier.

\\Vanneer men de endocarditis zèlf als een embolisch ontstaan ziekteproces
buiten beschouwing laat, dan moet cr rekening mee woiden gehouden, dat
stukjes trombus van een endocarditis links in de coronair circulatie komen
en daar een hartinfarct of een myocaiditis \\ eroorzaken.
Eén van de verschijnselen die men dan verwachten kan is een ritmestoornis.
Lang niet altijd zijn in onze gevallen de harten microscopisch nagezien op de
aanwezigheid van een myocarditis. Alleen als er macroscopisch aanleiding
toe was, is dit gedaan.

In 4 van de 7 gevallen met ritmestoornis.sen weiden bij .sectie verschijnselen
van een myocarditis waargenomen. Eenmaal werd er een myocarditis ge-
vonden met een duidelijk getromboseerd bloedvat. Dit dier \\ ertoonde bij het
leven en \\ lak vóór de dood een zéér hoge ])olsfrcquentie (240). Bij het op-
nemen van het E.C.G. werd cen ventriculaire tachycardie geconstateerd,
rijdens het opnemen \\an het E.C.G. stierf het dier. Een tv/eede geval ver-
toonde ook een \\entriculaire tachycardie.

In twee andere gevallen werd een myocarditis geconstateerd, eenmaal ge-

[)aard gaande met kleine abcessen in de hartspier. In dit laatste geval was

dc hartslag onregelmatig, in het andere geval zelfs regelmatig.

Tn 3 andere ge\\ allen werd een onregelmatige hartslag geconstateerd, zonder

dat bij sectie macroscopisch een myocarditis werd gevonden.

Bij alle 7 gevallen bestond o.m. een endocarditis links.

c. ALGEMENE VERSCHIJNSELEN BIJ EMBOLISCHE PROCESSEN.

Wanneer men een bloedbeeld bekijkt, dan is cr bij een endocarditis meestal
een linksverschuiving.

Dc samenstelling \\an de serumeiwitten vertoont meestal een belangrijke
afwijking van het normale. Het albuminengehalte is sterk verlaagd en het
y-globulinengchaltc is sterk verhoogd. Het albuminengehalte is meestal
lager dan 25% en het y-globulinengehalte is meestal hoger dan 45%.
Hoewel deze afwijking niet specifiek is, is het toch een sterke aanwijzing
\\oor embolische processen. (Men zie de \\oordracht van Drs. Schot-
m a n.) Wanneer men koeien met een endocarditis twee maal daags tempe-
ratuurt, dan blijken zij vaak cen hectische temperatuur te hebben.

2. Verschijnselen aan het hart zelf.

a. EEN VERHOOGDE FREQUENTIE.

De pols is altijd versneld en varieert meestal tussen de 90 en 120 of hoger.
In uitzonderingsgevallen is de pols wat lager, tussen de 80 en 90. Het
spreekt vanzelf dat de pols, afhankelijk van de inspanning van het dier,
kan variëren, waarbij deze zelfs zeer snel kan worden.

-ocr page 998-

De pols zal eensdeels snel zijn omdat het lichaam met koorts meer door-
stroming verlangt, anderzijds zullen er gevallen zijn waarbij de circulatie
in het hart stagneert, zodat een verminderd slagvolume door een hogere
frequentie moet worden gecompenseerd (zie „backward failure").
Op zichzelf genomen is een versnelde pols tijdens een ziekte nog niet zo\'n
veelzeggend verschijnsel. Bij vele aandoeningen kan de pols versneld zijn
zonder dat er sprake is van een endocarditis.

b. GELEIDINGSSTOORNISSEN.

Wanneer een endocarditis zetelt in het gebied van de bundel van Hiss
of de knoop van Tawara, dan ontstaat de kans op geleidingsstoornissen.
Volgens onze waarnemingen komt dit vermoedelijk zelden voor. Ritme-
stoornissen zijn veel meer het gevolg van metastasen in de hartspier,

c. BIJGERUISEN,

De bekende normale hartgeruisen, beter bekend als „brrr - tpk", worden
veroorzaakt door trillingen. Deze worden veroorzaakt door dc
S]3ieractie
van het hart, de kleppen functie, de bloedstroom en de vaattrillingen. Al
deze trillingen planten zich op de omgeving voort en zijn althans gedeel-
telijk aan de huidoppervlakte waar te nemen.

De trillingen die door het normale hart worden opgewekt zijn in het al-
gemeen laag van frequentie en laag van amplitude.

Zoals uit bijgaand schema (zie foto 1) blijkt, is slechts een beperkt ge-
deelte van de door het hart opgewekte trillingen voor het menselijk oor
waarneembaar. Wil men dan ook bij een endocarditis van bijgeruisen spre-
ken, clan kan men slechts spreken over hoorbare bijgeruisen, bijgeruisen
dus van voldoende frequentie en/of amplitude.

De eerste hartetoon valt samen met dc systole, de tweede in het begin van
de diastole, zodat de klepsluiting van dc aorta en de arteria pulmonalis
in hoofdzaak verantwoordelijk zijn voor de 2e hartetoon.
Bijgeruisen onstaan nu als er extra turbulenties in de bloedstroom optre-
den. Deze turbulenties kimnen daar ontstaan waar bestaande openingen
in het hait extra vernauwd zijn of daar waar ojjcningen zijn die er normaal
niet zijn.

Zonder in details te treden kan wel gesteld worden, dat de ontstane turbu-
lentie zal afhangen van het drukverschil tussen 2 hartsgedeelten en van
de grootte van de o[)ening. Hoe groter het drukverschil en hoe nauwer de
opening, des te meer turbulentie in het algemeen is te verwachten.
Grote drukverschillen kunnen wij bij hel normale hart waarnemen in de
volgende gevallen:

1. tijdens de systole is de druk in de kamers veel groter dan die in
de boezems;

2. tijdens de systole stijgt de druk in de kamers flink boven de druk
in de grote arteriën, n.l. de aorta en de art. pulmonalis;

3. tijdens de diastolé is er een groot drukverschil tussen de grote slag-
aders en de kamer in diastolé.

Een vraag die bij ons onderzoek het eerst moest worden opgelost, was de
vraag in welke hartopeningen er het meest lekken of vernauwingen zou-
den voorkomen.

-ocr page 999-

1000,0
^^00,0
-

10 BO so ÏOO 200 1000 SOOO 20000
Frequenz i==Schwingungenlsek)

Foto I.

Schema van de door het hart opgewekte trillingen en dat gedeelte
wat het menselijk oor kan waarnemen.

(Uit ,,Einführung in die Fonokardiografie").

Foto 2.

Het hart van links gezien. De 3e, 4e en 5e rib zijn weggenomen.

The heart seen from the left side, three ribs are removed.
A: aorta; P: art. pulmonalis; R.V.: right ventricle; L.V.: left

ventricle.

-ocr page 1000-

Het was te verwachten dat endocarditiden met grote woekeringen aan-
leiding zouden geven tot stenose-, resp. insufficiëntiegeruisen.
Teneinde hierover een voorlopig oordeel te kunnen vellen, werden de 100
ziektegeschiedenissen uit het proefschrift van Bruin (1953) nagelezen,
waarbij genoteerd werd in hoeveel gevallen er behoorlijk grote woekerin-
gen waren en waar deze zaten.

Van de 100 harten werd in 70 gevallen een endocarditis met een woeke-
ring beschreven, die een lekkage res]). stenose deed vermoeden.
Van deze 70 dieren bestond er bij 57 dieren een ernstige afwijking in het
rechter hart en bij 13 dieren een ernstige afwijking in het linker hart. In
6 van deze 70 gevallen was de afwijking zowel links als rechts belangrijk.
Bij de endocarditis rechts bleek de kans dat de ernstigste afwijking gezeteld
zou zijn op de atrioventriculair kleppen 7 maal zo groot als de kans dat
de puhnonaalkleppen het ernstigst waren aangetast.

Dit zelfde gold voor de endocarditis links, ook daar was het aantal ern-
stige aantastingen \\an de bicuspidalis \\-elc malen groter dan dat van de
aortakleppen.

Met deze kennis van zaken gewapend, moet gelet worden o|) de tricus-
pidalis, dan dc bicuspidalis, vervolgens de pulmonalis en dan pas de aorta-
kle]}i3en.

P u n c t a maxima.

Het is te verwachten dat bijgeruisen bij het hart zijn te horen op de i)e-
ireffende puncta maxima en dan nog met de bloedstroom mee.

Tricuspidalis.

Het 13.m. van de atrio\\entriculaire kleppen van het rechterhart vindt men
rechts in de 3e intercostaalruimte.

Voor de praktijk luistert men ongeveer halverhoogte lussen de bt)eg- en
ellebooglijn en zo ver mogelijk naar voren.

Arteria pulmonalis kleppen.

Het p.m. van deze kleppen ligt links. Het is onder de schouders])ieren te
bereiken. Men zoekt zo ver mogelijk naar voren, ongeveer halverhoogte
tussen de ellebooglijn en de boeglijn. Ook dit is ongeveer de 3c intercostaal-
ruimte.

Bicuspidalis.

Het p.m. van deze kleppen ligt even hoog of iets hoger dan dat van de
pulmonaliskleppen, maar dan ongeveer op de 5e rib en 5e intercostaal-
ruimte. Voor de praktijk betekent dit, dat men even onder de boeglijn
luistert en net onder de groep van de anconeïspieren.

Aortakleppen.

Het p.m. van de aortakleppen ligt tussen dat van de pulmonalis en van
de bicuspidalis in, en dan wat verborgen achter de pulmonalis. Het lokali-
seren van souffles bij de aorta bij het rund lijkt erg lastig, terwijl woeke-
ringen aan de aortakleppen zelden voorkomen.

Bij het paard is wel bekend dat een aortastenose een zeer luide souffle
over het gehele linker hart kan veroorzaken. Wij namen dit bij de koe
niet waar. (zie foto\'s 2, 3 en 4)

-ocr page 1001-

Foto 3.

Dwarsdoorsnede door het hart.
Vlak tegen de linker borst-
wond aan liggen van caudaal
naar craniaal de linker atrio-
ventriculaire kleppen (M), de
aorta-kleppen (A) en de pul-
monaliskleppen (P). Kaar
rechts gekeerd liggen de rech-
ter atrio-ventriculaire kleppen
(T).

Cross-section of the heart.
Close to the left thoracic wall
are situated from caudal to
cranial the left atrioventricu-
lar valves (M), the aortic val-
ves (A), the pulmonary valves
(P). The right atrio-ventricu-
lar valves (T) are turned to
the right thoracic wall.

Foto 4.

Het hart gezien van rechts, na-
dat 3 ribben zijn weggenomen.

The heart seen from the right
side. Three ribs are removed.
L.V.: left ventricle; R.V.:
right ventricle; V I: vena cava
cran.: V II: vena cava cau-
dalis.

-ocr page 1002-

Hoe onderzoekt men nu \'t hart?

Allereerst moet men een goede fonendoscoop hebben, een goed apparaat
met goede beugel. Wij gebruiken tegenwoordig een fonendoscoop voor
humaan gebruik, n.1. de Sanborn (Rappaport - Sprague) met de grootste
cup, wat langere hoge drukslangen en indien nodig een ietwat gerieflijker
zittende oorbeugel.

Eerst beluistert men het hart aan de linker zijde, tast de puncta maxima
af, daarna nogmaals hetzelfde onder dichthouden van de neus teneinde
de ademhalingsgeruisen uit te sluiten.

Men dient altijd het hoofd van de koe rechtuit te laten houden bij het
neus dichthouden. Een draaiing in de hals kan een draaiing in de grote
venen veroorzaken en daardoor soms een souffle.

Men dient er eveneens rekening mee te houden, dat er bij een aantal
koeien op de pulmonalis een licht systolisch bijgeruis is te horen, dit is nor-
maal.

Na het beluisteren links, beluistert men het hart rechts, ook hier zonder en
met neus dichthouden. Men dient er rekening mee te houden, dat sommige
koeien na het dichthouden van de neus nog inadembewegingen maken,
waardoor soms nog weer ademhalingsgeruisen kunnen optreden.
(Zie foto\'s 5, 6, 7, 8 en 9)

Wat kan men o o r b ij g e r u i s e n horen?

Wie bijgeruisen wil waarnemen, moet om te beginnen bekend zijn met de
normale hartetonen en deze dus regelmatig en goed beluisteren.

Systolische hijgeruisen, d.w.z. geruisen die te horen zijn in aansluiting op de
le hartetoon kunnen berusten op een insufficiëntie (een lek) in de atrio-
ventriculairc kleppen of op een stcnose van de aorta- of pulmonalis klep-
pen. Het p.m. is bepalend voor de plaats van de souffle en dus b.v. voor
de plaats van de endocarditis.

Bij het rund heeft men meestal met systolische souffles tc maken.

Diastolische bijgeruisen, d.w.z. geruisen die te horen zijn tijdens en na de
2e hartetoon berusten meestal op aorta- en pulmonalisinsufficiëntie, dus
op lekkage.

Presystolische bijgeruisen hoort men, althans bij het rund, bij atriovcutri-
culaire stenose, dus bij het aanzuigen van bloed door de kamer juist voor dc
systole (zie foto\'s 10, 11 en 12).

Rekening houdende met hetgeen bekend is over de plaats van de souffles,
dient men vooral rechts op het p.m. van de tricuspidalis en links op het
p.m. van de art. pulmonalis te luisteren.

De systoHsche souffles hebben vrijwel altijd een vrij rauwe toon van ge-
lijke hoogte als de hartetonen. Diastolische souffles willen wel eens wat
hoger van toon zijn.

Zéér luide souffles doen of aan een aortastenose denken, óf aan een aan-
geboren hartgebrek.

Hoe vaak kan men nu een souffle horen?

Bij de door ons onderzochte patiënten werd het volgende geconstateerd.

-ocr page 1003-

Foto 5.

Het beluisteren van het hart
op het punctum maximum van
de linker a.v. kleppen, d.w.z.
halverwege de boeg- en de elle-
booglijn, net onder de groep
van de anconei spieren.

Listening to the heartsounds
on the punctum maximum of
the mitral valve. The stethos-
cope is placed halfway between
a horizontal line through the
shoulder and the elbow, just
beneath the triceps muscles.

Foto 6.

Het beluisteren van het hart
op het p.m. van de a. pulmo-
nalis, d.w.z. halverwege de
boeg- en de ellebooglijn en zo
ver mogelijk naar voren.
Het p.m. van de aorta ligt
tussen dat van de a. pulmonalis
en dat van de linker a.v. klep-
pen in.

Listening to the heartsounds
on the p.m. of the a. pulmo-
nalis, that means halfway be-
tween a horizontal line through
the shoulder and the elbow
and as far as possible forward.
The p.m. of the aorta is laying
in between the p.m. of the art.
pulmonalis and the mitral
valve.

-ocr page 1004-

Foto 8.

Het beluisteren van de rechter
a.v. kleppen, halverwege de
boeg- en ellebooglijn en zo ver
mogelijk naar voren.

Listening to the heartsounds
on the p.m. of the tricuspid
valve, halfway between the
shoulder and the elbow and as
far as possible forward.

Poto 7.

De hartelonen moeten ook altijd tijdens het dichthouden van de
neus worden beluisterd.

The heartsounds should also be listened to with the nose of the
animal closed.

-ocr page 1005-

Foto 9.
De Sanborn (Rappaport -
Sprague) fonendoscoop.

The Sanborn (Rappaport
Sprague) stethoscope.

Bij ecu endocarditis iiit.duitend rechts:

Deze endocarditis werd 18 maal geconstateerd; hiervan viel er voor de
beooideling 1 af, omdat deze niet volledig onderzocht werd. Bij de over-
blijvende werd het volgende vastgesteld:

2x .geen souffle gehoord. (Bij cén dier een nootgrote trombus in het R. atrium
op de uitmonding van de v. coronaria. Kleppen goed bewegelijk. Bij het an-
dere dier waren cr 2 hazelnootgrote trombi op de kleppen, deze leken echter
bewegelijk.)

6x was er een systolische souffle op het ]j.m. rechts en op de art. pulmonalis.
De souffle was links even sterk of iets sterker te horen dan rechts.
Bij al de 6 gevallen was er cen groot proces aan de a.v. kleppen, cen proces
dat uitpuilde in de conus arteriosus van de A. pulmonalis, waardoor er ook
een souffle op het p.m. van de Art. pulmonalis tc horen was.
Een systolisch geruis rechts wijst op een insufficiëntie van de a.v. klep. In
.3 van de 6 gevallen was er ook een presystolisch stenosegeruis.

5x was er een systolische souffle zowel rechts als links, maar duidelijker rechts
dan links. Ook hier zat het proces aan de rechter a.v. kleppen.

4x was er een duidelijke systolische souffle rechts, die links niet of nauwelijks
te horen was. Van deze 4 gevallen hadden er 2 ook een presystolische souffle.
Ook hier was de endocarditis gezeteld op de tricuspidalis.

Resumerend kunnen v/ij dus zeggen, dat er van de 18 koeien met een endo-
carditis in het rechterhart er één niet volledig werd onderzocht. Van de res-
terende 17 dieren kon bij 15 een duidelijke souffle gehoord worden.

Bij een endocarditis uitsluitend gezeteld in het linkerhart:
Deze endocarditis werd 9 maal geconstateerd. Het betrof 7x de bicus-
pidalis (hiervan 2x te\\ens de aortakleppen 1, lx de aortakleppen en lx
was er een abces in de wand, gecombineerd met een wandstandige trombus.

-ocr page 1006-

Voto 10.

Een fonocardiogram van een koe niet een ernstige endocarditis van de rechter n.v.
kleppen. Op het p.m. van deze a.v. kleppen werd bovenstaande opname gemaakt.
Onder het E.C.G. ziet men 3 fonocardiogrammen. In het onderste, speciaal voor de
middelhoge frequenties, is de souffle het beste waar te nemen. Enige tijd na de 2e
hartetoon, maar duidelijk vóór de eerste is een presystolische souffle aanwezig en
direct na de Ie hartetoon is er een zachte systoHsche souffle, (zie pijlen)
Dit wijst op een stenose en op een insufficiëntie van de a.v. kleppen.

A phonocardiogram of a cow with a severe endocarditis of the tricuspid valve.
This recording was made on the p.m. of this valve. Below the E.C.G. we can see
three phonocar dio grams. In the lowest, especially made for the middlehighfrequencies,
the murmer is best to be seen (see arrows). Some time after the second heartsound
but clearly before the first one, a presystolic murmer can be seen and directly after

the first sound a soft systolic murmer is present.
These facts indicate a stenose of and a regurgitation through the above mentioned

valve.

-I

A/U

sty.;,! . r

-ocr page 1007-

r ^

I

r

■nr

Foto 11.

In het hoge frequentiebereik, weergegeven in het onderste fonocardiogram, is een
duidelijke systolische soujfle (aansluitend aan de le hartetoon) en een duidelijke
diastolische souffle (aansluitend aan de 2e hartetoon) waar te nemen. Het p.m. van
deze bijgeruisen lag op dat van de linker a.v.-kleppen resp. van de aortakleppen. De
aansluiting aan de 2e hartetoon wees op de aortakleppen. De conclusie was, dat het
een aortastenose en een aorta-insufficiëntie zou zijn, veroorzaakt door een endocarditis.
Bij sectie bleken 2 van de 3 aortakleppen door de endocarditis te zijn aangetast.

In the high frequencies, given in the lowest phonocardiograrn, a marked systolic
murmer (connected with the first heartsound) and a marked diastolic murmer (con-
nected with the second heartsound) can be seen.

The p.m. of these murmers was laying on that of the mitral valve or of the aortic
valves. The connection of the murmer with the second heartsound was indicating to
the aortic valves. These symptoms brought us to the conclusion that there was an
endocarditis of the aortic valves.

At the post mortem 2 of the 3 aortic valves were found to be affected.

. mmmjt4t

\\ IX

MSl

-ocr page 1008-

» --L;^ T-

! ?!
LX-

\\

ZJ^

%—fe

----if-

I.

Poto 12.

Op het p.m. van de aorta of van de a.pulmonalis werd in de hoge frequenties een
fraaie diastolische souffle geregistreerd. De aorta- of de pulmonalis kleppen moesten
dus insufficiënt zijn. Er bleek een flinke endocarditis op de aortakleppen gezeteld

te zijn.

On the p.m. of the aortic or of the pulmonary valves a diastolic murmer was recorded
in the high frequencies. There must have been a regurgitation through one of the
above mentioned valves. At the post mortem there was an endocarditis of the aortic

valves.

4x was PI geen souffle te horen. Eenmaal betrof het een wandstandige trombus
en 3 maal een trombus op de a.v. kleppen, waarbij de kleppen wel gesloten
kunnen hebben.

2x was er een systolische souffle op het p.m. van dc bicuspidalis tc horen, rechts
was deze minder dtiidelijk. In beide gevallen was er een endocarditis op de
bicuspidalis.

lx was er een systolische souffle die rechts duidelijker was dan links. Bij sectie

was cr toch een endocarditis van de bicu.spidalis en van de aortakleppen.
lx was cr een diastolische souffle op het p.m. van de Art. pulmonalis, toch was

er slechts een platte trombus op de bicuspidalis.
lx bestond er een systolische en een diastolische souffle op het p.m. van de aorta.

Resumerend kunnen wij zeggen, dat er bij 9 rttnderen met een endocarditis
\\ an het linker hart in 4 gevallen geen souffle tc horen was, in 5 gevallen
was er wel een souffle te horen, welke souffle in 2 gevallen
niet voldoende
werd gelokaliseerd.

-ocr page 1009-

Bij een endocarditis zowel in het linker- als in het rechter hart:

Van de 17 maal dat wij een endocarditis beiderzijds constateerden, werd
in 6 gevallen geen souffle gehoord. Deze laatste gevallen leverden hct vol-
gende bij sectie op:

Eenmaal was de endocarditis gezeteld in de rechter boezem en in de uitmonding
van de vena cava, In 2 gevallen waren de vormsels nog betrekkelijk jong en klein,
zodat de kleppen mogelijk nog goed gesloten hebben.

In 1 .geval zou de endocarditis misschien wel hoorbaar geweest zijn, maar het dier
lag, kon niet overeind en daardoor was het hart wat moeilijk te beoordelen en
in cen tweede geval zou de endocarditis op het p.m. van de linker a.v. kleppen
hoorbaar geweest moeten zijn.

Tot slot moet in nog 1 geval de endocarditis ook hoorbaar geweest zijn; in dit
geval bestond er echter een ventriculaire tachycardie met een frequentie van
200, waardoor een souffle mogelijk moeilijk waarneembaar is.
Bij de 11 gevallen waarbij wel een souffle werd geconstateerd, werd hct volgende
tijdens het leven en bij de sectie waargenomen:

8x werd cr vooral rechts een systolischc souffle .gehoord, terwijl er links vooral
op dc art. pulmonalis een souffle was te horen. In 5 .gevallen klopte deze
waarneming wel met de sectie, in 2 gevallen was de afwijking aan dc bicus-
pidalis zo groot, dat cr ei.genlijk een souffle op het p.m. van de bicuspidalis
hoorbaar moest zijn geweest. In één geval waren de afwijkingen zowel links
als rechts klein, maar hct dier had cen myocarditis.
2x werd er cen duidelijke souffle op het p.m. van de bicuspidalis gevonden. Dit
klopte in 1 geval met de werkelijkheid, in het andere geval was de afwijking
rechts veel groter dan links,
lx was cr zowel links als rechts een diastolische souffle te horen, waarbij in
hoofdzaak de kleppen van de A. pulmonalis waren aangetast.

Resumerend kunnen wij dus zeggen, dat er \\an de gevallen met een endo-
carditis links en rechts er 6 niet goed te horen waren. Van de resterende
11 stuks werd er bij 8 een goede diagnose wat betreft de plaatsbepaling ge-
maakt.

De volgende tabel geeft een goed ox crzicht van de bijgeruisen, waargenomen
bij de verschillende patiënten met cen endocarditis.

Tabel III.

Overzicht van 42 dieren, waarbij het hart volledig werd onderzocht, terwijl
het onderzoek werd gecompleteerd door de sectie.

Aantal

Bijgeruis
aanwezig

Plaats v. d.
afwijking goed
gelokaliseerd

Geen
bijgeruis

Endocarditis

R

17

15

15

2

Endocarditis

L

9

5

3

4

Endocarditis

R L

17

11

7

6

Totaal

42

30

25

12

Een volgende belangrijke vraag is, heeft een koe
ook wel eens een b ij g e r u i s b ij het hart, zonder
dat er een endocarditis aanwezig is?

Behalve door een endocarditis kunnen er door andere oorzaken ook ab-
normale trillingen in het hart optreden. Men moet denken aan:

-ocr page 1010-

a. dieren niet een aangeboren hartgebrel;, b.v. een septunidefect;

b. dieren met een sterke anemie. Het is een feit, dat sterk anemische
dieren vrij dikwijls cen systolisch geruis vertonen. Men denkt dat de
verminderde viscositeit van het bloed hiervan dc oorzaak is;

c. dieren met een dilatatie van het hart of van een helft van het hart
kunnen een duidelijke systolische souffle laten horen. 15ij koeien
met een boezemfibrillatie is soms slechts alleen dc boezem gedila-
teerd. Toch moet in dergelijke gevallen dc a.v. klep gelekt hebben;

d. in het begin van een pericarditis kunnen wrijvingsgeruisen met een
souffle worden verwisseld:

e. bij dieren met een hartdegeneratie of een myocarditis hoort men
soms een souffle;

f. bij een verkregen klepinsufficiëntie zonder endocarditis of bij een
stcnose van één van de grote arteriën zou een souffle kimnen o]>
treden. Vaak hoort men op de art. puhnonalis een zacht uitdrijvings-
geruis, ook bij normale koeien.

Voorts dient men te bedenken, dat elk geluid een trilling tot oorzaak heeft,
ook al kan men de oorzaak van deze trilling bij sectie niet vinden. De term
„anorganisch geruis" dient te verdwijnen en vervangen te worden door
„functioneel bijgeruis".

4. De zgn. „backward failure".

Onder „backwaid failure" verstaat men cen aantal moeilijkheden slroom-
o[)waarts in de circulatie; dit kunnen zijn:

a. STUWLNGSVERSCHIJNSELEN.

Wanneer een endocarditis ecu belangrijke uitbreiding heeft gekregen, dan
kan het zijn dal cr stuwingsverschijnselen optreden. Een stuwing zal al-
leen optreden als de circulatie door een \\ersnelde ])ols niet op peil kan
worden gehouden. Wanneer n.1. de druk in de rechter boezem te hoog
wordt, dan treedt dc zgn. Bainbridge-rcfle.x in werking, waardoor de fre-
quentie van het harl toeneemt.

Wanneer er een stenose ontstaat van één van dc alrio-ventriculairc ope-
ningen, dan moet cr een passagebelcmmering optreden. Tijdelijk kan soms
een dergelijke passagebelemmering worden opgevangen door een hyjier-
trofie van de spierwand en in het bovengenoemde geval van de atrium-
wand. Aangezien de endocarditis bij het rund meestal het ernstigst dc rech-
ter hartshelft heeft aangetast, zal de stuwing aan de venae jtigulares en aan
de meikaderen het meest voorkomen. Wanneer dc stcnosc gezeteld is in de
linker hartshelft zal er longstuwing optreden.

Dc stuwing aan de vena jugularis dient te worden bestudeerd bij de koe
met de kruin op schofthoogte. In een dergelijke houding mag de vena niet
voelbaar zijn. De stuwing van de meikader is moeilijker te beoordelen aan-
gezien de omvang van deze ader sterk afhankelijk is van de lactatietoestand
van het dier.

Begeleidende verschijnselen van de stuwing kunnen zijn:

leverstuwing : vergroot percussieveld, pijnlijkheid, soms een verhoogd

gehalte aan alkalische fosfatase in het serum;
nierstuwing : spoor eiwit in de urine;

-ocr page 1011-

longstiivving : de longstuwing is moeilijk te diagnostiseren, men vindt
meestal een versnelde ademhaling en verscherpt vesicu-
lair ademen; beide zij geen specifieke verschijnselen.
Naarmate dc stenose uitgebreider wordt, wordt de kans op stuwing groter.
Een stuwing zal langzamerhand optreden. De normale druk in het rechter
atrium van maximaal enkele mm Hg zal kunnen stijgen b.v. tot 15 nnn
Hg, hetgeen overeenkomst met 21 cm water. Wanneer men de vena jugu-
laris perifeer dichtdrukt, dan kan de rechter boezem plus de vena jugularis
gaan functioneren als een water (bloed) manometer. Een druk van 21 cm
is dan gemakkelijk aan de hals vast te stellen. Kleine drukverhogingen
zijn echter niet te voelen. Het kan ook wel zijn, dat er na inspanning, b,v,
na een reis, wel stuwing is en dat deze na rust verdwijnt.
Men bedenke dat venastuwing door meer aandoeningen kan worden ver-
oorzaakt dan door een endocarditis alleen.

Van 50 koeien met een endocarditis, vertoonden cr 27 geen voelbare stu-
wing, 10 koeien vertoonden een geringe stuwing en 13 koeien vertoonden
sterke stuwingsverschijnsclen, In ongeveer de helft van de gevallen was
er dus al een veriioogde tensie waar te nemen.

Ten aanzien van een eventuele overeenkomst tussen de stuwing en dc
aard van de endocarditis kan het volgende worden opgemerkt.
Zelfs bij een vrij grote woekering in het rechter hart behoeft geen stuwing
oj) te treden. Bij de gevallen met stuwing was er altijd een grote afwijking
in het rechter hart; maar tweemaal was er een grote woekering links, waar-
bij de stuwing via de longen ook rechts opgetreden was en waarbij de
beide atria gedilateerd waren.

b. PATHOLOGISCHE VENEPOLS.

Wanneer ecu koe met een laaggehouden hals staat, ziet men vaak synchroon
niet de hartslag door de vena jugularis een polsgolf lopen naar perifeer.
Dit is een fysiologische vene])ols. Dc ,golf bestaat echter uit drie gedeelten
cn wel:

a. de vulling van de vena jugularis als dc boezem contraheert;

1). dc stuwing van de atrioventriculaire kleppen tot in de Iwezem als

de kamer contraheert;
c. de stuwing in de vena jugularis als dc boezem zich gevuld heeft.

Bij deze fysiologische vencpols wordt dc druk in de boezem nauwelijks
hoger dan enkele cni water, vandaar dat deze venepols slechts te zien is
bij een koe met een vrij horizontaal gehouden hals.

Wanneer er nu stuwing optreedt, dan zullen de bovengenoemde druk-
verschillen ook wel optreden, de verschillen zijn echter te klein om als een
goed voelbare pols te worden gevoeld.

Wanneer er echter een lek in de a.v. klep optreedt, dan zal de drukgolf,
onder b. genoemd, versterkt worden. Er wordt nu bloed in het atrium ge-
spoten vanuit de rechter kamer, waar een druk heerst van ± 40 mm Hg
of ± 56 cm water. Door de hoeveelheid bloed, die vanuit de kamer in de
boezem komt, ontstaat er in de gespannen vena jugularis een polsgolf als
in de aorta. Een dergelijke polsgolf moet in zijn ideale vorm dusdanig zijn,
dat men zowel aan de vena jugularis als aan de vena mammaria de hart-
slag kan tellen.

-ocr page 1012-

Een positieve venepols wijst altijd op een insufficiëntie van de rechter a.v.
kleppen, zoals slechts bij een endocarditis of bij een dilatatie van het rech-
ter hart voorkomt.

Van de 13 koeien met een sterke stuwing op de v. jugidaris vertoonden er
7 een duidelijk voelbare venepols.

c. OEDEEM.

Eén van de factoren die het ontstaan van oedeem in de hand werken is
een verhoging van de druk in het veneuze stelsel. Er kan een verhoogde
druk optreden aan de veneuze kant van de capillaire netten. Deze ver-
hoogde druk is echter slechts één factor die het oedeem doet ontstaan.
Andere factoren zullen wij nog behandelen.
Van 13 koeien met sterke stuwing hadden er 6 oedeem.

Is de vene-stuwing nu wel voldoende verklaard?

Wanneer er ergens in het hart een stenose of insufficiëntie optreedt, dan
kan het zijn dat het hart er onvoldoende in slaagt om het veneuze bloed
af te voeren.

Ogenschijnlijk is hierdoor het verschijnsel „stuwing\'\' wel verklaard. Toch
is dit niet zo eenvoudig. Wanneer het veneuze bloed onvoldoende wordt
afgevoerd, dan kan het niet anders zijn of er wordt aan de arteriële kant
onvoldoende uitgeworpen. Hoewel dit niet bij iedere hartslag het geval
behoeft te zijn, kan het in het verloop van de tijd niet anders of de ver-
traagde afvoer van het veneuze bloed moet gepaard gaan met een vermin-
derde „output" van het hart aan de arteriële kant. Door deze verminderde
„output\'" wordt het praktisch onmogelijk, dat er zo\\eel bloed aan de ve-
neuze kant van het bloedvaatstelsel komt te zitten, dat er een zeer sterke
stuwing o])treedt.

Dat er een dergelijke stuwing ojjlreedt is tevens een gevolg van een ander
mechanisme, n.1.

5. De „forward failure".

Wanneer de „output" van het hart vermindert, b.v. cloor ecu sterke ver-
bloeding, dan staan het lichaam verschillende mechanismen ten dienste ten
einde de circulatiemoeilijkheden op te vangen.
Eén van deze mechanismen is de volgende.

Wanneer de „output" van het hart vermindert, dan wordt de druk in dc
sinus caroticus lager. Via drukreceptoren in deze sinus caroticus, en van
deze via zenuwbanen, wordt het centrale zenuwstelsel geprikkeld. Van het
centrale zenuwstelsel gaat een signaal naar de hypofyse, van waaruit hor-
monaal de bijnierschors wordt geprikkeld tot het afscheiden van het miiic-
ralo-corticosteroïd. het „aldosteron".

Het is niet zeker, dat de bovengeschetste weg de enige is die de „aldosteron"
afscheiding kan doen toenemen.

Het aldosteron zorgt er o,ni, voor, dat in de nier natrium wordt terug-
gehouden of wordt teruggeresorbeerd. Deze natriumietentie is mede de
oorzaak van het feit, dat ook water wordt geretineerd, zodat het bloed-
volume toeneemt.

Dit mechanisme kan o,a. bij een sterke bloeding het bloedvolume op ])eil
houden of op peil brengen,

-ocr page 1013-

Hij een endocarditis met een stenose ]<an hct ook tot een zgn. „lovv output\'\'
of „forward failure" komen, waarbij ook onvoldoende bloed het lichaam
wordt ingeperst, Het gevolg is eveneens natrium- plus water retentie.
De toename van het blocdvohunc moet men niet onderschatten, men denke
aan de sterke veneuze overvulling en aan de geweldige leverstuwing. De ge-
\\olgen zijn als volgt:

a, de toename van het bloedvolume leidt tot een verlengde circulatie-
tijd met als gevolg een relatief slechte bloedvoorziening van de or-
ganen;

b, de toename van de blocd\\\'loeistof leidt tot een schijnbare anemie;

c, door de toename van de blocdvloeistof wordt het eiwitgehalte lager.
Vooral de albuminen in het serum zijn mede verantwoordelijk voor de os-
motische waarde van het plasma.

Het lage eiwitgehalte van het serum, gepaard gaande met een verhoogde
druk in de venen, kan gemakkelijk het uittreden van vocht in hct cajiil-
laire systeem bevorderen, hel gevolg is
oedeem.

Toch is deze veronderstelling bij een koe met een endocarditis in strijd met
de feiten. Koeien met een endocarditis hebben slechts zelden oedeem. Dit
komt door hel betrekkelijk langzame verloop van de endocarditis, hierdoor
past het lichaam zich aan dc toestand aan.

De eerste reactie bij een verlaagde „output" is de toename van het blocd-
\\olumc, daarna volgt de toename van het eiwitgehalte van het scrum en
tenslotte volgt ook weer cen toename van het aantal erytrocyten.
Oedeem is dan ook veel meer op tc mciken bij een jjatiënt met cen snel
ontstane pericarditis dan bij een patiënt luci cen langzaam ontstane endo-
carditis.

Uit bijgaande grafiek (zie 1.3), waarbij het eiwitgehalte van het seriun is
uitgezet tegen hct percentage albuminen in het serum, zien wij vooral bij
dc lage ciwitwaarden gepaard met lage alb\\uuincngehallen dc oedemen.

Slotopmerking.

Meer dan menig ander ziektebeeld be\'in\\loedt de endocarditis het gehele
organisme van het rund. Er is dan ook zeker geen sprake van een statisch
ziekteproces, maar van cen voortdurend wisselen van hct ziektebeeld. Een
goede kennis van al de mogelijke symptomen kan het diagnostiseren van
de endocarditis vergemakkelijken.

Het bijgaande schema (foto 14) kan tot cen beter inzicht van het ziekte-
beeld bijdragen.

SAMENVATTING.

De endocarditis van het rund kan in hct bc.ginstadium van dc ziekte mocihjk te
diagnosdscren zijn. Hct is voor de diagnostiek nodig dat men op vele symptomen let.
Aan de hand van de ervaringen, opgedaan bij 50 koeien met cen endocarditis, wor-
den verschillende facetten van het ziektebeeld besproken.

Een endocarditis bij het rund moet altijd vanuit een primair proces ontstaan. In ons
materiaal werd in grote meerderheid de
Corynebacterium pyogenes als oorzaak van
de endocarditis gevonden. Men dient er voor de praktijk dan ook rekening mee te
houden, dat processen zoals artritiden, mastidden, abcessen e,d,, door
C. pyogenes
zeker als een mogelijke oorzaak van een endocarditis moeten worden gezien.
Wanneer een rund eenmaal een endocarditis heeft, dan zal zij naast verschijnselen
van het hart ook cmbolische processen in andere organen kunnen krijgen. Vanuit

-ocr page 1014-

EIWIT GEH.
SERUM.

O.

13
12
11
10
9
8
7
6
S

3
2
1

O
O

O
O

O® O

O

O

O

O ^

o9D O

O

®

® O

©

®

_L

J_

JL

-L

_L

J

_L

_1_

_L

-i.

12 r-^ 76 ia 20 22 26 28 30 22 36

ALBUM! NEN

Grafiek !3.

De serum eiwitgehalten van koeien met een endocarditis, uitgezet tegen het percen-
tage albuminen van de totale hoeveelheid eiwitten in het serum.
Koeien rnet stuwing hebben een laag eiwitgehalte in vergelijking met koeien zonder
stuwing. Koeien met oedeem hebben de laagste eiwitgehalten.
Het percentage albuminen is bij koeien met een endocarditis meestal laag.

The serum protein content of cows suffering from endocarditis (vertical) are placed

against the albuminefraction of the serum (horizontal).
Cows with distension of the jugular veins have a relative low protein content of the
serum, cows with distension and oedema have a very low protein content of the serum.
Cows with endocarditis mostly have a low alburnincontent in the serum.

O cows without distension

O cows with a small distension

@ cows with a marked distension

® cows with a marked distension and pulsation of the jugular veins

• cows with distension and oedema

%

-ocr page 1015-

|5TEN05E"ByGERUI5ENL5lN5UFnCl£NTIE

^IFÖR^D FAILURE^BACKWARD FAILURE!
mBOUËNillil|NS?RÊTËNTÏËWISNlïXI POLS

■laag alS "\'

IVENEPOLS

?in. pgpCES

HENDOCARDITiS

■HDDG 8 6L0B. ^PKapV^STUWINGl
ËnBPNEUnONIE!

iOEDEEHl

8H DESTEN
THROnB
.A.PULnaSNELLE ADEHH.
|EXPJ<FEUNEN
1 VER5CH.VE5. Ank»L0NG5TUUING

CORONAIR EnS.|
IONREGEU^OLTI

EnBMPHRm^
ßEmnE^

tênoÏSTSTSI

IVERGR.PERC.1

Ileverstuuing

IHDGE ALK.fosf. 1

:EiUIT IN URINEf

iNIERSTUUING

Foto 14.

Schematisch overzicht van de verschillende symptomen en hun onderlinge relaties.
Scheme of the different symptoms and their relations.

een endocarditis in het rechter hart ziet men dikwijls een moeilijk te diagnostiseren
embolische pneumonie optreden. Bij deze pneumonie hoort men in de regel slechts
verscherpt vesiculair ademen. Wanneer er tevens trombosen bestaan in de grote ver-
takkingen van dc longarteriën, dan hebben dc dieren meestal een zeer snelle adem-
haling (50-60/iuin.), terwijl zij dikwijls kreunen.

Vanuit het linker hart ontstaat er vaak een embolische nefritis, gekenmerkt door
urine-afwijkingen, terwijl cr ook p<-esscheden- en gewrichtsontstekingen kunnen op-
treden. Wanneer er embolieën vanuit het linker hart via de coronair arteriën in dc
hartspier komen, ziet men vaak ernstige afwijkin.gen aan het E.C.G., zoals aritmiecn
en ventriculaire tachycardieën.

Als meer algemeen verschijnsel van een septisch proces merkt men bij een endocar-
ditis meestal een linksverschuiving in het blcH-dbecld op, een hectische temperatuur,
een daling van het percentage albumine cn een stijging van het percentage y-globu-
line in het scrum, het laatste tot 45% of meer.

Bij het beluisteren van het hart hoort men in ongeveer 75% van de gevallen een
bijgeruis. Voor het beluisteren van een bijgcruis is het bezit van een zeer goede
fonendoscoop noodzakelijk. Men tast de verschillende puncta maxima af en wel links
van achteren naar voren het punctum maximum van dc linker a.v. kleppen, van de
aorta en van de art. pulmonalis. Rechts beluistert men het p.m. van de rechter
a.v. kleppen (zie foto\'s).

Men dient het hart ook altijd te beluisteren terwijl dc neus wordt dichtgehouden.
De afwijkingen hoort men meestal op het p.m. van de rechter a.v. kleppen, daarna
op het p.m. van de art. pulmonalis en op het p.m. van de mitralis en zelden op het
p.m. van de aorta.

Behalve aan het hart bemerkt men ook afwijkingen aan de circulatie. Dit kunnen zijn
afwijkingen stroomopwaarts („backward failure"), zoals dc stuwing van de venen.

-ocr page 1016-

gepaard gaande aan lever- en nierstuwing. Bij een sterke stuwing en een insufficiëntie
van de rechter a,v. kleppen constateert men een pathologische venepols.
Naast de „backward failure" treden ook verschijnselen van „forward failure" op.
Wanneer de „output" van het hart tc gering wordt door stenojen of insufficiënties in
het hart, dan kan dit aanleiding zijn tot een vergrote afscheiding van aldosteron
door de bijnicrschors. Deze aldosteronafscheiding veroorzaakt in de nier een zout-
en waterretentie. Hierdoor neemt het bloedvolume toe. Juist door deze toename van
het bloedvolume kan de stuwing zo ernstig worden.

Drie factoren, n,l, een verhoogde veneuze druk, toename van het bloedvolume met
als gevolg daarvan een blocdverdunning, een laag albuminegehalte van het serum
zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van oedeem.

Koeien met een endocarditis passen zich aan aan het langzaam toenemende bloed-
volume, Hun bloedserum bevat meestal veel eiwit. Hierdoor ziet men bij koeien met
een endocarditis zelden oedeem. Bij snel optredende circulatiemoeilijkhcden, zoals bij
een pericarditis ziet men bijna altijd oedeem.

Voor de samenhang tussen de verschillende afwijkingen en symptomen bezie men het
bijgevoegde schema (foto 14),

SUMMARY.

The diagnosis of endocarditis in cattlc can be difficult in the initial stage of the
disease. Several symptoms should be taken into account in establishing the diagnosis.
Various features of the clinical picture are discussed on the basis of the findings in
fifty cows with endocarditis.

Endocarditis will always originate from a primary lesion in cattle. Corynebacterium
pyogenes
was found to have caused the endocarditis in the great majority of per-
sonal cases. It should accordingly be borne in mind that 1,-sions such as arthritis,
mastitis, abscesses, etc., due to
C. pyogenes may undoubtedly be a possible cause of
endocarditis.

Once a cow has been affected with endocarditis, she will be liable to develop embolic
lesions in other organs in addition to the cardiac symptoms. Metastatic pneumonia
which is difficult to diagnose is frequently found to originate from endocarditis of
the right heart. .As a rule, intensified vesicular respiration is the only abnormal sound
heard in this form of jjneumonia. When thrombosis is also prc.sent in the large
branches of the pulmonary arteries, the animals usualK- show very rapid respiration
(from fifty to sixty per minute) and they will moan. Embolic nephritis, characterised
by alterations in the urine, freq\\iently originates from the left heart and inflamma-
tory lesions of the tendon sheaths and joints inay occur as w<41. When embolisms enter
the heart muscle from the left heart trough the coronary art<-rics, marked changes
in the ECG such as arrhythmia and ventricular tachycardia are often observed.
More general symptoms of a septic lesion in endocarditis usuii lly consist in a shift to
the left in the hacmogram, a hectic temperature, a decrease ui the proportion of al-
bumin and an increase in the proportion of y-globulins in the scrum, the latter in-
creasing to forty-five per cent or over.

When the heart is auscultated, an accessory murmur is heard in about seventy-five
per cent of the cases. A good phonendoscopc is essential to the auscultation of acces-
sory murmurs. Auscultation is performed at the various areas from the back forwards
on the left side, the area of the bicuspid valves, that of the aorta and that of the
pulmonary artery. The area of the tricuspid valves is auscultated on the right side
(sec photographs).

The nose should be kept closed whenever auscultation of the heart is performed. The
changes are usually heard at the area of the tricuspid valves, then at the area of the
pulmonary- artery and at that of the mitral valve and rarely al the area of the aorta.
In addition to the heart, the circulation will also show changes. These may consist
in changes up stream (backward failure) such as the venous congestion associated
with hepatic and renal stasis. In the event of marked congestion and insufficiency of
the tricuspid valves, a pathological venous pulse is observed.

-ocr page 1017-

Besides bakward failure, symptoms of forward failure may also occur. When the
cardiac output becomes too small as a result of strictures or insufficicency of the
heart, this may give rise to increased secredon of aldosterone by the adrenal cortex.
This secretion of aldosterone causes salt and water retention in the kidney, resuhing
in an increased blood volume. It is precisely this increase in blood volume which
causes the congestion to become so severe.

Oedema is due to three factors, viz., an increased venous pressure, an increase in
blood volume resulting in thinning of the blood, and a low albumin content of the
serum.

Cows with endocarditis become adjusted to the gradually increasing blood volume.
Their blood serum usually has a high protein content ; this is the reason why oedema
is rarely observed in cows with endocarditis. Oedema is observed in almost every
case in the event of acute impairment of the circulation such as that occurring in peri-
carditis. For the relationship between the various changes and symptoms, cf. the
accompanying scheme (see page 1783).

RÉSUMÉ.

Dans le premier stade du mal Tendocardite du bovin peut être difficile à diagnosti-
quer. Pour le diagnostic il est nécessaire de faire attention à de nombreux symptômes.
A l\'aide d\'expériences obteneues chez 50 vaches souffrant d\'endocardite différent
aspects du syndrome sont discutés.

Une endocardite du \'oovin doit toujours naître d\'un processus primaire. Dans notre
matériel nous avons trouve comme cause de l\'endocardite en grande majorité la
C. pyogenes. Aussi faut-il, dans la pratique, tenir compte du fait que les processus
comme des arthrites, des mastites, des abcès etc. causés par la
C. pyogenes peuvent
certainement être considérés comme unc cause possible d\'une endocardite.
Une fois qu\'une vache souffre d\'une endocardite, elle pourra, à côté de troubles du
coeur, également encourir des processus emboliques dans d\'autres organes. On voit
souvent que partant d\'une endocardite dans le coeur droit une pneumonie métasta-
tique, difficile à diagnostiquer, se développe. Généralement on ne perçoit dans cette
pneumonie qu\'une respiration vcsiculaire aiguisée. Lorsqu\'il y a en même temps des
thromboses dans les grandes branches des artères pulmonaires, les animaux ont le
plus souvent une respiration très rapide (50-60/rnin.) tandisqu\'elles gémissent aussi.
Partant du coeur gauche il se développe souvent unc néphrite embolique, caractérisée
par des symptômes pathologiques dans l\'urine, tandisqu\'en même temps des inflam-
mations des aponévroses d\'insertion et des arthrites peuvent se développer.
Lorsque des embolies sortant du coeur gauche entrent par les artères coronaires dans
le muscle cardiaque, on perçoit souvent des troubles graves dans l\'électrocardia-
gramme, conune des arythmies et des tachycardies ventricul.iires. Comme symptôme
plus général d\'un processus septiquc on observe dans une endocardite souvent un
glissement à gauche dan le spectre cellulaire, une température hectique, un abaisse-
ment du pourcentage d\'albumine et une au.gmentation du pourcentage de globulinc-y
dans le sérum, ce dernier jusqu\'à 45% ou davantage.

En auscultant le coeur on perçoit dans environ 75% des cas un murmure anormal.
Pour l\'auscultation de ce murmure il faut posséder un très bon phonendoscope. On
tâtonne les dlifférents puncta maxima, et notamment à gauche d\'arrière en avant
le point maximum des valvules atrioventriculaircs de gauche, de l\'aorte et de l\'artère
pulmonaire. A droite on ausculte le point maximum des valvules atrioventriculaircs de
droite (voir photographies).

Il faut toujours aussi ausculter le coeur en fermant le nez du patient.
On perçoit le plus souvent les troubles sur le point maximum des valvules atrio-
ventriculaires dc droite, ensuite sur le point maximum de l\'artère pulmonaire et sur
le point maximum de la valvule mitrale et rarement sur le point maximum de l\'aorte.
-A. part au coeur on perçoit également des troubles dans la circulaUon. Ce peuvent
être des troubles en amont („backward failure"), comme la congestion des veines,
combinée d\'une congestion du foie et des reins. Au cas d\'une congestion forte et d\'une

-ocr page 1018-

insufficience des valvules atrioventriculaires de droite on constate une pouls veineux
pathologique.

A côté du „backward failure" il y a aussi des symptômes de „forward failure".
Lorsque le débit cardiaque devient trop petit par suite de sténoses ou d\'insufficiences
du coeur, ceci peut causer une sécrétion d\'aldostéron par la cortico-surrénalc. Cette
sécrétion d\'aldostéron cause dans le rein une rétention de sel et d\'eau, par suite de
laquelle le volume du sang augmente. Spécialement par cette .iu.gmentation du volume
sanguin la congestion peut devenir si grave.

Trois facteurs, notamment une pression veineuse augmentée, l\'augmentation du vo-
lume sanguin ayant pour conséquence une dilution du sang, et une teneur basse en
albumine du sérum sont responsables de la naissance d\'oedème.

Les vaches souffrant d\'une endocardite s\'adaptent au volume du sang qui augmente
peu à peu. Leur sérum sanguin contient généralement beaucoup de protéine, c\'est
pour cela que l\'on voit rarement d\'oedème chez les vaches souffrant d\'une endo-
cardite. Les troubles de circulation qui se développent rapidement, comme ceux d\'une
péricardite, sont presque toujours accompagnés d\'oedème.

Pour la cohérence des différents troubles et des différents symptômes, %\'oir le schéma
ci-joint (voir page 1783).

ZUSAMMENFASSUNG.

Im Anfangsstadium der Endocarditis beim Rind ist es oft schwierig diese Krankheit
zu diagnostizieren. Bei der Diagnostik ist es nötig, dass man auf viele Symptome
achtet.

An Hand von Erfahrungen, die von 50 an Endocarditis leidenden Kühen versammelt
wurden, werden die verschiedenen Facetten dieses Krankheitsbildes besprochen.
Endocarditis beim Rind muss innncr aus einem primären Vorgang entstanden sein.
In den meisten Fällen wurde in unserem Material als Ursache der Endocarditis das
Corynebacterium pyogenes gefunden. In der Praxis muss man darum Rechnung
halten, dass Prozesse wie Artritiden, Mastitiden, .Abzesse u. dcrgl. durch
C. pyogenes
verursacht, bestimmt für eine mögliche Ursache der Endocarditis angeschen werden
können.

Fiat ein Rind einmal Edocarditis, dann werden neben Erscheinungen des Herzens,
auch embolische Prozesse in anderen Organen auftreten können. Aus einer Endo-
carditis in der rechten Herzhälfte sieht man oft eine schiwcrig zu diagnostizierende
embolische Pneumonie auftreten. Bei dieser Pneumonie hört man in der Regel nur
verschärftes vesikulärcs Atmen. Wenn ausserdem Trombosen in den grossen Ver-
zweigungen der Lungenarterien vorhanden sind, dann haben die Tiere meist eine
sehr sihncllc Atmung (50-60i\'min.), während sie ausserdem stöhnen. Aus der linken
Herzhälfte entsteht oft eine embolische Nefritis, die sich durch Urinabwcichungen
kennzeichnet, während auch Sehnenscheiden- und Gelenkentzündungen auftreten kön-
nen. Wenn Embolien aus dem linken Herzen über die coronären Arterien in den
Herzmuskel gclan.gen, sieht man oft ernste Abweichungen am E.K.G., wie Aritmien
und ventriculäre Tachycardien.

Als mehr allgemeine Erscheinung eines septischen Prozesses beobachtet man bei einer
Endocarditis meist eine Linksverschiebung im Blutbild, hektische Temperatur, Sinken
des Albuminprozentsatzes und ein Steigen des Prozentsatzes am y-Globulin im Serum,
das letztere bis zu 45% und höher.

Beim Auskultation des Flerzens vernimmt man in ungefähr 75% der Fälle ein Neben-
geräusch. Zum hören des Nebengeräusches ist der Besitz eines sehr guten Stethoskop
nötig. Man tastet die verschiedenen puncta maxima ab und zwar links von hinten
nach vorne zum punctum maximum der linken a.v. Klappen, der Aorta und der
.\\rt. pulmonalis. Rechts hört man den p.m. der rechten a.v. Klappen ab (s. Fotos).
Man soll immer das Herz abhören, während die Nase dichtgehalten wird. Die Ab-
weichungen hört man meist auf dem p.m. der rechten a.v. Klappen, danach auf dem
p.m. der .Art. pulmonalis und auf dem p.m. der Mitralis und selten auf dem p.m.
der Aorta.

-ocr page 1019-

Ausser am Herzen, bemerkt man aueh Abweichungen in der Zirkulation. Dies kön-
nen .Abweichungen stromaufwärts (backward failure) sein, .vie Stauung der Venen,
gepaart mit Leber- und Nierenstauung. Bei starker Stauung und einer Insuffizienz
der rechten a.v. Klappen konstatiert man einen pathologischen Venenpuls.
Neben dem „backward failure" treten auch Erscheinungen von „forward failure"
auf. Wenn der „output" der Herzens durch Stenosen oder Insuffiziens im Herzen zu
gering ist, dann kann dies .Anleitung zu einer vermehrten .Abscheidung von Aldos-
teron durch Nebennierenrinde sein. Diese .Aldosteronabscheidung verursacht in der
Niere eine Salz- und Wasserretention, wodurch das Blutvolum zunimmt. Gerade
durch diese Zunahme des Blutvolumes kann die Stauung ernsthaft werden.
Drei Faktoren, nämlich ein erhöhter venöser Druck, Zunahme des Blutvolumens, als
Folge davon Blutverdünnung und ein nicdri.ger .Albumingehalt des Serums sind für
das Entstehen des Ödems verantwortlich.

Kühe mit einer Endocarditis passen sich an das langsam zunehmende Blutvolumen
an. Ihr Blutserum enthält meist viel Eiweiss: hierdurch sieht man bei Kühen mit
Endocarditis selten ödem. Bei schnell auftretenden Zirkulationsstörungen, wie bei
einer Pericarditis, sieht man fast immer Ödem.

Für den Zusammenhang zwischen den verschiedenen .Abweichungen und Symptomen
siehe man das beigefügte Schema (s. Seite 1783).

DISCUSSIE
Vraag: Drs. H. R. T u 1 n e r, Aduard.

Kan Prof. Wagenaar de positieve venepols bij een liggende melkziektekoe toelichten?
Antwoord:

De fysiologische venepols, die bij een rund zichtbaar is bij een laag gehouden hoofd,
wordt veroorzaakt door kleine drukschommelin.gen in het atrium. Deze druk kan
b.v. oplopen van 2 tot
6 nnn Hg, dat is van 2,8 tot 8,4 cm water. Nemen wij het
s.g, van bloed on.gcvecr gelijk aan water, dan kan dc fysiologi.sche venepols bij een
liggende koe wel in beide manuiiariavenen zichtbaar zijn.

Vraa.g: Drs, F. W, .J, Swart, Hoogland.

Is dc onregelmatige pols bij cmbolie van de coronairvaten een gevolg van storin,g
in het geleiding:isystecm of van .slechte voeding van de hartspier.

Antwoord:

Door een trombose van een van de vertakkingen van de coronairvaten zal een deel
van de kamerwand onvoldoende worden gevoed. Dergelijke anemische plaatsen zijn
vaak het centrum van ectopische prikkels. Hierdoor kunnen ventriculaire extra-
systolé\'s ontstaan.

Vraag: Drs. R. J. B a k e m a, Zuidlareti.

Is er bij de dia,gnostiek ook iets te bereiken met elektrocardiografie?
Antwoord:

Meestal brengt het E.C.G. ons niet veel verder. .Alleen bij ritmestoornissen kan een
E.C.G, wel verhelderend werken.

Vraag: Drs, A, Moerman, Kampen,

Komt Str. agalactiae wel als endocarditis-verwekker voor?

Antwoord:

Neen, de Str. agalactiae blijft beperkt tot de uier,

-ocr page 1020-

Vraag: Drs. M. J. van Winden, Venray.
Treedt endocarditis meer op na scherpoperaties?
Antwoord:

Een traumatische gastritis met pyogene processen knn één van dc oorzaken zijn van
de endocarditis. Het is niet opgevallen dat dit meer voor zou komen bij koeien met
een traumatische reticulitis.

Vraag: Prof. Dr. J. H. J. v a n G i 1 s. Utrecht.

De resultaten van het bacteriologisch onderzoek van vlees en organen van endo-
carditis-runderen zijn zeer vaak posidef.

Kan een bloedonderzoek op kiemen ook als diagnosticum van betekenis zijn?
Antwoord:

Er vinden bij een endocarditis zo nu en dan uitzaaiingen plaats. Meestal zijn dit
kleine stukjes trombus. Vanuit de embolische processen kan echter weer pus, beladen
met bacteriën, in de circulatie komen. Er bestaat dc mogelijkheid dat cr dus zo nu
en dan bacteriën in het veneuze bloed aanwezig zijn. Het zal echter een tref zijn
om deze te kweken.

Vraag: Prof. A. van der Schaaf, Utrecht.

Bij het beluisteren van de voordracht van collega Wagenaar is mij opgevallen, dat
hij ook de toxische polyartritis en tendovaginitis heeft genoemd.

Na het kalven ziet men inderdaad vaak polyartritis en tendovaginitis, maar is het wel
juist deze als een toxische aandoening te beschouwen en vindt U geen reden om
deze aandoeningen zuiver tc beschouwen als bacteriële processen, gezeteld in de
synovialis van de peesscheden en de gewrichten, zonder dat cr nog direct een door-
braak naar de holten voorkomt?

Antwoord:

Het was mij tijdens mijn voordracht al opgevallen, dat ik per ongeluk het woord
toxische tendinitis gebruikte en dat terwijl ik altijd bezwaar maak tegen begrippen
intoxicatie en auto-intoxicade als dit niet absoluut vaststaat.

Het woord toxische tendinitis mag zeker niet gebruikt worden. Ongetwijfeld is er
sprake van een bacteriële uitzaaiing.

Klimaat in varkensstallen.

•Aan het proefstation van de Universiteit van Kentucky wordt een proef genomen met
2 speciale varkensfokstallen, ieder voor 24 zeugen, waarin het klimaat geheel kan
worden beheerst. Hel ziet er naar uit, dat op deze manier meer, betere en gezondere
biggen kunnen worden gefokt. Behalve dat inen de temperatuur en het vochtgehalte
in de hand heeft, wordt het optreden van ziekten verminderd, omdat alle binnen-
komende lucht eerst wordt gezuiverd.

In de wintermaanden worden de zeugenhokken op een constante temperatuur van
65° F gehouden. De biggenverblijven hebben via de vloerverwarming een tempera-
tuur van 90° F. Gedurende de zomer heerst overal een constante temperatuur van

72° F.

Getracht wordt de zeugen regelmatig over het gehele jaar verspreid te laten biggen,
zodat de fokker het werk zo goed mogelijk kan verdelen. Ook het prijsrisico wordt op
deze manier meer gespreid, dan wanneer de fokker met de !jiggen van een heel stel
zeugen tegelijk op de markt zou moeten komen.

Landbouwdocumentatie, 19, 898, (1963).

-ocr page 1021-

Inhalatienarcose bij de grote huisdieren.

Inhalation anaesthesia in large animals.

door E. LAGERWEY1) en S. R. NUMANS***)

Uit de Kliniek voor Heelkunde der Grote Huisdieren van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

INLEIDING TOT DE DEMONSTRATIE.

Eenvoudig en voor de patiënt en operatuur ongevaarlijk.

Naar aanleiding van het artikel van Marsboom „Neuroleptanalgesie bij
dieren"
(Tijdschr. Diergeneesk., 88, 482, (1963) werd gewezen op de door
de schrijver aangegeven vereisten, waaraan de toepassingsmogelijkheden
\\an deze anaesthesievorm moeten voldoen.

De eis „eenvoudig en voor de onderzoeker ongevaarlijk" zal de grote-hms-
dieren practicus zeker aanspreken en zal door hem ook worden gesteld wan-
neer hij cen inhalatienarcose gaat toepassen.

Naar onze mening dient echter de eis „eenvoudig" in de eerste plaats te
worden aangevuld met „voor de patiënt ongevaarlijk".
De afbeelding „Inhalatienarcose van masker tot toestel" laat zien, dat het
eenvoudig kan, maar de eis ongevaarlijk voor de patiënt (en operateur)
heeft tot een technische vervolmaking van de appartiuu\' geleid, waarop het
begrip eeinoudig niet meer \\an toepassing is.

De ervaring van \\ele jaren heeft geleerd, dat de eenvoudige toediening van
een inhalatienarcose (met maskers in diverse uitvoeringen) beperkt dient
te worden tot kortdurende (10-15 minuien) en dus als regel vrij eeinoudige
ingrepen bij „gezonde" dieren of bij patiënten, waarbij de algemene ge-
zondheidstoestand niet of in geringe male is verstoord.
Dat de keuze van het narcoticum en de wijze van ])rcmedicatie mede be-
palend zijn voor het ongevaarlijk zijn van cen eenvoudige toejiassing van
cen inhalatienarcose lijkt vanzelfsprekend.

Bij cen betrouwbare of gevaarloze inhalatienarcose, toegepast bij cen ])a-
tiënt met als indicatie cen langdurige operatieve ingreep voor cen aandoe-
ning, waaibij de functies van het organisme zijn gestoord, zal men de cis
eenvoudig moeten laten \\allen.

Een inhalatienarcose met cen minimaal lisico voor de patiënt moet kunnen
worden
ingeleid, onderhouden en verdiept. Het beloop der narcose moet
derhalve
controleerbaar en regelbaar zijn.

Voorlopig is het nog de vraag, of de neuroleptanalgesie, hoe eenvoudig en
daardoor aantrekkelijk \\oor de algemene praktijk ook, v/el de toets der kri-
tiek kan doorslaan, wanneer zij wordt toegepast bij patiënten voor lang-
durige ingrepen.

Wat de inhalatienarcose betreft, zijn wij in ieder geval in een stadium aan-
geland, waarin dank zij dc technische ontwikkeling van de apparatuur en

1  Drs. E. Lagerwey, wetenschappelijk ambtenaar I aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 1022-

intu.ba.tie

xtxaslcex*

i nh a, la.t ie n a, rc O s e
v-a.n naasker tot toestel

toestel

-ocr page 1023-

het beschikbaar komen van tal \\an stoffen voor premedicatie, basisnarcose
en de inhalatienarcose zelf. een controleerbare en regelbare algemene anes-
thesie kan worden opgebouwd met minimale risico\'s voor de patiënt.
Men dient cr echter rekening mede te houden, dat bij de ontwikkeling van
de chemische stoffen en de apparatuur, die tezamen de „moderne narcose"
mogelijk maken, de kleine (huis)dieren als proefobject zijn gebruikt.

De toepassing van cle inhalatienarcose in cle moderne zin bij grote huis-
dieren is nog maar al te vaak een tasten en zoeken naar de juiste combi-
natie van farmaca en technische aanpassing van de apparatuur, waarbij
noodgedwongen dc ]3atiënl als proefdier wordt gebruikt.
In het schema der „algemene anesthesie" is een o\\\'erzicht te vinden van die
verschijnselen, waaraan het beloop van cen narcose is tc controleren, (fig. II)
Doen zich alarmerende verschijnselen voor, of is van de toe te dienen in-
halatienarcotica bekend, dat zij in bepaalde stadia of de trappen (fasen)
\\an stadium III (toleranticstadiinn) tot moeilijkheden aanleiding geven,
dan moeten wij regelend kunnen optreden, dan wel de opbouw \\an de nar-
cose zodanig kiezen, dat de moeilijkheden worden voorkomen. Dc noodzaak
lot regelend optreden kan worden beperkt door de juiste keuze van het toe
te dienen narcoticum.

Dc eisen, die wij moeten stellen aan een bruikbaar inhalatienarcoticum \\oor
grote huisdieren, zijn als volgt samen te vatten:

1. reversibele werking;

2. geen neven- of nawerking oii bloedsomloop en orgaansystemen;

3. geen excitatie in het inleidingsstadium of bij opheffen van de narcose;

4. snelle werking, goede do.scerbaarhcid van hct narcoticum eu snelle
reconvalescentie;

5. grote narcotische breedte of m,a,w,, een zo groot mogelijk verschil tu,s-
sen de dosis nodig voor het tolerantiestaclium en de do.sis waarmee het
intoxicatiestadium wordt bereikt;

6. bij hct toxische stadium eerst beïnvloeding \\an ademhaling, daarna
\\an het hart:

7. geringe weefselprikkclcndc werking;

8. geen brand- of exjjlosiegevaar;

9. eenvoudig aan tc wenden;

10, goede spiervcrsla]3ping in hct midden van hct tolcranticstadium;

11, geen excitatie, pogingen tot opslaan e.d, bij hel bijkomen, Dc sedatieve
werking moet langer zijn dan clc narcotische;

12, de toe tc passen narcotica moeten „gocdkooj)" zijn en mogen in geval
van noodslachting geen abnormale geur of smaak \\ an hel vlees geven.

Dc keuze van het middel is dus geen eenvoudige aangelegenheid cn de
klinische toepassing bij grote huisdieren mist dan ook maar al te vaak cen
farmacologische basis, waardoor teleurstellende verrassingen kunnen o]3-
Ireden, in het bijzonder wanneer hct een langdurige en eenvoudige toe-
diening bij patiënten betreft van een enkelvoudig micldel. In de juiste keuze
van het micldel of nog beter de combinatie van middelen, waarljij dan ook
aandacht moet worden besteed aan de premedicatie cn basisnarcose met
andere stoffen dan inhalatienarcotica, hebben wij de mogelijkheid een ver-
antwoorde narcose op te bouwen.

Een tweede mogelijkheid is gelegen in dc apparatuur, waarmee hel inha-
lalienarcoticum wordt toegediend. Een apparatuur, waarmee misschien niet

-ocr page 1024-

alles, maar toch wel veel tc regelen is en waarmee op ieder gewenst moment
de toediening moet kunnen worden onderbroken of gewijzigd.
De elementaire eisen, waaraan een narcose-apparaat moet voldoen, zijn:

1. regelbaarheid van de concentratie van het narcoticum in de inadcmings-
lucht;

2. regelbaarheid van de zuurstof-koolzuurconcentratie in de inademings-
lucht.

abd.

wijdte
v.d.pupil

schema der algemene anaesthesie

a dom
halinj^

ooooooo

bewegitifif
v.d. ogen

opiphora

spier
5ipHn ning-

teenref lex

-ocr page 1025-

Het beloo]5 der narcose, waar te nemen aan dc hand \\ an de in fig, H
aangegeven symjjtomen en reflexen, verschaft de aanwijzingen in welk
opzicht de mogelijkheden van regeling met het apparaat moeten wor-
den toegepast.

De bedoeling van deze inleiding en demonstratie is: een confrontatie met
dc mogelijkheden \\an de moderne inhalatienarcose bij grote huisdieren,
maar tegelijkertijd een confrontatie met de onmogelijkheden de begrippen
,,eenvoudige toepassing" en „gevaarloos voor de patiënt" met elkaar in
overeenstemming te brengen.

De volgende suggestie, o\\ergenomen uit een prospectus, waarin een „circle
absorber anaesthetic ajjparatus for large animals" ons dus uit de koffer
\\-an een auto toelacht, wordt dan ook niet onderschreven;

"With a circle absorber the safety margin in the anaesthesia is so wide
that there is no need to have a professional person giving the whole of
his attention to anaesthesia, a lay technician soon learns to maintain
satisfactory anaesthesia. In the field the surgeon can induce anaesthesia
and then hand over the controls to an intelligent groom or cowman and
gi\\e him verbal instructions from time to time."

-ocr page 1026-

Commentaar bij de demonstratie.

De meest eenvoudige toediening van de inhalatienarcose met een kap of
masker wordt bij de grote huisdieren nog steeds incidenteel aangewend,
waarbij de vluchtige narcotica chloroform en aether een rol spelen.
De aether, als meest veilige van deze twee voor de patiënt, stelde van de
beginne af speciaal bij het paard voor de moeilijkheid een voldoende con-
centratie in de inademingslucht te verkrijgen voor het bereiken van de
derde trap van het tolerantiestadium (fig. II).

Chloroform (een „prettig", maar voor de patiënt gevaarlijk narcoticum)
cn de moderne narcotica trilene en halothane (fluothane) geven deze moei-
lijkheid in veel mindere mate.

Een groot verbruik van hel narcoticum, daar de uitademingslucht geheel
via of langs kap of masker naar buiten wordt afgevoerd, en een weliswaar
regelbare maar nauwelijks te schatten toevoer \\an inademingslucht (zuur-
stof!), zijn bepalend voor de zeer beperkte toepassingsmogelijkheid.
Het half open systeem (fig. la) geeft de mogelijkheid de toevoer van lucht
en de concentratie %an het narcoticum (m.b.v. verdamper voor vluchtige
narcotica) te regelen.

De uitademingslucht met het zich daarin bevindend narcoticum wordt
echter nog volledig via of langs masker of kap naar buiten gevoerd. Door
in het half open systeem een ga.szak aan tc brengen (fig. ld) en de toevoer
van lucht te vei~vangen door aansluiting aan een cylinder met zuurstof wordt
het half gesloten systeem (fig. I
d) verkregen, d.w.z. de gaszak vult zich
met een mengsel van uitademingslucht (Oo
-I- CO2 -I- narcoticum) en in
constante stroom aangevoerde zuurstof. Bij een bepaalde vulling en over-
druk in dc gaszak kan het „teveel" door cen uitlaatventiel naar buiten ont-
snappen.

Wanneer de COj in cen container (vat) aan „sodalime" (Ca(OH)2 -f
NaOH) wordt gebonden, ontstaat de overdruk niet meer en is een z.g. ge-
sloten systeem mogelijk en dient de ga.szak nog als reservoir voor het adem-
volume van de patiënt; hel pendelsyslecm (fig. I
e) is hiervan het eenvou-
digste voorbeeld.

De „geslotenheid" van deze systemen kan tenslotte worden verbeterd door
het masker le vervangen door een „cuffed tube" (fig. I
c) in de trachea
(endotrachcale catheter), waaraan bovendien het voordcel verbonden is
dat een eventueel overmatige speekselproduktie niet wordt geaspireerd.
Een bezwaar van het eenvoudige pendelsysteem kan zijn, dat bij cen grote
inhoud van het buizen (slangen)systeem tussen masker (c
.cj. tube) en „CO^
absorber" (z.g. dode ruimte) en een relatief klein ademvolume van de pa-
tiënt alleen het gasmengsel uit de dode ruimte voor „ventilatie" wordt ge-
bruikt, waarin dus een overmaat aan CO.2 ontstaat.

Het gesloten circulatiesysteem, waarbij inspiratie en exspiratie vanaf dc
mond een eigen weg bewandelen, d.w.z. rondgeleid (fig. I
c) kent het be-
zwaar van de dode ruimte niet.

Een jjcrfect werkend kleppensysteem draagt zorg, dat dc exspiratiestroom
via het inspiraticgedeelte van het toestel terug gaat naar de patiënt. „Onder-
weg" wordt zuurstof met narcoticum toegevoegd.

Voor het gebruik van aether wordt een speciale verdamper ingebouwd.
Bij de demonstralie werd gebruik gemaakt van fluothane, een niet brand-
baar en niet ontplofbaar gasvormend narcoticum met een snelle in-

-ocr page 1027-

diictie, een kort en weinig heftig excitatiestadium, een grote narcotische
breedte en een snel herstel zonder complicaties. Het heelt een enigszins rem-
mende werking op dc hartfunctie, prikkelt de ademhalingswegen niet en
heeft ook bij langdurig gebruik geen nadelige ;nvloed cp de parenchyma-
teuze organen. De prijs is echter nog hoog (±: f 0,50 per cm^).
Het toestel, dat gebruikt werd voor de inhalaüenarcose \\an een paard en
een kameel (zie Hg. III), is een gesloten circulatieapparaat met een buis-
wijdte van 34 mm. In het circuit is een aetherverdamper opgenomen, daar
op deze wijze een aetherdampconcentratie te verkrijgen is, die groot genoeg
is om een patiënt in te leiden en de narcose tc onderhou.den. De ademlucht
(warm) strijkt over de acther heen, dus per ademtocht is er een maximum
aan vchiculum aanwezig. Tevens ontstaat bij de C02-binding warmte, die
grotendeels wordt afgegeven aan passerende ventiladelucht. Het „verse"
gas, dat toegevoerd wordt, is allereerst zuurstof. Dit dient veelal als vchi-
culum voor de vluchtige narcotica zoals fluothane.

Daarnaast kan lachgas, een gasvormig narcoticum, worden toegevoerd om
\\ooral bij dc inleiding het excitatiestadium te vergemakkelijken. Een
tweede gasvormig narcoticum, cyclopropaan, kan met dit apparaat wor-
cien toegediend.

In het geval, dat dc ademhaling van een patiënt door teveel zuurstof-
toevoer dreigt tc stagneren, kan koolzuur door de „verse" gasleiding in het
circulatiesysteem worden gebracht.

Een kleiner apjjaraat met buiswijdte van 18 mm (Loosco - Amsterdam),
doch zonder aetherverdamper in de circulatie en alleen zuurstof, is ge-
bruikt met fluothane voor jonge kalveren.

LITERATUUR

\\V r i g h t, J. G. and Hall, L. W.: Veterinary Anaesthesia und ,\\nalgesia, Ballière,

Tindall and Cox, Jth Ed., 1961.
VV e s t h u e 5, M. iind K r i t s c h, R.: Die Narkose der Tiere II, Allgeineinc Nar-
kose. Paul Parey Verlag, 1961.
Bolz, W.: .Mlgemeinnarkose der Tiere. Ferdinand Enke V\'-rlag, 1961.

Demonstratie

nnn de Kliniek voor Heelkunde der Grote Huisdieren van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

1. ünthoorning van een 10 dagen oud zwartbont kalf d.m.v. branden.

I.v.m, de moeilijkheid een endotracheale catheter bij een kalf in te bren-
gen, kreeg het dier geen premedicatie of een barbituraat als inleiding van
de algehele anesthesie. Daarom werd gebruik gemaakt van de verzet-
beweging van liet dier, het blèren, na een mondspcrder te hebben inge-
bracht,

.Aangesloten aan een gesloten circulatiesysteem werd het dier met fluo-
thane, gecombineerd met lachgas, ingeleid tot het tolerantiestadium werd
bereikt (stadium III, trap 2), Er is dan een volledige analgesie. Branden
en operatieve verwijdering van de hoornaanleg is nu mogelijk zonder
enige reactie van het kalf.

De recovery verliep vlug en geleidelijk; na 10 minuten stond het dier weer

op de benen, zij het wankelend.

Verbruik: 8 cm^ fluothane. Duur 13 minuten.

-ocr page 1028-

2. Castratie cn tenotoniie van de mediale rechte band van de patella
beiderzijds, van een 4-jarige draverhengst.

Het paard wordt neergelegd op de operatiematras na voorafgaande toe-
diening van 40 g chloralhydraat in een 10% oplossing intraveneus.
Intubatie gaat bij een paard zeer gemakkelijk na de mond met een dilatator
open te houden. De algemene anesthesie werd ingeleid met een mengsel
fluothane, lachgas en zuurstof in een gesloten circulatiessyteem, terwijl
het door het dier uitgeademde koolziuu- wordt gebonden aan de „sodalime"
(Ca(OH)2 -h NaOH). De anesthesie wordt gebracht tot een diepte in
stadium IH, trap 2 (fig. II).

De recovery verloopt vlot, doch het dier blijft liggen gedurende ongeveer
anderhalf ma- als gevolg van de chloralhydraat.
Verbruik: 24 cm^ fluothane. Duur 46 minuten.

3. Kameel (televisie), lijdende aan een heupgewrichtsluxatie.

f)e narcose werd ingeleid met 35 g chloralhydraat intraveneus. Intubatie
ging zonder manuele geleiding zeer vlot. Aangesloten aan het circidatie-
apparaat glijdt het dier m.b.v. OojNoO en fluothane zonder enigc excitatie
naar het tolerantiestadimn. Dc spiervcrslapping was voldoende om een
open repositie uit te voeren.
Verbruik: 78 cnw fluothane. Duur 5% luir.

DISCUSSIE

Vraag: Drs. .A. Steve n s. Goor.

Gebruikt U altijd als basisriarrose chloralhydraat? Is dit niet te doen niet tran-
quillizers?

Antwoord

Het inbrengen van ccn cndotrachealc cathctcr kan alleen ^j;e.schiedcn bij een neer-
gelegd en gekluisterd dier. Zodoende zal men chloralhydraat of ccn barbituraat als
premedicatie of inleiding gebruiken. Gebruikt men een tranquillizer, dan zijn tijdens
dc narcose de reflexen moeilijker af te lezen en daarmee dc diepte van de narcose
moeilijker tc bepalen.

Vraag: Drs. .V. A. S m o r c n b u r g Jr., Woerden.

Maakt men bij het intuberen — na dc toediening van dr basisnarcosc — gebruik van
curarepreparaten met korte werkingsduur, zoals b.v. tubarin?

Antwoord:

Wanneer een dier zonder of met behulp van een basisnarcoticum is neergelegd, bestaat
er totaal geen bchoc.te aan curariscrende stoffen om de incubatie te vergemakke-
lijken. Over de betekenis van dc zo nu en dan optredende complicaties van de zijde
van de ademhaling en hartfunctie is nog onvoldoende bekend en maakt een routine-
toepassing van deze middelen ongewenst.

Vraag: Drs. M. Engelen, Andel (N.-Br.).

Wordt de inhalatienarcose-methode vaak gebruikt?

Antwoord:

Daar men nu over een goede apparatuur beschikt, zal men bij langdurige operaties
— en in het bijzonder bij de buikchirurgie van het paard — gaarne van de inhalatie-
narcose gebruik maken.

-ocr page 1029-

Vraag: Drs. J. Jacobs, Mcppcl.

Waarom geen zuurstof te .gebruiken (als vehiculum) bij gebruik van trilene als in-
halatienarcoticum ?

Antwoord:

Zuurstof is zeer zeker als vehiculum voor trilene tc gebruiken. Trilene is echter niet
in een gesloten systeem te .gebruiken, daar het met de sodalime een toxisch produkt
vormt.

Onthoorning.

Demonstratie aan de Kliniek voor Heelkunde der Grote Huis-
dieren van de Faculteit der Diergeneeeskunde.

door S. R. NUM.ANS, E. LAGERWEIJ en H. J. WINTZER*)

ln het afgebeelde schema ,,onthoorning" (fig. IV) is getracht de bij de de-
monstratie besproken en getoonde onderwerpen weer te ge\\en:

a. hoornamputatie bij een volwassen rund met behulp van een draad-
zaag onder gelcidingsanesthesie van de N. cornualis;

b. de operatieve verwijdering, resp. ihermische vernietiging, van dc hoorn-
aanleg bij een 1 week oud kalf onder algemene narcose met fluothane
(zie aldaar).

1\'er adstructie van hct als regel gunstige genezingsbeloop van de onder a
en b genoemde behandelingsmethoden werden achtereenvolgens een vol-
wassen rund en twee kalveren getoond, waarbij de amputatie resp. ther-
mische en chemische vernietiging en operatieve verwijdering van de hoorn-
aanleg ongeveer zes weken tevoren had plaats gevonclen.

Commentaar bij de demonstratie (korte weergave)
De hoornamputatie als heelkundige ingreep beperkt zich tot

a. De behandeling van cle gecompliceerde (open) fractuur van de hoorn,
waarbij zich een purulente ontsteking van de sinus frontalis heeft ontwik-
keld. In deze gevalen kan zonodig worden volstaan met cen amputatie van
een deel der hoorn in het gebied van de fractiuuplaats, d.w.z. met achter-
lating van een boomstomp. Een aanvullende drainage van de sinus fron-
talis door middel van cen trepenatie kan noodzakelijk zijn.

b. De aanwezigheid van een tumor (carinoom) aan de hoornbasis.

De amputade als gebruiks- of nutsoperatie met de bedoeling een boomloze
veestapel te verkrijgen of het risico van het aanhouden van kwaadaardige
dieren te beperken zal aan de hoornbasis moeten plaats vinden, d.w.z. op
de overgang kophuid-hoomzoom.

-ocr page 1030-

onthoorning

heelkundige

hoorsatnputfttie op leeftijd

i XX g;reep

mnd.

nuts of grebruilKS opera,tie

en ouder

amp u t a t i «
met aohteriaten
hoornstomp

d.m.v.

draadzaag

O
ioo a 1e

of

ge 1 eldi ngs
anae• t Itsai a

n 0.11.0.II.

I

00
CT)

alg re^e1 ;
opening van sinus frontalis,
aanvullende haemosiase
door oauterisatle.
nabehandeling Gfeen of

po»d«ren met chemotherapeutica
of antibiotica.

bij uitzondering: verband d.m.v.
opbeohten van tampon-

mogelijk tot de leeftijd van 3

volgens roberts.

amputa tie

aan do
hoornbas is

-ocr page 1031-

In deze gevallen zal zich, evenals dit na de operadeve verwijdering c.q. ver-
nietiging van de hoornaanleg het geval is, een groter of kleiner verhoornend
litteken ontwikkelen, doch nimmer een hoornstomp van enige omvang.

Anesthesie

De dierenarts, die zich met dc onthoorning bezig houdt, dient zich ervan
bewust te zijn, dat de pijnlijke handelingeti als cle ani]jutatie en de opera-
tieve en thermische vernietiging van de hoornaanleg onder anesthesie ver-
richt moeten worden.

De geleidings anasthesie van de N. cornualis dan wel de omspuitings of
lokale infiltratie anasthesie van de hoornaanleg zijn hiertoe de meest ge-
schikte methoden gebleken.

Hoornaanleg

De hoornaanleg is bij jonge dieren te onderkennen als een klein, haarloos
met verhoornend epitheel bedekt, plekje van de kophuid, gelegen ter weers-
zijden van de z.g. nekkam van de schedel (zie afbeeldingen in het schema).
In de loop der eerste drie levensmaanden neemt de hoornaanleg in omvang
toe en wordt de zich eronder ontwikkelende benige „pit" waarneembaar.
Uit onderzoekingen, o.m. door middel van transplantatie van de hoornaan-
leg naar andere huidgebieden met een benige onderlaag, is gebleken dat
de „inductie" tot ontwikkeling \\an de benige hoornpit uitgaat van de huid-
aanleg van de hoorn.

