-ocr page 1-

illLIOTHEEK
«ÜCSÜNIVERSITEIT
UT«6CHT

HOMINUM
AN/MAllUMQUl
54LUT\\

TIJDSCHRIFT

VOOR

DIERGENEESKUNDE

The Netherlands Journal of Veterinary Science

AFLEVERING 13 DEEL 91 1 JULI 1966

-ocr page 2-

TIJDSCHRIFT
VOOR

DIERGENEESKUNDE

Uitgave der Koninklijke Nederlandse Maatschappij

voor Diergeneeskunde

Verschijnt de le en 15e van de maand

Dr. E. H. KAMPELMACHER, Voorzitter
W. H. EENINK, Penningmeester

Dr. P. H. W. TACKEN
Prof. Dr. G. WAGENAAR
Prof. Dr. Th. STEGENGA
H. J. BREUKINK
Dr. W. A. DE HAAN
L. S. B. G. H. HARMSEN

Rubenslaan 123, Utrecht, tel. (030) 1 14 13 en 1 37 49

ƒ 60,— per jaar, voor het buitenland ƒ 65,— per jaar bij
vooruitbetaling

472075 ten name van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde,
Rubenslaan 123, Utrecht

Algemene Bank Nederland N.V., Janskerkhof 13, Utrecht

uISSISSm

Redactie
Leden

Redactiesecretaris
Redacteur|dierenarts
Bureau
Abonnementsprijs

Giro

Bank

a| Alle kopij dient getypt te worden.

hl Oorspronkelijke artikelen kunnen worden gepubliceerd in
het Nederlands, en in overleg met de Redactie in het
Engels, Frans of Duits, waarbij ze voorzien moeten zijn
van samenvattingen in de 4 genoemde talen, waaraan
Spaans kan worden toegevoegd.

De samenvattingen mogen elk niet langer dan 5% van het
artikel zijn.

Indien dit voor de auteur bezwaarlijk is kan de Redactie
voor de vertalingen zorgen.
cl Literatuurverwijzingen in de tekst dienen te bevatten de
naam, resp. de namen van de auteur(s) en, tussen haakjes,
het jaar van publikatie, bijv. MuÜigan and Da vi es
(1945). Indien meer dan één publikatie van een schrijver
uit een bepaald jaar wordt geciteerd, dit aanduiden door
gebruikmaking van het alfabet; bijv. Mulligan and
Da vi es (1945a, 1945b) enz. Aan het einde van het
artikel dienen de literatuurverwijzingen verwerkt te wor-
den tot een alfabetisch gerangschikte literatuurlijst die
dient te bevatten:

1. de naam van de auteur, resp. auteurs;

de volledige titel van het ardkel of boek waarnaar ver-
wezen wordt;

de duidelijk afgekorte naam van het tijdschrift, alsmede
de jaargang (onderstreept), de beginpagina van het
artikel en (tussen haakjes) het jaar van uitgifte.
Voorbeeld:

A n d e r s O n, J.: Some factors affecting the pH change in

buil semen. }. Agric. Sc., 37, 11, (1957).
Wester, J.: Orgaanziekten bij grote huisdieren. Utrecht,

(1935).

Aanwijzingen
voor de inzenders
van kopij

2.

3.

-ocr page 3-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

J. Hendriks, De invloed van aldosteron en antagonisten op de
minerale stofwisseling — The influence of aldosterone and its

antagonists on mineral metabolism —.......

Jac. Jansen en R. Wernmenhove, De immuniteit ruim een jaar
na enting tegen eendepest — The immunity, a good year after
vaccination against duck plague —

ƒ. C. L. Logger, J. C. Baars en J. M. V. M. Mouwen, Een geval
van aleukemische lymfoide leukose bij een varken — Aleukemic
lymphoid leukosis in a pig —

KLINISCHE LESSEN

W. H. Smits, Salmonella gallinarum-infectie (Kleinse ziekte) —
Salmonella gallinarum infection (fowl typhoid) _ .

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

E. J. S. Bron, Een nieuw ortopedisch klauwbeslag voor rundvee
— A new orthopedic shoeing for cattle _

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

Voedingsmiddelenhygiëne

Zootechniek ....

BOEKBESPREKING

Hans Georg Niemand, Arzneimittel-Synonyma .

INGEZONDEN

Dressuur II (H. Barrauj

Uitroeiing van frauduleuze dachtingen en verkoop van kadavers
en kadavervlees (A. W. M. Dogterom)

CONGRESSEN

Wereld Congres voor Dierlijke Voeding

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkund-,ge Dienst

838

842

854

862

864

865

866
867

868

870

871

872

872
875

876
876
880

883

884

DOORLOPENDE AGENDA

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE
Van het Bureau .
Van de Afdelingen
Van de Groepen .
Actualiteiten
Personalia

-ocr page 4-

anti-djarree

speciaal ontwikkëtd ^
voorkoming en beëtrijdlng —,
/var) diarree bij jonge

dbseerinjéktor w^iacborgt^. \'
efficiënté öfale toedfêning

■i :

^ -

ri.v.wemeaiö

erkoopkanloor voor diergeneeskundige produkten

valaan 63

732934 ^COFA^

produkt van:

koninklijke nederlandsche
gist- en spiritusfabriek n
.v

afdeling

mycofarm-dein

-ocr page 5-

De invloed van aldosteron en anfagonisten op de
minerale stofwisseling

The influence of aldosterone and its antagonists on
mineral metabolism

I. Literatuuroverzicht

I. Review of Literature

door H. J. HENDRIKS1)

Uit het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie der
Rijksuniversiteit te Utrecht.

Inleiding

Het bijnierschorshormoon aldosteron, dat specifiek op de stofwisseling van
natrium en andere elektrolyten werkt, staat reeds meer dan 10 jaar in
het middelpunt van de belangstelling, die gericht is op de humane kliniek.
In verband met het feit, dat bij de pathogenese en therapie van een aantal
dierziekten deze verbinding ook in de veterinaire wereld steeds meer be-
langstelling trekt, is dit overzicht samengesteld.

Gezien het zeer grote aantal publikaties — in 1961 volgens Siegen-
t h a 1 e r reeds meer dan 500 — is er geen poging gedaan om alle aspecten
van het aldosteronvraagstuk uitputtend te behandelen.
In volgende publikaties van deze reeks zal een overzicht gegeven worden
van de proeven, die op het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Che-
mie genomen zijn met aldosteron en één van zijn remmers (Metopiron) bij
melkgevende koeien.

Door de bijnieren worden in de schors een aantal hormonen geproduceerd,
die op de stofwisseling een grote invloed hebben. .41 deze hormonen hebben
een steroïdstructuur, zoals bijv. ook cholesterol en de hormonen der ge-
slachtsklieren.

De bijnierschorshormonen kan men ruwweg in 3 groepen indelen:

1. de mineralocorticoïden (o.a. aldosteron), die de minerale stofwis-
seling beïnvloeden;

2. de glucocorticoïden, die voornamelijk op de koolhydraatstofwisse-
ling werken;

3. de geslachtshormonen.

Reeds lang is bekend, dat verwijdering der bijnieren tot de dood leidt,
zowel bij de mens als bij het dier. Een van de fenomenen is hierbij, dat de
concentratie van natrium in het bloed daalt en die van kalium stijgt. Door
toediening van vrij grote doses keukenzout kunnen proefdieren en mensen
na bijnierexstirpatie in leven gehouden worden. Ook toediening van bij-
nierschorsextracten had in een aantal gevallen succes.

Bij fractionering van deze extracten bleef een amorfe fractie over, die de

verhoogde natriumuitscheiding na het wegnemen der bijnieren bleek te

elimineren. De verbinding, die dit effect veroorzaakte, aldosteron, werd

door Grundy en Simpson (1952) geïsoleerd.

Voor de structuurformule vewijzen we naar fig. 1.

Aldosteron wordt voornamelijk gesyntheti.seerd in de zona glomerulosa.

1  Dr. H. J. Hendriks; wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 6-

fig. 1 structuurformule van aldosteron pregneen -11 p. 21- diol -
3.20-dion-m-al ) in evenwicht mei de half acetaalvorm.

Bij de mens ligt de grootte-orde van de produktie in de buurt van 50-300
/xg (1/ig = 0.001 mg) per dag. Onder bepaalde omstandigheden kan de
produktie veel groter zijn. Volgens W r i g h t (1962) was in zijn proeven
bij schapen de aldosteronsynthese ca. 12 /xg per etmaal. Over de produktie
bij runderen zijn, voor zover bekend, geen gegevens in de literatuur voor-
handen.

Voorts dient nog vermeld te worden, dat de bijnier het enige orgaan is, dat
aldosteron synthetiseert.

In het bloed komt het hormoon voor in een concentratie van 15 ng% (1
nanogram = lO"^ deel van een milligram); in bloedplasma is de concen-
tratie 30 ng%. Aldosteron komt in het bloed voor in 2 vormen, nl. als het
vrije actieve hormoon en als het aan glucuronzuur geconjugeerde tetrahy-
droaldosteron. (Weisberg, 1962).

Regulering

De wijze van regulering van de aldosteronsecretie is, ondanks veel weten-
schappelijk werk, nog steeds niet geheel opgehelderd. Zeer veel invloeden
van allerlei aard zijn beschreven. Een samenvatting volgt hieronder. Overi-
gens is het wel duidelijk, dat de zona glomerulosa in zekere zin autonoom
is.

Na verwijdering van de hypofyse bij proefdieren daalt de aldosteronsyn-
these. Hieruit is geconcludeerd, dat de hypofyse en wel het ACTH de aldos-
teronsecretie zou beïnvloeden. De Graeff en medewerkers (1959)
vonden, dat exogeen toegevoerde ACTH de hoeveelheid geproduceerd al-
dosteron doet toenemen, mits er een zoutvrij dieet gegeven werd. Indien
het voedsel zoutrijk is, dan heeft ACTH geen invloed.
Door de nier kan, onder bepaalde omstandigheden, een enzym, het renine,
gevormd worden. Door inwerking van renine op de op zichzelf inactieve
a2-giobulinefractie van de bloedeiwitten ontstaat het angiotensine II, een
polypeptide met acht aminozuren (Peart, 1956; Skeggs c.s., 1956;
Ellioten Peart, 1956, 1957).

Door Rocha e Silva (1963) zijn de weefselhormonen, als het ge-
noemde angiotensine, kinines genoemd. Deze kinines beïnvloeden de gladde
spier en zij zijn vasoactief. Zij kunnen zowel hypertensie als hypotensie ver-
oorzaken, naar gelang de aard van de verbinding. Het angiotensine II
veroorzaakt verhoogde bloeddruk.

-ocr page 7-

Als men proefdieren langdurende infusen van angiotensine II geeft, dan
ontstaat er een verhoogde produktie van aldosteron. Zelfs bij doseringen,
die nog geen verhoogde bloeddruk veroorzaken is een significante stijging
van de aldosteronsecretie waargenomen. Bijzonder interessant werk over
dit effect is gedaan door D a v i s (1961, 1964) en ook door L a r a g h en
medewerkers (1960, 1964).

Volgens de laatste groep auteurs zou er een nier-bijnierschorsrelatie be-
staan, die zorg draagt voor de handhaving van een normale natriumbalans
en normale bloeddruk. Hierbij dient echter opgemerkt te worden, dat het
voorkomen van deze relatie niet alle feiten kan verklaren, zoals bijv. de
invloed van de hoeveelheid kalium in het bloed op de aldosteronproduktie
(zie later). In een zeer recent overzichtsartikel van Brunner en Hed-
wall (1965) komen deze auteurs tot de conclusie, dat het renine-angio-
tensinesysteem betrokken is bij de regulering van de nierfunktie via de
nierdoorbloeding. In een recente publikatie hebben Marieb en Mul-
row (1965) de resultaten van hun onderzoekingen met ratten medege-
deeld. Zij vonden bij natriumdeficiënte dieren, dat het renine-angiotensine-
systeem de aldosteronproduktie niet stimuleert (zie ook Genest, 1964).
Binnion en medewerkers (1965) kwamen echter tot de conclusie, dat
bij natriumdepletie een venneerderde activiteit van het renine-angioten-
sinesysteem leidt tot hyperaldosteronisme. De hypofyse zou een ondersteu-
nende rol spelen.

Een geheel andere wijze van regulering is gevonden door Bartter en
medewerkers (1956, 1959, 1960, 1962). Deze groep onderzoekers vond, dat
veranderingen van het bloedvolume een adequate prikkel zijn voor de
secretie van aldosteron. Een vergroot bloedvolume geeft aanleiding tot een
verminderde secretie, hemocoricentratie geeft aanleiding tot verhoogde se-
cretie. De natriumconcentratie van het bloedplasma is slechts in zoverre
belangrijk dat deze het bloedvolume beïnvloedt.

Later beschouwt Bartter het verband tussen het bloedvolume en het
natriumgehalte van het bloedplasma als een systeem van terugkoppehng,
waarbij zowel aldosteron als het anti-diuretisch hormoon betrokken zijn,
wat de instandhouding van het osmotisch evenwicht betreft. Een verhoging
van de aldosteronsecretie zou op gang gebracht worden door receptoren in
het gebied van de art. carotis communis in de buurt van de oorsprong van
de thyroïdarteriën. Comprimeert men een arteria carotis perifeer van deze
oorsprong dan wordt de aldosteronsecretie verhoogd. Deze verhoging komt
niet tot stand als het betrokken gebied gedenerveerd wordt. Deze recep-
toren werken onafhankelijk van de pressoreceptoren van de sinus caroticus.
Impulsen, die door de receptoren in de venae cavae of atria worden ont-
vangen, zouden leiden tot een vermindering van de aldosteronsecretie.
Gann en medewerkers (1962, 1964) hebben aangetoond, dat verande-
ringen in de hoeveelheid lichaamskalium bij mensen de secretie van aldos-
teron kan beïnvloeden, onafhankelijk van wijzigingen in de hoeveelheid
lichaamsnatrium of in het bloedvolume. Kaliumdepletie verminderde en
kaliumrepletie vermeerderde de produktie van aldosteron. De auteurs
nemen op grond van hun resultaten aan, dat door de verandering van de
kaliumconcentratie in het bloed een intracraniaal centrum wordt beïn-
vloed, welk centrum de aldosteronsecretie reguleert, waarschijnlijk door
een ander mechanisme dan door vermeerderde secretie van ACTH.

-ocr page 8-

W right (1962) maakte gewag van een methode om een bijnier bij
schapen te transplanteren in de nek. Zij brachtten autoplastisch een bij-
nier aan tussen de arteria carotis en de vena jugularis door middel van
bloedvatverbindingen. De andere bijnier werd weggenomen. De aldus be-
handelde schapen hadden geen substitutietherapie van hormonen nodig.
Uit deze proeven blijkt, dat van een regulering van de aldosteronsecretie
via zenuwbanen geen sprake is.

Vergelijkend biochemisch is het interessant, dat de houding van de mens
belangrijk is voor de aldosteronsynthese. Siegenthaler (1961) ver-
meldt in zijn overzicht, dat bij een vertikale positie van het lichaam de
aldosteronsecretie verhoogd is en bij een horizontale positie de uitscheiding
verlaagd. Dit zou het resultaat kunnen zijn van veranderingen in de bloed-
verdeling over het lichaam.

Biologbche effecten

Deze effecten zijn min of meer theoretisch te verdelen in renale effecten
en extra-renale effecten. Daar de invloed op de nierfysiologie en -bioche-
mie het eerst ontdekt werd en daar deze invloed zo groot is, stonden de
renale effecten van aldosteron gedurende lange tijd op de voorgrond. Pas
in de laatste jaren is meer bekend geworden over de extra-renale effecten.
Het belangrijkste renale effect is wel het natrium-retinerend vermogen
(Simpson e.m., 1953 en 1955; Gross, 1956, 1961; G r o s s en L i c h t-
len, 1958; Peters, 1960). Hierbij dient opgemerkt te worden, dat de
bijnier overigens slechts weinig bijdraagt tot de instandhouding van de
hoeveelheid natrium in het lichaam. Bijnierloze proefdieren zijn nl. in staat
om ongeveer 98% van het natrium uit de primaire urine te resorberen, bij
normale dieren is dit ongeveer 99.9%. Aldosteron is dus verantwoordelijk
voor de resorptie van ongeveer 2% van de hoeveelheid natrium uit het
nierglomerulusfiltraat. Voorts heeft het aldosteron nog invloed op de ka-
liumstofwisseling. Het effect is echter zeer wisselend. Niet zelden is het
snel voorbijgaand en in ieder geval minder duidelijk dan het effect op
de natriumstofwisseling.

Volgens de heersende mening wordt in het begin van de distale tubuli
het natrium uitgewisseld tegen waterstofioncn en in het meer distaal ge-
legen deel van deze tubuli tegen kaUum. Hierdoor wordt verklaard, dat
de natriumretentie en kaliumuitscheiding niet parallel verlopen.
Mills (1964a, 1964b) kwam mede op grond van de resultaten van de
proeven van Wardener c.s. (1961) tot de conclusie, dat er mogelijk
ook een ander mechanisme is dan aldosteron, dat de natriumexcretie door
de nier reguleert. Hij denkt hierbij aan een hormoon, dat gevormd wordt
in het zgn. juxtaglomerulaire apparaat van hetzelfde nefron. De synthese
van dit hormoon zou beïnvloed worden door de arteriële bloeddruk en
een hormoon, dat gesynthetiseerd wordt door het zgn. „ehest mechanism".
Vóór de ontdekking van aldosteron was het enige bekende bijnierschors-
hormoon, dat een grote invloed had op de stofwisseling van elektrolyten het
11-desoxycorticosteron (cortexon). In de therapie werd het gebruikt in de
vorm van het acetaat-ester (DOCA). Per gewichtseenheid is het aldoste-
ron veel meer actief. Hoeveel meer actief aldosteron is, is nog geen uitge-
maakte zaak. Simpson c.s. (1954) vonden, dat aldosteron 25-50 maal
zo actief was als DOCA; Prunty c.s. (1964) vonden een faktor 10, en
Mach c.s. (1955) vond een faktor 70.

-ocr page 9-

Zoals bekend is heeft het glucocorticoid Cortisol, naast een invloed op de
koolhydraatstofwisseling, ook een invloed op de stofwissehng van elektro-
lyten. BartterenFourman (1962) hebben aangetoond, dat er wat
de biologische functies van aldosteron en Cortisol op de minerale stofv^dsse-
ling betreft, aanzienlijke kwalitatieve verschillen zijn.
In hetzelfde jaar vergeleken Mills en medewerkers (1961) eveneens de
invloeden van aldosteron en Cortisol. Zij bevestigden, dat het natrium uit
de primaire urine door aldosteron, in combinatie met chloorionen, wordt
uitgewisseld tegen kalium- en waterstofionen. Cortisol zou speciaal de na-
trium-kaliumstofwisseling begunstigen.

Een belangrijk aspect van de invloed van aldosteron op de nier is het feit,
dat het geruime tijd duurt vóór er een effect op de minerale samenstelling
\\\'an de urine geconstateerd kan worden (B arger c.s., 1958; Ross c.s.
1959). Door Dingman werd in 1958 gevonden, dat de latentietijd wel
6 uur kan bedragen.

.\\ldosteron is niet alleen fysiologisch-biochemisch, maar ook pathologisch-
chemisch een interessante stof.

Door een groot aantal onderzoekers is waargenomen, dat bij sommige vor-
men van hypertensie de aldosteronproduktie met 50% verhoogd kan zijn.
Voor een uitgebreide literatuuropgave vei-wijzen wij naar Ross (1959).
Overigens is het verband tussen aldosteron en hypertensie nog onduidelijk.
Bij verhoogde bloeddruk als gevolg van een unilaterale stenose van de
nierarterie wordt een verhoogde produktie en excretie van aldosteron waar-
genomen. De vraag blijft echter bestaan of deze verhoogde excretie het
gevolg, of de oorzaak is van de hypertensie.

Hierboven is reeds het verband tussen angiotensine en aldosteronsecretie
beschreven. Laragh (1964) veronderstelt nu, dat renale ischemic, een
bekende stimulans van de angiotensineproduktie, oorzaak is van een ver-
hoogde aldosteronproduktie

Door de Amerikaanse endocrinoloog Conn werd in 1949 reeds voorspeld,
dat sommige pathologische toestanden, waarvan de Pathogenese toen nog
niet vaststond, teruggevoerd zouden kunnen worden op een verhoogde acti-
viteit van desoxycorticosteron-achtige stoffen uit de bijnierschors. „It is
predicted that some pathological conditions not yet linked to the adrenal
cortex will be found to be associated with a preponderant activity of the
desoxy-like corticosteroids." (Overgenomen uit
Het Hormoon 13, 69
(1959)).

Inderdaad werd later de voorspelde afwijking gevonden, die het „syndroom
\\\'an Conn" of „primair aldosteronisme" is genoemd. Bij dit syndroom
bleek de aetiologische faktor dan ook een verhoogde aldosteronsecretie te
zijn. Deze vergroting wordt als regel veroorzaakt door een adenoom of
carcinoom van de bijnierschors, (zie ook Rogers, 1961 en C o n n, 1955).
De klinische verschijnselen zijn hypertensie en veranderingen in het elek-
trocardiogram, wijzend op een kaliumdepletie van het myocard. Deze ka-
liumverarming treft ook de skeletspieren. Door het voortdurende kalium-
verlies met de urine ontstaat een verminderde resorptie van water, het-
geen leidt tot polyurie en polydipsie. Door de sterk verhoogde kalium-
diurese ontstaat op den duur verminderde uitscheiding van zuren. Soms
bevat de urine spoortjes eiwit. Het bloedplasma bevat, zoals te verwachten
is te weinig kalium, terwijl het natriumgehalte als regel onder de boven-

-ocr page 10-

grens van de normale variatiebreedte blijft. Soms wordt een matige alkalose
gevonden.

Secundair aldosteronisme ontstaat acuut na bloedverlies of chronisch bij
nefrose en levercirrose. De verhoging van de aldosteronproduktie wordt
wel gezien als een compensatie. Na genezing van het oorspronkelijk lijden
wordt de aldosteronproduktie weer normaal.

Bij sommige pathologische toestanden bij mensen worden soms dagelijkse
doses van 3 mg aldosteron gebruikt, d.i. vele malen meer dan de normale
dagproduktie. De toediening resulteert in een retentie van natrium, maar
deze neemt, zelfs bij voortdurende toevoer van aldosteron, weer af („escape
phenomenon"). Hetzelfde werd eerder ook waargenomen na toediening
van DOGA. Het fenomeen is uitvoerig bestudeerd door August, N e 1-
sonenThorn (1958).

De extra-renale effecten van aldosteron zijn minder scherp omschreven
dan de renale effecten. Toediening van aldosteron resulteert in een ver-
laging van de hoeveelheid natrium in de faeces, tegelijkertijd zou de hoe-
veelheid kalium enigszins verhoogd zijn. Ook heeft aldosteron invloed op
de concentratie van elektrolyten in zweet (McConahay, 1964) en
speeksel (S i m p s o n en T a i t, 1955). Bl air-W est c.s. (1963) vonden,
dat geïnjiceerd aldosteron hetzelfde effect had als het endogene hormoon.
Proeven met schapen toonden o.a. aan, dat de samenstelling van het
speeksel uit de parotisklier van een schaap van 30 kg, dat voeder kreeg met
weinig natrium, reeds veranderde als 1-2 /ig aldosteron per uur gegeven
werd. Volgens Dobson (1963) is de verhouding Na : K in het speeksel
een maat voor de aldosteronproduktie.

Frens (1965) heeft er in zijn rede, uitgesproken ter gelegenheid van de
aanvaarding van het ambt van hoogleraar te Wageningen, op gewezen,
dat aldosteron natrium kan onttrekken aan de zg. rumino-salivale natrium-
kringloop bij de herkauwers. Deze kringloop vormt een mobiele voorraad
natrium. Deze beweegt zich van de voormagen via het bloed naar de
speekselklieren en vandaar weer terug (als natriumbicarbonaat) naar de
voormagen. Door de grote hoeveelheid natrium in de voormagen is de
mobiele voorraad natrium groot. Frens stelde, dat wanneer een natrium-
tekort zou ontstaan er meer aldosteron geproduceerd wordt. Niet alleen
wordt dan meer natrium uit het glomerulusfiltraat geresorbeerd, maar ook
daalt het natriumgehalte van het speeksel, terwijl de kaliumconcentratie
stijgt. Door deze stijging blijft het bufferend vermogen van het speeksel
ongeveer constant, terwijl tegelijkertijd natrium beschikbaar komt voor
verschillende fysiologische-biochemische processen. Verschijnselen van na-
triumdeficiëntie zullen dan ook dan pas ontstaan, als de voorraad kring-
loop-natrium uitgeput is. Dit kan dan een verklaring geven van het feit,
dat bij natriumdeficiëntie gebreksverschijnselen bij herkauwers pas na lange
tijd zullen optreden (zie K e m p, 1955).

Antagonisten

Op grond van het feit, dat verhoogde aldosteronsecretie een grote invloed
heeft op de gezondheid van mens en dier behoeft het geen verwondering
te wekken, dat er gezocht is naar verbindingen, die óf de synthese óf
het effect van het hormoon op de periferie remmen of wegnemen.
Reeds in 1955 werd door L a n d a u en medewerkers aangetoond, dat

-ocr page 11-

progesteron in staat is om het natriumretinerend effect van desoxycor-
ticosteron op te heffen. (Volgens C o u v r i e r c.s. (1959), heeft aldosteron
geen progestatieve werking in tegenstelling tot desoxycorücosteron).
Koczorek (1960) toonde aan, dat progesteron alleen een effect heeft
als aldosteron aanwezig is. Aan CellaenKagawa (1957) en K a g a-
wa (1957) is het gelukt om een aantal antagonisten van aldosteron te
synthetiseren. Vanuit chemisch standpunt gezien zijn dit y-lactonen van
steroïden.

In de hteratuur wordt de hele groep spirolactonen genoemd. De spirolac-
tonen zijn niet werkzaam als er geen aldosteron door de bijnieren wordt
geproduceerd. (Davidson c.s., 1960; Farmer en Fetch, 1961).
Zij hebben geen invloed op de koolhydraatstofwisseling en op het aantal
circulerende eosinofiele leucocyten. De werking van deze groep verbin-
dingen is perifeer, m.a.w. zij nemen het renale en extra-renale effect van
aldosteron weg of remmen dit (L o s e r t en medewerkers, 1964). De stof-
wisseling van aldosteron wordt niet beïnvloed (Davidson c.s., 1960,
1961).

Door de firma G. D. Searle en Co, Chicago, (Illinois, U.S.A.) zijn ver-
schillende spirolactonen gesynthetiseerd en getest. In 1961 was blijkens me-
dedelingen van Muller en andere onderzoekers alleen het Aldactone A
(codenummer SC 9420) geschikt voor oraal gebruik. In Nederland wordt
deze verbinding in de humane kliniek nog steeds gebruikt ondanks enkele
nevenwerkingen.

Voor een literatuuroverzicht verwijzen wij naar Muller (1961), L o-
sert c.s. (1964), Wiggins c.s. (1959)\'en Siegenthaler (1961).

Een veel belovend perifeer effect van een nieuwe aldosteronantagonist, af-
geleid van progesteron (geen y-lacton) is beschreven door de medewerker
van Searle en Co, K a g a w a (1964). Deze verbinding (codenr. SC-11835)
bleek een werkzame remmer van aldosteron te zijn. In bijnierloze dieren
draait deze stof het effect op de natriumretentie en kaliumuitscheiding
van aldosteron om, evenals de spirolactonen en progesteron. Uit kwanti-
tatief oogpunt gezien is CS-11835 ongeveer even potent als de spirolac-
tonen (oraal en peroraal gegeven) en enkele malen meer actief dan pro-
gesteron.

Kagawa neemt aan dat SC-11835 aangrijpt in de nier. Dat de verbin-
ding bij bijnierloze dieren ten dele als aldosteron werkt zou een aanwijzing
kunnen zijn voor het feit, dat deze stof de actieve plaatsen, preferent t.o.v.
aldosteron, bezet en blokkeert.

Een op een geheel andere wijze functionerende verbinding is het Metopi-
ron, ontwikkeld door Ciba .AG, Basel (Zwitserland).

Het effect van dit adrenocorticostaticum bestaat hierin, dat het de llyS-
hydroxylering aan het steroidskelet bij de synthese van aldosteron remt.
Behalve aldosteron hebben ook Cortisol en corticosteron een 11/8-OH-groep,
zodat Metopiron de synthese van deze hormonen ook remt. Wanneer, als
gevolg van toediening van Metopiron de hoeveelheid
Cortisol in het bloed
daalt, dan zal er meer ACTH gevormd worden (terugkoppelingsmecha-
nisme), indien de hypofyse hiertoe ten minste functioneel in staat is (zie
ook H
O 1 m d a h 1, 1965). Door de grotere hoeveelheid ACTH wordt de
bijnier gestimuleerd.

Deze stimulering gaat niet verder dan de vorming van de hormoonpre-

-ocr page 12-

cursors 11-desoxycortisol (substantie S) en 11-desoxycorticosteron (cor-
texon). Na toediening van Metopiron vindt men deze stoffen of afbraak-
produkten in verhoogde hoeveelheid in bloed en urine. Beide genoemde
verbindingen hebben op zichzelf een tamelijk sterk natriumretinerend ver-
mogen. Geeft men naast Metopiron ook verbindingen, die de ACTH-pro-
duktie remmen (cortisol, prednison of dexamethason) dan zal uiteraard
geen synthese plaats vinden van substantie S en cortexon. Daar ook de
aldosteron-produktie geremd is, zal dit resulteren in een gestegen uitschei-
ding van natrium met de urine. Fig. 2 geeft een overzicht van het wer-
kingsmechanisme van de besproken remmers van aldosteron en ACTH.
Het is enigszins gewijzigd overgenomen uit Gross (1961).

effect van aldosteron
wordt geremd door
spirolactonen of
SC-11835

fig 2 Werkingsmect)anisme van t^etopiron

Zoals reeds eerder is medegedeeld bestaan er toestanden van hypertensie
en ook van oedemen, waarbij de aldosteronproduktie verhoogd is. Uit het
bovenstaande is duidelijk, dat de natriumdiurese bevorderd wordt door én
Metopiron én een hypofyseremmer te geven. Door tegelijkertijd een sali-
diureticum te geven wordt de werking van de twee eerst genoemde thera-
peutica nog aanzienlijk versterkt.

Metopiron kan ook gebruikt worden om na te gaan of er een hypofysevoor-
kwab-insufficiëntie bestaat, wat de ACTH-produktie betreft. Bij deze test
geeft men Metopiron en bepaalt de hoeveelheid substantie S. Is deze ver-
groot (ca. verdubbeld) dan kan aangenomen worden, dat de hypofysevoor-
kwab normal functioneert. Wordt de verhoging niet gevonden, dan dient
eerst gecontroleerd te worden of de bijnierschors gevoelig is voor ACTH
(„Thorn-test").

-ocr page 13-

SAMENVATTING.

Als inleiding tot een verslag van eigen werk zijn de chemie en farmacologie van
aldosteron en aldosteronantagonisten beschreven. (Een literatuurlijst is op verzoek bij
de auteur te verkrijgen).

SUMMARY.

As an introduction to a report of own work, the chemistry and pharmacology of
aldosterone and its antagonists are reviewed. (On request a list of the literature can
be obtained from the author).

RÉSUMÉ.

L\'auteur donne une introduction aux recherches expérimentales sur la chimie et la
pharmacologie de l\'aldostérone et les antagonistes. (.A désir on peut obtenir une liste
de la litérature de l\'auteur).

ZUSAMMENFASSUNG.

Als eine Einleitung zu weiteren experimentellen Arbeiten sind die Chemie und
Pharmakologie von Aldosteron und Aldosteronantagonisten beschrieben worden. (Ein
Literaturverzeichnis kann auf Wunsch vom Schriftsteller bekommen werden).

RESUMEN.

Como introduccion a la relacion de su proprio trabajo, la quimica y la farmacologia
de aldosterona y de aldosteronantagonistas estan descritas. Se puede suplicar una lista
de la literatura al autor.

-ocr page 14-

De immunifeit ruim een jaar na enting tegen
eendepest

The immunity, a good year after vaccination against
duck plague

door JAC. JANSEN1) en R. WEMMENHOVE2)

Uit het Instituut voor Veterinaire Virulogie der Rijksuniversi-
teit te Utrecht.

Inleiding

December 1965 werd ons door een pracdcus het volgende probleem voor-
gelegd:

In 1964 heeft eendepest geheerst op een aantal fok- en mestbedrijven
(Khaki Campbell en Witte Peking eenden).

De ziekte werd per bedrijf spoedig na het uitbreken ervan tot stilstand
gebracht door de intramusculaire enting met het aan het kippeëi aan-
gepaste, avirulent geworden eendepestvirus. Er werden in totaal onge-
veer 200.000 eenden gevaccineerd; de resultaten waren niet alleen zeer
gunstig wat betreft het snel bedwongen worden der ziekte, doch boven-
dien werden totaal geen nadelige gevolgen gezien, de eiproduktie bleef
ongestoord.

Eind 1965 deed zich op één bedrijf opnieuw eendepest voor onder jonge,
enkele weken tot enkele maanden oude eendjes, die nog nooit geënt
waren. Direct werd tot enting van deze eendjes overgegaan; onder de
in 1964 geënte eenden deed de ziekte zich eind 1965 niet voor, doch
wel rees de vraag of deze eenden (ongeveer 80.000) al dan niet op-
nieuw geënt zouden moeten worden.
Gezien onze laboratoriumervaringen vermoedden wij dat deze oude eenden
nog wel immuun zouden zijn; toch leek het ons gewenst dit met zekerheid
vast te stellen. Wij hebben daartoe een aantal eenden opgevraagd van
een bedrijf waar de ziekte niet geheerst had, doch waar wel geënt was.
Wij ontvingen 12 witte Peking eenden en 5 Khaki Campbell eenden, waar-
bij de enting 12 tot 14 maanden geleden verricht was.

Het onderzoek

Het onderzoek bestond uit 2 delen:

a. zijn er specifieke immuunstoffen bij de 12 a 14 maanden geleden ge-
ente eenden in het bloedserum aantoonbaar?

b. zijn de eenden immuun tegen een opzettelijke besmetting die voor
ongeënte eenden dodelijk is?

a. Het bloedsenunonderzoek

Van zes van onze eigen, nimmer met eendepestvirus in aanraking geweest
zijnde Khaki Campbell eenden, van 5 naar ons opgezonden Khaki Camp-

1  Prof. Dr. Jac. Jansen; hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Biltstraat
168, Utrecht.

-ocr page 15-

bells en van 12 naar ons opgezonden witte Peking eenden, werd een
bloedserummonster gewonnen.

Met deze sera werd, per monster, de serumneutralisade (S.N.)-reactie uit-
gevoerd op de chorio-allantois van 6, tien dagen bebroede, kippeëieren.
Elke groep van 6 eieren werd geënt met een mengsel bestaande uit 1 cm^
eendeserum, 0,1 cm3 van een 1% standaardvirussuspensie en 0,1 cm^ van
een penicilline-streptomycine oplossing. Een controle-groep van 6 kippe-
eieren werd geënt met 1 cm^ van een bekend negatief eendeserum waar-
aan dezelfde hoeveelheden virus en antibiotica aan toegevoegd waren. De
embryonen in deze 6 controle-eieren stierven alle tussen 2 en 3 maal 24
uur na de eibesmetting.

Voor een eierengroep die de controlegroep 24 a 48 uur overleefde werd
de neutraliserende waarde van het serum aangeduid met -f-; gold deze
overlevingsduur slechts voor een deel der eieren dan werd dit aangeduid
met (-I-). Een overleving van 48—72 uur met -)- aangeduid worden,
een overleving van meer dan 72 uur met -l-.
De uitslag van het onderzoek der in totaal 23 sera was:

6 ongeënte controle Khaki Campbell eenden: 6 x —

5 geënte Khaki Campbell eenden: 1 x

1 X ( )

3 x —

12 geënte Witte Peking eenden: 1 x -i-

1 X
6 X (-h)

4 X —

-ocr page 16-

instituut, dat niet over hetzelfde visrijke voedsel beschikte als v^raaraan ze
gewend waren, was de eetlust reeds direct na aankomst miniem. Op de
namiddag van de derde dag leken enkele controle eenden lichtschuw en
\'s avonds 10 uur waren 4 van de 6 duidelijk klinisch ziek.
Teneinde nu alle eenden na de intramusculaire besmetting ook nog een
contactinfectie te bezorgen, werd op de 4de dag zowel in stal X als stal
Y een zieke controle eend uit stal Z geplaatst. Deze 2 eenden werden in een
kooi met gazen bodem gezet, welke kooien tijdens de proef enige malen
werden verplaatst, zodat de dungroene faeces der zieke controle dieren de
stalvloer besmetten.

Op en na de vierde dag bleek dat alle 6 controle eenden eendepest kregen.
Konden er op de derde dag nog 5 eieren geraapt worden, op de 4de dag
was het er slechts één. Op de ochtend van de 5de dag werden 3 controle
eenden dood gevonden, \'s middags stierf de 4de. Op de 6de dag stierf de
5de en op de 7de dag de laatste.

Gedurende deze dagen en ook daarna hebben zich geen ziekteverschijn-
selen voorgedaan bij de 17 eenden die 12 tot 14 maanden geleden geënt
waren. Ons advies aan de practicus luidde dan ook de oude eenden niet
opnieuw te enten; tot eind februari toe hebben wij niet van immuniteits-
doorbraak onder de oude eenden vernomen.

Bespreking

Vergelijken we het serumonderzoek met het dier-experimentele onderzoek,
dan zien we een frappant verschil. Van de 17 geïmmuniseerde eenden
gaven er 7 een volkomen negatieve S.N., 7 een zeer geringe en 3 een
positieve S.N.; met andere woorden: deze reacties, op slechts 3 na, wijzen
geenszins op het aanwezig zijn van een deugdelijke immuniteit.
De dierproef daarentegen gaf een zeer duidelijke uitslag, immers na de
opzettelijke infectie stierven alle controles (6) en bleven alle 12 a 14
maanden geleden geënte eenden (17) volkomen normaal; met zekerheid
werd dus aangetoond dat deze 17 eenden zeer goed immuun waren.
Hieruit blijkt eens te meer van welk een betrekkelijke waarde het onder-
zoek op in het bloed circulerende antistoffen vaak is, vergeleken met hel
onderzoek der dieren zelf door ze aan besmetting bloot te stellen. Dieren,
in dit geval eenden, met negatieve serumtiters, kunnen zeer wel toch een
goede (weefsel-) immuniteit hebben.

SAMENVATTING.

Zeventien eenden, die 12 a 14 maanden geleden actief geënt waren tegen eendepest
met het levende, aan het kippcëi aangepaste virus, bleken volledig immuun te zijn
tegen een opzettelijke besmetting die dodelijk was voor alle zes controle eenden.
Van de serumtiters der 17 eenden was bij de aanvang der proef slcchts
3 duidelijk
positief, m.a.w. de scrum neutralisaüetest geeft geen inzicht in de weerstand waarover
geënte dieren beschikken; de dierproef is dus op grond van haar betrouwbaarheid
verre te verkiezen.

SUMMARY.

Seventeen ducks which 12 to 14 months ago had been vaccinated against duck plague
with a live virus, adapted to hens\' eggs, appeared to be completely immune against an
experimental infection from which all 6 control ducks died. Of the serum titers of
these 17 ducks, only 3 were positive at the beginning of this investigation; this means

-ocr page 17-

that the serum neutralization test does not give a decisive ansvifcr as to the immunity
of vaccinated animals; the animal test is therefore much to be preferred.

RÉSUMÉ.

Dix-sept canards qui, il y a 12-14 mois, avaient été vaccinés contre la peste de
canard en utilisant un virus vivant, adapté à l\'œuf de poule, se trouvaient être
complètement immuns contre une infection expérimentale, à laquelle tous les 6
canards de contrôle succombaient.

Des titres de sérum de ces 17 canards, 3 étaient positif au commencement de cette
expérience, ce qui veut dire que, quant à l\'immunité des animaux vaccinés, le test de
neutralisation du sérum ne donne pas de réponse désicive; c\'est pourquoi on doit
préférer l\'expérience sur l\'animal.

ZUSAMMENFASSUNG.

Siebzehn Enten, die 12 bis 14 Monate zuvor mit einem lebenden, dem Hühnerei
adaptierten Virus gegen die Entenpest schutzgeimpft waren, erwiesen sich gegenüber
einer experimentellen Infizierung, der die 6 Kontrollenten sämtiich erlagen, als völlig
immun.

Von den Serumtitern dieser 17 Enten waren am Anfang dieses Versuches nur 3
positiv; das heisst, dass der Serum-Neutralisationstest keinen Aufschluss über die
Immunität schutzgeimpfter Tiere gibt; demnach ist der Tierversuch jenem weitaus
vorzuziehen.

RESUMEN.

Diez y siete patos que se habian inoculado hace 12 a 14 meses contre la peste de los
patos con el virus viviente atenuado a través del huevo de polio, resultaron comple-
tamente inmunes contra una infeccion intencionada, la cual era mortal para todos los
6 patos de control.

AI comienzo del experimento, solo tres de los titulos del suero de los 17 patos eran
claramente positivos o, en otras palabras, la prueba de neutralización del suero no da
una idea de la resistencia de que disponen los animales inoculados y por eso el experi-
mento con animales es preferible con mucho a dicha prueba de neutralización.

-ocr page 18-

Een geval van aleukemische lymfoide leukose bij
een varken

Alevkemic lymphoid leukosis in a pig.

door J, C. L. LOGGER1), J. C. BAARS2)
en J. M. V. M. MOUWEN***)

Inleiding

De lymfoide leukose is bij het varken de meest voorkomende vorm van
leukose (En giert, 1955; M o u 11 o n, 1961 en L o p p n o w, 1965).
In Nederland is, voor zover ons bekend, tot heden nog geen geval van
lymfoide leukose bij het varken beschreven.

Behalve de lymfoide leukose zijn bij het varken ook andere vormen van
leukose bekend: myeloide leukose, erythrosis en plasmacelleukose.
De myeloide leukose komt in vergelijking met de lymfoide leukose veel
minder frequent bij het varken voor (En giert, 1955 en M o u 1 t o n,
1961). Hierbij kan het tumorweefsel een groene kleur aannemen, reden
waarom deze nieuwvormingen dan chloromen worden genoemd (Eng-
lert, 1955 en M o u 11 o n, 1961).

In Nederland zijn in totaal twee gevallen van myeloide leukose beschre-
van: De Vries (1936) vermeldt een varken met myeloide leukose en
Vink (1937) een met chloroom.

Tot heden werden slechts drie vermoedelijk gevallen van erythrosis bij
het varken waargenomen in Duitsland (En giert, 1955, 1958). In 1955
beschrijft E n g 1 e r t, eveneens in Duitsland, één geval van plasmacel-
leukose bij een in nood geslacht varken.

In Nederland tenslotte rapporteerden Hoefnagel in 1889 en W e s-
ter in 1935 ieder over een varken met leukemie. Uit hun beschrijvingen
van het ziektebeeld valt echter de vorm van de leukose niet op te maken.
Leukose bij varkens blijkt voor te komen bij de jonge dieren (E n g 1 e r t,
1955; M OU lux, 1956). Zo zijn twee en twintig van de dertig door
E n g 1 e r t in 1955 onderzochte dieren jonger dan een jaar en acht zelfs
jonger dan zes maanden.

De symptomen van leukose bij varkens kunnen zeer verschillend zijn.
Regelmatig worden slechte eetlust, achterblijven in groei en zelfs cachexie
waargenomen (H e 11 i n g e r, 1890; D e V r i c s, 1936; W e s t e r, 1935;
Englert, 1955; Reichel, 1962). Hes ter en Graham (1939)
vermelden daarentegen een geval van leukose bij een varken in goede
conditie en met goede eedust. Ook En g 1 e r t (1955) constateerde leukose
bij normale slachtvarkens. De Vries (1936) vermeldde dat hij regel-
matig leukose bij bedrijfsslachtingen zag.

1  Drs. J. C. L. Logger; wetenschappelijk ambtenaar le kl. aan de RijksuniversiteU
Utrecht, Insdtuut Buitenpraktijk der Faculteit der Diergeneeskunde; Biltstraat
172.

2  Drs. J. C. Baars; wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit Utrecht,
Kliniek voor Inwendige Ziekten der Faculteit der Diergeneeskunde; Biltstraat
172.

-ocr page 19-

Met betrekking tot afwijkingen van pols, ademhaling en temperatuur
worden door weinig auteurs gegevens verstrekt. Enkele malen werd een
verhoogde temperatuur vastgesteld (We ster, 1935; E n g 1 e r t, 1955;
Reichel, 1962).

Door vele auteurs wordt klinisch lymfklierzwelling gezien (Fürsten-
berg, 1870; Hoefnagel, 1889; W e s t e r, 1935; Dunne, 1964).
Zivero (1904) en Kernkamp (1945) beschrijven in dit verband,
dat de zwelling bij de door hen bestudeerde gevallen vrij plotseling op-
trad.

Bleekheid van huid en slijmvliezen wordt een enkele maal beschreven
(Schmidtke, 1904; R e i n h o 1 d, 1909; G r ü 11 n e r, 1926).
Regelmatig worden locomotiestoornissen in de achterhand waargenomen
(Zivero, 1904; G r ü 11 n e r, 1926; Hester en Graham, 1939;
Kernkamp, 1945). Verder worden nog obstipatie (Englert, 1955)
en benauwdheid vermeld (Englert, 1955, R e i c h e 1, 1962). Mey er
(1927) zag binnen enkele uren over het gehele lichaam huidbloedingen
optreden.

Een uitvoerig bloedonderzoek werd, behalve door Reichel (1964), nooit
verricht. Dit houdt waarschijnlijk verband met het feit, dat de diagnose
leukose bij het varken in de meeste gevallen post mortaal werd gesteld.
Door enkele auteurs wordt een gestoorde verhouding tussen het aantal
witte en rode bloedcellen aangegeven, variërend van 1 : 2.3 - 1 : 50. H e s-
teren Graham (1939) vonden bij een normale verhouding tussen ery-
trocyten en leucocyten in de differentiatie van het witte bloedbeeld 100%
lymfocyten.

Reichel (1962) paste nog beenmerg- en lymfklierpunctie als diagnos-
tisch hulpmiddel toe. Voor zover ons bekend, werd nog geen gebruik ge-
maakt van Rö-onderzoek en/of proefexcisies.

De leukoüsche veranderingen kunnen op alle mogelijke plaatsen van het
lichaam gevonden worden, reden waarom de patholoog-anatomische beel-
den vaak sterk variëren. Wel zijn er predilectieplaatsen voor de verande-
ringen bij leukose aan te wijzen. De lymfklieren, milt, lever en beenmerg
zijn het meest frequent aangetast. De andere lichaamsdelen treden wat
betreft de lokalisatie der leukoüsche veranderingen op de achtergrond.
Rij de leukemische vorm worden bovendien veranderingen in het perifere
bloed gevonden. Het onderscheid tussen de verschillende leukosevormen
is alleen door middel van histologisch onderzoek mogelijk (Englert,

1955; M OU 1 ton, 1961 en Lop pnow, 1965).

Eigen geval
Anamnese

Op 14 juli 1965 werd een onzer door een varkensfokker geconsulteerd bij
een op het bedrijf gefokte manlijke big. Het dier werd geboren op 17 april
1965 en was dus drie maanden oud toen het ter onderzoek werd aange-
boden. De big was eind juni uit de te verkopen koppel gehouden, omdat
het een achterblijver was. Volgens de eigenaar waren kop en hals van het
dier in de loop van twee dagen veel dikker geworden. Verder zou het dier
geleidelijk „kreupel" geworden zijn in de achterhand. Later werd de big
zelfs totaal verlamd in de achterbenen. De eedust was steeds goed ge-
bleven.

-ocr page 20-

Omdat de eigenaar geen waarde aan hel dier hechtte, werd het door hem
belangeloos aan ons afgestaan1).

Gedurende de dagen, dat wij de gelegenheid hadden de big te observeren,
bleek het een levendige belangstelling te hebben voor de omgeving, de eet-
lust was goed en de faeces waren normaal. Het dier kon zich slechts voort-
bewegen op de voorbenen, terwijl het het achterlijf achter zich aan sleepte.
De pols bleek zeer frequent. Er werden waarden gevonden van 140-200/
minuut. De temperatuur was 39.5° C en de ademhalingsfrequentie was
normaal. Het oogslijmvlies was iets geel, de sclera was eveneens geel en ge-
injicieerd. Er bestond een beiderzijdse protrusia membranae nictitantis.

1  Hiervoor danken wij de eigenaar C. B. tc M.

-ocr page 21-

Beiderzijds van de hals, van kaakhoek tot scapula, bevond zich een com-
plexe, vrij stevig aanvoelende lymfkliermassa (afb. la). De Igl. subiliacae
externae waren beiderzijds kippeëigroot (afb. la), de Igl. poplitea was
links duiveëi- en rechts boongroot (afb. Ib). De Igl. inguinales super-
ficiales waren beide kippeëigroot.

Longauscultatie leverde geen afwijkingen op. De big hoestte niet.
Er werd noch cyanose, noch oedeem gezien. De hartsfrequentie was te snel.
Bij auscultatie werden geen soufflés gehoord.
De buikomvang was iets vergroot.

De achterhand was verlamd. De staart was niet slap, de anus goed ge-
sloten. De patellareflex was aanwezig, rechts zwakker dan links.
Het bloedonderzoek leverde, behalve een wat laag Hb-gehalte (8.7 g %)
en een spoortje bilirubine, geen belangrijke afwijkingen op. De differen-
tiatie van het witte bloedbeeld was als volgt: 36 polymorfkernige leuco-
cyten, 10 jeugdvormen, 1 staafkernige, 25 segmenten, 64 lymfocyten. Het
totaal serumeiwit percentage was wat verhoogd, nl. 7.7 g %.

Röntgenonderzoek

door C. C. VAN DE WATERING1)

Wegens de bewegingsstoornis in de achterhand werd in ventrodorsale
projectierichting een opname van het caudale gedeelte van het lichaam
gemaakt.

De röntgenfoto toonde geen afwijkingen aan het pelvis en de femores.
Zowel aan de laterale als mediale zijde van beide ossa ilia werd een grote
massale schaduw waargenomen. Deze schaduw strekte zich uit van de
acetabula tot ver vóór het bekken.

Een zijdelingse opname (sinistro-dextrale projectie, afb. 2) van het ab-
domen en de thorax gaven geen afwijkingen aan de wervelkolom te
zien. In het abdomen werd in het caudodorsale deel, beginnend bij de 3e
lumbale wervel en zich caudaal uitbreidend tot aan de ventrale buikwand,
een zeer massale, mooi afgeronde en gelijkmatige schaduw waargenomen
(afb. 2a). Voor deze massa, zowel zichtbaar op de ventro-dorsale opname
als op de opname gemaakt in zijligging, kon geen verklaring gegeven wor-
den. De nier kwam, gezien de lokalisatie, niet in aanmerking.
In het cranio-dorsale gedeelte van het abdomen, tegen de laatste thoracale
wervels, werd eveneens een grote schaduw waargenomen (afb. 2b). Voor
een gevulde maag kwam deze schaduw niet in aanmerking.
In de thorax werden, juist voor de trachea-bifurcatie, duidelijk vergrote
lymfklieren gezien (afb. 2c).

Het voorste thoraxgedeelte, craniaal van het hart, is gevuld met een gelijk-
matig schaduwgevende massa, waarin de luchthoudende longtekening
ontbreekt.

De massale schaduwen welke in thorax en abdomen gevonden worden
moeten, gezien het gehele ziektebeeld, als sterk vergrote lymfklieren wor-
den geïnterpreteerd.

1  Drs. C. C. van de Watering; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijks-
universiteit te Utrecht, hoofd Afd. Röntgenologie van de Kliniek voor Heelkunde;
Biltstraat 172.

-ocr page 22-

X-ray picture of thorax and abdomen (.sin.-dextr. projection).

a. Swollen lymphglands in caudo-dorsal part of the abdomen.

b. Large homogeneous shadow dorsally of the stomach.

c. Swollen lymphglands around tracheal-bifurcation.

Proef excisie

Onder chloralhydraatnarcose werd de linker Igl. subiliaca externa ver-
wijderd en ter onderzoek opgestuurd naar de afdeling Pathologie. De uit-
slag van het microscopisch onderzoek was lymfoide leukose.
Op 15 juli werd de big intraveneus met phenobarbital afgemaakt en ter
sectie aangeboden.

Pathologische anatomie

Bij de sectie van het verse, magere kadaver blijken alle huidlymfklieren,
doch speciaal de Igl. praescapulares en de Igl. subiliacae sterk in omvang
toegenomen. Hun grootte varieert van die van een kastanje tot die van een
kippeëi. De rechter Igl. poplitea is slechts boongroot, terwijl de linker Igl.
poplitea de grootte heeft van een stuiter. De lymfklieren bezitten een weke
consistentie en vertonen oppervlakkig en op sneevlakte een bonte tekening
door het afwisselend voorkomen van rode en grijze gebieden.

-ocr page 23-

Na het openen van de hchaamshohen vallen vooral de sterk vergrote
lichaamslymfklieren op,
i.e. de Igl. sternales, Igl. mediastinales, Igl. bron-
chiales, Igl. iliacae, Igl. hepaticae, Igl. gastricae en de Igl. mesenteriales.
De inwendige darmbeenslymfklieren en de lever- en maaglymfklieren
zijn in twee babyhoofd grote complexen veranderd. Het aspect en de con-
sistende van de lichaamslymfklieren zijn als die van de huidlymfklieren.
Het hart is niet afwijkend. 10e longen zijn hyperemisch en oedemateus.
De milt vertoont, behalve te duidelijk zichtbare Malpighische lichaampjes
geen veranderingen.

In de nieren en de lever bevinden zich enkele tot erwtgrote, bleke, weke
en aan de oppervlakte prominerende haarden. De ductus hepato-cysticus
wordt ringvormig door een week en grijs weefsel omgeven.
Het pancreas is voor het grootste gedeelte in het door de Igl. hepaticae
en de Igl. gastricae gevormde complex opgenomen.

Het maagdarmkanaal vertoont, behalve de mogelijk vergrote solitairfollikels,
in de dikke darm geen veranderingen.

Er bestaat een beiderzijdse prolaps van de verdikte membrana nictitans.
In de orbitae bevindt zich een grijze en weke weefselmassa, die in water
zinkt.

De epididymides en testes bestaan bijna geheel uit een bleek, grijs en ge-
ring stevig weefsel.

In het wervelkanaal bevindt zich ter hoogte van de intumescenda cau-
dalis van het ruggemerg in de meningen een grijs en week weefsel, waar-
bij het ruggemerg zelf niet veranderd lijkt. Het beenmerg is macroscopisch
normaal.

-ocr page 24-

Bij het histologisch onderzoek worden in verschillende organen diffuse of
lokale leukotischc infiltraten aangetroffen. De lymfklieren, testes, epididy-
mides en het pancreas zijn diffuus leukotisch veranderd. In hartspier, long,
lever, nieren, witte miltpulpa, conjunctivae en orbitae bevinden zich plaat-
selijke ophopingen van leukosecellen. In de maagdarmwand is dubieus
letikotisch weefsel aanwezig.

Ter hoogte van de intiunescentia caudalis van het ruggemerg bevindt zich
een diffuus leukodsch infiltraat in de meningen en in de uitgetreden
ruggemergszenuwen (afb. 3). Het beenmerg werd histologisch niet onder-
zocht.

-ocr page 25-

Leukotisch infiltraal in de lever. Haemaluin-eosine. Vergroting 640x.

Leucotic infiltration of the liver. H. and E., 640x.

Het leukotisch weefsel bestaat in alle aangetaste organen en weefsels
hoofdzakelijk uit afgeronde cellen met grote ronde of ovale, wisselend
chromatinerijke kernen. Daartussen ligt een gering aantal kleinere cellen
met kleine ronde chromatinerijke kernen. De tumorcellen vertonen veel
gelijkenis met resp. onrijpe en rijpe lymfocyten. Er zijn verder vrij veel
kerndelingsfiguren aanwezig (afb. 4).

Diagnose: lymfoide leukose.
Discussie

1. In ons geval waren de meest opvallende klinische verschijnselen de
duidelijke algehele lymfklierzwelling, het achterblijven in groei, en de
locomotiestoornissen, die in ernst toenamen. Deze verschijnselen op
jonge leeftijd werden door andere auteurs ook waargenomen.

2. De vrijwel over hel gehele lichaam gezwollen Igl. gaven aanleiding om
aan leukose te denken. Ter bevestiging van deze waarschijnlijkheids-
diagnose werd door ons bloedonderzoek. Röntgenonderzoek en een
lymfklierexstirpatie gedaan. In het bloed werden, behalve een geringe
verhoging van het totaal serumeiwit percentage, geen veranderingen
waargenomen.

Wat betreft het bloc;donderzock valt voorts op te merken, dat volgens
Blood en Henderson (1963) bij klini.sch manifeste gevallen
van leukose, deze meestal aleukemisch is. Het verhoogde serumeiwit
percentage zou veroorzaakt worden door een vermeerderde eiwitstof-
wi.sseling t.g.v. een verhoogde celactiviteit (Reichel, 1962).
Het Röntgenologisch onderzoek toonde in thorax en abdomen massale
schaduwen.

-ocr page 26-

Proefexcisie gaf bevestiging van de waarschijnlijkheidsdiagnose leu-
kose, die bij microscopisch onderzoek van het lymfoide type bleek te
zijn.

3. Bij het macroscopisch en/of microscopisch onderzoek werden diffuse of
lokale leukotische veranderingen aangetroffen in alle huid- en lichaams-
lymfklieren, hartspier, long, milt, lever, nieren, pancreas, testes, epidi-
dymides, conjunctivae, orbitae, ruggemergsvliezen en uittredende
ruggemergszenuwen.

Alle huidlymfklieren waren zodanig vergroot, dat ze reeds bij uitwen-
dige inspectie duidelijk zichtbaar waren.

De inwendige darmbeenslymklieren en de lever- en maaglymfklieren
waren in twee babyhoofd grote weefselcomplexen veranderd.
Ter hoogte van de intumescentia caudalis van het ruggemerg bevond
zich een leukotisch infiltraat in de meningen en in de uitgetreden
ruggemergszenuwen. Het ligt voor de hand de klinisch waargenomen
locomotiestoornissen met deze verandering in verband te brengen.
Ook Englert (1955) beschrijft een in de achterhand kreupel var-
ken, hetgeen vermoedelijk werd veroorzaakt door druk der leukotische
woekeringen op de uittredende ruggemergszenuwen.

4. Wij kunnen op grond van de literatuurgegevens stellen, dat in het
buitenland leukose bij varkens vaker vastgesteld wordt dan in Neder-
land. In de Nederlandse literatuur zijn tot nu toe 4 gevallen van leu-
kose beschreven, waarvan 2 slechts summier.

Uit de jaarverslagen van de Provinciale Gezondheidsdiensten in Neder-
land vanaf de oprichting, blijkt, dat bij de aldaar verrichte secties
slechts zelden leukose bij varkens wordt gevonden, terwijl de vorm van
leukose niet nader wordt vermeld.

In de Jaarverslagen van het C.D.I. afd. Rotterdam, voor zover ver-
schenen, worden geen gevallen van leukose genoemd.
Mogelijk komt leukose bij varkens in Nederland toch meer voor dan
bekend is. De Vries vermeldt althans in 1936 dat hij regelmatig
leukose bij normale bedrijfsslachtingen ziet. Dit kunnen wij, gezien de
keuringsstaten van de vleeskeuringsdiensten, niet bevestigen.
Uit deze registratie is ons gebleken, dat een aantal dieren zonder nader
onderzoek voor destructie wordt bestemd. Verder is het mogelijk dat
een aantal dieren, die onder de rubriek „tumoren" gerangschikt wor-
den, niet als aan leukose lijdende dieren onderkend zijn.
Bovendien is het dus niet uitgesloten, dat een aantal dieren recht-
streeks vanaf de bedrijven zonder nader onderzoek naar de destructor
gaat.

Het lijkt ons ten behoeve van de kennis over het voorkomen van leu-
kose (-vormen) bij varkens gewenst om te komen tot een doeltreffen-
de registratie aan de slachterijen en destructoren. Dit houdt dan in,
dat naast macroscopisch ook microscopisch onderzoek zal moeten
plaatsvinden van alle van tumoren verdachte dieren.

SAMENVATTING.

Er wordt een geval van aleukemische lymfoide leukose beschreven bij een varken met

als meest opvallende klinische verschijnselen een duidelijke algehele lymfklierzwelling,

achterblijven in groei en in ernst toenemende locomotiestoornissen van de achterhand.

-ocr page 27-

Ter bevestiging van de waarschijnlijkheidsdiagnose leukose werd een bloed-, Rö-
onderzoek en een lymfklierexstirpatie gedaan. In het bloed werden, behalve een geringe
verhoging van het totaal serumeiwit %, geen veranderingen gevonden. Het Röntgeno-
logisch onderzoek toonde in thorax en abdomen massale schaduwen, die als sterk
vergrote lymfklieren werden geïnterpreteerd. De proef-excisie gaf bevestiging van de
waarschijnlijkheidsdiagnose leukose, die bij microscopisch onderzoek van het lymfoide
type bleek te zijn.

Bij het macro- en/of microscopisch onderzoek werden diffuse of lokale leukotische
veranderingen aangetroffen in alle huid- en lichaamslymfklieren, hartspier, long, milt,
lever, nieren, pancreas, testes, epididymides, conjunctivae, ruggemergsvliezen en uit-
tredende ruggemergszenuwen. De inwendige darmbeenslymfklieren en de lever- en
maaglymfklieren waren in twee babyhoofd grote weefselcomplexen veranderd. Ter
hoogte van de intumescentia caudalis van het ruggemerg bevond zich een leukotisch
infiltraat in de meningen en in de uitgetreden ruggemergszenuwen.
Er wordt een verband gelegd tussen deze laatste verandering en de klinisch waar-
genomen locomotiestoornissen.

In de discussie wordt tenslotte gewezen op de wenselijkheid om ten behoeve van de
kennis over het voorkomen van leukose (-vormen) bij varkens in Nederland te komen
tot een meer doeltreffende registratie aan de slachterijen en destructoren dan tot nu
toe het geval is.

SUMM.ARY.

A case of aleukaemic lymphatic leukaemia in a pig is reported, the outstanding
clinical symptoms consisting in marked generalized enlargement of the lymph nodes,
retardation of growth and increasingly severe locomotor disorders of the hind-legs.
Examination of the blood, X-raying and lymph-node excision were carried out to
verify the tentative diagnosis of leukaemia. Except for a low proportion of whole
serum proteins, the blood did not show any changes.

X-ray studies revealed the presence of massive shadows in the thorax and abdomen,
which were interpreted as markedly enlarged lymph nodes. The tentative diagnosis
of leukaemia was verified by biopsy, the leukaemia being found to be of the lymphatic
type on microscopical investigation.

Macroscopical and/or microscopical studies revealed diffuse or local leukaemic changes
in all lymph nodes of the skin and body, heart muscles, lung, spleen, liver, kidney,
pancreas, testis, epididymis, conjunctivae, spinal meninges and emerging spinal nerves.
The internal iliac lymph nodes as well as the hepatic and gastric lymph nodes had
changed into two tissue masses the size of a baby\'s head. There was leukaemic
infiltration in the meninges and the emerging spinal nerves in the region of the
intumescentia caudalis of the spinal cord.

RÉSUMÉ.

Un cas de leucose aleucique lymphoide chez un porc est décrit avec comme symptômes
les plus frappants un gonflement évident et général des ganglions lymphatiques, une
retardation dans la croissance et des troubles s\'aggravant de locomotion de l\'arrière-
main.

Afin de confirmer le diagnostic probable de leucose on fit un examen du sang, un
examen radiographique et une biopsie d\'un ganglion lymphatique. Dans le sang on
ne trouva pas d\'altérations à l\'exception d\'un pourcentage bas de l\'albumen sérique
total.

L\'examen radiographique révéla dans le thorax et dans l\'abdomen des ombres massives
qu\'on interpréta comme des ganglions lymphatiques fortement agrandis. La biopsie
confirma le diagnostic probable de leucose, qui pendant l\'examen microscopique
s\'avéra être du type lymphoïde.

Les examens macroscopique et/ou microscopique révélèrent des altérations leucotiques
diffuses ou locales, dans tous les ganglions lymphatiques de la peau et du corps, dans

-ocr page 28-

les muscles cardiaques, les poumons, la rate, le foie, les reins, le pancréas, les testicules,
les épididymes, les conjonctives, les méninges et les nerfs spinaux. Les ganglions
lymphatiques de l\'os iliaque et ceux du foie et de l\'estomac s\'étaient transformés en
deux complexes de tissu grands comme une tête dc nouveau-né. A la hauteur de
l\'intumescence caudale de la moelle épinière il y avait un infiltrat leucotique dans les
méninges et dans les nerfs spinaux.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird ein Fall aleukämischer lymphoider Leukose bei einem Schwein beschrieben,
wobei als auffallendste klinische Erscheinungen eine deutliche allgemeine Lymph-
drüsenschwellung, Rückstand im Wachstum und ständig zunehmende Lokomotions-
störungen der Hinterhand auftraten.

Zur Bestätigung der Wahrscheinlichkeitsdiagnose Leukose wurde eine Blut- und
Röntgenuntersuchung und eine Lymphdrüscnexstirpation vorgenommen. Im Blut
wurden ausser einem geringen Totalprozentsatz an Serumeiweiss, keine Veränderungen
wahrgenommen.

Die Röntgenuntersuchung zeigte in Thorax und Abdomen massale Schatten, die als
stark vergrösserte Lymphdrüsen interpretiert wurden. Die Probeexcision bestätigte die
Wahrscheinlichkeitsdiagnose Leukose, die auf Grund der mikroskopischen Unter-
suchung vom Lymphoiden Typus zu sein schien.

Bei der makro- und mikroskopischen Untersuchung wurden diffuse, bezw. lokale
Veränderungen in allen Haut- und Körperlymphdrüsen, Herzmuskeln, Lun.ge, Milz,
Leber, Nieren, Pankreas, Testes, Epididymides, Conjunctivae, Rückenmarkshäute und
austretende Rückenmarksnerven angetroffen. Die inneren Lymphdrüsen des Darm-
beins, der Leber und des Magens waren in 2 kindskopfgrosse Gewebekomplexe
verändert. In der Höhe der Intumescentia caudalis des Rückenmarks befand sich
sowohl in den Menin.gen, als auch in den ausgetretenen Nerven des Rückenmarks ein
leukotisches Infiltrat.

RESUMEN.

Esta descrito un caso de una leucosis aleucemia linfoida en un cerdo, con las sintomas
clinicas las mas marcadas: una hinchazon de las glandulas linfaticas bien evidente,
un crecimiento lo cual se quedo rezagado y estorbos progresivos de la locomocion de
la parte atrasera. Para confirmar el diagnostico de probabilidad de leucosis se hizo un
examen de la sangre, un examen X-rayos y una extirpacion de una glandula linfatica.
Fuera de un percentaje bajo de total suero proteina no se hallo cambios en la sangre.
Por medio del examen X-rayos fueron demostrados en el torax y el abdomen somras
grandes, las cuales fueron interpretados como glandulas linfaticas muy enlargadas.
La extirpacion de la glandula linfatica confirmo el diagnostico de probabilidad
leucosis, lo cual era del tipo linfoida en el examen microscopico.

En el examen macro y microscopico se encontro cambios leucoticos difusos o locales
en todas las glandulas linfaticas del cuero y del cuerpo, los musculos del corazon,
pulmon, baso, higado, rifiones, pancreas, testiculos, epididimos, conjuctivas, las
membranas de la medula espinal y los nervios saliendos de la medula espinal. Las
glandulas linfaticas internas del huesi iliaco u las glandulas linfaticas del estomago y
del higado eran cambiados en dos complexos de tejido del tamafio de una cabeza de
un nene. A la altura de la intumescentia caudalis de la medula espinal sc encontro
un infiltrado leucotico en la meninges y en los nervios saliendo de la medula espinal.

LITERATUUR.

Blood, D. C. and Henderson, J. A.: Veterinary Medicine, Second Edition,
London (1963).

Dunne, H. W.: Diseases of Swine. The Iowa State University Press, Ames, Iowa,

U.S.A., Second Edition (1964).
Englert, H. K.: Die Leukose des Schweines.
Zbl. Vet. Med., 2, 607 en 764,
(1955).

-ocr page 29-

Englert, H. K.: Zwei Fälle von Erythrose beim Schwein. Mh. Vet. Med., 13,
102, (1958).

Fürstenberg: 1870, geref. door Englert, 1955.

Grüttner, F.: Lymphomatose beim Schwein. Zschr. Fleisch- und Milchh., 37,

154, (1926).

Hellinger: 1890, geref. door Englert, 1955.

Hester, H. R. and Graham, J.: Lymphocytomc or lymphoid leucemia in a pig.

Cornell Vet., 29, 334, (1939).
Hoefnagel, K.: Leucaemie bij het varken. Tijdschr. Diergeneesk., 16, 1, (1889).
Kernkamp, H. C. H.: Lymphoblastoma in a pig. ]. Am. vet. med. Ass., 106,

155, (1935).

L O p p n O w, H.: Retikulose- und Leukoseform bei den Haussäugetieren. Berl.

Munch, tierärztl. Wschr., 18, 408, (1965).
Meyer: 1927, geref. door Englert, 1955.

M o u 1 u X, A. W., Anderson, W. A. and Davis, C. L.: A survey of tumors

occuring in cattle, sheep and swine. Am. ]. Vet. Res., 17, 646, (1956).
Moulton, J. E.: Tumors in Domestic Animals, the University of California Press,

Berkeley and Los Angelos (1961).
Reichel, K.: Klinisch-hämatologische Untersuchungen bei der Leukose des

Schweines. Dtsch. tierärztl. Wschr., 69, 297 en 331, (1962).
Rein hold: 1909, geref. door Englert, 1955.
S ch m i d t k e: 1904, geref. door Englert, 1955.

Vink, H. H.: Een geval van chloroom bij een varken. Tijdschr. Diergeneesk., 64,
271, (1937).

Vries, L. J. de: Een drietal gevallen van leucose. Tijdschr. Diergeneesk., 63, 718,
(1936).

W c s t e r, J.: Orgaanziekten bij grote huisdieren, Utrecht (1935).
Zivero: 1904, geref. door Englert, 1955.

-ocr page 30-

KLINISCHE LESSEN

Salmonella gallinarum-infeetie IKleinse ziektel

Salmonella gallinarum infection (fowl typhoid)

door W. H. SMITS*)

Uit het laboratorium van de Stichting Gezondheidsdienst voor
Pluimvee, Soesterberg.

Kleinse ziekte komt over de gehele wereld verspreid voor. Het is een zeer
besmettelijke, septicemisch verlopende ziekte, veroorzaakt door
Salmonella-
gallinarum.
Vooral in het begin van deze eeuw vormde Kleinse ziekte een
ernstig probleem in Groot Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk,
Hongarije, Nederland, Noord- en Zuid-Amerika, Algiers (Van Heels-
bergen, 1929; Biester en Schwarte, 1965), doch tegenwoordig
wordt in landen met een op moderne leest geschoeide pluimveehouderij de
diagnose nog maar sporadisch gesteld.

Nadat Kleinse ziekte in Nederland gedurende bijna 20 jaar niet meer was
waargenomen, zijn in de laatste jaren (1959—1965) in ons land door de
Gezondheidsdienst voor Pluimvee en verschillende Gezondheidsdiensten
voor Dieren enkele incidentele uitbraken bij kippen vastgesteld. Mede in
het kader van de georganiseerde
S. pullorum-hestrijding is het van belang
op de mogelijkheid van Kleinse ziekte bedacht te zijn en hiermee zowel in
de praktijk als bij het laboratoriumonderzoek rekening te houden.

We kennen een acute en een meer chronisch verlopende vorm. De sterfte
kan afhankelijk van virulentieverschillen matig tot zeer hoog zijn. De ziekte
komt volgens de literatuur in hoofdzaak voor bij de kip, zelden bij eend,
fazant, kalkoen, pauw, parelhoenders, duif, kraai en rat.

De verspreiding van de infectie geschiedt door direct contact van dier op
dier (hoofdzaak),
via het ei (chronische smetstofdraagsters komen bij leg-
gende dieren vrij veel voor),
via mens en inventaris (w.o. kratten, zakken,
auto\'s),
via wilde vogels, andere dieren (rat) en vliegen (speciaal na het
azen op besmette kadavers en besmet broedafval).

Een duidelijke seizoeninvloed is in de literatuur niet vast te stellen. Wel
zagen Hall c.s. (1949 b) een duidelijk verband met de totale eiproduktie
in een streek (hoe meer volop leggende koppels, des te meer uitbraken).
Er is geen sprake van „leeftijdsimmuniteit" zoals bij
S. pullorum, evenmin
van verschil in gevoeligheid tussen de geslachten. Ééndagskuikens zowel als
oude dieren kunnen ziek worden. Bij dieren tegen de leg of in het begin
van de produktie kan de sterfte zeer hoog zijn: vgl. Harbourne (1958)
wel tot 80%.

Zware rassen zijn gevoeliger dan lichte rassen (Williams Smith,
1956 a). Drie dagen na een orale besmetting treedt een enkele dagen
durende bacteriëmie op; in een later stadium treft men de bacteriën alleen
in het hart en in minder mate in lever, milt, pancreas, darmwand en darm-
inhoud aan (W i 11 i a m s S m i t h, 1955 a). Bij chronische smetstofdragers

♦) W. H. Smits; adj. directeur van de Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee,
Amersfoortseweg 49 te Soesterberg.

-ocr page 31-

zijn de bacteriën vooral in het ovarium (misvormde follikels) en de gal-
blaas, bij hanen mogelijk ook in de testikels te vinden: in het ovarium
ook na behandeling met bactericiede middelen (Wilson, 1946, 1956;
Harbourne, 1956). Uitscheiding van de bacteriën via het ei komt bij
50% van de smetstofdragers minstens gedurende 24 maanden voor (Hall
C.S., 1949 a, Jordan, 1956). Het percentage door een hen gelegde be-
smette eieren loopt volgens Wilson (1956) uiteen van 5% tot 40% en
bedraagt gemiddeld 18%.

Wat de aetiologie betreft, de verwekker Salmonella gallinarum is een kort,
plomp. Gram-negatief, niet sporevormend, onbewegelijk staafje, dat aëroob
groeit. Speciaal in leveragar groeien de bacteriën zeer goed. De bacteriën
worden gedood door direct zonlicht, desinfectantia en door 10 minuten
verwarmen op 60° C.

In kadavers kunnen de bacteriën vlg. Wilson (1958) 168 (bij begraven)
tot 468 dagen (in bevroren toestand) levensvatbaar blijven: gevaar voor be-
smetting van de bodem en van stilstaand water. De besmetting van een
bodemoppervlak (uitloop van een hok) is vlg. Hall (1949 a) van weinig
betekenis: 1 week na de verwijdering van een besmet koppel werden door
hem zonder moeilijkheden weer gevoelige dieren in een hok geplaatst.
De uitscheiding via de faeces kan gedurende lange tijd plaatsvinden, maar
geschiedt bij chronische dragers vermoedelijk intermitterend in kleine hoe-
veelheden vanuit darmlaesies. Ingedroogde faeces blijft ongeveer 37 dagen
infectieus (Wilson, 1958) tegen natte faeces slechts 9-11 dagen (Wil-
liams S m i t h, 1955 a); kaf en oud strooisel nog langer: 60-70 dagen
(Wilson, 1958).

De 12 door de Gezondheidsdienst voor Pluimvee in Nederland geïsoleerde
stammen behoren, evenals de door Van Dorssen (1950, 1961) onder-
zochte stammen tot het zogenaamde type A van Lucas c.s. (1951); d.w.z.
het zijn de typische verwekkers van Kleinse ziekte.

Differentieel diagnostisch moeten wij een onderscheid maken met S. pul-
lorum
(ondanks grote overeenkomsten bestaan er zowel cultureel als kli-
nisch duidelijke verschillen: bij
S. pullorum-iniecne alleen acuut ziek zijn
in de eerste levensweken, daarna vorming van smetstof dragers; bij Kleinse
ziekte zien wij het acute en het chronische ziektebeeld op alle leeftijden).

Pasteurellose (kan zeer acuut verlopen, doch wordt in ons land de
laatste decennia vrijwel uitsluitend in een chronische vorm gezien, gepaard
gaande met dikke lellen, gewrichts- en peesschede-ontsteking, diarree en
vermagering; hierbij treft men een slank, bipolair gekleurd, Gram-negatief,
onbewegelijk staafje in de ontstoken weefsels en organen aan).

Blauwe kamziekte (speciaal acute gevallen kunnen verwarring ver-
oorzaken bij jonge leggende hennen: bleekblauwbonte borstmusculatuur,
een gezwollen, oranjegeelbruine lever met of zonder stervormige, grauwe
haardjes, een gezwollen hamkleurige milt en petechiën subpleuraal en sub-
peritoneaal; in de galblaas vibrio\'s).

Vergiftiging door plantenziektebestrijdingsmiddelen, sulfapreparaten
of rattenbestrijdingsmiddelen (bloedingen in musculatuur en organen,
grauwgeel-oranje infarcten in lever en milt, vettig gedegenereerd been-
merg, anamnese van belang).

-ocr page 32-

Wat de symptomen betreft, het volgende.

De incubatieperiode bedraagt 3-10 dagen (gewoonlijk 4-5 dagen).
Het hoogtepunt van de ziekte is na 2-3 weken voorbij.
In het acute stadium ziet men cyanose van kam en lellen, lusteloos
inééngedoken zitten, dunne, groengele tot zwavelgele mest, dorst, geen eet-
lust en sterven na enkele uren tot enkele dagen ziek zijn. Karakteristiek is
het feit, dat te midden van volkomen gezonde, kakelende en leggende
hokgenoten doodzieke en stervende dieren zitten en liggen. De sterfte in
het acute stadium is groot.

In het hierop volgende of van meet af aan bestaande chronische
stadium sterft zo nu en dan een dier. Verschrompelen en bleek worden
van de kopversierselen treedt op. Bij verschillende door de Gezondheids-
dienst voor Pluimvee onderzochte gevallen werd door de eigenaar en/of
door de selecteur/voorlichter gedacht aan blauwe kamziekte. Bij bloed-
onderzoek enige weken na het begin van een uitbraak bleken serologisch
sterk positieve agglutinaties op te treden met standaard en F ( =
„rough")-pullorumantigeen (Smits, 1959). Bij een gedeelte
van de door hen onderzochte
Salmonella gallinarum-stammen kwamen
Van der Schaaf c.s. (1960) tot dezelfde resultaten, terwijl enkele
van hun stammen ook reacties met variantantigeen te zien gaven.

Bij sectie ziet men bij een peracuut verloop vaak geen afwijkingen; bij
acute gevallen daarentegen gezwollen, roodblauwe lever, milt en nieren,
darmontsteking en subpleurale petechiën ter hoogte van de longen. Bij een
subacuut tot chronisch ziektebeeld vallen een gezwollen, groenbruine tot
bronskleurige lever (ook o.a. bij pseudo-vogelpest wel aanwezig), miliaire,
grauwwitte haardjes in lever en myocard en bij zeer jonge kuikens ook in
longen, hart en spiermaag (als bij pullorum) op. Voorts ziet men pericar-
ditis en — vaak in aansluiting op het door antiperistaltiek van de eileider
en vervolgens ruptureren van in de buikholte terechtgekomen dooiers —
peritonitis, terwijl in de eierstok hemorragische, misvormde, verkleurde
follikels worden aangetroffen. In de darm vindt men een waterdunne,
grasgroene inhoud.

De bestrijding is gebaseerd op preventie (endng, fokken op resistende,
hygiënische maatregelen), therapie en uitroeiing (depopulaüe
en eliminatie van smetstofdraagsters).

Voor ons land, waar Kleinse ziekte slechts sporadisch wordt vastgesteld,
moet aan uitroeiing de voorkeur worden gegeven. Toch lijkt het in dit
overzicht nuttig de overige bestrijdingsmethoden in het kort te bespreken.
Op het gebied van de vaccinatie is vooral in Groot Brittannië veel
en interessant onderzoek verricht. Uit de desbetreffende literatuur blijkt,
dat gedood vaccin geen of onvoldoende resultaat oplevert, hoewel som-
mige onderzoekers na herhaalde vaccinatie succes claimen. In de laatste
jaren is de aandacht vooral geconcentreerd op een levend, verzwakt
vaccin, gemaakt van rough ( = 9 R) of smooth ( = 9 S)
gallinarum-
stammen.

W i 11 i a m s S m i t h (1956 b) bereikte met 9S-vaccin 34 weken immuni-
teit; nadelen van dit vaccin zijn de vorming van antilichamen in het bloed,
het veroorzaken van sterfte bij ééndagskuikens en produktiedaling bij leg-
gende hennen.

-ocr page 33-

Het 9 R-vaccin vertoont de genoemde nadelen niet (WilliamsSmith,
1955 c). Het blijkt een goede immuniteit teweeg te brengen, die echter
na 12 weken duidelijk afneemt. Gordon c.s. (1959) troffen, evenals
Gordon en Luke (1959), na vaccinatie met 9 R-vaccin de vaccin-
bacteriën aan in misvormde dooierfollikels én in broedeieren, terwijl ook
positieve agglutinaties optraden: volgens laatstgenoemde onderzoekers
5,83% en 6,12% bij volwassen dieren (!), 2,4% bij kuikens geënt op een
leeftijd van 4-8 weken. Harbourne (1963) entte met 9 R-vaccin (j/i
ml = 500.000.000 bacteriën per dier) de helft van elk van 50 pluimvee-
stapels in Mid Wales, West Midlands, Yorkshire en Cornwall op een leef-
tijd van 3 tot 20 weken, doch zoveel mogelijk omstreeks de 12e levens-
week. Het betrof hier 50 bedrijven, die in het voorgaande jaar met Kleinse
ziekte te kampen hadden gehad. Op 9 van deze bedrijven brak ondanks de
enting de ziekte uit: van 1570 gevaccineerde dieren stierf 3,6% tegen
16,5% van een vrijwel gelijk aantal ongeënte controle-dieren. Tevens
toonde hij aan, dat het vaccin in geringe mate naar ongeënte groepen
werd verspreid (bacteriën werden in één geval nog 19 weken na een enting
geïsoleerd). Enting tijdens een uitbraak leidt volgens WilliamsSmith
(1956 b) tot een zekere mate van interferentie.

Fokken op resistentie is inderdaad mogelijk, doch heeft onder de huidige
Nederlandse omstandigheden geen enkele zin.

Als hygiënische maatregelen komen in aanmerking het opruimen van kli-
nische zieke koppels (gevaarlijke smetstofverspreiders), gevolgd door een
grondige reiniging en desinfectie van de hokken, gecombineerd met enkele
weken leeg staan, alvorens een volgend koppel erin te huisvesten. Indien
de besmette dieren tevens uitloop hebben gehad, is het raadzaam het be-
treffende terrein tenminste een half jaar leeg te laten liggen, modder-
poelen op te vullen, kale plekken diep om te spitten en de grasmat kort te
houden. De hokken moeten knaagdier- en vogelvrij gemaakt worden door
het aanbrengen van een betonvloer en van kuikengaas voor de ventilatie-
openingen en de ramen. Voorts is een strikte toepassing van schoeiseldesin-
fectie bij de hokingangen en het op slot houden van de hokken van wezen-
lijk belang: blijkens eigen waarnemingen kan de smetstof vrij gemakkelijk
van het ene bedrijf naar het andere worden overgelopen.

Voor een curatieve behandeling komt in de eerste plaats furazolidon in
aanmerking gedurende 7 tot 10 dagen, in een concentratie van 100-400
gram per ton voeder. Helaas komen na stopzetting van de behandeling
recidieven voor (Williams Smith, 1955 b; Wilson, 1955, 1956;
Roepke en Smits, 1959). Het succes is groter, naarmate men op een
vroeger tijdstip behandelt en een hogere dosering toepast: ook het per-
centage chronische smetstofdragers ligt bij snel ingrijpen aanzienlijk lager
dan bij te lang wachten.

Hetzelfde geldt voor de behandeling van morbus pullorum (Anderson
C.S., 1947; Bottorff en Kiser, 1947, Harbourne en Sellers,
1955; K 1 i m e s c.s., 1960; Aycardi en Vindel, 1962, Harbourne,
1964).

Furazolidon werkt toxisch in een enkelvoudige dosis van 400-500 mg/ kg
lichaamsgewicht, terwijl 0,03% door het voeder gedurende 4-6 weken
groeivertragend werkt tijdens de opfok. Men kan dus niet ongestraft lang-

-ocr page 34-

durig blijven behandelen. Sulfapreparaten, aureomycine, neomycine, peni-
cilline en chlooramphenicol blijken alle of in combinatie onvoldoende
werkzaam te zijn (Cavrini en Cere, 1954, Titkemeyer en
Schmittle, 1957).Dijkstra (1959) zag van terramycine gedurende
13 dagen (7 dagen 30 gram per 10 1 water, daarna de halve dosering)
evenmin afdoende resultaat. De Britse Animal Health Trust adviseerde in
1958 het nieuwe „9 RS" vaccin vooral preventief te gebruiken. Bij uitbraak
van de ziekte wordt aanbevolen eerst 10 dagen 0,04% furazolidone door
het voeder te verstrekken, na overbrenging van de dieren naar andere, on-
besmette hokken nog 10 dagen door te gaan met de behandeling, één
week later gevolgd door vaccinatie.

Zal in ons land, vooral bij kleine koppels dieren, opruimen van de be-
smette groep, eventueel van de gehele pluimveestapel de voorkeur ver-
dienen, onder bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk zijn een
klinisch hersteld koppel door eliminatie van smetstofdraagsters
S. galli-
narum-vrii
te maken. Dit zou zich op fok- en vermeerderingsbedrijven kun-
nen voordoen. Positieve agglutinaties treden 10-20 dagen na de besmetting
op, bij kuikens besmet op een leeftijd van 3 dagen pas na 4 weken (W i 1-
1 i a m s S m i t h, 1955 a).

Voor het bloedonderzoek is een polyvalent antigeen noodzakelijk
(Moore, 1947; Smits, 1959). In de literatuur komt men hier en daar
de opvatting tegen, als zou furazolidon tijdelijk positieve pullorum- en gal-
linarum-reacties kunnen doen verdwijnen, resp. voorkómen, dus smetstof-
draagsters tijdelijk onvindbaar maken. Bij kritisch lezen blijken deze con-
clusies zeer aanvechtbaar: men houdt in dergelijke publikaties eenvoudig
geen rekening met geslachtsrijpheid en met het percentage van de ei-
produktie. Een typisch voorbeeld hiervan vormt een artikel van Hender-
son c.s. (1960). Deze onderzoekers zagen ondanks continu toedienen van
0,011% furazolidon door het voeder aan experimenteel besmette dieren ge-
durende 5, 12 en 15 weken van de 9e, resp. 15e levensweek af drie positieve
agglutinaties 3-6 weken na het stopzetten van de behandeling optreden:
d.w.z. op het moment, dat de eiproduktie een aanvang heeft genomen. Het
is voldoende bekend, dat — ook zonder, dat er sprake is (geweest) van
een behandeling met geneesmiddelen — bij niet leggende smetstofdraag-
sters de reactie tijdelijk zwakker of zelfs geheel negatief kan worden. Bij
chronische smetstofdraagsters zijn de agglutinatietiters niet (tijdelijk) te
beïnvloeden door furazolidon (Henderson c.s., 1958; Roepke, 1955;
Wilson, 1956).

SAMENVATTING.

In de jaren 1959 tot 1965 werd de diagnose S. gallinarum-infectie (Kleinse zielcte)
door de Gezondheidsdienst voor Pluimvee en enkele Provinciale Gezondheidsdiensten
enkele malen gesteld. In het kader van de georganiseerde
S. pu/forum-bestrijding
wordt de speciale aandacht van de praktizerende dierenartsen en de onderzoekings-
instituten gevraagd voor deze zeer sporadisch waargenomen ziekte. Op grond van
literatuuronderzoek en eigen ervaring worden verspreiding, aetiologie, differentieel
diagnostiek, symptomen, sectiebevindingen en bestrijding besproken. Bij de 12 door
schrijver onderzochte uitbraken van Kleinse ziekte bleek steeds sprake te zijn van
S. gallinarum-stammen van het type A van Lucas c.s. (1951).

-ocr page 35-

SUMMARY.

A diagnosis of infection with S. gallinarum (fowl typhoid) was established a number
of dmes by the Poultry Health Service and some Provincial Health Services during
the period from 1959 to 1965.

Within the framework of organized S. pullorum control, veterinary surgeons and
research institutes are invited to pay particular attention to this highly sporadic
disease.

The distribution, aetiology, differential diagnosis, symptoms, findings at autopsy and
control are discussed on the basis of the literature and personal experience.
The twelve outbreaks of fowl typhoid studied were all found to be caused by the type
A strains of
S. gallinarum., as identified by Lucas and his associates (1951).

RÉSUMÉ.

Dans les années 1959 jusqu\'à 1965 le Service sanitaire des aviales et quelques Services
sanitaires provinciaux ont quelquefois porté le diagnostic d\'infection
S. gallinarum
(typhöse aviaire). Dans le cadre de la lutte organisée contre S. pullorum on demande
l\'attention spéciale des vétérinaires praticiens et des instituts de recherches pour cette
maladie observée très sporadiquement.

A la base de la littérature et de sa propre expérience l\'auteur commente la dispersion,
l\'étiologie, le diagnostique différentiel, les symptômes, les résultats autoptiques et la
lutte prophylactique contre la typhöse aviaire. Pour les 12 cas d\'éruption de la
maladie examinés par l\'auteur, il parut s\'agir toujours de souches
gallinarum du
type de Lucas et coll. (1951 ).

ZUSAMMENFASSUNG.

In den Jahren 1959-1965 wurde vom Geflügelgesundheitsdienst und von einigen
provinzialen Gesundheitsdiensten verschiedene Male
S. gallinarum-lnleklion (Hühner-
typhus) diagnostiziert.

Im Rahmen der organisierten S. pullorum-Bekämpiung werden die praktizierenden
Tierärzte und Untersuchungsinstitute gebeten dieser sporadi.sch wahrgenommenen
Krankheit besondere Aufmerksamkeit zu schenken.

Auf Grund der Literatur und eigener Erfahrung werden Verbreitung, Ätiologie,
différentielle Diagnostik, Symptomen, Sektionsbefunde und Bestreitung besprochen.
Bei zwölf durch den Verfasser untersuchten Ausbrüchen des Hühnertyphus wurden
ausschlieszlich
S. gallinarum-Stämme vom Typus A von Lucas und Mitarbeiter
(1951) isoliert.

RESUMEN.

Durante los anos 1959 hasta 1965 la enfermedad de Klein (infeccion de S. gallina-
rum)
fue diagnosticada algunas veces por el servicio de salud de aves y algunos
servicios de salud animales provinciales. Con respecto al combate organisado de
S. pullorum. se llame attencion de los veterinarios practicos y de los institutos de
investigaciones veterinarias hacia esta enfermedad, observado esporadica. En virtud de
la literatura y experiencias propias, la extension, la etiologia el diagnostico diferential,
las sintomas, la autopsia y cl combate estan discutidos. En los 12 brotes de esta
enfermedad de Klein, investigados por el autor, siempre habian c?pas de
gallinarum
del tipo A de Lucas c.s. (1951).

LITERATUUR.

Anderson, G. W., Jones, J. G., Cooper, J. B. and Morgan, C. L.:
Sodium sulfamerazine in the treatment of pullorum disease, ƒ.
Am. vet. med. Ass.,
Ill, 141, (1947).

A y c a r d i, J. and V i n d e 1, J. A,: Periodic chemotherapy with furazolidone and
prophylaxis of pullorum disease in breeders.
Proc, XII Wo. Po. Congress, Sydney,
286, (1962) .

Animal Health Trust: A new vaccine for fowl typhoid. Vet. Ree., 70, 839,
(1958).

-ocr page 36-

Biester, H. E. and Schwarte, L. H.: Diseases of pouhry. 5th ed., 1965.

B o t t o r f f, C. A. and K i s c r, J. S.: The use of sulfonamides in the control of
pullorum disease.
Poultry Sci., 26, 235, (1947).

G a V r i n i, C. and Gere, C.: Saggi di terapia antibiodca e sulfamidica in pulcini
sperimentalmente infettati con Salmonella gallinarum.
Vet. Ital., 5, 691, (1954).

Dorssen, C. A. van: Cultural variations in some strains isolated from cases of
pullorum disease.
Tijdschr. Diergeneesk., 75, 617, (1950).

Dorssen, C. A. van: Over het voorkomen van Salmonella pullorum type II.
Tijdschr. Diergeneesk., 86, 414, (1961).

Dijkstra, R. G.: Salmonella gallinarum (ziekte van Klein) bij kippen. Tijdschr.
Diergeneesk.,
84, 375, (1959).

Gordon, R. F., G a r s i d e, J. S. and Tucker, J. F.: The use of living
attenuated vaccines in the control of fowl typhoid.
Vet. Rec., 71, 300, (1959).

Gordon, W. A. M. and Luke, D.: A note on the use of the 9 R fowl typhoid

vaccine in poultry breeding flocks. Vet. Rec., 71, 926, (1959).

Hall, W. J., Leg en hausen, D. H. and Mac Donald, A. D.: Studies on
fowl typhoid I. Nature and dissemination.
Poultry Sci., 28, 344, (1949 a).

Hall, W. J., Mac Donald, A. D. and Legenhausen, D. H.: Studies on
fowl typhoid II. Control of the disease.
Poultry Sci., 28, 789, (1949 b).

H a r b o u r n e, J. F. and Sellers, K. C.: Observations on the value of furazoli-
done in the treatment of fieldoutbreaks of fowl typhoid (S. gallinarum) in the
domestic fowl.
Vet. Rec., 67, 799, (1955).

H a r b o u r n e, J. F.: The treatment of chronic carriers of Salmonella gallinarum
with furazolidone.
Vet. Rec., 68, 839, (1956).

Harbour ne, J. F.: Some notes on the epidemiology of fowl typhoid. Vet. Rec.,
70, 443, (1958).

H a r b o u r n e, J. F., W i 1 1 i a m s, B. M., P a r k e r, W. H. and F i n c h a m, I. H.:
The prevention of fowl typhoid in the field using a freeze-dried 9.R. vaccine.
Vet.
Rec.,
75, 858, (1963).

Heelsbergen, T. van: Handbuch der Geflügelkrankheiten und der Geflügel-
zucht. Stuttgart 1929.

Henderson, W., Morehouse, G. L. and Gross, R. F.: The effect of
furazolidone on Salmonella pullorum and agglutination titers in chickens.
Avian
Dis.,
4, 223, (1960).

Henderson, W., W a 1 k e y, F. L. and Morehouse, G. L.: Furazolidone
treatment of experimental pullorum disease in adult turkeys.
Am. J. vet. Res., 19,
196, (1958).

Jordan, F. T. W.: The transmission of Salmonella gallinarum through the egg.
Poultry Sci., 35, 1019, (1956).

K 1 i m e s, B., K r u z e, B. und T e c a r c i k, J.: Uber den Einfluss von Furazolidon
auf serologische Reaktionen bei pulloruminfizierten Küken.
Tierärztl. Umschau,
15, 129, (I960).

Lucas, A., Andral, L., B o u 1 e y, G., P a r a f, A. et Q u i c h o n, C.: Etude
biochimique de Salmonella pullorum et de Salmonella gallinarum.
Ree. Méd. Vét.,
127, 546, (1951).

M O O r e, E. N.: The agglutination test as a means of detecting fowl typhoid infection.
Cornell Vet., 37, 21, (1947).

Roepke, W. J.: niet gepubliceerd, (1959).

Roepke, W. J. en Smits, W. H.: niet gepubliceerd, (1959).

Schaaf, A. van der, Dorssen, C. A. van, Donker-Voet, J. D.,
Jaartsveld, F. H. J., Frik, J. F. en G o 1 s t e i n Brouwers, G. W. M.
van: Overzicht der onderzoekingen van het uit de praktijk ingezonden ziekte-
materiaal over het jaar 1958.
Tijdschr. Diergeneesk., 85, 337, (1960).

Smits, W. H.: niet gepubliceerd, (1959).

T i t k e m e y e r, C. W. and S c h m i t 11 e, S. C.: The effect of drugs on the
isolation of Salmonella gallinarum from inoculated chicks.
Poultry Sci., 36, 1198,
(1957).

-ocr page 37-

Williams Smith, H.: Observations on experimental fowl typhoid. J. Comp.
Path. Ther.,
65, 37, (1955 a).

Williams Smith, H.: The chemotherapy of experimental fowl typhoid in fowls
(Gallus domesticus). /.
Comp. Path. Ther., 65, 55, (1955 b).

Williams Smith, H.: The longivety of Salmonella gallinarum in the faeces of
infected chickens, ƒ.
Comp. Path. Ther., 65, 267, (1955 c).

Williams Smith, H.: The susceptibility of different breeds of chickens to ex-
perimental Salmonella gallinarum infection.
Poultry Set., 35, 701, (1956 a).

Williams Smith, H.: The use of live vaccines in experimental Salmonella
gallinarum infection in chickens with observations on their interference effect. /.
Hygiene, Camb., 54, 419, (1956 b).

Wilson, J. E.: Fowl typhoid. Certain aspects of the experimentally produced
disease.
Vet. Rec., 58, 269, (1946).

Wilson, J. E.: The use of furazohdone in the treatment of infections of day-old
chicks with S. pullorum, S. typhi-murium and S. thomson.
Vet. Rec., 67, 849,
(1955).

Wilson, J. E.; The treatment of Salmonella pullorum and Salmonella gallinarum
with furazolidone.
Vet. Rec., 68, 748, (1956).

Wilson, J. E.; Fowl typhoid in Great Britain. Agric. Rev., 3, 33, (1958).

-ocr page 38-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een nieuw ortopedisch klauwbeslag voor rund-
vee

A new orthopaedic shoeing for cattle

door E. J. S. BRON1)

Ter behandeling van de al of niet gecompliceerde zoolzweren van het rund,
is na het vast te nagelen houtblokje, de laatste jaren het vast te plakken
blokje in zwang gekomen.

Als lijm wordt gebruikt een polimeriserende kunsthars.

Bij de eerste methode vormt het nagelen een groot bezwaar, daar de smid
eraan te pas dient te komen, om het ijzertje te maken, waarna het nagelen
nog een moeilijk werk is.

Aan de methode met kunsthars kleven ook grote technische bezwaren:

1. de klauw dient kurkdroog te zijn, alvorens men de lijm kan aan-
brengen;

2. er wordt een grondige nettoyage vereist, terwijl ook nog de nodige
groeven geraspt dienen te worden teneinde meer houvast te krijgen
voor de lijm;

1  E. J. S. Bron; dierenarts te Bolsward, Leeuwarderkade 32.

-ocr page 39-

3. de menging van de ingrediënten steekt heel nauw;

4. na het mengen is het slechts een bepaald moment geschikt voor
gebruik, daar het gauw te hard wordt;

5. sommige harsen geven een onaangename hitte-ontwikkeling;

6. na applicatie moet men het blokje nog een geruime tijd gefixeerd
houden, hetgeen vernioeiend is en tijd kost;

7. ondanks alle lege artis uitgevoerde handelingen, blijken vele blokjes
voortijdig los te gaan.

Al deze bezwaren kan men ontgaan, door gebruik van het nieuwe nagelloze
klauwbeslag, „model Bron".

Het bestaat uit een houten blokje, hetwelk vóór-onder is afgerond, teneinde
het z.g. toonrollen te bevorderen. Vóór-zijdelings is het blokje aangepast
aan de klauw-vorm, terwijl het achter oploopt, om afglijden te voorkomen.
Om de klauw-toon loopt een strak aangetrokken toonband, welke d.m.v.
een passant verbonden is aan de z.g. kootband. 13eze laatste is aan de
binnenkant bekleed met schuimplastic, zodat er geen hinderlijke druk-
kingen kunnen optreden (foto 1).

Het geheel is voldoende stevig voor gebruik gedurende 4-5 weken onder
de zwaarst denkbare omstandigheden.

Vele jjroeven zijn genomen met gezond vee, dat dagelijks ongeveer 6-8
kilometer liep en daarbij tweemaal op stal ging.

De fixatie vergt met behulp van de peesklem naar mijn ontwerp, slechts
één minuut, terwijl het afnemen nog minder tijd vraagt (foto 2).

-ocr page 40-

REFERATEN

Baeferiële- en virusziekten

DE PROPHYLAXIS VAN BIGGENDIARREE.

Kohier, M. E. and Bohl, E. H.: Prophylaxis of Diarrhca in Newborn Pigs.
ƒ.
Am. vet. med. Ass., 144, 1294, (1964).

De bekende witte diarree bij pasgeboren biggen wordt vrijwel steeds veroorzaakt door
E. coli. Pathologisch wordt de ziekte gekenmerkt door een ernstige catarrale enteritis
en meer of minder grote brokken gestremde melk in de maag.

Op bedrijven, waar vrijwel ieder koppel biggen door de ziekte werd aangetast,
werden vele verschillende medicamenten op hun profylactische waarde getest.
Furazohdone, penicilline,
L. acidophilus-me\\k en Cl. perfingens-antitoxin hadden
geen effect.

De ziekte kon voorkomen worden door orale toediening van 20 mg neomycinesulfaat
binnen 12 uur na de geboorte, welke dosering 4x werd herhaald met tussenpozen van
12 uur.

Chlooramphenicol per os (2 x daags 30 mg gedurende de twee eerste levensdagen)
had eveneens een goede profylactische werking, maar was veel duurder. Ook thera-
peutisch waren van de onderzochte therapeutica alleen neomycinesulfaat en chloor-
amphenicol effectief. Echter wordt op bedrijven, waar de ziekte een probleem vormt,
aan profylactische toediening de voorkeur gegeven, omdat door het snelle verloop
van de ziekte therapeutische maatregelen vaak te laat komen en veel bi,ggen niet
volledig genezen.

]. Uwland.

OSTEOMYELITIS BIJ DE MENS DOOR SALMONELLA TYPHIMURIUM.

Schumacher, D.: Osteomyelitis des Os parielate durch Salmonella typhimurium.

Zschr. Chir., 89, 865, (1964).
Patiënte had na het eten van leverworst diarree, met bloed en slijm er in, gehad
.gedurende 10 dagen. Er is toen geen bacteriologisch onderzoek verricht. Uit etter
van een proces aan het linker os parietale, dat inmiddels ontstaan was, werd on,geveer
een half jaar later
S. typhimurium gekweekt; ook de faeces waren toen positief.

C. A. van Dorssen.

DE DIFFERENTIEEL DIAGNOSE TUSSEN DE KLASSIEKE EN DE AFRI-
KAANSE VARKENSPEST.

Sanchez Boitija, C.: El diagnostico diferencial cntrc la peste porcina clasica
y peste porcina africana.
An. Inst, invest. vet., 14, 15, (1965).

.Afrikaanse varkenspest en klassieke varkenspest zijn twee ziekten die veel op elkaar
.gelijken, wat betreft hun epizoologie, verschijnselen en laesies. In landen waar deze
twee ziekten naast elkaar voorkomen schept dit grote problemen wat betreft de
differentieel diagnose.

In Spanje is men erin geslaagd deze twee ziekten van elkaar te onderscheiden, aan
de hand van de epizoölo.gie, verschijnselen en aandoeningen, alsmede door de iden-
tificatie van het virus van de Afrikaanse varkenspest (A.v.p.) met behulp van weefsel-
culturen (test van Malmquist en H a y) cn door middel van inoculatie van
materiaal afkomstig van varkens verdacht van A.v.p. in varkens welke hoogimmuun
zijn voor de klassieke varkenspest.

Het bestuderen van de epizoologie, de intensiteit van de laesies en dc hoge mor-
taliteit, maakte de diagnose A.v.p. in de jaren 1960-1962 niet al te moeilijk. De
laatste jaren echter (1963-1964) zijn de verschijnselen welke optreden bij de A.v.p.
steeds meer gaan gelijken op de verschijnselen van de klassieke varkenspest. In ge-
bieden waar de ziekte nog niet voorkomt, kan het optreden van de eerste gevallen
van de A.v.p. voor die van klassieke varkenspest worden aangezien.

-ocr page 41-

Voor het stellen van de diagnose, en om deze sporadische gevallen onder controle
te krijgen worden de volgende maatregelen aanbevolen: een voortdurende waak-
zaamheid, de dierenartsen en veehouders in „alarmtoestand" houden, vaccineren
tegen dc klassieke varkenspest, ieder verdacht dier onmiddellijk opsturen naar het
laboratorium, toepassing van de allerstrengste sanitaire maatregelen bij alle gevallen
van varkenspest, hetzij klassieke varkenspest, hetzij Afrikaanse varkenspest (A.v.p.).
De identificatie van het virus van A.v.p. in leucocyten culturen, door middel van
hemoadsorptie en citopathogeen effect (Malmquist en H a y test) is gebleken
een waardevol hulpmiddel te zijn in Spanje, voor de routine diagnose en ter controle
van deze ziekte. De daarbij aangewende techniek bleek een grote specifieke waarde
te hebben. Desalniettemin wordt deze techniek nog verder bestudeerd met het oog
op een mogelijke verandering van het virus in de toekomst, of nieuwe epizoölogische
kenmerken, welke de resultaten van deze wijze van diagnose kunnen beïnvloeden.
Het inoculeren van materiaal afkomstig van varkens verdacht van A.v.p. in gehyper-
immuniseerde dieren (voor klassieke varkenspest) wordt alleen toegepast in die ge-
vallen, waarbij de hemoadsorptie test niet kon worden toegepast of negatief was of
twijfelachtig t.g.v. verschillende omstandigheden (rottingsproces, citotoxisch effect
van het inoculum, niet voldoende hoeveelheid virus). Het is de aangewezen methode
voor de identificatie van .A.v.p. virus, wanneer de ziekte voor het eerst uitbreekt in
een land, tot nu toe vrij van deze ziekte en waar men geen ervaring heeft met de
test van Malmquist en Hay.

In dit artikel worden de waargenomen veranderingen van A.v.p. vermeld, sinds deze
ziekte haar intrede in Spanje deed in verband met de epizoölogie, de klinische
symptomen, alsmede een tabel met de pathologisch-anatomische veranderingen, als
ook hun invloed op de mogelijkheden en moeilijkheden voor de differentieel diagnose,
zowel in de praktijk als in het laboratorium.

A. L. J. M, Heirman.

PASTEURELLA X BIJ DE MENS.

M o 1 1 a r e t, H. H. et D e s t o m b e s, C.: Les genics „X" en pathologie humaine.
Presse médic., 72, 2913, (1964).

De Pasteurella X (door Akkermans en Terpstra en anderen beschreven
bij de chinchilla,
Ref.) is in 4 gevallen ook bij de mens geconstateerd. Evenals
Pasteurella pseudotuberculosis kan hij oorzaak zijn van septcemie, enteritis en mesen-
teriale lymfklierontsteking. Hij verschilt niet alleen cultureel van deze bacterie, maar
heeft ook verschil in faaggevoeligheid en Serologie. Therapeutisch komen strepto-
mycine en choramphenicol in aanmerking; voor penicilline is hij niet gevoelig.

C. A. van Dorssen.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziel(ten

NEGUVONVERGIFTIGING.

Massive Vergiftigungscrscheinungen bei der Entdasselung mittels des Phospforester
Präparates Neguvon.
IVien. tierärztl. Mschr., 52, 919, (1965).
Voorjaar 1963 werden in Bregenz/Vorarlberg 195 dieren op 35 bedrijven door dieren-
artsen uitwendig met Neguvonoplossing tegen runderhorzel behandeld. Acht ä tien
uur na de behandeling traden intoxicatieverschijnselen op, waarbij 70% van de dieren
gedurende 1-4 dagen ernstig ziek was. Men weet hier de intoxicatie aan de hoge
staltemperatuur, waardoor de verdampte Neguvon door de dieren werd ingeademd.
Door deze ervaring werd bij de behandeling van 5763 runderen in 7 andere Oosten-
rijkse gemeenten aangeraden, de dieren na de behandeling zo mogelijk weidegang
te verschaffen en vooraf en enkele dagen na de behandeling geen krachtvoer te
verstrekken. De behandelde dieren bestonden voor 50% uit volwassen koeien, waarvan
75% meer dan zes maanden drachtig was.

Op de dag van de behandeling werd niets bijzonders aan de dieren gezien. De
volgende morgen vertoonde ongeveer een derde van de dieren gastro-intestinale ver-
schijnselen, koliek, braken, tympanie en soms diarree.

-ocr page 42-

Na deze eerste intoxicatieverschijnselen bleven de dieren lusteloosheid en gebrek aan
eetlust vertonen. Bij verschillende hoogdrachtige dieren volgde enkele dagen hierna
abortus, waarbij de vrucht doodgeboren werd en de koe met de nageboorte bleef
staan. Koeien, die dicht aan het kalven toe waren, kalfden snel af. Het kalf werd in
deze gevallen levenszwak geboren. De melkproduktie bij deze koeien liet na het kalven
veel te wensen over; laat kalvende of niet-drachtige dieren verdroogden snel. In
enkele gevallen ontwikkelde zich ook artritiden van het tarsaalgewricht.
Jonge dieren bleken zeer gevoelig te zijn, terwijl ook een voorafgaande intensieve
voedering het optreden van intoxicatieverschijnselen in de hand werkte. Zowel bij
dieren, die op stal werden gehouden en waarbij geen verschillen werden gezien tussen
goed en slecht geventileerde stallen, als ook bij dieren, die na de behandeling in
de weide werden gedaan, traden de vergiftigingsverschijnselen op. Zelfs had men de
indruk, dat weidegang het optreden van de vergiftigingsverschijnselen bevorderde.
Voorzichtigheid met Neguvon is daarom, speciaal bij drachtige dieren, geboden.
(Behandeling met extract van derrispoeder mag minder gemakkelijk zijn, maar is
voor mens en dier totaal ongevaarlijk,
Ref.).

F. W. J. Swart.

BEHANDELING VAN FASCIOLIASIS BIJ SCHAPEN.

K u t 11 e r, K. L., Matthews, N. J. and M a r b 1 e, D. W.: Comparative
Therapeutic Efficacy of Carbon Tetrachloridc, Hexachoroethane, and Me 3625 in
Fasciola hepatica Infecdons of Sheep.
Am. J. vet. Res., 24, 98, (1965).
Drie stoffen, tetrachloorkoolstof, Bayer ME 3625 (in de literatuur ook bekend als
Bayer 9015) cn hexachlooraethaan werden in dit onderzoek bij volwassen schapen
getest op hun werkzaamheid tegen
Fasciola hepatica infecties.

Tetrachloorkoolstof werd gemengd met gelijke delen minerale olie en intramusculair
toegediend, een groep schapen kreeg 4 ml, een andere groep schapen 8 ml van dit
mengsel. Hexachlooraethaan werd oraal toegediend, een groep kreeg 11,7 g per
schaap, in de andere groep werd 15,6 g per schaap toegediend. Bayer ME 3625
(een phenolderivaat: 3,3\'-Dichloro 5,5\'-dinitro-0,0\'-biphenol,
Ref.) werd eveneens
oraal toegediend en wel in een dosis van 3 mgA^g lich. gew.

Als maatstaf voor de verdraagzaamheid van de produkten werd gebruik gemaakt van
het meten van de SGOT.

De injectie van tetrachloorkoolstof was zeer effectief bij de bestrijding van volwassen
leverbotten. De injectie van 8 ml verdient de voorkeur. Bayer ME 3625 was even
effectief als de injectie van 8 ml tetrachloorkoolstof, maar bovendien was hierbij de
SGOT het laagste, hetgeen betekent dat ME 3625 het best verdragen werd. Behan-
deling van hexachlooraethaan was niet zo effectief, als behandeling met tetrachloor-
koolstof of Bayer ME 3625.

Uit dc SGOT bepaling bleek dat hexachlooraethaan beter verdragen wordt dan
tetrachloorkoolstof, maar minder dan ME 3625.

A. L. ]. M. Heirman.

Voedingsmiddelenhygiëne

GESNEDEN VLEESWAAR IN VACUUM-VERPAKKING.

Albert sen, B.: Vacuumpakket Paaläg. Medl.bl. Dansk dyrl foren., 49, 110,
(1966).

De schrijver is het in grote trekken eens met hetgeen M a d e 1 u n g*) voor gesneden
vleeswaar in vacuum-verpakking heeft te berde gebracht. Hij maakt nog enkele op-
merkingen, die het vermelden waard zijn.

Uit het eerste technologische gedeelte, moge het volgende worden aangehaald.

*) Zie Tijdschr. Diergeneesk., 91, 542, (1965).
866

-ocr page 43-

Het zout in de waterige fase lian bij sterker gezouten vleeswaren 5% en bij gekookte
vleeswaren 3% variëren. De ene charge kan dus sterk afwijken van de andere, en
daarom ook met betrekking tot de bacterieflora.

Frequente dagelijkse desinfecde van de machines acht Albertsen praktisch niet
uitvoerbaar. Daar zij door de vleeswaar worden besmet, moet men steeds eerst de
meest kiemarme produkten snijden.

Armbescherming en frequente desinfectie der handen zijn noodzakelijk. Daar het
verpakken steeds door vrouwen geschiedt, die graag handcrèmes gebruiken, beveelt
Albertsen het gebruik van desinfecterende crèmes aan. Deze verdienen de voor-
keur boven sterker werkende vloeistoffen, die toch niet gebruikt worden.
Slechts 50% der koelinstallaties was in staat de temperatuur op 5° C (in de in-
stallatie) te handhaven, en dan alleen nog bij uiterst nauwgezette bediening en be-
waking. Ze zijn vaak te klein en overvuld, zulks in verband met de hoge prijs.
Men moet nooit de inhoud van het pak beoordelen naar 1 factor (kleur, vochtigheid,
pH, bacteriegehalte, reductasecijfer). Verse zoutarme waren zijn vaak slechter van
kleur dan oude, sterk gezouten, zuur geworden monsters.

Voor de beoordeling is het totaalkiemgetal niet relevant. Voor toepassing bij bedrijfs-
controles is het echter niet geheel waardeloos. In tegenstelling tot Jepsen**)
hecht de schrijver wel enige waarde aan het coli-cijfer, daar 79% der praktijkmonsters
beneden 100 colibacillen per gram vleeswaar bleven.

Evenals Madelung geeft de schrijver de voorkeur aan een temperatuur in het
koelmeubel van —1 tot 0° C. Als men in de toekomst het aantal verkooppunten wil
uitbreiden, moet deze eis van 5° C vervangen worden door 5° C in de waar zelf.
Variaties in de inblaassnelheid der lucht, omvang van het koelmeubel, vulling,
straling der gloeilampen maken, dat momenteel de temperatuur der vleeswaar meestal
te hoog ligt.

Albertsen is er voorstander van de houdbaarheidstermijn op de verpakking te
handhaven, wetend dat deze overoptimistisch is. Anders is de klant helemaal het
stuur kwijt. Hijzelf voelt voor een wettelijk voorgeschreven maximale verkoopduur
(dit impliceert een vermelding van de pakdatum,
Ref.). Hij weet door ervaring
in een concern (100.000 pakjes per week, 6 dagen houdbaarheid) dat er dan maar
enkele promille behoeft te worden gedestrueerd.

Het grote probleem bij vacuum-vleeswaar is niet de houdbaarheid, maar de omzet-
snelheid.

Zootechniek

IJZERGEBREK ALS OORZA.AK VAN DOODGEBORE.N BIGGEN,

Moore, R. W., R e d m o n d, H. E. and Livingstone, G. W.: Iron deficiency
anemia as a cause of stillbirth in swine.
]. Am. vet. med. Ass., 147, 746, (1965).
Op fokbedrijven, waar een hoog percentage doodgeboren biggen voorkwam, bleken
de zeugen een 25 tot 50% verlaagd haemoglobine-gehalte te hebben.
Het percentage doodgeboren biggen verminderde belangrijk na toevoeging van 100 mg
ferrosulfaat per kg voer.

Door virologisch, bacteriologisch en serologisch onderzoek konden geen herkenbare
bacteriêle en virologische oorzaken van abortus worden aangetoond. Een verband
tussen het voorkomen van doodgeboren biggen en een ijzergebreksanemie lijkt aan-
nemelijk,

ƒ, Uwland.

BIJDRAGE TOT HET OPSPOREN VAN VERVALSINGEN IN GROND-
STOFFEN VOOR VEEVOEDERS,

Gastella Bertran, E,: Aportacion a los metodos de deteccion del fraude por
adicion de harina de plumas hidrolizadas, en materias primas para piensos.
An.
Instit. invest. Vet.,
14 en 15, (1965).

C. Postma.

-ocr page 44-

In dit artikel wordt er door de auteur op gewezen, dat ondanks de strenge controle
die er alom bestaat, vervalsingen toch nog geregeld worden gepleegd. Het toevoegen
van gehydrohseerd vedermeel, behoort tot de klassieke vervalsingen.
In het algemeen worden eiwitrijke krachtvoeders in de internationale handel, ge-
waardeerd naar hun bruto eiwitgehalte,

Vedermeel van goede kwaliteit bevat ongeveer 80% bruto eiwit cn is ongeveer 3-4
maal goedkoper dan een standaard vismeel, dat ±55% bruto eiwit bevat. Door toe-
voeging van 10% vedermeel aan vismeel stijgt het bruto eiwitgehalte van vismeel tot
±60%.

Vedermeel is echter slecht verteerbaar, en wordt door onze huisdieren slecht opgeno-
men, en bovendien munt het niet uit in haar aminozuren constellatie. Volgens de
auteur moet de toevoeging van vedermeel aan krachtvoeder niet als een vervalsing
worden aangezien als het dc 4% niet overschrijdt en als zodanig wordt vermeld.
Wèl wordt het als een vervalsing aangemerkt, als men vedermeel aantreft in bloed-
meel, vismeel of vleesmeel afkomstig van zoogdieren.
In dit artikel komt men tot de volgende conclusies:

1. Toevoeging van gehydrohseerd vedermeel aan vleesmeel en vismeel is niet te
achterhalen door toepassing van methodes in gebruik voor de bepaling van amino-
zuren, beschikbaar lysine en de verteerbaarheid in vitro van eiwit door pepsine.

2. Alleen door het micrografisch onderzoek is men in staat de aanwezigheid van
vedermeel vast te stellen. Het vinden hierbij van delen met de morfologische
structuur van een veder is doorslaggevend, zoals harde vezelachtige structuren,
knobbelige stengels en gele doorzichtige massa\'s met harde, gladde en glanzende
oppervlakten.

3. Bij toevoeging van gehydrohseerd vedermeel is het vezclgehalte verhoogd, het is
daarom raadzaam ook een micrografisch onderzoek van het vezelresidu te ver-
richten.

4. Met deze methode is het niet mogelijk de kwantitatieve bepaling te doen, om te
weten hoeveel gehydrohseerd vedermeel is toegevoegd.

A. L. ]. M. Heirman.

BOEKBESPREKING

ARZNEIMITTEL-SYNONYMA.
Hans Georg Niemand.

(Verlag Paul Parey, Hamburg und Berlin, 1963. 159 pag., DM 19.80.)
Zoals de auteur in het voorwoord schrijft gaat men cr in de moderne vakliteratuur
steeds meer toe over om internationale afkortingen en soms ook gebruikelijke nationale
afkortingen voor geneesmiddelen te gebruiken. Aangezien deze vernieuwing vrij
onverwacht kwam, voelde de schrijver zich .geroepen cen lijst uit te geven van deze
afkortingen, waarbij dan verwezen wordt naar de vanouds bekende namen. Het boek
kon vrij beknopt gehouden worden, omdat men in Duitsland dc zogenaamde „Rote
Liste" kent, waarin ook tal van synoniemen en handelsnamen zijn opgenomen.
Blz. 5 t/m 136 geven een alfabetische lijst van de nationale en internationale af-
kortingen, de internationale gebruiksnaam en de „Generic Name", die de schrijver
gelijkstelt aan „synoniem". Achter deze namen vindt men in de 2e kolom een
indicatie voor het gebruik, in de 3e kolom de handelsnamen van enkelvoudige specia-
lité\'s en in de 4e kolom de handelsnamen van samengestelde specialité\'s, die o.a. het
geneesmiddel uit de 1ste kolom bevatten.

-ocr page 45-

Blz. 136 t/m 153 geven een alfabetische lijst van de handelsnamen van de specialité\'s.
Het boekje zou voor de Nederlandse arts een prettig naslagwerkje zijn, mits het
verschenen was van de hand van een Nederlandse auteur. Verschil in opvatting over
naamgeving, verschillen in nationale gebruiksnaam cn verschil in schrijfwijze maken
een dergelijk boek van een buitenlandse auteur minder geschikt voor Nederlands
gebruik.

Een verschil in opvatting over dc naamgeving blijkt al uit het voorwoord waarin de
schrijver „Generic Name" en „synoniem" identiek acht. In Nederland verstaat men
onder de „Generic Name" de officiële naam, waarbij wij ons houden aan de ver-
latijnste naam van de W.H.O. Hoewel ook wij ons nog in een overgangsstadium
bevinden van de oude gebruikelijke naam naar de „Generic Name" (in dit boek dus
te vergelijken met wat de schrijver noemt „Internationaler Kurzname"), hebben deze
namen al voor een groot deel burgerrecht verkregen. Het is bij ons dan ook gewoonte
achter de „Generic Name", de gegevens van het geneesmiddel te vermelden, zoals
indicatie, speciahténamen synoniemen, tot de synoniemen behoort ook de Nederlandse
gebruiksnaam. Zoeken wij de synoniemen of specialiténamen op, dan wordt verwezen
naar de „Generic Name".

In dit boek wordt bij de synoniemen en bij de „Generic Name" verwezen naar de
Duitse gebruiksnaam, waarachter wij dan wel vinden indicatie en enkele specialité-
namen, maar geen synoniemen of „Generic Name". Dit heeft tot gevolg dat in al
die gevallen waarin de Duitse gebruiksnaam niet identiek is aan de „Generic Name",
of waarin de Duitse en Nederlandse gebruiksnaam verschillend zijn, men niet weet
welk geneesmiddel bedoeld wordt.

Men kan dus eigenlijk alleen met dit boek werken, indien men op de hoogte is van
de Duitse gebruiksnamen, hetgeen van de Nederlandse dierenarts niet verwacht kan
worden. Is de Duitse gebruiksnaam in Nederland geheel onbekend, dan wordt de
situatie nog ingewikkelder, hoewel men dan een enkele keer de oplossing kan vinden
uit de gegevens over de indicatie dan wel uit enkele speciahténamen.
Wat de schrijfwijze betreft treffen we de volgende verschillen aan: Duitsland houdt
zich aan de oude schrijfwijze, terwijl wij ons houden aan de schrijfwijze van de
W.H.O.

Er zijn verschillen in spelling.

Er zijn verschillen wat betreft het eerst noemen van kation dan wel van het anion.
Het gevolg hiervan is dat men vaak twijfelt welk geneesmiddel bedoeld wordt, of een
bepaald geneesmiddel niet kan vinden.

Ook de specialiténamen leveren moeilijkheden voor de Nederlandse gebruiker, nl.:
vele van de in Duitsland gebruikelijke specialité\'s zijn in Nederland niet gebruikelijk,
terwijl de in Nederland gebruikelijke specialité\'s vaak niet genoemd worden. Buiten-
landse specialité\'s hebben vaak in Duitsland een andere gebruiksnaam dan in Neder-
land. Bij buitenlandse specialité\'s die in Duitsland niet door de fabrikant zelf ver-
tegenwoordigd worden, staat alleen de naam van de Duitse importeur, zodat wij niet
weten wie de fabrikant is.

Samenvattend zou ik willen constateren:

Over de gehele wereld bestaat grote verwarring over de naamgeving van verschillende
geneesmiddelen zodat ieder land behoefte heeft aan een eenvoudig naslagwerkje voor
dagelijks gebruik, men moet dan echter uitgaan van de gebruikelijke naamgeving
in dat land. Dit boek heeft dus voor Duitsland zeker zijn waarde.
Als algemeen naslagwerk is dit bock voor Nederland ongeschikt. Het kan echter wel
zijn nut hebben indien men het gebruikt als naslagwerk voor de Duitse literatuur.
De waarde van dit boekje is voor de Nederlandse dierenarts betrekkelijk omdat het
alleen geneesmiddelen behandelt, die gebruikt worden in de humane geneeskunde.
Vele van deze geneesmiddelen worden immers veterinair nooit toegepast en specifiek
veterinaire geneesmiddelen worden in dit werk niet genoemd.

N. Weiffenbach.

-ocr page 46-

INGEZONDEN

DRESSUUR II.

In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1 mei 1966 wordt in de rubriek „Vraag
en Antwoord" een vraag gesteld over het gebruiken van paarden op jeugdige leeftijd.
In het antwoord wordt gezegd dat men algemeen aanneemt dat een volbloed op 3-
jarige leeftijd volwassen is, een minder hoog in het bloed staand paard op S/a-jarige
leeftijd. Dit is niet in overeenstemming met hetgeen Schmaltz (1928) aangeeft.
Deze immers laat de volwassenheid beginnen bij het beëindigen van de groei van de
beenderen, in het vijfde jaar.

Wanneer men jonge paarden goed heeft geobserveerd zal men het met mi| eens zijn
dat een vijfjarig paard in zijn verschijning nog typisch „kinderlijk" kan zijn en pas
na een paar jaar in zijn lichamelijke ontwikkeling zich „volwassen" toont. Persoonlijk
zou ik eigenlijk een 8-jarig paard pas als volledig ontwikkeld willen aanmerken.
Dat een los paard gemakkelijk een hindernis neemt beschouw ik als een losse opmer-
king. Dit is immers iets heel anders dan een sprong onder de ruiter. Het aangaan m
galop links en rechts mag dan geen dressuur zijn omdat het hier natuurlijke bewe-
gingen betreft; in feite is elke dressuur gebaseerd op de natuurlijke bewegingen welke
het jonge paard ook wel spontaan uitvoert en zou dus in het geheel niet zo mogen
worden genoemd. Wèl dressuur in de zin welke de vraagsteller er aan geeft is^ het
leren dragen van het ruitergewicht en het zich leren bewegen onder dat gewicht.
Hiervoor is, zoals Wintzer (1964) terecht opmerkt, een lange periode van voor-
bereiding noodzakelijk. Rekening daarmede houdend wordt het onmogelijk een paard
voor te bereiden op een springconcours op 4-jarige leeftijd omdat men dan minstens
een 3-jarige al moet gaan berijden. Terecht merkt dan ook de samensteller van het
antwoord op dat vele jonge paarden aan een te snel ingezette training sneuvelen. Als
deskundige is het nu juist
onze taak standvastig front te maken tegen elke aandrang
van fokkers- of handelaarszijde om onze goede jonge paarden aan een dergelijke
riskante beproeving bloot te stellen.

Het gevaar voor lichamelijke schade bij te vroeg inzetten van een training is groot,
al is de grens tussen „goed" en „niet meer goed" volgens de steller van het antwoord
niet gemakkelijk te bepalen. Ik ben dit niet met hem eens want men kan heel doel-
matig stellen dat men drie-jarigen niet mag berijden. Het meedoen aan eenvoudige
evenementen wordt pas toegestaan aan zesjarige paarden. (Wanneer, zoals dit jaar,
een springconcours in het voorjaar wordt georganiseerd, zullen sommige 6-jarige
paarden dit toch nog maar nèt zijn).

Over de al of niet deskundigheid van de huidige ruiters moeten we niet tc veel
praten. De fysiologische en anatomische achtergronden blijven een gesloten boek en
men is te eigengereid om zich bij gebrek aan
inzicht dan maar domweg te richten
naar wat altijd als juist werd gekwalificeerd.

Driejarige warmbloeds, zegt Kalita (1966), behoren in de weide. Wil men er
rekening mee houden dat een 4-jarig paard in africhting kan worden genomen en het
dier op de juiste wijze aanrijden, zodat het inderdaad lichamelijk en geestelijk klaar-
gemaakt wordt voor de gevraagde verrichting, dan houdt dit tevens in dat men pas
met een 6-jarig paard kan uitkomen.

Ik citeer tot slot v. S a v y - L e r v i 11 e (1966), die ons er aan herinnert dat in
vele landen een jonge remonte 4 jaar was, terwijl volle inzet bij de cavalerie pas met
6 jaar geschiedde, en dan zegt: „Wem das zu lange dauert, wer das nicht erwarten
kann, der zeigt, dasz ihm die innere Beziehung zum Pferd fehlt".

LITERATUUR.

Schmaltz, R.: Anatomie des Pferdes. 2. .Aufl. Berlin 1928. p. 23.
Wintzer, H. J.: Zur Podotroehlitis chronica aseptiea des Pferdes. Diss. Utrecht
1964. p. \'ll3 & 116.

Savy-Lerville, V.: Schont unsere jungen Pferde. Sankt Georg, 67, 19, (1966).
Kalita, A.: 4. Bayer. Reitpferde Auktion. Sankt Georg, 67, 22, (1966).
Zeist, mei 1966. B\'^rrau.

-ocr page 47-

UITROEIING VAN FRAUDULEUZE SLACHTINGEN EN VERKOOP VAN
KADAVERS EN KADAVERVLEES.

Gaarne zou ik het in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, 90, 1353, (1965) hier-
over te berde gebrachte nog met enige opmerkingen willen aanvullen.
Mijns inziens zijn de op te sporen en streng te straffen veehouders en vee-eigenaren
de hoofdschuldigen bij overtreding van art. 7 der Vleeskeuringswet (het niet officieel
kennis geven van een „gestorven" slachtdier en het verkopen en te koop aanbieden
van kadavers en/of kadavervlees). Ik vraag me af of het geen aanbeveling zou
verdienen het gebruik van een „veeboekje" in te voeren ter wettelijke verplichte
registratie van alle mutaties in de veestapel door aankoop, geboorte, verkoop of
sterfte, alsmede data van inkoop, verkoop, geboorte en sterfte, registratie van prijzen
en inkoop- en verkoopadressen.

Teneinde het in circulade brengen van kadavers en kadavervlees tegen te gaan zou
bovendien een van Rijkswege geldend systeem van toekenning van vergoedingen
kunnen worden toegepast voor „gestorven" slachtdieren en afgekeurde in nood
gedode slachtdieren, waarbij het bedrag der vergoedingen hoger zal moeten zijn dan
wanneer men de kadavers of het vlees daarvan frauduleus in omloop zou brengen.
De laatstgenoemde handelwijze zou alsdan al haar aantrekkelijkheid verliezen.
Het „veeboekje" lijkt me dusdanig te kunnen worden ingedeeld dat het naast de
nodige instrucdes voor dc houder inzake het bewaren, het tonen en het bijhouden
ervan, ook de nodige informaties verstrekt o.a. aangaande de wettelijke bepalingen
(art. 7 Vleeskeuringswet) en strafmaatregelen, de hygiënische gevaren voor de volks-
gezondheid bij overtreding ervan en de bepahngen en restricdes betreffende het
hierboven genoemde vergoedingensysteem.

Zonder voorlopig nader in details te treden over de bepahngen en voorschriften van
het systeem als zodanig, die ik gaarne met geïnteresseerde collegae zou willen be-
spreken, denk ik b.v. aan het Landbouwschap als instantie die welhcht gedeeltelijk tot
het stichten van een „kadaverfonds" zou kunnen medewerken, waaruit — in analogie
met de uitkeringen voor tuberculose en abortus Bang — de bovengenoemde ver-
goedingen zouden kunnen worden bekostigd.

Naar mijn mening zuhen, bij een goede voorbereiding, de uitvoering van mijn ideeën
— indien zij in de praktijk althans uitvoerbaar zouden zijn — de frauduleuze slach-
tingen en het in de handel brengen van kadavers en kadavervlees volledig en totaal
worden uitgeroeid.

Tenslotte moge ik alle collegae — en speciaal de vleeshygiënisten onder hen — die
geïnteresseerd zijn in het aangeroerde zeer belangrijke probleem op het gebied der
Volksgezondheid, verzoeken mijn suggesties ernstig te overwegen, waarbij ik mij
aanbevolen houd voor eventuele reacties, teneinde e.e.a. nader uit te werken en in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde te publiceren.

A. W. M. Dogterom.

-ocr page 48-

CONGRESSEN

WERELD CONGRES VOOR DIERLIJKE VOEDING.

Van dit onder auspiciën van de International Veterinary Federation on Zootechnics

in Madrid van 2-8 oktober 1966 te houden congres (zie pag. 491, afl. 7, 1966,
van dit Tijdschrift) is het definitief programma verschenen.
De aanmelding voor deelname sluit op
1 juli 1966.

MEDEDELINGEN

Van de Veearfsenijkundige Dienst

MOND- EN KLAUWZEER.

Daar zich op 18 mei in Overijssel het laatste, incidentele geval van mond- en klauw-
zeer in ons land heeft voorgedaan, is met ingang van 2 juni tot intrekking van de
schorsing van de varkensmarkten in het gehele land overgegaan. Ook het verbod
tot het houden van keuringen, tentoonstellingen en het op dergelijke wijze bijeen-
brengen van varkens, is na 2 juni niet verlengd. Tot 15 juni 1966 is, als laatste
bestrijdingsmaatregel, een verbod van kracht geweest tot het vervoer van varkens
in de gemeente Bathmen in Overijssel. Hier bevond zich het laatst aangewezen ge-
bied, waar varkens op overheidskosten tegen mond- en klauwzeer zijn geënt.
Italië en Luxemburg hebben alle beperkingen ten aanzien van de invoer van vee
en vlees uit Nederland opgeheven.

Voor andere landen gelden thans (15 juni) nog enkele beperkingen ten aanzien
van de invoer van levend vee.

NOORS BEZOEK.

In de week van 6 tot 11 juni bracht Dr. E. O. D a h 1 m a n. Superintending Vete-
rinary Inspector op het gebied van de dierziektencontrole van de Noorse Veeartsenij-
kundige Dienst te Oslo, een bezoek aan Nederland.

Na door de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, de heer J. M. van den
Bom, te zijn ontvangen, bracht hij in gezelschap van Inspecteurs van deze Dienst
achtereenvolgens bezoeken aan:

de Inspectie Overijssel van de Veeartsenijkundige Dienst,
de Gezondheidsdienst voor Pluimvee te Soesterberg,
het Centraal Diergeneeskundig Instituut, afdeling Rotterdam,
quarantaine-stations te Maassluis, Vlaardingen en Hoek van Holland en
het Centraal Diergeneeskundig Instituut, afdeling Amsterdam.

INVOERVERBOD PAARDEN.

In verband met het acuut voorkomen van infectieuze anaemie onder paarden in
Frankrijk, hebben Groot-Brittannië en de republiek Ierland de invoer van paarden
uit het gehele Europese continent verboden.

Het Britse Ministerie van Landbouw kan echter onder bepaalde voorwaarden ont-
heffing van dit verbod verlenen.

ENTCAMPAGNE TEGEN HET OPRUKKEN VAN EXOTISCH MOND- EN
KLAUWZEER.

Half mei is de jaarlijkse entcampagne begonnen, die ten doel heeft de veestapels
in de grensgebieden van Bulgarije, Griekenland en Turks Thracië, tegen exotische
vormen van mond- en klauwzeer te vaccineren.

Dit gebeurt in het kader van de handhaving van een bufferzone, die vier jaar ge-
leden onder leiding van de F.A.O., de voedsel- en landbouworganisatie van de
Verenigde Naties, is gelegd.

Circa 100 entteams, bestaande uit dierenartsen en vertegenwoordigers van de
F.A.O., zijn bij deze entcampagne betrokken. Het doel is, evenals in voorgaande

-ocr page 49-

jaren, te trachten de exotische typen van mond- en klauwzeer uit de rest van
Europa te weren.

De hier aanwezige veestapel, die op circa 375 miljoen stuks vee wordt geschat,
heeft geen immuniteit tegen deze exotische typen en een doorbraak zou voor de
Europese landen een catastrofe betekenen.

Invalspoort

De genoemde landen vormen een natuurlijke invalspoort van Azië naar Europa en

deze af te grendelen is dus van groot belang.

Dit jaar zullen circa 600.000 stuks vee worden geënt.

Toen destijds met de campagne werd begonnen, had men slechts met één exotisch
type van het mond- en klauwzeervirus te maken, het South African Type I.
In de jaren daarna kreeg men eveneens te maken met een exotisch virus van het
type O en verleden jaar stak een Middle Eastern variant van het A-type de kop op.
Het te gebruiken vaccin geeft bescherming tegen deze drie typen.
De F.A.O. stelt eveneens jeeps en andere voertuigen beschikbaar voor de entteams
die in de bufferzones werken. Koelwagens zorgen voor het transport van het vaccin
naar de drie bufferzones.

Kritieke Campagne

De algemeen leider van de Campagne, de F.A.O.-deskundige Dr. Henri Girard, be-
schouwt de campagne van dit jaar als de meest kritieke die ooit is uitgevoerd.
Wanneer het niet lukt de exotische vormen van mond- en klauwzeer in de buffer-
zones tegen te houden, zal het moeizame werk van vier jaar, dat miljoenen heeft
gekost, nutteloos zijn geweest.

V.D. en V.G. VERHUISD.

Met ingang van 24 juni 1966, zijn de bureau\'s van de Veeartsenijkundige Dienst
en van de Veterinaire Hoofdinspectie van de Volksgezondheid verplaatst van le van
de Boschstraat 4, \'s-Gravenhage naar:

Dr. Reijersstraat 8,
Leidsehendam.

Het telefoonnummer is met ingang van 24 juni 1966 gewijzigd in: 070 (kengetal
Den Haag) - 81.47.01.

-ocr page 50-

GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN.
Over de maanden april en mei 1966.

.\\trofische
rhinitis
varkens

Pseudo-
vogelpest

Miltvuur
alle vee

Rotkreupel
bij schapen

Provincies

Mond- en
klauwzeer
varkens

Schurft bij
eenh. dieren
en schapen

Varkenspest

april

mei

april

mei

april

mei

april mei

april

mei

april

mei

april

mei

Groningen

12

3

---

—_

Friesland

4

5

19

25

1

- ■

— -

Drenthe

--

10

6

— 1

Overijssel

127

3

3

2

9

4

Gelderland

1

5

6

22

14

- -

1

Utrecht

3

3

1

3

1

1

Noord-Holland

1

1

10

26

1

Zuid-Holland

-

1

3

2

— 1

8

3

1

3

2

Zeeland

2

Noord-Brabant

---

- -

3

16

4

Limburg

- -

2

— —

2

1

7

Nederland

128

3

5

7

67

73

5 2

60

29

l

4

11

OD

-ocr page 51-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

Juli,

13—16, 3e Int. Symposium Listeriosis. R.I.V. Bilthoven. (pag. 1431 (1965),
556)

Augustus,

! —14, Dierg. Stud. Kring. N.S.U.-Zomercongres te Gent en Cureghem (België).

4—9, Dorld Ass. for. Buiatrics. Int. Congres, Zürich. (pag. 1147 (1965), 491,
624)

11 — 18, 9e Intern. Congres Dierlijke Produktie, Edinburgh, (pag. 595, 1296
(1965))

15—21, 13e Wereldpluimveecongres, Kiev (U.S.S.R.).

September,

5, Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven K.N.M.v.D. Vergade-
ring, 10.00 uur. Motel Bunnik, Bunnik. (pag. 826)

25—1 okt., Bridsh Veterinary Association. Jaarcongres, Brighton, (pag. 781)

29—1 okt., Ornithophilia, Utrecht.

29, Groep Dir. Vleeskeurin,gsdiensten en keuringsdierenartsen K.N.M.v.D
Vergadering, 10.00 uur. Restaurant Smits, Utrecht, (pag. 781)

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)

7—8, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 113e Algemene Verga-
dering, Utrecht, (pag. 709)

November,

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, R.I.V Bilthoven.
(pag. 625)

1967

Mei,

10, A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 52-

Koninkliike Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13.

Gironumtiur 511606 ten name van de Koninklijke Neder-
landse Maatschappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU.

Betr.: Dierenartsregeling Meijerij.

„De Meijerij" G.A. vraagt uw aandaeht voor het volgende:

1. Het komt herhaaldelijk voor dat dierenartsrekeningen zeer laat (soms na 13-14
maanden) worden ingediend. Bovendien zijn deze rekeningen niet altijd vohedig
gedekt door meldingen.

Zoals u weet dient een veehouder, die met ons kalvermestpoeder mest, bij ziekte
van zijn mestkalveren, het verzoek om diergeneeskundige hulp door te geven aan
de Meijerij, die op haar beurt dit verzoek onmiddellijk telefonisch doorgeeft aan
de desbetreffende dierenarts.

2. Het is voorgekomen dat wij een rekening ontvingen voor diergeneeskundige hulp,
terwijl meldingen ontbraken en op het betreffende bedrijf geen mestkalveren
aanwezig waren.

3. Veel veehouders verzoeken de dierenarts de mestkalveren te willen inspuiten met
.\'\\D3. Wij zijn de mening toegedaan, dat preventief inspuiten met .\'\\D3 niet valt
onder diergeneeskundige behandeling en dat, indien de mester dit preventief in-
spuiten van AD3 wenst, dit voor zijn eigen rekening dient te geschieden.

In verband met bovenstaande zouden wij het op prijs stellen, indien u uw medewer-
king zoudt willen geven om de bestaande regeling nog beter te doen functioneren,
door uw leden het volgende onder de aandacht te willen brengen:

a. Diergeneeskundige behandeling kan alleen geschieden indien het verzoek daartoe
komt van de Meijerij. Dit verzoek geschiedt telefonisch. Elk telefonisch verzoek
om diergeneeskundige behandeling wordt schriftelijk aan de dierenarts bevestigd.
Bij voorkeur per kwartaal, dient de dierenarts zijn rekening bij de Meijerij in,
onder gelijktijdige inzending van de schriftelijke bevestigingen, waarop ook even-
tuele nabehandeling kan worden aangetekend.

b. Het preventief inspuiten van AD3 is in het vervolg niet meer voor rekening van
de Meijerij, doch voor rekening van de mester.

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Overijssel

Kort verslag van de ledenvergadering, gehouden op 24 mei 1966 te Ommen.
Om 20.15 uur wordt de vergadering geopend, de voorzitter heet collega R. G o 1, die
namens het hoofdbestuur aanwezig is, hartelijk welkom.
De notulen van de vorige vergadering worden onveranderd goedgekeurd.
Hierna wordt direct hel voorstel van het bestuur, om collega R. Post tot Erelid
van de afdeling te benoemen als blijk van waardering voor de vele diensten die hij
de dierenartsen in Overijssel heeft bewezen, in stemming gebracht. 38 Leden zijn
aanwezig, die allen schriftelijk het voorstel steunden. .Ms later collega R. Post
binnenkomt, spreekt de voorzitter hem zeer hartelijk toe en memoreert de vele ver-
diensten van collega P o s t als lid en oud-voorzitter van de afdeling. Ook als directeur
van de Prov. Gezondheidsdienst voor Dieren, heeft collega Post altijd op uiterst
collegiale manier een oplossing gezocht, indien er moeilijkheden ontstonden.
De voorzitter deelt collega R. Post mede dat dit enkele redenen zijn, waarom de
afdeling hem met algemene stemmen tot Erelid heeft benoemd. Collega Post is
nogal overrompeld. Hij wil toch stellen, dat de afdeling voor de oorlog veel een-
voudiger werkte en dat gedurende de periode als directeur van de Gezondheidsdienst,
zijn medewerkers hem veel steun hebben gegeven.

-ocr page 53-

(Jp dit moment zijn er 43 leden aanwezig en 2 gasten. De brief van het Hoofdbestuur
over de organisatie van de mond- en klauwzeer vaccinaties komt nu ter sprake. Meer-
dere leden zijn van mening, dat wij niet zo bang moeten zijn voor lekenhulp, maar
wij moeten toch het Hoofdbestuur steunen, wanneer zij dit met de Veeartsenijkundige
Dienst bespreekt. Dc afdeling stelt voor een brief te schrijven aan het Hoofdbestuur,
om er bij de V.D. op aan te dringen, in een zo vroeg mogelijk stadium betrokken te
worden bij de bespreking over de wijze van bestrijding van het mond- en klauwzeer
en natuurlijk ook bij uitvoering hiervan.

Er is nog geen antwoord ontvangen van het Hoofdbestuur op de brief van de afdeling
Overijssel van 26-2-\'66, waarin wordt voorgesteld om een reorganisatie-studie-com-
missie te benoemen of op de agenda van de Algemene Vergadering te zetten. Omdat
dit de laatste vergadering voor de vakanties is, wordt besloten dat de afdeling Over-
ijssel, volgens art. 29 van het Huishoudelijk Reglement van de Maatschappij, zal
voorstellen om op de agenda van de Algemene Vergadering het instellen van deze
Studiecommissie tc plaatsen. Dit zal aan alle afdelingen worden medegedeeld.
De afdeling Overijssel zal de collegae
A. J. van Doorn, A. Moerman en T.
Sinnema aan het Hoofdbestuur voordragen als kandidaten voor de Tarieven-
commissie.

Na de pauze houdt collega Dr. J. I. Terpstra uit Rotterdam een lezing over
varkensziekten.

Hij beperkt zich tot het hoesten en de diarree. Vooral het laatste wordt uitvoerig
besproken aan dc hand van de volgende indeling: le diarree bij pasgeboren biggen;
2e witte diarree op de leeftijd van 2 a 3 weken; 3e diarree rond de .speenleeftijd;
4e diarree op de meststal. Vele praktische adviezen, ook op het gebied van de
therapie, worden gegeven. Spreker is echter van mening, dat er nog veel onderzoek
moet worden verricht, omdat er nog zoveel vraagtekens zijn. De voorzitter is overtuigd,
dat hij namens alle aanwezigen spreekt, wanneer hij collega T e r p s t r a bedankt voor
deze zeer interessante voordracht.

Op verzoek van de leden, zal er een brief uitgaan naar de V.D. te Zwolle, om de
dank uit te spreken aan het personeel voor de administratieve hulp tijdens de georga-
niseerde mond- en klauwzeer ringentingen.

Om 12.20 uur sluit de voorzitter deze goed bezochte ledenvergadering.

ƒ. ƒ. Aukema, secretaris.

Afdeling Gelderland

Kort verslag van de afdelingvcrgadering, gehouden op 18 mei 1966 te Arnhem.
Tegen half negen opende dc voorzitter dc vergadering; heette allen welkom, speciaal
Dr.
V. d. Bur g, collega van Amerongen, collega van Riesscn (lid
Hoofdbestuur) en collega van Doorn, die het Mantelcontract zou bespreken. Er
waren slechts 17 leden en 1 gast ter vergadering.

N.a.v. de notulen waren er enkele opmerkingen van secondair belang.

Bij de ingekomen stukken waren o.a. 2 belangrijke brieven van het Hoofdbestuur:

a. Brief handelende over diverse vacatures. Bij de afdeling bestond vooral belang-
stelling voor de 2 vacatures in de Ereraad; het bestuur heeft voorgesteld om
collega d e
L i n t S r. in ccn van beide vakatures kandidaat tc stellen.

b. Brief over de instelling van Ickenploegen voor dc massale enting tegen mond- en
klauwzeer bij varkens. Hierop kwamen veel reacties uit de vergadering. Het Hoofd-
bestuur wijst deze Ickenploegen absoluut af, doch vraagt om de mening van de
afdelingen. Men wil een lijst van dierenartsen hebben, die in geval van een
plotselinge uitbraak ingezet kunnen worden. Voorzitter stelde voor (evenals in
Overijssel) om alle leden een brief te sturen met aangehechte strook, die bedoeld
is om in te vullen, als men zijn hulp aanbiedt.

Na ballotage werd collega V e n c m a te Putten zonder tegenstemmen, als lid van de
afdeling aangenomen.

Bij de hierop volgende bespreking van het Mantelcontract werd op voorstel van de
voorzitter de volgende procedure gevolgd:

-ocr page 54-

a. bespreking van het reglement als geheel;

b. behandeling van de afzonderlijke onderdelen.

Collega van Doorn volgde de voorgestelde procedure en gaf in het kort de wor-
dingsgeschiedenis van het reglement weer. O.a. zei spreker nadrukkelijk, dat het idee
om tot een dergelijk reglement te komen volledig de instemming had van het Hoofd-
bestuur.

Na deze korte inleiding informeerde de voorzitter of de vergadering akkoord kon gaan
met het reglement als geheel, of wel of men akkoord kon gaan met het feit, dat het
Landbouwschap een reglement maakt waar wij ons aan te houden hebben.
Er waren geen bezwaren tegen het reglement als geheel.
Bij de puntsgewijze behandeling werd het volgende opgemerkt:

Collega d e n D a a s stelde art. 1 - punt 3b in discussie: „Er is te weinig zeggenschap
van onze kant". Collega van Doorn antwoordde, dat deze vorm het best haalbare
was en een voor beide partijen aanvaardbaar compromis.

Collega Harmsma viel over het gestelde in punt a3 onder bijlage C op blz. 25.
Beter leek het hem een aantal uren te noemen, dat gemengde entstof voor gebruik
geschikt blijft. Collega van Doorn noemde het voorstel van een collega uit Zuid-
Holland, die de redactie als volgt wilde wijzigen: „Men dient bij de behandeling en
bewaring van de entstof e.d. de regels te volgen die door het instituut van herkomst
worden vastgesteld". In het algemeen vond de vergadering dit een acceptabele
suggestie.

Nog enkele problemen van ondergeschikt belang kwamen in discussie, doch deze
konden veelal bevredigend worden opgelost.

Behalve de bespreking van het Mantelcontract, kwam in discussie: de structuur van
de K.N.M.v.D. en de vorming van groepen grote-huisdieren practici.
De mening van het bestuur was, dat het zeer nuttig zou zijn dergelijke groepen te
hebben. Zij zou echter gaarne zien, dat ze bleven ressorteren onder de afdeling en
slechts zaken behandelden, de grote-huisdieren practici betreffende. Het bestuur zou
het Hoofdbestuur willen voorstellen een studiecommissie samen te stellen om dit
structuurprobleem te bekijken.

Collega van Doorn meende, dat het \'t beste zou zijn zgn. „vertrouwensmannen"
uit de groepen toe te voegen aan het Hoofdbestuur.

Collega V. Riessen was van mening, dat de besluitvorming in het Hoofdbestuur
dan nog moeilijker zou worden.

Collega van Nieuwenhuijsen drong vooral aan op snelheid bij de vorming

van een groep grote-huisdieren pracdci.

Er was een zeer levendige discussie over dit probleem.

Het was reeds middernacht, toen de voorzitter de vergadering sloot en iedereen wel
thuis toewenste.

C. B. de Lint, 2e secretaris.

Afdeling Zeeland

JAARVERSL.AG 1965.
Begin 1965 telde de afdeling Zeeland 30 leden waarvan twee ereleden. Door het
overlijden van collega D. Haak te Groede en collega L. J. J. Gel dof te Oost-
kapelle daalde het ledental tot 28 per 31 december 1965.

Het bestuur behield door de herverkiezing van de secretaris dezelfde samenstelling n.1.:
voorzitter: W. vanVeente Oostburg

vice-voorzitter: C. J. H o e k te Kortgene
penningmeester: I. C. K 1 o k te Oostkapelle
secretaris: A. J. B. Hammink te Goes

bestuurslid: .A. R i n s e s te Scherpenisse

Het bestuur heeft vier keer vergaderd. Er werden twee gewone ledenvergaderingen
gehouden t.w. op 14 mei en 10 september en een buitengewone ledenvergadering in
samenwerking met de Gezondheidsdienst voor Pluimvee op 8 oktober 1965.

-ocr page 55-

Zeer geslaagd was de bijeenkomst met de dames, welke werd belegd in Zeeuws-
Vlaanderen en werd georganiseerd door collega H. H. F. M. v. d. V ij v e r en echt-
genote uit IJzendijke. Daar werden wij voortreffelijk ontvangen en kregen een
bijzonder interessante voordracht van de heer A. B. W i g m a n te horen.
Ook de jaarlijkse bijeenkomst, waarbij wij met onze dames de gast zijn geweest van
de Gezondheidsdienst voor Dieren, was weer bijzonder geslaagd, mede door het goede
weer, doch vooral door de uitstekende organisatie.

A. J. B. Hammink, secretaris.

Afdeling Noord-Brabant

JAARVERSL.AG 1965.

Leden

Het aantal leden bedroeg op 1 januari 1965 120.

Overleden zijn de collegae: Joan .A. J. M. Kirch, (25 augustus); J. H. Wil-
mink, (9 september); L. A. Bom, (7 december).

Nieuwe leden: 18 maart: collegae P. J. M. M. van Gulick, P. J. J. A.
Schröder en J. P. G. Vermeer;

4 oktober: collegae J. G. J. Wulff raat en G. H. E. D re sen;
15 december: collegae M. J. N. den Hartog en W. J. H. Verstraaten.
In totaal 7 nieuwe leden.

Per 1 januari 1966 telt de Afdeling 124 leden.

Jubilea: Op 27 juli vierden de collega L. A. B o m te Den Haag, J o a n A. J. M.
Kirch te Den Bosch en M. P. Swinkels te Helmond hun gouden dierenarts-
jubileum. De twee eerstgenoemden mochten helaas het einde van het jaar niet meer
beleven.

Bestuur

Dc samenstelling van het bestuur was alsvolgt:

B. L. T h i e n, voorzitter;

E. E. K e m p e r m a n, vice-voorzitter;

J. W. A. Remmen, penningmeester;

J. G. M. C 1 a e s s e n s, secretaris;

H. L. M. H o u b e n, tweede secretaris.

In de decembervergadering werd we.gens aftreden van collega B. L. T h i e n, voor-
zitter, een verkiezing gehouden. Bij deze verkiezing werd collega B. L. T h i e n met
vrijwel algemene stemmen herkozen als voorzitter.

Overige functies

Lid Algemeen Bestuur: collega F. A. M. Doppen. Deze was dit jaar aftredend en
niet herkiesbaar. In zijn plaats werd benoemd: collega E. E. K e m p e r m a n.
Lid Ereraad: collega J. J. Ooms.

Lid Tarievencommissie: collega H. van S w a a y. Wegens verlaten van de praktijk
werd in de loop van 1965 zijn plaats ingenomen door collega G. J. O k k e r s e.
Vcrte.genwoordiger bij de Gezondheidsdienst: collega B. M. B o g a e r t s; collega
J. M. M. Goossens (Gezondheidsdienst voor Pluimvee); collega K. H. Her-
mans (Gezondheidsdienst voor Varkens).

Lid Landelijke Commissie voor Grote Huisdieren Practici: collega J. M. Wijs-
muller.

Afdelingsvergaderingen

Er werden in 1965 vier gewone algemene ledenvergaderingen gehouden:
18 maart 1965: 38 aanwezigen. Jaarverslag pennin.gmecster en secretaris; lezing
door coli. Dr. A. Herschel over:
De verzorging en ziekten van mestkalveren.
2 juni 1965: 31 aanwezigen. Lezing collegae W. H. Smits en F. Borm over:
Hygiënische maatregelen op de pluimveebedrijven en de Bestrijding van C.R.D. bij
pluimvee.

4 oktober 1965: 39 aanwezigen. Lezing door collega Dr. P. A. M. Guinee over:

-ocr page 56-

Enkele aspecten van de bacteriêle resistentie tegen antibiotica.

15 december 1965: 40 aanwezigen. Lezing door Ir. C. S. Knottnerus over:
De ontwikkeling van de landbouw-veehouderij in de E.E.G.

Andere bijeenkomsten

Op 22 april werd een feestelijk diner gegeven in Riche te Tilburg ter afsluiting van
de Wintercampagne en als afscheid aan de aftredend voorzitter collega M. K a r s e -
m e ij e r. Collega K a r s e m e ij e r en echtgenote waren dan ook de Eregasten op
het feest. Een 30 leden met hun dames woonden deze avond bij. Collega J. J.
Ooms was weer de geestelijke vader van de organisatie.

Het Bestuur was verder in zijn geheel of gedeeltelijk aanwezig bij besprekingen met
het bestuur van de N.C.B. te Eindhoven en te Tilburg, bij een bespreking met belang-
hebbenden over het aleutian disease-vraagstuk te .Arnhem, bij een zitting van de
beroepscommissie Gezondheidsdienst voor Pluimvee te Zeist, bij de begrafenis van de
collegae Kirch en Wilmink, bij het veertig-jarig ambtsjubileum van collega
Dr. A. W. A. B
O s, bij meerdere bijeenkomsten, belegd door de Inspecteur van de
Veeartsenijkundige Dienst ter instructie van de practici aangaande het Ringenten
van varkens tegen mond- en klauwzeer.

Op 17 maart vergaderde het bestuur met het bestuur van de Gezondheidsdienst.
Op 12 oktober en 24 november organiseerde de Afdeling met medewerking van de
Gezondheidsdienst voor Dieren en de Gezondheidsdienst voor Pluimvee een demon-
stratiemiddag betrekking hebbende op het pullorumonderzoek.

De Groep Practici van de Afdeling vergaderde enkele malen met lezingen over
kalverziekten en een lezing door collega T r u y e n over de Gezondheidsdienst voor
Varkens. Het bestuur van de Groep onderging geen wijziging.

Het bezoek aan de afdelingsvergaderingen was minder dan in 1964, maar beter
gespreid over de 4 vergaderingen. Géén top van 50 en géén dieptepunt van 14
aanwezigen.

Gemiddeld bezocht 30% de vergaderingen (1964: 36%). Het feit, dat de Groep
Practici regelmatig bijeenkwam heeft m.i. geen afbreuk gedaan aan het bezoek aan
de afdelingsvergaderingen.

Mag ik besluiten met de wens, dat de Afdeling in 1966 met toenemend succes de
leden tot steun en voordeel zij en dat dit jaar voor de leden een tijdperk mag worden,
waarin ze in volle vrijheid de hun toevertrouwde kudde preventief, curatief of post-
mortaal met succes kunnen behandelen.

ƒ. G. M. Claessens, secretaris.

VAN DE GROEPEN.

Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten en keuringsdierenartsen.

JAARVERSLAG 1965.

Leden

Het aantal leden der Groep verminderde in 1965 met twee, n.1. met één door het
overlijden van collega C.
A. S c h u e 1 e r en met één door overschrijving naar de
lijst van buitengewone leden.

Het aantal vermeerderde met 17, n.1. door 15 nieuwe leden, terwijl er twee buiten-
gewone leden naar de lijst van gewone leden werden overgeschreven. Op 31 december
bedroeg het aantal leden 160.
Buitengewone leden

Het aantal buitengewone leden van de Groep verminderde met drie, n.1. met één door
overlijden van collega H. T. v, d. Veen, en met twee door overschrijven naar
gewoon lid.

Het aantal vermeerde met 9, n.1. met 8 nieuwe buitengewone leden en met één door
overschrijving van gewoon lid naar buitengewoon lid. Het aantal buitengewone leden
bedroeg per 31 december 74.
Overlijden

Door de dood ontviel de Groep in het verslagjaar één gewoon lid, collega G. A.
Schueler en één buitengewoon lid, collega H. T. v. d. Vee n.

-ocr page 57-

Jubilea

De collegae M. P. S w i n k e 1 s, N. D i d d e n s, Dr. H. H. S c h o 1 t e n en B.
de Vlas vierden resp. hun 50-jarig, 40-jarig en 25-jarig ambtsjubileum. Namens
de Groep werden steeds felicitaties gezonden.
Onderscheidingen

In het verslagjaar werden de collegae Dr. A. W. A. Bos, K. Hofstra en N. A.
Commandeur benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Namens
de Groep werden gelukwensen aangeboden.
Bestuur

Gedurende het verslagjaar traden de bestuursleden Dr. A. W. A. B o s (voorzitter)
en A. H. P. van der Put reglementair af en waren niet herkiesbaar, terwijl onze
secretaris, collega D. Frieling zich helaas genoodzaakt zag het secretariaat om
gezondheidsredenen te moeten neerleggen.

Allen hebben zich gedurende de jaren van hun bestuurslidmaatschap ten volle in-
gezet voor de belangen der Groep. Vanaf deze plaats wil ik hen nogmaals dank
brengen voor al datgene hetwelk zij voor de Groep hebben gedaan.
In plaats van de voorzitter werd collega B. de Vlas tot voorzitter gekozen en tot
lid, in plaats van collega van der Put, collega H. L. M. Houben.
Collega K. van der Poel nam het secretariaat over, terwijl collega J. H. de
Boer tot tweede secretaris werd gekozen.

.Aan het einde van het versla.gjaar was de samenstelling van het bestuur:
B. de Vlas, Zwolle, voorzitter;
K. van der Poel, Brielle, secretaris;

G. Hoogstraten, Amstelveen, pennin,gmcester;

H. L. M. Houben, Veghel, 2e voorzitter;
J. H. de Boer, Giessenburg, 2e secretaris;

Dr. D. M. Hoogland, De Bilt, erevoorzitter:

D. V. d. Veen, Oudewater, erelid;

Dr. A. W. A. Bos, Waalwijk, erelid;

M. K a r s e m e ij e r. Alphen aan de Rijn, erelid ;

Dr. J. M. van Vloten, Voorburg, erelid;

N. A. Commandeur, Leiden, adviseur (voorz. der K.N.M.v.D.).
Dr. S. T. Hofstra, Deventer, afgevaardigde in het algem. bestuuur K.N.M.v.D.
Het bestuur kwam in het verslagjaar vier keer bijeen. Daarbij werden steeds de
adviseurs der Groep uitgenodigd.
Ledenvergaderingen

Er werden vier ledenvergaderingen gehouden en wel op 25 februari, 24 april, 30
september en 25 november.

Dc vergadering van 25 februari werd bijgewoond door 93 leden. In deze vergadering
werd de door de Groep, in 1964, uitgeschreven enquête besproken. Een samenvatting
werd gegeven door resp. D. Frieling (vrijbank) ; K. van der Poel (art. 8) ;
Dr. A. W. A. Bos (repressieve keuring); A. H. P. van der Put (salariëring).
Deze vier samenvattingen én dc samenvatting over voorcentralisatie, reeds eerder door
collega G. Hoogstraten besproken, verschenen in een „boekwerk". Voor de
samenstelling daarvan wil ik collega D. Frieling nogmaals onze bijzondere dank
brengen.

De vergadering van 24 april (jaarvergadering) werd bijgewoond door slechts 40
personen. Deze vergadering werd op zaterdag gehouden. Uit het geringe bezoek is wel
.gebleken dat de zaterdag niet meer geschikt is om te vergaderen. Besloten werd
daarom om voortaan zoveel als mogelijk is op donderdag bijeen te komen.
Dr. S y b e s m
a hield een inleiding over het probleem van vleesdegeneratie bij var-
kens in binnen- en buitenland.

Voorts werd op deze bijeenkomst de naam der Groep gewijzigd in: Groep Direc-
teuren van Vleeskeuringsdiensten en Keuringsdierenartsen.
Ook het huishoudelijk
reglement moest daardoor worden gewijzigd.

-ocr page 58-

De vergadering van 30 september was de jaarlijks gecombineerde vergadering met
de Ver. van Directeuren van Gemeentelijke Slachthuizen in Nederland en werd
gehouden in het Jaarbcursrestaurant. Deze bijeenkomst werd door ongeveer 75 per-
sonen bezocht.

De Directeur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, Mr. L. G. van
Re ij en sprak over gemeenschappelijke zorgen rondom de vleeskeuring, terwijl in
de namiddagbijeenkomst collega Dr. J. G. van L o g t e s t e ij n sprak over het
postmortale pH-verloop in vlees en de betekenis daarvan voor de beoordeling van
slachtdieren.

De vergadering van 25 november werd door 71 personen bezocht.
Dr. Misdorp hield een inleiding over tumoren bij slachtdieren.
Tijdens de vrije mededehngen werd zeer veel aandacht besteed aan de moeilijk-
heden bij de Rijksinvoerkeuring, vooral betreffende het contact met de douane.
Besloten werd om op een der eerstvolgende bijeenkomsten hierover een inleiding te
doen houden.
Vertegenwoordigingen

De Groep en door de Groep de Kon. Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde,
was vertegenwoordigd op:

24 februari: een vergadering met de Ver. v. Nederl. Gemeenten;
30 maart: het afscheid van collega Chouffourals Directeur van het Opcnb.

Slachthuis te Enschede;
mei: de opening van het Openbaar Slachthuis te Den Helder;

22 mei: de begrafenis van collega Schucler;

24 juni: de promotie van collega v. Logtestijn;

2 september: het afscheid van Prof. ten Thij e;

10 september. een bespreking met de Vet. Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid
tc \'s-Gravenhage;

12 september: dc opening van het Openbaar Slachthuis te Holten;
24 september: een bespreking met dc Vet. Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid
te \'s-Gravenhage;

8 oktober: een bespreking ten kantore van het P.V.V. te \'s-Gravenhage;
28 oktober: de opening van het gemoderniseerde Openbaar Slachthuis te Uit-
hoorn;

3 november: een vergadering van een werkcommissic van het P.V.V., inzake

slachting en weging van slachtvarkens;
18 november: een vergadering van de Ver. v. Hoofdambtenaren bij het marktwezen
te \'s-Hertogenbosch;

2 december: een bespreking met dc Vet. Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid
te \'s-Gravenhage.

Nabeschouwing

Dc Groep heeft zich ook in 196.\') doen kenmerken al.s een zeer levenskrachtige tak
van onze Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde. Steeds werden
er vele problemen besproken, waarbij zeer veel leden van de Groep aan de discussies
deelnamen.

Het contact met de Koninklijke Ncderland.se Maatschappij voor Diergeneeskunde
is zeer goed. De vergaderingen van de Groep werd bijna steeds bijgewoond door
de voorzitter van de Maatschappij, tevens adviseur van de Groep.
Ook het contact met de Vet. Hoofdinspecteur van dc Volksgezondheid is bijzonder
prettig. Het geeft voldoening dat, samen met de Ver. v. Directeuren van Gemeen-
telijke Slachthuizen in Nederland, bij de Hoofdinspectie regelmatig bijeenkomsten
worden gehouden, waar beide verenigingen, zo mogelijk, advies uitbrengen.
Hieruit blijkt dat ook de samenwerking met de Ver. v. Directeuren van Slachthuizen
in Nederland goed is. Misschien mag ten opzichte van dit contact de wens worden
uitgesproken dat, naast het houden van één gemeenschappelijke ledenvergadering
per jaar, het nuttig zou zijn als ook dc besturen meer contact zouden hebben dan nu
het geval is.

-ocr page 59-

Naast ieders specifieke problemen zijn er echter ook verschillende die om cen gemeen-
schappelijke bespreking vragen.

Gaarne vk^il ik dit verslag beëindigen met het uitspreken van de wens dat onze Groep
haar veelomvattende taak mag blijven vervullen op de wijze waarop ze dat tot op
heden heeft gedaan en waarvoor uw aller medewerking nodig is.

K. van der Poel, secretaris.

ACTUALITEITEN.
Koninklijke onderscheidingen.

Op 30 april j.1. werd collega J. Jansen benoemd tot
Ridder in de Orde van Oranje Nassau.

Collega Jansen werd op 15 oktober 1896 geboren
te Rijswijk (Gld.). Hij bezocht de H.B.S. te Tiel en
studeerde daarna in Utrccht tot 1926, waarna hij zich
vestigde in Waardenburg.

In dc tweede wereldoorlog zat hij enige tijd als gijze-
laar in St. Michielsgestel. Vanaf vlak na de oorlog is
collega Jansen gemeenteraadslid voor de P.v.d.A.
Hij bekleedt daarnaast vele functies in het openbare
leven der gemeente.

Collega D. Zwart benoemd tot hoogleraar.

Bij Koninklijk Besluit van 3 mei 1966 werd Dr. D.
Zwart benoemd tot gewoon hoogleraar in de Tro-
pische en Protozoaire Ziekten. Hij volgt hiermede de
onlangs plotseling overleden Prof. Wilson op.
Prof Zwart werd in 1930 in Amsterdam geboren,
waar hij Lager en Middelbaar Onderwijs volgde. In
1947 begon hij zijn studie in de dier.geneeskunde,
waarna hij in 1954 afstudeerde.

Na enige tijd op verschillende plaatsen te hebben ge-
assisteerd, ging hij in 1955 naar Nieuw Guinea als
Gouvernements veearts. Van 1955 tot 1958 was hij de
enige dierenarts in Nieuw Guinea, belast met de vete-
rinaire gezondheidszorg van West-Nieuw Guinea.
In 1958 keerde hij terug, om in januari 1950 opnieuw
te vertrekken, ditmaal naar Ghana, waar hij eerst als
Lecturer, later als Senior-Lecturer werkzaam was aan de Kwame Nkrumah University
m Kumasi, Ghana. Zijn taak omvatte hier: het doen van research, het geven van onder-
wijs en het werk aan de polikliniek. Het aangevoerde patiëntenmateriaal voor deze
polikliniek bestond voornamelijk uit kleine huisdieren en paarden en een enkel rund.
De research omvatte vooral het bewerken van het materiaal, aangevoerd aan een
soort streeklaboratorium, waar velerlei materiaal binnenkwam. Tijdens deze werk-
zaamheden bewerkte Prof Z w a r t zijn proefschrift. Op 4 oktober 1962 promoveerde
hij in Utrecht tot doctor in de diergeneeskunde op het proefschrift, getiteld: „Liver-
cirrhosis in pigs in Ghana". De promotor was Prof. ten T h ij e.
Tot december 1963 bleef de toenmalige doctor Zwart werkzaam in Ghana, daarna
ging hij naar Nigeria om als adjuncthoofd van de afdeling Virulo.gie verbonden te
worden aan het Federal Department of Veterinary Research in Vom, in Noord-
Nigeria. Dit instituut is vergelijkbaar met het C.D.I. in Nederland. De virulogie
betrof voornamelijk de runderpest, speciaal die bij schapen en geiten, en rabies bij
alle dieren.

Daarnaast gaf hij onderwijs aan een school voor Veterinary Assistents. Deze opleiding
staat ongeveer gelijk met de Hogere Landbouw School. De afgestudeerden werken

-ocr page 60-

meestal in de massabestrijding van veeziekten of drijven onder supervisie van een
dierenarts een polikliniek. Een hysterectomie mogen ze b.v. niet uitvoeren, wel echter
castraties.

Tot maart j.1. is Prof. Zwart in Noord-Nigeria werkzaam geweest. Prof. Zwart
hoopt de contacten met Afrikaanse landen tc ondei houden en uit te breiden, iets
waarmee zijn voorganger, Prof. Wilson, eveneens steeds bezig was.
In Noord-Nigeria wordt b.v. in Zaria een veterinaire faculteit gesticht, waarbij
technische hulp wordt geboden door de Ver. Staten van Noord Amerika en Nederland.
Nederland heeft daarbij als speciale taak een afdeling voor Protozoaire en Parasitaire
Ziekten op te richten. Nederland zorgt voor de staf en de uitrusting van het instituut.
Op dit moment zijn reeds twee collegae daar werkzaam, n.1. collega Folkers en
collega Kuil, terwijl binnen 1 /s jaar nog twee dierenartsen en een analyste naar
Zaria zullen vertrekken. Verder is nog een 6-tal Nederlandse dierenartsen op ver-
schillende plaatsen in Nigeria werkzaam, terwijl nog meer vacatures door Nederlandse
dierenartsen zouden kunnen worden vervuld.

Het is de bedoeling van Prof. Zwart de contacten met de nieuwe landen van
Afrika uit te breiden, waarbij vooral landen met een stabiele politieke situade het
eerst in aanmerking komen.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergenees-
kunde aangenomen collega:

J. J. C. M. de Schutter, Koningslaan 69, Utrecht.

Adreswijzigingen e.d.:

Veeartsenijkundige Dienst|Veterinaire Hoofdinspectie van de Volksgezondheid

Met ingang van 24 juni 1966 zijn de bureaus van deze diensten verplaatst van
\'s-Gravenhage naar Leidsehendam,
Dr. Reijersstraat 8, Tel. 070- 81 47 01.
Groenland, A. J. van, Oudenbosch, tel. gew. in 2466. (180)

Henstra, S. J., Jos (North Nigeria), verlofadres vanaf 20-6-1966 Koudum (Fr.),
Dammenseweg 12. (232)

Herten, W. E. H. van, van Horn naar Maasbracht, Hoofdstraat 13, tel. (04746)
16 71, gr. 1205783. (1^4)

Mieoe W H W. Utrecht, naar Prof. Dieperinklaan 17 aldaar, tel. (030) 71 38 95.

(201)

Pol-van Dongeren, Mevr. W., Utrecht, naar F. C. Dondersstraat 20 aldaar, tel.
(030) 71 22 19, wetensch. ambt. in T.N.O.-verband bij het steriliteitsonderzoek,
R.U. (F.v.D., Zoötechn. Inst.). (207)

Jubilea:

De volgende collegae hopen op 8 juli het feit te herdenken, dat zij 25 jaar dieren-
arts zijn:

J. D. Beijers, Haarlem.

G. P. Stapel, Spanbroek (receptie Café Stam 15-17 uur).

-ocr page 61-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

W. K. W. HUI, Een onderzoek over de waarde van de Abortus
Bang-Ringtest bij melkmonsters uit melktanks — An investigation
on the value of the Abortus Bang-Ringtest in milksamples from

I milktanks —.............885

j J. Jacobs en J. Hanselaar, Antibioticumconcentraties in de melk

(van intramammair met antibiotica behandelde runderen — Anti-
biotic concentrations in milk of cows following intramammary

administration —............896

R. G. Dijkstra, Een studie over listeriosis bij runderen — A study
about listeriosis in cattle
—.........906

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

F. G. Poelma and W. J. Strik, Caryospora undata, Schwalbach
1959, a coccidium from the intestine of a Guillemot, Uria aalge
aalge (Pontoppidan, 1763)
......... 917

REFERATEN

Algemeen.............920

Bacteriële- en virusziekten..........920

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....922

Stofwisselings- en deficiëntieziekten.......923

Ziekten van het Kleine Huisdier........924

BOEKBESPREKING

Stichting Landbouwgids, Varkensvaria.......925

W.H.O. Techn. Rep. Ser., Rabies........926

INGEZONDEN

Dressuur III (C. A. van Dorssen)........926

Dressuur IV (Aug. Diemont Jr.)........927

928

928

929
929

932

933

935

936

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Post-universitair onderwijs......

Cursus Vlees- en vleeswarenkennis ....
Cursus Onderzoek van vleesprodukten .
Klinische demonstratie Kliniek Kleine Huisdieren
De hengst als oorzaak van slechte bevruchting .
Vooruitzichten veehouderij en vee- en vleeshandel
Congres „Gesellschaft für Versuchstierkunde" .
Cysticercosis bij het rund en taeniasis bij de mens

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst........937

DOORLOPENDE AGENDA............939

VARIA............... 895 916

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van de Afdelingen...........940

Van de Groepen............940

Personalia.............940

-ocr page 62-

15

JvJ

G

-ocr page 63-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Een onderzoek over de waarde van de Abortus
Bang-Ringtest bij melkmonsters uit melktanks

An investigation on the value of the Abortus Bang-
Ringtest in milksamples from milktanks.

door W. K. W. HILL1)

Vit de Laboratoria van het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, Afd. Rotterdam.

Inleiding

De Abortus Bang-Ringtest (ABR), die door Fleischhauer (1937) in
de veterinaire diagnostiek van de runderbrucellose werd ingevoerd, heeft
in de loop der tijd over de gehele wereld erkenning gevonden. De toe-
passing ervan wordt aanbevolen door de WHO (Wodd Health Org. Techn.
Rep. Ser. 1951, 1953, 1958, 1964), het OIE (Moskou 1965, conferentie
van deskundigen) en door de E.E.G. (Richtlijnen van de raad van 26-6-
1964).

Gewoonlijk wordt de test als screeningsmethode gebruikt voor het opsporen
van met brucellose geïnfecteerde bedrijven en als eenvoudige en gemakke-
lijk uit te voeren methode om gesaneerde resp. brucellose-vrije bedrijven op
afwezigheid van een
Brucella-\'mi&cne te controleren.

De reactie is zo gevoelig, dat het in het merendeel der gevallen mogelijk
is een geïnfecteerd dier nog aan te tonen als de melk ervan met die van
gezonde dieren is gemengd. Het mengen van de melk van meerdere dieren
wordt zelfs wenselijk geacht, daar het optreden van de ring tot op zekere
hoogte van de grootte der vetbolletjes in de melk afhangt (Ogonowski,
1955). Bij mengmelk van meerdere dieren is het het meest waarschijnlijk,
dat vetbolletjes van opümale grootte aanwezig zijn. Zo kunnen de melk-
monsters voor het uitvoeren van de reactie genomen worden uit bussen,
waarin zich de melk van verschillende koeien bevindt, die bestemd is voor
de zuivelfabrieken; een methode die massa-onderzoekingen in bijzondere
mate vereenvoudigt en die economisch is.

Binnen het kader van de rendabiliteitsverhoging en mechanisatie van de
melkwinning ligt het in de verwachting, dat de melk in toenemende mate
op de bedrijven niet meer in melkbussen maar in gekoelde tanks verzameld
wordt. In deze tanks, waarvan de inhoud 200-1.800 liter of meer kan be-
dragen, wordt de melkopbrengst van meerdere dagen bewaard, waarna ze
in tankauto\'s wordt overgepompt en naar de zuivelfabriek wordt vervoerd.
In de tankauto\'s (inhoud b.v. ca. 9.000 liter) wordt de melk van verschil-
lende bedrijven met elkaar vermengd.

Door deze gang van zaken kan men zich afvragen: welke waarde behoudt
de ABR als monsters uit de verzameltanks van de bedrijven worden ge-
nomen ?

Om een inzicht in deze vraag te verkrijgen zijn de volgende onderzoekingen
uitgevoerd:

1  Dr. W. K. W. Hill; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan het Centraal Dier-
.geneeskundi.g Instituut, afd. Rotterdam, postbus 6007, Rotterdam-7.

-ocr page 64-

1. De bepaling van de sensibiliteit van de in Nederiand gebruikelijke
ABR-reactie.

2. Het bepalen van de zogenaamde ABR-verdunningsdter1) van 2 met
Brucella abortus geïnfecteerde runderen op verschillende tijden van
de lactatieperiode en de bepaling van de hoogte van de agglutinatie-
titers van het melkserum.

3. Het bepalen van de ABR-verdunningstiters en de hoogte der agglu-
tinatietiters van het melkserum van met
Brucella geïnfecteerde run-
deren, die binnen het kader van de georganiseerde abortusbestrijding
werden geslacht.

Methoden

1. Het ABR-antigeen

Het hier gebruikte andgeen wordt bereid van de Brucella abortus stam „Leeuwar-
den". De bacteriën zijn door hitte gedood en met haematoxyline gekleurd.
Het celgehalte bedraagt ca. 5 vol. % (centrifugeermcthode volgens Trommsdorf).
Zij zijn gesuspendeerd in fysiologische NaCl-oplossing, waaraan 0,5% fenol en
1% glycerine zijn toegevoegd.

2. De melkmonsters voor niet statisch onderzoek werden in een slachthuis
forth (1958) gebezigde methode.

Het internationale antibruccllose-standaardscrum wordt zodanig met bekende
ABR-negaüeve melk van een gezonde koe in volle lactatie gemengd, dat 1 ml melk
respectievelijk 100 - 50 - 25 - I2/2 - internationale eenheden (IE) bevat.
Na uitvoering van de ABR met deze melk kan het aantal IE vastgesteld worden,
dat in 1.0 ml melk aanwezig moet zijn, om nog een waarneembare ABR-reactie
te verkrijgen. Voor het Nederlandse antigeen zijn dit I2/2 lE/ml.

3. Uitvoering van de ABR en de verdunnings-ABR

Van een monster volle melk wordt ± 18 uren na de winning en na goede menging
1 ml in een buisje gebracht met een diameter van 7-10 mm. Hieraan wordt toe-
gevoegd 1 druppel (20 druppels = 1 ml) van het eveneens goed geschudde ABR-
antigeen. Melk en antigeen worden in dc buisjes zorgvuldig gemengd en gedu-
rende 60 minuten in een broedstoof van 37° C geplaatst waarna de aflezing plaats-
vindt en de uitslag op de volgende wijze geïnterpreteerd wordt:

a. roomlaag donkerder gekleurd dan dc melk = positief;

b. roomlaag met gelijke kleur als de melk = twijfelachtig;

c. roomlaag wit = negatief.

Bij de ABR-verdunningstest wordt de positieve melk verdund met de melk van
een rund, waarvan bewezen is, dat het bruccllose-vrij en ABR negatief is, in de
verdunning bedraagt circa 0.12 volume % (centrifugeermethode volgens Tromms-
uitgevoerd. De hoogste verdunning welke nog duidelijke ringvorming te zien geeft
is de vcrdunningstiter.

4. Bereiding van het antigeen voor de agglutinariereactie

Het antigeen wordt bereid met de Brucella abortus-stam 99 van Weybridge. De
bacteriën worden gedood door verhitting en na centrifugeren in fysiologische keu-
kenzoutoplossing met /2% fenol geresuspcndecrd. De dichtheid van de gebruiks-
verdunning bedraagt circa 0.12 volume % (centrifugeermethode volgens Tromms-
dorf).

1  .\\BR-verdunningstiter: is de hoogste verdunning waarbij een mclkmonster met
ABR-negatieve melk verdund, nog een positief resultaat geeft.

-ocr page 65-

5. Standaardisatie van het agglutinatieantigeen en de agglutinatiereactie

De gebruiksverdunning van het antigeen wordt door de serumverdunning 1 : 500
van het internationale
Brucella abortus standaardserum voor 75% geagglutineerd.
0.16 ml melkserum (dter 1 : 6), hetwelk 75% agglutinatie geeft, komt overeen
met 12 IE en wordt als positief beschouwd.

6. Bereiding van melkwei

Aan ±5 ml ontroomde melk worden 2 druppels acdef lebferment en 2 druppels
van een verzadigde calciumchloride-oplossing toegevoegd, waarna dit mengsel
gedurende 24 uur bij kamertemperatuur staat. Daarna wordt na centrifugeren
het melkserum afgepipetteerd.

7. Uitvoering van de agglutinatie met melksenmi (MSA)

De verdunningen van het melkserum worden in buisjes uitgevoerd met de ge-
bruiksverdunning van het antigeen, waarbij het totale volume 1 ml bedraagt. De
buisjes worden gedurende 18 uur in een waterbad van 50° C gehouden waarna
de aflezing volgt. De verdunning die 75% aggludnade vertoont wordt als titer
beschouwd, respectievelijk als basis voor omrekening in internationale eenheden.

Dierlijk materiaal en monstername

1. De melkmonsters voor het periodieke onderzoek waren afkomstig van
2 geïnfecteerde runderen.

Het rund no. 1814 was natuurlijk geïnfecteerd met Brucella abortus,
hetgeen in de jaren 1959, 1960 en 1961 cultureel werd aangetoond.
Rund no. 366 was eveneens natuurlijk geïnfecteerd en afkomstig uit een
koppel welke in het raam van de bestrijding voor slachting in aanmer-
king kwam. Uit de serologische onderzoekingen blijkt, dat er geen twijfel
kan bestaan aan een
Brucella infectie bij dit rund, zoals onderstaande
tabel aangeeft.

Uitslag onderzoek op 24-3-64

rund no. 366

Agglutinatie

CBR

Coombstest

Bloedserum

200 IE

positief

3.200 IE

Melkserum

zie figuur

positief

>100.000 IE

Vaginaalslijm

>2 <12 IE

positief

24 IE

De melkmonsters voor het periodieke onderzoek werden genomen uit
de emmer die de totale melkgift bevatte.

2. De melkmonsters voor het statistisch onderzoek werden in een slachthuis
genomen van runderen welke wegens een brucellose-infectie in het kader
van de bestrijding waren aangevoerd.

Van de dieren werden kwartiermonsters genomen welke in het labora-
torium door menging van gelijke delen tot mengmonsters werden ge-
formeerd.

Resultaat van de onderzoekingen
Rund no. 1814 (Figuur 1)

Uit de grafische voorstelling is te zien, dat de ABR slechts de eerste 3

-ocr page 66-

dagen hoge verdunningen toelaat (1 : 128 en 1 : 64), terwijl in het verdere
verloop van het onderzoek, tot aan het einde van de observatieperiode
op de 91e dag post partum, de verdunningstiters meestal laag (1 : 8 en
1:4) waren.

Aangezien een ABR-reactie nog waarneembaar is bij 12 5/2 IE per ml, bete-
kenen bovengenoemde titers, dat in 1 ml melk in de eerste drie dagen
1.600-800 IE aanwezig zijn en in de volgende maanden van het onderzoek
meestal 50-100 lE/ml. Met de langzame agglutinatie van het melkserum
werden de eerste 3 dagen na de partus titers van 1.600-400 lE/ml gevonden
en in het verdere onderzoek gemiddeld 12^2 tot 25 lE/rnl.

Rund no. 366 (Figuur 2)

Het rund 366 vertoonde 24 uur na de partus een bijzonder hoge concen-
tratie van antilichamen in het colostrum, namelijk een ABR-verdunnings-
titer van 1 : 250.000, wat overeenkomt met ± 3.000.000 lE/ml. De iang-
zaamagglutinatie toonde op dezelfde dag 25.600 lE/ml aan. Reeds in de
volgende 5 dagen daalde de ABR-verdunningstiter van 1 : 512 tot 1 : 32,
overeenkomende met 6.400 en 400 lE/ml.

De langzaamagglutinatie van het melkserum gaf hierbij respectievelijk 6.400
en 1.600 lE/ml aan.

In de daarop volgende waarnemingstijd schommelde de ABR-verdunnings-
titer meestal tussen 1 : 16 en 1 : 4 (200 en 50 lE/ml) en de langzaam-
agglutinatie tussen 400 en 100 lE/ml.

Aan het einde van de waarnemingstijd, 230 dagen na de partus, werd met
de verdunnings-ABR en de langzaamagglutinatie 50 respectievelijk 200 IE/
ml gevonden (zie figuur 2).

RUND No tei«»

ABR
VERD.
TITER

INTERN.
EEHED.

LOG.VERDEL ING

1 : 2046

25600

1 : I024

I2800

1 : SI2

6400

1 : 256

3200

1 : I2S

I600

1 : 64

800

1 ; 32

400

1 : 16
1
: - e

200
100

1 : 4

SO

1 : 2

25

conc,

12,5

-ocr page 67-

ABR

VERD.

TITER.

INTERN
EENH.

LOGVERDELING

1! 2046

256 0 0 »

1!1024

12 eoo

1 : 512

64 OO ■

t : 256

3200

1 : 1 26

I600 .

1 ; 64

800

1 ■ 32

400

1 : 16

200

1 ■ a

100

1 ■\' 4

50

1 : 2

25

CONC.

12.5

ABR.-VERDUNNINGSTITER

MELKSERUM-AGGLUTINATIETITER
IN INTERNATIONALE-EENHEDEN.

Ê
z

,1

|tank
1
I

«IMELK-

AFZONDEHLUK
MELKMONSTER

RUND No 366

IO 20 30 40 50 60 70 eo «o lOO 110 120 130 140 150 160 170 180 190 200 JO 2SO 230

Fig. 2.

Verloop van het antilichaamgehalte van de melk van een rund no. 366, dat op
natuurlijke wijze geïnfecteerd is met Brucella abortus. Observatieperiode 230 dagen.

De resultaten verkregen met de verdunnings-ABR en langzaamagglutinatie
met het melkserum van 70 mengmonsters (samengesteld uit kwartiermon-
sters) en 230 kwartiemionsters zijn in de tabellen 3 en 4 samengevat.
Om tot een praktische conclusie te komen is bij het opstellen van deze tabel
van enkele veronderstellingen uitgegaan, die in de meeste gevallen zeker
juist zullen zijn, doch in een enkel geval zou kunnen afwijken. Hierbij is
namelijk verondersteld, dat in de gebruikelijke melkbussen van 35 tot 40
liter inhoud, tenminste de melk van 2 runderen en ten hoogste de melk van
16 runderen wordt verzameld en dat het gebruik van een melktank pas bij
meer dan 16 runderen lonend zal zijn. Ook wordt buiten beschouwing ge-
laten het feit, dat in de praktijk niet van alle dieren gelijke hoeveelheden
aan de meng-melk worden toegevoegd, hetgeen echter deze resultaten niet
wezenlijk zal beïnvloeden.

Men ziet in tabel 3, dat 4.3% resp. 6.1% der onderzochte monsters generlei
verdunning toelaten en daarom slechts in afzonderlijke monsters een posi-
tieve ABR-reactie geven (kolom A tabel 3).

84.3% resp. 81.7% verdragen een verdunning van 1 : 2 tot 1 : 16 en zijn
daardoor ook in busmei k aan te tonen, wanneer men ervan uitgaat, dat
zich in een melkbus de melk van minstens twee en hoogstens die van 16
dieren bevindt (kolom B; tabel 3).

11.4% resp. 12.2% lieten verdunningen van meer dan 1 : 16 toe, hetgeen
betekent, dat voor deze groep van monsters mag worden aangenomen, dat
ze ook in mengmelk in tanks een positieve ABR te zien geven (Kolom C,
(abel 3).

Natuurlijk zijn deze antilichaamrijke monsters ook in busmelk positief,
zodat het percentage van in busmelk positieve monsters verkregen wordt
uit de som van de kolommen B -f- G van tabel 3.

-ocr page 68-

ABORTUS-BANG -
RINC-TEST (ABR)

PERCENTAGE VAN HET VÓÓRKOMEN

DIENOVEREEN-
KOMSTIG

AANTOONBAAR
IN

VER-
DUN-
NINGS-
TITER

INTERNAT,
EENHEDEN
PER ml.

IN

MENGMONSTERS

IN

KWARTIERMONSTERS

A

CONC.

12,5

4,3

6,1

AFZONDERLUK
MELKMONSTER

B

1 : 2
1 :i6

25
Vm
200

84,3

81,7

MELKBUSSEN

C

1:32
Vm
1 :256

400
Vm
3200

11,4

12,2

MELKBUSSEN
EN
TANKS

AANTAL

70

230

TiUrverdeling van de ABR-verdunningstest van mengmonsters en kwartiermonsters
bij met brucellose geïnfecteerde runderen.

Tabel 4 vermeldt de percentages die met de melkserumagglutinatie ver-
kregen zijn.

8.6% resp. 6.9% der monsters bevatten I2/2 lE/ml, 68.3% resp. 67.8%
25-200 lE/ml en 22.8% resp. 25.2% meer dan 200 lE/ml.
De laatste percentages hebben betrekking op de groep waarvan het anti-
lichaamgehalte hoog genoeg zou zijn om ook in tankmelk nog een positieve
ABR-reactie te verkrijgen.

TABEL 4

MELK-SERUM AGGLUTINATIE (MSA)

PERCENTAGE VAN HET VOORKOMEN.

INTERNATIONALE EENHEDEN PER ml.

IN MENGMONSTERS

IN KWARTIERMONSTERS

< 12,5

8,6

6.9

25
\'/m

200

68,3

67,8

400
%

3200

22.8

2S.2

AANTAL

70

230

Titerverdeling van de melkserum-langzaamagglutinatie van mengmonsters en
kwartiermonsters bij met brucellose geïnfecteerde runderen.

-ocr page 69-

Discussie

De verdunnings-ABR is bij dit onderzoek als een maatstaf genomen om
vast te stellen, welke verdunning een andlichaambevattende melk met ne-
gatieve melk toelaat om nog een waarneembare posideve ABR-reactie te
vertonen.

Uit het periodieke onderzoek van melk van de runderen no. 1814 en no.
366 kan men zien, dat verdunningstiters van meer dan 1 : 16 reeds enkele
dagen na de partus verdwijnen en nadien de titers bijna zonder uitzonde-
ring bij 1 : 16 of lager liggen. In de eerste 3-5 dagen wordt de melk echter
niet aan de consumptiemelk toegevoegd daar dan de eigenschappen van
colostrum nog aanwezig zijn. Aangenomen, dat het gebruik van melktanks
pas bij een groter aantal dieren lonend wordt, kan de conclusie worden
getrokken, dat een enkel geïnfecteerd dier, waarvan de melk in een tank
terecht komt, door middel van de ABR niet of slechts bij uitzondering zal
worden gevonden. Dit feit kan ook door een zeer frequente uitvoering van
de ABR (b.v. 12x per jaar) niet wezenlijk veranderd worden daar de
extreem hoge concentratie van antilichamen slechts enige dagen na de
partus schijnt te blijven bestaan.

Dat deze conclusie, verkregen bij het onderzoek van slechts 2 dieren in
zijn algemeenheid zeer waarschijnlijk juist is, wordt gesteund door de ge-
gevens in tabel 3 en 4.

Uit tabel 3 blijkt, dat slechts een betrekkelijk laag percentage zo een hoog
gehalte aan antilichamen bevat, dat ze ook in tanks nog een posideve
ABR-reactie geven (kolom C).

Het percentage melkmonsters, dat in de mengverhouding 1 : 2 en meer nog
een positieve ABR geeft — dus melkmonsters die in staat zijn ook in meng-
melk in bussen een positieve ABR te geven — ligt tussen 93 9 en 95 7
(Kolom B -f G).

Dezelfde uitkomsten worden door S m i t m a n s (1938), Fleisch-
hauer (1937), Köser (1956) en Hill (1963) genoemd en stemmen
ook met ervaringen in de praktijk overeen.

De resterende 4.3% tot 6.1% (kolom A) ontgaan aan de diagnose door hun
geringe concentrade van antilichamen ook in de busmelk en zijn alleen bij
uitvoering van de reactie met ongemengde melk te onderkennen.

De in tabel 4 weergegeven resultaten der melkserumagglutinatie geven in
principe gelijkluidende resultaten als tabel 3. Slechts een gering percentage
melkmonsters vertoont een titer van > 200 lE/ml.

In vergelijking met tabel 3 is het duidelijk, dat alleen monsters met > 200
lE/ml een positieve ABR-reacde in tankmelk zullen kunnen opleveren.
Daarentegen is het aantal monsters met antilichaamgehalten van 25 lE/ml
en meer ook met deze proefmethode groter dan 90%. Dit is, vergeleken
met tabel 3 (kolom B G), het aantal monsters, waarvan het and-
lichaamgehalte voldoende hoog zou zijn om in busmelk een positieve ABR-
reactie op te leveren.

Op grond van deze beschouwingen moet worden vastgesteld, dat de ABR-
test, uitgevoerd met mengmelk uit tanks niet als een doelmatige controle-
maatregel kan worden beschouwd.

Daar bij de huidige gunsdge situatie t.o.v. brucellose voor Nederland een
zo efficiënt mogelijke controle van alle brucellose-vrije bedrijven met be-
hulp van de ABR -test onontbeerlijk is en een dergelijke controle zelfs in de

-ocr page 70-

landen van de EEG voorgeschreven is, zal men voor bedrijven, die nu melk
in tanks verzamelen, naar andere doeltreffende controlemaatregelen moeten
omzien.

Als zodanig kunnen worden genoemd de uitvoering van de ABR-recatie,
meerdere malen per jaar met individuele- of groepsmonsters, of de uitvoe-
ring van een periodiek bloedonderzoek bij alle runderen van het bedrijf
ouder dan 12 resp. 15 maanden.

Opmerking

Na het gereedkomen van dit artikel nam schrijver dezes kennis van een
publikatie van W. F r a n k (1965) in het tijdschrift
Lebensmittelhygiene.
Frank heeft het probleem van de ABR met melk uit tanks onder prak-
tische omstandigheden bestudeerd en komt tot gelijkluidende conclusies.
Helaas konden de interessante aspecten van dit praktijkonderzoek niet
meer in de discussie worden opgenomen.

SAMENVATTING.

In Nederland vindt het steeds meer ingang de melkopbrengst van runderen meerdere
dagen in gekoelde tanks te bewaren en de melk later in tankauto\'s naar de fabriek af
te voeren. Daardoor vervalt de mogelijkheid om melkmonsters uit bussen te nemen om
daarmede de ABR-test uit tc voeren.

De ABR-test (Fleischhauer, 1937) is tot heden de eenvoudigste maatregel om
een bedrijf met melkkoeien meerdere malen per jaar op de aan- of afwezigheid
van brucellose te onderzoeken.

Om een inzicht te verkrijgen in de waarde van de ABR-test van monsters afkomstig
uit melktanks werd het antilichaamgehalte van melkmonsters van 2 met
Brucella
abortus
geïnfecteerde runderen gedurende meerdere maanden na de partus periodiek
nagegaan.

Tevens werden 300 ABR-posideve melkmonsters (70 monsters mengmelk en 230
kwartiermonsters) door middel van de zogenaamde verdunnings-ABR en de melk-
serum-agglutinatie onderzocht.

Hierbij bleek, dat 4.3% van de mengrnonsters resp. 6.1% van de kwartiermonsters
slechts onverdund een positieve ABR-reactie vertoonden en dus alleen bij individueel
melkmonsterondei^zoek een positieve ABR-reactie onderkend kon worden.
84.3% resp, 81.7% der monsters konden tot maximaal 1 ; 16 worden verdund en
waren dus meestal nog door middel van de ABR-reactie in busmelk aantoonbaar.
Slechts 11.4% resp. 12.2% kunnen meer dan 1 : 16 worden verdund en zullen onder
gunstige omstandigheden in tankmelk en bijgevolg ook in busmelk aangetoond kunnen
worden.

Deze cijfers worden door de uitslagen van de melkserumagglutinatic gesteund. Verder
werd geconstateerd, dat extreem hoge antilichaamconcentraties in de melk van 2
geïnfecteerde dieren slechts weinig dagen na de partus in de melk aanwezig waren.
Geconcludeerd wordt, dat de ABR-test, uitgevoerd met mengmelk uit tanks, als
controlemaatregel voor brucellose in runderbedrijven niet geschikt kan worden geacht.

SUMMARY.

It is becoming an increasingly common practice in the Netherlands to store the milk
yield of cows in cooled tanks for several days and subsequently to transport the milk
to the dairy factory in tank lorries. As a result, it is no longer possible to take samples
of milk from cans and to use these in performing the ring test for contagious abortion.
The ring test for contagious abortion (Fleischhauer, 1937) is the simplest
method so far available for examining a dairy farm several times a year for the
presence or absence of brucellosis.

-ocr page 71-

To assess the value of the ring test in samples taken from milk tanks, the antibody
titres of milk samples of two cows infected with
Brucella abortus were determined at
regular intervals for several months after parturition.

In addition, 300 samples of milk positive for contagious abortion (seventy samples of
mixed milk and 230 quarter samples) were studied using the so-called dilution ring
test and the milk-whey agglutination test.

Of the mixed samples, 4.3 per cent and, of the quarter samples, 6.1 per cent were
only found to show positive ring tests for contagious abortion in the undiluted state
so that positive ring tests were only observed when individual samples of milk were
tested.

84.3 per cent and 81.7 per cent of the samples respectively could be diluted to a
maximum of 1:16 and therefore usually were identifiable by the ring test in can
milk.

Only 11.4 per cent and 12.2 per cent respectively could be diluted to more than
1:16 and will be identifiable under favourable conditions in tank milk and therefore
also in can milk.

These figures are supported by the results of the milk-whey agglutination test. In
addition, excessively high antibody titres were found to be present in the milk of two
infected animals within only a few days after parturition.

It is concluded that the ring test for contagious abortion in cattie, performed with
mixed milk from tanks, cannot be regarded as an appropriate test for brucellosis on
dairy farms.

RÉSUMÉ.

Aux Pays-Bas on a de plus en plus l\'habitude de conserver la production laitière de
bovins pendant plusieurs jours dans des citernes frigorifiques avant de transporter
le lait, plus tard, dans des camions citernes vers la fabrique. Par cela il devient
impossible de prélever des échantillons de lait dans les berthes et d\'exécuter sur eux
le test-ABR.

Jusqu\'ici le test-ABR (F 1 e i s c h h a u e r, 1937) est la mesure la plus simple pour
examiner une ferme de vaches laitières plusieurs fois par an sur la présence ou
l\'absence de brucellose.

Afin d\'évaluer la validité du tcst-.\'VBR d\'échantillons provenant de citernes, la teneur
en anticorps d\'échantillons dc lait de deux vaches infectées avec
Brucella abortus
a été examinée périodiquement pendant plusieurs mois après la parturition.
En outre on a examiné 300 échantillons dc lait ABR-positifs (70 échantillons de lait
total et 230 échantillons de quartiers) à l\'aide de l\'ABR dit de délayage et de
l\'agglutination du sérum dc lait.

Il parut que 4,3% des échantillons dc lait total, re.spcctivcment 6,1% des échantillons
des quartiers ne révélaient une réaction ABR positive qu\'en état pur et que la
réaction ABR-positive ne pouvait donc être reconnue dans un examen d\'échantillons
de lait individuels.

84,3% respectivement 81,7% des échantillons ont pu être dilués jusqu\'au maximum
de 1 : 16 et étaient donc le plus souvent encore démontrables dans le lait de berthe
au moyen de la réaction ABR.

Seulement 11,4% respectivement 12,2% peuvent être dilués jusqu\'à plus de 1 : 16
et pourront donc être démontrés dans des conditions favorables dans le lait de
citerne et par suite aussi dans le lait dc berthe.

Ces chiffres sont soutenus par les ré.sultats de l\'agglutination du sérum de lait. En
outre on a constaté que des concentrations extrêmement élevées d\'anticorps dans le
lait de deux vaches infectées ne se trouvaient dans le lait que peu de jours après la
parturition.

On conclut que le test ABR, exécuté sur du lait mélangé de citernes ne peut pas
être jugé efficace comme mesure de contrôle pour la brucellose dans les élevages de
bovins.

-ocr page 72-

ZUSAMMENFASSUNG.

In den Niederlanden findet es immer mehr Eingang, von einer Rinderherde den
Milchertrag mehrerer Tage in gekühlten Tanks aufzubewahren und die Milch später
in Tankautos den Molkereien zuzuführen. Dadurch entfällt die Möglichkeit Proben
aus Milchkannen zu entnehmen und damit den ABR-Test durchführen zu können.
Die Anwendung des ABR-Testes war bisher die wirksamste Massnahme, einen Bestand
von Milchkühen mehrmals im Jahre auf das Vorliegen von Brucellose zu untersuchen.
Um den Wert des ABR-Testes an Milchproben die aus Tanks genommen werden,
abschätzen zu können, wurde der Antikörpergehalt der Milch von 2 mit Brucella
abortus infizierten Rindern während mehrerer Monate mittels der Verdünnungs-ABR
und der Agglutination des Milchserums untersucht. Den gleichen Testen wurden 300
Milchproben (70 Einzelmilchproben und 230 Viertelgemelke) unterzogen.
Es wurde festgesteht, dass 4.3% von den Mischmilchen, resp. 6.1:% von den Viertel-
gemelken nur unverdünnt eine positive ABR-Reaktion ergaben.
84.3 resp. 81.7% der Proben Hessen Verdünnungen mit negativer Milch bis 1 : 16 zu,
wodurch ein Nachweis in Kannenmilch noch sichergestellt wäre.
Nur 11.4 resp. 12.2% der Proben erlauben Verdünnungen von mehr als 1 ; 16. Dieser
Prozentsatz würde unter günstigen Umständen auch noch in Tanks nachweisbar sein.
Diese Zahlen werden durch die Ergebnisse der Milchserumagglutination gestützt.
Weiterhin wurde festgestellt, dass extrem hohe Antikörperkonzentrationen in der
Milch von 2 Rindern nur wenige Tage post partum auftraten.

Zusammenfassend wird festgestellt, dass der ABR-Test, ausgeführt mit Mischmilch
aus Tanks nicht geeignet sein kann als Kontrollmassnahme für die Überwachung der
Brucellose in Rinderbeständen zu dienen.

RESUMEN.

Cada dia mas existe la costumbre en Holanda de quardar la produccion de leche de
vacas lecheras, algunas dias en tanques de refrigeracion, para despues transportar la
en carros tanques a la fabrica. Por lo tanto caduce la posibilidad de sacar muestras
de leche de garafones a causa de hacer la prueba de A.B.R.

Hasta el dia de hoy la prueba de A.B.R. (Fleischhauer, 1937) es la medida
la mas sencilla, para examinar la existencia de brucelosis en vacas lecheras en una
hacienda, algunas veces por afio.

Para consequir una idea sobre la importancia de la prueba de A.B.R. en muestras
de leche, procedente de tanques de leche, fue investigado periodico el contenido de
antigenos en muestras de leche de 2 vacas infectados con
Brucela abortus Bang,
durante algunos meses despues el parto.

Ademas fueron examinados 300 muestras dc leche positivos con la prueba de A.B.R,
(70 muestras de leche mezclada y 230 muestras de cuartos de la ubre) por medio
de la aglutinacion de sucro de leche y la llamado A,B,R, de dilucion.
Resulto que 4,3% de las muestras de leche mezclada y 6,1% de las muestras dc leche
de los cuartos de la ubre muestraron solamente sin dilucion una reaccion positiva de
A,B.R, y por esto solamente por un examen individual de la muestra de leche se
pudo conocer una reaccion positiva de A.B.R.

84,3% respectivamente 81,7% de las muestras se pudieron diluir hasta maximo 1:16,
y por esto estaban casi siempre de conocer por medio de la reaccion de A,B,R, en la
leche de garafones.

Solamente 11,4% respectivamente 12,2% se pueden diluir mas que 1 : 16 y por esto
se las pueden demostrar bajo condiciones favorables en leche de la tanque y por
consiquente tambien en leche de garafones.

Estas cifras estan basadas en los resultados de la aglutinacion del suero de la leche,
Ademas se ha comprobado que muy elevadas concentraciones de anticuerpos en la
leche de 2 animales infectados solamente eran présentés cn la leche, algunas dias
despues el parto,

-ocr page 73-

Se sace la conclusion que la prueba de A.B.R. hecho con leche mezclada procedente

de tanques, no se puede considerar adecuado como medida de control para hrucelosis

en haciendas.

LITERATUUR.

E. E. G.: Richdijn van de raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraag-
stukken op het gebied van het intracummunautaire handelsverkeer in runderen en
varkens.
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen 29 juli 1964, 7 jaargang,
no. 121.

Fleischhauer, G.: Die Abortus-Bang-Ringprobe zur Feststellung von bang-
verdächtigen Vollmilchproben.
Berl. tierärztl. Wschr., 53, 527, (1937).

Frank, W.: Zur Reichweite der Abortus-Bang-Ringprobe (ABR) bei Kannen- und
Tankmilch.
Arch. Lebensmittelhygiene, 16, 49, (1965).

H i 11, W. K. W. : Die gleichzeitige Anwendung mehrerer serologischer Untersuchungs-
verfahren bei der Diagnose der Brucellose der Rinder unter besonderer Berücksich-
tigung der Differenzierung zwischen Impf- und Infektionsreaktionen.
Zbl. Vet.Med.,
Reihe B.,
10, 127, (1963).

Köser, A. : Die Grenzen der Abortus-Bang-Ringprobe bei der Kannenmilchunter-
suchung.
Dtsch. tierärztl. Wschr., 63, 354, (1956).

Ogonowski, K.: Brucellosis. A note on the relationship between the Milk-Ring-
test results and the size and disparity of the fat globules.
Vet. Rec., 67, 1127,
(1955).

O. I. E.: Gonférence de Spécialistes sur les brucellosis animales et la tuberculose
bovine. (Moscou, 1965).

Smitmanns, H.: Uber die Verwendung der ABR nach Fleischhauer bei der
Rohmilchuntersuchung.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 54, 646, (1938).

Stableforth, A. W.: Diagnostic de la brucellose bovine. Comparaison des
méthodes actuellement en usage.
Off. Int. des Epizoot. Rapport, 506, 11, (1958).

W. H. O.: Joint FAO/WHO expert panels on brucellosis. World Health Org.; techn.
Rep. Ser., 1951, 1953, 1958, 1964
(no.\'s 37, 67, 148, 289).

Een dolle aap op het laboratoriimi.

Een aap in het apenhuis van een wetenschappelijk laboratorium in Londen, dat
humane virusziekten onderzoekt, bleek aan rabies te lijden.

Geïmporteerd uit het Oosten begon de aap, na enige dagen ziek te zijn geweest, aan
zijn poot te knagen, waarna het dier werd afgemaakt. Bij sectie toonde het centrale
zenuwstelsel de typische klassieke tekenen van rabicsinfectie, waarop zowel de Minister
van Volksgezondheid als de W.H.O. hiervan op de hoogte werden gesteld.
Apen, geïmporteerd voor medische doeleinden, zijn niet onderworpen aan quarantaine-
bepalingen daar dit het medisch speurwerk ten zeerste zou verhinderen.

Medical News, 29-4-1966.

-ocr page 74-

Anfibiotieumeoneentrafies in de melk van intra-
mammair met antibiotica behandelde runderen

Antibiotic concentrations in milk of cows following
intramammary administration.

door J. JACOBS») en J. HANSELAAR1»)

Inleiding

Antibiotica worden thans sinds ongeveer twintig jaar gebruikt voor de
behandehng van mastitis van rundvee.

Hoewel gebleken is dat door het gebruik ervan alleen het mastitis-
probleem niet is op te lossen, vormen deze stoffen niettemin een praktisch
orunisbaar hulpmiddel bij de therapie. Mits op bepaalde wijze toegepast
en in combinatie met andere maatregelen, kunnen zij worden gebruikt om
besmette bedrijven te saneren.

Penicilline is het antibioticum dat het eerst op grote schaal voor de mas-
titisbehandeling werd gebruikt. Oorspronkelijk werd het als waterige op-
losing toegepast, later in de vorm van oliesuspensies en zalven, welke nog
weer later verpakt in tuben of injectors voor éénmalig gebruik in de han-
del werden gebracht. In de loop van de tijd zijn naast het penicilline nog
andere antibiotica, al of niet in combinatie met penicilline, voor de mas-
titisbehandeling in gebruik genomen.

Bij de ontwikkeling en beoordeling van mastitispreparaten spelen de vol-
gende, voor de genezing van mastitis belangrijke, factoren een rol: anti-
bacterieel spectrum, intensiteit van de werking, irriterende werking op het
uierweefsel, verdeling in de uier, werkingsduur en daarmee samenhangend
de uitscheidingsduur met de melk.

Behalve het antibacterieel spectrum, dat afhankelijk is van de in het pre-
paraat aanwezige antimicrobiële stoffen, zijn deze factoren praktisch ge-
heel afhankelijk van de samenstelling van de basis. Deze moet bij voor-
keur zo zijn samengesteld dat de erdoor gedragen werkzame stoffen zich
zo volledig mogelijk in de uier verdelen, binnen korte tijd een maximum-
concentratie in de melk bereiken en binnen niet al te lange tijd weer uit
de uier zijn verdwenen.

Het preparaat moet daarnaast minimaal irriterend zijn voor het uier-
weefsel, omdat door irritatie daarvan de genezing wordt belemmerd en de
kans op het optreden van complicerende infecties wordt vergroot.
Een werkzame antibioticumconcentratie moet in de uier zo lang gehand-
haafd blijven, dat daardoor in het merendeel der gevallen een bacteriolo-
gische genezing kan optreden. Voor ongecompliceerde mastitisgevallen ver-
oorzaakt door
Streptococcus agalactiae rekent men daarvoor 24-48 uur
nodig te hebben. Voor de genezing van de in de regel wat moeilijker te be-
ïnvloeden gevallen, veroorzaakt door
Streptococcus dysgalactiae of Strepto-
coccus uberis,
kan het gewenst zijn wat hoger en langduriger antibioticum-
concentraties in de uier aan te leggen. Voor de bestrijding van mastitis-

1  Drs. J. Jacobs; hoofd Wetenschappelijke Afdeling, N.V. Vcrapharm, Ceintuur-
baan 106, Meppel.

-ocr page 75-

gevallen veroorzaakt door stafylokokken is het in het algemeen gewenst
preparaten te gebruiken welke betrekkelijk lang aanhoudende werkzame
antibioticumconcentraties in de uier veroorzaken.

Zoveel als mogelijk is moet worden verhinderd dat resten van de bij de
mastitistherapie gebruikte antibiotica in de melk terechtkomen, omdat zij
schade kunnen berokkenen aan de zuivelindustrie en de volksgezondheid.
Nu in ons land de aflevering van mastitispreparaten is voorbehouden
aan de dierenarts, kan er door deskundige voorhchdng aan de veehouder
voor worden gezorgd, dat deze laatste niet vóór het üjdsüp waarop de
melk van behandelde kwartieren praktisch géén antibiotica meer bevat,
deze melk aan de zuivelfabriek aflevert. Hiervoor is het noodzakelijk dat
de dierenarts op de hoogte is van de eigenschappen van de preparaten
welke hij gebruikt. Om deze redenen hebben wij van een aantal, in ons
land veel gebruikte, typen masdtispreparaten de duur en hoogte van de
erdoor in de melk veroorzaakte andbioticumconcentrades bepaald.

Materiaal en methoden

Bij de bepalingen werd per preparaat gebruik gemaakt van groepen van
tien klinisch normale Fries-Hollandse runderen, welke gemiddeld in het
midden van hun lactatieperioden verkeerden. De dieren werden met inter-
vallen van ongeveer twaalf uur machinaal gemolken. Voor de aanvang
van elke proef werden van alle kwartieren het celgehalte en het gehalte
aan bacteriegroei-remmende stoffen bepaald. Alleen die koeien welke een
normaal celgehalte en géén bacteriegroei-remmende stoffen in hun melk
hadden werden tot de proef toegelaten. De infusies werden na zorgvul-
dige reiniging en desinfecde van de tepels na het uitmelken in alle vier
kwartieren van de runderen gegeven.

Vervolgens werden op elke volgende melktijd monsters mengmelk per
rund (emmennonsters) genomen en in het laboratorium onderzocht. Wan-
neer het onderzoek van de monsters niet dezelfde dag kon plaatsvinden
werden ze in bevroren toestand bewaard.

De volgende preparaten werden gebruikt:

Na-benzylpenicilline 1,.5 milj. E. per kwartier, opgelost in 5 ml aqua dest;
Na-benzylpenicilline 3 milj. E. per kwartier, opgelost in 10 ml aqua dest;
procaine-penicilline 300.000 E. en dihydrostreptomycine 300 mg in een

dispergeerbare zalfbasisi);
procaine-penicilline 500.000 E. en neomycine 300 mg, in een dispergeer-
bare zalfbasis2);

procaine-penicilline 300.000 E. en dihydrostreptomycine 300 mg, in een

zalfbasis van olie en aluminiummonostcaraat^);
procaine-penicilline 300.000 E. en neomycine 300 mg, in een zalfbasis

van olie en aluminiummonostearaat^).
Het Na-benzylpenicilline werd kort vóór gebruik opgelost en met behulp
van een injectiespuit waarop een plastic tepelcanule werd geplaatst inge-
spoten. De overige preparaten waren per dosering verpakt in een plastic

-ocr page 76-

wegwerpspuit waarvan er één per kwartier werd ingespoten. Omdat de
basis van de preparaten 3 en 4 dezelfde samenstelling had werden elk van
deze preparaten bij vijf van de uit tien dieren bestaande proefpoep iri-
gespoten. De hoogte en duur van de met deze preparaten bereikte anti-
bioticumspiegels in de melk zijn derhalve voor wat betreft het penicilline
bepaald aan de hand van de gegevens van tien dieren en voor wat betreft
het dihydrostreptomycine en het neomycine aan de hand van de gegevens
van vijf dieren. De hoogte en duur van de penicillinespiegels in de melk na
infusie van 3 milj. E. Na-benzylpenicilline per kwartier, werden vastge-
steld aan de hand van de gegevens afkomstig van één dier. Van dit dier
kwamen de gegevens na infusie van 1,5 milj. E. per kwartier overeen rnet
het gemiddelde van een op deze wijze behandelde proefgroep van tien
dieren.

Bepaling van het penicillinegehalte van de melk

Van een voedingsbodem welke per liter 10 gram gistextract, 0,5 gram glucose, 20 gram
trypton en 20 gram agar bevat; pH 7.0; wordt 210 ml opgesmolten en uitgegoten in
een horizontaal opgestelde rechthoekige bak van 20 x 30 cm. Na stolling wordt deze
basislaag overgoten met 40 ml opgesmolten en tot 50° C afgekoelde agar van dezelfde
samenstelling, waardoor 10 ml van een 18 uur bij 55° C bebroede bouilloncultuur van
Bacillus calidolactis wordt gemengd. Samenstelling van de bouillon: 10 gram gis-
extract, 0,5 gram glucose en 20 gram trypton per liter, pH 7.0. Na stolhng wordt de
bak bij 55° C open gedroogd. Vervolgens worden op regelmatige afstanden vier rijen
van zes cups met een diameter van 7 mm uit de agar geponst.

Uitgaande van een standaardoplossing welke 40 E. penicilline per ml bevat, worden
met behulp van een melk-buffermengsel (1 deel steriele taptemelk 2 delen buffer
pH 6.0) de concentraties 0.075; 0.050; 0.025; 0.01 en 0.005 E. per ml bereid. Deze
oplossingen worden in hoeveelheden van 0.1 ml in duplo in de cups gebracht. De
overblijvende cups worden gevuld met 0.1 ml van de monsters welke eveneens in
duplo worden opgebracht.

De te onderzoeken monsters worden indien nodig met het melk-buffermengsel verdund
tot hun geschatte gehalte aan penicilhne hgt tussen de 0.005 en 0.075 E. per ml.
Bij deze concentrade wordt de uitslag van de bepaling niet beïnvloed door de dan
nog aanwezige hoeveelheden streptomycine of neomycine. De bak wordt vervolgens
6 a 8 uur bij 55° C bebroed.

Daarna worden met behulp van een schuifmaat met noniusverdeling, of met behulp
van een daarvoor speciaal geconstrueerd projectieapparaat, de diameters van de
rondom de cups gevormde remzónes tot 0.1 mm nauwkeurig gemeten. De gemiddelde
diameters van de bij de standaardoplossingen behorende remzónes worden op half-
logaritmisch papier op de lineaire as afgezet tegen de bijbehorende concentraties
welke op de logaritmische as worden afgezet. Door de gevonden punten wordt een
rechte hjn geconstrueerd. Met behulp van deze ijklijn kunnen de concentraties van de
monsters worden bepaald.

Bepaling van het dihydrostreptomycinegehalte van de melk

Deze bepaling geschiedt op praktisch dezelfde wijze als de penicilhnebepaling. Als
basislaag wordt gebruikt 150 ml van een agar welke per liter pepton, 6 gram; trypton,
4 gram; gistextract, 3 gram; glucose, 1 gram en agar, 20 gram bevat; pH 7.8.
De groeilaag bestaat uit 40 ml agar van dezelfde samenstelling waardoor 1 ml van een
10-voudig verdunde 18 uur oude bouilloncultuur van
Staphylococcus aureus ATCC
6538 is gemengd.

Uitgaande van een standaardoplossing welke 40 /ig dihydrostreptomycine per ml bevat
worden met een melk-buffermengsel (1 deel steriele taptemelk 2 delen buffer
pH 8.0) de concentraties 20; 10; 8; 6; 4; 2 en 1 /ig per ml bereid.

-ocr page 77-

Gemiddelde antibioticumconcentraties in de melk na intramammaire infusi

antibioticum
en

dosis per kwartier

basis

aantal
koeien

gemiddelde
melkproduc-
tie per dag

uren na

infusie

antibiotic
and

dose per quarter

base

number
of cows

average
milkyield
per day in
kg.

12

24 36

48

hours aftir

60 72 84

infusion
96 108

120

132

144

156

Na-benzylpenicilline
Sodium benzylpenicillin
1.5 miij. E. water
1.5 million Units

10

14.9

5:0

0.7 0.51

0.14

0.026*)

3.0 milj. E. water
3.0 million Units

1

21.2

950

39 3.65

0.16

0.013*)

15.9

10

300.000 E. zalfbasis

300.000 Units

Dihydrostreptomycine dispersable base
300 mg

Procaine penicilline
500.000 E. dispergeerbare

500.000 Units zalfbasis

Neomycine dispersable base

300 mg

112 6.7 0.54 0.078 0.007*
109.5 9.0 1.3 l.O««)

10

17.5

170 7.55 1.56 0.32 0.08 0.02*)
116 16.1 4.2 0.7
0.1**)

15.9

Procaine penicilline

300.000 E. aluminium \'0

300.000 Units monostearaat

d.h. Streptomycine

55.4 4.99 0.84 0.33 0.28 0.21 0.13 0.10 0.10 0.094 0.051 0.021 0.020«)

03

300 mg
Neomycine
300 mg

oil

with aluminium
monostearate

5 16.9
5 15.0

76
80

1.8

0.84

1.0**)
0.1**)

12

24

36 48 60 72 84 96 108 120

132

144

156

♦) E per ml.
**) flS per ml.

Average antibiotic levels in

Table 1.

milk after intramammary infusion

-ocr page 78-

Aan de te onderzoeken monsters wordt een overmaat penicillinase toegevoegd waarna
30 minuten bij 37° C wordt geïncubeerd om de in het monster aanwezige penicilline
te inactiveren. De monsters worden zonodig met het melk-buffermengsel verdund tot
hun gehalten aan dihydrostreptomycine liggen tussen de 2 en 20 jig per ml. De bak
wordt 18 uur bij 37° C bebroed waarna de diameters van de remzónes worden
gemeten.

Bepaling van het neomycinegehalte van de melk

Deze bepaling is identiek aan de dihydrostrcptomycinebepaling. .Ms standaarden
worden gebruikt oplossingen welke 10; 8; 6; 4; 2 en 1 ^g Neomycine per ml bevatten.

Resultaten en bespreking

De resultaten van de bepalingen zijn weergegeven in tabel I.
Bij gebruik van waterige oplossingen en dispergeerbare zalfbases blijkt het
mogelijk te zijn grote hoeveelheden antibiotica in de uier in te spuiten,
zonder dat als gevolg daarvan gedurende lange tijd daarna resten van deze
antibiotica in de melk voorkomen. Het aanleggen van hoge tot zeer hoge
antibioticumconcentraties in de uier heeft als voordeel dat daardoor de
kans op het optreden van een bacteriologische genezing wordt vergroot,
terwijl de kans op het optreden van resistentie voor de gebruikte anti-
biotica wordt verminderd. Het toedienen van antibiotica in niet disper-
geerbare zalfbases heeft tot gevolg dat gedurende lange tijd daarna anti-
bioticumresten in de melk vóórkomen. Dit geldt in het bijzonder voor het
antibioticum penicilline. De uitscheiding van dihydrostreptomycine en
neomycine blijkt in alle gevallen betrekkelijk snel te verlopen. Yoghurt
en zuursel zijn relatief weinig gevoelig voor streptomycine en neomycine.
Van beide cultures is yoghurt de gevoeligste en deze wordt eerst duidelijk
in groei geremd door de aanwezigheid van meer dan 10 ju,g neomycine per
ml en door 3 ix.g streptomycine per ml. Penicilline remt de yoghurt in con-
centraties tot minimaal 0.003 E. per ml en zuursel in concentraties tot
minimaal 0.06 E. per ml. De bij de zuivelbereiding optredende mwilijk-
heden kunnen we in het algemeen dan ook op rekening van het penicilline
schrijven.

De bepaling van het tijdstip waarop melk van behandelde kwartieren weer
aan de zuivelfabriek mag worden afgeleverd, zonder dat daardoor bij de
zuivelbereiding moeilijkheden optreden, is naast de eigenschappen van het
gebruikte preparaat nog afhankelijk van een aantal andere factoren:

1. individuele verschillen tussen de runderen;

2. melkproduktie;

3. tijdstip van de lactatie;

4. verdunning van de melk op de boerderij;

5. verdunning van de melk op de zuivelfabriek.

Na intramammaire toediening van identieke preparaten treden soms tus-
sen verschillende runderen aanmerkelijke verschillen in uitscheiding van
antibiotica op. De uitscheiding door een individueel rund kan daardoor
aanzienlijk afwijken van het door ons opgegeven gemiddelde uitschei-
dingspatroon.

In het algemeen geldt, dat dieren met een geringe melkproduktie de anti-
biotica langer met hun melk uitscheiden. Ook wordt waargenomen dat op
een wat later tijdstip van de lactatie de uitscheiding wat trager gaat ver-

-ocr page 79-

lopen. Er moet rekening mee worden gehouden, dat de in onze proeven
gebruikte runderen ongeveer in het midden van hun lactatieperioden ver-
keerden en dat hun gemiddelde melkproduktie ± 15 kg per dag bedroeg.
Het aantal op een bedrijf gelijktijdig behandelde kwartieren is van invloed
op het antibioticumgehalte van de door het bedrijf afgeleverde totale hoe-
veelheid melk. Wanneer er slechts één of een gering aantal kwartieren is
behandeld, treedt op het bedrijf reeds een aanzienlijke verdunning van de
antibioticumhoudende melk door de rest van de melk op. Wanneer de af-
levering van de melk in bussen geschiedt, is de mate van verdunning mede
afhankelijk van de inhoud van de bus. Bij gebruik van normale bussen
met een inhoud van dertig liter, bedraagt de verdunning maximaal 10-15
maal.

Op de zuivelfabriek wordt de antibioticumhoudende melk opnieuw ver-
dund. De mate van verdunning kan van fabriek tot fabriek verschillen,
waardoor een gemiddelde waarde moeilijk is te geven. Wij menen echter,
dat zelfs bij een zeer conservatieve schatting de verdunning van de melk
van één bus minstens een factor 100 bedraagt. Hieruit volgt dat wanneer
de door de veehouder afgeleverde bussenmelk minder dan 0.05 E. peni-
cilline per ml bevat, door de op de zuivelfabriek optredende verdunning.

Tabel 2.

formula

preparaat

geadviseerd aantal meikmalen
na de laatste behandeling ge-
durende welke melk van be-
handelde kwartieren niel af-
geleverd mag worden

Na benzylpenicilline in
waterige oplossing
1.5 milj. E.

4

Sodium benzylpenicillin
aqueous solution
1.5 million U.

idem 3 milj. E.

4

3 million U.

Procaine penicilline
300.000 E. en dihydro-
streptomycine 300 mg
in ccn dispergeerbare
zalfbasis

4

Procaine penicillin 300.000 U.
and dihydrostreptomycin
0.3 grammes in a dispersable
base

Procaine penicilline
500.000 E. en neomycine
300 n)g in een disper-
geerbare zalfbasis

5

Procaine penicillin 500.000 U.
and neomycin 0.3 grammes in
a dispersable base

Procaine penicilline
\'iOO.OOO E. en dihydro-
streptomycine 300 mg.
of neomycine 300 mg,
in een basis van olie en
aluminium monostearaat

11

Procaine penicillin 300.000 U.
and dihydrostreptomycin
0.3 grammes or
neomycin 0.3 grammes in a
base of oil and aluminium
monostearate

advised number of niilkings
after the last infusion during
which the milk of treated
quarters must be discarded

Table

2.

901

-ocr page 80-

de uiteindelijke concentratie ver beneden de grens van 0.003 E per ml zal
komen te liggen.

Wanneer we de veehouder adviseren de melk van de behandelde kwar-
tieren weer af te leveren op het tijdstip dat deze melk minder dan 0.05 E.
penicilline per ml bevat, dan zal de door hem afgeleverde bussenmelk zeker
nog aanzienlijk minder bevatten, en derhalve na verdunning op de zuivel-
fabriek géén bezwaar meer opleveren voor de zuivelbereiding.
Uit de tabel is af te lezen hoeveel melkmalen na infusie de melk van be-
handelde kwartieren gemiddeld meer dan 0.05 E. penicilline per ml bevat
en dus niet mag worden afgeleverd. Deze gegevens zijn verenigd in tabel
II en kunnen in het algemeen bij het geven van advies aan de veehouder
worden gebruikt. Wanneer op een bedrijf een groot aantal kwartieren
tegelijkertijd wordt behandeld moet uit veiligheidsoverwegingen de ter-
mijn met 1 ä 2 melkmalen worden verlengd. Dit is tevens het geval wan-
neer behandelde dieren in het einde van hun lactatieperiode verkeren of
om andere redenen een zéér geringe melkproduktie hebben.

SAMENVATTING.

Voor de behandeling van mastitis intramammair ingespoten antibiotica veroorzaken
gedurende een bepaalde tijd een bepaalde concentratie van deze stoffen in de melk.
Bij groepen van tien klinisch normale Fries-Hollandse runderen, welke gemiddeld
ongeveer in het midden van hun lactatieperiode verkeerden, werden, na infusie in alle
kwartieren van een aantal in Nederland in de handel zijnde typen mastitispreparaten,
de op de volgende melktijden optredende antibioticumconcentraties in de melk
bepaald.

N infusie van een waterige oplossing van 1,5 miljoen E. Na-benzylpenicilline bevatte
de melk gedurende vier melkmalen na de infusie meer dan 0.05 E, penicilline per ml.
De maximum concentratie bedroeg 530 E. per ml. Na infusie van een waterige op-
lossing van 3 miljoen E. Na-benzylpenicilline bedroeg het aantal melkmalen waarop
de melk meer dan 0.05 E. penicilline per ml bevatte eveneens vier, terwijl de
maximum concentratie 950 E. per ml bedroeg.

De intramammaire toediening van 300.000 E. procaine-penicilline met 300 mg
dihydrostreptomycine in een dispergeerbare zalfbasis had tot gevolg, dat daarna de
melk gedurende vier melkmalen meer dan 0.05 E. penicilline per ml bevatte en de
maximum penicillineconcentratie 112 E. per ml bedroeg. De dihydrostreptomycine
uit dit preparaat kwam eveneens gedurende vier melkmalen in aantoonbare hoeveel-
heden in de melk voor, terwijl de maximum concentratie 109 jug per ml bedroeg.
Intramammaire infusie van 500.000 E. procaine penicilline met 300 mg neomycine
in een dispergeerbare zalfbasis veroorzaakte gedurende vijf melkmalcn daarna pcni-
cillineconcentraties in de melk van meer dan 0.05 E. per ml, met een maximum
concentratie van 170 E. per ml. De maximum concentratie van neomycine bedroeg
116 /jg per ml, terwijl deze stof gedurende vijf melkmalcn in aantoonbare hoeveel-
heden in de melk vóórkwam.

Na toediening in de uier van 300.000 E. procaine penicilline met 300 mg dihydro-
streptomycine of 300 mg neomycine, in een basis van olie en aluminiummonostearaat,
bevatte de melk gedurende elf melkmalcn daarna meer dan 0.05 E. penicilline per
ml en bedroeg de maximum concentratie 55 E. per ml. Dihydrostreptomycine en
neomycine waren gedurende drie melkmalcn in de melk aantoonbaar terwijl hun
maximum concentraties respectievelijk 76 en 80
/ig per ml bedroegen.

SUMMARY.

Antibiotics injected into the mammary gland in the treatment of mastids will
produce a certain concentration of these agents in the milk, which pcrsists for a certain
period.

-ocr page 81-

In groups of ten clinically normal Dutch-Friesian cows which, on an average, were
about halfway lactation, the concentrations of antibiotics present in the milk at the
subsequent milking-times were determined following infusion into all quarters of a
number of antimastitis drugs commercially available in the Netherlands.
When an aqueous solution of 1,500,000 U. of sodium benzyl penicillin was infused,
the milk contained more than 0.05 U. of penicillin per ml. at four milking-times
following infusion. The maximum concentration was 530 U. per ml.
When an aqueous solution of 3,000,000 U. of sodium benzyl penicillin was infused,
the number of milking-times at which the milk contained more than 0.05 U. of
penicillin per ml. was\'also four, the maximum concentration being 950 U. per ml.
When 300,000 U. of procaine penicillin and 300 mg. of dihydrostreptomycin in a
dispersable ointment base were injected into the manmiary gland, the milk subsequentiy
contained more than 0.05 U. of penicillin per ml. at four-milking times and the maxi-
mum concentration of penicillin was 112 U. per ml. Identifiable quantities of the
dihydrostreptomycin included in this preparation were also present in the milk at
four milking-times, the maximum concentration being 109
fig. per ml.
intramammary infusion of 500,000 U. of procaine penicillin and 300 mg. of neomycin
in a dispersable ointment base produced subsequent concentrations of penicillin in the
milk of more than 0.05 U. per ml. at five milking-times and a maximum concentration
of 170 U. per ml. The maximum concentration of neomycin was 116
/ig. per ml. and
identifiable quantities of this agent were present in the milk at four milking-times.
When 300,000 U. of procaine penicillin and 300 mg. of dihydrostreptomycin or 300
mg. of neomycin in an oil and aluminium-monostearate base were infused into the
udder, the milk subsequently contained more than 0.05 U. of penicillin per ml. at
eleven milking-times and the maximum concentration was fifty-five U. per ml.
Dihydrostreptomycin and neomycin were indentifiable in the milk at three milking-
times, the maximum concentrations of these agents being seventy-six and eighty
/ig.
per ml. respectively.

RÉSUMÉ. ^

Les antibiotiques injectés intramammaire pour le traitement de mastite causent,
pendant une certaine période, une certaine concentration de ces matières dans le lait.
Chez des groupes de dix vaches Frisonnes-Hollandaises cliniquement normales qui en
moyenne se trouvaient environ au milieu de leur période de lactation, on a déterminé,
après une infusion dans tous les quartiers d\'un certain nombre de préparations contre
la mastite en vente aux Pays Bas, les concentrations d\'antibiotiques se présentant dans
le lait pendant les périodes de traite consécutives.

.Après l\'infusion d\'une solution aqueuse de 1,5 millions d\'Unités de Na-benzylpénicil-
line, le lait contenait après l\'infusion plus de 0,05 Unités de pénicilline par ml, après
que les vaches avaient été traites quatre fois. La concentration maximale s\'élevait à
530 U. par ml.

Après l\'infusion d\'une solution aqueuse de 3 millions d\'U. de Na-benzylpénicilline
le nombre de traites que révélaient une concentration de plus de 0,05 U. de pénicil-
line par ml. dans le lait s\'élevait également à quatre, tandis que la concentration
irutximalc s\'élevait à 950 U. par ml. L\'administration intramammaire de 300.000
Unités de pénicilline-procaïne combinée de 300 mgr. de dihydrostreptomycine dans
une base d\'onguent dispersible avait pour conséquence qu\'ensuite le lait contenait
pendant quatre traites plus de 0.05 U. de pénicilline par ml. et que la concentration
maximale s\'élevait à 112 U. par ml. La dihydrostreptomycine dans cette préparation
se présentait également pendant 4 traites dans le lait cn quantités démontrables, tandis
que la concentration maximale s\'élevait à 109
fi-gr. par ml.

L\'infusion intramammaire de 500.000 Unités de pénicilline-procaïne avec 300 gr. de
néomycine dans une base d\'onguent dispersible causait ensuite, après que les vaches
avaient été traités cinq fois, des concentrations de pénicilline dans le lait de plus de
0,05 U. par ml, avec une concentration maximale de 170 U. par ml. La concentration
maximale dc néomycine s\'élevait à 116 /i-gr. par ml, tandis que cette matière se pré-

-ocr page 82-

sentait dans le lait en quantités démontrables après que les vaches avaient été traitées
cinq fois.

Après l\'administration dans la mamelle de 300.000 U. de pénicilline-procaïne com-
binée de 300 mgr. de dihydrostreptomycine ou de 300 mgr. de néomycine, dans une
base d\'huile ou de monostéarate d\'aluminium, le lait contenait ensuite plus de 0.05 U.
de pénicilline par ml. après que les vaches avaient été traitées onze fois et la
concentration maximale s\'élevait à 55 U. par ml. La dihydrostreptomycine et la néo-
mycine étaient démontrables dans le lait après que les vaches avaient été traitées trois
fois, tandis que leurs concentrations maximales s\'élevaient respectivement à 76 et à
80 ya-gr. par ml.

ZUSAMMENFASSUNG.

Zur intramammären Behandlung von Mastitis injizierte Antibiotika, verursachen
virährend einer bestimmten Zeit eine bestimmte Konzentration dieser Stoffe in der
Milch.

Bei Gruppen von 10 klinisch normalen friesisch-holländischen Rindern, die sich
ungefähr in der Mitte ihrer Laktationsperiode befanden, wurden nach Infusion einer
Anzahl in den Niederlanden verhandelten Sorten Mastitispräparaten in alle Euter-
viertel, die in den folgenden Melkzeiten antretenden Antibiotikakonzentrationen in der
Milch bestimmt.

Nach Infusion einer wässerigen Lösung von 1,5 Mill. E. Na-Benzylpenicillin enthielt
die Milch während 4 Melkzeiten nach der Infusion mehr als 0,05 E. penic. pro ml.
Die Maximumkonzentration betrug 530 E pro ml.

Nach Infusion einer wässerigen Lösung von 3 Mill. E. Na-Penicillin betrug die Anzahl
Melkzeiten in denen die Milch mehr als 0,05 E. Penicillin pro ml enthielt gleichfalls
4, während die Maximumkonzentration 950 E. pro ml enthielt.
Die intramammäre Verabreichung von 300.000 E. Procain-Penicilhn mit 300 mg
Dihydrostreptomycin in einer dispergierbaren Salbenbasis hatte zur Folge, dass danach
die Milch während 4 Melkzeiten mehr als 0,05 E. Penicillin pro ml enthielt und die
Maximumkonzentration an Penicilhn 112 E. pro ml betrug. Das Dihydrostreptomycin
aus diesem Präparat war gleichfalls während 4 Meikzeiten in nachweisbaren Mengen
in der Milch vorhanden, während die Maximumkonzentration 109 /ig pro ml betrug.
Intramammäre Infusion von 500.000 E. Procain-Penicillin mit 300 mg Neomycin in
einer dispergierbaren Salbenbasis verursachte in der Milch während 5 Meikzeiten
danach noch mehr als 0,05 E. pro ml, mit einer Maximumkonzentration von 170 E.
pro ml. Die Maximumkonzentration des Neomycins betrug 116 /ig pro ml, während
dessen dieser Stoff noch während 5 Meikzeiten in nachweisbaren Mengen in der Milch
vorkam.

Nach Verabreichung im Euter von 300.000 E. Procain-Penicillin mit 300 mg Dihydro-
streptomycin oder 300 mg Neomycin in ölbasis und Aluminium-monostearat enthielt
die Milch während 11 Melkzeiten danach mehr als 0,05 E. Penicillin pro ml und
betrug die Maximumkonzentration 55 E. pro ml. Dihydrostreptomycin und Neomycin
waren während 3 Melkzeiten in der Milch nachweisbar, während ihre Maximum-
konzentration 76 resp. 80 /ig pro ml betrug.

RESUMEN.

Antibiotieos applicados intramamaria para el tratamiento de mamitis dan lugar a una
determinada concentracion de estos antibiotieos en la leche durante un determinado
tiempo. En grupos de 10 vacas clinicamente sanas de la raza holandesa (Friesian
Holstein), las cuales todas estaban mas o menos en la mitad del periodo de la lactancia
fueron aplicados en todos los cuartos de la ubre un numero de preparados contra la
mamitis, los cuales estan en el mercado holandesa, despues fueron desdnados las
concentraciones de estos andbioticos en la leche despues diferentes ordenos.
Despues la infusion de una solucion aquosa de 1,5 millon de pcnicilina benzilica de
sodia, la leche conteniâ durante 4 ordetios despues la infusion mas que 0,05 U. de
penicilina por mililitro. La concentracion maxima era 530 U. por mililitro.

-ocr page 83-

Despues la aplicacion de una solucion aquosa de 3 millon U. de penicilina benzilica de
sodia la leche tambien contenia
mas de 0,05 U. de penicilina por mihhtro, durante 4
ordenos, mientras la concentracion maxima era 950 U. por mililitro. La aplicacion
intramamaria de 300.000 U de penicihna procaina con 300 miligramos de dihi-
droestreptomicina en un ungiiento dispergible resulto, que la leche contenia durante

4 ordenos mas que 0,05 U dc penicilina por mililitro y la concentracion maxima era
112 U por mililitro. La concentracion maxima de dihidrocstrcptomicina era 116 /ig
por mililitro, mientras esto antibiotico era presente en la leche en una cantidad
indicativa durante 5 ordefios. La infusion en la ubrc de 300.000 U. de penicilina
procaina con 300 miligramos dc dihidrocstrcptomicina o 300 miligramos de neomicina
en un cxcipiente de aceite y stearato de aluminio, causaba una concentracion en la
Icchc durante 11 ordefios, de mas de 0,05 U de penicilina por mililitro y la concen-
tracion maxima era 55 U por mililitro. Dihidrocstrcptomicina y neomicina eran
demostrablc en la leche durante tres ordenos, mientras la concentracion maxima era
76 y 80 /ig por mililitro.

LITERATUUR.

B 1 o b c 1, H.: Concentrations of penicillin in milk secretions and blood serums of
cows following intramammary infusion of one or more quarters, ƒ.
Am. vet. med.
Ass.,
137, 110, (1960).
Brown, R. W.: Residues in milk from antibiotics used in mastitis treatment. The
nature and fate of chemicals applied to soils, plants and animals. Symposium
Beltsville, Maryland U.S.A. (1960).
Edwards, S. J. and H a s k i n s, M. D.: The determinaUon of antibiotic levels
in blood and milk following parenteral and intramammary injection, ƒ.
comp. Path.,
63, 53, (1953).

Galesloot, Th. E. en Massing, F.: Een snelle en gevoelige methode om met
papierschijf j es penicilline in melk aan tc tonen.
Ned. Melk-zuivel Tijdschr., 16,
89, (1962).

Galesloot, Th. E.: Symposium gebruik van antibiotica bij de bestrijding van
mastitis. Zuiveltechnologische aspecten.
Ned. Melk-zuivel Tijdschr., 16, 63, (1962).
H e i d r i c h, H. J, und Renk, W.: Krankheiten der Milchdrüse bei Haustieren.
Berlijn 1961.

J a c o b s, J.: Detection and significance of penicillin in milk. Tijdschr. Diergeneesk.,
88, 1055, (1963).

K i e 1 w c i n, G. und Harz, M.: Ein Beitrag zur Therapie der chronischen Rinder-
mastitis.
Tierärztl. Umschau, 20, 363, (1965).

5 i d d i q u e, I. H., L o k e n, K. I. and H o y t, H. H.: Concentrations of neomycin,
dihydrostreptomycin and polymyxin in milk after intramuscular or intramammary
administration.
J. Am. vet. med. Ass., 146, 594, (1965).

U V a r O V, O.: The concentration of some antibiotics in the milk after intramammary
infusion.
Vet. Rec., 72, 1128, (1960).

-ocr page 84-

Een studie over listeriosis bij runderen1!

A study about listeriosis in cattle

door R. G. DIJKSTRA2)

Inleiding

Listeriosis is een van de bakteriële infektieziekten, die zowel van medische
als diergeneeskundige zijde de nodige aandacht heeft getrokken door de
vroeggeboorte, perinatale sterfte en meningoencefalitis. Ze wordt veroor-
zaakt door een klein Gram-positief staafje.
Listeria monocytogenes ge-
naamd.

Het opmerkelijke hierbij is, dat de ziekte vrijwel nooit haar infektieuze
karakter toont, dat wil zeggen dat de ziekte- en sterfgevallen, die de bak-
terie rechtstreeks veroorzaakt, bijna steeds sporadisch voorkomen. Hieraan
is ook toe te schrijven, dat de verwekker zo betrekkelijk laat is ontdekt.
In een kudde schapen kan een geval van
Listeria-ahortwi soms wel aan-
leiding geven tot een zodanige smetstofverspreiding, dat we van een vrij
hoge morbiditeit kunnen spreken. De solitaire
Listeria-zbortus bij het rund
zal overigens ook gemakkelijk over het hoofd gezien zijn bij het indertijd
veelvuldig optreden van abortus Bang.

Bij de solitaire Lufena-encefalitis is het vinden van de bakterie over het
algemeen ook nog zelfs moeilijk te noemen. Vele gevallen zullen voor kop-
ziekte aangezien zijn, zodat bij vleeskeuringsdiensten geen bakteriologisch
hersenonderzoek werd ingesteld.

Men heeft tot dusverre in het buitenland de ziekte het meest aangetroffen
bij schapen. Bij deze dieren is daar al vrij veel studie gemaakt van natuur-
lijke en experimentele infekties. Over listeriosis bij runderen vindt men in
de literatuur betrekkelijk weinig meldingen.

Eigen onderzoek

Sinds in 1959 reglementair verplicht werd alle tc vroeg geboren runder-
vruchten op te zenden voor onderzoek, was het mogelijk in de provincie
Friesland een volledig inzicht te verkrijgen omtrent het vóórkomen van
Lirierfa-abr.rtus bij runderen. In gevallen waar redenen bestonden om kli-
nisch aan een LwJ(?rm-encefalitis te denken, zijn de koppen van de in nood
gedode runderen opgestuurd. Van bedrijven, waar een geval van
Listeria-
abortus en/of -encefalitis is opgetreden en van willekeurige bedrijven is de
silage onderzocht. Ook is de faeces van runderen met listeriosis en van wille-
keurige runderen onderzocht. Deze onderzoekingen vonden plaats door
middel van proefdierentingen, in casu de witte muis.

Serologische onderzoekingen zijn verricht bij klinisch verdachte, zieke en
willekeurige runderen.

Achteeenvolgens valt het onderzoek uiteen in de volgende onder,verpen:
het onderzoek van gevallen van
Listeria-zhonws-,
het onderzoek van gevallen van Lwierta-encefalitis;
het onderzoek door middel van proefdierentingen van silage, pens-

1  Autorefcraat van proefschrift. Utrecht 1965. Summary of thesis. Utrecht 1965.

2  Dr. R. G. Dijkstra; dierenarts aan de Gezondheidsdienst voor Dieren in FricsL-.nd,
Kruisstraat 43, Leeuwarden.

-ocr page 85-

inhoud en faeces;

het serologisch onderzoek;

gevoeligheidsbepalingen ten opzichte van antibiotica van geïsoleerde
Lüteria-stzmmew,

casuïstiek van listeriosis op enkele bedrijven;
listeriosis als zoönose.

Het onderzoek van de gevallen van Listeria-abortus

Van 36.565 opgezonden foeti in de periode van 1 mei 1956 tot 1 mei 1964
is het 370 maal (1%) gelukt uit de maaginhoud van een foetus
Listeria
monocytogenes
te isoleren. Deze abortusgevallen kwamen voornamelijk voor
in de maanden december, januari en februari, in welke periode ook de
grootste hoeveelheid silage wordt gevoerd. Het betrof één, soms twee ge-
vallen per bedrijf.

174 Listeria-stammen behoorden tot het type 1 en 190 stammen tot het
type 4b. Het aantal geïsoleerde type 1-stammen was jaar op jaar vrijwel
gelijk aan het aantal geïsoleerde type 4b-stammen. Een uitzondering hierop
vormde de periode 1 mei 1962 tot 1 mei 1963. Klimatologische invloeden
(strenge winter) zouden hiervan de oorzaak kunnen zijn. Door de aan-
houdende strenge vorst in de maanden januari, februari en de eerste helft
van maart 1963 waren de kuilhopen moeilijk of in het geheel niet te
bewerken. Het aantal gevallen van Lwierza-abortus was in deze maanden
beneden het normale. Het aantal gevallen van
Listeria-sbovtui in de
diverse jaren gaf een duidelijke aanwijzing voor de rol, die het voeren van
slechte silage hierbij speelt.

Op 80% van de onderzochte bedrijven is de z.g. Friese kuil (warme kuil)
gevoerd. De voorraad van deze silage op de bedrijven is voor een groot deel
afhankelijk van faktoren, die de grasgroei gedurende de weidetijd, vooral
in de nazomer en de herfst, bevorderen. Zo waren er na de droge zomer
en herfst van 1959 (weinig Friese kuil) weinig gevallen van
Listeria-
abortus
gedurende de wintermaanden (0,7%). In de zeer natte en warme
herfst van 1957 werd een ovei-vloedige hoeveelheid warme Friese kuil van
grotendeels slechte kwaliteit gemaakt en in de daarop volgende winter was
het percentage Lzrierza-abortusgevallen verhoogd (1,6%).
Volgens literatuurgegevens komen
Listeria-hakteriën juist voor in de bo-
venlagen en zijwanden van slechte warme kuilen. Hierin is de pH vrij hoog
en kunnen
Listeria-kiemen zich vermenigvuldigen. In de wintermaanden
december, januari, februari en maart is het aantal gevallen gemiddeld 40
maal zo hoog als in de zomermaanden. Verhoogde infektiekansen en pre-
disponerende faktoren moeten ongetwijfeld tijdens de stalperiode aanwezig

zijn-

Opmerkelijk is, dat de silagehopcn pas kort vóór het tijdstip van aborteren
waren aangebroken, gemiddeld 3,5 week. Wellicht mogen wij aannemen,
dat de incubatieperiode omstreeks 3,5 week zal zijn. Dit versterkt ons in de
mening, dat de silage een belangrijke, zo niet de belangrijkste infektiebron
is. De leeftijd van de meeste geaborteerde foed lag tussen 6,5 en 8,5 maand.
De moederdieren waren gemiddeld 3,5 jaar oud ten tijde van de abortus.
Zowel op zand- als op klei- en veengronden kwam
Listeria-abortus voor.
Het aborteren, dat over het algemeen acuut optrad, verliep in vele gevallen
voor het moederdier gunstig. 4 runderen zijn na de abortus gestorven of in

-ocr page 86-

nood geslacht tengevolge van een sepdcemie gepaard gaande met ence-
falitis. Een groot deel van de runderen (70%) leed aan retentio secun-
dinarum. 60% van de runderen is direkt of later voor de slacht verkocht.
Uit epidemiologisch oogpunt zijn van vele runderen, die geaborteerd
hadden, de se- en excreta onderzocht. De uitscheidingsduur van
Listeria-
bakteriën per vaginam lag op ongeveer 14 dagen.

Van 163 runderen zijn ± 10 dagen na het aborteren de kwartiermonsters
bakteriologisch onderzocht. Gebleken is, dat van 16% van deze runderen de
melk Lüiena-kiemen bevatte. 41,5% hiervan in een zo geringe mate, dat
de kiem pas na een ophoping van bijna 9 weken geïsoleerd kon worden.
68% van de geïsoleerde stammen behoorde tot het type 4b en 32% tot
het type 1. De LzrfeWa-bakteriën bevattende melk vertoonde overigens
weinig afwijkingen.

Het onderzoek van gevallen van Listeria-encefalitis

De encefahtisvorm van listeriosis komt in Friesland bij de grote en kleine
herkauwers voor op alle leeftijden.

In de periode van 1 januari 1956 tot 1 januari 1964 zijn 389 runderher-
senen en 103 hersenen van schapen en geiten onderzocht. In 44% van alle
onderzochte hersenen zijn
Listeria-hakt&nën gevonden. Uit 179 runder-
hersenen (46%) zijn
Listeria-kiemen geïsoleerd en uit 37 (36%) hersenen
van schapen en geiten.

De meeste encefalitisgevallen (60%) treden op in de maanden maart,
april, mei en juni. In de zomer en herfst komen slechts weinig gevallen
voor. Ligt de top van de abortusgevallen in januari-februari, die voor
encefalitisgevallen in mei. Blijkbaar is de placenta de voornaamste pre-
dilectieplaats en staan de hersenen op het tweede plan. Encefalitis wordt
zelden bij een drachtig dier geconstateerd.

95,5% van de uit hersenen geïsoleerde Listeria-stummen behoren tot het
type 4b. Deze bevindingen kunnen een aanwijzing zijn voor het neurotrope
karakter van type 4b voor de grote en kleine herkauwers. Ook in enkele
gevallen van een abortus t.g.v. een
Listeria type 4b-infektie waren lichte
hersenverschijnselen op te merken.

Per bedrijf komt meestal één, soms komen twee gevallen voor. Predispone-
rende faktoren (o.a. khmatologische) kunnen ook hier een rol hebben
gespeeld. Na de natte herfst van 1957 zijn de runderen in het koude voor-
jaar van 1958 langer dan gewoonlijk op stal gehouden en is nog lang silage
gevoerd. (61% van de in 1958 onderzochte runderhersenen bevatten
Lis-
iena-bakteriën tegen 46% gemiddeld over 8 jaren).

De eerste symptomen waren soms enteritis of een lichte darmcatarre. Hier-
na traden de algemene hersenverschijnselen op (excitatie, opisthotonus,
spierrillingen, tandenknarsen), soms gepaard gaande met koorts. Daarna
verschenen de haardsymptomen, afhankelijk van de lokalisatie van de ont-
stekingsprocessen in de hersenen (dwangbewegingen, dwangstand. ataxie,
afhangende onderkaak en oor en ooglid, speekselen en slikbezwaren, soms
tongverlamming, zelden excitaties). De prognose is dus in het algemeen in-
faust.

93% van de bakteriologisch positieve runderhersenen bezat histologisch
verschijnselen van encefalitis. Uit het feit, dat uit de 200 runderhersenen,
waarbij histologisch een acute, non-purulente encefalitis is vastgesteld, 179
maal ook
Listeria monocytogenes is gekweekt, mag geconcludeerd worden,

-ocr page 87-

dat een Listeria-miektie. de meest voorkomende oorzaak is van acute, non-
purulente encefalitis bij rundvee in Friesland.

Het onderzoek door middel van proefdierentingen van silage, pensinhoud
en faeces

Uit pathogenetisch oogpunt zijn monsters silage van besmette en tevens
van willekeurige bedrijven onderzocht door middel van muizenproeven.
Van 140 bedrijven waar zich een geval van
Listeria-zhortns heeft voor-
gedaan zijn monsters silage onderzocht. Hiervan was 97% vervaardigd vol-
gens de warme Friese methode. Uit 42 monsters (30%) is
Listeria mono-
cytogenes
gekweekt, te weten 12 stammen van het type 1 en 30 stammen
van het type 4b. 17 stammen zijn direkt en 25 stammen na een ophoping
bij ± 5° G van gemiddeld 7 maanden geïsoleerd. Men moet echter niet
uit het oog verliezen, dat er tussen het voeren van het oorzakelijke kuil-
gedeelte en het nemen van het monster een periode van gemiddeld 3
weken ligt, zijnde de incubatietijd, de tijd die verloren gaat met het op-
zenden en onderzoek van de foetus. De eventueel veroorzakende bovenlaag
is dan meestal verdwenen. Bij een onderzoek van 100 monsters silage, af-
komstig van willekeurige bedrijven, is slechts éénmaal een
Listeria-st&m
(type 1) geïsoleerd. Dit wijst dus op een oorzakelijk verband tussen het
voeren van Lwieria-houdende kuil en het optreden van de ziekte.
Een onderzoek naar het uitscheiden van
Listeria-kiemen via de faeces door
runderen, die geaborteerd hadden, wees uit dat 53 (24,2%) van 219 onder-
zochte faecesmonsters de bakteriën bevatten. 18 van deze stammen behoor-
den tot het type 1 en 35 tot het type 4b. Vermoed wordt dat de resistentie
van het type 4b groter is in het organisch milieu, waarin de bakterie ge-
durende de ophopingsperiode verkeert. Het veelvuldiger voorkomen van het
type 4b bij de abortusvorm van listeriosis in het onderzoekjaar 1962—1963
(strenge winter!) is met een verhoogde resistentie in overeenstemming.
29 stammen werden direkt geïsoleerd en 24 stammen, waaronder 19 van
ht type 4b, pas na een ophoping gedurende gemiddeld 5,5 maand. Door
deze laatste omstandigheid en doordat deze geaborteerd hebbende runderen
veelal vrij snel van het bedrijf werden afgevoerd, konden slechts 12 po-
sitieve gevallen heronderzocht worden. Bij het tweede onderzoek van de
faeces waren er 8 negatief. Dc 4 positieve dieren werden gemiddeld 1 yi jaar
na de opgetreden abortus voor het laatst positief bevonden; één koe had
echter na 22 maanden nog Lwierw-kiemen in de faeces.
Bij een onderzoek van 55 monsters pensinhoud afkoinstig van
Listeria-ence-
falitisrunderen zijn in 7 (13%) Listeria-hakteriën aangetroffen; 1 stam van
het type 1 en 6 stammen van het type 4b. Het onderzoek van 85 monsters
faeces van dergelijke in nood geslachte runderen gaf als resultaat, dat 12
monsters (14%) de smetstof bevatten, n.1. 5 maal het type 1 en 7 maal
het type 4b. In 4 gevallen is de bakterie direkt, in 8 pas na een ophoping
van 7,5 maand gevonden.

Van 622 faecesmonsters van klinisch gezonde runderen afkomstig van 37
bedrijven, waar zich een geval van
Listeria-abortus en/of -encefalitis heeft
voorgedaan, waren 41 (6,7%) Ltóerza-bakteriën-houdend; 3 stammen be-
hoorden tot het type 1 en 38 tot het type 4b. 37 isolaties werden via een
ophoping van gemiddeld 7 maanden verkregen. Op 12 bedrijven (32%)
zijn zulke runderen aangetroffen. Op één bedrijf is in de faeces van één of

-ocr page 88-

meer runderen alleen het type 1 gevonden, op negen bedrijven alleen het
type 4b, terwijl op twee bedrijven zowel het type 1 als het type 4b is aan-
getroffen. Dit voorkomen van verschillende typen Lwierm-stammen op het-
zelfde bedrijf is ook opgemerkt bij het onderzoek van silage en bij het
faecesonderzoek van runderen met Lwierza-abortus.

Bovenstaande bevindingen wijzen op de mogelijkheid van een orale be-
smetting en op een geringe pathogeniteit bij infekties onder natuurlijke om-
standigheden, anders zou het aantal ziektegevallen veel groter moeten zijn
en zouden veel meer patiënten op één bedrijf moeten voorkomen. De inten-
siteit van de infektie en de predisponerende faktoren bij het besmette rund
zullen in hoofdzaak bepalend zijn voor het ontstaan van de ziekte.
Van de 41 gezonde runderen, die Lïrferza-kiemen met de faeces uitscheid-
den, was het mogelijk van 30 runderen de faeces weer te onderzoeken.
Deze heronderzoekingen vonden op verschillende tijdstippen plaats met
gemiddeld ongeveer 7 maanden na de eerste monstemame. Eén koe her-
bergde 2 maanden na het eerste onderzoek nog
Listeria type 4-bakteriën in
de faeces. Dit rund is naderhand geslacht. De andere heronderzoekingen
verliepen negatief.

Bij een onderzoek van 100 monsters faeces van willekeurige runderen zijn
in 2 monsters
Listeria type 4b-bakteriën aangetroffen (dit percentage was
24,2 bij de LwJerz\'a-abortusrunderen). Bij geen van de 100 met gesterili-
seerde faecesmonsters geïnjiceerde witte muizen is spontane listeriosis waar-
genomen. Op grond van dit onderzoek mag bewezen worden geacht, dat de
positieve bevindingen bij de muizen inderdaad veroorzaakt zijn door het
geïnjiceerde materiaal en niet optraden door resistentievermindering ten-
gevolge van het inspuiten van het materiaal.

Het serologisch onderzoek

Vele geaborteerd hebbende runderen zijn serologisch met behulp van de
agglutinatie- en de complementbindingsreaktie onderzocht.
De bloedmonsters werden drie tot veertien dagen post partem genomen.
Omdat in Friesland uitsluitend de serotypen 1 en 4b worden aangetroffen,
is in beide serologische methoden gebruik gemaakt van antigenen van
de typen 1 en 4b.

Van 82 sera van runderen met een abortus veroorzaakt door type 1 ver-
toonde 51% een positieve agglutinatiereaktie met type 1-antigeen en 22%
een positieve agglutinatiereaktie met type 4b-antigeen. Gemiddeld was 35%
der reakties met beide typen antigeen als dubieus beoordeeld. Aangenomen
moet worden, dat heterologe kruis-agglutinaties ook verantwoordelijk kun-
nen zijn voor deze titers.

Met behulp van de complementbindingsreaktie zijn 73 runderen met een
abortus veroorzaakt door type 1 onderzocht. 38,3% van de sera was positief
met type 1-antigeen en 18% positief met type 4b-antigeen. In 23,3% der
monsters hadden zowel de agglutinatie- als de complementbindingsreaktie
een positieve titer, terwijl 30% bij beide geen reaktie vertoonde. De agglu-
tinatiereaktie gaf hier meer positieve titers dan de CBR.
Van 108 runderen, die aborteerden tengevolge van een infektie met
Listeria
type 4b, had in de agglutinatiereaktie 55% een positieve titer met type 4b-
antigeen en 30% een positieve titer met type 1-antigeen. Dubieuze reakties
kwamen gemiddeld in 32% dezer monsters voor.

-ocr page 89-

Met behulp van de GBR zijn 88 van deze rundersera onderzocht. 58% van
de sera had een positieve titer met het type 4b-antigeen en 25% met het
type 1-antigeen. Gemiddeld slechts 15% van de sera had dubieuze titers
in de GBR. 24 sera (28%) gaven in de CBR met beide antigenen geen
reakties. Bij een vergelijk van de resultaten verkregen met de agglutinatie-
en de complementsbindingsreaktie bleek dat in 21% van de sera geen anti-
lichamen aantoonbaar waren. Positieve titers in beide reakties zijn gevonden
in 39% van de sera. Bij deze groep runderen gaven de CBR en de agglu-
tinatiereaktie dezelfde resultaten.

Ongeveer 20% van 63 Lwierza-encefalitisrunderen bezat geen agglutininen
in het serum of had een negatieve titer. Bijna de helft van de sera ver-
toonde een positieve agglutinatiereaktie met het type 4b-antigeen. Met de
complementbindingsreaktie daarentegen was hoogstens 6% positieve reakties
gevonden. Door het vrij hoge percentage negatieve en dubieuze reakties bij
het serologisch onderzoek zal met behulp hiervan een diagnose in geval van
encefalitis moeilijk of slechts met een grote reserve te stellen zijn.
Tevens zijn 594 sera van runderen, afkomstig van bedrijven waar zich in
voorafgaande maanden een geval van L/jJerza-abortus en/of -encefalitis
heeft voorgedaan, onderzocht met behulp van de agglutinatiereaktie. 9.7%
van deze runderen had een agglutinatietiter van 1 : 320 of hoger, een titer
die door ons als positief geïnterpreteerd is. Dit percentage komt overeen
met het percentage positieve reakties gevonden in sera van willekeurige
runderen op niet-geïnfekteerde bedrijven.

Een onderzoek van 89 runderen, klinisch verdacht van een encefalitis liste-
riosa, resulteerde in ± 45% positieve reakties met de agglutinatiereaktie
en in ± 7% met de CBR. Deze percentages vertonen geen significant ver-
schil met die, aangetroffen bij het onderzoek van runderen, gesuccombeerd
aan een Lwierza-encefalitis. Het percentage positieve titers, gevonden met
behulp van de CBR bij klinisch verdachte runderen, was laag. De CBR is
dus een minder geschikte reaktie als diagnostisch hulpmiddel van listeriosis.
Bij een onderzoek van willekeurige mnderen van zandgronden werd ±
15% en bij runderen van klei- en veengebieden ± 12% positieve titers in
de agglutinatiereaktie gevonden.

Het percentage positieve titers in de CBR is zowel bij runderen van de
zandgronden als van de klei- en veengebieden gelijk (± 6%). Er is dus
geen significant verschil gevonden tussen de titers bij runderen van zand-
gronden en van klei- en veengebieden. Het percentage positieve reakties bij
de CBR van willekeurige dieren, van runderen die klinisch verdacht zijn
van listeriosis en van runderen die aan een encefalitis leden was ongeveer
gelijk, namelijk ± 6%, ± 7% en ± 7%, zodat de CBR als diagnostisch
hulpmiddel van geen waarde is.

Nuchtere kalveren, die nog geen biest genuttigd hebben, bleken serologisch
negatief te zijn. .Men kreeg de indruk, dat Lüierm-agglutininen door middel
van colostrum passief kunnen worden overgebracht.

(ievoeligheidsbepalingen ten opzichte van antibiotica van geïsoleerde I-is-
teria-stammen

In vitro werd van 230 Lu^erza-stammen met behulp van de agardiffusie-
methode de resistentie ten opzichte van penicilline, streptomycine, chloor-
amfenicol en tetracyclines bepaald. Slechts 2 stammen, één geïsoleerd uit

-ocr page 90-

een foetus en de andere uit faeces, bleken resistent te zijn voor penicilline
(1.5
I.E.). Alle stammen waren gevoelig voor streptomycine (10 y per ml)
en chlooramfenicol (10 y per ml). Eén stam, geïsoleerd uit hersenen, was
ongevoelig voor tetracyclines (10 y per ml). Alle stammen, geïsoleerd uit
geaborteerde rundervruchten, bleken gevoelig voor de tetracyclines. Dit is in
overeenstemming met de gunstige resultaten, die nageboortecapsules met
tetracycline geven bij runderen met een retentio secundinarum na
Listeria-
abortus.

Vele runderen, lijdend aan een encefalitis listeriosa, reageerden niet op
hoge doses penicilhne en terramycine, niettegenstaande de later uit de
hersenen geïsoleerde stammen in vitro voor deze antibiotica gevoelig waren.
De eerste symptomen van een encefalitis zijn vaak moeilijk te onderkennen
en daardoor werd de therapie dikwijls ingesteld toen er reeds irreversibele
veranderingen in de hersenen aanwezig waren.

Casuïstiek van listeriosis op enkele bedrijven.

Op een aantal bedrijven hebben zich meerdere gevallen van listeriosis voor-
gedaan.

Op 11 bedrijven, waar Listeria-dhonus. voorkwam, hadden zich in zeven
voorafgaande jaren ook zulke gevallen voorgedaan, terwijl op 14 bedrijven
met Lwferza-abortus eerder gevallen van encefalitis waren opgetreden. Het
optreden van listeriosis — hetzij abortus of encefalitis — bij meerdere
runderen op één bedrijf gedurende de stalperiode deed zich steeds binnen
een tijdsbestek van 2-3 weken voor. Waarschijnlijk is hiervoor eenzelfde
smetstofbron aansprakelijk.

Op een bedrijf (.A.) kwamen successievelijk 4 gevallen van encefalitis en
één abortusgeval voor. Alle veroorzaakt door een type 4b-infektie. Enkele
weken later stierven alle biggen aan een septicaemie van
Listeria type 1.
De veehouder had zijn runderen op stal op een bed van zoden en pollen
staan. Deze werden regelmatig ververst. De oude zoden, mogelijk door
middel van faeces en melk besmet met Lzrferia-bakteriën, werden gede-
poneerd in het varkenshok. Wellicht kwamen beide typen ook op dit be-
drijf voor. Verondersteld kan worden, dat silage, zoals bij het faecesondei-
zoek is aangetoond, de twee voorkomende typen
Listeria-haklerién kan
herbergen, vooral wanneer de silage gewonnen is van verschillende per-
celen, waardoor zowel een type 1- als een type 4b-infektie op één bedrijf
kan voorkomen.

Op bedrijf B stierven 4 kalveren onder hersenverschijnselen. Bij één ter
sektie aangeboden kalf zijn
Listeria type 4b-bakteriën uit de hersenen ge-
ïsoleerd. Het moederdier scheidde
Listeria type 4b-bakteriën met de faeces
uit.

Op een ander bedrijf (C) kwam, na enkele encefalitisgevallen, ook een
geval van abortus voor. Uit de faeces van 6 van 15 ogenschijnlijk gezonde
runderen is
Listeria monocytogenes geïsoleerd. Het betrof hier steeds het
type 4b. Bij heronderzoek kon geen
Listeria-hakterle meer aangetoond
worden in de faeces.

Op een ander bedrijf (E) aborteerde een rund tengevolge van een type
4b-infektie. Hetzelfde type werd geïsoleerd uit de silage en uit de faeces van
5 (17%) van de 29 ogenschijnlijk gezonde runderen.
Op bedrijf F was het percentage smetstofuitscheiders met de faeces 67%.

-ocr page 91-

Bij één rund bevatte de faeces 13 maanden na het eerste onderzoek nog
Listeria-kievaen.

Op bedrijf H stierven vele ongeveer 2 weken oude lammeren tengevolge
van een
Listeria type l-sejHicemie. In de faeces van de ooien is dit type
aangetroffen en uit de silage, waarvan deze ooien tijdens en na de drach-
tigheid ad libitum konden nuttigen, is ook het type 1 geïsoleerd. De ooien
werden niet ziek. Hun met Lw<ena-kiemen besmette faeces is voor de jonge
lammeren een bron van infektie geweest.

Listeriosis als zoönose

Bij de mens komt listeriosis in Friesland maar weinig voor.
Vanaf 1 mei 1956 tot 1 mei 1964 is listeriosis 579 maal bij runderen ge-
diagnosticeerd en slechts in 11 gevallen bij de mens. 4 maal betrof het een
papuleus exantheem bij zowel dierenarts als veehouder en is de bakterie uit
een papel geïsoleerd. Deze lokale huidaandoening, verkregen als kontaktin-
fektie na het uitvoeren van reposities en het termineren van de partus, is in
7 gevallen opgemerkt. Dit papuleus exantheem verliep in alle gevallen
zonder complicaties. Niettegenstaande een intensief onderzoek van de uit-
scheidingsprodukten van de dieren, waarmee enkele andere patiënten kon-
takt kunnen hebben gehad, is het niet gelukt de smetstofbron te vinden;
uiteraard is het mogelijk, dat deze niet meer aanwezig was. De waarge-
nomen kontaktinfekties pleiten voor het standpunt, dat listeriosis bij de
mens in het algemeen tot de zoönosen gerekend dient te worden.
Niettegenstaande de negatieve bevindingen in deze onderzoekingen omtrent
de aetiologie cn de epidemiologie van listeriosis bij de mens is het duidelijk
dat alleen een goede samenwerking tussen medici en dierenartsen ook op
dit gebied uitzicht op enig resultaat geeft.

SAMENVATTING.

Dit procfsclirift omvat voornamelijk een onderzoek naar het vóórkomen, de epidemio-
logie en de serologic van listeriosis.

1% (370 van 36.565 ter onderzoek opgezonden runderfoeti) van de gevallen van
aborteren wordt door
Listeria monocytogenes veroorzaakt. 50% van de gevallen door
het type 1 en 50% door het type 4b. In 90% van de gevallen van acute, non-
purulente encefalitis is een
Listeria-mkktie de oorzaak. 95,5% van de uit hersen-
weefsel geïsoleerde stammen behoort tot het type 4b. Klimatologische cn predispone-
rende faktoren kunnen het optreden van listeriosis beïnvloeden. Er bestaat een oor-
zakelijk verband tussen het voeren van Lw^erio-houdcnd kuilvoer cn het optreden van
de ziekte. Op besmette bedrijven bevat 30% van de z.g. warme kuil LiJien\'a-bakteriën,
op willekeurige niet besmette bedrijven slechts 1%.

16% van dc runderen met een Listeria-abortus scheidt met de melk in meer of
mindere mate
Listeria-kkmcn uit, terwijl de faeces van deze runderen in 24,2% nog
de kiemen bevat.

Bij runderen, gesuccumbeerd aan encefalitis, komt in 13% de Luteria-bakterie in de
pens voor en in 14% in de faeces.

Van 622 faecesmonsters van klinisch gezonde runderen, afkomstig van 37 bedrijven
waar listeriosis is voorgekomen, zijn 41 (6,7%)
Listeria-hakteiVén houdend. Dit per-
centage is 2 bij willekeurige runderen van niet besmette bedrijven. Dit wijst op de
mogelijkheid van een orale besmetting.

De agglutinaüercaktie is te verkiezen boven de complcmentbindingsreaktie. Een sero-
diagnose in geval van encefalitis is moeilijk of slechts met grote reserve te stellen.

-ocr page 92-

Van 230 geïsoleerde Listeria-stammen zijn resistentiebepalingen ten opzichte van
penicilline, streptomycine, terramycine en chlooramphenicol bepaald.
Het vóórkomen van listeriosis op enkele bedrijven is uitvoerig beschreven.
Dat listeriosis tot de zoönosen gerekend mag worden, bewijst het voorkomen van
papuleus exantheem op de handen van enkele dierenartsen en veehouders als contact-
infektie na het verlenen van verloskundige hulp bij aborterende runderen.

SUMMARY.

This thesis is mainly concerned with an investigation into the incidence, epidemiology
and serology of listeriosis.

One per cent of the cases of abortion (370 out of 36,565 bovine foetuses sent for
investigation) is caused by
Listeria monocytogenes. Fifty per cent of the cases are
caused by type 1 and fifty per cent by type 4b. Ninety per cent of the cases of acute
non-purulent encephalitis are due to
Listeria infection. 95.5 per cent of the strains
isolated from brain tissue are of the 4b type. Climatological and predisposing factors
may play a role in the pathogenesis of listeriosis. There is a causal relationship
between feeding silage containing
Listeria-germs and the appearance of the disease.
On infected farms, thirty per cent of so-called hot silage, grass silage without
addidves, contains
Listeria organisms, on non-infected farms chosen at random only
one per cent containing
Listeria organisms. Sixteen per cent of the cows showing
Liiien\'a-induced abortion excrete
Listeria organisms to a greater or less extent in
the milk, and the faeces of these cows contain
Listeria bacteria in 24.2 per cent of the
cases.

Listeria organisms are present in the rumina of thirteen per cent of the cows which
have died from encephalitis and occur in the faeces in fourteen per cent of the cases.
Of 622 samples of faeces of clinically normal cows from thirty-seven farms on which
listeriosis occurred, forty-one (6.7 per cent) contain
Listeria organisms. This propor-
tion is two per cent on investigation of the faeces of cows chosen at random on non-
infected farms. These findings suggest the possibility of oral infection.
The agglutination test is to be preferred to the complement fixation test. Sero-
diagnosis is difficult in cases of encephalitis or can only be established with ample
reserves.

Of 230 isolated strains of Listeria, the resistance to penicillin, streptomycin, terramycin
and chloramphenicol was determined.

Outbreaks of listeriosis on a number of farms are reported in detail.
The appearance of papular eruptions on the hands of a number of veterinarians
and stock-owners following obstetrical aid in aborting cows shows that listeriosis may
be classified as a zoonosis.

RÉSUMÉ.

Cette thèse universitaire comprend surtout un examen sur la présenc<\', l\'cpidcmiologie
et la sérologie de listériosc.

1% des cas d\'avortement (370 des 36.565 foetus bovins envoyés pour être examinés)
sont causés par
Listeria monocytogenes. 50% des cas par le type 1 et 50% par le
type 4b.

90% des cas d\'encéphalite aiguë non-purulente ont pour cause une infection avec
Listeria. 95,5% des souches isolées de tissu cérébral appartiennent au type 4b. Des
facteurs climatologiques et prédisposants peuvent influencer la listériosc. Il y a une
relation causale entre l\'administration dc fourrage enlisé contenant
Listeria et la
présence du mal. Sur les fermes infectées 30% de l\'ensilage dit chaud contient des
bactéries
Listeria, sur des fermes quelconques non-infcctées seulement 1%.
16% des vaches avec un avortenient
Listeria éliminent dans le lait plus ou moins de
germes
Listeria, tandis que les fèces de ces vaches contiennent encore les germes en
24,2% des cas.

Chez 13% des bovins succombés d\'encéphalite la bactérie Listeria se trouve dans le
rumen et chez 14% dans les fèces.

-ocr page 93-

Dp 622 échantillons de fèces de bovins cliniquement sains, provenant de 37 fermes
où il y a eu listériose, 41 (6,7%) contiennent des bactéries de
Listeria. Un examen
de fèces de bovins quelconques de fermes non-infectées révèle un pourcentage de 2.
Ce qui précède suggère la possibilité d\'une infection orale.

La réaction d\'agglutination est préférable à la réaction de fixation de complément.
.Au cas d\'encéphalite on peut difficilement, ou avec la plus grande réserve, porter
le sérodiagnostic.

De 230 souches-Listeria isolées on a déterminé la résistance pour la pénicilline, la
streptomycine, la terramycine et le chloramphénicol.

La présence de listériose sur quelques fermes a été décrite dans le détail. La présence
d\'exanthème papuleux sur les mains de quelques médecins vétérinaires et d\'éleveurs
de bétail comme infection de contact après qu\'ils avaient secouru des vaches
avortantes, prouve que la listériose peut être comptée parmi les zoonoses.

ZUS.AMMENFASSUNG.

Diese Dissertation umfasst in der Hauptsache eine Untersuchung nach dem Vor-
kommen, der Epidemiologie und Serologie von Listeriosis.

Ein Prozent (370 von 36.565 zur Untersuchung zugeschickten Rinderfoeti) wurde
durch
Listeria monocytogenes verursacht. 50 Prozent der Fälle durch Typus 1 und
50 Prozent durch Typus 4b. In 90 Prozent der Fälle akuter, nicht-purulenter Ence-
phalids ist eine Lwierin-infektion die Ursache. 95,5 Prozent der aus Gehirn isolierten
Stämme gehörten zum Typus 4b. Klimatologische und prädisponierende Faktoren
können das Auftreten von Listeriosis beeinflussen. Es besteht ein ursächlicher Zu-
sammenhang zwischen der Fütterung
Listeria enthaltenden Futters aus Mieten und
dem .Auftreten dieser Seuche. .Auf verseuchten Betrieben enthält 30% des sogenannten
warmen Mietenfutters Lwferj\'a-Bakterien, auf beliebigen nicht-verscuchten Betrieben
nur 1%.

16% der Rinder mit Listeria-.\\hortus scheidet mit der Milch, mehr oder weniger,
Listeria-\'Ketme aus, während der Fäzes dieser Tiere in 24,2% noch Keime enthält.
Bei Rindern, die an Encephalids verendeten, kommt in 13% die
Listeria-Bakterie
im Pansen und in 14% im Fäzes vor.

Von 622 Kotproben klinisch gesunder Rinder, herrührend von 37 Betrieben wo
Listeriosis vorkam, enthielten 41 (6,7%)
Listeria-Baktcrien. Dieser Prozentsatz
beträgt 2 bei einer Kotuntersuchung beliebiger Rinder von nicht-vcrseuchten Be-
trieben. Obenstehendes deutet auf die Möglichkeit einer oralen Verseuchung hin.
Die A.gglutinationsreaktion ist der Komplementbindungsreaktion vorzuziehen. Im
Falle von Encephalitis ist eine Serodiagnose schwierig oder nur mit grosser Reserve
zu stellen.

Von 230 isolierten ListeriaStämmei\\ sind die Widerstandsbestinunungen hinsichtlich
Penicillin, Streptomycin, Terramycin und Chloramphenicol festgestellt worden.
Das .Auftreten von Listeriosis auf verschiedenen Betrieben ist ausführlich beschrieben
worden.

Dass Listeriosis als Kontakünfektion zu den Zoönojen gerechnet werden kann, beweist
das Vorkommen des Papuleus Exanthems an Händen verschiedener Tierärzte und
Viehhalter nach der Geburtshilfe bei abortierenden Rindern.

RESUMEN.

Esta tesis del doctorado contiene principalmente una investigacion a la presencia, la
epideniiologia y la serologia de listeriosis. 1% (370 de 36565 de los fetos bovinos
enviados al laboratorio para un examen) de los casos de aborto esta causada por
Listeria monocitogenes. 50% de los casos por el tipo 1, y 50% por el Upo 4b. En
90% de los casos de una encefalitis aguda non purulenta la causa es una infeccion
con
Listeria.

Existe una conexion causal entre alimentando pienso procedente de un silo lo que
contiene
Listeria y la ocurrencia de esta enfermedad.

-ocr page 94-

En haciendas contaminadas 30% del llamado silo caliente, contienen bacterias del
genus
Listeria, en haciendas cualquieras no contaminadas, estos silos contienen sola-
mente 1% de estas bacterias. 16% de las vacas con un Listeria aborto excreten con
la leche en mas o menos grado bacterias del genus
Listeria, mientras las heces de
estas vacas en 24,2% contienen todavia estas bacterias. En vacas sucumbidas dc
encefalitis se encuentre en 13% bacterias del genus
Listeria en la panza y cn 14%
en los heces.

De 622 muestras de heces de vacas clinicamente sanas procedentes de 37 haciendas,
donde ocurrio Listeriosis, 41 (6.7%) contienen
Listeria.

Esto porcentaje es 2 en un examen de heces de vacas cualquieras de haciendas no
contaminadas. El susodicho llamo la atencion hacia una contaminacion oral. La
reaccion de agglutinacion es prcferible a la rcaccion de la complemento fijacion. En
un caso de encefalitis el serodiagnostico es diagnosticado dificilmente o solamente con
grande réserva.

De 230 cepas de Listeria aisladas, se ha determinado la resistencia con respecto a
penicilina, estreptomicina, terramicina y cloramfenicol. La ocurrencia de listeriosis
en algunas haciendas esta escrito detallado.

Se puede contar Listeriosis a los zoonosis, segun la presencia dc exanthema papulosa
en las manos de algunos veterinarios y ganaderos como infeccion de contacto despues
prestar auxilio durante el partus en vacas abortadas.

The last new disease 1866 - - Trichinose.

Op 6 januari 1866 werd te Berlijn een vergadering van artsen, dierenartsen en
slagers gehouden over het probleem van de trichinose waaraan het jaar tevoren in
Hedersleben waarschijnlijk meer dan 90 mensen gestorven waren. Daar vond een
woordenwisseling plaats tussen de grote Virchow cn dokter Mason enerzijds en een
dierenarts Urban anderzijds. Virchow was op kruistocht tegen de trichinosis. Hij drong
aan op een verplichte keuring van varkensvlees en om zijn betoog kracht bij te zetten
legde hij aan het eind ervan een stuk trichineus vlees en een homp worst, afkomstig
van hetzelfde varken op de tafel van de voorzitter. Urban stond krijgshaftig op en zei:
„Trichinae are the most harmiess animals in the world. It is only doctors without
practicc who make a noise about them in order to create some occupation for them-
selves".

Virchow en Mason eisten verontwaardigd een verontschuldiging van Urban en Mason
daagde hem onder luid applaus uit om een stuk van de worst op te eten. De aan-
wezigen namen deze suggestie over en riepen luid: „eet, eet". De arme Urban
trachtte nog cr onder uit te komen maar het publiek bleef aandringen. Plotseling
pakte hij de worst, beet cr een stuk af en at dit op terwijl hij onder luid applaus en
gelach de zaal verliet. Korte tijd daarna werd Urban ziek en moest met verlamde
armen en benen in bed blijven. Hij hoopte nog steeds dat zijn ziekte niets te maken
had met het eten van de worst maar in het verslag van de vergadering voegt Lancet
hier nuchter aan toe: „Vain hope".

De evenwichten tussen gasten
en gastheren. Inaug. rede
Dr. C. F. A. Bruijning
Leiden 1965.

-ocr page 95-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Caryospora undata, Sehwalbaeh 1959, a cocci-
dlum from the intestine of a Guillemot, Uria
aalge aalge, Pontoppidan, 17631

by F. G. POELMA and W. J. STRIK1)

Veterinary Faculty of the State University, Utrecht.

Introduction

A guillemot died in the Rotterdam Zoo and was in a poor condition.
At necropsy there were no gross pathological changes observed in the
liver, lungs, kidney and spleen. Bacteriological examination resulted in
isolation of
Escherichia coli from liver, spleen, heart and kidney. In the
small intestine inany oocysts were present.

Material and methods

The contents of the intestine were mixed with 4 percent potassium bichro-
mate solution and placed in a thin layer in a Petri dish at room tempera-
ture for observation of the sporogony.

Fig. I.

1  F. G. Poelma and Miss W. J. Strik; resp. Staff Member and laboratory assistant
of the Veterinary Faculty of the State University of Utrccht; Biltstraat 166,
Utrecht.

-ocr page 96-

Results

The oocysts are ovoid and sometimes sHghtly asymmetrical. The oocyst
wall is colourless to pale yellowish and composes of a single layer about
0.8 micron thick.

The sporont is spherical, 22 by 21 microns in diameter, and is situated
excentrically. After one day the sporont contains smaller and larger
vacuoles and fine granules, showing a Brownian movement The sporont
gives rise to a single sporocyst with a very thin wall. (Fig. 1).
During sporulation at first four sporozoites are found and when sporu-
lation is completed after four days the sporocyst contains eight sporo-
zoites. There is no oocyst residuum. A lenticular refractile body is seen
at one pole of the oocyst (Fig. 2).

Fifty sporulated oocysts measure 27.4 tot 42.1 by 24.2 to 34.8 microns
with a mean of 32.5 by 29.2 microns. The sporocysts are spherical and
measure 22.5 by 22.0 microns. The sporocystwall is about 0.5 micron thick
and has no visible micropyle. Eight sporozoites develop in the sporocyst;
they are first U-shaped, later crescent-shaped or banana-shaped and often
contain two globules.

The sporozoites measure about 12.3 tot 3.5 microns and are not arranged
in any particular order. The sporocyst residuum is present and consists of
a large globule with many granules.

Fig. 2.

Conclusion

From the description given above it is seen that the coccidium from the
Guillemot represents an octozoic monosporocystid form belonging to the
genus
Caryospora.

-ocr page 97-

Caryospora undulata Schwalbach 1959 was described from a herring gull
(Larus argentatus) by Schwalbach (1959). The oocysts measured
30.6 by 29.3 microns The dimensions of the caryospora from the Guillemot
fall whithin the range of those of
C. undata Schwalbach 1959. No undu-
latory oocystwall was seen in the coccidium of the Guillemot, yet they
can be consideren as
C. undata Schwalbach, 1959.

SUMMARY.

A coccidium (Caryospora undata Schwalbach, 1959) from a Guillemot (Uria aalge
aalge)
is described.

SAMENVATTING.

Bij een uit de Diergaarde Blijdorp afkomstige zeekoet (Uria aalge aalge) werd een
sterke darminfectie met coccidiën gevonden. Deze coccidiën, welke één sporocyste
met acht sporozoiten vormen, komen overeen met
Caryospora undata Schwalbach,
1959, uit de zilvermeeuw.

RÉSUMÉ.

Caryospora undata Schwalbach, 1959, trouvée dans l\'intestin d\'un Guillemot de
Troïl
(Uria aalge aalge) est décrite.

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei einer Trottellummc (Uria aalge aalge) wurde eine starke Infektion mit einer
Caryospora-ArX gefunden, die als identisch mit C. undata Schwalbach, 1959, be-
trachtet wird.

RESUMEN.

En el jardin zoologico „Blijdorp" de Rotterdam Holanda se ha encontrado en una
Uria aalge aalge una infeccion intestinal muy forte causada por coccidias.
Estas coccidias, las cualcs formen una sporoquista con ocho, sporozoitas, parccen
Caryospora undata Schwalbach, 1959 de la gaviota argentina.

REFERENCES.

Schwalbach: Gattungen Eimeria, Isospora und Caryospora bei Vögeln mit
einer Beschreibung von sechzehn neuen Arten.
Arch. Protistenkd., 104, (3), 431,
(1959).

-ocr page 98-

REFERATEN

Algemeen

RELATIE MENS-HUISDIER.

Heiman, M.: Psychoanalytic observations on the relationship of pet and man.
Vet. Med., 60, 713, (1965).

De New-Yorksc psychiater Heiman wijst op de belan.grijke rol die huisdieren
in de menselijke samenleving spelen. Hij beschouwt de betekenis van het huisdier
voor de geciviliseerde mens dezelfde als van het totemdier voor de primitieve, n.1.
een beschermer, een talisman te.gen de vrees voor de dood.

Door de mechanismen van verdringing, projectie en identificatie, kan de hond of
een ander huisdier een belangrijke factor zijn bij het behoud van het psychologisch
evenwicht. Bij kinderen gebeurt dit bewust, bij volwassenen meer onbewust. Bij een
psychotisch mens kan het zijn dat het dier het enige levende object is, waarbij de
eigenaar in staat is contact op te nemen en te onderhouden.

Er is een verschil tussen de relatie van mens en hond en die van mens en kat, de
eerste is symbiotisch, de tweede parasitair, d.w.z. de ene leeft ten koste van de ander,
zoals de foetus leeft ten koste van de moeder. De foetus heeft op de zwan.gerc een
emotionele invloed, waarbij de moeder zich onbewust in de plaats van de foetus denkt,
waardoor zij zich volledi.g verzorgd en onbezorgd voelt. Een eenzame vrouw gebruikt
haar kat waarvoor sommi.ge voruwen haar ongeboren kinderen gebruiken. Zij stelt zich
in de plaats van de kat en voelt zich dan volledig verzor.gd en onbezorgd. Een vrouw,
die nauwe relaties met andere mensen vreest, kiest een kat, een dier dat van nature
een onafhankelijk soort leven leidt en put daar kracht uit. De psychiater laat zijn
patiënt gaarne praten over zijn huisdier; indien deze zich onbewust met dit dier
vereenzelvigt, openbaart hij op deze wijze vaak iets over zichzelf.
De ervaring heeft geleerd dat een hond, cen kat of cen vogel soms zeer belangrijk
voor de toestand van een patiënt kunnen zijn; de schrijver spreekt zelfs van zoötherapie
als hij voorschrijft een vogel, kat, hond of aquarium aan te schaffen. Hij .geeft cen
voorbeeld van een vrouw met vrees krankzinnig te zullen worden, die .genas door
samen te wonen met een parkiet.

Dc instelling van iemand die een waakhond heeft om \'s nachts om het huis te lopen,
is geheel anders dan van iemand die de hond heeft om \'s nachts mee naar bed tc
nemen. Schrijver noemt verscheidene voorbeelden, waarbij de eigenaar zich identifi-
ceert met zijn hond.

Het huisdier, en vooral de hond, helpt de mens zichzelf te beschermen tegen die
instinctieve wensen die basaal zijn voor de mensheid maar niet meer passen bij zijn
geciviliseerde staat.

C. A. van Dorssen.

Baeferiële- en virusziekfen

INFLUENZAVIRUS BESMETTINGEN BIJ PAARDEN.

L i e f, F. S. and C o h e n, D.: Equine influenza. Studies of the virus and of antibody
patterns in convalescent, intraepidemic and postvaccination sera.
Am. J. Epidemiol.,
82, 225, (1966).

Een tiental jaren geleden toonde Heller (1955) complementbindende antistoffen
aan tegen influenza type A virus in het serum van paarden die waren .genezen van een
aandoening van de voorste luchtwe.gen. Een jaar later werd in Tsjecho-Slowakijc
influenza type A virus geïsoleerd bij paarden met een respiratoire aandoening, hetgeen
in de daarop volgende jaren in vele Europese landen werd bevestigd.
Dit onderzoek beschrijft de isolatie van een influenza type A virus, identiek aan de
Tsjechische stam bij paarden met een licht verlopende hoestende ziekte in Amerika.
In het serum van herstelde dieren werden in hoge titer complementbindende anti-
stoffen tegen het equine A-type waargenomen, echter niet tegen menselijke A typen

-ocr page 99-

en varkens influenza virus. Er is dus geen verwantsehap met het menselijke of het
varkens influenzavirus, maar wel met een bepaalde component van het pseudovogel-
pestvirus (Newcastle disease). Voorts wees het serologisch onderzoek bij vele paarden
uit, dat er talrijke niet manifeste besmettingen voorkomen.

Deze onderzoekers hebben paarden subcutaan gevaccineerd met het bivalente ge-
inactiveerde (type
Al en Aa) influenza virus. Slechts met grote doses vaccin kon na
enige weken in het serum hemagglutinatie-remmende antistoffen worden aangetoond,
welke echter reeds na verloop van 8 weken in sterkte afnamen.

Gelet op de betrekkelijk onschuldige symptomen bij paarden heeft vaccinatie tegen
equine influenza voorshands geen betekenis.

H. A. E. van Tongeren.

EEN ACTINOBACILLUS SUIS STAM UIT NORMANDIÊ.

B O u 1 e y, G.: Etude d\'une souche d\'Actinobacillus suis (Van Dorssen et
Jaartsveld) isolée en Normandie.

De het eerst door Degen in 1907 geïsoleerde bacterie bij varkens, die later door
Magnusson, door Terpstra en Akkermans en door Van Dorssen
en Jaartsveld is beschreven, werd door B o u 1 e y geïsoleerd uit de nieren van
een zeug, waarin talrijke hemorragische haardjes met necrotische centra werden
waargenomen.

De bacterie kwam cultureel geheel overeen met de door collega Jaartsveld en
Referent gegeven beschrijving. Evenals eerdere auteurs (vlg. o.a. Terpstra en
Akkermans;
Tijdschr. Diergeneesk., 80, 741, (1955)) noemt Bouley de
sterke hemolyse als zeer karakterisdek.

Waardevol is dat met konijneïmmuunsera sterk verschil in agglutinatietiters werd
gezien tussen
Act. suis. Act. lignieresii en Act. equuli (hoewel te betreuren is, dat van
elke soort maar één stam is gebruikt,
Ref.).

C. A. van Dorssen.

FOETALE INFECTIES EN HUN GEVOLGE.N.

B e r t h e 1 O n, M.: Les infections foetales et leurs consequences. Rev. Méd. Vét.,
CXV, 613, (1964).

Vanuit praktisch standpunt bezien kan men besluiten dat elke kiem, zelfs de saprofiet,
welke in een verworpen vrucht wordt gevonden, van pathologisch belang is; de
abortus wordt door deze infectie veroorzaakt.

Bij de pathologie van pasgeboren dieren, behorend tot die soorten, waarbij de placenta
ondoorlaatbaar is voor antistoffen, speelt de prénatale infectie geen enkele rol, omdat
als gevolg daarvan de vrucht sterft en wordt uitgedreven.

Voor zover er neo-natale ziekte als gevolg van intra-uterine infectie bestaat moet die,
voor wat de meeste kiemen betreft, twee tot drie dagen vóór de geboorte tot stand
gekomen zijn en voor zover het de tuberkelbacil betreft 15-20 dagen vóór de geboorte.
De vrucht zal dan nog niet zijn gestorven, maar wel zal daarin een intensieve bacterie-
groei plaatsvinden. Deze gevallen zijn zeldzaam en men kan stellen dat de neonatus
gewoonlijk tijdens of vooral na zijn geboorte is besmet. Verder is duidelijk gebleken
dat het onmogelijk is om infectie van de foetus door gebruik van vaccins, sera of
antibiotica te voorkomen.

Door het nemen van hygiënische maatregelen bij het houden van drachüge dieren
kan men ernstige enzoötiën van
Salmonella-abortua bij equiden en schapen, en van
virusabortus bij merries voorkomen.

J. Jacobs.

PENICILLINE RESISTE.NTE STAFYLOKOKKEN DOOR SYMBIOSE MET
HUIDSCHIMMELS.

I. S m i t h, J. M. B.: Staphylococcus aureus strains associated with the hedgehog
Erinaceus europaeus. J. Hyg. (London), 63, 385, (1965).

-ocr page 100-

II. S m i t h, J. M. B. and M a r p 1 e s, M. J.: Dermatophyte lesions in the hedgehog
as a reservoir of penicillin resistant staphylococci, ƒ.
Hyg. (London), 63, 393,
(1965).

I. Smith verzamelde stafylokokken uit de neus, de huid, de poten en de anus van
egels. Van 124 coagulasc positieve stammen bleken 107 resistent tegen penicilline,
terwijl geen enkele resistent was tegen andere antibiotica.

II. De egels bleken aangetast door een huidschimmelziekte, veroorzaakt door ver-
schillende soorten
Trichophyton. Deze schimmels produceerden antibioticum dat
met penicilline overeenkwam, zowel in vitro als in de huid van konijnen. De
stafylokokken bleken vooral primair in de huidlaesies voor te komen.

C. A. van Dorssen.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

BEHANDELING VAN FASCIOLIASIS BIJ SCHAPEN.

Knapp, S. E., N y b e r g, P. A., D u t s o n, V. J. and Shaw, J. N.: Efficacy
of Bayer 9015 against Fasciola hepatica in Sheep.
Am. J. vet. Res., 26, 144-, (1965).
Schapen, op natuurlijke wijze .geïnfecteerd met Fasciola hepatica, werden behandeld
met 3 of 6 mg Bayer 9015 (3,3\'Dichloro-5,5\'-dinitro-0,0\' biphenol), in de literatuur
ook bekend onder dc naam Bayer Me 3625. Het middel werd oraal toegediend.
Bij een dosering van 6 m,g/kg lich. gew. werden in het eerste experiment alle lever-
botten gedood. In een tweede experiment (dosering 3 mg/kg lich. gew.) werden er
100% resp. 93% van de leverbotten gedood. In een derde experiment werden ver-
schillende middelen beproefd en wel Bayer 9015, in een dosering van 6 mg/kg lich.
gew., tetrachloorkoolstof, een capsule van 1 ml per schaap cn hcxachlooraethaan,
toegediend in een drench (1,5 oz/schaap). De anthelmintische activiteit van deze
drie middelen werd onderling vergeleken, en deze waren respectievelijk 98, 100, en
94%.

Veranderingen en het lichaamsgewicht en het meten van de scrum glutamic oxalacetic
transaminase (S.G.O.T.) werden als criteria gebruikt ter beoordeling van de toxiditeit.
Zowel Bayer 9015 in een dosering van 6 mg/kg lich. gew. als hexachlooraethaan
veroorzaakte geen intoxicatie. Schapen behandeld met tetrachloorkoolstof vertoonden
een verhoging van S.G.O.T. 24 uur na de behandeling. Alle schapen in het derde
experiment, waarbij ook de controle dieren inbegrepen, vertoonden 7 dagen na de
behandeling een normaal gehalte aan S.G.O.T.

A. L. J. M. Heirman.

GIFTIGHEID VAN HEXACHLOROPHEEN VOOR SCHAPEN.

P u g h, D. M. and C r o w 1 e y, J.: Some observations on the Toxicity of Hexachloro-
phane for Sheep.
Vet. Rec., 78, 86, (1966).

Teneinde de toxiciteit van hexachlorophecn bij schapen na te gaan, werden aan
drachtige en niet-drachtige ooien — al of niet met leverbot besmet — verschillende
doseringen van een 5% oplossing van hexachlorophecn in propyleenglycol toegediend.
Dc dosis van 15-30 mg hexachlorophecn veroorzaakte bij niet-drachtige, met leverbot
besmette dieren geen toxische verschijnselen. Bij 40 en 50 mg/kg trad diarree op.
Herhaalde doseringen met respectievelijk 30, 45, 60 en 70 mg/kg met tussenpozen van
7 en 14 da,gen veroorzaakte 24-48 uur na de dosering diarree, depressie, anorexie en
bij enkele dieren hersenverschijnselen. De gehele groep vertoonde gemiddeld in de
35 da.gen van dosering een .gewichtsverlies van 1,84 kg, terwijl het gewicht in de
daaropvolgende 28 da.gen gemiddeld 3,5 kg toenam.

De dosering van twee groepen hoogdrachti,ge ooien met 30 en 45 mg/kg veroorzaakte
1 8 uur na de toediening diarree en lusteloosheid bij alle dieren, terwijl enkele dieren
van de 45 m.g/kg-groep, die paraplegic, gedilateerde pupillen, spierzwakte en een
sterke depressie van het bewustzijn vertoonden, na enkele da.gen stierven. Voor beide
groepen verminderde de gewichtstoename in de veertiendaagse periode na de dosering
significant t.o.v. de controlegroep. Bij sectie van de gestorven dieren werd een perilo-

-ocr page 101-

bulaire vettige degeneratie van de lever, naast abomasitis en een jejunitis, aangetroffen.
Bij proeven in de praktijk met 2107 schapen op 21 bedrijven werd 10-20 mg/kg
hexachloropheen toegediend, welke dosering bij 1237 schapen na 4 weken en bij 328
schapen na 4 en 10 weken werd herhaald. Op één bedrijf trad intoxicatie en 25%
sterfte op, hetgeen aan dc zeer slechte voeding geweten moest worden. Het is namelijk
bekend, dat de weerstand van dc lever ten opzichte van de schadelijke werking van
gechloreerde koolwaterstoffen afhankelijk is van het leverglycogcen en het levereiwit-
gehalte cn de beschikbaarheid van bepaalde aminozuren, b.v. methionine.
Daarom zal iedere factor, die de voedingstoestand van het dier ongunstig beïnvloedt,
het gevaar van vergiftiging bij het toedienen van hexachloropheen verhogen.

F. W. J. Swart.

Stofwisselings- en deficiëntieziekten

STOFWISSELINGSSTOORNIS NA TOEDIENING VAN SULFADIMÉRAZINE
EN STOVARSOL.

Tournut, J., Espinasse, J. ct Montlaur-Ferradou, P.: Les troubles
du métabolisme des protides consécutifs ä l\'administration de sulfadimérazine ou de
stovarsol sodique chez le poulet de chair.
Rev. Méd. Vét., CXV, 707, (1964).
De storingen in dc eiwitstofwisseling welke het gevolg zijn van de toediening van sulfa-
dimérazine of Stovarsol-Na aan slachtpluimvee van 3 ä 4 weken oud, betreffen in
hoofdzaak de urinevorming door de nier.

Bij normaal therapeutisch gebruik worden ciwitopbouw cn ciwitafbraak niet gestoord.
Het tweemaal gedurende drie dagen met een interval van drie dagen toedienen van
2"/oo sulfadimérazine door het drinkwater doet direct daarna het ureumgehalte van
het bloed toenemen. Vervolgens treedt bij dc behandelde dieren gedurende hun gehele
verdere leven een hoger bloedserum ureumgehalte op dan bij dc controledieren.
Deze feiten onderstrepen dc schadelijke werking van
Sulfonamiden welke berust op
het feit dat deze stoffen een nadelige invloed uitoefenen op de uitscheidingscapaci-
teiten van de niertubuli. Hierdoor is iedere therapie met deze stoffen in principe
gevaarlijk, maar vooral als zij onjuist wordt uitgevoerd (overdosering, abnormaal
lange toediening).

Het vijf dagen achtereen toedienen van l\'Vod stovarsol-Na door het drinkwater ver-
oorzaakt een daling van het bloedserum ureum-gchalte, waarschijnlijk als gevolg van
een verhoogde doorlaatbaarheid van de nier.

/. Jacobs.

BLOEDTR.A.NSFUSIE BIJ DE BEHANDELING VAN PUERPERALE HEMO-
GLOBINURIE.

Sanchcz-Garnica Monies, C.: La transfusion de sangre en el tratamiento
de la hemoglobinuria puerperal de la vaca.
Anal. Inst. Invest. Vet., 14, 15, (1965).
Puerperale hemoglobinurie komt uitsluitend bij het rund voor. De aetiologie van deze
ziekte is nog niet geheel duidelijk, ofschoon men cr over het algemeen over eens is,
dat het een stofwisselingsziekte is. Dc ziekte treedt gewoonlijk op in het puerperium
of 2-3 weken na het kalven.

(Een aan fosfaat arme bodem en gebieden, waar grote hoeveelheden molybdeen
in dc bodem voorkomen, werken predisponerend,
Ref.).

Behandeling van deze aandoening rnet A.C.T.H. (20 I.E. intraveneus), calciurn-
chloridc intraveneus, 250 g azijn in 500 cc water per os, zoals in dc literatuur wordt
aangegeven, faalde bij een onderzoek in Spanje. In dit onderzoek, waarbij 235
gevallen betrokken waren, werden goede resultaten vermeld met een bloedtransfusie.
Dc hoeveelheid ingespoten bloed bedraagt slechts 500 ml cn bij gebruik van grotere
hoeveelheden traden ongunstige nevenreactics op. Als anticoagulant werd gebruikt
een 30% opl. van Na citraat cn wel 10 ml van deze oplossing per liter bloed. De
transfusiesnelheid was langzaam, n.1. 10 minuten voor 500 ml bloed.

-ocr page 102-

Bij 80% van de aldus behandelde dieren was 500 ml voldoende om de dieren te
genezen, terwijl bij de overige 20% na 24 uur nogmaals een bloedtransfusie moest
worden toegediend.

A. L. ]. M. Heirman.

Ziekten van het Kleine Huisdier

VACCINS TEGEN HONDEZIEKTE EN VIRUS-HEPATITIS.

Ackermann, O.: Comparative Experimental Studies on Vaccines Against Distem-
per and Canine Viral Hepadus.
Small An. Pract., 6, 171, 1965).
Voor de aktieve immunisade tegen hondeziekte (ziekte van Carré) worden tegen-
woordig bijna uitsluitend levende geattenueerde (verzwakte) virusandgenen gebruikt.
De aktieve immunisatie tegen Hepatids contagiosa canis (H.c.c.) geschiedt zowel
met geïnaktiveerde als met geattenueerde virusandgenen. De meest gebruikte honde-
ziekte- en H.c.c.-antigenen, die wij ook in de gecombineerde vaccins vinden, zijn:

1. levende, op eivlies gekweekte hondeziektevirussen,

a. gewonnen uit geëmbryoneerde kippeëieren,

b. gewonnen uit kippefibroblastenweefsel;

2. levende, op weefselculturen gekweekte hondeziektevirussen, gewonnen uit culturen
van hondenierepitheliumweefsel;

3. geïnaktiveerde H.c.c.-virussen, gewonnen uit het weefsel van organen of kweek-
culturen;

4. levende, op weefselculturen gekweekte H.c.c.-virussen, gewonnen uit het weefsel
van honde- of varkensnieren.

Met vaccins die antigenen van de bovengenoemde soorten bevatten, werden verge-
lijkende immunisatieproeven op 8 weken oude hondjes genomen. Deze dieren werden
in geïsoleerde hokken gehouden. Zij werden dagelijks op hun gezondheidstoestand
onderzocht en getemperatuurd. Ter controle van de uitwerking der enting werden met
bepaalde tussenpozen bloedproeven genomen en het daaruit gewonnen serum door
een virusneutralisadetest in de weefselcultuur op zijn gehalte aan neutraliserende
andlichamen tegen hondeziekte en H.c.c. onderzocht. In vier vergelijkende immuni-
sadeproeven op in totaal 38 jonge honden werden telkens jongen van één worp met
Candur S, Candur SH en verschillende andere in de handel verkrijgbare vaccins
tegen hondeziekte en hondeziekte/hepatitis ingeënt. De gebruikte vaccins werden op
hun gehalte aan verzwakte hondeziektevirussen op de weefselcultuur of in geëmbryo-
neerde kippeëieren onderzocht.

In de vergelijkende proeven op dieren kwam tot uitdrukking, dat reeds de keuze van
de antigenen beslissend is voor de waarde van de vaccins. Dit geldt in bijzondere mate
voor de gecombineerde hondeziekte- en H.c.c.-antigenen, waarbij niet alleen rekening
gehouden moet worden met de eigenschappen van de afzonderlijke antigenen, maar
ook met de wederzijdse beïnvlm-ding.

Men heeft vastgesteld, dat de in Candur S en Candur SH voorkomende, op weefsel-
cultuur gekweekte en geattenueerde hondeziektevirussen tot een significant, bijna 10
keer groter gehalte aan humorale hondeziekteantilichamen leidden dan de hiermee
vergeleken vaccins met op eivlies gekweekte hondeziektevirusantigenen. De omvang
van de andlichamcndter doet een evenredig langere immuniteitsperiode verwachten.
Er dient ook opgemerkt te worden, dat Candur-preparaten sneller tot vorming van
aan te wijzen antistoffen tegen hondeziekte leidden. De snellere en sterkere bescher-
mende werking na inenting met Candur-preparaten wordt door de zuiverheid en de
concentratie der antigenen die op homoloog weefsel vermeerderd worden, ondersteund.
Door het gecombineerde gebruik van levende hondeziekte-virussen en geïnaktiveerde
H.c.c.-virussen wordt een interferende vermeden, welke bij gebruik van twee levende
virusantigenen optreedt (zoals door verschillende auteurs wordt beschreven). Daar-
door ontplooit het levende verzwakte hondeziektevirus in deze combinaties dezelfde
goede werking als in Candur S alleen.

-ocr page 103-

Bij deze proeven heeft men oo)« l^unnen constateren, dat vaccins, die levende verzwakte
H.c.c.-virussen bevatten, tot een troebeling in het hoornvlies konden leiden. Zoals
bekend, wordt een troebeling in het hoornvlies als symptoom voor een lichte H.c.c.-
infectie beschouwd.

Voorts heeft men waargenomen, dat gcattenucerdc H.c.c.-virussen via de nieren met
de urine uitgescheiden en door vatbare jonge honden op.genomen werden. Er bestaat
dus gevaar, dat H.c.c.-virussen op virusvrije dieren worden overgebracht en een terug-
keer tot pathogeniteit mogelijk is.

In de beide laatste proeven kon ook dc schadelijke uitwerking van maternale anti-
lichamen op de immunisatie met levende virussen worden vastgesteld. Bij jonge
honden die op het tijdstip van de inenting nog maternale bescherming tegen H.c.c.
bezaten, leidde het .gebruik van geïnaktiveerde H.c.c.-antigenen tot een aktieve
bescherming. Bij .gebruik van geatenueerde H.c.c.-virus-vaccins bleef een aktieve
bescherming uit.

ƒ. D. Beijers.

E.NDOMETRITIS BIJ HO.NDEN\' GEBRUIK V.\\N MEDROXYPROGES-
TERON.

Anderson, R. K., Gilmore, G. E. and Schnelle, G. B.; Utero-ovarian
Disorders Associated with Use of Medroxypro.gesterone in Dogs.
J. Am. vet. med.
Ass.,
146, 1311, (1965).

Progesteron is cen corpus luteum hormoon, dat fysiologisch de uterussecretie regu-
leert, uteruscontracties onderdrukt, alveolaire groei van mammaweefsel bevordert en
de produktie van dc H.X\'.K.-hormonen remt, waardoor dc oestrus en de ovulatie
voorkomen worden.

Hydroxyprogesteronacetaat, dagelijks per os toegediend, remt de oestrus bij honden
voor onbeperkte tijd. Wordt de dagelijkse toediening gestaakt, dan ontwikkelt zich
binnen 1 week tot enkele maanden een oestrus.

Een depotpreparaat van progesteron wordt .gebruikt om de oestrus van honden te
voorkomen of tc onderdrukken door intramusculaire injectie. Medroxyprogesterone
is een dergelijk preparaat met een dermate verlengde werkingsduur, dat een enkele
injectie voldoende is om een anoestrus van minstens 6 maanden op te wekken.
5 honden, waarvan 4 jon.ger dan twee jaar, die onderzocht werden wegens vaginale
uitvloeiing, waren met medroxyprogesterone behandeld. Er bleek een ernstige endo-
metritis te bestaan, gepaard met duidelijke afwijkin.gen aan dc ovariën. In alle
.gevallen was hysterectomie en ovarioectomie noodzakelijk.

Op grond van de typische patholoog-anatomische en histologische afwijkin.gen menen
de schrijvers de behandeling met medroxyprogesterone als oorzaak te moeten aan-
merken.

J. Uwland.

BOEKBESPREKING

VARKENSVARIA.

(Stichting Landbouwgids, Maliesingel 22, Utrecht, 128 pag., ƒ 4,50.)
Het ruim 120 bladzijden tellende boekje bevat vele gegevens en nieuwe inzichten die
voor varkenshouders en allen die iets met de varkenshouderij te maken hebben, van
belang zijn.

Het omvat een 25-tal hoofdstukjes - - bij elkaar uitgegeven artikelen die voorheen
in de Landbouwgids over de varkenshouderij zijn verschenen - alle door specialisten
op hun terrein verzorgd en voorzover aangepast aan de ni<-uwste ge.gevens.
In dit werkje zijn vele zaken en i.s vooral ook cijfermateriaal samen gebracht op het
terrein van de nieuwere ontwikkelingen in dc varkenshouderij en wat daarmede
verband houdt; gegevens die ook voor de praktizerende dierenarts van belang zijn en
kunnen dienen als concrete gespreksstof bij de advisering van de varkenshouder, die
met zovele problemen t.a.v. de nieuwe ontwikkelingen aan de bedrijfsvoering ver-
bonden, wordt geconfronteerd.

-ocr page 104-

Behandeld worden ondermeer varkensstamboeken, selectiemesterijen; de varkens-K.I.
zowel foktechnisch als veterinair-technisch; biggen-opfok; voeding; varkenshouderij-
kernen; varkensgezondheidszorg; de huisvesting van mest- en fokdieren; de samen-
werking tussen fokker en mester; rentabiliteit en vooruitzichten enz.
De prijs van dit boekje, eenvoudig uitgegeven, doch gedrukt op prima papier waarop
ook de foto\'s en tekeningen goed tot hun recht komen, is laag.

P. H. W. Tacken.

RABIES

(World Health Organization, Technical report series No. 321 Rabies, fifth report.
Geneva 1966, Price 5 -.)

De speciale commissie van de W.H.O. voor hondsdolheid, die in voorgaande jaren
reeds vier rapporten publiceerde, liet dit voorjaar haar 5e rapport verschijnen.
Het geeft een uitstekend inzicht over het voorkomen en de kennis betreffende deze
zo .gevaarlijke ziekte. Na een korte inleiding volgen mededelingen over het virus (een
definitieve classificatie is nog niet mogelijk), over de structuur van de celinsluitsels
van Negri, over de antigeenstructuur (die overal ter wereld praktisch gelijk zou zijn)
enz. enz.

Van in weefselculturen gekweekt virus wordt verwacht dat daarvan bruikbare vaccins
te bereiden zullen zijn, zowel voor toepassing bij de mens als bij het dier. Indien
behalve vaccin tevens serum wordt toegediend, is een latere enting met alleen vaccin
nodig.

De beste methode en tevens snelste methode om de diagnose te stellen is de fluorescen-
tie-antilichaam-test; in een aantal gevallen, indien nodig, worden de andere methoden
gebruikt (aantonen der Negri-lichaampjes, isolatie van het virus) ; de genoemde
onderzoekingsmethoden worden nader beschreven.

In een tabel wordt een overzicht gegeven van de bestaande vaccins voor mens of
(en) dier, waarna een bespreking der vaccins volgt.

Hierna wordt het voorkómen van rabies bij de mens besproken. Na een beet dient de
wond langdurig met een 20% vloeibare zeepoplossing gewassen te worden; men geve
de gebeten mens altijd een injectie met hoogwaardig serum, een deel van het serum
moet men rondom de wond inspuiten.

Niet gebeten personen die wel infectierisico\'s lopen (o.a. laboratoriumwerkers) dienen
voorbehoedend geënt te worden.

Voor de dierenarts is van belang hoofdstuk no. 7 over de rabies-bestrijding bij
dieren. Terecht wordt erop gewezen dat uitroeiing moeilijk zal zijn in die landen
waar dieren als vleermuizen, vossen enz. besmet zijn. De immunisatie wordt uitvoerig
behandeld n.1. van de honden, de katten, het vee, en de overige diersoorten, waarna
nog nader wordt ingegaan op de massa-immunisaUe van honden en katten, het op-
ruimen van zwerfhonden en de administratie van het hondsdolheidprobleem in zijn
.geheel.

De grote, misschien onoverkomelijke moeilijkheid is de uitroeiing van rabies der wilde
dieren, waarbij te rekenen de vampiervleermuis. Deze vlecrmuizenrabies is een van de
ernstigste problemen in Zuid Amerika wat betreft het infecteren van het vee, waar het
de voornaamste doodsoorzaak van vee is. Er zijn daar 160 gevallen bekend geworden
van rabies bij mensen gebeten door vleermuizen.

Het zeer goede rapport, dat iedere dierenarts dient te lezen, eindigt met een be-
schouwing over het verdere onderzoek in de toekomst.

Jac. Jansen Sr.

INGEZONDEN

DRESSUUR III.

Springconcoursen voor vier- cn vijfjarige paarden.

Hooggeachte Redactie,

Onder de enigszins eigenaardige titel „Dressuur" is bovengenoemd onderwerp in uw
vragenrubriek behandeld, waarbij de anonyme antwoordgever het vrij scherpgestelde
kernpunt van de vraag bewust (?) heeft omzeild. Evenmin als dit anonyme antwoord

-ocr page 105-

(waarom antwoorden niet signeren, dit geeft meer zegkracht!) behandelt het zeer
deskundig ingezonden stuk van collega D i c m o n t deze pointe.

Daar blijkbaar belangstelling bestaat hierover van gedachten te wisselen, vestig ik uw
aandacht op wat Kolonel K. J. Schummelkctel, oud internationaal springruiter
en nog steeds zeer actief official in de paardensport, in
De Hoefslag van 9 juni 1.1.
op bladz. 8 schrijft naar aanleiding van een concours hippique te Bergen op Zoom:
„Na afloop van het springconcours L werd een springconcours B voor vier-
jarigen en een springconcours L voor vijfjarige paarden gehouden, die in Nederland
geboren zijn. Een en ander aan te tonen middels de stambockpapieren of registra-
tiebewijzen.

Deze springconcoursen beginnen dc laatste tijd erg in trek te komen; het is de
vraag of het juist is dat men een te groot aantal van deze concoursen uitschrijft.
De bedoeling toch is in feite de paarden op jonge leeftijd te laten tonen wat zij
kunnen, opdat zc voor dc handel hun waarde kunnen bewijzen.
Voor het overige behoeven we deze paarden niet in aparte concoursen te laten
uitkomen, we zagen nu ook verschillende vijfjarige paarden die al geruime tijd
op de concoursen lopen. Het heeft dan weinig zin om deze paarden nog eens in
een apart concours te tonen. Ook bestaat het gevaar dat een tè groot aantal
van deze concoursen wordt uitgeschreven, waardoor tè veel van de paarden
gevraagd wordt op jonge leeftijd en deze paarden dus na een of twee jaar vol-
komen opgebruikt zijn. Wc denken hierbij ook aan de Volbloeds en dravers op
twee-jarige leeftijd; de goede eigenaren zijn uiterst zuinig met hen te laten uit-
komen en krijgen dan het voordeel dat ze later, wanneer ze zich beter ontwikkeld
hebben, tot goede prestaties komen. In Engeland komt dan ook meer en meer
verzet en vraagt men zich af of het juist is deze tweejarige rennen te veel te
houden. Wanneer enkele rennen worden gehouden om te tonen wat dc paarden
waard zijn is dat geen bezwaar, maar een te groot aantal breekt veel paarden en
het resultaat is dat men dikwijls paarden, die zich later goed zouden kunnen
ontwikkelen, reeds voor de slacht heeft moeten verkopen. We moeten oppassen
dat het met springpaarden ook niet een dergelijke weg opgaat, doordat plotseling
overal dc concoursen 4- en .\'ï-jarigen naar voren laten komen. Want in feite zijn
veel paarden nog onvoldoende ontwikkeld voor dc zwaardere sprongen. Een
enkeling mag dan daartoe in staat zijn en een verstandige eigenaar zal hem zeer
geleidelijk opfokken, een enkel parcours doet ook geen kwaad, mits men daarna
de verdere behandeling wijdt aan de fysieke opbouw van het jonge paard en dat
is iets wat nog bij veel ruiters hapert."
Utrecht, juni 1966. C.
A. van Dorssen.

DRESSUUR IV.
Zeer geachte Redactie,

Wij weten allen dat dc Engelse volbloeds volgens een vastomlijnd plan van ongeveer
1740 werden gefokt, maar pas in 1791 werd het „General Studbook" opgericht,
waarin alle volbloeds met hun ouders nu nog steeds worden opgeschreven.
Deze volbloeds stammen af van de drie ■•Arabische hengsten: Bycrley Turk in 1684
naar Engeland gebracht; Darlcy Arabian in 1704 naar Engeland gebracht; Godolphin
Arabian in omstreeks 1730 in Engeland aangekomen.

Dezer dagen kreeg ik in handen het bock over „El Sham" van F r a n z Born,
„Dc Zonnchengst". Dit is het levensverhaal van „El Sham", later in Engeland om-
gedoopt in „Godolphin .Arabian", het edelste paard ter wereld. De geautoriseerde
vertaling is van D. Storm de Gravc-van Rccnen. Uitgave Ad. M. C. Stok
- Forum Boekerij Den Haag.

Dat dit bock mijn bijzondere belangstelling trok kunt u zich wel indenken en ik kan
u verzekeren dat ik het
tweemaal met groot genoegen heb gelezen en het iedereen,
die zich voor de Engelse volbloed in het algemeen en de Arabier in het bijzonder
interesseert, ten volle ter lezing (bestudering) kan aanbevelen.

Hcelsum, juni 1966. Aug. Diemont Jr.

-ocr page 106-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Faculteit der Diergeneeskunde

POST-UNIVERSITAIR ONDERWIJS

Op woensdag 18 mei j.1. werd in de Kliniek voor Inwendige Ziekten opnieuw een
klinische avond gehouden, ditmaal op verzoek van de afdeling Friesland, waarvan
een 30-tal leden aanwezig was.

Er werden enkele patiënten met uiteenlopende aandoeningen gedemonstreerd.
.\\ls eerste een koe met een longaandoening. Dit dier had zacht tubair ademen
rechts en hoestte een enkele keer. Het percussieveld van de longen was normaal,
doch op de foto was in het ventrale deel van de thorax een duidelijke verdichting
te zien.

Twee koeien met een lebmaagaandoening waren de volgende patiënten. De eerste
had een lebmaagdislocatie naar links, de tweede een lebmaagdilatatie en dislocatie
naar rechts. Vervolgens werd een pony gedemonstreerd, welke de vorige dag was
aangeboden met tetanie. Bij dit dier werd de voor deze aandoening typische anam-
nese vermeld, waarin reizen en opsluiten in een vreemde omgeving altijd een rol
spelen. De pony was reeds tweemaal behandeld met een Ca-Mg preparaat, doch het
Ca-gehalte was nog steeds niet normaal geworden.

Vervolgens werd een koe gedemonstreerd met een oesophagus-aandoening. Dit dier
was sterk vermagerd en had dunne mest. De klacht van de eigenaar dat het dier
niet kon herkauwen werd bevestigd. Het dier trachtte voortdurend een herkauw-
brok omhoog te krijgen, maar dit lukte niet. Wel kwam wat vocht omhoog, dat
dan na enkele kauwslagen weer werd weggeslikt. Bij laparotomie werd een verdikte
cardia gevonden. De differentiëeldiagnose van deze patiënt werd besproken.
De laatste patiënt was een paard met petechiaaltyfus, een aandoening welke in
toenemende mate voorkomt. Deze treedt op na een droesinfectie, doch ook na een
influenza-epidemie, waarbij
Slr. zooepidemicus als veroorzaker van een, vaak ge-
ringe, secundaire infectie is opgetreden. De therapie bestaat uit antibiotica en vet-
nisolon in vrij hoge doseringen gedurende lange tijd. Hiermede zijn aan de kliniek
goede resultaten bereikt.

Na elke patiënt ontstond een levendige discussie en de vice-voorzitter van de afd.
Friesland, collega Zegers, bracht dan ook na afloop Prof. Wagenaar en zijn
medewerkers dank voor deze avond en hij hoopte in de toekomst nog eens een beroep
op hen te mogen doen.

CURSUS VLEES- EN VLEESWARENKENNIS

Sinds in november 1965 voor dierenartsen, werkzaam in de vleeskeuringssector de
mo.gelijkheid werd opengesteld deel te nemen aan een door de Eerste Nederlandse
Slagers Vakschool verzorgde cursus „Vlees- en Vleeswarenkennis" hebben bijna vijftig
collegae zich daarvoor aangemeld.

In december 1965 zijn twee parallel lopende cursussen, elk met vijftien deelnemers,
gestart en sedertdien tot aller tevredenheid verlopen en thans afgesloten.
In oktober a.s. zal een aanvang worden gemaakt met de derde en bij voldoende
deelname ook met een vierde cursus. Indien dit laatste het geval is zullen ook deze
cursussen parallel lopen en gedurende eens per twee weken, van 15.00-17.30 uur
worden gegeven.
Het programma zal omvatten:

3 lessen vleeskennis: uitsnijden van achter- en voorvoet van een rund en een half
varken, kwaliteitsbeoordeling onderdelen, calculatie;

6 lessen theorie: kennis van diverse soorten vleesprodukten, bereidingswijzen,
foutenbronnen en misprodukten;

3 lessen: demonstraties vervaardiging vleesprodukten;
1 slotles met een nabespreking van allerlei vleesprodukten.

-ocr page 107-

Dc kosten bedragen ƒ 120,— per cursist. Ale handleiding wordt gebruik gemaakt
van een boekwerkje, dat tegen een bedrag van ƒ 8,90 bij de E.N.S.V. kan worden
aangeschaft.

Dierenartsen, die zich no.g niet bij ons hebben opgegeven en dat alsnog zouden willen
doen, stellen wij daartoe in de gelegenheid tot 1 september a.s. Nadere inlichtingen
worden gaarne verstrekt door Dr. J. G. van L o g t e s t ij n.

Ook voor niet dierenartsen bestaat gelegenheid deze cursus te volgen voor zover er
plaatsruimte is. Deze geïnteresseerden dienen zich in verbinding te stellen met Drs.
J. L. Jonker, directeur van de E.N.S.V., Veemarktplein 41 te Utrecht.

Prof. Dr. J. H. J. van Gils.
Dr. J. G. van Logtestijn.

CURSUS „ONDERZOEK VAN VLEESPRODUKTEN"
Het is ons gebleken dat er in de kringen van dierenartsen, werkzaam in de vlees-
keuringssector, belangstelling bestaat voor een cursus, waarin de moderne methoden
van onderzoek en beoordeling van vleesprodukten worden behandeld.
In het verleden hebben reeds verscheidene collegae regelmatig ons instituut bezocht,
teneinde zich over deze materie nader te oriënteren. Thans blijkt echter de belang-
stelling zo groot te zijn geworden, dat wij ons genoodzaakt zien in verband met de
ruimtelijke, materiële en personele beperkingen te trachten in een meer georganiseerde
vorm hieraan tegemoet te komen.

Op een nog nader te bepalen aantal halve of hele dagen zullen kleine groepen —
bijvoorbeeld 4 ä 5 personen — in ons instituut kunnen worden ontvangen. Onze
.gedachten gaan uit naar een cursus van 8 ä 10 halve dagen, bij voorkeur vóór-
middagen. Deze halve dagen zouden binnen een kader van twee weken kunnen worden
geplaatst of op één of meer ochtenden per week gedurende langere tijd.
Tijdens deze cursus zullen de belangrijkste methoden en technieken behandeld
worden, die bij het organoleptisch, fysisch, chemisch, microbiologisch en histologisch
onderzoek van de verschillende vleesprodukten voor routineonderzock in een normaal
uitgerust laboratorium gebruikt kunnen worden. Vooral aan het histologisch en het
histobacterioscopisch onderzoek zal aandacht worden besteed. Zoveel mogelijk zullen
de cursisten zelf de technieken moeten uitvoeren.

Gaarne willen wij vóór 1 september a.s. vernemen welke collegae belangstelling voor
deze cursus hebben en ook of er, en zoja welke, wensen bij hen bestaan ten aanzien
van het tijdstip van aanvang, de frekwentie en de inhoud der cursussen.
In de loop van september zullen wij deze collegae op de hoogte stellen van de
beslissingen ten aanzien van de uitwerking van de plannen.

Er moet rekening mee worden gehouden, dat aan de cursus zekere — door curatoren
te bepalen — onkosten zullen zijn verbonden.

Gelieve correspondentie te richten aan Dr. J. Cï. van Logtestijn, die als
cursusleider zal fungeren.

Prof. Dr. ]. H. J. van Gils.

KLINISCHE DEMONSTRATIE OP 17 MAART J.L., GEHOUDEN AAN DE
KLINIEK VOOR KLEINE HUISDIEREN, ONDER LEIDING VAN PROF.
DR. G. H. B. TEUNISSEN.

Professor Tennissen demonstreerde als eerste patiënt een 4 jaar oude collie.
Deze hond werd een jaar geleden geopereerd aan een henne-ei grote tumor die zich
in de musculatuur onder de linker elleboog bevond.

Hoewel regionale lymfklier noch röntgenfoto\'s van de thorax aanwijzingen gaven
voor metastasering, werd de prognose toch beduidend slechter, toen de tumor na
patholog-anatomisch onderzoek een sarcoom bleek te zijn.

Vooral de kans op recidief leek groot, daar de tumor zeer eng weggeprepareerd
was teneinde zoveel mogelijk het omringend spierweefsel voor beschadiging te vrij-
waren. De mogelijkheid dat restjes tumor (kapsel) waren blijven zitten, was dus
niet uitgesloten.

-ocr page 108-

Het wekte dan ook geen verwondering, toen kort na de operatie recidief optrad.
De tumor werd nu op twee manieren aangepakt.

1. In de eerste plaats werd dagelijks een cytostaticum toegediend in de vorm van
Endoxan. Van dit preparaat is bekend, dat het, behalve op papillomatosis bij
jonge honden, ook (alhans bij de mens) een zekere groeiremmende werking uit-
oefent op maligne groei en metastasering bij bepaalde tumoren.

Doel van deze behandeling was, te trachten enerzijds de tumorgroei zoveel mo-
gelijk te beperken en infiltratie in het omliggend spierweefsel tegen te gaan,
en anderzijds het gevaar voor metastasering zoveel mogelijk te voorkomen.

2. Na verloop van twee weken, waarin de tumor compacter en scherper van het
omliggend weefsel afgegrensd werd, volgde opnieuw operatie; nu werd de tumor
ruim en radicaal geëxcisseerd.

De hond is nadien nog vijf dagen met Endoxan behandeld. Recidief of metasta-
sering zijn tot heden niet waargenomen.

De aanmaak van witte bloedcellen, die eveneens gedrukt wordt door Endoxan,
is maatgevend voor het cytostatisch effect en het witte bloedbeeld dient daarom
steeds als indicator voor de dosering gebruikt te worden.
Er deed zich bij deze padënt een complicade voor in de vorm van hematurie. Deze
complicatie, die zich ook bij humane patiënten wel voordoet, bleek, evenals de
leucopenie, reversibel te zijn.

Als aanvullend demonstratiemateriaal bij de Endoxan-therapie, werd daarop nog
een Schotse Terrier getoond met een inoperabel melanosarcoom, uitgaande van het
palatum molle.

Deze tumor was gedurende enkele weken continu behandeld met lage doseringen
Endoxan en bleek niet meer in omvang toe te nemen.

Toch blijft de prognose voor dergelijke patiënten ongunstig, daar slechts een ver-
traging van de maligne groei wordt bereikt en een letaal verloop tenslotte niet
voorkomen kan worden.

Een IJ/a-jarige Collie reu werd enkele maanden geleden aan de kliniek aangeboden
met aangeboren incontinentia urinae.

Bij röntgenologisch onderzoek van de urinewegen met behulp van urografie bleek
een hyperplastische- en één hypoplastischc nier aanwezig tc zijn. Bovendien mondde
de, van de kleine nier afkomstige, ureter, waarschijnlijk niet in de blaashals, maar
meer caudaal in de urethra uit.

Na proeflaparotomie, waarbij de klinische diagnose bevestigd kon worden, en re-
sectie van het kleine niertje met de ureter, was de incontinentie praktisch ver-
dwenen.

Dat de klachten na deze operatie niet voor 100% verdwenen waren, was vermoe-
delijk te wijten aan de geringe capaciteit van de blaas, die bij de opratie zeer klein
bleek te zijn.

Dr. Verwer bracht daarop twee oogheelkundige problemen ter sprake.
Een Duitse Herder was geopereerd aan een tumor in de mediale oo.ijhoek. De diffe-
rentieel diagnostische problemen die zich vóór de operatie voordeden, (dacryo-cys-
titis, abces, corpus alienum, tumor, botwoekering ten gevolge van trauma, bot-
splintertje) werden besproken en de operatietechniek werd uiteen gezet.
Een bastaardhondje toonde twee door pigment totaal verduisterde corneae, resultaat
van 3 jaar verwaasloosde c.q. inadequate oogbehandeling. Of de, als een gordijn
over de corneae geplakte, wimpers de inleiding tot deze chronische keratitis ge-
vormd hadden, dan wel een gevolg daarvan waren, was nu niet meer na te gaan.
Wel stond vast, dat deze trichiasis een vlotte genezing absoluut in de weg had ge-
staan.

Met behulp van een entropion operatie werd dit euvel derhalve verholpen. Daarna
werd een therapie ingesteld, bestaande uit overvloedige oogspoelingen met fysiolo-
gische zoutoplossingen en applicatie van antibiotische zalf.

-ocr page 109-

Hoewel een belangrijke verbetering hiervan het gevolg was, bleek deze therapie nog
niet afdoende.

Dr. Verwer stelde dat de chronisch verworven onevenwichtigheid van het weefsel
een spontane genezing nu in dc weg stond en dat een zwak adstringerende therapie
dan ook aangewezen scheen. Vervanging van de fysiologische zoutoplossing door
solutio sulfatis zincici 0,2%, die enkele dagen vóór de demonstratie was doorgevoerd,
leek inderdaad reeds verbetering te geven. Daarenboven werd de appHcade van
levertraan of Davitamon A-forte aanbevolen als inhullend en voedend medicament
voor de zieke corneae.

Na de pauze werd door collega Meutstege een ortopedische beschouwing ge-
wijd aan de tibiafractuur. In het algemeen achtte hij het niet raadzaam, honden die
kort na een aanrijding met tibia- of andere fracturen van de lange pijpbeenderen
worden aangeboden, terstond te opereren. In dergelijke gevallen kunnen nog on-
opgemerkte complicaties, in de vorm van milt-, blaas- of leverrupturen een groot
operaticrisico meebrengen.

Voor zover mogelijk is het echter wel raadzaam, een voorlopige repositie en retentie
van de fractuur-stukken te bewerkstelligen, daar dislocaties door spiercontracturen
zodanige vormen kunnen aannemen, dat ze na enkele dagen zeer moeilijk zijn op
te heffen.

Gewone spalken kunnen hiertoe goede diensten bewijzen doch bij femurfracturen
cn hoge tibiafracturen blijken zc eerder een extra last dan ccn steun te zijn. Voor
kortdurige retenUe kunnen Thomas splints dan in het algemeen wel goed voldoen.
De externe fixatie met behulp van dwarspennen, welke onderling verankerd kun-
nen worden door gips of Technovit, biedt zekere voordelen boven de mergpennen:
de ingreep is kleiner, daar de meestal gesloten fractuur niet geopend hoeft te wor-
den; repositie van langs elkaar geschoven fractuurstukken kan eenvoudig bewerk-
stelligd worden vooral bij gebruik van het aan de Kliniek voor Kleine Huisdieren
voor dit doel ontwikkelde „rekapparaatje".

Een bijkomend voordeel van deze externe fixatie is nog, dat met deze methode de
cpiphysairlijn, welke zo belangrijk is voor de jonge, groeiende hond, niet door-
boord hoeft te worden.

Bij het gebruik van mergpennen verdient het aanbeveling, gebruik te maken van
pennen die zó dik zijn, dat het nauwste gedeelte van het merg praktisch geheel
opgevuld wordt. Dit voorkomt spchng op de fractuurplaats en daardoor vertraging
in de genezing en overmatige callusvorining.

Door de pen een geringe kromming in het proximale deel te geven, kan het risico
van aanboring van het kniegewricht verminderd worden.

Een zeer gelukkige röntgenfoto gemaakt door collega R ij n b e r k was aanleiding
tot demonstratie van de laatste patiënt van deze avond.

liet betrof een luchtcontrastfoto van de urinewegen van een Duitse herdershond met
een prostaatcyste. Dc lucht had zich zo mooi langs de urinewegen verspreid, dat
niet alleen de blaas, doch ook een deel van de cyste en zelfs ureter en pyelum aan
beide zijden met lucht gevuld waren cn daardoor op de foto goed zichtbaar.

De therapie van prostaataandoeningen werd door Prof. Teunissen besproken.
Prostaatrescctie bleek bij de hond nog steeds een probleem te zijn, vooral indien
de prostaat sterk vergroot is.

Cysten zouden wel operatief te verwijderen zijn, doch kunnen in een aantal ge-
vallen ook gunstig reageren op castratie.

In geval van prostaatcyste of prostaathypertrofie verdient castratie dan ook meestal
in eerste instantie overwogen te worden als therapeuische maatregel.
Tot slot werden nog twee problemen op schriftelijk verzoek van collegae uit de
praktijk behandeld, n.1. het probleem van de Osteogenesis imperfecta, vee! waarge-
nomen bij de Collie en de mogelijkheden en risico\'s van het gebruik van Promone
voor onderdrukking van de oestrus en de pseudolactatie.

R. J. Slappendel.

-ocr page 110-

Diverse berichten

DE HENGST ALS OORZAAK VAN SLECHTE BEVRUCHTING
(Paardengezondheidskalender, april 1966.)

Het niet drachtig worden van de merries moet in sommige gevallen toegeschreven
worden aan stoornissen bij de hengst die voor dekking wordt gebruikt. Men schat
dit aantal wel op 10-15% van de onvruchtbaarheidsoorzaken.
Welke afwijkingen worden er dan bij de hengst aangetroffen?

Aangeboren afwijkingen zoals klophengst, een knik in de roede, breuken e.d. wor-
den meestal vroegtijdig onderkend en het dier is meestal gecastreerd voordat het
gebruikt zou kunnen worden als hengst. Teelballen die in de buik zijn achter-
gebleven, leveren geen levend zaad. Een liesbreuk kan de vruchtbaarheid doen ver-
minderen. Bovendien kan ze evenals een navelbreuk bij de dekking pijn veroorzaken
en daardoor de deklust doen afnemen. Het vermogen om de dekking uit te voeren
kan bij de hengst gestoord zijn door een te grote zwelling van de roede, door ont-
stekingsprocessen van de uitwendige geslachtsdelen, ontstekingsprocessen van zaad-
blaasjes en zaadleiders (dus inwendig) die pijn veroorzaken, gezwelvorming aan
roede en voorhuid. Ook afwijkingen in het kruis en achterbenen n.1. van beenderen,
gewrichten, spieren, pezen of zenuwen die bij het dekken pijn veroorzaken, kunnen
bij de hengst de lust ontnemen een dekking te verrichten.

Bij stoornissen in het centraal zenuwstelsel, welke met verlammingsverschijnselen
gepaard gaan, is de hengst vaak niet in staat op de merrie te springen.
Soms komt het voor dat de hengst bij de dekking helemaal geen zaad loost of wel
komen in het zaad geen levende of normaal levenskrachtige zaadcellen voor. Door
onderzoek van de geslachtsdelen van de hengst en microscopisch onderzoek van het
zaad kan de oorzaak worden opgespoord. Bij het voorkomen van dekinfecties is het
bevruchüngspercentage dikwijls ook sterk verminderd.

Onvoldoende geslachtsdrift kan op erfelijke grondslagen berusten - - men sluit de
hengst dan uit van de fokkerij — of zoals bij jonge hengsten wel eens voorkomt:
de hengst moet eerst een dekking zien verrichten door een oudere hengst, liefst bij
een vreemde merrie, voordat hij zelf tot dekken overgaat.

Ook kunnen acclimadsatiemoeilijkheden en zelfs het verplaatsen van het éne dek-
station naar een ander zowel de deklust als het bevruchtingspercentage sterk doen
dalen. Meestal volgt bij vakkundige voeding, verpleging en omgang na kortere of
langere tijd een goede aanpassing en een beter bevruchtingsresultaat.
In een zeer drukke dektijd kan het gebeuren dat de hengst plotseling de brui geeft
aan het dekken. Men zal de hengst dan een tijdje rust moeten geven en daarna
langzaam weer beginnen met een beperkt aantal dekkingen te laten verrichten.
Sommige hengsten tonen een zekere afkeer van bepaalde merries op grond van kleur
of reuk. Vooral de merries van het eigen dekstadon worden dan wel eens niet ge-
dekt. Andere hengsten vragen een lange tijd van voorbereiding voordat een dekking
goed wordt uitgevoerd. Sommige willen eerst gelongeerd of afgestapt worden. Ze
hebben deze gewoonte vaak in een vorige periode geleerd.

De aanwezigheid van vreemde personen, veel lawaai e.d. kunnen invloed uitoefenen
op de deklust van de hengst. Het komt soms voor dat de roede beschadigd wordt
door staartharen van de merrie. Door ontsteking die pijn veroorzaakt gaat de ge-
slachtsdrift dan wel tijdelijk verloren.

Bij overdreven geslachtsdrift komt het wel voor dat de roede omknikt en zoveel
letsel bekomt dat de hengst op non-actief moet worden gesteld. Dikwijls is er dan
een bloedbuil aan de roede opgetreden. Ook als de merrie onder het dekken weg-
loopt komt beschadiging van de roede wel eens voor.

Elke hengstenhouder moet er zich bij de dekking van overtuigen, dat de hengst ook
werkelijk zaad loost, alvorens de dekking als afgelopen te beschouwen. Hij kan dat
zien aan de rhytmische contracties van de pisbuis in de damstreek en de op- en
neergaande bewegingen van de staart. Er zijn hengsten die meerdere keren moeten
springen voordat het tot zaadlozing komt. Het komt wel eens voor dat de hengst,

-ocr page 111-

ofschoon voldoende geslachtsdrift vertonend, geen zaad loost bij de dekking. Ook
komt dit voor bij masturbatie of onanie, een ondeugd, waarbij de hengst meestal
\'s nachts of als hij alleen is tot erectie en zaadlozing komt. Sommige hengsten pre-
fereren gezelschap in de stal, voor andere is afzondering meer gewenst.
Een goede hengstenhouder moet zich op de hoogte stellen van de gewoonten en
.gedragingen van een hengst. Voor alles moet hij een zeker overwicht trachten te
behouden. Vooral in de dektijd zal hij moeten zorgen voor voldoende beweging en
een goed uitgebalanceerd rantsoen. Het hooi moet van goede kwaliteit zijn, mag
voor hoogstens 50% bestaan uit klaver- of luzernehooi, de rest grashooi of men neme
uitsluitend grashooi. Hooi dat een jaar over is bewaard geworden, heeft bijna alle
karoteen (provitamine A) verloren. Het hooi moet niet afkomstig zijn van gras dat
in een zeer jong stadium is gemaaid (gebrek aan ruwe celstof) doch ook niet van
zeer laat gemaaid gras (veel ruwe celstof, weinig fosfor-eiwitten-karoteen!).
Daarnaast geeft men krachtvoer, het liefst in de vorm van mengvoeder b.v. bestaan-
de uit haver, gerst, mais, lijznaad en/of lijnmeel, tarwegrint, zemelen, luzernemeel
(kunstmatig gedroogd), mineralen, vitamine
AD3, eventueel vitamine B-preparaat.
In een drukke dekperiode wordt graag enig dierlijk eiwit gegeven. Ook kan men
bieten of wortelen in het rantsoen opnemen b.v. voor een grote hengst tot 5 kg of
iets meer per dag, voor een ponyhengst 1 a 2 kg. De hoeveelheden krachtvoer kun-
nen in het drukke dekseizoen 1-1,25 kg per 100 kg levend gewicht bedragen.
Het oog van de meester kan hierbij niet gemist worden. Hij zal de conditie blijven
gadeslaan, letten op; de consistende van de mest, het optreden van kreupelheden,
afwijkingen van de geslachtsdelen, voldoende licht in de stal, reinheid van de voer-
bak, hooi uitschudden buiten de stal, regelmatig goed drinkwater verstrekken, huid-
parasieten bestrijden en reeds vóór de dektijd is aangebroken de hengsten een worm-
kuur doen ondergaan enz.

VOORUITZICHTEN VEEHOUDERIJ EN VEE- EN VLEESHANDEL ZIJN
ZEKER NIET ONGUNSTIG.

BESMETTELIJKE VEEZIEKTE M.A..AKT ONZE POSITIE ECHTER KWETS-
BAAR.

NAAR VER.ANDERING VAN E.E.G.-RICHTLIJNEN VOOR VEE EN VLEES.
Wij staan thans aan de vooravond van dc afronding van de markt- en prijsregelingen
in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de landen van de Europese
Economische Gemeenschap. Als het deze zomer nog lukt, zullen dan voor 80 a 90
procent van de landbouwprodukten gemeenschappelijke regelingen in de plaats zijn
getreden van nationale marktregelingen. Thans zijn het nog regelingen in de over-
gangsperiode, die straks worden om.gebouwd tot regelingen voor het beleid in de
eindfase van de totstandkoming van dc vrije Europese markt voor landbouw- en
industrieprodukten per 1 juli 1968. Wij staan weer voor moeilijke beslissingen, maar
ook deze moeilijkheden kunnen worden opgelost.

De Minister van Landbouw en Visserij, die woensdagmiddag 1 juni 1966 over het
onderwerp „Perspectieven van de veehouderij en de veehandel" sprak op de Algemene
Vergadering van de Nederlandse Bond van Veehandelaren, die te Scheveningen zijn
vijftig-jarig bestaan vierde, stelde in aansluiting op de inleidende samenvatting vast,
dat op het gebied van dc landbouw — moeilijker dan welke andere bedrijfstak ook —
grote vorderingen met dc E.E.G. zijn .gemaakt. Vergeleken met de nationale regelingen
is zelfs een sterke vereenvoudiging tot stand gebracht, waarvoor de runderscctor als
voorbeeld mag gelden, waar een concreet en goed beleid met vaste spelregels tot stand
is gebracht, dat in dc plaats is gekomen van het vroe.gere incidentele nationale beleid.
Er is meer houvast dan vroeger ooit het .geval is geweest.

Noodzakelijk voor slagvaardig beleid

Dat het zwaartepunt van het markt- en prijsbeleid in Brussel is komen te liggen
— zeer belangrijk aspect van het gemeenschappelijk landbouwbeleid — is een van-
zelfsprekende ontwikkeling, want het beleid mag niet stokken, het moet slagvaardig

-ocr page 112-

kunnen reageren! Vooral om deze redenen heeft de Ministerraad van de E.E.G. bij
het aanvaarden van de gemeenschappelijke landbouwverordeningen bevoegdheden
toegekend aan de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de E.E.G. Uit
noodzaak van een slagvaardig beleid acht Mr. Biesheuvel dit juist en goed, zoals
de bewindsman ook de stelling, dat Brussel veel meer aan de lidstaten moet over-
laten, afwijst. Dat zou een gevaarlijke benadering zijn, die de weg heropent naar
hernieuwde, ongewenste, nationale activiteiten.

En de vooruitzichten van de Nederlandse veehouderij en de veehandel tegen de
achtergrond van deze E.E.G.-werkelijkheid? Het antwoord van de Minister op deze
vraag: voor de vee- en vleessector ligt de vrije E.E.G.-markt in een zeer nabij
verschiet en dat is een zeer aantrekkelijk perspectief. Het vrijmaken van het handels-
verkeer is taak van de overheid, welke taak — naar Mr. Biesheuvel vertrouwt —
thans in E.E.G.-verband met succes wordt bekroond. Naarmate het vrije handels-
verkeer zich verder ontwikkelt, zullen de problemen kleiner worden. De overheid
treedt dan zoveel mogelijk terug en het bedrijfsleven zal verder zijn weg zelf moeten
vinden.

Doorslaggevend belang

„Met succes bekroond" houdt in, dat de bewindsman vertrouwen heeft in de verdere
ontwikkeling van het gemeenschappelijk beleid, zoals dat in de komende maanden
moet worden afgerond, tevens rekening houdende met verwacht werkelijkheidsbesef
van de Franse regering. De voltooiing van het gemeenschappelijk beleid is van door-
slaggevend belang voor de toekomst van onze landbouw! Weliswaar zullen nog harde
noten moeten worden gekraakt en daartoe zal de politieke wil aanwezig moeten zijn.
Wat dat betreft, geven ervaringen in het verleden vertrouwen in de verdere ontwik-
keling. Het besef leeft, dat men eigenlijk niet terug kan en ook niet terug wil. In-
tussen is over het moeilijke vraagstuk van de financiering van het landbouwbeleid
in beginsel overeenstemming bereikt en dat is ook van grote politieke betekenis.
De tweede belangrijke factor voor de vooruitzichten van veehouderij en veehandel hgt
bij de ontwikkeling van de produktie en de consumptie van vee en vlees. Produktie
en verbruik zijn in stijgende lijn gegaan, de invoerbehoefte van de E.E.G.-landen
is de laatste jaren ook gestegen, maar de gemeenschap zal in de naaste toekomst nog
wel invoerbehoefte behouden, zodat er voor vergroting van de rundvleesproduktie
enige ruimte is. De Minister houdt er echter rekening mee, dat de vraag naar
rundvlees sterk beïnvloed wordt door het gebruik van varkens- en kippevlees, waarvoor
de Gemeenschap niet of nauwelijks importerend is. Zouden wij proberen met zeer
hoge rundvleesprijzen de produktie aan te moedigen, dan schieten wij ons doel voorbij,
dan schrikken vrij de consumenten met hoge vleesprijzen af en dat noopt dus tot
voorzichtigheid in het prijsbeleid. Het voorstel van de Europese Commissie voor een
gemeenschappelijke oriëntatieprijs van ƒ 240,— per 100 kg levend gewicht is naar
\'s Ministers mening al aan de hoge kant.

Invloed besmettelijke veeziekten

Als derde factor van wezenlijke betekenis ziet Mr. Biesheuvel de mate, waarin het
mogelijk zal zijn besmettelijke veeziekten te onderdrukken en de handelsbeperkingen
op veterinaire gronden in te dammen. De thans bedwongen uitbarsting van het
mond- en klauwzeer — de Minister ging in het kort het verloop en de nasleep van
economische gevolgen na — heeft als ervaring opgeleverd, dat de voorbehoedende
enting van varkens in combinatie met andere bestrijdingsmethoden een waardevol
wapen zijn in de strijd tegen deze besmettelijke veeziekte. Ondanks de combinatie van
alle maatregelen en het harde werken, speciaal van de Veeartsenijkundige Dienst,
werd het veriangde effect niet in korte tijd bereikt. Dat was te wijten aan de
ongekende kracht van het virus en aan het feit, dat met name in het oosten des lands
de varkensbedrijven zo dicht op elkaar lig.gen, dat daar als het ware één groot
mammouth-varkensbedrijf is. Bovendien heeft Nederland eigenlijk geen grote natuur-
lijke barrières tegen de verspreiding der ziekte.

De gevolgen voor onze uitvoer zijn bijzonder ingrijpend geweest, maar aan het

-ocr page 113-

Ministerie van Landbouw en in persoonlijk optreden van de Minister is niets nagelaten
om weer tot volledige openstelling der grenzen te komen. Dat proces heeft goede
vorderingen gemaakt — dat is bekend — en verwacht mag worden, dat ook West-
Duitsland, dat alleen nog levende slachtdieren toelaat, binnenkort de invoer van vee
en vlees geheel zal vrijgeven.

Intussen maakt het Ministerie van Landbouw reeds studie van de opgedane erva-
ringen bij de bestrijding van mond- en klauwzeer. „Wij zijn bezig", zei Mr. Biesheuvel
„een nieuwe beleidslijn uit te stippelen, waarbij wij uiteraard de meningen van het
bedrijfsleven zullen peilen". In de afgelopen periode was het samenspel tussen overheid
en bedrijfsleven goed. Er is — naast waardering — kritiek geleverd, met name op de
Veeartsenijkundige Dienst en dat is natuurlijk gezond, maar het moet wel op-
bouwende kritiek zijn. Bovendien valt enige voorzichugheid te betrachten om het
vertrouwen van het buitenland in de Nederlandse veterinaire betrouwbaarheid niet
te schaden. Overigens is de Minister van Landbouw de verantwoordelijke man!

Ondanks kwetsbare positie

Hoewel het onzekere element van dc besmettelijke veeziekte onze positie kwetsbaar
maakt — aldus hervatte de Minister zijn betoog — behoeven wij niet somber gestemd
te zijn voor de toekomst. Onze positie is vooral kwetsbaar, doordat wij in Europa
vooral levende dieren en vers vlees verkopen. Afgezien daarvan valt te constateren,
dat bij de sterk gestegen varkensproduktie — ruim 6 miljoen per jaar — een sterk
gestegen export naar de E.E.G. optreedt met 1 miljoen per jaar; dat bij de kalveren
een goed lopende produktie en export bestaat (de concurrenten zitten echter niet
stil!); dat schapenhouderij cn export (Frankrijk) rustig hun gang gaan als typisch
voorbeeld van een kwaliteitsprodukt dat zich zelf verkoopt; en dat bij de uitvoer
van fok- en gebruiksvee — Nederland is geen uitgesproken exporteur van rundvlees —
naar alle windstreken het zwaartepunt op de E.E.G. ligt.

Intussen vraagt men zich wel eens af of er in het stadium van de gemeenschappelijke
markt wel een echte vrije binnenmarkt zal zijn, of, met andere woorden, het werkelijk
zo zal zijn, dat men het Nederlandse produkt in alle vrijheid kan verhandelen in
een gebied van Roodeschool tot Palermo. De Minister heeft er begrip voor, dat bij
een vceartsenijkundig beleid in sommige E.E.G.-landen economische en niet veterinaire
motieven een rol spelen. Het vrije handelsverkeer mag niet doorkruist worden door
maatregelen van veterinaire of sanitaire aard, die in wezen een economische achter-
grond hebben. Wij zullen in dit opzicht waakzaam moeten zijn.

E.E.G.-richtlijnen

Ook de richdijnen inzake veterinaire vraagstukken op het gebied van het handels-
verkeer in het gebied van de E.E.G. in runderen, varkens en vers vlees, geven aan-
leiding tot opmerkingen. Er is wel een artikel in op.genomen, dat dc maatregelen
bepaalt dit de lid-staten kunnen treffen bij het uitbreken van besmettelijke veeziekten,
maar dat artikel geeft alleen ccn opbouw van de maatregelen, die onder bepaalde
omstandigheden door het importerende land kunnen worden genomen. In de richt-
lijnen ontbreken evenwel bepalingen voor een systeem voor het afbreken van die
maatregelen, zodra de ziekte in de getroffen lid-staat afneemt of niet meer voorkomt.
Daarom wordt cr aan Nederlandse kant gewerkt aan een wijzigingsvoorstel voor
beide richtlijnen, dat bij de Europese Commissie zal worden ingediend. Ook op dit
gebied moeten wij zo snel mogelijk tot harmonisatie komen.

Persdienst Ministerie van Landbouw en Visserij.

CONGRES „GESELLSCHAFT FÜR VERSUCHSTIERKUNDE".

Van 21-23 april vond te Kopenhagen de 4e bijeenkomst van het „Gesellschaft für

Versuchstierkunde"1) plaats.

Meer dan 200 deelnemers uit 12 Europese landen namen eraan deel. Het hoofd-

1  Secretariaat: Dr. K. Gärtner, 6 Frankfurt a.M. — Sachsenhausen, Ludwig-
Rehn-Strasse 14.

-ocr page 114-

thema van de bijeenkomst was: „Ziekten bij de kleine laboratoriumideren". Er wer-
den 18 voordrachten gehouden, welke gepubliceerd zullen worden in het „Zeitschrift
für Versuchstierkunde" Bd IX, Verlag Fischer, Jena.

Tijdens een algemene discussie op zaterdagmorgen 23 april werden problemen
betreffende de vervaardiging van voeders voor SPF dieren besproken. De permanente
werkgroepen van het „Gesellschaft" hebben in afzonderlijke bijeenkomsten gedurende
deze dagen aanbevelingen voor SPF methodieken, standaardisering van huisvesting,
voeding en fokkerij besproken.

Tijdens de bijeenkomst was er een tentoonstelling van firma\'s die produkten op de
markt brengen die verband houden met fokkerij en huisvesting van proefdieren en
met dierproeven.

De volgende bijeenkomst zal plaats vinden te Praag op 26-28 april 1967. Het
hoofdthema zal dan zijn:
Stofwisseling en voeding van laboratoriumdieren.

M. Dobbelaar.

CYSTICERCOSIS BIJ HET RU.ND VAN TAENIASIS BIJ DE MENS.
Rapport door de Voorzitter van de Gezondheidsraad uitgebracht aan de Minister van
Sociale Zaken en Volksgezondheid op 25 maart 1965.

Dit rapport, in boekvorm overgedrukt uit Verslagen en Mededelingen betreffende
de Volksgezondheid, nr. 7, juh 1965, geeft een overzicht van de studie over het in
de titel genoemde onderwerp, verricht door de in de wandeling aangeduide „Cysti-
cercosis-Taeniasis Commissie van de Gezondheidsraad".

Deze commissie werd door de voorzitter van genoemde Raad ingesteld, zulks naar
aanleiding van de door de Veterinair Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid naar
voren gebrachte wenselijkheid tot het instellen van een onderzoek naar de oorzaken
van de waargenomen stijging van het aantal met Cysticercus besmette runderen.
Het met de vele bijlagen 170 pagina\'s bevattende rapport, waarin het dubbele onder-
werp in zijn samenhang wordt beschreven, vangt aan met een inleiding, waarna de
cyclus der parasiet wordt beschreven.

In het hoofdstuk „Voorkomen" wordt de lezer geïnformeerd over de stijging van
het aantal besmette runderen en kalveren in de loop van 15 jaar; over de besmettings-
graad der mens waren minder concrete gegevens bekend. Door een voor dit onderzoek
ingestelde enquête bij alle huisartsen in Nederland werden vele en interessante gege-
vens verkregen over het voorkomen van taeniasis — althans in behandeling komende
gevallen per jaar, ± 13.500 — de spreiding per provincie, de urbanisadegraad, sexen
en leeftijdsgroepen.

Hierna krijgt het belang voor de gezondheid der mens en het economisch aspect t.a.v.
het vleesproduccrende dier aandacht.

In een tweetal hoofdstukken worden de mogelijkheden tot onderbreking van de
parasiet-cyclus, resp. in de bovine en in de humane sector, onder het oog gezien.
Wat het eerste betreft wordt in het rapport vastgesteld dat geïntensiveerd onderzoek
{o.a. door gebruik van ultra-violet licht voor de opsporing) en wijziging van het
keuringsregulatief in die zin, dat bij elke positieve cysticercosi.s-bevinding invriezing
zal moeten volgen, tot de praktisch uitvoerbare mogelijkheden tot onderbreking van
dc cyclus behoren. De onderbreking in de „humane" sector, o.a. door aanbeveling
van het gebruik van hoger verhit vlees, zal volgens de commissie weinig nut opleveren
in verband met de alsdan optredende ongewenste consumptieve eigenschappen van de
hiervoor in aanmerking komende vleessoorten.

De eliminering van lintwormeieren in afvalwater werd door de verscheidenheid in de
wijze van afvoer en zuivering problematiek geacht.

In het rapport werd veel aandacht besteed aan een tijdige en efficiënte therapie bij
de lintwormdragende mens, hetgeen in verband met de zeer grote lintwormeieren-
produktie per drager per dag (±750.000), zeer belangrijk werd geacht.
De bijlagen, die aan het rapport werden toegevoegd, zijn ten aanzien van vele
details, naast zeer informatief ook zeer interessant.

Het rapport is, zolang de voorraad strekt, kosteloos te verkrijgen bij het secretariaat
van de Gezondheidsraad te \'s-Gravenhage, Dr. Kuyperstraat 8.
]. H. ]. van Gils.

-ocr page 115-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

EUROPEES SYMPOSIUM TE GENT.

Van 15 tot 19 maart 1966 is tc Gent een Europees symposium gehouden over de
samenwerking tussen veterinaire en medische diensten op het terrein van de volks-
gezondheid.

Het doel van dit symposium, waaraan vertegenwoordigers uit twintig Europese landen
deelnamen, was drieledig, n.1.

de medische en veterinaire diensten voor de volksgezondheid van de Europese
landen te stimuleren tot nauwere en constante samenwerking;
de nationale autoriteiten te leiden bij het instellen en intensiveren van controle-
maatregelen op het gebied van zoönosen en levensmiddelenhygiëne;
de internadonale samenwerking tussen medische en veterinaire diensten voor de
volksgezondheid belangrijk te bevorderen.

Voorzitter van het symposium was Mr. J. R e i d uit Engeland, rapporteur Dr. E. H.
Kampelmacher uit Nederland. Vertegenwoordiger voor Nederland was voorts
de heer C. J. Vermeulen, Inspecteur V.D. en V.G. in algemene dienst.

Overzicht.

De vertegenwoordigers van de aanwezige landen gaven eerst een kort overzicht van
de organisatie van de veterinaire dienst voor dc Volksgezondheid en de Veeartsenij-
kundige Dienst in hun landen. Vervolgens spraken zij over het voorkomen van
zoönosen en de samenwerking tussen veterinaire en medische diensten voor de volks-
gezondheid op het terrein der zoönosen.

Zij belichtten hun problemen op het gebied van de levensmiddelenhygiëne en de
organisatie van de levensmiddelencontrole in het al.gemeen en tenslotte bespraken
zij hun activiteiten bij het onderwijs met betrekking tot de veterinaire volksgezondheid.

Inleidingen.

Daarna werden een zestal aan de deelnemers toegezonden inleidingen besproken en
bediscussieerd. Dit leidde tot de volgende conclusies: Zoönosen.

De z.g. klassieke zoönosen zoals tuberculose, brucellose en hydatidose of echinococcose
zijn nog steeds een ernstig probleem in verschillende landen rondom de Middellandse
Zee. Alle krachten moeten worden ingezet deze ziekte te elimineren door middel van
de elders met succes toegepaste methoden.

De salmonellose moet door voortgezette studie door veterinairen, medici en anderen
onder controle worden gebracht.

Ten aanzien van rabies, voor welke zoönose de in het wild levende vleeseters het
belangrijkste reservoir zijn, moeten afdoende maatregelen worden genomen. Hierbij is
dc uitwisseling van informatie tussen dc verschillende landen van groot belang.
Voorts blijken de parasitaire zoönose cysticcrcose en de z.g. verborgen zoönosen,
waarbij de dieren bij besmetting dikwijls niet ziek zijn, maar dragers of verspreiders
der smetstof zijn: listeriose, toxoplasmose en virus cncephalitiden van steeds groter
belang te zijn. Een nauwe samenwerking tussen medici en veterinairen kan ten
aanzien van laatstgenoemde ziekten de algemene kennis van de pathogenese, de
epidemiologie en de klinische aspecten vergroten en bij de preventieve en bestrijdin.gs-
niaatrcgclen van belang zijn. De vorming van permanente werkgroepen, bestaande
uit medici en veterinairen, wordt daartoe aanbevolen.

Levensmiddelenhygiëne.

De door voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong veroorzaakte infecties en in-
toxicaties worden steeds belangrijker. Om in deze sector de meest effectvolle samen-

-ocr page 116-

werking te bewerkstelligen, is het volgende noodzakelijk: goed geoutilleerde labora-
toria, verspreid over het gehele land; een effectief aangifte-systeem; landelijk ge-
organiseerde werkgroepen, bestaande uit medici, veterinairen enz.
De problematiek op het gebied van de levensmiddelhygiëne strekt zich uit van de
producent, waarbij de voedingsmiddelen voor de dieren zijn inbegrepen, tot aan de
consument. De toenemende internationale handel in voedingsmiddelen voor mens
en dier eist van de exporterende landen de toepassing van de grootst mogelijke
hygiëne bij de be- en verwerking en het transport van hun produkten.
Het steeds groter gebruik van toevoegingen aan landbouw- en dierprodukten, zoah
pesticiden, antibiotica en hormonen, houden gevaren voor de volksgezondheid in, die
zorgvuldig moeten worden gevolgd en bestudeerd.

Onderwijs.

Met het oog op dc toenemende belangrijkheid van de zoönosen en de problemen
vooral bij de hygiëne van levensmiddelen van dierlijke oorsprong, moet hieraan ade-
quate aandacht worden geschonken gedurende de studie van medische en veterinaire
studenten. Voorts moet hierover post-universitair onderwijs worden gegeven aan
artsen en dierenartsen. De opleiding van hulppersoneel moet worden aangepast,
afhankelijk van de tak van dienst waarin zij te werk worden gesteld.

Administratie en organisatie.

Het wordt noodzakelijk noch mogelijk geacht, voor de controle van zoonosen en
levensmiddelenhygiëne eenzelfde systeem voor alle landen aan te bevelen. Het is
belangrijk de nationale structuur van het toezicht zodanig te organiseren, dat een
maximale bundeling van kennis en gegevens betreffende de gezondheid van mens en
dier wordt bevorderd.

Aan de W.H.O. en de F.A.O. is aanbevolen, prioriteit te verlenen aan de problemen
met betrekking tot salmonellose en rabies.

Slotconclusie.

De algemene conclusie van de deelnemers aan het symposium luidt, dat in verband
met de vele onopgeloste en nog niet herkende problemen op het gebied van zoönosen
en levensmiddelenhygiëne een nauwere en voortdurende samenwerking tussen medici
en veterinairen noodzakelijk is. Niet alleen ten aanzien van de administratie en het
onderwijs, maar tevens bij het onderzoek in het veld, in de laboratoria en vooral ook
bij de preventie en de bestrijding.

Tijdens het symposium werden bezoeken gebracht aan de veterinaire faculteit van de
universiteiten te Gent en Brussel, ITnstitut de Hygiène et d\'Epidemiologie cn 1\'Institut
National de Recherches Vétérinaires te Brussel.

ENGELSE VARKENSPESTDESKUNDIGEN IN NEDERLAND.
Voor een kort bezoek was van 29 juni tot 2 juli in ons land Mr. A. C. B e y n o n,
directeur van de Veterinary Ficldservice in Engeland. Hij was vergezeld van Dr.
Darbyshire, wetenschappelijk onderzoeker aan het „Central Veterinary Labora-
tory" te Wcybridge.

Mr. B e y n O n heeft cen ruime ervaring op het terrein van de varkenspestbestrijding
in Engeland cn is hier voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor.
Dr. Darbyshire is als laboratorium-dierenarts de.skundig op het gebied van de
in Engeland toegepaste serologische onderzoekingen ter bevestiging van de diagnose
varkenspest.

De Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, de heer J. M. van den Bo r n,
had de Engelse deskundigen uitgenodigd voor een bezoek aan ons land, teneinde hier
iets over hun ervaringen met varkenspest te vertellen.

Na door de heren Van den Born en D. J. Vervoorn, Inspecteur van de
Veeartsenijkundige Dienst in algemene dienst, belast met dc dierziektenbestrijding,
op Schiphol te zijn verwelkomd, bezochten de Engelse gasten het C.D.I., afdeling
Rotterdam.

-ocr page 117-

Donderdagmorgen hadden zij een onderhoud met de Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst op diens werkkamer te Leidschendam. Des middags werd in één der
zalen van het Jaarbeursrestaurant een bijeenkomst gehouden.

.\\anwezig waren hier Directeuren en wetenschappelijke medewerkers van het C.D.I.,
de afdelingen Amsterdam en Rotterdam, de secretaris en medewerker van de Gezond-
heidscommissie voor Dieren van het Landbouwschap, Directeuren van Provinciale
Gezondheidsdiensten voor Dieren, Inspecteurs in algemene dienst. Inspecteur-dis-
trictshoofden en adjunct-Inspecteurs van de Veeartsenijkundige Dienst.
Nadat de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, de heer J. M. van den
Born, de heren Beynon en Darbyshire cn dc aanwezigen welkom had
geheten, gaf Mr. Beynon aan de hand van dia\'s een uitvoerig overzicht van de
succesvolle bestrijding van varkenspest in Engeland.

Dr. Darbyshire belichtte vervolgens, eveneens aan de hand van dia\'s, de
wetenschappelijke werkzaamheden op het gebied van varkenspest te Weybridge.
Duidelijk werd gemaakt, langs welke weg het IS gelukt te bereiken, dat varkenspest
in Engeland in zo geringe mate voorkomt.

\\\'an de gelegenheid tot het stellen van vragen werd vervolgens ruim gebruik gemaakt.
De heer Van den Born kon in zijn slot- en dankwoord spreken van een leerzame
bijeenkomst.

Hoewel de omstandigheden in Nederland geheel anders liggen dan in Engeland en
daar toegepaste bestrijdingsmaatregelen niet zonder meer op Nederland van toepassing
kunnen zijn, is het zeer nuttig van de ervaringen daar kennis te kunnen nemen.
Dc heer VandenBorn zegde graag ccn soortgelijk tegenbezoek aan Engeland toe.
Vrijdag 1 juli bezochten de Engelse gasten het C.D.L, afdeling Amsterdam en
zaterdag vertrokken ze weer naar hun land.

BELGIË EN ZWITSERLAND VERRUIMEN DE INVOER UIT NEDERLAND.

Met ingang van 27 juni heeft de Diergeneeskundige Inspectie van het Belgische
Ministerie van Landbouw de restrictie ten aanzien van de invoer van vers en gekoeld
vlees van herkauwers en varkens, afkomstig uit de provincie Overijssel, laten vervallen.
Dit houdt in, dat deze Inspectie thans na schriftelijke aanvraag machtigingen afgeeft
voor de invoer van vers of gekoeld vlees van genoemde dieren, afkomstig uit geheel
Nederland.

Met ingang van 23 juni is de invoer in Zwitserland van vlees van runderen, schapen
en geiten, afkomstig uit geheel Nederland, toegestaan.

Varkensvlees is uitgesloten van invoer. De doorvoer van vlees van levende runderen,
schapen en geiten uit de provincie Overijssel is opgeheven, evenals het verbod tot
in- en doorvoer van levende varkens uit Nederland.

DOORLOPENDE AGENDA

1966

Augustus,

1—14, Dierg. Stud. Kring. N.S.U.-Zomercongrcs tc Gent en Cureghem (België).
4—9, World Ass. for Buiatrics. Int. Congres, Zürich. (pag. 1147 (1965), 491,
624)

11—18, 9e Intern. Congres Dierlijke Produktie, Edinburgh, (pag 595, 1296
(1965))

15—21, 13e Wereldpluimveecongres, Kiev (U.S.S.R.).
September,

5, Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven K.N.M.v.D. Vergade-
ring, 14.00 uur. Motel Bunnik, Bunnik, (pag. 826, 940)

-ocr page 118-

25—1 okt., British Veterinary Association. Jaarcongres, Brighton, (pag. 781)

27, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Lustrumviering, (pag. 940)
29—1 okt., Ornithophilia, Utrecht.

29, Groep Dir. Vleeskeuringsdiensten en keuringsdierenartsen K.N.M.v.D.
Vergadering, 10.00 uur. Restaurant Smits, Utrecht, (pag. 781)

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)
7—8, Kon, Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 113e Algemene Verga-
dering, Utrecht, (pag. 709)

November,

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag, 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, R.LV. Bilthoven.
(pag, 625)

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 len name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Overijssel

De afdeling Overijssel viert op 27 september a.s. haar Lustrum om 14.00 uur op een
nader te bepalen plaats. Het programma is en blijft een verrassing.

VAN DE GROEPEN.

Groep Dierenartsen, werkzaam in het Bedrijfsleven.

Rectificatie: de ledenvergadering der Groep, op maandag 5 september a.s. te houden
in het
Motel te Bunnik, vangt niet aan om 10.00 uur, doch om 14.00 uur.

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur draagt voor het lidmaatschap van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde voor de collega:

W. G. A. M. Loonen, Wanssumseweg 2, Oostrum Venray.

Adreswijzigingen e.d.:

Baretta, J. W., van Leersum naar Driebergen, Willem van .Abcoudelaan 76, tel.

(03438) 31 44. (163)

Hoff, F. W. van, van Gorinehem naar Alphen (N.Br.), Weimortel 3, tel. (04258)
44 4, gr. 596262, P. (185)

Kuip, Dr. E. J. van der, van Hilversum naar Quito (Ecuador), Embajada Real de
los\'Paises Bajos, (van 195 naar 233)

Loonen, W, G, A. M,, 1966, Oostrum Venray, Wanssumseweg 2, tel, (04780) 12 31,
P,, as\'s, bij W. H. Kremer en M. J. van Winden te Venray, (inlassen 198)

Lycklama a Nijeholt-Roelofsen, Mevr. W, G., van Odijk naar Kaduna (N. Nigeria),
P.M.B. 2005. (van 199 naar 233)

-ocr page 119-

Paulussr, A J M., Merrlo (L.), naar Cocti van Hacftcnstraat aldaar, tel. (04789)
29 9, F. (207)

Slaats, J. G. A., 1966, Asten, Bergdijk 22, tel. (04936) 21 66, gr. 1249239, ?., ass.

bij P. F. van den Eijnde. (inlassen 215)

Steenaart, J., van Garijp naar Tijnje (Fr.), Warrewcg 1, tel. (05132) 22 5, P. (217)
Stokreef, G. J., van Heiloo naar Alkmaar, Wilhelminalaan 20, tel. ongew. (217)
Stumpel, M. E. M., Boxmeer, Veerstraat 23, tel. (08855) 17 26 (privé), 13 41 (bur.),
h. v/h lab. der Lab. Nobilis N.V., Postbus 31, Boxmeer. (218)

Mguurs, F. M., Cuyk, tel. bur. gew. in 31 24. (223)

Vlasblom, J. L., Lopik (post Schoonhoven), de Montignylaan 4, tel. gew. in 26 10.

(223)

Benoemd:

.\'\\nnema, A., m.i.v. 1 juni 1966 tot Rijkskeurmcester in bijzondere dienst bij dc Vee-
artsenijkundige Dienst, ter standplaats Noordbrock. (162)
Til, M. van, m.i.v. I juni 1966 tot Rijkskeunnecstcr in bijzondere dienst bij dc
Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Dinxpcrlo. (219)

Jubilea:

Op 23 juli hopen de volgende collegae het feil tc herdenken dat zij 65 jaar dierenarts
zijn:

VV\'. ten Hoopen, Lochem (afwezig)
Dr.
A. J. Winkel, Cocvorden
Op 26 juli hoopt dc volgende collega het feit te herdenken dat hij 50 jaar dierenarts
is:

B. J. J. Versélewel de Witt Hamer, Maastricht (afwezig)
Op 29 juli hopen de volgende collegae het feit te herdenken dat zij 50 jaar dierenarts
zijn:

J. G. H. Holsheimcr, Schalkhaar (afwezig)
J. G. Janssen, Maastricht

D. de Jon.g, Driebergcn-Rijscnburg (afwezig)

Dr. A. van Manen, .Amsterdam (afwezig)

Prof. Dr. J. Merkens, Zeist

G. van der Most, Flengclo

J. L. Vorkink, .Amersfoort

P. N. Wildcrs, Staphorst (afwezig)

Overleden:

M. D. Booy, Krcnimcnie, overleden aldaar 19 juni 1966.

NYLON INJECTIE SPUITEN

Gaan véél langer mee. Nu ook 50 cc

Vraag Uw instrumentenhandel, of L\'univers, Pr. Bernhardlaan 9 - Bussum.

In het midden des lands wordt binnenkort een

GROTE HUISDIEREN PRAKTIJK

ter overname aangeboden.
Overname eventueel na inv^^erkperiode.
Brieven onder no. 31/66 aan de Redactie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

-ocr page 120-

ONDERLINGE VERZEKERING
VOOR ARTSEN

TANDARTSEN
EN DIERENARTSEN

UITKERING:

gedurende tijdelijke of blijvende on
geschiktheid tot uitoefening van uw
praktijk

• bg ongeval tot de 70-jarige leeftgd

• bg ziekte tot de 65-jarige leeftgd

Vraag inlichtingen :

PRINS HENDRIKLAAN 11, ZEIST, POSTBUS 88,
TEL 03404-12508, NA 18 UUR 030-23695

De Gezondheidsdienst voor Dieren
in Limburg te Heythuysen

vraagt voor spoedige indiensttreding

EEN JONGE
DIERENARTS

als w/etenschappelijk medewerker, die in het bijzonder
zal worden belast met de kunstmatige inseminatie bij
runderen en varkens, alsmede met werkzaamheden
ten aanzien van probleembedrijven inzake opfok,
produktie en fertiliteit.
Sollicitaties te richten aan de Directeur van genoemde Gezondheidsdienst,
„Sonnenhuys" te Heythuysen vóór 15 augustus 1966.

Geen persoonlijk bezoek, behoudens na oproep.

-ocr page 121-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

P. Krediet en E. L. M. ]. Wiertz-Hoessels, De ontwikkeling van
het pericardium en het diafragma — The development of the
pericardium and the diaphragma
—.......943

/. G. van Logtestijn, Over hel postmortale pH-verloop in vlees
en de betekenis daarvan voor de beoordeling van slachtdieren —
The post-mortem pH-pattern in meat and its significance to the

judging of slaughteranimals —.........950

W. Edel, P. A. M. Guinée, M. van Schothorst en E. H. Kampel-
macher, Onderzoekingen over het voorkomen van Salmonella-
kiemen bij varkens, gemest met pellets en bij varkens, gemest met
ongepelleleerd voedermeel — Studies about the occurrence of
Salmonella in pigs fattened with pellets and non-pelleted meal
— 962
J. S. Reinders, Een praktijkonderzoek met Ripercol, een nieuw
chemotherapeuticum, bij longworm- en maagdarmworminfecties
van het rund — A practical study with Ripercol, a new chemo-
therapeulic in lungworm and intestinal worm infections in the
cow — . . .
 . , .967

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

W. Misdorp en G. ]. Nijland, Een geval van leukose bij een
Nederlands slachtpaard — Leukosis in a Dutch slaughterhorse
— 973

980

981

982
982

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten..........973

Inwendige ziekten
Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten
Stofwisselings- en deficiëntieziekten
Voedingsmiddelenhygiëne.....

BOEKBESPREKING

E. Berge and M. Westhues, Veterinary Operative Surgery . . 983

M. Lerche, Lehrbuch der tierärztlichen Milchüberwachung . . 984

L. E. Stephen, Pig trypanosomiasis in Tropical Africa . . . 984

VRAAG EN ANTWOORD

Zegel „Vceartsenijkundig Staatstoezicht"......985

INGEZOxNDEN

Mond- en klauwzeer (Fr. P. A. Kuijper)......986

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Réunie van Oud-Absyrtianen.........988

DOORLOPENDE AGENDA............ggg

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Necrologieën: In memoriam N. D. M. Dekker.....990

In memoriam F. J. A. Bruins.....992

Van het Bureau............995

Personalia......................ggg

RECTIFICATIE . .................

-ocr page 122-

Mr. A, P. J. Fortuin

Mr. J. M. Muller
J. H. J. van der Steen
P. G. Weynands
E. J. A. Damm

Fiscaal-Economische diensi voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Utrecht - \'s-Gravenhage - Nijmegen

Utrecht

Tel. 030 - 20241
Koningslaan 62

\'s-Gravenhage

Tel. 070 - 639908
Houtweg 3

Nijmegen

Barbarossastraat 5-\';
Tel. 08800 - 32132

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnementstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracKt, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dlenst

NATUURLIJK VERZEKERT U ZICH BIJ
DE D.T.O.

tegen de geldelijke gevolgen van
arbeidsongeschiktheid I

U kunt er zeker van zijn, dat Uw
belangen correct en collegiaal be
hartigd worden.

Stelt U eens In verbinding met de

Onderlinge Verzekering-Mij van Artsen, Dierenartsen en
Tandartsen D.T.O.
Prins Hendriklaan 30. Zeist.

03404- 164 76

WIJ verstrekken U gaarne alle gewenste Inlichtingen.

-ocr page 123-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De ontwikkeling van het pericardium en het dia-
fragma

The development of the pericardium and the dia-
phragma

door P. KREDIET en E. L. M. J. WIERTZ — HOESSELS1)

Van hel Veterinair Anatomisch Instituut der Rijksuniversiteit
te Utrecht.

Het hart ontstaat als een gepaarde aanleg uit het viscerale of splanchnische
mesoderm, ventraal van de pharynx. Secundair versmelten de twee primor-
dia en de hartbuis bestaat dan uit een ééncellagig endocardium, omgeven
door een dikke epimyocardmantel. Het viscerale mesoderm tussen de pha-
rynxbodem (ventrale mesenterium) en het hart vormt het mesocardium
dorsale. Het hart ligt dan in de lichaamsholte, het coeloom, dat intra- en
extraembryonaal nog één geheel vormt.

/ — voordarm

2 = coeloom

\'I = ductus Cuvieri

Embryo van de kip (!\'/■. dag).

4 — sinus venosus

— V. omphalomesenterica

6 — aorta dorsalis

= V. cardinalis

Wanneer het hart gevormd is, ligt de arteriële pool craniaal, de veneuze
pool caudaal. Deze laatste, de sinus venosus, heeft verbinding met de linker
en rechter v. omphalomesenterica, die juist vóór de voorste darmpoort (dat
IS de plaats waar de voordarm overgaat in de open, nog niet afgesnoerde
darm) het lichaam binnenkomen.

1  Dr. P. Krediet en mevr. Dr. E. L. M. J. Wiertz-Hocssels; resp. wetenseliappelijk
hoofdambtenaar A en wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijks Universiteit
te Utrecht; Instituut voor Anatomie, Faculteit der Diergeneesk.; Bekkerstr. 141.

-ocr page 124-

Het intraembryonale bloed wordt naar het hart afgevoerd door twee ge-
paarde hoofdvenen. Deze vaten zijn de linker en rechter v. cardinalis
cranialis (anterior) en caudalis (posterior). De voorste en achterste car-
dinaalvenen verenigen zich tot de ductus Cuvieri en monden als zodanig
uit in het hart (Fig. 1).

1 = aorta dorsalis

— V. cardinalis cranialis

3 = ductus Cuvieri

4 = mesenterium dorsale

5 = long

6 = oesophagus

7 = mesenterium ventrale

De ductus Cuvieri is, waar hij naar de sinus venosus loopt, gelegen in
somatisch of parietaal mesoderm. Aangekomen bij de sinus venosus maakt
dit mesoderm contact met het viscerale mesoderm, waarin de v. omphalo-
mesenterica (v.o.m.), komend uit de dooierzak resp. navelblaas, ligt, die
eveneens in de sinus venosus uitmondt (Fig. 1).

Dit geheel van parietaal of somatisch en visceraal of splanchnisch meso-
derm is het presumptieve laterale mesocardium. Het laterale mesocard
hangt samen met het septum transversum. Het septum transversum ver-
schijnt als een losse mesenchymmassa, die de proximale delen van de ge-

8 ~ mesenterium accessorium

9 — septum Iransversum

10 " V. omphalomesenterica

11 — lever

12 sinus venosus

13 atrium

14 — ventrikel

-ocr page 125-

1 - septum transversum

2 - membrana pleuro-pericardiaca
= ventrikel

4 — sinus venosus

5 — membrana pleuro-peritonealis

6 = oernier

7 = long

8 = maag

9 = lever

paarde omphalomesenteriaal venen en de umbilicaal venen (komend uit
de allantois), omgeeft. Tijdens zijn ontstaan ligt het septum ter hoogte
van het 3de tot 5de cervicale segment. De spiervezelen, die zich later ont-
wikkelen in het diafra.gma zijn dan ook afkomstig uit deze oersegmenten.
De herkomst wordt blijvend geïllustreerd door de motorische en, partieel,
de sensibele innervatie van het middenrif (n. phrenicus.). Dat deel van
het latere diafragma, waar geen spiervezelen ingroeien, wordt het centrum
tendineum.

Het septum transversum doet zich voor als een bindweefselplaat, die van
de buikwand omhoogstaat en een concave bovenrand heeft. Men zou het
•septum kunnen beschouwen als een lokale uitbreiding van het mesenterium
ventrale. Het septum ontstaat direct achter het hart. De sinus venosus ligt
er cranio-dorsaal in ingebed, de lever caudaal (Fig. 2, 3). De v.o.m., die
door de lever loopt, gaat door het septum heen uitmonden in de sinus
venosus. De ductus Cuvieri loopt langs de bovenrand van het septum (Fig.

-ocr page 126-

Het aanvankelijk ongepaarde intra- en extra-embryonale coeloom is nu,
door de ontwikkeling van het septum transversum, verdeeld in een borst-
en een buikholte. Het septum vult de ruimte tussen de voordarm, de
dooierzak (navelblaas-) steel en de ventrale lichaamswand.

Bij de verdere ontwikkeling komen door vergroting van de lichaamsholte
de beide ductus Cuvieri (relatief) dichter bij elkaar te liggen, waarbij zij
de
VV. cardinales losmaken uit del ichaamswand. Deze w. cardinales
nemen daarbij een horizontale plooi van de lichaamswand mee. Deze plooi
is het oorspronkelijke laterale mesocardium en gaat nu als membrana
pleuro-pericardiaca het begin van het pericardium vormen in zijn craniale
gebied; naar caudaal verlengt deze zich als membrana pleuro-peritonealis.
Hij breidt zich hierbij uit in de richting van de oernier (Fig. 3).
Wanneer de sinus venosus bij de lusvorming van het hart uit het septum
treedt, neemt hij een plooi van het septum transversum mee. Dit is de
toekomstige achterwand van het pericardium. Door deze draaiing nadert
de rechter v. cardinalis cranialis, vooral ook door haar omvorming tot v.
cava cranialis, de mediaanlijn en maakt contact met het ventrale mesen-
terium. Dit is de toekomstige rechterwand van het pericardium. De linker
ductus Cuvieri wordt, voordat hij (vrijwel) geheel gereduceerd is, door de
draaiing van de sinus venosus naar rechts, links tegen de stamvaten aange-
trokken, waarmee hij vergroeit. Dit is de toekomstige linkerwand van het
pericardium. Van nu af aan ligt het hart in een eigen deel van het coe-
loom, n.1. de pericardholte. Het gedeelte tussen de atria en de truncus
arteriosus blijft hierbij open en heet sinus transversus.

Intussen ontwikkelen zich de longen, die ventraal van de voordarm af-
splitsen. Zij groeien uit in een mediane mesenchymmassa, het mediastinum
ventrale, dus tussen darm en hart en gaan zich al gauw links en rechts
om het hart uitbreiden. Door de sterke toename in grootte van thorax en
longen moet de membrana pleuro-pericardiaca ook groter worden. Zij
doet dit door zich te verlengen ten koste van de laterale lichaamswand.
Tegelijkertijd breiden de longen zich lateraal van het hart uit, waarbij de
aanhechting van de membrana pleuro-pericardiaca wordt losgewigd. De
aanhechting verplaatst zich geleidelijk aan naar ventraal. De membraan
wordt hiermee tot pericard en blijft alleen bij de punt van het hart met
de lichaamswand verbonden. Al naar gelang van de stand van het hart
bevindt deze aanhechting zich aan het sternum of aan het diafragma.
Het diafragma ontstaat uit verschillende componenten (Fig. 4):
In de eerste plaats uit het bovengenoemde septum transversum. Ook
levert het mesenterium dorsale een aandeel in de vorming van het mid-
delrif. Het grootste deel van de brede verbinding tussen pleuraal- en peri-
toneaalholte wordt afgesloten door de bovengenoemde membrana pleuro-
peritonealis, die evenals het laterale mesocard samenhangt met of een
uitloper is van het septum transversum. Dit is tevens dezelfde mesen-
chymstrook, die in jonge stadia als mesenterium accesorium de longknoppen
met het septum transversum verbindt (Fig. 2). Ver\\\'olgens wordt er een
deel van de dorsale en laterale lichaamswand aan toe gevoegd. Tevens
wordt een aandeel geleverd door het mesenchym, waarin de oernier lag.
De mesonephros is in een jong stadium een zeer groot orgaan, dat zich ook
nog gedeeltelijk in de borstholte uitbreidt. Wanneer de metanephros (na-
nier) zich begint te ontwikkelen, gaat de oernier in regressie en wel van

-ocr page 127-

8 = oesophagus

= V, cava caudalis

10 ~ mesenchym van de mesonephros

(„oernierplooi")

11 = lichaamswand

12 = septum transversum

13 ~ membrana pleuro-peritonealis

craniaal naar caudaal. De tubuli degenereren, maar het mesenchym, waar-
in zij gelegen zijn, de oernierplooi dus, blijft achter. Hierin blijft ook de
V. cardinalis caudalis lopen. Op deze wijze kan de plica mesonephridica
bijdragen tot de completering van het diafragma.

Nu gaat van de dorsale lichaamswand uit zowel in het mesenterium
dorsale als in de mediale rand van de plica pleuro-peritonealis spierweefsel
ingroeien. Deze vormen de latere middenrifspijlers. Zowel de aorta dorsalis
als de voordarm (de latere oesophagus) worden hierbij ingesloten.
Daar het diafragma uit zoveel verschillende componenten wordt opge-
bouwd, ligt het voor de hand dat hier gemakkelijk afwijkingen kunnen
optreden. Een merkwaardige aangeboren afwijking bij een rund kan tot
illustratie en bevestiging van bovengeschetste ontwikkelingsgang dienen.
Bij het slachten van een normaal volwassen rund werd door de Keurings-
dienst te Holten (O.)1) opgemerkt, dat er een groot defect bestond in het

ruggemerg

ganglion spinale

dermatoom

myotoom

sklerenchym

aorta dorsalis

m.esenterium

1  Hartelijk dank aan collega G. S. E. Vegter te Holten, voor de attentie het
materiaal ter onderzoek aan het Instituut voor Anatomie aan te bieden.

-ocr page 128-

medio-ventrale deel van het diafragma. Van de buikholte uit was recht-
streeks het hart te zien, daar de achterwand van het pericard ontbrak.
Er bestond een wijde, kanaalvormige verbinding tussen pericard- en peri-
toneaalholte (Fig. 5). In de rechter bovenwand van dit kanaal lag de v.
cava caudalis.

Als met de bovenbeschreven afwijking in gedachte de ontwikkeling van
het diafragma nogmaals wordt nagegaan, blijkt duidelijk, dat bij deze koe
het septum transversum ontbroken heeft. Toch neemt het septum trans-
versum schijnbaar een sleutelpositie in bij de vele ontwikkelingsprocessen,
die tot de vorming van het diafragma voeren. Het heeft contact gehad
met de sinus venosus, de ductus Cuvieri, de w.o.m. en de lever, met de
plica pleuro-peritonealis. Goed beschouwd is het echter met uitzondering
van de lever, telkens de bovenrand van het septum transversum geweest,
die met deze componenten in verbinding stond. En de bovenrand van
het septum is tevens de onderkant van de nagenoeg in eikaars verlengde
liggende plicae pleuro-pericardiaca en pleuro-peritonealis. De lever groeit

-ocr page 129-

uit in het mesenterium ventrale en komt als zodanig in het septum trans-
versum te liggen.

Bestaat er geen of onvoldoende mesenchym om het septum op te bouwen,
dan gaat de ontwikkeling van de directe omgeving gewoon door. Van het
diafragma ontbreekt echter het medio-ventrale deel, terwijl daardoor ook
de caudale pericardwand niet gevormd kan worden. Het rechter laterale
pericard zet zich voort als rechter zijde van de plica venae cavae. Rechts
dorsaal in het defect loopt dan ook de v. cava naar het rechter atrium.
De rechter long heeft geen lobus intermedins kunnen vormen. Doordat de
lever niet met het septum transversum heeft kunnen vergroeien, zullen
ook geen ligamenta coronaria gevormd zijn, wel echter het lig. falciforme
(van de v. umbilicalis sin.). Tot onze spijt was de lever niet meer voor
onderzoek aanwezig.

Opmerking:

De tekeningen en microfoto\'s werden vervaardigd door de heer W. van den
C) u d e n a 1 d e r.

S.A.MENVATTING.

Bij een normaal slachtrund bleek een grote open verbinding te bestaan tussen pericar-
diale en peritoneale coeloomholte. Het ventrale deel van het diafragma ontbrak vrijwel
geheel. Deze afwijking werd de aanleiding tot een kridsche studie naar de vorming
van pericardium en diafragma. In het bijzonder is de rol nagegaan, welke het septum
transversum daarbij speelt. Geconcludeerd wordt, dat het gevonden defect een ont-
wikkehngsstoring is, waarbij het septum transversum in de vroege ontwikkeling zich
niet heeft gevormd.

SUMMARY.

large open communication between the pericardial and peritoneal coelomic cavities
was found to be present in a normal slaughter ox. The ventral pordon of the
diaphragm was almost completely absent.

This defect was the reason for a critical study of the development of the pericardium
and diaphragm. The role of the transverse septum in this process was studied in
particular. Is is concluded that the defect observed is a developmental disorder in
which the transverse septum was not formed in the early stages of development,

RÉSUMÉ,

On trouva chez un bovin normal d\'abattage une grande communicadon entre la
cavité coelomique péricardiale et péritonéale, La partie ventrale du diaphragme faisait
presque entièrement défaut.

Cette anomalie a inspiré une étude critique de la formation du péricarde et du
diaphragme. En pardculier on a examiné le rôle que jcue le septum transversal. On
conclut que pour le défaut trouvé il s\'agit d\'un trouble dans le développement pendant
lequel le septum transversal ne s\'est pas formé dans un stade indtal du développement.

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei einem normalen Schlachtrind schien eine grosse offene Verbindung zwischen der
pericardialen und peritonealen Coelomhöhle vorhanden zu sein. Der ventrale Teil
des Diaphragmas fehlte fast vollständig.

Diese .Abweichung gab Anleitung zu einer kritischen Untersuchung nach der Bildung
von Pericardium und Diaphragma. Im Besonderen wurde die Rolle, die das Septum
transversum hierbei spielt, nachgegangen. Konkludiert wird, dass der gefundene
Defekt eine Entwicklungsstörung ist, wobei das Septum transversum in der frühen
Entwicklung sich nicht geformt hat.

-ocr page 130-

Over het postmortale pH-verloop in vlees en de
betekenis daarvan voor de beoordeling van
slachtdieren1)

The post-mortem pH-pattern in meat and its signifi-
cance in relation to the judging of slaughteranimals*)

door J. G. VAN LOGTESTIJN2)

Inleiding

In het Onderzoekingsregulatief, steunende op de Vleeskeuringswet, wordt
onder meer aangegeven in welke gevallen van slachtdieren na het slachten
de pH-waarde van het spierweefsel moet worden bepaald. Voorts is ver-
meld dat deze bepaling moet geschieden minstens 12 uur na de dood van
het slachtdier, door middel van een elektrometrische of colorimetrische
methode, in vlees dat afkomstig is van de abductoren, de adductoren, de
rugspieren of de M.triceps brachii.

Meer nauwkeurige voorschriften ten aanzien van de toe te passen meet-
procedure, het meetmoment, de materiaalkeuze en de consequenties, te
verbinden aan de bevindingen, worden niet gegeven. In de praktijk van de
vleeskeuring houdt men zich in het algemeen aan de criteria, die door
S c h
O O n in 1931 werden opgesteld. De objectiviteit en de uniformiteit bij
het onderzoek en de beoordeling van slachtdieren zou bevorderd worden,
indien in de genoemde lacune zou kunnen worden voorzien.
Het onderzoek werd opgezet om meer inzicht te verkrijgen in:

a. een voor de vleeskeuringspraktijk meest geschikte en betrouwbare meet-
methodiek;

b. de pH-verschillen in en tussen de spieren in normale en afwijkende
slachtdieren, teneinde zo mogelijk één of enkele spieren als represen-
tatief te kunnen aanwijzen voor alle spieren van een karkas;

c. de snelheid en de duur van het postmortale pH-verloop in de spieren
van normale slachtdieren, teneinde beter te kimnen oordelen over de
situatie van de niet normale;

d. het verband tussen de snelheid en de duur van de postmortale pH-
daling en de organoleptische en technologische eigenschappen en de
houdbaarheid van het vlees.

Het meten van de pH-waarde van vlees cn vleesprodukten

Vlees en vleesprodukten zijn zeer gecompliceerd samengestelde media, niet
alleen in macro- en micro-anatomisch, maar ook in fysisch-chemisch op-
zicht. Het hoge percentage eiwitten met zowel basische als zure groepen,
meerdere buffersystemen, de colloidale structuren, de geëmulgeerde toe-
stand van vet in water en water in vet in vlees of vleesprodukten maken
het moeilijk een juiste definitie te geven van wat onder ,,de" pH-waarde
hiervan moet worden verstaan.

1  Autorefcraat van een proefschrift. Utrecht 1965. Summary of thesis. Utrecht
1965.

2  Dr. J. G. van Logtestijn; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan het Instituut
Voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Faculteit der Diergeneeskunde van de
Rijksuniversiteit; Biltstraat 166, Utrecht.

-ocr page 131-

Men kan genoegen nemen met een z.g. „werkdefinitie", die door vele in-
stellingen en normalisade-instanties wordt gebezigd. Volgens deze definitie
moet men de pH-waarde niet opvatten als een exacte maat van een be-
paalde waterstofionenconcentratie of -activiteit maar als een waarde, die
men door middel van een exacte en betrouwbare vergelijking met de pH-
waarde van een standaard-bufferoplossing kan meten.
De in ons land toegepaste colorimetrische en elektrometrische meetme-
thoden werden met elkaar vergeleken. De colorimetrische zijn bewerkelijk,
tijdrovend, onvoldoende nauwkeurig en veelal niet bruikbaar voor vlees-
produkten. De meetbereiken zijn te gering en de pH-intervallen te groot;
de meestal noodzakelijke verdunning of extractie veroorzaakt meetfouten.
Papierindicatorstrookjes bleken voor bepaalde doeleinden wel bruikbaar
voor een snelle en eenvoudige oriëntatie.

Betrouwbare en nauwkeurige resultaten verkrijgt men alleen met de elek-
trometrische methoden. pH-Meters van verscheidene fabrikaten werden
door ons onderzocht en bleken in het algemeen in hoge mate betrouwbaar
te zijn. Het maakt daarbij weinig uit of men van insteek-, oppervlakte- of
dompel-glaselektroden gebruik maakt, mits men er zorg voor draagt dat de
gehele pH-gevoelige membraan van de elektrode in contact komt met het
te meten substraat. Om deze reden is voor een direkte medng van de pH-
waarde van vlees de puntvormige insteek-elektrode het meest geschikt.
Belangrijk voor het verkrijgen van een goede meetnauwkeurigheid en re-
produceerbaarheid zijn de absolute gevoeligheid en nauwkeurigheid van
de gehele meetketen, het gebruik van twee verschillende ijk-bufferoplos-
singen en het op de juiste wijze verwerken van temperatuurverschillen.
Indien de pH gemeten wordt in extracten of verdunningen van vlees en
vleesprodukten, moet rekening worden gehouden met een verdunningsfout,
die groter bleek te zijn naarmate de pH-waarde van het substraat hoger
was. Bij een vlees-pH van ongeveer 5.6 bedroeg deze fout meestal ongeveer
0.15, bij een pH-waarde van 6.8 meestal ongeveer 0.30.
Bij onze proefnemingen werd vrijwel uitsluitend gebruik gemaakt van een
„Electrofact"laboratorium pH/mV meter, type 53A en van een Philips
draagbaar pH-meetapparaat type PR9401/01; voorts van Electrofact dom-
pel- en insteekelektroden.

Factoren, die de snelheid en de duur van de postmortale pH-daling be-
ïnvloeden

De snelheid en de duur van de postmortale pH-daling zijn indirekte indi-
catoren van de mate waarin de postmortale anaërobe glycolyse, waardoor
het pH-verlagende melkzuur ontstaat, voorschrijdt. De volgende factoren
beïnvloeden dit proces:

a. de hoeveelheid glycogeen, aanwezig in de spieren op het moment van
de slachting. Hoe geringer de glycogeenvoorraad, des te groter kans op
een spoedig einde van de glycolyse;

b. de temperatuur van het vlees. Hoe hoger de temperatuur (althans tot
een grens van ca. 43° C) hoe sneller de enzymatische glycolyse ver-
loopt;

c. het myoglobinegehalte van de spier. Het myoglobinegehalte bepaalt de
zuurstofcapaciteit van de spier tijdens het leven van een dier. Worden
kort vóór het slachten zeer hoge eisen aan deze spier gesteld, dan kan

-ocr page 132-

een zuurstofcrisis ontstaan en als gevolg daarvan een warmtecrisis. Op
het moment van slachten vindt men dan een laag myoglobinegehalte,
mogelijk nog een normale glycogeenvoorraad en een hoge temperatuur.
Als gevolg daarvan kan een zeer snelle pH-dahng optreden, in tweede
instantie nog bevorderd door de lage myoglobine-buffer voorraad;

d. fysiologische verschillen in het metabolisme van de spieren. Er bestaan
in een dier — soms grote — verschillen tussen de z.g. rode en bleke
spieren. De rode spieren hebben een naar verhouding geringer vermo-
gen tot anaerobe glycolyse.

Verder is bekend dat de snelheid, waarmee bij de verschillende dier-
soorten de glycogeenvoorraad tijdens het leven kan worden afgebroken
en weer aangevuld, verschillend is. Het varken bijv. kan zeer snel haar
spierglycogeenvoorraad verliezen;

e. de uitbloedingsgraad. Naarmate een dier slechter uitbloedt, zou de
anaerobe glycolyse trager en minder langdurig verlopen;

f. de mate van rekking. De eind-pH-waarde van een spier zou hoger
zijn naarmate deze tijdens de anaerobe glycolyse meer uitgerekt wordt.
Bij eigen onderzoek, waarbij beide Mi.semitendineus van tien kalveren
direkt na de dood werden uitgeprepareerd en van elk kalf een spier
werd belast met een gewicht van 10 kg en de andere niet, bleek wel
dat de belaste spieren duidelijk donkerder en malser waren en een
groter waterbindingsvermogen hadden, maar eind-pH-verschillen
werden niet geconstateerd;

g. andere factoren. De activiteit van sommige glycolytische enzymen kan
nogal verschillen, terwijl de oorzaken daarvan blijkbaar niet in de
reeds genoemde factoren zijn gelegen. Verondersteld wordt dat be-
paalde verschuivingen in het ionenevenwicht mede oorzaak zijn van een
abnormaal snelle pH-daling. Deze treedt ook op bij de z.g. „dooi-rigor"
en bij „vleesdegeneratie" van varkens.

pH-Verschillen in en tussen de spier van een slachtdier

Van 30 runderen werd op bepaalde tijdstippen na de dood de pH-waarde
gemeten op drie verschillende plaatsen in de M.gracilis. Kort na de dood
bleken vrij grote pH-verschillen op te treden, meestal groter dan 0.2. Na
2 uur waren deze verschillen praktisch alle gereduceerd tot 0.2 of minder,
daarna bleven ze bestaan.

Eind-pH-waarden werden gemeten in een tiental spieren uit de rechter-
en linkerhelft van in totaal 67 slachtdieren (paarden, runderen, vette kal-
veren en varkens). Uit de verkregen gegevens kon worden geconcludeerd
dat:

a. de pH-waarde van dc M.adductor bij het varken en de M.gracilis bij
andere dieren representatief is voor het gemiddelde van de pH-waarde
van alle spieren van normale slachtdieren;

b. als de gemiddelde pH-waarde van alle spieren hoger is dan normaal, de
twee genoemde spieren nog wel voldoende representatief zijn, maar dat
het dan wenselijk is tevens de M.supraspinatus en/of de M.extensor
carpi radialis te onderzoeken. Men verkrijgt dan gegevens van spieren
uit een groep met de gemiddeld laagste resp. hoogste eind-pH-waarden;

-ocr page 133-

c. de pH-verschillen in en tussen de spieren van een slachtdier het grootst
bleken te zijn, indien de gemiddelde pH-waarde lag tussen 5.8 en 6.5.
In en tussen de spieren van normale, goed uitgeruste, maar ook van
zeer vermoeide, uitgeputte slachtdieren (gemiddelde pH-waarden res-
pectievelijk lager dan 5.8 of hoger dan 6.5), waren de pH-verschillen
zelden groter dan 0.2;

d. er als regel geen eind-pH-verschillen bestaan tussen de spieren van de
rechter- en linkerhelft van slachtdieren. Alleen bij bepaalde ziekelijke
afwijkingen kan dit voorkomen.

Het postmortale pH-verloop in de M.gracilis van normale slachtdieren,
uitgezonderd varkens

Het postmortale pH-verloop werd gemeten in de M.gracilis van 1 groep
van 30 paarden, 4 groepen van in totaal 66 runderen, 6 groepen van in
totaal 101 vette kalveren, 2 groepen van in totaal 63 schapen en 1 groep
van 22 zuiglammeren.

Deze groepen slachtdieren hadden een verschillende voorgeschiedenis t.a.v.
klimaatsinvloeden, transport — al dan niet via een markt — en rust-
perioden vóór het slachten. Ook de behandehng van de karkassen na het
slachten was verschillend. Sommige groepen werden onmiddellijk na het
slachten meer of minder gekoeld; andere daarentegen werden bij tempera-
turen tot ca. 20° C bewaard.

Toch werden geen principiële verschillen aangetoond in het pH-verloop
in en tussen de verschillende categorieën slachtdieren.
Wel bleek steeds weer de belangrijke invloed van de temperatuur op de
snelheid van de postmortale pH-daling. Hoe sneller het vlees na het slach-
ten gekoeld werd, hoe trager de pH-daling was.

In enkele kalveren werd een abnormaal snelle pH-daling aangetroffen, die
niet geheel verklaard kon worden door een hoge vleestemperatuur.
De in Nederland gebruikelijke wijze van aanvoer van deze slachtdieren, al
of niet via een veemarkt, heeft geen duidelijke invloed op de duur van het
postmortale pH-verloop. Deze dieren zijn blijkbaar in staat om de normale
inspariningen en emoties, verbonden aan deze aanvoermethode, goed en
volledig te verwerken.

De eind-pH-waarden in de M.gracilis van 47 paarden, 345 runderen, 197
vette kalveren, 63 schapen en 22 zuiglammeren, alle uit de normale aan-
voer van enkele slachthuizen, lag in verreweg de meeste gevallen tussen
5.4 en 6.0.

Slechts in 11 runderen (ca, 3%) en 6 vette kalveren (ca. 4%) werden
waarden hoger dan 6,0 aangetroffen.

Het postmortale pH-verloop in de M.adductor van slachtvarkens

In drie groepen varkens, van resp. 80, 60 en 194 stuks, met een geslacht
gewicht van 65 tot 95 kg, werd het postmortale pH-verloop in de M.ad-
ductor nagegaan. Van een aantal andere varkens, resp. 1198 en 1314
stuks, werden de pH-waarden van deze spier alleen gemeten op 30-45 mi-
nuten en/of ca. 24 uur na de dood.

Voorts werden nog een aantal metingen gedaan in de M.adductor van
117 slachtzeugen.

Alle varkens werden direct na het slachten gekoeld.

-ocr page 134-

De belangrijkste resultaten en conclusies worden in de volgende punten
samengevat:

1. Vanaf het moment, dat de dood intreedt, daalt de pH-waarde van de
M.adductor op zeer verschillende wijze; zowel de snelheid als de duur
van de daling lopen zeer sterk uiteen.

In minstens 65% van de varkens wordt de eind-pH-waarde in de M.-
adductor binnen 8 uur bereikt; in de overige is dat vrijwel altijd binnen
24 uur het geval.

Indien de pH-waarde 45 minuten na de dood lager is dan 6.4, dan is
de eindwaarde in minstens 80% van die varkens bereikt binnen 8 uur.

2. Een zeer snelle pH-daling leidt niet altijd tot een lage eindwaarde.
Dit betekent dat men vleesdegeneratie bij varkens — die naar gebleken
is veroorzaakt wordt door een snelle pH-daling en een snel intredende
rigor mortis bij een hoge temperatuur van het vlees — niet kan op-
sporen alleen op grond van een lage eind-pH-waarde van de M.ad-
ductor.

Wordt 45 minuten na de dood een (voor het varken) nog hoge pH-
waarde gemeten, bijvoorbeeld hoger dan 6.5, dan kan die waarde tevens
de eindwaarde blijken te zijn, maar in vele gevallen treedt nog een
verdere daling op, soms zelfs tot lage eind-waarden.

3. De grote variabiliteit in de snelheid en de duur van de postmortale
pH-daling in het vlees van varkens resulteert in een eveneens grote
variabiliteit in de eigenschappen van het vlees. In de praktijk is het
gewenst de varkens op grond van die zeer uiteenlopende kwaliteiten in
te delen in niet meer dan de drie volgende klassen:

a. de blijkbaar in vermoeide toestand geslachte varkens met zeer hoge
eind-pH-waarden in het vlees. Het vlees van deze dieren heeft zeer
slechte organoleptische eigenschappen, is niet geschikt voor bepaald-
de technologische doeleinden en is minder goed houdbaar;

b. de „normale" varkens;

c. de varkens met verschijnselen van vleesdegeneratie. Ook het vlees
van deze varkens bezit, vooral in technologisch opzicht, minder
gunstige eigenschappen.

De praktijk heeft behoefte aan een snelle en betrouwbare methode om
de onder klasse a. en c. aangeduide varkens, die extreme kwaliteiten
vlees leveren, te kunnen selecteren.

4. Door ons werd daarom gezocht naar een indeling in typen van pH-
verloop, die het mogelijk maakt in de praktijk daarmee op cen bepaald
moment na de slachting de varkens tc selecteren en in te delen in de
drie genoemde categorieën. De meest geschikte momenten, waarop de
selecde zou kunnen plaatsvinden, zijn naar onze mening die, waarop het
varken het einde van de slachdijn bereikt, d.i. in de meeste gevallen
30-45 minuten na het slachten, en een aanmerkelijk later gelegen tijd-
stip, waarop met de verdere bewerking een aanvang wordt gemaakt.
Meestal is dit laatste pas het geval op de dag na de slachting.
Aangezien de pH-daling in de onder a. en c. genoemde varkens binnen
8 uur is voltooid, zou de selectie 8 uur of later na de dood kunnen
plaats hebben.

Op grond van deze ovei-wegingen en op basis van onze gegevens stellen
wij daarom de volgende indeling van de pH-verloop-typen voor:

-ocr page 135-

type 1 — een meer of minder snelle, maximaal 8 uur durende, pH-
daling naar een eind-pH-waarde hoger dan 6.5 (onvol-
doende glycolyse, zeer donker vlees);
type 2 — een geleidelijke daling, gedurende maximaal 24 uur, naar
een eind-pH-waarde tussen 5.6 en 6.5 („normaal" vlees, met
toch nog vrij grote verschillen in eigenschappen);
type 3 —een snelle pH-daling naar 6.0 of lager binnen 45 minuten
na de dood en een eind-pH-waarde in het algemeen lager
dan 5.6 (gedegenereerd vlees).
Toch bleek de toepassing van deze indeling alléén, d.w.z. van een pH-
meting aan het einde van de slachtlijn óf op de dag na het slachten,
niet voldoende om de varkens te kunnen plaatsen in de drie groepen.
In het eerste geval kan men de klassen a. en b., in het tweede de klassen
b. en c. niet onderscheiden.

Maar indien de pH-meting na 30-45 minuten gecombineerd wordt met
de bepaling van de rigortoestand van de M.adductor — hetgeen op zeer
eenvoudige en snelle wijze mogelijk is door middel van een bepaling
van de duimweerstand of met een (hiertoe door Sybesma ontwor-
pen) eenvoudig meetapparaat — is de selectie op dat moment waar-
schijnlijk zeer goed mogelijk. Wanneer de pH-meting op de dag na de
slachdng gecombineerd wordt met een visuele beoordehng, is de selectie
ook op dat moment mogelijk.

Naast de visuele beoordeling kan de bepaling van de transmissiewaarde
van het vlees (vlgs. Hart) dan zeer goede informatie verschaffen.

5. Ongeveer 22% van 1198 daarop onderzochte varkens vertoonden een
pH-daling van het type 3.

Van de onderzochte 1314 varkens vertoonden 6.6% een pH-daling van
het type 1; ruim 40% had een eind-pH-waarde hoger dan 6.0.
Als dezelfde normen worden aangehouden, die gehanteerd worden bij
de beoordeling van de houdbaarheid en de consumptieve eigenschappen
van het vlees van in nader onderzoek genomen andere diersoorten, be-
tekent dit dat 6.6% van deze varkens niet voor goedkeuring in aan-
merking kwamen en daarnaast nog eens 33,5% een zodanig afwijkende
vleeskwaliteit leverden, dat niet zonder aanvullend onderzoek tot goed-
keuring zou kunnen worden overgegaan.

6. In de M.adductor van 117 oudere varkens, met een geslacht gewicht
van meer dan 130 kg, werd 23 maal (± 20%) een eind-pH-waarde
hoger dan 6.0 gemeten, maar slechts éénmaal hoger dan 6.5. 8 van
deze varkens (±7%) hadden een eind-pH-waarde lager dan 5.6.

7. Tussen koppels varkens, afkomstig van verschillende mestbedrijven,
werden aanzienlijke verschillen in het pH-verloop geconstateerd, ook als
deze tegelijk in hetzelfde vervoermiddel werden vervoerd en direct na
elkaar geslacht werden. Sommige koppels toonden overwegend pH-da-
lingen van het type 1 en andere overwegend van het type 3. Eveneens
werden duidelijke verschillen gevonden tussen transporten varkens, die
na elkaar aangevoerd werden.

8. Varkens met een geslacht gewicht van minder dan 80 kg vertoonden
frequenter vleesdegeneratie dan de varkens met een hoger gewicht. Bij
deze varkens werd daarentegen vaker het dalingstype 1 waargenomen.

9. De zeer grote variabiliteit in het postmortale pH-verloop en de daaruit

-ocr page 136-

resulterende grote verschillen in vleeskwaliteit worden veroorzaakt door
een complex van factoren als de genetische eigenschappen, de toege-
paste selectie, de voeding vóór het slachten, transportomstandigheden,
rust en eventuele voeding na het transport, het klimaat, het slachtproces
en de koeling na het slachten.

Het verband tussen de snelheid en de duur van de postmortale pH-daling
en de organoleptische en technologische eigenschappen en de houdbaarheid
van vlees

Het is in het bestek van dit referaat slechts mogelijk een zeer beknopt
overzicht te geven van het in de titel genoemde verband. Volstaan wordt
met het noemen van de belangrijkste aspecten ervan.
Het belang van de pH-waarde als criterium voor de deugdelijkheid en de
houdbaarheid van vlees en daaruit bereide vleesprodukten kan in vijf
punten worden uitgewerkt:

1. Een hoge eind-pH-waarde van het vlees wijst op een ernstige pre-
mortale vermoeidheidstoestand van het slachtdier. Deze vermoeidheid
kan het normale weerstandsvermogen van de darm tegen het binnen-
dringen van microörganismen vóór en tijdens het slachtproces ver-
minderen.

2. Naarmate de pH-waarde van vlees hoger is groeien de meeste bacterie-
soorten beter in en op dit vlees, penetreren gemakkelijker vanaf de
oppervlakte, blijven langer in leven en vermindert ook de bacterie-
remmende invloed van verschillende toevoegingen.

3. Naarmate de pH-waarde hoger is zal het vlees minder goed houdbaar
zijn. Dit geldt evenzeer voor verschillende uit dit vlees bereide pro-
dukten, bijvoorbeeld hamconserven. In dit licht bezien verdient het
feit, dat een vrij hoog percentage van het vlees van de geslachte varkens
een hoge pH-waarde bezit, bijzondere aandacht.

4. Ten aanzien van de houdbaarheid van halfconserven kan worden ge-
steld dat naarmate de pH-waarde hoger is de microörganismen resisten-
ter zijn tegen verhitting, aanwezige sporen gemakkelijker ontkiemen
en het effect van de gebruikelijke, tevens conserverend werkende toe-
voegingen vermindert.

De invloed van de eind-pH-waarde op de organoleptische eigenschappen
van vlees komt tot uiting doordat, naarmate deze waarde hoger is:

1. minder aromastoffen worden geproduceerd. De meeste stoffen, waar-
van thans bekend is dat ze de typische geur en smaak van vlees pro-
duceren, zijn produkten van allerlei postmortale omzettingen van kool-
hydraten en in mindere mate ook van vetten en eiwitten. Naarmate
de postmortale anaerobe glycolyse minder intensief verloopt, worden
dus minder aromatische stoffen gevormd. Bovendien heeft de hoge pH-
waarde invloed op de activiteit van de enzymen, die gedurende het
rijpingsproces de organoleptische eigenschappen van vlees verbeteren;

2. de meeste sarcoplasma- en fibrillaire eiwitten hun Iso-Electrisch Punt
(I.E.P.) bij een pH-waarde van 5.4 of lager hebben en bij een hogere
pH-waarde meer water binden, waardoor het vlees zachter lijkt. Daar
staat tegenover dat het I.E.P. van de bindweefseleiwitten bij een pH-
waarde van ca. 7.0 ligt, zodat het bindweefsel juist taaier wordt. Vooral
in bindweefselrijk vlees is het pH-effect dus zeer groot.

-ocr page 137-

Een hoger waterbindingsvermogen heeft voorts tot gevolg dat vlees met
een hoge pH-waarde een drogere en minder sappige indruk maakt bij
consumptie;

3. de kleur donkerder is. Een grotere mate van waterbinding heeft tot
gevolg dat een groter deel van het opvallend licht geabsorbeerd wordt.
De geschiktheid van vlees als grondstof voor be- en verwerking wordt even-
eens door de pH-waarde ervan beïnvloed; het waterbindingsvermogen —
een in technologisch opzicht zeer belangrijke eigenschap — is groter naar-
mate de pH-waarde hoger is. Een hoger waterbindingsvermogen heeft
voorts tot gevolg dat dit vlees minder gemakkelijk vocht afstaat en zout
opneemt. Dit heeft consequenties voor allerlei technologische bewerkingen
als zouten, drogen, vriesdrogen, verhitting en diepvriezen.
Over de invloed van de snelheid van de postmortale pH-daling op de hier-
bovengenoemde eigenschappen is niet veel bekend.

Wel weten wij dat tengevolge van de zeer snelle pH-daling, die tot het
ontstaan van de z.g. vleesdegeneratie bij varkens leidt, de organoleptische
en technologische eigenschappen nadelig worden beïnvloed.
Het sterk verminderde waterbindingsvermogen van dit vlees heeft tot ge-
volg dat het veel vocht verliest bij een verhittingsproces, waardoor het dan
droger en minder mals en smakelijk wordt. Het gedegenereerde vlees is
daardoor duidelijk minder geschikt voor de bereiding van allerlei vlees-
produkten, waarin een optimale water- en vetbinding van belang is. Zeer
sterk spreekt dat bijvoorbeeld bij de produktie van zeer veel voor export
bestemde, hamconserven.

De bestemming, die aan vlees moet of kan worden gegeven, in verband
met het postmortale pH-verloop

Zowel de vleeshygiënist als de eigenaar van het vlees hebben belang bij
een juiste en verantwoorde beoordeling van vlees, mede op grond van
inzicht omtrent de invloed van het postmortale pH-verloop op de ver-
schillende eigenschappen van vlees, teneinde te komen tot de meest pas-
sende bestemming.

Op basis van de in het proefschrift beschreven onderzoekresultaten en de
hierboven aangegeven relaties kunnen de volgende criteria worden aange-
geven, waaraan men zich bij de beoordeling van vlees zou kunnen houden:

1. de eind-pH-waarde van het vlees van slachtdieren kan in het algemeen
pas tenminste 24 uur na de dood worden vastgesteld.

2. Vlees met een eind-pH-waarde hoger dan 6.5 dient niet in het vrije
verkeer toegelaten, maar bestemd te worden voor verwerking in bepaal-
de te steriliseren vleesprodukten. De organoleptische eigenschappen
kunnen dan door middel van toevoegingen gecorrigeerd worden en de
houdbaarheid is gewaarborgd. Als dit door bepaalde omstandigheden
niet mogelijk is, zou aan het vlees een andere bestemming moeten
worden gegeven, bijvoorbeeld voor diervoeding.

Wellicht is het beter dit vlees in alle gevallen voor diervoeding te be-
stemmen.

Het feit dat de eind-pH-frequentieverdeling bij normale varkens al zo
ongunstig uitvalt, maakt de beoordeling van voor nadere keuring aan-
gehouden varkens, waarbij een hoge pH-waarde in het vlees wordt ge-
vonden, problematisch. Toch zijn er geen aanwijeingen, dat de relatie

-ocr page 138-

tussen de pH-waarde en de organolepdsche eigenschappen en de houd-
baarheid bij deze vleessoort anders ligt dan bij de andere slachtdier-
soorten.

3. Een pH-waarde tussen 6.0 en 6.5 moet een indicatie zijn om de con-
sumptieve eigenschappen van het vlees nader te onderzoeken, o.a. door
een visuele beoordehng en door geur- en smaakproeven. Dit onderzoek
kan dan aanleiding geven ook dit vlees aan de vrije handel te ont-
trekken en te bestemmen voor de vrijbank, voor sterilisatie of voor
diervoeding.

4. De criteria, in casu de pH-grenswaarden, die men zou kunnen gebrui-
ken bij het bepalen van de verwerkingsbestemming van varkens, worden
bepaald door het moment na de dood waarop deze aangelegd worden,
van de pH-frequentieverdeling van het in een bepaalde periode be-
schikbare aantal varkens en van de behoefte aan grondstoffen voor be-
paalde doeleinden in het bedrijf.

Op het ene moment zal men in een bedrijf scherper kunnen of willen
selecteren dan op het ander. Men kan de grenswaarden naar omstan-
digheden iets verleggen. Bij de selectie zou men gebruik kunnen maken
van de beschreven type-indeling. Een pH-verloop van het type 1 maakt
het vlees minder of niet geschikt voor de produktie van gedroogde, ge-
zouten en gerookte produkten.

Een verloop van het type 3 maakt het vlees minder of niet geschikt
voor de verwerking tot vleesprodukten, waarbij een goed waterbindings-
vermogen van belang is, met name voor blikconserven.

SAMENVATTING.

In dit artikel wordt een door de auteur in juni 1965 gepubliceerd proefschrift
gerefereerd. Hierin werd een onderzoek beschreven naar de postmortale pH-daling in
het vlees van slachtdieren en de betekenis daarvan voor verschillende eigenschappen
van vlees als deugdelijkheid en houdbaarheid, organoleptische eigenschappen en de
geschiktheid als grondstof voor be- en verwerking.

Het eerste deel van het onderzoek omvat een vergelijking van de verschillende meet-
methodieken. Een directe elektrometrische methode met behulp van insteekelektroden
bleek de beste resultaten te geven.

Vervolgens werden de verschillen in het postmortale pH-verloop in en tussen een
aantal spieren in slachtdieren bestudeerd. De M. adductor bij het varken en de M.
gracilis bij de andere slachtdiersoorten bleken voldoende representatief te zijn bij
normale slachtdieren. Voor dc beoordeling van niet-normale slachtdieren is het beter
bovendien de pH te meten van een spier met een gemiddeld hoge pH-waarde, bij-
voorbeeld de M. supraspinatus.

Het postmortale pH-verloop werd gemeten in de M. adductor, resp. de M. .gracilis
van 334 varkens, 30 paarden, 66 runderen, 101 vette kalveren, 63 schapen cn 22
lammeren. Van 1298 varkens werd de pH-waarde gemeten op ca. 40 minuten na de
dood. De eind-pH-waardc werd gemeten in 1314 varkens, 47 paarden, 345 runderen
en 156 vette kalveren.

De verschillen in de snelheid en de duur van de daling waren bij het varken zeer
groot, bij de andere diersoorten veel geringer.

Een indeling in drie typen van de verschillende vormen van pH-verloop bij het varken
wordt voorgesteld. Deze indeling kan bij de beoordeling van geslachte varkens met
het oog op hun verwerkingsgeschiktheid goed gebruikt worden.

De invloed van de snelheid en de duur van de postmortale pH-daling op de organo-
leptische en technologische eigenschappen en de houdbaarheid van vlees werden
uitvoerig bestudeerd.

-ocr page 139-

Op grond van de nu verworven inzichten werd een indelingsschema voorgesteld
waarmee een verantwoorde bestemmingsbepaling van vlees van afwijkende slaeht-
dieren mogelijk is.

SUMMARY.

In this ardcle the author refers to a thesis written by him in june 1965. In this thesis
a report is given from an investigation on the post-mortem pH-pattern in the meat
of slaughter-animals and its significance for the different properties of meat as the
reliability and keepability, organoleptic qualities and the suitability as raw material
for processing and production.

The first part of the investigation comprises a comparison between the different pH-
measuring methods. A direct electrometrical method with the help of spearpoint
(insertion) electrodes appeared to give the best results.

Next the differences in the post-mortem pH-pattern within and between a number of
muscles in slaughter animals was studied. The M. adductor from the pig and the M.
gracilis from other animals appeared representative enough if it concerned normal
animals. For the judgment of non-normal slaughter animals it is better to measure
also from a muscle with an average high pH-value, for instance the M. supraspinatus.
The post-mortem pH-pattern was measured in the M. adductor, respectively the M.
gracilis of 334 pigs, 30 horses, 66 beef catde, 101 fattened calves, 63 sheep and 22
lambs.

Furtheron the pH30-45 p.m. was measured in 1298 pigs and the ultimate pH-value
in 1314 pigs, 47 horses, 345 beef cattle and 156 fattened calves.

The variability in the rate and the duration of the post-mortem pH-fall was very great
in the pigs, much less in the species of the other animals.

classification into three types of the different forms of pH-pattern in the pigs is
proposed. This classification can bc used very well in judging slaughtered pigs in view
of their productionability.

The influence of the rate and the duration of the post-mortem pH-fall on the organo-
leptic and technological qualities and the keepability of meat were examined.
On account of the now acquired opinions a classification scheme was proposed with
which a justified destination of meat of abnormal slaughter animals is possible.

RÉSUMÉ.

Dans cet article l\'auteur s\'en réfère à une thèse publieé par lui en juin 1965. Dans cet
article est décrite une investigation de la baisse postmortale du pH dans la viande
des animaux de boucherie et la signification pour différentes propriétés de viande
comme solidité et incorruptabilité, dans qualités organoleptiques et l\'aptitude comme
ingrédient pour préparation et production.

Le premier part de l\'investigation enlace une comparaison entre les différentes
méthodes de mesurage. Une méthode directement electrométrique avec l\'aide d\'élec-
trodes à piquer montrait les plus meilleurs résultats.

Ensuite les différences dans le course postmortale du pH dans et entre un nombre de
muscles dans des animaux de boucherie furent étudiées. Le M. adductor du porc ct
le M. gracilis des autres espèces d\'animaux paraissaient assez représentatifs s\'il
concernait des animaux normales.

Pour le jugement des animaux de boucherie non-normales il est mieux de mesurer
aussi d\'un muscle avec une valeur de pH assez haute, par exemple le M. supraspinatus.
Le course postmortale du pH fut mesuré dans le M. adductor, respectivement le M.
gracilis, de 334 porcs, 30 chevaux, 66 boeufs, 101 veaux gras, 63 moutons et 22
agneaux.

Ensuite le pH ultimate fut mesuré dans le même muscle de 1314 porcs, 47 chevaux,
345 boeufs et 156 veaux gras.

Les différences dans la rapidité et la durée de la baisse étaient très grandes dans les
porcs, chez les autres espèces d\'animaux plus légères.

-ocr page 140-

Une classification en trois types des différentes manières de course de pH chez le porc
est proposée. On peut bien faire usage de cette classification chez les porcs abattus
en vue de leurs qualités de production.

L\'influence de la rapidité et la durée de la baisse postmortale du pH sur les qualités
organoleptiques et technologiques et la incorruptabilité de viande furent étudiées.
À cause des vues maintenant obtenues une schéma de classification fut proposée avec
laquelle une définition d\'affectation justifiant est possible.

ZUSAMMENFASSUNG.

In diesem Artikel wird eine vom Autor in Juni 1965 veröffentlichte Dissertation
referiert. Eine Untersuchung wird beschrieben nach der postmortalen pH-Senkung
im Fleisch von Schlachttieren und die Bedeutung davon für verschiedene Eigen-
schaften von Fleisch wie Tauglichkeit und Haltbarkeit, organoleptische Eigenschaften
und die Brauchbarkeit als Grundstoff für Be- und Verarbeitung.

Der erste Teil der Untersuchung umfasst einen Vergleich der verschiedenen Mess-
methoden. Eine direkte elektrometrische Methode mit Hilfe von Einstechelektroden
ergab die besten Resultate.

Sodann wurden die Unterschiede im postmortalen pH-Verlauf in und zwischen einer
Reihe von Muskeln in Schlachttieren untersucht. Der M. adductor beim Schwein und
der M. gracilis bei den anderen Schlachttieren erwiesen sich als genügend repräsen-
tativ bei normalen Schlachtticren. Für die Beurteilung von nicht-normalen Schlacht-
tieren ist es besser, ausserdem einen Muskel mit einem durchschnittlich hohen pH-
Wert zu messen, z.b. der M. supraspinatus.

Der postmortale pH-Verlauf wurde gemessen im M. adductor, bzw. im M. gracilis
von 334 Schweinen, 30 Pferden, 66 Rindern, 101 fetten Kälbern, 63 Schafen und
22 Lämmern.

Weiterhin wurde der End-pH-Wert gemessen im selben Muskel von 1314 Schweinen,
47 Pferden, 345 Rindern und 156 fetten Kälbern.

Die Variabilität in der Geschwindigkeit und der Dauer der pH-Senkung waren beim
Schwein sehr gross und bei den anderen Schlachttieren viel geringer.
Es wird vorgeschlagen, die verschiedenen Formen des pH-Verlaufs beim Schwein in
drei Klassen einzuteilen. Diese Einteilung kan bei der Beurteilung von geschlachteten
Schweinen gut benutzt werden hinsichtiich der Verwendungsmöglichkeiten.
Der Einfluss der Geschwindigkeit und der Dauer der postmortalen pH-Senkung auf
die organoleptischen und technologischen Eigenschafte und die Haltbarkeit des
Fleisches wurden untersucht.

Auf Grund der jetzt erworbenen Erkenntnisse wird ein Einteilungsschema vorgeschla-
gen, womit eine brauchbare Bestimmungseinteilung des Fleisches von Schlachttieren
mit abweichender Fleischreifung möglich ist.

RESUMEN.

En esto articulo el autor se refiere a su tesis doctoral publicado en Juni 1965. En lo
cual fue escrito una investigacion a la caida del pH post mortem en la carne de
animales de matanza y su significaciôn para diferentes caractères de la came como
buena calidad y conscrvacion, caractères organolepticos y la aptitud como materia
prima para hechura y consumo.

La parte primera de la investigacion contienne una comparacion de los diferentes
metodos de medir. Un metodo directo electrometrico con ayuda de una electroda de
introduccion daba los mejores resultados. Luego se ha investigado las diferencias en
el curso del pH post-mortem dentro y entre un numéro de musculos de animales de
matanza. El musculo adductor cn el cerdo y el musculo gracilis en los demas animales
de matanza resultaron suficiente representativos en animales de matanza normales.
Para la critica de animales de matanza anormales, es mejor de medir ademas el pH
de un musculo con un valor promedia de pH alto, por ejemplo el musculo supra-
spinatus.

-ocr page 141-

El curso del pH post mortalem fue medida en el musculo adductor, respectivamente
en el musculo gracilis de 334 cerdos, 30 caballos, 66 bovinos, 101 terneros gordos,
63 ovinos y 22 corderos. De 1298 cerdos el pH fue medida 48 minutos despues la
muerte. Los valores finales del pH del musculo adductor fueron medidas en 1314
cerdos, 47 caballos, 345 bovinos y 156 terneros gordos.

Las diferencias en la rapidcz y la duracion de la descension eran muy grande en el
ccrdo, en los otros animales mucho menos.

Se hace la sugesdon de hacer una distribucion cn tres tipos de las diferentas formas
del curso del pH en el cerdo. Se puede usar bien esta distribucion para la cridca
de cerdos matados en vista de su apdtud para la elaboracion. Se ha invesdgado
profundo la influencia de la rapidez y la duracion de la descension del pH post
mortem sobre las propriedades organolepticas y tecnicas y la conservacion de la carne.
En virtud de las opiniones adquiridas ahora se hace la presentacion de un esquema de
clasificacion, con la cual es posible de hacer una definicion de desdnacion responsable
para carne de animales de matanza anormales.

-ocr page 142-

Onderzoekingen over het voorkomen van Salmo-
nellakiemen bij varkens, gemest met pellets en
bij varkens, gemest met ongepelleteerd voeder-
meel1)

Studies about the occurrence of Salmonella in pigs
fattened with pellets and non-pelleted meal*)

door W. EDELI), P. A. M. GUINÉE"),

M. VAN SCHOTHORST») en E. H. KAMPELMACHER"\')

Uit het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Utrecht.

1. Inleiding

In eerder verrichte onderzoekingen is komen vast te staan, dat besmette
voedermeien een zeer belangrijke bron voor het totstandkomen van
Sal-
mone/Za-infecties bij overigens klinisch gezonde varkens zijn (Kampel-
macher et al, 1962). Ook werden varkens met gedecontamineerde en
normale voedermeien gemest om op deze wijze de verschillen in het voor-
komen van
Salmonella-kiemen bij de aldus gevoerde groepen te leren ken-
nen (Kampelmacher et al., 1965). Bij de decontaminatie der melen
werd hittebehandeling (Kampelmacher et al., 1965) of bestraling
met y-stralen (Dammers et al., 1966) toegepast.

Aangezien beide methoden om economische en technische redenen voor-
alsnog op grote schaal niet kunnen worden aangewend, gingen onze ge-
dachten vervolgens uit naar pelletering, zoals dit door de industrie op grote
schaal reeds wordt gedaan. Bij deze pelletering wordt niet, zoals bij de juist
genoemde behandelingsmethoden, een volledige afwezigheid van
Entero-
bacteriaceae
bereikt. Wel wordt door de wrijvingswarmte, die tijdens het
procédé optreedt, een 2-3 decimalige reductie van de in het ongepelleteerde
meel aanwezige aantal
Enterobacteriaceae verkregen. In de aanstonds te
beschrijven proeven werd nagegaan of er, en zo ja, in welke mate bij var-
kens, gemest met in de handel zijn de pellets, een
Salmonella-infectie op-
treedt.

2. Materiaal en methoden
2.1 Huisvesting

120 varkens werden met pellets gemest en zij waren gehuisvest in een
nieuwe schuur, die voor deze proef voor het eerst in gebruik was genomen.
In deze schuur, geschikt voor het zogenaamde opschuifsysteem, bevinden
zich 12 grote hokken, 6 tegenover 6.

1  Voorlopige mededeling. Preliminary communication.

1) Drs. W. Edel; wetenschappelijk ambtenaar. Laboratorium voor Zoönosen van het
Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.
Dr. P. A. M. Guinée; wetenschappelijk hoofdambtenaar. Laboratorium voor
Zoönosen van het Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.
3) Drs. M.
V. Schothorst; wetenschappelijk ambtenaar. Laboratorium voor Zoönosen
van het Rijks Instituut voor de Volks.gezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.
Dr. E. H. Kami>elmacher; hoofd van het Laboratorium voor Zoönosen van het
Rijks Instituut voor de Volksgezondheid, Sterrenbos 1, Utrecht.

-ocr page 143-

De pellets werden 2 maal daags in afgewogen hoeveelheden droog in de voe-
derbakken gestrooid. In ieder hok bevond zich een automatische drinkbak.
In het achterste gedeelte van het hok bevond zich een rooster waardoor
faeces en urine verdwijnen. Het verstrekken van stro was daarom niet
nodig.

40 varkens werden met ongepelleteerd meel gevoerd en zij waren gehuisvest
in varkensstallen van het RIV te Bilthoven en wel in 10 hokken, 4 varkens
per hok. In deze hokken waren geen automatische drinkbakken aanwezig.
Stro werd. zij het in geringe mate, verstrekt.

2.2. Herkomst van de biggen

De biggen, bestemd voor de bovengenoemde proeven, werden als tomen,
afkomstig van 12 boerderijen in de omgeving van Utrecht, gekocht en
vanaf de eerste levensweken tot overbrenging naar de proefstallen (9—10
weken oud) 2 maal per week door middel van tampons op het voorkomen
van
Salmonella-k\\&men in de faeces onderzocht. Bij dit onderzoek werden
geen
Salmonella-kiemen gevonden. De dieren werden, voor zover mogelijk,
in de verhouding 3 : 1 over de beide proefstallen verspreid, waarbij tevens
gelet werd op ongeveer gelijk gewicht.

2.3. Voeding

De voor de proef benodigde pellets werden van 2 fabrieken betrokken en
wel zó, dat 60 varkens gedurende de gehele proef met pellets van fabriek
1 en de overige 60 varkens met pellets van fabriek 2 werden gemest. Het
ongepelleteerde meel was van dezelfde samenstelling als de pellets en werd
kort vóór de pelletering uit de charge genomen. Tot 50 kg lichaamsgewicht
werden biggepellets en na het bereiken van dit gewicht varkenspellets (de
doorsnede van de biggepellets van fabriek 2 bedroeg ca. 5 mm en die van
de andere pellets 8-10 mm), respectievelijk het ongepelleteerde bijbeho-
rende meel gevoerd.

Ciedurende de gehele mestperiode werd van de pellets en het meel van
beide fabrieken het aantal
Enterobacteriaceae per gram bepaald. Bij de
pellets bedroeg dit gemiddeld 5,9 x 10^ en bij het meel 1,5 x 10^, hetgeen
geheel overeenkomt met reeds eerder in dit laboratorium verkregen resul-
taten betreffende de reductie van het aantal
Enterobacteriaceae door pelle-
tering en de herbesmetting \\an de pellets die plaatsvindt vóór de verpak-
king.

Het ongepelleteerde voedernieel werd vlak vóói de voedering met water
gemengd.

2.4. Methode van onderzoek

Gedurende de gehele proef, die van begin november 1965 tot eind mei
1966 duurde (de biggen waren bij aankoop van diverse leeftijden en
werden derhalve o]j verschillende tijdstip]5cri bij de proef betrokken),
werden 2 maal per week mengmonsters faeces uit de hokken onderzocht en
wel evenveel monsters als zich varkens in de hokken bevonden.
Na het slachten op een gewicht van ca. 100 kg werden van alle dieren
monsters milt, lever, gal, galblaas, de portale en de mesenteriale lyrrifklieren
alsmede monsters faeces uit coecum, colon en rectum, onderzocht. Wat het
laatstgenoemde monster betreft, werden zowel faeces via een aangebrachte
snede direct uit het rectiun als door uitpersen via de anus verkregen.

-ocr page 144-

De methode van onderzoek der verschillende monsters werd reeds eerder
beschreven (Guinée en Kampelmache i\', 1962; Guinée et al.,
1965).

3. Resultaten
3.1. Tijdens het leven

Zoals reeds eerder opgemerkt, werden bij geen der biggen tijdens het onder-
zoek op de boerderijen
Salmonella-kï&raQn geïsoleerd.
Bij de 120 varkens, gemest met pellets werd slechts uit 1 faecesmonster
S.anatum geïsoleerd en wel in de eerste week na aankomst van de be-
trokken varkens in dit hok. Nadien werden bij deze groep uit 5862 tijdens
het leven onderzochte faecesmonsters nimmer
Salmonella-kiemen geïsoleerd.
Bij de 40 varkens, gemest met ongepelleteerd meel, werden uit 17 van
de 1959 onderzochte faecesmonsters
Salmonella-kiemen geïsoleerd. Het
merendeel der positieve monsters werd tegen het einde van de mestperiode
gevonden.

Uit de 17 positieve monsters werden 12 serotypen geïsoleerd en wel:
6 maal
S. senftenberg, 2 maal S. cubana, 1 maal S. kentucky, 1 maal
S. fresno, 1 maal S. worthington, 1 maal S. schwarzengund, 1 maal S. mon-
tevideo,
1 maal S. panama, 1 maal S. cerro, 1 maal S. Stanley, 1 maal
S. lexington en 1 maal S. infantis.

Uit één monster werden 2 typen geïsoleerd. De resultaten zijn samengevat
in tabel 1.

Tabel 1

Voorkomen van Salmonella-kiemen tijdens het leven en na het slachten hij
120 varkens, gemest met pellets en 40 varkens, gemest met ongepelleteerd

voedermeel.

Aantal dieren

Aantal onderzochte faecesmonsters
Aantal positieve faecesmonsters
Aantal dieren
Aantal positieve dieren

pcllet-groep

120
5862

1 (0,01%)
120
meel-groep

40
1959
17 (0,86%)
38

4(3,3%) 12(31,5%) na het slachten

tijdens het leven
tijdens het leven
tijdens het leven
na het slachten

3.2. Na het slachten

Van de 120 varkens, gemest met pellets, zijn tijdens de mestperiode
3 varkens gestorven en 2 voortijdig geslacht. Uit geen van deze dieren
konden
Salmonella-kiemen worden geïsoleerd. Bij de overige 115 dieren
werden bij 4 dieren
Salmonella-kiemen geïsoleerd.

Van de 40 varkens, gemest met ongepelleteerd meel, werden er 38 ge-
slacht. De resultaten na het slachten zijn in tabel 1 opgenomen.

4. Bespreking der resultaten

Bij de 4 positieve dieren uit de pellet-groep werd bij 1 dier S. typhi murium
uitsluitend in de mesenteriale lymfklieren, bij 1 dier S. typhi murium alleen
in de milt en in de mesenteriale lymfklieren en bij de overige 2 dieren

-ocr page 145-

s. dublin uitsluitend in het coecum gevonden, terwijl geen van deze typen
gedurende het leven werden gevonden. Ook in de meel-groep werden bij
5 van de 12 positieve dieren
S. typhi murium in milt en lever en (of) gal-
blaas gevonden, terwijl dit type tijdens het leven bij deze groep nimmer was
aangetroffen.

Met een hoge mate van waarschijnlijkheid kan worden gesteld, dat deze
S. typhi murium en S. dublin bevindingen, behalve die in de lymfklieren,
niet aan een voederinfectie tijdens de mestperiode, maar aan een slacht-
huisbesmetting, die ondanks rigoreuze maatregelen niet altijd is te voor-
komen, moeten worden toegeschreven.

De S. typhi mwrium-bevindingen in de lymfklieren zouden op een „jeugd-
infectie" teruggevoerd kunnen worden (Guinée et al., 1965). Op grond
\\-an deze veronderstelling wordt het aantal positieve dieren na het slachten
in de pellet-groep O en in de meel-groep 7 (18%). De bij deze 7 dieren
na het slachten geïsoleerde typen, werden ook tijdens het leven gevonden.
Gezien het verschil in grootte der beide proefgroepen is inmiddels besloten
de proef voort te zetten en wel in die zin, dat in een tweede proef 120
varkens met ongepelleteerd meel en 40 varkens met pellets, opnieuw af-
komstig van de genoemde twee fabrieken, zullen worden gemest.
Hiermede zullen uiteindelijk de resultaten van 2 in aantal gelijke proef-
groepen elk 160 varkens omvattende, bekend zijn, hetgeen een beter ver-
gelijk mogelijk zal maken.

Indien de resultaten van de tweede proef met die van de eerste zullen
overeenkomen, kan de toepassing van pellet-voedering als een belangrijk
middel bij het voorkomen van ^a/moneZ/a-infecties worden gezien.

SAMENV.4TTING.

Een groep van 120 varkens werd met pellets en een groep van 40 varkens met het
ongepelleteerde rneel uit dezelfde charge waaruit de pellets werden bereid gemest.
Bij de pellet-groep werden tijdens het leven uit 5862 faecesmonsters 1 maal en uit de
nieelgroep uit 1959 faecesmonsters 17 maal
Salmonella-\'kiemen geïsoleerd. Na het
slachten werden bij 4 dieren uit de pellet-groep en bij 12 dieren uit de meel-groep
Salmonella-kiemt-n geïsoleerd. Indien men een correctie aanbrengt in verband met
slachthuiscontaminaties en jeugdinfectics, blijken in dc meel-groep na het slachten
7 (18%) en in de pellet-groep O dieren geïnfecteerd Ic zijn.

SUMMARY.

A group of 120 pigs was fattened with pellets and another group of 40 pigs with
unpclletted meal from the same lot u.sed for the preparation of the pellets. In the
pellet group
Salmonella was isolated during life one time from 5862 faeces samples
and from the group fattened with unpelleted feed 17 times from 1959 faeces samples.
.After slaughter
Salmonella was isolated from 4 animals of the pelletgroup and from
12 animals of the unpelleted feed group.

Due to corrections with regard to slaughterhouse contamination and piglet infections
the results can be summarized as 7 (18%) positive animals in the group fattened with
unpelleted feed and 0 in the pelletgroup.

RÉSUMÉ.

Un groupe de 1 20 porcs engraissé avec des „pellets" et un groupe de 40 porcs avec
de la farine provenante de même lot, mais pas .sous forme de comprimés.
Durant la vie de ces animaux on a isolé 1 fois des germes de Salmonelles de 5862
échantillons de selles du groupe nourri avec les „pellets", tandis qu\'on a isolé 17 fois
des Salmonelles de 1959 échantillons de selles du groupe nourri avec de la farine.

-ocr page 146-

Après l\'abattage on a isolé des germes de Salmonelles chez 4 animaux du groupe
„pellets" et chez 12 animaux du groupe „farine".

Après une correction en rapport avec la contamination de l\'abattoir ct dc l\'infection
du jeune âge les résultats après l\'abattage sont; 7 animaux (18%) infectés dans le
groupe nourri à la farine et 0 animaux dans le groupe nourri avec les „pellets".

ZUSAMMENFASSUNG.

120 Schweine wurden mit Pellets und 40 Schweine mit dem unpellettierten Mehl,
das aus derselben Charge stammte als das Mehl für die Pellet-Bereitung, gemästet.
Bei der Pelletgruppe wurde während des lebcns 1 Mal
Salmonella aus 5862 Faeces-
proben isoliert und bei der Mehlgruppe 17 Mal aus 1959 Faecesproben. Nach
Schlachten konnten bei der Pelletgruppe aus 4 und bei der Mchlgruppe aus 12 Tieren
Salmonellen isoliert werden.

Berücksichtigt man die Schlachthofkontamination und die Jugendinfektion dann
ergibt sich, das nach Schlachten in der Mehlgruppe 7 (18%) und in die Pelletgruppe
0 Tieren infiziert sind.

RESUMEN.

Se engordaban un grupo de 120 cerdos con granulös y un grupo de 40 cerdos con
harina del mistno lote de que se preparaban los granulös. En el grupo ccbado con
granulös se aislaban una vez gérmenes de
Salmonella de 5862 muestras de heces y en
el grupo ccbado con harina se encontraban 17 muestras positivas de las 1959 muestras
examinadas.

Después del matar se aislaban bacterias de Salmonella de 4 animals del grupo ccbado
con granulös y de 12 animales ccbado con harina.

Cuando sc hace una corrección a proposito de las contaminacioncs en el matadcro
y de la infeccion en la juventud résulta que 7 animales (18%) del grupo cebado
con harina y 0 animales del grupo ccbado con granulös son infectados.

LITERATUUR.

Dammers, J., Kampelmacher, E. H., Edel, W. and Schothorst, M.
van: The effect of decontamination of feed mixtures by heat treatment and
y-radiation on growth and feed conversion in fattening pigs.
Proc. Intern. Symp.
on Foodirradiation, Karlsruhe 1966, in press.
Guinée, P. A. M. and Kampelmacher, E. II.: Influence of variations of
the enrichment method for detection of Salmonella.
Ant. v. Leeuwenhoek, 28, 417,
(1962).

Guinée, P. A. M., Kampelmacher, E. H., Hofstra, K. en Keulen, A.
van: Salmonella bij jonge biggen in Nederland.
Tijdschr. Diergeneesk., 90, 787,
(1965).

Kampelmacher, E. H., Guinée, P. A. M., H o f s t r a, K. en K e u 1 c n, .\'A.
van: Verdere onderzoekingen over Salmonella in slachthuizen en bij normale
slachtvarkens.
Tijdschr. Diergeneesk., 87, 1486, (1962).
Kampelmacher, E. H., Guinée, P. A. M., Schothorst, M. van en
Willems, H. M. C. C.: Experimentele onderzoekingen ter bepaling van de bij
decontaminatic van vocdermelen benodigde temperatuur cn verhittingstijd.
Tijdschr. Diergeneesk., 90, 373, (1965).
Kampelmacher, E. H., Guinée, P. A. M. en Keulen, A. van: Onder-
zoekingen naar het voorkomen van Salmonellae bij varkens gemest met gedeconta-
mineerd en normaal voedermeel.
Tijdschr. Diergeneesk., 90, 1270, (1965).

-ocr page 147-

Een prakfijkonderzoek met Ripercol1), een nieuw
chemotherapeuticum bij longworm. en maag-
darmworminfecties van het rund

A practical study with Ripercol*, a new chemo-thera-
peutic in lungworm and intestinal worm infections in
the cow.

door J. S. REINDERS2)

Inleiding

Met medewerking van de collegae K. H. B o u w m a n en J. K r a m e r te
Wolvega, T. v. d. Laan en R. D. Reinders te Dokkum en K. G.
r e r p s t r a en J. M. Wiersma te Roordahuizum, is door de Ge-
zondheidsdienst voor Dieren in Friesland een praktijkproef opgezet aan-
gaande de werking van een nieuw anthelminthicum tegen longworm en
maagdarmnematoden bij het rund. Van dit nieuwe anthelminthicum zijn
bij genoemde parasitaire aandoeningen elders goede resultaten gemeld
(Raeymaekers, in druk; T h i e n p o n t, 1966 en W a 1 1 e y, 1966).
Het lag in de bedoeling Ripercol te testen op zijn werkzaamheid tegen
Dictyocaulus viviparus. Daarom zijn dieren in behandeling genomen waar-
bij de dierenarts op klinische gronden de diagnose „longworm" had gesteld.
Volgens de gegevens is het middel ook werkzaam tegen maagdarmnema-
toden en daarom is tevens een onderzoek ingesteld naar de invloed van
Ripercol op deze parasieten. Omdat de beide parasitaire infekties in de
praktijk vrijwel steeds naast elkaar voorkomen, werd gelijktijdig de wer-
king van het anthelminthicum tegen deze twee ziekten in één proef onder-
zocht.

Materiaal

Het aantal dieren, dat oorspronkelijk in het onderzoek zou worden betrok-
ken, bedroeg 106, Bij 17 hoestende en in conditie achteruitgaande kalveren
van één bedrijf konden zo goed als geen longwormlarven in de faeces
worden aangetoond, zodat sterk aan de klinische diagnose „longworm"
moest worden getwijfeld. Deze 17 dieren werden daarom niet in het onder-
zoek opgenomen. Helaas werd door een misverstand juist bij deze dieren
geen onderzoek verricht op de aanwezigheid van maagdarmnematoden.
Ook in een ander geval was moeilijk een verband te leggen tussen het ge-
vonden aantal longwormlarven in de faeces en de klinische verschijnselen
bij de kalveren. Wél was in dit geval een vrij ernstige besmetting met
maagdarmnematoden aanwezig, We krijgen dan ook de indruk, dat hoesten
en achteruitgang in conditie bij kalveren niet altijd de diagnose longworm-
ziekte rechtvaardigt, In zulke gevallen moeten we b.v, denken aan de mo-
gelijkheid van een gecombineerde infektie van het
Parainfluenza A3 virus,

1  R 8299 (grneric naam tetramisole), gesynthetiseerd door Janssen Pharmaceu-
tica te Beerse (België). In de handel gebracht door Janssen Pharmaceutica onder
de naam Ripercol, voor Nederland door de N.V. Nederlandsche Combinatie voor
Chemische Industrie (Amsterdamsche Chininefabriek).

2  Dr. J. S. Reinders; dierenarts bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in Friesland,
Kruisstraat 43, Leeuwarden.

-ocr page 148-

dat het hoesten veroorzaakt, en een besmetting met maagdarmnematoden,
waardoor de vermagering ontstaat. Parainfhienza wordt ook als mogelijke
oorzaak aangegeven in gevallen, waarbij kalveren na longwonnvaccinatie
gaan hoesten, terwijl toch geen longwormlarven in de faeces kunnen
worden gevonden.

Het onderzoek werd derhalve uitgevoerd met 89 dieren; ten tijde van de
proefneming (september 1965) bedroeg de leeftijd 6-9 maanden; de ge-
wichten liepen uiteen van i 100 tot ruim 200 kg.

Methoden van onderzoek

In de eerste plaats werd voor de beoordeling van de werking van het thera-
peuticum een kwantitatief criterium gebruikt, te weten het faecesonderzoek
op longwormlarven en eieren van maagdarmwormen. Van elk dier van een
aangetast koppel werd vóór de behandeling een faecesmonster genomen,
terwijl een week nadien opnieuw een monster is onderzocht. De bepaling
van het aantal longwormlarven en het aantal eieren van maagdarmnema-
toden heeft steeds op dezelfde wijze plaatsgevonden, waarbij de laatsten
niet werden gedifferentieerd. De werkzaamheid van „Ripercol" moest tot
uidng komen in de vermindering van het aantal larven, respectievelijk
eieren. De aantallen longwormlarven en eieren van maagdarmnematoden
worden op de volgende wijze aangegeven:

 = >50

-h-h = 20-50

 = 6-20

ee — 5 of minder

O = geen

wormeieren per
dekglaspreparaat,
longwormlarven per
onderzocht
standaardmonster

Naast dit kwantitatieve onderzoek is tevens een zeer belangrijk doch moei-
lijk in kwantitatieve zin te hanteren criterium toegepast, te weten de kli-
nische verbetering der dieren. De beoordeling daarvan vond 4-6 weken
na de behandeling plaats.

Behandeling en dosering

De behandeling bestond uit één intramusculaire injektie in een dosering
van 6 mg/kg lichaamsgewicht (= 5 mg base). Gebruik werd gemaakt van
de handelsvorm van „Ripercol" met een concentratie van 120 mg/rnl ( =
100 mg base).

De per dier benodigde hoeveelheid kan worden berekend door weging van
het dier of worden benaderd door schatting van het lichaamsgewicht op
basis van enige met een meetlint genomen lichaamsmaten. Uit praktische
overwegingen is deze laatste methode toegepast.

Resultaten

A. Faecesonderzoek

De uitkomsten van het faecesonderzoek zijn in tabel I weergegeven, ge-
rubriceerd naar soort en ernst der infektie en de mutaties die daarin zijn
opgetreden.

-ocr page 149-

Tabel I

Uitkomsten van het faecesonderzoek na Ripercol behandeling.

behandeling

Longworm

Maagdarmnematoden

vóór

na

aantal dieren

aantal dieren

a 1

-f

0

2

2

a 2

ee

1

a 3

0

7

4

a 4

ee

__

6

a 5

0

16

24

a 6

et

1

3

a 7

ee

0

18

25

45

64

b 1

0

0

38

12

b 2

ee

ee

_

6

b 3

4-

4-

1

7

c 1

0

ee

4

4

c 2

0

-f

2

1

e 3

ee

1

6

6

In de eerste kolom zijn de bevindingen vermeld van het Ie en 2e faeces-
onderzoek, terwijl deze bevindingen zijn aangeduid met a 1 enz. Onder
a 1 zijn gevallen samengevat met meer dan 50 larven, eventueel eieren
( ), bij het eerste onderzoek en een negatieve bevinding bij het 2e
onderzoek. Alle gevallen onder a geven een verbetering aan, onder b zijn
de resultaten van beide onderzoekingen gelijk, terwijl onder c enige ge-
vallen zijn weergegeven waarbij in het 2e onderzoek enkele larven of eieren
meer werden gevonden.

Deze uitkomsten zouden schematisch als volgt kunnen worden sameneevat
(zie Tabel II): ^^

Tabel II

Schematische weergave van de in tabel I

weergegeven resultaten.

na de behandeling

vóór de behandeling

negatief positief

l.ongwormlarven
Maagdarmnema todeneieren

positief: 45
negatief: 44

positief: 72
negatief: 1 7

43
38
55
12

2
6
17
5

Bij een analyse van deze uitkomsten kunnen de volgende opmerkingen
worden gemaakt.

-ocr page 150-

1. Ten aanzien van de longwormen

Van de 45 faecesmonsters waarin vóór de behandeling longwormlarven
werden aangetroffen, werden in 43 bij het onderzoek na de behan-
deling geen "lanen meer gevonden. Dit zijn de dieren vcirneld onder
a 1, a 3, a 5 en a 7; van de 2 overige is één (a 2) duidelijk verbeterd,
één (a 6) verbeterd. In vier gevallen (c 1) was het eerste onderzoek ne-
gatief en werden bij het 2e onderzoek enkele larven gevonden, terwijl
in twee gevallen (c 2) het eerste onderzoek eveneens negatief was en
bij het tweede onderzoek iets meer dan enkele lanen \\oorkwamen.

2. Ten aanzien van de maagdarmnematoden

De ernst van de besmetting blijkt uit het aantal positieve inestmonsters
vóór de behandeling, te weten 72. Er waren in de koppels hoestende
kalveren dus meer dieren besmet met maagdarmwormen dan met long-
wormen.

Bij het 2e onderzoek bleken 12 dieren negatief te zijn gebleven (b 1),
terwijl bij 7 dieren geen gekwantificeerde verbetering werd waarge-
nomen (b 2 en b 3).

Van 5 dieren die bij het begin negatief waren (c 1 en c 2) werden in
vier gevallen bij het 2e onderzoek enkele eieren aangetroffen (c 1),
in één geval nog iets meer (c 2). Bij één dier met een enkel ei in de
faeces bij het le onderzoek, werden bij het 2e onderzoek iets meer
eieren gevonden (c 3).

Alle overige dieren toonden een gunstige invloed van Ripercol: negatief
werden a l, a 3, a 5 en a 7, in totaal 55 dieren, terwijl bij a 4 en a 6,
in totaal 9 dieren, het aantal eieren bij het tweede onderzoek belangrijk
kleiner was dan bij het eerste onderzoek.

B. Klinisch beeld

Op alle bedrijven was een duidelijke en snelle klinische verbetering van
de dieren waarneembaar, ook wanneer de dieren vrij ernstig ziek waren.
Enkele dagen na de behandeling ging de eetlust goed vooruit.
Daar Ripercol zowel tegen longworm als tegen maagdarmnematoden werk-
zaam is, is het moeilijk uit te maken of het klinische beeld in hoofdzaak
te danken is aan de verbetering van de longworminfektie of aan die van
de infektie met maagdarmnematoden. In de gevallen waarin geen long-
worminfektie kon worden aangetoond (en waarbij het hoesten dus waar-
schijnlijk veroor7,aakt wordt door een infektie met
Parainfluenza A3 virus)
moest de aanzienlijke klinische verbetering hoofdzakelijk aan de bestrijding
van de tnaagdarmnematoden worden toegeschreven.

Neven verschij nselen

Nevenverschijnselen werden praktisch niet waargenomen. Eén der aan dit
onderzoek meewerkende dierenartsen zag in een enkel geval ongeveer een
kwartier na de injektie een kortdurende versnelde ademhaling.

SAMENVATTING.

In een praktijkonderzoek werden 89 jonge runderen, leeftijd ±6-9 maanden, verdeeld
over negen bedrijven, in september 1965 met medewerking van enige collegae-dieren-
artsen behandeld met één enkele injektie van het nieuwe chemotherapeuticum R 8299

-ocr page 151-

(handelsnaam Ripercol) tegen longworm; in de meeste gevallen was ook een ernsnge
besmetting met maagdarmnematoden aanwezig.

Op grond van het faecesonderzoek als ook van het klinische beeld werd een bijzonder
goede werking van het preparaat geconstateerd, zowel op de longworminfektie als op
die met maagdarmnematoden. Nevenverschijnselen van betekenis werden niet waar-
genomen.

Bij deze praktijkproef is een sterk vermoeden ontstaan, dat de verschijnselen van
hoesten, gepaard gaande met achteruitgang in conditie bij kalveren in de weide niet
alleen door
Dictyocaulus viviparus worden veroorzaakt, maar ook door een gecom-
bineerde infektie met parainfluenza A3 virus en maagdarmnematoden.

SUMMARY.

A field experiment bas been carried out, in which eighty-nine calves about six to
nine months of age and distributed over nine farms, have been treated with the
assistance of a number of fellow veterinarians with a single injection of the new
ehemotherapeutical agent R 8299 (proprietary name Ripercol) for lung-worm disease
in September 1965; severe infection with gastro-intestinal nematodes was also present
in the majority of cases.

The study of the faeces and the clinical picture revealed a particularly beneficial
action of the drug both on the lung-worm infection and on the infecdon with
gastro-intestinal nematodes. No marked side-effects were observed.
This field experiment strongly suggested that symptoms of coughing associated with
a decline in the condition of calves at grass are caused not only by
Dictyocaulus
viviparus
but also by the para-influenza A3 virus and gastro-intestinal nematodes.

RÉSUMÉ.

Pendant une expérience de pratique 89 bovins, âgés d\'environ 6 à 9 mois, répartis sur
9 fermes ont été traités en septembre 1965 avec la collaboration de quelques collègues
vétérinaires avec une seule injection du remède chimiothérapeutique nouveau R 8299
(nom commercial Ripercol) contre le ver pulmonaire; dans la plupart des cas il
existait également une infecdon grave de nématodes gastro-intestinaux.
Partant de l\'examen des fèces et du .syndrome clinique on a constaté que l\'action de la
préparadon est extrêmement efficace, tant en ce qui concerne contre l\'infection de
vers pulmonaires que contre celle des nématodes gastro-intestinaux. Des phénomènes
secondaires de quelque importance n\'ont pas été observés.

Durant cette expérience de pratique le soupçon a surgi que les phénomènes de toux
accompagnes d\'une régression de la condition des veaux dans la prairie ne sont pas
seulement causés par
Dictiocaulus viviparus, mais aussi par une infection combinée de
virus para-influenza .\\3 et de nématodes gastro-intestinaux.

ZUSAMMENFASSUNG.

Bei einer in der Praxis angestellten Untersuchung wurden im September 1965 unter
Mitwirkung einiger Veterinärkollegen 89 Jungrinder mit einer Injektion des neuen
Chemotherapeutikums R 8299 (Handelsmarke Ripercol) gegen Lungenwurm be-
handelt. Die Tiere waren über 9 Betriebe verteilt und im .Alter von 6-9 Monaten.
In den meisten Fällen war auch eine ernsthafte Verseuchung mit Magendarm-
Nematoden anwesend.

Auf Grund der Fäzesuntersuchung und des klinischen Bildes wurde eine besonders
günstige Wirkung des Präparates bei Lungenwurminfekdonen und Magendarm-
Nematoden festgestellt. Nebenerscheinungen von Bedeutung wurden nicht wahr-
genommen.

Bei dieser Praxisuntersuchung entstand starker Verdacht, dass der mit Husten
zusammen gehende Rückgang in der Kondition bei Kälbern nicht nur durch
Dictio-
caulus viviparus
verursacht wird, sondern auch durch eine kombinierte Infektion mit
Parainfluenza A3 Virus und Magendarm-Nematoden.

-ocr page 152-

RESUMEN.

En una investigacion en la practica fueron tratados unas 89 vacas de una edad de
6-9 meses con una sola injeccion de la nueva quimicoterapeutica R 8299 (nombre
en el comercio Ripercol) contra lombrices pulmonar, en la mayoria de los casos habia
tambien una infestacion grave de lombrices del tracto digestive.
Esta investigacion fue hecha en 9 diferentes haciendas, en cl mes de scptiembrc 1965,
con ayuda de algunos veterinarios practicantcs.

En virtud del examen de los feces como tambien de las condiciones clinical se ha
constado una accion sumamente buena, tanto contra lombrices pulmonar como
contra nematodos del tracto digestive.

No se pudo observar efectos secundarios de alguna importancia. En esto experimento
en la practica se ha producida alguna sospecha que los sintomas de tos acompaiïado
con una mala condicion de los animales, no estan solamente causados en el portrero
por
Dictyocaulus viviparus, pero tambien por una infeccion combinada de para-
influenza A3 virus y lombrices del tracto digestivo,

LITER.A.TUUR,

Raeymaekers, H. M. c.s.: J. Med. Chem. (ter perse).
Thienpont, D. c.s.:
Nature, 209, 1084, (1966).
Walley, J. K. : Vet. Ree., 78, 406, (1966).

-ocr page 153-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Een geval van leukose bij een Nederlands slacht-
paard

Leukosis in a Dutch slaughterhorse.
door W. MISDORP1) en G. J. NIJLAND2)
Uit het Amsterdamse Abattoir.

Inleiding

Leukose komt bij het paard vrij zelden voor en is bij deze diersoort dan
meestal van het lymfatische type. De klinische verschijnselen bij paarden
met lymfatische leukose zijn zeer variabel en hangen af van de mate waarin
de verschillende orgaansystemen zijn aangepast. Zo worden door Dekker
en Kroneman (1958) genoemd: vergroting van lymfklieren, milt en
lever, vermoeidheid, verminderde eetlust, vermagering, bleke .slijmvliezen,
snelle pols, hoesten, cornage, ascites en oedemen. De dood wordt meestal
veroorzaakt door cachexie of door secundaire aandoeningen. Bij postmor-
taal onderzoek blijken vooral de milt en de lymfklieren vergroot te zijn.
Vaak zijn ook vele andere organen, o.a. de darmen, aangetast. Histolo-
gisch onderzoek leert dat de tumorcellen soms op lymfocieten, soms op
reticulumcellen gelijken.

Hieronder worden in het kort enkele Nederlandse publikaties betreffende
lei:kose bij het paard gerefereerd.

De eerste publikatie, die van S tapen sea (1905), betrof een paard da^
geleden zou hebben aan myeloide leukose. Later werd door De Vries
(1936) een paard beschreven dat loom, dampig en snel vermoeid was. Bij
sectie bleken de milt en de lymfklieren sterk vergroot. De sterk vergrote
lever en nieren waren duidelijk icterisch. De diagnose na het histologisch
onderzoek luidde: lymfatische leukose. Ferwerda (1938) onderzocht
een oud paard met vele knobbels in de huid cn de onderhuid. Na de slach-
ting werd tevens een verdikking van het neustussenschot gevonden, welke
evenals de huidknobbels van lymfosarcomateuse aard bleek te zijn. Een
uitvoerige mededeling verscheen van Dekker en Kroneman (1958)
over een paard dat suf was en waarbij tevens vergrote lymfklieren, exoph-
thalmus en conjunctivitis waargenomen werden. Door bloedonderzoek kon
bovendien worden aangetoond dat het dier leed aan anemie ca leucemie.
Bij de sectie en het aansluitende histologisehe onderzoek werden in vele
organen woekeringen van op lymfocieten gelijkende tumorcellen gevonden.
Later beschreef Dekker (1959) drie paarden met tumoren in het voorste
mediastinum. Bij een van deze paarden werden bovendien tumorhaarden
in de topkwabben van de longen en in de lever gevonden.

Behalve in de Nederlandse literatuur zijn er nog enkele tientallen publi-
katies over paarden met leukose in buitenlandse periodieken verschenen
(Neumann-Kleinpaul, 1950; Theilen en Fowler, 1962).

1  Dr. W, Misdorp, keuringsdierenarts-bacterioloo.i? Abattoir Amsterdam, tevens
staflid van het Nederlands Kankerinstituut te Amsterdam.

2  Drs. G. J. Nijland, keuringsdierenarts-bacterioloog Abattoir Amsterdam, tevens
praktizerend dierenarts.

-ocr page 154-

Pig. 1.

Zeer grote tumor in de rechter
long (a) en meerdere kleinere tu-
moren in de linker long (k).

Flg. I.

Very large tumour in the right
lobe of the lung (a) and several
smaller tumours in the left lobe (k).

Fig. 2.

Grote longtumor (rechter long) op
doorsnede: spekkig wit, centraal
plaatselijk necrotisch tumorweefsel.

F\'g. 2.

Large tumour in the right lobe of
the lung at cut-surface: lardaceous
white centrally necrotic tumour
tissue.

-ocr page 155-

Eigen onderzoek

Nr. 65-372, Nederlands paard, ruin, plni. 12 jaar.

Bij de keuring vóór het slachten werden geen bijzonderheden opgemerkt.
Na de slachting bleek het dier in een vrij slechte voedingstoestand te ver-
keren. Er werden geen oedeme-n gezien. In de linkerlong werden vele pro-
minerende van 2-5 cm grote, spekkige geelwitte tumorhaarden gevonden
(foto 1 ). Dc rechter long was praktisch geheel door een 40 x 25 x 10 cm
grote spekkige geelwitte tumor (foto\'s 1 en 2) ingenomen waarin centrale
necrose aanwezig was. De bronchiale lymfklieren waren ongeveer 2 ä 3
maal zo groot als normaal.

Bij uitwendige inspectie van het colon bleken cr twee duidelijke verdik-
kingen van de wand aanwezig te zijn over resp. 12 en 8 crn lengte. De
grootste zwelling was vergroeid met het parietale pcritoneum links achter
in de buik. Bij openknippen van het colon bleken twee grotere en ver-
scheidene kleinere ulcererciide zwellingen (folo 3) aanwezig le zijn. De me-
senteriale lymklieren waren duidelijk vergroot en spekkig op doorsnede.
In andere organen, met name in de milt en het beenmerg werden geen
afwijkingen waargenomen.

Bij microscopisch onderzoek van de gezwellen in het colon bleken deze van
een sterk infiltrerend type te zijn: vanuit de mucosa en submucosa had

-ocr page 156-

duidelijke ingroei in de spierlagen plaatsgevonden tot in de serosa toe. Het
celrijke tumorweefsel was opgebouwd uit verschillende soorten cellen. Er
waren veel kleine cellen met ronde, soms hoekige chromatinerijke kernen,
welke praktisch niet door cytopl\'asma omgeven waren. Daarnaast waren er
grotere cellen met heldere blazige kernen waar omheen een klein cyto-
plasmazoompje aanwezig was. Verder werden grote polygonale cellen ge-
vonden met zeer onregelmatige, chromatinerijke kernen. Het cytoplasma
bevatte veel eosinofiele korrels.

In beide eerstgenoemde celtypen werden vele mitosen waargenomen.
De tumoren in de linker en rechter long waren van hetzelfde celrijke infil-
trerende type, ze waren voornamelijk opgebouwd uit kleine cellen met
chromatinerijke kernen en daarnaast ook grotere cellen met ovale blazige
kernen. In het omgevende longweefsel vonden wij uitgebreide perivasculaire
en peribronchiale groei van het zojuist beschreven tumorweefsel. Bovendien
zagen wij gedeelten met fibrineuze pneumonie en pleuritis. De structiuir
van de mesenteriale lymfklieren was volkomen verstoord: de lymffollikels
waren niet duidelijk meer te herkennen en het kapsel bleek op verschil-
lende plaatsen doorgroeid. Er was een opvallend sterke proliferatie van
grote tamelijk polymorfe cellen met blazige kernen waarin veel mitosen.
Bovendien was er een vermeerderde hoeveelheid lymfocieten,
In de bronchiale lymfklieren waren de oorspronkelijke structuren, o,a, de
lymffollikels intact. Er was proliferatie van ogenschijnlijk normale lymfo-
cieten en reticulumcellen in deze lymfklieren en ook perivasculair in de
nieren en de lever.

Diagnose

De uitgebreide tumorachtige woekeringen in de longen en het colon waren
opgebouwd uit cellen welke gelijken op tumorachtig veranderde lymfocie-
ten en reticulumcellen. De eosinofiel gekorrelde cellen in de colon-tumoren
werden niet in de longtumoren gevonden. Deze cellen, welke waarschijnlijk
eosinofiele leucocieten waren, stonden misschien in verband met de ulce-
ratie van de darmtumoren. Ook in de mesenteriale lymfklieren leek tumor-
weefsel van overwegend reticulocytair type te groeien, voornamelijk in de
centra van vroegere follikels en in de randsinussen. In de bronchiale lymf-
klieren, de lever en de nieren werden woekeringen van cellen gevonden,
welke morfologisch geheel overeenkwamen met normale reticulumcellen en
lymfocieten.

De bovenbeschreven veranderingen samenvattend kwamen wij tot de diag-
nose: lymfatische leukose. Bovendien bleek er een fibrineuze pneumonie
en een pleuritis aanwezig te zijn.

Discussie

De macroscopische veranderingen bij dit paard deden ons niet in de eerste
plaats aan leukose denken. Het gecombineerd voorkomen van ulcererende
zwellingen in het colon en de longknobbels deed onze gedachten aanvanke-
lijk gaan in de richting van een schimmelinfectie. Ook werden de long-
tumoren nog gehouden voor multipele granulaire myoblastomen (deze tu-
moren werden door ons twee maal bij slachtpaarden vastgesteld). De
darmzweren met de omwalde randen deden ons denken aan paratyfus.
In dit geval zou een uitsluitend macroscopische beoordeling voor de keu-

-ocr page 157-

ringsljeslissing onvoldoende zijn geweest. Mede daarvoor was het histolo-
gisch onderzoek van belang.

Dit bracht gedeeltelijke opheldering: de veranderingen in de longen, het
colon en de mesenteriale lymfklieren bleken te berusten op tumorachtige
vermeerdering van reticulumcellen en lymfocieten. Wij meenden, met enig
vooihehoud vanwege de iets afwijkende celvormen, dat de door microsco-
pisch onderzoek vastgestelde celwoekeringen in de bronchiale lymfklieren,
de lever en de nieren ook behoorden bij het beeld van lymfatische leukose.
Wij konden tot deze differentiatie komen door de verschillende orgaanaf-
wijkingen te vergelijken met microscopische preparaten van de milt en de
lymfklieren van vijf „normale" slachtdieren.

Het lijkt ons opmerkelijk dat het bovenbeschreven paard bij het onderzoek
voor het slachten geen duidelijke klinische afwijkingen vertoond heeft. Mo-
gelijk dat het dier op het bedrijf van herkomst, dat helaas niet op te sporen
was, wel verschijnselen vertoond had waardoor het dier opgeruimd moest
worden.

Dankbetuiging.

Wij danken Drs. S. M. S e ij f f e r s, onderdirecteur van het Abattoir te Amsterdam,
voor zijn opbouwende kritiek.

SAMENVATTING.

Een klinisch ogenschijnlijk gezond Nederlands slachtpaard met tumoren in de longen,
het colon en de mesenteriale lymfklieren wordt beschreven. De bovengenoemde tumo-
ren, evenals de alleen door microscopisch onderzoek gevonden afwijkingen in de
bronchiale lymfklieren, de lever en de nieren, bleken te berusten op woekeringen van
lymfocieten en reticulumcellen. De aandoening werd gediagnosticeerd als lymfatische
leukose.

SUMMARY.

The case of a clinically apparently normal slaughter-horse in the Netherlands with
tumours in the lungs, colon and mesenteric lymph nodes is reported. These tumours
as well as the changes in the bronchial lymph nodes, liver and kidneys, which were
only detected on microscopical examination, were found to be due to proliferation
of lymphocytes and reticulum cells. .A diagnosis of lymphatic leucosis was established.

LITERATUUR.

Dekker, N. D. M.: Borstholletumoren bij het paard. Tijdschr. Diergeneesk., 84,
44, (19.59).

Dekker, N. D. M. en Kroneman, J.: Leucose bij het paard. Tijdschr. Dier-
geneesk..
83, 469, (1958).
Ferwerda, S.: Lympho-sarcomen bii een paard. Tijdschr. Diergeneesk., 65, 69,
(1938).

Neumann-Kleinpaul, K.; Lymphatische Leukose beim Pferde. Mh. Vet.

Med., 5, 129, (1950).
S t a p e n s e a, J.: Dc myelogene vorm van leucaemie bij een paard in de stationnaire

cliniek van den leraar Thomassen. Tijdschr. Veeartsenijk., 402, (1905).
T h e i 1 e n, G. H. and F o w 1 e r, M. E.: Lymphosarcoma/lymphocytic leukemia in a

horse. ]. Am. vet. Ass., 140, 923, (1962).
Vries,
L. P. de: Een drietal gevallen van leucose. Tijdschr. Diergeneesk., 63, 718,
(1936).

-ocr page 158-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

ENTINGEN BIJ PAARDEN.

F e s s 1 e r, J. F.: A practical program for equine immunization. Modern Vet.
Practice,
46, (7), 44; (8), 39, (1965).

Toen het aantal paarden in Amerika afnam ging dit vergezeld van apathie en gebrek
aan belangstelling bij de collegae, zodat het voor eigenaren moeilijk was een practicus
te vinden die belangstelling had voor een ziek paard.

Thans is er sinds 1960 een vermeerdering van het aantal paarden met 411.000
door de herleefde belangstelling van het publiek voor „light horses",
F e s s 1 e r bespreekt de volgende preventieve entingen, die thans in de U.S,A, kunnen
worden toegepast.

Er is sinds kort een vaccin tegen goedaardige droes in de handel waarbij 3 intra-
musculaire injecties van 10 ml met wekelijkse intervallen worden gegeven, gevolgd
door jaarlijks één injectie van 10 ml. Het vaccin mag niet bij drachtige merries
worden toegepast, terwijl gerekend moet worden met verschijnselen van overgevoelig-
heid, waarbij — evenals bij goedaardige droes — purpura haemorrhagica kan op-
treden.

Sinds 1964 is er een gedood vaccin in de handel tegen de influenzavirussen Al equi
en A2 equi, dat met een interval van 6 ä 12 weken tweemaal wordt ingespoten en
daarna ieder jaar één injectie.

Terwijl de spontane immuniteit tegen goedaardige droes levenslang is, is de immuni-
teit tegen influenzavirus tijdelijk. Uit Amerika, tijdens de influenza uitbraak in
Engeland, geïmporteerde geënte paarden bleken beschut te zijn voor de infectie.
Een ander virus, dat verkoudheid geeft maar tevens geruime tijd daarna abortus, is
het rhinopneumonitisvirus. Gedood virus geeft geen resultaat, maar er is een levend
virusvaccin, dat gemaakt wordt bij hamsters, dat wel succes oplevert maar soms zelf
aanleiding kan zijn tot catarre cn abortus. Dit wordt 2 maal jaarlijks internasaal
toegediend met een speciale neuscatheter. De eerste enting in juli, als er nog geen
gevaar is voor optreden van abortus en de 2e enting in oktober als „booster". Paarden
die niet met drachtige merries in aanraking komen, kunnen ook op andere tijdstippen
worden geënt mits niet in training tijdens de enting. In streken waar de ziekte niet
voorkomt wordt enting ontraden.

Vervolgens wijst schrijver op de voordelen van preventieve enting met tetanustoxoid.
Begonnen wordt met 2 injecties met een interval van 4 tot 8 weken intramusculair toe
te dienen, iedere injectie verdeeld over 2 plaatsen, gevolgd door nog minstens 1
injectie na 6 ä 12 maanden. Hoewel verdere jaarlijkse injecties aan te bevelen zijn,
kunnen deze ook met groter intervallen plaatsvinden. Tijdens dc enting mag geen
stress aanwezig zijn. Veulens kunnen vanaf de leeftijd van 3 maanden worden geënt.
Bij operaties of wonden van geënte dieren kan de toxoid injectie herhaald worden,
ongeënte paarden die gewond zijn kan men gelijktijdig tetanusserujn cn toxoid geven.
Tenslotte bespreekt de schrijver nog de enting tegen virus encefalitis, terwijl hij cr op
wijst dat paarden ook kunnen worden geënt tegen anthrax, botulismc, contagieuzc
abortus door
Salmonella, leptospirose, maligne oedeem cn rabiës.
Sommige practici enten jonge paarden ook met
Salmonella-vaccins. Verder zijn er
gemengde bacteriële vaccins in dc handel tegen streptokokken,
Pasteurella, stafylo-
kokken en
coli, die voor therapeutische doeleinden worden gebruikt bij langdurige
respiratie-aandoeningen, wondinfcctics, septikemie enz.

C. A. van Dorssen.

DE P.\\THOGENESE VAN RUNDERPEST.

Taylor, W. P., P 1 o w r i g h t, W., P i 1 1 i n g e r, R., R a m p t o n, C. S. and
Staple, R. F.; Studies on the pathogenesis of rinderpest in experimental cattle.
IV. Proliferation of the virus following contact infection, ƒ.
Hyg. Camb., 63, 497,
(1965).

-ocr page 159-

Men kan runderpest op allerlei manieren experimenteel bij vee overbrengen langs
parenterale weg, maar de natuurlijke besmettingsweg is nog steeds onbekend. Een
deel neemt aan, dat dit laatste oraal .geschiedt, een andere groep onderzoekers beweert
aerogeen via de bovenste luchtwegen of door middel van een aerosol. Om te bestu-
deren hoe de natuurlijke infecticweg is, hebben deze onderzoekers runderen bij aan
runderpest lijdende dieren in één stal ondergebracht, en op van te voren bepaalde
tijden na blootstelling aan de besmetting gedood.

Een groot aantal weefseldelen van deze geseceerde dieren werd vervolgens geënt in
weefselkweekculturen van primaire kalverniercellen. Het bleek zeer moeilijk om
regelmatig runderpest op te wekken bij dieren die 24 uur waren blootgesteld aan
kontakt met besmette dieren op de derde tot vijfde dag van de ziekte. Bij een deel
trad na 4 dagen reeds een gegeneraliseerd ziektebeeld op, bij anderen kon men zelfs
op de 9de dag uit de meest uiteenlopende weefselstukjes het virus niet isoleren.
Bij de 15 runderen waaruit het virus kon worden afgezonderd, bleek, dat bij 13 zich
reeds een viremie had ontwikkeld, omdat het virus ook in de milt werd aangetoond.
Bij 5 van deze runderen was de verbreiding van het virus in het lichaam slechts
beperkt, omdat geen virus kon worden afgezonderd uit de mucosa van de luchtwegen,
uit het longparenchym en de liesplooi lymfklier. Door titratie van de hoeveelheid
virus bij deze dieren, die op de derde dag na het blootstellen aan besmetting werden
gedood en onderzocht, in diverse weefseldelen, menen zij de porte d\'entree van het
virus te hebben .gevonden. Bij alle dieren vond men het virus terug in de pharyngeale
lymfklier en aangezien deze klier lymfe ontvangt van de tong, de bodem van de
mond, het zachte verhemelte en het tandvlees, welke allen zijn bekleed met plaveisel-
epitheel, lijkt het niet aannemelijk, dat deze de porte d\'entree vormen, tenzij deze
delen verwondingen tonen. Behalve voornoemde slijmvliezen ontvangt de pharyngeale
lymfklier toevoer van lymfe van het slijmvlies van de pharynx en het achterste
deel van de neusholte, de maxillaire en verhemelte sinus en de larynx. Zij vinden
hierin een aanwijzing, dat het virus in elk .geval gedeeltelijk het neusslijmvlies kan
binnendringen en misschien ook het pharynxslijmvlies!

Bij vier andere dieren werd het virus ook in de tonsillen aangetoond. Bij twee van
deze dieren kon het virus niet uit het keelslijmvlies worden geïsoleerd.
Bij weer twee andere runderen was de virusconcentratie in de bronchiale lymfklieren
het grootst, 20x in vergelijking tot andere weefsels en organen, wat zij menen te
moeten verklaren, dat ook in de diepere luchtwegen de primaire besmetting kan
plaats grijpen. Toch gelukte het hen niet virus te isoleren uit de mucosa en het long-
parenchym van deze beide runderen.

Op grond van de resultaten van dit onderzoek en de overeenkomst met de infectie-
weg van konijne-pokken, nemen zij aan, dat het runderpest virus bij natuurlijke
besmetting door het slijmvlies van de voorste luchtwe.gen heendringt, zonder dat het
evenwel een lokale ontsteking veroorzaakt op deze plaats of dat het er zich vermenig-
vuldigt.

H. A. E. van Tongeren.

HEMOLYTISCHE PASTEURELLA BIJ KIPPEN.

N i c o 1 e t, J. et F e y, H. : Rôle de la Pasteurella hémolytica dans la salpingite de
la poule.
Schweiz. Arch. Thk., 107, 329, (1965).

Biterstein, Gills en Knight hebben in 1960 stammen van Pasteurella
haemolytica
uit kippen vergeleken met die uit andere diersoorten, terwijl daarna ook
verschillende Engelse schrijvers over het voorkomen hiervan bij kippen hebben
geschreven. Reeds in 1950 heeft Kjos-Hanssen een hemolytische cloaca bacterie
bij kippen aangetoond.

Uit kippen met salpingitis en peritonitis kweekten Nicolet en Fey hemolytische
Gramnegatieve staafjes, die zij op grond van morfologische en culturele eigenschappen
identiek achten met
P. haemolytica. Zij isoleerden deze tevens uit de longen van
kippen met ademhalingsstoornissen. Bij experimenteel besmette kippen konden zij er
geen salpingitis mee opwekken. Toch verwachten zij dat deze bacterie een belangrijke
rol speelt bij de salpingitis van de kip.

-ocr page 160-

(Ook verschillende Nederlandse laboratoria kweken uit kippen sinds enkele jaren
dergelijke stammen, die door hun hemolytisch vermogen de aandacht trekken. Hoewel
de korte bonte rij die van
Pasteurella haemolytica van de herkauwers is, lijkt het
referent toch wel wat gewaagd deze kippenbacterie daarmee zonder meer identiek te
stellen
Ref.).

C. A. van Dorssen.

SALMONELLOSE BIJ DUIVEN.

Devos, A., V i a e n e, N. en S t a e 1 e n s, M.: Klinische aspecten en behandehng
van paratyphus (Salmonellose) bij duiven.
Vlaams Diergeneesk. Tijdschr., 34, 209,
(1965).

Na een overzicht van de ziekte, waarbij o.a. de publikade van Van Vloten
{Tijdschr. Diergeneesk., 82, 928, (1957)) genoemd wordt, bespreken schrijvers
nieuwere aspecten voor behandehng.

Bij een „infectiestorm" dienen zij furoxone in het drinkwater toe, die in kokend water
opgelost wordt. Daar per liter maar 37 mg oplost wordt de furoxone eerst verwerkt
tot een premix met 9 delen glucose. De duiven krijgen deze oplossing als drinken
gedurende 10 dagen. Enkele dagen daarna wordt de gehele toom subcutaan gevacci-
neerd met 0,5 ml geformoliseerde bouillon cultuur van
S. typhimurium. Bij duiven,
die voor deze behandeling negatief reageerden, blijft tot ongeveer 8 maanden na de
vaccinatie de agglutinatiereactie positief.

In de door hen behandelde gevallen werden vanaf 14 dagen na de vaccinatie geen
recidieven meer vastgesteld; ook werden tijdens een observatietijd van twee jaren
geen nieuwe gevallen van vleugelziekte ontmoet. Bij de meeste duivenliefhebbers
werden de fokresultaten weer normaal en de prestaties van de duiven bereikten weer
het peil van vóór de infecde.

Verder onderzochten de schrijvers de werking in vitro van furaltadone, dat beter
oplosbaar is in water dan furoxone. Deze stof bleek in vitro alleen actief te zijn in
een concentratie van 1 :1000, wat reeds hoger hgt dan het normale oplossingsvermogen
in water. Uit dit onderzoek bleek dat door andere auteurs aanbevolen concentraties
van dit geneesmiddel gelegen zijn onder de concentratie die in vitro als actief dient
te worden beschouwd. Zij vermelden geen eigen resultaten van dit geneesmiddel in
vivo.

C. A. van Dorssen.

Inwendige ziekten

KOOIMAGNEET EN SCHERP.

Zwei Beispiele erfolgreicher Fremdkörper-Prophylaxe mit dem Käfigmagnet. (Bild-
bericht Klinik für Rinderkrankheiten der Tierärztlichen Hochschule Hannover.)
Prakt. Tierarzt, 47, 106, (1966).

Twee verzamelingen scherpe voorwerpen tezamen met een afbeelding van de gebruikte
kool-magneet attenderen op het succes van dit „prophylacticum". Bij een stier verbleef
een magneet 1^2 jaar in de netmaag, bij een koe ruim 3/2 jaar, beide dieren waren
ondanks deze grote hoeveelheid opgenomen scherpe voorwerpen gezond gebleven.
Aan alle dieren van de beide vee-beslagen waartoe deze twee dieren behoorden, was
een dergelijke kooi-magneet oraal verstrekt, waarna het percentage traumatische
reticuloperitonitis in deze beslagen terugliep van 5 naar
0%.

H. Zantinga.

SCHUIMTYMPANIE EN O2.

F e d d e r s e n, K. S.: Vorläufiger Bericht über die Behandlung der sogenannten
„Schaumigen Gärung der Rinder" mit dem Oxyparat.
Prakt. Tierarzt, 46, 10, (1965).
De auteur bericht, als voorlopige mededehng, over zijn ervaring bij de behandeling
van schuim-tympanie met silicone-preparaten in combinade met een krachtige zuurstof-

-ocr page 161-

stoot gedurende 5 ä 6 seconden via de neus-(slokdarm)sonde toegediend. Dit laatste
kan geschieden met behulp van het bekende Oa-apparaat en de daaraan verbonden
slang.

Het aantal behandelde patiënten is nog zeer gering (10), doch de resultaten zijn
volgens deze practicus frappant en binnen enkele minuten tot stand komende.

H. Zantinga.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

VERLOOP VAN DE INFECTIE BIJ DERM.ATOPHILUS.

R O b e r t s, D. S.: The influence of delayed hypersensivity on the course of infection
with
Dermatophilus congolensis. Brit. ]. exp. Path., 47, 9, (1966).
Roberts (1965) heeft aangetoond dat de hyfen van Dermatophilus congolensis
alleen de niet verhoornde opperhuid binnendringen. Deze invasie is blijkbaar onaf-
hankelijk van een chemotropische factor van de huid en is het gevolg van het
mechanisch penetrerend vermogen van het microörganisme, dat ook in vitro te de-
monstreren is met een agar-gel. Het is afhankelijk van de resistenüe tegen vloeibare
inhibitors die penetratie van de huid door dermatofyten verhinderen. Het niet
kunnen binnendringen in het stratum corneum is het gevolg van het onvermogen
keratine aan te tasten en het niet binnendringen in de dermus komt doordat dit
verhinderd wordt door de granulocyten die zich ophopen onder de geïnfecteerde
epidermis, mogelijk tengevolge van diffusie van produkten der geaccumuleerde cellen.
Recente onderzoekingen van Roberts bij schapen, konijnen en cavia\'s, uitgevoerd
aan het Lister Instituut in verband met een Overseas Studentship van de C.S.LR.O.
.Australië, wezen uit dat een enkelvoudige infectie met
Dermatophilus een vertraagde
overgevoeligheid tot stand brengt, zowel voor een tweede infectie als voor een intra-
derrnaal antigeen zonder circulerende antilichamen. Twee infecties met een interval
van 14 dagen induceren tevens tot somatische en flagellaire a,g,glutininen, precipitinen
en cutane anafylactische overgevoeligheid. Een tweemali.ge vaccinatie gaf overeen-
komstige resultaten. De circulerende antilichamen hadden geen aantoonbare invloed
op het verloop van eenmaal tot stand gekomen infecties. De hypersensiviteit ging
gepaard met een verhoogde granulocytaire infiltratie van de laesie, gepaard gaande
met een vertraagde hyfenpenetratie in de follikels en eerdere genezing. Dat de
granulocyten hier de beslissende factor waren bleek doordat de hyfen in de huid van
hypersensivitieve konijnen ongeremd binnendrongen als de granulocytenwerking door
injectie met „musline hydrochloride" was uitgeschakeld.

Bij schapen begint de verbetering der primaire infectie zodra als de vertraagde
hypersensiviteit is tot stand gekomen. Hierbij blijken de oudste laesies vaak nog
aanwezig, maar nieuwe uitbreidin.gen komen snel spontaan tot genezing.

C. A. van Dorssen.

BEH.ANDELING VAN FASCIOLIASIS BIJ SCHAPEN.

Lee, R. P., O \' N u a 1 1 a i n, T. and P o w e r, J. H.: Anthelmintic activity of a
Biphenyl compound against Mature and Immature stages of Fasciola hepatica.
Vet.
Rec.,
78, (6), (1966).

In een drietal uitgevoerde experimenten met Bayer 9015 (Bayer Me 3625) bleek dat
dit produkt, in een dosering van 5 mg/kg lich. gew. hij schapen en lammeren zeer
werkzaam was tegen volwassen
Fasciola hepatica (100% effecdef). Deze dieren waren
op natuurlijke wijze geïnfecteerd. In enige, maar niet alle gevallen was het ook werk-
zaam tegen onvolwassen stadia van
Fasciola hepatica, en wel 40-57% actief tegen
vormen met een lengte tot 10 mm cn 53-100% actief tegen vormen groter dan 10 mm.
Bij deze dosering werden geen toxische symptomen waargenomen.

A. L. J. M. Heirman.

-ocr page 162-

Stofwisselings- en deficiëntieziekten

STRUMA BIJ LAMMEREN.

George, J. M., F a r 1 e i g h, E. A. and H a r r i s, A. N. A.: Occurrence of goitre
in summer born lambs of different breeds.
Austr. Vet. ]., 42, I, (1966).
Ruim 100 Dorset Horn ooien, afkomstig van drie verschillende bedrijven in New
South Wales werden in januari 1963 overgebracht naar het Grasland Onderzockings
Insdtuut in Armidale op het ±1000 meter boven zeeniveau gelegen tafelland van
New England (Zuid-Oost Australië).

De dieren werden eind augustus tot begin oktober gepaard met een Dorset Horn ram.
Tevens was op het Instituut aanwezig een kudde van 93 Merino ooien die in dezelfde
tijd werden gedekt door een Merino ram.

Op een bedrijf in Glen Inncs, 60 mijl noordwaarts was een kudde van 261 Border
Leicester x Merino Crossbrcds die werden gepaard met Dorset Horn rammen.
Volgens vroegere onderzoekingen is het weidegebied van Zuid-Oost Australië met
overwegend rode bazaltachtige grond niet jodium-deficiënt. De 3 tot 12 jaar geleden
aangelegde weilanden bevatten een bestand van weidegrassen met witte klaver.
De lammertijd viel in januari/februari (zomer) 1964. Het aantal lammeren, geboren
met vergrote schildkhcr, was 50, 21 en 44% van respectievelijk Dorset Horn, Merino
en Crossbred. De neonatale sterfte (binnen 24 uur na de geboorte) van lammeren met
vergrote schildklier bedroeg 29% bij de Dorset Horn, 0% bij de Merino\'s cn 9%
bij de Crossbrcds, alles als percentages van de totaal in de groepen geboren lammeren.
Er werd geen verschil gezien tussen éénlingen en tweelingen, noch tussen ooien van
verschillende leeftijd of tussen de Dorset Horn ooien van verschillende herkomst.
Lammeren, die spoedig na de geboorte stierven, waren over het algemeen te zwak om
te zuigen.

De schildklieren van de overlevende lammeren in .\'Armidale werden op ongeveer 70
dagen na de geboorte der lammeren opnieuw gepalpeerd en in het merendeel der
gevallen was de omvang van de klieren afgenomen.

De lammeren in Glen Innes werden op het eind van de lammertijd gepalpeerd en bij
43% werd struma gevonden. Deze dieren kregen joodkali per os en vijf weken later
was bij alle aanvankelijk vergrote klieren regressie opgetreden. Slechts 7% vertoonde
een geringe te grote omvang.

Bij het ontstaan van de aangeboren struma kunnen verschillende factoren werkzaam
zijn geweest. Het is mogelijk dat de jodiumbehoefte van dc ooien wisselt met het
seizoen of dat de beschikbare jodium in de weide tijdens de periode van overvloedige
grasgroei, die samenviel met de le helft van de drachtigheid, was verlaagd. Ook
kan worden gedacht aan een strumatigeen effect van de witte klaver die in alle
weiden aanwezig was.

De verschillende percentages aangetaste dieren bij de verschillende rassen doet een
verschillende erfelijke aanleg vermoeden, waarop reeds door andere onderzoekers is
gewezen.

De veronderstellingen aangaande dc factoren die in het spel kunnen zijn bij het
optreden van congenitale struma worden gestaafd door gegevens uit de literatuur.

C. H. Herweijer.

Voedingsmiddelenhygiëne

DE INVLOED VAN DE VERKLEININGSTECHNIEK OP DE RESULT.\'ATEN
BIJ KIEMGETALBEPALINGEN.

S i n e 11, H. J., Untermann, F. und Reuter, G.: Zur Standardisierung der
aeroben Gcsamtkcimzahlbcstimmung in Fleisch und Fleischerzeugnissen.
Arch. Lebens-
mittelhyg.,
17, 26, (1966).

Door S i n c 11 cn medewerkers werden een groot aantal monsters gehakt en vlees-
waren onderzocht op het aantal aanwezige kweckbarc kiemen, waarbij de verkleining
van het materiaal werd verricht door onderzoekmethoden, fijnwrijven in mortier met
steriel zand en met de UUra-Turrase homogenisator. Van de laatste methode werd

-ocr page 163-

nog de invloed van verschillende tijden van homogenisering — o.a. in verband met
de temperatuurstijging — nagegaan.

In 10 proeven werden parallelopstellingen toegepast, waarbij 3 verdunningenreeksen
werden gemaakt en van elk daarvan 3 platen gegoten werden, zulks om na te gaan
welke minima hiervan nog reproduceerbare gegevens opleveren.
Tenslotte werden ook de verdunningstechnieken, buisjesmethode (1 op 9) cn Demeter-
flesmethode (1 op 99) vergeleken in een hiertoe strekkend onderzoek.
In een parallelopstelling van 10 proeven met 3 verdunningsreeksen, waarbij uit elke
reeks 3 telplaten werden gegoten, werd onderzocht wat het minimum is, om betrouw-
bare resultaten te verkrijgen.

Alle resultaten werden in tabellen weergegeven cn met de statistische analyse-gegevens
besproken.

Kort samengevat luiden deze als volgt:

1. cen gering verschil tussen de mortier- en de gebruikte homogenisatorverkleinings-
methode werd geconstateerd (P < 0.005);

2. om de foutenspreiding te beperken moeten minstens 2 verdunningsreeksen gemaakt
worden, waaruit eveneens 2 platen van de daarvoor in aanmerking komende
verdunning moeten worden aangelegd;

3. de buisjes-verdunning is om praktische reden te verkiezen boven de Demeterfles-
mcthode.

/. H. J. van Gils.

BOEKBESPREKING

VETERINARY OPERATIVE SURGERY.
E. Berge and M. W e s t h u e s.

(Medical Book Company. Copenhagen Denmark 1965, 282 illustrations. Price:
£ 6.9.0.)

De namen van de schrijvers zullen bij menigeen reeds het vermoeden hebben gewekt
dat het hier gaat om een vertaling en wel van de 28stc druk van „Tierärztliche
Opcrationslehre" (Paul Parey, Berlin, 1961), besproken in het
Tijdschr. Dier-
geneeskunde,
86, 781, (1961).

Een voortreffelijke vertaling ovcri.gens, waarin de indeling van de stof en de illustraties
uit dc oorspronkelijke Duitse uitgave op de voet worden gevolgd.
De eerste honderd bladzijden „general surgical principles", aseptiek - antiseptiek,
wonden - wondhechtingen, (operatieve) fractuurbehandeling, injecties, sedatie en
anesthesie met bijzondere aandacht voor de mo.gelijkheden van lokale anesthesie bij de
huisdiersoorten.

Daarna een systematische en duidelijke beschrijving van operatietechnieken voor de
behandeling van heelkundi.ge ziektetoestanden in de verschillende gebieden van het
lichaam te beginnen bij het hoofd cn oog, vervolgens nek, hals, thorax, abdomen,
staart, urogenitaalapparaat en ten.5lotte de ledematen. Het zijn de standaard operatie-
technieken, waarmee de schrijvers tot 1961 grote ervaring hebben opgedaan en die
zoals Formston in het voorwoord opmerkt „have withstood the test of time".
De tijd en dc ontwikkeling der veterinaire chirurgie hebben echter sinds 1961 niet
stilgestaan en wat wij in 1961 als bezwaar naar voren brachten, namelijk het ontbreken
van de nieuwe ontwikkelingen in cn tc summiere behandeling van de chirurgie van
het rund (herkauwers), moet nu 5 jaar later eveneens over de chirurgie van de kleine
huisdieren en zelfs van het paard .gezegd worden.

Men kan zich afvragen of het zin heeft een boek over veterinaire chirur.gie in vertaling
uit te geven op het moment dat er eigenlijk cen herziene en vooral bijgewerkte herdruk
van zou moeten verschijnen. Blijkbaar is het laatste voorlopig of misschien helemaal
niet meer tc verwachten, in welk geval we er een goede aanvulling in kunnen zien
van de Engelstalige literatuur op het gebied der veterinaire chirurgie.

-ocr page 164-

Een welverdiende hommage tenslotte aan de twee nestores der Duitse veterinaire
chirurgie van wie Prof. Berge reeds jaren gepensioneerd is en Prof. W e s t h u e s
zich in de komende maanden zal terugtrekken.

Voor student en dierenarts een nutdge maar misschien wat prijzige aanvulling van
zijn chirurgisch boekenbezit, waaruit door de duidelijkheid van tekst en afbeeldingen
veel geput kan worden wat onmisbaar is voor een goede en verantwoorde uitvoering
van de meest voorkomende heelkundige ingrepen bij de huisdieren van groot tot
klein.

S. R. Numans.

LEHRBUCH DER TIERÄRZTLICHEN MILCHÜBERWACHUNG.
M. Lerche.

(Verlag Paul Parey, Berlin 1966, 442 pag., 113 afbeeldingen. DM 88,—.)
In dit mooi uitgevoerde boek wordt het gehele gebied van de melkhygiëne behandeld:
de melk als levensmiddel, de melkvorming, bestanddelen van de melk, hygiënische
winning van de melk, behandeling van de melk in de fabriek, de melkhandel en wetten
en verordeningen.

deze onderwerpen worden door zeer kundige auteurs — o.m. Bartels, Beck,
Kästli, Münchberg, Sinei 1, Terplan en Wegener — kort en bondig
beschreven. De plaatsruimte die aan de verschillende onderdelen wordt toebedeeld, is
een andere, dan wij gewoon zijn. In vele dergelijke leerboeken neemt de zuivel-
microbiologie de voornaamste plaats in. Dit is hier niet het geval. Het laboratorium-
onderzoek komt er maar pover af: 10 bladzijden van de 442!

Bijzonder veel aandacht is besteed aan de wettelijke aspecten van de melkhygiëne:
niet minder dan 109 bladzijden. Daarin zijn afgedrukt alle wetten en verordeningen
die daarvoor in aanmerking komen, zowel het Bundesrecht als het Landesrecht uit de
Bundesrepublik, en ook de wetten uit Oostenrijk en Zwitserland.
Hoewel deze uitvoerige weergave van de legale aspecten van de melkhygiëne voor een
leerboek misschien niet erg op zijn plaats is, vormt het boek op dit gebied voor
de specialist een zeer welkome bron van informatie omdat al deze wetten en verorde-
ningen over het algemeen moeilijk te achterhalen zijn.

J. Boogaerdt.

PIG TRYPANOSOMIASIS IN TROPICAL AFRICA.
L. E. Stephen.

(Review series no. 8 of the Commonwealth Bureau of Animal Health . Farnham
Royal, Slough, Bucks, 65 pag., 15 shillings.)

In dit boek behandelt Stephen aan de hand van eigen ervaringen en een uitge-
breide literatuurstudie het probleem van trypanosomiasis van het varken in Afrika,
waarbij speciaal de nadruk valt op de voor dit dier zo pathogene
T. simiae.
Daarnaast worden nog enkele andere bij het varken voorkomende trypanosomen
besproken en de mogelijke rol die varkens als reservoir voor de menselijke slaapziekte,
veroorzaakt door
T. gambiense, kunnen spelen.

In de discussie worden een aantal fundamentele aspecten van de trypanosomiasis
besproken. Zo is b.v. het biochemisch aspect van de doodsoorzaak door trypanosomen
nog lang niet opgelost en zou een varken met hyperacute
T. simiae infectie mogelijk
een antwoord kunnen geven. Ook het gebrek aan enige resistentie van het varken
tegen een
T. simiae infectie vraagt om een nadere oplossing.

Volgens Stephen is er nu genoeg kennis vergaard aangaande 7". simiae om het
mogelijk te maken op grote schaal varkens in die delen van Afrika te houden waar
dit vroeger onmogelijk was, waardoor het zozeer gewenste dierlijke eiwit voor grote
delen van dit continent beschikbaar kan komen.

Dit boek is speciaal geschreven voor onderzoekers die op het gebied van trypanoso-
miasis werken, doch heeft ook zijn betekenis voor dierenartsen die in tropisch Afrika
met de varkensteelt te maken hebben.

D. Zwart.

-ocr page 165-

VRAAG EN ANTWOORD

ZEGEL „VEEARTSENIJKUXDIG STAATSTOEZICHT".
Vraag:

Aangezien er onder vele leden van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
onduidelijkheid heerst omtrent de betekenis van het zegel: „Veeartsenijkundig Staats-
toezicht" — zoals dit voorkomt op b.v. kippeëntstof, antigeen — verzoek ik u deze
vraag te willen beantwoorden in ons Tijdschrift.

Antwoord:

De overheidscontrole op pluimvee-entstoffen en antigenen beperkt zich op dit ogenblik
tot de controle op entstoffen tegen pokken en difterie, Infectieuze Bronchitis en
Pseudo-vogelpest alsmede tot die van het Pullorum-antigeen.

Elke charge Pullorum-antigeen wordt eerst door de fabrikant zelf gecontroleerd.
Indien de laatste van mening is dat het antigeen praktisch geheel overeenkomt met
het vergelijkingsantigeen, dat hem door de Veeartsenijkundige Dienst ter beschikking
is gesteld, biedt hij het ter onderzoek aan de Veeartsenijkundige Dienst aan.
Het antigeen wordt dan zowel aan een laboratoriumonderzoek als aan een praktijk-
proef onderworpen. Wordt bij dit controlerend onderzoek het door de fabrikant
gestelde juist bevonden, dan worden alle flesjes van de onderzochte batch voorzien
van het zegel „Veeartsenijkundig Staatstoezicht, Reg. nr. ..."^ terwijl tevens enige
monsters van het antigeen door de Veeartsenijkundige Dienst worden bewaard.
Het registratienummer dient om bij eventuele klachten uit de praktijk de betreffende
batch te kunnen identificeren en zonodig een heronderzoek van de in bewaring zijnde
monsters in te kunnen stellen.

Voor de genoemde pluimvee-entstoffen geldt in grote lijn hetzelfde als voor de
controle van het Pullorum-antigeen, met dit verschil, dat de diverse batches van de
entstoffen van het zegel „Veeartsenijkundig Staatstoezicht, Reg. nr. ..." worden
voorzien zodra de Veeartsenijkundige Dienst kennis genomen heeft van de resultaten
van de fabrieks-controle en de nodige monsters van de betreffende batch heeft
genomen. Van deze monsters worden nu steekproefsgewijze een aantal aan een labora-
toriumonderzoek en/of een praktijkproef onderworpen. Blijken de resultaten van deze
laatste onderzoekingen niet overeen te stemmen rnet de bevindingen van de fabrikant,
dan wordt deze daarvan in kennis gesteld.

In dit verband moge worden gewezen op het grote belang, dat de fabrikant in dat
geval heeft bij het nemen van de nodige maatregelen, aangezien hij verantwoordelijk
is voor de kwaliteit en onschadelijkheid van de door hem geleverde produkten mits
deze overeenkomstig zijn voorschriften worden bewaard en volgens zijn gebruiks-
aanwijzing worden toegepast.

Samengevat: Het zegel „Veeartsenijkundig Staatstoezicht, Reg. nr. ...", geeft aan, dat
er door de Veeartsenijkundige Dienst een controle op het produkt is uitgeoefend en
dat bij klachten uit de praktijk omtrent de kwaliteit van hel produkt, onderzoek van
bij de Veeartsenijkundige Dienst berustende monsters en gegevens kan uitwijzen waar
de fout ligt.

Literatuur: Th. S. Zwanenburg, Overheidscontrole op vaccins. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
90, 1725, (1965).

-ocr page 166-

INGEZONDEN

MOND- EN KLAUWZEER.
Geachte Redactie,

Tijdens en na de mond- en klauwzeer epizoötie van de afgelopen winter werd er en
wordt er nog steeds veel met modder gegooid naar alle mogelijke instanties en per-
sonen. Het blijkt dat veeziekten nog steeds enorm veel schade kunnen veroorzaken,
zoals dit ook in het verleden diverse malen is voorgekomen.

Om aan alle emotionaliteit een eind te maken moeten we momenteel de balans gaan
opmaken, fouten onder ogen durven zien en voorstellen doen ter verbetering.
Het hier volgende is een balans van de ervaringen van een dierenarts-practicus, zoals
hij ze ervaren heeft.

Laten we vooropstellen, dat ik niemand een verwijt wil maken over de gang van
zaken. Mogelijk kunnen andere dierenartsen-collegae in andere takken van ons
beroep hun ervaringen vertellen, zodat de beleidsinstanties nog betere plannen kunnen
opstellen dan nu reeds het geval is.

De wering en bestrijding van dierziekten, waaronder mond- en klauwzeer, is geregeld
door de Veewet.

De volgende personen worden genoemd in deze wet:

1. de Minister van Landbouw en Visserij;

2. de ambtenaren van de Veeartsenijkundige Dienst;

3. de eigenaar, houder of hoeder;

4. de burgemeester;

5. de ambtenaren belast met de opsporing van in deze wet strafbaar gestelde
feiten;

6. deskundigen belast met de taxatie van de op te ruimen dieren;

7. helaas zijn de praktizerende dierenartsen vergeten. Maar volgens de uitoefe-
ningswet hebben ook dezen de plicht de ziekten genoemd in art. 7 van de
Veewet aan te geven.

Als er fouten gemaakt zijn bij de wering en bestrijding van het mond- en klauwzeer,
dan berust dit op fouten, nalatigheden of tekorten in bevoegdheden van boven-
genoemde personen.

1. De Minister.

Na het debat in de tweede kamer over de lonen en prijzen in mei 1966, zoals dat
voor de televisie te volgen was, is bij mij de vraag gerezen of door het Ministerie Cals
voldoende rekening is gehouden met onvoorziene uitgaven, waaronder ook vallen de
bestrijdingskosten van dierziekten. Volgens de Veewet heeft de Minister voldoende
mogelijkheden om te bevelen (uitdrukking van de Veewet). Krijgt hij ook deze kans?

2. Dc ambtenaren van de Veeartsenijkundige Dienst.

Volgens mijn ervaringen met de Inspectie Noord-Brabant (over andere Inspecties
weet ik niets) is deze Dienst zeer slecht gehuisvest.

Als dieren tegenwoordig in paleizen huizen, terwijl de toeziende ambtenaren zeer
slecht gehuisvest zijn, dan moet dit moeilijkheden geven in de uitoefening van hun
taak. Communicatie via de telefoon is zeer moeilijk. Vaak staat men uren aan het
toestel voordat men verbinding heeft. Er is wantrouwen tussen dierenartsen en de
ambtenaren van het District Noord-Brabant.

Wat de oorzaken van deze feiten zijn weet ik niet, zeker is dat betere menselijke
verhoudingen tussen de ambtenaren en de overige personen, genoemd in de Veewet,
zullen bijdragen tot betere bestrijding en wering van de ziekten.

3. De eigenaar, houder of hoeder.

Door de veehouders zijn ook veel fouten gemaakt. Onachtzaamheid, niet opvolgen
van de voorschriften gegeven door de Veeartsenijkundige Dienst, slechte bereidheid

-ocr page 167-

tot enten als de veehouders de kosten van de enting zelf moeten dragen, te lang
wachten met hulp inroepen van een dierenarts als het dier ziek is, zo hij er al niet
eerst een ander bijhaalt. Willen de veehouders beter meewerken dan tot nu toe, dan
dient een beleid gevoerd te worden dat voldoet aan de volgende punten:

a. zorgen voor goede financiële uitkomsten van de bedrijven. Goede gezondheid
eist welvaart;

b. zorgen voor kortere werktijden voor de veehouders; van een overbelast mens
kun je niet alles verwachten;

c. de gronden moeten zoveel mogelijk bij de boerderij liggen, dus ruilverkaveling
en boerderijverplaatsing toepassen. In de toekomst zou het nuttig kunnen zijn,
dat er voorschriften gegeven zouden worden over de afstanden van de verschil-
lende bedrijven. Bedrijven kort bij elkaar is niet goed;

d. verplicht stellen van rattenbestrijding ieder jaar over de gehele gemeente;

e. voor wering en bestrijding van diverse dierziekten is een betere waterbeheersing
nodig, elke boerderij dient aan een harde weg te liggen, elektrificatie en aanleg
van waterleiding zijn nodig;

f. betere voorlichting over dierziekten;

g. elke toekomstige veehouder dient een landbouwdiploma te hebben. Één domme
veehouder kan meer schade veroorzaken dan veel verstandige veehouders.

4. De burgemeester.

Hij óók heeft een belangrijke taak in de wering en de bestrijding van dierziekten.
Hij moet uitvoering geven aan de maatregelen, gegeven door de Inspecteur. Heel
belangrijk is dat nieuwbenoemde burgemeesters ook een kennismakingsbezoek afleggen
bij de ter plaatse praktizerende dierenartsen. Zijn inzicht in plaatselijke agrarische
verhoudingen zal verdiept worden. Hij ook kan een betere verstandhouding tussen
boeren en overige plaatselijke bevolking bevorderen, waar vaak nog veel aan ontbreekt.

5. Ambtenaren belast met de opsporing van strafbaar gestelde feiten.
Deze ambtenaren zijn in dienst van

a. de Veeartsenijkundige Dienst;

b. Rijks- en Gemeentepolitie;

c. Invoerrechten en Accijnzen;

d. Centrale Controle Dienst.

De strafbaar gestelde feiten, genoemd in de wetten op dierziektcngebied cn de wet
op de uitoefening van de diergeneeskunst, zijn vaak moeilijk te constateren en worden
dikwijls heel laag gestraft.

Volgens mij zouden de dierenartsen ook opsporingsbevoegdheid moeten hebben. Dit
is mogelijk door de dierenartsen te benoemen tot plaatsvervangend inspecteur. Hij
kent heel goed de plaatselijke omstandigheden. Is dit niet mogelijk, dan vooral de
Rijks- en Gemeentepolitic wijzen op hun grote taak in deze.

6. Taxateurs.

Hierover weinig opmerkingen. Naar mijn ervaringen verstaan zij hun taak goed.

7. Dc dierenarts-practicus.

Deze is in de regel de eerste die een besmettelijke dierziekte constateert. Op hem
rust naast de andere genoemde personen een belangrijke taak in de gezondheidszorg.
Voor deze taak is hij alleen maar opgewassen als hij alle zieke dieren onder handen
krijgt. Dit betekent dat de dierenhouder niet eerst naar een ander gaat, voordat hij bij
de dierenarts komt.

De Veeartsenijschool is in het begin van de 19e eeuw vooral gesticht om de toenmalige
veeziekten te bestrijden. De afgestudeerden van deze School, nu Diergeneeskundige
Faculteit, kunnen geen bestaan hebben van de bestrijding van veeziekten alleen. Wil
de dierenarts een bestaan hebben, dan zal hij dit moeten putten uit de behandeling
van zieke dieren en de handelingen en adviezen voor de preventie en bestrijding van

-ocr page 168-

ziekten. De honorering van dit bestaan zal dienen te geschieden door een omslag per
aanwezig dier, vergoeding door de overheid, of betaling per verrichting of een
combinade van deze.

Volgens mij is de honorering per verrichting de goedkoopste methode. Er zal steeds
bevorderd moeten worden dat de dierenarts-practicus alle zieke dieren onder handen
krijgt, en alle handelingen en adviezen mag verrichten ter preventie van dierziekten.
Belangrijk is ook dat de prakdzerende dierenarts de sectiegegevens krijgt van alle
afwijkingen, gevonden bij slachtdieren en bij dieren bestemd voor destrucde.
Hiervan moet minstens de praktizerende dierenarts en de veehouder bericht krijgen.
Op deze manier is een betere indruk te krijgen van de gezondheidstoestand van de
bedrijven. Ook de boer zelf weet meer over zijn dieren.

Betrek de dierenartsen ook meer bij de plattelandsmoderniseringen. Veel fouten en
verkeerde beslissingen worden nog gemaakt.

Ook belangrijk is dat de dierenarts de gegevens bewaart, gerangschikt per bedrijf,
over de gevonden afwijkingen. Zoals onder opsporingsambtenaren al genoemd is
dient de praktizerende dierenarts opsporingsbevoegdheid te krijgen (zie punt 5).
Een voorstel is ook: benoem alle afgestudeerde dierenartsen in Nederland tot plaats-
vervangend inspecteur met de verplichting, dat, mocht er zich een ernstige veeziekte
voordoen, ze opgeroepen kunnen worden voor bestrijding van deze ziekte; dit ter
beoordehng van de Inspectie en de Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Ik ben gekomen aan het einde van mijn schrijven. Hopelijk draagt dit bij tot een

betere wering en bestrijding van besmettelijke dierziekten. Ik hoop dat de Nederlandse

samenleving verschoond mag blijven van deze ernstige plagen.

Veel mensen hebben op dit gebied een taak, laten we het goed doen.

Bergeijk, juni 1966 Fr. P. A. Knijper.

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Diverse berichten

REÜNIE VAN OUD-LEDEN VAN HET VETERINAIRE STUDENTENCORPS
„ABSYRTUS".

De zeer geslaagde reünie van het vorige jaar is voor ons aanleiding om ook dit jaar
wederom een reünie te organiseren in dezelfde geest als het vorige jaar.
De Oud-Absyrtianen zullen dus weer bij elkaar komen op 17 september in Hotel
Figi te Zeist. Ook nu weer is met het oog op de veraf wonende collegae besloten
samen te komen omstreeks elf uur. Om één uur aanvang van gezamenlijke lunch.
■Mie Oud-Absyrtianen ontvangen binnenkort een persoonlijke lutnodiging.

Het Comité:

Dr. H\'. B. van den Burg,
M. Karsemeijer,
Dj. de Jong.

-ocr page 169-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

Augustus,

1, Centrale Keuring VLN, Opmeer.
1 —14, Dierg. Stud. Kring. N.S.U.-Zomereongres te Gent en Cureghem (België).
2—3, Kaastentoonstelling, Woerden.

World Ass. for Buiatrics. Int. Congres, Zürich. (pag. 1147 (1965), 491,
624)

6, Kroonkeuring VLN, Meerkerk.
11—18, 9e Intern. Congres Dierlijke Produktie, Edinburgh, (pag. 595, 1296
(1965))

15—21, 13e Wereldpluimveecongres, Kiev (U.S.S.R.).
19 en 20, UTV Nationale paardendagen. Utrecht.
25, Goveka, Gouda.

25, Provinciale fokveedag (F.H.), Etten.
31, Fokveedag Hoorn (F.H.).

September,

5, Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven K.N.M.v.D. Vergade-
ring, 14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 826, 940)

13, Keuring vrouwelijk vee (F.H.), Leeuwarden.

14, Keuring stieren alle leeftijden (F.H.), Leeuwarden.

16 en 17, Nationale Trekpaardententoonstelling, \'s-Hertogenbosch.

17, Réunie van Oud-Absyrtianen, 11.00 uur. Hotel Figi, Zeist. (pag. 988)
25—1 okt., British Veterinary Association. Jaarcongres, Brighton, (pag. 781)

27, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Lustrumviering, (pag, 940)
29—1 okt., Ornithophilia, Utrecht.

29, Groep Dir. Vleeskeuringsdiensten en keuringsdierenartsen K.N.M.v.D.
Vergadering, 10.00 uur. Restaurant Smits, Utrecht, (pag. 781)

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)

5, Keuring stierkalveren (F.H.), Leeuwarden.
7 8, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 113e Algemene Verga-
dcrin.g. Utrecht, (pag. 709)

November,

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren, Symposium, R.I.V. Bilthoven.
(pa.g. 625)

1967

A pril,

26—28, Congres „Ges. f. Versuchstierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 170-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

IN MEMORIAM

Nicolaas Daniël Matthieu Dekker

Op 16 mei 1966 overleed plotseling, op weg van de
kliniek naar huis, collega Nicolaas Daniël Matthieu
Dekker.

Hij werd geboren op 18 juli 1904 te St. Anna Paulow-
na, volgde aldaar het lager onderwijs en daarna in
Den Helder het middelbaar onderwijs. Direct nadat
hij de H.B.S. had doorlopen, liet hij zich inschrijven
aan de toenmalige Veeartsenijkundige Hogeschool in
Utrecht, alwaar hij in 1931 afstudeerde.
Spoedig na zijn afstuderen vestigde hij zich als prak-
tizerend dierenarts in \'t Zand (gem. Zijpe) in de
provincie Noord-Holland. Na enkele jaren was hij er
al in geslaagd hier een goede praktijk op te bouwen.
Hij huwde met mejuffrouw A. L. Linders, uit welk
huwelijk een dochter werd geboren.

Dekker was een practicus in hart en nieren en het is
dan ook geen wonder dat hij zijn praktijk vele jaren
met plezier en met grote plichtsbetrachting heeft
gedaan. Ook tijdens de oorlog werd de praktijk, onder
steeds moeilijker wordende omstandigheden, voortgezet.
Hij was in die tijd hoofd van de luchtbescherming.
Ook op andere gebieden zag hij niet lijdelijk toe, dit
blijkt wel uit het feit, dat hij door de bezetters enige
tijd in Scheveningen werd gevangen gehouden. Direct
na de oorlog was hij enige tijd waarnemend burge-
meester.

In 1952 werd hij benoemd tot wetenschappelijk ambte-
naar le klasse bij de Kliniek voor Inwendige Ziekten
van de Rijksuniversiteit te Utrecht, destijds onder
leiding van Prof. Dr. J. A. Beijers.
Wie meent dat er toen voor de practicus wat rustiger
jaren waren aangebroken, komt bedrogen uit. Al direct
besefte Dekker, dat zijn kennis als practicus volkomen
onvoldoende was voor het klinisch onderwijs en onder-

-ocr page 171-

zoek. Jaren van studie volgden, daarbij gestimuleerd
en bijgestaan door zijn vriend F. H. van Raadshoven.
Na jarenlange intensieve studie is collega Dekker erin
geslaagd een goed internist te worden, waarbij hij
echter de problemen van de practicus nooit uit het
oog verloor. Op 1 december 1955 werd hij benoemd
tot wetenschappelijk Hoofdambtenaar.

Na het aftreden van Prof. Beijers op 1 februari 1956
beheerde hij tot eind 1956 de Kliniek voor Inwendige
Ziekten. In dat jaar heeft hij reeds als opvolger van
collega van Raadshoven het onderwijs verzorgd in de
klinische diagnostiek van de grote huisdieren.

Ook na de benoeming van ondergetekende op 1 januari
1957 is collega Dekker dit onderwijsgedeelte blijven
verzorgen. Hij gaf dit onderwijs met groot entousiasme
en niets was hem hiervoor teveel. Op 1 september 1961
werd hij benoemd tot wetenschappelijk Hoofdambte-
naar A, terwijl hij op 1 februari 1963 een leeropdracht
ontving voor het onderwijs in de klinische diagnostiek.
Collega Dekker beperkte zich zeker niet uitsluitend
tot deze taak, hij bleef deelnemen aan het klinische
werk en hij verzorgde graag de klinische demonstraties.
Collega Dekker had twee eigenschappen die hem tot
een buitengewoon waardevolle medewerker maakten;
hij had een sterke plichtsbetrachting en een groot
gevoel voor humor. Zijn plichtsbetrachting was uiter-
aard voor zijn werk van belang, maar zijn gevoel voor
humor was vooral van belang voor de onderlinge sfeer
in de kliniek.

De laatste levensjaren zijn voor collega Dekker zeker
niet altijd gemakkelijk geweest. Enkele malen was hij
ernstig ziek, maar steeds begon hij, na herstel, weer
met vreugde aan zijn taak. Temidden van het groeien-
de aantal jonge stafleden bleef hij een rustpunt. Een
man met een bijzonder goede en praktische kijk op
de diergeneeskunde.

Zeer vele jonge collegae zullen aan zijn practica, colle-
ge\'s en demonstraties een goede herinnering hebben
behouden.

Gaarne wensen wij zijn vrouw en dochter sterkte bij dit
zo onverwacht verlies.
Dat hij ruste in vrede.

Utrecht. G. WAGENAAR.

-ocr page 172-

IN MEMORIAM
F. J. A. Bruins

op 22 februari 1966 overleed te Haarlem: F. ]. A.
Bruins.

Fokko Jan Anthonie Bruins, Ton voor zijn vrienden,
werd 1 februari 1897 geboren te Vollenhove.
Na de lagere school volgde hij de H.B.S.-B en behaalde
in 1915 het einddiploma.

In 1922 studeerde hij af als dierenarts en met ingang
van 1 februari 1922 werd hij assistent aan de toen-
malige Veeartsenijkundige Hogeschool. Ton bleef assis-
tent tot 1 april 1923 en had inmiddels gesolliciteerd
naar Delfzijl, waar hij op 9 april 1923 de functie van
keuringsdierenarts, hoofd van de vleeskeuringsdienst,
aanvaardde.

Inmiddels was Ton getrouwd met mejuffrouw J. E. C.
van Asselt en uit dit huwelijk zijn twee zoons en een
dochter geboren.

Hij is bijna 8 jaar in Delfzijl gebleven. Op 1 maart
1931 kwam hij als keuringsdierenarts „op proef" in
Haarlem. Een jaar later volgde zijn vaste benoeming
en per 1 juni 1946 werd hij adjunct-directeur. Bij de
pensionering van collega de Vries volgde hij deze op
1 november 1954 op als directeur.
Sedert 1 juni 1946 was hij tijdelijk rijkskeurmeester in
bijzondere dienst. Van mei 1959 tot januari 1965 werd
Ton tijdelijk belast met de waarneming van de leiding
van de vleeskeuringsdienst Velsen.

Van 4 januari 1917 tot 20 februari 1918 is hij in
militaire dienst geweest in opleiding voor reserve
paardenarts; daarna kwam hij één week per jaar op.
Op 24 augustus 1939 werd hij gemobiliseerd, tot juli
1940. De 15e augustus 1948 volgde zijn pensionering
als dirigerend paardenarts 2e klas onder toekenning
van de rang van majoor.

Op 1 februari 1962 was hij 40 jaar in overheidsdienst
en werd hem tijdens een receptie de onderscheiding van
Officier in de Orde van Oranje-Nassau verleend.
Gedurende zijn directoraat heeft hij het Haarlemse

-ocr page 173-

slachthuis sterk gemoderniseerd en gemechaniseerd. Hij
paste, door geleidelijk de installatie te moderniseren,
de nieuwste inzichten toe die een vlotter en ook hy-
giënischer verwerken der slachtingen mogelijk maakte
(o.m. hangend verbloeden, ontharingsmachine en auto-
matisering van de koelinstallatie).

Hij was een harde werker, die veel van zichzelf, maar
ook van anderen eiste. Een krachtige figuur, streng
maar tevens rechtvaardig in zijn beleid. Een man met
gezag, die als zodanig ook gerespecteerd en gewaar-
deerd werd.

Ruim acht jaar heb ik onder de directe leiding van
hem gewerkt. Hij heeft daarbij zo veel mogelijk van
zijn gedegen kennis en vakmanschap aan mij overge-
dragen, waarvoor ik hem zeer dankbaar blijf. Zijn
entousiasme voor het vak en zijn grote werklust blijkt
bovendien nog uit het feit, dat hij tal van jaren cur-
sussen heeft gegeven aan de jonge slagers en de aan-
staande keurmeesters, ook vervolgcursussen voor keur-
meesters. Daarnaast is hij voorzitter gewees van de
Vereniging van Slachthuisdirecteuren van 17 mei 1958
tot 25 januari 1962.

Dat zijn leidersgaven ook buiten de vleeskeuring
werden erkend moge blijken uit het feit, dat hij na
van 30 november 1946 tot 1 januari 1953 secretaris
van de afd. Noord-Holland van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde te zijn geweest tot voorzitter werd
benoemd. Deze functie vervulde hij tot 1 januari 1957
en wegens zijn grote verdiensten werd hem op 20
februari 1957 het erelidmaatschap verleend.
In de laatste jaren van zijn loopbaan is hij een paar
maal gedurende een lange periode zeer ernstig ziek
geweest, maar dank zij zijn bijzonder sterk gestel
en
zijn ijzeren wil is hij daar weer goed van hersteld,
alhoewel hij zich daarna in acht moest nemen.
Op 1 november 1962 ging hij met pensioen en sloot
daarmee zijn drukke loopbaan af om van een wel-
verdiende rust te gaan genieten. Na zijn pensionering
is hij weinig meer op het slachthuis geweest. Deze
periode was voor hem voorgoed afgesloten, hoewel de
verhouding met mij, zijn opvolger, buitengewoon goed
was en bleef.

Hij was dol op zijn kleinkinderen en in zijn laatste
levensjaren heeft hij van dat contact buitengewoon
genoten.

Volkomen onverwacht kwam het bericht van zijn plot-
seling overlijden, waarbij een gevoel van leegte mij
overviel door het verlies van iemand, die men zo goed
heeft leren kennen en waarderen en in wiens gezin
mijn vrouw en ik zo bijzonder sympathiek zijn opge-
nomen.

Als eerste ondergetekende zou ik aan dit in memoriam
nog graag willen toevoegen, dat ik de meest aangename
herinneringen heb aan de tijd, dat ik als directeur
van de Gezondheidsdienst voor Dieren, veel te maken

-ocr page 174-

had met Ton bij de afwerking van het 5-jarenplan van
de t.b.c.-bestrijding.

Bovendien hadden wij regelmatig contact in de bijeen-
komsten van het bestuur van de afd. Noord-Holland
van de Maatschappij voor Diergeneeskunde en voor-
zitter, secretaris en directeur van de Gezondheidsdienst.
Een algemeen gewaardeerd collega ging van ons heen
na een uiterst werkzaam leven.

Moge de waardering en het respect, dat wij collegae
voor Ton hadden, jou en de kinderen tot troost
strekken, Bep. En moge je de kracht gegeven worden
in dit onherroepelijk afscheid te berusten.

Rust in vrede beste Ton.

Alkmaar. D. REMPT.

Aerdenhout. K. P. POSTMA.

-ocr page 175-

VAN HET BUREAU.

adres: Rubenslaan 123 - Utrecht,
telef.: (030) I 14 13 en 1 37 49.

girono.: 511606 t.n.v. de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Herhaalde mededeling, honden- en kattenbesluit, entcertificaten.

Nogmaals wordt erop geattendeerd, dat bij vooruitbealing van ƒ 2,- per stuk op
gironummer 511606 van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde te Utrecht, de voorgeschreven bloes certificaten per omgaande worden toe-
gezonden. Ten overvloede wordt er nog eens aan herinnerd, dat dit
het enige rechts-
geldige certificaat van inenting is,
als bedoeld is art. 3, lid 1, onder c, van het honden-
en kattenbesluit (Stb. 1964, 385).

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur draagt voor het lidmaatschap van de Kon. Ned. Maatschappij voor
Diergeneeskunde voor de collegae:

F. J. J. Crcmers, \'t Zandt 21, Boxmeer
L. Dijkhuis, Stadhoudcrslaan 7, Utrecht

M. P. Moons, Oude Doetinchemseweg 5 F, Zeddam
C. P. M. Ooms, Zandstraat 105, Bergen op Zoom

Adreswijzigingen e.d.:

Byron, H. G., van Utrecht naar Paramaribo (Suriname), Landsboerderij, Leyswcg 1,
P.O.B. 691, wnd. h. Dnst. Veeteelt. (van 170 naar 231)

Jong, O. J. G. de, van Gramsbergen naar .\'Ammerzoden, Wellseindsedijk 6, tel.

(04185) 39 8, gr. 924785, P. (189)

Meijer, W. C. Ph., van Naarden naar Vrijburg, K.P. (Z.-,\\frika), Postbus 67, tel. 11,
Staatsveearts. (van 201 naar 233)

Moerman, A., Kampen, tel. tc wijzigen in 39 30. (201)

Roelofs, J. A., van Utrecht naar Rosmalen, Cornelis Bosstraat 18, tel. (04100)
42 41 2, P., geass. met J. M. Wijsmuller. (210)

Roelofs - van Emden, Mevr. M. E., van Utrecht naar Rosmalen, Cornelis Bosstraat 18,
tel. (04100) 42 41 2, D. (210)

Schölten, H. H. J., Groesbeek, naar Molenweg 23 aldaar, tel. (08891) 14 36. (213)
Teenstra, D. P., van Utrecht naar .Amstelveen, Populicrcnlaan 533, tel. (02964)
12 70 9, P., ass. bij G. M. Smits te Amsterdam. (219)

Vierdag, J. H., van Bedum naar Delfzijl, Nieuwstad 42, tel. (05961) 33 fi7 (bur.),
h.k. en dir. ab. Delfzijl. (223)

Willcmsc, A. H., van Utrecht naar Woudenberg, Willem de Zwijgcrlaan 105, D.

(228)

Benoemd:

Gotink, W. M., m.i.v. 1 juli 1966 tot directeur van de Gezondheidsdienst voor Dieren
in Overijssel. (179)

Reinders, R. D., m.i.v. 1 mei 1966 tot rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de
Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Dokkum. (209)

Jubilea:

Op 1 augustus hopen de volgende collegae het feit te herdenken dat zij 55 jaar
dierenarts zijn:

A. Febcrwee, Gorsscl

Dr. C. J. Fohner, Amsterdam

J. S. Hoogstra, Velp

G. Terpstra, Roordahuizum

-ocr page 176-

II. Vencnia, Luntcren
M. L. O. Verkerk, Delft

Dierenartsexaiiieii 8 juli 1966:
R. Bootsma
F. J. J. Cremc rs
C. P. M. Ooms
A. Osinga

RECTIFICATIE

In de aflevering van 15 jtdi j.1. komen op pag. 886 helaas zeer storende

zet- en opmaakfoiiten voor, waardoor de tekst onbegrijpelijk wordt.

De volgende rectificaties dienen te worden aangebracht:

1. Onder „Methoden" dient de le zin van de 2e alinea alsvolgt te luiden:
.,De standaardisatie van het ABR-antigeen geschiedt volgens de door S t a b 1 e -
forth (1958) gebezigde methode"

2. Onder „Methoden" dienen de laatste 5 zinnen van de hierop \\olgende
3e alinea alsvolgt te luiden:

„Bij de ABR-verdunningstest wordt de positieve melk verdund nul de melk van
een rund, waarvan bewezen is, dat het brucellose-vrij en .\\
BjI negatief is, in de
verhouding 1 : 2 - 1 : 4 etc. en met dit mengrel wordt de tekst als boven be-
schreven uitgevoerd. De hoogste verdunning welke nog duidelijke ringvorming
te zien geeft is de verdunningstiter"

In deze aflevering van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde zal een los

correctieblad worden ingelegd, waarin deze verbeteringen zijn opgenomen

en dat men in de aflevering van 15 juli zal kunnen inplakken.

De „Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren in Overijsser\'

vraagt voor haar laboratorium een

DIERENARTS

Gezocht wordt een jonge dierenarts met veel
belangstelling voor de bakteriologie en de
pathologie.

Schriftelijke sollicitaties dienen te worden gericht aan de
Directeur van de Gezondheidsdienst, Veemarkt 10 te
Zwolle.

-ocr page 177-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

P. }. Haartsen, Gasvergiftiging in een rundveestal tengevolge
van het roeren in de mestopslagkelder — Gaspoisoning in a
cowshed as a result of agitation in the slurry tank
— . . . 997
C. J. G. van der Horst and C. H. W. de Bois, An investigation
into the composition of the ketosteroids occurring in corpora
lutea of cows, horses and sows with the aid of dinitrophenyl-

hydrazine.............1002

ƒ. Tesink, Luchtverontreiniging en gevolgen daarvan voor mens,
dier en plant — Air pollution and its consequences for men,
animal and plant
—...........1015

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

H. H. Lensing, W. H. Smits en S. A. M. van Cleef, Stafylo-
kokken-infectie bij leghennen — Staphylococcus infection in
laying hens
—............1032

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten.........1037

Farmacologie en toxicologie.........1038

Voedingsmiddelenhygiëne.........1039

Ziekten van het Kleine Huisdier........1040

1042

1042

1043

1044
1044

BOEKBESPREKING

K. H. Wegener, Radioaktivität und Veterinärmedizin .

Veewet; 9e druk versehenen.......

Rapport Organisatie Rundveeteelt.....

„World Review of Animal Production" ....
„Sistrum".....

INGEZONDEN

Aleukemische lymfoide leukose bij het varken (W. Misdorp) 1045

1045

1046
1050
1056
1056

BERICH TEN EN VERSLAGEN

Oproep............

Rede van de Minister van Landbouw en Visserij .
W.A.V.F.H., 4e Internationaal Symposium, Nebraska 1965
Derde Veterinaire Ruiterdag, september 1966 .
Staartbijten bij mestvarkens.......

CONGRESSEN

Cursus Medische Statistiek.........1058

Pluimveeconferentie, Utrecht.........1058

Symposium C.R.D., Kiev, 1966 ................1058

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1059

DOORLOPENDE AGENDA............1061

KON. NED. MA.ATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Necrologiën, In memoriam P. ]. Hilarides......1062

Van het Bureau............1064

Personalia.............1064

-ocr page 178-

Promintic

handelsmerk

Voor een snelle en afdoende
behandeling van de
parasitaire gastro-enteritis
kj runderen en schapen.

Een modem, per injectie toe te dienen, breedspec-
trum anthelminticum, werkzaam tegen de gehele
reeks van maag- en darmwormen, ook tegen Nema-
todirus, en tegen de longworm.

• werkzaam tegen volwassen en niet - volwassen
wormen

• geeft een snelle klinische verbetering

• verkrijgbaar in flacons met 250 ml (voor meer-
malige toediening).

(methyridine)

Levering uitsluitend via de dierenarts.

I.C.1. (HOLLAND) N.V. Postbus 651 Rotterdam-1 telefoon 010-140122

-ocr page 179-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Gasvergiftiging in een rundveestal tengevolge
van het
roeren in de mestopslagkelder

Gas poisoning in a cowshed as a result of agitation in
the slurry tank.

door P. I. HAARTSEN1)

Inleiding

In de moderne rundveestal zijn de laatste tijd veel veranderingen ge-
komen. Een belangrijke wijziging heeft zich voltrokken bij het uitmesten;
steeds meer bedrijven gaan er toe over om een arbeidsbesparende en
-verlichtende uitmesdnrichdng in hun stallen aan te brengen. Vooral het
drijfmestsysteem maakt veel opgang; momenteel is dit reeds naar schat-
ting op een 3500 bedrijven in gebruik.

De vaste mest en de gier drijven bij het drijfmestsysteem langzaam naar
de opslagplaats — meestal een gesloten kelder — toe. Bij langdurige be-
waring van mengmest treedt in de kelder een scheiding op van de vaste
en dc vloeibare delen. Om te voorkomen dat de vaste delen tijdens het
leegpompen in de kelder achter blijven dient de mengmest vóór het uit-
pompen te worden geroerd. Ook in mestkelders onder roostervloeren voor
varkens of jongvee moet soms worden geroerd alvorens tot leegpompen
kan worden overgegaan.

Door het roeren en wegpompen van de mest komen gassen vrij die —
indien niet de juiste voorzieningen hiertegen zijn getroffen — in de stal
kunnen binnendringen en daar vergiftigingsverschijnselen kunnen ver-
oorzaken. In februari 1966 werden wij opmerkzaam gemaakt op een
rundveestal in de provincie Overijssel, waarin tijdens het roeren van de
mest in de mengmestkelder een viertal koeien bedwelmd waren geraakt;
één van de dieren moest ter plaatse worden afgemaakt. Aangezien het ver-
moeden bestond dat hier sprake was van gasvergiftiging, werd door ons
in overleg met de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren te Zwolle en
het Rijkslandbouwconsulentschap te Zwolle, een onderzoek ingesteld, waar-
\\\'an de resultaten in het navolgende zullen worden weergegeven.

Literatuur

Uit de literatuur is bekend dat tijdens het bewaren organische bestand-
delen van de mest door bacteriologische afbraak worden omgezet, o.a. in
koolzuur, ammoniak en zwavelwaterstof. In lage concentraties aanwezig
zullen deze gassen niet schadelijk zijn voor de dieren. Als maximaal toe-
laatbare concentraties in de stallucht worden, o.a. in het Duitse normen-
blad DIN 18910 (1963), genoemd: CO;,: 0,35 vol.%; NH3: 0,01 vol.%;
H2S: 0,002 vol.%.

Een duidelijk te constateren schadelijk effect treedt pas op bij veel hogere
concentraties. Gom berg en Wolfermann (1964) vermelden dat
verstikking door een te hoog GOg-gehalte pas optreedt bij een concentratie
van 7 a 8 vol.%. Een NHg-concentratie tussen 0,05 en 0.1 vol.% zal de

1  Ir. P. I. Haartscn; wetenschappelijk hoofdambtenaar bij het Insdtuut voor Land-
bouwbedrijfsgebouwen, Dr. S. L. Manshohlaan 12 te Wageningen.

-ocr page 180-

ogen en de luchtwegen aantasten; een gehalte van 0,2 vol.% kan dodelijk
zijn. Een HgS-gehalte in de lucht van 0,05 vol.% zal ernstige storingen
van het ademhalingsorganisme oproepen, terwijl een dodelijke concen-
tratie ligt tussen 0,08 en 0,15 vol.%.

Over het algemeen blijft in de stallucht het gehalte aan de genoemde gas-
sen ver beneden wat als toelaatbaar wordt geacht. Volgens metingen van
Comberg en Wolfermann, uitgevoerd in diverse rundvee- en
varkensstallen voorzien van een roostervloer of van een drijfmestinstal-
latie, schommelt het NHs-gehalte in de stallucht tussen O en 0,007 vol.^\'r.
het HgS-gehalte tussen O en 0,0001 vol.% en het COo-gehalte tussen 0,13
en 0,30 vol.%.

Tijdens deze bepalingen werd echter niet in de mest geroerd. Gebeurt dit
wèl, dan zullen de gasconcentraties oplopen. Comberg en Wolfer-
mann (1966) constateren onder dergelijke omstandigheden vooral een
verhoging van ^et H2S-gehalte. In een redelijk goed geventileerde var-
kensstal vonderi zij toen o.m. een HgS-concentratie van 0,0033 vol.%, be-
duidend meer dan wat in Duitsland als maximumnorm geldt. Enkele
dieren kregen hierbij tijdelijk ademhalingsmoeilijkheden.
In slecht geventileerde stallen kunnen ten gevolge van het roeren ernstige
gasvergiftigingen optreden. Volgens een korte mededeling in het
Bayer.
Landwirtsch. Wochenhlatt
(1966) stierven binnen enkele minuten nadat in
de kelder onder een roostervloer met kracht lucht werd geblazen om een
goede menging van dc mest te verkrijgen 20 varkens door H2S-vergifti-

ging-

McQuitty en McAllister (1965) onderzochten een drietal var-
kensstallen in Noord-Ierland, waarin de dieren waren gestorven nadat in
de mestkelders was geroerd. Als vermoedelijke oorzaak geven ook zij H2S-
vergiftiging aan; onder bepaalde omstandigheden — vrije toegang van de
in de kelders geproduceerde gassen tot de slecht geventileerde stallen -
vonden zij
H2S-concentraties tot 0,08 vol.%.

Eigen metingen

De metingen werden in een met een drijfmestinstallatie uitgeruste rund-
veestal uitgevoerd, enige dagen nadat hierin koeien waren bedwelmd
geraakt en onder daaraan vrijwel gelijke omstandigheden. De buiten-
temperatuur was beneden het vriespunt, de ventilatie-openingen in de
stal waren mede in verband met de krachtige wind gesloten, terwijl de
aansluiting van de grup met de buiten gelegen mestkelder niet met een
schuif was afgesloten. Een en ander had lot gevolg dat plaatselijk in de
stal een luchtstroming ontstond van de grup naar het midden van de stal,
dus langs de koppen van de koeien.

In de kelder is een vleugelroerder aangebracht, waarmee de vaste en vloei-
bare bestanddelen van de mest vóór het uitpompen konden worden ge-
mengd.

Metingen van de gasgehaltes werden verricht:

1. in de mengmestkelder vóór het roeren;

2. in de mengmestkelder tijdens het roeren;

3. in de grup onder de roosters daar waar de koeien het sterkst rea-
geerden, vóór het roeren;

4. als 3, echter tijdens het roeren;

-ocr page 181-

5. tijdens het roeren tussen de koppen van de koeien die het sterkst
reageerden.

De metingen werden uitgevoerd met behulp van een Drager-gasindicator,
waarbij het gehalte aan NH3, HgS en CO2 in de lucht werd bepaald.

Ad 1. In de mengmestkelder vóór het roeren.
De volgende gehaltes werden gemeten:
NH3: 0,003 vol.%
HgS : nihil
CO2: 0,05 vol.%

Ad 2. In de mengmestkelder tijdens het roeren.

Na 5 a 10 minuten werden de volgende gehaltes gemeten:
NH3: meer dan 0,07 vol.%
H2S : meer dan 0,06 vol.%
CO2: 0,35 vol.%
De meetschaal van het gebruikte apparaat liet niet toe om voor
NH3 en H2S een hoger gehalte dan resp. 0,07 en 0,06 vol.% te
registreren. De snelle reactie deed echter vermoeden dat de werke-
lijke gehaltes aanzienlijk hoger lagen dan kon worden geregistreerd.

Ad 3. In de grup onder de roosters vóór het roeren.
NH3: 0,002 vol.%
H2S : nihil
CO2: 0,12 vol.%

Ad 4. In de grup onder de roosters, 5 a 10 minuten nadat met het roeren
was begonnen.

NH3: 0,008 vol.%
H2S : 0,015 vol.%
CO2: 0,5 vol.%

Ad 5. Tussen de koppen van de koeien, ongeveer 10 minuten na het begin
van het roeren.

NH3: 0,07 vol.%
H2S : 0,012-0,06 vol.%
GO2: 0,2 vol.%

Zowel van het NH3-gehalte als van het H2S-gehalte werden bij de
laatste meting verschillende bepalingen verricht. Het NHs-gehalte
was vrijwel constant, het H2S-gehalte schommelde tussen 0,012
vol.% (6 maal het toelaatbaar geachte gehalte) en 0,06 vol.%, wat
ernstige storingen kan opleveren.

Tijdens deze laatste meting werd ook het zuurstofgehalte van de
stallucht bepaald: 20,1 vol.%, wat dus slechts een geringe daling
betekent in vergelijking met het normale zuurstofgehalte van de
lucht.

Bespreking van de uitkomsten

In overeenstemming met wat in de literatuur wordt vermeld ten aanzien
van varkensstallen, was de concentratie van de genoemde gassen in de
mestkelder vóór het roeren zeer laag. Door het krachtige roeren steeg de
gasconcentratie in de kelder aanzienlijk, vooral die van NH3 en HgS en
in mindere mate ook die van CO2.

-ocr page 182-

De gassen konden vanuit de kelder vrij toetreden in de drijfniestgruppcn
en brachten hierin een beduidende verhoging \\ an de gasconcentraties te-
weeg. De luchtbeweging in dc stal - - veroorzaakt door verschillende fac-
toren zoals windrichting, buitentemperatuur, gebrekkige ventilatie, etc. -
zorgden ervoor dat de gassen over de grond werden getransporteerd naar
de koppen van de koeien, althans on één bepaalde plaats in de stal. Hier
werden bij vlagen zeer hoge concentraties H2S en NH3 gemeten.
De dieren reageerden duidelijk: ze traanden, kwijlden en hoestten. Een
ammoniakconcentratie zoals die bij de koeien werd gemeten, nl. 0,07
vol.%, tast ogen en luchtwegen aan. Het H2S-gehalte dat bij de lutge-
voerde meting eenmaal boven 0,06 vol.% kwam, wijst er op dat de koeien
bedwelmd moeten zijn geraakt door een dergelijke zeer hoge H^S-conceti-
tratie, eventueel in combinatie met het te hoge NHs-gehalte. Dat HoS
niet werd geroken is mogelijk verklaarbaar door het hoge NHa-gehallc,
dat de reukorganen te sterk kan irriteren om ze normaal te laten func-
tioneren.

Conclusie

Gasvergiftiging in een stal tengevolge van het roeren in een mestkeldcr
is mogelijk als een aantal ongunstige omstandigheden daartoe tegelijkei tijd
aanwezig zijn, zoals: directe verbinding tussen mestkclder en stal, bijv. \\ ia
een niet afgesloten grup, onvoldoende stalventilatie en een overvolle mest-
kelder. Door het krachtige roeren komen diverse gassen vrij, waar\\an
vooral H2S en NH3 in zodanige concentraties kunnen voorkomen dat \\er-
giftigingsverschijnselen onder de dieren hiervan het gevolg kunnen zijn.
Een en ander kan worden tegengegaan door het nemen van de juiste
voorzorgsmaatregelen. Zo zal tijdens het roeren en het i)om[)en van de
mest de aansluiting van de grup op de kelder met een schtnf dienen te
worden afgesloten. Tegelijkertijd dient de stal goed te worden geventi-
leerd; vooral bij een mestkelder die niet van de stal kan worden afge-
sloten, bijv. onder een roostervloer, dient maximaal te worden geventi-
leerd tijdens het roeren en pompen. De mestkelder mag nooit geheel wor-
den gevtdd; het mestniveau dient minstens 30 ä 45 cm onder het kelder-
dek tc blijven. Tijdens het roeren dient de kelder buiten te worden ont-
lucht, bijv. door de mangaten — bij voorkeur afgedekt met een rooster --
open te le.ggen.

S.-WIENVATTING.

Beschrijving van cen geval van gasvergiftiging in cen rundveestal, veroorzaakt door
het omroeren van mengmest in een kelder die in open verbinding stond met dc stal.
Uit metin.gen bleek dat tijdens het roeren — indien de omstandigheden daartoe
meewerken — aanzienlijke hoeveelheden zwavelwaterstof en ammoniak de stal in
kunnen komen.

SUMMARY.

Description of a case of gas poisoning in a cowshed caused by mixing slurry in a tank
in open connection with the shed. From measures it appeared that during agitation
— if circumstances are unfavourable — considerable quantities of hydrogen sulphide
and ammonia can get into the shed.

-ocr page 183-

RÉSUMÉ.

Description d\'un cas d\'intoxication par le gaz dans une étable bovine causée par le
remuement de fumier mélangé dans une cave se trouvant en communication ouverte
avec l\'étable. Des mesurages révélèrent que pendant le remuement, lorsque les circon-
stances coopèrent, des quantités considérables d\'hydrogène sulfuré et d\'ammoniaque
peuvent s\'introduire dans l\'étable.

ZUS.-^MMENFASSUNG.

Beschrieben wird ein Fall von Gasvergiftung in einem Kuh-stall, verursacht durch
Umrühren von Mengmist in einem Keller, der in direkter Verbindung mit dem Stall
stand. Aus Messungen ergab sich, dass während des Rührens — falls die Umstände
dazu beitragen — ansehnliche Mengen Schwefelwasserstoff und Ammoniak in den
Stall gelangen können.

RESUMEN,

Se describe un caso de una intoxicacion de gaz en una galera, causada por removiendo
esdercol mezclado en un sotano lo cual estaba en una concxion abierta con la galera.
De mediciones resulto, que durante el remover, si las circunstancias contribuien,
pueden llegar a la galera cantidades notables de hidrogeno sulfurico y de amoniaco.

LITERATUUR.

Cornberg, G, und W o 1 f c r m a n n. H, F. : Der Kohlendioxyd-, Ammoniak- und
Schwefelwasserstoffgehalt der Stalluft von Rinder- und Schweineställen mit Gitter-
rost und Spaltenboden.
ALB-Bericht, 22, 19, (1964).
Cornberg, G. und W o 1 f e r m a n n, H. F.: Weitere Untersuchungen zur Frage
schädlicher Gasgehalte in der Stalluft von Schweineställen mit Spaltenboden.
Bauen auf dem Lande, 17, 46, (1966).
DIN 18910, Blatt 1, Klima im geschlossenen Stall; Klima- und Wärmehaushalt im
Winter. (1963).

M c Q u i t t y, J. B. and McAllister, J. S. V.: Toxic gases from pig slurry.

J. Farm Build. Ass., 9, 98, (1965).
Abgase töten 20 Schweine. Bayer. Landwirtsch. Wochenblatt, 156, 24, (1966).

-ocr page 184-

An investigation into the composition of the
l(etosteroids occurring in corpora lutea of cows,
horses and sows with the aid of dinitrophenyl-
hydrazine

by C. J. G. VAN DER HORST and C. H. W. DE BOIS1)

Introduction

In order to get more informations on the ketosteroid composition of corpora
lutea of some species of animals, a method has been developed with which
the progesterone content etc. can be determined in one single corpus lu-
teum. From experiments it appeared that the ketosteroids easily can be
eluted with ether after having minced the corpus luteum with anhydrous
sodium sulphate. Subsequent to a purification of the extract, the ketoste-
roids are quantitatively precipitated with dinitrophenylhydrazine and after
separation with thin-layer chromatography they can be measured with a
spectrophotometer.

First the method is described and after the discussion of the method some
results are given obtained in this way with corpora lutea of cows, horses
and pigs. Some results obtained with follicular fluid of horses and of cows
are also mentioned.

As this method is rather sensitive, it was possible to divide some corpora
lutea in parts in order to examine wether progesterone is equally distri-
buted all over the corpus luteum.

Some weeks ago Kent and Rawitch (1965) mentioned in a preli-
minary note that it is possible to precipitate some ketosteroids with dini-
trophenylhydrazine; they suppose, that it might be possible to use this
reaction for determinations in biological material. They themselves used
only pure ketosteroids. Though our investigations still are in progress, the
preliminary results obtained last year with the aid of dinitrophenylhydrazine
are given now.

Method

The corpora lutea are weighed and then they are minced in a mortar
with anhydrous sodiumsulphate; the obtained powder is left overnight
under ether. The ether is evaporated in vacuo and the residue is treated
with 70% methanol in order to remove fats. The niethanolic sohition is
cooled until about —10° C during half an hour, after which it is centri-
fuged. The liquid is extracted with ether. This treatment with 70% me-
thanol is repeated till no more residue remains. Then the ether extract is
dried with anhydrous sodiumsulphate and the ether is evaporated under
nitrogen until the residue is completely dry.

After that it is dissolved in benzene and this solution is passed through a
column of -M2O3. When a rather great quantity of benzene has ]3assed the
column, the ketosteroids are eluted with a 10% solution of alcohol in ben-

1  Dr. C. J. G. van der Horst; head of the Endocrine Laboratory of the Clinic of
Veterinary Obstetrics and Gynaecology, Prof. Dr. C. H. W. de Bois; Professor
in the Veterinary Obstetrics and Gynaecology, State University; Biltstraat 172,
Utrecht, the Netherlands.

-ocr page 185-

zene. After evaporation of the benzene, the residue is dissolved in a small
quantity of 70% methanol (about J/2 ml), after which two drops of a 2,4-
dinitrophenylhydrazinsolution (0.2% in 2 N HCl) are added. After about
two hours an orange-red precipitate has settled down which can easily be
centrifuged in pointed tubes. The precipitate is washed once with water in
order to remove the excess of dinitrophenylhydrazine and then it is dissol-
ved in acetone.

An adequate part of the acetone solution is then submitted to thin-layer
chromatography on silica gel G in the solvent system ethylacetate-cyclo-
hexane (30 : 70). The separated spots are scraped from the plates and the
compounds are eluted with 3 ml of acetone. After centrifugation the
extinction of the yellow coloured solutions are measured at wavelength of
380 m/i for the progesterone compound and at 390 m/x for the dinitro-
phenylhydrazin (DNPH) compounds of androstenedione, l7a:-hydroxy-
progesterone, pregnenolone and of testosterone.

Discussion of the method

In fig. la a chromatogram obtained in this way with the DNPH com-
pounds of progesterone, androstenedione, 20/S-hydroxyprogesterone, 11 a-
hydroxyprogesterone and of pregnenolone is shown. The chromatogram has
been made with a sandwich-chamber.

Fig. lb.

Thin-layer chromatogram of the ketosteroids occurring in one corpus luteum of a cow.

Fig. Ic.

\'Thin-layer chromatogram of the ketosteroids themselves viz. progesterone (I), an-
drostendione (2), 20fi-hydroxyprogesterone (3), 17a-hydroxyprogesterone (4), preg-
nenolone (5) and of a mixture (6).

Calibrationcurves of the DNPH compounds of progesterone, androstene-
dione, 17a-hydroxyprogesterone and of testosterone have been made in the
way as mentioned in the description of the method. The curves are shown

-ocr page 186-

in fig. 2. It is evident that the curves fonn straight lines and that small
amounts until 0.5 /j.g can be determined with this method. Just as is the
case with the keto-acids, the ketosteroids form often more than one spot
with DNPH. The calibrationcurve of progesterone has been made with the
strongest spot and the other curves with both spots.

Fig- 2.

The calibrationcurves of the DNPH compounds of resp. progesterone (a), androsten-
dione (b), 17a-hydroxyprogesterone (c), and testosterone (d).

OJO

OM
o.is
0.10
0.05

-ocr page 187-

Extinction

/ig(c)

Extinction

/\'g(d)

Gontrolexperiments showed, that the DNPH compounds are quantitatively
precipitated and that no appreciable losses occur by washing with water.
The DNPH compounds of all ketosteroids, which as far as we know, may
occur in corpora lutea have been investigated in the same way. From all
these compounds, the DNPH compound of progesterone has the highest
Rf value; so it is most probably, that the spot of progesterone obtained
from corpora lutea is not contaminated with other ketosteroids. The spots
of the DNPH compounds of androstenedione and 20Ii-hydroxyprogesterone
on the contrary are lying in close succession and so it is not possible to be
sure about the composition of this spot without other means. Fortunately
the Rf values of the DNPH compounds of 17a-hydroxyprogesterone and
of pregnenolone are lower.

In order to determine which components are present, thin-layer chroma-
tograms can be made of a part of the benzene solution before the addition
of dinitrophenylhydrazine. Until now the same solvent system has been used

-ocr page 188-

as for the DNPH compounds. For the detection of the spots three sprayings
appeared to be useful, viz. a solution of vanilline in phosphoric acid, a
solution of SbClg in chloroform with addition of acetic anhydride and
finally a DNPH solution (N e h e r, 1964). The results of the reactions are
given in table 1. From this it is evident that it is possible to establish which
components are present, e.g. androstenedione does not react with SbCls,
as 20B-hydroxyprogesterone gives a grey-purple coloured spot after
spraying with SbCls; 17a-hydroxyprogesterone gives a clearly orange
coloured spot after spraying with the vanilline solution etc.

Table 1.

The colour of the spots on the thin-layer chromatograms obtained after

different sprayings.

compounds

DNPH spray

vanillin spray

SbCl3 spray

progesterone

orange-yellow

androstenedione

reddish-yellow

greyish

20 yQ-hydroxyprogesterone

reddish-yellow

brown

greyish-blue

n^hydroxyprogesterone

orange-yellow

orange

pregrcnolone

yellow

greyish

purple

As the DNPH compound of progesterone has the highest Rf value, the
quantitative determination of progesterone in this way seems very trust-
worthy and probably this holds also for the determination of 17a:-hydroxy-
progesterone and of pregnenolone. As to the determination of androstene-
dione, it is necessary to investigate whether androstenedione is present
or 20/8-hydroxyprogesterone or both. It may be that the separation will
succeed in an other solvent system.

Fig. lb shows a chromatogram obtained with one corpus luteum from a
cow. Spot 1 represents the DNPH compound of progesterone, spot 2 that
of androstenedione wether or not mixed with that of 206-hydroxyprogeste-
rone and spot 5 that of pregnenolone. Moreover an unknown spot 4 is
present and sometimes a spot occurs under that of progesterone. After
spraying with SbCls and the vanilline solution more com])ounds may be
detected as e.g. B-oestradiol etc.

Already now has to be noted that the chromatograms obtained from a
great number of corpora lutea from cows show many variations; progeste-
rone is always present, but androstenedione and 20B-hydroxyprogesterone
often are absent.

Though this method is anything but perfect, yet a good impression is ob-
tained about the presence and the quantities of the ketosteroids occurring
in one corpus luteum, the better as the spraying with SbCls and vanilline
also reveals the presence of oestrogens and other compounds.

Results

The present investigations have been carried out in order to become expe-
rienced with the above mentioned method. The ovaria of cows and pigs
were obtained from the slaughter-house and so, unfortunately, no data are
known about the origin of the cows and the examined corpora lutea. The
age of the corpora lutea could be estimated only very roughly with excep-
tion of the very young ones and those from previous cycli.

-ocr page 189-

Table 2.

The amounts of progesterone, androstendione and 17a-hydroxyprogesterone
expressed as /xgjlOO g, and of pregnenolone expressed as ExtllOO g, occurring
in bovine corpora lutea younger than three weeks.

Nr.

weight

prog.

androst.

17^-hydroxy-

pregnenolone

cows

corpora

^g/100 g

,ig/100 g

prog.

Ext/100 g

lutea g

MS/ioo g

1

0.36

5950

1660

5800

26.5

2

0.69

1810

520

0

10.0

3

0.71

2680

500

268

7.0

4

1.07

2340

370

740

15.5

5

1.40

1420

213

128

3.0

6

1.68

2260

590

880

7.0

7

1.72

2180

460

1220

5.0

8

1.86

484

108

216

3.5

9

2.04

1840

0

0

4.4

10

2.20

950

0

0

0

11

2.23

1700

400

450

8.0

12

2.50

352

0

0

0

13

2.70

2146

204

100

4.3

14

2.90

1258

129

34

3.0

15

3.0

930

130

120

4.5

16

3.24

179

0

111

1.2

17

3.27

1560

370

520

2.5

18

3.40

344

91

53

1.2

19

3.90

1440

970

200

3.8

20

3.91

2353

0

383

11.2

21

3.94

1370

280

560

2.0

22

4.00

2000

0

0

8.0

23

4.10

950

200

210

6.9

24

4.41

1587

159

204

5.4

25

4.61

1107

0

65

9.2

26

4.70

1344

181

76

9.3

27

4.72

670

130

140

3.5

28

4.78

1485

268

42

6.0

29

4.82

512

259

0

1.4

30

4.94

1214

162

162

5.2

31

5.00

1280

680

240

5.8

32

5.31

847

117

49

2.6

33

5.72

1660

190

10

0

34

5.77

884

0

90

9.0

35

6.00

1480

833

223

5.2

36

6.40

1380

310

0

0

37

6.60

760

760

140

7.0

38

6.70

955

96

65

14.0

39

6.83

310

42

35

4.8

40

7.34

980

0

191

2.7

In table 2 the results are given obtained with 40 bovine corpora lutea
younger than three weeks. They are arranged in order to weight, as the
age was not a reliable information. As to pregnenolone, the extinctions
calculated per 100 g of tissue are given and as to androstenedione, the
amounts are calculated from the calibrationcurve of androstenedione,
though the spots may contain much or less 20B-hydroxyprogesterone.
Therefore the content per 100 g of tissue calculated in this way for andros-
tenedione are not very valuable, but they do show clearly the existing
variations between the composition of the examined corpora lutea.

-ocr page 190-

G o m e s et al. (1963) have determined the progesterone- and 20/3-hydroxy-
progesterone content in 42 corpora lutea from cows at various stages of
the oestrus cycle. They find the greatest quantities of both components in
the corpora lutea at the age of about 11 tot 15 days. Neither progesterone
nor 20B-hydroxyprogesterone could be detected in corpora lutea (weight
0.74 g)) at the second day since oestrus in three cows. At the third day
since oestrus they find 1910 /^g progesterone per 100 g of tissue (weight
corpora lutea 0.70 g) and 10 fig 20B-hydroxyprogesterone. Till the eleventh
day they find only in a small number of cases 20/3-hydroxyprogesterone
and the highest value is 60 /xg per 100 g of tissue.

In contradistinction to their observations, it appears from table 2 that
young corpora lutea (nrs. 1-9 were all very young) can contain next to
progesterone and pregnenolone rather large amounts of androstenedione
(20/8-hydroxyprogesterone) and 17a-hydroxyprogesterone. The latter could
often be shown, not only by formation of the DNPH compound but also
by an orange-coloured spot after spraying with vanilline.
A possible explanation for these differences may be found in the expe-
riments made by W a r r e n et al. (1961). They mendon that follicular
and thecal tissue are active in Ha-hydroxylation and that capsular, stromal
and connective tissue are acdve in 20-reduction. Further they mention that
specimens from Stein-Leventhal ovaries and other luteinized structures
yield the largest amounts of 17a-hydroxyprogesterone and that increased
quantities of androstenedione were produced by the luteinized portions of
the Stein-Leventhal ovaries. Finally they conclude that the cysdc structures
of the Stein-Leventhal ovary have the capacity to synthesize greater
amounts of recognized androgenic compounds than do normal ovaries.
As these investigations have been carried out with human ovaries it is not
allowed to apply their conclusions on bovine ovaries, but it may give an
indicadon for the cause of the differences between the observations made
by G o m e s et al. and by us. G o m e s et al. used only cows with grossly
normal-appearing ovaries and with a known prehistory as in our experi-
ments nothing was known about the cows as the material was obtained
from the slaughter-house.

Table 3.

The amounts of progesterone, androstendione and l7a-hydro-Kyprogesterone
expressed as /xgjlOO g, and of pregnenolone expressed as ExtJlOO g, occurring
in corpora lutea of previous cycles from cows.

Nr.

weight

prog.

androst.

17Q.-hydroxy-

pregnenolone

cows

corpora

/lg/100 g

prog.

Ext/100 g

lutea

ixslioo g

1

0.63

50

0

0

0

2

0.86

1105

349

105

3.5

3

1.33

113

0

0

0

4

1.36

0

0

0

0

5

1.39

36

0

36

0

6

1.43

21

21

0

0

7

1.50

0

0

0

0

8

1.60

0

0

0

0

9

1.99

150

0

0

3.0

In table 3 the results are given obtained with 9 bovine corpora lutea of
previous cycli. As a rule only very small amounts of pregesterone were

-ocr page 191-

found, but one exception must be mentioned viz. nr. 2 of table 3. The
ovary contained next to a young corpus luteum (nr. 8 of table 2) two elder
ones. All corpora lutea have been examined in the same way and it
appeared that the elder corpora lutea contained more progesterone and
androstenedione than the young one. The same experiment has been car-
ried out with three other ovaria, but in these cases never progesterone
could be shown in the older corpora lutea, as it does occur in the younger
ones.

Table 4.

The amounts of progesterone, androstendione and 17a-hydroxyprogesterone
expressed as fjLgjlOO g and of pregnenolone expressed as ExtllOO g, occurring
in 15 active corpora lutea and in one corpus luteum of a previous cycle

from pigs.

Nr.

PTi^. ot

weight

prog.

androst.

17Q;-hydroxy-

pregnenolone

pigs

corpora

corpora

fiSjlOO g

/ig/100 g

prog.

Ext/100 g

lutea

lutea

/iS/lOO g

1

12

2.5

1480

280

164

5.6

2

9

2.5

1096

112

0

2.4

3

18

7.5

910

0

0

2.0

4

18

7.0

421

84

0

8.1

5

12

3.68

1700

0

0

trace

6

26

4.77

1510

0

0

4.5

7

26

13.22

832

0

0

1.8

8

21

8.36

222

0

0

2.2

9

31

12.60

1248

0

0

5.5

10

13

2.34

1300

0

0

0

11

28

12.25

376

0

60

0.3

12a

liquid

2.0

165

0

0

trace

12b

walls

6.24

353

0

35

1.3

13

16

6.8

1706

0

0

18.5

14

14

3.8

589

125

0

6.5,

15a

22

10.1

525

0

0

trace

15b

liquid

0.5

(j-oestradiol estimated 400 fj^s

16

11

1.82

0

0

0

0

In table 4 the results are given obtained in the same way with 16 ovaries
of pigs. As it is impossible to arrange them in order to weight, the number
of corpora lutea and the total weight are given. In most of the cases only
progesterone and pregnenolone were present in measurable amounts and
bul occasionally androstenedione and 17a-hydroxyprogesterone could be de-
termined. Old white corpora lutea (nr. 16 of table 4) did not contain
progesterone, the same as shown for old bovine corpora lutea. In one case
(nr. 12 of table 4) the contents of the corpora lutea was bloody and weak;
the liquid could be sucked out and it appeared that this liquid contained
only a small quantity of progesterone, viz. 3.3 p.g as the remaining walls
contained about 22 /xg of progesterone and some pregnenolone.
A second remarkable case is nr. 15 of table 4. The ovary contained 22
corpora lutea; they were weak and from one of them a J/2 ml of colourless
liquid could be sucked out. At a rough estimation it contained 2 jUg a-oestra-
diol or 400 ^g per 100 ml.

From the results obtained until now, the conclusion can be made that
corpora lutea of pigs contain less androstenedione and 17ff-hydroxypro-
geslerone than bovine corpora lutea.

-ocr page 192-

Table 5.

The amounts of progesterone, androstendione and 17a-hydroxyprogesterone
expressed as fj-gjlOO g and of pregnenolone expressed as ExtjlOO g, occurring
in some equine corpora lutea.

Nr.

weight

prog.

androst.

17Q.-hydroxy-

pregnenolone

horses

corpora

^g/100 g

/ig/100 g

prog.

Ext/100 g

lutea

/;g/100 g

la

1.47

39 4

340

0

10

Ib

2.04

1000

0

0

0

2

5.21

2260

0

0

3.5

3

7.60

2320

268

144

12.0

4

15.1

832

205

59

2.0

5

23.8

975

0

0

9.4

6

69

18

0

0

0

In table 5 the results are given obtained in the same way with 6 equine
corpora lutea. Nr. la is a young corpus luteum, 2 to 3 days after ovulation
and clearly progesterone, androstenedione and pregnenolone could be
shown. Nr. lb comes from the same horse, but it is three weeks older; yet
it contained progesterone viz. about 20 ng or 1000 ^g per 100 g of tissue,
but no more compounds could be detected. Nr. 6 is coming from a filly,
which died during the birth; the weight of both ovaria was 69 g. As to be
expected, they did not contain much progesterone, totally about 13 /xg and
further 3 to 4 jUg androstenedione. Pregnenolone could not be detected.

Table 6.

The progesterone content in different parts of the corpus luteum.

species

weight

character of the part

progesterone

of the

,ig/100 g

part g

cow

0.90

upper part

i044

2.23

a lower slice

583

cow

0.53

upper part

2200

2.09

a lower slice

725

1.23

half of the residue

1336

1.25

second half of the residue

1640

cow

0.67

upper part

2390

0.82

a lower slice

2440

5.40

remaining part

586

cow

1.74

upper part

724

2.41

lower part

600

horse

0.64

upper part

2734

1.26

a lower slice

993

6.42

residue

336

horse

2.50

upper part

1920

21.3

residue

865

cow

0.31

upper part

1680

young c.l.

1.99

residue

1700

cow

0.85

upper part

1635

young c.l.

0.81

a lower slice

1914

cow

0.94

upper part

1404

young c.l.

1.26

a lower slice

1444

-ocr page 193-

Especially with horses, unknown spots, even sometimes in rather great
intensity, were found on spraying the thin-layer chromatograms with
vaniUine; these investigations are in further progress.

As the bovine corpjora lutea contain a rather great quantity of progesterone,
it was possible to determine the progesterone content in the part of the cor-
pus luteum, which emerges from the ovary and in other parts of the same
corpus luteum. The results are given in table 6. It appears that the emerging
part often contains relatively more progesterone than the remaining parts:
from this may be supposed, that progesterone is not equally divided all over
the corpus luteum. Only the young corpora lutea form an exception; in
these cases no appreciable differences could be observed.

Finally a small number of similar experiments have been carried out with
follicular fluid. In normal follicular fluid from cows progesterone could
seldom be shown in this way, but in cystous follicular fluid progesterone
could be determined; e.g. once 5.5 fig of progesterone was found in 21.5
ml of fluid or about 27 /ig per 100 ml.

Table 7.

The amounts of progesterone, androstendione, 17a-hydroxyprogesterone
and the estimated quantities of B-estradiol per 100 ml of follicular fluid
from horses; n.d. — non detectable.

nunibei

follicles

prog.

androst.

I7^-hydroxv-

/^-estradiol

^g/100 ml

jU.g/100 ml

prog.

estimated

flSjlQO ml

^g/100 ml

1

large

75

49

15

50

small

n.d.

n.d.

n.d.

n.d.

2

large

48

13

n.d.

40

small

n.d.

n.d.

n.d.

n.d.

3

large, bloody

400

small

40

In follicular fluid of horses, on the contrary, progesterone was often found
and sometimes also androstenedione, 17Q:-hydroxyprogesterone and of course
li-oestradiol. The latter could only be estimated very roughly until now by
comparing the intensity of the spot with that of a known quantity. The
results obtained with follicular fluid of small follicles and of one large
follicle from the .same o\\ai7 fiom horses are given in table 7. It is evident
that the small follicles contain less progesterone and other compounds than
the large follicles. I\'hese results are in accordance with the observations of
Short (1964).

Acknowledgements.

The authors wish to thank Mr. G. K r i c b c 1 and Mrs. M. B 1 o in - L i e t a e r t
P e e r b o 11 e for skilful technical assistance.

The analytical part of this work was supported by the Veterinary Section of the
National Council for Agricultural Research (T.N.O.).

SUMMARY.

With the aid of dinitrophenylhydrazine and thin-layer chromatography the progeste-
rone content can easily be determined in one single corpus luteum. The calibration-
curves of the DNPH compounds of progesterone, androstenedione, 17a-hydroxy-
progesterone and of testosterone are given. From the discussion of the method it is
evident that in this way a good impression as to the present amounts of androstene-

-ocr page 194-

dione, 20/3-hydroxyprogesterone, 17a-hydroxyprogesterone and pregnenolone is ob-
tained.

After the description of the method the preliminary results acquired in this way with
49 corpora lutea from cows, 16 corpora lutea from pigs and of 7 corpora lutea from
horses are given. The most striking observation is the appearancc of great variations
in the ketosteroid composition of corpora lutea from the same species of animals.
Also it appeared in our experiments that corpora lutea of pigs contain much less
androstenedione and hydroxyprogesterone than corpora lutea from cows and horses.
It could be shown that progesterone is not equally distributed over the corpus luteum;
the parts emerging from the ovary contain often relatively more progesterone than
the remaining parts, especially in somewhat older corpora lutea.

The results obtained in this way with follicular fluid of horses appeared to be in
rather good accordance with the observations of Short.

SAMENVATTING.

Er wordt een methode beschreven, waarmee men het progesterongchalte in één enkel
corpus luteum kan bepalen. Tegelijkertijd verkrijgt men gegevens over de aanwezige
hoeveelheden androstendion, 20j8-hydroxyprogesteron, 17a-hydroxyprogesteron en
pregnenolon. De ketosteroiden worden neergeslagen met dinitrophenylhydrazine, waar-
na de gevormde verbindingen worden gescheiden met behulp van dunne laag
chromatografie.

Na de methode te hebben beschreven en besproken, worden de voorlopige resultaten
meegedeeld, die op deze wijze verkregen zijn met 49 corpora lutea van koeien, 16
corpora lutea van varkens en 7 corpora lutea van paarden. Het meest opvallende
verschijnsel is de grote variatie in de ketosteroidensamenstelling van de corpora lutea,
zowel in die van eenzelfde diersoort als tussen die van verschillende diersoorten. De
door ons onderzochte corpora lutea van varkens b.v. bleken veel minder androstendion
en hydroxyprogesteron te bevatten dan de corpora lutea afkomstig van koeien en
paarden. Daar de ovaria afkomstig waren van het slachthuis, was er niets bekend
over de voorgeschiedenis van de onderzochte ovaria en zo is het dus ook niet mogelijk
een verklaring te geven voor de gevonden verschillen. Het onderzoek wordt voortgezet.
Tevens kon worden aangetoond, dat progesteron niet gelijkmatig over het corpus
luteum is verdeeld, althans niet bij de iets oudere corpora lutea. Het bleek, dat het
gedeelte van het corpus luteum, dat uit het ovarium uitsteekt naar verhouding meer
progesteron bevat dan de andere delen van het corpus luteum.
De resultaten, die met deze methode zijn verkregen met follikelvloeistof van grote
follikels en van kleine follikels bij paarden bleken in overeenstemming te zijn met de
waarnemingen van Short.

RÉSUMÉ.

Est décrite une méthode au moyen de laquelle on peut déterminer la teneur-
progesterone dans un seul corpus luteum. En même temps l\'on obtient des données
sur les quantités d\'androstenedione, 20/3-hydroxypro.gcsterone, 17a-hydroxyprogcstc-
rone et pregnenolone contenues dans le corpus luteum. Les cétostéroides sont préci-
pitées ay moyen de dinitrophenylhydrazine, après quoi les combinaisons formées sont
séparées au moyen de la chromatographic en couches minces.

Quand la méthode a été décrite et discutée, sont communiquées les résultats provisoires
obtenues ainsi par des expériences avec 49 corpora lutea de vaches, 16 corpora lutea
de cochons et 7 corpora lutea de chevaux. Le phénomène le plus remarquable était
la grande variation qu\'on trouvait dans la composition des cétostéroides des corpora
lutea, non seulement dans ceux d\'une même espèce animale mais aussi dans ceux
d\'espèces différentes. Il s\'est trouvé que les corpora lutea de vaches analysés par
nous, contenaient moins d\'androstenedione et d\'hydroxyprogesterone que ceux de
vaches et de chevaux. Comme les ovaires venaient de l\'abattoir, rien n\'était connu sur
les origines des ovaires analysés. Par conséquent il n\'est pas possible d\'expliquer les
différences trouvées. Les recherches se continuent.

-ocr page 195-

En même temps l\'on a pu démontrer que le progesterone n\'est pas distribué également
dans le corpus luteum, au moins non dans les corpora lutea un peu plus vieux. Il s\'est
trouvé que la partie du corpus luteum extérieure à l\'ovaire contient une quantité de
progesterone relativement plus grande que les autres parties du corpus luteum.
Les résultats obtenus par cette méthode au moyen de hquide folliculaire provenant de
grandes et petites follicules de chevaux se trouvaient d\'être concordants aux valeurs
trouvées par Short.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Methode beschrieben, womit man den Progesteron-gehalt in einem
einzelnen Corpus luteum bestimmen kann. Gleichzeitig erhält man Daten über die
vorhandenen Mengen Androstendion, 20,8-Hydroxyprogesteron, 17a-Hydroxyproges-
teron und Pregnenolon. Die Ketosteroiden werden mit Dinitrophenylhydrazin nieder-
geschlagen, wonach die entstandenen Verbindungen mittels Dünnschicht Chromato-
graphie getrennt werden.

Nachdem die Methode beschrieben und besprochen ist, werden die vorläufigen Re-
sultate, die man auf diese Weise mit 49 Corpora lutea von Kühen, 16 Corpora lutea
von Schwemen und 7 Corpora lutea von Pferden erhielt, wiedergegeben.
Die auffallendste Beobachtung ist die grosse Verschiedenheit in der Zusammenstellung
der Ketosteroiden der Corpora lutea, sowohl bei ein und derselben Tierart wie
zwischen verschiedenen Tierarten. Es zeigte sich z.B., dass die durch uns untersuchten
Corpora lutea von Schweinen viel weniger Androstendion und Hydroxyprogesteron
enthälten, als die van Kühen und Pferden. Da die Ovaria aus dem Schlachthof
stammten, war nichts über die Anamnese der untersuchten Ovaria bekannt; deshalb
ist es nicht möglich eine Erklärung für die festgestellten Unterschiede zu geben Die
Untersuchung wird fortgesetzt.

Es konnte ausserdem nachgewiesen werden, dass Progesteron nicht gleichmässig über
das Corpus luteum verteilt ist, wenigstens nicht bei den etwas älteren Corpora lutea
Es schien, dass der Teil des Corpus luteum, der aus dem Ovarium herausragt
verhältnismässig mehr Progesteron enthält, als die anderen Teile desselben
Die Resultate, die mittels dieser Methode mit der Follikelflüssigkeit der grossen und
kleinen Follikel bei Pferden erreicht wurde, stimmten überein mit den Untersuchungen
von Short.

RESUMEN.

Se describe un metodo con lo cual se puede determinar el contenido de progesterona
en un solo cuerpo amarillo. AI mismo tiempo, uno obtiene datos sobre las cantidades
présentes de androstcndiona, 20^-hidroxiprogcsterona, 17a-hidroxiprogesterona y
pregnenolona.

Los ketosteroidas estan precipitados con dinitrofcnilhidrazina, despues se separen las
conexiones quimicas formadas, por medio de cromatografia (capa delgada)
Despues la description u disctision del metodo, sc lia participado los rcsultados
provisionalcs, obtenidos con esto metodo con 49 cuerpos amarillos de vacas, 16 cuerpos
amarillos de cerdas y 7 cuerpos amarillos de yeguas. El fenomeno mas marcado es la
variacion grande cn la composicion de ketosteroidas dc los cuerpos amarillos, asi en
aqucllos dc la misma clasc de animal como en aquellos dc los animales diferentes.
Los cuerpos amarillos de cerdas examinados por nosotros, habian mucho menos
androstcndiona y hidroxiprogestcrona que los cuerpos amarillos procedentes de vacas
y yeguas. Ya que los cuerpos amarillos eran procedentes de mataderos, no se sabia
nada sobre la prchistoria de los ovarios examinados y a consccuencia de esto no se
puede dar una cxplicacion por las diferencias encontradas. Sigue la investigacion
Ademas se pudo demostrar que progesterona no es distribuida uniforme sobre el
cuerpo amarillo, al menos no cn los cuerpos amarillos mas viejos. Resulto que la parte
del cuerpo amarillo que arranque del ovario, contiene relativamente mas progesterona
que las demas partes del cuerpo amarillo. Los resultados obtenidos con esto metodo
con hqudo del foliculo de foliculos grandes y pequcnos de yeguas armonizen con las
observaciones de Short,

-ocr page 196-

REFERENCES.

Gomes, W. R., Estergreen, V. L., Frost, O. L. and Erb, R. E.: Progestin
levels in jugular and ovarian venous blood, eorpora lutea, and ovaries of the
nonpregnant bovine.
Dairy Sci., 46, 553, (1963).
Kent, J. R. and R a w i t c h, A. B.: Thin-layer chromatography of ketosteoid-

dinitrophenylhydrazones. J. Chromatog., 20, 614, (1965).
Neher, R.: Steroid Chromatography. Elsevier Publishing Company, (1964).
Short,\' R.
v.: Ovarian steroid synthesis and secredon in vivo. Recent Progr.
Hormone Res.,
20, 303, (1964).

W a r r e n, J, C. and S a 1 h a n i c k, H. A.: Steroid biosynthesis in the human ovary.
/. Clin.\'Endocrinol. Metab., 21, 1218, (1961).

-ocr page 197-

Luchtverontreiniging en gevolgen daarvan voor
mens, dier en plant

Air pollution and its consequences for man, animal
and plant

door J. TESINK1)

Van de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren in Zeeland.

A. Algemeen

Onder luchtverontreiniging dienen we, volgens Tesch (1960), te ver-
staan alle stoffen welke op zichzelf, of tezamen, in de atmosfeer, de lucht
zodanig verontreinigen dat zij óf door zichtbaarheid öf onaangename reuk
het menselijk- en dierlijk-welbevinden storen of/en een invloed uitoefenen
op de gezondheid van mens, dier en plant.

Ik zou hier aan toe willen voegen; „en voorts schade kunnen toebrengen
aan gebouwen, metalen en textiel"; financiële schade dus.
Bedoelde stoffen kunnen gasvormig zijn of bestaan uit vaste deeltjes, ook
wel vliegas genoemd.

Deze stoffen kunnen, volgens Keinen (1960), in de atmosfeer worden
gestoten door:

1. Industrie, b.v.

a. olieverwerkende industrie;

b. chemische fabrieken;

c. kunstmestfabrieken;

d. elektrische centrales.

2. Huishoudelijke verbranding (kolen en oliestook).

3. Verkeer te water en op de weg.

4. Vulkanische erupties.

Daarnaast kennen we luchtverontreiniging ten gevolge van:

5. Waterverontreiniging.

Last but not least moet de luchtverontreiniging met radio-acdeve
stoffen, welke af en toe optreedt bij

6. Kernsplitsing, de zogenaamde fall out, worden genoemd.

Deze opsomming van een aantal bronnen van waaruit de lucht veront-
reinigd kan worden maakt het zonder meer duidelijk dat, gezien de tech-
nische, economische, en in bepaalde gevallen, politieke aspecten, het pro-
bleem luchtverontreiniging niet zo maar is op te lossen.
Integendeel!

B. Bijzonder gedeelte

De stoffen welke de lucht verontreinigen kunnen de gezondheid van de
mens direct of indirect benadelen; die van dier en plant veelal direct.

1. Onder indirecte benadeling van de mens zou ik willen verstaan die
gevallen waarbij de mens bij voortduring te maken heeft met stoffen die
nauwelijks, of in het geheel géén, schade aan de lichamelijke gezondheids-
toestand toebrengen, maar wel de leefbaarheid van het milieu (sterk)

1  Dr. J. Tesink; directeur van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Zeeland,
Evertsenstraat 15, Goes,

-ocr page 198-

doen verminderen. Deze stoffen zijn die stoffen welke een stankhinder ver-
oorzaken en daarom stankstoffen worden genoemd, en voorts roet en
vliegas.

1. Stankstoffen

De aard van deze stoffen is, volgens He in en (1960), moeilijk te defi-
niëren; ze zijn vaak nog zeer hinderlijk in geringe hoeveelheid en zeer ver-
dunde concentratie.

a. Stankstoffen uit olie.

De steeds toenemende opslag van aardolie, en produkten daarvan, in
bovengrondse tanks — zie het zogenaamde Europoortgebied! — houdt
gevaren in zich voor een toenemende luchtverontreiniging indien geen
preventieve maatregelen worden getroffen. In de olie komen namelijk,
aldus Koopmans (1960), vluchtige stoffen voor met een hinderlijke
stank, welke door verdamping boven in de tank komen; hetzelfde zien
we gebeuren wanneer de druk in de tank afneemt bij het uitpompen
van de olie. De dampspanning boven in de tank wordt geregeld via ven-
tielen waardoor het echter tevens mogelijk wordt dat de vluchtige stank-
stoffen in de atmosfeer kunnen komen.

Het aanbrengen van bepaalde ontluchtingsinstallaties, het gebruik van
tanks met drijvende daken alsook het afdekken van de tankinhoud met
een plastische deken van zogenaamde micro balloons (bolletjes van plas-
tic) waardoor de verdamping met 80% wordt gedrukt, verhinderen in
belangrijke mate het optreden van luchtverontreiniging vanuit opgesla-
gen olie. Tanks met drijvende daken vinden — gelukkig! — steeds meer
toepassing.

b. Stankstoffen uit rottingsprocessen

Rottingsprocessen treffen we, volgens Brouwer (1960), onder meer
aan in water waarin het zuurstofgehalte beneden een bepaald minimum
is gekomen.

De afbraak van de stoffen geschiedt dan door anaërobe rottingsbacte-
riën waarbij b.v. methaan (CH4), ammonia (NH3), zwavelwaterstof
(HgS) en fosfine (PH3) worden gevormd. Op de bodem van wateren
met geen of slechts een geringe doorstroming, b.v. sommige stads-
grachten, treffen we een slijklaag aan waarin een voortdurende gisting
en gasontwikkeling plaatsvindt.

Bij temperatuurstijging kunnen door de sterk toegenomen gisting delen
van deze laag naar de oppen-lakte komen. Dit zien we vooral gebeuren
bij een sterk dalende barometer (warme dagen, naderend onweder).

c. Stank.stoffen uit industrieel afvalwater.

d. Stankstoffen uit niet goed functionerende rioolzuiveringsinstallaties.
2. Roet en vliegas

Roetdeeltjes en vliegas bezoedelen de voorwerpen waar ze op neerslaan,
zoals wasgoed, behuizing, auto\'s enz. Bepaalde aerosolen, nl. van bijtende
stoffen zoals fluorwaterstof, etsen bovendien de ruiten en veroorzaken vaak
brandgaatjes in textiel gemaakt uit kunstvezel zoals (dames) ondergoed en
overhemden.

-ocr page 199-

De onder 1 en 2 bedoelde stoffen veroorzaken een vrijwel dagelijks terug-
kerende bron van ergernis en wanhoop, welke in beslist niet zo gering aan-
tal gevallen tot een neurose kan leiden!

Indirecte benadeling van de plant kan optreden bij de glascultuur wanneer
vaste deeltjes uit pijpen en schoorstenen op het glas zijn neergeslagen.
De fijnkorreligheid van het stof is, volgens Spierings (1960), onder
andere oorzaak van een stevige hechting op het glas. Dit heeft tot gevolg
dat de planten te weinig licht ontvangen, hetgeen groei en ontwikkeling
van de plant nadelig beïnvloedt. Een schoonmaakmiddel voor bezoedeld
glas, dat uitstekend voldoet, bevat een hoeveelheid fluor. Aangezien fluor
voor planten schadelijk is, is waakzaamheid bij het reinigen van het glas
geboden.

II. Onder directe benadeling versta ik een zodanige invloed dat de mens
al dan niet snel ziek wordt en zelfs daaraan kan sterven.
Een paar sprekende voorbeelden:

a. de mistramp in de Belgische Maasvallei in 1930.

Door de toen aanwezige inversie (koude luchtlaag onder een warme
waarbij, door verschil in soortelijk gewicht en afwezigheid van wind,
geen vermenging optreedt) steeg de concentratie aan afvalstoffen,
vooral fluorwaterstofgas, volgens R oh olm (1936), in de onderste
luchtlaag in een paar dagen zodanig dat duizenden personen adem-
halingsbezwaren kregen, bij sommige gevolgd door ernstige long-
ontsteking en/of circulatiestoornissen. Een 63-tal personen overleed;

b. de Londense mistramp van 5 tot 9 december 1952, waarbij 4.000 men-
sen zouden zijn gestoiven;

c. de toestand met mist in februari 1959 deed vooral in Zuid-Holland —
gebied van de Nieuwe Waterweg — het aantal patiënten met klachten
over en aandoening van de luchtwegen plots sterk toenemen.

Een aantal vragen dringt zich bij dit alles op:

1. welke stoffen kunnen schadelijk zijn voor mens, dier en plant, en zijn
deze stoffen voor mens, dier en plant even schadelijk in dezelfde con-
centratie;

2. op welke wijze is de uitstoot van deze stoffen tc voorkomen dan wel tot
een minimum te beperken;

3. kunnen maatregelen worden getroffen ter neutralisering van deze stof-
fen of ter vermindering van hun giftigheid;

4. wat is de meest juiste schaderegeling.

ad 1. Voor mens, dier en plant schadelijke stoffen

Een aantal van de mij bekende belangrijkste schadelijke stoffen zal ik de
revue laten passeren.

a. Zwaveldioxyde (SO2)

Het SO2 wordt bij verbranding van de meest gebruikte brandstoffen, zoals
kolen, die 0,5 a 1% zawvel kunnen bevatten, en olie, welke tot 3 a 5%
zwavel kan bevatten, gevormd. In de lucht kan SO2 door oxydatie over-
gaan tot zwavelig zuur (H2SO3) en zwavelzuur (H2SO4).
H e i n e n (1960) deelt mee dat in het Nieuwe Waterweggebied vele mil-
joenen kilogrammen SO2 per jaar uit de diverse schoorstenen ontwijken.

-ocr page 200-

Brasser (1960) becijferde een aantal jaren geleden deze uitstoot voor
genoemd gebied op 77.000 ton waarvan 15.000 ton geproduceerd door de
woningverwarmingsbronnen, 28.000 ton door energiebedrijven en 34.000
ton door de industrie. Het spreekt, dacht ik, wel vanzelf dat heden ten
dage deze hoeveelheden, indien geen maatregelen zijn genomen, nog hoger
zullen zijn.

Een ander sprekend cijfer: New York 1,5 miljoen ton per jaar.
De cijfers geven een duidelijk beeld van de moeilijkheden waarvoor de
specialisten voor de luchthygiëne zich geplaatst zien.

Mens

Tesch (1960) geeft aan dat SO2 bij een concentratie van 15 mg per
m3 lucht, de slijmvliezen van de luchtwegen prikkelt. De activiteit van de
trilhaarcellen, dit zijn die cellen in het slijmvlies van het ademhalings-
apparaat welke stofdeeltjes e.d. „wegslaan" in de richting van de keel —
dus de buitenwereld —, neemt daarbij af waardoor de kans op aandoe-
ningen van de luchtwegen snel toeneemt. De bronchiaalspiertjes trekken
zich versterkt samen met als gevolg bemoeilijkte en versnelde ademhaling.
Aan het hart worden hierdoor hogere eisen gesteld, hetgeen vooral voor
mensen met hart- en circulatieafwijkingen ernstige gevolgen kan hebben.
Gebleken is dat verhoogde sterfte kan optreden als het rookgehalte en het
SO2 gehalte van de lucht de grens van resp. 2 mg per m3 en 0,4 per m^
overschrijdt. Met nadruk zij erop gewezen dat niet bewezen is dat deze
concentraties op zichzelf de oorzaak van de sterfte vormen.
De nadelige werking op het slijmvlies van de luchtwegen en de bronchiaal-
spiertjes en de gevolgen daarvan zijn des te groter indien andere oorzaken
ook reeds het slijmvlies ongunstig beïnvloeden, zoals dit het geval kan zijn
door een influenza („griep") virus.

Dier

Hetgeen gezegd is voor de mens geldt hier in principe ook voor het dier.
Een tweede facet komt bij het dier evenwel om de hoek kijken en dat is de
bezoedeling van het voedsel (gras) met SO2, H2SO3 en H2SO4. Het gras
dat min of meer beduidende verbrandingsverschijnselen toont wanneer
zwavelverbindingen bevattende gassen bij bepaalde ongunstige weersom-
standigheden, zoals mist, over het weiland strijken (of zijn gestreken), krijgt
een zure smaak.

Eerst weigeren de dieren het gras te eten, ze zijn onrustig en hoesten af
en toe (prikkehng van de luchtwegen); later gaan ze er toch toe over wat
te gaan grazen; een verhoogde speekselafscheiding kan daarbij worden
waargenomen. Het natriumbicarbonaat van het speeksel en de zure zwavel-
verbindingen reageren, waarbij laxerende stoffen — zoals sulfas natricus —
worden gevormd. De ontlasting wordt dan ook dunner, de vertering ge-
stoord en de melkgift daalt.

Melkkoeien met aandoeningen van de tepelhuid gaan niet of nauwelijks
liggen en trappen soms met de achterbenen naar hun uier, bij het melken
kunnen deze dieren lastig zijn.

Nadat de weersomstandigheden zich hebben gewijzigd herstellen de runde-
ren zeer snel, terwijl bij wat lang durende ongunstige weersomstandigheden
als bedoeld, een vrij goede aanpassing van de dieren plaats vindt. Een
ruime toepassing van een goede speenzalf verdient aanbeveling, soms moet

-ocr page 201-

men er toe overgaan de dieren op te stallen en extra natriumcarbonaat te
verstrekken.

Plant

De koudegrond cultures staan bij voortduring bloot aan beschadiging door
in afvalgassen voorkomende stoffen zoals b.v. SO2 en HF, wanneer in de
omgeving industrie is gevestigd die deze stoffen in de atmosfeer stoot.
Spierings (1960) geeft aan dat voor SO2 gevoelige gewassen zoals
lucerne, grassen en komkommers reeds beschadiging optreedt bij een in-
werking gedurende enige uren van een concentratie van
0,5 mg/mS lucht,
sommige andere planten zouden reeds gevoelig zijn voor een concentratie
van 0,2 mg/m3 lucht (Tesch, 1960).

Fosfaatverwerkende industrie verspreidt, wanneer tenminste niet de meest
uitgebreide voorzorgen zijn genomen, SO2 wanneer deze zelf zwavelzuur
maakt, en fluoi-verbindingen afkomstig uit de ruwe fosfaat welke als grond-
stof voor de fosfaat kunstmest wordt gebruikt.

xjen steeas toenemend aantal tuinders met glascultures (kassen) gaat ovei
op volautomatische stookinrichtingen, waarbij zware stookolie nogal eens
als brandstof wordt aangewend en waarvan, ik gaf het reeds aan, het zwa-
velgehalte vaak beduidend kan zijn. Een bezoedeling van het eigen bedrijf
door eigen SO2 kan dan ook zeer wel optreden waardoor op de koude
grond staande gewassen kunnen worden aangetast.

b. Fluorverbindingen

Fluor komt, wegens zijn grote affiniteit, niet vrij in de natuur voor, echter
wel in een aantal verbindingen zoals b.v. calciumfluoride, CaF2. In het
ruwe fosfaat dat als grondstof dient voor de zogenaamde superfosfaat
kunstmest komt, afhankelijk van de delfplaats, nogal wat fluor voor als
CaF2.