Bij de onthoorning van jonge dieren, waarbij zich nog geen duidelijke
hoornschacht met benige hoornpit heeft ontwikkeld, kan derhalve worden
volstaan met de operatieve verwijdering, resp. thermische of chemische
vernietiging, van het huidgedeelte van de hoornaanleg.
De ervaring heeft geleerd, dat het gewenst is het te verwijderen of te ver-
nietigen huidgedeelte groter te doen zijn dan de haarloze ])lek, die de
])laats van de hoornaanleg aandiudt.

liet behoeft nauwelijks betoog, dat de operatieve verwijdering van het
huidgedeelte van de hoornaanleg, b.v. met de trephine volgens Roberts
de grootste zekerheid geeft, dat zich geen hoorn meer zal ontwikkelen.
Dc thermische en chemische vernietiging bergen het bezwaar in zich, dat
niet steeds met zekerheid is te bepalen, of de voorgenomen \\ ernietiging in-
derdaad voldoende is. De mogelijkheid is dan ook niet uitgesloten, dat in
ccn aantal gevallen zich alsnog een hoorn — zij het dan als regel in de vorm
van een gedeformeerde stomp — zal ontwikkelen of een vertraagde wondgc-
nezing zal optreden, doordat periost en onderliggend beenweefsel in dc
vernietiging zijn betrokken. Dit neemt niet weg, dat de thermische en che-
mische vernietiging veelvuldig worden toegepast \\ooral in die gevallen,
waarin de handeling aan de dierbezitter wordt overgelaten.
Uit goede vergelijkende onderzoekingen is gebleken, dat uit de veelheid der
caustische middelen, die voor vernietiging der hoornaanleg zijn aangewend,
de voorkeur dient te worden gegeven aan een etsvloeistof, samengesteld
volgens het in het schema aangegeven recept. Ter voorkoming van te grote
beschadiging en besmetting van het oog met de etsvloeistof is het gewenst
voor het aanbrengen van het causticum de omgeving van de etsplaats met
vet of vasaline te bedekken. Nabehandeling van de primair of secundair

-ocr page 1032-

ontstane wonden kan als regel achterwege blijven. Genezing van dc wonden
in cle zin van bedekking met epitheel is na 4-6 weken te verwachten.
De z.g.
secundaire amputatie van de hoorn door middel \\ an een gummiring
aan de hoornbasis dient als onnodig pijnlijk en kwellend voor het dier te
worden afgewezen.

Evenmin verdient het aanbeveling, dat de dierenarts het afzagen en cle
daarop volgende verzorging van nabloedingen en applicatie van desinfec-
terende poeders vervangt door de snelle, maar weinig elegante en onnauw-
keurige methode met de zeer omvangrijke amjjutatietang (schaar) van
Amerikaanse oorsprong.

Bij het verrichten van een ontlioorriing bij geiten dient er rekening mee
gehouden te worden, dat de hoornbasis c.q. hoornaanlcg bij deze dieren
cen relatief grote omvang heeft en dat de gelcidingsanesthesie van de N.
cornualis niet de gehele hoornbasis omvat. Een aan\\ullcnde infiltratie-
anesthcsic is clan noodzakelijk.

DISCUSSIE

Tijdens en in .aansluiting aan de demonstratie zijn verschillende vragen gesteld, waar-
van cr echter maar twee werden genoteerd:

Vraag:

Bij hct onthoornen \\\'an geitelammcren ontwikkelt zich soms een huidhoorntje, dat
gemakkelijk afgestoten wordt. Geen hoornpitontwikkeling. Iloe is dit te voorkomen?

Antwoord:

Vermoedelijk betreft het hier de enkele gevallen, waarbij de operatieve verwijdering,
c.q. thermische of chemische vernietiging, niet dc .gehele hoornaanlcg heeft omvat of
m.a.w. er kan cen randje hoornlcdcrhuid zijn achtergclcven van waaruit de regene-
ratie van hoornvormend epitheel plaats vindt en de wond dus niet met huidcpithcel
wordt bedekt. Dc ontwikkeling van een „huidhoorntje" zal derhalve kunnen worden
voorkomen door de operatieve verwijdering of vernietiging van de hoornaanlcg op
de met haren bedekte overgang kophuid-hoornaanleg.

Vraag:

Is onthoorning, evenals hct couperen, thans niet verboden?
Antwoord:

De onthoorning heeft cen redelijk doel en zal alleen wanneer hct „onredelijk" ge-
beurt, namelijk zond-r anesthesie, als dierenmishandeling kunnen worden aangemerkt.
De onthoorning van volwassen dieren (hoornamputatie), of de thermische vernieti-
ging van de hoornaanlcg bij jonge dieren zonder anesthesie, kan als pijnlijk en kwel-
lend voor het dier tot een .gerechtelijke vervolging aanleiding geven.

Literatuur:

Een vrijwel coinplete literatuuropgave is te vinden in:

V c 1 1 g u t h, H. J.: Beitrag zum Enthornungsproblem beim Rind. Versuche mit ver-
schiedenen Enthornungsmethoden. Inaugural-Dissertation, Hannover 1957.

Instrumentarium:

Catalogi van firma\'s voor Veterinaire Instrumenten en Farmers Bulletin Xo. 2141,
U.S. Department of Agriculture.

-ocr page 1033-

Demonstratie Heelkunde.

-ocr page 1034-

Demonstratie

aan de Kliniek voor Kleine Huisdieren en het Instituut voor
Ophthalmologie van de Faculteit der Diergeneeskunde.

van de Faculteit der Diergeneeskunde

Gedemonstreerd werden:

1. Een Duitse herder met heup-dysplasie.

2. Röntgenfoto\'s van heupluxaties na operatie en na retentie door ver-
band.

3. Therapie van een supracondylaire femur fractuur,

4. Patella-luxatie.

5. Losse processus anconei.

6. Correctiegevende operatie van radius en ulna fractuur, (foto)

7. Deense Dog met oedema et hyperplasia glandulae nictitantes.

8. Bouvier met entropion en conjunctivitis granularis aboralis.

9. Pinscher met te korte oogspleet.

10. Spaniel met boog-plastiek ter behandeling van een V-vormig ooglid
defect, ontstaan door een doorgegroeide ooglid-tumor,

11. Krophechting bij duiven.

12. Verschillende spalken bij beenbreuken bij duiven.

13. Het immobiliseren van duiven.

DISCUSSIE
Vraag: Drs. R. J. B a k e m a. Zuidlaren.

a. Hoe lang blijft een verband zitten bij een heupluxatie?

b. Worden bij het pennen van een breuk de gaten eerst voorgeboord?

Antwoord:

a. Het verband blijft tien tot twaalf dagen zitten.

b. De pennen hebben zelf een troeard-punt: hiermee wordt het bot doorboord.
Vraag: Drs. E. H o o g h i e m s t r a, Utrecht.

a. In hoeverre blijft het verband om de opgebonden achterpoot bestand tegen de
bewegingen en het verzet van de patiënt? (Het betreft h»t verband om femur en
metatarsus.)

b, Hoe zijn de dwars-pennen aangebracht; tangentiaal door de cortex of door
cortex èn merg?

Antwoord: |

a. Het verband blijft in het algemeen goed zitten; na 10-14 dagen moet het worden |
verwijderd, 3

b. De pennen worden door cortex en mergholte aangebracht, S

Vraag: Drs. Tj. N u t m a, Bennekom. \\

Is er in het algemeen gesproken een bepaalde grens aan te ^cven, waarbij men glu- i

cose gaat toedienen bij chronische maagdarm-aandoeningen? (Dit in verband met ^

geruchten dat het glucosegehalte bij herkauwende dieren tijdens chronische diarree
verhoogd zou zijn.)

Antwoord:

Bij kleine huisdieren (mits geen diabetes mellitus aanwezig is) is een dergelijke grens
niet aan te geven en een dosering van ± 10 ml per kg kan worden gegeven.
Bij acidotische toestanden beïnvloedt glucose deze ook in gunstige zin.

-ocr page 1035-

Sheltv, waarbij de abducerende stand van een oude radius-ulna fractuur operatief is

gecorrigeerd.

Gipsspalken, die de overdwars ingebrachte pennen fixeren, worden gedemonstreerd.

-ocr page 1036-

Demonstratie

aan de Kliniek voor Verloskunde en Gynaecologie van de

Faculteit der Diergeneeskunde.

A. Stier met epididymitis.

door J. HENDRIKSE1)

Deze u thans getoonde M.R.IJ.-stier is in augustus 1960 geboren. Het
daarop volgend jaar oktober werd hij voor export verkocht en had toen
nog niet gedekt. Bij de keuring werden afwijkingen aan het geslachtsappa-
raat geconstateerd. Voor nader onderzoek en een eventuele therapie is de
stier toen naar de kliniek gebracht.

Bij het eerste onderzoek bleek de rechter cauda epididymidis sterk vergroot
en hard te zijn. De beide glandulae vesiculates waren eveneens te hard en
de gelobdheid was minder duidelijk geworden. Het sperma, dat grote pus-
vlokken bevatte, was eerst waterig en sijocdig daarna dun visceus. Het per-
centage afwijkende spermiën in de eerste ejacultaten was 100 en schom-
•melde daarna tussen de 30 ä 70, Agglutinatie t.o.v.
Bruc. abortus was zo-
wel in bloed- als spermaserum negatief. Bij bacteriologisch onderzoek van
het sperma konden geen pathogene kiemen worden aangetoond. Om de
ontsteking te beïnvloeden is de stier toen gedurende een week met anti-
biotica behandeld. Tegen het einde van de kuur verdween het pus uit het
ejaculaat, maar dit moet als een toevalligheid worden beschouwd.
Na enkele maanden was de beweeglijkheid van het sperma redelijk en ble-
ven de morfologische afwijkingen binnen de normale grenzen; het aantal
.spermiën per cm^^ kwam echter gemiddeld niet boven de 300 miljoen.
Een jaar later was de rechter cauda nog even groot en hard. De rechter
tesdkel was echter kleiner geworden en de elasticiteit (turgor) duidelijk
verminderd. Rechts waren caput epididymidis en ductus deferens (rec-
taal waargenomen) duidelijk kleiner dan links.

Er kan dus geconcludeerd worden dat de epididymitis ccn afsluiting van
het afvoerend systeem van de rechter testis heeft veroorzaakt. De aldus
ontstane tubulaire spermastuwing heeft een atrofie van de testikel veroor-
zaakt. Daar dus geen afvoer meer plaats had, zijn ook de ductus epididy-
midis (aan het caput te zien
1 en de ductus deferens geatrofieerd. Het aan-
tal spermiën is verlaagd, doordat slechts 1 testikel zijn bijdrage aan het
ejaculaat levert.

DISCUSSIE

Naar aanleiding van gestelde vragen kan worden opgemerkt, dat door de verhoogde
temperatur in het scrotum het kiemepitheel van de linker testikel ook was aangetast.
Daar de schadelijke invloed echter slcchts kort heeft ingewerkt, is hier weer een
regeneratie opgetreden. Wil men bij een eenzijdige onsteking in het scrotum zo weinig
mogelijk risico lopen dat het dier voor de fokkerij verloren gaat, dan zal in het eerste
stadium tot een eenzijdige castratie dienen tc worden overgegaan.
Een eenzijdige castratie van de gedemonstreerde stier heeft .geen zin meer; bij een
eventuele infectie post opcrationem kan opnieuw gevaar ontstaan voor het functio-
nerende kiemepitheel.

Na een eenzijdige castratie wordt de produktie van de gcspaaide testikel niet opge-
voerd.

1  Dr. J. Hendrikse, wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan dc Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 1037-

B. De operatieve behandeling van de inversio
et prolapsus vaginae bij het rund,

door C. H. W. DE BOIS1)

Alvorens over te gaan tot de bespreking \\an de verschillende technieken
voor de behandeling van inversio et prolapsus vaginae bij het rund, zullen
v\\ij eerst met een enkel vvoord de aetiologie van dit lijden toelichten.

Aetiologie.

Verschillende onderzoekers zijn van mening, dat voor prolapsus vaginae bij
het schaap en het rund een erfelijke predispositie bestaat. Zo is de fre-
quentie van dit lijden niet gelijk bij de verschillende koe-families en bij de
verschillende rundvee-rassen. Het Hereford rund en het Ayrshire rund
hebben in deze een slechte naam. Hetzelfde geldt voor de vlees-rassen. In
het laatste geval is dit voornamelijk te wijten aan de sterke perivaginale vet-
afzetting, die bij deze diersoort tijdens het vetmesten ontstaat.
De voeding is eveneens een belangrijke factor. Met name tekorten in de
calcium- en fosfor-huishouding en deficiënties in de vitaminevoorzicning
zouden aanleiding geven tot het ontstaan van prolapsus vaginae.
Sommige onderzoekers, o.a. Rode (1956), baseren hierop htm, dus cau-
.saal gerichte, therapie.

Het is wellicht onnodig op te merken, dat de bovengenoemde factoren
— erfelijke aanleg en voeding — ten nauwste met elkaar samenhangen.
In een groot aantal gevallen treedt de prolapsus vaginae voor het eerst op
tijdens de graviditeit en wel in het bijzonder in de laatste twee maanden
van de drachtigheid. Het lijden komt naar verhouding meer voor bij pluri-
parae dan bij primiparae (invloed van voorafgaande geboorten met de
daarmede gepaard gaande wecfseloverrekking, c.q. verslapping).
Bij het schaap is aangetoond, dat meervoudige graviditeit in belangrijke
mate bijdraagt tot het ontstaan van een prolapsus vaginae.
De tijdens de graviditeit sterk verhoogde produktie van oestrogene steroï-
den, zou aanleiding geven tot verslajjping van vulva en vagina.
Een belangrijke bijkomstige factor is ook de plotselinge verhoging van de
abdominale druk, die vooral aan het einde van dc graviditeit optreedt bij
het liggende dier vlak na een maaltijd. Rasset (1956) stelde dit proef-
ondervindelijk bij het schaap vast. Ligt het dier bovendien nog met zijn
achterstel lager dan met zijn voorstel, dan is duidelijk dat door interactie
van bovenvermelde factoren het ontstaan van een prolapsus vaginae sterk
in de hand wordt gewerkt.

Over stoffen met een oestrogene werking als factor bij het ontstaan van
een prolapsus vaginae kunnen nog enkele opmerkingen worden gemaakt.
De frequende van prolapsus vaginae blijkt hoog te zijn:
bij nymfomane runderen,

bij runderen en schapen die een mestkuur ondergaan, waarbij het dieet
stoffen met een oestrogene werking bevat,

bij schapen die worden geweid op terreinen, waarvan de vegetatie rijk

1  Dr. C. H. W. de Bois, wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniver-
siteit te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 1038-

is aan een bepaalde, hier te lande niet voorkomende rode klaversoort
(Trifolium subterranea). Deze klaversoort is rijk aan genisteïne, een z.g.
phytooestrogeen.

Behandeling.

De behandeling van prolapsus vaginae bestaat (bestond) uit repositie en
retentie van het geprolabeerde gedeelte van de vagina. Voor de retentie
worden (werden) vele hulpmiddelen toegepast.

In ons land heeft de toepassing van de z.g. „Flessa-hechtingen" — althans
bij het rund — de meeste ingang gevonden. Met behulp van andere ma-
teriaalsoorten kan de vulva worden gesloten door eenvoudige knoophech-
tingen, of meer ingewikkelde hechtingen. Aan het gebruik van Flessa-
hechtingen kleven echter enkele bezwaren, o.a. littekenbcschadiging van de
vulvalippen en het gevaar voor uitscheuring (doortrekken) van de hech-
tingen.

Met nadruk zij erop gewezen, dat - naar onze mening - hel uitscheuren
van hechtingen en de daannede gepaard gaande weefselbeschadigingen veel-
al een gevolg zijn van ondeskundig aanbrengen van deze hechtingen. De
hechtingen dienen „diep" tc worden geplaatst, d.w.z. zo ver mogelijk ver-
wijderd van de rima vulvae.

Thans volgt een chronologische beschrijving van de verschillende tech-
nieken voor de behandeling van prolapsus vaginae, zoals die de laatste 10
a 15 jaren zijn aangegeven.

Er wordt op gewezen, dat al deze behandelingen symptomatisch zijn.
METHODE F.ARQUARHARSON (1949).

De operatie wordt bij hel staande dier uitgevoerd, ondci\' epiduraal anes-
thesie.

Het geprolabeerde gedeelte van dc \\a.uina wordt zorgvuldig gereinigd en
gedesinfecteerd.

Een halvemaanvormig gedeelte van dc mucosa, behorende tot de ventrale
vaginawand, wordt in ecu zo dun mogelijke laag afgepreparcerd. De voor-
rand van dc halvemaan verloopt in de buurt van dc portio vaginalis uteri,
de achterrand ongeveer 5 cm craniaal \\an hel orificium urethrae, de tak-
ken strekken zich tol op dc zijwand van de vagina uit. Dc ontstane wond-
randen worden met knoophechlingen (chroomcatgul) gehecht.

METHODE MINTSCHEW (1953), Modificatie BOUCKAERT (1956), Modifi-
catie RIEKEN (1957).

Een zeer originele methode voor de behandeling van prolapsus vaginae
werd door M i n t s c h e w l.c. aangegeven.

De ingreep wordt bij het staande dier verricht onder epiduraal- en lokaal
anesthesie.

Aan weerszijden van het os sacrum worden de haren weggeschoren en
wordt de huid gedesinfecteerd. De vagina wordt eventueel met een of
ander desinfectans gespoeld. In Gent (België) bedekt men de vagina met
een pasta die tyrothricine-bacitracine-nitrofurazone bevat. Ter hoogte van
het spatium ischiadicum majus, ongeveer 3 cm caudaal \\an het ilio-sa-
craal gewricht, wordt een kleine huidsnedc aangebracht. Een irocard wordt

-ocr page 1039-

nu via de huidsnede door de musculatuur, het ligamentum latum sacro-
spinosum en de vaginawand gedrukt, waarbij ervoor wordt gezorgd, dat de
trocard het rectum en de Arteria uterina caudalis niet beschadigt. De vin-
gers worden in spreidstand gehouden. De perforatie van de vagina vindt
dan in het onderste gedeelte van de laterale vaginawand plaats, enige cen-
timeters caudaal van de portio vaginalis uteri.

l^c mandrijn wordt uit de trocard teruggetrokken en vanuit de vagina
worden door de htds de gevlochten einden van een metaaldraadhechting
gebracht. In de lus \\an de draad bevindt zich een tampon. De huls wordt
verwijderd en de draad wordt met een tweede tampon op de huid ge-
fixeerd.

Teneinde perforatie van het rectum te voorkomen wordt aanbevolen in het
rectum een rubberslang te brengen, zodat de hand, die zich in de vagina
bevindt, het rectum gemakkelijker kan wegdrukken. De hechtingen worden
na ongeveer 10 dagen verwijderd.

Bouckaert (1956) behandelde op deze wijze een aantal dieren. Inge-
val er een uitgesproken atonie van het caudale gedeelte van de vagina be-
stond, paste hij bovendien nog de zg. vagina- en vulvaplastiek volgens
B a i e r (zie later) toe.

Naar schatting trad bij ca. 50% van de aldus behandelde dieren recidive op.
Rieken werkt volgens de methode M i n t s c h e w-B o u c k a e r t l.c. In
jjlaats van de metaaldraad-hechtingen, gebruikt hij een door hem ontwor-
pen „Vaginal-fixator". De fixator bestaat uit een roestvrije, verchroomde,
metalen stift. Aan het ene einde van deze stift is een 6 mm. dik plaatje van
kunststof met een doorsnede van 50 mm bevestigd; het andere eincle dat
een schroefdraad heeft is — behalve dat het een dergelijk plaatje heeft —
tevens voorzien van twee moeren. Rieken l.c. beveelt aan om, alvorens
men de huls van de trocard verwijdert, mei behulp van een injectiesjmit met
stompe canule antibiotica langs de metalen stift te brengen. De beide
moeren worden zo vast mogelijk aangedraaid, de huid rondom de plaatjes
wordt met wat teer bedekt. Het instrument wordt veertien dagen post
operationem verwijderd en kan opnieuw worden benut.
Rieken behandelde op deze wijze 51 dieren, recidive of ernstige compli-
caties kwamen niet voor.

METHODE ROBERTS (1956).

Een strook van het vulva-slijmvlies, dat grenst aan het bovenste twee-derde
gedeelte van de vulvaspleet, wordt lokaal geanestheseerd. Vervolgens
wordt deze strook weefsel (vaginaal slijmvlies) weggenomen. De vulvalip-
pen worden met matrashechtingen (metaaldraad) gehecht. Enige diepge-
plaatste matrashechtingen (navelband) worden als ondersteuning aan-
gebracht; deze worden tegelijk met de vulvahechtingen ongeveer tien
dagen post-operationem verwijderd.

Vlak voor het kalven wordt de spontane vergroeiing opgeheven.
METHODE B.AIER (1953, 1956).

De operatie wordt bij het staande dier uitgevoerd onder epiduraal anes-
thesie.

Op de portio vaginalis uteri wordt een tang volgens A 1 b r e c h t s e n ge-
plaatst. Door een hierop uitgeoefende tractie wordt de vagina zover moge-

-ocr page 1040-

lijk buiten de vulva gebracht en wel in een verticale positie, zodat men,
achter het dier staande, tegen een belangrijk gedeelte van de vagina aan-
kijkt.

Afhankelijk van de graad der verslapping wordt, volgens de methode
Farquarharson I.e., een meer of minder groot halvemaan-vormig ge-
deelte van het slijm\\ lies weggenomen.

B a i e r I.e. prefereert een andere oplossing. Hij brengt in cle mucosa meer-
dere kleine insnijdingen aan, of knipt met een schaar talrijke stukjes slijm-
vlies weg.

Een eerste verkleining van de wondvlakte wordt verkregen door het aan-
brengen van twee parallel verlopende hechtingen (ongeveer 3 cm van el-
kaar). Zo nodig wordt de gehele wondvlakte, inclusief genoemde beide
hechtingen, overhecht, waardoor een sterke vernauwing van de vagina
wordt verkregen. De portio vaginalis uteri wordt weer op zijn oorspronke-
lijke plaats teruggebracht, waarna de tang volgens Albrechtsen wordt ver-
wijderd.

Blijkt het diaphragma pelvis onvoldoende te sluiten, dan wordt door een
hierna te beschrijven operatie getracht, hierin verbetering te brengen.
Halverwege de vulva wordt door beide lippen een zijden draad gebracht.
Door een op deze draden uitgeoefende tractie worden de vulvalippen dus-
danig gespannen, dat de vulvarand een horizontale lijn vormt. Op de
scheidingsjijn huid-slijmvlies wordt een 10 à 12 cm lange snede aange-
bracht. De mucosa wordt tot aan het diaphragma pelvis afgcprcparcerd.
De beide takken van de Mu.sc. contrictor \\estibuli worden vrijgemaakt
(stomp geweld); vier à vijf zware catguthechtingen worden om beide tak-
ken gelegd, waarbij gebruik wordt gemaakt \\ an een naald volgens D e-
schamp. Vervolgens wordt een wigvormig stuk van het losgeprepareerdc
slijmvlies weggenomen (methode Götze). De wondranden worden met
zijden hechtingen tegen elkaar gezet. Tenslotte worden de wondranden
van de vidva gehecht, waardoor dc vulvasplcet wordt verkleind.

METHODE BÜHNER (1958, 1960).

De door B ü h n c r (1958, 1960) aanbevolen methode heeft drie modifi-
caties, waarvan de ,,perivaginal total versenkter Scheidenxerschlusz" dc
meest aantrekkelijke is, doordat deze een gimstig cosmetisch effect heeft en
geringe kans op latere vulvazwelling geeft.
Aanbevolen wordt onder epidinaal anesthesie te werken.
Vulva en perineum worden zorgviddig afgewassen en gedesinfecteerd.
Precies op het midden van de afstand anus-vuiva wordt met een schaar in
een opgehouden plooi een ongeveer 1 cm lange horizontaal verlopende
„snede" aangebracht. Een tweede horizontaal verlopende „snede" ( 1 à 2
cm) wordt gemaakt onder de ventrale commissuur van de vulva, op dc
grens van de vulva en het zachte huidgedeelte van de melkspiegel. Beide
„sneden" gaan tot in de subcutis.

In de linker of rechter hoek van de ventraal gelegen wond wordt een lang
model naald volgens Gerlach gestoken (foto 1). Onder controle van de in
de vagina gebrachte hand, wordt de naald naar de bovenste wond geleid;
vervolgens wordt door het nu zichtbaar geworden oog van de naald een
stukje steriel navelband (polyamid i gestoken (foto 2). De band wordt
eventueel met een antibioticum houdende pasta bedekt. De naald wordt
teruggetrokken, de band uit het oog ervan verwijderd, waarna dezelfde

-ocr page 1041- -ocr page 1042- -ocr page 1043-

handeling aan de andere zijde van de vagina wordt uitgevoerd, zodanig
dat het andere einde van de reeds geplaatste bandhechting wordt aange-
haald (foto 3 en 4).

Tenslotte worden de uiteinden van het stukje band dusdanig aangetrok-
ken, dat men met twee ä drie vingers de ontstane vaginavernauwing nog
kan passeren.

Met nadruk wordt erop gewezen, dat de band goed diep en zo ver mo-
gelijk craniaalwaarts moet woiden gelegd. De gemaakte huidwonden wor-
den niet gehecht.

Enige dagen vóór de partus wordt de bandhechting verwijderd. Veelal zal
dc cm de band gevormde bindweefselstreng in staat zijn het ontstaan van
een prolapsus vaginae te voorkomen. Veiligheidshalve wordt aanbevolen
om een vulva bandage aan te leggen.

Bij 10 van dc 200 op bovenbeschreven wijze behandelde dieren was het
zelfs noodzakelijk om tijdens dc partus de gevormde bindweefselstreng
door te snijden omdat cr onvoldoende passagemogelijkheid voor de vrucht
bestond.

Bovenbeschreven werkwijze heeft als bezwaar, clat de verwijdering van het
bandje in de regel door een dierenarts dient te geschieden.
Bij toepassing van de dooi Buhner aangegeven „perivaginalperkutan"
methode, kan de verwijdering van het bandje door de eigenaar geschieden.
Bij deze werkwijze worden ventraal in plaats van één „snede", twee sneden
aangebracht, die enkele centimeters van elkaar gelegen zijn. De knoojj
komt dan te rusten op het tussen de sneden intact gebleven stukje huid.

Bespreking.

Welke behandeling verdient nu onze voorkeur?

Een antwoord op deze vraag is niet zo eenvoudig te geven. Wel kimnen we
stellen, dat de methode — behalve doelmatig — eenvoudig moet zijn en
geen, of hoogstens geringe risico\'s met zich mag brengen.
Dc verschillende bovenbeschreven methoden zullen achtereenvolgens aan
een korte bespreking worden onderworpen.

De methode F a r c| u a r h arson I.e. is weinig doelmatig gebleken en kan
vrij veel tijd vergen.

De methode B a i e r I.e. is vanuit chirurgisch oogpunt bezien zeer juist.
Dc verslapte vagina wordt „ingekort", het openstaande diaphragma pelvis
sluitend gemaakt. Helaas gaat het effect van de operatie in tc veel ge-
vallen verloren en treedt weer prolapsus vaginae op.

.\\ls men de gecompliceerdheid van de operatie en de v erkregen resultaten
in aanmerking neemt, is dc methode weinig aantrekkelijk.

Dc methode M i n t s c h e w I.e. is zeer origineel. B o u c k a e r t I.e. was aan-
vankelijk niet ontevreden over de resultaten, die hij met deze methode ver-
kreeg; hij past ze thans echter niet meer toe. Onaangename complicaties,
in de vorm van ontstekingsprocessen — soms zelfs flegmoneus van aard - -
kwamen voor; het percentage mislukkingen bleek uiteindelijk te hoog te
zijn.

Belangwekkend zijn in dit verband de bevindingen van Rieken I.e.
Bij toepassing van de oorspronkelijke methode Mintschew I.e. bleek hem
het volgende:

-ocr page 1044-

a. in vele gevallen trad een sterke vvondettering op;

b. de vergroeiing van de vagina met het omliggende weefsel rondom
de metaaldraad, had slechts de grootte van enkele centimeters;

c. het verwijderen van de metaaldraden was soms te lastig doordat
de draden diep in de gluteusmusculatuur waren getrokken;

d. het gewichtsverlies van het behandelde dier bedroeg 10 a 12%, het
melkverlies was te groot.

Bovengenoemde bezwaren zonden niet of in veel mindere mate optreden
bij het gebruik van de door Rieken l.c. ontwikkelde „vaginalfixator".
Bovendien is het met dit instrument eenvoudiger werken dan met slap
metaaldraad.

Volgens Rieken l.c. is de infectie-kans door het afsluiten van de wond
met het plaatje van kunststof belangrijk verminderd. Mocht er toch wond-
ettering ontstaan, dan zou deze zonder behandeling 8 ii 20 dagen na ver-
wijdering van het instrument verdwijnen.

De vergroeiing van de vagina met het perivaginaal weefsel en de gluteus-
rnusculatinir heeft een doorsnede van 5 i 6 cm, hetgeerr belangrijk meer is
dan wordt verkregen r-onclom een metaaldraad-hechting. Het gewichts-
verlies bedraagt ?> a 7% en zou acht dagen na de verwijdering van de „fi-
xators" zijn opgeheven. De eerste dag post operationem treedt een belang-
rijke daling in de melkgift op, die echter in de loop van de volgende
dagen teniet wordt gedaan.

Helaas beschikken wij over te weinig ervaring, orn een uitspraak over de
waarde van deze methode te doen.

Gesteld kan worden, dat de methode vrij eenvoudig en weinig tijdrovend
is. De door Rieken l.c. naar voren gebrachte reacties bij de behandeldc
dieren. vormen echter een punt van nadeel.

Rieken l.c. behandelde 51 dieren, waarbij hij geerr iecidi\\ e constateerde.
Deze resultaten zijn zeer gunstig. \\Vij dienen evenwl te bedenken, dat
de aard van het patiënten materiaal en de lengte van de observatieperiode
twee factoren zijn, die uitermate belangrijk zijn, wil men tot een juiste
waardering van de methode komen. Jammer genoeg verstrekt Rieken
l.c. geen gegevens dienaangaande. Bouckaert (mondelinge mededeling)
onderschrijft overigens de gimstige resultaten van Rieken l.c. niet en
past de methode thans niet meer toe.

De methode B ü h n e r l.c. is eenvoudig, vergt weinig tijd en de kans o|)
complicaties is zeer gering.

Het is eveneens ongetwijfeld van grote betekenis, dat het cosmetisch effcct
bij deze methode gunstig is.

De tot op heden door ons verkregen residtaten zijn ze°r bemoedigend. De
niet-drachtige dieren worden behandeld \\olgens de „perivaginal total \\er-
senkter" methode, evenals de runderen, waarvan de graviditeitsduur nog
niet zo ver is gevorderd.

De hoogdrachtige dieren worden behandeld volgens de „perivaginal-per-
kutan" methode. In een aantal gevallen hebben we bij deze dieren tijdens
de partus het bandje losgemaakt en de uiteinden voorzien van een linnen
draad (no. 20). Hierdoor is het mogelijk om na de partus de knoop weer
aan te leggen. We hebben wel steeds de uiteinden zo goed mogelijk ge-
reinigd en gedrenkt in een halamid-(40\'y())-oplossing.

-ocr page 1045-

In bovenstaand artikel wordt een overzicht gegeven van de verschillende technieken
voor de behandeling van inversio et prolapsus vaginae bij het rund.
Schrijver is van mening, dat de methode B ü h n e r l.c. het nicest aanbevelenswaar-
dige is.

DISCUSSIE

Opmerking: Drs. J. van W a 1 s u m, Bathmen.

De resultaten, bereikt met de methode Rieken waren zeer slecht.

Van de 10 behandelde patiënten vertoonde er slechts één geen recidive meer.

Vraag: Drs. C. M. J. B 1 o k, Oud-Beijeriand.

1. Indien deze methode vóór de partus wordt toegepast, is deze dan, indien nodig,
na de partus weer toe te passen en levert dit dan geen moeilijkheden op in ver-
band met de bindweefselvorming?

2. Kan deze bindweefselvorming ook tot gevolg hebben, dat na de partus geen re-
tentie meer nodig is?

Antwoord:

ad. 1. Zie vraag van collega J. Hage.

ad. 2. Door onze geringe ervaring is het niet mo.gelijk om hierop cen afdoend ant-
woord te geven, temeer daar wij, veiligheidshalve, het bandje weer hebben
aangelegd. De bindweefselstreng wordt overigens tijdens de partus sterk gerekt
en zal, gezien dc aard van het weefsel, niet snel in dc oude toestand terug-
keren.

Vraag: Drs. C. H. H e r w e ij e r, Strijen.

1. Is deze methode ook bij schapen toe te passen?

2. Is bij het schaap de kans op het ontstaan van een flegmoon niet groter dan bij
het rund?

Antwoord:

ad. 1. De methode is door ons tot op heden niet bij het schaap toegepast, doch hct
is wel de bedoeling de methode bij deze diersoort te gaan toepassen.

ad. 2. De kans op hct ontstaan van cen flegmoon bij deze dierscxjrt is vermoedelijk
wel groter dan bij hct rund.

Wij nemen aan, dat het in de praktijk wel zal meevallen, omdat bij de tot op
heden gebruikelijke methodieken slechts zelden ernstige ontstekingsprocessen
optreden.

Vraag: Drs. J. H. V i c r d a g, Bedum.

1. Is de verwijdering van het bandje moeilijk?

2. Is incisie van de bmdwecfselstreng bij de partus nodig en hoe vaak?

Antwoord:

ad. 1. Bij de „total versenkter" methode kan de verwijdering van hct bandje lastig
zijn.

ad. 2. Volgens B ü h n e r is het bij 10 van de 200 behandelde dieren nodig geweest,
tijdens de partus de gevormde bindweefselstreng door te snijden.

Opmerking: Collega Van Look (België).

Bij mijn ervaring geeft in de plaats van het speciale bandje ook een dik vetafyl-snoer

goede resultaten.

-ocr page 1046-

Vraag: Mevrouw Drs. V. Schoenmake r-K o e t s, Zwolle.

Zou de mogelijkheid bestaan als materiaal voor dit bandje, dat rondom de vagina
gevoerd wordt, chroom-catgut tc gebruiken, zodat dit na verloop van tijd opgelost
zou worden?

Antwoord:

Bovenstaande suggestie is stellig de moeite waard om nader te worden onderzocht;
wij doen hierbij graag een beroep op de medewerking van Mevrouw Schoenmaker.

Vraag: Dr. P. Z w a r t. Utrecht.

Is deze methode reeds toegepast bij de kleine herkauwers?
Antwoord:

Door ons is de methode B ü h n e r nog niet toegepast bij de kleine herkauwers.
Vraag: Drs. J. E. H a g e, Purmerend.

Is het mogelijk om na de partus direct het bandje weer aan te brengen, of stuit dit
op bezwaren voor de bindweefselvorming?

Antwoord:

Volgens enkele buitenlandse collegae stuit het wederom aanbrengen van dit bandje
na de partus niet op ernstige bezwaren, wèl wordt geadviseerd de operatie, zo mogelijk,
eerst enige dagen post-partum te verrichten (zie ook opm-?rking J. van den
Bergh).

Op de Kliniek maken wc tijdens de partus het knoopje los \'ïn voorzien de uiteinden
van een linnendraad (no. 20). Hierdoor is het mo,gelijk om na de partus de knoop
weer aan te leggen. We hebben wel steeds de uiteinden zo goed mogelijk gereinigd en
.gedrenkt in een halamid-(4"/i)())-oplossing.

Opmerking: Collega J. van den Bcrgh (België).

1. Herbehandeling van prolapsus vaginae na kalving, minstens 2 weken wachten
(rund) ; een bchai.deling direct na kalven gaat minder goed.

2. Bij zeugen had ik ook goede uitslagen, maar dan met vetafyl, daar ik het snoer
nogal breed vind.

Waar ermee heen?

7% van dc miljoenen legkippen die jaarlijks in de Verenigde Staten van Amerika
opgeruimd worden, worden momenteel verwerkt in de samenstelling van drie nieuwe
produkten, die een steeds aangroeiend succes kennen: het eerste is een soort gehakt
van gebraden kip, de twee andere zijn een soort van kippenworst.

De Belgische Veefokkerij, (13), 2, (1963).

-ocr page 1047-

Verslag van de Demonsfrafie

aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten van de Faculteit der
Diergeneeskunde.

door J. KROXEMAN en H. J. BREUKINK1)

PATIËNT XR. 1.

Een rund met een lebmaagdilatatie en -dislocatie naar links.

Gedemonstreerd werd het onderzoek, zoals beschreven in het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde \\-7\\r\\
1 maart 1963 (aflevering 5).

Vraag: Drs. G. H. V e e n h u i s, Oss.

Is het mogehjk bij een koe met een lebmaa.gdislocatie, dat de rardia gelieel of gedeel-
tehjk afgesloten wordt en daardoor tympanie ontstaat?

Antwoord:

Bij operaties bleek heel vaak dat er een geringe torsie bestond van het voormagen-
complex door de tractie van de gedisloceerde lebmaag. Dc netmaag komt dan te.gen
de rechter buikwand te liggen en de bcM\'kmaag tegen dc linker. Bij een dergelijke
situatie is hct optreden van lympanie wel mogelijk.

Vraag: Drs. G. R o o r d a, Zuidhorn.

Hoe was het in de aanvang van de ziekte met de melkproduktie?
Antwoord:

De melkproduktie is afgenomen.
Opmerking: Drs. Tj. X u t m a, Bennekom.

Ik heb deze patiënt „toevallig" op pinkstermaandagavond gezien en het dier was
toen al enige weken niet goed. De sulfas natricus therapie is ingesteld, vanwege het
ongele,gen moment, wel wetende dal deze therapie bij lebmaagdislocatie veelal onvol-
doende is.

Vraag: Drs. .}. II. M. v. d. Wou w. Drunen.

Vraagsteller heeft in de praktijk cen .geval gehad van lebnnagdislocatic.
Deze patiënt nu\'t lebmaagdislocatie - welke zou worden gcope\'-cerd bleek 2 da.gen
later, dc dag van dc operatie, een acute peritonitis gekregen te hebben. Wat kan de
oorzaak hiervan zijn?

Antwoord:

Eén van de bijkomende opcratieb< vindin.gen is hct lebmaagulcus. Dit kan niet alleen
cen prcpcrforatief peritonitis of een lokale vergroeiing van dc lebmaag geven, doch
ook een algemene peritonitis.

Vraag: Prof. A. M. Frens, Utrecht.

Is cr verschil in de frequentie van het voorkomen van lebmaagdislocatie tussen zand-
streken enerzijds en klei- of veenstreken anderzijds?

In zandstreken worden in dc voorwinter veel stoppclknollen en loof gevoederd die
vaak erg veel zand bevatten. En cen zandophoping in de lebmaag zou misschien een
medewerkende oorzaak voor het ontstaan van de afwijking kunnen zijn.

1  Drs. J. Kroneman en Drs. H, J. Breukink, resp. wetenschappelijk ambtenaar I en
wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172,
Utrecht.

-ocr page 1048-

Antwoord:

Dc patiënten met lebmaagdislocatie kwamen hier uit verschillende delen van het land.
Uit dit materiaal is niet te zeggen of de frequentie van de lebmaagdislocatie op de
zandstreken groter is dan in andere delen van het land.

Vraag: Drs. A. Moer m a n, Kampen.

Bestaan er gcnezingskan.sen bij weidegang van koeien met lebmaagdislocatie zonder
verdere behandeling?

Antwoord:

Gevallen van genezing zijn voorgekomen, doch later zijn recidieven opgetreden. Echter
komen ook gevallen van lebmaagdislocatie voor tijdens de weideperiode, ook al is dit
aantal kleiner dan tijdens de stalperiode.

Vraag: Drs. A. M o o g e n d o o r n, Ouderkerk a.d. IJssel.

Hoe zijn dc faeces qua kleur en consistentie?

Antwoord:

De faeces zijn vaak wisselend, soms goed, soms slap van consistentie. De kleur is
donkerbruin. Typische zgn. „lebmaagfaeces" zijn slappe, stinkende, donker gekleurde
faeces die een olieachtig aspect vertonen.

Vraag: Drs. J. L e e z e r, Pijnacker.

Is spontane genezing van deze aandoening mogelijk?

Antwoord:

Ja, doch zeer vaak treedt recidief op.
Vraag: Drs. C. H. H e r w e ij e r, Strijen.

Is de verbetering, die men bij deze patiënten ziet bij weidegang, toe te schrijven aan
dc andere voeding of aan de beweging?

Antwoord:

Een enkele maal is inderdaad voorgekomen, dat een lebmaagdislocatie verdween
nadat de patiënt in de weide werd .gebracht. Na een zomer in de wei te hebben
gelopen, trad recidief op in 1 geval, 1 week nadat het dier weer normaal op stal
gezet werd. De voedselverandering is hier waarschijnlijk de oorzaak en wij hebben de
indruk, dat vooral het niet gebruiken van krachtvoer het bclau.^rijkste is bij het we.g-
blijven van de lebmaagdislocatie gedurende de zomer.

P.VITRNT NR. 2.

Een rund met een lebmaagdilatatie en -dislocatie naar rechts.*)

Opmerking: Prof. Dr. H. A. M e ij 1 i n g. Utrecht.

Collega Wagenaar veronderstelde dat de verplaatsing van de lever bij dislocatie
van de lebmaag veroorzaakt zou worden doordat het kleine net hierbij aan de lever
zou trekken. Maar als anatoom lijkt deze verklaring m zoverre niet waarschijnlijk,
dat het net zeer fragiel is en met de minste tractie die er op wordt uitgeoefend,
scheurt.

Vraag: Drs. P. H. S u u r d, VVeesp.

Deze winter had ik in de praktijk 2 koeien met een torsie van de lebmaag. Ze zijn
beide aan de faculteit geopereerd. Beide dieren hadden na 10 da.gen recidief. Komt
dit recidief vaak voor?

*) Zie Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1 maart 1963 (aflevering 5).
1816

-ocr page 1049-

Antwoord:

Bij operatics van lebmaagtorsies is de prognose niet erg gunstig.

Immers de torsie wordt opgeheven en de lebmaag leeggemasseerd; maar de oorzaak
van de dilatatie, die onbekend is, wordt geenszins weggenomen. Op onverklaarbare
wijze kan de lebmaag weer normaal gaan functioneren, docli op even onverklaar-
bare wijze kunnen recidieven optreden.

Het al of niet toedienen van carbachol, lentin of physostigminc, heeft hierop slechts
geringe invloed.

Vraag: Dr, P, W, M, van .Adrichem, Hoorn.

Ligt er geen functionele afwijking van de lebmaag ten grondslag aan deze dislocatie?
Immers, in een goed functionerende lebmaag zijn geen bacteriën aanwezig door de
lage pH. Moet er bij de therapie geen aandacht besteed worden aan het verbeteren
van het lebmaagmilieu ?

Antwoord:

Indien een lebmaagdislocatie naar links wordt gereponecrd en de operatie goed ver-
loopt, is in meer dan 50% van de gevallen een goede afloop verzekerd. Hierbij ver-
dwijnen de verschijnselen en functioneert de lebmaag weer normaal.
Bij de Icbmaagdilatatie en -dislocatie naar rechts is de prognose minder gunstig.
Of in deze gevallen een moeilijk verdwijnende vagusaandoening aan dc dilatatie ten
grondslag ligt, is wel geopperd, doch nooit bewezen. Heel weinig is overigens bekend
van de normale func tie van de lebmaag en de factoren, die het lebmaagmilieu be-
ïnvloeden.

Vraag: Drs. H. R. Tulner, Aduard.

lIoc is de kleur van de faeces bij een torsie van dc lebmaag en bij de lebmaag-
dilatatie naar rechts?

Antwoord:

De kleur van dc faeces bij Icbmaagdilatatie naar rechts kan wisselen, van normaal
tot zeer donker cn slijmig. Bij een torsie van dc lebmaag is het mogelijk dat de faeces
slechts bestaan uit slijm en gal.

Vraag: Prof. A. v a n d e r S c h a a f. Utrecht.

Is er wel eens een punctie van dc gedilateerde lebmaag geda.m?

Zo ja, wat was dan de uitslag van het chemisch- en bacteriologisch onderzoek?

Antwoord:

D i r k s e n in Hannover heeft in zijn Habilitationsschrift het onderzoek van lebmaag-
inhoud beschreven. Hierbij v/erd nagegaan of veranderingen waren opgetreden in
kleur, reuk, viscositeit, pH, melkzuurgchalte, pcpsineactivitcit cn cr werden qualita-
tieve bepalingen van vluchtige vetzuren gedaan.

Hierbij bleek, dat kleur en reuk weinig waren veranderd. De pH schommelde tussen
1,1 en 2,2. Bij het merendeel der dieren viel een relatief hoog gehalte aan HCl op,
terwijl geen melkzuur kon worden aangctcxjnd. De werkzaamheid van het pepsine
vertoonde geen afwijkingen.

P.ATIËNT NR. 3.
Een paard niet petechiaaltyfus.

Deze patiënt vertoonde de typische verschijnselen, welke vooral de le de-
inonstratie-dag in optima forma aanwezig waren, doch de 2e dag reeds veel
minder duidelijk waren.

flet dier had zeer veel petechiën, suggulaties en suffnsies van de slijm-

-ocr page 1050-

vliezen van mond en neus. De linker retrofai7ngeale lymfklier was sterk
vergroot en puilde zelfs links uit.

Het dier vertoonde tijdens de le demonstratie zeer sterk oedeem van neus-
vleugels en bovenlip en het was in een slechte toestand. De volgende dag
was dit oedeem voor een groot gedeelte verdwenen.

De therapie bestond uit hoge doses penicilline (3 mil. E. proc. pen.) ge-
combineerd met Prednisolon, n.l. een begindosis van 100 mg gevolgd door
een dagelijkse dosis van 50 mg. Een doel \\ an deze therai)ie is de vertraagde
rijping van de lymfklieren.

Na de Veterinaire Week, toen de ergste verschijnselen van de petechiaal-
tyfus verdwenen waren, is de klier alsnog scherp gesmeerd en geopend. Het
punctaat van de lymfklier was (zie vraag Prof. v. d. Schaal) steriel
en geleidelijk is de patiënt verbeterd.

Mededeling: Drs. G. R o o r d a, Zuidhom.

32 droesvt\'ulcns werden — ondanks abcessen die niet doorgebroken waren — behan-
deld met 1.000.000 I.E. penicilline per dag gedurende 5-7 dagen. Zeer gunstige
reactie (één enter werd niet behandeld met penicilline, maar werd lokaal behandeld
en stierf).

Vraag: Drs. A. Stevens, Goor.

Is het niet nuttig om het abces in de retrofaryngcalc klier te openen?
Antwoord:

Alleen als het abces rijp is kan het geopend worden.
Vraag: Drs. J. van Walsum, Bathmen.

Leidt langdurige toediening van Prednisolon niet tot degeneratie van dc bijnier-
schors?

Antwoord:

Indien onder langdurig verstaan wordt maanden en jaren, dan wél, doch de dosis
(100 mg) die hier gebruikt wordt en het tijdsb<-stek (5 dagen) zullen geen aanleiding
geven tot bijnierschorsinactivatie.

Vraag: Drs. J. Kraai, Bilthoven.

Is er bij rectaal onderzoek nog iets gevonden?

Antwoord:

Bij rctcaal onderzoek zijn geen bijzonderheden gevonden. Speciaal is gezocht naar
verdikte mesenteriale lymfklieren, doch deze werden niet geconstateerd.

Opmerking en vraag: Prof. A. van der Schaaf, Utrecht.

Voorzitter wil even van de gelegenheid gebruik maken mede te delen dat goed-
aardige droes veroorzaakt wordt door de
Streptococcus equi, doch dat het niet zeker
is, dat deze bacterie ook de petcchiaaltyfus veroorzaakt, het zou ook een secundaire
infectie met
Str. zooepidemicus kunnen zijn, die vaak na ren droesstreptokokken-
infectie optreedt.

Welke Streptokokken zouden er te kweken zijn uit het abces, welke zouden er in het
blcK-d hebben gezeten?

P.ATIËNT NR. 4 (alleen op 14 juni gedemonstreerd).

Dit was een pony, welke op 13 juni \'s avonds werd aangeboden en die toen
lijdende was aan
tetanie.

-ocr page 1051-

In de voor dit geval typische anamnese werd vermeld, dat het dier, na
vóór die tijd in de wei gelopen te hebben, de afgelopen nacht op stal had
gestaan met hengstigheid. Tegen de middag was het dier weer in de wei
gedaan, enkele uren later traden de eerste verschijnselen op.
De pony was zeer geëxciteerd, vertoonde de hik en had een zwaaiende
gang van de achterbenen di estijf werden gehouden. Er bestond een zeer
sterke trismus van de kaak, er was hierin geen beweging te krijgen. Er was
echter geen protrusie van de membrana nictitans.

De therapie bestond uit een zeer langzaam infuus van 400 cm^ van een
Ca/Mg-preparaat, waarop het dier zeer snel verbeterde. Twintig minuten
na het begin van de behandeling was de ademhaling rustig en liep het dier
gewoon. De kaaktrismus was verdwenen en het dier begon gras te eten.
Er werd geen sulfas natricus gebruikt omdat de indruk bestaat, dat dit het
\\erloop ongunstig beïnvloedt. De pony werd niet in een box teruggeplaatst,
doch werd in een vrije open ruimte neergezet.

Het onbekende gevoel van opgesloten te zitten zou bij deze dieren één van
de oorzaken zijn van het ontstaan van de ziekte, die zich vooral bij hoog-
drachtige en zogende merries voordoet.

Vraag: Dr.s. R. J. B a k e m a, Zuidlaren.
Hoe snel voert deze ziekte naar de dood?
Antwoord:

Dit is niet bekend, doeh de verschijnselen zijn zeer alarmerend.

Er zijn wel enkele gevallen beschreven, waarbij de tetanie 12 uur duurde vóór er
tenslotte een therapie werd ingesteld.

Vraag: Drs. G. R o o r d a, Zuidhorn.

Het Mg-gehalte voor de therapie bedro<-g 3,2 mg%, na 15 gr MgCl-injectic 1,7 mg%.
Men zou verwachten dat het Mg-gehalte gestegen zou zijn. Is hiervoor een ver-
klaring?

Antwoord:

Het lichaam tracht de ionenbalans in evenwicht te houden en hierdoor is de Mg-
.gehalte stijging te verklaren als reactie op dc verlaging van het Ga-gehalte. Twaalf
uur na toediening van CaMg is het Mg-gehalte gedaald. Dit lijkt vreemd, doch het
evenwicht is hersteld, de ziekteverschijnselen zijn verdwenen en de normale gehalten
aan Ca en Mg zijn te verwachten.

Vraag: Drs. J. Kraai, Bilthoven.

Komen er gevallen van recidieve voor en welke maatregelen ter voorkoming kunnen
worden genomen?

Antwoord:

Recidieven komen voor. Een volledige behandeling bestaat uit het in een open ruimte
brengen van de patiënt, of terug naar de wei nadat het Ca-preparaat is toegediend.

Vraag: Drs. J. Kraai, Bilthoven.

Hebt U wel eens gevallen van recidieve zien optreden?
Antwoord:

Ja, bij één geval trad na 3 uur een recidief op, nadat het dier na een behandeling
met een Ca-preparaat weer was verbeterd.

-ocr page 1052-

Vraag: Drs. G. R o o r d a, Zuidhorn,

Bij runderen met tetanie treedt een sterke Mg-daling en een matige Ca-dahng op.
Hier: bij tetanie sterke Ca-dahng en nonnaal Mg-gehalte, Hoe zit dit?

Antwoord:

Het begrip tetanie werkt verwarrend omdat de ziekte naar runleiding van de ver-
schijnselen zo genoemd wordt. De verschijnselen, n,l, krampen, treden zowel op bij
verlaging van het Mg-gehalte als bij verlaging van het Ca-gehalte,

PATIËNT NR. 5.

Een rund niet boo.saardige catarraalkoort.s. Deze patiënt vertoont de ty-
pische symptomen liier\\ an.
De verscliijnselen zijn:

1. ontsteking van slijmxliezen van neusholtes, sinussen, mond en ogen:

2. afwijkingen aan de cornea;

3. afwijkingen aan het centraal zenuwstelsel,

Aetiologie.

Götze kon de ziekte overbrengen met bacterievrije bloedfiltraten, Hct
virus zou zich echter volgens anderen aan dc leucocyten l!echten en moeilijk
filtreerbaar zijn.

De overbrenging schept vele ])roblemen. Men meent dat schapen als virus-
rcsei-voir fungeren zonder ziektesymptomen te \\ ertönen. Men denkt aan
vliegen en muggen als mogelijke overbrengers, doch ook in dc vlicgenvrijc
perioden wordt de ziekte gezien,

Dc incubatietijd bij kunstmatige besmetting is 14-15 dagen, Dc morbiditeit
is laag, ±: 10/(,o.

Ziet men in kuddes van enkele duizenden stuks vee één ge\\ al, dan mag men
\\\'ülgens Mackey (U,S,A.) binnen 3 weken 20-30 gevallen \\erwachten,
In het microscopische ]3reparaat ziet men cclinsluitsels in dc motorische
neuronen van dc glossofaryngcuskcrnen cii van het ganglion-y)ctrosum.
De
symptomen vcrlo])en in 3 fasen:

1, suf, dchydratic, ho.ge koorts, rode slijmvliezen, stenose van de neus,

hoge pols, niet eten en niet drinken;
H, diarree, meningitis, een overgevoelige huid, Troebeling van de cornea,
cyanose van conjuncliva, zwelling en pijnlijkheid van de kroonrandeti,
stank uit de neus en dc mond door plaatselijke necrose, longafwijkin-
gen;

III, volledig troebele cornea, blindheid, fotofobie, ulceraties, e.xungulatie,

ernstige zenmv\\crschijnsclen, soms rode mine,
l\'erloop van de ziekte: sterfte binnen 1-3 dagen, soms 4-14 dagen.
Differentiële diagnose:
mucosal disease,
infectieuze rino-trachcitis,
runderpest.
Prognose: zeer dubieus.

Therafjie: houden in koele donkere box, rust.

preventief: antibiotica \\oor eventuele secundaire infecties;
algemene verbetering van de toestand tracht men te verkrijgen met
behulp van Cortisonen;

-ocr page 1053-

koorts drukken: salicyl[3rcparaten en acetaniliden;
vit. A toedienen: 75Ó.000 - 1.000.000 E dag;
kunstmatig voedsel: glucose 5% i.v. 10.000 ml/dag,
slobber met sonde in te geven,
water: fysiologisch vocht i.v.,
water met sonde;
plaatselijke afwijkingen behandelen.

Opmerking: Dr. J. S. Reinders, Leeuwarden.

Op een bedrijf in Friesland zijn in een tijdbestek van 3 weken 13 dieren opgeruimd
met boosaardige catarraalkoorts. Meestal zien we in Nederland maar 1 of 2 ge-
vallen op één bedrijf. De dieren werden hier, na het fatale \'"^n acute verloop bij de
eerste dieren, direct na het stellen van dc diagnose opgeruimd daar een therapie, die
rcslutaten afwerpt, niet bekend is.

Vraag: Drs. \\V. H. K a p s e n b e r g. Sluis.

Kan de virusoverdracht bij coryza gangraenosa geschieden via schapen?
Antwoord:

Zanzucchi en Stenim toonden aan dat dc ziekte kan v/orden verspreid via
schapen. Zij brachten de ziekte van runderen over op schapen en omgekeerd. De
.schapen vertoonden slechts weinig verschijnselen, zodat ze als virusreservoir zouden
kunnen fungeren.

PATIËNT NR. 6.

Een kalf met een aangeboren hartgebrek, waarbij het klinisch onderzoek
werd gcclemonstreeid, aangCMild met de opname van een fonocarcliogram
en de drukcurve van de rechter ventrikel.
De diagnose was: septum-defect.

Een uitvoerig verslag van deze patiënt za! t.z.t. worden ge]3ubliceerd.
Vraag: Drs. A. F. R. t e r S c h u r e, Tilburg.

Is de prognose van ccn scptumdcfcct steeds infaust, daar, zoals B a k u 1 e f beweert,
het rechterhart geen eigen werking heeft en gerust afwezig kan zijn?

Antwoord:

De prognose van een scptumdcfcct is in eerste instantie afhankelijk van de grootte
en van de plaats van het defect.

Door het defect ontstaan drukverschillen, welke weer aanleiding geven tot hyper-
trofie van het hart. Deze hypertrofie gaat tot een bepaald maximum. Het doel van
deze hypertrofie is de eventuele circulatiebezwaren op te heffen. In het algemeen
zijn de circulatiebezwaren progressief en dan is de hypertrofie onvoldoende en ont-
staat de decompensatio cordis met alle bezwaren van dien.

P.ATIËNT NR. 7.

Bij deze laatste patiënt werd het klinisch onderzoek van het circulatie-
apparaat gedemonstreerd, aangevuld inet het laboratoriumonderzoek en de
opname van een E.C.G. cn een fonocardiogram.

Het betreffende dier was 6 weken ziek, at te weinig en vermagerde. Het
stond met opgebogen mg en had rechts achter een tendovaginitis. De pols-
frequentie was 112, er was geringe tensie op de venen, er waren geen oede-
men.

Bij auscultatie van het liart werd links een duidelijke systolische souffle ge-
hoord op het punctum ma.ximum van de pulmonaalkleppen. Ook rechts

-ocr page 1054-

was deze souffle tc horen, doch deze was hier van geringe intensiteit. Deze
souffle werd geregistreerd en was voor alle aanwezigen duidelijk te zien.
Bij auscultatie van de longen werd verscherpt vesiculair ademen gehoord,
hetgeen duidelijker werd na neus dichthouden. Het dier hoestte vrij veel.
Het
laboratoriumonderzoek leverde de volgende gegevens op.
Het witte bloedbeeld vertoonde weinig veranderingen, cr bestond slechts een
geringe linksverschuiving. Het serum bevatte geen bilirubine. De alkalische
fosfatase activiteit in het serum bedroeg 0.9 milmol E\'1. De serumeiwit-
elektroforese vertoonde de duidelijkste afwijkingen. Het albuminegehalte
was verlaagd, n.l. 19.0%, het «-globulinegehalte was 16.5%, het ^-globu-
linegehalte was 8.0%, het y-globulinegehalte was sterk verhoogd, n.l. 56.5%.
In de urine werd een spoortje eiwit gevonden, in het sediment van de urine
konden geen bacteriën worden aangetoond.

De tempcratuiucurve vertoonde een hektisch beeld, waarbij de avond-
temperatuur tot ± 40° G steeg.

Op grond van deze gegevens werd besloten tot de diagnose: endocarditis
rechts met de meestal daarbij horende haardjes in de longen.
Bij sectie werd naderhand de diagnose bevestigd. In de rechter ventrikel
werden 3 trombi aangetroffen. De longen vertoonden embolische haardjes,
terwijl in de linker long een trombus in de a. pulmonalis aanwezig was.

Vraag: Dr. J. S. Reinders, Leeuwarden.

Kan de endocarditis bij de laatste patiënt ook beiderzijds zijn, gezien de verdikte
R.A.-koot?

Antwoord:

Het is mogelijk, doch klinisch zijn daar weinig nadere aanwijzingen voor gevonden.
De urine bevat een spoortje eiwit, doch in het sediment werden geen bacteriën ge-
vonden. De pols was regelmatig en ook het E.C.G. vertoonde weinig afwijkingen.
Bij een endocarditis links, die steeds gepaard gaat met een cii.bolischc myocarditis,
ziet men meestal ventriculaire cxtrasystolen. Mogelijk is de aandoening aan het
R.A.-been het primaire proces geweest, ook al omdat dit het enige proces is aan de
benen.

Spierdegeneratie bij kalveren.

Selenium en vitamine E hebben een positief effcct bij het voorkomen van spier-
degeneratie bij kalveren.

In sommige streken van Finland komt bij veel kalveren spierdegeneratie voor. Een
mineralenmengsel met 0,001% selenium en 300 mg per kg vitamine E werd aan het
voer toegevoegd, of per kg droge stof 0,1 d.p.m. (delen per miljoen) Sc en ongeveer
3 d.p.m. vitamine E. In die gevallen, waarin geen mineralenmengsel met deze toe-
voeging werd verstrekt, werd 17,6% van de kalveren ziek. Toediening van het mine-
ralenmengsel leidde tot een verlaging van het aantal ziektegevallen tot 0,5%.
•Aangezien zelfs een grote dosis selenium verhoudingsgewijze snel uit het lichaam
wordt uitgescheiden, ligt het vcx)r de hand, dat het verstrekken van kleine hoeveel-
heden (zie boven) geen
afdoende bescherming tegen spierdegeneratie gaf. Meestal
duurde het één tot drie weken, voordat het beschermende cff.\'ct was bereikt. Grotere
hoeveelheden (3 tot 5 maal groter), gaven een vrijwel onmiddellijke bescherming.
Uit berekeningen van de hoeveelheid selenium in het voer en de toegevoegde hoe-
veelheid kon worden vastgesteld dat een hocveelhid van 0,30 d.p.m. selenium in de
droge stof is aan te raden.

Veeteelt- en Zuivelber., 6, 225, (1963).

-ocr page 1055-

Het opnemen van het elektrocardiogram en het fonocardiograrn bij een kalf.

-ocr page 1056-

Demonstratie van pathologisch veranderde
organen en weefsels.

door ]. H. TEN THIJE1)

Uit het Pathologisch Instituut van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

Bij liet begin der demonstratie memoreerde spreker dat hij, dank zij de
medewerking van de huidige hoogleraar in de ziektekimdige ontleedkvmde,
prof. S. van den A k k e r, in slaat was deze demonstratie te geven.
Dank werd ook gebracht aan de directeuren van slachthuizen en vleeskeu-
ringsdiensten, die door het toezenden van ziektemateriaal het mogelijk
hadden gemaakt een interessante collectie te selecteren.
Deze was deels opgesteld in de demonslraliezaal, tei-wijl een ander deel,
\\ an diagnoses voorzien, in de secliezaal te bezichtigen was.
Van de belangrijkste veranderingen volgt hier een kort verslag.

Gedemonstreerd werden twee gevallen van primair uteruscarcinoom met
metastasen bij het rund.

In tegenstelling met utcruscarcinoom bij de mens, waarbij dc tumor mees-
tal van de portio uitgaat en uit plaxeiselcclepithcel bestaat, zien we bij het
rund het uleruscarcinoom in dc hoornen, soms in het corpus uleri cn hel
heeft de structuur van een scirrheus carcinoom d.i. een tumor, die uitgaat
van klierepitheel of oppei-vlakte-epitheel en die grotendeels bestaat uil een
sterk ontwikkeld fibrillair interstitium, waarin minder omvangrijke stren-
gen van gewoekerd epilheel of klierbuizen. Opmerkelijk is dat dit carci-
noom nooit uitgroeit tot een omvangrijke, aanstonds in het oog \\\'allende
gezwelmassa.

Het wordt daardoor bij de keuring menigmaal over het hoofd gezien, in
tegenstelling tot de metastasen in de longen („pepernotenlong"), bronchiale
en mediastinale lymfklieren; bo\\endien vindt men wel metastasen in de
lever en portale lymfklieren en steeds in de inwendige damibeensklieren en

1  Prof. J. H. ten Thije, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Bilt-
straat 166, Utrecht.

-ocr page 1057-

ook wel in de lendenlymfkliereii. Op al deze plaatsen ziet men het niet
over het hoofd. Steeds zijn het harde woekeringen met \\eel wit fibrillair
bindweefsel, waarin grauwgele korrelige haarden, waaraan de naam van
„jjepernotenlong" is ontleend. Vaak herkent men de tumor bij de keuring
aan de metastasen en dan blijkt de niet-drachtige uterus een hard deel in
de wand te hebben, wat korrelig van ojjpervlakte, wat bleker dan de om-
geving en vaak wat ingetrokken. Bij insnijden is de wand ter plaatse wat
\\erdikt ten koste van het uteruslumen.

Gedemonstreerd werden, behalve een uterus, twee stel longen, waarvan
één zo dicht doorzaaid was met metastasen, dat er op elke sneevlakte ver-
scheidene werden aangesneden. Van dit geval werden ook metastasen in
lymfklieren, de lever en zéér dicht miliair en submiliair uitgezaaid in dc
nieren gevonden, zodat hier stellig ook een uitzaaiing in de grote circu-
latie aanwezig was.

Op tumorgebied werd ook gedemonstreerd een zeldzaam ge\\al van een
schaap dat overal in de subcutis en soms min of meer oppervlakkig in de
s]3ieren \\ lakke
twnoren had, egaal bleek op sneevlakte en microscopisch met
cen sarcomateuze bouw. Aan het hoofd kwamen deze srezwellen zo menis;-
vuldig voor in dc oogleden, lij^pen en op neus en wangen dat hct hoofd er
mi.smaakt door was. Het meest opmerkelijk was dat in cle inwendige or-
ganen of lymfklieren niets van gezwelvorming was te vinden.

Verder was er nog van een paard ccn niet meer dan walnootgroot lipoom,
gestecld, dat juist hierdoor aanleiding had kunnen geven tot cen omslingc-
ring van dc darm met afsluitingskolick tot gevolg, die tot afmaken \\an
het dier noopte.

Neurofibromatose was aanwezig van een rund, een tiunorvorming \\\'an de
perifere zenuwen, vaak op het hart en \\an de ]3lcxus brachialis, waar wc
vooral op cle laatste ])laats, zoals aan hct gedemonstreerde geval, dc zenuw-
strengen vingerdik tot de dikte van de muis \\an cen duim kunnen krijgen.
Men hoort dan soms uit dc anamnese, dat aan cle gang van het dier tot
voor cen weck b.v. geen afwijkingen zijn bcsjieurd. Hct hart frappeert
doorgaans door een knobbelige oppervlakte, vooral in dc coronaire groeve,
waar men bij insnijden van de harde knobbels, getroffen wordt door het
feit dat de plaatselijk sterk verdikte zenuwstreng steeds los ligt van de om-
gevende schede. Er werden wervels vertoond van cen geval waar cle ver-
dikkingen der uittredende tussenwervelzcnuwen grote, gladde holten door
drukatrofie in de wervellichamcn hadden veroorzaakt, evenals in dc rib-
ben door lokale verdikkingen der ribzenuwen.

Van een koe werd een uterus vertoond met een bijna vuistgroot abces van
een salpinx,
een salpingitis apostematosa, bij dc mens vaak en bij het rund
zelden voorkomend. Ook bij dit rund waren beide lUerushoornen en het
verdere geslachtsapparaat normaal.

Interessant vcxjral door de anamnese was het geslachtsapparaat van een
koe, die een maand geleden was gekocht, kort voor de koop normaal had
gekalfd en die bij de koper gestadig achteruit ging. De geconsulteerde
dierenarts vond als enige afwijking een aantal knobbeltjes in de \\agina-
wand in het verloop der Gartnerse gangen, zoals die vroeger, — zij het
ook zeldzaam — voorkwamen toen er nog tuberculose bij onze runderen
was. Na de slachting bleken de gevoelde knobbeltjes
kleine cysten van de

-ocr page 1058-

Gärtnerse garigen te zijn, tot 1 cm in diameter en met cen heldere vloei-
stof gevuld. Microscopisch bleek de wand te zijn bekleed met een éénlagig
cubisch epitheel. Aan de uterus werden geen afwijkingen gevonden, even-
min in de rest van het dier, waardoor het achteruitgaan zou kunnen wor-
den verklaard.

Op het eerste gezicht zou men een mandarijngrote woekering op een scherp
omschreven brede basis aan de bovenwand van de keel
van een rund vast-
zittend en in de keelgang prominerend, misschien wel voor een tumor kun-
nen houden. Maar onwaarschijnlijk wordt dat wanneer elders niets af-
wijkends wordt gevonden; men gaat dan eerder denken aan een granu-
loom. De woekering was niet met slijmvlies bedekt, vrij week van consis-
tentie en op de sneevlakte kon men druppeltjes etter uit kleine haardjes
drukken. Het geheel leek daarom op een
actinomycoom (aclinomycosis
fungosa),
wat microscopisch werd bevestigd. Waar het hier actinomycose
van de weke delen bij een rund betrof, is de naam actinobacillose beter op
haar plaats.

Zeldzamer dan een geval van actinobacillose in de keel of de lai7nx van
een rund was een geval van
actinomycose bij een varken met een chro-
nische, adhesieve pleuritis actinomycotica. Het betrof een varken van on-
geveer 100 pond met een opmerkelijk afwijkend beeld ener chronische
pleuritis. Aan één zijde waren de longen, vooral de hoofdkwab, vergroeid
aan de ribwand en aan het mediastinum. Deze kwab was ook vrij uitge-
breid aan het middenrif vergroeid. De vergroeiingen waren diffuus, niet in
de voim van plaatselijke adhesies. In de vergroeiing zaten vele abcessen,
tot enkele cm groot, niet afgekapseld en met witgele etter gevuld, in de
korreltjes waai-van tot onze verrassing de actinomyces bleek te zitten. In
de longen waren geen opvallende veranderingen en van enige herkomst
van deze actinomycose uit de digestietractus of het respiratieapparaat kon
niets worden gevonden.

Twee paar runderlongen werden gedemonstreerd, beide met cen chro-
nische ontsteking, zoals nogal eens voor cen antedateringsonderzoek ten be-
hoeve van een koojjkwestie wordt toegezonden. Eén \\an deze was een
chronische broncho pneumonie, zoals die zich in een tijdsverloop van meer-
dere weken in de longen kan uitbreiden en waar het er dan om gaat over
de oudst \\eranderde gedeelten een oordeel uit te spreken of de ontsteking
al dan niet voor een bepaalde datum moet zijn begonnen.
Deze oudste delen vindt men vaak in de top- of cardiale kwabben, een
enkele maal in de mediastinale kwab. In de hoofdkwabben vindt men door-
gaans de jongere uitbreidingen in kleinere, nog niet geconflueerde lobu-
iaire gebieden. In de oudste delen frappeert het grofste patroon van dc
bronchiale tekening, vaak wat prominerend onder de meestal ook ver-
dikte pleura. Een eerste begin der pleuraverdikking ziet men meestal daar
waar de interlobulaire schotten de pleura bereiken.

Op de .sneevlakte der oudst veranderde delen ziet men de bronchiën met
hun verdikte wanden ook weer het sterkst promineren, waartussen het
eigenlijke alveolaire longweefsel in de diepte zinkt. Uit de doorgesneden
grotere bronchiën is vaaï^ slijmige ettter te drukken. Een enkele maal is de
chronische bronchitis zó overheersend, dat een kwab bij doorsnede groten-
deels, ook tot vlak onder de pleura, uit dikwandige bronchiën met een
sterk verwijd lumen pleegt te bestaan (bronchiectasieën). Het alveolaire
weefsel is dan geheel in de minderheid en op de achtergrond gedrongen.

-ocr page 1059-

De andere vorm \\an chronische longontsteking is een chronische intersti-
tiele pneumonie.
Deze geeft voor de onderkenning meer moeilijkheden
dan de chronische bronchopneumonie. De reden daarvan is dat zij niet
haardsgevvijs, maar veel meer diffuus in de longen \\oorkomt. Contrasten
tu.ssen pneumonische en niet-pneumonische longdelen vallen daardoor dus
niet aanstonds op en wanneer men uitgesneden stukjes long in het water
gooit blijken ze vaak te drijven, tenzij op het laatst van het leven er long-
oedeem is opgetreden dat de laatste lucht uit de long heeft verdreven,
waardoor de stukjes wèl zinken.

De longen frapperen doordat ze een weliswaar wat verdikte, maar een
gladde, niet rimpelige pleura hebben, waardoor de lobidaire tekening is
verminderd. De kleur van de pleura is wat afwijkend, vaak wat rose, bij
aanpakken is de consistentie niet donzig-veerkrachtig, maar taai-steving en
het allermeest frappeert de vaak zeer sterke gewichtstoename, waarvoor
men op de niet natte sneevlakte geen grote vochtrijkdom aansprakelijk kan
stellen. Soms kan men bij nauwkeurig bezien der sneevlakte de tekening
der fijnere bronchiën wat duidelijker herkennen.

Microscopisch blijkt er doorgaans een vrij sterke proliferatie van verschil-
lende weefselelementen te bestaan, maar weinig of geen exsudaat te zijn
uitgetreden in de alveolen. Als geheel is de long te groot en onvoldoende
samengevallen, waartoe de weefseltoename een beletsel was.
Zowel deze interstitiele pneumonie als de chronische bronchopneumonie
hebben wel enkele weken tot een maand nodig gehad voor hun ontstaan,
maar veiliger is de afwijkingen ook in microscopische coupes te laten con-
troleren.

Van een varken, op slachthuismanier gehalveerd, werd aan het einde der
wervelkolom in het sacrum een op\\allende knik gevonden. Hier was
een oudere breuk, die aanleiding had gegeven tot een aanmerkelijke, gro-
tendeels
periostale bindweefselnieuwvorming. Op dc plaats van cle breuk
werd nog enige necrotische massa gevonden in het been, maar bij nauw-
kciu\'ige inspectie van de dura mater spinalis in de allernaaste omgeving
kwamen daarop enkele juist zichtbare, spelde])untgrotc knobbeltjes voor op
dc overigens gladde dura mater.

Dit riep de gedachte aan tuberculose op en toen later de bijbehorende or-
ganen werden gevonden bleek er een fraaie primaire tuberculose, die wel
van aviair origine zal zijn gewec.st, aanwezig te zijn in de mesenteriale
lymfklieren en een jongere versjireiding, miliair tot groot-miliair, in dc
lever, longen, nieren en milt. In dc laatste twee organen kunnen de tuber-
kelbacillen niet anders dan met dc grote circulatie zijn gekomen.
Op dezelfde wijze moeten de tuberkelbacillen in het sacrum zijn gekomen.
Een open vraag blijft daarbij of in een \\roeg stadium van de tuberculose
in dit varken de grote circulatie deze tuberculose van het sacrum had ver-
oorzaakt met als gevolg de breuk, dan wel dat circulerende tuberkelbacillen
zich hier hadden genesteld in een reeds aanwezige breuk, die b.v. aan een
trauma moest worden toegeschreven en die nu een locus minoris resisten-
tiae vormde. Voor de laatste opvatting pleitte dat, behalve in de mesente-
riale lymfklieren, nergens anders oudere tuberculose werd gevonden en
ook dat verder in de hele wervelkolom nergens iets van tuberculose werd
gevonden. Nauwgezet microscopisch onderzoek van de breuk en vooral
van het nieuwgevonnde weefsel in de omgeving zou wel hebben uitgewezen
dat de laatste opvatting de juiste was.

-ocr page 1060-

Van het overige gedemonstreerde pathologische materiaal is nog vermel-
denswaard een jong veulen met een
hevige polyartritis, ontstaan uit een
necrotisch proces in de navel en de urachus. Acute veranderingen door
varkenspest waren o.m. aanwezig met de typische bloedingen in het pyelum
en de blaas.

Een fraai geval van een extreme atrofie der uitwendige kaakspieren bij een
hond
werd gedemonstreerd. Opmerkelijk was dat de inwendige kauwspieren
niet alleen normaal maar zelfs hypertrofisch waren.

Voort waren er diverse levers van verschillende dieren met grotere en
kleine haarden en
haardjes van parasitair en niet-parasitair origine, enkele
endocarditiden, waaronder cen jonge beiderzijdse \\an ccn paard, een uit-
gebreid
perivaginaal flegmoon bij een rund, een bijzonder omvangrijke
hydronephrose bij een rund en een eveneens zeer grote cystennier van een
varken, een
paratuberculeuze darm, enz enz.

Spiercel en lichaamsgrootte.

De grootte van een dier is meer afhanl<elijli van de grootte van de eellen waaruit de
spieren zijn opgebouwd dan van hun aantal, hoewel zwaar gebouwde dieren ook een
groter aantal spiercellen bezaten.

Het aantal bij de geboorte en de grootte op 10 weken blijkt door een additieve factor
te worden beïnvloed.

Pluimvecpers, 6, 4M, (1963).

Selectie op vruchtbaarheid?

Het gaat hier om de vraag; „Welke kenmerken van de vruchtbaarheid van het man-
nelijke dier zijn bij de selectie onbruikbaar?" Het is duidelijk dat er t.o.v. dc vol-
gende kenmerken een aanzienlijke variatie bestaat tussen m.umclijke dieren.

1. deklust;

2. .sperma: hoeveelheid, concentratie cn kwaliteit;

3. bevruchtend vermogen;

4. de vruchtbaarheid van vrouwelijke nakomelingen.

Er ontbreken momenteel nog fundamentele gegevens over de erfelijkhcidsgraad van
deze kenmerken en betreffende dc genetische correlaties met andere kenmerken waar-
op geselecteerd dient tc worden.

Wil men selectie kunnen toepassen op dc vruchtbaarheid van onze landbouwhuis-
dieren, dan moet men ook de vruchtbaarheid in exacte en objectieve cijfers kunnen
uitdrukken.

Landbouwdocumentatie, 19, 1022, (1963).

Strijd tegen het konijn in Australië.

Ter bestrijding van wilde konijnen past men in Australië th.ms cen nieuwe methode
toe, die 100% effectief wordt geacht. Hierbij wordt met behulp van een motor kool-
monoxyde in de holen geperst. Per uur kunnen meer dan 200 gaten worden be-
handeld.

Pluimveepers, XVHI, 573, (1963).

-ocr page 1061-

Onderzoek van vleeswaren.

Demonstratie aan het Instituut Voedingsmiddelen van Dier-
lijke Oorsprong van de Faculteit der Diergeneeskunde.

door J. G. VAN LOGTESTIJN en K. E. DIJKMANN1)

Inleiding.

Het toezicht op vleeswaren is opgedragen aan ambtenaren van Vlees- en
\\Varenkenringsdiensten, krachtens de daartoe in de Vleeskeuringswet en
de Warenwet opgenomen bepalingen.

Uitsluitend het chemisch toezicht en onderzoek is — ingevolge het Vlees-
en Vleeswarenbeskut dat steunt op artikel 2 der Vleeskeuringswet en dc
artikelen 14 en 15 der Warenwet — opgedragen aan de Keuringsdiensten
van Waren. V\\\'el is het de vleeskeiu-ingsambtenaar nergens verboden om dit
chemisch toezicht te \\ errichten, maar in de praktijk komt het vrijwel niet
voor dat dit gedaan wordt. Een uitzondering vormt het onderzoek naar
hct NaC.l-gehalte, indien hct als vleeswaar ingevoerde partijen betreft,
die soms niet doorgezouten zijn.

.\\an de vlccskem-ingsambtcnaar is het overig toezicht opgedragen, waar-
onder vallen:

1. hct toezicht op het gebruik van verboden organen en ander dan goed-
gekeurd vlees of vleeswaren;

2. het toezicht oj) eventuele schadelijkheid; en
.\'k het toezicht o]) deugdelijkheid.

Het hiertoe te verrichten toezicht kan plaats vinden door ojj verschillende
wijzen onderzoek te doen.

1. Organoleptisch onderzoek.

Dit is veelal inleidend als liet oni dc deugdelijkheidsbeoorcleling gaat,
2 Chemisch, eventueel aangevuld niet fysisch onderzoek.

Hierbij gaat het er o,ni, om, om met bchul|) van chemische methoden
beginnende of \\oortgeschrcden ondeugdelijkheid met duidelijke reacties
aan te tonen,

3. Histologisch-bacterioscoj)isch onderzoek.

Dit is gericht o]d het aantonen van verboden weefsels, op de toestand
(deugdelijkheid) der toegestane weefsels cn toevoegingen (kruiden)
en door bacteriosco]3ic op dc bacteriologische gesteldheid der vlees-
waren.

1. Bacteriologisch onderzoek.

Door kweekproeven kan nagegaan worden of pathogene microörganis-
men voorkomen; kiemtellingen kunnen toegepast worden in verband
met de dcugdelijkheidsbeoordeling.

.Niet genoemd werd het analytisch-chemisch onderzoek naar de samenstel-
lende grond- en hulpstoffen, ofschoon dit ons met het oog op de beoordeling
der vleeswaren, grote diensten kan bewijzen. Vaak komt het voor dat

1  Drs. J, G. van Lo.gtestijn en Drs, K, E, Dijkmann, resp. vvc tenschappclijk ambte-
naar le klas en wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit tc Utrecht;
Biltstraat 166, Utrecht,

-ocr page 1062-

collegae-keuringsambtenaren het verzoek tot ons richten oni ons oordeel
omtrent de deugdelijkheid van door hen ingezonden vleeswaren, waaraan
afwijkingen voorkomen, uit te spreken. Vrijwel altijd is dit verzoek verge-
zeld van de vraag wat de oorzaak is of geweest kan zijn. Het betreft dan
soms grote tot zeer grote partijen vleeswaren, al of niet in blik verpakt,
waarbij ook de producent geïnteresseerd is in de oorzaak der afwijking.
Wij zullen u deze middag een overzicht en een uiteenzetting geven van het
onderzoek van vleeswaren, zoals dit door ons wordt verricht ten dienste
van eigen onderzoek en van dat van collega\'s die hiermee problemen heb-
ben. Voor het onderzoek op verboden weefsels staat ons hiertoe een serie
dia\'s ter beschikking, welke geprojecteerd zullen worden.
Om kennis te nemen van de methoden, gebruikt bij het bacteriologisch en
chemisch onderzoek werden hiertoe de utensiliën en apparatuur opgesteld
in enkele der laboratoriumruimten, waar deze apparten in werking tc zien
zijn.

Met enkele voorbeelden wil ik nog enkele uittreksels uit onderzoekrappor-
ten onder Uw aandacht brengen, waaruit blijkt van welke waarde het
kwantitatief analytisch-chemisch onderzoek kan zijn bij de beoordeling van
afwijkingen en het opsporen van de oorza(a)k(en) hiervan.
De waarde van het kwalitatief chemisch onderzoek, dat toegepast kan
worden bij de beoordeling van de deugdelijkheid van vleeswaren, ligt voor-
al in de informaties, dic het de keuringsainbtenaar verschaft. Tevens heeft
het adstructicve waarde bij deskundigen-verklaringen, die bij overtredin-
gen in het proces-verbaal kunnen woiden o])genomen.

I. Door een collega werden 12 hamblikken — 6 series van 2 uit ver-
schillende jM\'oduktiechargcs (waarvan telkens 1 gebombeerd) - uit
cen grote, uit U.S..^. teruggezonden, partij ter onderzoek en deugdc-
lijkheidsbcoordeling toegezonden, daar bet organoleptisch ondeizoek
hciTi geen voldoende criteria ter beoordeling had opgeleverd.
Het onderzoek leerde o.m. dat:

1. slechts één der zes als zodanig gemerkte blikken echte bombagc
vertoonde, en de overige schijnboTubage door overvidling vertoon-
den;

2. drie blikken een vrij sterk afwijkende getu\', zeven een iets zure
geur en twee geen afwijkende getu\' verspreidden;

3. uil alle blikken streptokokken en uit twee blikken bovendien
lactobacillen gekweekt werden;

4. dat bij 2 van de 4 hierop geteste blikken dc coagulatietest op

C, bij één blik op 58° C, positief uitviel;

5. bij analyse van enkele vlcesmonsters een NaCl-gelialte van 2.2-
2.3% w^rd vastgesteld.

Niet alleen werd hierdoor ondeugdelijkheid vastgesteld, maar even-
zeer de oorzaak daarvan. Hier was sprake van onderpasteurisatie,
met als gevolgen voortgezette auto-enzymwerking en vermeerdering
der microflora. Dit laatste werd nog bevorderd door het lage zout-
gehalte.

II. Op verzoek van een collega, die een grote vleeswarenfabriek in zijn
kring heeft, werd een aantal blikken van een giote partij „Frank-
furter Knakworst" onderzocht met de vraag, die mede namens het be-

-ocr page 1063-

drijf gesteld werd, wat de oorzaak van de geconstateerde ondeugde-
lijkheid kon zijn.

I3e helft der blikken werd 5 dagen op 37° C bebroed, de rest gekoeld
bewaard. Daarna werd de inhoud van alle blikken organoleptisch,
fysisch-cheniisch en ten dele analytisch, bacteriologisch en histolo-
gisch onderzocht.

Alle bebroede blikken waren sterk gebombeerd en waren sterk H2S-
en NH^-positief. Ook de niet gekoelde blikken vertoonden een posi-
tieve NHs-reactie.

Bij de bebroede worstjes was dc darm op de zadelplekken volkomen
verteerd, het worstnat (pekel) troebel en schuimig. Vele worstjes
waren in de lengte opengescheurd.

De pH was bij de niet-bebroede blikinhoud (pekel) 6,0; bij de be-
broede 7,1.

Het bacteriologi.sch onderzoek der onbebroede blikken leverde in de
pekel weinig
Bacillus-kiemen — zowel sporen als gram staven —
op; in de worstfarce was de kiemrijkdom veel groter. Bij de bebroede
blikken waren èn pekel èn worstfarce geheel doorgroeid. Het bacterio-
scopiseh beeld was in overeenstemming met de resultaten van het
kweekonderzoek. De analyse toonde o.m. aan, dat het keukenzout-
gehalte in de worstfarce dz 1,5% was; dat in de pekels ongeveer 2,3%.
Afgezien van de minder fraaie zadelinvloeden \'\'s door dit onderzoek
aangetoond dat:

1. de pasteurisatie voldoende is geweest, getuige de afwezigheid van
andere dan ßaczWwj-kiemen;

2. het vooi\'komen van kweekbare Bacillus-kiemen, hetgeen op zichzelf
niet fimest is, door het lage zoutgehalte in de forstfarce aan-
leiding is geweest tot sterke veiTneerdering en ondeugdelijk worden
der blikinhoud. nog bevorderd door een gunstige tem]3eratiiur.