De omzetting van het ruwe fosfaat, dat voor planten niet opneembaar is,
in het voor planten wel opneembare superfosfaat vindt plaats door een
sterk zuur, nl. H2SO4, op het ruwe fosfaat te laten inwerken („ontslui-
ten"). Hierbij komen de volgende zure fluorverbindingen vrij: HF, SiF4 en
H2SiF(;.

Bij de aluminiumbereiding komen fluorverbindingen vrij doordat daarbij
gebruik gemaakt wordt van het kr^\'oliet (Na^AlF,;). Het zuivere alumi-
nium wordt namelijk langs elektrolytische weg uit aluminiumoxyde vrijge-
maakt, waarbij het kryoliet als elektroliet fungeert. Dit gebeurt in een zoge-
naamde aluminiumcel.

Aangezien emailfabrieken fluorverbindingen verwerken, kan ook in de
omgeving daarvan fluoi-vergiftiging optreden bij dier en plant.
In staalfabrieken wordt vloeispaat normaal als toeslag aan de slak toege-
voegd. Door de hoge temperatuur in de staalovens wordt het vloeispaat
ontleed waarbij HF vrijkomt en via de schoorsteen ontwijkt
(Brasser
1960.

Mens en dier

1. Acute vergiftiging

Op de mistramp in 1930 in België, die door HF zou zijn veroorzaakt, werd
reeds gewezen.

-ocr page 202-

Fluorgasvergiftiging treedt voorts een enkele maal op bij een laboratorium-
ongeluk. De slijmvliezen van de luchtwegen en ogen raken sterk geprik-
keld. In de eerste wereldoorlog zijn fluorbevattende chemische strijdmid-
delen gebruikt welke de esterasenwerking uitschakelen (l)i - isoprojjylfluor-
fosfaat).

Dat bij de mens per os opgenomen vaste fluorverbindingen ernstige vergif-
tigingsverschijnselen kunnen oproepen werd vastgesteld toen brood werd
gegeten waarin per ongeluk natriumfluoride was meegebakken. Maag-
spoelingen brachten redding. Bij onze landbouwhuisdieren die onder de
rook van veel fluoruitstotende fabrieken weiden, zien we af en toe acute
vergiftigingsverschijnselen wanneer de dieren voedsel tot zich genomen
hebben dat zeer sterk met fluorverbindingen is bezoedeld. Deze sterke con-
taminatie treedt op bij mistig weer of waimeer de afvalgassen een aantal
dagen over het weiland hebben gestreken.

De dieren worden stram en pijnlijk in gang en stand — vooral de voor-
benen — de melkgift daalt en de faeces worden dunner. Na een paar dagen
blijven de dieren te veel liggen, sommige dieren kunnen vóór niet meer
staan en weiden al kruipende op hun voorkniën (carpaalgewrichten). De
dieren direct uit de weide halen en brengen buiten de invloedssfeer van de
fabriek, geeft snel verbetering.

2. Chronische vergiftiging

Hierbij worden gedurende langere tijd hoeveelheden fluor per os opge-
nomen die geen acute verschijnselen kunnen oproepen. De gevolgen van
deze opname kan men bij onze landbouwhuisdieren waarnemen welke
weiden binnen een bepaalde afstand van fluor uitstotende fabrieken. Hoe
groot deze afstand is, is afhankelijk van de hoeveelheid fluor welke wordt
uitgestoten, de weersomstandigheden, de bebouwing en de begroeiing als-
mede lengte en ouderdom van het gras dat geconsumeerd wordt.
De nadelige werking van fluor op het dierlijk organisme komt klinisch
waarneembaar tot uiting aan gebitsernail en skelet. Deze weefsels bezitten
een organische opbouw waartussen hydroxylapatiet: Gaiü(P04)ß(0H)2
is afgezet door bepaalde lichaamscellen. Hierbij is het enzym fosfatase be-
trokken (Brandenburger, 1945).

Aangezien fluor vooral enzymen, en dus de enzymenwerking, nadelig be-
ïnvloedt, raakt genoemde afzetting gestoord. Bij de emailafzetting worden
te weinig emailprisma\'s gevormd, bovendien is het anorganisch materiaal
van afwijkende samenstelling. Deze emailhypoplasie is waarneembaar als
de blijvende tanden en kiezen zijn doorgekomen. Ijzer en mangaan zorgen
voor een verkleuring van geel tot bruin (soms bijna zwart). Op afgevormd
email werkt fluor dus niet in.

Door deze emailschade — „mottling", „motded enamel" genaamd — treedt
een abnormale slijtage van het gebit op; de kiezenrijen worden veelal golf-
vormig (A 11 c r o f t, 1965; T e s i n k, 1954).

Het opnemen van voedsel en het herkauwen gaat veel moeilijker dan nor-
maal („proppen maken"), de voorbewerking van het voedsel wordt dus
minder.

Aangezien gedurende het gehele leven, vooral echter bij nog niet volwassen
individuen, een fysiologische beenafbraak en beenopbouw plaatsvindt, zal
bij ieder individu van elke leeftijd een fluorinvloed op het beendergestel

-ocr page 203-

aantoonbaar zijn zowel chemisch door een te hoog fluorgehalte en micros-
copisch door een ombouw van de compacta naast een vorming van osteoid
(-kalkarm) weefsel in de Haverse kanalen en om de beenbalkjes in de
mergholten (Gohrs, 1941). Het bot wordt dus zwakker, hetgeen de kans
op fracturen doet toenemen.

Het organisme reageert hierop door vorming van extra botweefsel (exosto-
sen) op die plaatsen die het meest aan krachten blootstaan, zoals de aan-
hechtingsplaatsen van pezen en banden. De exostosen verminderen de buig-
zaamheid van de gewrichten, gevolg: stramme gang, pijnlijke stand. Door
de geschetste veranderingen van gebit en skelet en de genoemde remmende
werking op enzymen, waardoor de celstofwisseling nadelig wordt beïnvloed,
gaan de dieren onder meer vermageren, aan een secundaire anemie lijden,
een dof, ruig baarkleed krijgen enz. (Allcroft, 1965; Shupe, 1964;
Miner, 1965; Greenwood, 1964; T e s i n k, 1954).

De toxische grens ligt voor de mens hoger dan 1 mg fluor per liter drink-
water; fluoridering van het drinkwater, om de
Lactobacillus acidophili,
welke wordt aangezien als de hoofdverwekker van caries, te vernietigen,
tot 1 mg zal dan ook, naar men aanneemt, geen schade aan de mens be-
rokkenen. De toxische grens voor het rund is, afhankelijk van de indivi-
duele gevoeligheid, ± 40 mg per kg droge stof van het voeder.
Het per os opgenomen fluor wordt voor een deel in de botten opgeslagen
waarbij de OH-groep van het hydroxylapatiet door een fluor-ion wordt ver-
vangen, er ontstaat fluorapatiet; een ander deel verlaat via de faeces het
lichaam, terwijl ook fluorafstoot via de nieren plaatsvindt.
Aluminimsulfaat per os verstrekt in een tienvoudige dosis van de fluorop-
name, geeft een fluorbinding van 30—42% (T e s i n k, 1954; Green-
wood en medewerkers, 1964). Een verhoogde fluoruitscheiding met de
mest vindt dan dus plaats. Door het verstrekken van aluminiumsulfaat —
via speciale veekoekjes — kan men de schade aan het vee beperken, mits
natuurlijk de fluoruitstoot niet al te hoog is.

In Amerika, door de universiteit van de staat Utah, genomen proeven met
groepen runderen, welke gedurende 7/2 jaar verschillende fluorzouten in
verschillende doseringen — tot 100 p.p.m./d.s. — via het voedsel kregen
toegediend, geven geen significante veranderingen in bloedsamenstelüng,
leverfuncties alsmede in grootte en functie van de .schildklier. Het door
Greenwood c.s. opgestelde schema van het effect van fluor op het
dierlijk organisme met daarbij de gemiddelde analyseuitkomsten op fluor
van bot en urine (zie tabel 1 j is \\oor de praktijk, ook in Nederland, zeer
goed bruikbaar gebleken (schadegebied Sas van Gent en omgeving).

Bij de chronische fluorvergiftiging van rundvee werd daarom zo lang stil
gestaan omdat het meestal deze vergiftiging is waarmee men te maken
krijgt in de omgeving van industrie.

Plant

Volgens Spierings (1960) tonen bepaalde planten reeds verbrandings-
verschijnselen wanneer gedurende enkele uren een concentratie van 0,02
mg fluorwaterstof per m3 lucht heeft geheerst. Een aantal bolgewassen
zoals gladiolen, tulpen en fresia\'s is zeer gevoelig; de bladeren van alle

-ocr page 204-

Tabel 1

Effect van via het voedsel opgenomen fluor op melkvee\'^)^)

chronische fluorose

gemiddeld

leeftijd
in jaren

normaal

geen
afwijkingen
waarneem-
baar

grens3)

Iicht/matig3)

matig/ernstig.!)

F-gehalte van
het dieet in mg/
kg droge stof

2
4
6

tot 15
tot 15
tot 15

15-30
15-30
15-30

30-40
30-40
30-40

40-60
40-60
40-60

60-109
60-109
60-109

aantasting van
snijtanden

2
4
6

geen

geenylicht
geenylicht

geen/licht

licht
licht
licht

licht/matig
licht/matig
licht/matig

matig/ernstig
matig/ernstig
matig/ernstig

aantasting van
kiezen

2

4

5

geen
geen
geen

geen
geen
geen

geen
geen

geen/licht

zelden
geen

geen/licht

geen/matig

geen/ernstig

geen/ernstig

F-gehalte van
liet bot in mg/
gram as

\' 2

4
6

0,4-0,7
0,7-1,1
0,7-1,2

0,7- 1,6

1.1- 2,4

1.2- 2,8

1,6- 2,1
2,4- 3,1
2,8- 3,8

2,1- 3
3,1- 4,5
3,8- 5,6

3 - 4,2

4.5- 6,6

5.6- 8,7

F-gehalte van
urine in mg/liter
(s.g. 1.04)

2
4
6

2,3-3,8
3,5-5,3
3,5-6

3,8- 8
5,3-10,3
6 -11,3

8 -10,5
10,3-13,3
11,3-14,8

10,5-14,8
13,3-18,5
14,8-21

14,7-19,9
18,5-25,6
21 -30,1

aanwezigheid van
beenwoekeringen

2
4
6

geen
geen
geen

geen
geen
geen

geen
geen

geen/licht

geen/licht

geen/matig

geen/matig

geen/matig
geen/matig
geen/ernstig

begeleidende

verschijnselen^)

2
4
6

geen
geen
geen

geen
geen
geen

zelden
zelden

ja
ja
ja

ia
ja
ja

Overgenomen uit Annals New York Academy of Sciences (1964) 111, 618.
2) Deze gegevens werden verkregen tijdens een y/a jaar durende proef, genomen
door dc Utah State University.
Afhankelijk van individuele gevoeligheid.
*) Stram of stijf, vleesverlies, verminderde eedust, ruig haar, stugge huid, te weinig
melkproductie.

bomen en gewassen, alsook de vruchten daarvan tonen trouwens alle zeer
snel verbrandingsverschijnselen.

Verbrandingsverschijnselen veroorzaakt door SO2 en fluorverbindingen
kunnen lijken op vorstschade, zoutschade en windschade. Hoe het verbrari-
dingsbeeld, veroorzaakt door beide genoemde, en ook andere, stoffen eruit
ziet, is vastgesteld in Wageningen in zogenaamde fumigatiekassen (begas-
singskassen) waar diverse planten werden blootgesteld aan verschillende
concentraties van deze stoffen (Van Houten, 1965).
Brasser (1960) geeft aan dat het mogelijk is, door middel van kalk-
bespuitingen schade door geringe concentraties luchtverontreinigers te voor-
komen.

c. Stikstofverbindingen

Vooral kunstmeststoffenfabrieken verspreiden soms nitreuze dampen, welke
prikkelend op de slijmvliezen werken, alsook ureumdeeltjes. Het is echter
vooral de landbouw welke van een bezoedeling met stikstofverbindingen
schade ondervindt. In Sluiskil b.v. (Zeeuws-VIaanderen) worden door een

-ocr page 205-

bepaalde fabriek stikstofverbindingen in de lucht gestoten welke, na te
zijn neergeslagen, het gewas zeer sterk doen groeien zoals bij een extreme
bemesting met stikstofhoudende kunstmest. Het gevolg is dat het graan zich
veel te zwaar ontwikkelt waardoor sterke legering optreedt, ook zien we
daar schade aan de bieten- en de aardappelteelt.

d. Chloorverbindingen

Vrijkomende chloorverbindingen kunnen reeds in geringe concentratie de
slijmvliezen van de luchtwegen prikkelen.

Verbrandingsverschijnselen zijn vast te stellen wanneer het Cl-gehalte van
de droge stof van het onderzochte gewas 0,3% of meer bedraagt. Normaal
is het Cl-gehalte van bladeren van vruchtbomen zoals appel en peer te
stellen op 0,15% van de droge stof. Zware schade treedt op bij een gehalte
van 0,9% van de droge stof.

e. Benzpyreen

Deze stof is volgens Tesch (1960) als een kankerverwekkende stof aan
te merken en komt voor in roet en vliegas, echter ook in verbrandingspro-
dukten van tabak.

Het feit dat in de grote steden, verhoudingsgewijze, meer gevallen van
kanker van de ademhalingsorganen bij niet rokers worden aangetroffen
dan te plattelande, geeft wel te denken.

f. Andere schadelijke verbindingen

dan hierboven genoemd kunnen door fabrieken worden uitgestoten zoals
b.v. chroomzuurnevels en zinkoxydenevels, dit zijn echter incidentele ge-
vallen.

ad. 2. Het voorkómen, danwel het beperken van de uitstoot van schade-
lijke stoffen

a. Juridisch aspect

Ardkel 13 van de Hinderwet (in 1875 van kracht geworden) houdt, vol-
gens Koeken (1960) in dat een hinderwetvergunning geweigerd dient
te worden indien vaststaat of met reden te vrezen is dat de inrichting ge-
vaar, schade of hinder voor de omgeving zal veroorzaken, waaraan niet
door het stellen van voorwaarden kan worden tegemoetgekomen.
Hierbij doet zich in de praktijk de moeilijkheid voor dat een op zichzelf
niet gevaarlijke hoeveelheid gas van een bepaald bedrijf in combinatie
met een zelfde, of mogelijk ander, gas van een ander bedrijf, dat b.v. later
werd opgericht, wel schadelijk kan zijn of hinder op kan leveren. De
schade of hinder die aldus ontstaat is niet voorzienbaar geweest!
Koeken vraagt zich dan ook af of niet méér gebruik gemaakt dient te
worden van ardkel 16 van de Hinderwet inhoudende:

„indien over de te verwachten schade of hinder of het te verwachten
gevaar van een inrichting niet met voldoende zekerheid kan worden
geoordeeld, kan het gemeentebestuur de vergunning verlenen voor een
bepaalde termijn."

Door hantering van dit artikel kan een tijdelijke vergunning worden afge-
geven.

-ocr page 206-

Opgemerkt kan nog worden dat de luchtverontreiniging door het verkeer,
de kolen- en de oliestookverwarming niet onder de Hinderwet vallen.
Voorts heeft Koeken erop gewezen dat een ieder die vreest dat door
de oprichting van een bedrijf schade aan eigendommen, bedrijven of ge-
zondheid danwel hinder van ernstige aard zal worden toegebracht, tegen
zodanige oprichting op een openbare zitting bezwaar kan maken. Eigenaars
en gebruikers van onmiddellijk aangrenzende percelen krijgen schriftelijk
kennis van het gedane verzoek om vergunning; verderaf wonenden worden
geacht zich op de hoogte te stellen via de openbare kennisgeving, d.w.z.
meestal door aanplakking aan het gemeentehuis en het terrein van op-
richting. Velen komen dan ook te laat tot de ontdekking dat ze bezwaren
hadden kunnen indienen!

b. Technisch aspect

De te stellen voorwaarden moeten technisch en financieel uitvoerbaar zijn.
De pijpen van de fabrieken worden nu hoger gebouwd; één centrale hoge
pijp voor een aantal bedrijven of woonwijken zien we hier en daar ver-
rijzen, zoals b.v. in Frankfurt. Een hogere verdunningsgraad van de gassen
wordt hiermede bereikt, echter ook een groter gebied bestreken. Het ge-
bruik van grondstoffen met een zeer gering gehalte aan zwavel, fluor e.d.
kan worden voorgeschreven, evenals het aanbrengen van de meest ge-
eigende zuiveringsinstallaties. Te extreme voorwaarden kunnen, met het
oog op te grote financiële consequenties voor het bedrijf, echter veelal niet
worden gesteld.

Een aantal instituten dat nauw bij het onderzoek naar een zo doeltreffend
mogelijke beperking van de luchtverontreiniging is betrokken, is:
het Instituut voor Gezondheidstechniek T.N.O.;

het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek (I.P.O.) te Wage-
ningen;

het K.N.M.I. te de Bilt en last but not least
de industrie zelf.

Deze laatste wordt nogal eens - - ten onrechte — vergeten. Uit eigen
ervaring is mij bekend dat vele fabrieksdirecties al het mogelijke doen om
de verontreiniging zoveel mogelijk tegen te gaan.

c. Overheidsbeleid terzake van de luchtverontreiniging

Aan de farmaceutisch hoofdinspecteur en de regionale farmaceutische in-
specteurs waren onder meer opgedragen de handhaving van de wettelijke
voorschriften op het gebied van de hygiëne van bodem, water en lucht,
het uitbrengen van adviezen en het verstrekken van inlichtingen op dat
terrein (S c h u u r s m a, 1960).

In 1962 werd evenwel een aparte inspectie van de Volksgezondheid voor de
Hygiëne van het Milieu ingesteld. Regionale inspecteurs belast met het toe-
zicht op de hygiëne van het milieu zijn sindsdien benoemd of worden
binnenkort benoemd.

De groeiende betekenis die de laatste jaren wordt toegekend aan de lucht-
verontreiniging heeft ertoe geleid dat in 1963 bij de wet de Raad inzake
de Luchtverontreiniging werd ingesteld. De Raad, welke is gevestigd te
\'s-Gravenhage, heeft tot taak zich te beraden omtrent de vraagstttkken,
verband houdende met het voorkómen en bestrijden van luchtverontreini-

-ocr page 207-

ging, en dient de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid op ver-
zoek of uit eigen beweging van advies over het beleid, te voeren met be-
trekking tot het voorkómen en bestrijden van luchtverontreiniging. In de
Raad werken vertegenwoordigers van Rijk, provincie en gemeente, alsmede
van de industrie, samen.

In 1965 heeft de Raad een voorlopig advies uitgebracht inzake te nemen
maatregelen op korte termijn en die welke moeten resulteren in een beleid,
gericht op de toekomst. Het Hinderbesluit zal moeten worden gewijzigd,
evenals de Hinderwet om doeltreffender maatregelen te kunnen nemen. Aan
beide wijzigingen wordt door de regering gewerkt, evenals aan de wettelijke
mogelijkheid om ook de luchtverontreiniging door het verkeer en de huis-
houdelijke verwarmingsbronnen tegen te gaan.

Het bevorderen van de spoedige inwerkingtreding van de Kernenergiewet,
en met name die algemene maatregelen van bestuur welke mede betrekking
hebben op de gezondheidsbescherming, is tevens een onderdeel van het re-
geringsbeleid.

Met het oog op de bestrijding van de luchtverontreiniging wordt een lan-
delijk waarnemings- en meetstelsel ontworpen, voor de doorlopende bepa-
ling van thans bestaande verontreiniging in de verschillende delen van ons
land. Tevens zal in samenwerking met de Minister van Landbouw en Vis-
serij, onderzoek worden bevorderd naar het fungeren van plant en dier als
indicator van schadelijke verontreinigingen van lucht, water en bodem.

ad. 3. Neutralisering of vermindering van de giftigheid van uitgestoten
stoffen

Om dit te bereiken zal de uitgestoten stof moeten worden gebonden tot
een niet giftige of verminderd giftige verbinding. Kalk wordt hiertoe aan-
gewend bij de gewassen en aluminiumsulfaat bij de dieren bij fluorvergif-
tiging.

ad. 4. De schaderegeling

Financiële schade dient door de veroorzakende fabriek (en) integraal te
worden vergoed; het vaststellen van de hoogte van het schadebedrag levert
in de praktijk nogal eens moeilijkheden op.

Voor de land- en tuinbouw verdient het instellen van een schadecommissie
veehouderij en een schadecommissie land- en tuinbouwgewassen ernstige
overweging, in bepaalde gebieden een
schadecommissie fruitteelt.
Uitgangspunt dient te zijn dat zowel de fabriek als de gelaedeerden, zo
mogelijk, paritair in de commissie zijn vertegenwoordigd en voorts dat
fabriek cn gelaedeerden bij voorbaat akkoord gaan met het door de com-
missies vastgestelde schadebedrag.

Bedoelde commissies kunnen door de Gewestelijke Raden van het Land-
bouwschap, in overleg met de fabriek(en), worden ingesteld. Een neutrale
deskundige — b.v. de directeur (of een medewerker) van de gezondheids-
dienst voor dieren (schadecommissie veehouderij) — treedt als voorzitter
op, in de andere commissies een landbouwdeskundige.
Deze commissies inspecteren regelmatig het vee, dan wel de gewassen en
laten, zonodig, gewas- en/of diermonsters (urine, bot) op fluor (vee) en
ook andere stoffen b.v. SO2 (tuinbouw) onderzoeken.
De kosten van de commissies en de analysen zijn voor rekening van de

-ocr page 208-

fabriek (en) als éénmaal is aangetoond dat deze de schuldige is (zijn).
De verminderde opbrengst van de land- en tuinbouwgewassen en fruit zal
vergoed moeten worden door de fabriek (en), evenals de geleden melk-
schade. Indien vleesschade (vermagering, te geringe groei) aan het eind
van de weideperiode is vast te stellen, zal de fabriek het vee over moeten
nemen en er ander vee van goede „kwaliteit" en van dezelfde ouderdom en
bestemming voor in de plaats stellen.

Hoewel het fluorgehalte van hooi snel terugloopt zal hooi met een gehalte
van meer dan zfc 100 mg per kg d.s. afgekeurd moeten worden, ook al
wordt het vee tijdens de stalperiode speciale rundveekoekjes, welke alumi-
niumsulfaat bevatten, verstrekt. De fabriek zal goed hooi daarvoor in de
plaats dienen te stellen. Hetzelfde als voor hooi gezegd, geldt ook voor
kuilgras.

Het spreekt vanzelf dat de kosten, verbonden aan het aanmaken en ver-
strekken van deze speciale koekjes voor rekening van de fabriek zijn.
Wanneer een fabriek zich wil vestigen in een bepaald gebied zullen de
agrariërs — en vooral ook hun organisaties — contact moeten opnemen
voor nadere inlichtingen met het gemeentebestuur van de plaats van voor-
genomen vestiging, de fabrieksdirectie, de regionale inspecteur voor de
hygiëne van het milieu, alsook met de rijkslandbouwvoorlichtingsdienst en
de gezondheidsdienst voor dieren. Indien de vrees bestaat dat na in be-
drijfstelling van de fabriek vergiftigingsverschijnselen verwacht zouden
kunnen worden bij vee en gewas, zal men er goed aan doen lucht-, gewas-
en diermonsters te nemen vóórdat de fabriek in bedrijf komt om op deze
wijze in het bezit te komen van cijfers die de nulfase aangeven en die later,
wanneer onverhoopte vergiftigingbeelden optreden, vergeleken kunnen
worden met de dan verkregen analysecijfers.

Met de fabrieksdirectie moet worden overeengekomen dat deze — desge-
vraagd — analysecijfers van de afvalgassen zal overleggen en toestaan dat
controlemonsters kunnen worden genomen.

Wanneer de zojuist in grote lijnen aangegeven weg wordt bewandeld ter
regeling van schade en als alle partijen een zakelijk doch welwillend stand-
punt innemen, kunnen veel moeilijkheden worden opgelost, danwel voor-
komen.

SAMENVATTING.

Een aantal bronnen vanwaaruit luchtverontreiniging kan optreden werd genoemd.
De stoffen welke de lucht verontreinigen kunnen de mens indirect benadelen, b.v.
stankstoffen. Door de stankhinder neemt de leefbaarheid van het milieu af; roet en
vliegas bezoedelen voorwerpen waar ze op neerslaan en kunnen daaraan schade toe-
brengen (textiel e.d.). Ook dit is cen steeds terugkerende ergernis.
Glascultures kunnen indirect worden benadeeld omdat de ruiten minder licht door-
laten na bezoedeling met as- en roetdeeltjes.

Een directe benadehng van mens, dier en plant treedt op wanneer gedurende korte
tijd een hoge concentratie aan giftige stoffen inwerkt of gedurende langere tijd een
minder grote hoeveelheid. Een aantal schadelijke stoffen voor mens, dier en plant
werd uitvoerig besproken, nl. zwaveldioxyde en fluor. Een korte beschouwing werd
gegeven over stikstofverbindingen, chloorverbindingen en benzpyreen.
Bij de bespreking over het voorkómen danwel het beperken van de uitstoot van
schadelijke stoffen, werd stilgestaan bij het juridisch- en het technisch-financieel
aspect daarvan, alsmede bij de sinds 1962 door de rijksoverheid getroffen maatregelen
en de beleidvoornemens van de regering terzake van de milieubeheersing.

-ocr page 209-

Na erop te hebben gewezen dat kalkbespuitingen van gewassen een geringe concen-
tratie van zure aerosolen kan binden en aluminiumsulfaat een deel (tot 45%) van
het per os opgenomen fluor kan binden (vee), werd in grote lijnen aangegeven hoe
bij vastgestelde schade moet worden gehandeld.

Het instellen door de Gewestelijke Raden van het Landbouwschap van schadecommis-
sies voor veehouderij, land- en tuinbouw en fruitteelt werd bepleit.
In deze commissies dienen vertegenwoordigers van de fabriek en de agrariërs paritair
vertegenwoordigd te zijn en door een neutrale deskundige te worden voorgezeten.
Deze commissies dienen regelmadg op inspectie te gaan op de overlast ondervindende
bedrijven en daar diermonsters (urine, eventueel bot) en gewasmonsters te nemen.
.\\an de hand van de khnische bevindingen en het analyserapport kan een schade-
vergoeding worden opgesteld.

Bij voorgenomen vesdging van een fabriek verdient het sterk aanbeveling dat het
georganiseerd agrarisch bedrijfsleven met de aangegeven instanties en personen contact
opneemt en bij gebleken wenselijkheid, lucht-, gewas- en/of diermonsters verzamelt en
doet analyseren om de zogenaamde nulfase te bepalen.

Ingeval na inbedrijfstelling onverhoopt vergifdgingsbeelden op gaan treden, kunnen
opnieuw monsters worden genomen en geanalyseerd.

Na vergelijking van de analyseuitkomsten en aan de hand van de klinische bevindingen
kan een schaderegeling worden opgesteld.

SUMMARY.

.\'K number of sources from which air polludon may originate, were stated.
Substances polludng the air may indirectiy have an injurious effect on man, e.g.,
substances giving off an offensive odour. The annoyance caused by the stench will
reduce the quality of living in the environment; soot and fly ash soil the objects
on which they settle and may cause damage to these objects (textiles, etc.).
This also is a cause of constantly recurring irritation.

Glass cultures may be indirectly damaged as the panes will let through less light
when they have been soiled by ash and soot particles. Direct injury to man, animals
and plants will result when high concentrations of poisonous substances continue to
exert their effects over a short period or when a smaller quantity exerts its action over
a prolonged period. A number of substances injurious to man, animals and plants,
viz., sulphur dioxide and fluorine, were discussed in detail. Nitrogen compounds,
chlorine compounds and benzpyrene were briefly reviewed.

In discussing the prevention or limitation of the expulsion of injurious substances,
the legal and techno-financial aspects as weU as the measures adopted by the national
authorities from 1965 and policy planning by the government in regard to environ-
mental control were dwelt upon.

Attention having been drawn to the fact that lime-spraying of crops may bind a
small concentration of acid aerosols and that aluminium sulphate may combine with a
proportion (up to fortyfive per cent) of the fluorine ingested (cattle), the procedure
to be adopted when damage has been sustained is broadly outlined.
The institution of damages committees for the livestock industry, agriculture, horti-
culture and the fruit-growing industry was advocated. The factory and the agrarians
should have an equal number of representatives on these committees which should
be presided by a neutral expert. These committees should make regular tours of
inspection on the farms experiencing annoyance and take samples of animals (urine,
bone if necessary) and plants on these farms. Damages may be assessed on the
basis of the chnical findings and the analyst\'s report.

When establishment of a factory is proposed, it is highly advisable that the organized
agrarian industry should enter into contact with the proper authorities and persons
and collect samples of air, plants and/or animals and have these analysed to determine
the so-called zero phase if necessary.

If symptoms of poisoning should unexpectedly appear after the factory has been
put into operation, samples may again be taken and analysed,

-ocr page 210-

The adjustment of losses may be settled when the results of analysis have been
compared and with reference to the clinical findings.

RÉSUMÉ.

Quelques sources de pollution aérienne sont mentionnées.

Les matières qui souillent l\'air peuvent indirectement nuire à l\'homme, p.e. les
matières d\'odeur fétide. Par suite de cette gêne olfactive la viabilité du milieu diminue:
la suie et les cendres volantes souillent les objects sur lesquels elles se précipitent et
qu\'elles peuvent endommager (textile etc.).
C\'est là également une vexation quotidienne.

Les particules volantes de suie ou de cendres peuvent nuire indirectement aux cultures
sous verre, parce que les vitres souillées laissent passer moins de lumière.
Il s\'agit d\'un danger direct pour l\'homme, l\'animal et la plante quand durant
un temps bref une haute concentration, ou pendant une période plus longue une
moins grande quantité de matières toxiques opèrent sur eux. Plusieurs matières
nuisibles à l\'homme, à l\'animal et aux plantes sont discutées en détail, notamment le
SO2 et le fluor. Les azotates, les chlorures et le benzpyrène sont brièvement considérés.
Pendant la discussion concernant la prévention et/ou la limitation de l\'émission de
matières nocives on souligne l\'aspect juridique et technico-financier, ainsique les
mesures prises par les autorités depuis 1962 et les projets gouvernementaux concernant
le contrôle du milieu.

Après avoir signalé le fait que l\'arrosage à la chaux de végétaux peut neutraliser une
légère concentration d\'aérosols acides et que le sulphate d\'aluminium peut lier une
partie (45%) du fluor ingéré per os, l\'auteur indique en grandes lignes comment
il faut agir dans le cas de dégâts constatés.

L\'auteur plaide pour l\'institution, par les Conseils Provinciaux du Landbouwschap,
de commissions d\'évaluation de dégât pour l\'élevage, l\'agriculture, l\'horticulture et la
fructiculture.

Il faudra que dans ces commissions soient représentés à égalité les représentants de
la fabrique et ceux des agrariens et qu\'un expert neutre en soit le président.
Il faudra que ces commissions fassent des tournées régulières d\'inspection dans les
exploitations importunées et qu\'elles y prélèvent des échantillons animaux (urine,
éventuellement de l\'os) et vé.gétaux.

A l\'aide des résultats des recherches cliniques et du rapport d\'analyse une indemni-
sation pourra être proposée.

Lors d\'un établissement projeté d\'une fabrique il est de la plus grande importance
que la vie agrarienne organisée entre en contact avec les bureaux officiels et les
personnes responsables en question et qu\'elle fasse analyser, s\'il paraît être desirable,
des échantillons de l\'air, végétaux et./ou animaux afin de déterminer la soi-disante
phase-zéro.

Au cas où, inopinément, après la mise en exploitation, des syndromes d\'intoxication
se présenteraient, on pourrait de nouveau prélever et analyser des échantillons.
Après la comparaison des résultats de l\'analyse et à l\'aide des expériences cliniques
un rè.glement de dédommagement pourra être établi.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es werden verschiedene Quellen, wodurch Luftverunreinigung entstehen kann,
genannt.

Stoffe, welche Luftverunreinigung verursachen, können dem Menschen indirekt
schaden z.B. Geruchstoffe. Durch Geruchbelästigung nimmt der Lebensstandard des
Milieus ab: Russ und Auspuffgase beschmutzen Gegenstände und können, wo sie sich
absetzen, Schaden zufügen. (Textil u. dergl.).

■Auch dies ist ein stets wiederkehrender Ärger: Kulturen unter Glass können indirekt
benachteiligt werden weil Fenster durch Verunreinigung mit Asche- un Russteilchen
weniger Licht durchlassen.

-ocr page 211-

Ein direkter Nachteil für Mensch, Tier und Pflanze tritt ein, falls eine hohe Konzen-
tration Giftstoffe kürzere Zeit und eine geringere Konzentration längere Zeit zur
Auswirkung kommt.

Ausführlich wird eine Anzahl schädlicher Stoffe, wie Schwefeldioxyd und Fluor, für
Mensch, Tier und Pflanze besprochen. .Auch wird eine kurze Übersicht von Stickstoff-
und Chlorverbindungen und Benzpyrcn gegeben.

Bei der Besprechung über Vorkommen und Einschränkung der schädliche Auspuffgase
von der Industrie wird auf die juristisch-technisch-finanziellen Aspekte, sowie auf
die seit 1962 durch das Reich getroffenen Massnahmen und Verwaltungsabsichten
der Regierung hinsichtlich der Milieubchcrrschung, ausführlich eingegangen.
Nachdem darauf hingewiesen wurde, dass Kalkbcspritzung von Pflanzen eine geringe
Konzentration saurer Aerosolen und Aluminiumsulfat ein Teil (bis 45%) des per
os aufgenommenen Fluors (Vieh) bindet, wird in grossen Linien angegeben, wie
bei festgestelltem Schaden gehandelt werden muss.

Befürwortet wird die Einstellung eines Schadcnuntersuchungsausschusses für Vieh
und Landwirtschaft, Gartenbau und Obstzucht.

In diesem .Ausschuss müssen Vertreter von Fabriken und Agrarier, unter Vorsitz eines
neutralen Sachverständigen, paritätisch vertreten sein.

Diese Ausschüsse haben regelmässig benachteiligte Betriebe zu inspizieren und dort
Tierproben (Harn, evtl. Knochen) und Pflanzenmuster zu nehmen.
.\\n Hand klinischer Befunde und dem Analysenrapport kann eine Schadenvergütung
festgestellt werden.

Bei beabsichtigter Gründung einer Fabrik ist es empfehlenswert, dass das organisierte
agrarische Betriebslcbcn mit den angegebenen Instanzen und Personen aufnimmt
und falls wünschlich, Luft-, Pflanzen- oder Tiermuster sammelt und analysiert, um
die sogen. Nullphase zu bestimmen.

Falls nach Inbetriebsetzung unverhofft Vergiftungserscheinungen auftreten, können
aufs neue Proben genommen und analysiert werden.

Nach Vergleich der Aalysenresultatc und an Hand der klinischen Befunde kann
eine Schadenrcgclung getroffen werden.

RESUMEN.

Fue mencionado un numero de manatiales de lo cual puede proceder ensuciamiento
del aire. La materias, las cuales ensucian el aire pueden perjudicar indirccto el
hombrc, por cjemplo materias de mal olor. Por la molestia del mal olor disminuye el
modo dc vida en el ambiente, tizna y cenizas ensucien objetos y pueden danar estos
(tejidos etc.). Esto tambien es un disgusto locual siempre vuelve.
CuUivos abajo vidrio se pueden perjudicar indirccto, porque los vidrios dejan pasar
menos luz por el ensuciamiento causado por cenizas y tizna.

Un perjuicio directo del hombrc, dc la planta y del animal ocurre cuando durante
corto tiempo una alta concentracion dc materias vcnenosas influyen o durante mas
tiempo cantidad menos grande. Un numero de materias dafiosas para el hombrc, el
animal y la planta estan discutidos detallados, es decir dioxido sulfurico y fluor.
Fue dado una considcracion sucinta sobrc composiciones quimicas de nitrogeno,
cloro y benzpireno.

En la discusion sobrc cl preventivo o la restriccion de la salida de materias dariosas,
•se ha pucsto atencion al su a,spccto juridico y tecnico-pecuniario como tambien a los
precaucioncs tomados por cl gobierno desde el afio 1962, y las intencioncs de la
circun.speccion del gobierno a la relacion dc la dominacion del ambicnte.
Despues habia llamado la atencion hacia la irrigacion con cal de végétales lacual
puede fijar una concentracion minima de aerosolas acidas y sulfato de aluminio,
locual puede fijar una parte (hasta 45%) del fluor tomado oral por el ganado, fue
indicado en general como hay que haccr en casos de darios comprobados.
Se defiende la institucion de comisioncs de dafios, por el consejo départemental del
directorio general de la agricultura, horticultura y frutacultura. En estas comisioncs
deben estar rcpresentado a la par représentantes de la industria y de la agricultura,

-ocr page 212-

bajo la presidencia de un experto neutral. Estas comisiones tienen que hacer viajes
de inspeccion con regularidad a explotaciones las cuales sufren de esta molestia, y
tienen que tomar muestras de orina eventual huesos, y muestras de vegetales. Segun
los resultados clinicos y la relacion de la analisis se puede formular una indemnizacion
de perjuicios.

Cuando uno tiene el proposito de fundar una industria (fabrica) se recorniende
fuertemente que el ministerio de Fomento tome contacto con las instancias indicadas,
y con las personas indicadas y cuando existe la necesidad collectara muestras de
origen de aire, vegetal y animal y entonces debe hacer un analisis para determinar la
llamada sulfase reaccion.

En el caso de que despues la inauguracion de una fabrica ocurre inesperado sintomas
de intoxicacion, se puede tomar de nuevo muestras y analisar las. Despues compara-
ciones de los resultados del analisis y segun los sintomas clincos se puede formular
una indemnizacion de perjuicios.

LITERATUUR.

All croft, R., Burns, K. N. and Hebert, C. N.: Animal Disease Surveys
Report no. 2 Part II:
Fluorosis in Cattle. Development and Alleviation: Experimen-
tal Studies London H.M.S.O. (1965).
Brandenburger, E.: Der Aufbau pflanzlicher, tierischer und menschlicher
Verkalkungen im Lichte der röntgenographischen Kristallstrukturuntersuchung.
Vierteljahrschrift der Naturforschenden Gesellschaft Zurich, 90, (1945).
Br as s er, L. J.: De verontreiniging van de buitenlucht in het gebied rond de

IJmond. Techn. Gem.blad, 46, 130, (1960).
Brouwer, W. A. H. : Luchtverontreiniging ten gevolge van waterverontreiniging.

Techn. Gem.blad, 46, 121, (1960).
Burns, K. N. and A 11 c r o f t, R.: Animal Disease Surveys Report no. 2. Part I:
Fluorosis in Cattle. Occurence and Effects in Industrial Areas in England and
Wales 1954-57, London H.M.S.O. (1964).
C o h r s, P. : Zur pathologischen Anatomie und
Pathogenese der chron. Fluorverg.

des Rindes. Dtsch. tierärztl. Wschr., 29, (1941).
Greenwood, D. A., S h u p e, J. L., Stoddard, G. E., Harris, L. E.,
N i e 1 s e n, H. M. and O 1 s e n, L. E. : Fluorosis in Cattle.
Special Report 17. Agr.
Exp. St. Utah State University. Logan (1964).
H e i n e n, M. J. K.: Luchtverontreiniging in de omgeving van de Nieuwe Waterweg.

Techn. Gem.blad, 46, 144, (1960).
H oogst rat ten, B., Leone, N. C., S h u p e, J. L., Greenwood, D. A.
and L i e b e r m a n, J. : Effect of Fluorides on Hematopoietic System, Liver and
Thyroid Gland in Cattle, ƒ.
Am. Med. Ass., 192, 112, (1965).
Houten, J. G. ten: Bezwaren van de luchtverontreiniging voor de landbouw.

Landb. Tijdschr., 78, 1, (1966).
Koeken, E. H. A.: Luchtverontreiniging en Hinderwet. Techn. Gem.blad, 46, 139,
(1960).

Koeken, E. H. A. en Koopman.s, S.: Luchtverontreiniging en Jurisprudentie.

Techn. Gem.blad, 46, 140, (I960).
Koopmans, S.: Olie-opslag en luchtverontreiniging. Techn. Gem.blad, 46, 133,
(I960).

Koopmans, S.: Financiële aspecten van luchtverontreiniging. Techn. Gem.blad,

46, 136, (1960).

Roh olm, K.: Fluorvergiftung, eine „neue" Krankheit. Klin. Wschr., 15, 1425,
(1936).

S c h u u r s m a, M. J. N. : Het toezicht op de luchtverontreiniging. Techn. Gem.blad,
46, 114, (1960).

S h u p e, J. L., Miner, M. L. and Greenwood, D. A. : Chnical and Patholo-
gical Aspects of Fluorine Toxicosis in Cattle.
Am. N.Y. Acad. Si., Ill, 618, (1964).

-ocr page 213-

S p i e r i n g s, F.: Schadelijke invloeden van gasvormige luchtverontreiniging en stof
op land- en tuinbouwgewassen.
Techn. Gem.blad, 46, 128, (1960).

Tesch, J. W.: Volksgezondheidsaspecten van luchtverontreiniging. Techn Gem.-
blad,
46, 117, (1960).

T e s i n k, J.: Fluorvergifdging bij runderen en haar beïnvloeding door het toedienen
van aluminiumsulfaat. Dissertatie Utrecht (1954).

Tesink, J.: De te nemen maatregelen bij chronische rundveefluorosis. Tijdschr.
Diergeneesk.,
80, 299, (1955).

Tesink, J.: Fluorvergiftiging bij rundvee. Landbouwk. Tijdschr., 69, 599, (1957).

Tesink, J.: Fluorvergiftiging bij runderen in de omgeving van een aluminium-
fabriek.
Tijdschr. Diergeneesk., 83, 189, (1958).

Tesink, J.: Fluorvergiftiging bij rundvee. Techn. Gem.blad, 46, 125, (1960).

Veldkamp, G. M. J. en B a r t e 1 s, A.: Volksgezondheidsnota 1966.

-ocr page 214-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Stafylokokken-infeefie bij leghennen

Staphylococcus infection in laying hens.

door H. H. LENSING1), W. H. SMITS2)
en S. A. M. VAN CLEEF3)

Uit het laboratorium van het Lectoraat voor Bedrijfspluimvee-
ziekten van de Faculteit der Diergeneeskunde en de Stichting
Gezondheidsdienst voor Pluimvee.

In december 1965 werden wij op 4 bedrijven geconfronteerd met een
bijzonder beeld van stafylokokkosis bij leggende WL-hennen. Deze aan-
doening was opgetreden tengevolge van kannibalisme en ging in enkele
gevallen gepaard met een lichte difteriedoorbraak.

Anamnese

Het betrof koppels van 5000, 5000, 300 en 100 hennen op een leeftijd van
respectievelijk 7, 6/2, 5/2 en 5/2 maand en met een eiproduktie van res-
pectievelijk 75%, 35% en tweemaal enkele procenten. Alle dieren waren
afkomstig van dezelfde kuikenbroederijen en gebroed uit eieren van dieren
van hetzelfde vermeerderingsbedrijf. De entingen tegen infectieuze bron-
chitis, pseudo-vogelpest en pokken-difterie hadden plaats gevonden volgens
het landelijk, door de Gezondheidsdiensten, uitgegeven entschema.
Met het toenemen van de eiproduktie werden de uitvalpercentages op alle
bedrijven veel te groot. Deze bedroegen op drie bedrijven ± 0,5% en op
één bedrijf zelfs ± 0,75% per dag. Ondanks de grote uitval liep op geen
enkel bedrijf de produktie terug. Ook de voeropname toonde nergens enige
neiging tot dalen.

Een percentage van 5—15% van de dieren vertoonde een flegmoneuze
necrotiserende ontsteking van de cloaca en de omliggende buikhuid.
Op één bedrijf (5000 dieren) was er tijdens de opfok ook een regelmatig
te grote uitval geweest, hoofdzakelijk tengevolge van een darmontsteking
(zonder stafylokokkeninfectie-verschijnselen). Bij de andere koppels was
de opfok zonder ziekte en met zeer geringe uitval verlopen.
De hygiënische toestand op alle bedrijven liet nogal te wensen over. In
twee gevallen (300 en 100 dieren) werden oude houten legnesten gebezigd
met strohaksel als bodembedekking en waren de dieren op de grond gehuis-
vest op nogal vochtig strooisel. Een van de grote hokken had in het midden
een mestbak met houten lattenrooster met aan beide zijden een scharrel-
ruimte met vuil en vochtig strooisel, bestaande uit houtkrullen alsmede
houten legnesten met houtkrullen als bodembedekking; het andere had
een mestbak met draadrooster met aan weerszijden een scharrelruimte met
zeer vuil en vochtig strooisel en legnesten van geplastificeerde draadroosters
als bodem. Ook de legnesten verkeerden in het algemeen in een matige
hygiënische toestand.

1  Drs. H. H. Lensing; wetenschappelijk ambtenaar bij het Lectoraat voor Bedrijfs-
pluimveeziekten, Amersfoortsestraat 49 te Soesterberg.

2  Drs, W. H. Smits; adjunct-directeur bij de Gezondheidsdienst voor Pluimvee,
Amersfoortsestraat 49 te Soesterberg.

3  Drs. S. A. M. van Cleef, voorheen wetenschappelijk medewerker bij de Gezond-
heidsdienst voor Pluimvee, Amersfoortsestraat 49 te Soesterberg.

-ocr page 215-

Klinische symptomen

De buikhuid rondom de cloaca vertoonde een flegmoneuze, necrotiserende
ontsteking met bloedingen en korstvorming (zie foto), zich tevens uit-
breidend in de cloaca.
Daarnaast zag men ge-
woonlijk diverse, enkele
millimeters grote, blau-
we plekjes in de buik-
huid. Volgens de eige-
naren begon het ziekte-
beeld steeds met deze
blauwe plekjes. De ge-
woonlijk bij een stafylo-
kokkeninfectie aange-
taste plaatsen, ;;oals
kam, lellen, kop-, hals-
en poothuid, onderkant
van de vleugel, borst-
been-slijmbeurs, ge-
wrichten, peesscheden
en voetzooltjes
(J y 1-
ling, 1962; o e p k e, 1964; Smits, 1963 en Verge e.a., 1960),
vertoonden geen afwijkingen.

De dieren maakte de indruk flinke jeuk en/of pijn te hebben, pikten zich-
zelf dikwijls en persten, waardoor het colorectum- en het cloacaslijmvlies
naar buiten zichtbaar werd. Aan dit slijmvlies ontstonden veelal grotere
en kleine beschadigingen, hetgeen het persen nog verergerde. Gewoonlijk
stierven de aangetaste dieren aan een inwendige verbloeding als gevolg van
kannibalisme (uitpikken van de darmen). Daarnaast echter werden zo
af en toe enkele dieren leeggepikt, waarbij geen flegmoon en geen necrose
geconstateerd werd, hetgeen in het begin van de produktieperiode een
normaal verschijnsel is.

Volgens mededelingen van enkele eigenaren zou dit leegpikken door andere
dieren nä de dood van de betreffende hennen zijn geschied, volgens eigen
waarnemingen was de sterfte, voor wat betreft een flink aantal van de
gevallen, het gevolg van kannibalisme vóór de dood.

Sectiebeeld

Dc onderzochte dieren waren in volle produktie en in goede conditie. Bij
dc meeste aangetaste dieren waren veranderingen te zien aan de huid, aan
en in de cloaca, in het colorectum en soms aan dc eileider. De verande-
ringen in en rondom de cloaca en in het colorectum bestonden uit slijm-
vliesdefecten, bloedingen, ontstekingsprocessen en necrose. Vooral de cloaca-
wand was gewoonlijk duidelijk gezwollen, rood en pleksgewijs bedekt met
geel, kazig, soms aan de wand vastzittend exsudaat.

Bij doorsnijden van de cloacawand en van de buikhuid o[) de ontstoken
plaatsen was duidelijk sprake van een infiltratie met bloederig vocht van
respectievelijk submucosa en subcutis, gevolgd door uittreding van exsu-
daat in en versterf van de meer oppervlakkig gelegen darmwand- en huid-
weefsels.

-ocr page 216-

Uitgaande van de blauwe plekken in de huid onstond korstvorming. Van
het spijsverteringsapparaat waren bij de geseceerde dieren in de regel duo-
denum, ileum, caeca en ten dele het colorectum tengevolge van kanni-
balisme verdwenen, evenals nog al eens het grootste gedeelte van de ei-
leider. In de buikholte werden vaak grotere of kleine bloedstolsels aange-
troffen. De kadavers waren anemisch. Regelmatig werden — gewoonlijk
symmetrisch aan weerszijden van de tongbasis — in het slijmvlies van de
mondbodem kleine, difterische plekjes gevonden.

Bacteriologisch onderzoek

Uit de ontstekingsprocessen rondom en in de cloaca en uit de subcutaan
gelegen blauwe plekjes werden in alle gevallen stafylokokken gekweekt.
Verder werden in een deel der gevallen ook
Escherichia coli, Spherophorus
necrophorus, Proteus vulgaris
en sporevormende bacteriën gekweekt.
De gevonden stafylokokken waren alle coagulasepositief en vertoonden op
de Chapman-11 O-voedingsbodem een flinke groei, bestaande uit gele kolo-
nies. Deze bevindingen wijzen volgens Chapman (1945) op pathogeni-
teit van de stafylokokken.

In vitro bleken deze stafylokokken (uit de eerste isolatie) vooral gevoelig
te zijn voor chlooramphenicol, in mindere mate voor penicilline en in ge-
ringe mate voor tetracycline en sulfapreparaten.

In de inwendige organen werden geen bacteriën aangetroffen, zodat geen
septicemie was ontstaan.

Virulogisch onderzoek

Aangezien op twee bedrijven bij een deel van de dieren difterische plekjes
in de mondholte werden aangetroffen, werd materiaal van deze difterische
plekjes in een steriel mortiertje met 2 ml steriele fysiologische NaCl-oplos-
sing gehomogeniseerd en hieraan werden 2000 I.E. penicilline en 2 mg
streptomycine toegevoegd.

Van gedurende 12 dagen bebroede kippeëieren werd de luchtkamer van
de stompe punt van het ei naar het midden van de zijwand van het ei
kunstmatig verplaatst. Hiervoor werden, na desinfectie ter plaatse, 2 gaatjes
in de eischaal geboord; één op de plaats van de bestaande luchtkamer en
één op de plaats, waar de „nieuwe" luchtkamer zou komen. Met de punt
van een kleine injectienaald werd nu een kleine opening gemaakt in het
schaalvlies boven de bestaande luchtkamer en hierdoor werd met een
ventielslangetje de lucht uit de bestaande luchtkamer gezogen. Als gevolg
hiervan ontstond op de plaats van het gaatje in de zijwand van het ei een
nieuwe luchtkamer.

Van bovengenoemde bereide suspensie werd 0,1 ml ter plaatse van de
„nieuwe" luchtkamer op het chorio-allantoisvlies gedruppeld en de ope-
ningen in de eischaal werden afgesloten met paraffine. Na drie dagen be-
broeden werden de eieren geopend en bleek het chorio-allantoismembraam
verdikt en opaalglasachtig troebel te zijn geworden. Vier, niet tegen pok-
ken-difterie geënte, 2 weken oude, gezonde kuikens, werden geënt volgens
de veerfollikelmethode met de bovengenoemde suspensie èn vier even oude,
niet geënte kuikens op dezelfde wijze met materiaal van de chorio-allan-
toisvliezen van de geïnfecteerde eieren. Na zeven dagen werden bij al de
diertjes de voor pokken-difterie typische follikelzwellingen waargenomen.

-ocr page 217-

Op dezelfde wijze als boven beschreven werd ook getracht het pokken-
difterievirus in de blauwe huidlaesies aan te tonen. Dit gelukte echter niet.

Behandeling

Geadviseerd werd om de dieren een behandeling per os te geven met
chlooramphenicol gedurende 3—5 dagen in de dosering van 100 mg per
kg lichaamsgewicht per dag. Daarnaast werden bij alle dieren de aange-
taste plekken in de buikhuid en rondom de cloaca bespoten met jodium-
tinctuur. Op de bedrijven, waar de bovensnavels van de hennen niet reeds
vóór de leg waren ingekort, werd dit alsnog gedaan.
Op twee bedrijven werden de ramen voor 80% bedekt met papieren voe-
derzakken, waardoor aanzienlijk minder licht het hok binnenkwam. Op de
beide andere bedrijven werd dit nog gedurende enkele maanden gecom-
bineerd met een „rode" verlichting \'s morgens en \'s avonds.
Op drie bedrijven trad 5 tot 6 dagen na het begin van de behandeling een
duidelijke daling van de sterfte op: bij twee koppels was na één week
behandeling de sterfte geheel opgehouden; op één bedrijf was het resultaat
van de behandeling in één van de twee afdelingen van het hok weinig
bevredigend. Bij de hennen in deze afdeling waren nagenoeg geen maat-
regelen genomen om kannibalisme tegen te gaan. Uit het bovenstaande
blijkt, welke grote rol kannibalisme bij de moeilijkheden in deze koppels
heeft gespeeld.

In de vierde koppel bleef de sterfte echter gedurende tenminste 2 maan-
den enkele dieren per dag bedragen, zoals bij controlebezoeken aan de
betreffende bedrijven is gebleken.

Discussie

Stafylokokken-infecties bij de kip moeten in veel gevallen als secundair be-
schouwd worden. Primair moeten er vaak laesies van de huid en/of de
slijmvliezen aanwezig zijn, die dan als porte d\'entrée dienen voor de stafy-
lokokken. Het ligt voor de hand, dat de bij de meeste aangetaste dieren ge-
vonden blauwe plekken in de buikhuid deze porte d\'entrée hebben ge-
vormd. Dat deze plekken primair door de lichte difteriedoorbraak ver-
oorzaakt werden lijkt niet waarschijnlijk, daar het pokkendifterievirus hier-
uit niet gekweekt werd.

Volgens Boot es (1964), MondinienQuaglio (1956) cn Roep-
k e (1964), zouden namelijk pokken-difterie-aandoeningen een predispositie
kunnen vormen voor het ontstaan van staphylococcosis. In de praktijk heb-
ben wij daar reeds diverse malen sterke aanwijzingen voor gehad.
Waarschijnlijk speelde de leeftijd, waarop de moeilijkheden in de door ons
waargenomen gevallen voorkwamen, aetiologisch een belangrijke rol. In het
begin van de leg treedt namelijk in meerdere of mindere mate het euvel
van windeieren en grote eieren („dubbeldooiers") op, tengevolge waarvan
nogal wat eileider- en cloacaprolaps voorkomt met als gevolg kannibalisme
en inwendige verbloedingen.

We spreken dan ook het vermoeden uit, dat zowel het feit, dat de dieren
pas aan de leg waren (eileider- en cloacaprolaps), als het optreden van
kannibalisme, in enkele gevallen samen met een lichte difteriedoorbraak,
gepredisponeerd hebben tot het ontstaan van de stafylokokkosis.

-ocr page 218-

Dankbetuiging.

Wij betuigen onze danlc aan de heer Drs. W. J. Roepke voor zijn medewerking,
verleend bij het tot stand komen van dit artikel.

SAMENVATTING.

Vier gevallen van een bijzondere vorm van stafylokokkose, namelijk een flegmoneuze,
necrotiserende ontsteking van de buikhuid rondom de cloaca, gepaard gaande met
bloedingen en korstvorming cn zich uitbreidend in dc cloaca, bij pas in produktie
gekomen WL-hennen worden beschreven.

Tevens wordt op de aetiologie en op de toegepaste behandeling, bestaande uit
toediening van chlooramphenicol per os, een lokale applicatie van een jodiumoplossing
en hokverduistering gecombineerd met rode verlichting nader ingegaan.

SUMMARY.

Four cases of a particular form of staphylococcal infection, viz., phlegmonous, necro-
tizing inflammation of the skin of the abdomen around the cloaca, associated with
haemorrhages and crust formation and spreading within the cloaca, are reported in
White Leghorns hens which had recently started to lay.

In addition, the aetiology and the method of treatment adopted, consisting in oral
administration of chloramphenicol, topical application of an iodine solution and
blacking out of the houses in conjunction with red lighung, are discussed.

LITERATUUR.

Bootes, B. W. and S 1 e n n e t, G.: Staphylococcosis in chickens. Austr. vet. ].,
40, 238, (1964).

Chapman, G. H.: The significance of jodium chloride in studies of staphylococci.

J. Bact., 50, 210, (1945).
J y 11 i n g, B.: Staphylococcosis in poultry. Proc. 9th. Nordic. Vet. Congr. Copen-
hagen. Vol.
II, 838, (1962).
M o n d i n i, S. en Q u a g 1 i o, G. L.: Su di un particolare aspetto della stafilococcosi

dei polli: la cosidette „gan.grena dell ala". Zooprofilassi, 11, 677, (1956).
Roepke, W. J.: Voordracht tijdens de Veterinaire Week te Utrecht, 1963.
Smits, W. FI.: Pluimveeziekten.
Diergeneeskundig Memorandum,, 1 en 2, 147,
(1963).

Verge, J., G o r e t. P., J o u b e r t, L., P a r a f, A. et A s s o, J.: Contribution
a l\'étude des staphylocoques d\'orgine animale. Caractères et identification.
Rec.
Méd. Vét.,
136, 527, (1960).

-ocr page 219-

REFERATEN

Baeferiële- en virusziekfen

DE ISOLATIE VAN VARIANTEN VAN EEN MOND- EN KLAUWZEER
VIRUS STAM.

H y .51 O p, N. St. G. and F a g g, R. H.: Isolation of variants during passage of a
strain of foot and mouth disease virus in partly immunized catde. ƒ.
Hyg. Camb., 63,
357, (1965).

Het is bekend, dat er antigene verschillen bestaan tussen subtypen binnen de zeven
immunologisch verschillende typen van het mond- en klauwzeer virus. Deze onder-
zoekers hebben reeds aangetoond, dat door seriepassage van een bepaald type mond-
en klauwzeer virus in celkuituren van varkensnieren, waaraan zij in stijgende hoeveel-
heden type-specifiek antiserum hadden toegevoegd, een subtype ontstond van gewij-
zigde antigene samenstelling.

Dit onderzoek nu vermeldt het resultaat van het in successie passeren van een bepaald
type virus via gedeeltelijk geïmmuniseerde runderen, waardoor het hen gelukte na
de 34ste passage een in antigene structuur verschillende variant te verkrijgen.
Dc betrokken jonge runderen werden vooraf gevaccineerd met geïnactiveerd vaccin
(Frenkel) bereid van de in dit experiment gebruikte homologe Turkste stam (Type
SAT-1). \' ^

Bij de stieren die werden besmet met virus van hun voorganger ontwikkelde zich
bij de eerste 10 dieren een gegeneraliseerd ziektebeeld, dat echter bij de elfde
passage overging in en zich beperkte tot uitgebreide primaire laesies op de tong.
Bij de 14de passage ontstonden weer secundaire laesies en bij enkele dieren zag men
in verschillende graden weer een generalisatie optreden. Van de 15de en 20ste passage
werden secundaire blaren van de poten geoogst en het virus daaruit verkregen weer
ingespoten in de tong van de volgende dierpassage. Met het virus van \'de 34ste
passage was het mogelijk een stier die 76 dagen na de eerste besmetting in deze proef
weer werd gebruikt, wederom te besmetten. Uit de blaren van deze stier werd een
virus geïsoleerd dat verschilde van het oorspronkelijke virus in complementbindende
eipnschappen en door verschil in gevoeligheid voor het oorspronkelijke antiserum.
Dit subtype werd door kontaktbesmetting overgebracht en zowel niet-gevaccineerde
als tegen de oorspronkelijke stam gevaccineerde dieren toonden eenzelfde ziektebeeld
na besmetting (generalisatie).

Op deze wijze hebben zij aannemelijk gemaakt dat ook in de natuur een variant van
een bepaald type zal kunnen ontstaan.

H. A. E. van Tongeren.

MOND- EN KLAUWZEERINFECTIE BIJ DE MENS.

Pilz, W. und Garbe, H. G.: Weitere Fälle von Maul- und Klauenseuche Infek-
tionen beim Menschen.
Zbl. Bakt. I Orig., 198, 154, (1965).

In dc laatste 5 jaar zijn aan de mond- en klauwzeerstations in Keulen, Hannover en
Lübeck, waar mond- en klauwzeervirus wordt gekweekt op de tongen van slacht-
runderen, diverse personeelsleden besmet geraakt met mond- en klauwzeer.
Hierbij ontstond blaarvorming aan de handen, dikwijls aan dc voeten en de omgeving
van dc mond, gepaard gaande met kortdurende koorts. De laesies genezen snel. In
één geval werd iemand, die 2 jaar tc voren mond- en klauwzeer Type G. had gehad,
bij eerste contact met Type O daarmede besmet. Door dierproeven kon de verwekker
worden aangetoond, terwijl van 3 weken af neutraliserende antihchamen in het serum
konden worden aangetoond. De schrijvers wijzen er op dat in de literatuur verschil-
lende gevallen met ernstig verloop bij de mens beschreven zijn (hartklachten, ge-
generaliserende exzemen van langere duur), maar zij menen dat deze afwijkingen
niets met het mond- en klauwzeervirus te maken hebben.

-ocr page 220-

Bij het artikel zijn 7 fraaie kleurenfoto\'s van verschillende stadia van blaarvorraing
bij de mens.

C. A. van Dorssen.

PYOGENESMASTITIS I.

Leth Jörgensen: Sommermastitis, aarsagsforhold og udbredelse. Medl.bl. Dansk
dyrl. foren.,
49, 277, (1966).

Bij een enquête in de zomer van 1965, door de Deense Veeartsenijkundige Dienst
gehouden onder alle practici in Jutland, naar het voorkomen van pyogenesmastitis in
hun praktijk, werden 11332 gevallen gemeld. De werkelijke cijfers zullen wel enige
malen hoger liggen, zeer vaak roept dc veehouder geen hulp in.

Voor het snelle stijgen in midden juh en de even abrupte dahng in midden september,
bestaat nauwe correlade met de temperatuur van de omgeving (grens 15- 16° C) ;
praktische ervaring en statistische verwerking zijn hier met elkaar in overeenstemming.
Er schijnt de laatste jaren een toename te zijn.

Naar veler mening is er een nauw verband met het uitkomen der vliegeëieren, vooral
in sterk verontreinigd oppervlakte-water en de slootmodder op de wal. Experimenteel
onderzoek door een team met daarin o.m. een zoöloog en een bacterioloog is gewenst.
Op 50 bedrijven vond Bahr op de uiteinden der tepels, op laesies,
Hydrotaea
irritans.
Zij zouden daar irritatie met sereuze exsudatie veroorzaken. Hierin zou de
verwekker van de mastitis zich vermeerderen.

De schrijver vestigt cr de aandacht op, dat hij in alle gevallen met abnormale geur
van de pus uit de uier naast
Corynebacterium pyogenes steeds een obligaat anaerobe
microkokkus vond, die eiwit zelfs tot
CO2, H2S en andere eenvoudige produkten
ondeedde. Deze vondst (van 1937) is vergeten, doch in 1951 door Stuard in
Weybridge bevestigd.

C. Postma.

PYOGENES-MASTITIS H.

Damgaard: Sommermastitis. Medl.bl. Dansk dyrl. foren., 49, 287, (1966).
Mechanische beschutting van tepelverwondingen tegen vliegen is ondoenlijk. Vlicgen-
wercnde middelen moeten te vaak herhaald worden. Over pyogcnes-serum en vaccin
heeft de schrijver geen ervaring. Evenmin met antibiotica met breed spectrum en
langdurige werking.

Hij stelt een hypothese op omtrent het bestaan van een lokstof, die de vliegen van
heinde en ver aan zou trekken. Hij wil deze uit het wondsecreet extraheren, daarna
synthetisch bereiden en samen met insecticiden gebruiken.

C. Postma.

Farmacologie en toxicologie

TOXICITEIT VAN ONKRUID-VERDELGINGS MIDDELEN.

B e h n e, R.: Sind Vergiftungen der Weidetieren durch moderne Unkrautmittel

möglich? Prakt. Tierarzt, 46, 304, (1965).

Hapke, H. J.: Ibid. Prakt. Tierarzt, 47, 105, (1966).

De in de landbouw en eiders toegepaste onkruidverdelgers zoals groeistoffen (MCPA,
MCPP e.a.) en de tiazin-aminotriazol houdende preparaten (simazin e.a.) zouden
volgens B e h n e voor de weidedieren niet toxisch zijn. Deze gedachte wordt ge-
baseerd op de LD50 bij de rat, bepaald na opname per os van de werkzame bestand-
delen der preparaten. De gevonden waarden werden omgerekend op het gewicht van
een koe (500 kg) en daaruit bleek dat dit dier de totale hoeveelheid (bespoten) gras
van respectievelijk 1870 en 5000 m^ in één maal op zou moeten nemen om de
50%-ige dosis letalis te bereiken. Schrijfster concludeert hieruit dat dc verliezen
onder het rundvee, zogenaamd door deze onkruidverdelgers veroorzaakt, in het alge-
meen andere oorzaken gehad zullen hebben.

-ocr page 221-

Terecht bestrijdt Hapke deze mening, zowel veterinair als toxicologisch en wijst
daarbij op de problematiek dat gezonde dieren (knaagdieren) geheel anders kunnen
reageren dan b.v. runderen, bij welke dieren ook beschadigingen door leverbot, long-
worm e.d. van grote invloed kunnen zijn. Bovendien sterven in de toxicologische
experimenten óók dieren bij een dosis die veel lager ligt dan de gemiddelde LD 50;
een stof is reeds giftig indien minder dan 10% der dieren sterft. In deze experimenter!
zijn slechts de chemisch-zuivere stoffen beproefd, hoe is echter de giftigheid van het
produkt zoals dit in de handel aanwezig is? De dierenarts en de veehouder zijn meer
geïnteresseerd in de dosis waarbij deze bestrijdingsmiddelen ziekteverwekkend werken,
of waarbij de melkproduktie beïnvloed wordt, of de resistentie tegen andere aan-
doeningen verminderd. Terecht waarschuwt Hapke voor de gedachte dat deze
middelen onder alle omstandigheden voor dieren ongevaarlijk zouden zijn.

H. Zantinga.

Voedingsmiddelenhygiëne

BESTRALING VAN VOEDINGSMIDDELEN.

M o r r e, J.: Les mouvelles méthodes de pasteurisation ét de stérilisation des aliments
par les radiations ionisantes.
Rev. Service biol. et vét., XVIII, 187, (1965).

Er wordt een beschrijving gegeven van een onderzoek over de conserverende werking
van radio-actieve straling (Cobalt 60) bij groente, fruit, aardappels, visprodukten,
vlees en eieren.

Er ontstaan door radio-actieve straling geen thermo-gevoelige veranderingen, terwijl
wel afwijkende geuren en smaken ontstaan als gevolg van enzymreacties. Ter bepaling
van de soort en grootte der gebruikte straling kunnen bepaald worden: het Vit. A
gehalte, de verandering van de collagene weefsels, de kleurreactie met thiobarbituraat-
zuur, de redox-potentiaal, de toelaatbaarheid van U.V.-straling en een bestudering
van het materiaal onder de elektronenmicroscoop.

Zo zijn bestraalde aardbeien 23 dagen, bramen en frambozen 10 dagen, kruisbessen
en kersen 5 ä 6 weken bij 4° C houdbaar.

Granen hebben slechts relatief lage stralingsdoses nodig, om de daarin aanwezige
insecten te doden.

Aardappels zullen niet gaan kiemen.

Bij diverse vissoorten zijn ook goede resultaten waargenomen. Hierbij treedt bij een
geringe straling een
Pseudomonas kiemgetal reductie op van 10^-10® kiemen per gram.
De remming van toxine vorming door
Cl. botulinum type E is nog in studie.
Bij vlees en vleesprodukten treden, als de kiemreacties alleen geremd worden de
proteolytische enzymveranderingen op de voorgrond.

Radioactieve bestraling heeft geen invloed op vleesenzymen. Daarom is bestraling

alleen toegepast bij de baconconservering.

In Engeland is geïmporteerd bevroren paardevlees bestraald.

Ook kan een bestraling trichinen zodanig beïnvloeden dat ze zich niet meer kunnen
ontwikkelen.

Succesvol is de bestraling van eiprodukten ten behoeve van de Salmonella-deconta-
minatie.

De bestralingspasteurisatie bij melk heeft slechte resultaten opgeleverd.

C. C. J. M. van der Meijs.

DE INVLOED VAN SYNTHETISCHE OESTROGENEN OP MELK, OVARIUM
EN BLOED.

Galis ti, V.: Investigations on synthetic Oestrogens (Stilbene) in milk. Their
influence on milk characteristics, ovary, uterus and calcium concentration in the blood
Vet. Italiana, 16, 561, (1965).

De auteur geeft eerst een vrij uitgebreid literatuuroverzicht, waaruit blijkt dat er geen
gelijkluidende uitkomsten verkregen werden uit proeven, die bedoeld waren om na te

-ocr page 222-

gaan of oestrogene stoffen na parenterale applicatie ook in de melk van lacterende
dieren voorkomen.

Volgens sommige auteurs veroorzaken lagere doses (0,25 - 1 mg per dag gedurende
5 dagen) een stijging van de melkgift, vooral als deze laag is, terwijl hogere doses
(10- 20 mg om de andere dag gedurende 34 dagen) juist een daling te zien gaven;
dit laatste vooral als de melkproduktie in volle gang is.

Als de totale hoeveelheid daalde, nam de densiteit, het eiwitgehalte cn het vetgehalte
toe en het lactosegehalte ook enigszins.

Voortgezette toediening bleek volgens verscheidene auteurs een hyperplasie van de
uterus mucosa te veroorzaken, soms gepaard gaande met vcrhoorning of degeneratie,
terwijl er een duidelijke remming van de activiteit der ovaria optrad.
De invloed op het bloedcalciumgehalte wisselt volgens literatuurgegevens van diersoort
tot diersoort.

Uit eigen onderzoekingen van de auteur is gebleken dat tussen de twindgste en dc
veertigste dag na de partus, zowel in de melk van ooien die met synthedsche
oestrogene stoffen waren behandeld, als ook in de melk van de controledieren natuur-
lijke oestrogenen voorkomen.

De melk van ooien, waarbij ovariëctomie verricht is daarentegen, of ze nadien met
oestrogenen behandeld waren of niet, bewerkte geen enkele posideve biologische
reactie bij muizen. Hiervoor werden drie mogelijke oorzaken aangevoerd:

1. de synthetische oestrogene stoffen worden niet met dc melk uitgescheiden;

2. ze worden in zo kleine hoeveelheden uitgescheiden dat ze biologisch niet aan-
toonbaar zijn; of

3. ze worden in het Uchaam omgezet en als biologisch inactieve verbindingen met de
melk uitgescheiden.

De schrijver voelt zelf het meeste voor de laatste mogelijkheid; men zou dan ook
zonder gevaar voor de volksgezondheid de melkgift met synthetische oestrogene
stoffen kunnen stimuleren (?).

Bij zijn experimenten waarbij aan ooien stilbeenpreparaten werden toegediend liep de
melkgift over het algemeen terug, terwijl in twee gevallen, waarbij totaal 40 - 110 mg
lang werkend (in kristallijne suspensie) diethylbestrol cn hexestrol was toegediend, de
melkproduktie zelfs volledig ophield. De auteur neemt aan dat er een cumulatie
optrad van de slecht oplosbare oestrogene stoffen waardoor op een bepaald moment
de grens tussen stimulering en remming werd overschreden.

De densiteit van dc melk nam over het algemeen toe door een stijging van het eiwit-
en het chloridcgchalte; ook het vetgehalte nam toe, evenals de Na - en Mg -
ionenconcentratie. Het lactosegehalte bleek iets gedaald te zijn. (De melk van
nymfoniane koeien is altijd iets zout en bitter van smaak).

Dc uterusveranderingen deden denken aan de normale veranderingen tijdens de
gcslachtscyclus; er werd geen enkele vorm van degeneratie, hyperplasie of metaplasie
aangetroffen.

Bij dc proefooien bleek dat de calcium bloedspiegels geen significante verschillen
vertoonden. De auteur concludeert hieruit dat cen behandeling met oestrogene stoffen,
om de melk tc stimuleren, geen gcvol.gen voor het skelet zal hebben.

A. J. Nooitgedagt.

Ziekten van het Kleine Huisdier

UITSCHEIDING VAN T. GONDII BIJ OGENSCHIJNLIJK GEZONDE
HONDEN.

B u r i, H., P i c k a r s k i, G. und S e r e p i n, E.: Zur Frage der Ausscheidung von
Toxoplasma gondii bei gesund erscheinenden Hunden.
Kleintier Praxis, 9, 157,
(1964).

Bij serologisch bloedonderzoek van 204 niet geselecteerde honden in Gottingen hadden
90,7% een S.B.F. reactie (hoger dan een op vier) en 31,3% een K.B.R. (hoger dan
1 :5).

-ocr page 223-

Ook elders in Duitsland werden dergelijk hoge percentages gevonden. Het bleek niet
mogelijk een typisch klinisch beeld van acute of chronische toxoplasmase te onder-
scheiden.

Van 99 patiënten die volgens heden geldende inzichten klinisch of serologisch verdacht
werden van een toxoplasma besmetting werden speeksel, ontlasting en faeces bij
muizen ingebracht met een volledig negatief resultaat.

Ook lukte het niet twee honden met een virulente Toxoplasma gondii stam ziek te
maken. Al was er wel een serologische reactie. Een met deze twee proefhonden in een
hok levende hond vertoonde geen serologische reacties.

Hetzelfde was het geval bij experimentele besmetting met een a-virulente stam.
Schrijvers komen op grond van eigen en experimenten van anderen tot de conclusie
dat een gezonde met toxoplasma geïnfecteerde hond niet als besmettingsbron voor de
mens in aanmerking komt.

Hoe de hoge besmettingsgraad van de hond tot stand komt is nog een raadsel. Gebruik
van rauw vlees zou volgens schrijvers bij mens en dier een rol spelen.

H. L. L. van Werven.

VITAMINE K-GEBREK BIJ PUPS?

B r a 11, H. M., B r a 11, H. M. and B r a 11, E.: Suspected vitamin K Deficiency in
Newborn Pups.
J. Am. vet. med. Ass., 146, 1053, (1965).

Sporadisch worden de schijvers geconsulteerd voor een nest pups van 3-5 dagen,
waarvan de anamnese luidt, dat de teef een der pups verwaarloost, die dan schreeuwt
en koud is. Bij nauwkeurig onderzoek blijken zich bij enkele pups kleine bloedinkjes
te bevinden aan de randen van tong en lippen. Bij een wat langer ziekteverloop
ontwikkelen zich subcutane bloedingen, oedemen, zwakte, waardoor de pups niet
meer in staat zijn te zuigen, subnormale lichaamstemperatuur en een verlengde
bloedstollingstijd hebben.

De behandeling bestaat uit een intramusculaire injectie van 25 mg vit. K bij de teef
en 5-10 mg per pup.

De aandoening komt het meest voor bij multiparae.

Vermoed wordt, dat de melk van de teef deficiënt is aan vitamine K. Dit kan
veroorzaakt zijn door een leveraandoening, behandeling met antibiotica, dicumarol-
intoxicatie, enteritis, congenitale oorzaken en door toediening van minerale oliën per
os (waardoor dc darmresorptie verminderd is).

ƒ. Uwland.

-ocr page 224-

BOEKBESPREKING

RADIOAKTIVITÄT UND VETERINÄRMEDIZIN.
K. H. Wegen er.

(Paul Parey, Berlin und Hamburg, 1966. 227 pag., 33 afb., DM 43,—.)

De schrijver van dit bock heeft aan de hand van de hteratuur een oriënterend
overzicht gegeven van die facetten van de atoomenergie en radioaktiviteit waarmee
dierenartsen in hun werk tc maken kunnen krijgen. De dierenarts-schrijver geeft in
het eerste hoofdstuk een uiteenzetting over de verschillende soorten stralen en hun
eigenschappen, over de bouw van het atoom, kernsplitsing en -versmelting, over
kernreaktoren en over stralenmeetapparatuur. Vooral aan dit laatste wordt oneven-
redig veel aandacht geschonken, terwijl de gegevens over de kernreaktoren sterk
verouderd zijn. De verklaring voor het ontstaan van röntgenstralen (pag. 12) is
onvolledig.

In het tweede hoofdstuk wordt de werking van korpuskulaire stralen op biologisch
materiaal uiteengezet. Als inleiding op het hoofdstuk, waarin het „stralen-syndroom"
bij dieren wordt behandeld, zijn vooral de paragrafen over de invloed van stralen
op de celkernen en het cytoplasma en over de stralengevoeligheid van de verschillende
lichaamscellen van belang. Het klinische en het pathologisch-anatomische beeld van
dieren, die aan een grote dosis stralen blootgesteld waren geweest, wordt uitvoerig
besproken.

Kennisname van deze materie is voor dierenartsen wellicht niet zo zeer van belang
in verband met een eventuele atoombomexplosie als wel met de mogelijkheden van
ongelukken met b.v. reaktoren cn transporten van radioaktief materiaal. Er zijn dan
bestralingen denkbaar, die heel goed kunnen worden ondervangen.
.Aan de behandelingsmogelijkheden wordt door de schrijver echter weinig aandacht
besteed. De literatuur hierover is beperkt. Daar bij dieren, die aan straling hebben
blootgestaan, het afweermechanisme is gestoord, is het voorkomen van infektie van
groot belang. Dit geldt temeer daar ook de darmwand bij die dieren beschadigd zal
zijn, waardoor een porte d\'entree voor allerlei kiemen aanwezig is.
De vraag wat te doen met dieren, die in ernstige mate aan straling blootgestaan
hebben, wordt in het kort besproken na een opstel over de schadelijke gevolgen van
radioaktieve neerslag. Ook wordt ingegaan op de gevolgen voor de konsument van het
gebruik van besmette voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Voor voedings-
technologen eveneens belangrijke onderwerpen als de werking van ioniserende stralen
op dierlijke voedingsmiddelen en de konservering van levensmiddelen door bestraling
worden benaderd vanuit de situatie in het land van de schrijver, West-Duitsland.
Over de toepassing van radioisotopen in het onderzoek in de praktijk wordt zo goed
als niets vermeld.

Aan het eind van het boek is een overzicht opgenomen van de wettelijke bepalingen
betreffende radioaktiviteit, die in de Bondsrepubliek zijn uitgevaardigd.
.Aan de vereiste zorg bij de samenstelling van dit bock heeft het wel eens ontbroken.
Zo is het schema op pag. 21 niet in overeenstemming met een formule op pag. 18
en is het niet juist dat een Comptonkwant verder zou kunnen doordringen dan de
oorspronkelijke straling (pag. 39). Ook op de indeling is we! wat aan te merken,
terwijl de hoofden boven de verschillende paragrafen niet steeds de inhoud dekken.
Niettemin kan dit boek ter kennismaking worden aanbevolen aan dierenartsen en
vooral diegenen, die in de levensmiddelentechnologie en bij de inspektie werkzaam
zijn. Iedere dierenarts kan in dit atoomtijdperk beroepshalve te maken krijgen met
radioaktieve straling, zodat enige kennis zeer gewenst is.

A. Th. van \'t Klooster.

9e DRUK VAN DE VEEWET.

Verschenen is de 9e druk van de Veewet in de Schuurman en Jordens\' Editie, uitgave

N.V. W. E. J. Tjeenk Wilhnk te Zwolle.

Deze druk is bijgewerkt tot en met 15 november 1965.

-ocr page 225-

RAPPORT VAN DE ORGANISATIECOMMISSIE RUNDVEETEELT.

Organisatorische en foktechnische aspecten van de Rundveeteelt in Nederland,
februari 1966

Begin 1964 is op verzoek van het N.R.S. bestuur door de Direkteur van het Veeteelt-
en Zuivelwezen van het Ministerie van Landbouw en Visserij, de heer Ir. Th. C. J. H.
Ryssenbeek bovengenoemde commissie samengesteld om na te gaan of de
werkzaamheden van stamboek e.a. organisaties werkzaam op het gebied van de
veeverbetering, beter aangepast kunnen worden op het gebied van de veeverbetering,
beter aangepast kunnen worden aan de veranderde omstandigheden.
De commissie heeft een tweetal werkgroepen samengesteld n.1. de Inventarisatie
Commissie Rundveeteelt en de Werkgroep Exterieur.

Door de eerstgenoemde werkgroep is een lijst van anderhalve bladzijde samengesteld
van alle instellingen en organisaties die werkzaam zijn op het gebied van de rund-
veeteelt, met daarnaast een opsomming van de activiteiten (5 bladzijden).
Het blijkt wel dat op velerlei gebied een vereenvoudiging en of samenwerking moge-
lijk zou kunnen zijn. Dit betreft o.a. het nummeren en schetsen van de dieren, het
doorregisteren van volbloeden, vereenvoudiging van de fokverenigingsadministratie,
melkcontrole (2, 3 of 4 weeks), beperking van aantal en/of frequentie van centrale
stierenkeuringen, samenwerking of concentratie van K.I. verenigingen en van
fok- en controleverenigingen, vereenvoudiging door samenvoeging van verschillende
organisaties op provinciaal niveau, instelling van een landelijke organisatie waarin
alle organisaties en instellingen met een landelijk karakter vertegenwoordigd zijn.
Tevens wordt voorgesteld dat, indien de C.M.D. een computer zou aanschaffen, te
overwegen of deze computer voor onze Nederlandse Rundveeteelt benut kan worden.
In het tweede gedeelte van het rapport worden enkele aangelegenheden besproken
betreffende het exterieur van het rundvee.

De exterieurkeuring wordt beschouwd als een hulpmiddel voor instandhouding en
verbetering van de rundveestapel, maar volgens de commissie moeten de economisch
belangrijke eigenschappen toch het zwaarst wegen. Gaarne zou men zien, dat het
keuringsrapport van het N.R.S. hieraan enigszins werd aangepast.
Verder wordt nader ingegaan op verschillende andere zaken o.a.: welke categoriën
dieren gekeurd moeten worden op exterieur, het eventueel facultatief stellen van het
keuren van vrouwelijke volbloeden, het gebruiken van predikaten in de veeverbetering
ter stimulering van de fokkerij. Het invoeren van nieuwe predikaten acht men niet
gewenst.

Het derde en tevens laatste gedeelte behandelt de foktechnische bevordering van de
rundvleesproduktie.

Er wordt aandacht geschonken aan de huidige vleesproduktie en -consumptie, terwijl
de mogelijkheden besproken worden om de vleesproduktie in ons land te vergroten
o.a. door uitbreiding van de melkveestapel, slachten op zwaarder géwicht, verbetering
van de vruchtbaarheid, vermindering van kalversterfte, vergroting van de geschikt-
heid voor de vleesproduktie. Verbetering van de erfelijke aanleg voor de vlees-
produktie wordt onder de loep genomen. Praktijkproeven, het meten en wegen van
runderen, worden besproken. De selectie zal sneller en intensiever gaan, indien men
van het mannelijk materiaal uitgaat. Ook bespreekt men selectie via nakomelingen-
groepen op proefmeststations en het meten en,/of wegen van vrouwelijke nakome-
lingen onder praktijkomstandigheden.

Of de vleesrassen van betekenis kunnen zijn voor de Nederlandse rundvleesproduktie?
Hiervan zijn nog proeven lopende aan het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek
„Schoonoord".

Al met al is dit een interessant rapport waaruit blijkt dat de commissie van mening
is, dat enkele dingen in onze rundveefokkerij van heden iets omgebogen of veranderd
kunnen en moeten worden.

Het zal hiervoor wel gewenst zijn, dat van de heden ten dage bestaande hulpmiddelen
zoveel mogelijk gebruik zal worden gemaakt.

J. Spruyt.

-ocr page 226-

SPECIAAL NUMMER VAN „WORLD REVIEW OF ANIMAL PRODUCTION".

De redactie van dit tijdschrift vestigt de aandacht op een speciaal nummer van dit
wetenschappelijke tijdschrift. Dit nummer zal de lezingen bevatten van het Symposium
over Kunstmatige Inseminatie bij Varkens, gehouden in juni \'65 op de bijeenkomst
van de Europese Zoötechnische Federatie te Noordwijk. Behalve bijdragen van een
tweetal Nederlanders, komen er ook bijdragen voor van deskundigen uit Duitsland,
België, Frankrijk, Groot-Brittannië, Hongarije, Noorwegen en Finland.
In de meeste artikelen komt een beschrijving voor van de kunstmatige inseminatie
in de desbetreffende landen.

De artikelen zijn gepubliceerd in de oorspronkelijke taal; bij elk artikel komt een
summary in de Engelse, Franse en Duitse taal voor.

Belangstellenden kunnen dit tijdschrift, waarvan de prijs ƒ 20,— bedraagt, aanvragen
bij de Secretaris van de Nederlandse Zoötechnische Vereniging, de heer Ir. P.
Hoogschagen, le van den Boschstraat 4, \'s-Gravenhage.

SISTRUM.

Het is waarschijnlijk goed te wijzen op het blad „Sistrum", orgaan van de Nederlandse
vereniging van kattenvrienden.

Deze vereniging is volgens mededeling in het blad goedgekeurd bij Kon. Besluit van

7 maart 1963 en is dus nog jong.

Het blad verschijnt elke twee maanden.

Ik kom in de voor mij liggende nummers onder andere tegen; Een artikel over
allergie voor katten van de hand van een allergoloog. Een niet ondertekend artikel
over diarree bij katten. Een artikel uit het Engels vertaald en afkomstig van B o y d
A. Langman B.Vsc. M.R.C.V.S., wat er naar mijn smaak minder in thuis hoort
en handelt over ondersteunende behandehng bij ziekten. Een vertaald uittreksel van
een artikel uit de
Journal of the American Veterinary Association over resultaten
van proeven met aspirine bij katten, gaat m.i. de normen te buiten die wij voor
lekenperiodieken moeten aanleggen. Er zijn verder literatuur opgaven en tentoon-
stellingsverslagen en dan zijn er de rubrieken van wat zich noemt het Wetenschappelijk
advies bureau W.A.B.

Dit wordt verzorgd door een aantal niet nader genoemde veterinairen die geraad-
pleegd kunnen worden. Elke dierenarts mag tot dit raadgevend orgaan toetreden.
Jawel! En wat gebeurt er nu? Lezers of leden mogen vragen inzenden over moeilijk-
heden met hun katten. Het W.A.B. geeft dan antwoord. Maar ook adviezen. Het
is een soort schriftelijk spreekuur! Antwoorden verwijzen wel naar de dierenarts
maar bevatten toch ook adviezen met dieet-lijsten, vitaminen en mondspoehngen.
Het levert ook otodex en raadt de lezers aan dit te bestellen wanneer ze een bruine
korrelige substantie aantreffen in de oren van hun katten! Het is alleen bij deze
vereniging verkrijgbaar in Nederland (aldus het blad). Men levert ook Lorexane
I.C.I. aan de leden. Dan staat daar weer vlak bij dat men zich bij een oor-infectie
tot zijn dierenarts moet wenden!

Al bij al een tijdschrift dat het goede voor dc leden-katteneigenaren en hun dieren
wel wil. Daarbij wordt tegenover dc dierenartsen een positieve houding ingenomen.
De grenzen tussen zelf-doktercn cn hulp van de dierenarts inroepen zijn hier en daar
niet strak getrokken. Het distribueren van geneesmiddelen door het W.A.B. moet
worden afgekeurd. Indien een of meer met name genoemde Nederlandse dierenartsen
deel uit zouden maken van het bestuur en/of van de redactie van dit blad zou alles
in het reine kunnen komen naar het mij lijkt.
Het blad is keurig uitgevoerd.

M. A. J. Verwer.

-ocr page 227-

INGEZONDEN

ALEUKEMISCHE LYMFOIDE LEUKOSE BIJ HET VARKEN.

Naar aanlcidin.5 van de interessante publikatie .getiteld: „Een geval van aleukemische
lymfoide leukose bij een varken" van de collegae Logger, Baars en Mouwen
in dit Tijdschrift van 1 juli j.1. zou ik gaarne enkele opmerkingen willen plaatsen.
Leukose bij varkens is, naar mijn ervaring, een relatief zeldzame aandoening. Zo
werd aan het Abattoir te Amsterdam in 5 jaar bij 492.000 geslachte varkens slechts
5x leukose waargenomen (4x lymfatische leukose, lx myeloide leukose). Bovendien
werd 7x de diagnose „leukose" gesteld op materiaal, afkomstig van andere abattoirs
(5x lymfatische leukose, lx plasma-rcticulocytaire leukose, lx vermoedelijk M.
Hodgkin).

De meeste varkens met lymfatische leukose waren jon.ger dan 1 jaar, die met de andere
typen van leukose waren volwassen zeugen. Bij geen van deze dieren waren ondanks
de uitgebreidheid van de aandoening klinische verschijnselen waargenomen. De
voedingstoestand was in het algemeen goed.

De opmerking van Logger c.s. in de laatste alinea van hun artikel is mij uit het
hart gegrepen. Een goede registratie van tumoren en tumorachtige aandoeningen
van dieren, geslacht aan de Nederlandse abattoirs, is van epidemiologisch belang te
achten. Dc waarde van deze inventarisatie stijgt nog wanneer de diagnoses door
microscopisch onderzoek versterkt kunnen worden, zoals in Amsterdam sedert 6 jaar
.geschiedt.

Dan blijft nog de moeilijkheid van een ander soort registratie, nl. die van de slacht-
dieren zelf. Zolang deze niet optimaal is, blijkt het in de praktijk erg moeilijk het
bedrijf van herkomst op te sporen. En dit laatste kan weer van belang zijn om nadere
gegevens over de patiënt en eventuele stalgenoten te verkrijgen. Dit is vooral
belangrijk bij die aandoeningen (o.a. leukose), waarbij mogelijk genetische en/of
microbiologische factoren een aetiologische rol spelen. Daarom ook zou het over-
weging verdienen om het bedrijf van herkomst van het door Logger c.s. beschreven
varken onder controle tc houden.

Binnenkort hoop ik in dit Tijdschrift iets uitvoeriger op het onderwerp van de
registratie van slachtdieren terug te komen.

Amsterdam, juli 1966 I-f.\'. Misdorp.

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Faeulteif der Diergeneeskunde

OPROEP.

Door Prof. P. G o r e t te Alfort is het initiatief genomen om ter gelegenheid van
het Internationale Diergeneeskundige Congres in 1967 te komen tot de oprichting
van een

Internationale Vereniging van Veterinaire Microbiologen.

Hij heeft mij verzocht om, evenals in Frankrijk het .geval is, te willen trachten in
Nederland een afdeling op te richten.

Hoewel verschillende Nederlandse veterinaire microbiologen reeds lid zijn van de
Nederlandse Vereniging voor Microbiologie komt het mij toch wel gewenst voor te
trachten ook in Nederland een nauwer contact te krijgen tussen veterinaire micro-
biologen. Ik denk hierbij speciaal aan medewerkers van de Centrale Diergenees-
kundige Instituten, het Rijks Instituut voor de Volks.gezondheid en dc Faculteit der
Diergeneeskunde. Voorts aan medewerkers van Provinciale Gezondheidsdiensten en
aan grote vleeskeuringsdiensten, die de beschikking hebben over een microbioloog,
en eventueel veterinairen, die speciaal voor het verrichten van microbiologisch werk
zijn ingeschakeld bij de voedsel- en voederindustrieën.
Belangstellenden worden verzocht zich tot mij te wenden.

Prof. A. V. d. Schaaf,
Inst. V. Vet. Bacteriologie,
Biltstraat 172,
Utrecht.

-ocr page 228-

Diverse berichten

DEEL UIT DE REDE VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW EN VISSERIJ,
Mr. BIESHEUVEL, GEHOUDEN OP 1 JUNI 1966, TER GELEGENHEID
VAN HET 50-JARIG BESTAAN VAN DE BOND VAN VEEHANDELAREN.

Mijnheer de Voorzitter, evenals u in uw openingswoord heeft gedaan, zou ik ook een
enkel woord willen zeggen, ja wel meer dan een enkel woord, over het mond- en
klauvraeer. U hebt gelijk, als u zegt, dat we daar een dag over zouden kunnen praten.
Ik ben dat niet van plan, maar ik zou er op dit moment toch wel een aantal op-
merkingen over willen maken. Het is zo, dat de mond- en kleuwzeerepizoötie, die ons
land in de achter ons liggende maanden heeft getroffen, voor verschillende mensen in
Nederland aanleiding is geweest tot kritiek op het gevoerde beleid van de overheid.
Daarbij deed zich een heel merkwaardige situatie voor, namelijk dat die kritiek zich
vooral richtte op een bepaalde dienst van het Ministerie van Landbouw en dat men
zei: de Minister persoonlijk, daar zit het wel goed mee.

Dat is natuurlijk wonderlijk, want de Minister is verantwoordelijk voor het gehele
beleid. Het is niet mogelijk om ambtenaren en Ministers op te splitsen. De Minister
is verantwoordelijk en het doet zich b.v. bij de melkprijs niet voor, dat men zegt:
het gaat bij de Minister wel goed, maar Directeur-Generaal Francken heeft de
Minister verkeerd geadviseerd. Dat is mij sterk opgevallen bij de kritiek die ik ontmoet
en gelezen heb. Wanneer men wil bekritiseren, dan moet men zich, dacht ik, richten
tot de verantwoordelijke bewindsman. Dat ben ik in dit geval en ik kan u verzekeren,
ik kan tegen een stootje.

Ik geloof, dat dat de juiste wijze is. Het opsplitsen van een Ministerie van Landbouw
in ambtenaren en een Minister, dat lukt bij mij niet. Dus daarom ook is het mijn
plicht, om de kritische opmerkingen, die gemaakt zijn, maar nog meer vanwege het
ontzaglijke belang van de zaak, waarmee wij in de afgelopen maanden met z\'n allen
zo druk bezig zijn geweest, dat ik enkele opmerkingen maak.

In oktober van het vorige jaar begon het in Zuid-Nederland. Daar deden zich enkele
gevallen van mond- en klauwzeer voor. Ondanks de direct genomen veterinaire politie-
maatregelen, die in de voorgaande jaren bewezen hebben doeltreffend te werken,
breidde het aantal gevallen zich uit en groeide de mond- en klauwzeeruitbraak uit tot
een epizoötie, die een groot deel van de provincies Noord-Brabant en Limburg besloeg.
Dat dit ondanks de onmiddellijk getroffen maatregelen kon gebeuren, is naar mijn
oordeel voor een groot deel te wijten aan de virulentie en de kracht van het virus
en het grote besmettingsgevaar. Waarom dit C-virus juist dit jaar een dergelijke
virulentie, een dergelijke kracht kreeg, kunnen wij nog niet verklaren.
Wèl is het opgevallen, dat niet alleen in Nederland, maar in nagenoeg geheel Europa,
mond- en klauwzeer op uitgebreide schaal voorkwam.

Toen bleek dat de epizoötie niet of althans niet snel genoeg tot staan kon worden
gebracht, is gezocht naar andere middelen dan alleen de veterinaire politic-maatrege-
len om de ziekte onder controle en weer in bedwang te krijgen.

Een van deze middelen was de voorbehoedende enting van varkens tegen mond- en
klauwzeer. De ervaringen in de thans achter ons liggende periode hebben bewezen,
dat deze entingen in combinatie met andere bestrijdingsmiddelen, een waardevol
wapen zijn in de strijd tegen deze ziekte.

Noch de veterinaire politic-maatregelen, noch de entingen welke laatste alleen dan
het gewenste effect sorteren als een dicht aaneengesloten, om het zo uit te drukken
een ent-tapijt, over een bepaald gebied wordt gelegd, noch de stringente handhaving
en de controle van de vervoersverboden, konden voorkomen, dat het mond- en klauw-
zeer zich uit Zuid- naar Noord-Nederland verplaatste en over de grote rivieren heen
zijn intrede deed in de dichtgevolktc varkensgebieden van Gelderland, Utrecht,
Overijssel en ook Zuid-Drenthe.

-ocr page 229-

Dat ondanks de combinade van alle maatregelen en het onvermoeide werk van tal-
lozen, en daarbij wil ik speciaal noemen de funcdonarissen van de Veeartsenijkundige
Dienst van mijn Departement, toch niet in een korte tijd het zo gewenste doel werd
bereikt, is deels te wijten, zoals ik al zei, aan de ongekende virulentie van het virus,
deels aan het feit, dat in het oosten van ons land de varkensbedrijven zo dicht op
elkaar liggen, dat dit gedeelte van Nederland in dit opzicht kan worden beschouwd
als één groot mammoeth-varkensbedrijf.

Bovendien heeft Nederland voor een ziekte als mond- en klauvraeer intern eigenlijk
ook geen natuurhjke barrières. En wc zullen ook niet over het hoofd moeten zien, bij
de beoordeling ervan, dat degene, die het virus het meest overbrengt, de mens is.
Dat is de boer en de boerin, die graag op de verjaarsvisite gaan bij de buurman of de
buurvrouw. In vele gevallen zijn het de mensen, die het virus overbrengen.

Welke zijn nu de gevolgen van het mond- en klauwzeer voor het Nederlandse bedrijfs-
leven? Die zijn zeer ernstig geweest,
mijnheer de Voorzitter, zowel binnenslands als
buitenslands.

Voor de bestrijding van een ziekte als mond- en klauwzeer, die in een dicht bevolkt
land als Nederland voornamelijk via menselijke contacten wordt versleept, zou het in
theorie, maar dat is theorie, noodzakelijk zijn alle vervoer van mensen en dieren te
verbieden. Maar dat gaat nu eenmaal niet, omdat daardoor de Nederlandse samen-
leving zou worden ontwricht.

Maatregelen als vervoersverboden en marktsluitingen, moeten een compromis vormen
tussen wat op papier de meest gewenste bestrijdingsmethode is en hetgeen in de
praktijk nog te verwezenlijken is. Uiteraard was het voor u van belang, dat de handel
ongehinderd doorgang kon vinden. Daartegenover stond, dat het uit een oogpunt
van bestrijding dringend vereist was, dat er maatregelen werden getroffen.
Tijdens het overleg met het bedrijfsleven is uw bestuur uiteraard opgekomen voor de
belangen van de veehandel. Ik heb er bijzonder veel waardering voor en ik stel het
op prijs dit hier tot uitdrukking te brengen, dat er daarnaast veel begrip door u is
opgebracht voor het algemeen belang en dat met het bedrijfsleven een compromis
kon worden bereikt via vrij strakke vervoersverboden en daarnaast een stelsel van
ontheffingen. U heeft zelf al aangeduid,
mijnheer de Voorzitter, dat de gevolgen
van de export bijzonder ingrijpend zijn geweest.

Onze grenzen zijn lang, naar sommiger oordeel uit veterinair oogpunt te lang, open
gebleven voor de uitvoer van produkten en dieren uit het gebied boven de grote
rivieren.

Ondanks het feit, dat er dat jaar al af en toe: mond- en klauwzeergevallen voorkwamen.
Hieruit valt af te leiden, dat in het buitenland wat dit betreft de garanties die door
onze veterinaire dienst werden en worden verstrekt, een groot vertrouwen genieten.
Langzamerhand beginnen de grenzen zich nu weer te openen,
mijnheer de Voorzitter
en ik weet van nabij door het dagelijks contact met de veterinaire dienst en ook uit
mijn persoonlijke ervaringen, hoe moeilijk het is geweest om het weer zover te krijgen
met de openstelling van de grenzen als vandaag het geval is.

Ik kan u alleen verzekeren dat op het Ministerie van Landbouw niets is nagelaten
en vandaag nog niets wordt nagelaten om weer tot een volledige openstelling van de
export te komen, zoals voor de mond- en klauwzeer uitbraak het geval was.
Mijnheer
de Voorzitter,
u weet allen dat al op een redelijk vroeg tijdstip de Italiaanse grenzen
weer zijn opengegaan en ook de Franse grenzen zijn weer geopend. Te verwachten
valt dat zeer binnenkort ook Duitsland weer van de beperkende maatregelen zal
afzien.

Ik heb met opzet hier wat langer bij stil gestaan, omdat dit toch een goede gelegen-
heid was om een uiteenzetting te geven over het beleid dat gevoerd is door het
Ministerie van Landbouw. En het zal duidelijk zijn,
mijnheer de Voorzitter, dat wij
met al datgene, al die ervaringen die we de afgelopen maanden hebben opgedaan,
ons voordeel kunnen doen voor een eventuele, naar we hopen zal dat niet het geval
zijn, maar we moeten ons daar weer op voorbereiden, nieuwe uitbraak in een ander
jaar.

-ocr page 230-

We hebben zeer veel ervaringen opgedaan en op het Ministerie van Landbouw zijn
wij bezig te proberen de beleidslijn van de toekomst uit te stippelen. Daarbij zullen
wij uiteraard ook de meningen van het bedrijfsleven peilen en ik zou ervoor willen
pleiten, dat we niet in zwart-wit-sehema\'s denken. Dat men zegt, het kan alleen
met de enting wel in orde komen. Of het kan alleen met de stamping-out methode
in orde komen. Mijn ervaring heeft mij geleerd, dat het zo eenvoudig niet is.

Mijnheer de Voorzitter, het is goed dat wij bij ons beleid — één van de moeilijkste
dingen die ik in mijn ministeriële loopbaan heb moeten doen in de afgelopen maanden,
het beleid ten aanzien van de bestrijding van mond- en klauwzeer - van buitenaf
door het bedrijfsleven veel kritiek te verduren hebben gekregen. Dat is gezond voor
een Minister. Maar ik ben het van harte met u eens, laat deze kritiek nooit afbrekend
zijn — ik ben blij dat ik dit uit de mond van u,
mijnheer de Voorzitter, heb mogen
beluisteren — maar laat het opbouwende kridek zijn, want de belangen van overheid
en bedrijfsleven lopen hier parallel. Die zijn op hetzelfde doel gericht cn al diegenen
en met name sommigen die zeer fel zijn geweest in hun kritiek, zou ik willen vragen
om toch ook enige voorzichtigheid te betrachten en nogmaals, niet te sterk in zwart-
wit schema\'s te denken.

Ik heb zelf te lang in het bedrijfsleven gewerkt — tot 1963 — om niet te weten dat
het noodzakelijk is om kritiek uit te oefenen.

Sedert ik Minister ben heb ik zeer grote waardering gekregen voor de grote toe-
wijding, ijver en deskundigheid waarmee het ambtelijk apparaat en in dit geval de
Veterinaire Dienst een uitermate moeilijk werk in de afgelopen maanden heeft
verricht. Dit wat het mond- en klauwzeer betreft,
mijnheer de Voorzitter.

Ik heb de perspectieven voor de vee- en vleeshandel ten aanzien van de toekomst
gunstig genoemd, wanneer wij er straks in slagen om tot een echte vrije E.E.G.-markt
te komen. Laten wij dat nog eens bekijken. Hoe ligt het bij de varkens? Een bijzonder
sterk gestegen produkde, ruim 6 miljoen per jaar. Ik hoor de heren 4 jaar geleden
nog zeggen, dat 3 miljoen het maximum was, later werd het 3/2 miljoen en 4 miljoen,
nu zijn het er al 6 miljoen. Sterk gestegen export, vooral naar de E.E.G., ruim 1
miljoen varkens per jaar.

Kalveren, afgezien van zeer ongunstige en onaangename ervaringen bij mond- en
klauwzeer, een goed lopende produktie en een goede export. Maar ook hier is een
waarschuwing op zijn plaats, onze concurrenten zitten niet stil. Schapen, schapen-
houderij : goede export naar Frankrijk, die gaat maar stilletjes zijn gang. Hier is nu
weer een typisch voorbeeld van een kwaliteitsprodukt, dat zich zelf verkoopt. Ten
aanzien van de runderen — terrein waar u met name toch ook belangstelling voor
hebt — uitvoer van fok- en gebruiksvee gebeurt naar alle windstreken mag ik wel
zeggen, met toch als zwaartepunt ook weer de markt binnen de E.E.G. Ons vee
heeft op dit gebied een uitstekende reputatie.

Niet alle handelaren zijn tevens vee-exporteurs, zij bewegen zich op vele markten die
wij in Nederland kennen en waarvan er enkele ingeschakeld zijn bij de uitvoering van
het E.E.G.-beleid.

Rotterdam en \'s-Hertogenbosch zullen binnen niet al te lange tijd Zwolle naast zich
vinden als derde zogenaamde referentiemarkt voor de prijswaarneming van het
slachtvee.

Deze drie marktplaatsen hadden in 1965 een gezamenlijke aanvoer van 320.000 run-
deren, d.w.z. bijna de helft van het aantal dat op de Nederlandse markten wordt
aangevoerd. Van een prijswaarneming op deze drie markten verwacht ik een goede
weergave van het marktgebeuren. Voor de vette kalveren zal Rotterdam plaats maken
voor Barneveld en ook daarvan verwacht ik een meer preciese marktprijswaarneming.
De opneming van beide marktplaatsen heeft de bijzondere belangstelling van uw Bond
en ik hoop dat wij ook op deze wijze aan uw wensen zijn tegemoet gekomen.
De vierde rundermarkt van Nederland, Leeuwarden, is ook in het internationale spel
ingeschakeld. Het heeft een E.E.G.-markt waar de buitenlandse koper verschijnt.
Het zou mij niet verwonderen, wanneer meer marktplaatsen straks dit E.E.G.-predikaat
wel graag zouden willen gaan voeren. Met de geleidelijk groeiende internationale

-ocr page 231-

samenwerking zullen in handelskringen de contacten toenemen. Ook op uw terrein.
Er ontstaan nieuwe mogelijkheden en die moeten worden benut. Bij dit alles is er
vaak een zekere aarzeling en twijfel,
mijnheer de Voorzitter. Men vraagt zich wel
eens af, of er inderdaad in het stadium van de gemeenschappelijke markt wel sprake
zal zijn van een echte vrije binnermiarkt. Of het werkelijk zo zal zijn, dat men het
Nederlandse produkt in alle vrijheid kan verhandelen, van Rodeschool tot Palermo
aan toe.

In het vijftigste jaarverslag van uw secretaris komt deze twijfel ook naar voren en het
viel ook wel te bespeuren in uw opmerkingen,
mijnheer de Voorzitter, in uw openings-
woord. Deze twijfel bespeurde ik wanneer ik las, dat uw secretaris het heeft over het
vrije verkeer ongeacht het ras.

In hetzelfde verslag komt het ook naar voren als u schrijft over het veterinair beleid
van sommige E.E.G.-landen, waarbij economische en niet veterinaire motieven een
rol spelen. Ik heb daar alle begrip voor,
mijnheer de Voorzitter en ik zou daar in dit
verband dan ook nog aan toe willen voegen — dan ben ik toch nog even op de zaak
van het mond- en klauwzeer — dat ook wij op het Ministerie dat wel onderkennen.
Het is n.1. zo, dat in de richtlijn inzake veterinaire vraagstukken op het gebied van
het intra-handelsverkeer in runderen en varkens, dus binnen de gemeenschap —
in de wandeling wordt die verordening genoemd de richtlijn levend vee — een
artikel is opgenomen, dat bepaalt welke maatregelen de lidstaten kunnen treffen als
in één daarvan een epizoötische veeziekte zich voordoet en toeneemt.
In dit artikel wordt een opbouw van de maatregelen gegeven, die onder bepaalde
omstandigheden door de importerende landen kunnen worden genomen. In de richtlijn
ontbreekt echter een systeem van afbouw wanneer de ziekte afneemt of niet meer
voorkomt. Dat probleem geldt op precies dezelfde wijze voor de andere richtlijn, de
intra-richtlijn voor vers vlees.

Ook wij zien deze onvolkomenheden in beide richtlijnen. Van Nederlandse zijde wordt
.gewerkt aan een wijzigingsvoorstel, dat wij bij de Europese commissie willen indienen.
Want ook op dit gebied moet er zo snel mogelijk harmonisatie komen. Wij zijn het
cr allen over eens, dat het vrije handelsverkeer niet doorkruist mag worden door
maatregelen van veterinaire of sanitaire aard, die in wezen een puur economische
achtergrond hebben. En wij zullen — en ik verzeker u, dat ik dat ben — in dit
opzicht bijzonder waakzaam moeten zijn.

Er zijn meer zaken die doorlopend de aandacht vragen. U hebt het vraagstuk genoemd
van de producenten-groeperingen,
mijnheer de Voorzitter, waar wij ons in het kader
van het Brusselse beraad alleen no.g maar mee bezig houden in de sector groenten
en fruit, omdat de Europese commissie ons nog geen voorstel heeft gedaan van
algemene strekking ten aanzien van deze organisatie. En ik heb altijd begrepen dat
dit bezwaar zich niet zo zeer richt tegen het feit dat producenten zich organiseren
— handel organiseert zich, dus producenten mogen zich ook organiseren — maar het
bezwaar gaat er naar uit, dat df roncurrentie vervalst wordt, doordat de overheid
ten nadele van de handel deze producenten-organisaties bepaalde financiële voordelen
zou verschaffen. En no.gmaals, we zijn dus alleen bezig op dit moment voor de sector
groenten en fruit en de regeling, die daar zou worden getroffen zal op geen enkele
wijze naar mijn oordeel een precedent mogen vormen, vooruit mo.gen lopen op de
rcgclin.gen, die al of niet tot stand komen in breder verband.

Mijnheer de Voorzitter, ik heb veel nadruk gelegd op de internationale samenwerking.
Wij moeten in nog sterkere mate in ons land beseffen — vooral in ons land, dat met
zovele commerciële banden met het buitenland is verbonden — dat alleen een
redelijk bestaan voor de toekomst kan worden opgebouwd — en dat geldt voor
producent, handel en industrie, voor allen tezamen — indien wij erin slagen een zo
fris mogelijke internationale samenwerking tot stand te brengen.

De E.E.G. mag, nogmaals, als een eerste begin worden beschouwd. Deze internationale
samenwerking kunnen wij niet afdwingen. Maar wij kunnen en moeten deze samen-
werking doelbewust nastreven en veroveren op het nationalisme.

-ocr page 232-

Daarbij vragen vele kanten, vele facetten onze aandacht. Daarbij worden wij ook
geconfronteerd met voorstellen die ons minder goed van pas komen. Dat mag ons er,
naar mijn mening, niet van weerhouden op de ingeslagen weg voort te gaan. De klok
kan niet meer worden teruggezet. Wij lossen ook geen problemen op, door de zaak
maar op zijn beloop te laten. Deze tijd met zijn snelle ontwikkeling vraagt een actief
beleid van overheid en bedrijfsleven en een positieve instelling van de mensen.

De Nederlandse Bond van Veehandelaren is voor mij een voorbeeld van een actieve
organisatie met een bijzonder posideve instelling. Ook in het ruimere verband van
de Europese veehandelsorganisatie. Ruim contact met de Overheid voor de vele
aspecten is noodzakelijk. Wij hebben in de afgelopen jaren vruchtbaar met uw
organisatie mogen samenwerken. Ik heb cr alle vertrouwen in, op basis van deze
ervaringen,
mijnheer de Voorzitter, dat wij ook in de toekomst, ons allen bewust
van onze eigen verantwoordelijkheid, met kritiek op elkaar, op goede wijze met elkaar
kunnen samenwerken. Ik mag u als vijftig-jarige van harte geluk wensen met uw
jubileum en het heeft mij veel vreugd gedaan, dat ik voor u heb mogen spreken.

Dank u wel!

WORLD ASSOCIATION OF VETERINARY FOOD HYGIENISTS - W.A.V.F.H.
4e Internationaal Symposium

Het 4e Symposium van de W.A.V.F.H. werd op zondag 25 juli 1965 om 19.30 uur
geopend met een plechtige zitting in het Groot-Auditorium van het Nebraska Center
for Continuing Education te Lincoln.

Verschillende autoriteiten, o.a. van het U.S. Department of Agriculture van de Staat
Nebraska, van de A.V.M.Association, van de Universiteit te Lincoln, voerden hierbij
het woord, waarbij gewezen werd op het belang van de uitwisseling van onderzoek-
gegevens, zulks ten nutte van de volksgezondheid. De volgende dagen werden geheel in
beslag genomen door de wetenschappelijke zittingen, waarna de vrijdag aan excursies
was gewijd.

Algemeen

De organisatie van het Symposium was in handen van een uitvoerend comité, dat
Lincoln als congresplaats had uitgekozen vanwege de zeer goede accomodatic voor dit
doel van het „Center" waarin over zeer goede congreszalen en een aantal grote
restauratieruimten kon worden beschikt. Bovendien konden hier de meeste deelnemers
in ruime en air-conditioned kamers van dit ten dele als hotel gebruikte „Center"
worden ondergebracht. Trouwens alle ruimten waren geklimatiseerd, zodat de zomerse
hitte, die ons overigens in de vrije uren zeer welgevallig was, geen afbreuk zou kunnen
doen.

Voor de deelnemers uit de Verenigde Staten, die wat het aantal betreft verre in de
meerderheid waren, ligt Lincoln centraal; voor de van „buiten" komenden bood de
reis vanaf de „invalsplaatsen" naar Lincoln een goede gelegenheid iets van het uit-
gestrekte en goeddeels zeer vruchtbare land te zien te krijgen.

Uit de Westcuropese landen waren in totaal een 40-tal — waarvan 5 uit ons land -
deelnemers aanwezig. Uit de Oosteuropese landen waren wel verschillende voor-
lopige inschrijvingen gekomen en ook enkele voordrachten ingestuurd, maar was echter
niemand komen opdagen. Midden- en Zuid-Amerika, Canada, Midden- en Zuid-
Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland hadden tezamen een 20-tal deelnemers naar het
Symposium afgevaardigd.

Van de Universiteit van Lincoln valt nog te melden dat deze een Diergeneeskundige
Faculteit heeft, zonder dat men studenten opleidt. In het universitaire geheel is
namelijk opgenomen het centrum voor de georganiseerde dierziektenbestrijding van
de Staat Nebraska, dat in meerdere grote gebouwen o.a. afdelingen voor de verschil-
lende parasitaire- en infectieziekten, zootechniek en voedingsmiddelenhygiëne bevat.

-ocr page 233-

In laatstgenoemde afdeling, waarin o.m. ren modelslachterij aanwezig was, werden
vak-cursussen voor werkers in slachterijen en de vleesproduküc-industrie, alsook
demonstraties in de wijze van uitsnijden en hygiënische behandeling en bereiding van
verschillende vleessoorten, aan andere enigerlei geïnteresseerden gegeven.
De excursie voerde het gezelschap in autobussen naar enkele grote slachterijen
„Poultry" en „Food Processing Plants" in Omaha en Fremont, waarna een zeer groot
mestbedrijf met een capaciteit van 6000 runderen en een moderne melkerij met ± 250
melkkoeien werden bezocht. Onderweg reden de bussen over de terreinen van „Boys
Town", de bekende stichting van pater Flanaghan, waarin vele uit het lood geslagen
jongens, o.a. door ze in kleine eenheden in een gezinsverband te brengen en hen een
beroep te leren, tot goede burgers worden opgekweekt.

De huishoudelijke vergadering

Van de slotzitting van het Symposium, dat zoals steeds ten dele een huishoudelijk
karakter droeg, valt te vermelden dat:

1. Sinds het Symposium te Nice in 1962 Bulgarije, Canada, Cuba en Noord-Ierland
zijn toegetreden als lid van de W.A.V.F.H.;

2. de financiële bescheiden door een drietal gedelegeerden waren gecontroleerd en
in orde bevonden met een posidef saldo ad NFl. 4.076,53 — saldo Nice ± U.S.A.
$ 500,--;

3. alle bestuursleden werden herkozen met uitzondering van — op zijn verzoek —
Dr. E. H. Kampelmacher. In zijn plaats als secretaris-penningmeester werd
met algemene stemmen gekozen Drs. M. van Schothorst. Dr. Kampel-
macher werd met algemene stemmen gekozen als vertegenwoordiger van de
W.A.V.F.H. bij de W.V.A. In een aan hem onder algemeen applaus door de
voorzitter uitgereikte oorkonde werd de dank voor het vele en belangrijke werk
dat door Dr. Kampelmacher voor de W.A.V.F.H. was verricht tot uit-
drukking gebracht;

4. een voorstel tot verhoging der jaarlijkse bijdrage met een bedrag per aangesloten
landelijk lid van b.v. een kwart dollar, gevoegd bij de thans reeds vastgestelde
contributie van U.S.A. $ 25,— per land werd aangehouden tot de in 1967 te
Parijs, tegelijk met het wereldcongres der W.V.A., te houden W.A.V.F.H.-bijeen-
komst ;

5. gediscussieerd werd of de W.A.V.F.H. zich uitsluitend tot de hygiëne van voe-
dingsmiddelen van dierlijke oorsprong moet beperken, of dat haar taak ruimer
moet worden gezien;

6. als themata voor de W.A.V.F.H.-sectie op het W.V.A.-congres te Parijs zijn voor-
en vastgesteld :

a. standaardisatie in de voedingsmiddelen research;

b. hygiëne bij de produktie van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.

Er zal te Parijs slechts 6 uur — -- 10% van de totale tijd — zaalaccommodatie
met simultaanvertaling beschikbaar zijn. Het W.V.A.-bestuur verzocht om niet àl
te specialistische onderwerpen, om het bijwonen door niet-hygiënisten aanlokkelijk
te maken.

Voorstellen, inleidingen te doen houden over hygiëne in conscrvenbcdrijven, uit-
breiding van thema b. tot voedingsmiddelen niet-dierlijke origine en omtrent
minimum normen van de gedelegeerden uit resp. Engeland, Zweden en Chili,
vonden geen weerklank in de vergadering;

7. de navolgende resoluties werden ingediend en aangenomen:

a. Resolutie van de Franse en Spaanse delegatie:

Considérant l\'importance des risques de contamination des denrées alimentaires
d\'origine animale par le personnel qui les manipule il apparaît éminemment
souhaitable que soient données au vétérinaire-inspecteur dans ce domaine une
autorité et une responsabilité qu\'il ne semble pas avoir dans un certain nombre
de pays.

-ocr page 234-

La seule visite médicale paraît en effect insuffisante. Le vétérinaire-inspecteur
devrait pouvoir intervenir avec autorité pour l\'envoi à leur médecin des
ouvriers lui apparaissant suspects, ces derniers ne pouvant reprendre leur travail
que sur présentation d\'un certificat médical attestant de leur bon état de santé.
Si dans certains pays il ne pouvait présentement en être ainsi en raison de la
légalisation en viguer, il serait heureux que le service vétérinaire de ces pays
entreprenne les démarches nécessaires auprès des autorités compétentes afin
que soit rendu possible cette intervention du vétérinaire-inspecteur. La géné-
ralisation de cette mesure constituerait en effet un réel progrès.

b. le resolutie van de Duitse delegatie:

Die Unterschiede in den einzelnen Ländern in der Ausbildung Tierärztlicher
Lebensmittelhygieniker und die unterschiedliche Auffassung in der Frage, wie
diese Ausbildung angesichts der immer grösser werdenden Aufgaben intensiviert
werden kann, sollten unter Berücksichtigung der entsprechenden Empfehlungen
der W.H.O./F.A.O. einer Analyse unterzogen werden.

Es wird daher angeregt, auf der Tagung der W.A.V.F.H. 1967 in Paris
Vorschläge zu unterbreiten, welche Ausbildung (Specializierung bereits
während oder erst nach dem Studium) den Anforderungen am ehesten gerecht
werden kann.

Zur Ausarbeitung dieser Vorschläge sollten nach Möglichkeit die Sachver-
ständigen gebeten werden, die sich bereits auf dem 4. Symposium in Lincoln
hierüber geäussert haben.

c. 2e resolutie van de Duitse delegatie:

Die wachsende Feststellung von Salmonellen in Lebensmitteln tierischer
Herkunft gibt zu ernster Besorgnis Anlass.

Eine befriedigende und dauerhafte Lösung des Problems wird erst erreicht
werden können, wenn Futtermittel, Tierbestände und ihre Umgebung Sal-
monellen-frei gemacht sind. Die hierfür erforderlichen Anstrengungen werden
erheblich sein müssen und einen langen Zeitraum in Anspruch nehmen. Die
W.A.V.F.H. ist der Auffassung, dass es in der Zwischenzeit notwendig ist, alle
Massnahmen zu ergreifen die geeignet sind den Salmonellenbefall der Tier-
bestände zu vermindern und Keimverstreuungen bei der Gewinnung der
Lebensmittel zu vermeiden.

d. Resolutie van de U.S.-delegatie:

1. Whereas the need for an abundant supply of food of animal and marine
origin for all the people of the world is well recognized and

2. Whereas Veterinary Food hygienists have the major responsibility for assu-
ring that such foods are suitable and safe for human food and

3. Whereas the World Veterinary Association has delegated to the World
Association of Veterinary Food Hygienists responsibility for bringing to-
gether veterinary scientists working in this field and whereas some countries
engaging in World Commerce have not been regularly represented at
Symposia or as membres of the W.A.V.F.H. and whereas their participation
is needed to assure maximum development in the protection of food of
animal and marine origin and whereas their active contributions of know-
ledge and experience in furthering acceptance of their export products
is necessary, therefore be it resolved that the Veterinary Associations in all
countries be encouraged to actively participate in this important field and
assure the effective communication at the scientific level by veterinary
scientists by active membership in the W.A.V.F.H. and financial support
to assure attendance at all its symposiums and in the sections organized
by this group at World Veterinary Congresses and be it further resolved
that a copy of this resolution should be furnished to the Secretary of the
World Veterinary Association with the request that he refer it to all

-ocr page 235-

member associations in the World Veterinary Association and to the
appropiate officials in member countries.

e. Resolutie van Col. D. W. Hubbard, U.S.A.:

The Association should acknowledge that veterinary food-hygienists are fully
qualified to supervise national seafood sanitation and inspection programs;
Further that the Association should emphasize need for additional training
and instruction on seafood hygiene and public health for veterinary food-
hygienists.

f. Resolutie van de deelnemers van het 4e Symposium van de W.A.V.F.H.:
Whereas the Fourth Symposium of the World Association of Veterinary Food
Hygienists has been a most successful scientific meeting,

Whereas the University of Nebraska has contributed greatiy, and Whereas
the Nebraska Center for Continuing Education has proven to be an excellent
facility for this symposium.

Be it therefore resolved that the World Association of Veterinary Food
Hygienists express its sincere appreciation to Dr. A r t h u r B. Ward, Head
Department of Conferences, the Nebraska Center for Continuing Education,
University of Nebraska and to Mr. Roy Gossage, Food Service Director,
for the Center, and their Staffs for the excellent arrangements that have been
made for the Scientific Sessions and meal functions.

Be it, further resolved that the World Association of Veterinary Food Hy-
gienists express its sincere appreciation to the Department of Public Relations
and to the Department of Information at the University of Nebraska; to Mr.
R i c h a r d F 1 e m i n g and Mr. D a n L u t z for their valuable service, and
Be it further resolved that the President of the World Association of Veterinary
Food Hygienists send copies of this resolution to the appropiate officials at the
University of Nebraska.

Het wetenschappelijk congres

De wetenschappelijke voordrachten op het Symposium werden, evenals dc daarop
volgende discussies, in het Engels, Frans of Duits gehouden en door simultaan
vertaling in de overige talen, alsook in het Spaans, weergegeven. De onderwerpen
waren samengevoegd tot een 4-tal hoofdthemata cn enkele meer samengestelde, te
weten:

1. Taak en opleiding van veterinaire voedingsmiddelenhygiënisten;

2. Salmonella problemen;

3. Problemen bij de pluimveekeuring;

4. Maatstaven bij de beoordeling van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong;

5. Onderzoekingen betreffende melk, eieren, vis en dnan-an afgeleide produkteni

6. Preventie tegen intoxicaties door contaminatie van en biologische residuen in
voedsel;

7. Korte mededelingen betreffende diverse onderzoekresultaten op verschillend
gebied.

De belangrijkste wetenswaardigheden zullen — met verwijzing naar de proceedings
voor de details — in bovengenoemde volgorde en in het kort worden weergegeven.

sub I.

Voorafgegaan door enkele meer algemene voordrachten, welke het gehele werkterrein
van de dierenarts-hygiënist bestreken, werden een aantal hoofd-inlcidingen gehouden
over de huidige en de gewenste opleiding van veterinair-medici, die in de voedings-
middelenhygiëne hun levenstaak zullen vinden.

Hierna vol.gde een serie „short communications" door sprekers uit diverse landen.

De hoofdinleiders baseerden zich op het principe, dat specialisatie pas na de op-
leiding tot dierenarts dient aan te vangen.

-ocr page 236-

Van Duitse zijde (Lerche) werd hiervoor aangevoerd dat ook de dierenarts-
hygiënist een goede khnische en epidemiologische kennis moet bezitten en een keuze
tijdens de studie voor een student niet overzienbaar is in zijn gevolgen.
Van Franse zijde werd o.a. een waarlijk subliem schema voor dc specialisatie naar
voren gebracht, maar tegelijkertijd werd voorgehouden dat de specialist ook econo-
misch moet kunnen denken. Van zeer mager rundvlees is door toevoeging van varkens-
vet nog iets te maken; te zure melk kan ontroomd worden; deze room kan voor
tweede kwaliteit boter dienen; oude eieren zijn in droge „biscuit"-produkten te
verwerken.

Bij de korte mededehngen werd van Zweedse zijde — in Zweden berust het gehele
toezicht op levensmiddelen en water bij dierenartsen — erop gewezen dat 400 uur
theoretisch cn praktisch onderwijs tijdens de studie — d.i. meer dan 2x zoveel als in
ons land — niet voldoende is om de dierenarts tot hygiënist te maken. Niet alleen
moet specialisatie nog volgen; ook dienen deskundigen van andere origine, zoals
chemici en technici, in het controle-team te worden opgenomen.

Enkele Amerikaanse sprekers, eveneens uitgaande van de basis-opleiding, achtten een
specialisatie van minstens enige maanden een strikte noodzaak. Zonder dat kan men
alleen onder een verantwoordelijk, reeds gespecialiseerd collega te werk gesteld
worden. Voor de specialisaUe werd een suggestie voor een programma gegeven.
Door afwezigheid werden de inleidingen van de Hongaarse en Yocgoslavische ver-
tegenwoordigers niet gehouden, maar uit hun interessante rapporten blijkt dat eerst-
genoemde een volledig uitgewerkt postuniversitair specialisatieprogramma, waarin
een ruime plaats aan levensmiddelentechnologie en bedrijfsleiding is gegeven, ter
discussie had willen stellen en dat laatstgenoemde had kunnen mededelen dat de
speciahsatie tijdens de studie aan de Diergeneeskundige Faculteit te Belgrado haar
beslag had gekregen. Na een basisopleiding kan 50% van de — jaarlijks 200 —
studenten de klinische, 35% de preventief diergeneeskundige en 15% de levens-
middelenhygiënische richdng ingaan. In elk van deze richtingen kan ook postuniversi-
tair een specialisatie, na een succesvol examen met een diploma gehonoreerd tot een
nog hoger geclassificeerde specialisatie, volgen.

Onzerzijds — verslaggever — werd betoogd, dat de sterke zowel absolute als relatieve
toename van het aantal dierenartsen die niet uitsluitend klinicus zullen worden,
bezinning op specialisatie tijdens dc studie nodig maakt. In ieder geval werd een
nadere speciahsatie nodig geoordeeld, zo niet tijdens dan na de studie. Tijdens de
studie zou dit o.a. gerealiseerd kunnen worden door een vrije studierichting in de
diergeneeskunde te creëren.

Bij de discussies kwamen vaak scherpe tegenstellingen tot uiting, hoewel men van
mening was, dat het dierenartsdiploma van thans voor een veterinair-medisch-
hygiënist de aanloop moet zijn voor de eigenlijke specialisatie, waarbij begeleiding en
proeven van bekwaamheid voor erkenning van deze specialisatie cn voor het bekleden
van verantwoordelijke posides nodig werd geoordeeld. De mogelijkheden van specia-
lisatie tijdens de studie dienen ernstig bestudeerd te worden, omdat hierbij een bredere
wetenschappelijke basis gelegd kan worden, die de dierenarts-hygiënist bij de uit-
voering van zijn taak verder zal dienen uit te bouwen.

Sub 2.

De Salmonella-problemen bleken dermate uitgebreid te zijn dat het bijzonder moeilijk
was in één ochtend een overzicht tc verkrijgen, hoewel de eerste spreker toch vele
verschillende punten aangestipt heeft.

Dr. Kampelmacher toonde namelijk aan dat hier met rccht sprake is van een
wereldprobleem dat om een aanpak op wereldniveau vraagt, waarbij enkele punten
scherp gezien en aanvaard dienen te worden. In de eerste plaats zal het slechts met
een „longterm" bestrijdingsprogramma kunnen gelukken onze slachtdieren vrij van
salmonellae op te fokken, waarbij dan uitgegaan zal dienen te worden van biggen
zonder jeugdinfectie, gevoerd met Salmonella-vrij voer in een Salmonella-vrij milieu
en vervoerd onder hygiënische omstandigheden naar een Salmonella-vrij slachthuis.

-ocr page 237-

In de tweede plaats zal de consument op korte termijn moeten leren om te gaan met
besmet voedsel, door de koelketen niet te onderbreken en door het voedsel voldoende
lang en hoog te verhitten, daar wij een zekere besmettingsgraad van bepaalde eiwit-
rijke voedsels zullen moeten accepteren.

In de derde plaats zullen de eisen ten aanzien van de te accepteren besmettingsgraad
steeds strenger moeten worden met als gevolg een internadonale standaardisatie van
de onderzoekmethoden en een betere coördinatie van de verschillende belangheb-
benden.

Dr. S t e e 1 e belichtte vooral de humane zijde van het Salmonella-probleem in de
Verenigde Staten: het voorkomen, de verspreiding, de mortaliteit, de typeverdelingen
etc., gegevens, zoals deze al jaren door het C.D.G. te Adanta verzameld en gepu-
bliceerd worden. Als Salmonella-reservoirs worden beschouwd pluimvee, varkens,
kalveren en koeien, doch ook de mens en zijn huisdieren vormen een belangrijk
reservoir en dragen ook zeker bij tot de verspreiding van deze kiemen. De rol van de
proteïnerijke componenten van de voeders is ook in Amerika duidelijk aangetoond;
besmette diermelen werden in vele staten in hoge percentage\'s aangetroffen (tot 50%
toe).

Als bijdrage tot de oplossing van het probleem noemde Dr. S t e e 1 e het opfokken
van Salmonella-vrije dieren, waarbij een nauwe samenwerking tussen de overheids-
instanties die verantwoordelijk zijn voor de gezondheid van mens en dier, met daarbij
een uitgebreid snelwerkend rapporteringssysteem als essentieel geacht moet worden.
Prof. Ceccarelli (Italië) wees op het feit dat in Italië de laatste jaren steeds
meer dieren klinische Salmonellose vertonen, waarbij uitheemse typen geïsoleerd
worden. Deze typen worden waarschijnlijk met het voer geïmporteerd, zodat met deze
mogelijke infecticbron rekening gehouden dient te worden.

Dr. Greenberg (U.S.A.) was van mening dat de problemen waarvoor de vlees-
verwerkende bedrijven zich momenteel gesteld zien, slechts op één wijze op te lossen
zijn, namelijk door sanering van de produktielijn, van de geboorte van de dieren tot
de slagerij toe. Hierbij kan een sanering van de voederfabrieken niet gemist worden.
Dat een dergelijke sanering van een veevoederfabriek mogelijk is toonde Dr.
R u t q V i s t (Zweden) overduidelijk aan.

Een hulpmiddel voor de controle op een goede hygiëne tijdens de bereiding van de
eiwitrijke componenten van de diervoeders en dus de afwezigheid van salmonellae in
deze voeders is de Enterobacteriaceae-test zoals door Drs. van Schothorst
voorgesteld werd, en waarover binnenkort uitvoeriger bericht zal worden.
Tijdens de ochtendzitting werden nog voordrachten gehouden over het voorkomen
van salmonellae in vlees in Frankrijk (Dr. R o s i e r), het afsterven van deze kiemen
bij het invriezen van vlees (Dr. Pais) en het voorkomen van de verschillende typen
salmonellae bij de grote huisdieren in de Verenigde Staten (Miss Moran).
Het Salmonella-probleem is dusdanig veelomvattend dat de discussie zeer gevarieerd
was; vele punten werden nog eens aangestipt, zonder tot veel conclusies te komen.
Dr. Ginsberg (Nieuw Zeeland) vatte dit nogal kernachtig samen in zijn opmer-
king dat hij uit de discussies wel geleerd had dat er sinds het eerste symposium in
1956 veel over het Salmonella-probleem gesproken is, maar dat wij wat de bestrijding
betót nog niet veel verder zijn. Met alleen maar het zoeken naar salmonellae komen
wij niet verder, ook niet met het vernietigen of pasteuriseren van alle besmette
voedingsmiddelen.

Sub 3.

De sterke toename van dc produktie en consumptie van pluimveevlees in de gehele
westerse wereld doet ook de problemen toenemen.

Het belang van goed bedrijfswater, het streven naar de lijn van „vuil" naar „schoon"
— wat in oudere bedrijven grote problemen geeft — het geneeskundig onderhoek van
het bedrijfspersoneel, de keurings- en de bewaarproblemen werden van Canadese zijde
naar voren gebracht. Instructief was daarbij het overzicht van afkeuringen en de

-ocr page 238-

redenen daarvan, zulks mede om wat ook wij hier zullen ervaren, als de pluimvee-
keuring haar beslag krijgt. Van de laatste produktie van 108 miljoen stuks werden
615.000 dieren wegens C.R.D., 269.000 wegens leucosis, in totaal om allerlei redenen
2.250.000 gehele dieren (= 2,06%) afgekeurd.

Van Duitse zijde werden 3 vragen geponeerd: Hoe en wanneer kan men de keuring
van levend pluimvee het best uitvoeren? Moet de postmortale keuring door dieren-
artsen verricht worden? Is ijswaterkoeling hygiënsch aanvaardbaar of niet? Be-
schouwingen over deze vragen volgden, maar er werden geen concrete antwoorden
gegeven; ook de vergadering was niet bij machte dit te doen. De problematiek hgt in
verschillende landen eveneens verschillend.

Andere sprekers duidden o.a. op de waarde van de keuringsbevindingen in verband
met het uitroeien van ziekten en op het belang van een goede opleiding van de
keuringsambtenaren, welke door casuistische besprekingen, films en andere verdere
voorlichting „up tot date" moet worden.

}. H. J. van Gils en M. van Schothorst.

DERDE VETERINAIRE RUITERDAG.

Ten vervolge op de Veterinaire Ruiterdag die verleden jaar voor de tweede keer werd
gehouden, is de Derde Veterinaire Ruiterdag thans in voorbereiding.
In afwachdng van nadere bijzonderheden, kan worden medegedeeld dat dit evenement
zal worden gehouden op 30 september a.s. op de Lage Vuursche.

STAARTBIJTEN BIJ MESTVARKENS.

De direkte schade die door staartbijten wordt veroorzaakt is bijzonder groot, doordat
jaarlijks een groot aantal dieren vroegtijdig afgeleverd moet worden, terwijl de kans
bestaat dat ze afgekeurd worden.

Bovendien zijn de mestresultaten minder gunstig van de normaal afgeleverde dieren
van een toom waarin staartbijten voorkwam, hetgeen de indirekte schade kan worden
genoemd.

Door het veevoederbureau voor Overijssel is een enquête ingesteld over het voorkomen
van staartbijten.

Voor 201 stallen werd een vragenlijst ingevuld. Deze stallen bezaten een gemiddelde
oplegcapaciteit van ±60 varkens per stal,

In de periode van 1 juni 1964- 1 juni 1965 werd staartbijten geconstateerd in 99 van
201 stallen.

In 32 van deze 99 stallen met staartbijten traden bij de dieren verlammingsverschijn-
selen op en,/of kwamen achterblijvers voor ten gevolge van staartbijten. Om deze
redenen werden uit 17 stallen een of meer varkens afgekeurd, In bedoelde tijdsperiode
kwam in 6% van de tomen staartbijten voor. In de hokken waar stro werd gebruikt,
kwam minder staartbijten voor:

geen stro

0 - 1 kg stro

meer dan 1 kg

per varken/

stro per varken/

week

week

aantal stallen

13

81

107

aantal hokken

127

693

638

aantal tomen met staartbijten

53

95

79

staartbijten in % v, d, hokken

41,7%

13,7%

12,4%

gem, aantal varkens per stal

87,2

71,7

47,5

gem, aantal varkens per hok

8,8

8,4

8,0

Het percentage staartbijten ligt bij de 13 stallen waar geen stro gebruikt werd zeer
hoog in vergelijking met de andere stallen.

De stalgrootte (totale capaciteit van de stal) bleek niet van invloed, daar het percen-
tage staartbijten bij grote en kleine stallen geen verschil vertoont,

-ocr page 239-

Uit de enquête liwam wel naar voren dat het aantal varkens per hok van invloed is:

8 of minder varkens

meer dan 8 varkens

per hok

per hok

aantal stallen

103

85

aantal hokken

698

630

aantal tomen met staartbijten

66

108

staartbijten in % van aantal

hokken 9,5%

17,1%

gem. aantal varkens per stal

48,4

69,3

gem. aantal varkens per hok

7,1

9,4

Uit deze cijfers blijkt dat bij

meer dan 8 varkens per hok bijna tweemaal zoveel

staartbijten voorkomt dan bij

8 of minder varkens per hok.

Verder bleek dat de beschikba

re vloeroppervlakte per varken

van invloed was.

minder dan 0,9 m^

0,9 m\'-^ of meer per

per varken

varken

aantal stallen

66

114

aantal hokken

539

725

aantal tomen met staartbijten

86

68

staartbijten in % van aantal

hokken 16,0%

9,4%

gem. aantal varkens per stal

68,6

49,5

,gem. aantal varkens per hok

8,3

7,8

Bij minder dan 0,9 m\'-^ vloeroppervlakte per varken wordt duidelijk een hoger percen-
tage staartbijten gevonden.

Geen verschil in percentage staartbijten kon worden geconstateerd tussen stallen met
veel, matig of weinig daglicht. De gangbare mening in de praktijk dat verduistering
het staartbijten tegengaat wordt bij dit onderzoek niet bevestigd.
Uit de toomadministratie van de varkenskernen kon t.a.v. het gemiddelde mest-
resultaat van alle tomen met wel en .geen staartbijten de vol.gende tabel worden
opgesteld:

tomen met
staartbijten

tomen zonder
staartbijten

aantal tomen

47

648

aantal varkens

714

7737

sterftepercentage

2,9

1,7

groei per dag in g

585

631

kg meel per kg groei

3,42

3,32

lagere prijs dan de lA\'s in ct

8,3

7,0

Bij de tomen met staartbijten zijn de mcstrcsultaten ongunstiger: lagere groei per
dag, hoger voederverbruik, slechte slachtkwaliteit en een hoger sterftepercentage.
Uit het verschil in mestresultaten valt tc berekenen dat in het afgelopen jaar aan de
tomen met staartbijten ongeveer ƒ 6,20 per mestvarken minder is verdiend dan aan
de tomen zonder staartbijten. Hierbij is dan nog niet de schade in rekening gebracht,
die eventueel afgekeurde of gedeeltelijk afgekeurde varkens kunnen opleveren. Voor
het komende jaar zal opnieuw een enquête worden ingesteld over staartbijten om
zodoende opnieuw meer te weten te komen over dit onderwerp.

Ondeend aan het verslag over rundvee- en varkensvoeding van het vecvoederbureau
voor Overijssel over 1964- 1965.

Maandblad voor de varkensjokkerij, 29, /, (1966).

-ocr page 240-

CONGRESSEN

CURSUS „MEDISCHE STATISTIEK"
georganiseerd door het

Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde te Leiden
en de

Medisch-Biologische Sectie van de Vereniging voor Statistiek
Doel v£in de cursus

De cursus is bestemd voor artsen en andere werkers op medisch-biologisch en ver-
want gebied, die zich op de hoogste willen stellen van de gedachtengang van de
statistiek en de betekenis van de moderne stadstische methoden voor het beschrijven
en analyseren van waarnemingsuitkomsten.

Voor het volgen van de cursus is geen statistische kennis of ervaring vereist. De
noodzakelijke kennis van de wiskunde beperkt zich tot enkele onderwerpen uit de
algebra, die gedurende de cursus in het kort worden behandeld.
Te behandelen onderwerpen

De cursusstof kan in drie groepen worden verdeeld:

A. De opzet en uitvoering van onderzoek

B. Beschrijvende statistiek

C. Mathematische statistiek (statistica)

1. Gedachtengang

2. Enkele klassieke methoden

3. Verdelingsvrije methoden

4. Toetsen betreffende kwalitatieve gegevens

5. De keuze van een statistische methode.

Bij de lessen wordt gebruik gemaakt van de ,,Inleiding tot de Medische Statistiek"
door H. de Jonge (2 delen, elk van ƒ 17,50), uitgegeven als Verhandeling van het
Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde.

Duur, tijd en plaats

De cursus bestaat uit 30 lessen van 2 uur, die jaarlijks worden gegeven op dinsdag-
avonden, van 19.30- 21.30 uur, van eind september tot en met mei van het daarop-
volgend jaar. De cursus vindt plaats te Leiden (Nederlands Instituut voor Praeven-
tieve Geneeskunde).

In principe dient men na elke les enkele uren uit te trekken voor het bestuderen
van de behandelde stof en/of het maken van enkele opgaven.

Kosten

Het cursusgeld bedraagt ƒ 150,- (exclusief de bovengenoemde leerboeken). Het dient
vóór 31 december van het jaar waarin de cursus aanvangt te worden voldaan op
postgirorekening 202277 van het Nederlands Instituut voor Praeventieve Genees-
kunde te Leiden.

Inlichtingen en aanmelding

Verdere inlichtingen worden verstrekt door:

Afdeling Statistiek, Nederlands Instituut voor Praeventieve Geneeskunde, VVasse-
naarseweg 56, Leiden, tel. (01710) 5 09 40 t/m 5 09 44, toestel 237.

PLUIMVEECONFERENTIE

Op 29 september a.s. organiseert N.V. Mengvoeder U.T.-Dclfia een pluimveeconfc-
rentie ter gelegenheid van de Internationale Pluimveetentoonstelling „Omithophilia"
in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
Onderwerp:
„Integratie in de pluimveehouderij".

SYMPOSIUM ON C.R.D.,

at the World Poultry Science Association Congress, Kiev, U.S.S.R.

-ocr page 241-

Elanco Products has organised a small symposium to be held on the 19th August,
commencing at 14.30 hours.

The chairman of this meeting will be Prof. R. J. Brion (France), and speakers
will include Prof. Meszaros (Hungary), Dr. H. P. Chu (Lebanon) and Drs.
M. H. F u s s e 11 and R. Coles (Britain).

The symposium will cover aspects of C.R.D. including economics, transmission and
control.

Further details will be announced at Kiev or will be available from the Elanco
exhibit in the Trade Exhibition.

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

DE MOND- EN KLAUWZEERUITBRAAK 1965 - 1966.

Dc beperkende maatregelen ten aanzien van herkauwers en varkens, die West-Duits-
land de afgelopen maanden heeft genomen in verband met de mond- en klauwzeer-
uitbraak in Nederland, zijn met ingang van 22 juli 1966 volledig ingetrokken. Met
ingang van deze datum gelden voor levende herkauwers en varkens weer dezelfde
Duitse import- en transitbepalingen als vóór de mond- en klauwzeeruitbraak.
Ook Bel.gië en Frankrijk hebben inmiddels de grenzen opengesteld voor alle vlees,
afkomstig van dieren, geslacht na 1 juni 1966. Voor levend vee heeft België de
toestand hersteld zoals die vóór de mond- en klauwzecrperiode was en Frankrijk is
dit op korte termijn van plan. Dit land zal bij het verschijnen van deze publikade
waarschijnlijk al weer enige tijd geopend zijn voor Nederlands vee.

Met het opheffen van de importbeperkende maatregelen van de ons omringende
landen, wordt de laatste fase van de mond- en klauwzeeruitbraak 1965- 1966 af-
gesloten.

Het eerste geval van deze epizoötie kwam voor op 9 oktober 1965 te Beesel in
Limburg, het laatste op 9 mei 1966 te Bathmcn in Overijssel.

In totaal kwamen 3.560 gevallen van mond- en klauwzeer van het type C onder
varkens voor, die als volgt over de provincies waren verdeeld:

Groningen O

Friesland I

Drenthe 33

Overijssel 448

Gelderland 1.544

Utrecht 46

Noord-Holland 2

Zuid-Holland 4

Zeeland 2

Noord-Brabant 1.194
Limburg 286

Ilct aantal overgenomen dieren bedroeg 243.660 varkens en 3.496 runderen. Hiervoor
werd aan schadeloosstellingen uitbetaald een bedrag van f 38.748.754,36.

Noodentingen.

In december 1965 werd begonnen met voorbehoedende noodentingen in daartoe door
de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst aangewezen gebieden.
Tot en met II mei 1966 werden in totaal 27 .gebieden voor deze varkensentingen
aangewezen en wel:

Noord-Brabant

3

Limburg

2

Gelderland

10

Overijssel

7

Drenthe

3

Utrecht

2

-ocr page 242-

In deze gebieden bevonden zich in totaal 2.073.500 varkens. De ervaring met deze
endngen heeft geleerd, dat ze in combinade met andere bestrijdingsmaatregelen, een
waardevol wapen kunnen zijn in de strijd tegen het mond- en klauwzeer,

BEZOEK UIT ISRAËL.

Van 12 tot en met 29 juli heeft de heer I. Cohen uit Israël een bezoek gebracht
aan ons land. De heer Cohen is administrateur van de Israëlische Veeartsenijkun-
dige Dienst en bezoekt enkele Europese landen, waaronder Engeland en Denemarken,
in verband met reorganisatie van de Veterinaire Dienst in zijn land.
In Nederland bezocht hij onder meer de Veeartsenijkundige Dienst te Leidsehendam,
enkele districtsinspecties van deze Dienst, Gezondheidsdiensten voor Dieren en In-
stituten, teneinde zich van de organisatie en administratie op de hoogte te stellen.

MOND- EN KLAUWZEER VACCIN NAAR KENYA.

Het Centraal Diergeneeskundig Insdtuut, afdeling Amsterdam, levert zo nu en dan
kleine hoeveelheden mond- en klauwzeer vaccin aan het buitenland. Het betreft
voornamelijk vaccin van de typen A en O, die per schip worden vervoerd, onder
meer naar Kenya. In dat land komt regelmatig mond- en klauwzeer voor.
Onlangs heeft zich onder het rundvee te Kipiri bij Nairobi een uitbraak van de ziekte
voorgedaan. De Veeartsenijkundige Dienst van Kenya heeft in verband hiermee in
Nederland mond- en klauwzeer vaccin van het type C besteld, aangezien men daar
zelf niet over beschikt.

Dezer dagen zijn 5000 doses of 25 liter van dit vaccin per vliegtuig naar Kenya
verzonden. Voor de jaarlijkse enting van de rundveestapel in Nederland zijn ruim
tien miljoen doses nodig.

SLACHTHUIS TE NIJMEGEN GEMODERNISEERD.

Op zaterdag 18 juni is het gemoderniseerde slachthuis te Nijmegen officieel heropend.
Dit gebeurde door de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, de heer J. M.
van den Born, die de talrijke aanwezigen toesprak.

Hij wees erop, dat het karakter van het openbaar slachthuis grondig is veranderd.
Van centrale slachtplaats voor de plaatselijke slagers is het steeds meer een centrum
geworden voor de nationale en internationale vleeshandel. Dit brengt consequenties
mee met betrekking tot de eisen die aan een slachthuis moeten worden gesteld.
Spreker ging hier nader op in. De vleeskeuringsdienst zal zieh steeds meer ontwikkelen
in de richting van veterinair-hygiënische dienst.

Ook aan de eisen die worden gesteld in verband met de E.E.G.-richtlijn vers vlees,
wijdde spreker aandacht en hij stond uitvoerig stil bij de dierziektebestrijding.
Hij deelde mee dat het slachthuis tc Nijmegen, thans aangepast aan de eisen van de
tijd, door de Minister van Landbouw en Visserij zal worden erkend voor de export
van vlees naar de landen van de Europese Economische Gemeenschap.

-ocr page 243-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

Augustus,

11—18, 9e Intern, Congres Dierlijke Produktie, Edinburgh (pag. 595, 1296
(1965))

15—21, 13e Wereldpluimveecongres, Kiev (U.S.S.R.).

19, Eli Lilly Int. Corporation, Elanco Products. Symposium C.R.D. (pag.
1058)

19 en 20, UTV Nationale paardendagen. Utrecht.
25, Goveka, Gouda.

25, Provinciale fokveedag (F.H.), Etten.
31, Fokveedag Hoorn (F.H.).

September,

5, Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven K.N.M.v.D. Vergade-
ring, 14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 826, 940)

13, Keuring vrouwelijk vee (F.H.), Leeuwarden.

14, Keuring stieren alle leeftijden (F.H.), Leeuwarden.

16 en 17, Nationale Trekpaardententoonstelling, \'s-Hertogenbosch.

17, Réunie van Oud-Absyrtianen, 11.00 uur, Hotel Figi, Zeist. (pag. 988)
25—1 okt., British Veterinary Association. Jaarcongres, Brighton, (pag. 781)

27, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Lustrumviering, (pag. 940)
29—1 okt., Ornithophilia, Utrecht.

29, Groep Dir. Vleeskeuringsdiensten en keuringsdierenartsen K.N.M.v.D.
Vergadering, 10.00 uur. Restaurant Smits, Utrecht, (pag. 781)

29, N.V. Mengvoeder U.T.-Delfia. Pluimveeconferentie, (pag. 1058)

30, Derde Veterinaire Ruiterdag, Lage Vuursche. (pag. 1056)

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)

5, Keuring stierkalveren (F.H.), Leeuwarden.
7—8, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 113e Al.gemene Verga-
dering, Utrecht, (pag. 709)

November,

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pa.g. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, R.I.V. Bilthoven.
(pag. 625)

1967

April,

26—28, Congres „Ges. f. Versuchstierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs. (pa,g. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 244-

Koninkliike Nederlandse
Maatschappi\'i voor Diergeneeskunde

IN MEMORIAM
P. J. Hilarides

Op Goede Vrijdag 8 april 1966, na een gezellige dag
temidden van zijn kinderen en kleinkinderen te hebben
doorgebracht die bij hem logeerden aan de Kuiperdijk
82 te Enkhuizen, zakte onze 71-jarige buurcollega
P. J. Hilarides plotseling in elkaar en stierf enkele
minuten later.

Hij werd geboren op 26 januari 1895 bij Wommels in
Friesland. Na de Lagere School aldaar te hebben be-
zocht, volgde hij de Rijks H.B.S. te Leeuwarden, alwaar
hij in 1915 het einddiploma behaalde. Vervolgens ging
hij naar Utrecht veeartsenijkunde studeren en .daagde
voor dierenarts op 19 januari 1922.
Na gedurende enige maanden werkzaam, te zijn geweest
aan het abattoir te Amsterdam en enige maanden als
keuringsveearts in de gemeente Wymbritseradeel, werd
hij met ingang van 15 september 1922 benoemd tot
keuringsveearts in de Kring Enkhuizen. Deze functie
heeft hij behouden tot zijn pensionering op 65-jarige
leeftijd. Daarna is hij van 1 februari 1960 tot 1 juni
1964 nog als contractant als zodanig werkzaam ge-
bleven. De Kring Enkhuizen sloot zich toen aan bij
de Kring Hoorn.

Collega Hilarides was gehuwd met Mej. Sietske Sie-
perda te Sneek. Uit dit huwelijk werden twee zoons
geboren, waarop hij zeer trots was. Zij bereikten beiden
een flinke positie, n.1. één als candidaat notaris, ge-
vestigd in Den Haag en één als tandarts, gevestigd in
Zandvoort. Ook over zijn kleinkinderen was hij zeer
verheugd, terwijl zijn vrouw voor hem altijd een grote
steun was.

Naast de vleeskeuring deed hij praktijk in de omgeving
van Enkhuizen. De vleeskeuring was voor hem echter

-ocr page 245-

hoofdzaak en hierin was hij zeer serieus. Door de
ongunstige ligging van Enkhuizen was zijn praktijk niet
groot en deze werd bij zijn pensionering in 1960 door
de buurtcollegae overgenomen.

Hij was een prettig collega en een goed en eerlijk
mens, alhoewel hij weinig collegiaal contact zocht en
niet op afdelingsvergaderingen kwam.
Voor zijn vrouw en kinderen was zijn plotselinge dood
een harde slag. Wij wensen hen sterkte toe om. dit te
kunnen aanvaarden.

Hij werd begraven te Wommels, waarbij o.a. enkele
buurtcollegae hem de laatste eer bewezen.

Hij ruste in vrede.

Westwoud, S. MAKKINGA.

-ocr page 246-

VAN HET BUREAU.

adres: Rubenslaan 123 - Utrecht,
telef.: (030) I 14 13 en 1 37 49.

girono.: 511606 t.n.v. de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.
113e Algemene Vergadering.

Als deze aflevering de leden van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
bereikt, is zulks voorafgegaan aan de toezending van het
progranmia van de a.s.
113e Algemene Vergadering,
welke op 7 en 8 oktober a.s. in Restaurant Jaarbeurs
te Utrecht zal worden gehouden.

Mochten er onder de leden zijn, die dit programma nog niet ontvingen, dan wordt
hen verzocht zulks aan het Secretariaat te melden, opdat alsnog een exemplaar kan
worden toegezonden.

Kort verslag van de vergadering van het Hoofdbestuur op 2 juni 1966

De aangekondigde campagne van Merck Sharp en Dohme voor het nieuwe produkt
Bovizole heeft niet de instemming van het Hoofdbestuur. In strijd met de afspraak
brengt deze firma dit preparaat in de handel via de veevoederleverancier. Het Hoofd-
bestuur besluit hiertegen te protesteren en zonodig tegenmaatregelen te nemen.
Binnenkort zullen dierenartsen, belast met het toezicht op tentoonstellingen, voor
de duur van de tentoonstelling een ambtelijke status verkrijgen.

In het Zuiden van ons land wordt een groot aantal broedeieren voor mestkuikens
behandeld volgens het zogenaamde „egg-dipping" proces. Het Hoofdbestuur acht het
niet juist de volgens deze methode behandelde dieren te bestempelen als C.R.D.-vrij.
Men kan alleen spreken van een vermindering van de in het embryo aanwezige
hoeveelheid
Mycoplasma galliseptieum.

Het Hoofdbestuur heeft een gesprek gehad met de Directeur van de V.D., een van
diens naaste medewerkers, de Directeur van de Gezondheidsdinest voor Pluimvee en
de Voorzitter van het Produktschap voor Pluimvee en Eieren over de uitvoering van
het C.R.D.-onderzoek. Het C.R.D.-onderzoek, dat bestaat uit een viermalig bloed-
onderzoek en nauwgezet en op tijd moet worden uitgevoerd, omvat 10% van de
gehele pluimveestapel op fok- en vermeerderingsbedrijven. Het Hoofdbestuur beraadt
zich over de uitvoering van dit onderzoek door de practici.

Het programma voor de 113e Algemene Vergadering vormt uiteraard een uitvoerig
punt van bespreking. Verschillende voorstellen tot wijziging en aanvulling van het
Huishoudelijk Reglement zullen aan het Algemeen Bestuur worden voorgelegd.
Enkele contributiegevallen worden besproken en afgehandeld.

het Hoofdbestuur.

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur heeft als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
aangenomen collega:

W. G. A. M. Loonen, Wanssumseweg 2, Oostrum Venray.

Adreswijzigingen e.d.:

Buiteman, J. H. M., Etten-Leur, Roosendaalseweg 23, tel. (01608) 22 10, P., geass.

met J. B. M. Buiteman en M. A. B. van Oosterhout. (170)

Cremers, F. J. J.; 1966 ; Boxmeer, \'t Zand 21, tel. (08855) 14 06, P. (171)

Claesfcns, Dr. J. P. C., van Heythuysen naar Roosendaal, Pastoor van Akenstraat
10-12, tel. (01650) 30 69, h.k. en dir. ab. Roosendaal. (171)

Dijkhuis, L.; 1966; Utrecht, Stadhouderslaan 7, tel. (030) 15 45 7, gr. 16307. (174)
Groenewold, J., Oosthuizen, Dorpsstraat 207, tel. (02991) 58 O, P. (180)

-ocr page 247-

llclvoort, H. I\'. J. M. van, van Boxtrl naar Moergestel, Rootven 4, tel. (04243) 28 1,
P. (183)

Hennis, C., van Mantguni naar Garijp, Create Buorren 24, tel. (05117) 25 0, P.,
ass. bij H. Oosterhof te Bcrguni. (184)

Ilooghieinstra, E., van Utrecht naar Paramaribo, Postbus 1126. (231)

Jörn... J. J., van .\'\\mcrsfoort naar Westendorp, Westelijke .Noorderbroekwcg 6, tel.

(08359) 33 4. \' (190)

Kuip, Dr. E. J. van der, Quito, Ecuador (Z.-Amerika), Casilla 2600 Iniap. (233)
Lotan, E., van Jerusalem naar Dcgania alef. Mobile Post, Emek Hajarden, Israël, P.

(233)

Meijcrs, W., Zutphen, gr. tc wijzigen in 917179. (201)

Osinga, A.; 1966; Deinum, Trekwei 2, tel. (05107) 368, D. (in mil. dienst). (206)
Osinga, .A. S., Schildwolde, naar H. Goeman Borgesiusstraat 48 aldaar, tel. (05982)
59 4, ,gr. 867814, plv. I. (206)

Oskam, Mej. A. C. W. - Mevr. A. Cl. W. Groenewold-Oskam, van Utrecht naar
Oosthuizen, Dorpsstraat 207, tel. (02991) 58 O, D. (180 en 206)

Paimans, .-V. J., van Oisterwijk naar Keyenborg (Gld.), R.K. Bejaardentehuis „Maria
Postel", R.D. (206)

Schuring, H. J., .Nijkerk, naar Populierenlaan 32 aldaar, tel. ongew. (214)

Benoemd:

Zegers, L., m.i.v. 1 juli 1966 tot rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de Vee-
artsenijkundige Dienst, ter standplaats Gronin.gen. (230)

Overleden:

C;. F. P. Soctens te Baarn.

-ocr page 248-

ERNSTIGE,

ACUTE
MASTITIS?

PENZA£

Produkten van

Pvt-46

mycofarm
delft

n.v. vernet

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten

ÉÊfiPtÊk minervalaan 63

mv/^ iel 732934 mycofarm

amsterdam-2

-ocr page 249-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

W. M. Gotink, H. van Soest en J. Zijlstra, De invloed van een
herhaalde wormkuur op de groei en het voederverbruik van
mestvarkens — The influence of a repeated worm-cure on
growth and feed-intake of fattened pigs — .
A. van der Schaaf en G. P. A. Frijlink, Tetanus bij een wit
staart Colobus-aap (Colobus polykomas) — Tetanus in
white-tailed Colobus monkey (Colobus polykomas) — .
E. L. M. J. Wiertz-Hoessels, Enkele beschouwingen over het
ontstaan van cyclopie — Some considerations about the deve

lopment of cyclopia —■.........

L. Seekles and H. ]. Hendriks, The influence of injected vita
min Ds on some aspects of mineral metabolism, in normal non
pregnant cows. I. The influence of Vitamin Ds on the concen
tration of calcium, magnesium and inorganic phosphate in
blood plasma, on the consumption of hay and on the produc

tion of urine and milk —........

H. J. H. Hendriks and L. Sekles, The influence of injected
vitamin Ds on some aspects of mineral metabolism in normal
non-pregnant cows. II. The influence of vitamin Ds on the
excretion of calcium, magnesium and phosphorus in urine —
REFERATEN

Algemeen.............

Bacteriële- en virusziekten.........

Farmacologie en toxicologie.........

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....

Voedingsmiddelenhygiëne.........

BOEKBESPREKING

C. C. Webster and P. N. Wilson, Agriculture in the Tropics
Centr. Bureau v. d. Schapenhouderij, 50 jaar wol
L. W. Biesheuvel en S. M. A. Metz, Handleiding toiletteren en

voorbrengen van paarden........

INGEZONDEN

Enting tegen Paardeïnfluenza.......

Natte weiden 1817- 1966 ........

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Verslag van de voederproeven in 1964 van de Stichting Insti
tuut voor Moderne Veevoeding „De Schothorst"
Zwartbonten, Rode Denen en Jerseys in Denemarken .
Societa Italiana per il progresso della Zootecnica .
Gevaren verbonden aan het paardrijden voor de jeugd
Welke oorzaken kunnen bij de merrie aanleiding geven tot on

vruchtbaarheid? I..........

Proceedings of the Fourth Symposium of the W.A.V.F.H. .
CONGRESSEN

3e Internationaal Symposium voor vergelijkend leukemie-onder

zoek.............

VARIA................

DOORLOPENDE AGENDA...........

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau...........

Van de Afdelingen..........

Van de Groepen..........

Actualiteiten...........

Personalia............

1075

1083

1091

1100

1105
1105
1108
1108

1109

1110
1110

1111

1112
1114

1115
1115
1117

1117

1118
1120

1122
1122

1123

1124
1126
1128

1130

1131

-ocr page 250-

FERMACIN

®

OPLOSBAAR POEDER

OXYTETRACYCLINI HOI

het ideale
antibioticum

n.v.

NEDERLAND
H0GENBANWEG\'\'122 - ROTTERDAM

TELEFOON 010-15.07.19

-ocr page 251-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

De invloed van een herhaalde wormkuur op de
groei en het voederverbruik van mestvarkens

The influence of a repeated worm-cure on growth
and feed-intake of fattened pigs.

door W. M. GOTINK, H. VAN SOEST en J. ZIJLSTRA1)

Inleiding

Uit verschillende publikaties (jaarverslagen Gezondheidsdiensten,
Truyen en Jaartsveld, 1961) blijkt dat het vóórkomen van spoel-
wormen
(Ascaris lumbricoides) bij varkens op fok- en mestbedrijven in ons
land vrij algemeen is.

Door de migratie van de larven van darm naar lever en vandaar naar de
longen kunnen deze organen een beschadiging ondergaan. Soms moet de
lever na de slachting t.g.v. de talrijke parasitaire haardjes en bindweefsel-
vorming afgekeurd worden. Door de longpassage kan een kortdurende
hoest optreden, of een bestaande enzoötische pneumonie verergeren
(U n d e r d a h 1 en K e 1 1 y, 1957; L i n d q u i s t, 1958).
De volwassen wormen in de dunne darm eten van de darminhoud en
grazen ook enigszins de darmslijmhuid af.

Bekend zijn ook gevallen waarbij door verstopping van de ductus chole-
dochus door trossen spoelwormen icterus optreedt en afkeuring van het
dier volgt. Bij zware infecties kan het bij jonge dieren ook tot een totale
darm-obstructie komen (S p r e h n, 1957).

Verschillende onderzoekers (Truyen en Jaartsveld, 1961; Koop-
man en Roe Ie, 1962; Nickel, 1959; Bosch en Matzke, 1958)
komen tot de conclusie dat mestvarkens die ontwormd zijn een betere
groei vertonen en/of een lager voederverbruik hebben dan mestvarkens
die niet ontwormd zijn.

De laatste jaren zijn ook enkele publikaties verschenen over ontwormings-
proeven bij mestvarkens waarbij geen verschil werd waargenomen in
voederverbruik en groei bij ontwormde en niet ontwormde dieren. (Jaar-
verslag Veevoederbureau Overijs.sel 1964; jaarverslag Instituut voor Vee-
voedingsonderzoek Hoorn, 1959) Verschillende van bovengenoemde proe-
ven waren echter te klein van opzet om een verantwoorde conclusie te
kunnen trekken.

Mede gezien het feit dat van diverse zijden het ontwormen van mest-
varkens als routinemaatregel sterk wordt gepropageerd heeft de Gezond-
heidsdienst in Overijssel, in samenwerking met het Veevoederbureau in
Overijssel en met financiële steun van het T.N.O. diergeneeskunde2)
een
proef opgezet om de invloed op groei en voederverbruik van een twee-
malige ontworming van mestvarkens na te gaan.

1  W. M. Gotink cn H. van Soest; directeur, resp. dierenarts bij de Gezondheids-
dienst voor Dieren in Overijssel, Veemarkt 10, Zwolle.
Ir. J. Zijlstra; adjunct veeteeltconsulent voor de provincie Overijssel.

2  In verband hiermede werd enkele malen vergaderd over de opzet en uitvoering
van de proef met een hiervoor ingestelde T.N.O.-commissic waarin de collegae
N. Werkman, inspekteur V.D. alg. dienst; W. T. Truyen, dierenarts Ge-
zondheidsdienst voor Dieren Noord-Brabant en Dr. W. Dorsman, bioloog
C.D.I. Rotterdam zitting hadden. Hun adviezen hebben wij zeer op prijs gesteld.

-ocr page 252-

Proefopzet

De proef werd uitgevoerd met ongeveer 400 N.L. mestvarkens op 12 mest-
of fok/mestbedrijven in de varkensvoederkernen te Markelo en Delden,
met medewerking van de plaatselijke kernadviseurs.

Bovendien werd de proef uitgevoerd in 2 gedeelten, n.l. met zomerbiggen
en met winterbiggen, omdat het niet onwaarschijnlijk was, dat zomer-
biggen zwaarder zouden zijn besmet dan winterbiggen (zeugen krijgen
in de winter minder weidegang en dus minder kans om de biggen te in-
fecteren).

Voor het begin van de proef werd op elk deelnemend bedrijf cen indeling
gemaakt in een proefgroep en een controlegroep. Deze twee groepen wer-
den zodanig gevormd dat de genetische aanleg der dieren in elke proef-
groep zoveel mogelijk gelijk was aan die van de vergelijkende controle-
groep. Dit kon gebeuren, doordat de herkomst van de aangekochte tomen
bekend was. Van elke toom werden nu bij de verdeling in groepen telkens
2 dieren van hetzelfde geslacht genomen en hiervan écn in de controle-
groep en één in de proefgroep geplaatst. Dus van elke toom biggen werden
evenveel dieren van hetzelfde geslacht zowel in de procfgroe[) als in dc
controlegroep geplaatst. De groepen bevatten meestal 10 biggen. Bij het
samenstellen der groepen werden de dieren tevens gewogen en werd ge-
tracht het totale begin-gewicht van elke groep zoveel mogelijk .gelijk te
doen zijn. Elk dier werd voorzien van een oornummer.
Bij het tweede gedeelte van de proef (winterbiggen) werd van hok ge-
wisseld, d.w.z. in de hokken waarin tijdens het eerste gedeelte van de
proef de proefgroepen waren gelegerd, werden nu de controlegroepen ge-
legd.

Op een enkele uitzondering na lagen de hokken van de proef- en de con-
trolegroep naast elkaar.

De biggen die in de proef betrokken waren, werden van zoveel mogelijk
fokbedrijven gekocht, om de kans zo groot mogelijk te maken met spocl-
wormen besmette tomen te krijgen.

Uitvoering van de proef

Het eerste gedeelte van de proef begon in augustus 1963. Gedurende de
maanden augustus en september werden op 12 bedrijven 210 varkens op-
gelegd, verdeeld zoals boven beschreven in een proefgroep en een con-
trolegroep.

Nadat de groepen waren samengesteld en voor het bepalen van het
E.P.G.-getal een individueel mestmonster was genomen van alle dieren,
werd de proefgroep enkele dagen later ontwormd.

De ontworming geschiedde met piperazine adipaat in een dosering van
350 mg per kg lichaamsgewicht. Het ontwormingsmiddel werd toegediend
in het halve ochtendrantsoen om een vlotte opname door alle dieren te
verzekeren, onder toezicht van dc adviseur van de varkensvoederkern.
Vijf weken na de eerste wormkuur werden de dieren van beide groepen
opnieuw gewogen, werd wederom een individueel mestmonster verzameld,
terwijl een dag later de proefgroepen opnieuw een wormpoeder werd ver-
strekt zoals hierboven beschreven. De wegingen werden hierna om de 4
weken herhaald tot de aflevering, die plaatsvond op een levend gewicht
van ± 100 kg. Vlak vóór de aflevering werd nog een individueel mest-
monster genomen voor het bepalen van het E.P.G.-getal.

-ocr page 253-

Bij het grootste gedeehe van de geslachte dieren werd na het slachten ook
nog een onderzoek ingesteld op de aanwezigheid van spoelwormen in de
darm. Bij 64 dieren van de proefgroep werden daarbij 12 spoelwormen
aangetroffen en bij 61 dieren van de controlegroep werden 42 wormen ge-
vonden.

Dc jjrocf- en controlegroepen werden per bedrijf op gelijke wijze gevoerd
(dikke brij, 80% verzadiging) met een meelmengsel van dezelfde samen-
stelling. Op een speciale kaart werd het aantal zakken meel vermeld dat
per groep gebruikt werd.

Na het afleveren van de dieren werd de totale hoeveelheid opgenomen
voeder per groep berekend en de totale groei in kg. Tevens werd het aan-
tal mestdagen opgeteld en hieruit de gemiddelde mestduur per varken
berekend.

Door het aantal mestdagen te delen op de totale groei werd de gemiddel-
de groei per dag berekend en door het aantal kg groei te delen op het
aantal kg verbruikt voeder werd het meelverbruik per kg groei berekend.
Ten gerieve van de eigenaars werd daarnaast ook de voederwinst per
varken en per dag uitgerekend.

Voor gestorven varkens werd vanzelfsprekend aftrek toegepast.

Het tweede gedeelte van de proef (winterbiggen) begon in februari 1964.
De bedoeling was om ook deze groepen alle binnen 2 maanden op te leg-
gen. Aangezien echter in de provincie mond- en klauwzeer uitbrak en een
vervoersverbod werd ingesteld werden de laatste groepen pas in mei op-
gelegd.

Dc uitvoering van dit tweede gedeelte van de proef was nagenoeg gelijk
aan het eerste gedeelte. Alleen werd i.v.m. tijdsgebrek géén onderzoek in-
gesteld na de slachting naar het aanwezig zijn van spoelwormen.
Van beide proefseries werden 2 tomen niet in het berekende gemiddelde
opgenomen, i.v.m. ernstige ziekte in de koppels (o.a. paratyfus).

De bepaling van het E.P.G.

De te onderzoeken faeces worden met gelijke hoeveelheid water verdund,
waarna de massa met een roermotor homogeen gemengd wordt. Van ver-
schillende plaatsen wordt nu in totaal 6 g verdunde faeces genomen en
in een maatbeker aangevuld met aqua dest. tot 45 cm^. Na schudden wordt
dit gezeefd en met het filtraat een cenrifuge buis met platte bodem gevuld
en 3 min. gecentrifugeerd met een toerental van 1500. Na afgieten van
de vloeistof wordt het sediment losgeschud en de buis gevuld met ver-
zadigde NaCl oplossing. Hiermede worden 2 telkamers van Hawsky ge-
vuld, de eieren geteld en het gemiddelde met 100 vermenigvuldigd.

Resultaat van de proef

De resultaten van het onderzoek werden in tabellen per bedrijf en per serie
verzameld. In verband met de grote plaatsruimte die dit zou vergen, zijn
deze tabellen niet in het artikel opgenomen. Voor geïnteresseerden zijn ze
bij de auteur verkrijgbaar.

De gemiddelden zijn op de volgende bladzijde weergegeven.

-ocr page 254-

Tabel 1

Vergelijking van ontwormde en niet ontwormde mestvarkens

ontwormd
(proefgroep)

niet ontwormd
(controlegroep)

Aantal bedrijven

11

11

Aantal tomen

19

19

Aantal opgelegde varken.s

167

167

Aantal gestorven varkens

7

2

Gem. begingewieht

21.9

21.9

Gem. levend eindgewieht

98.7

99.6

Gem. geslacht gewicht

75.3

75.8

Aantal mestdagen

120

121

Groei per dag

640

641

Kg meel per kg groei

3.37

3.33

Klassifikatie: % I klasse

50

48

% II klasse

31

28

% III klasse

16

21

% IV klasse

3

3

Prijsverschil met de lA\'s in ct per kg

7.1

7.6

Discussie

Bij het onderzoek op wormeieren werd behalve op Ascaris- en Strongylus
eieren ook gelet op Trichuris- en Strongyloides eieren. De laatste twee
soorten werden echter slechts sporadisch aangetroffen.

Opvallend is dat in de le serie in bijna alle groepen veel Strongylus eieren
werden aangetroffen, tei-wijl in de 2e serie (winterbiggen) slechts weinig
Strongylus eieren werden gevonden. Mogelijk houdt dit verband met het
jaargetijde waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden van
Strongylus in de
winter verminderd zijn.

Indien we de resultaten van het onderzoek op ^jcarw-eieren samenvatten,
dan kunnen de volgende tabellen hierover opgesteld worden.

Tabel 2

aantal varkens

gem.

aantal varkens

gem.

aantal varkens

gem.

met ascari.s-

E.P.G,

met ascari,s-

E.P,G,

met ascaris-

E.P.G.

eieren in de

getal

eieren in de

getal

eieren in de

getal

faeces

faeces

faeces

le onderzoek

2e onderzoek

3e onderzoek

(bij opleggen)

(na 5 w,)

(bij slachten)

le serie

Proefgr.

34

2174

9

339

10

2000

Contr.gr.

30

805

41

2180

22

1147

2e serie

Proefgr.

40

2025

28

252

14

193

Contr.gr.

28

2936

42

2190

34

559

Hieruit is direct af te lezen dat reeds na de le wormkuur (2e onderzoek)
het aantal positieve dieren in de proefgroepen sterk is gedaald, terwijl dat

-ocr page 255-

in de controlegroepen is toegenomen. Tevens is het gemiddelde E.P.G.-
getal in de proefgroep sterk gedaald, terwijl dit getal in de controlegroep
is toegenomen (Ie serie) of weinig is veranderd (2e serie).
Bij het laatste onderzoek zien we ook een daling in het aantal positieve
dieren en het E.P.G.-getal bij de controlegroep. Hier zal ook de spontane
reiniging bij oudere dieren ongetwijfeld meespelen.

Tevens blijkt uit deze proef dat ook in de proefgroepen aan het eind van
de mestperiode nog wormen voorkwamen ondanks een tweemalige behan-
deling met een vrij hoge dosering en strenge toedieningsvoorwaarden.
Er is geen reden te veronderstellen dat de dosering van 350 mg/kg
lichaamsgewicht een schadelijk neveneffect zou hebben veroorzaakt. Ver-
schillende onderzoekers (S 1 o a n en medew., 1954; L e i p e r, 1954) heb-
ben de toxiciteit van piperazinepreparaten uitvoerig nagegaan. Uit deze
proeven bleek dat ook in hoge doseringen en bij langdurig gebruik van
piperazine geen toxische werking optrad en de voederopname niet geremd
werd.

Het meest opvallende resultaat van deze proef is dat er geen verschil tus-
sen proef- en controlegroep is aangetoond betreffende de voederconversie
per kg groei en de dagelijkse groei. Deze resultaten zijn daarbij in over-
eenstemming met de resultaten van het Instituut voor Veevoedingsonder-
zoek Hoorn (1959) en het Jaarverslag van het Veevoederbureau voor
Overijssel (1964). Ook in de vrij sterk geïnfecteerde tomen komen hierin
geen verschilen tot uiting.

We hebben in deze proef uit diverse fokbedrijven afkomstige dieren ge-
nomen en gemiddeld zullen de worminfecties op cle mesterijen wel op het-
zelfde niveau liggen. Uit de tabellen betreffende het mestonderzoek bleek
wel dat in alle tomen wel één of meer dieren aanwezig waren waarbij
Ascarise eieren in de faeces werden aangetoond.

Degenen die regelmatig secties verrichten op varkens worden herhaaldelijk
geconfronteerd met het feit dat kadavers met vele parasitaire leverhaardjes
vaak geen of slechts enkele spoelwormen in de darm herbergen, terwijl
omgekeerd bij afwezigheid van leverhaardjes zeer veel spoelwormen in de
dann aanwezig kunnen zijn.

L i n d q u i s t (1958) wijst reeds hierop, terwijl ook Truyen (1961) de
minste wormen vindt bij dieren met het grootste aantal parasitaire lever-
haardjes. De oorzaak hiervan is nog niet te verklaren, hoewel sommigen
aannemen dat de haardjes ontstaan door liet te gronde gaan van de lar-
ven in de lever.

Bij onderzoek in het sectielokaal van de Gezondheidsdienst voor Dieren in
Overijssel frappeert ook herhaaldelijk dat bij vóórkomen van mulberiy
heart disease veelal ook een uitgesproken „wormlever" wordt aangetroffen.
Hoewel de aetiologie van de mulberry heart disease nog niet is opgehelderd,
zou dit een aanwijzing kunnen zijn dat een sterk verminderde leverfunctie
hierbij meespeelt.

Biggen infecteren zich \\ aak reeds direct na de geboorte met Ascaris eieren.
Het bewijs hiervan ligt opgesloten in het feit dat veelal reeds op een leef-
tijd van 8-10 weken
Ascaris eieren in de faeces worden aangetroffen, ter-
wijl de prepatent-periode
± 55 dagen bedraagt.

Bij bigjes van 4 a 5 weken kunnen bij een wormkuur reeds grote aantallen
nog niet geslachtsrijpe spoelwormen afkomen. Gedurende de zoogperiode

-ocr page 256-

vindt dus reeds de migratie via lever en long plaats, waardoor deze organen
beschadigd kunnen worden. De gevolgen van deze beschadiging worden
door een wormkuur tijdens de mestperiode niet opgeheven.
Dit wil niet zeggen, dat het ontwonnen van mestvarkens in alle omstan-
digheden zinloos is. Vooral bij zwaar besmette tomen zou dit een eventuele
darmruptuur of verstopping van de ductus choledochus kunnen voorkómen.

Wèl menen we, dat een routine ontworming van de mestvarkens weinig
zin heeft, en dat door deze proef nog eens onderstreept wordt dat de
spoelwormbestrijding bij varkens vooral op de fokbedrijven moet worden
aangepakt. Door regelmatige ontworming van z\'n opfokmateriaal, gecom-
bineerd met hygiënische maatregelen waardoor een besmette weide of uit-
loop wordt uitgeschakeld, zal de fokker zover kunnen komen dat een
worm-arme opfok gerealiseerd wordt.

SAMENVATTING.

Op een 10-tal varkens-mestbedrijven werd een proef opgezet met het doel de invloed
na te gaan op groei en voederverbruik van een tweemalige ontwormingskuur met
piperazine adipaat (350 mg/kg lichaamsgewicht).

Hiervoor werden ±400 biggen genomen uit tomen waarvan de herkomst bekend was.
Op elk mestbedrijf werd een proef- en controlegroep gevormd, zodanig, dat de gene-
tische aanleg der dieren in de proefgroep zoveel mogelijk gelijk was aan die van elke
vergelijkende controlegroep.

Hoewel het E.P.G.-getal van de behandelde tomen sterk verminderde, kon bij slachting
géén verschil geconstateerd worden in voederverbruik en dagelijkse groei tussen proef-
en controlegroep.

De schrijvers trekken uit deze proef de conclusie dat een routine ontworming van
alle mestvarkens (ondanks het feit dat een groot deel van de mestvarkens met spoel-
wormen is besmet) geen voordelen biedt. De
Ascaris infektie vindt meestal in de
zoogperiode plaats (veelal reeds spoedig na de geboorte) en de schade ontstaan door
migratie van de larven via lever en long, kan door een wormkuur tijdens de mest-
periode niet geëlimineerd worden.

Wèl kan de ontworming van een zeer zwaar geïnfekteerde toom in de mestperiode op
zijn plaats zijn. De spoelwormbestrijding van de varkens dient echter speciaal op de
fokbedrijven aangepakt te worden, zodat een worm-arme opfok gerealiseerd wordt.

SUMMARY.

An experiment was designed for the purpose of studying the effect of two courses
of anthclminUc treatment with piperazine ndipate (350 mg./kg. of body weight) on
the growth and feed intake in ten pig-fattening establishments.

The animals taking part in the experiment were about 400 piglings taken from litters
of known origin. The piglings were arranged in an experimental and a control group
in each fattening establishment so that the genetic make-up of the animals of the
experimental group was identical with that of the animals of each control group
wherever possible.

Although the number of eggs per gram showed a marked decrease in the treated
litters, no difference in feed intake and daily growth was observed between the
experimental and control groups on slaughter.

It is concluded from this experiment that routine anthelmintic therapy of all store
pigs does not offer any advantages (despite the fact that a large proportion of the
store pigs is infected with round-worms).
Ascaris infection usually occurs during
lactation (frequently shortly after birth) and the damage caused by migration of the
larvae through the liver and lungs cannot be eliminated by a course of anthelmintic
treatment during the period of fattening.

-ocr page 257-

On the other hand, treatment of a severely infected litter with anthelmintics may
be indicated during the period of fattening. Round-worm control in pigs, however,
is particularly essential on pig breeding farms so that pigs harbouring a minimum
number of worms can be raised.

RÉSUMÉ.

Une expérience a été commencée sur une dixaine de fermes d\'engraissage de porcs
afin de contrôler l\'influence d\'une cure vermicide deux fois répétée avec adipat
de pipérazine (350 mg/kg de poids corporel) sur la croissance et l\'ingestion de
fourrage.

A cette fin on a pris environ 400 porcelets dans des nichées dont l\'origine était connue.
A chaque ferme on a formé un groupe d\'expérience et un groupe de contrôle de
façon que la constitution génétique des animaux du groupe d\'expérience était, dans
la mesure du possible, équivalente à celle de son groupe de contrôle.
Bienque le nombre-E.P.G. (oeufs per gramme) des nichées traitées diminuât fortement,
on ne put pas constater de différence entre l\'ingestion de fourrage et la croissance
journalière entre le groupe d\'expérience et celles du groupe de contrôle après
l\'abattage.

Les auteurs tirent de cette expérience la conclusion qu\'une cure vermicide routinière
de tous les porcs à l\'engrais n\'offre pas d\'avantages malgré le fait qu\'une grande
partie des porcs à l\'engrais est infectée d\'ascarides. Le plus souvent l\'infection
d\'ascarides a lieu dans la période d\'allaitement (souvent déjà peu après la naissance)
ct les dégâts causés par la migration des larves à travers le foie et les poumons ne
peuvent pas être éliminés par une cure vermicide pendant la période d\'engraissage.
Pourtant une cure vermicide peut être indiquée pour une nichée grièvement infectée.
Il faut cependant qu\'on entreprenne la lutte contre les ascarides chez les porcs
surtout dans les fermes d\'élevage, de sorte qu\'un élevage en tant que possible sans
vers puisse être réalisé.

ZUSAMMENFASSUNG.

,\\uf 10 Schweinemastbetrieben wurde ein Versuch angestellt mit dem Zweck, die
Wirkung einer zweimaligen Wurmkur mit Piperazin Adipat (350 mg/kg Lebend-
gewicht) auf Wachstum und Futterverbrauch aufzuspüren.

Hierzu wurden ungefähr 400 Ferkel aus Würfen, deren Abstammung bekannt war,
benutzt. Auf jeden Mastbetrieb wurde eine Probe- und Kontrollgruppe geformt und
zwar so, dass die genetische Veranlagung der Tiere in der Probegruppe, möglichst
ähnlich der in jede der zu vergleichenden Kontrollgruppen war.
Obwohl die E.P.G.-Anzahl der behandelten Ferkel stark abnahm, konnte beim
Schlachten zwischen Probe- und Kontrollgruppe kein Unterschied im Futterverbrauch
und täglichem Wachstum festgestellt werden.

Die Verfasser ziehen aus dieser Untersuchung die Konklusion, dass eine Routine-
Entwurmung aller Mastferkel (trotz der Tatsache, dass ein grosser Teil der Mast-
fcrkcl mit Spulwürmern infiziert war), keine Vorteile bietet. Die y4icrarij-Infektion
findet meist in der Saugperiode statt (oft jedoch bald nach der Geburt) und der
Schaden, entstanden durch Migration der Lar\\en über Leber und Lunge, kann durch
eine Wurmkur während der Mastperiode nicht beseitigt werden.
Wohl kann die Entwurmung eines schwerverseuchten Wurfes in der Mastperiode
angebracht sein.

Die Spulwurmbestreitung bei Schweinen muss jedoch speziell auf den Zuchtbetrieben
angefasst werden, sodass eine wurmarme Aufzucht gesichert wird.

RESUMEN.

Fue hecho un experimento en 10 haciendas de cerdos de engorde, con el proposito
de investigar la influencia de 2 tratamientos antielminticos con piperazia adipas
(350 mg/kg peso corporal) sobre el crecimiento y el consumo de alimento.

-ocr page 258-

Fueron tratados 400 leehones procedentes de crias de origen conocido. En cada
hacienda fue formada un grupo de control y un grupo de experimento de tal modo
que la disposicion genetica dc los animales en el grupo de experimento era lo mas
posible igual a la de cado grupo de control comparable.

,\\unque el numero de E.P.G. de los lechones tratados fue muy reducido no se pudo
comprobar, despues la matanza, una diferencia en el consumo de alimento y creci-
miento diario entre el grupo de control y el grupo de experimento.
Los autores concluyen de esto experimento, que un tratamiento andelmindco de
rutina de todos los cerdos de engorde no ofrece ventajas (a pesar del facto que una
grande parte de los cerdos de engorde estan infestados con ascaridas. La infestacion
de ascaridas ocure casi siempre durante el periodo de mamar (en la mayoria de los
casos pronto despues el nacimiento). y el dano producido por migracion de larvas
via higado y pulmon no se puede eliminar con un tratamiento andelmintico durante
el periodo de engorde. Si sc puede hacer un tratamiento antielmintico en cerdos muy
infestados durante el periodo de engorde, y esto tiene su merito. El combate de
ascaridas en cerdos hay que hacer, especialmente en haciendas de crias de cerdas,
asi sc puede reahzar una cria con una infestacion de lombrices leve.

LITERATUUR.

Bosch,], und M a t z k e. P.: Vorkommen, Schadewirkung und Bekämpfung parasi-
tischer Würmer bei Schweinen.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 71, 168, (1958).
Koopman, J. J. en R o e 1 c, P. M. : Verslag van enkele proeven met schurft- en

wormbestrijdingsmiddelen onder praktijkomstandigheden (1962).
L e i p e r, I. W. G.: The piperazine compound V. 19 for the removal of ascaris and

oesophagostomum from the pig. Vet. Ree., 66, 583, (1954).
Lindquist, W. D.: Diseases of Swine, edited by H. W. Dunne, Ghapter 28,
419, (1958).

Nickel, E. A. : Untersuchungen über den .\\skariden befall bei Schweinen einer
Mastprüfungsanstalt und seine Auswirkungen auf die Gewichtszunahme der Tiere.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 72, 7, (1959).
Sloan, J. E. M., Kingsbury, P. A. and J o 1 1 y, D. W. : Preliminary trials with
piperazine adipate as a veterinary anthelmintic, ƒ.
Pharm. Land., 6, 718, (1954).
Sprehn, G. E. W.: Helminthen und Helminthiasen des Schweines, Heft 7, 107,

(1957). VEB Gustav Fischer Verlag, Jena.
Truyen, W. T. en Jaartsveld, F. H. J.: Een onderzoek naar de betekenis
van een infektie met Ascaris lumbricoides bij het varken.
Tijdschr. Diergeneesk.,
86, 1400, (1961).

U n d e r d a h 1, M. R. and Kelly, G. W. : The enhancement of virus pneumonia
of pigs by the migration of ascaris suum larvae. /.
Am. vet. med. Ass., 130, 173,
(1957).

-ocr page 259-

Tetanus bij een wit-staart Colobus-aap lColobus
polykomosi

Tetanus in a white-tailed Colobus monkey (Colobus
polykomos).

door A. V. d. SCHAAF*) en G. P. A. FRIJLINK1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie en het Insti-
tuut Buitenpraktijk van de Faculteit der Diergeneeskunde.

Op 6 februari 1966 werd onze hulp ingeroepen door een dierenvanger-im-
porteur voor een ernstig zieke, pas ingevoerde aap. Gelijk vaak gebeurt
werd in het telefoongesprek de door de eigenaar gestelde diagnose reeds
meegedeeld. Het dier zou lijdende zijn aan tetanus.

Bij aankomst op het bedrijf bleek het te gaan om één van circa twintig in-
gevoerde Golobusapen van de Westkust van Afrika.

De Colobidae of bladetende apen zijn verspreid over delen van West-, Mid-
den- en Oost-Afrika en in Azië over Pakistan, Tibet en China. De familie-
naam is te danken aan het feit dat de duimen van de handen slechts
rudimenten zijn. Een merkwaardige bijzonderheid is het voorkomen van
een gesegmenteerde maag als bij herkauwers en het bestaan van een slok-
darmsleuf, waardoor drinkwater direct wordt gebracht naar de laatste
maagzak. De Golobusapen zijn boombewoners en kunnen enorme sprongen
maken. Volgens de eigenaar van de geïmporteerde dieren wel 40 yards. Ze
zijn derhalve moeilijk te vangen en te houden. De ingevoerde groep be-
hoorde tot een subspec. van de
Colobus polykomos, afkomstig van de West-
kust van Afrika. Deze soort was nog niet eerder in Europa ingevoerd.
Op 28 januari waren de dieren in Nederland aangekomen.

Eén der dieren had bij het vangen een staartverwonding opgelopen. Bij ons
eerste bezoek bleek het dier inderdaad ernstig lijdende te zijn aan een,
althans klinisch waarneembare, tetanusinfectie. Het dier was uit de groep
gehaald en lag in zijligging plat op de bodem van een kleine kooi. Het
gehele lichaam was in een kramptoestand. Speciaal de achterbenen waren
sterk gespannen; de kaak kon niet meer worden geopend en er was een
verhoogde speekselvloed. Aan de staart bestond ongeveer 10 cm van het
eind een oude, gecompliceerde fractuur en ongeveer 20 cm van het eind
een paar kleinere verwondingen.

Volgens de eigenaar was het dier alleen de dag vóór onze komst iets sloom
geweest en was de toestand zeer snel achteruit gegaan. In verband hier-
mede kon naar onze ervaring bij tetanus-infecties bij grote huisdieren de
prognose ongunstig worden gesteld. Een voordeel was hier echter dat een
radicale eliminatie van de infectiehaard en toxinen-bron gemakkelijk was.
Overwegende dat de haard waarschijnlijk was gelegen in het laatste reeds
necrotische deel van de staart, maar ook de waargenomen kleinere ver-
wondingen geïnfecteerd konden zijn, werd circa 25 cm van de staart ge-
amputeerd. Waar de mogelijkheid bestond dat nog andere kleine verwon-

1  Drs. G. P. A. Frijlink; wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniversi-
teit te Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 260-

dingen aan onze aandacht waren ontsnapt werd nog 300.000 I.E. peni-
cilhne-Na ingespoten. Ter neutralisatie van de circulerende toxinen wer-
den 2000 I.E. antitoxinen in de vorm van 7 cm^ tetanusserum C.D.I. in-
gespoten.

De eigenaar werd geadviseerd wat water en vruchtensap met een thee-
lepeltje toe te dienen. De kooi met de patiënt werd in een rustige afzon-
derlijke ruimte, welke voortdurend verduisterd was, geplaatst. In de grote
kooien waarin de andere dieren — en oorspronkelijk ook onze patiënt —
waren ondergebracht had de eigenaar de bodem bedekt met bosgrond,
takken en bladeren. Hoewel het waarschijnlijk is, dat in ons geval de in-
fectie van de staartwond reeds in Afrika plaats vond, werd geadviseerd
deze bodembedekking, welke mogelijk tetanussporen bevatte, door stro te
vervangen.

De eigenaar vertelde met het ziektebeeld vertrouwd te zijn en in het vang-
gebied reeds meerdere Colobus-apen aan een tetanusinfectie verloren te
hebben.

Op de avond van 6 februari bleek de toestand van het dier stationnair te
zijn; prolaberen van de membranae nictitans werd gedurende het gehele
proces niet waargenomen.

In de nacht van 6 op 7 februari is het dier gestorven en vervolgens ter
secde aangeboden aan de afdeling Bijzondere Diergroepen van de Facul-
teit.

Het kadaver was in matige voedingstoestand, maar vertoonde geen opval-
lende afwijkingen. Een in de maag aangetroffen parasiet werd door Dr. J.
Jansen Jr. gedetermineerd als een
Trichuris species.
Waar het zelden mogelijk is van een nog levend dier de vermoedelijke
haard in toto voor bacteriologisch onderzoek beschikbaar te hebben werd
het geamputeerde staartdeel naar het Instituut voor Veterinaire Bacte-
riologie gezonden.

Bacteriologisch onderzoek

Het stuk staart was in totaal 25 cm lang. Tengevolge van de breuk was
het laatste stuk van 8 cm afgestorven. Een scherpe punt van de in het
midden gebroken wervel stak naar buiten.

Op 8 februari werd na oppervlakkige schroeiing het afgestorven distale
stuk afgeknipt met een steriele schaar. Vervolgens werd het proximale
stuk in alcohol gedompeld en geflambeerd. Daarna werd met behulp van
een schaar het weefsel rondom de gebroken wervel afgeknipt en afgekrabd
en opgevangen in een steriele mortier.

Met enkele milliüters fysiologi.sche oplossing werd het weefsel zoveel mo-
gelijk fijngewreven. In een uitstrijkje hiervan, gekleurd vlg. Gram, werden
naast veel andere Gram-positieve en Gram-negadeve bacteriën, enkele
staafjes met een ronde eindstandige spore waargenomen.
Na bezinking van de grove delen werd van de suspensie met een vrij dikke
naald bij elk van drie muizen 0,1 ml subcutaan ingespoten. Eén muis
stierf binnen 24 uur aan een flegmoon, de 2 andere bleven gezond.
Aan de rest van het gesuspendeerde materiaal werd een theelepel steriel
krijtpoeder (CaCOg )toegevoegd, waarna het mengsel nog eens intensief
werd gewreven tot een homogeen papje.

De functie van krijtpoeder in vivo en vitro bij de isolatie van Cl. tetani is
1076

-ocr page 261-

tweeërlei. De CaCOß heeft n.1. een bufferende werking en bindt het door
andere bacteriën gevormde zuur; hierdoor kunnen de tetanusbacillen zich
blijxen vermeerderen; daarnaast bevordert CaCOs de sporulatie van
Cl.
tetani.
In vivo remt het poeder de fagocytose en maakt de lokale omstan-
digheden overigens ook gunstig voor de vermeerdering en toxine-vorming
door de Clostridiums.

Van het bovengenoemde papje werden nu hoeveelheden ter grootte van
een erwt in enkele buizen met leverbouillon geënt. Deze voedingsbodems
werden gedurende 30 minuten in een waterbad op 65° C verhit en daarna
opnieuw een nacht over in de broedstoof geplaatst.

Vrijwel alle niet-gesporuleerde kiemen worden door deze bewerking ge-
dood, terwijl de sporen van eventueel aanwezige
Cl. tetani, doch ook die
van andere
Clostridia en bacillen blijven leven. Bij microscopisch onder-
zoek van de cultuur bleken hierin veel Gram-positieve staafjes met de uit-
puilende verdikkingen van terminale en sub-terminale sporen aanwezig te
zijn.

Uit één van de troebele buizen leverbouillon, waarin ook duidelijk gas-
vorming aanwezig was, werden vervolgens enkele platen paardebloed-agar
in serie geënt en anaëroob bebroed volgens de door Mossel en Van
G
O 1 s t e i n B ro u w e r s en De B r u i n ( 1959) iets gewijzigde methode
vlg. F. E. K
O c h. Na 20 uur kweken bij 37° C konden op de tweede in
serie geënte plaat reeds afzonderlijke koloniën worden opgemerkt, die
gekenmerkt waren door fijne uitlopers en lichte /?-hemolyse. Een aantal
van deze koloniën werd oveigeënt in leverbouillon, die met CaC03 was
gebufferd.

-ocr page 262-

Van een buis, die kennelijk rein was, na 48 uur nog geen gasvorining ver-
toonde en staafjes met een eindstandige spore bevatte, werden 2 muizen
ieder met 0,1 ml subcutaan ingespoten. Na 3 x 24 uur, op zondag 20 fe-
bruari, werd één muis dood aangetroffen; de andere vertoonde de ty-
pische symptomen van tetanus, zoals blijkt uit bijgaande foto 1.

Aangezien de rechtstreekse enting van het materiaal bij muizen negatief
was verlopen, werd besloten de dierproef te herhalen met 2 cavia\'s. Met
het in de koelcel bewaarde en iets ingedroogde krijthoudende materiaal
werden 2 volwassen dieren geënt door in een onder lokale anaesthesie
gemaakte subcutane kleine holte met een anatomisch pincet iets van het
materiaal te deponeren. Bij de ene cavia werd het wondje ter breedte van
1 cm gesloten met een agrave; bij de andere werd de wond open gelaten.
De eerste cavia bleek reeds de volgende dag een flegmoon te hebben waar-
aan het dier stierf. Microscopisch werden in het enigszins vervloeide
weefsel verschillende bacteriën aangetoond; het merendeel waren Gram-
positieve staven, die gedeeltelijk reeds gesporuleerd waren; sommige van
deze sporen waren terminaal, andere meer subterminaal tot centraal ge-
legen. De andere cavia leek de derde dag nog gezond en had vrijwel geen
hinder van het wondje met ingedroogde korst. De 4e dag na de enting
kreeg het dier echter clonische en later ook tonische krampen en succom-
beerde onder de typische verschijnselen van tetanus.

Bij sectie werd alleen onder de wond etterig exsudaat en rood gekleurd
weefsel aangetroffen. Etter weefsel werd met een steriele schaar in een
mortier overgebracht, fijn gewreven en verder behandeld zoals ook met
het materiaal van de aap was gebeurd. Het gelukte om ook uit dit sterk
verontreinigde materiaal op de reeds beschreven wijze een reincultimr van
Cl. tetani te isoleren. Van 5 apart liggende koloniën met uitlopers en een
lichte j8-hemolyse werden subcultures gemaakt. Drie bleken
Cl. tetani te
zijn, tewijl 2 naderhand als
Cl. sporogenes var. A van Metchnikoff
werden gedetermineerd.

Terwijl in de Difco-casitone-buizen met diverse suikers door Cl. tetani geen
enkele werd omgezet, bleek de andere
Clostridium zuur te vormen uit glu-
cose, fructose en maltose. Dit was niet het geval in de goed gegroeide
casiton-bodems met galactose, lactose, sucrose en salicyne.
Beide
Clostridiums waren beweeglijk en proteolytisch t.o.\\\'. gestold paarde-
serum;
Cl. tetani echter slechts gering en Cl. sporogenes sterk.
Bij
Cl. tetani vond op bloedagarplaten en in gewone leverbouillon vrijwel
geen sporulatie plaats; bij
Cl. sporogenes was dit in sterke mate het geval.
De sporen van
Cl. tetani waren rond en hadden een doorsnede, die onge-
veer driemaal die van het staafje bedroeg. Bij
Cl. sporogenes waren dc spo-
ren iets meer afgeplat en leek de bacterie oj) een miniatuur tennisracket.
Wat de morfologie van de koloniën betreft valt op te merken, dat deze vrij
sterk wisselt. Soms ziet men na 24 uur bebroeden dat
Cl. tetani een uiterst
fijn netwerk vormt, dat de neiging heeft over de plaat heen te groeien, zoals
aëroob
Bacillus mycoides doet. Het komt echter ook voor dat de uitlopers
veel korter en dikker zijn, zodat dan een gelijkenis met
Cl. novyi. Cl. bi-
fermentans
en Cl. sporogenes optreedt.

Op bijgaande foto\'s 2, 3 en 4, genomen met de overzichtsmicroscoop M 5
van Wild, wordt het verschil in groei op bloedagarplaten gedemonstreerd.

-ocr page 263-

Wat de toxineproduktie betreft, bleek Cl. sporogenes geen toxine te produ-
ceren en werd een inspuiting van 0,1 ml cultuur door muizen goed ver-
dragen. Bij
Cl. tetani bleek een verse leverboiiilloncultuur onschadelijk;
wanneer de bodem echter na 2 dagen bebroeden goed gegroeid was, kon
met 0,1 ml hiervan bij muizen binnen 24 uur tetanus worden opgewekt. Op
de plaats van inspuiting was bij de gestorven dieren geen spoor van ont-
steking aanwezig; in een uitstrijkje en door middel van oppervlakkige af-
enting konden geen bacteriën worden aangetoond.

-ocr page 264-

Discussie

Opmerkelijk is dat er zo weinig over tetanus bij apen in het algemeen is
gepubliceerd. Te meer is dit opmerkelijk wanneer men in het artikel van
Go s s (1942) over ziekten van dierentuindieren leest:

"Tetanus is so common in monkeys that routine treatment of wounds
in these animals includes injecdon of 1500 units of human tetanus anti-
toxins."

Osman Hill (1936) heeft tijdens zijn verblijf in Colombo als hoog-
leraar in de anatomie aan de medische hogeschool aldaar een zevental ge-
vallen waargenomen en nauwkeurig beschreven. Deze betroffen alle Ma-
cacus-apen n.1.
Zati radiale en Z. sinica. In geen der gevallen werd de
klinische diagnose gesteund door resultaten van een ingesteld bacteriolo-
gisch onderzoek. Ook bij tetanus van andere dieren b.v. honden, paarden
en schapen is vrijwel nooit sprake van bacteriologische bewijsvoering van
de veronderstelde aetiologie der ziekte. De reden hiervan zal zijn dat de
klinische verschijnselen zo typisch zijn dat geen klinicus twijfelt aan zijn
diagnose, tenzij het dier al sub-finem is. Hoeveel tetanus-gevallen bij apen
voorkomen is niet precies bekend. Bij de veel gebruikte Rhesus-apen is het
een grote zeldzaamheid.

Reeds sedert een tiental jaren heeft een onzer (F r ij 1 i n k) bij een impor-
teur honderden apen geobserveerd met min of meer ernstige staartverwon-
dingen. Hieronder waren vele fracturen met necrose van het distale einde.
Voornamelijk komt dit voor bij meerkatten, behorend tot het geslacht
Cercolliecus. Deze worden de laatste jaren massaal ingevoerd ten behoeve
van onderzoekingen oy) virus-laboratoria. Hoewel behandeling in de vorm
van amputatie beperkt bleef tot enkele ernstige gevallen, werd bij deze
meerkatten nimmer tetanus waargenomen.

De eerder genoemde vanger deelde mede, dat zijn ei-varingen betreffende
tetanus uitsluitend betrekking hadden op de kostbare Colobus-apen. Het
ligt voor de hand te veronderstellen dat een groot verschil in gevoeligheid

-ocr page 265-

t.o.v. een tetanusinfectie bij verschillende apensoorten voorkomt. Apen-
soorten met zeer lange staarten zijn bijzonder kwetsbaar bij het vangen, het
inkooien en bij vechtpartijen onderling tijdens transport. Ter prevenüe van
de ziekte zou men Colobus-apen direct bij de vangst acdef en passief kun-
nen immuniseren. Door de combinatie van behandeling met antitoxine en
toxoid is volgens de onderzoekingen van Smith (1964) een betere en
langdurige immuniteit op te wekken.

In Top ley and Wilson\'s "Principles of Bacteriology and Imnmnity"
wordt op pag. 2099 vermeld dat geïoniseerde calcium-zouten speciaal het
aanslaan van een tetanus-infectie zouden bevorderen. Door een onzer
(Van der Schaaf) werd vastgesteld, dat ook de niet-geïoniseerde
CaCOs een overeenkomsdge functie op de fagocyten uitoefent, terwijl geen
uitgebreide necrose van weefsel optreedt.

Om meer inzicht te krijgen over de aard van de verwondingen, die bij
dieren aanleiding kunnen zijn tot het optreden van tetanus, heeft het ook
praktische betekenis om materiaal van de veronderstelde infectiehaard te
onderzoeken op de aanwezigheid van
Cl. tetani. Dit is eenvoudig toe te
passen op de aangegeven wijze.

SAMENVATTING.

Beschreven wordt een geval van tetanus bij een witstaart Colobus-aap (Colobus poly-
komos).
In de gecompliceerde fractuur van de staart werd met een speciale aankweek-
methode en via cavia-endng
Cl. tetani geïsoleerd. De niet-geïoniseerde calciumverbin-
ding CaCOs bleek bij beide methoden van aantonen der
Cl. tetani van grote waarde.

SUMMARY.

A case of tetanus in a white-tailed Colobus monkey (Colobus polykomos) is reported.
CI. tetanus was isolated from a complicated fracture of the tail using a special culture
method and by inoculation into guinea pigs. The non-ionized calcium compound
calcium carbonate was found to be very useful in the two methods adopted in isolating
CI. tetani.

RÉSUMÉ.

Un cas de tétanos chez un singe Colobus à queue blanche (Colobus polykomos) est
décrit.

Dans la fracture compliquée de la queue Cl. tetani a été isolé avec une méthode de cul-
ture spéciale et su moyen d\'une vaccination sur cobaye. Pour les deux méthodes pour
démontrer
Cl. tetani la combinaison calcique non-ionisée CaCOa se trouva être de
grande valeur.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wrird ein Tetanusfall bei einem weissschwänzigen Colobusaffen (Colobus poly-
komos)
beschrieben.

Aus der komplizierten Fraktur des Schwanzes wurde mit einer besonderen Kultur-
methode und Cavia-impfung
Cl. tetani isoliert. Die nicht-ionisierte Kalziumverbindung
CaCOs bewies, dass beide Methoden zum Nachweis von
Cl. tetani von grossem Wert
sind.

RESUMEN.

Esta mencionado un caso de tetania en un mono rabo blanco (Colobus polykomos).
En la fractura complicada fue aislado Cl. tetani por medio de un metodo de cultivo
especial y por medio de inoculacion en marmotas. La composicion quimica de calcio
no ionisado CaCOa, resulto en ambos metodos de demostrar
Cl. tetani, de gran valor.

-ocr page 266-

LITERATUUR.

G O s s, L. J.: Diagnosis and treatment of diseases of wild animals in captivity. Cornell

Vet., 32, 155, (1942).
Hill, W. 0. Osman: Notes on malaria and tetanus in monkeys. J. comp. Path.

Therap., 49, 274, (1936).
Mossel, D. A. A., G o 1 s t e i n Brouwers, G. W. M. and Bruin, A. S. d e:
A simplified method for the isolation and study of obligate anaerobes.
J. Path.
Bact.,
78, 290, (1959).
Sanderson, I. T.: Living mammals of the world. Uitg. Hamish Hamilton 1955.
London.

Sanderson, I. T.: The monkey kingdom, an introduction to the Primates. Uitg.

Hamish Hamilton, London 1957.
Sm. ith, J. W. G.: Simultaneous active and passive immunization of guinea-pigs

against tetanus. J. Hyg. Camb., 62, 379, (1964).
Wilson, G. S. and Miles, A. .A.: Principles of Bacteriology and Immunity, 5e
druk. Arnold. London. 1964.

-ocr page 267-

Enkele beschouwingen over het ontstaan van
cyelopie

Some considerations about the development of cyclopia

door E. L. M. J. WIERTZ-HOESSELS1)

Instituut voor Anatomie, Afd. Embryologie. Faculteit der
Diergeneeskunde te Utrecht.

In het Veterinair Anatomisch Instituut bevindt zich een aanzienhjke col-
lectie cyclopen van diverse huisdieren. Cyelopie is een veel voorkomende
ontwikkelingsstoornis. Het is interessant na te gaan, waardoor deze af-
wijking in de embryogenese ontstaat.

Over dit onderwerp bestaat een uitgebreide literatuur. Tijdens enkele
jaren experimenteel embryologisch onderzoek op het Hubrecht Labora-
torium (directeur Prof. Dr. P. D. Nieuwkoop) werden wij ook per-
soonlijk herhaaldelijk met dit verschijnsel geconfronteerd (Nieuwkoop
et alii, 1952).

Er bestaan allerlei overgangen tussen de normale twee-ogigheid en de een-
ogigheid of cyelopie. Fig. 1 is een afbeelding van een varkensembryo met
z.g. synophthalmie, d.w.z. de ogen naderen elkaar. Fig. 2 is een ernstiger
vorm van synophthalmie, terwijl tenslotte in fig. 3 een echt cyclopisch dier
wordt weergegeven.

Opmerkelijk is, dat bij deze dieren de neus steeds boven de oogaanleg is
gelegen. Het is duidelijk, dat het verschijnsel van een-ogigheid niet op
zichzelf staat. Er komen afwijkingen in de rest van het aangezicht en de
hersenen voor, met name de hemisferen zijn vaak gereduceerd of onge-
paard.

Men dient zich allereerst af te vragen hoe het komt, dat in de normale
ontwikkeling gepaarde ogen ontstaan.

Het mag bekend verondersteld worden, dat de ogen ontstaan als een uit-
stulping van het diencephalon. Er ontstaat een linker en rechter oogblaas,
die door de oogsteel verbonden blijft met het diencephalon. De oogblaas
wordt tot oogbeker. Deze is dus dubbelwandig, het binnenblad wordt tot
retina, het buitenblad tot stratum pigmentum retinae. Wanneer de retina
zich differentieert, groeien de opticus-vezels uit in de oogsteel, die daarmee
tot nervus opticus wordt. Intussen ontstaat de lens als een placode (ver-
dikking) in het ectoderm, dat tegen de oogblaas aanligt. Wanneer de
oogblaas tot oogbeker wordt, gaat de lensplacode geleidelijk in de diepte
zinken en zij snoert zich tenslotte af als lensblaasje (Fig. 4, 5). Het er
overheen sluitende ectoderm wordt later de cornea.

Wanneer men wil weten hoe de gepaarde oogaanleg ontstaat, dan moet
men zich allereerst afvragen hoe de hersenen ontstaan, waar de ogen een
deel van zijn.

In de experimentele embryologie werkt men bij voorkeur met amfibiën-
materiaal. De ontwikkelingsprocessen van de verschillende diersoorten
blijken trouwens in hoge mate met elkaar overeen te komen. Professor
Nieuwkoop en zijn medewerkers houden zich reeds jaren bezig met
het ontstaan van het centrale zenuwstelsel.

1  Mevr. Dr. E. L. M. J. Wiertz-Hoessels; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de
Rijks Universiteit te Utrecht; Bekkerstraat 141.

-ocr page 268- -ocr page 269-

Uit verschillende onderzoekingen is gebleken, dat de praechordaalplaat
verantvi?oordelijk is voor de inductie van het prosencephalon (tel- en
diencephalon). Gedurende het gastrulatieproces, waarbij het mesoderm
of middelste kiemblad ontstaat, ligt dit materiaal ter plaatse van de dorsale
oermondlip, bij vogels en zoogdieren de knobbel van Henssen.
De praechordaalplaat rolt als mesenchym vóór de chorda in, en schuift in
craniale richting onder het presumptieve neuroderm — dit is een deel van
het ectoderm — door. Hierbij heeft dit materiaal een inductieve werking
op het erboven gelegen competente ectoderm. Uit experimenten van
J
O h n e n is komen vast te staan, dat, wanneer men ectoderm dat enige
tijd in contact is geweest met de praechordaalplaat, in vitro opkweekt,
hieruit prosencephale structuren ontstaan. Dit geldt voor alle competent
ectoderm, ook wanneer het b.v. afkomstig is uit het presumptieve rugge-
merg. Deze invloed, die uitgaat van de praechordaalplaat, werd door
Nieuwkoop activatie genoemd.

Tenslotte ligt de praechordaalplaat in het voorste deel van de kop, op het
dak van de pharynx. Zij valt al spoedig uiteen in kopmesenchym, dat
gaat uitzwermen om de tot dan toe lege ruimte tussen ectoderm en hersen-
blazen op te vullen (Fig. 6). Volgens Adelmann (1931) draagt de
praechordaalplaat ook nog bij tot de vorming van de oogspieren. De oog-
aanleg wordt derhalve geïnduceerd door de praechordaalplaat.

-ocr page 270-

1 = diencephalon.

2 ~ oogblaas die tot oogbeker wordt.

3 — oogsteel.

4 = stomodaeum.

5 — pharynx.

-ocr page 271-

1 = diencephalon.

2 = oogblaas (oogbeker)

3 =■ lensblaasje.

Uit experimenten is gebleken, dat in jonge stadia de oogpotentie mediaal
veel sterker is dan lateraal. Bleef deze situatie bestaan, dan zou cyclopie
regel moeten zijn, en gepaarde ogen uitzondering. In de verdere ontv^\'ik-
keling blijkt echter de praechordaalplaat juist een remmmende invloed op
de oogaanleg te hebben, terwijl het lateraal daarvan gelegen mandibulaire
mesodenn de oogtendens versterkt. Neemt men in dit stadium de prae-
chordaalplaat weg, dan treedt prompt cyclopie op. Een intacte praechor-
daalplaat is dus een conditio sine qua non voor bilaterale ogen.

Gedurende het gastrulatieproces maakt de praechordaalplaat een zeer
complexe ontwikkehng door (Hoessels, 1957), waarbij zij geleidelijk
aan gedetermineerd wordt. Haar vermogen om prosencephale structuren
en dus ook gepaarde ogen te vormen, realiseert zich gedurende deze pe-
riode.

4 — kopmesenchym.

5 - hart.

6 = pharynx.

«1

-ocr page 272-

Fig. 6.

Doorsnede door de kop van een embryo, waarvan de neurale buis nog niet gesloten
is. Op het dunne dak van de pharynx ligt het praechordale mesenchym, dat uitzwermt

in de kop.

1 = pharynx.

2 = praechordaal mesenchym.

3 = neurale groeve.

Cyclopie is experimenteel heel gemakkelijk op te wekken b.v. door bestra-
ling met Röntgen in het kopgebied (Wol ff, 1934), laesies in het oer-
darmdak (Lehmann, 1926; Mangold, 1931), of door chemische
behandeling (phenol, lithiumchloride, chloralhydraat etc.). Het blijkt, dat
het optreden van cyclopie meer afhankelijk is van het stadium waarin de
kiem zich bevindt tijdens de behandeling, dan van de wijze waarop hij
behandeld wordt. In het algemeen geven chemische agentia uitgebreidere
afwijkingen, mechanische behandeling heeft een veel lokaler effect. Men
kan hieruit afleiden dat de praechordaalplaat, althans gedurende een be-
paalde periode in de ontwikkeling, zeer kwetsbaar is. Bij laedering of eli-
minatie vervalt haar invloed, die normaliter splitsing in de mediane oog-
aanleg teweeg brengt. Het gevolg hiervan is cyclopie.

SAMENVATTING.

Gyclopie is een veel voorkomende ontwikkelingsstoornis, die in diverse gradaties kan
optreden.

De vraag naar het ontstaan van eenogigheid moet worden terugverwezen naar de
vraag, hoe het komt dat in de normale ontwikkeling twéé ogen ontstaan. De bilaterale
ogen ontstaan als een uitstulping van de hersenen, en wel van het diencephalon. Het
diencephalon — en dus ook de oogaanleg — wordt geïnduceerd door de praechordaal-
plaat, dit is het eerste mesoderm dat bij het gastrulatieproces gevormd wordt.
Aanvankelijk bevindt zich dc sterkste oogtendende in het mediane gebied van dat
deel van de neurale plaat, waar het diencephalon zich uit gaat ontwikkelen. Echter,
in latere stadia wordt de sterkste oogtendende bilateraal gevonden, doordat de me-
diane praechordaalplaat dan juist een remmende invloed op de oogontwikkeling krijgt.
Valt om een of andere reden die remmende invloed van de praechordaalplaat uit, dan
zal vanzelfsprekend één mediaan oog ontstaan.

-ocr page 273-

Cyclopie is experimenteel gemakkelijk op te wekken. De embryonen doorlopen be-
paalde stadia waarin zij gevoelig zijn voor het optreden van cyclopie. Het is bekend
uit de experimentele embryologie, dat het stadium waarin embryonen behandeld
worden belangrijker is dan de manier waarop dit geschiedt. Er is dus geen specifieke
prikkel nodig om cyclopie op te wekken.

SUMMARY.

Cyclopia is a common developmental anomaly which may appear in various gra-
dations.

The question of the pathogenesis of cyclopia resolves itself into the question of why
two eyes are formed in cases of normal development. Bilateral eyes develop as
projections of the brain, viz., the diencephalon. The diencephalon and therefore
also the ocular primordium are induced by the prechordal plate, the first mesoderm
to be formed during the process of gastrulation.

The most marked ocular tendency is initially situated in the median area of that
portion of the neural plate, from which the diencephalon will develop. In later stages,
however, the most marked ocular tendency is bilateral as the median prechordal plate
will then have an inhibitory effect on the development of the eyes.
When this inhibitory activity of the prechordal plate ceases for some reason or other,
a single median eye will naturally appear.

Cyclopia may be readily induced experimentally. The embryos pass through certain
stages during which they are susceptible to cyclopia. It has been estabhshed by
experimental embryological studies that the stage at which embryos are treated is more
important than is the method of treatment.

No specific stimulus is accordingly required to induce cyclopia.
RÉSUMÉ.

La cyclopie est une anomalie de développement très fréquente qui peut se présenter
cn diverses gradations.

La question de l\'origine de la cyclopie doit être remplacée par la question comment
il est possible que pendant l\'évolution normale deux yeux sont formés. Les yeux
bilatéraux se développent comme évagination du cerveau à savoir du diencéphale.
Le diencéphale et par conséquent aussi l\'ébauche oculaire est induit par la plaque
préchordale, c\'est le premier mésoderme formé durant le processus de gastrulation.
Au début la tendance oculaire la plus forte se trouve dans le domaine médian de la
partie de la plaque neurale, à partir de laquelle le diencéphale va se développer.
Dans des stades ultérieurs cependant la tendance oculaire la plus forte est constatée
être bilatérale, par suite du fait que la plaque préchordale acquiert alors justement
une influence inhibitive sur le développement oculaire.

Si pour une raison quelconque cette influence inhibitive de la plaque préchordale
fait défaut, il va sans dire qu\'un seul oeil médian se formera. Is est facile de provoquer
la cyclopie en guise d\'expérience. Les embryons passent par certains stades où ils sont
sensibles à la genèse de cyclopie. L\'embryologie expérimentale révèle que le stade de
traitement des embryons est plus important que la méthode dont on se sert.
On n\'a donc pas besoin d\'un stimulus spécifique pour provoquer la cyclopie.

ZUSAMMENFASSUNG.

Zyklopie ist eine oft vorkommende Entwicklungsstörung, die in verschiedenen Ab-
stufungen auftreten kann.

Die Frage nach dem Entstehen der Einäugigkeit muss durch die Frage erweitert
werden: Wie kommt es, dass bei normaler Entwicklung zwei Augen entstehen? Die
bilateralen Augen entstehen als eine Ausstülpung des Gehirns und zwar des Dien-
cephalons. Das Diencephalon, also auch die Anlage der Augen wird durch die
Praechordalplatte induziert, die das erstte Mesoderm ist, das beim Gastrulationsprozess
gebildet wird.

-ocr page 274-

Anfangs befindet sich die stärkste Augentendenz im medianen Gebietsteil der neuralen
Platte, von wo aus sich das Diecephalon enntwickelt. Jedoch im späteren Stadium
wird die stärkste Augentendenz bilateral gefunden, da dann gerade die mediane
Priechordalplatte einen hemmenden Einfluss auf die Entwicklung der Augen ausübt.
Fällt durch irgendeine Ursache der hemmende Einfluss der Praechordalplatte aus,
dann wird selbstverständlich ein medianes Auge entstehen.

Zyklopie ist experimentell leicht zu erzeugen. Die Embryonen durchlaufen bestimmte
Stadien, in denen sie für das Auftreten von Zyklopie empfänglich sind. Es ist aus der
experimentellen Embryologie bekannt, dass das Stadium, worin Embryonen behandelt
werden wichtiger ist, als die Weise worauf dies geschieht.
Es ist daher kein spezifischer Reiz nötig, um Zyklopie zu erzeugen.

RESUMEN.

Ciclopia es un estorbo del desarrollo lo cual sucede mucho, y que puede ocurrir en
diversos grados.

La cuestion como se produce esta ciclopia hay que remitir a la cuestion como es que
en el desarrollo normal se produce dos ojos.

Los ojos bilaterales nacen como un diverdculo de los sesos, a saber el diencefalon.
El diencefalon y por esta razon tambien el origen de los ojos esta inducido por la
lamina precordal, esta es la primera mesoderma lacual es formada durante el processo
de la gastrulacion. AI principio se encuentre la mas fuerte tendencia de formar ojos
en el region mediano en aquelle lamina neuralis, en la cual se va desarrollarse el
diencefalon. Sin embargo, en fases mas tarde se encuentre la tendencia mas fuerte
de formar ojos bilaterales, porque la lamina precordial adquere en esto momento una
influencia frenada sobre el desarrollo de los ojos. Si por cualquiera razon esta
influencia frenada dea la lamina precordal se quede atras, entonces se produce eviden-
te un ojo medianes. En experimentos se puede producir facilmente ciclopia. Los
embrios siquen ciertas fases en las cuales ellos son sensibles para la aparicion de
ciclopia. Es conocido de la embriologia experimental, que la fase en la cual se träte
los embrios es mas importante que la manera en que esta sucede. Para incitar ciclopia
no se necesite un estimulo especifico.

-ocr page 275-

The influence of injected vitamin D3 on some
aspects of mineral metabolism in normal non-
pregnant cows

I. The influence of vitamin D3 on the concentration
of calcium, magnesium and inorganic phosphate in
blood plasma, on the consumption of hay and on
the production of urine and milk.

by L. SEEKLES1) and H. J. HENDRIKS*»)

Laboratory of Veterinary Biochemistry of the Veterinary Fa-
culty, Utrecht.

Introduction

It has long been recognized that in milk fever the concentration of calcium
and inorganic phosphate of blood plasma is lowered. With regard to the
magnesium level of the blood plasma views are altering a good deal in the
latest thirty years. Originally a moderate rise was observed in most cases.
In recent years, however, cases of milk fever in which a moderate fall of the
magnesium level was recorded are not exceptional.

The cause of these changes are still imperfectly clear. As a rule the therapy
with calcium salts
{e.g. calcium chlorid, gluconate or borogluconate) is
successful.

Regarding the prevention of this disease in the Netherlands and other
countries, massive doses of vitamin D3 have been used successfully for years.
In 1958 S e e k 1 e s et al. showed that milk fever in cows can be prevented
significantly by intravenous injection of 10 mill. I.U. of pure crystalhne
vitamin D3 in a solubilized form administered during a period from 2-8
days prior to parturition. For a review we refer to V a n D ij k (1965) and
Wilson (1964). In 1961 (Seekles
et al.) it was shown that occasio-
nally symptoms similar to „shock" may develop after the intravenous
injection. In order to prevent this undesirable side effect it was recommen-
ded to administer the same dose intramuscularly about 2-8 days prior to
parturition.

Experimental design

In order to extend knowledge about the aspects of the mineral metabolism
of milking cows by the injection of the above mentioned quantity of vit. D3
the authors performed two exjjeriments of similar design. In the first
experiment (experiment A) we used two cows (1 and II) and determined
daily the intake of hay, and the quantity of water consumed and the
production of urine and milk. In this experiment, all these substances have
been adequately sampled and analyzed for the concentration of calcium,
magnesium and phosphorus. Faeces and urine have been trapped separately
by means of a metabolic harness described by H e n d r i k s (1964 a).
In the second experiment (experiment B) we used four milking cows (III,
IV, V and VI). Urine was sampled daily and analyzed. Hay was also

1  Prof. Dr. L. Seekles; professor of the State University of Utrecht, 172 Biltstraat,
Utrecht.

-ocr page 276-

sampled daily and the concentradon of calcium, magnesium and phos-
phorus has been determined in the total mixed sample. As in experiment A
the amount of water consumed was recorded daily. The mean chemical
composition of hay was as follows (dry matter basis 105° G).

Ca (%) Mg (%) P {mg%)

A-experiment 0.49 0.16 250

B-experiment 0.73 0.24 216

Both experiments have been divided in 4 periods, viz.

1. The preliminary period. This period lasted 3 weeks during which all
experimental animals had hay only.

2. The hay period. In this period the cows had only hay; blood and urine
were sampled daily. The intake of hay was recorded as was the pro-
duction of milk and urine.

3. The first vit. D3 period. Procedures used were similar to period 2. On
the first day 10 mill. I.U. of vit. D3 were injected intramuscularly. This
period lasted 7 days1).

4. The second vit. D3 period. As period 3. This period lasted 5 days.

Methods of analysis

For particulars about the determination of the concentration of magnesium,
calcium and phosphorus in hay, milk and urine and the concentration of
inorganic phosphate in blood plasma we refer to the thesis by Hendriks
(1962). For the determination of the concentration of calcium and mag-
nesium in blood plasma we used a complexometric-titrimetric method,
described in the same thesis.

Results

In all cows a loss of weight occurred during the complete experiment. This
loss was variable. In the case of cow II and cow IV it was about 10%,
of
cow 12% and in the case of the other cows between 4 and 7%.
The
production of urine rose after vit. D3 administration to rather high
values in cows I and IV. For an example of the course of this production we
refer to fig. 1 (Gow I) in which also the urine production of cow II is given.
In the latter case there was no significant rise at all, likewise in cows HI,
V and VI.

Polyuria is men, dogs and rats has been found by T a k e n s (1956) after
oral administration of ma.ssive doses of vit. 1);;. The cause of this polyuria
is not clear, but it is thought that this cffect is due to diminished capacity
of tubular concentration. In a paper of Conrad
al. (1956) in which
experiments on the effect of large oral doses of vit. I) in cows have been
reported, polyuria has not been mentioned. According to T a k c n s (1956)
one of the symptoms of vit. D-intoxication is polydypsia. We did not observe
this effect in our experiments.

For a survey about the milk production, we refer to figure 2. From the
figure, it is clear, that the milk production decreased in the healthy, non-
pregnant cows, particularly after the second vit. Ds-injection. To this it has
to be added that cow H was in a rather bad condition after the second
vit. Ds-injection.

1  We are grateful to Messrs. Philips-Duphar for a gift of vitamin Ds
(Duphafral
D3-IOOO).

-ocr page 277-

The consumption of hay, fed ad lib., was determined only in the case of
experimental cows I and 11 (experiment A). The mean daily consumption
of cow I dropped from 10.1 kg of dry matter in the hay period to 9.2 kg
and 8.0 kg in the first and second vit. D3 period resp. The corresponding
figures in the case of cow II were 9.2, 7.4 and 3.4 kg resp.
During both experiments, and sometimes before and after, blood was
sampled daily. In the blood plasma we determined the concentration of
calcium, magnesium and inorganic phosphate.

Regarding the calcium concentration it has been found that this concen-
tration reached a maximum level about 4 days after the first vit. Ds-in-
jection. In some cows tliere was a small drop afterwards. After the second
injection, the blood plasma calcium level did not rise any more or the rise
was veiy small (0.5 mg%), except in cow II. In this case the calcium
concentration dropped 1.5
mg% after the second injection. So in five of
the six experimental cows a certain maximum value for the calcium con-
centration exists. The maximum value has been shown to be 11.5-12.0
mg%, being a rise of 30-40% of the original calcium value. To this it has
to be added that about 10 days after the second injection the calcium
concentration in the blood plasma had still not returned to the starting
level. As an example, a graph of the changes in calcium, magnesium and
inorganic phosphate concentrations in cow I is shown in this paper (fig. 3).

-ocr page 278-

milk(Kg)

cowl

cowD

cow in

cow E

1_r

cowY

cow 30

15 experitnentel days
second vit. D3-period

hay period first vit. D3 - period

Graph representing the production of milk, plotted against the experimental days.

The expected rise in the concentration of inorganic phosphate in blood
plasma after the first injection was more steep than the rise of the calcium
concentration. The maximum values of inorganic phosphate have been
reached about 4-5 days after the injection, showing an increase of about
50-100% of the original values. In all cases (except in cows I and IV) the
inorganic phosphate concentration rose again after the second injection.
To get an impression of relative rate of rise of the concentrations of calcium
and inorganic phosphate we calculated the ratio Ca/P of blood plasma.

10

-ocr page 279-

flg. 3

12
n
10

9

e

18
1.6
1.4
1.2
1.0
0.8

10

mgV. Mg

mgV. P,n

10

1®\'vit. Oj period

15 experimenlel days
2™\'vit.D3 period

Graph representing the concentrations of calcium, magnesium and inorganic phosphate
in blood plasma of cow I, plotted against the experimental days.

In all cows, except in cow I this ratio (varying from 1.5-3.6) dropped after
the first injection, pointing to a sharper rise in inorganic phosphate than
in calcium in the blood plasma in most cows. After the second injection
another drop has been found, except in cows I and IV (table 1).

Table 1.

The calculated ratio Cajinorg. P in blood plasma of 6 cows in 4 different

experimental periods.

experimental cows

I

II

III IV

V

VI

preliminary period

1.5

1.8

3.6 1.7

2.5

2.5

hay period

1.6

1.8

3.4 1.7

2.6

2.6

first vit. Da period

1.5

1.4

2.5 1.1

2.3

2.2

second vit. Ds period

1.5

1.0

2.0 1.1

1.9

1.8

Magnesium

In one case the magnesium concentration of blood plasma dropped after
applying the metabolic harness for the first time (hay period) which might
point to the effect of non-specific stress on the sensitive animal
{vide also

-ocr page 280-

H e n d r i k s, 1964 b). This happened to be cow II, a cow with a history
of hypomagnesaemia and hypomagnesaemic tetany. It has to be remembered
that the magnesium concentration of the hay fed to this cow (experiment A)
was rather low,
viz. 0.16% on dry matter basis. No drop of the magnesium
concentration in blood plasma has been observed in cows V and VI (experi-
ment B), both cows with a history similar to cow II. The magnesium
concentration of hay in this experiment was 0.24% on dry matter basis.
This finding agrees very well with the findings of Hendriks (1964b),
that applying a metabolic harness to cows with a history of hypomagne-
saemia and/or hypomagnesaemic tetany results in a drop of the plasma
magnesium concentration. The magnesium concentration of the fodder
used in this experiment was low.

The magnesium concentration after the vit. Ds-injections was very variable.
A survey is shown in table 2.

. Table 2.

Survey of the magnesium concentrations (mg%) in blood plasma
of 6 experimental cows after injection of vit. D.

experimental cows

I

II*)

III

IV

V*)

VI*)

preliminary period: mean

1.8

1.5

2.0

2.3

1.6

1.6

hay period: highest value

1.9

1.4

2.2

2.4

1.8

1.8

lowest value

1.8

1.0

2.0

2.2

1.6

1.6

1st vit. Ds period:

highest value

2.0 b

1.7 a

2.3 a

2.3 b

2.0 c

1.9

lowest value

1.0 b

1.1 a

1.9 a

1.8b

1.6 c

1.7

2nd vit. D,i period:

highest value

1.5 a

1.6b

2.3 b

1.7 b

1.9 c

1.9

lowest value

0.9 a

0.8 b

1.9b

1.3 b

1.8 c

1.6

legend: *) cows with a history of hypomagnesaemic tetany and/or hypomagnesaemia:
a a rise in Mg-concentration after injection
b a drop in Mg-concentration after injection
c a rise in Mg-concentradon followed by a drop

SUMMARY.

A description has been given about the influence of vit. Da on the concentration of
calcium, magnesium and inorganic phosphate in blood of 6 non-pregnant and healthy
cows. Each cow had two injecUons with a dose of 10 x 10® I.U. with an interval
of 7 days.

A rise of the calcium concentration occurred and a maximal value has been found
about 4 days after the first injection (11.5-12.0 mg%, being a rise of 30-40%).
The second injection did not alter this level.

By applying a metabolic harness in one cow wdth a history of hypomagnesaemia and/or
hypomagnesaemic tetany the magnesium concentration in blood plasma dropped which
might point to the effect of non-specific stressors on the sensitive animal. The effect
of vit. Ds on this concentration varied very much
{vide table 2).

-ocr page 281-

The content of inorganic phosphate in blood plasma rose by the injections, an increase
of 50-100% of the original value being recorded. After the second injection there wras
another rise. Relatively, the phosphate concentration rose more than the calcium
concentration
{vide table 1).

Furthermore the influence of vit. Ds on the intake of hay (cows I and II only) and
water and on the production of milk has been studied. The intake of hay dropped,
the intake of water remaining essentially the same. The production of urine rose in two
animals significandy and the production of milk dropped particularly after the second
injection.

SAMENVATTING.

Een beschrijving van de invloed van vit. Ds op de calcium-, magnesium- en fosfor
(anorganisch)-concentratie in bloed bij 6 koeien (niet drachtig, gezond) is gegeven.
Er werd twee maal een dosering van 10 milj. I.E. vitamine Ds met een tussenruimte
van 7 dagen intramusculair toegediend. Door de injecties steeg de calciumconcentratie
om na ca. 4 dagen een maximale waarde te bereiken van 11.5-12.0 mg%, d.i. een
stijging van 30-40%. De tweede injectie had wat dit betreft geen invloed.
Door het opleggen van het tuig daalde bij één koe met een hypomagnesemie- en kop-
ziektegeschiedenis het magnesiumgehalte in het bloedplasma, hetgeen wijst op de
mogelijkheid van de invloed van een niet specifieke „stress" bij dit gevoelige dier.
Het effect van vitamine Ds op het bloedplasmamagnesiumgehalte was zeer wisselend
(tabel 2).

Het gehalte aan anorganisch fosfaat in het bloeplasma steeg door de injecties. Het
maximum werd bereikt na ongeveer 4 dagen. De stijging was 50-100% van de
uitgangswaarde. Na de 2de injectie was het gemiddeld hoger dan na de le injectie.
Relatief steeg het fosfaatgehalte meer dan het calciumgehalte (tabel 1).
Ook is de invloed van vit. Ds op de opneming van water en hooi en de produktie van
melk en urine bestudeerd. De opneming van hooi daalde, die van water bleef ongeveer
gelijk. De produktie van urine steeg bij 2 proefdieren. De melkproduktie daalde bij
alle dieren, in het bijzonder na de 2de injectie.

RftSUMÉ.

Un résumé est présenté sur 1\'influence de Vitamine D,i sur les concentrations en
calcium, magnesium et phosphore (anorganique) dans le sang de six vaches (non
gravides et saines).

Deux fois on a administré un dosage de 10 millions d\'Unités Internationales de
Vitamine Da avec un intervalle de 7 jours. Grâce aux injections la concentration
calcique augmenta pour atteindre après environ 4 jours une valeur maximale de
11,5-12,0 mgr%; c\'est une augmentation de 30-40%. La seconde injection n\'y avait
plus d\'influence.

Par suite de l\'imposition du harnais à une vache ayant souffert d\'une hypomagnésémie
et de tétanie d\'herbage, la teneur en magnésium dans le plasma sanguin de celle-ci
baissa, ce qui indique la possibilité d\'une influence d\'un stress non spécifique sur cet
animal sensible. L\'effet de Vit. Da sur la teneur en magnésium du plasma sanguin
était très inconstant. (Table 2).

La teneur en phosphate anorganique dans le plasma sanguin augmenta par suite des
injections. Le maximum fut atteint après environ 4 jours. L\'augmentation s\'élevait à
50-100% de la valeur initiale. Après la seconde injection le maximum était en
moyenne plus élevé qu\'après la première injection. La teneur en phosphate augmen-
tait relativement plus que la teneur en calcium. (Table 1).

On a également étudié l\'influence de Vit. D.i sur l\'ingestion d\'eau et de foin et sur la
production de lait et d\'urine. L\'ingestion de foin baissait, celle de l\'eau restait plus ou
moins égale. La production d\'urine augmentait chez deux animaux d\'expérience. La
production laitière baissait chez tous les animaux d\'expérience en particulier après
la seconde injection.

-ocr page 282-

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Zusammenfassung vom Einfluss des Vitamins Da auf die Kalzium-,
Magnesium- und Phosphor-(anorganisch)Konzentration im Blut bei 6 Kühen (nicht
trächtig, gesund) gegeben.

Es wurde zweimal eine Dosierung von 10 Mill. I.E. Vitamin D;) mit einer Zwischenzeit
von 7 Tagen verabreicht. Durch die Injektion stieg die Kalziumkonzentration, um
nach 4 Tagen einen Maximumwert von 11,5-12,0 mg% zu erreichen; das ist eine
Steigerung von 30-40%. Die zweite Injektion hatte keinen Einfluss in dieser Hinsicht.
Durch Auflegen des Geschirrs sank bei einer Kuh mit einer Hypomagnesemie und
Weidetetaniegeschichte der Magnesiumgehalt im Blutplasma, was bei diesem
empfindlichen Tier auf möglichen Einfluss eines nicht-spezifischen Stress hinweist.
Der Effekt des Vitamin D3 auf den Magnesiumgehalt des Blutplasmas war sehr
wechselnd (Tabelle 2).

Der Gehalt an anorganischem Phosphat im Blutplasma stieg durch die Injektionen.
Das Maximum wurde nach 4 Tagen erreicht. Die Erhöhung betrug 50-100% des
Ausgangswertes. Nach der zweiten Injektion war der Durchschnitt höher als nach der
erstten Injektion. Relativ stieg der Phosphatgehalt höher als der Kalziumgehalt
(Tabelle 1).

Auch wurde der Einfluss des Vitamins Da auf die Aufnahme von Wasser, Heu und
die Produktion von Milch und Harn studiert. Die Heuaufnahme sank, die von Wasser
blieb ungefähr die gleiche. Die Harnproduktion stieg bei 2 Versuchstieren. Die Milch-
produktion sank bei allen Versuchstieren, besonders nach der zweiten Injektion.

RESUMEN.

Se ha dado un resumen de la influencia de Vitamina Da sobre la concentracion en la
sangre de calcio-magnesio y fosforo (anorganico) en 6 vacas, sanas y no prefiadas.
Fue aplicado 2 veces una dosificacion de 10 millon U.I. de Vitamina Da con un
intcrvalo de 7 dias. Por medio de las injecciones la concentracion de calcio subio, para
llegar a un valor maximo de 11,5-12,0 mg% mas o menos despues 4 dias, esto
signifiée un aumento de 30-40%.

La secunda injeccion concerniente a esto no tenia ninguna influencia. Poniendo arreos,
el contenido de magnesio en la plasma de sangre declinaba en una vaca con una
hipomagnesemia y una historia de tetania de hierba, lo que llame la atencion hacia
la posibilidad dc la influencia de uno stress no especifico en esto animal sensible.
El efecto dc Vitamina Da sobre cl contenido de magnesio en la plasma dc sangre
era muy cambiante (Tabla 2).

El contenido de fosfato anorganico en la plasma de sangre aumento por medio de
las injecciones. Llego hasta el maximo despues mas o menos 4 dias. El aumento era
50-100% del valor de la salida. Despues la secunda injeccion el aumento era por
medio mas alto que de-spues la primera injeccion. Relativamente el contenido de
fosfato aumento mas
que l\'I fontcnido dc calcio (Tabla 1).

Tambien se ha invcstigado la influencia de Vitamina Da sobre la toma de agua y
heno y la produccion de Icche y orina. La toma de heno abajo la toma de agua era
mas o menos igual. La produccion de orina aumentaba en dos animales del experi-
mento. La produccion de Icche abajo en todos los animales del experimento, especial-
mente despues la secunda injeccion.

REFERENCES.

Conrad, H. R., Hansard, S. L. and H i b b s, J. W. : Studies on milk fever in
dairy cows. V, The effect of massive oral doses of vitamin D on absorption, excre-
tion, retention and blood levels of calcium and phosphorus, ƒ.
Dairy Sei., 39, 1697,
(1956).

D ij k, J. B. van: Stabiliscring van gehalten aan calcium en anorganisch fosfaat in
het bloedplasma van de melkkoe door parenterale toediening van vitamine Da in
gesolubihseerde vorm ter voorkoming van paresis puerperalis. Thesis Utrecht, 1965.

-ocr page 283-

H e n d r i k s, H. J.: Enige biochemische aspecten van vocdingstetanie. Thesis Utrecht,
1962.

Hendriks, H. J.: A harness for separate collection of urine and faeces of covirs.
Tijdschr. Diergeneesk., 89, 12, (1964 a).

Hendriks, H. J.: Effect of Applying a Metabolic Harness on the Plasma Mag-
nesium Concentration in Milking Cows.
Nature, 203, 1306, (1964 b).

S e e k 1 e s, L., R e i t s m a. P., M a n, Th. J. d e en W i 1 s o n, J. H. G.: Resultaten
van de tijdige intraveneuze toediening van hoge doseringen kristallijn vitamine Da
in gesolubiliseerde vorm aan rundvee ter voorkoming van melkziekte.
Tijdschr.
Diergeneesk.,
83, 125, (1958).

S e e k 1 e s, L., H e s s e, N. C. W. en D ij k, J. B. V a n: Voorkoming van ongewenste
bijverschijnselen bij de preventieve behandeling van melkziekte met behulp van
parenterale toediening van vitamine Ds in gesolubiliseerde vorm.
Tijdschr. Dier-
geneesk.,
86, 344, (1961).

W i 1 s O n, J. H. G.: Over het melkziektesyndroom bij het rund. Thesis Utrecht, 1964.

T a k e n s, H.: Vitamine Da (Calciferol) intoxicatie. Thesis Groningen, 1956.

-ocr page 284-

The influence of injecfed vitamin D3 on some
aspects of mineral metabolism in normal non-
pregnant
cows

II. The influence of vitamin D3 on the excretion of
calcium, magnesium and phosphorus in urine.

by H. J. HENDRIKS1) and L. SEEKLES2)

Laboratory of Veterinary Biochemistry of the Veterinary Fa-
culty, Utrecht.

Introduction

In a preceding paper (Seekles and Hendriks, 1966), tw^o experi-
ments concerning the influence of massive doses of pure crystalline vitamin
D3 (10 million I.U. intramuscularly injected in solubilized form) on the
mineral metabolism of six healthy non-pregnant dairy cows have been
described***). The influence on the concentration of calcium, magnesium
and inorganic phosphate in blood plasma was emphasized. In this paper
a report will be given on the excretion in urine of the minerals mentioned.

Table 1.

The daily urinary excretion of calcium (g) of the experimental cows I

and II.

experimental

hay (control)-

first

second

period

period

vit. Ds-period

vit. Da-period

experimental

exp.

daily

exp.

daily

exp.

daily

cow

day

calcium

day

calcium

day

calcium

excredon (g)

excretion (g)

excretion (g)

1

1.60

8

3.06

15

5.06

2

1.53

9

5.46

16

4.84

3

1.10

10

7.60

17

6.14

I

4

2.02

11

6.93

18

5.32

5

2.81

12

6.23

19

4.28

6

2.12

13

4.23

7

2.55

14

5.03

1

1.07

8

1.72

15

4,49

2

1.64

9

2.68

16

3.21

3

1.67

10

4.20

17

2.09

II

4

1.87

11

4.50

18

0.88

5

1.19

12

3.59

19

0.78

6

1.72

13

2.75

7

1.15

14

2.48

1  We are grateful to Messrs. Philips-Duphar for a generous gift of vitamin

2 Ds (Duphafral Ds-lOOO).

-ocr page 285-

Results and discussion
Calcium.

The total daily urinary excretion of calcium - in both experiments — rose
after the first injection, was maximal at the 3rd, 4th or 5th day and
dropped afterwards. After the second injection — 7 days after the first one
— the total daily excretion of calcium rose again and dropped afterwards.
In this period the maximal output was reached at the 3rd, 4th or 5th day,
except in the case of cow II. In this case the excretion was maximal on
the first day of the 2nd vit. D3 period and afterwards dropped sharply to
values less in the hay (control) period. As was pointed out in the preceding
paper this cow was in a rather bad condition in this period, the intake of
hay being low. (For examples
vide table 1, giving the excretion values of
cows I and II).

The rise in calcium output was a result of a rise in concentration and/or
a rise in the production of urine. No simple relation between the concen-
tration of calcium in blood plasma and the excretion by urine was found,
as was shown to exist in the case of magnesium and phosphorus (see
below).

I\'hosphorus.

In three cows only (cow I, II and IV) the total daily urinary excretion
of phosphorus rose significantly after the first vit. Dg-injection. In the
case of cow I the mean rise was 33% after the first injection and 21%
after the second injection and for cow II the figures were 160% and
930%. The figures for cow IV were 720% and 1270%, all figures in rela-

-ocr page 286-

tion to the output during the hay period. In cow I the increase was mainly
due to a rise in production of urine, in the case of cow II to a higher con-
centration of phosphorus and in the case of cow IV to both factors.

After plotting the total daily urinary excretion of phosphorus versus the
concentration of inorganic phosphate in blood plasma the pictures as
shown in figures 1 and 2 have been found. This means that when the
concentration of inorganic phosphate in blood plasma reaches a certain
level, excess phosphorus will be excreted by means of urine, at least in the
experiments described. This appHes to cows I, II and IV. In the other
cows the rise of excretion of phosphorus was so small that a certain increase
of inorganic phosphate in plasma could not been detected. The level found
in the three above mentioned cows varied very much. In the case of cow
I the level was about 11 mg%, of cow II 8 mg% and in the case of cow
III about 10 mg%.

Magnesium.

A significant rise in the total urinary excretion of magnesium after the in-
jection of vit. D3 has been observed in the cases of cows I and II only. In
both cows the starting value (hay period) was rather low. In cow I the
mean starting value appeared to be 0.57 g per diem and in cow II 0.08 g,
the mean daily starting value in the other cows being higher than 3.00 g.
This difference may be explained by the fact that cows I and II had hay
with a rather low magnesium content (0.16% in the dry matter) and the
other cows hay with a much higher magnesium content (0.24% in the
dry matter). By plotting the blood plasma magnesium concentration
against the daily urinary excretion of magnesium (on the same day) of
cows I and II we obtained a graph
[vide fig. 3) in which the shape was
essentially the same as that of a similar curve found bij Kemp
et al
(1961). These authors plotted in the same way values obtained from a
fairly large number of different milking cows. In the opinion of the authors
it was an interesting finding that in cow I the values found after the

-ocr page 287-

second administration of vit. D3 deviated very much from the above men-
tioned normal pattern. It is difficult to assess the biochemical meaning
of this result. It is possible, that after administration of too large a quantity
of vit.
D3, the kidney is stimulated to remove more magnesium from the
blood plasma than enters this fluid. The same applies to cow IV and
partly to cow VI. In the last case, the analytical results dit not follow
the pattern in the last two days of the second vit. D3 period.

Fig. 3.

■ cow I
X cow II

o cow I after the
second injection

Excretion al Mg( g/day)

0,5 to 1,5 2,0 2,5

1\'he relation between the concentration of magnesium in blood plasma and the daily
urinary excretion of magnesium (cows I and II).

The mean maximal level of blood plasma magnesium concentrations in
cow III was 2.1 mg% (extreme values 1.9 and 2.2 mg%) in cow IV 2.2
mg% (extreme values 2.0 and 2.3 mg%) and in the case of cows V and
VI 1.8 mg% (extreme values 1.7 and 1.9 mg%).

SUMMARY.

This paper is to be regarded as a continuation of a prcccding paper in this scries. The
authors have given a record of the influence of vit. D.i on the excretion of calcium,
magnesium and phosphorus. Comparison of the concentration of magnesium and in-
organic phosphate in the blood plasma with the excretion of magnesium and phos-
phorus in urine have led to certain interesting results.

From the results it follows that large quantities of vit, Ds eventually may disturb renal
function particularly in the case of magnesium metabolism. Furthermore it has been
found that the urinary calcium excretion rises after administration of vit. Ds.

SAMENVATTING.

Deze publikatie moet gezien worden als een vervolg op een vroegere publikatie in deze
serie. De auteurs geven hierin cen overzicht van de resultaten van de proeven over de
invloed van vit. Ds op de excretie van calcium, magnesium en fosfor met de urine.
Interessante resultaten zijn gevonden na het uitzetten in grafieken van de hoeveelheid
magnesium en anorganisch fosfaat in bloedplasma tegen de excretie van magnesium

#

01

-

-

-

-

0

S 19

-

c

" 1,8

2 1,7

-

/

t,5

X
/

1,3

-X /x

-J

-1

1,0

1

0,9

-

0,6
0,7

-1 X

1 1 1

-ocr page 288-

en fosfor. Grote hoeveelheden vit. Da kunnen de nierfunctie sterk beïnvloeden, speciaal
vi^at betreft de magnesiumstofwisseling. Verder is gevonden, dat de calciumexcretie
stijgt na het toedienen van vit. Ds.

RÉSUMÉ.

Cette publication doit être considérée comme une suite à une publication antérieure
dans cette série.

Les auteurs présentent une vue d\'ensemble des résultats des expériences sur l\'influence
de Vit. Ds sur l\'élimination de calcium, magnésium et de phosphore dans l\'urine.
Des résultats intéressants on été trouvés après la mise en graphiques de la quantité
de magnésium et de phosphate anorganique dans le plasma sanguin, contre l\'élimina-
tion de magnésium et de phosphore. De grandes quantités de Vit. Ds peuvent
influencer fortement la fonction rénale, surtout en ce qui concerne le métabolisme du
magnésium.

En outre on a trouvé que l\'élimination du calcium augmente après l\'administration
de Vitamine Ds.

ZUSAMMENF.ASSUNG.

Diese Publikation muss als Fortsetzung einer früheren in dieser Serie gesehen werden.
Die Verfasser geben hier eine Übersicht von den Untersuchungsresultaten über den
Einfluss von Vitamin Da auf die Exkretion von Kalzium, Magnesium und Phosphor
mit dem Harn. Interessante Resultate sind nach dem Ausweisen in den Tabellen
hinsichtlich der Mengen Magnesium und anorganischem Phosphat im Blutplasma
gegenüber der Exkretion von Magnesium und Phosphor gefunden worden. Grosse
Mengen Vitamin Ds können die Nierenfunktion stark beeinflussen, besonders hin-
sichtlich des Magncsiumstoffwechscls.

Ausserdem wurde festgesttellt, dass die Kalziumcxkretion nach Verabreichung von
Vitamin Ds steigt.

RESUMEN.

Uno tiene que ver esta publicacion como una condnuacion de una publicacion mas
temprano en esta serie. En esta, los autores dan una sinopsis de los resultados de las
experiencias de la influencia de vitamina Da sobre la excretion de calcio, magnesio y
fosforo con la orina. Se han encontrados resultados interesantes, de.spues poniendo
en grafico la cantidad dc magnesio y fosfato anorganico en plasma de sangre contra
la excretion de magnesio y fosforo. Grandes cantidades de vitamina Ds pueden
fortemcnte influir la funcion del rifion, especialmcnte en cuanto el mctabolismo de
magnesio.

Ademas se ha encontrado que la excretion de calcio aumcnte despues la aplicacion dc
vitamina Ds.

REFERENCES.

K e m p, A., D e y s, W. B., H e m k e s, O. J. and E s, A. J. H. v a n : Hypomagnes-
aemia in milking cows: intake and utilization from herbage by lactating cows.
Neth. J. agric. Sci., 9, 134, (1961).
Seekles, L. and Hendriks, H. J.: The influence of injected vitamin Ds on
some aspects of mineral metabolism of normal non-pregnant cows. I. The influence
on the concentration of calcium, magnesium and inorganic phosphate in blood
plasma and on the consumption of hay and the production of urine and milk.
Tijdschr. Diergeneesk., 91, 1091, (1966).

-ocr page 289-

REFERATEN

Algemeen

\\ERVOLGONDERWIJS.

Redaktionelt: A-jour-föring af faglig viden og orientaring i nage diseipliner.
Medl.bl. Dansk dyrl.foren, 49, 364, (1966).

Het is moeilijk de ontwikkeling der diergeneeskunde bij te houden. De vakliteratuur
is vaak te omvangrijk en mist meestal de systemadsch-pedagogische opzet.
De leerboeken zijn alleen op het moment van uitkomen „au courant". Lezingen in
afdelingen (in Denemarken zeer groot in aantal) gegeven door functionarissen uit
het onderwijs, bereiken te weinig mensen; dit is ook het geval met speciale cursussen.
Hierbij beperken ruimte- en tijdgebrek en de hoge kosten de deelnamen. Bovendien
vormen ze een zware belasting voor de docenten.

In samenwerking met de redactie is het hoofdbestuur nu van plan, in het ledenblad
door specialisten artikelenreeksen te laten publiceren met pedagogische opzet en op de
hoogte van de tijd. Zij kunnen later in brochurevorm verkregen worden. De eerste
reeks begint in dezelfde aflevering en behelst een nieuw leervak, n.1. visziekten, dat
sedert kort door de lektor N. O. Christensen wordt gedoceerd.

C. Postma.

EENVOUDIG BLOED- EN URINE ONDERZOEK.

Kraft, H.: Praxisnahe Blut- und Harnuntersuchungsmethoden. Prakt. Tierarzt,
46, 499, (1965).

De auteur beschrijft verschillende snel-test methoden, te gebruiken bij het kwalitadevc
bloed- en urine onderzoek in de praküjk.

Reagentia in de vorm van geprepareerde papier-strips of in tabletvorm zijn thans
beschikbaar voor onderzoek naar pH, glucose, eiwit, bloed, galklcurstoffen en aceton
in urinemonsters. Ondanks het verrassend eenvoudige gebruik blijken genoemde test-
strips en tabletten, betrouwbare hulpmiddelen te zijn bij het onderzoek, zoals ge-
constateerd kon worden bij 850 uitgevoerde reactie\'s welke met de klassieke methoden
vergeleken werden.

Ook voor het serum-onderzoek, speciaal bij de kleine huisdieren, zijn snel-testen

beschikbaar en wel voor ureum, choline-esterase en fosfatase, welke eveneens een

goede overeenstemming vertoonden met bepalingen langs andere weg.

Van de bloed-status kan, hoewel minder nauwkeurig, de Hb-waarde met papier-strips

en het leucocyten aantal met een gemodificeerde Schalm-test oriënterend bepaald

worden.

Het voordeel van al deze onderzoekmethoden is het snelle en eenvoudige gebruik,
terwijl bovendien slechts een zéér geringe hoeveelheid van het te onderzoeken
materiaal voorhanden hoeft te zijn, hetgeen zonodig ter plaatse getest kan worden.

H. Zantinga.

Baeferiële- en virusziekten

PARENTERALE ROTKREUPELBEHANDELING MET ANTIBIOTICA.

E g e r t O n, J. R.: Parenteral antibiotic treatment of ovine footrot. Austr vet 1
42, 97, (1966).

Verschillende stammen van Fusiformis nodosus werden in vitro getest op gevoeligheid
voor verschillende antibiotica, waarbij bleek dat de bacterie steeds werd gedood door
penicilline in een concentrade van 0.3 - 1 E/ml en door streptomycine 10 /jg/ml.
Door intramusculaire injecde van schapen met 70.000 I.E./kg penicilline en 70 mg/kg
streptomycine worden de zojuist genoemde concentraties in het bloedserum over-
schreden terwijl tevens is gebleken dat de concentratie in het secretum van de
tussenklauwspleet gelijk is aan die in het serum.

-ocr page 290-

Experimentele gevallen van rotkreupel bij schapen, gehouden in boxen met betonnen

vloer, genazen na een éénmalige intramusculaire penicilline-streptomycine injectie,

zonder enige lokale behandeling. Bij een dosering van 70.000 I.E./kg penicilline en

70 mg/kg streptomycine herstelden 8 van de 10 schapen en bij een dosering van

45.000 I.E./kg penicilhne en 45 mg/kg streptomycine 5 van de 7.

Hoewel F. nodosus in vitro werd geremd door chlooramphenicol, door oxytetracycline

en door tylosin bij circa 1 /ig./ml, waren de resultaten na parenterale toediening bij

schapen minder hoopvol dan die van het penicilline-streptomycine mengsel.

Op een drietal bedrijven in Victoria met hardnekkige rotkreupel werd een aantal

aangetaste dieren behandeld met 70.000 I.E./kg procaine penicilline plus 70 mg/kg

dihydro-streptomycine sulfaat (éérmialige intramusculaire injectie).

Bedrijf A: Na de injectie werden de dieren door een 5% formaline voetbad gedreven.

De hoeven werden niet besneden. Van de 53 behandelde dieren herstelden
51 (96,2%). Van de 18 niet behandelde controle dieren herstelden 9
dieren (50%).

Bedrijf B: Vóór de injectie werden de hoeven besneden en na de injecde gingen
de schapen door het formaline voetbad. Van de 76 behandelde schapen
herstelden 66 (86,8%). Van de 20 niet behandelde controle dieren
herstelden 4 (20%).
Bedrijf C: Geen enkele lokale behandeling vond plaats. Van de 50 parenteraal
behandelde dieren herstelden 35 (70%) en van de 30 controle dieren
5 (16.6%).

De resultaten van de parenterale behandeling met penicilline-streptomycine zijn veel-
belovend. Voortgezette proeven moeten uitmaken of het besnijden achterwege kan
worden gelaten. Waarschijnlijk zal dit echter nodig blijven om de aangetaste dieren
op te sporen.

C. H. Herweijer.

EPIDEMIOLOGIE.

D i s c a m p s, G., Larribau d, J. et G i r i e r, L. : La chaîne épidémiologique.
Revue des Corps de santé, 6, 721, (1965).

De schrijvers geven een algemeen beeld over het ontstaan, verloop, bestrijden en
voorkomen van epidemiologische ziekten. Door het ontdekken der ziekteverwekkers
(bacteriën, virussen, parasieten, protozoën), de bestrijding ervan en de vaccinatie-
theoriën, is er een teruggang ontstaan van de gevreesde epidemieën. Eén van de
grote bronnen van ziekteverwekkers is het dier. (Hond: rabies, leptospirose, rickett-
siosis en leishmaniosis; papagaai-achtigen: ornithosis; rat: tyfus, pest en leptospirosis;
de in het wild levende dieren met hun talrijke onbekende ziekten).
Overdrachtmogelijkheden kunnen zijn: onvoldoende hygiëne, drinkwater, groente,
fruit, rauwe melk (produkten), schelpdieren, vliegen en insecten.
De gevoeligheid van de acceptor is afhankelijk van de immuniteit, die natuurlijk
of verkregen kan zijn, diersoort en ras, leeftijd, de algemene gezondheidstoestand,
de psychische en fysische gesteldheid. Extrinsieke factoren zijn klimaat, temperatuur,
vochtigheid en jaargetijden.

C. C. J. M. V. d. Meys.

DE OVERLEVING VAN MOND- EN KLAUWZEERVIRUS IN TEKEN.

B O y a d z h y a n, G. H. en P o s t o y a n. S, R.: Kvoprosu o perezhivanii virusa
yashechura v Kleshchakh
Ornithodorus Lahorensis Neum, 1908 (Iskusstvennoe
zarazhenic kleshchei).

Onderzoek naar de mogelijkheid van het overleven van mond- cn klauwzeer virus in
de teek
Ornithodorus lahorensis (kunstmatige besmetting van de teek).
Wanneer men teken van het soort
Ornithodorus lahorensis kunstmatig besmet met een
cultuur van mond- en klauwzeer virus type O, dan overleeft het virus in deze teken

-ocr page 291-

gedurende 28 - 32 dagen, waarbij het virus de eerste week in de teek een concentratie
behoudt, vrijwel op het niveau van de oorspronkelijke dter. Het cytopathisch effect
van het virus op weefselkweekcellen was niet meer aan te tonen wanneer het virus
38 - 48 dagen in de teek was geweest. De afname van het virus verliep niet geleidelijk,
doch het nam sprongsgewijze af. Enige conclusies worden aan de hand van de resul-
taten van dit onderzoek overigens niet getrokken.

H. A. E, van Tongeren.

HET VOLWASSEN RUND ALS VERSPREIDER VAN SALMONELLAE.

G r a u, F. H. and B r o w n 1 i e, L. E.: Occurrence of salmonellas in the bovine rumen.
Austr. vet. ƒ., 41, 321, (1965).

Het spreekt vanzelf, dat in een land dat zoveel vlees exporteert als Australië, ook de
besmetting van slachthuizen met salmonella\'s in het brandpunt van de belangstelling
van medische en veterinaire hygiënisten staat.

Voor degenen, die de routine van het slachten op een runderabattoir kennen, is
het ook vanzelfsprekend dat verontreiniging van de slachthal zowel met faeces als met
pensinhoud kan optreden. Van de besmettingsgraad van faeces van volwassen runderen
is door Nederlandse onderzoekingen wel duidelijk gebleken dat deze betrekkelijk
gering is; het percentage smetstofuitscheidende dieren varieert van \'/a tot 1. Men
is dan ook geneigd aan te nemen dat besmetting van de vloer van het runderslachthuis
wel mee zal vallen.

De Austrahsche onderzoekers hebben nu zeer terecht ook aandacht besteed aan de
salmonella\'s, die met inhoud van de voormagen in het abattoir kunnen worden
verspreid. Ze zijn tot de verbijsterende conclusie gekomen dat in de pensvloeistof veel
meer salmonella\'s, kwalitatief en kwantitatief, voorkomen dan in de faeces. Bij een
onderzoek van een hoeveelheid van 10 ml pensvloeistof van 193 monsters van
evenveel slachtkoeien, afkomstig van 5 slachthuizen, werd 45% salmonella-positief
bevonden. Het besmettingspercentage van de verschillende abattoirs liep uiteen van
28- 100%.

Er werden 31 verschillende serotypen geïsoleerd, soms 2 uit één monster. Van deze
waren er 8 geheel nieuw voor Australië, terwijl nog 8 andere typen nooit eerder daar
bij runderen waren aangetroffen.

Van de positief bevonden monsters pensvloeistof was bekend, dat ze van volkomen
gezonde runderen afkomstig waren. Er waren dan ook geen maatregelen genomen
om te voorkomen dat vlees en organen met materiaal uit de slokdarm of de mond
bezoedeld werden. Bij de massale slachting aan de grote abattoirs is bezoedehng van
het minderwaardige kop- en halsvlees ook vrijwel niet te voorkomen.
Wat betreft de resultaten van het bacteriologisch onderzoek was het opvallend dat
niet
S. typhimurium, die zowel in Australië als vele andere landen in gebieden met
een gematigd klimaat het meest verspreid voorkomt, het veelvuldi.gst uit de pens-
vloeistof werd geïsoleerd. Het meest frequent werd
S. oranienburg gekweekt, dan
kwam
S. vejle en in de derde plaats S. typhimurium.

(In het artikel wordt niet vermeld of er ook een poging gedaan is de herkomst der
salmonellae vast te stellen. Hierbij valt natuurlijk te denken aan het voer, dat de
dieren de laatste 24 uur voor het slachten werd verstrekt, aan het drinkwater en
een constante salmonella-besmetting van de vloer van dc „paddock", waar de dieren
van te voren waren verzameld. Door onderzoekingen aan de Diergeneeskundige
Faculteit is gebleken dat dergelijke vloerbesmettingen ook in Nederland gemakkelijk
kunnen optreden. Wat de aangehaalde literatuur betreft wordt in het besproken
artikel bijzondere aandacht gewnjd aan enkele hoofdstukken van het boek van Van
O y e: „The World problem of salmonellosis", dat in 1964 in Den Haag is verschenen.
Ref.).

A. van der Schaaf.

-ocr page 292-

Farmacologie en toxicologie

LOODVERGIFTIGING DOOR EEN SCHOT HAGEL.

R O s s e m, Ch. van: Acute loodvergiftiging door een hagclschotvcrwonding. Ned.
Tijdschr. Geneesk.,
109, 1091, (1965).

Van Rossem behandelde een 30-jarige man, die een hagclschotvcrwonding in het
bovenbeen had.

De patiënt maakte het aanvankelijk goed, ondanks de vrij hoge koorts, doch 3 dagen
na de opneming werd hij rusteloos en klaagde hij over slapeloosheid en misselijkheid.
De volgende dag klaagde hij over krampende pijn in de buik, hij ging braken en
kreeg diarree. Het Hb.-gehalte bleek te zijn gedaald tot 10 g/100 ml, terwijl het na
de bloedtransfusie op de dag van de opneming 12,3 g/100 ml was geweest. Er waren
10.400 leukocyten per mm®, met de volgende verdehng: myelocytcn 1, metamyelocyten
2, staafkemigen 10, segmentkernigen 59, lymfocyten 26 en monocyten 1 pet.
De diarree kon met laudanum worden onderdrukt, doch het braken bleef zo frequent,
dat parenterale vocht- en zouttoediening noodzakelijk werd. Ook werd weer 0,5 liter
bloed gegeven. Daar het khnische beeld thans duidelijk op loodintoxicatie wees, werd
urine verzameld en opgezonden ter bepaling van de lood- en porfyrine-uitscheiding.
Wegens verergering van de klinische toestand (buikpijn, braken en encefalopatische
verschijnselen) en het feit dat loodintoxicatie ook biochemisch bewezen was, werd op
17 november, een week na de opneming, het linker been subtrochantcr geamputeerd,
daar het chirurgisch onmogelijk was, alle korrels te verwijderen.
Ter plaatse van het hagelschot kwam in de beenspieren per 100 gram spier 7 mg
(opgelost) lood voor; deze spiermassa was bijna 2 kg en zou dus 140 mg lood kunnen
bevatten.

Dit ziektegeval bewijst duidelijk dat een hagelschotverwonding tot acute loodintoxi-
catie kan leiden.

C. A. van Dorssen.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

EEN VERGELIJKING TUSSEN PHENOTHIAZINE EN THIABENDAZOLE
ALS WORMMIDDEL BIJ SCHAPEN.

S n ij d e r s, A. J., S t a p e 1 b c r g, J. H. and Muller, G. J.: Comparative trials
of Phenothiazine and Thiabendazole in worm control of sheep.
]. S. Afr. vet. med.
Ass.,
35, (1), (1964).

75 lammeren werden in 3 vergelijkbare groepen verdeeld.

Groep 1 ontving bij het begin van de proef 22 gram phenothiazine en had gedurende
de proef \'s nachts de beschikking over hkstenen met 10% phenothiazine.
Groep 2: lx 2 gram thiabendazole en likstenen met 1,25% thiabendazole.
Groep 3: iedere 6 weken 2 gram thiabendazole en likstenen zonder wormmiddel.
Door weging van de likstenen werd de gemiddelde opname per dier per dag van de
in de likstenen verwerkte wormmiddelen bepaald: 815 mg phenothiazine en 135 mg
thiabendazole.

Dc proef werd gedurende 1 jaar genomen in een subtropisch klimaat, zonder seizoen-
regens. Gemiddelde regenval: 80 cm per jaar.

De dieren werden 5x met hexachloropheen behandeld tegen distomatosc en geënt
tegen o.a. enterotoxemie.

Alle 3 groepen graasden overdag tezamen, maar \'s nachts apart; omweiding vond
regelmatig plaats. Gedurende het tweede gedeelte van de proefperiode kwamen de
dieren in contact met andere schapen en runderen, die regelmatig een wormbehan-
deling ontvingen.

Alle proefdieren werden maandelijks gewogen en iedere 3 maanden werd er uit iedere
groep 1 dier geslacht.

-ocr page 293-

Resultaten:

Sectie: Ostertagia Trichostrongylus Haemonchus

Groep 1: matig matig goed

Groep 2: best beter goed

Groep 3: beter best goed

Gewichtstoename: het beste resultaat gaf groep 2.
Wolopbrengst: het beste resultaat gaf groep 2.
Wolkwaliteit: hierin bestond geen verschil.

Behandelingskosten: De kosten van de verbruikte wormmiddelen waren verhoudings-
gewijs: Groep 1 : Groep 2 : Groep 3=1:2:6.

De auteurs concluderen uit deze proef dat het mogelijk is om, met gebruikmaking van
thiabendazole, schapen in geïnfecteerde weiden wormarm te houden omdat dit middel
zeer werkzaam is tegen de meest voorkomende ingewandswormen in het larvale
stadium. Dit is volgens hen met phenothiazine niet het geval.

De beste resultaten werden bereikt in Groep 2 (lx 2 gr thiabendazole en verder
likstenen met 1,25% idem), maar het verschil met Groep 3 (iedere 6 weken 2 gr
thiabendazole) was dermate gering dat de voorkeur gegeven wordt aan deze laatste
behandelingsmethode in verband met de belangrijk hogere kosten verbonden aan de
methode, zoals gevolgd bij Groep 2.

T. van Roon.

AMPROLIUM TER BEHANDELING VAN DUIVENCOGGIDIOSE.
Sc apin, E.: Die Behandlung der Tauben-Kokzidiose mit Amprolium.
Dtsch. tier-
ärztl. Wschr.,
73, 35, (1966).

Omdat behandeling met sulfamezathine vaak onvoldoende uitwerking had, werd op
347 sterk met coccidiën besmette postduivenslagen een proef genomen met curatieve
amproliumtoediening.

In totaal werden 12.000 dieren behandeld. Gedurende 5 dagen werd aan 5.000 duiven
als drinkwater een oplossing van 3 g Amprolvet (20% amprolium) op 5 liter drink-
water verstrekt. Na 10-14 dagen werden in de mengmestmonsters van 10,6% der
slagen nog coccidiën gevonden.

Aan de dieren van deze slagen benevens aan die van 197 andere slagen, met een
totaal van 7.000 dieren, werd daarna gedurende 5 da.gen 1 g Amprolvet per liter
drinkwater verstrekt. Met deze 0,02% oplossing bleken na 10- 14 dagen slechts bij
3 slagen nog enkele coccidiën in de mengmestmonsters aantoonbaar te zijn.
Dit waren duivenslagen, die voordien massaal met coccidiën waren besmet.
Amprolium werd door de dieren goed verdragen, de L D 50 van Amprolium ligt
volgens Merck, Sharp en Dohme bij 5,7 g/kg; 250 maal de curatieve dosering.

F. W. J. Swart.

Voedingsmiddelenhygiëne

REINHEIDSGONTROLE IN SLACHTERIJEN.

ölgaard: Bestemmelse af relative Kimtal paa svinckropper og Inventar ved hjalp
af agar-pölsemetoden.
Medl.bl. Dansk dyrl.foren, 49, 298, (1966).
In het vleesonderzoekingsinstituut der Coöperatieve Deense slachterijen, gevestigd in
Roskilde, past men sedert 2 jaar de methode ten Gate als routinemethode toe
bij het onderzoek van de varkensoppervlakte en de inventaris in de verschillende stadia
der baconbereiding in de aangesloten slachterijen.

De gegevens worden in staten verwerkt, die dienen voor onderlinge vergelijking. Een
10-tal huidplaatsen zijn bepalend voor de bacteriële toestand. De agarschijven worden
2-3 dagen bij 20- 25° C bebroed. Het kiemgetal wordt gerubriceerd. Deze registratie
geeft een overzichtelijk beeld in de verschillende bereidingsfasen. De gedetailleerde
gegevens laten zich moeilijk samenvatten. Belangstellenden worden aangeraden zich
met het bovengenoemd instituut in verbinding te stellen (Slagteriernes Forsknings-
institut, Maglegaardsvej 2, Roskilde).

C. Postma.

-ocr page 294-

BOEKBESPREKING

AGRICULTURE IN THE TROPICS
C. C. Webster and P. N. Wilson.

(Longmans, Green & Co Ltd.; Pinnacles, Harlow, Essex, 1966. 488 pag., Sh. 63 -.)

Bij bet doorzien van dit in de „Tropical Agriculture Series" verschenen boek komt
de vraag op: voor wie is het geschreven, omdat zowel de tropische akkerbouw als de
tropische veeteelt behandeld worden. De auteurs stellen zelf: voor studenten in
tropische landbouw en allen bijv., administrateurs van ondernemingen, die met
tropische landbouw te maken hebben. Het is dan ook kennelijk bedoeld voor lezers
uit Angelsaksische landen waar de opleidingen aanzienlijk minder gespeciahseerd zijn
dan in Nederland. Een student in Tropische Veeteelt uit Nederland zal bijv. eerder
grijpen naar het in dezelfde serie verschenen bock van G. Williamson en W. J.
Payne: An introduction to animal husbandry in the tropics, dan naar dit boek.
Dit neemt niet weg dat het veeteeltkundig gedeelte uitvoerig en waardevol behandeld
is. De naam van de auteur van dit gedeelte. Prof. P. N. Wilson, Ph.D., M.Sc.
(.\\gric.) Dip. Animal Genetics, F.I. Biol., staat daar ook borg voor. Van tropische
veeteelt heeft hij ook een grote ervaring door een langdurig verblijf in Oost Afrika en
Midden .4merika.

Het veeteeltkundig gedeelte is verdeeld over de volgende hoofdstukken: Natural
grasslands and their management; The use of natural grasslands by native pastoralists;
Cultivated fodder crops and pastures; Classes of tropical livestock; Adaptation of
livestock to tropical environment; Cattle management in the tropics en Livestock
improvement.

Het is principieel juist gezien om weinig of niets te schrijven over varkens en
pluimvee omdat deze diersoorten in de tropen met succes op een weinig gemitigeerde.
Westerse wijze gehouden kunnen worden. Wel doet het vreemd aan dat uitvoerig
wordt stilgestaan bij verschillende buffelrassen, lama\'s, alpacca\'s en geiten en het
schaap als zodanig niet wordt behandeld. Zeer interessant is o.a. het hoofdstuk
handelende over de invloed van het klimaat. Ook zij die het boek van Williamson
en Payne bezitten zullen in dit boek toch veel nieuwe gegevens vermeld zien.
De foto\'s die het boek verluchten zijn verder van uitstekende kwaliteit, evenals de
algehele uitvoering.

P. Hoekstra.

50 JAAR WOL.

Memoires van de Heer E. D z n. G o v e r s.

(Uitgave: Centraal Bureau voor de Schapenhouderij, Den Haag en Ned. Wolfederatie,
Alkmaar, prijs f 4,—.)

Na te hebben gememoreerd dat omstreeks 1870 een aantal vooruitstrevende West-
friese boeren het initiatief nam zich aanéén te sluiten om het inheemse schaap te
verbeteren, beschrijft de auteur in het le hoofdstuk hoe na de import van verscheidene
Engelse schapenrassen een ware chaos in de fokkerij ontstond op het einde van de
vorige en in het begin van deze eeuw.

Er kwam pas lijn in dc fokkerij toen de wolproducenten zich gingen verenigen om
gezamenhjk de wol af te zetten, waarbij bleek dat uniformiteit van het produkt een
eerste vereiste was en dat de afstammelingen van het Texelse schaap een betere
kwaliteit wol leverden dan de geïmporteerde Engelse rassen.

Het tweede hoofdstuk, gewijd aan de le wereldoorlog, vermeldt onder andere hoe de
eerste Wolvereniging (Coöperatie van Wolproducenten in Noord-Holland) in novem-
ber 1914 in Alkmaar werd opgericht, hetgeen na de oorlog zou leiden tot oprichting
van soortgelijke verenigingen in de overige pronvincies, welke verenigingen tenslotte
gingen samenwerken.

De hoofdstukken 3, 4 en 5 behandelen respectievelijk de crisisjaren (dertiger jaren),
1110 Tijdschr. Diergeneesk., deel 91, afl. 17, 1966

-ocr page 295-

de 2e wereldoorlog en de na-oorlogse periode, beginnende met de oprichting in 1946
van cen „Coöperatieve Nederlandse Wolafzetvereniging", beter bekend onder de
naam „Nederlandse Wolfederatie", waarin de provinciale verenigingen werden ver-
enigd en die praktisch de gehele nationale produktie ontvangt en verhandelt of zelf
verwerkt.

Naast de wol wordt door de schrijver ook aandacht besteed aan het vlees; de export
waarvan aanvankelijk .geheel op Engeland was gericht en later zijn weg vond naar
Frankrijk, terwijl door de vraag naar steeds malsere minder vette bouten het slachten
der dieren werd verschoven van het tweede naar het eerste levensjaar.
VVie zou beter dan de Heer Covers in staat zijn geweest dc geschiedenis van de
Nederlandse wol op papier te zetten? Terecht zegt Dr. Kees tra in het voorwoord:
„Waar Covers is, is wol en waar wol is, is Covers".

Niet alleen is de Heer Covers erbij geweest, bij deze geschiedenis, maar bovendien
heeft hij zich persoonlijk bezig gehouden met alle facetten van het onderwerp. Hij
heeft zelf schapen gehouden; heeft ze eigenhandig geschoren en de wol beoordeeld
en gesorteerd; handelskanalen voor de wol gezocht en gevonden, zowel in het binnen-
land als in het buitenland; zich verdiept in de bewerking en verwerking van de wol
en in de afzet van de eindprodukten; maar bovenal heeft hij bijna een halve eeuw
rusteloos gestreden voor organisatie van de wolproduccrende boeren ter verbetering
van het produkt en het veilig stellen hunner belangen.

De strijd van provinciale wolverenigingen tot landelijke wolfederatie met internationale
betekenis, is de persoonlijke strijd van de Heer Covers geweest; gevoerd op ver-
schillende fronten: tegen de zogenaamde vrije wolhandel, tegen textielfabrikanten,
tegen regcringsinstanties (wolvordering tijdens de beide oorlogen) en soms tegen
provincialisme in eigen kring.

Het boek verhaalt van deze strijd en de behaalde overwinning.

Het wijkt af van dc gebruikelijke schrijftaal en is typerend voor Covers\' vertel-
trant, doorspekt met humoristische anekdotes en finesses.

Voor allen die belang stellen in schapen en in wol een interessant document.
Het bock omvat 178 pagina\'s met 17 foto\'s en het is verkrijgbaar bij: Het Centraal
Bureau v. d. Schapenfokkerij, le van de Boschstraat 4, Den Haag. Prijs: ƒ 4,— (giro
no. 346210 van de AMRO bank, Bezuidenhoutseweg 18, Den Haag onder vermelding
„CBS, le v. d. Boschstraat 4 voor boek 50 jaar wol".

C. H. Herweijer.

HANDLEIDING TOILETTEREN EN VOORBRENGEN VAN PAARDEN.
L. W. Biesheuvel B z n. en S. M. A. Metz.
(Uitgave V.L.N., Soestdijkseweg 260 Z, Bilthoven. Prijs ƒ 3,—.)
Dit zeer keurig uitgevoerde boekje, voorzien van vele bijzonder goede en instructieve
foto\'s is samengesteld door de Heer L. W. Biesheuvel Bzn. van de Afd. Vee-
teelt van het Ministerie van Landbouw en Visserij, in samenwerking met de Heer
S. M. A. M e t z, die als leider optrad van een kadercursus in toiletteren en voor-
bren.gen van pa.^rden, georganiseerd door de stambockvereniging V.L.N., met behulp
van subsidie vanwege het Ministerie van Landbouw en Visserij, Directie Landbouw-
onderwijs.

In ccn inleidend woord laten collega D. R e m p t cn de Heer A. J. Vermond,
resp. voorzitter en algemeen secretaris van de V.L.N. uitkomen, dat de juiste wijze
van toiletteren en voorbrengen van het paard er aan meewerkt de liefde tot het paard,
en daarmede het paard zelf, te doen blijven. Men kan het hier als geheel mede eens
zijn.

De tekst van het boekje getuigt van vakmanschap en iedereen die voorlichting nodig
heeft op dit gebied kan er alles van zijn gading, duidelijk omschreven en, zoals reeds
gezegd, verlucht met vele foto\'s, in vinden.

Achtereenvolgens worden beschreven het toiletteren van het hoofd, de manen, de
benen en de staart. Vervolgens het ter keuring voorbrengen, het opstellen voor de
jury en het monsteren in stap en in draf.

-ocr page 296-

Dc bedoeling van het toiletteren is het paard bij verkoop en vooral bij aanbieding op
een keuring zo voordelig mogelijk te laten uitkomen; het is een ieders goed recht om
door vakkundig toilet maken de fouten van zijn paard minder en de deugden zo
goed mogelijk in het oog te doen springen. Dit moet men wel degelijk weten te onder-
scheiden van het met kunstmatige middelen verdoezelen van gebreken.
Men moet bij lezing van dit boekje wel goed voor ogen houden dat het toiletteren
gebeurt voor een bepaald doel. Want voor het gebruik van het paard in zijn werk
en voor deszelfs leven van alle dag zijn niet alle toiletteerhandelingen aan te bevelen,
zoals het wegknippen van de tastbaren aan het hoofd en het geheel of ten dele weg-
nemen van beschuttende haren, b.v. in de kootholte.

Verder zou ik nok het volgende willen opmerken. We lezen n.1. dat het paard met
de voorbenen op een iets hoger gedeelte van de monsterbaan moet worden neergezet
dan met de achterbenen. Veel beter ware het m.i. dat het paard voor de jury zou
moeten worden opgesteld op een harde, vlakke, horizontaal gelegen bodemoppervlakte.
Men krijgt dan een juister indruk van het paard als geheel en men kan de been-
standen, en vooral ook de hoeven (!) beter beoordelen. Bij het beoordelen van standen
en hoeven zal de jury er o.m. op letten of de voetas na het bekappen recht gehouden
is, of dat men door middel van bekappen getracht heeft afwijkende standen te
corrigeren. Ook of bij paarden met lage verzenen niet alleen het toongedeelte is
ingekort. Voorts of bij paarden met slecht ontwikkelde hoeven de hoeven niet te lang
zijn gelaten. Al deze dingen vallen het meest op, wanneer het paard op een harde,
vlakke bodem wordt gezet.

Men neme er vooral goede nota van dat het boekje is geschreven voor het toiletteren
en het voorbrengen van
landbouwtuigpaarden.

Het toilet maken cn vooral ook het voorbrengen van rijpaarden wijken hier sterk
van af. Om slechts een paar voorbeelden te noemen: het toilet van benen en staart.
Rijpaarden worden voorgebracht met rijhoofdstel zonder neusriem en met de normale
teugels; er wordt niet bij gegemberd; er wordt niet in de lenden geknepen en ze
worden nooit enigermate gestrekt opgesteld. Bij voorkeur, en steeds voor zover het
de jongere jaargangen betreft, komen ze onbeslagen ter keuring.

Bij het voorbrengen van rijpaarden behoort alles zo natuurlijk mogelijk te gebeuren,
wat tot voordeel heeft dat men ook de meest reëele en betrouwbare indruk van het
paard krijgt.

Daar het zich laat aanzien dat binnen een klein aantal jaren de fokkerij van het
rijpaard zware klasse, tevens geschikt voor het tegenwoordige latidbouwgebruik, de
overhand zal krijgen en trouwens ook alleen in staat zal zijn onze warmbloedpaarden-
stapel in stand te houden, kan men de hoop uitspreken dat spoedig een soortgelijke
handleiding voor rijpaarden, samengesteld door op dit geheel andere terrein even
ter zake kundige personen, het licht zal zien.

P. van Schalk.

INGEZONDEN

ENTING TEGEN PAARDEÏNFLUENZA.
Hooggeachte Redactie,

Op blz. 921 van het Tijdschrift van 15 juli 1.1. schrijft uw referent Prof. H. A. E.
\\ an Tongeren:

„Gelet op de betrekkelijk onschuldige symptomen bij paarden heeft vaccinatie
tegen equine influenza voorhands geen betekenis".

-ocr page 297-

Daar deze uitspraak, die waarschijnlijk afkomstig is van de schrijvers van het ge-
refereerde artikel (Lief en Cohen), door de referent niet is gecommentarieerd,
neem ik de vrijheid hierbij een korte opmerking te maken. Daarbij ga ik uit van
een persoonlijke ervaring met deze ziekte, waaruit m.i. blijkt, dat deze minder
onschuldig is dan zij zich voordoet. Het betreft enkele spontane gevallen onder de
paarden van het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie in de zomer van 1965.
.Aangezien wij waren gewaarschuwd, dat zich in de stallen van dc klinieken influenza-
gevallen voordeden, werd voorzichtigheidshalve bij een op het oog normaal paard,
dat onder het rijden tweemaal een korte hoeststoot had gegeven, temperatuur op-
genomen, die na een uur rust circa 40° C bedroeg. Gedurende een korte koortsperiode
en enkele dagen daarna trad frequent hoesten op, terwijl ook de stalgenoten binnen
enkele dagen analoge verschijnselen vertoonden, behalve één dier dat ongeveer een
jaar bij de chirurgische kliniek had gestaan en daar waarschijnlijk immuun was
geworden. Aangezien de eetlust volkomen normaal bleef maakte het geheel een nogal
onschuldige indruk,
totdat bleek dat nog weken lang tien minuten beweging in stap
voldoende was om de temperatuur van de paarden voor een paar dagen ongunstig
te beïnvloeden, zodat na de ogenschijnlijke genezing ruim een maand absolute stalrust
noodzakelijk bleek.

Het is, ook uit ervaring in Nederland, bekend, dat als men onder dergelijke om-
standigheden de paarden wèl werk laat verrichten, langdurig hoesten het gevolg is
met eventuele bacteriële complicaties en aansluitend dampigheid enz.
Zij, die paarden in training hebben voor bepaalde sportdoeleinden, zitten uiteraard
op hoge kosten, terwijl de influenza het deelnemen aan wedstrijden onmogelijk maakt,
waarbij bepaalde evenementen slechts éénmaal jaarlijks worden gehouden en enkele
slechts éénmaal in het leven van een paard voorkomen (b.v. de Derby). Daarenboven
geldt o.a. voor de draf- en rensport, dat tevens de kans op de mogelijkheid van het
winnen van grote geldprijzen verloren gaat. Toen het vorig jaar het houden van
courses vanwege de ziekte ruim een maand is stilgelegd moeten worden, betekende
dit, dat in die tijd J
/2 miljoen gulden aan prijzengeld niet is verreden, terwijl het
verlies aan omzet voor de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport 2/2 miljoen
gulden bedroeg. Dusdanig grote bedragen realiseert men zich als outsider niet.
De narigheden, die men het vorig jaar in de volbloedfokkerij in Engeland in verband
met het verblijf van de merries met veulens op de stoeterijen (d.w.z. hengststations)
heeft gehad, zijn door Miller voldoende beschreven
(Vet. Rec., 77, 455, (1965);
referaat Tijdschr. Diergeneesk., 91, 466, (1966)).

De resultaten die met dc enting bereikt worden zijn door Miller bemoedigend
genoemd. Nederlandse ervaringen komen hiermede overeen. Uit Amerika, tijdens dc
influenzauitbraak in Engeland, geïmporteerde geënte paarden bleken beschut te zijn
voor de infectie. Mocht blijkens het artikel van Lief en Cohen de werkelijke
immuniteit door deze enting slechts van korte duur zijn (men moet trouwens twee-
maal enten), dan zal waarschijnlijk het contact van geënte dieren met potentieel
besmet milieu kunnen bijdragen om de immuniteit te versterken, evenals men zich
dit wel bij hondeziekte voorstelt.

Terugkomend op mijn uitgangspunt kan ik n.1. nog mededelen, dat twee van de
paarden van het Instituut, die in de voorzomer ziek geweest waren, in januari 1966
een bezoek brachten aan een stal waar kort tevoren ziekte was geweest. Zelf kregen
zij daarna niet opnieuw influenza, maar brachten deze wel over op een stalgenoot,
die bij de eerste uitbraak in de weide verbleef. Was dit laatste paard geënt geweest,
dan zou deze infectie waarschijnlijk eveneens inapparent zijn verlopen en de immuni-
teit verder hebben verstevigd.

Tegenwoordig zijn maatschappelijk de sportpaarden belangrijker geworden dan de
bedrijfspaarden en juist de sportpaarden worden voortdurend met elkaar in contact
gebracht. Voor de eigenaren van dergelijke paarden is, zoals uit het voorgaande blijkt,
de influenza wel degelijk zeer belangrijk, ook al zijn dan de symptomen op het eerste
gezicht onschuldig.

Utrecht, augustus 1966. C. A. van Dorssen.

-ocr page 298-

NATTE WEIDEN 1817 - 1966.

De wethouder van Alblasserdam, de heer L. Smit, was zo vriendelijk het originele
exemplaar van een brief van de „Gouverneur van Zuid-Holland", gericht aan
„de Stedelijke Regeringen en Gemeente-Besturen in Zuid-Holland", gedateerd 30
januari 1817, te overhandigen aan collega H. Ouwerkerk, door wiens bemiddeling
het thans mogelijk is de tekst ervan de lezers kenbaar te maken.

221.

N". --\'s Gravenhage, den 30sten Januari} 1817.

764.

De van onderscheidene kanten ingekomene tijdingen van ziekte onder
het rundvee, veroorzaakt door het slegt voedsel dat vele beesten hebben
gebruikt, en de nattige weiden in welke zij hebben gestaan, hebben het
mij dienstig doen oordeelen UEd. oplettend te maken op zeker recept,
dat, in de province Overijssel, ingevolge het voorschrift van den Heer
Vee-Arts
van Cleeff, thans alhier woonachdg, en Vee-Arts van de eerste
classe binnen deze provintie, met den besten uitslag is gebruikt: zijnde
hetzelve het navolgende

R, P. rad. Genrian.

4

— — Torment.

— — Galang. min.

— Bacc. Junip.

Viixiol. mart. aa. | i p

m. f. pulv.

S. Hiervan \'s morgens of \'s avonds een tinne lepel vol, in een fles
bier gekookt, in te geven.
Terwijl gemelde Heer
van Cleeff nog als zeer nuttig aanraad, om,
wanneer het hooi niet goed gewonnen is, hetzelve met pekel te be-
sprengen, gelijk mede om de onderbuik der beesten twee a driemaal
daags te smeren met gekanferde brandewijn en spiritus sahs ammoniaci
caustici.

Het behoud van het rundvee is van dusdanig eene aangelegenheid, niet
alleen voor de eigenaars van hetzelve, maar ook voor het algemeen,
dat ik geen drangreden behoef te gebruiken om UEd. aan te bevelen,
met den meesten zorg te willen oplettend zijn op al het geen, in deze,
van dienst kan zijn, en deze middelen, welke, onder den Goddelijken
zegen, de reeds bestaande ziekte kan doen ophouden, aan allen die het
bcnoodigd mogten hebben, kenbaar tc maken, gelijkmede om de Land-
Eigenaren, die zieke beesten hebben, aan te raden, om, zoo het noodig
mogt zijn, gebruik te maken van de Vee-Artsen, die thans, door de
gunstige beschikking Zijner Majesteit, zijn benoemd, als:

De bovengemelde Heer W. ]. van Cleeff, Vee-Arts van de
1ste klasse, 1ste rang, te \'s Gravenhage;
De Heer
G. Bange, Vee-Arts van de 2de klasse, 2de rang, te
Aarlanderveen; en

De Heer H. Bunnik, Vee-.\\rts van de 2de klasse, 2de rang, te
Koudekerk.

De Gouverneur van Zuid-Holland,
VAN LEYDEN.

Aan de Stedelijke Regeringen en Gemeente-

Besturen, in Zuid-Holland.

-ocr page 299-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

VERSLAG VAN DE VOEDERPROEVEN IN 1964 VAN DE STICHTING
INSTITUUT VOOR MODERNE VEEVOEDING „DE SCHOTHORST".

De reeds enkele jaren actuele vraag naar het effekt van het toevoegen van krijt aan
legvoeders weerspiegelde zich in een tweetal proeven over dit onderwerp. Uit de
eerste proef kon de conclusie getrokken worden dat krijttoevoeging, speciaal voor
lichte W.L. hennen, resulteerde in een hogere uitval. Lichaamsgewicht en ei-
produktie werden ongunstig beïnvloed. In de tweede proef (eveneens met een 1000
dieren uitgevoerd) werd de invloed van het toevoegen van 2% vet aan mengsels
met extra Ca bezien. Nu bleek er geen verschil t.a.v. produktie, eigewicht en uitval
te zijn tussen de groepen met en zonder extra krijt en/of vet. Deze tegengestelde
uitkomsten bevestigen weer eens dat het pad van een onderzoeker niet over rozen
gaat.

De invloed van voederbeperking op de legrijpheid en de eiproduktie was onderwerp
van een proef met slachtkuikenmoederdieren. Een systeem waarbij telkens ge-
durende 1 dag per 5 resp. 7 dagen geen voer werd verstrekt gaf tijdens de opfok
wel een voederbesparing. Tijdens de legperiode echter niet, terwijl legrijpheid niet
werd uitgesteld en de produktie daalde.

De uitgevoerde proeven met mestkuikens hadden tot doel de normen voor energie
en eiwit kritisch te beoordelen. Geconcentreerde mengsels bleken goed te voldoen.
In de Amerikaanse literatuur ziet men veel artikelen over de groeibevorderende
werking van o.a. weipoeder en „grain distillers dried solubles". Dit effekt kon wor-
den aangetoond, evenals, zij het in mindere mate, van aardappelgist. Deze voeder-
gist kweekt men in onteiwit vruchtwater van aardappelen.

De nieuwe loot in de pluimveehouderij, de turkey-broiler, kreeg eveneens aandacht.
De accommodatie voor het doen van voederproeven kon in 1964 aanzienlijk worden
uitgebreid. De proeven concentreerden zich bij deze diersoort om het gewenste
lysine gehalte, eventueel door toevoeging van synthetische lysine. De behoefte aan
dit essentiële aminozuur bleek sterk af te hangen van het levend gewicht.
De proeven met mestkalveren betroffen de vervanging van een gedeelte van het
(dure) melkpoeder door bijv. weipoeder (spray dried) en ontsloten rijstemeel. Wei-
poeder bleek bruikbaar, ontsloten rijstemeel gaf geen gunstig effect m.b.t. het op-
treden van diarree. Een mengsel van dierlijk en plantaardig vet gaf betere resul-
taten dan uitsluitend dierlijk. Verstrekken van krachtvoer met een beperkte hoe-
veelheid hooi tot enige weken voor het slachten gaf een aanzienlijke kwaliteits-
vermindering. De financiële uitkomst was echter ongeveer gelijk aan de klassieke
methode.

Een proef over het effect van zink in het rantsoen van melkvee deed noch bij het
lage niveau (40 d.p.m.) noch bij het hoge (110 d.p.m.) in huidmonsters, melk-
produktie en levend gewicht ongewenste effecten optreden.

Over bijvoedering met krachtvoer in de weide werd een interessante proef gedaan.
Slechts tijdens de tweede helft van de periode dat de dieren in een perceel ver-
bleven werd 2 kg weidebrok bijgevoerd. De voederkosten werden niet door de hogere
produktie gedekt.

Eén opmerking over dit met fraaie foto\'s verluchte jaarverslag willen wij ons ver-
oorloven. Bij de samenstellingen van de mengsels staan op een enkele uitzondering
na slechts de berekende gehaltecijfers vermeld. Opgave van de analysecijfers zou
een nu bij het lezen opkomend gevoel van onbehagen voorkomen hebben.

K. K. van Hellemond.

ZWARTBONTEN, RODE DENEN EN JERSEYS IN DENEMARKEN.
Afkomsprover med tyr eXX, 352 beretning fra forsogslaboratoriet, 1966.

Gedurende 1964-1965 werden dochters van 83 stieren op 22 stations „getest" met de
volgende resultaten per ras:

-ocr page 300-

ras aantal

aantal

melk

vet

melkvet

eiwit

eiwit

groepen

vaarzen

in kg

%

in kg

%

in kg

Rode Deen

(R.D.M.) 49

905

5021

4,52

227

3,77

189

Zwartbonten

(S.D.M.) 18

336

4936

4,39

217

3,66

181

Jersey 16

289

3475

6,42

223

4,32

150

Zowel in melkvet als in

melkeiwit

was de gemiddelde opbrengst

van de Rode Deen

het hoogst. In melkvet was de kleine Jersey zelfs nog iets hoger dan de zwartbonten.

Per ras werden van de

dochters

van de volgende

stieren de

hoogste gemiddelde

opbrengsten gevonden:

ras naam

aantal

melk

vet

melkvet

eiwit

melkeiwit

stier

vaarzen

in kg

%

in kg

%

in kg

R.D.M. Thy Hoj

20

6259

4,34

272

3,70

232

S.D.M. Dybbol Holt

18

5579

4,37

244

3,57

199

Jersey Alborg Aegin

14

4143

6,01

, 249

4,20

174

Niet vergeten moet worden dat de kans om de hoogste opbrengsten te vinden voor
de Rode Denen groter was, omdat ± 2,5 meer Rode Deense stieren dan Zwartbonten
of Jerseys werden getest.

Wat de melkbaarheid betreft de volgende cijfers:

ras

kg melk

% van de

gemiddelde

namelk

per minuut

melk in eerste

melktijd

per koe

3 min.

per koe

in kg

R.D.M.

4,06

71,6

4,3

1,3

S.D.M.

4,41

78,9

3,8

1,1

Jersey

3,68

83,5

3,3

0,9

Merkwaardig is dat in de toelichting nu niet wordt opgemerkt dat de mclkbaarheid
van de zwartbonten beter is dan die van de Rode Deen. Wel wordt opgemerkt dat bij
verdeling van 2 groepen Rode Denen „at random" over twee stations er significante
verschillen tussen de stations wat betreft de melkbaarheid gevonden werden. De
factor „boer" speelt dus een grote rol.

Wat het onderzoek op vleesproduktie betreft werden 27 groepen onderzocht. De helft
van de kalveren van elke groep werd onderzocht in de zomer, de andere helft in de
winter. De proefperiode begon op een leeftijd van 14 dagen en duurde tot een groep
.gemiddeld 20 kg woog.
De resultaten waren als volgt:

ras

aantal

dagelijkse

voeder-

uitslach ting\'s

vlees

„pistollean"

groepen

toename

eenheden

%

%

%

in g

per kg groei

R.D.M.

22

1021

3,03

54,4

69,7

34,1

S.D.M.

4

1010

3,09

55,0

70,4

35,2

R.D.M. X

Duits Rot-

vieh

1

960

3,49

55,4

70,9

34,9

-ocr page 301-

In dc toelichting wordt gezegd dat wat gewichtstoename per dag en voederverwerking
betreft er geen verschillen zijn tussen Rode Denen en Zwartbonten, maar dat de
zwartbonten beter waren in uitslachtingspercentage en de vlees-vetverhouding. De
groei der kruisingsprodukten was niet goed, maar wel de slachtkwaliteit.

P. Hoekstra.

SOCIETA ITALIANA PER IL PROGRESSO DELLA ZOOTECNICA.
Symposium

Tijdens de laatste jaarbeurs in Milaan is door deze vereniging een internationaal
symposium gehouden over
Technical economic problems of the production of sheep,
goats and furbearing animals.

In totaal waren 31 landen (waaronder 19 uit Europa) vertegenwoordigd.
Besloten is o.a. om, behalve herkauwers, in het vervolg ook alle mogelijke soorten
pelsdieren te bespreken. Het symposium zal steeds tijdens de jaarbeurs worden
gehouden.

Behalve dit symposium wordt in 1967 tevens een symposium gehouden over Proteins
of cattle origin for human nutrition. Het is de bedoeling om onderwerpen te behan-
delen over vlees en melk en hun bij produkten, de vorming en distributie van deze
artikelen en genetische, hygiënische en pathologische factoren, die invloer op de pro-
duktie kunnen uitoefenen.

ƒ. Hendrikse.

GEVAREN VERBONDEN AAN HET PAARDRIJDEN VOOR DE JEUGD.
(Paardengezondheidskalender, juli 1966.)

De laatste jaren is de belangstelling voor de paardesport en in het bijzonder voor de
rijsport belangrijk toegenomen. Vooral de jeugd voelt zich hiertoe sterk aangetrokken.
Door import van verschillende ponysoorten zijn er voor de jeugdige ruiters passende
rijpaardjes te verkrijgen. Dit heeft er toe geleid, dat vooral de laatste aantal jaren
het aantal manege\'s waar men zich heeft toegelegd op het geven van rijonderricht aan
kinderen op pony\'s, sterk is gestegen.

Het is dan ook een gerechtvaardigde vraag of ouders hun kinderen met een gerust
gevoel aan een rijschool kunnen toevertrouwen. Men dient niet te vergeten, dat aan
deze sportbeoefening een zekere mate van gevaar is verbonden.

De gevarenfaktor is klein, wanneer deskundige leermeesters leiding geven. Zij weten
welke gevaarlijke situaties zich kunnen voordoen en hoe deze tijdig kunnen worden
opgevangen. Ook weten zij wat van een ruiter kan worden gevraagd. Bovendien
moeten zij goede pedagogen zijn. In het spel van kind cn rijpony moet hij leiding
kunnen geven, waarbij het rijkunstig gevoel van de leerlingen stap voor stap moet
worden ontwikkeld, afhankelijk van aanleg en ambitie. Pas als de spanningen van de
eerste lessen zijn verdwenen en de ruiter wat rustiger begint te zitten kan het gevoel
voor de rijkunst worden ontwikkeld. Ook dan pas zullen aan de kinderen eenvoudige
theoretische grondbeginselen kunnen worden bijgebracht. In het algemeen verdient
het aanbeveling de kinderen medisch te laten keuren alvorens met de rijlessen te
beginnen. Een goed Instrukteur dient ook de konstitutie van zijn leerlingen te be-
oordelen en duur en tempo der lessen hiermede in overeenstemming te brengen. Som-
mige Instrukteurs volgen lesmethoden bij kinderen, die alleen voor volwassenen
geschikt of toelaatbaar zijn. Het zo spoedig mogelijk klaarmaken van kinderen voor
de wedstrijdsport is geheel uit den boze, er wordt vaak niet bij stilgestaan dat een
dergelijke methode niet zonder gevaar voor de gezondheid van de leerlingen is.
Het groeiende kinderlichaam reageert geheel anders op sterke spanningen, dan het
lichaam van de volwassene. Een goed Instrukteur weet dit en zal met de intensiteit
van de lessen hiermede rekening houden. Dit geldt uiteraard ook voor een nog niet
volgroeid dier. Een onoordeelkundig gebruik van de dieren is schadelijk; een veel-
vuldig voorkomende fout is dat een naar verhouding zware ruiter met zijn volle
gewicht in het zadel „ploft". Hierdoor wordt het optreden van drukkingen bevorderd
terwijl het paard bovendien gevoelig in de rug wordt en zich zal gaan verzetten.

-ocr page 302-

Ook ten aanzien van de paarden zal een Instrukteur de nodige kennis moeten bezitten.
Hij moet op de hoogte zijn van zowel de gezondheidstoestand en de konditie van de
paarden als hun verrichtingsvermogen. Hij behoort kennis te hebben van de gezond-
heidsleer, de voeding, de hoefverzorging, het harnachcment, het opzadelen en het
soigneren van de paarden, alsmede van het verlenen van eerste hulp bij ongelukken.
Ook zal hij zijn leerlingen de erecode moeten bijbrengen, die de berijders van paarden
in acht dienen te nemen. Maar al te vaak zijn er brokken gemaakt door het on-
aangekondigd openen van mane,gcdeuren, door onwellevendheden als het passeren in
volle draf of galop van andere ruiters, daardoor onrust verwekkend onder dc gepas-
seerde paarden. Vaak gebeuren ook ongelukken na afloop van de les of rijtoer. Waar
kinderen met eigen paarden aan rijlessen deelnemen gebeuren vaak ongelukken bij het
overhaast naar huis gaan.

Een goed Instrukteur kent de paarden en hun gewoonten cn houdt hiermede rekening
bij hun rangschikking in de les. Hij kent de reakries van de paarden op het gebeuren,
weet vooraf te waarschuwen en waar nodig te korrigeren. Hij moet overwicht hebben
over de aan zijn zorgen toevertrouwde paarden en ruiters.

Indien les moet worden gegeven aan kinderen, die door een lichamelijke of geestelijke
tekortkoming gehandicapt zijn, worden er van de Instrukteurs bijzondere kwaliteiten
geëist.

Als men al deze zaken in aanmerking neemt en zich dan weer afvraagt of ouders hun
kinderen met een gerust gevoel aan een rijschool kunnen toevertrouwen, dan moeten
we helaas vaststellen, dat zij dit in tal van gevallen niet kunnen doen.
Op korte termijn zal in ons land aan het rijonderricht de nodige aandacht moeten
worden besteed om tot verbetering te kunnen komen. Een vraag die zich dan direkt
opdringt of het dan niet noodzakelijk is te achten, dat slechts aan hen die over
voldoende vakbekwaamheid beschikken een vergunning wordt verleend tot het geven
van rijlessen, dient dan ook bevestigend te worden beantwoord.

WELKE OORZAKEN KUNNEN BIJ DE MERRIE AANLEIDING GEVEN TOT
ONVRUCHTBAARHEID? DEEL 1.

(Paardengezondheidskalender, m,ei 1966.)

A. Aangeboren afwijkingen van het geslachtsapparaat die een normale bevruchting
in de we
.g staan komen bij merries heel weinig voor.

Een heel enkele keer ziet men het volgende:

1. Een zeer nauwe schaamspleet of een te sterk ontwikkeld maagdenvlies (deze kan
de toegang geheel afsluiten en soms als een ballon naar buiten treden) kunnen
een normale dekking onmogelijk maken. De dierenarts kan doeltreffend ingrijpen.

2. Het geslachtsapparaat komt niet tot voldoende ontwikkeling. Het kan erfelijk zijn
doch ook het gevolg zijn van ondervoeding. Bij jonge merries bereikt de dierenarts
nogal eens resultaat met massage van de eierstokken via de endeldarm en met het
toedienen van hormoonpreparaten.

3. Tweeslachtigheid, afsluiting van de eileider en andere aangeboren misvormingen
worden bij de merrie zeer weinig op.gemerkt.

Veel meer komen verworven afwijkingen van het geslachtsapparaat voor die een goede
bevruchting verhinderen. Ze kunnen zowel van niet-besmettclijke als van besmettelijke
aard zijn. Besmettelijke oorzaken, als gevolg van onvruchtbaarheid, zullen in een
volgend artikel van de gezondheidskalender worden besproken. Wij zullen in deze
aflevering alleen de verworven niet-besmettelijke afwijkingen bespreken.

B. Verworven, niet-besmettelijke afwijkingen kunnen bestaan uit:
1. Aandoeningen van kling, schede en baarmoedermond.

Vooral na een moeilijke geboorte blijkt de bovenwand van de kling soms dermate
ingescheurd dat ze naderhand hoog komt te liggen en bovenaan naar binnen
gericht blijft als gevolg van littekencontracUe. De kling sluit niet goed meer af
waardoor er onder het lopen lucht naar binnen zuigt, hierin komen altijd veel

-ocr page 303-

bacteriën voor, waardoor een ontstekingsproccs kan ontstaan. Ook kan hierdoor
urine in de schede bhjven staan, omdat de schede nu achteraan niet naar beneden
helt doch naar boven oploopt. Bij oude merries ligt de kling soms horizontaal
terwijl dc vergrote baarmoeder diep in de hangbuik afhangt. Het gevolg van
ontstekingsprocessen is vaak dat de merries niet gemakkelijk drachtig worden.
Soms ontstaat een fistel tussen endeldarm en schede door een letsel bij de geboorte.
Een been van het veulen is dan door de wand van de schede en endeldarm ge-
drongen. Er verzamelt zich dan vaak mest in de schede. In andere gevallen vormt
zich een vleesbalk in de schede tussen boven- en onderwand, soms vlak voor de
baarmoedermond. Fistel en vleesbalk kunnen ook na verwonding bij de dekking
optreden. Een enkele keer ziet men wel eens gczwelvorming in de schede.
Al deze oorzaken kunnen een bevruchting in de weg staan.

2. .Aandoeningen van de baarmoeder en baarmoedermond.

Dc baarmoedermond is bij hengstigheid en vooral tijdens de dekking geopend,
zodat men deze met 1 of 2 vingers kan passeren. Tussen twee hengstigheidsperioden
in is dc baarmoedermond gesloten en treedt zelfreiniging van de baarmoeder op.
Ook tijdens drachtigheid is de baarmoedermond gesloten.

•Als dc baarmoedermond voortdurend open blijft staan, bij voorbeeld na ernstige
verwondingen door een moeilijke geboorte en onvoldoende afsluiting van kling en
schcdc, wordt wc! permanent lucht in de baarmoeder gezogen. Dan is de bcvruch-
ling vaak onmogelijk doordat ontstekingsprocessen van de baarmoeder optreden.
Een dergelijke ontsteking van de baarmoeder blijft ook vaak aanwezig als de
merrie met de nageboorte is blijven staan, verder kan ze het gevolg zijn van leken-
hulp bij de geboorte en het ondeskundig spoelen van schede en baarmoeder. Er
bestaan verschillende vormen van baarmocderontsteking, waarvan de meeste door
dc dierenarts zijn te genezen, zodat de vruchtbaarheid wordt hersteld. Een enkele
keer komen abcessen of gezwellen in de baarmoeder tot ontwikkeling.
.Afwijkingen van de eileiders komen bij de merrie zo goed als niet voor.

3. Onvoldoende functie van de eierstokken.

Het is normaal dat de eierstokken van het paard in de maanden september tot
februari veelal in rust verkeren. Onder sommige klimatologische omstandigheden
kan een merrie wel gedurende het gehele jaar hengstig worden. Meestal moeten
dc eierstokken in de maanden februari tot april tot volle aktiviteit komen. Het
is vooral in deze periode dat de eierstokaktiviteit meermalen achterwege blijft.
Dit is waarschijnlijk het gevolg van een te geringe werking van het hersenaanhang-
scl. Men verklaart de onvoldoende afscheiding van het hersenaanhangsel wel door
onvoldoende licht, lage voorjaarstcmpcraturen, verkeerde voeding cn slechte
lichaamsconditie (te mager of tc vet), hoge melkgift en worminfectics. Het komt
o.a. veel voor bij het Engelse volbloedpaard en de Arabier; nog het minst bij de
pony\'s. Het zijn vooral de jonge merries die nooit drachtig zijn geweest en ook
oudere guste merries die in het voorgaande jaar geen veulen hebben gebracht en
merries, die al langere tijd een veulen zogen waarbij dit euvel meermalen wordt
op,gemerkt. Bij zogende merries komt het eveneens voor in de zomermaanden. Er
treedt dan helemaal geen bronst op of een zeer zwakke bronst (stille bronst), in
enkele gevallen ook een veel te lange bronstperiode (14 dagen of langer) zonder
dat een follikel tot rijping komt.

Komt cr in uitzonderingsgevallen bij deze slechte functie van de eierstokken toch
nog een zogenaamd eiblaasje (follikel) tot rijping dan treedt er lang niet altijd
hengstigheid op en is dat wel het geval, dan blijft de bevruchting nog achterwege.
Opvallend is bij dergelijke merries dat ze het winterhaar soms niet verliezen. Een
dierenarts kan aan de grootte van de eierstokken en aan de consistentie van eier-
stokken cn follikels wel voelen of de toestand abnormaal is. Door verbetering
van de lichaamsconditie, (te vette merries mogen mager worden), het verschaffen
van meer licht, weidegang, het verschuiven van de dcktijd naar juni, juli, kan
vaak een gunstige invloed uitgeoefend worden. Overigens zal de dierenarts door
toepassing van een hormoonbehandeling dikwijls resultaat kunnen boeken.

-ocr page 304-

Verder dient opgemerkt te worden dat er ook stille bronst voorkomt waarbij de
eierstokcyclus normaal verloopt en ook baarmoeder en baarmoedermond alsmede
de schede in een normale bronsttoestand verkeren. Als de merrie zich in een
dergelijk geval niet wil laten dekken dan kan dat geschieden onder dwang. Even-
tueel zou kunstmatige inseminatie uitkomst kunnen bieden.

4. Ontaarding van de follikels in de eierstokken (cysteuze follikels).

De eierstokken zijn vergroot en bevatten één of meer grote blaasjes van 3 tot 8
cm doorsnee die niet gaan barsten, of wel er zijn talrijke kleine blaasjes van 1 a 2
cm aanwezig (druiventros). Het komt o.a. voor bij nymfomanie (pismerrie).
Men zoekt de oorzaak van deze afwijkingen vooral in stoornissen van het hormo-
nale systeem, waarbij het hersenaanhangsel, soms ook bijnier en/of schildklier zijn
betrokken. De blaasjes barsten net en er wordt dus geen geel lichaam gevormd.
Als geen bronst optreedt, dan vindt men bij inwendig onderzoek, via de endeldarm
één of meer grote follikels, terwijl bij doorlopende bronst met zeer onregelmatige
tussenpozen vergrote eierstokken met vele gespannen kleine follikels te voelen zijn.
Bij ontaarding van de follikels worden de merries dikwijls erg prikkelbaar en
onhandelbaar, aanvankelijk vooral in de bronstperioden, daarna permanent. Zij
zijn dan kittelig, slaan, bijten. Als men ze aanraakt in de flank gaan ze schreeuwen
en stoten urine af, vandaar de naam „pismerrie". Een enkele keer komt het voor
dat merries een voorkomen krijgen als van een hengst en een meer mannelijk
geluid voortbrengen. Ze proberen ook andere merries te dekken. De mannelijke
hormonen hebben dan de overhand gekregen. Men vindt dan meestal een bepaald
kliergezwel in één van de eierstokken, soms zo groot als een voetbal. Na verwij-
dering van de aangetaste eierstok verdwijnen de verschijnselen. Het gezwel kan
mogelijk met inspuiting van vrouwelijke hormonen verkleind worden.
De behandeling van ontaarde follikels geschiedt door de dierenarts.
Daarnaast is met een goed dieet vaak wel iets te bereiken.

5. Vroegtijdig afsterven van de vrucht.

Vele oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen:

a. erfelijke oorzaken;

b. hormonale stoornissen; bijv. doordat te veel oestrogene hormonen in verhou-
ding tot progesteron worden geproduceerd;

c. voedingsfouten; bijv. ondervoeding, overvoeding, onevenwichtige voeding (te
weinig eiwit, fosfor, mangaan, kobalt, jodium, te weinig vitamine A en D) ;

d. vergiftigingen; bijv. door moederkoren, schimmels en gifplanten die stoffen
bevatten welke de baarmoeder doen samentrekken. Voor deze laatste zijn
vooral Taxus- en Juniperussoorten en andere sierheesters berucht;

e. schimmelig of rottend voer;

f. bepaalde medicamenten;

g. plantenziekte- en onkruidbestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen;

h. uitwendig geweld (trappen, stoot, val, transport enz.);

i. te ruw uitgevoerd inwendig onderzoek;
j. tweelingdracht;

k. circulatiestoornissen (sterk bloedverlies, sterke afkoeling, veel koud drinken,

schrik, angst, te sterke inspanning enz.);
1. koliek en met koorts verlopende ziekten;

m. luchtzuigen in de schede alsmede daar ter plaatse ophoping van mest en urine

(zie eerder) ;
n. ziekten van de baarmoeder;

O. algemene lichaamsverzwakking (oude merries en zogende merries) ;
p. slechte huisvesting (gebrek aan frisse lucht, beweging en licht).

PROCEEDINGS OF THE FOURTH SYMPOSIUM OF THE W.A.V.F.H.
De in de titel genoemde Proceedings van het van 25 - 30 juni 1965 te Lincoln (Ne-
braska, U.S.A.) gehouden 4e congres van de World Association of Veterinary Food
Hygienists zijn thans in druk verschenen.

-ocr page 305-

Deze omvatten alle aldaar gehouden voordrachten met samenvattingen in het Frans,
Duits, Engels en Spaans en de in het Engels gestelde discussies over de groepsgewijs
samengenomen inleidingen, tezamen een 70-tal. De veelal korte welkomstredevoe-
ringen van de verschillende autoriteiten vonden, evenals een foto der deelnemers,
een plaatsje in de omvangrijke uitgave, die een goed beeld geeft van wat er leeft
in diergeneeskundige kringen en wat de problemen zijn waarover in dit tijdsbestek
onderzoek gedaan wordt.

Het eerstgenoemde — wat er leeft — vindt uitdrukking in de voordrachten ge-
houden over het onderwerp „Tasks and training of veterinary food-hygienists".
De meningen van de uit vele landen afkomstige inleiders lopen van behoudend tot
zeer vooruitstrevend uiteen. Er volgde een uitvoerige en interessante discussie op,
waarbij bleek hoezeer dit onderwerp leeft en ook hoe van vele kanten een meer op
de voedingsmiddelenhygiëne te richten studie van belang werd geacht. Dat „post-
graduate" onderwijs nodig blijft was geen punt.

Vanzelfsprekend zijn er vele voordrachten onder de titel Salmonella-problemen te
vinden. Dit is en blijft voorshands wel „topic". Epidemiologie, frequentie, prevende,
toezicht op en controle van voedings- en voedermiddelen en enkele andere aspecten
waren objecten van onderzoek geweest, waarover werd gerapporteerd.
Ook over Pluimveekeuring en de daarbij opgedane keuringsbevindingen en erva-
ringen zijn een aantal verslagen opgenomen, welke inzicht geven in de voor deze
materie specifieke problemen, welke ten dele met de aard van het produkt en de
wijze van slachten en bewerken samenhangen.

Meer dan voorheen, toen meer keuringstechnische onderwerpen aan de orde waren
op de symposia, zijn er inleidingen te vinden over onderzoek betreffende de be- en
verwerking van vlees, melk, vis en eieren — alle met hiervan afgeleide produkten.
Ook over de preventie tegen voedselvergiftigingen en residuen van bestrijdings-
middelen en nucleaire verontreinigingen, alsook over andere, naar hun aard nogal
uiteenlopende, onderwerpen zijn enkele verslagen te vinden.

De Proceedings omvatten 450 interessante — vaak boeiende — pagina\'s, waarin de
collegae, die niet in de gelegenheid zijn geweest het congres te Lincoln bij te wonen,
alsnog veel nutdgs kunnen lezen. De prijs bedraagt $ 10,50; de proceedings zijn te
verkrijgen door de tegenwaarde van dit bedrag over te maken op de Bank van
Vlaer en Kol te Utrecht, zulks ten gunste van de secretaris/penningmeester, Drs.
M. van Schothorst, Sterrenbos 1 te Utrecht onder motto „Proceedings W.A.V.F.H,".

]. H. ]. van Gils.

-ocr page 306-

CONGRESSEN

3e INTERNATIONAAL SYMPOSIUM VOOR VERGELIJKEND LEUKEMIE-
ONDERZOEK.

Van dit, op 12 en 13 juli 1967 te Parijs te houden symposium, georganiseerd door de
World Committee for Comparative Leukaemia Research werd van Dr. B e n d i x e n
het volgende voorlopige programma ontvangen:

Preliminary Program

Wednesday, July 12:

9-12 a.m. Oncogenic viruses and their interaction with cells.
2 - 6 p.m. Progress in the viral etiology of the leukemias.
Thursday, July 13:

9-12 a.m. Immunology of the leukemias.

2 - 6 p.m. Recent investigations in the epidemiology of the leukemias and

Diagnostic criteria of the leukemias.
All those, who wish to present short communications are requested to write to the
secretary of the French organizing committee
Dr. A. Parodi,
École National Vétérinaire
94, Alfort, Seine,
France

or to

Dr. H. J. Bendixen,
Secretary

The World Committee for Comparative Leukemia Research
Howitzvej 11,
Copenhagen F.,
Denmark.

Jersey stieren naar Engeland.

De Nieuw Zeeland Jersey stieren, die de „Britse Milk Marketing Board" en de
„Engelse Jersey Cattle Society" geïmporteerd hebben om op K.I.-stations te ge-
bruiken, zijn in Plymouth aangekomen.
In „Country Life" was het volgende commentaar te lezen:

„Het lijkt een treurige blaam op de bakermat van het Jersey ras dat we nakome-
lingen met bekende fokwaarde moeten zoeken aan de andere kant van de wereld.
Maar het is een feit dat de Jersey het nationale ras van Nieuw Zeeland is.
De „Dairy Board" van Nieuw Zeeland onderzoekt ieder jaar d.m.v. K.I. 140 Jersey
stieren, waarbij ze stieren afwijst die beter zijn dan wij ze voor dekking gebruiken."

New Zealand Agriculture News 6166.

-ocr page 307-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

September,

2, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.30 uur. Groot-
handelsgebouw, Rotterdam, (pag. 1126)
5, Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven K.N.M.v.D. Vergade-
ring, 14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 826, 940)

13, Keuring vrouwelijk vee (F.H.), Leeuwarden.

14, Keuring stieren alle leeftijden (F.H.), Leeuwarden.

16, Groep Pluimveewetenschappen, symposium Eli Lilly International Cor-
poration. (pag. 1130)

16 en 17, Nationale Trekpaardententoonstelling, \'s-Hertogenbosch.

17, Réunie van Oud-Absyrtianen, 11.00 uur. Hotel Figi, Zeist. (pag. 988)
17, Groep Geneesk. v. h. Kleine Huisdier K.N.M.v.D. Ledenvergadering.

(pag. 1128)

21, Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Modern, Tilburg, (pag. 1128)
25—1 okt., British Veterinary Association. Jaarcongres, Brighton, (pag. 781)

27, .Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Lustrumviering, (pag. 940)
29—I okt., Omithophilia, Utrecht.

29, Groep Dir. Vleeskeuringsdiensten en keuringsdierenartsen K.N.M.v.D.
Vergadering, 10.00 uur, Restaurant Smits, Utrecht, (pag. 781)

29, N.V. Mengvoeder U.T.-Delfia, Pluimveeconferentie, (pag. 1058)

30, Derde Veterinaire Ruitcrdag, Lage Vuursche, (pag. 1056)

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)

5, Keuring sticrkah\'cren (F.H.), Leeuwarden.
7—8, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 113e Algemene Verga-
dering, Utrecht, (pag. 709)

November,

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, R.I.V. Bilthoven.
(pag. 625)

1967

April,

26—28, Congres „Ges. f. Vcrsuchstierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, .A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 308-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTREC:H\'r - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Met groot leedwezen maakt de redaktie bekend, dat op 17 augustus jl.
collega W. H. Eenink, lid en penningmeester van de redaktie van ons
tijdschrift, is overleden.

Ofschoon collega Eenink slechts korte tijd deze functie vervulde, deed
hij dit op een manier, zoals hij alles deed — toegewijd, exact, betrouw-
baar. Hij heeft in de afgelopen jaren zich doen kennen als een uit-
stekend slachthuisdirecteur, als een zeer geïnteresseerd onderzoeker, als
graag gezochte functionaris voor verschillende ambten in onze Maat-
schappij. Zonder veel ophef, altijd vriendelijk, altijd bereid om nog
meer te doen, verrichtte hij zijn werk. Wij verliezen een goede vriend,
een man, die raad kon geven, een collega met de hoogste ethische prin-
cipes. Hij zal als voorbeeld lang in onze gedachten voort blijven leven.

Programma 113e Algemene Vergaderin.g.

Enkele agendapunten van de Huishoudelijke Vergadering behoeven enige aanvulling
en wijziging.

I. Onder punt 5. Wijziging en aanvulling van het Huishoudelijk Reglement.
Art. 92 a, blz. 5 van het programma.

Derde zin, achter de komma „waarin de betrokken afdeling zelf kan voorzien"
wordt „waarin de betrokken afdeling of groep zelf kan voorzien".
In de laatste zin komen de woorden „en de secretaris" te vervallen.
II. Onder punt 7. Mededelingen.

b. Redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Ook in de vacature ontstaan door het overlijden van de penningmeester dc
heer W. H. Eenink zal moeten worden voorzien.

c. Tarievencorrunissie.

Behalve de reeds genoemde is er nog een vierde vacature door het vertrek
van de heer R. F. P. M. Quaedvlieg naar elders.

Voor alle vacatures geldt dat, als het nieuwe artikel 92a wordt aangenomen,
de betrokken afdelingen hierin zelf voorzien. Wordt dit artikel niet aan.ge-
nomen, dan blijft de oude regeling van kracht en zal het Hoofdbestuur de
nieuwe leden benoemen uit een voordracht van de afdelingen.
III. Onder punt 8a. Verkiezing van cen lid van het Hoofdbestuur ter uitbreiding
van het bestaande aantal leden.

Tot goed begrip diene dat deze uitbreiding niet is bedoeld om het huidige
aantal voor de toekomst te vergroten, doch uitsluitend ter voorziening in de
vacature die zal ontstaan door het aftreden van de heer J. T. Heeg.

Herhaalde mededeling.

Honden- en kattenbesluit, entcertificaten.

Nogmaals wordt er op geattendeerd, dat bij vooruitbetaling van ƒ 2,- per bloc van
50 stuks op gironummer 511606 van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor
Diergeneeskunde te Utrecht de entcertificaten per omgaande worden toegezonden.

-ocr page 309-

Mengvoederattesten.

De mengvoederattesten zijn in bloes van 25 stuks bij vooruitbetaling van f 1,75 per
bloc op hetzelfde gironummer verkrijgbaar.

Declaraties.

.\'^an de leden van besturen, commissies e.d. wordt verzocht hun declaraties elk
kwartaal
op het bureau van de Maatschappij in tc dienen. De daartoe benodigde
formulieren worden op aanvraag toegezonden.

Post-Academiaal Onderwijs in Amsterdam 1966/1967

In het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van 1 oktober 1965 is uitvoerig mededeling
gedaan over de achtergronden en de organisatie van de post-academiale discussie-
bijeenkomsten in .Amsterdam.

In het algemeen lijken de vier tot dusver georganiseerde avonden, getuige ook de
reacties van verschillende deelnemers, aan de verwachtingen voldaan te hebben. Het
aantal collegae, uit verschillende sectoren van ons beroep, dat de bijeenkomsten
bijwoonde, varieerde van 35 - 40 (van de 70 uitgenodigde collegae), Dc laatste avond
bedroeg dit aantal door een organisatorische fout 25. De voordrachten gaven in het
algemeen aanleiding tot levendige discussies. Toch meenden enkele collegae dat door
het dusver gevolgde systeem (2 voordrachten op een avond) het gevaar dreigt, dat
de discussies niet voldoende tot hun recht komen. .Anderzijds lijkt het redelijk te
veronderstellen dat 2 voordrachten over volkomen uiteenlopende onderwerpen, gezien
ook de samenstelling van het publiek een hoger „rendement" hebben, d,w,z, meer
mensen bereiken.

Enkele collegae deden een voorstel om een bepaald thema, b,v. een bepaalde ziekte,
van verschillende zijden te laten belichten - - een soort symposium dus—. Een dergelijk
symposium heeft zeker aantrekkelijke kanten. Daarom is „varkenspest" als centraal
thema gekozen voor onze 3e discussieavond (zie onderstaand programma).
De directeuren van de verschillende instituten, die ons in het vori,ge seizoen gast-
vrijheid verleend hebben, waren zo vriendelijk dit weer te doen.
De avonden beginnen om 20.00 uur en eindigen om 22.30 uur.

Programma.

Dinsdag, 11 oktober 1966, Antoni van Leeuwenhoekhuis, Sarphatistraat 108, Amster-
dam Oost.

le Onderwerp: Over mammacarcinonien bij mens en hond.

Spreker: Dr. W. Misdorp, Antoni van Leeuwenhoekhuis te .Amsterdam.
2e Onderwerp: Bloedonderzoek bij Nederlandse slachtrunderen.

(In verband met het leukose onderzoek).
Spreker: Drs. G, P, Meyer, Abattoir te .Amsterdam,

Dinsdag, 13 december 1966, Abattoir Veelaan, .Amsterdam Oost,
le Onderwerp: Over bronstsynchronisatie.

Spreker: Drs. H. de Vries, Philips-Duphar, Weesp.
2c Onderwerp: Over intracellulaire regulatiemechanismen.

Spreker: Drs. M. J. G. Schoenmakers, Abattoir te Amsterdam.

Dinsdag, 14 februari 1967, Laboratorium Bloedtransfusiedienst van het Nederlandse
Rode Kruis, Plesmanlaan 125, Amsterdam Slotervaart.
Onderwerp: Varkenspest.

Sprekers: Dr. A. J. G, van \'t Hoof t. Veterinaire Inspectie Noord-Brabant,
Prof, Dr. A. R e s s a n g en Drs. P. H. B o o 1, Gentraal Dier-
geneeskundig Instituut te Amsterdam.

Dinsdag, 11 april 1967, Dierentuin Ards, Plantage Kerklaan 40, Amsterdam Oost.
I e Onderwerp: Een nieuwe methode van prostatectomie bij de hond.

Spreker: Dr. P. J. Veen, Chirurgische Afdeling Binnengasthuis te Am-
sterdam.

-ocr page 310-

2e Onderwerp: Vivisectie mede in verband met de wetgeving op dit gebied.

Spreker: Dr. J. G a j e n t a a n, Abattoir te Amsterdam.

\\\'AN DE AFDELIXGE.N.
Afdeling Zuid-Holland.

De Afdeling Zuid-Holland organiseert op 2 september a.s. om 20.30 uur in het
Croothandelsgebouw te Rotterdam een ledenvergadering.

Afdeling Zuid-Holland.
Kort verslag
van de ledenvergadering, gehouden op 24 februari 1966.
■Aanwezig zijn 21 leden.

Om 20.45 uur opent de voorzitter dc vergadering.
De notulen worden na een kleine aanvulling goedgekeurd.

Nadat de secretaris de ingekomen en uitgaande post heeft vermeld, ontwikkelt zich
een discussie over ingekomen brieven zowel van het Hoofdbestuur als van collega
Grootenhuis, beide over hetzelfde onderwerp, nl. de wenselijkheid om te komen
tot de oprichting van een Groep van Grote Huisdierrnpractici. Aan de discussie
wordt deelgenomen door de collegae: Schuiling, Kruyne, Kruyt, Kla-
renbeek. Commandeur, Talmon, Zuijdam en v. Harten.
Besloten wordt onder de practici te peilen hoe de behoefte ligt.
Het jaarverslag van het secretariaat wordt goedgekeurd.

De fiscus wijst bij zijn jaarverslag op een groot aantal wanbetalers. Besloten wordt,
dat deze een nota zullen krijgen, vergezeld van een begeleidend schrijven.
Het verslag van de kascommissie wordt aangehouden.

Met algemene stemmen worden de collegae R. F. P. M. Q u a d v 1 i e g en G. V a s s
als nieuw lid geïnstalleerd.

Collega S c h u i 1 i n g wordt aangezocht cn bereid .gevonden, toe te treden als lid
van de vestigingscommissie.

Collega S. van Harten houdt vervolgens een inleiding over de werkwijze van
de Paritaire Tarievencommissie. Hij behandelt hierbij de historische groei, samen-
stelling en werkwijze.

•Aan de discussie wordt deelgenomen door de collegae: v. d. Wal, P e r r e, Zuij-
dam, Witteveen, Wagner, Blok, Talmon, Commandeur en
Kruyne.

Voorzitter dankt de spreker cn geeft als zijn mening, dat de belangen van de grote
huisdicrcnpracdci door de commissie goed worden behartigd.

Tijdens dc rondvraag bepleit collega Vermeulen een grotere saamhorigheid
in de afdeling Zuid-Holland en vraagt meer stijl bij de installatie van nieuwe leden.
De voorzitter sluit de vergadering om 24.00 uur.

ƒ. Boom, secretaris.

Kort verslag van de ledenvergadering, gehouden op 27 mei 1966.
■Aanwezig zijn 28 leden en dc gastspreker, collega Dr. E. H. Kampelmacher.
Dc voorzitter opent de vergadering. Het spijt hem, dat geen gasten van de afdelingen
Zeeland en Noord-Brabant aanwezig zijn.

Bij de ingekomen stukken is o.a. aanwezig een verhandeling door collega Dr. R. E.
de Maar getiteld: „De toekomst van de dierenarts, vrije beroepsuitoefenaar, in de
grote steden". Het bestuur besteed hieraan zijn aandacht.

Goede wensen gin.gen uit naar de collegae: Boogaerdt, Goedblocd en
Hoedemaker.

De voorzitter doet mededelingen over de boottocht met de oudere collegae, welke op
2 juni zal plaatsvinden.

Naar het Hoofdbestuur zal een schrijven uitgaan, teneinde een modus te vinden voor
verlenging van het mandaat van collega H e e g.
Het verslag van de kascommissie wordt aan,gehouden.

De voorzitter brengt verslag uit van de vergadering van het ■Algemeen Bestuur op 22
april.

-ocr page 311-

Collega Bloem heeft zich bereid verklaard opnieuw op tc treden als adviserend lid
van dc Provinciale Commissie van Toezicht op de K.I.

Met algemene stemmen worden als nieuw lid geïnstalleerd de collegae: P. v. d. E ij k,
H. J. A. J. Heuthorst en A. P. W ij g e r g a n g s.

Collega Dr. E. H. Kampelmacher houdt zijn inleiding Gedachten over de
toekomst van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Hij schetst dc huidige situatie en .geeft zijn opvattingen, hoe hierin verbeteringen tc
brengen. Het gaat hem niet zo zeer om dc inleiding, dan wel om de discussie op
gang tc brengen. De diverse specialismen moeten in maatschappijverband tot hun
recht komen. We moeten onder alle omstandigheden een eenheid handhaven, doch
dit kan slcchts indien we nieuwe wegen bewandelen.

Aan de discussie wordt deelgenomen door de collegae: v. d. Velden, Z u ij d a m.
Peters, Grootenhuis, Karsemeijer, Commandeur, Schuiling,
Kruyt, Vermeulen, Talmon, v. Schaik en v. Keulen.
De Groepen zullen een belangrijker rol moeten gaan spelen. Ze zullen met stemrecht
in het .Algemeen Bestuur hun invloed uit moeten oefenen, naast de afgevaardigden
van de Afdelingen. Het Hoofdbestuur zal zich in alle zaken voor moeten laten lichten
door het .Algemeen Bestuur en de taak van de Algemeen Voorzitter zal moeten worden
verlicht door aan all round secretariaat.

De voorzitter dankt spreker. De Afdeling deelt diens bezorgdheid en beiden willen in
feite hetzelfde: het Hoofdbestuur steunen.

Tijdens de rondvraag attendeert collega Peters op ccn onwaardig uitgeschreven
verklaring van koopvernietigend gebrek, en vraagt hoe in zo\'n geval tegen de be-
treffende collega op te treden. Het bestuur zal zich beraden.
De voorzitter sluit tegen het middernachtelijk uur de vergadering.

]. Boom, secretaris.

JAARVERSLAG 1965.

Tijdens dc vergadering van 26 februari werd onze secretaris, collega R. V. Bruck-
wilder, die zijn functie moest neerleggen t.g.v. zijn benoeming te Enschede, door
de voorzitter uitgeluid en dankgezegd voor zijn actieve en enthousiaste medewerking.
Ondergetekende werd waardig geacht, hem in deze functie op te volgen.
Penningmeester collega F. P. Talmon legde zijn functie neer tijdens de vergadering
van 17 dcccmbcr; hij werd bedankt voor de consentieuze wijze waarop hij de financiën
had beheerd; collega D. A. v. Langeraad werd bereid gevonden zijn werk over
tc nemen.

Collega Jac. Velde, oud-directeur van het slachthuis te Naaldwijk, ontviel ons op
31 maart.

4 leden bedankten als lid van onze afdeling, te weten de collegae: D. v. d. A k k e r
(vertrek), R. V. Bruck wilder (vertrek), Dr. L. F. D. E. L o u r e n s (leeftijd)
cn Dr. M. v. Zwicten. Hernieuwd trad toe collega Dr. D. M. Z u ij d a m.
Het ledenaantal bedraagt nu 129.

De collegae: G. C. de Boer, Dr. C. G r o o t c n h u i s en Dr. R. E. de Maar
jubileerden. Een bijzondere verjaardag vierde collega K. de Vink (90 jaar).
Geridderd werden de collegae: .N. .A. Commandeur, K. Hofstra en W.
Wagenvoort; collega J. H. Hoogendoorn trad in het huwelijk.
De afdeling vergaderde 4 maal in het Groothandclsgebouw te Rotterdam.

26 februari: jaarvergadering met dc verschillende jaarverslagen, secretariaats-
wisseling en voordracht door collega Commandeur over oude gebruiken bij
veeziekten in het Rijnland, gevolgd door een film, gepresenteerd door collega
V. W ij h e. Een en ander verwekte levendige reacties uit de vergadering. Aan-
wezig waren 29 leden.

20 mei: voordracht door collega Dr. W. B. v. d. Burg over de verantwoorde-
lijkheid van de dierenarts t.a.v. de antibioticawet. Tijdens de discussie werd de
waardering uitgesproken over het realistische standpunt, dat spreker in deze
innam. Aanwezig waren 22 leden.

-ocr page 312-

2 september: behandeld werd de beschrijvingsbrief van de Algemene Vergadering
met de daaraan verbonden stemmingen. Als afgevaardigden werden benoemd de
collegae K. G. v. d. W a 1 en
J. H. d e B o e r. Aanwezig waren 25 leden.
17 december: verslagen werden uit.gebracht van de Algemene Vergadering en van
de vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Een nieuwe fiscus werd gekozen en
Ir. G. N. D a n h o f hield een voordracht over
de planologische ontwikkeling
en het
bodemgebruik. Naast veel cijfers, waarmee wc niet helemaal raad wisten,
verkregen we een inzicht in de grote lijnen waarlangs deze ontwikkeling zich zal
voltrekken. Deze voordracht werd bijgewoond door een aantal uitgenodigde
landbouwingenieurs. Aanwezig waren 19 leden.
Uit bovengenoemde cijfers blijkt, dat het bezoek aan de vergaderingen dit jaar minder
was dan in 1964. Wanneer we de presentielijsten doorzien, komen we daar steeds
dezelfde handtekeningen tegen. Dat de enige activiteit welke driekwart(!) van onze
leden weet op te brengen uitsluitend bestaat uit het betalen van hun contributie,
verdriet het bestuur in hoge mate.

„Wegblijvers" mogen bedenken, dat kritiek op onze Maatschappij alleen dan effectief
kan zijn, indien zij hun stem verheffen tijdens de manifestaties van die Maatscha])pij.
Iedere agenda bevat een rondvraag.

Een enquête werd verzonden onder dc dierenartsen, woonachtig in de Provincie
Zuid-Holland, afgestudeerd in 1925 of eerder, teneinde te informeren of behoefte
bestaat aan een samenkomst. De reacties zijn dusdanig, dat het bestuur zal trachten,
dit voorjaar een samenkomst te organiseren.

Het nieuwe Huishoudelijk Reglement verscheen in druk cn werd aan alle leden
toegezonden.

Het bestuur kwam bijeen ter voorbereiding van de afdelingsvergaderingen en ter
bespreking van de agenda voor de vergaderingen van het Algemeen Bestuur. Aan
de .\'\\lgemecn Secretaris is verzocht, in het vervolg deze agenda dusdanig vroeg tc
verzenden, dat bespreking niet alleen in het bestuur, doch ook tijdens de afdelings-
vergadering kan plaatsvinden.

.»Vis contactcommissie kwam het bestuur met dc Directeur van de Gezondheidsdienst
bijeen, die ons 3 maal in Gouda en 1 maal in Rotterdam gastvrijheid verleende.
Punt van bespreking vormden o.a. dc nieuwe E.E.G.-bepalingen inzake de export en
dc tarieven voor de massabestrijding.

Op aandringen van de Gezondheidsdienst voor Pluimvee werd ccn instructieavond
„Pullorum" georganiseerd.

De provinciale vestigingscommissie kwam bijeen teneinde de toewijzingen van studen-
tenhulp tijdens de massabestrijding te bespreken.

Uw huidige secretaris werd dit jaar geconfronteerd met zaken welke hem na ruim
10 jaar kleine huisdierenpraktijk öf onbekend óf weinig actueel voorkwamen; het is
hem een behoefte op deze plaats zijn dank uit te spreken in het bijzonder tegenover
zijn medebestuursleden die het hem mogelijk maakten wat meer inzicht tc krijgen
in de algemene problematiek van dc Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

]. Boom, secretaris.

Afdeling Noord-Brabant.

Op woensdag 21 september vindt er een algemene ledenvergadering plaats van de
•Afdeling Noord-Brabant in
Hotel Modern, Heuvelring 100 te Tilburg. Aanvang acht
uur.
Spreker: Prof. H. van Genderen over het onderwerp: Nevenwerkingen van
bestrijdingsmiddelen.

VAN DE GROEPEN.

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

Op zaterdag 17 september zal de groep een ledenvergadering houden.

JAARVERSLAG 1965.

Van dc leden.

Gedurende 1965 traden 21 nieuwe leden toe, 6 leden bedankten voor het lidmaat-
1128

-ocr page 313-

schap, 4 leden konden hun lidmaatschap niet verlengen, daar ze geen lid van de

Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde waren en dit ook niet wensten te

worden, collega J. H. Heek ontviel ons door de dood.

.■ï ledenvergaderingen werden gehouden, te weten:

71e ledenvergadering, tevens jaarvergadering op 6 februari 1965.

De voorzitter sprak zijn jaarrede uit en het wetenschappelijk gedeelte werd gewijd

aan dc vergelijkende pathologie van het mamma-carcinoom bij mens, hond en kat.

Sprekers: Prof. Dr. J. F. Hampe (arts) en collega Dr. W. Misdorp. Aantal

aanwezigen: 38 (inclusief 7 medici).

72e ledenvergadering op 8 mei 1965.

Prof. Dr. G. H. B. Teunissen geeft een toelichting op het Honden- en Katten-
besluit. Aantal aanwezigen: 38.
73e ledenvergadering op 12 juni 1965.

Collega F. J. Meutstege houdt een causerie met bijzonder fraaie dia\'s over de
chirurgische behandeling van de otitis externa bij de hond. Aantal aanwezigen: 35.
74e ledenvergadering op 25 september 1965.

•Als onderwerp voor deze middag geldt de verhouding tussen de kynologie en de
dierenarts, en omgekeerd.

Sprekers: Dr. J. Oskam, secretaris van dc Raad van Beheer en collega N. A.
van d c r V e 1 d e n. Aantal aanwezigen: 37.
75e ledenvergadering op 20 november 1965.

Tijdens het huishoudelijk gedeelte deed zich het unicum voor, dat er meer leden
achter de bestuurstafel zaten dan ervoor. Oorzaak was de uitzonderlijke gladheid op
de wegen. Penningmeester heeft deze situatie niet misbruikt om de contributie drastisch
te verhogen.

Het wetenschappelijk gedeelte werd verzorgd door Hoechst-Behringwerke.
Sprekers: Dr. R. Barth (H.C.C.) en Dr. H. G. Schröder (Glucocorticoïden).
Aantal aanwezigen: 18.

Van het bestuur.

Gedurende 1965 werden acht bestuursvergaderingen gehouden en wel op 21 januari,
25 februari, 8 april, 18 mei, 1 juli, 8 oktober, 10 november en 20 december.
Tevens kwam het bestuur bijeen een uur voor elke ledenvergadering.
Door de voorzitter werden in zijn functie van afgevaardigde van de Groep dc ver-
gaderingen van het Algemeen Bestuur bijgewoond.

De voorzitter bezocht het WS.AV.A-.AAHA congres te Washington en deed hiervan
verslag tijdens de 72e ledenvergadering.

De voorzitter is aangezocht door het Hoofdbestuur teneinde op te treden als coör-
dinator in publiciteitsaangelegenheden.

De voorzitter was ook dit jaar actief betrokken bij de Werkgroep Minimumeisen en
specialisatie, waarvan hij het eindrapport zeer binnenkort ter tafel zal brengen.
Penningmeester behield zijn functie als lid van de Tarievencommissie van dc Kon.
.Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde en wist daar met succes enige voorstellen
te verdedigen.

Het Huishoudelijk Reglement van de Groep verscheen in druk na definitieve goed-
keuring door het Hoofdbestuur en werd aan alle leden toegezonden.
Van het secretariaat.

Na jarenlang zijn beste krachten aan het welzijn van de Groep te hebben gewijd
zag secretaris Thalheimer zich genoodzaakt zich als bestuurslid terug te trekken.
De voorzitter vertolkte de gevoelens van het gehele bestuur, toen hij sprak van
„gevoelens van lichte weemoed" bij dit afscheid.

De 2e secretaris Boom, niet geheel vreemd aan de problemen van het secretariaat,
volgde hem op en diens taak werd overgenomen door collega P. H.
A. Pol 1, die
hiermee van harte welkom werd geheten achter de bestuurstafel.
Ingekomen gedurende 1965 zijn 95 brieven en uitgegaan 128, daarbij gevoegd ruim
1000 convocaties voor ledenvergaderingen en bestuursvergaderingen en het verzorgen

-ocr page 314-

van notulen en verslagen is het secretariaat uitgegroeid tot een verdienstelijke vrije-
tijdsbesteding.

De secretaris meent echter, dat het met de actieve medewerking van de 2e secretaris
Poll en ons bestuurslid Zwart „waarachtig wel zal gaan".

ƒ. Boom, secretaris.

Groep Pluimveewetenschappen.

De leden van de groep Pluimveewetenschappen worden door Eli Lilly International
Corporation uitgenodigd op
16 september a.s. als gast aanwezig te zijn bij een sym-
posium betreffende:

Nieuwste ontwikkelingen in de pluimveehouderij en de ziektebestrijding.
Sprekers zullen zijn:

Dr. S a i n s b u r y, de bekende huisvestingsspecialist uit Cambridge.

Collega V. d. Heide, die zo juist is teruggekeerd uit de Verenigde Staten, over:

„Moderne ontwikkelingen in de pluimveevoorlichting in Amerika";
Dr. F u s s e 1 1 over „Modern methods for the control of CRD".

ACTUALITEITEN

Benoeming Dr. W. A. de Voogd van der Straaten.

Onlangs werd Dr. W. A. de Voogd van der
Straaten benoemd tot gewoon hoogleraar in de
faculteit der Diergeneeskunde om onderwijs tc geven
in de cytologie, de histologie en microscopische anato-
mie. Professor de Voogd is hiermede aangewezen
als opvolger van Professor Bretschneider, die
vorig jaar plotseling is overleden.
De Heer de Voogd van der Straaten werd
op 22 januari 1922 te Nieuwenhoorn geboren. Na het
behalen van het einddiploma H.B.S. werd hij in 1941
ingeschreven als student in de medicijnen aan de Uni-
versiteit te Utrecht. In 1952 deed hij het doctoraal-
examen en in 1954 werd hij, nog vóór zijn artsexamen,
benoemd tot assistent van Prof. Dr. P. J. G a i 1 1 a r d,
hoofd van het Laboratorium voor Experimentele his-
tologie en cytologie der Rijksuniversiteit te Leiden, waarna in 1955 het artsexamen
werd afgelegd.

Inmiddels was onder leiding van Prof. G a i 1 1 a r d een onderzoek op gang gekomen,
dat resulteerde m het tot stand komen van een proefschrift. In 1958 promoveerde de
Heer de Voogd van der Straaten cum laude tot doctor in de geneeskunde
op het proefschrift, getiteld: „Over de .gevoeligheid van phagocytercnde granulocyten
voor geslachtshormonen.

Na de promotic werd Dr. de Voogd van der Straaten opgenomen in een
werkgroep, belast met het onderzoek van dc cellulaire en subcellulaire aspecten van
de werking van bijschildklierhormoon op beenweefsel, waarbij hij vooral het tracer-
werk voor zijn rekening nam. Hiervoor doorliep hij een algemene leergang aan de
U.K.A.E.A. isotope school te Wantage in Engeland, ressorterend onder het atoom-
centrum Harwell.

Bij deze opleiding werden naast verschillende theoretische onderwerpen op het gebied
van de kernfysica ook laboratoriumtechnieken, meettechnieken enz. behandeld.
Van 1960 is Dr. de Voogd van der Straaten naast zijn wetenschappelijk
werk met het onderwijs belast geweest. Aanvankelijk als leider van het practicum
cytologie en histologie, later in 1963 als docent, waar hij college gaf in de histologie
en celbiologie. Daarnaast was hij docent van een tweetal internationale weefselkweek-
cursussen.

-ocr page 315-

Gevraagd naar zijn plannen voor de toekomst vertelde Prof. de Voogd van der
S t r a a t e n dat bij het onderwijs in de cytologie meer de nadruk zal worden gelegd
op dc moleculair biologische achtergronden, terwijl de histologie, meer in samenhang
met de cytologie, tot voorportaal gaat dienen voor dc studie van de microscopische
anatomie.

Wat betreft de research hoopt Prof. dc Voogd van der Straaten een begin
te maken met de studie van celdifferentiatie in weefsels, waarbij vooral de regeneratie
van epitheel dc aandacht zal krijgen. Daarbij zal autoradiografisch onderzoek ge-
combineerd worden met elektronen-microscopisch onderzoek. De weefselkweek zal bij
dc bestudering van de cclontwikkcling ccn belangrijke plaats innemen.

PERSONALI.A

Het Hoofdbestuur heeft als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergenees-
kunde aangenomen de collegae:

F. J. J. Crcmers, \'t Zandt 21, Boxmeer.
L. Dijkhuis, Stadhouderslaan 7, Utrecht.
M. P. Moons, Oude Doetinchemseweg 5 F, Zeddam.
C. P. M. Ooms, Zandstraat 105, Bergen op Zoom.
Het Hoofdbestuur draagt voor het lidmaatschap van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde voor collega:

A. B. M. van der Steen, Houtgoorstraat 7 te Chaam.

Adreswijzigingen e.d.:

Boer, J. P. de, van Den Helder naar .Ashburton (New Zealand), 16 Reid Crescent.

(van 166 naar 232)

Droppers, J, A., van Utrecht naar Bedum, Botcrdicp Z.Z. 5, tel. (05901) 28 84, P.,
ass. bij S. G. J. Postma. (174)

Dijk, P. van, Twello, tel. gew. in (05701) 11 14 (privé), 18 05 (bur.). (174)

Hellemond, K. K. van, van Bilthoven naar Wageningen, Sleedoornplantsoen 5, tel.
(08370) 40 41 (privé), 33 52 (bur.), gr. 202940, wetensch. medcw. Inst. v.
Landbouwk. Onderzoek v. Bioch. Produkten te Wageningen. (183)

Hoeve, K. van, Tororo (Uganda), verlofadres m.i.v. l-9-\'66 \'s-Gravenhage, Händel-
laan 38. (233)

\'l\'liuring, J. W. (!. M., Maiduguri (North Nigeria), verlofadres m.i.v. l-9-\'66 Ulven-
hout, Jachdaan 13. (234)

Tulncr, P. R., Gorredijk, naar de Leyen 11 aldaar, tel. (05133) 17 40, P., geass.

met W. van Dijk en G. Siebinga. (220)

Vervoorn, C. G., van Paramaribo naar Utrecht, Tosltecgplantsoen 39 lil.

(van 231 naar 222)

Vos-Maas, Mevr. M. G., Bilthoven, naar Overboslaan 43 aldaar. (224)

Wijk, N. van, van Brakel naar Maasland, Kon. Julianaweg 184, tel. (01899) 44 70,
P., ass. bij C. van der Most te Vlaardingen. (229)

Zeeuwen, A. A. P. A., van Goor naar Tegelen, Gasthuisstraat 26. (230)

Ze,gers, L., van Tijnje naar Paterswolde, Boterdijk 13, tel. (05907) 22 47 (privé),
(05900) 2 31 41 (bur.), adj. dir. ab., R.K., (bz.d.). (230)

-ocr page 316-

MASTIDOL onderdrukt op zichzelf de melkgift niet,
maar beschermt de uier tegen infecties

MASTIDOL heeft een speciaal samengestelde basis,
waardoor de antibacteriële stoffen zeer lange
tijd in een werkzame concentratie in de uier
aanwezig blijven (gemiddeld 3 a 4 weken)

MASTIDOL wordt geleverd in dozen è 4 injectors.

VOOR
HET

DROOGZETTEN
VAN

RUNDEREN

LABORATORIA NOBILIS - VERAPHARM

TEL. 05220 -17 45 MEPPEL

-ocr page 317-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

P. H. Bool en Ä. A. Ressang, Varkenspestdiagnosüek met behulp
van de ETV-, END- en de immunofluorescentietechnieken —
The diagnosis of hog cholera by ETV-, END- and Fluorescent
Antibody Techniques —

ƒ De „Exaltation Teschen Virus" en de „Exaltation Newcastle
Disease Virus"-technieken — I The „Exaltation Teschen Virus"
and the „Exaltation Newcastle Disease Virus"-techniques
— 1133
A. A. Ressang en P. H. Bool, II De Immunofluorescentietech-
niek — II The Fluorescent Antibody Technique
— . . . 1148
P. H. Bool en A. A. Ressang, III Het onderzoek van praktijk-
materiaal op de aanwezigheid van varkenspestvirus met de IF-,
ETV- en END-technieken — The examination of field samples
for the presence of Hog Cholera virus by the FA-, ETN- and
END-techniques
—...........1164

REFERATEN

Algemeen.............1177

Bacteriële- en virusziekten.........1178

Heelkunde.............1178

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....1178

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit......1179

Zootechniek.............1180

BOEKBESPREKING

F. H. Bouquet, Bloedgroepenonderzoek op Belgische rundvee-
populaties
.............1180

Publikaties van het Ministerie van Landbouw en Visserij, Vee-
houderij
..............1181

William G. Magrane, Canine Ophtal mology.....1182

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Welke oorzaken kunnen bij de merrie aanleiding geven tot

onvruchtbaarheid? II..........1184

Rundgespräch Leukoseforschung........1185

Derde Veterinaire Ruiterdag.........1185

MEDEDELINGEN

Van de Faculteit der Diergeneeskunde......1186

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1186

VARIA...............1147, 1183

DOORLOPENDE AGENDA............1192

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau............1193

Van de Afdelingen...........1193

Actualiteiten............1193

Personalia.............1194

VETERINAIRE STUDENTEN RIJVERENIGING......1195

-ocr page 318-

MINTIC 1% in drinkwater is 100% WERKZAAM tegen Capillaria obsignata
(draadworm) bij kuikens. (J. Hendriks, C.D.I. Rotterdam, Tijdschrift voor
Diergeneeskunde, deel 88, afl. 7, 1963).

Bovendien werkzaam bij Capillaria-infecties bij postduiven, kalkoenen en
fazanten. Bij laatstgenoemde diersoort ook bij Syngamus trachea (gaap-
worm).

\'MINTIC\' voor orale toediening verkrijgbaar in flacons met
570 ml en 2,27 liter.
^^^^^^^^ uitsluitend via de dierenarts

I.C.I. (HOLLAND) N.V.

Postbus 551
Rotterdam-1
telefoon 010-140122

-ocr page 319-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Varkenspestdiagnostiek met behulp van de ETV-,
END- en de immunofluoreseentieteehnieken

The diagnosis of hog cholera by ETV-, END- and
Fluorescent Antibody techniques

1. De „Exaltation Teschen Virus" en de „Exaltation Newcastle
Disease Virus" — technieken.

I. The „Exaltation Teschen Virus" and the
„Exaltation Newcastle Disease Virus" techniques

door P. H. BOOL en A. A. RESSANG1)

Inleiding.

Een uitbreiding van de mogelijkheden om de klassieke varkenspest te
diagnosticeren en van de Afrikaanse varkenspest te differentiëren, betekent
een belangrijke aanwinst voor de dierziektenbestrijding. Deze diagnose
steunde immers tot voor kort op de anamnese, op de klinische waar-
nemingen en op het pathologisch-anatomisch onderzoek, terwijl voor het
aantonen van hel specifieke agens als enige betrouwbare methode de experi-
mentele infectie van gevoelige varkens ten dienste stond. De resultaten van
de besmettingsproef kunnen dan de reeds op het bedrijf verkregen klinische
en pathologisch-anatomische gegevens aanvullen. In feite heeft deze proef
echter alleen een specifieke betekenis, indien varkenspesthyperimmuun-
serum het verdachte agens blijkt te neutraliseren.

Zijn de praktijkbevindingen niet in overeenstemming met de uitslag van
het postmortaal onderzoek, dan is het aantonen van het virus of van een
titerstijging der antilichamen noodzakelijk voor het stellen van de diagnose.
Dit kan zich vooral bij peracute of chronische gevallen van varkenspest
voordoen, waarbij de pathologisch-anatomische en histologisehe onder-
zoekingen geheel negatief kunnen uitvallen.

Onder deze omstandigheden is er een reële behoefte aan laboratorium-
technieken welke specifiek en gevoelig virus en antilichamen van de klas-
sieke varkenspest kunnen aantonen. In de loop der jaren zijn tal van pro-
cedures als geschikt beschreven, enkele hebben slechts een kritische waar-
dering overleefd. Toch kan thans, afhankelijk van de doelstelling en van het
te onderzoeken materiaal, een keuze worden gemaakt uit enkele bruikbare
technieken. Daarbij is voor het aantonen van het antigeen de kwantiteit een
factor van beslissende betekenis. Is weinig smetstof in het monster te ver-
wachten, dan zijn vooral die methodieken bruikbaar, waarbij het virus zich
in het proefsysteem kan vermenigvuldigen. Biedt daarentegen de gebruikte
techniek deze mogelijkheid tot vermeerdering niet, dan zal het agens uit-
sluitend kunnen worden aangetoond, indien het in een relatief hoge con-
centratie aanwezig is. Deze hoge virusconcentraties worden echter alleen
tijdens een korte ziektefase bereikt. Zo levert bijvoorbeeld de directe he-
magglutinatie (Szent Ivanyi, 1952; Goret en Fontaine, 1961)
alleen positieve resultaten indien erytrocyten van de zesde of zevende ziekte-
dag worden gebruikt.

1  Drs. P. H. Bool en Prof. Dr. A. A. Ressang; Centraal Diergeneeskundig Insdtuut,
afd. Amsterdam; Grote Kattenburgerstraat 7.

-ocr page 320-

Ook het materiaal nodig voor een positieve complementbindingsreactie, in
de modificatie zoals door Boulanger e.a. (1965) beschreven, dient af-
komstig te zijn van varkens, welke in een bepaald ziektestadium verkeren.
Voor de precipitatie in agargel geldt eveneens een soortgelijke beperking,
waarbij bovendien voor verschillende ondei-zoekers de specificiteit \\an de
precipitatielijn bij gebruik van antigeen uit organen nog steeds een om-
streden vraag is (P i r 11 e, 1963).

Uit eigen ervaring kan worden gesteld, dat met andere technieken, waarbij
geen virusvermeerdering plaats vindt, zoals de conglutinatie (E n g 1 e-
hard en Millian, 1964) en de indirecte hemagglutinatie met gefor-
maliniseerde erytrocyten waaraan antilichamen zijn gekoppeld (S e g r e,
1962), geen specifieke reacties konden worden verkregen.
Een andere methodiek, welke het antigeen eveneens direct in de organen
aantoont, is de immunofluorescentietechniek toegepast op weefselcoupes.

Het zijn echter vooral de celcultuuitechnieken, welke in de laatste jaren
nieuwe diagnostische mogelijkheden hebben gebracht. Sedert de onder-
zoekingen van Hecke (1932), hebben een aantal auteurs (K u b i n,
1964) aangetoond, dat het varkenspestvirus zich in vitro in verschillende
celsystemen vermeerdert. Aangezien bij deze ontwikkeling echter een
cytopathogeen effect (CPE) ontbreekt — of gering is en alleen met spe-
ciale hulpmiddelen kan worden waargenomen (Gustafson en Pome-
rat, 1957) — leveren deze cultures geen directe aanwijzingen voor de aan-
wezigheid van de smetstof. Een uitzondering hierop vormt de Cornell-
stam van Gillespie e.a. (1960). Dit virus geeft namelijk duidelijke ver-
anderingen in varkensniercellen, zodat het na 1960 mogelijk werd neu-
traliserende varkenspestantilichamen in vitro kwantitatief te bepalen. Met
de Comell-stam is ook in ons land een ruime experimentele ervaring opge-
daan (Van Bekkum, 1966).

Voorts publiceerden Mayr en Mahnel (1964) onlangs gegevens, ver-
kregen met zes varkenspeststammen, waaronder een uit varkens geïsoleerd,
gelapiniseerd virus. Na 6-10 passages door varkensniercellen werden met
alle zes isolaten celafwijkingen verkregen.

Tenslotte moet als diagnostische kweekmethode het werk van S e g r e
(1964) worden genoemd. Varkenspestvirus ontwikkelt zich hierbij in cel-
len bij een hoge zuurstofconcentrade en een verhoogde druk. De be-
vindingen van S e g r e, dat onder deze omstandigheden het virus een CPE
in varkenstestis- en varkensniercellen zou geven, hebben wij echter niet
kunnen bevestigen.

Naast deze methodieken zijn er mogelijkheden om varkenspestvirus in de
celcultuur langs indirecte weg aan te tonen. Te dien einde kunnen ge-
merkte antistoffen aan de kweek worden toegevoegd, zoals in de fluores-
centietechniek gebruikelijk is (zie het volgende artikel TI).
Volgens een geheel ander principe kan een indirecte test worden uitge-
voerd door de reeds met varkenspestvirus besmette cultures na enkele dagen
met een ander virus te infecteren. De reacties van het celsysteem op deze
superinfectie leveren dan de indicatie voor de aanwezigheid van het var-
kenspestvirus. Het zijn vooral twee groepen Japanse onderzoekers geweest,
die deze techniek hebben ontwikkeld. Beiden gebruiken pseudovogelpest-
virus als indicator. K u m a g a i e.a. (1958, 1961) werken met varkenstestis-
cellen en met de Miyadera NCD-stam, daarbij sprekend van de END-

-ocr page 321-

techniek („Exaltation of Newcastle Disease Virus"). Nishimura e.a.
(1962) kweken daarentegen varkenspestvirus in varkensniercellen, gebrui-
ken voor de superinfectie de Sato NCD-stam en beschrijven deze combinatie
als de HElC-methode („Haemagglutination exaltation inhibition CPE").
Beide technieken bieden tevens de mogelijkheid antistoffen tegen het var-
kenspestvirus kwantitatief te bepalen.

Dat ook andere virussen als indicator kunnen dienen, hebben de onder-
zoekingen van Kubin (1962) aangetoond, waarbij Teschenvirus werd
gebruikt. In analogie met de vorige omschrijvingen, kan van de ETV-
techniek worden gesproken („Exaltation of Teschenvirus").
Ook de ontwikkeling van influenzavirus wordt in een cultuur van varkens-
niercellen door varkenspestvirus beïnvloed, zoals Janowska (1960) voor
influenza A2, stam L heeft beschreven.

M a t e V a (1964) vond in cultures van varkensniercellen geen invloed van
varkenspestvirus op bepaalde stammen van pseudovogelpest-, poliomyelitis-,
para-influenza-, influenza- en mond- en klauwzeer-virus.
Het is niet onmogelijk, dat bij de reeds genoemde resultaten van M a y r en
Mahnel (1964) eveneens een indicatorvirus een rol speeh. Elektronen-
foto\'s van het geconcentreerde medium van de varkenspestcultuur, ont-
hulden namelijk de aanwezigheid van een tweede agens, dat de morfo-
logische eigenschappen van een adenovirus bezat (Mayr, 1965).

Worden als indicator het L-influenza- of het Sato NCD-virus op varkens-
niercellen gebruikt, dan is er sprake van een interferentie met varkenspest-
virus en blijft de normaal door het indicaton/irus veroorzaakte celdegene-
ratie uit. De hemagglutinentiter van het Sato-virus is echter juist hoger dan
in de controle-cultures zonder varkenspest.

De ervaringen met in de praktijk voorkomende varkenspestvirusstammen in
de ETV- en END-tests zijn beperkt. Kubin onderzocht één virusstam, ter-
wijl de Japanse onderzoekers vrijwel steeds de virulente ALD-stam ge-
bruiken. Alleen Sasahara (1961) citeert gegevens van Kumagai,
waaruit blijkt dat uit 21 praktijkgevallen 15 virusisolaties door middel van
de END-test zijn verricht.

Zwakvirulente varkenspeststammen zouden, zelfs na cultuurpassages het
indicatorvirus niet beïnvloeden, zoals Nishimura e.a. (1962) voor de
Miyagi-stam hebben aangetoond. Ook Korn en Nishimura (1963)
publiceerden negatieve resultaten met enkele stammen in de END- en
HEIC-tests (zie het hierna volgende artikel III).

Materiaal en werkwijze
A. Celcultures

De cellen waren afkomstig van testikels, welke door castraties van 4 - 7
weken oude biggen werden verkregen. Na trypsinisatie en wassen werd één
volume celsediment geresuspendeerd in 200 volumina groeimedium. Dit
medium bestaat uit Hank\'s BSS, 0.5% lactalbumine hydrolysaat, 20% niet
geïnactiveerd kalverserum, phenolrood en antibiodca. Het kalverserum
dient vrij te zijn van antilichamen tegen virusdiarree, gezien de antigene
verwantschap die bestaat tussen de verwekkers van virusdiarree en varkens-
pest. Bovendien moet uit preliminaire proeven gebleken zijn, dat het kal-
verserum de groei van de testiscellen langdurig kan onderhouden.

-ocr page 322-

Geitesera werden eveneens geschikt bevonden, zoals reeds door Loan
en McCain is aangegeven (1963).

Na twee tot drie dagen incubatie bij 37° C in stationaire buizen, zijn de
cellen tot een aaneengesloten laag uitgegroeid. Eén tot twee dagen later
wordt, na wassen van de cellaag, het medium vervangen door runder-
amnionvloeistof en Eade\'s BSS in gelijke volumina met 0.5% lactalbumine
hydrolysaat, 20% niet geïnactiveerd kalverserum, phenolrood en antibiotica.
De celcultures werden eveneens in Roux-flessen aangelegd. Na enkele
dagen groei kunnen de cellen na trypsinisatie, in een concentrade van
1.10®/ml over nieuwe flessen of buizen worden verdeeld. Op deze wijze is
het mogelijk voor de virologische varkenspestdiagnosdek ook cellen van de
eerste en tweede passage te benutten.

B. Virus

Als referentie varkenspestvirus voor de besmetting der celcultures werd de
virulente BAI-stam gebruikt. Deze smetstof was zes tot acht maal door
varkenstestiscellen gepasseerd en vervolgens in kleine volumina inge-
vroren.

De experimentele infecties van varkens werden uitgevoerd met deze BAI-
stam en met bloed, afkomstig van varkens, welke waren besmet met de
virulente Bresciastam. Bij de virusisolatie uit organen van varkens werden
10% suspensies van orgaandelen in Hanks BSS gecentrifugeerd en het
bovenstaande met antibiotica als inoculum gebruikt.

Voorts werden in het onderzoek betrokken de Cornell-stam van G i 1-
1 es pie e.a. (1960) en drie gelapiniseerde varkenspestvirusstammen,
namelijk Swivax (Pitman-Moore), Suvac (Phylaxia, Boedapest) en het
A22-virus (I.F.F.A., Lyon). Het Suvac bevat een uit China afkomstig ge-
mitigeerd virus. De I.F.F.A./A22-stam is het SFA Hudson-virus, dat 504
passages door konijnen heeft ondergaan en vervolgens aan de celkweek
van konijnenieren is aangepasti) (Lang e.a. 1960).

Als indicatorvirus stonden een Teschenvirusstam^) en de pseudovogelpest
Miyaderastam ter beschikking. Het Teschenvirus werd gekweekt en ge-
titreerd op foetale varkensniercellen. De kweek van het NCD-virus ge-
schiedde in de allantoisholte van bebroede kippeëieren, de titraties daaren-
tegen werden op cultures van kuikefibrolasten verricht.
Alle virusmonsters werden bij -40° C bewaard.

C. Virusneutralisaties

De neutralisadeproeven van de varkenspestvirusstammen werden uitge-
voerd met een hyperimmuunserum, dat in de ETV-test 400 TCD50 van
het BAI-virus nog in een verdunning van 1/1000 neutraliseerde. Gelijke
volumina van de virussuspensie en van een 1/25 verdunning van het anti-
serum werden 60 minuten bij kamertemperatuur in het donker geïncu-
beerd. Van de experimenteel geïnfecteerde varkens werden de sera in de
neutralisadetest onderzocht ten opzichte van de cytopathogene Cornell-
stam.

Nous sommes Docteur C. Mackowiak très reconnaissants pour avoir mise la
souche de virus IFFA/A22 à notre disposition.

Wir sind Prof. Dr. G. K u b i n sehr dankbar für die Ueberlassung des Virus-
stammes.

-ocr page 323-

D. De ETV- en de END-test

Ten einde de diagnose varkenspest zo snel mogelijk te kunnen stellen,
wordt 1 ml celsuspensie direct bij het aanleggen gemengd met 0.1 ml van
het te onderzoeken materiaal. Bij deze werkwijze dient een 10% orgaan-
suspensie eerst vijfmaal te worden verdund, aangezien anders de toxische
werking van het inoculum een goede groei van de cellen verhindert. Wordt
daarentegen een reeds gegroeide cellaag geïnfecteerd, dan kan de 10%
suspensie worden benut, die na een incubatie van 60 minuten bij 37° C
wordt afgespoeld.

Het indicatorvirus, gesuspendeerd in het onderhoudsmedium, wordt op de
vierde tot zesde dag toegevoegd in een concentratie liggend tussen 20 en
200 TCD50 per ml voor het Teschenvirus en tussen 20 en 20.000 TCD50
per ml voor het NCD-virus.

Na besmetting van de cellen met het indicatorvirus worden de buizen
niet meer stationair gehouden maar bij 37° C geroteerd, aangezien bij
rotatie het CPE eerder optreedt en zich sneller uitbreidt dan bij stationair
incuberen. Na drie tot vier dagen is dan in de cultures met het varkens-
pestvirus én het Teschenvirus resp. het NCD-virus, een CPE waar te
nemen. Wordt het Teschenvirus gebruikt, dan vormen de cellen welke
uit het verband loslaten, zich afronden en als lensjes oplichten, een karak-
teristiek beeld. Bij de END-test daarentegen schrompelen de cellen ineen
en vervallen snel tot een granulaire massa. Deze voortschrijdende ver-
anderingen resulteren binnen één ä twee dagen in een totale destructie
van de cellaag.

Het ogenblik van superinfectie met het indicatorvirus moet afhankelijk
worden gesteld van de hoeveelheid en van de reproduktiesnelheid van het
varkenspestvirus. Uit groeicurves van het virus, bepaald met de ETV-test,
bleek, dat twee virulente stammen na vier dagen een maximale titer had-
den bereikt. Dit niveau bleef daarna, gedurende de periode van onderzoek
van acht dagen, behouden. De gevonden titer van het varkenspestvirus is
onafhankelijk, zowel van de hoeveelheid indicatorvirus binnen de reeds
genoemde grenzen, als van het aantal testiscellen. Variaties tussen de 1
en 4 miljoen vitale cellen per ml hadden geen invloed op het eindpunt van
de virustitratie.

Ten einde de zekerheid te verkrijgen, dat de celdegeneratie inderdaad be-
rust op de aanwezigheid van het varkenspestvirus, wordt van het ver-
dachte materiaal eveneens een monster onderzocht nadat dit geïncubeerd
is geweest met varkenspesthyperimmuunserum. Daarnaast worden enkele
buizen, welke het te onderzoeken materiaal en de cellen bevatten, niet met
het indicatorvirus besmet. Op deze wijze is de aanwezigheid van een
eventueel ander virus, dat mogelijk een CPE in varkenstestiscellen zou
kunnen geven, waar te nemen.

De controles bij deze test bestaan uit:

1. een titratie van het referentie varkenspestvirus, als indicatie voor de
gevoeligheid van het gebruikte systeem;

2. cellen, welke uitsluitend met de ook in de test gebruikte concentratie
van het Teschenvirus, resp. NCD-virus zijn geïnfecteerd.

3. niet geïnfecteerde cellen.

-ocr page 324-

Tabel 1.

Opstelling van de „Exaltation Teschen }\'irus -test".

12 3 i 5 6 7 8

Dagen
Dlys

Geneutraliseerd
V. pestvirus

Neutralized
H.C.Virus

Buizen
Tubes

Varkens
testiscellen

Pig
testis cells

l
l
l
t

Varkens-
pestvirus

H.C.virus

1,2, 3
i, 5, 6
7,8
9.10

Teschen-
virus

3*

i - 1 ^
- l : - ! -

Referentie

V. pestvirus

Reference

H.C.Virus

11

I

I

12

\'

I

13

I

lI

14

1

I

15

\'

I

16

I

I

17

I

I

18

\'

1

19

I

.1

20,21,22

-1-1-1-

23.24.25

Table 1.

Set up of the „Exaltation Teschen Virus - test".

Tabel 1 geeft een overzicht van deze opstelling; afbeelding 1 toont de
controlecellen en het GPE in de ETV-test,

Worden van de beide indicatorvirussen hogere concentraties dan de reeds
genoemde gebruikt, dan treden ook in de cultures zonder varkenspestvirus
celdegeneraties op. Bij het Teschenvirus tonen deze veranderingen welis-
waar een ander aspect dan het CPE in combinade met het varkenspest-
virus, maar het aflezen van de resultaten wordt bij gebruik van meer in-
dicatorvinis alleen onnodig bemoeilijkt.

Resultaten en bespreking van het inleidend ETV-END onderzoek

Nadat het door tesdscellen gepasseerde BAI-virus in de ETV- en END-
test kon worden aangetoond, werden aansluitend isolaties verricht uit
experimenteel geïnfecteerde varkens. De aanwezigheid van deze virusstam
kon aldus b,v, worden gedemonstreerd in het bloed van een varken drie
en zes dagen post infectionem, met een titer van resp, lO^-S en IO®"\'\'
TCD50/ml, Bij sectie van dit dier op de zevende dag p,i, werden met de
ETV-test de volgende virustiters gevonden: lO^-S TCD50/ml in het bloed
van de vena cava cranialis, 105-2 TCD50/ml in de 2% suspensies van de
milt en van de portale lymfklieren.

t 2*

- I

* i 4*

- 2

-ocr page 325-

o.» V

H • ■

/ I

I *

1 »

4

» / •

V X

Î

• \\

U - fei. ,

f

»

\'WM

t •

0 .

X /\'

J!

t i,

iK

• \' ■■■ L . - / < \' V •

i *
»

s

» • - ^

\\

s

• \\

% f

-ocr page 326-

Afb. I: De ETV-test.

No. I, 2, 3:

Niet gefixeerde varkenstestiscellen in buizen. Vergr. 125x.
Unfixed pig-testis cells in tubes. Magn. 125x.

No. 4, 5, 6:

Met Bouin gefixeerde en met H.E. gekleurde varkenstestiscellen. Vergr. I25x
Pig-testis cells after fixation in Bouin and staining with H.E. Magn. I25x.

No. 1, 4.

8 Dagen oude, niet geïnfecteerde celcultures.
8 Days old, non infected cells.

No. 2, 5.

8 Dagen oude celcultures, 4 dagen na infectie met 100 TCD50 Teschenvirus
8 Days old cultures, 4 days af er infection with 100 TCD50 Teschenvirus.

No. 3, 6.

8 Dagen oude celcultures, 8 dagen na infectie met varkenspestvirus en 4 dagen nc

besmetting m.et 100 TCD50 Teschenvirus.
8 Days old culture, 8 days after infection with hog cholera virus and 4 days after
infection with 100 TCD50 Teschenvirus.

-ocr page 327-

Ook uit materiaal, waarin minder smetstof kon worden verwacht, was het
virus te isoleren. Zo werden positieve ETV-tests verkregen met urine van
de vijfde en zesde dag p.i. nadat de pH van het uitgangsmateriaal op 7
was gebracht. Bij een verdunning van 1/100 van de urine van de vijfde
dag werd geen virus meer aangetoond. Daarentegen wel na een tien-
voudige concentratie door middel van een ultra-centrifugatie gedurende
170 minuten bij 40.000 r.p.m. (105.400 g).

Vergelijkende titraties met behulp van het Teschen- resp. NCD-virus als
indicator gaven overeenkomstige resultaten, zowel met de BAI- als met
de Bresciastam. Ook bij 14 isolatiepogingen uit praktijkmonsters werd
geen verschil bij het gebruik van beide indicatorvirussen waargenomen,
zodat in een later stadium van het onderzoek uitsluitend met de ETV-
test werd gewerkt. Wel heeft de superinfectie met het NCD-virus een
voordeel, doordat reeds na twee tot drie dagen in de buizen met het pest-
virus een positieve hemagglutinatie van toegevoegde kippeerytrocyten is
waar te nemen. De veiligheidsmarge is echter gering, daar in de controle-
buizen met alleen het NCD-virus, deze hemagglutinatie één tot twee dagen
later eveneens optreedt.

De gevoeligheid van de ETV-test bleek uit vergelijkende titraties van
Brescia virus bevattend bloed in weefselcultures en in varkens. De be-
palingen in varkenstestiscellen werden met een tienvoudig interval uitge-
voerd in tien buizen per verdunning. Op de vierde dag werd het Teschen-
virus toegevoegd. Van elke virusverdunning werden 2 varkens met 1 ml
s.c. besmet.

Op deze wijze werden in de celkweek per ml lO-t-^ TCD50 en in varkens
10«-5 ID50 aangetoond.

Een overeenkomstig verschil in gevoeligheid vonden Mat u moto e.a.
(1961) ten aanzien van de END-test. Deze onderzoekers wijzen op de
mogelijkheid een vóórkweek van het virus uit te voeren in geëxplanteerd
miltweefsel van jonge varkens. De BAI cultuurstam gaf inderdaad met
deze „ophopingstechniek" een 10-100 voud hogere titer na 4 dagen
kweken in miltexplantaten. Of deze werkwijze zinvol is voor varkenspest-
stammen, die in de ETV-test in eerste instantie geen positieve resultaten
geven, is nog niet voldoende onderzocht.

Een vergelijking tussen de fluorescentietechniek en de ETV-test werd
verkregen door het uitvoeren van titraties van het Bresciavirus in beide
systemen. Hierbij werden met de IFT lO\'\'» !\' TCD50/ml en met de ETV
10-i n TCD50/ml aangetoond.

Omtrent de reproduceerbaarheid van cle ETV-test werden gegevens ver-
kregen door de titratie van het referentievirus, welke bij elk diagnostisch
onderzoek werd uitgevoerd. Werkende met 3 buizen per verdunning en
een tienvoudige interval, werd uit 38 bepalingen met één viruspool een
gemiddelde titer van lO^ o TCD50/ml verkregen, met een standaard-
deviatie van 0.4 log.

De mogelijkheden van een simultaaninfectie werden onderzocht, door het
varkenspest- en het Teschenvirus tegelijkertijd aan de varkenstestiscellen
toe te voegen. Deze methode geeft echter onregelmatige resultaten, die
bovendien pas na ongeveer 7 dagen zijn af te lezen. Inmiddels berichtten
ook Loan e.a. (1963) over de mogelijkheid van deze simultaaninfectie.
Als de volgorde van besmetting wordt omgekeerd, dus eerst met het

-ocr page 328-

Teschenvirus en daarna met het varkenspestvirus wordt geïnfecteerd, is
met enkele virusstammen een snel resultaat te verkrijgen. Andere virus-
stammen daarentegen gaven bij deze omgekeerde opstelling geen positieve
uitslagen, zodat de betrouwbaarheid van een negatief resultaat gering is.
Voorts werd aandacht besteed aan de mogelijkheid om enkele bijzondere
varkenspestvirusstammen met de ETV-test aan te tonen. Volgens
M a t u m
O t O e.a. (1961) levert het gelapiniseerde varkenspestvirus geen
positief effect in de END-test. Wij zagen evenmin met het Swiva.x-virus
enig resultaat, zelfs niet na zes passages door varkenstestiscellen. Ook de
Chinese gelapiniseerde virusstam is met behulp van de ETV-test niet aan
te tonen. Daarentegen werd een positieve ETV-test verkregen met het
IFFA/A22-virus. Waarschijnlijk is dit gunsdge resultaat te danken aan
het feit, dat de producent de stam aan de celkweek heeft aangepast door
een aantal passages in konijnenieren.

Ook de Cornellstam is met de ETV-test aan te tonen. Wordt een mon-
ster van dit virus getitreerd in de ETV-test en in foetale varkensniercellen,
dan zijn beide uitkomsten geheel in overeenstemming.
Uit deze gegevens blijken de mogelijkheden van de ETV-test ten aanzien
van het BAI-, Brescia-, IFFAyA22- en Cornellvirus en de beperkingen
wat betreft Swivax en Suvac. Deze ervaringen werden als noodzakelijke
voorbereidingen beschouwd, alvorens te trachten varkenspestvirus aan te
tonen in materiaal afkomstig uit de practijk. De resultaten van dit on-
derzoek worden met de uitslagen, verkregen met de immunofluorescentie-
techniek, gemeenschappelijk besproken (zie het hierna volgende artikel
III).

SAMENVATTING.

Een overzicht wordt gegeven over verschillende laboratoriumtechnieken, welke var-
kenspestvirus en de specifieke anulichamen kunnen aantonen. De „Exaltation Teschen
Virus" (ETV)-test (K u b i n, 1962) en de „Exaltation Newcastle Disease Virus"
(END)-test (Kumagai e.a., 1958) worden nader beschreven. Met deze twee
celkweekmethodieken is het mogelijk varkenspestvirus kwantitatief aan te tonen in
organen, bloed en urine van varkens, welke met de virulente BAI- cn Bresciastam
werden geïnfecteerd. Een concentratie van een relatief geringe hoeveelheid smetstof
in de urine, is mogelijk doormiddel van een ultracentrifugatie (105.400 g 170 min.).
De specificiteit van deze technieken werd gecontroleerd door neutralisaties met
varkenspesthyperimmuunserum en door injecties in .gevoelige varkens.
Titraties van beide virulente virusstammen, verricht met dc E.ND- cn met de ETV-
techniek, gaven overcenkomsti.ge resultaten.

Bij vergelijkende titraties van de Brcscia-stam werden in varkens 10®-^ ID50, in dc
ETV-test lO\'*-" TCD50 en met de directe iinmunofluoresccntictechnick in celeultures
105.5 XCD50 per ml aangetoond.

Bij 38 titraties van het B.\\I-virus in verschillende varkcnstestiscultures en met diverse
kalversera in het medium, werd een gemiddelde titer van 10"." TCD50/ml gevonden
met een standaarddeviatie van 0.4 log.

Een simultaaninfectie van varkenstestiscellen met varkenspestvirus en het Teschen-
virus is mogelijk; de positieve resultaten zijn echter pas na zeven dagen af te lezen.
Worden de cellen eerst met het Teschenvirus geïnfecteerd en daarna met varkens-
pestvirus, dan is met enkele varkenspeststammen 4 dagen na dc laatste be.srnetting
een specifieke celdegeneratie waar tc nemen. De negatieve resultaten zijn echter weinig
betrouwbaar.

Twee aan konijnen geadapteerde varkenspeststammen (Swivax, Pitman-Moorc en de
Chinese virusstam Suvac, Phylaxia, Boedapest) zijn door middel van de ETV-test
niet aan te tonen. Positieve resultaten in de ETV-test werden daarentegen wel ver-

-ocr page 329-

kregen met het gelapiniseerde en aan konijneniercellen aangepaste IFFA|JA22-virus
(Leftheriotis e.a., 1962) en met de Comell-stam (Gillespie e.a., 1960).
Bij ütrades van de Cornellstam in de ETV-test werden dezelfde eindpunten gevonden
als bij directe dtraties in foetale varkensniercellen.

Andere, reeds beschreven technieken voor het aantonen van varkenspestvirus, zoals
de indirecte hemaggludnatie (Segre, 1962) en de cultuur onder verhoogde zuur-
stofconcentrade (Segre, 1964) gaven geen specifieke resultaten. Dit was evenmin
het geval met de conglutinatie-reacde (Englehard en Millian, 1964), waar-
mede andlichamen tegen varkenspest zouden zijn aan te tonen.

SUMMARY.

The various laboratory methods used to identify swine fever virus and specific anti-
bodies are reviewed. The Exaltation Teschen Virus test (ETV) (Kubin, 1962) and
the Exaltation Newcastle Disease Virus test (END) (Kumagai et al., 1958)
are discussed in detail. These two tissue culture methods allow the quantitative iden-
tification of swine fever virus in the organs, blood and urine of pigs infected with
the virulent BAI and Brescia strains. Ultracentrifugation may produce a concen-
tration of a relatively small amount of virus in the urine (105.400 g, 170 min.).
The specificty of these methods was verified by neutralization using swine-fever
hyperimmune serum and by inoculation in susceptible pigs.
1\'he results obtained by titration with the END and ETV tests were identical.
Comparative titrations of the Brescia strain showed the titre to be 10®-® 1D50 per
ml. in pigs, lO^-» TCD50 per ml. when the ETV test was performed and 10®-®
TCD50 per ml. using the direct fluorescent antibody technique in tissue cultures.
When thirty-eight ETV titrations of the BAI virus were carried out in different pig
testis monolayer cultures with various calf sera, the average titer was found to be
10®-O TCD50/ml., the standard deviation being 0.4 log.

Simultaneous infection of testis cell cultures with swine fever virus and Teschen
virus is practicable; positive results can, however, only be read seven days later.
When the cells are first infected with Teschen virus and then with swine fever virus,
specific degeneration may be observed with certain strains four days after the last
infection. Negative results, however, are not very reliable.

Two rabbit-adapted strains of swine fever virus (Swivax, Pitman-Moore and the
Chinese strain Suvac, Phylaxia, Budapest) cannot be identified by the ETV test.
The lapinized and to rabbit kidney cultures adapted IFFA/A22 virus (Lefthe-
riotis e.a., 1962) and the Cornell strain (Gillespie e.a., 1960) gave positive
ETV-tests. The end-points determined on titration of the Cornell strain in the ETV
test were similar to those found on direct titration in foetal pig kidney cells.
Other methods used to identify swine fever virus, such as indirect haemagglutination
(Segre, 1962) and cultures incubated with increased concentrations of oxygen
(Segre, 1964) failed to produce specific results. This was also the case with the
conglutination test (Englehard and Millian, 1964) which is believed to be
useful in showing the presence of antibodies against swine fever.

RÉSUMÉ.

Un aperçu est présenté des différentes techniques de laboratoire qui peuvent dé-
montrer le virus de la peste porcine et les anticorps spécifiques.
Le test „Exaltation Teschen Virus" (ETV) (KUBIN, 1962) et le test „Exaltation
Newcastle Disease Virus" (END) (Kumagai e.a., 1958) sont décrits plus en
détail. Grâce à ces deux méthodes il est possible de démontrer quantitativement le
virus de la peste porcine dans les organes, dans le sang et l\'urine de porcs infectés
avec la souche virulente BAI ou Brescia. Un traitement avec l\'ultracentrifugeuse
(105.400 g, 170 min.) permet d\'obtenir une concentration de la quantité rélative-
ment petite de virus dans l\'urine.

On a contrôlé le caractère spécifique de ces techniques par la neutralisation avec
de sérum hyperimmun et par injection du matériel dans des porcs sensibles.

-ocr page 330-

Des résultats analogues ont été obtenus avec des titrages de deux souches de virus
virulentes, faits avec les techniques -END et -ETV.

Des titrages comparatifs de la souche Brescia démontraient dans des porcs 10®-® ID
50, dans le test-ETV 10^-® TCD50 et avec la technique directe d\'immunofluores-
cence dans les cultures cellulaires 10®-® TCD 50 par ml.

38 Titrages du virus BAI dans des cultures différentes de tesdcules de porcs avec
divers sérums de veaux dans le médium, donnaient un titre moyen de 10® " TCD/ml
avec une déviation-standard de 0.4 log.

Une infection simultanée de cellules de testicules de porc avec le virus de la peste
porcine et le virus Teschen est possible. Les résultats positifs cependant ne pourront
être lus qu\'après sept jours. Si les cellules sont infectées d\'abord avec le virus Tesclien
et ensuite avec le virus de la peste porcine, quelques souches provoquent une dégé-
nération cellulaire spécifique, 4 jours après la dernière infection. Les résultats néga-
tifs cependant sont incertains.

Deux souches de peste porcine adaptées à des lapins (Svnvax, Pitman-Moore et la
souche chinoise, Suvac, Phylaxia, Budapest) ne pouvait pas être démontré à l\'aide
du test-ETV. Cependant des résultats positifs furent obtenus avec la souche IFFA/
A22, adaptée, à la culture de rein de lapin (Leftheriotis e.a. 1962) et avec la
souche Cornell (Gillespie e.a., 1960).

Des titrages de la souche Cornell dans le test-ETV donnaient les mêmes points ter-
minaux que les titrages directs dans des cellules rénales foetales de porc. D\'autres
techniques déjà décrites pour démontrer le virus de peste porcine comme l\'hemag-
glutination indirecte (Segre, 1962) et la culture sous concentration d\'oxygène aug-
mentée (Segre, 1964), n\'ont pas offert de résultats spécifiques. Ce n\'était pas non
plus le cas pour la réaction de conglutination (Englehard et Millian, 1964)
que permettrait de démontrer des anticorps contre la peste porcine.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Ubersicht der verschiedenen Laboratoriumtechniken gegeben, welche
Schweinepestvirus und spezifische Antikörperchen nachweisen.
Der „Exaltation Teschen Virustest" (ETV) (K u b i n, 1962) und der „Exaltation
Newcastle Disease Virustest" (END) (Kumagai u.a., 1958) werden näher be-
schrieben. Mit diesen beiden Zellzuchtmethoden ist es möglich Schweinepestvirus in
Organen, Blut und Harn von Schweinen, die mit dem virulenten BAI- und Bres-
ciastamm infiziert wurden, quantitativ nachzuweisen. Die Konzentration einer relativ
geringen Menge Infektionsstoff im Urin ist mittels einer Ultrazentrifugation (105.400
g, 170 Min.) möglich.

Die Spezifizität dieser Techniken wurde durch Neutralisationsteste mit Schweine-
pesthyperimmunserum und durch Injektionen bei empfindlichen Schweinen kon-
trolliert.

Titrierungen beider virulenter Virusstämme, verrichtet mit der END- und ETV-
technik ergaben übereinstimmende Resultate.

Bei vergleichende Titrierungen des Bresciastammes wurde in Schweinen 10®-®ID50,
im ETV-Test 10^® TCD 50 und mit der direkten Immunofluoreszenztechnik in
Zellkulturen 10®-® TCD 50 pro ml nachgewiesen

Bei 38 Titrierungen des BAI-Virus wurde in verschiedenen Schwcinetestiskulturen
und mit verschiedenen Kälbersera im Medium ein Durchschnitterstiter von 10®-"
TCD 50/ml mit einer Standarddeviation von 0.4 log. gefunden.
Eine Simultaninfektion von Schweinetestiszellen mit Schweinepestvirus und Teschen-
virus ist möglich: die positiven Resultate sind jedoch erst nach 7 Tagen abzulesen.
Werden die Zellen erest mit dem Teschenvirus infiziert und danach mit Schweine-
pestvirus, dann ist mit einzelnen Schweinepeststammen 4 Tage nach der letzten In-
fektion eine spezifische Zelldegeneration wahrzunehmen. Die negativen Resultate sind
jedoch wenig zuverlässig.

An Kaninchen adaptierte Schweinepeststämme (Swivax, Pitman-Moore) und den
chinesischen Virusstamm (Suvac, Phylaxia, Budapest) sind mittels des ETV-Tests

-ocr page 331-

nicht nachzuweisen. Dagegen ergab der ETV-test positive Resultate mit dem an Nier-
zellen vom Kaninchen adaptierten IFFA/A22 Stamm (Leftheriotis e.a., 1962)
und mit dem Comellstamm (Gillespie e.a., 1960).

Bei Titrierungen des Cornellstammes im ETV-Test wurden dieselben Endresultaten
wie bei direkten Titrierungen in fötalen Schweinenierenzellen gefunden.
Andere, bereits beschriebene Techniken als Nachweis des Schweinepestvirus, wie die
indirekte Hämagglutinations (Segre, 1962) und die Kultur unter erhöhter Sauer-
stoffkonzentration (Segrc, 1964) ergaben keine spezifische Resultate. Dies war
ebenso wenig der Fall mit der Konglutinations-Reaktion (Englehard und Mi 1-
1 i a n, 1964), womit Antikörper gegen Schweinepest nachgewiesen werden könnten.

RESUMEN.

Se présenta un resumen de las diferentes técnicas de laboratorio que pueden demos-
trar el virus de la peste porcina y los anticuerpos especificos.

El test „Exaltation Teschen Virus" (ETV) (K u b i n, 1962) y el test „(Exaltation
Newcastle Disease Virus" (END) (Kumagai e.a., 1958) estân descritos mâs
detalladamente. Gracias a éstos dos métodos de cultivo de células, es posible demos-
trar la cantidad de virus de la peste porcina en los organos, en la sangre y en la orina
de los cerdos infectados con las cepas virulentas BAI y Brescia. Un tratamiento con
la ultracentrifugación 105.400 g, 170 min.), permite obtener una concentracion de
una cantidad relativamente pequefia de virus en la orina. La especificidad de éstas
técnicas se controló por medio de la neutralización con el suero hiperinmune de la
peste porcina, y por medio de inyecciones en cerdos sensibles.

Titulaciones de ambas cepas virulentas de virus realizadas con las técnicas END y
ETV, proporcionaron resultatdos analoges.

Haciendo titulaciones comparativas de la cepa Brescia se demostró en los cerdos un
titulo de lO^ i^ ID50; en el test ETV lO^-» TCD50 y con la técnica de la inmuno-
fluorescencia en cultivo de células 10®-® TCD50 por mililitro.

En 38 titulaciones de virus BAI, en diferentes cultivos de testiculo porcino y con
diferentes sueros de ternero en el medio, se encontro\' un tîtulo promedio de 10®-°
TCD50 por ml con una desviación-standard de 0.4 log.

Es posible hacer una infeccion simultanea de las células de testiculo porcino, con el
virus de la peste porcina y el virus de Teschen, pero los resultados posivitos no se
pueden leer sino siete dias descpués.

Si se infectan las células, primero con el virus de Teschen y después con el virus
de la peste porcina, es posible observar con algunas cepas del virus de la peste por-
cina, cuatro dias después de la ultima infeccion, una degencracion especifica de las
células.

Sinembargo los resultados negativos son un poco inseguros. Con la ayuda del test
ETV no es posible demonstrar las cepas de peste porcina adaptadas al conejo (Swi-
vax, Pitman-Moore), ni la cepa del virus chino (Suvac, Phylaxia, Budapest).
Mientras que ios resultados positivos se han obtenido con la cepa IFFA/A22,
adaptada al cukivo de rinôn de conejo (Leftheriotis e.a. 1962) y con la
cepa Cornell (Gillespie e.a. I960).

Los titulos de la cepa Cornell en el test ETV, dieron los mismos puntos finales que
los titulos directos en las células renales de Feto de cerdo. Otras técnicas para de-
mostrar el virus de la peste porcina ya descritas como la hemoaglutinación indirecta
(S eg re, 1962) y el cultivo bajo una concentración alta de oxîgeno (Segre,
1964) no dieron resultados especificos. Lo mismo sucedió con el test de la conglu-
tinación (Englehard y M i 11 i a n, 1964) el cual pcrmitiria demonstrar la
presencia de anticuerpos contra la peste porcina.

LITERATUUR.

B e k k u m, J. G. van: Serological aspectó of the vaccination against hog cholera
with crystal violet vaccine.
Tijdschr. Diergeneesk., 91, 149, (1966).

-ocr page 332-

Boulanger, P., Appel, M., Bannister, G. L., R u c k e r b a u e r, G. M.,
Mori, M. and Gray, D. P.: Hog Cholera HI. Investigadon of the Complement
fixation test for the detection of the virus in swine tissue.
Canadian J. Comp. Med.
vet. Science,
29, 201, (1965).

Englehard, W. E. and Millian, S. I.: Refinement and application of the
congludnation complement adsorbdon test for detection of Hog Cholera antibodies.
Am. J. vet. Res., 25, 1371, (1964).

G i 11 e s p i e, I. H., S h e f f y, B. E. and B a k e r, I. A. : Propagation of Hog Cholera
virus in tissue culture.
Proc. Soc. exp. Biol. Med., 105, 679, (1960).

Goret, P. et F o n t a i n e, M. : Méthodes de diagnostic et d\'immunisation dans la
peste porcine.
Bull. Off. Int. Epiz., 56, 251, (1961).

G u s t a f s o n, D. P. and P o m e r a t, C. H. : Cytopathogenic effects of Hog Cholera
virus on embr>\'onic swine tissues in vitro.
Am. J. vet. Res., 18, 473, (1957).

Hecke, F. : Die kunstliche Vermehrung des Schweinepestvinrs mittels Gewebe-
kulturen.
Zbl. Bakt., 126, 517, (1932).

Janowska, I.: Comparaison de deux, souches de peste porcine au moyen de
l\'interfcrence avec le virus grippal en cultures cellulaires.
Ann. Inst. Pasteur, 99,
792, (1960).

Korn, G. und Nishimura, Y. : Zum Nachweis underschiedlich virulenter
Schweinepestvirusstämme mit der END- und der HEIC-Methode.
Mh. Tierheilk.,
15, 328, (1963).

Kubin, G.: La culture du virus de la peste porcine en couche monocellulaires.
Bull. Off. Int. Epiz., 57, 1995, (1962).

Kubin, G. : Modifizierung eines Schweinepestvirusstammes durch Virusdauerpas-
sagen in Ferkelhodenzellkulturen.
Zbl. Vet.Med., 11, 51, (1964).

Kumagai, T., S h i m i z u, T. and Matumoto, M.: Detection of Hog Cholera
virus by its effect on New Castle virus in swine tissue cultures.
Science, 128, 366,
(1958).

Kumagai, T., S h i m i z u. T., T h e d a, S. and Matumoto, M. : A new in
vitro method (END) for detection and measurement of Hog Cholera virus and its
antibody by means of effect of HC-virus on NCD-viius in swine tissue culture I.
Establishment of a standard procedure, ƒ.
Imm., 87, 245, (1961).

Lang, R., Leftheriotis, E. et Mackowiak, C. : Multiplication du virus
lapinisé de la peste porcine sur cellules de rein de lapin et contrôle de son pouvoir
immunigène. Comptes rendus des séances de l\'Académie des
Science, 251, 1593,
(1960).

Leftheriotis, E., Mackowiak, C., Lang, R., J o u b e r t, L. et Goret,
P.: Applications expérimentales et pratiques d\'un virus suipestique lapinisé modifié
par passages en culture de tissus.
Symposion Int. de Virologie Vétérinaire O.I.E. -
A.I.S.M., Lyon 1962.

L o a n, R. W. and M c C a i n, C. S. : Goat sera as media supplements in the exal-
tation of Newcastie disease virus (END) test for Hog Cholera virus.
Proc. 67 Ann.
Meet. U.S. Livestock San. 348, (1963).

M a te va, V.: Cultivation of the Swine Fever virus in tissue cultures. Vet. Med.,
(Sofia),
1, 32, (1964).

Matumoto, M., Kumagai, T., S h i m i z u, T. and The da, S. : Some
characteristics of the END method.
J. Imm., 87, 257, (1961).

Mayr, A. und Mahnel, H.: Zuchtung von Schweinepestvirus in Schweinenieren
Kulturen mit cytopathogenem Effekt.
Zbl. Bakt., 195, 159, (1964).

Mayr, A. : Cultivation of the Hog Cholera virus in tissue cultures with cytopatho-
genic effect.
FAO-OIE Meeting of Hog Cholera and African Swine Fever. Rome,
(1965).

Nishimura, Y., Sato, U., H a n a k i, T. und Hawashima, H.: Einfluss
des Schweinepestvirus mit das Newcastle Krankheitsvirus.
Jap. J. vet. Sei., 24,
29, (1962).

P i r 11 e, E. : Precipitation reactions in agar between swine serum and homologous
pancreas extracts.
Canadian J. Comp. Med. Vet. Science, 27, 241, (1963).

-ocr page 333-

Sasahara, L: Les méthodes du diagnostic spécifique et de la prophylaxie de la
peste porcine.
Bull. Off. Int. Epiz., 56, 354, (1961).

Segre, D.: Detection of Hog Cholera virus by a hemagglutination test. Am. J. vet.
Res.,
23, 748, (1962).

Segre, D.: Cytopathic effect of normally non-cytopathogenic viruses in tissue cul-
tures held under increased oxygen pressure.
Proc. Soc. Exp. Biol. Med., 117, 567,
(1964).

Szent Ivanyi, T. : Untersuchungen zum serologischen Nachweis des Schweine-
pestvirus.
Acta vet. Hungr., 2, 129, (1952).

In een discussie over plasmamembranen vertelt Homer Smith: „Op een dag
hield Loewi mij staande, sloeg zijn arm om mijn schouder en zei:
„H o m e r, het zit allemaal in de plasmamembraan".
Ik zei: „Ja?"

L o e w i zei: „Waar is dan toch in vredesnaam al die massa binnenin de cellen voor?"
Ik zei: „daarvoor zal ik je een geschiedenis vertellen".

Dr. Szent-Gyorgyi sprak op een Woods Hole seminarium en bracht daarbij
herhaaldelijk de plasmamembraan ter sprake. Een moedige ziel onder zijn gehoor
stak zijn hand op en zei: „Maar Dr. Szent-Gyorgyi zoudt U voor ons de
plasmamembraan eens willen omschrijven of er een tekening van maken op het bord
ofwel vertellen hoe de structuur ervan is?" Dr. Szent-Gyorgyi dacht een
ogenblik na en zei: „Nee, de plasmamcmbraan is zoals God, iedereen praat er over
maar niemand heeft hem gezien".

Circulation, 21, 585, (I960).

The significance of vertebrate metamorphosis.

Our history as vertebrates is not dust to dust but water to water. From this point
of view Nicodemus\'s great question (Joh. 3 : 4,5) can be given a broad and positive
answer. Every animal can and must return to the „womb" — not indeed to be born
again, but to bear the next generation.

For a catadromous fish the „womb" is the sea; for anadromous fishes and amphibia,
a pond or stream; for land vertebrates a uterus of egg.

The question may raise additional problems only for man, and then only when the
sense of return is toward the womb of the mother rather than that of the mate.

Wald, G., Circulation, 21, 916, (1960).

-ocr page 334-

II. De Immunofluorcscentietechniek.

II. The Fluorescent Antibody Technique

door A. A. RESSANG en P. H. BOOL*)

Inleiding

De immunofluorescenüetechniek (IFT) werd reeds in 1942 door G oons
en medewerkers gebruikt om het oplosbare Pneumokokken Polysaccharide
in weefsels van besmette muizen aan te tonen. Dat het echter ook moge-
lijk is om virusantigenen in geïnfecteerde cellen met behulp van deze
techniek zichtbaar te maken werd acht jaar later bewezen (Coons en
Kaplan, 1950).

De vele publikades, die in de laatste tien jaren over de IFT zijn ver-
schenen, tonen aan dat deze methodiek momenteel in een bijzondere be-
langstelling staat.

Het volgende Aoge ter verduidelijking van haar grondbeginselen dienen.
Men zegt dat een stof fluorescerende eigenschappen bezit, indien zij na
absorbtie van lichtenergie van een korte golflengte, zelf lichtstralen uit-
zendt van een grotere golflengte. Deze fluorescentie houdt direct of vrijwel
direct op als de primaire bestraling eindigt.

Terwijl bij het gewone lichtmicroscoop het door het preparaat doorgelaten
of gereflecteerde licht ons oog bereikt, worden preparaten onder het
fluorescentiemicroscoop zichtbaar door haar eigen of primaire fluores-
cerende eigenschappen of doordat bepaalde substandes (fluorochromen)
deze fluorescentie teweegbrengen. In het laatste geval, waartoe ook de
immunofluorescentie behoort, spreekt men van een secundaire fluores-
centie.

De ultraviolette of blauwe stralen die men gebruikt om deze fluorescentie
op te wekken, worden door een hoge druk kwikdamplamp geleverd. Deze
stralen worden door ultraviolet- of blauwfilters, welke primaire filters
worden genoemd, selectief doorgelaten. Secundaire of oogfilters zorgen er-
voor dat stralen, die niet door het preparaat zijn geabsorbeerd, het oog
niet bereiken. De fluorescerende delen van het object geven hierdoor een
duidelijk contrast tegen hun omgeving.

Primaire of eigen fluorescentie bezitten tal van botanische en mineralo-
gische substanties, waardoor de fluorescentiemicroscopie in beide spe-
cialisti.sche gebieden reeds vroeg een onderzoektechniek werd.
Secundaire fluorescentie wordt o.a. veel gebmikt in de normale histologie
en cytologie, waarbij de preparaten behandeld worden met fluoro-
chromen. Hierdoor is het mogelijk om subtiele structuren in een contrast-
rijke omgeving zichtbaar te maken, die anders onder een gewoon licht-
microscoop onzichtbaar of onduidelijk zichtbaar zijn. In de pathologische
histologie vindt ze o.a. haar toepassing in het aantonen van bepaalde ei-
witneerslagen (amyloid).

De immunofluorescentietechniek kan men het beste beschouwen als een
moderne methode om antigeen-antilichaam reacties aan te tonen. Hiertoe
worden b.v. besmette weefselcultures, coupes of deppreparaatjes met spe-

♦) Prof. Dr. A. A. Ressang en Drs. P. H. Bool; Centraal Diergeneeskundig Instituut,
afd. Amsterdam; Grote Kattenburgerstraat 7.

-ocr page 335-

cifieke antilichamen behandeld, die vooraf met een fluorochroom gemerkt
zijn. De voor dit doel meest gebruikte fluorochromen zijn het fluoresceine
isothiocyanaat (FITC), het tetramethyl rhodamine isothiocyanaat en de
l-dimethylamino-naphthylsul-fonzuur-5 (DANS). Deze methode kan ons
belangrijke inlichtingen verschaffen omtrent bijv. de verdeling en het ge-
drag van antigeen en antilichaam, de pathogenese van een infectieziekte,
etc.

Op medisch en veterinair terrein vindt de IET op verschillende specialis-
tische gebieden toepassing. Ze dient hierbij niet alleen als hulpmiddel bij
fundamentele onderzoekingen, doch wordt ook bij klinisch-diagnostische
onderzoekingen van auto-immuun ziekten, van bacteriële-, schimmel-, en
virusziekten en door rickettsiae veroorzaakte infecties gebruikt. Bij de
diagnose van klassieke varkenspest vindt ze reeds enige tijd toepassing in
de Verenigde Staten (Mengeling et al. 1963, 1964, 1965; S t a i r et
al. 1963; A i t k e n et al. 1964), Canada (Robertson et al. 1965) en
Engeland. In Kenya is de techniek als diagnostische methode voor Afri-
kaanse varkenspest beschreven (Henschele et al, 1965).
In Nederland wordt de IFT op het gebied der hondsdolheid toegepast
door VanVloten (mondelinge mededeling) en Gispen (1964).
Met de IFT kunnen echter niet alleen antigenen specifiek worden aange-
toond, doch hiermee is ook het aantonen van bepaalde antilichamen in
een onbekend serum mogelijk.

De drie variaties in de fluorescentietechniek die regelmatig worden toe-
gepast zijn de volgende.

a. De directe methode

Deze techniek dient vooral voor het aantonen van antigeen. Voor het
aantonen van bijv. een virus in een weefsel wordt het preparaat met ge-
merkt immuunserum behandeld. In plaats van immuunserum wordt vaker
het daaruit bereide en gemerkte gamma globuline, dat tegen genoemd
virus gericht is, gebruikt. Het antigeen en de ertegen gerichte anti-
lichamen gaan een reactie aan en deze is als fluorescentie waar te nemen.

b. De indirecte of „sandwich"-methode

Bij deze methode wordt in de eerste fase het antigeen met ongemerkt
specifiek antilichaam behandeld. Antigeen en antistof gaan een binding
aan en vormen een complex, dat geen fluorescerende eigenschappen
heeft. In de tweede fase wordt het antigeen-antilichaamcomplex ver-
volgens gekleurd met gemerkte antistoffen, die gericht zijn tegen het anti-
lichaam in de eerste fase. Het reactieprodukt geeft, indien alle componen-
ten aanwezig zijn, een specifieke fluorescentie. Deze methode dient niet
alleen ter identificatie van het antigeen, doch wordt ook gebruikt om
specifieke antilichamen in een serum aan te tonen. In het laatste geval
wordt het serum getest tegen een bekend, specifiek antigeen. Zijn spe-
cifieke antilichamen in het serum aanwezig, dan wordt het door het anti-
geen gebonden en deze reactie wordt dan zichtbaar gemaakt door de
volgende behandeling met gemerkt antilichaam.

De identificatie van een onbekend antigeen is met deze methode een-
voudiger dan met de directe methode, waarbij verschillende gemerkte
antilichamen (= conjugaten) worden gebruikt. Bij de „sandwich"-me-

-ocr page 336-

thode bewerkt men eenvoudig het onbekende antigeen met verschillende
ongemerkte antilichamen. De tweede stap bestaat uit de behandeling met
anti-antilichaamconjugaat, dat uit het serum van b.v. een konijn kan
worden bereid. Op deze manier bespaart men zich de moeite van het be-
reiden van een groot aantal conjugaten. Bovendien is de indirecte me-
thode gevoeliger dan de directe. Zij is vooral van nut indien men slechts
over een immuunserum met een lage titer beschikt.

c. De kleuring van het complement

Deze methode dient vooral voor het aantonen van het antilichaam, doch
kan ook voor het identificeren van een onbekend antigeen gebruikt
worden. Het antigeen wordt met ongemerkt antilichaam en tegelijk of
daarna met een bepaalde hoeveelheid cavia complement behandeld. Het
aldus ontstane antigeen-antilichaam-complement complex fluoresceert
niet.

De volgende stap is de behandeling met gemerkte antilichamen, die tegen
het complement gericht zijn. Bij een positieve bevinding ziet men fluores-
centie. Deze techniek is dus in wezen dezelfde als de indirecte methode,
behalve dat het conjugaat in de tweede reactie niet gericht is tegen het
antilichaam in de eerste reactie, doch tegen het complement.
Het voordeel van deze complementkleuring boven de indirecte methode
is echter de mogelijkheid die ze biedt tot het testen van verschillende on-
bekende sera, ongeacht van welke diersoort afkomstig, waarbij slechts één
enkel conjugaat nodig is. Verder zou de methode veel gevoeliger zijn dan
de conventionele complementbindingsreacties.

Materiaal en werkwijze
a. De celcultures

In het begin werden voor de celkweek primaire, foetale varkensniercellen
gebruikt. Deze cellen werden op glazen strips van 9 x 32 mm in Leighton-
buisjes gedispergeerd. Het trypsiniseren en de verdere behandelingswijze
der cellen alsmede de gebruikte media werden elders besproken (Van
Bekkum, 1966).

Deze primaire niercellen werden met 0.1 - 0.2 ml van een ten hoogste
5%-ige orgaansuspensie besmet. Sterker geconcentreerde suspensies heb-
ben vaak een toxische invloed op de cellen.

Later werd overgegaan op het gebruik van een cellijn (PK15, Cutter Lab.,
California)1. Deze PK 15 cellen worden gemiddeld 2 x per week in z. g.
milk dilution bottles overgeënt in Earle\'s medium waaraan antibiotica,
mycostatin en 10% nuchter kalverserum is toegevoegd. Ze worden ge-
dispergeerd door middel van 0.01% verseen en 0.01% trypsine in gebuf-
ferde zoutoplossing (PBS pH 7.4). Het aanleggen der cellen op glazen
strips gebeurt, al naar behoefte, 1 - 2x per week met een suspensie die
per ml 50- 100.000 cellen bevat. Het infecteren vindt plaats voordat zich
een aaneengesloten cellaag heeft gevormd.

Deze PK15 cellen worden met 1 ml van een 33% orgaansuspensie be-
smet. Na besmetting worden de celcultures een uur bij 37° C geïncubeerd,

1  Thanks are due to the Cutter Laboratories, California, for the supply of the
PKlS-ceUine.

-ocr page 337-

2 maal met medium zonder serum gewassen en daarna van ongeveer 1 ml
onderhoudsmedium (Earle\'s medium met 2% kalverserum) voorzien. Ver-
volgens worden de cellen weer geïncubeerd. Het microscopisch onderzoek
der strips geschiedt 18, 48 of 72 uur na het infecteren. In de regel wordt
een serie van verschillende orgaansuspensies tegelijk onderzocht. Voor de-
zelfde serie zijn er dan slechts een gemeenschappelijke positieve en nega-
tieve controle nodig. Voor elke orgaansuspensie worden 3-6 strips ge-
bruikt.

De titratie van het referentie-virus geschiedde door hiervan 10-voudige
verdunning in Earle\'s medium zonder serum te maken. Van elke verdun-
ning werden 5 celcultures met een dosis van 1 ml besmet. De verdere be-
handeling der cellen verliep als boven.

b. Het virus

Voor het inleidend onderzoek werd van de volgende virusstammen ge-
bruik gemaakt.

1. De virulente varkenspestvirusstam, Brescia, die als een pool van ge-
defibrineerd bloed bij -20° C wordt bewaard. Deze virusstam zal verder
als referentievirus worden aangeduid.

2. De cytopathogene Cornellstam. Van deze virusstam werd een ver-
dunning van 1/10, 1/30 en 1/100 gemaakt. Met 0.1 ml van deze verdun-
ningen werden foetale varkensniercellen geïnfecteerd.

De titer van dit virus varieert van 102 tot 103-5 per 0.1 ml (Van
Bekkum, 1966) met het CPE als indicator.

3. Verschillende mond- en klauwzeervirusstammen, virus van de infec-
tieuze bovine rhinotracheitis (IBR), parainfluenza-3-virus, Aujeszky-
virus, een Teschenvirus en een stam van de virusdiarree van runderen.
Foetale varkenscellen en PK 15 cellen werden met geschikte verdun-
ningen van genoemde virussen besmet. Met een bovine virusdiarree-
stam werden eveneens foetale rundertestecellen geïnfecteerd.

4. De gelapiniseerde varkenspeststammen Swivax en Suvac. Beide virus-
sen werden onverdund, met een inoculum van 1 ml, op PK 15 cellen
geënt.

c. De infectieproeven in varkens

Met een 1/10 verdunning van het referentievirus werden 20 varkens pa-
renteraal besmet met 2 ml per dier. Deze dieren stierven gemiddeld 11.5
dagen na de infectie. Bij de sectie werd uitgesproken, acute varkenspest
geconstateerd. De milt, mesenteriaal en portale lymfklieren en van enkele
varkens eveneens de tonsillen, werden afzonderlijk en steriel verzameld
en bij -20° C bewaard totdat er een suspensie van werd gemaakt.
De hersenen van alle 20 varkens werden in gebufferde formaline ge-
fixeerd en op conventionele wijze histologisch onderzocht.

d. De bereiding der orgaansuspensies

Hiervoor worden tonsil, milt en lymfklier (mesenteriale of portale) ge-
bruikt. De suspensies worden in een waring-blender of mortier met steriel
zand en Earle\'s medium zonder serum gemaakt en daarna gecentrifu-
geerd. Het bovenstaande wordt als inoculum gebruikt.

-ocr page 338-

e. Het antiserum

De door ons gebruikte antisera zijn afkomstig van een groep varkens, die
op conventionele wijze met kristalvioletvaccin waren geïmmuniseerd en
daarna met het virulente ref eren tie virus parenteraal werden geïnfecteerd.
Het bloed dezer dieren werd ongeveer 4 weken na de „challenge" afzon-
derlijk verzameld en het serum direct afgecentrifugeerd.
Uit bovenstaande dieren werd daarnaast een groep van zeven geselecteerd.
Deze varkens werden verder lx per week, tot viermaal toe, met virus-
houdend bloed intraperitoneaal (100 - 150 ml) gehyperimmuniseerd. Tien
dagen na de laatste injectie werden de dieren verbloed en het serum ge-
wonnen. Het bleek dat in een neutralisatietest t.o.v. de Cornellstam de
serumtiters van deze zeven varkens niet veel hoger waren dan die van de
andere dieren.

Als referentieserum dienen een anti-varkenspest immimnserum bereid bij
een SPF varken en een normaal serum van een onbesmet SPF dier. Deze
sera zijn afkomstig van de National Animal Disease Laboratory te Ames,
Iowa, U.S.A.

f. De bereiding van het conjugaat

Het gamma globuline wordt uit het immuunserum geprecipiteerd door
toevoeging van het halve volume verzadigde ammoniumsulfaatoplossing.
Na centrifugeren (3000 toeren, 15 min.) wordt het geprecipiteerde glo-
buline in aq. dest. gesuspendeerd en aangevuld tot het oorspronkelijke
serumvolume. Het fractioneren geschiedt drie maal. Na de laatste behan-
dehng wordt het precipitaat opgelost in het halve serumvolume aq. dest.
Het ammoniumzout wordt daarna door dialyse tegen 0.15 M NaCl, met
verschillende verversingen, verwijderd. De dialyse wordt beëindigd wan-
neer met verzadigde BaCl2 oplossing geen sulfaationen meer in de zout-
oplossing kunnen worden aangetoond. Alle tot dusver genoemde hande-
lingen geschieden bij -|-4° C.

Hierna wordt het proteïnegehalte van de globulinefractie met de Biureet
methode bepaald. De aflezing geschiedt met een spectrofotometer bij een
golflengte van 540 m/i. De eenvoudige Junior Spectrofotometer van Cole-
man voldoet hiertoe goed.

Met 0.15M NaCl wordt nu een globulineoplossing van lg% bereid, die
met een 0.5M carbonaat-buffer, pH 9, alkalisch wordt gemaakt zoals aange-
geven door Marshall
el al (1958) en C h evry et al (1960). Aan deze
alkalische oplossing wordt het fluoresceïne isothiocyanaat (FITC) in een
hoeveelheid van 0.05 mg/mg ])roteïne toegevoegd. Het FITC kan als zo-
danig in poedervorm worden geappliceerd of na eerst tc zijn opgelost in
een minimum hoeveelheid aceton of carbonaatbuffer. In dit geval wordt de
opgeloste FITC druppelsgewijs aan de globulineoplossing toegevoegd. Het
conjugeren geschiedt in een Erlenmeyerkolf met magneetroerder gedurende
een nacht bij -)-4° C.

Het ongebonden fluorochroom wordt van de globulinen gescheiden door
gelfiltratie in een Sephadex kolom (G 25, medium), die geëquilibreerd is
met PBS, pH 7.4. Ook een nacht dialyseren tegen een groot volume PBS,
waarin Dowex (chloride form AG 2x8, 50 mesh) gevolgd door een nacht
dialyse tegen PBS resulteert in een goede scheiding.

Vervolgens wordt het conjugaat met gerehydreerd lever- of nierpoeder ge-
1152

-ocr page 339-

absorbeerd. De benodigde hoeveelheid is 100 mg droog poeder per ml
conjugaal. Het absorberen geschiedt tweemaal gedurende een uur in een
schudmachine bij -|-4° C.

Hierna wordt het geabsorbeerde conjugaal eerst 15 min. bij 3000 toeren
gecentrifugeerd en daarna 30 minuten bij 18000 loeren afgedraaid om nog
aanwezige kleine restanten weefselpoeder te verwijderen. Indien de pH
na de absorptie onder de 7.2 gedaald is, dan wordt het conjugaal een
nacht tegen PBS pH 7.4 gedialyseerd.

Het conjugaal is dan klaar voor gebruik. Het wordt in flesjes van 5 ml
verdeeld en zonder conserveringsmiddel bij -20° C bewaard.
Het bepalen der werkverdunning van elk conjugaal geschiedt als volgt.
Met PBS pH 7.4 wordt bijv. een verdunning van 1/1, 1/5, 1/10, 1/15 en
1/20 gemaakt. Hiermee worden met het referentievirus besmette celcul-
tures gekleurd. De hoogste verdunning die nog een duidelijke fluorescentie
geeft wordt als werkverdunning (titer) van het conjugaal beschouwd.
Voordat echter de betreffende conjugaat-batch voor routine- en onderzoek-
doeleinden wordt gebruikt, volgt nog eerst een controle op haar vermogen
om het varkenspestvirus specifiek aan te tonen. Dit geschiedt door een
inhibitietest (zie specificiteilsonderzoek) en door kleuring van besmette en
onbesmette celculturen.

g. De directe kleurtechniek

De strips worden uit de Leighlonbuisjes gehaald, een paar maal in PBS
pH 7.4 gedipt en bij kamertemperatuur gedurende 10 minuien in aceton
gefixeerd. Na 5 minuten wassen in PBS wordt het preparaat met hel con-
jugaal bedekt en gedurende een half uur bij 37° C, in een vochtige om-
geving, geïncubeerd. Vervolgens worden de preparaten 10 minuten, met
twee verversingen, in PBS gewassen. Ze worden daarna zonder drogen
direct met glycerol-carbonaalbuffer (9:1; pH8) ingesloten.

li. Dc microscopische uitrusting

De preparaten worden met een Leitz Orlholux microscoop, dal uitgerust
is met een Osram HBO 200 hoge druk kwiklamp, onderzocht. Als filters
dienen het BG 12,3 mm en het OGI geel-oranje oogfilter.
Als condensor wordt de Leitz D 080 donkerveld condensor gebnükt. De
celcultures worden onderzocht met oculairen, die lOx vergroten, in com-
binatie met een apochromaal objectief van 8 mm en 16 mm.

I. HET SPECIFICITEITSONDERZOEK

De volgende methoden werden aangewend om de specificiteit der fluores-
centie d.w.z. de binding tussen het varkenspestvirus en de ertegen ge-
richte antilichamen nader te controleren.

1. De twee-fase inhibitietest

In de eerste fase worden de teststrips met ongemerkt anti-varkenspest glo-
buline behandeld (60 minuten bij kamertemperatuur, daarna 2x5 mi-
nuten wassen met PBS pH 7.4). Het ongemerkte globuline bindt zich aan
antigeen, waardoor de reactie in de tweede fase — n.1. nabehandeling met
gemerkt anti-varkenspest globuline (15 min. bij 37° C, daarna 2x5 min.

-ocr page 340-

wassen met PBS, pH 7.4) — verhinderd wordt. De controlestrips worden
in de eerste fase met ongemerkt globuline van een „normaal" serum be-
handeld. De verdere behandeling geschiedt als bij de teststrip.

2. De écn-fase inhibitietest

Het anti-varkenspest conjugaat wordt met ongemerkt immuunglobuline
verdund. Met het mengsel worden de teststrips behandeld (20 min. bij
37° C, daarna 2x5 min. wassen met pH 7.4). De controlestrips worden
gekleurd met hetzelfde conjugaat, dat verdund is met globuline van een
„normaal" serum. Men houde rekening met de werkverdunning.

3. Verzadigingstest

Het anti-varkenspest conjugaat wordt gemengd met bloed van een met
referentievirus besmet varken (60 min. bij 37° C). Hierbij vindt een bin-
ding plaats tussen het antigeen en de in het conjugaat aanwezige anti-
lichamen. Met dit conjugaat worden de strips behandeld. Als controle
dienen strips die gekleurd zijn met anti-varkenspest conjugaat verdund met
bloed van een gezond, onbesmet varken. De benodigde hoeveelheid virus
en conjugaat moeten door preliminaire proeven worden bepaald.

4. Neutralisatietest

Hierbij wordt de te onderzoeken suspensie gemengd met ongemerkt anti-
varkenspest globuline en gedurende 60 minuten bij 37° C geïncubeerd.
Eventueel in de suspensie aanwezig virus wordt door de antilichamen ge-
ïnactiveerd. Met dit mengsel worden celculturen op de gebruikelijke manier
besmet. Als controle dienen celcultures die besmet zijn met de te onder-
zoeken suspensie, die vooraf met globuline van een „normaal" serum ge-
mengd is.

Na incubatie worden celcultures op de gebruikelijke manier verder be-
handeld.

Bij de toepassing van bovengenoemde vier specifiteitscontroles wordt de
reactie specifiek geacht, indien de controlestrips duidelijk en de overige
culturen niet fluoresceren.

Resultaten en bespreking van het inleidend immunofluorescentieonderzoek

De immunofluorescentietechniek van Coons en Kaplan (1950) vindt
bij de diagnose van varkenspest reeds enige tijd toepassing in de Verenigde
Staten (M e n g e 1 i n g et al, 1963; 1964, 1965). Hierbij wordt de directe
techniek op celcultures gevolgd. Dezelfde methodiek wordt in Canada
(R
O b e r t s O n et al, 1965) en in Engeland (Darbyshire, persoonlijke
mededeling) gebruikt.

In hoofdstuk II wordt de methode volgens Mengeling, zoals ze in
enigszins gewijzigde vorm door ons werd toegepast, beschreven. De gun-
stige resultaten van dit inleidend onderzoek bevestigen de verkregen uit-
komsten van bovengenoemde schrijvers.
Deze resultaten zijn als volgt:

De suspensies der organen van de 20 met het referentievirus besmette
proefvarkens waren alle positief in de IET. Bij alle dieren, die bij sectie
het beeld van acute varkenspest vertoonden, werd microscopisch een uit-
gesproken meningo-encephalitis geconstateerd.

-ocr page 341-

Reeds 18-24 uur na inoculatie der celcultures met het bovengenoemde
virus is met de directe methode een diffuse, appelgroene en specifieke
fluorescentie van het cytoplasma der geïnfecteerde cellen waar te nemen.
Deze is na 18 uur incuberen het meest intensief in de onmiddellijke na-
bijheid der kern en neemt naar de periferie der cel geleidelijk af. Na
langer bebroeden is de intensiteit der fluorescentie over het hele celcyto-
plasma gelijk. De celkern zelf is als een centraal of exentrisch gelegen,
donkere, niet fluorescerende bol zichtbaar. De fluorescerende cellen
steken duidelijk af tegen de doffe, blauwgrijze, soms groenige kleur der
ongeïnfecteerde cellen in de omgeving.

Opvallend is, dat de besmette, fluorescerende cellen meestal haardsgewijs
liggen. Een haardje bestaat dan uit een groepje van enkele tot meerdere
cellen, (afb. 2). Onderzoekt men het positieve preparaat na 48 uur in-
cuberen, dan zijn de haardjes meestal groter. Dicht bij elkaar gelegen
haardjes vloeien in elkaar over.

De kleur, intensiteit, lokalisatie en uitbreiding der fluorescentie bij be-
smetting der cellen met het cytopathogene Cornell virus was volkomen
in overeenstemming met het boven beschrevene. Fluorescentie der cellen
trad bij alle verdunningen eerder op dan het cytopathogene effect (CPE),
dat afhankelijk van de virusconcentratie tussen de 2e en 4e dag optrad.
De specifieke fluorescentie vergemakkelijkte soms het waarnemen van
het CPE in de celcultures.

Met de gelapiniseerde stammen Swivax en Suvac werd in PK 15 cellen na
48 en 72 uur incuberen een zwakke fluorescentie van enkele groepjes
cellen waargenomen.

Het virus van de virusdiarree van het rund is nauw verwant aan de
varkenspestsmetstof. Bij enting van een V.D. stam in PK15 cellen, foetale
runderniercellen en testescellen werd met een anti-varkenspestconjugaat
een fluorescentie gezien. Deze bevinding is een bevestiging van die van
Mengeling (1963). Op de betekenis hiervan hopen we later nog terug
te komen.

Gemutileerde cellen en celophopingen in besmette en onbesmette celcul-
tures vertonen vaak een zekere mate van fluorescentie. Deze celaggregaten
kunnen ontstaan door sterke lokale groei of door mechanische beschadiging
der cellaag. Dergelijke cellen kunnen het fluorochroom, ook na langdurig
wassen, in zekere mate vasthouden. De waargenomen fluorescentie is dan
dof en groengeel, in tegenstelling tot de specifieke kleuring, die meer
briljant groen is.

Een andere vorm van aspecifieke fluorescentie, die moeilijk te onder-
scheiden is van de specifieke, ontstaat doordat in het conjugaal eiwitmole-
culen met een overmaat aan negatieve lading aanwezig zijn en zich ge-
bonden hebben aan positief geladen eiwitmoleculen van het substraat.
Bekend is bijvoorbeeld de aspecifieke fluorescentie die leucocyten kunnen
vertonen. Een methode om op een snelle manier deze fluorescentie te
onderkennen is het belichten van het preparaat met het gewone licht.
De niet specifiek fluorescerende cellen steken duidelijk af legen de om-
geving, de specifiek reagerende zijn daarentegen niet van de omringende
cellen te onderscheiden.

Het absorberen van het conjugaal met weefselpoeder dient om deze
aspecifieke eigenschappen te verwijderen. Voor dit doel werd met aceton
gedroogd lever- of nierpoeder gebruikt. De diersoort speelt kennelijk geen

-ocr page 342- -ocr page 343-

Afb. 2.

Vier cultures van PK15 cellen 18-24 uur na inoculatie met varkenspestvirus. Kleuring

met een anti-varkenspest conjugaat volgens de directe methode.
Fluorescentie wordt alleen in het cytoplasma der cellen waargenomen. De kernen
blijven ongekleurd en zijn als donkere bollen zichtbaar. Het haardsgewijze optreden

der geïnfecteerde cellen is opvallend.
In de onderste figuren is lichte tegenkleuring toegepast met lissamine rhodamine
(RB200) gekoppeld aan runder serumalbumine lOOx en 240x.

Picture 2.

Four monolayers of PK15 cells 18-24 hours after inoculation with hog cholera virus.

Stained with an anti-hog cholera conjugate by the direct method.
There is fluorescence of the cytoplasma only. The nuclei remain unstained and they
are visible as dark, round formations. Typically is the focal distribution of infected

cells.

The background in the two lower pictures has been lightly counterstained with a
Lissamin Rhodamin (BR200)-Bovine Serum Albumin conjugate. xlOO and x240.

-ocr page 344-

rol want we hebben met evenveel succes weefselpoeder van een \\arken,
kalf en konijn gebruikt.

De op beschreven wijze verkregen en geselecteerde immiumsera en de
hieruit bereide conjugaten voldoen uitstekend.

Een enkele maal komt het wel eens voor dat bij de één-fase inhibitietest
de controlestrip een duidelijke, de teststrip echter nog een vage aanduiding
ener fluorescentie te zien geeft. Minder vaak zien we dit verschijnsel bij de
twee-fase inhibitietest. Dit fenomeen kan mogelijk verklaard worden door
uitwisseling of verdringing van niet gekleurde, aan het antigeen gebonden
immuunglobulinen, door gemerkte, vrije globulinen. Deze niet scherp af-
gegrensde resultaten kunnen vaak vermeden worden door de preparaten
minder lang te kleuren. Het verschijnsel zien we niet bij de verzadigings-
test en de neutralisatietest.

Naast bovengenoemde specificiteitstesten werden als positieve controles
celcultures gebruikt die met 1/10 verdund referentievirus besmet waren.
Als negatieve controles dienden onbesmette celculturen. Eveneens dienden
besmette cultures die gekleurd waren met een conjugaat, dat bereid werd
uit het serum van een ongeïnfecteerd SPF varken, als negatieve controles.
De specificiteit der door ons verkregen fluorescentie menen we, op grond
der resultaten van de verschillende controlereacties, te hebben aangetoond.
Het gebruik van sera van niet SPF-varkens voor de bereiding van anti-
varkenspest conjugaten brengt het risico met zich mee, dat ook anders
gerichte antilichamen meegekoppeld worden. Theoretisch zouden dus ook
andere virussen, die zich in de celcultures vermeerderen, een specifieke
fluorescentie kunnen teweegbrengen en oorzaak zijn van een foutieve
diagnose. Derhalve werden verschillende mond- en klauwzeerstammen, het
virus van de infectieuze bovine-rhinotracheïtis (IBR), Aujeszkyvirus, een
Teschenvirus en parainfluenza-3-virus in PK 15 cellen nader onderzocht.
Na incubatie werden de celcultures op gebruikelijke wijze met anti-
varkenspestconjugaat behandeld. De resultaten waren negatief. In de ge-
bruikte conjugaten waren blijkbaar geen met de IFT aantoonbare hoe-
veelheid antistoffen tegen deze virussen aanwezig.

De gevoeligheid van de celcultuur-IFT werd nagegaan door een titratie
van het referentie virus. Hierbij werd een tited bereikt van 10\'\'\'-5 TCD50/
ml. Titratie van hetzelfde virus in varkens, welke een paar maanden eerder
werd uitgevoerd, gaf een titer van tenminste 10\'\' ID50/ml (Van B e k-
kum, 1966).
SAMENVATTING.

In hoofdstuk II wordt de toepassing van de directe immunofluorescentietechniek
(IFT) op cultures van primaire foetale varkensnierccllcn cn de PK15-cellijn be-
schreven. De op glasstrips gekweekte cellen werden geïnfecteerd met de virulente
Brescia varkenspestvirusstam, de cytopathogenc Cornellstam cn dc gclapiniseerde
Swivax- cn Suvacstammen. Met dc Brescia- en de Cornellstam werd reeds na 18 uur
een duidelijke specifieke reactie, in de vorm van een briljante, groene fluorescentie
waargenomen. De Swivax- en de Suvacstammen gaven slechts een zwakke fluorescentie
te zien. Eveneens werd een duidelijke fluorescentie waargenomen bij besmetting van
cultures van PK15-, primaire foetale rundernier- cn primaire foetale rundertestes-
cellen met de virusdiarreestam Oregon C24 en na kleuring met een antivarkenspest
conjugaat. Fluorescentie trad daarentegen niet op bij besmetting van PK15 celcultures
met verschillende mond- en klauwzeervirusstammen, met het virus van de infectieuze
bovine rhinotracheïtis (IBR), paraïnfluenza-3-virus, Aujeszkyvirus en een Teschen-
virus. De cclcultures werden eveneens behandeld met een antivarkenspest conjugaat.

-ocr page 345-

De conjugaten werden bereid uit antisera van niet-SPF varkens, die op conventionele
wijze met kristalvioletvaccin waren geïmmuniseerd cn daarna met de Bresciastam
waren gechallenged.

De gevolgde methode van conjugatie is in principe die volgens Marshall et al
(1958). Het antiserum wordt driemaal met het halve volume verzadigde ammonium-
sulfaat oplossing bij -f4°C gefractioneerd. Na de derde behandeling wordt het se-
diment in het halve volume aq.dest. opgelost. De (NH4)2S04 wordt uit de fractie
door dialyse met herhaalde verversin.gen tegen 0.15 mol. NaCl verwijderd. Hierna
wordt de proteïne concentratie met de Biureet-methode bepaald. De albuminevrije
fractie wordt met 0.15 mol. NaCl en carbonaat-buffer (0.5 mol., pH 9) verdund
totdat een eindconcentratie van resp. 1 g% proteïne en 10% carbonaatbuffer wordt
verkregen.

De fluoresceine isothiocyanaat (FITC) wordt in een hoeveelheid van 0.05 mg/mg
proteïne aan de globuline oplossing toegevoegd. Dit merken van het globuline ge-
schiedt gedurende ongeveer 18 uur bij -(-4° C. Het gebonden en ongebonden fluo-
rochroom wordt vervolgens gescheiden door geelfiltratie in een Sephadexkolom of
door dialyse in een groot volume phosphaat gebufferde 0.15 mol. NaCl-opl. waarin
Dowex, Hierna wordt het conjugaat 2x geabsorbeerd met orgaanpoeder (aceton
gedroogd lever- of nierpoeder) en zonder conserveringsmiddel bij —20° C. bewaard.
De specificiteit der fluorescentie werd door de één- en twee-fase inhibitietest, de
verzadigingstest en de neutralisatietest aangetoond. Daarnaast werden positieve en
negatieve controles gebruikt.

Bij titratie van het referentie (Brescia) virus werd een titer van 10°-" TCD50/ml
bereikt. Titratie van hetzelfde virus in varkens welke een paar maanden eerder werd
uitgevoerd gaf een titer van tenminste 10®ID50/ml.

De gunstige bevindingen, die met de celcultuur IFT werden verkregen zijn in vol-
komen overeenstemming met die van Mengeling et al (1963, 1964, 1965) en
Robertson et al ( 1965). De verkregen er\\aring vormt de basis van de toepassing
van deze techniek bij de diagnose van praktijkgevallen van varkenspest. Deze appli-
catie wordt in hoofdstuk III beschreven.

SUMMARY.

Chapter II is concerned with the use of the direct Fluorescent Antibody Technique
(FAT) in primary pig foetal kidney tissue culture cells and the PK15 cell line.
The cells grown on glass strips were infected with the virulent Brescia strain of hog
cholera virus, the cytopathogenic Cornell strain and the rabbit-adapted Swivax and
Suvax strains. With the Brescia and Cornell strains, a specific brilliant green fluores-
cence was readily observed within eighteen hours. The Swivax and Suvax strains
produced only a fluorescence of low intensity. Specific staining of andgcn was also
accomplished after inoculation of PK 15 cells, primary bovine foetal kidney tissue
culture cells and primary bovine foetal testis tissue culture cells with the Oregon
C24 virus diarrhoea strain followed by staining with an anti-hog cholera conjugate.
Specific fluorescence was not seen, however, after infection of PK 15 cells with
various strains of foot-and-mouth disease virus, the virus of infectious bovine rhino-
tracheitis (IBR), para-influenza 3 virus, the virus of Aujeszky\'s disease and Teschen
virus. These cells were also treated with an anti-hog cholera conjugate.
The conjugates were prepared from antisera of non-SPF pi.gs, which had been im-
munized with crystal violet vaccine by conventional methods followed by a challenge
with the Brescia strain.

The method of conjugation used is essentially the same as that described by M a r-
shall et al. (1958). The antiserum is fractionated three times with half the volume
of a saturated ammonium sulphate solution at -(- 4° C. After the third treatment,
the sediment is dissolved in half the volume of distilled water. The solution is freed
of ammonium sulphate by dialysis with several changes, a.gainst 0,15 M sodium
chloride.

-ocr page 346-

The protein concentration is then determined by the Biuret method. The albumin-
free fraction is diluted with 0.15 M sodium chloride and a carbonate buffer (0.5 M,
pH 9) to give a final protein content of 1 gr/100 ml and a carbonate buffer concen-
tration of 10%.

The mixture is stirred continuously and 0.05 mg. of fluorescein isothiocyanate
(FITC) per mg. of protein is added gradually. This labehng procedure is allowed
to continue overnight at 4° C.

The conjugated and non-conjugated fluorochrome are separated by gel filtration in
a Sephadex (G25) column or by dialysis in a large volume of phosphatebuffered
saline with some Dowex. The preparation is then absorbed twice with organ powder
(acetone-dried liver or kidney powder) and stored at -20° C without a preservative.
Specificity of the reaction was confirmed by the one- and two step inhibition test,
the saturation test and neutralization test. In addition, positive and negative controls
were used. Titration of the (Brescia) reference virus in tissue culture cells using
the FAT, revealed a titre of 10®-® TCD50/ml. Titration of the same virus in pigs,
carried out a few months previously, resulted in a titre of at least 10® ID 50/ml.
The favourable results in using the tissue culture fluorescent antibody technique are
in complete accordance with those reported by Mengeling et al. (1963, 1964,
1965) and Robertson et al. (1965). The experience gained provides the basis
for further application of this method in the diagnosis of field cases of hog cholera.
This application is reported in Chapter III.

RÉSUMÉ.

Le chapitre II décrit l\'application de la technique d\'immunofluorescence directe sur
les cultures de cellules rénales foetales primaires de porcs et la ligne cellulaire -PK15.
Les cellules cultivées sur des lamelles de verre ont été infectées avec la souche viru-
lente de peste porcine Brescia, la souche cytopathogène de Cornell et les souches
Swivax et Suvac lapinisées, A l\'aide des souches Brescia et Cornell on observa déjà
après 18 heures une réaction spécifique évidente dans la forme d\'une fluorescence
brillante et verte. Les souches Swivax et Suvac ne montraient qu\'une fluorescence
faible. Une fluorescence nette a également été perçue après l\'infection de cultures
de PKI5-, de cellules rénales foetales primaires de bovins et de cellules foetales pri-
maires de testicules bovins avec la souche du virus diarrhéique Oregon C24 et après
coloration avec un conjugat d\'anti-peste porcine.

Il n\'y avait cependant pas de fluorescence après l\'infection de cultures cellulaires
de PK 15-avec différentes souches de virus de fièvre aphteuse, avec le virus de rhi-
notrachéite bovine infectieuse (IBR), avec le virus para-influenza-3, le virus d\'Aujcsz-
ky et un virus Teschen. Les cultures cellulaires ont également été traitées avec un
conjugat antipeste porcine.

Les conjugats ont été préparés d\'anti-sérums de porcs non-SPF que avaient été im-
munisés avec le vaccin cristallin violet de la façon conventionnelle et qui avaient
ensuite été infectés avec la souche Brescia.

La méthode suivie de conjugaison est en principe celle de Marshall et autres
(1959). L\'antisérum est fractionné trois fois à 4° C avec le demivolume de solu-
tion de sulfate d\'ammonium saturé. Après le troisième traitement le sédiment est
dissolu dans le demi volume d\'eau distillée- Au moyen de dialyse, avec renouvelle-
ments répétés, contre 0,15 mol. de NaCl, la (NH4)2S04 est éliminée de la fraction.
Ensuite la concentration protéinique est déterminée à l\'aide de la méthode Biurète.
La fraction sans albumine est diluée avec 0,15 mol. de NaCl et avec tampon de
carbonate (0,5 mol. pH 9) jusqu\' à ce qu\'une concentration finale de respective-
ment 1 gr% de protéine et 10% de tampon de carbonate soit obtenue. L\'iso-thiocy-
anate de fluorescéine (FITC) est ajouté à la solution de globuline dans une quantité
de 0,05 mg/mg de protéine. Ce marquage de la globuline se fait à 4° pendant
environ 18 heures. Le fluorochrome lié et non-lié est ensuite divisé par une filtration
de gel, par un passage dans une colonne de Séphadex (G25), ou par dialyse dans
un grand volume de solution NaCl 0,15 mol. tamponné de phosphate et contenant

-ocr page 347-

Dowex. Ensuite le conjugal est deux fois absorbé de poudre organique (poudre hé-
patique et rénale, séchée à l\'acétone) et conservé à -20° G sans conservant.
Le test d\'inhibidon mono- et biphasique, le test de saturation et le test de neutrali-
sadon ont démontré le caractère spécifique de la fluorescence. En outre on s\'est servi
de contrôles positifs et négatifs.

Le titrage du virus de référence (Brescia) avec la méthode d\'immunofluoresccnce
donnait un titre de 10®-® TCDSO/ml. Le titrage du même virus dans des porcs, fait
quelques mois auparavant, révéla un titre d\'au moins 10® ID50/ml.
Les résultats favorables obtenus selon la technique d\'immunofluorescence sur les
cultures cellulaire sont parfaitement analogues à ceux de Menge ling et autres
(1963, 1964, 1965) et de Robertson et autres (1965). L\'expérience acquise
forme la base de l\'application de cette technique pour le diagnostic des cas de peste
porcine dans la pratique. Cette application est décrite dans le chapitre IIL

ZUS.AMMENFASSUNG.

Im Kapitel II wurde die Anwendung der direkten Immunofluoreszenztechnik (IFT)
auf Kulturen von primären fötalen Schweinenierenzellen und die PK15-Zellinie be-
schrieben. Die auf Glasstrips gezüchteten Zellen wurden mit dem virulenten Bres-
cia-Schweinepestvirusstamm, dem zythopathogenen Cornellstamm und dem lapini-
sierten Swifax- und Suvacstamm infiziert. Mit dem Brescia- und Cornellstamm
wurde bereits nach 18 Stunden eine deutlich spezifische Reaktion in Form einer
brillanten, grünen Fluoreszenz wahrgenommen. Bei den Swivax- und Suvacstämmen
trat nur eine schwache Fluoreszenz in Erscheinung. Ebenso wurde eine deutliche
Fluoreszenz nach Infizierung von Kulturen der PK 15-, primär fötaler Rindernieren-
und primär fötaler Rindertestiszellen mit dem Virusdiahrrhöestamm Oregon C24
und nach Färbung mit einem Antischweinepestkonjugat wahrgenommen. Fluores-
zenz trat dagegen nicht auf nach Inokulierung der PK15-Zellkulturen mit verschie-
denen Maul- und Klauenscuchevirusstämmen, mit dem Virus infektiöser bovine
Rhinotracheitis (IBR), Paraininfluenza-3-Virus, Aujeszky-virus und einem Teschen-
virus. Die Zellkulturen wurden gleichfalls mit einem .Antischweinepest-Konjugat be-
handelt.

Die Konjugale wurden aus Antisera von nicht-SPF-Schweinen, die auf konventionelle
Weise mit Kristallvioletvakzin immunisiert waren und danach mit dem Brescia-
stamm „gechallenged" wurden, hergestellt.

Die befolgte Konjugationsmethode ist im Prinzip die von Marshall u.a. (1958).
Das Antiserum wird dreimal mit dem halben Volumen gesättigter Ammoniumsulphat-
lösung bei 4° C fraktioniert. Nach der dritten Behandlung wird das Sediment in
einer Volumenhälfte Aq. dest- aufgelöst. Das
(NH4) \'2SO4 wird aus der Fraktion
durch Dialyse mit wiederholten Erneuerungen .gegen 0,15 Na Cl entfernt- Hiernach
wird die Proteinkonzentration mit der Biuremethode bestimmt. Die albuminfreie
Fraktion wird mit 0,15 mol. Na Cl und Karbonatpuffer (0,5 mol., pH 9) verdünnt,
bis eine Endkonzentration von 1 gr% Protein, resp. 10% Karbonatpuffer erreicht
wird.

Das Fluoresceinisothiocyanat (FITC) wird in einer Menge von 0.05 mg./rng Protein
der Globulinlösung zugegeben. Dieses Markieren des Globulins geschieht während
ungefähr 18 Stunden bei 4° C. Das gebundene und ungebundene Fluorochrom
wird hierauf durch Gelfilterung in ein Sephadexkolom (G25) geschieden oder durch
Dialyse in ein grosses Volumen Phosphat gepufferte 0.15 mol. NaCl-Lösung, worin
Dowcx. Hiernach wird das Konjugal 2 x mit Organpuder (Azeton getrochnctes
Leber- oder Nierenpuder) absorbiert und ohne Konservierungsmittel bei -20° C auf-
bewahrt.

Die Spezifität der Fluoreszenz wurde durch Ein- bezw. Zweiphasen Inhibitionstest,
Sättigungstest und Neulralisationstest nachgewiesen. Daneben wurden positive und
negative Kontrollen benutzt.

Beim Titrieren des Referenz-Virus (Brescia) wurde ein Titer von 10®-® TCD50/ml
erreicht. Titrieren desselben Virus in Schweinen, einige Monate früher, ergab einen
Titer von mindestens 10®ID50/ml.

-ocr page 348-

Die günstigen Resultate, die mit der Zellkultur IFT erzielt wurden, sind vollkommen
in Übereinstimmung mit jenen von Mengeling u.a. (1963, 1964, 1965) und
Robertson u.a. (1965).

Die erworbene Erfahrung formt die Basis dieser Technik bei der Diagnose von
Schweinepest in der Praxis. Diese Anwendung wird in Kapitel III beschrieben.

RESUMEN

El capitulo II describa la aplicacion de la técnica de la inmunofluorescencia dirccta
(IFT), sobre cultivos primarios de celulas renales fetales porcinos y la linea de
celulas PK15. Las celulas cultivadas sobre laminillas de vidrio, se infectaron con: la
cepa virulenta de peste porcina Brescia; la cepa citopatogena dc Cornell y las cepas
lapinizadas Swivax y Suvac. Con las cepas Brescia y Cornell, se pudo observar después
de las 18 horas, una reaccion especifica visible bajo la forma de una fluorcscencia
brillante y verde. Las cepas Swivax y Suvac mostraron apenas une débil fluorcscencia.
Igualmente se observé una fluorcscencia muy visible en cultivos de células PKI5,
cultivos primarios dc células de rinones fetales bovinos y cultivos primarios de
células de testiculos fetales bovinos infectados con la cepa C 24 del virus de la
diarrea y siguiendo la coloración con un conjugado anti-peste porcina. En cambio no
se observó fluorcscencia alguna después de infectar cultivos de células PK 15 con
diferentes cepas del virus de la fiebra aftosa, con cl virus de la rinotraqueitis bovina
infecciosa (IBR), con cl virus de la para-influenza-3, con el virus de la enfermedad
de Aujeszky y con el virus de Teschen. Los cultivos de células fueron también tratados
con un conjugado anti-peste porcina.

Los conjugados se obtuvieron de anti-sueros de cerdos no SPF, los cuales fucron
inmunizados de una manera convencional con vacuna cristal-violeta y después some-
tidos a una descarga de virus de la cepa Brescia.

El método adoptado para la conjugación es lâsicamente el mismo sugerido por
Marshall y col. (1958). El antisuero se fracciona tres veces con la mitad del
volumen de una solución saturada de sulfato de amonia, a 4° centrigados. Después
del tercer tratamiento, el scdimento se disuelve en la mitad dc volumen de agua
destilada. El sulfato de amonio se remueve de la fraccion por dialisis frente a
cloruro de sodio 0.15 M; la solución de cloruro de sodio se cambia varias veces. La
concentracion de proteina se détermina utilizando el método de Biuret. La fraccion
libre de albumina se diluye con cloruro de sodio 0.15 M y buffer carbonato (0.5 M,
pH 9) hasta obtener una concentracion final de 1 gm de proteina por 100 ml. y
10% de buffer-carbonato.

Se adiciona a la solucion de globulina, una cantidad de 0.05 mg de isotiocianato de
fluoresceina (FITC) por mg de proteina. Se emplean alredcdor de 18 horas para
hacer el marcâdo de la globulina, a una temperatura de 4° centrigrados. El flouro-
cromo conjugado y el no conjugado se sepâran haciendoles pasar por un filtro de gel
cn una columna dc Sephadcx (G25), o por dialisis en un gran volumen de solución
de cloruro de sodio 0.15 M, tamponada con fosfatc y que contenga Dowex.
Luego, se absorbe el conjugado dos veces en polvo orgânico (polvo dc higado o de
rinón secado con acctona), y se conserva -20° C, sin adición de preservatives.
El carâctcr, especifico de la fluorcscencia se dcmostró por una prucba de inhibición
de una y dos fases, por la prucba de la saturación y por la prucba de la neutraliza-
ción. Al lado de cada prueba se utilizaron controles positives y negatives. Al titular
el virus de referenda (Brescia), se halló un dtulo de 10®-®TCD50/ml. La titulación
del mismo virus en cerdes, la cual fue hecha algunos meses antes, reveló un dtulo de,
por lo menés, 108ID50/ml.

Los resultados favorables, obtenidos con el cultivo dc células IFT, estan en perfecto
acuerdo con los reportados por Mengeling y col. (1963, 1964, 1965) y
Robertson y col (1965).

La experiencia obtenido, es la base para la aplicacion de ésta técnica en el diag-
nostico de la peste porcina en el campo. Dicha aplicacion se describe en el capitulo
III.

-ocr page 349-

LITERATUUR.

Bekkum, J. G. van: Serological aspects of the vaccination against hog cholera
with crystal violet vaccine.
Tijdschr. Diergeneesk., 91, 149, (1966).

Cherry, W. B., Goldman, M., C a r s k i, T. R. and Moody, M. D.:
Fluorescent antibody techniques in the diagnosis of communicable diseases. U.S.
Dept. of Health, Education and Wellfare, Public Health Service, Adanta, Georgia
(1960).

Coons, A. H., Creech, H. J., Jones, R. N. and Berliner, E.: The de-
monstration of pneumococcal antigen in tissues by the use of fluorescent antibody.
J. Imm., 45, 159, (1942).

Goons, A. H. and Kaplan, M. H.: Localization of antigen in tissue cells.
]. exp. Med., 91, 1, (1950).

Gispen, R.: Vaccinatie tegen rabies met verschillende vaccins. Berichten R.I.V.,
344, (1964).

H e u s c h e 1 e, W. P., Coggins, S. L. and Stones, S. C.: Fluorescent antibody
studies on African Swine Fever.
FAOjOIE Intern. Meeting on Hog Cholera and
African Swine Fever, Rome (1965).

Marshall, J. D., E v e 1 a n d, W. C. and Smith, C. W.: Superiority of
fluorescein isothiocyanate (Riggs) for fluorescent antibody technique with a modi-
fication of its application.
Proc. Soc. exp. Biol. Med., 98, 898, (1958).

Mengeling, W. L., G u t e k u n s t, D. E., F e r n e 1 i u s, A. L. and P i r 11 e,
E. C.: Demonstration of an antigenic relationship between Hog Cholera and Bovine
Viral Diarrhea by immunofluorescence.
Can. J. Comp. Med. vet. Sei., 27, 162,
(1963).

Mengeling, W. L., P i r 11 e, E. C. and T o r r e y, J. P.: Identification of Hog
Cholera by immunofluorescense.
Can. J. Comp. Med. vet. Sei., 27, 249, (1963).

M c n g e 1 i n g, W. L.: Field evaluation of the fluorescent antibody tissue test of Hog
Cholera.
Sei. Proc. Am. vet.med. Ass., 274, (1964).

Mengeling, W. L.: The diagnosis of Hog Cholera by F.A.T. FAOjOIE Intern.
Meeting on Hog Cholera and African Swine Fever, Rome, (1965).

Robertson, A., G r e i g, A. S., Appel, M., G i r a r d. A., Bannister,
G. L. and Boulanger, P.: Hog Cholera IV. Detection of the virus in tissue
culture by the F.A.T.
Can. J. Comp. Med. vet. Sei., 29, 234, (1965).

-ocr page 350-

III. Het onderzoek van praktijkmateriaal op de aanwezigheid van
varkenspestvirus met de IF-, ETV- en END-technieken.

The examination of field samples for the presence of Hog Cholera virus
by the FA-, ETN- and END techniques.

door P. H. BOOL en A. A. RESSANG1)

De ervaringen met de IF-, ETV- en END-technieken, beschreven in deel I
en II, vormen de basis voor een onderzoek naar de praktische bruikbaar-
heid van deze methodieken bij de varkenspestdiagnostiek.

Materiaal en werkwijze
.A. Praktijkmateriaal

Het onderzoek had betrekking op 90, van varkenspest verdachte ziekte-
gevallen, welke werden vastgesteld tussen april 1964 en augustus 1965.
Deze gevallen waren afkomstig uit de provincies Noord-Brabant2) (52
maal), Noord-Holland (19), Zuid-Holland (9), Gelderland (6), Overijssel
(2), Drenthe (1) en Groningen (1). Hierbij kon vier maal, op basis van
anamnestischc gegevens, worden aangenomen, dat de besmetting het gevolg
was van kontakt met geïnfecteerde varkens van een ander, in dit onderzoek
reeds positief bevonden, bedrijf.

De varkens werden veelal door medewerkers van de Veeartsenijkundige
Dienst naar het instituut vervoerd, zodat in het algemeen over vers ma-
teriaal kon worden beschikt. Van alle gevallen werden monsters van be-
paalde organen bij - -20° of —40° C bewaard.

Bij het onderzoek werd gestreefd naar een bedrijfsdiagnose ten aanzien van
varkenspest. In die gevallen waarbij van één bedrijf meerdere dieren
werden onderzocht, werd dan ook niet getracht het virus uit organen van
afzonderlijke varkens aan te tonen.

Van de in dit onderzoek betrokken ziektegevallen kon door één onzer (R.)
sectie worden verricht op 122 varkens, afkomstig van 57 bedrijven. Daarbij
werd van 99 dieren tevens een histopathologisch hersenonderzoek uit-
gevoerd.

De beoordeling van de secties en van het microscopisch onderzoek, ge-
schiedde volgens criteria, welke reeds zijn beschreven (R e s s a n g, 1953).
Monsters van de milt, de portale lymfklieren en de tonsillen van alle per
bedrijf gelijktijdig aangeboden varkens, werden gemengd tot een suspensie
verwreven. Na toevoeging van antibiotica en een centrifugatie werd het
bovenstaande als inoculum voor de celcultures gebruikt.
Van 16 varkens afkomstig van 16 bedrijven was het alleen mogelijk de
hersenen, de milt en soms ook de lymfklieren in het onderzoek te betrekken.
Voorts kon van 17 bedrijven uitsluitend de milt van een aantal varkens
worden onderzocht.

1  Drs. P. H, Bool en Prof. Dr. A. A. Ressang; Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, afd. Amsterdam; Grote Kattenburgerstraat 7.

2  Wij willen speciaal Dr. J. N. Koning en zijn medewerkers danken voor dc
ondervonden steun bij het onderzoek.

-ocr page 351-

B. Infectieproeven bij varkens

Varkens, niet een gewicht van 15-25 kg, niet tegen varkenspest gevacci-
neerd en geboren uit ongeënte zeugen, werden subcutaan geïnjicieerd met
minimaal 1 ml 10% suspensies van milt, eventueel lymfkheren en tonsillen,
waaraan antibiotica waren toegevoegd. Vóór de injectie werd een bloed-
Tuonster uit de vena cava cranialis gewonnen, het aantal leucocyten geteld
cn het serum bij —20° C bevroren. Bij het optreden van een temperatuur-
reactie werd een bloedmonster genomen voor een eventuele virusisolatie en
werden de leucocyten geteld. Na 21 dagen observatie, in enkele gevallen
na 17 dagen, werden de dieren, nadat een serummonster was genomen,
subcutaan geïnfecteerd met tenminste 10.000 infectieuze eenheden van de
virulente Bresciastam.

Het onderzochte materiaal werd beschouwd vrij te zijn van varkenspest-
virus, indien na injectie bij 2 varkens de lichaamstemperaturen niet boven
de 40° G stegen, de dieren na 21 dagen gevoelig bleken voor een proef-
infectie met het Bresciavirus en op dat tijdstip geen neutraliserende anti-
lichamen ten opzichte van de Cornell-stam konden worden aangetoond.
Het geïnjicieerde materiaal bevatte daarentegen wel varkenspestvirus, als
voldaan werd aan één of meer van de volgende criteria:

1. herisolatie van het pestvirus uit de experimenteel besmette varkens
door middel van de ETV-test en/of fluorescentietechniek;

2. aantonen van neutraliserende antilichamen ten opzichte van de
Cornell-stam;

3. resistentie 3 weken p.i. tegen een superinfectie met het Brescia-virus.
In een aantal gevallen werden de niet de cultuurtechnieken negatief be-
vonden monsters gemengd bij varkens geïnjicieerd.

Resultaten van het praktijkonderzoek

Uit tabel H blijkt, dat op 122 varkens, aangevoerd van 57 bedrijven, een
volledig pathologisch-anatomisch en histologisch onderzoek kon worden
gedaan. Daarbij kon reeds op grond van cle sectiebevindingen bij 42 van de
49 varkens, afkomstig van 23 bedrijven, de diagnose varkenspest worden
gesteld. Van deze bedrijven werd van 38 varkens een histologisch hersen-
onderzoek ingesteld, waarbij 31 maal een meningo-encephalitis werd ge-
constateerd. De pathologisch-anatomische diagnose varkenspest kon in alle
23 gevallen worden bevestigd door het aantonen van het virus met de IF-
en ETV-technieken.

Na sectie van 28 varkens afkomstig van 10 bedrijven, was slechts een ver-
denking van varkenspest gewettigd. In deze groep werd op 8 bedrijven bij
13 van de 17 onderzochte dieren een meningo-encephalitis vastgesteld. Van
varkens uit genoemde 8 bedrijven werd met de IF- en ETV-test 7 maal een
positief resultaat verkregen. Bij de 3 resterende gevallen, met 4 verdachte
secties en éénmaal een meningo-encephalitis, werd daarentegen geen virus
aangetoond met de celkweekmethodieken.

Een volledige overeenkomst tussen een negatieve uitslag van het patholo-
gisch-anatomisch onderzoek, het hersenonderzoek en van de IF- en de
ETV-test, bestond in 20 gevallen. Van deze bedrijven werden 40 varkens
geseceerd, waarvan bij 36 dieren een histologisch hersenonderzoek werd
verricht.

-ocr page 352-

Resultaten van het P.A.-, histologisch-, IF- en ETV-onderzoek van 57
praktijkgevallen verdacht van varkenspest.

Aantal
bedrijven

Aantal
onderzochte

Secde

Aantal

Resultaat hersenonderzoek

IFT

ETV

Autopsy

onderzochte
hersenen

Number
of brains
examined

Results brain examination

FAT

Number

varkens

Pos.

Verdacht Neg.

Eind-

Pos.

Neg.

of farms

Number of
pigs examined

Suspected

diagnose

Final
diagnosis

20

45

39

6

pos.

35

31

4

7

24

24

verd. susp.

16

12

4

3

4

3

1

pos.

3

3

-f

3

3

3

neg.

3

3

-1-

-1-

2

4

3

1

verd. susp.

4

4

20

40

40

neg.

36

36

1

1

1

verd. susp.

1

1

1

1

1

neg.

1

1

57

122

42

35

45

99

45

54

Table II.

Results of the autopsy, histological brain examination and of the
application of the FA- and of the ETV-techniques on 57 field cases
suspected of hog cholera.

<r>

-ocr page 353-

Van 3 bedrijven, met elk één onderzocht varken kon, niettegenstaande een
negatieve uitslag van de sectie en het histologisch hersenonderzoek, de
diagnose varkenspest toch worden gesteld, op grond van een positief resul-
taat van de IF- en de ETV-test.

Van één bedrijf werd bij één varken alleen een lichte meningo-encephalitis
vastgesteld. Materiaal van dit dier was negatief in de ETV-test en gaf
alleen een zwakke fluorescentie in PK 15 cellen (zie verder).

Tabel III.

Resultaten van het histologisch onderzoek van de hersenen, van de IF- en
van de ETV-test met organen van varkens van 16 praktijkgevallen,
verdacht van varkenspest.

Aantal
bedrijven

Number
of farms

Aantal
onderzochte
varkens

Number
of pigs
examined

Aantal
onderzochte
hersenen

Number
of brains
examined

Resultaat hersenonderzoek
Results brain examination

Pos. Neg.

IFT
FAT

ETV

10

10

10

10

2

2

2

2

3

3

3

3

1

1

1

1

16

16

16

12 4

Table III.

Re.mlts of the histological brain examination and of the FA- and of the
ETV-techniques on material of pigs from 16 field cases of suspected hog

cholera.

Fabel III omvat de gegevens van die gevallen, waarbij geen pathologisch-
anatomisch onderzoek, doch wel een histopathologisch hersenonderzoek
kon worden uitgevoerd. In alle 16 gevallen was per bedrijf slechts materiaal
van één varken beschikbaar. In 10 varkens werd een meningo-encephahtis
vastgesteld en het varkenspestvirus aangetoond. Bij 3 varkens waren de re-
sultaten van het hersenonderzoek en van de celcultures negatief. Het virus
v/erd evenmin aangetroffen in 2 varkens met een meningo-encephalitis.
Tenslotte werd bij één varken een zwakke fluorescentie geconstateerd in
combinatie met een negatief hersenonderzoek en een negatieve ETV-test
(zie verder).

Tabel IV vermeldt de gevallen, waarbij geen sectie^ of liistopathologisch
hersenonderzoek kon worden gedaan. Ook hierbij waren de uitslagen van
de IF- en de ETV-test in alle gevallen gelijkluidend. In materiaal afkomstig
van 17 onderzochte bedrijven werd 16 maal het varkenspestvirus aan-
getoond.

Worden de tabellen samengevat, dan blijkt dat van de 90 van varkenspest
verdachte gevallen, 59 maal een virologische varkenspestdiagnose werd
verkregen.

-ocr page 354-

Resultaten van de IF- en ETV-test met organen van varkens van 17
praktijkgevallen, verdacht van varkenspest.

Aantal bedrijven

IFT

ETV

Number of farms

FAT

16

-f

-f

1

—-

17

Table IV.

Results of the FA- and of the ETV-test on organs of pigs from 17
cases of suspected hog cholera.

Bij zes varkens van zes bedrijven was het histologisch hersenonderzoek
negatief, hoewel het virus bij deze dieren werd aangetoond. Bij de overige
37 gevallen van virusisolatie was steeds bij één of meer van de varkens een
rneningo-encephalitis aanwezig. Een dergelijke ontsteking bestond eveneens
bij 3 varkens, afkomstig van 3 bedrijven, zonder dat varkenspestvirus bij
deze dieren werd gevonden.

14 Praktijkmonsters werden, behalve met de ETV-test, eveneens met de
END-test onderzocht. De resultaten van de END-test waren in overeen-
stemming met de bevindingen in de IE- en ETV-test, n.l. 10 maal positief
en 4 maal negatief.

De specificiteit van de positieve resultaten blijkt uit de volgende gegevens.
In de ETV-test werden alle 58 onderzochte isolaten geneutraliseerd door
het varkenspesthyperinunuunserum. Deze neutralisatie werd ook verkregen
met de monsters, welke met de END-test positief werden bevonden. Met
de IFT werd in 40 van de 59 gevallen de specificiteit aangetoond door de
éénphase-, tweephase, verzadigings- en neutralisatietest. In alle proeven
werden tevens een onbesmette strip (negatieve controle) en met het refe-
rentivirus besmette cellen (positieve controle) onderzocht.
Voor het onderzoek van de 59 positieve gevallen werd bij de IFT 22 maal
gebruik gemaakt van primaire foetale varkensniercellen en 37 maal van de
PK 15 cellijn. Hierbij bleek dat in de primaire cellen met een inoculum van
0.2 ml van een =t5%-ige suspensie, de fluorescentie in 24% der gevallen
18 uur na de besmetting der cellen optrad. In 76% was deze pas na 48 uur
mcuberen aan te tonen.

Met de PK15 cellijn en een infectiedosis van 1 ml van een 33%-ige sus-
pensie, was reeds na 18 uur in 88% der gevallen de diagnose varkenspest
te stellen. Slechts in 12% kon een definitieve diagnose na nog een nacht
incuberen der celcult^ur gemaakt worden.

Een aantal monsters werd door proefinfecties van varkens nader onder-
zocht. Uit economische overwegingen werden slechts vier praktijkmonsters,
welke reeds met de IF- en ETV-techniek positieve resultaten hadden ge-
leverd, bij varkens geïnjicieerd. Het optreden van varkenspest in deze
dieren bevestigde de specificiteit van de bevindingen, welke met de cel-
kweek waren verkregen.

-ocr page 355-

Voorts werden 26 van de 29 monsters, welke met de IF- en ETV-technieken
negatief waren bevonden, in varkens onderzocht. Met 23 monsters konden
geen klinische afwijkingen worden opgewekt. Antilichamen werden bij
deze varkens niet aangetoond en een resistentie ten opzichte van het viru-
lente Brescia-virus ontwikkelde zich niet. Uit één monster werd via varkens
het virus wel geïsoleerd. Deze weinig virulente stam was in de varkens
■■alleen met behulp van de IFT aan te tonen.

Het onderzoek van de twee resterende monsters wordt nog voortgezet,
aangezien hierbij de varkens een kortdurende thermische reactie vertoon-
den en met materiaal van deze proefdieren een zwakke fluorescentie kon
worden verkregen. Zowel de ETV-test als het serologisch onderzoek en de
reactie van de varkens op de proefinfectie met het Brescia-virus, gaven
daarentegen geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van varkenspestvirus
of van een antigeen verwante smetstof.

De twee praktijkmonsters, waarbij de IFT een zwakke fluorescentie had
eetoond, de ETV-test daarentegen negatief werd bevonden (tabel II en
III), veroorzaakten geen reacties bij vier varkens, noch werden anti-
lichamen opgewekt. Wel echter werd bij herhaling met bloed van twee
proefvarkens, geïnjicieerd met één monster, een zwak positieve fluorescentie
verkregen. De ETV-test gaf daarbij steeds negatieve resultaten. Ook in
dit geval is een definitieve uitspraak nog niet mogelijk. Het onderzoek met
bloedmonsters van de twee overige varkens verliep geheel negatief.
Worden de resultaten van de isolaties door middel van de celtechnieken en
via de proefvarkens samengevat, dan blijkt, dat in 60 van de 90 ver-
dachte varkenspestgevallen het virus werd aangetoond.

Bespreking van de resultaten

Voor het aantonen van praktijkstammen van het varkenspestvirus hebben
de directe immunofluorescentie in celcultures en de ETV-test hun waarde
bewezen. Enig voorbehoud dient te worden gemaakt, aangezien alleen
virusstammen werden onderzocht die in de praktijk aanleiding hadden
gegeven tot de verdenking van varkenspest. Het materiaal is immers
geselecteerd op de potentie om bij varkens in meer of mindere mate voor
varkenspest karakteristieke reacties op te wekken.

Daarbij zullen andere factoren, zoals secundaire infecties of milieu-invloe-
den een belangrijke rol kunnen hebben gespeeld. Aangenomen mag worden
dat stammen van verschillende virulentie zijn onderzocht. Bij twee monsters
werd een geringe virulentie inderdaad aangetoond bij de infectie van proef-
\\ arkens. Bovendien werd in een aantal gevallen in de anamnese een slepend
verloop van de ziekte op het bedrijf vermeld.

In laatste instantie werd als criterium gehanteerd het al of niet infectieus
zijn voor varkens van ±20 kg lichaamsgewicht. De mogelijkheid blijft
derhalve open, dat in de monsters, welke zonder een positief resultaat met
de IF- en ETV-techniek en in varkens werden onderzocht, toch zwak-viru-
lente, niet immunogene varkenspeststammen aanwezig zijn geweest.
Korn en Hecke (1964) beschrijven dergelijke niet-immunogene stam-
men, die pas na herhaalde passages door 15-20 kg zware biggen het klassie-
ke beeld van varkenspest kunnen opwekken en dan ook aanleiding geven
tot de vorming van antilichamen.

De weinig virulente stammen en de interpretatie van de zwakke fluorescen-
tie, vormen mede daarom onderwerpen van voortgezet onderzoek.

-ocr page 356-

Uit de vergelijkende titraties van het Brescia-virus blijkt, dat de IFT ge-
voeliger is dan de ETV-test. Met de praktijkmonsters werd een combinatie
van een positieve IF-test met een negatieve ETV-test echter nimmer vast-
gesteld. Alleen bij de herisolatie van één zwak virulente stam uit een experi-
menteel geïnfecteerd varken gaf uitsluitend de IFT een positief resultaat.
Met een ander monster kon slechts een positieve ETV-test worden ver-
kregen, indien het Teschenvirus niet eerder dan zes dagen na de besmetting
met het varkenspestvirus werd toegevoegd, een bevinding, die ook door
Loan (1965) werd gepubliceerd.

Een negatieve uitslag van de IF-test werd nooit gezien met materiaal, dat
positief was bevonden in de ETV-test.

Korn en Nishimura (1963) beschreven 4 weinig virulente en 3
virulente virusstammen uit de praktijk, welke geen positieve resultaten
gaven met de END- en HEIC-test. Twee sterk virulente laboratorium-
stammen gaven daarentegen met de END- en HEIC-methode positieve
uitslagen; een gelapiniseerde stam, welke door middel van passages door
varkens weer virulent voor deze diersoort was geworden, was alleen met
behulp van de END-test aan te tonen.

Deze relatieve ongevoeligheid van de END-test is niet in overeenstemming
met onze bevindingen met de ETV-techniek, hoewel een vergelijking uiter-
aard alleen mogelijk is bij gebruik van dezelfde virusstammen.

Het grote voordeel van de PK 15 cellen boven primaire foetale varkensnier-
cellen is gelegen in het feit, dat de eerste een groter kwantum inoculum
van een geconcentreerde orgaansuspensie verdragen. Dit heeft tot gevolg,
dat in een aantal gevallen waarbij beide celsystemen naast elkaar werden
gebruikt een positieve uitslag met PK15 cellen reeds na 18 uur kon worden
verkregen, met primaire cellen daarentegen pas na 32 uur.
We zijn ons ervan bewust, dat bij het geljruik van PK 15 cellen alleen die
varkenspeststammen werden aangetoond, die na maximaal 72 uur incube-
ren zich zodanig hebben vermeerderd, dat ze met de IFT een positief
resultaat geven. De beoordeling na 72 uur incuberen veroorzaakt wegens
het optreden van celdegeneraties veelal moeilijkheden.
Voor het verkrijgen van een maximale fluorescentie speelt de grootte van
het inoculum nagenoeg geen rol. Met 0.2 ml van een
2% orgaansuspensie
als infectiedosis voor primaire varkensniercellen en PK15 cellen werd een
gelijke optimale fluorescentie gezien, als bij gebruik van 1 ml van een
33%-ige suspensie en PK15 cellen.

De IFT- en ETV-technieken zijn aldus als belangrijke hulpmiddelen bij
de varkenspestdiagnostiek te beschouwen. Daarbij wordt de voorkeur aan
de IFT gegeven. Deze maakt veelal één dag na ontvangst van het materiaal
een uitspraak mogelijk en bezit bovendien een grotere gevoeligheid dan de
ETV-test. Voor beide systemen geldt echter, dat zij ervaring en outillage
vereisen.

Acknowledgement.

The authors wish to thank Dr. W. L. Mengeling (N.A.D.L. Ames, Iowa) for
his eontribution to the development of the FAT in the routine diagnosis of hog-
cholera in this Institute.

Onze welgemeende dank gaat verder uit naar Dr. J. F. Ph. Hers, Mej. L. v a n
der Kuip, Dr. W. H ij m a n s en Mej. H. R. E. Schuit in Leiden; verder
naar Dr. Th. E. W. F e 1 t k a m p en Drs. J. W a 1 d m a n in Amsterdam.

-ocr page 357-

Eveneens zijn we veel dank verschuldigd aan Mej. F. van Haren, Mevr. A. M.
Hagenaars en de heren W. Schaftenaar en P. de Boer voor hun mede-
werking bij het onderzoek.

Tenslotte zij een woord van bijzondere dank aan Mej. J. L. den Boer, Mej.
G. C. d e W ij n cn de Heer C. S t ij n m a n voor hun bijdrage hier op zijn plaats.

SAMENVATTING

Met dc directe immunofluorescentietechniek met PK15- en foetale varkensniercellen
en met de ETV-test werden 90 ziektegevallen, verdacht van varkenspest, onderzocht.
Hierbij werd gestreefd naar een virologische bedrijfsdiagnosc, zodat voor het onder-
zoek met beide celkweektechnieken zo mogelijk het materiaal van meerdere varkens
per bedrijf werd gemengd.

Zowel de positieve als de negatieve resultaten, welke met de praktijkmonsters in de
IFT werden verkregen, stemden geheel overeen met de uitslagen van de ETV-test.
Het materiaal is te verdelen in 3 groepen.

1. Deze groep (tabel II) bestaat uit 122 geseceerde varkens, afkomstig uit 57 bedrij-
ven. Van 99 dieren werd bovendien een histopathologisch hersenonderzoek ingesteld.
Op 33 van de 57 bedrijven werd het varkenspestvirus met de IF- en ETV-tcchnieken
aangetoond.

Van de 122 geseceerde varkens kon op grond van het scctiebeeld de diagnose varkens-
pest worden gesteld bij 42 varkens van 23 bedrijven. In al deze gevallen werd de
pathologisch-anatomische diagnose bevestigd door een positieve IF- en ETV-test.
Van deze 42 varkens werd bij 38 een histopathologisch hersenonderzoek gedaan,
waarbij 31 maal een meningo-encephalitis werd vastgesteld.

Na sectie van 28 varkens, afkomstig van 10 bedrijven, kon slechts een verdenking
van varkenspest worden uitgesproken. Hierbij werd 7 maal het varkenspestvirus met
behulp van de IF- en ETV-test aangetoond. Bij 20 van de 28 dieren werden de
hersenen histologisch onderzocht, waardoor 13 maal een rneningo-cncephalitis werd
gediagnosticeerd.

Tenslotte werden bij sectie van 44 varkens, afkomstig van 24 bedrijven, geen aan-
wijzingen voor het bestaan van een besmetting met het varkenspestvirus verkregen,
terwijl toch uit 3 dieren van 3 bedrijven deze smetstof met de beide celkweektechnie-
ken werd aangetoond. Bij deze dieren werd geen meningo-encephahtis aangetroffen.
De resultaten van de ETV-test met 14 monsters kwamen geheel overeen met die
van de END-test, n.1. 10 maal positief en 4 maal negatief.

2. De tweede groep (tabel III) werd gevormd door materiaal van 16 varkens van
16 bedrijven. Naast de viruskweck kon bij deze dieren alleen ccn histologisch hersen-
onderzoek worden ingesteld. 10 Maal bestond een overeenkomst tussen de aanwezig-
heid van een meningo-encephalitis en een positieve uitslag van de IF- en ETV-test.
Bij twee gevallen met een meningo-encephalitis werd geen virus aangetoond. 3 Maal
werden geen afwijkingen bij het histologisch hersenonderzoek aangetroffen in com-
binatie met een negatief resultaat van dc celkweektechnieken.

3. In de 17 gevallen van de derde groep (tabel IV) konden organen uitsluitend
virologisch worden onderzocht. 16 Maal werd het virus gedemonstreerd.

Bij 43 virusisolatics was bij 6 bedrijven met 6 onderzochte varkens géén meningo-
encephalitis aanwezig. In 3 gevallen, met elk één onderzocht varken, werd wel een
meningo-encephalitis aangetroffen, echter geen varkenspestvirus aangetoond.
Verschillende praktijkmonsters werden geïnjicieerd in gevoelige varkens. 4 Monsters,
met de IF- en ETV-technieken reeds positief bevonden, gaven na besmetting van vier
groepen van 2 varkens, een varkenspestinfectie.

26 Van de 29 monsters, welke daarentegen in de IF- cn ETV-test een negatief resul-
taat hadden geleverd, werden eveneens in varkens nader onderzocht.
Na injecties van 23 monsters werden geen klinische reacties verkregen, noch werden
antilichamen gevormd, terwijl de dieren 21 dagen p.i. gevoelig bleken te zijn voor
een testinfectie met het virulente Brescia-virus. Uit de overige 3 monsters werd
éénmaal varkenspestvirus geïsoleerd. Alleen de IFT kon deze weinig virulente stam

-ocr page 358-

in de experimenteel geïnfecteerde varkens aantonen. Met de twee andere monsters
werden geen klinische reacties in de proefdieren geconstateerd; antilichamen werden
evenmin gevormd. Wel echter werd met materiaal van deze varkens bij herhaling een
zwakke fluorescentie waargenomen.

De twee praktijkmonsters, welke in de IFT een zwakke fluorescentie hadden getoond,
terwijl de ETV-test negatief werd bevonden (tabel II en III), gaven in varkens
evenmin enige reactie. Materiaal van twee varkens, welke met één van deze beide
monsters waren geïnjicieerd, leverde bij herhaling een zwakke fluorescentie. De
betekenis van deze zwakke fluorescentie wordt nader onderzocht.

Worden de resultaten van de celkweektechnieken en van de injecties in varkens
samengevat, dan blijkt dat in 60 van de 90 gevallen varkenspestvirus werd aan-
getoond. In de overige 30 gevallen werd de praktijkdiagnose „varkenspest" of
„verdacht van varkenspest" niet bevestigd.

SUMMARY

Ninety cases in which the presence of swine fever was suspected, were studied using
the direct fluorescent antibody technique with PK 15 cells or foetal pig kidney
tissue cultures as well as the ETV test. As the puspose was to identify the virus
on the farms investigated the material obtained from several pigs from each farm
was mixed wherever possible for study by the two methods.

Both the positive and the negative results obtained with the field samples in the
FAT were in complete accordance with the results of ETV test.
The cases may be arranged in three groups:

1. This group (Table 2) consists of 122 pigs from fifty-seven farms, on which
autopsy was performed. In addition, a histopathological study of the brain was done
on ninety-nine animals. Swine fever virus was shown to be present by the IF and
ETV tests on thirty-three out of these farms.

In view of the findings at autopsy in 122 pigs, a diagnosis of swine fever was
established in forty-two pigs from twenty-three farms. The diagnosis as based on
the pathological findings was confirmed by positive FA en ETV tests in every case.
A histopathological study of the brain was done in thirty-eight of these forty-two
pigs, meningo-encephahtis being found to be present in thirty-one cases.
Autopsy of twenty-eight pigs from 10 farms permitted no definite diagnosis of
swine-fever. Swine fever virus was identified in seven cases using the FA and ETV
tests. A histological study of the brain was done in twenty out of twenty-eight ani-
mals, a diagnosis of meningo-enccphalitis being established in thirteen cases.
Autopsy performed on forty-four pigs from twenty-four farms failed to supply any
evidence of the presence of infection with swine fever virus, although this virus had
been isolated from three animals from three farms with the two tissue-culture me-
thods.

The results obtained using the ETV test in fourteen samples were in complete ac-
cordcince with those of the END test, viz., positive in ten and negative in four cases.

2. Group two (Table 3) consisted of specimens sixteen pigs from sixteen farms. In
addition to virus cultures, only histological studies of the brain could be done in
these animals. The presence of meningo-enccphalitis coincided with positive results
of the FA and ETV tests in ten cases. No virus was isolated in two cases of meningo-
encephalitis. Failure to detect any changes on histological examination of the brain
was associated with negative tissue cultures in three cases.

3. In the seventeen cases of group three (Table 4) only a virological examination
was performed, as no suitable material for the other techniques was available. In
sixteen cases virus was isolated.

In forty-three cases in which virus was isolated, meningo-enccphalitis was absent in
six pigs from six different farms. In three cases, in each of which one pig was studied,
meningo-encephalitis was found to be present but no swine fever virus was isolated.
Various field samples were inoculated in susceptible pigs. Four samples, previously
found to be positive by the FA and ETV tests, induced swine fever, following in-
fection of four groups of two pigs.

-ocr page 359-

Of the twenty-nine samples found to be negative on performing the FA and ETV
tests, twenty-six were also studied by inoculation in pigs.

Inoculation of twenty-three samples failed to produce any clinical reactions or anti-
bodies, the animals being found to be susceptible to test infection with the virulent
Brescia virus twenty-one days after inoculation. Swine fever virus was isolated from
one of the three other samples. This not very virulent strain was only identifiable in
the experimentally infected pigs when the FAT was used. The two other samples
did not give rise to clinical reactions in the experimental animals; nor were any
antibodies produced. Faint fluorescence was observed, however, when specimens
from these pigs were studied.

The two trial samples which had shown faint fluorescence in the FA test, whereas
the ETV test had been negative (Tables 2 and 3), also failed to produce any reac-
tions in these pigs. Material from two pigs, into which one of these two samples was
inoculated, showed faint fluorescence several times. The significance of this faint
fluorescence is being studied in greater detail.

By laboratory test in cell cultures and inoculations in pigs swine fever virus was
demonstrated in sixty out of ninety cases. The field diagnosis of „swine fever" or
„suspected of swine fever" was not substantiated in the other thirty cases.

RÉSUMÉ

90 Foyers suspects de la peste porcine, ont été examinés à l\'aide de la technique
d\'immunofluorescence (IFT) directe avec des cellules PK 15 ou avec des cellules
rénales foetales de porc et avec le test „Exaltation Teschen Virus" (ETV). L\'objectif
des recherches a été de porter un diagnostic virologique d\'un foyer, on a donc mé-
langé, s\'il était possible, le matériel de plusieurs porcs par ferme.
Les résultats positifs aussi bien que négatifs obtenus avec les échantillons dans l\'IFT
étaient entièrement analogues aux résultats du test ETV.
Le matériel peut être divisé en 3 groups.

1. Ce groupe (table II) se compose de 122 porcs autopsiés, provenants de 57
fermes. On a en outre fait un examen histopathologique du cerveau de 99 animaux.
Sur 33 fermes on a démontré le virus de la peste porcine à l\'aide des techniques IF
et ETV.

Des 122 porcs, se basant sur les données de l\'autopsie, on a pu porter le diagnostic
de peste porcine sur 42 porcs provenants de 23 fermes. Dans tous ces cas le diagnos-
tic -A.P. a été confirmé par les tests IF et ETV positifs. Sur 38 de ces 42 porcs on
a fait un examen histopathologique du cerveau oCi on a constaté 31 fois une méningo-
encéphalite.

L\'autopsie de 28 porcs provenants de 10 fermes donnait un diagnostic inconcluant:
suspect de la peste porcine. 7 Fois on a démontré le virus de la peste porcine à
l\'aide des tests IF et ETV. Sur 20 des 28 animeux on a fait un examen histopatho-
logique du cerveau qui révéla 13 fois une méningo-encéphalite.

L\'autopsie de 44 porcs provenants de 24 fermes n\'offrit pas d\'indications de la
présence d\'infection avec le virus dc la peste porcine. Cependant de 3 animaux de
3 fermes on sut démontrer ce contage à l\'aide des deux techniques de laboratoire.
Sur ces 3 animaux on ne constata pas de méningo-encéphalite.
Les résultats du test ETV avec 14 échantillons étaient entièrement analogues à ceux
du test „Exaltation New Casde Disease", c\'est à dire 10 fois positifs et 4 fois néga-
tifs.

2. Le second group (table III) a été formé de matériel de 16 porcs de 16 fermes.
A côté du dépistage du virus on a pu faire seulement un examen histologique du
cerveau. 10 Fois il y avait une méningo-encéphalite et un résultat positif des tests IF
et ETV. Dans deux cas de méningo-encéphalite on n\'a pas démontré de virus. 3 Fois
on ne trouva pas d\'anomalies dans l\'examen histologique du cerveau en combinaison
avec un résultat négatif des techniques spécifiques.

3. Les 17 cas du troisième groupe (Table IV) on n\'a pu examiner que virologi-
quement. 16 Fois on a démontré le virus.

-ocr page 360-

Des 43 isolations de virus 6 porcs provenants de 6 fermes ne révélaient pas de mé-
ningo-encéphalite. Dans 3 cas, consistant chacun en un seul porc, on constate une
méningo-encéphalite, sans qu\'on pût démontrer du virus.

Différents échantillons de la pratique ont été injectés dans des procs sensibles.
4 Echantillons, que les techniques IF et ETV avaient révélés d\'être positifs, causaient,
après l\'injection de 4 groupes de 2 porcs, la peste porcine.

26 Des 29 échantillons qui avaient fourni un résultat négatif dans les tests IF et
ETV, ont été examinés dans des porcs.

Après l\'injection de 23 échantillons on n\'obtint pas de réactions cliniques, ni une
formation d\'anticorps. Les animaux étaient sensibles 21 jours après l\'injection à une
infection expérimentale avex le virus Brescia virulent. Des autres 3 échantillons on a
isolé une seule fois le virus de la peste porcine. Seul le test IF sut démontrer cette
souche peu virulente dans ces porcs. Avec les deux autres échantillons on ne constata
pas de réactions cliniques dans les animaux d\'expérience, ni la formation d\'anticorps.
Avec le matériel de ces porcs on a cependant pu observer, à plusieurs reprises, une
faible fluorescence.

Deux échantillons de pratique avaient montré dans le test IF une faible fluorescence,
tandis que le test ETV avait été trouvé négatif (Tables II et III). Ils ne causaient
pas non plus de réaction dans des porcs. La matériel de deux porcs auxquels on
avait injecté l\'un de ces deux échantillons, produisait à plusieurs reprises une faible
fluorescence. La portée de cette fluorescence est encore examinée plus en détail.
Si l\'on fait la somme des résultats des techniques de IF et ETV et des injections des
porcs, le virus de peste porcine a été démontré dans 60 des 90 cas. Dans les 30
autres cas les diagnostic cliniques de „peste porcine" ou de „suspect de peste por-
cine" n\'ont pas été confirmés.

ZUSAMMENFASSUNG.

Mit der direkten Immunofluoreszenztechnik mit PK 15 oder fötalen Schweinenieren-
zellen und dem ETV-Test wurden 90 Schweinepest verdächtige Krankheitsfälle un-
tersucht. Hierbei wurde nach einer virologischen Betriebsdiagnose gestrebt, sodass
falls möglich, das Material mehrer Schweine desselben Betriebes gemischt wurde.
Sowohl die positiven, wie negativen Resultate, die mit den Praxismustern in der IFT
erreicht wurden, stimmten gänzhch mit den Resultaten des ETV-Tests überein.
Das Material wurde in 3 Gruppen eingeteilt.

1. Diese Gruppe (Tabelle II) besteht aus 122 sezierten Schweinen von 57 Be-
trieben. Von 99 Tieren wurden ausserdem eine histopathologische Gehirnuntersu-
chung angestellt. Auf 33 von 57 Betrieben wurde das Schweinepestvirus mit den
IF- und ETV-techniken nachgewiesen.

Von den 122 sezierten Schweinen konnte auf Grund des Sektionsbildes bei 42 Tiere
von 23 Betrieben die Diagnose Schweinepest gestellt werden. In allen Fällen wurde
durch einen positiven IF- und ETV-Test die P.A.-Diagnose bestätigt. Von diesen 42
Schweinen wurde bei 38 eine histopathologische Gehihrnuntersuchung vorgenom-
men, wobei 31 Mal eine Mcningo-Encephalitis festgestellt wurde.
Nach Sektion von 28 Schweinen von 10 Betrieben konnte nur der Verdacht von
Schweinepest ausgesprochen werden. Hierbei wurde 7 Mal das Schweinepestvirus
mittels des IF- und ETV-Tests nachgewiesen. Bei 20 von 28 Tieren wurde das
Gehirn histologisch untersucht, wobei 13 Mal Meningo-Encephalitis diagnostiziert
wurde.

Schliesslich wurde bei Sektion von 44 Schweinen von 4 Betrieben kein Nachweis einer
Verseuchung mit Schweinepestvirus gefunden. Trotzdem wurde aus 3 Tieren von
3 Betrieben das Virus mittels der beiden Zcllzuchtmethoden nachgewiesen wurde. Bei
diesen 3 Tieren wurde keine Meningo-Encephalitis angetroffen.
Die Resultate des EVT-Tests mit 14 Proben stimmten genau mit jenen des END-
tests überein, nämlich 10 x positiv und 4 x negativ.

2. Die 2. Gruppe (Tabelle III) wurde aus Material von 16 Schweinen von 16
Betrieben gebildet. Neben der Viruszucht konnte bei diesen Tieren nur eine histo-

-ocr page 361-

logische Gehirnuntersuchung angestellt werden. 10 Mal bestand eine Übereinstim-
mung zwischen dem Vorhandensein einer Meningo-Encephalitis und einem positiven
Ausschlag des IF- und EVT-Tcsts. In zwei Fällen mit Meningo-Encephalitis wurde
kein Virus nachgewiesen. 3 Mal wurde keine Abweichung bei der histologischen
Gehirnuntersuchung in Kombination mit einem negativen Resultat der Zellzucht-
techniken angetroffen.

3. In 17 Fällen der Gruppe 3 (Tabelle IV) konnten nur Organe virologische un-
tersucht werden. 16 Mal wurde das Virus nachgewiesen.

Bei 43 Virusisolierungen war auf 6 Betrieben mit 6 untersuchten Schweinen keine
Mcningo-Enccphalids festzustellen. In 3 Fällen mit je einem untersuchten Schwein
wurde wohl eine Meningo-Encephalitis festgestellt, jedoch kein Schweinepestvirus
gefunden.

Verschiedene Praxisproben wurden in empfindliche Schweine injiziert. 4 Proben
mit den IF- und ETV-Tcchniken bereits positiv befunden, ergaben nach Injektion
von 4 Gruppen von 2 Schweinen eine Schweinepesünfektion.

26 von 29 Proben, die dagegen im IF- und ETV-Test ein negatives Resultat er-
geben hatten, wurden gleichfalls in Schweinen näher untersucht.
Nach Injektion von 23 Proben wurden weder klinische Reaktionen erzielt, noch
Antikörperchen gebildet, während die Tiere 21 Tage p.i. empfindlich waren für
eine Testinfektion mit dem virulenten Brescia-Virus. Aus den restlichen 3 Proben
wurde 1 Mal Schwcinepcstvirus isoliert. Nur die IFT konnte diesen schwach viru-
lenten Stamm in experimentell infizierten Schweinen nachweisen. Mit den beiden
anderen Proben wurden keine klinischen Reaktionen in den Versuchstieren festge-
stellt. .Antikörper wurden ebensowenig gebildet. Wohl wurde jedoch mit Material
dieser Schweine wiederholt eine schwache Fluoreszenz wahrgenommen.
Die 2 Proben aus der Paxis, die in der IFT eine schwache Fluorszenz gezeigt hatten,
während der ETV-Test negativ befunden wurde (Tabelle II und III), ergaben in
Schweinen gleichfalls keine Reaktion. Material von 2 Schweinen, welche mit einem
dieser beiden Proben injiziert wurde, lieferte wiederholt eine schwache Fluoreszenz.
Die Bedeutung dieser schwachen Fluoreszenz wird näher untersucht.
Werden die Resultate der Zellzuchttechniken und Injektionen in Schweinen zusam-
mengefasst, dann ergibt sich, dass in 60 von 90 Fällen Schweinepestvirus nachge-
wiesen wurde. In den übrigen 30 Fällen wurde die Praxisdiagnose „Schweinepest"
oder „Schweinepest verdächtig" nicht bestätigt.

RESUMEN

90 casos sospechosos dc peste porcina, sc estudiaron utilizando la técnica de la in-
munofluorescencia dirccta (IFT) con células PK 15 y tejido renal de feto de cerdo,
y cl test de „Exaltation Teschen Virus" (ETV). Como el proposito fué idenuficar el
virus en las granjas investigadas, el material procente dc varios cerdos de una misma
granja se mczcló, siempre que ésto fuc posible, para cstudiarsc por los dos metodos de
cultivo dc tejidos.

Tanto los resultados positives como los negatives, obtenidos de las muestras de cam-
po por las prucbas dc IFT y de ETV, estuvicron completamente de acuerdo.
Los casos pueden dividiosc en tres grupos:

1. Este grupo comprende 122 cerdos autopsiades procedentes de 57 granjas. En
adición, sc hize un estudio histepathológico dc ceebro sobre 99 animales. El virus de
la peste porcina se comprobó en 37 dc las 57 granjas, mediante el emplee dc las
técnicas de IF y ETV.

De los 122 cerdos autopsiades, pudo diagnosticarse la peste porcina, en virtuel de la
autopsia, en 42 de elles precedentes de 23 granjas; en todos estes casos el diag-
nóstice A.P. se confirmé por las pruebas IF y ETV.

Dc estes 42 cerdos, a 38 se les hizo un examen histopatológico del cercbro y en 31
animales se comprobó una meningoenccfalitis. Después de efectuar la autopsia sobre
28 cerdos procedentes de 10 granjas, no pudo sine sospecharse la presencia de la
peste porcina. Aqui se comprobó el el virus de la peste porcina en 7 casos per medio
dc les test IF y ETV. Se examinaron histológicamente los cerebros de 20 de les 28

-ocr page 362-

animales, y cn 13 de ellos se diagnostico una meningoencefalitis. Por ultimo, en las
utopsias dc 44 cerdos procedentes de 24 haciendas no se hallaron indicasciones apa-
rentes de la presencia del virus de la peste porcina; no obstante, a pesar de ésto,
pudo demostrarse el virus en 3 cerdos procedentes de 3 granjas, por medio de las
dos técnicas de cultivo de células. En éstos tres animales no se observé meningoence-
falids.

Los resultados obtenidos en 14 muestras utilizando las pruebas ETV y END,meustran
compléta correspondencia entre si, de tal manera, que en las dos pruebas 10 fueron
positivas y 4 negativas.

2. El material de éste segundo grupo (Tabla 3) 10 formaron 16 cerdos proceden-
tes de 16 granjas. Aparte del cultivo del virus, solo pudo realizarse un examen his-
tologico del cerebro de éstos animales. La presencia de meningoencefalitis coincidiô
en 10 casos con los resultados positivos proporcionados por las pruebas IF y ETV.
En 2 casos de meningoencefalitis no pudo comprobarse la presencia del virus. En 3
casos no se hallaron altcraciones del cerebro al examen histopatologico, 10 cual
coincidiô con el resultado negativo de las técnicas de cultivo de células.

3. Unicamente pudieron examinarse los org.-nos en los 17 casos del tercer grupo
(Tabla 4). El virus se aislô en 16 casos.

De 43 casos, en los cuales el virus fue aislado, 6 cerdos procedentes de 6 granjas, no
revelaron meningoencefalitis. En tres casos, representados cada uno por un cerdo
cxaminado, se constatô meningoencefalitis, sin que se pudiera posteriormcnte de-
mostrar la presencia del virus de la peste porcina.

Diferentes muestras de campo se inyectaron a cerdos sensibles. 4 muestras, que las
técnicas IF y ETV habian revelado como positivas, indujeron la peste porcina a 4
grupos de 2 cerdos cada uno, después de ser inoculadas.

26 de 29 Muestras que dieron un resultado negative con las proebas IF y ETV, se
examinaron mâs detenidamente en cerdos.

Después de inyectadas 23 muestras, no se encontraron reacciones clinicas, ni tam-
poco formacion de anticuerpos, y los cerdos resultaron sensibles a una infeccion
experimental con el virus virulente Brescia, 21 dias después de la ultima inyeccion.
De las otras 3 rnoestros, de una, unicamente fué aislado el virus de la paste porcina.
Solamente la prueba, pudo demonstrar esta cepa poco virulenta en cerdos arti-
ficialmente infectados. Con las otras dos muestras no sc comprobaron reacciones clini-
cas en los animales de experimento, ni tampoeo formacion de anticuerpos. Sinem-
bargo se observé varias veces una fluorescencia debil con el material de estos cerdos.
Las 2 muestras de campo que habian mostrado con la prueba IÎ\' una débil fluores-
cencia y negatividad a la prueba ETV (Tablas 1 y 3), tampoeo produjeron en los
cerdos ninguna reaccion. El material de 2 cerdos, los cuales habian sido infectados
con una de estas 2 muestras, provocô repentinamente una fluorescencia debil. El
significado de ésta fluorescencia débil se esta estudiando muy detalladamente.
Un resumen de los resultados obtenidos por las técnicas de cultivo de células y dc
inoculacion en cerdos indica que el virus de la peste porcina fué demostrado cn 60
de 90 casos. En los otros 30 casos, el diagnostico de „peste porcina" o de „sospechoso
de peste porcina", no fué verificado.

LITER.^TUUR.

K o r n, G. und N i s h i m u r a, Y. : Zum Nachweis unterschiedlich virulenter Schwei-
nepestvirusstämme mit der END- und der HEIC-Methode.
Mh. Tierheilk., 15,
328, (1963).

K o r n, G. und Hecke, F.; Nachweis eines sehr schwach virulenten, nicht immuni-
sierenden Schwcincpestvirus nach Virulenzsteigerung im Verlauf von Tierpassagen.
Zbl. Vet. Med., 11, 40, (1964).
Loan, R. W.: Increased sensitivity of the END-test for Hog Cholera virus. Am.

J. vet. Res., 26, 1110, (1965).
Ressang, A. A. : De postmortale diagnose van varkenspest. Tijdschr. Diergeneesk.,
78, 64, (1953).

-ocr page 363-

REFERATEN

Algemeen

REAGENS STRIPS VOOR PRAKTIJK ONDERZOEK.

Ronneberger, H.: Neue Teststreifen für das Praxislabor. Prakt. Tierarzt 46,
204 (1965).

Van de reeds bekende test-strips, hoofdzakelijk in gebruik bij het snelle, qualitatieve
urineonderzoek, zijn combinatie\'s gemaakt zodat meerdere reactie\'s thans op één
strip af te lezen zijn. De auteur vermeldt de Combur- test (B
O e h r i n g e r, Mann-
heim), reagens-strip voor het onderzoek op:

1. glucose, berustend op de activiteit van glucoseoxydase, reeds afleesbaar bij een
concentratie van 0.05% glucose. Nauwkeuriger dus dan o.m. de Nylander- of
Trommertest welke een concentratie van 0.1% aanwijzen.

2. eiwit, met tetrabroomphenolblauw als indicator, reeds aangevende een concen-
tratie van 0.01% albumine. Iets minder nauwkeurig dan de sulfosalicylzuur
reactie welke 0.0015% aangeeft maar daar vaak physiologische eiwit-hoeveel-
heden in betrekt.

3. PH-waarde, met een bereik van PH 9 tot PH 4, waarbij de kleur-indicatie loopt
van blauw via groen naar oranje.

De auteur heeft genoemde test-strip bij 148 urinemonsters afkomstig van honden,
voor routine onderzoek gebruikt waarbij tevens onderzoek volgens de bekende labo-
ratorium methoden werd verricht. Er bleek goede overeenkomst tussen beide me-
thoden te bestaan, zodat genoemde strip zich uitstekend leent voor het qualitatieve
urineonderzoek. Dit was eveneens het geval met de Uristix (Arnes) voor qualitatief
onderzoek op eiwit en suiker en met de Combi-stix (Ames) waarmede naast eiwit en
suiker ook op bloed in de urine onderzocht en tevens de PH bepaald kan worden.

H. Zantinga

VERKOOP VAN PRAKTIJKEN, ASSOCIATIES en GROEPSPRAKTIJKEN.
Fra Kompagniskabsudvalget.
Medl.-bl. Dansk. dijrl. foren: 49, 370 (1966).
In 1957 stelde de Deense maatschappij voor diergeneeskunde een commissie in voor
de beoordeling van de voorwaarden waaronder overname van praktijken en asso-
ciaties plaats hadden. In deze gevallen wordt bescherming gedurende enkele jaren
verleend, mits de contracten ter beoordeling aan de commissie zijn voorgelegd. Daar-
door heeft zij een inzicht in wat er op dit terrein gaande is.

In 1962 bedroegen de associaties resp. verkopen tegen de normale prijs (gemiddelde
bruto-jaarlijkse opbrengst gedurende de 3 laatste jaren) 15 resp. 31. 1963: 18 en 14;
1964: 11 en 32; 1965: 22 en 16. Resp, 1, 1, 2 en 10 maal was het niet mogelijk de
praktijk over te doen; O, O, O en 3 maal slechts tegen een abnormaal lage prijs. Hier
gin.gen de practici naar een ambtelijke baan over. Het betrof praktijken van .geringe
omvang, met slechte collegiale vcrhoudin.gen, of met afnemend veehoudersareaal.
Hier had dus, evenals in de landbouw geschiedt, een zekere mate van sanering plaats.
16 Associaties betroffen opname van een compagnon in een bestaande praktijk; drie
maal werden 2 praktijken door 2 dierenartsen gezamenlijk gekocht; 3 maal vpegden
2 reeds gevestigde dierenartsen hun praktijken tezamen (een begin van groepsprak-
tijk dus).

13 Verkopen betroffen éénmans-, 3 twee-mans praktijken.

De eerste groepspraktijk, omvattende 5 praktijken, werkt nu een /ajaar tot tevreden-
heid der deelgenoten. Op meerdere plaatsen wordt deze vorm van samenwerking
naarstig bestudeerd. Het contract is uitgewerkt door de bovengenoemde commissie
en de juridisch adviseur der vereniging, en mag in diergeneeskundige kring be-
sproken worden zonder naamsvermelding uiteraard. De in het artikel weergegeven
bepalingen maken een gedegen indruk.

C. Postma

-ocr page 364-

Baeferiële- en virusziekfen

VIRUSABORTUS BIJ HET PAARD.

Chalmers, G. A.: Equine viral rhinopneumonitis. Report of on enzootic in Al-
berta.
Canad. Vet. Jrl., 6, 174, (1966).

Op twee volbloedstoeterijen trad abortus op door rhinopneumonitisvirus. De merries
aborteerden tussen de 7e en lie maand, terwijl ook een levenszwak veulen geboren
werd, dat binnen 12 uur stierf.

Op de ene stal was in september een respiratoire aandoening geweest, op de andere
was daarvan niets bekend. De meeste karakteristieke afwijkingen bij de foeten wer-
den aan de levers gezien. Hierin bevonden zich necrotische haardjes van 1 ä 2 mm
doorsnede. Verder was er veel geel vocht in de lichaamsholten. De longen waren
oedemateus. Ook werden door het gehele lichaam petechiën waargenomen. In lever,
long en nier werden bij histologisch onderzoek insluitlichaampjes gezien.

C. A. van Dorssen.

Heelkunde

EPIFYSIOLYSIS VAN DE FEMURKOP BIJ HET VARKEN.

H O O r e n s, J., O y a e r t, W., T h o o n e n, H.: Epifysiolysis van de femurkop bij
het varken.
Vlaams T. v. D. 1, 16 (1966).

Deze aandoening wordt in België bij varkens sedert enkele jaren vastgesteld, de
laatste tijd meer dan vroeger.

De eerste verschijnselen doen zich voor bij mestvarkens op een leeftijd van 5 ä 6
maanden, terwijl het ook bij oudere fokzeugen en beren wordt geconstateerd.
De symptomen treden meestal vrij plotseling op, vaak na sterke belasting van de
achterbenen, b.v. bij beren na het dekken. Aangetaste dieren steunen voorzichtig
op de toppen van de achterklauwen, de kop is naar voren gericht en de voorbenen
staan onderstandig. Bij het lopen zijn de achterbenen geadduceerd en worden soms
zelfs gekruist. Bij bilaterale aantasting blijven de dieren vaak op de voorknieën
liggen en slepen de achterhand mee. In narcose is in zijligging, met de phonen-
doscoop geplaatst onder de trochanter major, bij bewegen van het aangetaste been
licht crepiteren te horen. Beslissend is het röntgenonderzoek, waarbij men tussen
femur en het caput femoris een vrij grote beenvrije ruimte uni of bilateraal waar
kan nemen. Bij sectie vindt men bloedingen en bindweefselwoekeringen rond het
coxo-femoraal gewricht. Het ligamentum teres is vrijwel steeds intact, zodat het
caput femoris in het acetabulum hangt. De aanwezigheid van veel haemorrhagisch ge-
ïnfiltreerd spierweefsel wijst op een recent afbreken van het caput femoris. Bij een
dikke bindweefselkapsel rond het letsel liggen het caput en de diafyse van de femur
op vrij grote afstand van elkaar.

De prognose van de epifysiolyse is infaust. De etiologie is nog duister.
Sommige onderzoekers zijn geneigd een erfelijke praedispositie aan te nemen.
(Ook in Nederland wordt epifysiolysis vooral bij fokvarkens en een enkele maal bij
mestvarkens gezien, ref.)

F. W. J. Swart
Parasitaire-, protozoaire- en tropisehe ziekten

PENICILLINE/STREPTOMYCINE BEHANDELING VOOR UIERACTINOMY-
COSE.

Müll ing, M. und B e n t h i e n, H. A.: Die Behandlung der Euteraktinomyco-
ses des Schweines mit intratumoralen Penicillin-Streptomycin-Applikationen.
Berl. u.
Münch. T. A. W. sehr. Heft 24 dec. \'65 p. 465.

Bij 22 zeugen met uieractinomycose werd afhankelijk van de grootte van het actino-
mycotische proces tussen 3 en 10 miljoen E penicilline en streptomycine ingespoten.
Deze behandeling werd met de helft tot 2/3 van de inidaal dosis met een tussenpoos
van 1-3 dagen 2 ä 3 maal herhaald.

-ocr page 365-

Om terugvloeien van de suspensie te voorkomen werd een lange dunne canule met
korte punt gebruikt. De actinomycotische processen werden aan de basis omspoten
en verder laagsgewijs met antibioticum-suspensie doordrenkt.

Na ongeveer acht dagen kon reeds een duidelijke teruggang van de processen ge-
constateerd worden, terwijl gemiddeld na 4-5 en maximaal na 15 weken algehele
genezing tot stand kwam.

.Alleen bij zeer uitgebreide gczwelvorming moesten na de antibioticumbchandchng
enkele abcessen gespleten worden. Recidive trad niet op en in de meeste gevallen
kon met deze zeugen weer normaal gefokt worden.

F. W. ]. Swart

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit

REPOSITIE VAN TORSIO UTERI BIJ DE MERRIE.

S k j e r v e n, O.: Correction of Uterine Torsion in the Mare by Laparodomy. Nord.
Vet. Med.
17, 377 (1965).

Een overzicht van 11 reeds eerder gepubliceerde gevallen van torsio uteri bij de
merrie toont aan dat deze werden gediagnostiseerd bij één merrie gedurende de 9c
maand van de drachtigheid, bij vier gedurende de 10e maand, bij vier gedurende de
laatste maand en bij twee a terme.

Alle merries vertoonden variërende verschijnselen van koliek, welke duurden van
één tot verscheidene dagen; in geen enkel geval werd de torsie met succes opgeheven
door het dier te rollen.

In alle gevallen werd de torsie opgeheven na laparotomie onder enigerlei vorm van
narcose bij het liggende dier, uitgezonderd twee gevallen, waarbij de operatie werd
uitgevoerd bij het staande dier na een intraveneuze injectie van chloorpromazine,
gevolgd door infiltratie-anacsthesie van de operatieplaats.

Van de 11 gevallen herstelden acht merries en drie stierven of werden afgemaakt
kort na de operatie, inbegrepen de enige merrie, waarbij sectio caesarea werd toege-
past na opheffing van de torsie. Van de andere merries, waarbij de vrucht als levend
werd beschouwd ten tijde van de operatie, brachten er twee op de dag na de ope-
ratie zwakke, niet levensvatbare veulens ter wereld, terwijl vier van de merries hun
tijd uitdroegen en levensvatbare veulens wierpen.

Dc auteur vermeldt ook nog twee gevallen, welke nog niet werden gepubliceerd.
Het eerste betrof een 8 jaar oude merrie in dc 10c maand van de drachtigheid, waar-
bij laparotomie werd toegepast bij het staande dier onder uitsluitend infiltratie-
anacsthesie. Na repositie van dc uterus bracht de merrie op tijd een levend veulen
en heeft sindsdien weer verscheidene keren normaal geveulend. Het tweede geval
betrof een torsio uteri bij een 11 jaar oude merrie in de 9e maand van de drachtig-
heid; ook deze werd opgeheven door middel van laparotomie onder locale anaesthesie
en de merrie bracht op tijd een levend veulen.

Daarna haalt de auteur twee gevallen aan uit eigen ervaring. Beide merries werden
onder algemene anaesthesie geopereerd gedurende dc 10c maand van dc drachtigheid,
en beide herstelden en brachten levende veulens ter wereld. Na beschouwing zowel
van de gerefereerde gevallen, als van die uit zijn eigen praktijk, komt Dr. Skjerven
tot de conclusie dat de keuze van de behandeling van torsio uterus bij de merrie
moet zijn die van repositie van dc uterus na laparotomie cn dat, ook wanneer de
operatie wordt uitgevoerd onder praktijkomstandigheden, de prognose gunstig is.
Ten aanzien van de door vele operateurs ondervonden moeilijkheden bij het repo-
neren van de uterus, ten dele veroorzaakt door de omvang van de uterus en ten
dele door het gevaar van scheuren van de uteruswand, is de auteur van mening dat
de torsie het gemakkelijkst wordt opgeheven door druk, toegepast tegen de ventraal
liggende hoorn van de uterus — in de meeste gevallen schijnt dit de bevruchte hoorn
te zijn — tegen de richting van de draaiing in. Dit maakt het noodzakelijk de
laparotomie-incisie te maken aan de lichaamszijde, tegengesteld aan die van de rich-
ting van de torsie. /.
Hendrikse.

-ocr page 366-

Zootechniek

PREVENTIE VAN WORMINFECTIES BIJ KALVEREN.

Oostendorp, D., H a r m s e n, H. E., Westra, A.: Worminfc cties bij kalveren
in de weide.
P.A.W.-publikatie no. 27, dec. 1965, 34-47.

In samenwerking met het Instituut voor Veterinaire Parasitologie en Parasitaire
Ziekten (Prof. Dr. D. Swierstra) is door het Proefstation voor Akker en Weide-
bouw een belangwekkend vergelijkend onderzoek verricht naar de waarde van een
zestal preventieve maatregelen tegen worminfecties bij kalveren.

Als maatstaf voor de worminfectie is uitsluitend gehanteerd het aantal tricho-
strongyluseieren per gram faeces. Vermeld wordt dat er echter ook regelmatig kleine
aantallen Nematodirus en Trichuris-eieren in de faeces voorkwamen.
Vergeleken zijn vier maatregelen van zoötechnische aard en twee medicamenteuze
maatregelen.

Op de C.L.O.-dagen te Utrecht in 1965 zijn over dit onderzoek reeds voorlopige
mededelingen gedaan. Aan de samenvatting van deze voordracht is de onderstaande
tabel ontleend:

Groei per dier per dag (g)
1962 1963 1964

A. Controle, d.w.z. regelmatig omweiden op vier percelen 289 322 659

B. Omweiden -(- een eenmalige of maandelijkse voor-
behoedende dosis phenothiazine (40 g) 381 483 —

C. Omweiden -(- een dagelijkse dosis van 2 g phenothiazine

(2 g in 1 kg krachtvoer of 2 g in 2 kg krachtvoer) 354 497 689

D. Omweiden op nieuw ingezaaid grasland — 579 729

E. Voeren van vers gras in een open loopstal — 558 738

F. Omweiden op grasland waarvan steeds de voorgaande

snede gemaaid was — — 762

De niveauverschillen tussen de jaren en met name de veel betere resultaten in 1964
kunnen ten dele verklaard worden door de geringe overlevingskansen van de worm-
larven in de drogere en zonniger zomer in 1964.

Er werden in dat jaar ook minder wormeieren in de faeces aangetroffen dan in de
twee voorgaande jaren.

Er bestond een vrij grote individuele variatie in gevoeligheid. Deze bleek bij de
proefkalveren, die van dezelfde leeftijd waren, samen te hangen met het gewicht.
Hoewel er enige proeftechnische moeilijkheden waren omtrent de vaststelling van
het verband tussen het aantal wormeieren per gram faeces en de gewichtstoename,
zijn er toch vrij duidelijke resultaten verkregen.

Het regelmatig omweiden is tengevolge van de zich langzaam opbouwende worm-
infectie nauwelijks als een preventieve maatregel te beschouwen. Op grond van de
proefresultaten en enkele andere overwegingen zoals de kwaliteit van het voer en
nevenwerkingen van wormbestrijdingsmiddelen, wordt geconcludeerd dat het raad-
zaam lijkt het gebruik van phenothiazine (of andere wormiddelen, Ref.) te be-
perken tot die gevallen waarbij de andere maatregelen grote bezwaren opleveren.

F. J. Cromyners.

BOEKBESPREKING

BLOEDGROEPENONDERZOEK OP BELGISCHE RUNDVEEPOPUL.ATIES.
Dr. Y. H. B o u q u e t

Dit proefschrift is samengesteld om tc worden toegelaten tot de graad van geaggre-
geerde bij het Hoger Onderwijs in de Diergeneeskunde (Veeteelt en Erfelijkheids-
leer) .

De eerste twee hoofdstukken van dit proefschrift omvatten een synthese van de
technische en wetenschappelijke grondslagen van het bloedgroepenonderzoek bij
runderen.

-ocr page 367-

In het derde hoofdstuk zijn ter beschikking staande gegevens over de bloedgroepen
op uitgebreide v^njze aan berekeningen onderworpen, teneinde een zo juist mogelijke
indruk te verkrijgen omtrent de frequenties van de bloedgroepen in het Belgische
rundvee. Verschillende methoden voor de berekening van de genenfrequenties zijn
daarbij benut.

In het vierde hoofdstuk is aan de hand van de berekende frequenties van genen
nagegaan in welke mate de Belgische rundvee populaties afwijken van het theore-
tisch te verwachten genetisch evenwicht.

Daarbij is op kritische wijze stelling genomen te.gen de visie van verschillende autori-
teiten op dit terrein die gemeend hebben een genetisch evenwicht in rundvee popu-
laties te mogen aannemen.

Op grond van uitgebreide berekeningen op een zeer groot materiaal, waarbij ver-
schillende berekeningsmethoden naast elkaar zijn gebruikt, is aangetoond dat af-
wijkingen van dit evenwicht, zoals deze reeds in Nederland waren gesignaleerd, met
statisch significante waarden kunnen worden aangetoond.

In het laatste hoofdstuk is gedetailleerd ingegaan op de praktische toepassing van het
bloedgroepenonderzoek bij de controle van de afstamming van runderen.
Naast een overzicht van de theoretische mogelijkheden om afstammingscontroles van
runderen tot een oplossing te kunnen brengen aan de hand van de phenotypen van
dieren, is behandeld op welke wijze de kennis van het genotype voor de verschillende
blocdgroepsystemen voor dit onderzoek van nut kan zijn.

J. Bouw

VEEHOUDERIJ

In dit boekje — 226 bladzijden in varitype uitgevoerd — zijn de voordrachten op-
genomen die zijn gehouden voor de
zornerleergang 1964. Dc veehouderij, voornamelijk
de rundvee- en de varkenshouderij, werden van vele zijden belicht.
Zo behandelde dr. ir. R. D. Politiek de selectiemethoden in de rundveehouderij
en kwam tot de slotsom dat verbetering in het foktechnisch beleid vooral te bereiken
is door een voldoend aantal zoons van prima verervende vaderstieren te toetsen, die
zoons te selecteren en de geselecteerde zoons op ruime schaal te gebruiken. In een
volgende voordracht gaat dezelfde spreker in op de beoordeling en de betekenis van
de produktievererving van stieren. Hij beveelt een vereenvoudi.gde beoordelings-
methode aan die .gebaseerd is op vergelijking van de vaarzenlijsten en waarbij de
fokwaarde van de verschillende eigenschappen wordt uitgedrukt in écn cijfer, nl.
dc vetgehalte- en eiwitgehalte-index.

Dr. S. W. J. van D i e t e n besprak dc geboorteregistratie van k.i.-kalveren, waar-
van de betekenis ligt (1) in een goed nakomelin.genonderzoek van k.i.-stieren, (2)
in het verband met de erfelijke gebreken van het rundvee (3) in het voorkómen
van ongewenste inteelt.

Prof. dr. P. Hoekstra en G. VV. J. van der Mey gaven een beschouwing
over de betekenis van de extericurkeuring voor de rundveehouderij. Zij zijn van
oordeel dat aan de extericurkeuring van stieren ten onrechte een grotere waarde
wordt gehecht dan aan de produktievererving en achten in verband hiermee een
algehele revisie van het keuringswezen in Nederland noodzakelijk.
Dr. Ir. R. D. Politiek gaf een uiteenzetting over het melken, waarbij hij achter-
eenvolgens de fysiologische achtergrond, het kwalitatieve aspect, de verschillende melk-
methoden, de melkmachine-installatie en dc mclkbaarheid van de koe ter sprake
bracht.

De melkhygiëne was het onderwerp dat door J. M o 1 werd behandeld. In het kader
van een goede melkwinning te stellen eisen werden genoemd (1) de gezondheids-
toestand van het melkvee (veeziekten), (2) doedmatige voedering, (3) de gezondheids-
toestand van de melkers, (4) het melkgereedschap en (5) de behandeling, bewaring
en aflevering van de melk. Tenslotte besprak hij de maatregelen die een hygiënische
melkwinning bevorderen.

-ocr page 368-

Ir. C. J. C 1 e V e r i n g a leverde een bedrijfseconomische ontleding van het melk-
veehouderijbedrijf en kwam daarbij tot de conclusie dat voor het verkrijgen van
positieve uitkomsten minstens 20 a 30 koeien per bedrijf gehouden moeten worden,
terwijl op een tweemansbedrijf, dat in sociaal opzicht verre de voorkeur verdient,
40 a 60 melkkoeien als een minimale produkde-omvang moeten worden beschouwd.
Ir. F. de Boer besprak de mestvechouderij. Het toenemende rundvleesgebruik
maakt een opvoering van de produktie noodzakelijk. Dit kan, behalve door be-
perking van de kalversterfte, bereikt worden door bij de fokkerijselectie rekening te
houden met het vleesproduktievermogen en door ossen in plaats van stieren te
mesten. Ook bezag deze spreker het mestveehouderijbedrijf uit een bedrijfsstandpunt.
Prof. dr. Th. Stegenga behandelde de rundveehouderij in West-Europa, waarbij
o.a. de bedrijfsstructuur, de produktierichting, de rassenkeuze, de melkproduktie per
koe en de uit- en invoer van vee in de verschillende landen ter sprake kwam.
Ir. D. Minkema besprak de selectiemethoden in de varkensfokkerij. Selectie en
kruising zijn de middelen waardoor de erfelijke aanleg verbeterd kan worden. De
factoren die het nuttig effect van de selectie beïnvloeden en de keuze tussen indi-
viduele en toomgenotenselectie en kruising werden door hem behandeld.
Ir. D. Kroeske gaf een uiteenzetting over de bepaling en de beïnvloeding van de
slachtkwaliteit bij varkens, waarbij o.a. de vlees/vetverhouding, de spierdegeneratie
en de methoden om de spekdikte bij het levende varken te bepalen de aandacht
kregen.

Het belang van een goede huisvesting voor varkens en de verschillende staltypen
waren het onderwerp van een voordracht van prof. dr. Th. Stegenga.
Ir. Y. Kroes behandelde de ontwikkehng van de varkenshouderij uit een bedrijfs-
economische gezichtshock. Onder meer werden hierbij de verticale integratie en de
gevolgen van de concentrade, d.i. de tendens naar bedrijven met meer varkens, be-
sproken.

Tenslotte gaf ir. J. W i e t s ma een uiteenzetting over de ontwikkeling van de
schapenhouderij in Nederland. De afzet van schapevlees, fokschapen en wol, het doel
van de schapenfokkerij, het onderzoek van de gezondheid van de dieren en de
vruchtbaarheid van het Texelse schaap waren onderwerpen die deel uitmaakten van
zijn lezing.

Dit boekje is verkrijgbaar bij de Hoofdafdeling Documentatie en Publikaties van het
Ministerie van Landbouw en Visserij, le v. d. Boschstraat 4, Den Haag. Prijs ƒ 5,-.

CANINE OPHTALMOLOGY.
William G. Magrane
Mishawaka Indiana U.S.A.

.\\ls van de hand van deze schrijver die in Amerika en ook daarbuiten bekend is als
veterinair ophtamoloog een boek verschijnt over de oogheelkunde van de hond dan
zijn de verwachtingen hoog gespannen. Zo verging het tenminste mij. Ik kan daar
meteen aan toevoegen dat die verwachtingen niet teleurgesteld zijn. Vóór mij hgt een
prima boek, een goede aanwinst in de rij der veterinair-oo.gheelkundige werken. Zo
heel veel is er op dit gebied niet en zeker niet aan moderne werken.
Het boek is Amerikaans in de goede zin, kort en bondig van stijl, rijk aan tekenin-
gen, afbeeldingen en illustraties, waaronder 75 in kleuren en 224 in zwart-wit. Het
boek vraagt wel een zekere basis kennis van de algemene oogheelkundige anatomie en
physiologie. Deze basiskennis kan voor een deel geput worden uit humaan-oog-
heelkundige boeken.

Het boek is bedoeld voor studenten en practici. De meer specialistisch geschoolde
zal echter dit boek ongaarne missen. Voor studenten is het boek misschien wat moei-
lijk als zij niet eerst die zekere basis kennis hebben verworven. Daarvoor leent het
boek van „Smythe" „Veterinairy Ophthalmology" heel goed. Kritische kantteke-
ningen worden in een boekbespreking vaak ongaarne gemist. Er is natuurlijk wel

-ocr page 369-

iets aan te merken, maar dat raakt slechts onderdelen. Niet alle afbeeldingen zijn
even instructief. Maar wat wilt u! Er zijn er zo veel die prima zijn dat een eventueel
gemis aan duidelijkheid elders ruimschoots wordt goed gemaakt.

Kortom we complimenteren zowel uitgever als auteur met het verschijnen van dit
boek en we bevelen het van harte aan bij ieder die belangstelling heeft voor de
vaak nog door drempels van onbegrip en vrees omgeven gebieden van de Vete-
rinaire oogheelkunde.

M. A. ]. Verwer

Machinaal melken van paarden in de U.S.S.R.

In de Kolchosen en Sowchosen van de U.S.S.R. zijn ongeveer 3 miljoen merries.
Door deze merries in het productieproces te betrekken kon een gunstige verhoging
van dc productie van melkproducten worden geschapen, aldus Tschereponowa.
Van deze melk maakt men nl. kumisz, een gegiste drank.

De merrie produceert per lactatieperiode 2500 i 3000 liter melk waarvan 65% A
70% voor het veulen nodig is. Dc overige 500 Ä 1000 liter kunnen worden gemolken.
Dit geschiedt in het algemeen met de hand, waardoor met de keuze van de merries
voor de melkwinning niet zozeer met de productie, dan wel met de mclkbaarheid
rekening wordt gehouden. Sedert 1957 is men begonnen een systeem van machinaal
melken te ontwikkelen. (J. M. B a r s c h i n i z e w, 1966).

Daar de tepels van de merrie maar 2,5 a 8 cm lang zijn moest een verkorte tepelbeker
worden gemaakt. Mede in verband met het slecht blijven zitten van deze bekers
moesten ook aan de werkwijze van de machine zelf veranderingen worden aangebracht.
De merries worden op een melkstand met 6 plaatsen, ieder van 2 meter breed
gemolken, aanvankelijk ingesloten door hangdeuren. Tijdens het melken worden de
dieren gevoerd. Van tc voren licht masseren, afwassen met warm water en eventueel
nazuigen door het veulen komen het volledig uitmelken ten goede. (Waarschijnlijk
is dit alles nog experimenteel).

W. Tschereponowa, Skt. Georg, 67, 7128, (1966).

-ocr page 370-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

WELKE OORZAKEN KUNNEN BIJ DE MERE.IE AANLEIDING GEVEN TOT
ONVRUCHTBAARHEID? DEEL II.

(Paardengezondheidskalender, juni 1966.)

In de vorige uitgave van de gezondhieidslcalender hebben wij gesprolicn over oorzaken
van onvruchtbaarheid bij de merrie. Wij hebben ons daarbij beperkt tot aangeboren
afwijkingen en verworven, niet besmettelijke aandoeningen.

A. Infektieziekten van algemene aard

Hier willen we in het kort infektieziekten als oorzaak van verwerpen bespreken. Het is
bekend dat ernstige infektieziekten bij drachtige merries vaak verwerpen van de
vrucht tot gevolg kunnen hebben. Dit verwerpen hoeft dan niet het gevolg te zijn van
aandoeningen van de baarmoeder of de vruchtvliezen, maar is veelal het gevolg van
afsterven van de vrucht tijdens het ernstig ziek zijn van de merrie (hoge koorts!).
De volgende infektieziekten kunnen hier worden vermeld:

1. Influenza of paardegriep

2. Virus arteritis

3. Virus abortus

Deze drie virusziekten werden uitvoerig behandeld in de paardengezondheids-
kalender van juni 1965.

4. Paratyfus is een infektieziekte die veroorzaakt wordt door een Salmonella-
bakterie.

5. Goedaardige droes is een streptokokkeninfektie van de luchtwegen welke
vooral met verettering van lymfklieren gepaard gaat. Een uitgedragen merrie kan
een levend doch ziek veulen ter wereld brengen. Dit is dan in de baarmoeder
besmet geworden.

6. Borstziekte is een ziekte die met ernstige longontsteking gepaard gaat. De
drachtige merrie kan tijdens de periode van hoge koorts en ademnood verwerpen.

7. Infektieuze anemie (besmettelijke bloedarmoede). Wanneer dit op-
treedt bij drachtige merries kunnen ze verwerpen. Over deze ziekte volgt nog een
afzonderlijk artikel.

B. Infekties van lokale aard

Een aantal bakteriën is er de oorzaak van dat de merrie niet drachtig kan worden.
De baarmoeder is dan geïnfekteerd door bakteriën. Streptokokken, colibacillen, sta-
fylokokken en andere ontsteking verwekkende bakteriën spelen hierbij een rol.
De belangrijkste is de streptokokkeninfektie. Deze bakterie heeft niet alleen invloed
op de geboorteweg, doch kan ook de eierstokken aantasten waardoor er geen eicel
vrijkomt en er geen hengstigheid optreedt. Ook kan de baarmoederwand worden
aangetast, waardoor de bevruchte eicel zich niet kan vastzetten. Ook kan de vrucht
worden besmet, zodat abortus van een afgestorven vrucht optreedt. Dit laatste kan
gedurende de gehele drachtigheidsperiode ontstaan. Voorts kan het veulen op tijd
geboren worden en is dan vaak dood bij de geboorte of sterft kort daarna.
Deze streptokokkeninfektie is één van de voornaamste oorzaken van het niet drachtig
worden van de merrie. Dikwijls ziet men slechts als verschijnsel van de infektie
druppelsgewijs een wat troebelig ontstekingsvocht naar buiten treden.
Vooral bij wat oudere merries vindt men deze aandoening. Dikwijls leert de voor-
geschiedenis dat ze aan de nageboorte zijn blijven staan. Erfelijke aanleg schijnt bij
deze infektie ook een rol te spelen. De behandeling van deze aandoening is tweeledig.
In de eerste plaats moet het ontraden worden, deze aangetaste merries direkt te
laten dekken. Het verdient aanbeveling een langdurige dekrust te geven. Daarnaast

-ocr page 371-

kan inen cen medikamenteuze behandeling tocpassen; hiertoe wende men zieh tot de
dierenarts.

RUNDGESPRÄCH LEUKOSEFORSCHUNG.

Am 1. Juli 1966 fand unter der Leitung von Prof. Dr. Gustav Rosenberger,
Direktor der Klinik für Rinderkrankheiten an der Tierärztlichen Hochschule Han-
nover, ein „Rundgespräch" der am Schwerpunkprogramm „Leukoseforschung" der
Deutschen Forschungsgemeinschaft beteiligten Wissenschaf der statt.
Uber einschlägige Untersuchungen berichteten

Prof. Dr. G. Rosenberger: Stand der Leukoseübertragungsversuche bei Rin-
dern.

,\\btcilungsvorsteher und Professor z.A. Dr. M. S t ö b e r, Klinik für Rinderkrank-
heiten: Ergenisse zytochemischer und zytomorhpologischer Untersuchungen bei der
tumorösen lymphatischen Leukose des Rindes; Vergleich der hämatologischen mit
den Zerlegungs-Befunden; Vorkommen nicht-lymphatischer Leukosen beim Rind.
Dr. S. Ü b e r s c h ä r. Wissenschaftlicher Assistent an der Klinik für Rinderkrank-
heiten: Bisherige Ergebnisse histologischer, zytologischer, karyometrischer und
elektronenoptischer Untersuchungen bei der haematologischen und der tumorösen
Form der Rinderleukose.

Prof. Dr. Dr. h.c. K. W a g e n e r, Direktor des Instituts für Mikrobiologie und
Tierseuchen: Ergebnisse von Untersuchungen über die .\\etiologie der Rinder-
leukose.

DERDE VETERINAIRE RUITERDAG.

In tegenstelling tot eerdere berichten wordt medegedeeld dat de Derde Veterinaire
Ruiterdag wordt gehouden in het Ruitersportcentrum „Midden Heuven" te Rheden.

RECTIFICATIE.

Blz. 1109. Behandclingskosten. Groep 1: Groep 2: Groep 3.

1: 6:2

-ocr page 372-

MEDEDELINGEN

Faculfeif der Diergeneeskunde

Geachte collega.

Op een van de stafvergaderingen van de interne kliniek werd naar voren gebracht,
dat een standaarddictaat" een aanwinst voor het onderwijs zou betekenen.
Nu is het schrijven van een standaarddictaat geen eenvoudige opgave. Mijn voorstel
was dan ook, dat ik wel bereid was tot het uitgeven van een dergelijk werk, mits de
gehele staf daaraan mee zou werken. Hiermee ging de staf accoord.
Besloten werd dat het geheel zoveel mogelijk zou berusten op eigen waarnemingen
en dat ieder geschreven gedeelte aan de kridek van de overige stafleden zou worden
onderworpen.

Deze eenvoudige opzet bleek veel problemen op te leveren, al gauw waren wekelijkse
redacdebcsprekingen noodzakelijk. Veel gevestigde meningen werden heftig be-
streden.

Een van de moeilijkheden vormde de vraag waar de grenzen liggen van het begrip
„inwendige ziekte". Differendeel-diagnosdsch konden n.1. de infectieziekten niet
worden gemist. De oplossing die hiervoor werd gevonden is, dat infecdeziekten
„klinisch" werden besproken bij dat orgaansysteem, waarbij dit het meest voor de
hand lag. De nadruk van het gehele werk zou moeten hggen bij de diagnose.
Hoewel de therapie niet vergeten is, hebben wij ons toch in hoofdzaak beperkt tot
die therapieën, die wij zelf toepassen.

Wij hebben ons, althans tot nu toe, tevens beperkt tot de ziekten van herkauwers
en paarden.

Thans is het eerste gedeelte van dit studiewerk klaar, n.1.

„De ziekten van het maagdarmkanaal".

Dit gedeelte wordt gedrukt en losbladig in een klapper geleverd. Volgende gedeelten
kunnen dan steeds aan de klapper worden toegevoegd, terwijl aanvullingen of correc-
ties op oudere gedeelten mogelijk zijn. Na de ziekten van het maagdarmkanaal zullen
de ziekten van de andere buikorganen worden behandeld. Voordat het geheel klaar
is zullen wel een aantal jaren verstreken zijn.

De uitgave wordt gefinancierd door het Bureau van Curatoren van onze Universiteit
en zal tegen kostprijs (papier drukkosten) ter beschikking worden gesteld van
de studenten.

Aangezien wij menen dat ook afgestudeerden voor deze uitgave belangstelling zouden
kunnen hebben, bestaat er voor hen ook gelegenheid voor deze uitgave in te
schrijven. Een voorinschrijving is noodzakelijk om de oplage te kunnen bepalen.
Mocht U dus belangstelling voor deze uitgave hebben, dan kunt U zich op bijgaande
kaart opgeven. De kostprijs voor de dierenartsen zal wat hoger liggen dan voor de
studenten i.v.m. verzending, administratie enz. Het geheel zal echter een betrekkelijk
gering bedrag zijn.

Wanneer U de in dit tijdschrift ingesloten kaart vóór 1 oktober aan ons inzendt,
dan kunnen wij nu en in de toekomst een exemplaar voor
U reserveren.

Namens de staf,
Prof. Dr. G. Wagenaar.

Van de Veeartsenijkundige Dienst

DIRECTEUR VAN DE VEEARTSENIJKUNDIGE DIENST NAAR AMERIKA.

Op uitnodiging van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw, is de Directeur van
de Veeartsenijkundige Dienst, de heer J. M. van den Born, op 23 augustus
naar de Verenigde Staten vertrokken.

-ocr page 373-

De reis heeft voornamelijk ten doel, Amerikaanse regeringsautoriteiten te adviseren
over organisatorische en technische aspecten van de dierziektenbestrijding, vlees-
keuring, pluimveeziektenbestrijding en pluimveekeuring.

In de Verenigde Staten heeft men een goede dunk van de organisatie in Nederland
op verschillende terreinen en vooral de coördinatie van de verschillende veterinaire
taken, de Volksgezondheid inbegrepen, wordt er gewaardeerd.

De heer Van den Born zal twee weken door de Verenigde Staten reizen en een uit-
gebreid programma van bespreking en overleg met autoriteiten afwerken.

DESKUNDIGE VAN DE VEEARTSENIJKUNDIGE DIENST NAAR TUNIS.

Binnen het kader van het bilaterale projectenprogramma van uitgebreide technische
hulp, is in Tunesië een project in uitvoering met betrekking tot de oprichting van
een veeteeltinstructiebedrijf te Sidi Thabet. Hiermee wordt beoogd, te komen tot
een praktische opleiding voor stalmeesters en stalknechten ten behoeve van de rund-
veehouderij in Tunesië.

Hiertoe bevinden zich te Sidi Thabet vier Nederlandse deskundigen. Zij hebben de
beschikking over Nederlands landbouwmateriaal en over 25 stuks melkvee en een
stier uit Nederland.

Onlangs gaf de projectleider, de heer Straatsma, uiting aan zijn bezorgdheid
over het voorkomen van abortus Bang onder het Tunesische vee in de nabij gelegen
stallen op het Staatslandbouwproefbedrijf. Doeltreffende isolatie van de Nederlandse
stal scheen niet goed mogelijk.

Nederlandse deskundige

Op verzoek van de Directie Internationaal Technische Hulp van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken aan de Veeartsenijkundige Dienst van het Ministerie van Land-
bouw en Visserij, bezocht een veterinair deskundige het Nederlandse veeteelt-
instructiebedrijf.

De heer D. J. Vervoorn, Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, stelde
een onderzoek in naar de algemene gezondheidstoestand van het op Sidi Thabet aan-
wezige vee en naar de mogelijkheid, de besmettingskansen van dit Nederlandse vee
met abortus Bang, zoveel mogelijk te beperken.

Dit mede met het oog op verscheping van de rest van het door Nederland te leveren
vee, 25 drachtige koeien, in het najaar naar Tunis.

De heer Vervoorn voerde gesprekken met de projectleider, de leider van de af-
deling dierlijke produktie van het Staatslandbouwproefbedrijf, met Tunesische
dierenartsen van dit bedrijf en met de aanwezige deskundigen van het Nederlandse
veeteeltinstructiebedrijf.

Adviezen

De algemene gezondheidstoestand van het Nederlandse vee te Sidi Thabet is goed.
De heer Vervoorn verstrekte aanwijzingen ter verbetering en voorkoming van be-
paalde afwijkingen.

Hij stelde abortus Bang-infectie vast op het nabij gelegen Staatsbedrijf en gaf in
verband hiermee adviezen, teneinde mogelijke besmetting van het veeteeltinstructie-
bedrijf te voorkomen.

De heer Vervoorn bracht over zijn bevindingen rapport uit aan I.T.H. en adviseer-
de, de zending van de resterende 25 runderen dit najaar te laten doorgaan, mits
rechtstreeks naar het veeteeltinstructiebedrijf.

Vaccinatie van deze dieren na aankomst is noodzakelijk en eventueel kan in Neder-
land de eerste vaccinatie voor de verzending geschieden.

Hij sprak zijn waardering uit voor hetgeen tot dusverre in Sidi Thabet tot stand is
gebracht. Het geheel is goed verzorgd en maakt een uitstekende indruk.

-ocr page 374-

MOND- EN KLAUWZEER UITBRAAK IN ENGELAND.

Op 22 juli 1966 ontving het Office International des Epizootics te Parijs, van de
Engelse Veeartsenijkundige Dienst te Londen telegrafisch bericht, dat op enkele
bedrijven in Northumberland (gelegen aan de grens met Schotland) mond- en
klauwzeer onder runderen was geconstateerd. Het betrof hier drie bedrijven te
Thropton, Otterburn en Yetlington. Het waren gevallen van het type O.
Alle aangetaste en verdachte runderen, alsmede schapen, werden afgemaakt en
vernietigd. Er waren geen varkens en geiten op deze bedrijven aanwezig.
Rondom de besmette bedrijven is een zone van circa 25 kilometer besmet verklaard.
Binnen deze zone is het vervoer van herkauwers en varkens verboden, alsmede het
houden van veemarkten, tenzij met een speciale vergunning.
De oorsprong van de besmetting kon nog niet worden vastgesteld.

Uitbreiding

De besmetting breidde zich uit en op 7 augustus waren negentien besmette bedrijven
geteld en waren 2500 runderen, 23000 schapen en 100 varkens afgemaakt. Hiervoor
werd ruim 300.000 pond aan schadeloosstelling betaald.

Medio augustus waren in Northumberland 21 gevallen voorgekomen, verspreid over
een ruim gebied. Het Engelse Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoor-
ziening heeft een dringend beroep gedaan op de bevolking in en rond de besmette
streken, gebieden waar zich vee bevindt te mijden met het oog op smetstofverprei-
ding.

Hoewel de besmetting nog vrij ver verwijderd is van de onbeschermde Cheviot Hills,
kunnen via deze heuvels Durham en Schotland worden bedreigd. In deze gebieden
bevinden zich circa een half miljoen schapen.

Nederlandse maatregelen

Met ingang van 15 augustus heeft de Minister van Landbouw en Visserij bepaald,
dat de invoer in Nederland van slachtrunderen en van vlees van runderen, schapen
en varkens uit Engeland tijdelijk niet meer is toegestaan.

De doorvoer, gepaard aan overladen in ons land van runderen, afkomstig uit En-
geland en bestemd voor een E.E.G.-lidstaat, is per gelijke datum eveneens opge-
schort. Aanvankelijk was ook Noord-Ierland bij deze verboden betrokken, doch deze
zijn weer ingetrokken.

DENEMARKEN WEER VRIJ VAN MOND- EN KLAUWZEER.

Denemarken, waar zoals gemeld, onlangs een uitbraak van mond- en klauwzeer is

voorgekomen, wordt weer als vrij van deze ziekte beschouwd.

Sedert 21 mei 1966 zijn geen gevallen van de ziekte meer voorgekomen.

RABIES.

Op 6 juli 1966 is in de gemeente Manderfeld in de Belgische provincie St. Vith aan
de grens met West-Duitsland, bij twee aldaar geschoten vossen rabies geconstateerd.
In Oostenrijk werd kort daarvoor eveneens hondsdolheid aangetroffen bij een vos,
geschoten in de gemeente Hinterhornbach in Tirol, dicht bij de Oostenrijks-Duitse
grens.

Deze gevallen hebben mede aanleiding gegeven tot verhoogde waakzaamheid in
ons land. De hondsdolheid in Duitsland nadert thans steeds meer onze grens.
Bijgaand kaartje geeft hiervan een overzicht. Vooral Zuid-Limburg wordt bedreigd;
de vossenstand is daar hoog. De Veeartsenijkundige Dienst heeft ter plaatse een
nader onderzoek ingesteld, hetgeen heeft geleid tot een hernieuwd contact met
Faunabeheer, Staatsbosbeheer en de Nederlandse Jagersvereniging.
Het afschieten van vossen zal worden bevorderd, terwijl het gevaar dat vele los-
lopende honden opleveren, nauwlettend in het oog zal worden gehouden. Maat-

-ocr page 375-

VEEARTSENIJKUNDIGE DIENST
STAND RABIES in de aan Nederland en Denemarken grenzende
„Kreise" van de BONDS-REPUBLIEK W.-DUITSLAND

regelen zijn genomen om, zodra het gevaar acuter mocht worden, krachdg in te
grijpen.

De screening van vossen langs onze grens met West-Duitsland geeft echter nog
geen aanleiding tot ernstige ongerustheid.

-ocr page 376-

Wekelijks worden twee tot drie afgeschoten vossen voor onderzoek naar het Cen-
traal Diergeneeskundig Instituut, afdeling Amsterdam gezonden.
Tot nog toe hadden alle onderzoekingen een negatieve uitslag.

Nederlandse maatregelen

In verband met het voorkomen van enkele gevallen van hondsdolheid in België, is
met ingang van maandag 22 augsutus 1966 de beschikking in- en doorvoer van
honden en katten gewijzigd.

In- en doorvoer van honden en katten uit België en Luxemburg zijn slechts toe-
gestaan, indien bij aankomst aan de Nederlandse grens een geldig certificaat van
endng tegen rabies wordt overgelegd, dat bij invoer uit andere landen reeds was
vereist.

Dierenartsen, vooral in de zuidelijke provincies Noord-Brabant en Limburg, doen
er goed aan hun cliënten te wijzen op het belang van enting van hun honden tegen
rabies.

In het bijzonder voor jachthonden is endng thans gewenst, zodat ze bij het begin
van het jachtseizoen in oktober immuniteit tegen hondsdolheid hebben verkregen.

NIEUWE BESCHIKKING ONTSMETTING VEEAUTO\'S.

Bij Beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 15 juli 1966, is met
ingang van 27 juh 1966 een nieuwe Beschikking ontsmetting motorrijtuigen en
aanhangwagens van kracht geworden.

In de nieuwe Beschikking is het verband tussen besmettingsgevaar en vervoer thans
duidelijk gelegd, door het noemen van een korte periode, waarbinnen de ontsmet-
ting moet zijn geschied.

Deze periode bedraagt maximaal 7 dagen vóór het vervoer.
De in 1964 gewijzigde Beschikking van 1957 is ingetrokken.

IMPORTBEPERKENDE MAATREGELEN INGETROKKEN.

De ons omringende landen hebben de importbeperkende maatregelen, in verband
met de mond- en klauwzeer uitbraak 1965-1966, de een na de ander ingetrokken.
Met ingang van 22 juh 1966 gelden voor West-Duitsland dezelfde import en transit
bepalingen als vóór de mond- en klauwzeeruitbraak.

.\\ls beperkende bepaling, die tot en met 31 juh 1967 gehandhaafd blijft, geldt, dat
het in West-Duitsland ingevoerde vlees afkomstig moet zijn van dieren, die na
1 juni 1966 werden geslacht. Dit dient te blijken uit een op het vlees aangebracht
datummerk.

Met ingang van 27 juli 1966 zijn de maatregelen, die door België in de mond- en
klauwzeerperiode zijn genomen, ingetrokken. Dit gebeurde door een Ministeriële
beschikking, die werd gepubliceerd in de Belgische Staatscourant van die datum.
Met betrekking tot vee zijn alle bepahngen, die ten aanzien van de in- en doorvoer
van tweehoevige dieren zijn genomen, ingetrokken. De toestand van vóór de Neder-
landse uitbraak is weer van kracht.

Voor vers en gekoeld vlees was de invoer reeds toegestaan. Invoer van bevroren
vlees is slechts toegestaan voor zover dat vlees afkomstig is van dieren, die na
26 juli 1966 zijn geslacht.
Dit dient te blijken uit de datumstempeling.

Bij publikade in het Franse Journal Officiel van 3 augustus 1966 is het „avis aux
importateurs" van 23 december 1965 ingetrokken. Dit „avis" hield in, dat Frankrijk
geen „dérogations" meer zou verlenen voor de import van levende herkauwers en
varkens uit Nederland.

Het Franse Ministerie van Landbouw te Parijs kan thans weer op aanvrage be-
doelde „dégorations" verlenen. Hiermee is de situatie van vóór de mond- en klauw-
zeerperiode in ons land hersteld.

-ocr page 377-

Dr. H. H. SCHOLTEN MET PENSIOEN.

Bij Koninklijk Besluit van 15 juni 1966 is met ingang van 1 september 1966 eervol
ontslag verleend aan Dr. H. H. Scholten als veterinair Inspecteur van de Volks-
gezondheid, tevens Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst in het district
Noord-Holland. Dit in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
op 15 augustus 1966.

Henny Herman Scholten werd op 15 augustus 1901 te Olst geboren en behaalde
in 1925 het diploma van dierenarts, waarna hij als assistent werkzaam was aan de
Faculteit der Veeartsenijkunde van de Rijksuniversiteit te Utrecht.
In 1926 vestigde hij zich als praktizerend dierenarts te Olst en werd in 1928 be-
noemd tot Rijkskeurmeester in bijzondere dienst. Daarnaast verulde hij vele functies
in het verenigingsleven, vooral op het terrein van landbouworganisaties, fok- en rij-
verenigingen. In 1927 promoveerde hij te Utrecht tot doctor in de diergenees-
kunde.

In 1935 volgde de benoeming van Dr. Scholten tot plaatsvervangend Inspecteur van
de Veeartsenijkundige Dienst en in 1947 werd hij benoemd tot veterinair Inspecteur
van de Volksgezondheid, tevens Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst in het
District Noord-Holland. Een district met onder meer een haven in Amsterdam
met veel in- en doorvoer en de luchthaven Schiphol, wereldknooppunt van dieren-
vervoer. De controle daarop was bij Dr. Scholten in bijzonder goede handen.
Daarnaast vervult hij functies in commissies op veterinair gebied, speciaal op dat
van de paardensport en was hij o.m. voorzitter van de groep Pluimveewetenschap
van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
In 1964 werd Dr. Scholten benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau.

GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN OVER DE MAAND JUNI
1966.

g c

Si O.

O u c

C/5 (U OJ

OJ

"o

—. c

0) 4J

a p.

3 rt

»H O

O

CA

3 OJ
OJ M
m O

Oh >

Provincies

(U
I N

c ^

II\'

J-2 c

«
>

Groningen

Friesland

Drente

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Noord-Brabant

Limburg

Nederland

5

31

1
11

4

17
5

67

18

-ocr page 378-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

September,

15, Afd. Utrecht K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, „Poort van
Kleef", Utrecht, (pag. 1193)

16, Groep Pluimveewetenschappen, symposium Eli Lilly International Cor-
poration. (pag. 1130)

16 en 17, Nationale Trekpaardententoonstelling, \'s-Hertogenbosch.

17, Réunie van Oud-Absyrtianen, 11.00 uur. Hotel Figi, Zeist. (pag. 988)
17, Groep Geneesk. v. h. Kleine Huisdier K.N.M.v.D. Ledenvergadering.

(pag. 1128)

21, Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Modern, Tilburg, (pag. 1128)
25—1 okt., British Veterinary Association. Jaarcongres, Brighton, (pag. 781)

27, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Lustrumviering, (pag. 940)

28, Afd. Gelderiand K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Rest. Royal,
Arnhem, (pag. 1193)

29—1 okt., Ornithophilia, Utrecht.

29, Groep Dir. Vleeskeuringsdiensten en keuringsdierenartsen K.N.M.v.D.
Vergadering, 10.00 uur. Restaurant Smits, Utrecht, (pag. 781)

29, N.V. Mengvoeder U.T.-Delfia, Pluimveeconferentie, (pag. 1058)

30, Derde Veterinaire Ruiterdag, Ruitersportcentrum „Midden Heuven",
Rheden, (pag. 1056 en 1185)

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)

5, Keuring stierkalveren (F.H.), Leeuwarden.
7—8, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 113e Algemene Verga-
dering, Utrecht, (pag. 709)

November,

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, R.I.V. Bilthoven,
(pag. 625)

1967
April,

26—28, Congres „Ges. f. Versuchstierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, .A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
.gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 379-

Kon/nkff\'/ke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU

Kort verslag van de vergadering van het Hoofdbestuur op 21 juli te Utrecht.
Het Hoofdbestuur voerde een bespreking met een delegatie van Merck Sharp &
Dohme over het preparaat Bovizole. Over en weer werden de standpunten uiteen
gezet waarna beide partijen besloten zich over deze kwestie intern ernstig te zullen
beraden. Door Bovizole verkrijgbaar te stellen bij de mengvoederhandelaar kan het
zonder diagnose worden aangewend, hetgeen naar het oordeel van het Hoofdbestuur
veterinair niet verantwoord is. Dat Merck Sharp & Dohme de mengvoederhandelaar
uitsluitend ziet als distributiekanaal en niet als verkoper, waarmee het Hoofdbestuur
het geenszins eens is, kan het onoordeelkundig gebruik van dit produkt niet ver-
hinderen.

Na zich grondig georiënteerd te hebben in de materie van het C.R.D.-onderzoek en
alles wat daarmee samenhangt is het Hoofdbestuur tot de conclusie gekomen dat
dc practicus zeer wel in staat is dit onderzoek uit te voeren.

Het programma voor de 113e Algemene Vergadering vormt opnieuw een uitvoerig
punt van bespreking.

Besloten wordt een bijdrage van ƒ 500,- uit het Van Esveldfonds te geven aan een
medicus en wel op grond van het algemeen maatschappelijk belang van de onder-
zoekingen, waarover een dissertatie zal verschijnen.
Enkele contributiegevallen worden besproken en afgehandeld.

Voor een groep wetenschappelijke medewerkers zal door het Hoofdbestuur na inge-
wonnen informaties pogingen worden aangewend voor salarisherziening.

VAN DE AFDELINGEN

Afdeling Gelderland.

De afdeling Gelderland houdt op woensdag 28 september a.s. haar ledenvergadering
om 20.00 uur n.m. in
Restaurant Royal te Arnhem.

Afdeling Utrecht.

De afdeling Utrecht houdt haar ledenvergadering op donderdag 15 september a.s. om
20.00 uur n.m. in
„de Poort van Kleef" tc Utrecht.

ACTUALITEITEN

Promotie collega Roerink.

Op donderdag 26 mei 1966 promoveerde collega J. H.
G. Roerink tot doctor in de diergeneeskunde op het
proefschrift, getiteld: Development of a non-agglu-
tinogenic killed Brucella abortus adjuvant vaccine and
lts applicability in the control of bovine brucellosis.
De promotor was Professor A. van der Schaaf.
Het onderwerp van de dissertatie was de ontwikkeling
van een niet-agglutinogeen gedood stam 45/20 adju-
vans-vaccin en het onderzoek naar de toepassings-
mogelijkheden hiervan voor de bestrijding van de
runderbrucellosis. Praktijkproeven, uitgevoerd bij
10.000 runderen, zijn in dit proefschrift beschreven.
Een auto-referaat zal binnenkort in dit tijdschrift ver-
schijnen.

-ocr page 380-

Collega Roerink werd op 28 januari 1926 te Lonneker geboren. Hij bezocht de
H.B.S. te Hengelo (O.), waar hij in 1943 het diploma H.B.S.-A en in 1945 het
diploma H.B.S.-B behaalde. Eind 1945 begon hij met de studie in de diergenees-
kunde. Mei 1952 behaalde hij het diploma. Hij vesdgde zich daarna als prakticus
te Vlagtwedde (Gr.).

In september 1957 trad hij in dienst van de Provinciale Gezondheidsdienst voor
Dieren in Gelderland. Hier was hij voornamelijk werkzaam op het gebied van de
georganiseerde brucellosisbestrijding. Sinds juni 1959 is hij verbonden aan het
Veterinair Vaccinlaboratorium van de N.V. Philips-Duphar te Weesp.
Met ingang van 1 juni j.1. is hij benoemd tot hoofd van dit laboratorium als op-
volger van collega Bosgra.

H. ]. Breukink

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur draagt voor het lidmaatschap van de Kon. Ned. Maatschappij voor
Diergeneeskunde voor collega:

J. J. Keiler, Zonstraat 120. Utrecht.

Adreswijzigingen e.d.:

Brands, A. F. A., van Utrecht naar Cuyk, Goudenrijderstede 24, tel. (08850) 32 37
(privé) 29 34 (bur.); gr. 802928; dierenarts-zoötechnicus bij N.V. Fomeva te Cuyk.

(168)

Doorn, A. van, te Lisse, gr. 706959; H.K.; R.K.V.; R.K. (bz.d.) ; Plv. I. (173)
Driessen, M. J, M., van Breda naar Prinsenbeek, Kr. Elleboog 14; tel. (01607) 65 9;

gr. 1104003. (174)

Keiler T J.; 1965; Utrecht, Zonstraat 120; tel, (030) 14 75 2; gr. 284105; wnd. D.

(191)

Koiter, D., van Bilthoven naar Enschede, Merelhof Flat 88, Espoortsestraat 257. (193)
Meijer, G. P., van Utrecht naar Soest, Vondellaan 4; tel. (02955) 62 76. (201)
Schölten Dr, H, H,, van Haarlem naar Almen (gem. Gorssel), Weyenberg 10, tel,
(05751) 53 6, (213)

Steen, A B, M, van der; 1966; Chaam, Houtgoorstraat 7; tel, (01694) 24 3; D,

(217)

Vogel, F,, van Julianadorp naar Bilthoven, Soestdijkseweg 53 N,; tel, (03402) 38 90;

wetensch. H.ambt. R.U. (F.d.D., Klin, v. Vet, Verloskunde en Gyn,), (224)

Wouw, J. II. M. van der te Drunen, Grote Straat 237 aldaar, (229)

Jubilea:

De volgende collega hoopt op 2 oktober a,s, het feit te herdenken, dat hij 50 jaar
dierenarts is:

G, H, Stotijn, Scherpenzeel (afwezig).

De volgende collegae hopen op 2 oktober a,s, het feit te herdenken, dat zij 40 jaar
dierenarts zijn:

Dr, J, Gajentaan, Amsterdam (thuis tussen 11,00 en 14,00 uur).
J. T. Heeg, Halfweg.
T. Kapteyn, Rotterdam (afwezig).
R. Kooistra, Surhuisterveen (afwezig).
P. J. van Leengoed, Roosendaal.

De volgende collega hoopt op 21 oktober a.s. het feit te herdenken, dat hij 25 jaar
dierenarts is:

A. W. Middelberg, Rongotea (New Zealand).

-ocr page 381-

OesOLLEYStV-

Veferinaire Studenten Rijvereniging
V.S.R.
„De Solleysel"

Verslag van de wedstrijden op 7 mei door de V.S.R. De Solleysel georganiseerd op
de Lage Vuursche.

Dit jaar bleek weer, dat het sinds enige jaren door de Solleysel georganiseerd con-
cours op de Vuursche nog steeds groeiende is. Was het begonnen als een onder-
linge wedstrijd van de Suchtse ruitersportverenigingen, thans is het een wedstrijd,
waar Nederlandse topruiters zich niet schamen te starten en dit jaar voor de eerste
maal met Franse deelname. Ondanks concurrentie door andere hippische festivi-
teiten, hetwelk wij, ondanks navraag te bevoegder plaatse, pas een week voor de
wedstrijd mochten vernemen, was er een grote belangstelling, zowel actief als pas-
sief. Ook van veterinaire zijde konden wij ons in een ruime belangstelling ver-
heugen en wij mochten verschillende hoogleraren van de faculteit voor diergenees-
kunde op het terrein begroeten, welke zich spontaan bereid verklaarden om de
prijzen uit te reiken, evenals de voorzitter van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde. Rest mij nog dank te zeggen aan al degenen, die ons de organisatie
hebben mogelijk gemaakt en hen, die bereid waren te jureren. Speciaal wil ik hierbij
nog noemen Kolonel Ootmar, die ons met zijn adviezen ter zijde heeft gestaan en het
hindemismateriaal ter beschikking heeft gesteld, de heer J. B. Pollak, die evenals
in voorafgaande jaren een fraai parcours wist te bouwen en de directie van het
café-restaurant de Lage Vuursche, die ons geheel belangeloos haar terrein ter be-
schikking stelde.

De uitslagen zijn als volgt:

Dressuur hcht (B-4) ring 1. Hier werd gereden om de D.S.K.-wisselbeker. Aantal
deelnemers 26.

1. Mevr. A. J. Hogendoorn - Klomp met Freule Begonne;

2. Mevr. M. J. Scholtz - Floor met Absyrtus;

3. Mej. M. van de Deure met Arabesque;

4. Mej. F. Brons met Chita;

5. G. Theunissen met Icona.

Dressuur licht ring 2. In deze ring werd om de faculteits-wisselbeker gestreden door
16 ruiters en amazones.

1. J. B. Pollak met Bruno;

2. H. V. d. Brink Jr. met Piaff;

3. Mevr. Ardennen met Szalamos;

4. ex aequo Fr. Pols met Loyal, Mej. H. de Vries met Rudana.

Dressuur zwaar (L-2). In deze ring streden 14 combinaties om de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde-wisselbeker.

1. Mej. G. Smit met Schlemmerin;

2. Mej. Y. Mattei met Don Falco;

3. J. M. Swaab met Formas;

4. Mej. J. C. Ham met Go-Getter;

5. Mevr. Meyer met Donja.

-ocr page 382-

Springen 90 cm. 31 deelnemende combinaties.

1. Mej. J. C. Ham met Go-Getter;

2. Mej. W. V. d. Deure met Marcel;

3. Mej. H. de Vries met Rudana en ex equo

4. A. Neessen met Saturn;

5. W. Huiskes met Marcel;

6. Mej. W. V. d. Deure met Arabesque.

Jachtspringconcours met een hoogte van 110 cm en een deelname van 36 ruiters.

1. Huzaar H. Brugman met Black Magie;

2. Mej. H. Wittenhorst met Dycora;

3. Wmr. W. de Vries met Hraban;

4. T. Neessen met Saturn.

5. Huzaar H. Brugman met Sealord;

6. Mej. L. v. Drogenbroek met Astral;

7. Wmr. P. Bakker met Testwunder.

Puissance-springen, maximaal bereikte hoogte 160 cm. Aantal deelnemers 29.

1. Wmr. P. Bakker met Wervelwind;

2. Thijs Neessen met Satum;

3. ex aequo Mej. L. v. Droegenbroek met Austria, Huzaar H. Brugman met Sea-
lord, Maarten Bacchus met Henno;

6. Mej. Smit v. d. Velde met Daniël.

A. E. J. M. van den Bogaard,
h.t. pracses wedstrijdcommissie,
V.S.R. de Solleysel.

-ocr page 383-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

M. F. Kramer, Uitwisselbaarheid van dierenartsen of differen-
tiatie? — Interchangeable veterinarians or differentiation?
— 1201
D. M. Badoux, Mechanics of the acropodium of the horse.
A practical application of photoelastic research
.... 1207
A. C. Voeten en D. H. J. Brus, Het produktie getal als graad-
meter voor de opfokresultaten van slachtkuikens — The pro-
duction number as a criterion for the breeding results of broiler
chickens
—.............1233

REFERATEN

Algemeen.............1241

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten.....1243

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit......1243

Ziekten van het Kleine Huisdier........1244

Zootechniek.............1245

BOEKBESPREKING

H. Schleiter, Klauenpflege bei Haustieren......1246

K. Wagener, Kursus der Veterinärmedizinischen Mikrobiologie 1246

VETERINAIRE SNAPSHOT

H. Kuil en C. Folkers, Een zeer anaemische geit .... 1247

INGEZONDEN

Enting tegen paardeinfluenza II (H. A. E. van Tongeren) . . 1248

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Postuniversitair onderwijs.........1249

Verslag 4e Symposium W.A.V.F.H. te Lincoln, U.S.A. 1965 1249
De invloed van het niet op zondag insemineren op de bevruch-
tingsresultaten
............1253

Grensmaatregelen wegens mond-en klauwzeer in Engeland . . 1256

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1257

DOORLOPENDE AGENDA............1260

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau............1261

Van de Afdelingen...........1261

Van de Groepen............1262

Actualiteiten............1263

Personalia.............1263

-ocr page 384-

Promintic

handelsmerk

Voor een snelle en afdoende
behandeling van de
parasitaire gastro-enteritis
bij runderen en schapen.

Een modem, per injectie toe te dienen, breedspec-
trum anthelminticum, werkzaam tegen de gehele
reeks van maag- en darmwormen, ook tegen Nema-
todirus, en tegen de longworm.

• werkzaam tegen volwassen en niet-volwassen
wonnen

• geeft een snelle klinische verbetering

• verkrijgbaar in flacons met 250 ml (voor meer-
malige toediening).

Levering uitsluitend via de dierenarts.

(methyridine)

@

I.C.I. (HOLLAND) N.V. Postbus 551 Rotterdam-1 telefoon 010-140122

-ocr page 385-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Uifwisselbaarheid van dierenartsen ot differen-
tiatie?

Interchangeable veterinarians or differentation?
door
M. F. KRAMER1)

Inleiding

Tijdens de 113e Algemene Vergadering, op 7 en 8 oktober 1966, zal
worden gesproken over een onderwerp, waaraan vele facetten te onder-
kennen zijn. Gemakshalve heeft men de titel waaronder deze bespreking
plaats zal vinden zeer ruim gesteld: „Differentiade in de opleiding tot
dierenarts". Het is echter niet de bedoeling, zo heeft men mij verzekerd,
alle facetten te belichten. Het ligt in de aard van de Maatschappij voor
Diergeneeskunde om vooral aandacht te geven aan de vraag of een der-
gelijke differendatie
maatschappelijk, organisatorisch en sociaal gewenst is
en welke de gevolgen ervan zijn voor de beroepsuitoefening. Dat zal op
8 oktober besproken worden.

.A.ls voorbereiding op die bespreking is dit artikel bedoeld. Daarin zullen
de begrippen omlijnd worden en de vele factoren genoemd, die bij het
beleid in deze gewogen moeten worden. Vanzelf krijgt dan het door de
Maatschappij te behartigen facet zijn plaats.

Begrippen

1. Het in de titel gebruikte begrip „uitwisselbaarheid" duidt op de huidige
toestand, waarin iedere bezitter van de dierenartsbul formeel iedere
veterinaire functie mag uitoefenen, ook al bestaan voor sommige func-
ties beperkingen door de eisen van ervaring die gesteld worden.

Dit formele recht berust op de veronderstelling, dat de opleiding
tot dierenarts voldoende bekwaamheden geeft om al die functies
verantwoord te vervullen, zij het dat zelfstudie — waartoe men
gevormd geacht wordt — in vele gevallen aanvullend moet werken,
evenals ervaring.

2. Onder „differentiatie" wordt hier begrepen de instelling van verschil-
lende dierenartsdiploma\'s, die ieder zijn bezitter tot een beperkt aantal
veterinaire functies toegang geven. Het aantal diploma-typen kan twee
zijn, maar ook veel meer.

Met gedifferentieerde opleiding duidt men dan de som van verschil-
lende opleidingen aan, die tot verschillende eindexamens en derhalve
tot verschillende diploma\'s voeren.

3. Differentiatie is niet hetzelfde als specialisatie. Onder specialisatie van
het beroep wordt verstaan: de instelling van diploma\'s, die op basis van
een eerder behaald dierenartsdiploma verkregen kunnen worden en
vereist zijn voor bepaalde funcdes (de medische specialistenregeling
volgt dit systeem). Het dierenartsdiploma blijft dan tot de overblijvende
functies toegang geven.

1  Dr. M. F. Kramer; vifetenschappelijk hoofdambtenaar R.U., Faculteit der Genees-
kunde, histologisch en microscopisch-anatomisch laboratorium.

-ocr page 386-

4. Indien voor alle functies dergelijke specialistendiploma\'s vereist worden,
is men ook tot differentiatie van het beroep gekomen, alleen op een
later niveau. Het dierenartsexamen is dan nog wel uniform, maar heeft
geen „effectus civilis"; de verdere opleiding daarna geeft pas de mo-
gelijkheid tot beroepsuitoefening.

De invoering van differentiatie of specialisatie zal steeds gebaseerd
zijn op de veronderstelling dat de opleiding tot een type dierenarts,
dat alle bekwaamheden bezit, onmogelijk is of met het oog op
andere desiderata (studieduur bijv.) ongewenst. En bovendien op
de veronderstelling dat het nodig is de bijzondere kwaliteit van de
beroepsbeoefenaar door middel van een examen of opleidingstijd
te toetsen.

Actueel

In de laatste tijd is de vraag naar differentiatie veelvuldig gesteld, in de
diergeneeskunde, maar tevens in de geneeskunde. Ook in de „lerarenfacul-
teiten" wordt in verband met de opleiding tot leraar én tot onderzoeker
aan een zekere differentiatie gedacht. Het technische en het agrarische
wetenschappelijk onderwijs hebben van meet af aan sterk gedifferentieerde
opleidingen gekend.

De vraag naar differentiatie in de diergeneeskunde is van twee zijden te-
gelijk opgekomen: van de kant van het wetenschappelijk onderwijs en
van de kant van de beroepsbeoefenaren. Ook hier ziet men een parallel
met hetgeen in geneeskunde en leraarschap aan de gang is. Beide bena-
deringen van het probleem zullen geschetst worden.

Het wetenschappelijk onderwijs over differentiatie

In kringen van het wetenschappelijk onderwijs ontstond de gedachte aan
differentiatie in de periode van
snel groeiende aantallen studenten. De
sterke vermindering van persoonlijke kennisoverdracht en het daaruit voort-
vloeiende verlies aan motivering voor de studenten deden en doen dc aan-
trekkelijkheid en het kwalitatief effect van het onderricht snel dalen. Dif-
ferentiatie van de opleiding biedt voor vele vakken de mogelijkheid om
althans met een kleine groep studenten de onderwijsdialoog weer in te
voeren.

De sterke uitbreiding van de wetenschappelijke verworvenheden leidt tot
een voortdurende
toeneming van doceerstof. Differentiatie biedt naar de
mening van de voorstanders mogelijkheden om de lesroosters te ondasten
zonder tegelijk de kennisoverdracht in gevaar te brengen. De stof blijft
immers in zijn geheel gedoceerd, doch niet meet aan alle studenten. \'
De
grote financiële lasten, die het onderwijs mei zich meebrengt, kunnen
beperkt worden door differentiatie, daar de materiële eisen van kleinere
groepen veelal geringer zullen zijn.

Naast de vraag óf differentiatie van de opleiding inderdaad de verwachte
voordelen zal opleveren, bestaat nog het probleem
wanneer zij dan zou
moeten
aanvangen. Naarmate men de eenheid van de veterinaire vakken
groter acht en de voordelen van differentiatie in de opleiding lichter weegt,
zal het tijdstip naar later in de studie verschoven worden!
Verleidelijk is het, maar te ver voerend, na te gaan in hoeverre de
stu-
denten
— redelijke partners in de onderwijsdialoog — oordeelkundig zijn

-ocr page 387-

in deze materie en bouwstenen kunnen aandragen voor de problematiek
of differentiatie de opleiding voor- of nadelen biedt.

Deze gedachten, door anderen ontkend, hebben geleid tot een discussie
onder de leden van het wetenschappelijk corps van de Faculteit, die nog
niet beëindigd is. Voor de aangekondigde bespreking zijn zij derhalve geen
punt van discussie.

De beroepsbeoefenaren over specialisatie en differentiatie

De wetenschap biedt de mensheid steeds meer mogelijkheden. Steeds groter
wordt daardoor de behoefte aan mensen, die deze mogelijkheden kunnen
omzetten in dienstbare actie. Dit verklaart de eisen van hoog studierende-
ment en korte studietijd, die aan de universiteiten gesteld worden, maar
ook de behoefte aan afgestudeerden, die zonder lange na-studie geschikt
zijn voor de vele functies. De speciaüsatie van de functies doet
behoefte
aan gespecialiseerde of gedifferentieerde afgestudeerden
ontstaan.
De beroepsbeoefenaren komen tot deze verlangens op grond van de waar-
genomen onbekwaamheid van de afgestudeerde dierenarts om een bepaal-
de functie aanstonds met enig nuttig effect uit te voeren. Men stuit daarop
bij sollicitaties of men ziet de kwade gevolgen van onbekwame beroeps-
uitoefening door nieuw aangestelden.

Meestal wordt een verlangen naar specialisatie geuit. Het grote nadeel dat
steeds specialisatie aankleeft is de
studieduur verlengende werking. Als
men voorstander is van korte studieduur en vroege entree in de samen-
leving met eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid (en dat bepleiten psy-
chologische naast economische argumenten), zal men differentiatie in
plaats van specialisatie vragen.

Het voordeel echter van specialisatie is, dat de opleiding tot dierenarts
buiten schot blijft. Zij is derhalve
gemakkelijker te verwezenlijken. Ook
biedt zij de mogelijkheid om van beroep te veranderen of beroepen te
combineren, zolang nog niet alle functies specialisatie vereisen.
Tenslotte heeft specialisatie nog het nadeel, dat het de functies waarvoor
geen specialisatie wordt vereist, een
lager aanzien geeft (vergelijk de huis-
arts met de specialist in de geneeskunde). De ongespecialiseerden worden
tot de lageren gedegradeerd. Daarbij komt, dat deze groep de vergaarbak
wordt van allen, die om negatieve redenen geen specialisatie volgden of be-
eindigden, hetgeen het aanzien nog meer verlaagt, gevaarlijk voor de recru-
tering, in een tijd die het begrip stand voor status heeft verwisseld!
Bij differentiatie ontstaat niet het probleem van de
verantwoordelijkheid
voor eisen en toelating tot de verschillende diploma\'s:
die blijft in handen
van de Faculteit. Bij specialisatie echter kan die verantwoordelijkheid bij
andere instanties komen te liggen: bij de Maatschappij (vergelijk de rege-
ling van de medische specialisatie), bij de veterinaire overheidsorganen
(vleeskeuring bijv.), bij de Gezondheidsdiensten. Wanneer de direct be-
langhebbenden de verantwoording dragen heeft men vaak het voordeel
van grotere aanpassingsmogelijkheden aan veranderde situaties. Het kan
echter gevaren in zich bergen, bijv. van beperking van de groepsgrootte,
waardoor hogere marktwaarde ontstaat.

Wanneer specialisatie en differentiatie bepleit worden betekent dit tevens
een pleidooi voor een
verminderde uitwisselbaarheid van de dierenartsen.
De sociale aspecten van dit verlies dienen in het oog gehouden te worden.
Wat betekent het voor de grote-huisdierenarts dat hij niet meer de vlees-

-ocr page 388-

keuring kan gaan beoefenen, of misschien zelfs geen kleine huisdieren kan
gaan behandelen? Wat betekent het voor de laboratorium-dierenarts, dat
hij geen (kleine) praktijk mag voeren? Welke voordelen biedt dit laatste
de full-tirne practici?

Een belangrijke factor in deze problematiek is de omscholingsmogelijkheid.
Wanneer die gemakkelijk bereikbaar en efficiënt is — bijv. als postuniversi-
tair ondervv\'ijs, regionaal of door middel van radio en televisie gegeven —
blijft het wezenlijke van de huidige situatie bewaard. Dat móet ook be-
waard blijven om de gerichtheid op de algemene praktijk met haar grote
„disutilities" niet in gevaar te brengen. Voor een goede praktijkbezetting
lijkt mij een mogelijkheid om van functie te veranderen van groot belang.

Snijpunt van drie lijnen

Wij beschreven twee lijnen, waarlangs het vraagstuk van de differentiatie
benaderd wordt. Op het snijpunt van die twee lijnen zal de beslissing
ooit vallen. Helaas is er nog een derde lijn: naast het onderwijs en het
beroep houdt ook de
Europese Economische Gemeenschap zich met ons
probleem bezig!

Het Verdrag van Rome heeft bepaald (art. 57.3), dat de aangesloten lan-
den eikaars beroepsbeoefenaren de vrije vestiging moeten toestaan, zonder
speciale toelatingsvoorwaarden. In de overgangstijd mogen
geen nieuwe
belemmeringen
tegen deze vrije vestiging worden ingevoerd (art. 52). Ten
tijde van het Verdrag van Rome en nu nog geeft het dierenartsdiploma in
alle aangesloten landen het recht tot de uitoefening van de diergenees-
kunde in de volle omvang. Wanneer — in de huidige overgangstijd —
voor sommige functies specialisatie-eisen worden ingevoerd, kan dat ge-
ïnterpreteerd worden als een „nieuwe belemmering" voor de vrije vestiging.
Hetzelfde geldt voor de invoering van differendade, daar ook dan „nieuwe
belemmeringen" voor de uitwisselbaarheid met dierenartsen uit andere
landen worden opgeworpen, in strijd naar men zegt met art. 52.
Als deze interpretatie van dat artikel juist is, zouden differentiatie en spe-
cialisatie slechts ingevoerd kunnen worden, indien alle E.E.G. landen er
tegelijk toe overgaan, maar zeker zolang zij nog niet geauthoriseerd is door
het Parlement en de Ministerraad van de E.E.G. blijft er nog speelruimte
om over differentiatie en specialisatie zinvol te discussiëren en bij de ver-
antwoordelijke ministers te wijzen op de eigenaardige toestand, dat een
economisch artikel — veeleer gericht tegen vestigingseisen die tot doel
hebben de nationale beroepsbeoefenaren als belangengroep te vrijwaren
voor buitenlandse concurrentie — hinderpaal kan worden voor een be-
paalde evolutie in het veterinaire beroep en de opleiding daartoe, indien
die gewenst zouden blijken.

De beslissing

De beslissing of het dierenartsberoep en de opleiding daartoe al of niet
gedifferentieerd wordt, zal uiteindelijk op
politiek niveau genomen worden.
Er zijn wetswijzigingen voor nodig (wet op de uitoefening, vleeskeurings-
wet) of algemene maatregelen van bestuur (Academisch Statuut). Dat zal,
zelfs nadat in principe tot differentiatie besloten zou zijn, nog veel overleg
nodig maken. Maar twee zeer belangrijke schakels in de keten die tot de
beslissing voert zijn de Faculteit en de Maatschappij. De laatste zal haar

-ocr page 389-

mening vormen met open oog voor de opleidingsproblemen, de eerste zal
in haar overwegingen de verlangens van de beroepsbeoefenaren mede be-
trekken.

Van die verlangens zal het gesprek tijdens de Algemene Vergadering een
eerste verkenning zijn. Hopelijk komt het in de periode daarna tot een
grondige studie ervan, in voortdurende voeling met de ontwikkeling in
Maatschappij en Faculteit, en liefst in samenwerking met de laatste.
Moge de komende discussie een goede basis voor het verdere werk vormen.

S.AMENVATTING.

Tengevolge van de toenemende specialisatie van dc beroepen, die door dierenartsen
worden beoefend, wordt het tijdstip waarop dc opleiding geheel voltooid is steeds later
bereikt. Dit leidt tot het verlangen naar vervroegde differentiatie in de opleiding,
nog vóór het dierenartsexamen. Invoering hiervan zou tot gevolg hebben dat de
dierenartsen — in tegenstelling tot in de huidige situatie — niet meer alle functies
kunnen beoefenen, doch slechts die waartoe het behaalde examen recht geeft.
De huidige situatie geeft iedere dierenarts de mogelijkheid om iedere veterinaire
functie te vervullen („uitwisselbaarheid").

Ook aan de universitaire opleiding biedt differentiatie voordelen. Het groeiende
aantal studenten cn de snelle toename van de onderwijsstof verzwaren de onderwijs-
taak. Differentiatie kan tot verlichting ervan voeren.

De gevolgen van differentiatie voor de dierenartsen zelf — die dan geen beroepen
meer kunnen combineren en niet meer van beroep kunnen veranderen — worden
besproken, evenals de problemen die zij opwerpt in de Europese Economische Ge-
meenschap.

SUMMARY.

.\\s a result of the increasing specialization of those occupations which are followed
by veterinarian:,, the point at which training is completed is being rcached at an
increasingly late date. This leads to the desire for earlier differentiation in training,
even before qualifying as a veterinary surgeon. If this earlier differentiation were to
be introduced, this would mean that, in contrast with the present situation,
veterinarians could no longer hold all positions but only those for which they were
qualified by the examination passed. The present situation makes it possible for
every veterinary surgeon to hold every veterinary office („interchangeable vete-
rinarians").

Differentiation also offers advantages in university training. The increasing number
of students and the rapid increase in subjects to be taught are making teaching more
difficult. This may be relieved by differentiation.

The consequences of differentiation to veterinarians themselves — who then will
no longer bc able to combine occupations or change their occupations — as well as
the problems which this raises in the Common Market, are discusscd.

RÉSUMÉ.

Par suite dc la spécialisation progressive des professions exercées par des médecins
vétérinaires, le moment où les études sont entièrement terminées est de plus en plus
retardé.

Ce fait amène une tendance à différencier les études à un moment reculé, encore
avant l\'examen de vétérinaire proprement dit. L\'institution de cette différenciation
anticipée aurait pour conséquence que les médecins vétérinaires ne pourraient plus
exercer toutes les fonctions — par opposition à la situation actuelle („échangea-
bilité") —.

La différenciation offre des avantages à l\'enseignement universitaire également. Le
nombre croissant d\'étudiants et l\'augmentation rapide des matières à enseigner
aggravent la tâche des enseignants. La différenciation pourra apporter du soulagement.

-ocr page 390-

Les conséquences de la différenciation pour les vétérinaires eux-mêmes — qui ne
pourront plus combiner des professions et ne pourront plus changer de profession .—
sont discutées, ainsi que les problèmes qu\'elle soulève dans la Communauté Econo-
mique Européenne.

ZUSAMMENFASSUNG.

Infolge der zunehmenden Spezialisierung der durch Tierärzte ausgeübten Berufe vi\'ird
der Zeitpunkt, an dem die Ausbildung völlig beendet ist, immer später erreicht. Dies
führt zum Verlangen nach einer verfrühten Differenzierung in der Ausbildung, schon
vor der tierärztlichen Prüfung. Die Einführung einer solchen Differenzierung vnirde
zur Folge haben, dass die Tierärzte — im Gegensatz zu der heutigen Lage — nicht
mehr alle Ämter innehaben könnten, sondern nur die, zu denen das gemachte Examen
sie berechtigt. Die heutige Lage gibt jedem Tierarzt die Möglichkeit jedes veterinär-
medizinische Amt zu bekleiden („Auswechselbarkeit").

Auch der Unversitätsbildung bietet die Differenzierung Vorteile. Die wachsende
Zahl der Studenten und die schnelle Zunahme des Lehrstoffs machen die Unterrichts-
aufgabe schwerer. Differenzierung könnte zu einer Erleichterung führen.
Die Folgen der Differenzierung für die Tierärzte selbst — die dann keine Berufe mehr
kombinieren und nicht mehr ihren Beruf wechseln können — sowie die Probleme
die sie in der Europäischen Wirtschaftsgemeinschaft aufwirft, werden erörtert,

RESUMEN.

A consecuencia de la especialidad crecida de las profesiones, practicadas por los
medicos veterinarios, el momento en cual se termine la educacion liege siempre
mas tarde. Esta conduce al deseo de una diferenciacion mas temprana en la edu-
cacion, aun antes el examen de medico veterinario. De esta introduccion resultara
que los medicos veterinarios-contrariamente a la situacion actual-no pueden mas
practicar todas las funciones, pero solamente estas en locual el examen hecho da
derecho. La situacion actual da a cada medico veterinario la posibilidad de desem-
pefiar cualquera funcion veterinario (canje).

La diferenciacion ofrece tambien ventajas a la educacion universitaria. El numero
creciente de los estudiantes y el aumento rapido de la materia del estudio reforzan
la tarea de la ensefianza. Diferenciacion puede dar aligeramiento.
Las consecuencias de la diferenciacion para los medicos veterinarios los mismos —
que no pueden mas combinar las profesiones, y que no pueden mas cambiar la
profession, estan discutidos, asi como las problemas que ella constituye en la
comunidad europea economica.

-ocr page 391-

Mechanics of the acropodium of fhe horse

A practical application of photoelastic research.

by D. M. BADOUX1)

I. Introduction

Although much research has been devoted to the functional anatomy of
the locomotor apparatus of the horse, a study on the specific mechanics
of the acropodium (phalanx I, II, III and the navicular bone) has not yet
been carried out. The veterinary surgeon\'s attention is primarily drawn to
the navicular bone since pathological processes going on in it may cause
severe lameness. The navicular disease has been the subject of numerous
investigations, which were recently surveyed in W i n t z e r\'s (1964) fine
thesis. Although opinions on its causal pathogeny are opposite and conflic-
ting, a considerable number of authors agree that mechanical stress is at
least one of the salient pathogenic factors.

The exact determination of a vector-diagram of a functioning animal loco-
motor apparatus, however, is by its nature quite a hazardous undertaking
since one is dealing with a very complicated pattern of phenomena. More-
over, the analysis of the causal connection between the ultimate resultant
of the operant forces and its possible pathogenic effect is very difficult too,
since data on causal histogeny and histopathogeny of the supporting tissues
are extremely scarce.

As far as the first problem (i.e. the vector-diagram) is concerned, we
should like to point to the fact that during the last decade, a technical
method (photoelastic research) has offered a unique opportunity to com-
bine analytical statics and functional anatomy. By this method it is possible
to visualize stress-diagrams in scale-models of bones so that the exact direc-
tion of compression and tension stresses is approachable. Up to now, this
method has been mainly applied to the investigation of the structural cha-
racters of the mammalian femur.

In view of the fact that there may be a connection between mechanical
stress of the acropodial elements and navicular disease, it seems indicated
to analyse these elements by the aforementioned method. Moreover, the
question might arise to what extent the phylogenetic history of the equine
limbs as well as the process of breeding have resulted in a construction
yielding predisponent elements for pathological conditions, or in other
words, it may be interesting to analyse whether or not the breeding of fast
modern race-horses took a heavy toll of the construction of the feet.
Although the first-mentioned problem is of direct and practical importance,
it seems justified to consider both questions as intrinsic counterparts of a
single causal complex.

My sincere thanks are due to Prof. dr. S. R. N u m a n s. Dr. H. J. W i n t-
z e r and Drs. C. C. v. d. W a t e r i n g of the Department of Surgery of
the Faculty of Veterinary Medicine at Utrecht for their kind advice and
help.

-ocr page 392-

II. Phylogeny of the acropodium

Apart from some minor questions, the phylogeny of the horse is adequately
known thanks to the great amount of fossil material from the North Ame-
rican Tertiary. Many data have been published on the evolution of the
skull, dentition and limbs, although most of the information has a more
or less descriptive anatomical character (see S i m p s o n, 1961). Confining
ourselves to the locomotor apparatus, the phylogeny of the foot can be sum-
marised as follows (see fig. 1):

PLEISTOCENE

PLIOCENE

MIOCENE

OLIGOCENE

-ocr page 393-

length and somewhat smaller than the third, although still fully functional.
The foot sdll had a dog-like pad which carried the main weight. The
hind-foot also had a pad and three functional toes. The third was the lar-
gest, the second and fourth were smaller and equal to each other,
rhe perissodactyl type of meta- and autopodium, therefore, made its ap-
pearance fairly early in equine phylogeny.

A rather sudden shift towards the three-toed type occurred at the begin-
ning of the Oligocene: the third toe enlarged, the weight was mainly car-
ried by pads and the movements of the limbs became confined to a sagittal
plane. During the Miocene the phylogenetic trend split up into two direc-
tions. One of these preserved the Oligocene foot-type which alone evolved
into a somewhat heavier construction, the other resulted in
Merychippus
and developed a strong springing ligamentary mechanism in the third toe.
The second and fourth toes were strongly reduced and had no contact
with the ground.

Simpson (1961, p. 267) thinks that they probably served as buffers for
the springing mechanism during hyperextension of the third toe at the
end of each stride.

Generally speaking, most of the Pliocene horses maintained this foot con-
struction. One of the phylogenetic lines resulted, via
Pliohippus in a con-
struction type with very strong ligaments and without side toes:
Equus, the
modern horse, in which: „the possibilities for increase of size and for main-
tenance or increase of speed have reached an extreme and may begin to
conflict" (Simpson, I.e. p. 267).

To Gamp and Smith (1942) we owe a very important study on the
phylogeny and function of the digital ligaments in fossil and recent horses
These ligaments can be reconstructed in fossil specimens because the for-
mer have left ligarnental scars on the bones. The aforementioned authors
were able to explain the history of the springing mechanism of the fedock
joint by studying the phylogeny of the ligaments. In their opinion, the lig.
sesamoidea, the interosseus tendon with its ramus extensorius, the lig. sesa-
moideum rectum,- centrale and -obliquus, the ramus volaris obliquus and
the lig. sesamoidea cruciata and -brevia must be seen as essentially a com-
plex of elastic strings, which is extremely stretched during the hyperexten-
sion of the acropodium at the end of the stride, whereas they greatly relieve
the task of the deep flexor at the beginning of the stride by adding a con-
siderable impetus to the forward impulse on account of their elastic proper-
ties. The same authors point also to the great liability to traumata:

"......the development of such a complex ligamentary system has evidently

exacted a penalty. Among fossil as well as domesticated horses, no part of
the body is so liable to become injured and permanently disabled or to
develop periosteal exostoses" (l.c.p. 95). As far as we could trace, this
important study is practically unknown in the relevant veterinary anato-
mical literature.

III. The function of the navicular bone

Interphalangeal sesamoid bones occur in many mammals. To Barents
(1947) we owe a functional anatomical study on the mammalian sesamoid
bones. He ascribes a pure lever-function to the navicular bone as well as to
the metacarpo- and metatarso-phalangeal sesamoid bones: they act as a
bridge does under the strings of a violin. In the horse, sesamoid bones are

-ocr page 394-

lacking at the proximal interphalangeal joint but Barents points to the
fact that sesamoid bones are only found in those joints in which the excur-
sion is greater than 180°, overstretching being rare. The tendons of the
flexors do not contact with the joint so that the lever-action at this point
is unnecessary, provided the ligaments of the joint capsules give adequate
support.

In addition, the tendon of the superficial flexor inserts on the proximal end
of the second phalanx so that there, the perforation with the deep flexor
is fully fixed in its position. In our opinion it is important that Barents
points to the fact that there is a considerable friction between the cartila-
ginous covering of the sesamoid bones and the overlying tendon.
We shall tentatively approach a mechanical analysis of the navicular bone
since in our opinion any speculation on a causal connection between navi-
cular disease and mechanical stress should be based on such an analysis.

a. Anatomy

The navicular bone is an elliptical bone, articulating dorsally by its facies
articularis with phalanx II and III. The ligg. sesamoidea collaterale me-
diate and -laterale insert on the proximal margo liber and originate from
the lateral notches in the capitulum of phalanx I.

A transversal part of these ligaments connects the navicular bone with the
cartilage of the third phalanx. The lig. phalangosesamoideum inserts on the
distal margo ligamenti and arises from the volar side of the first phalanx.
The tendon of the deep flexor covers the facies flexoria and a small branch
of it inserts on the margo liber. Kadletz (1932, Tafel 16, Abb. 102)
gives a very instructive three-dimensional diagram of these structures.

b. Ontogeny

In the fetal stage, the sagittal section of the navicular bone has a more or
less rectangular shape (Wintzer, 1964, p. 52). This implies that in a
straightened acropodium the lig. phalangosesamoideum and the branch of
the deep flexor insert at acute angles on the margo ligamenti and margo
liber, respectively. In the course of the extra-uterine development, however,
this angle changes, so that in the adult the insertion occurs at almost right
angles. The shearing forces exerted by the ligaments therefore, have very
small values and the sagittal section of the navicular bone approaches more
or less the trapezial shape.

The principles of this case of causal histogeny and its consequential defor-
mation has been properly formulated by P a u w e 1 s, cited in K u m m e r
(1959, p. 152, fig. 109) in the case of the mammalian femur. The causal
morphogeny of the trapezial shape of the navicular bone is identical with
it resulting in the tapering of the lumbar vertebrae (Badoux, 1966).

c. Vector-diagram
Rest-situation

Equilibrium in the distal interphalangeal joint requires that the resultant
of all operant forces passes through the momentary hypomochlion of the
joint, i.e. the point of intersection of a transversal horizontal line through
the centre of the capitulum of phalanx II and the sagittal plane of foot-
symmetry.

The acting components in the sagittal plane can be summarized as follows
(see fig. 2):

-ocr page 395-

Three-dimensional diagram of the navicular bone and its surroundings.

1. Phalanx III;

2. Phalanx II;

3. Navicular bone;

4. Hypomochlion;

5. Lig. sesamoideum collaterale mediale and -laterale;

6. Lig. sesamoideum collaterale mediale and -laterale, branches inserting on the
cartilage of the third phalanx;

7. Branch of the deep flexor inserting on the margo liber;

8. Deep flexor tendon;

9. Lig. phalangosesamoideum;
10. Cartilage of the third phalanx.

-ocr page 396-

1. The equal and opposite tensions in the lig. phalangosesamoideum and
ligg. sesamoidea collaterale laterale and -mediale (see under 3);

2. The pressure of the deep flexor on the facies flexoria as a resultant of
the opposite and equal tensions in this tendon;

In the transversal plane we find:

3. The tension of the ligg. sesamoidea collaterale laterale and -mediale.
Under symmetrical conditions, these ligaments converge on the notches
on the capitulum of the first phalanx and, consequently, their resultant
will pass through the centre of the navicular bone, so that it has to be
listed under 1;

4. The tension in the branches of the aforementioned ligaments inserting
on the cartilage of the third phalanx. Under symmetrical conditions,
the line of action of their resultant passes through the centre of the
navicular bone. The resultant of the forces mentioned under 1-4 causes
a pressure upon the joint surface of phalanx II and passes through
the hypomochlion. The pressure upon the facies flexoria, however, is
solely determined by the forces mentioned under 2.

State of locomotion

.\\s a direct result of any movement or displacement subsequent to the pro-
pulsion of the animal, there occur changes in the directions and relative
magnitudes of the composing forces. The precise analysis of these move-
ments is difficult, since they are masked by the hoof. Thanks to a consi-
derable number of investigations carried out by older workers (literature
in D 6 r r e r, 1911 and Camp and Smith, 1942) we are able to sum-
marize our state of knowledge on the action of the flexors and springing
mechanism as follows:

From all experiments with living as well as with dead specimens, it appe-
ared that at the moment when the hoof leaves the ground at the beginning
of the stride, the deep flexor is strongly contracted, whereas the superficial
fleicor and the M. interosseus are relaxed. When the fetlock begins to sag
at the end of the stride, the superficial tendon and the M. interosseus are
both under severe tension, whereas the deep flexor is relaxed. From the
above considerations it appears that it is possible to analyse the direction
and relative magnitude of the operant forces at the two consecutive phases
of the stride.

At the end of the stride (see fig. 3), the ligg. sesamoidea collaterale late-
rale and -mediale and the lig. phalangosesamoideum will be under severe
tension, represented in the figure by the vectors T3 and
T4, their resultant
being N2. The branch of the deep flexor to the margo liber is relaxed, so
that its vector has not been drawn in the diagram. The resultant N2 can be
resolved into two components: N4 acts perpendicularly at N3 and meets
its reaction at the cartilaginous covering of phalanx I, N3 passes through
the hypomochlion H. N5 is the resultant of
N3, N^ and T5, the latter being
the resultant of the tensions in the branches of the ligg. sesamoidea col-
laterale, laterale and -mediale to the cartilage of the third phalanx. N5
passes through H and causes a pressure upon the cartilage of the capitulum
of phalanx II and meets its normal reaction in Ng, equal and opposite to
N5. N] is the resultant which causes compression and tension stress in the
facies flexoria of the navicular bone.

-ocr page 397-

tig.

T\'2 Tension in tendon of deep flexor (Ni = resultant);
Ts, Ti Tension in Hg. phalangosesamodeurn en Hg. sesamoideum coll. lat. and -med.
(Nl = resultant);

Ta Resultant of tension in branches inserting on cartilage of the third phalanx;
N4 and Ns: com.ponents of Ni;
Ns ultimate resultant, Ne normal reaction;
H Hypomochlion.

At the beginning of the stride, there occurs a situation such as has been
depicted in fig. 4. The tension of the deep flexor is comparatively great
and given again by T^ and T2, that in the branch to the margo hber is
also given by T2. The tension in the lig. phalangosesamoideum T3 is equal
and opposite to T2. The ligg. sesamoidea collaterale laterale and -mediale
are relaxed, so that their vectors can be left out of consideration. The re-
sultant of both sets of vectors is given by N, and N2, respectively. N2 can
be resolved again in N3 and
N4, N5 passing through the hypomochlion
and N4 meeting its reaction in a distal friction at the cartilage of the
capitulum of phalanx II. N5 is the resultant of Nj and N3 and causes a
pressure upon the cartilage of the capitulum of phalanx II, meeting its
normal reaction in Ng, equal and opposite to
N5. Nj is the resultant
causing stress in the fades flexoria. It will be clear that the magnitude of
N5 may vary from the end of one stride to the beginning of the next.

END OF THE STRIDE

-ocr page 398-

BEGINNING OF THE STRIDE

Apart from the aforementioned forces, there is a friction between the ten-
don of the deep flexor and the facies flexoria.

At each locomotory phase, the tendon slides over the facies flexoria, i.e.
either in a distal (at the end of the stride) or in a proximal (at the begin-
ning of the stride) direction. At the very moment when the tendon begins
to slide over the facies flexoria, the friction has its maximum value Wmax.
Then, W = f.N^, so that W is a function of N^ and directly proportional
to the magnitude of Nj. This implies that the fricdon is great at the
beginning (fig. 5b) and small at the end of the stride (fig. 5a). In both
cases, however, the resultant R of Wmax and N^ acts acentrically on the
facies flexoria. The degree of acentricity is given by 9». When the friction

W

has its maximum value, W = f.Nj, thus f = = tg "P.

Summarising:

At the end of the stride:

At the beginning of the stride:

Tension in ligaments great, tension in
deep flexor small, resultant N5 great, Ni
small, Wmax is directed proximally and is
small;

Tension in ligaments small, tension in
deep flexor great, resultant N5 small, Ni
great, Wmax is directed distally and is
great.

-ocr page 399-

d. Distribution of stress in the cartilage of the facies flexoria

In a rest situation (see fig. 5c), Nj intersects this surface centrically and
therefore, the compression-stress S has its maximum value Smax along the
line of action of Ni. The magnitude of compression stress at any point of
the cartilaginous surface is then given by S = Smax cos a, in wich a stands
for the angle between the line of action of N^ and the radius to that point.
When Smax = 1, the value of S for a 5° interval runs as follows:
5° = 0.99619 25° = 0.90631
10° = 0.98481 30° = 0.86603
15° = 0.96593 35° = 0.81915 and so on
20° = 0.93969

wich implies that the compression-stress decreases symmetrically from the
line of action of N^ towards the periphery of the cartilage.

During locomotion (see fig. 5d), the maximum compression-stress shifts al-
ternatively from distal to proximal, depending on the shift of the resultant
over an angle <l>2. Which is determined by the nature of the materials
between which the friction is acting. When the surfaces of cartilage and
tendon have their normal smooth character, f will be very small and
consequently, Wmax will have a small value. N^, however, may vary con-
siderably due to the mode of locomotion and load of the animal. Extreme
values occur when the animal lands after jumping and, to a lesser extent,
during gallop. This implies that the acentricity of the line of action of the
compression-stress will be greater, so that Smax is extreme in the distal and
smaller in the proximal part of the cartilaginous surface as well as in the
subchondral territories of the facies flexoria. Since navicular disease is
characterised by acentric atrophy of the compacta and by roughnesses and
defects of the cartilage on the facies flexoria, it seems possible that there is
a definite connection between the distribution of extreme stress and that
disease. Whenever any primary or secondary factor causes greater friction
between tendon and flexor surface resulting in an increasing roughness of
these surfaces, and »>2 will be greater, and so will the value of Wmax.
The acentricity of the stress-distribution becomes more accentuated, so
that the process catalyses itself.