Als nevenfactor, die het bederf beïnvloed kan hebben, werd mogelijk
sterke besmetting met sporevormers van grond- en hulpstoffen (krui-
den) aangewezen. Ook een te langdurige bewerkingsfase, evenals te
lange cn te weinig koele bewaring, kunnen een begek\'idende slechte
invloed uitgeoefend hebben.

111. Enkele metworsten, gemaakt op de boerderij, vertoonden een sterke
faecale geur. De collega, hoofd van dienst, vroeg de oorzaak op te
sporen.

Hierbij werd o.m. een ])H van 6,65 gemeten, hetgeen \\eel te hoog is
voor een droge worst; de NH^- en H2S-reacties \'vaien sterk positief;
het vochtgehalte 30%, het zoutgehalte 2,9%.

Voor een reeds zo sterk ingedroogde worst duidt dit laatste op een te
laag aanvangszoutgehalte.

Zowel gram-negatieve als -positieve microörganismen werden ge-
kweekt, w.o.
Hafnia, Escherichia coli, voorts Proteus-, Lactobacillus-,
Bacillus-, Streptococcus-
en Citrobacter-soonen. De kiemgetallen va-
rieerden van 120 tot 170 miljoen per gram, hetgeen voor deze „oude"
worst evenals het assortiment resp. ongebruikelijk hoog en sterk ge-
spreid is. Gram-negatieve kiemen behoorden zeker verdwenen te zijn.
De conclusie liet, naast een te laag zoutgehalte als primaire oorzaak
van het later opgetreden bacterieel bederf, ook de mogelijkheid open

-ocr page 1064-

van een te hoge aanvangs-pH van de worstfarce, waardoor de micro-
biologische rijping niet tot een normale ]DH-daling en uitschakeling
van een groot deel der microflora had geleid. Suikertoevoeging aan
de farce zou het rijpingsproces gunstig beïnvloed hebben, maar is bij
de z.g. „eigen" worstbereiding niet zo gebruikelijk.

IV. Van een zeer grote partij fabriekssnijworst, welke niet het goede
aroma \\ erkregen had, werd eveneens onderzoek naar de oorzaak ge-
vraagd.

Monsters van verschillende charges vertoonden meer of minder sterk
uiteenlopende waarden met betrekking tot de .samenstellende delen,
hulpstoffen en reacties. Onder meer bleken te lage zoutgehalten en on-
voldoende pH-daling bij enkele monsters oorzaak der mislukte rijping
te zijn.

Bij andere monsters was te veel zwoerd toegevoegd, zonder dat com-
pensatie in de vorm van een extra suikergift was toegepast, om de ge-
wenste microflora voldoende nutriënt te verstrekken. Sommige mon-
sters bleken door dc minder goede samenstelling een vertraging van dc
rijping tc vertonen.

Tijdens dc door hel vrij lang dinende onderzoek ontstane bewarings-
])eriode trad alsnog een gunstige narijping op, waardoor het aroma
cn de overige eigenschappen bij enkele monsters aanzienlijk verbeter-
den.

DISCUSSIE

Slcchts enkele viagen zijn uit tic discussies, die tijdens de d\'-inonstratie en projectie
ontstonden, vastgelegd cn met dc antwoorden weergegeven.

Vraag: Drs. .A. A. A b r a h a m s e, Emmeloord.

Testikels zijn geen dcstructiematcriaal. Deze mogen toch in hondcvocr voorkomen?
Antwoord:

Dit is inderdaad het geval. Geshuhtsorganen mogen niet in vleeswaren worden ver-
werkt. Testikels zijn echter - dit in tegenstelling met andere geslachtsorganen als
baarmoeders, scheden en roeden — geen dcstnictienuateriaal.

Vraag: Drs. J. J. K n ap e, Hengelo.
Mogen er kiemen in dc worst voorkomen?

Antwoord:

Dit hangt van dc worstsoort af. Pathogene kiemen mogen nooit in kwcckbare vorm
aanwezig zijn. Uit gepasteuriseerde vleeswaren — halfconserven en zgn. kook- en
broeiworsten — zullen in het algemeen slechts sporevormende kiemsoorten te kwe-
ken zijn; bacterioscopisch onderzocht zullen nog veel dode kiemen waarneembaar
zijn. Afhankelijk van het rijpingstadium van rauwe vleeswaren zullen weinig tot zeer
veel kiemsoorten in even verscheiden aantallen hieruit gekweekt kunnen worden.

Vraag: Drs. K. B. M. Koel m a n e.a..

Waar ligt de grens van het kcukenzout.gehaltc om een produkt als vlees dan wel als
vleeswaar te kunnen beschouwen?

Antwoord:

Dit hangt mede af van de wccfselsoort. Door Ir. C. H. van N i e u w 1 a n d en
Dr. P. J. va n E n d t is hierover in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde 1937 ge-
publiceerd. Zij geven daarin aan dat, bij een percentage van 0,5 voor spek en van 6

-ocr page 1065-

voor vlees, deze produkten als vleeswaren zijn aan te merken. In worsten zijn de per-
centages veel lager, maar hierbij zijn vele andere kenmerkende factoren in het spel,
waardoor deze als vleeswaren zijn te beschouwen. De voornaamste zijn wel de irre-
versibiliteit tot het produkt van uitgang en het verlies van het karakter van vers
vlees.

Vraag: Drs. S. van der Burg, Harcderwijk.

Zowel de larynx als de pharynx zijn veelal sterk bezoedeld. Mogen deze organen wel
als grondstof gebruikt worden voor vleeswaren? Is de hartspier een minderwaardige
vleessoort?

Antwoord:

Ook de trachea van varkens is (door broeiwater) vaak sterk verontreinigd. Het zou
beter zijn deze orgaandelen af te keuren, maar het is geen gebruik. De trachea heeft
eni.ge betekenis voor het ophangen van hart, lever en tong. Indien ze goed gereinigd
zijn, is er echter tegen het gebruik van de larynx en pharynx geen bezwaar.
Het hart is vlees in de zin der wet en naar onze begrippen niet minderwaardig. De
Duitse wetgeving kent het begrip „Innerei", waaronder ook hartweefscl wordt ge-
rekend. In „Spitzen- und erste QualitUt"-vleeswaren mogen geen „Innereien", dus
ook geen hartspier, verwerkt worden.

„Parane" in Brazilië.

Meer dan 10 jaar geleden vestigden zich Nederlandse boeren in Parane in cen niet
te beste streek.

Deze kolonie is thans welvarend. aVn Braziliaanse zijde wordt gesteld dat dit te
danken is aan

a. technische „know-how";

b. hct in dienst hebben van cen econoom en een veterinair;

c. een coöperatieve instelling t.a.v. inkoop en verkoop.

An Br. .Abstr., 18, 418, (1963).

Dc levensduur van sperma van kalkoenen.

Sperma dat langer dan 2 weken in de eileider aanwezig is geweest heeft een iets ver-
minderd bevruchtend vermogen. Verdubbeling van de hoeveelheid van 0.03 tot 0.06
ml bij de tweede inseminatie had vrijwel geen invloed op hct verdringen van het
eerste sperma, wèl indien deze portie in twee keer op twee opeenvolgende dagen werd
geïnsemineerd. Het sperma van de eerste inseminatie, twee w"ken daarvoor gebruikt,
werd .geheel verdrongen.

Pluimveepers, 6, 414, (1963).

Borstblaren.

Geconcludeerd kon worden uit dit onderzoek met slachtkalkoenen afkomstig van 10
verschillende stammen, dat bij dieren met brede borst en cen ondiep lichaam meer
borstblaren worden aangetroffen dan bij dieren met cen brede borst en een diep
lichaam. Er bestaat geen correlatie tussen borstomvang enerzijds en lengte borstbeen
en diepte lichaam anderzijds; tussen beide laatste onderling en met levend gewicht
echter wel.

Pluimveepers, 6, 424, (1963).

-ocr page 1066-

Methodiek van hart- en nierfunctiebepaling bij
de hond.

Demonstratie in het Laboratorium voor Fysiologie van de
Faculteit der Diergeneeskunde.

door G. H. HUISMAN en W. J. KRAAN1)

Gedemonstreerd werd een experiment, zoals in de betreffende voordrachten
is omschreven. Bij de genarcotiseerde hond werden hartcatheters onder
röntgencontrole gebracht in de rechter ventrikel en de arteria pulmonalis.
In de arteria femoralis werd een polyethyleen canule gevoerd. Gedurende

b.

d.

het ex])eriment bevond zich cen rubber catheter in de blaas. Ter bepaling
\\ an het zuurstofverbruik werd een tracheotubus aangelegd. Nadat de hond
met 500 cm^ water per slokdarmsonde was „geprehydreerd\'", werd via dc
catheter, liggende in de arteria pulmonalis, door middel van een constant
infuuspomp, cen infuus van PAM en kreatinine toegediend,
(iedurende 4 perioden van ca. 15 minuten werd nu:
a. urine verzameld;

bloedmonsters uil rechter \\entrikel en art. femoralis genomen ter be-
paling van de concentratie aan PAH en kreatinine en de zuurstofverza-
diging van het bloed;

het zuurstofverbruik van de hond per minuut gemeten door middel van
de Benedict-Roth spirograaf;

de bloeddruk geregistreerd in rechter ventrikel, art. femoralis en art.
pulmonalis.

Voor verwerking der \\erkregen gegevens, wordt venvezen naar de des-
betreffende artikelen.

1  Drs. G. H. Huisman en Drs. W. ,J. Kraan, resp. wetenschappelijk ambtenaar en
wetenschappelijk ambtenaar le kl. aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, .Alexander
Numankade 93, Utrecht.

-ocr page 1067-

Slotwoord bij de beëindiging van de Veterinaire
Week 1963.

door M. KARSEMEIJER1)

Mijnheer de Voorzitter van de Faculteit der Diergeneeskunde,
Dames en Heren,

Namens de dierenartsen en hun dames, die het voorrecht hebben gehad
aan de Vetermane Week 1963 deel te nemen, wil ik gaarne onze dank be-
tuigen aan de heren hoogleraren en de verdere wetenschappelijke staf van
de Faculteit der Diergeneeskunde, die het ons mogelijk hebben gemaakt
om te proeven \\ an de vruchten der diergeneeskundige wetenschap.
Hij of zij, die na het verlaten der beschuttende armen van de Alma Mater
zijn of haar plaats in het burgerbestel hebben gevonden — welke plaats
dit ook moge zijn, hetzij als algemeen practicus, hetzij als practicus uit-
sluitend voor kleine huisdieren, hetzij als vleeshygiënist, enz. — en die
meent dat aan het studeren nu wel een einde is gekomen, vergist zich ter-
dege.

Immers, aan de faculteit kan slechts een basis voor ons beroep worden ge-
legd en de jonge dierenarts zal zich verder dienen te bekwamen en niet al-
leen ervaring opdoen, doch hij zal daarnaast verplicht zijn het geleerde
verder uit te bouwen, hij zal zijn kennis moeten opfrissen en uitbreiden en
dus vooral moeten zorgen dat hij „bij" blijft. Slechts in dat geval zal hij
zich als intellectueel kunnen handhaven.

De belangrijkheid van post-universitair ondei-wijs wint dan ook steeds meer
veld, ook buiten onze landsgrenzen; en waar ons kleine land in het samen-
spel met omringende landen dagelijks nauw betrokken is, is het een eerste
eis, dat de Nederlandse dierenarts niet alléén een vakbekwaam vertegen-
woordiger van ons beroep is, doch dat hij óók als lid van het intellectuele
gilde een waardige plaats inneemt.

Dit zal dan ons aller streven, doch ook onze trots moeten zijn. Dit kan o.m.
worden bereikt als er een voortdurende wisselwerking is tussen Universiteit
en dierenarts.

Wij prijzen ons gelukkig, dat onze Faculteit een betrouwbare leidsvrouw
voor ons allen is.

Voor velen uwer zal de sfeer \\an de oude, vertrouwde collegezalen, kli-
nieken en instituten, waarin U zovele uren van Uw jonge leven wakend of
dromend hebt doorgebracht. Uw hart misschien in meer of mindere mate
hebben beroerd. Moge Gij allen een goede herinnering aan deze dagen met
U meedragen.

De Commissie Veterinaire Week 1963 en het Dames-comité, die zich beiden
misschien wel eens met enige bezorgdheid en een zekere spanning zullen
hebben afgevraagd of al hun arbeid wel met succes zou worden bekroond,
moge ik ook in dit dankwoord betrekken. In het verleden is het wel eens
gebeurd, dat een Veterinaire Week wegens onvoldoende belangstelling
niet kon doorgaan; deze teleurstelling is U bespaard gebleven.

1  M. Karsemeijer, Voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maasehappij voor
Diergeneeskunde, Ambonstraat 12, .Alphen a.d. Rijn.

-ocr page 1068-

Mogelijk dat de gedachte wel bij U leeft dat de deelname massaler had
kunnen zijn, doch het is nu eenmaal zó gesteld in het leven, dat wij het
volmaakte wel kunnen nastreven, doch helaas is het ons zelden gegund dit
te bereiken.

Misschien wel een gelukkige omstandigheid, daar de simpele mantel der
nederigheid ons, mensen, Iseter past dan het goudbrokaat der hovaardij.
Bij de opening der Veterinaire Week is door Prof. Dr. Hoekstra een over-
zicht gegeven van het bouwplan van de nieuwe faculteit. Wij zijn ten zeer-
ste onder de indruk gekomen van de breedheid van opzet en de verrassende
visie van het plan, dat voor de toekomst wijde perspectieven biedt.
Mogen deze nieuwe, goed geoutilleerde gebouwen spoedig in alle luister
voor ons oprijzen. Voor de diergeneeskundige wetenschap niet alleen, doch
ook voor ons"allen, dierenartsen, zal dit de grootste glorie zijn.

-ocr page 1069-

Sluiting van de Veterinaire Week 1963.

Na afloop van de voordrachten
en demonstraties werd de Vete-
rinaire Week 1963 op vrijdag 14
juni \'s middags door de voorzitter
\\ an de Faculteit der Diergenees-
kunde, Prof. Dr. C. o m ij n,
gesloten.

In een korte toespraak, die aan-
sloot aan hetgeen de voorzitter
van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde naar voren
had gebracht, en die werd uitge-
sproken in de manege van de
faculteit, dankte hij alle mede-
werkers, die tot het welslagen van de Veterinaire Week hadden bijgedragen.
Dank werd gebracht aan de medewerking \\ an het College van Curatoren,
waardoor cle plechtige opening in de Aula \\an de Rijksuniversiteit mogelijk
was geweest.

Dc voorbereidingen tot hetgeen in deze dagen werd geboden en de organi-
satie van hct geheel was in handen gelegd van cle Commissie voor cle Vete-
rinaire Weck 1963, die dank zij haar grote activiteit dc waardering van een
ieder heeft verdiend. Dc hul]) die bij cle organisatie en uitvoering werd
ondervonden van dc wetenschappelijke staf en het personeel der faculteit
vormde een onmisbare schakel die tot hct slagen der V.?terinairc Week heeft
bijgedragen.

Hierbij ware zeker niet tc vergeten de medewerking \\\'an de zijde der stu-
denten en de hoo[) werd uitgesproken dat „De Solleysel" voor de uitste-
kende organisatie van cle lunches een stevig batig saldo aan haar kas zou
kunnen toevoegen.

Bijzondere dank werd gebracht aan het Damescomité, dat door cen nimmer
aflatend enthousiasme in staat is geweest aan de dames een programma
aan te bieden, dat niets te wensen over liet.

De spreker eindigde met de hoop uit te spreken dat deze dagen voor de
deelnemers „elck v/at wils" hadden geboden en hij wenst allen „wel thuis"
cn tot ziens...... over drie jaar!

-ocr page 1070-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

GESLAAGDE ZESDE VOORLICHTINGSDAG TE UTRECHT.

Op donderdag 31 oktober is in het Jaarbeursrestaurant te Utrecht de zesde Voor-
lichtingsdag van de Veeartsenijkundige Dienst gehouden. Ook nu weer waren vele
dierenartsen uit het gehele land naar de Domstad gekomen, om deze dag bij tc
wonen.

De directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, de heer J M. vandenBorn,
wees cr in zijn openingswoord op, dat de Voorlichtingsdagen zo langzamerhand cen
traditie zijn .geworden. In het lelt, dat de belangstelling ervoor niet is verflauwd,
maar gezien de vele aanwezigen eerder is toegenomen, zag hij een bewijs van waar-
dering voor het,geen op deze dagen wordt geboden. Het bewijst tevens, dat er be-
hoefte bestaat, zo nu en dan met elkaar van gedachten tc wisselen over veterinaire
activiteiten op wetenschappelijk en organisatorisch gebied.

Dr. J. G. van B e k k u m, directeur van het Centraal Diergeneeskundig Instituut,
afdeling Amsterdam, sprak over de enting van varkens tegen mond- en klauwzeer.
Hij wees erop, dat voortgezet laboratorium-onderzoek de mogelijkheid heeft aange-
toond, een entstof samen te stellen, die een groot percenta.ge van de ermee gevacci-
neerde varkens na één enkele injectie beschermt tegen een drie tot vier weken later
plaatsvindende contactinfectic.

Een produktiemethode voor dergelijke vaccins, die behalve een verhoogde hoeveelheid
antigeen, saponine bevatten, wordt nog nader uitgewerkt. Spreker concludeerde, dat
op grond van de met betrekking tot de populatie-opbouw van de varkensstapel be-
schikbare gegevens, een systematisch doorgevoerde algemene enting van dc varkens
op den duur slechts tot immunisatie van 60 tot 80% van de aanwezige dieren zal
leiden.

Hij betwijfelde of dit voldoende zal zijn en gaf daarom dc voorkeur aan cen ring-
enting om besmette bedrijven.

De heer E. de N o o y, inspecteur-districtshoofd van dc Veeartsenijkundige Dienst
in Overijssel, sprak over de taak van de vlccskeurin.gsdienst bij de destructie en spe-
ciaal de voorcentralisatic. In het belang van de volksgezondheid achtte spreker het
van het grootste belang, de voorcentralisatie van destructicmateriaal zo krachtig
mogelijk te bevorderen. Hij zei overtuigd te zijn dat de dierenartsen in het algemeen
en de hoofden van vleeskeuringsdiensten in het bijzonder, op dit terrein een zeer
belangrijke bijdra.ge kunnen leveren.

De heer J. M. van den Born, directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, be-
handelde de wering van exotisch mond- en klauwzeer.

Hij besprak het gevaar, dat West-Europa van twee kanten bedreigt. Aan de ene kant
het mond- en klauwzeer .Asia type 1, dat langs de Zuid-Aziatische landen naar het
Midden-Oosten is op,gerukt tot in Israël en Syrië en het S .A.T. type, dat van Zuid-
Afrika over Midden- en Oost-Afrika geleidelijk is opgerukt naar E,gypte.
Later is het over de Nijl op het Aziatische continent overgesprongen en heeft zich
over Syrië, Israël, Irak, Turkije tot in Griekenland gemanif?steerd. Mede dank zij
een nuttige internationale samenwerking bij de bestrijding, heeft men een doorbraak
naar West-Europa tot nog toe kunnen voorkomen.

In West-Europa is de mond- en klauwzeerbestrijding ingesteld op zogenaamde in-
heemse typen, waardoor men ongewapend staat tegenover andere typen. Spreker be-
lichtte de internationale samenwerking nader, die tot nog toe met volledig succes is
bekroond. In West-Europa heeft zich geen enkel geval van exotisch mond- en klauw-
zeer gemanifesteerd.

Een prachtig voorbeeld van wat internationale samenwerking in de praktijk vennag
en met zekert trots kunnen we constateren, dat dit op veterinair terrein geschiedt.
Nadat een nieuwe film over varkenspest was gedraaid, belichtten drie sprekers de
aspecten van rabies.

-ocr page 1071-

Dc heer A. v a n K e u ! e n, inspecteur in algemene dienst van c\'.e Veeartsenijkundige
Dienst, behandelde de veterinaire aspecten. Hij besprak de recente rabiesuitbraak in
Nederland en de snelle en ingrijpende maatregelen die hierte.gen werden genomen.
Het ziet ernaar uit, dat tengevolge van de combinatie van toepassing van veterinaire
politiemaatregelen en de snelle vaccinatie van de hondenpopuiatie, ons land vrij van
rabies is geworden .

Landsgrenzen hebben echter onvermijdelijke grote mazen .--ii voor in het wild le-
vende dieren bestaan ze helemaal niet. Zeegrenzen blijken eveneens niet waterdicht.
Een zeer nauwe samenwerking tussen geneeskundige inspectie en Veeartsenijkundige
Dienst, alsmede de betrokken laboratoria, is noodzakelijk. Die noodzakelijke samen-
werking kon tijdens en na de rabiesuitbraak met voldoening worden geconstateerd.
De heer B. V. B e k k e r, inspecteur in algemene dienst van de Geneeskundige In-
spectie van de Volksgezondheid, behandelde de medische aspecten. Hij gaf een over-
zicht van dc medische problemen, die naar aanleiding van de rabiesgevallen in 1962
naar voren zijn .gekomen. Hij wees erop, hoe belangrijk de n.edewerking van vete-
rinaire zijde is .geweest bij het bepalen van het vaccinatiebeeld ten aanzien van ge-
beten mensen. Nauwe samenwerking van medici en veterinairen is bij de zoönosen
van groot belang. De rabiesbestrijding is hiervan een sprekend voorbeeld.
■Aan de hand van een uitgebreide diaprojectie besprak de heer A. A. V e 1 t h o e n,
voorheen wetenschappelijk ambtenaar van het Centraal Diergeneeskundig Instituut,
afdeling Rotterdam, de laboratoriumwerkzaamheden in verband met rabies. In soni-
mi.ge gevallen kunnen zich bij de diagnostiek wel eens moeilijkheden voordoen, maar
door alle methoden van onderzCK-k waarover wij momentcel beschikken toe te passen,
zijn deze toch wel op te lossen.

De heer J. van der Waal, adjunct-inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst
in Noord-Holland, behandelde tenslotte het onderwerp „Rotkreupel en schurft bij
schapen". Wat rotkreupel betreft blijft de behandeling van cen koppel aangetaste
dieren een tijdrovende bezigheid, met behoorlijke kansen op herhaling. Het optreden
van bacillendragers zal vrij vaak voorkomen.

Vervolgens behandelde spreker de schapenschurft, een in de Veewet opgenomen be-
.smettelijke veeziekte, die de gehele stapel kan aantasten. Een aanzienlijke remming
van de groei kan het gevolg zijn en de ziekte kan zelfs aanleiding geven tot het op-
treden van cachcxie en sterfte. Hij behandelde de bestrijdingsmaatregelen en conclu-
deerde dat het gewenst blijft, ten aanzien van deze zeer besmettelijke ziekte de uiter-
ste waakzaamheid te betrachten.

Op de inleidingen volgden levendige discussies, onder leiding van de heer N. F.
Werkman, inspecteur in al.gemene dienst van de Veeartsenijkundige Dienst.
De heer M. K a r s e m e ij e r, voorzitter van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde, sprak namens dc aanwezigen een woord van dank voor de geslaagde dag.
De heer ,J. M. vandenBorn bracht in zijn slotwoord dank aan sprekers en aan-
wezigen en wees erop dat binnenkort een extra nummer van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskundes zal verschijnen, waarin alles wat op deze voorlichtingsdag is gezegd en
in discussie gebracht is, in extenso zal worden opgenomen.

DOORLOPENDE AGENDA

1963

December,

12, Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten K.N.M.v.D. Vergadering,
10.00 uur. Hotel Smits, Utrecht, (pag. 1456)

12, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel Dalzicht,
Nijverdal. (pag. 1392)

13, Afd. Utrecht K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel Smits, Utrecht,
(pag. 1392)

-ocr page 1072-

18, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur, Muranozaal,
Beurscafé, Rotterdam, (pag. 1393)

18, Afd. Friesland K.N.M.v.D. Feestelijke bijeenkomst. Restaurant E 10.
(pa.g. 1841)

19, Afd. Groningen-Drenthe K.N.M.v.D. Vergadering, 14.00 uur, Restaurant
Riche, Groningen, (pag. 1392)

Februari,

4— 5, C.L.O.-Studiedagen, Utrecht, (pag. 1447)
16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel.

Augustus,

21—23, IIIc Internationaal Congres voor Dierziekten, Kopenhagen, (pag. 1447)
September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië
(pag. 62, 939, 1059 (1962)); (pag. 388, 1388)

Oktober,

8—10, Wiss. Gesellschaft f. Vet.Med. in der D.D.R., Intern. Congres, Leipzig,
(pag. 1318)

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN DE AFDELINGEN
.•\\fdeling Friesland.

De afdeling Friesland van de Kon. ,Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde zal op
18 december a.s. cen feestelijke bijeenkomst houden, waarbij ook de dames hartelijk
welkom zullen zijn in
Restaurant E 10.
Spreker; Prof. Dr. E. J. S 1 ij p c r.

PERSONALIA

Hct Hoofdbestuur draagt dc volgende collegae voor het lidmaatschap van de Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde voor;

J. W. Lcsschen, Anrcep 20, .A.ssen.

J. I. tc Maarssen, Marhulzenpad 1, Groenlo.
E. Schuring, Wolvcgastcrweg 20, Oldcbcrkoop (Fr.).

Adreswijzigingen en dergelijke:

Baljet-Tiecken, Mevr. Dr. G. W.: 1952; U-1956; Haarlem, Kenaupark 13; tel.
(02500) 1 45 24; gr. 444434; P,, spec. kl. huisd., röntgenologie, chirurgie, kliniek
sp. 14.30-15.00 en 19.00-19.30 (bch. za.-avond). (inlassen 146)

Brandsma, S., van Groningen naar Paterswolde, Burg. Tonckensweg 13, tel. (05907)
19 01 (privé), (05900) 2 39 76 (bur.). (152)

Devos, O. J. H., te \'s Heer .\\btskerke, aangesloten onder tel. privé (01194) 383.

(156)

-ocr page 1073-

Kuyper, J., te Krommenie, naar Alb. Sehweitzerstraat 24, aldaar, tel. (02980) 8 40 02
(privé), (020) 6 44 33 (bur.), vet. adv. \\.V. Kon. Pharmae. fabr. v.h. Broeades-
Stheeman Pharmacia te Amsterdam, Looiersgracht 27-39. ( 1 79)

Locber, Mcj. I. C.; 1963; zic Verhaar-Locbcr, Mevr. 1. C. (181)

Maarssen, A. J. I, te; 1963; Groenlo, Marhulzenpad 1, tcl. (05440) 14 48; wnd. D.

(182)

Schurmg, .A.. E.; 1963: Oldcbcrkoop (Fr.), VVolvegasterweg 20; tel. (05164) 260;

P., ass. bij R. Schuring. (197)

Smit, H. F., te Amstelveen, aangesloten onder tel. bureau (020) 15 36 66, functie ge-
wijzigd in D. b. h. Centr. Lab. v. d. Bloedtransfusiedienst v. h. Ned. Roode Kruis.

(198)

Thalheimer, Dr. H. H., te \'s Hage, tel. gewijzigd in (070) 11 22 55. (202)

Tiecken, Mej. Dr. G. W.; 1952; U-1956; zie Baljet-Tiecken, Mevr. Dr. G. VV. (203)
*Verhaar-Locbcr, Mevr, I. C,; 1963; Utrecht, Rauwenhofflaan 166; tcl (030)
2 97 95; gr, 400039; D. (inlassen 205)

Wijma, H,; 1963; Grootegast (Gr,), Middellaan 2; P., ass, bij D. J. Willems, (213)

Benoemd:

Meiessen, J, J,, te Zaandam, te rekenen m,i,v, 1 februari 1964, tot Hoofd van dc
vleeskeuringskring en Directeur van het openbaar slachthuis en de veemarkt te
.Amsterdam. (183)

Rmmtiehantoor F. Dix

MAURITSSTRAAT 98 — UTRECHT — TELEF. 030—11520

Volledige voorlichting en assistentie bij
vestiging, praktijkovemame of associatie;

Deskundige bemiddehng en voortdurende controle van Uw
verzekeringen.

-ocr page 1074-

(;emeente zaandam

Jiurgenieestcr en Wethouders van Zaandam roepen soUici-
tanten op voor dc per 1 februari 1964 vacerende funktic van

DIREKTEUR

van het Openbaar Slachthuis, tcxcns Hoofd van de Kciuings-
dienst van Slachtdieren en van Vlees in de Kring Zaanstreek,
(omvattende dc gemeenten Zaandam, Assendclft, Jisp, Koog
aan de Zaan, Krommenie, Oostzaan, Westzaan, Wormer,
Wormervccr cn Zaandijk).

Gegadigden moeten in het bezit zijn \\an het diploma dieroiarts
en bij voorkeur beschikken over ])raklische ervaring in een
leidinggevende funktic bij een Openbaar Slachthuis.

Aanstelling zal geschieden op een salaris, gelegen tussen ƒ 18852,-
en ƒ 23268,- ))cr jaar (exclusief huurcompensatic, vakantie-
toelage, eventuele kindertoelage en de na 1 januari 1964 toe te
passen salarisverhoging).

Dienstauto staat ter beschikking, eventueel vergoeding voor ge-
bruik van ccn eigen auto.

De ver])laatsingskostcnregcling zal van toepassing zijn.

Volledige sollicitaties worden uiterlijk 14 dagen na het verschij-
nen van dit nummer ingewacht bij Biugcmeester cn Wethouders
van Zaandam.

-ocr page 1075-

INHOUD

NECROLOGIE

ln memoriam Arie Oskam.........1843

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

M. Karsemeijer, Jaarrede 1963 ........ 1847

A. Manien, E. H. Kampelmacher en P. A. M. Guinée, Voor-
komen van resistentie tegen tetracycline en chlooramphenicol bij
Salmonella-stammen, geïsoleerd gedurende 1962 in Nederland
- - Frequence of resistance to tetracycline and chloramphenicol
among Salmonella-strains, isolated in The Netherlands during

1962 —............. 1858

G. J. M. van Kempen en J. Cornelissen, Antikopziekte koek —
Magnesium cakes against hypomagnesaemic tetany
— . . 1867

KOPZIEKTE SYMPOSIUM

L. Seekles, Hypomagnesemie en grastetanie. Biochemische as-
pecten ■— Hypomagnesaemia and gras tetany. Biochemical

aspects —.............1870

G. P. A. Frylink, Kopziekte in de praktijk — Hypomagnesaemic

tetany in veterinary practice —........1873

A. Kemp, De betekenis van het voedermagnesium bij het ont-
staan van hypomagnesemie en van hypomagncsemische tetanie
bij rundvee — The significance of magnesium in the feed in

causing hypomagnesaemic tetany in cows —.....1876

//. de Groot, Landbouwkundige maatregelen ter verbetering van
de magnesiumvoeding van weidend rundvee — Agricultural
measures to improve magnesium intake for grazing cows
— . 1878
Discussie — Discussion..........1880

INGEZONDEN

Salmonella IX (J. de Vries).........1896

MEDEDELINGEN

Van de Redactie...........1899

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1899

\\\'ARIA ...........1866, 1869, 1895, 1898

DOORLOPENDE AGENDA............1901

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESK INDE
Van het Bureau

Notulen van de 110e Algemene Vergadering, 18 en 19 oktober

1963 .............. 1903

Uitbreiding en modernisering van het secretatiaatsgebouw . 1918

Van de Afdelingen...........1921

Personalia.............1921

RECTIFICATIES..............1922

UTR. VET. STUDENTEN GEZELSCHAP „CERBERUS" . 1922

-ocr page 1076-

moeilijke taak. In Zuid-Holland bestonden immers
geen banden tussen de veehouders en de melkfabrieken,
zoals elders in den lande. De organisatie moest van de
grond af worden opgebouwd.

Allen, die iets met de werkzaamheden van de gezond-
heidsdiensten te maken hebben, zeker zij die zich iets
verder in de problematiek rondom deze organisaties
hebben verdiept, weten, dat het leiden van dergelijke
diensten bijzonder grote bekwaamheden vereist.
Vooral in het begin, toen er bij deze diensten nog geen
„jurisprudentie" aanwezig was en op iedere beslissing
elke volgende zou worden gebaseerd, werden aan een
directeur bijna onmogelijk hoge ei.sen gesteld.
Wanneer men zich bovendien realiseert, dat de Pro-
vinciale Gezondheidsdienst een boerenorganisatie is en
dat de directeur een vast dienstverband heeft aange-
gaan met de veehouders om bepaalde diergeneeskun-
dige belangen van dezen te behartigen, daarbij de
werkzaamheden hieraan verbonden in handen van de
practici latend, dan zal het duidelijk zijn dat de ver-
houding directeur-collegae-practici bijzonder delicaat
is.

Echter zijn er ook van de zijde van de veehouders mo-
gelijkheden te over te verwachten, dat zij op hun Di-
recteur, overigens te goeder fiouw, een beroep doen,
waarbij hij als dierenarts op de bijzondere plaats van
de beoefenaren van dit beroep moet wijzen.
Collega Oskam heeft altijd de juiste houding kunnen
bepalen.

Van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde was hij een verknocht lid en zette
daarvoor, wanneer nodig, zijn hele actieve persoon in.
Vers ligt nog in het geheugen de immense hoeveelheid
werk die collega Oskam in de Commissie ter voorbe-
reiding van het Eeuwfeest verrichtte.
Als afdelingslid was hij er een van zeer grote waarde;
hij heeft nimmer wanneer hij het nodig achtte, nage-
laten te spreken. Hij heeft de Afdeling menigmaal naar
voren geschoven door persoonlijk initiatief en door-
zettingsvermogen.

Enorme wilskracht, groot volhardingsvermogen en ge-
voel voor juiste verhoudingen, voor wat kan en niet
kan, het zich inleven in snel veranderende .situaties,
een warm gevoel voor collegialiteit en daarbij een zeer
grote drang naar individuele vrijheid, alles gepaard
gaande met een oprechte bescheidenheid, kenmerkten
collega Oskam en maakten hem tot een van die man-
nen, waarop wij trots konden zijn tot zijn collegae ge-
rekend te worden.

Bij zijn strijd tegen de indringer in zijn lichaam zijn
al deze eigenschappen ten volle tot uiting gekomen op
bijna bovenmenselijke wijze.

In hem heeft de Maatschappij één van zijn beste leden
verloren, en vele harer leden een goede vriend.
Het smartelijkst is het verlies wel voor zijn gezin. Het
mist de man en vader die leiding, liefde en vreugde

-ocr page 1077-

gaf in ruime mate. Onze oprechte gevoelens van mede-
leven gaan naar hen uit.

De ernst en grote nauwgezetheid waarmede hij zijn
dagelijkse werkzaamheden verrichtte, hebben bij col-
lega Oskam nimmer een spontane vrolijkheid en goed-
lachsheid kunnen onderdrukken die bijzonder aanste-
kelijk konden werken.

Het is naast de zeer vele bekwaamheden van collega
Oskam, dat wij ook deze eigenschappen zeker in her-
innering zullen bewaren.

Lekkerkerk. K. ]. KRUYT.

Gouda. J. H. G. VAN WIJHE.

Naschrift.

Ook voor ons, leden van het Eeuwfeestcomité bracht
het verscheiden van Arie Oskam diepe verslagenheid.
Wij hebben het grote voorrecht gehad, de laatste jaren
in nauw contact met hem te mogen samenwerken,
en ieder onzer is daarbij diep onder de indruk ge-
komen van zijn bezielende en stuwende kracht. Hij
heeft zijn vele grote gaven geheel ten dienste gesteld
van ons comité met een spontaniteit en toewijding die
ons aller bewondering afdwong.

Arie zelf echter vond dit alles zo vanzelfsprekend dat
hij met het toenemen van het werk en de beslomme-
ringen in alle opzichten meegroeide, naar het Eeuw-
feest toe, en toen hij zich naar zijn eigen mening niet
meer zo voldoende kon geven al: hij dat wenste, stelde
hij zijn medewerkers te onzer beschikking.
En dan te weten dat hij toen reeds in vrij ernstige
mate lijdende was.

Wij vragen ons af hoe het mogelijk is dat hij in die
omstandigheden nog zoveel wilskracht en vooral nog
zoveel blijmoedigheid heeft kunnen opbrengen en in
dit verband zullen wij niet licht zijn hartelijke schater-
lach vergeten, die op een der feestavonden opklonk in
de schouwburgzaal.

Het slagen van het Eeuwfeest heeft Arie een intense
voldoening geschonken. Hij wist dit een succes voor
de Maatschappij en voor de gehele veterinaire wereld.
Bij de bezoeken die ik aan zijn ziekbed bracht, heeft
hij dat herhaalde malen laten merken, en wanneer ik
hem dan erop attendeerde dat hij zelf daarin zo\'n
groot aandeel had gehad en hem daarvoor dankte,
trachtte hij die lof en dank met een kwinkslag af te
wijzen.

Wat een levensblijheid, zelfs toen nog!
Of lag hierin ten dele opgesloten dat hij zelf in die
omstandigheden er voor wilde waken anderen moei-
lijkheden en verdriet te sparen?

En nu is Oskam dan voorgoed van ons heengegaan.
Arie, voor alles wat jij voor ons hebt gedaan, maar
vooral voor wat jij als vriend voor ons bent geweest,
uit de grond van ons hart: dank en nog eens dank. Je
neemt onze vriendschap mee over het graf, je zult

-ocr page 1078-

blijven voortleven in onze gedachten, een gedachtenis
die zich zal uiten in een herhaaldelijk gebed voor je
eeuwig geluk.

Het past ons een ogenblik stil te staan bij het ont-
zettend leed van hen, die hun man en vader zo vaak
in het belang van onze veterinaire gemeenschap hebben
afgestaan en nu het grootste offer brachten dat in een
gelukkig gezin gebracht kan worden.
Mogen zij sterkte vinden in de gedachte dat het leven
niet wordt weggenomen, maar wordt verwisseld voor
een opgang naar een beter leven.

Moge God hen de nodige kracht en wondere genade
schenken om te berusten in het onvermijdelijke.
Arie - rust zacht!

\'s-Gravenhage. E. ]. A. A. QUAEDVLIEG.

-ocr page 1079-

Jaarrede 7963.

dooT M. KARSEMEYER1)

Mijne Heren Ereleden, leden van het Hoofdbestuur en het Algemeen
Bestuur;

Dames en Heren, bestuursleden van de Groepen en Afdelingen;
Leden, buitengewone leden en kandidaat-leden van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde;

Voorts Mijne Heren gasten, genodigden en leden van het Koninklijk
Genootschap voor Landbouwwetenschap en van de Vereniging voor
Weide- en Voederbouw;
Dames en Heren;

Het is mij een voorrecht en een behoefte U allen, die in deze zaal bijeen
gekomen zijt om Uw kennis aan te vullen en Uw inzichten in wetenschap-
I)elijke vraagstukken te verhelderen, een hartelijk welkom toe te roepen.
Reeds meer dan honderd jaar zijn de algemene vergaderingen \\an onze
Maat.schappij hoogtijdagen in het leven van de Nederlandse dierenartsen
hoewel soms de opmerking wordt gemaakt, dat in vroeger tijden de belang-
rijkheid van deze dagen scherper werd geaccentueerd.
Dit behoeft ons niet tot pessimisme te stemmen, daar de ontwikkelino- van
de diergeneeskundige wetenschap, gepaard gaande met een verruiming en
verdieping daar\\ an, met zich mede brengt, dat er tegenwoordig veel meer
voordrachten en demonstraties worden gehouden dan voordien het geval
was.

Dc specialisatie, die zich in het diergeneeskundig onderzoek en in ons be-
roep steeds meer begint af te tekenen, is niet meer weg te denken en schrijdt
steeds \\erder \\oort. Dc aandacht van vele leden onzer Maatschappij is
daardcxjr logischerwijze o]3 die specialistische facetten gericht.
Dc keuze van de algemene onderwerpen, die de belangstelling van
alle
leden trekken, is daardoor voor het Hoofdbestuur tclkenjare cen moeilijke
aangelegenheid geworden.

Meer in het bijzonder moge ik begroeten de talrijke gasten, de genodigden
en de sprekers in deze bi jeenkomst, t.w.:

Mr. J. H. des Tombes, secretaris van het College van Curatoren der Rijksuniver-
siteit tc Utrecht;

Prof. Dr. G. H. B. Tennissen, vertegenwoordiger van de Faculteit der Diergenees-
kunde;

Drs. J. M. van den Born, dirccteur van de Veeartsenijkundige Dienst;
Prof. Ir. S. Iwema, vertegenwoordiger van het Kon. Genootschap voor Land-
bouwwetenschap ;

Dr. de Bruyckere, vertegenwoordiger van de Belgische Dierenartsen Vereniging;
Dr. Bos, vertegenwoordiger van de Kon. Ned. Maatschappij tot bcvorderin,g
der Geneeskunst;

de heer W. G. van Zadelhof, vertegenwoordiger van de Kon. Ned. Maatschappij

tot bevordering der Pharmacie;
de heer Th. van der Linde, vertegenwoordiger van dc Nederlandsche Maat-
schappij tot bevordering der Tandheelkunde;

1  Jaarrede, uitgesproken door M. Karsemeyer, voorzitter van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde, bij de opening van het wetenschappelijk gedeelte
van dc 1 10e Algemene Vergadering op zaterdag 19 oktober 1963, te Utrecht.

-ocr page 1080-

de heren H. W. B. Engel en P. J. Goedhart, resp. praeses en ab-aetis van de

Diergeneeskundige Studenten Kring;
de heren vertegenwoordigers van de landelijke en plaatselijke Pers.

Om des tijds wille zal ik er van afzien U op meer persoonlijke wijze wel-
kom te heten, doch wel wil ik gaarne uiting geven aan onze dankbaarheid,
dat U aan onze uitnodiging gehoor hebt gegeven en ik kan U de verzekering
geven, dat wij Uw tegenwoordigheid alhier zeer op prijs stellen, daar U
hiermede toont belangstelling te hebben niet alléén in onze Maatschappij,
doch ook in de diergeneeskundige wetenschaix

U zult het mij wel niet eu\\el duiden indien \\oor één Uwer een uitzondering
wordt gemaakt, doch daar is een zeer speciale reden \\ oor.

Ik wil n.l. gaarne van deze gelegenheid gebruik maken om U, mijnheer de Direc-
teur van de Veeartsenijkundige Dienst van harte geluk tc wensen met Uw vol-
ledig herstel na een langdurige ziekte.

Dat U reeds spoedig na Uw installatie als Erelid van onze Maatschappij, ja nog
tijdens de Eeuwfeestviering, in het ziekenhuis moest worden opgenomen voor het
ondergaan van enige zware operaties, zult U zelf niet hebben verwacht.
Dat U thans weer in goede gezondheid hier aanwezig bent vervult ons met op-
rechte vreugde.

Ook in 1962 ging de dood niet onze deur voorbij en derhalve moeten wij
een aantal namen noemen van hen, die in het afgelopen jaar ons ontvielen.
Het waren de dierenartsen, leden onzer Maatschappij:
B. Bonga, \'s-Gravenhage;
Dr. A. Clarenburg, Utrecht;
J. Groencwold, Bolsward;

J. Holtz, Gorinchem;
J. Kranenburg, Uithoorn;
S. B. Luitjens, Roden:

J. L. Mocrkercken van der Meulen, .Amersfoort;

F. Mulder, Dalen:

H. Nikkeis, Tubbergen:
H. J. Odé, Zeist;
■A. A. Oskam, Lckkerkerk:
H. P. Piel, Eibergen;
Dr. N. R. Slop, Gouda;
Dr. J. Y. Swicrstra, Sneek:

G. W. Vaal, Baarle Nassau:
J. van dc Veen, Twello:

Dr. J. G. C. van Vloten, L\'trecht;
en de niet-leden onzer Maatschappij:
Dr. W. F. van Beek, Numansdorp:
Sj. J. Hoogstra, Oost & West Souburg:
Dr. T. van Heelsbergen, Zeist;
J. G. .A. Recser, Haarlem.
Velen van hen konden worden gerekend tot toegewijde leden \\an onze
Maatschappij en hoewel onze deernis en ons medeleven in de eerste plaats
uitgaan naar hun gezin en dc naaste omgeving, waarin het heengaan van
man en vader het scherpst werd beleefd, betekeiU htm \\ erschciden toch ook
een ernstig verlies voor onze eigen organisatie.
Hun namen zullen zeker niet uit onze harten worden weggewist.
Ik moge
U verzoeken op te staan en door het betrachten van enige ogen-
blikken stilte onze eerbied aan hun nagedachtenis te betuigen.
Ik dank
U zeer.

-ocr page 1081-

De schaduw van dit weemoedig herden]<en \\erlatend liunnen wij thans
treden in het milde licht van blijmoediger gebeurtenissen in ons verenigings-
jaar.

Tot doctor in dc diergeneeskunde promoveerden:
|. P. W. M. Akkermans, Vlaardingen;
H. A. Brouwer, Oss;
S. VV. J. van Dieten, Oerie;

C. Folkers, Kaduna (N.-Nigeria);
P. A. M. Guinée, Utrecht;

A. W. Kersjes, Utrecht;
J. S. Reinders, Leeuwarden;
P. Zwart, Bimnik.

Een Koninklijke onderscheiding viel ten deel aan de leden:
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw:
J. M. \\ an den Born, \'s-Gravenhage;
Officier in de Orde van Oranje Nassau:
F. J. A. Bruins, Haarlem;
Officier in de Huisorde van Oranje:
Dr. H. J. Weekenstroo, "s-Gravenhage;
Ridder in de Orde van Oranje Nassau:
A. Hibma, Leeuwarden;
E. A. Galesloot, Amersfoort;

D. Ry])kema Sr., Drachten;
Dr. J. VV. Thijn, Assen.

Prof. Dr. Jac. Jansen werd benoemd tot „Ehrenbürger"\' der Tierärztliche
Hochschule te Hannover.

Op 8 september 1962 overleed in één der ziekenhuizen te Amsterdam een
patientje onder klinische symptomen, die in de richting van rabies wezen,
althans de mogelijkheid \\an deze afschuwelijke ziekte binnen de gezichts-
kring van de behandelende art.sen biachten. VVic \\ an hen het eerst op de ge-
lukkige gedachte kwam, dat hier rabies in het spel kon ;djn, wil ik het com-
pliment nicl onthouden, dat de vcrmoedelijkheid van deze diagnose toch
maar bij hem of haar is opgekomen. Het zou immers zeer wel mogelijk ge-
weest zijn, dat dit encefalitis-geval zonder meer als doodsoorzaak zou zijn
aangenomen, te meer daar in bijna 40 jaren geen geval van hondsdolheid,
althans bij dieren, in ons land was geconstateerd.

De diagnose werd in oktober 1962 door het histologisch onderzoek en het
dierexperiment be\\estigd.

Natuurlijk was het in Nederland bekend, dat in het aangrenzende West-
Duitsland sinds de jaren 1950/1951 gevallen van rabies vrij veelvuldig
waren voorgekomen, voornamelijk onder de wildstand.
Vooral na 1954 heeft zich een grote uitbreiding voorgedaan. Van 1954-
1958 werden 9252 gevallen \\an rabies geconstateerd (in de gehele Bonds-
republiek). Verwonderlijk is het dat aldaar slechts éénmaal de ziekte bij
de mens werd waargenomen en dat nog wel bij het laboratoriumonderzoek;
helaas met dodelijk afloop.

Het gevaar van hinnendringen van rabies in ons land was dus vooral na
1954 lang niet denkbeeldig, des te meer daar de ziekte vrij ver naar onze
grens was opgedrongen. Voor de Veeartsenijkundige Dienst hier te lande

-ocr page 1082-

was bijzondere waakzaamheid geboden. Ook de Maatscha])]3ij heeft on-
middelHjk de nodige aandacht aan dit vraagstuk gesclionken. In 1955 werd
dan ook een wetenschappelijke vergadering aan het onderwerj) „rabies" ge-
wijd: een daad van wijs beleid van het toenmalige Hoofdbestuur.
Het mag verwondering wekken dat pas in 1962 de ziekte in Nederland toe-
sloeg.

Op 20 oktober 1962 overleed cen tweede slachtoffer, eveneens in Amster-
dam, en wel een 16-jarige jongen. Hiermede was de .darmtoestand in ons
land geschapen.

Met de nodige voortvarendheid werd door de Geneeskundige Hoofdinspec-
teur en de Veeartsenijkundige Dienst gezamenlijk in oktober 1962 een cir-
culaire gezonden aan alle artsen en dierenartsen teneinde hen op de gesigna-
leerde ziekte te attenderen.

Toen ik in de herdenkingsrede, op 12 september 1962 in de Domkerk te
Utrecht uitgesproken, wees op het grote belang \\an cen nauwe samenwer-
king tussen arts en direnarts, zal wel niemand onder mijn gehoor en ik zelf
ook in genen dele hebben kunnen vermoeden dat reeds zo spoedig daarna
de noodzaak hiervan in het licht der openbaarheid zou treden. Terecht
komt dan ook in bedoeld schrijven de zinsnede voor, dat „voor de bestrij-
ding van rabies wederkerig overleg en nauwe samenwerking tussen arts en
dierenarts \\-an grote betekenis is".

Helaas was men nog niet aan het eind \\ an de catastrofe, daar er reeds vrij
spoedig daarop nog twee sterfgevallen bij mensen vielen te betreuren, waar-
door het aantal slachtoffer voorlopig tot vier was gestegen. In mei 1963
stierf het vijfde slachtoffer, terug te voeren op een hondebeet van eind
juli 1962.

Inmiddels was men allerwege gewaarschuwd en toen eenmaal het nood-
sein was gehesen waren de artsen en dierenartsen bijzonder op hun hoede
en was het de taak \\an de Inspecteurs van de Veea.rtsenijkundige Dienst
om het speurwerk aan te vangen, hetgeen v oor deze collegae een zware op-
gave was, doch waarvan men zich op lofwaardig wijze heeft gekweten.
In het geheel konden 12 rabide dieren worden opgespoord, niet alléén te
Amsterdam, doch ook in .Amstelveen, de .Alblasserwaard en Hoofddorp en
dit was voor dc Overheid — en ik meen te mogen stellen dat dit een juist
besluit is geweest — een reden om een algemene verpli\'-hte enting van hon-
den te gelasten, terwijl de enting van katten wel werd aanbevolen, doch
facultatief werd gesteld. Mogelijk dat het uitzwermen van honden en katt-en
uit Amsterdam, zulks ondanks het vervoersverbod, voor de Overheid mede
cen motief heeft gevormd om tot deze algemene enting over te gaan.
Niet alléén de Veeartsenijkundige Dienst, doch ook ds Nederlandse dieren-
artsen werd hierdoor een zware taak op de schouders gelegd. Reeds meer-
dere malen is gesteld dat er tot dusver nimmer tevergeefs cen beroep op de
dierenartsen was gedaan en het verloop van deze masïale entingen heeft de
juistheid van deze stelling opnieuw bewezen.

In een betrekkelijk korte periode konden meer dan 500.000 honden en on-
geveer 150.000 katten in georganiseerd verband worden gevaccineerd en
dat nog wel in een periode, dat de practici door de georganiseerde dier-
ziektebestrijding en het barre wintertij, met zijn vaak onbegaanbare wegen
al zwaar waren belast.

Edoch, deze taken hadden de dierenartsen nimmer kunnen uitvoeren, in-
dien de Gemeentebesturen en vele andere instanties, waaronder met ere

-ocr page 1083-

mogen worden genoemd het Rode Kruis, verpleegsters, politie, kennelperso-
necl, R.H.B.O.\'ers, leden van de dierenbescherming, U.V.V.\'ers enz. niet
zo\'n krachtdadige steun aan de organisatie en uitvoering van deze grote
cntingscampagne hadden verleend. Ik wil mij dan oox gaarne tot Uw tolk
maken en zowel dc gemeentelijke organen als het grote corps van helpsters
en helpers in den lande hartelijk dank zeggen voor hun hulp en bijstand,
waardoor in enige maanden tijds ongeveer 88% van de honden kon worden
geënt. Ook de hondenbezitters komt een woord van lof toe omdat zij niet
zijn achter gebleven om de actie te doen slagen. Als deze ruïneuze ziekte
mede hierdoo:r een „halt" is toegeroepen, en het ziet ?r naar uit dat dit het
geval zal zijn, is er reden tot grote voldoening.

Nu we echter, naar het zich laat aanzien, hopelijk aan het einde van deze
calamiteit zijn gekomen dient de vraag te worden gesteld of de voorlichting
van het Nederlandse publiek via de Overheidsorganen, de pers, radio en
televisie gedurende de periode, dat zich begrijpelijkerwijze een grote onrust
van cle bevolking had meester gemaakt, wel voldoende deskundig en doel-
treffend is geweest. Van verechillende zijden en ook in onze kringen is hier-
op wel eens kritiek geuit.

Voorop dient te worden gesteld, dat de Veeartsenijkundige Dienst de juiste
weg heeft bewandeld door bij de World Health Organization de noodzake-
lijke informaties in te winnen, daar deze organisatie over uitgebreide ge-
gevens beschikt, afkomstig uit landen waar de rabies thans nog endemisch
voorkomt en in welke gebieden men dvrs de nodige en aring heeft opgedaan,
hnmers het feit staat vast — en dat vergeet men wel eens - dat de Neder-
landse dierenarts, uitgezonderd enkele ouderen onder ons alsmede de wei-
nigen die in Indonesië zijn geweest, deze ervaring misten. Gelukkig maar!
Het klinische beeld van een rabide dier was hun uit eisfcn waameminof niet

^ O

bekend, hoe grondig men misschien ook wel de leerboeken en periodieken,
ook uit andere landen, mocht hebben bestudeerd. De gegevens van de
W.H.O. betreffen bijv.: het effcct van cle massale enting van honden in het
kader der bestrijding, de waarde van de verschillende entstoffen, zowel wat
hun immimisercnd vemiogen als hun immuniteitsduur betreft, de resultaten
van veterinaire politiemaatregelen, mogelijke gevaren, die een geënt dier op-
levert voor zijn omgeving enz.

De woorden, waarmede Z.E. de Minister van Landbouw en Visserij zich
x\'óór de aanvang van de verplichte massale enting via de televisie tot het
Nederlandse publiek richtte, waren diudelijk, geruststellend en ontdaan van
.sentiment. De voorlichüng, die de Veeartsenijkundige Dienst heeft gegeven
aan de dierenartsen, aan de pers en via de radio, kenmerkte zich door juist-
heid en beknoptheid en was in rustige termen gesteld. Uit de aard der z^ak
bicven er voor de uitvoerders der maatregelen wel eens „vragen" over doch
geen enkele voorlichting is volmaakt en men hoede zich er voor het onbe-
reikbare na te streven.

Een ieder vrage zich af: zou ik, indien ik voor dezelfde moeilijke opgave
had gestaan het er zo veel beter hebben afgebracht? Laat ik U als mijn
levenservaring mogen vóórhouden, dat hoe ouder men wordt hoe beschei-
dener de eisen worden, die men aan zijn eigen kennen en kunnen stelt.
Hoofdzaak is en blijft, dat wij met de wettelijke bepalingen, de ministeriële
beschikkingen en de voorschriften van de Veeartsenijkundige Dienst hebben
kunnen werken en dat er tussen de Veeartsenijkundige Dienst en de Maat-
schappij de nodige contacten zijn geweest om een goede uitvoering er\\\'an

-ocr page 1084-

te bevorderen. De zegenrijke resultaten zijn dan ook met uitgebleven. Moei-
lijkheden, die zich voordeden, konden worden opgelost.
Helaas moet worden vastgesteld, dat de voorlichting in
sonunige veelal lokale
bladen nog wel eens te wensen heeft overgelaten en een minder juiste indruk
hebben gewekt. Met als resultaat, dat de begrijpelijke onrust onder het pu-
bliek eerder werd aangewakkerd dan verkleind. De talrijke ingezonden stuk-
ken in de bladen waren als regel geladen met sentiment.
Te betreuren valt dat ook enige collega\'s zich geroepen hebben gevoeld
artikelen te schrijven of uitlatingen te bezigen, waarljij men zich niet de
nodige beperkingen heeft opgelegd. Doch ook anderen - en voorwaar niet
alléén de „gewone man"" — hebben wel eens via de i\'adio en via de pers-
organen meningen verkondigd, die niet in overeenstemming waren met dc
gegevens \\an de W.H.O. Trouwens, men kan zich er over verbazen dat er
in Nederland plotseling zoveel rabiesdeskundigen, ook buiten de eigen kring,
bleken te zijn!

Zou het te hoog zijn gegrepen of onjuist zijn, als wij de pers eens de raad
gaven in voorkomende gevallen zich tot onze Maatscha]Dpij te wenden, daar
bij onze organisatie altijd de bereidheid aanwezig is om namen \\ an collega\'s
te verstrekken, die in staat zijn goede en juiste voorlichting aan het publiek
te geven? Als lichtpunten mogen worden vermeld, dat in een bekend dag-
blad te dezer stede enige artikelen zijn gepubliceerd, geschreven door een
tweetal bij uitstek deskundigen uit onze gelederen, die uitmuntten door dui-
delijkheid en begrijpelijk voor iederéén waren. Gewekte onrustgevoelens
onder de bevolking werden hierdoor weggenomen. Dit was voorlichting van
de goede soort en daarmede werd de goede zaak en daar gaat het uiteinde-
lijk om, op de juiste wijze gediend.

Van ganser harte hopen wij, dat door de genomen maatregelen ons land in
de toekomst gespaard moge blijven van deze inderdaad vreselijke ziekte,
hoewel het attentiesein voortdurend gehesen blijft.

Immers dcor hct nog dagelijks toenemend intensieve internationale verkeer,
ook uit landen waar vrij veel rabies voorkomt, en gezien het blijkbaar per-
manente smetstof-resei-voir in de Duitse Bondsrepubliek - waarvan het
hoofd van de Veterinaire Dienst aan het Ministerie van Landbouw van de
deelstaat Nedcr-Saksen in december 1962 aan een correspondent \\an het
Algemeen Handelsblad openlijk \\ erklaarde: „het is niet mogelijk dc honds-
dolheid in Duitsland uit te roeien; 80% van de ge\\allen hier komt voor
onder in het wild levende dieren en daar kunnen wij niet afdoende tegen
optreden" — blijft het gevaar van insleping helaas bestaan.
Een nauwgezette controle door de douane-ambtenaren van de, door de
Overheid gegeven, voorschriften en voortdurende waakzaamheid zullen er
toe kunnen bijdragen dit gevaar te verminderen.

In het voorgaande werd o.m. gewezen op het machtig conununicatiemiddel
in het visuële vlak: de televisie. Ook op ons gebied zijn er verschillende uit-
zendingen geweest, waaronder er zeker enige waren, die op een behoorlijk
verantwoord peil stonden. Helaas kan dit niet van alle uitzendingen worden
gezegd en met name de documentaire, die op 9 oktober 1962 naar aanleiding
van het 100-jarig bestaan van onze Maatschappij, in beeld werd gebracht
en die bedoeld was om een overzicht en een indruk te geven van het dier-
geneeskundig beroep in zijn verschillende geledingen, heeft bij vele collega\'s
kritiek uitgelokt.

-ocr page 1085-

Voorop dient te worden gesteld, dat het beoordelen van een beelduitzending
een uitermate individuele aangelegenheid is. Men behoeft slechts de kri-
tieken in de diverse bladen over een bepaalde uitzending te lezen om ver-
baasd te staan hoe verschillend het oordeel hierover luidt. Wat de een hoge-
lijk prijst wordt door de ander zo diep mogelijk „gekraakt" of zoals de
hedendaagse jeugd het zo gaarne uitdrukt: de kritieken variëren van „waar-
deloos" tot „zo", waarbij dan de duim de bekende opwaartse beweging
maakt.

U moet echter wel bedenken, dat door de televisieorganen be]jaalde maat-
staven moeten worden aangelegd om het vertoonde zo aantrekkelijk mogelijk
te presenteren, teneinde het gevaar te ontlopen dat de kijkster of kijker niet
na een paar minuten reeds de knop indrukt. Wie onzer weet dat niet uit
eigen ervaring?

De „producer" staat voor de zware opgave de aandacht van de kijker te
blijven boeien. Hij zal dan ook in vele gevallen op duchtige wijze de schaar
hanteren om verschillende opgenomen beelden weg te knippen (ook al om-
dat hij aan tijdsduur is gebonden) zonder het aanlokkelijke van het geheel
te schaden. In dat „wegknippen" schuilt nu echter het grote gevaar, dat
men daardoor de kans loopt, dat het vertoonde volgens de beroepsethiek
onzerzijds niet meer verantwoord is.

De eerlijkheid gebiedt ons echter te bekennen, dat, indien ons, dierenartsen,
de taak werd toebedeeld om een documentaire over ons beroep samen te
stellen, wij misschien er wel in zouden slagen een geheel te vertonen, dat
uit diergeneeskundig oog]nint aan alle eisen zou voldoen, doch dat de
doorsnee-kijker helemaal niet zou boeien.

Afgezien hiervan meen ik toch, dat wij aan een beelduitzending op het ge-
bied der diergeneeskunde en van het diergeneeskundig beroep toch wel de
eis mogen stellen, dat het vertoonde een juiste en verantwoorde indruk
hieivan geeft en dit was naar veler mening, en waarschijnlijk terecht, bij be-
doelde documentaire niet het geval, hoewel men cr zich voor moet hoeden
om de goede fragmenten, die er stellig ook in voorkwamen, mede tc ver-
werpen.

Natuurlijk heeft dc N.T.S. haar eigen verantwoordelijkheid cn ik acht de
N.T.S. zeer wel in staat die te dragen en toch geloof ik aan de medewerkers
van een dergelijke ojjname de raad te moeten geven de eis te stellen aan de
operateur, dat men zelf in de gelegenheid moet worden gesteld het beeld en
vooral de samenhang van de beelden te mogen beoordelen, alvorens tot uit-
zending wordt besloten.

Nog beter ware het misschien, zo er in onze Maatschappij een kleine des-
kundige commissie zou kimnen worden benoemd om cen bepaalde beeld-
uitzending
vooraf te kunnen beoordelen. Reeds enige jaren geleden hebben
wij hierover contact opgenomen met de N.T.S., doch deze instantie meende
hiertoe vooralsnog niet te moeten overgaan. In enige landen is zulks reeds
het geval, o.m. in Zwitserland en Noorwegen.

Niet vergeten dient echter te worden in dit verband, dat de televisieuitzen-
dingen hier te lande in handen zijn van privaatrechtelijke ondernemingen,
i.c. de omroepverenigingen, en dat zelfs de invloed van de Staat niet verder
gaat dan erop toe te zien, dat nimmer iets wordt vertoond, dat in strijd is
met de openbare orde, de goede zeden en de staatsveiligheid.
Hoe moeilijk dit vraagstuk ook moge zijn, wij zouden het wel op prijs stel-

-ocr page 1086-

len indien de N.T.S. haar tot dusver ingenomen standpimt in deze aan-
gelegenheid zou kunnen wijzigen, daar een goede, verantwoorde uitzending
toch ook zeer zeker in het belang is van de N.T.S. zelve en een advies van
een dergelijke commissie geenszins de aantrekkelijkheid van het geheel be-
hoeft aan te tasten.

Het is al weer enige jaren geleden (1960), dat ik vanaf deze plaats Uw aan-
dacht vroeg voor het steeds knellender wordende di^rgeneesmiddelenpro-
bleem. Hel \\ erheugt ons daarom bijzonder, dat de Overheid inmiddels een
eerste stap heeft gedaan om langs wettelijke weg te trachten een einde te
maken aan de ongecontroleerde handel \\\'an enige belangrijke groepen van
farmaceutische preparaten.

Immers bij Koninklijke Boodschap \\an 27 mei 1963 werd een ontwerp van
wet ingediend betreffende „Regelen met betrekking lot de handel in anti-
biotica, hormoonpreparaten, thyreostatica en daarmee gelijk te stellen mid-
delen, bestemd of mede bestemd voor aanwending bij dieren". Dit ontwerp
van wet is getekend door de Minister van Landbouw en Visserij en de Mi-
nister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. De Centrale Raad voor de
Volksgezondheid is gehoord over het onderhavige ontwerp en heeft daar-
mede ingestemd.

De Memorie van Toelichting bij dit ontwerp \\ an wet \\ angt als volgt aan:
„In de afgelopen jaren is er van verschillende kanten over
geklaagd, dat be-
paalde middelen voor dc behandeling van dieren, die in het geheel niet in han-
den van veehouders behoren te komen of in ieder geval ;iechts door tussenkomst
van een bevoegde dicrenarts, buiten deze om, rechtstreeks aan veehouders worden
verkocht en afgeleverd, respectievelijk, dat deze middelen in winkels of andere
verkoopgclegenheden vrij te verkrijgen zijn.

Men had hierbij het oog op middelen met een profylactische, therapeutische dan
wel groeibcvorderende werking van zodanige aard of samenstelling, dat daarvan
gevaren voor de gezondheidstoestand van de veestapel en indirect ook voor de
volksgezondheid tc duchten zijn, zoals antibiotica, hormoonpreparaten en thyreo-
statica.

Deze klachten zijn vernomen van de zijde van fabrikanten of groothandelaren, die
hoewel zelf ook van <x)rdcel, dat bedoelde middelen zodanig gevaar opleveren,
dat de toepassing daarvan dient voorbehouden te blijven aan de bevoegde vete-
rinair vreesden uit commerciële ovcrwegin.gcn ten slotte gedwongen te zullen
worden ter bescherming van hun debiet ook tot vrije verkoop te moeten overgaan.
,\\ndcrzijds zijn gelijksoortige klachten vernomen van de zijde van de mengvoeder-
industrie, Deze industrie is gebonden aan stringente voorschriften wat dc bij-
menging in het mengvoeder van antibiotica, hormoonpreparaten en thyreostatica
betreft. Geconstateerd werd cchtcr, dat bepaalde fabrikanten ertoe overgingen bij
de aflevering van mengvoeder bedcK-lde middelen los bij te leveren of na te leveren,
hetgeen in v/czen een ontduiking inhoudt van de bijmengingsvoorschriften, doch
tevens cen gevaar voor dc afzetmogelijkheden van dc bona fide fabrikant, die niet
tot bij- ol nalcvcring bereid is.

Ten slotte is van wetenschappelijke zijde bij herhaling uewezen op het gevaar,
verbonden aan een niet verantwoord, ondeskundig gebruik van middelen, die in
oorsprong van therapeutische aard zijn en dientengewlgc alleen als zodanig be-
horen tc worden aangewend door een bevoegd dicrenarts of, voorzover een ruimer
gebruik is toegestaan, alleen voor aanwending voor andere doeleinden binnen
stringente, controleerbare grenzen in aanmerking komen".

Uit eigen er\\-aring is ons bekend dat deze aanhef zeer juist is gesteld, daar
uit de talrijke besprekingen tussen de genoemde groeperingen en het Hoofd-
bestuur dit steeds overduidelijk is gebleken. Wij kunnen hieraan toevoe.gen

-ocr page 1087-

dat ook van de zijde van de Landbouw op het ongewenste en gevaarlijke
van de huidige, bestaande toestand reeds enige malen is gewezen.
Ter illustratie hier\\an moge ik uit de openingsrede van de heer J. L.
N y s i n g h in zijn functie als voorzitter van de C.L.O.-controle tijdens de
algemene vergadering, die op 14 februari 1963 te Utrecht werd gehouden,
het volgende citeren:

„Schaalvergroting is zo langzamerhand een modewoord geworden. Diegenen onder
ons, die hier te veel geloof aan hechten, hebben in het afgelopen jaar op een on-
barmhartige wijze hun trekken thuis gekregen.

Duidelijk is nu aan het licht getreden hoe kapitaalgevoelig grote produktie-
cenheden in de veredelingsscctor zijn. Naast deze kapitaalgevoeligheid wordt bij
dergelijke grote aantallen uiteraard het ziekterisico aanzienlijk verzwaard. Hier-
door is wellicht mede het zeer bedenkelijke verschijnsel te verklaren, dat men zelf
op onbezonnen wijze geneesmiddelen op de vrije markt ga.it kopen, waarvan men
noch de samenstelling, noch de concentratie kent.

De prijzen, die voor dergelijke preparaten worden berekend, staan meestal in geen
verhouding tot dc kwaliteit en de geneeskrachtige werking. Deze zorgelijke ont-
wikkeling is reeds onderwerp van bespreking geweest in het bestuur der C.L.O.-
controle. Het lijkt wenselijk over deze zaak meer exacte gegevens te verzamelen.
Wanneer men dit alles eens in het algemeen beziet is men geneigd te veronder-
stellen, dat het veterinair onderzoek en de veterinaire voorlichting iets achterop
zijn geraakt. Naar onze mening zou het een gezonde uitwerking hebben indien
van veterinaire zijde meer openharti.ghcid zou worden betracht en meer voor-
lichting op het gebied van de preventieve gezondheidszorg zou worden gegeven.
Om het gebruik van geneesmiddelen buiten de dierenarts om te rechtvaardigen,
.gebruiken wij het argument, dat ze dan aanzienlijk goedkoper zijn. Wat hier ook
van waar zij, duidelijk is, dat de huidige toestand ongewenst is en niet mag blijven
voortbestaan.

Wij willen hier wel opmerken, dat ingrijpen van de Ov.-rheid alléén zin heeft
indien goed wordt toegezien op de naleving van eventueel uit te vaardigen voor-
schriften,

IJ zult terecht opmerken, dat het probleem van dc handel in geneesmiddelen ligt
buiten het terrein van de mengvoeders,

In zoverre het geen geneesmiddelen betreft, die bij voorkeur door middel van
hct voeder worden verstrekt, hebt U gelijk. Zolang er geen diergeneesmiddelenwet
is, blijven er echter in de praktijk hardnekkige misbruiken van geneesmiddelen
in het vcx;der.

Deze situatie bezorgt de mengvoederindustrie vele zorgen."
Hoewel wij, dierenartsen, tegen enige zinsneden wel bedenkingen kunnen
aanvoeren, met name over het veterinaire onderzoek en de veterinaire voor-
lichting (hoewel iedere voorlichting steeds voor verbetering vatbaar blijft),
en wij uit de aard der zaak op het standpunt staan, dat voor iedere ziekte
het meest doeltreffende geneesmiddel moet worden aangewend, daarbij steu-
nende op de exacte diagnose, die het beste kan worden gesteld door haar
of hem, die daarvoor een speciale opleiding heeft genoten, en wij de op-
lossing van de gesignaleerde toestanden op enigszins andere wijze benade-
ren, kunnen wij ons niet ontworstelen aan de gedachte, dat de huidige „dier-
geneesmiddelen-misère" ook de Nederlandse landbouw en de mengvoeder-
industrie niet bevredigt.

Wat „de wetenschappelijke zijde" aangaat zij er op gewezen, dat wij, en heus
niet in Nederland alléén, worstelen met het Salmonellaprobleem: een bron
van dagelijkse zorg met name voor hen, die met de keuring van voedings-
middelen van dierlijke oorsprong belast zijn, In dit verband moge ik enige
markante zinsneden aanhalen uit het artikel in ons Tijdschrift (1 april

-ocr page 1088-

1963) gepubliceerd door de heren Manten, Kampelmacher en
Guinee: „Voorkomen van resistentie tegen chloramphenicol en tetra-
cycline bij 13502 in 1961 geïsoleerde Salmonella-stammen".
Het heet daar:

„77% van alle resistente stammen, geïsoleerd in 1961, behoren tot het type
5.
typhi murium. Het resistentiepercentage in dit type bedroeg 8,18%, terwijl dit
in 1958/1959 bedroeg 2,5% en in 1960 1,8%. Daar 87% van alle anubiotica-
resistente stammen in 1961 bij patiënten werd aangetroffen, moet resistentie
van
Salmonella in Nederland hoofdzakelijk toegeschreven worden aan het the-
rapeutisch gebruik van de betrokken antibiotica".

Verder zij gewezen op de zinsnede:

„Uit het bovenstaande blijkt, dat in sommige landen tetracycline resistentie bij
Salmonella-stammen een tendens tot toename vertoont. Weliswaar is in ons land
het resistentie-percentage nog laag, doch continuering van de waargenomen ten-
dens zou kunnen leiden tot een precaire situatie."

Deze verontrustende aangelegenheid zal de volle aandacht dienen op te
eisen, niet alleen van de diergeneeskundige wetenschap, doch zeer zeker ook
van de medische wetenschap, daar de Volksgezondheid hierbij in hoge mate
in het geding is. Hieraan kan worden toegevoegd, dat de cijfers over 1962
een nog veel alarmerender karakter dragen.

Wij mogen dan ook van harte de wens uitspreken dat het zo even genoemde
ontwerp
spoedig tot wet zal worden verheven en ook daarna spoedig in
werking zal treden. In Engeland, Denemarken, West-Duitsland en België
zijn reeds de nodige maatregelen ten dien opzichte genomen.
Ik moge echter herhalen, dat bedoelde wet slechts een eerste stap betekent,
daar een goedsluitende algemene diergeneesmiddelenwet een zaak van grote
urgentie blijft.

Heel belangrijk zal zijn de controle op de handhaving van de wettelijke
maatregelen, want wat de kwakzalverij betreft moge in dit verband het
Franse spreekwoord worden aangehaald:

„Le moulin n\'y est plus
Mais le vent y est encore".
Box endien zou ik gaarne de opmerking willen maken, dat het indienen \\ an
een sera- en entstoffenwet toch ook zeer zeker noodzakelijk is, ja zelfs als
een uitermate urgente aangelegenheid moet worden beschouwd.

In de loop van dit jaar is dc Maatschappij toegetreden als lid van de
N.O.V.l.B. (Nederlandse Organisatie voor Internationale Bijstand), een
organisatie, die zich ten doel stelt hulp te verlenen aan de in ontwikkeling
zijnde gebieden.

Niemand zal wel willen ontkennen, dat ook hier voor ons een taak is weg-
gelegd. Bij vroegere gelegenheden werd daarop reeds gewezen.
De activiteiten, die in 1963 onder auspiciën van de F.A.O., daarbij gesteund
door de W.H.O., beide organen van de U.N.O., worden ondernomen, dra-
gen het motto: „Free the world from hunger". In de uitgave: „Principles
and methods governing the „Freedom from Hunger Campaign" van de
F.A.O. treedt vooral scherp naar voren de zinsnede: „The very essence of
the campaign is human solidarity".

Het jaar 1963 krijgt in deze activiteitenreeks een bijzonder cachet, daar in
zeer vele landen opnieuw de bijzondere aandacht op dit streven is gevestigd
en naast de inzameling van gelden door vele comité\'s (ook in ons land)

-ocr page 1089-

bijeenkomsten zijn georganiseerd om aan de worsteling van de wereld tegen
de honger, kracht bij te zetten.

Op het diergeneeskundig congres, in 1959 te Madrid gehouden, werd dan
ook reeds een resolutie aangenomen om het jaar 1963 tot „World Animal
Health Year" uit te roepen, omdat in dit jaar de herdenking van het 100-
jarig bestaan van het statuut: „internationale diergeneeskundige congres-
sen", thans World Veterinary Association genaamd, heeft plaats gevonden.
In de resolutie heet het:

„The XVIth International Veterinary Congress urges all member-countries and
various international agencies, such as F..A.O., W.H.O. and O.I.E. to increase
their effort to control and eradicate animal diseases that threaten the health and
economic well-being of man.

The control and eradication of animal diseases is essential for raising the stan-
dard of living of man and should recieve a high priority in the years preceding
the World Animal Health Year."

Van harte kunnen wij, Nederlandse dierenartsen, ons hierbij aansluiten
daar door de verbetering van het onderwijs, van landbouw en veeteelt en het
weren van ziekten zowel bij mens als dier de be\\olking van deze gebieden
het beste kan worden gehol])en. Uiteindelijk zullen de bewoners van de min-
der ontwikkelde staten dan voor zichzelf kunnen zorgen en zo beter in staat
zijn het hongerprobleem op te lossen.

Het leveren van mankracht en materialen, waarvoor de ingezamelde gel-
den kunnen worden gebruikt, zal dus meer in de plaats dienen te komen
van een systeem van geldelijke hulp.

Men realisere zich echter wel terdege, dat de gehele i.ntwikkeling in deze
landen een proces van lange duur zal zijn.

Zeker zijn hierop van toepassing de bekende strofen van de dichter Roland
Holst:

Ik zal de halmen niet meer zien
Noch binden ooit de volle schoven
Doch doe mij in de oogst geloven
Waarvoor ik dien.

Voor landbouwkundigen en dierenartsen is dan ook in deze streken een
moeizame, doch grootse, o]jgave te vervullen.

Dames en Heren,

Deze weten.schappelijke bijeenkomst draagt een ander karakter dan wij dit
gedurende een reeks van jaren gewend waren.

Dc onderwerpen, die deze dag zullen worden behandeld, zijn gewijd aan
cén gemeenschappelijk thema: de kopziekte der runderen: een ziekte, die
telken jare een groot aantal slachtoffers eist, in weerwil van de goede the-
rapie, waatover wij reeds meerdere decennia beschikken.
Meer en n;eer komt echter de preventie in het centrum der belangstelling
te staan cn het is juist op dit gebied, dat de landbouwkimdige en \'de dier-
geneeskundige wetenscha]) elkaar de hand kunnen reiken.
1\'rouwens, tussen beide wetenschappen zijn verscheidene raakvlakken en het
zal steeds ons streven moeten zijn om de krachten te bundelen opdat de
beoefenaren van beide richtingen werkzaam kimnen zijn tot heil van de
Nederlandse boer en daardoor ook de economie des lands naar een hoger
niveau kunnen stuwen.
Ik heb gezegd.

-ocr page 1090-

Voorkomen van resistentie tegen tetracycline
en chlooramfenicol bij Salmonellastammen, ge-
ïsoleerd gedurende 1962 in Nederland.

Frequency oj resistance to tetracycline and chlor-
amphenicol among Salmonella-strains, isolated in the
Netherlands during 1962.

door A, MANTEN1), E. H, KAMPELMACHER2) en
P. A. M. GUINÉE3)

Uit het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid.

Inleiding.

Vanaf 1958 plegen wij jaarlijks de uitkomsten van ons onderzoek naar
de frequentie van de resistentie bij
Salmonella weer te geven (M an t en,
Kampelmacher en Guinée, 1961a, 1961b, 1962). In Nederland
worden vrijwel alle in de regionale laboratoria geïsoleerde
Salmonella-
stammen naar het Nationaal Salmonella Centrum van het Rijks Instituut
voor de Volksgezondheid gezonden, waar zij worden getypeerd en onder-
zocht op gevoeligheid voor de breed spectrum antibiotica tetracycline en
chlooramfenicol. De bedoeling hiervan is het effect te vervolgen van de
toepassing van deze antibiotica voor therapeutische en nutritieve doel-
einden op dc ontwikkeling van resistentie van
Salmonella-kiemen.
In de periode van 1958 tot en met 1960 namen wij waar dat het percen-
tage stammen dat resistent bleek voor tetracycline en chlooramfenicol daal-
de. In 1961, daarentegen, bleek de frequentie van de resistentie vrij aan-
zienlijk te zijn toegenomen. Deze toeneming werd vooral veroorzaakt door
de ontwikkeling van resistentie bij
S. typhi murium tegenover tetracycline.
In 1962 zijn in totaal 12.472
Salmonella-stammen onderzocht op het voor-
komen van resistentie ten opzichte van tetracycline en chlooramfenicol.
Van dit aantal zijn 8.175 afkomstig van de mens, 591 van kalveren, 522
van varkens, 664 van andere dieren cn 2.520 van andere bronnen (slacht-
huizen, vleeswaren, vismeel, afvalwater enz.). Van het totaal aantal onder-
zochte stammen bleken er 5.517, of 44,2% te behoren tot het type 6\'.
typhi
murium.

Materiaal en methoden.

Het geslacht Salmonella toont, qua gevoeligheid voor tetracycline en chloor-
amfenicol, in vitro nonnaliter een grote unifonniteit. Verreweg de meeste
typen en stammen van niet-resistente bacteriën worden in vitro geremd
door 2 tot 5 /xg/ml tetracycline en 5 tot 10 /xg/ml chlooramfenicol. Een stam
is als resistent te beschouwen, indien er binnen 24 uur groei mogelijk is bij
25 /ig/ml tteracycline of bij 50 /xg/ml chlooramfenicol. De laatste waarden

1  Dr. A. Manten; hoofd van de Afdehng Chemotherapie, Rijks Instituut voor de
Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.

2  Dr. E. H. Kampelmacher; hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen, Rijks
Insdtuut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.

3  Dr. P. A. M. Guinée, bacterioloog aan het Laboratorium voor Zoönosen, Rijks
Instituut voor de Volkgsezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.

-ocr page 1091-

komen overeen met ongeveer 10 maal de normale waarden van de minimale
remmende concentraties van de desbetreffende antibiotica.
De gevolgde methode van onderzoek is identiek met die welke vroeger is
beschreven (Man ten c.s., 1961b).

Resultaten.

De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in tabel 1.
Evenals vroeger is bij deze tabel een verdeling gemaakt naar
Salmonella-
type,
waarbij resistentie werd gevonden en naar de bron van herkomst van
de desbetreffende stam.

Van het totaal aantal onderzochte stammen van 12.472 blijken er 1.365, of
10,94%, resistent te zijn voor tetracycline, of chlooramfenicol, of beide
stoffen. In vergelijking met vorige jaren (1958/1959: 2,08%, 1960: 1,29%,
1961: 3,96%) is het percentage resistente stammen dus aanzienlijk toege-
nomen.

De resistentie blijkt vooral voor te komen bij de stammen die afkomstig
zijn van de mens (1,191 van de 8.175, of 14,6%) en van kalveren (77 van
de 591, of 13%). Relatief minder frequent komt resistentie voor bij varkens
(28 van de 522, of 5,4%), andere dieren (27 van de 664, of 4,1%) en
andere materialen (42 van de 2.520, of 1,7%). Het is belangrijk hierbij
op te merken, dat in vergelijking met voorgaande jaren, de resistentie in
alle sectoren is toegenomen.

Uit de tabel blijkt voorts, dat de overgrote meerderheid van de resistente
stammen ongevoelig is voor alléén tetracycline (1.285 van de 1.365 stam-
men, of 94,1%). Slechts 46 stammen (3,4%) zijn resistent voor alléén
chlooramfenicol, en 34 stammen (2,5%) voor beide antibiotica. Dergelijke
proporties zijn ook in het materiaal van de vorige jaren gevonden; alleen
is dit jaar de frequentie van de resistentie voor tetracycline nog weer meer
op de voorgrond gekomen. Daarentegen is het aantal stammen met resisten-
tie voor chlooramfenicol van 1958 tot en met 1962 min of meer gelijk
gebleven.

Wat in de tabel verder opvalt is de grote frequentie van de resistentie bij
S. typhi murium. Van de 5.517 verzamelde stammen van dit type, waren
niet minder dan 1.231, of 22,3%, resistent tegen tetracycline of chlooramfeni-
col. Interessant is de vergelijking van de resistentiepercentages van de
stammen die afkomstig zijn van respectievelijk de mens, de verschillende
dieren, en de andere materialen. Bij de mens vinden wij een resistentie-
percentage van 24,9 en bij kalveren, biggen en andere dieren een percentage
van respectievelijk 41,8, 15,0 en 8,5%. Ook deze percentages liggen aan-
zienlijk hoger dan die welke vroeger zijn gevonden.

Bij kalveren komen, zoals duidelijk uit tabel 1 blijkt, hoofdzakelijk twee
typen van
Salmonella voor: de S. dublin (389 stammen, of 65,8% van het
totaal aantal van deze dieren afkomstige stammen) en de
S. typhi murium
(170 stammen of 28,8%). Zoals reeds bij de bestudering van het materiaal
van het vorige jaar is opgem.erkt, legt het eerstgenoemde type een uiterst
geringe neiging aan de dag tot ontwikkeling van resistentie, terwijl bij het
laatstgenoemde type deze neiging juist zeer groot is. Ook dit jaar vinden
wij weer dezelfde relatie. De
S. dublin toont in dit opzicht een sterke over-
eenkomst met de
S. typhi van de mens (Russell Twiss c.s., 1956).

-ocr page 1092-

Aard en frequentie van resistentie der Salmonella-stammen, gedurende
1962 in Nederland geïsoleerd.

Mens

Kalveren

Varkens

Salmonellatype

Aantal
onder-
zochte

Resistent

voor:

Aantal
onder-
zochte

Resistent

voor:

Aantal
onder-

Resistent vi

zochte

stam-
men

T

C

T-^C

stam-
men

T

G

T-HC

stam-
men

T C

5. anatum

41

---

3

— - -

S. bovis morbificans

155

3

1

1

-

56

S. brandenburg

11

--

--

S. bredeney

81

3

1

-

-

15

— —

S. ehester

6

1

--

— —

S. dublin

17

1

389

1

13

— —

S. give

67

1

-

15

S. havana

2

S. heidelberg

231

4

1

1

4

2

S. manchester

74

1

--

S. muenchen

339

I

2

1

1

I

20

— —

S. newport

107

22

2

2

S. panama

592

15

10

1

2

2

30

■ _

S. potsdam

--

— —

S. schwarzengrund

20

1

2

S. Stanley

1316

30

4

6

)

1

9

1 —

S. taksony

18

1

4

1 —

S. typhi murium

4359

1044

19

21

170

62

8

1

147

22

Andere stammen

739

17

202

Totaal resistent

1124

37

30

68 8 1

27 —

Totaal

8175

591

522

Afkortingen: T = tetracycline; C = chlooramfenicol.
1860

-ocr page 1093-

Aard en frequentie van resistentie der Salmonella-stammen, gedurende
1962 in Nederland geïsoleerd.