.Another factor which influences the acentricity of stress distribution is the
degree of convexity of the flexor surface. Mechanically, the problem of the
sliding tendon and the flexor sin\'face can be compared with the principle
of a band-brake (see fig. 5e). In this type of brake a string is fixed in its
position at one end, passes around a rotating shaft and can be tauted by a
lever-system at the other. When the string is tauted, the friction between
shaft and string increases and the circular velocity of the shaft diminishes.
Let the tension in the string at its fixed end be T and at the lever-system
t (T > t), then the tension in the string increases gradually to T and is a
function of the angle a in radians between the radii to the points of appli-
cation of T and t.

This tension increases exponentially, i.e. tension values forming a geo-
metrical progression correspond with angles forming an arithmetrical pro-
gression. Let, for instance, a = p o , and T = 2t, then T = 2^ .t for a
= k.po In the distal interphalangeal joint, the tendon passes around the
flexor surface so that the tension in the tendon is exponentially propor-
tional to the degree of convexity of the facies flexoria.

-ocr page 400-

FIG.5b

Figs. 5a, 5b, 5c, 5d and 5e: see text.

The question should arise to what extent photoelastic research of the
discussed system results in data agreeing with this theoretical scheme.

IV. The basis of photoelastic research
a. Normal and shear stress

Let us consider a rectangular section (fig. 6a) within the coordinates x
and y under the normal stresses rx and ry and the shear stresses txy and
tyx . I\'he dimensions dx and dy are infinitely small, so that rx , ry , txy
and tyx may be supposed to act upon a single point situated at the line
of intersection of two planes parallel with the coordinates. It is required to
know the stresses in any interface passing through this point. Therefore,
we consider the equilibrium of a wedge (fig. 6b) cut off by such a plane.
Equilibrium in the direction of r^, requires;

-ocr page 401-

xy

.»tvx

dy

dx

xy

fs. i^«

iX^ /

dy

dx \\

\'•x

It n ♦

FIG 6 a

FIG 6b

FIG. 6 d

h\'igs. 6a, 6b, 6c and 6d: see text.

ra ds = r.x dy cos a ry dx sin a txy dy sin a -f ty^ dx cos a (1)
Since dx = ds sin a and dy = ds cos a, it appears that: r „ ds =rx ds
cos
a cos a -f-ry ds sin a sin a txyds cos a sin a ty^ds sin a cos a,
hence:

r„= r^ cos2 a ry sin2 a txy sin 2 a (2)

Equihbrium in the direction t „ requires:

t „ds = — fx \'^y " a -j- t^ydy cos a — ty^ dx

sin a, or, since dx = ds sin a and dy = ds cos a,
t ads = — r X « sin a ry ds sin a cos a -(- t jjy ds cos a

cos a — t y^ ds sin a sin a, hence:

-ocr page 402-

~ rx sin a COS a Ty sin a cos a -|-txyC0s2 a — t^^ sin2 a, or
tx ~
(\'■y — r^ ) sin a COS a t^y (cos2 a — sin2 a) (3)

If a = 0° and a = 90° in (2) and (3), then we obtain the stresses in
planes parallel with the coordinates: from (2) it appears that:

r (a 90°) = i-x Ty
i.e. the normal stresses in two mutually perpendicular planes passing
through a single point have a constant sum. Moreover, it appears from
(3):

t (a 90°) = — t «
i.e. the shear stresses in two mutually perpendicular directions are equal
and opposite. Among all planes passing through a single point there are
two which are mutually perpendicular and in which the shear stress =
O and the normal stress has its maximum value. These planes are denoted
as principal planes and the stresses acting in them as principal stresses r^
and r2. Let one of these principal planes be under an inclination v, then
since t a = V = 0 (see fig. 6c):

0 = (ry — T^) sin a cos a t ^^y (cos2 a — sin2 q:)^ or

0 ^ sin 2 y t ^y cos 2 f, or

2 t

tg 2 V =_ ^\'^y

(l-y — I-x)

When the coordinates and the direction of the principal stress run con-
currently, the normal stresses r^ and Ty can be substituted by the prin-
cipal stresses r^ and rg. Then, (2) and (3) run as follows:

r „= rj cos2 a -f r2 sin2 a = H^ cos 2 or and

t „ = sin 2 a

These stresses can be graphically depicted in a circular diagram of stress
or a MÖHR diagram (fig. 6d). This can be done by setting off r^ and

ri — r2

on the r-axis and by describing a circle with 2 as radius. The r-

and t- coordinate of a point of the circle represent the principal stress
I- Q, and the shear stress for an obliquity of stress given by angle a.
An inspection of the diagram brings out that for a = 45°, the shear stress

rj — r2

has its maximum value: t max = \' 2 F ö p p 1 and

Mönch, 1959, pp. 1-3).

b. The physical basis of photoelastic research

The apparatus for photoelastic research (fig. 7) visualizes points of equal
direction and magnitude of stress in scale-models of bones. My thanks are
due tot Mr. C. J. d e L a n g and Mr. W. v. d. O u d e n a 1 d e r of the
Utrecht Institute for the construction of the apparatus and for taking the
photographs. The device consists of a wooden box containing a 200 Watt

-ocr page 403-

lamp for white light, a natrium lamp for monochromatic light and a ven-
tilator for cooling. Two turnable polarisation filters measuring 35 cm dia-
meter have been placed at each side of a metal frame (fig. 8) in which the
model can be put under tension with the aid of a screw with a small pitch.
White light is propagated as transverse waves, plane polarised light,
however, vibrates in a single plane. When two transversal waves are vibra-
ting in a single plane, there occuur interference:

Let the phase difference be 2m „ or niA, then there occurs addition

2.

3.

1.

of amplitudos and reinforcement of the waves;
When the phase difference is (2m — 1) ^ ^

2 or 2 J then there is a sub-
traction of the amplitudos and a weakening of the waves;
If the amplitudos of the waves are equal and their phase difference is

^, the resulting amplitudo = 0, so that the light is extinguished.

Summarising: extinction of two monochromatic plane polarised waves
occurs when both vibrate in a single plane, have identical amplitudos and
reveal a phase difference of an odd number of half-wavelengths.
In an anisotropic medium, a pencil of light falling on the surface is refrac-
ted into two rays. When the angle of incidence is 90°, one ray (i.e. the
ordinary ray) goes right through while the other ray (i.e. the extraor-
dinary ray) is totally reflected. Moreover, both rays are plane polarised

-ocr page 404-

and their planes of vibration are mutually perpendicular. A polarisation
filter lets the extraordinary ray go through and absorbs the ordinary ray.
Suppose that plane polarised light passes through a double refracting me-
dium (see fig. 9a). It is then resolved into two mutually perpendicular
vibrations. When these vibrations pass through a second filter which is at
right angles to the first, both vibrations are combined again in a single
plane, which implies that they will interfere.

Fig. 9b depicts this situation seen from above. The penetrating light in
the polarisator vibrates with an amplitudo PiPg. In the anisotropic
medium, OP^ resolved into OB and OD, OP2 into OC and OE. Let
OPi = a and the angle between OD and OP — a, then OB — a sin a
and OD = a cos a. Both vibrations are combined to OG and OF by the
second polarisation filter, the analysator.

OG = OB cos a, thus OG = a sin a cos «, or OG = J/2 a sin 2 a and OF
= OD sin a hence OF = a sin « cos a, thus OF = J/2 a sin 2 a. The
wave OPi emerges from the polarisator and enters the analysator as two

-ocr page 405-

opposite waves OG and OF, which, since the filters have been crossed,

reveal a change of phase = ^ j while the amplitudos of both waves equal

/a a sin 2 a. The resulting amplitudo would be zero, were it not that
another change of phase occurred. This, however, is actually the case.

\\

G

Let the velocity of light in empty space be Vq = 1 and that in the medium

vo _ 1 \'

Vi, then vi~\'~Vi \' value is knovra as the index of refraction (n),

hence n = ^ . The index of refraction varies inversely as the velocity of

light. Suppose that the index of refraction of the waves OG and OF is n„
and ny , respectively (ny > n „ ), then their velocities are given by Vi =:

and V2 = \' , (v2 > v^). Per unit of length, the change of phase in
n a n y

an anisotropic medium with a thickness d is given bij d ( ^---!- ),

n y n a

-ocr page 406-

hence propordonal to d (n,, — n„ ) or d (v2 •— v^). Extinction might
occur when d (vg — Vj) = ^ , were it not that the double refracting

medium between the filters causes a change of phase = Therefore,
extinction between crossed filters occurs when:

d (v2 —vi) = (2m 1) 2 2\' hence if d (v2 — v^) = 2m ^ , while
maximum of light occurs when:

A , A , ______ , , , .. A

2

The length of OF = OG is a function of a, viz. yi a sin 2 a. Substitution
of the trigonometrical values of a = 0°, 45°, 90°, 135° etc. implies that
when an anisotropic medium is turned in its plane between two crossed
polarisation filters, the light is extinguished and shows its maximum inten-
sity at consecutive intervals of 90°, respectively.

Let us now follow the path of a monochromatic wave through the polari-
scope when a strained model is placed between the crossed filters (fig. 9c).
A wave vibrating in a vertical plane emerges from the polarisator, repre-
sented by OP2. In the model, there occurs the mutatully perpendicular
principal stresses r^ and r2, their inclination towards the vertical being
given by a. Under normal conditions, the material used (plexiglass) is
isotropic, but when it is brought under strain, it behaves as an anisotropic
medium. OP2, therefore, is resolved in the components OC and OE run-
ning concurrently with the principal stresses and revealing a velocity of
light Vi and V2 when compared with the velocities in the unstrained
model. These velocities are proportional to the principal stresses according
to:

vi = vo Cl ri -f C2 r2
V2 = vo Cl
T2 -f C2 ri
in which Ci and C2 stand for constants of the material. We are dealing
with double refraction, which implies that the vibrations OE and OC
which emerge from the model reveal a shift of phase s. When T stands
for the period of the wave CB and d for the thickness of the model, then
s = (vi — V2) T = (ci — C2) (ri — ra) T
d d\'^

Since T = ^ - \' (for (cj — C2) r < vq), it appears that

(ci —C2)d
s = (ri—r2)

Vo

When — C = constant of the material and the shift of phase

Vo

is given by f = it appears that f = C (ri — r2) ^ which is the prin-

A A

cipal equation for photoelastic research.

The plane polarised waves OE and OC pass through the analysator. Since
it stands at right angles to the polarisator, it lets through the components
OG and OF. The resulting wave of OG and OF, therefore, determines the
picture which can be seen through the analysator. The amplitudo of both

d (V2 — Vi) = 2m 2 2 , hense when d (v2 — v^) = (2m 1)

-ocr page 407-

waves is equal, viz. yi a sin 2 a and their change of phase = ^ •

Thus it depends on the change of phase and therefore, on (r^ — T2)
whether or not light passes through the analysator. If, at a point of the
model, rx = r2, thus if r^ — r2 = 0, then f = O and OG and OF have

a change of phase 2m so that the light becomes extinguished (see fig.

10). When the difference between r^ and r2 increases, for instance up to
ri = 2 rg, then f = /a. The amplitudos of the waves reinforce each other

since the change of phase = (2m 1) 2 \' light has its maxi-

mum intensity. This process repeats itself depending on a further increase
of ri — r2 so that when f is O or any integer, the light is completely
exdnguished and when f is not integer, the light has its maximum inten-
sity. Since the above considerations fit every point of the model, all points
at which f is an integer appear as dark lines, denoted as isochromates. The

/

V

A

/ Oc\\pE

-ocr page 408-

isochromates, therefore, are experimentally found lines along which the
difference rj — r2 has a constant value. Let us suppose that one of the
principal stresses runs concurrently with the vector OPg, then a = O.
When resolving OP2 in its components, one of these components equals
zero. The wave passes through the model without any change of velocity
and becomes completely extinguished by the analysator. All points of the
model at which the principal stresses run concurrently with OP2 appear
as dark lines, denoted as isoclines.

When using white light instead of monochromatic light, we deal with all
possible wave-lengths between 4000 and 6500 AU. If a given wave-length

reveals a change of phase — 2m ^ , this colour becomes extinguished. This

implies that, since the wave-length figures in the denominator of the prin-
cipal equation, integer shifts of phase will take place earlier for short than
for long wave-lengths, depending on an increase of r^ — r2 so that only
that part of the light becomes extinguished for wich wave-length, f is an
integer. Therefore, the isochromates do not present themselves as dark
lines but as complementary colours of the extinguished wave-lengths. Since
shorter wave-lengths will be the first to be extinguished depending on
increasing change of phase, there appear the consecutive complementary
colours of the spectrum, i.e. yellow — red — blue — green — yellow —
red and so on. The isoclines, however, appear as dark lines, since in their
case, extinction does not depend on wave-length, but is solely determined
by the direction of principal stress. When the plane polarised wave is
slowly turned from 0° to 90°, the isoclines move over the surface of the
model so that the direction of the principal stresses can be determined in
the entire model.

V. Application to the acropodium of the horse
a. Material and method

Models of a sagittal section of the navicular bone were made of 6 mm
plexiglass by using a motor-driven jig-saw and then carefully polished in
order to avoid any roughness of their surfaces which would otherwise cause
disturbing isoclines (see also Ku m m e r, 1959, p. 178). When putting a
perfect model between crossed polarisation filters, it must have a dark
appearance. The model rests at its imderside upon a plexiglass bearing
that has the contours of those parts of phalanx II and III which are nor-
mally in contact with the facies articularis.

In order to ensure an even distrubution of pressure over the entire surface,
a rubber strip is laid between the surfaces of the model and its bearing. At
the upper side, another piece of plexiglass having the same curvature as
the facies flexoria transmits the pressure of the screw upon the upper side
of the model. A small rubber strip ensures an even distribution of pressure
upon this surface too. This model is the mechanical equivalent of the
sagittal section of the navicular bone put under strain by the forces listed
in fig. 2, rest situation, provided the line of action of the pressure in the
model runs strictly vertical.

Both filters are placed in a "0° position" (= crossed) and the 0° isocline
can be directly dravm with a "Pentel" sign pen on the surface of the mo-
del. In order to check the results we followed also the photographic method

-ocr page 409-

recorded by Kummer, 1959, pp. 180-182. The same procedure can be
followed for the consecutive positions of the filters with a constant 10°
interval up to the 90° position (see fig. 11a and b), following P a u w e 1 s\'s

FIG 11 b

Fig. 11a.
Isocline 70° under vertical load.

Fig. lib.

Grid between 70° and 80° isoclines (under 75° -inclination).

(1965, pp. 446-447) suggestions. As a result, the isoclines for 0,10, 20, 30,
40, 50, 60, 70, 80 and 90° (=0°) inclination of the plane of polarisation
can be drawn on the model. Since plexiglass is perfectly transparent, the
isoclines can be projected upon a drawing paper and copied by using a
sharp lead pencil. The space between two adjacent isoclines has been
filled up with a grid under an inclination intermediate between that of the
bounding isoclines, i.e. the inclination of the grid is 75° for the space be-
tween the 70° and 80° isoclines (see fig. lib). When the entire drawing
has been filled up with these grids, two sets of curved lines can be drawn:
those issued by the points or zones of application of pressure representing
lines of compression stress and which are perpendicularly intersected by

-ocr page 410-

the second set of lines representing lines of tension stress. The resuldng
picture, therefore, is the graphical representation of compression and
tension stress in a sagittal plane section of a homogeneous model of the
corresponding section of the navicular bone.

d orsol

"dlifal

b. Comparison between the structure of the spongiosa and the diagram

Fig. 12 a depicts the compression and tension stress in the model of the

navicular bone under application of a vertical, evenly distributed, load.

volar

-ocr page 411-

Two systems of lines can be distinguished: the lines of compression stress
diverging from the facies articularis towards the facies flexoria and those
of tension stress at right angles to the former. When comparing this dia-
gram with a dawing made after a photograph of a thin sagittal section
of the navicular bone (fig. 12c) it will be clear that the bone bars of the
spongiose substance have been concurrently arranged with the lines of
compression stress, a phenomenon which agrees with W i n t z e r\'s (1964,
p. 113) statements.

Spongiose-structure of the navicular bone, redrawn after a photograph.

In the second experiment, an identical, evenly distributed load was applied
to the model, but its line of action formed an angle of 35° with the vertical.
This situation is representative of the vector-diagram of fig. 5c. From
fig. 12b it appears that the lines of compression stress have a proximovolar-
dorsodistal inclination and run concurrently with the line of action of the
applied force. They are intersected again by lines of tension stress running
from distovolar to proximodorsal. When comparing the stress-diagrams of
the models, it appears that in some territories of the spongiosa the deviation
of the lines of compression stress from the actual course of the bone bars is
greater than in others.

In the former regions, the bone bars will be subjected to greater bending
moments than in the latter territories. The zones of greatest deviation can
be found in the middle and distal parts of the facies articularis and in the
middle part of the facies flexoria. In these zones, the bone bars are con-
nected with the compacta, they actually form the "hinge-points" between
horizontal and vertical bars of the „frame" of the navicular bone.
Wintzer, 1964, pp. 63-64 found a pronounced acentric atrophy of the
compacta precisely in these regions.

An inspection of fig. 13 brings out that the bending moment of an acentric
oblique force has its greatest value about these hinge-points, whereas it is
zero at a point situated between these zones (the location of this neutral
point depends on the degree of obliquity of the applied force and the
length of the bone bar). Summarising, we can say that the structure of the

-ocr page 412-

spongiosa meets the requirements of a perpendicular strain upon the navi-
cular bone, i.e. a strain imposed at right angles to the facies flexoria. The
greater the inclinadon of the applied force, the greater the bending mo-
ment about the transitory zones between bone bars and compacta. More-
over, the principal dorso-volar bone bars are incidentally connected by
side branches so as to form a sort of bar-grid. Generally speaking, there-
fore, the spongiose centre of the navicular bone shows a trajectory struc-
ture. It is a remarkable fact that in this respect it differs markedly with
the structure of the spongiosa of the proximal sesamoid bone with shows a
very dense "Rundmaschenspongiosa" in K u m m e r\'s (1. c. p. 209) sense,
sense.

VI. Tentative mechanical explanation of podotrochlitis

Although the pathogenic effects of strain imposed on supporting tissues
is a very subtle and discussible subject I shall tentatively approach the
problem and confine myself to the bony component whereas I humbly
submit this theory to the criticism of the reader.

Phylogenedc evidence points to the fact that the acropodium of the horse
has reached its maximum development at which construction and require-
ments under extreme breeding conditions may begin to conflict. The entire

-ocr page 413-

structure of the navicular bone and its immediate surroundings is a
perfectly balanced entity capable of meedng mechanical requirements
with a high degree of plasticity and adaptability. The repeatedly and
constantly deviating line of action of the resulting force acting upon the
facies flexoria, however, may under extreme conditions of galloping and
jumping, initiate two mutually independent degenerative processes in the
tissues of the navicular bone.

In the first place, the extreme inclination of the resultant of the force
exerted by deep flexor and the friction between tendon and facies flexoria
may cause high and unevenly distributed tension and compression stress in
the cartilage of the facies flexoria and the covering tendon. Whether the
cartilage or the tendon becomes primarily affected by small lesions is of no
practical importance, in either case the frictional resistance becomes higher
and the process reinforces itself.

In the second place, the combined action of the deep flexor, the lig.
phalangosesamoideum and lig. sesamoideum collaterale laterale and
-mediale causes comparable conditions in the navicular bone. The extreme
value of the bending moments about the "hinge zone" may initiate local
atrophy, which may perhaps be seen as senile atrophy which has nothing
to do with the proper podotrochlitis.

From a mechanical point of view, it seems advisable to reduce the resul-
ting force exerted by the tendon and ligaments upon the navicular bone
which can be effectuated by a bending of the joint between phalanx II
and III, i.e. by shoeing-correction. This well-known method undoubtedly
relieves the strain imposed upon the facies flexoria. I fully agree with
Wintzer, 1. c. p. 131 that close attention should be paid and very
good care should be given to posture anomalies, faults in hoof-form and
shoeing and use as soon as the training of the animal starts. It seems
highly probable that the modern racing horse pays the toll of extreme
requirements which cannot be met with by the phylogenetic development
of its limbs. The specific mechanics of the cartilage of the facies flexoria
will be the subject of a next paper.

SAMENVATTING.

De fylogenetische ontwikkeling van de paardevoct toont aan dat deze bij het moderne
paard,
Equus caballus Lin. een punt heeft bereikt waarop constructie en abnormaal
zware belasdng met elkaar in konflikt kunnen komen. Dit kan onder bepaalde
omstandigheden aanleiding geven tot het ontstaan van afwijkingen en aandoeningen,
o.a. podotrochlitis.

Moderne methoden, o.a. spanningsoptisch onderzoek, maken het mogelijk een exact
beeld tc verkrijgen van dc richting en relatieve grootte van druk- en trekspanningen
in beenderen. Uit een analyse van de bouw van het straalbeen blijkt dat de spongiosa-
structuur aangepast is aan het opnemen cn geleiden van cen druk, die veroorzaakt
wordt door een kracht waarvan de werklijn loodrecht op dc facies flexoria staat.
Wordt door welke oorzaak dan ook (primair denken wij aan kleine laesies in kraak-
been en/of peesoppervlak) de wrijving tussen straalbeen en buigpees groter, dan za!
dc werklijn van de resultante van de druk- en wrijvingsvectoren het straalbeen-
oppervlak onder een scherpe hoek treffen. Hierdoor ontstaan asymmetrische spannings-
verdelingen in het kraakbeen van de facies flexoria. Bovendien worden de overgangs-
gebieden van beenbalkjes in compacta sterk belast op buiging. Het is opmerkelijk
dat de grootste buigingsmomenten gevonden worden in die gebieden waarin
Wintzer een excentrische atrofie van de compacta heeft gevonden. Met Wintzer
zijn wij van mening dat vanaf het begin van dc trainingsperiode van het ren- en

-ocr page 414-

springpaard de grootste aandacht besteed moet worden aan standafwijkingen en
verkeerde hoefvorm.

De specifieke meehanica van het kraakbeenoppervlak van de facies flexoria zal het\'
onderwerp zijn van een volgende publikatie.

SUMMARY.

The phylogeny of the foot of the horse reveals that in the modern horse construction
and requirements under abnormal load may begin to conflict. Under certain con-
ditions, this may lead to injuries or lameness (a.o. podotrochlius).
Modern methods (photoelasdc research) enable us to get an insight into the direction
and relative magnitude of compression and tension stress in bones. From an analysis
of the structure of the navicular bone it appears that this structure has been adapted
to sustain and transmit a pressure which is caused by a force acting perpendicularly
at the facies flexoria. When the friction between the navicular bone and the tendon
of the deep flexor increases (as a result of small lesions of either the tendon or the
facies flexoria), the line of acdon of the resultant of pressure and friction will
intersect the navicular bone at acute angles. This causes an uneven distribution of
stress in the cartilage of the facies flexoria. Moreover, the transitional zone between
bonebars and compacta is strongly subjected to bending. It is noteworthy that the
moment of bending has its maximum value in the areas in which Wintzer recorded
an acentric atrophy of the compacta. We agree with Wintzer that it is essential
to pay intensive attention to standing-anomalies and faults in hoof-form and shoeing
as soon as the training period starts.

RÉSUMÉ.

L\'évolution phylogénétique du pied de cheval révèle que celui-ci a atteint, chez le
cheval moderne,
Equus caballus Lin., le point où une charge anormalement lourde et
la construction peuvent entrer en conflit l\'une avec l\'autre. Dans certaines conditions
cette situation peut contribuer à causer des troubles et des affections, notamment la
podotrochlite.

Des méthodes modernes, telles que photo élasticimétrie, permettent d\'obtenir une
représentation idée exacte de la direction et de la grandeur relative des tensions de
pression et de traction dans les os. Une analyse de la structure du petit sésamoïde
révèle que la structure spongieuse est adaptée à la réception et la conduction d\'une
pression causée par une force dont l\'axe est perpendiculaire à la facies flexoria. Si
par une cause quelconque (nous pensons tout d\'abord à de légères lésions dans le
cartilage et/ou In surface du tendon), la friction entre petit sésamoïde et le tendon
fléchisseur augmente, l\'axe de la résultante des vecteurs dc pression et de friction
touchera la surface du tendon fléchisseur sous un angle aigu, causant par là à son
tour des répartitions asymétriques de la tension dans le cartilage de la facies flexoria.
En outre les régions de transition des trabécules en parties compactes des os sont
fortement chargées dans le sens d\'une flexion.

Il est remarquable que les moments les plus grands de flexion sont trouvés dans les
régions où Wintzer a constaté une atrophie excentrique des parties compactes.
Avec Wintzer nous sommes d\'avis que dès le début de la période d\'entraînement
du cheval de course et du cheval sauteur il faudra consacrer la plus grande attention
aux anomalies de position et aux formes incorrectes du sabot.

La mécanique spécifique de la surface du cartilage dc la facies flexoria formera le
sujet d\'une publication suivante.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die fylogenetische Entwicklung des Pferdefusses zeigt, dass diese beim modernen
Pferd,
Equus caballus Lin. einen Punkt erreicht hat, bei dem Konstruktion und
abnormal schwere Belastung miteinander in Konflikt kommen können. Dies kann
unter bestimmten Umständen die Veranlassung zum Entstehen von Abweichungen
und Krankheiten, u.a. Podotroehlitis sein,

-ocr page 415-

Moderne Methoden, u.a. spannungsopUsehe Untersuchung, ermöglichen es ein exaktes
Bild von Richtung und reladver Grösse der Druck- und Zugspannungen in den
Knochen zu erhalten. Aus einer Analyse des Strahlbeinbaues ergibt sich, dass die
Spongiosastruktur dem Aufnehmen und Weiterleiten eines Druckes angepasst ist, der
durch eine Kraft verursacht vifird deren Wirkungslinie senkrecht auf der Facies
flexoria steht. Wird durch irgendwelche Ursache (an erster Stelle denken wir an
kleine Verletzungen der Knorpelmasse und der Sehnenoberfläche) die Reibung
zwischen Strahlbein und Beuger grösser, dann wird die Wirkungslinie der Resultante
der Druck- und Reibungsvektoren die Strahlbeinoberfläche unter einem scharfen
Winkel treffen. Hierdurch entstehen asymetrische Spannungsverteilungen in der
Knorpelmasse der Facies flexoria. Ausserdem werden die Übergangsgebiete der
Knochenbälkchen in der Compacta beim Beugen stark belastet.
Es ist bemerkenswert, dass die grössten Beugungsmomente in den Gebieten fest-
gestellt werden, in denen Wintzer eine exzentrische Atrophie der Compacta ge-
funden hat. Mit Wintzer sind wir der Meinung, dass, vom Beginn der Trainings-
periode des Renn- und Springpferdes ab, den Standabweichungen und der falschen
Hufform die grösste Aufmerksamkeit geschenkt werden muss.

Die spezifische Mechanik der Knorpeloberfläche der Facies flexoria wird das Thema
einer folgenden Publikation sein.

RESUMEN.

El desarrollo filogenerico del pie de caballo muestra, que esto ha llegado en el ca-
ballo moderno,
Equus caballus Lin. al tal punto, en lo cual la construccion y la carga
anormal pesada pueden entrar en conflicto. Esto puede dar lugar baja circunstancias
especiales al origen de anomalias y afecciones, entre otras cosas podotroclitis.
Metodos modernes, entre otras cosas, examen optico de la tension, los hacen posible
de consequir una idea exacta de la direccion y de la grandeza relativa de tensiones
de presion y de contraccion en huesos. De un analisis de la construccion de la polea
del casco résulta que la estructura espongiosa esta adaptada al recoger y conducir una
presion, cual esta causada por una fuerza de la cual la linea de accion esta perpen-
dicular sobre la fascia flexoria. Cuando por cualquiera causa (primero pensamos en
lesiones pequefias en cartilago y o en la superfisie del tendon) la friccion entre la
polea del casco y el tendon de flexion viene mas grande, entonces la linea de accion
del resultante de los vectores de la presion y de friccion alcanzen la supervisie de la
polea del casco bajo un angulo agudo, Por esta razon se producen divisiones en
tension ea»el cartilago de la fascia flexoria. Ademas los pasajes de las vigas de huesos
en compacta estan fuertemente cargados en cuanto la flexion.

Es notable que se hallen los mas grandes momentos de flexion en estas regiones, en
donde Wintzer ha encontrado una atrofia excentrica de la compacta, Somos de
la misma opinion que Wintzer que desde el comienzo del periodo de entrenamiento
del caballo de carrera y el caballo de saltar, hay que prestar la mas grande atencion
a una anomalia en postura y una anomalia en la forma del casco,
El macanismo especifico de la superficie del cartilago de la fascia flexoria sera el
tema de la publicacion proxima,

LITERATUUR,

B a d o u X, D, M,: A contribution to the study of the body-axis in mammals with
special reference to domesticated dog,
Proc. Kon. Akad. v. Wetenschappen,
Amsterdam, 1966,

Barents, J, W, : Een functioned anatomische studie der sesambeenderen bij zoog-
dieren, Thesis, Utrecht 1947.
Camp, Ch. L. and Smith, N.: Phylogeny and functions of the digital ligaments

of the Horse. Mem. Univ. California, 13, (2), 69, (1942).
D ö r r e r, H. : Über die Anspannung der Beugsehnen des Pferdefuszes während der
verschiedenen Bewegungsstadien desselben. Inaugural Dissertation, Leipzig 1911.

-ocr page 416-

Fop pi, L. und Mönch, E.: Praktische Spannungsoptik. Springer Verlag 1959.
K ad letz, M.: Anatomischer Atlas der Extremitätengelenke von Pferd und Hund.

Berlin-Wien 1932.
Kummer, B.: Bauprinzipien des Säugerskeletes. Thieme 1959.
P a u w e 1 s. Gesammelte Abhandlungen zur funktionellen Anatomie des Bewegungs-
apparates. Springer Verlag 1965.
Simpson, G. G.: Horses. Oxford Univ. Press, New York 1961.
Wintzer, H. J.: Zur Podotrochlitis chronica aseptica des Pferdes. Thesis. Utrecht,
1964.

-ocr page 417-

Het produktiegetal als graadmeter voor de op-
fokresultaten van slachtkuikens

The production number as a criterion for the breeding
results of broiler chickens

door A. C. VOETEN en D. H. J. BRUS1)

Inleiding

Bij de georganiseerde ziektebestrijding door de Gezondheidsdiensten voor
Dieren is de bestrijding van rundveeziekten jarenlang het belangrijkste ge-
weest.

Wat tuberculose en abortus bang betreft, zijn methoden van bestrijding
ontwikkeld, die geïnspireerd werden door bepaalde typische eigenschappen
van deze ziekten. De diagnostiek en uitroeiingsmethoden mochten dan soms
in bepaalde opzichten aanvechtbaar — en in de loop der tijden aan ver-
anderingen onderhevig zijn, het doel om deze ziekten uit te roeien is prak-
tisch bereikt. Dit heeft mede tot gevolg gehad, dat de gemiddelde levens-
duur van gebruiksvee toegenomen is, hetgeen kostprijsverlagend werkt. Het
uitroeien van enkele ekonomisch nadelige ziekten neemt echter niet weg,
dat nog een groot skala van aandoeningen de rundveestapel schade kan
berokkenen. Deze schade kan echter over vele produktiejaren afgeschreven
worden en wordt in de rundveehouderij misschien teveel, als normaal be-
drijfsrisiko aanvaard. Het nadelige effekt betekent in het algemeen niet dat
het ekonomisch rendement teniet wordt gedaan.

Na de tweede wereldoorlog heeft een stormachtige ontwikkeling van de
slachtkuiken-, mestvarkens- en mestkalverenhouderij plaatsgevonden. De
intensivering in de slachtkuikenhouderij is gepaard gegaan met het houden
\\ an grotere eenheden met meer dieren per m2, een vèr doorgevoerde auto-
matisering in verzorging, een huisvesting die door technische hulpmiddelen
wordt beheerst, aanpassing van de slachtkuikenrassen door verbetering van
slachtkwaliteit en verhoging van groeisnelheid en mede daardoor een kor-
tere levensduur. Tevens zijn uitgebalanceerde voeders voor slachtkuikens
ontwikkeld.

Deze industrialisatie maakt, alhoewel de winst per dier betrekkelijk klein
is, een rendabele slachtkuikenhouderij mogelijk. Deze intensivering heeft
echter ook tot gevolg gehad, dat in deze tak van de veehouderij zeer veel
stoornissen en ziekten optreden. De oorzaak en ernst van deze aandoeningen
zijn vaak gelegen in een complex van faktoren. In tegenstelling tot de rund-
veehouderij, betekent vrijwel iedere storing of ziekte in een koppel slacht-
kuikens het geheel of voor een belangrijk deel teniet gaan van het ekono-
misch rendement.

Een georganiseerde ziektebestrijding bij slachtkuikens moet gericht zijn op
een volledige uitbanning van stoornissen en ziekten.

Het uitroeien van een of meerdere ziekten afzonderlijk, zoals dit bij het
rundvee wordt toegepast, is in deze sektor ontoereikend. Om de slacht-
kuikenhouderij als een renderende tak in de veehouderij te laten bestaan,
is \'t voor de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant noodzakelijk

1  Dr. A. C. Voeten; dierenarts bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Brabant, Reehterstraat 80-82 te Boxtel.

Dr. D. H. J. Brus; direkteur van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Brabant, Reehterstraat 80-82 te Boxtel.

-ocr page 418-

geweest in samenwerking mèt de organisaties van pluimveehouders, mèt de
praktiserende dierenartsen, mèt de voorlichtingsdiensten van Rijk, en be-
drijfsleven, en met verschillende andere sektoren van het bedrijfsleven, te
trachten, via een strak georganiseerd systeem te geraken tot een stoornis- en
ziektevrij slachtkuikenbestand.

In de praktijk van de georganiseerde ziektebestrijding bij slachtkuikens is
de behoefte ontstaan, de resultaten van een koppel in een getal uit te druk-
ken, om op deze wijze de mogelijkheid te hebben de resultaten van achter-
eenvolgende koppels op één bedrijf, of meerdere koppels van verschillende
bedrijven met elkaar te vergelijken.

Een koppel slachtkuikens, dat stoornis- en ziektevrij onder goede omstan-
digheden wordt opgefokt, zal de gunstige resultaten in het algemeen geken-
merkt zien door een lage voederkonversie, een lage uitval en een goede
groeisnelheid. Als men nu deze faktoren in een getal uitdrukt, heeft men
door vergelijking de mogelijkheid om op een exacte wijze koppels aan te
wijzen, die niet aan de verwachtingen voldoen. Hiervoor is het z.g.
„produk-
tiegetal"
ontwikkeld.

Het produktiegetal

Voor het produktiegetal wordt de onderstaande formule toegepast:

^d^ ^aT^ 10.000 = produktiegetal. hierin zijn:

Sga = werkelijk gewicht per afgeleverd kuiken in kg;

Sgo = gewicht, als er geen uitval was geweest; dus totaal kg. afgeleverde

kuikens, gedeeld door het aantal ontvangen kuikens*;
d = aantal dagen van de mestperiode (de opzetdag wordt wèl, de

slachtdag wordt niet meegerekend);
Vak = hoeveelheid voeder per afgeleverd kuiken in kg.
Door de vennenigvuldigingsfaktor 10.000 komt het produktiegetal tot een
getal in de orde van grootte van 100.

Als het cindgewicht per kuiken hoog is, (Sga is hoog), er weinig uitval is
(Sgo is hoog), de mestperiode kort is (d is laag), en het voederverbruik
laag is (Vak is laag), is dit een goed koppel met een hoog produktiegetal.
De volgende opmerkingen dienen hier direkt op te volgen:

1. het produktiegetal geeft een beoordeling van een resultaat, dat voor de
opfokker belangrijk is. Het is geen maat voor de slachtkwaliteit, want
beschadigingen en gebrek aan uniformiteit bijvoorbeeld behoeven niet
persé samen te gaan met een laag produktiegetal;

2. bij vergelijking van meerdere koppels dient men er rekening mee tc
houden dat het getal ook beïnvloed wordt door ras en voedersameh-
stelling;

3. men kan verschillende koppels met elkaar vergelijken, als de slachtge-
wichten niet al te ver uiteenlopen. In de praktijk komen koppels met

-ocr page 419-

gemiddelde gewichten van ca. 11 tot ca. 16 ons voor vergelijking in aan-
merking (men kan zeggen dat bij een zwaarder eindprodukt de groei-
snelheid relatief stijgt, daarentegen stijgt ook de voederkonversie; deze
beide faktoren heffen elkaar in het produktiegetal voor een belangrijk
deel op).

Het werken met het produktiegetal

Voor de georganiseerde ziektebestrijding bij slachtkuikens worden kringen
van slachtkuikenhouders gevoiTnd, die hetzelfde, of een vergelijkbaar ras
kuikens houden en van dezelfde voederleveranciers hun kuikenvoeders be-
trekken. Aan het eind van iedere maand worden de resultaten van de afge-
leverde koppels d.m.v. het produktiegetal vergeleken1 (zie pag. 1236).
De slachtkuikenhouders krijgen te horen of de resultaten van de door hun
afgeleverde koppels beter, slechter, of gelijk aan de gemiddelde resultaten
zijn. Door te spreken van slechter, beter, of gelijk worden tevens de faktoren
uitgesloten, die op alle bedrijven even zwaar wegen, b.v. weerinvloeden of
veranderingen in het voedsel. Het is na enkele jaren gebleken, dat be-
paalde slachtkuikenhouders als regel betere resultaten en andere slacht-
kuikenhouders overwegend slechtere resultaten dan het gemiddelde hebben.

Tabel 1 kring B

geslacht

aantal

gemid-

voeder-

uitval

gemid-

gemid-

gemid-

gemid-

in

koppels

delde

konver-

%

delde

deld

delde

deld

maand,

koppel-

siel)

duur

afleve-

groei

pro-

jaar

grootte

van de

rings-

per dag

duktie-

mest-

gew.

getal

periode

jan.

1964

10

5486

2,32

6,5

55

1,153

21,0

86

febr.

1964

12

7075

2,29

4,2

55

1,167

21,3

88

maart

1964

13

6748

2,28

4,1

54

1,204

22,1

94

april

1964

19

5063

2,32

6,3

54

1,161

21,3

87

mei

1964

18

7334

2,23

3,9

56

1,184

21,0

97

juni

1964

16

6341

2,18

3,1

56

1,178

21,1

93

juli

1964

20

6421

2,24

3,9

58

1,199

20,8

87

aug.

1964

12

6866

2,33

2,7

60

1,284

21,4

92

sept.

1964

26

6159

2,25

2,8

58

1,217

21,1

91

okt.

1964

16

8178

2,25

3,2

62

1,418

22,8

98

nov.

1964

19

6779

2,21

2,6

58

1,336

22,3

98

dec.

1964

26

8084

2,22

2,4

58

1,309

22,4

98

jan.

1965

17

6068

2,22

3,3

56

1,265

22,4

96

febr.

1965

21

8559

2,18

2,9

52

1,202

22,0

99

maart

1965

20

8854

2,18

2,8

57

1,266

22,3

100

april

1965

12

6000

2,16

2,7

55

1,198

21,7

98

mei

1965

16

7088

2,17

2,1

58

1,320

22,6

103

juni

1965

13

7939

2,20

2,2

61

1,416

23,3

102

juli

1965

17

7731

2,18

2,5

60

1,294

21,7

98

aug.

1965

10

9868

2,16

2,5

57

1,258

22,1

100

sept.

1965

13

6168

2,09

2,2

53

1,217

22,8

107

okt.

1965

16

7445

2,13

2,0

54

1,213

22,6

104

nov.

1965

14

7394

2,16

2,7

54

1,241

23,0

104

dec.

1965

12

9946

2,12

3,1

52

1,193

22,9

105

jan.

1966

17

8024

2,18

3,7

54

1,255

23,1

103

Onder voederkonversie wordt in dit verband gerekend totaal gewicht verbruikt
voedsel : totaal gewicht afgeleverde kuikens.
Het begingewicht wordt verwaarloosd.

-ocr page 420-

De groep, die steeds om het gemiddelde hangt, of uitschieters naar boven
of beneden kent, is betrekkelijk klein. Op de bedrijven, die steeds slechter
dan het gemiddelde zijn, of op de bedrijven, waar de resultaten achteruit-
gaan, worden speciale onderzoekingen verricht en adviezen verstrekt.

Voorbeeld

Van kring B1 van de georganiseerde ziektebestrijding bij slachtkuikens zijn
de resultaten tijdens de periode van 1 januari 1964 tot 1 februari 1966
onder de loupe genomen. De gemiddelde resultaten jier maand van de be-
langrijkste opfokgegevens over bovengenoemd tijdperk worden weerge-
geven in tabel 1 (pag. 000).

In grafiek 1 wordt het verloop van de produktiegetallen, vermeld in tabel 1
weergegeven.

Verloop der produktiegetallen, weergegeven in tabel 1.

Er valt dus een duidelijke stijging van de gemiddelde produktiegetallen
waar te nemen.

Om na te gaan of de stijging van de gemiddelde produktiegetallen per
maand mogelijk veroorzaakt wordt door verbetering van het ras, of voeder-
samenstelling, of dat bij de stijging van deze getallen het verbeteren van
de bedrijfsomstandigheden, of het verminderen van ziekten en stoornissen
een rol speelt, zijn de bedrijven, waarvan de gemiddelde maandresultaten
werden weergegeven in tabel 1, onderverdeeld in „gezonde bedrijven" en
„probleem bedrijven".

-ocr page 421-

Deze onderverdeling vond als volgt plaats. Naarmate een koppel de kwali-
fikatie beter, gelijk of slechter dan het maandgemiddelde kreeg, werd het
respektievelijk met 2, 1 of O punten gehonoreerd. Van verschillende koppels
op een bedrijf werd de honorering vervolgens gemiddeld. De bedrijven met
een gemiddelde van O tot 1 werden als probleembedrijven —, de bedrijven
met een gemiddelde van 1 tot 2 werden als gezonde bedrijven aangegeven.
In de bovengenoemde kring B bleken 22 gezonde bedrijven en 22 probleem
bedrijven aanwezig te zijn. Van deze beide groepen bedrijven worden de ge-
middelde produktiegetallen per maand in grafiek 2 weergegeven, in tegen-
stelling tot grafiek 1 waar de slachtdata vermeld worden zijn in deze
grafiek de opzetdata vermeld.

Gemiddelde produktiegetallen van 22 gezonde- en 22 probleembedrijven.

ORjuFIEK II

112
108
104
100
96
92
88

04
60

76

72

-ocr page 422-

Een aantal faktoren, die tot deze verbetering hebben geleid, kunnen sche-
matisch weergegeven worden. Dit kan echter leiden tot verwarring of de
oorzaak zijn van een eenzijdige uitleg. In feite werken deze faktoren samen
en zal een complex van verbeteringen aanleiding hebben gegeven tot betere
resultaten.

Schematisch kunnen deze faktoren als volgt genoemd worden:

1. Adviezen met betrekking tot hygiëne op de bedrijven. Hierbij wordt
o.a. gedacht aan één leeftijd dieren op het bedrijf, hygiënische isolatie,
beperking van bedrijfsbezoeken en ontsmettingsmaatregelen.

2. Een toename van entingen tegen besmettelijke ademhalingsziekten*)
en een verbetering van de enttechniek. Dit laatste punt hangt vaak
samen met verbetering van de huisvesting, die het mogelijk maakt ook
inderdaad aan de zeer hoge eisen van ventilatie en verwarming bij zeer
jonge kuikens tegemoet te komen.

3. Het uitroeien van coccidiosis en spoelworminfekties. Hier moet ook
weer gedacht worden aan verbetering van de huisvesting, die geleid
heeft tot aanleggen van vaste betonbodems, die een goede ontsmetting
mogelijk maken.

4. Adviezen met betrekking tot het aantal dieren per m2 en adviezen
betreffende ventilatie, die de ernst van de chronische ademhalingsziekte
hebben doen afnemen en die een behandeling succesvol laten zijn.

5. Verbetering kwaliteit eendagskuikens.

6. Adviezen aan de praktizerende dierenarts, die geleid hebben tot een
geneesmiddelenpakket voor slachtkuikens, dat in de praktijk gemak-
kelijk toepasbaar is.

Slot

Uit bedrijfsekonomische berekingen van ±: 1000 koppels slachtkuikens
over een drietal jaren zijn aanwijzingen gevonden, dat het produktiegetal
van belang kan zijn bij vergelijkingen in én tussen bedrijven.
Een nader onderzoek hierover is gewenst.

SAMENVATTING.

De behoefte om de opfokresultaten van een koppel slachtkuikens in een getal weer
te geven, heeft geleid tot het zgn. produktiegetal.

Sga X Sgo

Produktiegetal = - x 10.000 = produktiegetal

d X Vak

Sga = werkelijk gewicht per afgeleverd kuiken in kg.

Sgo = gewicht als cr geen uitval was geweest; dus totaal k.g afgeleverde kuikens,
gedeeld door aantal ontvangen kuikens,
d = aantal da.gen van de mestperiode (opzetdag wordt wel, de slachtdag wordt
niet medegcrckend).
Vak = hoeveelheid voeder per afgeleverd kuiken in kg.

Door de vcrmenigvuldigingsfaktor 10.000 komt het produktiegetal tot een getal in
de orde van grootte van 100.

-ocr page 423-

In het artikel wordt erop gewezen dat hct produktiegctal van belang is in bet kader
van een georganiseerde zicktebestrijding. Het produktiegetal kan ook voor andere
doeleinden worden toegepast, met name voor het vergelijken van versehillende rassen
van slachtkuikens of voor versehillende voeders.

SUMMARY,

The need for representing the results obtained in breeding a flock of broiler chickens
has led to the so-called production number,
Sga X Sgo

Production number = - x 10,000, in which

d X Fc

Sga = actual weight of each chicken produced, in kg,

Sgo = weight if there had been no rejects and deaths, i,e,, the total number of kg,
of chicken produced, divided by the number of chickens received,
d = number of days of fattening period (this docs include the day on which
fattening was started but not the day on which the birds were slaughtered).
P"c = amount of feed fed to each chicken produced, in kg.
.^s the coefficient is 10,000, the production number will be a figure to the order of
100.

It IS pointed out that the production number will be useful in organized disease
control. The production number may also be used for other purposes, particularly in
comparing various breeds of broiler chickens or various feeding-stuffs.

RÉSUMÉ.

Le besoin qu\'on a ressenti de rendre les résultats d\'élevage d\'une bande de poulets
d\'abattage par un nombre, a mené au soi-disant nombre de production.
Sga X Sgo

Nombre de production: - x 10.000, oîi

d X Vk

Sga = poids réel par poulet livré en kg.

Sgo = poids s\'il n\'y avait pas eu de perte, donc nombre total de kg. de poulets
livrés, divisé par le nombre de poulets reçus,
d = nombre de jours de la période d\'engrais (le premier jour est compté, le jour
d\'abattage n\'est pas compté).
Vk = quantité de fourrage par poulet livré en kg.

A l\'aide du facteur multiplicatif 10.000 le nombre de production s\'élève à un nombre
d\'environ 100.

Dans l\'article on signale que le nombre de production importe dans le cadre de la
lutte organisée contre les maladies animales. Le nombre de production peut être
appliqué à d\'autres fins encore, notamment à la comparaison de différentes races
de poulets d\'abattage ou de différents fourrages.

ZUSAMMENFASSUNG,

Das Bedürfnis um Aufzuchtresultate einer Koppel Schlaehtküken mit einer Grundzahl
zu erfassen, hatte zum Ergebnis die sogen, „Produktionszahl".
Sga X Sgo

Produktionszahl = - x 10.000, worin

d X Vak

Sga = Realgewicht pro abgelieferte Küken in kg.

Sgo = Gewicht, falls kein Ausfall stattfand, also totale Anzahl kg. abgelieferte
Küken, dividiert durch die Anzahl empfangener Küken,
Anzahl Tage der Mastperiode (hierbei wird wohl der Beginn, die Schlach-
tung jedoch nicht gerechnet),
Vak = Futtermenge pro kg. abgelieferter Küken in kg.

d =

-ocr page 424-

Durch den MuUiphkator 10.000 erhält die Produktionszahl eine Grössenordnung von
100.

Im Artikel wird darauf hingewiesen, dass die Produktionszahl im Rahmen der
organisierten Krankheitsbestreitung wichtig ist. Die Produktionszahl kann auch zu
anderen Zwecken benutzt werden, besonders beim Vergleich der verschiedenen Rassen
von Schlachtküken oder für verschiedene Futtermittel.

RESUMEN.

La necesidad de reproducir en una cifra los resultados de la crianza de nu numéro
de pollitos de engorde, ha dado lugar a la formacion de una llamdo cifra de pro-
duccion.

Sga X Sgo

Cifra de produccion = - x 10.000

d x Vk

Sga = peso verdadcro de los pollitos entrcgados en kilogramo.
Sgo = peso cuando no habia perdidas, asi pues total numéro de kilogramos, divido
por el numéro de pollitos recibidos.
d = numéro de dias del periodo de engorde (ahi si se calcule el dia del comienzo,
pero no se calcule el dia de matanza).
Vk = Cantidad de alimento en kilogramo por pollito entregado.
Por el multiplicando 10.000 llegue la cifra de produccion a una cifra al orden del
grandor de 100.

En esto articulo se llame la atencion hacia el hecho que la cifra de produccion es de
importancia con respecto al combatc organisado dc enfermedades. Se puede aplicar
la cifra de produccion por otros objetos, por ejemplo la comparacion de diferentes
razas de pollitos de engorde o de diferentes alimentes.

-ocr page 425-

REFERATEN

Algemeen

Linden, F. P. G. M. van der: Schadelijke invloeden van tetracycline op de
vorming van melkgebit en blijvend gebit.
IVed. Tijdschr. Gen., 109, 1909, (1965).
Wallman en Hilton vonden, dat van 50 kinderen, die in de eerste week na de
geboorte tetracycline hadden gehad, 46 verkleurde melkelementen hadden. Later
onderzochten ze 46 prematuur geboren kinderen. Eén kind, dat kernicterus had gehad
en alle 13, die tetracycline hadden toegediend gekregen, vertoonden glazuurhypo-
plasieën. Van dc andere (32) kinderen waren de gebitselementen normaal.
Dc verkleuring van de elementen van de a terme geboren kinderen (eerste onderzoek)
was minder sterk dan bij de prematuur geborenen (tweede onderzoek).
Schrijver acht deze bevindingen zeer belangrijk bij de indicatiestelling voor tetra-
cyclinebehandeling van jonge kinderen.

Het glazuur van dc melkelementen wordt gevonnd in de laatste drie maanden van het
intrauteriene leven.

Voor de calcificatie van het blijvende gebit hebben Schour en Massler in
1959 een tabel opgesteld, waaruit blijkt, dat dc calcificatie van de kroon van de
snijtanden pas \\\'ier tot vijf jaar na de geboorte is voltooid, de hoektanden na zes tot
zeven jaar, dc tweede molaar na zeven tot acht jaar, de derde molaar na 12 tot 16
jaar.

Bij het overwegen van het gebruik van tetracycline bij jonge kinderen moet dus het
voordeel duidelijk opwegen tegen het risico van afwijkingen in vorm, kleur en
kwaliteit van melk- en blijvend gebit. Hetzelfde geldt tijdens de zwangerschap, aan-
.gczien tetracycline de placenta kan passeren.

J. H. Soeteman.

VERANDERENDE DIERGENEESKUNDE.

•A r m i s t e a d, W\'. W.: The changing Face of Veterinary Medicine. ]. Am. Vet.Med.
Ass.,
148, 1147, (1966).

Sinds de tweede wereldoorlog is het aspect van de diergeneeskunde in de V.S. sterk
gewijzigd. In het oo.g springende veranderingen zijn:

a. Door de sterk gewijzigde bedrijfsvoering op de veehouderijbedrijven (sterke schaal-
vergroting, gerationaliseerde semi-industriële producUe van melk en vlees, ophef-
fing van kleinere bedrijven, verdwijning van de affectieve binding tussen eigenaar
en dier) is de benadering van patiënten in de grote huisdierenpraktijk geleidelijk
totaal anders geworden. In plaats van de individuele behandeling van het zieke
dier gaat men meer en meer over tot benadering van de veestapel ter voorkoming
van meer schade, de zgn. „fire-engine approach".

b. De preventieve diergeneeskunde en dc gezondheidscontrole van de veestapels als
geheel worden steeds belangrijki r, de zgn. „herd-health approach".

c. De diergeneeskundige research groeit stormachtig.

d. Vele veterinaire praktijken schakelen geleidelijk over van grote huisdieren naar
kleine huisdieren.

e. Het tekort aan dierenartsen wordt voortdurend groter.

Naast deze wijzigingen, die bezig zijn het beeld van de diergeneeskunde geleidelijk te
veranderen, zijn nog verderstrekkende veranderingen te voorzien.
1. De laatste jaren is in de V.S. het inkomen van dc grote huisdicrcnpracdci gedaald.
Voor een belangrijk deel is dit te wijten aan het feit, dat de practici ondanks de
enorme wijzigingen, die dc veehouderij bezig is te ondergaan, toch weinig geneigd
zijn om hun praktijkvoering aan te passen.

Specialisatie zal noodzakelijk zijn om aan de eisen van de industriële veehouderij
in de toekomst tegemoet te komen en bij verminderde arbeidstijden toch van een
beter inkomen verzekerd te zijn. Een regionale samenwerking van grote huisdieren-
specialisten, die zich in een bepaald aspect van de diergeneeskunde van één enkele

-ocr page 426-

dicrspecies hebben gespecialiseerd, is dringend geboden om aan de toekomstige
eisen het hoofd te bieden. De toekomstige veehouder zal slcchts genegen zijn dier-
geneeskundige hulp in te roepen tegen een redelijke vergoeding, indien hem aan-
getoond kan worden, dat zulks hem op langere duur voordeel oplevert.

2. Prevendeve diergeneeskunde en gezondheidscontrole zullen in de geneeskunde van
het grote huisdier steeds belangrijker worden.

3. Ook de werkzaamheden van de dierenartsen zullen veranderingen ondergaan.
Volwassen beroepen zijn meer cerebraal en minder manuaal ingesteld. Het dier-
geneeskundig beroep in Amerika lijkt voldoende volwassen te zijn geworden om
randactiviteiten zoals het houden van dierenpensions en dierenwinkels, het wassen
en trimmen van huisdieren en de toonbankverkoop van verpakte voedings- en
geneesmiddelen af te stoten en massawerkzaamheden zoals blocdtappen, vaccineren
cn routine-medicaties over te laten aan getrainde lekenkrachten. Het vroeger veel
geuite bezwaar, dat hierdoor kwakzalvers gevormd zouden worden, is niet meer
reëel door de toegenomen diepgang van de diergeneeskunde en de verbeterde
wettelijke bepalingen, zo het al ooit reëel geweest is. Op verschillende universiteiten
is reeds een aanvang gemaakt met de opleiding van diergeneeskundige hulp-
krachten.

4. Een vierde belangrijke verandering, die het beeld van de diergeneeskunde in de
V.S. zal wijzigen, is het toenemende percentage vrouwelijke dierenartsen.
Tranquillizers, verbeterde anaesthetica, verfijnde mechanische bedwingingsmidde-
len maken ook de grote huisdierenpraktijk minder afhankelijk van physieke kracht.
Het vroeger veel gehoorde bezwaar, dat vrouwen na hun studie trouwen en dan
voor hun beroep verloren zijn, blijkt maar zeer ten dele waar te zijn.

5. De voortdurend intensiever wordende internationale contacten zullen in de toe-
komst van de dierenarts meer en grondiger kennis vragen om de bevolking en de
eigen veestapel effectief te beschermen tegen geïmporteerde exotische ziekten, om
uitbraken van exotische ziekten snel te kunnen diagnostiscren, om veterinairen op
te leiden voor werkzaamheden in andere landen en om een betere opleiding te
kunnen geven aan buitenlandse studenten.

6. Ook aan de universiteiten zullen belangrijke veranderingen moeten plaatsvinden.
Tot nu toe was het traditionele conservatisme van de universiteiten de oorzaak
van een gapende kloof tussen opleiding en praktijk. Zelfs al zou de opleiding
volkomen aangepast worden aan de eisen van de tijd, dan nog duurt het minstens
4 jaar, voordat de eerste afgestudeerden hun nieuw verworven inzichten kunnen
toepassen. De snel veranderende maatschappij stelt steeds nieuwe eisen aan het
diergeneeskundig beroep en de universiteit kan hier slechts achter aan hollen.
Daarom zullen bij opleiding en onderwijs de diergeneeskundige organisaties (maat-
schappij, afdelingen en kringen) een steeds belangrijker rol moeten gaan spelen.
Postuniversitaire cursussen zullen noodzakelijk zijn om de dierenartsen op dc
hoogte te houden van nieuwe ontwikkelingen. De organisatie hiervan zal door
universiteiten en beroepsorganisaties krachtig ter hand moeten worden genomen
en komt voor overheidssubsidie in aanmerking, aangezien hiermee tevens een
landsbelang wordt gediend. De organisatie zal zodanig dienen te zijn, dat vrijwel
alle dierenartsen aan deze cursussen frequent en zeer regelmatig deelnemen.

7. Op de universiteiten zal aan fundamentele research in toenemende mate aandacht
besteed moeten worden. Er ontstaat nu reeds een generatie van veterinaire
„teacher-researchers", die hun researchwerk onmiddellijk aan hun leerlingen
kunnen doorgeven.

De noodzaak om te komen tot een meer fundamenteel begrip van de principes van
het doorgeven en het opnemen van wetenschappelijke kennis wordt steeds dringender
gevoeld. De enorme groei van de leerstof maakt het noodzakelijk om de kennis-
overdracht met de meest moderne leermiddelen en volgens de nieuwste methoden te
doen plaatsvinden. Alleen op deze wijze zal het mogelijk zijn om meer studenten met
een betere wetenschappelijke toerusting af te leveren.

-ocr page 427-

Wetenschappelijk onderzoek naar de selectie van studenten zal noodzakelijk zijn. Het
is van belang om na te gaan, wat de best geslaagde studenten na hun studietijd
worden en wat er terecht komt van dc studenten met slechte studieresultaten. Hoe
waren de meest geslaagde practici als student? Wat zijn de eisen, die in 1980 aan een
practicus gesteld moeten worden? Deze en dergelijke vragen dienen beantwoord te
worden, wil de diergeneeskunde voldoen aan de eisen, die de samenleving haar in de
komende jaren zal stellen.

ƒ. Uwland.

Parasitaire-, protozoaire- en tropische ziekten

VIBRIO FETUS ALS VERWEKKER VAN MENINGITIS BIJ EEN ZUIGELING.

Bader, R. E., Winkler, H. und M a r g e t, W.: Vibrio fetus als Erreger einer
Sauglingsmeningitis.
Z.bl. Bakt. I Orig., 199, 202, (1966).

Een 22 dagen oude zuigeling was lijdende aan een purulente meningitis met dodelijke
afloop na ongeveer 4 weken behandeling. Bij sectie werd tevens een purulente otitis
media en een haemorrhagische enteritis vastgesteld. Uit liquor werd Vibrio fetus
geïsoleerd.

In de literatuur zijn verder 28 gevallen van deze infectie bij de mens bekend. Het
verloop was zeer verschillend: aandoenin,gen van de respiratie tractus, bronchitis,
pneumonie, leverklachten, braken, diarree, obstipatie en bij vrouwen zwangerschaps-
vibriose met abortus evenals bij de natuurlijke gastheer.

C. A. van Dorssen.

MYCOSE BIJ PARELHOENDERS.

D e v O s, A. L., S p a n o g h e, L., V i a c n e, N. en I m p e, J. van: Mycose van
het spijsverteringsstelsel (candidiasis) bij parelhoenkuikcns en kalkoenkuikens.
Vlaams
Diergeneesk. Tijdschr.,
35, 3, 106, (1966).

Candidiase of moniliase bij kuikens van 3- 15 dagen oud, veroorzaakt door Candida
albicane. Belangrijkste symptoom is waterige diarree. Behandeling met aureomycine,
terramycine, furazolidone en chlooramfenicol heeft geen succes. Sterfte tussen 50%
en 100%.

Bij de sectie blijkt de krop gevuld te zijn met cen melkachtig vocht cn de kropwand
heeft door pseudo-membraneuze ontsteking een wit beslag. De aangewezen behande-
ling is als drinkwater toedienen een oplossing van 350 - 500 mg CuSOé per kg water,
waaraan toegevoegd per kg oplossing 6 cm® azijn. Deze zure oplossing wordt ge-
durende 5 dagen verstrekt. Na één week zijn de dieren volledig hersteld. De schrijvers
wijzen er met nadruk op, dat talrijke uitwendige factoren zoals temperatuur, vochtig-
heid, voedselsamenstelling, toevoeging van antibiotica, vuile voedsel- en drinkbakken,
een latente candidiasis kunnen veranderen in een pathologisch proces met hoge
sterfte. Het goede resultaat verkregen in vitro met pimaricine, veronderstelt dat deze
stof in de toekomst een belangrijke rol zal gaan spelen bij de behandeling van
candidiasis.

F. W. van der Kreek.

Verloskunde, gynaecologie en steriliteit

UTERUSPROLAPS EN -AMPUTATIE BIJ EEN MERRIE.

FI e e k e, A. van: Prolapsus en amputatie van de uterus bij een merrie. Vlaams
Diergeneesk. Tijdschr.,
35, 49, (1966).

In gevallen waarbij de letsels aan de geprolabeerde baarmoeder onherstelbaar zijn
en waar in elk geval zeer vlug moet worden ingegrepen om de kans te hebben door
stelpen van de bloeding het leven van de merrie te redden, is het afbinden en am-
puteren van de uterus wel de enige oplossing.

-ocr page 428-

Met behulp van een sterk elastisch lint, dat op de hoeve werd aangetroffen, werd
een spannende ligatuur geplaatst door meerdere keren omwikkelen vlak tegenaan de
cervix, daarna amputatie.

Intraveneuze toediening van 300 g glucose in 1 aqua dest. 20 cc adrenoxyl en
antihistaminica, direct na de behandehng gevolgd door een schedebehandeling met
tetracyclinezalf. Gedurende 5 dagen antibioticabehandeling, bestaande uit 4,000.000
E penicilline 5 g streptomycine intraveneus.

Ongestoord herstel vond plaats en een voorspoedige opgroei van het veulen bij de
merrie,

F. W. van der Kreek.

Ziekfen van het Kleine Huisdier

ZIEKTEN VAN VOLIÈRE-VOGELS,

I, Devos, A,: Inleiding tot de pathologie der volièrevogels, Vlaams Diergeneesk.
Tijdschr.,
33, 284, (1964).

II, Devos, A,: Sectiebevindingen bij volièrevogels gedurende de periode 1943-
1963, enkele nieuwe behandelingen,
Vlaams Diergeneesk. Tijdschr., 33, 292, (1964).
I, Devos geeft een overzicht betreffende het klinisch onderzoek (vogels nooit stijf
vasthouden, want dan treedt paniek op welke kan eindigen met dood door hart-
insufficiëntie en longcongestie), diagnostiek en behandeling (chirurgisch en medica-
menteus) van volièrevogels.

Hij geeft uit eigen ervaring, uit de pluimveekliniek van de Rijksuniversiteit uit Gent,
de volgende therapiën:

Huidaandoeningen

schurft:

penselen éénmaal per dag

gedurende 10 dagen

instrijken om de twee dagen

gedurende drie weken

éénmaal per dag instrijken

gedurende 10 dagen

pokken bestrijken

pokken bestrijken

strcx)ien

strooien

bad

penselen

pokletsels:

huidparasieten:
luizen, rode mijt,
vedermij t
eeltvlekken op voet-
zool

benzylbenzoaat 25%

odylen (Bayer)
1 d,/2d, olie

;rotonyl-N-cethyltoluidine
(Eurax-Geigy)
iopersulfaatoplossing 5%
alibour-water 10%
hexachloorhexaan 2%
pyrethumpoeder 0,5%
Neguvon Bayer 0/15%
salicylzuur 10% in collodion

Spijsverteringsstoomissen

kropontsteking: sulfadimidine 5%

kropvervulling en

obstipatie:
isosporose
(coccidiose) :

Salmonellosen:

paraffineolie
sulfaquinoxaline 0,5%
sulfaquinoxaline 0,15%

7 d, furaltadone 1 d. fura-
zolidone opgelost in 6% pro-
pyleenglycol aureomycine
0,05%
terramycine

furoxone 0,01% oplossing

drie druppels per dag gedu-
rende vijf dagen
2 druppels (parkiet)

vijf tot tien druppels per dag
in de bek
in het drinkwater
gedurende tweemaal 3 dg.
met 2 dg, tussenpoos
parkieten 300 mg/1 water, 14
dg. lang; kanaries 150-200
mg/1 water, 14 dg, lang
drinkwater

25 - 50 mg/dag (parkiet)
drinkwater

-ocr page 429-

grote spoelwormen:

eapillaridae :
syngamose :
visceraal jicht:

thiabendazole 0,1%
piperazine hexahydraat 0,4%
methyridine 200 mg/kg
thiabendazole 0,1%
vitamine A-oplossing
urotropine 0,2%
in snoep 3 dg. lang

drinkwater

s.c. inspuiten (duif)

in snoep, 5 dg. lang

50 IE/dag/25 g gew.

drinkwater

Ademhalingsziekten

coryza :

snapziekte :
Ornithose:
eucalyptol
sulfadimine 0,1%
furaldatone 0,15%
aureomycine 5%

chloramfenicol, 10% propy-

lenglycol

aureomycine 5%
inhalade

drinkwater

drinkwater

per 25 g gewicht 2 dr. per
dag in bek, 10 dagen lang
idem

idem

Algemene ziekten e.a.

rodentiose: terramycine

(Past. pseudo-
tuberculosis )
stafylokokkose: erythromycine 0,01%

paresen: aneurinehydrochloride 3 mg/ voeder

dier/dag

II. Ook in dit 2c artikel worden enkele opmerkingen gemaakt over de therapie,
zo zou furaltadone vanwege de grotere oplosbaarheid de voorkeur verdienen in be-
handeling van salmonellose van volièrevogels. Bariumantimonyltartraat-inhalaties voor
symgamonosis-behandeling kunnen aanleiding zijn tot verstikking.
Voor trichomonease bij duiven zou metronidazole (50 mg verdeeld over 2 pillen in
drie dagen tijds toe te dienen) beter zijn dan enheptin.
De vos vond bij vogels de volgende ziekten:

besmettelijke ziekten: pokken, tuberculose, rodentiose (Past. pseudotuberculosis),
salmonellose, stafylokokkose, Ornithose, mycose-long-luchtzak, septicemie.
Parasitaire ziekten: syngamose, spoelwormen, isosporose (coccidiose), black-head,
schurft, trichomonas.

Ademhalingsziekten: snot, pneumonie, verstikking, luchtzakontsteking.
Alimentaire stoornissen: jicht, hypovitaminose A, voedingsfouten, vervetting, ver-
giftiging, rachitis, watergebrek.
Stoornissen van de leg: legnood, buikleg.
Ontstekingen: nefritis, darmontsteking, necrobacillose.
Gezwellen: leucose, tumoren, Xanthomatose.

C. A. van Dorssen.

Zootechniek

Poppe Ie n, J. R. van en Scheer, P. L.: Vloervoedering voor mestvarkens?
Maandblad voor de Varkensfokkerij, 29, 2, (1966).

Dit goed gedocumenteerde artikel, berustend op eigen onderzoek, besluit met de
volgende samenvatting.

1.
2.

3.

Bij vloervoedering is er minder kapitaal nodig voor de huisvesting per varken.
Door de dichtere hokbezetting bij vloervoedering is per hok meer kapitaal nodig
voor aankoop van biggen en meel.

Bij vloervoedering gebruiken de varkens ± 6% meer meel en liggen ongeveer een
week langer op het hok dan bij brijvoedering.

De kostprijs per kg geslacht gewicht is volgens opgestelde begroting bij vloer-
voedering hoger dan bij de brijmethode. Door de grotere eenheden varkens die bij

15-20 mg/dag/25 g gewicht
drinkwater, 5 dagen lang

-ocr page 430-

vloervoedering gehouden kunnen worden, is bij iets daling van de opbrengst-
prijzen de vloervoedering meer kwetsbaar dan de brijvoedermethode.
Bij zeer hoge opbrengstprijzen is echter vloervoedering in het voordeel ten opzichte
van de brijvoedering.

5. Naarmate de verschillen tussen opbrengstprijs en kostprijs geringer worden en dus
de winstkansen per afgeleverd mestvarken kleiner worden of zelfs verlieskansen
groter worden, is het voor de varkensmester van belang de kostenkant zo laag
mogelijk te bouden.

Grotere eenheden varkens, b.v. vloervoedering met een minder gunstig voeder-
verbruik, zijn in dit verband veel meer kwetsbaar dan een kleiner aantal mest-
varkens (b.v. brijmethode) met een gunstiger voederverbruik.
Uit de opgestelde begrodng blijkt, dat bij een zeer laag voederverbruik, vloer-
voedering voordelen geeft.

6. Uitbreiding van de vloervoederingsmethode zal ook nog sterk afhankelijk zijn van
de praktijk-ervaringen ten aanzien van:

a. Ziekte- en sterfterisico\'s door de dichtere hokbezetdng.

b. Het al of niet toenemen van staartbijten.

c. Door de dichtere hokbezetdng minder goed zicht op de varkens en daardoor
minder goede controle.

d. Het zomers goed kunnen ventileren van de schuren.

e. Andere, tot nu toe nog onbekende, oorzaken.

P. Hoekstra.

BOEKBESPREKING

KLAUENPFLEGE BEI HAUSTIEREN.
Prof. Dr. med. vet. habil. H, S c h 1 e i t e r.
(S. Hirzel Verlag, Leipzig; DJA. 10,80.)

Aangezien de derde druk van dit boekje vrijwel gelijk is aan de tweede druk (1962)
kan voor een korte bespreking van de inhoud worden verwezen naar het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde, deel 88, 1963, blz. 1375.

Ondanks de opmerking in het voorwoord, dat „Zahlreiche Hinweise aus dem In- und
Ausland bei der Bearbeitung verwertet werden konnten", dus toch weinig nieuws op
het gebied van de klauwverzorging.

E. Toussaint Raven.
KURSUS DER VETERINÄRMEDIZINISCHEN MIKROBIOLOGIE.
Kurt Wagener.
(Verlag Paul Parey, Berlin; D.M. 48.)

In de loop van 1966 is door de uitgever Paul Parey, gevestigd te Berlijn en Hamburg,
voor de 6e keer de bekende handleiding voor diergeneeskundige studenten ten
behoeve van de opleiding in de veterinaire microbiologie uitgegeven.
Het opvallende van het boekje van 182 pagina\'s is, dat het zo overzichtelijk alle
technieken geeft die ten behoeve van de bacteriologie, mycologie en protozoologie
worden gebruikt in de veterinaire diagnosüsche routine-laboratoria.
Het is ingedeeld in twee gedeelten; het eerste deel voor de microbiologische techniek
in algemene zin, terwijl het tweede deel de diagnostitsche kermierken van de schim-
mels, bacteriën cn protozoën behandelt. Aan het slot zijn nog 20 pagina\'s gevuld met
receptuur betreffende kleurstofbereiding en het maken van voedingsbodems. Een
verrassende bijzonderheid is, dat aan het slot een korte levensbeschrijving is opge-
nomen van 95 prominente overleden microbiologen, zodat men gemakkelijk kan op-
zoeken wie b.v. Bergey, Ascoli, Eimer, Sabouraud, Salmon, Theiler enz. waren.
Het werk is keurig verzorgd; fouten vindt men er niet meer in. Het is alleen jammer,
dat de auteur zich bij de naamgeving van de bacteriën niet strikt aan de 7e druk van
Bergey heeft gehouden.

A. van der Schaaf.

-ocr page 431-

VETERINAIRE SNAPSHOT

Een zeer anaemische geit

door H. KUIL en C. FOLKERS*)

De hier afgedrukte foto toont een kennehjk gezonde vrouwehjke Sokoto geit, een
ras waarvan er enkele miljoenen exemplaren in Noord-Nigeria voorkomen. Het dier
is wat mager maar dat zijn al haar soortgenoten aan het eind van de droge tijd,
het moment van de opname.

De reden waarom we dit snapshot maakten is dat dit miltloze — de operatiesnede
is nog te zien achter de linker ribboog — met Anaplasma ovis besmette dier een zeer
ernstige anaemic had, met een hacmatocrietwaarde van slcchts 8. Toch was het dier
levendig, graasde normaal en vertoonde behalve papier-bleke slijmvliezen geen kli-
nische verschijnselen. Ze herstelde snel zonder behandeling en had een week later
al weer een hacmatocriet van 17.

Deze geit was écn van onze proefdieren die we voor een onderzoek naar het voorkomen
van bloedparasieten in Noord-Nigeria hadden ontmilt. Behalve geiten werden ook
schapen en kalveren gesplenectomiseerd waarna dagelijks bloedonderzoek plaats vond.
Hierbij werden verschillende bloedparasieten gevonden waaronder Anaplasma bij alle
genoemde diersoorten. Vooral tijdens de Anaplasma parasitaemie zagen we anaemieën
met zeer lage haematocrictwaarden.

*) H. Kuil en C. Folkers; wetenschappelijke ambt. R.U., Ahmadu Bello University,
Zaria (N.-Nigeria).

-ocr page 432-

INGEZONDEN

ENTING TEGEN PAARDE-INFLUENZA II.
Hooggeachte redactie.

Gaarne maak ik van de door u geboden gelegenheid gebruik om de toelichting van
collega van Dorssen van een naschrift tc voorzien. Inderdaad heb ik slechts
gerefereerd en niet gecommentarieerd. Dat laatste heb ik tot op heden nooit gedaan.
Trouwens, men vindt in referatentijdschriften zelden commentaar, hoogstens een
enkele keer een korte bedenking van de referent. Ik zou in dit geval ook geen
commentaar in de vorm van collega van Dorssen hebben kunnen leveren, omdat
ik niet over diens ervaring met paarden influenzavirusinfecties beschik. Het ziektebeeld
dat Lief en Cohen beschrijven was zeer lichtverlopend en min of meer een
toevallige bevinding, omdat deze (4) paarden voor andere ongemakken in een
kliniek waren cpgenomen. Het ziektebeeld was purulente rhiniüs (lx), geringe
rhinitis (lx), koorts (2x), lichte hoest (4x), welke laatste 1 tot 7 dagen duurde.
Bij 18 kontakten van deze paarden bleek serologisch dat: „Antibody responses strongly
indicated that about 50 percent of this population had just suffered an inapparent
influenza infection, for daily examination by a veterinarian disclosed no coughing
or rhinitis to be present in any of the animals during this period."
Voorts bleek uit vaccinatieproeven met gedood vaccin van het virus dat zij isoleerden
(Influenza A equine 2 Miami 1963) alleen een toename van de V-titer werd ge-
vonden, welke reeds na 6 weken tot 2 maanden in dalende lijn bewoog en alleen door
een tweede injectie ongeveer hetzelfde peil bereikte als na de 1ste injectie. De auteurs
schrijven ook over een stam met zwakke antigene werking in hun nabeschouwing. Dit
verklaart mogelijk mede hun geringe enthousiasme en zij suggereren daarom waar-
schijnlijk ook een derde vaccindosis bij eventueel toekomstige experimenten.
Het zij mij overigens vergund nog een enkele persoonlijke opmerking te maken. Het
commentaar van collega vanDorssenis zeer waardevol in verschillende opzichten
omdat; blijkt dat referaten wel worden gelezen, waaraan ik zelf twijfelde, zodat dit
een stimulans vormt; daardoor onder de aandacht wordt gebracht het verschil in
virulentie en antigeen vermogen van verschillende influenza starrunen ook bij paarden,
wat bij de mens reeds lang bekend is; het mede daarom onverstandig is op slechts
één ervaring met slechts enkele (4) klinisch licht „verkouden" dieren („mild coughing
disease") een te lichtvaardige conclusie te trekken.

Overigens mogen wij dankbaar zijn, dat deze conclusie werd getrokken, anders was
de belangwekkende ervaring van collega van Dorssen nog niet wereldkundig
geworden en kan een ieder daar nu reeds zijn voordeel mee doen.
Blijft de vraag aan de redactie; is het gewenst bij een referaat een commentaar te
leveren? En zo ja, is het dan nog een referaat? En waar is het eind?
Amsterdam, augustus 1966.
 H. A. E. van Tongeren.

-ocr page 433-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

POSTUNIVERSITAIR ONDERWIJS.
Cursussen: Vlees- en vleeswarenkennis,

Onderzoek van vleesprodukten.
De belangstelling voor de cursus „Vlees- en vleeswarenkennis", te verzorgen door
het S.V.O. te Utrecht, was zo groot dat wederom twee groepen moesten worden
geformeerd.

Op 5 en 6 oktober a.s. zullen deze derde en vierde cursus, elk met 16 deelnemers,
starten. Het programma is, rekening houdende met tijdens de eerste twee cursussen
opgedane ervaringen, enigszins gewijzigd.

Thans zal iets meer tijd uitgetrokken worden voor de demonstraties „uitsnijden van
rund en varken", één middag zal worden besteed aan een bespreking van colloid-
chemische achtergronden van de vleeswarenproduktie en twee middagen zullen worden
gewijd aan beoordeling en bespreking van bepaalde vleesprodukten uit de handel.
Voor de cursus „Onderzoek van vleesprodukten", te verzorgen door ons eigen instituut,
hebben zich toinutoe 23 deelnemers aangemeld.

Nu de belangstelling voldoende groot gebleken is, wordt thans het programma
uitgewerkt. Binnenkort zal met de eerste groep van 4 — mogelijk 5 — deelnemers
worden aangevangen. Daarna komen de volgende groepen aan de beurt.

Prof. Dr. J. H. J. van GUs.

VERSLAG 4e SYMPOSIUM W.A.V.F.H. TE LINCOLN, U.S.A., 1965.
Bij het hoofdthema „Maatstaven bij de beoordeling van voedingsmiddelen van dier-
lijke oorsprong" werden diverse interessante voordrachten gehouden.
De hoofdvoordracht op het terrein van vlees en vleesprodukten van Dr. J. G. W a 11,
Nieuw Zeeland, hield een algemeen betoog in, waarbij hij de nadruk legde op het
grote belang van goede hygiëne, te beginnen bij het levende slachtdier, dat direct
voor de slachting gedouched dient te worden, en eindigend bij de detaillist/verkoper
aan de consument. De noodzaak van „public relations" en voorlichting en opvoe-
ding werden door hem onderstreept.

Van Amerikaanse zijde werd gewezen op het belang van goede bemonstering voor
bacteriologisch, histo-pathologisch en verder onderzoek in het laboratorium.
Van Franse zijde (Drieux en medewerkers) werden interessante gegevens van
kiemcijfers van ontbeend rundvlees, verpakt in dozen en verkocht in de vleeshallen
te Parijs, verstrekt. De flora van de oppervlakte van dit uitgebeende vlees steeg
na 5 dagen bij 5° C tot lO\'\'- IQS/cm\'^, terwijl bij de verkoop het aantal bakteriën
10^-10® bedroeg en micrococcen en Pseudomonas ongeveer in gelijk aantal aan-
wezig waren. Aan het einde van de 5 dagen was Pseudomonas echter ver in de
meerderheid.

Van de overige onderwerpen omtrent vlees en vleeswaren, welke in korte voor-
drachten waren vervat, mogen de volgende worden gememoreerd.

Groszklaus, Berlijn, rapporteert over een onderzoek, waarbij werd nagegaan
in welke mate bij tuberculeuze mesenteriale lymfklieren bij het varken mycobakte-
riën in het vlees kunnen worden vastgesteld. In 4 van de 43 varkens met lymfklier-
tuberculose bleek dit het geval. In drie van de vier gevallen werden aviaire t.b.c.
bacillen gevonden, terwijl eenmaal een atypische zuurvaste bakterie werd aan-
getroffen.

Leistner en medewerkers, Iowa State University, U.S.A., berichtten over het
voorkomen en de betekenis van schimmels in en op vleesprodukten.
Diverse soorten gisten en schimmels werden door hen vooral van speciale ham en
worstsoorten geïsoleerd. Wat betreft de betekenis ervan wijzen zij erop, dat gevonden
penicellum soorten staphylociccus aureus remmen.

Echter gevormde mycotoxinen baren hoe langer hoe meer zorg in de levensmiddelen-
hygiëne. Zij wijzen erop dat dit eveneens het geval is bij de „cured meats". Meer
kennis is dringend noodzakelijk.

-ocr page 434-

Ginsberg, Meat Inspection Division, Nieuw Zeeland, gaf een kort overzicht van
de technische ontwikkelingen, toegepast bij de slachtingen, welke ontwikkehngen
niet alleen de slachtcapaciteit vergroten, maar tevens in hoge mate de hygiëne
tijdens de slachting bevorderen. De lijnslachting, de z.g. slachtstraal en de moving-
top-tables voor organen worden door hem terecht bijzonder belangrijk geacht.

Bij het thema melk en melkproducten behandelde Skorgaard, Denemarken, in
de hoofdvoordracht „Methoden om besmetting te voorkomen".

De diverse systemen van melkdistributie werden hierbij kritisch bezien. Naast de
verkoop ter plaatse van rauwe melk hetgeen speciaal in onderontwikkelde landen
veelvuldig voorkomt en waarbij direct koken noodzakelijk is en de centrale distri-
butie van gepasteuriseerde (en gesteriliseerde) melk, ontwikkelt zich een derde systeem
distributie van melk waarbij tot hoge temperaturen (130- 140° G) gedurende zeer
korte tijd (U.H.T.S.T.) wordt verhit.

Uiteraard zal het te verhitten produkt aan hoge hygiënische eisen moeten voldoen,
waarbij systematisch controle op de boerderij en op de fabriek essentieel zijn. De
repressieve controle nä de hittebehandeling kan, vooral ook gezien het karakter
van melk als voedingsbodem van bakteriën, niet gemist worden.

Voor bestrijding en controle van besmettelijke ziekten en vooral ook de subklinische
mastitusbestrijding en cotrole, benevens de problematiek van residuen speciaal van
toegepaste antibiotica en de celcontrole en andere methodieken van onderzoek op de
fabriek passeren de revue.

Tenslotte wordt dieper ingegaan op de decontaminatie van melk met de radio-
nuchden Jodium 131 strontium 90.

De noodzaak van research op diverse terreinen, zoals melktransport, het gebruik
van ongepasteuriseerde melk bij de kaasbereiding, het consumabel maken van melk-
poeder en de toepassing van vreemde stoffen met als eventueel gevolg residuen
wordt onderstreept.

Reuter, Berlijn, behandelde het vaststellen van lactobacillen acidophilus in ge-
zuurde melkprodukten.

Lerche en Reuter ontwikkelden een methodiek, waarbij het, naar het zich laat
aanzien, mogelijk is de hoeveelheid L-acidophilus vast te stellen in deze bakterie
bevattende melkprdoukten, welke therapeutisch bij darmflorastoringen een gunstig
effect hebben. De L.-bulgaricus en Str. thermophilus, welke dikwijls interfereren
kunnen hierbij worden onderscheiden.

Eieren en eiprodukten

De hoofdvoordracht werd gehouden door Miller, kolonel-veterinair, U.S.A.
Hij behandelde speciaal de Salmonella bakteriën, die hij zag als een der belang-
rijkste gevaren van besmetting van eieren en eiprodukten.

Diverse methoden om S. bakteriën in deze levensmiddelen te doden, resp. besmetting
te voorkomen, passeerden de revue.

Pasteurisatie van eiprodukten, thans binnen de technische mogelijkheden, dient
voorgeschreven te worden.

Uiteraard zal de hygiëne en de wering en bestrijding van contaminatiemogelijkheden
van de diverse micro-organismen op bedrijf en fabriek essentieel zijn en blijven.

Het thema vis en visprodukten bracht als hoofdvoordracht „Hygiëne van voedsel uit
zee en volksgezondheid" van Hubbard, U.S.A. Inleider wijst op de toenemende
betekenis van vis als eiwitbron voor de mens en voor de voeding van de dieren
(vismeel). Op de diverse hygiënische eisen, die in verband met de hoge bederfelijk-
heid noodzakelijk zijn wordt gewezen. Diverse traditionele fouten zullen moeten
worden opgeheven. Ook de moderne methoden van conservering tijdens de produktie
van filets en andere visprodukten worden kort genoemd. Visafval vraagt bijzondere
aandacht ter voorkoming van hinder en schade voor de volksgezondheid.
Research bij invoering van nieuwe technieken als straling, freeze drying en instant

-ocr page 435-

freezing is in hoge mate gewenst. Zoönosen, waarbij vis of visprodukten een rol
kunnen spelen zijn diphyllobotium lotum, ichtyd intoxicatie, typhus, Salmonellosis,
haringworm, vlekziekte, botulismus.

Wittvogel, Cuxhaven, West-Duitsland, behandelde de toepassing van een nieuwe
electronische methode om snel de graad van versheid van vis te bepalen.
De methode vertoont een goede korrelatie met de gebruikelijke organoleptische
kriteria.

De Interelection Fish Tester V berust op de meting van de verschillen in elektrische
weerstand van visweefsel, gemeten door twee elektrische stromen van verschillende
frequentie. De verschillen nemen na de dood af. Met deze methode is een indeling
in graden van versheid goed mogelijk en wordt in de praktijk in Cuxhaven reeds
toegepast. De organoleptische keuring wordt door deze objectieve methode verstrekt.
Het Hoofdthema „Biologische residuen levensmiddelen van dierlijke oorsprong"
bracht een drietal hoofdvoordrachten en een aantal belangwekkende kortere mede-
delingen.

Een en ander demonstreerde de grote aandacht, welke bij het veterinaire toezicht
op dierprodukten aan residuen wordt besteed.

D u r b i n, U.S.A., behandelde uitgebreid de wetgeving, welke in Amerika op het
terrein van pesticiden en voedseltoevoegingen is ontwikkeld, ten einde residuen in
levensmiddelen te voorkomen dan wel een gestelde tolerantiegrens niet wordt over-
schreden. Ook voor het gebruik van diergeneesmiddelen, welke residuen kunnen
geven, dienen door de fabrikant toxicologische en verdere gegevens te worden over-
gelegd. Voor landbouwhuisdieren, welke als proefdieren zijn gebruikt, gelden bij-
zondere regels.

Na de legislatieve zijde behandelde Jepsen, Denemarken, de regelingen, zoals deze
in zijn land in de praktijk worden toegepast.

Bij de vleeskeuring wordt een stukje nierweefsel van het slachtdier gebruikt ter be-
paling van een eventuele remmingszone op een Sarcina lutea kuituur. Gebruik van
antibiotica is slechts toegestaan aan dierenartsen. Zij moeten de keuringsdiensten en
de melkfabrieken berichten als ze toegepast zijn.

Voor chemotherapeutica geldt dit eveneens. Gevolg is dat zeer sporadisch residuen
bijv. in melk meer worden aangetroffen (183.000 monsters 87 -I-).
Bij profylactisch gebruik, dat van overheidswege eveneens geregeld is, zijn voor ge-
ringe residuen gevoelige methodieken ontwikkeld door o.m. Pedersen.
Voor konservcringsdoeleinden zijn antibiotica verboden bij levensmiddelen van dier-
lijke oorsprong.

Van Keulen, Nederland, gaf een overzicht van de volksgezondheidsaspecten
van residuen van hormonen en antibiotica in dierprodukten.

Behandeld werden de diverse gevaren, welke regelmatige opname van kleine hoe-
veelheden dezer stoffen voor de mens kunnen betekenen.

Voor antibiotica werd hierbij vooral gewezen op de gevaren van ontstane resistentie
van zowel pathogene als apathogene bakteriën en op de mogelijkheid van optreden
van allergische en toxische verschijnselen bij bepaalde antibiotica.
Voor oestrogene stoffen werd gewezen op de mogelijkheid van het optreden van
pubertas praecox, indien kinderen regelmatig kleine hoeveelheden met de voeding
opnemen.

Geconcludeerd werd, dat uit een oogpunt van volksgezondheid residuen van anti-
biotica en hormonen, welke in welke vorm ook, de voedselproducerende dieren
worden toegediend, niet in dierprodukten mogen voorkomen.

Van de overige voordrachten op dit terrein moge nog het volgende worden ge-
memoreerd.

F 1 u k a r t y, Washington, behandelde de toegepaste antibiotica test met sarcina-
lutea paper desk platen bij dierenartsen en verder personeel in veterinaire insti-
tuten enz., teneinde na te gaan of zich resistente stafylokokken reservoirs in de
neus ontwikkeld hebben.

-ocr page 436-

Van deze screening test meent hij, dat zij toepasbaar is bij de vleeskeuring( zie
Jepsen, Denemarken).

Singer, Iowa, U.S.A., behandelde de wijziging in het beeld van intoxicaties bij
dieren, gedurende de laatste decennia. Toepassing van pesticiden, van hout con-
serveringsmiddelen, van stoffen toegevoegd aan voer, van diverse geneesmiddelen,
van herticiden, van organische en anorganische stoffen bij industrieën enz., zijn
hiervoor verantwoordelijk. De conclusie moet zijn dat het milieu van de voedsel-
producerende dieren in sterk toenemende mate kunstmatig besmet kan zijn met
chemikaliën van zeer gevarieerde herkomst. Het optreden van mogelijke residuen
in dierprodukten vraagt daarom van de veterinair-hygiënist bijzondere aandacht.
Dr. P. J. B r a n d 1 y, U.S.A. en Dr. J. F a n t a 1 i o n, Frankrijk, behandelden
vóórkomen van voedselvergiftigingen en contaminatie van voedingsmiddelen.
Sinds voor de eerste maal werd onderkend ,dat bepaalde ziekteverschijnselen werden
veroorzaakt door het nuttigen van voedsel, werden tempirisch methoden tot voor-
komen hiervan ontwikkeld.

Ter voorkoming werd het nuttigen van bepaalde voedingsmiddelen afgeschaft. De
waarneming, dat verschillende ziektegevallen optraden na het nuttigen van vlees
van zieke dieren leidde o.m. tot het ontstaan van de vleeskeuring. Sedert 1860 heeft
de ontwikkeling van de wetenschap van de oorzaken en van de symptomen van
voedselvergiftiging vele methoden ter voorkoming hiervan in het leven geroepen.
Het voorkomen van voedselvergiftigingen hangt af van een juist begrip en toepassing
van de microbiologische wetenschap. De niet pathogene bederfveroorzakende orga-
nismen kunnen in bepaalde omstandigheden bij het voorkomen van voedselvergifti-
gingen ook van wezenlijk belang zijn.

Physiopathologisch gezien kunnen voedselvergiftigingen van bakteriële oorsprong
als volgt geclassificeerd worden:

1. vergiftiging door microbiële toxinen: Botulismus, stafylokokken;

2. toxische infecties: gastro enteritis veroorzaakt door Salmonella en shiggella;

3. voedselvergiftigingen in eigenlijke zin, veroorzaakt door voedingsmiddelen die
sterk met verschillende kiemen of hun toxinen zijn besmet.

Botulismus verlangt voortdurende waakzaamheid wegens de ernstige medische
prognose.

Nog steeds komt Salmonellose bij de mens regelmatig voor, mede als gevolg van
het veelvuldig voorkomen van Salmonella bij onze slachtdieren, veroorzaakt door
toediening van besmette, veelal geïmporteerde, proteïnen. Dikwijls vertonen deze
besmette slachtdieren geen enkel symptoom. Meestal uit deze ziekte zich in een
gastero-enteritis, veroorzaakt door opname van voedingsmiddelen, welke aanvan-
kelijk spaarzaam zijn besmet, doch waarin tengevolge van verkeerde behandeling
of bewaring de Salmonella zeer snel vermeerderen totdat de toxische graad is bereikt.
Het terugdringen van het aantal toxische Salmonella-infecties is slechts mogelijk
door een strenge controle op de voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong door de
veterinaire volksgezondheidsdienst. Ook voedselvergiftigingen veroorzaakt door stafy-
lokokken, Clostridium perfrigens en bacillus cereus komen veelvuldig voor.
Ter voorkomnig van al deze vergiftigingen moeten de voedingsmiddelen in de keuken
binnen 3 uur tot 5° C worden afgekoeld of voortdurend op een temperatuur van
ten hoogste 7° C worden bewaard.

Naast vergiftigingen van bakteriële oorsprong moeten nog schimmelvergiftigingcn
en door voedingsmiddelen veroorzaakte virusgastero-enteritiden worden vermeld.

De waarde van de keuring van vlees en geslacht gevogelte voor de dierziekten-
bestrijding werd behandeld door Dr. C. D. van H o u w e 1 i n g, U.S.A.

Bij de bestrijding van dierziekten hebben de bij de slachting genomen monsters van
bloed en weefsel grote waarde. In de Verenigde Staten wordt direct voor of na de
slachting bloed afgenomen en als onderdeel van de controle bij dierziektenbestrijding

-ocr page 437-

gebruikt. Het op deze wijze verzamelen van monsters is economisch en kost boven-
dien de eigenaar van het geslachte dier geen geld.

In het eindstadium van bestrijdingsprogramma\'s zijn dergelijke monsters voor het
opsporen van de laatste haarden van groot nut.

Dergelijke monsters worden ook gebruikt voor het verkrijgen van een inzicht over
het voorkomen van dierziekten en het plannen van bestrijdingsprogramma\'s.

De ontwikkeling van een vleeskeuringsprogranmia door W. E. Jennings, U.S.A.

Vleeskeuring heeft niet alleen tot doel het beschermen van de volksgezondheid,
maar tevens spelen hierbij economische en esthetische overwegingen een rol.
De consument betaalt geen hoge prijzen voor vleesprodukten die zijn volgestopt
met meel, water, chemikaliën of andere toevoegingen.

Het is de taak van een goed georganiseerde vleeskeuringsdienst erop toe te zien
dat de consument tegen bedrog wordt beschermd.

In 1962 werd in de U.S.A. in 50 staten de vleeskeuring verricht door de federal
meat-inspection.

In verschillende staten echter werd de keuring van slachtdieren en vlees zeer ver-
schillend uitgevoerd. Zo was er slechts in 1/3 van de staten ante en post mortem
keuring voorgeschreven.

Wel is het krachtens de federale wetgeving slechts toegestaan dat vlees, dat gekeurd
en gemerkt is overeenkomstig de federale wetgeving, in de gehele U.S.A. mag wor-
den verhandeld, terwijl vlees gekeurd volgens de wetgevingen der verschillende
staten alleen binnen de betreffende staat in het verkeer mag worden gebracht.
Gezocht wordt naar een systeem, waarbij de Staten zich aan de federale wetgeving
aanpassen en in deze zin hun vleeskeuringsprogramma opstellen.
Een modern vleeskeuringsprogramma is in de staat New York ontwikkeld.

Dit programma bevat:

1. permanente veterinair-sanitaire controle in alle slachthuizen en vleeswaren-
fabrieken;

2. herziening en goedkeuring van plannen voor nieuwe en gemoderniseerde con-
structie van inrichtingen;

3. keuring vóór en na slachting van alle slachtdieren;

4. inspectie in vleeswarenfabrieken van alle vlees gedurende de fabricage;

5. toezicht op goedkeuring van merken en opschriften op vlees en vleeswaren.
■Andere Staten hebben voor het opstellen van een dergelijk programma gebruik ge-
maakt van de hiermede opgedane ervaringen.

Dit progressieve programma beklemtoont de grote waarde van de veterinaire super-
visie op dit gebied.

DE INVLOED VAN HET NIET OP ZONDAG INSEMINEREN OP DE
BEVRUCHTINGSRESULTATEN.

Over de mogelijke invloed welke het niet insemineren op zondag heeft op de be-
vruchtingsresultaten, werden in de loop van 1964 door de Gezondheidsdienst voor
Dieren in Friesland enkele gegevens verzameld bij de K.I.-vereniging „Samen Bou-
wen" te Buitenpost. De bevindingen, die zijn weergegeven in het onlangs verschenen
19e jaarverslag van de Prov. Commissie K.I. (a), waren als volgt.
Bij twee stieren die in de maanden mei, juni en juli het meest gebruikt werden en
steeds op maandag en donderdag dekten, werden de percentages opbrekers verge-
leken van de eerste inseminaties die op deze dagen werden verricht. Op beide dagen
werd van de bewuste sderen dus eerstedags sperma gebruikt, maar op maandag wer-
den twee ronden gereden (van 6- 10.30 uur en van 10- 17.30 uur) waarvan in de
eerste overwegend koeien werden geïnsemineerd die \'s zondags tochtig gezien waren.
De resultaten gaven het volgende beeld (tabel 1) :

-ocr page 438-

Bevruchtingsresultaten met eerstedags-sperma op maandag en donderdag

(K.I. Buitenpost).

Stier
(afk.)

Maandag

Donderdag

aantal

opbrekers

aantal

opbrekers

le ins

aantal

%

le ins.

aantal %

Lfw.
Arg.

477
398

179
141

37,5
35,4

318
217

95 29,8
69 31,8

Samen

875

320

36,6

535

164 30,7

1) = 4 94. p = 0,029. 2) = 0,82; P = 0,38. 3) = 5,76; P =
U,058. •■) = 8,96; P = 0,012. ") = 0,36; P = 0,56.«) /s = 2,6;
P = 0,76.

(a) Prov. Cie. v. Toez. op de K.I. in Friesland: Verslag betreffende de kunstmatige
inseminatie in Friesland gedurende het jaar 1964 (1 nov. 1963 - 31 okt. 1964).

(b) B r a n d s, A. F. A., Banerjee-Schotsman, I., VanDieten, S. W. J.
and Van Loen, A.: Not inseminating on Sundays and conception rate. Proc.
Vth Int. Congr. Anim. Reprod. and A.I., Vol. IV,
436, (1964).

(Behoudens de voetnoten overgenomen uit: Mededelingen maandbl. Fr. Rundvee-
Stamb. en Bond v. K.I.-ver. in Friesl., No. 222, dec. 1965).

We zien hier dus een verschil in het nadeel van de maandagen, maar alleen voor
de stier „Lfw." is dit verschil z.g. statistisch significant, d.w.z. dat een waarschijn-
lijkheidsberekening aangeeft dat de kans, dat het gevonden verschil op toevallige
factoren berust, kleiner is dan 5%\'\'^). Ten aanzien van de andere stier is dit niet
het geval^) en vat men de gevonden verschillen samen, dan is de significantie van
het totaal twijfelachtig®). Bij het trekken van een conclusie uit deze cijfers is dan
ook enige voorzichtigheid geboden.

Bij twee inseminatoren waren de resultaten van de beide maandag-ronden goed na
te gaan. Hier kreeg men het beeld dat is weergegeven in tabel 2.

Tabel 2.

Bevruchtingsresultaten eerste en tweede inseminatieronde op maandag
(K.I. Buitenpost).

Insemi-
nator

aantal

Eerste ronde

opbrekers

Tweede ronde
aantal opbrekers

le ins.

aantal

%

le ins.

aantal

%

A

166

63

38,0

126

32

25,4

B

170

64

37,7

130

35

26,9

Samen

336

127

37,8

256

67

26,2

De bevruchtingsresultaten van de eerste ronde (overwegend koeien van de zondag)
waren dus aanzienlijk minder dan die van de tweede (koeien die \'s maandags-
morgens tochtig gezien waren) en hier blijken de gevonden verschillen alle significant
te zijn (de toevals-waarschijnlijkheid van het totaal is ca. \\%)1).
Voor de koeien die \'s zaterdags in de loop van de dag tochtig gezien worden, wordt
\'s zaterdagsavonds nog een extra ronde gemaakt. Van één stier die op zaterdag dekte,
werden in mei, juni en juli op de zaterdagen \'s morgens 98 eerste inseminaties ver-
richt, met 28 opbrekers (28,6%) en bij de avondronde 21 eerste inseminaties, met
8 opbrekers (38,1%). De kleine aantallen inseminaties maken echter, dat men aan

-ocr page 439-

het verschil in bevruchtingsresultaat geen al te grote betekenis mag toekennen (de
toevalswaarschijnlijkheid is hier ca. 56%)®).

De bovenstaande gegevens samenvattend kan men zeggen, dat in ieder geval bij een
tweetal inseminatoren een duidelijk verschil in bevruchtingsresultaat tussen de eerste
en de tweede inseminatieronde op maandag is vastgesteld, ten nadele van de eerste
ronde. Bovendien bleken — zij het minder overtuigend -— de resultaten met eerste-
dags sperma van een tweetal stieren op maandag minder gunstig dan op donderdag.
Het een en ander leidt tot de gevolgtrekking, dat de resultaten van de maandag
blijkbaar nadelig worden beïnvloed door de koeien van de zondag, doordat een naar
verhouding te groot aantal van deze dieren op een ongunsdg tijdstip (d.w.z. te laat)
wordt geïnsemineerd.

Inmiddels is op dit terrein ook elders wel onderzoek gedaan. Zo heeft b.v. de Werk-
groep Steriliteitsonderzoek bij Rundvee van de afdeling Diergeneeskunde T.N.O., een
groot aantal waarnemingen verricht bij het K.I.-centrum „De Kempen" te Oerle
(N.B.). Het resultaat van dit onderzoek is neergelegd in een rapport dat werd inge-
diend op het 5e Internationaal Congres over Voortplanting x K.I. bij Dieren (Trente,
Italië, 6-13 sept. 1964). Aan dit rapport (b) ondenen wij de volgende gegevens.
In de genoemde K.I.-vereniging wordt des zondags niet geïnsemineerd. De dieren
die \'s zaterdags in de loop van de dag tochtig gezien worden, kunnen in de namiddag
worden opgegeven en worden dan \'s avonds nog geïnsemineerd. Dieren die men
\'s zondags tochtig ziet, kunnen \'s maandagsmorgens worden gemeld en worden dan
zoveel mogelijk met voorrang behandeld. Er wordt echter geen aparte ronde voor
deze „zondagskoeien" gemaakt.

Het onderzoek strekte zich uit over 16.885 eerste inseminaties, verricht in de jaren
1955 - 1958.

Allereerst kon worden vastgesteld, dat het aantal eerste inseminaties gelijkelijk over
de dagen van de week verdeeld was, met dien verstande dat op de zaterdag en de
maandag drie maal zoveel inseminaties werden verricht als gemiddeld op een van de
overige dagen van de week. Hieruit volgt dat alle koeien, die anders op zondag
zouden zijn aangeboden, nu op zaterdag of maandag werden geïnsemineerd.
Vervolgens werden de inseminaties ingedeeld naar de ouderdom van het gebruikte
sperma (le, 2e of 3e dags) en de dag waarop ze werden verricht. Beperken we ons
tot de resultaten van het eerstedags sperma — dat van de tweede en derde dag gaf,
zij het op lager niveau, een overeenkomstig resultaat — dan zien we per werkdag
een drachtigheidspercentage als weergegeven in tabel 3.

Tabel 3.

Bevruchtingsresultaten per dag met eerstedags sperma (K.I. Oerle).

Dag

Aantal Drachtig

le insem. aantal %

Maandag .... 3131 2054 65,6

Dinsdag .... 1485») 950 64,0

Woensdag ... 1893 1247 65,0

Donderdag . .. 1802 1174 65,1

Vrijdag .... 1779 1146 64,4

Zaterdag . . 3070 1977 64,4

Totaal 13160 8548 65,0

-ocr page 440-

Voor de resultaten van de zaterdag en de maandag houdt dit in, dat geen ongun-
stige invloed aanwijsbaar is van eventuele inseminaties die op zaterdagavond „te
vroeg", of op maandag „te laat" verricht zouden zijn.

Het is duidelijk, dat de hierboven aangehaalde waarnemingsuitkomsten niet met el-
kaar in overeenstemming zijn. Men mag daarbij echter niet uit het oog verliezen,
dat ze ook op zeer verschillende manier zijn verkregen. Zo is b.v. bij de waarne-
mingen in Buitenpost een selectie toegepast naar stieren, inseminatoren en dagen,
wat in Oerle niet gebeurd is. Bovendien zijn de waarnemingen in Buitenpost tijdens
één seizoen verricht, terwijl die in Oerle zich over een aantal jaren uitstrekken. Het
laatste woord in deze zaak is dan ook stellig nog niet gesproken, temeer daar het
hier niet slechts een technisch en bedrijfseconomisch probleem, maar tevens een
kwestie van personeelsbeleid betreft.

R. Strikwerda.

GRENSMAATREGELEN WEGENS MOND- EN KLAUWZEER IN ENGELAND.

De invoer in Nederland van slachtrunderen cn van vlees van runderen, schapen en
varkens uit Groot Britannië en Noord-Ierland zal ingaande 15 augustus aanstaande
te 0.00 uur tijdelijk niet meer zijn toegestaan.

De doorvoer, gepaard aan overladen in ons land van runderen, afkomstig uit het
Verenigd Koninkrijk en bestemd voor een EEG-lidstaat, zal per gelijke datum even-
eens zijn opgeschort.

De minister van landbouw en visserij is tot deze tijdelijke maatregelen overgegaan
wegens optreden van mond- en klauvraeer in Engeland.

-ocr page 441-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

RABIES.

Van februari 1964 af zijn in Zuid-Denemarken, langs de grens met Duitsland, circa
honderd gevallen van rabiës geconstateerd. Bijna 70 procent hier\\\'an deed zich voor
onder vossen.

Reeds spoedig na de eerste gevallen is een uitgebreide actie ingezet om het gevaar
te keren. Er werd een premiestelsel ingevoerd en de vossen werden zoveel mogelijk
vergast.

Bovendien werden ongeveer 18.000 honden tegen rabiës geënt. De gehele actie heeft
ruim een miljoen gulden gekost. Het resultaat is geweest, dat sinds februari van dit
jaar geen gevallen van rabiës meer zijn gemeld uit Denemarken.
Intussen breidt de rabiësbcsmetüng in het Duits-Belgische grensgebied zich nog uit.
In en rond de Eiffel zijn tientallen gevallen van rabiës geconstateerd, niet alleen
onder het wild, maar ook bij huisdieren.

De Belgische Veeartsenijkundige Dienst stelt alles in het werk, verdere verspreiding
tot staan te brengen. Onder meer door in de bedreigde gebieden alle honden en
katten te laten enten. Loslopende honden en katten moeten evenals het wild worden
afgeschoten.

In .grote gebieden van België is de enting van jachthonden verplicht gesteld. Van
rabiësgevallen onder mensen is nog geen melding gemaakt.

Alles wijst erop, dat de epidemie bijna tien jaar geleden in de buurt van Polen onder
wolven is begonnen en via Duitsland naar het Westen is doorgedrongen.
Zuid-Limburg loopt nog geen direct gevaar, hoewel uiterste waakzaamheid uiteraard
geboden blijft.

MOND- EN KLAUWZEER.

In Northumberland in Engeland waren tot 1 september circa dertig gevallen van
mond- en klauwzeer voorgekomen.

Naar het Engelse blad The Guardian weet te berichten, zou in het Rothbury-district
een boer in het ziekenhuis zijn behandeld, verdacht van mond- en klauwzeer. Hij had
blaren op handen en in de mond.

De mond- en klauwzeerepizootie, die in het begin van dit jaar in West-Duitsland is
uitgebroken, is vrijwel geëindigd. Het Ministerie van Landbouw te Bonn deelde eind
augustus mee, dat nog zeven bedrijven door de ziekte zijn aangetast.
De afgelopen maanden zijn circa 47.000 varkens, 16.000 runderen en 700 schapen
afgeslacht. Ongeveer veertien miljoen runderen werden gevaccineerd.
Intussen heeft het Ministerie van Landbouw een ontwerp-verordening opgesteld, tot
het jaarlijks preventief vaccineren van alle in de Bondsrepubliek aanwezige runderen,
ouder dan twee weken, met een vaccin van de typen A, O en C.

BUITENLANDSE DIERENARTSEN IN ONS LAND.

Met een fellow.ihip van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ont-
wikkeling te Parijs, brengt Dr. B. C. Y a 1 ? i n uit Turkije van 1 september tot
8 oktober een studiebezoek aan Nederland.

Dr. Yalgin is secretaris van de Animal Health and Animal Husbandry Research
Division, onderdeel van dc Turkish Scientific and Technical Research Council te
Ankara.

Hij bezocht in ons land talrijke instituten en laboratoria, zowel op het terrein van
diergeneeskunde als van vee- en pluimveeteelt, voedingsonderzoek en veterinaire
volks.gezondheid.

Na Nederland zal hij Denemarken bezoeken. Doel van de reis is, zich op de hoogte te
stellen van de organisatie van het wetenschappelijk onderzoek in deze landen, teneinde
vertrouwd te raken met de huidige stand van dit onderzoek. Dit met het oog op
de verdere ontwikkeling van de research in Turkije.

-ocr page 442-

In het kader van een fehowship van de World Health Organisation, bezoekt van 19
tot en met 30 september Mr. S v e n O 11 e r 1 i n ons land. Mr. O 11 e r 1 i n is
hoofd van de afdehng Voedselhygiëne en Diergeneeskunde in het Kronoberg-distriet
in Zweden. Hij maakt een studiereis door Duitsland, Nederland en Engeland.
Na te zijn ontvangen op de Veterinaire Hoofdinspectie van de Volksgezondheid te
Leidsehendam, zal de heer O 11 e r 1 i n onder meer bezoeken brengen aan het Rijks-
instituut voor de Volksgezondheid te Utrecht, aan het openbaar slachthuis aldaar,
aan de keuringsdienst en een exportslachterij en vleeswarenfabriek te Ede, aan het
Centraal Instituut voor Voedingsonderzoek T.N.O. en het Nederlands Centrum voor
Vleestechnologiï te Zeist, aan de Eerste Nederlandse Slagersvakschool te Utrecht en
aan het openbaar slachthuis en de keuringsdienst te Amsterdam.

VARKENSPEST.

Veriiep 1964 gunstig door een vrij sterke daling van het aantal gevallen van varkens-
pest, hetzelfde kan niet worden gezegd van 1965.

Kort voor de jaarwissehng 1964- 1965 begon zich reeds een kentering af te tekenen
en in de eerste maanden van 1965 liep het aantal gevallen snel omhoog met een
topaantal van 165 in april.

Na een nieuwe daling tot augustus volgde weer een stijging tot november, waarna zich
een daling inzette die tot in 1966 doorliep.

Een overzicht van het aantal gevallen over 1965 toonde het volgende beeld:

Provincies

jan.

feb.

mrt.

april

mei

juni

juli

aug.

sept.

okt.

nov.

dec.

totaal

Groningen

4

-

-

-

-

1

-

-

-

5

Friesland

1

6

1

1

1

10

Drente

2

13

13

3

1

1

I

1

35

Overijssel

3

4

12

14

9

16

14

3

9

16

20

32

152

Gelderland

29

16

38

66

61

56

39

14

21

25

29

23

417

Utrecht

9

2

6

16

12

10

8

4

4

2

4

3

80

N.-Holland

1

4

9

3

4

6

2

4

6

39

Z.-Holland

7

6

7

8

15

23

5

10

10

6

8

2

107

Zeeland

1

3

3

1

5

1

14

N.-Brabant

2

1

25

30

25

19

27

21

16

12

35

24

237

Limburg

1

1

5

2

7

3

2

1

22

Totaal 1965

51

34

101

165

141

142

99

61

71

64

103

86

1118

In vergelijking met de voorafgaande jaren:

Totaal 1964

117

96

90

94

71

55

68

44

44

33

28

41

781

Totaal 196.1

55

78

93

126

108

59

90

48

65

53

53

146

974

Totaal 1962

72

41

62

49

33

21

32

29

44

36

44

49

512

Totaal 1961

141

126

123

115

203

193

188

145

141

128

113

113

1729

Totaal 1960

120

119

127

116

167

166

122

136

111

118

111

106

1519

Ongetwijfeld werden de golfbewegingen in het aantal gevallen van varkenspest mede
veroorzaakt door de markt- en vervoersverboden in verband met de mond- en klauw-
zeerbestrijding. Hierdoor moesten de varkens noodgedwongen langer op de bedrijven
blijven liggen, waardoor een aantal moeilijk te diagnostiseren gevallen van varkens-
pest tenslotte werden onderkend. Daarnaast nam uiteraard het aantal contactinfecties
af. Naarmate de verplaatsingsmogelijkheden weer toenamen, steeg ook het aantal
gevallen van varkenspest.

-ocr page 443-

Mond- en

Schurft bij

Rotkreupel

Miltvuur bij

Varkenspest

Pseudo-vogelpest

klauwzeer

schapen en

bij schapen

alle vee

Provincie

eenh. dieren

Aantal stallen

\\antal stallen

\\antal stallen

\\antal stallen

\\antal stallen

Aantal bedrijven

Groningen

_

4

42

2

5

Friesland

42

185

8

10

2

Drenthe

10

1

56

1

35

1

Overijssel

97

25

1

152

Gelderland

207

3

30

14

417

Utrecht

3

7

17

4

80

Noord-Holland

33

170

5

39

1

Zuid-Holland

6

36

7

107

1

Zeeland

1

2

14

Noord-Brabant

904

2

19

237

1

Limburg

204

6

22

8

Nederland 1965

1426

98

563

67

1118

14

Nederland 1964

146

92

470

63

781

23

CO

w
cn

S

W
H
H
tn
f

w
<

w
w

N
W

H
M
2

CTl

N3
Ol
O

-ocr page 444-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

Oktober,

2—8, Wereld Congres voor Dierlijke Voeding, Madrid, (pag. 491)

5, Keuring stierkalveren (F.H.), Leeuwarden.

7—8, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde, II 3e Algemene Verga-
dering, Utrecht, (pag. 709)
13—15, Deutsche Veterinärmcd. Gesellschaft, Fachgruppe: Klcintierkrankhcitcn ;

Tagung in Hannover. (Nadere gegevens verkrijgbaar op het bureau der
K.N.M.v.D.)

29, Groep Geneeskunde v. h. KI. Huisdier K.N.M.v.D. Ledenvergadering,
(pag. 1262)

November,

8, Ned. Zoötechnische Vereniging, Najaarsbijeenkomst.

10. Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm, Laboratoriumdieren. Symposium, Lab. v. Physiologie,
Wassenaarscwcg 62, Leiden, (pag. 625)

December,

8, .Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.30 uur. Groot-
handelsgebouw, Rotterdam, (pag. 1261)

1967

A pril,

26—28, Congres „Ges. f. Vcrsuchstierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, A.C.V.-Controle. Landelijke studiedag, Lunteren.

Juli,

17—2!, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 445-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU
Enquête dierenartsenvrouwen.

Er kwam een groot aantal reacties binnen, ± 150, waarbij vrijwel allen zich uit-
spraken voor het vormen van een kring van echtgenoten en weduwen van dieren-
iutsen, als onderafdeling van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Gezien de suggesties en wensen, lijkt het aangewezen dit provinciegewijs te orga-
niseren.

Enkele van deze suggesties waren:

1. Geregelde bijeenkomsten, met eventueel excursies, in de provincies.

2. Onderlinge hulp en kontakt.

3. Enkele keren per jaar kleine verslagen en andere berichten in het Tijdschrift
voor Diergeneeskunde, met aparte overdrukjes voor hen, die het tijdschrift niet
ontvangen.

4. Een centraal comité in Utrecht om:

a. het kontakt met het bureau van de Maatschappij en de prov. afdelingen te
onderhouden;

b. één of meer landelijke bijeenkomsten te organiseren. In ieder geval een
samenkomst op de dag van de jaarvergadering van de Maatschappij;

c. kontakt met het buitenlannd.

De overige voorstellen kunnen pas later nader worden besproken.

Om tot meer concrete plannen tc komen, stellen wij ons voor, een nader gesprek

te hebben met zoveel mogelijk dicrenartsenvrouwen en weduwen en wel op 7 oktober,

de dag van de jaarvergadering, om 5 uur in de foyer van het Jaarbeursgebouw,

waar later op dc avond een „walking supper" zal plaatsvinden.

Aan de besturen van de provinciale afdehngen werd een verzoek gericht te willen

helpen het kontakt tussen de dierenartsenvrouwen tot stand te brengen.

Wij hopen dat de dames, die zich bij de enquête bereid verklaarden actief mede

te werken, hierbij t.z.t. hun steun willen verlenen.

Het voorlopige comité,
G. H. L. de Bois - Reinhold
G. Numans - Rutgers
W. F. Roepke - Ronhaar
A. Swierstra - Sikma
A. E. Wagenaar - Schaafsma

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Zuid-Holland

De afdeling Zuid-Holland organiseert op 8 december a.s. om 20.30 uur in het
Groothandelsgebouw te Rotterdam een ledenvergadering.

Afdeling Noord-Brabant

Kort verslag van de op 14 juni 1966 gehouden algemene ledenvergadering in Hotel
Modern te Tilburg.

-ocr page 446-

Ora 20.20 uur kan de voorzitter, collega B. L. T h i e n, 29 leden welkom heten.
Als gast en inleider is collega Dr. J. Bouw aanwezig en collega H. M. H. L.
H o r b a c h wordt welkom geheten als afgevaardigde van het Hoofdbestuur.

De notulen van de vorige vergadering worden zonder opmerkingen goedgekeurd.
Na voorlezing van de ingekomen stukken worden door de secretaris enkele medede-
lingen gedaan. Een voorstel om collega Commandeur bij zijn veertig jarig
dierenartsjubileum een bloemenmand te offreren vindt algemene instemming. Met de
Provinciale Gezondheidsdienst is overeengekomen om de tuberculinatie van het rund-
vee met ingang van de komende onderzoekperiode voortaan om de drie jaar te doen
plaatsvinden. Ook zal in samenwerking met de Gezondheidsdienst er naar gestreefd
worden de fokvarkensstapel in Brabant tweemaal per jaar te enten tegen mond- en
klauwzeer. In september zal er op verzoek van de Gezondheidsdienst en met in-
stemming van het afdelingsbestuur een onderhoud plaats vinden tussen het dagelijks
bestuur van de Gezondheidsdienst en de toezichthoudende dierenartsen bij de K.I.-
stations, ter bespreking van de gang van zaken.

Met algemene stemmen worden de nieuwe leden collega H. F. G. M. M e ij e r te
Vught en collega J. H. M. B u i t e m a n te Etten aangenomen als lid van de Afde-
ling.

Collega Dr. J. Bouw houdt hierna een op de praktijk afgestemde causerie over de
bloedgroepen bij landbouwhuisdieren. De discussie na afloop laat duidelijk zien dat er
met grote belangstelling is geluisterd. De voorzitter dankt na afloop collega Bouw
dan ook hartelijk voor zijn uitstekende lezing.

Als kandidaat voor de vacature T a c k e n in de Redaktie van het Tijdschrift wordt
door de vergadering collega Dr. Jaartsveld voorgedragen. Collega Jaarts-
veld wil het nog even in beraad houden.

Bij de bespreking van het verslag van de vergadering van het Algemeen Bestuur licht
collega Kemperman als afgevaardigde enige punten toe.

Zo merkt hij onder meer op dat wat betreft het oprichten van cen Groep Practici
Brabant vrijwel alleen staat en dat het kontakt tussen afdeling en Hoofdbestuur
geïntensiveerd zal worden door 4 maal in plaats van 2 maal per jaar te vergaderen.
Collega H
O r b a c h deelt nog mede waarom het gewenst is dat collega Heeg
nog een jaar penningmeester blijft van dc Maatschappij. Ook wijst hij op het grote
belang van een goed uitgevoerd onderzoek op CRD bij pluimvee en vraagt hierbij de
grote medewerking en plichtsbetrachting van de practici.

Bij de rondvraag wordt de uitlating van het Hoofdbestuur aangaande het laten door-
lichten van de praktijk van de practicus teneinde een inzicht te krijgen in het inkomen
van laatstgenoemde ter sprake gebracht. Meerdere collegae zien er geen nut in, omdat
het slechts van belang zou zijn voor een deel van het inkomen, n.l. dat wat verkregen
wordt uit de massawerkzaamheden. Collega Bouw acht het ook voor de consultatieve
praktijk gewenst. Men ziet echter op tegen de kosten van het onderzoek. Als die
financiën er zijn heeft het Hoofdbestuur geen enkel bezwaar tegen de doorlichting.
Om 20.30 uur sluit de voorzitter de prettig verlopen zijnde vergadering met dank
aan allen voor hun komst en bijdragen cn een wel thuis.

/. G. M. Claessens, secretaris.

VAN DE GROEPEN.

Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier.

De Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier organiseert op 29 oktober a.s. om
14.30 uur in de Kliniek voor Kleine Huisdieren te Utrecht een ledenvergadering.

-ocr page 447-

ACTUALITEITEN.

Promotie collega G. H. Huisman.

Op donderdag 30 juni 196t> promoveerde collega G.
H. Huisman tot doctor in de diergeneeskunde op
het proefschrift, gedteld: „Het hartminuutvolume van
de hond". De promotor was Prof. Dr. C. Romijn.
Het proefschrift behandelt een onderzoek om te komen
tot een bepaling van de fysiologische waarde van het
hartminuutvolume bij de hond.

Collega Huisman werd op 3 augustus 1934 te
Barneveld geboren. Na het behalen van het diploma
Gynmasium B aan het Johan van Oldenbarnevelt
Gymnasium te Amersfoort werd in 1953 een aanvang
gemaakt met de studie in de diergeneeskunde.
Gedurende de laatste studiejaren was hij reeds als
assistent verbonden aan het Laboratorium voor Vete-
rinaire Fysiologie. In februari 1960 werd het dierenarts-
tot wetenschappelijk medewerker werd benoemd aan

examen afgelegd, waarna hij
ditzelfde Laboratorium.

Collega Gotink directeur van de Gezondheidsdienst Overijssel.

Per 1 juli 1966 werd collega W. M. G o t i n k benoemd
tot Directeur van de Gezondheidsdienst voor Dieren in
Overijssel.

Collega Gotink werd op 20 september 1923 ge-
l boren te Warnsveld. Na op het Lyceum te Zutphen

\' een middelbare opleiding te hebben genoten, begon hij

«Bk-^U^^"^^ in 1941 zijn studie in de diergeneeskunde. Deze studie

® ^ werd i.v.m. de oorlog 2/2 jaar onderbroken en resul-

teerde in 1949 in het behalen van het dierenarts-
diploma.

Na enige maanden praktijkwaarneming trad hij in dat-
zelfde jaar in dienst bij de Gezondheidsdienst voor
Dieren in Overijssel. De eerste 3 jaren hield hij zich
speciaal bezig met de georganiseerde dierziektenbestrij-
ding. In 1952 werd hij belast met het toezicht op de
K.I. en met de steriliteitsbestrijding. In dit verband werd o.a. een speciaal onderzoek
ingesteld naar het voorkomen van erfelijke gebreken bij runderen en werd de varkens
K.I. ontwikkeld, waarover ook publikaties zijn verschenen.

Sinds 1959 was hij belast met de bestrijding van varkensziekten en met de opbouw
van een georganiseerde varkensziektenbestrijding. In 1963 volgde zijn benoeming tot
plaatsvervangend directeur. Ook is hij sinds 1950 leraar aan de Rijks M.L.S. te
Zwollerkerspel.

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur heeft als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
aangenomen collega

A. B. M. van der Steen, Houtgoorstraat 7 te Chaam.

Het Hoofdbestuur heeft als kandidaadid van de Kon. Ned. Maatschappij voor
Diergeneeskunde aangenomen de diergeneeskundige student

M. M. J. L. Benders, Ripperdaplein 16 te Utrecht.

-ocr page 448-

Adreswijzigingen e.d.:

Badiehi Y van Utrecht naar Tel .Aviv (Israël), Lessin Street 13. (van 162 naar 232)
Beemink, W., Nijkerk, Langestraat 7, tel. (03494) 12 06, gr. 901130, D. b/d K.I.

„West Veluwe", Barneveld. (16-^)

Blok W M. Voorthuizen, Baron v. Nagellstraat 28, tel. (03429) 13 16, gr. 958964,
p\' (165)

Hoogland, M. H., Barneveld, naar Thorbeckelaan 2 aldaar. (186)

Kapteyn, T., van Rotterdam naar Reeuwijk, John Raedeckersingel 64, tel. (01829)
24 49 (privé), (010) 12 25 87 (bur.), gr. 78525, I.V.D. en I.V.G. (190)

Koiter, D., van Bilthoven naar Enschede, Merelhof Flat 904, Espoortstraat 257. (193)
Koksm\'a, F. J., van Utrecht naar Haarlem, Raamsingel 28, tel. (02500) 13 16 4, P.,
ass. bij J. D. Beijers. (193)

Koopmans, K. J., van Marum naar St. Nicolaasga, Rijlst 218, tel. (05134) 52 7,
gr. 864973, P. (193)

Meursinge, J. A., Huntly (New Zealand), 10 Russell Road. (233)

Nijsen, H. J., Weerselo, Bisschopstraat 12, tel. (05416) 31 3, gr. 816956, P., geass.

met\'j. A. J. M. Peters te Oldenzaal. (204)

Roy J J le Rotterdam, naar van der Hehnstraat 16 aldaar, tel. (010) 12 46 30
(privé), 11 72 20 (bur.), gr. 301398, K.D. ab., R.K. (bz.d.). (211)

Veldhuis, H. W. G., Someren, naar Beatrixlaan 25 aldaar, tel. (04937) 17 70, gr.
1021953, P., geass. met M. M. F. H. van Kuijk, sp. 8.30-10, kl. h. 19-19.30,
toez. K.I. „Peelland" te Lierop. (221)

Westra, S., Oude Wetering, naar Meerkreuk 9 en 11 aldaar, tel. ongew. (227)
wailemse, A. H., van Utrecht naar Woudenberg, Willem de Zwijgerlaan 105, tel.
(03498) 19 26 (privé), (030) 71 55 44 (bur.), gr. 684715, wetensch. ambt. le kl.
R.U. (F.d.D., Kliniek Veterinaire Verloskunde en Gynaecologie). (228)

Zeeuwen, A. A. P. A., van Goor naar Tegelen, Gasthuisstraat 26. (230)

Overleden:

G. H. Aalfs te Gouda, 9 september 1966.

H. J. van Daal te Zeist, 20 augustus 1966.

Rectificatie.

Blz. 1179: Referaat: „Repositie van torsio uteri bij de merrie", niet geschreven door
J. Hendrikse maar door P. van Schaik.

-ocr page 449-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

P. Hoekstra, Het nieuwe keuringsrapport van het Nederlands
Rundvee Stamboek — The new evaluation scheme of the

Netherlands Cattle Herdbook —........1265

P. Hoekstra, Het gebruik van de melk-, vet- en eiwitindex in
de rundveefokkerij — The use of the milk-, fat- and protein

index in cattle breeding ■—.........1271

D. H. ]. Brus, A. C. Voeten en H. F. Deckers, De preventie van
een Mycoplasma gallisepticum, besmetting bij slachtkuikens door
een eibehandeling. Een praktijkonderzoek — The prevention
of Mycoplasma gallisepticum infection in broiler chickens by

means of treatment of the eggs —.......1275

A. C. Voeten, De preventie van infectieuze sinusitis bij kal-
koenen door behandeling van broedeieren volgens de direkt-
drukverschil-methode in een tylosine oplossing ■— The pre-
vention of infectious sinusitis in turkeys by means of treatment
of hatching eggs according to the direct pressure difference

method in a tylosine solution.........1282

J. Donker-Voet en A. van der Burg, Een geval van mastitis bij
runderen, veroorzaakt door Aerobacter aerogenes — Bovine

mastitis caused by Aerobacter aerogenes —.....1288

R. Post en F. H. J. Jaartsveld, De waarde van de Brabantse
mastitis reaktie (B.M.R.) als diagnostikum bij de mastitis-
bestrijding — The value of the Brabant mastitis test as a
diagnostic aid in mastitis-control
—.......1292

REFERATEN

Algemeen.............I3O3

Bacteriële- en virusziekten.........I3O3

Kunstmatige inseminatie..........1304

Stofwisselings. en deficiëntieziekten.......1305

BOEKBESPREKING

H. ]. Hapke, Experimentelle Untersuchungen über den Einfluss
verschiedener Pharmaka auf den Adrenalin- und Noradrenalin-

Gehalt des tierischen Organismus........I3O6

D. L. Piermattei and R. G. Greeley, An atlas of surgical
approaches to the bones of the dog and cat
.....1307

BERICHTEN EN VERSLAGEN

World Veterinary Association........1308

Samenvatting van de discussie op het symposium over P.I.-3-
entstof, gehouden te Utrecht op 21 mei 1965
..... 1308

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1311

VARIA.....................

DOORLOPENDE AGENDA............I313

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van de Groepen............1314

^ Actualiteiten................

Personalia.......................1314

-ocr page 450-

4AKTUELE LEO SUSPENSIES

voor een effektieve behandeling van mastitis

LEOCILLIN
LEOCILLIN met D.H.S.

Beide in Leovet flacons a 100 ml en In doorzichtige Injektoren met
speciale tepelcanule.

STREPTIPEN

STREPTIPEN PROCAINE met DELCORTIN

Belde In Leovet flacons è 100 ml.

Bij afname van 10 Leovetflacons een nieuw ontwikkelde steriliseer-
bare nylon recordspuit (Ideaal voor oliesuspensies) gratis.

UITVOERIGE LITERATUUR OP AANVRAAG.

f LEO PHARMACEUTISCHE PRODUCTEN N.V.

^ JULES VERNEWEG 31 EMMEN TE LE FOO N 0591 O - 22 31

O

-ocr page 451-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Het nieuwe keuringsrapport van het Nederlands
Rundvee Stamboek

The new evaluation scheme oj the Netherlands Cattle
Herdbook
door P. HOEKSTRA1)

Op de bestuursvergadering van het N.R.S. van 12 april 1965 (zie
redactie, 1965) werd het besluit genomen om het sedert 1907 toegepaste
en sedertdien praktisch niet veranderde keuringsstelsel annex keurings-
rapport grondig te wijzigen. Dit besluit moet gezien worden als een lo-
gische stap in de ontwikkeling van de waardering der exterieurkeuring.
En wel in deze zin dat steeds minder gelet wordt op eigenschappen die
alleen of in hoofdzaak van betekenis zijn uit een oogpunt van rastypisch -
zijn of schoonheid en steeds meer op die welke de bruikbaarheid bepalen
(Hoekstra, 1963).

Het keuringsrapport voor koeien — dat voor stieren wijkt hier slechts in
onderdelen vanaf — is als volgt opgesteld.

Keuringsrapport voor Koeien.

Voedingstocstand:
Bijzonderheden:

Bouw

Ontwikkeling

Type

Mclk-
tekens

Beenwerk

Bespiering

Algemeen Voorkomen

Omschrijving:

Vorm, ogen neus .......................................... Speen vorm ...

Horens ....................................................... Meikaderen

Borst en hals ............................................... Romplengte

Schoft en schouders ................................ Schofthoogte .

Ribben en flanken ..................................... Kruishoogte

Rug en lendenen Borstdiepte

Kruis (bekken) .................................... Borstbreedte .

Dijen en schenkels ....................................... Heupbrccdtc

Staart, banden en staartstuk Bekkenbrcedte

Bespiering ............................................ Kruislengte

Stand, gang en sterkte ...........................

Klauwen ...............................................

Klcuraftekening ......................................

Huid en haar ..........................................

Uierkwaliteit ...........................................

Uiervorm en -ontwikkeling ....................

Spcenplaatsing .......................................

1  Prof. Dr. P. Hoekstra; hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de
Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 452-

Voor enkele gebruikte termen wordt de volgende toelichting gegeven.

1. Bouw

Onder de bouw te verstaan: de soliditeit van het dier (voor zover uiterlijk
waarneembaar). Bij de beoordeling behoeft de hoedanigheid van beenwerk
en uier speciale aandacht.

Voorts zullen, los van soliditeit, een te grote onevenredigheid van bouw,
een te grote mate van grofheid en een te vergaande verfijning tot een
lagere waardering moeten leiden.

2. Ontwikkeling

Onder ontwikkeling te verstaan: de hoogte- en breedtematen, de lengte-
maat en het volume van de middenhand, in verband met de leeftijd.

3. Type

Onder type te verstaan: het geheel der verhoudingen in zij- en boven-
aanzicht en daarnaast de mate van adel.

Adel wordt bepaald door de mate waarin de raskenmerken aanwezig zijn,
alsmede door een fraaie verschijningsvorm.

4. Melktekens

Onder melktekens te verstaan: uier, spenen, meikaderen en huid en haar.
Bij de beoordeling van de melktekens te letten op:

a. plaatsing, vorm, ontwikkeling, soliditeit en kwaliteit van de uier;

b. vorm, lengte en plaatsing van de spenen;

c. de ontwikkeling van de meikaderen;

d. de kwaliteit van de huid en de beharing.

5. Beenwerk

Onder beenwerk te verstaan: de ledematen. Deze te beoordelen op ont-
wikkeling, stand, gang en sterkte van de benen, alsmede op de vorm, de
ontwikkeling en de hardheid van de klauwen.

6. Bespiering

Onder bespiering te verstaan: de bekleding van het geraamte met spier-
weefsel. Bij de beoordeling met name te letten op de mate van gevuldheid
van rug, lendenen, kruis en dijen.
De bespiering mag noch te licht noch te zwaar zijn.

7. Algemeen voorkomen

Onder algemeen voorkomen te verstaan: de totaalverschijning van het
dier. De beoordeling hiervan komt tot stand uit de samenvatting van de
waardering voor: bouw, ontwikkeling en type, met inachtname van de
waardering voor: melktekens, beenwerk en bespiering.

Wat het opmaken van het rapport betreft wordt als bij het oude gebruik
gemaakt van letters en omschrijvingen, waaromtrent het volgende werd
opgemerkt.

„Voor de in de omlijsting (balk bovenaan het rapport) genoemde ele-
menten en voor het algemeen voorkomen worden dezelfde letters ge-
bruikt als vroeger, n.1.:

A = uitmuntend B = ruim voldoende

AB = zeer goed B— = voldoende

B-f- = goed BC = onvoldoende.

-ocr page 453-

De combinaties letter en punten voor algemeen voorkomen zijn als volgt:
A 90 t.m. 100 punten B 75 t.m. 79 punten

AB 85 t.m. 89 punten B— 70 t.m. 74 punten

B-|- 80 t.m. 84 punten BG niet inschrijvenswaardig.

Aan de verticaal opgesomde onderdelen worden geen letters meer toege-
kend. Deze zullen van een beoordeling in woorden worden voorzien, wan-
neer zij uitblinken dan wel afwijken. Dit laatste geldt dus ook voor de
kleuraftekening (bij M.R.IJ.-stieren wordt dus niet langer de vroegere
letter C gebruikt doch de aanduiding te wit)."

Het belangrijkste element van het nieuwe rapport is de „balk" waarbij uit
Bouw, Ontwikkeling, Type, Beenwerk en Bespiering de letter en de punten
voor het Algemeen Voorkomen wordt samengesteld.

Aan de hand van keuringen van een aantal koeien werd ter toelichting
het volgende staatje opgesteld.

Bouw Ontwikkeling Type

Melk-
tekens

Beenwerk Bespiering

Algemeen

Voorkomen

AB

AB

A

AB

AB

A

A

92

AB

A

B-h

AB

AB

AB

AB

87

AB

AB

AB

AB

B

B

AB

87

B4-

AB

AB

AB

B

B—

AB

85

B-f

B-h

AB

AB

B

B-f

B-i-

84

B-h

B-f

B

AB

B

B-i-

B-f

82

B-F

B-h

B—

AB

B

B—

B

79

B

B

B

B

B

B—

B

76

B—

B

B—

B

B—

B

B—

74

B—

B—

B—

AB

B

B—

B-

72

Hieruit blijkt dat in hoofdzaak de voor bouw, ontwikkehng en type ge-
geven letters de letter voor Algemeen Voorkomen bepalen.
De volgende notities kunnen t.a.v. dit nieuwe rapport gemaakt worden.

I. Vergelijking oude en nieuwe rapport

Het oude rapport was als volgt opgesteld: zie volgende bladzijde.

Bij vergelijking van het oude en nieuwe rapport valt in de eerste plaats
de „balk" als geheel nieuw element op. En dan als een element dat in
hoofdzaak met de bruikbaarheid te maken heeft. Bouw, Ontwikkeling,
Melktekens, Beenwerk en Bespiering bepalen toch in belangrijke mate de
bruikbaarheid van een melkkoe. Bij gebruik van dit rapport blijkt ook
inderdaad dat de bruikbaarheid in het middelpunt staat. Enigszins vreemd
bevindt zich tussen deze bruikbaarheidselementen het woord type, waar-
over meer onder H.

In de tweede plaats blijkt bij vergelijking van het oude en nieuwe rapport
dat, bij de opsomming der onderdelen die bij afwijkingen in positieve of
negatieve zin beschreven moeten worden enkele nieuwe zijn toegevoegd en
enkele zijn weggelaten.

-ocr page 454-

Beschrijving Letter

L Kop.

Vorm, Ogen Neus
Horens
II. Romp.

Borst en hals

Schoft en schouders

Ribben en flanken

Rug en lendenen

Kruis (bekken)

Dijen en schenkels (broek)

Staart, banden en staartstuk

III. Ledematen.

Stand, gang en sterkte

IV. Melktekens.
Huid en haar

Uier en ) vorm, ontwf.
spenen \\ kwaliteit
Meikaderen, -kuiltjes, -spiegel
V. Algemeen Voorkomen.

Evenredigheid, fijnheid, type
Toegekend aantal punten
Toeslag voor afstamming
Toeslag voor produktie

Totaal

Zo is na stand, gang en sterkte nog toegevoegd het onderdeel Klauwen.
Dit is m.i. een belangrijke toevoeging omdat men bij de beoordeling wel
aan dit tot nu toe verwaarloosde onderdeel aandacht moet schenken.
Verder vinden we op alle keuringsrapporten voor huid en haar het woord
Kleuraftekening. Dit is kennelijk bedoeld voor het M.R.IJ.-ras, waarbij
de lichte dieren als „te wit" worden aangegeven.

Tenslotte is de beoordeling van het uier nog wat meer systematisch oj)-
gezet. Werden bij het oude rapport uier en spenen samen op vorm, ont-
wikkeling en kwaliteit beoordeeld, in het nieuwe rapport worden na el-
kaar onderscheiden: uierkwaliteit, uiervorm en ontwikkeling, spcenplaat-
sing en speenvorm.

Weggelaten zijn in het nieuwe rapport de beoordeling van de rnelkkuiltjcs
en de melkspiegel. Alleen de meikaderen zijn overgebleven.
Het is merkwaardig hoe lang eenmaal aanvaarde normen blijven leven.
De beoordeling van de melkspiegel dateert uit de 19e eeuw, toen Fran-
çois Guenon in Frankrijk zijn melkspiegelleer ontwikkelde. Hij was
van mening en enkele officieel ingestelde commissies bevestigden de juist-
heid ervan, dat men aan de grootte en de vorm van de melkspiegel, on-
geacht het ras, kan zien hoeveel melk een rund zou geven (Van P o p t a,
1965). Ook werden de zaadspiegels van stieren beoordeeld. In Nederland
werd de theorie van Guenon ook aangehangen, hetgeen blijkt uit het
feit dat in de eerste aflevering van het Nederlands Rundvee Stamboek de

-ocr page 455-

melkspiegel, verdeeld in klassen en orden, vermeld was. Velen waren het
hier echter niet mee eens, en toen de Nederlandsche Maatschappij tot
Bevordering van de Veeartsenijkunde in 1877 unaniem de conclusie trok:
„a. dat de melkspiegel slechts in verband met andere melkteekenen
eenige waarde hebben kan.
b. dat eene verdeeling der melkspiegels in klassen en orden door niets
gerechtvaardigd is",
besloot het N.R.S. in 1877 om de melkspiegel niet meer in het gedrukte
stamboek op te nemen. Maar het moest tot 1965 duren voordat de melk-
spiegel uit het keuringsrapport verdween.

Nu met de melkspiegel ook de melkkuiltjes verdwenen blijft de vraag hoe
lang nog de meikaderen op het keuringsrapport zullen voorkomen.

II. De kwestie van het type

Opgemerkt werd dat het type enigszins merkwaardig te midden van de
bruikbaarheidsnormen als bouw, ontwikkeling, beenwerk enz. in de balk
voorkomt. Het is kennelijk nog een restant van de opvatting dat men aan
het type zou kunnen zien in hoeverre een dier een goed gebruiksdier is of
niet.

Dit is niet in overeenstemming met de moderne opvatting, dat de fijnere
nuanceringen van het type vooral te maken heeft met normen voor ras-
eigenschappen en schoonheid. Men kan dus goede gebruikskoeien van ver-
schillend type hebben. Of, zoals het rapport van de organisatiecommissie
rundveeteelt het in 1965 stelt:

„Aangezien de voor onze runderen gewenste eigenschappen niet ge-
bonden zijn aan een zeer nauwkeurig omschreven melkvleestype, mogen
om economische overwegingen niet te streng omschreven eisen aan dit
type worden gesteld. Dit te meer niet, omdat in de loop der tijden de
accenten kunnen veranderen; zo is bijv. het vlees thans belangrijker
dan enige tientallen jaren geleden".

Het begrip type hoort dus volgens moderne opvattingen van de exterieur-
keuring niet thuis in de balk die toch het belangrijkste onderdeel van het
keuringsrapport vormt. Bovendien wordt onder bouw reeds voldoende
aandacht aan belangrijke afwijkingen in type besteed. Dat het type daar
toch in paraisseert moet m.i. gezien worden als een concessie aan hen die
volgens de oude school een grote betekenis aan het type hechten. Als zo-
danig is het nieuwe keuringsrapport dan ook een compromis tussfen oude
en moderne opvattingen. Dit blijkt ook uit de zinsnede van de reeds eer-
der aangehaalde redaktionele mededeling van de Keurstamboeker d.d.
6-5-1965 die aldus luidt:

„Er is met name gediscussieerd over de plaats van het „type" in de zo-
genaamde „balk", omdat bij een aantal leden de vrees bestaat, dat de
waardering van het „type" in de verdrukking zou komen. In grote
meerderheid deelt het bestuur die vrees niet en naar wij menen doet zij
dat ook terecht niet. Door de opbouw van de „balk" is er een logische
synthese van gebruikswaarde en type.

Het zal vooral de taak van de FOKKERS zijn om door hun gespeciali-
seerde vakkennis er ook verder veel toe bij te dragen, dat het type op

-ocr page 456-

de juiste wijze met de gebruikswaarde van onze dieren zal zijn ver-
vlochten".

Samenvattende kan gesteld worden dat het nieuwe keuringsrapport ver-
geleken met het oude een grote verbetering betekent. Bij toepassing blijkt
het verder zeer praktisch te zijn, waarmee snel gewerkt kan worden.

SAMENVATTING.

Na een beschrijving van het nieuwe keuringsrapport van het Nederlands Rundvee
Stamboek wordt het vergeleken met het oude systeem. Het blijkt door de aparte
beoordeling van bouw, ontwikkehng, melktekens, beenwerk en bespiering sterk op de
bruikbaarheid te zijn gericht, hetgeen toe te juichen is.

SUMMARY.

The new inspector\'s report of the Netherlands Herd-Book is described and compared
with the former system. Inspection of the conformation, growth, udder and
teats, legs and feet, and musculation is found to be mainly directed towards usefulness,
which is to be welcomed.

RÉSUMÉ.

Après une description du nouveau bulletin d\'inspecdon du Livre Généalogique du
Bovin Néerlandais, on le compare avec l\'ancien système. Il paraît l\'évaluation que
séparée de la structure, de l\'évolution, des signes laiders, des extrémités et de la
musculature est fortement orienté vers l\'applicabilité ce qui mérite notre appréciation.

ZUSAMMENFASSUNG.

Nach einer Beschreibung des neuen Körungsrapportes des Niederländischen Rindvieh
Stammbuches, wird derselbe mit dem alten System verglichen. Hierbei ergibt sich,
dass derselbe bezgl. der aparten Beurteilung von Bau, Entwicklung, Milchmerkmale,
Knochenbau und Muskeln stark auf Nützlichkeit ausgerichtet ist, was nur zu begrüssen
ist.

RESUMEN.

Despues una descripcion de la memoria nueva de inspeccion del registro genealogico
del ganado vacuno holandes, se la ha comparado con el sistema viejo. Résulté que
el juicio aparte de estructura, desarrollo, indices de produccion de leche, huesos y
musculos esta muy dirigida a la utilidad, locual es aclamada.

LITERATUUR.

Commissie Organisatie Run d V e e t e e 1 t : Organisatorische en Fok-
technische aspecten van de rundveeteelt in Nederland, februari 1966.
Hoekstra, P.: Kentering in de waardering der exterieurkeuring van runderen.

Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1590, (1963).
P o p t a, J. A. van: Geschiedenis fokstal Knol, 1965.

Re dak tie: Een vergadering van historische betekenis. De Keurstamboeker, 13,
323, (1965).

-ocr page 457-

Het gebruik van de melk-, vet- en eiwitindex in
de rundveefokkerij

The use of the milk-, fat- and protein index in cattle
breeding

door P. HOEKSTRA1)

Politiek en Vos publiceerden in 1963 een onderzoek naar de moge-
lijkheid om de produktieaanleg van een stier in enkele eenvoudige getallen
uit te drukken. Dit zou dan een verbetering zijn ten opzichte van het tot
dien en ook thans nog gebruikte systeem waarbij naast de gemiddelde
produkties van de dochters per leeftijdsgroep, de moeder-dochter verge-
lijking eveneens per leeftijdsgroep worden opgenomen. Men heeft dan te
maken met grote aantallen cijfers, waaruit moeilijk conclusies te trekken
zijn. Bovendien zou het gebruik van in eenvoudige getallen uit te drukken
indexen het mogelijk maken deze in catalogi en eventueel stamboom-
papieren te vermelden.

Thans is de situatie zo dat in verslagen omtrent het fokwaarde-onderzoek
op grote schaal gebruik gemaakt wordt van indexen, zij het meestal naast
de cijfers van de moeder-dochtervergelijkingen. Men is hier in 1964 toe
overgegaan, waarbij deze indexen worden berekend uit de dochter-
moedervergelijking op ± tweejarige leeftijd.

Voor het berekenen van de rnelkindexen zijn minstens 50 m/d vergelij-
kingen nodig; voor de vet- en eiwitindexen — de h2 voor vet- en eiwitge-
halte is ongeveer 2 maal die voor hoeveelheid melk — kan met 25 worden
volstaan.

I. De vet- en eiwitindex

Uit berekeningen is gebleken dat het gemiddelde vetgehalte van een
dochtergroep van een sder ligt tussen het gemiddelde vetgehalte van de
moedergroep en de aanleg voor vetgehalte van de stier. Men komt dan tot
de volgende formule:

Vetindex = 2xV%D-V%M.
Wanneer het vetgehalte van de moeders 4% is en dat van de dochters
4,10% dan zal de vetindex van de vader moeten zijn:

2 X 4,10 - 4 = 4,20%.
Deze stier heeft dus sterk verhogend op het vetgehalte gewerkt.

Voor de eiwitindex kan een zelfde redenering opgezet worden, waarbij
deze dus wordt berekend volgens de formule:

Eiwitindex = 2xE%D-E%M.
Is het eiwitgehalte van de moeders bijv. 3,50% en dat van de dochters
3,30% dan moet de eiwitindex van de vader zijn:
2 x 3,30 - 3,50 = 3,10.
Deze stier heeft het eiwitgehalte dus sterk verlaagd.

Uit verschillende onderzoekingen o.a. van Kees tra (1964 en 1965), is
gebleken dat de vet- en eiwitindex weinig afhankelijk zijn van uitwen-
dige omstandigheden.

1  Prof. Dr. P. Hoekstra; hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de
Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 458-

Zo berekende Keestra voor „Kielewierster Takomst", no. 47059, van de
K
.I.-vereniging te Arum de volgende cijfers:

dochters

tijdstip

aantal

leeftijd

vetindex

eiwitindex

aantal
eiwitlijsten

voorjaar 1963

185

2

4.37

3.49

58

herfst 1963

295

2

4.36

3.46

112

voorjaar 1964

329

2

4.37

3.47

128

herfst 1964

407

2

4.36

3.45

168

De variatie van de vedndex van de stieren genoemd in de uitgave „K.I.
sderen in Friesland 1963-1964" bleek volgens K e e s t r a 3,63% tot 4,56%
te bedragen; de variatie in de eiwitindex was van 2,98% - 3,66%.
Voor de stieren genoemd in de uitgave 1964-1965 werden de volgende
variaties gevonden:

vetindex

eiwitindex

klassen

aantallen

klassen

aantallen

<3.75

1

<3.10

1

3.75-4

6

3.10-3.25

13

4.00 - 4.25

28

3.25 - 3.40

22

4.25-4.50

28

3.40-3.55

13

>4.50

2

>3.55

3

Als „goed" worden beschouwd een vetindex van ± 4% en hoger en een
eiwitindex van ± 3.30% en hoger.

II. De melkindex

Als maatstaf voor de melkprodukde wordt genomen de gemiddelde dag-
produktie omdat deze weinig beïnvloed wordt door de lengte van de lac-
tatieperiode. Aangezien de melkproduktie in veel sterkere mate door het
milieu wordt beheerst dan het eiwit- en vetgehalte, zal de melkproduktie
van een dochtergroep van een stier dichter liggen bij de gemiddelde pro-
duktie van de moeders dan bij de erfelijke aanleg voor melkhoeveclheid
van de stier. Moeders en dochters komen nl. veelal op hetzelfde bedrijf
voor.

Na onderzoek werd de volgende formule vastgesteld:

melkindex = 11.00 2 (kg D - 0.85 kg M - 1.65),
waarin de 11.00 de huidige gemiddelde dagproduktie van vaarzen voor-
stelt.

Voor „Kielewierster Takomst" wordt de melkindex dan als volgt berekend.

aantal lijsten

leeftijd

dagopbrengst

D

185

2

11,39

M

185

2

11,45

-ocr page 459-

De melkindex is 11 2 (11.39 - 0.85 x 11.42 - 1.65) =
11 2 (11.39 - 9.71 - 1.65) =
11 2 X 0.03 11.06 kg.
Door Kees tra (1964, 1965) werd uit de cijfers van de „K.I. stieren
1963-1964" berekend dat de melkindex varieerde van 7,3 - 13,8 kg.
Voor de stieren uit de uitgave 1964-1965 bleek de volgende spreiding in
melkindex te bestaan:

melkindex

aantal

melkindex

aantal

7 - 8

2

11 - 12

20

8- 9

1

12- 13

8

9- 10

10

13-14

3

10-11

19

Daar we uitgaan van moeders met een dagproduktie van 11 kg melk moet
een melkindex dus wel hoger liggen dan 11 om „goed" genoemd te kun-
nen worden. Stieren met een melkindex lager dan 10 dienen dus, behou-
dens bijzondere omstandigheden, niet gebruikt te worden.
Bij de overschrijvingsbepalingen die het N.R.S. in 1965 uitvaardigde t.a.v.
de overschrijving van dieren van het F.R.S. in het N.R.S. werd dan ook
als produktie-eis gesteld dat de stier tenminste een melkindex van 10.46
en een vetindex van minstens 3.80 moest bezitten. In 1966 trad echter
een nieuwe regeling in werking waarbij over en weer geen produktie-
eisen worden gesteld.

Een belangrijk punt bij het gebruik van de meikindexen is dat deze vrij
sterk door de uitwendige omstandigheden worden bepaald en van jaar tot
jaar dus aanmerkelijk kunnen verschillen. De verschillen kunnen zelfs
meer dan 1 kg bedragen. Bij vergelijkingen tussen stieren zal dit dus zo-
veel mogelijk per jaar moeten geschieden. Een behoorlijke betrouwbaar-
heid geeft ook het samennemen van drie achtereenvolgende jaren.
Opgemerkt moet nog worden dat cle indexen berekend worden uit de
moeder-dochtei vergelijkingen en niet iets geheel anders zijn. Door de in-
dexen woi\'den de moeder-dochtervergelijkingen alleen maar verduidelijkt.

SAMENV.ATTING.

Een uiteenzetting wordt gegeven over het gebruik van de vet-, eiwit- en melkindex
in Nederland.

SUMMARY.

The use of the fat, protein and milk index in the Netheriands is discussed.
RftSUMfi.

Un exposé est donné sur l\'emploi de l\'index de rnatières grasses, de protéines et de
lait aux Pays Bas.

ZUSAMMENFASSUNG.

Für den Gebrauch des Fett-, Eiweiss-, und Milchindex in den Niederlanden wird eine
.Auseinandersetung gegeben.

RESUMEN.

Se ha dado una explicacion del uso del indice de grasa, proteina y leche en holanda.

-ocr page 460-

LITERATUUR.

P O 1 i t i e k, R. D. en V O s, M. P. M. : Publieatie en interpretatie van de produktie-
vererving van stieren.
Landbouwk. Tijdschr., 75, 1091, (1963).
K e e s t r a, Dr. Ir. J.: Rondom de rundveefokkerij in Friesland. Artikelenserie in het

Fries Landbouwblad 1964 en 1965.
Provinciale Commissie voor de veefokker ij in Friesland:
K.I. stieren in Friesland, 1964- 1965.

Hondsdolheid.

NIEUWE ROTTERDAMSE COURANT.
Maandag 14 februari 1966.

ROTTERDAMSCHE DINGSDAGSE COURANT
van den 11 den February 1766.

PARYS den 3 February. Volgens een brief van Carpentras in \'t Graafschap van
Avignon, in dato 24 passato, is een schriklyk geval by een pardculier van die Stad
gebeurd: Een Heer met zyn nigte getrouwd, en de bruiloft in alle vreugde geëindigd
zynde, wierden de Nieuwgetrouwden in haar apartement geleid: Als zy \'s anderen-
daags niet voor den dag kwamen, begon de Familie ongeduldig te worden, en klopte
aan de deur en vengsters; maar men hoorde met ontroering een ongewoon stem-
geluid; en een ladder genomen hebbende, zag men door de glazen (waar van de
blinden openstonden) de vrouw op de vloer bebloed neerleggende, en den man haar
met zyn tanden verscheuren: Op deze afschuuwlyke vertooning liep men aan alle
kanten toe om de deuren te forceren; maar een lakei van den man, zig herinnerende,
dat zyn meester door een dolle hond was gebeten, wierd men, na overtuiging dat
dit de eenige oorzaak van zoodanig ongeluk was, genoodsaakt, den nieuwgetrouwden
man met pistolen dood te schieten: de vrouw is aan de beten gestorven.

6 April 1966.

ROTTERDAMSCHE SATURDAGSE COURANT
van den 5den April 1766.

P.ARYS den 31 Maart. Weinig dagen geleden ontmoete de Koning in het uitgaan van
den Tuin van Auteuil een rytuig, waar op twee Gerechtsdienaars met een Gevangene
zaten; zoo dra de Gevangene den Koning gewaar wierd, riep hy verscheidemaal
grace. De Koning gevraagd hebbende, welk zyn misdaad was, en verstaande, dat hy
een deserteur was, gelaste zyne Majt. dat hy naar Versailles zoude gebragt worden,
alwaar hy des anderendaags door den Hertog d\'.Ayen, met de gewone fonnaliten
ontslagen wierd.

Men is hier ze,;r ongerust voor Mevrouw de Hertoginne d\'Estrccs, welke door een
klein hondje, dat zy by zig had, cn men om deszelfs dolheid heeft moeten dooden,
in den duim gebeten is. De Chirurgyns hebben op den raad van de Hr. Tronchin
terstond de duim tot op het been toe ontbloot, en men wend de bekwaamste middelen
aan, om de dolheid voor te komen, en dus die Princesse, waar het mooglyk, te be-
hoeden voor het deerniswaardige uiteinde, het welk gewoonlyk het lot dier ongeluk-
kigen is.

-ocr page 461-

De preventie van een Mycoplasma gallisepticum
besmetting bij slachtkuikens door een eibehan-
deling. Een praktijkonderzoek.

The prevention oj Mycoplasma gallisepticum infection
in broiler chickens bij means of treatment of the eggs.

door D. H. J. BRUS1), A. C. VOETEN2)
en H. F. DECKERS3)

Van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant.

Inleiding

Een Mycoplasma gallisepticum besmetting bij pluimvee kan tot stand
komen door een besmetting afkomstig van de ouderdieren via het broedei.
Zie van Roekei e.a. (1952), Cover en Waller (1954), J e r s t a d t
e.a. (1948), Hofstad (1957), Fahey en Crawley (1954), van
Roekei e.a. (1958), CalnekenLevine (1957), Fabricant e.a.
(1959), Olesiuk e.a. (1960).

In een koppel kunnen kontaktbesmettingen plaats vinden.
Het is mogelijk in broedeieren antibiotica te brengen teneinde
Mycoplasma
gaHisepticum
te doden. Dit kan geschieden dor warme broedeieren onder
te dompelen in een koude antibioticumoplossing. Door de afkoeling neemt
de druk in de luchtkamers af, waardoor de dompelvloeistof via de poriën
van de eischaal in het ei dringt. Deze methode wordt door ons aangeduid
met temperatuur
-verschil methode. Zie Chalquest en Fabricant
(1959), Levineen Fabricant (1962), Olson e.a. (1962), W e r-
nicoff (1962), Stuart e.a. (1963), en Hall e.a. (1963).

Het is ook mogelijke antibiotica in broedeieren te brengen door toepassing
van direkte drukverschillen. Hiertoe worden eieren ondergedompeld in een
vat met een antibioticumoplossing. Het vat wordt hermetisch afgesloten
waarna de bovenstaande lucht wordt afgezogen. Hierdoor ontstaat een
onderdruk in de eieren. Nadat het vat geopend is, wordt de onderdruk
boven de eieren opgeheven waardoor de antibioticumoplossing naar binnen
geperst wordt. Deze methode wordt door ons
direct-drukverschil-methode
genoemd. (Voeten, 1965).

In deze studie wordt een praktijkondei-zoek beschreven waarbij zeer grote
aantallen broedeieren volgens de direkt-drukverschil-methode behandeld
worden in een tylosine-oplossing.
Dit onderzoek heeft een drieledig doel:

1. de mogelijkheid nagaan van het behandelen van grote aantallen broed-
eieren;

2. de consequenties hiervan voor de kuikenbroeder;

3. het resultaat van deze behandeling met betrekking tot de opfok van de
slachtkuikens.

1  Dr. D. H. J. Brus; direkteur, Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant,
Reehterstraat 80-82 te Boxtel.

2  Dr. A. C. Voeten; dierenarts. Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant,
Reehterstraat 80-82 te Boxtel.

3  H. F. Deckers; assistent buitendienst. Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Brabant, Reehterstraat 80-82 te Boxtel.

-ocr page 462-

Organisatie

In het kader van de slachtkuikenintegratie van de C.P.S. te Boxmeer werd
op één kuikenbroederij de broedbehandehng uitgevoerd.
De kuikenbroederij heeft een capaciteit van ± 30.000 kuikens per week.
De broedeieren voor deze kuikens zijn afkomstig van 11 vermeerderings-
bedrijven. Volgens onderzoek door de Gezondheidsdienst voor Pluimvee te
Soesterberg werden alle koppels moederdieren, waar de broedeieren van af-
komstig waren, serologisch
Mycoplasma galliseptieum positief bevonden.
Gedurende 10 weken zijn alle broedeieren die door de bovengenoemde
kuikenbroeder ingelegd werden, volgens de direkt-drukverschil-methode in
een tylosine-oplossing behandeld.

De kuikens van deze eieren afkomstig, werden geplaatst op 28 bedrijven.
De opfokresultaten van deze kuikens werden vergeleken met het vooraf-
gaande koppel en het hierop volgend koppel.

Het beoordelen van deze cijfers werd bemoeilijkt, doordat de kuikenbroeder
2 rassen voerde, n.l. bovans en hypeco\'s. Het bovans slachtkuiken is, wat
opfokresultaten betreft, niet zonder meer te vergelijken met een hypeco
kuiken. Dit ging bovendien gepaard met het opruimen van hypeco moe-
derdieren en met het aan de leg raken van jonge bovans moederdieren.
Deze overgang heeft het interpreteren van de uitkomstpercentages be-
moeilijkt. De kuikenbroeder leverde gesexte en ongesexte kuikens af.

Behandelmethode

De eieren werden aangevoerd op kartonnen traces en vervolgens overgezet
op plastic traces. 6 plastic traces werden geplaatst op een tracehouder. In
de tracehouder werden de 180 eieren gedurende 3 minuten gewassen bij
40° C, vervolgens 2 x gespoeld in zuiver water van ca. 43° C en 2 x bij ca.
45° G. De eieren werden 12 a 24 uur gedroogd en vervolgens ondergedom-
peld in een oplossing van tylosine-tartraat (concentratie 2500 ppm werk-
zame stof). De bak waarin de eieren ondergedompeld waren, werd daarop
in een onderdrukketel gebracht en gedurende 5 minuten bij 30 cm Hg
druk beneden normaal atmosferische druk gehouden. De ketel werd hierna
geopend. De eieren bleven nu nog 10 minuten blootgesteld aan de normale
atmosferische druk.

De eieren werden tenslotte uit de tylosine-oplossing gehaald en op dezelfde
dag of op een van de volgende dagen in de broedmachine ingelegd.

Apparatuur
Wasmachine

De eieren werden gewassen in de gemodificeerde MOBA egg-washer. In
deze machine hangen drie tracehouders. Het handvat van de tracehouder
past in de hangarm van de wasmachine. Deze maakt een pulserende bewe-
ging. De tracehouder zelf is in het waswater gedompeld. Door de pulseren-
de beweging van de tracehouder stroomt de wasvloeistof langs de eieren.
De wasapparatuur is geschikt voor het wassen van ± 8000 eieren per imr.
Hiervoor zijn 3 a 4 personeelsleden nodig. De eieren werden bij de gevolgde
wasmethode onvoldoende gereinigd. Bovendien had het wassen enige breuk
tot gevolg. Dit laatste wordt veroorzaakt door het feit dat vooral grote

-ocr page 463-

eieren bij het wassen van opgestapelde traces door de pulserende beweging
kapot gedrukt worden.

Behandelapparatuur

De dompel tanks waren op sleeën op een wagentje geplaatst. De sleeën
konden in een onderdrukketel gerold worden. Het behandelproces met be-
hulp van onderdrukketel, wagens en sleeën is geschikt voor het behandelen
van ± 4000 eieren per uur. Dit proces vraagt 2 arbeidskrachten, maar kan
met hetzelfde personeel worden uitgebreid tot ± 6 ä 7000 eieren per uur.

Dompelvloeistof

Voor de dompelvloeistof werd tylosinetartraat (tylan) in aqua destilata
of gedemineraliseerd water opgelost. De oplossing werd voor het gebruik
bakteriologisch gezuiverd in een Seitz-filter (E. K. filter). Vervolgens werd
de dompelvloeistof steeds na een dag gebruik opnieuw gefiltreerd.

De gegevens van de kuikenbroederij

Nagegaan is van het totaal aantal ingelegde behandelde eieren gedurende
10 weken:

a. het aantal verloren gegane eieren,

b. het bevruchtingspercentage,

c. het uitkomstpercentage.

Deze resultaten zijn vergeleken met de 4 weken, volgend op de proef-
periode. De resultaten worden weergegeven in tabel 1.

Tahel 1.

W-weken proef.

Bovans

Bovans

Hypeco

Hypeco

proef

kontr.

proef

kontr.

Aangevoerde eieren

238.238

156.436

83.251

15.552

Verlies (voorn, breuk)

1,3%

0,7%

2,1%

1,3%

In uitkomstproef betrokken

aantal

146.510

158.812

61.366

8.438

Bevruchte eieren

125.161

138.340

52.487

6.830

Percentage

85,4%

87,1%

85,5%

80,9%

•Aantal kuikens

112.475

125.295

45.850

5.850

Ui tkomstpercentage

ingelegde eieren

76,7%

78,9%

74,7%

69,3%

Uitkomstpercentage

bevruchte eieren

89,8%

90,6%

87,4%

85,7%

Proefperiode 10 vifeken

Kontrole periode 4 weken volgend op de proefperiode

Opmerkingen

1. De bovansdieren kwamen in de proefperiode aan de leg, dit had een
ongunstige invloed op de bevruchtings- en uitkomstperiode van deze
proefgroep in vergelijking met die van de kontrolegroep.

-ocr page 464-

2. De Hypeco moederdieren waren aan het einde van de produktieperiode.
Dit had een nadehge invloed op bevruchting en uitkomst gedurende de
kontroleperiode in vergelijking met de proefperiode.

3. In de proefperiode viel de vakantie van de kuikenbroeders. Dit had tot
gevolg dat gedurende enkele weken de broedmachines minimaal gevuld
waren. Dit had een ongunstige invloed op het uitkomstpercentage. Van
deze broedeieren waren er, die ouder waren dan 10 dagen, hetgeen ook
resulteerde in een lager uitkomstpercentage. Gedurende deze weken is
tevens een voorbroedmachine defect geraakt. Dit had nogmaals een na-
delige invloed op het uitkomstpercentage (met name bleek b.v. dat
van de inleg van de eerste week na de vakantie het uitkomstpercentage
68,7% bedroeg). Om deze redenen zijn de eerste 3 weken na de va-
kantie niet in de berekening voor het uitkomstpercentage betrokken.

4. In de kontroleperiode zijn Hypeco eieren van andere vermeerderingsbe-
drijven aangekocht, deze zijn niet in de berekening van het uitkomst-
percentage betrokken.

5. Het verlies van eieren is tijdens de proefperiode groter dan tijdens de
kontroleperiode. Dit wordt voor het grootste deel veroorzaakt door het
grotere aantal breukeieren tijdens het wassen. (Het valt op, dat dit
verlies van eieren bij de bijna uitgelegde Hypeco\'s groter is dan bij de
in de leg komende Bovans). Later is vast komen te staan, dat ook de
wijze van omgaan met plastic traces van invloed is geweest op het breuk-
percentage. (Het breukpercentage behoeft bij deskundige behandeling
niet hoger te zijn dan 0,3%).

Konklusie

Al het bovenstaande in aanmerking nemend, blijkt dat het moeilijk is exact
uit te drukken wat het uitkomstpercentage van de proef- en kontroleëieren
is. Er kan echter (zonder meer) gesteld worden, dat een eventuele nadelige
invloed op het uitkomstpercentage gering zal zijn. Het bedraagt met grote
zekerheid minder dan 1%.

De resultaten van de opfokperiode
De opfokperiode

Er werden op =t 28 slachtkuikenbedrijven kuikens van behandelde eieren
opgezet. De opfokresultaten op deze bedrijven werden vergeleken met de
resultaten op dezelfde bedrijven van het voorgaande koppel en met het
hierop volgende koppel.

A. Mycoplasma infekties.

1. Uit serologisch onderzoek van de Gezondheidsdienst voor Pluimvee is
gebleken dat al de vermeerderingsbedrijven, waarvan de eieren gedu-
rende de 10-weken proef ingelegd zijn, positief waren t.a.v.
Mycoplasma
gallisepticum.

2. Uit de uitslag van het bloedonderzoek bleek, dat 3 koppels van de 28
behandelde koppels „positief" waren t.a.v.
Mycoplasma gallisepticum.
Positief wil in deze gevallen zeggen resp. 2-4 en 5 van de 100 onder-
zochte monsters van één koppel kuikens zijn positief (dus in totaal 11
positieve monsters). Als regel varieert het aantal positieve dieren bij
positieve koppels op de slachterij C.P.S. Boxmeer van 10% tot 100%.

-ocr page 465-

Het percentage positieve dieren in de proefkoppels is bijzonder gering.
Dit kan wijzen op een besmetting op latere leeftijd of het duidt op een
zeer geringe beginbesmetting.
3. Uit het serologisch onderzoek is gebleken dat van de 25 onderzochte na-
koppels slachtkuikens alle koppels positief waren. Het aantal positieve
monsters van 100 dieren varieerde van 7 tot 100 positieven. In totaal
waren van 2500 onderzochte monsters 1206 posidef.

B. O pfokresultaten

Van de voor-, proef- en nakoppels kwamen slechts 7 koppels voor verge-
lijking in aanmerking. Dat weinig koppels voor vergelijking met elkaar in
aanmerking komen vindt zijn oorzaak in het feit dat:

1. alleen dieren van hetzelfde ras voor vergelijking in aanmerking komen;

2. alleen mannelijke, vrouwelijke of niet gesexte dieren voor vergelijking
in aanmerking komen.

De resultaten worden weergegeven in tabel 2.

Tabel 2.

Gemiddelde resultaten van 7 koppels met in totaal 45.000 dieren per

periode.

voor proef na

Dagen mestperiode .59,4 52,3 51,4

Eindgewicht 1418 1272 1231

Voederkonversie 2,24 2,10 2,19

Uitval 2,7 1,5 2,3

Produktiegetal 103 114 107

Financiële konsekwenties van het behandelen van broedeieren

Omdat er aanwijzingen zijn dat dieren, die zwaarder afgeleverd worden,
een hogere voederkonversie hebben, hetgeen samenhangt met een grotere
behoefte aan onderhoudsvoer, zullen bij een berekening van de financiële
resultaten alleen vergelijkingen getrokken worden met de na-periode. Deze
kuikens werden n.1. gemiddeld lichter afgeleverd.

Voordelen voor de slachtkuikenmester per kuiken van 12 ons, afkomstig
van behandelde eieren:

voederkonversie 0,09 x 1,2 x 4,5 4,86 cent

uitval aankoopkosten 45 ct. a 0,8% 0,36 cent

bruto voordeel 5,22 cent

kosten behandeling in C.P.S.-verband 3,— cent

voordeel 2,22 cent

Het gebruik van preventieve geneesmiddelen t.a.v. C.R.D. of het onder-
drukken van entreakties vervalt; dit betekent een voordeel van 0,8 cent —
8 cent afhankelijk van respectievelijk het gebruik van een antibioticum-
combinatiepreparaat door het voedsel of een tylosinekuur door het drink-
water.

Kwaliteitsverschillen zijn niet gemakkelijk in cijfers uit te drukken.

-ocr page 466-

SAMENVATTING.

Technisch is het mogehjk gebleken om grote aantallen broedeieren volgens de direkt-
drukverschil-methode in een tylosine-oplossing te behandelen.

Het nadelig effekt van het behandelen van broedeieren volgens de direkt-drukverschil-
methode op het uitkomstpcrcentagc is minder dan 1%.

Van 28 koppels slachtkuikens, afkomstig van behandelde eieren van besmette moeder-
dieren werden slechts bij 3 koppels slachtkuikens serologisch een
Mycoplasma galli-
septieum
besmetting vastgesteld.

Uit de proeven is voorts gebleken dat de behandeling een gunstig effekt heeft op
uitvalpercentage, voederkonversie en groeisnelheid.

SUMMARY.

It was found to be technically possible to treat large numbers of hatching-eggs in a
tylosine solution using the direct pressude-difference method. The adverse effect of
this method of treatment on the proportion of hatched eggs is less than one per cent.
Serological testing showed that
Mycoplasma galliseptieum infection had occurred in
only three out of twenty-eight flocks of broiler chickens hatched from treated eggs
originating from infected hens.

The experiments also showed that treatment has a beneficial effect on the proportion
of rejects and deaths, feed conversion and the rate of growth.

RÉSUMÉ.

Il s\'est trouvé être techniquement possible de traiter de grands nombres d\'oeufs à
couver selon la méthode de différence directe de pression dans une solution de
tylosine. L\'effet défavorable du traitement d\'oeufs à couver selon cette méthode sur
le pourcentage de résultat est moins de 1%.

Sur 28 bandes de poulets d\'abattage, originaires d\'oeufs des poules infectées traités
on a constaté sérologiquement chez 3 bandes seulement une infection de
Mycoplasma
galliseptieum.

Les expériences ont en outre révélé un effet favorable du traitement sur les pour-
centages de déchet, sur la conversion de fourrage et sur la rapidité de croissance.

ZUSAMMENFASSUNG.

Technisch besteht die Möglichkeit grosse Mengen Bruteier mittels der direkten
Druckunterschiedsmethode in einer Tylosinauflösung zu behandeln. Der ungünstige
Effekt auf die mit dieser Methode behandelten Bruteier beträgt weniger als 1%.
Von 28 Koppeln Schlachtküken, abstammend von behandelten Eiern von infektierten
Hühner wurde nur bei 3 Koppeln Schlachtküken serologisch
Mycoplasma gallisep-
(ifum-Verseuchung festgestellt.

Aus den Untersuchungen ging ausserdem hervor, dass sich die Behandlung .günstig
auf Verlustprozcntsatz, Futterausnutzung und Wachstumsschnellheit auswirkte.

RESUMEN.

Resulto tecnico posible de tratar un gran numero de huevos de incubadora procedente
de pavos, con una solucion dc tilosina, segun el metodo de diferencia en presion
directo. El efecto desventajoso de tratar huevos de incubadora con esto metodo, sobre
el porcentaje de salir del huevo es menos que 1%.

En 28 parcs de pollitos de engorde, procedentes de huevos tratados de gallunas madres
infectadas se pudo comprobar solamente en tres pares de poUitos de engorde serologi-
camente una contaminacion con Micoplasma galliseptieum.

Ademas resulto de estas experiencias, que el tratamiento tiene un efecto favorable
sobre el porcentaje de perdida, conversion de alimento y rapidez de crecimiento.

-ocr page 467-

LITERATUUR.

C a 1 n e k, B. W. and L e v i n e, P. P.: Studies on experimental eggtransmission of
pleuropneumonia-like organisms in chickens.
Avian Dis., 1, 209, (1957).

C h a 1 q u e s t, R. R. and Fabricant, J.: Survival of pplo injected into eggs
previously dipped in antibiotic solutions.
Avian Dis., 3, 257, (1959).

Cover,; M. S. and Waller, E. F.: The presence of chronic respiratory disease
in dipped eggs.
Am. ]. vet. Res., 15, 119, (1954).

F a h e y, J. E. and Crawley, J. F.: Studies on chronic respiratory disease of
chickens III. Egg transmission of pleuropneumonia-like organisms.
Canadian J.
comp. Med.,
18, 67, (1954).

F a b r i c a n t, J., L e v i n e, P. P., C a 1 n e k, B. W., A d 1 e r, H. E. and B e r g, J.:
Studies of egg transmission of pplo in chickens.
Avian Dis., 3, 197, (1959).

Hall, C. F., Flowers, A. I. and Grumbles, L. C.: Dipping of hatching eggs
for control of
Mycoplasma gallisepticum. Avian Dis., 7, 78, (1963).

H o f s t a d, M. S.: Egg transmission of infectious sinusitis of turkeys. Avian Dis.,
1, 165, (1957).

Hofs tad, M. S.: A serological study of infectious sinusitis in turkeys. Avian Dis.,
1, 170, (1957).

J erst ad, A. C. and Hamilton, C. M.: The etiology of infectious sinusitis of
turkeys.
Poultry Sci., 27, 802, (1948).

L e V i n e, P. P. and Fabricant, J.: Effect of dipping eggs in antibiotic solutions
on pplo transmission in chickens.
Avian Dis., 6, 72, (1962).

O 1 e s i u k, O. M. and Rockel, H. v.: Transmission of chronic respiratory disease
in chickens.
Avian Dis., 4, 348, (1960).

O 1 s o n, N. O., H a s h, T. R., H u s h m a n, J. O. and C a m p b e 11, A.: Dipping
of hatching eggs in erythromycin for the control of Mycoplasma.
Avian Dis., 6,
191, (1962).

R o e k e 1, H. v., O I\'e s i u k, O. M. and Peck, H. A.: Chronic respiratory disease
of chickens.
Am. J. vet. Res., 13, 253, (1952).

R o e k e 1, H. v., O 1 e s i u k, O. M. and B e n i n a t o, L. P.: Symposium on chronic
respiratory diseases of poultry. III. Epizootiology of chronic respiratory diseases in
chickens.
Am. ]. vet. Res., 19, 453, (1958).

Stuart, E. E. and Bruins, FI. W,: Preincubation immersion of eggs in erythro-
mycin to control chronic respiratory disease.
Avian Dis., 7, 287, (1963).

V o e t e n, A. C.: De behandeling van broedeieren volgens de „direkt-drukverschil-
methode" in een oplossing van tylosinetartraat ter voorkoming van een besmetting
met
Mycoplasma gallisepticum bij kuikens. Proefschrift Utrecht, 1965.

Wernicoff, N.: Egg dipping as a method of preventing transmission of pplo in
hatching eggs.
Canadian Poultry Rev., 36, (1962).

-ocr page 468-

De preventie van infectieuze sinusitis bij kal-
koenen door behandeling van broedeieren vol-
gens de direkt-drukverschil-methode in een tylo-
sine
oplossing

The prevention of infectious sinusitis in turkeys by
means of treatment of hatching eggs according to the
direct pressure difference method in a tylosine solution.

door A. G. VOETEN1)

Van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Brabant.

Inleiding

Bij infektieuze sinusitis bij kalkoenen speelt Mycoplasma gallisepticum als
aetiologisch moment een belangrijke rol; Jerstad e.a. (1948), van
Roekei e.a. (1952), White (1954), Markham en Wong (1952),
Hofstad (1957), Edward e.a. (1960).

De besmette moederdieren vormen de belangrijkste besmettingsbron en dit
geschiedt via het broedei. Sinds 1963 zijn in Noord-Brabant en Limburg
gespecialiseerde kalkoenmestbedrijven ontstaan. Op deze bedrijven worden
eenheden van 500 tot 5000 kalkoenen gehouden.

Het ekonomisch rendement van de kalkoenhouderij werd hier ernstig be-
dreigd door enkele ziekten, waarvan met name infektieuze sinusitis als een
ernstige gold.

Bij de preventieve bestrijding van chronische ademhalingsziekte bij slacht-
kuikens, welke ziekte aetiologisch gelijk is aan infektieuze sinusitis bij kal-
koenen, is de behandeling van broedeieren volgens de direkt-drukverschil-
methode in een tylosine-oplossing belangrijk gebleken; Voeten (1965),
Brus, Voeten, Deckers (1966).

In deze studie wordt een onderzoek beschreven naar de mogelijkheid kal-
koeneieren aan dezelfde procedure te onderwerpen.

Methode

De kalkoeneieren werden gewassen en vervolgens een dag na het wassen
ondergedompeld in een tylosine-oplossing met 2500 ppm werkzame stof. De
eieren werden gedurende 5 minuten ondergedompeld bij een onderdruk
van 60 cm Hg. druk beneden normaal atmosferische druk. Nadat de lucht
werd toegelaten bleven de eieren nog 10 minuten in de tylosine-oplossing
ondergedompeld. Bij een aantal proeven is het volgende nagegaan:

a. de opname van de hoeveelheid dompelvloeistof per behandeld ei. Voor
deze proef werden 30 willekeurige kalkoeneieren gekozen.

b. de invloed van de behandeling op het uitkomstpercentage. In afwijking
van de bovenbeschreven methode werden de eieren gedurende 5 mi-
nuten ondergedompeld bij een onderdruk van 30 cm Hg. druk in plaats
van 60 cm Hg. druk. In dit onderzoek werden ca. 900 eieren betrokken.

c. het effekt van de behandeling ten aanzien van de Mycoplasma galli-
septicum-\'miekties.
bij slachtkalkoenen werd nagegaan. In dit onderzoek

-ocr page 469-

werden 8 koppels slachtkalkoenen, afkomstig uit normale eieren, sero-
logisch en klinisch vergeleken met 9 koppels slachtkalkoenen, afkom-
stig uit behandelde eieren. De koppelgrootte varieerde van 700 tot
5000 dieren per koppel. De behandeling van de eieren bij deze proef
was gelijk aan de onder b, genoemde.

Ad a.

De opname van de tylosine-oplossing

Om de hoeveelheid vloeistof, die in de eieren gezogen wordt, nauwkeurig
te bepalen, werden de eieren vóór en na het dompelproces gewogen. De
eieren, die door de behandeling nat waren geworden, werden vóór het
wegen afgedroogd met een doek. Het wegen geschiedde op een Mettler-
balans type H 5. De hoeveelheid vloeistof, die de eieren binnendrong, werd
uitgedrukt in procenten van het gewicht vóór de behandeling.
Van 30 behandelde eieren wordt de gewichtstoename in procenten weer-
gegeven in tabel 1.

Tahel 1.

0,12

0,34

0,44

0,61

0,82

0,18

0,35

0,48

0,67

0,95

0,25

0,35

0,48

0,69

0,95

0,25

0,37

0,50

0,72

0,99

0,28

0,43

0,55

0,76

1,02

0,32

0,44

0,60

0,76

1,12

Gemiddeld 0,56% gewichtstoename.

Voor een ei van 80 gram betekent dit dus ^^^ x 80 gram = 0,448

gram; d.w.z. dat 0,448 gram tylosine-oplossing van 2500 ppm of 1,12 mg
tylosine gemiddeld per ei werd opgenomen. Dit varieert in werkelijkheid
van ca. 0,20 tot 2 mg. per ei.

Ad b.

Het uitkomstpercentage

Het uitkomstpercentage van de behandelde eieren werd nagegaan. Hiervoor
werden broedeieren volgens bovenstaande methode behandeld. Als kontrole
fungeerde een groep eieren van dezelfde herkomst. Proef- en kontrole-
eieren werden op dezelfde tijd in dezelfde voorbroeder en uitkomstkast uit-
gebroed. Het resultaat wordt weergegeven in tabel 2.

_Tabel 2._

proef kontrole

-ocr page 470-

Uit de gegevens vermeld in tabel 2, blijkt dat het uitkomstpercentage van
de behandelde eieren niet lager is dan van de kontrole-eieren.

Ad c.

Het effekt van de een behandeling met betrekking tot Mycoplasma gallisepricum-
infekties

Een bloedonderzoek heeft plaatsgevonden van 17 koppels slachtkalkoenen.
Hiervan waren 8 koppels kalkoenen afkomstig van normale eieren en 9
koppels kalkoenen van behandelde eieren. De behandeling was gelijk zoals
beschreven bij de proef met betrekking tot het uitkomstpercentage. Van
ieder koppel werden 100 monsters onderzocht. De koppelgrootte varieerde
van 500 tot 4000 dieren.

De behandelde en de onbehandelde eieren waren van dezelfde vermeer-
deringsbedrijven afkomstig. Op de vermeerderingsbedrijven werden geen
maatregelen genomen om
Mycoplasma gallisepticum-heimetüng of uit-
scheiding tegen te gaan. De kontroledieren werden 4 maanden na de eerste
proefdieren opgezet.

De resultaten van het bloedonderzoek1) worden weergegeven in tabel 3.

Tabel 3.

kalkoenen, afkomstig van kalkoenen, afkomstig van

onbehandelde eieren: behandelde eieren:

koppel aantal pos. monsters koppel aantal pos. monsters

1 72 12

2 45 2 —

3 78 3 —

4 95 4 —

5 17 5 8

6 57 6 —

7 6 7 —

8 32 8 —

9 —

totaal pos. 402 = 50,3% totaal pos. 10 = 1,1%

koppels pos. 8/8 koppels pos. 2/9

Van de 8 koppels kalkoenen, afkomstig van onbehandelde eieren, werden
in 6 koppels klinisch ernstige verschijnselen van infektieuze sinusitis aange-
troffen. Dit was bij geen enkel koppel het geval waarvan de kalkoen-
kuikens afkomstig waren uit behandelde eieren.

Discussie

Uit het bovenbeschreven onderzoek is gebleken, dat het mogelijk is tylosine
in kalkoenbroedeieren te brengen door behandeling van de eieren volgens
de direkt-drukverschil-methode. De spreiding van de hoeveelheid tylosine.

1  Voor het bloedonderzoek werden 100 bloedmonsters per koppel op de slachterij
afgenomen. Het serum werd onderzocht met behulp van de snelaggludnatie
(antigeen Nobilis).

-ocr page 471-

welke de eieren binnendringt, varieert nogal. Een nader onderzoek is ge-
wenst om na te gaan op welke wijze deze spreiding beperkt kan worden.
De behandeling van de broedeieren heeft geen nadelig effekt op het uit-
komstpercentage.

Uit het bloedonderzoek bleek, dat van 8 onbehandelde koppels serologisch
ieder koppel positief was t.a.v.
Mycoplasma galliseptieum (50,2% van de
onderzochte monsters was positief). In twee van de 9 koppels kalkoenen,
afkomstig van behandelde eieren, werden enkele positieven gevonden.
(1,1% van de onderzochte monsters was positief).

SAMENVATTING.

Klinisch werden bij 6 van de 8 koppels kalkoenen, afkomstig uit onbehandelde eieren,
klinische verschijnselen van infektieuse sinusitis aangetroffen. Dit was geen enkele
maal het geval bij kalkoenen, afkomstig uit behandelde eieren.

Een nadere studie betreffende andere voordelen van het behandelen van kalkoen-
eieren vol.gens de direkt-drukverschil-methode in een tylosineoplossing met betrekking
tot de opfokresultaten is in voorbereiding.

SUMMARY.

The above studies showed that tylosine may be introduced into hatching-eggs of
turkeys by treating the eggs with the direct pressure-difference method. The spread
of the quantity of tylosine entering the eg.gs varies considerably. Further studies
should be done lo determine the method by which this spread may be reduced.
Treatment of the hatching-eggs does not have any adverse effect on the proportion
of eggs hatched.

Serological testing showed that, of eight untreated flocks, each flock was serologically
positive for
Mycoplasma galliseptieum (50.2 per cent of the samples were positive).
In two out of nine flocks of turkeys hatched from treated eggs, a number of birds
were found to be positive (1.1 per cent of the samples tested was positive).
Clinical symptoms of infectious sinusitis were observed in six of the eight flocks of
turkeys hatched from untreated eggs. These symptoms were not observed in any
of the turkeys hatched from treated eggs.

Further studies on other advantages of the treatment of turkey eggs using the direct
prcssure-difference method in a tylosine solution with regard to breeding results
are being planned.

RÉSUMÉ.

L\'examen décrit ci-dessus a révélé qu\'il est possible d\'introduire de la tylosine dans des
oeufs à couver dc dinde par le traitement de ces oeufs selon la méthode de différence
directe de pression. La dispersion de la quantité de tylosine qui pénètre dans les
oeufs est assez variable. Il faudra un examen supplémentaire afin de constater de
quelle façon on pourra limiter cette dispersion.

Le traitement des oeufs à couver n\'a pas d\'effet préjudiciable sur le pourcentage
d\'éclosion.

De l\'examen du sang il se révéla que des 8 bandes non traitées chaque bande était
sérologiquement positive par rapport au
Mycoplasma galliseptieum (50,2% des
spécimens examinés étaient positifs). Dans deux des neuf bandes de dindons originaires
des oeufs traités on trouva quelques spécimens positifs (1,1% des spécimens examinés
étaient positifs).

Des phénomènes cliniques de sinusite infectieuse ont été trouvés chniquement dans
6 des 8 bandes de dindons provenant d\'oeufs non-traités. Aucun cas semblable ne se
présenta chez des dindons provenant d\'oeufs traités. Une étude supplémentaire
concernant d\'autres avantages du traitement des oeufs de dinde selon la méthode de
différence directe de pression dans une solution de tylosine en vue des résultats
d\'élevage est en préparation.

-ocr page 472-

ZUSAMMENFASSUNG.

Aus der oben beschriebenen Untersuchung ging hervor, dass es möglich ist Tylosin
mittels der direkten Druckunterschiedsmethode in Eier von Truthennen zu bringen.
Die Streuung der Tylosinmenge, welche in die Eier eindringt, variiert ziemlich.
Eine nähere Untersuchung ist erwünscht um nachzugehen, wie diese Streuung
beschränkt werden kann.

Die Bruteierbehandlung übt keinen nachteiligen Einfluss auf den Ausschlupfprozent-
satz aus.

Aus der Blutuntersuchung ergab sich, dass von 8 nicht behandelten Koppeln, jede
Koppel betreffs
Mycoplasma gallisepticum positiv war (50,2% der untersuchten
Proben war po.sitiv). In zwei von neun Koppeln Truthühner, abstammend von
behandelten Eiern, wurden einzelne positiv befunden (1,1% der untersuchten Proben
war positiv).

Klinisch wurde bei 6 von 8 Koppeln Truthennen, abstammend aus nicht-behandelten
Eieren, klinische Erscheinungen infektiöser Sinusitis gefunden. Dies war kein einziges
Mal bei Truthennen aus behandelten Eiern der Fall.

Eine nähere Untersuchung betreffs weiterer Vorteile einer Behandlung von Trut-
henneneier in einer Tylosinauflösung mit der direkten Druckunterschiedsmethode
hinsichtlich der Aufzuchtresultate, ist in Vorbereitung.

RESUMEN.

De la experiencia arriba mencionada resulto que era posible de introducir dlosina
adentro huevos de incubadora procedente de pavos, por medio del tratamiento del
metodo de diferencia en presion directo. La difusion de la canddad de tilosina,
lacual penetre adentro los huevos varie bastante. Es necesario de hacer una investi-
gacion mas detallada, para determinar en que manera se puede reducir esta variacion.
El tratamiento de los huevos de incubadora, no riene ninguno efecto desfavorable
sobre el porcentaje de salir del huevo.

Resulto del examen de la sangre que de 8 pares no tratados cada uno era serologi-
camente positivo al respecto
Micoplasma gallisepticum (50,2% de las muestras exami-
nadas eran positivas.) En dos de nueve pares de pavos, procedentes de huevos
tratados, se encontro algunas positivas (1,1% de las muestras examinadas eran
positivas.)

Clinicamente se encontro en 6 de los 8 pares de pavos, procedentes de huevos no
tratados, sintomas clinicos de sinositis infecdosa. Esto no se encontro en pavos proce-
dentes de huevos tratados.

Una otra investigacion al respecto otras ventajes del tratamiento de huevos de patos
segun el metodo de diferencia de presion directo en una solucion de tilosina en cuanto
a los resultados de crianza esta en preparacion.

LITERATUUR.

Brus, D. H. J., Voeten, A. C. en Deckers, H. F.: De preventie van een
mycoplasma gallisepticum. besmetting bij slachtkuikens door een eibehandeling.
Tijdschr. Diergeneesk., 91, 1275, (1966).
E d w a r d, D. G. and K a n a r e k, A. D. : Organisms of the pleuropneumonia group
of avian origin: their classification into species.
Ann. New York Ac. Sci., 79, 696,
(1960).

Hofstad, M, S.: Egg transmission of infektious sinusitis of turkeys. Avian Dis., 1,
165, (1957).

Hofstad, M. S.: A serological study of infektious sinusitis in turkeys. Avian Dis.,
1,170, (1957).

J ers tad, A. C. and Hamilton, G. M.: The etiology of infectious smusitis of

turkeys. Poultry Sci., 27, 802, (1948).
Markham, F. S. and Wong, S. G. : Pleuropneumonia-like organisms in the
etiology of turkey sinusitis and chronic respiratory disease of chickens.
Poultry Sci.,
32, 902, (1952).

-ocr page 473-

R O e k e 1, H. v., O 1 e s i u k, O. M. and Peck, H. A.: Chronic respiratory disease
of chickens.
Am. }. vet. Res., 13, 253, (1952).

Voeten, A. C.: De behandeling van broedeieren volgens de „direkt-drukverschil-
methode" in een oplossing van tylosinetartraat ter voorkoming van een besmetting
met
Mycoplasma gallisepticum bij kuikens. Proefschrift Utrecht, 1965.

White, H. H., W a 1 a c e, G. I. and A 1 b e r t s, J. O.: Serological and electron
microcope studies of chronic respiratory disease agent of chickens and of turkey
sinusitis agent.
Poultry Sci., 33, 500, (1954).

-ocr page 474-

Een geval van mastitis bij runderen, veroorzaakt
door Aerobacter aerogenes

Bovine mastitis caused by Aerobacter aerogenes

door J. DONKER-VOET en A. VAN DEN BURG1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie van de Rijks-
universiteit te Utrecht.

Aan het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie werden door de Provinciale
Gezondheidsdienst voor Dieren in Friesland melkmonsters toegezonden van
2 koeien van hetzelfde bedrijf, waar reeds meerdere gevallen van mastitis
waren voorgekomen, zonder dat een bepaalde oorzaak kon worden aan-
getoond2).

in totaal werden 5 melkmonsters ontvangen, 2 van een koe genomen om 7.00
uur en om 18.00 uur en 3 van de tweede koe genomen om 12.00 uur, 13.00
uur en 16.00 uur. Bij deze melkmonsters viel op, dat de vroegst genomen
melk het sterkst veranderd was; ze bestond uit een geel gekleurde waterige
massa, waarin grote klonten (caseine, room, cellen gebonden door fibrine)
rond dreven. De laatst genomen melk daarentegen vertoonde uiterlijk slechts
nog geringe afwijkingen van normale melk. De koeien waren door de boer
elke twee uur uitgemolken. Onderstaande foto geeft een beeld van de
ingezonden melkmonsters.

■ ■ I ■■

Het melkonderzoek

Het onderzoek van het celgehalte van deze melk leverde het volgende
resultaat op.

1  Mevr. Dr. J. Donker-Voet en Mej. A. van den Burg; resp. wetenschappelijk
hoofdambtenaar en analiste aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172.

2  Door Dr. R. D ij k s t r a werd meegedeeld, dat de indirecte oorzaak van de
mastitis school in een defecte vacuummeter, die te laag aanwees. Na verwisseling
hiervan traden geen mastitisgevallen meer op.

-ocr page 475-

Koe 1, melk van 7.00 uur, no. 1 op foto: geel sereus vocht met matig cel-
gehalte, de cellen zijn gedeeltelijk geautolyseerd en schijnen aan flarden te
liggen, ze liggen geklonterd.

Koe 1, melk van 18.00 uur, no. 2 op foto: melk bevat zeer veel cellen, die
gedeeltelijk aan flarden liggen, terwijl in het preparaat ook enkele staven zijn
te zien.

Koe 2, melk van 12.00 uur, no. 3 op foto: veel cellen, klonten, enkele staven.
Koe 2, melk van 13.00 uur, no. 4 op foto: veel cellen, iets aan flarden
liggend, enkele staven te zien.

Koe 2, melk van 16.00 uur, no. 5 op foto: zeer veel cellen, iets aan flarden
liggend, veel staven zichtbaar.

Hierbij viel op, dat de laatst genomen melkmonsters, die uiterlijk het minst
veranderd waren, de meeste cellen en de meeste staven bevatten.

Met de vroegst gewonnen melk werd een melkgevende, niet aan mastitis
lijdende proefkoe besmet en wel 5 ml van de melk van Koe 1 werd in-
gespoten in het rechter achter kwartier (RA) en 5 ml van Koe 2 in het
rechter voor kwartier (RV). De temperatuur was bij de inspuiting 38,1° C.
De volgende morgen, 18 uur na de inspuiting, was de temperatuur 39,6° C.
Het RV kwartier was sterk gezwollen, welke zwelling aan het einde van de
middag reeds duidelijk was verminderd. De temperatuur was toen 38,8° C.
De melkgift van dit kwartier was duidelijk verminderd, van RA iets ver-
minderd. Het RA kwartier was niet zichtbaar veranderd. Het bleek achteraf,
dat de in het RA kwartier ingespoten melk slechts een klein aantal bacteriën
bevatte. De melk van het RV kwartier was vlokkig. Het celgehalte van beide
ingespoten kwartieren was ontelbaar hoog, van de linker kwartieren normaal.
Uit de melk van beide ingespoten kwartieren werd een op
Klebsiella lijkende
bacterie gekweekt.

De tweede dag na de inspuiting was de temperatuur \'s morgens en \'s avonds
38,7° C, het celgehalte van het RV kwartier was nog ontelbaar, van het
RA kwartier ruim 2 miljoen. Uit het rechter voorkwartier werd weer de op
Klebsiella lijkende bacterie gekweekt, uit het rechter achter kwartier niet
meer. De melk van het RV kwartier was nog vlokkig, het kwartier was nog
gezwollen en voelde hard aan.

De derde dag na de inspuiting gelukte het niet meer de bacterie uit de melk
te kweken en in de loop van de volgende drie dagen daalde het celgehalte
tot normaal; de zwelling verdween en ook de melkgift herstelde zich geheel.
De ingespoten melkmonsters waren dus in staat bij een proefkoe een kort-
durende, maar duidelijke mastitis te veroorzaken, die zonder behandeling
genas.

Een onderzoek op PPLO van de melk van de proefkoe is steeds negatief
gebleven.

De ingezonden melkmonsters werden geënt op bloedplaten, serumagar-
platen, Kauffmann-platen en op voedingsbodems, speciaal bestemd voor het
kweken van PPLO\'s. Deze laatste voedingsbodems zijn steeds negatief ge-
bleven.

Op de andere voedingsbodems verscheen een overvloedige groei van een
reincultuur van Gram-negatieve staven, welke grote glimmende iets slij-
mige kolonies vormden en de Kauffmannplaten geel kleurden. Alleen de
platen, geënt met de melk van 7.00 uur van de eerste koe vertoonde slechts
een schaarse groei van dezelfde kolonies. Deze melk bevatte dus slechts een

-ocr page 476-

gering aantal kiemen; het inspuiten van deze melk bij de proefkoe had
slechts een lichte reactie tengevolge.

Gedacht werd dat een Klebsiella pneumoniae hier de veroorzaker van de
mastitis moest zijn. Ingezette bonte rijen kwamen geheel overeen met
Klebsiella bonte rijen, echter met één uitzondering en wel de beweeglijkheid.
Volgens B e r g e y \' s Manual is
Klebsiella onbeweeglijk, terwijl de door
ons geïsoleerde culturen voor een deel kiemen bevatten, die diudelijk be-
weeglijk waren.

Uit de literatuur blijkt, dat het zeer moeilijk is om een onderscheid te maken
tussen
Klebsiella pneumoniae en Aerobacter aerogenes. Er bestaan volgens
Bergey slechts twee duidelijke verschillen,
Klebsiella is onbeweeglijk
terwijl
Aerobacter beweeglijk en onbeweeglijk kan zijn, terwijl muizen
binnen drie dagen nog sterven na intraperitoneale inspuiting van 0,1 ml
van een 10"^ verdunde bouilloncultuur van een goed gegroeide
Klebsiella-
stam, niet na inspuiting met een zelfde hoeveelheid Aerobacter-c\\i\\t\\x\\xr.
Door ons werden 4 muizen met de uit de melk geïsoleerde cultuur inge-
spoten, welke alle 4 in leven zijn gebleven.

Uit het bovenstaande werd geconcludeerd dat Aerobacter aerogenes de
\\\'eroorzaker van de mastitis op het boven beschreven bedrijf moet zijn
geweest.

Door Schalm en medewerkers (1964), die uitgebreide proeven hebben
gedaan met experimentele infecties met
A. aerogenes is aangetoond, dat
:^erum-eiwitten zeer snel na het inspuiten van de bacterie of zijn endotoxine
in de melk komen in een verdeling, die zou wijzen op een passieve lekkage
van het bloedserum. Een grote hoeveelheid serum in de melk is duidelijk te
zien aan de gele kleur van de melk en gewoonlijk vlokken en klonten, terwijl
de melk een alkalische pH heeft. Zij hebben opgemerkt, dat het inspuiten
van een kleine hoeveelheid smetstof in cel-arme melk gelegenheid geeft tot
snelle vermenigvuldiging van de kiemen. Wanneer daarna een wisselwerking
tussen bacteriën en leukocyten plaats heeft, is de hoeveelheid endotoxinen
die vrij komt voldoende hoog om een ernstige reactie te voorschijn te roepen.
Bij afwezigheid van polymorfkemige leukocyten, zoals in normale melk het
geval is, kan een ongelimiteerde groei van het microörganisme en een per-
acute mastitis in korte tijd ontstaan.

De door ons beschreven kunstmatige infectie met A. aerogenes gaf een
ziektebeeld te zien, dat sterke overeenkomst vertoonde met dat welk
S c h a 1 m en medewerkers hebben beschreven bij spontane en experimentele
infecties.

SAMENVATTING.

Uit melkmonsters van twee koeien met een acute mastitis van hetzelfde bedrijf werd
een reincultuur geïsoleerd van
Aerobacter aerogenes. Een proefkoe, met 5 ml per
kwartier van deze melkmonsters intramammair ingespoten, vertoonde een duidelijke
acute mastitis, terwijl de kiem weer uit de melk geïsoleerd kon worden. De kunstmatige
infectie genas spontaan in 3 dagen zonder veelvuldig uitmelken.

SUMMARY.

From milksamples of 2 cows from the same farm suffering from an acute mastitis
a pure culture of
Aerobacter aerogenes was isolated. An experimental cow injected
intramammary with 5 ml into 2 quarters, developed an acute mastitis, from which
the organism could be isolated again. The experimental infection recovered spon-
taneously in 3 days without frequent milking.

-ocr page 477-

RÉSUMÉ.

D\'échantillons du lait dc 2 vaches de la même ferme, souffrantes d\'une masdte aiguë,
une culture pure
à\'Aerobacter aerogenes fut isolée. Une vache, injectée intra-
mammaircment avec 5 ml du lait dans chaque quartier, développait une mastite aiguë
de laquelle l\'organisme fut isolé à nouveau. L\'infection expérimentale guérissait
spontanément en 3 jours sans traire bien des fois.

ZUSAMMENF.A.SSUNG.

Von zvirei Kühen desselben Betriebes wurde aus Milchproben eine Reinkultur von
Aerobacter aerogenes isoliert. Ein Versuchstier, mit 5 ml pro Viertel von diesen
Milchprobcn injiziert, zeigte deuUich eine akute Mastitis, während der Keim wieder
aus der Milch isoliert werden konnte. Die künstlich erzeugte Infekdon genas spontan
in 3 Tagen, ohne vielfältiges Ausmelken.

RESUMEN.

Fue aislada, una cultura pura de Aerobacter aerogenes de muestras de leche pro-
cedentes de dos vacas con una mamitis aguda, de una lecheria. Una vaca de
experiencia fue injectada intramamaria con 5 ml dc estas muestras de leche en cada
cuarto, y muestraba una mamitis aguda muy evidente, mientras que esta bacteria
se pudo aislar de nuevo de esta leche. La infeccion artificial se euro espontaneamente
en tres dias, sin que la vaca fue ordefîada extra.

LITERATUUR.

Carroll, E. J., Schalm, O. W. and L a s m a n i s, J. : The Use of a Synthetic
Corticoid on Experimental Coliform
(Aerobacter aerogenes) Mastitis in Cattle:
The Effects of Intramammary and Intramuscular Administration on the Inflamma-
tory Response.
Am. J. vet. Res., 26, 858, (1965).
Schalm, O. W., L a s m a n i s, J. and Carroll, E. J.: Pathogenesis of Experi-
mental Coliform
{Aerobacter aerogenes) Mastitis in Cattle. Am. J. vet. Res., 25,
75, (1964).

Schalm, O. W., L a s m a n i s, J. and Carroll, E. J. : The Use of a Synthetic
Corticoid on Experimental Coliform
{Aerobacter aerogenes) Mastitis in Cattle:
The Response of Leukocytes and the Effect of Hormone-Induced Neutrophilia.
Am. J. vet. Res., 26, 851, (1965).

-ocr page 478-

De waarde van de Brabantse mastitis reaictie
IB.M.R.I als diagnostikum bij de mastitis-
bestrijding

The value of the Brabant mastitis test as a diagnostic
aid in mastitis-control

door R. POST») en F. H. J. JAARTSVELD**)

Inleiding

Het mastitisvraagstuk is van een zeer komplekse aard. Laesies van de uier
zijn in vele gevallen bepalend voor het optreden van een ontsteking. Kneu-
zingen kunnen op velerlei manieren ontstaan, terwijl faktoren als uier-
(speen)vorm, toestand van de klauwen, stalbouw, hygiëne en de melktech-
niek in de meest uitgebreide zin, elementen zijn die bij de bestrijding in
beschouwing moeten worden genomen.

Ter onderkenning van mastitis staat ons een aantal methoden ten dienste,
welke methoden wij kunnen onderscheiden in direkte methoden o.a. het
mikroskopisch en het bakteriologisch onderzoek en indirekte methoden,
waartoe o.m. de Whiteside- en de California Mastitis Test behoren.

Voor een georganiseerde bestrijding en sekundai; voor het beteugelen van
het afleveren van „mastitis-melk" aan de melkverwerkende industrie, is
een onderkenning van afwijkend sekreet in de leveranciersmelk van grote
betekenis. In vele landen is dit probleem in eerste instantie benaderd door
een mikroskopisch en bakteriologisch onderzoek van koe- resp. kwartier-
monsters. Later, met name in Denemarken, is het kweken in eerste instantie
uit busmonsters, in uitvoerige praktijkproeven bestudeerd.
Beide methoden zijn kostbaar door de vele man-uren en de benodigde voe-
dingsbodems Een methode om langs indirekte weg het probleem te bena-
deren in de Brabantse Mastitis Reaktie, ontwikkeld door Jaartsveld
f 1) en zo genoemd door Prof. A. van der Schaaf.

De B.M.R. is afgeleid van de Whiteside-test, ontworpen door White-
side (4) en de California Mastitis Test van Schalm en N o o r-
lander (3).

Deze laatste reakties worden gebruikt om melkmonsters te onderzoeken
op de aanwezigheid van kernhoudende cellen. Daartoe werden enkele
druppels melk op een glasplaat gemengd met resp. natronloog of opper-
vlakte aktieve stoffen zoals Na-T-pol. Melkmonsters die veel kernhoudende
cellen bevatten (ontstekingscellen) worden na een korte tijd slijmig.
Deze slijmigheid wordt veroorzaakt door het desoxyribosenucleïnezuur, af-
komstig uit de kernen van de cellen (1). De slijmigheid neemt dus toe
naarmate het aantal cellen in de melk hoger is.

Met behulp van de B.M.R. wordt de slijmigheid die ontstaat bij benadering
gemeten. Dit geschiedt met behulp van z.g. doorstroomcapillairen. Deze be-
staan uit een trechter, verbonden met een capillair. In de trechter wordt

-ocr page 479-

m

3
N

1

Provincie

2

3

00

Bedrijfsnummer S.

4

5

Maand-onderzoek ^

O

w

6

7

ST
D>

Dag-onderzoek u

8

9

1

po

S Busonderzoek

10

11

1

12

13

14

15

Hand- of Machinaal melken

16

Aantal melkrunderen

17

O

O

O

O

18

Nummer rund

LO

(O

19

20

Lactatie periode

21

Tijd in mnd. na het kalven

22

23

B.M.R. emmer

24

B.M.R verzamelmonster

25

Bact. verzamelmonster

26

R.V.

DO

\'S
\'p

27

L.V.

28

R.A.

29

L.A.

30

R.V.

03
B)
O

31

L.V.

32

R.A.

33

L.A.

34

Anamnese

35

Klinisch onderzoek v. d. uier

36

Wordt mastitismelk thuis gehouden

37

Laatste behandeling

O

-ocr page 480-

0.6.ml te onderzoeken melk gemengd met 0.4 ml Na.Laurysulfaat 2% (pH
12) (2). De slijmigheid van dit monster wordt bepaald door de tijd te
meten die nodig is om de vloeistof vanuit de trechter via de capillair uit
te laten stromen (foto 1). De B.M.R. is geschikt om massaal te kunnen
worden uitgevoerd.

Door de Mastitis Kommissie, ingesteld door de Gezondheidskommissie voor
Dieren, werd in samenwerking met de 11 Gezondheidsdiensten in Neder-
land een onderzoek ingesteld dat tot doel had, na te gaan in hoeverre de
B.M.R. geschikt is als diagnostikum bij een eventuele georganiseerde masti-
tis-bestrijding.

Proefopzet

Om het onderzoek van de 11 Gezondheidsdiensten zo unifoiTn mogelijk te
doen verlopen, werd vóór de aanvang van de proef een aantal melkmon-
sters ter vergelijking rondgezonden en gezamenlijk beoordeeld. Mede met
behulp van deze melkmonsters kon worden bereikt, dat de B.M.R. en het
bakteriologisch onderzoek op de diverse laboratoria van de Gezondheids-
diensten uniform werden uitgevoerd en met deze methoden van onderzoek
dezelfde resultaten werden verkregen.

Voor een wiskundige verwerking van de gegevens werden bedrijfs/koe-
kaarten ontworpen (zie tabel 1), die volgens een bepaald koderingssysteem
v/erden ingevuld (zie tabel 2).

Om tot een vergelijkbaar cijfermateriaal te komen dat landelijk kon wor-
den geïnterpreteerd, is uitgegaan van een 30-tal bedrijven per Gezondheids-
dienst, onderverdeeld in 3 klassen. Deze bedrijven werden als volgt uit-
gezocht :

In 3 achtereenvolgende weken onderzochten de Gezondheidsdiensten melk-
monsters, afkomstig uit alle geleverde bussen van een zuivelfabriek, met
behulp van de B.M.R. Aan de hand van de resultaten van deze onder-
zoekingen werd een 30-tal bedrijven uitgezocht. De onderverdeling in de
3 klassen geschiedde als volgt:

Een negatieve B.M.R. van het onderzochte mclkmonster (uitstroomtijd
< 5 sekonden) ontving het koderingscijfer 1.

Een dubieuse B.M.R. van het onderzochte mclkmonster (uitstroomtijd
^ 5 sekonden en < 20 sekonden), ontving het koderingscijfer 2.
Een positieve B.M.R. van het onderzochte mclkmonster (uitstroomtijd
= 20 sekonden), ontving het koderingscijfer 3).

Met behulp van deze 3 onderzoekingen werden de te onderaoeken bedrijven
in 3 klassen verdeeld n.1.:

1. B.M.R.-negatieve bedrijven:

De gemiddelde B.M.R.-uitslag — uitgedrukt in het koderingscijfer —
van de bussen over 3 onderzoekingen, is kleiner dan 1.5.

2. B.M.R.-dubieuse bedrijven:

De gemiddelde B.M.R.-uitslag — uitgedrukt in het koderingscijfer —
van de bussen over 3 onderzoekingen, is minstens 1.5 en minder dan 2.0.

3. B.M.R.-positieve bedrijven:

De gemiddelde B.M.R.-uitslag — uitgedrukt in het koderingscijfer —
van de bussen over 3 onderzoekingen, is minstens gelijk aan 2.0.

-ocr page 481-

TABEL 2

Elk vakje moet worden ingevuld. Indien een gegeven niet kan worden ingevuld, wordt
dit aangegeven met
II.

Kolom 1 en 2; Provincie Groningen 01

Provincie Friesland 02

Provincie Drenthe 03

Provincie Overijssel 04

Provincie Gelderland 05

Provincie Utrecht 06

Provincie Noord-Holland 07

Provincie Zuid-Holland 08

Provincie Zeeland 09

Provincie Noord-Brabant 10

Provincie Limburg 11

Bedrijfsnummer (01 etc.).

Maand van onderzoek (01 januari - 12 december).
Dag van onderzoek (01 t/m 31).
Aantal bussen met negatieve B.M.R. (< 5 sec).
Aantal bussen met een dubieuse B.M.R. (> 5 en < 20 sec).
Aantal bussen met een pos. B.M.R. (> 20 sec).
Handmelken: 1

Machinaal melken: 2

Indien een bepaalde koe op een machinaal bedrijf met de hand
wordt gemolken, kan dit op de lijn van die bepaalde koe worden
aangegeven door I.
Aantal melkgevende runderen.
No. van het onderzochte rund.
Welke lactatie-periode.
Tijd in maanden na het kalven.
B.M.R. van de emmer

1: B.M.R. negatief (< 5 sec.)

2: B.M.R. dubieus . en . . (> 5 en < 20 sec.)

3: B.M.R. posidef ... en ... . (>20 sec.)
B.M.R. verzamelmonster (zie kolom 23).
Bacteriologisch onderzoek verzamelmonster.
Negatief bacteriologisch onderzoek: O

Str. agalactiae: 1

Str. dysgalactiae: 2

Str. uberis: 3

Str. zoöepidemicus: 4

Pathogene staphylococcen (als zodanig zijn aangemerkt
die staphylococcen waarvan de melk een pos. B.M.R.
heeft) : 5

G. pyogenes: 6

Esch, coh: 7

Andere dan bovengenoemde bacteriën: 8

Gisten of schimmels: 9

Verontreinigend (b.v. staphylococcen bij een negatieve
of dubieuse B.M.R.) :
 II

Kolom 26 t/m 29: B.M.R. van de kwardermelkmonsters (zie kolom 23).
Kolom 30 t/m 33: Bact. onderzoek van de kwartiermelkmonsters (zie kolom 25).
Kolom 34: Anamnese van veehouder.

Kolom 3 en 4:
Kolom 5 en 6:
Kolom 7 en 8:
Kolom 9 en 10:
Kolom 11 en 12:
Kolom 13 en 14:
Kolom 15:

Kolom 16 en 17:
Kolom 18 en 19:
Kolom 20:
Kolom 21 en 22\'
Kolom 23:

Kolom 24:
Kolom 25:

-ocr page 482-

Geen klachten: 1

Wel klachten: R.V.: 2

L.V.: 3

R.A.: 4

L.A.: 5

Meerdere kwartieren: 6
Kolom 35: Klinisch onderzoek van de uier.

Normaal uier: O

Afwijking van één of meer kwartieren: 1

Afwijking van het kwartier R.V.: 2

L.V.: 3

R.A.: 4

L.A.: 5

Afwijking van de speen R.V.: 6

L.V.: 7

R.A.: 8

L.A.: 9

Bij een combinatie van meerdere afwijkingen, tekent men de meest ernstige op.
Kolom 36: Indien mastitis-melk wordt thuis.gehouden: 1

Indien dit niet gebeurt : 2
Kolom 37: Laatste behandeling wordt uitgedrukt in het aantal weken (t/m 9).

Elke Gezondheidsdienst zou — zo mogelijk — een 10-tal bedrijven uit elke
groep onderzoeken. Dit werd gebaseerd op een 4e en laatste onderzoek.
In totaal werden 347 bedrijven, waarop 5282 melkrunderen aanwezig
waren, onderzocht. Ter nadere verifikatie van de op het laboratorium ver-
kregen uitslagen van de busmonsters, werden op de bedrijven kwartier-
monstersi), resp. verzamel-kwartiermonsters2) en z.g. emmermonsters^)
genomen. Deze splitsing werd gemaakt omdat het aantal cellen in de
eerste stralen van het melkmaal en die van het gehele melkmaal ver-
schillend is, terwijl ook van belang is te weten of een per kwartier uit te
voeren B.M.R. de anamnese bevestigt. Door vermelding van leeftijd en
laktatie-periode is getracht enig inzicht te krijgen in de verdeling van de
■oiastitisgevallen.

Om de uniformiteit per provincie te bevorderen, werden steeds dezelfde per-
sonen met de monstemame, de klinische beoordeling en het laboratorium-
onderzoek belast.

Nadere precisering van de vraagstelling:

De afdeling bewerking waarnemingsuitkomsten van de centrale organisatie
voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (A.B.W.) heeft naar
aanleiding van dit onderzoek een aantal vragen voorgelegd gekregen met
het verzoek, deze zo mogelijk met behulp van wiskundig statistische me-
thoden te beantwoorden.

Naar aanleiding van de hierna genoemde vragen stelt het A.B.W. het vol-
gende:

Een kwartiermonster is melk, afkomstig uit de 5-1 Oe straal uit een kwartier.
Een verzamclmonster is een mengsel van alle kwartiermelkmonsters van een koe.
Een emmermonster is een melkmonster, genomen uit een emmer, dat de totale
melk bevat, .ifkomstig van alle kwartieren van de uier.

-ocr page 483-

„Bij een onderzoek als dit, waarbij een groot aantal vragen wordt gesteld,
welke vragen uit één en hetzelfde materiaal moeten worden beantwoord,
zou eigenlijk een meerdimensionale analysemethode moeten worden ge-
bruikt, zodanig, dat op grond daarvan alle gestelde vragen afzonderlijk en
in hun onderlinge samenhang zouden kunnen worden beantwoord. Omdat
voor dat soort variabelen, welke in dit onderzoek voorkomen, een derge-
lijke analysemethode niet voorhanden is, hebben wij met een eenvoudige
analysemethode (m x n-tabellen) vraag na vraag onderzocht. Dit brengt
met zich mee, dat de resultaten met de nodige voorzichtigheid dienen
te worden geïnterpreteerd".

Tabel 3
Mastitis-onderzoek

Provincie

Handmelkende
bedrijven

Machinaalmelkende
bedrijven

Totaal aantal
melkrunderen

Groningen

3

33

733

Friesland

6

24

583

Drenthe

11

23

455

Overijssel

9

27

679

Gelderland

2

28

490

Utrecht

15

21

457

Noord-Holland

7

29

656

Zuid-Holland

8

7

244

Zeeland

25

5

205

Noord-Brabant

10

16

252

Limburg

2

36

528

Totaal

98

249

5282

-ocr page 484-

Resultaten van het onderzoek:

In tabel-3 staan vermeld het aantal handmelkbedrijven, het aantal ma-
chinaalmelkende bedrijven en het aantal melkrunderen dat werd onder-
zocht per provincie.

De relatie van de B.M.R.-onderzoekingen op de melkmonsters, afkomstig
uit de bussen (busmonsters), genomen op de 4 verschillende onderzoekdata.

Uiteraard komen de eerste 3 busmonsteronderzoekingen van de diverse
bedrijven niet voor een korrelatieberekening in aanmerking, omdat de
bedrijven juist op grond van de eerste 3 busonderzoekingen zijn uitgezocht.
Er is daarom getoetst of er samenhang bestaat tussen het eerste en het
vierde busonderzoek, dat samenviel met het bedrijfsonderzoek. Tevens werd
getoetst of er samenhang bestaat tussen het derde en het vierde busonder-
zoek.

Zowel het eerste als het laatste bleek sterk signifikant over alle 347 be-
drijven (P < 0.0001). Deze resultaten maken het aannemelijk, dat de
B.M.R. van de busmelkmonsters als bedrijfsdiagnose, mits de tijd tussen
de onderzoekingen kort is (± één week), gewoonlijk dezelfde uitkomst
geeft.

De relatie tussen de B.M.R.-onderzoekingen van de busmonsters, genomen
tijdens het laatste bedrijfsonderzoek en de B.M.R.-onderzoekingen van de
melkmonsters uit de emmer (emmermelkmonsters), respektievelijk de mon-
sters uit de verzamelmelk (verzamelmelkmonsters).

Er bestaat een sterk signifikant toetsingsresultaat tussen de gemiddelde
B.M.R. van het laatste busmelkonderzoek en de gemiddelde B.M.R. van
de emmermelkmonsters, afkomsdg van die bedrijven (P < 0.0001).
Eenzelfde toetsingsresultaat werd verkregen betreffende het verband dat
bestaat tussen de gemiddelde B.M.R. van de verzamelmelkmonsters (P
< 0.0001).

De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.-onderzoekingen van de
totaal onderzochte busmelkmonsters per bedrijf en het gemiddelde van de
B.M.R.-onderzoekingen van de emmermelkmonsters, kwartiermelkmonsters
(resp. verzamelmelkmonsters).

Er bestaat een positieve korrelatie tussen de gemiddelde B.M.R. over de
4 busmelkonderzoekingen per bedrijf en de gemiddelde B.M.R. van de
emmermonsters van dat bedrijf (P < 0.0001).

Tevens bestaat er een positieve korrelatie — doch in mindere mate dan de
hiervoor genoemde — tussen de gemiddelde B.M.R. over de 4 busmelkmon-
sters per bedrijf en de gemiddelde B.M.R. van de verzamelmonsters (P
< 0.03).

De relatie tussen de gemiddelde B.M.R. over de 4 busonderzoekingen per
bedrijf en de gemiddelde B.M.R. van de kwartiermelkmonsters werd niet
berekend, omdat in een groot aantal gevallen wel verzamelkwartiermonsters
van de koeien werden genomen,
doch geen kwartiermelkmonsters.
De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.-onderzoekingen van de
totaal onderzochte busmelkmonsters per bedrijf en het aantal melkkoeien.
Op grond van uitgevoerde berekeningen mag worden gesteld, dat het on-
aannemelijk is, dat de gemiddelde uitslag van de B.M.R. op busmelk-
monsters per bedrijf wordt beïnvloed door de bedrijfsgrootte (P — 0.7). Er
is derhalve geen reden om aan te nemen dat op grotere bedrijven meer
mastitis voorkomt dan op kleinere bedrijven.

-ocr page 485-

De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.-onderzoekingen van de
totaal onderzochte busmelkmonsters per bedrijf, op de handmelk- en ma-
chinemelkbedrijven.

Naar aanleiding van de uitgevoerde berekeningen blijkt, dat de gemiddelde
B.M.R. van de busmelk-onderzoekingen per bedrijf voor de handmelk-
bedrijven in het algemeen hoger is dan voor de machinemelkbedrijven. Dit
wil niet zeggen, dat het handmelken als zodanig meer mastitis veroorzaakt
dan het machinaal melken. De selektie van de bedrijven speelt hier een
rol. Voornamelijk die bedrijven, waarvoor de melkproduktie een belang-
rijke tak van het bedrijf is, zijn overgegaan tot machinaal melken. Op deze
bedrijven wordt vaak een betere zorg besteed aan alle omstandigheden die
verband houden met het melken, dan op die bedrijven, waar het melken
meer een traditie is dan een belangrijke bron van inkomsten.

Dc relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.-onderzoekingen van de
totaal onderzochte busmelkmonsters per bedrijf en de anamnese van de
veehouder.

Zowel voor de provincie Groningen als voor alle provincies gezamenlijk
mag worden gekonkludeerd, dat de veehouder met een negatieve B.M.R.
van zijn busmelkmonsters over het algemeen minder klachten over zijn
runderen heeft dan de veehouder met een positieve B.M.R. (P <
0.0001).!).

De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.-onderzoekingen van de
totaal onderzochte busmelkmonsters per bedrijf en het klinisch onderzoek
van de uier.

Zowel voor de provincie Groningen als voor alle andere provincies geza-
menlijk mag worden gekonkludeerd, dat op bedrijven met een laag gemid-
delde van de B.M.R. onderzoekingen van de totaal onderzochte busmelk-
monsters, er relatief meer runderen met een normale uier zijn dan op de
overige bedrijven (P < 0.0001 ).i).

De relatie tussen de laktatie-periode van het rund en de B.M.R. van het
emmermelkondei-zoek (resp. verzamelmelkonderzoek) en de gemiddelde
B.M.R. van de kwartiermelkmonsters.

Uit de berekeningen blijkt, dat bij de jongere runderen de B.M.R. van de
emmermelkmonsters resp. kwartiermelkmonsters gemiddeld lager is dan
voorde oudere runderen (P < 0.0001).

Dit geldt zowel per provincie als voor alle provincies gezamenlijk. Slechts
voor de provincie Utrecht is het resultaat niet signifikant, ofschoon de
tendens wel dezelfde is. Men is geneigd te konkluderen, dat de eerste lak-
tatie-periode voor wat betreft dc uitslag van de B.M.R. verreweg het gun-
stigste is.

De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.\'s van de kwartiermelk-
monsters, resp. B.M.R. van het verzamelmelkmonster en het resultaat van
liet bakteriologisch onderzoek.

Uit het verzamelde materiaal blijkt een negatieve uitslag van het bakterio-
logisch onderzoek relatief het meest voor te komen bij een negatieve
B.M.R. van het verzamelmonster resp. kwartiermelkmonster. (P < 0.0001).

Voor andere provincies dan Groningen werd dit niet apart bcrelcend.

-ocr page 486-

De isolatie van Str.-agalaktiae heeft speciaal plaats uit melkmonsters met
een positieve (dubieuse) B.M.R.
Deze relatie bleek ten aanzien van de
andere organismen niet voor een wiskundige verwerking vatbaar.
De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.\'s van de kwartiermelk-
monsters resp. B.M.R. van het verzamelnielkmonster en de anamnese van
de veehouder.

Zowel voor de provincie Groningen als voor alle provincies gezamenlijk
mag worden gekonkludeerd, dat de veehouder over runderen met een
negatieve B.M.R. van de verzamelmelkmonsters resp. van de kwartier-
melkmonsters in het algemeen minder klachten heeft dan over runderen
met een positieve B.M.R. (P < 0.0001).

De relatie tussen het gemiddelde van de B.M.R.\'s van de kwartiermelk-
monsters, resp. B.M.R. van het verzamelmelkmonster en het klinisch onder-
zoek van de uier.

Zowel voor de provincie Groningen als voor de provincies gezamenlijk
mag worden gesteld, dat de runderen waarvan de melk een negatieve
B.M.R. heeft, relatief meer klinisch normale uiers hebben dan overige run-
deren (P < 0.0001).!).

Hoe vaak wordt mastitismelk thuisgehouden?

In verband met de ontoereikende grondgegevens kan deze vraag niet wor-
den beantwoord.

Hoe vaak werden koeien behandeld?

Van de 5282 onderzochte runderen (melkrunderen) werden in de 9 weken,
voorafgaande aan het onderzoek 148 runderen behandeld i.v.m. uierontste-
king, d.w.z. bijna 3%.

De relatie tussen de B.M.R. van het emmermelkmonster en het behandelen
van de koe in verband met mastitis.

De behandelde runderen hebben een relatief hogere B.M.R. van de emmer-
monsters dan de niet behandelde runderen.

Slotopmerking.

Uit dit materiaal bleek het niet mogelijk aan te geven dat bepaalde kwar-
tieren vaker ontstoken waren dan andere kwartieren.

Samenstelling van deze Mastitis Kommissie :

R. Post, voorzitter; Dr. J. B. van Dijk; Dr. R. G. Dijkstra; J. H. ter
Hccge; Dr. F. H. J. Jaartsveld; J. Mol; G. H. A. O ver goor; Prof.
Dr. J. W. Pette t en Prof. A. van der Schaaf.

Gaarne dank voor de medewerking van alle Gezondheidsdiensten, maar met name die
van Noord-Brabant, die o.a. voor toezending van vergelijkingsmonstcrs zorgdroeg.
De gastvrijheid, bij Prof. v. d. Schaaf genoten, is zeer op prijs gesteld.
Tevens dank aan de Gezondheidskommissie voor Dieren voor de financiering van de
statistische bewerking.

De statistische analyses werden verricht bij de A.B.W. - T.N.O.

Drs. J. P. M. de Kroon van dit instituut gaf statistische adviezen en stelde een
verslag samen over de betekenis van de door de .»^.B.W. verrichte statistische bere-
keningen. Dit verslag heeft als leidraad gediend voor het hier gepubliceerde artikel.

\') Voor andere provincies dan Groningen werd dit niet apart berekend.

-ocr page 487-

SAMENVATTING.

Onder auspiciën van de Mastitis Kommissie in Nederland werd met behulp van de
11 Gezondheidsdiensten een onderzoek ingesteld dat vooreerst ten doel had, na te
gaan in hoeverre de Brabantse Mastitis Reaktie (B.M.R.) bruikbaar is als diagnosti-
kum bij de mastitisbestrijding. Deze reaktie werd op melkmonsters, afkomsdg uit de
bus, de emmer cn het kwartier van de uier uitgevoerd. In totaal werden 347 bedrijven
met 5282 melkrunderen bij dit onderzoek betrokken. Uit het onderzoek is aan de
hand van statistische berekeningen gebleken, dat de B.M.R. een waardevolle bijdrage
is voor de diagnostiek van mastitis bij runderen.

SUMMARY.

An investigation, the primary object of which was to determine the extent to which
the Brabant mastitis test provides a useful diagnostic aid in mastits control, was
carried out with the assistance of the eleven Health Services and under the auspices
of the Mastitis Commission in the Netherlands. This test was performed with samples
of milk taken from the can, pail and quarter of the udder. A total number of 347
fanns and 5282 milk-cows took part in this investigation. Statistical analysis showed
that the Brabant mastitis test is a valuable aid in the diagnosis of bovine mastitis.

RÉSUMÉ.

Sous les auspices de la Commission de Mastite aux Pays Bas on a institué, avec l\'aide
des onze Services d\'Hygiène Publique, un examen ayant pour premier but de con-
trôler à quelle mesure la Réaction Brabançonne de Mastite (B.M.R.) est utilisable
comme moyen dc diagnostic dans la lutte contre la mastite. Cette réaction a été
exécutée sur des échantillons de lait provenant de la berthe, du seau et du quartier
de la mamelle. En total 347 fermes avec 5282 vaches laitières ont été comprises dans
cet examen. A l\'aide de calculs statistiques cet examen a révélé que la B.M.R. est une
contribution importante au diagnostic de mastite chez les bovins.

ZUSAMMENFASSUNG.

Unter Auspizien der Mastitiskommission in den Niederlanden wurde mit Hilfe von
11 Gesundheitsämtern eine vorläufige Untersuchung mit dem Zweck angestellt,
inwieweit die Brabantcr Mastitis Reaktion (B.M.R.) als Diagnostikum bei der
Mastitisbekämpfung brauchbar ist. Diese Reaktion wurde auf Milchproben, die aus
Kanne, Eimer und Euter entnommen waren, ausgeführt. Im Ganzen waren 347
Betriebe mit 5282 Milchkühen bei dieser Untersuchung einbezogen.
Aus der Untersuchung an Hand statistischer Berechnungen ergab sich, dass die
B.M.R. einen wertvollen Beitrag bei der Diagnostik von Mastitis bei Rindern liefert.

RESUMEN.

Baja la vigilancia de la comision del control de mamitis en holanda, se ha hecho
una investigacion, con ayuda de los 11 servicios provincilacs de salud animales, la cual
tenia como proposito primera, hasta que punto sc puede usar el B.M.R. (Brabantse
Mamitis Reaccion) como diagnostico para el combate de la mamitis. Esta reaccion fue
hecho en muestras de leche procedente de garafonas, cl valde y el cuarto de la ubre.
Concerniente a esta investigacion fueron examinados en total 347 haciendas con
5282 vacas leciieras.

Resulto que segun calculaciones estadisticos la B.M.R. es una valiosa contribucion al
diagnostico de mamitis en vacas lecheras.

LITERATUUR.

Jaartsveld, F. H. J. : Bijdrage tot de diagnostiek van mastitis bij runderen in
het kader van de georganiseerde bestrijding. Thesis, Utrecht 1961.

-ocr page 488-

Schaaf, A. van der, Jaartsveld, F. H. J. and Kramer-Zeeuvif, A.:
Influence of PH and temperature on the Brabant Mastitis Reaction, ƒ.
Comp.
Path. Ther.,
74, 255, (1964).
S c h a 1 m, O. W. and N o o r 1 a n d e r, D. O.: Experiments and observations loading
to development of the California Mastitis Test. ƒ.
Am. Vet. Med. Ass., 130, 199,
(1957).

Whiteside, W. H.; Observations on a new test for the presence of mastitis-milk.
Can. Pub. Health ]., 30, 44, (1939).

-ocr page 489-

REFERATEN

Algemeen

ZOÖNOSEN IN ZUID EN ZUID WEST AFRIKA.

N c i t z, W. O.: A checklist and hostlist of the zoonoses occurring in mammals and
birds in South and South West Africa.
Onderstepoort J. Vet. Res., 32, 189, (1965).
In dit ardkel van 186 bladzijden vk\'ordt een opgave en een korte beschrijving gegeven
van de zoönosen, die in Zuid en Zuid West Afrika voorkomen.

De ziekte verwekkende agentia zijn in de tekst cn de tabellen alfabetisch gerangschikt
in 7 afdelingen. Gastheer, lokalisatie, optreden enz. staan vermeld.
Talrijke literatuurbronnen zijn geciteerd en overzichtelijk gerangschikt, zodat de weg
naar verdere informatie gemakkelijk kan worden gevonden.

Indien nodig, zullen naderhand nog aanvullende gegevens worden gepubliceerd.

ƒ. itendrikse.

DIERENARTSEN E.N PAARDEN IN HET DUITSE LEGER 1939- 1945.

H e r t e r, R.: Das Deutsche Kriegsveterinärwesen von 1939- 1945. Tierärztl.
Umschau,
20, 457, (1965).

Volgens de Generalveterinär Dr. H e r t e r waren gedurende de 2e wereldoorlog
gelijktijdig steeds ongeveer 5000 dierenartsen bij het Duitse leger werkzaam, waarvan
850 beroepsofficieren. In totaal zijn ongeveer 8150 dierenartsen langere of kortere
tijd militair geweest. Hiervan zijn 1296, dus bijna 16%, niet teruggekomen. Hoewel
de dierenartsen niet primair tot de combattante troep behoorden, liggen deze verliezen
toch op hetzelfde niveau als dc infanterie en de pantsertroepen en slechts weinig
onder die van de artsen, die het grootste offer moesten brengen.
Voor de veterinaire verzorging beschikten de Duitse troepen over 124.200 soldaten
(veterinaire officieren, troepen officieren, administratie officieren, onderofficieren en
manschappen) bij het leger, 2000 bij de luchtmacht en 3160 bij de Waffen S.S.
Bij het leger betekende dit dat 2% van de soldaten aan de Veterinaire dienst ver-
bonden waren. .Als men rekent dat echter de helft hiervan als smid of bij remonte-
afdelingen werkzaam was, betekende dit nog per 20 gezonde paarden één man.
Vrouwelijk personeel kon hierbij niet ingezet worden, aangezien dit elders niet kon
worden gemist. Van de besmettelijke ziekten was in praktijk de besmettelijke catarrh
der luchtwegen het belangrijkste.

Paarden gingen ongeveer 4 jaar mee, d.w.z. per jaar ging ongeveer Yi verloren.
De levensduur van vrachtauto\'s bedroeg slechts één jaar en in de laatste oorlogs-
maanden maar 7 weken. Het was de Duitse industrie niet mogelijk deze grote uitval
aan motorvoertuigen te dekken. Het was b.v. daarom, dat men zich bij de zware
artillerie steeds van paardentrekkracht is blijven bedienen, omdat de middelen voor
motori,sche ontbraken. Van de niet gemotoriseerde eenheden was er een paard per
4 soldaten. Vooral voor de aanvoer was dit nadelig, aangezien voor een soldaat per
dag hoogstens 1.5 kg voeding moet worden aangevoerd en voor een paard 10 kg met
daarbij veel groter volumen. Daarbij kwam dat de troepen met veel tc veel officiële
voertuigen waren uitgerust, daargelaten de niet officiële, die zonder toestemming
werden meegevoerd. Over de juistheid van deze grote paardenbezetting is nooit
overeenstemming geweest vooral omdat vele paarden hiervoor (onnodig) aan de
landbouw waren onttrokken. Eerst op het einde van de oorlog is door de generale
staf noodgedwongen tot een vermindering van de paardensterkte besloten.

C. A. van Dorssen.

Baeferiële- en virusziekfen

DE ONTWIKKELING VAN DE DARMFLORA BIJ JONGE DIEREN.

Smith, H. W^: The development of the flora of the Alimentary Tract in young
animals, ƒ.
Path. Bact., 90, 495, (1965).

-ocr page 490-

Smith onderzocht de darmflora van kalveren en lammeren, biggen, pups, jonge
katten, konijnen, cavia\'s, ratten en kuikens gedurende de eerste levensweken. Bij de
meeste diersoorten waren de eerste koloniserende kiemen
E. coli. Cl. welchii en
Streptococcen; die werden gevolgd door lactobacillen, alleen bij de hond, de kat
cn het konijn waren deze minder belangrijk.
Bacteroïdes vestigden zich langzamer
en in hoofdzaak in de dikke darm.
Staphylococcus aureus was een gewone darm-
bewoner van pups, bij andere diersoorten werd deze zelden gevonden. Bij jonge
katten was de voornaamste maag en dunnedarmbewoner een niet getypeerde
Clostri-
dium.
Maag en dunnedarm van pasgeboren biggetjes waren sterk bevolkt door E. coli.
Cl. welchii
en Streptococcen; na de eerste levensdag daalt de pH en verdwijnt deze
flora. De flora van kuikens wisselde met de voeding. De maag-darm van zuigeling-
konijnen was dikwijls volledig steriel.

C. A. van Dorssen.

SCHILDPADDEN ALS SALMONELLADRAGER.

Veselinov, N. and Feodorov, V.: The Salmonella-carrier state in tortoises
in Bulgaria.
Vet. Med. Nanki Sof., 2, 491, (1965); Ref. Vet. Buil., 36, 130, (1966).
Schrijvers isoleerden uit een groot percentage schildpadden in Bulgarije Salmonella\'s.
Bij gevangen schildpadden liep het percentage van 57 tot 92%, bij vrij levende
schildpadden 12 tot 71%. Er werden 44 serotypes aangetroffen, waarvan 3 nieuwe.
Zij concludeerden, dat Salmonella\'s deel uitmaken van de natuurlijke darmflora van
schildpadden.

(Het Engelse resumée vermeldt niets of deze schildpadden in de buurt van boeren-
woningen (primitieve privaten!) werden aangetroffen.
Ref.).

C. A. van Dorssen.

ONDERZOEK OP RUNDERPESTANTILICHAMEN MET M.AZELENANTI-
GEEN.

Bogel, K., Provoost, A. und Enders-Rucklc, G.: Häemagglutinations-
Hemmingsreaktion mit Masenanti.gen bei Rinderpest.
Zbl. Bakt. I. Orig., 199, 1,
(1966).

Het serologisch onderzoek op runderpest wordt vaak bemoeilijkt, doordat in runder-
pestvrije landen het virus niet ter beschikking is, omdat cr daar niet mede mag
worden gewerkt.

Aangezien een serologisch verwantschap met mazelenvirus bestaat werkten schrijvers
een hacmagglutinatieremmingsrcactie uit, waarbij met mazclenvirusantigeen de run-
derpest antilichamen kunnen worden aangetoond. Dit is de snelste en eenvoudi.gste
diagnostische methode, vooral omdat er geen runderpestvirusstam bekend is die
hacmagglutinatic geeft. Een nadeel is, dat bij de reactie apenerythrocyten gebruikt
moeten worden, waarover de meeste laboratoria niet beschikken. Echter is apencitraat
bloed tegenwoordig in bijna ieder land van bepaalde wetenschappelijke instituten te
betrekken.

C. A. van Dorssen.

Kunstmatige Inseminatie

VERGELIJKEND ONDERZOEK MET VERSCHILLENDE VERDUNNERS BIJ
K.I. BIJ RUNDEREN.

L u n c a, N., c.s.: Comparative researches on some milk and egg-yolk extenders of
bovine semen and their effectivenes in artificial insemination of cows.
Lucrarile
Stiintifici I.C.Z.,
19, 188.

Schrijvers hebben een onderzoek ingesteld naar de bruikbaarheid van verschillende
vloeistoffen voor het verdunnen van stieresperma. Na-citraatoplossing (met eidooier
en met of zonder glucose) en melk hebben goede conserverende eigenschappen.
In de citraat-eidooier-glucose oplossing blijft de bruikbaarheid het langst gehandhaafd

-ocr page 491-

en het sperma verdund met citraat-eidooier oplossing levert het hoogste (niet signi-
ficant) drachtigheidspercentage op. Het gebruik van melk voldoet ook goed.
De toevoeging van 500 E penicilline en 500 /x streptomycine per cm® heeft in labora-
toriumproeven een gunstig effect.

Ook in dit onderzoek wordt aangeraden om de verzendbuisjes geheel te vullen en
schudden tijdens het transport zoveel mogelijk te vermijden.

/. Hendrikse.

VERGELIJKEND ONDERZOEK BIJ VARKENS-K.I.

Feredean, T. and S 1 a v e s c u, E.: Researches on artificial insemination in swine
(collecting, dilution, storage and insemination of semen).
Lucrari Stiintifice I.C.Z.,
19, 383, Boekarest.

Uit dc vertaalde samenvatting blijkt, dat deze onderzoekingen zijn uitgevoerd met het
sperma van 34 beren. De volgende gegevens zijn o.a. verzameld: de ejaculatie duurt
gemiddeld 8 minuten (5- 10) en de gehele dekking 11 a 12 minuten (8- 15); de
ejaculaatgroottc bedraagt 238 cm® (50- 480), het aantal spermiën per cm® 306
miljoen (80- 1081), het aantal spermiën per ejaculaat 42 miljard (18- 121) en de
pH 7,41 (7,20 - 7,75).

Een goede verdunner wordt samengesteld met gedestilleerd water 100, glucose 4,5,
glycocol 0,6 en 5 - 6 cm® eigeel. Deze vloeistof heeft een vriespuntsverlaging van
0,62° C en een pH van 6,2 - 6,3. Het hiermee verdunde sperma kan gedurende
twee dagen goed worden gebruikt. De bewaartcmpcratuur is 0° C en deze wordt
na een zeer geleidelijke afkoeling van 10- 12 uur bereikt. De fertiliteit loopt tijdens
het bewaren slechts heel weinig terug. De beste inscminatietijd ligt 12-24 uur na het
begin van de oestrus.

Stofwisselings- en deficiëntieziekten

HEMOLYTISCHE ANEMIE DER PASGEBOREN BIGGEN.

Caenegem, S. van: Hemolytische anaemic der pasgeboren biggen. Literatuur-
studie.
VI. Diergeneesk. Tijdschr., 354, 145, (1966).

Een of meerdere antigenen van de beer, afwezig bij dc zeug cn overgeërfd door
sommige biggen, verwekken bij dc zeug een immunisatie.

Dc antistoffen, die met het colostrum tot de biggen komen, verwekken hemolyse van
de erythrosyten.

Vaccinatie van de zeug met crystal-violetvaccin is een kunstmatige manier van
immunisatie. Antistoffen worden aan,getroffen bij slechts 6% der niet gevaccineerde
varkens, bij gevaccineerde echter 65%.

De placenta cpithcliochorialis van dc zeug laat het foetale antigcen passeren maar
belet de antistoffen, met een groter moleculair gewicht, terug te keren naar de vrucht.
Daarom worden de biggen uit geïmmuniseerde moeders gezond geboren en nemen
eerst antistoffen op met het colostrum. Biggen gevoed met colostrum of met volle
koemelk rcsorbcrcn geen gamma globulinen meer na 12 uur, terwijl andere die enkel
water krijgen of volledig vasten, nog rcsorbcrcn tot 106 uur na de geboorte.
De antistoffen zijn hemagglutininen, geen hcmolysinen.

■Anaemic ontstaat doordat de milt de geagglutineerde cellen uit dc bloedstroom zift.
Afbraak van dc crythrocyten gebeurt secundair.

Klinische symptomen

Binnen de 48 uur na dc geboorte stoppen de meeste biggen met zuigen, zijn lusteloos,
kruipen in het stro, beven, worden bleek en dc haren staan overeind. Icterus hoeft
niet aanwezig te zijn; wel hemoglobinurie. De biggen sterven met hypoglycaemische
symptomen, meestal binnen 96 uur. De maag is steeds gevuld met gestremde melk
(differentiaaldiagnosc agalactie).

-ocr page 492-

Praktijktest: op een draagglaasje worden enkele druppels bloed gebracht van een
zieke big. Opvallend zijn de vloeibaarheid en de doorzichtigheid, als ook de auto-
hemagglutinade die vrij snel optreedt bij het heen en weer kantelen van het draag-
glaasje.

Behandeling: Preventief.

Oordeelkundige keuze van de rassen die moeten dienen voor vaccinbereiding. Homo-
zygote en heterozygote beren van fokkerij uitschakelen.
Curadef.

Kunstmatige voeding.

F. W. van der Kreek.

BOEKBESPREKING

EXPERIMENTELLE UNTERSUCHUNGEN ÜBER DEN EINFLUSS VER-
SCHIEDENER PHARMAKA AUF DEN ADRENALIN- UND NORADRENALIN-
GEHALT DES TIERISCHEN ORGANISMUS.

H. J. Hapke.

fVerlag M. H. Schaper, Hannover, 1966, 28,-- DM.)

Dit „Habilitadonsschrift" telt 112 pagina\'s, waarvan 28 pagina\'s literatuurreferentie.
In de inleiding beschrijft de auteur de structuur van het sympathische zenuwstelsel
en de farmacologische beïnvloeding op de verschillende niveau\'s van het cfferente
gedeelte. Na de inleiding komt H a p k e tot het onderwerp van zijn studie: de invloed
van diverse farmaca op de activiteit van het sympatische zenuwstelsel. De effecten, die
men kan waarnemen na de toediening van farmaca, zijn immers vaak de resultanten
van verschillende werkingen. Heel vaak zal een farmacon bijv. naast de hoofdwerking
ook het vegetatieve zenuwstelsel beïnvloeden. Een indruk over de activiteit van het
sympathische zenuwstelsel kan men krijgen door kwantitatieve meting van de vrij-
gekomen transmittorstoffen in bloed of urine of organen. Hapke past dit toe door
middel van de door hem gemodificeerde fluorimetrische bepaling van adrenaline en
noradrenaline, zoals deze oorspronkelijk door L u n d is ingevoerd. Wanneer deze
laatste bepalingen worden verricht in plasma, urine, organen etc., dan hoeven de
gevonden waarden echter niet zonder meer maatgevend te zijn voor de sympathische
acUviteit, daar vele andere factoren hierop van invloed zijn. Het onderzoek heeft
zich hier echter wel tot deze bepalingen beperkt.

Zijn onderzoek omvat proeven met paarden (5), varken (1), honden (42), kat,
cavia en rat. Na de normaalwaarden in plasma, urine, hart, milt en bijnieren geeft dc
auteur in een 55-tal tabellen en 20 grafieken de waarden weer die gevonden werden
na

I. toediening van een aantal farmaca (meestal in therapeutische dosering);

2. stress-invloeden, zoals shock, koude, verstikking, éénzijdige adrenalectomie en het
doden van de dieren.

Wat betreft de methode die door Hapke werd toegepast kan worden opgemerkt,
dat zijn resultaten goed overeenstemmen met de reeds bekende waarden in dc litera-
tuur. Verder blijkt dat het noradrenaline- en adrenalinegehalte in plasma bij de
verschillende diersoorten sterk uiteen kan lopen, ook wat betreft de onderlinge
verhouding adrenaline/noradrenaline. De grotere diersoorten hebben een laag gehalte
en de kleine laboratoriumdieren een hoog gehalte aan noradrenaline in het plasma.
Of dit samenhangt met het basaal metabolisme is niet duidelijk, alhoewel de auteur
die zeer waarschijnlijk acht. Vergeleken met dc volwassen hond blijkt bij pasgeboren
dieren de hoeveelheid catecholaminen in hart en bijnier sterk af te wijken. Ook het
geslacht heeft invloed: teven hebben vergeleken met reuen en dubbele hoeveelheid
adrenaline in het plasma. Om de invloed van enkele farmaca te noemen: ether
verhoogt de noradrenalinespiegel in plasma; barbituraten (4 derivaten) verlagen
in de organen en in het plasma zowel het noradrenaline- als het adrenalinegehalte.
Neuroleptica in hoge doses (6 phenothiazine derivaten) verhogen vooral het nor-
adrenaline-, doch ook het adrenalinegehalte in plasma en urine. Mogelijk geven deze

-ocr page 493-

farmaca evenals reserpine een release van catecholamines uit de voorraaddepots.
Een soortgelijk effect werd geconstateerd bij het wekamine amfetamine (kan ook
noradrenaline-release veroorzaken) en de cholinesteraseremmer Neguvon-R. Het ana-
lepticum pentamethyleentetrazol verhoogt alleen de plasmaspiegels en dit werd ook
gezien bij cocaïne. Verder werd nog bekeken de invloed van morfine en methadon;
chloralhydraat en chloralose; reserpine en andere sympathicolytica, zoals Hydergin-R
en Phentolamine-R — strofantine — hexamethonium en insuline. Wat betreft de stress
invloeden blijkt, dat de wijze van doden door verbloeden vooral na elektrische ver-
doving, doch ook na nekslag, een sterke stijging veroorzaakt van het noradrenaline-
gehalte in plasma (ratten). Hoewel met betrekking tot de grote huisdieren kan
worden opgemerkt, dat het aantal dieren en experimenten klein is, kan worden ge-
concludeerd dat dit onderzoek belangwekkende resultaten heeft opgeleverd.

A. S. J. P. A. M. van Miert.

AN ATLAS OF SURGICAL APPROACHES TO THE BONES OF THE DOG
AND CAT.

D. L. Piermattei and R. G. Greeley.

(Uitgave W. B. Saunders Company, Philadelphia and London, 1966, £ 3 6s. 6d.)
Beide schrijvers zijn verbonden aan het College of Veterinary Medicine van de Texas
University: de eerste als Associate Professor of Veterinary and Surgery, de tweede
als .Associate Professor of Veterinary Anatomy.

De samenwerking van deze beide schrijvers heeft er toe geleid, dat er een zeer doel-
matig en nuttig geheel tot stand is gekomen in de vorm van deze atlas.
Na een algemene inleiding betreffende indicaties, techniek, instrumentarium, a- en
anü-septie en hechttechniek, worden de diverse indicatiegebieden behandeld, waarvan
of een botoperade de toegang geeft tot de specifieke weke delen, of het bot zelve het
doel van de operatie is.

Zo worden beschreven de operaties aan hoofd en schedel, aan de wervelzuil en aan
de ledematen, waarbij vooral het openleggen van het heup- en kniegewricht op vele
manieren wordt aangegeven, zonder dat de schrijvers de ene manier zozeer prefereren
boven de andere.

Het begrip „atlas" komt in de wijze van indelen van het boek naar voren, doordat
op de linker bladzijde de tekst staat, en wel de operatie die een openleggen van het
bepaalde gebied vraagt en daarna puntsgewijze de gang van de operatic topografisch-
anatomisch.

De uiteindelijke operatie, b.v. de fixatie van de beenstukken bij een fractuur, wordt
niet besproken.

De wijze van sluiten van de wond is ook zeer duidelijk aangegeven, terwijl met een
kort commentaar, meestal uit enkele opmerkingen en waarschuwingen bestaande,
wordt besloten.

Op de rechter bladzijde vindt men in duidelijke schematische tekeningen de gang
van de operatie, stap voor stap weergegeven, meestal beginnend met de localisatie van
de huidsnede.

Duidelijk wordt de aandacht gevestigd op zenuwstammen en bloedvaten.
Sommige gebieden, met name de heupstreek, geven wel eens wat veel op één tekening,
wat de duidelijkheid niet ten goede komt; dit is echter onvermijdelijk.
De tekeningen zijn alle die van normale anatomische toestanden bij magere cadavers,
waarbij het vetweefsel niet erg stoort. In de chirurgie, bij pathologische situaties, zal
men deze normale toestanden vaak moeilijk terugvinden, (dislocatie bij fracturen b.v.).
Dit neemt niet weg, dat men van de normale situatie moet uitgaan en zich daaruit
ook de gevaren ter plaatse bcvrast moet zijn.

Het boek geeft ± 60 operatiegebieden op deze manier weer en voorziet hiermee in
een behoefte van degene die zich wil oriënteren in deze materie van de chirurgie.

G. H. B. Teunissen.

-ocr page 494-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.

De uitgave-augustus 1966 van de „World Catalogue of Veterinary Films and Films
of Veterinary Interest" is nu verkrijgbaar.

De katalogus geeft een korte beschrijving van 597 films. Door gebruikmaking van
een klein lettertype is het mogelijk gebleken in een klein bestek een overvloed van
gegevens te verstrekken. Voor zover mogelijk worden van de films de volgende bij-
zonderheden gegeven:

Technische gegevens (duur van de film in minuten, geluid of stom, in kleuren of
zwart-wit, 16 of 35 mm, etc.), korte inhoudsopgave, soort en doel, opdrachtgever,
maker van de film en jaar van produktie, verhuur-|verkoopadres en huur-/koopprijs.
De opgenomen films zijn ook buiten hun land van herkomst te leen/huur of te koop.
De World Veterinary .Association kan hiertoe geen bemiddeling verlenen. Aan-
vragers van films dienen zich rechtstreeks te wenden tot de in de katalogus genoem-
de „DISTRIBUTORS" (adressen, waar de flms verkrijgbaar zijn) en zich aan de
door deze gestelde voorwaarden voor het lenen, huren of kopen van films, en bepa-
lingen betreffende tansport, verzekering, gebruik van de films, etc. te houden.
Men houde er rekening mede, dat de in de katalogus genoemde huur- en koop-
prijzen aan verandering onderhevig zijn en hiervan dus tevoren bevestiging moet
worden gevraagd.

De katalogus is mede door de medewerking van een 25-tal filmcontactpcrsonen in
verschillende landen tot stand gekomen. Deze hebben de films beoordeeld en voor
opname geschikt bevonden.

Het bovenstaande in aanmerking genomen, mag de prijs van de katalogus laag ge-
noemd worden. Deze bedraagt ƒ 10,- per stuk. Na overmaking van dit bedrag per
postwissel aan Prof. Dr. Jac. Jansen, Secretaris-Penningmeester W.V.A., A. van
Ostadelaan 137, Utrecht, wordt een exemplaar toegezonden.

SAMENVATTING VAN DE DISCUSSIE OP HET SYMPOSIUM OVER P.L-3-
ENTSTOF, GEHOUDEN TE UTRECHT OP 21 MEI 1965.

Professor A. van der Schaaf merkt op, dat hij vaak bij mestkalveren gecon-
fronteerd wordt met gevallen van purulente rhinitis. In een zeer groot aantal van
die gevallen lukt het niet om pathogene bacteriën te isoleren. Het is tot nu toe in
Nederland nog niet bewezen dat in deze gevallen het para-influenzo-3-virus de ver-
wekker is. Is dit in Duitsland wel vastgesteld?

Antwoord Dr. K. Bögel: In Duitsland heeft tot op heden het verloop van para-
influenzo-3-virus steeds een sereus karakter gehad. Dc virusuitscheiding heeft nor-
rr.aal plaats gedurende 3-10 dagen na de infectie. Purulente ontsteking treedt eerst
op na de 8stc tot 12de dag. Dit kan de oorzaak zijn dat in de purulente fase geen
para-influenza-3-virus meer wordt gevonden. In Duitsland is deze gecombineerde
infectie nog niet vastgesteld. Overigens kan dc normale bactericflora pathogeen zijn.
In Zweden zijn wel menginfecties gevonden, doch daar was sprake van de combi-
natie van para-influenza-3-virus met mucosal disease virus. Mogelijk is dit in dc
genoemde gevallen in Nederland ook aan de orde geweest.

Dr. J. G. van Bekkum vermeldt de resultaten van zijn onderzoekingen in Neder-
land gedurende de laatste jaren, welke hoofdzakelijk op enkele bedrijven in Friesland
betrekking hebben. Hierbij heeft hij zelden klinische symptomen waargenomen, hoe-
wel uit bepaling van de titer van de antilichamen moet worden aangenomen dat het
para-influenza-3-virus in Nederland zeer sterk verbreid voorkomt. Engelse ervaringen
duiden in dezelfde richting.

Antwoord Dr. K. Bögel: In Noord-Duitsland stemmen de ervaringen overeen met
die van Dr. van Bekkum. De gepubliceerde andere ervaringen hebben alle be-
trekking op Zuid-Duitsland. Zoals in de voordracht is opgemerkt, hangt de epide-
miologie zeer sterk af van de grootte van de bedrijven en de wijze van de bedrijfs-
voering.

-ocr page 495-

Dr. J. G. V a n .B c k k u m twijfelt aan de waarde van dc hacmagglutinatieremmings-
test voor de diagno.stiek van de para-influenza-3. Hij geeft de voorkeur aan de com-
plementbindingsreactie.

Dr. F. A. de Zeeuw informeert naar de betekenis van de para-influenza-3-vacci-
natie voor de praktijk.

Antwoord Dr. K. Bogel en Dr. W. Merk: Over resultaten van geregelde vacci-
natie gedurende meerdere jaren op bedrijven met eigen aanfok zijn nog geen erva-
ringen op grote schaal bekend. Op die bedrijven waar regelmatig dieren worden aan-
gekocht, bijv. mestbedrijven, is vastgesteld, dat vaccinatie tegen para-influenza-3
een gunstig effect heeft op het voorkomen van ademhalingsziekten en een verbetering
geeft van het voerrendement bij mestkalveren.

Dr. L. Hoedemaker vraagt of niet het gevaar van overbrenging van leucose
bestaat door gebruik te maken van entstof gekweekt op nierepitheelcellen van kal-
veren.

Antwoord Dr. K. B ö g e 1 en Dr. W. Merk: Voor dit gevaar behoeft niet gevreesd
te worden, omdat het biologisch materiaal, dat voor de bereiding van para-influenza-
3-entstof wordt gebruikt, afkomstig uit een gebied in Zuid-Duitsland is, waar leucose
praktisch niet voorkomt.

Dr. J. S. Reinders merkt op dat hij in Friesland in bepaalde jaren enzoötisch
verlopende ademhalingsziekten op verschillende bedrijven heeft waargenomen, die zo
snel verlopen, dat tijdige vaccinatie daar niet meer mogelijk is. Analoge enzoötiën
werden waargenomen bij transporten van dieren welke voor export bijeengebracht
zijn.

.Antwoord Dr. K. Bogel: Dergelijke met tussenpozen van 2 tot 3 jaar optredende
enzoötiën bleken in Zuid-Duitsland typisch voor de P.I.-3-virusinfectie te zijn.
Ook de genoemde ervaringen in Friesland wijzen op een leemte in de immuniteit
bij de dieren op de besmette bedrijven, die thans als karakteristiek voor het P.I.-3-
virus wordt aangemerkt. Het ziet er naar uit dat de ervaringen van Dr. Rein-
ders andere verhoudingen beschrijven dan die door Dr. van Bekkum zijn
gevonden, zodat duidelijk nog verder onderzoek gewenst is.

Dr. J. G. van Bekkum merkt op dat slechts één van de vijf door hem gecon-
troleerde bedrijven een klinische vorm van para-influenza-3 door hem werd waar-
genomen.

Antwoord Dr. W. Merk en Dr. K. Bogel: Analoge ervaringen zijn in Duits-
land opgedaan. Men dient er echter rekening mede te houden dat ondanks nega-
tieve serumtiters er een bepaalde graad van actieve lokale immuniteit van het
slijmvlies van de ademhalingsorganen bij die dieren aanwezig kan zijn, die hun
eerste infectie met P.l.-3-virus doorgemaakt hebben terwijl nog van de moeder
afkomstige antilichamen aanwezig waren.

Met enig voorbehoud mag worden gezegd dat ervaringen in de praktijk pleiten
voor een gunstig effect van vaccinatie bij reeds zieke dieren.

Indien echter niet een infectie met P.I.-3-virus de oorzaak van de ademhalings-
stoornis is, bestaat de mogelijkheid dat aansluitend op de vaccinatie de ernst der
symptomen toeneemt. Ten onrechte kan deze verslechtering aan de vaccinatie
worden toegeschreven; de dierenarts dient daarop bedacht te zijn en de vee-
houder hiervoor gewaarschuwd te worden.

Verbreitung und Bedeutung der Parainfluenza-3-Virus beim Rind von K. Bogel*)
Das Parainfluenza-3-Virus wird heute mit einigen verwandten Virus-Typen in
einer besonderen Untergruppe der Myxoviren zusammengefasst. Das Parainfluenza-
3-Virus ist beim Rind sehr weit verbreitet, erwachsene Tiere besitzen eine aktive
Immunität, die Infektion tritt als typische Jungtierkrankheit auf, insbesondere bei
Tieren die nicht mehr durch maternale Antikörper geschützt werden.

Dr. K. Bogel, Wissenschaftler bei der Bundesforschungsanstal für Virus-
krankheiten der Tiere, Tübingen, zur Zeit Institut Pasteur, Paris.

-ocr page 496-

In Südwestdeutschlaml erwies sicli das PI-3-Virus als der häufigste Erreger von
Stallseuchen mit respiratorischem Syndrom. Ähnliche Feststellungen wurden in
Schweden und neuerdings in England gemacht.

Durch Vakzinierung kann trotz Anwesenheit von erworbenen Antikörpern oder
trotz eines passiven maternalen Schutzes eine besonder wertvolle, örtliche Immu-
nität erhalen werden.

Diagnose der Parainfluenza-3-Infektion von W. Merk1)

Für die Diagnose der Parainfluenza-3-Infektionen bieten sich folgende Möglichkeiten
an:

1) Virusisolierung,

2) Nachweis spezifischer Serum-Antikörper.

Praktisch hat nur der Antikörper-Nachweis Bedeutung, ausgearbeitet in der
Haemagglutinations-Hemmungs-Probe (HAH).

Für die Diagnose sind folgende durch die HAH gewonnene Ergebnisse verwertbar:

a) Titerhöhe bei Bestandsuntersuchungen,

b) Titerverlauf durch Untersuchung sog. Serumpaare,

c) Titervergleich zwischen Jungtier und dazugehörender Mutter,

d) Anteil positiver Titer im Bestand.

Indikation zur Schutzimpfung mit Parainfluenza-3-Lebendvakzine von W. Merk**)

Da eine spezifische Therapie gegen die PI-3-Erkrankung bis heute nicht bekannt
ist, besitzt nur die Prophylaxe mit dem PI-3-Lebendimpstoff Bedeutung.
Erfahrungen in der praktischen Anwendung haben bisher Unschädlichkeit der
PI-3-Lebendvakzine gezeigt.

Zur Erwerbung oder Verbesserung einer aktiven Immunität wird empfohlen alle
Tiere in infizierten Beständen einmal intranasal zu impfen. 3-4 Monate später wird
eine zweite Impfung empfohlen.

Alle nachgeborenen Kälber eine erste Impfung im Alter von 2-4 Wochen, eine
zweite Impfung im Alter von 4-5 Monaten.

Später eine jährliche Impfung aller Jungtiere bis zu 2 Jahren.

1  Dr. W. Merk, Leiter Impstoffabteilung Dr. Rentschier & Co., Laupheim.

-ocr page 497-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

BESTRIJDINGSPLAN MOND- EN KLAUWZEER.

Tussen de Veeartsenijkundige Dienst en de Gezondheidscommissie voor Dieren van
het Landbouwschap, is overeenstemming bereikt over de bestrijdingswijze van even-
tueel toekomstige mond- en klauwzecruitbraken.

Het bestrijdingssysteem, zoals dit in de afgelopen jaren is toegepast, zal worden
aangevuld met onmiddellijk uit te voeren verplichte ringentingen van varkens, aan-
wezig in een gebied met een straal van 2/2 tot 3 km rond het besmette bedrijf.
De entingen worden, wanneer het type C betreft, uitgevoerd met een 4-voudig
geconcentreerd vaccin. Zouden andere typen optreden, dan wordt tweemalig geënt
met het normale, voor runderen bestemde vaccin.

De gebieden waar zal worden geënt, zullen worden aangewezen in overleg met de
directeur van de betrokken provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren.
In overleg met de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde is
per provincie een pool van dierenartsen gevormd. In opdracht van de inspecteur-
districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst en in samenwerking met de plaatse-
lijke dierenartsen, zullen deze voor een zo snel mogelijke uitvoering van de ring-
entingen zorgen.

\\\'oor het snel uitvoeren van de entingen, zal in elke provincie een voorraad mond-
en klauwzeervaccin worden opgeslagen. De kosten van de verplichte entingen zullen
voor de eerstkomende mond- en klauwzecrperiode worden gedragen door de over-
heid.

Het epidemiologisch onderzoek zal tot een zo hoog mogelijke graad van perfectie
worden opgevoerd.

De reeds bestaande bestrijdingsmaatregelen blijven van kracht. Zo zullen alle op de
besmette bedrijven aanwezige zieke en verdachte dieren door het Rijk worden over-
genomen. De schadevergoeding voor zieke dieren zal echter van 75 tot 50 procent
van de getaxeerde waarde worden verlaagd. Voor verdachte dieren blijft de ver-
goeding gehandhaafd op 100 procent.

Vervoersverboden voor herkauwers en varkens zullen worden ingesteld in een gebied
met een straal van 5 tot 8 km rondom het besmette bedrijf.

Over eventueel in te stellen marktverboden zal evenals voorheen overleg worden
gepleegd met het betrokken bedrijfsleven. Naar de omstandigheden van dat moment
zullen de te nemen maatregelen worden bepaald.

Bij een uitbraak van mond- en klauwzeer in het buitenland, in de nabijheid van
onze grenzen, zal over de daar te treffen maatregelen met de betrokken autoriteiten
overleg worden gepleegd. Indien nodig, zullen in de aangrenzende Nederlandse ge-
bieden ringentingen worden uitgevoerd.

TURKSE MOND- EN KLAUWZEERDESKUNDIGE IN NEDERLAND.
In het kader van een fellowship van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de
Verenigde Nades, heeft de Turkse dierenarts Mr. N. Erol een studiebezoek gebracht
aan Nederland.

De heer Erol is als onderzoeker werkzaam op het Etlik Veterinary Institute te An-
kara en houdt zich voornamelijk bezig met de vaccin-produkde volgens de methode
Frenkel.

Mond- en klauwzeer veroorzaakt in Turkije grote economische schade en door de
ligging vormt het land een poort tussen Europa en Azië en Afrika voor exotische
virustypen.

Mede in verband hiermee is Turkije internationaal hulp toegezegd voor het op-
richten van een mond- en klauwzeerinstituut te Ankara.

De heer Erol zal worden belast met de leiding van de afdeling vaccinprodukde van
dit nieuwe instituut.

-ocr page 498-

In verband hiermee maakt hij een studiereis van vier maanden naar Nederland,
Frankrijk en Italië.

In Nederland heeft hij zich zowel theoretisch als praktisch bezig gehouden met de
vaccinproduktie volgens de Frenkelmethode op het Centraal Diergeneeskundig Insti-
tuut, afdeling Amsterdam.

SCREWWORPROBLEEM IN AMERIKA.

In een groot deel van Noord-Amrieka vormt de screwworm een ware plaag voor
de veestapel. Alleen al in de Verenigde Staten beliepen de verliezen, die de vee-
houders jaarlijks door de screwworm leden tot voor kort bijna 100 miljoen dollar.
Besloten werd toen een intensieve bestrijdingscampagne uit te voeren, door dc
levenscyclus van de worm bij de vlieg te doorbreken.

Door een gezamenlijk programma van de federale en staatsgouvernementen met de
industrie, slaagde men er in de Verenigde Staten in de haardgebieden van het in-
sekt nagenoeg uit te roeien.

In Mexico bleef de screwworm echter een groot probleem en het kostte jaarlijks
bijna 5 m\'ljoen dollar om een barrière langs de duizenden kilometers lange grens
tussen de Golf van Mexico en de Sdlle Oceaan met dit land in stand te houden.
Onlangs heeft de Amerikaanse president daarom besloten om in samenwerking met
de Mexicaanse regering tot een intensieve bestrijding van de screwworm in Mexico
over te gaan. Hij heeft daartoe een wet getekend, die naar wordt gehoopt ertoe zal
bijdragen beide landen van het screwwormprobleem te verlossen.

GEV.ALLEN V.AN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN
0\\\'EII DE MAAND JULI 1966.

JC

"o

T3
w
T3
C
O
ffi

Provincies

D.
C

a

3

O
3

.2 C

Ü

O -c

< >

3
30
1
2
2
1
16
1

Groningen

Friesland

Drente

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Noord-Brabant

Limburg

Nederland

22

57

-ocr page 499-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

Oktober,

24, Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven. Ledenvergadering,
14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 1314)

29, Groep Geneeskunde v. h. KI. Huisdier K.N.M.v.D. Ledenvergadering,
(pag. 1262)

November,

8, -Ned. Zoötechnisrhe Vereniging, Najaarsbijeenkomst.

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeurs restau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, Lab. v. Physiologie,
Wassenaarscwcg 62, Leiden, (pag. 625)

December,

8, .Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.30 uur. Groot-
handelsgebouw, Rotterdam, (pag. 1261)

1967

April,

26—28, Congres „Ges. f. Vcrsuchstierkunde", Praag. (pag. 935)

Mei,

10, .A.C.V.-Controle. Landelijke studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association, XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

ONDERLINGE VERZEKERINB
VOOR ARTSEN

TANDARTSEN
EN DIERENARTSEN

UITKERING]

gedurende tijdelijke of blijvende on
geschiktheid tot uitoefening van uw
praktijk

• by ongeval tot de 70-jarige leeft^d

• hg ziekte tot de 65-jarige Iteftgd

Vraag inlitbimgtn:

PRINS HENDRIKLAAN 11, ZEIST, POSTBUS n,
TEL. 03404-12S0S, NA 18 UUR OIO-ZSStS

-ocr page 500-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Dier geneeskunde.

V.AN DE GROEPEN.

Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven.

De Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven organiseert op 24 oktober a.s.,
om 14.00 uur in Motel Bunnik een ledenvergadering.

.ACTUALITEITEN.

Promotie collega A. F. A. Brands.

Op donderdag 16 juni 1966 promoveerde collega .A.
F. A. Brands tot doctor in de diergeneeskunde op
het proefschrift, getiteld: „Eni.ge zoötcchnische a.specten
van retentio secundinarum bij runderen". De promo-
tor was Prof. Dr. P. H o c k s t r a.
Collega Brands werd op 13 februari 1936 te Boxtel
geboren. Van 1949 tot 1954 bezocht hij het Jacob
Roclandscollege te Boxtel, waar hij in 1954 het di-
ploma H.B.S.-B behaalde. In datzelfde jaar begon hij
zijn studie in de diergeneeskunde, die op 21 juni 1961
met het behalen van het dierenartsdiploma werd af-
gefloten.

Na zijn afstuderen is hij als wetenschappelijk mede-
werker verbonden geweest aan het Zoötechnisch Insti-
tuut. Sedert 1965 was hij adviseur van de N.V. Fo-
meva te Cuijk. Op 1 juli j.1. trad hij als dierenarts-zoötechnicus in dienst bij deze
N.V. Fomeva, een dochteronderneming van de N.V. Homburg. Hier houdt hij zich
voornamelijk bezig met de zoötechnische aspecten van de varkenshouderij.
Zijn proefschrift is gebaseerd op gegevens van 16.375 M.R.Y.-runderen, welke .ge-
gevens door de K.I. Vereniging „De Kempen" te Oerle zijn verzameld, en behandelt
de verschillende factoren die rnct het optreden van retentio secundinarum gepaard
kunnen gaan.

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur heeft als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
aangenomen collega

J. J. Keiler, Zonstraat 120, Utrecht.

Het Hoofdbestuur heeft als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde aangenomen de diergeneeskundige studenten:

J. Bakker, Prof. Fuchslaan 35, Utrecht.
K. Dijkstra, W. van Noortstraat 134, Utrecht.
B. Gerritsen, Ina Boudier Bakkerlaan 21, kamer 159, Utrecht.
B. Oskam, Griftstraat 49, Utrecht.

-ocr page 501-

K. G. P. Pouwels, van Brakelstraat 9, Utrccht,
P. C, van der Valk, B. W. Laan 92, Amersfoort,
C, Vroege, N,Z. 111, Bodegraven.
G. C, van der Weijden, Krugerlaan 153, Gouda.

Adreswijzigingen e.d.:

Bootsma, R., van Utrecht naar Bussum, Nieuwe Hilversumseweg 50, tel, (02959)
13 99 6, D. (167)

Fontijne, P., van Utrecht naar Bilthoven, Soestdijkseweg 210 Z, tel. (03402) 64 17,
gr. 94598. (177)

Ilcrmsen, B. J., van Vörden naar Zaandam, Peperstraat 127, (184)

Hiddenia, W., van Apeldoorn naar Morogoro (Tanzania), Mo.rogoro Agricultural
College, P.O. Box 643, Lecturer Animal Husbandry./Head of the Department of
Animal Husbandry. (van 184 naar 232)

Jansen, P. F. J., van Haarlem naar Uithoorn, Hugo de Grootlaan 29, tel. (02975)
41 78, h.k., dir. ab. (189)

Kremer, K. H., Montfort, naar Beatrixstraat 2 aldaar. (194)

Kuiper, C. J., van Heerhugowaard naar Gouda, Groenendaal 94, gr. 182994. (195)
Kuijk, M. M. F. H., van Soestdijk naar Someren, Laan ten Roode 59, tel. (04937)
20 93. (195)

Meinardi, H. E., van Utrecht naar Marum, Nachtegaalstraat 19, tel. (05944) 52 5,
ass, bij Th. Lambers en Sj. Zuidhof. (200)

Oldenkamp, E. P., Meliskerke, naar Torenstraat 1 aldaar. (205)

Schipper, K., van Utrecht naar Hoogland, Berkenlaan 52 A, tel. (03493) 59 5. (212)
Tomer, S., van Rishon-Lé Zion naar Doar Na Hanegev, Kibutz Mefalsim. (234)
Vries, S. de, van Utrecht naar Wijdenes, Noorderuitweg B 21, tel. (02293) 44 3,
gr. 1293937, (225)

Werkhorst, P,, IJsselmuiden, Burg. van Engelenweg 126, tel. (05292) 22 55, gr.

901882, P., geass, met W, J. van de Weg en A. Moerman. (227)

Wijk, N, van, van Brakel naar Maasland, Julianaweg 184, P. (229)

Gevestigd:

Mevrouw A. van Gastel - Jansen vestigde per 1-10-1966 te Delft, Ruys de Beeren-
brouckstraat !0, een inrichting voor vet, röntgenologie en fysische therapie, tel,
(01730) 21 85 1, (178)

Benoemd:

Claessens, J, P, C,, m,i,v. 1-9-1966 tot Rijkskeurmeester in bijzondere dienst, bij de
Weartsenijkundige Dienst, ter standplaats Roosendaal. (171)

Dufour, E. M., m.i.v. 1-10-1966 tot Rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de
Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Hoogeveen. (174)

Rhee, H. van, m.i.v, 1-10-1966 tot Rijkskeurmeestcr in bijzondere dienst bij de
Veeartsenijkundige Dienst, ter standplaats Hoogeveen. (210)

Schaik, P. van, m.i.v, 1-11-1966 tot Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst
en Veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid, ter standplaats Rotterdam. (212)

Eervol ontslag:

Kapteyn, T., m.i.v. 1-11-1966 als Inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens
Veterinair Inspecteur van de Volksgezondheid, (190)

Overleden:

H. J, W, Hesselink te Angerlo, (184)

-ocr page 502-

Mr. A. P. J. Fortuin

Mr. J. M. Muller
J. H. J. van der Steen
P. G. Weynands
E. J. A. Damm

Fiscaal-Economische dienst voor de Artsenstand

Afdeling van
ACCOUNTANTSKANTOOR J. FORTUIN
UITSLUITEND BELASTINGCONSULENTEN
Uirecht - \'s-Gravenhage - Nijmegen

Utrecht

Tel. 030 - 20241
Koningslaan 62

\'s-Gravenhage

Tel. 070-639908
Houtweg 3

Nijmegen

Barbarossastraat 54
Tel. 08800-32132

VERRICHTINGEN:

1. Behandeling belastingzaken in abonnementstarief

2. Boekhoud-centrale voor de medische beroepen

3. Praktijk-overdracht, associatie en financiering

4. Verzekerings-Advies-Dienst

BIJ ARBEIDSONGESCHIKTHEID
UW BELANGEN
COLLEGIAAL BEHARTIGD!

Onderl. Yerz.-Mij. van Artsen, Dierenartsen en Tandartsen D.T.O.

Prins Hendriklaan 30, Zeisf, fel. 03404-16476.

WIJ VERSTREKKEN U GAARNE ALLE GEWENSTE INLICHTINGEN

-ocr page 503-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

P. Wensvoort, Vetweefsel bij jonge herkauwers . . . . 1317
F. W. J. Swart, Kan de supplementatie van de varkensmeel-
mengsel m^et kopersulfaat intoxicatie veroorzaken of aanleiding
geven tot het optreden van diarree? — Can supplementation of
pig rations with copper sulfate cause intoxication or diarrhea? — 1331
ƒ. J. Koopman, Een vergelijkend onderzoek betreffende het
faecesonderzoek op leverboteieren — A comparative exami-
nation of the faeces of cattle on eggs of Fasciola hepatica
— 1341
ƒ. Tesink, Wettelijke maatregelen ter voorkoming danwel be-
perking van luchtverontreiniging — Legislation about preven-
tion and or restriction of air pollution
—......1349

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten.........1356

Inwendige ziekten...........1358

Ziekten van het kleine huisdier........1359

BOEKBESPREKING

„Vlees 8" — De gids voor de vleesbranche.....1360

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Verslag betreffende de werkzaamheden en de toestand van de
Prof. Dr. D. A. de Jong-^lichting over het jaar 1965 . .
1361
FOIB-informaties no. 20 .......... 1361

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1362

DOORLOPENDE AGENDA............1365

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het bureau............1366

Van de afdelingen...........1371

Van de groepen............1371

Personalia.............1371

-ocr page 504-

snel werkende
tweeledige
behandeling
bestrijdt
vochtverlies en
bacteriële
infectie bij
biggendiarree

• vertraagt de darmtransit en laat de
neomycine toe de Infectie te elimineren

• remt het vochtverlies en voorkomt
aldus dehydratie, hetgeen gewoonlijk de
doodsoorzaak is

• gemakkelijk en economisch—de pig
pump verzekert afgemeten doses; min-
stens 100 biggen kunnen met een flacon
van 120cc worden behandeld

Eén cc bevat:

Neomycinesulfaat...................50mg

(overeenkomende met 35mg neomycine-base)
Methscopolamine bromide...........0,25mg

Verpakking:

flacon van 120 cc met zuiger

TRADEMARK: BIOSOL-M
NEDERLAND 3711.1

Upjohn

__UPJOHN-NEDERLAND

STRICKLEDEWEG 102-ROTTERDAM-8.
TEL 010-154866.

-ocr page 505-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Vetweefsel bij jonge herkauwers1)

door P. WENSVOORT

Mijne Heren Curatoren,
Mijnheer de Rector Magnificus,

Dames en Heren Leden van dc Wetenschappelijke Staf,
Dames en Heren Studenten,

en Gij allen, die deze plechtigheid met Uw tegenwoordig-
heid vereert.

Zeer gewaardeerde toehoorders.

Wanneer men met studenten in de diergeneeskunde, vooral met hen die
agrarisch georiënteerd zijn, spreekt over vetweefsel dan wekt men in de
regel andere gedachtenassociaties op dan men bij beoefenaars van de
ziektekunde van het dier zou willen verwachten. Immers nauw verbonden
met het produktie-apparaat voor voedsel van dierlijke oorsprong voor de
mens worden zij ingeschakeld om voor de voedselmarkt van onze sterk
automatiserende maatschappij vlees te leveren waarvan de aanwezigheid
van vet tot een minimum is beperkt. Wetend dat de hoeveelheid vet per
slachtdier sterk kan variëren en dat uitwendige omstandigheden van grote
invloed zijn op de gevormde hoeveelheid, vergeet men onbewust dat dit
weefsel essentieel is voor het behoud van de vitaliteit van het dier. Vet-
weefsel namelijk, in relatief grote hoeveelheden voorkomend bij homoio-
therme dieren, vervult specifieke functies bij de bouw en het metabolisme
van het dier.

Deze functies kunnen zelfs veelzijdig zijn en niet voor ieder diersoort iden-
tiek. Het zijn echter niet alleen functionele verschillen die tussen vet-
weefsel afkomstig van verschillende diersoorten kunnen bestaan. Ook in
histologisehe bouw en ontwikkeling treft men bij vergelijking soms andere
situaties aan. Bij de nog niet geboren herkauwers bijvoorbeeld heeft de
prenatale ontwikkeling van vetweefsel in een veel sneller tempo plaats dan
bij de foetale big. Bij het varken, een vetvormer bij uitstek, hebben de
vetcellen op het tijdstip van de geboorte, in tegenstelling tot de verwach-
ting, nog geen vet opgeslagen en bestaat het vetweefsel uit zogenaamde
pre-adipeuze lobuli. De pasgeboren herkauwers daarentegen, ook het lam,
een diersoort met een graviditeitsduur die ongeveer overeenkomt met die
van de big, bezitten vetlobjes waarvan de cellen reeds tot depotvorming
overgingen.

Dat we vetweefsel als zelfstandig weefsel dienen te beschouwen en niet
als vervet bindweefsel, wordt duidelijk indien we nader ingaan op de pre-
natale ontwikkeling. Vetweefsel ontstaat uit ongedifferentieerd mesenchym
en hierbij worden kwabjes gevormd, hetgeen niet gebruikelijk is voor
bindweefsel. Door proliferatie van perivasculair gelegen mesenchymale
cellen ontstaan vormsels met een organoide bouw die beschikken over

1  Rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar aan de
Rijksuniversiteit te Utrecht op maandag 17 oktober 1966.

-ocr page 506-

aan- en afvoerende bloedvaatjes. Pas na aanleg van deze en het bereiken
van een bepaald stadium in de ontwikkeling gaan de cellen vet opslaan
in één of meerdere vacuolen en kan het weefsel duidelijk als vetweefsel
worden herkend.

Gedurende de foetale ontwikkehng worden niet op alle toekomstige plaat-
sen van depotvetweefsel even snel kwabjes aangelegd. Rij de foet worden
deze het eerst in het nierkapsel gevormd en geleidelijk ziet men op steeds
meerdere plaatsen vetweefsel ontstaan. De verbreiding gaat na de ge-
boorte door. Heeft deze de limiet bereikt dan neemt de groei van vet-
weefsel slechts toe door ter plaatse omvangrijker te worden.
Is de prenatale ontwikkeling gekenmerkt door haar snel optredende struc-
turele veranderingen, een gevolg van uitbouw van het kwabje en vetopslag
in de cellen; de postnatale groei is meer van kwantitatieve aard. Er wor-
den nog wel nieuwe lobjes aangelegd maar het meest opvallende is toch
wel dat de reeds bestaande steeds omvangrijker worden door volume-
toename van de vetvacuolen die tientallen malen hun inhoud vergroten.
Het lijkt dan alsof vetweefsel alleen uit vetvacuolen bestaat. Men moet
echter blijven spreken van vetcellen omdat ze een kern en cytoplasma
bezitten en bovendien op elk moment de hierin gelegen organellen op
dynamische wijze hun metabolisme kunnen afwikkelen. Enzymatische pro-
cessen treden op; respiratie heeft plaats; glycogeen synthese behoort tot de
activiteit van de vetcel, terwijl selectief te werk wordt gegaan bij de op-
name en afgifte van vetzuren. Ongetwijfeld wordt de grootste aandacht
besteed aan het verwerken van vetzuren en het vormen van vet of de
afgifte ervan, maar ook zonder vetvacuolen is de vetcel vitaal.

Zo het vetweefsel een zelfstandig weefsel is en onderhevig kan zijn aan
ziektemakende invloeden kent het ook zijn eigen pathologie. Atrofie van
vetweefsel is bekend; lokale hypertrofie in de vorm van lipomatose komt
bij dieren voor; pigmentaties vormen een interessant onderwerp; vet-
necrose is nog een onopgeloste zaak terwijl steatitiden, bij de verschillende
diersoorten voorkomend, een vergelijkend onderzoek zeker rechtvaardigen.

Hoewel elk van deze afwijkingen het onderwerp zou kunnen zijn om met
U vanmiddag over vetweefsel te spreken vraag ik toch Uw aandacht voor
een ander. Namelijk voor vetweefsel dat bij herkauwers gedurende de
perinatale periode wordt gevonden. De keuze is hierop gevallen omdat
het vetweefsel bij dieren van deze leeftijd niet alleen in morfologisch op-
zicht interessant weefsel is, maar omdat het bovendien op verschillende
manieren en op zeer intensieve wijze bij het metabolisme van het pas-
geboren dier kan worden betrokken. Tevens kunnen bepaalde morfo-
logische veranderingen van dit vetweefsel een gevolg zijn van bepaalde
ziektetoestanden. Hierdoor wordt niet alleen een bestudering van dit weef-
sel voor de veterinaire ziektekunde van belang, maar naar het laat aanzien,
bieden de verkregen informaties perspectieven voor de oplossing van een
praktisch probleem.

De mate van verbreiding en de hoeveelheid depotvet bij kalveren en lam-
meren kan, evenals bij oudere dieren, sterk variëren. Hier komt nog bij
dat gedurende de perinatale periode een belangrijke wisseling kan op-
treden in kleur, consistentie en soortelijk gewicht. Bij het voldragen, goed
ontwikkelde en in goede voedingstoestand verkerende kalf en lam is een

-ocr page 507-

dun vetdek of panniculus adiposus aanwezig dat zicii uitstrekt over de rug,
de hals, de zijvlakten en over het borstbeen van het dier. Langs de fascies
van de hals-, rug-, schouder- en dijspieren treft men smalle dunne stroken
vetweefsel aan die zijn samengesteld uit een groot aantal, onderling niet of
nauwelijks gescheiden vetlobi. De oogholte is aangevuld, de gewrichten
omgeven door vetweefsel. In de thoraxholte is vetweefsel aanwezig in het
pericard, in het mediast, in de coronairgroeve van het hart, zo ook om de
grote vaatstammen en hun aftakkingen en aan de ventrale vlakte van de
wervelkolom. Vetweefsel treft men voorts aan, aan weerszijden van de rib-
wandjes ter hoogte van de ribkraakbeenovergangen. In de buikholte ligt
vetweefsel langs de aorta, aan de ventrale vlakte van de wervelkolom, om
de bijnieren, in het nierkapsel, onder het peritoneum van de bekkenholte,
onder de darmserosa en in het omentum en mesenterium ter hoogte van
de aanhechtingsplaatsen van deze banden aan de lebmaag. Tussen de
skeletspieren ligt bovendien vetweefsel in de omgeving van de lymfklieren.
De lobi van vetweefsel afkomstig van dergelijke kalveren en lammeren
zijn volumnieus en wit van kleur of enigszins lichtbruin getint. Het weefsel
is zacht en drijft op water.

Gedurende het postmortale onderzoek van gestorven jonge herkauwers
en bij de inspectie van geslachte nuchtere kalveren kan men gevallen
tegenkomen waarvan alle vetweefsel donkerbruin van kleur is. De totale
hoeveelheid aanwezig vetweefsel en de uitgebreidheid van de panniculus
adiposus is veel minder dan bij de hiervoor genoemde vetrijke dieren. De
lobi zijn sterk afgeplat; de consistentie komt overeen met die van foetaal
longweefsel en het weefsel drijft niet meer in water. Het vetweefsel is
tevens vochtig doordat zich oedeemvocht erin heeft opgehoopt.
Tussen deze twee uitersten komen overgangsvormen voor, waarbij kleur,
consistentie en soortelijk gewicht tussenliggende waarden aannemen.
Hierbij is echter het bijzondere dat vetweefsel afkomstig van verschillende
plaatsen van hetzelfde corpus onderling in genoemde fysische eigenschap-
]5en kan verschillen. Bij deze tussenvormen treft men vetweefsel aan waar-
van de kleur in het ene gebied verschilt met de kleur van dit weefsel dat
in het andere gebied is gelegen. De lokalisatie van het donkerder gekleurde
weefsel en van het in die gevallen tevens voorkomende lichter gekleurde
is echter specifiek. Steeds treft men het donkerder gekleurde weefsel op
ongeveer dezelfde plaatsen aan. Om de gedachtenwissehng wat gemakke-
lijker te maken kan men deze gebieden nader aanduiden met „centraal"
en „perifeer". Het centraal gelegen gebied omvat de wervelkolom, de
thoraxholte en de hierin aanwezige grote vaatstammen met hun eerste
vertakkingen die ook direct buiten de thorax kunnen zijn gelegen. Het
perifere gebied omvat de kop, de extremiteiten, de panniculus adiposus, de
bekkenholte en het mesenterium. Het bniingekleurde vetweefsel treft men
dan centraal aan, het witgekleurde perifeer.

Een scherpe scheiding tussen deze twee gebieden is echter niet te maken,
de omvang is variabel. De nadruk wordt er nogmaals op gelegd dat slechts
bij deze tussenvormen een centraal naast een perifeer gebied is te onder-
kennen en dat in deze reeks van mogelijkheden uitersten voorkomen
waarbij al het vetweefsel slechts éénkleurig is.

Om de begrippen „bruingekleurd" en de daaraan soms verbonden typische
lokalisatie van de op deze wijze gekleurd vetweefsel bij herkauwers duide-

-ocr page 508-

lijker te laten uitkomen is een vergelijk in deze met lagere zoogdieren,
vooral hibernerende dieren, van belang. Bij de rat en het konijn, bij de
egel en de vleermuis wordt bruingekleurd vetweefsel als een apart soort
vetweefsel beschouwd. Dit vetweefsel bestaat uit vetcellen waarvan het
cytoplasma meerdere vetvacuolen bevat. Het worden daarom plurivacuo-
laire vetcellen genoemd. De kleur van dit weefsel is evenwel niet altijd
bruin. Deze kan variëren van lichtgeel tot donkerbruin en deze variatie is
toe te schrijven aan de hoeveelheid vet die in de plurivacuolaire vetcellen
op een bepaald moment is opgeslagen. De kleur wordt donkerder naar-
mate dit minder het geval is.

Dit bruine vet is bij de genoemde kleinere zoogdieren en hibernerende
dieren steeds op bepaalde plaatsen te vinden, namelijk tussen de spieren
van de hals en die welke aan de binnenzijde van de scapulae zijn gelegen
en langs de grote vaten van de thoraxholte. Een lokalisatie die in bepaalde
gevallen met die van het kalf en het lam overeenkomen. Er bestaat echter
tussen deze diersoorten een verschil dat nadere verklaring behoeft. Bij de
genoemde niet-herkauwers treft men steeds naast het bruine vetweefsel dat
bestaat uit plurivacuolaire cellen eveneens een wit gekleurd vetweefsel aan
dat uit univacuolaire vetcellen, cellen dus die maar één vetvacuole be-
zitten, is opgebouwd. Men noemt dit vet gemakshalve het witte vet. Men
beschouwt het witte en het bruine vet bij deze diersoorten als verschillend
vetweefsel, niet alleen te onderscheiden aan de bouw van de vetcel maar
tevens op fysiologische gronden. Men gaat zelfs zo ver door aan te nemen
dat er een duidelijke scheiding bestaat op de plaatsen waar beide vet-
soorten aan elkaar grenzen.

De overtuiging bestaat daarentegen dat men bij herkauwers niet van twee
soorten vetweefsel mag spreken. Evenmin dat er een duidelijke limitering
zou zijn in de uitbreiding van het bruine vet. Deze kan bij jonge her-
kauwers zeer variabel zijn, terwijl de overgang van het gebied van donker
gekleurd vet naar dat van het lichtere in het algemeen zeer geleidelijk
plaatsvindt. Uitzonderingen komen echter voor. Zo kan het vetweefsel
in de omgeving van de axillaire lymfklier aan de binnenkant van het
schouderblad een bruine kleur bezitten, terwijl dat om de niet ver er van-
daan liggende pre-scapulaire lymfklier een veel lichtere kleur heeft.
Hetzelfde wordt soms waargenomen tussen het vetweefsel dat in de buik-
holte aan de ventrale vlakte van de wervelkolom is gelegen en dat van het
nierkapsel. Zelfs kunnen in gebieden van aaneensluitende lobuli zich
enkele bevinden die wit van kleur zijn, terwijl de omgevenden een bruine
tint bezitten. Het aantreffen van scherp gescheiden gebieden waarvan het
vetweefsel verschillend van kleur is blijven echter tot de uitzonderings-
gevallen behoren en het mag geen aanleiding zijn te besluiten ook bij
jonge herkauwers in dit opzicht van twee soorten vetweefsel te spreken.
Trouwens, zoals later zal blijken, is dit om andere redenen evenmin toe-
gestaan. Aantrekkelijk is het voorlopig slechts de kleurverandering te noe-
men. Deze kan echter in alle vetweefsel optreden maar wordt steeds het
eerst in het centraal gelegen gebied gezien om van hieruit naar de periferie
uit te breiden.

Indien men de histologische structuur van vetweefsel van herkauwers dat
gedurende de perinatale periode aanwezig is bestudeert om hierin een ver-
klaring te zoeken voor de grote variatie in kleur, consistentie en soortelijk

-ocr page 509-

gewicht dan vindt men deze, afgezien van postmortale kleurstof imbibitie
en hyperemie, in de morfologische verscheidenheid van de vetcellen. Bij
kalveren en lammeren kan het vetweefsel uit diverse typen cellen bestaan.
Hieronder treft men er aan die vethoudend zijn en die welke geen vet
bevatten. Tot de vethoudende behoren de univacuolaire en de plurivacuo-
laire cellen. Onder de niet vethoudende bevinden zich de pre-adipeuze
cel, de sereus-atrofische vetcel en de pleo-protoplasmatische vetcel. Naast
deze zeer karakteristieke vetcellen worden ook overgangsstadia gevon-
den. Veelvuldig kan echter worden waargenomen dat vetlobuli zijn samen-
gesteld uit slechts één of enkele van de genoemde vetceltypen. Het is daar-
om mogelijk aan vetweefsel van jonge herkauwers drie vormen te onder-
scheiden die, bepaald door het aanwezige celtype, het perinatale, het
sereus-atrofische en het pleo-protoplasmatische vetweefsel kunnen worden
genoemd.

Deze indeling wordt gemaakt om inzicht te verschaffen in de fysiologische
of patho-fysiologische activiteit van het vetweefsel en bij deze jonge dieren
verband te leggen met ziektetoestanden die hiervan de oorzaak kunnen
zijn. Alvorens echter hierop in te gaan en de verschillende functie stadia
van het vetweefsel te belichten volgt een nadere beschrijving van de mor-
fologische structuur.

Het perinatale vetweefsel kan men moeilijk met een enkele zin definiëren.
Een omschrijving is dan ook gewenst. Het is vethoudend weefsel en op-
gebouwd uit aan elkaar grenzende lobuli die door hun onderling contact
een polygonale vorm hebben aangenomen. Vethoudende cellen zijn gelijk-
matig verspreid door de lobjes. Men ziet geen pre-adipeuze cellen meer
aan de periferie van de kwabjes. Dit is tijdens de foetale ontwikkeling nog
wel het geval. De lobjes lijken volledig uitgegroeid. Ze verschillen echter
met die van het adulte vetweefsel in het type vetcel en de grootte van de
vetvacuole. Het vetweefsel van het volwassen goed gevoede dier is geken-
merkt door een uniformiteit van de vetcellen. Deze zijn alle van het uni-
vacuolaire type en de diameters van de vacuolen zijn gelijk. Het perinatale
vetweefsel echter bezit vetcellen die onderling in bouw en grootte sterk
kunnen variëren. De vetcellen zijn zowel van het uni- als van het pluri-
vacuolaire type. Tevens varieert de grootte van de vetvacuolen sterk.

Afhankelijk van deze grootte wordt het cytoplasma in meer of minder dikke
lagen over en tussen de vetvacuolen uitgerekt. Eveneens afhankelijk van
de grootte van de vetvacuolen is de omvang van de vetcel. Worden ze
groot, dan nemen ook de afmetingen van de vetcel en hierdoor die van
de lobuli toe en wordt het stroma met het capillaire netwerk verder uit
elkaar getrokken. De omvang van de vetvacuole wordt bepaald door de
hoeveelheid vet die erin wordt opgeslagen. Is deze gering, zijn de vacuolen
dus klein, dan is het cytoplasma duidelijker in de vetcel waar te nemen.
De vetcel is dan bovendien kleiner, waardoor het stroma van de lobjes
dichter opéén komt te liggen.

De meerdere of mindere concentratie van het cytoplasma en het stroma
van de kwabjes enerzijds en de hoeveelheid vet die is opgeslagen ander-
zijds, beïnvloeden dan ook de macroscopisch waarneembare kleur die het
vetweefsel op een bepaald moment aanneemt. Deze kan bij het perinatale
weefsel variëren van wit tot lichtbruin. Men kan echter een verschil in

-ocr page 510-

kleur aantreffen bij hetzelfde individu. Het centraal gelegen vetweefsel is
dan donkerker dan het perifere.

Het perinatale weefsel bestaat uit uni- en plurivacuolaire cellen. De ver-
houding waaronder ze voorkomen kan sterk variëren. Er zijn kalveren en
lammeren waarvan het vetweefsel nagenoeg alleen bestaat uit vetcellen
van het univacuolaire type. Alle vetweefsel heeft dan een nagenoeg witte
kleur. Er worden echter ook lammeren aangetroffen waarvan het percen-
tage plurivacuolaire cellen tot zeer hoog is opgelopen. Het vetweefsel heeft
dan een donkerder tint. Met opzet werd het kalf niet genoemd. Bij het
pasgeboren kalf is het percentage plurivacuolaire cellen laag. Er bestaat
dus in dit opzicht een verschil tussen kalf en lam.

Naast het kunnen voorkomen van meer plurivacuolaire cellen bij het lam
zijn bij het kalf bovendien steeds de vetvacuolen van de univacuolaire vet-
cel groter dan die van het lam. Dit zou er op wijzen dat de omvang van de
vetopslag bij het pasgeboren kalf verschilt met die van het lam. Dat dus in
het algemeen bij het kalf gedurende de graviditeit relatief meer vet wordt
opgeslagen.