\\ndere dieren

Andere materialen

Totaal aantal

Totaal aantal

Resistent

voor:

Aantal
onder-

Resistent voor:

onderzochte
stammen

resistente
stammen

T C

T G

zochte
stam-
men

T

C T4-C

1

86

1

146

2

139

367

4

1

3

17

1

- -

— -

82

3

— —

182
6

6
1

1

20

1

— —

543

4

1

-

51

144

2

1

4

7

1

27

— —

266

7

— —

30

— —

105

1

54

---

421

5

1 - -

14

129

23

1
1

152

2

780
1

24

32
1
1

2

— —

-

90

1431

42

--

76

— —

100

1

17 1

1

617
1073

34

— 1

5517
2286

1231

25 1

1

41

— 1

1365

2520

12472

-ocr page 1094-

Tabel 2.

Toename van resistentie voor tetracycline in S. typhi murium, gedurende
de periode 1958:59 tot 1962

OJ

to

00

1958/59

1960

1961

1962

Afkomstig

Aantal

Aantal

Percen-

Aantal

.Aantal

Percen-

Aantal

.■\\antal

Percen-

.Aantal

.Aantal

Percen-

van:

onderz.

resist.

tage

onderz.

resist.

tage

onderz.

resist.

tage

onderz.

resist.

tage

stammen

stammen

stammen

stammen

stammen

stammen

stammen

stammen

Mens

5177

109

2,1

3253

42

1,3

5027

335

6,7

4359

1065

24,4

Kalveren

58

7

12,1

57

3

5,3

183

33

18,0

170

63

37,1

Varkens

70

2

2,9

48

2

4,2

50

3

6,0

147

22

1:5,0

Andere

materialen

361

2

0,6

610

8

1,3

669

3

0,4

617

35

5,7

Andere

dieren

101

8

7,9

260

11

4,2

268

10

3,7

224

18

8,0

Totaal:

5767

128

2,2

4228

66

1,6

6197

384

6,2

5517

1203

21,8

-ocr page 1095-

Discussie.

De in 1962 verzamelde gegevens tonen duidelijk aan dat resistentie voor
antibiotica bij het geslacht
Salmonella overwegend voorkomt bij het type
S. typhi murium. Zoals hierbo\\en reeds is medegedeeld zijn van de 5517
onderzochte stammen van dit type niet minder dan 1231 resistent voor
tetracycline of voor chlooramfenicol. Resistentie voor het eerste middel
komt hierbij 1203 maal voor, die ten aanzien van chlooramfenicol daar-
entegen slechts 52 maal.

De sterke toeneming van de resistentie voor tetracycline is voornamelijk
in de loop van de laatste jaren ontstaan. Du blijkt duidelijk uit de neven-
staande tabel (tabel 2), waarin de jaarlijks gevonden aantallen tetracycline-
resistente stammen van
S. typhi murium zijn samengebracht.
Uit tabel 2 blijkt, dat de frequentie van de resistentie over 1961 en 1962
sterk is toegenomen en, speciaal bij de stammen die afkomstig zijn van
mensen, kalveren en varkens momenteel een hoge waarde heeft bereikt.
De toeneming in resistentie is het meest spectaculair bij de twee eerstge-
noemde groepen. Vergeleken met 1960, het jaar waarin de geringste resis-
tentiefrequenties zijn gevonden, betekenen deze proporties een relatieve toe-
neming van bijna 20 maal (bij de mens) en ongeveer 7 maal (bij kalveren).
De hierboven genoemde getallen werpen de vraag op aan welkx factoren de
sterk toegenomen resistentie kan worden toegeschreven.
Als één \\ an deze factoren zien wij de over de laatste jaren sterk toegenomen
toepassing van tetracycline voor therapeutische, profylactische en nutritieve
doeleinden. Eén van ons (Guinée, 1963) heeft waargenomen, dat tcx,\'-
diening van diverse doseringen tetracycline (ma.ximaal 66 ppm) aan ver-
schillende dieien niet resulteerde in een toename van het aantal tetra-
cycline-resistente
E. coli serotypen. Bij varkens en enkele andere dieren,
die lage doseringen tetracycline ontvingen, ontstonden verschuivingen in de
ingewandsflora, met het gevolg, dat de resistente sub-typen van
E. coli
sterk op de voorgrond traden. Bij albino laboratoriumratten en bij de mens
werden deze verschuivingen niet waargenomen. K n o t h e (1963) komt in
een uitgebreide studie van het effect van de dosering van tetracycline bij
menselijke vrijwilligers en patiënten tot de conclusie, dat kleine orale
doseringen (25 en 10 mg dagelijks) niet in staat zijn wezenlijke verschui-
vingen in de ingewandsflora te veroorzaken. Bij hogere doseringen vindt
daarentegen een selectieve vermeerdering \\an resistente biotypen van de
ingewandsflora plaats; een waarneming, die ook door talrijke andere onder-
zoekers is gedaan.

De zojuist genoemde waarnemingen leiden tot de conclusie, dat de sterk
toegenomen resistentie bij
S. typhi murium waarschijnlijk voornamelijk het
gevolg is van de verstrekking van relatief hoge doseringen tetracycline. Deze
veronderstelling wordt gesteund door het feit, dat, zoals uit tabel 2 blijkt,
de hoogste resistentiepercentages zijn gevonden bij de stammen die af-
komstig waren van de mens, en van kalveren en varkens. Het zijn speciaal
deze groepen die, althans in ons land, met hogere doseringen in contact
komen.

Deze discussie omtrent de oorzaken van de sterk toegenomen resistentie bij
S. typhi murium kan niet worden afgesloten zonder melding te maken
van enige zeer recente ontdekkingen op het terrein van de antibiotica-
resistentie die vermoedelijk voor ons onderwerp van grote betekenis zijn.

-ocr page 1096-

Volgens in Japan verrichte onderzoekingen (Watanabe, 1963) kan
resistentie bij bepaalde darmbacteriën worden overgedragen tijdens onder-
ling celcontact. Overdracht van multiple resistentie van
E. coli naar een
aantal gramnegatieve bacteriesoorten, waaronder
Shigella en Vibrio comma
werd aangetoond. De Japanse onderzoekers verklaren hun bevindingen als
een overdracht van genetisch materiaal door middel van episomen. Bac-
teriën behorend tot het genus
Salmonella bleken in het algemeen slechte
acceptoren te zijn.

Ook de Engelse onderzoekster Datta (1962) heeft enige interessante
waarnemingen gedaan op het gebied van „transmissible drug resistance".
Zij vond bij een aantal
S. typhi mMrzum-stammen van humane oorsprong
een resistentiepatroon, dat niet was te verklaren met de door deze patiënten
ondergane behandeling. De multiresistentie van deze stammen kon gemak-
kelijk worden overgedragen op
Shigella sonnei. De mate van resistentie-
overdracht van donorstaminen naar
S. typhi murium was, evenals bij de
Japanse onderzoekers, zeer gering. Verdere onderzoekingen toonden aan,
dat er een duidelijk verschil bestaat tussen enerzijds „transmissible resistan-
ce", welke waarschijnlijk berust op overdracht van episomen en anderzijds
„non transmissible resistance", welke waarschijnlijk berust op mutatie.
In verband met ons onderzoek moet ook melding worden gemaakt van
een zeer recente studie van Lebek (1963). Deze onderzoeker isoleerde
uit de faeces van een baby een
S. typhi murium met een resistentiepatroon,
dat niet te vergelijken was met de tegen deze bacterie gerichte therapie.
Uit de faeces van het kind werd tevens een
E. coli stam geïsoleerd met het-
zelfde resistentiepatroon als de eerder genoemde
Salmonella. Daardoor
rees het vermoeden dat de multiresistentie van
E. coli in de darm van het
kind was overgebracht op de
S. typhi murium. Proeven in vitro, waarbij
de multiresistente
E. coli in staat bleek zijn resistentie over te dragen op
gevoelige stammen van
S. typhi murium, toonden de juistheid van dit
vermoeden aan.

Het is duidelijk, dat L e b e k \' s waamemingen voor de intei"pretatie van
onze uitkomsten van grote betekenis zijn. Deze waarnemingen, als ook die
van de Japanse onderzoekers en van Datta, tonen aan, dat resistentie
bij pathogene daiTnbacteriën op een indirecte wijze kan ontstaan, namelijk
door overdracht van genen afkomstig van niet-pathogene darmbacteriën.
Tot dusverre hebben wij het standpunt gehuldigd, en met ons bijna alle
andere onderzoekers die op dit terrein werkzaam zijn, dat resistentie bij
E. co/j-stammen die afkomstig zijn van dieren slechts van ondergeschikte
betekenis is voor de gezondheid van de mens. Mochten de waamemingen
van Lebek in de toekomst bij verder onderzoek worden bevestigd, dan
zou hieruit volgen dat deze opvatting geheel of gedeeltelijk moet worden
herzien.

SAMENVATTING.

Van 12.472 stammen van Salmonella die in 1962 in Nederland zijn geïsoleerd, bleken
er 1.365, of 10,94%, resistent te zijn voor tetracycline of voor chlooramfenicol of voor
beide antibiotica. Vergeleken met de uitkomsten van vorige jaren (1958/59: 2,08%;
1960: 1,29%; 1961: 3,96%) betekent dit een aanzienlijke toename. Van de 1.365
resistente stammen waren er 1.285, of 94,1%, alleen resistent tegen tetracycline en
slechts 46, of 3,4%, alleen resistent tegen chlooramfenicol. De overige stammen waren
tegen beide middelen ongevoelig.

-ocr page 1097-

Van de in 1962 geïsolecrde stammen behoorden er 5.517 tot het type S. typhi murium.
Hiervan waien er 1.203, of 21,8%, tegen tetracycline resistent. Het resistentiepcrcen-
tage van de
Stammen die afkomstig waren van de mens was \' de overeenkom-

stige percentages bij kalveren, varkens, overige dieren en overige materialen (zie de
tabellen 1 en 2) waren respectievclijk 37,1%, 15%, 8% en 5,7%.
Als factoren die de sterk toegenomen frequentie van de resistentie mogelijk hebben
bevorderd, worden genoerad :

(a) de over de laatstc jaren sterk toegenomen toepassing van tetracycline voor thera-
peutische, profylactische en nutritieve doeleinden,

(b) de mogelijkheid van overdracht van resistentie van darmbacteriën, zoals E. coli
naar S. typhi murium door middcl van episomen.

SUMMARY.

Of 12,472 strains of Salmonella isolated in The Netherlands in 1962, 1,365 or 10.94
per cent were found to be resistant to tetracycline, chloramphenicol or both and-
biodcs. This is a considerable increase in comparison with the findings in previous
years (1958-1959: 2.08 per cent; 1960: 1.29 per cent; 1961: 3.96 per cent). Of
1,365 resistant strains, 1,285 or 94.1 per cent were only resistant to tetracycline and
merely forty-six or 3.4 per cent were only resistant to chloramphenicol. The other
strains were insensitive to both.

Of the strains isolated in 1962, 5,517 weic of the S. typhi murium type. Of these,
1,203 or 21.8 per cent were resistant to tetracycline. The proportion of resistant
strains of human origin was 24.4 per cent; the corresponding proportions in calves,
pigs, other animals and other materials (cf. Tables 1 and 2) were 37.1 per cent^
15 per cent, 18 per cent and 5,7 per cent respectively.

The following factors arc reported as being among those which promoted the marked
increase in the incidence of resistance:

(a) the fact that the use of tetracycline for therapeutical, preventive and nutritional
purposes has shown a considerable increase in recent years,

(b) the fact that the resistance of enteric bacteria such as E. coli may be transferred
to 5.
typhi murium by episomes.

RÉSUMÉ.

De 12.472 souches de Salmonella qui ont été isolées en 1962 aux Pays Bas 1.365 ou
10,94% parurent être résistantes à la tétracycline ou au chloramphénicol ou aux deux
antibiodqucs. Une comparaison de ces résultats avec ceux des années précédentes
(1958/59: 2,08%; 1960: 1,29%; 1961: 3,96%) révèle une augmentadon considé-
rable. De 1.365 souches résistantes il y avait 1.285 ou 94,1% qui étaient seulement
résistantes à la tétracycline et il n\'y avait que 46 ou 3,4% qui étaient seulement
résistantes au chloramphénicol. Les autres souches étaient .\'ésistantes aux deux.
Des souches isolées en 1962 5.517 appartenaient au type de
S. typhi murium. Parmi
celles-ci il y avait 1.203 ou 21,8% qui étaient résistantes à la tetracycline. Le pour-
centage de résistance des souches originaires de l\'honmic était 24,4%; les pourcen-
tages analogues chez des veaux, des porcs, d\'autres animaux (voir les tables 1 et 2)
étaient respecdvement 37,1%, 15%, 18% et 5,7%.

Comme facteurs ayant favorisé la forte augmentation de la Iréquence de la résis-
tance, on mentionne :

(a) l\'applicadon considérablement accrue pendant les dernières années de tétra-
cycline pour des buts thérapcudques, prophylactiques ct nutritifs,

(b) la possibilité dc résistance de bactéries intestinales comme E. coli vers la S. typhi
murium
par l\'intermédiaire d\'épisomes.

ZUSAMMENFASSUNG.

Von 12472 Salmonella-Stàmmen, die im Jahre 1962 in den Niederlanden isoliert
wurden, erwies sich, dass 1365 oder 10,94% gegen Tetracyclin oder Chloramphenicol

-ocr page 1098-

oder gegen beide Antibiotika resistent waren. Verglichen mit den Resultaten in den
vorigen Jahren (1958/59: 2,08%; 1960: 1,29%; 1961: 3,96%) bedeutet dies eine
ansehnliche Zunahme. Von 1365 resistenten Stämmen waren 1285 oder 94,1% nur
gegeven TetracycHn resistent und nur 46 oder 3,4% nur gegen Chloramphenicol re-
sistent. Die übrigen Stämme waren für beide empfänglich.

Von den im Jahre 1962 isolierten Stämmen gehörten 5,517 zum Typus 5. typhi
murivm.
Hiervon waren 1203 oder 21,8% gegen Tetracyclin resistent. Der Resistenz-
prozentsatz der Stämme, die vom Menschen genommen wurden, betrug 24,4%; die
diesbezüglichen Prozentsätze bei Kälbern, Schweinen und übrigen Tieren und übrigen
Materialienbe trugen resp. 37,1%, 15%, 18% und 5,7% (s. Tabellen 1 und 2).
.Als Faktoren, die der stark zugenommenen Frequenz der P.esistenz Vorschub ge-
leistet haben, werden angeführt:

(a) die während der letzten Jahre stark zugenommene Verwendung von Tetracyclin
zu therapeutischen, prophylaktischen und nutritiven Zwecken,

(b) die Möglichkeit einer Resistenz der Darmbakterien wie E. coli, nach S. typhi
murium
mittels Episomen.

LITER.ATUUR

D a 11 a, N.: Transmissible drug resistance in an epidemic strain of Salmonella typhi

murium. ƒ. Hya. Cambr., m,301. (1962).
G u i n ce, P. A. M.: Experimental studies on the origin and significance of anti-
biotic-resistant Escherichia coli in animals and man. Thesis, Utrecht, (1963).
Knot he, H.: Darmflora und Antibiotika unter besonderer Berücksichtigung der

Tetrazykline. Dtsch. Med. Wschr., 88, 1469, (1963).
Lebe k, G.. Über die Entstehung mehrfachrcsistener Salmonc llen. Ein experimen-
teller Beitrag.
Zentralbl. Bakt., 188, 494, (1963).
Manten, A., K a m p e 1 m a c h e r, E. H. and Guinée, P. .A. M.: Frequency
of resistance to chloramphenicol and teracyclines among 12014 Salmonella strains
isolated in 1958 and 1959.
Antonie v. Leeuwenh., 27, 103, (1961a).
Manten, A., Kampelmacher, E. H. and G u i n é e, P. A. M.: Incidence of
resistance to chloramphenicol and tetracyclines among 11981 Salmonella strains
isolated in 1960.
Antonie v. Leeuwenh., 27, 461, (1961b).
Manten, A., K a m p e 1 m a c h c r, E. H. and G u i n é e, P. A. M.: Incidence of
resistance to chloran.phenicol and teracycline among 13502 Salmonella strains
isolated in 1961.
Antonie v. Leeuwenh., 28, 428, (1962).
R u s s e 1 T w i s s, J., B c r g e r, \\V. V., A r o n s o n, .A. R. and Siegel L.: Anti-
biotic sensitivity of S. typhosa in chronic typhoid carriers.
Ant. Med., 2, 99, (1956).
Watanabe, T.: Infective heredity of multiple drug resistance in bacteria. Bact.
Rev.,
27, 87, (1963).

De samcnslclling van het nielkciwit is genetisch bepaald.

De ingewikkelde structuur van het melkeiwit en erfelijke invloed hierop staan in het
middelpunt van de belangstelling. Het beter doorzien van de bouw en de genetische
oorsprong zal het misschien mogelijk maken door fokkerijmaatregelen de samenstelling
van de melk naar wens tc veranderen.

Sinds 1950 is het mogelijk caseïne in drie komponenten te splitsen, nl. alpha, beta
en gamma. Alpha-cascïne kon later weer gesplitst worden in alphas- en kappa-caseïne.
In de US.A vond men een genetische variatie in het alphas-cascïne. Dit is ook het
geval bij beta- en mogelijk ook bij kappa-caseïne.

Met behulp van elektroforese werden melkmonsters van koeien met een bekende
afstamming geanalyseerd. Hierbij bleek dat dc alpha-component nog gesplitst kon
worden in A, B en C, die waarschijnlijk door één genenpaar beïnvloed worden. In
verschillende frequenties werden alle mogelijke combinaties, .A, B, C, A -f- B, A -f C
en B -I- C aangetoond.

Landbouwdocumentatie, 19, 1026, (1963).

-ocr page 1099-

Antikopziekte koek.

Magnesium cakes against hypomagnesemie tetany,
door G. J. M. V.AN KEMPEN en J. GORNELISSEN1)
Van de Stichting C.L.O.-controle.

Inleiding;.

Seekles en Boogaerdt (1955 en 1956) toonden aan, dat het per-
centage kopziektegevallen aanzienlijk vermindert door verstrekking van
MgO-houdende koek gedurende de eerste weken van het wcideseizoen. Op
grond van dit gegeven zijn de Nederlandse mengvoederproducenten des-
tijds begonnen MgO-houdende koekjes als voorbehoedmiddel tegen kop-
ziekte in de handel te brengen.

De fabrikage van een geschikte antikopziektekoek is met veel kinderziekten
gepaard gegaan. Hiervan noemen wij de voornaamste,
le Het MgO maakt het meelmengsel moeilijker persbaar. Een juiste keuze
van de verdere grondstoffen kan hierin veel verbetering brengen.
2e Het MgO maakt de koek minder smakelijk. Dit probleem is groten-
deels op te lossen door opneming van grondstoffen als lijnkoek en Johan-
nesbrood, waarvan kan worden aangetoond, dat zc sterk .smaakverbeterend
werken. Overigens is het onze en\'aring dat er gedurende de eerste weken
in de weide wel altijd koeien zullen blij\\ en, die geen koek en daarom ook
geen anti-kopziektekoek willen opnemen. Een goede maatregel is de dieren
reeds op stal aan de smaak \\an de MgO-koekjes te wennen.
3e Bij het oud worden, wordt de antikopziektekoek te hard, hetgeen de op-
name door de dieren nadelig beïnvloedt. Antiko])ziektekoek moet dus niet
lang in voorraad worden gefabriceerd.

4e Het MgO blijkt tijdens de bereiding van het meelmengsel gemakkelijk
te verstuiven. Hierbij is de deeltjesgrootte van het MgO van grote invloed.
De „gries"-vorm \\erdient de voorkeur hoven de ,,poeder"-vonn. Om het
verstuiven tegen te gaan kunnen geëigende maatregelen worden genomen.
Worden deze achterwege gelaten, dan komt men spoedig \\ oor de onaange-
name verrassing van een te laag gehalte aan MgO in het eindprodukt te
staan. In de afgelopen jaren kwam dit nogal eens voor.
Uit bovenstaande vol,gt dat bij de fabricage van de antikopziektekoek
speciale maatregelen moeten worden genomen. Deze koek zal dan een
waardevol middel zijn bij de bestrijding \\an de kopziekte.

Het MgO-gehalte.

Seekles en Boogaerdt adviseren 50 gram technisch magncsimn-
oxyde per dier per dag te verstrekken. Aanvankelijk werden koekjes ge-
maakt met 7.5% technisch magnesiumo.xyde. Hier\\an werden 4 reepjes
(d.i. 2/3 kg) per koe per dag gegeven. Thans wordt, vooral als gevolg van
bovengenoemde moeilijkheden, vrijwel algemeen 5% gedoseerd. Van deze
koek ontvangen de dieren 1 kg per dag (= 6 reepjes).
Onlangs deelde Kemp (1963) in dit tijdschrift mede, dat hij in alle 11
onderzochte koekmonsters een te laag gehalte aan MgO had gevonden. Een

1  Ir. G. J. M. van Kempen en Ir. J. Cornelissen, resp. wetenschappelijk mede-
werker en directeur van dc Stichting C.L.O.-controle, p/a „De Schothorst",
Hoogland.

-ocr page 1100-

groot deel van de door Kemp onderzochte monsters vertoont een abnor-
maal laag gehalte. r3e door Kemp vermelde cijfers geven echter geen ge-
middeld beeld van de praktijk, dat \\olgens onze gegevens aanzienlijk gun-
stiger is.

Kemp suggereert in zijn artikel, dat, indien bij analyse minder dan 5%
MgO wordt gevonden, het betreffende monster een te laag gehalte heeft
gehad. Dit is om twee redenen niet geheel juist.

le Overeenkomstig de proefresultaten \\an Seekles en Boogaerdt
wordt aan de dieren niet 50 g MgO maar 50 g
technisch magnesiumoxyde
per dag verstrekt. Dit technisch magnesiumoxyde bevat 80-90% MgO. In de
codex voedermiddelen is technisch magnesiumoxyde nog niet opgenomen. In
afwachting hiervan stelt de C.L.O.-controle voorlopig voor de bij haar aan-
gesloten coöperaties 85% MgO in het technisch magnesiumoxyde als een
minimum. Blijkens onze enaring wordt dit gehalte in de meeste gevallen
wel gehaald, ïlet gehalte aan zuiver MgO in de antikopziektekoek zal dus
slechts 0,85 x 5 = 4,25%) bedragen,

2e Bij de beoordeling van de analyse-uitkomst moet men rekening houden
met de toe te laten speling bij de MgO-bp[3aling, Het analyseren van Mg in
oplossing is zeer nauwkeurig mogelijk. Bij het routineonderzoek is het vrij-
wel onvermijdelijk, dat de twee analyse-oplossingen (voor de duplo-bepa-
lingen) bereid uit één monster antikopziektekoek in geringe mate van el-
kaar verschillen. Het niet homogeen verdeeld zijn van het MgO in het te
onderzoeken reepje kan hiervan voor een belangrijk deel de oorzaak zijn.
Voor het praktisch gebruik van de koek levert dit laatste vrijwel geen be-
zwaren op, aangezien de koe per dag een monster van 1 kg ontvangt.
Uit een groot aantal bepalingen in duplo (ongeveer 200) van MgO-hou-
dende koek werd via een variantie-analyse de standaardafwijking van de
afzonderlijke waarneming berekend. Deze standaardafwijking was 0.2215%.
De standaardafwijking van het gemiddelde van 2 waamemingen, een

0.2215

waarde die meestal wordt opgegeven, is dan -= 0,1566%.

Indien men uitgaat van 5% technisch magnesiumoxyde (85% MgO) in
de koek, zijn bij een 95% betrouwbaarheidsintenal bcpalingsuitkomsten
variërend van ,3. 94% tot 4.56%^ MgO aanv aardbaar.

Het MgO-gehalte wordt meestal opgegeven in 0.1% nauwkeurig. Uitgaan-
de van de uit een zeer groot aantal duplo\'s berekende spreiding, werd een
theoretische kansverdeling berekend van de analyse-uitkomsten opklim-
mend met 0.1%. In tabel I staan de uitkomsten van deze berekeningen.
Dit zijn dus de kansen, dat men de vcnnelde analyse-uitkomsten vindt in-
dien werkelijk 4.25% zuiver MgO is toegediend en indien niets verloren is
gegaan tijdens de bereiding.

Uit de cijfers van tabel I is bijv. te berekenen, dat in 26.11% van de ge-
vallen een goede uitkomst ten onrechte zou worden afgekeurd indien men
4.1% MgO als te laag beschouwde. De C.L.O.-controle acht op grond van
bovenstaande ovenvegingen een analyse-uitkomst van 4% MgO nog aan-
vaardbaar en een uitkomst van beneden de 4% te laag. De kans dat wij een
goed monster ten onrechte als onvoldoende kwalificeren is slechts 2.75%.
Bij een anlyse-uitkomst van 4.0-4.2% verdient het aanbeveling een her-
haalde bemonstering toe te passen. Indien een dergelijke uitkomst zou zijn
verooi-zaakt door een te laag gehalte in de koek, is de kans groot dat bij een
herhaalde bemonstering de analyse-uitkomst beneden de 4% zal liggen.

-ocr page 1101-

Tabel I

Frequentie van de waargenomen MgO-gehallen

waargenomen MgO-gehalte (%)

Frequentie (%)

3.7 en minder

0.07

3.8

0.47

3.9

2.21

4.0

7.30

4.1

16.06

4.2

23.89

4.3

23.89

4.4

16.06

4.5

7.30

4.6

2.21

4.7

0.47

4.8 en hoger

0.07

LITERATUUR

Kemp, A.; Het voederen van magnesiumhoudende koekjes in de praktijk. Tijdschr.

Diergeneesk., 88, 103, (1963).
Seekles, L. en Boogaerdt, J.: Uitkomsten van een voederproef met magne-
siumoxydt-houdende voederkoekjes ter voorkoming van grastetanie.
Tijdschr. Dier-
geneesk.,
80, 331, (1955).
Seekles, L. en Boogaerdt, J.: Uitkomsten van een voortgezette voederproef
met magnesiumoxyde-houdende koekjes als behoedend middel tegen kopziekte.
Tijdschr. Diergeneesk., 81, 281, (1956).

Vruchtbaarheid.

Op het selectiebedrijf van Pompadour in Frankrijk heeft een anglo-arabische merrie
18 veulens gegeven in 18 opeenvolgende jaren; ziedaar een geval van tamelijk uit-
zonderlijke vruchtbaarheid.

De Belgische Veefokkerij, (13), 2, (1963).

Caviae als proefdieren.

Hoewel caviae al lang gebruikt worden bij medische en biologische onderzoekingen
hebben ze nu een nieuw arbeidsveld gevonden. Aan de Universiteit van Michigan
heeft men zc nl. gebruikt bij de beproeving van verschillende hooisoorten. Tot nog
toe werden voor voederproeven altijd runderen gebruikt, die de proeven duur maak-
ten doordat er veel kapitaal en tijd voor nodig is. (Waarom geen geiten? Red.).
Bij de eerste serie proeven werden 7 groepen biggetjes betrokken, waarvan de ene
groep een uitgemeten hooi-krachtvoerrantsoen kreeg in geperste vorm, de andere
groepen kregen ieder een bepaalde hooisoort. De eerste uitkomsten gaven verrassende
resultaten wat betreft opgenomen hoeveelheid en gewichtstocname.
In hoeverre bij dergelijke proeven gebruik gemaakt kan worden van caviae zal uit-
gemaakt moeten worden door een serie geplande proefnemingen. Eerst zal echter
nog door voederproeven met melkkoeien onderzocht moeten worden in hoeverre de
resultaten van de proeven met biggetjes vergelijkbaar zijn met die met rundvee.

Landbouwdocumentatie, 19, 1023, (1963).

-ocr page 1102-

Kopziekte.

Symposium

in het kader van het wetenschappelijk programma van
de llOe Algemene Vergadering van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Alvorens de hierover gevoerde discussie weer te geven mogen de vier
daaraan voorafgaande korte inleidingen in volgorde worden gememoreerd.

Hypomagnesemie en grastetanie. Biochemische
aspecten 1l

Hypomagnesaemia and grass tetany. Biochemical
aspects.

door L. SEEKLES2)

Met voldoening mag worden vastgesteld dat, dank zij de samenwerking
van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde met het Kon.
Genootschap voor Landbouwwetenschap, de mogelijkheid is geo[)end tot
een samenspreking over een vraagstuk dat zo zeer de belangstelling heeft
van dierenartsen, veterinaire biochemici en dierfysiologen, en landbouw-
kundigen. De werkterreinen van deze drie groepen van belanghebbenden
raken elkaar, en vallen ten dele over elkaar heen.

Voor het verkrijgen van inzicht in het onderhavige ])robleem is samen-
werking van de onderzoekers op de drie gebieden onontbeerlijk. Want uit
de resultaten van de onderzoekingen die in een tijdsverloop van meer dan
dertig jaar in binnen- en buitenland zijn verkregen, is het wel duidelijk
geworden dat het vraagstuk van hypomagnesemie en grastetanie cen
zeer ingewikkeld stofwisselingsprobleem vormt. Zowel bij de fundamen-
tele benadering ervan, als bij de maatregelen ten behoeve van de prak-
tische bestrijding, heeft men hiermede terdege rekening te houden.
Hierbij dient tc worden opgemerkt dat de zo zeer gewenste samenwerking
waarvan hierboven sprake was, niet altijd gemakkelijk is gebleken. De
drie groepen van werkers benaderen het vraagstuk langs verschillende
wegen en met verschillende methodes, zij spreken ieder een eigen taal
en leven in een eigen gedachtenwereld, waaruit zij zich soms moeilijk

1  Inleiding tot een discussie, gehouden op 19 oktober 1963 tijdens de Algemene
Vergadering van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, naar aan-
leiding van een artikel van L. S e c k 1 c s en H. J. H e n d r i k s
(Tijdschr. Dier-
geneesk.,
88, 1095, (1963)).

Introduction to a discussion on 19th October 1963 at the Annual Meeting of
the Royal Neth. Veterinary Association, Utrecht, in pursuance of a paper by
L. Seekles and H. J. Hendriks in
Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1095,
(1963).

2  Prof. Dr. L. Seekles, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Biltstraat
172, Utrecht.

-ocr page 1103-

kunnen losmaken. Daardoor begrijpt men elkaar niet voldoende, en ont-
staan er misverstanden en controversen die een beletsel vormen voor een
vruchtbare discussie. Wij stellen er prijs op in deze inleiding enkele
gedachten naar voren te brengen die de kern van het vraagstuk raken,
teneinde op deze wijze bij te dragen tot een beter begrip.
Bij de uitvoering en interpretatie van zijn werk plaatst de veterinaire
biochemicus de actuele en potentiële kopziektcpatiënt — dus de melkkoe
met al haar feitelijke en mogelijke reacdes op prikkels van inwendige en
uitwendige herkomst — in het middelpunt. Op grond van fysiologische
en biochemische waarnemingen en overwegingen kan hij o.m. niet ä
priori aannemen dat de melkkoe zich zonder meer zal en moet voegen
naar invloeden van buiten, zoals het toegediende voeder en, in wijder
verband, het klimaat. Of en in hoeverre het dier in zijn lichaamsfuncties
een afspiegeling zal vertonen van het ojDgenomen voeder, hangt allereerst
af van de manier waarop en de mate waarin het op deze prikkel reageert.
Het effect dat voeder van normale of afwijkende samenstelling op het
dier heeft, hangt uiteindelijk in hoge mate tevens af van de reactie van
het dier op het voeder. Deze reactie wordt in eerste instantie bepaald
door de activiteit van het „regulerende systeem" dat in ieder dierlijk
organisme werkzaam is als de belangrijkste factor voor de instandhouding
van de stationaire toestand die men ook wel bestempelt met de naam
„fysiologisch-chemisch evenwicht". Zelfs in het lichaam van de hoog-
produktie\\-e melkkoe, die extra-zwaar is belast omdat zij niet alleen moet
leven, maar ook regelmatig en veel moet jModuceren — ten koste van
het toegediende voeder - - werkt dit „regulerende systeem", zij het niet
altijd met succes.

Beschouwt men, zoals van landbouwkundige zijde nogal eens geschiedt,
alleen het voeder, zonder voldoende aandacht te schenken aan het dier
als fysiologisch-chemische eenheid, dan vercen\\oudigt men het vraagstuk
op een wijze die wij niet verantwtwrd achten.

Wanneer men bijv., op gioiid van statistische overwegingen, de algemene
stelling poneert dat het ontstaan van kopziekte bepaald wordt door de
verhouding van K/(Ca Mg) in het .gewas, d.w.z. van de uitkomst
van een „rekensom", waarhij hct reactievermogen van het dier op het
toegediende voeder buiten beschouwing blijft, dan bestaat er voor de
veterinair-biochemicus alle aanleiding tot een kritische toetsing van de
landbouwkundige gegevens aan de in werkelijkheid bij het individuele dier
bestaande toestand.

Even huiverig is de biochemicus bij de verkondiging — alweer op grond
van de statistiek, dus opnieuw naar aanleiding van een „rekensom" waarbij
de koe met haar specifieke veimogens buiten spel wordt gezet — dat
men het gehalte aan magncsimn in hct bloedplasma zou kimnen voor-
spellen uit de gehalten aan magnesium, kalium en ruweiwit van het gewas
dat het dier als voeder dient.

Het ligt in de lijn der \\\'erwachting dat bij de toetsing van de juistheid
van dergelijke „regels" aanzienlijke discrepanties aan het licht komen
tussen de onderstelde en de in werkelijkheid bestaande toestanden. Immers,
aan de hoofdzaak, de koe met haar wisselend vermogen tot aanpassing,
wordt stilzwijgend voorbij .gegaan. Als hulpmiddel bij de oriëntering op
praktisch terrein heeft de toepassing van statistische methodes van onder-

-ocr page 1104-

zoek haar nut.1) De biochemicus wil echter meer weten, n.1. waarom een
koe onder bepaalde omstandigheden wel of niet kopziekte krijgt, teneinde
door middel van deze kennis te komen tot een meer rationele bestrijding.
Hierbij kan men de koe niet wegdenken.

Dat ook de biochemicus terdege rekening houdt met de waarschijnlijkheid
dat hypomagnesemie en grastetanie voor een deel samenhangen met de
samensteüing van het opgenomen voeder, tonen onze jarenlange onder-
zoekingen over de vorming van enterogene vergiften die de permeabiliteit
van grensvlakken in het lichaam, en daardoor de migratie van magnesium
uit het bloed, kunnen beïnvloeden.

In de lijn van deze gedachtengang is het van belang te wijzen op een
recente waarneming (Care en Ross, 1963). Hij schapen kon de hypo-
magnesemie die het gevolg is van de overgang van hooi op jong groen-
voeder worden voorkómen door aan de dieren tegelijkertijd chlooramfeni-
col te geven. Wij zijn geneigd deze waarneming tc interpreteren als een
aanwijzing, dat bij remming van de abnormale gisting en rotting in het
darmkanaal de vorming van de bovenbedoelde enterogene vergiften wordt
geremd. Hierdoor zou de verhoogde permeabiliteit van grensvlakken die
bijdraagt tot het totstandkomen van de hypomagnesemie binnen de ]3erken
worden gehouden.

De veterinaire biochemicus ziet in het huidige tijdsgewricht, waarin blijk-
baar de intensieve bedrijfsvoering uit economische overwegingen tegen
wil en dank gehandhaafd moet blijven, als zijn taak de verbetering van
de reguleringsprocessen in het lichaam van de koe, waar dit gewenst is,
teneinde hierdoor te komen tot een (aspecifieke) verhoging van het weer-
standsvermogen tegen cle onvermijdelijke schadelijke invloeden die helaas
inhaerent blijken te zijn aan een intensieve bedrijfsvoering. De regelmatige
toediening van magnesiumoxyde gedurende dc voor kopziekte kritieke
tijden is een eerste stap op deze weg. Magnesiumionen werken regelend
op de processen die zich in de darm afspelen, en — nadat zij in het bloed
zijn overgegaan — venninderen zij de prikkelbaarheid van weefsels en
organen. Zij oefenen hierdoor een beschermende functie uit, waardoor
de stofwisselingsprocessen voortgang kunnen vinden, ongeacht de aan-
wezigheid van storende stoffen.

Door een ongelukkige samenloo]3 van omstandigheden bevatten de tabel-
len A en B, afgedrukt in
rijdschr. Diergeneesk\'., 88, 1123 - 1141, (1963)
een aantal fouten. Een rectificatie zal in dit tijdschrift worden opgenomen.
Onze conclusies kunnen worden gehandhaafd.

LITERATUUR

Care, A. D. and Ross, D. B.: A recent advance in the .letiology of hypomagne-
saemia.
Proc. XVIIth World Veterinary Congress, 227, (1963).

1  Hoe doelloos en weinig bevredigend discussies over statisüsche gegevens kunnen
zijn, hebben de besprekingen op 19 oktober opnieuw bewezen. Door de cijfers
wat anders te groeperen, resp. door aan bepaalde rangschikkingen al of geen
waarde toe te kennen, kan men tot zeer verschillende gevolgtrekkingen komen,
zonder elkaar te overtuigen. Het bekende euvel der statisdckl Wat verder het
gebruik van kalium betreft: er gaan in landbouwkringen reeds stemmen op die
wijzen op het gevaar van overdrijving naar de andere kant: het gebruik van te
weinig kali, waardoor de grasproduktie wordt geschaad.

-ocr page 1105-

Kopziekfe in de praktijk 1l

Hypomagnesaemic tetany in veterinary practice.

door G. P. A. FRYLINK2)

Uit het programma van deze aan kopziekte gewijde dag bhjkt dat de strijd
tegen deze ziekte voor een groot deel ligt op het terrein van de preven-
tieve diergeneeskunde.

Het zal U deze middag duidelijk worden, dat op dit terrein in de laatste
jaren inderdaad grote vorderingen zijn gemaakt. Niettegenstaande dit
teit kan nog met gesproken worden van een aanzienlijke
teriiggano- van
deze ziekte. Integendeel hebben we in het recente verleden jaren gehad
welke een toename van het aantal gevallen deden vermoeden.
Dit zijn waarnemingen in het werkgebied \\an het Instituut Bidtenpraktijk
welke door vele practici in ons land kunnen worden bevestigd en weike
overeenstemmen met de mededelingen van de practicus W h i
t e op het
symposium \\ oor hypomagnesaemic in november 1960 te Londen.
We moeten ons dus afvragen of de vorderingen op het gebied der pre-
ventie hun doel hebben gemist. Dit is zeer zeker niet het geval, maar we
kunnen een tweetal oorzaken aanwijzen die verantwoordelijk zijn voor
het nog zo veelvuldig voorkomen van dit ziektebeeld.
De eerste hiervan is reeds door de voorzitter van onze Maatschappij
genoemd m zijn geleidcwoord. Het is dc vraag of we in onze produktie-
eisen met tc ver gaan. Ten opzichte van dit punt zouden we ons zonder
de winst op het gebied der profylaxe mogelijk in een hopeloos dieptepunt
bevinden. \' \'

De tweede ooi-zaak is gelegen in hel feit dat cr nog een ernsdg tekort
bestaat m de voorlichting van de veehouder met betrekking tot de maat-
regelen welke hij op zijn bedrijf heeft le nemen. Hier ligt een belangrijke
laak voor de praktizerende dierenarts. Het is echter ook onze ervaring
dat de veehouders, die in een bepaald jaar gevoelige verliezen hebben
geleden, slechts een of twee jaren de gegeven adviezen opvolgen en
daarna weer de weg van de minste weerstand kiezen. De veehouder dient
er van le worden doordrongen, dat hierdoor niet alleen nieuwe verliezen
kimnen ontslaan, maar dat dc dieren op zijn bedrijf t.g.v. deze handelwijze
kunnen gaan lijden aan een langdurige hvpomagnesemie, waardoor \'de
dieren zeker met maximaal produktief voor zijn bedrijf kunnen zijn.

Na in deze korte inleiding een ogenblik te heliben stil geslaan bij de
noodzaak en de mogelijkheid van preventieve maatregelen welke door
mijn medes]Drekers uitvoeriger zullen worden belicht, wil ik mij thans
verder bezighouden met de kopzicktepatiënt. Door dc bijzonder gunstige

1  Inleiding tot een discussie, gehouden op 19 oktober 19f,3 tijdens de Algemene
Vergadering van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht
naar aanleidmg van een artikel van G. P. A. F r y 1 i n k
(Tijdschr. Diergeneesk^
öö, 1142, 1963)).

Introduction to a discussion on 19th October 1963 at the Annual Meeting of
the Royal Neth. Veterinary Association, Utrecht, in pursuance of a paper by
G. P. A. Fry link in
Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1142, (1963).

2  Drs. G. P. A. Fr>\'link, wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniver-
siteit te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 1106-

omstandigheid, dat ik mij in mijn amtbelijke praktijk een aantal jaren
achtereen in het kopziekteseizoen uitsluitend met deze patiënten heb kun-
nen bezighouden heb ik vele gegevens kunnen verzamelen.
Het is mij mogelijk geweest door deze taakverdeling in ons Instituut de
patiënten te vervolgen en te vergelijken met runderen, behorende tot het
zelfde veebeslag als de paUënt.

Bepalen we ons eerst tot het stellen van de diagnose, dan weten we
dat deze in prakdsch alle gevallen reeds door de veehouder is gesteld,
immers hij roept zijn dierenarts voor een koe die kopziekte heeft. Voor
ons volgt cle taak uit te maken of hij gelijk heeft.

Wanneer de patiënt in de weide ligt en het kopziektebeeld m optima
forma toont schijnt dit niet moeilijk, maar wij allen weten dat het ziekte-
beeld zich in een zeer rijke schakering aan ons kan voordoen. Het kli-
nisch beeld begint met dermate geringe afwijkingen in het gedrag der
dieren, dat deze in vele gevallen door de eigenaar, die zijn dieren kent,
eerder\'worden waargenomen dan door de practicus, zeker in die gevallen
waarin deze niet over een rijke ervaring beschikt.

Juist bij deze sub-klinische gevallen heeft de practicus behoefte aan een
snelle bepaling van het bloed Mg- en Ca-gehalte. Deze bepaling kan
echter niet zó snel worden verricht of een basisbehandeling dient eerst
te worden ingesteld. Achteraf zal de bloedanalyse ons leren of dit al of
niet terecht is gebeurd.

Nooit vergeet ik het geval van de veehouder die een vage angst had dat
één zijner dieren kopziekte zou krijgen en waar ik, in uitzondering op
mijn gewoonte, na een gedegen onderzoek waarbij geen enkel symptoom
werd waargenomen een bloedmonster nam, met de wetenschap dat ik
binnen het half uur met de uitkomst bij het dier terug kon zijn. Bij mijn
tervigkomst was behandeling niet meer nodig. De patiënt, met een behoor-
lijke hypomagnesemie, was gestorven in een hevige acute aanval op het
moment dat de bloedanalyse werd verricht.

Het zijn echter niet alleen de sub-klinische ge\\ allen die ons zonder bloed-
analyse moeilijkheden bij het stellen der diagnose kunnen bezorgen. Zo
even heb ik gezegd dat het bevestigen van de diagnose van de veehouder
niet moeilijk\'schijnt
bij gevallen van kopziekte in optima forma. Het vol-
gende geval, belangwekkend voor de differentiaaldiagnostiek, toont U het
tegendeel.

Onze hul]) werd ingeroepen \\oor een patiënt, die lijdende aan kopziekte
uit de weide was gehaald en op stal gezet. Bij het betreden van de stal
zagen we een koe\'welke in hevige mate geëxciteerd was. Ze was buiten-
gewoon gevoelig vooi\' geluids- en gevoelsprikkels. Tijdens de venapunctie
stortte het dier tegen de grond en kreeg hevige krampaanvallen. Opisto-
tonis, wegdraaien \\an de bulbus oculi en fictsbewegingen completeerden
het kopziektebeeld.

De basistherapie, intra\\eneuze toediening van een Ca/Mg-oplossmg, had
niet het geringste effect. Dit op zich zelf behoefde ons niet te bevreemden,
omdat dit meer voorkomt, maar in de anamnese was naar voren gekomen
dat deze koe alleen had gelopen in een kleine boomgaard, waar geen
enkele vorm van bemesdng had plaats gehad.

Dit was voor ons de aanleiding om ter plaatse een onderzoek in te stellen.
We vonden een kleine boomgaard, waar tussen het gras veel onkruid

-ocr page 1107-

groeide. De diagnose „kopziekte" werd zeer dubieus. Bij verdere inspectie
werd een stapel takken gevonden van een
Taxus baccata heg, door een
buuirnan over de afrastering van zijn tuin gegooid en waarvan meerdere
takken kaal waren gegeten. De uitkomst van de bloedanalyse bevestigde
dat de oorspronkelijke diagnose fout was.

Ook bij vaarzen hebben we, hoewel niet altijd, toch meerdere malen de
op klinische verschijnselen gestelde diagnose „kopziekte" na uitkomst van
de bloedanalyse moeten herzien.

Wanneer we ons verder bepalen tot de therapie van onze kopziekte-
patiënten, dan valt op dat naast de vele publikaties op het gebied der
preventie er weinig wordt vermeld over therapeutische mogelijkheden.
Een uitzondering vormen een artikel van Alfred Marr in 1958 en
de mededelingen van White e.a. in 1960 op het kopziektecongres in
Londen.

Ons eigen onderzoek bij patiënten van het Instituut Buitenpraktijk heeft
ons gegevens verschaft over de therapie, die op vele punten overeen-
stemmen met hetgeen door deze beide heren is naar voren gebracht.
Als basistherapie wordt bij alle patiënten — zowel de ernstige gevallen als
de sub-klinische — cen intraveneuze injectie gegeven van complex gebonden
Ca/Mg-zouten in aequivalenten van de oorspronkelijke 40/15 Ca- en
Mg-chloride oplossingen.

Ons is gebleken, dat ook in die gevallen waarin de klini.schc symptomen
niet of onvoldoende verdwenen na deze basistherapie het bloed Ca- en
Mg-gehalte zeker gedurende zes, maar in vele gevallen gedurende aan-
merkelijk meer uren normaal tot hoognormaal bleef.

Hoewel de noodzaak niet kon worden aangetoond leek hct wenselijk on-
middellijk voor de intraveneuze injectie van de complexgebonden oplossing
hieraan ongeveer 13 g Mg-chloride toe te voegen, met het doel onmiddelijk
M,g-ionen in de bloedcircidatie te brengen. Uit deze waarnemingen me-
nen we te mogen concluderen dat een herhaling van dc basistherapie
binnen zes uur geen zin heeft.

Wèl zin heeft hct in de herstelperiode zo sjwedig mogelijk te beginnen
met orale toediening van Mg in de vorm van kopziektekoekjes.
Door De Groot werd aan,getoond dat reeds in de pens een begin
van resorptie plaats vindt, zodat verwacht mag worden dat hierdoor een
terugvallen van het bloed Mg. tot kritieke waarden kan worden voor-
komen.

\\Vij kunnen nu onze patiënten in een aantal groepen onderbrengen,
le. Die patiënten die na de basistherapie meer of minder snel herstellen,
We volstaan met deze behandeling naast het gebruikelijke advies
van opstallen en orale Mg-toediening in de herstelperiode,
2e. Patiënten waarbij na dc basistherapie de krampen verdwijnen. Ze
blijven echter liggen, zijn soporeus en eten niet. We blijven het bloed
Mg en Ca controleren en herhalen de basistherapie wanneer het
bloed Mg tot een kririeke waarde is teruggevallen.
Veelal zijn dit patiënten die later moeten worden geslacht. Het be-
treft vaak dieren die \'s morgens vroeg zijn gevonden en mogelijk
reeds langere tijd in kramjsen hebben gelegen. Bij slachting worden
degeneratieve orgaanveranderingen gevonden.

-ocr page 1108-

3e. In deze groep blijft verbetering van de patiënt na de basistherapie
achterwege, de krampen blijven bestaan en de dood volgt binnen
kortere of langere tijd.

Van herhaling van de basistherapie op korte termijn valt geen succes
te verwachten. Integendeel, er bestaat kans op het ontstaan van long-
oedeem door een te hoge Ca-dosering, hetgeen de prognose aanmer-
kelijk ongimstiger maakt.

Bij patiënten uit deze groep werd meerdere malen met succes ge-
bruik gemaakt van een aanvullende therapie met pentobarbital, in
de handel gebracht onder de namen Tetone.x en Triotal.
4e. Patiënten die, ondanks een zeer voorzichtige toepassing van de basis-
therapie, tijdens dc injectie sterven. Hier moet worden aangenomen
dat de aan de ziekte voorafgaande dikwijls langdiuige periode van
hypomagnesemie een funeste invloed heeft gehad op het hart (waar-
nemingen van De Groot.).

Zij kunnen het in de bloedcircidatie brengen van Mg-ionen niet ver-
dragen en sterven tijdens het injiceren. Of een inleidende behandeling
met pentobarbital bij ])atiënten uit deze groep hierin veel verandering
zal brengen valt te betwijfelen.

Uit deze waarnemingen menen we te mogen concluderen dat dit nieuwere
geneesmiddel bij kopziektei)atiënten een welkome aanvulling is, echter
uitsluitend voor die patiënten die we door nauwkeurig onderzoek vóór
en tijdens de klassieke behandelingsmethode kunen nselecteren.
Voor een gebruik bij iedere kopziektekoe zonder meer bestaat geen aan-
leiding.

De betekenis van het voedermagnesium bij het
ontstaan van hypomagnesemie en van hypomag-
nesemische tetanie bij rundvee.1!

The significance of magnesium in the feed in causing
bovine hypomagnesaemia and hypomagnesaemie te-
tany.

door KEMP2)

Onder auspiciën van een door de Nationale Raad voor het Landbouw-
kundig Onderzoek T.N.O. opgerichte „Werkgroep Onderzoek Kopziekte"
zijn wij ruim 10 jaar geleden begonnen met een onderzoek op het gebied
van de hypomagnesemie, aansluitend op het baanbrekende werk van Prof.
Sjollema dat internationaal grote bekendheid heeft verkregen.

1  Inleiding tot een discussie, gehouden op 19 oktober 1963 tijdens de Algemene
Vergadering van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht,
naar aanleiding van cen artikel van A. K e m p
(Tijdschr. Diergeneesk., 88,
II54, (1963)).

Introduction to a discussion on 19th October 1963 at the Annua! Meeting of
the Royal Neth. Veterinary Association, Utrecht, in pursuance of a paper by
A. Kemp in
Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1154, (1963).

2  A. Kemp; technisch hoofdambtenaar aan het Instituut voor Biologisch en Schei-
kundig Onderzoek van Landbouwgewassen te Wageningen; Bornsesteeg 65-67,
Wageningen.

-ocr page 1109-

Ons onderzoek kan achtereenvolgens in drie delen worden ingedeeld.
In de eerste jaren werd in het werkgebied van het Instituut Buitenpraktijk
van de Faculteit der Diergeneeskunde een enquête gehouden op „kop-
ziekte"- en „niet-kopziektebedrijven". De resultaten van dit statistisch
onderzoek maakten het mogelijk enkele adviezen voor de praktijk op te
stellen t.a.v. de ])reventie van kopziekte.

Deze gegevens werden hierna experimenteel getoetst, v/aarbij met behulp
van beweidingsprocven het effect van diverse factoren op de magnesium-
gehalten \\an het bloedsermn werd bestudeerd. In verschillende proeven
werd hypomagnesemie en kopziekte opgewekt.

Teneinde de aan het weidevoer te stellen kwaliteitseisen nauwkeuriger te
kunnen omschrijven en meer inzicht te krijgen in de werking van de fac-
toren die verband zouden houden met het niveau \\ an de serummagnesium-
gehalten, werd een groot aantal balans]jroeven uitge\\oerd. Hieruit bleek
dat hy])omagnesemie ontstaat wanneer de door het dier benutte hoeveel-
heid vocdermagnesium kleiner is dan de hoeveelheid die nodig is voor
onderhoud en produktie. Een magnesiumdeficiënte voeding wordt bij het
ontstaan van hypomagnesemie als hoofdoorzaak gezien.

Het probleem van de hypomagnesemie wordt door dierenartsen en land-
bouwkundigen verschillend benaderd en „De weg tot elkander" lijkt moei-
lijk te zijn. Het artikel van S e e k 1 e s cn H e n d r i k ; heeft een sterke po-
lemische en antithetische inslag waarbij uitsluitend ingegaan v/ordt op een
klein deel, nl. het statistische deel, van ons onderzoek. Het veel belang-
rijkere experimentele deel, alsook de nieuwere onderzoekingen uit Engeland
worden niet \\ernicld.

Seekles en Hendriks wijzen o]) een aantal discrepanties tussen het
„Utrechtse" en het „Wageningse" (uitsluitend statistische) onderzoek, die
echter voor een deel berusten op het onjuist refereren van onderzoek-
resultaten. Voor een ander deel zijn de discreiianties een .gevolg van de
door de schrijvers bij de beweiking van hun gegevens gebruikte methodiek,
die statistisch onaanvaardbaar is.

Een voorbeeld liicrvan is te vinden in de door bovengenoemde schrijvers
gepubliceerde tabel 3 op blz. 1105 van het tijdschrift. Hierin wordt .ge-
tracht aan te tonen dat de door \'t H a r t en K e m p gesignaleerde samen-
hang tussen de verhouding K/(Ca Mg) in het gras en het aantal kop-
ziektegevallen onjuist zou zijn. De in de laatste kolom van de genoemde
tabel vermelde waarden voor de „gevonden koi^ziektefrcquentie" geven
geen verschillen te zien, waaruit de conclusie werd getrokken dat de door
ons vermelde relatie derhalve niet kon worden bevestigd.
Deze door Seekles en Hendriks meermalen .gepubliceerde conclusie
is onjuist c.mdat de waarden voor de „kopziektefrequentie" in de laatste
kolom niet de kopziektefrequentie in de verschillende klassen K\'(Ca-l-Mg)
weergeven, doch slechts de reciproke waarden zijn van de gemiddelde
grootte van de veestapels uitgedrukt in procenten. De oorzaak hiervan is
dat de schrijvers niet zijn uitgegaan van een aantal willekeuri.ge bedrijven
(kopziekte- en nict-kopziektebedrijven), maar uitsluitend van percelen
waarop een geval van kopziekte werd geconstateerd. Wat in feite in deze
tabel wordt weergegeven is, dat er geen relatie zou bestaan tussen de ver-
houding K/(Ca
-I- Mg) in het gras en de grootte van de veestapel.
Bij nadere beschouwing van dit materiaal is het zelfs moeilijk om een relatie

-ocr page 1110-

tussen de samenstelling van het gras en de kopziektefrequentie te ontken-
nen.

Bij de preventie van de kopziekte moet het voorkómen van hypomagnesemie
uitgangspunt zijn. De ervaringen van de laatste jaren, volgens welke het
opwekken zowel als het voorkómen van hypomagnesemie zeer gemakkelijk
zijn te verwezenlijken, brengen ons tot de uitspraak dat op alle bedrijven de
kopziekte kan worden voorkomen
mits serieus en consequent de goede
maatregelen worden getroffen.

Landbouwkundige maatregelen ter verbetering
van de magnesiumvoeding van weidend rund-
vee.1)

Agricultural measures to improve the magnesium
intake for grazing cows.

door H. DE GROOT2)

Bij de landbouwtelling in december 1961 werden op 28034 bedrijven
45325 gevallen van kopziekte geregistreerd, waarvan 7845 met dodelijke
afloop.\'In dec. 1962 waren het op 22187 bedrijven 32303 gevallen, waar-
van 5408 met dodelijk afloop. Uit deze cijfers is af te leiden, dat de schade
door kopziekte in deze jaren zeer groot is geweest. Maar zelfs wanneer
men de directe en de indirecte schade in een ongunstig jaar op
ƒ 10.000.000,— zou stellen, is dit een gering bedrag per melkkoe n.1. onge-
veer ƒ 6,—, of per ha grasland berekend ongeveer f 7,50. Dit betekent,
dat men met algemene maatregelen, waaraan nogal wat kosten zijn ver-
bonden, spoedig meer kosten zou kunnen maken dan verantwoord is.
Voor de individuele bedrijven, waar regelmatig gevallen van kopziekte
voorkomen, ligt dit uiteraard anders. Maar ook voor deze bedrijven geldt
in bet algemeen de regel, dat ze bedrijfseconomisch bezien klein zijn en
dat daarom een intcnsi\'ef graslandgebruik, waarbij hoge opbrengsten wor-
den verkregen, noodzakelijk is. Een sterke extensivering als een maatregel
om kopziekte te ontgaan, komt daarom niet in aanmerking.
Volgens het onderzoek van Kemp hangt het optreden van hypomagne-
semie samen met de stikstof-, het kalium- en het magnesiumgehaltc van
het gras. Vele factoren beïnvloeden de chemische samenstelling van het
gewas. De botanische samenstelling heeft grote invloed. Maar bij een in-
tensief gebruik van blijvend grasland is er weinig perspectief om langs die
weg tot een aanmerkelijke verbetering te komen.

De belangrijkste maatregel, die de boer ter beschikking staat, is om via de
bemesting invloed uit te oefenen. De stikstofbemesting kan, gezien de nood-

1  Inleiding tot een discussie, gehouden op 19 oktober 1963 tijdens de Algemene
Vergadering van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht,
naar aanleiding van een artikel van H. de Groot
(Tijdschr. Diergeneesk., 88,
1181, (1963)).

Introduction to a discussion on 19th October 1963 at the .Annual Meetmg of
the Royal Neth. Veterinary Association, Utrecht, in puisuance of a paper by
H. de G root in
Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1181, (1963).

2  Ir. H. de Groot; medewerker aan het Proefstation voor de Akker- en Weide-
bouw; Bornsestceg 45, Wageningen.

-ocr page 1111-

zaak om hoge opbrengsten te verkrijgen, niet worden gemist. De ongun-
stige invloed, die van de stikstof kan uitgaan, is te beperken door te letten
op de aanwendingstijd en de soortenkeuze en door extreme giften te ver-
mijden, vooral met een te ruime kalivoorziening.

Overmaat kali is schadelijk. Zeer hoge kaligehalten in het gras zijn voor-
namelijk te verwachten bij hoge kalitoestanden in de grond en dan des te
meer als daarbij nog een kalibemesting wordt gegeven. Hoge kalitoestan-
den, gewoonlijk ontstaan door meerdere keren te veel te geven, moeten
worden vermeden door een juiste bemestingspolitiek, inclusief het gebruik
van gier en stalmest. Indien de kalitoestand te hoog is, kan deze door veel
maaien worden teruggebracht.

Anderzijds moet er voor worden gewaakt, dat er kalitekorten optreden,
die dc opbrengst zouden drukken. Het is wellicht goed in dit verband op
te merken, dat een flinke kalibemesting op kali-arme grond in het algemeen
geen hoge kaligehalten in het gewas zal geven.

Door middel van een magnesiumbemesting kan op alle grondsoorten het
magnesium-gehalte van het gewas worden verhoogd. Op zand- en dal-
gronden kan grondonderzoek een hulpmiddel zijn voor het bepalen van de
grootte van de gift. Het effect van de magnesiumbemesting is afhankelijk
van de kalitoestand en vooral van de kalibemesting. Verwacht wordt, dat
op veel zandgronden regelmatig cen magnesiumbeniesting nodig is. Als
snelwerkende meststof komt kicseriet in aanmerking. Het gebruik van mag-
nesamon als stikstofmest kan in voorkomende gevallen worden aanbevolen.
Hoewel ouder gras een gunstiger samenstelling heeft, zijn er grote bezwaren
om in een later grocistadium in te scharen.

In het bijzonder in natte perioden kunnen de droge-stofgehalten van het
gras laag zijn. De met hct gras opgenomen hoeveelheid droge stof is moge-
lijk soms te gering om voldoende beschikbaar magnesium oj) te nemen.
Maatregelen, die de smakelijkheid van het gras zouden kunnen verminde-
ren, moeten daarom worden vermeden.

Door middel van een geschikte bijvoeding kan de magnesiumvoeding van
hct melkvee worden verbeterd. Met 2 kg droge pulp per dier per dag of
met daarmee overeenkomende hoeveelheden ingekuilde natte pulp of
aardappelvezels zijn in de praktijk goede resultaten bereikt. Onder on-
gunstige omstandigheden is dit blijkens onderzoek niet altijd voldoende.
Het bijvoeren van magnesiumoxyde-houdende koeken, waarbij elke koe
dagelijks 30 gram magnesium (50 gram magnesiumoxyde) worclt gegeven,
biedt meer zekerheid. Helaas is de opname soms minder goed, terwijl ook
nog al wat koeken in de handel zijn gebracht met een te laag gehalte.
Of de bijvoeding verantwoord is, al of niet in combinatie met een wijziging
in de bemesting, of dat de voorkeur moet worden gegeven aan een gewij-
zigd bemestingsbeleid alleen, zal de boer op grond van bedrijfseconomische
overwegingen moeten beslissen.

Het gevaar blijkt bestaan, dat een boer wiens bedrijf enige jaren vrij is
gebleven van kopziekte, maatregelen nalaat of de planning veronacht-
zaamt en daardoor opnieuw moeilijkheden optreden. Dat dit niet denk-
beeldig is, is b.v. bij de maatregelen tegen kopergebrek wel gebleken.
Op veel bedrijven zal met een betere bemestingspolitiek alleen al heel wat
zijn te bereiken. W i 11 e m s e n heeft voor mij de gegevens nagegaan van
9 gemengde zandbedrijven, waarvan de gegevens als voorbeeldbedrijf vrij

-ocr page 1112-

volledig bekend zijn over de jaren 1956 tot en met 1960. In 1956 was de
gemiddelde melkveebezetting op deze bedrijfjes totaal 60 stuks. Er kwa-
men toen 16 kopziektegevallen in de weide voor en één op stal, totaal
25,8%. Er is toen veel aandacht aan de planning van de bemesting en het
graslandgebruik besteed. In 1957 was het aantal kopziektegevallen 5,7%,
in 1958 1,3% en in 1959 en 1960 nul gevallen. In het droge jaar 1959 is
wegens grasgebrek veel bijvoer gegeven, maar in 1960 is de bijvoeding in
de weide gering en incidenteel geweest. Helaas is niet zeker of alle mag-
nesiumbemestingen zijn opgegeven, zodat wij alleen maar kunnen zeggen
dat deze vermoedelijk gering is geweest. De stikstofbemesting lag op deze
bedrijven rond 150 kg N per ha per jaar. De kalibemesting lag in 1960
op hetzelfde niveau als in 1956. De maatregelen hebben dan ook weinig
extra uitgaven meegebracht.

Hoewel dit erg gunstig lijkt, moet worden bedacht, dat de periode toch
kort is geweest, vooral omdat 1959 als een jaar met zeer abnormale weers-
omstandigheden uitvalt. Helaas zijn niet van alle bedrijven gegevens over
de laatste jaren bekend. Van de 5 bedrijven waarover nog latere gegevens
voorhanden zijn, zijn er 2 waarop in 1961 of 1962 opnieuw kopziekte is ge-
constateerd. Op één bedrijf waren er 2 gevallen, beide op nieuw ingezaaid
grasland, waarvan het gewas arm aan klaver en kruiden was. Het is be-
kend, dat op jong grasland het gras nogal eens een afwijkende samen-
stelling heeft.

Hier heeft de boer kennelijk niet voldoende rekening mee gehouden. Op
het andere bedrijf was ook nieuw ingezaaid grasland, maar omdat de be-
trokken boer zich bij de navraag niet meer herinnerde onder welke om-
standigheden de gevallen zich hadden voorgedaan, is hier weinig van te
zeggen.

Wanneer ik echter in aanmerking neem dat op vele bedrijven - - zowel
intensieve als minder intensieve — kopziekte weinig of niet voorkomt, dan
meen ik mijn indrukken te mogen samenvatten met de stelling, dat met
landbouwkundige maatreglen het aantal kopziektegevallen sterk moet
kunnen worden verminderd.

DISCUSSIE

Na de inleiding van Ir. de Groot werd een korte pauze gehouden, waarna zich
een forum vormde, bestaande uit de inleiders en Dr. H. J. Hendriks, die onder
leiding van Prof. Ir. M. L. \'t Hart, discussieleider, door het auditorium gestelde
vragen beantwoordden.

Prof. Ir. M. L. \'t H a r t opende de vergadering met een welkom tot de aanwezigen
en de opmerking dat de vertegenwoordigers van Utrecht en Wageningen gebroederlijk
naast elkaar zaten, waarna hij voorstelde de ter discussie te stellen onderwerpen aan-
gaande de kopziekte in 4 groepen onder te brengen, n.1.:
de diagnose,

het fysiologisch georiënteerde onderzoek,
de therapie,
de preventie.

De preventie werd doelbewust als laatste onderwerp gekozen, aangezien anders wel-
licht de gehele middag hieraan zou worden besteed.

Aangaande de diagnose van kopziekte werd als eerste het woord verleend aan:
Dr. J. S. R e i n d e r s: Kopziekte is één van de klinische vormen van hypomagnesemie
en wel de vorm gepaard gaande met krampen.

-ocr page 1113-

Hypomagnesemie komt echter op stal ook nog wel eens voor in een vorm, waarbij
de paralyse overheerst.

In verband met de diagnose zou ik graag het vol.gende geval onder Uw aandacht
brengen. Tevens wordt dit geval aangehaald, omdat hieruit blijkt, dat de normen die
Kemp aangeeft voor het ontstaan van hypomagnesemie in de weide, hier niet op-
gaan. Dit is niet als kritiek bedoeld: ik ben het met Kemp eens dat kopziekte in
verband staal met het Mg-gehalte, het ruweiwitgehalte en in mindere mate met het
K-gehalte van het voedsel. Ik kan me ook een direct verband voorstellen met het
Mg- en het K-gehalte, maar ten opzichte van het ruweiwitgehalte en zeer waar-
schijnlijk andere organische bestanddelen van het voer ligt het anders. Hoe zijn deze
eiwitachtige stoffen en welke stoffen hiervan door de pensflora worden gemaakt, zijn
zeer zeker factoren die van belang zijn. In het kort, de organische stoffen zijn
ér de
oorzaak van dat het ontstaan van hypomagnesemie nog niet door een rekensommetje
te bepalen is.

Op een bedrijf met 30 melkkoeien kregen 14 dieren kort na de partus melkziekte. Reci-
dieven kwam.en vrij veel voor, soms nog 3 tot 5 weken nadien. Andere symptomen
waren onvoldoende melkproduktie, onvoldoende eetlust, weke, slijmige faeces, dof
baarkleed, het uieroedeem na de partus was snel verdwenen. De duidelijkste afwij-
kingen werden bij de goede produktiedieren waargenomen.
Een koe met
25 1 melk (4% vet) kreeg het volgende rantsoen:

v.r.e.

Z.W.

22 kg silage

638

2618

7 kg hooi (jong stadium)

427

2324

1 kg gedroogd gras

134

503

krachtvoer (natte bak)

467

2112

1 kg C-koek

240

650

1906

8207

Voedernorm

1950

9780

De dieren ontvingen te weinig

44

1573

De onderstaande analyses zijn var

1 de gevoerde sila.ge, het gevoerde hooi dat in cen

kort stadium gemaaid was en van

grof, lang hooi, afkomstig van een

kunstweide dat

met .gevoerd werd. De kwaliteit van dit laatste hooi was volgens de

eigenaar onvol-

doende voor pas gekalfde koeien.

droge stof

Z.W.

v.r.e. ruweiwit in de droge stof

silage 24

119

29

177

hooi (kort) 83

332

61

137

hooi (lang) 83.6

359

42

101

Minerale samenstelling (%

in de droge stof)

K

Na

Mg

Ga

silage 3.88

0.13

0.28

0.72

hooi (kort) 2.09

O.ll

0.29

0.47

hooi (lang) 2.02

0.14

0.26

0.44

Gezien de ernstige toestand op dit bedrijf werd bij het eerste bezoek direct een advies
gegeven. De analyses waren toen nog niet bekend.

-ocr page 1114-

Dit advies luidde; silage verminderen tot 15 kg per dag, de helft kort en de helft
lang hooi voeren voor een betere structuur van de pensinhoud. Hierdoor werd over
enkele dagen gerekend op een hooiopname van 10 kg. Verder 1-1/s kg droge pulp en
1 kg mais glutenglucose geven in plaats van 1 kg C-koek. 3 magnesiumkoekjes per dag
geven.

Analyses van bloedmonsters van 5 koeien in mg%.

Ca

Mg

aceton

glucose

No. 1

8.7

1.5

6

55

.\\o. 2

9.7

1,3

2

60

No. 3

9.7

0.8

7

51

No. 4

7.4

0.3

2

48

No. 5

5.1

0,1

9,5

52

Vijf uur na het nemen van dc bloedmonsters kon koe no. 5 niet meer staan. Drie
weken later had zc een recidive (Mg bloed 0.6) en 14 dagen later in de weide een
kopziekte-aanval (Mg bloed 0.4).

Gaan wc nu het oorspronkelijke voer na, dan krijgen we een Mg-gehalte van 0.285%,
een kaliumgehalte van 3% en een eiwitgehalte van 15%. Bij deze gehalten kunnen
we volgens Kemp ccn bloedmagnesiumgehalte verwachten van 2.5 mg% of hoger.
Toch kwam er op dit bedrijf ernstige hypomagnesemie voor.

Ik heb sterk de indruk dat silages met een lage droge stofgeiialtc van b.v. 20-25%
en een hoog ruweiwitgehalte hoofdzakelijk verantwoordelijk zijn voor deze hypo-
magnesemie, vooral als ze gelijktijdig gevoerd worden met hooi dat in een vroeg
stadium gemaaid is.

Welke stoffen zitten in dergelijke silages of welke stoffen worden er in de pens uit
gevormd? Daar we op stal nauwkeurig kunnen nagaan wat een dier precies opneemt,
zou ik dergelijke gevallen van hypomagnesemie graag onderzocht willen zien door
de bestaande instituten. Misschien geeft een dergelijk onderzoek eerder de werkelijke
oorzaak van kopziekte dan uitgebreide balansproeven.

De heer Kemp: vindt dat een diagnoscstelhng buiten zijn terrein ligt. Hij deelt
mede, da de adviesbasis ervoor dient om een
verwachting aan te geven, maar niet
om een diagnose te stellen.

Wat betreft het door de vorige spreker bedoelde stalgeval, moet opgemerkt worden
dat de bedoelde advicsbasis werd gevormd uit materiaal verzameld tijdens dc weide-
periode en niet van stalgevallen. Het is dan ook in het genecl niet zeker dat deze
adviesbasis voor stalgevallen te gebruiken is.

Drs. G. P. .A.. F r ij 1 i n k: betoogt naar aanleiding van hetgeen de heer Reinders
heeft medegedeeld\', dat men het bloedonderzoek niet kan missen. Niet alleen in de stal-
tijd, maar ook in dc weidetijd komt bij klinische kopziektepatiënten ccn significante
verlaging van het Mg-gehalte voor met daarnaast een minder sterke verlaging van
het Ca-geha!te. In de praktijk komen in dc weidetijd koeien voor, aangekondigd als
te hebben kopziekte, maar met een melkzickte-beeld. Dus met een sterk verlaagd Mg-
gehalte en een veel sterker verlaagd Ca-gehalte dan bij normale kopziektepatiënten
wordt aangetroffen. De graag geziene scheidingslijn tussen kopziekte en melkziekte is
vaak niet te trekken.

Dr. H. J. Hendriks: bij het onderzoek van enkele honderden patiënten van het
Instituut Buitenpraktijk, waarvan bepaalde aspecten van de stofwisseling werden be-
studeerd, bevonden zich 12 dieren met hypomagnesemie en parese; dieren met een
te laag Mg- en Ca-gehalte. In verband met een tevens aangetroffen sterke daling van
het aantal eosinofiele leucocyten lijkt een onderzoek naar le functie van de bijnier
aangewezen.

-ocr page 1115-

Prof. Dr. J. A. B e ij e r s: merkt op dat men zeer voorzichtig moet zijn met het stel-
len van de klinische dia.gnosc „kopziekte", vooral in de maand mei en in de herfst.
Uit het in samenwerking met de heer Kemp uitgevoerde onderzoek bleek achteraf
— op grond van bloedonderzoek — ongeveer één derde van het aantal kopziekte-
gevallen als zodanig te moeten worden afgevoerd. Niet elke voor kopziekte behandelde
koe is als cen kopziektegeval te beschouwen.

Als khnicus hecht spreker grote waarde aan de darmverschijnselen, zich uitende aan
voorafgaande afwijkende faeces (zuur, dun, slecht verteerd).

Hij vraagt zich af of de zonder twijfel plaatsvindende darmrotting niet zou zijn te be-
ïnvloeden door aureomycine of een darmdesinficiënt, bv. enterovioform.
Voorts vroeg spreker zich af of het niet nuttig zou zijn om een vergelijking te maken
tussen het portale en het veneuze bloed; het portale bloed immers zegt ons meer over
de toestand in de darm dan het veneuze bloed uit de meikader. E.e.a. zal echter mo-
gelijk op praktische bezwaren stuiten, omdat men dieren moet opofferen.
Bij subklinische gevallen is cen snelle diagnose te stellen door het dier te exciteren,
bv. door de kop te draaien alsof men hersenonderzoek doet.

Vervolgens haalt Spreker een voorheen voorgekomen geval uit de praktijk aan, waar-
bij in een stal de minste excitatie krampen tevoorschijn riep en waarbij succesvol een
therapie met Mg, gevolgd door een injectie van een CaJM.g-mengsel v/erd toegepast.
Spreker was het volkomen eens met de door Prof. Sjollema ontworpen theorie
van eiwit-overvoeding als oorzaak der ziekte en hij schrijft aan de darmen een grote
invloed toe t.a.v. het ontstaan van kopziekte.

Drs. G. P. A. Kr ij link: naar aanleiding van dc opmerking van Prof. Beijers
dat betere ge.gcvens te verkrijgen zouden zijn bij onderzoek van het portale bloed,
merkt Spreker op dat postmortaal onderzoek van het bloed van een aan kopziekte
gestorven nmd praktisch altijd een hoog-normaal M.g-gehalte aanwijst.
Van één aan kopziekte lijdende koe was het mogelijk bij h»t voortschrijden van het
ziekteproces hypomagnesemie te constateren; bloedmonsters genomen vijf minuten
vóór de dood en onmiddellijk nä de dood toonden een hoog-normaal M.g-gehalte.

Prof. Dr. J. A. B e ij e r s: men moet voorzichtig zijn bij het bloedonderzoek van ster-
vende en afgemaakte dieren, men kan uit het onderzoek daarvan geen conclusies trek-
ken.

Spreker stelt de vraag of er een verklaring te vinden is voor het feit dat kopziekte,
voorheen in Nederland gelokaliseerd langs de Oude Rijn, thans over geheel West-
Europa voorkomt.

Prof. Ir. M. L. \'t H a r t: op de vraag van Prof. B e ij c r s zal nog in het algemeen
worden teruggekomen.

Aangezien .geen vragen meer te stellen zijn over de diagnose, komt het fysiologisch
gerichte onderzoek naar de oorzaken van kopziekte ter discussie.

Dr. P. W. M. van A d r i c h e m: de mening van Prof. S c e k 1 e s, dat cr alle aan-
leiding toe bestaat om in het bijzonder de functie van het bijnierschors-hypofyse-
systeem nauwgezet te onderzoeken in verband met grastetanie is Spreker uit het
hart gegrepen.

Bij gevallen van kopziekte in de buurt van Hoorn werd speciaal aandacht besteed
aan de verhouding van K en Na in dc urine van kopziektepatiënten, vergeleken bij
die van runderen op hetzelfde perceel, die geen kopziektevcrschijnsclen vertoonden.
Bij een vijftal gevallen bleek deze K/Na-verhouding sterk verlaagd te zijn tot 2, 3
of 4. Zelfs dieren, verdacht te lijden aan kopziekte en behandeld met Ga,/Mg, maar
niet hersteld, behielden deze lage K/Na-verhouding net zolang tot herstel intrad.
Bij een normale Na-voorziening varieert de K/Na-verhouding in de urine van een
gezonde koe tussen 10 en 30. Is er een tekort aan Na in het rantsoen, dan kan deze
verhouding stijgen tot ver boven 100..

Spreker vraagt zich nu af of deze zeer lage K-waarde bij kopziektepatiënten (onge-
veer 150 mg%) en hoge Na-uitscheiding bij een normaal s.g, van de urine geen aan-

-ocr page 1116-

wijzingen kunnen zijn voor een niet goed funcdoneren van de hijnier en of men
langs deze chemische weg de diagnose kopziekte niet nauwer zou kunnen omschrijven.

Prof. Dr. L. Seekles; acht dc funcde van de bijnierschors zeer belangrijk. Spreker
vraagt de heer Van .Adrichem of bij de vijf bedoelde gevallen gedacht moet
worden aan een hypofunctic van de bijnier.

Dr. P. W. M. vanAdrichem; bevestigt dat de verschijnselen wijzen op een hypo-
functic van de bijnier, maar de mogelijkheid bestaat dat er juist een hyperfunctic
van de bijnier aan vooraf is gegaan, die men thans niet meer kan waarnemen.

Prof. Dr. L. Seekles: stelt dat men hier dan te maken zou hebben met een hypo-
functic van de bijnier. Spreker wijst in dit verband op het proefschrift van S y b e s-
m a, de functie van de bijnierschors beoordelend naar het morfologi.sch beeld van
aan kopziekte gestorven dieren. Bij dit onderzoek na de dood waren o.m. 28 gevallen
van kopziekte betrokken en werd veeleer een hyperfuncde van de bijnier aangetroffen,
d.w.z. dus in een ernstig stadium van de ziekte.

In verreweg de meeste gevallen zou men kunnen veronderstellen dat de bijnierschors
dan teveel heeft gewerkt en wat daarvan dan het gevolg zou zijn geweest als de dieren
langer geleefd hadden is natuurlijk niet te zeggen.

Bij het laboratoriumonderzoek heeft men de kenmerken van het witte-blocdbeeld als
criterium aangenomen, aldus intra vitam aan de veranderingen daarvan afwegend
of sprake is van een hypofunctic dan wel van een hyperfunctic (Hendriks).
Spreker is geneigd meer te geloven in een hyperfunctie en informeert of het Na-
gehalte in de urine ook verhoogd was of hetzelfde bleef.

Dr, P. W. M. van Adrichem: deelt mede dat ook het Na-gehalte in dc urine
vergeleken bij dat van de andere koeien in de weide verhoogd was, het K-gehalte
sterk gedaald, bij een gelijk s,g,, vergeleken met de gezonde koeien op hetzelfde per-
ceel, Hetzelfde werd geconstateerd bij andere gevallen van kopziekte in de herfst.
Zijn ervaring beperkt zich echter tot cen klein aantal gevallen.

Prof. Dr. L. Seekles: een verhoogde uitscheiding van Na zou inderdaad in dc
richting van een hypofunctic van de bijnierschors wijzen. Spreker verzoekt Dr.
Hendriks, die hierover onderzoekingen heeft verricht, nader hierover zijn mening
ten beste te geven.

Dr. H. J. Hendriks: de bijnierschors bestaat uit 3 lagen; dc twee binnenste pro-
duceren glucocorticoiden die betrekking hebben op de suikerstofwisseling, de buitenste
zone produceert aldosteron. Bij een verhoogde produktie va.i dc binnenste zones zal
— afhankelijk van het Na in het voedsel — de buitenste laag minder aldosteron af-
scheiden (wisselwerking). Men verkrijgt dus het beeld van een hyperfunctic van dc
2 binnenste zones en een hypofunctic van de buitenste laag. Een verlaagd aldosteron-
gehalte van het bloed kan een stijging van het K-gchaltc en een daling van het
Na-gehalte in de urine ten gevolge hebben.

Mogelijk speelt de functie van de bijnierschors ergens een belangrijke rol bij de Pa-
thogenese van kopziekte.

Dr. P. W. M. van .Adrichem: vraagt of er geen misverstand in het spel is. Bij
hyperaldosteronemie krijgt men een verhoogde K-afscheiding en cen verlaagde Na-
uitscheiding,

Dr. H. J. Hendriks: ja.1)

Prof. Dr. Th. Stegenga: stelt de vraag of hyperfunctie van de bijnier bij koeien in
het begin van de weidetijd, die vaak samenvalt met de maximale melkgift, niet min
of meer als een fysiologische toestand bij die dieren is te beschouwen en dus mis-

1  Spr. voegt hieraan thans toe, dat inderdaad sprake is v.in cen misverstand, bij
de beantwoording van de vorige vraag dienen K en Na te worden omgewisseld.
Mogelijk kan er bij kopziekte sprake zijn van hypo-aldosleronemie.

-ocr page 1117-

schien ook bij gezonde dieren, die om andere redenen zijn gestorven, gevonden kan
worden.

Dr. H. J. Hendriks: het onderzoek, door Garm verricht, wijst wel in die
richting.

De resultaten hiervan en van een door hem bij melkziekte en kopziekte verricht
onderzoek zijn aangevochten en tegengesproken; ze komen ook niet overeen met de
in Utrecht verkregen uitkomsten.

Dr. W. Sybesma: bouwt voort op hetgeen over zijn proefschrift en door de
heer Hendriks werd gezegd en merkt op dat het histologisch beeld van de 2e
laag —immers verantwoordelijk voor de produktie van glucocorticoiden — op een
hyperfunctie wees, zodat misschien de verhouding tussen glococorticoiden en aldoste-
ron in negatieve zin voor het aldosteron uitviel.

Spreker acht in dit verband niet alleen de bijnier belangrijk, doch ook de schild-
klier die in hyperfunctie treedt bij het optreden van temperatuursverschillen, zoals
bij het in de weide gaan der dieren voorkomen en waardoor de Mg-behoefte van het
organisme stijgt. In eerste instantie heeft een verhoogde schildklierfunctie ook een
verhoogde bijnierfunctie tot gevolg, doch bij een langdurige h>\'perfunctie van de
schildklier kan cen disregulatie van het gehele re.gulerend systeem ontstaan bv. bij
een langdurige koudeperiode, met mogelijk als gevolg afwijkingen in de K- en Na-
uitscheiding. (Zie vraag van Van Adrichem en artikel van Sybesma
Tijd-
schrift Diergeneesk.,
85, 346, (i960))

Ingaande op de vraag van Prof. Stegenga merkt Spreker op dat bij normale,
uit de weide afkomstige slachtdieren histologisch niet die hyperfunctie als bij kop-
ziekte-dieren was aangetroffen.

Bij een persoonlijk onderhoud met Prof. Garm bleek hem dat deze niet de des-
tijds verkregen resultaten meer geheel onderschreef.

Drs. R. J. Bake ma: licht de in de praktijk voorkomende onzekere prognose bij
.gevallen van kopziekte toe. Vol,gens zijn ervaring zijn het voorkomen van donker ge-
kleurd ingedikt bloed en dunne stinkende faeces ongunstige voortekenen voor het
verloop.

Door Spreker verrichte secties van aan kopziekte gestorven dieren aan het abattoir
te Hoogezand verliepen aanvankelijk teleurstellend, doch later kon de aanwezigheid
van bloedingen in de dunne-darm wand als pathognomonisch worden aangemerkt.
Aan.gaande de
Pathogenese werden door Spreker experimenten uitgevoerd, waarbij
uit de darminhoud van aan kopziekte gestorven dieren een — helaas niet chemisch
onderzochte — stof kon worden geïsoleerd, waarmede bij konijnen door injectie van
0,3 tot 0,5 cm\'\' kopziekte kon worden opgewekt. Ook bij runderen gelukten hiermede
— onder het nemen van de nodige voorzorgen — door injectie van 1,0 tot 1,5 cm®
van de stof de proefnemingen.

De kramptoestand was op te heffen door injectie van een Ga/Mg-oplossing en de
giftige stof werd onwerkzaam door toevoeging van MgO. Spreker trekt hieruit voor-
zichtig de conclusie dat er mogelijk een abnormale eiwitrotting in de darm plaats-
vindt, waaraoor de door hem geïsoleerde giftige stof (histamine?) zou ontstaan. Hij
veronderstelt de mogelijkheid dat cen normale melkkoe, die wat de magnesiumvoor-
ziening betreft er ongunstig voorstaat, tracht het voor de nntgifting van deze stof
benodigde Mg er via de darm aan toe te voegen en zodoende door een aldus ontstaand
tekort aan Mg de kopziekte-aanval krijgt.

Prof. Dr. L. Seekles: acht het interessant dat de heer Bakema met extract
uit darminhoud bij konijnen en koeien kopziekte-achtige verschijnselen heeft op-
.gcwckt. Becher (1937) vermeldt proeven, waarbij vloeistofmonsters, afkomstig
uit verschillende delen van de dunne en de dikke darm, intraveneus bij konijnen
werden ingespoten. Heeft de vorige Spreker dit ook intraveneus gedaan?