Om de vetopslag bij pasgeboren herkauwers beter te belichten is kennis
hiervan bij het ongeboren dier noodzakelijk. Na het ontstaan van jonge
pre-adipeuze lobuli door proliferatie van perivasculair gelegen mesen-
chymale cellen, ziet men in de cellen die het meest centraal, dus het dichtst
om de capillairen zijn gelegen het eerst vetvacuolen gevormd. In het proto-
plasma vormen zich aanvankelijk granula die later soedanofiele eigen-
schappen verkrijgen. Dan ontstaan meerdere kleine vacuolen die vet be-
vatten. Deze vloeien spoedig samen tot één grotere. Hoewel gedurende
langere tijd nog kleintjes worden gevormd versmelten ze snel met de reeds
gevormde grotere, die daardoor in omvang steeds meer gaan verschillen
van de voortdurend opnieuw gevormde kleinere. Het samensmelten van de
vacuolen is een proces dat gedurende de gehele foetale ontwikkeling snel
verloopt, zodat aan het einde van de graviditeit — en ook daarvoor reeds
— de lobuli uit univacuolaire vetcellen kunnen bestaan.
Een dergelijke gang van zaken werd gevonden bij kalverfoeten, afkomstig
van slachtrunderen. Onderzoekt men nu schapefoeten, eveneens afkomstig
van slachtbare dieren, dan treft men een andere situatie aan. Onder hen
bevinden zich lammeren waarbij de vetopslag op dezelfde wijze verloopt
als bij kalveren het geval is. Er zijn echter lammeren waarbij aan het be-
gin van de vetopslag in de dan nog jonge kwabjes geen verschil wordt
waargenomen, maar waarbij gedurende de laatste maand van de drachtig-
heidsperiode een andere gedragslijn wordt gevolgd. Men neemt dan waar,
dat het samensmelten van de gevormde vacuolen minder snel geschiedt
of in het geheel niet optreedt. De kleinere vacuolen kunnen wel in om-
vang toenemen maar er ontstaan geen univacuolaire doch plurivacuolaire
cellen. Deze cellen bezitten tevens een grotere hoeveelheid protoplasma
waarin veel granula zijn waar te nemen. Deze granulering is een gevolg
van de vorming van een groter aantal celorganellen.

Atrofiërend vetweefsel of atrofisch vetweefsel bestaat uit cellen waaruit
een deel of alle eens opgeslagen vet werd afgegeven. De cel blijft intact en
is zeer waarschijnlijk in staat opnieuw vet op te slaan. De betekenis van
atrofie slaat hier op het kleiner worden en het verdwijnen van de vet-

-ocr page 511-

vacuolen. Hierdoor worden ook de lobuli kleiner van omvang. Afhankelijk
van de mate waarin dit plaats vindt verandert de vorm van de kwabjes.
Het onderlinge contact wordt verbroken en in plaats van polygonaal van
vorm worden ze rond of ovaal. Het stroma wordt in de loop van het
proces waarin voortdurend vet wordt afgegeven steeds opvallender. Boven-
dien neemt het aantal kernen per gezichtsveld toe.

In de cel kunnen meerdere vacuolen in het cytoplasma ontstaan; de cel-
kern wordt weer zichtbaar en lokaliseert zich in het midden van de cel.
De vetcel kan zelfs uiteindelijk de vroegere pre-adipeuze vorm aannemen,
waarbij aan het cellichaam vertakte uitlopers zijn te zien. Dit heeft niet
altijd plaats. De geatrofieerde vetcel kan zijn ronde vorm behouden. In
dat geval is het cellichaam opgevuld met een doorzichtige vloeistof die
grotendeels uit water bestaat. Er wordt dan weinig kleurbaar cytoplasma
aangetroffen. Het meeste is dan om de kern gelegen. Vacuolen zijn af-
wezig.

In vetkwabjes kunnen volledig geatrofieerde vetcellen worden aangetrof-
fen naast nog vethoudende cellen. Soms liggen ze in groepjes naast elkaar.
Ook komen vetlobuh voor, waarvan de cellen verder zijn gevorderd met
de afgifte van vet dan die van naburige kwabjes. Een verschil in de mate
van vetafgifte treedt bij jonge herkauwers ook op tussen het centraal en
het perifeer gelegen vetweefsel. Het vetweefsel van het centraal gelegen
gebied bevat dan meer atrofische vetcellen en vetcellen met vacuolen van
kleinere diameter dan in vetweefsel aan de periferie van het lichaam het
geval is. Met de atrofie hangt samen de verandering in kleur. Atrofierend
vetweefsel wordt namelijk steeds bruiner.

Atrofiërend vetweefsel bij jonge herkauwers verschilt niet van dat van
oudere dieren. Het treedt op in situaties die een steeds afnemende voe-
dingstoestand tot gevolg hebben. Het wordt gevonden bij kalveren en lam-
meren, maar niet eerder nadat de a terrne geboren dieren drie dagen oud
zijn geworden. In de slachtplaats vindt men het .soms bij „nuchtere" kal-
veren die enige dagen na de partus worden geslacht en die door verkoop
via de markt en door het transport naar en van deze centrale instelling
onder omstandigheden komen te verkeren waarin een regelmatige voeding
niet is te realiseren.

In de secdezaal wordt atrofiërend vetweefsel aangetroffen bij kalveren en
lammeren. Bij deze dieren wordt dan meestal een bacteriële aandoening
als doodsoorzaak gevonden.

Door bij aanbod van onvoldoende voedsel of bij gestoorde voedselopname
te atrofieren, vervult het vetweefsel één van zijn belangrijkste funcdes,
namelijk het leveren uit voorraad van eens opgeslagen neutraalvetten.
Hiervan worden de vetzuren aan het bloed afgegeven om elders, vooral in
de lever, gebruikt te worden als grondstof voor bepaalde stofwisselings-
processen. Het vet wordt in de cel slechts afgebroken om voor transport
via het bloedplasma geschikt te worden gemaakt.

Als laatste en op dit moment de meeste interessante vorm die vetweefsel
van jonge herkauwers kan aannemen is de pleo-protoplasmadsche. Dit vet-
weefsel is donkerbruin van kleur en heeft een consistentie gelijk aan die
van foetaal longweefsel, terwijl het in water zinkt. Het is opgebouwd uit
kwabjes maar is niet meer vethoudend. De lobuli, wanneer ze uitsluitend
zijn samengesteld uit pleo-protoplasmatische cellen, vertonen microsco-

-ocr page 512-

pisch een opvallende uniformiteit. Dit in tegenstelling tot het perinatale
en het atrofische vetweefsel. Hiervan zijn de cellen veelvormiger. De pleo-
protoplasmatische vetcellen zijn grote cellen. Ze grenzen aan elkaar en
zijn hoekig van vorm. Ondanks de afwezigheid van vetvacuolen vullen ze
de lobuli dermate op dat deze aan elkaar blijven grenzen. De lobuli zijn
daarom eveneens polygonaal. In plaats van vetvacuolen bevat het cel-
lichaam een grotere hoeveelheid cytoplasma, in het centrum waarvan de
kern is gelegen. Bij de vorming van dit vetweefsel heeft een toename
plaats van het cytoplasma. In dit opzicht zijn ze te beschouwen als ge-
hypertrofieerde vetcellen, hoewel de vetvacuolen verkleinen en later in het
geheel niet meer worden aangetroffen. Het cytoplasma bevat veel granula,
toe te schrijven aan de toename van celorganellen. De granula zijn gelijk-
matig verspreid in het cytoplasma te vinden.

Het ontstaan van pleo-protoplasmatisch vetweefsel kan zich beperken tot
het centrale gebied; de pleo-protoplasmatische vetcel kan dan in kleinere
of grotere aantallen deel uitmaken van het vetlobje. In het algemeen
echter treft men dit vetweefsel gedurende het postmortaal onderzoek in
zeer uitgebreide vorm aan. Zelfs is er in de meeste gevallen geen ander
vetweefsel aanwezig, ook niet in het perifere gebied.

In deze uitgebreide vorm wordt het pleo-protoplasmatisch vetweefsel
slechts gevonden bij dieren, die ä terme geboren, niet ouder worden dan
drie dagen. Het zijn steeds lammeren; bij kalveren wordt dit pleo-proto-
plasmatisch vetweefsel niet gezien. Bij het pasgeboren lam kan blijkbaar
in zeer korte tijd het vetweefsel veranderen, waarbij niet alleen alle vet-
vacuolen verdwijnen maar tevens het cytoplasma absoluut in hoeveelheid
toeneemt.

Om inzicht te verwerven waarom en op welke wijze het vetweefsel bij
het pasgeboren lam zo snel van structuur kan wisselen dienen we kennis
te nemen van experimenten die op andere diersoorten werden verricht.
Het betreft hier proefnemingen uitgevoerd op de rat, het konijn en enkele
hibernerende dieren zoals de egel en de vleermuis. Voor deze diersoorten
neemt men aan dat er een werkelijk verschil bestaat in morfologische
structuur en fysiologische activiteit tussen het witte en het bruine vet.
Men beschouwt het witte als depotorgaan van waaruit reservestoffen
kunnen worden onttrokken en als isolatiemateriaal aanwezig in de sub-
cutis om warmteverlies tegen te gaan. Aan het bruine vet worden nog
andere mogelijkheden toebedacht, terwijl het bovendien veel intensiever
bij het metabolisme van het dier kan worden betrokken. Dit vetweefsel zou
namelijk een regulerende functie uitoefenen bij de opslag of afgifte van
vetzuren in zowel het eigen als in het witte vetweefsel en van belang zijn
bij het ontwaken van hibernerende dieren uit hun winterslaap. Verder is
het gevoelig voor beïnvloeding van secretieprodukten van klieren van in-
terne secretie. Hormonen, afkomstig van hypofyse, bijnier, schildklier
en pancreas, zijn in staat direct of indirect de stofwisseling van de bruine
vetcel te beïnvloeden, de afgifte en opslag van vet te bepalen en van be-
tekenis zijn of dit weefsel dan wel de plurivacuolaire of de univacuolaire
vorm zal aannemen.

Het kan bovendien betrokken worden bij plotseling op het dier inwerken-
de prikkels waaraan onvoldoende snelle aanpassing mogelijk is en die ge-
meenlijk onder het begrip „stress" worden gerangschikt. Het resultaat is

-ocr page 513-

in die gevallen dat de plurivacuolaire cel zich ontdoet van het opgeslagen
vet, zelfs in die mate dat alle vacuolen uit het cellichaam verdwijnen.
Vooral heeft een dergelijke verandering plaats als het dier ontwaakt uit
de winterslaap of blootstaat aan honger en koude.

De bijzondere stofwisselingsactiviteit die plaats vindt in de bruine vetcel,
zo het organisme wordt blootgesteld aan een koudeprikkel, is van grote
betekenis voor het verklaren van het ontstaan van pleo-protoplasmatische
vetcellen bij lammeren. Deze onder die omstandigheden typische activiteit
houdt verband met de rol die het bruine vet speelt bij het op peil houden
van de lichaamstemperatuur. De bruine vetcel vervult namelijk een be-
langrijke functie bij de thermogenese, bij de vorming van lichaamswarmte.

Thermogenese is niet alleen een gevolg van de afwikkeling van stofwisse-
lingsprocessen. De produktie van warmte is noodzakelijk voor het be-
houd van de vitaliteit van homoiotherme dieren. Via een ingewikkeld
mechanisme, waarbij enerzijds warmte wordt geproduceerd, anderzijds
zoveel mogelijk wordt voorkomen deze warmte te verliezen, is het warm-
bloedig dier in staat zijn lichaamstemperatuur binnen de voor het diersoort
noodzakelijke grenzen te houden. Thermogenese is vooral een gevolg van
exotherme chemische reacties in lichaamscellen. De musculatuur is een
weefsel dat in hoge mate kan bijdragen tot de produktie van warmte. Dit
gaat gepaard met samentrekken en ontspannen van spiercellen, dus met
beweging van het weefsel. Weefsels bestaande uit niet-contractiele cellen
kunnen ook warmte produceren. Men noemt dit de „non shivering" ther-
mogenese. Een ervan, waarin onder bepaalde omstandigheden veel warmte
kan worden gevormd is het plurivacuolaire vetweefsel. Dit is onder andere
aangetoond bij de rat en het pasgeboren konijn. Men vond bij deze proef-
dieren door middel van registratie van temperaturen in verschillende
weefsels dat, afhankelijk van de temperatuur van het milieu soms een niet
steeds parallel aan elkaar verlopende wijzigingen in temperatuur van de
onderzochte weefsels optrad. Bevond het dier zich in een milieu waarbij
de lichaamstemperatuur varieerde binnen de voor het diersoort kenmer-
kende thermoneutrale grenzen, dat wil zeggen, dat het in rust zijnde dier
een minimale hoeveelheid zuurstof behoefde om zijn lichaamstemperatuur
op peil te houden, dan bleek de temperatuur van het interscapulaire pluri-
vacuolaire vetweefsel weinig te verschillen met de temperaturen die elders
in het dier werden gemeten. Ging men daarentegen het proefdier af-
koelen, dan steeg de temperatuur in het bruine vetweefsel, of bleef deze
aanmerkelijk boven de temperaturen die andere delen van het dier, bij-
voorbeeld colon, lever, hersenen, onder die omstandigheden hadden aan-
genomen. Men concludeerde hieruit dat door de koudeprikkel een bijzon-
dere activiteit van het metabolisme van de plurivacuolaire vetcel ontstond
die tot gevolg had dat de cel warmte ging produceren. Men nam in vitro
waar dat juist het bruine vetweefsel onder dergelijke omstandigheden
meer zuurstof ging gebruiken. Bovendien zag men dat het aantal mito-
chondriën in het cytoplasma ging toenemen en dat de cel minder vet-
houdend werd; dat zelfs alle vacuolen konden verdwijnen.

Het blootstellen van het bruine vet aan koude blijkt de hydrolyse van de
opgeslagen triglyceriden te bevorderen. De hierbij gevormde vetzuren
worden echter niet, zoals bij atrofie van vetweefsel het geval is, voor het
grootste deel afgegeven aan het bloedplasma, maar binnen de cel ge-

-ocr page 514-

houden waar deze vetzuren weer worden ingebouwd in nieuw te vormen
triglyceriden of afgebroken tot kooldioxyde. Daar een deel van deze reac-
ties exotherm zijn en als resultante warmte overblijft is de plurivacuolaire
vetcel in staat warmte af te geven. Het bruine vet van de genoemde proef-
dieren bezit dus een celmetabolisme dat niet in het witte vet is te vinden.
Populair gesproken kan de volgende vergelijking worden getrokken. Het
witte vet, onder andere voorkomende in de subcutis als panniculus adi-
posus of vetdek kan fungeren als isolatiemateriaal bij de poging het
warmteverlies bij het homoiotherme dier te beperken. Het fungeert dus
als een deken die bescherming kan geven. Het bruine vet is te vergelijken
met een elektrische deken, in staat zelf warmte te produceren.
Door de typische lokalisatie van het plurivacuolaire vetweefsel bij de ge-
noemde proefdieren en de hiermee samenhangende bijzondere veneuze
afvoer van bloed dat langs het cervicale en het thoracale deel van het
ruggmerg wordt gevoerd voordat het de kleine- en grote circulatie be-
reikt; door de aanwezigheid van dit vetweefsel in de thorax rond de grote
vaatstammen en rond de door de thorax verlopende zenuwstammen, zou
dit elektrisch element in staat zijn aan bepaalde weefsels een hogere tem-
peratuur te verschaffen dan andere weefsels op dat moment bezitten.
De selectieve activiteit die een koudeprikkel in het metabolisme van de
plurivacuolaire vetcel kan opwekken behoeft niet beperkt te blijven tot een
temperatuurdaling uitgaande van het milieu waarin het dier zich bevindt
en waarop het door middel van verhoogde warmteproduktie een antwoord
moet vinden om zijn homoiotherme status te handhaven. Ook als het dier
gaat lijden aan hypothermie is dit het geval. Hypothermie kan zowel het
gevolg zijn van sterke afkoeling van het milieu, maar ook terug te voeren
zijn op organische defecten aan het dier zelf.

Voor de patholoog-anatomische beoordeling van vetweefsels is het van
belang te realiseren dat het ontstaan van het pleo-protoplasmatisch vet-
weefsel in verband kan worden gebracht met een periode van hypothermie
waarin het dier voor het sterven verkeerde. Dit verband kan men ook leg-
gen voor het pleo-protoplasmatisch vetweefsel dat bij lammeren tot nu toe
slechts werd gevonden bij pasgeboren dieren, die, zo zij stierven, nooit
ouder werden dan drie dagen. Bij kalveren werd dit vetweefsel nog niet
gezien. Mogelijk is dit terug te voeren op de samenstelling van het sectie-
materiaal dat ter onderzoek wordt aangeboden. Het kan echter ook ge-
baseerd zijn op een verschil in fysiologie of patho-fysiologie tussen deze
twee diersoorten.

Op nog een ander verschil tussen vetweefsel, afkomstig van verschillende
diersoorten, moet worden gewezen. Dit betreft de omvang waarmee het
vetweefsel bij de „non-shivering" thermogenese kan worden betrokken.
Bepaalt deze zich bij de kleine proefdieren tot het plurivacuolaire vet-
weefsel dat in het centrale gebied is gelegen; bij het lam treedt deze be-
perking niet op daar ook het vetweefsel aan de periferie deze activiteit kan
gaan vertonen. Bij het lam mag ook op grond hiervan niet gesproken
worden over het voorkomen van twee soorten vetweefsel die elk een eigen
vorm van vetverbruik bezitten maar van éénsoortig vetweefsel, waarin,
afhankelijk van de omstandigheden, het opgeslagen vet of op de ene dan
wel op de andere wijze zal worden aangesproken.

Wel treedt steeds deze met structuurverandering van de vetcel gepaarde
1326

-ocr page 515-

stofwisselingsactiviteit merkwaardig genoeg het eerst op in het centrale
gebied om zich van daar uit, zo het nodig is, naar het perifere uit te
breiden.

Let men op de leeftijd waarop bij het lam vethoudende cellen kunnen
worden veranderd in pleo-protoplasmatische, dan treedt deze metamorfose
slechts op gedurende de eerste dagen na de geboorte. Ze houdt verband
met de overgang van het intra-uteriene naar het postnatale zelfstandige
bestaan. De thermogenese die met deze structuurverandering van het vet-
weefsel samenhangt vervult bij deze overgang een niet onbelangrijke rol.
Pasgeboren jongen van homoiotherme diersoorten zijn aansluitend aan
de partus niet altijd in staat hun lichaamstemperatuur gehee\' te hand-
haven. Vóór de geboorte zich bevindend in een omgeving die geen aan-
spraak doet op hun lichaamswarmte, komen ze na de partus in een milieu
waarin verlies optreedt. De snelle overgang van het pre- naar het post-
natale bestaan vraagt daarom een zo volledig mogelijk ontwikkeld en
actief functionerend temperatuurregelingsmechanisme of een voortbestaan-
de isolatie van het jong. Het op peil houden van de lichaamstemperatuur
wordt na de partus bereikt door een verhoging van de warmteproduktie en
maatregelen tot beperking van het verlies.

Deze op verschillende principes gebaseerde fysiologische activiteiten dienen
eerst na de partus te worden gecoördineerd en gereguleerd. Een snelle
functionering van dit mechanisme is zeker gewenst doch niet altijd reali-
seerbaar, waardoor een periode var aanpassing noodzakelijk is. Gedurende
deze kan men bij het dier een min of meer uitgesproken hypothermie aan-
treffen. Deze verschilt bij diverse diersoorten in duur en verloop. Bij jonge
dieren, die gedurende de eerste weken in een nest worden verzorgd, heeft
de hypothermie een intermitterend karakter en blijft langer bestaan. Bij
dieren waarvan de pasgeboren jongen in staat zijn de moeder snel te
volgen is ze van korte duur.

Een periode van adaptatie, een periode waarin wordt gezocht op welke
wijze de lichaamstemperatiuir binnen de normale grr:nzen kan worden ge-
houden, treft men ook bij het lam aan. On het moment dat het dier wordt
.geboren is de lichaamstemperatuur gelijk of iets hoger dan die van de ooi.
Hierin treedt spoedig verandering op. In een periode ongeveer beginnend
tien minuten na de geboorte tot ongeveer een luu\' na de partus, zet bij
alle lammeren een temperatuurdaling . De omvang en de duur hiervan
kunnen sterk variëren. Zijn er waarbij de temperatuur weinig zakt en
spoedig weer op het oorspronkelijke niveau is teruggekeerd, ook worden
lammeren geboren waarbij de temperatuurdaling sterker is en de dieren
gedurende langere tijd hy[)otherm blijven voordat herstel optreedt. In de
regel is de lichaamstemperatuur weer normaal voordat de lammeren
hebben gedronken en zeker voordat de vacht geheel is opgedroogd. Men
noemt deze periode van hypothermie fysiologisch. Deze is bij het lam in
het algemeen van korte duur daar het diersoort in staat is, wat het op peil
houden van de lichaamstemperatuur betreft, zich snel aan te passen.

Onder bedrijfsomstandigheden slagen echter niet alle lammeren er in het
stadium van de fysiologische hypothermie te boven te komen. Bij deze
dieren houdt de hypothermie aan, zakt de lichaamstemperatuur steeds ver-
der en volgt de dood na enkele uren of dagen. Bij de gestorven lammeren
treft men steeds het typische pleo-protoplasmatische vetweefsel aan.

-ocr page 516-

Op het schapenbedrijf staan deze lammeren bekend als „slappe lamme-
ren".

Dit is een karakteristieke naam voor één van de vele ziekten die het
schapenbedrijf kent. Geschat wordt dat gemiddeld, op bedrijven waar het
Texelse schaap wordt gehouden, ongeveer 25% van de lammeren die bin-
nen de eerste week na de partus sterven, geleden heeft aan deze fataal
verlopend hypothermie. Bij ditzelfde aantal namelijk wordt het pleo-proto-
plasmatisch vetweefsel in de meest uitgebreide vorm aangetroffen.
De pasgeboren, nog levende dieren zijn inactief. Een aantal kan niet staan;
een groot deel heeft moeite om in de benen te komen. Ze tonen weinig
interesse voor de omgeving en het moederdier; kunnen de weg naar de
uier moeilijk vinden en vele onder hen drinken niet of nauwelijks. De
meeste van deze lammeren sterven binnen drie dagen na de partus. Alleen
door een zeer goede, voor het bedrijf onpraktische verpleging is men in
staat een deel ervan in het leven te houden. Deze bestaat uit het kunst-
matig opfokken van de lammeren in een verwarmingskast, waarin hoge
milieu temperaturen worden gehandhaafd.

Afgezien van de vraag of deze maatregelen op het praktische bedrijf uit-
voerbaar zijn, is van dergelijke lammeren nog meer te zeggen, waardoor
het verder zoeken naar de oorzaak van deze afwijking verantwoord is. Het
gemiddelde van de geboortegewichten van deze lammeren is namelijk min-
der dan de norm voor het betreffende schapenras aangeeft. Deze tijdens het
inti-L-utcriene leven gestoorde ontwikkeling is evenwel niet toe te schrij-
ven aan een kortere duur van de graviditeit. Min of meer in overeen-
stemming met het woordgebruik in de kindergeneeskunde kan men hier
spreken van „small for date" lammeren, lammeren dus die vergeleken
met de duur van de graviditeit in gewicht zijn achtergebleven.
De aandoening wordt waargenomen bij lammeren, behorende tot verschil-
lende rassen. Steeds wordt het lijden gezien bij alle lammeren, behorende
tot dezelfde worp, ongeacht het geslacht en ongeacht of de worp bestaat
uit slechts één of uit meerdere dieren.

In deze beschouwing over vetweefsel van jonge herkauwers werd vooral de
nadruk gelegd op het voorkomen en de fysiologische betekenis van de
pleo-protoplasmatische vetcellen. Deze cellen, door snelle metamorfose
van de perinatale gevormd, treft men slechts aan gedurende het allereerste
begin van het postnatale bestaan. Het optreden kan in verband worden
gebracht met een periode van persisterende hypothermie. Dit is weer een
symptoom voor een lammerenziekte waarvan de oorzaak reeds vóór de
partus zijn invloed doet gelden. Het vermoeden bestaat dat gedurende het
laatste deel van de graviditeit het vetweefsel van het foetale lam verande-
ringen kan ondergaan die eveneens symptomatisch kunnen zijn voor
hetzelfde lijden. Deze veranderingen bestaan uit de vorming van een
groter aantal plurivacuolaire cellen. Het is namelijk niet nodig en niet
gebruikelijk dat deze vetceltypen in het perinatale vet van vitale lamme-
ren worden gevonden. Het aantreffen van plurivacuolaire cellen bij lam-
meren is daarom een uitdrukking van een onbekende patho-fysiologische
toestand.

Het is niet eenvoudig zich een voorstelling te maken op welke wijze het
ontstaan van plurivacuolaire vetcellen in verband kan worden gebracht
met de persisterende hypothermie die na de geboorte kan optreden. In de

-ocr page 517-

vorming ervan zou men een aanwijzing kunnen zien dat onvoldoende vet
in depot werd opgeslagen, zodat na de partus, als het vetweefsel gaat deel-
nemen aan de „non-shivering" thermogenese, de brandstofvoorraad ontoe-
reikend zou zijn om het dier uit de toestand van postnatale hypothermie te
doen ontwaken. Een dergelijke voorstelling zou echter een te simpele ver-
klaring zijn, daar de veranderingen die optreden in de vetcel niet alleen
bestaan uit een afwijkende wijze waarop vet wordt opgeslagen. De hoe-
veelheid cytoplasma van deze cellen neemt namelijk ook toe. Het zou in dit
verband aantrekkelijk kunnen zijn de geboorte van het homoiotherme dier
te vergelijken met het ontwaken van het hibernerende dier uit de winter-
slaap. Het verschil in deze vergelijking bestaat hieruit, dat het hiberneren-
de dier zijn homoiotherme status tracht te handhaven in een milieu waar-
van de temperatuur gaat stijgen, terwijl het pasgeboren dier dit probeert
bij temperaturen die lager zijn dan vóór de partus het geval was. De over-
eenkomst in deze vergelijking is dat voor beide diersoorten het handhaven
van de homoiotherme toestand een ingrijpend metabolisch gebeuren is,
waarbij het endocrinologisch systeem ten nauwste wordt betrokken.
Binnen dit systeem neemt de plurivacuolaire vetcel, hetzij actief, hetzij pas-
sief een eigen plaats in. Indien nu bij het bijna voldragen lam plurivacuo-
laire vetcellen in grote aantallen worden gevormd kan men dit opvatten als
een teken dat het dier er niet geheel in slaagt zich voldoende in te stellen
op de taak die het na de partus te wachten staat. In dit complex van en-
docrinologisch gebeuren neemt echter het vetweefsel een intermediaire po-
sitie in. De oorzaak van deze stoornis moet buiten het vetweefsel worden
gezocht. Ingaan op de aard hiervan valt niet binnen de beschouwing die
ik U over het vetweefsel van jonge herkauwers wilde geven.

Het zij mij thans vergund aan Hare Majesteit de Koningin mijn eer-
biedige dank te betuigen voor mijn benoeming tot hoogleraar aan deze
Universiteit.

Mijne Heren Curatoren,

Het instellen van een tweede leerstoel in de Algemene en Bijzondere
Ziektekunde der dieren bracht verlichting in de noodzaak de kwaliteit van
het Instituut voor Veterinaire Pathologie gelijk te laten blijven met die
van buitenlandse instellingen voor diergeneeskundig onderwijs. Het is ook
verheugend dat U ons alle medewerking toezegde om dit doel te kunnen
bereiken.

Mijnheer de Rector Magnificus, Leden van de Universitaire Gemeenschap,
Het is een voorrecht als hoogleraar in Uw midden te worden opgenomen.
Ik hoop dat ik mijn steentje kan bijdragen om de goede naam die Uw
Universiteit in de loop der jaren heeft weten te verwerven, te behouden
en verder uit te dragen.

Hooggeleerde Ten Thije,

Het overweldigende afscheid dat U een jaar geleden ten deel is gevallen
was een gevolg van de centrale plaats die U in de Universitaire- en Vete-
rinaire Gemeenschap innam. Dit te benijden sluitstuk van Uw carrière
moet U ongetwijfeld veel voldoening hebben geschonken. Het zal mij, als
Uw opvolger, niet gemakkelijk vallen U in deze te evenaren.

-ocr page 518-

Hooggeleerde van den Akker,

Het doceren en het bestuderen van de veterinaire ziektekunde neemt bij
ons beiden een zeer belangrijke plaats in. Onder de door U gecreëerde
omstandigheden en volgens een door U samengesteld programma, zullen
daarom binnen redelijke tijd resultaten worden geboekt naar welke Gij
zo lang hebt uitgezien.

Dames en Heren Studenten,

Na het behalen van Uw kandidaatsexamen heb ik met anderen nog steeds
de taak U voor te bereiden voor de opleiding die U reeds aan het begin
van Uw Universitaire studie tot doel hebt gesteld, namelijk het beoefenen
van de geneeskunde van het dier. Dat ik echter zal trachten Uw inzicht in
de ziektekunde zo ruim mogelijk te maken, moet U mij niet kwalijk nemen.
Ziektekunde is nu eenmaal essentiële kennis voor hen die ziekten willen
bestrijden.

Zeer geachte toehoorders.

Ik dank U allen voor de belangstelling die U toonde door deze plechtigheid
bij te wonen.

Ik heb gezegd.

-ocr page 519-

Kan de supplemenfafie van de varkensmeel-
mengsels met kopersulfaat intoxicatie veroor-
zaken of aanleiding geven tot het optreden van
diarree?

Can supplementation of pig rations with copper sulfate
cause intoxication or diarrhea?

door F. W. J. SWART1)

Sinds de toevallige waarneming van Brande, dat varkens speciaal ko-
peren ringen in de hokken belikten en zijn proeven, waarbij bleek dat
de dieren voorkeur vertoonden voor koperen plaatjes en likstenen, waar-
aan koperzouten waren toegevoegd (Brau de, 1948), heeft men het ef-
fect van extra kopersulfaattoevoeging aan varkensmeelmengsels nagegaan.
De eerste proeven hieromtrent werden in Engeland genomen. Barber
en medewerkers (1955) zagen, dat de dagelijkse groei van biggen wezen-
lijk verbeterd werd door toevoeging van 250 p.p.m. elementair koper in
de vorm van 0,1% kopersulfaat, terwijl door hem in 1957 werd aange-
toond, dat met deze hoeveelheid koper in het rantsoen dezelfde groei-
verbetering werd verkregen als met toevoeging van chloor of Oxytetra-
cycline. Lucas en Cal der (1956) zagen verbetering van groei en
voederverbruik door toevoeging van extra kopersulfaat, waarbij de gun-
stigste resultaten werden verkregen met 0,05 en 0,1% kopersulfaat. Met
de toevoeging van 0,2% werd de grens van toxiciteit bereikt.
In een grote praktijkproef werd door Br au de (1962) met bijna 1000
biggen de gunstige werking van de toevoeging van 0,1% kopersulfaat in
vergelijking met de toevoeging van 10 gram/ton Oxytetracycline en 0,1%
kopersulfaat -f- 10 gram oxytetracycline/ton ten opzichte van een on-
gesupplementeerd controle rantsoen nagegaan. Deze proef werd genomen
op 21 bedrijven verspreid over geheel Engeland en Schotland, waarbij de
dieren in verschillende staltypen waren gehuisvest. De toevoeging vond
zowel aan het biggen- als aan het varkensmeel plaats, waarbij op een ge-
wicht van ongeveer 60 kg op varkensmeel werd overgeschakeld. Op 15
van de 21 bedrijven werd de proef herhaald, zodat in totaal 36 groepen
biggen op ieder rantsoen werden gemest. Bij de aanvang van de proef
waren de biggen 9-11 weken oud. Gemiddeld begingewicht per toom was
gelijk, terwijl zoveel mogelijk een gelijk aantal zeugjes en borgen in iedere
toom was opgenomen. In het algemeen vertoonden de biggen een goede
gezondheid en werden geen verschijnselen waargenomen, die in verband
gebracht konden worden met de experimentele voeding.
Een wiskundige vergelijking werd getroffen tussen

1. de 4 proefbehandelingen,

2. de verschillende bedrijven,

3. de proefbehandeling maal de bedrijfsinvloed.

De verschillen en de variades tussen de behandelingen werden getoetst
t.o.v. de interactie-component.

De toevoeging van 10 gram/ton Oxytetracycline gaf een significante ver-
betering van 3,1% in groeitoename en 2,3% gunstiger voederconversie
vergeleken met het controle-dieët. Door toevoeging van 0,1% kopersulfaat

1  F. W. J. Swart; wetenschappelijk medewerker aan de Stichting C.L.O.-Controle;

Hoogland.

-ocr page 520-

verbeterde de groei 9,7% en de voederconversie 7,9%. De verbetering
door toevoeging van 0,1% kopersulfaat was significant groter dan die
veroorzaakt door oxytetracycline, terwijl bovendien de kosten van de
kopersupplementatie i/g van die van oxytetracycline bedroeg. Bij toe-
voeging van 10 gram/ton oxytetracycline naast 0,1% kopersulfaat werd
geen verdere verbetering van groei en voederconversie gezien, ondanks de
grote variatie van omgeving en huisvesting van de verschillende groepen.
De groepen op een van de 4 rantsoenen op de verschillende bedrijven
vertoonden niet meer variatie in groei en voederconversie dan verwacht
kon worden tussen groepen op een bepaald rantsoen op één en hetzelfde
bedrijf. Ook de verschillen, die gevonden werden tussen de invloed
van rantsoen maal uitwendige omstandigheden, waren niet significant.

In Nederland werd door Dammers en Van derGrift (1959) het
effect van de toevoeging van verschillende hoeveelheden kopersulfaat aan
rantsoenen voor mestvarkens nagegaan. Hierbij werd ook het gunstige
effect op groei en voederverbruik met de toevoeging van 0,1 en 0,075%
kopersulfaat aan de rantsoenen voor mestvarkens bevestigd. Met de toe-
voeging van 0,2% kopersulfaat werd geen beter effect verkregen dan met
0,1 en 0,075%.

Bij bepaling van het kopergehalte in de levers van de geslachte dieren
bleek dat bij dieren, gemest op rantsoenen met 0,1% toegevoegd koper-
sulfaat, het leverkoper-gehalte aanmerkelijk verhoogd was. Bij 0,075%
toegevoegd kopersulfaat was dit in veel mindere mate het geval. Het
kopergehalte in het bloed was onafhankelijk van dat van de lever en be-
hield de normale waarde. Ten aanzien van de toxiciteit van kopersulfaat
bleek, dat bij voedering van een meelmengsel met een toevoeging van
0,3% kopersulfaat gedurende zes maanden geen ziekteverschijnselen kon-
den worden waargenomen. Wel liet de groei bij deze dieren te wensen
over en bleken de levers na slachdng grijs-bruin van kleur te zijn en veel
bindweefsel te bevatten.

In een ander experiment dienden Dammers en Van der Grift
(1963) aan 8 fokvarkens gedurende enkele jaren rantsoenen met 0,1%
kopersulfaat toe. De koperopname was hier het 20-voudige van normaal
en het leverkopergehalte steeg tot het honderdvoudige van de normale
waarde. De varkens behielden echter een goede kleur en verschijnselen
van kopervergifüging of andere afwijkingen deden zich niet voor. De con-
clusie van de onderzoekers is hier dan ook dat, hoewel zeer hoge koper-
gehalten in de lever op de duur tot kopervergiftiging zouden kunnen lei-
den, het niet waarschijnlijk is, dat van een tijdelijk gebruik van voer met
extra koper nadelige gevolgen zijn te verwachten.

Bij parallelproeven op „de Schothorst" (Grashuis, 1957) werd een
vergelijking gemaakt tussen 0,0045% (het normale gehalte), 0,0135% en
0,1% kopersulfaat in het voeder. Met 0,0135% kopersulfaat in het voeder
werden de groei en de voederconversie, vergeleken met de controlegroepen
met 0,0045% kopersulfaat, respectievelijk 3,75% en 3% verbeterd. Met
0,1% kopersulfaat bedroeg deze verbetering 11,4% en 10,2%. Het koper-
gehalte in de lever werd door 0,1% kopersulfaattoevoeging gemiddeld tot
bijna het zesvoudige verhoogd, n.1. van 110 tot 616 mg/kg in de droge
stof. De dieren, gevoederd met de hoogste dosering kopersulfaat, zagen
er prima uit en zijn doorlopend gezond gebleven.

-ocr page 521-

0]3 „de Schothorst" genomen voederproeven, waarbij verschillende anti-
biotica aan het voeder waren toegevoegd, gaven in vergelijking met de
kopersulfaatproeven een mindere groeitoename en verbetering van de
voederconversie te zien. De verbetering van de groei bedroeg hier 0,6-
10,3% en de besparing op het voederverbruik 0,8-8,9%. Gemiddeld werd
bij 17 antibioticumgroepen de groei en voederconversie 2,5% verbeterd.
Is er gevaar voor kopervergiftiging?
Wij moeten ons hierbij de volgende vragen stellen:

1. hoe moet de diagnose koperintoxicatie gesteld worden?

2. zijn er voldoende waarborgen, dat de menging van het voeder voldoen-
de homogeen was, zodat van een acute kopervergiftiging als gevolg
van een slechte verdeling van het koper in het voeder is uit te sluiten?

3. is het zink- en ijzergehalte van de betreffende voeders in verhouding
gebracht tot het hoge kopergehalte. Onvoldoende zink en ijzer en veel
kalk in het voeder bevordert een kopervergiftiging.

In de eerste plaats iets over de homogeniteit van het voeder. Van over-
heidswege bestaat het voorschrift, dat de kopersulfaatkristallen een zeef
van 1,2 mm moeten kunnen passeren. Bij de tegenwoordige mengtechniek
zal bij voldoende fijnverdeeld kopersulfaat een ongelijkmatige verdeling
van het koper een grote uitzondering zijn. Bij de onder C.L.O.-controle
staande coöperaties wordt het kopersulfaat voorgemengd in het mineralen-
mengsel in een hoeveelheid van 3,8%. Uit dit mineralenmengsel wordt
2% in de voeders voor mestvarkens opgenomen, zodat er uiteindelijk in
deze voeders 0,076% kopersulfaat, overeenkomend met 190 mg/kg koper,
voorkomt. Controle op de homogene menging van de mengvoeders is een
van de belangrijkste onderdelen van de controle op de mengvoeders.
Volgens Wensvoort (1965) is aan het Instituut voor Veterinaire
Pathologie sinds de toevoeging van kopersulfaat aan de varkensmeel-
mengsels nooit koperintoxicatie gediagnostiseerd. Ook wij hebben nimmer
een kopervergiftiging vastgesteld, terwijl het gebruik van voeders met
extra kopersulfaat reeds zeven jaar in de Nederlandse varkensmesterij al-
gemeen gebruikelijk is.

Bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in Gelderland constateerde Span
(1966) in 1960, 1961 en 1964 kopervergiftiging bij mestvarkens op drie
verschillende bedrijven. Naast de bij sectie gevonden verschijnselen van
koperintoxicatie — anaemie, icterus, haemorrhagische enteritis, lever-
cirrhose, gezwollen verkleurde nieren — bleken hier zeer hoge koper-
gehalten in de levers aanwezig te zijn, n.1. 2300, 3720 en 3200 mg/kg in
de droge stof.

Volgens gegevens in de literatuur hebben zich in het buitenland wel ge-
vallen van koperintoxicatie na voedering van meelmengsels met extra
kopersulfaat voorgedaan.

Mrs. Allcroft (1961) zag koperintoxicatie bij voedering van meel-
mengsels, waaraan 0,16% kopersulfaat of meer was toegevoegd. Het
kopergehalte van het mengsel met 0,16% kopersulfaat varieerde echter
van 360-600 mg/kg, zodat de slechte menging hier mogelijk de oorzaak
van de intoxicatie is geweest. Een bewijs hiervoor wordt ook geleverd door
het feit, dat bij de varkens met 0,16% kopersulfaat in het rantsoen onge-
veer dezelfde leverkoperwaarden gevonden werden als bij de dieren, waar-
aan een rantsoen met 0,4% kopersulfaat was verstrekt.

-ocr page 522-

Fagan e.a. (1961) ontraden daarom voor Tasmanië de kopersupple-
mentatie, omdat daar de faciliteiten voor een goede menging ontbreken
en de varkensmesters aldaar zelf op primitieve wijze de mengsels moeten
bereiden.

Nu de diagnose kopervergiftiging. Deze diagnose is o.i. in de gevallen, die
in de buitenlandse literatuur worden vermeld, vaak niet of onvoldoende
gefundeerd. De symptomen, die bij experimentele kopervergiftiging bij
varkens door Allen e.a. (1962) werden opgemerkt, bestonden uit slechte
eetlust, verminderde groei en icterus. Vier weken na het begin van de
proef zag men intoxicatiesymptomen, wanneer in de eerste week 250
mg/kg koper, in de tweede week 500 mg/kg koper, in de derde week 750
mg/kg koper en in de vierde, vijfde en zesde week 1000 mg/kg koper in
het mengvoeder werd opgenomen. Vermeldenswaard is dat de faeces van
de proefbiggen voor het begin van de proef een slappe consistentie had-
den. Vanaf de tweede experimentele week werden de faeces van de proef-
biggen vast, maar de consistentie hiervan bij de controlebiggen bleef slap.
Sterfte trad bij de proefbiggen op in de zesde experimentele week. Bij
sectie vond men icterus, slecht gestold bloed, geel tot oranje kleurige lever,
longoedeem, ulcera in het oesophagusdeel van de maag en bloedige darm-
inhoud. Het sectiebeeld, dat geheel of gedeeltelijk ook werd aangetroffen
door de onderzoekers, die koperintoxicatie bij lage doseringen kopersulfaat
constateerden, komt overeen met deze experimentele acute kopervergifti-
ging. Ook de hoge bloedkoperwaarden, die soms gevonden werden bij de
dieren die ziekteverschijnselen vertoonden, wijzen hierop.
De koperaccumulatie in de lever wordt bij verdubbeling van de koper-
toevoeging in het rantsoen meer dan verdubbeld. Bij het varken is ten-
slotte de lever niet meer tot verder koperopslag in staat, waardoor de
bloedkoperwaarden stijgen en intoxicatie optreedt. Dit in tegenstelling
met het schaap, waar geruime tijd na de laatste koperopname de lever
plotseling een deel van het opgeslagen koper in circulatie brengt en waar-
bij dan als gevolg van methaemoglobinevorming een sterke nierbeschadi-
ging ontstaat, waardoor het dier, tengevolge van de optredende uraernie.
binnen korte tijd sterft.

Lucas en Calder (1957) vonden bij toevoeging van 0,1% kopersul-
faat een drie a viermaal grotere accumulatie dan bij 0,05%. Bij 0,2%
werd vijfmaal zoveel koper in de lever opgeslagen dan bij 0,1% koper-
sulfaattoevoeging. De 0,075% kopersulfaattoevoeging, die in Nederland
gebruikelijk is, geeft volgens Dammers en Van de Grift (1959)
bij proeven te Maarheeze aanleiding tot aanmerkelijk lagere leverkoper-
waarden dan de toevoeging van 0,1%. Met een kopersupplementatie van
0,05% was dit 113,5 mg/kg, met 0,075% 217,9 mg/kg, met 0,1 869,4
mg/kg en met 0,3% 2159,6 mg/kg in de droge stof van de lever.
Gordon en Luke stellen de diagnose koperintoxicatie op grond van
het feit, dat in de levers van de gestorven dieren hoge kopergehalten wer-
den aangetroffen. Deze veronderstelling is ten ene maal onjuist, daar
koperintoxicatie gepaard gaat met hoge bloedkoperwaarden, welke echter
niet met de leverkoperwaarden correleren. Bij genoemde leverkoperwaar-
den vonden Dammers en Van de Grift bloedkoperwaarden van
respectievelijk 2,04, 1,99 en 2,93 mg/1, terwijl de negatieve controlen een
gemiddelde bloedkoperwaarde hadden van 2,2 mg/1.
Het sectiebeeld, dat Buntain (1961) beschrijft, doet denken aan afla-

-ocr page 523-

toxine-intoxicatie, wat in dit geval mogelijk zou zijn door de opname van
grondnotenschroot in het meelmengsel. Kopervergiftiging was hier wel
zeer onwaarschijnlijk, daar het meelmengsel slechts 130 mg/kg elementair
koper bevatte, wat overeenkomt met de toevoeging van 0,05% kopersul-
faat.

O\'H a r a (1960) zag bij proefbiggen van vier weken koperintoxicatie door
toevoeging van 0,1% kopersulfaat aan het verstrekte meelmengsel. De
leverkoperwaarden van de gestorven dieren waren niet abnormaal hoog
en sterfte moet hier waarschijnlijk geweten worden aan parakeratosis
door zinkgebrek.

Wallace (1960) zag met toevoeging van 250 mg/kg elementair koper
(0,1% kopersulfaat) aan een meelmengsel, dat hoofdzakelijk bestond uit
maismeel en sojaschroot zonder toevoeging van dierlijk eiwit, toxische ver-
schijnselen bij varkens, waaraan dit mengsel werd versterkt. In verge-
lijking met de controlegroep, waarbij geen extra kopersulfaat aan het
meelmengsel was toegevoegd, vertoonden deze biggen een mindere groei
en vocderopname en een ongunstige voederconversie. Hierbij werd een
verband gevonden tussen het eiwitgehalte van het rantsoen en een even-
tuele koperintoxicatie. Het ontbreken van dierlijk eiwit en daardoor een
slechte voorziening met sommige essentiële aminozuren, kan hier mogelijk
aanleiding tot het optreden van de koperintoxicatie zijn geweest.

Tenslotte de gewenste ijzer, zink, koperverhouding.

Een uitgebreid en uitstekend gefundeerd onderzoek omtrent de toxiciteit
van kopersulfaatsupplementaties aan varkensmeelmengsels en de interactie
van zink, ijzer en calcium hierbij werd verricht door Suttle en Mills
(1966). Met de toevoeging van 750 mg/kg koper aan varkensmeelmeng-
sels zag men op rantsoenen met een laag zink- en ijzergehalte bij 9 van de
12 proefbiggen na vier weken koperintoxicatie. Deze koperintoxicatie
werd vastgesteld door bepaling van de koper- en de aspartaat transaminase
(A.S.T.)-concentratie in het bloedserum. Bij meer dan 250-300 /ig/100 ml
koper in het serum hield de A.S.T.-concentratie gelijke tred met de toe-
name van de koperconcentratie in het bloedserum. De toename van de
A.S.T.-concentratie wijst op weefselbeschadiging. De levers van de dieren
met kopertoxicose vertoonden dan ook een centrolobulaire necrose.
Bovendien vertoonden de zieke dieren anaemie en icterus en een sterke
groeivertraging. De icterus was, gezien het verband tussen de koper- en
de A.S.T.-concentratie in het bloedserum, van hepatogene oorsprong.
Toevoeging van 500 mg/kg zink aan de met 750 mg/kg koper gesupple-
menteerde rantsoenen voorkwam icterus, terwijl de koper- en de A.S.T.-
concentratie in het serum gelijk was aan dat van de dieren uit de controle-
groep. Met de toevoeging van 750 mg/kg ijzer aan het met 750 mg/kg
koper gesupplementeerde rantsoen bleef bovendien de hypochrome micro-
cytaire anaemie achterwege. Het beschermend effect van de ijzersupple-
mentatie staat mogelijk zowel in verband met het op peil houden van de
ijzerreserve als met de vermindering van de serumkoperconcentratie. De
anaemie bij de kopersupplementatie wordt n.1. waarschijnlijk veroorzaakt
door verstoring van het ijzermetabolisme. Hoewel dus een zinksupplemen-
fade de mate van de kopertoxicose vermindert, zal de desondanks aan-
wezige anaemie te wijten zijn aan de interactie van zink op de ijzerstofwis-
seling.

-ocr page 524-

Wat de koperconcentratie in de lever betrof, zag men dat kopersupple-
mentatie een sterke verhoging van het leverkopergehalte tot gevolg had.
Door de toevoeging van zink aan dit rantsoen werd de koperopslag in de
lever verminderd. De supplementatie van het voer met 750 mg/kg ijzer
verhoogde zowel bij de rantsoenen met als zonder kopersupplementatie de
koper- en zinkopslag in de lever.

Daar desondanks door de ijzersupplemen tatie aan de rantsoenen met extra
750 mg/kg koper de kopertoxicose achterwege bleef, lijkt het mij onjuist
de diagnose koperintoxicatie alleen op grond van hoge leverkoperwaarden
te stellen. De aanwezigheid van koper in het rantsoen in een toxische hoe-
veelheid beïnvloedt waarschijnlijk het ijzer- en zinkmetabolisme door een
door het koper veroorzaakte dysfunctie van de lever en de nieren en in
het algemeen een verandering van de permeabiliteit van de celmembraan.
Ook levercirrhose door andere toxische stoffen veroorzaakt een dergelijke
verstoring van het ijzer- en zinkmetabolisme. Het is dus mogelijk dat va-
riades in het zink- en ijzergehalte hebben meegewerkt aan het ontstaan
van kopertoxicose bij proeven met rantsoenen, die met niet meer dan 250
mg/kg koper =; 0,1% CUSO4 waren gesupplementeerd. Rantsoenen met
laag ijzer en zink kunnen bij supplementatie met koper tot toxicose aan-
leiding geven. Daarnaast bestaat er nog een complexe relatie tussen de
gehalten aan calcium, zink en koper in het rantsoen.

Hoge calciumgehalten veroorzaken een zinkdeficiëntie (parakeratose),
waardoor het bij een kopersupplementatie van b.v. 250 mg/kg tot een
kopertoxicose kan komen. Een lage kopersupplementatie kan op een rant-
soen met hoog calcium en laag zink toxischer werken dan een veel hogere
kopersupplementatie van een rantsoen met laag calcium en extra zink-
toevoeging.

Het gebruik van extra zink in de varkensvoeders werd in ons land later ge-
ïntroduceerd dan het gebruik van extra kopersulfaat. Op 31 juli 1961 werd
door het Produktschap voor Veevoeder de opname van zinksulfaat toege-
staan, nadat op 4 mei 1959 toestemming werd verleend voor de verwer-
king van 5% kopersulfaat in het mineralenmengsel voor mestvarkens.
Men kende aanvankelijk nog onvoldoende de interactie tussen ijzer, zink
en koper. Thans geeft het Produktschap voor Veevoeder geen voorschrif-
ten meer t.a.v. de samenstelling van de mineralenmengsels en wordt deze
geheel overgelaten aan het bedrijfsleven. In de C.L.O.-voeders voor mest-
varkens wordt thans d.m.v. het mineralenmengsel 80 mg/kg zink en 72
mg/kg ijzer aan de voeders voor mestvarkens toegevoegd. Nog onlangs liet
de C.L.O.-controle een 50 stuks voeders voor mestvarkens onderzoeken
op koper, ijzer en zink. Op grond hiervan komen wij tot de conclusie, dat
in onze mestvarkensvoeders in totaal (grondstoffen toevoeging) ca. 120
mg/kg zink en 250 mg/kg ijzer voorkomt, hetgeen wij naast de 190 mg/kg
Cu een juiste dosering achten.

De eerste proeven met kopersupplementatie van varkensmeelmengsels in
Engeland en ook in Nederland zijn echter genomen zonder dat extra zink-
sulfaat aan deze mengsels was toegevoegd. Hoewel desondanks met deze
kopersupplementatie goede resultaten zijn verkregen, kan dit in inciden-
tele gevallen bij een hoog kalk- en een laag zinkgehalte in de grondstoffen
tot kopertoxicose hebben geleid. Het lijkt daarom waarschijnlijk, dat de
reëele gevallen van kopertoxicose bij een lage dosering van het koper-

-ocr page 525-

sulfaat te wijten zijn aan een onvoldoende homogene verdeling van het
kopersulfaat of aan een hoog calciumgehalte in combinatie met lage waar-
den voor zink en/of ijzer.

Koper en diarree

De klacht in de praktijk is niet het optreden van koperintoxicatie, gepaard
gaande met icterus, anaemie, slechte groei en slechte eetlust. Dammers
enVandeGrift stelden juist vast, dat de dieren een betere eetlust en
— behalve bij toevoeging van meer dan 0,1% kopersulfaat — ook een
betere groei vertoonden. Volgens vele practici en varkenshouders zou het
extra toegevoegde kopersulfaat echter aanleiding kunnen geven tot het
optreden van diarree bij de varkens.

Volgens onderzoekingen van Stolk en Frens (1959) moet het groei-
bevorderend effect van de kopersupplementatie worden toegeschreven
aan het terugdringen van de coli-achtige bacteriën in het eerste gedeelte
van het duodenum. In de verdere darmgedeelten neemt de concentratie
van koper-ionen door resorptie en door binding tot kopersulfide af, om in
de dikke darm praktisch geheel tot het onoplosbare en onwerkzame CuS
te zijn gebonden.

De werkzaamheid van het koper is afhankelijk van de mate van oplos-
baarheid van het toegevoegde koperzout. Op grond hiervan kan, zoals be-
wezen is door proeven van B a r b e r e.a. (1961), het kopersulfide als on-
werkzaam worden beschouwd. In de dikke darm, waar toch door water-
onttrekking de indikking van de faeces plaats vindt, heeft het koper, dat
daar alleen aanwezig is in de vorm van kopersulfide, niet de minste invloed
op dit proces.

Diarree bij biggen en varkens is dan ook bij proeven met toevoeging van
kopersulfaat in Hoorn en op De Schothorst nooit waargenomen. In de
literatuur wordt in de gevallen, dat men spreekt van koperintoxicatie,
nooit vermeld dat hierbij diarree optreedt. In de grote praktijkproef van
B r a u d e e.a. (1962), welke op 21 bedrijven in Engeland werd genomen,
bleek nooit sprake te zijn van het voorkomen van diarree bij deze varkens.
Zou extra kopersulfaat diarree bij varkens veroorzaken, dan zou dit een
algemeen voorkomend verschijnsel moeten zijn.

Nu hoort men in het gebied van de ene prakticus klachten, terwijl in dat
van een collega, wiens gebied hier vaak zeer nauw aan grenst, niets ver-
nomen wordt.

Juist het terugdringen van de coli-achtige bacteriën in het voorste gedeelte
van het duodenum, wat volgens Frens (1959) een betere milieuregeling
in de dunne darm tot gevolg heeft, zal door de betere vertering van de
nutriënten diarree eerder voorkomen dan bevorderen. Bovendien wordt
door toevoeging van kopersulfaat (Frens, 1959), evenals door antibiotica
(Tangl, 1964), de dikte en de permeabiliteit van de darmwand gunstig
beïnvloed. De darmwand wordt hierdoor dunner, waardoor de resorptie
van de voedingsstoffen wordt vergemakkelijkt.

Het achterwege laten van kopersulfaattoevoeging in de varkensrrieel-
mengsels op grond van de onjuiste en niet bewezen veronderstelling, dat
hiermee diarree veroorzaakt wordt, geeft aanleiding tot belangrijke econo-
mische schade voor de varkensmester. Het verstrekken van rantsoenen
met 0,075 of 0,1% kopersulfaat gaf bij de proeven van Dammers en
Van de Grift (1959) te Hoorn en Maarheeze gemiddeld een groei-

-ocr page 526-

verbetering van 11% en een verbetering van de voederconversie van
7,1%, terwijl ook het slachtverlies gunstig beïnvloed werd.
Alleen de verbetering van de voederconversie betekent bij het mesten van
een big tot bacon gewicht een voordeel van ongeveer ƒ 6,- per varken.
Daarnaast komt dan nog het voordeel van de kortere mestperiode, als ge-
volg van de toegenomen dagelijkse groei, dat wij wel op ca. ƒ 2,- mogen
taxeren.

Totaal mag het voordeel, dat verkregen wordt door de toevoeging van
kopersulfaat, zeker gemiddeld op ƒ 8,- per afgemest bacon varken worden
gerekend. Een groter voordeel dan verkregen wordt met toevoeging van
antibiotica, terwijl bovendien bij de antibioticatoevoeging dit voordeel,
door de hogere prijs hiervan, voor de mester fictief is.

Bovendien heeft men bij kopersulfaattoevoeging niet het gevaar van resis-
tentievorming van de bacteriën van de darmflora en bepaalde pathogene
bacteriën. Dit gevaar is volgens Kampelmacher (1964) ook bij het
verstrekken van lage doseringen antibiotica niet geheel uit te sluiten.
Aan de practici, die het kopersulfaat als bron van diarree en verdere moei-
lijkheden in de varkensmesterij beschouwen, is het thans om het bewijs
hiervoor te leveren. Maar tot nu toe zijn enteritiden met in wezen uiteen-
lopende aetiologiën aan het extra kopersulfaat toegeschreven.
Bij darmstoomissen wordt door sommige practici geadviseerd meel zonder
extra koper te voeren, waardoor bij de varkensmester de indruk gewekt
wordt, dat het extra kopersulfaat de oorzaak van de moeilijkheden vormt.
Een dergelijke lichtvaardige veroordeling van het mengvoeder geeft de
mengvoederfabrikant grote moeilijkheden en kan voor de varkensmester,
wanneer hij hierdoor overgaat op het gebruik van mengvoeder zonder
extra kopersulfaat, een belangrijk financieel nadeel betekenen.
Bovendien is het niet waarschijnlijk, dat varkens, die aan een darmstoor-
nis lijden, zich eerder op een rantsoen van meel zonder extra kopersulfaat
zullen herstellen. In dergelijke gevallen is meer te bereiken door de voeder-
opname tot de helft of tot een derde van het normal kwantum te be-
perken.

SAMENVATTING.

In Nederland kan door de supplementatie van de biggen- en varkensmeelmengsels met
0,075% kopersulfaat een extra winst van ƒ 8,— per afgeleverd bacon varken
verkregen worden.

Verschijnselen van kopcrvergifdging of diarree zullen zich door de toevoeging van
0,075% kopersulfaat aan de meelmengsels, bij een voldoende homogene menging en
een voorziening van kalk, zink en ijzer in de juiste verhouding, nooit voordoen.

SUMMARY.

In the Netherlands the supplementation of pig and bacon rations with 0,075% sulfate
of copper can give an extra profit of ƒ 8,— for every baconer.

This copper sulfate supplementation never caused symptoms of intoxication or
scouring, homogeneity of the mixture and adequate supply of calcium, zinc and
iron provided.

RÉSUMÉ.

En Hollande on peut recueillir un bénéfice de ƒ 8,— pièce, par la supplémentation
des rations des porcelets et des pores avec 0,075% sulfate de cuivre.
Avec un mélange assez génei et mundi des quantité\'s proportionelles de chaux de
zinc et de fer on n\'observera jamais des symptooms d\'intoxication ou de diarrhee.

-ocr page 527-

ZUSAMMENFASSUNG.

In den Niederlanden kann mit der Zufügung von 0,075% Kupfersulfat an den
Ferkel- und Schweinemastrationen ein extra Gewin von ƒ 8,— bekommen werden.
Symptomen von Vergiftigung oder Durchfall werden mit dieser Zufügung bei ge-
nügender homogenen Mischung und Zufügung von den richtigen Mengen Calcium,
Zink und Eisen nicht gesehen werden.

RESUMEN.

En holanda se puede obtener una ganacia extra de 8 florines por cada cerdo del tipo
bacon entregado, cuando se suplemente los concentrados para lechones y cerdos con
0,075% de sulfato de cobre.

Sintomas de una intoxicacion de cobre o diarrea, despues la agregacion de 0,075%
de sulfato de cobre a los concentrados, nunca ban sucedidos cuando hay una mezcla
suficiente homogena.

LITERATUUR.

Allen, M. M. and Harding, J. D. J.: Experimental copper poisoning in Pigs.

Vet. Ree., 74, 173, fl962J.
All croft, R., Barns, K. N. and Lewis, G.: Effect of high levels of Copper

in rations for Pigs. Vet. Rec., 73, 714, (1961).
Barber, R. S,, B r a u d e, R. and Mitchell, K. G. : High Copper mineral

mixture for fattening Pigs. Chem. and Ind. May 21, 601 (1955).
Barber, R. S.: Coppersulfate and Coppersulfide as supplements for growing pigs.

Brit. J. Nutr., 15, 189, (1961).
B r a u d e, R. : Some observations on the behaviour of pigs in an experimental pigge-
ry.
Bull. An. Behaviour, 6, 17 N.I.R.D. 967, (1948).
B r a u d e, R., T o w s e n d, M. J., Harrington, G. and R o w e 1 1, J. G.:
Effects of oxytetracycline and Coppersulfate, separately and together in the rations
of growing pigs.
]. agr. Sci., LV (III), 251, (1962).
B u n t a i n, D.: Death in pigs on a high Copper diet. Vet. Rec., 73, 707, (1961),
Dammers, J. en Grift, J. v. d. : Toevoegen van kopersulfaat aan rantsoenen

voor mestvarkens. Verslagen Lb. Onderzoekingen, 65, (12), 7, (1959).
Dammers, J. en G r i f t, J. v. d. : Waarnemingen over langdurige toediening van
rantsoenen met extra kopersulfaat aan fokvarkens.
Tijdschr. Diergeneesk., V. 88,
346, (1963).

Fagan, V. J., Iles, R. D., S 1 o w i t s k y, Z, and B r o c k s o p p, R. E.: Some
observations on the high level Copper supplementation of Pig rations, ƒ.
agr. Sci.,
56, 161, (1961).

Gordon, W. A. M. and Luke, D.: Copper poisoning in Pigs. Vet. Rec., 69, 37,

(1957).

G ras h u i s, J.: Bezwaren tegen het gebruik van andbiotica in mengvoeder. Tijdschr.

Diergeneesk., 82, 775, (1957).
Kampelmacher, E. H.: Antibiotica in voeding van mens en dier. Tijdschr.

Diergeneesk., 89, 1923, (1964).
L u c a s, I. A. M. and C a 1 d e r, A. F. C. ; A comparison of five levels of Copper-
sulfate in rations for growing pigs. ƒ.
agr. Sci., 47, 287, (1956).
O \' H a r a, P. J., Newman, A. and Jackson, R. : Parakeratosis and copper

poisoning in pigs fed a copper supplement. Austr. Vet. ]., 36, 225, (1960).
Span, H. : Persoonlijke mededeling.

S t o 1 k, K. en Frens, A. M.: Enkele resultaten over de invloed van aureomycine,
dynafac en kopersulfaat op de darmflora van het duodenum.
Verslagen Lb. Onder-
zoekingen,
65, 12, (1959).
Suttle, N. F. and Mills, C. F. : Studies of the toxicity of copper to pigs B 2.
ƒ.
Nutr., 20, 135, (1966).

-ocr page 528-

Tangl, H.: Uber die Wirkung der Antibioticafütterung auf den Körper und auf

die Nachkommenschaft. Wien, tierärztl. Wschr., 51, 734, (1964).
Wallace, H. D., M c C a 11, J. T., Bass, B. and Combs, G. E.: High level

Copper for growing-finishing swine. J. anim. Sci., 19, 1153, (1960).
Wensvoort, Dr. P.: Persoonlijke mededeling (1965).

-ocr page 529-

Een vergelijkend onderzoek betreffende het
faecesonderzoek op leverboteieren

A comparative examination of the faeces of cattie on
eggs of Fasciola hepatica

door J. J. KOOPMAN1)

Van de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-Holland.

Inleiding

Een laboratorium, waarin grote aantallen faecesmonsters ter onderzoek op
het voorkomen van leverboteieren moeten worden verwerkt volgens een
methode waardoor het aantal eieren per gram faeces wordt bepaald,
krijgt te maken met ophoping van materiaal en tegenzin bij het personeel.
De vaststelling van het aantal eieren per gram faeces volgens de methode
zoals die door Dorsman (1956) is beschreven, is tijdrovend. Toen wij
in een impasse als bovenvermeld dreigden te geraken hebben wij ons af-
gevraagd of de snellere methode van onderzoek beschreven door D o e k-
sen (1948) niet als selectiemethode zou kunnen dienen, zodat negatieve
monsters onderzocht volgens de methode D o e k s e n van een e.p.g.-
bepahng kunnen worden uitgesloten.

Ten behoeve van een bepaald onderzoek hadden wij regelmatig een groot
aantal monsters voor een e.p.g.-bepahng te verwerken. Dit materiaal is ge-
bruikt om de methodiek volgens Dorsman te vergelijken met de enigs-
zins gewijzigde bezinkingsmethode volgens D o e k s e n.

Werkwijze

In het voor- en najaar van 1965 werden van runderen van diverse leef-
tijden in de namiddag 398 spontaan geproduceerde faecesmonsters ver-
zameld. Deze werden op de hierna beschreven wijze op het voorkomen
van leverboteieren onderzocht.

Een goed, met de hand gemengd monster werd in twee porties verdeeld.
Van de ene portie werd 20 - 25 gram faeces onderzocht volgens de methode
beschreven door D o e k s e n, waarbij het aantal malen zeven, in tegenstel-
ling tot de beschreven methode, tot één keer werd teruggebracht. De maas-
wijdte van de gebruikte zeef bedroeg 0,4 mm. Het „filtraat" laat men mi-
nimaal 4 uur, zo mogelijk 12 uur staan, waarna de bovenstaande vloeistof
wordt afgegoten. Enkele druppels bezinksel worden, gemengd met een
druppel methyleenblauw, op een voorwerpglas uitgestreken. Steeds werden
de eieren in twee preparaten geteld, zodat een uitslag werd verkregen 0-0,
0-1 of 1-0, 1-1 en hoger.

De andere portie faeces werd steeds volgens de door Dorsman beschre-
ven methode onderzocht, waarbij is uitgegaan van gelijke delen faeces
(60 gram) en water zodat het laagst aantoonbare e.p.g. niet 10 maar 5 is.
Nadat was gebleken dat monsters met een uitslag 0-0 steeds met de e.p.g.-
bepaling een e.p.g. toonden die kleiner was dan 5 (op 20 monsters 1 mon-
ster met e.p.g. = 5) werden deze monsters van een verdere bepaling van
het e.p.g. uitgesloten.

1  Drs. J. J. Koopman; dierenarts bij de Gezondheidsdienst voor Dieren in Noord-
Holland; postbus 88, Alkmaar.

-ocr page 530-

Tijdens het onderzoek bleek al spoedig dat vele monsters met een uitslag
0-1 of 1-0 eieren per preparaat een e.p.g. hadden die kleiner was dan 5.
Op grond van deze bevinding werd besloten bij het onderzoek volgens dc
bezinkingsmethodiek bij de uitslag 1-0 of 0-1 eieren per preparaat nog een
derde preparaat te bekijken en de monsters waarvan 2 van de 3 prepa-
raten positief waren voor een verdere bepaling van het e.p.g. te bestem-
men en de monsters met een uitslag 1 van de 3 preparaten positief van
verder onderzoek uit te sluiten.

Resultaten

In totaal waren 398 faecesmonsters in het onderzoek betrokken. Een ge-
deelte van het bewerkte materiaal is ter oriëntatie in tabel 1 weergegeven.
Achtereenvolgens leest men de uitslag van de bezinkingsmethode waarbij
2 dan wel 3 preparaten werden geteld; de gemiddelde score hiervan en
het bijbehorende aantal e.p.g. van het betreffende faecesmonster.

Tabel 1.
Uitslag faecesonderzoek.

faecesno.

methode Doeksen
aantal eieren/preparaat

gemidd. eieren
per preparaat

methode Dorsman
e.p.g.

1

1 - 2

VA

10

2

0-2

1

<5

3

6-0

3

10

4

2-3

2\'/.

10

5

1-0-2

1

< 5

6

5-2

3\'/.

20

7

2 - 1

1/2

10

8

0-1-1

2/3

10

9

12-14

13

45

10

7-9

8

40

11

7-5

6

20

12

1-0-1

2/3

20

13

6-5

5/2

80

14

1 - 1

1

10

397

1 - 1

1

< 5

398

0- 1

/2

< 5

sample/number

eggs/slide

mean eggs/slide

e.p.g.

Table 1

Records of faecesexamination.

In grafiek A is een willekeurig aantal faecesmonsters weergegeven, waarbij
op y-as het gescoorde e.p.g. (Dorsman) en op de x-as het gemiddelde
aantal eieren per preparaat volgens de bezinkingsmethode (Doek sen)
is uitgezet. Er blijkt een vrij grote spreiding in het materiaal te zijn. Men
kan echter wel een tendens in de richting van een correlatie waarnemen,

-ocr page 531-

CP9

sL

80.

GRAFIEK A.

Correlatie tussen de bezinkings-

75.

methode en de bepaling v. h. e.p.g.

70.
65.
60.

55.

50.

r = O.I3 CP< 0,00

45.

40.

35.

^^ *

30.

25.

20.

15-

IO_

5.

<5-

* ••

Grafiek A.
Tabel 2

Een overzicht van het gemiddeld e.p.g. en de variatie in e.p.g. van faeces-
monsters met gelijke uit.dag bij onderzoek volgens de bezinking.methode.

uitslag

aantal

gemidd.

variatie

ep.g.

e.p.g.

bezinkings-

monsters

e.p.g.

in e.p.g.

<5

è 5

methode

40

2,5 ( 3,7)

0-25

29

= 72,5%

11

215

26

5,2 ( 5,9)

0-25

10

= 38,5%

16

1

114

6,8 ( 7,6)

0-40

38

= 33,3%

76

i\'A

75

11,3 (11,6)

0-70

10

= 13,3%

65

2

20

11,2 (11,7)

0-40

4

= 20 %

16

26

14,4 (14,5)

0-45

2

= 7,7%

24

3

23

14,5 (14,7)

0-35

1

= 4,3%

22

3/2

14

16,0 (16,5)

0-65

3

= 21,4%

11

4

7

17,0 (17,4)

0-40

1

= 14,2%

6

5 en hoger

53

80,5 (80,5)

5-690

0

= 0 %

53

398

98

300

record

mean

variance

sedimentobior

e.p.g.

of e.p.g

method

De uitslagen van het onderzoek zijn vervolgens in tabel 2 verwerkt en ge-
rangschikt in groepen monsters met een zelfde gemiddelde uitslag volgens
de bezinkingsmethode. Het gemiddelde e.p.g. volgens Dorsman werd

-ocr page 532-

verkregen door de monsters met een uitslag e.p.g. < 5 gelijk te stellen aan
e.p.g. = 0. Het hierachter vermelde getal tussen haakjes geeft weer hoe
groot het gemiddelde e.p.g. in de betreffende groep faecesmonsters zou zijn
indien men een e.p.g. < 5 niet gelijk O maar gelijk 2 stelt. (< 5 kan zijn
0-1-2-3-4, som 10, gemiddeld 2).

Verdeling van de percentages monsters met
GRAFIEK B. «Pg >5 en e.p.g. <5 over de bijbe-

horende uitslag van de bezinkingsmethode.

.......%<5

i Ife 2 2"fe 3 31/2 4 5 en hoger.

4\'/2

GRAFIEK

C.

Verdeling van het percentage monsters In
de vermelde e.p.g .-klasse over de bijbe-
horende uitslag volgens de bezinkings-
methode.

%

lOO

, >so

/

80

1

i

60

//20-50

/

40
20

• /

1

/ * \\r- \' *

O

iit;*\'

V-<5

.........>

fe 2/3 I 2 en hoger Cbezinkingsmethode).

-ocr page 533-

De volgende kolom vermeldt de variatie die in de e.p.g.-uitslag van de be-
treffende groep faecesmonsters aanwezig bleek. Tenslotte wordt het aantal
monsters met een e.p.g. < 5 (%) en een e.p.g. = 5 vermeld. Deze cijfers
zijn vervolgens verwerkt in de grafieken B en C.

Tenslotte is van het materiaal een frequentie verdeling gemaakt per groep
faecesmonsters met eenzelfde uitslag volgens de bezinkingsmethode en de
daarbij gescoorde e.p.g.-waarden volgens de methode Dorsman (zie
tabel 3).

Tabel 3
Frequentietabel.

gem. aanta! eieren

gescoord e.p.g.

per preparaat
mean number of
eggs/slide

< 5

5

10

15

20-50

> 50

totaal

29

•N-

8

1

1

1

0

40

2/3

10

10

*

4

0

2

0

26

1

38

39

16

13

8

0

114

* *

l\'/2

10

23

19

11

11

1

75

2

4

7

2

3

4

0

20

2/2

2

7

* 5

4

8

0

26

3

1

7

2 *

6

7

0

23

3/2

3

0

4

3

3

1

14

4 -1- 4/2

1

1

0

* 2

3

0

7

5 en hoger

0

1

1

2

19

30
»

53

totaal

98

103

54

45

66

32

398

medianen liggen vrijwel op 1 lijn.
Bespreking

Van de faecesmonsters met een uitslag bij de bezinkingsmethode 1-0 of
0-1, waarvan zoals vermeld een derde preparaat werd geteld, bleek ±
40% voor een bepaling van het e.p.g. in aanmerking te komen. De overige
60% van deze monsters hadden een negatief derde preparaat en komen
dus niet voor een e.p.g.-bepaling in aanmerking. Uit tabel 2 blijkt dat
het nemen van deze beslissing een aantal monsters ten onrechte van een
e.p.g. bepaling uitsluit. De kans echter dat deze monsters een e.p.g. = 5,
dus een scoorbaar e.p.g., hebben is klein. Bij de uitslag 1-0 of 0-1 (gem.
/a) beeft immers reeds 72,5% der monsters een niet scoorbaar e.p.g. Men
mag aannemen dat het gedeelte van de monsters met uitslag 1-0 of 0-1
(yi) dat via een derde (positief) preparaat voor een e.p.g.-bepaling in
aanmerking komt grotendeels afkomstig zal zijn uit de 27,5% monsters
die een scoorbare e.p.g. hebben. Bovenstaande waarnemingen hebben de

-ocr page 534-

beslissing, faecesmonsters, die volgens de bezinkingsmethode slechts 1 posi-
tief preparaat opleveren voor een e.p.g.-bepaling uit te sluiten gerecht-
vaardigd. Bovendien wijst de gewijzigde methodiek volgens D o e k s e n
faecesmonsters aan als positief, waarvan volgens de methode Dorsman
een e.p.g. < 5 gevonden zou zijn en een uitspraak positief of negatief dus
minder goed mogelijk is.

Uit tabel 2 blijkt bovendien dat de gemiddelde aangetoonde e.p.g. bij de
uitslag 2/3 (2 van de 3 preparaten positief) juist è 5 is (5,2) en de bij
uitslag < 2/3 daarentegen ook kleiner dan 5 (2,5) is.
Voorts blijkt zowel uit tabel 2 als 3 dat er een grote variatie in e.p.g. be-
staat bij iedere uitslag volgens de bezinkingsmethode. Ondanks de variatie
in het materiaal is blijkens tabel 3 toch een duidelijke correlatie aanwezig
tussen de uitslagen van beide onderzoekmethoden. Hoe hoger de uitslag
volgens de onderzoekmethode D o e k s e n des te hoger is het e.p.g. vol-
gens Dorsman.

Berekening leert dat de correlatiecoëfficiënt tussen de uitslagen van beide
onderzoekmethoden in het betreffende materiaal met uitsluiting van 2
„uitbijters" -f- 0,13 is, hetgeen significant is (P < 0,01).
Voor de lage bevindingen volgens de bezinkingsmethode t.w. /a, 2/3 en 1
geldt de regressievergelijking y = 17,8x-9,95; waarbij y = uitslag volgens
de e.p.g.-bepaling en x = gemiddeld aantal eieren per preparaat volgens
de bezinkingsmethode. Hierbij is e.p.g. < 5 gelijk gesteld aan 0. Indien
men de e.p.g. < 5 gelijk stelt aan 2, dan luidt de regressievergelijking voor
de score /2, 2/3 en 1: y = 5,96 x -f 1,4. Hieruit blijkt dat het juister is
een e.p.g. < 5 gelijk te stellen aan 2 dan aan O, hetgeen met de inter-
pretatie van het e.p.g. < 5 in de praktijk overeenkomt (grafiek A).
Door de grote variatie in het onderzochte materiaal is geen regressieverge-
lijking, die bruikbaar is voor iedere uitslag volgens de bezinkingsmethode,
op te stellen.

Conclusie.

1. Voor de routine-diagnostiek mag de bezinkingsmethode voor wat be-
treft gevoeligheid (het scoren van een lage e.p.g.) vergeleken worden
met de gangbare e.pg.-bepalingsmethoden.

2. Het is gerechtvaardigd bij het verwerken van grote aantallen faeces-
monsters eerst de methode Doeksen te gebruiken ter selectie van
de monsters die voor een bepaling van het aantal eieren per gram
faeces in aanmerking komen. Als criterium kan hierbij worden aan-
gehouden dat monsters waarvan met de bezinkingsmethode slechts 1
van de 3 preparaten positief is, niet voor een e.p.g.-bepaling in aan-
merking komen. Deze werkwijze levert in de praktijk een aanzienlijke
tijdwinst op.

3. Een e.p.g. < 5 mag niet worden geïnterpreteerd als negatief.
Dankbetuiging.

Veel dank zijn wij verschuldigd aan collega J. C. A. v. d. M a a s onder wiens leiding
de laboratoriumwerkzaamheden werden verricht alsmede aan Mej. M. G a a 1 s w ij k
en Mej. M. C. H e s voor het uitvoeren van het onderzoek.

De heer A. W ij b e n g a danken wij voor de wiskundige verwerking van het materiaal,

-ocr page 535-

SAMENVATTING.

In 398 faecesmonstcrs werd een ver.gelijkend onderzock naar het voorkomen van
leverboteieren verricht. Hierbij bleek de bezinkin.gsmethode als seleetie-methode voor
het al of niet uitvoeren van een e.p.g. bepaling te gebruiken, hetgeen voor de routine-
diagnostiek van grote betekenis is.

SUMMARY.

398 thoroughly hand-mixed feces samples of catde from herds with a known
infestation of Fasciola hepatica, were divided into two parts. One part has been
examined by a somewhat modified method of Doeksen in which the frequency
of sieving was reduced to only one time. By this method the number of eggs pro slide
is determined. The other part was examined by the method of D o r s m a n by
which the number of eggs per gram of feces is determined.

In the course of the first method we have always counted the number of eggs of
Fasciola hepatica in 2 slides. It was soon evident that samples with a score 0-0 all
had a number of eggs per gram smaller than 5 (only 5% had an e.p.g. ë 5). We
decided also in our roudne-examination feces samples with a score 0 - 0 to exclude
from determination of the e.p.g. This means a considerable gain in time in our
routine laboratory diagnosis.

Feccssamples with a score 1 - 0 or 1-1 by the first method appeared to have an
e.p.g. smaller than 5 in a considerable percentage. Therefore we decided to count the
eggs in a third slide and to determine the number of eggs per gram only in those
samples which had a score 1-0-1 or 0 - 1 - 1, also an average of 2/3 eggs per slide.
Again we have a gain in time for our laboratory diagnosis, especially in case of
examination of feccssamples from farms with a low Fasciola hepatica infectiongrade.
Table I gives a survey and exemple of the recordings of a number of feces samples.
In Table II the samples are ranged according the records of the method by D o e k -
sen. Those table gives successively the result of the method by Doeksen, the
number of samples with the mentioned results, the average number of eggs per gram
of feces in these samples, the range of variation in the e.p.g. results, the munber of
samples with an e.p.g. smaller and larger than 5. It is noticeable that not before a
result of 2/3 eggs per slide by the method Doeksen one becomes a countable
number of eggs per gram of feces (5).

Table 3 serves as a table of frequency in which for every average result of the first
method the distribution of the accessory numbers of eggs per gram arc given. The
medians are situated nearly at one straight line. There is so a good correlation
between the results of both methods of examination. The coefficient of correlation;
r = -)- 0,13 with a probability of error smaller than 1%.

At the low results by the sedimentation method, namely 1/2, 2/3 and 1 on average per
slide, we obtained the following equation of regression: y = 5,96 x 1,4. In this
equation represents x the result by the sedimentation method and y the result
obtained by the method of D o r s m a n. An e.p.g. smaller than 5 has been equaled
to 2 in behalf of the calculation (diagram A).

The sedimentation method is therefore usefull to select the samples in a part for
determining the number of eggs per gram of feces and a part in which e.p.g. numbers
smaller than 5 can be expected. This means a considerable gain in time in routine
diagnosis.

RÉSUMÉ.

Un examen comparatif a été fait concernant la présence de douves de foie dans 398
échantillons de fèces.

Il parut que la méthode de sédimentation peut être utilisée comme méthode de
sélection pour l\'emploi oui ou non d\'une détermination d\'oeufs par gramme, cequi est
de grande importance pour le diagnostic routinier.

-ocr page 536-

ZUSAMMENFASSUNG.

Mit 398 Fäzesproben wurde eine Vergleichsuntersuchung nach dem Vorkommen von
Leberegeleiern vorgenommen.

Hierbei schien die Ablagcrungsmethode als Selektionsmethode für eine e.p.g.-Bestim-
mung brauchbar zu sein, was für die Routinediagnostik von grosser Bedeutung ist.

RESUMEN.

Se hizo un examen comparativo a la ocurrencia de huevos de fasciola hepatica en 398
muestras de heces. Resulto que el metodo de sedimento se puede usar para la
ejecucion de la fijacion de E.P.G. (huevos por gramo) locual es de suma importancia
para el diagnostico de rutina.

LITERATUUR.

Doeksen, J. en H e r i n g a, K. : Het vaststellen van leverbotbesmetting bij het

rundvee. Verslag C.I.L.O. 1948 pag. 17.
Dorsman, W. : New technique for counting eggs of Fasciola hepatica in cattle

faeces, ƒ. Helminthol, 30, 165, (1956).
Jong, H. de: Inleiding tot de Medische Statistiek Deel I II. 1958.

-ocr page 537-

Weffelijke maatregelen ter voorkoming danwel
beperking van luchtverontreiniging1)

Legislation about prevention andjor restriction of air-
pollution

door J. TESINK**)

Van de Stichting Gezondheidsdienst voor Dieren in Zeeland.

Inleiding

De uitbreiding van de industrie en de bevoll^ingstoename in Nederiand bij
(vrijwel) gelijkblijvend grondoppervlak maakt het — en niet alleen voor
de Rijksoverheid! — noodzakelijk de leefbaarheid van het milieu nauw-
lettend te blijven volgen.

De verontreiniging van lucht, water en bodem dient binnen aanvaardbare
grenzen te blijven.

Beperken we ons tot de luchtverontreiniging.

Wanneer we de luchtverontreiniging, welke kan ontstaan tijdens de aan-
voer van grondstoffen naar de fabriek en gedurende het (open) bewaren
aldaar (b.v. ruwe zwavel) buiten beschouwing laten en ons beperken tot
stoffen welke de pijpen verlaten, dienen we te beseffen dat, wanneer deze
stoffen niet in de atmosfeer mogen komen ze ergens anders moeten blijven,
m.a.w. waar moeten we heen met de stoffen uit de reinigingsinstallaties?
Uit de reinigingsinstallaties voor stofdeeltjes zoals de cycloon, de filters en
de elektrostatische stofafscheiders, komen jaarlijks tonnen vaste afval-
stoffen vrij; uit die voor de gasvormige verbindingen, zoals de wassers, vele
m^ afvalwater.

Vooral dit afvalwater kan ons oppervlaktewater verontreinigen; afvoer
naar open zee is niet overal mogelijk.

Hoe groter de eisen inzake de reiniging zijn, des te hoger het daarmede
gemoeide bedrag; hiermede zal de eisensteller — dus de gemeente — ter-
dege rekening moeten houden!

Wettelijke maatregelen

De op 1 februari 1953 in werking getreden Hinderwet, en welke dient ter
vervanging van de Hinderwet van 2 juli 1875, wordt ondermeer gehan-
teerd om maatregelen voor te schrijven ter beperking van luchtveront-
reiniging door de industrie. Artikel 13 van de Hinderwet houdt, volgens
Koeken, in dat een hinderwetvergunning geweigerd dient te worden
indien vaststaat of met reden te vrezen is dat de inrichting
gevaar, schade
of hinder voor de omgeving zal veroorzaken, waaraan niet door het stellen
van voorwaarden kan worden tegemoetgekomen.

Hierbij doet zich in de praktijk de moeilijkheid voor dat een op zichzelf
niet gevaarlijke hoeveelheid gas van een bepaald bedrijf in combinatie

1  Zie ook: Luchtverontreiniging en gevolgen daarvan voor mens, dier en plant.
Tijdschr. v. Diergeneesk., 91, 16, (1966).

-ocr page 538-

met eenzelfde, of mogelijk ander, gas van een ander bedrijf, dat b.v. later
werd opgericht, wèl schadelijk kan zijn of hinder op kan leveren. De
schade of hinder die aldus ontstaat is niet te voorzien geweest!
Koeken vraagt zich dan ook af of niet méér gebruik gemaakt dient te
worden van artikel 16 van de Hinderwet inhoudende: „indien over de te
verwachten schade of hinder of het te verwachten gevaar van een in-
richting niet met voldoende zekerheid kan worden geoordeeld, kan het
gemeentebestuur de vergunning verlenen voor een bepaalde termijn".
Door hantering van dit ardkel kan een tijdelijke vergunning worden af-
gegeven.

Voorts heeft Koeken erop gewezen dat een ieder die vreest dat door de
oprichting van een bedrijf schade aan eigendommen, bedrijven of gezond-
heid danwel hinder van ernstige aard zal worden toegebracht, tegen zo-
danige oprichting op een openbare zitting bezwaar kan maken. Eigenaars
en gebruikers van onmiddellijk aangrenzende percelen krijgen schriftelijk
kennis van het gedane verzoek om vergunning; verderaf wonenden wor-
den geacht zich op de hoogte te stellen via de openbare kennisgeving,
d.w.z. meestal door aanplakking aan het gemeentehuis en het terrein van
oprichting. Velen komen dan ook te laat tot de ontdekking dat ze be-
zwaren hadden kunnen indienen!

De uitvoering van de Hinderwet is dus overgelaten aan het beleid van de
gemeentebesturen.

Deze uitvoering betreft:

a. het verlenen van de vereiste vergunning;

b. de voorwaarden aan de verlening verbonden;

c. het toezicht op de naleving van de voorwaarden.

De Rijksoverheid kan hierbij adviserend optreden, meer niet.
Groen geeft aan dat de Gezondheidswet de hoofdinspecteur en regionale
inspecteurs voor de hygiëne van het milieu de bevoegdheid verleent ad-
viezen te verstrekken, ook aan de gemeentebesturen, op verzoek of uit
eigener beweging, om luchtverontreiniging tegen te gaan.
Vermeld moet worden dat de arbeidenden binnen de inrichting worden
beschermd krachtens de Veiligheidswet van 1934. Uitvoering en hand-
having van deze wet geschiedt door de Arbeidsinspectie. De bescherming
binnen de inrichting is beter geregeld dan daar buiten!
Het districtshoofd van de Arbeidsinspectie ontvangt, volgens artikel 7,
eerste lid van de Hinderwet, een afschrift van elke aanvrage tot vestiging
van een inrichting en hij kan hierover adviseren (artikel 8, lid 2). Artikel
12, tweede lid, bepaalt dat het districtshoofd een afschrift van de be-
schikking van B. en W. krijgt en tegen de beschikking in beroep kan gaan
(artikel 20).

Van Ebbenhorst Tengbergen is er, logisch!, voorstander van
dat het district.shoofd van de Arbeidsinspectie een afschrift van de aan-
vrage voor vergunning ingevolge de Hinderwet stuurt naar de hoofd-
inspecteur van de Volksgezondheid voor de hygiëne van het milieu, ten-
minste voor zover er kans bestaat op luchtverontreiniging.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid heeft dit onder
meer ook aangegeven in zijn circulaire d.d. 18 juni 1964 aan de besturen
van de Gemeenten in de omgeving van de Nieuwe Waterweg.

-ocr page 539-

Behandeling van een aanvraag door de gemeente

Het zal voor de gemeente meestal geen eenvoudige zaak zijn, zonder nader
ingewonnen advies, voorwaarden op te stellen. Slechts een aantal grote
gemeenten heeft één of meer deskundige(n) als full-timer(s) of als part-
timer (s) in dienst ter advisering inzake de te stellen voorwaarden en voor
toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden.

Voor die gemeenten op wier grondgebied een sterke industriële groei aan
de gang is, danwel is vooraien, b.v. de kanaalzone in Zeeuws-Vlaanderen
en het Sloegebied, zal het ernstig overweging verdienen gezamenlijk be-
doelde deskundigen aan te trekken.

Daarnaast verdient het sterk aanbeveling dat deze gemeenten hun op de
Hinderwet gebaseerde verordeningen geheel of zo goed als geheel gelijk-
luidend doen zijn. Regionale oplossingen kunnen op deze wijze worden
bereikt. De Vos heeft hier voorbeelden van gegeven: Twente, de Zaan-
streek, het Nieuwe Waterweggebied.

Het gemeentebestuur kan bij een aantal instanties en instellingen advies
inwinnen b.v. T.N.O., de Hinderwet- en Bouwtoezichtverenigingen, het
adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en het
K.N.M.I. te De Bilt.

De aanvrager zoekt vaak steun, aldus Van Ebbenhorst Teng-
b erg en bij de KEMA of de Vereniging Krachtwerktuigen.
In die gevallen dat het gemeentebestuur zelf niet over voldoende deskun-
dige ambtenaren beschikt zal het alleen maar van wijs beleid getuigen
indien de, vaak niet geheel eensluidende, verrkegen adviezen worden voor-
gelegd aan de inspectie voor de hygiëne van het milieu en de Arbeids-
inspectie.

In die gevallen dat de agrarische „wereld" — akkerbouw, veeteelt, fruit-
teelt — als mede-belanghebbende kan worden aangemerkt, zal een door-
spraak met deze „wereld" eveneens raadzaam, zo niet noodzakelijk zijn.

Te stellen voorwaarden

Bij het stellen van voorwaarden kan men zich op het standpunt stellen
dat de voorwaarden in woon- en recreatiegebieden strenger moeten zijn
dan in industriegebieden.

Bij het opstellen van de voorwaarden heeft men — nog — niet de be-
schikking over exacte richtlijnen. Vermeld kan worden dat subcommissies
van de in 1963 ingestelde Raad voor de luchtverontreiniging bezig zijn
richtlijnen op te stellen ten aanzien van mens, dier en plant.
In Duitsland, Rusland en Engeland is men, wat dit betreft, verder ge-
vorderd, evenals in de U.S.A,

Men dient er echter in ieder geval van uit te gaan dat de meest deugde-
lijke technische middelen zullen worden toegepast ter voorkoming van
gevaar, schade of hinder voor dc omgeving van de inrichting, voor zover
deze toepassing economisch is verantwoord.

Bij de beslissing of een inrichting zich ergens kan vestigen spelen vele
andere, ook zeer belangrijke, factoren een grote rol, b,v, ligging aan diep
water, railverbindingen enz. Een vestiging moet men het niet te moeilijk
maken door te extreme eisen te stellen inzake luchtverontreiniging! Men
zal voorwaarden moeten stellen terzake van voorkóming van stof- en
stankverspreiding bij aanvoer en opslag van de grondstoffen en, eventueel,

-ocr page 540-

bij afvoer van het eindprodukt. Voorts zal nagegaan moeten worden
welke gasvormige verbindingen en vaste stofdeeltjes, en tot welk een hoe-
veelheid, in de atmosfeer zullen worden gestoten indien geen zuiverings-
installatie zou worden aangebracht.

Men kan dan bepalen welke concentratie van de gasvormige verbindingen
in de uitlaatgassen maximaal toelaatbaar is, mede gezien tegen de achter-
grond van wat andere bestaande inrichtingen eventueel reeds in de lucht
stoten.

Wanneer met de nieuwe inrichting het industriegbied „vol" is, kunnen,
afhankelijk van wat reeds gevestigde inrichtingen in de lucht stoten, stren-
ge of minder strenge eisen worden gesteld.

Indien aan een vestiging de gehele beschikbare marge zou worden toe-
gewezen, kan een nadien te vestigen inrichting geen vergunning worden
verleend omdat „de lucht al vol is", evenmin zal de inrichting zich kun-
nen uitbreiden.

Daarnaast zal het gemeentebestuur aandacht moeten schenken aan de
vraag hoe het staat met de eventuele vei-vuiling van het oppervlaktewater
door de inrichting en moet worden nagegaan waar de inrichting de vaste
afvalstoffen denkt te deponeren.

Het toezicht op de naleving van de voorwaarden

In de voorwaarden zal vastgelegd moeten zijn dat de houder van de ver-
gunning alsmede degene die de feitelijke leiding heeft van de werkzaam-
heden welke in de inrichting worden verricht, behalve aan de in artikel 33
van de Hinderwet bedoelde ambtenaren ook aan, in overleg met de in-
richting aangewezen persoon (en) op eerste aanvrage, gelegenheid geven
en zonodig hulp verlenen om in het belang van de controle op de na-
leving der aan de vergunning verbonden voorwaarden, monsters te nemen
(zie ook artikel 30 van de Hinderwet). De kosten verbonden aan monster-
name en analyse kunnen in overleg worden geregeld.

Die gemeenten welke geen deskundig personeel voor controle op de na-
leving van de voorwaarden in dienst hebben, kunnen de arbeidsinspectie
en de inspectie voor de hygiëne van het milieu verzoeken de controle waar
te willen nemen.

Voorts is het verstandig om behalve de reeds genoemde metingen, ook
luchtmetingen in de omgving van de inrichting te (doen) verrichten vóór
dc inrichting in gebruik is ter bepaling van de z.g.n. overbelasting van de
lucht, ook na in gebruikneming is het doen van regelmatige metingen aan-
gewezen.

Bij geconstateerde overtredingen kunnen die maatregelen van de fabriek
worden geëist of die stappen tegen de fabriek worden genomen, als werd
vastgelegd in de voorwaarden, ofwel aan de hand van de Hinderwet (art.
26, 28).

De schaderegeling ten aanzien van dier en plemt ,

Het aanstellen in iedere provincie door de Gewestelijke Raad van het
Landbouwschap van een schadecommissie veehouderij, een schadecom-
missie land- en tuinbouwgewassen en een schadecommissie fruitteelt ver-
dient de grootst mogelijke aanbeveling. Deze commissies waarin de agra-
riërs en de industrie paritair vertegenwoordigd moeten zijn en die dienen

-ocr page 541-

te worden voorgezeten door een neutrale provinciale deskundige, zouden
bij de raadpleging door de gemeentebesturen moeten worden betrokken.
In die gevallen waarin de gemeente geen metingen vóór de in bedrijf-
stelling verricht ofwel niet bereid is de verkregen analyse-uitkomsten aan
de commissies ter beschikking te stellen, zullen de commissies er verstandig
aan doen zelf metingen te doen verrichten ter bepaling van de nulfase
(voorbelasting) van de lucht. Deze metingen zullen uiteraard alleen nodig
zijn indien de vrees bestaat dat na in bcdrijfstelling van de fabriek vergif-
tigings- of verbrandingsverschijnselen verwacht zouden kunnen worden bij
dier, resp. plant of fruit.

De commissies zullen de metingen dienen voort te zetten na in bcdrijf-
stelling om in het bezit te zijn van exacte gegevens ingeval verbrandings-
of vergiftigingsverschijnselen zijn waargenomen.

Indien een vergelijking van de analysecijfers heeft uitgewezen dat de
waargenomen schade door de inrichting is veroorzaakt zal deze inrichting
de vastgestelde schade integraal dienen te vergoeden en zich neer moeten
leggen bij de door de commissies vastgestelde schadevergoeding. De kosten
van de commissies zijn voor rekening van de fabriek evenals die voort-
komende uit de metingen.

Wanneer bij het vaststellen van de schadevergoeding door partijen een
zakelijk doch welwillend standpunt wordt ingenomen kunnen veel moei-
lijkheden worden opgelost, danwel voorkomen.

SAMENVATTING.

De uitvoering van de Hinderwet — dus het voorschrijven van maatregelen ter
beperking van luchtverontreiniging — is krachtens diens bepalingen overgelaten aan
het beleid van de gemeentebesturen.
Deze uitvoering betreft:

a. het verlenen van de vereiste vergunning;

b. de voorwaarden aan de verlenin.g verbonden;

c. het toezicht op de nalevin.g van dc voorwaarden.

Gewezen werd op het feit dat men in Nederland — zulks in tegenstelling tot b.v.
Duitsland, Engeland, Rusland en de U.S.A. — (nog) niet de beschikking heeft over
exacte richtlijnen bij het formuleren van voorwaarden. Een aantal punten waar men
in ieder geval van moet uitgaan, werd aan.gegeven.

Wat betreft het toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden werd gewezen
op de noodzaak van het door de gemeente zelf kunnen nemen en analyseren van
monsters. Ook nemen en analyseren van luchtmonsters, .gewas- en eventueel bodem-
monsters
voordat de fabriek in werking treedt ter bepaling van de zogenaamde
voorbelasting, ook wel nulfase te noemen, is noodzakelijk om ingeval later — na in
bcdrijfstelling ^— ongewenste verschijnselen optreden aan de hand van de dan ver-
kregen analysecijfers (eventueel) maatrc.gelen te kunnen nemen.

De hoogte van het schadebedrag kan het beste worden vastgesteld door cen commissie
waarin vertegenwoordigers van fabriek cn schadelijdendcn paritair zijn vertegen-
woordigd onder een neutrale voorzitter.

SUMMARY.

Under the provisions of the Public Nuisance Act, administration of this act (i.e.,
prescribing measures to reduce air polluUon) is left to the discretion of the municipal
authorities.

.Administration concerns:

a. granting the required licence;

b. the conditions attached to granting a hcence;

c. supervising that the conditions are complied with.

-ocr page 542-

Attention is drawn to the fact that, in contrast with countries such as Germany,
England, Russia and the U.S.A., specific rules to be followed in formulating conditions
are not (yet) available. A number of points of departure regarded as essential, are
stated.

As regards supe.rvision of compliance with the conditions made, it is stressed that it
should be possible for the municipal authorities themselves to take and analyse
samples. Taking and analysing air samples, plant samples and, if necessary, soil
samples before the factory is in operation to determine the so-called pre-load, also
referred to as zero phase, is essential to make it possible to adopt any measures
which might be required on the basis of the results of analysis if untoward phenomena
should subsequently appear when the factory has been brought into operation.
The amount of the damage will best be assessed by a committee constituted of an
equal number of representatives of the factory and of those who have suffered
damage, the chairman being neutral.

ZUSAMMENFASSUNG.

Die Durchführung des Belästigungsgesetzes — also die Anordnung von Massnahmen
zur Beschränken der Luftverunreinigung — wird kraft dessen Bestimmungen dem
Gemeindevorstand überlassen.
Diese Durchführung bezieht sich auf:

a. die Erteilung der erforderlichen Erlaubnis;

b. die mit der Erlaubnis verknüpften Bedingungen;

c. die Beaufsichtigung der Einhaltung der Bedingungen.

Es wird darauf hingewiesen, dass man in den Niederlanden — im Gegensatz zu
Ländern wie z.B. Deutschland, England, Russland und die Vereinigten Staaten —
(noch) nicht über genaue Richtlinien zur Formulierung von Bedingungen verfügt.
Eine Anzahl von Punkten, von denen jedenfalls auszugehen sei, wird angegeben.
Hinsichtlich der BeaufsichUgung der Einhaltung der gestellten Bedingungen wird
darauf hingewiesen, dass die Gemeindebehörden in der Lage sein sollten selber
Proben zu entnehmen und zu analysieren. Auch das Entnehmen und Analysieren von
Luftproben, Proben pflanzlichen Materials und etwaigen Bodenproben bevor die
Fabrik in Betrieb gesetzt worden ist, zur Bestimmung der sogenannten Vorbelastung,
auch als Nullphase bezeichnet, ist notwendig um, falls später — nach Inbetriebsetzung
— unerwünschte Erscheinungen auftreten sollten, an Hand der so erhaltenen Analysc-
zahlen (eventuell) Massnahmen ergreifen zu können.

Die Höhe des Schadenbetrags lässt sich am besten besdmmen durch einen Ausschuss,
in dem Vertreter der Fabrik und derjenigen, die Schaden erlitten haben, in gleicher
Zahl Sitz haben, unter einem neutralen Vorsitzenden.

RÉSUMÉ.

la mise en oeuvre de la Loi sur les Etablissements dangereux, incommodes ou in-
salubres — donc la prescription de mesures afin de limiter la pollution aérienne —
a été cédée en vertu de ses stipulations, aux soins des conseils municipaux.
Ceci comprend:

a. La concession du permis exigé;

b. Les conditions attachées à la consession;

c. Le contrôle de l\'observation des conditions.

On souligne le fait qu\'aux Pays Bas — par opposition notamment à l\'Allemagne,
l\'Angleterre, la Russie et les Etats Unis — on ne dispose pas (encore) de lignes
directrices exactes pour la formulation des conditions. Un certain nombre d\'exigences
minimales sont mentionnées.

En ce qui concerne le contrôle des conditions formulées on souligna la nécessité du
fait que les communes puissent elles-mêmes prélever et analyser des échantillons.
Il est nécessaire aussi de prélever des échantillons de l\'air, des végétaux et éventuelle-
ment du sol et de les analyser avant que l\'usine entre en action afin de déterminer la
soi-disantc charge préalable, à nommer aussi la phase-zéro, afin de pouvoir prendre

-ocr page 543-

éventuellement, après la mise en fonction de l\'usine, des mesures à l\'aide des chiffres
d\'analyse obtenus, au cas de phénomènes indésirables qui se présenteraient plus tard.
Il est préférable de faire fixer la hauteur du montant des dommages-intérêts par
une commission où l\'usine et les personnes ou exploitations dupées sont représentées
à égalité, sous une présidence neutre.

RESUMEN.

La ejecucion de la ley de la incomodidad, pues ordenar medidas para limitar el
ensuciamiento del aire, es en virtud en las esdpulaciones de esta ley, dejada a la
prudencia de la municipalidad.
La ejecucion concierne:

a. Conceder el permiso requisito

b. las condiciones comprometidos al permiso

c. la vigilancia sobre el cumplimento de las condiciones.

Se llamo la atencion hacia el hecho que holanda-tal a diferencia de por ejemplo
alemania, inglaterra, russia y los etados unidos, todavia no dene la disposicion sobre
guias exactas para formular estas condiciones. Fue indicado un numero de puntos
de lo cual uno tiene que partir en toda manera. Concerniente a la vigilancia sobre
el cumplimento de las condiciones fijadas se llamo la atencion hacia la necesidad que
el municipio mismo puede tomar y analisar las muestras. Tambien es necesario
sacando y analisando muestras de aire muestras de végétales y eventual muestras de
suelo antes que la fabrica entre en funcionamiento para fijar la precarga, la que se
llamc tambien la fase zero, por si acaso mas tarde, despues el establecimiento feno-
menos indeseables ocurren, con los datos analiticos obtenidos, eventual, se puede
tomar medidas.

El grandor de la suma del dano se puede fijar por una comision, en la cual
représentantes de la fabrica y en pariedad los quienes padecen estan representados
bajo un presidente neutral.

LITERATUUR.

Ebbenhorst Tengbergen: Industrie en wettelijke maatregelen. De Neder-
landse Industrie, 38, februari 1965.
Gässler, W.: Het tegengaan van de luchtverontreiniging in de Duitse Bonds-
republiek.
De Nederlandse Industrie, 44, februari 1965.
Groen, N. J. A.: De zorg van de overheid tegen de verontreiniging van de lucht.

De Nederlandse Industrie, 38, februari 1965.
K O c k e n, E. H. A.; Luchtverontreiniging en Hinderwet. Techn. Gem.blad, 46, 139,
(1960).

Koeken, E. H. A. en Koopmans, S. : Luchtverontreiniging en Jurisprudentie.

Techn. Gem.blad, 46, 140, (1960).
Meurs, P. K. van: Ruimtelijke maatregelen in verband met verontreiniging van

lucht door industrie. De Nederlandse Industrie, 35, februari 1965.
N i e r s t r a s z, C. J.: Hinderwet. Editie Schuurman en Jordens nr. 30.
Nonhebei Gordon: Maatregelen ter bestrijding van de luchtverontreiniging

in Engeland. De Nederlandse Industrie, 51, februari 1965.
Schmidt, F. H.: De invloed van de atmosferische omstandigheden op de lucht-
verontreiniging.
De Nederlandse Industrie, 30, februari 1965.
T e s i n k, J.: Fluorvergiftiging bij runderen en haar beïnvloeding door het toedienen

van aluminiumsulfaat. Dissertatie Utrccht (1954).
Veldkamp, G. M. J. en Bartels, A.: Volksgezondheidsnota 1966.
Vos, G. Z. de: De gemeenten, de industrie en de luchtverontreiniging.
De Neder-
landse Industrie, 42, februari 1965.

-ocr page 544-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

OVERBRENGING VAN VISNA DOOR INTRAPULMONALE BESMETTING
VAN SCHAPEN.

Gudnadóttir, M. and P ä 1 s s o n, P. A.: Successful transmission of visna by
intrapulmonary inoculation, ƒ.
of Infect. Dis., 115, 217, (1965).
Nadat men er in was geslaagd visna-virus te kweken in celkuituren van de Plcxus-
chorioideus van schapen is de vraag bij deze auteurs gerezen in hoeverre deze
chronische progressieve demyeliniserende enccphalids mogelijk een cerebrale vorm
was van 1 of mogelijk 2 besmettelijke, eveneens chronische longaandoeningen bij
schapen op IJsland n.1. adenomatöse en/of maedi {zwoegersziekte in Nederland?).
Daartoe hebben zij in oktober 1960 bij een 10-tal lammeren met de leeftijd van 5
maanden 3 ml visna virus (uit celkweek verkregen) in de rechter long ingespoten
en in mei 1961 hebben zij 6 pasgeboren lammeren op dezelfde wijze besmet met een
zelfde dosis. Daarnaast hebben zij 6 niet-besmette dieren als controle aangehouden
onder dezelfde voorwaarden (voeding, huisvesting, weide, e.d.) als de besmette.
Deze laatste groep toonde nimmer ziekte, ook werd nimmer virus aangetoond en na
afloop waren geen antistoffen tegen visna-virus in het serum aantoonbaar.
De lammeren werden op vooraf bepaalde tijden onderzocht op het mogelijk voorkomen
van viraemie, vorming van antistoffen tegen visna-virus, celgehalte bepalingen van de
liquor werden verricht, aanwezigheid van virus in de liquor e.d.
Van de groep pasgeboren lammeren stierf er één 2 weken na de besmetting aan
pneumonie. Het visna-virus werd vóórdien 2 maal uit het bloed geïsoleerd, na sectie
echter was bacteriologisch onderzoek zowel als virologisch onderzoek negatief bij dit
lam. Een ander lam toonde 22 maanden na besmetting paralytische vorm van visna.
De overige 4 lammeren toonden allen een verhoogd celgehalte in de liquor gedurende
een bepaalde periode, en bij 2 van deze dieren werd het virus uit de liquor
geïsoleerd.

Van de 20 oudere lammeren toonden 6 een verhoogd celgehalte in de liquor, bij 2
daarvan werd visnavirus in de liquor aangetoond en bij 1 in de Plexus chorioideus.
Er deed zich echter bij geen enkel dier een paralytische vorm van visna voor. Alle
besmette dieren vormden antistoffen tegen visna. Longveranderingen welke geleken op
die bij maedi werden bij 3 schapen waargenomen.

Zij concluderen uit dit experiment dat de 2 virussen visna cn maedi vele eigen-
schappen gemeen hebben, hoewel zij ter adstructie verder onderzock in deze nood-
zakelijk achten.

Dat het visna virus bij enkele schapen ook in de nieren en in een speekselklier is
teruggevonden zou kunnen wijzen op een andere besmettingsweg dan de aerogene.

H, A. E. van Tongeren.

INFECTIEMOGELIJKHEDEN VAN MENS EN DIER MET TUBERCULOSE.

Vöhringer, K.: Infektionsmöglichkciten zwischen Mensch und Tier mit den
Warmblütertypen der Tuberkulose.
Monatsh. Vet. Med., 19, 721, (1964).
Vöhringer geeft een samenvatting over de tuberculose van mens en huisdieren
naar aanleiding van literatuurstudie, op een wijze zoals deze volgens hem tot dusverre
in deze omvang en op de door hem gevolgde wijze nog niet heeft plaatsgevonden
(getypte literatuurlijst 8 bldz. wordt op aanvraag toegezonden). Aan het artikel zijn
5 fraai getekende schema\'s toegevoegd waarin de overbrenging aanschouwelijk is
voorgesteld. Deze schema\'s zijn met voorzichtigheid te interpreteren omdat de indruk
wordt gegeven, dat weinig verschil gemaakt is tussen hoofdzaken en bijzaken, doordat
te veel is gestreefd naar volledigheid waarbij de kritiek wel eens wat in het gedrang
is gekomen. Er zijn daardoor in het artikel din.gen komen te staan die men beslist
niet als waar hoeft te aanvaarden. Waarschijnlijk is te weinig rekening gehouden met
mogelijke fouten in typering door de oorspronkelijke auteurs. Zo wordt b.v. op grond

-ocr page 545-

van cen publicatie uit 1908 medegedeeld dat de typus humanus bij koeien niet alleen
aanleiding zou kunnen zijn van uiertuberculose maar ook jarenlang door klinisch
normale uiers zou worden uitgescheiden, terwijl volgens een publicatie uit 1904 ook
de geit hiertoe in staat zou zijn. Ook andere dieren (paard, schaap, varken) zouden
bij dc overbrenging een rol spelen. V e r g e, die geciteerd wordt volgens Rein-
hardt, zou b.v. hebben medegedeeld, dat 46% van de tuberculeuse katten in
Frankrijk met humane tuberculose besmet zou zijn (in werkelijkheid betreft het 6
gevallen, die overigens uniek zijn in de literatuur, wat tot voorzichtigheid stemt
(Ref.)). Volgens Paltrinièri zou het konijn .gevoelig zijn voor humane tuber-
culose evenals ook de kip en de duif(!).

Terecht wordt daarentegen gewezen op dc rol, die papagaaien bij het overbrengen
van humane tuberculose kunnen spelen. Merkwaardig is het geval van humane
tuberculose onder eekhoorntjes uit de omgeving van een kindersanatorium. Bij
dierentuin-dieren zijn de apen zeer belangrijk. Ook allerlei andere dieren worden
genoemd. Wat betreft de typus bovinus zou van de gevallen bij de mens volgens
Goerttlcr en Weber (1954) 10,2% van het bovine type zijn, waarbij de
geïnfecteerde koemelk van belang was. Bij de overbrenging op de mens kan ook het
varken een rol spelen (beet in de hand. Markus (1914)). Verder worden genoemd
geit, paard, ezel, hond en kat (de zinsnede betreffende de laatste diersoort is waar-
schijnlijk verminkt).

Gewezen wordt op spontane bovine tuberculose bij konijnen, diverse wildsoorten,
dierentuin- en circusdieren.

Typus gallinaceus is door diverse auteurs bij dc mens beschreven w.o. met dodelijke
afloop. Verschillende van deze gevallen zijn ook volgens Vöhringer twijfelachtig.
De mens zou zich o.a. infecteren met stof van kippenhokken. Een belangrijk reservoir
van deze infectie is het varken. „Daar de geit jarenlang met khnisch onveranderde
melk vogeltuberkelbactcriën kan uitscheiden (G r i f f i t h 1931) vormt zij een voort-
durend gevaar voor haar omgeving."

Ook het paard zou deze infectie verspreiden (ulcera in de neus, (W e i d e 1 i n 1933)).
Koeien zouden met aviaire tuberculose besmet raken, niet alleen door kippen, maar
ook door de mens, hond, kat, en duif, mogelijk ook door mussen en verder ook door
fazanten en meeuwen. Dat koeien de aviaire tuberkelbacterie met het sputum
verspreiden toonden Post en Van Ulsen aan.

Een zeer uitvoerige opsomming wordt tenslotte gegeven van vogelsoorten, waarbij
aviaire tuberculose is aangetoond.

C. A. van Dorssen.

TETANUSPROPHYLAXIS BIJ PAARDEN.

F e s s 1 c r, J. F.: Prophylaxis of Tetanus in Horses. ƒ. Am. Vet.. Med. Ass., 148,
.399, (1966).

Bij de Prophylaxis van tetanus is de chirurgische behandeling van wonden van
primair belang, ongeacht de immuniteitstoestand van de patiënt. Echter is in vele
gevallen van tetanus de veroorzakende wond zeer gering of zelfs niet te vinden.
Vaccinatie is dus van belang bij de tctanusprophylaxe. Passieve immuniteit door
tetanusserum geeft geen complete bescherming te.gen de aandoening. Bij subcutane
toediening van serum wordt de maximale immuniteit bereikt 2 tot 3 dagen na de
injectie, terwijl de beschermende werking na 12 dagen verdwenen is. Indicaties voor
de toepassing van tetanusserum zijn chirurgische ingrepen, verwondingen en de be-
scherming van pasgeboren veulens.

Een betere bescherming tegen tetanus wordt verkregen door dc actieve immunisatie
met tetanustoxoïcd.

De basisimmuniteit wordt opgewekt door twee injecties met toxoïed met een interval
van 4 tot 8 weken bij paarden, die niet in stress verkeren. De immuniteit kan ge-
handhaafd worden door een jaarlijkse boosterinjectie. Na subcutane injectie van
tetanustoxoïcd kan locale zwelling ontstaan. Dit is te voorkomen door de injectie
over twee plaatsen verdeeld diep intramusculair te geven.

-ocr page 546-

Overigens hebben de nieuwere tetanusvaecins een geringer gehalte aan aluminium-
hydroxide, waardoor het optreden van zwellingen na subcutane injecde beduidend
minder is geworden.

De eerste vaccinatie van veulens kan plaatsvinden op een leeftijd van 3 maanden.
Om jongere veulens te beschermen, kan men ze herhaalde injecties met tctanusserum
toedienen. Een betere immuniteit ontstaat wanneer het veulen met de moedermelk
antistoffen kan opnemen. Dit wordt bereikt door de moeder twee boosterinjecties met
toxoïed te geven in de 10e en de 11e drachtighcidsmaand.

Bij een paard waarvan de immuniteitsanamnese niet of niet volledig bekend is, kan
men serum en toxoïed gelijktijdig toedienen ter verkrijging van een snel intredende
en langdurige immuniteit.

ƒ. Uwland.

Inwendige ziekten

MAAGZWEREN BIJ VARKENS I.

K O w a 1 c z y k, T., M u g g e n b u r g, B. A., S m i t h, R. W., H O e k s t r a, W. G.,

F i r s t, N. L. and G r u m m e r, R. H.: Stomach Ulcers in Farrowing Gilts. }. Am.
Vet. Med. Ass.,
148, 52, (1966).

Maagzweren bij varkens uiten zich klinisch als een acute ziekte: plotseling optredende
anorexic, bleekheid, teerachtige faeces, zwakte en ademnood, soms bloed braken.
Therapeutische maatregelen falen vrijwel steeds, de dood treedt meestal snel in.
Bij secue vindt men een uitgesproken anaemie, met uitgebreide bloedstolsels in maag-
en darmlumen, vaak een fibrineuze peritonitis, een vetdg gedegenereerde lever,
oedemateuze longen.

In weerwil van de acute klinische verschijnselen vindt men steeds chronische maag-
ulcera, meestal in de pars oesophageï van de maag, welke ulcera soms perforeren.
De auteurs beschrijven enkele epizootiën van de ziekte op varkensfokbedrijven.
Toxicologisch, virologisch en bacteriologisch onderzoek was in alle gevallen negatief.
Het lijkt onwaarschijnlijk, dat erfelijke predispositie een rol zou spelen.
Er zijn aanwijzingen, dat hoge gehalten maismeel in het voer het ontstaan van maag-
zweren kunnen bevorderen. De maagzweren blijven onopgemerkt en geven geen enkele
khnische afwijking, totdat door angst, spanning of fysieke inspanning een maag-
bloeding optreedt. Stressfactoren, zoals koude, transport, lawaai, overbevolkte hokken
en gebrek aan lichaamsbeweging van drachtige zeugen kunnen aanleiding geven tot
het optreden van de acute klinische verschijnselen. Het huisvesten van drachtige
zeugen in werphokken gedurende enige weken voor dc partus kan in bepaalde gevallen
reeds een voldoende stress zijn om de ziekte tc doen optreden.

Blijkbaar betekent een gebrek aan lichaamsbeweging voor drachtige zeugen een
belangrijke stress.

J. Uwland.

MAAGZWEREN BIJ VARKENS II.

Reese, N. A., Müggenburg, B. A., K o w a 1 c z y k, T., G r u m m e r, R, H.
and Hoe k s t r a, W. G.: Nutritional and Environmental Factors Influencing Gastric
Ulcers in Swine.
J. Animal Sci., 25, 14, (1966). Effects of Corn, Wheat, Oats and
Alfalfa Leaf Meal on the Development of Gastric Ulcers in Swine.
J. Animal Sci.,
25, 21, (1966).

Het effect van verschillende voedings- cn milieufactoren op het voorkomen van
maagzweren bij varkens werd bestudeerd.

Het basisrantsoen bestond uit maismeel (74,5%), sojaschroot (15%), lucernemeel
(5%), brouwersgist (2,5%), mineralen, vitaminen, sporenelementen en antibiotica
en bevatte 15,43% r.e.

Toevoeging van verschillende antibiotica aan dit rantsoen gaf geen verbetering van
het percentage aan maagzweren lijdende varkens. Evenmin werd een gunstig effect

-ocr page 547-

gezien van vervanging van de sojaseliroot door ondermelkpoeder, sojameel, volle melk
of door toevoeging van sojaolie. Het weglaten van lucernemeel uit het rantsoen of de
toevoeging van thiamine, riboflavine, pyridoxine, pantotheenzuur, niacine, vit. B. 12,
C, A, D, E en K hadden evenmin resultaat.

Een verbetering, hoewel net niet significant, trad op als de varkens om de andere
dag werden gevoerd of wanneer de ad-libitum droge voedering werd vervangen door
het voer tweemaal daags als slobber te verstrekken.

Overbevolking van de hokken resulteerde niet in een toeneming van het percentage
maagzweren, maar wel nam de ernst van de verschijnselen toe.

Significante verbetering werd waargenomen indien de mais in het rantsoen vervangen
werd door haver, tarwe of een mengsel van tarwe en haver.

Op een rantsoen met 85% haver had geen enkel varken maagafwijkingen, op een
rantsoen met 90% tarwe had 50% van de varkens epitheeldefecten in het maag-
slijmvlies en op een rantsoen met 76% mais toonden alle varkens maagafwijkingen.

ƒ. Uwland.

Ziekten van het Kleine Huisdier

AETIOLOGIE V.A.N ÜRETHRAOBSTRUCTIES BIJ DE KAT.

C a r b 0 n e, M. G.: Phosphocrystalluria and Urethral Obstruction in the Cat.
/. Am. Vet. Med. Ass., 147, 1195, (1965).

De pH van de urine van normale gezonde katten kan belangrijk fluctueren. Struviet-
kristallen (NH-i MgP04-6 H-iO-ammoniummagnesiumfosfaat-hexahydraat) verschij-
nen in de urine bij een pH hoger dan 6,8.

Experimenteel kan de pH van kattenurine verhoogd worden door injecties met
azetolamide, een koolstofanhydaseremmer, die de excretie van watersof ionen door
de niertubuli remt. Na injecties met azetolamide verschijnen struvietkristallen in de
urine. Toevoeging van NaOH aan kattenurine in vitro doet eveneens struvietkristallen
in de urine verschijnen.

De aetiologie van urethraobstrucdes wordt nu als volgt voorgesteld: Als gevolg van
nonnale metabolische fluctuaties stijgt bij de gezonde kat de pH van de urine van
tijd tot tijd tot boven 6,8.

Hierdoor treedt struvietkristallisatie op. Struvietkristallen zijn ruw, met scherpe kanten
en beschadigen tijdens de passage het urethraslijmvlies. Door de kristallen en de
excretie van het ontstoken urethraslijmvlies kan een prop ontstaan, die zich in de
urethra vastzet. Dan zwelt bovendien ter plaatse het urethra-slij.mvlies en urinestasis
is het gevolg. Door deze stasis zal de urine zeker niet minder basisch worden, de
struvietkristallen in de blaas kunnen aangroeien tot een zandachtig gruis, dat zich
op de blaasbodem verzamelt. Hierdoor wordt verklaard, dat een kat, die eenmaal
aan een urethraobstructie heeft geleden de ziekte dikwijls meermalen zal doormaken.

]. Uwland.

-ocr page 548-

BOEKBESPREKING

„VLEES 8".

Als een jaarlijkse uitkering van het, in de te Rotterdam georganiseerde Vleesdag 1959,
geïnvesteerde kapitaal verscheen thans „Vlees 8", dat op de bekende fraaie omslag
als ondertitel „De gids voor de vleesbranche" heeft meegekregen.
De iniüatiefnemers en organisatoren van genoemde Vleesdag, sindsdien samenstellers
van de Vlees-serie, hebben zich ook dit jaar weer alle moeite getroost een goed
verzorgde uitgave met een gevarieerde interessante inhoud het licht te doen zien.
Deze keer werd veel aandacht besteed aan ontwikkelingen in het buitenland, met
name op het gebied van vleesproducercnde rassen, op de detailhandel afgestemde
afsnijmethoden en aan succesrijke vleesprodukten, waarvoor ook in ons land toekomst-
mogelijkheden zijn.

Enkele op de praktijk afgestemde publicaties van in ons land en in het buitenland
verricht onderzoek, maken de inhoud meer waardevol.

In een uitgave als deze zijn de vele, vaak zeer fraai uitgevoerde advertenties niet
storend, informatief over de huidige stand van zaken op het gebied van apparatuur
als ze zijn.

„Vlees 8" kost ƒ 4,— per nummer en is verkrijgbaar bij; Uitgave „Vlees", postbus
296, Rotterdam.

ƒ. H. ]. van Gils.

-ocr page 549-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

PROFESSOR DR. D. A. DE JONG-STICHTING.

Verslag betreffende de werkzaamheden en de toestand over het jaar 1965.

De 48ste vergadering van beheerders vond plaats op 1 mei 1965.
Het college van beheerders was voltallig aanwezig en onder leiding van de voor-
zitter kon de 12 punten tellende agenda vlot worden afgewerkt. Het voornaamste
punt betrof de subsidieverlening in 1965. Hoewel ook in het verslagjaar het rente-
gevend kapitaal in koerswaarde verder scheen te slinken werd toch besloten om de
beschikbare inkomsten te besteden voor de doelstelling van de stichting. Dienover-
eenkomstig werd een subsidie van ƒ 1.000,- verleend aan Prof. Dr. J. F. Hampe en
Dr. W. Misdorp voor aanschaffing van kleurstoffen ten behoeve van: Vergelijkend
histologisch enzym-chemisch onderzoek van mamma en mamma tumoren.
In de loop van het jaar werd nog een subsidie van ƒ 1.000,- verleend aan Dr. M.
N. v. d. Heyde, medewerker van Prof. Dr. M. Vink, hoogleraar in de heelkunde
te Leiden. Deze subsidie is bedoeld als bijdrage voor verdere bestudering van het
medische vraagstuk van de heterogene transplantatie van de lever of onderdelen
daarvan. Als proefdier voor dit onderzoek bleek de hond het meest geschikt te zijn,
doch de kosten van aankoop en verpleging ervan zijn hoog.

Voor vertegenwoordiging van Nederland en behartiging van Nederlandse belangen
op het 8e congres van de Vergelijkende Pathologie, dat van 11-18 september 1966
te Beiroet zal worden gehouden, werd op advies van de Koninklijke Nederlandse
.Academie van Wetenschappen het college van beheerders der stichting aangewezen.
Ter herinnering aan Prof. Dr. D. A. de Jong, die op 31 mei 1925 te Leiden over-
leed, stelde de secretaris-penningmeester een overzicht samen van zijn leven en wer-
ken. Dit zal in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde worden opgenomen (zie pag.
75, jaargang 1966).

Het college van beheerders bleef in het verslagjaar ongewijzigd; voorzitter is Prof.
Dr. J. D. Verlinde te Leiden en secretaris-penningmeester Prof.
A. van der Schaaf,
Leijenseweg 38, Bilthoven, postgiro 553831.

FOIB INFORMATIES NO. 20.

De informatiedienst van de Raad van Europa te Straatsburg heeft in zijn reeks
brochures over het werk van deze organisatie nu ook een boekje uitgegeven in de
Nederlandse taal.

Het boekje beoogt in korte vorm uiteen te zetten op welke wijze de Raad van Europa
en de met hem samenwerkende organen bijdragen tot de groeiende samenwerking
tussen de achttien Europese landen die bij de Raad zijn aangesloten. Het geeft een
duidelijk overzicht van de vele instellingen die in dit verband op allerlei terrein
werkzaam zijn en die gaandeweg zo talrijk en zo gespeciahseerd zijn geworden, dat
het voor de doorsnee Europese burger moeilijk is ze uit elkaar te houden. De brochure
is gratis verkrijgbaar bij de Informatie dienst van de Raad van Europa te Straatsburg.

ZELFSTANDIG ARTS OF IN DIENSTVERBAND?
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 okt. 1965.

Arts, in dienst van een bedrijf, moet in het gebouw van het bedrijf op vaste dagen
spreekuur houden en wordt per verrichdng gehonoreerd, met een gegarandeerde
minimum-honorering per maand (ook tijdens de vakantie).

Hij is niet vrij zelf zijn vakantie te bepalen en evenmin vrij zelf een specialist in te
schakelen.

Hij mag een niet te grote parUculiere praktijk uitoefenen, doch heeft deze in verband
met de omvang van zijn bedrijfswerk opgegeven. Hij geniet autokostenvergoeding en
zijn salaris wordt automatisch verhoogd bij verhoging van de salarissen van de andere
werknemers in het bedrijf.

Hier is geen sprake van een zelfstandig arts; betrokkene moet geacht worden een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te hebben gesloten.

-ocr page 550-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

ONDERZOEK VAN DIERGENEESMIDDELEN DOOR HET RIJKSINSTI-
TUUT VOOR GENEESMIDDELENONDERZOEK TE LEIDEN T.B.V.
DIERENARTSEN.

Praktizerende dierenartsen, alsmede de directeuren van Gezondheidsdiensten, waren
tot op heden in de gelegenheid diergeneesmiddelen bij het Rijksinstituut voor Genees-
middelenonderzoek (R.I.G.O.) te Leiden op hun samenstelling te doen onderzoeken.
Gebleken is, dat dikwijls middelen ter onderzoek werden ingezonden om andere
redenen dan op eigen ervaring van de dierenarts gegronde twijfel aan de deugdelijk-
heid van deze middelen. De directeur van genoemd Instituut heeft er nu de aandacht
op gevestigd dat in dergelijke gevallen het onderzoek van diergeneesmiddelen niet
de taak is van het R.I.G.O. Dit Instituut heeft zich daarom genoodzaakt gezien om
de mogelijkheid tot het uitvoeren van onderzoekingen van diergeneesmiddelen aan
voorwaarden te binden.

De eerste voorwaarde is, dat er een aantoonbare diergeneeskundige aanwijzing
betreffende een afwijking of ontbrekende werking van het diergeneesmiddel aanwezig
moet zijn.

Een verdere voorwaarde is, dat de inzending van middelen voor onderzoek dient te
geschieden door bemiddeling van de regionale veterinaire inspecteur van de volks-
gezondheid. Deze zal zich ervan overtuigen, dat aan eerstgenoemde voorwaarde is
voldaan en dat de voor het onderzoek benodigde gegevens zijn verstrekt. Deze ge-
gevens zijn de volgende:

1. herkomst van het produkt;

2. zo mogelijk fabrikant of importeur van het produkt;

3. doel, waarvoor het produkt wordt toegepast;

4. zo mogelijk de samenstelling van het produkt, als door de fabrikant opgegeven;

5. zo mogelijk gegevens omtrent de wijze van bewaring en de ouderdom van het
produkt;

6. de redenen van het verlangde onderzoek.

Voorts dienen voldoende monsters voor een onderzoek te worden ingezonden. Het is
niet mogelijk aan te geven, wat hieronder dient te worden verstaan, aangezien dit
afhankelijk is van de hoeveelheid werkzaam bestanddeel, die in het middel aanwezig
is en van de beschikbare methode van onderzoek. Het verdient daarom in twijfel-
gevallen aanbeveling om — alvorens monsters aan de regionale veterinaire inspecteur
in te zenden — met deze telefonisch overleg te plegen over het aantal benodigde
monsters. Het R.LG.O. moet zich tenslotte, in verband met de beperkte onderzoekings-
mogelijkheden, l et recht voorbehouden na overleg met de inzender een onderzoek niet
te laten uitvoeien.

De in het vorenstaande vervatte regeling treedt in werking op 1 november 1966.
BUITENLANDSE DIERENARTSEN IN ONS LAND.

Van 3 tot 15 oktober bevond zich in ons land Dr. Yasuji Katsubc uit Japan.
Na vijf jaar studie in de diergeneeskunde aan de landbouwhogeschool te Tottori en
vervolgens vijf jaar aan de universiteit te Tokio, behaalde de heer Katsubc in
1958 de graad van doctor in de diergeneeskunde.

Hij is thans werkzaam als hoofd van de afdeling Veterinaire Volksgezondheid aan
het nadonaal instituut voor de volksgezondheid van het Ministerie van Sociale Zaken
en Volksgezondheid te Tokio.

Dr. Katsubc bezocht de inspektie van de Volksgezondheid op het gebied van
levensmiddelen en de keuring van Waren, het Instituut voor Zuivelonderzoek, dat
voor Voedingsonderzoek en de keuringsdienst van Waren.

Tijdens de tweede week van zijn verblijf bezocht hij het slachthuis te Eindhoven,
1362 Tijdschr. Diergeneesk., deel 91, afl. 21, 1966

-ocr page 551-

het destructiebedrijf te Son, het Rijksinsdtuut voor de Volksgezondheid, de afdeling
Rotterdam van het C.D.I. en de Faculteit der Diergeneeskunde te Utrecht, speciaal
de instituten Voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong en Veterinaire bacteriologie.
Het verblijf van Dr. K a t s u b e in Nederland vormt een onderdeel van een studie-
reis van drie maanden, die eveneens bezoeken aan Engeland, Zweden, Denemarken
en Zwitserland omvat.

Voor een kort bezoek was in Nederland de heer W. R. H o b b s, directeur van een
slachthuis te Durban in Zuid-Afrika. De heer Hobbs bezocht het instituut Voe-
dingsmiddelen van dierlijke oorsprong van de Faculteit der Diergeneeskunde, het
slachthuis te Eindhoven en de destructoren te Son en Bergum.

NEGENDE VOORLICHTINGSDAG VOOR DIERENARTSEN.
Op de negende Voorlichtingsdag van de Veeartsenijkundige Dienst, die op donderdag
10 november in het Jaarbeursrestaurant te Utrecht wordt gehouden, zullen des
morgens onderwerpen op het terrein van de veterinaire volksgezondheid worden
besproken.

De heer J. M. vandenBorn, veterinair hoofdinspecteur van de Volksgezondheid
en directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, spreekt over het onderwerp „Dieren-
arts en Gezondheidsnota". De heer A. van Keulen, plaatsvervangend veterinair
hoofdinspecteur van de Volksgezondheid, zal het onderwerp „Gezondheidsbescherming
en residuen van antibiotica cn hormonen in voedingsmiddelen" behandelen.
Over „Problemen bij de bestraling van vlees en vleeswaren" spreekt Dr. K. G.
R
O b ij n s, veterinair inspecteur van de Volksgezondheid en Mr. J. H. V e r g r a g t,
hoofd van de afdeling Kernenergie en Stralenbescherming van het Ministerie van
Sociale Zaken en Volksgezondheid, bespreekt de juridische aspecten van de bestraling
van levensmiddelen, in het bijzonder van vlees en vleeswaren.

De middagbijeenkomst begint met een film van het Engelse Ministerie van Landbouw,
Visserij en Voedselvoorziening, geuteld „Liverfluke disease".

„Veterinaire internadonale technische hulp" is de titel van de inleiding van de heer
N. F. Werkman, inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst. De twee laatste
onderwerpen, die aan de orde komen, hebben betrekking op de achter ons liggende
mond- en klauwzeeruitbraak.

De heer D. J. V e r v o o r n, inspecteur van de Veeartsenijkundige Dienst, spreekt
over „Bestrijdingsaspecten van de mond- en klauwzeerepizootie 1965/1966" en Dr.
J. G. van Bekkum, directeur van de Afdeling Amsterdam van het Centraal
Diergeneeskundig Instituut, behandelt het onderwerp „Praküsche ervaringen met de
enting van varkens tegen mond- en klauwzeer". De inleidingen zullen door discussies
worden gevolgd.

INSPECTEUR T. KAPTEYN MET PENSIOEN.

Met ingang van 1 november 1966 is, wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd, op zijn verzoek eervol ontslag verleend aan de heer T. K a p t e y n, inspec-
teur-districtshoofd van de Veeartsenijkundige Dienst, tevens veterinair inspecteur
van de Volksgezondheid in het district zuidelijk Zuid-Holland.
De heer Kapteyn werd op 8 oktober 1901 te Reeuwijk geboren en behaalde in
1926 zijn graad als dierenarts. Van oktober 1926 tot april 1928 was hij assisterend
dierenarts te Varsseveld en van 1928 tot 1941 praktizerend dierenarts te Nieuwerkerk
aan de IJssel. Hij was tevens hoofd van de vleeskeuringsdienst van deze gemeente
en van de gemeente Zevenhuizen.

Van september 1941 tot april 1946 was hij vol-ambtclijk dierenarts in de keurings-
kring Gouda en vervolgens keuringsdierenarts-hoofd van dienst in de kring Katwijk.
Met ingang van 1 juni 1950 werd hij benoemd tot inspecteur-districtshoofd van de
Veeartsenijkundige Dienst, tevens veterinair inspecteur van de Volksgezondheid in
het district Zuid-Holland te Rotterdam.

Met het oog op zijn pensionering heeft de heer Kapteyn zich inmiddels in zijn
geboorteplaats Reeuwijk gevestigd.

-ocr page 552-

GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN
OVER DE MAAND AUGUSTUS 1966.

Provincies

i
3
oj

3 ë
c

u u
1

T3 >
1 -

c

s.

<u

u (3

t: c

-S .a

1/3 -a

.a
D,

3 c

J3 a
«

0

4;

u
>

"(3

3

3
^

1

V

a
c

ca
>

vy

V

\'v

>

0
-O
3

V

\'S

lU

ë

«x: V

S

< ^

3

\'ÓJ

"o

-O
-O

c

O

X

Groningen

—■

5

-

Friesland

4

22

Drenthe

1

4

-

Overijssel

9

3

Gelderland

5

-

11

.—

Utrecht

1

5

-

2

-

1

Noord-Holland

1

20

-

1

Zuid-Holland

- -

3

1

2

2

Zeeland

Noord-Brabant

1

3

Limburg

-

1

Nederland

7

73

3

22

3

-ocr page 553-

DOORLOPENDE AGENDA

1966

November,

4, A\'d. Overijssel K.N.M.v.D. Klinische demonstratie door Prof. Dr. G.

Wagenaar, 20.00 uur. pag. (1371)
8, Ned. Zoötechnische Vereniging, Najaarsbijeenkomst.

10, Negende Voorlichtingsdag Veeartsenijkundige Dienst, Jaarbeursrestau-
rant, Utrecht, (pag. 494, 707)

11, Land. Werkcomm. Laboratoriumdieren. Symposium, Lab. v. Physiologic,
Wassenaarseweg 62, Leiden, (pag. 625)

15, Groep K.I. en Zootechniek K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 10.00 uur.
Hotel Smits. Centraal thema: „Moeten de K.I.-Verenigingen naar
concentratie?"

19—20, Genootschap voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
vv-etenschappen. Wetenschappelijke vergadering, 19.30 uur. Universiteits-
museum, Frans 8 te Utrecht.

22, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel „Dal-
zicht" te Hcllendoorn. (pag. 1371)

22, Stichting Ned. Draf- cn Rensport. Jaarlingenshow van dravers, 8.30 uur,
Expo-hal te Hilversum.

23, Stichting Ned. Draf- en Rensport. Hengstenkeuring van dravers, 13.00
uur, Expo-hal te Hilversum.

23, A.C.V.-Controle. Persexcursie annex - conferende in Ruinerwold.

December,

8, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering 20.30 uur. Groot-

handelsgebouw, Rotterdam, (pag. 1261)
8, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Ledenvergadering 20.00 uur. Hotel „Dal-
zicht" te Hcllendoorn.

15, Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Riche, Heuvelring, Tilburg, (pag. 1371)

1967

A pril,

26—28, Congres „Ges. f. Versuchtierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association. XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 554-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU.

Kort verslag van de vergadering van het Hoofdbestuur op 17 augustus 1966.
Van verschillende zijden werd het Hoofdbestuur om advies gevraagd inzake de over-
ncmingssom van praktijken, met name het percentage van de goodwill. Behalve van
vraag en aanbod is dit percentage afhankelijk van verschillende faktoren, waarvan
de belangrijkste zijn grootte, aard en samenstelling van de praktijk en de geografische
ligging, ook ten opzichte van de buurtcollegae. Het is duidelijk dat deze faktoren
van praktijk tot praktijk anders zijn.

De secretaris brengt ter kennis van het Hoofdbestuur dat hij besloten heeft zijn werk-
zaamheden als secretaris van de Maatschappij om gezondheidsredenen neer te leggen.
De voorwaarden waaronder het ontslag zal worden verleend, zullen in overleg met
het Algemeen Bestuur worden geregeld. Het Algemeen Bestuur zal hiertoe bijeen
komen op 31 augustus 1966.

Enkele contributiegcvallen worden besproken en afgehandeld.

Blijkens mededeling van de directeur van de Veeartsenijkundige Dienst overweegt men
hier en daar in de toekomst over te gaan tot regelmatige vaccinatie tegen mond- en
klauwzeer van fokvarkens met inbegrip van de biggenproduktie.
Het Hoofdbestuur is verontrust over de wijze waarop de Bovizole-campagne voortgang
vindt en besluit bij Merck Sharp en Dohme aan te dringen op bespoediging van het
intern overleg.

Enkele details van het programma van de 113e Algemene Vergadering worden
besproken en uitgewerkt.

Het Hoofdbestuur heeft een prakticus aangezocht toekomstige besprekingen over
mond- en klauwzeerbestrijding bij te wonen.

Het Hoofdbestuur heeft zich tot de Veeartsenijkundige Dienst gewend over het in-
nemen van rabiesverklaringen door de Spaanse douane en het niet-naleven van de
Antibioticawet door een Duitse grens-dierenarts op Nederlands gebied.

Jaarverslag van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Ter inleiding.

In dit jaarverslag vindt U een overzicht van de belangrijkste feiten en gebeurtenissen
in het afgelopen jaar.

Personeel

De bezetting van het bureau onderging in 1965 enige wijzigingen en was per 31
december als volgt;

Dr. W. A. de Haan, secretaris

Mevr. Mr. R. Emmelot - Jonker, chef de bureau

Mej. C. H. J. Weerensteyn, secretaresse

Mej. A. Eykel, assistent-secretaresse

L. S. B. G. H. Harmsen, redacteur van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
Hoofdbestuur

Op 1 april aanvaardde de heer N. A. Commandeur zijn functie als voorzitter. De
heer T. Sinnema is na de Algemene Vergadering afgetreden en werd opgevolgd
door de heer H. A. van Riessen, zodat het Hoofdbestuur per 31 december als volgt
was samengesteld:

-ocr page 555-

N. A, Commandeur, voorzitter. Leiden
H. M. H. L. Horbach, vice-voorzitter. Gulpen
J. T. Heeg, penningmeester, Halfw^eg
R. Gol, Assen

H. A. van Riessen, Lunteren
De belangrijkste beleidskwesties, waarvoor het Hoofdbestuur zich zag geplaatst, waren
de volgende:

Dc toekomst van het diergeneeskundig beroep
De dierenarts en de Antibioticawet
De dierenarts en de E.E.G.
Adviezen inzake tarieven
Mantelcontract

Mond- en klauwzeerbestrijding
Studentenassistentie
Medicinale mengvoeders
Contributies

Het Hoofdbestuur kwam 15 maal in vergadering bijeen.
Algemeen Bestuur

Het Algemeen Bestuur was in 1965 behalve uit het Hoofdbestuur als volgt samen-
gesteld :

Afgevaardigden van de afdelingen:

B. Oosterhout, Koudum (Afd. Friesland)

.1. H. Vierdag, Bedum (Afd. Groningen/Drenthe)

B. de Vlas, Zwolle (Afd. Overijssel)

E. L. Lansink, Borculo (Afd. Gelderland)
Dr. S. Koopmans, Utrecht (Afd. Utrecht)

J. E. Hage, Purmerend (Afd. Noord-Holland)
Dr. K. J. Kruyt, Lekkerkerk (Afd. Zuid-Holland)
W. van Veen, Oostburg (Afd. Zeeland)

F. A. M. Doppen, Gilze (Afd. Noord-Brabant)

G. H. H. Hendriks, Nederweert (Afd. Limburg)
Afgevaardigden van de groepen:

Dr. M. A. J. Verwer, Odijk (Groep Geneeskunde van het Kleine Huisdier)
Dr. S. T. Hofstra, Wilp (Groep Directeuren van Vleeskeuringsdiensten)
VV. H. Smits, Soest (Groep Pluimveewetenschappen)
J. Spruyt, Meppel (Groep Kunstmatige Inseminatie en Zootechniek)
Het Algemeen Bestuur kwam bijeen in de gebruikelijke voorjaars- en najaars-
vergadering. .Als belangrijkste punten kwamen ter sprake:
Pullorumonderzoek

Onderzoek op aleutian disease bij nertsen
Programma Algemene Vergadering 1965
Structuur van de Maatschappij

Afdelingen

De afdelingen waren aan het begin van het jaar als volgt samengesteld:
Groningen/Drenthe
.\'Aantal leden: 108
Ere-lid: W. ten Hoopen, Lochem
Bestuur:

R. J. Bakema, voorzitter. Zuidlaren

H. Heinrich, vice-voorzitter, Paterswolde
J. S. van der Kamp, secretaris. Haren

C. Holzhauer, 2e secretaris, Exloo

H. H. A. Mager, penningmeester, Westerbork

-ocr page 556-

Friesland

Aantal leden: 117
Bestuur:

Dr. D. Talsma, voorzitter, Leeuwarden
L. Zegers, vice-voorzitter, Tijnje
J. W. A. C. van Loenen, secretaris, Wommels
Dr. R. G. Dijkstra, penningmeester, Leeuwarden
W. T. Koopmans, Joure

Overijssel
.\\antal leden: 92
Ere-lid: E. Rutgers, De Bilt
Bestuur:

A. J. van Doorn, voorzitter, Deventer
H. F. Matthijsen, vice-voorzitter, Heino
J. J. Aukema, secretaris, Steenwijk

B. de Vlas, 2e secretaris, Zwolle

A. M. F. de Bok, penningmeester. Geesteren

Gelderland
.\\antal leden: 117
Bestuur:

Dr. J. Bouw, voorzitter, Bennekom

H. Rozemond, vice-voorzitter. Kootwijkerbroek

E. L. Lansink, secretaris, Borculo

G. H. A. Overgoor, 2e secretaris, De Steeg

T. M. Niemantsverdriet, penningmeester, Wadenoyen

Utrecht

.Aantal leden: 152
Buitengewone leden: 5
Bestuur:

Dr. S. Koopmans, voorzitter. Utrecht

A. E. Burggraaff, vice-voorzitter. Mijdrecht

W. H. Smits, secretaris. Soest

Dr. P. Krediet, penningmeester. De Bilt

E. H. den Breeje, Amersfoort

Noord-Holland
.Aantal leden: 91

Ere-lid: F. J. A. Bruins, Haarlem
Bestuur:

G. W. J. Wouters, voorzitter. Alkmaar

F. Vogel, vice-voorzitter, Julianadorp
J. E. Hage, secretaris, Purmerend

W. J. Pcreboom, 2e secretaris. Zaandam
W. K. de Jonge, penningmeester, Alkmaar

Zuid-Holland
.Aantal leden: 131
Bestuur:

Dr. K. J. Kruyt, voorzitter, Lekkerkerk
S. R. Klarenbeek, vice-voorzitter, Oegstgeest
J. Boom, secretaris, Rotterdam
F. P. Talmon, penningmeester, Brielle

H. B. Lammerts, Bcrkenwoude

-ocr page 557-

Zeeland

Aantal leden: 33
Ereleden: J. Lako, Apeldoorn
J. S. Hoogstra, Velp
Bestuur:

W. van Veen, voorzitter. Oostburg
C. J. Hoek, vice-voorzitter, Kortgene

A. J. B. Hammink, secretaris. Goes

I. C. Klok, penningmeester, Oostkapelle

Noord-Brabant
Aantal leden: 123
Bestuur:

B. L. Thien, voorzitter, \'s-Hertogenbosch
E. E. Kemperman, vice-voorzitter. Wouw
J. G. M. Claessens, secretaris, Udenhout

J. W. A. Remmen, penningmeester, Schijndel
H. L. M. H. Houben, Veghel

Limburg
Aantal leden: 59

Ereleden: A. H. M. H. Hendriekx, Echt
H. J. C. Horbach, Roermond
P. H. van Kempen, Echt
E. J. A. A. Quaedvlieg, \'s-Gravenhage
Bestuur:

A. J. M, van Erp, voorzitter, Venlo
Th. W. J. Hendriekx, vice-voorzitter, Weert
Th. C. van Esbroeck, secretaris. Roermond
G. J. G. M. Janssen, penningmeester, Heerlen
G. H. H. Hendriks, Nederweert
R. F, P. M. Quaedvlieg, Mechelen,/Wittem
Het contact met de afdelingen is het afgelopen jaar voor het Hoofdbestuur zeer
waardevol geweest.

Groepen

De groepen waren als volgt samengesteld:
Geneeskunde van het Kleine Huisdier
Bestuur:

Dr. M. A. J. Verwer, voorzitter, Odijk
J. Boom, secretaris, Rotterdam
P. H. A. Poll, 2e secretaris, Zeist
J. E. Gajentaan, penningmeester, Amsterdam
Dr. P. Zwart, Bunnik

Directeuren van Vleeskeuringsdiensten
Ere-voorzitter; Dr. D. M. Hoogland, De Bilt
Ereleden: M. Karsemeijer, Alphen a/d Rijn
D. van der Veen, Oudewater
Dr. J. M. van Vloten, Voorburg

Bestuur:

Dr. A. W. A. Bos, voorzitter. Waalwijk
D. Frieling, secretaris. Kampen

C. Hoogstraten, penningmeester, Amstelveen

-ocr page 558-

K. van der Poel, Brielle
A. H. P. van der Put, Geleen
Dr. S. T. Hofstra, Wilp

Pluimveewetensehappen
Ere-lid: Dr. H. H. Scholten, Haarlem
Bestuur:

W. H. Smits, voorzitter. Soest
A. Hoogerbrugge, secretaris, Bilthoven
H. C. C. M. Meens, 2e secretaris, Meyel
J. Kraai, penningmeester, Bilthoven

Kunstmatige Inseminatie en Zootechniek
Bestuur:

J. Spruyt, voorzitter, Meppel
Dr. J. M. Dijkstra, secretaris, Leeuwarden
P. Reitsma, penningmeester. Alkmaar
Prof. Dr. Th. de Groot, Wageningen
H. A. C. Heezen, Laag Keppel
Zoals reeds in het vorige jaarverslag werd vermeld is in oprichting een vijfde groep,
de Groep dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven. Dit betekent, dat in de nabije
toekomst zeker de helft van het aantal leden van de Maatschappij deel zal uitmaken
van een groep. In hoeverre dit van invloed zal zijn op de structuur van de Maat-
schappij is nog niet te overzien.

Tijdschrift voor Diergeneeskunde
De redakde was in 1965 als volgt samengesteld:
Dr. E. H. Kampelmacher, voorzitter
W. H. Eenink, penningmeester
H. J. Breukink
Dr. P. H. W. Tacken
Prof. Dr. G. Wagenaar
H. L. L. van Werven
Dr. W. A. de Haan

L. S. B. G. H. Harmsen, redacteur-dierenarts

De heer van Werven trad na de 112e Algemene Vergadering tussentijds af. Hij werd
opgevolgd door Prof. Dr. Th. Stegenga.

De gewone jaargang omvatte 1702 pagina\'s. Bovendien verscheen een extra aflevering
gewijd aan de achtste Voorlichtingsdag van de Veeartsenijkundige Dienst.

Diergeneeskundig Jaarboek

De redaktie van de 36ste jaargang bestond uit:
Prof. Dr. J. H. J. van Gils, voorzitter
D. van den Akker
Dr. K. G. Robijns
L. S. B. G. H. Harmsen
Dr. W. A. de Haan

Ook nu heeft de redakde er naar gestreefd de uitgave zo overzichtelijk en zo compleet
mogelijk te doen zijn. Het drukken werd dit jaar voor het eerst in handen gegeven
van Drukkerij en Uitgeverij G. van Dijk N.V. te Breukelen, die ook het drukken
van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde verzorgt.

Accountantscontrole

Het Accountantskantoor Boerrigter te Utrecht verrichtte de controle op de admini-
strade van de Maatschappij, de verschillende fondsen en het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde.

-ocr page 559-

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Overijssel

4 november 1966: Prof. Dr. G. W a g e n a a r zal een klinische demonstraUe geven.
.\\anvang 20.00 uur.

Vertrek om 18.00 uur per bus van de Veemarkt te Zwolle.

22 november 1966: De heer L. Prinsen van het Consulentschap voor Boerderij-
bouw te Wageningen, zal in het kader van het Post-Universitair onderwijs spreken
over „Stalbouw in de varkenshouderij".

Op dc agenda staat ook de eventuele oprichting van de Groep Grote Huisdieren
Practici.

Aanvang 20.00 uur in Hotel „Dalzicht" te Hellendoorn.

8 december 1966: Ledenvergadering in Hotel „Dalzicht" te Hellendoorn. Aanvang
20.00 uur.

De dames echtgenoten en weduwen van dierenartsen zullen dezelfde avond vergaderen
over wat er besproken is tijdens de Algemene Vergadering.

Afdeling Noord-Brabant.

De afdeling organiseert op donderdag 15 december a.s. om 20.00 uur een algemene
ledenvergadering in Hotel Riche te Tilburg.
Spreker: Prof. H. van Genderen.

VAN DE GROEPEN.

Kort verslag van de vergadering van de Groep dierenartsen werkzaam in het
bedrijfsleven.

Op 5 september j.1. hield de groep haar derde ledenvergadering,
.^an de orde kwamen o.a. de volgende punten:

1. het contact met de Belgische zusterorganisatie;

2. de a,genda voor de .Algemene Vergadering van de K.N.M.v.D.

Er werd tijdens de rondvraag besloten dat er namens de Groep een voorstel aan het
Hoofdbestuur zal worden gedaan, voor een verdeling van veterinaire produkten wat
betreft de verkoopmogelijkheden en het vaststellen van winstmarges.
De voorzitter van de Maatschappij, die de vergadering bijwoonde, zeide dat een
dergelijk voorstel hem zeer welkom zou zijn.

Collega H O o ij b e r g nam op zich deze taak verder voor te bereiden.
Onvoldoende controle op de uitvoering van de antibioticawet kwam bij deze ook nog
aan de orde.

Collegae van Limborgh en de Moor gaven ieder op hun wijze een leer-
zame uiteenzetting over hun werkzaamheden in het bedrijfsleven.
Van deze voordrachten worden stencds aan de leden gezonden.

Naar aanleiding van beide voordrachten kwam o.a. het punt practicus ten opzichte
van dierenarts in het bedrijfsleven aan de orde. Hierover ontspon zich een ver-
helderende discussie.

.Ms hoofdthema van deze midda,g behandelde Prof. van Genderen het onder-
werp Toxicologisch cn toxicitcitsonderzoek. Deze voordracht, welke op een boeiende
wijze werd gebracht, gaf aanleiding tot een zeer uitvoerige discussie.
De volgende vergadering zal worden gehouden op 24 oktober in Motel Bunnik,
aanvang 14.00 uur. Behalve de nog uit te nodigen hoofdinleider zullen de collegae
V. d. Kieft en Molenaar op deze vergadering een voordracht houden over hun
werkzaamheden.

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur draagt voor het lidmaatschap van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde voor collega:

J. Goudswaard, Corn. Evertsenstraat 3, Utrecht.

-ocr page 560-

Het Hoofdbestuur heeft als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde aangenomen de diergeneeskundige studenten:

Mej. J. H. Barmendoo, Oranjeweg 75, Kortenhoef.
J. Binnema, Billitonkade 79, Utrecht.

J. Boerhof, Woonark „Esjna", Billitonkade t/o 92, Utrecht.
J. H. Boersema. Beckmanlaan 8, Zeist.
J. H. Boon, I. Boudier Bakkerlaan 65, K. 595, Utrecht.
W. P. J. A. Brooymans, Biltstraat 108, Utrecht.
G. Bruin, Fred. Hendrikstraat 32, Utrecht.

G. P. Bussink, H. van Erpweg 77, De Bilt.

H. J. Buunk, Jekerstraat 45, Utrecht.

W. P. M. van Campen, Ezelsdijk 40, Utrecht.

J. S. M. M. van Dieten, Grietstraat 25, Utrecht.

C. M. van Dijk, Wilhelminapark 55, Utrecht.

Mej. A. M. Dijkman, Kapteynlaan 105, Utrecht.

N. A. Dijkshoorn, Amsterdamsestraatweg 621, Utrecht.

Mej. L. J. M. Essenberg, Croeselaan 377 bis. Utrecht.

A. Fikse, G. van Walenborghstraat 8, Utrecht.

L. de Haan, Gagcldijk 14, Utrecht.

Th. J. R. ter Haar, Alex. Numankade 9, Utrecht.

M. R. J. Heun, Kromme Rijn 58, Utrecht.

J. R. Hoedemaker, Bekkerstraat 48, Utrecht.

T. E. Hoekstra, Jutfaseweg 60, Utrecht.

L. Hönning, Mariëndaal 18, Utrecht.

J. W. M. van Hulzen, Poelhekkestraat 13, Utrecht.

Mej. A. H. Jansen, Prof. Broekemalaan 7, Utrecht.

W. A. H. Jansen, Adm. van Gentstraat 6, Utrecht.

M. A. J. M. Janssens, Nassaustraat 10, Utrecht.

J. H. A. ter Keurs, Ezelsdijk 40, Utrecht.

A. A. Kleinjan, Goedestraat 106 bis. Utrecht.

F. P. C. M. Knols, Bem. Weerd O.Z. 23 bis. Utrecht.

J. P. Koeman, Croeselaan 156, Utrecht.

F. L. M. Konings, W. Barentzstraat 103, Utrecht.

A. W. Kramer, Duurstedelaan 154, Utrecht.

Mej. F. F. Krantz, Oude Baden Powellwcg 15, Utrecht.

P. C. Kroft, Oltmansstraat 10, Utrecht.

H. E. Kruit, Stanleylaan 190, Utrecht.

A. F. Chr. Kuiper, Poortstraat 124, Utrecht.

C. P. L. G. van Leengoed, Wemer Helmichstraat 42, Utrecht.

Mej. M. A. M. Lensvelt, Mgr. v. d. Weteringstraat 64 bis. Utrecht.

M. J. J. van der Linden, I. M. de Muinck Keizerlaan 20, Utrecht.

R. H. Lunenburg, F. C. Dondersstraat 48 bis. Utrecht.

R. A. J. M. van Meer, W. Barentzstraat 103, Utrecht.

S. H. Ouwerkerk, Kievitdwarsstraat 33 bis, Utrecht.

R. van Oijen, G. van Walenborghstraat 8, Utrecht.

J. Plaisier, P. Nieuwlandstraat 115 bis A, Utrecht.
P. C. Reuzel, Oude Kamp 4, Utrecht.
T. de Ruyter, Maliesingel 44, Utrecht.
L. A. Rijk, Kwartelstraat 60, Utrecht.
Mej. H. van Scherpenzecl, Ninkade 3 bis A, Utrecht.
J. J. A. M. Sas, Utrechtseweg 381, De Bilt.

B. E. C. Schreuder, Voorstraat 54 bis. Utrecht.

C. B. van der Sluijs, Dr. J. P. Thijsselaan 28, Utrecht.
A. P. Snoek, W. Barentszstraat 20 bis, Utrecht.

E. P. Snuif, Mulderstraat 43 bis. Utrecht.
J. M. A. Snijders, Nobeldwarsstraat 4, Utrecht.

-ocr page 561-

Mej. G. 3. Staal, Pnn» Hendriklaan 66, Utrecht.

H. J. Steel, Park Arenoerg 17, De Bilt.

J. A. Stieumer, M. H. Trompstraat 38, Utrecht.

Mej. A. L. Strik, Gruttostraat 28, Utrecht.

H. J. M. Tonk, Lijsterstraat 4, Utrecht.

Mej. R. M. Verbraak, W. Pyrmontkade 2 bis. Utrecht.

A. H. Visscher, Prof. v. Bemmelenlaan 9, Utrecht.

S. de Vries, F. C. Dondcrsstraat 48 bis. Utrecht.

C. A. H. de Vaal, Gerard Noodtstraat 47, Utrecht.

P. J. Weekhout, Utrechtseweg 315, De Bilt.

Y. D. van der Werff, Mauritsstraat 102, Utrecht.

N. J. G. J. van der Wielen, Dr. \'s Jacoblaan 2 A, Utrecht.

A. Zikken, P. de Hooghstraat 43, Utrecht.

Adreswijzigingen e.d.:

Aa, W. G. van der. Gulpen, naar Reymerstokkerdorpsstraat 3 aldaar, tel. (04450)
21 7, P., gea.ss. met H. M. H. L. Horbach en P. F. M. Beersma. (161)

Bartels, A, P. G., Roosendaal, naar von Weberlaan 2 aldaar. (163)

Blok, G., Emmeloord, naar Espelerweg 6 aldaar. (165)

Dijkhuis, L., van Utrecht naar Wehl, Raphaëlstraat 2, tel. (08347) 65 5, gr. 16307,
P. (174)

Henstra, S. J., van Jos (N. Nigeria) naar Saint Louis, Senegal, Inspection Regional
de 1\'Elevage. (232)

Hermsen, B. J., van Vörden naar Zaandam, Peperstraat 127. (184)

Kamp, F. J. van de. Zaandam, Bootenmakersstraat 111, tel. (02980) 63 67 4, P.,
geass. met H. G. J. Schoenmaker. (190)

Laan, T. van der, Dokkum, tel. (05190) 20 26 (privé), 25 26 (praktijk). (196)
Levy, M. A., van Utrecht naar Middelharnis, Lijsterbesweg 65, tel. (01870) 28 97, P.

(197)

Mieog, W. H. W., Utrecht, naar Naxosdreef 77 aldaar. (201)

Moons, M. P., van Zeddam naar Zetten, Wageningsestraat 41, tel. (08880) 21 3, P.

(202)

Peters, P. H. M. E., Heerlen, naar Bekkerweg 81 aldaar, tel. (04440) 41 65, P. (207)
Postma, Dr. C., Amsterdam 6, naar Edisonstraat 8 hs. (208)

Soodt, E. Th. F., van Elburg naar Den Helder, Lauwerszeestraat 14, tel. (02230)
46 90 (bur.), h.k. (216)

Gevestigd:

Jongebreur, J. A., \'s-Gravenhage, Malakkastraat 222, tel. (070) 24 86 51, P. (over-
name kl. hsd.pr. van Mevrouw A. C. W. Vervoorn-Malinosky Blom). (189)

-ocr page 562-

FACULTEIT DER DIERGENEESKUNDE
VAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

Prof. Dr. P. Wensvoort, hoogleraar in de pathologische anatonnie, zoekt:

jong dierenarts(e)
of

veterinair drs.

nnet belangstelling voor het ontwikkelen en toepassen van de patholo-
gische anatomische onderzoekmethoden op toxicologisch experimenteel
terrein. Het ligt in de bedoeling dat betrokkene zijn werkzaamheden zal
aanvangen met een gemeenschappelijk onderzoekproject van de Instituten
voor Pathologie en Farmacologie, dat zal worden uitgevoerd in het Far-
macologisch Instituut,

Belangstellenden kunnen zich voor het verkrijgen van nadere inlichtingen
In verbinding stellen met
Prof, Dr. P. Wensvoort, p/a Pathologisch Insti-
tuut, Biltstraat 166, tel. 030-71 55 44, toestel 252.

FACULTEIT DER DIERGENEESKUNDE
VAN DE RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

Bij het Instituut voor Farmocologie bestaat plaatsingsmogelijkheid voor

jong d ierena rts (e)
of

veterinair drs.

die zal medewerken aan onderzoek en onderwijs.

Voorkeur genieten zij die zich aangetrokken voelen tot een wetenschap-
pelijke loopbaan op het gebied van de veterinaire farmacologie en/of
toxicologie.

Belangstellenden kunnen zich voor het verkrijgen van nadere inlichtingen
in verbinding stellen met
Prof. H. van Genderen, hoogleraar-beheerder
van bovengenoemd Instituut, tel. 030 - 71 55 44, toestel 358.

-ocr page 563-

INHOUD

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

/. H. ]. van Gils and I. Zayed, Myodegeneration in Friesian
beef calves. I. Experimental production of myodegeneration in

newborn calves fed on a-tocopherol-deficient synthetic milk diet 1375

REFERATEN

Algemeen.............1417

Bacteriële- en virusziekten.........1417

Farmacologie en toxicologie.........1419

Ziekten van het Kleine Huisdier........1420

BOEKBESPREKING

Dr. ]. Schole, Theorie der Stoffwechselregulation unter beson-
derer Berücksichtigung der Regulation des Wachstums . .
 1421
FAO . WHO - OlE . Animal Health Yearbook 1965 . . . 1422

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Het spenen van het veulen.........1422

Het veulen na het spenen.........1423

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1424

DOORLOPENDE AGENDA............1425

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van het Bureau............1426

Van de Afdelingen...........1429

Van de Groepen............1429

Personalia.............1429

RECTIFICATIE...............1431

DIERGENEESKUNDIGE STUDENTENKRING......1432

VETERINAIR DISPUUT V.\\N HET C.S. VERITAS.....1432

-ocr page 564-

HONDEZIEKTE VACCIN

"PHILIPS-DUPHAR"

Verpakking à 1 dosis
Verpakking à 2 doses
Verpakking à 10 doses

GECOMBINEERD
HONDEZIEKTE-
HEPATITIS VACCIN

"PHILIPS-DUPHAR"

Verpakking à 2 doses
Verpakking à 10 doses

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten
ÀÊfÊnÊÊk minervalddn\'63 ^^Bt^^Pifl^b

fT/TUUf tel 732934 MYCOFARM

-ocr page 565-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Myodegeneration in Friesian beef calves1)

I. Experimental production of myodegeneration in
newborn calves fed on a-tocopherol-deficient synthe-
tic milk diet

by J- H. J. VAN GILS and I. ZAYED2)

Institute for Foodhygiene of the State University of Utrecht;
the Netherlands.

Introduction

Since the introduction of artificial synthetic milk feeding as milkreplacer
in the Netherlands, myodegeneration has become a constant problem for
breeding and meatinspection in the last ten years.

This problem being also of economic importance, it seemed of enough
interest to study the pathological changes of a number of spontaneous
cases and to compare them in veal calves with experimentally produced
lesions. Two successive experiments were conducted, using a different basal
diet in each experiment with and without cod-liver oil supplementation.
Furthermore the experimental calves were used for certain clinical, bioche-
mical, histochemical, enzymatic histochemical and neuropathological stu-
dies in attempts to determine the basis mechanismus involved.
It is the intention of the authors to give in some more reports an account
of these various studies, which are carried out to try to clarify the aetio-
logy and pathogenesis of the disease, by studying the histopathology and
the histochemistry of the affected muscles, the nervous system and the
internal organs.

The disease has been reported by several authors; it occurs spontaneously
in lambs and calves in certain areas of different countries, under certain
seasonal and feeding conditions, and was named: white muscle disease,
Weissfleisch, myopathology, stiff calf and stiff lamb disease, muscular
dystrophy (Vawter et al., 1947; Whiting et al., 1949; Blaxter
et al., 1952, 1953 and 1955; H o u 1 e, 1952; Sharman, 1954; M c.
D o n n o u g h, 1953; S c h o f i e 1 d, 1953; M a r r et al., 1956; Blaxter,
1957 and 1962; K e i t h et al, 1957; Stamp, 1960; M u t h et al., 1961;
Christie, 1962). It has also been produced in experimental animals as
well as in different farm animals by several research workers, using
special deficient diets with different fats in various amounts; in rabbits

1  This study has been supported by a grant from the „Researchgroup for Meat
and Meatproducts TNO" and carried out in the Institute for Foodhygiene,
Faculty of Veterinary Medicine of the State University of Utrecht, 172 Biltstraat
(the Netherlands), Director Prof. Dr. J. H. J. van Gils.

2  Dr. I. Zayed; Pathology Insdtute, Faculty of Veterinary Medicine, Cairo Uni-
versity (U.A.R.), guestworker at the Institute for Foodhygiene at Utrecht above
mentioned.

-ocr page 566-

(Goettsch and Pappenheimer, 1931; Goettsch and
Brown, 1932; M o r g u 1 i s et al, 1936 and 1938; Mackenzie et al.,
1940), in rats (Dinning, 1955; Mackenzie et al., 1939), in monkeys
(Dinning et al., 1957), in minks (Stowe et al., 1963), in hamsters
(West et al, 1958), in lambs (Culik et al., 1951; Draper et al.,
1952; Bacigalupoet al, 1953; S c h o f i e 1 d, 1955; Hogue, 1958;
N i s b e t et al., 1959) and in calves (H j a r r e et al., 1936; B 1 a x t e r
et al., 1952 and 1953; S afford et al., 1954; O 1 d f i e 1 d et al., 1958;
Maplesdenet al., 1960).

Material and methods

For these studies 40 spontaneous cases of myodegeneration (C S 1 -CS
40), 10 experimental calves in the first experiment (CI 1 -CI 10) and
8 calves in the second experiment (C II 1 - C II 8) were used. It is to be
noted that the nomenclature of the calves according to their grouping and
subgrouping will be the same in the other parts of the report, which will
be published as soon as possible.

Experiment I

For this experiment 10 new-born Friesian calves (7 females and 3 males),
bought for this purpose by the Institute for Animal Husbandry „Schoon-
oord" at Zeist near Utrecht, were used. All calves had been administered
4 colostrum feedings in the first two days of life in the rate of 4 litres per
day, as is usual in this country.

Table 1

Diet 1: A normal synthetic milk ration for beef calves

Ingredients

Percentage

Powdered skim-milk

75,575

^lill-rendered maize starch

3,000

Alaize glucose

3,000

Palm-kernel fat

8,000

Lard

8,000

Lecithin

1,000

Synthetic emulsifyer

0,300

lodinized salt

0,200

Calciumhydrophosphate (CaHP04.2H20)

0,200

Coppcroxide (CuO)

0,010

Magnesiumoxide (MgO)

0,150

Aureomycinprcp. (22 g/kg)

0,300

Garbomethylcellulose

0,250

Nicotinamid

0,005

Vitamin C

0,008

Vitamin E (pure)

0,002

Per 16 kg added fat 3 g dodecylgallate was used as antioxydant.
Per 100 kg mixture 1.5 I.U. of vitamin A and 0.2 I.U. of vitamin Da were added.
The vitamin preparations used for the rations of the experiments I and II and for
the treatment of diseased calves were free supplied by Philips Duphar N.V. at Weesp.

-ocr page 567-

Table 2

Diet 2: Basal synthetic milk diet given to the 8 experimental calves

Ingredients

Percentage

Powdered skim-milk

75,882

Mill-rendered maize-starch

3,000

Maize glucose

3,000

Palm-kernel fat

8,000

Sunflower oil

8,000

Glycerine monostearate

1,000

lodinized salt

0,200

Calciumhydrophosphate

0,200

Gopperoxide

0,005

Magnesiumoxide

0,150

Aureomycinprep. (22 g/kg)

0,300

Carbomethylcellulose

0,250

Nicotinamid

0,005

Vitamin G

0,008

Per 100 kg mixture 1.5 I.U. of vitamin A and 0.2 I.U. of vitamin Ds were added

Table 3

A scheme for the rate of feeding for each calf/week in litres

1st week

34

7 th week

68,5

2nd „

42

8 th „

75,5

3rd „

45

9th „

82,5

lih „

51

10 th „

89,5

5th „

56

11th „

96,5

6th „

61,5

12 th „

98

The basal diet 1, used for the control calves C I 1 and CIS (Group A),
is shown in table 1 and was prescribed by F r e n s et al. (1961) for raising
veal calves. The other 8 experimental calves, which were divided in a
group B (Nos. C I 2, 4, 5, 6, 8 and 10) and C (C I 7 and 9), received
basal diet 2, which was not supplemented with vitamin E and was a modi-
fication of diet 1 as shown in table 2. The 8 animals were put on diet 2
after a period varying from 8-24 days on diet 1. The two calves of group
C were given 30 ml. codliver oil/calf/day, supplied with the morning feed.
Vitamins A and D3 were included in the powdered synthetic milk in the
rate prescribed and shown in tables 1 and 2. The calves were fed daily
at 7 a.m. and 4 p.m. in amounts according to the scheme shown in table 3
and the powdered synthetic milk was dissolved in water preheated to 37°
C. prior to feeding (125 grams synthetic diet / litre artificial milk). The
grouping of the calves and the results are given in table 4.
The calves were housed separately in the experimental breeding station
of the Institute for Animal Husbandry „Schoonoord" in wooden pens,
measuring 105 x 56 cm in length and breadth and having a height of 105
cm. To avoid straw bedding, barren wooden floors were used.
The stable was disinfected twice a week with 0,5% lysol solution and its
temperature was regulated and not allowed to fall below 14° C.

-ocr page 568-

Table 4

Grouping, gain in weight and autopsy findings of the
10 experimental calves

(frt)up Calf Sex Age at

Diet

Days

Autopsy findings

Gain in

Daily

No start

on

weight

gain in

in days

test

during

weight

experiment

in kg

in kg

No pathologic lesions
No pathologic lesions

Table 5

Results of the biochemical analysis of skeletal muscles for lactic acid
dehydrogenase, transaminase, creatine and creatinine (content)
and pH-value

A

C I 1

§

1

Basal diet 1

101

CI3

d

1

1

98

B

C I 2

9

23

Basal diet 2

104

CI4

9

20

„ „ 2

96

C 1 5

§
5

19

„ „ 2

100

CI6

16

„ 2

120

CI8

?
d

11

„2

93

C I 10

9

,, 2

91

c

C I 7

d

11

Basal diet 2

85

30 ml cod liver
oilyday

CI9

9

11

Basal diet 2

85

.30 ml cod liver
oil/day

No pathologic lesions

80
81
81

69

70
100

69
76
57

0,792
0,826
0,779
0,718
0,700
0,833
0,742
0,835
0,671

0,764

65

Lactic acid
deliydrogenase
activity*)

Case No

M.

Psoas

M. Se-
mimem-
brana-
ceus

Transaminase at
pH 4.6

M.

Psoas

M. Se-
iiiiinem-
brana-
ceus

Creatine
\'"gig

M.

Psoas

M. Se-
inimeni-
brana-
ceus

Creatinine

nig/g

M.
Psoas

M. Se-
niiinein-
brana-
ceus

pH pH-
Extract value of
M. muscle
Psoas

CI 1

20 min.

13,3

14.0

6.3

5.8

0.10

0.10

5.79

C I 3

20 „

11.5

93.5

6.0

5.8

0.10

0.11

5.65

5.42

CI2

36 „

8.5

7.5

6.3

6.4

0.08

0.10

5.54

5.42

C 1 4

25 ,.

11.5

14.8

6.0

5.3

0.10

0.09

5.72

C15

C 1 c

26 „

8.0

10.0

6.1

5.6

0.08

0.08

5.98

5.40

C, 1 O

C I 8

18 „

_

13.5

84.0

6.0

5.8

0.12

0.11

5.68

5.49

C 1 10

23 ,,

10.0

100.0

6.1

5.9

O.IO

0.11

5.67

5.41

C I 7

23 „

18.5

19.0

5.3

5.5

0.06

0.07

5.60

CI9

24 „

18.6

14.5

5.2

5.6

0.05

0.08

5.72

*) Time taken to reduce methylenblue.

The calves were weighed just after birth and evet^ two weeks there after;
the gains in body weight were recorded.

Twice a week the animals were excercised; notes on their behaviour were
made.

Temperature was taken from all animals once a week.

After slaughtering macroscopical examination of the skeletal muscles as

well as the internal organs and the central nervous system was carried out

-ocr page 569-

and samples were fixed in the different fixatives for further histological
and histochemical investigations.

The activity of lactic acid dehydrogenase, transaminase value, creatine,
creatinine and pH-values were estimated in fresh muscle samples from the
M. semitendineus and the M. psoas. The results are given in table 5.
The results of the chemical analysis for fat and tocopherol content are
to be seen in table 7 and it is shown that diet 1 and diet 2 contained res-
pectively 140 mg. and 80 mg. tocopherol per kg. powdered synthetic milk.
The cod-liver oil contained 140 mg. tocopherol/litre.

Results and discussion

Clinical observations

Nearly without exception all calves had more or less diarrhea on different
days of the experiment. The temperature of all calves remainded within
normal limits with the exception of the rise of temperature coincidental
with the occurrence of broncho-pneumonia in the calves nos. C I 1, C I 3
and C I 7 and which returned to normal after treatment with subcuta-
enous injecdon of 8 cc. Terramycin followed by oral administration of 3
tablets Furoxone for each calf for three successive days.
The animals did not show any gait abnormality except calf no. C I 7 when
die broncho-pneumonia was accompanied by diarrhea; the calf was dull,
off-food and was lying all the time and unable to rise. On the 45th day
on test a biopsy sample taken from M. semitendineus was examined micro-
scopically1). The result was negative for myodegeneration.
After the antibiotic treatment, the gait regained its normality. They be-
haved normally throughout the experiment and when released from their
pens they were apt to play and frolic for a long time. Their coats were
sleek and shining and the hair was not loose. All calves gained weight
during the experiment in the average rate of 0.766 kg./day as shown in
table 5. The calves were sacrificed and examined both macroscopically
and microscopically.

Macroscopical appearance

Several deep cuts were made through the skeletal muscles which did not
show any pathological change. Many samples were taken from the diffe-
rent muscles and fixed in neutral formalin 12% in aqua dist. and stained
by Champy-Coujard and Carnoy for further histological and histochemical
studies.

Microscopical appearance

No pathological lesions were demonstrated in the muscle samples. For that
reason the organs, the skeletal muscles and the central nervous system
were considered as control material in our further histopathological and
histochemical studies. Moreover, the results of the histochemical analysis
for lactic acid dehydrogenase activity and transaminase value of skeletal
muscles were of value as means of comparison in the second experiment.

1  The biopsies were taken out at the Clinic for Veterinary Surgery at Utrecht.

-ocr page 570-

Experiment II

Experimental procedure

This experiment was conducted using 6 male and 2 female new-born
Friesian calves, purchased from the Institute for Animal Husbandry
„Schoonoord" and from a private breeder in the same neighbourhood.
Records of both sources proved that the animals were kept under guided
feeding and management planning and had no history of muscular dis-
orders whatsoever. The experiment had begun on March 5th 1964 and
concluded on Augusts 20th 1964.

The calves were not allowed to suckle from their dams and each was given
colostrum feedings only in the first 24 hours of life at the rate of 4 litres
divided into 2 equal feeds. After the initial feedings of colostrum the calves
were put on the experimental basal diet 3.

The calves were housed in the same way and the same stable as the calves
of experiment I.

The basal diet 3 used for the calves was a modification of those described
by Blax ter et al. (1952), Saf f ord et al. (1954) and M aplesden
et al. (1960). The composition of our basal diet 3 is shown in table 6.
The dried skim-milk powder was of a high quahty and solubility. The
source of fat in the basal ration was commercial lard of the household
quality. Biochemical analysis of the cod-liver oil and the basal synthetic
diets and their ingredients for fat and «-tocopherol as well as other toco-
pherols gave the results shown in table 7. It was schemed for the rate of
feeding to be as shown in table 3, but this depended on the well-being of
the calf. At any time these quantities were reduced for any calf that
showed diarrhea and as soon diarrhea stopped it was raised gradually till
it reached the schematic quantity.

The calves were divided into three groups (D, E and F) and assigned to
the treatment shown in table 11.

The basal diet for the three groups was similar in every rate and respect.
Vitamin AD3 was given to all calves in the rate of 3 ml. (Duphafral
AD3)
on the first day, followed by the daily oral administration of 2 ml. for the
animals of the groups D and F and substituted by 30 ml. of cod-liver oil
for the calves of group E to supply the required dose of the vitamins, just
to determine if cod-liver oil would intensify or hasten the production of
the myodegeneration lesion.

Each ml. of Duphafral AD3 supplied 25.000 I.U. vitamin A and 12.500
I.U. vitamin
D3.

Each ml. of cod-liver oil contained 600 I.U. vitamin A and 75 I.U. vitamin
Dg; thus each calf from group 2 got 18.000 I.U. vitamin A and 2.250 I.U.
vitamin D3 daily.

Table 6. Diet 3

Ingredients Percentage Ingredients Percentage

Dutch spray dried skim-milk powder

70.882

Gopperoxide

0.005

Lard

20.000

Magnesiumoxide

0.150

Glucose

7.000

Aureomycinprep. (22 g/kg)

0.300

Glycerine monostearate

1.000

Carbomethylcellulose

0.250

lodinized salt

0.200

Nicotinamid

0.005

Calcium hydrophosphate

0.200

Vitamin C

0.008

-ocr page 571-

In addition to AD3 vitamin, the two calves of group F (control calves)
were given 4 ml. Duphafral E by oral administration which supplied 200
mgr. dl-a-tocopherol acetate for each calf daily. The vitamin E was in so-
luble pure form in aqua bidistillata for both injectable and oral use. It
contained vitamin E (dl-o-tocopherol acetate), 50 mg. in alcohol benzy-
licus, natrii phosphat, acid, citric and aqua bidistillata 9.5 ad 1 ml.
The vitamins preparations and the cod-liver were kept refrigerated and
given to the calves with the morning feed.

Blood analysis for seruni glutamic oxalacetic transaminase, lactic acid dehydrogenase,
serum glutanic pyruvic transaminase, sorbit dehydrogenase and creatine phospho-
kinase

Before the start of the experiment and at weekly intervals thereafter blood
was taken from the jugular vein of three calves, namely C II 1, C II 4
and C II 7, each representing an experimental group, for the estimation
of the above mentioned serum enzymes. When one of the calves died, it
was substituted by another one from the same group; also any other calf
rather than those mentioned that showed the symptoms of myodegenera-
tion, its blood serum enzymes were estimated.

Determination of urinary creatine and creatinine

The urine of the three above-mentioned calves or their substitute and
later that of any other calf that showed the symptoms of the disease was
analysed for creatine and creatinine content regularly throughout the ex-
periment.

Creatine and creatinine content

The creatine and creatinine content in the skeletal muscles were estimated
in samples taken from the calves after their death or slaughter. Also the
pH and transaminase values were determined in the muscles samples.

Body weight

The animals were weighed immediately after birth and weekly thereafter
always at the same time (12 a.m.).

Examination of the calves during life

Every other day notes on the animals\' behaviour were made. When they
were weighed at weekly intervals, the calves were excercised and any ab-
normalities of gait were recorded.

Three times per week three calves, each from one group (C II 1, C II 4
and C II 7) were subjected to an excessive muscular excercise by having
them running for a quarter of an hour, which was increased gradually up
to one hour; this was meant to determine if excessive excercise would
enhance the appearance of the symptoms of the disease.

Biopsy

When the onset of myodegeneration was suspected from the clinical symp-
toms or from the histochemical results obtained from the urine and blood
serum analysis, skeletal muscle biopsies were performed under epidural

-ocr page 572-

anaesthesia of procain hydrochloride. Specimens were taken from the M.
semitendineus and later on from a group of muscles (M. semitendineus,
M. semimembranaceus and M. biceps femoris). Histological examination
of the removed sample was carried out.

Temperature

Temperature was taken three times per week of all animals and daily
from any calf that showed any clinical deviation from normal.

Treatment

Two calves, CHI and C H 5, each representing one of the two deficient
groups were treated throughout one complete month after it had been
proved from the biochemical analysis, the clinical symptoms and the
microscopical examination of the biopsy samples, that they had respec-
tively very severe and moderate lesions of myodegeneration.

Post-mortem examination

After death the skeletal muscles were examined thoroughly. For further
pathological, histochemical and neuropathological studies samples were
collected from many muscles and fixed in the different fixatives. Special
attention was paid to the skeletal muscles of the two treated calves (C II 1
and C II 5) of which the biopsy specimens showed very severe and mode-
rate lesions of the disease, just to determine the mechanism of regeneration
and to what extent the veal would be fit for human consumption. All vis-
cera were examined macroscopically and some of them were examined
microscopically too, especially the brains, spinal cord, kidney, heart, liver
and intestines, to study the pathological changes — if any — in them.

The biochemical analysis of the (Mets

The biochemical analysis of the basal diets and their ingredients for fat
and «-tocopherol, as well as total tocopherol content are given in table 7.

Table 7

Tocopherols and fai content in the artificial synthetic milk diets and their

ingredients*

Sample

Fat in %

a-tocopherol
mg/kg

Total tocopherol
mg/kg

Dutch skim-milk powder

0,42

< 3

_

Lard in basal diets 1, 2 and 3

< 20

Basal diet 1

16,1

± 100

145

Basal diet 2 (1st lot)

45

„ „ (2nd lot)

16,1

80

„ 3 (1st lot)

22

< 5

18

„ „ (2nd lot)

22

< 5

22

„ „ (3rd lot)-„patch"

22

< 5

14,5

„ „ (4th lot)-„patch"

22

< 5

26,7

Cod-liver oil

170

*) This analysis was carried out in the laboratories of Philips Duphar under the
supervision of Dr. F. J. Mulder.

-ocr page 573-

It is apparent from the table that both basal diets 1 and 2, used in the
first experiment were too rich in a-tocopherol. This explains the negative
results obtained in the first experiment. Basal diet 3, used for the animals
of the second experiment, was very low in a-tocopherol and total tocopherol.
Although it is known that other tocopherols are less active than «-toco-
pherol, yet they were estimated by the method of Emmerie and Engel. It
is shown in table 7 that they were also very low in the different patches of
basal diet 3, used in the second experiment.

The fat content of the milk samples was separated by the method of Mulder
and Keuning. The «-tocopherol in the fat was estimated colorimetrically.
The «-tocopherol in the different patches of powdered basal diet 3 was al-
ways less thans 5 mg./kg., while the total tocopherols, though very low, were
varying in each patch. This might depend on the fat content of the powde-
red milk.

Discussion
Clinical observations

The temperature of all animals remained within normal limits unless
pneumonia or any other infection took place with a consequent rise of tem-
perature which dropped to normal after specific treatment with antibiotics.
Even with the worse symptoms of myodegeneration, when the calf could not
rise or move, as in the case of C II 1 and G II 2, the temperature was
quite normal.

All calves, including the controls, had diarrhea and broncho-pneumonia on
different days of the experiment. The broncho-pneumonia was treated by
the repeated subcutaneous injection of 8 cc. Terramycin and the oral admi-
nistration of 2 tablets Furoxone for 3 successive days. The diarrhea was
treated by reducing the amount of milk given for some days till it stopped,
after which the; quantity was raised gradually until it reached the schematic
rate.

Clinical signs of myodegeneration — Biopsy and Necropsy results

A great variety of clinical signs and gait abnormalities, as well as microsco-
pical appearance of biopsy and necropsy samples, have been observed in
the experimental calves. For convenience of description the cases are
reported individually.

GROUP D B.ASAL DEFICIENT DIET 3 ADs
Calf No C
II 1

Clinical signs

On the 17th day the coat became rough and dull and the hair was loose
and fell out above the hock joints, the muzzle, the base of the ears and
around the eyes.

Except for an outward rotating movement of the hock joints when walking,
the animal did not show any abnormality till the 85th day when it became
lethargic and left some milk (about 2 litres) from either the morning or
the evening feed for 3 successive days. On excercise it showed disinclination
to move and when forced, it appeared tired after 15 minutes and rested
frequently. Muscular co-ordination appeared abnormal and every day the

-ocr page 574-

condition was the same. Its appetite was regained on the 88th day and
remained unaffected till the 111th day when it showed difficulty in con-
suming its ration. It took the calf about 20 minutes to consume 5 litres of
milk while the rest was left. In the 17th and 19th week it left now and
then 5 litres milk from either the morning or the evening feed. This sugges-
ted the affection of the muscles involved in swallowing.

Biopsy

A biopsy specimen was taken from the right M.semitendineus on the 100th
day. Microscopical examination showed very severe lesions of myodegene-
ration. These were swelling of most of the muscles fibres which showed
hyaline degeneration, coagulation necrosis, floculation or lumpy fragmen-
tation of every other muscle fibre. Myolysis had taken place in some muscle
fibres resulting in vacuolization. Few oesinophil leucocytes, neutrophils,
round cells and macrophages were present. These were accompanied by
massive proliferating sarcolemmal nuclei. Some middle-sized arteries showed
hyalinization of their muscular coats.

On the 105th day another biopsy specimen was removed from the left
M.semitendineus, nearly at the same level as that mentioned above. Its
microscopical examination showed a very early stage of the disease in which
some fibres were slightly swollen and brightly stained with eosin.
On the 108th day again biopsy was performed on the right M.semitendi-
neus, far away from the first one. A mild lesion of myodegeneration was
diagnosed in sections made from the specimen removed. Alternatively of
every five muscle fibre:;, one fibre showed hyaline degeneration, coagulation
necrosis or granular disintegration with the concomitant sarcolemmal nuclei
proliferation and phagocytic cell infiltration. On the 115th day the calf
showed stiffness of its fore-limbs, hypertrophy of the shoulder muscles, inco-
ordination in its movement and hurried abdominal respiration after 15
minutes excercise. A foamy exudate came out from the mouth and the
nostrils.

A biopsy sample was taken from the right M.biceps lemoris on the 120th
day. The microscopical picture was that of a normal skeletal muscle.
On the 125th day the condition became worse. The calf was lying most
of the time in its pen unwilling to rise or move. When forced to stand it
did so, first on the metacarpal bones, then on its knees, after which it had
to be helped to rise. It stood withdrawn, dull face and outstretched neck
and was reluctant to move. When pushed it was moving in a characteristic
stiff manner by carrying its fore limbs forwards and outwards, taking slow
steps for only 5 minutes. During this time the animal rested frequently
against a wall. The outward swaying movement of the hock joints was
more pronounced.

On the 126th day a skeletal muscle specimen was removed by biopsy from
the left M.semimembranaceus, left M.semitendineus and left M.biceps
femoris. Sections from the biopsy samples were examined microscopically.
Very severe, severe and moderate lesions were respectively found in the
above mentioned three muscles.

On the 128th day the stiffness of the fore limbs was more pronounced and
the carpal joints showed frequent flexion during standing. The calf sham-
bled as a result of failure to flex the fetlock joints. The suprascapular
cartilages protruded above the line of the back during walking. After

-ocr page 575-

walking of three minutes the animal showed hurried abdominal respiration
and started panting. The temperature was 39.3° C. and pneumonia was
diagnosed. The calf was treated with the subcutaneous injection of 8 cc.
Terramycin daily for three successive days.

On the 130th day the condition deteriorated; the calf was unwilling to rise
or move. When aided it stood with an arched back for only a short time,
after which the muscles of the fore and hind limbs trembled violently and
the calf had to lie down. The elevation of the suprascapular cartilages be-
came more marked and left a deep hollow between them and the back of
the animal. These symptoms remained till the 132nd day when another
symptom appeared; the continuous grinding of its molars. In the last 7 days
the calf left one of its feed untouched. At that time treatment of the animal
was applied.

Treatment

On the 132nd day the calf was treated by subcutaneous injecdon of 1000
mg. dl-a-tocopherol-acetate (20 ml. Duphafral E) for 3 successive days
and after that every other day 500 mg. till the 150th day, followed by the
daily oral administration of 250 mg. dl-a-tocopherol-acetate with the neces-
sary feed till the day of its sacrifice on the 161st day.

It remained showing stiffness, wobbling inco-ordinated staggering gait,
protrusion of the suprascapular cartilages above the line of the back, arched
back and hurried abdominal respiration when getting tired after about 10
minutes of excercise, till the 135th day when the animal regained its appe-
tite, but it took the calf quite a long time to consume its diet. It could rise
unaided. The stiffness was still present but not as pronounced as before. The
toes were slightly spread during standing and moving and it shambled with
them when walking. The animal was tired after 35 minutes of excercise.
The condition of the calf improved gradually; the symptoms were less
remarkable till the 151th day when the animal became alert and energetic.
When excercised it was playful and ran with raised head and tail for 45
minutes after which it was tired and showed only shambling and outward
twisting movement of the hock joints. All the time it stood in its pen. On
the 161th day the calf was sacrificed; all skeletal muscles and organs were
macroscopically examined with great care by doing several cuts in them.
Several samples from most of the skeletal muscles, especially from those
used earlier for biopsy, were put in the different fixatives for further mi-
croscopical examinations. The carcass was passed as a good quality meat
fit for human consumption.

During the experiment the calf had gained 93 kg., corresponding to a daily
gain of 0.577 kg. The body weight was affected only when the animal lost
its appetite and did not eat regularly; that was from the 125th day till
the 135th day, when it did not increase at all; after that it started to in-
crease gradually.

Post-mortem examination
Macroscopical appearance

The carcass was in a good state of nutrition. All internal organs were
macroscopically normal. Samples from the tongue, kidneys, liver, intestines
and several samples from many skeletal muscles, especially in the surroun-

-ocr page 576-

dings of the previously mentioned biopsy areas, were processed in the afore-
said techniques for further microscopical examinations.

Microscopical appearance

The tongue, the liver and the heart were normal. Sections from the M.
triceps, M.pectoralis, M.supraspinatus, M.extensor carpi ulnaris, M.exten-
sor carpi radialis, M. biceps femoris, M.semimembranaceus, M.psoas major,
M.psoas minor, M.longissimus dorsi and the intercostal and diaphragmatic
muscles showed the normal picture of striated muscles.
Examining sections in series from the M.infraspinatus showed that it had
been the seat of an extensive lesion of myodegeneration before the begin-
ning of the treatment. Nearly most of the muscle fibres appeared normal,
showing their cross striations, but rich and swollen vesicular sarcolemmal
nuclei which were often seen between them too. One homogeneous focus
was demonstrated within a section, which was overshadowed with an in-
creased number of macrophages and vesicular sarcolemmal nuclei together
with strands of newly formed muscle fibres, recognized by their bluish
staining affinity and the internal central rowing of their vesicular sarcolem-
mal nuclei. Such fibres were thinner than normal muscle fibres and filled
the gaps formed, most probably, by the action of macrophages by removing
previously existing necrotic tissue.

The whole picture indicated an activity of the sarcolemmal nuclei, remo-
val of necrotic tissue by macrophages and their replacement by newly for-
med muscle fibres.

The same microscopical picture was observed in the right M.semitendineus,
at the same level of the biopsy specimen taken from it on the 100th day.
In few areas when the damage had been more than extensive, regenerative
process accompanying the specific treatment together with fine connective
tissue fibres were seen permeating some of the empty sarcolemmal tubes.

Calf No C II 2

Clinical signs

On the 22nd day the calf lost its hair above the muzzle, around the base
of the ears and nearly all over the body the hair was loose and could be
pulled out easily.

Till the 42nd day no abnormalities in gait or behaviour were noticed; on
that day the calf refused to drink its morning feed. It showed weakness of
the muscles of the hind limbs attested by an outward swaying movement of
the hock joints and nearly more or less showed the same clinical symptoms
described under C II 1.

On the 77th day the urine passed by the animal had a reddish colouration
and proved by biochemical analysis to contain 9.38 mg. creatine/ml. urine.
Clinical examination revealed no abnormalities in the lung and heart.

Biopsy

A biopsy sample was taken from the right M.semitendineus on the 81st day
and examined both macro- and microscopically.

Macroscopical appearance

The biopsy specimen presented a discolouration of its surface due to the
1386

-ocr page 577-

presence of white and greyish yellow streaks and patches interpolated with
few reddish normal fibres. Calcium granules could be felt on touch with
the tip of the finger. The pH-value of the muscle fibres was 6.72 after 10
minutes and 5.62, 5.60 and 5.70 after 24 hours.

Microscopical appearance

The examined preparations showed the very severe lesion of the disease in
the form of coagulation necrosis, lumpy fragmentation and granular disin-
tegration up to myolysis and calcification.

The condition of the calf became worse eveiy day till the 87th day when the
animal was sacrified and used for necropsy.

The body weight gain throughout the experiment till the day of its sacri-
fice was 41.5 kg, analogical to a daily gain of 0.482 kg.

Necropsy findings

Macroscopical appearance

The carcass was in a moderate state of nutrition with the absence of any
subcutaneous or peritoneal fat. The subcutaneous tissue was abnormally
diy. The heart presented petechial haemorrhages on the endo- and epicar-
dium of both ventricles. A careful and thorough inspection of the myo-
cardium was made for any dystrophic lesion, but none was found. The
muscles of the tongue were greyish in colour. The lungs and the liver were
normal. The kidneys showed many minute foci of chronic nephritis. The
rumen contained 8 hair-balls, each in the size of a turkey\'s egg, but its
mucous membrane appeared normal. Both small and large intestines had
a normal mucous membrane, although their contents were fluid in consis-
tency and yellow in colour.

Close inspection of the skeletal muscles was carried out. It was clear that
this was a case of extensive and widespread myodegeneration.
Practically all skeletal muscles were affected, including those of the neck,
the diaphragm and the diaphragmatic crurae, muscles of the shoulder re-
gions, most of the muscles of the forearms and those of the hind limbs down
till the hock joints. The affection of the abdominal and the intercostal mus-
cles explained the respiratory distress and the hurried abdominal respira-
tion observed during life. Worth mentioning is that the affection of the
muscles was symmetrically bilateral but the degree of the lesion was not
the same on both sides. The severity of the lesion was apparently more in
the muscles of the left side than in those of the right side. Most interesting
was that the outer shell of the skeletal mu.scles appeared normal but inci-
sions revealed the characteristic lesion of myodegeneration. The lesions
differ in severity as judged by their macroscopical appearance, the colour,
the size and the distribution along the length of the cut surface of the in-
dividual muscle. Individual variations were also observed within the same
muscle. While the lesion in some skeletal muscles was forming plaques of
about 5 cm, broad and 8 cm, long of hyalinized greyish white mass in their
upper third, in others it was in the form of yellowish grey streaks running
through the whole length of the cut surface giving it a dry cooked chicken-
meat appearance,

-ocr page 578-

Very extensive lesions have been found in the diaphragmatic crurae. Cal-
careous deposits were grouped to form plaques which were prominent
above the cut surface of the muscle and each was about half a centimeter in
diameter. In many muscles calcium granules could be felt with the tip of
the finger.

The result of the biochemical analysis showed that a dystrophic muscle
contained 48 mg./lOO g. creatine and 0.07 mg./g. creatinine.
Pieces from all the internal organs as well as most of the skeletal muscles
including those of the diaphragm and the diaphragmatic crurea were taken
and put in the different fixatives to be processed with the previously men-
tioned techniques and examined microscopically.

Microscopical appearance

The microscopical lesion of myodegeneration varied in severity within the
individual muscles and even within the same muscle. From the examined
preparations the severity of the lesion was not so extensive in the muscles
of the right side as those of the left one as mentioned above.
The initial lesion was the slight swelling of the muscle fibres and their
bright discolouration with the eosin stain. Such a change would escape the
untrained eye as being an artefact in the staining technique. This might be
followed by the fading of the staining affinity and the myofibrillation of
the myofibres. Hyaline degeneration of almost every other muscle fibre had
taken place. Such changes were accompanied by coagulation necrosis and
flocculation in a moderate number of muscles fibres in most of the fore-
mentioned skeletal muscles especially those of the left side. The lesion was
very severe in the muscles of the diaphragm, the diaphragmatic crurea, the
M.semitendineus, M.infraspinatus, M.supraspinatus, M.subscapular and
M.semimembranaceus. In preparations from the muscles many bimdles
were severely affected. In these bundles many muscle fibres have dis-
appeared or on their way to do so by showing erasing of their internal struc-
ture evidenced by the faint staining affinity of their sarcosplasm. The sar-
colemmal sheaths were left partially or completely empty from the sar-
coplasm and most often they were full with macrophages situated around
the necrotic tissue. Myolysis was clear in most fibres in the form of many
vacuoles which appeared empty in preparations stained with the heama-
luin-eosin stain, the periodic acid-Schiff technique and the fat stains. In
many areas coagulation necrosis, lumpy fragmentation, flocculation or
granular disintegration were observed. In some foci substitution has taken
place by fine connective tissue fibres derived from the proliferating endo-
mysial and perimysial connective tissue. In addition to the connective
tissue proliferation there was an active multiplication of the smaller vesi-
cular sarcolemmal nuclei.

In the M.semitendineus and the diaphragmatic crurae, many muscle
bundles had a ghostly appearance due to the erasing of their muscle fibres.
Some others showed segmental coagulation necrosis, hyaline degeneration
and splitting of the myofibrils.

In less severely affected muscles as the intercostal and the abdominal ones
every other muscle fibre showed the necrobiotic changes together with seg-
mental calcification and myolysis.

The dystrophic calcification process did not follow a regular pattern. While
the peripheral zone of some muscle fibres was calcified and their centre

-ocr page 579-

showed coagidation necrosis or hyaline degeneration, the opposite was seen
in others. Some muscle fibres showed margination and lamellation of the
dystrophic calcification, still in others it seemed to follow their striations.
Regeneration was seen in the severely affected areas and in the neigh-
bourhood of the necrotic or the calcified fibres or where many muscle fibres
have disappeared leaving empty sarcolemmal tubes.

The regeneration process was demonstrated in two forms. In the first myo-
giant cells were capping necrotic or calcified fibres. Such myogiant cells
had a bluish sarcoplasm and many vesicular swollen sarcolemmal nuclei.
The other type of regeneration was in the
foiTn of budding of newly formed
muscle fibres from partially necrotic or calcified muscle fibres. Sometimes
such regenerating fibres were guided by sarcolemmal membranes and in
such a case they were long parallel to the necrotic original fibres, while in
some cases they were short and unguided and took a Harum-scarum arran-
gement in the areas left empty after the disappearance of the necrotic
muscle fibres. Such changes were accompanied by cellular infiltration,
namely eosinophil leucocytes, histiocytes, lymphocytes and macrophages.
The middle-sized arteries showed homogenously patchy stained muscular
coats. While some of them showed a bright staining affinity with the eosin
stain around the perimeter, others showed faintly stained foci within the
muscular coat. Frequently vacuoles were seen in these hyalinized blood ves-
sels wall. Such vacuoles were optically empty in sections stained with
heamahdn-eosin, the periodic acid-Schiff technique and the fat stains. In
some vessels the muscular coat was thick and contained fewer, swollen vesi-
cular nuclei.

Calf No C 11 3

Clinical signs

The calf\'s appetite remained good throughout the whole experiment; the
body weight gain was not within the normal range.

On the 24th day the hair was loose and was lost over the same place as
mentioned in G II 2. On the 55th day a shallow cough was heard after an
hour of excessive excercise and continued for a long period after putting
the animal into its pen. In contrast to the previous two calves of group D
the animal did not show any abnormality in gait or behaviour till the
114th day.

Biopsy

On the 108th day a biopsy sample was taken from the right M. semiten-
dineus.

Microscopical examination of the biopsy specimens was negative for any
myodegenerative lesion. Again on the 111th day another biopsy sample
was taken from the left M. semitendineus; that sample showed the mild
lesion of myodegeneration. In one preparation there were few foci of the
severe lesion of myodegeneradon typical to the usual histological picture
described before.

A negative microscopic result was obtained from a biopsy specimen taken
from the right M. biceps femoris on the 123rd day. On the 129th day
biopsy samples were taken from the left M. semitendineus, left M. semi-
membranaceus and M. biceps femoris. The mild lesion was demonstrated

-ocr page 580-

in preparations made from the first sample while the other two were nega-
tive for the lesion.

The first abnormality in gait appeared on the 114th day, when the calf
showed an outward swaying movement of its hock joints. It shambled with
its toes when walking, especially after a severe excercise for one hour in
the beginning, which was reduced gradually until it reached 10 minutes
by the end of the experiment. Spreading of the toes was another symptom.
Moreover, on the 142nd day, the calf rested frequently during a 10 mi-
nutes excercise and an exudation came out of the nostrils. On the 157th
day the calf was sacrificed an examined both macroscopically and micro-
scopically. On the day of its sacrifice the calf had gained 106 kg., corres-
ponding to a daily gain of 0.679 kg.

Post-mortum findings
Macroscopical appearance

Close inspection of all the internal organs and the skeletal muscles by
several cuts in them did not reveal any macroscopic pathological change.
The carcass could be passed as a good quality of meat, fit for human con-
sumption.

Microscopical appearance

Several microscopical preparations from meat of the skeletal muscles
stained with the haemaluin-eosin and the van Gieson staines were exa-
mined.

All the muscles of the neck, intercostal muscles and abdominal muscles
showed the normal histological picture. Except for the M. semitendineus,
M. semimembranaceus, M. biceps femoris, M. quadriceps and the adduc-
tor muscles, the muscles of the hind limbs were normal. The above men-
tioned muscles showed the mild lesion of myodegeneration, where the
initial lesion "swelling of the muscle fibres, myofibrillation and the loss of
their cross striations" was seen in some fibres; very few foci showed a
more severe lesion in every muscle fibre. Segmental coagulation necrosis
or hyaline degeneration and lumpy fragmentation together with the re-
generative phenomenon were seen in few foci in some preparations from
these muscles.

Also the bloodvessel walls showed the same pathological changes described
before in the surroundings of such myodegenerative areas.

GROUP E BASAL DEFICIENT DIET 3 -f COD-LIVER OIL

Calf No C II 4

Clinical signs

The coat was rough and the hair was loose on the 32nd day. The animal
started to cough from the 49th day till the 52nd day. From the 53rd till
the end of the experiment it left 1 - 2 litres milk from one of the two
feeds. Taken out for an excercise on the 55th day, the calf was unwilling
to nm after 10 minutes. A foamy exudate came out from the mouth and
the nostrils. It showed hurried abdominal respiration and remained pan-
dng for a long period after the excercise. On the 74th day it was reluctant

-ocr page 581-

to run. When forced to excercise it started panting after 7 minutes, the
tongue protruded out of a widely open mouth accompanied by the foamy
exudate. It fell down and died on the spot. The body weight gain was
29 kg., meeting daily gain of 0.403 kg.

Necropsy findings

Macroscopical appearance

The heart was large in size and dilated, while petechial haemorrhages
were present on the epicardium. In the myocardium no pathological
lesions could be detected. The lungs showed patches of broncho-pneumonia
in the epical, cardiac and the anterior part of the diaphragmatic lobes of
both sides. Areas of chronic peribronchitis especially in the epical lobes
were demonstrated.

The bowel exhibited severe catarrhal enteritis, most prominent in the
small intestines from the oral end of the duodenum till the aboral end of
the ileum. It had a hyperaemic mucous membrane, containing a muco-
purulent exudate.

The liver, spleen and kidneys were slightly congested.

Several deep incisions through all the skeletal muscles including those of

the diaphragm did not show any pathological change. Only in the M.

quadriceps femoris connective tissue was seen interventing the muscle

fibres,

pH-Values from the different muscles after one hour and a half and 48
hours were as follows:

lyi hours p,m.

48 hours p.m.

M, semitendineus

5,75

5.50

M, gracilis

5,60

5.58

M, adductor

5.62

5.50

M, quadriceps femoris

5.76

5.54

M, longissimus dorsi

5.84

5.48

M. triceps brachii

6.41

5.47

The boiling test on skeletal muscles showed that the daily prescribed dose
of cod-liver oil had no effect on the taste of the meat.

Microscopical appearance

Both right and left ventricles showed petechial haemorrhages and ecchy-
moses.

The lungs showed chronic bronchitis and peribronchitis, vesicular emphy-
sema and interstitial oedema.
The kidneys and the liver were congested.
In the intestines severe catarrhal enteritis was observed.
Studying many preparations from the several muscle specimens taken
from each muscle failed to show any pathological changes except in the
M. quadriceps femoris, where a chronic affection was demonstrated. In
this muscle many muscle fibres had disappeared and been replaced by
connective fibres. Some solitary muscle fibres showed calcification islands
in a region with an increased amount of connective tissue. The endothe-

-ocr page 582-

lium of the capillaries was highly swollen resulting in the narrowing of
their luminae.

Calf No Oil 5

Clinical signs

On the 30th day the hair was loose and was lost in many places. On the
48th day and till the 57th day a shallow continuous cough was heard while
excercising the calf. Clinical examination revealed no abnormalities in the
lungs. All the time till the 106th day it was energic during an excessive
excercise of 45 minutes duration. On the 107th day the animal was tired
after 10 minutes and showed the same symptoms as observed in C II 4.

Biopsy

Biopsy specimen was taken from the left M. semitendineus on the 108th
day. Its microscopical examinations gave a negative result for myodegene-
ration lesion.

On the 123rd day a biopsy sample was taken from the right M. biceps
femoris; a negative result was obtained microscopically.
On the 129th day a biopsy specimen was taken from the right M. semi-
tendineus, right M. semimembranaceus and right M. biceps femoris. A
moderate lesion of myodegeneration was diagnosed in the right M. semi-
tendineus, while the other two muscles gave a negative picture for the
disease. In many sections from different aeras in the sample taken from
the M. semitendineus every other muscle fibre was affected. Many of the
affected muscle fibres showed hyaline degeneration, foci of coagulation
necrosis and granular disintegration with concomitant cellular infiltration,
mainly macrophages and sarcolemmal nuclei proliferation together with
regenerated muscle fibres. Some muscle fibres showed the initial changes
of myodegeneration.

The outward swaying movement of the hock joints first appeared on the
114th day and remained till the 144th day.

On the i29th day the calf was tired after 5 minutes excercise, walked
slowly with drooping head, slightly arched back and dragging of the toes.
On the 135th day and after the microscopical diagnosis of the lesion in the
biopsy samples, treatment was recommended.

Treatment

From the 135th day the calf was given 1000 mg. dl-a-tocopherol acetate
subcutaneously for the first three days, then 600 mg. were given sub-
cutaneously every other day till the 151st day, followed by the daily oral
administration of 300 mg. with its morning food.

On the 144th day the animal was vigorous, playful and continued on ex-
cessive excercise of one hour with a raised head and an arched tail. The
appetite of the animal remained always good.

The body weight gain was 112 kg. corresponding to a daily gain of 0.689
kg. The calf was sacrificed on the 163rd day and examined with great
care macroscopically. Samples from all organs and the skeletal muscles,
especially those used preliminary for biopsy, were exainined microscopi-
cally. The carcass was passed as a good quality meat for human consump-
tion.

-ocr page 583-

Post-mortem examination
Macroscopical appearance

The skeletal muscles showed no pathological changes, even after several deep
incisions. Many samples were taken from them, especially from the M. semi-
tendineus in the surroundings of the biopsy wound of the 129th day, which
showed the moderate lesion of myodegeneration as mentioned before. The
internal organs were macroscopically normal. Boiling tests on skeletal mus-
cles for the effect of cod-liver oil gave a negative result.

Microscopical appearance

All preparations from the different skeletal muscles showed the normal
histological picture. In some sections from the samples of the right M.semi-
tendineus few muscle fibres, having the normal size, were brightly stained
with eosin. This is to be seen as a very early change of myodegeneration.
In many foci some muscle fibres had about half the normal breadth, sho-
wed both longitudinal and cross striations, were lightly stained like those
surrounding them and had centrally situated shrunken deeply stained sar-
colemmal nuclei. It is most probable that these are the regenerated muscle
fibres that had acquired by the time of the treatment their striations and
that the sarcolemmal nuclei may take a peripheral situation by the time the
muscle fibres themselves would regain a normal size and staining affinity.

Calf No C II 6

Clinical signs

The appetite of the animal remained good throughout the whole experi-
ment. Nearly all the clinical symptoms observed in C II 5 were seen in the
present calf.

The outstanding and permanent symptom of the rotating movement of the
hock joints first appeared on the 103rd day with panting and protrusion
of the tongue after a moderate excercise.

Biopsy

The biopsy samples taken from the left M.semitendineus on the 99th day,
the right M.semitendineus on the 104th day and the right M.biceps femoris
on the 107th day gave negative microscopical results for the lesion of
myodegeneration.

On the 119th day a biopsy specimen from the left M.semitendineus, just
under the level of the previous biopsy showed the moderate lesion of myo-
degeneradon microscopically.

Another biopsy sample was taken on the 125th day from the left M.semi-
tendineus, left M.semimembranaceus and left M.biceps femoris. Microsco-
pical examination of these samples revealed the moderate lesion of the
disease in the first, slight lesion in the second, while the third one was nega-
tive for myodegenerative lesion.

On die 132nd day the calf was sacrificed and examined both macroscopical-
ly and microscopically.

The animal had gained 91 kg. in weight, corresponding to a daily gain of
0.689 kg.

-ocr page 584-

Post-mortem examination
Macroscopical appearance

The carcass was in a moderate state of nutrition, although there was a
little amount of subcutaneous and perinepheral fat. The heart, lungs, li\\er,
intestines, spleen and kidney appeared macroscopically normal.
The skeletal muscles of the fore limbs appeared nonnal while the appea-
rance of those of the hind limbs, especially those of the thighs (namely the
M.semimembranaceus, M.semitendineus, M.adductor and M.biceps fe-
moris) was doubtful. Some pale grey yellowish patches were detected deeply
in the cut surface of these muscles. After keeping the carcass for 24 hours
at 4° C. such grey yellowish areas were more clear while others could be
detected in the subscapular and the infraspinatus muscles. The cut surface
of the M.semitendineus appeared coarser than normal because of the grey
muscles fibres exchanging with the normal reddish fibres.
The boiling test for the effect of the cod-liver oil throughout the whole
experiment gave a negative result denoting that such a daily dose of 30
mg. cod-liver oil did not affect the taste of the meat. Anyhow the carcass
could be judged as fit for human consumption. Several skeletal muscles, es-
pecially those pale grey yellowish areas were examined microscopically.

Microscopical appearance

The heart, lung, liver, intestines and tongue were normal. Nearly all the
skeletal muscles of the fore-arm were normal. The M. semimembranaceus,
the M.gastrocnemius, the M.gracilis, the M.rectus femoris and the M.ex-
tensor carpi radialis showed the initial changes of myodegeneration. Most
of the muscle fibres were swollen but still presenting their striations and
brightly stained with the eosin. In such a stadium no regeneration was ob-
served. The capillaries had a swollen endothelial lining and narrow lumina.
Sections from the M.semitendineus, M.quadriceps femoris. M.adductor and
M.infraspinatus showed the extensive lesion of myodegeneration. Most of
the muscle fibres were hyalinized, while every other fibre showed segmen-
tal or total coagulation necrosis and lumpy fragmentation. Some presented
myolysis in the form of vacuoles in the heamaluin-eosin stain, the periodic
acid-Schiff technique and fat stained sections. Some muscle fibres disap-
peared leaving empty endomysial tubes. Substitution by connective tissue
fibres and proliferating vesicular sarcolemmal nuclei took place in many
foci. When the lesion was severe regenerating muscle fibres were observed.
Few eosinophil leucocytes, lymphocytes and around the necrotic foci macro-
phages, were demonstrated.

The blood vessels, especially the middle-sized arteries, were thickened and
had a homogenously, lightly stained, muscular coat (hyaline) which con-
tained few vesicular nuclei.

This was judged as being a case of light myodegeneration not according to
the severity of the lesion in some muscles but because of the severe affection
of few ones.

GROUP F BASAL DIET 3 -f DL-a-TOCOPHEROL

Calves Nos C II 7 and C II 8

Clinical signs

The two calves in this group behaved normally troughout the experiment.
1394

-ocr page 585-

On several occasions they were affected by acute diarrhea, especially in the
beginning of the experiment, but it usually stopped after reducing the
amoimt of milk given for two successive days. No abnormalities of gait or
behaviour (balance) were noted. Their coats were sleek and shining and
the hair was not loose like that of the animals of the other two groups.
When let loose, the calves jumped gaily and energetically with bright ap-
pearance, raised head and an arched tail. They were not tired within an
hour of excessive excercising.

Biopsy

liiopsy specimens were taken from the M. semitendineus, either left or right
alternatively from both C II 7 on the 109th day and the 124th day and
C II 8 on the 106th day and the 121st day on test. The microscopical exa-
mination of sections from the above-mentioned biopsy samples gave nega-
tive results for myodegeneration.

The calves were sacrificed after 145 and 142 days on test, respectively.
C II 7 had gained 108 kg. on body weight by the time it was sacrificed,
corresponding to a daily gain of 0.745 kg.

C II 8 had gained 107 kg. on body weight, corresponding to a daily gain
of 0.754 kg.

Both carcasses were examined macroscopically, while samples from the in-
ternal organs and the skeletal muscles were fixed for further microscopical
examination.

Post-mortem examination
Macroscopical appearance

The carcasses were in a very good state of nutrition. The kidneys of G II
7 showed the macroscopic lesion of chronic embolic nephritis. Besides that
all internal organs of both calves were quite normal. The skeletal muscles
of the two animals did not reveal any abnormality. The two carcasses were
passed as a very good quality meat fit for human consumption.

Microscopical appearance

The microscopical examination of the internal organs and sections from
tlie several skeletal muscles justified the results of the naked eye examina-
tion.

Biochemical analysis of certain enzymes in the blood serum*)
As
mentioned before a number of enzymes were estimated in the serum
of three calves, each belonging to one of the second experiment groups.
The main pur])ose of such a work was to determine whether changes in
the enzyme pattern would indicate the onset of myodegeneration even-
tually before the clinical symptoms took place.

The activities of the following enzymes were estimated in the blood serum:

1. serum glutamic oxalacetic transaminase (G.O.T.)

2. serum glutamic pyruvic transaminase (G.P.T.)

3. lactic dehydrogenase (L.D.H.)

4. sorbit dehydrogenase (S.D.H.)

5. creatinephosphokinase (G.P.K.)

These enzymatic tests were carried out in the laboratories of the clinic of
veterinary internal diseases under the supervision of Dr. A. J. H. S c h o
t m a n.

-ocr page 586-

Table 8

The activities of G.O.T., G.P.T., L.D.H., S.D.H. and C.P.K. in the serum
in some of the experimental calves

Group Galf

Days on

G.O.T.

G.P.T.

L.D.H.

S.D.H.

G.P.K.

No.

test

in I.U.

in I.U.

in I.U.

in I.U.

in I.U.

D GUI

1st

21

3

660

1

0

7th

14

6

598

1

0.06

14 th

26

5

1138

2

0.5

21st

22

4

1060

4

0

28th

180

44

4965

4

3.64

35th

160

48

3856

5

10.8

42nd

443

104

7134

11

5.8

49th

52

41

4530

8

3.2

63rd

121

31

3760

11

5.8

71st

48

12

1590

19

0.3

E C II 4

4th

12

6

786

3

0.39

10 th

14

5

598

2

0.50

17 th

31

5

940

4

0.28

24th

122

25

2218

5

12.6

31st

140

49

3133

5

12.9

38th

503

113

7326

6

5.7

45th

578

145

7568

5

4.8

52nd

159

62

4000

4

4.2

66th

79

109

2169

5

2.4

74th

30

17

1138

7

0

E C II 5

95th

92

25

2265

14

9.2

F C II 7

5th

11

4

617

3

0.06

11th

15

4

734

2

0.28

18 th

6

9

25th

18

2

1137

12

0.11

32nd

16

2

964

5

0

39th

2

7

0.5

46th

23

3

684

6

0

53th

16

3

771

3

0.11

67th

27

3

935

8

0

75th

32

4

1176

4

0.3

96th

23

2

1176

11

0

The first three enzymes are the most outstanding ones, but affections of
the liver as well as myodegenerative transformations may cause changes
in their activities, hence it was necessary to take into consideration the
activities of specific organ enzymes to be able to identify the affection of
the muscular tissue of the experimental calves. For that purpose the ac-
tivity of C.P.K., which is specific for myoaffections, was estimated in the
serum. To exclude eventual affection of the liver, the activity of S.D.H.,
which is specific for the liver (H. G e rb e r, 1963 and 1964) was also esti-
mated in the blood serum.

It is known that the activity of the L.D.H. in the serum is composed of
the activities of a different so-called iso-lactic dehydrogenase, which can

-ocr page 587-

be differentiated by means of agar electrophoreses. As a result of some
affections, one or more of these fractions can be elevated. This also was
analyzed in the serum of the experimental calves to determine if certain
fractions would show a higher activity as a consequence of a damage of
the muscular tissue.

These iso-enzymes were estimated qualitatively with the help of agar
electrophoreses after the method ofVanderHelm (1962).

Results and discussion

The results of the biochemical analyses of the blood serum for the acti-
vities of the fore-mentioned enzymes are given in table 8.
From the results, shown in table 8, clear variations are observed in the
results, obtained in the different groups. The activiteis of the serum en-
zymes G.O.T., G.P.T. and L.D.H. were highly elevated in the case of the
experimental calves Nos GUI and C II 4, in comparison with those of
control calf No C II 7. Such increases in the values of the enzymes\' acti-
vities were not caused by liver affections hence the activity of the specific
liver enzyme S.D.H. remained practically within the normal range; in calf
No C II 1 it increased only after a long time.

When calf No C II 4 died, it was substituted for these biochemical expe-
riments by calf No C II 5, which gave the same results as obtained in
No C II 4. The specific muscular tissue enzyme G.P.K. however showed
a marked increase in its value in calves Nos C II 1 and G II 4. The low
values which were obtained on later data might possibly point to a slowly
increasing disease process; most probably the first tissue damage had taken
place with the first increase in the G.P.K.-activity. It is also believed that
in chronic cases of muscular affections mostly no increase in G.P.K.-
activity occurs. It is believed too that at the time that the muscular da-
mage runs a chronic course no increase in the G.P.K.-values would be
expected.

From the iso-lactic dehydrogenase, a strong increase was observed in the
fractions L.D.H.x, L.D.H.2 and L.D.H
.3 in experimental calf No G II 2
after the 25th day compared with the control animal No G II 7.
On the 83rd day calf No G II 2 showed a stronger increase in these frac-
tions. This supported the results obtained by the microscopical examination
of the biopsy specimen taken from this calf on the 81st day. Such a finding
fits with that from other authors, namely an increase of the fractions
L.D.H.x, L.D.H.2 and L.D.H
.3 i^i patients with primary muscular dys-
trophy.

Conclusions

Although the biochemical experiments on blood serum enzymes are few,
we still can conclude that a regular analysis of the G.P.K.-activity has to
be carried out regularly in such experiments and it has to be of use in
indicating the start of the damage in the muscular tissue.
Eventually this can be combined with an analysis of the L.D.H. and the
iso-lactic dehydrogenase, which will be of indicative value especially when
the G.P.K.-avlue will start to decrease towards the normal case of a
chronic muscular affection.

-ocr page 588-

Table 9

Results of the biochemical analysis of urine and muscle for creatine and

creatinine1

Urine

Créa- Créa- Creatine

tine tinine Ratio---

mgjml mg/ml Creatine -)- Creatinine

Calf
No

Muscle

Creatine Creatinine Transa-
mg|100gm nlgƒlOO gm minase-
vaiue at
pH 4.6

First day

C II 3

0.30

0.10

0.750

on test

C II 4

0.93

0.50

0.650

(1st week) C II 7

1.14

0.62

0.647

C II 8

0.45

0.78

0.365

3rd week

C II 1

0.23

0.28

0.450

C II 4

0.20

0.26

0.435

C II 7

0.09

0.12

0.428

5th week

C 11 1

0.19

0.09

0.678

C U 4

O.Il

0.15

0.405

C II 5

0.27

0.26

0.509

C 11 7

0.25

0.20

0.555

7th week

C II 1

0.15

0.10

0.600

C II 4

0.16

0.10

0.615

C II 7

0.27

0.14

0.656

10th week C II 1

0.53

0.29

0.646

C II 4

0.71

1.20

0.371

C II 7

0.33

0.21

0.611

12th week C II 1

0.17

0.22

0.436

76th day

C II 2

9.38

1.47

0.865

on test

C II 5

0753"

6.33

0.616

C II 7

0.22

0.21

0.511

82nd day

C II 2

0.18

0.19

0.486

on test

86th day

C II 2

0.22

0.14

0.611

on test
87th day
on test

C II 2

27

48

15th week C II 1

0.21

0.15

0.583

C II 5

0.31

0.20

0.607

C II 7

1.18

0.59

0.666

18th week C II 1

1.23

1.89

0.394

C II 5

0.33

0.30

0.524

C II 7

0.57

0.54

0.564

20lh week C II 1

0.86

1.28

0.401

C II 3

0.35

0.43

0.448

C II 5

0.21

0.18

0.538

C 11 7

0.54

0.78

0.409

C II 8

0.50

0.67

0.427

145th day C II 7

550

12

13.3

1  This is a part of the total results of the biochemical analysis or urine which was
carried out twice a week and that of muscle, done in each experimental calf.
These biochemical tests were carried out in the I.V.O. „Schoonoord" under the
supervision of Dr. P. C. Hart.

-ocr page 589-

Table 10

Results of the microscopical examination of biopsy specimens

Group
No

Calf
No

Days
on test

Muscle used
for biopsy

Biopsy results

Sex

Diet

Basal diet 3

AD3

D
D

C II 2
C 11 3

81

?
d

108
111

123
129

Basal diet 3
ADg

Basal diet 3
ADg

C II I

100
105
108

120
126

R. M. semitend.

L. M. semitend.

R. M. semitend.
(biopsy far away
(from the first)
M. biceps femoris
L. M. semimembran.

L. M. semitend.

L. M. bic. femoris

R. M. semitend.

R. M. semitend.
L. M. semitend.

M. biceps femoris
L. .M semimembran.

L. M. semitend.
L. M. bic. femoris

Severe lesion of
myodegeneration
Very early stage of
myodegeneration
Mild lesion of
myodegeneration

Negative

Very severe lesion of
myodegeneration
Severe lesion of
myodegeneration
Moderate lesion of
myodegeneration

Very severe lesion of
myodegeneration

Negative
Mild lesion of
myodegeneration
Negative
Mild lesion of
myodegeneration
Negative
Negative

Basal diet 3
30 ml.
cod-liver oil

C II 4

?
$

C II 5

Basal diet 3
30 ml.
cod-Hver oil

108
123
129

C II 6

99
104
107
119

125

Basal diet 3
30 ml.
cod-liver oil

L. M. semitend.
R. M. bic. femoris
R. M. semitend.

R. M. semimembran.
R. M. bic. femoris

L. M. semitend.
R. M. semitend.
R. M. bic. femoris
L. M. semitend.
(just under the first
biopsy)

L. M. semitend.
L. M. semimembran.
L. M. bic. femoris

Negative
Negative

Moderate lesion of
myodegeneration
Negative
Negative

Negative
Negative
Negative

Moderate lesion of
myodegeneration

Moderate lesion of
myodegeneration
Slight lesion of
myodegeneration
Negative

F C II 7

?

Basal diet 3

109

R. M. semitend.

Negative

control

-1- dl-^-toco-

130

L. M. semitend.

Negative

calves

phcrol
acetate

F C II 8

d

Basal diet 3

106

R. M. semitend.

Negative

control

dl-Q;-tOCO-

127

L. M. semitend.

Negative

calves

pherol
acetate

-ocr page 590-

Table 11

Grouping, biopsy and necropsy results and weight gain of the experimental

calves

Gain in Daily gain

First

date of Treatment Days ■ ■ • u.

Biopsy results ,____„„ Necropsy results weight in weight

positive trom - to on test . , . ,

, . in kg. in kg.
biopsy

Group Calf
No No

Diet

Sex

D

C II 1

5

Basal diet 3
ADs

100

Very severe lesion

132nd
day

- 162nd
day

161

Limited foci of very
light lesion together
with regeneration

93

0.577

D

C II 2

S

Basal diet 3
ADs

81

Very severe lesion

87

Very severe lesion

41.5

0.487

D

C II 3

d\'

Basal diet 3

111

Mild lesion

157

Mild lesion

106

0.675

ADa

E

C II 4

?

Basal diet 3
-)- cod-liver
oil

74

No pathologic lesions

30

0.405

E

C II 5

9

Basal diet 3
cod-liver

oil

129

Moderate lesion

135th
day

- 165 th
day

163

No pathologic lesions

112

0.687

E

C II 6

5

Basal diet 3
-1- cod-liver
oil

119

Moderate lesion

132

Moderate lesion

91

0.691

F

C II 7

?

Basal diet 3
-f- ADs dl-
a-tocopherol

145

No pathologic lesions

108

0.745

F

C II 8

d

Basal diet 3
-1- AD3 dl-
a-tocopherol

142

No pathologic lesions

107

0.754

O

o

-ocr page 591-

Table 12
Body weight in kilogrammes

Week

C II 1

C II 2

C II 3

3 II 4

G II 5

C II 6

C II 7

C II 8

1st

37

37.5

40

36.5

36.5

36.5

33.5

29

2nd

36

38.5

38

36.5

37

35.5

32

27.5

3rd

37

38

40.5

39

37.5

35

34.5

29

4th

39

42.5

47

43.5

43.5

40.5

36

33.5

5th

41

45

47

46

45.5

42.5

38

34

6th

46.5

51.5

53

52

51.5

49

44

41.5

7 th

52

56.5

59

59.5

58.5

55

50

48

8th

60

64

57.5

64

67.5

64

60

56

9 th

63.5

68.5

71.5

65.5

72.5

69

63.5

57.5

10th

68

72.5

79

69

75

74

70

64

11th

69

77

82

76

79

74

69

12 th

77

74.5

88.5

83.5

86

82

73.5

13 th

81.5

79.5

95

89.5

91

89

81.5

14 th

89.5

104

100.5

101

97

89.5

15 th

96

109

105

108

105

95

16th

102

112

112

114

110

102

17 th

108.5

122

120

120

117

107

18 th

116

127

125

126

124

115

19th

116

133

125

130.5

130

123

20th

116

133

131

138

133

21st

123

142

135

22nd

133

145

144

23rd

150

24th

Final discussion

All the calves used in the first experiment, of which two (C I 1 and C I 3)
were raised on the basal diet 1 and eight were given basal diet
2, supple-
mented for two of them with 30 ml cod-liver oil, showed neither the cli-
nical symptoms nor the gross and histological lesions of myodegeneration
in periods varying from 85 to 120 days.

The results obtained by the chemical analysis on tocopherol content (table
7) proved that basal diets 1 and 2 contained respectively 140 mg. and 80
mg. a-tocopherol/kg. powdered synthetic milk. This might explain the ab-
sence of myodegeneration symptoms and lesions.

The two calves receiving the basal diet 2, supplemented with 30 ml. cod-
liver oil daily, did not develop the disease; the vitamin-E-content in the
cod-liver oil was estimated and found to be 175 mg. a-tocopherol/litre. It
seems possible that the deteriorating effect of the cod-liver oil (B 1 a xt e r
et al., 1952) was not sufficient enough to nullify the amounts of «-toco-
pherol supplied to the animals by the synthetic milk and the cod-liver oil
together.

Taller srud (1963) reported that 0.5 mg. «-tocopherol per kg. live
weight/day prevents muscular dystrophy in calves fed on a milk-replacer.
From the present experiment it can be concluded that 80 mg. «-tocopherol

-ocr page 592-

per kilogram synthetic milk prevent the occurrence of myodegeneration
in calves, even with the supplementation of cod-liver oil in the dose men-
tioned before.

In experiment 2, the basal diet 3 given to the experimental calves proved
to contain less than 5 mg. dl-a-tocopherol/kg. synthetic milk. It was supple-
mented for the control animals (C II 7 and C II 8) with 200 mg. dl-«-
tocopherol acetate daily and for the calves of group E (C II 4, C II 5 and
C II 6) with 30 ml. cod-liver oil.

In the calves of both group D and group E loss of hair was noticed, while
the coats of the control calves remained sleek and shining, hence we do
not agree with Maplesden et al. (1960) who interpreted the loss of
hair of their experimental calves to poor homogenisation of the fat in the
diet. In this experiment was shown that loss of hair is due to an indirect
action of vitamin-E-deficiency on one or more of the essentials for the
hair well-being.

The disease has been experimentally produced in calves by many research
workers; great variety of results were reported.

H jar re and Lilleengen (1936) produced muscular dystrophy in
calves, but they attributed the disease to a dietary deficiency of vitamin-
C; they believed that this is the only dietary essential that would be
destroyed by heating.

Blaxteretal. (1952) produced muscular dystrophy in calves which
were used for nitrogen metabolism experiments. Six calves were affected
at 24-60 days and vitamin E-deficiency was discriminated.
S afford et al. (1954), using a purified-tocopherol deficient diet that
was nearly the same as the diet used in this experiment, produced the dis-
ease in 4 experimental calves in a time varying from 14 - 24 days.
M a p 1 e s d e n et al. (1960) produced the lesions of muscular dystrophy
in a period of 82 - 100 days. According to their findings, none of their
calves showed the clinical symptoms of the disease.

In the present experiment a great variety of clinical symptoms, as well as
the macroscopical and the microscopical lesions of myodegeneration, were
observed in the two vitamin-E-deficient experimental groups and even in
the animals of the same group at varying periods. The clear and severe
signs of the disease appeared in C II 2 as early as the 76th day, and C II 1
showed them on the 115th day. The authors agree with Maplesden
et al. (1960) that the calf may have the lesion of myodegeneration and
still it would not show the clinical symptoms of the disease. This was ob-
served in some of the cases in this experiment, when sections made from
biopsy specimens taken from C II 1 on the 100th day showed the very
severe lesion of myodegeneration, while at that time the clinical signs of
the disease were not decisive for diagnosis.

The biopsy specimens of C II 2 showed the very severe lesion on the 81th
day, while those taken from C II 3 presented the mild form on the 11 1 th
day. From these results it may be concluded that it is not necessary that
the lesion of myodegeneration would be accompanied by indicative clinical
signs and that individual variation in response to vitamin-E-deficiency
does exist.

The early appearance of myodegeneration in C II 2 may be an individual
predisposition for the disease or it may be due to a low vitamin-E reserve
and that the combined placental and colostrum transfer of the vitamin

-ocr page 593-

was not sufficient enough to meet the rapid muscular growth. It is most
probable that such a combined transfer of vitamin-E was high in case of
C II 3 from the same group, which case showed only the mild form of the
clinical signs throughout the experiment and the mild microscopical lesion
in biopsy specimens as late as the 111th day.

P a r r i s h et al. (1950) concluded from their study that supplements fed
to dams prepartally did not markedly influence the serum tocopherol levels
of new-born calves. The serum tocopherol levels of new-born calves in-
creased 3-9-fold following the ingestium of colostrum. The highest levels
were found in calves whose dam received large amounts of supplemental
tocopherols.

W h i t i n g et al. (1949) claimed on the contrary that there was a highly
significant increase in the tocopherol content of lambs and kids resulting
from the prepartum supplementation with 80 mg. tocopherol/100 lb. body
weight which also caused a twofold increase in the tocopherol content of
the colostrum.

Houle (1952), B 1 ax te r et al. (1953a), S harm an (1954), Keith
et al. (1957), M a p 1 e s d e n et al. (1960 a and b) and R a 11 (1962) in-
dicated the importance of the dam\'s diet and claimed that vitamin-E-
deficiency in the dam\'s ration would give rise to deficiency of the vitamin
in the off-spring. But Keith et al. believed that factors other than a-
tocopherol deficiency are responsible for the muscular dystrophy in calves.
.411 these reports support our opinion that the combined placental and
colostrum transfer of vitamin-E might have played a role in the observed
variations in the severity of the clinical signs and lesions as well as the
duration necessary for the production of the disease.

Another characteristic and pertinent observation was that C II 2 showed
the clinical symptoms earlier than C II 1 which was put on an excercise
3 times a week. Such a finding is not in conformity with the reports of
other authors. S h a r m a n (1954) assumed from his observations that the
clinical disease was accelerated by an increased excercise and cold. S c h o-
field (1953) reported that severe muscular excercise was undoubtedly
the most important predisposing factor in the production of the disease on
a vitamin-E-deficient diet. He added that the intensity and duration of
excercise seemed to be the two most important factors in determining the
degree of damage in the muscles. He was supported in his opinion by
Robertson (1957). We have observed that an excessive excercise
would acceleratc the symptoms momentarily and make them clear but
after a period of rest no after-effect has been demonstrated.
The results obtained in deficient groep E (C II 4, C II 5 and C II 6)
which received the basal diet 3 supplemented with cod-liver oil are of
great interest: although they were not what was expected, but they are
in contradistinction to what is reported in the literature.
Adguhr et al. (1929) detected heart lesions by the use of an electro-
cardiogram in calves that had been fed cod-liver oil.
Blaxter et al. (1953) demonstrated that 18 ml. of cod-liver oil/day
would nullify the action of 50 mg. of dl-«-tocopherol/day, if the latter had
been used for the prevention of M.D. in calves. He showed that the ad-
dition of 1, 2 and 4 oz. of cod-liver oil to a ration of dried skim milk pow-
der produced severe dystrophy and a particularly high incidence of cardiac
lesions being found.

-ocr page 594-

Brown (1953), as well as M oo r e et al. (1959), stated that while cod-
liver oil itself contains tocopherols, the influence of the unsaturated fatty
acids nullify the action of tocopherols present in the cod-liver oil, as well
as an appreciable quantity of tocopherols that are present in the animal
body.

Blax ter et al. (1955), using lard and cod-liver oil in the experiments,
found that if cod-liver oil was used, the lesions were very severe and more
severe than if only lard was used as a source of fat in the ration.
B 1 a X t e r (1957) again emphasized what was reported by himself et al.
(1953) and added that cod-liver oil when supplemented to a ration con-
taining very little vitamin-E, would cause a widespread degeneration of
skeletal, cardiac and diaphragmatic muscles after a variable length of
time. He claimed that effect to the presence of highly unsaturated acids
in the C20 and C22 series of the cod-liver oil.

Maples den et al. (1960) found that the addition of cod-liver oil to
the diet produced much more extensive dystrophic lesions than had pre-
viously been observed by the same authors (1960a).

Such an effect has not been observed in the animals of group E of the
present experiment.

C n 4 showed other clinical signs than those characteristic for myode-
generation. On the 55th day, the animal got tired after 10 minutes of
moderate excercise, started to pant with a foamy exudate coming out of
the nostrils and mouth and refused to run. When forced to run on the
74th day, it died suddenly. Neither macroscopic nor microscopic lesions
were observed in the skeletal, diaphragmatic or heart muscles. Only a
focus for what might have been chronic myodegeneration of myositis was
demonstrated in the M. quadriceps femoris.

The two other calves, namely C H 5 and C II 6, showed the mild form
of the clinical signs in the form of outward swaying movement of the
hock joints, denoting weakness of the muscles of the thigh, in addition
to what was described for C II 4, on the 114th and the 103rd day on test
respectively. Biopsy specimens from either calves showed the microscopic
moderate lesion of the disease after 129 days in C II 5 and 119 days in
C II 6. The moderate lesion of myodegeneration was diagnosed in ne-
cropsy specimens from C II 6 after 132 days on test.
If the cod-liver oil has the same ill-effect as reported above by the fore-
mentioned authors, the clinical symptoms as well as the more severe and
wddespread histological lesions would have been observed earlier in these
animals than in the calves of group D.

Barnes et al. (1938) had a different opinion from that of the above-
mentioned authors but agree to a certain extent with the present findings.
Using the electrocardiogram, they did not detect any change in calves fed
cod-liver oil with a good or a very poor diet.

From the foregoing literature and our observations, it is supposed that
the deteriorating effect of cod-liver oil, mentioned in the literature, was
partially neutrahzed by the presence of 175 mg. dl-a-tocopherol/litre cod-
liver oil. The unsaturated fatty acids were not estimated either in the lard
or in the cod-liver oil, so we are not able to find out the quantitative
relationship between the unsaturated fatty acids and the a-tocopherol
content of the diet. Anyhow the vitamin-E supplied by both the diet and
the cod-liver oil in relation to the unsaturated fatty acids present in the

-ocr page 595-

lard and the cod-liver oil was not sufficient to produce the severe lesion
of the disease in a period ranging from 74 - 133 days nor to produce the
moderate lesion earlier than 119 days. It seems possible that C II 4, if not
died on the 74th day, would have had developed the disease later on.
Except for C II 4 and C II 2, which died as early as the 74th and the
87th day respecUvely, the body weight gain of all the calves, including the
two controls, was ranging from 0.577 - 0.754 kg./day compared with an
average of 0.766 kg./daily gain weight for the animals of the first experi-
ment.

S a f f o r d et al. (1954) believed that vitamin-E-deficient diet had an ill-
effect on the daily body weight gain.

From our findings we can state this, since the control calves had gained
more weight within the same range as the deficient animals.
From the results presented in table 10, it is clear that biopsy specimens
are not of a diagnostic value for myodegeneration. It is true, as it is
known, that the myodegeneradon process is symmetrically bilateral, but
we have observed that the distribution and the severity of the lesion on
one side are not necessarily the same as on the other side. It is always
risky to draw a negative conclusion from the negative microscopical re-
sults of biopsy specimens.

Also creatine urea was of no diagnosdc significance in this experiment.
As it is shown in table 9, the creatine secredon and consequently the ratio
creatine: creatine -f creatinine remained within the normal range. Even
when the chnical symptoms were clear and the histological lesion was
diagnosed in sections from biopsy specimens, no rise in urinary creatine
elimination was detected. Only on one occasion the creatine excretion in-
creased in the urine, accompanying a sudden onset of the severe clinical
symptoms in G II 2. The rise mounted to about 18 times the normal quan-
tity followed by normal excretion of creatine in spite of the presence of
the very severe lesion of myodegeneration as judged from the P.M. exami-
nation.

In contrast to the present findings, S a f f o r d et al. (1954) using the ratio
creatine: creaUne -(- creatinine found a decrease in the ratio denoting an
increased creatine secretion in 3 of the 4 experimental calves showing the
clinical symptoms and lesion of muscular dystrphy. The fourth calf did
not show any change in this ratio. Nevertheless many research workers
claimed that the increased urinary elemination of creadne was the most
accurate indicadon of the onset of dystrophy either in calves, lambs, rab-
bits, monkeys and rats (Blaxter et al, 1952; Bacigalupo et al.,
1953; D r a p e r et al., 1952; G o e t t s c h et al., 1932; Mackenzie et
al, 1939; Dinning et al, 1957).

It is possible that when the disease runs a chronic course, there is no rise
in the creatine excretion.

Of great diagnostic importance is the serum glutanic oxalacetic trans-
aminase, serum glutamic pyruvic transaminase, the lactic acid dehydro-
genase and the other serum enzymatic reactions shown in table 8; this is
in conformity with which was reported in the literature (W r e 11 i n d et
al, 1959; Lannek et al., 1961; Lagace et al., 1961; Orstadius
et al., 1959; Rhodes et al, 1962; Sw ah net al., 1962).

-ocr page 596-

The results obtained by these serum enzymatic estimation and which de-
noted an affection of the muscles might have been due to that focus, des-
cribed above in the M. quadriceps of chronic myosids or myodegeneration
or there have been lesions of myodegeneration which have escaped our
examination.

In the present work a marked reduction of creatine in affected skeletal
muscles was obtained (48 mg. creadne/100 grammes fresh muscle). This
finding is in conformity with what was reported by G o e 11 s c h et al
(1932), Blaxter et al. (1953), Sharman (1954), B 1 a x t e r et al.
(1955) and M a r r et al. (1956).

The lesions of the skeletal muscles were not limited to particular muscles
and were identical with those observed by the present authors in field
cases of myodegeneration from different areas in the Netherlands.
We have not observed in pathological sections neither the giant cells nor
the interstitial oedema described by Vawter et al. 1947).
In contradistinction to what other authors have reported we have seen
extensive dystrophic calcification in both experimental and spontaneous
cases of myodegeneration.

Cardiac lesions were described in experimental calves by B 1 a x t e r et al.
(1952), King et al. (1960) and M a p 1 e s d e n et al. (1960). On the
contrary to these authors and in agreement with our data Safford et
al. (1954) did not find cardiac lesions in their experimental calves.
None of the calves of this experiment showed any myodegenerative lesion
in the heart musculature.

Treatment with dl-a-tocopherol acetate in the doses prescribed before was
effective in the two cases, namely C II 1 and C II 5 after showing in sec-
tions from biopsy specimens the very severe and the moderate lesion res-
pectively.

As it is mentioned previously the disease could be produced in the expe-
rimental calves by using a vitamin-E-deficiennt ration containing 20%
fat.

Some authors have reported other factors than vitamin-E being responsible
for the production of muscular dystrophy in experimental animals, such
as potassium, choline, phosphorus, copper, cobalt and selenium (B r o-
berg, 1949; Hogue, 1958; Hove et al., 1954; Muth et al., 1959;
Smith et al., 1957).

But from the data presented and the results discussed above,il is justified
if we conclude that the clinical symptoms manifested by the animals and
the histological lesions demonstrated are in fact due to a dietary deficiency
of vitamin-E. The unsaturated fatty acids present in the lard as a source
of fat in the synthetic diet may have influenced the deficiency by the
absence of enough antioxidant in the rations.

We will try as much as possible by further histochemical and neuro-
pathological investigations to clarify the mechanism by which vitamin-E-
deficiency produces the lesions and the pathogenesis of the disease.

Conclusions

1. Myodegeneration can be produced experimentally in calves by feeding
them a vitamin-E-deficient synthetic milk diet (< 5 mg. «-tocopherol/
kg.) containing 20% lard as a source of dietary fat.

-ocr page 597-

2. Supplementation of the deficient diet with cod-liver oil, containing
175 mg. a-tocopherol/htre, in the dose of 30 nil./calf/day, does not
aggrevate the lesion.

3. No heart lesions developed even in cases with the severest skeletal and
diaphragmatic muscle lesions.

4. Estimation of creatine excretion in the urine is not a reliable method
for diagnosing the onset of the disease.

5. Negative results of sections made from biopsy specimens do not always
denote absence of the lesion from the muscle due to the variability of
the distribution of the lesion foci.

6. Serum glutamic oxalacetic transaminase, serum pyruvic transaminase
and lactic acid dehydrogenase are reliable methods for detecting the
onset of the disease.

7. Treatment of very severe cases of myodegeneration is effective with high
doses of dl-a-tocopherol acetate; after one month of treatment a case
of moderate lesion of myodegeneration will recover completely and its
meat will be fit for human consumption.

8. 30 ml. Cod-liver oil per day and for a period of 163 days has no effect
on the quality of the meat.

9. Slight and moderate myodegeneration lesions in veal calves are not
always to detect by macroscopical examination; this points that the
occurrence is higher than supposed on the base of meat inspection data.

Acknowledgement

The authors are indebted to die „Researchgroup for Meat and Meat Products TNO"
who provided the funds for this investigation.

Sincere thanks are due to the „Institute for Animal Husbandry „Schoonoord" in
Zeist for the help given in the experimental part of these investigations and the
hospitality to raise the calves in their fann.

Grateful appreciation goes out to the direction and the staffmembers of „Philips
Duphar N.V.", Amsterdam, special to Mr. J. W. van Gelderen and Drs. Z.
H o o ij b e r g, for providing the vitaminpreparations and to Dr. F. T. Mulder
for the analysis of the rations, used in the experiments and to Dr. P. d e M a n for
his advices about the composition of the rations.

To Prof. A. M. Frens also we arc owed for his advices in the rations.
Cordial thanks are due to the direction of the „Remia N.V,", Den Dolder, and
the manager, Mr. J, H, te R i e 1 e, for composing the radons.
Our gratitude and sincere thanks are due to Dr. A, J. H, S c h o t m a n from the
Veterinary Clinic for Internal Diseases for the biochemical analysis of the blood-
samples, to Drs, J, J, de Groot from the Veterinary Clinic for Surgery by
performing the biopsies of the experimental calves and to Dr, P. C, Hart from
the Insdtute for Animal Husbandry in Zeist for the biochemical analysis of urine
and muscles.

Also the technical assistance of Mr, G, C, Ammerlaan and co-workers is greatly
acknowledged,

SUMMARY,

Two experiments were conducted using respectively 10 and 8 new-born Friesian
calves. Basal diet 1, given to the 2 control calves in the first experiment contained
100 mg. a-tocopherol/kg. synthetic milk, while basal diet 2 contained 80 mg, a-
tocopherol/kg, powdered milk. Both diets did not produce myodegeneration in a
period varying from 85- 120 days on test. Even with the supplementaUon of diet
2 for two calves with 30 ml. cod-liver oil for each per day, the disease did not
develop,

-ocr page 598-

In the second experiment, two of the three experimental calves, which received the
basal diet 3 (less than 5 mg. a-tocopherol/kg. synthetic milk) developed the clinical
signs of myodegeneration and showed the very severe lesion of the disease after 100
and 81 days on test. The third calf developed the mild form of the disease.
Of three other calves receiving basal diet 3, supplemented with 30 ml. cod-liver oil/
calf/day, two of them showed the mild clinical signs and the moderate lesion of the
disease after 129 and 119 days on test. The third calf died after 10 minutes of
excessive excercise on the 74th day and did not show any lesion of myodegeneration.
A very severe and a moderate case of myodegeneration were treated with high doses
of dl-a-tocopherol acetate and recovered quickly. The clinical signs disappeared and
the appetite returned within a few days. Slaughtered a month after starting the
treatment the macroscopical examination was negative; by microscopical control some
areas with fresh regeneration signs were traced.

During the experiments the development of myodegeneration was controlled by
clinical observations and examination of biopsy samples out of some muscles.
Some enzymatic reactions were tested on their diagnostical significance for detecting
the onset and the development of myodegeneration in the experimental calves,

SAMENVATTING.

Sinds melkvervangende preparaten voor het mesten van „vette" kalveren worden
gebruikt wordt ir ons land zeer frequent het optreden van spierdegeneratie bij mest-
kalveren waargenomen. Merkwaardig hierbij is dat deze afwijking bij de keuring
vóór het slachten praktisch nooit wordt opgemerkt, ofschoon na de slachting vaak
zeer uitgebreide en ernstige veranderingen in de spieren aanwezig blijken te zijn.
Ook bij in nood gedode en gestorven mestkalveren wordt soms ernstige spierdegene-
ratie waargenomen, zonder dat de anamnese hierop duidt.

Over de vermoedelijke oorzaak is in vele publikaties gesteld, dat deficiëntie van
bepaalde elementen en/of vitaminen een rol spelen; over het aetiologisch moment is
niets bekend, terwijl over klinische symptomen bij mestkalveren met spierdegeneratie
weinig bekend gemaakt is.

Zulks was aanleiding om in een hiertoe opgezet onderhoek een aantal aspecten te
bestuderen, waarbij naast pathologische veranderingen in de spieren en de organen
in het bijzonder aandacht werd besteed aan de aetiologie, de klinische verschijnselen
en ook, toen dit mogelijk bleek te zijn, aan de therapie.

In deze inleidende publikatie worden een tweetal proeven met in totaal 18 kalveren
beschreven, waarin door het toepassen van deficiëntie rantsoenen met succes getracht
werd spierdegeneratie op te wekken. Reeds tijdens het leven kon de diagnose door
het doen van histologisch onderzoek van spierbiopsieën worden gesteld en kon het
gelukken een meer duidelijk beeld van de klinische afwijkingen te verkrijgen. Tege-
lijkertijd werden een aantal biochemische reacties van bloed en urine nagegaan om
zo mogelijk hieruit bevestiging van de diagnose te verkrijgen en om deze op hun
diagnostische waarde te toetsen.

In een aantal volgende publikaties zullen de aetiologie en pathologie van de skelet- en
hartspieren bij spontane gevallen van spierdegeneratie, de regeneratie van het spier-
weefsel na behandeling, de pathologie van het centrale en perifere zenuwstelsel en de
nieren afzonderlijk worden beschreven. Onderzoek met toepassing van een histo-
ehemisehe behandeling der coupes (P.A.S.-techniek), teneinde het aetiologisch inzicht
te verruimen, zullen in een afzonderlijk artikel gepubliceerd worden.
Bij de eerste mestproef met kalveren is het mislukt spierdegeneratie op te wekken
door onvoldoende deficiëntie van de rantsoenen 1 en 2, die ±80 mg/kg „melkpoeder"
a-tocopherol bevatten. Bij de tweede mestproef kon dit gehalte in rantsoen 3 tot
minder dan 5 mg/kg worden teruggebracht, waarna alle kalveren, met uitzondering
van de twee controle\'s die dagelijks 200 mg/kg d.l.-a-tocopherol kregen toegediend en
een proefkalf dat door andere oorzaken ontijdig stierf, aan spierdegeneratie kwamen
te lijden.

Van een invloed van levertraan, dat desintegrerend zou werken op het a-tocopherol-
gehalte, is in geen der beide proeven iets gebleken; evenmin had de verstrekte 30 ml

-ocr page 599-

enige andere waarneembare invloed, terwijl ook de geur- en smaakproeven die bij alle
„levertraan-kalveren" werden verricht negatief zijn geweest. De groei der kalveren
van dc tweede proef was zeer matig, hetgeen gezien de rantsoensamenstelling ver-
klaarbaar is. .
Van de klinische symptomen was haarverhes het eerste. Nadien komen vermoeidheid
en bewegingsstoornissen, in de aanvang van het proces na vrij langdurige gedwonpn
beweging; is de afwijking ernstig geworden dan is het dier slechts met moeite overeind
te krijgen en heeft reeds na enkele minuten beweging ademnood en is dan snel
vermoeid. Tenslotte gaat het dier trager drinken en houdt de eedust geheel op.
Door het verstrekken van hoge doseringen d.l.-a-tocopherol gelukte het in een week
tijds de ziekteverschijnselen vrijwel geheel te doen verdwijnen. Een maand na het
instellen der therapie werden ook na de slachting geen macroscopisch waarneem-
bare veranderingen meer in de spieren aangetroffen, zodat onvoorwaardelijke goed-
keuring kon plaats vinden.

Van de toegepaste biochemische reacties van het bloedserum bleken de reacties met
glutamic oxalacetic transaminase (G.O.T.), glutamic peruvic transaminase (G.P.T.)
en lactic dehydrogenase (L.D.H.) indicatief te zijn voor spierdegeneratie. Deze zijn
echter ook aanwijzend voor leverdegeneratie, die echter hier niet in het spel is
geweest. De reacties met sorbitdehydrogenase (S.D.H.) en creatine phophokinase
(C.P.K.) waren niet indicatief.

De creatine en creatine creatinine verhouding in urine was slechts één keer om
overigens onduidelijke redenen sterk verhoogd, zodat van deze bepaling geen voordelen
als klinisch-chomisch diagnosticum zijn te verwachten.

Het macroscopische beeld van de experimenteel opgewekte gevallen van spier-
degeneratie verschilde niet met het van spontaan optredende gevallen bekende beeld.
Met de vingertoppen over de sneevlakte van gedegenereerde spieren wrijvende,
werden kalkafzettingen waargenomen.

Ook het microscopische beeld bleek overeenkomstig van dat van spontane gevallen
te zijn. Bij de met hoge doses d.l.-a-tocopherol behandelde kalveren, die aan spier-
degeneratie hadden geleden, duidde het histologisch beeld op vele plaatsen op totale
regeneratie van het spierweefsel; op enkele plaatsen waren nog duidelijk resten van
het degeneratievc proces aanwezig.

Conclusies:

1. Spierdegeneratie is experimenteel op te wekken bij kalveren door een vitamine-
E-deficicnt rantsoen (< 5 mg «-tocopherol/kg voeder) toe te passen.

2. Suppletie met 30 ml levertraan per kalf per dag beïnvloedt het optreden van
spierdegeneratie niet.

3. In tegenstelling met de toestand bij spontaan opgetreden spierdegeneratie, werden
bij de proefkalveren geen hartspierafwijkingen waargenomen.

4. Het creatine gehalte in de urine geeft geen aanwijzingen voor het ontstaan en
de aanwezigheid van spierdegeneratie.

5. Negatief resultaat van onderzoek van door biopsie verkregen spiermonsters sluit
het aanwezig zijn van spierdegeneratie niet uit.

6. Van de biochemische serumreacties zijn de G.O.T., G.P.T. en L.D.H. bruikbare
bepalingen bij het begin van het optreden van spierdegeneratie.

7. Behandeling van door spierdegeneratie aangetaste kalveren met hoge doses d.l.-
a-tocopherol doet de klinische verschijnselen snel teruggaan; een maand na de
aanvang der behandeling zijn geen macroscopisch zichtbare veranderingen meer
aanwezig in de spieren.

8. Langdurige toediening van 30 ml levertraan vertoonde geen invloed op de smaak-
eigenschappen van het vlees.

9. Lichte en middelmatige ernstige degeneratievc veranderingen in het vlees van
mestkalveren zijn niet altijd op te sporen door macroscopisch onderzoek; dit duidt
erop dat de frequentie in het voorkomen hoger zal zijn dan op grond van de
vleeskeuringsgegevens verondersteld wordt.

-ocr page 600- -ocr page 601-

3.

Calf II 2 showing arching of the back.

-ocr page 602-
-ocr page 603-
-ocr page 604-

LITERATURE.

A d g u h r, E. and S t e n s t r o m, N.: The appearance of the electrocardigrani
in heart lesions produced by cod-liver oil treatment.
Acta Paediat., 8, 493, (1929).

Bacigalupo, F. A., A 1 f r e d s o n, B. V., L u e c k e, R. W. and Thorp Jr.,
F.: Electrocardiographic changes in vitamin E-deficient lambs.
Am. J. vet. Res.,
14, 214, (1953).

Barnes, L. L., Davis, G. K. and M c L a y, C. M.: Intervals in the electro-
cardiograms of calves fed cod-liver oil.
Cornell. Vet., 28, 16, (1938).

Blaxter, K. L.: Myophatic conditions in animals. Vet. Rec., 69, 1150, (1957).

Blaxter, K. L.: Muscular dystrophy in farm animals, its cause and prevention.
Proc. Nutr. Soc., 21, 211, (1962).

Blaxter, K. L., Brown, F. and McDonald, A. M.: The nutrition of the
young Ayrshire calf: 12 Factors affecting the tocopherol reserves muscle com-
position and muscle histology of four-day old calfs.
Brit. J. Nutr., 7, 105, (1953).

Blaxter, K. L. and M c G i 11, R. F.: Muscular dystrophy. Vet. Rev. Annot.,
1, 91, (1955).

B 1 ax ter, K. L., Watts, P. S. and Wood, W. A.: The nutrition of the young
Ayrshire calf: I. Muscular dystrophy in the growing calf.
Brit. J. Nutr., 6, 125,
(1952).

Blaxter, K. L., Wood, W. A. and McDonald, A. M.: The nutrition of the
young Ayrshire calf: II. The toxicity of cod-liver oil.
Brit. J. Nutr., 7, 34, (1953).

B r o b e r g, G.: Nagra Alimentart - betingade muskeldegenerationer nos och not.
Nord Vet. Med., 1, 258, (1949).

Brown, F.: Occurrence of vitamin E in cod and other fish liver oils. Nature, 171,
790, (1953).

Christie, B. R.: A muscular dystrophy of Merino lambs in Western Victoria.
Vict. Vet. Proc., 20, 30, (1962).

Culik, R., 3acigalupo, F. A., Thorp Jr., F., L u e c k e, R. W. and
N e 1 s o n, R H.: Vitamin E deficiency in the lamb.
J. anim. Sci., 10, 1006,
(1951).

D i n n i n g, J. S.: The nature of the creadn urea of nutritional muscular dystrophy
in the rat. ƒ.
Nutr., 55, 209, (1955).

D i n n i n g, J. S. and Day, P. L.: Vitamin E deficiency in the monkey: II. Tissue
concentrations of nucleic acids and creatine, ƒ.
Nutr., 63, 393, (1957).

Draper, H. H., Marian, F. J. and Johnson, B. C.: Tri-o-cresyl phosphates
as a vitamin E antagonist for the rat and lamb. ƒ.
Nutr., 47, 583, (1952).

Frens, A. M., Grift, J. van der en Dammers, J.: Voedingsanafylaxie bij
mestkalveren.
Tijdschr. Diergeneesk., 86, 255, (1961).

Gerber, H.: Schweiz. Archiv. Tierheilk., 105, 529, (1963).

Gerber, H.: Schweiz. Archiv. Tierheilk., 106, 85, 410, (1964).

Goettsch, M. and Brown, E. F.: Muscle creatine in nutritional muscular
dystrophy of the rabbit, ƒ.
Biol. chem., 97, 549, (1932).

Goettsch, M. and Pappenheimer, A. M.: Nutritional muscular dystrophy
in the guinea pig and rabbit.
J. exp. Med., 54, 145, (1931).

Helm, H. J. van der: Clin. Chim. Acta, 7, 124, (1962).

H j a r r e, A. und Lilleengen, K.: Ein Beitrag zur Aetiologie und Pathogenese
des sog. „Weissen Fleisches" beim Kalbe.
Virchows Archiv., 297, 565, (1936).

II o g u e, D. E.: Vitamin E, Selenium and other factors related to nutritional
muscular dystrophy in lambs.
Proc. Cornell Nutr. Conference, 32, (1958).

Hogue, D. E.: Selenium and muscular dystrophy. J. Am. vet. med. Ass., 133, 568,
(1958).

H O u 1 e, G. R.: Vitamin E deficiency in beef calves. J. Am. vet. med. Ass., 121,
485, (1952).

Hove, E. L. and C op el and, D. H.: Progressive muscular dystrophy in rabbits
as a result of chronic choline deficiency, ƒ.
Nutr., 53, 391, (1954).

Hove, E. L., C o p e 1 a n d, D. H. and Salmon, W. D.: Choline deficiency in the
rabbit.
J. Nutr., 53, 377, (1954).

-ocr page 605-

K e i t h, T. B. and S c h n c i d c r, A, P.: Muscular dystrophy in calves and lambs.

I. The relation of environmental conditions to incidence. /. Am. vet. med. ^Ji.,
131, 5/9, (1957).

K i n g, J. M. and M a p 1 c s d e n, D. C.: Nutritional muscular dystrophy in calves.
III. Purkinje fibre degeneration in calves.
Canad. Vet. J., 1, 10, 421, (1960).

L a g a c e. A., Bell, D. S., M a x o n, A. L. and P o u n d e n, W. D.: Serum
transaminase in the blood of lambs given preventive treatment for white muscle
disease.
Am. J. vet. Res., (1961).

L a n n e k, N., L i n d b e r g. P., N i 1 s s o n, G., Nordstrom, G. and Orsta-
dius, K.: Production of Vitamin E deficiency and muscular dystrophy in pigs.
Res. vet. Sci., 2, 67, (1961).

Mackenzie, C. G. and M c C o 1 1 u m, E. V.: The cure of nutritional muscular
dystrophy in the rabbit by alpha-tocopherol and its effect on creatine metabolism.
/. Nutr., 19, 345, (1940).

Mackenzie, J. B. and Mackenzie, C. G.; The effect of a-tocopherol, a-
tocopherol hydroquinone and their esters on experimental muscular dystrophy in
the rat.
J. Nutr., 67, 223, (1939).

Maplesden, D. C., Harvey, J. D. and B r a n i o n, H. D.: Nutritional mus-
cular dystrophy in calves.
1. Addition of dried brewer\'s yeast, phosphorus and
tocopherol to a dystrophic diet.
Canad. Vet. }., 1, 10, (1960).

M a p 1 e s d e n, D. C. and L o o s 1 i, J. K.: Nutritional muscular dystrophy in calves.

II. Addition of selenium and tocopherol to a basal dystrophic diet containing cod-
liver oil. ƒ.
Dairy Sci., 43, 645, (1960).

Marr, G. I., S h a r m a n, G. A. M. and B I a x t e r, K. L.: A note on the
occurrance of muscular dystrophy in hoggs in the North of Scotland.
Vet. Rec.,
68, 408, (1956).

McDonnough, L. T.: Vitamin E. deficiency among dairy calves fed on coconut
meal.
Vet. Rec., 65, 425, (1953).

Moore, T., S harm an, I. M. and Ward, R. J.: Cod liver oil as both source
and antagonist of vitamin E.
Brit. J. Nutr., 13, 100, (1959).

M o r g u 1 i s, S. and S p e n c c r, H. C.: A study of the dietary factors concerned in
nutridonal muscular dystrophy. /.
Nutr., 11, 573, (1936).

Morgulis, S., Wilder, V. M. and Eppstein, S. H.: Further studies on
dietary factors associated with nutritional muscular dystrophy. /.
Nutr., 26, 219,
(1938).

Muth, O. H., Oldfield, J. E., Schubert, J. R. and R e m m e r t, L. F.:
White muscle disease (myopathy) in lambs and calves. VI. Effects of selenium and
vitamin E on lambs.
Am. J. vet. Res., 20, 231, (1959).

Muth, O. H., Schubert, J. R. and Oldfield, J. E.: White muscle disease
(Myopathy) in lambs and calves. VII. Etiology and prophylaxis.
Am, J. vet.
Res.,
22, 466, (1961).

N i s b e t, D. I., Butler, E. P. and Jean Macintyre, I.: Muscular dystrophy
in experimental lambs, ƒ.
Comp. Path., 69, 339, (1959).

Oldfield, J. E,, Ellis, W. W. and Muth, O. H.: White muscle disease
(Myopathy) in lambs and calves. III. Experimental production in calves from
cows fed Alfafa hay. /.
Am. vet. med. Ass., 132, 211, (1958).

Orstadius, K., W r e 11 i n d, B., L i n d b e r g. P., Nord ström, G. and
Lannek, N.: Plasmatransaminase and transferase activities in pigs affected
with muscular and liver dystrophy.
Zbl. Vet. Med., VI, (10), 971, (1959).

Parrish, D. B., Wise, G. H., L e t s c h a r, C. H. E. and Hughes, J. S.:
Effect of the prepartal diet of the cow on the placental and mammary transfer of
tocopherole to the calf.
]. Nutr., 40, 193, (1950).

Ratt, F.: Ein Beitrag zur Klinik und Therapie der Muskeldystrophie der Kälber.
Tierärztl. Umschau, 7, 165, (1962).

Rhodes, M. B., U r m a n, H. K., Marsh, C. L. and Grace, O. D.; Serum
enzyme of a hydrocephalic syndrome of newborn calves.
Proc. Soc. Exp. Biol. N.Y.,

III. 735, (1962).

-ocr page 606-

Robertson, A.: Nutritional diseases in farm animal, .A. review of recent research.
Vet. Rec., 69, 651, (1957).

S afford, J, W., Swingle, K, F, and Marsh, H,: Experimental tocopherol
deficiency in young calves.
Am. ]. vet. Res., 15, 373, (1954).

Schofield, F, W,: The prevention and treatment of white muscle disease
(muscular dystrophy),
Canad. J. Comp. Med., 17, 423, (1953).

Schofield, F, W,: The etiology of muscular dystrophy in calves and lambs,
Proc. Part.\'l, Vol. 1, Stock, 597, (1953).

S h a r m a n, G, A. M,: Muscular dystrophy of beef calves in the North of Scotland,
Vet. Rec., 66, 275, (1954).

Smith, H, A, and Jones, T. C.: Veterinary Pathology, P. 551; Philadelphia:
Lea and Forbiger, (1957),

Stamp, J, T,: Muscular dystrophy in sheep and neonatal mortality, J. Comp.
Path.,
70, 296, (1960).

Stowe, H. D, and W h i t c h a i r, C, K,: Cross and microscopic pathology of
tocopherol deficient minks, ƒ.
Nutr., 81, 287, (1963).

Swahn, O, and Thafoeling, B,: Vitamin E and some metabolic diseases of
pigs.
Vitamins and Hormones, 20, 645, (1962).

Tallersrud, Av, S,: Nutritional muscular dystrophy in calves, Nord. Vet.
Med.,
15, 543, (1963).

V a w t e r, L, R, and Record, E,: Muscular dystrophy (white muscle disease) in
young calves. /,
Am. vet. Med. Ass., 110, 152, (1947).

W e s t, W, T, and Mason, K, W,: Histopathology of muscular dystrophy in the
vitamin E deficient hamster.
Am. J. Anat., 102, (3), 323, (1958).

Whiting, F,, W i 11 m a n, J, P, and L o o s 1 i, J. K.: Tocopherol (Vitamin E)
deficiency among sheep fed natural feeds.
]. Anim. Sci., 8, 234, (1949).

Wretlind, B., O r s t a d i u s, K. and L i n d b e r g. P.: Transaminase and
transferase activities in blood plasma and in tissue of normal pigs,
Zbl. Vet. Med.,
VI, (10), 963, (1959).

-ocr page 607-

REFERATEN

Algemeen

SPECIAL ZOO AND WILDLIFE ISSUE VAN HET J, AM. VET. MED. ASS.
/. Am. vet. med. Ass., 147, (10), (1965) .

In november 1965 werd cen editie van het J. Am. vet. med. Ass. gewijd aan wilde
dieren.

Onder meer worden in deze editie de vol.gende onderwerpen behandeld: het vangen
en bedwingen van dierentuinpadënten, het houden van een apenkolonie, dc betekenis
van cen apenkolonie uit een oogpunt van volksgezondheid, verschillende aspecten
van het houden en de behandehng van laboratoriumdieren.

Hiernaast zijn meer veterinair-technische artikelen opgenomen over onder meer\':
dysplasia fibrosis bij apen en koedoes, phencychdine als analgeticum en anestheticum
bij apen, beenmergpunctie bij apen, de veterinaire behandeling van maritieme zoog-
dieren, hersentumoren bij herten en darmtumoren bij hamsters, anesthesie van herten,
immobilisatie van de stembanden van zeeleeuwen, pathologie van de bever enz.
Bovendien zijn in deze editie referaten opgenomen over onder meer thiabendazole
als anthelminticum bij apen, chemische sterilisatie van de mannelijke aap, salmonellose
bij schildpadden, tuberculose bij herten en otters, dwergvarkens en vele andere.
Daar het refereren van het merendeel van deze artikelen vrijwel onmogelijk is door
hun grote gecompliceerdheid, wordt hier volstaan met te verwijzen naar de oorspron-
kelijke publicaties.

/. Uwland.

Bacteriële- en virusziekten

HET SECTIEBEELD VAN TEGEN PEST GEËNTE VARKENS.
Pilchard, E. I.: Hog Cholera Lesions in Swine Given Modified Vaccine.
J. Am.
vet. med. Ass.,
148, 49, (1966).

Het scctiebeeld van met gemitigeerd varkenspest-virus geënte bi.ggen bleek niet te
onderscheiden van dat, veroorzaakt door een infectie met volvirulent varkenspestvirus.
Differentieel-diagnostisch zijn klinisch onderzoek (geënte biggen zijn niet ziek, hebben
geen temperatuursverhoging) en hematologiseh onderzoek (geënte biggen hebben
geen leucopenivï) onmisbaar.

]. Uwland.

STREPTOKOKKEN BESMETTINGEN BIJ BIGGEN.

Elliot, S. D.: I. An immunochemical study of the causative agent (P M Strepto-
coccus).
J. Hyg. Camb., 64, 205, (1966) en

E 11 i o t, S. D., A 1 e X a n d e r, T. J. L. and T h o m a s, J. H.; II. Epidemiology
and experimental production of the disease.
]. Hyg. Camb., 64, 213, (1966).
Het tweede deel van deze jaargang van dit tijdschrift is vrijwel geheel gewijd aan
de na,gedachtenis van Frederick Griffith, die 25 jaar geleden is overleden.
Diens meest belangrijke onderzoek: „over de betekenis van
Pneumokokken typen",
daterend uit 1928, is in zijn geheel al.s eerste publicatie in dit deel herdrukt. Al moge
op dit moment de belangstelling voor het typeren van
Pneumokokken bij de mens
grotendeels zijn getaand, omdat de chemotherapie en de antibiotica de acute pneumo-
coccosis bij de mens tot cen ziekte van betrekkelijk gering belang (praktisch geen
sterfgevallen meer in landen met een hoge levensstandaard) hebben gemaakt, toch
valt het belang van de resultaten van het onderzoek van Griffith daardoor niet
weg te cijferen. Gebaseerd op dit oorspronkelijke onderzoek van Griffith hebben
andere onderzoekers de
Streptokokken verder in groepen en typen ingedeeld, die wel
bij de mens incidenteel worden geïsoleerd (met uitzondering van de mensspecifieke
.groep A (Lancefield)) meestal als verwekkers van endocarditis lenta, maar bij dieren
nog van pathogene betekenis zijn. Dit bewijzen de hieronder gerefereerde onder-
zoekingen als bijdragen en tevens eerbewijzen aan de nagedachtenis van het baan-
brekende werk van Griffith.

-ocr page 608-

I. In hct eerste deel van dit onderzoek worden eerst de antigene eigenschappen
van de in Engeland geïsoleerde
Streptokokken beschreven. Zij waren afkomstig van
2 tot 6 weken imde biggen, gestorven aan een besmetting met deze microörganismen.
De
Streptokokken werden gekweekt uit hartebloed, gewrichten en hersenen van deze
dieren en door de auteur voorlopig P M Streptokokken genoemd. Zij behoren alle
tot één serologisch type, vallend binnen Lancefield\'s groep D, De type specifieke
component bleek een kapselpolysaccharide te zijn, die opgebouwd is uit glucose,
glucosamine en galactosamine. Daarnaast bevatte deze varkensstreptokokke nog
xylose, waardoor mede een groot verschil met
Strept. bovis en Strept. faecalis bestond.
Deze P M Streptokokken bleken identiek te zijn met de door Dr. C. E. de Moor
m Nederland geïsoleerde en beschreven Streptokokken bij biggen, die door deze in de
Lancefield groepen R, S en T waren ingedeeld.

Elliot stelt nu voor de P M Streptococcus te noemen Kapseltype I van Strept.
suis,
een nieuwe subgroep van groep D.

II. Tenslotte hebben zij onderzocht op welke wijze besmettingen bij biggen tot
stand kunnen komen. Op grond van het feit dat de ziekte meestal tot een koppel
beperkt blijft, meenden zij, dat de zeug waarschijnlijk de besmettingsbron vormt.
Zij hebben met een aerosol van P M
Streptokokken biggen aerogeen besmet. Daarbij
viel op, dat meestal 24 uur na het blootstellen reeds
Streptokokken in de keel en in
het bloed werden teruggevonden (bloedkweken).

Daarnaast bleek, dat vele biggen maar betrekkelijk weinig last van die bacteriëmie
ondervonden en dat 2 ä 3 weken na de besmetting het aantal bacteriën in het bloed
sterk afnam, zelfs geheel verdween, waaruit zij besloten dat immuniteit tegen strep-
tococcus is opgetreden. Slechts een klein aantal biggen toonde gewrichtsontstekingen
en/of meningitis. Werden biggen vóór de besmetting passief geïmmuniseerd door
inspuiten van sera van genezen biggen, dan werd deze streptococemie na besmetting
niet waargenomen.

Voorts werden Streptokokken geïsoleerd uit de neus van 3 van de 43 onderzochte
zeugen en éénmaal uit de keel van een zeug. Op grond van deze bevindingen stellen
zij voor, zeugen actief te immuniseren met
Streptokokken, ter preventie van de ziekte
bij biggen (die dan dus passief parentale antistoffen krijgen).

(In hoeverre deze vaccinatie van de zeugen het effect zal sorteren wat de schrijvers
zich er van voorstellen staat te bezien, aangezien deze dragers-zeugen ongetwijfeld
wel flinke antistoftiters tegen
Streptokokken zullen bezitten. Ref.)

H. A. E. van Tongeren.

GEVAREN VAN DE ENTING TEGEN VARKENSPEST MET LEVENDE
VACCINS,

Emerson, J. L. and D e 1 e z, A. L.: Prenatal Hog cholera Infection; A Potential
Source of Hog Cholera. /.
Am. vet. med. Ass., 147, 1346, (1965).
Bij drachtige zeugen is de vaccinatie tegen varkenspest met levende gemiti.geerde
varkenspestentstoffen gecontraindiceerd, Intra-uterien worden namelijk de foeten
geïnfecteerd en abortus of het ä terme geboren worden van dode, levenszwakke,
misvormde of gemummificeerde biggen is het gevolg. Vaak worden als gevolg van
intrauterine besmetting met virulent of verzwakt varkenspestvirus congenitale hersen-
en ruggcmergs-misvormingen waargenomen,
o.a. hypoplasie van de kleine hersenen,
dc zg, „trilziekte".

Een besmetting van drachtige zeugen met varkenspestvaccin kan ook optreden als
gevolg van contact met tegen varkenspest geënte varkens. Het is bekend, dat na
enting tegen varkenspest met levende, door weefselpassages of konijnenpassages
gemitigeerde entstoffen, de geënte dieren gedurende lange tijd het entvirus kunnen
blijven uitscheiden. Zo kunnen drachtige zeugen besmet raken.

De auteurs menen, dat het grote percentage biggen, dat vóór de speenleeftijd sterft
(in Amerika ca, 20%) voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door infecties
van de drachtige zeugen met levende gemitigeerde varkenspestentstoffen en beschrijven
ter adstructie van deze mening een aantal praktijkwaarnemingen,

-ocr page 609-

Op grond hiervan wordt gewaarschuwd tegen het enten met levende varkenspest-
vaccins op varkensfokbedrijven.

ƒ. Uwland.

Farmacologie en toxicologie

DE BEWERKING VAN MONSTERS VOOR TOXICOLOGISCH ONDERZOEK.

O a b r i e 1, K. L. and H a r r i s, L. E.: The Selection and Preservation of Specimens

for Toxicologic Analysis, ƒ. Am. vet. med. Ass., 147, 1409, (1965).

In dit artikel over toxicologisch onderzoek was de volgende tabel opgenomen:

voor onderzoek op

specimen minimaal benodigde

hoeveelheid

gehele blaasinhoud
gehele maaginhoud

gehele darminhoud

100 ml

500 g

urine

maaginhoud

darminhoud

bloed

hersenen

lever

nieren

been

longen

spierweefsel

lichaamsvet

500 g

voedingsstoffen:
mengvoeders en granen
hooi
kuilvoer
water

grote dieren: 1
kleine dieren: 2
200 g
200 g
200 g

200 g

.\\rscen, fluor, zink.

Ieder vergif, dat vlak voor de dood werd
opgenomen.

Ieder vergif, dat 1 - 2 dagen voor de dood
werd opgenomen.

Nitraat, nitriet, chloraat, koolmonoxyde,
lood, barbituraten.

Vluchtige vergiften, alcoloïden, barbituraten,
boorzuur, thallium.

Antimoon, arseen, koper, lood, kwik,
thallium, zink, fluor, barbituraten, boorzuur,
cyaan.

Koper, lood, kwik, molybdeen.

Fluor, molybdeen, radioactieve stoffen.
Inhalatie-vergiften.

Vele acute intoxicaties. Vooral als organen
in staat van ontbinding verkeren (cyaan,
thaüium).

boorzuur, gechloreerde koolwaterstofinsecti-
ciden.

minimaal benodigde hoeveelheid:
150- 250 g
8 kg
3,5 liter
3,5 liter

]. Uwland.

DMSO -- EEN NIEUW ANALGETICUM.

J a c O b, S. W., H e r s c h 1 e r, R. J. and R o s c n b a u m, E. E.: Dimethylsulfoxide

(DMSO) : Laboratory and Clinical Evaluation, ƒ. Am. vet. med. Ass., 147, 1350,
(1965).

DMSO — dimethylsulfoxide — is een nieuw geneesmiddel, dat, lokaal toegepast,
een pijnstillende, ontstekingswcrende, spasmolytischc cn bacteriostatische werking
vertoont. De eerste publikaties over dit middel verschenen in 1962.
De indicaties zijn: acute en chronische traumata en ontstekingen van beenderen,
pezen, spieren en gewrichten, tic douloureux, perifere vaatsclerosen, verbrandingen
en oedemen.

-ocr page 610-

De auteurs, humane medici, beschrijven hun ervaringen met DMSO bij 2000 sinds
1964 behandelde patiënten met verschillende acute of chronische spier-, gewrichts-,
zenuw- en blocdvataandoeningen en verbrandingen. De therapeutische resultaten
waren uitstekend. Aanduidingen van toxiciteit werden niet gevonden. Wel bleek bij
2% van de patiënten een allergische huidsensibilisatie tijdens de behandeling te
ontstaan, die in alle gevallen snel verdween na stopzetting van de behandeling.
Er zijn reeds enkele proeven gedaan over de therapeutische toepassing van DMSO
bij paarden, koeien en honden. De indicaties waren hier o.m. acute en chronische
gewrichts- en spierontstekingen en oedemen. De behandeling bestaat uit het licht
penselen van de huid over de aangetaste plaats met een 70 - 90% DMSO-oplossing in
water. De klinische resultaten waren zeer gunstig.

/. Uwland.

DMSO VOORLOPIG UIT DE HANDEL GENOMEN.

Engelse onderzoekers constateerden oogaandoeningen bij proefdieren die met dime-
thylsulfoxide (DMSO) waren behandeld.

In afwachting van nader onderzoek is de handel in en het therapeutisch gebruik van
DMSO in de U.S.A. voorlopig verboden.

ƒ. Uwland.

Ziekten von het Kleine Huisdier

BEHANDELING VAN R.A.DIALISPARALYSE BIJ HONDEN.

Huron, L. I., L u m b, W. V., H a n k e s, G. H. and Smith, K. W.: Wedge
Grafting of the Canine Carpus.
]. Am. vet., med. Ass., 148, 260, (1966).
Beschadigingen van de zenuwen van de plexus brachialis en grove dislocaties van het
carpaalgcwricht veroorzaken een klinisch beeld dat bekend staat onder de naam
„radialisparalyse". De carpus is niet in staat het lichaamsgewicht te dragen en de
ondervoet wordt slepend naar voren gebracht. Niet zelden resulteert dit in ernstige
necrosen van de ondervoet, meestal mede veroorzaakt door automutulaties, waarvoor
tot nu toe een hoge amputatie van het verlamde been de enige oplossing was.
De auteurs bestudeerden de mogelijkheid om verlammingen van de extensoren van
de ondervoet tc corrigeren door middel van een beensplintertran.splantatie in het
carpaalgcwricht, waardoor een kunstmatige ankylose ontstaat.

Hiertoe voerden zij bij 22 proefdieren neurectomieën uit van de rami profundi van
dc nervi radialis, medialis cn ulnaris, in verschillende combinaties.
Neurcctomie van de rami profundi van de n. medialis en ulnaris veroorzaakte een
relaxatie van het volaire ophangmechanisrne van de ondervoet, waardoor de carpus
bij belasting diep doorzakte. Deze honden leerden vrij snel na de operatie weer goed
te lopen.

Neurectomie van de rami profundi van de n. ulnaris en de n. radialis had tot resul-
taat, dat dc dieren dc carpus niet konden strekken. Het onderbeen hing slap naar
beneden. Na enige tijd leerden ook deze dieren om het geopereerde been weer te
gebruiken, hoewel ze kreupel bleven.

Neurectomie van de n. radialis en medialis gaf vergelijkbare verschijnselen. Ook deze
honden leerden na enige tijd weer te lopen, door bij iedere stap met een zwaaiende
beweging de ondervlakte van de voet op de grond te plaatsen.

Neurectomie van de rami profundi van dc n. radialis, medialis en ulnaris gezamenlijk
gaf een beeld di t vergelijkbaar was met het bovenomschreven klinische beeld van de
radialisparalyse.

(In het artikel ontbreken nauwkeurige opgaven van de sensibele en motorische
functieverliezen als gevolg van de diverse neurectomieën.
Ref.\\

Getracht werd bij de aldus geneurcctomeerde honden het herstel van de functie
van het onderbeen te bewerken door een kunstmatige arthrodesis van het carpaal-
gcwricht. Hiertoe werd het carpaalgcwricht geopend, de gewrichtsvlakken van het
radio-carpaalgewricht werden geëxcideerd, en een autogene beensplinter, afkomstig

-ocr page 611-

van het ileum, werd in het gewricht geplaatst. Dc operatietechnieli wordt uitgebreid
hcschrcven.

16 honden, die een der bovenvermelde neurectomieën hadden ondergaan, werden
op deze wijze geopereerd. Eén van deze honden kreeg kort na de operatie honde-
ziekte cn moest worden afgemaakt. Van de overige 15 dieren vergroeide de carpus
bij 13 dieren. Hiervan waren bij 8 honden de klinische resultaten goed. Door on-
volkomenheden in de operatietechniek vergroeide de carpus bij twee honden in cen
scheve stand, waardoor ze de buitenzijde van de ondervoet gingen belasten tijdens
het lopen en 3 honden moesten wegens automutulatie van het voorbeen worden
afgemaakt. Bij 2 honden kwam geen ankylose tot stand, in 1 geval doordat het been
niet goed gespalkt was en in het andere geval doordat een postoperatieve sepsis
ontstond. De mislukkingen waren dus voornamelijk te wijten aan fouten in de ope-
ratietechniek en aan automutulatie.

De bereikte resultaten wijzen er volgens de auteurs op, dat kunstmatige ankylose
van het carpaalgewricht door beensplinter-implantatie overwogen kan worden om
paralysen van de voorpoot bij honden te corrigeren als een alternatief tegenover een
amputatie. Na de operatie moet gewaakt worden tegen traumata aan het geopereerde
been. Daar de ondervoet gevoelloos is, zal in bepaalde gevallen ook een gering
trauma kunnen leiden tot automutulatie.

J. Uwland.

BOEKBESPREKING

THEORIE DER STOFFWECHSELREGULATION UNTER BESONDERER
BERÜCKSICHTIGUNG DER REGULATION DES WACHSTUMS.

Dr. JürgenSchole.

(Paul Parey, Verlag für Landwirtschaft, Veterinärmedizin, Gartenbau und Forst-
wesen, Berlin 61, Lindenstrasse 44-47, 1966, 87 pp., 16.5 x 24.5 cm, mit 38 Ab-
bildungen und 19 Tabellen, 206 Ref., prijs (gekartonneerd) 32 D.M.)
Dit werk, dat druktechnisch zeer goed is uitgevoerd, is als „Habilitationsschrift auf
Empfehlung der Tierärztlichen Fakultät der Universität München gedruckt mit
Unterstützung der Deutschen Forschungsgemeinschaft". Hct is als „Beiheft 5 zum
Zentralblatt für Veterinärmedizin" versehenen cn ingedeeld in vijf hoofdstukken.

I. Allgemeine Vorbemerkungen.
II. Die Regulation des Mitochondrienstoffwechsels.

III. Steuerung des cytoplasmatischen Stoffwechsels durch mitochondriale
Flavinradikale.

IV. Versagen des mitochondrialen Steuerungssystems durch chronische
Mitochondrienzerstörung (Tumorstoffwcchsel).

V. Theorie der prinzipiellen Wirkungsweise von Hormonen und wachstums-
förndernden Verbindun,gcn.
VI. Schlussbctrachtung.
Uit deze opsomming blijkt wel dat de schrijver cr naar streeft de regulering van de
stofwisseling op het cellulaire en sub-cellulaire niveau na te gaan. In deze opzet is hij
zeer goed geslaagd.

In kort bestek — de eigenlijke tekst van het boekje omvat niet meer dan 75 pp. —
worden de belangrijkste chcmismen, die aan de stofwisselingsprocessen in de cel ten
grondslag liggen, aan een kritisch onderzoek onderworpen.

Op grond van eigen proeven en theoretische overwegingen komt de schrijver tot een
aantal belangrijke uitspraken, die de aandacht van allen, die zich met deze vraag-
stukken bezig houden, ten volle waard zijn. Dat hierbij tevens de talrijke gegevens
van andere onderzoekers worden geïnterpreteerd, stempelt dit werk tot een belangrijke
bijdrage tot onze kennis cn ons inzicht op het betreffende .gebied. Eens te meer
blijkt opnieuw dat het moderne onderzoek van de stofwisseling zijn uitgangspunt
vindt op het terrein van de „moleculaire biologie".

-ocr page 612-

Van daar uit mag men nieuwe impulsen verwachten, die in de toekomst van groot
nut kunnen zijn bij het opstellen van verbeterde formuleringen van de wetmatigheden
ten aanzien van de z.g. „autonome regulering" van de lichaamsfuncties bij het intacte
hogere dier.

De aard van de vraagstukken die in dit boek worden behandeld brengt mede, dat men
het werk van Dr. S c h o 1 e niet zonder inspanning leest. Voor het juiste begrip
en de evaluatie van de gebezigde argumentade is een grondige kennis van de moderne
biochemie onontbeerlijk. De moeite die men zich moet getroosten om van de inhoud
van het boek kennis te nemen wordt echter ruimschoots beloond door de voldoening
die die verruiming van het inzicht op dit terrein van wetenschap schenkt.

L. Seekles.

FAO - WHO - OIE, ANIM.\'\\L HEALTH YEARBOOK 1965.

Dit boekwerk verschilt in opzet en inrichting niet van de vorige jaargangen; aan de
tabellarische overzichten zijn geen speciale beschouwingen toegevoegd.

C. A. van Dorssen.

BERICHTEN EN VERSLAGEN

HET SPENEN VAN HET VEULEN.
(Paardengezondheidskalender augustus 1966)

Op een leeftijd van 4 tot 6 maanden wordt het veulen gespeend. Hoewel de scheiding
van de moeder op het veulen vaak weinig indruk maakt, komt het toch ook voor,
dat het hierop sterk reageert. Men zal dan goed doen het veulen een paar dagen
te stallen. Bij voorkeur zoekt men er één of meer bij die hetzelfde lot ondergaan.
Daar het veulen de eerste dag erg onrustig kan zijn, moet de stal zo ingericht zijn,
dat het zich bij de pogingen om uit te breken niet kan bezeren. Het is wel voor-
gekomen, dat het trachtte door de ramen de moeder weer te bereiken, waardoor
ernsdge snijwonden ontstonden. De merrie moet zo ver mogelijk van huis worden
gebracht zodat moeder en kind elkaar niet kunnen zien of horen. Als het veulen
de eerste tijd op stal wordt gehouden dient enig krachtvoer te worden verstrekt, met
daarnaast wat goed gras of grashooi. Gewenst is reeds geruime tijd voor het spenen
met enig krachtvoer te beginnen zodat het veulen eraan gewend is geraakt. Blijft
het veulen meteen na het spenen in de weide, ook dan is enig bijvoer gewenst.
Indien het veulen nog geen wormkuur heeft ondergaan, dient deze behandeling thans
te geschieden.

Na het spenen van het veulen moet de melkvorming van de merrie zo spoedig
mogelijk eindigen. Doordat er niet meer wordt gezogen valt de belangrijkste prikkel
weg, welke de melkvorming onderhield.

Hoewel de melkvorming in het algemeen vrij spoedig zal ophouden, kan er nog een
sterke melkstuwing ontstaan, welke in sommige gevallen oorzaak is van ontsteking
van een of beide uierhelften. Het is dus van belang deze melkstuwing na het spenen
direct zo goed mogelijk te beperken. Men kan dit bereiken door het voederrantsoen
te verminderen, dan wel een kale weide te geven. Beweging is nuttig. Van belang is
ook, dat minder drinken wordt verstrekt.

Hoewel dus normaal de uier geleidelijk kleiner wordt, neemt deze bij ontsteking in
grootte toe. Er kan dan een uitgebreide zwelling in de omgeving van de uier op-
treden, waardoor de beweging voor de merrie pijnlijk wordt, zich uitende in een
wijde, stijven gang van de achterbenen. Bij deze afwijking kan de merrie ernstig
ziek worden. Het is dan noodzakelijk diergeneeskundige hulp in te roepen.

-ocr page 613-

HET VEULEN NA HET SPENEN.
(Paardengezondheidskalender september 1966)

Voor een ongestoorde groei van het veulen na het spenen is een rantsoen, dat
uitsluitend uit gras bestaat, niet altijd voldoende. Vaak is ten tijde van het spenen
de stand van het gras matig en laat de kwaliteit te wensen over.
Indien de toediening van een wormmiddel is nagelaten is het mogelijk dat het veulen
na het spenen sterk gaat vermageren door de aanwezigheid van ingewandswormen.
Het is dan gewenst alsnog een wormkuur toe te passen.

Opdat geen moeilijkheden zullen ontstaan als na het spenen krachtvoer wordt
verstrekt, is het van belang, daarvan reeds tijdens de zoogperiode een weinig toe te
dienen. De samenstelling van dat krachtvoer dient zo goed mogelijk te passen bij de
kwaliteit van het gras. Is dit arm aan eiwit en mineralen dan
kunnen als bestand-
delen van dat krachtvoer worden opgenomen produkten als vismeel, diermeel, lijn-
zaad, lijnmeel en grintzemelen. Karnemelk, ondermelkpoeder en aangezuurde onder-
melk kunnen voor hetzelfde doel worden aangewend. Te eiwitrijke mengsels moeten
worden vermeden.

Het eenvoudigst is gebruik te maken van speciale mengvoeders voor veulens. Zonder
bezwaar kan hiervoor ook volledig biggemeel dienen, en voor zeer magere veulens
kan kuikenopfokvoer enige tijd worden gebruikt.

Als de kwaliteit van het gras gunstig is, behoeft het krachtvoer niet zo eiwitrijk te
zijn en kan aan het veulenmeel een hoeveelheid haver worden toegevoegd.
In akkerbouwstreken worden de gespeende veulens weieens zonder enige bijvoeding
op de stoppelklavers geweid. Er wordt dan wel een voldoende hoeveelheid voedsel
opgenomen, maar het rantsoen is te eenzijdig. Hierdoor ziet men nogal eens
rachitische verschijnselen. Ook kunnen spijsverteringsstoornissen, gepaard gaande
met ,,trommelzucht" en diarree, het gevolg zijn. Is men hiertoe in de gelegenheid,
dan worden ter voorkoming van deze nadelen om toch te kunnen profiteren van
de voordelen van de stoppelklaver, de klaverweiden wel samengevoegd met het
bestaande weiland. Onder deze omstandigheden gaan de veulens dikwijls maar
enkele uren per etmaal de malse klaverweiden bezoeken en verblijven de rest van de
dag op het weiland, waar de grasmat die tijd van het jaar meestal kaal is afgeweid.
Verstrekking van mineralen is vrijwel altijd gewenst. Indien alleen klaverweiden
beschikbaar zijn, verdient het Zeeuwse mineralenmengsel de voorkeur. Men kan deze
mineralengift het beste verstrekken als poeder in een bakje in de weide, zodat de
veulens hiervan naar behoefte kunnen opnemen.

Bij verblijf op de klaver wordt nogal eens eczeem van de ongepigmenteerde huid-
delen opgemerkt. Hierdoor kan mok optreden en in ernstige gevallen kunnen zelfs
witte huiddelen afsterven.

Goed blijvend grasland, dat niet te zwaar is bemest met stikstof, kali en fosfor, is
voor veulens het meest aangewezen. Als de kwaliteit van het gras goed blijft, de weide
hoog ligt en de weersomstandigheden gunstig zijn, is het voor de ontwikkeling van
de veulens goed, dat ze tot Iaat in de herfst buiten blijven. Het verblijf op lage,
drassige weiden daarentegen is voor de ontwikkeling van het veulen en speciaal voor
de hoeven zeer ongewenst.

Hoewel een goede hoefverzorging het gehele jaar noodzakelijk is, is het van belang,
dat het veulen op deze leeftijd tijdig door de hoefsmid onder handen wordt genomen.

-ocr page 614-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

VERPLICHTE RUNDERENTING IN DELEN VAN OVERIJSSEL EN GEL-
DERLAND.

Barricade tegen mond- en klauwzeer O één

Wegens het vóórkomen van mond- en klauwzeer van het type Oi (O één) in West-
duitse grensgebieden, heeft de minister van Landbouw en Visserij uit voorzorg
besloten, alle runderen boven de leeftijd van twee maanden, aanwezig in een gebied
in het oosten van Overijssel en voor een klein gedeelte in Gelderland, op \'s rijks-
kosten verplicht te laten inenten. Het als barricade bedoelde entgebied omvat geheel
of gedeeltelijk de gemeenten Tubbergen, Denekamp, Ootmarsum, Weerselo, Losser,
Oldenzaal, Enschede, Haaksbergen, Eibergen, Groenlo en Winterswijk.
Met de enting van de ongeveer 50.000 in dit .gebied aanwezige runderen is zo snel
mogelijk een aanvang gemaakt en de enting is in een zo kort mogelijke periode vol-
trokken. Overigens kan de directeur van de Veeartsenijkundige Dienst mededelen,
dat deze voorzorgsmaatregel, mede gezien de gunstige positie op dit moment van het
mond- en klauwzeer in Europa, tot geen enkele ongerustheid onder rundvee- en
varkenshouders aanleidin.g behoeft te geven.

Tevens zal, blijkens de ministeriële beschikking gepubliceerd in de Staatscourant
van 19 oktober, het vervoer van runderen binnen het entgebied, evenals het vervoer
van runderen naar of uit dit gebied, ingaande 20 oktober tot nadere aankondiging zijn
verboden.

Voorts is eveneens ingaande 20 oktober 1966 het houden van tentoonstellingen, vee-
markten, keuringen en dergelijk bijeenbrengen van runderen tot nader order in het
entgebied verboden.

Het mond- en klauwzeer type Oi is nog nooit in ons land voorgekomen. Het wijkt
enigszins af va-.i het O-type, met welk vaccin elke winter het Nederlandse rundvee,
tezamen met het A- en C-vaccin wordt ingeënt. Onze runderstapel moet tegen deze
variant van de O-smetstof, als onvoldoende immuun worden beschouwd. Voor deze
mond- en klauwzeersmetstof zijn vooral runderen gevoelig. Ziektegevallen bij varkens
worden niet direct veroorzaakt. Ervaringen in West-Duitsland hebben voorts geleerd,
dat indien in een gehele streek het rundvee onvatbaar voor deze vorm van mond-
en klauwzeer is gemaakt, het zeer onwaarschijnlijk is dat varkens door dit type worden
aangetast.

Immunisering van de rundveestapel beschermt dus tevens de varkensstapel.
Het vervoersverbod geldt niet voor het vervoer

— van runderen van de weide naar dc tot het betreffende bedrijf behorende stallen
en omgekeerd,

— van koeien naar een stier en/of daarvan terug,

— van slachtrunderen naar de slachtplaats,

— van voor export bestemde runderen naar het grenskantoor,

— van runderen, waarvan kan worden aangetoond, dat zij tenminste twee weken
tevoren zijn ingeënt.

In uitzonderlijke gevallen kunnen bovendien de betrokken districtsinspectcurs van
dc Veeartsenijkundige Dienst ontheffing van het entgebod en het vervoersverbod
verlenen.

RABIES.

Na de berichten in vorige nummers over rabicsbesmetting in het Duits-Belgische
grensgebied, worden thans gevallen van de ziekte gemeld uit Beieren in Duitsland.
Te Marktoberdorf in Schwaben zijn 21 gevallen bij dieren geconstateerd.
Vijftig mensen moesten zich voorbehoedend tegen hondsdolheid laten inenten.
Zowel in België als in Beieren zijn overheidsmaatregelen uitgevaardigd en is de
bevolking op het grote gevaar gewezen.

-ocr page 615-

GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN
OVER DE MAAND SEPTEMBER 1966.

c

I

Provincies

"o

-a

-O

c

O

>
O

■a
d

g s

O

3 c

c

a

ö I

M
>

< >

Groningen

Friesland

Drenthe

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Noord-Brabant

Limburg

4
24
8
10

4
6

31

5

1 —

— 1

1 — —

— 12 \' 93 \' —

Nederland

14 —

DOORLOPENDE AGENDA

1966

November,

19—20, Genootschap voor Geschiedenis der Geneeskunde, Wiskunde en Natuur-
wetenschappen. Wetenschappelijke vergadering, 19.30 uur. Universiteits-
museum, Frans 8 te Utrecht.

22, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel „Berg-
zicht" te Hellendoorn. (pag. 1371)

22, Stichting Ned. Draf- en Rensport. Jaarlingenshow van dravers, 8.30 uur,
Expo-hal te Hilversum.

23, Stichting Ned. Draf- en Rensport. Hengstenkcuring van dravers, 13.00
uur, Expo-hal te Hilversum.

23, A.C.V.-Controle. Persexcursie annex - conferentie in Ruinerwold.

23, Afd. Gelderland K.N.M.v.D. Klinische avond, 20.00 uur. Kliniek voor
Inwendige Ziekten, Biltstraat 172, Utrecht, (pag. 1429)

December,

8, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel „Bergzicht",

Hellendoorn. (pag. 1429)
8, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering 20.30 uur. Groot-
handelsgebouw, Rotterdam, (pag. 1261)

15, Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur, Hotel
Riche, Heuvelring, Tilburg, (pag. 1371)

19, Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven. Ledenvergadering,
14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 1429)

-ocr page 616-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN HET BUREAU.

Kort verslag van de vergadering van het Hoofdbestuur op 24 september 1966
In verband met de uitbraak van virus-enteritis bij nertsen besluit het Hoofdbestuur
in overleg met het C.D.I. een voorlichtingsmiddag te organiseren voor de dieren-
artsen.

Besloten w^ordt een bijdrage te geven voor de herdenkingsplaquette, die op 22 oktober
1966 in het Genetisch Instituut zal worden onthuld ter nagedachtenis aan Prof. Dr.
C. L. Rümke

Opnieuw vond een bespreking plaats met een afgevaardigde van het Bestuur van
de Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee over de C.R.D.-bestrijding. Daar nog
geen overeenstemming kon worden bereikt over de vraag wie dit onderzoek straks
zal uitvoeren, zal zeer binnenkort een nieuw .gesprek plaatsvinden.
De oudedagsvoorziening en de praktijkfinanciering zijn onderwerpen die het Hoofd-
bestuur zeer ter harte gaan. Nieuwe onderhandelingen zijn geopend, waarbij alle
aandacht is besteed aan het tarief, dat aanmerkelijk lager ligt dan dat wat thans
algemeen gebruikelijk is, omdat kan worden gewerkt zonder winstoogmerk en zonder
tussenpersonen. Bij de ontwikkeling van deze plannen zal het Hoofdbestuur nauw
betrokken blijven.

Het Bestuur van de nieuwe groep dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven maakte
zijn opwachting bij het Hoofdbestuur.

Het Hoofdbestuur besprak met de voorzitter van de betreffende commissie het rapport
minimumeisen kleine-huisdiercnpraktijk. Het rapport zal worden gepubliceerd in het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde.

Het Hoofdbestuur nam met vreugde en voldoening kennis van dc oprichting van een
Ned. vereniging van vrouwen van dierenartsen,
 liet Hoofdbestuur.