Drs. R. J. Bakema: ja.

-ocr page 1118-

Prof. Dr. L. Seekles: het darmkanaal blijkt zeer veel stoffen te bevatten, die on-
middellijk aanleiding tot het optreden van krampen geven.

Dit zijn giftige produkten,door Proteolyse gevormd en Becher constateerde een
grotere giftigheid alnaarmate het monster van een meer or-.ial gelegen deel van de
dunne darm afkomstig was. Dit duidt op aanwezigheid van polypcptidc-achtigc
stoffen, van niet geheel afgebroken eiwitten dus. Dit komt niet geheel overeen met
hetgeen dooi Spreker werd gevonden. Heeft de heer Bakema de monsters uit de
dikke darm getrokken?

Drs, R. J. Bakema: neen, uit dc dunne darm.

Prof, Dr, L. Seekles: U zult dan waarschijnlijk dezelfde stoffen als Becher
hebben onderzocht en dit zijn vermoedelijk polypeptiden.

De stoffen waar Spreker naar zoekt ontstaan in een meer naar achter gelegen decl
van de darm, waar de Proteolyse al geheel heeft plaatsgevonden en de aminozuren
zijn gevormd. Deze aminozuren worden in de dikke darm door uit dc darmflora af-
komstige enzymen gedecarboxyleerd en zo ontstaan dc aminen. Deze aminen zijn voor
de kopziekte interessanter dan dc door dc heer Bakema genoemde stoffen, die
— naar het schijnt — met kopziekte op zichzelf niet zo heel veel te maken hebben.
De evenzeer belangwekkende mededeling over de ontgiftende werking van MgO is
zeer juist. Het Mg-ion is in staat om chclaten — vroeger complexen genoemd —
te vormen; ringvormige verbindingen waarbij één der elementen in de ringstructuur
door Mg wordt gevormd, gebonden aan een carboxyl- en een aminogroep. Dit zijn
zeer stabiele verbindingen, die veel minder giftig zijn dan dc stoffen waaruit ze ont-
stonden.

De overwegingen die ertoe geleid hebben MgO te gebruiken voor dc preventie van
kopziekte, zijn van tweeledige aard, nl, te trachten dc toestand in het darmkanaal
te verbeteren door enerzijds de chelaatvorming te bevorderen en anderzijds de over-
maat Mg in de darm in staat te stellen in het bloed over tc gaan.
Spreker dankt dc heer Bakema voor zijn mededelingen, evenals voor dc opmer-
king dat hij de opgewekte kramptoestand kon opheffen door injectie van een Ca/Mg-
mengsel,

Dc heer A, Kemp: stelt dc heer Bakema dc vraag of het M,g-gchaltc van het
bloedserum bij het optreden van dc acute kopziektcvcrschijnsclcn tijdens zijn experi-
menten ook laa.g was, en zo ja, of dit ook het geval is geweest vóór dc intraveneuze
injectie met de geïsoleerde stof plaats vond,

Drs, R, J, B a k e m a: de proeven werden genomen op normale konijnen die gehouden
werden op een normaal rantsoen. Vóór het in.spuiten werden cr .geen bloedmonsters
van onderzocht.

De heer A, Kemp: dus is het niet zeker dat het kopziekte is .geweest?

Drs, R. J. Bakema: na de inspuiting werden van de konijnen wèl bloedmonsters
onderzocht, waarbij een acute hypomagnesemie werd waargenomen.

De heer A, Kemp: Dank U,

Drs, R, J. Bakema: deelt Prof, Seekles mede, dat injectie van een op dezelfde
wijze bereid extract van normale slachtrunderen geen kopziektc-achtige verschijn-
selen ten gevolge had.

Prof. Dr, G, Wagenaar: meikt op dat in het artikel van Seekles en Hen-
driks
(Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1118, 1963) in de samenvating de begrippen
„abnormale processen in het maagdarm kanaal" en „enterogene intoxicatie" identiek
worden gesteld, hetgeen z,i. niet juist is.

Evenmin is het juist in tabel 2 (pag, 1103) het begrip „gastrointestinale autointoxi-
catie" gelijk te stellen met de daarachter geplaatste „indigestie".

Spreker stelt de vraag welke toxine bij kopziekte in de bloedbaan is aangetoond;
1886

-ocr page 1119-

anders kan men moeilijk spreken van enterogene autointoxicatie. Spreker is van me-
ning, dat indien nog geen toxine exact aangetoond is kunnen worden, men er ver-
standig aan doet bij l.opziekte niet te spreken van autointoxicatie.
Voorts is Spreker van mening dat praktisch bij iedere ziekte, en zeker niet alleen bij
kopziekte, gesproken kan worden van „een stoornis waarbij oecologische en soma-
tische factoren om de voorrang strijden" (pag. 1118, 8e).

Prof. Dr. L. Seekles1): Inderdaad .geldt de gewraakte zinsnede „een stoornis
waarbij oeco)ogische en somatische factoren om de voorrang strijden" niet alleen voor
kopziekte2). Het begrip „enterogene autointoxicatie" is verbonden met het begrip
„dysbactcrie", dat reeds in 1905 in de medische literatuur wordt genoemd en van
welke literatuur door Becher in 1937 een goed overzicht werd samengesteld.
Een antwoord op de vraag van welke toxinen sprake is, is moeilijk te geven3).
Momenteel wordt aandacht besteed aan de
biogene aminen, die ontstaan door het
verlies van koolzuur uit de normale aminozuren. De normale aminozuren zijn, indien
in niet te hoge concentraties aanwezig, niet giftig. De dccarboxylatieprodukten, de
aminen, daarentegen kunnen in zeer kleine concentrades zeer giftig zijn,
VanRheenen heeft er een twintigtal van kunnen isoleren.

Deze aminen ontstaan in de dikke darm van normale en aan kopziekte lijdende run-
deren en uit het thans nog in bewerking zijnde cijfermateriaal zal moeten blijken
of bij normale runderen de hoeveelheid ervan gering is en bij „abnormale" runderen
groot.

Hiermede is het onderzoek echter nog lang niet ten einde. Nog .giftiger stoffen bv,
worden gevormd door
bacteriën (specifieke bacterie-toxinen) en tenslotte kennen we
de reeds eeider genoemde
polypeptiden, waaromtrent nog geen onderzoek werd ver-
richt.

Prof, Ir, M, L, \'t Hart: stelt wegens het reeds vergevorderde uur voor thans de
preventie van kopziekte ter discussie te stellen, omdat dit een onderwerp is dat van
landbouwkundi.ge zijde nogal sterk naar voren is gebracht en de menin.gen over de
betekenis en de eventueel te bereiken resultaten ervan nog wel vrij sterk uiteenlopen.
Nog één spreker krijgt het woord over diagnose en therapie van kopziekte.

Collega Br, Bruins Pzn,: brengt naar voren, dat naar zijn mening de rol, die het
Mg speelt bij kopziekte een tc centrale plaats inneemt in de verschillende verhan-
delingen.

Hij meent dat zowel hel verlaagde Ca-gehalte van het bloed bij kalfsziektc, als het
Mg-tekort in het bloed bij kopziekte als symptomen moeten worden beschouwd.
Terwijl er noch bij de aan kalfsziekte lijdende dieren, noch bij kopziektepatiënten
sprake is van een Ca- of Mg-dcficiëntie, meent Spreker dat het veriaagd percentage
van deze stoffen in het bloed bij deze patiënten slechts verklaard kan worden door
aan te nemen, dat de regulatoren van deze stoffen in het bloed — Spreker denkt daar-
bij aan hormonale organen — niet normaal functioneren.

Verder wees Spreker op de zijns inziens knappe onderzoekingen van collega B a k e m a,
waarbij werd aangetoond dat bij de door hem ingespoten proefdieren niet alleen de
normale uiterlijke verschijnselen van kopziekte optraden, maar tevens een verlaging

1  Er is in het artikel van Seekles en Hendriks niet gesproken van een
identiteit van „abnormale proce.ssen in hct maagdarmkanaal" met „entrogene
intoxicatie", noch van „gastrointestinale autointoxicatie" en „indigestie". Wèl
is er sprake van analogiën.

2  Dit is echter ook niet gesteld. Er bestaan verscheidene stoornissen, die op
non-adaptatie (Selije) berusten.

3  Het antwoord werd reeds herhaaldelijk gegeven, ook in het inleidend artikel
van S e e k 1 e s en He n d riks
(Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1095, 1963).

-ocr page 1120-

van het Mg-gehahe in het bloed, terwijl niet aanneembaar is dat vóór de injecties
reeds cen verlaging van het Mg-gehalte bestond.

Prof. Dr. L. Seekles; is het met de heer Bruins volkomen eens dat het regu-
lerend systeem bij kopziekte van grote waarde is. De daling van het bloed Ca- en
Mg-gehalte wordt gezien als pathognomonisch symptoom en wordt niet in de eerste
plaats bij de
Pathogenese betrokken, zoals met de aminen wèl het geval is.

Prof. Ir. M. L. \'t II a r t: stelt de preventie van kopziekte aan de orde.
Uiteengezet wordt hoe de mening van Kemp, dat hypomagnesemie ad libitum kan
worden opgewekt of voorkomen staat tegenover hetgeen door Prof. Seekles wordt
gesteld, dat in een groot aantal gevallen het patroon niet zo eenvoudig is, met het
gevolg dat de van landbouwkundige zijde voorgestane preventie slechts cen beperkt
deel zou omvatten van de gevallen, die zich uiteindelijk bij dc veestapel manifesteren.

Dr. J. Th. L. B. Ram eau: Door Prof. Seekles (1963) is gesteld dat de advies-
basis Kemp/Ramcau (Sluijsmans, 1961, 1963; Kemp, 1962; Ram eau
en Vermeulen, 1962), berustend op de gehalten aan magnesium, kalium en ruw
eiwit in het weidegras „als grondslag voor het verminderen \\an het kopziektegevaar,
wellicht cen stap in de goede richting is omdat zij ernaar str»eft de ernstigste fouten
in dc voeding weg te nemen. Zij zou echter in vele gevallen niet afdoende zijn".
Deze conclusie, gebaseerd op de cijfers vermeld in tabel B van de publikatie van
Seekles en Hendriks is o.i. niet houdbaar, aangezien de adviesbasis hier niet
is gehanteerd volgens de gegeven voorschriften. Kemp en Rameau toch hebben
gesteld dat de adviesbasis, welke is gebaseerd op een groot aantal waarnemingen (ruim
300 grasmonsters en ruim 800 bloedmonsters; Kemp, 1960) en bevesti.gd door
balansproeven met melkkoeien, alleen geldt voor het .geval dat de koeien nog in het
betreffende perceel ingeschaard moeten worden. Verder is gesteld dat vooral in het
voorjaar de waarde van het gegeven advies geringer kan worden, indien meer dan
5 tot 7 dagen na de bemonsteringsdatum nog met de beweiding moet worden be-
,gönnen.

Op deze wijze werkende is het volgens de heden ten dienste staande gegevens mo.gelijk
om aan de hand van een gewasanalyse cen voorspelling te doen of bij beweiding van
het bemonsterde perceel al dan niet cen daling van het magnesiumgehalte van het
bloed kan worden verwacht. Seekles en Hendriks daarentegen hebben gras-
monsters genomen in gevallen dat de koeien reeds kortere of langere tijd in de be-
treffende weide liepen en op het moment dat er een of meer gevallen van kopziekte
waren vastgesteld.

De betrouwbaarheid van de adviesbasis K c m p/R a m e a u is intussen door Kemp
.getoetst aan nieuw materiaal, en wel aan de hand van gegevens omtrent dc samen-
stelling van 175 grasmonsters en 697 bloedmonsters. De resultaten zijn vermeld in
tabel
i.

Tabel I (materiaal Kemp).

Verwacht volgens

Mg-blocd volgens analyse

grasanalyse

normaal1)

subnormaal*)

laag*)

N 468

321 (69%)

143 (30%>)

4 ( 1%)

S 147

48 (33%)

79 (54%>)

20 (13%)

L 82

6 ( 7%)

14 (17%)

62 (76%)

Totaal 697 monsters

In totaal werden in tabel I 67% van de gevallen bevestigd. Van de 468 bloedmonsters

1  In de tabel betekent normaal (N) 2,0-3,0 mg Mg, subnormaal (S) 1,0-2,0 mg Mg
en laag (L) lager dan 1,0 mg Mg per 100 ml bloedserum.

-ocr page 1121-

waarbij op grond van de gewasanalyse normale serummagnesiumgehalten werden ver-
wacht, blijkt 69% inderdaad normaal te zijn, 30% subnormaal en slechts 1% laag.
Doordat dit percentage „laag" te verwaarlozen is, is het risico, dat normale serum-
magnesiumgehalten worden voorspeld en dat lage waarden worden .gevonden niet
van praktische betekenis. In het subnormale traject is de kans dat de voorspelling
juist is kleiner, wat ook te verwachten is. Dit vormt voor de praktijk geen bezwaar,
aangezien hier toch het bijvoeren van magnesiumkoek wordt geadviseerd. Ten slotte
blijken van dc 82 bloedmonsters, waarbij op grond van de hierbij behorende gras-
analyse lage waarden konden worden verwacht, er inderdaad 76% laag te zijn, 17%
subnormaal en slechts 7% normaal. Het advies „niet weiden" is hier dus in de meeste
gevallen op zijn plaats.

In tabel II is dezelfde bewerking uitgevoerd met het materiaal uit tabel B van de
publikatie van S e e k 1 e s en Hendriks (1963), echter alléén voor die gevallen
waarbij de koeien 1 tot maximaal 7 da.gen in de wei .gelopen hebben. De .gevallen
waarbij een controle door een bloedanalyse achterwege moet blijven zijn uiteraard
in de bewerking niet op.genomen. Om dezelfde reden zijn de .gevallen van tabel A
buiten beschouwing gelaten.

Tabel II (materiaal Seekles en Hendriks).

Verwacht volgens
.grasanalyse

normaal

Mg-bloed volgens analyse
subnormaal

laag

N

5

0 -

0 —

5

(100%)

S

23

1 (4%)

0 —

22

(96%)

L

76

2 (2/2%)

2 (2/2%)

72

(95%)

Totaal

104 monsters

Bij vergelijking van de resultaten uit tabel II met dic van tabel I moet in aanmerking
worden .genomen, dat het materiaal van Seekles en Hendriks cen eenzijdige
greep uit het universum vertegenwoordigt, daar cr in tabel B geen gegevens van be-
drijven zonder kopziekte worden vermeld. Seekles en Hendriks .geven dit ook
zelf aan door de vermelding dat hun materiaal van typische kopzicktebcdrijven af-
komstig was.

In totaal werden in tabel II 69% van dc gevallen bevestigd. In de voornaamste groep
,,iaag" met relatief veel meer gevallen dan in de overeenkomstige groep van tabel
I blijkt de voorspelling voor 95% op tc gaan. Het advies „niet weiden" is hier dus
zeer zeker op zijn plaats.

Dat in tabel II grotere afwijkin.gen voorkomen (5 „normaal" verwacht, gevonden:
„laag"), kan, gezien dc wijze waarop dit materiaal werd verzameld, wellicht ver-
klaard worden door het feit, dat steeds de gra.smonsters wer.f\'^n genomen op de dag
dat kopziekte optrad. Er zullen dus .gevallen bij zijn, waarbij de koeien nog maar
1 of 2 dagen op het beweide en bemonsterde perceel waren, zodat het .gevonden
serummagnesiumgehalte in feite betrokken moet worden op Het voorgaande perceel.
Ditzelfde zal ook gelden voor gevallen in het subnormale traject, waar van de 23
.gevallen „subnormaal" verwacht, cr 22 „laag" gevonden werden. Zoals wij reeds heb-
ben uiteen.gezet vormt dit voor de praktijk geen bezwaar, omdat hier toch bijvoeren
van magnesmmkoek wordt geadviseerd.

Wij zijn dan ook van mening, dat zelfs in dit minder geschikte materiaal van
Seekles en Hendriks de betrouwbaarheid van de voorspelling bevestigd wordt.
Ter verduidelijking plaatsen wij hier de figuur K e m p/R a m e au, die wordt ge-
bruikt bij de advisering van grasmonsters voor snel kopziekte-onderzoek. (pag. 1890)
Ten slotte willen wij nog wijzen op de grote spreiding in de magnesiumgehalten die
er tussen de verschillende laboratoria bij analyse van dezelfde monsters optreden,
veelal een gevolg van toepassing van verschillende methodieken.

-ocr page 1122-

In de Internationale Analytische Werkgroep van het Bedrijfslaboratoriurn voor
Grond- en Gewasonderzoek, waarin 40 laboratoria, verdeeld over Europa, vertegen-
woordigd zijn, staat de magnesiumbepaling in het brandpunt van de belangstelling.
Bij grasmeel blijkt bij een gemiddeld magnesiumgehalte van 0,19% een S% (stan-
daardafwijking in procenten van het gemiddelde) van 16% te bestaan. Dc fout van de
enkele waarneming bedraagt dus 0,03%, hetgeen zeggen wil dat in 95% van de ge-
vallen bij deze laboratoria het gevonden gehalte ligt bij 0,19% ± 0,06, dus tussen
0,13% en 0,25%. Het is duidelijk dat er, op zijn zachtst uitgedrukt, grove fouten
ontstaan wanneer verschillende laboratoria die hun magnesiumbepaling niet op el-
kaar hebben afgesteld, de adviesbasis K e m p/R a m e a u hanteren.
Literatuur*).

Prof. Ir. L. M. \'t H art: dankt de heer Ram eau voor zijn duidelijk betoog, naar
aanleiding waarvan de beperktheid van de mogelijkheden die bestaan om een pre-
ventie op grond van dergelijke gewasanalyscs te voorspellen, naar voren komt.
Men heeft hier enerzijds te maken met alle uitzonderingen die kunnen ontstaan door
de omstandigheden, door dc toestand van de dieren, door het niet volgen van de
regels; en anderzijds met dc moeilijkheid om het juiste monster tc nemen op gelijke
wijze als het bij andere onderzoekingen werd genomen om tot eenzelfde analyse-
resultaat te komen van pag. 1891.

De moeilijkheid schuilt vaak in een toetsing van de waarde van een door een labora-
torium verstrekt cijfer.

LITER.ATUUR*)

Kemp, A,; Hypomagnesaemia in milking cows: The response of scrummagnesium
to alterations in herbage composition resulting from pota.sh and nitrogen dressings
on pasture,
Neth. J. Agric. Sci., 8, 281, (1960).

Kemp, A,: Over het ontstaan en de preventie van hypomagnesaemic bij rundvee,
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 529, (1962).

Ram eau, J, Th, L, B, en Vermeulen, F, H, B,: Onderzoek voor de praktijk
i,v,m. het gevaar voor optreden van magnesiumtekort bij het vee,
Tijdschr. Dier-
geneesk.,
87, 542, (1962).

S e e k 1 e s, L. en H e n d r i k s, H. J.: Hypomagnesemie en grastetanie. Bioschemische
aspecten.
Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1095, (1963).

S 1 u y s m a n s, G. M. J.: Bemesting van grasland met magnesium op basis van
grondonderzoek.
Landbouwvoorlichting, 20, (4), 198, (1963). Handboekje voor
de Landbouw^oorlichter 1961, blz. 58.

-ocr page 1123-

Prof. Dr. L. Seekles: deelt mede dat de genomen monsters geen stengelmonsters
waren, maar met de grootste nauwkeurigheid genomen grasmonsters. De M.g-bepaling
in het bloed geschiedt niet met de titaangeel-methode, maar volgens de sinds jaren
gevolgde methode, hetgeen dus vergelijkbare cijfers oplevcit. Om sneller te werken
wordt tegenwoordig de vitatron-methode toegepast en zijn de afwijkingen bepaald
van de resultaten, verkregen met de oude methode van B r i x.

Dr. Ir. J. Temme: volgens de adviesbasis R a m e a u/K e m p (1962) kan men,
aan de hand van de combinatie van magnesium-, ruweiwit (Nx6, 25)- en kalium-
gehalte van het voorjaarsweidevoeder, het bij melkkoeien — na enige dagen weiden
— optredende Mg-gehalte van hct bloedserum voorspellen.

Fig. 1.

Verband tussen verwacht en gevonden Mg-gehalte van het bloedserum van

weidende melkkoeien.

tiq bloeclstrum
- {Gevonden)

• LfiMOR. ew GUEGUEN 1963,,

^\\SEE.KLE.S t^ HENDRIKi

2.0 3,0

Hq bloeclstrum
CVERWflCHT)

Z\'

0,5

In de figuur wordt nagegaan óf, en in welke mate, cr sprake is van een duidelijk
verband tussen
verwacht en gevonden Mg-gehalte van het bloedserum.
Hiertoe werd gebruik gemaakt van gegevens, ontleend aan S e e k 1 e s/H endriks
(1963), L a r
V O r/G u é g u c n (1963) en van eigen waarnemingen (proef Lim-
bricht - voorjaar 1963).

Eerstgenoemde onderzoekers vermeldden cen .groot aantal combinaties van gewas-
samenstelling en bloedserum-magnesiumcijfers i.v.m. waargenomen kopziektesymp-
tomen. Uit dit materiaal kozen wij gevallen waarbij kopziekte optrad resp. na 5
(-h -punten en na > 20 (O-punten) weidedagen.

Op het moment dat kopziekte optrad werd van het perceel, waarin de koeien op dat
moment weidden, een gewasmonster genomen; dit monster werd onderzocht op
Mg-, rc- en K-gehalte. Op grond van de combinatie van deze drie gehalten werd

-ocr page 1124-

de verwachtingswaarde van het bloedserum-magnesiumgehalte vastgesteld. Dit ver-
wachte gehalte werd vergeleken met het in het bloedsermn gevonden gehalte.
Op dezelfde wijze bewerkten wij gegevens van Larvoren Guéguen (»-punten).
Deze onderzoekers bemonsterden — eveneens — het weidevoeder op het moment
de kopziekte-verschijnselen bij de weidende dieren werden waargenomen, waarbij te-
vens het Mg-gehalte van het bloedserum werd bepaald. Over het aantal, aan de
ziektesymptomen voorafgaande, v/eidedagen werden geen inlichtingen verstrekt.
Het merdeneel van de in de figuur vermelde gevallen geeft punten die ter rechter-
zijde van de 45°-lijn liggen. D.w.z., de
gevonden waarden zijn lager dan de ver-
wachte
bloedserum-magnesiumgehalten.

Temidden van de „5-dagen"-gevallen (S c e k 1 e s,\'H c n d r i k s) komen een aantal
voor waarbij de gevonden waarden
hoger waren dan werd verwacht. Slechts bij en-
kele gevallen werd een goede overeenstemming gevonden tussen
gevonden en ver-
wacht
bloedserum-magnesiumgehalte (punten óp of rond de 45°-lijn). Dit ont-
breken van een bevredigend verband is waarschijnlijk veroorzaakt door de wijze
waarop hier is getracht de juistheid van de verwachting te toetsen. Van een
voor-
spelling
van het Mg-gehalte van het bloedserum is immers geen sprake meer wanneer
het weidevoer bemonsterd wordt in een perceel, waarin kopziekte manifest werd,
vooral indien dit enige tijd na de inschaardatum gebeurde. Indien dc kopziekte het
gevolg was van hypomagnesemie, is het met zekerheid aan te nemen dat de hypo-
magnesemie reeds werd geïnduceerd op, in het beweidingssystem,
voorafgaande per-
celen.

Toetsing van de verwachtingswaarde van het bloedserum-magnesiumgehalte is wèl
mogelijk indien men met elkaar vergelijkt: het op een bepaald moment in het bloed-
serum gevonden Mg-gehalte èn het, op grond van de Mg-, re- en K-gchalten van
een enige dagen van te voren van het te beweiden perceel genomen gewasmonster,
verwachte Mg-niveau. Aan deze voorwaarde voldoen, in onze figuur, alléén de pun-
ten afkomstig van het hypomagnesemie onderzoek te Limbricht (1-punten).
De
volgetrokken lijn verbindt de punten dic, van 2 t.m. 29 mei 1963, het verband
tussen
gevonden Mg-bloedserum-waarden èn de verwachte gehalten aangeven. Dc
gevonden waarden zijn de gemiddelden van dc bloedserumgehalten van vijf koeien.
De
stippellijn geeft het verloop weer van het genoemde verband bij één, in dc groep
aanwezig, voor verstoring van haar magnesiunihuishouding .:cér gevoelig dier.
Bloedbemonsteringen hadden plaats op 2, 6, 10, 13, 16, 20, 27 en 29 mei 1963; de op
deze data gevonden
gemiddelde waarden voor Mg-bloedserum. zijn aangegeven met
de cijfers 1 t.m. 8; de gehalten van het zéér gevoelige dier werden met dc cijfers
(1) t.m. (8) aangeduid.*)

Op 2 en 6 mei is er, t.a.v. het gemiddelde van vijf dieren, sprake van een groot ver-
schil tussen
gevonden en verwacht bloedserum-magnesiumgehalte (resp. 1.8 - 2.1
mg% versus < 0.0 mg%). Werd dit veroorzaakt door het opstallen van de dieren?
Na 6 mei is er, op 10, 13 en 16 mei, sprake van een toenemende graad van hypo-
ma,gnesemie (maximum op 13, resp. 16 mei), op
korte termijn gevolgd door een
duidelijk herstel van de magnesiumhuishouding van de dieren (zie bv. 20 mei).
In al deze gevallen is er géén of een zeer onbevredigende overeenstemming van
gevonden en verwacht bloedserum-magnesiumgehalte. Alleen het zéér gevoelige dier
(punten (I) t.m. (8)) vertoont op 13 en 16 mei een dieptepunt van het bloedserum-
Mg-gehalte, v-iaarbij
gevonden en verwachte waarde goed overeenstemmen. Dit ver-
band is echter op 20 mei weer opgeheven.2)

1  De proefdieren te Limbricht liepen in klaverrijke kunstweiden — 20 ä 30%
klaver in het bestand —; zij kregen ca. 2 kg weidekoek per dag en werden van 29
april t.m. 6 mei \'s nachts opgestald. De koeien werden ingeschaard op 29 april.

2  Een invloed van het weiden op klaverrijke kunstweiden op de reactie van de
dieren behoeft
hier niet te worden verondersteld: de „kwaliteit" van weidevoer
wordt volgens de adviesbasis R a m e a u/K e m p, imm.ers uitsluitend afgemeten
aan de in de drogestof gevonden gehalten aan Mg, re èn K.

-ocr page 1125-

T.a.v. de weersgesteldheid tijdens de eerste weken van de weidetijd 1963 kan worden
opgemerkt dat van 9 tot ca. 13 mei koud en nat weer werd geregistreerd.
Op grond van de vermelde Limbricht-waarnemingen èn de resultaten van ons onder-
zoek in het voorjaar 1962 te
Gulpen en Vlagtwedde hebben wij de indruk dat de,
op grond van de Mg-, re- en K-gehalten van het weidevoeder,
verwachte en de
gevonden bloedserum-magnesiumgehalten bij weidende melkkoeien alleen dan rede-
lijk goed met elkaar zullen overeenstemmen indien aan cen aantal voorwaarden is
voldaan. Deze voorwaarden zijn:

1. De koeien moeten (in het voorjaar) zonder enige maatregel t.b.v. een ge-
leidelijke overgang
van stalvoeder/stalklimaat naar wcidevoer/weideklimaat zijn
overgebracht.

2. Voorafgaande aan de controlerende bloedbemonstering moet het weer, enkele
etmalen achtereen,
guur, koud en nat zijn geweest.

3. In de vergelijking (van gevonden en verwacht bloedscrum-Mg-gehalte) moe-
ten uitsluientd worden betrokken dc voor verstoring van haar magnesium-
huishouding zéér gevoelige dieren.

De weersom.nandigheden blijken in sterke mate te bepalen of weidevoer, bij gelijk-
blijvende gehalten aan magnesium, ruweiwit en kalium,
i.v.m. verstoring van de
magnesiumhuishouding „ongezond" dan wel „gezond" \\oor dc dieren is.
In het voorjaar 1962 bleek dergelijk voer, na enige etmalen met koud en nat weer
hypomagnesemie te induceren; na een korte periode van „beter" weer (droger bij
iets hogere temperaturen) herstelden de koeien volledig van de, vóórdien, opgelopen
hypomagnesemie. Dit alles speelde zich af in de loop van 7 a 10 etmalen (Te mm e,
1963).

Wij vragen ons dan ook af of de kwaliteitsbcpalende „drie-eenheid", van Mg-, re-
en K-gehalten, van het weidevoer wel in zó overwegende mate bepalend is voor het
al of niet optreden van hypomagnesemie, als door de adviesbasis R a m e a u/K e m p
wordt gesuggereerd.
Literatuur*).

Dc heer A. Kemp: Dr. Tcmmc hanteert hier materiaal van drie verschillende
onderzoekingen, n.1. van Larvoren Gucgcn; Seekles en Hendriks en
eigen materiaal, aan dc hand waarvan de door ons geïntroduceerde adviesbasis wordt
getoetst.

Dc gegevens van Larvor en Guégcn zijn gedeeltelijke afkomstig van gras-
landen uit „kopziektegcbieden" en „niet-kopzicktcgebieden", waarbij zelfs niet be-
kend is of er op de weiden waarvan deze monsters werden genomen wel of niet
kopziekte was opgetreden. Als resultaat van de bewering van dit gedeeltelijk op
vreemde wijze verzameld materiaal werd vermeld dat er een statistisch betrouwbaar
verband bestond tussen het „vóórkomen van kopziekte en het magnesium- en het
stikstofgehalte van het gras", hetgeen dus cen bevesUging is van resultaten van andere
onderzoekingen. Met het kaliumgehalte van het gras werd geen betrouwbare relatie
aangetoond, wat niet wegneemt dat in het materiaal van Larvor en Guégcn
het kaliumgehalte van het gras op de „kopziekteweiden" belangrijk hoger was dan
dat van de „niet-kopziekteweiden".

-ocr page 1126-

Het hangt er nu maar van af hoe men deze zaak wil benaderen. Wanneer er langs
statistische weg, tenminste in dergelijk materiaal, geen betrouwbaar verband kan
worden aangetoond, wil dit zeker nog niet zeggen dat deze relatie in werkelijkheid
niet bestaat. De in vele landen langs experimentele weg aangetoonde ongunstige in-
vlocd van bemesting met kalium op het optreden van kopziekte, aangevuld met re-
sultaten van voederproeven met behulp waarvan dit ongunstige effect kon worden
verklaard, is uiteraard meer overtuigend en leert de voorlichting om bij de grasland-
bemesting met deze factor terdege rekening te houden.

Het door Dr. T e m m e gehanteerde materiaal van Seekl\'is en Hendriks mag
evenmin voor deze toetsing gebruikt worden, daar de in de tabel B vermelde samen-
stellingen slechts momentopnamen zijn en niet de samenstelling van het gras over
de laatste week vóór het optreden van de kopziekte weergeven. Dit laatste is voor
dc toetsing van de door ons gegeven advicsbasis vereist. Het door ons indertijd ver-
zamelde materiaal in de Buitenpraktijk werd voor deze toetsing ook nooit gebruikt,
daar dit ook niet meer dan momentopnamen waren. Door Seekles en Hendriks
en ook door T c m m c wordt verder aangenomen dat in het materiaal van B ra n d s-
ma (publikatie Seekles en Hendriks, tabel A), de scrummagncsuimgchalten
normaal geweest zullen zijn.

Prof. Dr. L. Seekles: neen, er staat bij: ik laat in het midden of ze normaal ge-
weest zijn.

Dc heer A. Kemp: U heeft in dc tekst inderdaad staan dat U in het midden laat
of ze normaal geweest zullen zijn, maar in Uw toetsing hanteert U ze wel als nor-
maal en in de tabellen staat het ook als zodanig aangegeven. Hiermee moet men wel
voorzichtig zijn.

Ten slotte moet opgemerkt worden dat het door Dr. T c m m c getoonde eigen mate-
riaal over samenstelling van het gras en de hierbij gevonden .serummagnesiumgehalten
gedeeltelijk werd verzameld in perioden, waarin het vee werd bijgevoerd. Daar cr
met deze bijvoedering geen rekening werd gehouden is het derhalve niet toelaatbaar
om op dergelijke wijze verzameld materiaal tc gebruiken ter toetsing van dc relatie
samenstelling van het gras cn serummagnesiumgehalte. Het is bovendien dc vraag
of in dc hiervoor genoemde onderzoekingen met deze factor wel rekening werd ge-
houden. Wanneer het materiaal op deze wijze wordt verzameld, dan mag men zeker
geen hoge correlaties verwachten cn zal men die ook niet vinden.
Verder suggereert Dr. T e m m e dat er ccn invloed zou zijn van „het weer" op de
serummagnesiumgehalten. Wij hebben indertijd een indirecte invlocd van de tempe-
ratuur op de scrummagnc.siumgchalten, dus via de samenstelling van het gras, aan-
nemelijk gemaakt. Van een directe beïnvloeding is in de literatuur in het geheel
niets bekend. Rattenproeven op dit gebied spreken elkaar nogal tegen. Beweidings-
procven bieden weinig perspectieven om hierin wat meer klaarheid te brengen, daar
hier een indirecte beïnvloeding kan worden verwacht die onvoldoende uitgeschakeld
kan worden.

Prof. Ir. M. L. \'t H a r t: In verband met het voortschrijden van de tijd stelt Spr. voor
de discussie te sluiten. Alvorens de leiding over te dragen, dankt hij de deelnemers
aan de discussie en de inleiders voor de prettige wijze waarop dit onderwerp is be-
sproken.

De aanwezigen zullen zeker niet naar huis gaan met dc gedachte dat de problemen
rond de kopziekte nu alle zijn opgelost; het is echter wel duidelijk gebleken dat
onze inzichten in de laatste jaren sterk zijn verhelderd.

Samenvattend kan ten aanzien van de diagnose worden gesteld dat in de praktijk
nog steeds een aantal ziektegevallen voorkomt, waarvan het niet duidelijk is of men
met hypomagnesemische tetanie te maken heeft, zoals deze bij vele onderzoekingen als
uitgangspunt is genomen. Of naast deze tetanie in een betekenend aantal gevallen
tetanie van een afwijkend patroon voorkomt, is echter ook niet bewezen.
■Als men zich tot de hypomagnesemische tetanie beperkt, dan kan worden gesteld dat
de standpunten ten aanzien van de betekenis van de samenstelling van het voeder

-ocr page 1127-

in de laatste jaren dichter bij elkaar zijn gekomen. Naast de individuele gevoeligheid
van de dieren cn de directe invloed van klimaat en „stress" is de grote betekenis
van de samenstelling van het weidegras wel gebleken. Ondanks dc afwijkingen, die
bij correlatief onderzoek zijn gevonden, kan worden gesteld, dat het nu redelijk mo-
gelijk is om gras op basis van de chemische samenstellin.g als min of meer gevaarlijk
te definiëren. Hiernaast heeft dit correlatief onderzoek echter duidelijk aangewezen,
dat bij voorspellingen op basis van deze samenstelling steeds uitzonderingen zullen
voorkomen. Kopziekte zal zeker niet verdwijnen door preventieve maatre.gelen. We
kunnen de mate van optreden op deze wijze echter wel binnen de perken houden.
Het is dan ook noodzakelijk dat aan het voorkómen van deze ziekte alle aandacht
wordt besteed.

Prof. B e ij e r s heeft duidelijk gesteld: vroeger was dit cen ziekte langs de Oude Rijn
en nu treedt deze in geheel Nederland en alle landen van West-Europa op. Met de
huidige kennis is het ook beter begrijpelijk waardoor deze uitbreiding zo sterk is .ge-
weest. Reeds in de vorige eeuw werd in Zuid-Holland op de vruchtbare kleigraslanden,
mede door de grote voeraankopen voor varkens en rundvee cen hoge grasproduktie
en een hoge melkproduktie per ha, bereikt. Pas later hebben ook andere provincies
cen dergelijk hoog niveau bereikt, terwijl na de tweede wereldoorlog ook in de om-
ringende landen de melkproduktie, mede door toename van de grasproduktie, enorm
is gestegen.

Het is nu bekend, dat bij opvoering van de grasproduktie on van dc melkproduktie
per koe het steeds moeilijker wordt om dc magnesiumvoorziening in dc weide op cen
voldoende peil te houden. Bij een verdere opvoering van de produktie zal men dan
ook steeds meer te maken krijgen met kopziekte. Naast de directe preventie door bij-
voeding is het dan ook van veel betekenis, dat getracht wordt dc grassamenstelling
zodanig te beïnvloeden, dat de kans op hct optreden verkleind wordt.
Prof. \'t Hart dankte daarna de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Dicr-
.geneeskunde voor het scheppen van de mogelijkheid om gezamenlijk met de Neder-
landse Verenigin.g voor Weide- cn Voederbouw over deze belangrijke ziekte van ons
rundvee te spreken, waarna hij de leiding van dc vergadering teruggaf aan de voor-
zitter, de heer M. K a r s e m e ij c r.

Nadat de voorzitter wederom dc leiding had overgenomen, werd het woord verleend
aan Drs. J. K u y p e r, teneinde een korte inleiding tc geven over dc door „Bayer"
geproduceerde film, getiteld „Ameisen im Dienst von Parasiten", welke door de
welwillende medewerking van de N.V. Kon. Pharmaceutische Fabrieken v.\'h Bro-
cades-Sthceman en Pharmacia ter beschikking werd gesteld.

Na de vertoning van deze film, die bij de filmkeuring ter gelegenheid van het XVHe
Wereld Diergeneeskundig Congres te Hannovcr in augustus j.1. als de beste film werd
geclassificeerd, sloot de voorzitter het wetenschappelijk gedeelte van de 110c Alge-
mene Vergadering van de Maatschappij met een woord van dank tot allen die tot
het welslagen ervan hadden bijgedragen.

Hij richtte hierbij in het bijzonder het woord tot Prof. Ir. M. L. \'t H a r t voor de
tactvolle wijze waarop de discussie werd geleid, tot de sprekers en degenen die aan
de discussie hadden deelgenomen en tot dc gasten aan wien een „wel thuis" en „tot
ziens" werd toegeroepen.

Stiermoeders met meer dan 6% vet.

Op de K.I.-stations Schönloken en Wanderup worden 2 zonen van Christine, eigenaar
Herbert Thics, Stuvenborn, Krs. Segeberg, gebruikt.

Christine gaf als vaars 4839 kg met 6,20% vet. De 2e lijst van Christine gaf aan:
4742 kg en een vetgehalte van 6,20%.

Der Tierzüchter, 5-5-1963.

-ocr page 1128-

INGEZONDEN

SALMONELLOSE IX.

In het Tijdschrift van 1 maart j.l. werd de discussie over salmonellose voorlopig op-
geschort om onderzoekingen naar de waarde der oppervlaktesterilisatie d.m.v. kokend
water uit te voeren en om te trachten via mondeling contact tot cen meer vruchtbare
discussie te komen.

Op pag. 89 van de jaargang 1962 geven Kampelmacher c.s. bij het onderzoek
van lymfklieren op
Salmonella-kiemen aan, dat het oppervlak .gesteriliseerd werd door
onderdompelen der klier gedurende 3-4 seconden in kokend water. Op pagina 1489
van dezelfde jaargang wordt bij onderzoek van lymfklieren en organen op
Salmonella-
kiemen
voor oppervlaktesterilisatie 5 seconden onderdompelen in kokend water aan-
gewend. In de publikaües komt noch een bewijs voor de deugdelijkheid van deze in
de bacteriologie ongebruikelijke methode voor, noch wordt er een verklaring gegeven
voor het verschil in tijd van onderdompelen tussen beide onderzoekin.gen.

Om mijn aanmerkingen over deze onderzoekmethode, die ik maakte op pagina 1347
van dc vorige jaargang en in Salmonellose I en II in deze jaargang, met bewijzen te
staven zijn cen aantal proefjes uitgevoerd. .Als uitgangsmateriaal werden hierbij lever-
stukjes ter grootte van ± 30 gram, zoals die ook in het onderzoek van Kampel-
macher c.s. waren betrokken, gebruikt.

Proef I. Een stukje lever wordt 5 seconden ondergedompeld in kokend water en
daarna overgebracht in een wijdmonds kolfje met 50 cm\'\' bouillon. Na enkele minuten
verblijf van het leverstukje in dc bouillon wordt dc bouillon onder steriele voorwaar-
den overgegoten in een steriel kolfje. Dit kolfje wordt vervolgens gedurende 24 uur ge-
ïncubeerd.

Het resultaat van deze proef, die in 6-voud werd uitgevoerd, was, dat in alle kolfjes
rijkelijk groei was opgetreden, die bij microscopisch onderzoek bleek te bestaan uit
kokken en Gram-negative en positieve staven.

Proef H. Vijf stukjes lever worden resp. 15, 30, 45, 60 en 75 seconden in kokend
water gedompeld. Na het onderdompelen worden dc leverstukjes enkele minuten in
wijdmondse kolfjes met bouillon afgespoeld. Dc bouillon wordt vervolgens, na over-
gegoten te zijn in steriele kolfjes, 24 uur .geplaatst bij 37° G.

Na dc incubatie bleek in 4 kolfjes macroscopisch duidelijk waarneembare groei te
zijn opgetreden, In het kolfje, waar\\-an het leverstukje 30 seconden was onderge-
dompeld, was .geen groei aantoonbaar.

Proef III. Deze proef wordt op dezelfde wijze uitgevoerd als proef II; alleen is het
kokend water ver\\\'angen door hete slaolie met een temperatuur van 230° C. Bij alle
5 monsters bleek groei te zijn opgetreden.

Conclusie: Uit deze drie proeven blijkt dat algemene steriliteit van een orgaan-
oppervlak niet wordt bereikt door onderdompelen gedurende 5 seconden in kokend
water, evenmin als door onderdompelen gedurende 60 seconden in olie van 230° G,
Proef IV. Vijf leverstukjes worden uitwendig besmet door onderdompelen in een
ongeveer 20 maal verdunde
Salmonella-cultuur, die ± 20 uur was .geïncubeerd. De
besmette leverstukjes worden 5 seconden in kokend water .gedompeld en vervolgens
enkele minuten in wijdmondse kolfjes met brillantgroenselenietbouillon afgespoeld.
De selenietbouillon wordt overgegoten in steriele kolfjes en 20 uur geïncubeerd.
Na het op de gebruikelijke wijze beënten van brillantgroenagarplaten blijken uit alle
monsters
Salmonella-bacteriën te zijn gekweekt.

Proef V. Deze proef wordt uitgevoerd als de voorgaande, echter met dien verstande,
dat de tijd van onderdompelen der 5 leverstukjes wordt vervangen door 15, 30, 45,
6Li en 75 seconden.

In deze proef blijken bij de monsters, die 15, 30 of 45 seconden in kokend water waren
ondergedompeld, nog gemakkelijk
Salmonella-bacteriën aantoonbaar. De monsters,

-ocr page 1129-

die 60 en 75 ser. met kokend water waren behandeld, blijken via de selenietbouillon
en briljantgroena.garplaten ,geen groei op te leveren.

Proef VI. Van een 24 uur bebroede Salmonella-cuhuur worden verdunningen .ge-
maakt van IO"*, 10® en 10® maal. Met elke verdunning worden drie leverstukjes be-
smet, die vervolgens resp. 5, 30 en 60 sec. in kokend water worden .gedompeld. Met
behulp van brillantgroenselenictbouillon en brillantgroena.garplaten wordt het vol-
gende resultaat bereikt:

tijd van onderdompelen

Verdunning

5 sec.

30 sec.

60 sec.

lO\'i

4-

4-

4-

10-\'

4-

__

10«

4-

Proef VU. Van een 24 uur bebroede bouilloncultuur van Salmonella worden ver-
dunningen aangelegd van 10« en 10\' maal. Met elke verdunning worden 5 lever-
stukjes besmet; van deze stukjes worden er 3 met kokend water behandeld gedurende
resp. 5, 30 en 60 seconden en 2 stukjes met olie van 230° C gedurende resp. 5 en
30 seconden.

Bij deze proef leveren voor beide verdunningen alleen de 2 leverstukjes, die 5 seconden
met kokend water waren behandeld, een positief resultaat op.

Conclusie: Uit de proeven IV t.m. \\"ll blijkt dat door onderdompelen in kokend
water
Salmonella-hactenën, die op het oppervlak van een or.gaan voorkomen, niet alle
.gedood worden. Bij een groot aantal kiemen op het oppervlak (proef IV en V) is 45
.seconden onderdompelen nog niet voldoende, bij een .geringer aantal kiemen blijkt
deze tijd soms wel voldoende te zijn.

Een bouilloncultuur van Salmonella-bactcnën, die 24 uur is geïncubcerd zal hoog-
stens 10" kiemen per cm® bevatten. Een telling van een bouilloncultuur, zoals die in
dit onderzoek voor verdunningen werd gebruikt, zeer bereidwillig uitgevoerd door
coli. R. G. D ij k s t r a aan de Gezondheidsdienst voor Vee, leverde een aantal le-
vende kiemen op van 225 miljoen per cm®. De verdunning 10\' van de bouilloncultuur
zal hoogstens enkele tientallen
Salnionella-hactcncn per cm® bevatten. Het is voorts
gebleken dai een leverstukje van ± 30 gram bij onderdom;ielen in de verdunning
met ongeveer yi cm® vloeistof wordt bevochtigd. Een leverstukje, besmet met de
verdunning lO\'\', zal op het oppcr\\4ak slechts een 20- tot 40-tal kiemen dra.gen. Dit
.geringe aantal bleek in proef \\\'II nog niet door onderdompelen gedurende 5 sec.
in kokend water te kunnen worden vernietigd.

Dat Kampelmacher c.s. te kampen hebben .gehad met oppervlakteverontreini-
ging mag blijken uit gegevens uit hun artikel in het Tijdschrift van 1 december 1962.
Op pag. 1487 van dit artikel wordt in een tabel een overzicht gegeven van de isolatie
van
Salmonclla-kicmcn uit vlees, organen, lymfklieren en faeces van 600 normale
slachtvarkens, afkomstig uit 3 verschillende slachthuizen.

De besmettingspercentages van lever, milt en middenrif worden hier uit deze tabel
overgenomen.

slachthuis I

slachthuis II

slachthuis III

totaal

milt

1 %

1,5%

7 %

3,1%

lever

4,5%

0,5%

6,5%

3,9%

middenrif

2 %

2 %

12,5%

5,5%

-ocr page 1130-

In lever en milt werden in ongeveer dezelfde mate Salmonella-kiemen aangetoond.
Beide organen bieden met hun gladde oppervlak ongeveer dezelfde kansen aan de
oppervlaktesterilisatie door middel van kokend water.

Het resultaat van de oppervlakte-ontsmetting heeft dan ook dezelfde invloed gehad
op de proefuitkomsten. Het oppervlak van een middenrifpijler is aanzienlijk moei-
lijker te steriliseren, vandaar ook het hogere „infectie" percentage.
Er is een aanmerkelijk verschil in de mate van besmetting tussen slachthuis I en II
enerzijds en slachthuis III anderzijds. Volgens mededeling van Kampelmacher
zijn dc eerste beide Openbare Slachthuizen, terwijl nummer III een exportslachterij
is met een aanzienlijk grotere uurcapaciteit. Een hoog slachttempo, dat een zorg-
vuldige werkwijze niet bevordert, zal bij het uitnemen van het maagdarmkanaal dc
kans op bezoedeling van de nog in het karkas aanwezige organen verhogen. Slachthuis
III wijst dan ook een hoog besmetting-spercentage aan.

De proefuitkomsten, die Kampelmacher c.s. in het Tijdschrift van 1 december
1962 publiceerden over het voorkomen van
Salmonella bij normale varkens, die in
mijn vroegere ingezonden stuk voorzichtigheidshalve nog als moeilijk te beoordelen
werden gekenschetst, moeten thans als onbetrouwbaar worden gekwalificeerd.
Naar mijn mening kan pas een betrouwbaar inzicht in de m.ite van besmetting ver-
kregen worden, als meer zorgvuldige werkwijzen, zoals die o.a. in 1950 door Huis-
man werden aangegeven, worden toegepast.

Leeuwarden, 16 juni 1963. J- de Vries.

Vliegenbestrijding via voer.

Een grote veevoederfabriek in dc USA (Ralston Purina) experimenteert met be-
paalde stoffen (o.a. phenothiazine) in het voer, die in dc mest terecht komen. Daar
verhinderen zc dan de ontwikkeling van jonge vliegen. Hoewel dit in theorie erg
mooi lijkt, valt voorlopig in de praktijk nog niet al te veel van dit systeem te ver-
wachten.

Daarvoor is onder .Amerikaanse omstandigheden de opname van krachtvoer in het
land te wisselvallig, terwijl bovendien in aangrenzende landerijen de vliegen zich on-
belemmerd kunenn blijven ontwikkelen als men van deze methode geen gebruik maakt.
Niettemin acht men het gewenst het onderzoek op dit terrein nog wat voort te zetten.

Landbouwdoeumentatie, 19, 995, (1963).

Nakomelingenonderzoek bij .schapen.

Op het proefbedrijf „Tricsdorf" in Beieren werden 20 nakomelingengroepen van het
„Merinolandschaap" op groei- en slachtcigenschappen onderzocht.
Min. Rat Dr. D i e n e r uit München merkte naar aanleiding van de resultaten van
van 1962 op dat die aanmerkelijk beter waren dan die van 1961, maar dat er nog
een grote ruimte voor verbetering is.

Zo had de beste groep slechts 87 dagen nodig om van 20 kg tot 40 kg tc groeien,
terwijl de slechtste groep hier 107 dagen voor nodig had.

De dagelijkse gewichtstoename schommelde van 186,2 tot 229,9 g en de zetmeel-
waarde behoefte per kg gev/ichtstoename van 277,8 tot 348,6.

Der Tierzüehter, 5-5-1963.

-ocr page 1131-

MEDEDELINGEN

Van de Redactie

TIJDSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE 1964.

De voorzitter van de Redactie van het Tijdschrift voor Diergenecslcunde zal in de
aflevering van 1 januari a.s. in de „Nieuwjaarsrede" o.a. belangrijke mededelingen
doen over progressieve plannen ten aanzien van de nieuwe jaargang. Hierop vooruit-
lopend wordt nu reeds melding .gemaakt van één van de veranderingen, n.1. de plaats
van de necrologieën.

Het is de bedoeling, dat cr meer samenbundeling komt van de verschillende perso-
nalia, waardoor de inhoud van ons tijdschrift wat strakker wordt en meer wordt aan-
gepast aan de hedendaagse begrippen.

De necrologieën zullen daarom voortaan worden opgenomen onder het hoofd „Ko-
ninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde"; dus achter in het tijd-
schrift.

Dit zal misschien even vreemd aandoen, maar men zal cr vrij gauw aan .gewend
raken.

Te zijner tijd volgen op deze plaats hierover nog nadere aanwijzingen.
BESTELLING BANDEN 1963.

In de aflevering van 1 januari 1964 van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde zal
ten gerieve van de leden en abonné\'s in Nederland een bestelkaart worden ingele.gd,
bij invulling en retourzending waarvan men voor de jaargang 1963 de banden, waar-
in men de complete jaargang wenst in te binden, bij het secretariaat kan bestellen
onder gelijktijdige storting van het daarvoor .gestelde bedrag op girorekening 511606
van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde te Utrecht.

Van de Veeartsenijkundige Dienst

RATTENBESTRIJDING.

In het najaai wordt zoals ieder jaar een systematische campagne gevoerd ter be-
strijding van de ratten.

In praktisch iedere gemeente wordt deze geleid door een opgeleide gemeentelijke
rattenbestrijdcr. De rattenverdelging is zowel uit cen oogpunt van dierziektenbestrij-
ding als van zorg voor de volksgezondheid van veel belang. Uiteraard is ook de co-
nomische schade, die deze dieren aanrichten, cen motief voor de rc.gelmatigc syste-
matische bestrijding. Bij cen onderzoek naar hct voorkomen van
Salmonella bij bruine
ratten, gevangen in en bij slachthuizen, boerderijen en nertsfokkerijen
(Tijdschrift voor
Diergeneeskunde,
15-2-1963) werden bij 73 (30.8%) van 237 op slachthuizen .ge-
vangen ratten, bij 17 (4%) van 429 van boerderijen afkomstige ratten en bij 12
(17.4%) van 69 op nertsfokkerijen gevan.gen ratten
Salmonella-kiemen .geïsoleerd.
Naast verspreiding van
Salmonella-hacXfTi\'én is de rat verantwoordelijk voor de be-
smetting met
Leptospira ictero-haemorrhagica, de veroorzaker van de ziekte van Weil
bij de mens. Onderzoekingen van willekeuri.ge groepen rioolratten in vele plaatsen
ter wereld hebben aangetoond, dat soms meer dan 30% der onderzochte ratten met
L. ictero-haemorrhagica zijn besmet.

Uit ervaringen, opgedaan bij de epidemie van mond- en klauwzeer bij varkens in
oostelijk Noord-Brabant en Noord-Limburg in 1962, bleek dat o.a, ratten en muizen
een belangrijke rol kunnen spelen bij dc verspreiding van deze ziekte, terwijl aange-
nomen kan worden dat dit eveneens het geval kan zijn bij de verspreiding van de
varkenspest.

Vindt bij de verspreiding van deze beide ziekten een volledige afslachting van het
aangetaste bestand plaats, dan is het zaak na ontruiming van het bedrijf allereerst
tot rattenbestrijding over te gaan. Door gebrek aan voedsel op een ontruimd bedrijf

-ocr page 1132-

zijn de ratten geneigd zicli naar andere bedrijven te verspreiden en deze met het
virus te besmetten.

De rattenbestrijding is belangrijk effectiever geworden sedert de aanwending van
anti-coagulantia — meestal in de vorm van cumarine-derivaten — bij deze be-
strijding. Dc vroeger gebruikte vergiften veroorzaakten bij de ratten een pijnlijke
dood, terwijl de dieren zodra zij van het vergif hadden gegeten erg ziek werden. De
soortgenoten werden hierdoor gewaarschuwd, zodat geen rat meer van het lokaas at.
Het gelukte daarom bijna nooit om b.v. op een boerderij alle ratten met eenzelfde
vergif te verdelgen.

De cumarine-preparatcn veroorzaken als anti-coagulantia een inwendige verbloeding,
indien dit lokaas meermalen achtereen wordt gegeten. Deze dood is pijnloos, de dieren
sterven in een natuurlijke houding, zodat geen argwaan bij de soortgenoten wordt
gewekt.

Als lokaas wordt gebruikt eerste kwaliteit ongepelde haver, vochtig gemaakt niet wat
spijsolie, zodat het toegevoegde cumarine-poeder cr bij de menging beter aan blijft
kleven. Het lokaas wordt door de gemeentelijke rattenbcstrijders tijdens de najaars-
campagne neergelegd op alle geschikte plaatsen, op de rattenoaden zo dicht mogelijk
bij de holen. Dc opname wordt de volgende dag gecontroleerd, waarbij dc uitgelegde
hoeveelheden worden aangevuld. Dit wordt herhaald tot ^cen lokaas meer wordt
opgenomen. De ratten zijn dan vernictgid.

Voor de mens en de huisdieren zijn de cumarine-derivaten — hoewel in mindere
mate dan andere rattenvergiften — niet zonder gevaar. Varkens zijn cr gevoeliger
voor dan kippen. Bij niet-zorgvuldig gebruik van het lokaas kunnen deze dieren
het rechtstreeks opnemen, maar ook kunnen de varkens zi\'-ktevcrschijnselen krijgen
door het eten van zieke of dode ratten. Het is dus van belang dat bij een bestrijdings-
campagne dc varkenshokken minstens iedere morgen worden gecontroleerd en dat
men dode ratten nooit laat liggen. Zij dienen vernietigd of diep begraven te worden.
Huisdieren, die door cumarine zijn vergiftigd, kunnen met succes behandeld worden
door toediening van vitamine K.

SPLITSING VAN DISTRICTEN.

Het Koninklijk besluit van 25 april 1922, Stb. 219, laatstelijk gewijzigd bij K.B.
van 12 dcccnibcr 1960 (Stb. 585) tot uitvoering van artikel ? van de Veewet, wordt
als volgt gewijzigd.
In artikel 3 wordt:

a. in plaats van: „District Groningen-Drenthe: het gebied, behorende tot dc pro-
vincies Groningen cn Drenthe" gelezen:

District Groningen; het gebied, behorende tot de provincie Groningen:

b. na de omschrijving van het district Friesland ingevoerd; District Drenthe: het
gebied, behorende to de provincie Drenthe,

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1964,

Hoewel de vestiging van het bureau van dc Veeartsenijkundige Dienst voor het dis-
trict Drenthe gepland is in het nog te bouwen Landbouwhuis tc Assen, zal dit bureau
tijdelijk worden gehuisvest in Zuid-Laren, Stationsweg 80.

Het bureau voor het district Groningen blijft in afwachting van dc bouw van een
Landbouwhuis aldaar, tijdelijk gevestigd aan de Vcchtstraat 31, Groningen, dat tot
nog toe dienst deed als bureau voor het district Groningen-Drenthe.

BESCHIKKING IN- EN DOORVOER RUNDEREN.

15 november 1963 | Nr. ]. 2727 | Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken
De Minister van Landbouw en Visserij,

Gelet op artikel 38 van de Veewet en op het Koninklijk besluit van 16 januari 1940,
Stb. 680\'), betreffende de in- en doorvoer van vee en andere voorwerpen, als bedoeld
in artikel 12 van de Veewet,

-ocr page 1133-

Besluit:

Artikel I

De Beschikking in- en doorvoer runderen (Stcrt. 1958, 204)^) wordt als volgt ge-
wijzigd :

In artikel 2 onder I wordt in plaats van de woorden „Rotterdam, Scheveningen,
Vlaardingen of Vlissingen" gelezen: Scheveningen of Vlissingen.

Artikel II

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 december 1963.
\'s-Gravenhage, 15 november 1963.

De Minister van Landbouw en Visserij,
enz.

REGELEN ONTSMETTING VEE-AUTO\'S BIJ \\-ER\\\'OER VAN \\ ARKENS.

15 november 1963 j Nr. ]. 2789 / Directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken
De Minister van Landbouw en Visserij,
Gelet op artikel 38 van de Veewet,
Besluit:

Artikel 1

1. Het vervoeren van varkens naar cen slachtplaats in een motorrijtuig in de zin
van de Wegenverkeerswet of in een door een motorrijtuig voortbewogen aanhang-
wagen is slechts toegestaan met inachtneming van het hieronder bepaalde:

A. Met het vervoermiddel mogen gelijktijdig geen andere dan slachtdieren worden
vervoerd.

B. Onmiddellijk na algehele aflevering van de lading moeten het vervoermiddel en
de daarbij behorende voorwerpen op de slachtplaats of, bij gebreke van de nodige
voorzieningen aldaar, op de dichtstbijzijnde ontsmettingsplaats van gemeentewege of
onder gemeentelijk toezicht worden ontsmet door afschrobben met cen oplossing van
één procent natronloog op water of van vijf procent soda op water met een tempe-
ratuur van ten minste tachtig graden Cclcius.

G. Van de onder B bedoelde ontsmetting moet aantekening worden gehouden in
het ontsmettin,gsboekje, als bedoeld in artikel 1 van de beschikking van 4 juni 1957,
nr. JZ/L 16343/91 W, Stcrt. 109, op de in het tweede lid van dat artikel aangegeven
wijze.

2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ten aanzien van het vervoer in aan-
hangwagens, voortbewogen door een motorrijtuig, bedoeld in artikel 18, eerste lid,
van het Wegenverkeersreglement, mits daarin geen andere dieren worden vervoerd
dan die, welke eigendom zijn van de eigenaar van het motorrijtuig en de aanhang-
wagen.

Artikel 2

De beschikking van 8 maart 1963, nr. J. 657, Directie Juridische en Bedrijfsorgani-
satorische Zaken, Stcrt. 48, wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 25 november 1963.
\'s-Gravenhage, 15 november 1963.

De Minister van Landbouw en Visserij,

Laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk besluit van 7 oktober 1960, Stb. 443.
Laatstelijk gewijzigd bij beschikking van 23 november 1961
\'stcrt. 230.

-ocr page 1134-

Toelichting.

De verplichting tot extra-ontsmetting van vee-auto\'s, die varkens vervoeren, wordt
bij bovenstaande beschikking beperkt tot vervoer naar slachtplaatsen. Met de betrok-
ken vee-auto mogen gelijktijdig geen andere dan slachtdieren worden vervoerd. Wordt
de lading in gedeelten afgeleverd, dan behoeft de ontsmetting van de vee-auto eerst
na totale aflevering te geschieden,

RUNDERTUBERCULOSE IN PERU.

Welke Nederlandse dierenarts, bij voorkeur met ervaring in d" leiding van de tuber-
culosebestrijding onder het rundvee, is bereid eventueel voor 2 of 3 jaar naar Peru
te gaan om de regering te adviseren bij de uitroeiing van de rundertuberculose ?
Berichten van geïnteresseerden worden gaarne ingewacht door de Directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst, le van den Boschstraat 4 te \'s-Gravenhage.
Het salaris en de overige financiële regelingen voor deze functie zijn aantrekkelijk.

DOORLOPENDE AGENDA

1963

December,

18, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 tiur, Muranozaal,
Beurscafé, Rotterdam, (pag. 1393)

18, Afd. Friesland K.N.M.v.D. Feestelijke bijeenkomst. Restaurant E 10.
(pag. 1841)

18, Afd. Gelderland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur, Café-Restaurant
Richc-National, .Arnhem, (pag, 1921)

19, Afd. Groningen-Drenthe K.N.M.v.D. Vergadering, 14.00 uur. Restaurant
Richc, Groningen, (pag. 1392)

20, Afd. Noord-Holland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Restaurant
Km-kenbicr, Alkmaar, (pag. 1921)

1964

Februari,

4— 5, C.L.O.-Studiedagen, Utrecht, (pag, 1447)

16—23, 2e Internationale Week van de Landbouw, Brussel,

Maart,

20—21, Dies Natalis en Universiteitsdag 1964,

Augustus,

21—23, Ille Internationaal Congres voor Dierziekten, Kopenhagen, (pag, 1447)

September,

6—13, Ve Internationaal Congres „Voortplanting bij dieren", Trento, Italië,
(pag, 62, 939, 1059 (1962)); (pag, 388, 1388)

Oktober,

8—10, Wiss, Gesellschaft f. Vet.Med, in der D.D.R., Intern. Congres, Leipzig,
(pag. 1318)

-ocr page 1135-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

NOTULEN van de 110e Algemene Vergadering, gehouden op vrijdag 18
oktober 1963 in de grote dinerzaal van het Jaarbeurs Restaurant te Utrecht.

Dc volgende afgevaardigden vertegenwoordigen de verschillende afdelingen:
H. van Rhce afdeling Groningen-Drenthe

Hibma „ Friesland

.1. W. Kloosterboer „ Overijssel

H. Th. Nieuwenhuijsen „ Gelderland
A. S. Schneider „ Utrecht

S. Makkinga „ Noord-Holland

R. V. Bruckwilder „ Zuid-Holland

P. .J. Borm „ Zeeland

FI. L. M. Houben „ Noord-Brabant

J. M. Schrcurs „ Limburg

I. Opening.

De voorzitter opent ruim 11.00 uur dc vergadering met de vol.gende woorden:
Mijne Heren,

Op deze 11 Ge Algemene Vergadering van onze Maatschappij is het mij
een genoegen U allen, leden van het Hoofdbestuur, vertegenwoordigers
van Afdelingen en Groepen benevens verdere belangstellenden, leden
der Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde te
mogen verwelkomen.

Het is telken jare weer een verblijdend teken, dat een aantal leden er
prijs op stelt ook de huishoudelijke vergadering, die ik zou willen be-
stempelen als een „werkvergadering", bij te wonen en daardoor mede
te werken aan de besluitvorming omtrent belangrijke vraagstukken,
waarmede wij ons op deze dag bezig zullen houden.
Voor een gezond verenigingsleven is dit van grote betekenis.
Het was spijtig, dat onze geachte algemeen secretaris Dr. De Haan, ook
dit jaar gedurende 2/2 maand zijn werkzaamheden wegens ziekte moest
onderbreken.

Sinds 1 juli j.1. heeft collega De Haan met zijn bekende lust en opge-
wektheid het werk weer kunnen hervatten en zowel hij als wij hebben
goede verwachting, dat het leed definitief geleden zal zijn.
Namens U allen wil ik onze secretaris gaarne van harte met zijn herstel
gelukwensen.

Voor de secretariaatsbezigheden zou deze onderbreking catastrofale
gevolgen gehad kunnen hebben, indien onze zeer gewaardeerde collega
Harmsen zich, op verzoek van het Hoofdbestuur, niet wederom bereid
verklaard had de functie van Dr. De Haan lijdelijk waar te nemen.
Collega Harmsen heeft dit, evenals verleden jaar, op voortreffelijke en
op de, hem eigen benijdenswaardige rustige, wijze gedaan, zodat geen
stagnatie in de werkzaamheden is opgetreden. Ik wil deze gelegenheid
aangrijpen om hem hiervoor namens de Maatschappij hartelijk te

-ocr page 1136-

danken. De omstandigheden van de beide laatste jaren hebben m.i.
wel aangetoond dat het in het komende jaar een punt van ernstig beraad
in de kringen van de Maatschappij zal moeten zijn, welke voorzieningen
zullen moeten worden getroffen om de kwetsbaarheid van het secreta-
riaat te verminderen. Dit klemt des te meer daar het ledental gelukkig
steeds groeiende is en de taken van het bureau daarmede toenemen,
zowel in omvang als belangrijkheid.

Daarnaast moet U bedenken, dat ik als voorzitter mijn laatste jaar als
zodanig ben ingegaan en op U dus de taak zal komen te rusten een op-
volger voor mij te vinden en het is lang niet zeker dat deze opvolger over
zo veel vrije tijd zal beschikken als zijn voorganger. Vooral ook met het
oog op de representatieplichten in binnen- en buitenland, zowel voor het
aanzien en de positie van onze Maatschappij zal dit vraagstuk door U
in bevredigende zin dienen te worden opgelost.

Een gelukkige omstandigheid is daarbij, dat wij door de contributie-
verhoging sinds 1963 over ruimer middelen beschikken.
Dit zal er in belangrijke mate toe kunnen bijdragen, dat de oplossing
spoediger kan worden gevonden. Ditzelfde feit heeft het Hoofdbestuur
gedurende het afgelopen verenigingsjaar in staat gesteld over te gaan
tot uitbreiding en modernisering van ons bureau, hetgeen al enige jaren
dringend noodzakelijk was.

Met een zekere trots kunnen wij vaststellen, dat het bureau thans zowel
wat inrichting als outillage betreft, representatief is voor een Maat-
schappij die zich met de titel „Koninklijke" mag sieren.
Het zal voor U misschien aanlokkelijk zijn, zo U daartoe in de ge-
legenheid bent, eens een kijkje te komen nemen.
U bent van harte welkom!

De agenda, die wij vandaag te behandelen krijgen, is van ruime toe-
lichtingen voorzien, hetgeen er hopelijkerwijze toe zal kunnen bijdragen
de besprekingen te bekorten.

De mogelijkheid is reëel aanwezig, dat er dan meer tijd overblijft voor
het punt „rondvraag", daar wij uit ervaring weten dat de leden hier
prijs op stellen.

Moge deze vergadering in het teken staan van harmonie en eensgezind-
heid: de Maatschappij zal er wel bij varen!
Hiermede verklaar ik de vergadering voor geopend.

2. Verkiezing van de Notulencommissie.

Tot leden van dc Notulencommissie worden benoemd dc heren D. Hendrikse, J. Kraai
en K. van der Poel.

3. Notulen van de 109e Algemene Vergadering van 19 oktober 1962.

De heer Schneider deelt namens de afdeling Utrecht mede dat de notulen van
de 109e Algemene Vergadering goedgekeurd zijn in de afdclingsvergadering en nu
zullen worden vastgsteld. In de vori.ge Algemene Vergadering is de afdeling met een
dergelijk voorstel gekomen wat echter is afgestemd. De afdeling spreekt er haar ge-
noegen over uit dat het voorstel nu toch aangenomen is. Wanneer er weer voor-
stellen van de afdeling Utrecht komen, moet daarmede rekening gehouden worden
omdat ze nog niet zo slecht zijn.

Mochten er echter punten zijn dic niet geschikt voor publikatie waren, dan zouden
deze nu voorgelezen kunnen worden.

De voorzitter licht toe dat de discussie destijds nogal verward was. Het oude
reglement spreekt n.1. van notulen èn verslag.

De juridisch adviseur heeft hierover echter advies uitgebracht en heeft medegedeeld
dat de notulen eerst rechtskracht krijgen, wanneer zij in de eerstvolgende vergadering
aangeboden en goedgekeurd zijn. Er kunnen punten zijn die niet voor publikatie in

-ocr page 1137-

aanmerking komen; deze moeten dan voorgelezen worden op die eerstvolgende ver-
gadering.

De secretaris deelt mede dat alles gepubliceerd is, zodat er nu niets voor-
gelezen behoeft te worden.

De heer Bruckwilder is van mening dat er weinig verschil is tussen de notulen
in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15-12-1962 en het losse exmplaar dat
toegezonden is. Het aanbieden van de geschenken van de afdelingen door de heer
Kruijt is met opgenomen in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15-12-1962
maar is ook nu weer niet opgenomen, evenmin als de opmerking van wijlen de heer
Van de Veen over dc vergoedingen van dc werkzaamheden voor de V.D.
De secretaris merkt op dat de afdeling Utrecht het storend vond dat er veel
drukfouten in geslopen waren. In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 15-1-
1963 is dit vermeld en deze week is het herdrukken erg snel gebeurd. Er is toen alleen
gedacht aan dc zetfouten.

Dc voorzitter meent dat wijlen dc heer Van de Veen toch wel over de Gezond-
heidsdienst heeft gesproken.

De heer Bruckwilder merkt op dat er dan in het Tijdschrift voor Diergenees-
kunde van 15-1-1963 een verkeerde correctie toegepast is.

Voorzitter antwoordt dat dit definitief de Gczondheidsihenst is geweest hetgeen
beaamd wordt door de heer De Vlas.

Dc heer N i e u w c n h u ij s en vraagt of het mogelijk zou zijn volgend jaar de
correcties vóór de afdelings-vcrgaderingen aan te brengen zodat deze besproken kun-
nen worden.

De secretaris stelt voor in de aflevering van 15-12-1963 van het Tijdschrift voor
Diergeneeskunde de notulen op te nemen en bovendien een 1 500 ex. te laten drukken
en deze in augustus aan alle leden toe te zenden om gemakkelijk mede te kunnen
nemen naar de vergadering.

De voorzitter informeert hoe de vergadering hier tegenover staat.
De vergadering gaat ermede akkoord.

De heer D. Hendrikse deelt mede dat bij de overledenen collega Steenwijk staat,
dit moet zijn Stcendijk, VV. C. v. d. Stolpen moet zijn W. C. v. d. Stolpc.
Bovendien merkt hij op dat Prof. Dr. B. Sjollema geen collega was.
Hierna worden de notulen van dc 109c Algemene Vergadering aangenomen en goed-
gekeurd.

4. Ingekomen stukken.

a. De secretaris deelt mede welke genodigden geen gehoor kunnen geven aan
de uitnodiging aanwezig te zijn op de wetenschappelijke zitting van de Algemene
Vergadering.

b. .Afdeling Friesland heeft een brief gezonden betreffende het oprichten van een
jubileumfonds met het verzoek deze in de .Algemene Vergadering te behandelen.

De afdelingsafgevaardigde de heer H i b m a licht deze brief toe.
Toen de afdeling Friesland een jubileum zou gaan vieren stelde men voor een fonds
hiervoor op te richten en dit is uitstekend bevallen. Zou dit niet iets voor de Maat-
schappij zijn om bij een volgend jubileum over voldoende geld te beschikken en het
niet nodig zal zijn bij allerlei firma\'s aan tc kloppen. Dit wordt door de afdeling in
overweging gegeven.

Dc voorzitter deelt hierop mede dat cr firma\'s zijn die jaarlijks een bedrag uit-
trekken voor dergelijke doeleinden en wij behoeven het niet aan te nemen doch dan
gaat het wel naar een ander. Wordt dit een voorstel van iiet afdelingsbestuur, dan
zal het door het Hoofdbestuur worden behandeld.

De heer Van L o o vindt het belangrijk om een feest uit eigen middelen te kunnen
financieren.

De voorzitter antwoordt dat het Hoofdbestuur het zal bespreken en wanneer
het nodig geacht wordt zal er een voorstel worden gedaan.

-ocr page 1138-

De heer J. J. F e d d e m a verklaart ter verduidelijking dat de afdeling dit alleen
maar wil voorleggen en niet als voorstel brengen.

Het Hoofdbestuur kan na overleg met een voorstel komen. „Men wil baas in eigen
huis blijven".

5. Wijziging van het Huishoudelijk Reglement.

De voorzitter zegt ter toelichting dat de wijziging van art. 97 van het Huis-
houdelijk Reglement besproken is met de jurist. Wanneer dit artikel gehandhaafd
blijft, treden Hoofdbestuur, Algemeen Bestuur etc. af en begint een nieuw rooster
van aftreding. Om prakdschc redenen acht het Hoofdbestuur dit niet juist en daar-
om wordt voorgesteld dit art. 97 te wijzigen.
De vergadenng gaat hiermede akkoord.

De voorzitter deelt nog mede dat de Statuten en het Huishoudelijk Reglement
opnieuw gedrukt zullen worden.

6. Mededelingen.

a. De Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten heeft de heer S. T. Flofstra in
de vacature van de heer J. J. Ooms benoemd.

De voorzitter dankt de heer Ooms voor de vele jaren dat hij deze funcde
heeft vervuld. Gelukkig blijft hij als lid van de Ereraad nog werkzaam.

b. De voorzitter deelt mede dat het Hoofdbestuur de benoemingen voor de
Redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde verricht.

Vermoedelijk worden de heren Tacken en Van Werven wel herkozen. Hij wenst
hen sterkte toe wanneer zij opnieuw benoemd zullen worden om in de komende
periode het Tijdschrift voor Diergeneeskunde op de van ouds bekende wijze tc ver-
zorgen.

c. De heer Nieuw enhu ij sen deelt mede dat aan het Hoofdbestuur bekend
gemaakt is dat de heer J. den Daas af zal treden als lid van de Tarievencommis-
sie. Dc voorzitter bedankt de heren Kuypcr en Nicuwenhuizen (Scherpenzeel) voor
het werk dat zij m dc Tarievencommissie gedaan hebben. Men mag daarover
niet te licht denken zodat dc leden van de Tarievencommissie met zorg gekozen
iTioeten worden. De leden moeten alles zeer zorgvuldig bestuderen. Ook de heer
Den Daas dankt de voorzitter voor zijn werkzaamheden.

7. Verkiezing van een lid van het Hoofdbestuur, wegens reglementair aftreden van
de heer J. ]. Feddema, die niet herkiesbaar is.

Vóór de verkiezingen wordt overgegaan tot het vormen van een stembureau door
de heren J. Bruins, D. Frieling en M, Visser.

Voor de verkiezing van een lid van het Hoofdbestuur worden 340 geldige stemmen
uitgebracht:

R. J. Bakema 4 stemmen

R. Gol 324 stemmen

P. Kleinjan 7 stemmen

blanco 5 stemmen

De heer Gol is hiermede tot lid van het Hoofdbestuur gekozen, welke functie door
hem wordt aanvaard.

De voorzitter wenst hem sterkte toe want het is een omvangrijke taak.
De voorzitter dankt de heer J. J. Feddema met de volgende woorden:
Zeer geachte collega Feddema,

Toen U vanmorgen in de trein bent gestapt om voor de laatste maal als
lid van het Hoofdbestuur een Algemene Vergadering bij te wonen,
zullen er ongetwijfeld gemengde gevoelens in Uw hart hebben geleefd.
U sluit dan ook hiermede een belangrijke periode in Uw leven af.
Het is mij een behoefte U namens alle leden van de Maatschappij onze
grote erkentelijkheid te betuigen voor de vele uren en Uw werkkracht,
die U aan de belangen van onze organisatie hebt besteed.

-ocr page 1139-

Gedurende een lange reeks van jaren waart U voorzitter van de afdeling
Friesland en U was het voorrecht beschoren de leiding van de her-
denking van het 75-jarig bestaan van Uw afdeling op U te nemen.
Daarnaast werd U in 1959 geroepen om deel uit te maken van het
Hoofdbestuur en het was voor U geen geringe opgave om vanuit het
hoge Noorden bijtijds in Utrecht te zijn om de vergaderingen van het
Hoofdbestuur bij te wonen.

En toch waart U steeds op tijd en hebt U zelden of nooit verstek
laten gaan.

Hoewel U reeds geruime tijd de ambtelijke status in de vleeskeuring
hebt aanvaard is U in Uw hart toch practicus gebleven, want de prak-
tijk, die U zo veel jaren met succes en in volle overgave hebt uitge-
oefend, is U steeds zeer lief geweest en zij is dat ook gebleven tol op
vandaag toe. Daardoor was U in staat met frisheid de vele problemen,
waarmede ons college in de loop van de afgelopen vier jaren werd
geconfronteerd, te benaderen en Uw medeleden van advies te dienen.
U hebt de gave om met weinig woorden tot de
Kern van bepaalde vraag-
stukken door te dringen. Niet altijd konden wij het met elkaar eens zijn
en dat behoeft ook niet want nog steeds geldt de oude waarheid: „du
choc des opinions jaillit la vérité".

Toch is ons streven steeds geweest een gemeenschappelijke basis te vin-
den, waarop kan worden voortgebouwd o?ndat de bezieling bij U en
ons, Uw medeleden, aanwezig was om een goede oplossing na te streven.
Wij vleien ons dan ook met de hoop, dat U prettige herinneringen zult
bewaren aan de, meer intieme, sfeer van onze vergaderingen.
Indien ik Uw karakter goed heb gepeild, geloof ik in Uw geest te
handelen door niet meer volzinnen te construeren om de belangrijkheid
van Uw persoon in het juiste licht te stellen.

Naast de dank van de Maatschappij als zodanig willen wij, leden van
het Hoofdbestuur U nog wel zeer hartelijk danken voor Uw collegiali-
teit en de bewijzen van goede vriendschap, waarmede U ons gedurende
de, nu beëindigde, periode, hebt omringd.

U kunt zich nu weer ten volle wijden aan Uw burgelijke taak als di-
recteur van een belangrijke vleeskeuringsdienst en ook, als ontspanning,
aan de door U zo geliefde jacht.
Het ga U en Uw gezin in alle opzichten wel!

De heer Feddema repliceert hierop als volgt:

Mijnheer de Voorzitter, ik dank U voor Uw "riendelijke woorden. Ik
ben een man van weinig woorden maar een ding wil ik toch wel zeg-
gen. Vier jaar geleden heb ik met een beetje schroom de moeilijke ver-
plichting aanvaard — dit was niet aantrekkelijk -- maar na de eerste
vergadering begon ik er anders over te denken l ooral door de sfeer van
de vergaderingen. Het Hoofdbestuur is niet een college van ja-knikkers.
Wij hebben niet alles kunnen oplossen in de geest zoals wij dat graag
zouden wUlen hebben. Wij zijn niet één partij geweest en dan kunnen
we niet altijd bereiken wat wij ons voorgesteld hebben. De voorzitter
probeert te bereiken wat gedaan moet worden voor het belang van de
Nederlandse dierenarts. Ik hoop dat mijn opvolger zijn best doet.
Ik dank U voor de vriendschap en ik hoop dat het de Maatschappij
goed zal gaan.

8. Verkiezing van een voorzitter van de Ereraad, wegens reglementair aftreden van
Prof. Dr. S. R. Numans, die herkiesbaar is.

Voor de verkiezing van een voorzitter van de Ereraad worden 338 geldige stemmen
uitgebracht:

-ocr page 1140-

A. van Keulen 1 stem

Prof. Dr. S. R. Numans 329 stemmen
Prof. Dr. G. Wagenaar 2 stemmen

blanco 6 stemmen

Op grond van deze uitslag blijkt Prof. Dr. S. R. Numans herkozen te zijn.
Na informatie van de voorzitter is Prof. Numans ook bereid dit aan tc nemen.
De voorzitter brengt naar voren dat het werk van de voorzitter van de Ereraad zeer
delicaat is. Hij werkt niet in het openbaar maar in de beslotenheid. De voorzitter
moet leiding geven bij het nemen van belangrijke beslissingen en de wijsheid op-
brengen om een goede uitspraak te verkrijgen.

9. Verkiezing van twee leden van de Ereraad, wegens reglementair aftreden van
de heren Z. Hooijberg en H. ]. C. Horbach, die herkiesbaar zijn.

Voor de verkiezing van een lid van de Ereraad in de vacature Z. Hooijberg worden
344 geldige stemmen uitgebracht, waarvan op;

J. Boom 5 stemmen

Z. Hooijberg 330 stemmen

blanco 9 stemmen

Op grond van deze uitslag blijkt de heer Z. Hooijberg herkozen te zijn, welke be-
noeming door hem aanvaard wordt.

Voor de verkiezing van een lid van de Ereraad in de vacature H. J. C. Horbach
worden 343 .geldige stemmen uitgebracht;

F. A. M. Doppen 2 stemmen

H. J. C. Hoibach 332 stemmen

blanco 9 stemmen

Op grond van deze verkiezing is de heer H. J. C. Horbach herkozen.

10. Verkiezing van een lid van de Paritaire Tarievencommissie van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde\\Landbouwschap in de vacature, ontstaan
door het overlijden van de heer ]. van de Veen.

Voor de verkiezing van een lid van de Paritaire Tarievenconunissic worden 344 gel-
dige stemmen uitgebracht, waarvan op;

J. R. F. Ex 9 stemmen

J. E. Gajentaan 2 stemmen

Jongbloed 2 stemmen

H. Th. Nieuwenhuijsen 12 stemmen

J. A. J. M. Peters 319 stemmen

Op grond van deze uitslag blijkt de heer J. J. M. Peters gekozen te zijn.
De voorzitter merkt op dat het lidmaatschap van de Paritaire Tarievencommissie
een zeer belangrijke taak inhoudt. De leden zijn aan niemand verantwoording schul-
dig alleen aan zichzelf.

Ik verzoek U op te staan;

Het is een tragische omstandigheid, dat wij collega Van de Veen niet
in persoon kunnen dank zeggen voor de arbeid, die hij in de Paritaire
Tarievencommissie heeft verricht, daar deze gewaardeerde collega niet
meer tot het rijk der levenden behoort.

Op onze vergadering was deze collega een opmerkelijk figuur, die kort
en krachtig zijn mening wist te formuleren.

Hij was in alle opzichten een man van de daad en een dierenarts „pur
sang" die zich met hart en ziel aan de praktijk wijdde.
Betrouwbaarheid, eerlijkheid en eenvoud sierden deze mens en tijdens de
uitoefening van zijn beroep werd deze robuuste collega uit het leven
weggerukt op een leeftijd, die nog alle toekomstverwachtingen in zich
besloten hield.

-ocr page 1141-

Aan zijn gezin, de weduwe en vijf kinderen, ontviel hiermede een on-
misbare steun: een man en vader, die de zijnen met oneindige liefde
omringde en in harde noeste vlijt dag en nacht arbeidde om dit gezin
de nodige materiële zekerheden te verschaffen.

De Maatschappij verloor in hem één van haar beste leden, omdat Van
de Veen ten alle tijde bereid was om, naast zijn drukke werkkring, ook
zijn tijd en werkkracht in dienst te stellen van onze vereniging, waar-
mede hij zich nauw verbonden wist.

Moge het Geloof, dat in het gezin Van de Veen zo sterk leeft (een
week voor zijn verscheiden legde onze collega tegelijk met zijn oudste
zoon nog Belijdenis des Geloofs af in de Nederlands Hervormde Kerk
te Twello) aan dit jonge gezin de balsemende troost en berusting schen-
ken, die het zo zeer van node heeft en moge ket eeuwig heil aan onze
diep betreurde collega ten deel zijn gevallen
Ik dank U.

10a. Bindende besluiten.

De V O O r z i 11 e r lichl toe dat gebleken is dat de redactie van de bindende be-
sluiten gewijzigd moet worden.

Spreker vraagt de vergadering machtiging om deze redactie met de jurist in de juiste
termen te veranderen.

De heer Bruckwilder merkt op dat de afdeling Zuid-Holland omtrent besluit
1 gecorrespondeerd heeft met de Algemeen Directeur van het C.D.I. Uit deze cor-
respondentie is gebleken dat de omschrijving van de stoffen niet parallel loopt met
dc omschrijving in de wet op de uitoefening der diergeneeskunde. Er moet dus in
het bindend besluit een andere omschrijving komen zodat zij aan elkaar gelijkluidend
zijn.

Er moet een mogelijkheid blijven dat dierenartsen die b.v. bij het C.D.I. werken en
daarnaast praktijk uitoefenen vaccins kunnen afleveren.

De heer Nieuwenhuijsen deelt mede dat de afdeling Gelderland van mening
IS dat de bindende besluiten onhanteerbaar zijn geworden. Zij zijn in strijd met de
werkelijkheid en de naleving kan niet gecontroleerd worden.

Het is moeilijk te zeggen wat eraan te veranderen valt maar daar zal het Hoofd-
bestuur in moeten beslissen.

Hij stelt voor de bindende besluiten %\'oor slechts een jaar tc continueren en het vol-
gende jaar het geheel op de helling te zetten, en dan in een vorm die meer met de
realiteit overeenkomt. Een en ander hangt nauw samen met de geneesmiddelenvoor-
ziening, maar dit komt wel bij dc rondvraag ter sprake. Dc afdeling wil niet zonder
bindende besluiten komen te zitten.

De heer Schneider deelt mede dat de afdeling Utrecht hetzelfde standpunt heeft
betreffende de redactie en zij ziet de verlenging graag voor i\'én jaar.
De heer Bruckwilder merkt op dat het C.D.I. nu een Stichtingsvorm heeft, en
het niet mogelijk is de levering van entstoffen afhankelijk te stellen van het tekenen
van een garantie.

Wanneer aangenomen wordt dat iedereen strafbaar is, wanneer hij entstoffen van
het C.D.I. afneemt moet dit besluit vervallen.

De voorzitter antwoordt dat het hem niet duidelijk .s waarom cr dan geen
moeilijkheden waren met de Rijks Serum Inrichting. Waarom is dit bindend besluit
nu onaanvaardbaar en vier jaar geleden niet?

De heer Bruckwilder antwoordt dat de Rijks Scrum Inrichting toen niet onder
de instituten viel waarmede men in overtreding kan komen; omdat er stichtingen
genoemd worden is het C.D.I. er ook bij en het zou onmogelijk zijn sera etc. af te
leveren wanneer een niet-lid weigert een bestemmingsplaats op te geven. Het C.D.I.
moet kunnen leveren aan iedereen die het diploma van dierenarts hceft.
De voorzitter stelt voor het geheel aan stemming te onderwerpen. Het tweede
besluit is wel moeilijk, maar het kan niet geschrapt worden.

-ocr page 1142-

De voorzitter vraagt of de vergadering het goed vindt de besluiten voor één jaar aan
te nemen zodat het Hoofdbestuur dit door de jurist kan laten bekijken. Niemand
heeft bezwaar.

De heer B r u e k w i 1 d e r wil ook namens de afdeling Zuid-Holland nadrukkelijk
genotuleerd zien dat het slechts voor één jaar geldt en dat het tweede besluit zo-
danig geredigeerd wordt dat er geen moeilijkheden komen met het C.D.I. en ook
niet voor de dierenartsen die bij het C.D.I. werkzaam zijn.

11. Contributie.

De voorzitter deelt mede dat de contributiecommissie een gewijzigde indeling
voorgesteld heeft.

Om nu de discussie te vergemakkelijken stelt de voorzitter voor dit punt te splitsen
in a. het schema en b. de wijze van vorderen.

De heer Hibma deelt mede dat de afdeling Friesland van mening is dat de diffe-
rentiatie weinig veranderd is. De afdeling merkt op dat leden van 65 jaar en ouder
minstens de prijs van het abonnement voor het Tijdschrift voor Diergeneeskunde ad
ƒ 40,- betalen moeten.

De voorzitter antwoordt dat in de groepering van ƒ 100,- ■— ƒ 175,- juist veel
ambtenaren vallen en daarom is deze schaal uitgebreid om hen tegemoet te komen.
De heer Schneider merkt op dat de splitsing om de discussie te vergemakkelijken
niet juist is omdat het Hoofdbestuur met één voorstel gekomen is.
Prof. Wagenaar voegt ciaan toe dat de afdeling Utrecht het niet gesplitst be-
handeld heeft en nu zit de afgevaardigde met de moeilijkheid dat de mening van dc
afdeling niet bekend is.

De secretaris licht de opmerking van afdeling Friesiind toe met de mede-
deling dat dit indertijd reeds besproken is en dat er bezwa\'-en waren omdat oudere
collegae het lidmaatschap soms niet meer konden betalen.

De heer Nieuwenhuijsen informeert hoe groot de groep is die dit betreft.
Het abonnement schijnt ƒ 40,- te kosten. Is dit de kostprijs of een andere prijs? Hij
kan zich voorstellen dat cr bezwaren zijn tegen het lidmaat-<chap beneden de kost-
prijs van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

De heer Schneider merkt op dat het voorstel er ligt zoals het door het Hoofd-
bestuur voorgesteld is; cen gesplitst voorstel zou eventueel volgend jaar op de agenda
kunnen worden geplaatst.

De secretaris antwoordt op dc vraag van de heer Nieuwenhuijsen dat de groep
ongeveer 200 is. De kostprijs van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde bedraagt
ongeveer ƒ 30,-.

De penningmeester merkt op dat het lid blijven van oudere leden zeer zeker
geen bezwaar mag zijn, het moet zelfs bevorderd worden. Het tijdschrift kost ons als
Maatschappij ƒ 20,- t.w. ƒ 30.000,- met een aantal leden /an 1500. Voor het hd-
maatschap van oudere leden zou dit ƒ 10,- extra bedragen.

De voorzitter is van mening dat de heer Schneider „\'elijk heeft; het voorstel
is niet te splitsen.

Het Hoofdbestuur heeft natuurlijk wat moeilijkheden ondervonden; de leden vonden
het niet prettig het belastingbiljet op tc sturen. Zij stelden zich op het standpunt
dat wanneer zij iets verklaren dit op waarheid berust en weigeren het belastingbiljet
in te sturen (b,v, in verband met een privé-inkomen), Het voorstel van de vorige
■Algemene Vergadering was ƒ 250,- contributie cn de mogelijkheid tot rcducde-
aanvrage. Naar aanleiding hiervan heeft de contribudecommissic vergaderd en deze
heeft geadviseerd dezelfde schaal met cen paar fasen uit te breiden en de leden op
grond van de contributieschaal zelf te laten bepalen welke contributie zij moeten
betalen.

Het Hoofdbestuur is van mening dat op deze regeling enige controle moet bestaan.
Er zullen misschien leden zijn die bij hun indeling van een kansberekening uitgaan
en er op rekenen dat zij buiten de loting vallen.

De heer Bruckwildcr deelt mede dat in dc toelichting een tegenspraak is. „Vol-

-ocr page 1143-

ledig vertrouwen" maar „toch controle" is niet met elkaar \'n overeenptcmming. Het
Hoofdbestuur kan in 1964 ervaring op doen en een jaar de leden vertrouwen geven.
In de loop van 1964 kan cen mening gevormd worden en op grond daarvan kan
zonodig een controlesysteem worden ingevoerd. De afdehng is dan ook van mening
dat de laatste twee zinnen van de toelichting vervallen moeten. Het Hoofdbestuur
moet volgend jaar aantonen dat de leden hct vertrouwen niet waard zijn.
De heer Nieuwenhuijsen deelt mede dat de afdeling Gelderland van mening
is dat een controlesysteem niet gemist kan worden. Er is echter een inconsequentie;
de redactie is fout. Zonder controle vreest de afdeling dat cr narigheid komt.
Het grootste gedeelte van de leden zal zich aan de bepalingen houden maar alle
bepalingen die gemaakt worden berusten op de slecht willende collegae en de af-
deling ziet graag cen maatregel om deze collegae te kunnen grijpen.
De afdeling stelt voor dat de collegae die hun stukken overleggen op vrijwillige basis
niet behoeven mee tc loten zoals ook de afdeling Zeeland voorstelt.
De heer Schneider deelt mede dat de afdeling Utrecht het voorstel als een
geheel heeft gezien en dat over dit ene voorstel een stemmin.g gehouden is, waarbij
het verwoqjcn is. De leden zijn niet tegen de schaal. De dierenartsen zijn eerlijk;
wanneer er een paar bij zijn, die een onjuiste opgave doen moet dc Maatschappij
dat aanvaarden. De afdeling was vorig jaar ook te.gen het voorstel van het Hoofd-
bestuur. Wanneer een aantal leden wei.gert .gegevens op te sturen, is dat hun goed
recht. Zij zullen echter het volle bedrag moeten betalen wanneer zij zich niet aan de
besluiten van de algemene vergadering houden. Nu komt er een loting en dan vallen
deze leden wel door dc mand, maar dan komen er ook meer bedankjes. Dit geheel is
uitstel van executie, daarom dient de oude re.gcling gehandhaafd te worden.
De heer Houben deelt mede dat de afdeling Noord-Brabant in principe wel ak-
koord gaat, maar stelt voor deze nieuwe re.gcling nogmaals in overweging te nemen.
In de afdelin,g zijn verschillende voorstellen .gekomen;

1. Loting en publikatie van eventuede fraudeurs in het Tijd.-chrift voor Dicr.genees-
kunde of de namen doorgeven aan de Ereraad.

2. Oplegging van cen boete,

3. Handhaving van het oude systeem.

De heer Makkinga merkt op dat de samenstelling van Let belastbaar inkomen
een rol speelt en niet alleen het bedrag. De afdeling Noord-Holland is het helemaal
eens met de contributicschaal maar de afdeling is te.gen dc loting, omdat dit niet
stijlvol is; daarom prefereert dc afdeling de oude regeling.

De voorzitter antwoordt dat verschillende leden zich afvragen wat de Maat-
schappij voor hen doet. Een efficiëncybureau zou dit kunnm uitzoeken en aan de
hand hiervan zou de contributicschaal bepaald kunnen worden. Dit is erg belangrijk
voor de afdeling Noord-Holland I Spreker voorziet een bron van moeilijkheden en het
is niet voor realisatie vatbaar. Een efficiëncyonderzoek is minder geschikt voor een
vereniging.

De heer Borm deelt mede dat de afdeling Zeeland akkoord gaat met hct voorstel
van het Hoofdbestuur, met dien verstande dat die leden die hun belastingbiljet op-
sturen buiten de loting vallen.

De afdeling Groningen-Drenthe gaat akkoord met hct voorstel, zij wil zelfs dat die
collegae van wie na de loting is gebleken dat cr cen onjuiste opgave is gedaan, ook
de voorgaande jaren gecontroleerd dienen tc worden.

De afdeling Overijssel gaat akkoord met het voorstel van de afdeling Groningen-
Drenthe. Afdeling Friesland steunt het voorstel van afdeling Zeeland t.w. de leden
die de maximum contributie betalen vallen buiten de loting.

De heer Schneider merkt op dat hij stemt over het voorstel van het Hoofd-
bestuur. De afdelingsafgevaardigden kunnen hun opdracht nu niet uitvoeren.
De heer Nieuwenhuijsen merkt op dat de meeste afdelingen bezwaren heb-
ben, zodat het neer komt op amendementen.

Voor een jaar gaat de afdeling Gelderland akkoord met het voorstel van het Hoofd-
bestuur,

-ocr page 1144-

De heer Hooijberg merkt op dat groei betekent ingewikkeldheid en dit betekent
verval.

Wanneer een lid zijn reductie niet wil aantonen, moet hij het maximum bedrag be-
talen. Van wanbetalers dient tijdig afstand te worden genomen.

De heer Kampelmacher pleit voor het systeem dat f 250,- wordt voldaan indien
men geen belastingbiljet wenst te tonen.

Prof. Wagenaar merkt op dat de contributie f 250,- is, maar dit blijkt niet uit
de voorstellen van vorig jaar of dit jaar.

De heer Zwanenburg heeft geen bezwaar tegen deze regeling maar wel tegen
het opsturen van het belastingbiljet. Bovendien is het onbillijk voor de ongehuwden,
die moeten toch al zoveel betalen. De Maatschappij heeft ook niet het recht contri-
butie te heffen van de inkomsten van de echtgenoten. Wanneer er bij de leden on-
enigheid bestaat over ƒ 50,- contributie méér, is het met de mkomsten van de dieren-
artsen slecht gesteld en dan is het dc taak van de Maatschappij er iets aan te doen.
De heer Hoedemaker vraagt zich af welke waarde er .gehecht wordt aan dc
handtekenin.g van de dierenarts. Wanneer de dierenarts zijn handtekening zet is dat
een juiste verklaring. Wanneer het Hoofdbestuur daaraan twijfelt, is dat fout. Laat
het Hoofdbestuur het vertrouwen opbrengen dat de dierenartsen waard zijn.
De heer Neeteson informeert of de f 2000,- „nog te innen" voor 1962 geldt. Zijn
dat de leden die niets betalen of cen gedeelte en welke maatregelen worden daar-
tegen genomen.

De heer H e e g antwoordt dat na de vorige contributieverho.ging een storm is ont-
staan. De echaal van 1962 was er vroeger ook, maar de bedragen zijn hoger ge-
worden. Toen is er cen aversie ontstaan en de leden zijn tot de conclusie gekomen
dat het systeem niet juist was.

Het Hoofdbestuur heeft de taak de Maatschappij te laten blijven wat zij is en daar-
om is er geprobeerd een fraaiere regeling te treffen. Het Hoofdbestuur zou evenals
de afdeling Zuid-Holland volledig vertrouwen willen schenken. Wanneer de leden
naar eer en geweten hun contributie betalen is er de mogelijkheid dat de contributie-
inkomsten lager worden en daarcmi heeft het Hoofdbestuur de gedachte een 25-tal
voor controle uit te loten en daarna te bezien wat daaruit voortvloeit. Wanneer dan
blijkt dat het niet goed gaat kan altijd weer teru.g.gevallen
Aorden op het oude sys-
teem.

Dit nieuwe systeem is een verbeterin.g van het oude.

Er waren vrij veel achterstallige contributies en het is een hele toer om deze te innen.
Er is voorzichtig aan begonnen.

De heer J. S. Reinders vraagt of de dierenartsen verenigd zijn in een Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor boeven, in verband met de vertrouwen.skwestie.
De heer Schncider deelt mede dat de afdeling indertijd niet gelukkig was met
de contributieregeling. Zij stelt voor via de afdelingen tot een nieuw systeem te komen.
De heer Overhaus merkt op dat de vragen aan de penningmeester nog niet be-
antwoord zijn.

De penningmeester deelt mede dat de ƒ 2000,- een geraamd bedrag is dat
niet meer te innen zal zijn. Hier onder zijn o.a. ook veel buitenlanders.
Hierna schorst de voorzitter de vergadering een ogenblik voor nader beraad. Na
heropening stelt de voorzitter voor het voorstel in stemming te brengen met het
amendement van de afdeling Zeeland.

Bij stemming blijkt dat 267 leden voor, 74 leden tegen en 12 blanco .gestemd hebben.
Het voorstel van het Hoofdbestuur met het amendement is hiermede voor één jaar
aan.genomen.

12. Verblijfkosten.

De heer Schncider merkt op dat bijzondere declaraties door het Hoofdbestuur
of enkele leden goedgekeurd moeten worden.
Het voorstel wordt volledig geaccepteerd.

-ocr page 1145-

13. Rapport van de financiële commissie 1963 (afd. Zeeland) inzake het financieel
beleid.

Prof. Wagenaar merkt op dat cr geen hogere afschrijving van het pand plaats moet
vinden; 3% per jaar is voldoende. Indertijd is besloten een . aste lijn aan te houden
en die moet nu niet worden verlaten.

14. Commentaar van het Hoofdbestuur ten aanzien van de commissie 1963.
Met betrekking tot dit punt worden geen opmerkingen gemaakt.

15. Algemeen accountantsrapport betreffende het boekjaar 1962 van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Dit rapport geeft geen aanleiding tot opmerkingen.

16. Balans van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde per 31 december
1962.

De balans van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde per 31-12-1962
sluit met een kapitaal van ƒ 106.882,11.

17. Baten- en lastenrekening van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
over 1962 en begrotingen voor 1962, 1963 en 1964.

De heer Bruckwilder deelt mede dat de afdeling Zuid-Holland van mening is,
dat dc jaarlijkse bijdrage aan het Ondersteuningsfonds gehandhaafd dient te blijven,
omdat het fonds ten alle tijde over voldoende geld moet kunnen beschikken. Wanneer
de subsidie nu vervalt zal het later moeilijk zijn deze weer in te voeren.
In de vorige Algemene Vergadering is gesteld dat de boeten opgelegd door de Ere-
raad op de baten- en lastenrekening van de Maatschappij komen. De afdeling ziet
deze opbrengst graag gereserveerd voor een ander doel. Er is toen toegezegd dat het
besproken zal worden in een Hoofdbestuursvergadcring.

De voorzitter antwoordt dat de sociale voorzieningen zodanig zijn dat de uit
te keren bedragen veel lager worden. Er wordt een strenge m.iatstaf aangelegd. Voor-
dat een bijdrage toegekend wordt, wordt naar de inkomsten en uitgaven e.d. ge-
ïnformeerd. Spreker is van mening dat dc ƒ 1000,- niet gestort behoeven te worden
omdat de inkomsten vanzelf groeien.

De heer Kloosterboer zegt, dat dc afdeling Overijssel cr ook niet mede akkoord
kan gaan. Er is een mogelijkheid dat b.v. ƒ 1,- per lid voor het Ondersteuningsfonds
afgedragen wordt.

Dc heer Nieuwenhuijsen deelt mede dat ook de afdejing Gelderland uit prin-
cipe de storting van ƒ 1000,- gehandhaafd wil blijven zien. Dc begroting voor dc
juridische adviezen wordt elk jaar meer. De afdeling informeert waarom in dc toe-
komst zoveel meer juridische adviezen ingewonnen zullen worden. De wijzigingen van
de statuten zijn gereed, zodat die niet meer dc oorzaak kunnen zijn. Wanneer deze
adviezen de Ereraad gelden, is zijn vraag hoe vaak de Ereraad bijeenkomt en wat
het honorarium van de jurist is.

De heer H e e g antwoordt dat de kosten van de Ereraad van dien aard zijn dat ze
uit de opbrengst van de boeten voldaan zijn.

De jurist stuurt jaarlijks een niet-gespecificeerde nota over het voorgaande jaar in,
voor zijn vervulde diensten.

De heer Nieuwenhuijsen vraagt of het Hoofdbestuur dc indruk heeft dat de
jurist alleen meer declareert of verricht hij ook meer werk.

De heer H e e g zegt dat de werkzaamheden van de jurist loenemen en dat de uit-
gaven op de begroting 1964 in overeenstemming zijn gebracht met de te verwachten
uitgaven in 1963.

De heer M a k k i n g a informeert namens de afdeling Noord-Holland waarom voor
1964 in de begroting een bedrag van ƒ 2000,- opgenomen is voor honorarium waar-
nemend-secretaris.

-ocr page 1146-

De penningmeester antwoordt dat deze post ontstaan is, omdat de secretaris
overwerkt is geweest. Toen de begroting opgemaakt is, is er rekening gehouden met
de mogehjkheid dat de redacteur bij vakanties van dc secretaris de secretariaats-
werkzaamheden waarneemt.
Deze post komt dus jaarlijks terug.

De heer Bruck wilder merkt op dat meer afdelingen de bijdrage voor het Onder-
steuningsfonds willen handhaven. Om tot een goedkeuring van de Baten- en Lasten-
rekening te komen vraagt hij stemming.

De heer Schneider deelt mede, dat de afdeling Utrecht van mening is dat er
weinig uitgaven zijn en dat cr veel inkomsten tegenover staan.

Naar aanleiding van de bate „salaris secretaris abattoir Rotterdam" wordt opgemerkt
dat nu de werkzaamheden op het secretariaat steeds toene.-nen het wenselijk wordt
geacht dat de secretaris deze functie neerlegt.

De voorzitter antwoordt dat deze kwestie al enige malen besproken is, ook in
het Hoofdbestuur. Bij de aanstelling van de secretaris is scnriftelijk vastgelegd dat
de werkzaamheden aan het abattoir niet opgezegd behoefd-3n te worden, dus het is
een verkregen recht van de huidige functionaris.

De heer H o u b e n merkt op dat de afdeling Noord-Brabant van mening is dat dc
collegae zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezin en daarom acht de afdeling het
niet nodig dat de bijdrage voor het Ondersteuningsfonds wordt gecontinueerd.
Er zijn natuurlijk altijd gevallen waarbij de sociale voorzieningen onvoldoende zijn,
maar hierover zal het Hoofdbestuur beslissen.

De heer Schneider merkt naar aanleiding van het batig saldo van het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde op dat de subsidie van
f 30.000,- dus niet verhoogd behoeft
te worden.

Hierna gaat de vergadering akkoord met de baten- en lastenrckening 1962, en de
begroting 1964.

18. Balans van het Ondersteuningsfonds van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde per 31 december 1962.

De balans van het Ondersteuningsfonds per 31 december 1953 geeft cen kapitaal aan
van ƒ 244.023,08. De vergadering keurt deze balans zonder discussie goed.

19. Baten- en lastenrekening van het Ondersteuningsfonds van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde over 1962.

De baten- en lastenrekening van het Ondersteuningsfonds voor 1962 geeft cen voor-
delig saldo aan van .ƒ 10.329,69. Deze rekening wordt zonder discussie .gocd.gekeurd.

20. Balans van de Stichting D. F. van Esveldfonds van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde per 31 december 1962.

Dc balans van het Van Esveldfonds geeft per 31 december 1962 een kapitaal van
ƒ 29.817,54. Deze balans wordt zonder discussie gocd.gekeurd.

21. Baten- en lastenrekening van de Stichting D. F. van Esveldfonds van de Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde over 1962.

De baten- en lastenrekening van het Van Esveldfonds over het jaar 1962 sluit met
een nadelig saldo van ƒ 1412,15. De vergadering keurt deze rekening zonder discussie
goed.

22/23. Balans van het Eeuwfeestfonds van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde per 31 mei 1963 en de winst- en verliesrekening over de pe-
riode van 1-1-1958 t.m. 31-5-1963.
De secretariE-penningmeester van het Eeuwfeestfonds, de heer Kramer, geeft enige
toelichting.

Hij dankt alle leden voor de prettige medewerking bij de financiële afwerking.

-ocr page 1147-

Spreker zegt ook de financiële commissie dank voor de vriendelijke woorden, tot het
Eeuwfeestcomité gericht. Hct nadelig saldo is hoger geworden dan nu vermeld staat op
de winst- en verliesrekening n.1. ± ƒ 4.463,28. Dit nadelig saldo komt voor rekening
van de Maatschappij. De Maatschappij zal echter de fotoboeken van het Eeuwfeest
overnemen, wat een fictieve post is, hoewel cr nog boeken verkocht worden. Mogelijk
moet cr nog een post aan de drukkerij van het fotoboek betaald worden.
De commissiekosten zijn hoger geworden en zijn ongeveer 10,4% van het totale
budget. Er zijn zoveel mogelijk leden bij de voorbereiding van hct Eeuwfeest inge-
schakeld, m,aar dit had tot gevolg dat de commissiekosten hoger werden. De heer
Lokum te Gouda, medewerker van wijlen colle.ga Oskam, heeft een bedrag ontvangen
voor de vele verrichte werkzaamheden.

De heer Kramer is van mening dat voor de farmaceutische industrie op zeer be-
scheiden wijze reclame is gemaakt voor de bijdragen, die zij geschonken hebben.
Ter gelegenheid van hct Eeuwfeest wordt aan dc gemeente Utrecht een kunstwerk
aangeboden, cen standbeeld, waaraan voor de helft ad ƒ 6.000,- door dc Maatschappij
zal worden bijgedragen.

Spreker deelt verder mede dat een definitieve balans en winst- en verliesrekening
nog bekend gemaakt zullen worden en hij verzoekt de voorzitter het Ecuwfecstcomité
nu reeds te dechargeren.

De voorzitter dankt de secretaris-pennin.gmeester van het Ecuwfecstcomité voor
de zeer vele werkzaamheden die hij verricht heeft en dechargeert met zeer spontane
instemming van de vergadering hem en ook de andere leden van het Ecuwfecstcomité.
Dc heer Pille vraagt wat er met de overgebleven fotoboeken gedaan zal worden.
De voorzitter antwcxirdt dat er nog steeds fotoboeken aangevraagd worden, en
buitenlandse gasten die op het bureau komen krijgen een fotoboek aangeboden, maar
dit komt nu ter verantwoording van het Hoofdbestuur.

Spreker deelt mede dat er een tekort voor het Eeuwfeest geraamd was van ƒ 11.000,-;
het belangrijk lager tekort is dus volkomen aanvaardbaar, want het is een bijzonder
geslaagd feest geweest en het heeft dc primeur van vele landen waar cen dergelijk
feest reeds gevierd werd.

De voorzitter dankt uit naam van alle leden van de Maatschappij hct gehele Ecuw-
fecstcomité en in het bijzonder de secretaris-penningmeester, voor de enorme activi-
teiten, die ontwikkeld zijn.

24. Rekening en verantwoording van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde over
1962 en begrotingen over 1962, 1963 en 1964.

De desbetreffende stukken worden zonder discussie goedgekeurd.

25. Rondvraag.

De heer Van Rhce brengt namens de afdeling Groningen-Drenthe naar voren
dat hij a. de tarieven voor dc georganiseerde dierziektebestrijding in de andere E.E.G.-
landen zou willen vernemen in verband met de verhoging van de Nederlandse ta-
rieven, b. in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde gaarne actuele artikelen over voor-
lichting op economisch gebied ziet opgenomen, c. klinische avonden wil hebben voor
de grote huisdieren-practici.

De voorzitter antwoordt a. in ieder land is de situatie verschillend. In Neder-
land b.v. omvat de rundveestapel ± 4 miljoen dieren en er zijn ongeveer 700 practici.
In Zwitserland is de veestapel de helft maar er zijn meer dierenartsen. De omstan-
digheden zijn daar heel anders, zcxlat onderlinge vergelijking niet zo veel zin heeft,
b. Deze kwestie zal de Redactie van het Tijdschrift in overweging moeten nemen.
De heer Kampelmacher antwoordt dat het erg moeilijk is actuele artikelen
te krijgen. Er is al dikwijls aan de afdelingen gevraagd om allerlei bijdragen in te
sturen, maar dit wordt zelden gedaan en de Redactie kan er niet voor op pad gaan.
De Redactie is van plan cen enquête te houden om de wensen van de leden te peilen
en zodoende tot een uitgave te komen waarmede alle wensen zo veel mogelijk worden
vervuld.

De voorzitter zegt vervolgens c. klinische lessen zijn interessant voor elke af-

-ocr page 1148-

deling. Het beste kan hieromtrent in contact getreden worden met Prof. Wagenaar

die ook de klinische lessen in de afdeling Utrecht heeft verzorgd.

Op voorstel van de voorzitter krijgt de vergadering nu een besloten karakter.

Na het besloten gedeelte der vergadering krijgt de heer Peters gelc.genheid een korte

inleiding te houden.

Mijnheer de Voorzitter, leden van de Koninklijke Nederlandse Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

Anderhalve eeuw geleden was het nog een twistpunt, of de op te richten
Veeartsenijschool alleen onderwijs zou moeten geven in de geneeskunde
van het paard of ook in die van het vee.

De Veeartsenijschool werd opgericht in 1821. In 1918 werd zij Vee-
artsenijkundige Hogeschool en in 1925 zesde Faculteit. De afgestu-
deerden kregen het diploma van veearts.

Dat velen zich dierenartsen gingen noemen, was niet omdat zij de oude
titel niet mooi genoeg vonden, maar omdat de vlag de lading niet meer
dekte. Immers in steeds toenemende mate werd hun hulp ingeroepen
voor de behandeling van honden, katten, pluimvee, konijnen en andere
dieren. Hun voorbeeld werd gevolgd door de Maatschappij, het Tijd-
schrift en later ook door de Faculteit, die alle in hun naam het woord
„Veeartsenijkunde" vervingen door „Diergeneeskunde". Achter bleef
alleen de overheid met haar Veeartsenijkundige Dienst, hoewel honden,
katten, nertsen en vogels toch zeker niet tot het vee gerekend kunnen
worden. Gouverner c\'est prévoir is niet in het Nederlands vertaald.
Niet alleen breidde zich het aantal diersoorten, waarvoor geneeskundige
hulp werd gevraagd, uit, ook vond er een verschuiving plaats in be-
langrijkheid voor de praktijk.

Een halve eeuw geleden werd het paard nog als het voornaamste be-
schouwd, zowel voor de praktijk als in het onderwijs. De anatomie was
de anatomie van het paard, op beknopte wijze aangevuld met bijzonder-
heden van andere diersoorten. Voor de heelkunde gold hetzelfde. Ook
bij de interne geneeskunde, verloskunde en waar al niet meer kwam
eerst het paard, dan het rund en als het al ter sprake kwam, het kleine
huisdier het allerlaatst. Zelfs werd in 1925, bij de overgang van Hoge-
school naar Faculteit, nog overwogen de Kliniek voor Kleine Huis-
dieren op te heffen.

Toen ik mij in 1926 in Rotterdam vestigde, me-;nde de collega\'s aldaar,
dat hier nooit een bestaansmogelijkheid in zou zitten.
Niemand zal thans bestrijden, dat het kleine huisdier nu het paard in
belangrijkheid voor de diergeneeskundige praktijk verre overtreft.
De ontwikkeling is niet ten einde. IVas een halve eeuw geleden de
kleine-huisdierpracticus de dierenarts, die zich gespecialiseerd had in
twee diersoorten, de hond en de kat en sporadisch een vogeltje behan-
delde, geleidelijk is dit veranderd. In toenemende mate wordt zijn hulp
en kennis verlangd voor de behandeling van apen, papegaaien, par-
kieten, kanaries, zelfs schildpadden en soms vissen. Ten aanzien van
deze dieren komt hij in dezelfde positie als vroeger de veearts, die
honden en katten in behandeling kreeg. Onvoldoende kennis, vaak een
onwennigheid, die hem er toe brengt, dit van zich af te schuiven of al-
thans onvoldoende te doen honoreren.

De bemoeienis van de dierenarts met de vogels behoort niet op te hou-
den bij de bestrijding van besmettelijke ziekten bij het pluimvee, de
postduiven en de kanaries in kwekerijen. De opvatting, dat de taak
van de dierenarts alleen een economische is, en zijn patiënten alleen
een materiële waarde vertegenwoordigen, is verouderd.
Sommigen spotten met de tranen van de eenzame vrouw, wier kanarie
gestorven is, maar is het plakje worst op haar boterham heus wel be-

-ocr page 1149-

langrijker? Weet u, wat een papegaai, die soms enige generaties in een
familie is, voor de eigenaar kan betekenen?

De belangstelling van de grote massa voor het dier is in de laatste de-
cennia zeer toegenomen. In de oorlog, vaak in de ellendigste omstan-
digheden, vond de stadsmens troost in de aanhankelijkheid van zijn
huisdieren en in de hongerwinter spaarden mensen, te zwak om op te
staan, het brood uit de mond voor hen.

Met de verbetering van de economische toestand en algemene ontwik-
keling ging ook de boer zijn dieren anders zien dan alleen geldswaarde
en heeft hij ook voor de behandeling van zijn hond geld over.
De televisie-programma\'s over dieren, in de vrije natuur, in dieren-
tuinen en elders, zijn zeer in trek en worden met belangstelling gevolgd.
Ook deze stimuleren het houden van minder gewone diersoorten als
huisdier.

De dieren in dierentuinen vormen langzamerhand niet meer het groot-
ste contingent van de „bijzondere dieren" en de kennis van hun ziekten
is niet alleen voor de dierentuindierenarts van belang.
In zijn voordracht op het Wereldcongres te Hannover, getiteld: „Vete-
rinary Attenion to Wild Animals", dat ik u ter lezing ten zeerste aan-
beveel, deelt O. Graham Jones mede, dat er in Groot-Brittannië meer
dan 7 miljoen parkieten zijn, ongeveer 2x het aantal honden. Ook in
ons land bevordert de flatbouw, waarin het houden van honden moeilijk
of vaak zelfs verboden is, een verschuiving van de hond als patiënt
naar de parkiet.

De bijzondere dieren, die onze bijzondere aandacht vragen, verdeelt
Jones in:

a. die in circussen en dierentuinen;

b. die in het wild of in reservaten;

c. die, gehouden door particulieren en in laboratoria.

Die in dierentuinen en laboratoria krijgen reeds de aandacht van en-
kele gespecialiseerde collega\'s, die gehouden door particulieren moeten
door de practicus behandeld worden en niet door de leek.
De Faculteit dient bij de opleiding van de dierenarts niet uit te gaan
van de toestand van gisteren, maar van die van morgen. De toekomst
eist full-time dierentuindierenartsen, specialisten voor de bijzondere die-
ren in de grote steden en ook een goede behandeling van deze dieren
in de kleinere plaatsen.

Met het aannemen van de naam „dierenarts" hebben wij de verplich-
ting op ons genomen alle diersoorten, waarvoor ons advies en genees-
kundige hulp wordt gevraagd, onze volle aandacht te geven. De stu-
dent, die nu afstudeert, zal nog 40 jaar lang aan de eisen, die de prak-
tijk stelt, moeten kunnen voldoen.

Een begin is gemaakt door wat nu is geworden de afdeling „bijzondere
dieren" van het Pathologisch Instituut. Andere instituten dienen te
volgen, doch hoe belangrijk het wetenschappelijk onderzoek moge zijn,
het uiteindelijk doel is de kliniek en de opleiding voor de praktijk.
Jaarlijks wordt in Europa een Symposium over de ziekten van dieren-
tuindieren gehouden. Stappen zijn reeds genomen, om te verkrijgen, dat
op het volgend Wereldcongres ook aan dit ondereel een ruime plaats
zal worden ingeruimd.

Leden der Faculteit, aan u de taak om mee te helpen aan het opbouwen
van een geneeskunde van de „bijzondere dieren" en deze te onder-
wijzen, opdat de a.s. dierenarts de nodige kennis en vaardigheid kan
bezitten.

Aan de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde de taak, haar
beoefenaren de volle steun te verlenen, waar zij als leden recht op heb-
ben.

-ocr page 1150-

Mijnheer de voorzitter, dames en heren, opzettelijk heb ik mij beperkt
tot een korte inleiding, in plaats van een gedegen voordracht, om de
gelegenheid tot discussie open te houden.
Thans aan u het woord, ik dank u.
Dc V O O r z 111 e r wil nu de vergadering sluiten; de lange duur van deze vergadering
was te voorzien. Hij begint nu aan zijn laatste "ronde" als voorzitter en verzoekt de
afdelingen nu reeds uit te zien naar een opvolger.

Hierna wordt de leden dank gebracht voor de wijze waarop de discussies zijn ge-
voerd en sluit de voorzitter omstreeks 18.00 uur de 110 Algemene Vergadering,

Namens de Notulencommissic,
De Secretaris,
Dr. W. A. de Haan.

Reünie dierenartsen Zeist.

Op iedere 2e donderdag van de maand zal in den vervolge van 10.00-12.00 uur een
reünie worden belegd in Hotel Figi te Zeist, waarop iedere bejaarde dierenarts, wo-
nende in Zeist en omstreken, welkom is.

Dr. D. M. Hoogland.

Uitbreiding en modernisering van het secretariaatsgebouw.

Zoals reeds terder is meegedeeld, heeft door de steeds toenemende burcauwcrkzaam-
heden personeelsuitbreiding plaatsgehad en in verband daarmee is het kantooropper-
vlak verdubbeld; er is een open wachthal ingericht, cen „kitchenet" ingebouwd etc.
Dit alles is tot stand gekomen door interne veranderingen van het dubbele burcau-
woonhuispand.

Hoewel het privégcdeelte hierdoor kleiner is geworden, is dit nog goed „leefbaar"
gebleven, ook voor een toekomstige opvolger van de secretaris, met cen - eventueel
- - uitbreidend gezin.

Behalve vergroting van de bestaande ruimte is ook alle aandacht besteed aan moder-
nisering, zodat het geneel nu veel meer dan voorheen aan representatieve eisen vol-
doet.

Na ruim 3 maanden is het nieuwe bureau in gebruik genomen.

Ter gelegenheid van de laatste vergadering van het Algemeen Bestuur is hieraan
even een officieel tintje gegeven.

De vlag wapperde in de top van de mast, toen de leden in de vergaderingpauze in de
Rubenslaan arriveerde.

Na de bezichtiging heeft mevrouw De Haan de gasten ontvangen met een aperitief
en daarna is de vergadering weer voortgezet.

Hoewel veel individuele leden — vooral uit het centrum van het land — regelmatig
op het bureau komen en het verfraaide intérieur kunnen zien, zullen vele anderen,
uit de periferie, hier minder gelegenheid voor hebben, omdat zij hun zaken met
het bureau meestal schriftelijk of telefonisch afdoen.

Met het oog op deze leden — die toch ook „aandeel" hebben in het gemeenschappelijk
bezit — zijn enkele foto\'s genomen, die een indruk geven van de nieuwe situade.
De foto\'s hebben nauwelijks toelichting nodig; er wordt slechts volstaan met enkele
korte bijschriften.

Wat de laatste foto betreft, kan de verheugende mededeling worden gedaan, dat het
Algemeen Bestuur met algemene stemmen heeft besloten lot aanstelling van een
adjunct scretaris-dierenarts. Dit zal o.a. inhouden dat de \'ege stoel behalve op de
„spreekdag" van woensdag, ook op andere dagen wat meer bezet zal kunnen zijn.
Tenslotte geeft de kleurenfoto een duidelijk beeld van een van de geschenken van
de afdelingen, aangeboden ter gelegenheid van het Eeuwfeest.

De gouash van de Amsterdamse kunstschilder is nog even zichtbaar op de eerste foto.

-ocr page 1151-

Harry Sterk „Meisje met haan".

Aangeboden door de Afdelingen ter gelegenheid van het
Eeuwfeest.

-ocr page 1152- -ocr page 1153-
-ocr page 1154-
-ocr page 1155-

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Gelderland.

De afdeling Gelderland van dc Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde zal
haar eerstvolgende ledenvergadering houden op
woensdag 18 december a.s., om
20.00 uur in Café-Restaurant Riche-National te Arnhem, alwaar als spreker aan-
wezig zal zijn Dr. M. F. Kramer:
Vrij beroep?

Afdeling Noord-Holland.

De afdeling Noord-Holland van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
organiseert haar volgende ledenvergadering op
vrijdag 20 december a.s., om 20.00
uur
in Restaurant Koekenbier, te Alkmaar.

1\'ERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft de vol.gende collega aangenomen als lid \\an de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde:

E. G. .A. Staal, Floris Heermalenstraat 15, Utrecht.

Het Hoofdbestuur draagt de volgende collega voor het lidmaatschap van de Kon.
Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde voor:

E. D. Heller, Adriaanstraat 24, Utrecht.
Hct Hoofdbestuur heeft de volgende diergeneeskundige studenten aangenomen als
kandidaatleden van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde:
P. G. van der Hooft, J. W. Frisostraat 3tï, Utrecht.
Mej. .A. B. Klaasesz, J. M. Kempstraat 18, Utrecht.

Adreswijzigingen cn dergelijke:

Bakker, D. D., tc Berg cn Dal, tel. privé gewijzi.gd in (08805) 13 09. (146)

Baretta, J. W., van Oltcrterp naar Zeist, Regentesselaan 3, tel. (03404) 1 24 39
(privé).

Corneli.sse, J. L.; 1963; Utrecht, Weerdsingel O.Z. 40: tel. (030) 1 27 90; D. in
T.N.O.-verband a. d. F.d.D. (inst. v. vet. bacteriologie). (155)

Dufour, E. M., te Hoogeveen, n.nar van Limburg Stirumstra.it 13 aldaar (tel. onge-
wijzigd). (,57)
Falkena, R., van Utrecht naar Steenwijk, Kallcnkotcrallec 91. wnd. D., tijd. ass. bij
J. J. ,\\ukema. (,60)
Ha.gens, Mej. F. M., te Utrecht, tel.
bureau gewijzigd in (030) 6 08 47, wetensch.
ambt. Ie kl. b. d. werkgroep leverbotonderzoek T.N.O., afd. diergeneeskunde v. d.
.\\at. Raad voor landbouwk. onderz. (165)
Herten, W. E. H. van, te Florn (L.), functie wijzi.gen in wnd. D., res. le Lt.-dicren-

(168)

Horn, L. J. ten, te Rotterdam, tel. bureau gewijzi.gd in (08300) 2 47 05, adj. dir.

ab. .Arnhem. \' (171)

Lange, .A. de, van Utrecht naar Tivon near Haifa (Israël), 48 Rcchov Alexander
Laïd. van 180 naar 216)

Lee, J. van der, van .Arnhem naar Zelhcm, Stationsstraat 12, tel. (08342) 610, gr.

gewijzi.gd in 1154251, R ass. bij F. Roders te Halle en P. Roders tc Zelhem, (180)
Lcsschen, J. W.; 1963; Assen, Anrcep 20; wnd. D. (181)

Ruijs, A. G. J., van Mühlhcim-Wigaltingen naar Siebnen SZ (Zwitserland), Speer-
strasse, assisterend D. \' (217)
Slappendel, R. J., te Utrecht, naar Mgr. v. d. Weteringstraat 89, aldaar tel (030)
2 49 91. \' -(,98)
Wijma, H., te Grootegast, aangesloten onder tel. (05946) 23 00. (213)

-ocr page 1156-

Eervol ontslag:

Postma, Dr. C., te Arasterdam (O.), te rekenen m.i.v. 1 januari 1964, op zijn ver-
zoek, als plaatsvervangend Inspecteur en als Rijkskeurmcester in bijzonderc dienst
bij de Veeartsenijkundige Dienst. (191)

Overleden:

Coultrc, Dr. .A. F. Le, tc Bennekom, is aldaar op 4 december 1963 overleden. (155)
Jongeneel, J. VV., te Alkmaar, is aldaar overleden op 15 november 1963. (174)
Wccrd, Th. G. J. M. van der, te Almelo, is aldaar overleden op 29 november 1963.

(210)

RECTIFICATIE

Dc zin, welke voorkomt op pag. 1167 (aflevering 18, 15 september 1963), 14e regel
van boven, en die als volgt luidt:

„De op de verpakking vermelde magnesiumgehalten van de koek zijn in vele ge-
vallen aanzienlijk lager dan het werkelijke percentage (Kemp, 1963)",
dient als volgt tc luiden;

„De magnesiumgehalten van de koek zijn in vele gevallen aanzienlijk lager dan de
op de verpakking vermelde gehalten (Kemp, 1963)".

Utrechts Veterinair Studenten Gezelschap
„Cerberus", onder de zinspreuk „Cave Canem",

Opgericht 18 oktober 1961.

.■\\b-actiaat; Fr. Hendrikstraat 1, Utrccht.

Het bestuur 1963\'\'64 heeft zich als volgt samengesteld;
J. \\V. C.ispers, praeses:
\\V. B. Dwars, ab actis;
J. K. Prins, fiscus;
. II. Boysen, vicc-pracscs;
E. E. Bunf, coumiissaris.

-ocr page 1157-

mU AFLEVKRIG

mr

gewijd aan de

ZESDE \\()ÜRÜCi™«SIIA(l

van de

VEEARTSEI^IJkl^lllGE

gehouden te Utrecht
31 oktober 1963

TI|DSCHRIFT VOOR DIERGENEESKUNDE

-ocr page 1158-

Ten geleide — Introductory —........1927

J. M. van den Born, Openingsrede — Opening of the Confe-
rence
—.............1929

Dr. J. 0. van Bekkum, De enting van varkens tegen mond- en
klauwzeer — Vaccination of pigs against foot- and mouth-

disease —.............1936

Discussie - Discussion —.........1944

E. de Nooij, De taak van de vleeskeuringsdienst bij de destructie,
speciaal voorcentralisatie — The task of the meat inspection

service concerning destruction........1945

Discussie — Discussion ■—.........1951

/. M. van den Born. De wering van exotisch mond- en klauw-
zeer — The prevention of exotic foot- and mouth disease
— . 1954
Discussie — - Discussion —.........

A. van Keulen, Veterinaire aspecten van rabies — Veterinary
aspects of rabies
—...........1963

B. V. Bekker, Medische aspecten van rabies - Medical aspects

of rabies —.............1971

A. A. Velthoen, Laboratoriumwerkzaamheden in verband met

rabies — Laboratory diagnosis of rabies —.....1980

Discussie — Discussion —.........1986

ƒ. van der Waal, Rotkreupel en schurft bij schapen — Footrot

and scab in sheep —..........1987

Discussie — Discussion —.........1998

M. Karsemeijer, Toespraak — Adress —...... 2001

Dr. D. M. Zuijdam, Toespraak — Adress —..... 2002

1 M van den Born, Sluitingswoord — Closing of the Confe-
rence -
............. 2003

INHOUD

-ocr page 1159-

feil acIciJc

op 31 oktober 1963 is te Utrecht de zesde Voorlichtingsdag van de
Veeartsenijkundige Dienst gehouden. Ook nu weer waren vele dieren-
artsen en andere genodigden naar Utrecht gekomen om deze jaarlijkse
dag mee te maken.

Des morgens werden inleidingen gehouden over de enting van varkens
tegen mond- en klauwzeer, over de taak van de vleeskeuringsdienst bij
de destructie, speciaal de voorcentralisatie en over de wering van exo-
tisch mond- en klauwzeer. Tot slot van de ochtendbijeenkomst werd de
pas gereedgekomen film over varkenspest vertoond.

Het eerste deel van de middagbijeenkomst was gewijd aan het actuele
onderwerp rabies. Dit werd van drie zijden belicht en wel van vete-
rinaire kant, van medische zijde en op het gebied van de laboratorium-
werkzaamheden. Met het onderwerp rotkreupel en schurft bij schapen
werd de dag besloten.

Deze extra uitgave van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde is geheel
aan deze Voorlichtingsdag gewijd.

Behalve de inleidingen en de daarop gevolgde discussies, zijn de toe-
spraken van de heer ]. M. van den Born, Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst, tevens Veterinair Hoofdinspecteur van de Volksgezond-
heid, van de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
ivoor Diergeneeskunde, de heer M. Karsemeijer en van de heer Dr. D.
■M. Zuijdam, secretaris van de Gezondheidscommissie voor Dieren van
het Landbouwschap, opgenomen.

Vele foto\'s geven een indruk van de stemming op deze dag.

Introductory

The sixth Educational Day of the Veterinary Service was held in
Utrecht on October 31, 1963. A large number of veterinarians as well
as others who had been invited had come to Utrecht again to attend
this annual day.

In the morning, papers were read on the inoculation of pigs against
foot-and-mouth disease, the role of the meat inspection service in des-
truction, particularly as regards preliminary centralization, and measures
designed to prevent the spread of exotic foot-and-mouth disease.
\'1 he morning-session was concluded with the exhibition of the recently
completed film on swine fever.

The first part of the afternoon-session was ievoted to a subject of
current interest, i.e., rabies. \'This was considered from three points of
view, viz., from that of the veterinarian, from that of the physician and
from te point of view of laboratory work.

The day was concluded with a discussion of contagious foot-rot and
scab of sheep.

The present special issue of the Tijdschrift voor Diergeneeskunde is com-
pletely devoted to this Educational Day.

In addition to the papers read and the discussions following the rea-
ding, addresses by Mr. ]. M. van den Born, Director of the Veterinary
Service and Chief Sanitary Inspector, by the President of the Royal
Veterinary Association of the Netherlands, Mr. M. Karsemeijer, and
by Mr. D. M. Zuijdam, Secretary to the Animal Health Committee of
the Board of Agriculture, were included.

Seieral photographs convey an impression of the atmosphere on this
day.

-ocr page 1160-

En Guise d\'Introduction

Le 31 octobre 1963 la sixième Journée d\'Orientation du Service Vété-
rinaire a eu lieu à Utrecht. De nouveau un grand nombre de médecins
vétérinaires et d\'autres invités s\'étaient rendus à Utrecht afin d\'assister
à cette Journée annuelle.

Le matin des conférences étaient faites sur la vaccination de porcs
contre la fièvre aphteuse, sur la tâche du Service d\'Inspection de la
viande concernant la destruction, particulièrement la centralisation
préalable et sur la lutte contre la fièvre aphteuse exotique.
Pour terminer l\'assemblée du matin on présenta le film récemment ache-
vé sur la peste porcine.

La première partie de la réunion de l\'après-midi était consacrée au
sujet actuel: la rage. Ce sujet a été considéré de trois côtés, notamment
du côté vétérinaire, du côté médical et du domaine des activités du
laboratoire. Les conférences sur le piétain et la psore des moutons ter-
minèrent la journée.

Ce numéro spécial de la Tijdschrift voor Diergeneeskunde est entière-
ment consacré à cette Journée d\'Orientation.

Outre les introductions et les discussions qui les suivaient, les allocutions
de M. J. M. van den Born, Directeur du Service Vétérinaire, en même
temps Inspecteur Vétérinaire Général de l\'Hygiène Publique, du Pré-
sident de l\'Association Royale Néerlandaise de Médecine Vétérinaire,
M. M. Karsemeijer et du Dr. D. M. Zuijdarn, secrétaire du Conseil
d\'Hygiène pour Animaux du Corporatisme d\'agriculture, ont été insé-
rées.

De nombreuses photographies donnent une impression de l\'atmosphère
de la Journée.

Einlcituiu]^

Am 31. Oktober 1963 fand in Utrecht die sechste Diskussionstagung
des Veterinärdienstes statt. Auch dieses Mal ivaren wieder viele Tier-
ärzte und Gäste nach Utrecht gekommen, um dieses jährliche Treffen
mitzumachen.

Vormittags winden Vorträge über die Impfung von Schweinen gegen
Maul- und Klauenseuche, über die Arbeit dzs Fleischbeschaudienstes
bei der Destruktion, speziell mit Hinsicht auf die VorZentralisation und
über die Abwehrmassnahmen gegen die exotische Maul- und Klauen-
seuche gehalten. Am Schluss der Vormittagssitzung wurde ein erst kürz-
lich fertiggestellter Film über Schweinepest gedreht.
Am Nachmittag ging die Diskussion über das aktuelle Thema „Toll-
wut", das von 3 Seiten her beleuchtet wurde und zwar sowohl von tier-
ärztlicher als ärztlicher Seite und bezgl. der Laboratoriurnsarbeiten auf
diesem Gebiet. Mit dem Thema Klauenseuche und Räude bei Schafen
wurde die Tagung beendet.

Diese Extraausgabe der Tijdschrift voor Diergeneeskunde ist gänzlich
dieser Diskussionstagung gewidmet.

Ausser den Vorträgen und der darauf folgenden Diskussionen, sind die
Ansprachen der Herren J. M. van den Born, Direktor des Veterinär-
dienstes und veterinärer Oberinspektor für die Volksgesundheit; M.
Karsemeijer, Vorsitzender der Königliche Niederländische Veterinär-
medizinische Gesellschaft und Dr. D. M. Zuijdam, Sekretär der Ge-
sundheitskommission für Tiere der Landwirtschaft aufgenommen.
Zahlreiche Fotos geben einen Eindruck von der Stimmung, die an
diesem Tage herrschte.

-ocr page 1161-

Openingsrede ter gelegenheid van de zesde
Voorlichtingsdag van de Veeartsenijkundige
Dienst.

door J, M. \\\'AN DEN BORN1)
Dames en Heren,

Het vorige jaar kon ik niet aanwezig zijn wegens ziekte en het zal U wel
duidelijk zijn, dat het mij bijzonder verheugt U nu weer welkom te mogen
heten. De Voorlichtingsdagen van de Veeartsenijkundige Dienst zijn in
de kring van de Nederlandse dierenartsen zo langzamerhand een traditie
geworden en ik zie het als een bewijs van waardering van Uw kant voor
de onderwerpen en de sprekers, dat dc belangstelling en-oor niet is ver-
flauwd, maar gezien de vele aanwezigen vandaag weer, eerder is toege-
nomen.

Ik ben mij er echter wel van bewust hoe bezwaarlijk het voor de meesten
van U moet zijn l.\'w drukke werkzaamheden een dag te laten rusten.
Dit legt ons de verplichting op, dat hetgeen op deze dagen wordt geboden,
zodanig moet zijn, dat Uw inzicht in bepaalde facetten van de diergenees-
kundige zorg wezenlijk wordt verdiept. Uw aanwezigheid hier bewijst,
dat U beseft hoe noodzakelijk het is zo nu en dan met elkaar van gedach-
ten te wisselen over veterinaire activiteiten op wetenschappelijk en orga-
nisatorisch gebied.

Het spijt ons heel erg, dat de Directeiu-Generaal \\-an de Landbouw, Ir.
Wellen, vandaag op onze \\\'oorlichtingsdag onverwacht niet aanwezig
kan zijn wegens een stafvergadering bij de Minister. De Heer Wellen
geeft steeds weer blijk van grote belangstelling voor hei veterinaire onder-
zoek in Nederland en de dierziektenbestrijding. Mond- en klauwzeer,
varkenspest en hondsdolheid hebben vaak ook zijn aandacht gevraagd.
Het zal mij een bijzonder genoegen zijn, vanmiddag hier Prof, Mimten-
dam, Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, welkom te lieten.
Vanmorgen was Prof. Muntendam verhinderd hier te zijn. Hetzelfde geldt
voor de Geneeskundig-Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, Dr.
Dijkhuis, die ook vanmiddag hier aanwezig zal zijn.

Dat Dr. J. Wester, voorzitter van de Gezondheidsraad, deze dag wegens
ziekte niet kan bijwonen, betreuren wij mèt hem en wij wen.sen hem
een spoedig herstel toe.

Er zijn meer nauwe banden, die noodzakelijk zijn \\-oor een doeltreffende
samenwerking, zoals met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde, wier voorzitter — de Heer Karsemeijer — ook nu weer
een welkome gast in ons midden is. De vele veterinaire problemen op natio-
naal en internationaal gebied worden met Uw bestuur als vertegenwoor-
diger van de Nederlandse dierenartsen op de meest vruchtbare wijze be-
sproken. Uw aandeel bij de organisatie van de entingen van onze huis-
dieren tegen rabies werd door ons op hoge prijs gesteld.
De Faculteit der Diergeneeskunde heet ik in de isersoon van de voorzitter.
Prof. Dr. C. Romijn, van harte welkom. Er is een grote ontwikkeling

1  J. M. van den Born, Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens Vete-
rinair Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid; le v. d. Boschstraat 4, \'s-Graven-
hagc.

-ocr page 1162-

gaande aan Uw Faculteit, niet alleen ten aanzien van dc nieuwbouw,
nnaar ook wat betreft het onderzoek. Met grote belangstelling volgt onze
Dienst dit, evenals de verkorting van de studietijd van de studenten.
Speciaal wil ik hier welkom heten Dr. Zuijdam, nu nog als secretaris
van de Gezondheidscommissie voor Dieren van het Landbouwschap. Het
verleden heeft geleerd dat samenwerking wel eens moeilijk, maar vrucht-
baar kan en moet zijn. Dc Nederlandse landbouw vraagt van ons — en
mijns inziens terecht — een gezamenlijke aanpak van dc veterinaire
dierziektenbestrijding. Ik wens U. collega Zuijdam, veel succes in Uw
werkkring en hoop met Uw opvolger een goede samenwerking te mogen
hebben.

Heren Directeuren van Provinciale Gezondheidsdiensten, er bestaan vele
contacten tussen Uw Dienst en vertegenwoordigers van mijn Dienst op
het gebied van het onderzoek en clc dierziektenbestrijding. Deze contacten
worden door mij zeer gewaardeerd en ik heet U dan ook gaarne hartelijk
welkom op deze Voorlichtingsdag.

Welkom heet ik hier Dr. Hoedemaker, cle Algemeen-Directeur van het
Centraal Diergeneeskundig Instituut en de Directeur van de Afdeling
Amsterdam, Dr. van Bekkum.

Het spijt ons bijzonder dat collega Van Waveren, Directeur van de
Afdeling Rotterdam van het C.D.I., wegens ziekte hier niet aanwezig kan
zijn. Wij hopen van harte, dat hij spoedig zijn werk weer normaal kan
hervatten.

Collega Hoedemaker, nauwe banden bestaan — niet alleen reglementair
maar ook praktisch - - tussen het Centraal Diergeneeskundig Instituut en
onze Dienst.

Immers vele problemen ten aanzien van de veterinaire dierziektenbestrij-
ding worden in Uw laboratorium onderzocht. Uw adviezen stel ik op
hoge prijs.

Tevens wil ik hier welkom heten Dr. Kampelmachcr, als vertegenwoor-
diger van Dr. Spaander, .\'Mgemeen-Directeur van het Rijksinstituut voor
de Volksgezondheid, die vandaag niet aanwezig kon zijn. Collega Kam-
pelmacher, hct onderzoek dat in L\'w laboratorimu op hct gebied van
zoönosen en niet te vergeten salmonellose en andere volksgezondheids-
problemen in samenwerking met mijn Dienst gebeurt, stel ik op hoge
prijs. Ik vertrouw dat door een interne reorganisatie van onze Dienst deze
samenwerking nog hechter zal gaan worden.

Speciaal heet ik tenslotte de Heer Quaedvlieg, Oud-Directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst, die door zijn aanwezigheid weer eens bewijst,
dat het wel en wee van onze Dienst nog steeds zijn warme belangstelling
heeft, welkom.

Een hartelijk welkom ook tot de Heren Inspecteurs en Adjunct-Inspec-
teurs van de Veeartsenijkundige Dienst en tot de dierenartsen, die in zo
grote getale naar Utrecht zijn gekomen. Zonder Uw voortdurende hulp
en medewerking zou het vele werk van dc Dienst onmogelijk zijn.

Dames en Heren,

Zoals ik al heb aangestipt, staat of valt een dag als deze met de onder-
werpen die worden behandeld en de manier waarop de sprekers ze bij U
inleiden. Het eerste is een taak van de organisatoren, die uit een veelheid

-ocr page 1163-

van problemen, die ons bezighouden, datgene moeten kiezen wat juist
nu in het middelpunt van de belangstelling staat. De sprekers, deskundigen
op hun terrein, staan voor de moeilijke taak in slechts 20 minuten hun
vaak zo omvangrijke onderwerp zodanig te belichten, dat de kern waar
het om gaat, naar voren komt. Het stemt tot grote voldoening, dat alle
sprekers zich onmiddellijk bereid hebben verklaard deze taak op zich te
nemen.

Mond- en klauwzeer onder onze varkensstapel eist onze voortdurende
aandacht op. De uitbraken van de laatste jaren hebben het uiterste van
ons allen gevergd en hebben kapitalen gekost. Zonder dat we ook maar
enige zekerheid hebben dat een nieuwe uitbraak ons niet plotseling weer
opnieuw zal overvallen. De ligging van ons land met zijn uitgestrekte land-
en zeegrenzen maakt ons nu eenmaal uiterst kwetsbaar.
U weet dat de kwestie van de enting van onze varkens tegen mond- en
klauwzeer de gemoederen nogal heeft beziggehouden. Ook in Uw kring
zijn de meningen hierover verdeeld, hetgeen in het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde nogal eens tot uiting is gekomen. Dat thans de mogelijkheid
voor de varkenshouders — zij het onder bepaalde U bekende voorwaar-
den — bestaat hun dieren tegen de ziekte te laten enten, betekent echter
niet dat het probleem hiennee uit de wereld is. Integendeel, er zitten nog
vele kanten aan en wij prijzen ons gelukkig, een deskundige als Dr. J. G.
\\ an Bekkum bereid te hehbben gevonden, ons hierover nader in te lichten.
Een belangrijk volksgezondheidsaspect wordt naar voren gebracht door
de inleiding van de Heer E. de Nooij, Inspecteur-Districtshoofd van de
Veeartsenijkundige Dienst en Inspecteur van de Volksgezondheid in het
ambtsgebied Overijssel. Kadavers en afgekeurde materialen kunnen een
ernstig gevaar vormen voor de volksgezondheid en dat daarom overheids-
toezicht op een afdoende destructie van het materiaal noodzakelijk is, zal
duidelijk zijn. De Heer de Nooij zal U een inzicht geven in de wijze,
waarop deze destructie wordt uitgeoefend.

Terug naar het mond- en klauwzeer. Het binnendringen van exotisch
mond- en klauwzeer in ons land zou een ramp betekenen voor onze vee-
stapel, want wij zouden in den beginne vrijwel machteloos staan tegen-
over deze ziekte. Het enige wat ons dan ook te doen staat, is met alle
middelen trachten het verder oprukken van deze ziekte te voorkomen. Dit
eist grote inspanning. Hoeveel inspanning hoop ik U in mijn inleiding
duidelijk te maken.

Het probleem varkenspest is in deze kring al eens eerder belicht.
Dat dit probleem nog geenszins de wereld uit is, is U bekend. Meer dan
ooit heeft het onze aandacht en alle zeilen zullen worden bijgezet om te
trachten deze ziekte onder de knie te krijgen. Ook exportbelangen dwin-
gen ons hiertoe. Welke sluipende gevaren deze ziekte meebrengt, kunt U
vandaag zien in een zojuist gereedgekomen film over varkenspest. Het
doet mij genoegen U getuige te laten zijn van de eerste openbare ver-
toning van deze film.

Eén van de gevaarlijkste zoönosen vormt nog altijd de rabies. Ook al
hebben zich na de recente besmetting in ons land, mede dank zij de
hoge immuniteitsgraad van onze hondenpopulatie, geen nieuwe gevallen
voorgedaan, wij mogen ons niet vleien met de hoop, dat wij deze ge-
vaarlijke ziekte nu voorgoed hebben uitgebannen. Ook hier is de dreiging

-ocr page 1164-

uit het buitenland te groot om niet voortdurend de uiterste vi\'aakzaamheid
te blijven betrachten. Na de lunch zal dan ook een drietal deskundige
sprekers, collega Van Keulen, Dr. Bekker en collega Velthoen, zowel de
veterinaire als de medische aspecten, alsmede de omvangrijke labora-
toriumwerk/aamheden rondom deze gevreesde ziekte belichten.
Het schaap tenslotte staat de laatste tijd ook sterk in de aandacht. Zag
het er enkele jaren geleden naar uit, dat het dier een vergeten hoofdstuk
in onze veehouderij zou worden, mede dank zij de inspanning van enige
deskundige dierenartsen is aangetoond dat het schaap vele mogelijkheden
in zich verenigt, waardoor het economisch van grote betekenis kan zijn.
Dat vele ziekten, die dit dier kunnen teisteren, met redelijk succes kunnen
worden bestreden, is duidelijk komen vast te staan. Wij vonden de Heer
J. van der Waal, Adjunct-Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst
in het ambtsgebied Noord-Holland, bereid enkele van de beruchtste scha-
peziekten, rotkreupel en schurft, in het kort voor U te belichten en
wegen tot behandeling aan te geven.

Collega Werkman zal, zoals te doen gebruikelijk is, vandaag de vergade-
ring en de discussie weer leiden.

Het is een omvangrijk menu dat ik voor U heb ontvouwd. Ik ben er
echter van overtuigd, dat het de afwisseling biedt, waaraan U op een dag
als deze wel behoefte zult hebben en dat het U ruimschoots dc gelegenheid
zal bieden tot interessante en eventueel leerzame discussies.
Hiermede verklaar ik gaarne deze zesde Voorlichtingsdag van de Vee-
artsenijkundige Dienst voor geopend.
Dank U zeer.
SAMENVATTING.

De Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst opende de zesde Voorlichtingsdag
van zijn Dienst met een hartelijk woord van welkom tot autoriteiten en andere ver-
tegenwoordigers en tot de talrijke dierenartsen.

Hij zag in de grote belangstelling voor deze Voorlichtingsdag een bewijs voor het
besef, hoe noodzakelijk het is zo nu en dan met elkaar van gedachten tc wisselen
over veterinaire activiteiten op wetenschappelijk en organisatorisch gebied.
Vervolgens gaf hij een kort overzicht van dc op deze dag te behandelen onderwerpen.

SUMMARY.

The sixth Educational Day of the Veterinary Service was opened by the Director
of this Service, who addressed a cordial word of welcome to the authorities and other
representatives as well as to the large number of veterinary surgeons present.
He stated as his opinion that the great interest shown in this Educational Day was
evidence of the fact that the need of an occasional exchange of views on veterinary
activities in the fieds of science and organization is realized.
He then briefly reviewed the subjects to be discussed on this day.

RÉSUMÉ.

Dans son discours d\'ouverture de la 6e Journée d\'Orientation de son Service le Direc-
teur du Service Vétérinare prépara un accueil chaleureux aux autorités ct aux autres
représentants et aux nombreux médecins vétérinaires.

Il considérait le grand intérêt qui se manifestait pour cette Journée d\'Orientation
comme une preuve de la conscience qu\'on a de la nécessité d\'échanger régulièrement
des idées et des opinions sur les activités vétérinaires dans le domaine scientifique et
organisateur

Ensuite il donna un bref aperçu des sujets à traiter durant cette Journée.

-ocr page 1165- -ocr page 1166-

ZUSAMMENFASSUNG.

Der Direktor des Veterinärdienstes eröffnete den sechsten Diskussionstag mit einem
herzlichen Willkommenswort an die Autoritäten, Vertreter und zahlreich erschiene-
nen Tierärzte.

Er sah in der grossen Belangstcllung für diesen Diskussionstag einen Beweis, wie
wichtig es ist, hin und wieder zusammen Gedanken auszutauschen über
Veterinäre
.Aktivitäten auf wissenschaftlichem und organisatorischem G biet.
Danach gab er eine kurze Übersicht von den zu behandelnden Themen.

-ocr page 1167- -ocr page 1168-

De enting van varkens tegen mond- en
klauv/zeer.

\\\'accination of pigs against foot and mouth
disease.

door

J. G. \\ AN BEKKUM1), S. FRENKEL2) en
L NATHANS**)

I5ij de in 1962 over hetzx-lfde (uiderwerp gehouden beschouwing, werd een
overzicht gegeven \\an de in de loop van dat jaar in de praktijk genomen
proeven (Van Bekkum, 1962!. Daarbij werden tevens de uitkomsten
van de laboratoriumexijerimenten besproken, waarbij zowel onder praktijk-
omstandigheden als in isolatie geënte varkens aan een proefinfectie werden
ondenvorijen. Van alle dieren waren periodiek bloedmonsters genomen,
die serologisch werden onderzocht.

15ij gebruikmaking van cnt]docgen bleek het mogelijk in een zwaar besmet
gebied een gioot aantal bctllijven te enten, zondct dat -lit aanleiding was tot
nieuwe ziektegevallen.

Na twecmalige enting met een interxal van twee wrken, met een mono-
\\alent \\accin in de xoor runderen gebruikte dosis en Eamcnstelling, bleek
een solide, maar kortdurende innnunitcii tc kunnen worden o])gebouwd.
Twee maanden na de laatste enting waren nog 13 \\ an 20 onderzochte dictcn
immuun, na drie maanden waren dit cr 8 \\ an dc
25.

Kr werden varkens geënt van veertien dagen en ouder en dit bleek geen in-
vlocd van betekenis te hebben op het residtaat van dc enting. Dieren af-
komstig \\an \\crschillendc bedrijven rca,gccrdcn zeer on,gclijk oj) de vacci-
natie.

Tenslotte moest worden gcconcludccrd dal, hoewel immunisatie mogelijk
was gebleken, dc noodzaak tweemaal tc enten en de beperkte duur van
de opgewekte innnuniteit de praktischc waarde van ccn dergelijke profy-
lactische immunisatie beperkten.

Tengevolge van de grote uitbreiding, die het mond- en klauwzeer in dc
zomer van dit jaar weer kreeg, deed zich opnieuw .-tcrk de behoefte aan
een enting gevoelen. Ondanks de moeilijke cn kostbare toepassing is daar-
om toch gebruik gemaakt van de in het voorafgaande jaar ontwikkelde
tweemalige enting.

Op grond van de beschikbare gegevens werd geadv iseerd alle dieren twee-
maal te vaccineren met een interval van veertien dagen. Mogelijk geeft deze

1  Dr. J. G. van Bekkum, diricteur van het Centraal Di?rgenee.skundig Instituut,
afd. .Amsterdam: Grote Kattenburgerstraat 7, .Amsterdam (C.).

2  Dr. S. Frenkel en Drs. I. Nathans, wetenschappelijke medewerkers van het Cen-
traal Diergeneeskundig Instituut, afd. .Amsterdam; Grote Kattenburgerstraat 7,

•Amsterdam (C,),

-ocr page 1169-

periode niet de maximaal bereikbare bescherming, maar de noodzaak de
immuniteit vooral snel op te bouwen, moest prevaleren.
Er werd voorts naar gestreefd, dat alle op de bedrijven aanwezige dieren
werden geënt en dat de vaccinatietoestand zo goed mogelijk werd onder-
houden door bijenting om de drie maanden en vaccinatie van later geboren
biggen op deze leeftijd, met een herenting veertien dagen later.
Argument voor dit streven was de veiwachting, dat in beslagen met af-
lopende resistentie de ziekte vaste voet zou krijgen, zonder onderkend of ge-
rapporteerd tc worden. De bij de vaccinatie van runderen vooral in het
buitenland opgedane eivaringen wezen uit, dat de aanwezigheid van een
slechts ten dele resistente populatie het voortbestaan van de ziekte in de
hand werkt.

Volgens onze gegevens zijn, voornamelijk in de Achterhoek, tussen 1 april
en 1 september ca. 75.000 varkens tweemaal geënt. De \\ accinatie is te weinig
systematisch en op te beperkte schaal gehanteerd om invloed op het verloop
van de epizoötie te hebben gehad. Vermoedelijk zullen wel individuele be-
drijven van de verkregen protectie hebben geprofiteerd, maar registratie
ontbrak en een verantwoorde analyse \\an de resultaten is daarom niet
mogelijk. Men meent echter gunstige uitkomsten te hebben verkregen.

Voortbouwend op de verkregen ervaringen heeft het laboratoriumonderzoek
zich dc laatste tijd met verschillende aspecten van het varkens mond- en
klauwzeer bezig gehouden.

In de eerste [jlaats is gezocht naar een meer effectief vaccin.
Daarnaast is aandacht besteed aan de wijze waarop een dergelijke entstof
zou moeten worden toegepast om maximaal effect te hebben. Vooral de
noodzaak tweemaal te vaccineren \\ormde een bezwaar \\an het tot nu toe
beschikbare vaccin. Op het onderzoek naar de mogelijkheid een voldoende
immuniteit te bereiken met cen enkele injectie, viel dan ook de nadruk.
Uitgaande van de hyiiothese, dat de geringe reactie op het „nomale"
vaccin in de eerste plaats een gexolg was \\an de gebruikte antigeendosis,
is nagegaan in hoe\\erre betere uitkomsten verkregen konden worden door
gebruik van grotere antigeenconcentiaties in de entstof.
I )aamaast werd bezien of de adju\\ answcrking van het aluminiumhydroxyde
versterkt kon worden door toevoeging van sajionine, of de bij de varkens
voorkomende \\irusstam een beter antigeen was dan het nonnaal gebruikte
virus en of inactivering dcwr middel van idtravioletbestraling in plaats \\an
door formaldehyde en warmte een \\ erbetering betekende.
Het onderzoek is nog niet afgesloten. Wel zijn een aantal voorlopige resul-
taten beschikbaar1)

De tot nu toe \\erkregen uitkomsten demonstreren de mogelijkheid met één
injectie voldoende resistentie op te wekken om een hoog percentage van de
proefdieren te beschermen tegen een drie a vier weken later uitgevoerde
[jroefinfectie.

De beste protectie werd verkregen met een aantal proefvaccins met ver-
hoogd antigeengehalte, die naast aluminimnhydroxyde kleine hoeveelheden
saponine bevatten.

1  Collega J. J. Koopman, dierenarts bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in
Noord-Holland, betuigen wij graag onze dank voor zijn bijdrage bij de uitvoering
van dit onderzoek.

-ocr page 1170-

Bij vergelijking van de entstoffen, bereid op basis van het voor de produktie
gebruikte C-virus cn de bij varkens gevonden entstofstam werd tot nu toe
geen significant verschil vastgesteld. Ook een andere inactiveringsmethodc,
n.1. met uliravioletbestraling, gaf nog geen duidelijk betere resultaten.
De bereiding in het groot van sterk geconcentreerde entstoffen van de in de
proeven gebruikte samenstelling, biedt nog grote moeilijkheden. Daarbij zijn
onze infonnaties over hun werking nog zeer onvolledig. Zo is er tot nu toe
n.1. alleen gewerkt met ca. 10 weken oude biggen en ontbreken gegevens
over dieren van andere leeftijden. Wij weten ook niet hoe snel de immuni-
teit zich ontwikkelt en hoe lang ze duurt.

Saponine is op zich zelf enigszins toxisch. Wel is de \':hans gebruikte dosis
door een kleine tweehonderd varkens zonder nadelige gevolgen verdragen,
maar ook in dit opzicht zijn nog verdere gegevens gewenst.
Mede in verband met de voor de produktie van het geconcentreerde vaccin
nog op te lossen technische problemen, is nagegaan welk effect de toevoeging
van saponine alleen op het immuniserend \\ ermogen van het gewone vaccin
voor varkens heeft. Bij serologisch onderzoek van onder laboratorium-
omstandigheden gevaccineerde varkens, bleken dergelijke saponinevaccins

Tabel I.

Protectie na éénmalige enting van varkens met C-vaccins van verschillende

samenstelling.

Aantal Aantal immune

Gemiddelde
serumtiter
Average
serum titer

varkens

vaccms Aantal onderzochte
No. of Protection rate
vaccines
tested

Normaal vaccin, bestemd voor

gebruik in runderen
Normal vaccine used in cattle
.\\ls boven, na toevoeging

van saponine
As above, vv-ith saponine
Vaccin met lOx verhoogd

antigeengehalte en saponine
Ten times increased antigen

content and saponine
A.b., virus d.m.v. u.v. ge-
ïnactiveerd
As above, u.v. inactivated
Ongeënte controles
Non vaccinated controls

28/43
18/2.")

69/70

37/40
1/37

::g 1.09
1.41

1.75

1.61
^ .30

-ocr page 1171-

effectiever dan die van normale samenstelling. Dit werd ook geconstateerd
bij door de Gezondheidsdienst \\oor Dieren in Noord-Brabant genomen
praktijkproev en, waarbij werd gerevaccineerd.

De infectieproeven toonden tot mi toe echter nog geen duidelijk verschil.
Het onderzoek moet daarom nog worden \\ oortgezet.

In het kader van het onderzoek over de toepassing van de vaccinatie was al
in 1962 gevonden, dat biggen van gevoelige zeugen op de leeftijd van twee
weken bevredigend reageerden op enting met de voor volwassen dieren
gebruikte dosis. Er trad een duidelijke serologische reactie op en bij proef-
infectie bleek zich een immuniteit te hebben ontwikkeld.
Eveneens werd vastgesteld, dat dieren geboren uit immune, in dit geval
reconvalescente, moeders ca. drie maanden na de geboorte nog passieve
antistoffen in de circulatie hadden. Ook bij andere infectieziekten vindt
men een dergelijke tennijn. Dit suggereerde een analogie met de enkele
jaren geleden bij runderen gevonden situatie. Kalveren van niet geïmmuni-
seerde koeien konden op de jongst onderzochte leeftijd — 6 weken - - met
succes worden gevaccineerd.

Wanneer de dieren echter met colostrum van een geïmmuniseerde koe waren
gevoederd, verschenen binnen 24 uur antistoffen in het bloed. Zolang deze
konden worden aangetoond, had vaccinatie geen resultaat, hoewel dergelijke
kalveren vaak niet beschermd waren tegen infectie.

Sedert enkele jaren is daarom bij de vooijaarsenting alleen de vaccinatie
van runderen van vier maanden of ouder voorgeschreven. Immunisatie op
jongere leeftijd heeft geen zin. Een deel van de dieren wordt ook nu nog
te vroeg geënt - in sommige gevallen zijn op een leeftijd van zes maanden
nog antistoffen aantoonbaar - - maar o]5 het totaal van de rundveestapel is
dit jjercentage niet zo groot.

Ongeveer 80% van onze rundeten is immers reeds eerder geënt en tegen
de voorjaarsenting heeft nog altijd ongeveer 60% vaa de dieren een be-
hoorlijke immuniteit. Wanneer zich de laatste jaren moeilijkheden bij het
rundvee voordeden, was dit in de wintermaanden en voornamelijk bij in
het geheel niet of slechts éénmaal geënte dieren.

Bij varkens was een andere situatie te verwachten op grond van een geheel
andere ojjbouw van onze varkensstaiiel. Dit aspect is daarom nader onder-
zocht aan de hand van een uitgebreid proefdiermateriaal, afkomstig van de
boerderij van het instituut.1)

Er is o.m. gebruik gemaakt van twee groepen zeugen, t.w. één groep jonge
dieren, die in het voorjaar van 1963 tweemaal werd gevaccineerd en een
tweede groep oudere dieren, die in 1962 reeds was geënt en in 1963 één en-
kele „injection de rappel" ont\\ ing.

De biggen werden één tot veertien weken na de laatste enting geboren.
De verschillende tomen werden in drieën verdeeld, één groep werd op de
leeftijd van zes weken en een andere op die van tien weken éénmaal geënt.
Van elke toom bleven enkele dieren ongevaccineerd. Alle in de proef ge-
bruikte dieren werden regelmatig serologisch onderzocht. Een aantal biggen
werd kunstmatig geïnfecteerd. In alle gevallen was de entstof in samenstel-
ling en dosering gelijk aan dc in de praktijk gebruikte.

1  Wij zijn collega H. O u w e r k e r k, (C.D.I. afdeling Rotterdam) en de bedrijfs-
leider, de heer L. S. Bakker, zeer erkentelijk voor hun medewerking.

-ocr page 1172-

De proefdieren vallen duidelijk in twee groepen uiteen, doordat de oudere
zeugen belangrijk hogere titers hadden dan de jongere. Onafhankelijk van
dit niveau gaven de moederdieren de antistoffen in wisselende mate door
aan de jongen.

Geen van de biggen van de oudste groep zeugen reageerde op de enting met
een serologische reactie. Ten tijde van de proefinfectie, 80 tot 100 dagen
na de geboorte, hadden de meeste van deze jonge dieren nog neutraliserende
antistoffen. Deze waren echter veelal niet voldoende om tegen de kunst-
matige besmetting te beschermen. Zo werden in één proef zeventien van de
een en twintig gevaccineerde biggen ziek, tegen acht van de negen con-
troles.

De jonge zeugen hadden reeds ten tijde van de partus de lage scrumtiters.
Biggen van twee dezer dieren, die bij de vaccinatie praktisch geen anti-
stoffen meer hadden, reageerden na de enting met een duidelijke titer-
stijging. Er waren uit deze tomen dertien biggen beschikbaar voor een
proefinfectie, die op een leeftijd van ongeveer drie maanden geschiedde.
Vijf van de tien gevaccineerde biggen bleken immuun, terwijl alle drie uit
deze tomen afkomstige controles mond- en klauwzeer kregen.
Van de biggen van de oudste zeugen bleek meer dan de helft op een leeftijd
van twee m.aanden onvoldoende beschermd, hoewel dc-ze dieren serologisch
nog duidelijk positief waren. Ongeveer twee maanden later waren bij het
merendeel van dc resterende dieren nog antistoffen aanwezig, maar niet alle
worpen gedroegen zich gelijk.

Er worden verdere gegevens verzameld, o.m, met het doel de tijdstippen
van het verdwijnen van de passief verworven im.muniteit en \\ an dc laatste
sporen van de immunisatie belemmerende antistoffen, nader te preciseren.

De uit de tot nu toe verkregen resultaten te trekken conclusies moeten met
enige voorzichtigheid worden geforirujleerd. Varkens blijken zeer wisselend
te reageren op een enting.

Daarbij dragen de moederdieren, ongeacht hun eigen bloedspiegel, de anti-
stoffen in ongelijke mate over op hun biggen en verliezen deze ze niet alle
in gelijk tempo, In de regel blijven de dieren met de hoogste begintiters het
langst positief, maar uitzonderingen op deze regel komen voor.
Nagenoeg al onze waarnemingen zijn gedaan met varkens afkomstig van één
bedrijf. Het is redelijk in de totale populatie een grotere variabiliteit te
verwachten.

Aan de andere kant lijkt het \\eimoeden gewettigd, dat een over langere
tijd systematisch doorgevoerde enting van
OBze fokbedrijven op den duur
de daar aanwezige oudere dieren hoge serumtiters zal bezorgen, zodat dan
een situatie zou kunnen ontstaan die overeenkomt met die op de proef-
boerderij.

De biggen van dergelijke moederdieren zullen de eerste weken wel be-
schermd zijn tegen een infectie. Bij ons proefmateriaal, afkomstig van de
oudere zeugen, was op een leeftijd van acht weken echter meer dan de
helft van de dieren niet voldoende resistent om een contact-infectie het
hoofd te bieden.

Het te verwachten gebrek aan uniformiteit bij genetisch verschillende
dieren, de ongelijke immunisatietoestand van zeugen van verschillende
leeftijd, alsmede andere factoren die de variatiebreedte vergroten, zullen

-ocr page 1173-

er in de praktijk toe kunnen leiden, dat een deel van de jonge dieren eerder
gevoelig wordt dan ons proefmateriaal.

Onze uitkomsten suggereren, dat de biggen ongeveer acht weken na het
\\erdwijnen van de resistentie geënt zouden kunnen worden. Dit tijdstip is
mogelijk mede afhankelijk van de kwaliteit van het gebruikte vaccin.
Van een effectieve enting kan echter slechts worden gesproken, wanneer
80 ä 90% van de gevaccineerde varkens ook inderdaad met succes wordt
geïmmuniseerd. De biggen, waarbij de enting niet het beoogde doel bereikt,
zullen tot de volgende vaccinatie of tot de dood gevoelig blijven. Men
dient dus te waken tegen een te
vroege vaccinatie.

Volgens de decembertelling van 1962 bedroeg onze varkensstapel 3.150.000
stuks. Ongeveer 16% hiervan, 500.000 dieren, was vrouwelijk fokmateriaal.
P^r waren ca. 900.000 biggen bij de zeug en er werden ca. 1.750.000 dieren
als mestvarken gehouden, d.i. 56% van het totaal. In verschillende pro-
vincies was de opbouw niet dezelfde.

Men moet zich afvragen wat voor effect een systematische doorgevoerde
algemene enting in een dergelijke varkensstapel zal hebben.
Wanneer een goed vaccin wordt gebruikt en de dieren niet eerder zijn
gevaccineerd, zal men spoedig een resistentie kunnen opbouwen, die de
eerste tijd de 100% wel zal benaderen. Een aantal vark.ens zal vermoedelijk
slecht te immuniseren zijn, maar cr is geen reden t? veronderstellen dat
deze groep belangrijk is.

De in de geënte populatie geboren biggen zullen een aantal weken passief
immuun zijn en daarna deze resistentie verliezen.

Dit zal ongetwijfeld in de gehele populatie geleidelijk geschieden, met grote
spreiding. Van de biggen - in ons geval 900.000 - die zich op een bepaald
moment bij de zeug bevinden, zal een deel van de oudere vermoedelijk niet
beschermd zijn, maar dit percentage is op het ogenblik niet te schatten.
Het merendeel van de biggen zal als mestvarkens worden afgevoerd.
Wil men deze met succes imnumiseren, dan moet dit geschieden wanneer de
passieve antistoffen zijn verdwenen. Individuele behandeling is onmogelijk
cn men zal in een te geven algemene richtlijn dus een veilige ^ - d.w.z. late

- cntlceftijd moeten voorschrijven, b.v. op 3/2 of vier maanden.
Daar mestvarkens gewoonlijk oj) een leeftijd van zes of zeven maanden
worden geslacht, zou op een willekeurig moment een op 25 tot 50% te
schatten deel van deze categorie niet immuun zijn. Dit is tussen de 15 en
30% \\ an de gehele varkensstapel.

Rij voortgezette enting zal het totale percentage niet beschermde dieren
hier boven li,ggen, door de variabiliteit vergrotende factoren zoals de aan-
wezigheid van jonge zeugen met minder goed beschenride biggen en moeder-
dieren die, hoewel goed geïmmuniseerd, hun antistoffen slecht overdragen.
Het kan misschien op 20 tot 40% gesteld worden.

Het is zeer de vraag of dit niet te veel is om het land vrij te houden van de
infectie.

Ter ondersteuning van de veterinaire politiemaatregelen zouden wij daarom,
liever dan naar een zeer kostbare algemene enting met haar moeilijk te
overziene consequenties te grijpen, er naar willen streven dat juist op het
moment dat het infectiegevaar het grootst is, de \'.jnting haar maximale
effect bereikt.

-ocr page 1174-

Dit ware te bereiken door enting slechts als noodmaatregel te gebruiken,
n.1 door vaccinatie van alle binnen een zekere straal om een ziektegeval
aanwezige varkens, met een vaccin dat na één injectie een voldoende weer-
stand opwekt. Het komt ons voor dat, wil een dergelijke ringenting het be-
oogde effect hebben, deze verplicht dient te worden gesteld. Daarbij is het
van belang dat zij snel geschiedt en geen aanleiding is tot ziekteverspreiding.
Deze laatste twee punten zijn moeilijk te verenigen, maar belangrijk.
Wij hebben geen ervaring met dit bestrijdingssysteem en, gezien de situatie
elders is er een kans dat we het ook in de naaste toekomst niet nodig zidlen
hebben.