Mededeling van de Ereraad
Uitspraak in verkorte vorm

Tegen de dierenarts W. H. J. R. te E. werd een klacht ingediend, houdende het
verwijt, dat met hem door het secretariaat van de Maatschappij ter uitvoering van
het Honden- en Kattenbesluit verstrekte certificaten betreffende vaccinatie tegen
hondenziekte regelmatig malafide praktijken zijn bedreven.

Bij de behandeling van de klacht bleek, dat beklaagde te jon.ge honden heeft geënt
en bovendien heeft geënt met onjuiste dosering, en dat hij weliswaar door hem
getekende doch niet door hem gedateerde en ingevulde certificaten, heeft laten komen
in handen van onbevoegden, die door gebrek aan controle zijnerzijds, van die certi-
ficaten misbruik hebben gemaakt.

De Ereraad heeft de klacht gegrond geoordeeld en de handelwijze van beklaagde als
ernstig aangemerkt, omdat hierdoor niet alleen het Honden- en Kattenbesluit onjuist
werd uitgevoerd, doch tevens aan misleiding van het publiek werd medegewerkt, door
welk cen en ander het vertrouwen van overheid en publiek in de Nederlandse dieren-
arts is ondermijnd.

Aan beklaagde is opgelegd een onvoorwaardelijke boete van ƒ 3000,—, een voor-
waardelijke boete van ƒ 10.000,— en bekendmaking van de uitspraak in het Tijd-
schrift voor Diergeneeskunde.

Dc secretaris,
C. Eenhoorn.

-ocr page 617-

Afgifte van niet-officiële inentingscertificaten

Het Hoofdbestuur van de Ned. Ver. tot Bescherming van Dieren brengt het volgende
onder uw aandacht.

Door onze inspecteurs wordt bij de controle van asiels en dierenpensions herhaaldelijk
geconstateerd, dat er niet-officiële certificaten van inenting tegen hondeziekte, onder-
scheidenlijk katteziekte, aanwezig zijn.

Het merkwaardige feit doet zich nu voor, dat de asielhouder of eigenaar van het
pensionbcdrijf hiervoor eigenlijk niet verantwoordelijk kan worden gesteld. Het
publiek is tc goeder trouw en laat het huisdier inenten. Verstrekt de dierenarts niet
het officieel vastgestelde certificaat, maar een zogenaamd fabrieksformulier of, zoals
ook wel voorkomt, een receptenblaadje, dan is het publiek hiervan dc dupe. Een
dergelijk bewijs mag immers door het asiel of de pensionhouder niet worden ge-
accepteerd.

Assistentenregeling

Met het oog op de a.s. Kerstvakantie volgen hieronder weer dc richtlijnen ten aanzien
van de uitvoering van de Koninklijke Besluiten betreffende assistentie bij de ge-
organiseerde dierziektenbestrijding.

Ter voorkoming van enig misverstand wordt erop geattendeerd, dat de Koninklijke
Besluiten inzake de toelating van anderen dan dierenartsen tot de uitoefening van
dc diergeneeskunst in beperkte omvang onveranderd blijven.

Kort samengevat houdt dit dus in, dat uitsluitend studenten kunnen worden inge-
schakeld, die
het eerste gedeelte van het doctoraal examen met goed gevolg hebben
afgelegd en in het bezit zijn van een vergunning van de Directeur van de Vee-
artsenijkundige Dienst. Deze assistentie mag alleen worden verleend aan dierenartsen
die een verklaring van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergenees-
kunde bezitten, waaruit blijkt, dat zij behoefte hebben aan assistentie.
De Faculteit der Diergeneeskunde zal evenals vorig jaar de normale universitaire
vakanties weer handhaven, zodat ook nu geen verlenging van de vakanties meer zal
plaats hebben ten behoeve van de werkzaamheden, die in het kader van de georgani-
seerde dierziektenbestrijding worden verricht.

Verder zal het Waarnemingsbureau van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij
voor Diergeneeskunde zich ook nu zoveel mogelijk onthouden van dienstverleningen
bij dc uitvoering van de assistcntieregchng. Ook dit houdt verband met de gang van
zaken gedurende de laatste assistentieperiode.

Deze regeling verloopt als volgt:

Door de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren wordt ook dit jaar in overleg
met de Provinciale Commissies voor vestigingsregeling bepaald, welke dierenartsen
voor assistentie in aanmerking komen; bovendien wordt bij dit overleg het aantal
toegewezen assistcntiedagen en de mate van urgentie vastgesteld.
Evenals vorig jaar vindt door het Waarnemingsbureau geen indeling plaats van de
bevoegde assistenten bij de daarvoor in aanmerking komende dierenartsen.
Studenten die wensen te assisteren, kunnen aan dc hand van de provinciale dieren-
artsenlijsten, die op de DSK-kamer ter inzage liggen, zelf een afspraak met een
dierenarts maken.

Hierop volgt de aanvraag van de verklaring (vergunning) bij de Directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst met bij een met name genoemde dierenarts gedurende een
omschreven periode te assisteren bij de tuberculose-, mond- en klauwzeer- of brucel-
losisbestrijding.

Indien deze verklaring wordt verstrekt, op grond van de provinciale dierenartsen-
lijsten, ontvangt de betreffende dierenarts tevens een verklaring van de Koninklijke
Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde, dat hij behoefte heeft aan een
assistent gedurende bovenbedoelde omschreven periode voor de hierboven genoemde
werkzaamheden.

-ocr page 618-

De dierenarts, die op deze wijze zelf geen assistentie kan krijgen, kan de bemiddeling
van het Waarnemingsbureau inroepen. Ditzelfde geldt voor de student, die wenst
te assisteren en hiervoor geen dierenarts kan vinden. In beide gevallen treedt het
Waarnemingsbureau bemiddelend op en zal zo mogelijk contact worden gelegd tussen
dierenarts en assistent. De benodigde verklaringen worden daarna op dezelfde manier
aangevraagd en afgegeven.

De assistenten worden dus niet „toegewezen", maar zij kunnen zich vrijwillig be-
schikbaar stellen aan de dierenartsen, die behoefte hebben aan assistentie en dus
voorkomen op de provinciale lijsten.

De afrekening van het honorarium vindt rechtstreeks plaats tussen de dierenarts en
de assistent, onmiddellijk na afloop van de assistentie periode.

Dit laatste sluit tevens in, dat de dierenarts zelf verzekeringsplichtig is, (Zie volgende
mededeling.)

Uit de aard der zaak zullen de verklaringen door de Directeur van de Veeartsenij-
kundige Dienst en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde
voor de tuberculosebestrijding worden verstrekt van de aanvang van het jaarlijks
onderzoek af, d,w,z, van heden tot 15 februari 1966 en voor de mond- en klauwzeer-
bestrijding van 1 februari tot 15 april 1966,

De brucehosisbestrijding is niet aan een bepaalde periode gebonden, zodat de ver-
klaringen hiervoor gedurende het gehele jaar kunnen worden verstrekt.
De dierenartsen zullen er rekening mee moeten houden, dat zij de werkzaamheden
zo veel mogelijk zelf moeten doen.

Tenslotte zal ook dit jaar worden getracht tijdelijk werkverlof te verkrijgen voor
assistentieverlening voor de jonge dierenartsen, die in militaire dienst zijn.

Verzekering

De huidige voorziening regelt de navolgende uitkeringen resp, schadeloosstellingen:
I. Ongevallen

A, overlijden.............ƒ 15,000,—

ongehuwden......... ... „ 5,000,—

B, levenslange gehele ongeschiktheid.......„ 40,000,—

(bij levenslange gedeeltelijke ongeschiktheid een percentage hiervan)

C, tijdelijke gehele ongeschiktheid........„ 20,—

per dag (uitkeringsduur max. 1 jaar)

D, geneeskundige behandeling enz.........1,000,—

Het risico van motor/scooterrijden is onder de verzekering begrepen.

II. Ziekte

Ziekengeld.....ƒ 20,— per dag (3 wachtdagen)

Geneeskundige behandeling . „ 1.000,— voorzover hierin niet elders is

voorzien.

Deze uitkeringen geschieden uiterlijk tot en met de laatste dag van de overeen-
gekomen assistentieperiode.

III. Wettelijke Aansprakelijkheid

In hoedanigheid van diergeneeskundige hulp en als pardculier.

A. ingeval van dood, letsel of benadeling van de gezondheid

van één persoon ten hoogste........ƒ 20.000,—

B. ingeval van dood, letsel of benadeling van de gezondheid

van meer dan één persoon bij hetzelfde voorval ten hoogste „ 50.000,—

C. ingeval van schade, ontstaan door beschadiging van goederen
van derden, dan wel dcx)r dood, letsel of benadeling van de
gezondheid van aan derden toebehorende dieren ten hoogste „ 5.000,—

-ocr page 619-

Premie.

De premie voor deze gecombineerde vorm van verzekering bedraagt ƒ 2,— per
kalenderdag, met dien verstande dat bij een verzekeringstermijn van meer dan 30
dagen de premie voor de termijn na 30 dagen ƒ 1,50 per kalenderdag bedraagt.
De minimum te betalen premie bedraagt ƒ 5,— per verzekerde per aarmielding.
Onder de verzekering is dus medebegrepen een uitkering van ƒ 20,— per dag voor
ziekengeld, ingaande na verloop van drie dagen na de dag waarop een student volgens
vaststelling door een daartoe bevoegd geneesheer volledig arbeidsongeschikt is ge-
worden en eindigende op de laatste dag van de overeengekomen assistentieperiode.
Aangezien aanspraak op deze uitkering kan worden gemaakt indien de overeenkomst
tot assistentie bij een en dezelfde dierenarts voor minstens vier
achtereenvolgende
kalenderdagen is aangegaan, verdient het dus aanbeveling dat een assistentieperiode
niet wordt onderbroken door de hierin voorkomende zon- en feestdagen eruit te
lichten.

Met betrekking tot de ongevallendekking kan het ook van belang zijn dat deze op
genoemde dagen doorgaat, daar het kan voorkomen dat een student dan moet reizen,
waarbij hem een ongeval kan overkomen.

Teneinde de belangen van de dierenarts en die van de studenten het beste te dienen
werd met hieronder genoemde assurantiebedrijf overeengekomen dat zon- en feest-
dagen worden medeverzekerd, zodat hierover ook premie in rekening wordt gebracht.
Ten einde de administratieve behandeling van deze verzekering zo eenvoudig mogelijk
te doen verlopen, zal zonder tegenbericht van iedere assistentie opgave worden ge-
daan aan N.V. Assurantiebedrijf der Crediet- en Effectenbank N.V., Kromme Nieuwe
Gracht 6 te Utrecht, telefoon (030) 1 58 51, die de dierenarts de kosten recht-
streeks per nota in rekening zal brengen.

Voor schademeJdingen en/of nadere inlichdngen kan men zich met voornoemd bedrijf
in verbinding stellen.

In vorige assistentieperioden moest reeds verschillende malen een beroep op deze
verzekering worden gedaan, waaronder een ernstig .geval, waarvoor een hoge uitkering
werd ontvangen.

Mede in verband hiermede, wordt elke dierenarts die assistentie van een student krijgt
dan ook met klem aangeraden van deze verzekeringsmogelijkheid gebruik te maken.

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Gelderland

Prof Dr. G. W a g e n a a r zal op 23 november a.s. om 20.00 uur voor de leden van
de afdeling Gelderland een klinische avond houden in de
Kliniek voor Inwendige
Ziekten, Biltstraat 172, Utrecht.

Afdeling Overijssel

De afdeling Overijssel zal op 8 december a.s. om 20.00 uur een vergadering houden
in
Hotel „Bergzicht" te Hellendoorn.

VAN DE GROEPEN.

Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven

De groep organiseert op 19 december a.s. om 14.00 uur een ledenvergadering in het
Motel te Bunnik.

PERSONALIA.

Het Hoofdbestuur heeft als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde aangenomen de diergeneeskundige studenten
J. J. van Amerongen, Biltstraat 87, Utrecht.
P. H. M. Barendregt, Biltstraat 45 bis. Utrecht.
B. Bruins, Adriaanstraat 51 bis. Utrecht.

-ocr page 620-

W. p. Cnossen, 2e Oosterparkstraat 247, Amsterdam.

J. van Doesburg, Vossegatselaan 70, Utrecht.

R. Hajer, Vossegatselaan 62, Utrecht.

R. Janssen, Wittcvrouwensingel 43, Utrecht.

M. Kramer, Havikstraat 11, Utrecht.

C. P. M. M. Kriele, F. C. Dondersstraat 57, Utrecht.

R. W. Lubsen, Akker 107, De Bilt.

E. Nili, I. B. Bakkerlaan 15, kamer 299, Utrecht.

M. J. A. Nuijens, van Alphenstraat 19, Utrecht.

Mej. C. L. Overgaauw, de Sitterlaan 18, Utrecht.

Mej. H. J. Roelofsen, Achter St. Pieter 19 bis. Utrecht.

C. T. A. Straver, Ezelsdijk 40, Utrecht.

O. J. M. Thijssen, I. B. Bakkerlaan 15, kamer 293, Utrecht.

L. E. Tjebbes, Kanaalweg 108, Utrecht.

Th. Twerda, Ternatestraat 2, Utrecht.

M. ter Veer, St. Ludgerusstraat 16, Utrecht.

H. Yadin, Achterom 12, Utrecht.

T. F. van der Zwan, F. C. Dondersstraat 29, Utrecht.
Adreswijzigingen e.d.:

Coenraads, B., Amstelveen, naar Ouderkerkerlaan 21 aldaar, tel. ongew. (171)
Crcmers, F. J. J., Boxmeer, naar Frans Halsstraat 27 aldaar, tel. (08855) 13 24
(privé), 14 06 (praktijk), P. (171)

Dorssen, Dr. C. A. van, Uddel, tel. gew. in 12 13. (173)

Goudberg, K., van Beilen naar Haren (Gr.), Beatrixlaan 16. (179)

Haalstra, R. T., van Soestduinen naar Kapelle, Biezelingsestraat 44, tel, (01102)
78 6 (privé), (01100) 66 10 (bur.), gr. 621076, D. b/d G.v.D. iyd prov. Zeeland.

(van 232 naar 181)

Hakkesteegt, E., Schagen, tel. gew. in 24 37, b.g.g. 20 00. (182)

Jansen, G. J., Huntly (New Zealand), naar 87 Kimihia Road aldaar. (233)

Koksma, F. J., van Haarlem naar Amsterdam, Haringvlietstraat 51. (193)

Koopmans, W. T., van Joure naar Franeker, Leeuwarderweg 1, tel. (05170) 34 86
(privé), 29 65 (bur.) h.k. (194)

Lieshout, J. A. H. van, Diessen, naar Willibrordusstraat 29 aldaar, tel. (04254) 44 5.

(197)

Rispens, Dr. B. H., van Rozenburg naar East Lansing, (Michigan, U.S.A.), 619 Grove
Street. (van 210 naar 234)

Roon, T. van, van Bleskensgraaf naar Zierikzee, Varrcmarkt 5, tel. (OHIO) 21 80.

(211)

Steen, A. W. C. van, van Eindhoven naar Kerkradc, Einderstraat 38, tel. (04445)
26 31, P., ass. bij A. M. E. Duysens tc Voerendaal. (217)

Meeuwisse, S. D., St. Thomas (Ontario, Canada), Elgin Veterinary Clinic, P.O Box
189, P. (233)

Gevestigd:

Weerd, G. de, Beilen, Stationslaan 10, tel. (05930) 23 71, gr. 1330641, P. (overname
praktijk van K. Goudberg). (226)

Benoemd:

Scholten, Dr. H. H., m.i.v. 15-9-1966 tot plv. inspecteur van dc Veeartsenijkundige
Dienst, ter standplaats Almen. (213)

Overleden:

Langeler, J. E T. tc Kethel, overieden op 24 oktober 1966. (196)

-ocr page 621-

Diere nartsexamen:

II okober 1966
S. Birnbaum

H. W. B. Engel

D. S. Frank
P. A. de Geus
J. Goudswaard

J. G. van Londen
A. Pluimers

E. Rodrig
J. A. Smak

T. M. Tjang A Fa

RECTIFICATIE

In het artikel „De waarde van de B.M.R. als diagnosticum bij de mastitisbestrijding"
zijn enkele fouten geslopen.

I. Op blz. 1292, tweede alinea, tweede regel van beneden moet in plaats van het
woord „in" het woord
is gelezen worden.

2. Op blz. 1298, vierde alinea, de laatste zin zou moeten luiden:

Eenzelfde toetsin.gsresultaat werd verkregen betreffende het verband dat bestaat
tussen de B.M.R.-onderzoekingen van de busrnonsters en de gemiddelde B.M.R.
van de verzamelmonsters (P < 0.0001).

3. Op blz. 1298, een na laatste regel:

Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat op grotere bedrijven relatief meer
mastitis voorkomt dan op kleinere bedrijven.

-ocr page 622-

Diergeneeskundige Studenten Kring

Het bestuur van de Diergeneeskundige Studenten Kring is voor het jaar 1966-1967

als volgt samengesteld:

T. W. Schillhorn van Veen pracses

J. F. van Calker ab actis

J, Hoftijzer fiscus

G. Fennema vicc-praescs

Mej. A. H. Lenstra vice-ab actis

Veterinair Dispuut van het C.S. Veritas

Het bestuur voor het jaar 1966 - 1967 heeft zich als volgt geformeerd:

J. J. M. van Riel praeses

J. P. J. Peelen vice-pracscs

C. van Pinxteren fiscus

A. A. P. van Montfort abactis I

Mej. J. J. S. M. Brok abactis II a

Het abactiaat is gevestigd: Burg. Reigerstraat 24, Utrecht, tel. 030- 14 73 5.

UNOX n.v.

vraagt voor het nieuwe laboratorium voor Anatomie
en Histologie, verbonden aan een harer vlees-
warenfabrieken, waar onderzoekingen op genoemde
gebieden sedert enige jaren gaande zijn een

dierericirts

Bij voorkeur met enige ervaring in anatomisch en histologisch werk

Onder verantwoordelijkheid aan een reeds aanwezige collega zullen
zijn taken bestaan uit het medeontwerpen, bespreken en voorbereiden
van het programma van onderzoek, het verrichten van ontleed- en
weefselkundige research, van macro- en microscopisch onderzoek van
vleeswaren en het interpreteren en rapporteren van de resultaten.

Na een ruime inweriiperiode za! van betroi^kene worden gevraagd dat
hij met een hoge mate van zelfstandigheid in het researchteam
zijn aandeel levert.

Sollicitaties te richten aan het Hoofd van de afdeling Personeelszaken
Unox n.v., Gasstraat 10, Oss.

UP 294.110.95

-ocr page 623-

INHOUD

VETERINAIRE WEEK 1966

Voordrachten en demonstraties, gehouden tijdens de Veterinaire
Week op 8, 9 en 10 juni 1966 te Utrecht — Lectures and
demonstrations held during the Veterinary Week on June 8th,
9th and 10th at Utrecht —
.........1433

REFERATEN

Bacteriêle- en virusziekten.........1716

Heelkunde.............1719

Inwendige ziekten...........1719

BERICHTEN EN VERSLAGEN

lOth Meeting Permanent Committee W.V.A., Paris . . . 1721

DOORLOPENDE AGENDA............1723

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

Van de Afdelingen...........1724

-ocr page 624-

E PI VAX

HARD PAD DISEASE

V

EXTRA BESCHERMING
SOLIDE IMMUNITEIT
SNELLE WERKING

® Een produkt van Burroughs Wellconne & Co., Londen

LABORATORIA NOBILIS-VERAPHARM
TEL. 05220 - 17 45 - MEPPEL - CEINTUURBAAN

-ocr page 625-

gehouden te Utrecht
op 8, 9 en 10 juni 1966

-ocr page 626-

Vi a

f ;
u

-ocr page 627-

G. Wagenaar, Welkomstwoord........1433

Mr. C. Th. E. van Lynden van Sandenburg, Openingswoord 1436

Ir. Dijkstra, Bouwplannen.........1436

C. H. W. de Bois, Uitreiking van de Schornagel medaille . . 1437
]. van der Hoeden, Dankwoord........1439

H. J. Hendriks, I. Mulder, ]. Elema and L. Seekles, Bio-
chemical aspects of acetonaemia in cattle
......1441

K. E. Dijkmann, De conservering van verse vis met natrium-
metabisulfiet (NaiSiOa) ten behoeve van de nertsenhouderij —
Preservation of fresh fish with sodium-metabisulfite (Na^SzOs)

for the benefit of minkfarms —........1449

W. K. Hirschfeld en A. Hoogerbrugge, De voedering van de
nerts met geconserveerde vis, door natrium-metabisulfiet
(Na-iS-iOs), en de invloed daarvan op voortplanting en gezond-
heidstoestand — The feeding of m.ink with fish, preserved with
sodium-metabisulfite (NaiS-iO^) and the influence on repro-
duction and health
—..........I455

J. Jansen Jr., De betekenis van de nematodeninfecties bij het
wilde zwijn (Sus scrofa L.) in verschillende Nederlandse re-
vieren — The nematode fauna of the wild boar (Sus scrofa L.)
in different regions in the Netherlands
—......1466

G. P. A. Frijlink, Luchttransport van dieren — Air-transport

of animals —............1469

C. Romijn, Enkele aspecten van het leven op grote hoogte —

Some aspects of life at high altitudes —......1474

A. S. J. P. A. M. van Miert, Het reactiepatroon van herkauwers
op de toediening van pyrogenen — Artificially induced fever in
ruminants following the i.v. injection of several pyrogens
— 1458
T. J. Grommers, Enige veterinaire aspecten van de huisvestings-
systemen voor rundvee in Nederland — Some veterinary aspects
of housing systems for cattle in the Netherlands
— . . . 1496

J. A. Renkem,a, Het melkveebedrijf in de toekomst — The
dairy-cattle farm in the future
—.......I5I 1

J. W. E. Stam, Salmonellose bij postduiven — Salmonellosis

in carrier-pigeons —..........1519

S. R. Numans, Retentio en luxatio patellae bij paard en rund —
Retention and luxation of the patella in the horse and the
cow —
..............1524

J. Hendrikse, Inseminatie-intervallen — Insemination inter-

— . . . ...........1529

A. W. Kersjes, J. F. Frik en C. G. van de Watering, Bacteriele
ostitis bij runderen — Bacterial ostitis in cattle
— . . . . 1537
P. Krediet, De macroscopische anatomie van „vlees" — The
macroscopical anatomy of meat
—.......1547

H. J. W. Keidel, De microscopische structuur van vlees —

The microscopical structure of meat —......1551

C. J. A. H. V. van Vorstenbosch, Submicroscopische structuur

van vlees — Sub-microscopical structure of meat — . . 1556

IHHOUD

-ocr page 628-

J. H. J. van Gils, Pathologische veranderingen in vlees —

Pathological changes in meat —........1557

ƒ. G. van Logtestijn, Postmortale veranderingen in vlees en
gevolgen daarvan — Postmortal changes in meat and their

consequences —............1563

C. L. ten Gate, Vlees als grondstof voor verwerking — Meat

as a material for manufacturing —.......1571

M. J. H. Geelen, D. L. van Rheenen, H. J. Hendriks and
L. Seekles, Histamine in the blood of dairy cows in connection

with nutrition tetany (grass tetany).......1577

Th. de Groot, Een bezoek aan een denkbeeldig „probleem-
bedrijf" — A visit to an imaginary „problem-farm"
— . . 1591
J. W. Gunnink, Een nieuw facet van infecties met C. pyogenes
bij het rund — A new facet of infection with C. pyogenes in

the cow —.............1601

A. H. ]. Visschedijk, De permeabiliteit van de schaal en de
allantoisvaten tijdens het broeden van het kippeëi — The per-
meability of egg shell and allantois and its changes during

incubation —............1609

A. van der Schaaf, De weerstand van het darmkanaal tegen
enterogene infecties — The resistance of the intestinal canal

against enterogenic infections —........1613

R. A. Prins, Enkele aspecten van de stofwisseling in de pens —

Aspects of metabolism in the rumen —•......1619

]. M. V. M. Mouwen, S. S. de Lange-Koopmans en Th. A.
M. Elsinghorst, Ribveranderingen bij varkenspest — Changes
in the ribs of pigs suffering from swine fever
— . . . 1624

G. Wagenaar, De diagnostiek van longafwijkingen — The

diagnosis of pulmonary affections —.......1637

J. Frens, Een kalmeringsmethode voor katten — Tranquilli-

zation in cats —............1649

P. Zwart, Vitamine A gebrek bij moerasschildpadden — Vita-
min A deficiency in Terrapins
—........1657

W. J. Roepke, Kreupelheden en verlammingen bij de kip —

Lameness and paralysis in fowl —.......1662

G. H. B. Teunissen, Diabetes mellitus — Diabetes mellitus — 1671
F. G. Poelma, Ziekten bij halfapen — Diseases in Lemurs
— 1678
C. A. van Dorssen, De Ecuyers, Rijkunst, Paardenkennis en
Paardengeneeskunde in de I6e, 17e en I8e eeuw
.... 1692
Demonstratie aan het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire

Chemie —.............1698

Demonstratie aan de Kliniek voor Heelkunde.....1699

Demonstratie aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten . 1700

Demonstratie aan de Kliniek voor Kleine Huisdieren . 1705

Demonstratie aan de Kliniek voor Veterinaire Verloskunde en

Gynaecologie............1710

Demonstraties aan het Openbaar Slachthuis te Utrecht . 1711

-ocr page 629-

VETERINAIRE WEEK 1966

Welkomstwoord

door G. WAGENAAR1)

Dames en Heren,

Gaarne heet ik U allen van harte welkom op deze openingszitting van de
Veterinaire Week.

De voorbereidingen tot deze Veterinaire Week hebben mij wel eens de in-
druk gegeven alsof wij bezig waren me^ het voorbereiden van een nieuwe
internationale treinverbinding. In ons geval een lijn naar een nieuw, in
ontwikkeling zijnd gebied, een gebied dat wij b.v. „dierenartsenland"
zouden kunnen noemen.

Al tijden lang zijn er voorbereidingen getroffen, de route is uitgestippeld
en de vertrekdatum is vastgesteld. Lang van tevoren heeft een commissie de
samenstelling van de trein al bestudeerd, de volgorde van de rijtuigen vast-
gesteld, alsmede het aantal rijtuigen. Wanneer men hierbij bedenkt, dat
dierenartsen in de regel niet lang van te voren bespreken, dan zult U be-
grijpen dat het vaststellen van de lengte van de trein een moeilijke opgave
was. Een speciaal damescomité was aanwezig om ervoor te zorgen dat ook
de moderne vrouw zich in deze trein geheel thuis zou voelen.
In het dierenartsenland zijn ook stopplaatsen ingelast, zodat ieder in dat
gebied kan uitstappen waar hij zich het meest toe voelt aangetrokken.
En nu is het dan zover dat deze trein op het station op het punt staat
te vertrekken. Aan mij is thans de eer om een aantal eregasten, die deze
eerste reis zullen meemaken, van harte welkom te heten.

Gaarne heet ik dan ook bijzonder welkom U, Mijnheer de President Cura-
tor van onze Universiteit, U zult voor deze Veterinaire Reis, evenals zovele
malen eerder, ook vandaag officieel het vertreksein geven.
Het verheugt ons, dat U vandaag deze plechtigheid zult kunnen verrichten
op een steenworp afstand van de nieuwbouw van onze faculteit. Wij hopen
innig, dat deze nieuwbouw met grote voortvarendheid zal kunnen worden
voortgezet.

Wanneer wij een ogenblik stilstaan bij de feiten, dan zien wij dat onze
faculteit geen numerus clausus kent. Het grote aantal studenten van de
laatste jaren (± 180) zal op een verantwoorde wijze moeten worden op-
geleid. Het is nu reeds duidelijk dat de opleiding van deze grote groepen
studenten een te groot beroep doet op de wetenschappelijke staf, zodat er
geen of weinig tijd voor onderzoek overblijft. Wanneer deze grote stroom
echter in de klinische jaren komt, en het is thans zover, dan worden de
moeilijkheden nog extra-groot. Veel studenten betekent veel patiënten en
veel patiënten betekent ruimte, personeel enz.

Er zijn in ons land 7 medische faculteiten op een bevolking van 12 miljoen
zielen. Er is echter slechts één Veterinaire Faculteit op een dierenbevolking

1  Prof. Dr. G. Wagenaar; hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de
Rijksuniversiteit, voorzitter van de Gommissie voor de Veterinaire Week 1966;
Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 630-

van dr 3 miljoen runderen, ± 4 miljoen varkens, ± 800.000 honden, meer
dan 1 miljoen katten, honderdduizenden paarden en schapen en ± 30
miljoen stuks pluimvee.

Geen vergelijkbare grootheden zult U zeggen, neen dat is mogelijk zo, maar
ziekte is ziekte en deze treft het dier niet minder dan de mens. En wij
leven in 1966 toch waarachtig wel in een tijd waarin wij ervoor hebben te
zorgen dat de dieren, die wij ten onze nutte houden, zo goed mogelijk be-
schermd worden tegen ziekte.

Ik noem U dit, niet omdat U het niet zou weten, maar om nog eens
extra de klemtoon te leggen op het feit, dat wij deze nieuwe faculteit èn
voor onze opleiding èn voor ons onderzoek zo bitter nodig hebben.
Gaarne spreek ik de hoop uit, dat U een volgende Veterinaire Week zult
kunnen openen temidden van onze eigen nieuwe gebouwen.

Als volgende passagier heet ik ook gaarne welkom de Rector van onze
Academische Senaat. Wij stellen het op hoge prijs, dat U, Mijnheer de
Rector, deze openingsrit wilt meemaken. Het verheugt mij de aanwezigen
te kunnen mededelen, dat U juist voor de openingszitting bij U thuis ver-
blijd bent met de geboorte van een ponyveulen.

Lang heb ik nagedacht of de diergeneeskunde U op deze dagen iets van
waarde zou kunnen meegeven voor de tandheelkunde. Zoals U weet is de
tandheelkunde in de diergeneeskunde niet zo belangrijk. Wij kennen n.1.
het cariësprobleem lang niet in dezelfde mate als bij de mens. Nu is er één
kenmerkend verschil tussen de dieren en de mens, een verschil dat mogelijk
de oplossing zou kunnen zijn van het cariësprobleem, n.1. dat dieren niet
praten en de mens wel. Mijnheer de Rector, wij dierenartsen gaan, tand-
heelkundig gezien, weer slechte dagen tegemoet.

Gaarne heet ik ook welkom de vertegenwoordiger van onze zusterfaculteit
in Gent. Wij prijzen ons altijd gelukkig als wij, hetzij bij U in Gent, hetzij
bij ons in Utrecht, onze contacten kunnen verstevigen.

Hetzelfde geldt voor U, Mijnheer de Vertegenwoordiger van de Land-
bouw-Hogeschool in Wageningen. De diergeneeskunde heeft zoveel land-
bouwkundige aspecten, dat wij een goede samenwerking niet alleen op
prijs stellen, maar ook nodig hebben.

Gaarne heet ik hier ook welkom Ir. A. J. R. Dijkstra, hoofd van het
Bureau Bouwzaken, met zijn medewerkers. U en Uw medewerkers zijn
dagelijks voor onze belangen in de weer en de resultaten zijn aan het
einde van de morgen te zien. Gaarne dank ik U voor het feit dat U straks
een toelichting zult geven op de rondleiding die wij gaan maken en dat
Uw medewerkers ons zullen vergezellen bij die rondleiding.

Natuurlijk is hier aanwezig de Voorzitter van de Koninklijke Maatschappij
voor Diergeneeskunde met zijn medebestuurders. Mijnheer de Voorzitter, ik
heb al zoveel treinreizen met U gemaakt naar verschillende EEG-con-
ferenties, dat ik zeker weet dat U deze treinreis wel zal bevallen.

Ook hoop ik, dat de Directeur van de Veeartsenijkundige Dienst, voor wie
ook internationale reizen niet onbekend zijn, zich in deze trein goed thuis
zal voelen. Wij weten dat U, op allerlei gebied, veel te regelen en te ver-
zorgen heeft. Wij stellen het op prijs, dat U de gelegenheid hebt gevonden
hier vandaag aanwezig te zijn.

-ocr page 631-

Eveneens geldt mijn welkom voor de Secretaris van het Landbouwschap.
De functie van het landbouvs^schap in de diergeneeskunde is zo belangrijk,
dat wij U hier niet graag zouden hebben gemist.

Ook heet ik welkom, en U zult mij vergeven dat ik hen niet allen noem,
de directeuren van de verschillende grote onderzoekingsinstituten die op
het gebied van de diergeneeskunde werkzaam zijn.

Gaarne wil ik één van de aanwezigen hier bij naam bijzonder welkom
heten, het betreft n.l. één van onze senioren. Prof. Dr. J. van der Hoeden
uit Israël.

Als laatste heet ik welkom de pers. Dierenartsen timmeren niet graag
aan de weg, hun werk ligt meestal op plaatsen die ver liggen van de be-
woonde wereld. Toch moet de dierenarts zorgen, dat hij juist daar. vol-
komen up-to-date, zijn werk kan blijven uitoefenen. Dat velen van hen uit
hun werk zijn gekomen om deze dagen mee te maken, mag dan ook wel
eens extra worden gememoreerd.

Dames en heren, iedereen is ingestapt, gaarne geef ik thans het woord
aan onze President Curator.

-ocr page 632-

Openingswoord ter gelegenheid van de
Veterinaire Week 1966

Na de wcxjrden van welkom, uitgesproken door de Voorzitter van de Coni-
niissie voor de Veterinaire Week 1966, werd deze geopend door de Voor-
zitter van het College van Curatoren, Mr. C. Th. E. vanLyndenvan
S a n d e n b u r g, die in het kort een overzicht gaf van de moeilijkheden
welke waren te overwinnen en de complicaties die zich voordeden bij de
jongste ontwikkeling van de Universiteit en de verplaatsing der activiteiten
naar „de Uithof\'.

Men kon zich nochtans gelukkig prijzen thans de Veterinaire Week in het
Transitorium te kunnen openen en haar gedeeltelijk aldaar te doen plaats
hebben.

Hierna werd door Ir. D ij k s t r a aan de hand van aanwezige kaarten
een overzicht gegeven van de vordering van de bouw van enkele gedeelten
van de Faculteit der Diergeneeskunde.

-ocr page 633-

Uitreiking Schornagei-medaiile

aoor C. H. W. DE BOIS1)

Mijnheer de Voorzitter,
Dames en Heren,

Na het overlijden in 1947 van Prof. Dr. Schor nagel, die van 1919
af hoogleraar was in de algemene Ziektekunde en Ziektekundige ontleed-
kunde, werden door een groot aantal Nederlandse dierenartsen gelden
bijeengebracht met het doel daardoor de herinnering aan deze vooraan-
staande geleerde blijvend levend te houden.

Een gedeelte van deze gelden werd bestemd voor de vervaardiging van een
plaquette, met de beeltenis van Prof. Dr. H. Schornagel, welke pla-
quette is aangebracht in de collegezaal van het Pathologisch Instituut.
Zoals U zich zult herinneren, vond in 1957 de onthulling van dit reliëf
plaats tijdens de toen gehouden Veterinaire Week.

Van het resterende gedeelte van het bijeengebrachte bedrag werd het Prof.
Dr. H. Schornagelfonds gesticht, dat onder beheer werd gesteld van de
„Stichting Jubileumfonds der Veeartsenijkundige Hoogeschool 1921",
waarvan de hoogleraren van de Faculteit der Diergeneeskunde van de
Rijksuniversiteit te Utrecht het bestuur vormen.

Volgens de statutaire voorschriften zullen uit de opbrengst van het fonds
— ik citeer hier letterlijk —, telkenmale wanneer hiertoe aanleiding is,
één of meer in edel metaal uitgevoerde legpenningen worden bekostigd en
bij een hiertoe passende gelegenheid worden uitgereikt aan de in Neder-
land gepromoveerde of werkzame academicus (academici), die zich uit-
zonderlijk wetenschappelijk verdienstelijk heeft (hebben) gemaakt op het
gebied der ziektekunde van het dier in de ruimste zin des woords.

Voor de eerste maal zal — sinds dit fonds is gesticht — thans de gouden
Schornagel-medaille worden uitgereikt en het is mij een voorrecht U
namens het Stichtingsbestuur te kunnen mededelen dat deze eervolle
onderscheiding is toegekend aan:

Doctor J. van der Hoeden, hoogleraar in Israël.

Hooggeachte Prof. Dr. J. van der Hoeden

Het verheugt ons ten zeerste dat U op Uw leeftijd de energie en de be-
reidheid hebt willen opbrengen om vanuit Israël naar ons land te komen
teneinde persoonlijk deze onderscheiding in ontvangst te nemen.

Gedurende meer dan 40 jaren hebt U uitzonderlijk goed wetenschappelijk
werk verricht op het gebied van de zoönosen, speciaal dat van de brucel-
losis en leptospirosis bij mens en dier. Hoe belangrijk Uw leptospirosis
onderzoek voor de Nederlandse veehouderij ook heden ten dage nog is.

1  Prof. Dr. C. H. W. de Bois; hoogleraar aan de Faculteit der Diergeneeskunde van
de Rijksuniversiteit; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 634-

moge blijken uit de moeilijkheden die er onlangs gerezen zijn bij de in-
en export van kostbaar fokvee in en uit verschillende landen van Europa.

De talrijke publikaties en de verschillende voortreffelijke boekwerken die
van Uw hand zijn verschenen getuigen van Uw niet aflatende werkkracht
en van Uw grote wetenschappelijke belangstelling. Ongetwijfeld is het
handboek getiteld: „De Zoönosen" één van Uw belangrijkste werken,
waarvan de oorspronkelijke tekst geschreven werd onder de voor U wel
zeer benarde omstandigheden van de jaren 1940-\'45. Het tot stand bren-
gen van dit werk vormt mijns inziens een treffend bewijs van Uw on-
tembare levensmoed en van Uw hartstochtelijke belangstelling voor Uw
vakgebied. Ongetwijfeld moet het voor U een grote voldoening zijn ge-
weest toen in 1964 van dit werk een herziene uitgave in de Engelse taal
verscheen, die onder Uw leiding en mede door de gezamenlijke inspan-
ning van IsraëHsche en Nederlandse wetenschapsbeoefenaars tot stand
kwam. Dit belangrijke werk heeft dan ook terecht alom waardering en er-
kenning verworven.

Het is niet te veel gezegd, dat U door de wijze waarop U de wetenschap
hebt gediend en nog steeds dient, bent uitgegroeid tot een figuur van
internationale vermaardheid.

U staat tevens bekend als een erudiet en bescheiden mens en ik meen
dan ook in overeenstemming met deze laatste karaktereigenschap van U
te handelen door mij te berperken tot deze korte opsomming van Uw
werk en verdiensten.

Namens het Stichtingsbestuur wens ik U van harte geluk met de toeken-
ning van deze gouden Schornagel-medaille, die ik U hierbij volgaarne
overhandig.

-ocr page 635-

Dankwoord

door J. VAN DER HOEDEN1)

Mijnheer de President Curator der Rijksuniversiteit,

Mijne Heren Professoren van de Faculteit der Diergeneeskunde,

\'Aeer geachte aanwezigen.

De geneeskunde der mensen en die der huisdieren zijn gegrondvest op de-
zelfde natuurwetten die alle normale en abnormale levensverrichtingen be-
heersen. Daarom zou het rationeel zijn te spreken van
de geneeskundige
wetenschap als een éénheid, waarin verschillen teruggevoerd kunnen worden
tot het uiteenlopende reactievermogen en de ongelijke weerstanden die
kenmerkend zijn voor de diersoorten onder de hun eigen oecologische le-
vensomstandigheden.

Bij de bestudering der langs natuurlijke weg overdraagbare ziektes trekt de
dierenarts lering uit deze species-specifieke reacties, hetgeen hem dwingt
tot vergelijkende beschouwingen. Daarentegen beperken de waarnemingen
van de geneesheren van de mens zich tot slechts één species.
Homo sapiens.
Voor comparatieve studie moet hij zich bedienen van proefdieren, tenzij
het hem gelukt de medewerking van zogenaamde „vrijwilligers" te ver-
krijgen.

Het ligt voor de hand dat beide takken van de geneeskunde gebaat zijn
bij uitwisseling van hun kennis betreffende gelijke vraagstukken binnen
ieders studiegebied, dus bij samenspraak der beide scholen.

Ik heb gedurende mijn bijna 50-jarige loopbaan het voorrecht gehad, afwis-
selend werkzaam te zijn geweest in humaan- en veterinair-medisch ver-
band, waarvan ruim 30 jaren in het gematigde klimaat van Nederland en
meer dan 17 jaren in het grotendeels subtropische en tendele tropische
Israël. Daardoor zijn mij gunstige gelegenheden geboden mijn onderzoe-
kingen te richten naar het gebied der Zoönosen, waar humaan- en vete-
rinair georiënteerde artsen elkaar bij hun medische ontginningsarbeid
ontmoeten.

Dank zij de mij geboden kansen heb ik mij kunnen toeleggen op vraag-
stukken betreffende pathogenese en epidemiologie van verschillende dier-
ziektes die op de mens kunnen overgaan, met inbegrip van huisdieren,
knaagdieren uit de polders van Utrecht en Zuid-Holland, de heuvels van
Galilea, de woestijngebieden van de Negev en de havens van Haifa en
Jaffa.

Nieuwe zoönotische gastheren werden gevonden in egels en jakhalzen zowel
als in teken en regenwormen.

Dat mij, op aanbeveling van de hoogleraren van mijn Alma mater de
gouden Prof. Dr. H. Schornagel medaille uit het Jubileum-fonds van de
Veeartsenijkundige Hogeschool is toegekend, stemt mij tot grote voldoening
en dankbaarheid. Naast de vreugde waarmede de wetenschappelijke arbeid
zelve de onderzoeker beloont, verschaft Uw welwillende beoordeling van
mijn arbeid mij een onverwacht gevoel van blijdschap.

1  Prof. Dr. J. van der Hoeden; Hoofd van de Afdeling van Epidemiologie van het
„Israëli Institute for Biological Research", Ness Zonia (Israël).

-ocr page 636-

Het verheugt mij eveneens dat ik uit Uw besluit mede een blijk meen te
mogen zien dat U mij nog steeds tot een der Uwen rekent, ondanks mijn
vertrek uit het vaderland Nederland, en mijn vestiging in, zoals de bijbelse
term luidt, het Land der Vaderen, Israël.

Het bezit van deze medaille heeft voor mij een bijzondere waarde door-
dat daaraan verbonden is de naam van mijn leermeester, professor Schor-
nagel. De kennis van de pathologie der dieren die mij nog schier dagelijks
te nutte komt, is mij bijgebracht door zijn wetenschappelijk hoogstaand
onderwijs.

Nog vele jaren na de beëindiging van mijn schoolstudie heb ik de bij-
woning van zijn wekelijkse demonstraties voortgezet en, bij menig onder-
zoek in latere jaren, heb ik profijt gehad van zijn kritische oordeel en
waardevolle raadgevingen.

Staat U mij toe, hooggeleerde heren, mij op deze plaats te kwijten van een
verzoek van de
Histraduth Haroof\'iem Haveterinari\'iem be Israël, de Is-
raëlische Maatschappij voor Diergeneeskunde, door haar diepgevoelde er-
kentelijkheid en hoogachting te betuigen voor Uw zeer belangrijke bijdrage
bij het streven naar de vorming en instandhouding van een hoogwaardig
veterinair corps, en wel door bij herhaling een aantal jonge Israëliërs die
helaas in het eigen land nog niet kunnen worden opgeleid, toe te staan hun
studie voor dierenarts aan Uw befaamde faculteit te volbrengen. De daar-
bij verkregen resultaten zijn gekenmerkt dooi het in Israël algemeen
erkende axioma dat de alumni van Uw school in wetenschappelijke en
praktische zin onder de best onderlegde nieuwkomers worden gerekend.

Het is mij bekend dat er plannen in overweging zijn geweest tot de tot-
stand-brenging van een gezamenlijke vervolgcursus in tropische dierziektes
waaraan zowel Nederlandse als Israëlische docenten en leerlingen zouden
deelnemen. De verwerkelijking van dit plan zal van Israëlische zijde bij-
zonder worden gewaardeerd, niet het minst omdat dit de mogelijkheid
zou scheppen om in zekere mate te vergoeden hetgeen Nederland hen
reeds zo ruimschoots heeft geboden.

Moge in de toekomst de reeds bestaande kern van samenwerking tussen de
beoefenaren der geneeskundige wetenschappen — en vooral de veterinair
georiënteerde — in beide landen uitgroeien tot een hechte coöperatie.

-ocr page 637-

Biochemical aspects of acetonaemia in cattle

by H. J. HENDRIKS, I. MULDER, J. ELEMA*)
and L. SEEKLES**)

From the Laboratory of Veterinary Biochemistry, Veterinary
Faculty, State University of Utrecht (The Netherlands).

I. Provoking acetonaemia

In 1963 in one of the sessions of the postgraduate course for Dutch vete-
rinarians the first author gave a review of his experiments on provoking
acetonaemia in cattle (Hendriks, 1963). The background of the expe-
riments was a paper by S c h u 11 z (1959), in which the author described
a number of measures to prevent acetonaemia. In relation to our work the
most important measures were:

1. do not change the radon suddenly,

2. be sure that after parturition the ration is adequate,

3. at the time of parturition the cows should not be too fat.

By giving 8 kg of the so-called fodder cakes El) per diem and hay ad lib.
starting 3 weeks before the calculated day of parturition (preliminary
period), followed by giving 3 kg of the same cakes and 1 kg of hay (me-
dium quality) both
per diem, it was possible to provoke acetonaemia. The
caloric content of this ration appeared to be 60—75% too low. The paper
mentioned above gives an account of the experiments during the winter
season 1962/1963 with 11 cows. One cow did not respond (total concen-
tration of acetone bodies in the blood lower than 10 mg%), three cows
showed a moderate response (maximum values of acetone bodies between
10 and 15 mg%). In 7 cows we found a rather large rise in the blood
acetone bodies concentration (maximum values > 15 mg%).
During the winter season of 1964/1965 the authors carried out experiments
with 10 cows. In one case a moderate rise in the blood acetone bodies
concentration has been shown, in one case no rise and in 8 cases a rise up
to 15 mg%. In the winter period 1965/1966 two cows showed a moderate
response and 5 cows a good response.

In total the authors performed the experiments with 28 cows. Table 1
gives a reviev/ of the responses.

*) Dr. H. J. Hendriks, Dr. I. Mulder and Dr. J. Elema; members of the Sciendfic

Staff of the Sate University of Utrecht, 172 Biltstraat, Utrecht.
"■*) Prof. Dr. L. Seekles; professor of Veterinary Biochemistry, State University of
Utrecht, 172 Biltstraat, Utrecht.
Composidon:

„lin cakes"

20 %

minerals

2.5%

soybean meal

17.5%

molasses

5 %

cotton seed meal

25 \'%

crude protein

.36 %

groundnut meal

5 %

digesdble crude protein

32 %

soybeans

15 %

crude fat

5.4%

salt

1

starch value

65.8

-ocr page 638-

Table 1.

Review of the responses to the treatment.

moderate response.

no response.

acetone bodies

good response.

acetone bodies

concentration

acetone bodies

concentration

in blood between

concentration

period in

blood < 10 mg%

10 and 15 mg%

in blood > 15 mg-^

total

1962/1963

1

3

7

11

1964/1965

1

1

8**)

10

1965/1966

0

2

5

7

2

6

20 *)

28

*) The highest value found appeared to be 50 mg%.
**) Two of the cows had a history of spontaneous acetonaemia.

The following comment has to be made. The gradation used viz. „no
response", „moderate response" and „good response" has been chosen ar-
bitrarly. The gradation „no response" does not mean, that there was no
response at all. In most cases there was really a small rise in the level ot
acetone bodies in the blood. In the winter season 1962/1963 the total con-
centration of acetone bodies has been determined with the method pu-
blished by the fourth author (S e e k 1 e s, 1963). In the other later periods
a new chemical method has been used with which it was possible to deter-
mine the different fractions (Seekles, will be published elsewhere).
There was a good agreement between both methods.

In all blood samples the glucose concentration has also been determined
by means of a modified Hagedorn and Jensen method (D e W a e 1 and
Van derWouden, 1948), the blood glucose being low in all cases
of acetonaemia. For further information on this subject we refer to the
paper by Hendriks (1963) giving the changes of the blood glucose
concentrations of cows used in our 1962/1963 experiments. The lowest
value found was about 30 mg%.

It may be wondered, why 2 cows of the total number of 28 did not react
at all and 6 cows showed a moderate response. It is the authors\' opinion
that there is a connection between the condition of the cows at the time of
parturition and the response to the experimenal treatment. In general it
can be said that the fatter the cows are, the beter the response. During
the 1962/1963 season one non-responding cow did not grow fat. Possibly
this was due to the fact that a severe mastitis developed shortly after
parturition. According to the veterinary surgeon who has treated the
animal it might be possible that this disease was already present in the
preliminary experimental period. One of the cows respondig moderately
calved after a short preliminary period of 11 days. The same applies to
the second cow that calved after a preliminary period of 10 days. The
third cow however calved 27 days after starting the preliminary period,
but this cow did not grow fat during this period at all.
As mentioned before, in the period 1964/1965 one cow reacted moderately.
Though in this case the preliminary period lasted 20 days the cow did not

-ocr page 639-

grow fat. In the case of one cow showing a moderate response the period
between the beginning of the experiment and the day of parturition lasted
16 days only.

In the 1965/1966 season two cows showed a moderate reaction. In the
first case the preliminary period lasted 17 days but the cow did not grow
fat. In the second case this period lasted 9 days only and this cow did not
grow fat either (though the animal showed a very good response to the
experimental treatment in the 1964/1965 period (maximal concentration
of blood acetone bodies 24.5 mg%). The same applies to the first case.
From these results it follows that the condition at parturition
viz. the
amount of body fat is an important factor in the pathogenesis of acetonae-
mia. In general a preliminary period of three weeks will do, but some-
times the cows grow fat after a shorter period. Experiments have shown
that this type of cows responds well to our treatment.

During the winter season 1963/1964 a modified experimental design has
been used. There was no preliminary period before parturition. This period
started on the day of calving. All 7 cows had 8 kg of the so-called E cakes
per diem and hay ad lib. for three weeks (period A). After this period we
changed the ration to 3 kg of the same type of cakes
per diem and 1 kg
of hay (period B). In 4 cases no acetonaemia could be found in both
periods A and B. The remaining 3 cases developed acetonaemia in period
A. The cow Anna (with a history of spontaneous acetonaemia allready
mentioned before) had a maximal blood acetone bodies concentration of
about 52 mg% and a minimal blood glucose concentration of 25 mg%
during period A. This cow developed serious symptoms of indigestion so
the experiment had to be discontinued. The animal was cured by chlor-
amphenicol, vit. A and vit. D. The second one did not show indigestion,
but the third one did. This animal did not take up the fodder, was cold and
apathetic.

The influence of the experimental design on the milk production, milk fat
and the amounts of the different fractions of acetone bodies will be descri-
bed elsewhere.

II. Fatty acid metabolism

The acetonaemia problem cannot be studied without considering energy
metabolism of the animal. On the other hand abnormal energetic processes
in acetonaemia might throw light on energy problems in the normal
animal. From an energetic point of view three tissues are of utmost im-
portance. Firstly there is the liver, being the main biochemical factory of
the organism and also containing a stock of reserve fuel namely the car-
bohydrate glycogen. Secondly we have the adipose tissues where, as is
shown by recent studies, the fatty reserves of the organism are stored, fat
synthesis takes place and fatty acids are made free for transport to other
places in the animal body. In this connection metabolic processes regulated
by hormonal influences play a part. Thirdly the muscles should be men-
tioned which amongst other tissues are the most intensive fuel consuments.
However, considering milking cows, we should not forget the rumen and
the udder, the first being the source of the volatile fatty acids fuel, the
second consuming much biochemical energy for the synthesis of milk com-
ponents.

-ocr page 640-

Energy demand in general can be satisfied by carbohydrate or by fat. By
glycogenolysis in the liver glucose is set free to the blood stream which is
subsequently oxidized in the tissues. In the milking cow the glucose con-
centration in the blood is kept at a rather constant level of about 60 mg%
by hormonal influences. From adipose tissues free fatty acids (FFA, or
non-esterified fatty acids, NEF A) are released by lipolytic enzymes and
although the concentration of these NEFA in blood is also controlled by
hormones, this concentration varies widely even in the normal animal.
NEFA concentration is very low in rest after a meal
e.g. in well-fed cows
indoors as the rumen is never empty. In cow\'s plasma 5 mg% NEFA (200
,ueq/l) is quite normal. Various causes may raise the NEFA concentration
such as stresses, parturition, hunger and acetonaemia. Both in experimen-
tal acetonaemia described in part I of this paper as well as in cases under
farming conditions NEFA concentrations may rise to a ten-fold of the nor-
mal value.

The greater part of our investigations is based on analyses of blood sam-
ples. However, analysing a blood sample is no more than a snapshot. One
concentration only is measured, whereas we should like to know the influx
into and the uptake from the bloodstream of the various components stu-
died. Nevertheless the correlation found between the concentrations of
glucose, ketone bodies and NEFA in cow\'s blood is interesting. Under con-
ditions of acetonaemia ketone bodies increase (from 5 mg% normally
they raise to about 40 mg%) while the level of glucose is dropping (from
60 mg% it goes down to 40 mg% and less) and NEFA increase (from
5 mg% to some 50 mg%). In alle cases studied, NEFA concentration is
the first of the three to alter.

The forementioned results are in agreement with other work in this field
(Hansen, Johnson and Z a h a r k o, 1965; Radloff, Schultz
and Hoekstra, 1966). In cows acetone may be formed from NEFA if
the blood glucose is low whereas in other cases lower fatty acids from
the rumen could be a source of ketone bodies. Muscles can but liver can-
not oxidise higher fatty acids without giving rise to ketone bodies. So
in a well fed animal muscular work may result in high NEFA
concentrations without high amounts of acetone. High energy demand
combined with shortage of food as is the case in our experimental animals
causes the liver to oxidise fatty acid, as carbohydrate reserves get ex-
hausted, this giving rise to vast amounts of acetone.

Besides studying fatty acid concentrations the patterns of the NEFA or
free fatty acid fraction were examined as well as the total plasma fatty
acids including triglycerides and cholesterol esters. The fraction last men-
tioned is 10 to 20 times as large as the first one and varies with the diet.
■A. diet with a high linoleic acid content gives a total fatty acids pattern
in which linoleic acid dominates. The NEFA pattern is a litde more con-
stant, the fatty acids with more than one unsaturated bond being almost
lacking. Nevertheless variations in NEFA composition were interesting in
as much as the proportion of oleic to stearic acid could sometimes be
related to the state of the animal. This is in agreement with findings with
men and animals (O n o and Frederickson, 1964; Wood,
Schlierf and K i n s e 11, 1965) that oleic acid has a much greater
turnover rate than the saturated NEFA.

-ocr page 641-

Table 2.

Connections between the stage of the experiments, the NEF A concentrations,
the ratio of the concentrat \'.ons of oleic acid and stearic acid in this fraction.

NEFA concentration

Oleic acid
Stearic acid

Diet

Comment

no demand for fatty acids, lipo-
genesis and lipolysis in equilibrium

Start of experiment

low ( 5 mg%)

normal

normal

no demand for fatty acids, more
lipogenesis than lipolysis

3 weeks before parturition

low ( 5 mj% )

high

low

demand for fatty acids, no lipo-
genesis, lipolysis higher than oxi-
dation of lipids

no demand for fatty acids, lipo-
genesis and lipolysis in equilibrium

Parturition

high (15 mg%)

high

high

First days after parturition

low { 5 mg\'% )

low

normal

demand for fatty acids, no lipo-
genesis, often more lipolysis than
oxidation of lipids

1 - 3 weeks after parturition

high (30 mg%)

low

mostly high

1-2 weeks after experiment

has been terminated
_

low ( 5 mg%)

sometimes high
sometimes low

normal

no demand for fatty acids but may
be equilibrium is not always
reached

-ocr page 642-

The principal results are shown in Table 2. The agreement between theory
and practice seems to be good. Nevertheless questions still remain. Why has
oleic acid a higher turnover rate than NEFA?

What is the difference in the oxidation of unsaturated and saturated fatty
acids? Could differences in the proportions of oleic and stearic acid before
the experiment or at parturition time explain of forecast the individual
differences in sensitivity to acetonaemia? Answering these questions will
require much more experimental work. The experiments are being con-
tinued.

III. Aspects of liver metabolism

In order to determine the metabolic changes of the liver, liver biopsies
were taken immediately after parturition and again at a moment when the
acetone bodies in the blood had reached a maximum.
An impression of fat metabolism of the liver could be obtained by the fol-
lowing experiments.

1. The incorporation of acetate-l-i^C in the higher fatty acids of the lipids.

In this way the rate of formation of higher fatty acids from acetic acid
through the malonyl CoA pathway could be determined. It was shown
that a severe inhibition of the biosynthesis occurred. The mean inhibition
was 48% (range from 18% to 72%). The fact that, although the bio-
synthesis of higher fatty acids is decreased, a severe fatty infiltration of
the liver is observed, must be due to a transport problem of the fat through
the walls of the liver cells.

2. Glycogen content of the liver.

Micro-glycogen determinations were carried out according to F o n g,
Schaffer and Kirk (1953). In all cases of ketosis a much lower gly-
cogen content of the liver was observed (mean 51.8% from the first biopsy;
range 88.9% to 13.8%).

3. Protein content of the h\'ver.

Micro-protein determinations were performed using a modified biuret
reaction. Protein levels of the liver cells were also decreased, (mean 78.7%
of the protein content from the first biopsy; range 59.7% to 87.3%).
The general picture obtained from these analyses is one of either a starva-
tion ketosis or clinical acetonaemia
viz. a severe fatty infiltration combined
with a decreased biosynthesis of higher fatty acids, a sharp fall in liver gly-
cogen and a moderate decrease of liver protein content.

SUMMARY.

A method for provoking acetonacmia by a sudden drop of the energy content of the
ration after parturition in cattle has been described. It was shown, that experimental
cows being fat at parturition gave good responses (developed acetonaemia).
The fatty acid metabolism has been studied during the course of the experiments.
In our cases of acetonaemia the NEFA concentration is raised before blood glucose
concentration drops, and blood acetone bodies concentradon increases. A review of
the results of this part of the paper has been given in table 1, showing a fair agreement
between theory and pracdce.

Liver samples have been taken shortly after parturition and when the cows had
acetonaemia. The analysis showed that the liver glycogen content of the second

-ocr page 643-

sample was lower than of the first sample. The protein content dropped less distinctly.
Furthermore the second sample contained much fat. The synthesis of the higher
fatty acids (from measurements with acetate-l-"C) seems to be diminished. This
in relation to a probable greatly diminished transport of fat through the wall of the
liver cells, leads to the fatty infiltration. As some question still remain the experiments
will be continued.

SAMENVATTING.

Ecu methode werd beschreven om acetonemic bij runderen op te wekken door na de
partus de energieinhoud van het voeder plotseling te verminderen. Gesteld kan
worden, dat de eieren, die bij de partus vet waren goed reageerden op de behandeling
en acctonemie kregen.

Dc stofwisseling der vetzuren werd tijdens de proeven bestudeerd. Aangetoond werd,
dat in onze gevallen van acetonemic de zg. NEFA-concentratie steeg voordat de
bloedglucoseconcentratie daalde en de concentratie aan acetonhchamen in het bloed
steeg. Voor een overzicht van de resultaten van dit deel van de publikatie wordt
verwezen naar tabel 2, die een behoorlijke mate van overeenstemming weergeeft
tussen theorie -n praktijk.

Levermonsters werden genomen na de partus en wanneer de proefkoeien duidelijk
acetonemisch waren. Het chemisch onderzoek leerde, dat het glycogeengehalte van
de tweede monsters lager was dan van de eerste monsters. Het eiwitgehalte was
minder duidelijk gedaald. Voorts bevatten deze tweede monsters veel vet. De synthese
der hogere vetzuren bleek verminderd te zijn (metingen met behulp van
acetaat-1-"C). Dit, gekoppeld aan een waarschijnlijk sterk verminderd transport
van vet door de membranen der levcrcellen, leidt tot deze vettige infiltrade.
Daar sommige problemen nog onopgelost bleven, zal het werk voortgezet worden.

LITERATURE.

Kons, J., Schaff er, F. L. and K i r k, P. L.: The Ultramicrodetcrmination

of Glycogen in Liver. Arch. Biochem. Biophys., 45, 319, (1953).
Hanson, P. G., Johnson, R. E. and Z a h a r k o, D. S.: Correlation between
ketone body and free fatty acid concentrations in the plasma during early starvation
in man.
Metabolism, 14, 1037, (1965).
Hendriks, H. J.: Het opwekken van acetonemic bij het rund. Tijdschr. Dier-
geneesk.,
88, 1572, (1963).
O n o, K. and F r e d r i c k s o n, D. F.: The metabolism of i-iC-labeled cis and trans
isomers of octadecenoic and octadecadienoic acids.
J. Biol. Chem 239 2482
(1964).

Radloff, H. D., Schultz, L. H. and Hoekstra, W. G.: Relationship of
plasma free fatty acids to other blood components in ruminants under various
physiological conditions.
J. Dairy Sci., 49, 179, (1966).
Schultz, L. H.: Relationship of feeding to ketosis in dairy cattle. Feedstuffs, 31,
10, 15, (1959).

Seekles, L.; Inleiding tot het acetonemievraagstuk. De analytisch-chemische

methode. Tijdschr. Diergeneesk., 88, 1559, (1963).
Seekles, L.: will be published elsewhere (1966).

VV a e 1, J. d e en W o u d e n, M. V. d.: De onteiwittingsmethode van Fujita-Iwatake,
toegepast bij verschillende bloedsuikerbepalingen.
Ned. Tijdschr Geneesk 92
3749, (1948). \' \'

Wood, P., S c h 1 i e r f, G. and K i n s e 11, L.: Plasma free oleic and palmitic
acid levels during vigorous exercise.
Metabolism, 14, 1095, (1965).

-ocr page 644-

Discussie

Vraag: Prof. A. M. Frens, Wageningen:

De grenzen tussen de verschillende acetonlichamengehalten in het bloed
zijn door spreker gesteld op resp. < 10
mg%, 10- 15 mg%, en > 15
nig%. Is er is in deze grenzen ook een vaststelling besloten van het
gehalte aan acetonlichamen waarbij werkelijke ziektesymptomen op-
treden, dus waarbij „slepende melkziekte" gaat optreden?

Antivoord: Dr. H. J. Hendriks, Utrecht:

De genoemde grenzen zijn arbitrair gekozen. Er is geen relatie gevonden
tussen deze grenzen en het optreden van „slepende melkziekte". In de
voordracht is overigens het gebruik van de woorden „slepende melk-
ziekte" zorgvuldig vermeden.

Er wordt op gewezen, dat de opzet van het onderzoek was, het op-
wekken van acetonemie. Padënten met acetonemie waren nl. nodig
om bepaalde biochemische aspecten van deze afwijking uitvoerig te
bestuderen (leverstofwisseling, stofwisseling van glucose en aceton-
lichamen, vetstofwisseling, enz.).

Sommige dieren reageerden op het gebruikte regime met sufheid, andere
dieren waren prikkelbaar. In het algemeen duurde het enige dagen
vóór de dieren na afloop der proef weer aan het normale voeder
gewend waren. Hooi werd goed opgenomen.

Vraag: Mevr. Drs. A. Beuvery-Asman, Capelle a/d IJssel:

Hoe was de uitscheiding van de acetonlichamen in de urine?

Antwoord: Dr. H. J. Hendriks, Utrecht:

In verband met het feit, dat het biochemisch-pathologisch chemisch
meer interessant is om de acetonlichamenconcentrade in het bloed te
bepalen, werd de urine niet onderzocht, althans niet konsekwent. Slechts
een enkele maal werd met behulp van de zg. „Acetest" tabletten een
schatting gemaakt van de concentratie van bovengenoemde bestanddelen
in de urine. Nieuwe gezichtspunten heeft dit niet opgeleverd.

-ocr page 645-

De conservering von verse vis met natrium-
metabisulfiet
fNaaSgOsJ ten behoeve van de
nertsenhouderij

Preservation of fresh fish with sodium-metabisulfite
(Na2S20z) for the benefit of minkfarms.

door K. E. DIJKMANN1)

Uit het Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong
van de Faculteit der Diergeneeskunde.

Ruim 2 jaar geleden werden op inidadef van de Nederlandse Vereniging
van Fokkers van Edelpelsdieren de eerste voorbereidingen getroffen voor
een onderzoek naar de conserveringsmogelijkheden van verse zeevis met

natriummetabisulfiet (Na2S205). .

De directe aanleiding daarvoor was een verslag van een lezing op een
congres in Helsinki, waaruit bleek dat Russische en Skandinavische onder-
zoekers verse Oostzeeharing met I/2 ä 2% Na2S205 hadden verkleind
cn dit produkt zonder koeling in goed gesloten houten vaten ye e maanden
sroed konden houden. Alleen werd de partij beschei-md tegen felle koude en
directe zoninwerking om bevriezing, resp. beschadiging door uitdroging der
vaten te voorkomen. De inhoud was na 10 tot 14 maanden nog m prima
staat. Bij het verstrekken van het aldus geconserx\'eerde voeder aan nertsen
werden geen nadelige gevolgen geconstateerd.

Deze nieuwe methode zou wel eens niet onaanzienlijke economische voor-
delen kunnen bieden boven het tot nu toe gebruikte diepgevroren be-
waren van rauwe vis. Het nertsenvoer bestaat over het algemeen uit 40%
vis en/of visafval, 40% vlees en/of vleesafval en 20% plantaardig materiaal
Terwijl de aanvoer en de prijzen van vlees en het plantaardig materiaal
gedurende het gehele jaar slechts weinig variëren, zijn er bij vis aanzien-
lijke verschillen. .

In bepaalde tijden van het jaar is de aanvoer van vis groot en mede daar-,
door de prijs laag; in andere tijden is het andersom. Omdat de periode
van de hoge prijzen voor een groot deel valt in die van de grcwtste be-
hoefte aan voer — vele jonge nertsen — werd tot nu toe vis m de „goed-
kope" tijd gekocht en diepgevroren bewaard. Hieraan waren uiteraard
niet onaanzienlijke kosten verbonden door o.m. de investeringen in en
het onderhoud van grote diepvriesinstallaties. Conservermg van vis door
verhitting is minder gewenst, want hoewel de nertsen met beslist rauwe vis
moeten hebben, is dit toch wel voor de nertsen een meer aangewezen voed-
sel dan gekookte vis.

De metabisulfiet-conserveringsmethode leek dus zeer aantrekkelijk, want ze
is eenvoudig toe te passen en de opslagkosten zijn veel geringer.

De Nederlandse fokkers van edelpelsdieren waren toch voorzichtig genoeg
om niet klakkeloos deze buitenlandse ervaringen uit „verre" landen over
te nemen, te meer daar ook zij wisten dat sulfiet niet tot de ongevaarlijke

stoffen behoort.

Het geheel leek echter wel zeer de moeite waard een onderzoek te doen
naar de conserverende werking van genoemde stof en de invloed van aldus

1  Drs K E Dijkmann; Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong,
Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 166.

-ocr page 646-

geconserveerd voedsel op de nertsen en andere proefdieren. Er werd be-
sloten dat door de afdeling Zootechniek en het Insdtuut Voedingsmiddelen
van Dierlijke Oorsprong gezamenlijk proeven zouden worden genomen,
waarbij aan het instituut van Prof. Hirschfeld het biologische gedeelte en
de zoötechnische aspecten en aan het Instituut van Prof. van Gils de con-
servering zou worden onderzocht.

In het begin kwamen de proeven een beetje moeilijk op gang. Behalve hei
reeds genoemde korte verslag was er namelijk geen literatuur over dit
onderwerp te vinden. De mededelingen in dit verslag waren vrij vaag, wat
al gauw bleek toen natrium-metabisulfiet besteld moest worden.
De eerste zending bleek NaHSOg te zijn inplaats van NagSaOg, hetwelk
naar de leverancier werd teruggestuurd. Er waren meer moeilijkheden. Er
bleken namelijk 3 ä 4 verschillende soorten op de markt te zijn: zuiver
Na2S205 pro analysi, dat als conservans te duur was; zeer goedkoop, zoge-
naamd technisch, natriummetabisulfiet dat — afhankelijk van de prijzen
op de wereldmarkt — soms uit Zuid-Amerika, soms uit Rood-Ghina kwam,
maar waarvan het gehalte aan NagSgOs maximaal 60 ä 65% bedroeg,\'
terwijl van de resterende 35 ä 40% praktisch niets bekend was. Dit zout
leek daarom eveneens ongeschikt voor deze proeven, omdat schadelijke
werkingen door verontreiniging met sulfaten en zouten van zware metalen
haast met zekerheid te verwachten zouden zijn.

Tussen deze twee extremen in waren nog een aantal produkten op de
markt, waarvan uiteindelijk een Engels produkt gekozen werd, dat een
betrekkelijk lage prijs combineerde met een vrij grote mate van zuiverheid
(97% NagSaOg, 0,3—0,5% NagSOg, 0,5—1,5% NaaSO^, max. 30 ppm Fe,
max. 10 ppm Pb en max. 1 ppm As).

Welke sulfietsoort de Russische en Skandinavische onderzoekers bij hun
proeven gebruikt hebben was niet te achterhalen.

In november 1964 was eindelijk alles aanwezig en werd de eerste vis ge-
conserveerd.

De ter beschikking staande vis was op zee diepgevroren volle schelvis,
d.w.z. met alle ingewanden, van goede kwaliteit. De vis werd in diepge-
vroren toestand in plastic zakken ä 25 kg aangevoerd. Om de vis te kunnen
venverken werd hij ontdooid door de pakken 1 ä 2 dagen in de open lucht
op „de Uithof" te laten liggen. Na oppervlakkig afspoelen met leidingwater
werden telkens 25 kg vis in een mixer met de benodigde hoeveelheid
NaaSgOg gemalen tot er een min of meer homogene, pasteuze massa
ontstaan vvas, hetgeen gemiddeld ongeveer 8 minuten duurde. Daarna werd
de massa in nieuwe, van binnen geparaffineerde, houten haringvaten af-
gevuld, die de volgende dag door een kuiper vakkundig werden gesloten.
Deze vaten werden opgeslagen in een der oude betonnen bunkers bij de
proefboerderij „de Uithof".

Vanaf eind februari 1965 tot heden werden regelmatig vaatjes geopend en
de inhoud bij de voederproeven gebruikt.

In totaal werden ongeveer 3000 kg vis verwerkt en verdeeld over 3 hoe-
veelheden. Verreweg het grootste gedeelte werd geconserveerd met 2%
NagSsOg, terwijl twee kleine gedeelten met 4% resp. 8% sulfiet geconser-
veerd werden. Deze mengsels waren niet bestemd voor de bewaarproeven,
maar zouden gebruikt worden voor toxiciteitsproeven, teneinde hiermede
een eventuele letale of toxische dosis van het sulfiet te bepalen.

-ocr page 647-

Van iedere charge werden na het mengen monsters getrokken, die onder-
zocht werden op het sulfietgehalte — controle op goede menging —, terwijl
van iedere derde charge een volledige analyse werd verricht, d.w.z. het vet-,
vocht-, eiwit- en asgehalte werd bepaald.

In deze inleiding zal verder alleen gesproken worden over de met 2%
sulfiet geconserveerde vis. Over de andere twee groepen kan alleen worden
opgemerkt dat de consistentie met toenemend sulfietgehalte veranderde
van pastens via taai naar haast droogkorrelig bij de 8% toevoeging van
sulfiet. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de pH-verandering en een daar-
mee gepaard gaande verandering van het waterbindingsvermogen der
eiwitten. De pH-waarde van de 2% mengsels lag altijd tussen 6.2 en 6.3,
de pH-waarde van de 4% mengsels bij 5.3 en van de 8% mengsels bij
± 4.3. De vocht-, vet- en eiwitgehalten waren min of meer gelijk aan die
van de 2% mengsels. Alleen de asgehaltes waren uiteraard hoger door de
grotere hoeveelheden natriummetabisulfiet.

Voor de analyses werden de in de Warenwet genoemde methodes gebruikt.
De uitkomsten varieerden slechts zeer weinig. Het vochtgehalte bedroeg
gemiddeld 75%, het vetgehalte 4%, het eiwitgehalte 15% en het asgehalte
5%. De bij de analyses teruggevonden percentages van het sulfiet waren
iets lager dan 2%, n.1. gemiddeld 1,7 a 1,8%, wat enerzijds een gevolg
kan zijn van onnauwkeurig afwegen van de hele vis en aan de andere kant
te wijten zal zijn aan analysefouten. Bij het uittesten van de bepalings-
methode met zuiver Na2S205 was n.1. reeds gebleken dat bij onze appa-
ratuur tot ongeveer 6% van de afgewogen hoeveelheid niet bepaald kon
worden.

Hoe was nu de houdbaarheid van de met 2% Na2S205 geconserveerde vis
in de inmiddels 19 maanden durende bewaarperiode?
De resultaten zijn tot nu toe bijzonder goed te noemen. Van bederf is geen
sprake; de geur is nu nog steeds visachtig met een zwakke bijmenging van
de specifieke S02-geur De bekende „lucht" van bedorven vis ontbreekt.
De consistentie is in de loop der bewaring wel veranderd. De in het begin
pasta-achtige massa werd na ongeveer 7 a 8 maanden geleidelijk dunner
en vloeibaarder, zonder dat echter de totale analyseresultaten veel veran-
derd zijn. Dit was ook wel te verwachten. Door de toevoeging van sulfiei
zijn namelijk wel de bacteriën uitgeschakeld, maar niet de enzymen die
van nature in het visvlees en de organen voorkomen. Deze bleven dus
doorwerken en hebben geleidelijk aan de eiwitmoleculen afgebroken tol
eenvoudiger structuren, zoals aminozuren en peptiden. Hierbij verandert
uiteraard de consistentie en komen bovendien watermoleculen vrij. Voor
een klein gedeelte is dit water in de loop der maanden door de kieren van
de vaten naar buiten gekomen, waardoor in de vaten een kopruimte van
enkele centimeters is ontstaan.

Na een bewaartijd van ruim een jaar werd bij analyses van het dunne
papje vastgesteld dat het vochtgehalte gedaald was tot gemiddeld 66 a
70%, terwijl het eiwitgehalte gestegen was tot ca. 19%. Ook de vet- en
asgehaltes vertoonden een zwakke verhoging tot ongeveer a 6%.
De pH van de massa is iets gestegen en ligt nu bij 7, hetgeen echter geen
bezwaar meer behoeft te zijn, omdat de anders bij deze zuurgraad zeer
actieve bederfflora niet meer aanwezig is.

En daarmede komen we dan bij de belangrijkste resultaten van de proeven,
namelijk de conserverende werking van sulfiet.

-ocr page 648-

Indien men volle vis, d.w.z. vis met alle ingewanden, kop en staart — cn
daarmede ook met de gehele in en op de vis aanwezige microflora — in
een mixer zou malen en ongekoeld laten staan, zou er in zeer korte tijd
bederf optreden. Het is bekend dat vis, ook in schoongemaakte en gewassen
toestand, sneller bederft dan vlees van warmbloedige slachtdieren, hetgeen
voor een gedeelte het gevolg is van de doorgaans in visvlees hogere pH, de
lossere structuur der weefsels, die bovendien minder door fascies beschermd
zijn dan het vlees van slachtdieren en door de van natuur steeds in grote
hoeveelheden aanwezige microörganismen aan de oppervlakte.
Door toevoeging van
2% Na2S205 worden de aanwezige bacteriën gedood.
Door toevallige oorzaken werd pas 5 weken na het mengen het eerste
bacteriologische onderzoek van de geconserveerde vis verricht. Hierbij bleek,
dat de massa steriel was. Er werd onderzocht op de aanwezigheid van
Enterobacteriaceae, Bacillus, Clostridium en andere anaerobe kiemen, strep-
to- en stafylokokken,
Lactobacillus en op psychrofiele resp. psychrotrofe
kiemen. Alle kweekproeven waren negatief.

Wel bleek het voor schimmels en gisten nog mogelijk te zijn om aan de
oppervlakte van de vispasta te groeien. Dit werd voor het eerst geconsta-
teerd bij de monsters die in het laboratorium enige weken in plastic dozen
zonder luchtafsluiting bij kamertemperatuur bewaard waren. Na ongeveei\'
8 maanden ontstond ook een dun vliesje van schimmel- en gistgroei op de
massa in de houten vaten, als er door uitlekken van vocht een lucht-
houdende kopruimte was ontstaan. Dit was echter voor de praktijk geen be-
zwaar want het dunne vliesje kon gemakkelijk van de oppervlakte ver-
wijderd worden en bovendien bleken de gegroeide schimmels en gisten geen
bederf te veroorzaken.

Na 19 maanden is het gehele bacteriologische onderzoek nog eens herhaald.
De bij een — niet steriel genomen en vervoerd — monster gevonden kiem-
getallen zijn in tabel I vermeld.

Het geeft een bijzonder veilig gevoel, dat ook sulfietreducerende Clostridia
gedood waren, omdat bij deze groep onder andere Cl. botulinum en Cl.
perfringens
behoren.

Hoewel het voeder in prima staat bleef verkeren, waren de resultaten bij de
nertsen niet zo goed te noemen.

Om na te gaan of dit misschien door de gebruikte sulfietconcentratie was
veroorzaakt, werd in het voorjaar 1966 nog eens een partij vis gecon-
serveerd met 1% Na2S205. De conserverende werking van deze concen-
tratie bleek echter onvoldoende te zijn. Enkele vaatjes waren reeds na ± 7
weken bij organoleptisch onderzoek als bedorven te beschouwen. Bij bac-
teriologisch onderzoek van de inhoud van een op het oog niet bedorven
vaatje werden 8 weken na de conservering reeds zeer hoge kiemgetallen
gevonden (tabel I).

Een andere mogelijke oorzaak voor de slechte resultaten bij de nertsen
werd door Skandinavische onderzoekers, die daar ook mee te kampen had-
den, gezocht in het vitamine B^-gehalte. Het is bekend dat de aanwezigheid
van geringe concentraties sulfiet reeds een splitsing veroorzaakt van Vit. B^
in een thiazolgedeelte en een pyrimidinegedeelte, die geen van beide nog
vitamineactiviteit bezitten. Aangezien op het Instituut geen gelegenheid
bestaat. Vit. B, te bepalen moest dit onderzoek uitbesteed worden.*)

-ocr page 649-

Tabel I.

Kiemgetallen van met 1 en 2% Na2S20z geconserveerde vis.

gemalen volle
vis 5 weken na
conservering
met 2%
NaaSaOs

gemalen volle
vis 19 maan-
den na
conservering

met 2%
NaaSaOs1)

gemalen volle vis
8 weken na
conservering
met 1% NaaSzOs

Coagulase positieve stafylokokken

_

> 200.000/g

faecale en andere Streptokokken

<

400/g

> 500.000/g

coliforme kiemen

<

400/g

> 1.300.000/g

andere Enterobacteriaceae

<

500/g

> 260.000/g

lactobacillen

<

200/g

> 1.100.000/g

Bacillus

niet onderzocht

anaerobe kiemen

_

> 10.000/g

sulfictreducerende Clostridia

a. totaal

±10/g

b. sporen

± 2/g

totale aerobe kiemen (inclusief

psychrofiele resp. psychrotrofe)

<

10.000/g

> 5.000.000.000/g

*) monster niet steriel genomen en vervoerd.

Tabel II.

Vitamine B^ gehaltes in gemalen vis en in volledig voeder met en zonder

Na2S20^.

monster
nr.

1,45/1,59
1,66/ 1,64

0,07 / 0,07
0,10/0,12

0,25 / 0,26

vitamine Bi gehalte in
mg/kg (duplobepalingen)

1 Volle vis (wijting), gemalen 25 uur voor de analyse

2 idem

3 Volle vis (wijting), gemalen 24 uur voor de analyse

met 1 % NasSsOs

4 idem

5 Gelijke delen van monster 2 en 4, gemengd 4 uur
voor de analyse

6

40% verse vis (schelvis zonder buikorganen),
40% vlees, 20% plantaardig, gemalen 20 uur

voor analyse

0,44/0,49

7

als 6, maar met 30% verse vis en 10% vis van

monster 3

0,62 / 0,59

8

als 7, maar gemalen ZYi uur voor de analyse

0,44/0,41

9

als 6, maar met 30% verse vis en 10% vis met

2% NaaSaOs, gemalen 35/2 uur voor analyse

0,56 / 0,50

-ocr page 650-

Bij de eerse analyses werd alleen gemalen vis onderzocht, terwijl deze ana-
lyses enkele maanden later herhaald werden met monsters volledig voeder,
d.w.z. 40% vis, 40% vlees en 20% plantaardig materiaal. Dit laatste bevat
o.a. extra toegevoegde vit. Bj, wat het gehalte van het totale voer op
ongeveer 2 mg/kg had moeten brengen. De uidiomsten van deze analyses
zijn vermeld in tabel II.

Uit de gegevens blijkt, dat de tweede analyse lagere uitkomsten gaf dan de
eerste serie.

Hierbij moet wel vermeld worden, dat bij de tweede serie de verse vis,
d.w.z. de niet geconserveerde, niet uit volle vis maar uit geëventereerde vis
bestond, waarbij dus o.a. de lever als belangrijkste vitaminebron ontbrak.
Ook lag de pH van dit mengsel iets hoger dan bij de pure vis van de eerste
serie, n.1. bij 7, hetgeen ook een rol gespeeld kan hebben — naast het in
totaal natuurlijk lagere sulfietgehalte —, omdat de Vit. Bi-splitsing door
sulfiet voornamelijk plaatsvindt bij een pH < 7.

De voorlopige conclusies van dit onderzoek zijn dus weer enigszins hoop-
gevend geworden. Er zullen echter meer proeven genomen moeten worden,
voordat de conserveringsmethode van verse vis met natriummetabisulfiet
in de dagelijkse praktijk van de nertsenhouderij op een verantwoorde ma-
nier toegepast kan worden.

SUMMARY.

In behalf of the minkfarmers experiments were done with NaaSaOs as a preservative
for fresh fish. Whole haddock, i.e. with all guts,
was cut in a big mixer with 2%
Na2S205. The pasty mass was filled into new wooden herring barrels and stored in an
old concrete bunker. Regulariy samples were taken for organoleptical, chemical and
bacteriological examination.

Five weeks after preservation the mixture proved to be sterile. Until now — i.e. 19
months after preservation — there has been no deterioration.

Nineteen months after preservation the total number of bacteria was still very low
(total germs < lO^/grm; pathogenic staphylococci,
Bacillus anaerobic germs and
spores of
Clostridia were not found; lactobacillus, streptococci, coliform germs and
other
Enterobacteriaceae < 2 x 10® respectively 4 x 10^).

With 1 % NaaSaOs preserved fish was partly after 7 weeks already deteriorated. Even
barrels which were apparentiy not deteriorated showed 8 weeks after preservation
very high numbers of germs (total germs > 5 x 10®/grm), whilst a lot of coagulase-
positive staphylococci and even sulphite-reducing
Clostridia were found in one gramme
of the preserved fish.

The vitamin Bi-content of the preserved fish dechned rapidly within some hours.
However, the vitamin Bi-content of the complete mink-food prepared with preserved
fish was less unfavourable.

-ocr page 651-

De voedering van de nerfs met geconserveerde
vis, door natriummetabisulfiet INa2S20^l, en de
invloed daarvan op voortplanting en gezond-
heidstoestand

The feeding of mink with fish, preserved with Sodium-
bisulfite (Na2S20^) and the influence on reproduction
and health

door W. K. HIRSCHFELD en A. HOOGERBRUGGE*)

Uit het Instituut voor Zootechniek van de Faculteit der
Diergeneeskunde.

Inleiding.

De mededeling, dat men in Rusland en Finland met succes vis en slacht-
afvallen had geconserveerd door middel van toevoeging van Natriummeta-
bisulfiet (Na2S205), trok sterk de belangstelling van de Nederlandse
nertsenhouders. Men had in Finland ca. 20% van het rantsoen vervangen
door vis of slachtafvallen, geconserveerd met 2% Na2S205. Hiermede
v.erden jonge nertsen gevoederd en met de pelstijd bleek, dat de groei en de
pelskwaliteit niet nadelig waren beïnvloed. Daar dit onderzoek slechts met
een gering aantal reuen werd verricht, leek het niet verantwoord dat deze
methode, zonder nader onderzoek, op grote schaal in ons land zou worden
toegepast.

Dankzij een financiële bijdrage van de Nederlandse Vereniging van Fokkers
van Edelpelsdieren (N.F.E.) was het mogelijk, dat dit onderzoek op korte
termijn kon plaatsvinden. In samenwerking met het Instituut Voedings-
middelen van Dierlijke oorsprong werd het probleem van verschillende
zijden benaderd, en wij beperken ons thans tot de zoötechnische aspecten.

Probleemstelling.

Indien onze proefnemingen de Finse uitkomsten, in zake de verstrekking
van deze producten aan jonge dieren, zouden bevestigen, zou dit bij toepas-
sing op grote schaal het gevaar met zich meebrengen, dat de nertsenfokkers
gedurende perioden van slechte visvangst, deze met natriummetabisulfiet
geconserveerde vis ook aan de fokdieren zouden gaan verstrekken.
Dit is meer dan een theoretisch gevaar, daar bekend is dat de behoeften
van de moederdieren aan bepaalde nutriënten en de gevoeligheden van de
embryo\'s voor bepaalde preparaten, kunnen verschillen van die van het
jonge of volwassen dier.

Daarnaast is het risico aanwezig dat men bij praktische toepassing afwijkt
van de geadviseerde percentages Na2S205, hetzij door onnauwkeurig af-
vi\'egen, hetzij door berekeningsfouten, en het is a priori niet uitgesloten, dat
hogere doseringen wel een nadelige invloed zouden kunnen uitoefenen.
Onze eerste experimenten concentreerden zich dan ook op de volgende
probleemstellingen: ten eerste heeft vis, geconserveerd met natriummeta-

Dr. W. K. Hirschfeld en Drs. A. Hoogerbrugge; respectievelijk gewoon hoog-
leraar en wetenschappelijk hoofdambtenaar aan het Instituut voor Zootechniek
van de Faculteit der Diergeneeskunde der Rijksuniversiteit; Biltstraat 172 te
Utrecht.

-ocr page 652-

bisulfiet, een ongunstige invloed op de voortplandng en ten tweede hebben
hogere doseringen een schadelijke invloed op de gezondheid van de dieren ?

Proefopzet en diermateriaal.

Als proefdieren hadden wij voor het eerste onderzoek de beschikking over
standaard nertsen en voor het toxicologisch onderzoek dezelfde nertsen en
bovendien fretten en fret-bunzing bastaarden.

Deze bastaarden vormen een instituutsstam proefdieren, verkregen uit
een kruising tussen een bunzing en een fret, waarvan de nakomelingen
gedurende een tiental jaren werden ingeteeld. Deze beide diergroepen
werden in het onderzoek betrokken, omdat zij evenals de nerts deel uit-
maken van de familie van de marterachtigen (Mustelidae) en mogelijk
gelijk zouden reageren op de NaaSgOg. Bovendien hebben zij een geringere
economische waarde dan de nertsen, waardoor zij zich beter voor dit onder-
zoek lenen.

Uit deze dieren werden vier groepen samengesteld en wel drie proef-
groepen, waarvan twee voor het toxicologisch- en een voor het voortplan-
tingsonderzoek en de vierde groep diende als controlegroep.
Het rantsoen dat de dieren ontvingen, was met uitzondering van de vis,
voor alle groepen gelijk. De vis bestond uit volle schelvis, maar op ver-
schillende wijzen geconserveerd. De controlegroep kreeg deze vis diep-
gevroren en de proefgroepen dezelfde vis geconserveerd met verschillende
percentages NaaSgOs. Zoals door D ij k m a n n beschreven,
be basissamenstelling van de rantsoenen was als volgt:
40% vlees en slachtafvallen

40% vis (geconserveerd d.m.v. diepvries of Na2S205)

20% pelsivit (een handelsmengsel van granen, vitamines, mineralen,

spore-elementen).

De dieren werden als volgt over de verschillende groepen verdeeld:

Aantal

Aantal fretten

Percentage

nertsen

en bastaarden

NaiSïOB in de vis

Groep

dd

5 $

? 9

1

11

32

—•

2

2

10

10

4

3

20

24

11

20

8

4 (contr.)

11

31

0

Tabel I.

De indeling aan de groepen in 1965 en het percentage Na2S20r, waarmede
de vis was geconserveerd.

The different groups in 1965 and the percentage of Na2S205 in the fish.

De dieren uit groep 1 kregen in hun rantsoen vis, welke was geconserveerd
met 2% Na2S205 en deze dieren dienden er in eerste instantie voor, om
de invloed op de reproductie te kunnen nagaan.

De dieren in de proefgroepen 2 en 3 waren bestemd voor het toxicologisch
onderzoek en ontvingen vis met hogere percentages Na2S205. Groep 2

-ocr page 653-

gedurende de gehele periode vis, geconserveerd met 4% Na2S205 en groep
3 aanvankelijk hetzelfde gehalte Na2S205 en later 8% NagSaOs. Het
aantal dieren in groep 3 was bewust groter gekozen om zodoende de
mogelijkheid open te houden dat later, wanneer zich bij 8% nog geen
nadelige invloeden zouden manifesteren, met een deel van deze dieren
rogmaals overgeschakeld zou kunnen worden naar een hoger niveau.

Het verloop van het onderzoek.

Op 23 februari 1965 werd met de proeven begonnen.

De overgang van het normale voer (is gelijk aan het controle voer) naar
de proefvoeders geschiedde abrupt, om zodoende een eventuele ongunstige
invloed op de smakelijkheid te kunnen waarnemen. De dieren uit groep 1
vertoonden geen tekenen, die deze veronderstelling zouden rechtvaardigen,
r.iaar de dieren in de groepen 2 en 3 namen het voeder direct na de ver-
strekking minder gretig op. Na verloop van 24 uur was de voederopname
in alle groepen echter gelijk en de daarop volgende dagen was er geen
verschil meer tussen de groepen in voederopname.
Het schematisch verloop van de proefnemingen was als volgt:

datum 23/2 I6/3 9/4 17/4 2/5 196 5

1 111

groep

I

I

4 _

10 11

weken

Percentage
in de vis

1----------

i ! I
___i _ __ I _i 4

-^ 2

j ! t_p

Fig. 1.

Het schematisch verloop van de proeven met vis, geconserveerd met 2, 4 en 8%

NaiSiOi en gevoederd aan nertsen, fretten en bastaarden.
The diagram of the experiments with fish, preserved with, 2, 4 and 8% NanS^Os
and fed to mink, ferret and a ferret-polecat-strain.

De toxicologische aspecten.

Tot 16 maart vertoonde geen van de proefdieren enig nadelig effect van
de Na2S205 tn daarom besloten wij op die datum de dieren uit groep 3
vis te verstrekken, welke was geconserveerd met 8% Na2S205. De dieren
reageerden direct op deze voedselverandering, daar hun voederopname tot
ca. 50% terugliep. Zij namen dientengevolge wel wat af in gewicht maar
waren overigens levendig en gezond. Begin april, dit is aan het einde van
de 6e proefweek, trad een nog grotere daling op in de voederopname,
gepaard gaande met een sterke vermagering. Binnen enkele dagen stierven

-ocr page 654-

nu 19 nertsen, zonder specifieke verschijnselen. Daar er nog meer nertsen
in deze groepen waren die sterke uitputtingsverschijnselen begonnen te
vertonen, werden de dieren op 9 april in twee groepen gesplitst, te weten
in 3a en 3b.

In 3a werden de dieren ondergebracht die op dat tijdstip nog geen waar-
neembare nadelige invloed ondervonden, zijnde 10 nertsen en de 31 fretten
en bastaarden. Deze dieren bleven hetzelfde rantsoen behouden.
In groep 3b werden 15 nertsen geplaatst, die al duidelijk te lijden hadden
van dit rantsoen. Deze dieren kregen met ingang van 9 april hetzelfde voer
als de controlegroep. Van deze 15 nertsen zijn er tussen 9 en 13 april nog 4
gestorven, de overige 11 dieren hebben zich volledig hersteld,
in de 8e proefweek stierven er in groep 3a 2 nertsen en 6 fretten/bastaar-
den, zodat besloten werd deze proef met vis, geconserveerd met 8%
Na2S205 op 17 april te beëindigen.

De eerstvolgende dagen zijn er nog 2 nertsen en 5 fretten/bastaarden uit
groep 3a gestorven. De overigen herstelden zich. De proefdieren in groep 2
begonnen ook in de 8e proefweek identieke verschijnselen te vertonen en
binnen twee etmalen waren er in deze groep 6 nertsen gestorven.
Dit experiment werd eveneens op 17 april afgesloten. De 14 resterende
nertsen hebben zich volledig hersteld.

In groep 1 is tussen 9 april en 2 mei slechts één dier gestorven, waarvan
niet met zekerheid gezegd kan worden of dit dier om dezelfde reden is
overleden, wel waren er verschillende dieren in deze groep, waarvan de
eetlust in de 9e en 10e proefweek afnam en vermagering optrad. Deze
proef werd afgesloten op 2 mei. In de volgende tabel is de sterfte onder
de verschillende proefgroepen aangegeven.

Aantal dieren

Het

sterfteverloop

met data,

bij het begin

aantallen en percentages

van de proef

(23/2-\'65)

Groep

9/4

% 17/4 %

2/5 ■%

1

(2% NaaSaOs) nertsen

43

— — —

1 2

2

(4% NaaSaOs) nertsen

20

— 6 30

6 30

3 (4 -

->8% NaaSaOs) nertsen

44

19

43 25 57

27 61

fretten/bastaarden

31

— 4 13

9 29

Tabel 2.

Het sterfteverloop onder de proefdieren, die verschillende percentages
Na2S20^ met de vis kregen verstrekt.

The mortality in the different groups, receiving different levels of Na2S20^

in the fish.

Duidelijk valt dus waar te nemen, dat de sterfte toeneemt met de stijging
van het Na2S205 gehalte in de vis.

Verder blijken de fretten en bastaarden minder gevoelig te zijn voor vis,
geconserveerd met Na2S205, dan de nertsen.

-ocr page 655-

De invloed op de voortplanting.

Bij de controlegroep (4) bestond 40% van het rantsoen uit diepgevroren
vis en bij de proefgroep (1) was het vispercentage hetzelfde, zij het dat
deze vis was geconserveerd met
2% Na2S205.

Op 9 maart werd met de paring van de fokdieren begonnen, en in beide
groepen had dit een vlot verloop, zodat na verloop van enkele weken alle
teven één of meerdere malen waren gedekt. Bij het begin van de werptijd
tl ad bij sommige teven een vermindering van de eetlust op en tevens trad
een vermagering in. Wij vreesden dat bij een voortzetting van dit onder-
zoek de dieren zouden succumberen en verder hoopten wij dat een even-
tueel nadelig effect van de Na2S205 voldoende tijd en gelegenheid had
gehad zich te manifesteren, daar de nertsen teven aan het einde van de
dracht waren.

De resultaten zijn in tabel 3 weergegeven.

Groep 4

Groep 1

Controle

2% NaïSaOs

Aantal teven (ingezet en gedekt)

31

32

Aantal teven die wierpen

25

9«.

Aantal nesten met levende pups

24

6«»

Aantal pups

147

39»«

Aantal levend-geboren pups

146

25**

Gemiddeld aantal pups per gedekte teef

4.7

1.2**

Gemiddeld aantal pups per worp

5.7

4.3

Aantal pups gestorven tijdens opfok (0 - 8 weken)

30

12*»

Percentage doodgeboren plus gestorven pups

21

67**

Aantal gespeende pups

116

13**

Gemiddeld aantal gespeende pups per teef

3.8

0.4*»

Gemiddeld aantal gespeende pups per worp

4.5

1.4"

*♦ P g 0.01

Tabel 3.

De fokresultaten van de dieren, die in hun rantsoen 40% vis kregen,

geconserveerd met 2% t.o.v. de controle dieren.

1 he results in reproduction of the mink, receiving in their ration 40% fish,
preserved with 2% Na2S20^.

Het moet dan ook worden ontraden, fokdieren voor en tijdens de paartijd
en ook gedurende draagtijd een groot kwantum vis te verstrekken, welke
is geconserveerd met
2% Na2S205.

Het is echter de vraag of een geringer kwantum van de op deze wijze
geconserveerde vis dezelfde nadelige werking heeft.

Verder zou nader onderzocht moeten worden of een lager percentage
Na2S205 nog voldoende conserverende eigenschappen heeft.
Zodoende werd besloten in 1966 wederom een onderzoek in te stellen
naar de voortplanting, maar nu met vis geconserveerd met \\% Na2S205.

-ocr page 656-

Onderzoek 1966.

De resultaten van 1965 lieten de mogelijkheid open, dat er een verschil in
gevoeligheid zou kunnen bestaan tussen de reuen en de teven, daar de
meeste pups, die in de proefgroep werden geboren afstamden van één reu.
Om dit nader te onderzoeken werd een dusdanige proefopzet gemaakt, dat
hieromtrent een uitspraak zou kunnen worden gedaan.
Uit tabel 4 blijkt dat het aantal dieren in de proefgroepen (2.1 en 3.1)
kleiner was gehouden dan in 1965. Het rantsoen van de controlegroep was
identiek aan dat van 1965, maar in de rantsoenen van de proefgroepen was
slechts 20% vervangen door vis, geconserveerd met 1% Na2S205, terwijl
de overige 20% vis bestond uit diepgevroren vis. De reuen in 2.1 en de
teven in 3.1 kregen het controle-rantsoen.

Hoewel het de bedoeling was dat dit jaar eerder met de experimenten zou
worden begonnen, konden deze door allerlei tegenslagen toch slechts
omstreeks eind februari een aanvang nemen.

Met de paringen werd begonnen op 14 maart en zowel in de controlegroep
als in de proefgroepen leverde dat geen problemen op, daar alle teven één
oi meerdere malen werden gedekt; ook viel er geen verschil in de libido
van de reuen waar te nemen.

Aantal

Percentage

nertsen

NaiSaOs in de vis

Groep

9 9

1.1 (contr.)

9

31

0

2.1

19

1

5

0

3.1

19

0

5

1

Tabel 4.

De indeling van de groepen in 1966, waarbij aangegeven welke dieren in
hun rantsoen 20% vis kregen, geconserveerd met 1% Na^S^O^.

The different groups in 1966, partley receiving in their ration 20% fish,
preserved with 1% Na2S20^.

In 1965 werd de verstrekking van de proefrantsoenen beëindigd op 2 mei,
omdat op dat tijdstip al duidelijk nadelige effecten vielen waar te nemen.
In 1966 trad het verschijnsel van verminderde voederopname en vermage-
ring van de dieren niet op, zodat de voedering van deze proefrantsoenen
werd voortgezet tijdens de werptijd en zoogtijd.
De resultaten op de voortplanting zijn in tabel 5 weergegeven.
Deze resultaten zijn veel gunstiger dan in 1965.

Helaas is er geen verklaring te geven voor het grote aantal guste teven in
de controlegroep.

Het is in 1966 een veel voorkomende klacht bij de nertsenfokkers in
Nederland en in andere landen van West-Europa, dat de reproductie-
cijfers nogal wat lager zijn dan in 1965.

-ocr page 657-

Groep 1.1

Groep 2.1

Groep 3

Controle

9 2 1%

cfd" 1%

NaaSaOs

NaaSaOs

.\\antal teven (ingezet en gedekt)

31

19

19

.\\antal teven die wierpen

18

14

13

Aantal pups

93

61

60

.\\antal levend-geboren pups

80

58

51

Gemiddeld aantal pups per gedekte teef

3.0

3.2

3.2

Gemiddeld aantal pups per worp

5.5

4.4

4.6

Gemiddeld aantal levende pups per nest

4.4

4.1

3.9

.\\antal pups gestorven tussen 0-3 weken

8

6

15

% gestorven pups v/h aantal levend geboren

10

10

29

% doodgeboren plus gestorven pups

23

15

40

Tabel 5.

De fokresultaten in 1966 van de dieren, die in hun rantsoen 20% vis,
geconserveerd met 1% Na2S20^, kregen.

The reproduction rate of the mink in 1966, receiving in iheir ration 20%
fish, preserved with 1% Na2S20^.

Er zijn geen significante verschillen tussen de groepen met uitzondering
van het aantal levend plus doodgeboren pups per worp (p = 0.05), dat
in de beide proefgroepen lager ligt dan in de controlegroep. Ook het aantal
levende pups per nest is in de beide proefgroepen iets lager, zij het dan dat
deze verschillen niet significant zijn ten opzichte van de controlegroep.

Discussie.

Zoals uit de gegevens van D ij k m a n n al blijkt is het Vitamine Bj^ gehalte
in de met Na2S205 geconserveerde vis sterk verlaagd.
Het is echter de vraag of dit de oorzaak is van de sterfte onder de dieren
in de proefgroepen, die resp. 4% en 8% Na2S205 kregen. Immers in de
met
2% Na2S205 geconserveerde vis, was het vit. B^ gehalte nagenoeg
nihil, zodat het voor het B^ gehalte geen verschil maakt of wij vis gebruiken,
die met 4% of 8% Na2S205 is geconserveerd. In alle gevallen valt de
bijdrage van de vis aan thiamine in het totale rantsoen nagenoeg te ver-
waarlozen. Een mogelijkheid blijft nog open n.l. dat door vis te verwerken
met hogere percentages Na2S205, ook het Na2S205 in het totale rantsoen
stijgt en de afbraak van vit. B^ in dat rantsoen sterker plaatsvindt. De
verschijnselen waaronder de dieren zijn gestorven wijzen echter in \'t geheel
niet in deze richting, daar geen van de dieren de typische paralyse ver-
toonde die door Chastekis beschreven, naar aanleiding van het vit. Bj
gebrek ten gevolge van het voederen van vis met de thiaminase factor.
Eerder zal ons inziens dan ook gedacht moeten worden aan een toxisch
effect door de Na2S205. Nader onderzoek zal echter noodzakelijk zijn om
in deze een uitspraak te kunnen doen. In principe geldt dit ook voor de
voortplan tingsaspecten.

Noorse onderzoekers hebben aangetoond dat de verschillende B-vitamines
van grote betekenis zijn voor de voortplanting. Een tekort aan vit. B^ kan
dus heel goed deze slechte resultaten in 1965 verklaren.

-ocr page 658-

Aan de andere kant was de Na2S205 opname in 1966 veel geringer dan
in 1965. In 1965 bedroeg de Na2S205 opname 0.8 gram per 100 gram
voeder, terwijl dit in 1966 slechts 0.2 gram was, zodat ook in deze een
specifieke werking van de natriummetabisulfiet niet is uit te sluiten. Verder
onderzoek zal moeten worden verricht om te kunnen vaststellen, welke
doseringen voor de nerts geen nadelige invloed op de voortplanting hebben,
en tevens zal moeten worden nagegaan wat de oorzaak is van de nadelige
effecten.

SUMMARY.

In 1965 we started an experiment to investigate if fish, preserved with sodiumbisulfite
(NaaSaOs) had an adverse effect on the reproduction and health of the mink.
In the radons was mixed 40% fish, which was preserved with 2%, 4% and 8%
NasSaOs.

The mink in the control-group received the same f>ercentage of fish, which was deep-
frozen.

Fish with 8% NaaSaOs reduced directly the feed-intake about 50%. In the other
groups it took place after 8-10 weeks. This was quickly followed by a severe
emaciation and within a few days the animals were dead. The influence on the
reproduction was only investigated with fish, preserved with 2% NaaSaOs and this
had a very strong adverse effect on the number of kids (table 3). In 1966 this
experiment was repeated by a lower concentration of NaaSaOs. In the radon was
used 20% fish, preserved with 1% NaaSaOs. Now the difference in the number of
kids between the groups was not significant (table 5).

Further experiments are necessary to figger out if there is a Toxic effect of NaaSaO.^
and/or there is a vitamin Bi deficiency.

H. Th. Nieuwenhuysen, Ingen:

Zijn er verschillende kleuren gebruikt of maar één, en kan er een
verschil in gevoeligheid optreden tussen de verschillende kleurmutaties?

A. Hoogerbrugge, Bilthoven:

Er is maar één kleurvariëteit gebruikt en wel de zogenaamde „Standard".
Het is zeer goed mogelijk dat er een verschil in gevoehgheid bestaat
zoals al is aangetoond ten opzichte van bepaalde ziektekiemen en zoals
uit dit onderzoek al blijkt dat er ook een verschil is tussen de nertsen en
dc fretten.

Discussie

Vraag:

Antwoord:

Vraag: H. Th. Nieuwenhuysen, Ingen:

Mag ik concluderen dat de economische kant en dus het grote voeder-
verbruik in de opfok wel hoopgevend is, ook ten aanzien van dc fok-
resultaten voor het volgende jaar?

Antwoord: A. Hoogerbrugge, Bilthoven:

Het onderzoek voor de opfok is nog gaande, maar de voorlopige resul-
taten zijn niet ongunstig. Dit jaar zijn reeds fokdieren gebruikt, die
gedurende de opfokperiode NaaSaOs in het rantsoen kregen verstrekt.
Er viel niets van een ongunstige na-werking te bespeuren.

Vraag: S. Tol, Doednehem:

Ratten op fokvoer (droogvoer) met 2% NaaSaOs gaven een verlaagd
aantal jongen per nest. Toediening van een extra hoeveelheid vitamine
Bi gaf dit effect niet. Het vitamine Bi-gehalte in de urine van deze

-ocr page 659-

laatste groep was gelijk aan die van de controle-groep, die geen NaïSaOe
kreeg. Heeft u het vitamine Bi-gehalte ook nog gecontroleerd in de
urine?

Antwoord: A. Hoogerbrugge, Bilthoven:

Wij hebben het vitamine Bi-gehalte in de urine niet nagegaan. Wel lag
het in de bedoeling om bij ons volgend onderzoek betreffende de opfok-
periode, de groep met de hoogste dosering Na2S205 op het moment dat
de dieren de nadelige invloed zouden vertonen, extra vitamine Bi te
verstrekken. Het is echter nog niet nodig gebleken.

Vraag: P. v. d. Kerk, Soest:

Wanneer u de invloed op de voortplanting verder gaat bestuderen, zou
het dan niet wenselijk zijn eerder met het verstrekken van het conservans
te beginnen dan op 23 februari, dit in verband met de paartijd?

Antwoord: A. Hoogerbrugge, Bilthoven:

Wij onderschrijven dit volledig, maar zoals reeds bij de inleiding gezegd
waren er allerlei oorzaken, die vertragend hebben gewerkt. Het ligt in
onze bedoeling wanneer wij met lagere doseringen gaan werken reeds
in januari te beginnen. De hogere doseringen hebben reeds op dit tijdstip
duidelijk hun nadelige werking getoond.

-ocr page 660- -ocr page 661- -ocr page 662-

De betekenis van de nematodeninfecties bij het
wilde zwijn (Sus scrofa L.l in verschillende
Nederlandse revieren

The nematode fauna of the wild boar (Sus scrofa L.)
in different regions in the Netherlands

door J. JANSEN JR»)

Instituut voor Veterinaire Parasitologie en Parasitaire Ziekten
der Rijksuniversiteit te Utrecht.

De nematodenfaur i van het wilde zwijn (Sus scrofa) in Nederland is thans
vrijwel bekend, evenals het feit, dat de infectiepercentages in vergelijking
met die in Centraal- en Oost-Europa zeer hoog zijn (Jansen, 1964,
1966).

Vergelijking met de nematodenfauna van het tamme varken.
Aangezien de helminthen geen onderscheid maken tussen een wild en een
tam varken kan men veronderstellen, dat het wilde zwijn als een belang-
rijke reservoir-gastheer fungeert voor de wormen van het varken. Deze ver-
onderstelling wordt echter niet waar gemaakt door de resultaten van het
helminthologisch onderzoek. De voornaamste wormen van het wilde zwijn,
Ascarops strongylina, Physocephalus sexalatus, Globocephalus urosubulatus
en de Metastrongylus spp., worden of nooit of zelden in het varken gezien;
wij hebben voorts de indruk, dat
Ascaris lumbricoides, Trichuris trichiura
en Oesophagostomum dentatum bij het wilde zwijn van ondergeschikt be-
lang zijn, terwijl de bij het varken voorkomende
Hyostrongylus rubidus nog
nooit bij het Nederlandse wilde zwijn gevonden is.

Dit opmerkelijke verschil in nematodenfauna is aannemelijk wanneer men
bedenkt, dat het contact tussen wilde zwijnen en varkens vrij gering is:

1. omdat een groot deel van de terreinen waar de wilde zwijnen voor-
komen volledig omgeven zijn door een wildraster,

2. omdat varkens voor een belangrijk deel nooit buiten komen. Daar komt
nog bij, dat de bij het zwijn veel voorkomende wormen
A. strongylina,
Ph. sexalatus
en Metastrongylus spp. kevers resp. regenwormen als
tussengastheer hebben, hetgeen een extra barrière betekent voor de wor-
men om het in de stal levende varken te infecteren.

Vergelijking van de nematodenfauna\'s in verschillende Veluwse revieren.

Wanneer de percentage\'s met de diverse nematoden geïnfecteerde dieren
per jachtterrein vergeleken worden vallen enkele verschillen op. In tabel 1
worden vergeleken de terreinen „Ugchelen" en „Vierhouten" met het to-
taal voor Nederland. (Het infectiepatroon in zes andere revieren wijkt niet
noemenswaard af van het totaal.)

In „Ugchelen" is opvallend, dat het infectiepercentage van A. strongylina
zo laa^ is, tenvijl bovendien, wat niet uit de tabel te lezen valt, de aantallen
(exemplaren van
A. strongylina en Ph. sexalatus per dier vrij klein zijn. En
waar er, op grond van de overige M\'onninfecties, geen aanleiding bestaat

*) Dr. J. Jansen; Instituut voor Veterinaire Parasitologie en Parasitaire Ziekten;
Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 663-

te veronderstellen, dat de wilde zwijnen hier onder algemeen gunstiger
omstandigheden leven, moet men vermoedelijk in voor infectie met deze
spiruroiden geldende oecologische factoren de oorzaak zoeken. Met name
zou een onderzoek, in dit en andere terreinen, gericht op de tussengastheren
zin hebben.

Het wildrevier „Vierhouten" is zeer interessant. Niet alleen valt het lage
infectiepercentage voor
Ph. sexalatus op, maar vooral ook het lage voor de
longwormen, terwijl tevens per individu het aantal longwormen in verhou-
ring zeer gering is: 35 ex. per dier (1964/65), in vergelijking met b.v.
„Ugchelen" 309 ex. per dier (1964/65) en „Onzalige Bossen" 256 ex. per
dier (1963). Dit in tegenstelling tot wat men zou verwachten wanneer men
weet, dat de dichtheid van de zwijnenpopulatie hier hoger is dan elders op
de Veluwe.

Tabel 1. Percentage\'s geïnfecteerde zwijnen (1964j65).

totaal voor

Ugchelen

Vierhouten

Nederland

A. strongylina

93

56

100

Ph. sexalatus

75

78

54

A. lumbricoides

24

38

27

G. urosubulatus

91

88

92

Metastrongylus spp.

86

100

58

Table 1. Percentages of infected wild boars.

Deze merkwaardige situatie valt als volgt te verklaren. Het jachtterrein
„Vierhouten" is een der droogsten van de gehele Veluwe. Dientengevolge
zijn de kansen voor de longworm al klein. Daarbij wordt juist in dit terrein
de uiterste aandacht besteed aan de conditie en de kwaliteit der dieren.
Dagelijks worden de zwijnen gevoerd met mais en bieten of aardappelen;
op verschillende plaatsen in het revier zijn drinkplaatsen van beton en steen
aangelegd, welke drinkplaatsen op gezette tijden gereinigd en ontsmet wor-
den; voorts is steeds likzout voorhanden en is er een wildakker aangelegd.
De biggen worden gevoerd met biggenkorrels, later met haver. Zeer van
invloed is ook, dat vóór de jacht begint de dieren, die voor de fok bestemd
zijn gevangen worden en gedurende twee maanden in een apart omrasterd
terrein blijven. Doordat deze selectie toegepast wordt en bovendien kenne-
lijk zieke dieren afgeschoten worden geven de getallen in tabel 1, die be-
trekking hebben op geschoten dieren, een voor de wormen te rooskleurig
beeld. Zelfs wordt in dit jachtterrein door het slechts een beperkt aantal
jaren gebruiken van sommige delen van het revier een zekere vorm van
„omweiding" toegepast.

Het trekken van een conclusie uit het bovenstaande omtrent de juiste wijze
van wildbeheer is, daar nog andere factoren het wildbeheer mede bepalen,
niet gewettigd en valt buiten het bestek van dit onderzoek.

SUMMARY.

T.Hough all nematode parasites found in the wild boar in the Netherlands are
parasites of swine as well, some of them,
A. strongylina. Ph. sexalatus, G. urosubulatus
and Metastrongylus spp., are seldom or never seen in domestic swine. This is largely
due to the facts that large numbers of wild boars are living within enclosures and
most of the swine are housed.

-ocr page 664-

When comparing the nematode fauna\'s in different hunting grounds, some pecuharities
are seen. Most interesting are the low percentage\'s for
Ph. sexalatus and the lung-
worms (table 1.) and the low numbers of lungworms per animal in „Vierhouten",
where the density of the wild boar is high in relation to other regions. This
favourable situation is due to the natural dryness of the terrain and to a very
elaborated game management programme including stringent selection of the animals,
daily feeding on maïs and beets or potatoes, construction of concrete drinking pools,
etc.

LITERATUUR.

Jansen Jr., J.: On the lungworms of the wild boar {Sus scrofa L.) in the Nether-
lands, with a description of
Metastrongylus confusus n. sp. Tijdschr. Diergeneesk.,
89, 1205, (1964).

Jansen Jr., J.: The gastro-intestinal nematodes of the wild boar {Sus scrofa L.)
in the Netherlands.
Trans. Vllth. Congr. Int. Un. Game Biol., (1966), ter perse.

Discussie

Vraag: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

Hoe is in Nederland het diergeneeskundig onderzoek van het wild
geregeld? Juist in verband met het overbrengen van ziekten van wilde
dieren naar tamme dieren is dit van groot belang.

Antwoord: Dr. J. Jansen, Utrecht:

Onderzoek van wildziekten geschiedt in ons land door het Instituut
voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur (ITBON) te
Arnhem, in nauwe samenwerking met diverse instituten van de Faculteit
der Diergeneeskunde.

-ocr page 665-

Luehftransport van dieren

Air-transport of animals

door DRS. G. P. A. FRIJLINK1)

Na de tweede wereldoorlog heeft het luchttransport van dieren een enor-
me „vlucht" genomen.

In wezen is deze vorm van transport echter reeds zeer oud, want zoals
thans ook dieren voor de mens de spits hebben afgebeten bij de ruimte-
vaart, waren het een schaap, een haan en een eend die 175 jaar geleden
een luchtreis maakten onder de heteluchtballon van de gebroeders M o n t-
g
O 1 f i e r.

Het commerciële transport van de meest uiteenlopende diersoorten is ech-
ter van veel jongere datum. In 1924 werd een jonge stamboekstier in een
één-motorige Fokker F3 van Rotterdam-Waalhaven naar Parijs gevlogen.
Het regelmatig vervoer van paarden door de K.L.M. dateert van februari
1951; een tweetal paarden werd in een DC-4 van Ierland naar New York
gevlogen. Op 15 april 1963 werd het duizendste paard van Miami naar
Zuid-Amerika gevlogen.

De eerste vluchten waren zuiver pionierswerk, waarbij op een goede af-
loop van het geïmproviseerd transport werd gehoopt. Al spoedig echter
liet de K.L.M. zich voorlichten door deskundigen. De problemen welke
zich voordoen kunnen we in drie groepen onderscheiden:
le. economische problemen;
2e. technische problemen;
3e. veterinaire problemen.
De laatste groep ligt voor een groot deel op het gebied van de zootechniek.
In vele gevallen bestaat er een onderling verband tussen deze groepen en
moet de oplossing van moeilijkheden gezocht worden door het probleem
van verschillende kanten te benaderen.

Adviezen kunnen worden gegeven wanneer men bekend is met het ge-
dragspatroon van zeer uiteenlopende diersoorten onder normale omstan-
digheden en een inzicht heeft gekregen in de omstandigheden welke zich
tijdens een vliegreis kunnen voordoen. Wat betreft de landbouwhuisdieren
en de huisdieren is de dierenarts de aangewezen adviseur; voor de overige
diersoorten welke regelmatig voor luchtvervoer worden aangeboden is een
grondige biologische kennis noodzakelijk.

In 1962 was ik voor het eerst in de gelegenheid een transport van een
twaalftal paarden, bestemd voor renstallen in Venezuela, mee te maken
en te observeren. De vlucht vond plaats met een DC-7 F, een voor vracht-
vervoer omgebouwd passagierstoestel.

Uit het door mij uitgebracht rapport (F rij link, 1962) kan ik het vol-
gende vermelden:

De paarden werden geladen op London-Airport. Ze werden gelost uit
auto\'s en via een loopbrug aan boord gebracht. Wegens beperkte ruimte
was het noodzakelijk na het binnenbrengen van een paard de box voor
het volgende dier te monteren.

1  Drs. G. P. A. Frijlink; beheerder van het Instituut Buitenpraktijk van de Faculteit
der Diergeneeskunde; Rijksuniversiteit Utrecht, Biltstraat 172.

-ocr page 666-

Enkele paarden weigerden aan boord te gaan via de loopbrug. Het
duurde zeven uur voor het laatste paard was geladen. Wanneer men
weet, dat ieder uur oponthoud van een vliegtuig een schadepost be-
tekent welke varieert van 5 tot 10 duizend gulden beseft men dat dit
een probleem was dat dringend om een oplossing vroeg.
Tijdens deze reis bleek dat een aantal dierenstewards onvoldoende ge-
traind was in de omgang met paarden.

Het gebruik van tranquillizers werd door mij ontraden op de volgende
gronden:

Het is bekend dat het effect van deze middelen in gelijke doseringen
bij gelijkwaardige dieren sterk kan variëren. Wanneer een paard
tijdens de vlucht onder invloed van een tranquillizer zou gaan liggen
ir zijn box van beperkte afmetingen, zou dit voor het dier cata-
strofaal kunnen zijn.

Bovendien wordt er in de toepassingsvoorschriften van verschillende
tranquillizers op gewezen, dat te voren een klinisch onderzoek moet
worden verricht in het bijzonder van longen en circulatie-apparaat.
Hiertoe ontbreekt op de luchthaven meestal de tijd en de gelegen-
heid.

Onvoldoende ervaren dierenstewards dringen regelmatig aan op
het gebruik van tranquillizers. Hun collega\'s bij buitenlandse lucht-
vaartondernemingen zouden ze regelmatig toepassen.
In aanmerking komen:

Promazine (sparine, in Amerika veel gebruikt);

Chlorpromazine (largactil);

Acepromazine (vetranquil) (Pugh, 1964);

Diquel (ethylisobutrazine) (Quentin and Siry, 1962).

Deze middelen dienen niet als routinebehandeling te worden toegepast.
Wel moeten ze aanwezig zijn om toe te kunnen passen:

le. als de eigenaar van het dier, ingelicht over de hiervoor genoem-
de risico\'s, het toch wenst;
2e. als alternatief in gevallen waarin at; \'ers van het cash pistool
moet worden gebruik gemaak om dieren die groot gevaar voor
hun omgeving opleveren te doden.

In december 1964 was ik aanwezig bij het \'aden en vertrek van het Olym-
pisch Equipe van West-Duitsland naar l\'okio. De leiding berustte bij col-
lega Dr. W. Büsing (1964) uit Oldenburg, c\'-e mij na afloop een uit-
voerig rapport heeft toegezonden.

Twee-derde van de paarden kregen kort vóór het vertrek intraveneus
Combelen toegediend. Er werden lage en deels zeer lage doseringen ge-
geven omdat collega Büsing terecht bang was voor „die Gefahr des
Hinlegens". Toch gingen tijdens de vlucht een cweetal paarden liggen,
waarvan er één spontaan weer overeind kwam.

Gollega Büsing twijfelt aan het nut van tranquillizers, maar constateerde
dat toepassing bij paarden een enorm kalmerende invloed had op: „de
dierenstewards".

Ook hij kwam — evenals ik in 1962 — tot de conclusie dat tijdens start en
landing bij sommige paarden het gebruik van de neuspraam van onschat-
bare waarde was.

-ocr page 667-

In de Veterinary Record van 9 november 1963 wordt in een verslag van
de R.C.V.S. Council Meeting een advies gememoreerd van het Ministerie
van Landbouw aan het Ministerie van Luchtvaart, waarin bij luchttrans-
port van paarden het gebruik van tranquillizers wordt aanbevolen.
Hierop volgt een reactie van collega G. E. Joss (1963), dierenarts-advi-
seur bij de B.O.A.C. Hij protesteert tegen het gegeven advies en voert ais
argumenten dezelfde bezwaren aan welke door mij werden genoemd.

In 1963 kwam het paard en transport met straalvliegtuigen in de belang-
stelling.

Van de beschikbare ruimte in een DC-8 F zou in bepaalde gevallen een
meer economisch gebruik gemaakt kunnen worden wanneer dwars op de
lengteas van het vliegtuig geladen zou kunnen worden.
Collega Joss heeft mij desgevraagd meegedeeld nagenoeg geen ervaring
te hebben met paardentransporten in straalvliegtuigen, maar uit ervaring
moest hij waarschuwen tegen laden in dwarsrichting. Zijn mededeling:
"the horses object violently to travelling sideways" wordt niet bevestigd
door onze ervaringen bij het wegvervoer.

Een paar maanden later werd ik door de K.L.M. in de gelegenheid gesteld
van een lesvlucht met een DC-8 F (straalvliegtuig) gebruik te maken voor
een experimenteel transport.

In de eerste plaats werd een nieuw beladingssysteem met gebruikmaking
van een z.g. schaarlift getest, waarbij bleek dat paarden, van te voren
reeds in boxen geplaatst zeer snel geladen konden worden. In Amsterdam
werden mij een aantal slachtpaarden ter beschikking gesteld. Een slager met
het nodige materiaal werd medegenomen.

De paarden werden voor de helft in de lengterichting en voor de helft in
dwarsrichting geladen. Als gewoonlijk waren de dieren tijdens start en lan-
ding (welke bij herhaling werd uitgevoerd) zeer onrustig. Tijdens het vlie-
gen was van onrust in beide groepjes geen sprake.

Tijdens de start viel op te merken dat de in de lengterichting geladen
paarden in de achterhand doorzakten en daarbij in verschillende gewrich-
ten doorbogen in een natuuriijke buigrichting. De dwars geladen dieren
werden tegen de zijwand van de box gedrukt en trachtten met de voeten
steun te vinden tegen de tegenover liggende zijwand. De onrust bij deze
dieren was groter, terwijl de krachten welke op de gewrichten van de benen
worden uitgeoefend loodrecht zijn gericht op de natuurlijke buigrichtin\',\'.
De tijdsduur van deze moeilijke ogenblikken is echter dermate kort, dat
blijvetide nadelen waarschijnlijk niet zijn te verwachten. De bevindingen
motiveren een proef op grotere schaal.

Reeds werd medegedeeld dat zeer veel verschillende diersoorten door de
lucht worden vervoerd, welke ieder hun eigen problemen meebrengen.
Het voert te ver hier nader op in te gaan.

Aardig is misschien te vermelden dat walrussen droog vervoerd kunnen
worden, dolfijnen niet in een bassin, maar liggend op zeegras of hangend
in een hangmat kunnen reizen, waarbij ze wel regelmatig moeten worden
natgespoten en zeekoeien beslist zwemmend in een bassin moeten worden
vervoerd. Voor bepaling van de vrachtprijs is in dit geval de emballage
van meer „gewicht" dan het lichaamsgewicht van de reiziger.
Voor kleinere dieren, waarbij het vervoer slechts economisch mogelijk is
wanneer grote aantallen kunnen worden geladen, vormt de regeling van

-ocr page 668-

het micro-khmaat aan boord voor de naaste toekomst een onderwerp van
studie.

Vergehjken we tenslotte luchttransport met andere wijzen van vervoer,
dan komen de volgende voordelen naar voren :

1. zeer belangrijke bekorting van de reisduur;

2. vermindering van douane-oponthoud, daar we slechts met twee gren-
zen te maken hebben;

3. voor paarden welke aan wedstrijden en courses moeten deelnemen
zouden, mits ze één of twee dagen vóór hun deelname worden aan-
gevoerd, geen acclimatisatiemoeilijkheden bestaan, volgens een mede-
deling van L e s a f f r e (1962).

SUMMARY.

The development of air transport of animals is briefly reviewed.

The problems of commercial transport by air can be differentiated into economic,

technical and veterinary problems.

A number of \'hese are discussed, including the drawbacks attaching to the use of
tranquillizers.

LITERATUUR.

B Ü s i n g, W. : Pferdetransport Amsterdam - Tokio Deutsche Equipe. Rapport (niet
gepubliceerd).

F r ij 1 i n k, G. P. A.: Verslag betreffende luchttransport paarden 12 november 1962
(niet gepubliceerd).

Joss, G. E.: The Transport of Horses by Air. Vet. Rec., 75, 1268, (1963).
L e s a f f r e, R. : Le transport des chevaux de courses. La crise d\'acclimatement
peut-elle être évitée grâce au transport par avion?
Plaisirs équestres, 2, (1962).
Pugh, D. M.: Acepromazine in Veterinary Use. Vet. Ree., 76, 439, (1964).
Q u e n t i n, J. R. L. and S i r y, J. R. : Tranquilisers in veterinary medicine. J. agr.

vet. Chem., (4), 136, (1964).
R.C.V.S. Council Meeting: Vet. Ree., 75, 1163, (1963).

Discussie

Vraag: Drs. W. Kraai, Utrecht:

Biedt een lange (meestal gedwongen) onrustige landingsprocedure voor
dieren op zichzelf de kans tot een kritische onrusdgheid der dieren?

Antwoord: Drs. G. P. A. Frijlink, Utrecht:

Dit is inderdaad het geval. Het is derhalve belangrijk de niet gedwongen
onrustige landingen te voorkomen. Onderling contact tussen Captain
en dierensteward is wenselijk.

Wanneer onrustige dieren aan boord zijn zal van de vlieger „smooth
flying" worden gevraagd.

Vraag: Mevr. Drs. W. Pol-v. Dongeren, Utrecht :
Hoe worden de dierenstewards opgeleid?

Ik heb de indruk dat de moeilijkheden bij het vervoer van paarden
meer liggen bij de verzorgers dan bij de dieren zelf.

Antwoord: Drs. G. P. A. Frijlink, Utrecht:

Inderdaad is de vakbekwaamheid van de verzorgers zeer belangrijk.
Bij hun praktische scholing kreeg ik de medewerking van de Kliniek
voor Heelkunde van onze Faculteit, van de N.V. Veestallen (weg-

-ocr page 669-

transport), van het drafcentrum Mereveld, van de manége Bushoff,
van het K.I.-station Bunnik en van Artis.

Vraag: Drs. S. Frens, Utrecht:

Worden bij paarden uitsluitend tranquilizers van het phenothiazine
type gebruikt? Er zijn n.1. tranquilizers met minder invloed op de
bloeddruk.

Antwoord: Drs. G. P. A. Frijlink, Utrecht:

De meest gebruikte tranquilizers bij luchttransport (Amerika) zijn
inderdaad phenothiazine derivaten: promazine, chlorpromazine, ace-
promazine en ethylisobutrazine. De ongunstige invloed op de bloeddruk
zou van dit laatste preparaat te verwaarlozen zijn.

-ocr page 670-

Enkele aspecten van het leven op grote hoogte

Some aspects of life at high altitudes

door C. ROMIJN«)

Uit het Laboratorium voor Veterinaire Fysiologie der Rijks-
universiteit te Utrecht.

Ten aanzien van de levensomstandigheden op grote hoogte boven zee-
spiegel kan men onderscheid maken tussen die, welke in een ruimtecabine
kunstmatig worden gecreëerd en die, welke bij vrij leven worden onder-
vonden. Met betrekking tot de eerste zijn de eerste stappen gezet en het
zijn de huisdieren geweest die hierin de spits hebben afgebeten; met name
de spoetnik-honden die een grote tradide uit het land van Pavlov hebben
voortgezet.

Onder de problemen die zich in de ruimtecabine voordoen speelt de kli-
maatbeheersing, vooral de voorziening met zuurstof, de afvoer van kool-
dioxyde en de waterbalans een dominerende rol. Een verblijf van enkele
maanden door enkele personen in de ruimte schept met betrekking tot de
watervoorziening een vraagstuk van de eerste orde. Ter voorkoming van
een belading met tonnen drink- en waswater zijn in de cabine voorzienin-
gen getroffen waarbij al het geëxpireerde, verdampte en voor wassen ge-
bruikt water weer wordt teruggewonnen in zuivere vorm, waarbij door
middel van elektrolyse in de zuurstofbehoefte wordt voorzien en de COo
door reductie tot koolstof onschadelijk wordt gemaakt. Ook het water uit
de urine wordt kwantitatief teruggevoerd in de waterkringloop.
Uiteraard schept de afwezigheid van de zwaartekrachtwerking speciale
moeilijkheden, doch deze zijn technisch overwonnen waardoor het momen-
teel mogelijk is 4 volwassen personen gedurende een jaar in een cabine te
doen verblijven, waarin de voorziening van water en zuurstof aan boven-
staande kringloop is gebonden.

Bovenstaande factoren zijn evenwel niet specifiek inherent aan het leven
op grote hoogte en de vraagstukken die zich voordoen bij vrij leven op
aanzienlijke hoogte boven zeespiegel zijn van geheel andere aard, waarbij
vooral de lage zuurstofdruk van overheersend belang is.

Hoogte boven zeespiegel

Bar. druk

p02

voeten

meters

mmHg

mmHg

0

0

760

154

6.000

1.800

609

120

11.000

3.300

503

100

16.000

4.800

412

80

23.000

6.900

307

60

Uit bovenstaande tabel blijkt dat op een hoogte van 7000 meter boven
zeespiegel de partiële zuurstofdruk slechts 60 mm Hg bedraagt en indien
we bedenken dat de alveolaire zuurstofdruk slechts circa 2/3 van deze
waarde bereikt, dus niet meer dan 40 mm Hg, moet deze omstandigheid

-ocr page 671-

een uitermate geringe oxygenatie van het arteriële bloed ten gevolge heb-
ben.

De eerste ervaringen te dien aanzien zijn opgedaan gedurende de eerste,
dramatische periode van de ballonvaart en het zijn ook alweer de kleine
huisdieren geweest die het allereerst het slachtoffer zijn geworden, nl. een
aantal postduiven. Op 17 juli 1862 steeg de Britse meteoroloog Glais-
h e r, samen met de tandarts, HenryCoxwell vanuit Wolverhampton
op met aan boord een aantal duiven die op verschillende hoogten werden
losgelaten. Reeds op betrekkelijk geringe hoogte bleek de nadelige invloed
van de lage zuurstofdruk op de vestibulaire functies van de dieren, culmi-
nerend in een totale asphyctische paralyse van de motorische zenuwcentra
voor de vliegbewegingen, terwijl enkele dieren bezweken. Deze waarne-
ming maakte een einde aan de toen nog geldende opvatting dat vogels op
extreem grote hoogte zouden kunnen leven en regelmatig zouden voor-
komen. Ook G 1 a i s h e r zelf ondervond ernstige ademnood en zelfs tijde-
lijke bewusteloosheid. Toch heeft hij zijn tochten goed overleefd en is zelfs
94 jaar oud geworden.

Minder voorspoedig was de afloop van de in 1875 ondernomen ballon-
vaart vanuit de omgeving van Parijs met aan boord Gaston Tissa n-
d i e r met 2 metgezellen. Zij stegen op ondanks de ernstige waarschuwing
van de fysioloog P a u 1 B e r t, een leerling van ClaudeBernard. In
korte tijd bereikte de ballon een hoogte van 8000 meter, waarna de 2 met-
gezellen stierven aan asphyxie en verschijnselen van longbloedingen. Deze
dramatische afloop werkte veeleer als een stimulans voor intensivering van
de exploratie der hogere luchtlagen en niemand minder dan de fysici G a y-
Lussac en Biot stegen op, beladen met instrumenten en als „verklik-
ker" een gekooid vogeltje.

De oorzaak van de asphyctische verschijnselen bij lage barometerdruk
kan worden verklaard uit de daling van de alveolaire zuurstofdruk. Op
zeespiegelniveau kan deze op 100 mm Hg worden gesteld en indien we
bedenken dat het gemengde veneuze bloed de longcapillair bereikt met een

Fig. 1. Diffusievoorwaarden van zuurstof in de long en in de placenta

DIFFUSION OF OX/GEN

PLACENTA

-1-1-r—

effective pressuregradient

-1-

ort. ut.

ver^.umb.

•■" ven ut.

_ - ----

__ ------

art umb.

05

0.75

LUNG

mmHg
IX
110
100
90
ao
70
60
50
<0
30
20
to

mmHg
IX

Ito

100 -
so
80
70 ■
60 ■
50 ■
^o

30 ■
20
10

al^olorpO,

effective pressuregradient
\'15 mm Hg

PO,

mixed wnot/j blood

0.75

-ocr page 672-

p02 van circa 40 mm Hg, betekent dit een drukgradiënt van 60 mm Hg
bij het eerste diffusiekontakt tussen het bloed en de alveolaire lucht. Daar
de diffusiemembraan, met name het alveolaire epitheel en het capillair-
endotheel tezamen slechts een geringe barrière voor de penetratie van
zuurstof vormen zal reeds na 0,75 seconden de p02 in het capillaire bloed
tot het niveau van die in de alveoli, dus tot 100 mm Hg zijn gestegen.
Daar bij deze zuurstofdruk alle hemoglobine met O2 is verzadigd wordt de
02-opname in de long dus primair bepaald door het hemoglobinegehalte
en de grootte van het beddingsareaal of de „volumeflow" (fig. 1).

Het arteriële bloed blijkt weliswaar nooit een p02 van 100 mm Hg te be-
reiken, hetgeen veroorzaakt wordt door functionele arterio-veneuze shunts
in de longcirculaite, alsmede een beperkte ventilatie van sommige long-
kwabben (fysiologische schadelijke ruimte). De aan de weefsels en bv.
aan de foetus gepresenteerde p02 is in de regel niet hoger dan 80 mm Hg.
Dank zij de vorm van de zuurstofdissociatiekromme is bij die druk de he-
moglobine nog voor circa 96 tot 98% met zuurstof verzadigd. Op grote
hoogte boven zeespiegel evenwel zal met dalende barometerdruk ook de
alveolaire p02 naar evenredigheid afnemen en de oxygenatiegraad van
het arteriële bloed belangrijk beneden de eerdergenoemde waarde blijven.
Weliswaar treden enkele adaptades op aan deze situatie, met name een
toename van het circulerend erytrocytenvolume, dus het hemoglobine-
gehalte, alsmede een versnelling van de pols, resulterend in de toename
van het hartminuutvolume. Dank zij deze aanpassingen aan het milieu kan
de zuurstofopname, vooral bij wat langer verblijf, de zuurstofbehoefte rede-
lijk blijven dekken, tenzij extra zware arbeid wordt verricht of andere
factoren de longventilade belemmeren.

Echte moeilijkheden treden pas op boven 5 a 6000 meter hoogte, alwaar
de p02 in de buitenlucht tot de helft van de waarde op zeespiegelniveau
is gedaald en waar dus de zuurstofdruk in het arteriële bloed niet meer
dan 40 mm Hg bedraagt, met een daarmede overeenkomende geringe ver-
zadiging. Noch het gestegen celvolume (met circa 30%), noch de ver-
hoogde doorbloeding van de long vermogen onder die omstandigheden een
zuurstoftekort te verhinderen.

Men vraagt zich af hoe onder die omstandigheden de foetus nog kansen
van leven heeft, immers reeds op zeespiegelniveau zijn voor de voldragen
vrucht de kondides van de zuurstofvoorziening uitermate kritiek. Terwijl
de groei van de foetus, dus de zuurstofbehoefte, met de derde macht van
zijn lengte toeneemt is de vergroting van zijn respiratoir oppervlak, met
name het placentaire beddingsareaal, niet meer dan ongeveer lineair met
zijn lichaamslengte. Dit impliceert een optredend reladef zuurstoftekort,
hetgeen zich manifesteert in een extreem lage waarde voor de zuurstof-
drukken in het navelstrengbloed. Daarbij komt nog de ongunstige om-
standigheid dat de placentaire barrière, vooral bij dieren met syndesmo-
of epitheliochoriale placenta in een uitzonderlijk geringe diffusiecoëffi-
ciënt zal resulteren. Met recht spreekt Barcroft dan ook voor de
schapefoetus van een „Mount Everest in Utero". Dat desondanks foetale
sterfte als gevolg van asphyxie weinig voorkomt is enerzijds toe te schrijven
aan de geringe
02-behoefte, anderzijds aan de grote affiniteit van foetale
hemoglobine voor zuurstof, alsmede aan de sterk toegenomen doorbloeding
van de placenta foetalis in de laatste graviditeitsweken. De bloeddruk in

-ocr page 673-

de Arteria umbilicalis stijgt bij het schaap gedurende de laatste weken
van de graviditeit van 20 mm Hg tot 76 mm Hg. Desondanks is de p02
in de foetale capillairen van de placenta kort vóór het einde van de dracht
niet hoger dan 17 mm Hg, in de longcapillairen van het moederdier 100
mm Hg.

Het is duidelijk dat dieren met hemochoriale placenta en de mens duide-
lijk in het voordeel zijn met betrekking tot de foetale zuurstofvoorziening;
de diffusiecapaciteit van de laatstgenoemde placenta is een factor 4 tot 5
groter dan bv. bij de herkauwers.

Op grote hoogte kan men moeilijkheden verwachten ten aanzien van de
foetale
02-voorzieningen en het experimentele onderzoek op dit gebied
dateert pas van zeer recente datum.

Wel was bekend dat onder de Indianen uit de hogere delen van het
Andesgebergte de vrouwen kort vóór de geboorte van een baby naar lagere
gebieden afdalen. Of deze verticale migratie bij dieren uit het werkelijk
hooggebergte ook plaatsvindt is onvoldoende bekend.

In 1964 beschrijft Donal dH. Barronde resultaten van een be-
langwekkend onderzoek dat hij verrichtte me. drachtige ooien op zee-
spiegelniveau in New Haven en met genetisch identieke dieren op aan-
zienlijke hoogte boven zeespiegel nl. in het „Instituta de Biologia Andina"
te Morococha op 14.000 voet hoogte in de Peruaanse Andes.
Kort samengevat komen zijn resultaten op het volgende weer:

1. Er is geen verschil in foetale groei; het embryogewicht is op alle
ontwikkelingsstadia gelijk, onverschillig de barometerdruk. Ook het
foetale hart is in de Andes niet zwaarder dan in de vlakte.

2. Het hart van de moederdieren wordt in het gebergte aanzienlijk
groter dan bij de ooien in New Haven; kennelijk is de „cardiac
output" op grote hoogte belangrijk groter, hetgeen als een adaptatie
kan worden gezien.

3. Het totale bloedvolume is bij de foetus in het gebergte groter dan
bij de vrucht op zeespiegelniveau en daar het plasmavolume gelijk
is betekent dit een toename van het celvolume met de daarmede
evenredige zuurstofcapaciteit. Dit verschijnsel begint op de 90e dag
van de graviditeit en zet zich voort tot het tijdstip van de partus
(gemiddeld na 140 dagen).

4. Het arteriële bloed van het moederdier is in New Haven voor 95%
met O2 verzadigd, in de Andes slechts voor 69%, overeenkomende
met zuurstofdrukken van respectievelijk 90 en 44 mm Hg. De dif-
fusievoorwaarden in de bergen zijn dus aanzienlijk ongunstiger dan
op zeespiegelniveau.

5. Het verrassende feit dat de zuurstofdrukken in het navelstreng-
bloed in beide gevallen even groot zijn, ondanks de omstandigheid
dat de „gradiënt" van 02-diffusie in New Haven 46 mm Hg be-
droeg en in de Andes slechts 24 mm Hg. Dit betekent dat de pla-
centa op grote hoogte per oppervlakte-eenheid veel meer zuurstof
doorlaat dan op zeespiegelhoogte; de „diffusing capacity" van de
placenta past zich aan. Hij kan dan ook een grote toename van het
beddingsareaal in de „gebergteplacenta" vaststellen, speciaal in het
moederlijke vaatgebied.

-ocr page 674-

6. Bij de lama bleek de 02-gradiënt in de placenta slechts 15 mm Hg
te bedragen, doch bij dit dier is het oppervlaktecontact tussen cho-
rion en uterusmucosa het grootste van alle epithelio-choriale pla-
centae.

7. Het ■ zuurstofverbruik van de foetus, alsmede de affiniteit van het
foetale bloed voor zuurstof, is onder beide omstandigheden idendek.

8. De affiniteit voor zuurstof van het moederlijke bloed vermindert
gedurende de dracht, waardoor de afgifte van O2 aan de foetus in
de hand gewerkt wordt.

De onderzoekingen van B a r r o n zijn uitermate belangwekkend, niet al-
leen gezien vanuit een zuiver fysiologisch standpunt; zij illustreren het
grote adaptatievermogen van het gravide dier en het geringe aanpassings-
vermogen, ja zelfs het geheel ontbreken ervan bij de foetus zelf. Zij geven
vanzelf aanleiding tot de vraag hoe het pasgeboren dier reageert op lage
zuurstofdruk en vooral hoe het embryo zich ontwikkelt als de prenatale
adaptatie van moederlijke zijde ontbreekt.

Wat de eerste vraag betreft kan worden opgemerkt dat A c h e s o n
(1957) bij pasgeboren lammeren een lagere energieproduktie konstateerde
bij lage barometerdruk, hetgeen ook bekend is voor pasgeboren kinderen
(Cross c.s., 1955) en bij jonge honden en katten (Moore, 1956).
De tweede vraag is moeilijker te beantwoorden; bij de zoogdieren is het
onmogelijk de adaptaties van het moederdier experimenteel te verhin-
deren, doch wanneer wij het vogelembryo in het experiment betrekken is
deze conditie van nature aanwezig.

Op grond van genoemde probleemstelling is in mijn laboratorium een
onderzoek aan de gang naar de invloed van lage barometerdruk op de
gaswisseling van het kippeëmbryo en naar een antwoord op de vraag of
hier al of niet adaptaties van embryonale zijde kunnen worden vastgesteld.
De probleemstelling bij dit onderzoek is de volgende:

1. Hoe is de invloed van verlaagde barometerdruk op de groei, resp.
op de stofwisselingsintensiteit van het kippeëmbryo?

2. Is er verschil met de situatie waarin het broedei is blootgesteld aan
normale barometerdruk, doch verminderde partiële zuurstofdruk?

3. Zijn er adaptaties van embryonale zijde aan de kondities van grote
hoogte bv. in de vorm van een toename van het hemoglobinegehalte
en een hartvergroting enerzijds en een vergroting van het beddings-
areaal in de allantois anderzijds?

4. Kan het vogelembryo onder kondities van hypoxie zijn benodigde
energie ten dele uit anaerobe omzettingen betrekken?

Uit ervaringen, opgedaan bij het kunstmatig broeden in de bergen, blijkt
wel dat een lage barometerdruk het vogelembryo niet onberoerd laat. Vol-
gens Thompson (1952) werd in Kenya geconstateerd dat op een
hoogte van 7000 tot 8000 voet het broedproces onder de kip even normaal
veloopt als op zeespiegelhoogte, doch de meeste broedmachines bleken
vrijwel onbruikbaar door de extreem hoge embryonale sterfte.
Kippen en kalkoenen, broedend op een hoogte van 11.000 voet geven een
broeduitkomst van 85% vitale kuikens; in de machine minder dan de helft
van dit aantal. Toevoeging van extra zuurstof is door diverse onderzoekers
met succes toegepast en een punt van bijzonder interesse is dus een onder-

-ocr page 675-

zoek naar de oorzaken van asphyctische embryonale sterfte bij het kunst-
matig broeden op grote hoogte boven zeespiegel. In de Boliviaanse en
Peruaanse Andes knelt dit probleem evenzeer, temeer daar ter plaatse de
beschikbare grondstoffen een lonende pluimveeteelt mogelijk zou maken
\'\'Mededelingen F.A.O.).

Zeer weinig wetenschappelijk onderzoek is op dit gebied verricht; Smith
en Abbott (1961) plaatsten wat broedeieren in een incubator bij een
druk van 500 mm Hg en vonden een verlenging van de broedtijd met 15
procent, bij 307 mm Hg gingen vrijwel alle embryonen snel te gronde.
As tola c.s. (1959) konden bij kippeëmbryonen, jonger dan 11 dagen
geen toename van het hemoglobinegehalte konstateren; het totale Hb-
gehalte bedroeg onder alle omstandigheden circa 1% van het embryo-
gewicht.

Het eerste deel van ons onderzoek, waarvan ik een samenvatting der resul-
taten wil geven, heeft betrekking op de invloed van gesimuleerde „high
altitude conditions" op de respiratoire stofwisseling, met name op de totale
intensiteit en op de vraag of een deel van de warmteproduktie door anae-
robe omzettingen wordt geleverd.

Het onderzoek wordt met W.L. broedeieren verricht, waarbij een ei ge-
plaatst wordt in een kleine incubator die als respiratiecalorimeter is ge-
construeerd. De totale luchtdruk in de omgeving van het broedei kan met
behulp van een barostaat op elk gewenst niveau, beneden 760 mm Hg
gedurende de gehele broedtijd worden gehandhaafd (fig. 2).

Fig. 2.

Respiratiecalorimeter voor een broedei onder gesimuleerde „grote hoogte"

condities.

Het zuurstofverbruik en de koolzuurproduktie zowel als de warmteafgifte
kunnen continu worden geregistreerd.

Bijzondere aandacht wordt besteed aan de handhaving van een konstante
relatieve vochtigheid (PH2O = 25.5 mm Hg). Voor verdere bijzonder-
heden t.a.v. de techniek van onderzoek zij verwezen naar de voorlopige
mededeling van Lokhorst en Romijn (1965).

De resultaten die tot nu toe werden verkregen zijn als volgt samen te
vatten:

-ocr page 676-

1. Zowel bij normale als verlaagde barometerdruk wordt de warmte-
produktie van het embryo volledig veroorzaakt door oxydatieve
processen; een surplus aan anaerobe warmte kan niet worden ge-
konstateerd.

2. Bij drukken van resp. 600 en 500 mm Hg komen de kuikens op nor-
male wijze uit, ofschoon de stofwisseling gedurende de ontwikkehng
significant lager is dan bij 760 mm Hg.

Hoe lager de luchtdruk, hoe lager de stofwisseling (fig. 3).

Fig. 3.

Invloed van de barometerdruk op de warmte produktie van het kippe-

ernbryo.

Bij expositie aan een druk van 408 mm Hg evenwel blijkt de leeftijd van
het embryo een grote rol te spelen. Embryonen, ouder dan 13 dagen, over-
leven in de regel de verlaging van de luchtdruk tot 408 mm Hg doch het
moment van uitkomen is dan verlaat óf het ei wordt aangeprikt op de 22e
dag zonder dat een „hatching" er op volgt.

Eieren die korter dan 13 dagen bij normale druk zijn voorgebroed, vertonen
alle een vroegtijdige embryonale sterfte (fig. 4).

-ocr page 677-

Overleving en dood van kippeëmbryonen bij een luchtdruk van
408 mm Hg.

"1—I I 1 I I I I 1 1 I r

Bij nog verdere verlaging van de luchtdruk, nl. tot 307 mm Hg, overeen-
komend met een hoogte van bijna 7000 meter boven zeespiegel, is er geen
sprake van overlevingskansen. Alle embryonen, onverschillig op welk tijd-
stip van hun ontwikkeling blootgesteld aan deze extreme konditie, sterven
af en wel meestal op dezelfde dag reeds waarop de druk werd verlaagd;
slechts de jonge kiemen van hoogstens 4 dagen oud houden het enkele
dagen uit, ofschoon hun stofwisseling zeer beneden de norm voor de be-
treffende dagen blijft (zie tabel).

Barometerdruk en embryonale sterfte bij de kip.

Luchtdruk in rcspir. calorimeter
(mmHg)

Dag van expositie Dag van embryonale sterfte

307

4

11

»

4

7

it

7

7

yt

8

9

»

12

12

))

20

20

408

1

7

»

4

10

n

5

13

ff

7

15

-ocr page 678-

Luchtdruk in respir. calorimeter Dag van expositie Dag van embryonale sterfte
(mmHg)

8 18
9 20

13 19

13 22 (aangepikt)

14 20 (kuiken)
16 21 (aangepikt)

Slotbeschouwing

In tegenstelling dus tot de bevindingen van Barron bij schapen daalt
bij kippeëmbryonen het zuurstofverbruik bij verlaagde luchtdruk en wel
des te meer naarmate deze druk meer van 760 mm Hg afwijkt. Beneden
een druk van 500 mm Hg wordt het lütkomstpercentage aanzienlijk ver-
kleind en wel des te meer naarmate het broedei eerder aan de betreffende
omstandigheden wordt blootgesteld.

De geringere stofwisseling hangt vermoedelijk samen met een vertraagde
groei, waarbij momenteel een open vraag is welke van beide primair is.
Bij een luchtdruk van ongeveer 300 mm Hg heeft het kippeëmbryo geen
kansen van overleving; afsterving heeft als regel binnen 24 uren plaats,
uitgezonderd bij zeer jonge kiemen. In dit opzicht zijn de experimenten
van Johnson en Roope (1965) belangwekkend, waarbij drachtige
ratten werden blootgesteld aan een luchtdruk, overeenkomend met een
hoogte van ongeveer 5500 meter. Er trad een foetale sterfte op van meer
dan 50%, terwijl de vruchten die levend geboren werden slechts 4,7 gram
wogen tegen 5,5 gram bij jonge ratten op zeespiegelhoogte.
Het onderzoek bij kippeëmbryonen wordt voortgezet bij normale lucht-
druk, waarbij alleen de p02 is verlaagd en dus de pN2 relatief verhoogd.
Bovendien is een speciale broedmachine geconstrueerd waarin meerdere
broedeieren voor een deel bij normale luchtdruk, voor een ander deel bij
verlaagde druk kunnen worden uitgebroed teneinde de embryonale groei,
het hartgewicht en de hemoglobinevoorraad van beide te kunnen verge-
lijken.

In hoeverre eendagskuikens zich weten te adapteren aan de kondities van
grote hoogte is een punt van onderzoek voor de toekomst. Indien wij
Al tl and (1961) mogen geloven hebben „chickens a much lower alti-
tude tolerance than other small but warmblooded animals".

SUMMARY.

The respiratory metabolism of chicken embryos, exposed to a low barometric pressure
is considerably lower than at sea level conditions. Incubation at a pressure of 760,
600 and 500 mm Hg results in a normal hatch, in spite of the decreased metabolic
activity. At a pressure of 408 mm Hg survival depends on the age at which exposure
starts. From the 13th day of development exposure at 408 mm Hg does not result
in a dead in shell, though the moments of pipping and hatching are delayed up to
the 22th day. Oxygen consumption and Carbon dioxyde production are about 50
per-cent lower than at normal atmospheric condition.

At a pressure of 307 mm Hg the embryo is extremely susceptible and dead in shell
could be observed in all cases, independent from age and exposure. The results have
been compared with those obtained by others with mammalian foetuses (Barron
1964) and with new bom animals.

-ocr page 679-

LITERATUUR.

A c h e s O n, G. H., D a m e s, G. S. and M O 11, J. C.: ƒ. Physiol., 135, 623, (1957).

Altland, P. D.: /. appl. Physiol., 16, 141, (1961).

As tol a, E. and others: Acta Physiol. Scandin., 47, 210, (1959).

Barron, D. H.: in Weihe, W. H., The physiological effects of high altitude,

Pergamon Press, 1964 p 115.
C r o s s, K. W., T i z a r o 1, J. P. M. and F ry t h a 11, D. A. H.: ƒ.
Physiol., 129,
69 P, (1955).

Johnson, D. and Roope, P. G.: The Anatomical Record, 153, 303, (1965).
Lokhorst, W. and Romijn, G.: In: Energy Metabolism (1965), ed. by K. L.

Blaxter, 419, (1965).
Moore, R. E.: ƒ. Physiol., 131, 27 P, (1956).

Smith, A. H. and Ab both, K. K.: Poultry Set., 40, 1459, (1961).
Thompson, R. L.: Poultry Sci., 31, 497, (1952).

Discussie

Vraag: Drs. F. A. Neeteson, Utrecht:

Is er iets bekend over de geslachtsverhouding van gestorven foetale
ratten?

Antwoord: Prof. Dr. C. Romijn, Utrecht:

Hierover zijn geen gegevens bekend.

Vraag: Drs. W. J. Kraan, Utrecht:

Hoe groot is ongeveer de daling van de pOa in de longalveolen op de
hoogte van de komende Olympische Spelen in Mexico, en in hoeverre
is deze daling van fysiologische betekenis?

Antwoord: Prof. Dr. G. Romijn, Utrecht:

De juiste waarde van de pOa in de longalveolen ter plaatse is mij niet
bekend, doch de betreffende hoogte laat volledige adaptatie toe. Uiter-
aard zal langdurige aanpassing vereist zijn voor het verrichten van extra
spierarbeid.

Vraag: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

U vertelde dat natuurlijk broedende kippen en kalkoenen op grote
hoogte een goed uitkomstpercentage hadden, in tegenstelling tot de
uitkomsten van de broedmachine op dezelfde hoogte.
Hoe is dit verschil te verklaren?

Antwoord: Prof. Dr. G. Romijn, Utrecht:

Dit is vermoedelijk uit de invloed van de waterverdamping op de
permeabiliteit van de eischaal te verklaren.

Vraag: Prof. Dr. P. Wensvoort, Utrecht:

U vertelde ons dat het uitbroeden van eieren onder kunstmatige om-
standigheden, waarbij een verlaagde zuurstofspanning werd gehand-
haafd, aanleiding kan zijn tot embryonale sterfte, verlengde broedsduur
en organische afwijkingen.

In de humane literatuur kent men onder pasgeboren baby\'s afwijkingen

-ocr page 680-

die bekend staan onder „small for date" baby\'s. Deze individuutjes
zijn te licht van gewicht in vergelijking met de graviditeitsduur. Wij
menen dat deze afwijkingen ook bij de huis (zoog) dieren voorkomt; deze
dieren, i.e. lammeren, zijn te licht van gewicht. De oorzaak zou a.a. te
zoeken zijn in een defecte placenta. Mogelijk is het een gestoorde
zuurstofuitwisseling, gevolgd door een toestand van chronische asphyxie
van de foetus.

R:j deze lammeren werd een onvoldoende myelinisatie van het centraal
zenuwstelsel gevonden.

Is iets dergelijks ook bekend voor kuikens die onder zuurstof-arme
kondities werden uitgebroed?

Artwoord: Prof. Dr. C. Romijn, Utrecht:

Voor kuikens is dit onvoldoende onderzocht; het zou zeer de moeite
waard zijn dit experimenteel te toetsen.

\\\'.aag- Dr. W. A. de Haan, Utrecht:

Hoe staat het met de adaptatie van de gravide vrouw, vergeleken met
die van het gravide dier en zijn er beperkingen voor gravide vrouwen
met betrekking tot het vliegen op grote hoogten?

Antwoord: Prot. Dr. C. Romijn, Utrecht:

In een niet-gekonditioneerde cabine zijn er zeker beperkingen; in de
heden algemeen gebruikelijke gekonditioneerde cabine niet. Men ver-
gelijke evenwel de hierna volgende opmerking van Mevr. S. S. de
Lange-Koopmans.

Opmerking: Mevr. S. S. de Lange-Koopmans, Utrecht:

In de Münchener Medische Wochenschrift heeft onlangs een ardkel
gestaan om de nadruk te leggen op gevaren van vliegreizen voor gravide
vrouwen, waarover nog een groot onderzoek gaande is.

Vraag: de heer W. Kraai, Utrecht:

In hoeverre geeft het op grotere hoogte moeten leven een merkbare
vermoeidheid?

Antwoord: Prof. Dr. C. Romijn, Utrecht:

Hierover zijn weinig kwantitatieve gegevens bekend; uiteraard zal de
oxydadeve restitudefase van de spierstofwisseling afgeremd worden.

-ocr page 681-

Het reactiepatroon van herkauwers op de toe-
diening van pyrogenen

Artificially induced fever in ruminants following the
i
.V. injection of several pyrogens

door A. S. J. P. A. M. VAN MIERT1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Farmacologie der Rijks-
universiteit te Utrecht.

Inleiding

Naar aanleiding van prakdjkproblemen met enkele commerciële infusie-
vloeistoffen bij de behandeling van melkzieke runderen (van Gende-
ren, van Miert en Reinders, 1964), hebben wij een kwaliteits-
controle bij een 20-tal preparaten uitgevoerd (van Miert, 1966). Eén
van de ernstigste kwaliteitsfouten die bij een aantal van deze preparaten
werd geconstateerd bleek de contaminatie met pyrogenen.
Gemis aan voldoende literatuurinformatie over de werking van pyrogenen
bij grote huisdieren heeft ons ertoe gebracht allereerst de koortsreactie bij
deze dieren te bestuderen. Besloten werd het reactiepatroon van rund,
schaap en geit na te gaan na intraveneuze toediening van diverse pyro-
genen, waaronder:

1. het volgens de methode Westphal gezuiverde lipopolysaccharide van
E. coli om :B42);

2. gedode bouillon-cultuur van Pseudomonas synxantha (6,1 ± 1,1 x lO^
kiemen per ml), een saprofytair microörganisme dat eerder geïsoleerd
werd uit een pyrogene commerciële infusievloeistof (preparaat A^);

3. de betreffende pyrogene infusievloeistof, bedoeld voor de behandeling
van kop- en melkzieke runderen (van Miert, 1966).

Proefdieren

Gebruikt werden 19 konijnen (Vlaamse reus x Deens landkonijn), in ge-
wicht variërend van 2,8—5,1 kg. Verder werden in de experimenten ge-
bruikt: 14 koeien, in gewicht variërend van 475—550 kg. Hiervan ver-
keerden 12 dieren in de lactatieperiode en 2 dieren waren droogstaand en
niet drachtig; 9 ooien, in gewicht variërend van 48—78 kg en 7 gecas-
treerde bokjes, waarvan het gewicht varieerde van 23—58 kg.

Werkwijze

Van alle herkauwers werd steeds met een interval van een half uur de
pols, ademhaling, de pensbewegingen en de lichaamstemperatuur gecon-
troleerd (dit laatste met behulp van een geijkte kwikthermometer). Verder
werd gelet op bijzonderheden zoals levendigheid, voedselopname, her-
kauwen etc. Na een controleperiode van 1uur werd bloed afgenomen uit
de vena jugularis voor de bepaling van het aantal witte bloedcellen (on-
stolbaar gemaakt met behulp van heparine 0,2 mg%).

1  Drs. A. S. J. P. M. van Miert; wetenschappelijk ambtenaar le klas aan
de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 172.

2  Difco Laboratories, Detroit, Mich., U.S.A.

-ocr page 682-

Incidenteel werd het witte bloedbeeld gedifferentieerd. Direct na de vóór-
periode werd begonnen met de intraveneuze toediening van de endotoxine
oplossing, de gedode
Ps. synxantha cultuur of de infusievloeistof (die laatste
via een steriel, niet toxisch en pyrogeenvrij plastic infusiesysteem.1)

Dosis

De infusievloeistoffen werden bij het rund toegediend in de gebruikelijke
hoeveelheid, d.w.z. 450 ml. Voor schaap en geit werd de overeenkomstige
dosis van 1 ml/kg lichaamsgewicht aangehouden (A^ — 22164; B^ —
252400; C^ — 107; D^ — 13565). De gedode en verdunde
Ps. synxantha
cultuur (5 dagen in serumbouillon bebroed bij 20° G) werd toegediend in
doses variërend van 2,5 a 3,5 x 106 kiemen tot 1 a 1,25 x 10« kiemen per
kg lichaamsgewicht. Het doden van de cultuur geschiedde door middel
van verwarming gedurende 3 uur bij 70° C of door middel van herhaalde
bevriezing.

De dosis van het gezuiverde lipopolysaccharide van E. coli 0111 : B4 va-
rieerde van 0,001 /ig tot 0,1 yng per kg hchaamsgewicht.
Na de intraveneuze toediening werden weer met een interval van een half
uur de eerder vermelde punten van klinisch onderzoek gecontroleerd. Uit
de vena jugularis werden bloedmonsters voor onderzoek van het witte
bloedbeeld genomen na resp. 15-30-60-120-240 en 360 minuten. De experi-
menten werden meestal na 6 a 8 uren beëindigd.

Resultaten

De eerder in de konijnenproef pyrogeen gebleken infusievloeistof A^ was
ook bij rund, schaap en geit in staat een duidelijke koortsreactie op te
wekken. De pyrogeenvrije preparaten B^, C^ en D^ hadden geen invloed op
het verloop van de lichaamstemperatuur bij de drie herkauwers. Een zelfde
koortsreactie als bij preparaat Aj werd verkregen na toediening van de
gedode
Ps. synxantha cultuur of E. coli 0111 : B4 endotoxine.
Bij alle drie diersoorten was de sedatie het eerste verschijnsel dat na de
injectie kon worden waargenomen. Bij het rund kon dit worden opgemerkt
ongeveer 15/2 uur na de toediening, terwijl dit bij schaap en geit reeds na 1
uur het geval was. Vooral bij de geit was dit zeer duidelijk te zien. Deze
dieren stonden nl. met de kop naar beneden, roerloos in een hoek ge-
drongen, waarbij verder opvallend was, dat de haren overeind stonden.
De lichaamstemperatuur was dan bij alle drie diersoorten al duidelijk aan
het toenemen.

Overige verschijnselen, die steeds werden waargenomen, bestonden uit: ver-
minderde pensmotiliteit tot atonie toe, geen eetlust, geen herkauwen, verder
spierfibrillaties vooral aan de achterextremiteiten, vaak steunen en kreunen
bij iedere exspiratie, enige toename van de ademfrekwentie en van de
hartfrekwentie, terwijl in het bloed steeds een leucopenie optrad. In enkele
gevallen werd tevens een differentiatie uitgevoerd van het witte bloedbeeld,
waarbij dan ± 6 uur na de toediening een links verschuiving optrad bij
de neutrofiele leucocyten (o.a. na preparaat A^).

Klinisch herstel trad meestal 5 a 6 uur na de toediening van het pyrogeen
op, wat zich demonstreerde in een toegenomen levendigheid en belang-

1  Betrokken van het Nederlandse Roode Kruis of van de firma Curapharm.

-ocr page 683-

stelling voor de omgeving, verder herstel van de eetlust, vaak gevolgd door
herkauwen. Bijzondere symptomen, die soms bij het rund optraden waren
speekselen, enige tympanie en de koud aanvoelende huid van de extremi-
teiten en de staart.

Bij het schaap viel de onregelmatige frekwentie en oppervlakkige adem-
haling,
onderbroken door hoestbuien, op. Tenslotte kon bij de geit worden
waargenomen, dat naast de tympanie soms ook enige diarree optrad. Som-
mige geiten vertoonden tijdens de koortsperiode evenals het schaap hoest-
buien.

IA UUR

4UUA

CNOOTOX.
*1

-711,
•9%

•7a%
•73*
- 761.

Figuur 1.

Het reactieverloop van de lichaamstemperatuur en het aantal leucocyten
bij herkauwers na de toediening van verschillende pyrogenen. Het getal
tussen de haakjes geeft het aantal proefdieren aan.
T = Moment van toediening.

Figuur 2.

De relatie tussen de dosis endotoxine E. coli 0111 : B4 en de mate van
stijging van de lichaamstemperatuur en de mate van leucopenie bij her-
kauwers. Het getal tussen de haakjes geeft het aantal proefdieren aan.
T = Moment van toediening.

-ocr page 684-

Meer in details waren de symptomen als volgt;

Pensatonie: 1 a I/2 uur na de toediening was er bij alle drie diersoorten
een verminderde pensmortiliteit te constateren, die vaak overging in een
atonie. De verminderde mortiliteit bestond uit de afname van de intensiteit
en de frekwentie der pensbewegingen. Bij het rund varieerde de duur van
de atonie van V/2 tot 3 uur, terwijl bij het schaap dit 3 a 4 uur was en bij
de geit 3 a 5 uur.

Leueopenie: trad bij alle drie diersoorten op, ingeval er een koortsreactie
plaatsvond. Reeds 30 minuten na de toediening was er een duidelijke
leueopenie waar te nemen, die maximaal werd na 1 a 4 uur. De mate
waarin de leueopenie zich manifesteerde werd bepaald door de dosis pyro-
geen, die werd toegediend (zie figuur 2).

Het verloop van de lichaamstemperatuur: de latentietijd bedroeg bij rund,
schaap en geit bij de hoge doses ± 30 minuten, terwijl bij de lagere doses
dit wat langer duurde, nl. tot ± 60 minuten.

Het temperatuursmaximum: zowel bij de herkauwers als bij het konijn
trad er bij lage doses vaak een monofasisch verloop op, met een maximum
na 1/2 uur, terwijl bij hoge doses een bi- of meer-fasisch verloop optrad,
althans bij rund, schaap en konijn. De eerste top tekende zich na I/2 uur
af, terwijl de maximum top meestal na 3 a 4 uur bereikt werd (zie figuur
1 en 2). Vergeleken met de lichaamstemperatuur op het moment van de
toediening bedroegen de maximale stijgingen bij de diersoorten zoals in
tabel 1 wordt aangegeven.

Tabel 1.

0,01
0,1

Rund Schaap Geit Konijn

na: preparaat Al 1,7" C (3) 1,8° C(l) 1,8° C (2) 2,1° C (6)

Ps. synx. 3. lOO/kg 1,5° 0(1)

Ps. synx. 1. lO-\'/kg 1,9° C (2)

Ps. synx. 3. 10^/kg 2,3° C (1)

Ps. synx. 6. 10^/kg 2,1° C (4)

Ps. synx. 6. 108/kg 2,8° 0(1)

E coh Olli : B4 endo-
toxine:

0,001 Mg/kg 0,9° C (6)

0,4° C (3) 0,4° C (4) 0,8° C (4)
1,8° C (3) 0,9° C (3) 1,5° C (6) 1,6° C (3)

Het getal tussen haakjes geeft het aantal proefdieren aan.

Bij de vergelijking van de koortscurves in figuur 1 valt op, dat zowel bij
het rund als bij de geit een dosis endotoxine
E. coli Olli : B4 van 0,1 jig
per kg lichaamsgewicht ongeveer een gelijke reactie geeft als I.IO^ Ps.
synxantha
kiemen per kg lichaamsgewicht. Dit ligt in dezelfde orde van
grootte als door Hertel wordt aangegeven. Deze auteur vermeldt aan de
hand van rhamnosebepahngen, dat 109
Salmonella typhi kiemen ongeveer
15 /xg gezuiverd lipopolysaccharide moeten bevatten (Hertel, 1961).
Bij de bestudering van de relade tussen de dosis endotoxine
E. coli en het
effect bij herkauwers blijken deze dieren minder gevoelig te zijn dan
het konijn. Een dosis, groot 0,001 jxg per kg lichaamsgewicht, veroorzaakte
bij 6 konijnen een gemiddelde stijging van de lichaamstemperatuur van

-ocr page 685-

0,9° C, terwijl het rund (3 dieren) en het schaap (4 dieren) nog geen
reactie vertonen op een dosis van 0,01
/j.g per kg lichaamsgewicht (zie
tabel 1 en figuur 2). De vergelijking van de reactie op 0,1
/xg endotoxine
per kg geeft de indruk dat het rund mogelijk gevoeliger is dan het schaap.
In aflopende volgorde blijkt de gevoeligheid dus te zijn: konijn ■— geit —
rund en schaap.

In de literatuur wordt vermeld, dat de gevoeligheid van het paard groter
is dan die van de mens en deze is weer gevoeliger dan het konijn (H am-
rn e r et al, 1958; Weger, 1947; K e e n e et al, 1961). Bij afnemende ge-
voeligheid verloopt de reeks dus: paard > mens > konijn > geit > rund
en schaap.

Uit de beschreven experimenten blijkt verder nog, dat de pyrogene con-
taminatie van het commerciële infusiepreparaat Aj^ van dien aard was, dat
toediening in de gangbare therapeutische dosering aan gezonde runderen
ernstige ziektesymptomen veroorzaakte. De hierbij optredende pensatonie
kan een complicatie vormen bij runderen, die aan melkziekte lijden, daar
dit ziektebeeld reeds gekenmerkt is door een pensatonie.
Pseudomonas
synxantha,
een gram negatief, saprofytair, obligaat aëroob, microörganisme
dat eerder rein geïsoleerd werd uit het pyrogene infusiepreparaat A^, ver-
oorzaakte in een dosering van 2,5 a 3,5 10® dode kiemen per kg lichaams-
gewicht hetzelfde ziektebeeld. Dit geldt ook voor het gezuiverde lipopoly-
saccharide van
E. coli 0111 : B4, wanneer het in een voldoende hoeveelheid
gegeven werd (0,1 ug per kg).

Nabeschouwing

Bekijken we de symptomen die tijdens de koortsperiode optreden, dan valt
op dat naast de stijging van de lichaamstemperatuur ook waar te nemen
zijn: leucopenie, pensatonie, geen eetlust, geen herkauwen, soms diarree
(geit), verder versuffing, spierfibrillaties, soms steunen en kreunen bij de
exspiratie, transpiratie, soms onregelmatig frekwent oppervlakkige adem-
haling (schaap) en hoesten (schaap en geit).

De vraag kan worden gesteld in hoeverre deze symptomen nu verklaard
kunnen worden. Uit de literatuur blijkt, dat bij experimenteel opgewekte
koorts bij konijnen d.m.v. intraveneuze toediening van endotoxinen van
gram negatieve bacteriën of gedode gram positieve bacteriën (pneumo-
kokken), virusdeeltjes (N.C.D.; influenza virus), colloïdale deeltjes ol
kleine hoeveelheden antigeen bij gesensibiliseerde dieren, er steeds éénzelfde
factor in het bloed aan te tonen is. Deze thermolabiele factor wordt endo-
geen pyrogeen (E.P.) genoemd en wordt vooral door de leucocyten ge-
vormd, enige tijd na stimulering van deze cellen, o.a. door fagocytose of
endotoxine opname, (Atkins en S n e 11, 1965).

Dit E.P. zou rechtstreeks op het thermoregulerend centrum in de hypo-
thalamus inwerken, en na een zeer korte latentietijd aanleiding geven tot
stijging van de lichaamstemperatuur. De overige verschijnselen zijn waar-
schijnlijk het indirecte gevolg van de endotoxine invloed op andere syste-
men. Zo is de beschreven hyperglycemic gevolgd door hypoglycemic tijdens
de experimentele koorts bij het kalf, waarschijnlijk het gevolg van een door
endotoxine veroorzaakte adrenaline release (Roberts, 1949).
De histaminedaling in het bloed, die onder invloed van endotoxine bij

-ocr page 686-

kleine proefdieren kan optreden, is in onze experimenten met runderen ook
aangetoond door G e e 1 e n.1)

Bij runderen, die 0,1 fig endotoxine per kg lich. gew. kregen toegediend,
bedroeg de daling van het histaminegehalte in het totale bloed gemiddeld
87% (grenzen 66-100%). Deze daling tekende zich reeds 15 minuten
na de toediening af, en werd maximaal 1 uur na de intraveneuze injectie
(3 runderen). Bij een dosis van 0,05 jug endotoxine per kg lich. gew. was
de daling 76% (grenzen 60-92%).

Het histaminegehalte in het plasma werd niet bepaald. Het totale hista-
minegehalte in normaal bloed varieert overigens bij runderen individueel
sterk, nl. van 1,4-9,3 /xg per 100 ml totaal bloed (gemiddeld 5.22
fig per
100 ml bloed bij 7 koeien).

Ook in het minerale bloedbeeld trad er na toediening van het endotoxine
een verschuiving op, met name wat betreft het anorganisch fosfaatgehalte
en ook, zij het in mindere mate, van het calciumgehalte. De magnesium-
waarden veranderden niet. Bij 0.1 fxg endotoxine per kg bedroeg de daling
van het anorganisch fosfaat gemiddeld 42% (32- 50%). Bij 0,05 fig
endotoxine per kg was de daling gemiddeld 37% (32-43%). De afname
manifesteerde zich na 1 ä 2 uur en was 4 uur na de toediening maximaal.
Het normale anorganisch fosfaatgehalte bedroeg bij deze dieren (7 koeien)
gemiddeld 6 mg% (4,7-7,5 mg%).

Tot slot zij opgemerkt, dat de symptomen, die tijdens de koortsperiode op-
treden, momenteel onderwerp zijn van nadere studie. In hoeverre zij de
resultaten zijn van een verstoring van het neurovegatief systeem of gezien
moeten worden als gevolg van de release van amines of E.P. is nu nog niet
duidelijk.

Post Scriptum

Dit onderzoek kon worden uitgevoerd dank zij de welwillende medewerking van
Prof. A. M. Frens en Prof. Dr. L. Seekles, die beiden proefkoeien te onzer
beschikking stelden. Proefschapen werden ons afgestaan door Prof. Dr. C. H. W.
de Bois.

Bij de werkzaamheden waren verder betrokken de studenten J. A t s m a, W. de
Haan, J. Minderhout, J. P. W. v. d. Putten, H. H. S t i g t e r, en
A. W. U d
O, die als co-assistent op facultatieve basis enige tijd in ons Instituut
meewerkten. Verder moeten uiteraard de medewerkers aan het Insdtuut voor Vete-
rinaire Farmacologie genoemd worden, die een bijdrage aan dit onderzoek en de
uitwerking hiervan geleverd hebben.

SUMMARY.

The reacdon of catde, sheep and goats was studied after the intravenous injection
of different pyrogens, including:

1. The endotoxin of E. coli Olli : B4

2. A killed culture of Pseudomonas synxantha

3. A commercial infusion fluid for the treatment of paresis puerperalis (milkfever)
and grass tetany, which was contaminated with pyrogens.

1  Wij zijn Drs. M. J. H. Geelen, wetenschappelijk ambtenaar, verbonden aan
het laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie, zeer erkentelijk voor zijn
medewerking. De door hem gebruikte bepalingsmethoden zijn beschreven in een
aantal publikaties, die met een *) gemerkt zijn in de literatuurlijst aan het slot
van dit artikel.

-ocr page 687-

The symptoms observed were: apathy leading to stupor; elevation of the body
temperature; reduction, sometimes leading to a complete absence of rumen motility;
anorexia, no rumination, sometimes salivation and bloat; occasionaly diarrhoea
(goat). Also muscletwitching in the hindlegs, groaning with every expiration, an
increase of respiration and heart frequency and sometimes coughing fits (sheep and
goats) were observed. The amount of histamine and inorganic phosphate in blood
decreased, and leukopenia occured.

Body temperature: with higher doses it took 30 minutes, with lower doses 60 mi-
nutes, before fever set in. The lower dose gave a monophasic fever with a maximum
after 1 \'/z hours, the fever after a high dose was biphasic or polyphasic, with a
maximum after 3-4 hours.

The maximum average temperature rise after an intravenous dose of 0,01 /ig endotoxin
/kg. b.w. was for cattle, sheep, goats -|-0.4; -|-0.4; -f0.8° C respectively, after 0.1
Mg/kg it was -1-1.8; -|-0.9; 1.5° C.

Rabbits got a mean rise in temperature of 0.9° C after 0.001 /ig/kg.

Leukopenia: distinct after 30 minutes, maximal after 1 - 4 hours. The degree of
leukopenia was related to the dose of endotoxin.

Absence of rumen motility: it took 1 - 1 /a hour before rumenmotility stopped. The
dme in which no modlity could be measured was for cattle sheep and goats 1/2-3,
3-4, 3-5 hours respectively.

Histamine; the lowering of the amount of histamine in the blood of cattle was
distinct 15 minutes after injection of the endotoxin. The reduction was highest after
1 hour. The decrease was 76% after 0.05 lig endotoxin/kg b.w., and 87% after
0.1 jUg/kg b.w. The normal range of histamine in blood was 1.4-9.3 /tg/100 ml
blood, with an average of 5.2 /ig/100 ml.

Inorganic phosphate; normal range 4.7-7.5 mg% (av. 6 mg%). The decrease
was distinct after 1 - 2 hours, maximal after 4 hours. After 0.05 /ig/kg endotoxin,
the maximal decrease was 37% (32 -43%), after 0 1 /ig/ 42% (32 -50%).

Sensitivety to endotoxin; the different species appeared to have a different sensi-
tivety. The least sensitive were cattle and sheep. The following list of progressive
sensitivety can be given: sheep -)- catde, goat, rabbit. Supplemented with data from
literature (Hammer, 1958) the following list of progressive sensitivety can be
made: sheep cattle, goat, rabbit, man, horse.

The following animals were used during the experiment: 19 rabbits, 14 cows, 9 ewes,
7 billygoats.

LITERATUUR.

Atkins, E. and S n e 11, E. S.: The inflammmatory process N. York (1965), 495.
*) Fiscke, C. H. and Subbarow, Y.: ]. Biol. Chem., 66, 375, (1925).
Genderen, H. van, M i e r t, A. S. J. P. A. M. van en R e i n d e r s, J. S.:

Tijdschr. Diergeneesk., 89, 1724, (1964).
Hammer, D., G o e b e I, F., W e s t p h a I, O., S i e v e r s, K. und L U d e r i t z,

O.: Zschr. Naturforsch, 13b, 561, (1958).
*) H e n d r i k s, H. J. en K 1 a z i n g a, W.: Tijdschr. Diergeneesk., 90, 155, (1965).
*) Hendriks, H. J., Klazinga, W. en N o b e 1 s, H. K.: Tijdschr. Dier-
geneesk.,
90, 1653, (1965).
Hertel, H. W.: Behringwerk-Mitteilungen, 40, 7, (1961).
Keene, W. R., Silberman, H. R. and L a n d y, M.: J. Clin. Inv., 40, 295,
(1961).

Miert, A. S. J. P. A. M. van: Tijdschr. Diergeneesk., 91, 501, (1966).
Roberts, R. S.: ƒ. Comp. Path., 59, 284, (1949).

*) S h o r e, P. A., B u r k e n h al t e r, A. and G oh n jr., V. H.: /. Pharm.. exp.
Therap.,
127, 182, (1959).

-ocr page 688-

Weger, P.: Naturwissensch., 34, 59, (1947).
Discussie

Vraag: Drs. M. J. H. Geelen, Utrecht:

Is de leukopenic een afspiegeling van de eosinopenie?

Antwoord: Drs. A. S. .J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Slechts in enkele gevallen werd naast de bepaling van het totale aantal
witte bloedcellen, een differentiatie uitgevoerd. Hierbij kregen wij de
indruk dat de leukopenic voornamelijk een gevolg was van de afname
van de neutrofiele leukocyten en niet van een eosinopenie.

Vraag: Prof. A. v. d. Schaaf, Utrecht:

1. Spreker heeft endotoxinen gebruikt van een bepaalde E. coli stam,
nl. Olli : B4. Is er een groot verschil bij de verschillende stammen
wat betreft de vorming van endotoxinen?

2. Is er nog verschil in reactie, waargenomen bij herhaalde toediening
van endotoxinen? Hierbij is te denken aan sensibilisatie aan de ene
kant en hogere resistentie aan de andere kant. Te denken valt even-
tueel aan antigene werking van de pyrogene stoffen.

Antwoord: Drs. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

1. Neen. Om U een voorbeeld te geven: kiemen van de weinig virulente
stam 11 van
Brucella abortus bevatten evenveel endotoxine als die
van de virulente stam 2308. Bij de meeste gram-negatieve bacteriën
maakt het lipopolysaccharide-proteinelipoid complex, dat in de cel-
wand van de bacterie gelokaliseerd is, 5 a 10% van de bacterie-
massa uit.

Wij kozen E. coli stam Olli : B4 omdat er door andere onderzoekers
al veel mee gewerkt is. Bij nadere chemische analyse (na bijv.
phenol-water extractie) blijkt dit te zijn opgebouwd uit o.a. fosfo-
lipoid A en polysaccharide. Het fosfolipoid A is o.a. samengesteld uit
glycerine, forforzuur en vele vetzuren, waaronder laurinezuur, pal-
mitinezuur en myrestinezuur. Het polysaccharide is samengesteld uit
een aantal hexosen (glucose, galactose etc.), pentosen (tyrelose o.a.)
en aminosuikers (hexosamine).

Het polysaccharide deel is bij de verschillende stammen verschillend
van samenstelling. Zo komt bij
Salmonellae speciaal rhamnose voor.
Ondanks deze verschillen, is het werkingsspectrum bij de verschillen-
de lipopolysacchariden qualitatief gelijk.

2. Herhaalde toediening op korte termijn (dagelijks) leidt tot een af-
name van dc meeste koortssymptomen. Deze tolerantie hebben wij
ook bij kleinere herkauwers kunnen vaststellen. Bij konijnen berust
dit fenomeen voornamelijk op een versnelde eliminatie van het
endotoxine (werk met radioactief gelabeled materiaal). Na een
rustperiode van ongeveer drie weken is de koortsreactie bij een
bepaalde dosis weer identiek aan de allereerste reactie. Alhoewel
endotoxinen wel antigene eigenschappen bezitten, is nog niet duide-
lijk wat de betekenis hiervan is, m.b.t. een veranderde gevoeligheid.

Vraag:

Dr. O. L. B e i b O e r, Ureterp (Fr.):

Is het bekend, hoe de individuele gevoeligheid van runderen voor com-
merciële injectievloeistoffen verklaard moet worden?

-ocr page 689-

Bij gebruik van dezelfde charge vertonen de meeste runderen geen
reactie of subklinische reactie, terwijl slechts zeer zelden een rund
ziek wordt na de behandehng, eventueel met letale afloop.

Antwoord: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Bekend is bij mens, paard en konijn, dat de individuele gevoehgheid voor
endotoxinen kan variëren. Een verklaring is hiervoor niet zonder meer
te geven. Mogelijk hangt dit samen met de capaciteit tot E.P. vorming
of met het eliminaticvermogen van endotoxinen. Bij konijnen is bekend
dat een hoeveelheid die 10.000 maal zo groot is als de minimale pyrogene
dosis, pas de dood van deze dieren veroorzaakt (via shock).
Niet bekend is hoe melkzieke of kopzieke runderen reageren op pyroge-
nen. Mogelijk is de gevoeligheid hiervoor sterk toegenomen.
Een ander facet is, dat in de betreffende commerciële vloeistoffen ook
nog analeptica, wekamines, cardiotonica en antihistamir.ica vcckwamen.
Totvoeging van deze farmaca is naar mijn meiiinir eerder gt ■ int.\'aïndi-
ceerd dan geïndiceerd, vooral in die gevallen wa;.-bij de ucus 2
flessen intraveneus geeft of 1 fles intraveneus en 1 fles subcuta.m. Het
curatieve effect van een dubbele hoeveelheid CayMg acht ik overigens
niet groter dan bij de gebruikelijke dosis 40- 15.

Een derde facet is naar mijn mening, dat vele practici de pyrogene
reactie aanzien voor melkziekte recidief. Herhaalde behandeling op
korte termijn met pyrogeen gecontamineerde infusievloeistof, kan in
zo\'n geval, mogelijk via shock, een letale afloop veroorzaken.

Vraag: Dr. J. S. Reinders, Leeuwarden:

De verschijnselen tengevolge van een intraveneuze toediening van pyro-
gene stoffen, zoals stijging van de temperatuur en leukopenie, zijn
minder sterk bij patiënten, die met pyrogeen Ca-gluconaat oplossing
werden ingespoten. Hierbij werd vooral diarree (soms bloederig) gezien,
terwijl bij secties de vele bloedingen opvielen.

1. Zijn deze verschijnselen een gevolg van herhaalde injecties?

2. Wat is de daling van het calciumgehalte in het bloed als gevolg
van pyrogene stoffen?

Antwoord: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

1. In onze experimenten gaven wij aan gezonde runderen slechts
éénmaal 1 fles pyrogeen gecontamineerde infusievloeistof en dan
nog langzaam intraveneus (infusieduur 15 minuten). Zoals al
eerder is opgemerkt, kan de gevoeligheid voor endotoxinen tijdens
de melkziekte mogelijk groter zijn. Bovendien is herhaalde malen
ingespoten.

Tijdens de experimentele endotoxinekoorts vertonen varkens en
katten (nog niet gepubliceerd) en in mindere mate ook geiten
diarree. Konijnen en honden doen dit pas hij hoge doses endotoxinen.
De door U geconstateerde diarree en het beeld van hemorrhagische
diathese bij sectie, zijn mogelijke aanwijzingen dat een letale hoeveel-
heid endotoxine is gegeven. De extra toegevoegde farmaca hebben
hierbij waarschijnlijk ook een rol gespeeld.

2. Bij bepaalde dieren trad er een verschuiving op van het calcium-
gehalte in het totale bloed. De tendens van deze verandering is
echter niet duidelijk. Zo reageerde één dier bij 0,05
/ig endotoxine
per kg intraveneus met een stijging van 10,5 naar 13,3 mg% na 2
uur. Een ander dier vertoonde 4 uur na de toediening echter een
daling nl. van 10,9 naar 7,4 mg%. Bij het derde rund bleef de
situatie ongewijzigd. Bij 0,1 /Jg/kg lich. gew. werd een soortgelijk

-ocr page 690-

beeld verkregen. Opgemerkt dient nog te worden dat een koe als
controledier fungeerde terwijl bij een andere koe 0,05yug/kg lieh. gew.
endotoxine subcutaan werd ingespoten. Beide dieren vertoonden
geen verschuiving in het bloed gedurende de 4 uren daaropvolgend.
Dit geldt dus voor histamine, anorganisch fosfaat en calcium.

Prof. Dr. G. Wage naar, Utrecht:

Zijn de pyrogenen in de infusievloeistoffen altijd bacteriêle endotoxinen?

Antwoord: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Alleen in het geval van preparaat Al is het waarschijnlijk dat de
pyrogene verontreiniging een gevolg is van contaminatie met
Ps.
synxantha.
In alle andere gevallen konden vrij de oorzaak van het pyro-
geen niet opsporen. Uit de hteratuur blijkt dat zowel pathogene als niet
pathogene gram-negatieve bacteriën endotoxinen vormen. Daarnaast zijn
er pyrogenen geïsoleerd uit bepaalde schimmels
{Aspergillus; Candida
albicans)
en bepaalde gram-posideve microörganismen (lysaat van he-
molytische Streptokokken).

Vraag: Drs. A. Stevens, Goor:

Zijn er andere stoffen behalve bacteriën en endogeen pyrogeen, die als
pyrogeen beschouwd kunnen worden?
Komen deze stoffen bijvoorbeeld voor in leidingwater?
Heeft de verpakking, bijvoorbeeld glas of plastic invloed op de injectie-
vloeistoffen t.a.v. de hoeveelheid pyrogenen? Hoe kan men deze ver-
wijderen?

Antwoord: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Andere stoffen met een pyrogene werking zijn galzuren en bepaalde
Steroiden zoals dehydro-epiandrosteron en etiocholanolon. In leiding-
water kunnen endotoxinen van saprofytaire microörganismen voorkomen.
Endotoxinen kunnen zich als een film tegen glas en plastic afzetten.
Door veranderde omstandigheden kan het later weer in de vloeistoffase
overgaan. Endotoxinen zijn thermostabiel. Keukenzout, glaswerk, in-
jectiespuiten etc. kan men bijvoorbeeld vrijmaken door verhitting ge-
durende 3 uren bij 170° C. Glucose oplossingen en andere vloeistoffen
die niet verhit kunnen worden, kan men pyrogeenvrij krijgen door de
oplossing te laten lopen door een asbestfilter, waaraan dan adsorptie
plaats vindt. En zijn ook nog andere mogelijkheden, o.a. door een
behandeling met oxydantia.

Vraag:

-ocr page 691-
-ocr page 692-

Enige veterinaire aspecten van de huisvestings-
systemen voor rundvee in Nederland

Some veterinary aspects of housing systems for cattie
in the Netherlands

door F. J. GROMMERS1)

Uit het Zoötechnisch Instituut van de Rijksuniversiteit te
Utrecht.

Inleiding

Jaarlijks worden in Nederland enkele honderden nieuwe rundveestallen
gebouwd en worden naar schatdng enkele duizenden stallen meer of min-
der ingrijpend veranderd. Tot 10 ä 15 jaar geleden werd bij deze bouw-
activiteiten nauwelijks aan andere mogelijkheden gedacht dan aan de
grupstal.

De reden voor het feit dat de grupstal in zijn algemeen bekende uitvoering
in Nederland, als nergens anders ter wereld, een zo algemene ingang heeft
gevonden moet voornamelijk gezocht worden in de omstandigheid dat in
Nederland alleen in een grupstal de mogelijkheid bestaat om melkkoeien
met gebruik van weinig of geen strooisel toch redelijk schoon te houden.
De traditionele grupstal heeft echter naast arbeidstechnische en andere
bezwaren, ook enkele veterinaire bezwaren.

Aangezien tot op dit moment de meeste melkkoeien in Nederland nog in
deze traditionele grupstallen gehuisvest worden, zal hier eerst enige aan-
dacht aan besteed worden, terwijl het tevens als vergelijkingsbasis voor de
daarna te bespreken nieuwe huisvestingssystemen kan dienen.
De verschillende staltypen zullen worden besproken in de chronologische
volgorde waarin ze in Nederland zijn ontstaan of verder ontwikkeld.
De informatie omtrent de veterinaire aspecten is verzameld op de proef-
boerderij „de Uithof" en 27 grupstalbedrijven, 27 open-loopstalbedrijven,
5 bedrijven met een ligboxenloopstal en 2 bedrijven met een loopstal met
roostervloer voor melkvee. De praktijkbedrijven zijn twee of drie jaar bij
het onderzoek betrokken geweest. Hiernaast zijn nog meer incidenteel ge-
gevens van andere bedrijven verkregen.

Hetgeen thans zal worden besproken dient als een voorlopige mededeling
te worden beschouwd.

Traditionele grupstal

Deze stal wordt gekenmerkt door de zich vlak achter de koeien bevinden-
de grup van ca. 40 cm diep en ca. 60 cm breed. De standplaatsen voor
volwassen koeien zijn, althans behoren te zijn, 105-115 cm breed en
150 - 160 cm lang.

De automatisering van de drinkwatervoorziening heeft reeds lang alge-
meen ingang gevonden. Deze methode is, ten opzichte van het tweemaal
daags uit de goot laten drinken, niet alleen uit algemeen veterinair hy-

1  Drs. F. J. Grommers; wetenschappelijk medewerker van het Zoötechnisch Insd-
tuut, Faculteit der Diergeneeskunde, Rijks Universiteit, Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 693-

giënisch oogpunt te prefereren, maar heeft waarschijnhjk ook een gunstige
invloed op de melkproduktie (Ipsen en Stigsen, 1965).

Opvallend is de grote variatie in de in binnen- en buitenland voorkomen-
de vastzetsystemen. Het zou echter onjuist zijn hier uit af te leiden dat de
vifijze van vastzetten niet van belang zou zijn.

In verband met de mogelijkheden ter voorkoming van speenbetrapping
wordt thans weer gezocht naar verbetering van het vastzetsysteem. Het
speenbetrappen, waarvan de gemiddelde frequentie op ca. 9% van de
koeien gesteld kan worden, is een ernstig bezwaar van de grupstal. Uit de
door Cazemier (1962) gehouden enquête is de indruk verkregen dat
naast de standlengte en standbreedte ook het vastzetsysteem van invloed
is op het speenbetrappen.

Speciaal de belemmering van de voorwaartse beweging bij het opstaan zou
als bezwaar van de huidige systemen van belang zijn. Momenteel wordt
geëxperimenteerd met de zogenaamde
keerbeugel.

Dit is een vastzetsysteem, naar Amerikaanse voorbeeld, waarbij het de opzet
is om de dieren bij het
opstaan alle vrijheid te geven, maar wanneer ze
staan tóch terug te dringen, om te voorkomen dat ze de stand bevuilen.
In tegenstelling tot de situatie bij bijvoorbeeld de hangketting of de dwars-
bevestiging is dus het eigenlijke vastzetten gescheiden van het terughouden.
Dit systeem zal echter nog verbeterd moeten worden, aangezien de klacht
nog wel eens gehoord wordt dat de koeien als een paard opstaan. Op
twee bedrijven, waar door ons waarnemingen zijn verricht, bleek het bij
14 van de in totaal 37 koeien voor te komen. Dat het een gewoonte zou
zijn die overgebleven is van het vastzetten aan een te strak afgestelde
hangketting gedurende de vorige stalperiode, moet onwaarschijnlijk geacht
worden.

Dat de mogelijkheid om het lichaam naar voren te bewegen wel van
belang is, blijkt uit de algemene ervaring dat te strak afgestelde hang-
kettingen het speenbetrappen in de hand werken. De in de praktijk veel
gemaakte fout is namelijk dat men de verstelmogelijkheden aan de zolder
onvoldoende benut en de dieren terugdringt door de ketting strakker te
zetten. Wanneer de hangketting vertikaal is opgehangen dan wordt het
liggende dier méér teruggedrongen dan het staande dier, terwijl dit bij
de hangketting die aan de zolder meer naar achteren is bevestigd dan aan
de vloer, juist andersom is (zie fig. 1).

Indien een koe ongehinderd kan opstaan beweegt zij het lichaam bij het
opstaan ongeveer 40 a 50 cm naar voren. Het is bij het afstellen van een
hangketting wenselijk dat er zoveel ruimte in de ketting aangebracht
wordt, dat het midden van de ketting ongeveer de helft van deze afstand
kan uitwijken van de denkbeeldige verbindingslijn tussen de bevestigings-
punten. Aangezien de gevlochten hangnylon enige elasticiteit bezit, is
deze nog te prefereren boven de hangketting. We zullen echter niet uit
het oog moeten verliezen dat in de eerste plaats de afmetingen van de
standplaatsen voldoende dienen te zijn.

Volgens de ge.gevens van Cazemier (1962) heeft ook het plaatsen
van tussenafscheidingen tussen alle koeien een gunstig effect. In hoeverre
dit veroorzaakt wordt door vermindering van het elkaar hinderen bij het
gaan liggen en opstaan of door vermindering van betrapping door de
buurkoe is moeilijk te zeggen. Voor wat betreft de betrappingen door de

-ocr page 694-

l \\
I t

iA

\' I

/V

//
I\'
//

STRAK, VERTIKAAl.

Fig. 1.

Het terugdringen van de koe kan plaatsvinden door de ketting strak te zetten (links)
of door de ketting aan de zolder meer naar achteren te bevestigen (rechts). Het
laatste is te verkiezen boven het eerste in verband met de beschikbare ruimte bij het

opstaan.

koe zelf is het wel duidelijk dat de spenen niet tussen de bijklauw en
vloer ingeklemd kunnen raken, omdat de bijklauw de vloer niet raakt bij
het opstaan. Wat wel mogelijk is, is dat een speen ingeklemd raakt tussen
de bijklauw en de bal van de eigenlijke klauw of dat scherpe randen van
de bijklauw schrammen op de speen veroorzaken. Het vermeende gun-
stige effect van bijklauwbeschermers moet dan ook in het laatste gezocht
worden.

Voor wat betreft de eigenschappen of hoedanigheden van de koe zelf zijn
geen exacte gegevens beschikbaar. Volgens de eerder genoemde enquête
zou van de koeien met betrapte spenen 63% pas gekalfd hebben, 33,6%
oudmelks zijn en 3,3% droog staan. Verder zou het speenbetrappen in
20% van de gevallen bij vaarzen zijn opgetreden. Dit is slechts zeer globale
informade. Wij hopen binnenkort over meer detailinformatie te kunnen
beschikken.

De zogenaamde uiernetten kunnen in incidentele gevallen enige uitkomst
bieden, voor de toekomst bieden zij echter geen enkel uitzicht.
Dat de oorzaken grotendeels in de stal gezocht moeten worden blijkt uit
de variate in de frequentie van speenbetrappen tussen de staltypen en uit
het feit dat speenbetrappen in de weide prakdsch niet voorkomt.

Een ander, veel in grupstallen voorkomend, euvel zijn de dikke hakken
en kniebuilen.

Evenals bij de speenbetrappingen varieert de frequentie zeer sterk van
bedrijf tot bedrijf. In tegenstelling tot de speenbetrappingen zijn de eco-

afstelling hangketting

-ocr page 695-

nomische gevolgen van deze afwijkingen, indien zij zonder complicatie
verlopen, waarschijnlijk vrij gering. Voor de dieren kunnen met name de
dikke hakken echter wel pijnlijk zijn, vooral als ze gepaard gaan met huid-
wonden. Op „de Uithof\' is bijvoorbeeld tijdens een 24-uurs waarneming
gebleken dat een koe met dergelijke afwijkingen 4,5 uur per dag minder
lag dan de andere koeien (gemiddeld 14 uur), maar op de melkproduktie
was nauwelijks enig effect waarneembaar. Ook bij enkele andere dieren
met dikke hakken was nauwelijks enige reactie in de dagelijkse melk-
produktie te bespeuren.

Omtrent de oorzaken van deze beenafwijkingen is nog zeer weinig bekend.
Overeenkomstig de praktijkervaringen is uit de door ons verzamelde ge-
gevens echter gebleken, dat op de bedrijven waar het jongvee in een loop-
stal met stro gehouden wordt, gemiddeld een veel hogere frequentie van
beenafwijkingen bij het melkvee voorkomt dan op bedrijven waar het
jongvee op een harde ligplaats is opgestald. In hoeverre de voeding, kwa-
liteit van het beenwerk, gewenning aan de grupstal en andere factoren
een rol spelen is nog onbekend. Dikwijls ziet men de afwijkingen ten tijde
van de partus en het meest bij vaarzen.

Gebruik van strooisel en/of rubbermatten hebben een gunstige invloed.
Een en ander is ook gebleken uit een onderzoek in Noord-Brabant (de
Groot, 1966). Hierbij bleek tevens dat een ruwe standafwerking een
ongunstig effect had.

Omtrent de ook veel voorkomende klauwaandoeningen is wat meer inzicht
verkregen door het nog lopende onderzoek van Toussaint Raven.
Talrijk zijn echter de vragen die zich hier voordoen, zo bijvoorbeeld die
omtrent de betekenis van de erfelijkheid, de beenstanden, de klauw-
vormen, de hoornkv/aliteit, het evenwicht tussen hoorngroei en slijtage en
de relatie tussen kloven in de klauwballen en zoolzweren. Van belang is
ook dat het waarschijnlijk is, dat de vele klauwaandoeningen in de eerste
maand van de weideperiode in feite in aanleg ontstaan zijn in de staltijd.
Belangwekkend is voorts de opvatting van ToussaintRaven (1966)
dat het regelmadg klauwbekappen slechts voor een klein deel preventieve
betekenis heeft. Door het bekappen zouden weliswaar de ernstige moeilijk-
heden voorkomen kunnen worden, maar het zou het aantal in aanleg
aanwezige klauwaandoeningen niet doen verminderen.
Het zou overigens onjuist zijn de klauwaandoeningen als een specifiek
probleem van de grupstallen te zien. Zowel de klinische als de sub-
klinische aandoeningen (o.a. kneuzingen) komen bijvoorbeeld in de open
loopstal met gestrooide ligruimte in vrijwel dezelfde mate voor als in de
grupstallen.

Ten aanzien van de reproduktie wordt nog wel eens als een bezwaar van
de grupstallen gezien dat de oestrus moeilijk waarneembaar zou zijn. Uit
de onderzoeken van B u 1 g r i n (1957) en H a 11 c.s. (1959) is echter wel
duidelijk geworden dat de frequentie van waarnemen en de in aanmerking
genomen criteria van doorslaggevende betekenis zijn. Weliswaar zijn de
gedragssymptomen in de grupstallen niet zo duidelijk dan wanneer de
koeien loslopen, maar ze zijn toch nog wel waarneembaar. B u 1 g r i n
(1957) toonde bovendien aan dat zwelling van de vulva, hyperemie van
het vestibulum vaginae en slijmsecretie in feite betrouwbaarder oestrus-

-ocr page 696-

symptomen zijn dan de gedragssymptomen. Belangrijk is daarbij dat men
de dieren minstens driemaal per dag inspecteert.

Hoewel het verschijnsel niet zo frequent voorkomt (in grupstallen bij ca
2% van de dieren) en als zodanig geen probleem vormt, heeft het op-
treden van prolapsus vaginae enkele interessante aspecten. Aetiologisch
wordt onder andere betekenis toegekend, echter niet op grond van exacte
waarnemingen, aan gebrek aan beweging en liggen op een hellende vloer
(Richter-Götze, 1960). Het moet m.i. zeer betwijfeld worden of de
zeer geringe helling van enkele procenten in de ligplaats van betekenis
kan zijn.

Enige grond aan deze veronderstelling wordt echter gegeven door het
onderzoek van M c. L e a n (1957) bij schapen. Hij vond dat de frequende
van prolapsus vaginae bij ooien op vlak land slechts ongeveer een derde
was van die van ooien op soortgelijk, maar heuvelachtig land (resp.
0,165% en 0,503%).

Een factor die mogelijk ook van invloed kan zijn is het feit dat in de
meeste gevallen het kalf bij de geboorte wordt afgetrokken. Mogelijk
treden hierdoor weefselverscheuringen op die aanleiding geven tot een
prolaps. Zo heeft ons onderzoek een geval opgeleverd van een vaars,
waarvan het kalf met drie personen is afgetrokken, waarna het moederdier
een prolaps van de vagina na de partus vertoonde, terwijl er vóór de
partus geen zichtbare afwijkingen waren.

Loopstal met gestrooide ligruimte

Deze loopstal heeft een gestrooide ligruimte waarin per koe ongeveer 6 m^
beschikbaar is en een ongeveer even grote verharde (buiten) uitloop. Het
essentiële verschil met de oude potstal is gelegen in de aanwezigheid van
de (buiten)uitloop, voorts dat de dieren altijd loslopen en in een doorloop-
melkstal gemolken worden. De specifieke veterinaire problemen van de
grupstal, te weten de speenbetrappingen en de beenbeschadigingen komen
in deze loopstal praktisch niet voor. Zeer duidelijk is dit ook gebleken uit
een Amerikaans onderzoek (Witzel en Heizer, 1953).

Wat betreft de klauwaandoeningen zijn de verschillen met de grupstallen
in de praktijk te verwaarlozen. Dit is niet het geval met tussenklauw-
panaritium, dit komt gemiddeld namelijk wat meer voor in de loopstal.
Aangezien het echter ligt in een verhouding van ongeveer drie tegen twee,
is het verschil meer gradueel dan principieel.

Het waarnemen van de oestrusverschijnselen geeft door de duidelijkheid
van de gedragssymptomen weinig moeilijkheden, doch ook hier kan men
het niet altijd stellen zonder uitwendige inspectie van vagina en vulva.
Ter bevordering van de rust en ter voorkoming van ongelukken is het
gewenst tochtige koeien af te zonderen.

Hoewel in de loopstallen met gestrooide ligruimte meer dieren alléén kal-
ven dan in grupstallen — volgens onze gegevens respectievelijk 36,9% en
19,2% — en in strijd met de algemeen heersende opvatting, wijzen de tot
nu toe beschikbare gegevens er niet op dat koeien in loopstallen gemakke-
lijker kalven. In overeenstemming hiermee kon door ons ook geen signi-
ficant verschil in kalversterfte bij de geboorte worden aangetoond tussen
de grupstallen en de loopstallen (Grommers c.s., 1965).

-ocr page 697-

De noodzaak tot onthoomen is niet altijd aanwezig. Bepalend hierbij zijn
de aggressiviteit van de individuele dieren, maar meer nog de methode van
voeren. De aggressiviteit is door Jansen en Kortlandt (1954) uit-
gedrukt in de spanningsindex, dit is het aantal gegeven stoten gedeeld
door het aantal ranglagere koeien.

Hierbij werd uitgegaan van de gedachte dat een koe des te meer stoten
zou geven, naarmate zij hoger in rangorde was. Dit bleek niet het geval te
zijn. De lastigste dieren zijn dus niet automaüsch de ranghoogsten.
Bij voorraad of zelfvoedering, waarbij in het algemeen slechts ongeveer
een vierde deel van de dieren tegelijk ruwvoer kunnen opnemen is het,
om het elkaar verstoten te voorkomen, vrijwel altijd noodzakelijk om te
onthoornen. Doet men dit niet dan krijgen de dieren die laag in de rang-
orde staan soms niet de gelegenheid om voldoende ruwvoer op te nemen.
Na het onthoornen blijft de rangorde wel bestaan, maar de dieren worden
verdraagzamer en de hematomen door rangordegevechten worden voor-
komen.

In vorstperioden is het ter voorkoming van scheurtjes en kloven in de huid
van de spenen noodzakelijk er voor te zorgen dat de koeien de melkstal
met droge of licht ingevette spenen verlaten.

Een verhoogde kans op maagdarm- of longworm- en leverbot infectie is in
de loopstallen zelf niet aanwezig, mits de uitloop verhard is (Beer, 1964).
Een mogelijk geringe verhoging van de infectiekansen kan echter uitgaan
van de verlenging van de weideperiode. De dieren worden namelijk ge-
middeld langer dan bij grupstallen gebruikelijk is, alleen overdag in de
weide gelaten. Bij ons onderzoek bleek deze overgang in voorjaar en najaar
tezamen gemiddeld 5 weken langer te zijn dan bij de grupstallen. Deze
werkwijze geeft echter een meer geleidelijke overgang van stal naar weide
en omgekeerd.

Loopstal met roostervloer

In deze loopstal verblijven de koeien de gehele dag op een balkenrooster,
waaronder zich een mengmestkelder bevindt.

Aangezien houten balken te veel slijten, zijn betonnen balken te prefe-
reren. Deze balken zijn meestal 15 cm breed. Als spleetbreedte tussen de
balken is voor Nederlandse koeien een afstand van 4 - 4,5 cm het meest
juist gebleken. Deze spleetbreedte wordt bepaald door de breedte van de
klauwen en door de consistentie van de faeces. Voor zover de faeces niet
meteen door de spleten valt, moet ze er dan door de dieren doorgetrapt
worden. Om deze redenen wordt de oppervlakte per dier zo veel mogelijk
beperkt en wel tot ongeveer 3 m2 per dier. Voorts moet het gebouw ge-
sloten zijn om te voorkomen dat faeces en urine op de balken kunnen
bevriezen.

Dit systeem is op twee bedrijven in Nederland beproefd, omdat het als
voordeel boven de gewone open loopstal heeft dat er in het geheel geen
strooisel nodig is.

Er zijn hier echter aanvankelijk zeer veel moeilijkheden ondervonden op
het gebied van
been- en klauwaandoeningen en ook speenbetrappingen.
De
eerst genoemde moeilijkheden vloeiden voornamelijk voort uit een te
onregelmatige ligging van de balken en te grote spleetbreedte.

-ocr page 698-

In analogie met hetgeen omtrent de beenafwijkingen bij de traditionele
grupstal is opgemerkt en in overeenstemming met Engelse ervaringen
(Lovelidge, 1962) bleek ook hier een gunstig effect uit te gaan van
het reeds als pink op de roostervlocr huisvesten. Op één van de bedrijven
is voorts, om de kans op speenbetrappen te verminderen, de periode van af-
kalven geheel naar het voorjaar verschoven.

Aangezien de balken vrij glad en nat zijn en de dieren weinig ruimte ter
beschikking hebben is het noodzakelijk te onthoornen.

Door bovengenoemde maatregelen waren de veterinaire problemen tot
aanvaardbare proporties teruggebracht. Momenteel is de loopstal met
roostervlocr voor melkvee (let wel, niet voor jong- of mestvee) echter ge-
heel verworpen, aangezien het onder Nederlandse omstandigheden niet
mogelijk is gebleken de dieren voldoende schoon te houden, waardoor
hygiënische melkwinning onmogelijk is.

Opmerkelijk is hierbij dat de dieren tijdens de droogstand wel voldoende
schoon blijven doordat de faeces dan veel steviger zijn. Ten tijde van of
na het afkalven beginnen de moeilijkheden in de vorm van vuil worden
en verhoogde kans op speenbetrappen en dikke hakken en kniebuilen.
Tenslotte moet nog opgemerkt worden dat het liggen op de balken ken-
nelijk pijnlijk is, omdat de dieren vooral bij te grote spleetbreedte meestal
dwars op de lengterichting van de balken gaan liggen. Bij door het Insti-
tuut voor Landbouwbedrijfsgebouwen en in Engeland (Clough, 1961)
gedane waarnemingen bleek ook dat de dieren minder tijd (4-5 uur per
dag) liggend doorbrachten, dan in een grupstal of loopstal met gestrooide
ligruimte. Mogelijk wordt dit echter ten dele veroorzaakt door de dichte
bezetting.

Loopstal met ligboxen

In tegenstelling tot beide voorgaande typen loopstallen hebben de dieren
hier geen gemeenschappelijke ligruimte, maar is er in principe een aparte
ligplaats (-box) per koe beschikbaar.

Deze ligboxen zijn in rijen gerangschikt met daartussen verharde loop-
ruimten of paden van tenminste 2,50 m breed. In plaats van een beton-
plaat kan men ook een betonnen roostervlocr, zoals bij het vorige loopstal-
type besproken, tussen de ligboxen aanbrengen. Dit is aantrekkelijk uit
een oogpunt van arbeidsbesparing, het verhoogt echter de bouwkosten. In
het algemeen kan voor de afmetingen van een ligbox een lengte van
2.00- 2.10 m en een breedte van 1.05- 1.10 m worden aangegeven. De
afmetingen worden evenwel mede bepaald door de detailconstructie en
deze bevindt zich nog in een experimenteel stadium. Belangrijk is echter
dat het liggen in een ligbox voor de dieren aantrekkelijker moet zijn dan
het liggen op loopruimten, omdat ze bij het liggen in de loopruimten erg
vuil worden. Wat betreft de constructie van de boxen is bij de tot nu toe
in Nederland uitgevoerde experimenten gebleken dat een relatief zachte
vloer, voldoende ruimte om goed te kunnen opstaan en een goede tussen-
afscheiding van essentieel belang zijn (zie fig. 2).

Ten aanzien van de vloer in de ligboxen hebben vergelijkende experimen-
ten geleerd dat de koeien de voorkeur geven aan een box met een vloer
van zand en/of zaagsel of met een ruime hoeveelheid stro. Minder aan-

-ocr page 699-

trekkelijk bleken boxen met rubbermatten, terwijl een vrij grote afkeer
bestond tegen boxen met een betonachtige (b.v. stallit) vloer zonder strooi-
sel. Inmiddels is ook gebleken dat uit veterinair oogpunt in verband met
het voorkómen van speenbeschadiging en beenafwijkingen aan de box met
zachte bodem de voorkeur gegeven moet worden. Een gelukkige omstan-
digheid is nu, dat de vloer met zand en/of zaagsel ook het goedkoopste in
uitvoering is. Mogelijk geeft het gebruik hiervan echter moeilijkheden met
de mengmestverwerking als een roostervloer in de paden wordt gelegd.
In dat geval zal de boxvloer uit rubbermatten moeten bestaan, terwijl ook
een houten boxvloer misschien bruikbaar is. In deze beide gevallen kan
nog enig zaagsel gebruikt worden.

Belemmering van het opstaan kan voorkomen worden door of vóór in de
box of in de tussenafscheiding ruimte of openingen te laten waar de dieren
hun kop door kunnen steken bij de voorwaarse beweging tijdens het op-
staan.

^Vat betreft de tussenafscheidingen is gebleken dat speciaal de hoogte van
de onderste horizontale plank of buis van belang is. De dieren liggen
meestal met de ribben tegen deze afscheiding. Door de respiratie is de
ribwand voortdurend in beweging. Het is nu voorgekomen dat hierdoor
huidwonden ontstonden. Dit is dermate pijnlijk dat de dieren door de on-
aangename associatie met de box er niet meer in wilden liggen. De onder-
ste horizontale afscheiding moet daarom op minstens 45 cm hoogte wor-

Fig. 2.

-ocr page 700-

den aangebracht. Haar veel hoger aanbrengen is niet mogelijk omdat dan
de mogelijkheid bestaat dat de dieren er met de rug onderdoor gaan lig-
gen en er soms zelf niet meer onderuit kunnen komen. Om deze moeilijk-
heden te omzeilen wordt nu geëxperimenteerd met een gemodificeerde
stalbok waarbij dergelijke lage horizontale elementen ontbreken.
Uitgaande van de hierboven beschreven goede constructie van de hgboxen
is er, veterinair gezien, een grote overeenkomst tussen de ligboxenstal en
de loopstal met gestrooide gemeenschappelijke ligruimte. De aldaar ge-
maakte opmerkingen zijn in grote lijn ook van toepassing op de ligboxen-
stal.

Hierop is echter één uitzondering. Deze betreft de klauwaandoeningen.
Als de dieren namelijk, door welke oorzaak dan, ook veel op de betonnen
loopruimten (moeten) lopen en als deze in nieuwe stallen vrij ruw zijn af-
gewerkt, dan is het mogelijk dat een te grote klauwslijtage gaat optreden.
Te veel onrust kan ook meer kneuzingen veroorzaken. Voor een duidelijk
inzicht in deze materie zal echter nog meer onderzoek moeten worden
verricht. Bij de beoordeling van de moeilijkheden dient men omzichtig te
werk te gaan aangezien:

1. koeien in het algemeen niet graag op een harde vloer lopen;

2. de klinische betekenis van bijvoorbeeld kneuzingen niet altijd dui-
delijk is en

3. de hoorn aan de zool niet totaal kan worden weggenomen en men
daardoor niet kan waarnemen of er dieper gelegen oorzaken voor
een pijnlijkheid bestaan.

Grupstal met mechanisering of automatisering van de werkzaamheden

De door mechanisering of automatisering te vereenvoudigen of te be-
perken werkzaamheden liggen bij melkvee op het gebied van het melken,
het voeren en het uitmesten.

Wat betreft het melken zij hier volstaan met de opmerking dat de tech-
nische werking en het onderhoud van de melkmachine-installaties vaak
veel te wensen overlaat (Wesseling h, 1965).

Ten aanzien van het ruwvoer voeren op tweerijige stallen, waarbij de
dieren met de koppen naar elkaar toestaan, wordt momenteel het meeste
perspectief gezien in het gebruik van een zelflossende wagen. Voor de
dieren heeft dit nauwelijks consequenties.

Dit is niet geheel het geval bij het toepassen van een transportband in de
voergoot, die met name bij grupstallen van het Friese type met succes toe-
gepast kan worden. Met deze voerhand kan zowel ruwvoer als krachtvoer
gegeven worden. Om het afeten tijdens het transport tegen te gaan wordl
de bandsnelheid bij krachtvoer (brokjes) afgesteld op 22 meter per minuut,
en bij ruwvoer (graskuil) op 11 meter per minuut. Bij wegingen bleek dat
na het passeren van 20 dieren respectievelijk ongeveer 1 en 1 ä 2 kg was
afgegeten (Poel ma, 1965). Bij het verdelen dient hiermee dus rekening
gehouden te worden.

Mechanisatie van de mestafvoer met bijvoorbeeld een mestbak, rondgaan-
de ketting of schuifstangsysteem levert voor de dieren geen moeilijkheden
op. Anders is dit bij systemen zoals het drijfmestsysteem waarbij geen of
vrijwel geen strooisel gebruikt kan worden. Bij het drijfmestsysteem kan

-ocr page 701-

vrijwel geen strooisel gebruikt worden en is de standlengte orn bevuilen te
voorkomen 10-20 cm verkort. De grup is verbreed en verdiept en afge-
dekt met ijzeren roosters waarvan de uitvoeringen uiteenlopen. Belangrijk
is echter dat de spleetbreedte tussen de spijlen blijkens de tot nu toe op-
gedane ervaringen niet groter mag zijn dan 35 mm. Als de dieren dan nog
op de rooster staan, vinden ze nog voldoende steun voor de klauwen. Voor
het geval \'s zomers op stal gemolken wordt en de dieren dan ook in de
lengterichting op de roosters kunnen staan, mag deze maat zeker niet over-
schreden worden. Hoewel door het staan op de roosters de draagrand van
de klauwen wat extra kan afslijten, komen ernstige moeilijkheden hierdoor
vrijwel niet voor.

Op de overgang van grup naar mestkelder dient een schuif geplaatst te
worden die de opening kan afsluiten. Wanneer men namelijk de meng-
mest gaat roeren voor de verdere verwerking, dan is het mogelijk dat bij
het ontbreken van de afsluidng de concentratie van H2S en
NH3 in de
stallucht te hoog wordt. Dit is aan de koeien te merken doordat de ogen
gaan tranen en door het optreden van hoesten en kwijlen. In het buiten-
land schijnen zelfs sterfgevallen voorgekomen te zijn. In Nederland zijn
concentraties in de stallucht van
NH3 en H2S gemeten van respectievelijk
0,07% en 0,06%. Als norm voor de maximale concentratie wordt aange-
houden 0,01%
NH3 en 0,002% H2S (Haartsen, 1966).

Bij toepassing van het drijfmestsysteem is voorts van belang de vraag of
speenbeschadigingen en been- en klauwaandoeningen meer of minder
voorkomen dan in de tradidonele grupstallen.

In verband hiermee zijn enquêtes gehouden door het Rijkslandbouw-
consulentschap te Tilburg, en door het Insdtuut voor Landbouwbedrijfs-
gebouwen te Wageningen. De resultaten van de eerstgenoemde enquête
zijn reeds gepubliceerd (De Groot, 1966). De laatstgenoemde, meer
omvangrijke, enquête is nog in bewerking, maar enige informade hier-
omtrent is verschaft in een commentaar op de resultaten van de enquête
uit Tilburg. Op de geënquêteerde bedrijven in Midden Noord-Brabant
bleek in grupstallen "het percentage dieren met beenbeschadigingen 2,24
en met speenbeschadigingen 6,98 te bedragen. Voor de drijfmeststallen
van deze enquête waren deze percentages respecdevelijk 7,43 en 12,13.
Deze gegevens zijn echter niet in overeenstemming met de totaal cijfers
van de landelijke enquête van het Insdtuut voor Landbouwbedrijfsgebou-
wen, waaruit bleek dat slechts ca. 12% respectievelijk ca. 11% van de
veehouders meende meer last van speen- en beenbeschadigingen te hebben
gekregen na overgang op het drijfmestsysteem. Tevens bleek echter dat
\'Midden Noord-Brabant ongunsdg afstak t.o.v. het landelijk gemiddelde.
De verklaring voor deze verschillen zijn, zoals uit het voorgaande wel dui-
delijk zal zijn, gelegen in een complex van factoren.

Onder enig voorbehoud kunnen voorlopig als voornaamste predisponeren-
de factoren voor het optreden van speen- en/of beenbeschadigingen bij
het drijfmestsysteem worden beschouwd:

1. standlengte, voor tweedekalfs en oudere koeien, korter dan 140-
145 cm. Ook in Duitsland heeft men het belang hiervan ervaren.
Om de standlengte beter aan de individuele dieren aan te kunnen
passen worden de roosters hier in een deel van de stal wel zo ge-
maakt dat ze per koe wat naar voren of naar achteren gelegd kun-

-ocr page 702-

nen worden. De ruimte wordt opgevuld met losse balkjes (Blan-
ken, 1966),

2. standbreedte smaller dan 105 - 110 cm,

3. belemmering bij het opstaan door de vastzetinrichting,

4. harde en/of ruwe standvloer. Hoewel op sommige bedrijven geen
ernstige moeilijkheden ontstaan als de dieren op een kale steen-
achtige vloer worden opgestald, is toch wel duidelijk dat in het al-
gemeen een vrij ruw afgewerkte vloer de meeste en rubbermatten
de minste moeilijkheden geven. Deze ervaring is ook in Duitsland
opgedaan (K 1 e i n - H e s s 1 i n g, 1966),

5. opstalling van het jongvee op een gelijksoortige vloer, respectievelijk
in een gelijksoortige stal als waarin ze als vaars en koe opgestald
worden. Op dit punt is ook reeds gewezen bij de traditionele grup-
stal en de loopstal met roostervloer.

Combinaties tal

In principe verschilt deze stal slechts in de methode van vastzetten van een
grupstal met een drijfmestgrup.

De dieren moeten op een eenvoudige manier kunnen worden vastgezet
en losgemaakt om het melken in een doorloopmelkstal mogelijk te maken.
Momenteel wordt er van uitgegaan dat de combinatiestal uit een oogpunt
van arbeidsbesparing alleen perspectief biedt voor bedrijven met meer dan
50 - 60 melkkoeien. Eén van de mogelijkheden van „vastzetten" bij dit
systeem is een eenvoudige buis vóór de koeien langs en eveneens een buis
achter de koeien, welke omhoog getrokken kan worden. Deze laatste buis
is verbonden met de tussenafscheiding welke even lang is als de stand-
plaats. De dieren zijn zodoende in een box ter grootte van een normale
staandplaats opgesloten. Ten aanzien van de kans op speenbetrappen
zullen de tussenafscheidingen ongetwijfeld een gunstige invloed hebben.
Een bezwaar is dat de koeien niet aan een vaste plaats gebonden zijn. Om
deze reden zal men in de praktijk, teneinde de dieren schoon te houden,
de gemiddelde standlengte in het algemeen zo kort mogelijk houden.
De methode van vastzetten bij deze combinatiestal verkeert nog volledig in
een experimenteel stadium, zodat het weinig zin heeft liier verder op in
te gaan. Veterinair gezien bestaat er een grote overeenkomst tussen de
combinatiestal en de grupstal met drijfmestsysteem.

Huisvesting van jongvee

Voor het huisvesten van jongvee komen de volgende staltypen in aan-
merking: grupstal met of zonder drijfmestgrup, roostervloerstal, ligboxen-
stal en loopstal met gestrooide ligruimte.

Zoals uit het voorgaande is gebleken, dient de wijze van huisvesten van
het jongvee mede bepaald te worden door de wijze waarop de koeien op-
gestald worden. Aangezien bij jongvee vrijwel geen moeilijkheden worden
ondervonden bij het opstallen in een roostervloerstal en de dieren hierin
goed schoon blijven, mits de hand gehouden wordt aan de maximale
oppervlakte per dier (1,5 m2 per pink), is het — gezien het bovenstaande
— aantrekkelijk jongvee in dit staltype onder te brengen. De gewenste
spleetbreedte tussen de balken is voor jongvee 3 cm (Poel ma, 1964).
De afscheidingen van de ligboxenstal voor jongvee worden boven breder

-ocr page 703-

gemaakt dan onder om te voorkomen dat ze zich omdraaien waardoor de
boxen bevuild zouden worden.

Om het bezwaar te ondervangen dat een loopstal met gestrooide ligruimte
voor het jongvee een minder goede combinatie is met een grupstal voor
het melkvee, kan men er bijvoorbeeld toe overgaan het jongvee, nadat de
koeien in het voorjaar in de wei zijn gedaan, nog enkele weken op de grup-
stal te plaatsen.

Wanneer het jongvee in de één of andere vorm van loopstal is onderge-
bracht en niet alle voedermiddelen ad libitum worden verstrekt, is het in
verband met de goede verdeling van het voer noodzakelijk de dieren of in
groepjes van gelijke grootte in te delen, óf ze tijdens het voeren vast te
zetten.

Een ander aspect van de jongvee-huisvesting is gelegen in de bescherming
tegen ongunsdge weersomstandigheden en
worminfecties gedurende de
weideperiode. Vooral in de kustprovincies is het dikwijls gewenst de jonge
kalveren te beschremen tegen te grote afkoeling door regen en wind. Men
kan ze daartoe vrije toegang tot een loopstal geven. Uit het onderzoek van
Oostendorp c
.s. (1965) is gebleken dat het in een loopstal onder-
brengen en vers gras voeren, na het omweiden op etgroen, de beste pre-
ventieve maatregel is tegen worminfecties bij kalveren en te verkiezen is
boven medicamenteuze preventie.

Slotopmerkingen

De wijze van huisvesten van rimdvee en eventueel de daarmee samenhan-
gende „management" kan een vrij grote invloed uitoefenen op de fre-
quentie van optreden van diverse ziekten of afwijkingen. Behalve de be-
tekenis hiervan voor de algemene gezondheid van de dieren zelf, betekent
het veelal een verlies aan opbrengsten en een vermeerdering van de dage-
lijkse benodigde tijd voor de verzorging of verpleging van de dieren. Dit is
voldoende reden om te streven naar vermindering van de veterinaire pro-
blemen.

Bij dit streven wordt echter ook nogal eens de verwachting uitgesproken
dat vermindering van de veterinaire problemen, welke direct of indirect
samenhangen met de huisvesting, zou moeten leiden tot verhoging van de
levens- of bruikbaarheidsduur van de melkveestapel. In dit verband is van
belang de redenen van afvoer en daarmee het relatieve belang van de
onderdelen te kennen. De hieronder vermelde cijfers zijn een samenvat-
ting van de door Hoekstra (1959) verzamelde gegevens.

Redenen van afvoer van 19758 dieren

a. oorzaak van afvoer onbekend 2,72%

b. ziekten en aandoeningen 43,24%

c. afwijkingen in bouw en funktie 37,43%

d. bedrijfsoorzaken 16,61%

Een gunstige invloed van het huisvestingssysteem op de gezondheid van de
dieren zal tot uiting komen in rubriek b.

-ocr page 704-

Deze rubriek kan op de volgende wijze verder worden onderverdeeld:
Afvoer wegens ziekten en

aandoeningen (van): % opmerkingen

geslachtsorganen 21,9 15,1% onvruchtbaar

0,6% prolapsus vaginae

0,5% abnormale geboorte

uier en spenen 8,2 6,4% uier

0,9% spenen

tuberculose 2,2

bewegingsorganen 2,0 0,9% benen

0,5% klauwen

stofwisselingsziekten 2,0 0,9% kopziekte

spijsverteringsorganen 1,7

diversen 3,3

onbekend 1,9

43,2

Bij het beschouwen van deze cijfers dient bedacht te worden dat het hier
gaat om de hoofdoorzaken die geleid hebben tot het opruimen van de
dieren.

De in het voorgaande besproken verschillen tussen de staltypen spelen bij
de opruimingsoorzaken een relatief geringe rol en verder gaat het meestal
om ziekten of afwijkingen die mèt of zonder diergeneeskundige hulp nog
wel weer genezen.

Een verhoging van de gemiddelde levensduur door verbetering van de huis-
vestingsomstandigheden is theoretisch wel mogelijk, maar zal waarschijnlijk
voor de praktijk van weinig betekenis zijn.

Na het gereedkomen van dit manuscript bereikte de schrijver nog de publicatie van
I. Ekesbo: Disease incidence in tied and loosehoused dairy cattle.
Acta Agric.
scand. 1966 Suppl.
15.

Het was niet meer mogelijk de resultaten van dit onderzoek in de tekst te verwerken,
deze zijn echter in overeenstemming met het besprokene.

SUMMARY.

Some veterinary aspects of the housing systems for dairy cattle in the Netherlands i.e.
the traditional tyingstall, loose housing, slatted floor, cubicles, tying stall with
mechanisation and the latter combined with a milking parlour, are discusscd.
From the veterinary point of view rather important differences exist between these
housing systems.

It is concluded that this mainly influences the day by day time required for animal
care and that in general it is not justified to expect an important effect on longevity
of the animals.

LITERATUUR.

B e e r, J.: Besteht bei der Haltung der Rinder in Offenstallen eine besondere Gefahr
hinsichüich des Auftretens parasitärer Erkrankungen?
Mh. Vet. Med., 19, 373,
(1964).

Blanken, G.: Anpassung der Standlänge an die Tiergrösse. Der Tierzüchter, 18,
77, (1966).

-ocr page 705-

B u 1 g r i n, K. D.: Untersuchu»gen über die Brunstvorgänge beim Rind. Diss. Giessen
(1957).

Cazemier, C. H.: Speenbetrappingen bij rundvee. Tijdschr. Diergeneesk., 87,
1294, (1962).

Clough, P. A.: The facts about slats. Dairy Farmer 1961, febr., p. 21.

Grommers, F. J., Brands, A. F. A. en Schoenmakers, A.: Mortaliteit
van kalveren bij de partus van Nederlandse runderen.
Tijdschr. Diergeneesk., 90,
231, (1965).

Groot, J. G. de: Been- en speenbeschadiging bij melkkoeien bij toepassing van de
drijfmestgrup met roosters.
Landbouwvoorlichting, 23, 35, (1966).

Haartsen, P. I.: Gasvergiftiging in een rundveestal tengevolge van het roeren
in de mestopslagkelder.
I.L.B., Mededeling, 19, (1966).

Hall, J. G., Bran ton, G. and Stone, E. J.: Estrous, estrouscycles, ovulation
time, time of service, and fertility of dairy cattle in Louisiana, ƒ.
Dairy Sei., 42,
1086, (1959).

H O e k s t r a, P.: De bruikbaarheid van de Nederlandse vrouwelijke rundveestapel IV.
Tijdschr. Diergeneesk., 84, 485, (1959).

I p s e n, E. J. and S t i g s e n, P. K.: The influence of some environmental factors
on the production level in Danish dairy herds.
Z. Tierz. Zucht Biol., 82, 54, (1965).

J a n s e n, G. C. en K o r 11 a n d t, A.: Waarnemingen van het gedrag van koeien in
de „cafetariastal".
Intern rapport. Werkgroep gedrag landbouwhuisdieren, 1954.

Klein-Hessling, P.: Gesundheitsschäden bei der einstreulosen Gitterrost-
aufstallung I.
Der Tierzüchter, 18, 79, (1966).

L o V e 1 i d g e, B.: Succes with cows on slats begins with slat-reared heifers. Dairy
Farmer, 1962, sept., p. 61 en 63.

Mc Lean, J. W.: Vaginal prolaps in ewes. Part III. The effect of topography on
incidence.
N.Z. Vet. J., 5, 93, (1957).

Oostendorp, D., Harmsen, H. E. en W e s t e r a, A.: Worminfecties bij
kalveren in de weide.
P.A.W.-publikatie, 27, december 1965, 34-47.

Poelma, H. R.: Loopstallen met roostervloeren voor jongvee en mestvee. Landb.
mech.,
15, 1079, (1964).

Poelma, H. R.: De mechanisatie en automatisering in grupstallen. Landb. mech.,
16, 1033, (1965).

Richter, J. und Götze, R.: Tiergeburtshilfe. Paul Parey, Bcrhn - Hamburg, 2e
dr. 1960.

Toussaint Raven, E.: Persoonlijke mededeling, (1966).

W e s s e 1 i n g h, A. H.: Een oriënterend onderzoek naar de technische werking en
de onderhoudstoestand van melkmachine-installaties op de boerderij. Rijksveeteelt-
consulentschap voor Zuid-Holland, Den Haag, sept. 1965.

Witzel, S. A. and Heizer, E. E.: Loose housing or stanchion type barns for
dairy cattle.
Agric. exp. Stat., Univ. of Wisconsin, Madison Bull., 503, (1953).

Discussie

Vraag: Drs. R. Post, Zwolle:

Hoe denkt de inleider over een gelijkliggend of verdiept liggend rooster
bij het drijfmestsysteem?

Antwoord: Drs. F. J. Grommers, Utrecht:

Ten aanzien van dit punt zijn nog geen exacte gegevens beschikbaar.
Mogelijk verschaft de nog in bewerking zijnde I.L.B.-enquête hierom-
trent enige informatie.

Het doel van de verhoogde ligplaats is te vermijden dat de dieren op
het rooster gaan liggen. Om dit mogelijk te maken moet de standlengte
voor melkkoeien minstens 135 cm zijn, dit is gemiddeld 10 cm langer

-ocr page 706-

dan bij op gelijlc niveau liggende roosters. Het is mogelijk dat e.e.a. een
gunstig effect heeft ten aanzien van het voorkómen van zowel been-
als speenbeschadigingen.

Vraag: Drs. A. B o o g a e r d t, Nieuwveen:

1. In de grupstallen wordt te vroeg getrokken bij de partus. Zou dit
niet het gunsdge cijfer in de loopstallen geven?

2. Is het niet aan te bevelen de eerste drie strips van het rooster niet
glad uit te voeren om het uitglijden met de daaraan verbonden be-
zwaren te voorkómen?

Antwoord: Drs. F. J. G r o m m e r s, Utrecht:

1. Het grotere percentage alléén kalvende koeien in de loopstallen
wordt inderdaad waarschijnlijk veroorzaakt door de wat andere
instelling van de loopstalveehouders ten opzichte van het afkalven.
Uit ons cijfermateriaal (Grommers c.s., 1965) bleek dat, in
vergelijking met de grupstalbedrijven, in de loopstallen een toename
van het percentage alléén kalvende koeien gepaard ging met een
vermindering van het percentage door drie of meer personen af-
getrokken kalveren. Het percentage door één of twee personen af-
getrokken kalveren was op de loopstalbedrijven echter ook lager
dan op de grupstalbedrijven.

2. Voor wat betreft het zoeken naar de meest juiste uitvoering van de
gruproosters is het experimentele stadium nog nauwelijks afgesloten.
Op grond van de gedachte dat het in verband met het staan of
liggen op de roosters beter zou zijn de eerste drie staven achter de
ligplaatsen een relatief groter draagvlak te geven, zijn deze drie
staven wel vervangen door T-ijzers. Hoe groot het eventuele voordeel
hiervan is en of dit zelfs niet teniet gedaan wordt door de gladheid
van de T-ijzers, is op dit moment nog niet met zekerheid te zeggen.

-ocr page 707-

Het melkveebedrijf in de foekomsf

The dairy-cattle farm in the future.

door J. A. RENKEMA1)

Uit het Zoötechnisch Instituut van de Rijksuniversiteit te

Utrecht.

Wanneer men iets over het melkveebedrijf in de (nabije) toekomst wil
zeggen, dan is het goed om eerst eens te kijken naar de ontwikkelingen van
de laatste jaren.

Uit de publikaties van het Landbouw-Economisch Instituut (Hoorn-
weg, 1966) blijkt dat het arbeidsinkomen van de boer op de weidebe-
drijven sinds 1957/58 is gedaald, zelfs wanneer de ongunstige jaren 1962/
\'63 en 1963/\'64 buiten beschouwing worden gelaten. Deze achteruitgang in
inkomen spreekt des te meer wanneer deze wordt gezien tegen de achter-
grond van de vermindering van de koopkracht van de gulden, die de laatste
jaren 3 a 4% per jaar bedraagt, en de stijging van de lonen en salarissen
van de niet-zelfstandigen. De oorzaak van deze ongunstige ontwikkeling is
gelegen in het feit dat de verhoging van de opbrengstprijs van de melk plus
de vergroting van de efficiency bij de produktie samen niet hebben opge-
wogen tegen de kostenstijgingen.

De prijsstijging van de kostenfaktoren is zodanig geweest dat de kostprijs
van de melk b.v. in het Veenweidegebied in het tijdvak van 1957/\'58 tot
1964/\'65, dus in 7 jaar tijds, zou zijn gestegen van ongeveer 28,25 ct. per
kg tot ± 40,50 ct. (dus met 12,25 ct. per kg melk), indien de produktie-
methoden en de bedrijfsvoering in die 7 jaar onveranderd zouden zijn ge-
bleven. In werkelijkheid is de kostprijs van de melk in dat tijdvak in het
Veenweidegebied niet tot 40,50 ct. maar tot ongeveer 35,80 ct. per kg melk
gestegen. Van de totale kostenstijging van 12,25 ct. heeft men klaarblij-
kelijk 4,75 ct. kunnen opvangen door aanpassing van de bedrijfsvoering. De
opbrengstprijs van de melk steeg in dezelfde tijd met ongeveer eenzelfde
bedrag, namelijk met ruim 4,50 ct./kg. Dit is samen 9,25 ct.; het overblij-
vende bedrag van ± 3 ct. per kg melk werd niet gecompenseerd en ging
dus ten koste van de marge voor de boer. Zoals gezegd gelden deze cijfers
voor het Veenweidegebied (van Friesland en Noord-Holland) maar voor
de overige gebieden liggen de cijfers in dezelfde orde van grootte.
De geschetste ontwikkeling heeft er toe geleid dat er na ongeveer 1960 in
de melkveehouderij gemiddeld meestal sprake is van een bedrijfseconomisch
verlies, in tegenstelling tot de periode tussen 1950 en 1960 toen meestal
gemiddeld nog wel een zekere winst werd behaald.

Laten we nog even nader ingaan op de prijsstijging van de verschillende
kostenfaktoren en op de aanpassing van de produktiemethoden en de be-
drijfsvoering daaraan. Wanneer de prijsindex van de kostenfaktoren om-
streeks 1951 op 100 gesteld werd, dan was de index voor kunstmest en
voor voedermiddelen in 1963/\'64 nog niet veel gestegen, namelijk tot minder
dan 110, voor brandstoffen was de index van 100 tot 118 opgelopen, voor

1  Ir. J. A. Renkema; docent Landhuishoudkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht;
Biltstraat 172.

-ocr page 708-

werktuigkosten tot 129, voor pacht reeds tot 175 en voor lonen zelfs tot
236 (Landbouwcijfers 1966). De lonen — en in iets mindere mate ook de
pacht — zijn dus veel sneller gestegen dan de overige kostenfaktoren. Daar
de loonkosten met 30 a 40% van de totale kosten meestal ook de grootste
kostenpost vormen heeft men getracht, en met succes, om hierop te be-
zuinigen. Op de L.E.I.-bedrijven in het Veenweidegebied is het aantal
arbeidskrachten in de 7 jaren van 1957/\'58 tot 1964/\'65 met ruim 20%
gedaald. In dezelfde periode is de veestapel nog met 4% toegenomen.
(Hoornweg, 1966). Dit heeft ertoe geleid dat het aantal melkkoeien
per man kon toenemen van ruim 11 in 1957/\'58 tot ruim 14 in 1964/\'65.
Per twee jaar werd het aantal koeien per man gemiddeld dus met ongeveer
1 melkkoe, met bijbehorend jongvee, verhoogd. Dit is een stijging van
4% per jaar.

Na deze algemene lijn, die betrekking heeft op gemiddelde cijfers, wordt
het tijd om te wijzen op de grote verschillen tussen de bedrijven. Blijkens
de L.E.I.-cijfers zijn verschillen van bedrijf tot bedrijf in arbeidsinkomen
van de boer van ƒ 10.000 en meer per jaar geen uitzondering, ook niet
wanneer men, om toevalligheden uit te schakelen, niet de cijfers van één
jaar neemt, maar b.v. het gemiddelde van drie jaren. (Hoornweg,
1966). Het is belangwekkend om na te gaan welke oorzaken verantwoor-
delijk zijn voor deze grote verschillen in bedrijfsresultaten. Aangenomen
moet worden dat de bedrijfsleiderscapaciteiten van de boer hierbij een
doorslaggevende rol spelen.

De bedrijfsleiderscapaciteiten van de boer komen tot uiting in een bedrijfs-
opzet en een bedrijfsplan die bij de gegeven omstandigheden de grootste
kans op een zo hoog mogelijk en stabiel inkomen dienen te geven. Maar
evenzeer komen de bedrijfsleiderscapaciteiten van de boer tot uiting in de
uitvoering van het gekozen bedrijfsplan, dat wil zeggen in de reactie van
de boer op zich wijzigende omstandigheden op kortere termijn, waarbij
het vooral aankomt op het juist beoordelen van snel wijzigende situaties,
zoals weersomstandigheden. Op het belang van dit laatste punt en op dc
noodzaak van onderzoek op dit terrein wordt vooral gewezen door Van
R i e m s d ij k. Het bedrijfsvergelijkend onderzoek, dat vooral door het
L.E.I. is verricht, is tot dusverre zeer overwegend gericht geweest op hel
eerstgenoemde punt: de invloed van het bedrijfsplan op de bedrijfsuit-
komsten.

Nu is een boer bij de bepaling van zijn bedrijfsplan sterk in zijn keuze-
mogelijkheden beperkt doordat, zeker op kortere termijn, een groot deel
van zijn bedrijfsomstandigheden vast liggen. Het is juist om daarmee ter-
dege rekening te houden wanneer men het heeft over de vraag hoe de be-
drijven er in de (nabije) toekomst uit zullen zien.

Van de drie produktiefaktoren grond, arbeid en kapitaal ligt per bedrijf
de faktor grond het meest vast, maar ook aan de faktor arbeid valt op
korte termijn weinig te veranderen. Niet alleen komt het er in de praktijk
vaak op neer dat het arbeidsaanbod slechts met een hele arbeidskracht
tegelijk kan worden uitgebreid of ingekrompen omdat losse arbeid moeilijk
is aan te trekken, maar bovendien is inkrimping van het arbeidsaanbod op
de vele éénmansbedrijven helemaal uitgesloten, wanneer men het bedrijf
althans wil voortzetten. Liggen de faktor grond en de faktor arbeid dus
op korte termijn per bedrijf nogal vast, met de overige produktiemiddelen,

-ocr page 709-

die onder de faktor kapitaal worden gerekend, is dit met uitzondering van
de gebouwen veel minder sterk het geval.

Om met het voorgaande voldoende rekening te kunnen houden zullen wij
nu eerst nagaan welke wijzigingen in bedrijfsvoering en bedrijfsopzet gun-
stige perspectieven bieden bij gelijkblijvende bedrijfsoppervlakte en gelijk-
blijvend aantal arbeidskrachten per bedrijf. Vervolgens zullen we in het
kort aandacht besteden aan situaties waarin de bedrijfsoppervlakte con-
stant blijft en het aantal arbeidskrachten afneemt en tenslotte zullen we
de betekenis van een toenemende bedrijfsoppervlakte in beschouwing

nemen.

In de eerste plaats dus de situatie waarin zowel de bedrijfsoppervlakte als
het aantal arbeidskrachten per bedrijf vast liggen.

Veel bedrijven hebben op korte termijn hiermee te maken en wel zeer in
het bijzonder de éénmansbedrijven. Deze bedrijven zien zich, evenals de
andere bedrijven, geplaatst tegenover twee belangrijke ontwikkelingen, na-
melijk: onder invloed van de verdergaande mechanisatiemogelijkheden kan
één man steeds meer werk verzetten en door de snel stijgende lonen moet
de arbeid uiterst efficiënt worden benut. Er is dus een sterke dwang om de
produktie per man op te voeren. In de onderhavige situatie zijn de mo-
gelijkheden daartoe beperkt. Men kan óf een niet aan de grond ge-
bonden produktietak aantrekken, of de rundveehouderij moet verder
worden geïntensiveerd waardoor de produktiviteit zowel van de arbeid als
van de grond wordt opgevoerd.

Blijkens L.E.I.-onderzoekingen liggen hier nog mogelijkheden; niet alleen
in gebieden zoals Friesland waar de veedichtheid nog niet zo groot is, maar
zelfs in Utrecht en Zuid-Holland, waar de veebezetting per ha grasland
reeds zwaar is. Zo bleek het arbeidsinkomen van de boer van de bij een
L.E.I.-onderzoek (v. d. G i e s s e n en R e i t s m a, 1965) betrokken Zuid-
Hollandse bedrijven, bedrijven die gemiddeld ongeveer 16 ha grasland
hadden met een arbeidsbezetting van gemiddeld 1,8 arbeidskracht en ge-
middeld bijna 1,6 melkkoe per ha grasland, bij een veebezetting van 1,8
mk/ha enkele duizenden guldens hoger te liggen dan bij een veebezetting
van 1,4 mk/ha. Dit ondanks het feit dat voor het extra vee nogal wat meer
voer moest worden aangekocht. Gemiddeld steeg de post voeraankopen
met ƒ 100 a ƒ 120 per koe, wat inhoudt dat het extra vee dat boven een
veedichtheid van 1,40 mk per ha werd gehouden ± ƒ 950,- aan voerkosten
per extra koe met zich meebracht. Wanneer de bemesting van het grasland
wat sterker was opgevoerd, de stikstofbemesting lag nog maar op 70 kg
zuivere N per ha, dan was de vooruitgang in arbeidsinkomen van de boer
vermoedelijk nog groter geweest, omdat daarmee had kunnen worden be-
spaard op de voeraankopen.

Het is duidelijk dat het economisch voordeel per extra koe bij steeds toe-
nemende veedichtheid zal gaan verminderen en boven een bepaalde vee-
dichtheid zelfs nihil zal worden.

Hierover vanwege de ons toegemeten tijd slechts een tweetal opmerkingen.
In de eerste plaats was op de bedrijven van het hiervoor aangehaalde
onderzoek deze bovengrens bij een veebezetting van 1,8 mk per ha ken-
nelijk nog niet overschreden. In de tweede plaats zal deze economische
bovengrens van de veebezetting per ha samenhangen met de beschikbare
stalruimte. Wanneer voor het extra vee moet worden geïnvesteerd in nieuw-

-ocr page 710-

of verbouw dan zal de optimale veebezetting per ha lager liggen dan wan-
neer deze stalruimte al aanwezig is.

Een ontwikkeling die men in de praktijk veel kan waarnemen is een
afname van het aantal arbeidskrachten per bedrijf bij een gelijkblijvende
bedrijfsoppervlakte.

Dit is zelfs de belangrijkste manier geweest om de kostprijs van de melk
niet te snel te laten stijgen, zoals in het begin van deze voordracht ook naar
voren kwam. Met name zijn veel weidebedrijven van omstreeks 20 ha de
laatste jaren overgegaan van tweemansbedrijven naar eenmansbedrijven.
Op de meeste bedrijven doet zich op korte termijn niet de gelegenheid
voor om meer land aan te trekken. Wanneer deze bedrijven tevens al
maximaal zijn geïntensiveerd, naar de mening van de boer, dan kan een
verdere opvoering van de produktie per man alleen worden bereikt door
vermindering van het aantal arbeidskrachten.
Dit komt vaak neer op het ontstaan van eenmansbedrijven.
Deze ontwikkeling zal, hoe men daar ook over denken moge, de eerst-
komende jaren in de weidegebieden nog wel doorgaan. Men kan éénmans-
bedrijven sociale ondingen vinden, maar wanneer een boer als enige ar-
beidskracht op zijn bedrijf een redelijk inkomen kan behalen en met een
tweede man erbij een stuk minder verdient dan zijn arbeider, dan zal deze
boer zijn bedrijf toch wel als éénmansbedrijf verder voeren. Met andere
woorden: de boeren zijn niet in een positie om sociale overwegingen zwaar-
der te laten wegen dan economische. Dit stemt overeen met mijn (be-
perkte) ervaring dat de meeste boeren gevoeliger zijn voor een inkomens-
verbetering dan voor een verbetering op het terrein van het aantal te
werken uren of de gebondenheid aan het bedrijf. Hetgeen niet wil zeggen
dat deze laatste punten niet belangrijk zijn en in de toekomst niet nog
zwaarder zullen gaan wegen. Overigens zijn er meer beroepen waar lange
dagen gemaakt worden, waar de vijfdaagse werkweek nog niet bereikt is
en waar de gebondenheid aan het bedrijf groot is. Dit neemt niet weg dat
de suggestie van Stegenga (1965) om ervaringen op te doen met be-
drijven met meerdere arbeidskrachten zeker op zijn plaats is.
Het is duidelijk dat het opvoeren van de produktie per man door middel
van het verminderen van het aantal arbeidskrachten per bedrijf niet maar
in dezelfde mate kan doorgaan om de eenvoudige reden dat deze weg
voor de éénmansbedrijven niet meer openstaat. Aangenomen dat het niet
voordelig wordt om nog veel verder te intensiveren dan thans mogelijk
en rendabel is, dan zal op wat langere termijn de vergroting van de bewer-
kingscapaciteit van een arbeidskracht moeten samengaan met een even
sterke vergroting van de oppervlakte grond per man. Om het aantal één-
mansbedrijven te verminderen zou de vergroting van de bedrijfsoppervlakte
en dus het opheffen van bedrijven in een nog sneller tempo moeten ver-
lopen.

In de derde plaats zullen we de betekenis van toenemende bedrijfsopper-
vlakten bekijken.

Wanneer men nu nagaat hoe de bedrijfsvoering en de bedrijfsresultaten
samenhangen met de oppervlakte land die per man beschikbaar is, dan
komt ongeveer het volgende beeld naar voren dat wij met een cijfervoor-
beeld zullen illustreren.

-ocr page 711-

Voor het boekjaar 1961/\'62 werden 113 weidebedrijven uit het Friese veen-
weidegebied zodanig in 6 groepen ingedeeld dat de gemiddelde arbeids-
bezetting in elke groep ongeveer gelijk was, terwijl de oppervlakte grasland
per man steeds toenam. Van deze zes groepen zullen wij hier de twee
uitersten met elkaar vergelijken. In groep I was de gemiddelde oppervlakte
per man bijna 7 ha en in groep VI bijna 18 ha. In groep I was het aantal
mk per ha ruim 1,4 en in groep VI ruim 1,1 mk/ha. De bedrijven met
weinig grond hebben dus een zwaardere veebezetting per ha, maar niet
zodanig dat het aantal koeien per man gelijk is aan dat op de grotere
bedrijven. In groep I bedroeg het aantal koeien per man namelijk 10 en in
groep VI het dubbele, dus 20. Er waren aanwijzingen dat de betrekkelijk
kleine bedrijven uit groep I op enkele punten voordeel wisten te trekken
uit hun relatief ruime mankracht. Zo ging de zwaardere veebezetting per
ha in groep I niet gepaard met grotere voeraankopen per koe; wel werd
wat meer stikstof per ha gestrooid maar dit kon niet het gehele verschil
in veebezetting per ha verklaren.

De conclusie ligt dus voor de hand dat op de kleinere bedrijven door een
zorgvuldiger ruwvoederwinning en/of beweidingssysteem een hogere netto-
produktie van het grasland wordt verkregen. Ook was de melkproduktie
per koe op de bedrijven van groep I 100 a 150 kg hoger, wellicht als
resultaat van een betere individuele verzorging van het vee dan mogelijk
is op de bedrijven van groep VI.

Op deze grotere bedrijven is de taak per man veel zwaarder. Per man
wordt daar immers het dubbele aantal melkkoeien gehouden en ook onge-
veer de dubbele hoeveelheid ruwvoer gewonnen van groep I. De werktuig-
kosten en de kosten voor loonwerk zijn, per man uitgedrukt, in groep VI
dan ook wel 3 a 4 maal zo hoog als in groep I, waar kennelijk zeer weinig
gemechaniseerd was. In groep I bedroegen de werktuigkosten en de loon-
werkkosten samen bijna ƒ 1000 per man en in groep VI ruim ƒ 3300. Dat
deze hoge werktuig- en loonwerkkosten evenwel zeer goed verantwoord
zijn geweest blijkt wel uit de lage bewerkingskosten per koe of per kg
melk. Deze bewerkingskosten (die bestaan uit de som van arbeidskosten,
werktuigkosten en loonwerkkosten) zijn in groep VI namelijk ruim 1/3 deel
lager dan in groep I. Dit voordeel voor de grotere bedrijven weegt zoveel
zwaarder dan de eerder genoemde en andere nadelen, dat de kostprijs van
de melk er zes cent per kg lager ligt dan op de kleinere bedrijven van I.

In nog duidelijker cijfers: het arbeidsinkomen van de boer was op de be-
drijven van groep VI met ƒ 12.760 precies het dubbele van de ƒ 6380 dat
op de bedrijven van groep I werd behaald. Eenzelfde indeling als hier voor
het boekjaar 1961/\'62 werd gegeven is ook nog gemaakt voor 1964/\'65. De
verschillen tussen bedrijven met eenzelfde arbeidsbezetting maar met toe-
nemende oppervlakte grasland waren in \'64/\'65 vrijwel gelijk aan de hier-
voor geschetste situatie, met dien verstande dat het verschil in arbeidsin-
komen van de boer, ten gunste van de grotere bedrijven, nog groter was.
De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het extra land op de grotere
bedrijven in deze jaren een zeer gunstige invloed heeft gehad op de be-
drijfsresultaten. Dit houdt in dat de kleinere bedrijven nogal wat zouden
kunnen betalen voor een uitbreiding van hun bedrijfsareaal. Hierbij dient
overigens wel bedacht te worden dat een uitbreiding van de bedrijfsopper-
vlakte meestal gepaard zal moeten gaan met uitbreiding van de gebouwen.

-ocr page 712-

Hierdoor zal het gunstige effekt van het extra land in bovenstaand geval
weliswaar kunnen verminderen maar niet te loor gaan.
Overigens is schrijver dezes van mening, mede op grond van nog niet
gepubliceerd onderzoek, dat het hierboven gesignaleerde verschil in be-
drijfsresultaten tussen kleine en grote bedrijven voor een deel kan worden
overbrugd door de kleinere bedrijven bij een nog verdergaande intensi-
vering. Maar daarmee zijn we weer terug bij een reeds eerder behandeld
punt, zodat we hierop verder niet zullen ingaan.

Rest ons nog de vraag welke oppervlakte per man in de nabije toekomst
als optimaal moet worden beschouwd.

In het Verslag van de Studiegroep Melkveehouderij dat als publikatie
nr. 9 in de serie „Nieuwe Bedrijfssystemen in de Landbouw" is verschenen,
wordt, hoewel hier geen gedetailleerde berekeningen worden gegeven, de
volgende conclusie getrokken: de meest efficiënte produktie zal bij een in-
tensief graslandgebruik mogelijk zijn op tweemansbedrijven van tenminste
30 ha met 45 melkkoeien en éénmansbedrijven van tenminste 20 ha met
30 melkkoeien.

Er zijn belangrijke knelpunten bij het verwezenlijken van deze situatie.
Zo wordt in het eerdergenoemde verslag van de Studiegroep Melkvee-
houderij de conclusie getrokken dat een als wenselijk beschreven situatie,
d.w.z. minstens 20 a 25 melkkoeien per bedrijf, bij hetzelfde ontwikkelings-
tempo als in de afgelopen jaren niet voor 1990 bereikt zou zijn. Hierbij
moet worden opgemerkt dat deze conclusie geldt wanneer alle bedrijven
met melkvee in de beschouwing worden betrokken. De weidebedrijven, zijn
wat verder op deze weg dan de gemengde bedrijven, die evenwel meer
dan één pijl op hun boog hebben.

Bij de belemmeringen moeten overigens niet alleen het aantal benodigde
bedrijfsbeëindigingen genoemd worden, maar eveneens de vereiste aanpas-
sing van de gebouwen en de financieringsproblemen die met deze bedrijfs-
vergrotingen samenhangen. Ook zullen in veel gevallen nog de verkaveling,
de ontsluiting en de waterbeheersing verbeterd moeten worden voordat
dergelijke grote produkties per man haalbaar zullen zijn. Om te besluiten
met de woorden van de Studiegroep Melkveehouderij: „Op het opheffen
van genoemde belemmeringen zal het beleid van ondernemers en overheid
in het bijzonder gericht dienen te zijn."

SUMM,\\RY.

The earned income of farmers on pastoral farms has decreased in recent years. This
is due to the fact that the increase of the price made by milk in conjunction with
the increased efficiency in production have failed to cancel out the rise in cost.
The nature of the rise in cost and the adjustment of farm management to this
increased cost are discusscd.

The results obtained on comparable farms differ markedly. Comparative studies will
to some extent show to which differences in the system of farming and farm
management these differences in farm profits are due. It should be borne in mind
that, of the three production factors land, labour and capital, particularly the factors
land and labour are fairly fixed for each farm, at any rate over short periods. With
the exception ot the premises, this holds good to a far less extent for the factor
capital.

In view of the above, it was attempted to determine which alterations in the system
of farming and farm management might offer good prospects, the farming area and

-ocr page 713-

the manpower un each farm remaining unchanged. This was followed by a study of
situations in which the farming area remains constant and manpower decreases and,
in conclusion, the significance of an increasing farming area was discussed.

LITER.^TUUR.

G i e s s e n, L. B. van der en Reitsma, A.: Inkomensverschillen op weide-

bcdrijven in de randstad Holland. L.E.I.-studie no. 22, (1965).
H o o r n w eg, J.: Rentabiliteit weide- en gemengde bedrijven, voorcalculatie

1966/\'67. L.E.I.-verslag no. 145.
L. E. I. in samenwerking met C.B.S., Landbouwcijfers 1966.

Maris, A. en R ij n e v e 1 d, R.: Landbouw en platteland in een stroomversnelling,

2e druk blz. 52, de erven F. Bohn N.V. - Haarlem, 1963.
R i e m s d ij k, J. F. van: Mondeling bij meerdere gelegenheden.
S t e g e n g a, Th.; Ballade of een ander perspectief?
Veeteelt- en Zuivelber., 8,
310, (1965).

Verslag van de studiegroep Melkveehouderij, Problemadek en perspectief van de
melkveehouderij, Publikatie no. 9 in de serie „Nieuwe Bedrijfssystemen in de
Landbouw".

Discussie

Vraag: Drs. L. A. Vink, Oudewater:

Hoe is de prognose over de opvolgersdichtheid?

Antwoord: Ir. .}. A. R e n k e m a, Wageningen:

Gegevens van 1962, afkomstig van bedrijven op de zuidelijke zand-
gronden, wijzen erop dat het aantal meewerkende zoons sterk is afgeno-
men. Voor de bedrijven kleiner dan 10 ha zijn er minder zoons dan
vrijkomende bedrijven (generatiedruk kleiner dan 1) en voor de bedrij-
ven groter dan 10 ha zijn er nog meer zoons dan vrijkomende bedrijven
(generatiedruk groter dan 1).
De generatiedrukcijfers waren als volgt:

Grootteklasse < 5 ha 5-10 ha 10-20 ha ë 20 ha
Generatiedruk 0,4 0,7 1,2 1,9

(Maris en R ij n e v e 1 d, 1963)

Vraag: Dr. J. S. R e i n d e r s, Leeuwarden:

Welke vorm van veehouderij is de meest economische; opvoeren van de
produktie per koe of opvoeren van het aantal melkkoeien per man?

Antwoord: Ir. J. A. R e n k e m a, Wageningen:

Beide maatregelen kunnen de bedrijfsuitkomsten verbeteren. Het ge-
middelde aantal koeien per man is nog niet zo groot dat bij verdere
toename moet worden gevreesd dat de produktie per koe een daling
van betekenis zal vertonen. Overigens kan, blijkens de eerder aan-
gehaalde cijfers, een geringe daling van de produktie per koe meer dan
goedgemaakt worden door de daling van de bewerkingskosten. Over
zeer grote aantallen koeien per man (b.v. meer dan 30) zijn spreker
geen Nederlandse gegevens bekend.

Vraag: Drs. A. Boogaerdt, Nieuwveen:

Kan een geringere veedichtheid (met weinig krachtvoer dus), van b.v.

-ocr page 714-

1 koe/ha, geen betere uitkomsten geven dan de door spreker genoemde
hoge veedichtheden?

Antwoord: Ir. J. .A. Renkema, Wageningen:

De bedrijfsuitkomsten zullen inderdaad beter zijn bij een geringere
veedichtheid, mits een ruime oppervlakte land per man beschikbaar is.
De bedrijfsoppervlakte is op korte termijn evenvifel veelal een gegeven.
Wanneer de beschikbare oppervlakte per man klein is, dan geven
genoemde hoge veedichtheden de beste bedrijfsuitkomsten.

-ocr page 715-

Salmonellose bij postduiven

Salmonellosis in carrier-pigeons

door J. W. E. STAM1)

Uil de Kliniek voor Kleine Huisdieren van de Rijksuniversiteit
te Utrecht.

Inleiding

Salmonellose komt bij postduiven zeer veel voor; de naam paratyfus heeft
dan ook een gevreesde klank. Ze wordt ook wel vleugelziekte, kreupelziekte,
Belgische ziekte en draaihalsziekte genoemd.

De veroorzaker is de Salmonella typhi murium var. Copenhagen; in enkele
gevallen worden ook andere
Salmonellae gevonden.

Symptomen

De symptomen van door Salmonella geïnfecteerde duiven zijn in het begin
vaag en onduidelijk: de duiven worden lusteloos, de vlieglust verdwijnt, de
duiven gaan in elkaar zitten, de voedselopname is verminderd. Dit beeld
ziet men bij vele ziekten en het is in het geheel niet specifiek.
De ontlasting wordt minder vast en heeft een groene kleur. Deze groene
kleur is niet specifiek voor een darmontsteking, daar elke duif die minder
voedsel opneemt een ontlasting krijgt die een kleur heeft van licht tot fel
groen. Dit komt, doordat de duif geen galblaas heeft en doorlopend gal
produceert, ook al is er geen voedselopname.

Al naar de symptomen wordt salmonellose bij duiven in groepen verdeeld:
De septische vorm

Deze zien we vaak bij jonge duiven beneden de leeftijd van zes weken. De
duiven vermageren zeer snel, de faeces zijn zeer dun van consistentie en de
diertjes sterven na enkele dagen. Bij de ouders moet dan een uitscheider
geweest zijn. Differentieel diagnostisch moet nog aan trichomonas hepatica
besmetting gedacht worden.

De damivorm

Hierbij zien we duiven die vennageren en een zeer dunne faeces hebben,
die in de meeste gevallen een zeer kwalijk riekende geur verspreiden. De
bacillen zijn in de faeces vaak aan te tonen en het zijn juist die duiven,
die een gevaar voor elk duivenhok betekenen.
Differentieel diagnostisch komen in aanmerking:

1. a-specifieke enteritis,

2. coccidiose,

3. wormen,

4. vergiftigingen,

5. dieetfouten.

1  Dr. J. W. E. Stam; wetenschappelijk ambtenaar I aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Alexander Numankade 91.

-ocr page 716-

De gewrichtsvorm

De gewrichtsvorm komt alleen bij oudere duiven voor. Deze moeten dan
de septische vorm hebben doorgemaakt. Het is wel de duidelijkste vorm;
\'.•andaar de verschillende populaire namen.

Het gewricht dat het meest is aangetast, is het ellebooggewricht (articu-
latio cubiti). Soms ziet men ook wel het tibia meta-tarsaal en het radius-
meta carpaal gewricht aangetast.

De gewrichtskapsels zijn dan zo sterk gezwollen, dat zij duidelijk zichtbaar
zijn. Het betreffende lidmaat wordt niet of zeer moeilijk gebruikt, zodat
we afhangende vleugels zien of kreupele dieren. De spieren zullen na enige
tijd atrofiëren.

Differentieel diagnostisch komen in aanmerking:

1. een fractuur, vlak bij het gewricht,

2. een luxatie,

3. beschadiging van het gewricht in het algemeen,

4. hematoom,

5. een atypisch deformerende artritis.

6. tumor.

De draalhalsvorm

Hierbij is het middenoor aangetast; de duiven draaien met de kop en door
het niet kunnen opnemen van voedsel, zullen ook deze dieren snel sterven.
Differentieel diagnostisch komen in aanmerking:

1. meningitis,

2. tumoren.

De latente vorm

Met deze vorm worden de aan sahnonellose lijdende duiven aangeduid die
uitwendig geen verschijnselen vertonen, terwijl ze toch lijdende zijn aan
sahnonellosis. Deze groep neemt toch nog een zeer belangrijke plaats in,
daar er vaak uitscheiders bij kunnen zijn zonder dat er uitwendig af-
wijkingen worden gevonden. Alle organen kunnen aangetast zijn of bacillen
bevatten, zoals lever, nier, eierstokken, testis enz.
Differentieel diagnostisch komen in aanmerking:

1. niet in vorm komen,

2. onbevruchte eieren,

3. niet ruien en voedingsfouten.

De diagnose

Het stellen van de diagnose geeft in sommige gevallen geen moeilijkheden,
zoals bij duidelijke zwelling der gewrichtskapsels.

Moeilijker wordt het, wanneer de verschijnselen vaag en onduidelijk zijn.
Men is dan aangewezen oj) het direct aantonen van de bacteriën bij sectie
of in de faeces, of door het aantonen van agglutininen in het bloed. Bij het
aantonen der agglutininen stuit men op de moeilijkheid, dat er duiven zijn
die nog geen agglutininen hebben, èn duiven waarbij agglutininen niet
meer aanwezig zijn, zodat men nooit 100% zekerheid heeft. Bovendien
mogen de duiven niet geënt zijn geweest; bij dit laatste wordt nog wel eens
een vergissing gemaakt.

-ocr page 717-

Het is ook haast niet doenhjk om bij een eigenaar van 50 tot 100 duiven
bloed af te nemen, dit zou eventueel nog een keer herhaald moeten worden.
Daarom is de agglutinatie het gesehikst voor twijfelgevallen en bij een
koppel van 1 tot 5 duiven.

De vaccinatie tegen salmonellose

Reeds lange tijd kent men de actieve immunisatie tegen salmonellose. De
immunisatie wordt bij duiven de laatste jaren met redelijk succes toe-
gepast, al zijn vele duivenhouders bang, dat zij de vlieg- en kweekwaarde
hiermee verminderen. De enting (met gedood vaccin) geschiedt subcutaan,
dorsaal in de hals. Men behoeft niet bang te zijn, dat het vaccin in de krop
of luchtzakken en niet subcutaan terecht komt.

Wij hebben n.1. 10 duiven in zeer snel tempo met een rode vloeistof in-
gespoten (duiven die toch afgemaakt moesten worden). Het bleek, dat bij
alle tien de vloeistof alleen subcutaan gekomen was.

Het beste tijdstip van de enting tegen paratyfus is januari, begin februari,
drie weken tot een maand vóór de koppeling. Wanneer men te kort voor de
koppeling zou enten, bestaat de kans dat de eieren niet bevrucht zijn en
het leggen der eieren zeer onregelmatig is, wat de eigenaar niet graag ziet.
Jonge duiven kan men het beste enten op een leeftijd van 6 a 7 weken.
De enting kan tegelijk geschieden met de enting tegen pokken-difterie.
Zoals bij de bestrijding van alle besmettelijke zieken en vooral voor vacci-
naties, geldt ook hier dat een behandeling van vele dieren tegelijk de
beste resultaten geeft. Daarom wordt ook aangeraden om zoveel mogelijk
per vereniging te enten (het betreft dan 800 - 1200 duiven). Bovendien
spaart dit veel tijd en geld. Met een goede en voldoende hulp kunt U
drSOO a 400 duiven per uur enten.

Bij de medicamenteuze behandeling van aan salmonellose lijdende duiven
zijn we aangewezen op antibiotica. In de kliniek worden chlooramphenicol
en terramycine gebruikt. Bij bloedspiegelbepalingen is echter gebleken, dat
b.v. chlooramphenicol zeer snel (na 2-4 uur) niet meer in het bloed is aan
te tonen. Een meermalige behandeling per dag is wel noodzakelijk. In de
kliniek wordt 2 x daags 75 mg chlooramphenicol subcutaan gedurende 3
dagen gegeven. De mogelijkheid blijft echter bestaan, dat de duiven dragers
blijven; duiven die niet meer in conditie te krijgen zijn, worden dan ook
afgemaakt.

Een herhaald faecesonderzoek is ncxidzakelijk om uitscheiders op deze
wijze op te sporen.

De overige duiven van de eigenaar dienen dan zo snel mogelijk gevaccineerd
te worden, met een gelijktijdige toediening van sulfamezathine door het
drinkwater. Bij deze vaccinatie loopt men de kans ook een drager te enten;
in de praktijk ziet men echter, dat deze dieren zichtbaar ziek worden (in
elkaar gaan zitten, zeer snel vermageren enz.); ze dienen dus snel uit het
hok verwijderd te worden. Wanneer er verschillende duiven ziek blijken
te worden, wordt geadviseerd de overige duiven 4 dagen na de eerste
vaccinatie nogmaals te vaccineren om een hechtere immunisatie te ver-
krijgen en om een nieuwe uitbraak te voorkomen.

Het toedienen van sulfamezathine — 150 mg per duif gedurende 10 a 14
dagen achtereen (dit komt neer op één eetlepel van een 16% oplossing
op één liter drinkwater) — blijkt zeer goed te voldoen. Duiven blijken deze

-ocr page 718-

toediening van sulfamezathine gedurende lange tijd achtereen zeer goed te
verdragen, dit in tegenstelling tot kippen. We zien bij duiven geen bloe-
dingen en geen neerslagen in de nieren.

Bij het gebruik van Furoxone moet men zeer voorzichtig zijn, daar de
therapeutische en toxische dosis zeer dicht bij elkaar liggen. Bij een over-
dosering krijgt men atactische verlammingen, waarop de dood volgt. De
aangegeven dosering van Furoxone is 25 mg per dag gedurende 3 dagen;
2 dagen niet, 2 dagen wel. Hiermede zou de toxische werking voorkomen
kunnen worden.

Ook wel wordt een 10-procentige Furoxonesuspensie door het drinkwater
gegeven: 3,5 ml per 2,5 liter drinkwater gedurende 5 dagen. Onze erva-
ringen met Furoxone zijn echter niet bevredigend.

Hygiëne

Het is bijzonder nuttig, dat er bij de duivenhouders op wordt gewezen dat
hygiëne een belangrijk onderdeel is van de bestrijding van ziekten.
Het voeren dient te geschieden in de daarvoor bestemde bakken en niet
op de grond, zoals nog vele duivenhouders doen. De bodem van de hokken
kan nóg zo schoongemaakt zijn, altijd zullen er toch wel wat faeces liggen
waaraan de graankorrels blijven kleven. Dat de drinkpot één of twee maal
per dag ververst dient te worden, is duidelijk.

Aangevlogen duiven zijn een bron van besmetting; deze duiven hebben na
een vlucht meestal enige dagen gezworven, hebben \\\'eel weerstand verloren
en zijn derhalve erg gevoelig voor diverse ziekten. Zo\'n duif moet clan ook
ais een gevaar voor het hok beschouwd worden. Men advisere zulke duiven
direct apart te zetten. Trouwens, alle duiven die van andere hokken komen
dienen eerst enige tijd apart gehouden te worden.

In het algemeen laten de duivenhouders teveel vreemden zonder voorzorgs-
maatregelen (schoenen!!) in hun hokken.

De reismand, waar ongeveer 20 - 30 duiven in verstuurd worden, is wel de
ideale plaats voor besmetting. Op de bodem liggen houtkrullen en het
voeren geschiedt van bovenaf, zodat het voer tussen de krullen komt. De
drinkbak hangt aan de buitenkant, doch bij onderzoek is gebleken, dat
daar toch nog faeces in terecht komen. Het is dan ook wel begrijpelijk, dat
zo vele duiven besmet raken met salmonellose en ornithose tijdens het
vervoer, terwijl ze daarna ook nog een vliegreis van 300 tot 1000 km moeten
afleggen. Al met al een ideale manier van besmetten dus.

SUMMARY.

Salmonellosis is common in raring pigeons. The various symptoms arc reviewed and
reference is made to the differential diagnosis betwc( n
Salmonella infections and
other diseases.

The advantages and disadvantages of vaccination are discussed and the importance
of hygiene is stressed.

Discussie

Vraag: Drs. H. M. Nieuwenhuijsen, Ingen:

Is cr iets bekend over een humane infectie vanuit een met salmonellose
besmet duivenhok?

-ocr page 719-

Antwoord: Dr. J. W. E. Stam, Utrccht:

Bij gevallen waarbij kinderen lijdende waren aan sahnonellose bleek dit
(uit type bepaling) niet het geval geweest te zijn. Het is natuurlijk
altijd mogelijk.

Vraag: Drs. J. E. Hage, Purmerend:

Wordt naast de agglutinatietest nog een C.B.R. toegepast, om een
vaccinatietiter of een infectietiter te onderscheiden?

Antwoord: Dr. J. W. E. Stam, Utrecht:
Neen.

Vraag: Drs. A. Boogaerdt, Nieuwveen:

Dient men na vaccinatie nog faecesonderzoek te verrichten van alle
dieren? Bij voorkeur tot drie maal toe? Er bestaat immers de mogelijk-
heid dat er dragers onder de dieren voorkomen, die geen ziekte-
symptomen tonen.

Antwoord: Dr. J. W. E. Stam, Utrecht:

Men behoeft alleen faecesonderzoek te doen van duiven, die na vacci-
natie symptomen van ziekte tonen of van duiven die tot een zodanig
onderzoek aanleiding geven, b.v. doordat de jongen zeer snel vermageren
en sterven.

Het faecesonderzoek moet minstens drie achtereenvolgende keren ne-
gatief verlopen.

-ocr page 720-

Retentio en luxatio patellae bij paard en rund

Retention and luxation of the patella in the horse and
the cow

door S. R. NUMANS1)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Heelkunde van de Rijks-
universiteit te Utrecht.

Op het moment, nu ongeveer 15/2 jaar geleden, dat de titel van deze korte
inleiding werd vastgesteld, leefden wij in de veronderstelling in staat te
zijn wat meer dan thans het geval is te kunnen mededelen over enkele
liggingsveranderingen van de knieschijf en de daarmee verband houdende
functiestoornissen.

Drs. W. A. H e r m a n s heeft zich uit het onderzoek van dc\'c afwijkingen
moeten terugtrekken, sinds enkele maanden wordt het voortgezet door
Sohan Sing Rathor, gastwerker uit India, terwijl Dr. D. M. B a-
d o u X bij het onderzoek naar de functionele anatomie en de mechanica
van het kniegewricht belangrijke medewerking verleent.
Wat deze inleiding betreft moet worden volstaan met het tonen van de
filmbeelden van een aantal funcdestoornissen (kreupelheden) aan écn of
beide achterbenen bij paard en rund, die het gevolg zijn van liggingsveran-
deringen van de patella. Het gesproken commentaar, aangevuld met een
korte beschouwing over de mechanica van het kniegewricht naar aanlei-
ding van een aantal vertoonde dia\'s zijn in deze geschreven inleiding ver-
werkt.

In de eerste filmbeelden onder de titel „dorsale patella fixatie" zal dc van
ouds bekende afwijking de „habituele luxatie van de knieschijf" worden
herkend.

Daar het hier niet gaat om een luxatie (ontwrichting, cen verplaatsing van
beenuiteinden of beenderen die een gwricht vormen, ten opzichte van el-
kaar) maar om een vergrendeling („blokkeren") van het femuro patellair-
gewricht, is het begrip dorsale fixatie ingevoerd.

Deze thans internationaal onder de naam dorsale fixatie of dorsale reten-
tie bekende afwijking wordt veroorzaakt door een verstoring van hel nor-
male samenspel van de door sjjicren fascies en banden op de knieschijf
inwerkende krachten (afbeelding II), tengevolge waarvan dc patella in
dorsale positie vasthaakt op de mediale condyl van de trochlea (afbeel-
ding I).

Het is bekend dat deze functiestoornis (in de film zowel in zijn habituele
als stationnaire vorm getoond) kan worden opgeheven door het door-
snijden (tenotomie) van de mediale rechte knieschijfband (Afbeelding II
1-2). Hiermee wordt echter het samenspel der krachten (inechanica, dy-
namica) bepalend voor een normale functie van het femuropatellair ge-
wricht in ernstige mate verstoord; de patella zal een afwijkende positie op
de trochlea innemen, zij kan echter niet meer vasthaken.

1  Prof. Dr. S. R. Numans; hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Bilt-
straat 172.

-ocr page 721-

Afb. 1.

Kniegewricht van paard en rund, mediale zijde.

\'L1 \\

>h \\x

Afb. 2.

Latero-mediale opname van
het linker kniegewricht van
een rund. Omtrek van de
laterale condyl van de
trochlea is met een stippel-
lijn aangegeven evenals de
mediaal gelegen fixatieban-
den van knieschijf en femu-
ro tibiaal gewricht (1-2,

3-4, 5-6);
1-2 mediale en laterale
f em.uro pat ellair ban-
den;

3-4 mediale en laterale
rechte knieschijfsban-
den;

5-6 mediale en laterale
collaterale banden fe-
muro-tibiaalgewricht;
7-8 middelste rechte knie-
schijfsband.

-iF\' ïü

/j,

J f

lik

/

* fc

-ocr page 722-

Voor het rund een aanvaardbare behandehng, maar bij het paard is reeds
van oudsher naar andere behandehngsmogeHjkheden gezocht waarbij een
tenotomie kon worden vermeden.

Het isNyffenegger (1951) geweest die de aandacht vestigde op de
toepassing van ortopedische maatregelen als middel om zodanige verande-
ringen in de krachtsverhoudingen van het femuropatellairgewricht te ver-
krijgen, dat het vasthaken (vergrendelen) niet meer of in veel mindere
mate kan optreden. Deze maatregelen bestaan uit het inkorten van toon-
en mediale verzenwand en/of het beslaan met een ijzer met verdikte en
verlengde buitentak.

Aan de tweede functiestoornis uit de film is de naam dorsolaterale patella
fixatie
meegegeven. Een afwijking, die tot nu toe door ons uitsluitend bij
pony\'s werd waargenomen en zich manifesteert in de onmogelijkheid knie-
en spronggewricht te buigen, terwijl het been sterk vertraagd en met een
duidelijke abductie van het kniegewricht naar voren wordt gebracht.
Klinisch en röntgenologisch onderzoek geven aanwijzingen dat de patella
in dorsale positie is gefixeerd, evenwel niet op de mediale maar op de late-
rale condyl van de trochlea met enige verplaatsing naar lateraal van dc
patella.

Een tetonomie van de strak gespannen mediale band leidt wel tot een op-
heffen van de stationnaire fixatie, maar er blijft een duidelijke functie-
stoornis bestaan (te geringe buiging in knie en tarsus, verkorting van de
pas naar voren met abductie van kniegewricht).

Wat de oorzaak betreft bestaan in de door ons onderzochte gevallen aan-
wijzingen voor een traumatisch insult.

De derde in de film getoonde afwijking heeft onder de naam „klapmouw"
in Nederland bekendheid gekregen, beter te omschrijven als habituele la-
terale subluxatie
van de knieschijf.

Een in ieder geval aangeboren en vrij zeker erfelijk bepaalde fimctic-
stoornis, waarbij de patella in de belastingsfase (strekking van het knie-
gewricht) zijn normale positie op de trochlea inneemt, maar in het begin
van de bewegingsfase (buiging van kniegewricht) zich naar lateraal ver-
plaatst zonder het contact m^t de laterale rolkam te verliezen (subluxatie).
Deze steeds weer terugkerende verplaatsing van de knieschijf gaat als regel
met een „klappend geluid" gepaard, terwijl na enige weken een over-
vulling van het femuropatellair gewricht (hydrops, mouw) zichtbaar wordt
en zich op de duur ook een tot kreupelheid of stijfheid leidende gono-
trochleitis zal ontwikkelen.

De laterale stibluxatie is van ouds bekend bij warmbloed en koudbloed
veulens en wordt in de laatste jaren relatief frequent waargenomen bij
Shetland ponyveulens.

Het is ook de Shetland pony, waarbij de stationnaire laterale (sub)luxatie
van de patella voorkomt: de knieschijf ligt in deze gevallen naast de late-
rale rolkam, de Musc. quadriceps kan zijn normale functie van strekker
van het kniegewricht niet meer uitoefenen.

De betreffende veulens worden geboren met sterk gebogen knie- en
spronggewrichten, het maakt de indruk dat de Musc. quadriceps als buiger
van het kniegewricht fungeert, terwijl ten gevolge van spiercontracturen
(Musc. vastus lateralis) ook een passief strekken van knie- en sprong

-ocr page 723-

niet mogelijk is. Het is mogelijk deze afwijkende ligging en functie van
de knieschijf langs operatieve weg (myotomie) op te heffen en een rede-
lijk aanvaardbaar functioneel herstel te verkrijgen.

Over de pathogenese, of misschien beter de ontogenese, van dit lijden kan
in dit stadium nog geen uitspraak worden gedaan.

Ter adstructie van de belangrijke rol die de Musc. quadriceps speelt in
de normale functie van het femuropatellair gewricht zijn in de film een
aantal beelden opgenomen van de
myogene quadriceps paralyse bij het
paard en de
neurogene quadriceps paralyse bij het pasgeboren kalf. Bij
het kalf moet de oorzaak gezocht worden in een ruptuur van de
Ns. fe-
moralis en bij deze patiënten valt het zeer gemakkelijk verplaatsbaar zijn
van de patella op.

Verwarring met het klinische beeld van de laterale luxade zoals die bij
de ponyveulens voorkomt, is dan ook zeer goed mogelijk.

Na het vertonen van de film is nog een korte beschouwing gewijd aan de
functionele anatomie en de mechanica van het femuropatellair gewricht.
Onder meer is aan de hand van enkele projecties gewezen op het „ver-
grendelingsmechanisme" van het kniegewricht, waarbij zowel bij paard als
rund het „vasthaken" van een kraakbenig uitsteeksel mediaal van de knie-
schijf zich voortzettend in de mediale band een aanvaardbare verklaring
voor de functiestoornis „dorsale fixatie van de knieschijf" kan geven en de
gunstige resultaten van de tenotomie van de mediale band.
Het onderzoek naar de mechanica van het kniegewricht is slechts kort
vermeld en toegelicht met enkele afbeeldingen.

De in deze inleiding opgenomen afbeeldingen zijn slechts bedoeld de lezer
enigszins te oriënteren over de functionele anatomie van het kniegewricht.

SUMM.ARY.

The article consists of a text delivered by a film of 12 minutes on functional disorders
caused by fixation and (or) changement in location of the patella in horses and cows.
The clinical symptoms of the following disorders arc shown and discussed:
dorsal patella fixation (recurrent and permanent)
dorso lateral patella fixation

lateral subluxation of the patella (recurrent and permanent)
myogenic and neurogenic paralysis of the Musc. quadriceps.
From 8 slides, two of which illustrate the paper, a short explanation is given of the
functional anatomy and mechanics of the femoro patella articulation.

LITERATUUR.

II i c k m a n, J. and Walker, R. G.: Upward retention of the patella in the horse,

Vet. Rec., 76, 198, (1964).
N ij f f e n e g g e r, A.: Beobachtungen auf der Praxis über die Patellaluxation,
Schweiz. Archiv. Tierhk., 93, 221, (1951).

Discussie

Vraag: Drs. J. van E s, Twello:

Is herstel van Musc. quadriceps na Maandagziekte voor 100% mogelijk?

-ocr page 724-

Antwoord: Prof. Dr. S. R. Numans, Utrecht:

Een volledige regeneratie van het beschadigde spierweefsel is als regel
niet te verwachten, doch zonder dat kan in vele gevallen op een aan-
vaardbaar functioneel herstel worden gerekend.

Vraag: Drs. P. H. A. M. van Maanen, Cuyk:

Hoe staat het met de erfelijkheid van laterale luxatie of subluxatie bij
pony\'s?

Antwoord: Prof. Dr. S. R. Numans, Utrecht:

Er bestaan aanwijzingen dat de laterale (sub)luxatie een erfelijke af-
wijking is. Over de wijze van overerving is nog niets bekend. Uit een
kruising tussen een afwijkende merrie met een afwijkende hengst zijn in
achtereenvolgende jaren twee veulens met een laterale subluxatie ge-
boren.

Vraag: Drs. P. H. A. M. van Maanen, Cuyk:

Is ruptuur van de N. femoralis bij geboorte van het kalf in stuitligging
of kopligging te verwachten? Hoe is de prognose van dit lijden?

Antwoord: Prof. Dr. S. R. Numans, Utrecht:

Het kalf, waarbij de sectie enkele dagen na de geboorte een ruptuur
van de N. femoralis opleverde, was in kopligging geboren. Door
manipulaties met het niet afwijkende been kon een sterke spanning
in de Ns. femoralis worden aangetoond, wanneer door druk tegen het
kniegewricht direct boven de knieschijf het betreffende been sterk
achterwaarts werd gestrekt.

De prognose is afhankelijk van de (onbekende) mate van beschadiging
van de zenuw. Wanneer het een partiële ruptuur betreft of de ruptuur-
einden dicht bij elkaar zijn gelegen, zal na enige maanden herstel te
verwachten zijn.

De moeilijkheden (functiestoornissen) zijn niet van dien aard, dat het
niet verantwoord zou zijn enige maanden „af te wachten".

Vraag: Prof. Dr. G. H. B. T e u n i s s e n. Utrecht:

Hoe is het met de grootte en vorm van de femur condylen? Dit in
verband met de slechte ontwikkeling ervan speciaal bij dwergrassen van
honden, waarbij luxatio patellae aangeboren nogal eens voorkomt.

Antwoord: Prof. Dr. S. R. Numans, Utrecht:

Kort na de geboorte, c.q. bij het constateren van de afwijking, wordt
niet de indruk verkregen dat er een althans sterk afwijkende bouw van
de condylen bestaat.

Bij oudere gevallen van klapmouw is steeds een duidelijke afslijting
van de laterale rolkam waar te nemen, deze is echter secundair. Een
primair te laag of te klein zijn van de laterale rolkam is niet met
zekerheid aangetoond.

-ocr page 725-

Inseminatie-intervallen*)

Insemination intervals

door J. HENDRIKSE**)

Uit de Afdeling KunslmMige Inseminatie en Fertiliteit Man-
nelijk Dier.

Om inseminatie-intervallen te kimnen beoordelen, moet men weten welke
normaal zijn en welke fysiologische omstandigheden de lengte van de
intervallen kunnen beïnvloeden. Volgens literatuurgegevens kunnen dit
het seizoen en de leeftijd van de dieren zijn. Ook met combinaties van
deze factoren moet rekening worden gehouden. Voorts is het nodig om
de spreiding van de intervallen te kennen en de invloed van hun lengte
op de bevruchting.

Onze eerste gegevens zijn afkomsdg van zwartbonte runderen uit het inse-
minatiejaar 1963. Uit de verzamelde 6730 intervallen blijkt, dat een pe-
riode van 18-23 dagen de meest normale is en dat hierin 53,9% van alle
intervallen ligt. Intervallen van 1-17 dagen, die algemeen als verkorte
intervallen worden aangeduid, komen in 8,4% van de gevallen voor;
37,7% zijn dus langer dan 23 dagen. Een interval van twintig dagen komt
het meeste voor (14,8%) en de beste bevruchtingsresultaten zijn ver-
kregen na een interval van 22 dagen.

Daar het bovengenoemde aantal intervallen vrij klein is, zijn uit gegevens
van het inseminatiejaar 1965 wederom een aantal intervallen berekend.

Tabel 1.

Non-return percentages volgens rangnummer der inseminatie.

Normale

inseminaties

a-inseminaties

Rangnr.

Aantal

% n.r.

Aantal

% n.r.

1

47938

62,8

530

57,2 )

2

16652

61,5

62,5

184

56,0 r

57,2

3

5959

61,8

69

65,2 \\

4

2150

63,3

26

46,2 \'

801

59,9

7

57,1 )

6

324

58,3

7

57,1

57,9

7

132

62,1

59,5

5

60,0 \\

8

47

53,2

9

24

62,5

10

11

54,5

Totaal:

74038

62,4

828

57,2

*) Dit artikel is tot stand gekomen in samenwerking met Dr. S. W. J. van
D i e t e n, directeur van de K.I. vereniging, de Kempen te Oerle.
**) Dr. J. Hendrikse; lector aan de Faculteit der Diergeneeskunde van de Rijks-
universiteit te Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 726-

De aldus verkregen 27830 intervallen komen uit een inseminatie-periode
met 74866 inseminaties, die zijn uitgevoerd in de K.I.-verenigingen de
Kempen (M.R.IJ.) en de Combinatie Utrecht (F.H.). De intervallen
zijn verzameld en gerangschikt door het Computer Centrum van de Rijks-
universiteit te Utrecht.

Allereerst zullen enige invloeden op het drachtigheidspercentage (non-
return percentage) worden bekeken, opdat hiermee met de beoordeling
van de intervallen rekening kan worden gehouden.

In tabel 1 zijn de inseminaties gerangschikt volgens het rangnummer en
is een scheiding gemaakt tussen normale en a-inseminaties (dit zijn her-
inseminaties, die binnen 8 dagen na een eerder uitgevoerde inseminatie
zijn verricht). Bij de berekening van de K.I.-resultaten worden in de regel
deze a-inseminaties samen met de normale als één inseminatie beschouwd.
Uit de gegevens blijkt, dat 1,1% van de normale inseminaties door een a-
inseminatie worden gevolgd. De invloed van het groter wordende rang-
nummer verloopt niet regelmatig. Er kan worden geconstateerd dat de re-
sultaten van de inseminaties met rangnummer 5-10, 3% lager liggen dan
die van 1-4. Deze daling is slechts gering; dit is in tegenstelling met het-
geen volgens de oude wijze van berekenen van de drachtigheidspercen-
tages is gevonden; de daling was volgens deze berekening nl. veel groter.
De resultaten van de groep a-inseminaties liggen 5,2% lager dan van de
groep normale inseminaties. Dit kan worden verklaard uit het feit, dat
een deel van de koeien afwijkend is en de a-inseminaties dus niet alleen
te wijten zijn aan foutieve waarnemingen van de tochtigheid. Het zal in-
teressant zijn om de resultaten van deze a-inseminaties te vergelijken met
de inseminaties van de koeien, waarbij binnen 8 dagen weer oestrus-
verschijnselen worden waargenomen maar die niet weer worden geïnsemi-
neerd. Zo kan de efficiëntie van deze speciale inseminaties worden ge-
controleerd.

Tabel 2.

Invloed van de leeftijd.

Geboren

01.01.64-

■31.01.64

01.01.62-

■31.12.63

vóór

01.01.62

Rangnr.

Aantal

% n.r.

Aantal

% n.r.

.Aantal

% n.r.

1

3153

67,7

20341

62,7

24444

62,3

2

805

66,3

7288

62,5

8559

60,3

3

208

74,0

2580

62,7

3171

60,2

4

38

65,8

893

65,1

1219

61,9

5

11

72,7

305

60,3

485

59,4

6

3

66,7

129

60,5

192

56,8

7

43

69,8

89

58,4

8

10

40,0

37

56,8

9

5

80,0

19

57,9

10

2

0,0

9

66,7

Totaal:

4218

67,7

31596

62,7

38224

61,6

-ocr page 727-

Dc invloed van de leeftijd van de runderen o]) het non-return percentage
wordt gedemonstreerd in tabel 2. De gegevens zijn hier gerangschikt
volgens het rangnummer van de inseminatie en volgens de geboorteperiode
van de geïnsemineerde dieren. Per indeling is het aantal inseminaties en
het non-return ])ercentage vermeld. De eerste groep heeft betrekking op
pinken, de tweede op vaarzen en schotten en de derde op oudere dieren.
Wat betreft de resultaten zijn die van de jongste dieren het beste. De
middenklasse ligt gemiddeld 5% lager. Dc groep oudere dieren ligt hier
weer 1,1% beneden.

Tahel 3.

Invloed van de iriserninatieperiode.

Periode

01.11.64-

■ 31.01.65

01.02.65 ■

■ 30.04.65

01.05.65 •

■31.08.65

Ran.gnr.

.\\antal

% n.r.

.\\antal

% n.r.

Aantal

% n.r.

1

8270

55,7

12195

59,2

27473

66,6

2

2481

55,3

4466

59,3

9705

64,1

3

944

55,1

1640

59,0

3375

65,0

4

440

57,3

577

64,3

1133

65,0

5

214

54,7

195

59,5

392

63,0

6

102

56,9

78

53,8

144

61,8

7

53

47,2

29

62,1

50

78,0

8

23

60,9

11

45,5

13

46,2

9

8

37,5

10

80,0

6

66,7

10

4

75,0

4

75,0

3

0,0

Totaal:

12539

55,6

19205

59,4

42294

65,8

In tabel .3 wordt de invloed van de in.sertiinatie]3eriode aangetoond. De
resultaten van de inseminaties in de maanden november - januari zijn
het laagst. De periode februari - april (het eind van de stalperiode) geeft
betere resultaten en in de weidemaanden zijn de resultaten nog hoger.
Dit geldt zowel voor de resultaten per rangnummer als voor het totaal
aantal inseminaties.

In tabel 4 zijn de eerste inseminaties vermeld, die nu zijn verdeeld volgens
de genoemde inseminatieperiode en het geboortejaar. Behalve bij het zeer
kleine groepje van 17 eerste in.seminaties, uitgevoerd bij pinken in de eer-
ste periode, is bij deze indeling een zelfde verband te vinden als bij de
afzonderlijke gegevens in de twee vorige tabellen. Om vervolgens te kim-
nen beoordelen hoe bovengenoemde factoren de inseminatie-intervallen
beïnvloeden, zijn de tabellen 5 tot 9 samengesteld.

De reeds eerder genoemde 27830 intervallen zijn in enige klassen verdeeld
en in tabel 5 vermeld. Als laagste klasse is de periode van 1-8 dagen ge-
nomen; dit zijn dus de a-inseminaties. Hierop volgt de klasse van 9 t.m.
35 dagen; het merendeel van de overlopers (dit is in de administratie niet
te controleren) vallen buiten deze klasse. In de volgende klassen zijn de
intervallen van 36-60 en van 61-120 dagen opgenomen. Tot slot wordt

-ocr page 728-

Tabel 4.

Eerste inseminaties verdeeld volgens de leeftijd van de koe en volgens het

seizoen.

Ins. periode

01.11.64

31.01.65

01.02.65-

. 30.04.65

01.05.65.

• 31.08.65

Totaal

Geboren

Aantal

% n.r.

Aantal

% n.r.

.\\antal

% n.r.

Aantal

% n.r.

01.01.64-31.01.64
01.01.62-31.12.63
voor 01.01.62

17
5353
2900

70,6
57,2
53,0

513
6104
5578

64,3
60,6
57,3

2623
8884
15966

68.4

67.5
65,8

3153
20341
24444

67,7
62,7
62,3

Totaal:

8270

55,7

12195

59,2

27473

66,6

47938

62,8

de laatste groep gevormd door de intervallen, die groter zijn dan 120
dagen. In de tv^\'eede kolom staan de aantallen, in de derde zijn deze uit-
gedrukt in procenten en de laatste kolom vermeldt van enige klassen het
gemiddelde interval. Onderaan de tabel zijn dezelfde gegevens vermeld
van een groep intervallen, die is gevormd door klasse 2 en 3 bij elkaar
op te tellen. Op deze wijze is een periode van 9-60 dagen verkregen. Uit
deze gegevens blijkt, dat 3,4% van de intervallen in de klasse 1-8 voor-
komen en de meeste (57,4%) in de klasse 9-35. In de volgende klassen
liggen respectievelijk 20.9, 10.8 en 7.5%. Voor de tweede klasse bedraagt
het gemiddelde interval 21.4, voor de derde 45.1 en voor de klasse 9-60
dagen 27.8. Uit dit materiaal blijkt dat de intervallen nogal gespreid
voorkomen.

Tabel 5.

Klasse-indeling en gemiddelde intervallen.

Klasse

Aantal

% voork.

gem. interv.

1 - 8

944

3,4

9- 35

15969

57,4

21,4

36- 60

5812

20,9

45,1

61 - 120

3002

10,8

> 120

2103

7,5

27830

100,0

9- 60

21781

78,3

27,8

De groep 9-35 (met de meeste intervallen) is ook per dag bekeken en
het belangrijkste gedeelte van deze gegevens is opgenomen in tabel 6.
De residtaten van de inseminaties zijn niet alleen per intervallengte ver-
meld maar ook per rangnummer. Tot en met klasse VI zijn de non-
return percentages genoteerd en onderaan de tabel de aantallen en de
percentages per dag.

-ocr page 729-

Non-return percentages verkregen na een bepaalde inseminatie en interval-

lengte.

Inseminatie

lengte interval

rangnr.

17

18

19

20

21

22

23

24

25

26

I

53,4

58,6

63,2

65,2

62,1

62,4

61,5

58,4

58,6

59,2

II

49,1

57,9

62,4

66,8

63,2

60,4

63,6

62,4

56,4

54,2

III

63,0

58,5

66,7

64,4

63,0

58,7

62,3

58,9

59,1

63,2

IV

63,2

52,7

59,2

52,6

55,7

56,1

52,4

43,7

-

V

60,0

66,7

54,8

57,1

56,2

76,2

71,4

50,0

-

VI

42,1

72,7

Aantal;

272

780

2087

2714

3209

1726

1425

855

519

330

Gem. % n.r.

53,3

58,6

63,0

65,1

62,8

61,2

62,2

59,2

57,2

58,2

Uit de gegevens in deze tabel blijkt, dat de meeste intervallen (11,5%)
een lengte van 21 dagen hebben. De beste residtaten worden echter ver-
kregen na een interval van 20 dagen; na 19 dagen zijn de resultaten zelfs
nog iets hoger dan na 21 dagen. Het is merkwaardig dat de meeste inter-
vallen en het beste non-return percentage niet in dezelfde groep vallen.
Het is mogelijk dat de veehouders hierop invloed hebben uitgeoefend in
de overtuiging, dat de dieren precies op 3 weken opbreken. Indien dit
het geval is, worden een aantal runderen te laat voor de inseminatie aan-
geboden. Bij de verschillende rangnummers komen in grote lijnen dezelfde
resultaten te voorschijn. Na deze algemene indeling zijn de her-insemina-
ties na bepaalde intervallen verdeeld volgens de leeftijd van de dieren en
de inseminatieperiode.

Tabel 7.

Indeling volgens de leeftijd van de runderen.

Geboren 01.01.64-31.01.64

01.01.62 - 31.12.63

vóór 01.01.62

Klasse

Aantal

%

Gem.

.Aantal

%

Gem,

Aantal

%

Gem,

Voork.

Voork,

Voork,

1 - 8

47

3,4

429

3,6

468

3,2

9- 35

806

59,3

21,1

6600

56,0

21,4

8561

58,3

21,5

36- 60

283

20,8

44,8

2522

21,4

45,0

3006

20,5

43,9

61 - 120

130

9,6

1392

11,8

1479

10,1

> 120

94

6,9

850

7,2

1160

7,9

9- 60

1089

80,1

27,2

9122

77,4

27,9

11567

78,8

27,3

In tabel 7 zijn de intervallen verdeeld volgens de leeftijd van de dieren.
Een duidelijke invloed van de leeftijd is niet vast te stellen. Van drie
groepen maakt de jongste de regelmatigste indruk.