Toch lijkt het gewenst de mogelijkheid tot toepassing van deze maatregelen
reeds thans te bezien.

SAMENVATTING.

De in 1962 op kleine schaal in de praktijk toegepaste twcemaligc enting van varkens
met voor runderen bestemd monovalent C-vaccin, vond in 1963 opnieuw plaatselijk
toepassing. Er is slechts een beperkt gebruik van deze vaccinaties gemaakt en het is
daarom niet waarschijnlijk dat zij van invloed zijn geweest op het verloop van de
epizoötie.

Voortgezet laboratoriumonderzoek demonstreerde de mogelijkheid een entstof samen
te stellen, die een hoog percentage van de ermee gevaccineerde varkens na ccn enkele
injectie beschermt te,gen een drie tot vier weken later plaatsvindende contactinfectic.
Een produktiemethode voor dergelijke vaccins, die behalve een verhoogde hoeveelheid
antigeen, saponine bevatten, wordt nog nader uitgewerkt.

Vaccins van de tot nu toe gebruikte samenstelling, waaraan saponine was toegevoegd,
bleken een duidelijke scrologische reactie te veroorzaken, maar in dierproeven leken zij
weinig effectiever dan entstoffen van de oude samenstelling.

Bij biggen van herhaaldelijk geënte zeu.gen waren de met h,-t colostrum opgenomen
antistoffen tot meer dan drie maanden na de .geboorte aantoonbaar. Enting van derge-
lijke dieren op een leeftijd van zes en tien weken leidde niet tot de ontwikkeling van
een immuniteit.

Van een groep bi,g,gen die antistoffen van de moeder gckrc,gen hadden en op een
leeftijd van twee maanden in contact werden gebracht met zicke varkens, kreeg echter
meer dan de helft mond- en klauwzeer.

Op .grond van de met betrekking tot de populatie-opbouw van de varkensstapel be-
schikbare gegevens menen de auteurs, dat een systematisch doorgevoerde algemene
enting van de varkens op den duur slechts tot immunisatie van 60 tot 80% van de
aanwezige dieren zal leiden.

Zij betwijfelen of dit voldoende zal zijn en geven daarom de voorkeur aan een ring-
enting om besmette bedrijven.

SUMMARY.

In the 1963 epizootic of foot-and-mouth disease in the Netherlands, pi.gs were mainly
involved. The causal virus belon.ged to the C type. On the basis of previous expe-
rience, the monovalent vaccine destined for catde, was used on a limited scale,
approximately 75.000 pigs being vaccinated twice. This number is not jud.ged suffi-
cient to have affected the course of the epizootic.

Four batches of vaccine containin.g ten times the concentration of anti.gen normally
used, with addition of saponin, protected 69 out of 70 pigs against a contact exposure
carried out three to four weeks after injection of a sin.gle dose.

Vaccines of the normal composition, to which saponin had been added, caused better
serological responses than those without this adjuvant. They were however markedly
less effective than those with increased antigen content.

-ocr page 1175-

In laboratory experiments piglets from sows that had been vaccinated repeatedly,
were shown to have neutralizing antibodies as much as three months after birth.
Of a group of such pigs, that was challenged at the age of two months, more than
half proved suscepdble.

Vaccination of six or ten weeks old piglets having maternal antibody, caused no
serological response and no immunity.

The authors expect that systematic vaccination of pigs will eventually only lead to
the protection of 60 to 80% of the whole populadon. They question the efficacy of
such a campaign and suggest that ring vaccinadon undertaken around infected farms
might contribute more toward the eradication of the disease, if it should reappear.

RÉSUMÉ.

L\'cpizootie de la fièvre aphteuse, causée par type C, en 1963 aux Pays-Bas frappait
surtout le cheptel porcin. Se basant sur les expériences des années précédentes, une
série de deux injections de vaccin de la composition normale pour les bovidés, était
employé dans environs 75.000 porcs. On peut considérer ce nombre restreint de vacci-
nations, executées dans des fermes disséminées comme insuffisant pour avoir in-
fluencé l\'épizootie.

Quatre vaccins expérimentaux, contenant dix fois la quantité normale d\'antigène
et de la saponine, protégaient trois à quatre semaines après une seule vaccination
69 de 70 animaux contre une infection par contact avec des animaux malades.
Les vaccins de composition normale pour les bovidés donnaient des taux d\'anticorps
inférieurs à ces mêmes vaccins additionés de la saponine. Cependant l\'augmentation
de la quantité d\'antigène doit être considérée comme l\'élément majeur de
l\'amélioration.

.\\u laboratoire on trouvait des anticorps neutralisants dans les sérums de porcelets
âgés de trois mois et issus de truies vaccinées à plusieurs reprises. Cependant 50%
de ces animaux à l\'âge de 2 mois, éprouvés par contact avec des animaux malades,
contractaient la maladie. La vaccination de porcelets, âgés dc 6 ou 10 semaines et
encore porteurs d\'anticorps maternels dans leur sérum, ne léndtait ni dans une aug-
mentation des anticorps sériques, ni dans une immunité augmentée.
Les auteurs estiment que la vaccination systématique des porcs ne peut résulter dans
une protection de plus de 60 à 80% dc la population porcine. Ils redoutent qu\'une
telle proportion ne soit pas efficace ct suggèrent comme moyen de préférence la
vaccination en anneau autour des fermes infectées. Ils espèrent de pouvoir obtenir
dans une population de porcs sans sensibilisation préalable une protection d\'une pro-
portion qui se rapproche de 100%.

ZUS.AMMENFASSUNG.

Während des in Frühjahr und Sommer 1963 in den Niederlanden herrschenden Maul-
und Klauenseuchezuges des Typs C, erkrankten hauptsächlich Schweine.
Auf Grund der in 1962 erworbenen Erfahrungen wurden etwa 75000 Tiere zweimal
schützgcimpft mit einer monovalenten für Rinder hergestellten Adsorbatvakzine. Es
scheint unwahrscheinlich dass diese Impfungen den Verlauf der Epizootic bceinflusst
haben.

In Labor\\\'ersuche wurden mehrere experimentelle Vakzinîn nach einmaliger Ver-
abreichung geprüft. Impfstoffe, die die zehnfache Antigenmenge sowie Saponin ent-
hielten, schützten 69 von 70 Schweine gegen einer drei bis vier Wochen nach der
Impfung durchgeführten Kontaktinfektion.

Nach Zusatz von Saponin zu Vakzinen üblicher Herstellung wurde eine Steigerung
der Antikörperdter beobachtet, der Impfschutz war aber kaum besser wie vorher.
Bei Ferkeln von wiederholt geimpften Sauen wurden mehr als drie Monate nach der
Geburt neutralisierende .Antikörper im Serum gefunden. Von einer Gruppe solcher
Tiere erkrankte aber über die Hälfte bei einer im Alter von zwei Monate durch-
geführte Kontakdnfektion.

-ocr page 1176-

Die Impfung von auf natürlicher Weise von ihren im.munisierten Muttertieren auf-
gezogenen Würfen im Alter von sechs oder zehn Wochen führte nicht zu einem
Anstieg der Antikörpertiter oder einer Steigerung der Immunität.
Auf Grund dieser Erfahrungen sind die Autore der Meinung, dass eine allgemeine
Impfung der Schweine gegen Maul- und Klauenseuche schliesslich nur 60 bis 80
Prozent der Tiere schützen wird. Sie bcvorzügen daher eine Ringimpfung um den
verseuchten Gehöften zur Unterstützung der veterinärpoliz^ilichen Massnahmen.

LITERATUUR

Bekkum, J. G. van; Ervaringen met de enting van varkens tegen mond- en
klauwzeer.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 1680, (1962).

DISCUSSIE naar aanleiding van de voordracht van de heer VanBekku m over
de enting van varkens tegen mond- en klauwzeer.
Vraag: de heer J, J. v a n D ij k. Oudewater.
Mijnheer de Voorzitter, dames en heren.

Nu sinds 16 september 1963 de enting tegen mond- en klauwzeer bij varkens is toe-
gestaan, moet ik denken aan: hier vrij parkeren, tussen half twee en half drie
\'s nachts. Want eigenlijk kunnen we niet van toestemmin.g tot enten spreken, maar is
het aldus te formuleren;
Verboden bij varkens tegen mond- en klauwzeer te enten,
tenzij er wordt voldaan aan vijf voorwaarden.

Voor de toekomst meen ik dat een goede bestrijding alleen mogelijk is met algemene
preventieve entingen. Het werk van enten, identificatie en administratie is voor iedere
dierenarts zeer .goed uitvoerbaar.

Gezien de ervaringen bij runderen, waar de mond- en klauwzeerentingcn begonnen als
proefstuk, zo niet als waagstuk cn met resultaat: zeer goed, komen nu uit dc vijf
voorwaarden bij varkensentingen twee vragen naar voren:

le. Waarom moeten biggen van 14 dagen oud reeds worden geënt? Bij zo jon.ge
dieren zouden no.g geen gamma,globulinen aanwezi.g zij;-i.

Bij kalveren wordt niet tegen mond- en klauwzeer geënt beneden de leeftijd van
4 maanden; ook niet worden geënt bi.g.c;en bij varkenspest, ook jonge honden niet
tegen Carré.

2e. Zijn de herhaalde entingen iii de praktijk wel nodig?

a, na 14 dagen;

b. na 3 maanden. Indien dit laatste noodzakelijk is, zou er mis,-.chien 4 maanden
van kunnen worden gemaakt, daar de mestvarkens dan juist de leeftijd-sgrens
van 6 tot 7 maanden hebben overschreden en dus al zijn geslacht.

Ik dank U.

Antwoord van Dr. Van Bekkum;

Meneer de inleider, ik geloof dat ik de vragen van collega Van Dijk voorzover ik ze

heb kunnen verstaan, in mijn lezing heb beantwoord, maar .ils hij nadere toelichting

wil, dan wil ik hem die graag geven.

Opmerking: de heer J. J, v a n D ij k. Oudewater:

Ik heb inderdaad heel veel in LIw lezing beantwoord gekregen.

Vraag: Prof. A. van der Schaaf, Utrecht.

Meneer de voorzitter, het is mij opgevallen, dat er verschillende methoden zijn aan-
gegeven waarop kan worden geënt.

De belangrijkste modificatie was wel de toevoeging van het adjuvans saponine. Dit is
cen sterk iiritcrendc stof, waarbij de plaats van het depót in het dier van .grote be-
tekenis is.

Ik kan me voorstellen dat de entingsplaats cen grote invloed heeft op de hoeveelheid
immuunstoffen die zullen worden gevormd. Bij het varken heeft men zoveel mogelijk-
heden.

In de eerste plaats intramusculair, dan in het bindweefsel tussen het vet en de spieren
in, en in de derde plaats in het vet zelf, in het spek, Is er nagegaan welke plaats

-ocr page 1177-

voor het vaiken het meest effeetief is, welke plaats dus de meeste antistoffen geeft en
welke plaats de meeste immuniteit?
Antwoord van Dr. Van Bekkum:

Het is zo, Prof. Van der Schaaf, dat wij in ons nog steeds beperkte proefmateriaal
maar een beperkt aantal variabelen hebben kunnen onderzoeken.
De entingen zijn door ons subcutaan toegediend, zoals dat in de praktijk meestal het
makkelijkst is. Wij hebben wel enige gegevens aangaande een intramusculaire enting
en we hebben daarbij geen verschil gevonden, noch serologisch, noch ten aanzien van
de opgewekte resistentie ten opzichte van de subcutane enting.

Ik ben het met U eens, wanneer U zegt dat hier nog meer onderzoek over moet
worden verricht en het zin heeft om deze zaak nog nader tc bezien. Dit zal echter
een kwestie van tijd zijn.

De taak van de Vleeskeuringsdienst bij
de destructie.

The duty of the meat inspection service
concerning destruction.

door

E. DE NOOIJ1)

Do onhruikbaarmaking van afgekeurd materiaal vomn het sluitstuk van
ue Vleeskeuring. In 1922, het jaar waarin de Vleeskeuringswet van kracht
werd, bestond er nog geen enkele werkelijke Destructie-inrichting. Kadavers
en afgekeurde materialen werden begraven en in sommige gevallen ver-
brand. In 1926 werd de eerste Destructor opgericht, met het doel schadelijk
materiaal van dierlijke oorsprong te verwerken tot waardevolle eindproduk-
ten. Toen bleek, dat zo\'n destructor een winstgevende onderneming kon
zijn, werden er geleidelijk meer soortgelijke inrichtingen opgericht en werd
ook spoedig de behoefte gevoeld aan een wettelijke regeling op dit terrein.
Ambtelijk toezicht op de destructoren werd nodig geacht, omdat het maken
\\an winst en het bevorderen van de Volksgezondheid geen begrippen zijn,
die onder alle omstandigheden samengaan.

In 1939 was men klaar met de voorbereiding van een Destructiebesluit. In
1942, dus tijdens de bezetting, werd dit Destructiebesluit aangenomen. Na
de bev rijding werd dit besluit prompt geschorst, maar omdat de behoefte
aan deze regeling onverhinderd bleef bestaan, werd het besluit in 1947,
zij het na enige wijziging, opnieuw van kracht. Pas in 1957 kwam de Des-
tructiewct tot stand, welke op 18 februari 1958 van kracht is geworden.
De grondgedachten van deze wet zijn:

1. Materiaal van dierlijke herkomst, dat de openbare gezondheid kan be-
nadelen, moet onschadelijk worden gemaakt in destructoren, door ver-
werking tot nuttige produkten.

1  E. de Nooij, Inspecteur-districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst, ambts-
gebied Overijssel; Emmastraat 2, Zwolle.

-ocr page 1178-

2. Voor het oprichten of in werliing hebben van een destructor is een ver-
gunning vereist.

3. Aan iedere destructor wordt een gebied toegewezen, waanoor deze
onderneming
rechten en plichten heeft.

4. De zorg voor destructiemateriaal, vanaf het moment waarop het ont-
staat, tot het tijdstip van de overdracht aan de destructoronderneming,
berust bij de gemeenten.

5. De taak van de ondernemer begint met het ophalen van het materiaal
ter plaatse waar het zich, ingevolge de gemeentelijke regeling, bevindt.

Omdat een belangrijk deel van de zorg voor destructiemateriaal aan de
gemeenten is opgedragen, moet elke gemeente een plaatselijke verordening
vaststellen, waarin de aangifte, de bewaring, het ophalen, het vei-voer en de
overdracht van destructiemateriaal is geregeld.

In deze gemeentelijke verordening wordt onderscheid gemaakt tussen:
Destructiemateriaal A: Dit zijn kadavers van gestorven slachtdieren.
Destructiemateriaal B: Dit is materiaal, dat zich
niet onmiddellijk bevindt
onder beheer en toezicht van de gemeentelijke
Vleeskeuringsdiensten, o.a. bedoiven vlees of vlees-
waar, pelsdieren e.d., slachtafval van pluimvee-
slachterijen.

Destructiemateriaal C.: Dit is materiaal dat zich wel bevindt onder on-
middellijk beheer of toezicht van de gemeentelijke
Vleeskeuringsdienst, b.v. afgekeurd vlees en slacht-
afval.

De behandeling van kadavers (de.structiemateriaal A).

I. DE AANGIFTE

Aangifte bij het Hoofd van de Vleeskeuringsdienst is verplicht. Elk slacht-
dier moet aan keuring worden onderworpen.

Op grond van artikel 29 van het Vleeskeuringsbesluit, moet de Ketuings-
dierenarts zich met betrekking tot gestor\\\'en slachtdieren ervan overtuigen,
dat een besmettelijke veeziekte, waarop enig wettelijk voorschrift van toe-
passing is, zich niet heeft voorgedaan (miltvuur, mond- en klauwzeer, var-
kenspest).

Pas daarna kan het kadaver, zonder dat er een nader onderzoek ingevolge
de Vleeskeuringswet behoeft plaats te vinden, onbruikbaar worden gemaakt
voor voedsel voor mens en dier.

II. DE BEWARING.

Hierbij kuimen de gemeenten, bij het vaststellen van de voorschriften, kiezen
uit drie mogelijkheden:

A. Het kadaver wordt op een door het Hoofd van de Vleeskeuringsdienst
goedgekeurde, voor de ondernemer rederlijkerwijs bereikbare plaats, ge-
deponeerd.

Dit betekent in de praktijk, dat de kadavers eenvoudig langs de open-
bare weg worden neergelegd, hetgeen vooral op zon- en feestdagen voor
toeristen en kerkgangers v/einig aantrekkelijk is.

B. De eigenaren van kadav ers worden verplicht de gestorven dieren te ver-

-ocr page 1179-

voeren naar een gemeentelijke vei/amelplaats. Soms wordt als ver-
zamelplaats aangewezen een kadaverruimte, b.v. op het Openbaar
Slachthuis, maar in vele gevallen zijn het de min of meer verdekt op-
gestelde kadaverbakken van verschillende vorm.

Men stelde zich voor, dat met dit systeem alle bezwaren volledig zouden
zijn ondervangen, maar in de praktijk bleken zich toch nog wel wat
moeilijkheden voor te doen.

1. de eigenaren sjouwen niet graag met een kadaver langs de weg en
denken dan spoedig aan begraven;

2. de kadaverbakken zijn moeilijk gesloten te houden, daar de sleutel
wel wordt gehaald, maar niet wordt teruggebracht;

-ocr page 1180-
-ocr page 1181-

3. het kadaver wordt wel in de bak gedeponeerd, maar niet aange-
geven, zodat het dagenlang kan duren voor het wordt opgehaald;
. verpakkingsmateriaal wordt door de ondernemer niet meegenomen
en blijft in of naast de bak achter;

5. regelmatige reiniging en ontsmetting van de bakken laat \\aak zeer
veel te wensen over;

6. de bakken zijn vaak zeer ondoelmatig ingericht. Putringen worden
gebruikt als picnictafcls en Opsterlandbakken als slaapplaatsen;

7. kadaverbakken zijn geliefde speelplaatsen voor ratten;

8. vanuit kadaverbakken kan gemakkelijk besmetting optreden, vooral
als er onderin een gat is geslagen \\oor afvoer van vocht naar een
sloot (Abortus Bang);

9. de aanleg van \\ oldoende bakken is een kostbare aangelegenheid.

C;. Bewaring op de boerderij, vanwaar de kadavers door de lokale of re-
gionale afliaaldienst worden vervoerd naar een centrale verzamelplaats.
I^it is het systeem van Voorcentralisatie door de gemeenten.
Met een kleine, doelmatig ingerichte kadaverwagen, waarmee prakti.sch
elke boerderij kan worden bereikt, worden cle kadavere zo spoedig mo-
gelijk vervoerd naar een gemeentelijk kadaverhuisje.
De eigenaren behoeven slechts telefonisch aangifte te doen om een
kadaver binnen hoogstens 24 uur, op de meest hygiënische wijze, van
het erf te zien ophalen, hetgeen veel gemakkelijker is dan zelf het ka-
daver te begraven of te vervoeren.

Op grond van artikel 21 van dc Destructicwet, wordt minstens de helft van
de voor rekening van de gemeenten blijvende kosten door het Rijk gedragen,
wanneer de Voorcentralisatiedienst is ingericht in overeenstemming met de
Minister. Tot nu toe is het echter vaak heel moeilijk gebleken, deze over-
eenstemming te bereiken en hierdoor wordt de vorming van deze diensten
helaas ernstig gestagneerd.

Ook dc ondernemer moet een bijdrage in de kosten van de gemeente le-
veren en wel in overeenstemming met de door de ondernemer bespaarde
kilometers. Het bereiken van een akkoord hierover tu.ïcen ondernemers en
gemeenten, blijkt in de praktijk eveiu\'cns heel moeilijk.
0]3 grond van artikel 21, derde lid van de Destructiewet, is het echter mo-
gelijk, dat de Minister de door de ondernemer verschuldigde jaarlijkse bij-
drage vaststelt, naar de mate van de lut dc getroffen voorziening voort-
spruitende voordelen. Het is tc hopen dat met de daadwerkelijke toepassing
van dit artikel niet langer wordt gewacht.

Vaak gaan er bij de gemeentebesturen stemmen op, de eigenaren voor het
ophalen van de kadavers een bedrag in rekening te brengen. Ongetwijfeld
zou daarmee de animo om aangifte te doen heel snel afnemen en zou het
begraven van kleinere kadavere, als kalveren en varkens, weer spoedig ge-
woonte worden.

Behandeling van het overige destructiemateriaal (destructiemateriaal B
enC).

Ten aanzien van destructiemateriaal B en C (afgekeurd vlees, slachtafval,
bedorven vlees en vleeswaar e.d.) wordt in de gemeentelijke verordening
bepaald, dat het materiaal door eigenaren moet worden bewaard, met in-

-ocr page 1182-

achtneming van de terzake, door het Hoofd van de Vieeskem-ingsdienst ge-
geven, aanwijzingen.

Bewaring moet geschieden in daai-voor bestemde bakken, dan wel metalen
confiscaatemmers, tenzij het Hoofd van de Vleeskeuringsdienst terzake van
de bewaring een andere regeling treft.

De bedoeling is dat het materiaal op geregeld tijden wordt opgehaald
door de kadavei-wagens van de destructor. Het spreekt vanzelf dat de slager
er weinig op gesteld is regelmatig die wagen voor zijn deur te hebben, om-
dat het voor zijn klanten geen smakelijke aanblik is de zich daarin bevin-
dende kada\\ ers van dichtbij tc kimnen bezichtigen. Het komt daarom vaak
voor dat slachtafval wordt begraven, of op de \\-uilni,belten wordt aange-
troffen.

Op grond van artikel 20 van de Destructiewet kunnen cle Gemeenten ten
aanzien van dit mate^\'iaal ook overgaan tot vooicentralisatie.
Hierbij kan door de keuringsambtenaren gebruik worden gemaakt van zeer
doelmatige aanhangwagentjes voor auto\'s, waardoor het mogelijk is het
destructiemateriaal onmiddellijk na het ontstaan af te voeren.
In de praktijk is gebleken, dat de hoeveelheid op deze manier verzameld
de.structiemateriaal een veelvoud is \\an de hoeveelheid die voordien recht-
streeks aan de destructor werd afgeleverd.

Omdat de destructoren, voor het op deze wijze vei-zamelde slachtafval een
prijs per kg betalen, is de financiering \\an deze vorm \\an voorcentralisatie
in vele gevallen geen probleem.

In het belang van de volksgezondheid acht ik hct van hct grootste gewicht,
de voorcentralisatie van destructiemateriaal zo krachtig mogelijk te bevor-
deren en ik ben ervan overtuigd dat de dierenartsen in het algemeen en de
Hoofden van Vlecskeuiingsdiensten in het bijzonder, op dit terrein een zeer
belangijrke bijdrage kunnen leveren.

SAMENVATTING.

Na een overzicht te hebben gegeven van het tot .stand komen van de Destructiewet
1957, worden de grondgedachten van deze wet beschreven. De zorg voor het des-
tructiemateriaal berust bij dc gemeenten, die een plaatselijke verordening moeten
vaststellen. De juiste uitvoering laat nog wel eens te wensen over.
Voor de Volksgezondheid is het van het grootste belang, dat voorcentralisatie van
destructiemateriaal krachtig wordt bevorderd. Spreker is overtuigd, dat dc dieren-
artsen in hct algemeen en de Hoofden van Vleeskeuringsdiensten in het bijzonder,
hiertoe een belangrijke bijdrage kunnen leveren.

SUMMARY.

The passing of the Destruction Act of 1957 is reviewed and the basic principles of
this Act are described.

The handling of material intended for destruction rests with the municipal authorities
who have to enact a local bye-law. The correct execution occasionally leaves some-
thing to be desired.

From the point of view of public health, it is essential that the preliminary centra-
lization of material intended for destruction should bc vigorously promoted. Veteri-
narians in general and the heads of meat inspection services in particular will un-
doubtedly be in a position to contribute materially towards this purpose.

RÉSUMÉ.

Après un aperçu de la genèse de la Loi sur la Destruction de 1957, les idées fonda-
mentales de cette loi sont décrites. Les communes sont chargées du soin du matériel de

-ocr page 1183-

destruction; elles sont obligées d\'établir un décret local. L\'exécution correcte cepen-
dant laisse souvent à désirer.

Pour l\'Hygiene Publique il est de la plus grande importance que la contralisation
préalable du matériel de destruction est rigoureusement stimulée. Le conférencier est
convaincu que les médecins vétérinaires en général et les Directeurs des Services
d\'Inspection de Viandes en particulier pourront y fournir une contribution impor-
tante.

ZUSAMMENFASSUNG.

Nachdem eine Ubersicht von dem Zustandekommen des Destruktionsgesetzes 1957
gegeben wird, werden die diesem Gesetz zugrundeliegenden Gedanken auseinander-
gesetzt.

Die Sorge für das Zerstörungsmaterial liegt bei den Gemeinden, die eine Lokal-
verordnung hierüber treffen müssen. Die richtige Ausführung lässt manchmal noch
etwas zu wünschen übrig.

Für die Volksgesundheit ist es von grösster Bedeutung, dass das Zerstörungsmaterial
an einer zentralen Sammelstelle ständig zur Verfügung steht. Sprecher ist überzeugt,
dass Tierärzte im allgemeinen und die Leiter der Fleischbcschaudienste im besonderen
hierbei einen wichtigen Beitrag liefern können.

DISCUSSIE naar aanleiding van de voordracht van de heer E. de N o o ij over de
taak van de vleeskeuringsdienst bij de destructie (speciaal voorcentralisatie).

Vraag: de heer E. Bakema, Velp (Gld.).

Ik wilde graag de aandacht vestigen op de ongelijkheid var. de gebieden van de
keuringsdiensten, die resulteren in een ongelijke financiële v\'crgoeding van de zijde
van de destructor. Wanneer men een voorcentralisatie gaat opzetten, kan men van de
destructor een vergoeding krijgen, die berekend wordt naar het aantal kilometers
dat minder behoeft te worden gereden.

Nu is het zo, wanneer men een vrij rond gebied heeft dat een soort eindpunt is voor
de destructor, ik denk aan een dienst die ik vroeger heb geleid, n.1. Winschoten, dan
hoeft zo\'n destructor alleen maar heen en terug rechtstreeks tc rijden. Dit betekent
een verkorting van de afstand, met als gevolg dat er een behoorlijke vergoeding kan
worden gegeven.

Als ik denk aan het gebied waarin ik nu zit, de Kring Rheden, is dat een lang-
gerekte kring die loopt van de grens van .Arnhem tot even ten noorden van Zutphen.
Daardoor lopen twee hoofdverkeerswegen voor de destructor, t.w. de weg Deventcr-
Arnhem en de weg Apcldoorn-Dieren-Arnhem.

Wanneer wij mi gaan voorcentraliseren, behoeft de destructor maar heel kleine af-
standen niet te rijden en zal de vergoeding die de destructor ons geeft maar gering
zijn. Blijft dus een heel groot nadelig saldo, waarvan het Rijk dan wel de helft wil
vergoeden, maar waarvan de overblijvende helft voor de gemeente dan ook zeer
groot is.

Dit is destijds voor mijn komst in deze Dienst bekeken en is \'oen ook de reden geweest
dat men niet verder is gekomen. Ik ben op het ogenblik weer in bespreking met de
destructor om hier berekeningen over op te zetten en ik zou
graag van de aanwezig-
heid, ook van de hoofdinspecteur, gebruik willen maken om straks een ruggesteun
te hebben, wanneer ik tracht enkele deuren in Den Haag te forceren.
Dank U.

Antwoord van de heer De Nooij:

Het is natuurlijk duidelijk, dat bij het besparen van kilometers ook rekening wordt
gehouden met de lokale omstandigheden. In een gemeente waar weinig kilometers
worden bespaard zullen ook de uitgekeerde bedragen van de destructor geringer zijn.
Maar wèl wil ik er in dit verband op wijzen, dat het heel erg belangrijk is dat het
aantal kringen zo snel mogelijk wordt uitgebreid. Wanneer er hier en daar een kring

-ocr page 1184-

is die voorcentraliseert en er is verder ook nog een kring waar het niet gebeurt,
dan moet die wagen daar toch weer beginnen met overal rond te rijden. Als er meer
kringen zijn, en daarbij is vooral een voordeel als de verste kringen voorcentraliscren,
dan zal voor alle kringen de besparing groter worden.
Maar aan de vorm van Uw gemeente kan ik weinig veranderen.

Vraag: de heer C. A. S t o 1 t e, Olst.

Ik zou collega De Nooij willen vragen: kan een Burgemeester op grond van dc ge-
meentelijke verordening van de destructie een Directeur van de Vleeskeuringsdienst
verplichten Directeur te zijn van een Voorcentralisatiedienst.

a. Indien het betreft een gemeentelijke vleeskeuringsdienst?

b. Indien het betreft een vleeskeuringsdienst met het predikaat zelfstandig rechts-
persoonlijkheid bezittend lichaam?

Antwoord van de heer D c N o o ij:

Ja, collega Stolte, dat kan die gemeente niet dwingend opleggen.
Uw benoeming tot Hoofd van de Vleeskeuringsdienst houdt niet in dat U daarbij
gedwongen wordt op te treden als Hoofd van de Voorcentralisatiedienst, maar het
neemt niet weg dat U als Hoofd van de Vleeskeuringsdienst wel de aangifte moet
hebben en U dus wel met de keuring van die kadavers moet bezighouden.
Wil men echter aan het hoofd van de gemeentelijke voorcentralisatic ccn ander, cen
niet-dierenarts plaatsen, dan is dat inderdaad mogelijk. Dat is in cen gemeente moge-
lijk, en dat is zeker ook mogelijk wanneer het Hoofd van Dienst in dienst is van cen
rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam.

Dus gedwongen kunt U niet worden, want als U gedwongen zou kunnen worden, dan
zou men U ook kunnen aanstellen zonder salaris, en dat neemt U natuurlijk niet.

Opmerking: de heer W. H. Eenink, .Assen.

De voorcentralisatie van afgekeurd materiaal blijft in vele gemeenten achterwege,
vanwege de financiële consequenties. Mede doordat bij de overheid i.c. Gedepu-
teerde Staten tle opvatting heerst, dat de vleeskeuringsdiensten self supporting dienen
te zijn.

De overheid dient dan ook, indien men deze voorcentralisatic algemeen wil ver-
wezenlijken, ook op dit terrein van de volk.5gezondheid een ander standpunt in tc
nemen. Dit is bedoeld als een opmerking.

Antwoord van de heer De N o o ij :

Ik zou hier toch graag iets op willen zeggen. Ik zou de heer Eenink er toch op willen
wijzen, dat deze voorcentralisatie niet ten laste komt van dc vleeskeuringsdienst. Dit
is een gemeentelijke taak, op grond van de Destructicwct. Die voorcentralisatic kan
dus niet ten laste worden gebracht van de vleeskeuringsdien.it en de keurlonen zullen
ook zeker niet kunnen worden aangewend om deze voorcentralisatie te kunnen finan-
cieren. Het gaat hier om cen gemeentelijke taak, op het terrein van de volksgezond-
heid. Ik ben het met U eens dat niet iedere gemeente cr rijp voor is om daar veel
geld voor uit te geven.

Daarom heb ik U juist deze recente dia\'s laten zien, teneinde U tc activeren om te
trachten aan deze onhygiënische zaak een einde te maken.

Ik meen dat het toch verantwoord is, zowel van gemeentewege als van rijkswege,
hiervoor gelden beschikbaar tc stellen.

-ocr page 1185-
-ocr page 1186-

De wering van exotisch mond- en
klauwzeer.

The prevention of exotic foot- and mouth-
disease.

door

J. M. VAX DEX BORX1l

De titel van deze korte inleiding - „Dc wering van exotisch mond- en
klauwzeer", doet U wellicht enigszins exotisch aan en vereist wel enige ver-
klaring. Bedoeld is de wering uit VVest-Eurojja van typen mond- en klauw-
zeer, clic hier niet inheems zijn en dus „exotisch" worden genoemd,

Hct is U Ijekend, dat in West-Europa mond- en klauwzeer van hct type A,
O cn C vooikomt, evenals dit elders in dc wereld hel i^eval is. Er zijn enkele
landen vrij van mond- en klauwzeer, Ierland, IJsland, Amerika, Canada en
nog wel andere ook. Maar in het algemeen komen dus deze drie typen vooi\',
met uilzondering van enkele landen in Zuid-Afrika cn Zuid-Amerika, waar
hel type C niet voorkomt,

Dc aanwezigheid \\ an de drie typcii is de reden, dat wij onze veestapel eiiten
niet trivalent-vaccin A. O en C\'. om hem tc heschcrinen tegen mond- en
klauwzeer. Voor ons exotische typen zijn ondermeer het zogenaamde Asia-
lyjx\', dat langs dc Zuid-Aziatische landen naar hct Midden-Oosten is op-
gerukt cn zelfs cen geval heeft gegexen in Israël, maar overigens hoofdzake-
lijk in Pakistan ojji-reedt en het South Africain-Typc S.A,T, I, dat vanuil
Zuid-Afrika over Midden- en Oost-Afrika zeer geleidelijk is ojigcrukt naar
hel noorden en later lot onze grote schrik — en ik kom daar later nog op
terug — \\ an het Afrikaanse continent op hct Aziati.sche continent is over-
gesprongen en zich over Irak, Israël, Syrië eu Turkije tot in Griekenland
heeft gemanifesteerd.

Een directe dreiging voor West-Europa dus door twee tyi^en.
Ik zal verder hct South of hel .A.sia type virus builen beschouwing laten,
omdat — zoals ik U reeds zei de ziekte slechts sporadisch is voorgekomen
in hel Midden-Oosten, o.a, in Israël, maar overigens alleen is gediagnosti-
sccrd in Pakistan en nog niet verder.

De bedreiging bestond, omdat dc mond- en klauwzcerbestrijding in West-
Europa is ingesteld op dc zogenaamde inheemse typen mond- en klauwzeer
en we ongewapend staan tegeno%\'er andere typen, In hct verleden, toen we
nog niet zo ver gevorderd w^aren als nu met onze oriëntering en typering
\\an het mond- en klauwzeer, zou dil w^aarschijnlijk hebben betekend, dal
mond- en klauwzeer weer eens via de Balkan Europa zou zijn binnenge-
drongen. Zoals dil periodiek in hel verleden gebeurde, hetzij via de Balkan,

1  J, M, van den Born, Dirccteur van de Veeartsenijkundige Dienst tevens Veterinair
Hoofdinspecteur van dc Volksgezondheid, le v, d. Boschstraat 4, \'sGravenhage.

-ocr page 1187- -ocr page 1188-

lietzij \\ia Spanje en Frankrijk, een andere invalspoort \\an het mond- en
klauwzeer.

Er 70U dan zonder twijfel cen grote economische calamiteit zijn gekomen,
waartegen ieder land zich op zijn manier en met eigen middelen zo goed
mogelijk teweer zou hebben gesteld. Het gezamenlijk resultaat \\van deze po-
gingen zou zonder twijfel zeer matig tot negatief zijn geweest, ondanks alle
kosten en moeite hieraan besteed.

Ook in ons land zou het exotische type mond- en klauwzeer cen totaal ge-
voelige veestapel hebben aangetroffen, met alle gevolgen van dien. Dat het
tot nu toe niet is geschied, danken wij zonder twijfel mede aan een mijns
inziens voortreffelijk voorbeeld van nuttige internationale samenwerking bij
de bestrijding, welke kon worden gcëntamecicl dank zij de resultaten van
uitstekend mond- cn klauwzeeronderzoek in dc verschillende landen, ook
in Nederland.

In de mij resterende tijd zou ik hier graag wat nader op in willen gaan.
0]j het Internationaal Veterinair Congres in Stockholm in 19.53, wees Dr.
Eichhorn, toen Directeur van het Pan-.A.merican Foot-and-Moiith Di-
sease Center in Rio de Janeiro, thans floofd van de Veterinaire Afdeling
van de F.A.O. in Rome, de Food and .Agricultural Organization, op de drin-
gende noodzaak om tc komen tot een uniforme typering cn aanduiding van
de verschillende ty]jen mond- en klauwzeer en haar varianten. Ec\'>n labora-
torium zou centraal moeten tyjjcrcn en de typen „labebn". een naam geven.
Het tocgc])astc onderzoek en dc bestrijding van het mond- cn klatiwzeer zou-
den ]jas daarna cfficii\'nt kimnen worden aangeiJakt.

Nu was er één instituut, dat na dc oorlog in dit opzicht grote activiteit had
getoond cn dat was het mond- en klauwzecrinstituut in F.ngcland in Pir-
bright, onder directie van Dr. C a
I 1 o w a y. De behoefte aan cfficiinitc be-
strijding van het mond- cn klauwzeer in dc Dominions of voonnalige Domi-
nions van Groot-Biittannië gaf aan dit Instituut een grote internationale
ervaring.

In uitsluitend Engels verband kwam hier een belangrijke hoeveelheid do-
cumentatie tot stand, onder niccr over de verspreiding van e.xotisch mond-
en klauwzeer in Azië cn .\\frika. Deze documentatie kwam later mede ter be-
schikking van dc Eutopese Mond- en Klauwzeer Commissie van dc F.A.O.,
omdat deze commissie in ccn overeenkomst met de Engelse regering het
laboratorium te Pirbright benoemde tot het Central Reference Laboratory
voor E^uropa en zo mede dc beschikking kreeg over dit laboratorium voor
typering en over dc gegevens van deze typeringen.

Later benoemde eveneens het Office International des Epizootics in Parijs,
ccn organisatie waarin de veterinaire diensten van pr.aktisch dc gehele we-
reld permanent samenwerken, het laboratorit.im te Pirbright tot World
Reference Laboratory, zodat dit laboratorium jiraktisch voor de gehele we-
reld ter beschikking kwam.

Door imiforme methodieken en uniforme bewerking van resultaten, kwam
een schat \\ an betrouwbare gegevens ter beschikking en hierdoor waren wij
in staat na te gaan, hoe de twee typen S..A..T. I en .\\sia steeds meer het
Europese continent naderden. Ze bleven eigenlijk toen nog op hun eigen
terrein, waren dus inheems in Azië en Afrika, totdat het S.A.T. I virus voor
de eerste keer in januari 1962 buiten het .Afrikaanse continent werd gecon-

-ocr page 1189-

stateerd in Barhein. Dit gaf aanleiding tot een ernstige epizoötie, die zich
in het voorjaar 1962 snel verspreidde over het nabije Oosten.
Zo werden in Irak en Syrië in april 1962 150.000 gevallen gemeld. Ook in
de Libanon en Israël, Jordanië en Perzië werden vele gevallen gezien en
gediagnostiseerd. In het begin \\ an juni 1962 werd S.A.T. I door Pirbright
gediagnostiseerd in Turkije aan de Syrische grens en later meer gevallen,
echter alle nog achter een rug van hoge bergen, het Taurusgebergte.
Echter, via bergweiden bereikte de ziekte de vlakte noordelijk van dit ge-
bergte, in een streek welke het produktiegebied is van dieren en vlees voor
het westelijke gedeelte van Turkije, met name Ankara en ook Istanbul.
In augustus was het \\-irus in enige dagen over een afstand \\an 2.000 km
gereisd naar het westen van Turkije, inbegrepen Istanbul. In september was
de ziekte over de Bosporus gesprongen en genaderd tot aan de Bulgaarse
grens en in oktober werd Griekenland bedreigd. Tegelijkertijd werd O-virus
gevonden. Algemene typering was een \\oorwaarde tot kennis van de si-
tuatie, ook ten aanzien van het S.A.T. I. In november 1962 drong het
S.A.T. I-virus Griekenland binnen.

Stamping-out methode en spoedvaccinatie werden toegepast. De moeilijk-
heden werden vergroot door de aanwezigheid in Griekenland van een ander
type, het type G.

Ik kan hier niet te diep ingaan op het verloop van de ziekte. Ze verspreidde
zich heel gemakkelijk onder inheems vee, buffels, schapen en geiten, maar
het verloop was bij inheems vee mild, bij geïmporteerd \\ ee zeer ernstig met
\\ele sterfgevallen. Dit betrof vooral geïmporteerd \\ ee uit Friesland en ook
Brown Swiss. Dit laatste geeft wel een indruk van wat ons te wachten zou
staan.

Echter, het moet met ere gezegd, op initiatief van de Europese Commissie
van de Food and Agricultural Organization werd grote internationale acti-
viteit vertoond, nog vóór het S.A.T. I-virus Turkije had bereikt. In ge-
zamenlijk overleg tussen vele landen van de Europese Mond- en Klauwzeer-
commissie en het Office International des Epizootics, werd een programma
voor bestrijding van de geïnfecteerde of bedreigde landen opgesteld en
steun bij de uitvoering gegeven en er werden maatregelen beraamd om de
\\ erspreiding over West-Europa tegen te gaan.

Deze opdrachten waren voor de betrokken landen zelve te zwaar, doch met
internationale hulp uitvoerbaar te achten. Nodig waren mensen, deskun-
digen, materiaal, vaccins en vooral ook geld om een en ander te financieren.
De Directeur-Generaal van de F.A.O. deed een beroep op de regeringen
van de landen van West-Europa om bijdragen en ook op de zes van de
Europese Economische Gemeenschap: Engeland, Ierland, Zwitserland, Is-
raël, Oostenrijk, Joego-Slavië, Finland en zelfs IJsland droegen onmiddellijk
bij. En ook de zes van de Europese Economische Gemeenschap gaven be-
langrijke bijdragen.

Geleidelijk aan kwam zo een programma tot uitvoering. In het kort be-
staande uit:

le. vaccinaticcampagnes om brede bufferzones te maken in Europees Tur-
kije, in Griekenland, in Bulgarije;
2e. het veeverkeer werd \\erboden, vooral ook over tie Bosporus en in de
grensstreken;

-ocr page 1190-

3e. de Bulgaarse regering evacueerde mensen en vee uit een brede strook,

60 km langs de Griekse grens.
De resultaten van de entingen en andere maatregelen waren over het al-
gemeen gunstig. Het stemt tot grote voldoening dat een belangrijk deel van
het gebruikte vaccin werd en wordt bereid volgens de methode Frenkel.
Een moeilijk punt bij de vaccinproduktie was, dat deze produktie slechts
kon worden toegestaan in geïnfecteerde landen en in besmette gebieden,
zoals Griekenland en Israël.

Met uitzondering van Pirbright in Engeland, en dit laatste omdat men daar
reeds met exotisch materiaal werkte, zoals U bij de typering is gebleken
en men bovendien voortreffelijke isolatie-mogelijkheden had. Deze af-
spraak was internationaal gemaakt en geldt nog, om te voorkomen dat
door lekkages uit instituten de veestapel zou worden geïnfecteerd tot schade
van het land en naburige landen.

En we weten uit ervaring, dat lekkages niet volledig te voorkomen zijn.
Ook in Engeland is enige jaren geleden een dergelijke lekkage voorge-
komen, maar onmiddellijk de kop ingedrukt.

Regelmatig worden de dieren in de bufferzones opnieuw geënt en wordt
het beleid ter plaatse in bijeenkomsten van deskundigen van F.A.O. en
het Office International des Epizooties internationaal opnieuw bepaald.

Vorige week nog was er in Lissabon een bijeenkomst van deskundigen \\ an
deze organisatie met vertegenwoordigers van de Europese Economische
Gemeenschap.

De maatregelen hebben tot nu toe volledig succes. Geen enkel geval van
exotisch mond- en klauwzeer heeft zich in West-Europa gemanifesteerd.
Naar mijn smaak wordt hier in de praktijk een prachtig voorbeeld gegeven
van wat internationale samenwerking vermag en met een zekere trots kun-
nen wij constateren, dat dit op veterinair terrein geschiedt.
In het programma van de F.A.O.-conferentie, die deze week begint, kan
men een poging vinden om in dergelijke gevallen snelhr en efficiënter hulp
te kunnen bieden door de instelling van een zogenaamd emercency fund,
een noodfonds voor dierziekten.
De toelichting hierbij luidt;

"The organization (dat is dan de F.A.O.) has been required with in-
creasing frequency in recent years, to provide emergency assistance to
countries invaded by exotic disease which create havoc in the most
.msceptible domestic livestock: populations.

An example is the prolonged threat to European agriculture created by
the Near East epizootic of the African strain of foot-and-mouth disease.
In such circumstances F.A.O. endeavours to "close off" the disease by
early and rapid action but this is invariably impeded by the fact that
funds to purchase vaccines, equipment, transport and other items are
never immediately available.

Special attention will therefore be given to developing facilities for the
"fire brigade action" so that F.A.O. can make available to member coun-
tries the means of stamping out invasions of diseases at the earliest sta-
ges"

De beslissing hierover moet de volgende maand komen. Ik heb de regering
geadviseerd een positief standpunt in te nemen, omdat het duidelijk is, dat

-ocr page 1191-

kostbaar tijdverlies en grote schade door deze „fire brigade action" kan

worden voorkomen.

Ik dank U zeer voor Uw aandacht.

SAMENV.A.TTING.

Met deze titel wordt bedoeld de wering uit West-Europa van typen mond- en klauw-
zeer, die hier niet inheems zijn en dus „exotisch" worden genoemd. Spreker toont aan,
dat West-Europa door twee typen, het .Asia-type en het South-Africain-typc S..\'\\.T. I,
direct wordt bedreigd.

Daar de mond- en klauwzcerbestrijding in West-Europa is ingesteld op de zoge-
naamde inheemse typen mond- en klauwzeer, zou het doordringen van exotische
typen een economische catastrofe zijn. Dat dit niet is gebeurd, is volgens spreker
zonder twijfel te danken aan de internationale samenwerking bij de bestrijding, ge-
ëntameerd dankzij de resultaten van uitstekend mond- en klauwzeeronderzoek in de
verschillende landen, ook Nederland.

Spreker gaat nader op deze internationale samenwerking in en bespreekt de belang-
rijke rol die het mond- en klauwzeerinstituut te Pirbright in Engeland onder directie
van Dr. Galloway hierbij speelt.

Door een schat aan betrouwbare gegevens was men in staat na te gaan, hoe de twee
typen S..A.T. I en .\'Vsia steeds meer het Europese continent naderden. Spreker geeft
hiervan aan de hand van kaarten, een overzicht.

In gezamenlijk overleg tussen vele landen van de Europese Mond- en Klauwzeer-
commissie en het Office International des Epizootics, werd een programma voor be-
strijding van de geïnfecteerde of bedreigde landen opgesteld en steun bij de uitvoering
gegeven en er werden maatregelen beraamd om de verspreiding over West-Europa
tegen te gaan.

De maatregelen hebben tot nu toe volledig succes, geen enkel geval van exotisch
mond- cn klauwzeer heeft zich in West-Europa gemanifesteerd.

Van F.A.O.-zijde wil men komen tot de instelling van een emcrgcncy-fund, cen nood-
fonds voor dierziekten, teneinde in noodgevallen sneller en efficiënter hulp te kunnen
bieden.

De beslissing hierover valt binnenkort. Spreker heeft de regering geadviseerd een
positief standpunt in te nemen, omdat duidelijk is dat verlies van kostbare tijd en
grote schade door deze „fire brigade action" kan worden voorkomen.

SUMMARY.

The title refers to m.-asures designed to keep types of foot-and-mouth disease, which
are not endcmic and are therefore termed "exotic", out of Western Europe. It is
shown that Western Europe is being directly menaced by :wo types, the Asian type
and the South African Type (S..\'\\..T. I).

As the control of foot-and-mouth disease in Western Europe is based on so-called
indigenous types of this disease, an invasion by exotic types would be an economic
catastrophe. That this has not happened is undoubtedly due to international co-opera-
tion in controlling the disease, which co-opcration was initiated thanks to the results
of excellent foot-and-mouth disease research in various conutries including The
Netherlands.

This international co-operation is discussed in greater detail and the important role
played by the Foot-and-Mouth Disease Research Stadon of Pirbright, England,
under the direction of Dr. Galloway, is referred to.

A wealth of reliable data made it possible to trace the manner in which the two
types, S.A.T. I and Asia, were drawing ever nearer to the Continent of Europe. This
approach is surveyed on the basis of maps.

A scheme of control in infected or threatened countries was planned and assistance
in putting this scheme into operadon was given by mutual agreement of several
countries, the European Commission on Foot-and-Mouth Disease and the Office

-ocr page 1192-

International des Epizooties, measures being devised to prevent the spread of the
disease over Western Europe.

These measures have been completely successful so far, not a single case of exotic
foot-and-mouth disease having occurred in Western Europe.

It has been suggested by the F.A.O. to establish an emergency fund for diseases of
animals to ensure more rapid and effective aid in emergencies.

A decision in the matter will be taken in the near future. The speaker advised the
government to adopt a positive attitude as it is obvious that the loss of precious time
and serious damage may be prevented by this „fire-brigade action".

RÉSUMÉ.

Par cc titre on entend la défense de l\'Europe Occidentale contre les types de fièvre
aphteuse qui ne sont pas endémiques ici et qui par conséquent sont nommés „exoti-
ques". Le conférencier démontre que l\'Europe Occidentale est menacée directement
par deux types, le type Asia et le type de l\'Afrique du Sud (S.A.T.I.).
Comme la lutte contre la fièvre aphteuse dans l\'Europe Occidentale se dirige contre
les types endémiques de fièvre aphteuse, la pénétration de types exotiques serait une
catastrophe économique. Selon l\'avis du conférencier c\'est sans doute grâce à la
collaboration internationale dans la lutte contre la fièvre aphteuse, entamée grâce aux
résultats d\'excellentes recherches concernant la fièvre aphteuse en différents pays,
parmi lesquels les Pays Bas, que cette pénétration a pu être évitée.
Ensuite le conférencier relève plus en détail cette collaboration internationale et com-
mente le rôle important que joue dans ce domaine l\'Institut de Fièvre Aphteuse à
Pirbright en Angleterre sous la direction du Dr. Galloway.

Grâce à une abondance de données solides on était à même de contrôler comment
les deux types S.A.T.I. ct Asia s\'approchaient de plus en plus du Continent Euro-
péen. Le conférencier en présente une vue d\'ensemble à l\'aide de cartes géographiques.
Dans une délibération commune entre plusieurs pays du Comité Européen de Fièvre
Aphteuse et de l\'Office International des Epizooties, un programme pour la défense
des pays contaminés ou menacés fut établi, on donna de l\'assistance à l\'exécution
et on projeta des mesures afin d\'empêcher la dispersion sur l\'Europe Occidentale.
Ces mesures ont jusqu\'ici un plein succès, aucun cas de fièvre aphteuse exotique ne
s\'est manifesté en Europe Occidentale.

Du côté de la F.A.O. on veut en arriver à l\'institution d\'un „cmergency-fund", d\'un
fonds de secours pour les maladies animales, afin de pouvoir, dans les cas d\'urgence,
porter aide d\'une façon plus rapide et plus efficiente.

La décision sur l\'institution d\'un tcl fonds sera prise sous peu. Le conférencier a
avisé le gouvernement dc prendre une attitude positive, parce qu\'il est évident qu\'une
perte de temps précieux et de grands dégâts pourront être prévenus par cette action
de „fire-brigade",

ZUS.AMMENFASSUNG.

Mit diesem Ausdruck ist die Abwehr von Typen der Maul- und Klauenseuche aus
Westeuropa gemeint, die hier nicht einheimisch sind und daher „exotisch" genannt
werden, Sprecher wies nach, dass Westeuropa durch zwei Typen und zwar dem .\\sia-
typ nud dem South African-typ (S.A.T. I) direkt bedroht wird.

Da die Bekämpfung der Maul- und Klauenseuche in Westeuropa auf die sogen, ein-
heimischen Typen dieser Scuche eingestellt ist, würde das Eindringen exotischer
Typen ein wirtschaftliche Katastrophe bedeuten. Dass dies verhindert wurde, ist
nach .Ansicht des Redners zweifellos der internationalen Zusammenarbeit bei der
Bekämpfung zuzuschreiben, angefangen mit den ausgezeichneten Resultaten der
Maul- und Klauenscuchcuntersuchungen in den verschiedenen Ländern, worunter
auch die Niederlande.

Sprecher geht näher auf diese internationale Zusammenarbeit ein und bespricht die
bedeutsame Rolle, die das Institut für Maul- und Klauenseuche in Pirbright (Eng-
land) unter Leitung von Dr. Galloway spielt.

-ocr page 1193-

Durch eine Fülle zuverlässiger Daten war es möglich nachzugehen, auf welchem Wege
sich die beiden Typen S.A.T. I und Asia stets mehr dem europäischen Kontinent
näherten. Hiervon gab Sprecher an Hand von Karten eine Übersicht.
In gemeinsamer Überlegung zwischen vielen Ländern der europäischen Kommission
für Maul- und Klauenseuche und dem Office International des Epizootics wurde ein
Bekämpfungsprogramm für die verseuchten oder bedrohten Ländern aufgestellt, Hilfe
bei der Ausführung gegeben und Massregien entworfen, um der Verbreitung in West-
europa ein Halt zu gebieten.

Die angewandten Massregeln haben sich bisher als erfolgreich erwiesen, kein einziger
Fall exodscher Maul- und Klauenseuche hat sich bis jetzt in Westeuropa vorgetan.
Von
Seiten der F,A,0, will man ein Emergency-funds, ein Hilfsfonds für Tierkrank-
heiten einstellen, um in Notfällen schneller und durchgreifender helfen zu können.
Die Entscheidung hierüber fällt in Kürze. Sprecher appellierte an die Regierung einen
positiven Standpunkt einzunehmen, da deudich ist, dass kostbarer Zeitverlust und
grosser Schaden durch diese „firc brigade action" vermieden werden kann.

DISCUSSIE naar aanleiding van dc voordracht van de heer Van den Born over
de wering van exotisch mond- en klauwzeer.

Opmerking: de heer J. J. Ooms, Tilburg.

Collega Van den Born, ik geloof dat ik nog even op iets mo\'-t wijzen, waarvan U de
aanwezigheid wel weet. Ik bedoel het potentiële gevaar dat er dreigt van de gemeen-
telijke reinigingsstortplaatsen. Ik denk nu b.v. aan Tilburg, waar het vuil van 140/
150.000 mensen wordt verzameld op cen stortplaats van de Gemeente Reiniging.
Maar niet alleen het huisvuil, ook het industriële vuil wordt daar verzameld zoals
van de wolindustrie, leerlooierijen enz..

•Als ik dan weet dat op zo\'n stortplaats 600 varkens worden gemest en dat de stort-
plaats als regel in de periferie van de gemeente ligt, in dit ge .-al dus ook tussen weiden
waar runderen lopen, is cr toch wel een potenueel gevaar aanwezig dat niet alleen
exotisch mond- en klauwzeervirus maar ook het Afrikaanse varkenspestvirus door
voedselresten, gedeponeerd in vuilnisemmers, via deze stortplaats in Nederland wordt
geïntroduceerd. Ik weet wel dat cr op grond van de Veewet weinig of niets aan te
doen is, maar toch meen ik dat daar wel even de aandacht op mag worden gevestigd.
Ik dank U wel.

Antwoord van de heer Van den Born:

We weten dat die stortplaatsen van dc Reiniging cen belangrijk gevaar betekenen,
inderdaad niet alleen zoals U stelt vcKir mond- en klauwzeer en varkenspest, maar
ook voor andere ziekten.

Wij gaan er ook wat aan doen, alleen wachten we een gunstige gelegenheid af bij een
wijziging van de Veewet, omdat de huidige Veewet daartoe geen gelegenheid geeft.

Vraag: de heer J. J. v a n D ij k. Oudewater.

Ik wilde vragen of het exotisch mond- en klauwzeer ook voorkomt bij varkens, want
dit heeft de heer Van den Born niet genoemd.

Antwoord van de heer Van den Born:

Het exodsch mond- en klauwzeer komt ook voor bij varkens, maar aangezien dit
mond- en klauwzeer zich voornamelijk gemanifesteerd heeft in Arabische landen, zal
het collega \\\'an Dijk duidelijk zijn, dat het aantal varkens daar niet al te groot is.

-ocr page 1194-

Opening van de middagbijeenkomst.

De discussieleider:

De voorlichtingsdag wordl vveer geopend.

Alvorens over te gaan tot de lijst van de sprekers, zou ik graag de Direc-
teur van de Veeartsenijkundige Dienst nog even het woord willen geven.

De heer Van den Bom:

Zeer bedankt voorzitter.

Dames en Heren, vanmorgen heb ik U medegedeeld, dat we vanmiddag
de Directeur-Generaal van de Volksgezondheid, Prof. Muntendam,
en de Geneeskundig-Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, Dr. D ij k-
h u i s, konden verwachten.

En ik stel het bijzonder op prijs — in strijd met het voorgenomen pro-
gramma — toch even nog hier er tussen te komen om U, Prof. Munten-
dam, hartelijk welkom te heten. Mag ik nogmaals geaiigen van onze grote
waardering als veterinairen, voor de wijze waarop U Uw veelzijdige taak
uitoefent cn daarbij het veterinaire element steeds volledig tot zijn recht
laat komen.

Dank, dat U hier vanmiddag bent.

Collega Dijkhuis, wij hebben heel veel samen te doen en bij U is daarom
de gedachte rijp geworden, dat in de toekomst samen te doen, zelfs in één
etablissement. Dit is een demonstratie hoe nauw U de band ziet — en dat
hebt U ook herhaaldelijk bevestigd — die er is tussen dc veterinaire activi-
teiten en de gcnecskimdige activiteiten. Dat laatste had ik eerst moeten
stellen. Vooral met het oog op het onderwerp, dat vanmiddag aan de orde
is en dat in het verleden zoveel zorg heeft gegeven. Maar dat tegelijkertijd
heeft bewezen, dat dic samenwerking — dic er moet zijn dat die er is,
dat die er is geweest en ook blijven zal. Ik stel het bijzonder op prijs, dat
U vanmiddag ook hier aanwezig bent. En wij stellen het ook bijzonder op
prijs, dat één van Uw medewerkers, Dr. B e k k e r, vanmiddag als één van
de leden van het rabiestcam als inleider zal optreden.
Hier wou ik het graag bij laten.
Dank voor Uw aanwezigheid.

-ocr page 1195-

Veterinaire aspecten van de
rabiesuitbraak
1962.

I\'eterniary aspects of the rabies outbreak
1962.

door

A. VAN KEULEN»)

Mijnheer de discussieleider, dames en heren.

De rabiesuitbraak 1962 in Nederland zal ongetwijfled in de annalen van de
zeer uitgebreide rabiesgeschiedenis in de wereld te boek staan als een van
bijzonder karakter.

Vóórdat van dieren bekend was dat rabies voorkwam, traden reeds sterf-
gevallen bij de mens op, terwijl het aantal menselijke slachtoffers (n.1. vier)
ten opzichte van het aantal bekend geworden gevallen bij de dieren on-
evenredig hoog was (n.1. .5 honden, 2 katten, 1 geit en vermoedelijk verder
1 hond en 3 .schapen, totaal slechts 12).

Verder was tevens exceptioneel dat het overgrote deel der slachtoffers bij
mens en dier in één grote stedelijke conglomeratie voorkwam.
Gewoonlijk is het zó, dat de ziekte bij dieren reeds uitgebreid en gedurende
langere tijd om zich heen heeft gegrepen, alvorens gevallen bij de mens op-
treden.

Een aanknopingspunt van verdachte rabiesdieren toen het drie-jarig jon-
getje op 8 septem.ber 1962 overleed, was cr dus niet. Alleen aan de grote
oplettendheid van dc behandelende huisarts is het te danken, dat nader
onderzoek op rabies geschiedde, hetgeen in dit geval — en dat zal men nu
net zien als snel cen diagnose gewenst is met gebruik van de directe me-
thoden van microscopisch\'histologisch onderzoek géén resultaat opleverde.
De bekende, echter tijd vergende, muizenproef gepaard aan de serum-
neutralisatieproef cn de C.B.R. bevestigden dat het vermoeden van de huis-
arts juist was. Op 8 oktober kon het Rijksinstittmt voor de Volksgezondheid
de diagnose informeel, op 1 7 oktober formeel bevestigen.
Eveneens op 17 oktober was aan de Veterinaire Inspecteur een sterk ver-
dacht geval van rabies door collega Gajentaan te Amsterdam bij een
kat gemeld. Op 19 oktober stierf dit dier, op 24 oktober meldde het Cen-
traal Diergeneesktmdig Institiuit dat het toegepaste microscopisch/histolo-
gisch onderzoek van deze kat positief was.

Bekend was geworden, dat een wit hondje het bewuste jongetje op 27 juli
had gebeten, terwijl datzelfde witte hondje het tweede slachtoffer — een
16-jarige jongen die op 20 oktober stierf te Amsterdam — misschien ook had
verwond.

-ocr page 1196-

Echter, deze uitbraak heeft ons wel geleerd dat een hondebeet niets bij-
zonders is, daar dagelijks tientallen mensen door honden, alleen al in Am-
sterdam, worden gebeten. Temeer respect voor de huisarts, die de door hem
waargenomen symptomen combineerde tot zijn vermoeden rabies.
De gangen van het beruchte witte hondje zijn \\ooral door het onvermoeide
speuren van Dr. N o o r d a m, hoofd afdeling Gezondheid en Epidemiologie
van de G.G. en G.D. te Amsterdam, ten dele bekend geworden.
Op 27 juli zwierf het \'s morgens door centraal Amsterdam. Het beet het
derde slachtoffer, een 60-jarige loodgieter, die op 13 november overleed. Van
\'s middags en \'s nachts is weinig exacts bekend over de gangen van dit
dier. \'s Avonds zou het verscheidene kinderen hebben gebeten. Op 28 juli
\'s morgens duikt het dier weer op en wordt opgepakt door de politie. Op
de avond van die dag wordt het dier vergast in een asyl en zonder nader
onderzoek vernietigd.
Niemand dacht immers aan rabies.

Bekend is geworden dat dit hondje op 27 en 28 juli minstens 20 mensen
en twee honden beet en \\ erder contact had met een hond. Hoé dit witte
hondje besmet is geworden met rabies is geheel onbekend, daar de herkomst
er\\\'an in het duister is gebleven.

Naast de ruim twintig mensen en enkele honden, moet dit agressieve rabide
dier nog meer mensen en dieren hebben gebeten. Het laatste menselijke
slachtoffer b.v., een vrouw, werd zeer waarschijnlijk door dit diertje even-
eens gebeten, \'s morgens vroe.g op 27 juli in het centrum van de stad.
Deze beet was
niet gemeld. Zij stierf na een incubatietijd van bijna 10
maanden.

De gangen van cen tweede rabide hond konden iets nauwkeuriger worden
gevolgd, alhoewel het dier ook zeker 4 uur lang „onder water" was. Dc
eigenaar van deze herdershond was namelijk
wèl bekend. Op 17 jimi, dus
6 weken \\óór dc zwerftocht van het witte rabide hondje, werd dit dier
gebeten door een onbekend gebleven Herder en behandeld door een dieren-
arts. Op 1 en 2 oktober werd het dier agressief. Het beet zijn baas, vocht
op straat met andere honden en begon op 2 oktober een zwerftocht, waarbij
enkele mensen en ccn gehele reeks dieren in Amsterdam, maar vooral in de
gemeente Nieuwer-Ainstel, werden gebeten.

Van deze reeks gebeten dieren stier\\-en 1 geit, 1 kat en 2 honden, terwijl
waarschijnlijk drie van tien gebeten .schapen ook aan rabies zijn overleden,
alle met een incubatietijd van 2-4 weken.

Op 17 oktober werd dan de op 2 oktober gebeten kat aangemeld als ver-
dacht van rabies. Van de geit en de 2 honden kon ook de diagnose door
laboratoriumonderzoek worden bevestigd, echter alleen door de muizen-
proef.

De bewuste Herder was in de middag van 2 oktober door de politie opge-
vangen en meegenomen in de auto, zonder dat er iets gebeurde. In het asyl
stierf het dier op 4 oktober. Het had enige woede-aanvallen, maar meer
typische rabiessymptomeii deden zich blijkbaar niet voor en niemand wist
nog van een rabiesuitbraak.

Op 12 oktober, toen het onderzoek van het materiaal van het 3-jarig jonge-
tje zeer sterk op rabies wees, werd reeds de eerste voorlichting te .Amsterdam
aan artsen en dierenartsen gegeven.

-ocr page 1197-

Na 17 oktober, toen rabies officieel werd bevestigd, werden alle artsen en
dierenartsen via een gezamenlijk rondschrijven van de Geneeskundige
Hoofdinspecteur en de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, uit-
voerig geïnformeerd.

In de wetenschappelijke tijdschriften \\erschenen snel enkele goede artikelen
over rabies. Het publiek echter werd door het dreigenJe, onbekende en dode-
lijke gevaar in meer of mindere mate verontrust, hetgeen mede veroorzaakt
werd door alarmerende berichtgevingen in de pers.

Het derde menselijke slachtoffer stierf op 20 november, terwijl rabiesgevallen
bij een hond in de Alblasserwaard en een kat in Hoofddorp midden novem-
ber bovendien de indruk wekten, dat de ziekte zich over ons land had ver-
spreid, alhoewel géén contact met de gevallen te Amsterdam/Nieuwer-
Amstel kon worden vastgesteld.

De rabide kat te Hoofddorp bleek \\ ia een bemanningslid van een schip ge-
ïmporteerd te zijn uit Nigeria, een land waar rabies inheems is.
Was het onbekende witte hondje of mis.schien wel de ailereerste aangetaste,
onbekend gebleven Herder, die
o]d 17 juni de Herder van 2 oktober beet,
óók aldus ons land binnengekomen uit een land van overzee of was een
dezer dieren (of beide) van West-Duitse origine???

Rabies heerst immers, zoals bekend, in West-Duitsland in uitgebreide mate,
vooral onder het wild, maar óók bij hond en kat.

De kla.ssieke veterinaire politiemaatregelen traden na 17 oktober vanzelf-
sprekend krachtens de Veewet onmiddellijk in het be.3mette gebied in wer-
king. Doel was lokalisatie \\an dc besmetting en vennindering van het be-
smettingsgevaar in de ziektehaard Amsterdam/Nieuwer-Amstel.
Muilkorf- cn aanlijngbod, vervoersverbod van honden en katten uit de be-
smettingshaarden en vernietiging van verwilderde katten en honden zijn van
de veterinaire politicmaatregelen wel de voornaamste. Ondanks verscherpte
controle verdwenen echter vele honden en katten uit .Amsterdam, zodat de
vrees bestond dat verspreiding der ziekte mogelijk was en dat de veelal aan
hun lot overgelaten honden en katten, indien cen geval van rabies eronder
zou o[)trcden, de in het wild levende, moeilijk grijpbaie carnivoren zouden
kunnen infecteren.

Het aanlijngebod werd dan ook uitgebreid tot het gehele land en het vernie-
tigen van loslopende honden en verwilderde katten via politie en jagers
zoveel mogelijk bevorderd.

Naast de v eterinaire politiemaatregelen werd van de beginne af, voorlopig
vrijwillig en vooral in dc besmettingshaard, op preventieve vaccinatie van
honden en katten aangedrongen.

Op 21 november werd, vooral in verband met het potentieel besmet zijn
van het gehele land, door de Minister van Landbouw en Visserij — in over-
leg met de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid — besloten tot
een indirect verplichte vaccinatie van de hondenpopulatie van ons land,
terwijl de enting van zoveel mogelijk katten zou worden bevorderd. Een
aanzienlijke subsidie van de Overheid maakte het mogelijk, dat geen enkele
Nederlander om financiële redenen niet kon overgaan zijn dier of dieren
te doen enten.

Dit besluit steunde op de ervaring in de wereld, sinds verscheidene jaren
opgedaan dat, ingeval het gelukt een hondenpopulatie voor meer dan 70%
te vaccineren,
de rabies dood loopt in de hond èn in de kat. Aldus worden

-ocr page 1198-

de voornaamste besmettingsbronnen van de mens geëlimineerd, terwijl -
indien tevens een regelmatige \\ ernietiging van \\ er\\vildcrde honden en katten
wordt toegepast — de kans van besmetting van het ongrijpbare wild zeer
aanzienlijk wordt verminderd.

In drie fasen zijn aldus ± 500.000 honden en dz 165.000 katen in een sys-
tematisch opgezette entcampagne gevaccineerd. Vanzelfsprekend ging de
besmettingshaard Amsterdam/Nieuwer-Amstel vóór. Voor Kerstmis was
daar deze operatie beëindigd.

Het muilkorfgebod en het uitvoerverbod werden daarna in het besmette
gebied opgeheven. Naast de genoemde getallen gevaccineerde dieren tijdens
de entcampagne, waren tienduizenden honden en katten reeds vrijwillig
geënt.

Uit gegevens van de hondenbelasting, die praktisch in alle gemeenten wordt
geheven, kan — óók bij incalculatie van een zeker percentage „onderge-
doken" dieren — geschat worden, dat minstens 80% van de Nederlandse
hondenpopulatie werd gevaccineerd. Epidemiologisch gezien een zeer be-
vredigend resultaat.

Het is een behoefte hier dank te brengen allereerst aan de districts-inspec-
teurs van de Veeartsenijkundige Dienst en Volksgezondheid, die de zorg
voor de organisatie en de vlotte uitvoering dezer massa-entingen in handen
hadden en aan de Nederlandse dierenartsen, die zich ondanks hun drukke
seizoenarbeid, voortreffelijk van hun taak hebben gekweten. Zonder de
grote medewerking van de honderdduizenden honden- en katteneigenaren,
en de
spontane hulp \\an onder meer dc leden van het Rode Kruis, van
de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, van de Unie van
Vrouwelijke Vrijv/illigcrs, van vele kynologen\\erenigingen, van de vele ge-
meentebesturen en gemeente-ambtenaren en van vele particulieren, die er
tezamen voor zorgden dat in de geformeerde entunits een vlot verlopende
vaccinatie aan de lopende band mogelijk was, was het niet bereikbaar ge-
weest in zó korte tijd bijna ons gehele hondebestand, benevens vele tien-
duizenden katten, te vaccineren. Half februari waren tot in alle uithoeken
van ons land alle aangemelde honden en katten behandeld.

Vanzelfsprekend zijn er bij deze massa-vaccinatie een beperkt aantal ent-
reacties van meer ernstige aard opgetreden. Men bedenke dat praktisch
voor de voet werd geënt; selectie door de entende dierenarts — anders dan
in geval hij een dier wegens ziekte behandelde — was nauwelijks mogelijk.
Zeker 14, en waarschijnlijk totaal nog geen 20 honden, sticr\\-cn na de vacci-
natie aan aansluitende voortschrijdende verlammingen of (en) meer of
minder duidelijke zenuwverschijnselen of moesten daarom worden afge-
maakt. Een vijftigtal stierf omdat de enting wegens -,hock, wegens hoge
ouderdom, chronische hart- en nieraandoeningen of aansluitend optredende
ziekte van (jarré, niet werd verdragen. Dit alles op ± 550.000 vaccinaties,
d.w.z. 1 op ± 30.000 als men de laatste groep, veelal gecontraindiceerden,
niet meerekent. In Amerika, waar men jaarlijks ± 10 miljoen honden tegen
rabies vaccineert, kent men dezelfde orde van grootte van sterfgevallen aan-
sluitend aan vaccinatie, die hier zijn opgetreden.

Dezelfde oide van grootte van sterfgevallen werd bij de enting van katten
vastgesteld. Bij de massa-enting was voor de hond het Flury-vaccin L.E.P.
voorgeschreven conform de aanbevelingen van de W,H,0,, zulks in ver-
band met de lange duur van de immuniteit.

-ocr page 1199-

Voor de kat is dit vaccin niet gesciiikt, zodat het zenuwweefselvaccin hier
werd geprefereerd, alhoewel de immuniteit zeer belangrijk korter is. Waar
ondanks de voorschriften L.E.P. bij de kat werd gebruikt, traden enige
sterfgevallen op. Toen de entcampagne was beëindigd, en ongeveer een
half jaar was verlopen na het laatste bekende gex al bij dieren, kon het aan-
lijngebod worden opgeheven.

Het entingspercentage \\an dc honden wordt thans door enting van de
jonge honden op peil gehouden.

Het ziet er naar uit, dat tengevolge \\an dc combinatie \\-an toepassing van
veterinaire politiemaatregelen cn dc snelle vaccinatie van de hondenpopu-
latie, ons land vrij van rabies is geworden.

Echter, landgrenzen hebben onvermijdelijk altijd grote mazen en voor in het
wild levende dieren bestaan ze helemaal niet. Zeegrenzen blijken eveneens
niet waterdicht.

Men denke aan het geval \\an import-rabies te Hoofddorp, dat gelukkig
solitair bleef, daar deze kat praktisch geen andere contacten had dan met
een tweede kat in het gezin en met de gezinsleden. En hoe en vanwaar kwam
de eerste rabide hond in .Amsterdam ons land binnen, met alle fatale ge-
volgen van dien???

Een bezoek aan Engeland heeft \\ erder duidelijk gemaakt, dat slechts de
andere mentaliteit van het publick aldaar, naast cle altijd gunstiger kans
\\an douane-instanties bij cle controle \\an zeegrenzen, er oorzaak \\an zijn
dat Engeland tot nu toe rabies slechts importeerde in de periode waarin het
dier nog in quarantaine was cn dus geen \\erdcr kwaad kon doen. Zoals
bekend, wordt geen quarantaine bij import in ons land toegepast, maar
wordt een vaccinatie verlangd.

lAichtgrenzen - dc import \\ an zeer \\ eel honden en l.atten geschiedt via. de
vlieg\\elden - zijn het meest effectief afsluitbaar.

Onderzoek van gedode vossen, geselecteerd naar anamnese van het gedrag
van deze dieren, doet de \\ Inger aan de pols houden ten aanzien \\ an insleep
\\ an deze ziekte onder de m het wild lev\'cnde dieren, echter men bedenke
wel: men loopt hier altijd achter de feiten aan.

Tot nu toe is bij deze Screening geen verdacht of positief geval aangetroffen.

Ten aanzien \\an de laboratoriumdiagnosc, één der moeilijkste problemen,
heeft rnen waarde\\olle er\\aring kimnen o[3docn. De recente fluorescerende
antilichamentechniel: werd ingevoerd, waaidoor de directe diagnose niet
alleen vlugger maar ook met grotere betrouwbaarheid kan worden gesteld.
Bij de bestrijding van rabies bij de mens kan en
moet de dierenarts, naast het
nastreven van de uitroeiing \\ an rabies onder de dieren en
dus onder de men-
sen, tijdens het optreden ervan belangrijke diensten bewijzen aan de me-
dicus.

De snelle laboratorium-diagnose bij het verdachte dier is hiervan, zulks ter
beoordeling van het instellen of voortzetten van de vaccinatie-therapie bij
de mens, een zeer belangrijk facet. De inzending van kadavers van verdachte
dieren
dient alléén via de Veterinaire Inspecteur te geschieden, opdat niet
alleen snelle en veilige \\ erzending maar ook juiste informatie over het ver-
dachte dier is gewaarborgd.

Is het verdachte dier nog in leven, dan wordt het onder toezicht van de
Veterinaire Inspecteur in quarantaine gebracht. Vele honderden honden
en katten, die mensen \\erwondden, werden in Amsterdam in een gedeelte

-ocr page 1200-

van een der grootste dierenasyls gedurende 10 dagen aldus gesepareerd op-
gesloten.

Het \\ lot functioneren \\ an een schema van berichtgeving informeerde direct
de nodige medische en veterinaire instanties, indien zich verdachte gevallen
of een positief geval voordeden.

Teneinde de hier wel bijzonder noodzakelijke samenwerking tussen Genees-
kundige Inspectie en Veeartsenijkundige Dienst en de betrokken laboratoria
te waarborgen en de informatie over- en de bestrijding van rabies bij mens
en dier te coördineren, werd een advies-college ingesteld door de Directeur
van de Veeartsenijkundige Dienst en Geneeskundige Hoofdinspecteur, be-
staande uit 2 veterinaire en I geneeskundige inspcctetu- van de Volksgezond-
heid. Buiten beschouwing gelaten de begrijpelijke, overigens korte, periode
van enige \\ erwarring in de aanvang, mede veroorzaakt door het zeer onge-
wone karakter van deze rabiesuitbraak, moet de nauv/e en zo noodzakelijke
samenwerking tijdens en na deze rabiesuitbraak met voldoening worden ge-
memoreerd.

Van de Veterinary\' Public Health Divison van de Wereld Gezondheids Or-
ganisatie kon uit de rijke ervaring, die men daar omtrent rabies bezit, bij
voortduring worden geput.

Resumerend moge ik de volgende aspecten \\an deze korte maar heftige
rabiesuitbraak memoreren:

1. De kennis van dc epidemiologie van deze uitbraak moest zeer onvol-
doende blijven. De wijze van import en met wèlk dier precies, is niet
achterhaald kunnen worden. Vele vraagpunten blc\\cn over, ondanks
intensief speuren.

2. Dc uitbraak zal in de geschiedenis van rabies als een bijzondere te boek
staan. Ze vertoonde verder
duidelijk hct karakter \\an het domesticatie-
type: dc gewone huisdieren hond en kat bleken geïnfecteerd.

3. Ér moest rekening mee worden gehouden, dat besmette dieren uit de
besmettingshaard over het gehele land konden zijn verspreid en mede
oorzaak zouden kunnen worden van besmetting \\an de in hct wild
levende, moeilijk grijpbare, dieren.

4. Er is grote ervaring opgedaan bij het stellen van de diagnose cn bij het
toepassen van niet alleen veterinaire politiemaatregelen, maar tevens met
het snel uit\\ oeren van ma.ssale entcampagnes van honden en katten.
Omtrent de noodzakelijke hiermede gepaard gaande, overigens in het
geheel bezien geringe nadelige gevolgen van een dergelijke massa-enting
van honden en katten, konden gegevens worden verzameld.

5. De destijds in hct rapport van dc Gezondheidsraad omtrent rabies vast-
gestelde richdijnen bleken, aan dc werkelijkheid .getoetst, zeer waarde-
vol. Speciaal de zo noodzakelijk geachte medisch-veterinaire samen-
werking functioneerde naar behoren.

6. De voorlichting aan het publiek en aan artsen en dierenartsen bleek bij-
zonder belangrijk, teneinde zoveel mogelijk onnodige onrust te voor-
komen.

7. De welhaast onvermijdelijke lekken in de wering van rabies aan onze
grenzen zijn en zullen, ondanks verscherpte controle,
blijven een poten-
tiële bedreiging voor het wederom onverhoopt importeren van rabies in
ons land.

-ocr page 1201-

Ik moge eindigen met het aanhalen van de begeleidende woorden van de
redactie van Medisch Contact bij de artikelen van Dr. N o o r d a m over
deze korte, felle rabiesuitbraak;

„Geschiedenis leert ons het verleden te eren en waakzaam te zijn voor de
toekomst".

Ik dank U voor Uw aandacht.
S.AMENVATTING.

Spreker behandelde uitvoering het verloop van de rabiesuitbraak 1962 in Neder-
land. Een uitbraak, die in de annalen van de zeer uitgebreide rabiesgeschiedenis in
de wereld, ongetwijfeld als van bijzonder karakter te boek zal staan.
In een systematisch opgezette entcampagne zijn ongeveer 500.000 honden en circa
165.000 katten gevaccineerd. Gevoegd bij de tienduizenden honden en katten die
reeds vrijwillig waren geënt, kan worden geschat dat méér dan 80 procent van de
Nederlandse hondenpopulatie werd gevaccineerd. Epidemiologisch gezien een zeer
bevredigend resultaat. Spreker dankt allen die aan de organisatie en de vlotte uit-
voering van deze massa-entingen hebben meegewerkt.

Het ziet ernaar uit, dat tengevolge van de combinatie van toi^passing van veterinaire
politiemaatregelen en de snelle vaccinatie van de hondenpopulatie, ons land vrij van
rabies is geworden.

Landsgrenzen hebben echter onvermijdelijk grote mazen en voor in het wild levende
dieren bestaan ze helemaal niet. Zccgrenzen blijken eveneens niet waterdicht. Grote
waakzaamheid blijft derhalve geboden.

Een zeer nauwe samenwerking tussen Geneeskundige Inspectie en Veeartsenijkundige
Dienst, alsmede de betrokken laboratoria, blijft noodzakelijk. Die noodzakelijke samen-
werking kon tijdens en na de rabiesuitbraak rnct voldoening worden geconstateerd.

SUMM.A.RY.

The outbreak of rabies in The Netherlands, which occurred in 1962, was discussed
in detail. An outbreak which will undoubtedly be on record as an unusual one in the
annals of th" very extensive history of rabies in the world.

About 500,000 dogs and approximately 165,000 cats were inoculated during a syste-
matic inoculation campaign. When this number is added to the tens of thousands
of dogs and cats which had already been voluntarily inoculated, the proportion of the
canine population of The Netherlands which was vaccinated may be estimated at
over eighty per cent. A highly satisfactory result from the point of view of epide-
miology. The speaker wishes to thank ail those who co-operated in the organization
and smooth exccuUon of these mass inoculations.

It would appear that The Netherlands have become free from rabies as a result of
the combined adoption of veterinary police measures and rapid inoculation of the
canine population. Land-frontiers undoubtedly have wide loopholes and to wild ani-
mals there are no frontiers at all. Nor are sea-frontiers watertight. Great watchfulness
therefore continues to be indicated.

Close co-operation between the Medical Inspectorate and .he Veterinary Service as
well as the laboratories concerncd will remain essential. This necessary co-operation
was observed with saticfaction during and following the outbreak of rabies.

RÉSUMÉ.

Le conférencier traita en détail Ic cours dc l\'éruption de la rage des chiens en 1962
aux Pays Bas. Une éruption qui, dans les annales de I\'histoire trés vaste dc la rage
dans le monde, sera certainement immortalisée comme étant d\'un earactère tout par-
ticulier.

Dans une campagne montée systématiquement environ 500.000 chiens et a peu prés

-ocr page 1202-

165.000 chats ont été vaccinés. Si on les ajoute aux dixaines de milliers de chiens
et de chats qui avaient été vaccinés volontairement, on peut évaluer le pourcentage
de la population canine néerlandaise vaccinée à plus de 80%. D\'un point de vue
épidémiologique un résultat très satisfaisant. Le conférencier remercie tous ceux qui
ont collaboré à l\'orgaisaùon et à l\'exécution rapide et sans accroc de ces vaccinations
massives.

Il semble que par suite de la combinaison de l\'application de mesures policières vété-
rinaires et de la vaccination rapide de la population canine, notre pays est devenu
libre de la rage.

Il est inévitable que les frontières ont de larges lacunes et pour les animaux vivant
à l\'état sauvage elles n\'existent pas du tout. Les frontières maritimes ne paraissent
pas non plus être imperméables. Une grande vigilance par conséquent est exigée.
Une collaboration très étroite entre l\'Inspection Médicale ct le Service Vétérinaire,
ainsi que les laboratoires engagés reste nécessaires.

Pendant et après l\'éruption de la rage cette collaboration nécessaire pouvait être con-
statée avec satisfaction.

ZUS.\\MMENF.A.SSUNG.

Sprecher behandelte ausführlich den Verlauf des Rabiesausbruchs in den Nieder-
landen im Jahre 1962. Ein .Ausbruch, der in den Annalen der sehr umfangreichen
Geschichte über Rabies in der Welt, ungezweifelt als ein Aufbruch von besonderem
Charakter beschrieben werden soll.

In einer systematisch eröffneten Impfkampagne sind ungefähr 500.000 Hunde und
165.000 Katzen vakziniert worden. Hinzukommen noch die Zehntausenden Hunde
und Katzen, die bereits freiwillig geimpft worden waren, sodass man schätzen kann,
dass mehr als 80% der in den Niederlanden vorhandenen Hunde vakziniert wur-
den. Epidemiologisch beschaut, ein sehr befriedigendes Resultat. Sprccher dankte
allen, die an der Organisation und der schnellen Ausführung dieser Massenimpfungen
mitgearbeitet haben.

Es sieht danach aus, dass zufolge der angewandten Kombination — Veterinäre Polizei-
massregeln und schnelle Vakzination der Hunde — unser Land rabiesfrei geworden
ist. Ländergrenzen haben unvermeidlich viel undichte Stellen, und wildlebende Tiere
kennen gar keine Grenze. Seegrenzen scheinen gleichfalls nicht wasserdicht zu sein.
Deshalb bleibt grosse Wachsamkeit geboten.

Eine sehr enge Zusairunenarbcit zwischen Sanitätsinspektion, Veterinärinspektion und
den beteiligten Laboratorien bleibt eine absolute Notwendigkeit, Diese notwendige
Zusammenarbeit konnte während und nach dem Rabiesausbruch mit Genugtuung
festgestellt werden.

-ocr page 1203-

Medische aspecten van de recente
rabiesuitbraak.

Medical aspects of the recent rabies outbreak.

door

B. V. BEKKER1)

Mijnheer de discussieleider. Dames en Heren.

Rabies is een van de oudst beleende ziekten. Er zijn al uit vele jaren vóór
Christus mededelingen o\\er labies bekend, bij dieren en later ook bij men-
sen. Ziekten, die een dergelijke lange historie hebben, krijgen vaak een ma-
gisch aspect. Wij keimen in de menselijke pathologie nog enkele van deze
ziekten, waar\\ an ik er twee wil noemen, de lepra en de pokken.

Ik wil U even een korte samen\\\'atting geven van wat wij gezien hebben aan
rabies in 1962 en daarna speciaal ingaan op het belangrijkste medische as-
pect: de problematiek, die samenhangt met de \\accinalie, die mogelijk is
ter bescherming tegen rabies.

Zoals U gehoord zult hebben, heeft er een wit hondje rondgezworven in
Amsterdam en op 27 juli heeft het een groot aantal mensen gebeten.
Begin seiJtember kregen we het eerste pati(.\'ntje, een driejarig kind, waarbij
de huisarts — na mededeling van de moeder — dacht aan de mogelijkheid
van rabies.

De diaginose rabies is \\aak lastig te stellen. Men is niet altijd in staat -
zeker niet met de methodieken, die op dat moment ter beschikking stonden
— de diagnose snel te kunnen stellen. Het kost tijd, ook in dit geval. Men
vond bij het hersenonderzoek geen Negri-lichaampjes en pas uit de muizen-
inoculatieproef en de daarop volgende complementbindings- en serum-
neutralisatietesten werd het duidelijk, dat dit een geval van rabies was. Hel
kind was overleden op 8 september, de diagnose kon pas omstreeks half
oktober met zekerheid worden gesteld.

In oktober hebben wij nog drie patiënten gehad. De tweede patiënt, op 20
oktober, woonde eveneens in Amsterdam. De diagnose kon vrijwel onmid-
dellijk worden gesteld omdat het Negri-preparaat duidelijk positief bleek
te zijn.

De derde patiënt was de enige patiënt die wij hebben gehad, die niet in
Amsterdam woonde, maar woonachtig was in Zaandam. Hier waren moei-
lijkheden bij de diagnose-stelling. Het klinisch beeld wees niet zo erg op
rabies, terwijl het directe preparaat sterke aanwijzingen gaf, dat wij hier met
een geval van rabies hadden te maken. De verdere laboratorium-uitslagen,

1  B. V. Bekker, Inspecteur i.a.d. van de Geneeskundige Inspectie van de Volks-
gezondheid.

-ocr page 1204-

evenals de entingsproe\\en, gaven echter ook na verschillende herhalingen
geen positieve uitslag.

Ik geloof dat vrij nu wel kunnen zeggen dat de patiënt uit Zaandam niet
aan rabies heeft geleden.

De vierde patiënt woonde ook in Amsterdam. De diagnose kon snel worden
gesteld. Als bijzonderheid kan hierbij nog worden vermeld, dat uit het speek-
sel van deze patiënt — vóór het overlijden — ook het rabiesvirus is ge-
isoleerd.

Zoals collega Van Keulen U reeds heeft medegedeeld, hebben wij in mei
de vijfde en laatste patiënt gehad. Dit was een vrouv/, bij wie de diagnose
rabies ook zeker is komen vast te staan.

Het merkwaardige van deze vier vaststaande rabiespatiënten is wel, dat drie
claar\\-an met zeer giote zekerheid terug te voeren zijn o]5 het bekende witte
hondje. Bij de vierde patiënt is dit niet duidelijk, maar wel is bekend dat
deze — dat vvas de zestienjarige jongen — woonde in het gebied waar het
witte hondje de laatste uren van de 27e juli heeft doorgebracht.
Wij hebben dus met menselijke gevallen te maken gehad, die alle met een
vrij grote zekerheid terug te voeren waren op dit ene kleine witte hondje.
Van de andere dieren, die nog geïnfecteerd zijn geweest, is geen enkel
menselijk geval bekend geworden.

De publiciteit houdt natumlijk geen enkel verband met het aantal gevallen,
dat men bij een dergelijke ziekte ziet.

Als U dit vergelijkt met alle mogelijke andere elementen en factoren, die
een rol spelen in de levensduur van een mens, dan kan men natuurlijk niet
zeggen, dat aan deze vier sterfgevallen tengevolge van deze zeer zeldzame
ziekte nu zo\'n bijzonder grote aandacht zou moeten worden besteed.
Het magische aspect van een dergelijke ziekte brengt mee, dat deze aan-
dacht er toch aan wordt besteed, dat er in de pers een ontzaglijke nadruk
op wordt gelegd. Het is vooqjaginanicuws en dit houdt ook voor ons — in
onze functie — zonder meer in, dat een dergelijke ziekte toch met alle
kracht dient te worden bestreden.

Het in de praktijk belangrijkste aspect van de medische problematiek ligt
in de profylactische sector.

Bij de mens heeft de manifeste infectie zonder uitzondering de dood ten-
gevolge, die in de meerderheid der gevallen enkele dagen tot een week na
het begin der verschijnselen optreedt.

De lange incubatietijd -- meestal 1 tot 2 maanden, terwijl ook gevallen
beschreven zijn met incubatietijden tot een jaar - - maakt het mogelijk na
expositie door vaccinatie het aanslaan der infectie te voorkomen. Vacci-
natie kan in het algemeen in de menselijke pathologie slechts vóór expositie
resultaat opleveren, daar de door vaccinatie opgewekte immuniteit enkele
weken nodig heeft om ten volle een beschermende werking te kunnen ont-
plooien. Voor de meeste infectieziekten is de incubatietijd zo kort, dat de
beschermende werking van de vaccinatie gelijktijdig met en zeker na expo-
sitie te laat komt.

De vaccinatie tegen rabies is ontwikkeld in de kinderjaren der bacteriologie,
omstreeks de tachtiger jaren.

Slechts de pokkenvaccinatie kan op hogere ouderdom bogen (Jenner in
de 18e eeuw). Merkwaardig is dat deze beide oudste vaccinatie-procedures

-ocr page 1205-

. \' \'ff

Foto I: Positief Paarman preparaat met vacuolaire granulatie van
de Negri-bodies.

Foto 2: Rabide kat, een toegestoken ijzeren staaf attaquerend.

Foto\'s, behorende bij het artikel van A.A. Velthoen over laboratoriumonderzoek,

pag. 1978.

# *

0

»

-ocr page 1206- -ocr page 1207-

Foto 3: Rabies street virus in fluorescentie.

Foto 4: Verlamde, rabide cavia met automutilatie van de infectie-
plaats.

Foto\'s, behorende bij het artikel van A. A. Velthoen over laboratoriumonderzoek,

pag. 1978.

-ocr page 1208- -ocr page 1209-

nog steeds grotere risico\'s met /Ach meebrengen dan de later ontwikkelde
immunisaties.

Pokkenvaccinatie brengt bij primovaccinatic nog steeds een mortaliteits-
risico met zich mee, die bij \\\'olwassenen kan worden geschat op 1 sterfgeval
op ± 20.000 vaccinaties. Voor rabiesvaccinatic worden de risico\'s verschil-
lend opgegeven. Uit hoeft geen verbazing te wekken, daar vele factoren op
het ontstaan van complicaties invloed kimnen uitoefenen. Genoemd kunnen
hier worden: de aard van het gebruikte \\ accin - - in het bijzonder het ge-
halte aan zenuwweefsel — de dosering en de opsporingsactiviteit.
In Nederland wordt gebruikt het vaccin \\ olgcns H ü g y e s-P h i 1 i p s.
Voor Nederland zelf zijn uiteiaard door het geringe aantal vaccinaties geen
l isico-cijfers beschikbaar.

Uit internationale statistieken komt rnen tot cen schatting van 1 geval van
neuroparalyse op 3.000 tot 10.000 vaccinaties.

Het belangrijkste \\raagsluk voor dc medici is dus hoe de risico\'s te schatten.
Aan de ene zijde de kans dat iemand, die met rabiesvirus in contact is ge-
komen cen manifeste infectie krijgt - waarvan men weet dat deze voor
100% dodelijk is - aan de andere zijde een vaccin, dat in een niet on-
aanzienlijk aantal gevallen complicaties kan geven, len dele van blijvende
aard en in enkele ge\\ allen met dodelijke ge\\ olgen.

Dc omstandigheid dat Nederland in de laatste 40 jaar geen rabies bij mens
of dier had meegemaakt, had tot consequentie dat slechts zeer weinig des-
kundigen met praktische ei-varing ter beschikking stonden. Door het gebrek
aan voldoende praktische er\\aring werd het nuttig geoordeeld in eerste in-
stantie te varen op het kompas der Wereld Gezondlieidsorganisatie.
Een Expert Committee heeft in 1960 een aantal richtlijnen opgesteld, welke
als basis werden genomen. In de praktijk zijn deze richtlijnen na een korte
aanloopperiode zeer bruikbaar gebleken.
De vaccinaties werden gecentraliseerd in Amsterdam.
In totaal werden 324 jiersoneu volledig en 224 personen gedeeltelijk getint.
Het totaal aantal injecties bedroeg ruim .\'3.600. Ernstige complicaties zijn
gelukkig niet voorgekomen.

Collega Van Keulen heeft zo even cen overzicht gege\\en van de maat-
regelen die van veterinaire zijde ter beteugeling van de epidemie werden
genomen. Ik wil hier nog graag aan toevoegen, hoe belangrijk de mede-
werking van veterinaire zijde is geweest bij het bepalen van het vaccinatie-
beleid ten aanzien van gebeten mensen.

Nauwe samenwerking van medici en \\eterinairen is bij de zoönosen van
groot belang. De rabiesbestrijding is hiervan cen sprekend voorbeeld. Dat
de rabies-explosie in Nederland zo snel onder controle kon worden gebracht,
is ongetwijfeld in sterke mate bevorderd door de grondige uitwisseling van
gedachten tussen de veterinaire cn medische instanties, die het uitgangspunt
\\\'oor de bepaling der meest efficiënte bcstrijdingsmethodiek hebben ge-
vormd. Het succes dat in eerste instantie in de strijd tegen de rabies is be-
reikt, mag stellig doen verwachten dat het verdere beleid terzake van de
preventie van een hernieuwde rabicsexplosie in dezelfde cordiale en vrucht-
bare samenwerking zal geschieden.

S.AMENVATTING.

Spreker geeft een overzicht van de medische problemen, die naar aanleiding van dc
rabiesgevallen in 1962 naar voren zijn gekomen.

-ocr page 1210-

Vervolgens bespreekt hij hoe het in de praktijk belangrijkste aspect van dc medische
problematiek ligt in de profylactische sector.

De omstandigheid dat Nederland in de laatste 40 jaar geen rabies bij mens en dier
had meegemaakt, had tot consequentie dat slechts zeer v/cinig deskundigen met
praktische ervaring ter beschikking stonden. Daarom werd het nuttig geoordeeld, in
eerste instantie te varen op het kcmpas der Wereld Gezondheidsorganisatie.
De vaccinaties werden gecentraliseerd in Amsterdam. In totaal werden 324 personen
volledig en 224 personen gedeeltelijk geënt. Het totaal aantal injecties bedroeg ruim
5.600. ErnsUge complicaües zijn niet voorgekomen.

Spreker constateert tenslotte dat hct feit, dat de rabies-cxpîo.ùe in Nederland zo snel
onder controle kon worden gebracht, ongetwijfeld in sterke mate bevorderd is door
de grondige samenwerking tussen veterinaire- en medische instanties.
Dit mag doen verwachten dat het verdere beleid terzake van de preventie van een
hernieuwde rabies-explosie in dezelfde vriendschappelijke cn vruchtbare samenwer-
king zal geschieden.

SUMMARY.

The medical problems which have arisen as a result of the oases of rabies occurring
in 1962 are reviewed. It is pointed out that, for all practica! purposes, the most im-
portant aspect of these medical problems consists in prevtenion.

Owing to the fact that cases of rabies had not occurred in man or animals in The
Netherlands for the past forty years, only a small number of experts who had had
practical experience were available. It therefore was primarily believed to be advi-
sable to follow the lead of the World Health Organization.

Inoculation was centralized in Amsterdam. A total number of 324 subjects were
completely vaccinated and 224 were partially vaccinated. The total number of in-
oculations was over 5,600. There were no severe complications.

In conclusion, it is pointed out that the fact that the outbreak of rabies in The
Netherlands could be controlled so rapidly was undoubtedly attributable to a large
extent to the close co-opcration between the veterinary and medical authorities.
It can therefore bc expected that subsequent measures designed to prevent another
outbreak of rabies will be taken in a similar spirit of friendly and successful co-opcra-
tion.

RÉSUMÉ.

Le conférencier donne un aperçu des problèmes médicaux qui se sont présentés à
l\'occasion des cas de rage en 1962. Ensuite il discute comment l\'aspect dc la problé-
matqiue médicale le plus important dans la pratique, est situé dans le secteur prophy-
lactique.

Le fait qu\'aux Pays Bas aucun cas dc rage ne s\'était présenté pendant les dernières
40 années ni chez l\'homme ni chez l\'animal, avait pour conséquence qu\'il n\'y avait
que très peu de personnes compétentes ayant de l\'expérience pratique qui étaient dis-
ponibles. G\'est pourquoi on jugea utile de se conformer en première instance aux
directives de la W.H.O.

Les vaccinations étaient centralisées à Amsterdam. En total 324 personnes étaient vac-
cinés complètement et 224 personnes partiellement. Lc total du nombre d\'injections
se montait à plus de 5600. Des complications graves ne se sont pas présentées.
Le conférencier constate finalement que le fait que l\'explosion de la rage aux Pays
Bas a pu être assujettie si rapidement, a été fortement avancé par la collaboration
étroite entre les autorités vétérinaires et médicaux.

Ceci nous permet d\'espérer que la sratégie en fait de la prévention d\'une exvplosion
de la rage renouvelée pourra se faire dans la même collaboration amicale et féconde.

ZUSAMMENFASSUNG.

Sprecher gibt eine Übersicht von den medizinischen Problemen, die angesichts der
Rabiesfälle im Jahre 1962 auf den Vordergrund traten. Sod inn bespricht er, wie es

-ocr page 1211-

in der Praxis mit dem wichtigsten Aspekt der medizinischen Problemadk, dem
prophylaktischen Gebiet steht.

Der Umstand, dass die Niederlande in den letzten 40 Jahren keine Rabies bei Mensch
und Tier mitmachten, hatte zur Folge, dass nur wenige Fachleute mit praktischer
Erfahrung zur Verfügung standen. Deshalb hielt man es für angebracht, in erster
Instanz auf den Kompass der Weltgesundheitsorganisation zu fahren.
Die Vakzinationen wurden in .Amsterdam zentralisiert. Im Ganzen wurden 324 Per-
sonen vollständig und 224 Personen teilweise geimpft. Die Zahl der Injektionen be-
trug reichlich 5600. Ernste Komplikationen taten sich nicht vor.
Zum Schluss konstatierte Sprecher, dass die Tatsache, dass die Rabiescxplosion in
den Niederlanden derartig schncll unter Kontrolle gebracht werden konnte, der
gründlichen Zusammenarbeit zwischen den
Veterinären und medizinischen Instanzen
zu danken ist.

Auf Grund dessen darf man erwarten, dass die Bekämpfung bezgl. einer evd. erneuten
Rabiescxplosion in derselben freundschaftlichen und fruchtbaren Zusammenarbeit ge-
schehen wird.

-ocr page 1212-

De diagnostiek van rabies in het
laboratorium.

Laboratory diagnosis of Rabies.

door

A. A. VELTHOEN1)

Inleiding.

Van de laboratoriumwerkzaamheden op het gebied van rabies vormt de
diagnostiek van het materiaal, dat via de Inspecties uit de praktijk wordt
ingezonden, een belangrijk onderdeel. Niet alleen vanwege besmettings-
gevaar, maar ook ter wille van een goed kadaveronderzoek is het van
belang, het te onderzoeken materiaal zo snel mogelijk en o[) de juiste wijze
naar het Centraal Diergeneeskundig Instituut tc zenden.
Door dit Instituut zijn indertijd grotere en kleinere metalen vaten gedistri-
bueerd onder dc Inspecties, welke aldaar dus verkrijgbaar zijn en geschikt
zijn voor de verzending van honde- en kattckadavers en kojjpcn van grote
huisdieren. Het is van belang, in het warme jaargetijde het luateriaal
"s nachts tc laten vervoeren en \'s winters moet zo mogelijk worden voor-
komen dat het kadaver bevriest.

Het laboratoriumonderzoek begint op de sectietafel. Na een nauwkeurig
signalement van het kadaver door een helper tc hebben laten noteren,
wordt een uitwendig onderzoek ingesteld. Men let hierbij op verwondingen,
littekens, verse traumatische beschadigingen van het gebit en hij roodwild
op schuurplckken, speciaal aan de kop.

Diffcrentieeldiagnostisch is het belangrijk om zo mog(-lijk het gehele ka-
daver te onderzoeken. Dc autopsie van rabies-iiositieve kadavers geeft in de
regel weinig opvallende verschijnselen tc zien. Zelfs dc hersenen, die voor
het onderzoek dc belangrijkste organen vormen, zijn macroscopisch niet
interessant.

Om dc schedelholte te openen zetten we de kop van het kadaver meestal in
een klem, kleine dieren kan men ook met een tang vasthouden. Tijdens
het gehele onderzoek dient men zich zorgvuldig tegen infectie te bescher-
men met handschoenen, masker enz.

Wanneer het schedeldek is verwijderd, ziet men bij rabies altijd een ver-
sterkte vaatinjectie van de meningen, wat vanzelfsprekend niet specifiek
is. Met kromme schaar en pincet worden de hersenen nu vrijgemaakt,
uitgenomen en op de laboratoriumtafel .gedeponeerd.

1  A. Velthoen, voorheen wetenschappelijk hoofd-amblenaar aan het Centraal
Diergeneeskundig Instituut, afd. Rotterdam; postbus 6007, Rotterdam-7.

-ocr page 1213-

Hierna volgt een volledige autopsie, wat met het oog op het constateren
van een vermoedelijke andere doodsoorzaak clan rabies van belang is. De
in de literatuur beschreven corpora aliena in de maag of slokdarm en de
ook wel gesignaleerde hemorragische gastro-enteritiden hebben wij niet ge-
vonden.
Hierop volgt:

Het histologisch onderzoek.

Dit onderzoek moet zich uitsluitend richten op het .lantonen \\an de voor
rabies als positief bewijs geldende
Negri-lichaampjes. Deze vaak bij rabies
voorkomende celinsluitsels zijn voornamelijk te vinden in de grote gangliën-
cellen en dan vooral in die der Ammonshorens en bij katten nog al eens in
de Piukinjesche cellen van het cerebellum. Deze insluitsels vertonen een vrij
typische basofiele granulatie en zijn bij dieren in gemiddeld 70% der posi-
tieve gevallen te vinden. Ze worden beschouwd tc zijn: celreacties door
vii-usprikkeling, maar geen ophopingen \\ an virus.

Bij de verschillende diersoorten kunnen ook nog andere celinsluitsels voor-
komen, veroorzaakt door andere ziekten, zgn.
atypische insluitsels.
Het verschil tussen deze beide in de coupe is, dal de atypische insluitsels
over het algemeen van gelijke afmetingen en tamelijk klein zijn, met een
citoplasma\\ erclichting er omheen en geen granulatie vertonend. De Negri-
lichaampjes daarentegen zijn zeer ongelijk van grootte, van 0,24-27,0,
hebben geen citoplasmaverclichting om zich heen en \\ertonen bij bepaalde
kleuringen een vrij typische basofiele granulatie.

Alleen door slraatvirus zou dit verschijnsel opgewekt kunnen worden, maar
door cen gemitigeerd virus, als b.v. het
Flury-virus, niet. Bij ons routine-
onderzoek bleek dit evenwel niet geheel te kloppen. Door
de ziekte van Carré
b.v. treden bij honden soms celinsluitsels op, waarin wel eens granulaties
te vinden zijn, welke deze insluitsels bedrieglijk veel op Negri-lichaampjes
doen gelijken. Ook het Flury-L.flP.-virus doet in dit o])zicht wel eens twijfel
rijzen.

Voor uitvoering van het histologisch onderzoek knippen of snijden we de op
de bodem der ventrikels gelegen .Ammonshorens uit de hersenen en leggen
die op een vrij ruwe onderlaag: een stukje karton of een houten spateltje
en snijden er veivolgens stukjes van enkele millimeters dik uil. Allereerst
maken wc hiervan preparaten gekleurd volgens Seller s, waarvoor we
zowel afdrukpreiJarateu als quelschpreparaien kuimen maken. Met zeer
gedegen routine kan men hiermede een snelle rabies-positieve diagnose stel-
len.

In negatieve gevallen echter durf ik sneller een uitspraak te doen door
microsco]3isch onderzoek van coupes. Voor het coupe-onderzoek worden
enkele stukjes Ammonshoren en bij katten een stukje cerebellum in de
gebruikelijke fixatie-vloeistoffen gedaan.

De vroeger veel gebezigde Lent z-kleuring, welke zeer goed was en een ba-
sofiele granulatie te zien gaf, is tegenwoordig onbetrouwbaar, aangezien de
na-ooiiogse eosine de celinsluitsels vaak niet meer kleurt. Wij gingen daarom
over op de Paarman n-klcuring, welke snel is uit te voeren, maar slechts
een vacuolaire (kleurloze) granulatie te zien geeft. Ter verkrijging van
meer zekerheid paste men daarnaast altijd nog een andere kleuring toe
bv. de M a n n-kleuring, de G e r 1 a c h-kleuring of een andere.

-ocr page 1214-

Wij probeerden allerlei kleuringen uit op coupes, die volgens P a a r m a n n
gefixeerd waren en wij zijn toen gekomen tot een door Zuid-Afrikanen
gewijzigde Man n-kleuring, die wij nog wat meer wijzigden. Deze kleuring
gaf in de achter ons liggende overdrukke periode een prachtige werkbespa-
ring: slechts één fixatie en één paraffineblokje te gieten en te snijden en toch
2 verschillende kleuringen ( de S e 1 1 e r s-kleuring van de afdruk, maak-
te dus 3). Hersenen die bevroren zijn geweest, zijn voor dit onderzoek on-
geschikt. Na ontdooiing zakken zulke hersenen als een te slappe pudding
in elkaar, de coupes vertonen na kleuring bijna geen tekening en de gang-
liëncellen worden egaal getinte kleurstofvlekken. In zulke gevallen moet
men zich dus geheel verlaten op het biologiscli onderzoek.

Het biologisch onderzoek.

Dit dient altijd naast het histologisch onderzoek te worden verricht, indien
op de laatste geen absoluut positieve diagnose is te stellen. Praktisch wordt
dit onderzoek dus
altijd uitgevoerd.

Het wordt verricht door intracerebrale injectie van muizen onder ether-
narcose met een 10% hersensuspensie in fysiol. NaCl-oplossing van het te
onderzoeken kadaver. Men voege hieraan altijd antibiotica toe om bac-
teriële herseninfecties te voorkomen. Elke muis krijgt 0,03 ml.
Dit is mede het gevaarlijkste deel van het onderzoek, waarom we dan ook
zelf muis cn spuit fixeren en een hel[)er laten spuiten. Wij spoten altijd acht
muizen in en brachten die onder in twee flessen. Dit is vtm belang gebleken,
want we zagen mecimalen dat in één fles alle vier nuuzen stierven, terwijl
die in dc andere fles gezond bleven. Dit duidt dan op de mogelijkheid, dat
deze sterfte niet tc wijten is aan rabies, al leek het er Idinisch soms wel op,
wat dan bovendien nog door histologisch onderzoek van de niuizchcr-
senen is te verifiëren, Dc muizen blijven 30 dagen in observatie, In positieve
gevallen worden zc meestal na 12-16 dagen ziek.

Het eerste symptoom van rabies bij nniizen is, dat ze niet meer drinken;
daarna worden zc traag, gaan wat in elkaar zitten met geloken ogen, wor-
den ruig in het haar en ze lijken kleiner te worden. Vervolgens beginnen zc
verlamd te geraken, .soms eerst aan één achterpoot, daarna of soms ineens,
aan beide.

Dat hiermede de diagnose niet gesteld is, bewijst het volgende: acht muizen
werden gespoten uit één kat. \'s Morgens waren alle acht muizen ziek en
bijna allemaal verlamd; de volgende morgen waren er tvt\'ce dood en de rest
volkomen hersteld. Het was rabies-negatief. Bij inzage van het sectieverslag,
bleek de kat aan infectieuze leuco]jenic („katteziekte\'\') te hebben geleden.
Wanneer we rabide muizen met een pincet bij de staartpunt oppakken,
kunnen ze zich niet meer ombuigen en optrekken, wat gezonde muizen wel
kunnen. Dolle muizen zijn tenslotte dermate verlamd, dat ze zich niet meer
op hun buik kunnen wentelen, wanneer we ze op hun rug hebben neergelegd
en soms vertonen ze ook een lichte tremor. Grotere dieren dan muizen ge-
bruiken we uit ethische en economische overwegingen praktisch niet voor
de diagnostiek, hoewel ze ook zeer typische symptomen vertonen.

Wanneer na een histologisch en een biologisch onderzoek een geval nog
twijfelachtig is, dient men over te gaan tot uitvoering van

-ocr page 1215-

DE SERUM-VIRUS NEUTR-ALISATIETEST.

Deze test heeft wel enkele bezwaren, n.1. dat er nog al wat tijd mee ge-
moeid is en er 60 muizen voor nodig zijn, aangezien er altijd een blancoproef
naast moet worden gedaan. Deze test geeft evenwel zulke goede resultaten,
dat wij indertijd besloten er gebruik van te maken in rJle gevallen, waarbij
het primaire onderzoek atypische insluitsels te zien gaf en bij alle verdachte
muizen-sterften. Er dient echter rekening mee te worden gehouden, dat
deze proef soms pas goed slaagt na enkele passages van het virus door mui-
zen.

DE COMPLEMENT-BIXDINGS-REACTIE.

Deze is uitvoerbaar, maar wordt niet door iedereen als betrouwbaar be-
schouwd.

HET ONDERZOEK OP FLUORESCERENDE ANTILICHAMEN.

Op het C.D.I. wordt gewerkt met dc zgn. directe methode. Het is een onder-
zoek, dat met de meeste zorg dient te worden uitgevoerd om geen besmet-
ting van personeel en instrumentarium te veroorzaken. O.m. is er voor nodig
cen bepaald soort microscoop, een dito lichtbron, een matig verduisterde
ruimte, een —20° diep\\rieskastje en een zgn. gelabeld hoogimiTuiunserum.
Het geeft mooie bedden te zien cn als men voldoende routine heeft verkre-
gen om de typische fluorescentie te onderscheiden, kan er na ongeveer een
hahe dag een gefundeerde diagnose mee worden gesteld.
Bij dit onderzoek en ook bij de sertim\\\'irus-neutralisatietest wordt cavia-
immuun-serum gebruikt, 6 jaar geleden door ons geprodttceerd en gelyofili-
scerd bewaard, welk scrum goede resultaten geeft. Beide methoden van
onderzoek, zowel de neutialisatic-tcst als de fluorescentie-microscopie geven
echter ook een [jositieve uitslag met het Flury-L.E.P.-virusmateriaal, zodat
zich differentieel diagnostisch tussen dit virus-fi.xe en het straatvirus met
deze twee methoden \\an onderzoek wel eens moeilijkheden voordoen.
Dan voldoet de muizenproef hier beter. Daarom moet men dan ook bij de
neutralisatictest
de klinische verschijnselen der muizen dagelijks goed ob-
serveren.

Trouwens dc virustitcrs geven ook aanwijzingen. Die van Flur\\\'-L.E.P.-virus
is gemiddeld 10^2 tQt 10-4 gn dic van straatvirus lO^-i tot 10en hoger.
Tenslotte verschillen bij intracerebrale injectie ook de gemiddelde incu-
batietijden: bij Flury-L.E.P.-virus bedraagt deze 7-8 dagen; bij straatvirus
12-16 dagen.

Ik attendeer hierop, omdat juist het Flury-L.E.P.-virus bij het kadaver-
onderzoek moeilijkheden is gaan veroorzaken, nadat cr op zo\'n uitgebreide
schaal door U mede was gevaccineerd. Bij minstens 1 hond en 2 katten stel-
den wij een letaal verloop door het Flury-L.E.P.-vaccin vast, door dit virus
weer uit de kadavers te isoleren in muizen. Daarna \'nebben wij het gepas-
seerd in eieren en hiermede konijnen gespoten, die bij zeer hoge doseringen
gezond bleven.

Resumerende zien we dus, dat in sommige gevallen zich bij de diagnostiek
wel eens moeilijkheden kimnen vooidoen, maar dat deze, door alle me-
thoden van onderzoek toe te passen waarover wij momenteel beschikken,
toch wel op bevredigende wijze zijn op te lossen.

-ocr page 1216-

Van de laboratoriumvverkzaamheden op het gebied van rabies vormt de diagnostiek
van het materiaal, dat via de inspecties uit de praktijk wordt ingezonden, cen be-
langrijk onderdeel. Hct laboratoriumonderzoek begint op de sectietafel. Spreker be-
handelde achtereenvolgens de sectie en het histologisch onderzoek, dat zich uit-
sluitend richt op het aantonen van de voor rabies als positief bewijs geldende Negri-
lichaampjes.

Bij het onderzoek werden allerlei kleuringen uitgeprobeerd op coupes, die volgens
Paarmann waren gefixeerd. Men is tenslotte gekomen tot een door Zuid-Afrikanen
.gewijzigde Man n-kleuring, die nog meer werd gewijzigd. Deze kleuring gaf in een
overdrukke periode cen grote wcrkbesparing.

Naast histologisch onderzoek dient biologisch onderzoek te worden verricht. Is het
geval nog twijfelachdg, dan dient men over te gaan tot uitvoering van de serum-
virus-neuralisatie-tcst. Spreker behandelde nog voor en tegen van de complement-
bindings-reactic, het onderzcK\'k op fluorescerende antilichamen en besloot met dc
muizenprocf.

Zijn conclusie luidde, dat zich in sommige gevallen bij de diagnostiek wel eens moei-
lijkheden kunnen voordoen, maar dat deze door alle methoden van onderzoek waar-
over men momenteel beschikt, toe te pas.sen, op bevredigende wijze zijn op te
lossen.

De inleiding werd toegelicht met cen fraaie serie kleurendia\'s.
SUMMARY.

Diagnosis of the specimens handed in by practitioners through the inspectors is an
important part of the laboratory work done on rabies. Laboratory studies start on
the dissecting table.

Autopsy and histological examination are discussed in succession; the latter is solely
concerned with demonstrating the presence of Negri bodies which are regarded as
positive evidence of rabies.

;\\11 sorts of staining methods were tried on sections fixed by Paar m a n n\'s method.
A modification by South African investigators of M a n n\'s staining method, which
was modified to a further extent, was eventually developed. This staining method
saved much work during an over-busy period.

In addition to histological examination, biological studies have to be done. If the
case should continue to be doubtful, a scrum virus neutralization test should bc pcr-
fonned. The pros and cons of the complement fixation test were reviewed and testing
for fluorescent antibodies and, in conclusion, the mouse test were discussed.
It was concluded that, though problems may occasionally arise in establishing the
diagnosis, these may be solved saticfactorily by using all methods of investigation
currently available.

The paper read was illustrated by a fine series of colour slides.
RÉSUMÉ.

Quant aux activités au laboratoire dans le domaine dc la rage, la diagnostique du
matériel qui est envoyé au laboratoire par la pratique par la voie des inspections, en
forme une partie importante. L\'examen au laboratoire commence sur la table dc
section.

Lc conférencier traite successivement la section et l\'examen histologique qui se con-
centre exclusivement sur la démonstration des corpuscules Negri qui sont pathogno-
moniques pour la rage.

Pendant l\'examen toutes sortes de colorations ont été essayées sur des coupes qui
avaient été fixées selon Paarmann. Finalement on en est arrivé à une coloration
Mann modifiée par les Sud-Africains, qui fut encore modifiée davanta.ge. Cette
technique procura dans une période surchargée une grande réduction de travail.
A côté de l\'examen histologique il faudra faire un examen biologique. Si le cas con-

-ocr page 1217-

tinue à être douteux, il faudra procéder à l\'exécution du test de la neutralisation du
virus sérique. Le conférencier traita encore le pour et le conae de la réaction d\'accou-
plement du complément, l\'examen sur des anticorps fluorescents ct termina par le
test de souris.

Il conclut en disant que dans certains cas la diagnostique pourra présenter des diffi-
cultés mais que celles-ci, par l\'application de toutes les méthodes d\'examen dont on
dispose en cc moment, pourront être résolues d\'une façon satisfaisante.
L\'introduction était élucidée d\'une belle série dc diapositives cn couleur.

ZUS.AMMENFASSUNG.

Bei den Laboratoriums>mtcrs\\ichungen auf dem Gebiet von Rabies formt die Diag-
nostik des Materials, das aus der Praxis über die Inspektionen eingeliefert wird, ein
wichtiger Unterteil. Die Laborntoriumsuntcrsuchung beginnt auf dem Operations-
tisch.

Nacheinander behandelt Sprecher die Sektion und die histologische Untersuchung,
die sich ausschliesslich auf die für Rabies als positiver Nachwcis geltenden Ncgri-
körperchen richtet.

Bei der Untersuchung wurden allerlei Färbungen auf mikroskopischen Präparaten
ausprobiert, die nach P a a r mann fixiert waren. Man Änm schliesslich zu einer
durch Südafrikaner ab.gcändcrten Man n-Färbung, die noch stärker verändert
wurde. Mit dieser Färbung erzielte man in der äusserst angespannten Periode, eine
grosse Arbeitsersparnis.

Neben der histologischen Untersuchung muss auch eine biologische vor.gcnonuuen
werden. Ist der Fall dann no<h zweifelhaft, dann muss zur .\\usführun,g des Seruni-
\\\'irus-Neutralisationstcsts übergc.gangen werden. Sprechcr besprach das Für und
Gegen der Komplementbindungsreaktion, die Untersuchung auf fluoreszierenden
.\\ntikörper und endete mit der Mäuseprobe.

Seine Schlussfolgerung war, dass sich in einigen Fällen nrtnchcsmal Schwierigkeiten
bei der Dia.gnostik vortun können, diese jedoch, falls man alle Untcrsuchun.gsmetho-
den über die man augenblicklich verfügt zur .\'Vnwcndun.g bringt, auf befriedigende
Weise lö.sen kann.

Der Vortrag wurde durch eine au.sgezeichnctc Serie Farbdias erläutert.

-ocr page 1218-

DISCUSSIE naar aanleiding van de voordracht van dc heer Van Keulen over
de veterinaire aspecten van de rabiesuitbraak 1962.
Vraag: dc heer E. Bakema, Velp (Gld.).
Ik heb alleen een eenvoudige vraag,

VVat gebeurt er na afloop van de geldigheid van de entbcwijzen ?
Komt er opnieuw een massale enting of stopt men er mee?

Antwoord van de heer Van Keulen:
Mijnheer dc discussieleider, dames en heren.

Dit is een belangrijke vraag, maar U begrijpt dat hier overleg voor nodig is tussen
het Ministerie van Landbouw en het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezond-
heid. Dit overleg is gaande en voor het einde van het jaar zal omtrent het op peil
houden van het entingspercentage van onze honden, wat wij nu dus trachten te be-
reiken door het voortzetten van de enting van jonge honden, worden beslist. Na 2
jaar loopt formeel dc geldigheid van het entbewijs af, maar het is zo dat U rustig
kunt stellen, dat de immuniteit gemiddeld na 3 jaar pas alloopt, en eerst dan zal
ook beslist behoeven te worden of deze enting opnieuw zal moeten geschieden. Dit
zal geheel afhangen van de dan aanwezige situatie.

Opmerking: De heer Bakema is niet helemaal tevreden gesteld en merkt op:
Er wordt hier gesproken over een termijn van 3 jaar, maar na 2 jaar mag er geen
hond meer op straat komen.

Antwoord van de heer Van Keulen:

U hebt gelijk. Ik heb U dus ook gezegd dat de officiële geldigheidsduur van dit
entingsbewijs 2 jaar is, daar hebt U gelijk aan, maar de immuniteitsduur is gemiddeld
te stellen op 3 jaar en mocht het nodig blijken dat deze immuniteitsduur zal moeten
worden verlengd, dan is een besluit van dc Minister daar
\\\'0or voldoende.

Vraag: dc heer P. J. B e r t e 1 s. Zevenaar,

Ik zou graag de heer Van Keulen het volgende willen vragen.

Uit mededelingen van de Veeartsenijkundige Dienst blijkt steeds dat cr een tijdsbestek
van 30 dagen wordt aangehouden tussen het tijdstip van vaccinatie en het in- of
doorvoeren van honden, bijvoorbeeld uit Duitsland,

Ik weet nl. dat er een plaats is op de grens tussen Duitsland en Nederland, waar
honden niet geënt worden ingevoerd, misschien ter plaatse worden .geënt, maar
waar dus met de termijn van 30 da.gen geen rekening wordt gehouden,
Is dit dc Inspectie bekend? Zo ja, waarom wordt hier onth-ffing voor verleend, zo
niet, welke maatregelen worden ten opzichte hiervan dan genomen, opdat de porte
d\'entrce die ik op deze plaats zic, in ieder .geval nauwer wordt aangehaald?

Antwoord van de heer Van Keulen:

Als ik het goed begrijp, is dat dus bedoeld voor dieren die via onze wateren, onze
rivier de Rijn, binnenkomen.

Hierbij is het mogelijk het standpunt in te nemen, dat als de vaccinatie niet is .ge-
schied, het dier terug gewezen moet worden. Er is echter ook een praktische afwijking
mogelijk door het dier het land binnen te voeren en in quarantaine te brengen.
Daarvoor zijn aan onze grens hier en daar, zeer beperkt overigens, bij overmacht ge-
hanteerde quarantainegele.genheden. Men kan zich dus ook voorstellen dat de schepen
die de vraagsteller bedoelt, als deze quarantaineplaats worden gehanteerd en dat is
in dit gval tot dit moment inderdaad zo. De praktijk leert dat deze dieren dc schepen
niet verlaten.

-ocr page 1219-

Rotkreupel en schurft bij schapen.

Footrot and Scab in sheep.
door

J. \\ AN DER WAAL1)

Rotkreupel.

Wanneer men de Veewet van 26 maart 1920 naslaat, zal men de ziekte
rotkreupel niet vermeld zien bij het lijstje van besmettelijke veeziekten,
waarop titel III van de Veewet \\an toepassing" is. Blijkbaar vond men
deze schapeziekte niet \\an voldoende economische betekenis en bovendien
was dc wetgever destijds van oordeel, dat rotkrcn
]3el niet tot de besmette-
lijke veeziekten mocht worden gerekend. Men dacht dat klimatologische
factoren bepalend zouden zijn voor het optreden en het verloop van deze
ziekte.

Dc geschiedschrijving vermeldt zelfs dat rotkreupel op het nippertje in
art.
45 van dc Veewet werd o])gcnomen.

De toenmalige Inspecteur van de Veeartsenijktmdige Dienst in Noord-
Ilolland, IJ b h e 1 s. heeft in 1923 in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
een uitvoerige en zeer lezenswaardige verhandeling gepubliceerd over het
rotkreupelvraagsluk. Deze studie had zijn ontstaan te danken aan het feit
dat U b b c 1 s. tezamen met de districts\\ eeartsen Ten IT o o p e n en
Vink, cen ra]jport moest uitbrengen in verband met eventueel te nemen
wettelijke maatregelen ten aanzien van deze ziekte.

U b bels geeft in zijn artikel een uitstekend overzicht van de wettelijke
maatregelen, die sinds het ontstaan van de eerste Veewet van 1870 met
betrekking tot het rotkreupel zijn genomen en beschrijft de resultaten van
dc enkele infectieproeven. die in Nederland zijn verricht. Tiet al of niet
besmettelijk zijn van het rotkreupel is voor de Commissie, waarvan
Ubbels deel uitmaakte, van het grootste belang voor het uitbrengen
\\ an een gemotiveerde conclusie.

Gedurende de [icriodc dat IHibcls als Inspecteur van de Veeartsenijkun-
dige Dienst in Noord-Holland werkzaam was. heeft hij het symptomen-
complex van rotkreupel nauwkeurig bestudeerd en het verloop in een aan-
getaste koppel kunnen nagaan. Hij besluit het eerste gedeelte van zijn
verhandeling met de volgende zin; „Volgens mijn mening is dan ook het
rotkreupel een specifieke ziekte, waarvan de besmettelijkheid boven alle
twijfel is verheven."

1  J. van der Waal, .Adjunct-In-^pecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, district
Noord-Holland; Anna van Burenlaan 65, Haarlem.

-ocr page 1220-

Of deze zin in het iiierbovengenoenide rapport van doorslaggevende be-
tekenis is geweest, is mij niet bekend, maar een feit is, dat bij Besluit van
28 juli 1924 de voorschriften van titel III van de Veewet van toepassing
zijn geworden voor de wering en de bestrijding van hct rotkreupel der
schapen.

In de laatste twintig jaar is veel wetenschappelijk werk verricht door
Australische en Engelse onderzoekers.

Bever idge geeft in 1941 de volgende omschrijving van rotkreupel:
„Een besmettelijke ziekte \\ an de schapcklauw, die gekarakteriseerd is door
cen scheiding van een gedeelte \\an de hoorn met de zachte weefsels, die
te danken is aan cen zich verspreidende infectie onmiddellijk onder de
hoorn en die \\eroorzaakt wordt door de
nacilliis fusiformis nodosus".
Niet alleen wordt in de uitstrijkjes van aangetaste weefseloppervlakten
steeds de
Bacillus jusiforrnis nodosus aangetroffen, maar het is gelukt rein-
cidturcn van deze bacil tc verkrijgen en daarmede bij een proefschaap de
typische rotkreupelsymptoinen op te wekken.

Naast de B. fusiformis nodosus treft men in uitstrijkjes ook aan de Trepo-
nema penortha
en andere fusiforme organismen, doch deze laatste zijn ieder
\\ oor zich niet in staat bij bcsmcttingsproe\\ en de ziekte te voorschijn tc bren-
gen en schijnen derhaKe slechts van bijkomstige betekenis te zijn.
Men heeft in Australië gevonden, dat bij schapen, die klinisch van rot-
kreupel zijn genezen, nog vaak oj) en in cle huid van de tussenklauwspleet
de
B. fusiformis nodosus is aan te tonen.

Dit zou kunnen verklaren, waarom zo \\aak in een klinisch genezen koppel
schapen weer recidive optreedt.

Het is bekend, dat de \\oort.schrijding der aantasting in drie fasen kan wor-
den gesplitst:

a. dc ziekte begint met een ontsteking van de huid tus.sen dc beide klauw-
tjes;

b. cle ontsteking kruipt verder onder de hoorn van het achterste gedeelte
van de klauw;

c. de ontsteking tast de gehele klauwzool aan cn woekert verder in de
plaatjes van de wandlederhuid.

In Australië is meermalen opgemerkt, dat alleen dc eerste fase van het
ziekteproces ontstaat, dat dan niet verder gaat.

.Men noemt dit „footscald". In Nederland ziet tnen dit zelfde verschijnsel
soms ook optreden, b.v. op Texel. Een paar schapen hebben dan een tussen-
klauwontsteking, doch zonder ondcnnijning van de hoorn.
Bij hct kweken wordt in Australië ook de
Bacillus fusiformis nodosus ge-
vonden, die echter in zijn eigenschappen iets afwijkend is. De produktie
van proteolitische enzymen, die verantwoordelijk worden gesteld voor de
ondermijning van de hoeflederhuid, bedraagt de helft van die van de
Bac.
fusiformis nodosus,
die wordt gekweekt uit de ernstig aangetaste klauwen.
Dit zou dc verklaring geven van het niet voortschrijden der infectie.
Ten aanzien van de behandeling van hct rotkreupel zijn er de laatste jaren
geen nieuwe gezichtspunten gekomen. Het besnijden van de aangetaste
klauwen, waarbij de losse hoorn nauwkeurig moet worden verwijderd, is
\\ an de allergrootste betekenis.

.Als geneesmiddel wordt in Australië en Engeland 10% formaline gebruikt;
bij ons bevalt het beste het preparaat „Cetaped".

-ocr page 1221-

Omstreeks 1955 werd een 1% globenicoloplossing sterk aanbevolen, maar
een vergelijkende proef, die door mij werd ingesteld bij ongeveer 700 scha-
pen, heeft aangetoond dat globenicol geen betere genezende werking had
dan de andere gebruikelijke geneesmiddelen, alleen was het veel duurder.
Een éénmalige behandeling van een aangetaste koppel is niet voldoende,
doch deze dient na ongev eer vijf dagen te worden herhaald en zo vervolgens
totdat alle schapen zijn genezen. Gedurende de dagen tussen de behande-
lingen in is het zeer sterk aan te bevelen de dieren
cen voetbad te geven
in een 2% formaline- of creolineoplossing. Alles bijeen blijft cle behande-
ling van een koppel aangetaste dieren een tijdrovende en langdurige bezig-
heid, met behoorlijke kansen op recidive.

We kunnen aannemen, dat het oiJtrcdcn van bacillendragers vrij vaak zal
voorkomen. Ik kom dan ook tol de conclusie, dat niet het genezen onze
voornaamste doelstelling moet zijn, maar het overreden van de schapen-
houder om tot algehele afslachting van de aangetaste koppel over te gaan.
Het is daarbij niet noodzakelijk dat onmiddellijk tot deze maatregel wordt
overgegaan, zodra men de zieke koppel heeft ontdekt. Mits goede blokke-
ringsmaatiegelen zijn genomen, kan dit gerust enige maanden worden uitge-
steld, totdat het voor de boer meest gunstige tijdstip is aangebroken.

Schapeschurft,

De schapenhouderij heeft dc laatste jaren goede winsten opgeleverd. Dit
is niet te danken aan de wolo])breugst - dit is in zekere zin bijzaak - maar
aan de goede prijzen, die het schai)evlees heeft opgebracht. Vooral voor ge-
slachte zuiglammeren en weidelammeren worden op dc vleesmarkten van
onze zuiderbuurlanden zeer goede jirijzcn betaald. Het is dan ook te ver-
wachten, dal de schapenhouderij in de naaste toekomst cen uitbreiding zal
ondergaan, die mede gestimuleerd zal worden door het gebrek aan arbeids-
krachten in dc agrarische sector.

Eén van de ziekten, die de gehele scha])enstapel kan aantasten en een aan-
zienlijke remming van groei kan veroorzaken, ja zelfs aanleiding kan geven
tot het optreden van cachexie en sterfte, is de schapeschurft.
fn artikel 7 sub f van de Veewet wordt scha]5eschurft genoemd als een be-
smettelijke veeziekte, waaro]3 titel 111 van genoemde wet van toepassing
is. Hetgeen dus behelst, dat er een aangifteplicht beslaat, kentekenen wor-
den aangebracht bij het be.smette weiland, enz..

In de provincie Noord-Holland komt schaijcschurft verspreid voor, behalve
op Texel. Texel is reeds vele jaren vrij, vvat te danken is aan het feit dat
krachtens de gemeenteverordening van de gemeente Texel de invoer van
schapen is verboden. Op het „vaste land" van Noord-Holland treedt vaak
een explosieve uitbraak op, waarbij plotseling een aantal koppels besmet is
geraakt.

Er zijn daarbij twee gevaarlijke perioden, n.1. de tijd dat de weidelammeren
worden verhandeld, dus juni en juli en in het najaar, wanneer de ram bij
de koppel wordt toegelaten. De ziekte is zeer besmettelijk. Een contact van
een half uur van een aangetaste met een niet aangetaste koppel is voldoende
om de besmetting over te brengen. Na de besmetting gaat er geruime tijd
overheen voordat de eerste verschijnselen gaan optreden.
Het is verscheidene malen gebeurd, dat wij een koppel schapen met scabies
opspoorden, waarbij bleek dal de boer enige tijd geleden een ram aan zijn

-ocr page 1222-

schapenstapel had toegevoegd. Kan men dan aan de hand van de gegevens
van de veerijder, die de ram heeft gebracht, te weten komen aan welke
boeren hij nog meer rammen heeft geleverd uit dezelfde auto met schapen,
dan komt men bij aangetaste koppels, waarvan de boer zelf nog onkundig
was.

Op 23 juni van dit jaar reed één van de opzichters van de Veeartsenij-
kundige Dienst uit Noord-Holland over een polderweg en zag daar een
koppel van onge\\\'ecr 20 schapen en lammeren lopen, die zijn aandacht trok.
De gehele koppel liep bij elkaar te grazen op twee lammeren na, die af-
zonderlijk liepen.

Eén van deze lammeren had kennelijk jeuk en stond te schuren. Met be-
hulp \\an de verrekijker was te zien dat het lam een bonte woKacht ver-
toonde, zeer onrustig was en afwisselend ging liggen en o])staan. Nadat de
eigenaar was opgezocht, werd het bewuste lam gegrepen en onderzocht,
waarbij bleek dat het zeer duidelijk door schapeschurft was aangetast.
De boer was lid van cen jongerenvereniging, die slecht bij kas was. Het
bestuur had enige weken geitden 33 weidelammeren gekocht en deze ge-
distribueerd onder 15 boercn-leden. I)c lammeren worden gratis geweid en
worden in de herfst weer door het bestuur \\\'erkocht in de hoop, dat dit een
zoet winstje voor de kas zal opleveren. De twee lammeren, die afzonderlijk
graasden, waren beide verenigingslammcrcn en hadden de besmetting mede-
gebracht.

Bij cen \\oorlgezet onderzoek bleek, dat alle 15 bedrij\\en die verenigings-
lammeren hadden gekregen, besmet waren en één er\\\'an had ook nog de
koppel van zijn buurman besmet.

De 33 lammeren waren gekocht op de markt en afkomstig van twee
eigenaren. Bij de koppel van één eigenaar werd scha\'peschurft vastgesteld.
Hij vertelde dat hij op 16 oktober 1962 twee schapen had gekocht op de
markt te Purmerend, waar\\-an er één na een paar weken begon te jeuken.
Het dier werd gewassen en de boer dacht dat het daarmee wel gedaan zou
zijn.

Op die bewuste marktdag in oktober 1962 was er een besmetting op de
markt te Purmerend. In de afgelopen maanden januari, februari, ajjril en
juni is nog bij een zevental schapenhouders schurft vastgesteld cn steeds
werd er dan verteld dat ze half oktober 1962 schapen hadden gekocht op
de markt te Purmerend.

Voor de geroutineerde onderzoeker is de diagnose schapeschurft vrij ge-
makkelijk te stellen, vooral in die stadia, waarbij de ziekte al geruime tijd
bestaat. Tijdens de studententijd zullen vele collegae het beeld wel nooit
onder ogen hebben gehad en ook de practict.is in de schapenarnie streek zal
er niet mede worden geconfronteerd.

Zelfs in een schapenrijke streek als Noord-Holland wordt de practicus maar
zelden geroepen bij jeukende schapen en blijft de veterinaire hulp beperkt
tot het afgeven van een geneesmiddel uit de apotheek. Wordt de dierenarts
toch ontboden orn naar de schapen te komen kijken, dan gebeurt het niet
zelden dat deze onze hulp inroept voor het stellen van de juiste diagnose.
Hij weet dan vaak niet of de schapeluis of de schurftmijt de oorzaak is van
de ziekteverschijnselen.

Men zou kunnen opmerken, dat dit ook niet van belang is. Voor beide aan-

-ocr page 1223-

doeningen kan men hetzelfde geneesmiddel gebruiken, dat absoluut af-
doende is. Ik meen toch dat het stellen van de juiste diagnose van belang
moet worden geacht. Niet alléén omdat de éne aandoening valt onder de
aangifteplichtige ziekten en de andere niet, maar omdat bij schapeschurft
het opsporen van de infectiebron van zo grote betekenis is.
Een ander belangrijk argument is dat de wassingen bij schapeschurft zeer
nauwgezet moeten geschieden, opdat alle schurftmijten worden gedood. Bij
een gedeeltelijke of slordige wassing blijft de algehele genezing met zeker-
heid achterwege.

Als eerste en belangrijkste symptoom treedt zowel bij schurft als bij luizen
een heftige jeuk op. De jeukreacties bij schurft zijn echter veel ernstiger en
intensiever van aard.

Wanneer de onderzoeker een besmet dier over de aangetaste plaatsen wrijft,
ziet men bij het schaap de volgende reacties optreden: strekken van de kop;
bibberen van de lippen en bijtbewegingen met de tanden; slaan met de
poten en het zich aandrukken tegen de ondei-zoeker.

VV\'anneer men voor het in le stellen onderzoek een dier aan een aangetast
gedeelte der rughuid vastgrijpt, gebeurt het meermalen dat het als een blok
ter aarde valt. Het slaat met de kop op de grond, maakt driftige hap-
bewegingen met de bek en slaat heftig met alle poten. De ademhaling is
zeer versneld. Het dier maakt op de omstanders de indruk, dat het ieder
ogenblik kan sterven.

Na enkele minuten wordt het rustiger en staat uit zichzelf weer op. Deze
heftige agitatieverschijnsclen ziet men alléén bij schurft, nooit bij luizen.
Ziet men in de zomer bij \\ ochtig weer een kopjjel schapen lopen, waarvan
bij enkele de wolvacht niet mooi blank is, maar vuilgrauw, dan is hel zaak
deze dieren goed tc obsei-veren. Men bemerkt dat een dier zo nu en dan
met de achterpoten krabbewegingen maakt legen de zijkanten van het
lichaam, waardoor deze met modder worden besmeurd. Met bijna 100%
zekerheid is dan dc diagnose schurft van een afstand te stellen en vaak is
de boer hiervan nog onkundig.

Bij aangetaste zuiglammeren ziet men op de lichtgele wolvacht één of meer
helderwitte ronde vlekken, Dc lammeren trachten met hun bek op de jeu-
kende plek te komen en maken dan een zuigende bcwe.ging, waardoor dc
geelachtige kleur der vacht verdwijnt en helder wit wordt.
Naast de heftige jeuk treden bij schurft al spoedig de huidafwijkingen op
de voorgrond.

De schurftmijt, die in Nooid-Holland uitsluitend voorkomt, is de Psoroptes
communis varietas ovis.
Hij tast alleen de wolachtige delen van de huid
aan, zodat op kop en polen geen aantastingen worden gezien.
De
Sarcoples scabei varietas ovis, die leeft in de niet bewolde delen van de
huid, komt bij mijn weten in Noord-Holland niet voor,

In het beginstadium worden bij hel binnendringen der mijten in de opper-
huid kleine pustulae gevormd. Deze blaasjes barsten en er treedt ontstekings-
vocht naar buiten. Tezamen met afgestolen epidermiscellen ontstaat een
geelgrauwe massa, die al spoedig indroogt tot een dikke korst,
In de huid zelf treden ontstekingsinfiltraties op. Hierdoor èn door de korst-
vorming ontstaat een huid, die dik, plankachtig en droog aanvoelt. Als ge-
volg van het heftige krabben en schuren ontstaan plooien en scheuren en
zelfs hier en daar bloedingen,

-ocr page 1224-

Deze huidverdikkingen en korstvormingen kan men aantreffen in de vorm
van kleine, ronde verdikkingen, verscholen onder de wol, maar zij kunnen
ook dermate uitgebreid zijn, dat grote oppervlakten van de wol zijn ontdaan
en een geelgrauwe vlakte te zien is met kloven en bloedingen als gevolg van
de effecten die ik reeds heb genoemd.

Treft men schapen aan in dit vergevorderde stadium, dan zijn de dieren
al zeer sterk vermagerd en kunnen aan cache.xie te gronde gaan.
Rij een besmetting met luizen vindt men deze verdikte huid nooit in die
mate. Men kan wel een geïrriteerde, iets verwonde huid aantreffen, zelfs
wel over een grote uitgestrektheid, maar de typische geelgrauwe exsudaat-
korst ontbreekt. Uitgebreide woluitval kan bij luizen ook in sterke mate
o]3treden en de wolflarden kan men dan wijd en zijd \\ erspreid over het land
en aan de onn\'astering terugvinden.

Wij kunnen de verschillende luizensoorten met hct blole oog zien. De meest
bekende en de grootste is dc schapeluisvlieg,
Melophagus ovis, in de volks-
mond ook wel „schapeteek" genoemd. Hij is ongeveer een halve centi-
meter groot en wordt veelvuldig waargenomen, doch meestal in kleine aan-
tallen die geen schade veroorzaken.

Dan kennen we dc echte schapcluis, Haematopuius pedalis, twee tot drie
millimeter lang. Hct is een slanke, zich snel \\crplaatsende bloedzuigende
parasiet, die veel voorkomt.

En tenslotte nog dc Trichodecies sphaeroceplialus, ook wel genoemd de wol-
luis of zandvlo. Dit is cen zeer moeilijk tc onderscheiden, ongeveer ander-
halve millimeter lange luis, die geen bloed zuigt, maar leeft van huidschilfers
en woldeeltjes.

Wil men een onderzoek instellen naar hct voorkomen van luizen dan moet
men met de vingers dc wolvacht splitsen en
o]j dc splitsingsvlakten kan men
dan de luizen zien lopen. Het is wel gewenst om deze handeling snel te ver-
richten. Wanneer men dit in ccn langzaam tempo doet, kruipen de luizen
uit de splitsingsvlakten naar de diepere woldelen en ziet men niets. Vooral
het opsporen van dc nauwelijks zichtbare wolluis \\alt niet mee.

De klinische diagnose scabies wordt in onze Dien.st in vele ge\\allen ge-
controleerd door een micioscopisch onderzoek van een huidafkrabsel. Met
cen scherp lepeltje wordt een diep afkrabsel genomen aan de rand van een
korstige plek. Het afkrabsel wordt enige uren geweckt in een kaliloog-
oplossing en dan microscopisch bekeken,

Eén negatief preparaat geeft nog geen uitsluitsel. Het gebeurt wel, dat 10
preparaten nodig zijn om één ])arasict te ontdekken.

De therapie bestaat uit het wassen der dieren met een gechloreerde kool-
waterstof%erbinding. De o])lossing moet handwarm zijn. Het gehele dier,
behalve de kop, wordt 3 tot 10 minuten, afhankelijk van de dikte der kor-
sten, in een bad ondergedompeld,

lOe ervaring heeft geleerd dat toezicht daarop noodzakelijk is, anders wordt
meestal te kort gedompeld. Complicaties als gevolg van de wassing hebben
wij nooit gezien. Een enkele maal treedt wel eens een huidabces op, maar
dit geneest spontaan.

De wassing wordt na ongeveer veertien dagen herhaald. Deze herhaling
geschiedt ter meerdere zekerheid, maar mogelijk is een éénmalige wassing
ook voldoende. Een maand na de wassing zien we dat de korsten enkele
millimetei-s \\ an de huid afgedrukt z.ijn door de terugkomende wolgroei,

-ocr page 1225-

Foto 1: „een acuut gevolg van rotkreupel. . . ."
Foto 2: „. . . . en een gevorderd stadium".

-ocr page 1226- -ocr page 1227-

Foto 3: Een door schurft aangetast lam vertoont een bonte kleur.
Foto 4: Een liggend lam met schurftplekken.

-ocr page 1228- -ocr page 1229-

De jeuk is intussen verdwenen en de dieren beginnen weer te groeien.
Met de schurftmijten worden ook de luizen gedood.

In Noord-Holland kennen wij beroepsschapenwassers, die bij vele boeren de
schapen behandelen en zelfs preventief iedere zomer de dieren een wassing
geven. Het gaat hier dan meestal over door luizen aangetaste schapen, waar-
bij de wassing niet zo nauwkeurig behoeft te geschieden.
Daar voor de behandeling \\an de schapeschurft een veel nauwkeuriger
therapie moet worden toegepast, blijft het gewenst ten aanzien van deze
zeer besmettelijke ziekte de uiterste waakzaamheid te betrachten.

SAMENVATTING.

Na cen stukje geschiedenis met betrekking tot rotkreupel te hebben besproken, be-
lichtte de inleider de ziektbeelden, waarna hij kwam tot de behandeling van de ziekte.
Het besnijden van de aangetaste klauwen is van het allergrootste belang. De behan-
deling van cen koppel aangetaste dieren is een tijdrovende, lan.gdurige bezigheid, met
grote kans op recidive.

Spreker kwam tot de conclusie, dat niet het genezen de voornaamste doelstelling moet
zijn, maar het overreden van de schapenhouder om tot alg."hele afslachting van de
aangetaste koppel over te gaan. Hiermee kan, mits goede blokkerin.gsmaatregelen
worden genomen, worden gewacht tot hct gunstigste tijdstip voor de schapenhouder
is aangebroken.

Schapeschurft, een in de Veewet opgenomen besmettelijke veeziekte, kan de gehele
stapel aantasten. Er zijn twee gevaarlijke perioden; de tijd dat de weidelammcren
worden verhandeld, dus juni en juli, en het najaar, als de ram bij het koppel wordt
toegelaten.

De inleider besprak enkele praktijkervarin.gen en meende, dat de diagnose niet een-
voudig is tc stellen. Hij noemde de kenmerkende ziekteverschijnselen en toonde het
verschil aan met de schapcluis.

Tenslotte behandelde hij de therapie door middel van herhaalde zeer zorgvuldi.gc
wassin.gen. Zijn conclusie was dat hct gewenst is ten aanzien van deze zeer besmette-
lijke ziekte de uiterste waakzaamheid te blijven betrachten.
De lezing werd met talrijke kleurendia\'s toegelicht.

SUMMARY.

-A brief review of the history of conta.gious foot-rot was followed by a description of
the clinical pictures and a discussion of the methods used in treatment of the disease.
Paring the diseased hoof is of vital importance. Treatment of a flock of affected
animals is a time-consuming, lengthy job and recurrences are very likely to occur.
It was concluded that the main object should not be healing but persuading the
sheep farmer to slaughter the entire diseased flock. Provided adequate measures
are adopted to separate the infected from the healthy, this may bc delayed, however,
until the most opportune moment has come for the sheep farmer.
Sheep-scab, a disease of live-stock coming within the operation of the Live-Stock
Act, may affect the whole herd. There are two dangerous periods: that during which
grass-fed lambs are sold, i.e., June and July, and the autumn when the ram is
allowed access to the flock.

Some practical experiences were discussed and it was claimed that it is not easy to
establish the diagnosis. Characteristic symptoms were stated and the difference with
the .sheep lice was shown.

In conclusion, treatment by frequent very careful washin.g was discussed. It was
concluded that extreme watchfulness is advisable where this highly infectious
disease is concerned.

The paper read was illustrated by a large number of colour slides.

-ocr page 1230-

RÉSUMÉ.

Après un aperçu historique concernant le piétin, le conférencier décrivit les syn-
dromes, avant de traiter le mal même. La coupe des sabots affectés est dc la plus
.grande importance. Le traitement d\'un troupeau d\'animaux affectés est une occupa-
tion qui prer.d beaucoup dc temps, et offre une grande chance de récidive. Le con-
férencier prononça la conclusion que le but principal ne doit pas être de guérir,
mais de convaincre le propriétaire des moutons de faire entièrement abattre le trou-
peau affecté. Il est vrai qu\'on pourra attendre jusqu\'à ce que le moment le plus
Lvorable pour le propriétaire soit venu, pour\\\'u qu\'on prenne de bonnes mesures
de blocus.

La psore des moutons, une maladie formulée dans la Loi sur le Bétail, peut affecter
le troupeau entier. Il y a deux périodes dangereuses: l\'époque où les agneuax dc
prairie sont vendus, donc en juin ct en juillet, et l\'automne, lorsque le bélier est
admis dans le troupeau.

Le conférencier discuta quelques expériences de la pratique et était d\'avis que le
diagnostic n\'était pas simple. Il mentionna les symptômes caractéristiques et décrivit
la différence d\'avec le pou.

Il finit par traiter la thérapie au moyen de lavages très consciencieux répétés. Il con-
clut en disant qu\'il est désirable qu\'on observe la plus grande vigilance à l\'égard de
cette maladie extrêmement contagieuse.

La conférence était élucidée dc nombreuses diapositives en couleur.
ZUSAMMENFASSUNG.

Nachdem Sprecher erst über Fälle von Klauenseuche gesprochen hatte, erklärte er
die Krankheitsbilder und ging dann auf die Behandlung der Krankheit ein. Das
Beschneiden der erkranten Klauen ist von grösster Wichtigkeit. Die Behandlung einer
Koppel befallener Tiere ist eine zeitraubende, langwieri.ge Arbeit, mit der grossen
Chance von Rückfällen.

Sprccher kam zur Konklusion, dass nicht die Genesung der ci.gentliche Zweck sein
sollte, sondern die Überredungskunst, um den Schafhaltcr zum .Abschlachten der an-
getasteten Herde zu bewegen. Obschon hiermit, falls gute Blockienmgsmassrcgcln
getroffen werden, gewartet werden kann, bis der für den Schaflialter günstigste Zeit-
punkt angebrochen ist.

Schafräude, eine im Vichgcsctz afgcnoirunenc \\\'ichkrankhcit, kann die ganze Herde
befallen. Es gibt zwei gefährliche Perioden; die Zeit, in der die Weidelämmcr ver-
kauft werden, also Juni und Juli, und im Herbst, wenn der Widder zur Herde zuge-
lassen wird.

Sprecher erwähnte einige Erfahrungen aus der Praxis und meinte, dass das Stellen
der Diagnose nicht so einfach ist. Er nannte die kcnnzeichende Krankheitserschei-
nungen und wies den Unterschied mit der Schaflaus an.

Zum Schluss behandelte cr die Therapie mittels wiederholter, sehr sorgfältiger
Waschun.gen. Seine Konklusion war, dass es bezgl. dieser sehr ansteckenden Krank-
heit .gewünscht ist, stets die äusserste Wachsamkeit zu betrachten.
Der Vortrag wurde an Hand zahlreicher Farbdias erläutert.

DISCUSSIE naar aanleiding van de voordracht van de heei; v. d. Waal over rot-
kreupel en schurft bij schapen.

Opmerking Dr. H. H u i t c m a, Rotterdam:

Alleen een kieine opmerking. Ik herinner mc uit de tijd dat ik nog aan het abattoir
was, dat cr vrij vaak koppels schapen binnenkwamen met schurft, die dan v/el eens
niet tijdig werden ontdekt bij de zgn. levende keuring. Later bleek dan soms bij dc
keuring dat deze dieren gezwollen huidlymfklieren, speciaal de boegklieren en dc vang-
klieren, hadden en op deze wijze kon dan soms toch nog cen geval weer worden achter-
haald. Daar dit misschien niet algemeen bekend is, vind ik het prettig het hier tc
noemen.

-ocr page 1231-

Vraag: de heer J, E. H a g e, Purmerend.

Mijnheer de discussieleider, ik zou collega Van der Waal het volgende willen
vragen.

Wanneer raen als practicus in Noord-Holland door zijn praktijk rijdt, wordt men
regelmatig geconfronteerd met het feit, dat op vele boerderijen dc bewuste borden
staan: rotkreupel besmet terrein, schurft besmet terrein. Ik heb alle respect voor het
werk dat de opzichters doen. Vindt U het echter niet juister dat een opzichter, die
volgens de wet leek is, de betrokken dierenarts erbij haalt wanneer hij op een bepaald
bedrijf een koppel schapen verdenkt van rotkreupel of schurft, zodat wij, als pracdci,
ook weten op welke bedrijven er een besmettelijke veeziekte heerst volgens de Wet?
Antwoord van de heer Van der Waal:

Dit is, voor onze provincie althans, cen moeilijk probleem, omdat wij ontzaglijk
veel te maken hebben met rotkreupel en met schapeschurft. Het is niet altijd mogelijk
dat de inspecteur of de adjunct-inspecteur persoonlijk de diagnose gaat controleren.
Het is in de provincie zo, dat wij de opgave krijgen van de practicus, via eigen op-
sporing of via de gemeenten. De diagnose wordt door dc opzichter gesteld en — zoals
reeds opgemerkt — niet in alle gevallen door de inspecteur gecontroleerd.
Dc ervaring heeft geleerd dat dc opzichters wel een dermate grote kennis en ervaring
krijgen op dat terrein, dat zij de diagnose uitstekend kunn;n stellen, zonder dat wij
daar steeds bij behoeven te worden in.geschakeld. Een andere kwestie is en dat is
vermoedelijk Uw vraag: is het daarbij niet noodzakelijk dat van de zijde van de
Veeartsenijkundige Dienst de practicus op de hoogte wordt gesteld. Ik weet dat is
een calamiteit, die zich zo nu en dan wel eens voordoet, maar dit zou misschien via
mij een vraag zijn die naar de Directie van de Veeartsenijkundige Dienst kan worden
gespeeld, want dit is een algemene beleidszaak.
Discussieleider:

Dames en Heren, ik stel U voor dit lokale probleem in de kring Noord-Holland van
de dierenartsen nog eens .gezamenlijk te bespreken.

Vraag: Dr. L. H o e d c m a k e r, \'s-Gravenhage.

Mijnheer de discussieleider. Van de gelegenheid dat ik deze microfoon in de hand
heb, wil ik gebruik maken om in de eerste plaats dc Directeur van de Veeartsenij-
kundi.ge Dienst te danken voor de goede wens, uit.gesprokcn ten aanzien van cen
spoedig herstel van collega Van Waveren, de afdelin.gsdirecteur in Rotterdam.
Ik had cen paar opmerkin,gen en een vraag aan collega Van der Waal en dat is in
de eerste plaats dit: U zei straks, dat zullen dan wel crvaring:ffciten zijn. Ik kan er dus
ook moeilijk tegen ingaan in cen discussie, dat de practicus dikwijls de diagnose niet
kan stellen en dit aan de inspectie overlaat.

Zeer geachte inleider, ik meen hier toch bij deze boute uitspraak wel een opmerking
te moeten lanceren. Ik meen toch dat de practicus van 20 jaar geleden in Noord-
Holland dat kon en dat de practicus van heden dat ook nog wel zou kunnen en zeker
beter dan de opzichters van de Veeartsenijkundige Dienst. U hebt zojuist gesteld,
dat de opzichters een dermate grote kennis en ervaring krijgen, dat zij de dia.gnose
rotkreupel en schurft ook zonder controle van dc inspectie liunnen stellen, terwijl de
practici heel vaak het beeld niet kennen en de diagnose aan de in.spectie overlaten.
Verder zou ik U dit willen vra.gen. U sprak zojuist dat er in Noord-Holland op ver-
schillende plaatsen en op verschillende tijden stelselmatig schapen gewassen worden
door mensen wier beroep dit is. Ik heb echter nooit precies kunnen achterhalen
waarmee dc schapen worden gewassen. Zoudt U me hierover kunnen inlichten?

Antwoord van de heer Van der Waal:

In de eerste plaats heb ik gesteld dat een aantal practici het beeld niet kennen, ze
worden er doodeenvoudig niet mee geconfronteerd, ze worden er niet bij gevraagd.
Gebeurt het een enkele keer dat ze er wel bij gevraagd worden, dan staan ze voor
de moeilijke vraag: zijn het nu luizen of is het schurft. Dc ervaring is dan dat wij
van de practici een telefoontje krijgen met de vraag eens langs te komen om te

-ocr page 1232-

kijken of hier sprake is van schurft of luizen. Daar staat tegenover dat de opzichters
van onze dienst, die het hele jaar door — dag in dag uit — door de polders rijden,
de schapen behandelen, die lijden aan schurft en rotkreupcl cn opsporingswerkzaam-
heden doen, dit beeld heel goed kennen.

De beantwoording van de tweede vraag is: Zij gebruiken dezelfde geneesmiddelen
als wij, dat is sarcoptan en dit is bij de Wolfederatic in Alkmaar te krijgen. Wilt U
1 liter hebben dan krijgt U 1 liter, wilt U 100 liter hebben dan kunt U 100 liter
krijgen.

Discussieleider:

Dames en Heren, ik merk uit het geluid in de zaal dat het laatste woord hier in dc
privé-sfeer nog niet over is uitgesproken. Ik verzoek U om dat met collega Van der
Waal persoonlijk te doen. Ik wil, alvorens de leiding over te geven aan de Directeur
van dc Veeartsenijkundige Dienst, graag collega Karsemeijer nog gelegenheid geven
enkele woorden te zeggen.

-ocr page 1233-

Dankwoord.

door M. KARSEMEIJER1)
Mijnheer de discussieleider. Dames en Heren,

Ik voel mij gedrongen om namens de hier aanwezige dierenartsen een
woord van dank te spreken. De discussieleider heeft verzocht het vooral kort
te doen, blijkbaar heeft hij met mij nogal minder goede ervaringen, maar
daar zal ik me op het ogenblik niet in verdiepen.

Ik wil in de eerste plaats de discussieleider van harte een compliment maken
dat hij op zo keurige wijze deze \\oordrachten en discussies heeft getimed.
Verder - - het wordt misschien toch nog wel een klein beetje langer mijnheer
de discussieleider — moet ik zeggen dat ik heb gemerkt dat U over grote
diplomatieke gaven beschikt, want U weet precies op het juiste moment de
discussie te onderbreken. Ik wil U daarover wel mijn compliment maken.

Mijnheer de Directeur van de eeartsenijkundige Dienst,

U is in 1958 begonnen met het organiseren van deze Voorlichtingsdagen.
U weet, dat we er eerst een beetje tegenaan hebben gezien, of dit niet be-
lemmerend zou werken op het bezoek van de wetenschappelijke vergacle-
lingen van onze Maatschappij. Dit was voor U een experiment. Het is in
de loo]) der jaren wel gebleken dat dit getuigde van een vooruitziende blik,
want deze Voorlichtingsdagen van de Veeartsenijkundige Dienst hebben
wel bewezen in een behoefte te voorzien. Het karakter van deze Voor-
lichtingsdagen is dan ook geheel anders dan dat van de wetenschappelijke
vergaderingen van de Maatschappij cn ik wil U niet het compliment ont-
houden, dat U er zeer bijzonder in slaagt, door middel van korte voordrach-
ten, die versierd worden met dia\'s en projecties, dierenartsen een zeer aan-
trekkelijk menu aan te bieden. Het beste bewijs dat deze dagen zo goed sla-
gen is wel de zeer grote opkomst, want toen vanmorgen als het ware golven
veterinairen zich naar het Jaarbcursrcstaurant spoedden dacht ik: deze dag
wordt ongetwijfeld weer een succes.

U hebt, als Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst dc taak, te waken
over de gezondheidstoestand \\ an cle veestapel en de dierenartsen in Neder-
land zijn daarbij eigenlijk Uw medewerkers.

Dat U zich niet opsluit op Uw bureau en Uw taak niet administratief op-
vat, maar dat U geregeld contact wilt houden met, wat de Engelsen zo
typisch noemen „the fieldworkers", dat behoren de practici en de dieren-
artsen die in de keuringsdiensten werkzaam zijn en in cle onderzoeklabora-
toria te waarderen. Dat is wel een heel goede opvatting van Uw taak, die
U door middel van deze Voorlichtingsdagen in praktijk brengt.
Ik wil U dan ook namens alle dierenartsen, hier aanwezig, onze hartelijke
dank brengen en U vragen of U door wilt gaan met deze Voorlichtings-
dagen, omdat deze Voorlichtingsdagen door ons, Nederlandse dierenartsen,
op hoge prijs worden gesteld.
Ik dank U zeer.

1  M, Karsemeijer, Voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde, .Ambonstraat 12, Alphen a. d. Rijn.

-ocr page 1234-

Dankwoord.

door D. M. ZUIJDAM*)
Mijnheer de discussieleider. Dames en Heren,

Namens het College van Directeuren van de Gezondheidsdiensten voor
Dieren is het mij een behoefte U, mijnheer de Directeur van de Veeartsenij-
kundig Dienst, hartelijk dank te zeggen \\ oor de uitnodiging die wij hebben
gekregen cn voor de mogelijkheid om hier zo\\eel goede dingen te kunnen
beluisteren.

Het heeft mij getroffen, dat U ons vandaag een dis hebt voorgeschoteld, een
tafel met zoveel verschillende gerechten, waar toch zo ontzaglijk veel men-
sen naar toe komen. Ik bedoel dit, dat er zo\\-eel \\ erscheidenheicl aan onder-
werpen is geweest. En wat mij verder vooral frappeerde, was dit: dat de-
genen die de inleidingen hielden, zich zo sterk gebonden voelden aan het
onderwerp waaraan ze werkzaam zijn cn ik geloof dat dat één van de
grote waarden \\an het leven is.

Wij zitten nu eenmaal op twee verschillende stoelen en toch komen wij
altijd weer bij elkaar terug, want wij hebben elkaar nodig. Ik ben ervan
overtuigd, dat de Veeartsenijkundige Dienst de Gezondheidsdiensten nodig
heeft en omgekeerd, dat de Gezondheidsdiensten \\oor Dieren niet goed
zullen kunnen functioneren, wanneer cr niet een uitstekend apparaat naast
staat, bij staat zou ik liever willen zeggen, dat dan gevormd wordt door de
Veeartsenijkundige Dienst. En in het programma \\-an vandaag heeft hct me
bijzonder gefrappeerd, dat er weer enkele onderwerpen waren, die ons
beide aangaan: de enting van varkens tegen mond- en klauwzeer en de
wering van hct exotisch mond- en klauwzeer.

En dan, ik moet wel zeggen de uitstekende film o\\er varkens])est, waarbij
dan toch wel gebleken is dat hier Veeartsenijkundige Dienst en Gczond-
heidsdierrsten samen iets .goeds tot stand kunnen brengen. Ter informatie
van onszelf, van onze dierenartsen en ook van anderen, want ik stel me
voor dat deze film in den lande nog \\ eel zal worden \\ ertoond.
Het laatste deel van dc dag was uit de aard der zaak ook bijzonder geslaagd.
Ik heb er erg van genoten.

Kortom, ik wens U toe dat U na deze zesde dag, waaraan misschien de glans
\\ an de voorafgaande spanning, of hij zal slagen, op den duur wat gaat ont-
breken, nog vele malen de gelegenheid zult hebben zo\'n dag te organiseren
en dat de belangstelling onverflauwd zal zijn, met een programma van het-
zelfde hoge kwalitatieve karakter.

Dr. D. M. Zuijdam, Secretaris van de Gezondheidscommissie voor Dieren van
hct Landbouwschap; Raamweg 25, \'s-Gravenhagc.

-ocr page 1235-

Sluitingswoord.

door J. M. VAN DEN BORN1)
Dames en Heren,

Door U, collega Karsemeijer, is het gebruikelijke woord weer gesproken.
^Vij zitten elkaar werkelijk niet in de wielen, wij hebben elkaar veel te hard
nodig en mderdaad, het idee \\an de wetenschappelijke voorlichting is een
totaal ander dan verwacht wordt van Uw Maatschappij. Bedankt voor Uw
vriendelijke woorden.

Collega Zuijdam,

Inderdaad, wij hebben het weer eens gezegd: we hebben elkaar nodig. U
hebt gesproken o\\ er het laatste jaar, maar cr zit wel degelijk een grote ken-
tering in en ik geloof dat veterinaire wetenschap en veterinaire uitoefening
\\ an beroep ook in het organisatorische vlak steeds minder cen onderwerp
\\ an politiek gaan worden. Ik geloof dat dat ook niet juist is. Ik ben zeer er-
kentelijk voor hetgeen U heeft gezegd.

Dames en Heren,

U hebt uit het menu dat ik varnuorgen heb mogen aankondigen, thans ge-
nuttigd. En de vraag is wellicht gerezen, of dic menu\'s van de Veeartsenij-
kundige Diens;: niet te overladen zijn o]) deze Voorliciitingsdag en wordt er
in dic korte tijd niet tc\\eel o\\erhoop gehaald. Nu is het zo, dat we er bij
het opzetten \\an deze dagen bewust \\an zijn uitgegaan dat wij beslist geen
omvangrijke studies over bepaalde onderwerpen aan de orde stellen, maar
alleen wat actuele vraagstukken aanroeren, die in zo Ijreed mogelijke kring
van ons belangstelling ondervinden. Een programma dus waarbij zowel de
praktizcrende dierenartsen, als dierenartsen werkzaam op het gebied van de
vleeskeuring cn zij, die werkzaam zijn op \\cterinair-organisatorisch gebied,
iets van hun gading zouden kunnen vinden.

Natuurlijk leent elk der onderwerpen, dat \\andaag Iver is behandeld, zich
voor een beschouwing cn discussie, die uren cn tnen zouden kunnen duren.
Maar nogmaals, wij menen dat dit bij een andere gelegenheid moet gebeu-
ren. Tocli geloof ik na vandaag, dat het toch de moeite waard is om nog
weer eens heel nauwkeurig twee dingen na te gaan:

1. of het aantal onderwerpen dat wij aangesneden hebben niet te groot is;

2. of er voldoende tijd is voor discussie.

Want ik geloof ook, dat juist deze discussies en die vrijmoedige vragen een
van dc sausjes is, die een dag als deze niet kan missen.

liet is weer zo, dames en heren, dat wat hier vandaag is gedebuteert, binnen-
kort in extenso in cen extra nummer van het Tijdschrift voor Diergenees-
zal verschijnen en we zijn cle Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde en de redactie van het Tijdschrift bijzonder erkentelijk
dat deze gelegenheid ook nu weer zal bestaan. We zijn er van overtuigd, dat
hierin nog eens rustig gelezen zal worden wat vandaag aan de orde is ge-
weest en dat cr wellicht nog eens een nader antwoord k.an worden gevonden
o]) eventuele vragen, die vandaag niet aan de orde zijn geweest.
De conclusie over deze dag laat ik graag aan Uw eigen inzicht over. En

1  J. M. van den Born, Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst tevens Veterinair
Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid; le v. d. Boschstraat 4, \'s-Gravenhage.

-ocr page 1236-

mocht U bepaalde wensen hebben o\\er te behandelen onderwerpen, dan
zullen wij ze graag in overweging nemen voor een volgend jaar.
Ik dank de inleiders, die zich weer op voortreffelijke wijze van hun moei-
lijke taak hebben gekweten. Dat dankwoord is niet in de laatste plaats ook
tot U gericht, want een spreker kan zich pas dan ten volle ontplooien, wan-
neer hij zich verzekerd weet van een aandachtig, geïnteresseed gehoor. Dank
ook aan de discussieleider, die zich weer enkele malen onverbiddelijk heeft
moeten tonen, terwijl iedereen, en ik meen ook hijzelf, een interessante dis-
cussie graag zou hebben voortgezet.

Maar op een dag als deze is de klok een streng heerser, noodzakelijk om te
voorkomen dat U te laat naar huis terug zoudt moeten keren. Ik wil verder
een ieder danken die meegewerkt heeft om deze dag te doen slagen en wel
speciaal de afdeling Voorlichting van het Ministerie van Landbouw en de
mensen van onze administratie. Wij rekenen gaarne weer op U het \\olgend
jaar.

Dames en Heren, uit de film over varkenspest die U vanmorgen hebt ge-
zien, hebt U natuurlijk een voortreffelijke indruk gekregen van de deskun-
digheid van de dienst en een van haar beoefenaars, maar het is echt niet zo
dat we zo enthousiast zijn als in de film. - Ha, het is varkenspest — wordt
gesuggereerd. Integendeel.

Wellicht dat dit overigens zeer bruikbare filmpje op enkele onderdelen
wordt gecorrigeerd, alvorens het in de vrije circulatie komt.
Ik dank U allen voor Uw aanwezigheid, ik wens U een goede reis en wel
thuis.

S.AMENVATTING.

Spreker dankt de heren M. Karsemeijer en Dr. D. M. Zuijdain voor hun waarderende
woorden. Ook spreekt hij woorden van dank tot de inleiders en de discussieleider, die
zich weer enkele malen onverbiddelijk heeft moeten tonen.

Hij dankt tenslotte allen, die hun medewerking aan deze dag hebben verleend en alle
aanwezigen voor hun aandachtig en geïnteresseerd gehoor.

SUMMARY.

The speaker thanks Mr. M. Karscmcijer and Dr. D. M. Zuijdam for their appreciative
words. He also expresses his thanks to those who have read papcis and to the con-
ductor of the discussions, who was compelled to be inexorable again in some cases.
In conclusion, he thanks all those who gave their co-operation to this day and he also
thanks all those present for their close and interested attention.

RÉSUMÉ.

L\'orateur remercie Messieurs M. Karsemeijer ct le Dr. D. M. Zuijdam dc leurs paro-
les appréciatives. Il adresse également des paroles de rconnaissance aux conférenciers
ct au directeur des débats, qui dc nouveau à plusieurs reprises a dû se montrer in-
exorable.

Il finit par remercier tous ceux qui ont contribué à la Journée ct toutes les personnes
présentes de l\'intérêt et de l\'attenion dont elles ont suivi les conférences.

ZUS.AMMENFASSUNG.

Sprecher dankte den Herren M. Karsemeijer und Dr. D. M. Zuijdam für ihre an-
erkennende Worte. Auch richtete cr Dankesworte an die Vortragenden und den Dis-
kussionsleiter, der sich einige Male unerbittlich zeigen musste.

Schliesslich dankte er allen, die an dem Zustandekommen dieser Tagung ihre Mit-
arbeit zur Verfügung stellten und alle .Anwesenden für ihr aufmerksames Interesse.