-ocr page 730-

Tabel 8.

Intervallen verdeeld per inseminatie periode.

Ins. periode 01.11.64 - .31.01.65 01.02.65 - 30.04.65 01.05.65 - 31.08.65

Klasse

.■\\antal

%
Voork.

Gem.

Aantal

%
Voork.

Gem,

Aantal

%
Voork.

Gem.

1 - 8

226

4,4

339

4,3

379

2,6

9- 35

2574

49,9

21,7

4013

51,4

21,8

9383

64,9

21,2

36- 60

1125

21,8

45,4

1823

23,4

45,4

2863

19,8

44,7

61 - 120

803

15,6

1086

13,9

1113

> 120

432

8,4

543

7,0

724

5,0

9- 60

3699

71,7

28,9

5830

74,7

29,2

12246

84,7

26,7

Duidelijker is de invloed van de inseminatieperiode (tabel 8). De zeer
korte intervallen komen van de winter naar de zomer minder voor, daar
de tochtigheid \'s zomers beter kan worden waargenomen. Het aantal inter-
vallen in de klasse 9-35 wordt groter en het gemiddelde interval wordt
duidelijk kleiner.

In tabel 9 zijn alleen de intervallen na de eerste inseminatie vermeld en
ingedeeld volgens het geboortejaar en de in.seminatieperiode. We hebben
ons beperkt tot de groepen 9-35 en 36-60.

De invloed van de leeftijd komt nu duidelijk tot uiting; in alle drie in-
seminatieperioden vertonen de oudeie dieren langere interx allen. De regel-
maat, waar te nemen aan de stijging van het percentage in de klasse 9-35
wordt naar de zomermaanden duidelijk groter. Uit de gegevens over de
drachtigheidspercentages en de lengte van cle intervallen is gebleken, dat
de beste resultaten worden x-erkregen bij zo regelmatig mogelijke inter-
vallen.

SUMM.ARY.

1.1% of 74866 inseminations is followed within 8 days by another insemination.
The results of such re-inseminations arc 5.2% lower than by insemination after a
longer period.

The influence of the insemination number is less dear when calculating the results
with the n.r. method.

The influence of the age of the inseminated cows is obvious.

Large calves become sooner pregnant and show smaller intervals than heifers and
cows that calved already twice. But the latters show slightly better results than older
animals.

.\'Another important factor is the moment of insemination. In the mcadow-pcriod
(May-.^ugust) the results arc optimal and the avarage interval is minimum (nearest
to ideal period).

From November to January the lowest results are obtained, whereas from February
to April (with the lengthening of days) the results are slightly better.

classification of the intervals gives the following data: 3.4% between 1 and 8 days,
57.4% between 9 and 35 days, 20.9% between 36 and 60 days, 10.8% between
61 and 120 days and
7.5% over 120 days.

The average interval for the period between 9 and 35 days is 21.4 days, between
36 and 60 days 45.1, and between 9 and 60 days 27.8.
Most of the inter\\-als amount to 21 days (11.5%).

-ocr page 731-

Tabel 9.

Invloed van geboortejaar en inseminatieperiode.

Cn
oo

UI

Ins. periode

01.11.64-31.01.6.\')

01.02.65

- 30.04.65

01.05.65 -

31.08.65

Lengte interval

9-35

36-

60

9-35

.36 - 60

9-35

36

- 60

Geboren

Aantal

% Gem. Aantal

fc

Gem.

Aantal

%

Geul.

Aantal

%

Gem.

Aantal

%

Getn.

Aantal

%

Gein.

01.01.64-31.01.64

95

51,9

21,8

37

20,2

45,2

485

58,5

21,0

165

19,9

44,7

01.01.62-31.12.63

1120

48.8 21.4 454

19.8

45.3

1223

50,8

21,6

523

21,7

45.4

1839

63,6

21,0

566

19.6

44,7

vóór 01.01.62

583

42,8 22.1 248

18,2

45.5

1131

47.4

21.9

564

23.7

45.6

3477

63,7

21,2

944

18,2

44,8

-ocr page 732-

The best resuUs are obtained after an interval of 20 days. After 19 days the results
are slightly better than after 21 days.

LITER.ATUUR.

Hendrikse, J,. De betekenis van de regelmaat van de oestrus intervallen voor
de runder K.I.
Tijdschr. Diergeneesk., 91, 444, (1966).

Discussie

Vraag:

Antwoord:
Vraag:

Di\'s. J. Spruyt, Meppei:

In de stalperiode wordt vaak te vroeg geïnsemineerd en in de weide-
periode op tijd. Wordt hierdoor het interval in de zomertijd niet langer?

Dr. J. Hendrikse, Utrecht:

Uit de cijfers blijkt het tegenovergestelde. Tijdens de stalperiode worden
de koeien ook wel te laat geïnsemineerd.

Mevr. W. Pol-van Dongeren, Utrecht:

Het aantal cycli met een normale tijdsduur neemt in het weideseizoen
toe. Wordt dit niet vooral veroorzaakt door het feit, dat dc veehouder
in de weidetijd tochtigheid veel beter waarneemt?

Antwoord: Dr. J. Hendrikse, Utrecht:

Dit is juist. De factor mens speelt hiei echter niet alleen een rol, maar
ook de factor koe.

-ocr page 733-

Baeferiële ostitis bij runderen

Bacterial ostitis in cattle

door A. W. KERSJES1), J. F. FRIK2)
en C. C. VAN DE WATERING3)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Heelkunde en het Instituut
voor Veterinaire Bacteriologie der Rijksuniversiteit te Utrecht.

Inleiding

Bij de aan de kliniek aangeboden kreupele runderen, zowel bij kalveren
als bij oudere dieren, treffen wij de laatste jaren regelmatig als kreupel-
heidsoorzaak aan: een als gevolg van een bacteriële infectie, destructief,
meestal betrekkelijk goed gelokahseerd, ontstekingsproces in of in de nabij-
heid van een of meerdere epifysairschijven.

Om een indruk te geven van de aard van deze ontstekingsprocessen volgen
hieronder de voornaamste punten uit de ziektegeschiedenis van een kalf,
dat voor het eerst onze bijzondere aandacht vestigde op dit soort aan-
doeningen, welke tot nu toe slechts zeer fragmentarisch zijn beschreven
(Wintzer, 1962; van der Hoeden, 1964).

Casuïstiek

In januari 1960 ontwiklcelde zich bij een kalf van het Instituut voor Veterinaire
Bacteriologie een kreupelheid aan cen van de achterbenen. Het kalf was in het
kader van proefnemingen met
Salmonella-inhcties, bij runderen ongeveer 14 dagen
tevoren oraai besmet met
S. dublin. Enkele da.gen na deze infectie vertoonde het
kalf — zoals te verwachten was — duidelijke ziekteverschijnselen. Uit het bloed
en faeces kon
S. dublin worden geïsoleerd.

Na behandeling met furoxone en chlooramfenicol trad klinisch herstel op, maar
het kalf genas minder vlot dan andere kalveren, die dezelfde infectie hadden
ondergaan. De kreupelheid nam in ernst toe; het been werd tenslotte niet meer
belast. De kogel van het rechterachterbeen was duidelijk verdikt en deed een
artritis vermoeden. Bij onderzoek bleek de grootste zwelling cn de plaats van dc
meeste pijnlijkheid zich enkele centimeters boven de gewrichtssplcet te bevinden.
Het röntgenologisch onderzoek toonde in het distale deel van de diafyse van de
metatarsus tegen de epifysairschijf een destructief proces aan, waarin zich een
sequester bevond. Een week daarna werd de zwelling gepuncteerd en de holte
gespoeld met steriele fysiologische keukenzoutoplossing. Uit de spoelvloeistof kon
S. dublin in reincultuur worden gekweekt.

Enkele dagen later werd de holte opengebeiteld en de aanwezige botsequestcr
verwijderd. Lokaal werd tetracycline-poeder .geappliceerd. Na deze behandeling
trad vrij spoedig klinisch herstel op.

Van belang is nog te vernielden dat het bloedserum een sterk verhoogde titer
t.o.v.
S. dublin gaf: een titer, die aanmerkelijk hoger lag dan bij kalveren, die
op dezelfde wijze waren geïnfecteerd en behandeld, maar waarbij geen kreupelheid
c.q. ostitis optrad.

1  Dr. A. W. Kersjes; wetenschappelijk hoofdambtenaar A bij de Kliniek voor

Veterinaire Heelkunde; Biltstraat 172, Utrccht.

2  Drs. J. F. Frik: destijds wetenschappelijk ambtenaar I bij het Instituut voor
Veterinaire Bacteriologie; Biltstraat 172, Utrecht.

3  Drs. C. C. van de Watering; hoofd afdeling Röntgenologie van de Kliniek
voor Veterinaire Heelkunde; Biltstraat 172, Utrecht.

-ocr page 734-

Titcrverloop

9 d. post infectionem
13 d.

3 w.
w.

5 w.

6 w.

7 w.

8 w.

4 m.

5 m.

H. aggl.

20
80

6400
6400
6400
3200
3200
1600
40
20

-ocr page 735-

Materiaal

Uit de verzameling
van patiënten is ons
gebleken, dat niet al-
leen
S. dublin maar
ook andere bacteriën
verantwoordelijk
kunnen zijn voor ver-
gelijkbare ontste-
kingsprocessen. Ove-
rigens hebben wij ons
wat betreft de
Sal-
monella-infecües
niet
beperkt tot de
Ostitis
in of in de omgeving
van de epifysairschijf,
maar ook de ge-
wrichtsontstekingen
in de verzameling be-
trokken, omdat hier-
bij röntgenologisch
veelal vrij karakteris-
tieke botaantastingen
worden aangetroffen,
hetgeen niet het ge-
val is bij artritiden,
veroorzaakt door an-
dere bacteiiën.

-ocr page 736-

1. Experimentele S. dublin infecties

Van de enkele honderden kalveren, die op het Instituut voor Veterinaire
Bacteriologie experimenteel zijn besmet met 5\'.
dublin zijn slechts vijf
dieren kreupel geworden t.g.v. een aandoening, vergelijkbaar met het be-
schreven geval.

Van deze vijf kalveren hebben er zich bij drie ontstekingsprocessen in of
in de nabijheid van een epifysairschijf ontwikkeld, bij één dier zelfs op
meerdere plaatsen. De overige twee kalveren vertoonden een enigszins
ander beeld, nl. klinisch een duidelijke gewrichtsontsteking en wel beide
van het kniegewricht.

Als bijzonderheid kan worden vermeld, dat een van deze kalveren niet
werd geïnfecteerd, maar op de leeftijd van vier dagen gevaccineerd met
een levend, z.g. avirulent
S. dublin-v&ccin. Drie weken later werd dit kalf
kreupel t.g.v. een gonitis, waarbij röntgenologisch een ostitis in de distale
epifyse van de femur kon worden vastgesteld (afb. 3). Het bacteriologisch
onderzoek van de synovia verliep negatief, maar post-mortaal onderzoek
van het aangetaste botweefsel leverde
S. dublin op, welke na typering de
oorspronkelijke vaccin-stam bleek te zijn.

De titer was bij dit dier veel hoger dan bij een ander gevaccineerd kalf
(1 : 1280 t.o. 1 : 320, 3 weken na vaccinatie).

2. Spontane S. dublin-infecties

Deze groep patiënten bestaat uit acht dieren, die op natuurlijke wijze met
S. dublin waren geïnfecteerd. Het waren jonge dieren, die in leeftijd vari-
eerden van tien dagen tot twee ä drie maanden. Het valt op dat het
merendeel van deze kalveren geen ostitis in of in de nabijheid van een
epifysairschijf liet zien, zoals bij enige van de kunstmatig besmette kalveren.
Zeven va de acht kalveren vertoonden nl. het beeld van een artritis
waarbij in de regel een duidelijke, vrij karakteristieke botaantasting te zien
was op cle röntgenfoto (afb. 4).

Bij één kalf waren er wel ontstekingsprocessen in en in de buurt van een
epifysairschijf, maar zo uitgebreid, dat vrijwel alle phalangeale beenderen
en de epifysen van de metatarsus waren aangetast, met tegelijkertijd een
arthritis van enkele phalangeale gewrichten.

Bij vier van deze acht kalveren kon S. dublin diiect uit de synovia worden
gekweekt; bij twee dieren was het bacteriologisch onderzoek van de synovia
negatief, maar kon post-mortaal de bacterie worden gekweekt uit het aan-
getaste botweefsel. Bij de overige twee kon cultureel geen
Salmonlla-
infectie worden aangetoond maar op grond van het serologisch onderzoek,
ondersteund door de röntgenologische bevindingen moest toch een
Salmo-
ne7a-infectie worden aangenomen.

3. Spontane C. pyogenes-infecties

Het patiëntenmateriaal blijkt vier gevallen te bevatten waarbij de ostitis
een gevolg was van een infectie met
C. pyogenes. Het betreft één kalf,
twee pinken en een tweejarig rund, waarbij resp. de epifysairschijven van
radius, metacarpus en metatarsus waren aangetast. Bij drie dieren werd in
vivo C.
pyogenes aangetoond en in één geval, waarin door de eigenaar geen
behandeling werd verlangd, kon de vervi-ekker post-mortaal uit het proces
worden geïsoleerd. Röntgenologisch was in alle vier gevallen een lokale
destructieve ostitis te zien, soms met sequestervorming (afb. 5).

-ocr page 737-

Afb. 3.

Ontstekingshaard in de epifyse van de femur tegen de glijvlakte van de patella

(S. dublin).

-ocr page 738-

Afb. 4.

Omschreven defect in de gewrichtsvlakte van de tibia (S. dublin).

-ocr page 739-

Afb. 5.

Ontstekingsproces in en om de epifysairschijf, veroorzaakt door C. pyogenes.

-ocr page 740-

Het serologisch onderzoek was in deze gevallen t.o.v. Salmonella negatief
cn t.o.v,
C. pyogenes wisselend; nl, lx positief, lx dubieus, lx negatief en
lx niet verricht.

4. Andere oorzaken

Ver\\olgens treffen we zes patiënten aan met soortgelijke ontstekingspro-
cessen, waarvan er bij vier de oorzaak kon worden vastgesteld nl.
S. necro-
phorus
(lx), E. coli (lx), terwijl bij twee patiënten een menginfectie
werd aangetroffen
(E. coli, C. pyogenes en Streptokokken).
Bij twee dieren is het bacteriologisch en serologisch onderzoek onvolledig
geweest en is een eventuele verwekker onbekend gebleven.
Van drie dieren is het ons bekend dat trauma een belangrijke rol heeft
gespeeld in de ontwikkeling van een destructieve
Ostitis in de epifysairschijf.
Het waren necropurulente ontstekingen, hetzij primair — bij de verwon-
ding — of secundair — vermoedelijk hematogeen — geïnfecteerde pro-
cessen. Helaas is bij geen van deze drie dieren een volledig bacteriologisch
onderzoek ingesteld.

Diagnostiek

Wat betreft de symptomatologie van deze aandoeningen kan worden ge-
zegd dat de kreupelheid in de regel duidelijk waarneembaar en vaak zelfs
zeer ernstig is. De kreupelheid ontstaat soms vrij plotseling, een andere
keer meer geleidelijk, afhankelijk van de oorzaak.

Er is meestal sprake van een meer of minder omvangrijke, pijnlijke zwel-
ling, die, vooral wanneer het proces is gelokaliseerd in een epifysairschijf
zonder nauwkeurige inspectie en palpatie, aanleiding kan geven tot ver-
warring met een gewrichtsontsteking.

Bij een gewrichtsontsteking kunnen we vrijwel altijd een overvulling con-
stateren. Punctie van een gewricht geeft meestal uitsluitsel. Bij kalveren,
die één week tot drie weken, voordat zich de kreupelheid manifesteert,
algemeen ziek zijn geweest met hoge temperatuur en diarree, dient men
er op bedacht te zijn dat een door
Salmonella geïnduceerd proces de
oorzaak kan zijn. Een serologisch onderzoek geeft in deze gevallen veel
houvast. De titer bij een ostitis door een
Salmonella-\'miecXie is in de regel
hoog. Het serologisch onderzoek t.o.v.
C. pyogenes is minder betrouwbaar,
in die zin dat een negatieve complementsbindingsreactie een
C. pyogenes-
infectie niet uitsluit.

Het is duidelijk dat röntgenologisch onderzoek bij dit soort patiënten on-
ontbeerlijk is om de aard, ernst en de lokalisatie van het ontstekingsproces
vast tc stellen. Aan hct röntgenonderzoek kan ook een zekere differentieel-
diagnostische betekenis worden toegekend.

Er is nl, in veel gevallen enig onderscheid waar te nemen in de aard van
de beenaantastingen welke door
S. dublin worden veroorzaakt en die
waarbij een ander microörganisme verantwoordelijk is voor de ostitis. Bij
een
Salmonella-miectie zien we vaak dat de destructie beperkt is: er vormt
zich een vrij goed begrensde holte of in het geval van een gewrichtsont-
steking zien we dikwijls slechts een enkel defect aan een gewrichtsvlakte.
Voorts bestaat er bij een
Salmonella-ostitis weinig neiging tot periostale
reacties, welke bij andere infecties veelal duidelijk optreden,

-ocr page 741-

Prognose en therapie

Wat de prognose betreft: deze behoeft niet direct ongunstig te worden
gesteld.

Met een adequate therapie kunnen redelijke resultaten worden bereikt.
Vooral de ontstekingen in of om de epifysairschijf zijn goed toegankelijk
voor een chirurgische therapie, die bestaat uit het openleggen c.q. open-
beitelen van het proces, gevolgd door verwijdering van het necrotisch ma-
teriaal en eventuele sequesters. Op deze wijze kan tevens materiaal worden
verzameld voor bacteriologisch onderzoek. Een aanvullende therapie kan
bestaan uit lokale en eventueel parentale applicatie van antibiotica.
Een gewrichtsontsteking leent zich niet voor een dergelijke ingreep en de
therapie moet in deze gevallen gezocht worden in lokale en algemene toe-
diening van antibiotica, eventueel in combinatie met corticosteroiden.
Bij de therapie van ontstekingsprocessen in of in de nabijheid van een
epifysairschijf moet ook de mogelijkheid van röntgenbestraling worden
genoemd. Dit is twee maal door ons toegepast en de resultaten waren be-
moedigend: één geval herstelde en één geval verbeterde duidelijk.

Resuhaten

Van de dertien kalveren met een Salmo7iella-mfecüe zijn er vijf niet be-
handeld, om de processen verder te kunnen vervolgen. Eén hiervan her-
stelde spontaan. Van de acht overblijvende zijn er na behandeling \\ijf
heisteld en drie niet.

Van de dertien patiënten inet een ontsteking in de epifysairschijf door een
andere oorzaak dan een
Sabnoiiella-\'miecüe zijn er twaalf behandeld; hier-
van zijn er zeven hersteld, bij één is verbetering verkregen en \\ier zijn niet
genezen.

Discussie

Hoe komt nu een dergelijke ontsteking tot stand en waarom zo vaak in
of dichtbij een epifysairschijf?

Omdat de aandoening veel bij jonge of betrekkelijk jonge dieren \\oorkomt,
kan men veronderstellen dat door de grote activiteit in de epifysairschijf
op jeugdige leeftijd, het milieu voor het aanslaan van een dergelijke in-
fectie aldaar gunstig is. Ook zou men ktmncn denken aan bepaalde defi-
ciënties, met name aan rachitis. Het is niet mogelijk over de eventuele
invloed van deze factoren een uitspraak te doen.

Wat wel een feit is dat trainna blijkbaar een lol kan spelen. Als gevolg
van een of ander traumatisch insult kan men aannemen dat ter plaatse
een locus minores resistentiae ontstaat waar eventueel circulerende kiemen
gemakkelijker dan elders zullen aanslaan.

Wij hebben deze hypothese als uitgangspunt genomen en getracht hiervoor
enig bewijs te vinden in het resultaat van een serie experimenten.
Hiermede beoogden wij o.m. het volgende na te gaan:

1. óf een lokale infectie met S. dublin in een epifysairschijf aldaar een
(typischtO ontsteking te weeg zou brengen;

2. óf zich tijdens een septicemie (S. dubliii) een ontsteking zou gaan
ontwikkelen op een plaats waar trauma was veroorzaakt;

-ocr page 742-

3. of na een intra-articulaire infectie met S. dublin röntgenologisch
typische verschijnselen aan de dag zouden treden in het betreffende
gewricht;

4. welke verschillen er bestaan tussen S. dublin en andere micro-
organismen (o.a.
C. pyogenes) voor zover dit betrekking heeft op
de aard van een veroorzaakte ostitis.

.Aangezien deze experimenten nog niet zijn afgesloten, kunnen nog geen
definitieve resultaten worden vermeld.

Wèl menen we al te kunnen zeggen, dat de veronderstelling, dat circu-
lerende Salmonella\'s zich tijdens een septicemic kunnen nestelen in het bot
op plaatsen met verminderde weerstand, niet van grond ontbloot lijkt.
S. dublin vertoont een zekere neiging zich in beenweefsel te nestelen —
men zou kunnen spreken van affiniteit — en kan daarin vrij lang aanwezig
blijven, ook al is het proces klinisch genezen.

SUMM.A.RY.

The article is concerned with the occurrence of inflammation processes in the bone
of cattle caused by bacterial infections from different nature.

The study includes 13 calves with osdtis caused by S. dublin. Five of these calves
came from the Department of Veterinary Bacteriolo.gy, where they were artificially
infected (most orally) with
S. dublin as a part of a series experiments with Salmonella
infections. Some weeks after infection and the following septicaemia, which was
controlled with chemotherapeutics and antibiotics, lameness occurred in some of
these artificially infected animals.

In 3 of these 5 calves the x-ray picture showed that the lameness was caused by
an ostitis in or near one or more epiphyseal discs, mostly from metacarpus and
metatarsus. In two calves a gonitis was found, in one of which an inflammation-focus
occurred in the epiphysis of the femur.

The 8 other calves were naturally infected with S. dublin. A clinical investigation
showed in 7 of these calves an arthritis with a rather typical bone-affection. The
ostitis caused by
S. dublin can be seen as characteristic as in .general the inflammation
is limited: a circumscribed defect in an articular surface, or a cavity in which some-
times a bonesequestrum, whereas there is very few periostal new bone-formation.
In animals suffering from an ostitis caused by
Salmonella infection a strong increase
of the antibody-titer in the bloodserum can be observed during a long period.
Especially in older animals inflammation processes in or near the epiphyseal disc
can also be caused by other bacteries like
C. pyogenes, S. necrophorus, E. coli and
streptococs. Traumatic injuries can also influence these processes. The x-ray picture
of such cases is often different from an ostitis caused by
S. dublin.

series experiments is started to come to a better understanding of the mechanism
of such inflammation processes in the bone. The results of these investigations will
be published later on.

LITERATUUR.

11 o e d e n, J. V a n d e r: Zoonoses, p. 136, 137. Elsevier Publishing Cy., Amsterdam
1964.

Wintzer, H. J.: Lahmheit und Röntgenuntersuchung beim Rind. Berl. Münch,
tierärztl. Wschr.,
75, 341. (1962).

Discussie

Reinders deelt mede dat het hem bekend is dat bij kalveren een
ontsteking is .gevonden in een of meerdere wervels t.g.v. een
Salmonella-
infectie.

-ocr page 743-

De macroscopische anatomie van „vlees"

The macroscopie anatomy of meat

door P. KREDIET1)

Uit het Veterinair Anatomisch Instituut van de Rijksuni-
versiteit te Utrecht.

Als ik als inleiding tot een „vlees"ochtend U iets ga vertellen over de
macroscopische anatomie daarvan, dan moeten wij eerst nagaan wat
onder vlees wordt verstaan.

Vlees is een samengesteld begrip. Ben ik goed ingelicht, dan geeft het
vleeskeuringsregulatief meer een beschrijving van wat er niet toe behoort
dan wel.

Anatomisch bezien is vlees samengesteld uit:

a. de spiervezelen of contractiele elementen,

b. het steunende en omhullende bindweefsel,

c. de bloed-, lymf- en zenuwbanen,

d. de eindpezen en fascies.

De .spiervezelen zijn weer onder te verdelen in gladde en dwarsgestreepte.
\\\\\'aaruit de dwarsstreping voortkomt zult U ongetwijfeld in een \\an beide
volgende voordrachten horen.

Qua ontwikkeling bestaat er ook een duidelijk verschil. De dwarsgestreepte
s]3ieren ontstaan vrijwel alle uit de oersegmenten, welke in een jong em-
bryo aan weerszijden van het ruggemerg zijn gelegen. Van hieruit zwerven
de myoblasten — de toekomstige spiercellen ~ uit en vormen de skelet-
spieren, d.w.z. zij hechten zich vast aan twee delen van het beenderstelsel,
zij het niet altijd rechtstreeks. Bij deze migratie nemen zij een zenuwvezel
uit het aanliggende ruggemergssegment mee. De samenhang s]3iercel -
zenuwvezel wordt nimmer verbroken.

Naast deze skeletspieren ontstaan ook dwarsgestreepte spieren in het kop-
mesoderm. Zij vormen de aangezichts- en de kauwspieren, teiwijl ook de
dwarsgestreepte spiervezelen van de keel en het voorste deel van cle slok-
dann hiertoe behoren. Deze s]3ieren worden door kopzenuwen geïnnei\\eerd
en vormen de zgn. branchiale musculatuur.

Al deze dwarsgestreepte spieren staan onder invloed \\an het cerebro-s]5inale
zenuwstelsel, zijn dus willekeurig, d.w.z. rechtstreeks bestiuubaar en con-
traheren snel en krachtig.

De s[)iervezelen, welke in de ingewanden en de klieren worden aange-
troffen, zijn alle glad. Deze spiercellen zijn ter ]3laatse ontstaan en hebben
geen verbinding met cerebro-spinale zenuwen. Zij contraheren langzaam
en met flinke tussenpozen. Zij worden bestuuid door het vegetatieve of
autonome zenuwstelsel en zijn dus niet rechtstreeks te beïnvloeden.
Een uitzondering hieroj) vormen de hartspiervezelen. Deze zijn dwarsge-
streept, dus snel en krachtig, maar staan onder invloed van het vegetatieve
zenuwstelsel, dus buiten de wil. Ook microscopisch zijn de hartspiervezelen
anders gebouwd dan de skeletspieren.

1  Dr. P. Krediet; destijds werkzaam aan het Instituut voor Anatomie, Afd. Ana-
tomie-Embryologie, Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit te Utrecht;
Bekkerstraat 141.

-ocr page 744-

Bij het begrip „vlees" gaat het vrijwel uitsluitend om dwarsgestreepte
skelet- (en kop)spieren. Macroscopisch zijn deze spieren opgebouwd uit
fijne bundels van naast elkaar liggende lange spiercellen, de contractiële
bestanddelen. Eén enkele spiercel kan tot 12 cm lang worden. Bij con-
tractie neemt de lengte tot twee-derde af, terwijl de dikte, de dwarsdoor-
snede, daarbij evenredig toeneemt. De bindweefselvezelen, welke de spier-
bundels bijeen houden, zijn dan ook netvormig vervlochten, waardoor
vormveranderingen mogelijk zijn. De dunste bundels worden omgeven
door een fijnmazig netwerk, het endomysium. Vele bundels samen door
een steviger netwerk van bindweefselvezelen, het perimysium, teiwijl hele
spiereenheden door het epimysium worden omsloten.

l3e bindweefselnetwerken en -schotten vormen een wezenlijk bestanddeel
van de spier. De stevigheid van het bindweefsel wisselt sterk per spier en
hangt veel af van de functie daarvan. Zijn de binclweefselnetwerken dui-
delijk, dan vertoont de gehele spier een langsstreping (bv. mm. pectorales).
In het bindweefsel van de spier verlopen de bloedvaten, de lymfbanen en
de zenuwen. Het capillairnet bereikt vrijwel alle spiercellen, wal nood-
zakelijk is voor de sterke stofwisseling tijdens de spierarbeid. Veel lymf-
banen helpen mee met de afvoer van de stofwisselingsprodukten. In de
venen, maar vooral in de lymfbanen, wordt de vochlstroom naar centraal
gericht door de aanwezigheid van kleppen, die terugstromen verhinderen.
Buiten om de gehele spier ligt veelal een stevige bindweefselkapsel, welke
niet elastisch is en daardoor niel meegeeft bij hel dikker worden van de
spier bij contractie. Vooral bij de spieren in de ledematen is dit uitermate
belangrijk. Tijdens de spiercontracties wordl door het opzwellen van de
spier een hogere druk binnen de kapsel gecreërd, die de lymfbanen en de
venen leegdrukt en wel naar centraal toe door de kleppen. Regelmatige
.spiercontracties, afgewisseld door ontspanningen, zullen de bloedstroom
bevorderen, de spier werkt hierbij als een jjomp. l.ang stilstaan zal leiden
tot slagnatie, tot opstuwing, tot stalbenen.

Elke spier gaat aan zijn uiteinden over in een dun vezeltje, bestaande uit
bindweefselfibrillen. De doorsnede van een eindvezellje is gemiddeld 1/60
van dat van de spiercel, waaraan het vast zit. Door middel van dit eind-
vezellje hecht de spiercel zich vast. Daartoe vormen zich, evenals bij de
spier zelf, vezelbundels en groeperen deze zich weer lol grotere bundels.
Hechten de vezeltjes zich direkt aan het bol vast, dan geschiedt dit over
een groot o])pervlak. De spier hecht zich dan „vlezig" aan het bol. Toch
zitten er vele korte vezeltjes tussen (bv. verscheidene schouderspieren).
Vormen de vezels echter een grotere bundel en hecht deze zich pas op
enige afstand vast, dan ontslaat een eindpees. Is de eindpees niel rond,
maar breed en plat, dan spreken we van een aponeurose.

Door deze peesaanhechlingen aan de beenderen worden de spieren lol
het actieve deel van het bewegingsapparaat. De sj)iercellen, welke samen
een spier vormen, hebben ieder op zich zelf een vrijwel constante trek-
kracht. Hoe meer spiervezelen naast elkaar worden opgesteld, hoe groter
de trekkracht van de spier als geheel. Hierbij neemt de afstand, waarover
contractie mogelijk is, niet toe. Worden de spiercellen achter elkaar ge-
schakeld, dan zal niet de kracht, maar wel de bewegingsafsland toenemen.
Hieruit volgt, dat bij een enkelvoudige, spoelvormige spier de dikte een
maat is voor de trekkracht en de lengte een maal voor de verkorlings-

-ocr page 745-

mogelijkheid (bv. m. psoas maior). We kunnen ook zeggen, een lange spier
geeft een snelle, een dikke spier een krachtige beweging.
Bij de huisdieren treffen we vaak vrij samengestelde spieren aan. De op-
bouw zal nu in sterke mate afhangen van de eisen, welke aan de betrokken
spier worden gesteld. De eenvoudigste vorm van een spier is, zoals we
reeds zagen, de spoelvorm (fig. 1).

Wordt de afstand tussen oorsprong en insertie van een spier te lang voor
een vezel en moet de kracht van de spier toenemen, dan treden er in het
epimysium aan oorsprong en insertie aan tegengestelde zijden verstevi-
gingen op. De vezelen gaan nu schuin tussen deze stroken verlopen. De
verkortingsafstand neemt nu niet toe, de functionele doorsnede (= de som
van de doorsneden van de afzonderlijke spiercellen) wel. Een dergelijke
spier heet unipennaat (fig. 2). Een unipennate spier heeft dus een grotere
trekkracht als een even dikke spoelvormige (bv. m. gastrocnemius lat.).
Worden aan een spier nog hogere eisen gesteld wat trekkracht betreft bij
gelijkblijvende verkortingsafstand, dan treden er ook nog peesplaten op
binnen de spier zelf. De spiervezelen komen dan schuin tussen de inwen-
dige en de uitwendige peesplaten te staan. De spierbouw is dan bipennaat
(fig. 3) of nog samengestelder en wordt multipennaat (fig. 4). Bij de
multipennate spieren kunnen de spiervezelen soms achter elkaar gelegen
zijn, zonder de verkortingsafstand te doen toenemen. Zij staan dan func-
tioneel naast elkaar.

Voorbeelden van een bipennate bouw zijn vele extensoren en flexoren
in de ledematen, een multipennate bouw vertonen de kauwspieren (m.
masseter).

Een samengestelde bouw, die wel tot een vergroting van de verkortings-
weg voert vertonen die spieren, waarbij als het ware de unipennate vorm
vele malen wordt herhaald. De spier vertoont dan vele malen achter elkaar
geschakelde vezelen met daartussen peesschotten. Een voorbeeld zijn de
m. rectus abdominis en de m. semispinalis capitis.

In sommige spieren komen bindweefselschotten voor, welke juist in de
vezelrichting meelopen en niet voor spieraanhechting dienen. Deze schot-
ten treden op in spieren welke een uitgesproken fixerende taak hebben.

-ocr page 746-

zoals de spieren, welke het schouderblad aan de romp hechten (m. ser-
ratus ventralis, m. rhomboïdeus).

Uit het bovenstaande blijkt, dat er een directe samenhang bestaat tussen
de bouw van een spier en zijn functie in het bewegingsapparaat. Het
bindweefselgehalte van een spier hangt hier nauw mee samen en is bijna
uit de functie te voorspellen.

Een tweede verschil in bouw van een spier in verband met zijn functie is
de verhouding sarcoplasma en spierfibrillen in de spiercel. Spieren voor
snelle acties bevatten in verhouding minder sarcoplasma en meer contrac-
tiële fibrillen. Zij zullen echter spoedig vermoeid raken door hun relatief
tekort aan sarcoplasma, wat de energie moet leveren. Deze spieren hebben
over het algemeen een bleke kleur, wat vooral wordt veroorzaakt door
het geringe gehalte aan myoglobine in het sarcoplasma. Spieren daaren-
tegen, welke veel en langdurig moeten kunnen contraheren, bevatten
juist veel sarcoplasma en zijn donker van kleur. Vele en goede training
zal in alle spiervezelen meer energierijk sarcoplasma doen ontstaan, ge-
trainde spieren zijn donkerder dan ongetrainde. Het is daardoor, dat spie-
ren van in het wild levende dieren over het algemeen donker gekleurd
zijn.

SUMMARY.

The macroscopic structure of muscle is discussed with special reference to the relation
between function and the connective dssue component.

-ocr page 747-

De microscopische structuur van vlees

The microscopical structure of meat

door H. J. W. KEIDEL1)

Uit het Histologisch Laboratorium van de Faculteit der Dier-
geneeskunde.

Inleiding

Het fenomeen van de contracdliteit, d.w.z. het vermogen tot samen-
trekking of uitvoeren van een beweging is een fundamentele eigenschap
van de levende substantie.

Wij kunnen dit waarnemen bij Protozoën als bv. Amoeben (amoeboide
beweging, intrekken en uitstulpen van pseudopodiën), verder in geringe
mate bij bindweefselcellen, bij bloedelementen enz., dus in het algemeen
bij een
vormveranderlijk gedifferentieerd protoplasma. Karakteristiek zou
men ook nog kunnen noemen de beweging die optreedt in het cytoplasma,
b
.v. bij kerndehngen.

Vervolgens zijn te noemen de permanente structuren zoals b.v. flagellen
en ciliën, de „staart"beweging van spermiën enz.

Bij de spierbewegingen — alleen in het dierenrijk voorkomende — zien
wij een contractie-retractie beweging, die in één as is gepolariseerd.
Reeds bij de Eencelligen, b.v.
Vorticella, Stentor, zijn vezelige protoplas-
madifferentiaties aanwezig, z.g.
myonemen, die het vermogen tot samen-
trekking in een richting bezitten.

Bij de Metazoa treden contractiele fibrillen: myofibrillen op, waarbij de
beweging meer geïntensiveerd wordt. Natuurlijk is de contractie van een
spiercel in het algemeen ten nauwste verbonden met een zenuwcel, vormt
dus een functionele eenheid. Dit is een hoofdstuk op zichzelf, dat hier op
korte termijn niet kan worden besproken.

Zoals bekend worden in het algemeen bij hogere Vertebrata drie soorten
van spierweefsel onderscheiden (glad spierweefsel, dwarsgestreept skelet-
spierweefsel (= vlees) en dwarsgestreept hartspierweefsel), morfologisch
gekenmerkt door de aanwezigheid van myofibrillen, functioneel de eigen-
schap van contractiliteit vertonend, chemisch een relatief hoog gehalte
aan myosine bezittend.

Vrijwel alle spieren en spierweefsels worden bij de Vertebrata uit het meso-
derm gevormd (uitgezonderd bv. de M. sphincter en M. dilatator pupillae
bij het oog, die van ectodermale herkomst zijn).

Ook de myoëpitheelcellen bij de mondspeekselklieren, zweetklieren, traan-
klieren en uier ontstaan uit het ectodermale epitheel.

Glad spierweefsel

Als vormelement van het gladde spierweefsel is de langwerpige spoel-
vormige (soms handvormige) spiercel met lange ellipdsche celkern te be-
schouwen.

De lengte is uiteraard afhankelijk van de diersoort, de con tractie toes tand

1  Drs. H. J. W. Keidel; wetenschappelijk hoofdambtenaar A aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht; Bekkerstraat 141.

-ocr page 748-

en de plaats van voorkomen. Zeer lange spiercellen vindt men bv. bij de
Amfibiën (tot 1 mm). Zeer korte spiercellen zijn vooral in de wand der
grotere bloedvaten bij zoogdieren waar te nemen. In de uteruswand kan
men daarentegen in een bepaald stadium afmetingen tot 800 ^ aantreffen.
Evenzo is ook de dikte variabel, waarbij wij ook moeten letten op de
contractietoestand, de wijze van fixeren enz. AfmeUngen van ± 5-12 /x
worden gegeven en wel gemeten bij de plaats van de grootste omvang.
Het hoeft geen betoog, dat men op het eind van de spoelvormige cellen
geringe waarden vindt en ook de kern niet getroffen is.
Ook vertakte spiercellen komen voor bv. in endocard en wand der grotere
bloedvaten. Zij vormen dan min of meer een netwerk (van mesenchymiale
herkomst). Zij gelijken dan veel op fibrocyten, doch zijn er van te onder-
scheiden doordat de kern bij de spiercel op dwarsdoorsnede rond is.
In het sarcoplasma zijn (met het gewone lichtmicroscoop moeilijk zicht-
baar) de met de lengteas parallel verlopende myofibrillen te onderkenneri.
Zij zijn in het polarisatiemicroscoop over de gehele lengte anisotroop, dit
m tegenstelling met de afwisselend aniso- en isotrope structuren van de
myofibrillen van de skelet- en hartspiermusculatuur. Met behulp van het
elektronenmicroscoop vallen de myofibrillen weer uiteen in myofilamen-
ten (grootte
± 5 jijx) en wij komen daarmede op het gebied van de mole-
culairbiologie: contractiële micellaire eiwitketens.

De fijn gestructureerde staafvormige kern ligt centraal. Bij contracde van
de spiercel kan deze een spiraalvorm aannemen, waardoor de kern er
kurkentrekkervormig gaat uitzien. Mitochondriën (sarcosomen), Golgi-
apparaat, alsmede centrosoma (diplosoom) zijn aanwezig, doch met het
lichtmicroscoop moeilijk zichtbaar.

Verder zijn er ook paraplasmaüsche insluitsels als pigmentkorrels (z.g.
slijtagepigment bij toenemende ouderdom).

Losse, in het bindweefsel verspreid liggende, gladde spiercellen kan men
bv. aantreffen in de kapsels en septa van organen als milt en lymfklier,
in de wand van de urineblaas van de kikker etc. Het is het weefsel van
de darmmusculatuur, de wand van de grote bloedvaten, van de uterus-
wand, waar zij of in concentrische lagen dan wel als een dicht netwerk
liggen.

Zij worden geïnnerveerd door het autonome zenuwstelsel en staan met
onder invloed van de wil (uitzonderingen zijn bv. spiercellen in de wand
van de blaas).

De gladde spiercellen (bv. darmmusculatuur) liggen niet direct tegen el-
kaar aan, doch zijn steeds gescheiden door een los bindweefsel (endo-
mysium, Azankleuringl). Iedere spiercel op zichzelf wordt weer omgeven
door een omhulsel van redculinevezels, waarin ook elastische vezelnetten
zijn verweven. Aan het einde van een bundel gladde spiercellen, bv. bij
de Musculi arrectores pilorum, zien wij soms elastische „pees\'Vezels op-
treden, die waarschijnlijk bestaan uit verdicht plasma (elastine en argyro-
fiele kleuringen).

Dwars gestreept spierweefsel

In het algemeen verstaat men onder vlees: het skeletspierweefsel bij hogere
dieren, dat tezamen met los bindweefsel en zenuwen tot een functionele
eenheid verenigd, de hoofdmassa van de spieren vormt. Wèl dwars-

-ocr page 749-

gestreept, doch niet met het skelet verbonden zijn bv. de spieren van de
long, pharynx, oogspieren, mimische gelaatsspieren e.d. (vi^ij laten bij-
zondere „vleeswaren" als slakkespieren, „escargots", hetwelk glad spier-
weefsel is en al of niet in blik verkrijgbaar hartspierweefsel voor de over-
talrijke honden en katten in Nederland, buiten beschouwing).
Het is welhaast overbodig te zeggen, dat de dwarsgestreepte spiervezel
histologisch op te vatten is als een syncytium met honderden randstandige
kernen en onder controle staat van de wil (een uitzondering is bv. oeso-
phagus).

De lengte van de spiervezel kan soms aanzienlijk zijn (afmetingen van
12 cm zijn bekend). Zo varieert ook de dikte (10-100 /i). Alweer zijn de
afmetingen afhankelijk van de diersoort, voedingstoestand, toenemende
ouderdom enz.

Generaliserend zou men kunnen zeggen, dat dikke en grove vezels veel-
vuldig worden aangetroffen bij spieren met krachtige functie (bv. spieren
van de extremiteiten); reladef fijnere vezels daarentegen treft men bij
bv. oogspieren, mimische musculatuur, waarbij de innervatie meer ge-
differentieerd is. Maar ook in dezelfde spier vindt men naast dikke ook
dunne vezels en zijn er spieren met dikke en dunne vezels bekend.

De spiervezel is omgeven door het sarcolemma (een zeer dunne en door-
zichtige, maar ook zeer resistente, elastische membraan met specifieke
permeabiliteit).

I)e buitenlaag van het sarcolemma wordt gevormd door een omhulsel van
reticulinevezels (Ag-impregnatie!), geleidelijk overgaand in het endo-
mysium (= vertakt bindweefsel), dat de ruimte tussen de spiervezels
onderling opvult en waarin weer vele bloedcapillairen en zenuwvezels wor-
den aangetroffen.

De ruimte binnen het sarcolemma bestaat uit sarcoplasma, waarin als ge-
differentieerd gedeelte de
myofibrillen zijn gelegen, terwijl aan de periferie
ervan een groot aantal min of meer platte, lensvormige kernen (niet te
verwarren met bindweefselkernen) zichtbaar is.

De dwarsstreping van de spiervezels werd reeds door Antonie van Leeu-
wenhoek in 1682 ontdekt.

De myofibrillen verlopen in de lengteas van de spiervezel en manifesteren
zich in het lichtmicroscoop als lange draden (zeer duidelijk, in tegenstel-
ling met de myofibrillen bij gladde spiercellen).

De voor de skelet- en hartspier karakteristieke dwarsstreping berust uit-
eindelijk op de structuur van de myofibrillen, die met het polarisatie-
microscoop alternerend donkere en lichte banden in de dimensie\'s van
1-2 /X te zien geven.

De donkere band, de A-band (vroeger veelal Q lijn geheten) is dubbel
lichtbrekend (anisotroop) gezien met het polarisatiemicroscoop. De lich-
tere band, de I-band is isotroop, hetgeen in laatste instantie berust op de
al of niet kristallijne rangschikking der micellen.

Midden in de band onderscheiden wij de Z-band of Z-lijn (de vroegere
membraan van Krause) die weer anisotroop is en op regelmatige afstan-
den a.h.w. dwarsschotten vormt en zodoende de fibril in zg. spierkastjes
af sarcomeren verdeelt. Volgens nieuwere opvattingen is deze Z-band tot
de fibril beperkt en hecht ze zich oppervlakkig aan het sarcolemma.
Midden in de A-band, die dus nu in 2 helften van J/j A wordt verdeeld,

-ocr page 750-

zien wij een lichte zone lopen, de zg. lijn van Hensen (H-lijn), waarin
weer centraal de M-lijn is gelegen (m = mesophragma).
Maar ook in het isotrope I-gebied zien wij nog een lijn, de N-lijn te voor-
schijn komen, welk beeld wij vooral bij spieren van insecten duidelijk
kunnen waarnemen. Bij een andere diersoort, de kreeft, zag R o 11 e 11 de
N-lijnen duidelijk bij de coxapodiet in de thoraxregio, doch weer niet in
de „staart"spieren van hetzelfde dier.

Dezelfde structuren zijn ook bij de dwarsgestreepte spieren van mens en
zoogdieren aanwezig, evenwel dikwijls moeilijk waar te nemen.
Wij krijgen dus bij de bouw van het sarcomeer de volgende rangschikking
van banden of strepen te zien: Z(N I) (A H M H A) (I N)Z. Wij zien dus
aan weerszijden van de Z-band (telophragma) twee N-lijnen optreden in
het isotropisch gebied (van verdere indeling wordt afgezien).
Bij de gecontraheerde spier krijgen wij a.h.w. een inversie van het dwars-
strepingsbeeld. Bij de niet contractiele A-banden neemt de dubbelbreking
in sterke mate af, zij worden licht van kleur terwijl de inmiddels versmol-
ten Z- en I-banden tot een sterke lichtbrekende donkere contractieband
C samensmelten. Wij krijgen dan een enkelvoudige dwarsstreping te zien,
zg. diafragmavezels.

De beoordeling van het beeld moet uiterst kritisch geschieden. Een te
hoge of te lage instelling van het objectief geeft een vertekend beeld. Bij
een slechte fixatie van het object blijft alleen de Z-streep over (deze heeft
de meeste weerstand).

Het elektronenmicroscoop heeft doen zien dat de myofibrillen weer op-
gebouwd zijn uit myofilamenten (of elementairfibrillen). Ook deze zijn
niet identiek doch kunnen gedifferentieerd worden in primaire (dikke)
myosine bevattende en in secundaire (dunne) actine-houdende (zowel
globulair als filair) filamenten, die alle parallel aan de lengteas van de
myofibril verlopen. Nader onderzock heeft doen blijken dat de filamenten
een buis of kokerstructuur vertonen en wel zodanig dat de actine-as om-
geven wordt door een myosineschede. Bij zorgvuldige waarneming is te
zien dat de filamenten in een regelmatige zeshoek zijn georiënteerd.
Wat betreft interfilamentaire bruggen, het moleculair gewicht der con-
tractie-eiwitten, enz. wordt verwezen naar de elektronenmicroscopie, de
biochemie en de fysiologie.

Het is wel gebleken, dat een interpretatie van het contractieverschijnsel
niet in het lichtmicroscopische, doch op macromoleculair gebied ligt.

Hartspierweefsel

In morfologisch opzicht staat dit type weefsel min of meer tussen het
gladde- en het skeletspierweefsel in.

Met het gladde spierweefsel heeft het de centrale ligging van de kern ge-
meen. Bijzonder kenmerkend zijn de vertakte, onder een scherpe hoek met
elkaar anastomoserende vezels. Ook bij gladde spiervezels kan een net-
vormig aspect worden waargenomen (endocard, intima van aorta, enz.),
waarbij zij onderling echter geen verbinding aangaan.
Met het skeletspierweefsel heeft het de dwarsstreping gemeen, evenwel
met dien verstande, dat de dwarsstrepen veel dichter bij elkaar liggen en
ook minder scherp gecontoureerd zijn. In het algemeen zijn ook de hart-

-ocr page 751-

spiervezels dunner dan de skeletspiervezels, doch weer dikker dan de
gladde spiercellen.

Specifiek voor het hartspierweefsel zijn echter het voorkomen van de disci
intercalates, de zg. glansstrepen van Von Ebner, duidelijk te zien zowel
in het niet gefixeerde als in het wel gefixeerde en gekleurde preparaat.
Over de betekenis hiervan is nogal verschil van mening geweest. Reeds
vroeg embryonaal aanwezig (hoewel dan nog niet met het lichtmicro-
scoop waarneembaar) schijnen zij later in aantal toe te nemen, waarbij
/ij steeds op de plaats van de Z-strepen liggen (de frequentie hiervan is
echter steeds minder dan bij skeletspiervezel).

Men was eerst de mening toegedaan, dat men hier (lichtmicroscopisch)
te maken had met celgrenzen en kitlijnen. Later hield men ze echter
voor verbrede of verdikte Z-strepen, waar de in de lengteas van de spier-
vezel verlopende myofibrillen doorhéén zouden gaan. Het nieuwste elek-
tronenoptische onderzoek heeft echter duidelijk aangetoond, dat de grens-
vlakken van twee opeenvolgende cellen ter plaatse van de glansstreep
zig-zagsgewijze in elkaar grijpen en door een intercellulaire kitstof zijn
verenigd. De myofibrillen eindigen echter in deze celmembranen (proto-
membranen) en zijn er door middel van een intracellulaire kitstof mee
verbonden.

Het hartspierweefsel is dus geen syncytium, doch een reticulum. De disci
intercalates zetten zich voort tot aan het de spiervezel omhullende sarco-
lemma. De glansstrepen zou men kunnen beschouwen als een bijzonder
gestructureerde, trapsgewijze lopend stelsel van celmembranen met sterke
oppervlaktevergroting, wellicht op te vatten als een functionele aanpassing
aan de sterke druk- en spanningsverhoudingen in de hartspier aanwezig.

Slot

In verband met de korte beschikbare tijd was het welhaast onmogelijk de
vele facetten van het onderwerp microscopische structuur van vlees te be-
spreken. Hiervoor worde verwezen naar de literatuur.

SUMMARY.

In a very short lecture (20 minutes) an account was given of the essentials of the
microscopical structure of smooth muscle fibers, striated (skeletal) muscle fibers and
cardiac fibers, illustrated with color diaprojection.

LITERATUUR.

Bargmann, W.: Histologie und mikroskopische Anatomie des Menschen (1964).
F rand son, R. D.: Anatomy and Physiology of Farm Animals (1965).
Häggquist, G.: Gewebe und System der Muskulatur. In Handbuch d. mikros-
kopischen Anatomie des Menschen. Bd. II, Deel II (1931).
K r ö 11 i n g und Grau, H.: Lehrbuch der Histologie und vergleichenden mikros-
kopischen Anatomie der Haustiere (1960).
The Living Cell: Readings from Scientific American. With Introductions by Donald
Kennedy (1965).

Scheunert-Trautmann: Lehrbuch der Veterinär Physiologie (1965).

-ocr page 752-

Ulfrastructuur von vlees

Ultrastructure of meat

door C. J. A. H. V. VAN VORSTENBOSCH*)

In verband rnet het hierbij te reproduceren fotomateriaal zal dit artikel in
één der volgende afleveringen van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde
worden gepubliceerd.

-ocr page 753-

Pathologische veranderingen in vlees

Pathological changes in meat.

door J. H. J. VAN GILS1)

Uit het Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong
van de Rijksuniversiteit te Utrecht.

De veelheid van pathologische veranderingen die in vlees, meer in het
bijzonder in spierweefsel, kunnen voorkomen en de korte tijd die is toe-
gemeten maken het noodzakelijk een beknopt algemeen overzicht van deze
veranderingen te geven, waarna aan één van deze meer aandacht ge-
schonken zal worden in verband met hiernaar door ons verricht onderzoek.
In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het skeletspierstelsel, in ver-
gelijking met de huid en de inwendige organen zeer veilig voor invloeden
van buiten is gesitueerd.

De opperhuid is verhoornd, sterk en laat onder normale omstandigheden
vrijwel geen microörganismen passeren. Tezamen met de eveneens stevige
onderhuidse weefsels en de uitwendige spierfascies is de huid ook in staat
vele traumatische invloeden zonder schade voor het zachtere hieronder ge-
legen spierweefsel op te vangen.

Van het inwendige uit is er de beschermende zone van de slijmvliezen van
digestie- en respiratieorganen, welke bij gezonde dieren zeer wel zijn inge-
steld op afweer van met name pathogene microbiële invasiepogingen.
.\\chter deze slijmvliezen bevindt zich bovendien overal het lymfklierstelsel
dat, evenals het portale orgaansysteem, een tweede beschermende bar-
rière voor de spieren vormt.

Zowel de huid als de slijmvliezen bieden voorts bescherming tegen in-
vloeden van toxische gassen en vloeibare of vaste stoffen; met name het
maagdarmkanaal is hiertoe nog uitgerust met grote, binnen fysiologische
grenzen liggende mogelijkheden tot vermelde eliminering van gifstoffen.

Het is bekend dat spierweefsel ook nog over een goed afweermechanisme
beschikt ten aanzien van microörganismen die, na passage van de barrières,
lot in de spieren weten door te dringen.

Uit zeer ruime ervaring, verkregen bij het zogeheten „bacteriologisch vlees-
onderzoek", weten we dat bij kweekproeven uit spierweefsel zeer frequent
kiemen worden gekweekt, zonder dat dit hierin geleid heeft tot patho-
logische veranderingen. Genuïne bacteriële ontstekingen van de spieren, met
enkele uitzonderingen zoals b.v. houtvuur bij jonge runderen en streptokok-
keninfecties bij varkens, komen daar zeer zelden uit voort. Wel treffen we
spierontstekingen aan waarbij microörganismen een rol spelen, maar deze
moeten we, behalve in gevallen van lymfogene verspreiding bij flegmonen,
zien als gevolgen van embolieën, waarbij uit een primair proces, corpus-
culaire delen tegelijk met kiemen via de bloedcirculatie overal in hel
lichaam, dus ook in de spieren, terecht komen. Afhankelijk van de grootte
der deeltjes lopen deze ergens vast. De beschermende componenten in deze
deeltjes maken dat de microörganismen in ieder geval voorshands buiten

1  Prof. Dr. J-. H. J. van Gils; Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong,
Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit té Utrecht; Biltstraat 166.

-ocr page 754-

bereik blijven van de natuurlijke afweerstoffen uit het bloed en ter plaatse
aanleiding kunnen geven tot ontstekingshaardjes. Dit hier geschetste pa-
thologisch beeld kennen we als pyemie, dat bepaald niet zelden voor-
komt, ofschoon we de indruk hebben van minder dan voorheen. Het ver-
dwijnen van enkele primaire ziekten die hiertoe aanleiding kunnen geven,
zoals mond- en klauwzeer, alsook betere diagnostische en medicamenteuse
mogelijkheden, zijn hiervan als oorzaken aan te wijzen.

Naast de zojuist genoemde groep van spieraandoeningen, waarbij micro-
organismen op meer of minder direkte wijze een rol spelen, is er een vrij
grote groep die door parasieten wordt veroorzaakt. Bij de parasieten zijn
er, die in het larvestadium in het bloed terecht komen en via de bloedbaan
de spieren bereiken. We mogen aannemen dat ze door hun grootte vast-
lopen in de zich steeds kleiner vertakkende bloedvaatjes en deze daarna
actief verlaten.

Sommige soorten werken zich in een spiervezel, zoals de larve van de
Trichinella spiralis; andere komen tussen de spiervezelen te liggen zoals
de blaasvormen der
Taeniae. In beide gevallen groeien de larven uit tot
een voor de volgende gastheer infectieus tussenstadium, waarna ze een ge-
dwongen rustperiode doorbrengen. Daarbij veroorzaken ze slechts geringe
lokale reacties, tenzij invasies van zeer grote aantallen larven algemene
ontstekingsreacties teweeg brengen. Sterft de larve, dan is de lokale reactie
eveneens sterker, om pas weer te verminderen als de resten van de parasiet
zijn geëlimineerd.

Bij de Sarcoscytis soorten is de levenscyclus niet geheel bekend. Maar al
te goed kennen we echter het beeld dat deze infecties in de spieren ver-
oorzaken, indien de rijpe cysten in groten getale openbarsten en een my-
ositis eosinophylica veroorzaken. Vóór het moment van openbarsten echter
is er van reactie geen sprake.

Een natuurlijke resistentie tegen de bovengenoemde parasieten en proto-
zoën schijnt er niet te zijn. Wel is bekend dat cysticercosis bij runderen op
oudere leeftijd minder frequent voorkomt; geringe jeugdinfectics hebben
dan een zodanige immuniteit opgewekt, dat het niet meer tot volledige
uitgroei en encystering van de cysticerci komt.

Van een aantal virusziekten — om de infectieziektengroep af te ronden - -
weten we dat in de spieren virus kan voorkomen en dat ze daar o.a. vaat-
laesies kunnen veroorzaken welke tot spierpetechieën en zelfs uitgebreide
sugillaties kan leiden, zoals bij varkenspest. Door het mond- en klauwzeer-
virus kan een ernstige spierdegeneratie, met name van de hartspier, op-
treden. Het z.g. tijgerhart bij zeer jonge runderen is hier een bekend voor-
beeld van.

Tumoren hebben uiterst zelden hun oorsprong in de skeletspieren. Met uit-
zondering van de groep der leukosen, komen ook betrekkelijk weinig tumor-
metcistasen in de spieren voor. Wel zien we frequent verspreiding langs lym-
fogene weg, zoals bij neurofibromatosis en melanosarcomatosis, waarbij me-
tastasen tot in de spieren kunnen voorkomen. Er is dan zelden van infil-
tratieve groei sprake.

Dienovereenkomstig is het gesteld met de groep van aandoeningen die
onder de noemer van
„Pseudotumoren" zijn samen te brengen. Hierbij
rekenen we gemakshalve de actino- en botryomycotische processen en het

-ocr page 755-

Roeckles granuloom, die, misschien met uitzondering van laatstgenoemde,
in feite specifieke ontstekingen zijn en langs secundaire wegen in de spieren
terecht komen en daar ontstekingsprocessen veroorzaken.

Een grote groep van spierveranderingen wordt gevormd door degeneraties.
Als voornaamste oorzaken van degeneratie van de skeletspieren en het hart
zijn aan te wijzen de circulatie van toxische stoffen en het ontbreken van
vitale elementen in de voeding, alsook partiële ondervoeding.

Het eerstgenoemde kan voorkomen door toxinemie bij infectieziekten met
een specifiek karakter, maar evenzeer bij allerlei willekeurige lokale of
algemene ontstekingsprocessen, indien deze althans van voldoende omvang
zijn en voldoende sterke toxinecirculatie veroorzaken. Ook kan opname van
giftige stoffen degeneratie van het spierweefsel bewerkstelligen.
Afhankelijk van de hoeveelheid en de giftigheid van de toxines en van het
moment vanaf het insult van de spieren kunnen we de beelden in de ver-
schillende stadia waarnemen en door histologisch onderzoek in zijn variaties
onderscheiden en vervolgen. Macroscopisch zien we kleur, aspect, tekening
en consistentie veranderen; het vlees kan er meer of minder als gekookt
uitzien.

Ook het microscopisch beeld is kenmerkend. De spiervezelen zijn in het
begin veelal gezwollen; de fibrillen zwellen eveneens, verliezen hun dwars-
streping en smelten soms tot een geheel samen, dat later in schollen uit-
eenvalt. Naast histiocytaire activiteit zien we al spoedig ook een leuco-
cytaire infiltratie. Overleeft de patiënt het proces, dan zien we verschillen-
de herstelfasen, afhankelijk van het gegeven of het sarcolemma met de
spiercelkernen het intoxicatieproces overleefd hebben.

Naast deze zien we ook vormen waarin veel vacuolen, soms ook neergeslagen
in de vorm van geconcentreerde plasmakorrels, in de spiervezelen optreden;
ook laten de fibrillen wel los van elkaar; nog weer in andere gevallen over-
heerst het karakter van hyaline degeneratie, waarbij de sneevlakten een
droog karakter bezitten. Deze verschillen zijn eensdeels te wijten aan de
verschillen in de aard der toxinen die ingewerkt hebben, andersdeels aan de
verdere ontwikkeling van de reactie van het weefsel op de ingewerkte
toxische prikkels.

In zowel het macro- als microscopisch beeld zijn vele variaties mogelijk.
Soms vinden we enkele niet of nauwelijks gedegenereerde spiervezelen
tussen sterk aangetaste liggen; in andere gevallen is het juist andersom. Het
macroscopisch beeld laat dan een gestreept aspect waarnemen.

In lichte gevallen van spierdegeneratie kan volledige regeneratie optreden,
al gaat dit proces vrij langzaam. In ernstiger gevallen zien wc naderhand
een meer of minder sterke bindweefselvorming op de gedegenereerde plaat-
sen, waarbij soms atrofie, soms ook vetafzetting de overhand heeft. Dit
laatste kan grote delen van de spieren omvatten, hetgeen vrij regelmatig
bij slachtdieren wordt weggenomen. Dit is wel te onderscheiden van de
vettige degeneratie, waarbij de spieren het bekende gemarmerde beeld
vertonen. Deze vorm van degeneratie is een secundaire reactie die, door
welke oorzaak dan ook ontstaan, het gevolg is van een vergrote bindweef-
selactiviteit. Toxische, genetische en misschien ook traumatische prikkels
schijnen hierbij een rol te spelen, evenals de aard van het voedsel invloed
schijnt te hebben.

-ocr page 756-

/Ms tweede oorzaak van spierdegeneratie werd reeds genoemd de rantsoen-
samenstelling, met name indien bepaalde tekorten aan voor het organisme
vitale componenten in het toegediende voedsel ontbreken.
In hoever het ziektebeeld, dat vroeger frequent bij met volle melk gemeste
vette kalveren als „lal" werd aangetroffen, hier ook op berustte, is niet be-
kend. Met de introductie van melkvervangende preparaten is deze vrijwel
steeds dodelijk verlopende aandoening plotseling verdwenen.
Er is echter een ander ziektebeeld voor in de plaats gekomen, waarover
thans, vooruitlopend op de publikaties van een onderzoek naar de oor-
zaken, het ziekteverloop en -beeld, alsook de behandelingsmogelijkheden
— dit in verband met het regeneratieverloop in de aangetaste spieren —
enige mededelingen zullen worden gedaan.

Vanaf het begin dat de mestkalveren met het vaak als kunstmelk aange-
duide, magere ondermelkpoeder, verrijkt met vetten, mineralen en — in
de aanvang te weinig — vitaminen, werden opgekweekt, nemen we veel-
vuldig degeneratie van de skeletspieren van het kalf waar.
Macroscopisch is het beeld vooral gekenmerkt door de te bleke kleur van
de spieren, hetgeen in de Engels sprekende landen tot de naam „white
muscle disease" aanleiding heeft gegeven. De ernst en de mate van uitbrei-
ding varieert sterk; merkwaardig is dat de meest oppervlakkig gelegen
spierlagen heel vaak niet of nauwelijks zijn aangetast, zodat de afwijking
in deze gevallen soms pas bij het uitsnijden wordt ontdekt. In lichte ge-
vallen is het daarbij nog zo, dat hiertegen geen bezwaar bij de verkoper,
noch bij de consument behoeft te bestaan; immers de wat lichtere kleur is
voor de consument een aanbeveling voor de kwaliteit en het iets gewolkt
aspect neemt men daarbij op de koop toe.

Bij het microscopisch beeld van gedegenereerde spieren werden alle stadia
van degeneratie aangetroffen, terwijl enkele beelden erop duidden, dat er
van een regeneratie proces sprake zou kunnen zijn. Het hyahne-achtige
karakter was in vele gedegenereerde spiergedeelten sterk op de voorgrond
tredend, zodat ook de naam „hyaline degeneratie", die wel aan dit beeld
gehecht wordt, verklaarbaar is. Nog weer andere Engels-sprekenden ge-
bruiken ook voor dit ziektebeeld de naam „muscular dystrophy".
De aandoening kan worden waargenomen bij mestkalveren, die in zieke
toestand of in nood gedood of gestorven worden aangevoerd, maar even-
zeer bij voor normale slachting aangevoerde afgemeste vette kalveren,
waaraan bij het onderzoek vóór de slachting geen afwijkingen werden ge-
constateerd door de keuringsambtenaar.

In andere landen is een vrijwel idendek ziektebeeld bij jonge herkauwers,
soms al in de eerste levensweken, waargenomen. Onderzoek naar de oor-
zaak bracht aan het licht dat selenium en/of «-tocopherol (vit. E-tekorten
in het rantsoen een rol spelen.

In dit ziektebeeld intrigeerde ons een aantal zaken die tot onderzoek
leidden.

Afgezien van sterfte en het doden in nood door ernstige ziekteverschijnselen
van door spierdegeneratie aangetaste kalveren, werden althans — voor
zover bekend — in ons land geen klinische afwijkingen waargenomen of
beschreven, terwijl toch een aantal vette kalveren na de slachting het beeld
van een vrij ernstige spierdegeneratie bleek te vertonen. Vooral bij de
ernstige gevallen hadden deze toch verwacht mogen worden.

-ocr page 757-

Een tweede doelstelling van het onderzoek was na te gaan, of de aandui-
dingen op regeneratie ook te vinden zouden zijn bij kalveren, waarbij het
ziektebeeld door een deficiënt rantsoen opgewekt wordt en of, na opheffing
\\\'an de deficiënte factor, herstel en zelfs volledige regeneratie zou zijn op
te wekken. Dit alles vooropgesteld dat een poging om het ziektebeeld kunst-
matig op te wekken zou slagen. Zou het namelijk gelukken spierdegeneratie
op te wekken en khnisch vast te stellen, dan zou het de- en regeneratie-
proces door middel van spierbiopsieonderzoek te vervolgen zijn.
Na de literatuur bestudeerd te hebben en na het inwinnen van de nodige
adviezen en een mislukking in het begin, zijn wij erin geslaagd een vol-
doende a-tocopherol-deficiënt rantsoen samen te stellen, gefabriceerd te
krijgen en het ziektebeeld spierdegeneratie bij mestkalveren op te wekken
en te vervolgen totdat volkomen genezing werd verkregen, nadat de defici-
entie was opgeheven.

Als belangrijkste resultaten van dit, in hoofdzaak door Dr. I. Zaïd ver-
richt, onderzoek kunnen vermeld worden, dat bij nauwkeurige klinische
waarnemingen van de mestkalveren algemene verschijnselen van spier-
zwakte zijn op te merken, voorts dat a-tocopherol-suppletie zowel de kli-
nische als pathologische anatomische verschijnselen doet verdwijnen, waar-
bij ten aanzien van de spieren gesproken kan worden van een vrijwel
volledige regeneratie.

Aan de hand van een aantal dia\'s werden de resultaten van het onderzoek
toegelicht.

SUMMARY.

After having pointed out how well protected the muscular tissue is situated against
outside effects during the life of slaughter animals and having pointed too how
relatively little the change is on inflammation-reactions by microbial invasions, the
influences which may accomplish pathological changes in meat are discussed in
groups.

Special attention is paid to muscular degeneration which appears by deficiency of
vitamin-E in calves which are fed with milksubstituting products, such in view of the
dia\'s on which a number of clinical and pathological changes are to be seen.

Discussie

Vraag: Drs. S. v. d. Burg, Harderwijk:

Treedt er bij kalveren een degeneratie op, welke vergelijkbaar is met
vleesdegeneratie van varkens?

Antivoord: Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Utrecht:

Neen; bij kalveren is spierdegeneratie een tijdens het leven opgetreden
proces, dat pathologisch-anatomische veranderingen met zich voert; bij
„vlees"degeneratie nemen we geen als genoemde veranderingen waar;
dit proces ontstaat pas na de dood, d.i. als de spier in vlees verandert.
Vandaar ook de naam „vleesdegeneratie".

Vraag: Prof. Dr. W. A. de Voogd van der Straaten, Utrecht:

Strekken de op vitamine-E-tekort berustende spierdegeneratics zich ook
uit tot de hartspier?

-ocr page 758-

Antwoord: Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Utrecht:

Hartspierdegeneratie werd alleen waargenomen bij spontane gevallen;
de degeneratieve veranderingen zijn echter minder sterk en komen met
name voor in dc linker ventrikelwand.

Vraag: Drs. A. Stevens, Goor:

Indien vlees bij bacteriologisch onderzoek positief bevonden wordt,
komt dat doordat de bacteriën in de spiervezelen zitten of in de bloed-
vaten? M.a.w. zou een bloedkweek negatief kunnen uitvallen, indien
het vlees positieve resultaten geeft?

Antwoord: Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Utrecht:

Dit is nooit door onderzoek bevestigd, maar het is aan te nemen dat
microörganismen wel de capillairen zonder al te veel moeite kunnen
verlaten, dit houdt echter niet in dat zij dan de spiervezelwand zo
gemakkelijk indringen. Circulatie van microörganismen komt regelmatig
voor, hetgeen uit de resultaten van het bacteriologisch onderzoek blijkt.
De resultaten van een bloedkweek zullen erg afhangen van het bac-
teriëmie veroorzakende proces.

Vraag: Drs. R. D. R e i n d e r s, Dokkum:

Is er verschil in het voorkomen van spierdegeneratie tussen rood- en
zwartbonte kalveren?

Is er van seizoensfrequentieverschil sprake?

Kan het van de marktsituatie — krappe of ruime markt — afhangen?

Antwoord: Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Utrecht:

Van duidelijke verschillen in het optreden van spierdegeneratie bij rood-
en zwartbonte kalveren is spreker niets bekend. Voor de proeven werden
zwartbonte kalveren gebruikt, welke hier het best zijn te verkrijgen en
deze kregen bij vitamine E-deficiëntie prompt spierdegeneratie.
Over seizoensinvloeden zijn evenmin gegevens bekend.
De marktsituatie kan nauwelijks invloed uitoefenen.

-ocr page 759-

Pestmortmie veranderingen in vlees en gevolgen

daarvan

Postmortal changes in meat and their consequences
door J. G. VAN LOGTESTIJN1)

Uit het Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong

van de Rijksuniversiteit te Utrecht.

1. Inleiding

In het levende slachtdier heeft het spierweefsel door haar vermogen een
zekere tonus te onderhouden en te contraheren als voornaamste taak be-
paalde lichaamshoudingen mogelijk te maken en het lichaam of onder-
delen daarvan te verplaatsen. De verschillen in eisen aan de spieren
gesteld, zijn terug te vinden in de anatomische verhoudingen van de spier-
vezelen, het bindweefselskelet en het aan- en afvoersysteem.
Niet alleen hierdoor zijn ze in staat tot een specifieke taakvervulling, maar
evenzeer door een adequaat ingericht stofwisselingssysteem. Sommige
spieren moeten op ieder willekeurig moment in zeer korte tijd een grote
hoeveelheid arbeid kunnen verrichten zonder dat het aan- en afvoer-
systeem zich daarbij direct kan aanpassen; andere spieren daarentegen
behoeven reladef veel minder arbeid te presteren, vaak ook nog geduren-
de een langere periode. Denken we maar aan de verschillen in prestaties
tussen de spieren van bijvoorbeeld een werkpaard en een vetkalf of —
binnen één dier — de spieren van poten en borst bij een kip.
Een spier die regelmatig zware prestaties moet leveren heeft een veel beter
ontwikkeld aan- en afvoersysteem en een beter ontwikkeld mechanisme
om met behulp van een grotere zuurstofcapaciteit energie te produceren.
Wanneer we nu zullen nagaan op welke wijze spieren van een normaal
slachtdier door postmortale veranderingen meer of minder geschikt wor-
den voor consumptie of technologische verwerking, dan gaan we bewust
voorbij aan het feit dat de anatomische verschillen tussen de spieren en
voorts genetische factoren, geslacht, leeftijd, voedering, opfok en huis-
vestingsmethoden van de slachtdieren evenzeer de vleeskwaliteit kunnen
beïnvloeden.

Centraal willen we stellen dat er een duidelijk verband bestaat tussen de
functie en de daaraan inherente eigenschappen van de levende spier en
de mate waarin deze in functie vóór de dood heeft moeten uitoefenen en
de toestand waarin de „gastheer" verkeerde tegenover het verloop van
allerlei postmortale veranderingen en de gevolgen hiervan voor het geheel
van consumptieve en technologische eigenschappen van het vlees.
Het lijkt wel alsof de spieren na het doden van een slachtdier nog hun
leven willen rekken en klaar willen staan voor hun taakuitoefening, want
alle biochemische processen zijn er aanvankelijk nog op gericht de contrac-
dliteit te handhaven. Tenslotte ontstaat een laatste contractie, leidend tot
de z.g. rigor mortis, waarbij de „dood" van de spier definitief intreedt,
hetgeen blijkt doordat de prikkelbaarheid verdwijnt. Feitelijk is ook dat

1  Dr. J. G. van Logtestijn; Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong,
Faculteit der Diergeneeskunde, Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat 166.

-ocr page 760-

niet helemaal waar, want tientallen enzymen werken door, ondanks dc
minder gunstige omstandigheden.

Maar de meest spectaculaire en voor de consument en de technoloog be-
langrijkste processen spelen zich toch af in die eerste periode, die word\',
afgesloten met een complete rigor mortis.

2. Chemische en fysische veranderingen in de eerste 24 uur

2.1. Afbraak van energierijke fosfaten en glycogeen

Alhoewel gebleken is, voornamelijk door isotopentechnieken, dat de spiei -
celfermenten ook in staat zijn tot opbouw en afbraak van eiwitten en
vetzuren, zijn toch de energierijke fosfaten als creatine- en adenosinetri-
fosfaat en het glycogeen de belangrijkste primaire energieleveranciers, ook
na de dood van een slachtdier.

In eerste instantie worden de energierijke fosfaten afgebroken en pas daar-
na het glycogeen. De fosfaten kunnen volledig worden afgebroken, waar-
bij creatine, NH3 en inosine-fosfaat en verschillende andere nucleotiden
kunnen worden gevormd. Het glycogeen wordt voornamelijk in melkzuui
omgezet.

Doordat melkzuur wordt gevormd, en in mindere mate misschien ook
citroenzuur en barnsteenzuur, gaat de pH-waarde van het vlees dalen,
waarbij in normale gevallen waarden tussen 5.4 en 6.0 worden bereikt.
De gevolgen daarvan zijn voor het totstandkomen van allerlei eigenschaj:-
pen van het vlees zeer belangrijk. Enerzijds is er een directe beïnvloeding
van bepaalde eigenschappen, anderzijds een indirecte, doordat het milieu
voor verdergaande chemische, enzymatische en microbiologische processen
wordt bepaald, al dan niet in gunstige of gewenste richting.

2.2. Ontstaan van de rigor mortis

Eén van de meest opvallende veranderingen in het vlees na de dood is Nvel
de z.g. lijkstijfheid of rigor mortis. Het tijdstip waarop de rigor intreedt
loopt nogal uiteen, van slechts enkele minuten tot vijf tot zes uren na de
dood. Ook de intensiteit ervan is zeer verschillend en wordt bepaald door
de toestand waarin het dier, of binnen het dier iedere spier afzonderlijk,
verkeert op het moment van slachten. De rigor treedt n.1. in op het mo-
ment dat de energierijke fosfaten voor het grootste deel zijn verdwenen,
des te sneller dus naarmate die fosfaten reeds vóór de dood door veel spier-
arbeid waren opgebruikt of na de dood door een hoge vleestemperatuur
en eventuele abnormale ionenverhoudingen sneller worden afgebroken
Tegelijkertijd wordt een z.g. verslappingsfactor (Marsh-Bendall factor),
die ook in de levende, rustende spier de contracties verhindert, door ge-
leidelijk optredende verschuivingen in het Ca-Mg evenwicht geïnactiveerd.
De rigor is het resultaat van een verbinding tussen de fibrillaire eiwitten
actine en myosine tot actomyosine, zoals die bij iedere normale contractie
in het levende dier ook tot stand komt. Doordat de in het verloop van de
fibrillen gestrekte ligging actine-filamenten a.h.w. in een langgerekte myo-
sinehuls schuiven treedt de contractie op.

Lang niet alle spiervezelen doen mee aan deze rigorontwikkeling en boven-
dien niet in dezelfde mate. Ook de omstandigheden waaronder de con-
tractie optreedt kunnen zeer verschillen. Zo spreekt men van een alka-

-ocr page 761-

lische rigor, die zeer snel na de dood optreedt bij een nog hoge pH (vaak
bij vermoeide, uitgeputte dieren, maar ook bij ogenschijnlijk
niet ver-
moeide varkens), van een normale rigor en van een zure rigor, die even-
eens snel na de dood optreedt bij een reeds sterk gedaalde pH-waarde
(heel vaak bij geëxciteerde, verhitte varkens die vleesdegenerade zullen
vertonen).

Na verloop van tijd, korter naarmate de rigor sneller na de dood intreedt,
wordt deze ook weer opgeheven, d.w.z. de verbinding tussen actine en
myosine wordt weer verbroken. Hoe dit precies verloopt is nog niet met
zekerheid bekend. Mechanische invloeden bij de behandeling van het vlees
of de werking van enzymen, afkomstig van de spier zelf of van microben
en wellicht ook bepaalde ionenverschuivingen worden als oorzaken ge-
noemd. Men veronderstelt ook wel dat de concentratie van adenosine tri-
fosfaat een belangrijke rol speelt; zodra die concentratie een bepaalde
grens overschrijdt zou contractie van de spier optreden; zodra het A.T.P.
geheel zou zijn afgebroken zou de contractie, dus de rigor, weer worden
opgeheven. Het vlees dat een alkalische of een zure rigor heeft doorge-
maakt heeft 24 uur na het slachten alweer een opvallend slappe consis-
tentie vergeleken bij het normale vlees.

Dit normale vlees kan, mits onder gunstige omstandigheden bij een lage
temperatuur bewaard, minstens enige dagen in een rigortoestand blijven.

2.3. Veranderingen in het bindweefsel

Het is merkwaardig weinig wat we weten over postmortale veranderingen
in het bindweefselskelet van vlees. Vermoedelijk is het feit, dat deze
weefselcomponent zich moeilijk afzonderlijk laat onderzoeken en zich juist
door haar specifieke structurele eigenschappen niet eenvoudig laat be-
naderen, daar de oorzaak van.

Toch treden ook in het bindweefsel belangrijke veranderingen op, is het
niet door specifiek aan dit weefsel gebonden processen, dan wel door in-
vloeden van buiten af. Zo kan men zich voorstellen dat de verzuring van
het milieu de bindweefseleiwitten — althans de collagene — beïnvloedt.
Aangezien het iso-elektrische punt van deze eiwitten bij een pH van on-
geveer 7.0 ligt, zal in een zuur milieu het aantal ladingsgroepen en daar-
door de waterbinding groter en de taaiheid minder zijn. Andere bind-
weefseleiwitten als elastine en in mindere mate het reticuhne schijnen veel
minder gevoelig te zijn voor zuren, basen, enzymen en technologische in-
vloeden.

2.4. Veranderingen in de vetten

Veel is er niet te melden over de postmortale veranderingen in de vlees-
eigen vetten. Op een bepaald moment — afhankelijk van de vetzuur-
samenstelling — stollen deze vetten bij het afkoelen van het karkas. Dit
heeft uiteraard enige invloed op de consistentie en het aspect van het
vlees.

3. Verdergaande rijping van het vlees

Met opzet wordt hier gesproken over verdergaande rijping, omdat in feite
ook het rigorproces en de melkzuurproduktie direct en indirect in belang-
rijke mate daartoe bijdragen. Toch verkrijgt het vlees haar optimale „tafel-

-ocr page 762-

rijpheid" pas na een bewaarperiode, gedurende welke de malsheid kan
toenemen en de produktie van aromacomponenten wordt voortgezet. In
feite is dit rijpingsproces een onderdeel van een autolytisch afbraakproces
van alle vleescomponenten, verzorgd door de vlees-eigen enzymen.
De koolhydraten — met name glycogeen, voorzover nog aanwezig na de
postmortale anaerobe glycolyse — worden omgezet in enkelvoudige sui-
kers en organische zuren, bijvoorbeeld glucose, maltose en citroenzuur,
waardoor de geur en de smaak verbeterd worden.

De eiwitten worden eveneens aangetast. De toename van het gehalte aan
vrije aminozuren gedurende de rijpingsperiode houdt evenwel geen gelijke
tred met de toegenomen malsheid. Blijkbaar hebben de enzymatische en
chemische invloeden voorlopig voornamelijk bepaalde verschuivingen in
de structuren van de eiwitmoleculen tot gevolg, zonder dat het nog komt
tot een grootscheepse afbraak in lagere N-verbindingen. Dat geldt in het
bijzonder voor de bindweefseleiwitten, die nog aanzienlijk resistenter
schijnen te zijn dan die van de myofibrillen en het sarcoplasma. Het is dus
niet zonder meer juist, wat men vroeger wel meende, dat de toenemende
malsheid van vlees gedurende het rijpingsproces in de eerste plaats te dan-
ken was aan de invloed van proteolytische enzymen op het bindweefsel;
de splitsing van het actomyosinecomplex is belangrijker.
Over eventuele destructieve veranderingen in de vetcomponent, die toch
ook in deze periode zullen plaatsvinden, en over de betekenis daarvan is
eigenlijk nog maar weinig bekend. Wel weten we dat bij een te langdurige
ondoelmatige bewaring ranzigheid, verzuring of talkigheid kunnen op-
treden. Voorts is bekend, dat juist de vetten zeer gemakkelijk allerlei —
ook minder aangename — geur- en smaakcomponenten uit de omgeving
opnemen, ook indien het vlees in diepgevroren toestand wordt bewaard.

4. Enkele factoren, waardoor de postmortale processen in belangrijke
mate kunnen worden beïnvloed

Vele factoren beïnvloeden het geheel van de postmortale processen in
vlees. Maar enkele daarvan doen dat wel in bijzondere mate:

1. de hoeveelheid energierijke fosfaten en glycogeen op het moment van
de dood, de vleestemperatuur en het vermogen van de spier tot anae-
robe glycolyse, waardoor de snelheid en de duur van de postmortale
anaerobe glycolyse worden bepaald. Dit betekent dus dat de fysiolo-
gische toestand van de slachtdieren en de behandeling, die zij vóór het
slachten hebben ondergaan, een grote invloed hebben;

2. de temperatuur gedurende de gehele bewaringsperiode. Nagenoeg alle
veranderingen in het vlees verlopen sneller naarmate de temperatuur
hoger is;

3. enkele andere factoren als licht en zuurstof, die de eigenschappen van
het vlees vooral aan de oppervlakte relatief sterk kunnen beïnvloeden,
in het bijzonder indien het verkleind is. Zo zou ook de invloed van de
relatieve vochtigheidsgraad aan de vleesoppervlakte en die van de mate
van rekking kunnen worden vermeld.

Het bestek van deze voordracht laat niet toe op deze ongetwijfeld interes-
sante en belangrijke aspecten nader in te gaan. Wij beperken ons tot de
ontwikkelingen in de grotere intacte slachtdier-onderdelen, die direct na

-ocr page 763-

het slachten op de gebruikelijke wijze tot 1 ä 4° C worden afgekoeld en
daarna gekoeld bewaard gedurende een normale periode. De oppervlakte-
|)rocessen spelen daarbij een relatief minder belangrijke rol.

5. Veranderingen in de eigenschappen van het vlees

a) Slachtwarm vlees

Doordat vlees van juist gedode, normale slachtdieren nog een hoge pH-
waarde en een relatief grote voorraad energierijke fosfaten bezit, waardoor
de rigor mortis nog niet kan ontstaan en het waterbindingsvermogen van
de spiereiwitten nog groot is, heeft het een glazig-gelatineus aspect, is mede
daardoor in het algemeen tamelijk donker van uiterlijk, is taai-elastisch en
slap van consistentie en bevat slechts zeer weinig vrij water.
In toebereide toestand munt het niet uit door gunstige organoleptische
eigenschappen, met uitzondering van de malsheid, die zeer groot is. Ove-
rigens is dit een kwestie van appreciatie want in sommige delen van de
wereld eet men het vlees niet alleen noodgedwongen (door het klimaat
grotere bederfkansen), maar ook graag in deze toestand! Voor de be-
reiding van bepaalde vleesprodukten, waarin die minder gunstige eigen-
schappen door toevoegingen kunnen worden gecompenseerd, kan dit
slachtwarme vlees evenwel voordelen bieden door haar relatief grote
waterbindings- en vetemulgeringsvermogen.

b) Anaërobe glycolyse

Naarmate de anaerobe glycolyse voortgaat (de pH dus daalt) en de rigor
mortis sterker wordt, wordt het vlees steviger, lichter van aspect en wordt
meer vleesaroma gevormd. De vorming van aromastoffen staat onder in-
vloed van de pH-waarde van het milieu: hoe lager de vlees-pH hoe beter
die produktie op gang komt. Bovendien levert een intensieve glycolyse ver-
schillende direct als aromacomponent werkende stoffen of grondstoffen
voor de produktie daarvan.

De daling van de pH bepaalt ook het aantal ladingsgroepen en daarmee
het aantal daaraan elektrostatisch te binden watermoleculen en voorts de
structuur van diverse eiwitten. Men duidt dit vaak aan door te stellen
dat de „gesloten structuur" van vlees met een hoge pH bij een pH-daling
verandert in een meer „open structuur", waarin meer vrij water voorkomt.
Deze grotere hoeveelheid vrij water wordt bij consumptie als aangenaam
ervaren; voor de technoloog heeft ze het voordeel dat ze als transport-
medium van warmte, koude, zout en andere toevoegingen kan dienen.
Wordt het vlees in dit stadium toebereid of tot vleeswaren verwerkt, dan
ontwikkelen de organoleptische eigenschappen van het produkt zich in
dezelfde gunstige trant.

Door uitgebreide onderzoekingen gedurende de laatste tien jaren is duide-
lijk geworden dat de temperatuur, waarbij deze processen zich afspelen
van grote betekenis is. Naarmate n.1. die vleestemperatuur hoger is, treedt
de rigor mortis sneller in en verloopt de anaerobe glycolyse sneller. Daar-
door kan de situatie ontstaan dat in het vlees een hoge temperatuur
(> 39° C), een lage pH (< 6.0) en een sterke rigor voorkomen, waar-
door bepaalde eiwitten meer of minder sterk gedenatureerd worden. Dit

-ocr page 764-

vlees krijgt dan een abnormaal bleke kleur en een verminderd water-
bindingsvermogen.

In de praktijk ontstaat deze voor het vlees funeste combinatie slechts zel-
den, eigenlijk alleen na ziekten die met belangrijke temperatuursverhoginü;
gepaard zijn gegaan. We bemerken dit aan het z.g. verstikte vlees. Maai
ook bij ca. 20% van onze zogenaamde „normale" slachtvarkens komt deze
slechte vleeskwahteit, bekend als vleesdegeneratie, voor.
Aan de andere kant is het zo dat, wanneer deze processen verlopen bij
een temperatuur lager dan 4° C (verkregen door een snelle, geforceerde
afkoeling) het z.g. „cold-shortening effect" kan ontstaan, waarbij met een
abnormaal sterke rigor ook een sterke vermindering van het waterbindings-
vermogen kan optreden. Men veronderstelt dat door thermische invloeden
via bepaalde ionenverschuivingen de spierverslappingsfactoren worden
uitgeschakeld.

c) Verdere rijping

In het stadium van de verdere rijping, als de glycolyse beëindigd is en een
bepaalde pH-waarde heeft bewerkstelligd en voorts de rigor mortis geleide-
lijk aan wordt opgeheven, krijgt het vlees pas optimale organoleptische
eigenschappen.

De kleur verandert bij normale behandeling weinig, alleen aan de opper-
vlakte. De geur en de smaak worden sterk verbeterd want, nadat door de
anaerobe glycolyse al het smaakverbeterende melkzuur was geproduceerd,
ontstaan nu door allerlei biochemische processen nog velerlei aromastoffen,
o.a. esters van lagere vetzuren, carbonylverbindingen en glycoproteïnen.
Wat vooral opvalt is de
toenemende malsheid. Deze is vooral een gevolg
van de afbraak van het actomyosinecomplex, voorts van structurele ver-
anderingen in het bindweefsel, van de proteolyse en van de toegenomen
waterbinding van vooral de bindweefseleiwitten, die bij lagere pH-waar-
den ver verwijderd zijn van hun I.E.P. Naarmate de proteolyse voort
schrijdt, de grotere eiwitmoleculen en complexen daarvan dus tot kleinere
eenheden worden afgebroken, kunnen door de gewijzigde structurele ver-
houdingen in die moleculen en door een toename van het aantal vrije
ladingsgroepen meer watermoleculen worden gebonden. Het gehalte vrij
water neemt daarmee af, het percentage aan de eiwitten gebonden water
toe en ook daardoor is dit gerijpte vlees malser in rauwe en toebereide
toestand.

Door de toebereiding komen deze gunstige eigenschappen gedeeltelijk
versterkt naar voren. De malsheid kan dan nog extra toenemen omdat dc
bindweefseleiwitten door verhitting bij de lagere pH-waarden gemakke-
lijker gelatineren. Bepaalde vluchtige aromacomponenten die tot dan toe
als z.g. „Precursors\' \'aanwezig waren komen nu pas vrij.
Een bijkomend gunstig effect van de pH-daling is de daardoor verbeterde
houdbaarheid.

Een voldoende lange bewaring, die uiteraard bij lage temperatuur moet
plaatsvinden, verbetert dus de organoleptische eigenschappen van vlees
ten zeerste. Wordt het vlees bestemd voor directe consumptie, dan wordt
hier vaak wel rekening mee gehouden.

Als het erom gaat vlees te selecteren voor de bereiding van bepaalde vlees-
produkten, verbindt men merkwaardig genoeg aan dit feit vrijwel nooit

-ocr page 765-

consequenties. Te zeer hebben onze vleeswarenproducenten trouwens tot
nu toe gemeend dat er buiten de
vlees-vet-verhouding geen belangrijke
kwaliteitsverschillen in vlees bestonden. Toch komen de eigenschappen
van de grondstof vlees vaak heel goed tot uitdrukking in de eigenschappen
van het eindprodukt, welk verduurzamingsproces men ook kiest. Dat geldt
voor de kleur, de geur en de smaak, voor de malsheid en het uit- en in-
wendig aspect.

Economische factoren maken het blijkbaar onmogelijk om hiermede vol-
doende rekening te houden. Ook de consument is zich nog niet erg bewust
van de variabiliteit in de kwaliteit van hem ter consumptie aangeboden
vlees en vleesprodukten.

SUMMARY.

The author gives a short survey of the most important postmortal biochemical and
physical processes in meat, particularly in the first 24 hours after slaughtering, and
its consequences for the properties of meat as foodstuff and as an element for
technological treatments.

Special attention was paid to the pattern of the glycolytic processes, the pH-pattern,
the rigor mortis and changes in the connective- and fatty-tissue.

Discussie

Vraag: Drs. C. J. A. H. V. van Vorstenbosch, Utrecht:

Wat wordt bedoeld wanneer gezegd wordt dat het actomyosinecomplex
op een bepaald moment na de rigor mortis zou vervallen? Wanneer is
dat moment gekomen?

Antwoord: Dr. J. G. van Logtestijn, Utrecht:

a. Tijdens de voordracht is gezegd dat „na verloop van tijd, en wel
korter naarmate de rigor sneller na de dood intreedt, deze ook weer
wordt opgeheven. Hoe dit proces verloopt is niet precies bekend".
Met andere woorden zou kunnen worden gesteld dat de verbinding
tussen de myofibrillaire eiwitten actine en myosine tijdens het ver-
dwijnen van de rigor weer wordt opgeheven. Over de aard van deze
verbinding kan nog weinig worden gezegd. Wel blijven actine en
myosine na de rigor aanvankelijk als zodanig onveranderd bestaan.
Er is dus dan nog geen sprake van verval.

b. Het moment waarop dc ngür wordt opgeheven kan uiteenlopen van
enkele uren tot verscheidene dagen. In de voordracht zijn een aantal
factoren, die daarop invloed hebben, genoemd.

Vraag: Drs. J. H e i d a, Bcetsterzwaag:

Door geforceerde koeling zou een tc snelle rigor mords optreden. Moet
men vlees nu in de slachtwarme toestand of na een voorkoelperiode in
de eigenlijke koelruimte brengen?

Antwoord: Dr. J. G. van Logtestijn, Utrecht:

Het gememoreerde „cold shortening effect" treedt slechts op door een
zeer snelle en zeer diepe koeling. Dit effect werd pas een zestal jaren
geleden voor het eerst beschreven in geïsoleerde spieren, die men direct
na de dood uitprepareerde en snel cn diep koelde. In de praktijk zal
men niet gauw last krijgen van dit fenomeen, tenzij in de oppervlakkige

-ocr page 766-

lagen van de voeten. Misschien zal dat van belang gaan worden wanneer
men in de toekomst ter bestrijding van het gebrek vleesdegeneratie bij
varkensvlees, sneller en dieper dan totnutoe gebruikelijk, zou willen
koelen.

Om verschillende redenen moet men vlees, zoals de laatste jaren vrijwel
overal gebruikelijk is, zo spoedig mogelijk na het slachten in de koel-
ruimten brengen.

Vraag: Drs. E. Hooghiemstra, Paramaribo:

Welke stoffen zijn de werkzame stoffen bij „meat-tenderising" en op
welke vleesdelen werken ze?

Gewezen wordt op de gewoonte van de Chinese varkensslagers in Su-
riname om slachtwarm varkensvlees te gebruiken, zowel voor directe
bereiding als voor de conservering. Zij zijn er niet toe te brengen hier
van af te stappen, waartoe de runderslagers wel te bewegen zijn. Men
wikkelt het vlees wel in de bladeren van de Papaya-plant, om het te
vermalsen.

Antwoord: Dr. J. G. van Logtestijn, Utrecht:

In Amerika heeft men veel studie gemaakt van de mogelijkheden, die
een aantal uit plantaardige produkten bereide enzymen bieden, om
vlees op kunstmatige wijze te „vermalsen". Men brengt daartoe op-
lossingen van deze enzymen vóór of nä de dood van het slachtdier in het
vlees, dat daarna op een bepaalde voor de enzymactiviteit gunstige
temperatuur wordt gehouden. De enzymen, o.a. papaïne, bromeline en
fycine, schijnen hun activiteit voornamelijk te richten op het bind-
weefsel. Voor bepaalde, minder goede kwaliteiten vlees kan deze ver-
malsing wel een verbetering betekenen.

Overigens heeft de methode ook bezwaren. Men kan bijvoorbeeld de
activiteit van de enzymen in het rauwe produkt niet meer stopzetten.
Als het vlees te lang op een hogere temperatuur bewaard wordt, zal
het te mals worden.

Vraag: Drs. R. V. B r u c k w i 1 d e r, Enschede:

Zijn er anatomische redenen voor het feit dat direct na het slachten
kleurverschillen worden waargenomen tussen voorhand en achterhand
van een slachtdier, waarbij de donkere kleur van de achterhand niet
verklaard kan worden uit de pH?

Antwoord: Dr. J. G. van Logtestijn, Utrecht:

De donkere kleur van het vlees van de achterhand is niet verklaarbaar
uit pH-verschillen, want deze zijn bij normale slachtrunderen niet of
nauwelijks aanwezig. Wel is het vlees van de voorhand fijnvezeliger van
structuur cn ook rijker aan bindweefsel. Dit verklaart, althans eniger-
mate, het kleurverschil. Voorts kunnen fysiologische verschillen via
dienovereenkomstige verschillen in het myoglobinegehalte een rol spelen.

-ocr page 767-

Vlees mis grondstof voor verwerking

Meat as a material for manufacturing.

door C. L. TEN GATE»

Uit het Instituut Voedingsmiddelen van Dierlijke Oorsprong

van de Rijksuniversiteit te Utrecht.

De theoretische kennis over het onderwerp „Vlees als grondstof voor ver-
werking" is van nog vrij recente datum en als gevolg daarvan nog lang
niet volledig. De vleestechnologen staan hierin verre ten achter bij de
zuiveldeskundigen, die op hun gebied gelijksoortige belangstelling hebben,
maar wier onderzoekinstituten reeds ongeveer veertig jaar geleden ver-
rezen, terwijl men op de vleeswarensector niet eerder met een serieus begin
kan rekenen dan nd de laatste wereldoorlog. Als een eenzame ster, die het
pad vooruit verlichtte, staat de Engelsman Callow, die omtrent 1930
met de eerste aarzelende schreden begon aan een onderzoek der voor de
Engelsen zo typische bacon, en hierbij als één der eersten vrij spoedig
begon te werken met de nu alweer lang vertrouwde begrippen als pH, ver-
moeidheid van slachtdieren en de invloed hiervan op de waterbinding van
het vlees en dergelijke, maar waarmee wij aan de andere kant nog läng
niet zijn klaargekomen.

Strikt genomen omvat het gebied der kennis der voedingsmiddelen van
dierlijke oorsprong niet alleen het vlees zèlf, met de daaruit bereide vlees-
waren, en de melk met de zuivelprodukten, maar met evenveel recht alle
dieren, die uit het water gehengeld worden, inclusief de walvissen, het
pluimvee met haar eieren, al het door de mens verorberde wild, de honing
van de bijen en de wijngaardslakken van de Fransman, tot de sprinkhanen
van Johannes de Doper toe!

Of het nu komt, dat vlees en vleeswaren het grootste percentage vormen
van alle dierlijke voedingsmiddelen, óf dat van ouds het vlees met zijn
derivaten in de grootste belangstelling heeft gestaan, een feit is het echter
dat, wanneer wij de hoeveelheid publikaties op het gebied der levensmid-
delenonderzoekingen nagaan, — die op zuivelgebied daargelaten —, die
over wild, vis, pluimvee en eieren in het niét verzinken vergeleken bij die
over vlees en vleeswaren. Behoudens de vrijwel ontelbare menigte publika-
ties over vlees en vleeswaren vonden wij zo slechts zeven berichten over
schildpadvlees, één over kikkervlees, twee over slakken, één over walvis-
vlees, elf over kangeroevlees en één over rendiervlees.

Zoals het wel op meer gebieden des levens gaat, loopt de wetenschap der
levensmiddelenkunde achter de praktijk aan, wat althans op het gebied
van vlees en vleeswaren niet verwonderlijk is. Uit de oudste gegevens der
menselijke geschiedenis zijn reeds berichten over vleeswaren bekend. De
helden uit de Griekse Odyssee kregen bij hun terugkeer in hun Attica al
„bloedbeuling" voorgezet, waarvan de bereiding vrij nauwkeurig wordt om-
schreven. Koller, in zijn niet meer in herdruk verschenen „Salz, Rauch

-ocr page 768-

und Fleisch" (1941), waarvan voor zover mij bekend ons instituut de enige
bezitter in Nederland is, geeft een groot aantal voorbeelden uit de klas-
sieke literatuur over worstgenot.

Ik ben er van overtuigd, dat produkten als rauwe boerenham, snij- en
metworst, Gelderse rookworst en allerlei leverworstsoorten al in de oudste
tijden bekend waren. Eén van mijn vroegere broodheren stamde uit een
geslacht, waarvan de stamboom vanaf midden 1600 één ononderbroken
stroom van slagers vormt, en zijn praktische kennis steunde hierdoor op een
van ouder op ouder doorgegeven ervaring van eeuwen. In de vele jaren,
die ik het genoegen had bij hem te werken, heb ik hem praktisch nóóit iets
nieuws kunnen leren, want ze hadden letterlijk alles al uitgeprobeerd. Aan
het „waaróm" ontbrak echter óók alles! Waar hij trouwens eerlijk voor
uit kwam; hij moedigde mij onafgebroken aan juist naar dit „waarom"
te zoeken!

Zoals de natuur, naar het oude spreekwoord, onze grote leenneesteres is,
zo moet ook op dit gebied de doodgewone slagerij onze leermeesteres zijn,
willen wij niet in allerlei abstracties verdwalen, die met de realiteit geen
enkele verwantschap meer hebben.

Tot op de grootste vleeswarenfabrieken is dit eeuwenoude ambacht in leven
gebleven. Wèl zijn in de loop der jaren een aantal steeds ingewikkelder
wordende apparaten ingeschakeld, tot elektronische toe, maar het vlees op
zichzelf is nu eenmaal een grondstof, die zich niet leent voor een typisch
machinale verwerking. Een vleeswarenfabriek, hóe groot ook, blijft in we-
zen tóch altijd de oude slagerij: een runderbout of een varkenshelft laten
zich niét automatisch uitbenen en ontzenen. Een volledige automatisering,
zoals deze b.v. bij een aardappelmeelfabriek, een suikerfabriek of zelfs een
zuivelfabriek mogelijk is, waar de grondstoffen als een vrijwel homogene
massa de fabriek binnenstromen, is voor een vleeswarenfabriek ten enen
male uitgesloten.

„Blut ist ein ganz besonderes Saft" zegt Mefisto ergens in de Faust, maar
vlees is minstens even bijzonder! Te meer, wanneer wij niet over vlees gaan
spreken, zoals dat in de volkstaal bedoeld wordt, dat wil dus zeggen het
rode spiervlees, maar wanneer wij over „vlees in de zin der Vleeskeurings-
wet" beginnen, dat wil dus zeggen met inbegrip van het vet, en bij het
varken met inbegrip van ook de huid, het zwoerd met zelfs de oren erbij,
waarvan overigens de Hongaren een bijzondere lekkernij weten te ver-
vaardigen.

Zwoerd, tezamen met alle verdere bindweefsel der pezen en banden, is
daarom zo een interessante stof, omdat het bij allerlei reacties, die bij de
verschillende bereidingsprocédé\'s optreden, en ik denk hierbij vooral aan
pH-wijzigingen, keukenzout- en wateropname, voor een groot deel vol-
komen anders reageert als het spier-eiwit. Wordt het spier-eiwit door een
verhoogde pH zacht en mals, dan wordt het bindweefsel-eiwit juist stug
en taai, wat men bij voorbeeld van ouds heeft trachten op te vangen door
het vlees in azijn of wijn als pH-verlagend agens te marineren (fig. 1 en 2).
Door keukenzout, tot een maximum van ongeveer vier procent, vergroot
zich de waterbinding van het spiereiwit, hetgeen wil zeggen, dat het sarco-
plasma na toevoeging van een voor de menselijke smaak aanvaardbare
hoeveelheid keukenzout — die ongeveer tussen de twee en de drie procent
ligt — na bijmengen van wat water een buitengewoon stijve, lijmachtige

-ocr page 769-

Zwelüng von spitfreiwit bij divers© pH\'s
•/. zvveUIno

Fig. 1

Zwelling van spier-er pees-eiwit met Ï^NoQ tx) diverse pH\'s
t. zweUing
44T

»spier

Flg. 2

-ocr page 770-

brij gaat vormen wanneer het in een zogenaamde cutter volkomen fijnge-
slagen en gesneden wordt. In deze taaie vlees-lijm wordt de hoeveelheid
toegevoegd water — behalve bij knakworst en een paar andere produkten
— begrensd door de beperkingen, die het wettelijk vastgestelde, zoge-
naamde F e d e r-getal oplegt aan de verhouding van water en eiwit in de
worst, die maximaal vier mag zijn.

Aan de zo ontstane taaie lijm worden dan de verdere bestanddelen der
worst toegevoegd: zwoerd, voor zover de worst later glad-snijbaar moet
worden, omdat uit dit zwoerd na de uiteindelijke verhitting gelatine wordt
gevormd, die na de bekoeling der worst weer opstijft en de worstmassa
enigszins glazig-geleiig maakt, en spek, dat naar gelang de aard der worst
meer of minder fijn verdeeld wordt, benevens extra vet vlees, dat op zich-
zelf weinig bindkracht heeft. Vaak ook wordt een bepaald gedeelte van
het vette vlees en het spek vooruit extra fijn meegecutterd in de vlees-lijm,
opdat het voor het blote oog onzichtbaar wordt. Een resterend gedeelte
van het spek wordt dan aan het einde van het cutter-proces toegevoegd,
waardoor het eindprodukt, zoals bijvoorbeeld boterhamworst, door de aan-
wezigheid der grovere, witte spekdelen, bij het doorsnijden een levendiger
spiegel vertoont.

Aan al deze toevoegingen van zwoerd, water en gedeeltelijk ook vet, zijn
limieten gesteld, niet alleen door het F e d e r-getal van het Vleeswaren-
besluit, maar evenzeer uit technologische gronden, omdat bij de later vol-
gende verhitting het worstdeeg water, vet en gelei loslaat (de zogenaamde
„afleg" of „laxade"). Naar gelang het worstdeeg later hoger of lager ver-
hit wordt (d.w.z. of het gesteriliseerd of gepasteuriseerd wordt), zal deze
laxatie groter of kleiner zijn.

Bovendien kan men trachten de laxatie te verminderen door het gebruik
van water- en geleibindende stoffen, waarvoor in Nederland maximaal
vier procent aardappelmeel is toegestaan.

Daarnaast kan men de waterbinding van het worstdeeg verhogen door
circa een half procent alkalische polyfosfaten, die een veelvoudig effect op
het vlees uitoefenen.

Ze verhogen eerstens de ionen-concentratie der massa, zonder — zoals hel
keukenzout — een bepaalde eigen smaak te hebben. Ze vergroten de al-
kaliteit van het worstdeeg, terwijl ze dan tevens de vetten een weinig gaan
verzepen, waardoor de emulgerende eigenschappen van het worstdeeg ver-
hoogd worden, en verder schijnen ze nog door hun bindingsvermogen van
aardalkaliën (dus in hoofdzaak van het calcium) de waterbindingsmoge-
lijkheden van het spiereiwit te doen stijgen. Zo zien wij, dat wetenschap-
pelijk gezien, het worstmaken toch weer een vrij ingewikkeld fysisch-
chemisch proces gaat worden.

In enkele landen is als waterbindend middel ook het gebruik van mager
melkpoeder toegestaan, wat op zichzelf nog niet zo vreemd is, daar melk-
eiwit als een deugdelijk voedingsmiddel mag worden beschouwd. Waar de
moeilijkheid der toestemming tot bijmengen van dergelijke hulpstoffen
aan de vleeswaren eigenlijk schuilt, wordt treffend geïllustreerd door een
indertijd in het Engelse Lagerhuis gestelde vraag, toen daar de goed-
keuring voor het gebruik van melkpoeder in vleeswaren aan de orde kwam,
bij hoeveel procent toegevoegd melkpoeder een worst veranderde in een
„roomhorentje". Voor de Engelsen zijn worsten trouwens toch al „little bags
of mystery".

-ocr page 771-

Vlees is uit zichzelf een zeer slecht houdbaar produkt en een ideale groei-
bodem voor de meeste bacteriën. Vanouds heeft de mens dan ook een
aantal methoden uitgedacht om de duurzaamheid te vergroten.
Kén der oudste en primitiefste manieren, die waarschijnlijk het meest ge-
eigend was voor die landen, waar de zon veel scheen, is het drogen ge-
weest. We denken aan het „Pemmican" der Indianen, de „Biltong" uit
Zuid-Afrika, maar ook aan het „Dürrfleisch" uit de Alpen. Geheel sma-
kelijk zijn dergelijke produkten niet, al herinner ik mij dat bij lange berg-
tochten het onafgebroken zuigen en kauwen op een dergelijk aanvankelijk
keihard stuk vlees toch wel een aangename bezigheid was.
Ook het ouderwetse pekelen, waarbij het vlees in verzadigde zoutoplos-
singen geconserveerd werd, maakte de kwaliteit bepaald niet beter. Een
voorbeeld van dit klassieke pekelen vinden we nog terug in de oude Engelse
bacon.

Conserveren door roken is eigenlijk een eveneens wat barbaarse methode
om het vlees houdbaarder te maken, waarbij naast een zekere uitdroging
door de warme rook, het vlees geïmpregneerd wordt met allerlei twijfel-
achtige stoffen. Tegenwoordig wordt het roken, in een zeer lichte vorm,
eigenlijk nog alleen maar als een smaakgevend proces toegepast, zoals bij
de Gelderse rookworst en de knakworst.

Het steriliseren, tyndalliseren en pasteuriseren met aansluitende bewaring
onder koeling, zijn processen, welke eerst in de laatste eeuw tot ont-
wikkeling zijn gekomen door de opkomst der blik- en later der glas-
industrie.

Een geheel op zichzelf staande en waarschijnlijk de meest interessante wijze
van conservering is de melkzuurgisting, zoals deze bij de bereiding van
snijworst, cervelaatworst, salami en dergelijke wordt toegepast.
Hier betreden wij het speciaal voor dierenartsen zo belangwekkende terrein
der conservering van snelbederfelijke vleeswaren met behulp van bacteriën,
op zichzelf voor velen een „contradictio in terminis", omdat het gebruikelijk
is, dat het vlees juist snel bederft dóór de bacteriën.
Doordat aan deze soorten worst bij de bereiding een geringe hoeveelheid
suiker wordt toegevoegd — in hoeveelheden van een half tot één procent
— zijn de melkzuurbacillen, zoals de normale melkzuurstaven en in het
bijzonder de
Lactobacillus plantarum-groep, welke vrij veel keukenzout
kan verdragen, maar óók niet te vergeten de zouttolerante faecale strep-
tokokken met in het bijzonder de op varkensvlees-verwerkende bedrijven
voorkomende
Streptococcus faecium, in staat dermate grote hoeveelheden
melkzuur te vormen, dat hierdoor de pH van de worst vrij snel kan dalen
van ca. 6,0 tot ca. 4,8 waardoor de gehele overige bacteriënpopulatie, die
in het begin voor het grootste deel vlijtig mee helpt aan de zuurvorming,
zeer snel afsterft en de worst een vrijwel onbeperkte houdbaarheid verkrijgt.
Dit proces is daarbij natuurlijk geheel afhankelijk van het inderdaad ook
voorkomen van deze melkzuurflora in het betreffende vleeswarenbedrijf, en
liet is uit de praktijk dan ook volop bekend, hoe op bepaalde, meestal
nieuwgevestigde bedrijven, een dergelijke snijworstproduktie geheel mislukt
door het ontbreken der vereiste flora, waarachter dan vaak uit onwetend-
heid de meest mysterieuse oorzaken worden gezocht. Ook bij verbouwingen
of moderniseringen van oude slagersbedrijven, waar tot dien geen moeilijk-
heden werden ondervonden, treedt dit verschijnsel herhaaldelijk op. Trou-

-ocr page 772-

wens ook uit de kaasindustrie, in het bijzonder bij de zelfkazende boeren in
Zuid-Holland, kennen wij soortgelijke verschijnselen.

Speciaal voor de dierenartsen is dit proces zo interessant, omdat deze over
het algemeen vrijwel uitsluitend zijn geschoold in de bacteriologie der pa-
thogenen, en daardoor vrij spoedig geneigd zijn om èlke bacterie als onge-
wenst en gevaarlijk te zien.

Nu we op deze manier tóch in de bacteriologie zijn terecht gekomen, is
het misschien nog wel nuttig er op te wijzen, dat men — wanneer men
zich langere tijd heeft bezig gehouden met de bacteriologie van vlees en
vleeswaren — al vrij spoedig uit eigen ervaring tot het inzicht komt, dat
het begrip „steriliteit" in het vlees- en vleeswarenbedrijf een fictie is, zolang
het niet gaat om geheel gesloten hoog- en langdurig verhitte volconserven.
Wie zich enige tijd met vlees- en vleeswarenbacteriologie heeft bezig ge-
houden, zal weldra tot het inzicht komen, dat het op dit gebied, ondanks
de hulp van een rigoureuse koeling, meer een kwestie is van leven mèt,
als van leven zónder bacteriën.

SUMMARY.

In a short retrospective view into history out of which it is evident how old the
manufacturing from meat to meatproducts is, the author gives a survey of what has
been performed on scientific investigations in this field.

Herewith especially the already naturally in the meat components present properties
and those of the added materials, have been studied and used to develop the desired
quality regarding the taste, consistency and keepability.

Discussie

Vraag: Drs. A. Stevens, Goor.

Hoe oud moet vlees zijn, d.w.z. wat is het meest geschikte moment om
vlees te zouten, zulks in verband met het waterbindend vermogen der
weefsels en als gevolg hiervan de malsheid?

Antwoord: C. L. ten Gate, Utrecht:

Het waterbindend vermogen van vlees hangt mede af van de zout-
concentratie en van de pH. Bij een opname van 4% keukenzout is de
waterbinding het sterkst; bij hogere pH-waarden neemt het water-
bindend vermogen nog toe.

In de praktijk wordt vooral om hygiënische redenen zo spoedig mogelijk
— d.i. de dag na de slachting — gezouten. Het vlees is dan tot in het
binnenste doorgekoeld en heeft al een zover ontwikkelde rijping onder-
gaan, dat er voldoende vrij water voor het zouttransport in het vlees aan-
wezig is.

De malsheid van gezouten vleesprodukten is niet vergelijkbaar met die
van vers vlees. Vleeswaren als rauwe ham kan men moeilijk mals
noemen, misschien wel zacht. Gekookte ham is vooral sappig en is
door het kookproces ook malser geworden.

-ocr page 773-

Histamine in the blood of dairy cows in connec-
tion
with nutrition tetany {grass tetany!

by M. J. H. GEELEN, D. L. VAN RHEENEN,
H. J. HENDRIKS1) and L. SEEKLES2)

Laboratory of Veterinary Biochemistry, State University of
Utrecht (The Netherlands).

Introduction

Seekles (1953) and Fowler (1963) postulated a relationship of
magnesium deficiency to histamine metabolism in dairy cows. The inves-
tigations of Seekles et al. (1952), who found abnormally high and
abnormally low histamine values in the blood of nutrition tetany patierits,
and in those of P r e s t o n (1965), who found a decrease of the histamine
blood value in nutrition tetany, suggest a release of histamine in nutrition
tetany. We tried to realize such a release by giving to daii7 cows a con-
tinuous drip intravenous infusion of histamine dihydrochloride („Roche").
In addition to a normal cow we used for our experiments a dairy cow
that had suffered from nutrition tetany in mid-winter when stabled (Ca:
9.4 mg%, Mg: 0.1 mg%). When the experiment started the magnesium
content of the blood was almost nonnal (2.1 mg%) due to feeding mag-
nesium oxide cake to this animal.

Methods

Both cows were kept indoors and fed hay and fodder cakes. The infusion
was given into the left jugular vene. In cow I (normal) the infusion con-
sisted of 4 X 200 mg of histamine dihydrochloride in 4 x 450 ml of physio-
logical saline (0.9% sodium chloride in sterilized bidest water) and in cow
II (the animal which previously suffered from nutrition tetany) of 3 x
200 mg of histamine dihydrochloride in 3 x 450 ml of physiological saline.
In both cases the infusion rate was one drop per second. The blood samples
were taken from a build-in canula in the right jugular vene. The canula
was provided with a draincock, kept filled with heparine between samp-
ling. The following analyses were carried out: magnesium (Hendriks
et al., 1965), calcium (Hendriks et al., 1965), phosphate (Fiske
and Subbarow, 1925; Hendriks, 1962), glucose (Hagedorn
and Jensen, 1923, deproteinizing according to F u y i t a and I w a-
take, 1931), histamine (Shore et al., 1959), monoamine oxidase
(Weissbach et al., 1960), diamine oxidase (McEwen, 1964). The
blood films for differential figures and absolute counts of eosinophilic
leucocytes and leucocytes were made according to Gorter and De
Graaf (1955). Further we studied the occurrence of biogenic amines
in the urine of test cow II. We used a slightly modified method given by

1  Drs. M. J. H. Geelen, Dr. D. L. van Rheenen, Dr. H. J. Hendriks; members
of the scientific staff of the State University of Utrecht; 172 Biltstraat, Utrecht,
The Netherlands.

2  Dr. L. Seekles; professor of Veterinary Biochemistry, State University of Utrecht;
172 Biltstraat, Utrecht, The Netherlands.

-ocr page 774-

one of us for the quahtative determination of biogenic amines in faeces
(Van Rheenen, 1964).

Procedure

Cow I was given an infusion of physiological saline as well as histamine.
With cow II we carried out a histamine-infusion experiment twice. The
first infusion was given when the animal had a normal magnesium blood
value of 2.1 mg%; the second one six weeks afterwards when the animal
had a magnesium blood level of 1.3 mg%, caused by the discontinuation
of the magnesium oxide feeding.

Results

The physiological saline infusion for 7*^22\' did not cause in cow I any clini-
cally, biochemically or haematologically significant changes, as can be
seen from Table I.

Table I.

Influence of infusion of physiological saline on the values of inorganic
phosphorus, calcium and magnesium of the blood serum, glucose of the
blood, leucocyte content and haematocrit value.
(Cow I, infusion time 7h22\').

Infusion

Blood
sample

Time

P

mg%

Ca
mg%

Mg
mg%

Glucose
rag%

Leu/cml

Haema-
tocrit %

starting time:
9.43

I

9.25

3.7

9.3

2.5

74

6000

25

2

10.25

4.0

9.0

2.6

73

5800

26

3

11.15

4.1

8.9

2.6

67

5700

26

4

13.40

3.3

8.8

2.6

73

5500

24

5

15.30

3.1

9.2

2.5

69

5600

25

finishing time:
17.05

6

17.30

4.1

9.3

2.2

76

5700

24

The histamine infusion for S*" in cow I immediately caused distinct chnical
symptoms such as slight muscle twitching, passing of faeces, coughing,
urine production, tears, severe muscle twitching, slight increase of breath-
ing rate, followed by a slow decrease of the breathing rate. The clinical
symptoms were less distinct after the first hour suggesting adaptation.
Biochemical and haematological changes have been observed too. (Table
11)

The first histamine infusion for 5\'\'30\' in cow II was completely comparable
with the infusion in cow I and resulted in nearly the same symptoms.
These symptoms were more clear and lasted longer before adaptation
seemed to occur. During the experiment the teats and udder grew striking-
ly red. The biochemical and haematological changes are summarized in
Table III.

-ocr page 775-

Table IL

Influence of infusion of histamine (4 x 200 mg in 4 x 450 ml of physio-
logical saline) on the values of inorganic phosphorus, calcium and magne-
sium of the blood plasma, glucose of the blood, leucocyte content and
haematocrit value. (Cow I, infusion time 8h).

Infusion

Blood
sample

Time

P

mgfo

Ca

mg%

Mg
mg%

Glucose
mg%

Leu/cml

Haema-
tocrit %

starting time:
8.35

1

8.20

4.6

8.8

2.5

69

6900

25

2

3

4

5

6

9.45
10.48
13.10
15.03
16.50

4.4
4.2
5.1

4.5
3.4

8.7

8.8
8.4
6.9
6.9

2.5

2.4
2.3

2.7

2.5

158
186
223
175
131

4900
8200
10300
11000
13900

28

29
31
33

30

finishing time:
17.23

7

18.00

3.1

7.1

2.5

97

15000

29

24h later

8

9.03

5.0

7.8

2.2

76

10300

25

The second infusion of histamine in cow II has been apphed about six
weeks after the first one. At this moment the blood magnesium concen-
tradon was 1.3 mg%. This infusion was carried out in the same way as
the first one. In this case the reacUons of the cow were very severe. In the
very few minutes after the beginning of the infusion the first symptoms
started (e.g. production of tears, passing of faeces and urine, frothing of
the mouth, with bloody mucus, flushing of teats and udder, gasping for
breath, tremors of the shoulder muscles, tachycardia, small drop of tem-
perature). After one hour there was a slight recovery, but after 3 hours
the; symptoms grew very severe again, resulting in a sudden death of the
animal. A few minutes before death the tongue, udder and teats were
cyanotic.

The last blood sample taken 45 minutes before death was different from
the samples taken before. It was impossible to obtain serum, the sample
carried on to clot, even after separation of the blood cells. About 20 ml
of blood gave only one ml of clear serum, too little to carry out the che-
mical analyses planned.

The results of the biochemical and haematological determinations of this
experiment are summarized in Table IV.

The urine samples of test cow II taken before, during and after the first
infusion experiment and a sample of the urine produced in the beginning
of the second infusion were examined for biogenic amines. The results of
these analyses are mendoned in Table V.

-ocr page 776-

Influence of infusion of histamine (3 x 200 mg in 3 x 450 ml of physio-
logical saline) on the values of inorganic phosphorus, calcium, magnesium
of the bloodplasma, mono and diamine oxidase of the blood serum, glucose
of the blood, and white blood cells. (Cow II*), infusion time 5 h.30\').

O
CO

m

Infusion

blood

time

P

Ca

Mg

glucose

leu/cml

eo/cml

Hist.

M.A.O.

D.A.O.

sample

mg%

mg%

mg%

mg%

y/100

average

average

ml. total

A E/A t

A E/A t

blood

after 10 min.

after 300 min.

starting

1

8.45

6.5

10.5

2.1

66

8500

588

8.57

4.84

16.42

time 8.50

2

9.45

6.6

10.2

2.0

127

2500

22

0.62

4.80

19.14

3

10.45

6.4

10.2

2.0

118

4300

433

0.86

5.87

16.39

4

11.45

6.9

10.4

2.0

125

6800

633

2.04

6.01

20.19

5

12.45

6.6

10.0

1.9

143

5300

244

1.90

5.79

18.81

finishing

6

13.45

6.4

9.6

2.0

133

7100

266

2.60

6.17

18.33

time 14.20

7

14.45

5.8

9.5

2.1

97

9400

477

2.90

4.06

13.25

24 h. later

8

8.45

6.2

9.8

2.0

64

11200

277

8.35

4.15

11.95

*) History of nutrition tetany.

-ocr page 777-

Influence of infusion of histamine (± 330 mg in physiological saline) on the
values of inorganic phosphorus, calcium and magnesium of the blood
plasma, mono and diamine oxidase of the blood serum, glucose of the
blood and white blood cells. (Cow II*, after 3h 25\' the animal died).

Finishing
time 11.50

00 • ff!

Infusion

blood

time

P

Ca

Mg

glucose

leu,/cml

eo/cml

Hema-

Hist.

Hist.

M.A.O.

D.A.O.

sample

mg%

mg%

mg%

mg%

tocrit

y/100

y/100

average

average

ml. plasma

ml. total

A E/A t

A E/A t

blood

after 10 min.

after 300 min.

Starting

1

8.25

4.6

10.6

1.3

55

9800

511

31

0

6.5

5.23

30.3

time 8.45

2

9.00

5.1

10.7

1.3

140

5000

55

38

1.5

2.1

5.25

26.5

3

9.15

5.1

10.3

1.3

144

5900

111

40

2.1

3.5

6.50

28.6

4

10.15

5.5

9.9

1.3

143

7100

555

39

0.84

3.7

6.25

14.5

5

11.15

5.3

10.0

1.2

164

12900

755

36

0.43

3.8

7.15

_

11.55 animal died

History of nutrition tetany.

-ocr page 778-

Table V.

Basic Compounds in the Urine of Test Cow II.

Compound

28-2-\'66

1st Infusion of histamine
9-3-\'66
11.00 hrs. 17.30 hrs.

10-3-\'66

2nd Infusion of histamine
20-4-\'66
9.15 hiî.

Methylamine

(( ))

( )

(( ))

( )

(( ))

Dimethylamine

-1- -1- -f

-f

-1-

-H-H-

-H--H-

Ethylamine

-1- -1-

-H

(( ))

-1- -h

Diethylamine

-I- ■!■

-1-

-1-

-1- -n-

Ethanolamine

(( ))

-1-

(( ))

l-aminopropanol-2

(( ))

(( ))

(( ))

(( ))

4-aminobutanol-l

-1-

(( ))

(( ))

Putrescine

(( ))

Histamine

(( ))

{{ ))

Histidine

(( ))

(( ))

(( ))

( )

(( ))

N-Methylhistidine

(( ))

(( ))

(( ))

(( ))

(( ))

Ornithine

(( ))

(( ))

(( ))

(( ))

Glutamine

(( ))

(( ))

( )

Taurine

-I--I-

-t-

Discussion

The sharp increase in the blood sugar value (vide Fig. I) is one of the
most spectacular biochemical observations. This increase is likely caused
by the release of adrenahne from the adrenals by histamine. W a d a et al.
(1940) found release (10 to 25 x more adrenaline) from dog adrenals by

Fig. I.

Blood sugar values during the infusion of histamine
in the test cows I and II.

-ocr page 779-

intravenous injections of 1 - 5 mg of histamine. Staszewska-Barc-
z a k and Vane (1965) foimd the same in cats after intravenous infusion
of histamine. It is remarkable that an intravenous infusion of histamine
results in a decrease of the total amount of histamine in the blood (vide

Fig. II).

To find out the mode of action (if this decrease means a release of hist-
amine from the blood cells into the plasma) we decided to differendate
in the next experiment between total blood histamine and plasma hist-
amine. The histamine concentration in the blood was shown to decrease
very rapidly indeed, while the concentration in the plasma increases at
the same time.

According to M on gar (1956) almost any organic base will liberate
histamine to some degree. Schild (1949) has shown that even ammonia
is active in this way. As histamine itself is a base it would be possible that
the histamine administered is able to liberate histamine from the blood
cells as does ammonia originating from the enzymatic breakdown of hist-
amine by amine oxidases.

We have the somewhat paradoxal situation in that an infusion with hist-
amine is neither able to increase the concentration of histamine in the
blood, nor to maintain this concentradon at a constant level. Rose and
Brown (1938) and Rose (1940) described intravenous injections of
histamine in rats resuldng in a decrease of the concentradon of histamine
in the blood. This imphes a very rapid elimination of histamine from the
blood.

Emmelin (1951) studied the histamine content of arterial blood and

-ocr page 780-

of blood collected from different organs during infusion experiments with
histamine in cats. This author found that significant amounts of histamine
could be eliminated by the kidneys (storing, excretion and enzymatic de-
composition by amine oxidases), the intestinal mucosa (enzymatic break-
down and acetylation by micro-organisms), the liver (enzymatic break-
down and acetylation) and to a lesser extent in the hind leg (storing).
One aspect of this elimination was also studied in our experiments.
We determined the monoamine oxidase (M.A.O.) and the diamine oxi-
dase (D.A.O.) activity in the blood in the infusion experiments with test
cow II (vide Fig. III). The M.A.O. activity increases in both experiments
and the D.A.O. activity increases in the first experiment, but in the second
one the activity of this enzyme which is in particular responsible for the
degradation of histamine shows a sharp drop. Unfortunately, we dispose
of one observation only, as it was impossible to get enough serum from
the last blood sample as mentioned before. So it is not possible to draw
a conclusion of this observation. The slight increase in the activity of both
enzymes in the first experiment cannot be the only explanation for the
very rapid elimination of the administered and liberated histamine.

Fig. III.

o---O gem. A E X 1000 hr.

9-3-\'66 X
20-4-\'66(*) o

30

DAO
MAO

V___* from 5 hrs. incubation

-o gem. A E x 1000 min.
-K from 20 min. incubation

20

V /
< *

■A

The monoamine oxidase and diamine oxidase activity in the blood of test
cow II in the infusion experiments with histamine.

The differential blood film shows for cow 1 an increase in the number of
segmented leucocytes. We have no explanation for this phenomenon. On
the other hand cow II had a relative lymphocytosis in the beginning of
the experiment. Parallel with this finding a leucopenia was shown to exist
in the beginning phase of the second infusion experiment (vide Fig. IV),
which was followed by a leucocytosis. It seems to be most probable that
the change of leucocytes count is partly a reflection of the changes in the

-ocr page 781-

»- - - -K cow II 2nd Infusion

o-o cow II Ist Infusion

X-K cow I

number of leucocytes/ml.

uooo
12000
10000
8000
6000

t

2000

1 2 3 i 5 6 24 hrs.

time öfter beginning of the infusion

Number of leucocytes during the infusion of histamine in the test

cows I and II.

number of eosinophilic leucocytes (vide Fig. V). In this case we found
an initial eosinopenia followed by an eosinophilia. During the first infusion
e.xperiment in cow II we found neither an eosinophilia nor a leucocytosis.
These changes in the number of eosinophils have been observed too by
Archer (1963), who performed continuous drip intravenous infusions

Fig. V.

QQQ number of eosinophil leucocytes/ml.
^ ^ t

Number of eosinophil leucocytes during the infusion of histamine

in test cow II.

-ocr page 782-

of histamine in horses. According to this author there exists a chemotactic
effect of histamine upon eosinophilic leucocytes (eosinophils would have
an antihistaminic activity). The eosinophils will accumulate therefore
where the histamine concentration is highest.

For two reasons the eosinophilic leucocytes are withdrawn from the circu-
lation:

1. The histamine disappears rapidly from the blood among others by
accumulation in the tissues and the eosinophils are directed to these
tissues with an elevated histamine content.

2. The decrease of the concentration of histamine in the blood results
in a diminished liberation of the eosinophils from the bone marrow.
(According to Archer this is due to chemotaxis too)

In the course of time developing eosinophilia is not as easy to explain as
suggested by Archer. According to this author the eosinophilia is
caused by an increase of the concentration of histamine in the blood.
Under these delibaretly extreme experimental conditions the animal would
no longer be able to eliminate the histamine by exhaustion, resulting in
an elevation of the concentration of the histamine. This view could not be
confirmed by our experiments (vide Fig. II).

As a result of the infusion we observed, especially in cow II, symptoms
such as production of tears, frothing of the mouth, flushing of the teats
and udder, which often were seen by Hendriks ( 1962) in cows suffer-
ing from nutrition tetany. In a number of cows which died from nutrition
tetany lung oedema was found in post mortem examinations. It appeared
from the autopsy*) of cow II that in this case lung oedema was present
too and at the same time lung emphysema. Many ulcera of different size
were found in all folds of the abomasum and moreover the mucosa had
disappeared in a great part of the pylorus. As for the biogenic amines in
the urine we can only say that the picture is not changed so much (vide
Table V). It is obvious, however, that during the infusion some histamine
is excreted in the urine and this is even the case about 3 hours after
finishing the experiment. We have no explanation for the very high con-
centration of taurine one day after the first experiment and during the
second experiment.

Bois (1962) has found that a magnesium deficiency in rats leads to a
release of histamine from the mast cells. Preston ( 1965) has discovered
a greater sensitivity of the isolated guinea pig ileum for histamine by a
reduction of the magnesivmi content of the medium. These observations
of B o i s and Preston point to a greater sensibility to histamine of cow
II during the second infusion due to the low magnesium content of the
blood and this may be the cause of the dramatic end of the experiment.
A normal concentration of magnesium in the blood would have protected
the animal better against the administered histamine than was the case
in a condition of hypomagnesaemia. Considering that in nutrition tetany
patients the concentration of magnesium in the blood is considerablely
lower than in the test cow that died, there is a possibility that a histamine
release can play a role in the issue of the disease.

-ocr page 783-

The concentration of histamine in the blood of cows suffering from nu-
trition tetany is under permanent investigation.

Acknowledgements.

The authors are very indebted to Mrs. E. M. M. de Munnik-vanderHeide,
Miss C. B. J. Sipman, Miss W. Klazinga, Mr. H. K. Nobels and Mr.
L a n k h o r s t for technical assistance.

SUMMARY.

A description is given of intravenous drip infusions of histamine in two dairy cows.
One of the test animals was a normal cow, while the other animal had a previous
history of nutrition tetany. The first infusion of histamine given while the magnesium
content of the blood was normal (2.1 mg%) showed nearly the same symptoms in
both animals.

The results of the biochemical and haematological analyses are summarized in the
Tables II and III, and Figures I - V.

The second infusion .given to the animal with a nutrition tetany history while the
magnesium content of the blood was low (1.3 mg%) gave rise to very severe
symptoms and after 3 hrs the animal suddenly died.

The results of the biochemical and haematological analyses are mentioned in Table
IV and Figure I - V. Evidence has been obtained that an adequate concentration
of magnesium in the blood may protect the animal against the noxious action of
histamine. Considering that in cows suffering from nutrition tetany the concentration
of magnesium in the blood is low, there is a possibility that histamine release may play
a role in the issue of the disease.

SAMENVATTING.

De auteurs beschrijven een aantal intraveneuze infuusproeven bij een tweetal melk-
koeien. Het ene proefdier was een normale melkkoe, terwijl het andere dier een
voorgeschiedenis van voedingstetanie (kopziekte) had.

Het eerste histamineïnfuus dat aan laatstgenoemde koe werd toegediend terwijl het
magnesiumgehalte van het bloedplasma normaal (2.1 mg\'%) was, gaf ongeveer
dezelfde symptomen te zien als bij de normale koe.

De resultaten van de biochemische cn hematologische bepalingen worden vermeld
in dc tabellen II en III en figuren I - V.

Het tweede infuus werd gegeven terwijl het proefdier met de voorgeschiedenis van
voedingstetanie een plasma-magnesiumwaarde van 1.3 mg% had. De symptomen
t..g.v. het histamineinfuus waren nu veel sterker en na 3 uur succumbeerde het dier
vrij plotseling.

De resultaten van het biochemisch cn hematologiseh onderzoek worden vermeld in
tabel IV en figuren I - V. Er bestaat een aanduiding dat een normale bloedmagnesium-
concentratie het dier beter beschermt tegen schadelijke werking van het histamine-
infuus dan het geval is in een toestand van hypomagnesemie. Bedenkt men verder
dat bij voedingstetaniepatiënten het magnesiumgehalte van het plasma nog aan-
zienlijk lager is, dan kan men zich voorstellen dat „histamine release" van invloed
kan zijn op het verloop van de ziekte.

REFERENCES.

r c h e r, R. K.: The Eosinophil Leucocytes, Blackwcll Scientific Publications,
Oxford, 1960, Adlard & Son Ltd., The Bartholomew Press, Dorking, Great Britain.
Bois, P., Gascon, A. and B e a u 1 n e s. A.:
Nature, Lond., 197, 501, (1963).
Em me lin, N.: Acta Physiol. Scand., 22, 379, (1951).
Fiske, C. H. and S u b b a R o w, Y.: ƒ. Biol. Chem.., 66, 375, (1925).
Fowler, H. D.: Nature, Lond., 197, 619, (1963).

-ocr page 784-

Fujita, A. und I w a t a k e, D.: Biochem. Zschr., 242, 43, (1931).
Gorter, E. en Graaf, W. G. de: Klinische Diagnostiek I, 7e druk, H. E.

Stenfert Kroese N.V., Leiden (1955).
Hagedorn, H. G. und Jensen, B. N.:
Biochem. Zschr., 135, 46, (1923).
Hendriks, H. J.: Enige biochemische aspecten van voedingstetanie. Thesis,
Utrecht (1962).

Hendriks, H. J. en Klazinga, W.: Tijdschr. Diergeneesk., 90, 155, (1965).
Hendriks, H. J., Klazinga, W. en Nobels, H. K.: Tijdschr. Diergeneesk.,
90, 1653, (1965).

Mc. Ewen Jr., Ch. M.: J. Lab. Clin. Med., 64, (4), 540, (1964).
M o n g a r, J. L.: Ciba Foundation Symposium on Histamine, 74, J. & A. Churchill

Ltd., 104 Gloucester Place Wl, London (1956).
Preston, R. L.: to be published soon.

Rheenen, D. L. van: Biogene aminen bij het rund, mede in verband met

hypomagnesemie. Thesis, Utrecht (1964).
Rose, B. and Browne, J. S. L.:
Am. J. Physiol., 124, 412, (1938).
Rose, B.: Science, 92, 454, (1940).

Seekles, L.: Sixth Intern. Congress Comparative Pathology, Madrid, 337, (1952).
Seekles, L.: Tijdschr. Diergeneesk., 78, 1, (1953).

Shore, P. A., Burk hal ter, A. and Cohn, V. H.: /. Pharm. exp. Therap.,
127, 182, (1959).

W a d a, M., H u z i i, K., S i b u t a, H. and S a k u r a i, H.: Tohoku J. exp. Med.,

37, 442, (1940); Chem. Abstr., 34, 3819, (1940).
Schild, H. O.: Nature, Lond., 164, 24, (1949).

Staszewska-Barczak, J. and Vane, J. B.: Brit. J. Pharmacol., 25, 728,

(1965).

Weissbach, H., Smith, Th. E., Daly, J. W., Witkop, B. and Uden-
friend, S.: ƒ.
Biol. Chem., 235, 1160, (1963).

Prof. H. van Genderen, Utrecht:

In hoeverre kan de door U waargenomen leucopenie hebben bijgedragen
tot de verlaging van het histaminegehalte van het bloedcellengedeelte
van het bloed?

Drs. M. J. H. Geelen, Utrecht:

De leucopenie is m.i. een gevolg van een eosinopenie, omdat de aan-
tallen eosinofiele leucocyten de aantallen leucocyten volgen. Als er
n.1. sprake is van leucopenie zien we ook een eosinopenie en bij een
leucocytose vinden we eosinofilie. In het eerste experiment met koe II
trad geen leucocytose op, echter ook geen eosinofilie (zie fig. IV en V).
Voor zover bekend zijn de eosinofielen geen histamine depots, dit is
wel het geval met de basoficlen. Over de verandering hierin kan niets
gezegd worden, omdat noch voor, noch tijdens, noch na het experiment
basoficlen gezien zijn.

Uw vraag suggereert dat bij een leucocytose ook het histaminegehalte
in het bloed moet stijgen, dit is echter niet het geval.

Discussie

Vraag:

Antwoord:

Vraag: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Acht u de toevoeging van een antihistaminicum aan een infusievlocistof,
bedoeld voor de behandeling van kopziekte, gewenst ?

Antwoord: Drs. M. J. H. Geelen, Utrecht:

De experimenten van Seekles en Preston suggereren, dat dit
inderdaad gewenst is. Het is natuurlijk de vraag of dit altijd effect zal
hebben, omdat men meestal als behandelend dierenarts bij een kopziekte

-ocr page 785-

patiënt komt, nadat de mogelijke „histamine release" al plaats gehad
zal hebben.

Opmerking: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Naar aanleiding van onze experimenten met in vivo toediening van
pyrogenen wil ik nog het volgende opmerken: de daling van het hista-
minegehalte in totaal bloed, hep in deze experimenten parallel aan de
veranderingen van het witte bloedbeeld. Alhoewel wij het histamine-
gehalte in plasma niet bepaald hebben en ook het witte bloedbeeld niet
nader gedifferentieerd is, achten wij de correlatie tussen leucopenie en
histamine daling mogelijk. Dit zou ook voor uw experimenten kunnen
gelden.

Antwoord: Drs. M. J. H. Geelen, Utrecht:

Zie antwoord aan Prof. van Genderen.

Vraag: Drs. Th. A. M. Elsinghorst, Utrecht:

U noemt in uw lezing de positieve Chemotaxis van histamine t.o.v. de
polymorfkernige eosinofiele leucocyten en u legt verder een verband
tussen de daling van het histaminegehalte in het bloed en de optredende
eosinopenie. Echter het histaminegehalte van het bloed nam in uw
experimenten wel af, maar het gehalte aan histamine in het bloedplasma
nam in dezelfde periode toe.

Mijn vraag is nu: geldt genoemde Chemotaxis alleen voor het vrije his-
tamine of ook voor het in de cellen aanwezige histamine? Mocht het
eerste het geval zijn, is dan wel zonder meer het verband te leggen
tussen de daling van het histaminegehalte van het bloed (terwijl het
histaminegehalte in het bloedplasma stijgt) en de eosinopenie?

Antwoord: Drs. M. J. H. Geelen, Utrecht:

De Chemotaxis geldt voor het vrije histamine. Wat uw tweede vraag
betreft, is het verband tussen eosinopenie en histaminedaling m.i. toch
te handhaven. Het geïnfuseerde histamine raakt n.1. zéér snel uit de
bloedcirculatie o.a. door opslag in de weefsels. Hierin neemt dus de
concentratie aan histamine toe. Deze zal plaatselijk zeker hoger zijn dan
de eveneens gestegen histamineconcentratie in het plasma. Naar deze
weefsels zullen de eosinofielen nu gedirigeerd worden. De eosinofielen
verlaten de bloedbaan, hetgeen in eosinopenie resulteert.

Vraag: Drs. H. C. K a 1 s b e e k. Utrecht:

Wat was de doodsoorzaak van de gestorven koe? Kan de histamine oor-
zaak van het longoedeem geweest zijn door het veroorzaken van vaat-
wandbcschadiging? Het genoemde longemfyseem kan in het laatste
stadium zeer goed veroorzaakt worden door het aanwezige longoedeem.

Antwoord: Drs. M. J. H. Geelen, Utrecht:

Doodsoorzaak longoedeem en longemfyseem. Het histamine verandert de
vaatwandpermeabiliteit, dit geeft uittreden van vocht uit de bloedbaan.
Dit uitgetreden vocht kan ook terecht komen in de longen. Het feit
blijlt, dat het dier bij een normaal magnesiumgehalte niet succumbeerde
t.g.v. het histamineïnfuus, wel echter bij de hypomagnesemische
toestand.

Vraag: Prof. Dr. G. W a g e n a a r. Utrecht:

Ik meen uit uw betoog te moeten opmaken, dat u enig verband zoekt
tussen een „histamine release" en het optreden van kopziekte. Het lijkt
mij dat u uit uw proeven slechts de conclusie mag trekken, dat een koe
aan een histamineïnfuus kan sterven.

-ocr page 786-

Antwoord: Drs. M. J. H. G c e 1 e n. Utrecht:

Door verlaging van het magnesiumgehaltc, op welke manier dan ook,
is het dier kennelijk zo labiel geworden, dat er maar een kleine bij-
komende factor nodig is om secundaire effecten op te roepen. Het is uit
de literatuur bekend, dat ammoniak in staat is om histamine vrij te
maken (in het voorjaar hoog ammoniakgchalte in het bloed), deze vrij-
making gaat ook gemakkelijker door het verlaagd magnesiumgehaltc
(Bois) en zou dan door de grotere gevoeligheid voor histamine
(Preston) kunnen leiden tot fatale afloop.

Deze experimenten hebben dan ook geen betrekking op de oorzaak
van het ontstaan van vocdingstetanie (i.e. hypomagnesemie), wel op
secundair optredende effecten. De lagere magnesiumwaarde (1,3 mg%)
is niet het gevolg van het histamineïnfuus maar van het onthouden
van magnesiumoxidekoek.

Uw laatste opmerking wil ik graag van een restrictie voorzien nl. dat
dit niet aan te bevelen is voor een hypomagnescmische koe. Hierbij
moet aangetekend worden dat bij een normomagnesemische toestand een
zelfde dosis histamine niet geleid heeft tot dramatische gevolgen.

-ocr page 787-

Een bezoek aan een denkbeeldig „probleem-
bedrijf"

A visit to an imaginary "problem-farm"

door TH. DE GROOT1)

Uit het Zoötechnisch Instituut van de Rijksuniversiteit te
Utrecht.

Inleiding

De laatste jaren wordt de dierenarts meer en meer geconfronteerd met
veehouderijbedrijven waar „het niet goed gaat".

Dat „niet goed gaan" kan betrekking hebben op één enkel symptoom,
bijv. het niet drachtig willen worden van het vee, het niet goed willen
groeien van de dieren, eventueel speciaal het jongvee, of een te lage melk-
produktie, soms echter ook treft men deze klachten gecombineerd aan op
eenzelfde bedrijf. In het laatste geval moet men beginnen met zich af te
vragen, of het ene symptoom (slechte melkproduktie) niet een gevolg is
van het andere (onvoldoende vruchtbaarheid) of dat beide een gevolg zijn
van eenzelfde primaire oorzaak; we komen daar straks nog wel nader op
terug.

Maar hoe dit ook zij, in ieder geval moet men door het zo nauwkeurig mo-
gelijk opnemen van de anamnese en door een zo uitgebreid mogelijke na-
dere analyse van de verdere beschikbare gegevens, eventueel aangevuld
met een zo goed mogelijk doelbewust nader onderzoek, proberen tot een
diagnose te komen. Het is de bedoeling om in deze inleiding enkele daarbij
voorkomende moeilijkheden en de eventuele mogelijkheden, die we ten
aanzien van een nader onderzoek hebben, aan een beschouwing te onder-
werpen, zonder daarbij de illusie te willen wekken dat we in alle op-
zichten volledig zouden kunnen zijn.

Nadere analyse van de anamnese

Als men kennis heeft genomen van de voorkomende klachten dient men
deze daarna eerst kritisch te bestuderen, door ze zoveel mogelijk te toetsen
aan de beschikbare objectieve gegevens. Dit gelukt het gemakkelijkst bij
de vruchtbaarheid en de melkproduktie met behulp van respectievelijk de
inseminatie- of deklijsten en de melkcontrolegegevens, maar het is moei-
lijker voor de vleesproduktie (groei), omdat meestal geen cijfers van we-
gingen der dieren beschikbaar zijn.

Dat het bij het bestaan van klachten over het drachtig worden van het
vee nodig is de dekkingsresultaten nader te analyseren is mij herhaaldelijk
gebleken. Het komt namelijk meermalen voor, dat de boer dermate onder
de indruk is gekomen van het niet drachtig willen worden van 2 of 3 van
zijn koeien dat hij eenvoudig over het hoofd heeft gezien dat de meeste
dieren normaal vlot dragend zijn geworden. Het spreekt vanzelf dat men
in zo\'n geval niet in de eerste plaats aan een algemene oorzaak en dus
ook niet aan een onjuiste voeding voor de gestoorde vruchtbaarheid mag

1  Prof. Dr. Th. de Groot; buitengewoon hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 788-

denken. Komt men echter tot de conclusie dat de bevruchtingsresuhaten
inderdaad te wensen overlaten, ook dan zijn er uiteraard nog vele oor-
zaken mogelijk die buiten de voeding gelegen zijn. Het kan soms moeilijk
zijn deze met zekerheid uit te sluiten en toch is dit eigenlijk nodig, als
men een onjuiste voeding als oorzaak van de moeilijkheden aan wil wijzen.
Zo blijkt het niet eenvoudig om met zekerheid alle infecties uit te sluiten.
Ook kan de oorzaak van het niet drachtig worden bij de stier gezocht
moeten worden of soms nog heel ergens anders gelegen zijn.
Dat men bij wijze van spreken „overal" op verdacht moet zijn kan ik
illustreren met het volgende voorbeeld: op een bedrijf schommelde het
efficiëntiegetal al een paar jaar boven de 2 terwijl nauwelijks 40% der
dieren drachtig werd van de eerste inseminatie. Hoewel de resultaten van
de K.I. vereniging, waar deze boer bij aangesloten was, niet bepaald de
beste van Nederland waren, lagen de resultaten op dit bedrijf toch ver
beneden het verenigingsgemiddelde. Hier bleek tenslotte de oorzaak bij de
boer zelf gelegen te zijn. Het bleek namelijk dat deze dikwijls te Iaat was
met het opgeven van zijn tochtige dieren, zodat de inseminatoren vaak
vertrokken waren als zijn meldingen binnen kwamen. Nadat hierin ver-
betering was gebracht met behulp van een door de boerin uitgeoefend
controlesysteem waren de bevruchtingsmoeilijkheden meteen verdwenen.
Dat de bedrijven met veel herfst-kalvende koeien vaak speciale moeilijk-
heden geven in dit opzicht omdat het vaststellen van de tochtigheid op
stal dikwijls moeilijk is, hoef ik hier niet nader op te wijzen. Het enige
wat men de boer aan kan raden is om de koe in geval van twijfel aan
tochtigheid van de stal te halen en na te gaan of ze zich door een andere
koe wil laten bespringen.

Ook over het bestuderen van het melkcontroleboekje zou ik een paar op-
merkingen willen maken. Zo moet men zich bijv. niet beperken tot het be-
oordelen van de uitgerekende lijsten en vaststellen dat de produkties per
lactatieperiode onvoldoende zijn, maar ook de staten als geheel nauw-
keurig te bekijken. Men kan zich dan een oordeel vormen over de hoogte
van de produktie vlak na het afkalven, het tempo, waarmee deze pro-
duktie achteruitgaat, de lengte van de droogstand, de veranderingen die
optreden in de melkhoeveelheid en (of) het vetgehalte als de dieren in de
weide komen enz. Hoewel dat nogal wat rekenwerk vraagt kan men, mits
het aantal koeien op het bedrijf niet te klein is, gebruik maken van de pro-
duktie per standaardkoe als men de invloed van de leeftijd en van hel
stadium van de lactatieperiode zoveel mogelijk uil wil schakelen.
Het moeilijkst zijn dus de gegevens omtrent groei, conditie en ontwikke-
ling der dieren te verkrijgen en te beoordelen. Hierbij moet wel worden
afgegaan op de subjectieve indruk die men krijgt als men de dieren in
ogenschouw neemt. Uiteraard vereist het enige ervaring om vast te kun-
nen stellen of het jongvee, gezien de leeftijd, voldoende ontwikkeld is.
Bij het beoordelen van de conditie van het melkvee moet vanzelfsprekend
met het stadium van de lactatieperiode en de hoogte van de produktie
rekening worden gehouden. Eveneens lijkt het vanzelfsprekend dat men
een slechte ontwikkeling van het jongvee niet toe moet schrijven aan
cobaltgebrek of een andere deficiëntie als het rantsoen te gering is, of uit-
sluitend bestaat uit voer van inferieuze kwaliteit.
Toch heb ik dit wel eens meegemaakt.

-ocr page 789-

Klinische inspectie van de veestapel

Na zich een zo goed mogelijk beeld van de ernst van de klachten te heb-
ben gevormd, moet men overgaan tot een wat nauwkeuriger in ogen-
schouw nemen van de dieren. Daarbij zal men al naar de aard van de
klachten speciale aandacht aan bepaalde organen of lichaamsdelen gaan
schenken, zonder echter het totaalbeeld al te veel uit het oog te verliezen.
Men tracht zich aldus een beeld te vormen van de ontwikkeling der
dieren, men beoordeelt de conditie, de pensvulling c.q. flankdiepte, kleur
en glans van het haar, de soepelheid van de huid, de consistentie van de
mest, de beenstanden speciaal in spronggewrichten en kogels, de gang bij
loslopende dieren enz. Verder gaat men na of er abnormale uitvloeiing
bestaat, of de kleur van de slijmvliezen goed is, of er bij de op stal staande
dieren grote voerresten aanwezig zijn en of ze met de achterklauwen ge-
heel op de stand staan of alleen met de voorste punt. (In het laatste geval
bestaat de kans dat dit veroorzaakt wordt door een onjuiste Ca/P-voorzie-

Daarnaast tracht men zich een oordeel te vormen over de kwahteit en
kwantiteit van het verstrekte voer. Wat de kwantiteit betreft verdient het
\\aak aanbeveling om de door de boer verstrekte hoeveelheden enkele
keren te wegen, omdat de ervaring leert dat men niet weet hoeveel 1 kg
hooi resp. kuilvoer is.

Schattingen van de boer zijn niet zelden 100% mis!

Bij constant te lage melkgift moet, als men de oorzaak in de voeding wil
zoeken, o.a. vaststaan dat er niet sprake is van chronische mastitis en dat
de melker inderdaad deze eretitel waard is. Zo is mij een geval bekend
waarbij de oorzaak van de slechte produktie alleen maar bestond in een
onjuiste afstelling van de melkmachine, zowel voor wat betreft het aantal
pulsaties als de hoogte van het vacuum.

Betreft de klacht van de onvoldoende produktiviteit uitsluitend de vaar-
zen, dan is het eerste wat men zich afvraagt of ze alle dezelfde vader heb-
ben, in welk geval de erfelijke aanleg als de meest waarschijnlijke oorzaak
moet worden aangemerkt, hoewel een slechte weide gedurende de vorige
zomer (parasitaire infecties) soms desastreuze gevolgen voor de produk-
tiviteit in de eerste lactatieperiode kan hebben (b.v. bij uitgeschaard ge-
weest zijnde pinken).

Hetzelfde kan zich voordoen bij het opbreken van de geïnsemineerde
koeien. Hoewel naar mijn mening de oorzaak van het op regelmatige tijden
opbreken meestal bij de koeien gezocht moet worden, herinner ik me een
geval waarbij dat misschien toch niet het geval is geweest. Het betrof een
bedrijf, waar van de zes halfzusters vier stuks niet drachtig te krijgen
waren. De tijden tussen de laatste inseminatie en het opnieuw tochtig
worden varieerden van 28 tot 50 dagen, waarbij perioden als 30 a 35
dagen voorkwamen. Bij het onderzoek bleek dat de eigenaar probeerde al
deze dieren drachdg te krijgen van eenzelfde, overigens goed bevruch-
tende, stier, wat dus slecht gelukte. Toen uiteindelijk een andere stier
werd ingeschakeld werden de dieren betrekkelijk vlot drachtig. Hoewel
hier niets bewezen kon worden lijkt mij de kans groot, dat we hier te
maken hebben gehad met een, misschien erfelijk bepaalde embryonale
sterfte, hoewel er geen nauwe familierelatie bestond tussen de vader van
deze dieren en de stier waarvan het zaad was gebruikt om ze te insemi-
neren.

-ocr page 790-

Tenslotte is het van belang om na te gaan, of de dieren zich misschien in
een of ander opzicht afwijkend gedragen, bijvoorbeeld verschijnselen van
likzucht vertonen. Vooral dit laatste vormt een belangrijke aanwijzing
dat de oorzaak van de moeilijkheden in de voeding gezocht moet worden.
Liggen de problemen met name bij de voortplanting en wat daarmee
samenhangt dan kan het van belang zijn om te weten of de dieren duide-
lijke tochtigheidsverschijnselen vertonen, of ze regelmatig tochtig worden,
of doelbewuste stierenkeuze wordt toegepast, of retentio secundinarum
voorkomt enz.

De voeding als oorzaak van de problemen

Als men er zich van heeft overtuigd, dat de door de eigenaar geuite klach-
ten inderdaad reëel zijn en men heeft andere mogelijke oorzaken, inclusief
infecties (ook parasitaire), zo goed mogelijk uitgeschakeld, dan moet wor-
den nagegaan of er mogelijk iets mis is met de voeding.
Daarbij moet dan zowel gedacht worden aan de voorziening met orga-
nische nutriënten (vre., ZW, vitamines) als aan de vooraiening met de ver-
schillene mineralen. Speciaal bij de mineralen moet niet alleen aan te-
korten maar ook aan eventuele overmatige opname (vergiftiging) worden
gedacht, maar dit laatste zal hier verder buiten beschouwing worden ge-
laten.

Nu zijn van vele nutriënten de normen bekend: de normen voor vre en
ZW zijn voor dieren van verschillende leeftijd en produktie te vinden in
de voedernormen-tabellen. Dat levert dan ook niet het grootste probleem,
maar de moeilijkheid is vaak wel, dat de boer van de ruwvoeders die hij
verstrekt nóch de samenstelling noch de hoeveelheid kan opgeven. Dit is
een buitengewoon ongewenste situatie, niet alleen voor de dierenarts, om-
dat hij moet trachten de voorkomende problemen op te lossen, maar
misschien nog meer voor de boer zelf, omdat door deze omstandigheid dik-
wijls veel geld wordt verknoeid door onjuiste, d.w.z. te dure, voeding.
Daar komt dan nog bij dat betrekkelijk veel boeren geen notie van dc
voedernormen hebben. Het meest schrijnende voorbeeld dat ik daarvan
ben tegengekomen betreft een boer die aan zijn koeien met een gemiddel-
de produktie van nog geen 20 kg per dag naast hooi, kuil en bieten waar-
van de dieren niet veel zullen hebben opgenomen, niet minder dan 8 kg
C-koek per dier per dag voerde. De motivering was dat de produktie hem
tegenviel en dat hij hoopte dat daardoor de produktie zou stijgen. Op dit
betrekkelijk kleine bedrijf werd per dag ongeveer 60 gulden aan melkgeld
ontvangen en 56 gulden aan krachtvoer voor deze melkkoeien uitgegeven!
Hoewel dit uiteraard een zeer extreem voorbeeld is van hoe het bepaald
niet moet, komen daarnaast zeer veel bedrijven voor waar de voeding, zij
het in mindere mate, toch niet rationeel is. Het is mijn overtuiging dat de
dierenarts hier een belangrijke voorlichtende taak kan hebben, immers
met een al of niet rationele voeding van het vee kan de rentabiliteit van
de melkveehouderij van een bedrijf staan of vallen.

Overigens spreekt het uiteraard vanzelf dat, als men genetische oorzaken,
slechte melktechniek, infecties enz. redelijkerwijs kan uitschakelen, men
in de eerste plaats aan een onjuiste voeding als oorzaak voor een te lage
produktie gaat denken. Speciaal komen daarvoor in de eerste plaats in
aanmerking een tekort aan zetmeelwaarde en/of een tekort aan voeder-

-ocr page 791-

normruweiwit. Men zal dit vooral moeten verwachten op de bedrijven
waar het ruwvoer geheel uit hooi en kuilvoer van minder goede kwaliteit
bestaat, bijvoorbeeld doordat men het gras in een te oud stadium heeft
gemaaid, wat vooral funest is voor de verteerbaarheid en dus voor de
voedingswaarde.

Ik zou dit voor wat de ZVV betreft met één enkel rekenvoorbeeld willen
illustreren: als het asgehalte van het hooi 8 a 10% bedraagt, zal bij een
ruwe celstofgehalte van 28% van het hooi de ZW 45 zijn, terwijl bij een
ruwe celstofgehalte van 33% de ZW maar 36 bedraagt. Dit betekent dat
als men tot een ZW-opname door de dieren wil komen, die gelijk is aan de
opname bij 8 kg van het eerste hooi, 10 kg van het tweede hooi nodig is.
Rij een ruwe celstofgehalte van 38% zou dit zelfs 13 kg zijn! Nog afgezien
van de vraag of de dieren in staat zullen zijn deze laatste hoeveelheid op
te nemen, omdat de drogestof-opname lager wordt naarmate het ruwe
celstofgehalte hoger wordt, volgt hieruit, en hetzelfde geldt voor kuilvoer,
dat een goede kwaliteit de eerste voorwaarde is voor een goede zetmeel-
waarde-voorziening van het rundvee. Helaas weten heel veel veehouders
vaak niet hoe slecht hun voer is.

Het laten bepalen van de voederwaarde van het ruwvoer moet dan ook
worden aanbevolen, niet alleen om een verantwoord rantsoen op te kun-
nen stellen, maar ook om op deze wijze te bewerkstelligen dat men meer
aandacht gaat besteden aan de winning van het ruwvoer. Nog te weinig
veehouders beseffen hoeveel geld op deze wijze te verdienen zou zijn. Ze
moeten niet vergeten dat 100 kg slecht hooi ongeveer evenveel geld kost
als 100 kg goed hooi. Dat betekent dat halvering van de zetmeelwaarde
ongeveer een verdubbeling van de kostprijs van een k ZW betekent.
Bovendien betekent goed voer een grote besparing op de veevoerrekening
en men dient te allen tijde te bedenken, dat de prijs van een k ZW uit
krachtvoer 50 tot 75% duurder is dan een k ZW uit ruwvoer. Daaruit
volgt tevens, dat ook het winnen van een voldoende grote hoeveelheid
mwvoer een belangrijke voorwaarde is voor de economie van het Neder-
landse veehouderijbedrijf.

Het eerste gevolg van een te geringe ZW-opname bij nieuw-melke koeien
is een (te) snelle achteruitgang in conditie. Spoedig zal ook de hoogte van
de melkproduktie blijken tegen te vallen: zowel het niveau is te laag als
de daling te snel. Misschien nog belangrijker is, dat door een te lage ZW-
opname het optreden van acetonemie in de hand wordt gewerkt, al staat
wel vast dat ondervoeding niet de enige oorzaak van deze ziekte is. Mis-
schien is het daarom juister om te zeggen dat een adequate ZW-voor-
ziening in de grote meerderheid van de gevallen het optreden van aceton-
aemie voorkomt.

In dit verband moeten nog twee opmerkingen worden gemaakt: in de
eerste plaats, dat het erg moeilijk is om zeer produktieve koeien gedurende
de stalperiode voldoende ZW te doen opnemen, omdat ze nu eenmaal niet
uitsluitend op krachtvoer kunnen leven en in de tweede plaats dient de
dierenarts te bedenken dat, als hij bij een koe op een bedrijf acetonemie
constateert, dat de kans groot is dat ook de andere nieuwmelke koeien on-
voldoende ZW opnemen.

Als dit inderdaad het geval blijkt te zijn moet dus een aanvulling met ZW-
rijk voer voor deze dieren worden geadviseerd. Daarbij dient er dan reke-

-ocr page 792-

ning mee te worden gehouden, dat als bijvoorbeeld 1 of 2 kg meer pulp
of mais in het ranstoen wordt opgenomen, de kans bestaat dat de dieren
van het andere voer zullen laten liggen. Dat kan een nieuwe aanvulling
van het rantsoen noodzakelijk maken. Het is n.1. vanzelfsprekend dat het
niet interessant is te weten hoeveel voer de boer voor zijn koeien gooit,
maar wel hoeveel de dieren inderdaad opnemen.

Pas als men heeft uitgemaakt dat de te lage produktie niet het gevolg is
van een te lage opname aan zetmeelwaarde of voedernorm ruw eiwit, b.v.
op grond van het feit, dat ook gedurende de weideperiode de produktie te
wensen overlaat, mag het vermoeden van een mineralendeficiëntie worden
uitgesproken. De enige manier om daaromtrent beter georiënteerd te ge-
raken is een onderzoek in te laten stellen naar de gehaltes in het (ruw)
voer. Helaas is dit een tamelijk kostbare aangelegenheid want hiermee
zijn meestal enkele honderden guldens gemoeid, omdat men met het
onderzoek van 1 of 2 monsters niet veel verder komt. Hoewel mijns in-
ziens, vooral als de moeilijkheden groot zijn, het maken van deze onkosten
meestal wel verantwoord is, kan men proberen om met behulp van de
gratis service, die de gezondheidsdiensten willen verlenen, op een goed-
kopere wijze de oplossing te vinden, waarvoor het wel gewenst is aanwij-
zingen te hebben omtrent de vermeende richting waarin men moet zoeken.
Zo kan men de vermoedelijke diagnose natriumgebrek trachten te laten
bevestigen door urine-onderzoek, vermoedt men met kopergebrek te ma-
ken te hebben dan kan men enkele bloedmonsters nemen met een koper-
vrije canule in een kopervrij flesje, of leverbiopsie doen om het koper-
gehalte in de lever te laten vaststellen.

Dit kopergebrek is trouwens alleen maar op deze wijze vast te stellen,
maar om tot de meest verantwoorde therapie te komen zal men het koper-
gehalte van de grond moeten weten, althans als het bedrijf op zandgrond
is gelegen. Hetzelfde geldt eigenlijk voor cobalt-gebrek, hoewel men de
diagnose vaak op een elegante wijze kan stellen door b.v. de helft van de
dieren met behulp van een sporenelementenboekje wat extra cobalt te
verstrekken en de reactie van deze dieren daarop te vervolgen.

Moeilijker wordt het voor de belangrijke mineralen calcium en fosfor.
Om een enigszins betrouwbaar beeld te krijgen van de voorziening van de
dieren met deze macroëlementen is onderzoek van het ruwvoer (gras,
hooi, kuilvoer) eigenlijk onontbeerlijk. Als minimum gehalte zou ik aan
willen houden 0.40% Ca en 0.30% P in de droge stof met dien verstande
dat, naarmate het ene gehalte hoger is, ook het andere hoger moet zijn
om zoveel mogelijk in de buurt van de verhouding Ca : P = 3 : 2 te blij-
ven. De eisen die aan deze verhouding gesteld moeten worden, worden
stringenter naarmate de vitamine D-voorziening meer te wensen overlaat
en dit laatste lijkt mij de laatste jaren een steeds actueler punt te worden.
Dit hangt samen met de modernisering van de hooiwinningsmethode.
Doordat de hooiventilatie namelijk steeds meer opgang doet wordt de
veldperiode bij het hooien steeds korter en dit is funest voor het vit. D-
gehalte van het hooi. Daar komt nog bij dat de verliezen aan voedings-
waarde door deze methode van hooiwinning aanzienlijk geringer zijn, het-
geen betekent dat het ruwvoer van een dergelijke kwaliteit wordt, dat spe-
ciaal het jongvee en ook de oudmelke en eventueel de droogstaande
koeien kunnen volstaan met een rantsoen dat alleen uit ruwvoer bestaat.

-ocr page 793-

Daar in grassilage praktisch in het geheel geen vit. D voorkomt wordt de
voorziening met dit vitamine onvoldoende. Verstrekking hiervan in de
vorm van een concentraat kan dan uitermate wenselijk worden.

Bezoek aan een bedrijf

Na de voorgaande uitvoerige inleiding zou ik thans graag in gedachten
met U een bezoek aan een bedrijf willen gaan brengen. De reden van
onze komst is, dat de eigenaar heeft geklaagd over onvoldoende produktie
van zijn melkkoeien, terwijl ook het jongvee „het niet goed doet".
Het op zandgrond gelegen bedrijf blijkt 15 ha groot te zijn en cr worden
25 melkkoeien en 10 pinken gehouden, terwijl verder constant ca. 80 mest-
varkens aanwezig zijn. Het rantsoen van de melkkoeien bestaat uit:
\'s avonds 5 kg ventilatiehooi en \'s morgens 25 kg kuilvoer en 15 kg voeder-
bieten, terwijl daarnaast 1 kg krachtvoer per kg melk wordt verstrekt
boven de basisproduktie van 10 kg melk. Extra mineralen worden niet
gegeven.

Bestudering van het boekje van de melkcontrole leert ons, dat de oudere
nieuwmelke koeien bij de eerste controle niet meer dan 20 ä 22 kg melk
geven terwijl de vaarzen, afstammende van verschillende K.I. stieren, be-
ginnen met 10 ä 12 kg, zodat de boer dus inderdaad reden voor zijn
klachten lijkt te hebben, temeer daar de produktie bij elke volgende 3
weekse controle ongeveer met 1 kg blijkt te dalen. Inzage van de insemina-
tielijst toont aan dat het efficiëntigetal boven 2 ligt en dat nog geen 40%
\\\'an de eerste inseminatie dragend wordt, ondanks het feit dat minstens 4
verschillende stieren zijn gebruikt. De dieren lijken als regel normaal om
de 3 weken op te breken.

Hoewel de boer ons thans voor het eerst heeft geroepen, komt hij achteraf
tot de conclusie dat het eigenlijk al een paar jaar minder goed gaat. De
produktie liep in de loop van de jaren geleidelijk iets achteruit, maar dit
jaar is de achteruitgang ineens veel groter geworden. Bij informatie blijkt
verder dat kopziekte en melkziekte niet voorkomen, terwijl acetonemie
slechts sporadisch is geconstateerd. Wèl heeft hij afgelopen winter bij 5
dieren die normaal afkalfden retentio secundinarum gehad en maakten de
nieuwmelke koeien voor de partus onvoldoende uier. Zowel \'s zomers als
\'s winters staan de dieren likstenen ter beschikking. Hooi en kuilvoer zijn
op voederwaarde onderzocht en blijken van goede kwaliteit te zijn. Een be-
rekening leert dat de dieren volgens de normen of zelfs iets daarboven
worden gevoerd.

Uit het aantal koeien per ha kunnen we afleiden, dat we met een vrij In-
tensief bedrijf te maken hebben. Bij informatie blijkt, dat als kunstmest
alleen stikstofkunstmest wordt aangekocht en wel naar 13 ä 14 baal (ca
300 kg N) per ha. Kunstmestkali en fosfaat zijn de laatste jaren niet meer
gekocht omdat door de zware veebezetting en het aanzienlijke aantal var-
kens voldoende stalmest en gier worden geproduceerd om in de K- en P-
behoefte van het bedrijf te voorzien, blijkens een berekening van de rayon-
assistent van het rijkslandbouwconsulentschap.

Het wegvallen van de kalikunstmest betekent echter tevens dat geen Na
en Cl meer langs deze weg op het bedrijf zijn aangevoerd en dit doet bij
ons het vermoeden rijzen, dat we hier wel eens met natrium-gebrek en
misschien ook chloorgebrek te maken zouden kunnen hebben. Dit vermoe-

-ocr page 794-

den wordt aanzienlijk versterkt als we in de stal komen en constateren, dat
de likstenen grote aandacht van het vee blijken te krijgen. De boer vertelt
ons dat hij sommige stenen gedurende de winter 2 en soms 3 maal moet
vernieuwen. We vragen de boer dan ook om de volgende morgen vóór
het melken van enkele koeien, zowel nieuw- als oudmelke (de laatste
krijgen namelijk geen krachtvoer) een flesje urine te verzamelen, zodat we
daarin het Na-gehalte kunnen laten bepalen. Dit zal vrij zeker laag blijken
te zijn en dan moet het advies gegeven worden om 50 gram landbouwzout
per koe per dag over het kuilvoer te strooien. Verder zal een bemesting
met landbouwzout van zijn grasland gewenst zijn. De juiste hoeveelheid per
ha zal via grond- en grasonderzoek moeten worden vastgesteld, maar zal
vermoedelijk 50 a 100 kg per ha bedragen.

Bij nadere inspectie van de veestapel blijkt dan verder dat verschillende
dieren pijnlijke klauwen hebben. Daar ook de pinken staan te trippelen en
een duidelijke steile stand in sprongen en kogels vertonen, wordt de vrees
uitgesproken dat de voorziening met Ca en P en misschien vitamine D niet
adequaat is. Wat die vit. D-voorziening betreft herinneren we ons dat de
dieren veel kuilvoer krijgen en daarenboven bieten en ventilatiehooi, geen
van drieën bepaald rijke bronnen voor dit vitamine, zodat aan de voorzie-
ning met Ca en P des te hogere eisen moeten worden gesteld. Om deze
redenen wordt er bij de boer op aangedrongen, onder vermelding van de
lab.nummers van het onderzoek van hooi en kuil op voederwaarde, een
aanvullend onderzoek op Ca en P aan te vragen. Tevens raden we hem
aan het Na-gehalte te laten bepalen, zodat ook op deze wijze onze diagnose
Na-tekort nog kan worden bevestigd en een meer gefundeerd oordeel ge-
vormd kan worden omtrent de grootte van de landbouwzoutgift over het
grasland. Deze moet namelijk niet onnodig hoog gekozen worden, daar dan
gevaar zal ontstaan voor de Ca- en Mg-gehaltes van het gras. Heeft de boer
de kosten er voor over dan zouden ook de Mg- en de Cl-gehaltes nog be-
paald kunnen worden.

Verdere inspectie van de pinken brengt dan nog aan het licht dat de con-
ditie der dieren te wensen overlaat en dat ze vrij grote voerresten voor
zich hebben liggen. De boer blijkt ook niet over de eetlust te spreken te zijn,
terwijl duidelijke likzuchtverschijnselen zijn waar te nemen. Dit laatste zou
door Na-gebrek veroorzaakt kunnen worden maar de opgeschorte buik en
de onvoldoende voeropname zijn daarmee toch eigenlijk niet te verklaren.
Eerder moet hier nog de mogelijkheid van cobaltgebrek worden overwogen,
maar redelijke zekerheid daaromtrent krijgen we pas als we grondonderzoek
hebben laten doen. In afwachting van de uitslag daarvan raden we aan in
ieder geval de pinken een sporenelementenkoekje te geven en dit toch ook
aan een deel van de koeien te geven om de reactie van de dieren daarop
te kunnen nagaan. Blijkt deze gunstig te zijn dan zal het strooien van co-
baltsulfaat of koperslakkenbloem over het land noodzakelijk zijn. De be-
nodigde hoeveelheid zal door de rayonassistent kunnen worden bepaald,
afhankelijk van de uitslag van het grondonderzoek. We zijn er ons van be-
wust, dat we van de boer een vrij aanzienlijk geldelijk offer hebben ge-
vraagd als hij aan al onze verzoeken betreffende onderzoek van gewas en
grond gaat voldoen, maar we zijn er ook van overtuigd dat dit in alle op-
zichten verantwoord zal zijn, omdat de kans groot is, dat we met behulp
van deze gegevens in staat zullen zijn hem een aantal waardevolle adviezen

-ocr page 795-

te kunnen geven, die voor de rentabiliteit van zijn bedrijf van groot nut
zullen blijken te zijn.

SUMMARY.

It is emphasized that, when visiting a so-called problcmfarm, one should start with
a thorough analysis of the anamnesis and data concerning fertility, milkyield and
animal-growth. Malnutrition cannot be indicated as the cause of complaints untill
all other possible causes have been eliminated (like infection, hereditary predisposition
or bad milking technique).

However if malnutridon is supposed to cause the problems, further investigation
should not only take into account mineral- (including micro-elements) and vitamin-
shortage but also the starch equivalent and digestible crude protein supply.
In order to develop reliable calculations the ration should be weighed and the
roughage should be examined to assess its nutridve value.

The costs of such an invesdgation will be largely compensated by the results of more
efficient nutrition enabled by it.

With the aid of an example a short explanation is given.

Discussie

Vraag: Prof. A. M. Frens, Wageningen:

Bij de anamnese werd vermeld dat de koeien en het jongvee voortdurend
beschikten over likstenen. Toch constateerde U dat er waarschijnlijk
een Na-deficiënde een rol speelde. Ik ben het er niet mee eens dat het
beschikbaar stellen van een liksteen zeker geen afdoende preventie voor
Na-tekorten inhoudt, al wordt dit vaak gedacht. Ik zou het op prijs
stellen wanneer ook de spreker hierover zijn mening gaf.

Antwoord: Prof. Dr. Th. de Groot, Utrecht:

Inderdaad, als van duidelijk natriumgebrek sprake is, is de hoeveelheid
die de dieren door middel van likstenen opnemen ten enen male onvol-
doende om de natriumvoorziening adequaat te maken. Het was ook juist
de bedoeling van het vermelden van het beschikbaar zijn van likstenen
bij de anamnese die werd opgenomen op het probleembedrijf, dat we in
gedachten hebben bezocht, om dit nog eens te onderstrepen. Te vaak
wordt nog verondersteld dat, als maar likstenen worden gebruikt, men
zich over de natriumvoorziening van het vee geen zorgen behoeft te
maken.

Vraag: Dr. O. L. B e i b o e r. Ureterp:

Behoort het veel voorkomen van retentio secundinarum in het kader van
verschillende gebreksziekten, of denkt U in dat geval aan een speciale
deficiëntieziekte?

Antwoord: Prof. Dr. Th. de Groot, Utrecht:

Hoewel het m.i. nog onvoldoende bewezen is denk ik bij het veelvuldig
voorkomen van retentio secundinarum, als ik aan een deficiëntie denk,
in de eerste plaats aan natriumgebrek, hoewel in de literatuur ook
beschreven is dat een onjuiste Ca : P verhouding en tekorten aan ver-
schillende sporenelementen (Co, J) en vitamine A van betekenis zouden
zijn.

-ocr page 796-

Dr. A. Os in ga, Stiens:

Waarom is Na-gcbrck d.m.v. urine-onderzoek moeilijk vast te stellen?

Antwoord: Prof. Dr. Th. de Groot, Utrecht:

Omdat de concentratie zo sterk kan variëren onder normale omstandig-
heden. Een lage Na-concentratie in een urinemonster bewijst niet dat het
dier Na-gebrek heeft, ook niet altijd als men de urine \'s morgens vroeg
heeft opgevangen. Daarvoor is eigenlijk het verzamelen van 24-uurs
urine nodig en dat is in de praktijk niet uitvoerbaar. Bepaling van het
Na-gehalte in 24-uurs urine, gecombineerd met een bepaling van het
creatininc-gchalte .geeft wel een betrouwbare uitkomst.

Vraag: Drs. L. Harms, Utrecht:

Is het betrekkelijk geringe verschil in de frequentie waarmee retentio
secundinarum optreedt over het gehele jaar wel in overeenstemming met
het feit dat in bepaalde tijden van het jaar meer Na-gebrek voorkomt?

Antwoord: Prof. Dr. Th. de Groot, Utrecht:

Vragensteller bedoelt waarschijnlijk dat in verband met het gedurende
de stalperiode verstrekken van grotere hoeveelheden krachtvoer, in de
wintermaanden de natriumvoorziening beter is dan gedurende de weide-
periode.

Hij moet echter niet vergeten dat aan oudmelkse en droogstaande dieren
over het algemeen betrekkelijk weinig krachtvoer wordt verstrekt. Boven-
dien zijn er een groot aantal factoren, die van invloed zijn op het op-
treden van retentio secundinarum. Deze kunnen de frequentie van het
verschijnsel wel eens sterker beïnvloeden dan natriumgebrek dat doet,
met als gevolg dat, als de vragensteller gelijk zou hebben dat de Na-
voorziening in de winter beter is dan in de zomer en daardoor in de
vrinter minder retentio secundinarum als gevolg van Na-gebrek voor zou
komen, dit in de totaalcijfers helemaal niet tot uitdrukking komt.

Vraag:

-ocr page 797-

Een nieuw facet van infecties met C. pyogenes
bi\'i het rund1!

A new facet of infection with C. pyogenes in the
cow*)

door J. \\V. GUNNINK2)

Uil hel Insliluul voor Velerinaire Bacteriologie van de Rijks-
universileit le Utrecht.

Inleiding

In deze voordracht zal getracht worden een nieuw facet van de C. pyoge-
«e5-mastitis, ofwel de „wrang", te belichten.

Lang heeft men gedacht dat de wrang veroorzaakt werd door één bac-
teriesoort, n.1. door
C. pyogenes. Het uier zou dan onder invloed van ver-
schillende factoren gepredisponeerd worden voor deze kiem. Enkele onder-
zoekers (Heidrich, Fiebiger en Utpott, 1964) geven dan ook
aan dat wanneer men met wrang te maken heeft, deze in 80% der ge-
vallen veroorzaakt zou worden door alleen
C. pyogenes.
Anderen (Stuart, Buntain en Langridge, 1951) vonden dat uit
de wrang slechts in 5% der gevallen een reincultuur van
C. pyogenes ge-
ïsoleerd kon worden. Door deze onderzoekers werden voornamelijk meng-
infecties vastgesteld met microaerofiele kokken, anaerobe streptokokken en
Str. dysgalactiae. De genoemde Britse onderzoekers maakten gebruik van
een selectiefbodem voor streptokokken. Op dit z.g. Edwards-medium zou
C. pyogenes geremd worden. Verder kweekten zij ook onder micro-aero-
fiele en anaerobe omstandigheden. Hun percentage reincultures ligt hier-
door dan ook veel lager dan van de meeste andere onderzoekers.

Eigen onderzoek

Het aantal onderzochte monsters uiersecreet van koeien met klinische
>vrang aan het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie is nog te klein
om significante cijfers te geven, maar wel kan gezegd worden dat het per-
centage reinculturen van
C. pyogenes, hieruit geïsoleerd, dicht bij 10%
ligt.

Vanwaar de sterk uiteenlopende bevindingen van de verschillende onder-
zoekers?

Eén van de oorzaken zou kunnen schuilen in de enttechniek, de gebruikte
voedingsbodems en de methode van kweken. Sommige onderzoekers braken
het onderzoek reeds na 12-36 uur af (Utpott, 1963). Hierdoor wordt
onbewust geselecteerd op
C. pyogenes doordat ei geen rekening gehouden
wordt met het feit dat er talrijke micro-organismen zijn, die veel langzamer
groeien.

Nergens in de literatuur vindt men vermeld of de monsters ook in verschil-

1  Voorlopige mededeling. Preliminary communication.

2  Drs. J. W. Gunnink; wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 172.

-ocr page 798-

lende verdunningen werden ingezet. Wanneer een monster niet verdund
wordt is het gevaar niet denkbeeldig dat men een overgroeiing krijgt door
C. pyogenes.

Symbiose

Microseopiseh onderzoek van zowel het oorspronkelijk materiaal als de
cultuur doet de aanwezigheid van verschillende bacteriesoorten sterk ver-
moeden. Door snellere vermeerdering van
C. pyogenes zou dit staafje enkele
andere langzamer groeiende kiemen kunnen overgroeien.
Het is echter de vraag of het hier alleen maar gaat om een gewone over-
groeiing door
C. pyogenes. Uit onderzoekingen aan het Instituut voor Ve-
terinaire Bacteriologie bleek dat er ook sprake is van een soort „symbiose".
Hoe deze symbiose verklaard moet worden is nog niet duidelijk.
Het is nog niet gelukt binnen een redelijke tijd deze symbiose op te heffen.
Proeven hieromtrent zullen voortgezet worden.

De oppervlaktespanning kan hierbij geen rol spelen want toe-
\\oeging van alcohol aan cle suspensie doet geen verschillende koloniën
ontstaan. Een suspensie van de gekweekte micro-organismen in fysiolo-
gische zoutoplossing werd gedurende verschillende tijden behandeld met
ultrasone golven. Dit leidde evenmin tot andere resultaten. Toevoeging van
Tween 80 aan deze suspensie had evenmin tot gevolg dat de aanwezigheid
van verschillende bacteriesoorten kon worden aangetoond.
Ook werd dezerzijds gedacht aan een groeiremmende werking
op het tweede organisme door de stofwisselingsprodukten van
C. pyogenes.
In dit geval zou na het verwijderen van C. pyogenes en dus ook van de ver-
onderstelde groeiremmende stoffen betere groei van een andere kiem of
kiemen verkregen moeten worden. Tevens zou de isolatie van een tweede
organisme ook vlotter moeten verlopen.

Het tegendeel bleek echter waar. Veeleer lijkt er een g r o e i b e v o r cl e-
rend stofwissellingsprodukt \\an
C. pyogenes in het geding.
Dit is in overeenstemming met de bevindingen van Tauchnitz (1965).
Deze auteur beschrijft hierbij een symbiose van een
Actinomyces en Coryne-
bacterium acnes.
Tauchnitz denkt ook aan een groeibevorderende wer-
king van de stofwisselingsprodukten van
C. acnes t.a.v. de Actinomyces.
Hij zag n.1. dat Actinomyces op en in de kolonies van C. acnes groeit en
daardoor zeer moeilijk in reincultuur te verkrijgen is. De aandoening wordt
dientengevolge door medische bacteriologen alleen aan
C. acnes toege-
schreven.

Bij de aetiologie van de wrang is het ook niet zo dat het andere micro-
organisme ten koste van
C. pyogenes groeit. Dit blijkt wel in\'t de volgende
proeven.

Een zuivere C. j&yo^j«?ie.r-cultuur werd geënt in 5 cm3 serum-bouillon. Na
een bebroeding van 5 dagen bij 37° C werd deze serum-bouillon gecentri-
fugeerd. Het sediment werd nu bij 58° C gedood en daarna vennengd met
paardebloedagar. Op deze voedingsbodem werd nu de te onderzoeken cul-
tuur geënt. Hierbij ontstonden weer dezelfde kolonies. Hieruit blijkt dus
wel dat
C. pyogenes niet als voedingsstof \\oor het andere micro-organisme
dient, omdat in dat geval op de bovengenoemde bodem zuivere kolonies
van het tweede organisme verkregen zouden worden.

-ocr page 799-

Dat er desondanks toch sprake is van een tweede micro-organisme moge
uit het volgende duidelijk worden.

Het uitgangsmateriaal werd, al naar gelang het aantal bacteriën, verdund
met aqua dest. van 10 5 tot 10"". Van de/.c verdunning werd vervolgens
0.1 cm\'^ uitgespateld op een bloedagarplaat. Deze werd gedurende 5 dagen
bebroed bij 37° C onder 10% COo. Na 5 dagen werden twee soorten
hemolytische kolonies waargenomen. De ene was zuiver
C. pyogenes: ronde,
\\ lakke kolonies, grijs doorschijnend, met in het centrum van de kolonies een
soort korreling. Deze kolonies waren iets in de bloedagarplaat verzonken.
De andere kolonies vertoonden meer de bolvorm en waren wit-geel tot
bruin van kleur. Deze vormden in het algemeen geen inzinking in de bodem.
De verschillende koloniën werden afzonderlijk o\\ergeënt op o.a. bloedagar.
De verkregen subcultures werden geplaatst in een broedstoof van 41° C.
De zuivere kolonies van
C. pyogenes bleken na 4 dagen bebroeden nauwe-
lijks gegroeid te zijn.

De mengcultures groeiden echter goed bij 41° C. Van deze kolonies wer-
den enkele preparaten gemaakt. Hierin werden lange staafjes gevonden, die
afwisselend Gram-negatief en Gram-positief kleurden; daarnaast waren er
vele Gram-positieve bolvormige micro-organismen. Vervolgens werden deze
koloniën voor controle op
C. pyogenes overgeënt op een Löfflerbodem.
Na 48 uur werd toch weer een zwakke proteolyse waargenomen. Hieruit
blijkt dat in de bij 41° G verkregen witachtige koloniën de symbiose nog
niet volledig opgeheven werd.

Het volgende punt wat voor de symbiose pleit is dat de mengkoloniën een
verhitting op 58° C iets beter overleven dan
C. pyogenes.
Het derde punt betreft de groei op de kristalvioletbodem. C. pyogenes
groeit hier onder micro-aerofiele omstandigheden zeer traag en anaëroob
in het geheel niet. De koloniën van de mengcultuur bereikten echter, onder
dezelfde omstandigheden bebroed, in 5 dagen een doorsnede van ± 3 mm.
Van deze koloniën werden uitstrijkjes gemaakt. Nu werden ook lange
Gram-positieve draden waargenomen, met aan de uiteinden cen aanzwel-
ling en ook werden vertakkingen gezien.

Vanwege het voorkomen van deze vertakkingen en aanzwellingen werd ge-
dacht aan
Nocardia en leek het gewenst de culturen te controleren op hun
zuui-vastheid. Hierbij werd uitgegaan van een tryptose-agar. Van deze
voedingsbodem werd dagelijks een Kinyounkleuring gemaakt omdat
No-
cardia
met deze gewijzigde zuurvaste kleuring duidelijk rood blijft. Na 72
uur werden inderdaad bij verschillende cidtures zuui^vaste partikeltjes in
de bacterie waargenomen. In een cultuur werden zelfs totaal zuur\\\'aste
bacteriën gezien. Een reincultuur van
C. pyogenes, onder dezelfde omstan-
digheden gekweekt, bleek met deze Kinyounkleuring nooit zuurvast te zijn.
Naar aanleiding van deze zuui"vastheid en \\ eronderstelde hogere resistentie
tegen zuren werden enige proeven gedaan met 1% H2SO4 in analogie met
dc isolatietechniek van mycobacteriën. C.
pyogenes bleek een behandeling
met 1% H2SO4 gedurende 90 seconden niet te overleven. De mengcultures
gedroegen zich identiek. Waarschijnlijk berust dit op het feit dat slechts
een gedeelte \\an de bacterie zuurvast is. Alleen uit de cultuur, die ook
totaal zuur\\aste bacteriën bevatte, kon op deze wijze het tweede micro-
organisme in reincultuur geïsoleerd worden. Deze was niet hemolytisch
meer.

-ocr page 800-

Deze bacterie werd nu in serumbouillon geënt en na 5 dagen bebroeden
bij 37° C veiTnengd met een even oude zuivere
C. j&yogenw-cultuur. Het
resultaat was dat er weer twee soorten hemolytische koloniën ontstonden,
identiek met het uitgangsmateriaal. Hct tweede micro-organisme was uit
deze kunstmatige mengcultuur e\\en moeilijk te isoleren als uit het oor-
spronkelijke uitgangsmateriaal.

Morfologie van het begeleidende micro-organisme
De groei

Foto 1.

Mengcultuur C. pyogenes en ..Nocardia"; 24 uur oude cultuur.

■Lx

Foto 2.

Reincultuur „Nocardia", 24 uur oude cultuur.

-ocr page 801-

f,

» *

t\'

/. •

^ V » - ■ *

I ♦

I \'

Foto 3.

Reinculluitr ,,Nocardia", 96 uur oude cultuur.

In de directe uitstrijkjes van het te onderzoeken mclkmonster laat dit
micro-organisme zich moeilijk herkennen. Een aanwijzing is veelal het
voorkomen van de iets langere Gram-positieve staven en de onregelmatig
van vorm zijnde kokken. Wordt dit tiier.secreet geënt in leverbouillon, dan
zien we binnen 24 uur meestal enkele vertakkingen.

Ditzelfde geldt ook voor de anaerobe cultutir op blocdagar. Onder micro-
aerofiele en aerobe omstandigheden worden deze vertakkingen ook waar-
genomen, maar in mindere mate. Wordl echter pas na 48 utu\' een uit-
strijkje gemaakt dan zijn deze verlakkingen grotendeels verdwenen en
vindt men er een forse „])yogenes" voor in de plaats. Na 72 tuu\' of later
zijn er meer kleine slreplokok-achligc organismen aanwezig.
Onder ongunstige omstandigheden blijven de \\crtakkingen langer bestaan
en dragen aan de uiteinden een sporc-achtige verdikking.
Dezelfde morfologie als hierboven vermeld treffen we altijd aan bij
No-
cardia.
Van C. diphtheriae is echter ook bekend dat onder bepaalde om-
standigheden verlakkingen kunnen voorkomen.

De kolonievorm

Op de gewone voedingsbodems hebben de kolonies van hel zich vertak-
kende micro-organisme, geïsoleerd na herhaalde overenlingen, na 5 dagen
een doorsnede van ±: 4 mm en zijn geel-wit van kleur en niet ^-hemo-
lytisch meer. Ze groeien goed op Löwenslein-voedingsbodem en bereiken
dan na 4 weken een doorsnede van ± 6 mm en vertonen dan een vaal-
gele kleur en hebben dan een ruw gelobt karakter.

-ocr page 802-

Biochemische eigenschappen

zuivere C. pyogenes niet-hemolytische kolonies (geïsoleerd uit

mengkolonies)

Hottinger glueose -f Hottinger glucose -f

Hottinger fructose  of — Hotdnger fructose —

Hottinger lactose -f Hottinger lactose —

Hottinger sucrose   Hottinger sucrose —

glycerol  of — glycerol 

ureum — ureum  of ±

KNOa — KNOs —

indol — indol —

gelatine   gelatine —

lakmoesmelk: zuur  stolling lakmoesmelk: neutraal tot alkalisch

Ook wat de biochemische eigenschappen betreft verschillen deze twee
micro-organismen dus sterk.

Serologische reacties

Complementbindingsreactie

Serum \\an een rund, lijdende aan wrang, bleek in de C.B.R. met C. pyo-
^en^^-antigeen altijd sterk positief.

T.o.v. Nocardia-dintige&n is de reactie meestal dubieus of zwak positief. Wel
zien we na langere tijd een lichte stijging van de titer van
Nocardia. Het
is nog niet bekend in hoeveel tijd na het begin van de infectie de
Nocardia-
titer zijn hoogste waarde bereikt. Het bloed van een rund, lijdende aan een
endocarditis of gonitis die steeds veroorzaakt werden door zuivere
C. pyo-
genes,
is altijd positief in de C.B.R. t.o.v. C. pyogenes en absoluut negatief
t.o.v.
Nocardia. Terwijl het bloed van een rund met wrang, endometritis
of een kaakabces, waarbij ook
C. pyogenes voorkomt, positief is in de
C.B.R. t.o.v.
C. pyogenes maar daarnaast ook dubieus of positief t.o.v.
Nocardia.

Agglutinatie

Rij de voorwerpsglasagglutinatie bleken de reeds eerder genoemde meng-
kolonies positief t.o.v. bij konijnen bereid
C. /^yog\'enM-antiserum en ook
positief t.o.v. dito
Nocardia antiserum. De reincultures van de niet-hemo-
lytische koloniën, geïsoleerd uit dc mengkoloniën, agglutineerden alleen
rnet
Nocardia-anüserum en niet met C. /)yo,?cr(«-antiserum.

Dierproeven

Stuart, B u n t a i n and Langridge (1951) isoleerden uit de wrang
naast
C. pyogenes ook nog een micro-aerofiele kok en een anaerobe kok.
Zij trachtten de wrang weer op te wekken door toediening van een zuivere
C. pyogenes-cuhuur via de tepel. Zij behandelden op deze wijze 20 kwar-
tieren. Van deze 20 kregen er slechts 4 een lichte mastitis. Vervolgens wer-
den 38 kwartieren behandeld met mengcultures van
C. pyogenes, anaerobe
streptokokken, micro-aerofiele streptokokken en
Str. dysgalactiae. Van deze
38 kwartieren kregen er 33 een mastitis, volkomen identiek met wrang.
Dit komt overeen met de bevindingen van Diernhofer (1928). Ook

-ocr page 803-

hij was niet in staat om met een reincultuur van C. pyogenes de wrang op te
wekken; wel ontwikkelde zich een galactophoritis.

Aan het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie werd ook getracht met de
reine
C. pyogenes wrang op te wekken. Ook hier ontwikkelde zich alleen
een galactophoritis, terwijl het kwartier dat met
Nocardia geïnfecteerd
werd na 3 weken een identiek beeld vertoonde met wrang. Deze
Nocardia
was ook uit een wrang-monster afkomstig. (Gunnink, Logger en
Van Wij k, 1965).

In de literatuur worden ook verschillende gevallen beschreven, waarbij
C. pyogenes pathogeen voor de cavia blijkt te zijn (Carré, 1912; Fran-
cis, 1951). In het algemeen wordt echter aangegeven dat dit micro-orga-
nisme apathogeen voor de cavia is (Bergey, 1957).

Bij de meeste beschreven infectieproeven wordt geen melding gemaakt uit
welke organen de
C. pyogenes, waai-mee de cavia geïnfecteerd werd, af-
komstig was. En zeer waarschijnlijk is de plaats van herkomst bepalend
\\oor de pathogeniteit voor de cavia. Het is schrijver echter gebleken, dat
uit een endocarditis of gonitis altijd een reincultuur van
C. pyogenes ge-
ïsoleerd kan worden, terwijl een pyogenes-mastitis of kaakabces veelal ver-
oorzaakt wordt door een menginfectie.

Uit proeven, verricht aan het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie, bleek
dat een reincultuur van C.
pyogenes apathogeen was voor een cavia. Deze
cultuur was rechtstreeks afkomstig van een endocarditis bij een koe.
Indien 0,5 ml van de uit melk verkregen cultures intraperitoneaal inge-
.spoten werden, stierven verschillende cavia\'s reeds na 6 weken. Patholoog-
anatomisch werden necropurulente haardjes in de longen gevonden. De
lever bevatte grote necropurulente abcessen. De directe uitstrijkjes gaven
zeer veel Gram-labiele vertakkende draden naast vele kleine Gram-posi-
tieve staafjes te zien. De cultures, die uit deze cavia\'s aangelegd werden,
bestonden weer uit de reeds eerder genoemde wit-gele kolonies.
Deze bevindingen zijn in overeenstemming met hetgeen Francis (1951)
vermeldde. Deze auteur beschreef n.1. dezelfde patholoog-anatomische af-
wijkingen bij enkele cavia\'s. De cavia\'s werden ook rechtstreeks met melk
ingespoten.

Het tweede organisme werd ook in reincultuur bij cavia\'s ingespoten. Deze
vertoonden echter na 6 weken geen patholoog-anatomische afwijkingen,
maar er dient wel rekening mee gehouden te worden, dat deze cultures
reeds vele malen waren overgeënt, waardoor de pathogeniteit kan hebben
ingeboet.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat purulentc-necrotiscrende mastitis \\an het
rund, kortweg wrang genoemd, niet alleen door
C. pyogenes wordt ver-
oorzaakt doch dat er tevens een ander micro-organisme, dat vaak in enge
symbiose met de
C. pyogenes voorkomt, mede voor cle ontsteking aan-
sprakelijk is. Vanwege de vertakkingen en het uiteenvallen van deze ver-
takkingen in kokken en staafjes cn vanwege de partiële zuurvastheid gecom-
bineerd met de biochemische en serologische eigenschappen van het tweede
organisme, moet bij de classificatie hiervan gedacht worden aan
Nocardia
of aan Corynebacterium, die veel op Nocardia lijkt.

-ocr page 804-

SUMMARY.

A short Hterature review is followed by a description of several experiments.

The aim of these experiments was to .show the existence of a micro-organism that,

when in symbiosis with C. pyogenes, is supposed to cause „summermastitis".

The following data point to the presence of the second micro-organism:

a. presence of a branched acidfast micro-organism in cultures obtained from
„summermastitis";

b. isolation of two different C. pyogenes colonics from C. pyogenes-masthh;

c. difference in biochcmical properties between these two germs in pure culture;

d. difference in resistance to external influences;

c. strong serological differences between pure C. pyogenes and mixed colonies;

f. animal tests: a guineapig was insensible to pure C. ^yogenei-infection, whereas
the guineapigs infected with a mixed colonic culture died after six weeks.

LITER.^TUUR.

Bergey\'s Manual of determinative Bacteriology, 7th ed. 1957, pag. 585.

Carre, H.: Lc „Mal dc Lure". Pyohemie secondaire ä I\'agalaxie contagieuse de la
brcbis ct de b chèvre.
Ann. Inst. Pasteur, 26, 281, (1912).

Dicrnhofer, K.: Untersuchungen über den Bacillus pyogenes und den
Pfcilcrschen, Bazillus der bösartigen Euterentzündung.
Zbl. Bakt. I. Orig., 108,
280, (1928).

F r a n c i s, J.: Some obser\\-ations on infection of the bovine udder with Mycobacte-
rium tuberculosis and Corynebacterium pyogenes. ƒ.
comp. Path., 61, 162, (1951).

Gunnink, J. W., Logger, J. C. L. en W ij k, N. van: Enkele gegevens over
een rund met „wrang".
Tijdschr. Diergeneesk., 90, 1067, (1965).

If c i d r i c h, H. J., Fiebiger, E. und Utpott, J.: Untersuchungen über die
Pyogcncs-Mastitis des Rindes mit besonderer Berücksichtigung der Fermenttherapie.
Berl. Münch, tierärztl. Wschr., 77, 234, (1964).

Stuart, P., B u n t a i n, D. and Langridge, R. G.: Bacteriological examination
of secretions from cases of „summer" mastitis and experimental infection on non
lactating bovine udders.
Vet. Rec., 63, 451, (1951).

Tauchnitz, D.: Zur bakteriol. Diagnostik der .Aktinomycose beim Menschen.
Zentralbl. Bakt. I. Orig., 196, 481, (1965).

U t p o t t, J.: LIntersuchungen zum Problem der sogenannten Pyogcnes-mastitis. Diss.
Berhn, 1963.

Discussie

Vraag: Drs. G. H. Overgoor, .^rnhem:

Hoc is de groei van het tweede microorganismc op schapebloedagar en
r.K.T.-medium na 48 uur?

Antwoord: Drs. J. W. Gunnink, Utrecht:

Ik heb geen cr\\\'aring met de kwcck op dcze media. Mogelijk is bij het
maken van een Gram-prcparaat binnen de 24 uur van de groei op deze
platen het vertakte organisme te zien.

Vraag: Drs. P. H. A. M. van M a a n c n, Cuyk:

Hoe staat het met de gevoeligheid van Nocardia?

Antwoord: Drs. J. W. Gunnink, Utrecht:

In vitro is deze Nocardia evenals C. pyogenes gevoelig voor de meeste
antibiotica. In vivo zijn de resultaten van deze antibiotica-toediening
zeer wisselend. Er is nog geen enkel antibioticum of chemotherapeuticum
bekend dat de „wrang" kan genezen. Dit komt waarschijnlijk doordat
de aanwezige bacteriën beschermd worden tegen de antibiotica door de
grote hoeveelheden pus.

In vroeg gcdiagnostiscerde gevallen voldoet volgens sommigen penicilline
goed. .ónderen geven streptomycine aan, weer anderen aureomycine.

-ocr page 805-

De permeabiliteit van de schaaf en de allantois-
vaten tijdens het broeden van het kippeëi

The permeability of the egg shell and allantois and its
changes during incubation.

door A. H. J. VISSCHEDIJK1)

Uit het Laboratorium voor Veterinaire Fysiologie van de
Rijksuniversiteit te Utrecht.

Romijn (1950) verrichtte met behulp van fysische methoden uitvoerige
diffusiemetingen aan de eischaal en concluderende uit zijn gegevens dat
tenminste 80% van de gaswisseling werd verzorgd via het deel van de
schaal dat de luchtkamer bedekt. Visschedijk (1962) onderzocht de
invloed van het blokkeren van de gaswisseling via de luchtkamer en het
overige (allantois-) deel van de eischaal op de sterfte gedurende de laatste
3 dagen van de broedperiode. Het afsluiten van de luchtkamerschaal
bleek geen sterfte van betekenis tot gevolg te hebben. Het afsluiten van
de allantoisschaal daarentegen veroorzaakte — tot kort voor het aanpikken
— een sterfte van 100%.

Ter nadere controle werd de gaswisseling van deze beide delen van het ei,
gelijktijdig doch afzonderlijk, gemeten in een speciaal daartoe geconstru-
eerd respiratievat. Daarbij bleek — in de onderzochte periode en vóór het
begin van de longademhaling — de gaswisseling via de luchtkamerschaal
zich tot de totale gaswisseling te verhouden als het oppervlak van de
luchtkamerschaal tot het oppervlak van de gehele eischaal. Pas na het
aanpikken werd de gaswisseling via de (inmiddels geperforeerde) lucht-
kamer groter dan die via de allantoisschaal.

Hierna werd het nuttig geacht de permeabihteit van de verschillende delen
van de eischaal opnieuw te onderzoeken met behulp van de thans beschik-
bare methoden. Tevens bestond belangstelling voor de periode van constan-
tie in de gaswisseling tussen de 16e en 19e broeddag. Getracht wordt nu na
te gaan of deze constantie mede bepaald wordt door eventuele verande-
ringen in de permeabiliteit van de allantoisvaten. Dit onderzoek past bo-
vendien in de interesse van het Laboratorium voor Veterinaire Fysiologie
betreffende een eventuele aanpassing van de allantoisvaten aan verschil-
lende situaties ten aanzien van de beschikbaarheid van zuurstof voor het
embryo,

In dit onderzoek wordt, van de 12e broeddag af, de gaswisseling via de
luchtkamer- en allantoisschaal gescheiden gemeten met behulp van een
diaferometer en Kipp-micrograph. De grootte van het oppervlak van beide
eidelen wordt daarbij van dag tot dag vastgesteld.

1. Allereerst wordt elke dag de gaswisseling gemeten in een situatie waar-
in de ventilatie via het luchtkamerdeel van het respiratievat is ge-
blokkeerd. Na evenwicht wordt, volgens een overdrukmethode, een
monster lucht (ca. 1 ml) uit de luchtkamer gehaald en geanalyseerd in
een micro-Scholander gasanalyse-apparaat. In de gegeven situatie moet

1  Dr. A. H. J. Visschedijk; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijksuniver-
siteit te Utrecht; Alexander Numankade 93.

-ocr page 806-

de gassamenstelling van de luchtkamer representatief worden geacht
voor die in de allantoisvaten. Uit de gegevens kan nu de permeabiliteit
van het allantoisdeel van het ei worden berekend. De permeabiliteit
is hierbij gedefinieerd als: het aantal ml CO2 of O2 diffunderend via
1 cm2 schaal per uur bij 37.8° C en een drukgradient van 100 mm
H2O (overeenkomstig Romijn, 1950, die echter zijn metingen ver-
richtte bij 30° C).

2. Vervolgens worden dezelfde waarnemingen gedaan onder normale con-
dities, waarin zowel luchtkamer- als allantoisdeel wordt geventileerd.
Na evenwicht wordt weer de gassamenstelling van de luchtkamer be-
paald. Uit de luchtkamersamenstelling en de gaswisseling via het lucht-
kamerdeel kan nu de permeabiliteit van de luchtkamerschaal (-1-
schaalvlies) worden berekend.

De gassamenstelling in de allantoisvaten kan worden berekend uit de
gaswisseling via het allantoisdeel en de uit (1) bekende permeabiliteit
van dat deel. Vervolgens wordt dan de permeabiliteit van de lucht-
kamerbodem (allantoisvaten
-I- eivlies) berekend uit de gaswisseling
via het luchtkamerdeel en het verschil in gassamenstelling van lucht-
kamer en allantoisvaten.

3. De derde situatie waarin een en hetzelfde ei elke dag wordt onderzocht
is die waarbij de luchtkamerschaal geopend is, zodat de luchtkamer
actief wordt geventileerd. De hoeveelheid en samenstelling van die ven-
tilatielucht — en daarmee de gaswisseling via de luchtkamerbodem —
wordt gemeten. De gassamenstelling in de allantoisvaten wordt bere-
kend op dezelfde wijze als onder (2) werd aangegeven. Dit geldt ook
voor de berekening van de permeabiliteit van de luchtkamerbodem,
met dien verstande dat nu misschien een grotere nauwkeurigheid kan
worden bereikt op grond van een luchtkamergaswisseling die groter
is dan in de controlecondities van situatie (2).

Uit de resultaten kan — zij het voorlopig met enige reserve — worden

geconcludeerd dat:

a. opnieuw bevestigd werd dat via de luchtkamerschaal geen grotere gas-
wisseling plaats vindt dan aangegeven wordt door de verhouding tussen
het oppervlak van de luchtkamer en het overige deel van de eischaal.

b. er noch voor CO2, noch voor O2 grote verschillen in permeabiliteit
bestaan tussen het luchtkamerdeel en het allantoisdeel als geheel
(schaal, vliezen en allantoisvaten).

c. het luchtkamerdeel zowel als het allantoisdeel als geheel voor CO2
iets beter permeabel is dan voor O2 (verhouding 1,1 a 1,2 : 1).

d. de luchtkamerschaal (schaalvlies) voor CO2 duidelijk minder per-
meabel is dan voor O2 (verhouding 0.75 : 1).

e. de luchtkamerbodem (eivlies -f allantoisvaten) voor CO2 veel beter
permeabel is dan voor O2 (verhouding 3.75 : 1).

f. de permeabiliteit van de luchtkamerbodem (op grond van de groei van
de allantoisvaten) van het begin van de onderzochte periode (12e dag)
af, sterk toeneemt (vooral t.a.v. CO2) tot de 17e dag en daarna weer
afneemt.

g. de penneabiliteit van de luchtkamerschaal (-I- schaalvlies) gedurende
de onderzocht periode niet toeneemt.

-ocr page 807-

SUMMARY.

By means of measurements of gaseous exchange and gaseous composition of the air
cell during incubation data were obtained concerning the permeability of the shell
covering the air space (including shell membrane), of the floor of the air space
(egg membrane and allantois) and the remainder of the egg (shell, membranes and
allantois).

The permeability of the air space shell for Os is greater than for CO2.
The permeability of the air space floor for
O2 is much smaller than for CO2.
The permeability of the air cell part as a whole is, for
O2 as well as for CO2, of the
same order of magnitude as that of the other part of the egg. The constancy of
gaseous metabolism between the 16th and 19th day of incubation may be explained,
at least to a certain extent, by the changes in permeability of the air space floor
after the 16th or 17th day of incubation.

LITERATUUR.

Romijn, C.: Foetal respiration in the hen. Gas diffusion through the egg shell.

Poultry Sci., 29, 42, (1950).
V i s s c h e d ij k, A. H. J.: Praenatale gaswisseling bij de kip. (Prenatal gas exchange
in the hen). Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht (1962).

Discussie

Vraag: Drs. A. Hoogerbrugge, Utrecht:

Er wordt steeds gesproken over permeabiliteit en volgens R o m ij n
zou de permeabiliteit van de schaal steeds toenemen tijdens het broed-
proces. Is de verwisseling van gassen echter niet afhankelijk van de
stofwisseling en daarmede van de grootte van het embryo?
Als deze nu automatisch toeneemt gedurende het broedproces wordt dan
niet de diffusie steeds gemeten bij de maximale permeabiliteit die moge-
lijk zou zijn?

Antwoord: Dr. A. H. J. V i s s c h e d ij k. Utrecht:

De gemeten diffusie D (of gaswisseling tussen embryo en omgeving) is
recht evenredig met de diffusieconstante k, het oppervlak O en het druk-
verschil (pi
-p2) binnen en buiten de barrière (schaal, vliezen en
allantoisvaten) en omgekeerd evenredig met de weglengte 1 (dikte van
de barrière) volgens:

k

D = — O (pi-p.2)
1

Een stijging van de gemeten diffusie kan dus het gevolg zijn van een

k

groter geworden permeabiliteit (—) of van een gestegen drukverschil

1

of van beide.

Als de Oa-behoefte van het embryo stijgt, neemt, bij constante permea-
biliteit, het drukverschil toe en als gevolg daarvan wordt een grotere
gaswisseling gemeten. Maar ook kan een grotere gaswisseling gemeten
worden als, bij een constant drukverschil, de permeabiliteitstoename
gelijke tred houdt met de stijging in de Oa-behoefte van het embryo.
Tijdens een periode van constante gaswisseling kan de permeabiliteit
afnemen als het drukverschil toeneemt of omgekeerd. Er bestaan dus
diverse mogelijkheden. Vandaar dat voor het meten van de permeabili-

-ocr page 808-

teit van dag tot dag zowel oppervlak, gaswisseling als drukverschil
bepaald dienen te worden.

Vraag: Prof. H. van Genderen, Utrecht:

Bij de penneabiliteitsbepaling van de allantois speelt uiteraard de mate
van vascularisatie een grote rol. Hierdoor is een vergelijking met de
uitkomsten van de „fysische" pcrmeabilitcitsbepaling bezwaarlijk. Bestaat
er cen mogelijkheid om de permeabiliteit van de vaatwanden zelf als
bijdrage voor de totale allantoispermeabiliteit te bepalen?

Antwoord: Dr. A. H. J. Visschedijk, Utrecht:

Met behulp van de gebezigde techniek kan de permeabiliteit van de
vaatwanden zelf niet worden gemeten. De toename (tussen de 12e en
17e broeddag) van de permeabiliteit van de allantois als geheel en
daardoor ook die van de luchtkamerbodem (bestaande uit eivlies
allantoisvaten) kan vooral toegeschreven worden aan een toenemende
mate van vascularisatie.

Een afname van de permeabiliteit van de luchtkamerbodem na de 17e
dag zou kunnen berusten op een afnemende permeabiliteit van de zich
dan niet meer uitbreidende vaten zelf. Een vergelijking met de uitkom-
sten van fysische permeabiliteitsbepalingen is alleen van toepassing op de
permeabiliteit van de schaal. De permeabiliteit van de luchtkamerbodem
(c.q. allantoisvaten) werd eerst tijdens het thans besproken onderzoek
gemeten, zodat vergelijkingsmateriaal ontbreekt.

-ocr page 809-

De weersfand van het darmkanaal fegen entere-
gene infecties

The resistance oj the intestinal canal against entero-
genic infections.

door A. VAN DER SCHAAF1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Bacteriologie van de Rijks-
universiteit te Utrecht.

De infectieproeven van Mc. Cullough en Eisele (1951) op vrij-
willigers in Amerikaanse gevangenissen hebben aangetoond, dat gezonde
mensen een grote weerstand hebben tegen salmonellosis.
Voor het aanslaan van een infectie, d.w.z. dat er na een orale besmetting
via het voedsel ziekteverschijnselen optraden en dat de ziektekiemen weer
konden worden aangetoond, waren wat betreft
S. bareilly en S. newport
minstens 100000 kiemen nodig. Bij andere Salmonella-soonen was de mi-
nimale infectiedosis nog veel hoger, n.1. 106—109. Met
S. typhi zijn geen
proeven genomen, doch aan te nemen valt dat hierbij de M.I.D. wel lager
zal liggen dan bij
S. bareilly.

Een verklaring voor de grote weerstand tegen enterogene infecdes hebben
de Amerikaanse onderzoekers niet gegeven. Men kan deze weerstand ook
aantreffen bij de dieren. Muizen krijgen b.v. geen blijvende infectie met
S. typhimurium wanneer men de dieren oraal besmet met niet meer dan
10000 kiemen. Ook bij varkens gelukt het niet een bacteriëmie tot stand te
brengen met 10000 kiemen van in bouillon gekweekte
S. dublin of S. ty-
phimurium.

Bij onlangs in samenwerking met het I.L.O.B, genomen voederproeven met
van nature met verschillende
Salmonellae besmet voer konden nooit symp-
tomen van indigestie of enteritis worden opgemerkt, hoewel deze ziekte-
kiemen regelmatig bij 10-20% der dieren uit de faeces konden worden ge-
ïsoleerd. Wèl konden postmortaal bij een groot percentage der varkens
Sal-
monellae
worden aangetoond, voornamelijk in de mesenteriale lymfklieren.

VVaaraan is het toe te schrijven dat een lichte infectie met Salmonellae
bij gezonde dieren geen aanleiding geeft tot ziekte?

Hierbij valt te denken aan 2 barrières. In de eerste plaats de barrière, opge-
worpen door de lymfocyten en macrofagen, die in staat zijn om kleine hoe-
veelheden ziektekiemen ook zonder specifiek gerichte immuunstoffen tegen
te houden door fagocytose en daarop volgende enzymatische afbraak van
de
Salmonellae. Daarnaast is er een andere hinderpaal die veel moeilijker
te nemen is, n.1. het antagonisme van andere kiemen die voortdurend in
de darm aanwezig zijn en die voorkómen, dat kiemen die er normaal niet
thuis horen zich sterk kunnen vermeerderen hoewel de nodige nutriënten
voor deze bacteriën wel in het lumen aanwezig zijn. De antibacteriële wer-
king van de maag, die niet onderschat mag worden, willen wij hierbij
buiten beschouwing laten.

1  Schaaf; hoogleraar aan dc Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat

-ocr page 810-

Over de 2de barrière is door de Amerikaanse bacteriologen M a j o r i e
Bohnhoff en Miller (1954) gedurende de jaren 1954—1964 veel
experimenteel onderzoek bij muizen verricht. Zij toonden aan dat door
kunstmatige uitschakeling van de normale Gram-negatieve flora de mini-
male infectieuze dosis van
S. enteritidis 100000- tot miljoenvoudig werd
verminderd. Dat wil zeggen, dat wanneer normaal 1 miljoen
Salmonellae
nodig zijn om, toegediend via de slokdarmsonde, na een week een positieve
kweek uit de milt te geven bij 50% der dieren, er bij muizen, die met be-
paalde antibiotica zijn voorbehandeld, slechts 1-10 levende exemplaren van
dezelfde
Salmonella-soort nodig zijn om ook bij 50% bacteriëmie te geven.
In het merendeel van hun proeven hebben zij ter voorbehandeling van
de muizen éénmaal 50 mg streptomycine 24 uur vóór de besmetting via de
slokdarmsonde toegediend; 10 mg penicilline bleek ongeveer hetzelfde effect
te hebben, daarentegen waren bacteriostatische wijd-spectrum-antibiotica
praktisch zonder effect.

Aanvankelijk meenden de onderzoekers dat de vernietiging van de coli-
flora door de hoge dosis streptomycine de
Salmonellae de kans gaf om zich
in colon en coecum van muizen dusdanig te vermeerderen dat het R.E.S.
niet meer bij machte was om te voorkómen dat de
Salmonellae in circulatie
kwamen. Zij hadden voor de proeven een streptomycine-resistente variant
van
S. enteritidis uitgekozen. Het bleek echter dat de infectie ook aansloeg
bij toediening van normaal gevoelige cultuur.

De medische bacterioloog G. G. M e y n e 11 en zijn Indiase medewerker
Subbaiah van het Lis ter Instituut te Londen konden in 1963 de
proeven van Bohnhoff en Miller geheel bevestigen. Zij waren in
staat met 5 kiemen van de gewoon voor streptomycine gevoelige ,S\'.
typhi-
murium
na orale voorbehandeling met 50 mg streptomycine bij 50% der
muizen een dodelijke septicemic op te wekken.

M e y n e 11 heeft erop gewezen dat bij normale muizen salmonella\'s onder
invloed van zwak bacteriostatische en bactericide stoffen sneller afsterven
dan zich vermeerderen. Het gevolg hiervan is dat de salmonella\'s verdwij-
nen en dus slechts korte tijd met de faeces worden uitgescheiden.
Wat de verblijftijd, gunstige pH, voedingsstoffen en vochtgehalte betreft,
worden alleen in coecum en colon voor salmonella\'s gunstige omstandig-
heden aangetroffen. Het verblijf in de dunne darm duurt te kort om een
duidelijke vermeerdering toe te laten.

In de dikke darm bedraagt de verblijftijd wel enige uren, doch er is een
toestand van anaerobiosis die voor salmonella\'s ook niet gunstig is. Deze
toestand van anaerobiosis is vooral te danken aan de wijdte van de darm,
zodat het bloed in de darmwand geen oxyderende invloed kan uitoefenen.
De sterke anaerobiosis is daarnaast vooral te danken aan de anaerobe flora
in het lumen van coecum en colon. Microscopisch bestaat deze flora vooral
uit grote Gram-negadeve in een punt uitlopende staafjes, behorende tot het
geslacht
Bacteroides. Daarnaast komen Clostridium, gisten en lactobacillen
voor. Microscopisch vindt men weinig coliachtige kiemen.

Door M e y n e 11 (1963) is aangetoond dat de Bacteroides de producenten
zijn van de z.g. vluchtige vetzuren n.1. azijnzuur, propionzuur en boterzuur.
Propionzuur is hiervan het minst van betekenis. De concentratie van de
vluchtige vetzuren bij normale muizen varieert van 0,02 N. — 0,05 N.

-ocr page 811-

Wanneer aan muizen per os 50 mg streptomycine wordt verstrekt ver-
dwijnt de
Bacteroides-ilora., terwijl de concentratie van vluchtige vetzuren
ook met 90% terugloopt. Tevens veranderdt de inhoud van het coecum.
Deze is niet meer pasteus maar wordt vloeibaar en er vormt zich gas zodat
het coecum wordt uitgerekt.

Dit milieu is gunstig voor de Enterobacteriaceae, zodat ze zich in korte
tijd snel kunnen vermeerderen. Na 2 dagen kunnen in het coecum zowel
voor
E. coli als voor S. typhimurium aantallen kiemen, variërende van
4
X lOS — 4 X 109 worden aangetoond.

De dodende werking is sterker naarmate de pH lager is, doch het zijn niet
de H-ionen die de bacteriostasis veroorzaken, doch de niet-gedissocieerde
zuurmoleculen. Opgelost Na-acetaat, dat een iets alkalische reactie geeft,
werkt niet bacteriostatisch. Van de 2 vluchtige vetzuren is boterzuur het
sterkst antibacterieel actief t.o.v.
Enterobacteriaceae. Wanneer men de
coecum-inhoud licht alkalisch maakt gaat de bacteriostatische werking ver-
loren, maar wanneer men door verhitting de bacteriën doodt blijft de ac-
tiviteit gelijk. Melkzuur, dat ook wel in de darm voorkomt, werkt bij de
daarin heersende pH in het geheel niet bacteriostatisch en het gaat de
activiteit van de vluchtige vetzuren tegen. Dit toont dus wel aan dat bij
de muis in het coecum en eveneens in het colon de remming van
Salmo-
nellae
en E. coli uitsluitend berust op eenvoudige vluchtige vetzuren en
niet, zoals vroeger werd verondersteld, op colicinen en lactocilline, die door
E. coli en lactobacillen worden gevormd.

De onderzoekingen van M e y n e 11 konden geheel bevestigd worden door
Bohn hof f en Miller, die in 1964 hun 10-jaar durende proeven af-
sloten met 2 artikelen in de
Journal of Experimental Medicine.
Voor de mens zijn de resultaten van deze onderzoekingen van grote be-
tekenis, omdat de flora van het colon bij de mens, evenals die van het
coecum bij de muis, voornamelijk bestaat uit fusiforme bacteriën en slechts
betrekkelijk weinig coli-achtigen.

Al in 1878 werd door B r i e g e r aangetoond dat in de ontlasting van de
mens azijnzuur en boterzuur voorkomen. Bij onze grote huisdieren, spe-
ciaal veulens, kalveren en biggen waaronder niet zelden klinische salmo-
nellosis voorkomt, is het microscopisch beeld van de darmflora duidelijk
verschillend van dat van de muis. Ongetwijfeld zijn ook in de dikke darm
van de huisdieren fusifoiTne bacteriën aanwezig, doch het is moeilijk om
de aantallen te bepalen.

Op dit gebied liggen nog talrijke voetangels en klemmen. Het bleek ons
namelijk dat op voedingsbodems, die door Bohnhoff en Miller zijn
aangegeven, talrijke koloniën tot ontwikkeling komen die lijken op die van
Bacteroides, d.w.z. zij bestaan uit grotendeels Gram-negatieve lange draden
met spoelvormige verdikkingen. Wanneer men deze koloniën overent op
Rogosa-voedingsbodems voor lactobacillen, dan groeien deze draden niet
meer als draden doch als echte Gram-positieve lactobacillen.
Noch Bohnhoff en Miller, noch M e y n e 11 geven aan welke species
van het geslacht
Bacteroides zij hebben gekweekt. Ze hebben steeds gewerkt
met een mengcultuur en konden zo ook niet aantonen welke bacteriën de
vluchtige vetzuren vormden, zelfs verloren hun mengcultures na enkele
overentingen de capaciteit om de bacteriostasis en bactericidie uit te
oefenen.

-ocr page 812-

De publikaties van de Amerikaanse en Engelse onderzoekers hebben tot ge-
volg gehad dat verschillende veterinairen het optreden van klinische sal-
monellosis bij dieren, die slechts aan een geringe infectie zijn blootgesteld
geweest, gaarne ook willen toeschrijven aan een gestoorde darmflora. Hier-
bij valt te denken aan antibiotica en chemotherapeutica, die soms per os ter
preventie of therapie van diarree vooral bij biggen en kalveren worden
gegeven.

Bij 4 kalveren van ongeveer 1 tot 3 maanden oud hebben wij, uitgaande
van de veronderstelling dat streptomycine het meest geschikt zou zijn om
de Gram-negatieve flora van pens, coecum en colon te verstoren, 5 gram
van dit antibioticum in tablet-vorm per os verstrekt. De dieren hebben het
goed verdragen en ook het herkauwen werd niet beïnvloed. Na 24 uur
zijn 2 dieren besmet met ± 10000 kiemen van
S. dublin en 2 andere met
1 miljard kiemen. Dezelfde cultuur, pas geïsoleerd uit een kalf met epiphy-
sitis en resistent gebleken tegen streptomycine, werd in overeenkomstige
hoeveelheden gegeven aan 2x2 kalveren die niet voorbehandeld waren.
Bij de met streptomycine voorbehandelde kalveren verliep de salmonellosis
niet ernstiger dan bij de controle-dieren. Bij de dieren, die met 10000
kiemen waren besmet, traden na 2 dagen lichte temperatuursverhogingen
doch verder geen klinische verschijnselen op. Bij de 4 dieren, die 100000-
maal zoveel levende salmonella\'s door de drinkmelk kregen trad de rectale
temperatuursverhoging aanzienlijk sterker en eerder op, n.1. binnen de 24
uur, en werden de faeces ook dun, stinkend en slijmig. Om te voorkomen
dat deze dieren zouden succomberen werd op de 2e dag 2 g chlooramphe-
nicol per stuk in propyleenglycol intramusculair toegediend en tevens ge-
durende 3 dagen 1,5-2 g Furoxone per os in tabletvorm verstrekt. De dieren
hebben alle gunstig op deze behandeling gereageerd.

Deze negatief verlopende proef toont aan dat men erg voorzichtig moet
zijn met het maken van veronderstellingen omtrent de ongunstige invloed
van oraal toegediende antibacteriële middelen op de resistentie tegen en-
terogene infecties bij andere dieren dan waarbij het z.g. Bohnhoff-Miller-
effect werd vastgesteld. Dit betekent dat, indien men op dit gebied beter
georiënteerd wil worden, proefnemingen bij muizen weinig zin hebben.

SUMMARY.

Studies by Bonhof and Miller in mice showed that resistance to Salmonella
was markedly reduced by oral administration of fifty mg. of streptomycin. This
reducdon of resistance is attributable to the destruction of
Bacteriodes present in
the caccum and colon.

Experimental studies in calves, in which the animals were given preliminary treatment
with five g. of streptomycin, showed that this dose docs not affect the course of an
infection induced by administration of a subinfectivc dose of
S. dublin (10,000
organisms).

LITERATUUR.

B o h n h o f f, M., Drake, B. L. and Miller, C. Ph.: Effect of streptomycin on
susceptibility of the intestinal tract to experimental Salmonella-infection.
Proc. Soc.
exp. Biol. & Med.,
86, 132, (1954).
Bohnhoff, M. and Miller, C. Ph.: Enhanced susceptibility to Salmonella

infection in streptomycine treated mice. J. inf. Dis., Ill, 117, (1962).
Bohnhoff, M., M i 11 e r, C. Ph. and M a r t i n, W. R.: Resistance of the mouse\'s

-ocr page 813-

intestinal tract to experimental Salmonella infection. I. Factors which interfere with
the initiation of infection by oral inoculation. II. Factors responsible for its loss
following streptomycin treatment.
]. exp. Med., 120, 805 en 817, (1964).

B r i e g e r, L.: Ueber die fluchtigen Bestandtheile der menschlichen Excremente.
]. prakt. Chem., 17, 124, (1878).

Mc Cullough, N. B. and Eisele, C. W.: Human experimental salmonellosis.
J. infect, dis., 88, 278, (1951).

M e y n e 11, G. G. and S u b b a i a h, T. V.: Antibacterial mechanisms of the mouse
gut. I. Kinetics of infection by Salmonella typhimurium in normal and streptomycin-
treated mice studied with abortive transductans.
Brit. ]. exp. Path., 44, 197, (1963).

M e y n e 11, G. G. and S u b b a i a h, T. V.; Antibacterial mechanisms of the mouse
gut. II. The role of Eh and volatile fatty acids in the normal gut.
Brit. J. exp.
Path.,
44, 209, (1963).

M i 11 e r, C. Ph. and Bohnhoff, M.;A study of experimental Salmonella-infection
in the mouse.
J. inf. Dis., Ill, 107, (1962).

Miller, C. Ph. and Bohnhoff, M.: Changes in the mouse\'s enteric microflora
associated with enhanced susceptibility to Salmonella infection following strepto-
mycin treatment.
J. inf. Dis., 113, 59, (1963).

Discussie

Vraag: Drs. G. H. A. Overgoor, Arnhem:

U hebt gesproken over de situatie in het coecum en de invloed van de
veranderingen hierin op het ontstaan van infectie. Is het echter niet zo,
dat een aantal infecties, met name die door de hemolytische
E. coli
bij het varken, van de dunne darm uitgaat?

Antwoord: Prof. A. v. d. Schaaf, Utrecht:

Wat betreft de aetiologie van slingerziekte zou ik willen vaststellen, dat
deze niet met zekerheid aan hemolytische
E. coli kan worden toegeschre-
ven, want het trias van Koch ten opzichte van deze kiem en de door
U bedoelde aandoening past niet op hemolytische
E. coli. Wel wordt
deze bacterie in de dunne darm bij aangetaste varkens gevonden, maar
men kan de ziekte er niet mee opwekken en na orale toediening van
grote hoeveelheden cultuur is de kiem bij gezonde dieren weer spoedig
spoorloos verdwenen uit maag, duodenum en ileum. Persoonlijk denk
ik aan indigestie met als gevolg antiperistaltiek van de dunne darm en
daardoor verplaatsing van de bij gespeende varkens altijd aanwezige
hemolytische
E. coli in orale richting. Hierbij vindt vermoedelijk re-
sorptie van gedeeltelijk afgebroken eiwitten plaats; men heeft naar ik
meen ook bij genezen varkens geen specifieke antilichamen tegen de
cofi-stammen kunnen aantonen.

Vraag: Drs. J. Jacobs, Meppel:

Kan wegens de nawerking van streptomycine op de pH van de inhoud
van de darm ook door de lage continu toegediende doseringen strepto-
mycine er niet een zodanig cumulatief effect optreden dat daardoor
invloed op de weerstand tegen enterogene infecties optreedt?

Antwoord: Prof. A. v. d. Schaaf, Utrecht:

Dc hoeveelheid streptomycine is in het voer zo laag dat, indien dit
antibioticum aan gezonde kalveren, biggen of kuikens wordt gegeven,
een belangrijke wijziging van de darmflora niet kan worden verwacht.
Streptomycine werkt niet cumulatief, want het wordt niet geresorbeerd
en regelmatig met de faeces afgevoerd.

-ocr page 814-

.excursies.

-ocr page 815-

Enkele aspecten van de stotwisseling in de pens

Aspects of metabolism in the rumen.

door R. A. PRINS1)

Uit het Laboratorium voor Medisch-Veterinaire Chemie van

de Rijksuniversiteit te Utrecht.

In de pens van de herkauwer ondergaat een gioot gedeelte van het opge-
nomen voeder ingrijpende veranderingen onder invloed van de enzyma-
tische aktiviteiten van de daar aanwezige mikroflora en mikrofauna. Vele
van deze processen zijn onderzocht; men begint een idee te krijgen van de
consequenties welke zijn verbonden aan de mikrobiële afbraak van de meest
uiteenlopende voederkomponenten en de daarmee samenhangende behoefte
van het gastdier.

Weinig is echter bekend omtrent de uitwerking op deze mikroörganismen
door in de veterinaire praktijk dagelijks toegepaste geneesmiddelen, welke
oraal aan herkauwers worden toegediend. Eén van deze therapeutica is
het chloraalhydraat dat in bepaalde gevallen wordt aangewend tegen ace-
tonemie. Deze stof veroorzaakt een hoger gehalte aan propionzuur in de
pens (Baay, 1959) hetgeen de gunstige werking gedeeltelijk kan verklaren
daar propionzuur een „precursor" is voor glucose en als zodanig het glu-
co.segehalte van het bloed bij actetonemische runderen kan doen stijgen.
Door pensinhoud met natuurlijk substraat en in aanwezigheid van chloraal-
hydraat te inkuberen, konden wij deze propionzuurstijging ook
in vitro
verkrijgen (Prins, 1965). Bij verdere experimenten met reinkultures van
uit de pens geïsoleerde bakteriestammen bleek dat chloraalhydraat in zeer
geringe koncentraties de groei van de meest strikt anaërobe pensbakteriën
(o.a.
Ruminococcus albus, R. flavefaciens, Bacteroides succinogenes) vol-
ledig kan remmen, zoals ook bleek uit de remming van de cellulosesplitsing
in vitro door totale pensinhoud, wanneer aan de kultures of aap de fistel-
koeien welke als donor voor het inoculum dienden, chloraalhydraat was
toegediend. Het ziet er dus naar uit dat de genezende werking van chlo-
raalhydraat bij acetonemie, althans gedeeltelijk, moet worden verklaard uit
een ongunstige werking op de strikt-anaerobe pensbakteriën, waarbij de
meer resistente fakultatief-anaerobe mikroörganismen (o.a.
Lactobacillus
sper. en Streptococcus spec.) minder hevig of in het geheel niet worden
geremd.

Bij een bepaalde vorm van indigestie welke wordt veroorzaakt door over-
voedering met licht verteerbare koolhydraten, ziet men ook een remming
van de normale pensfunkties en een opleving van Grampositieve, fcdculta-
tief-anaerobe elementen in de pensflora, veroorzaakt door de selektieve
werking van een abnormaal verhoogd aanbod van eenzijdig samengesteld
substraat (o.a. Krogh, 1963 a, b; Ryan, 1964 en Hyldgaard-
Jensen en Simesen, 1966).

Bovenstaande gegevens ondersteunen de waarneming van O y a e r t (1965)
dat bij te lang gebruik van chloraalhydraat indigestie kan optreden. Hierbij

1  Drs, R, A. Prins; wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht;

Biltstraat 172.

-ocr page 816-

moet worden opgemerkt dat zelfs een kortdurende behandeling met chlo-
raalhydraat de mogelijkheid op het optreden van indigestie zou kunnen
vergroten door de genoemde werking op de pensmikroben.

Een groot gedeelte van het onderzoek naar de pensfunkties geschiedt in
vitro,
want om tal van redenen is het niet eenvoudig een kwantitatieve
beoordeling te maken van de chemische omzettingen
in vivo, zoals afname
van substraat en vorming van eindprodukten. Daarom heeft men verschil-
lende procedures ontwikkeld om deze processen
in vitro te kunnen ver-
volgen. Hierbij moeten talrijke voorzieningen worden getroffen om het
milieu in de pens zo goed mogelijk te imiteren. Zo worden,
in vivo, diverse
faktoren als pH, mineralenkoncentraties, temperatuur, samenstelling van de
gasfase, mengen en verkleinen van de voedselpartikels, verwijderen van half
verteerde voedseldelen en eindprodukten, toevoer van speeksel en de redox-
potentiaal binnen nauwe grenzen gereguleerd, althans onder een normaal
voederrégime.

De mikroörganismen leven dus in een unieke oekologische niche en ver-
dragen geen noemenswaardige afwijkingen van dit milieu over langere tijd.
De meestal gevolgde
in vitro procedures bestaan uit het inkuberen van
pensinhoud, eventueel met een buffer verdund, in aanwezigheid van sub-
straat, in een gesloten vat bij een konstante temperatuur en onder anäerobe
omstandigheden, met eventuele voorzieningen voor doormenging van de
kultures en regeling van de pH. In dergelijke systemen treden na verloop
van tijd verschuivingen op in de onderlinge samenstelling van de populatie
der mikroörganismen door bijv. ophoping van eindprodukten, het limi-
terend worden van substraat of van bepaalde groeifactoren e.d.
Omdat de omstandigheden in de pens voldoen aan vele van de voor-
waarden welke ook de grondslagen vormen van de uit de bakteriologie
bekende kontinu kuituur, wordt bij
in vitro werk de werkelijkheid beter
benaderd door gebruik te maken van ditp rincipe. Er is daarom een appa-
raat ontwikkeld (figuur 1),1) waarbij de opstelling van de onderdelen werd
ontleend aan Hob son (1965). Aangezien het de bedoeling was om met
totale pensinhoud en niet met reinkultures van mikroörganismen te werken,
moesten wij andere eisen stellen aan het inkubatievat A. In dit vat van
plexiglas met een werkzaam volume van ± 500 ml, werd een konstruktie
opgenomen B, welke periodiek door middel van tijdschakelklokken D en
motor G de inhoud van het vat „mengt\' op een wijze welke zo goed mo-
gelijk overeenkomt met de uitwerking van een penskontraktie in het dier.
Door mikropomp E wordt uit een 5 liter rondbodemkolf F een konstante
stroom kunstmatig speeksel (synthetische speekseloplossing vlg. Mac
D o u g a 11, 1952; 3x verdund met kraanwater) in het vat gebracht, terwijl
de weggegompte vloeistof wordt vervangen door CO2 uit ballon G.
Het volume van het inkubatievat blijft konstant doordat aan de tegen-
overgestelde zijde een stroom vloeistof het vat verlaat door overloop K. De
afgewerkte vloeistof wordt opgevangen in een kolf welke in koelbad L
is geplaatst, om de fermentatie tot stilstand te brengen. Een gekombineerde
glaselektrode H registreert voortdurend de pH welke kan worden afgelezen
op pH-meter J en eventueel kan worden geregistreerd door middel van

1  Wij danken de heren W. D. Brands en J. van der Velden voor het
ontwerpen, resp. monteren van de onderdelen van deze opstelling.

-ocr page 817-

een recorder i niet aangege\\en in de figuur). Elk gewenst pH-trajekt kan
in stand worden gehouden door automatische toevoegingen van base of
zuur uit de flessen U door middel \\an solenoidekleninien T welke met de
pll-nieter zijn \\\'erhonclen. Ken zeer geringe stroom GO2 uit een cilinder M
\\ oorkonit koiitaminatie \\\'an de inhoud \\an het vat met Oo uit de lucht via
eventuele lekkagepunten in het deksel waarmee het vat is afgesloten. De
stroomsnelheid van dit CO2 wordt aangegeven dooi\' meter N. Kolom O
is gevuld niet gereduceerde koperkrullen en wordt verhit door een ..Variac"
P en dient
0111 sporen O^ uit hel CO^ te verwijderen. Tenslotte is het
gehele vat geplaat.st in een \\vateii)acl R \\ aii 39° C, waarvan de lenipera-
tuur in stand wordl gehouden door rondpomptherniostaat S.

In een eerste experiment dat na 7 dagen werd afgebroken en waarbij spe-
ciaal werd gelet op de ciliate protozoën welke zich gedurende deze 168 uur
konden handhaven, kon de superioriteit van dit systeem boven de oude
„batch culture" worden aangetoond. Tijdens de proef schommelde het
aantal protozoën tussen 5,1 x lO\'\' en 16,1 x lO^/ml finoculinn bevatte
35,9
X 103/ml). Tot de organismen welke rnet succes konden worden ge-
kweekt behoorden:
Charon ventricuU1), Dasylricha ruminanlium, diverse
soorten van de geslachten
Entodinium en Diplodinium, waarbij dit laatste
geslaclit was vertegenwoordigd door de subgenera
Diplodinium sen.su
slricto, Eudiplodinium
en Ostracodinium. In het pensnionster dat \\oor de
been ting van het apparaat diende bevonden zich geen soorten vaii het genus
Epidinium, terwijl Isotricha prostoma in geringe koncentratie (2%) aan-
wezig was, maar na twee dagen niet meer in de kultuin- werd aangetroffen.
Het verdwijnen van de laatste soort is misschien te wijten geweest aan de

1

0
"-TT

P \'

\\

Ofl
—1"

1

, i

1 i

1  Charon ventriculi, Jameson 1925 ~ Blepharocorys bovis, Dogiel 1926.
Eerste waarneming in Nederland.

-ocr page 818-

lage pH, welke gedurende het experiment voornamelijk schommelde tussen
5,80 en 6,20.

Met behulp van dit instrument, waarvan de details elders beschreven zullen
worden, hopen wij bepaalde invloeden op de stofwisseling in de pens over
langere perioden
in vitro te kunnen onderzoeken.

SUMMARY.

Chloral hydrate, used as a therapeutic against acetonacmia in the veterinary practice,
raises the propionic acid content of rumen fluid, both
in vivo and in vitro. Since this
compound also adversely affects the strictly anaerobic rumen bacteria and hencc
normal rumen functions, such as cellulose breakdown, it is stated that prolonged use
of this drug may bc dangerous. In aid of studying several aspects of rumen metabolism
in vitro, an artificial rumen apparatus based on the principle of continuous culture
has been developed. One of the main features of this new instrument is a devise to
imitate closely the extracting rumen movements. Using this system it has been
possible to culture total rumen contents over a prolonged time, during which there
was maintenance of several species of rumen protozoa including the uncommon
Charon ventriculi.

LITER.-VTUUR.
Baay, P. K.: Proefschrift, Utrecht, 1959.

Hob son, P. N.: /. gen. Microbiol., 38, 161, (1965), tevens pers. med.
Hyldgaard-J cnscn, J. and S i m c s e n, M. G.;
Nord. Med. Vet., 18, 73,
(1966).

Krogh, N.: Acta Vet. Scand., 4, 27, (1963a).
Krogh, N.: Acta Vet. Scand., 4, 41, (1963 b).
Oyaert, W.: Pcrs. med. 1965.
Prins, R. A.:
J. Dairy Sci., 48, 991, (1965).
Ryan, R. K.: Am. J. vet. Res., 25, 646, (1964).

Discussie

Vraag: Drs. P. van Loo, Mcppel:

Hoc oud woiden pcnsprotozoën ?

Antwoord: Drs. R. Prins, Utrecht:

Daar de ciliate protozoën zich voornamelijk door deling vermenig-
vuldigen, zou men kunnen zeggen dat zc in principe het eeuwige leven
hebben, wanneer zc niet tlüor bepaalde milicuomstandighcden tc gronde
zouden gaan. Dc tlclingstijdcn variëren in tijdsduur van enkele uren tot
enkele dagen.

Vra-ag: Prof. van dcr S c h a a f. Utrecht:

Bij het onderzoek van dunne facccs, opgezonden voor onderzoek op
Morbus johnei, is het mij opgevallen dat nogal eens protozoën, vooral
ciliaten, zoals L\' heeft laten zien, in grote getale voorkomen. Is hieraan
enige diagnostische waarde te hechten?

Antwoord: Drs. R. .X. Prins, Utrecht:

Wanneer het werkelijk gaat oni levende uit dc pens afkomstige proto-
zoën, dan kan hun aanwezigheid in dc faeccs misschien worden verklaard
door ccn hypofunctic, vooral een hyposecrctie van dc lebmaag of even-
tueel een verdunning van het maagzuur door abnormale vochtopname.

-ocr page 819-

waardoor deze organismen ongeliinderd de maag liunnen passeren. Bij
liet paard is bekend dat de eiliate protozoën, welke in het colon leven,
zonder bezwaar de lage jiH van de maag kunnen verdragen, daar
infectie per os mogelijk is .gebleken terwijl er in deze .gevallen geen
sprake was van cystevonning.

Vraag: Drs. H. C. K a 1 s b e e k. Utrecht;

Is het via een pen.sfistel afgenomen pensmonster wel representatief voor
een normale pensinhoud i.v.m. het verdwijnen van cen bepaalde ciliaten-
soort?

Antwoord: Drs. R. .A. Prins, Utrecht:

Het begrip „normale pensinhoud\'\' is moeilijk te definiëren daar er grote
\\-erschillen bestaan in de pensflora en -fauna van dc gastdieren onder-
ling, ook onder eenzelfde voederrégime. De heer vandenVorsten-
b O s c h heeft nieerdere malen waargenomen dat Isotricha intestinalis
enige tijd na de fistulering niet meer in de pens voorkomt en dus
verdwenen is onder de nieuwe omstandigheden. Of dit werkelijk een
gevolg is geweest van het aanbrengen van de fistels zou nader moeten
worden onderzocht. Een pensmonster dal op de goede manier wordt
genomen kan echter altijd representatief zijn voor dc pensinhoud die
het fisteldier op dat moment heeft.

-ocr page 820-

Ribveranderingen bij varkenspest

Changes in the ribs of pigs suffering from swine fever.

door J. M. M. MOUWEN, S. S. DE LANGE - KOC^PMANS
en TH. A. M. ELSINGHORST1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Pathologie van de Rijles-
universiteit te Utrecht.

Inleiding

Een specifieke diagnostische methode ter vaststeUing van \\ arkenspest, welke
onder alle omstandigheden volledig betrouwbaar is, is tot heden niet ge-
vonden. Als belangrijke diagnostische hulpmiddelen bij het diagnostiseren
van varkenspest gelden nog steeds de patholoog-anatomische en de patho-
loog-histologische onderzoekmethoden. In de acute gex allen is meestal met
behulp van deze methoden de diagno.se varkenspest wel te stellen. In dc
oudere ge\\\'allen is dit vaak niet direct het geval, omdat dan karakteristieke
varkenspestlaesies kunnen ontbreken.

In 1957 beschreven Dunne e.a. in Amerika veranderingen aan varkens-
ribben, welke typisch zouden zijn voor varkenspest. De veranderingen be-
stonden in de acute en subacute gevallen \\an varkenspest uit een wis-
selend sterke verbreding der distale ribepifysairlijnen. In de acute gevallen
van varkenspest waren bovendien juist proximaal van de \\-erbrede epify-
sairlijnen bloedingen aanwezig. In de chronische gevallen van varkenspest
bestond de ribverandering uit een dwars op de lengte-as van de rib ver-
lopende witte lijn in de diafyse op wisselend grote afstand van de costo-
chondrale ox\'crgang. De zojuist genoemde Amerikaanse onderzoekers von-
den deze ribveranderingen alleen bij aan varkenspest gestorven varkens en
nooit bij aan andere ziekten gesuccumbecrde vaikens. Zij beschouwen de
epifysairlijnverandering wel als zeer karakteristiek maar niet als pathogno-
monisch voor varkenspest, omdat zij de mogelijkheid niet uitsluiten, dat
deze veranderingen ook bij andere aandoeningen gevonden zouden kunnen
worden. De in de chronische gevallen van varkenspest waargenomen trans-
verse witte lijn wordt echter door hen als praktisch pathognomonisch voor
varkenspest beschouwd.

Een jaar later, in 1958, beschrijft een andere .\\merikaan.se onderzoeker.
Grot h, de door Dunne e.a. bij varkenspest beschreven epifysairlijn-
verandering ook bij aan andere niet met name genoemde ziekten gestorven
varkens.

In 1964 kunnen Russische onderzoekers, Kulesko e.a., de bevindingen
van D u n n e e.a. bevestigen.

Omdat de door Dunne en andere onderzoekers gevonden ribverande-
ringen \\an belang zouden kunnen zijn \\<)or de diagnose \\an xarkciispcst
in Nederland, werd besloten om een onderzoek in te stellen naar het voor-
komen \\an deze ribv eranderingen hij aan \\ arkens])est gestorven \\arkens en
hun betekenis voor de diagnose van varkenspest. Hiertoe werden op het
Pathologisch Instituut van een groot aantal aan varkenspest en aan andeie

1  Drs. .J. M. M. Müuwcn, Mevr. Drs. S. S. dc Lange-Koopmans en Drs. Th. A.
M. Elsinghorst; resp. wetenschappelijk ambtenaar Ie kl. cn wetenschappelijke
ambtenaren aan dc Rijksuniversiteit tc Utrecht, Instituut voor Pathologie der
Faculteit der Diergeneeskunde: Biltstraat 166.

-ocr page 821-

ziekten gestonen \\arkens de ribben macroscopisch en microscopisch onder-
zocht.

Materiaal en methode

Bij het onderzoek werden in totaal 65 aan varkenspest en 61 aan andere
ziekten gestorven varkens betrokken. De leeftijd der \\\'arkens varieerde
van 1 week tot 24 weken. Het merendeel der dieren viel echter in de
leeftijdsgroep van 5 tot 14 weken. De diagnose varkenspest werd ingesteld
op grond van klinische, epizoötiologische cn morfologische bevindingen.
De groep „andere ziekten" omx-at 23 verschillende aandoeningen en wel:
ocdeemziektc 4 x, acute gastro-cnteritis 24 x, dysenterie 3 x, transmissible
gastro-enteritis 4 x. coli-bacillosis 1 x. Glässersche ziekte 1 x, streptococcosis
1 x, paraboutvuur 1 x. tetanus 1 x, catarrale broncho-pneumonie 5 x, ter-
minale jejuno-ileitis 1 x, purulente meningo-encefalitis 1 x. endocarditis
1
X, atrofische rinitis 1 x, pseudomembraneuze enteritis 1 x, zaadstreng-
abces 1
X, lymfoide leukose 2 x, micro-angio|)athy 2 x. inaagulcus 1 x, ic-
terus 1
X, torsio intestini 2 x, hernia inguinalis 1 x en colon divertikcl 1 x.
Van ieder varken werden alle ribben overlangs gespleten en de breedte
der distale epifysairlijnen gemeten.

In de literatuur werden geen gegevens gevonden over de variatie in de
breedte van de distale ribepifysairlijnen van normale varkens. Uit de on-
derzoekingen van Cohen (1948), die bij „normale" kinderen de variatie
in de breedte van de distale ribepifysairlijnen bepaalde, blijkt dat de
breedte van dc distale ribepifysairlijnen sterk varieerde binnen écn leeftijds-
groep en afnam met toenemende leeftijd. Deze variatie berust volgens
Cohen op xerschillen in groeisnelheid.

Het aan het Pathologisch Instituut ter onderzoek aangeboden varkens-
materiaal is niet als normaal te beschouwen en kwam daarom niet in aan-
merking voor bestudering \\\'an de \\ariatie in de normale breedte \\an distale
ribepifysairlijnen. Pratt e.a. (19641 noemen 0.2 mm als gemiddelde
waarde \\oor de breedte \\an ej^ifysairlijncn \\an de fcmiu\' \\\'an normale var-
kens. Omdat ter beantwoording van de in de inleiding geponeerde vraag-
stelling de kennis der normale variatie in dc breedte dei\' distale ribepify-
sairlijnen niet strikt noodzakelijk bleek, werd besloten om van het ver-
zamelen van deze kennis af te zien en op grond van dc gege\\-ens \\-an
Pratt e.a. f1964) epifysairlijnen gelijk aan of breder dan 0.5 mm. als
„abnormaal" te beschouwen on histologisch met elkaar te vergelijken.
Ten behoeve van het histologisch onderzoek werden de ribben gefixeerd
in formaline 4%. ontkalkt in IINO3 5%, gesneden vlg. de paraffine-in-
beddin.gsmethode en werden dc aldus \\erkrcgen coupes gekleurd met hae-
maluin-eosine en van Gieson. .Aldus x\'ond histologisch onderzoek plaats van
dc ribben van 17 \\\'arkcnspcstvarkcns en van alle varkens uit de groep met
,.andere ziekten", waarbij de distale epifysairlijnen gelijk aan of breder
waren dan 0.5 mm. Bovendien werd in alle ge\\\'allcn waarbij macroscopisch
cen transverse witte lijn in dc diafyse werd aangetroffen, een histologisch
onderzoek van dc desbetreffende ribben ingesteld.

Resultaten

Macroscopisch onderzoek

Bij 51 van de 65 onderzochte varkens met varkenspest kwamen zowel
links als rechts ribben voor, waarvan de distale epifysairlijn gelijk aan of

-ocr page 822-

breder was dan 0.5 mm (afb. 1 en 2). De verbrede epifysairlijnen waren
beiderzijds tegelijk wel of niet aanwezig. Voor 42 varkens met varkenspest
gold, dat de verbrede epifysairlijnen zowel links als rechts hct meest vaak
aanwezig waren in de 4e t/m 9e rib. De breedte der distale ribepifysair-
lijnen varieerde van 0.5—8.8 mm.

Bij 39 dieren was de epifysairlijn over de gehele ribbreedte verbreed, bij 3
dieren alleen plaatselijL In 8 gevallen bestond een gelijkmatige, in 34 ge-
vallen een ongelijkmatige verbreding van de distale epifysairlijn. De kleur
van de verbrede epifysairlijnen was in de meeste gevallen wit, soms geelwit.
Een enkele keer bevond zich juist proximaal van de verbrede epifysairlijn
een felrode zoom.

In de groep varkens, die aan „andere ziekten" gestorven waren kwamen
in 6 gevallen (lymfoide leukose 1 x, torsio intestini 1 x, transmissible
gastro-enteritis 2 x, icterus 1 x en pseudomembraneuze enteritis 1 x) ver-
brede distale ribepifysairlijnen voor. Hun breedte varieerde van 0.5—3.3
mm, terwijl ze macroscopisch niet van die der varkenspestgevallen ver-
schilden. Zowel bij varkens met als zonder varkenspest (varkenspest 2 x,
oedeemziekte 1 x, Glassersche ziekte 1 x en pseudomenbraneuze enteritis
1 x) kwamen in de diafyse op wisselend grote afstanden van de distale
ribepifysairlijnen transverse witte lijnen voor. die overeen kwamen met de
door Dunne e.a. (1957) bij chronische varkenspest beschreven witte
lijnen (afb. 3). In één varkenspestgeval was naast de transverse witte lijn
in de diafyse tevens een verbrede epifysairlijn aanwezig.

-ocr page 823-

Microscopisch onderzoek

Tussen de macroscopisch abnormale ribben van varkens, die aan varkens-
pest of „andere ziekten" gestorven waren, bestonden histologisch geen es-
sentiële verschillen. In alle gevallen week het histologische beeld van de
epifysairlijnen en dat van de metafyse sterk af van dat van een normale
rib (afb. 4).

De belangrijkste histologische veranderingen, die constant aanwezig waren,
kunnen als volgt worden samengevat:

1. een wisselend sterke verbreding van de zone met rijpe kraakbeencellen
(afb. 5);

2. een verminderde indringing van capillairen uit het beenmerg in de
zone met rijpe kraakbeencellen (afb. 7);

3. een zeer onregelmatig verlopende grens tussen kraakbeen en been
(afb. 5);

4. de beentrabekels in de metafyse verlopen niet tubulair, zijn gering in
aantal, dun en abnormaal van richting (afb. 6);

.5. Osteoblasten zijn gering in aantal en inactief.

Niet constant, maar wel vaak waren de volgende histologische verande-
ringen aanwezig; een hypo- of aplasie van het beenmerg van de metafyse
met soms tevens aanwezigheid van fibrosis (afb. 7), wisselend grote bloe-
dingen in de metafyse tegen de e]3ifysairlijn (afb. 7), wisselend groot
aantal kraakbeentrabekels in de metafyse (afb. 5), beenvorming tegen de
zone met rijpe kraakbeencellen (afb. 5 en 6), beenvorming in de zones met
rijpende en rijpe krakbeenccllen, rijpe kraakbeencellen in meer of minder
grote groepen gelegen (afb. 6 en 7).

-ocr page 824-

Overlangse doorsnede van een rib met een trnnsverse witte lijn proximaal van de

coslochondrale overgang.

big. 3.

Longitudinal section of a rib. Notice the transverse white line (while arrow) proximal
from the costochondral junction.

Fig. 4.

Histologisch beeld van een normale cosiochondrale overgang,
zone met rustende kraakbeencellen,
zone met prolifererende kraakbeencellen,
zone met rijpende krnakbeencellen.

zone met rijpe kraakbeencellen, die macroscopisch als een fijne witte lijn
zichtbaar ts (epifysairlijn).
metafyse. H.E.; x 50.

-ocr page 825-

fig. 5.

Longitudinal section of an abnormal costochondral junction. The zone of mature
curtilage cells is greatly widened and the line between bone arid cartilage is irregular.

H.E.; X 50.

In één varkenspestgeval werd proxiinaal en op korte afstand van de epify-
sairlijn een dwars op de lengte-as van de rib verlopende kraakbeenband ge-
\\onden die op enkele plaatsen nog d.m.v. kraakbeentrabekels met de epify-
sairlijn in verbinding stond (afb. 8).

De bij 6 varkens aangetroffen transverse witte lijnen in de diafyse van de
ribben bleken histologisch tc beslaan uil kraakbeciivcldcn, omgcxeti door
bloeding en bindweefsel. De bloeding breidde zich soms tot in het periostale
weefsel uit. In deze gevallen was ook een periostale reactie aanwezig in de
\\onn \\an bindweefsel- en kraakbeeiuorming.

-ocr page 826-

Beenvorming (zwarte pijlen) tegen de .Uerk verbrede zóne met rijpe kraakbeencellen.
De beentrabekels in de 7ïietafyse zijn gering in aantal, ze zijn dun, misvormd en niet

tubulair. H.E.:.x50.

F tg. 6.

Ossification (black arrows) along the greatly widened zone of mature cartilage cells.
There are only a few trabeculae in the m,etaphyse and the trabeculae are thin,
distorted and they aren\'t tubular. H.E.; x 50.

Fig. 7.

Overlangse doorsnede van de costochondrale overgang. Verminderde indringing van
capillairen uit het beenmerg in de zone met rijpe kraakbeencellen (zwarte pijlen).
Bij 1 een uitgebreide bloeding tegen de sterk verbrede zone met rijpe kraakbeencellen.
Bij 2 aplasie en fibrosis van het beenmerg van de metafyse.
V.C.; X 50.

Hmm Âv \' \' -^.jf I

Fig. 7.

Longitudinal section of the costochondral junction. Suppression of capillary invasion
of the zone of mature cartilage (black arrows). Haemorrhage (I) along the greatly
widened zone of mature cartilage. Aplasie and fibrosis (2) of the bone marrow in the

rnetaphyse. v.G.; x 50.

-ocr page 827-

Discussie

Bij de aan varkenspest gestorven varkens werd een wisselend sterke ver-
breding van de distale ribepifysairlijnen gevonden. Volgens Dunne e.a.
( 1957) en K u 1 e s k
O e.a. (1964) treedt bij acute varkenspest een geringe
verbreding van de distale ribcpifysairlijn op, waarbij tex-cns een bloeding
aan de proximale zijde ervan voorkotnt. Bij subacute varkenspest zagen zij
een sterke verbreding \\ an de distale ribcijifysaii li jn. Bi j dc door ons onder-
zochte varkenspestgevallen werden zowel bij gering als sterk \\\'erbrcdc dis-
tale ribepifysairlijnen bloedingen aan de proximale zijde er\\an ge\\onden.
Door het ontbreken \\\'an nauwkeurige gegevens o\\\'er het tijdstip \\\'an de be-
smetting met het varkenspcst\\\'irus was het niet mogelijk enig verband tc
leggen tussen de ouclcrdotn van dc infectie en de mate van \\\'crbrccling
der distale ribepifysairlijnen.

Een wisselend sterke verbreding van de distale ribepifysairlijnen werd dooi-
ons ook vastgesteld bij 6 aan ,,andere ziekten" gestorven varkens ( lymfoide
leukose 1 x. torsio intestini 1 x, transmissible gastro-enteritis 2 x. icterus 1 x
en pseudomcinbraneuzc enteritis 1 x). In dc gevallen \\\'an lymfoide leukose,
torsio intestini, icterus en pseudomembraneuze enteritis waren bo\\cndien
bloedingen aanwezig aan de proximale zijde van dc verbrede epifysairlijnen.
De zo juist genoemde varkens waren niet geënt tegen \\arkenspest. Ooi-
door Groth (1958) werd een verbreding van de distale ribcpifysairlijn
aangetroffen bij niet aan varkenspest gestorven \\\'arkens. Tussen de macros-
copisch abnomiale ribben \\an \\arkens. die aan \\arkenspcst of aan
„andere ziekten" gestorven waren, bestonden histologisch geen es.sentiële
verschillen. In alle gevallen week het histologische beeld van de epifysair-

-ocr page 828-

lijn en metafyse sterk af van dat van een normale rib. De histologische be-
vindingen kwamen overeen met die, welke door Groth (1958) werden
beschreven.

De distale ribepifysairlijnverandering lijkt macroscopisch op die van rachi-
tis. Door middel van histologisch onderzoek is wel een duidelijk onder-
scheid met rachitis mogelijk. Bij rachitis komt \\eel osteoid weefsel voor en
is de in\\asie \\an capillairen van het beenmerg in de zone met rijpe kraak-
beencellen juist toegenomen. (Run nel Is e.a., 1960).
De oorzaak \\-an de door ons zowel bij varkenspest als bij „andere ziekten"
\\-astgestelde distale ribepifysairlijnveranderingen is niet duidelijk.
Dunne e.a. (1957) \\-eronderstelden dat een storing in het Ca-P-nietabo-
lisme verantwoordelijk was voor de door hen beschreven ribveranderingen
bij varkenspest. Zij vonden in het beginstadiuin van de ziekte een hypo-
calcemie. aanvankelijk gepaard gaande met een hyperfosfatemie maar later
inet een daling van het fosforgehalte van het bloedplasma. Uit hun onder-
zoekingen bleek echter, dat het produkt van Ca x F (en waarschijnlijk is
vooral dit produkt belangrijk) slechts gedurende enkele dagen duidelijk
daalde. Het is niet bekend, wat de oorzaak is van de veranderingen van
het Ca- en P-gehalte van het bloedplasma bij varkenspest. Mogelijk wordt
dit veroorzaakt door veranderingen in de uitscheiding van Ca en P door
de nieren. Marcato e.a. (1963) vonden bij 25 van de 40 varkens die
gestorven waren na acute of subacute varkenspest een glomerulonefritis en
een interstitiële nefritis.

Behalve het Ca- en P-gehalte van het bloedplasma zijn er echter nog
meerdere andere faktoren die van belang zijn voor een normaal verlopend
calcificatieproces in de epifysairlijnen. Vooral het enzym alkalische fos-
fatase speelt hierbij een grote rol. In de literatuur werden echter geen ge-
gevens (maar ook geen onderzoekingen) gevonden betreffende de alka-
lische fosfataseactiviteit in de epifysairlijnen \\\'an de ribben bij varkenspest.
Ook werden er geen gegevens gev onden over veranderingen van de ztitu-
graad en het gehalte aan Mg-ionen (2 faktoren die invloed hebben op
de aktiviteit van de alkalische fosfatasc) in de intercellulaire substantie
van het kraakbeen in de omgeving van de epifysairlijnen van de ribben
bij varkenspest.

\\Vèl is bij meerdere dieren, en ook bij de mens, bekend dat er bij een hy])er-
functie van de bijnierschors een vertraagde en abnormale beenopbouw kan
optreden. Mogelijk speelt de bijnier bij het varken ook een rol bij het ont-
staan van de ribveranderingen bij varkenspest.

Door meerdere auteurs (Matthias. 1954; G i\'i e m, 1954) zijn nl. his-
tologisch meerdere aanwijzingen gevonden vooi een verhoogde bijnier-
schorsfunktie bij varkenspest. Zonder verdere onderzoekingen kan men
echter betreffende de oorzaak van de beschreven veranderingen aan dc
distale epifysairlijn van dc ribben van varkens hoogstens van hypothesen
spreken.

In één varkenspestgeval werd proximaal en op korte afstand van de epi-
fysairlijn een dwars op de lengte-as van de rib verlopende kraakbeenband
gevonden, die op enkele plaatsen nog door middel van kraakbeentrabekels
met de epifysairlijn in verbinding stond. Een dergelijk beeld werd ook door
Groth (1958) in twee gevallen van varkenspest gezien. Hij beschouwde
deze verandering als een hervatting van de gestagneerde kraakbeenafbraak
en enchondrale beenvorming. Waarschijnlijk zijn de door ons in de zones

-ocr page 829-

met rijpende en rijpe kraakbeencellen waargenomen gebieden met kraak-
beenafbraak en enchondrale beenvorming op te vatten als voorstadia van
laatst genoemde afwijking.

Zowel bij varkens mèt als zonder varkenspest (varkenspest 2 x, oedeem-
ziekte 1 x, Glässersche ziekte 1 x en pseudomembraneuze enteritis 1 x)
kwamen in de diafyse op wisselend grote afstanden van de distale ribepi-
fysairlijnen transverse witte lijnen voor, die macroscopisch overeenkwamen
met de door Dunne e.a. (1957) bij chronische varkenspest beschreven
witte lijnen. In één varkenspestgeval was naast de transverse witte lijn m
de diafyse tevens een verbrede epifysairlijn aanwezig. De in ons materiaal
aangetroffen witte lijnen bleken histologisch niet met die van Dunne
e.a. (1957) overeen te komen. De transverse witte lijnen bleken histolo-
gisch te zijn opgebouwd uit kraakbeen\\elden, omgeven door bloeding en
\'bindweefsel. De bloeding breidde zich soms tot in het periostale weefsel uit,
in welke gevallen ook een periostale reactie aanwezig was in de vorm van
bindweefsel- en kraakbeenvorming. Deze veranderingen kunnen ons in-
ziens een gevolg van een ribfractuur zijn. De witte lijnen bestonden \\ olgens
Dunne e.a. (1957) bij histologisch onderzoek uit een dwars op de lengte-
as van de rib verlopende strook compact beenweefsel. Zij verklaarden het
ontstaan van deze witte lijnen door een weer plotseling optredende verkal-
king van de kraakbeenmatrix na herstel van de bij varkenspest in het be-
ginstadium optredende verstoring van de Ca/P-\\erhouding.

Conclusie

Zowel bij varkenspest als bij „andere ziekten" werden veranderingen ge-
vonden aan de distale ribepifysairlijnen, die noch macroscopisch noch mi-
croscopisch van elkaar te onderscheiden waren. Hoewel de epifysairlijn-
verandering zeer frequent bij aan varkenspest gestorven varkens aangetrof-
fen werd, is deze afwijking hoogstens als een sterke aanwijzing voor var-
kenspest te waarderen.

Met betrekking tot de transverse witte lijnen, die eveneens zowel bij aan
varkenspest als aan „andere ziekten" gestorven varkens werden aangetrof-
fen, dient rekening gehouden te worden met gevolgen van ribfracturen.

Dankbetuiging:

Wij danken Dis. W. v a n d e r E ij k, .Adjinu t-In..pc<K ur van de Veeartsenijkundige
Dienst van de Provincie Utrecht, voor de prettige samenwerking bij het verzamelen
van geschikt varkenspcstrnatcriaal.

SUMM.ARY.

In view of the problems frequently confronting the veterinarian in performing
autopsies on animals which are being examined for the prcsencc of swine fever and
also in view of the changes in the ribs of pigs with swine fever as reported by
Dunne et al. in the U.S.A. in 1957, an investigation into the incidence and
nature of these changes of the ribs in pigs in the Xclhcrlands was carried out and
the diagnostic value of these costal changcs in cxaining animals for swine fever was
studied.

Sixty-five pigs which had died from swine fever and sixty-one pigs with „other
diseases" were studied. The group of animals with „other diseases" included twenty-
three different conditions.

-ocr page 830-

Changes in the distal epiphyseal lines of the ribs, reported in the literature as being
common in swine fever, were found to be present in fifty-one of the sixty-five pigs
with swine fever. These changes, both mieroseopical and macroscopical, were also
observed, however, in six of the sixty-one pigs with „other diseases". These six pigs
showed the following diseases or conditions: one ease of lymphoid leucosis, one case
of torsion of the intestine, two cases of transmissible gastro-entcritis, one case of
jaundice and one case of pseudomembranous enteritis. It is concluded that although
it is true that the changes reported as occurring in the distal epiphyseal lines of the ribs
are very common in swine fever, they can at best be regarded as strongly suggesting
swine fever. Macroscopically, the changes observed in the distal epiphyseal lines of
the ribs bore some resemblance to those appearing in rickets, although examination
under the microscope made it possible to differentiate between the two types of
changes.

The transverse white line described by Dunn e et al. as appearing in the shafts
of the ribs at a varying distance from the distal epiphyseal line was observed in two
of the sixty-five pigs with swine fever and in three of the sixty-one pigs with „other
diseases". These three pigs showed the following diseases or conditions: one case
of oedema disease, one case of Gliisser\'s disease and one case of pseudomembranous
enteritis. D u n n e et al. believed this change to be virtually pathognomonic of swine
fever. This accordingly was not the case in the animals studied by the present authors.
In their opinion, the presence of diis „transverse white line" should in any case
also be regarded as suggesting a sequela of fracture of the rib.

An investigation into the cause of the changes in the distal epiphyseal lines of the
ribs was not carried out by the present authors; only a few factors which may possible
be of importance in these cases were referred lo on the basis of a study of the
literature.

LITERATUUR.

C oh e n, J.: Normal Variation of the Costochondral Junction. Arch. Path., 45, 246,
(1948).

Dunne, H. W., B e n b r o o k, S. C., Smith, E. M. and Runnels, R. A.:
Bone Changes in Pigs Infected with Hog Cholera.
J. Am. vet med Ass., 130 260
(1957).

G r o t h, A. H.; The Comparative Histopathology of Rickets and an Osteodystrophy

in Immature Iowa Swine. Am. J. vet. Res., 19, 409, (1958).
G r i e m, W.: Pathologisch-anatomische \\\'criinderungi n der Nebennieren bei der

Schweinepest. Mh. Vet. Med., 9, 544, (1954) .
K u 1 e s k o, I. I. and S o b k o, .A. I.; Pathological changes in the ribs of pigs with
swine fever.
Vet. Bull., 35, abstract 1333, (1965). Veterinariya, Moscow, 41 (9),
34, (1964).

M a r c a t o, P. S. and B a c c h i, G.: Studio Istopatologico delle Lesioni Renali nella

Peste Svina. Acta Medica Vet., Napoli, 9, 225, (1963).
M a t t h i a s, D.: Das histologischc Verhalten der .Nebennieren bei der Schweinepest.

Arch. exp. Vet. Med.. 8, 226, (1954).
Pratt, C, W. M, and M c C a n c e, R. .A.: Severe undernutrition in growing and
adult animals. 12. The extremities of the long bones in pigs.
Brit ] Nutr. 18 393,
(1964).

R u n n e 1 1 s, R. A., M o n 1 u x, \\V. S. and M o n 1 u x, .A. VV,: Principles of Vete-
rinary Pathology. The Iowa State University Press, .Ames, Iowa, U.S.A., 1960.

-ocr page 831-

Drs. J. H e i d a, Bcetsterzwaag:

Er schijnt verband te bestaan tussen varkenspest en het optreden van
verbreding van de epifysairlijn. Echter deze verbreding komt ook voor
bij andere ziekten. Zijn dit, evenals varkenspest, ziekten die met
temperatuurverhoging verlopen ?

Drs. J. M. V. M. Mouwen, Utrecht:

In de groep van 61 varkens met „andere ziekten" bevonden zich 6
varkens met verbrede distale epifysairlijnen van de ribben en 55 varkens
met niet verbrede epifysairlijnen. Zowel bij die groep van 6 als bij die
groep van 55 bevonden zich varkens waarbij wél, maar ook varkens
waarbij géén temperatuurverhoging geconstateerd was.
Er werd bij ons materiaal geen verband gevonden tussen het met tem-
peratuurverhoging gepaard gaan van de ziekte of aandoening en het
optreden van verbreding van de distale epifysairlijn van de ribben.

Discussie

Vraag:

Antwoord:

-ocr page 832- -ocr page 833-

De diagnostiek van longafwijkingen

The diagnosis of pulmonary affections

door G. WAGENAAR1)

Uit de Kliniek voor Veterinaire Inwendige Ziekten van de
Rijksuniversiteit te Utrecht.

Inleiding

Patiënten met longafwijkingen kimnen om verschillende redenen ziekte-
verschijnselen vertonen. Het kan zijn dat de gasuitwisseling in de long
dusdanig onvoldoende is geworden, dat de dieren daardoor ziekteverschijn-
selen vertonen, het kan echter ook zijn dat ontstekingsprocessen in de long
het dier ziek maken zonder dat daarbij, althans in rust, de gasuitwisseling
al ernstig is gestoord.

Het onderzoek van het respiratieapparaat en het interpreteren van de ge-
vonden afwijkingen is in vele gevallen een moeilijke opgave. Toch kan de
dierenarts met de in de praktijk beschikbare middelen, n.1. het waarnemen,
het ausculteren en het percuteren, een heel eind komen.
Wanneer men zich realiseert welke afwijkingen er aan het respiratieappa-
raat kunnen voorkomen, dan zal men al onderzoekende er meestal wel in
slagen bepaalde mogelijkheden te verwerpen en andere te aanvaarden. Men
kan niet zo maar een pneumonie diagnostiscren, men kan wel bepaalde
veranderingen die er door een pneumonie in de long ontstaan vaststellen en
daaruit concluderen dat er een pneumonie bestaat.

Het heeft dan ook voor de klinicus geen zin om de longaandoeningen op
een wijze te rubriceren zoals b.v. een patholoog-anatoom dat zou doen;
het is beter deze aandoeningen te rubriceren naar de verschijnselen waar-
mee zij zich aan de praktizerende dierenarts openbaren. Wanneer men dit
doet, dan dient men zich echter te realiseren dat combinaties van moge-
lijkheden kunnen optreden en dat daardoor combinaties van verschijnselen
zich kunnen en zullen voordoen.

Met welke mogelijkheden moet men in de praktijk rekening houden?

1. Aandoeningen van de bronchiën

Bij de grote huisdieren zullen dit in hoofdzaak de bronchitiden zijn. Men
kan hierbij onderscheid maken in bronchitiden met weinig secretum (bron-
chitis sicca) en bronchitiden met veel secretum (bronchitis humida). De
eerste komen nogal eens bij paarden voor, de tweede bij runderen (b.v.
longworminfecties).

De verschijnselen van een bronchitis kunnen sterk verergeren als er tevens
bronchiaalkramp optreedt. De ademhaling kan dan sterk bemoeilijkt
worden.

2. Processen waarbij verdichtingen in de long optreden

Verdichtingen van de long kunnen tengevolge van een pneumonie ont-
staan. Vooral bij fibrineuze pneumonieën kan plaatselijk het luchthoudende

1  Prof. Dr. G. Wagenaar; hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht; Biltstraat
172.

-ocr page 834-

gedeelte van de long gevuld raken met gestolde fibrine. Ook bij andere
pneumonieën kunnen gedeelten van het longweefsel verdicht raken.
Door atelectase van longgedeelten treedt eveneens een verdichting op. Ate-
lectase van longweefsel kan optreden tengevolge van afsluiting van een
bronchus; het kan ook optreden door druk van buiten af, b.v. door een
pyothorax of een hydrothorax. Door afsluiting van een bronchus worden
meestal kleine stukjes long atelectatisch, door druk van buitenaf worden
grotere gedeelten atelectatisch.

Tenslotte kan ook een, overigens zelden voorkomende, longtumor verant-
woordelijk zijn voor het ontstaan van een longverdichting.
Ten aanzien van de symptomen moet men er rekening mee houden dat
deze afhankelijk zijn van de vraag of er in het verdichte gedeelte een
open of een gesloten bronchus aanwezig is.

Tenslotte dient men er rekening mee te houden dat kleine, verspreide en
vooral diepzittende longverdichtingen aan de thoraxwand niet kunnen
worden waargenomen. Juist daarom kan de diagnose pneumonie zo moeilijk
zijn.

3. Afwijkingen, hoofdzakelijk in het interstitium zetelend

Bij afwijkingen in het interstitium blijft de bronchiaalboom, wat de inhoud
van de laronchiën betreft, onveranderd. Dit punt is voor de diagnostiek van
groot belang, omdat men daardoor normale ademhalingsgeruisen kan
blijven horen.

Eén van de vormen, waarmee men hier te maken heeft, is de interstitiële
pneumonie. De ernst van een dergelijke pneumonie kan sterk variëren.
Soms zijn de verschijnselen gering, in andere gevallen kan er een ernstige
ademnood ontstaan doordat de gasuitwisseling in de alveolen onvoldoende
is geworden. In het laatste geval moeten er dus om de alveoli heen be-
langrijke veranderingen zijn opgetreden.

Een tweede vorm is de embolische pneumonie. Hierbij ontwikkelen zich
in het interstitium necropurulente haardjes, waarbij de bronchiaalboom, al-
thans voorlopig, vrij blijft van ontstekingsprocessen.

Een bijzondere vorm in deze laatste groep zijn de longembolieën. Hierbij
zitten er geïnfecteerde thrombi in de grotere vertakkingen van de A.
pulmonalis.

Zowel de embolische pneumonie als de embolieën ontstaan meestal uit een
endocarditis of uit een trombose van de vena cava posterior.

4. Emfyseem

Emfyseem is een toestand waarbij de alveoli en de terminale bronchiën
sterk uitgezet zijn. Bij emfyseem is altijd een bronchitis aanwezig, waarbij
vernauwingen van de bronchiën de oorzaak zijn van het ontstaan van het
emfyseem.

Men maakt bij het paard altijd onderscheid in acuut en chronisch long-
emfyseem. Het is de vraag of deze scheiding wel geheel juist is. Men neemt
tegenwoordig wel aan, dat het emfyseem bij het paard op een allergische
basis berust en dat het emfyseem zich langzaam ontwikkelt met stoots-
gewijze verergeringen.

Wanneer de tussenwanden van de alveolen door de druk in de alveolen
scheuren of atrofiëren en verdwijnen, ontstaat interstitiëel emfyseem, ter-
wijl in ernstige gevallen subpleuraal emfyseem kan ontstaan.

-ocr page 835-

Bij de koe valt het acute emfyseem (longjacht) veel meer op dan bij het
paard. Koeien zijn dan ook vrij plotseling erg benauwd.
Tenslotte kan er bij bronchopneumonieën lokaal emfyseem ontstaan, ter-
wijl dit ook wel het geval is bij dieren met een interstitiële pneumonie. De
sterk geforceerde ademhaling is vaak de oorzaak van het emfyseem.
Een complicatie van het emfyseem waar men rekening mee dient te hou-
den, is de pneumothorax. Deze aandoening komt zelden voor, maar zowel
bij het paard als bij de koe moet men er rekening mee houden.

5. Longabcessen

.A.lleen grote abcessen in de longen zijn als zodanig te diagnostiseren.
Kleine abcesjes kan men soms op bepaalde gronden vermoeden, klinisch
waarneembaar zijn ze niet.

Longabcessen kunnen ontstaan uit een enkele embolische haard, uit een
pneumonie, maar ook vanuit de buik. Dit laatste is het geval wanneer
een corpus alienum het diafragma heeft geperforeerd en de rechter long
heeft aangeprikt. Ook le\\erabcessen kunnen via het diafragma doorvreten
tot in de long.

Grote longabcessen zitten bij de koe in verband met de genese vaak in de
rechter longhelft.

6. Borstholte tumoren

Borstholte tumoren, die dus buiten de long in de thorax zitten, veroorzaken
dikwijls andere verschijnselen dan longtumoren. Een typisch voorbeeld van
een borstholte tumor is het thymussarcoom, dat vooral bij jonge dieren
voorkomt.

Dergelijke tumoren veroorzaken vaak venestuwing en daardoor een hy-
drothorax.

De differentieeldiagnose met longtiunoren kan echter bijzonder moeilijk
zijn.

7. Pleuritis

Een pleuritis kan uit een jjneumonie ontstaan, maar ook wel op zichzelf
staan. Bij de koe ontstaat een pleuritis nog wel eens tengevolge van trauma
vanuit de netmaag.

Diagnostisch dient men rekening te houden met de volgende mogelijk-
heden:

a. Pleuritis sicca

Een pleuritis sicca is meestal een acute pleuritis met een beginnende
fibrine-afzetting. Hoewel de meeste pleuritiden wel als zodanig zullen
beginnen, wordt de diagnose pleiuitis sicca toch weinig gesteld.

b. Pleuritis humida

Een pleuritis sicca krijgt in de regel snel t>cn purulent karakter, waar-
door een gedeelte van de borstholte gevuld wordt met purulent secre-
tum. Er is dan sprake van een pleuritis humida. Wanneer er voldoende
secretum aanwezig is, dan leidt dit tot compressie van het ventrale deel
van de long, waardoor longatelectase optreedt. De verschijnselen kun-
nen hierdoor belangrijk gaan verschillen van die van een pleuritis sicca.

-ocr page 836-

Bij de koe kan men heel goed een eenzijdige pleuritis aantreffen, bij
het paard is deze vaak beiderzijds.

c. Pleuritis chronica

Onder een pleuritis chronica verstaan wij een chronische pleuritis, waar-
bij weinig secretum aanwezig is en waarbij een sterke verdikking van
de pleurabladen is opgetreden. Een dergelijke pleuritis kan uit een pleu-
ritis humida ontstaan wanneer een gedeelte van het secretum is gere-
sorbeerd. Ook de longatelectase is dan weer verdwenen.
Men ziet een dergelijke pleuritis nog wel eens bij het paard b.v. na
virusinfecties van de voorste luchtwegen.

De diagnose van deze vorm van pleuritis is lang niet altijd eenvoudig.
8. Hydro thorax

Een hydrothorax is altijd een secundair optredend ziektebeeld.
De oorzaak kan gelegen zijn in een hartgebrek waardoor stuwing optreedt;
hetzelfde kan het geval zijn bij een borstholte tumor.

Ook bij toestanden van hydremie kan een hydrothorax optreden, b.v. bij
leverbotinfectie bij schapen.

Wanneer men de bovengenoemde mogelijkheden gaat vergelijken met de
symptomen die men bij het klinisch onderzoek kan
waarnemen, dan krijgt
men het volgende beeld:

A. Verhoogde adenihalingsfrequentie

Bij alle long- en borstholteaandoeningen is de ademhalingsfrequentie ver-
hoogd. Een uitzondering hierop is misschien de bronchitis sicca, waarbij in
rust een praktisch normale frequentie kan voorkomen. Het is niet vooruit
te zeggen hoeveel de frequentie verhoogd zal zijn, dit hangt in sterke mate
af van de vraag in hoeverre de gasuitwisseling gestoord is.
Een zeer snelle ademhahngsfrequentie kan men aantreffen bij een uitge-
breide pneumonie, bij acuut longemfyseem, bij astma aanvallen en bij trom-
bosen in grote takken van de A. pulmonalis.

Behalve bij longaandoeningen kan de ademhalingsfrequentie ook verhoogd
zijn door pijn, koorts, warmte, anemie en metabole acidose.

B. Abdominaal ademhalingstype

De ademhaling wordt versterkt abdominaal bij die aandoeningen, waarbij

het middenrif moeilijk in zijn koepelvormige stand terugkeert.

Dit komt voor bij emfyseem, maar ook bij een hydrothorax of bij een

pleuritis humida. Bij een interstitiële pneumonie met erg volumineuze

longen ziet men ook wel abdominaal ademen (zwoegers bij schapen).

In zijn extreme vorm ziet men bij het abdominaal ademen een dubbelslag

optreden.

Tenslotte ziet men bij een hernia diaphragmatica meestal ook een abdo-
minaal ademhalingstype optreden.

C. Oppervlakkig ademhalingstype

Een oppervlakkig ademhalingstype ziet men bij sterke pijnlijkheid in de
thorax. Dit is b.v. het geval bij een acute pleuritis. Bij andere acute long-
aandoeningen is dit niet zo duidelijk.

-ocr page 837-

D. De hoest

Het symptoom hoesten is lang niet altijd eenvoudig te interpreteren. Dieren
kunnen tengevolge van een geringe laryngo-, tracheo-bronchitis soms luid
en hardnekkig hoesten, terwijl de afwijking op zichzelf vaak gering is. In
één stal kunnen alle dieren soms hoesten tengevolge van het gebruik van
beschimmeld hooi. Het gaat er dus om waar te nemen of een patiënt meer
hoest dan de andere dieren in dezelfde omgeving.

Dieren met een bronchitis zullen als regel hoesten, maar ook dieren met
een embolische pneumonie hoesten meestal, hoewel bij deze laatsten de
bronchiën niet behoeven te zijn aangetast. Zelfs dieren met uitsluitend een
pleuritis hoesten zo nu en dan.

Bij aantasting van de bronchiën alleen zal de hoest krachtig zijn. Bij pa-
tiënten met een uitgebreide pneumonie is de hoest meestal krachteloos en
onderdrukt, dit laatste vermoedelijk door de pijn. Hetzelfde is het geval bij
patiënten met een trombose van takken van de A. pulmonalis.
Uitgesproken krachteloos is de hoest bij emfyseem. Dit behoeft niet alleen
het geval te zijn bij chronisch emfyseem, want koeien met acuut longemfy-
seem hoesten ook krachteloos. De onmogelijkheid om dergelijke longen
goed samen te persen en daardoor de hoeststoot op te wekken is de oorzaak
van de krachteloze hoest.

Dieren met een acute pleuritis zullen onderdrukt hoesten door de pijn; bij
een pleuritis humida zal de hoest onderdrukt zijn door het onvermogen
de long snel te verkleinen. Om dezelfde reden is de hoest bij een inter-
stitiële pneumonie vaak krachteloos.

E. Exspiratorisch kreunen

Ieder kreunen van een koe vindt plaats tijdens de exspiratie. Onder exspira-
torisch kreunen verstaan wij in dit verband het kreunen of steunen bij
iedere of nagenoeg iedere exspiratie.

Exspiratorisch kreunen kan men constateren bij koeien met een uitgebreide
pneumonie, bij koeien lijdende aan trombosen van grote takken van de
A. pulmonalis en vooral ook bij dieren lijdende aan acuut emfyseem. Ook
runderen met een uitgebreide pleuritis humida kunnen soms geregeld
kreunen.

Paarden met longaandoeningen kreunen of steunen zelden, soms hoort men
paarden met een pleuritis humida wel eens steunen bij het wenden of bij
het omzetten.

Men realisere zich dat patiënten met aandoeningen in de buik soms ook
veel kunnen kreunen.

Waarnemingen bij de auscultatie:

F. Geen ademhalingsgeruisen

Het komt maar zelden voor, dat men over een gehele longhelft geen adem-
halingsgeruisen hoort. Dit is eigenlijk alleen maar het geval bij de, overi-
gens zelden voorkomende, pneumothorax. Maar zelfs bij een flinke pneu-
mothorax hoort men toch in de topkwabben nog wel wat ademgeruis.
Lokaal — en meestal ventraal — hoort men geen geruisen als er wat tussen
de borstwand en de long zit; dit is het geval bij een pleuritis humida, bij
een hydrothorax, bij een borstholtetumor, maar ook wel bij een groot long-
abces.

-ocr page 838-

Bij koeien met acuut longemfyseem hoort men vaak op de hoofdkwab geeti
of nauwelijks geruisen. Vermoedelijk zetten de longen van dergelijke pa-
tiënten alleen maar uit bij de inspiratie, zonder dat er via de bronchiën
lucht in komt. Wel hoort men vaak crepiteren. Bij paarden met cmfysecni
hoort men meestal verzwakte geruisen.

Op sterk verdichte pneumonische gedeelten, waarbij de bronchus is afge-
sloten, hoort men ook geen longgeruisen. Meestal zijn dergelijke haarden
te klein om duidelijk op te vallen. Bij kalveren met longworm, met veel
secretum in de bronchiën, hoort men soms ook lokaal heel weinig; derge-
lijke kalveren hebben echter ook emfyseem.

G. Verzwakt vesiculair ademen

Verzwakt vesiculair ademen hoort men in alle gevallen waarbij weinig
lucht de bronchiën passeert. Dit kan het geval zijn bij een bronchitis, het
komt zeker voor bij emfyseem.

Bij een chronische pleuritis hoort men soms ook erg verzwakte aclemge-
ruisen. Normaal hoort men in het ventrale deel van het longveld het vesi-
culair ademen het duidelijkst, bij een chronische pleuritis hoort men ven-
traal weinig en dorsaal duidelijke longgeruisen.

Bij een pleuritis humida hoort men meestal onder het vloeistofniveau geen
vesiculair ademen meer, wanneer er echter weinig exsudaat is en wanneer
er geen atelectase is, dan kan men soms onder het vloeistofniveau toch ver-
zwakt vesiculair ademen horen.

H. Versterkt vesiculair ademen

Versterkt vesiculair ademen treedt op als de lucht met grotere kracht dan
normaal via de bronchiën wordt ingezogen. Dit is altijd het geval bij
dieren die een te hoge ademhalingsfrequentie hebben. Daarbij behoeven
er geen longafwijkingen voor te komen.

Wanneer er grote gedeelten van de long niet of nauwelijks toegankelijk
zijn voor lucht, komt er naar andere gedeelten een sterkere luchtstroom
toe, met als gevolg versterkt vesiculair ademen.

Zo hoort men bij een uitgebreide pneumonie, bij een longabces, bij een
pleuritis humida en bij een hydrothorax op de goede longgedeelten ver-
sterkt vesiculair ademen. Ook bij een interstitiële pneumonie kan men soms
duidelijk versterkt vesiculair ademen horen; is deze pneumonie gecompli-
ceerd door emfyseem, dan hoort men soms verzwakt vesiculair ademen.
De vraag of men werkelijk tc maken heeft met versterkt vesiculair ademen
is niet altijd gemakkelijk te beantwoorden Dit hangt o.a. af van de dikte
van de borstkas. Bij kalveren en veulens hoort men altijd het vesiculair
ademen erg duidelijk zonder dat dit pathologisch behoeft te zijn. Hoort
men echter bij een koudbloedmerrie het vesiculair ademen erg duidelijk,
dan zij men op zijn hoede.

I. Bronchiale geluiden

Wanneer de bronchiën door secretum geheel of gedeeltelijk zijn afgesloten,
dan hoort men bronchiale geluiden. Afhankelijk van de aard van het ge-
luid spreekt men van piepen, chiemen, brommen of reutelen. Er is dus in
deze gevallen sprake van een bronchitis door de een of andere oorzaak.
Bij astma-aanvallen hoort men ook duidelijke bronchiale geluiden, deze zijn
echter slechts aanvalsgewijs waar te nemen.

-ocr page 839-

J. Tubair ademen (Bronchiaal ademen)

Een van de meest opvallende auscultatorische afwijkingen is het tubair
ademen (bronchiaal ademen).

Tubair ademen ontstaat als er een verdicht longgedeelte ligt tussen een
open bronchus en de thoraxwand (zie tekening I).

Normaal hoort men dit in de larynx en trachea ontstane geluid niet. Blijk-
baar dempen de alveolen als een schuimrubber kussen dit geluid af.
In een vast longgedeelte, b.v. bij een fibrineuze pneumonie, wordt dit ge-
luid vanuit de bronchus blijkbaar goed voortgeleid naar de thoraxwand.
Men moet er rekening mee houden, dat men vóór in de longen, dus onder
de schouders, de exspiratie door de dicht in de buurt liggende trachea
altijd enigszins hoort. Dit is vooral het geval bij kalveren en veulens. Hier-
door krijgt men soms de indruk tubair ademen te horen, het echte tubair
ademen is echter hoger van toon.

Wanneer de bronchus in het sterk verdichte gedeelte gesloten is, hoort
men geen tubair ademen (zie tekening T), en geen ademgeruisen.

Het is duidelijk dat men tubair ademen het fraaist zal horen in de buurt
van de grote bronchiën en van de trachea. Men hoort \'t dan ook meestal in
de topkwabben of in de cardiale kwab en craniaal in de hoofdkwabben.
Bij paarden hoort men zelden tubair ademen bij een pneumonie, wel in de
jaren toen er nog borstziekte voorkwam. Men zal dus tubair ademen kun-
nen verwachten bij pneumonieën met sterke long\\\'erdichtingen, maar ook
bij toestanden van longatelectase.

Bij longatelectase, veroorzaakt door een pleuritis humida of door een hy-
drothorax, hoort men dikwijls juist onder de dempingslijn zacht maar fraai
tubair ademen. De atelectase veroorzaakt de voorwaarde waaronder tubair
ademen kan ontstaan, de vloeistof en de verdikte pleurabladen dempen dit
geluid weer af (zie tekening 2).

-ocr page 840-

K. Crepiteren

Het crepiteren is een typisch geluid voor emfyseem. Het ontstaat doordat
^ich lucht in het interstitium verplaatst. Het is niet onmogelijk dat ook bij
alleen alveolair emfyseem enig crepiteren optreedt door wrijving of trilling
van de sterk met lucht overvulde alveolen.

Wanneer patiënten met emfyseem voorzichtig ademen hoort men het crepi-
teren vrijwel niet; na een geforceerde inspiratie is dit meestal wel het geval.
Ook bij een pleuritis sicca zijn dergelijke geluiden wel te horen. Strikt ge-
nomen zijn dit dan wrijvingsgeruisen, deze zijn meestal wat rauwer dan het
echte crepiteren.

L. Klikgeluiden

Soms hoort men links of rechts in het long\\\'eld een metaalachtig geluid.
Het heeft wat van het geklik dat ontstaat als men de deksel van een blik-
ken bus indrukt. Het geluid kan bedriegelijk veel lijken op de „bruits de
glou glou", die men bij een koe met een pericarditis kan horen. Hierbij
komt nog dat men het geluid vaak synchroon hoort met de hartslag.
Wanneer men er op goede gronden van overtuigd is dat de patiënt niet
lijdende is aan een pericarditis, dan heeft men vrijwel zeker te maken met
een groot longabces met wat gas boven de vloeistofmassa.
Het merkwaardige geluid dat men hoort ontstaat doordat het hart tegen
het abces aanklopt en daardoor de inhoud in beweging brengt. Niet altijd
is het geluid synchroon met de hartslag, het kan ook min of meer samen-
vallen met de ademhaling.

Percussie

M. Holle percussietoon

Het begrip holle of beter te holle percussietoon is vaak moeilijk te han-
teren. Bij een magere koe heeft men in de regel een wat hollere toon dan
bij een vette. Sterk met gas overvulde buikorganen veroorzaken dikwijls
een wat holle toon.

Rekening houdend met bovenstaande feiten, dient men bij een te holle
percussietoon te denken aan emfyseem, resp. aan een pneumothorax. Een
pneumothorax is klinisch moeilijk met zekerheid te diagnostiseren. Soms
wordt het klinische vermoeden sterk ondersteund doordat de percussietoon
links en rechts niet gelijk is. Voor een definitieve diagnose heeft men een
röntgenfoto nodig en/of een meting van de intrathoracale druk.

N. Gedempte percussietoon

Er kunnen in het longveld gedeelten optreden waar de percussietoon ge-
dempt is. Dit verschijnsel treedt op als er zich onder de thoraxwand vast
weefsel of vloeistof bevindt in plaats van luchthoudend longweefsel.
Bij een pleuritis humida of bij een hydrothorax vindt men een kleinere of
grotere demping in het ventrale gedeelte van het longveld. De vloeistof
vult meestal het ventrale thoraxgedeelte geheel, de long is daar atelec-
tatisch, maar meer naar boven loopt de vloeistof in een steeds dunner
wordende laag uit tussen de long en de thoraxwand. Hoewel men in deze

-ocr page 841-

gevallen in principe te maken heeft met een horizontale dempingslijn, blijkt
deze lijn hoger te liggen als men zacht percuteert en lager te liggen als
men hard percuteert (zie tekening 2).

Bij een borstholtetumor of bij een longabces behoeft de demping niet ge-
heel in het ventrale gedeelte van het longveld te zitten. Wanneer deze aan-
doeningen gecombineerd zijn met een hydrothorax of met een pleuritis hu-
mida kan men tevens in het ventrale gedeelte een horizontaal niveau per-
cuteren.

In het algemeen zullen pneurnonische haarden niet groot genoeg en niet
vast genoeg zijn om demping te veroorzaken. Bovendien zitten bij het rund
vele pneumonieën in de topkwabben waar men niet kan percuteren. Bij
paarden met borstziekte kan men soms duidelijk een haard percuteren.
Bij een hernia diaphragmatica kan men soms een holle percussietoon
vinden door darmgedeelten in de thorax of gedempte gedeelten door b.v.
een stuk lever in de thorax.

O. Vergroot percussieveld

Een vergroot percussieveld, zowel naar achteren als naar onderen, vindt
men bij paarden met emfyseem. Bij koeien speelt dit symptoom niet zo\'n
grote rol. Men moet er aan denken dat sportpaarden, zoals dravers, en
oudere paarden ook altijd een groot percussieveld hebben. Men kan dus de
diagnose emfyseem niet alleen op het percussieveld stellen.

-ocr page 842-

Schematisch overzicht van de verschijnselen die men bij de verschillende
soorten longaandoeningen kan waarnemen.

waarneming

verhoogde
frequentie

abdominaal
type

costaal
type

hoest

krachtig krachteloos

exspi
toria
kreul

l. Bronchitis

^ sicca
^ humida

2. Longvcrdichting

pneumonie

atelectase

longtumor

1

open bronchus
gesloten bronchus

4-

H

H

5. Afw. interstitium b.v.

interstitiële pneumonie

4-

-

emboUsche pneumonie

longembolie

-

acuut

-

4. Emfyseem

chronisch
pneumothorax




-h

5. Longabces

-f-

6. Borstholte tumor

sicca

±

7. Pleuritis

humidu
chronica


±

8. Hydrothorax

Tot slot

Wanneer men van een patiënt het respiratie-apparaat heeft onderzocht,
dan zal men een aantal waarnemingen hebben kunnen doen. Uit deze
waarnemingen, uit deze symptomen dus, zal men een conclusie kunnen
trekken over veranderingen, die zich in de thorax hebben voorgedaan. Niet
altijd zal het gemakkelijk zijn de juiste conclusie te trekken. Er zijn n.l.
allerlei combinaties mogelijk, zoals b.v. een bronchitis met een pneumonie,
een pneumonie met een pleuritis humida, een bronchopneumonie met em-
fyseem, een borstholtetumor met een hydrothorax, een interstitiële pneu-
monie met emfyseem enz.

Een goed onderzoek zal niet altijd tot een diagnose leiden, vaak lukt dit
echter wel.

1646

-ocr page 843-

auscultatie

percussie

kaal
een
cruis

verzwakt
vesiculair
ademen

versterkt
vesiculair
ademen

piepen
enz.

tubair
ademen

crepi-
teren

klik-
geluiden

hol

demping

vergroot

-f

±

H-

-1-

1

-f

-1-

■1

-f

1

±

-1-

-1-

SUMMARY.

The symptoms which may occur in various lesions of the lungs arc reviewed.
The changes appearing in bronchitis, pulmonary dullness, changes in the interstitial
tissues, emphysema, pulmonary abscesses, tumours of the thoracic cavity, pleurisy
and hydrothorax are discusscd.
The whole is listed in a table.

-ocr page 844-

Discussie

Vraag: Prof. Van der Schaaf, Utrecht:

Is het bacteriologisch sputumonderzoek nog van belang bij de diagnos-
tiek van ademhalingsorganen?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

Niet alleen het bacterioscopisch, maar vooral het cultureel onderzoek
van het sputum kan van belang zijn als men duidelijke pathogene kiemen
vindt. Het bepalen van de gevoeligheid van andbiotica resp. chemo-
therapeutica kan dan tevens een aanwijzing geven voor de therapie.

Vraag: De Heer O. L. Beiboer:

Welke antidateringstermijn is verantwoord bij een koopkwestie, be-
treffende een paard met acuut longemphyseem?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

Zoals de vraag gesteld is, moet men zeggen dat de antidateringstermijn
kort is. Wij zien echter eigenlijk nooit een acuut proces zoals b.v. het
acute emphyseem bij de koe. De ervaring leert dat paarden pas over
een lange termijn chronisch dampig worden en dat er gedurig plotse-
ling verergeringen kunnen optreden. Vele schijnbaar acute aanvallen
zullen wel opflikkeringen zijn van een reeds bestaand chronisch proces.
Ik ben wel geneigd om de antidateringstermijn van chronisch emphyseem
langer te stellen dan 14 dagen, maar chronische dampigheid kan de
koper meestal wel snel onderkennen (hoest, te snelle ademhaling).
Wanneer echter een paard gedurende de weideperiode verkocht wordt,
bestaat de kans dat men in de winter pas weer verschijnselen ziet en
wie zal dat dan nog durven antidateren.

Vraag: De Heer J. Overbeek:

Heeft de lichaamstemperatuur nog een plaats in de waarneming?

Antwoord: Prof. Dr. G. W a g e n a a r. Utrecht:

De temperatuur is niet genoemd, omdat een temperatuursverhoging
niet specifiek is. Bij alle ademhalingsstoornissen, gepaard gaande met
ontsteking, dient men echter met temperatuursverhoging resp. tempe-
ratuursschommelingen rekening te houden.

Vraag: De Heer van Maanen:

Welke phonendoscoop is de beste?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

Wij gebruiken tegenwoordig de phonendoscoop van Rappaport Spraque.

-ocr page 845-

Een kalmeringsmefhode voor katten

Tranquillization in cats.

door J. FRENS1)

Uit het Instituut voor Veterinaire Farmacologie der Rijks-
universiteit te Utrecht.

Inleiding

In het hierna volgende onderzoek werd nagegaan of er een methode ge-
vonden kon worden om katten dusdanig te kalmeren dat de dieren een-
voudige behandehngen zouden toelaten en bovendien werd het effect van
verschillende soorten tranquillizers en combinaties hiervan op deze dieren
nagegaan.

Na een aanloopperiode, waarin verscheidene soorten preparaten werden
onderzocht, werd de uiteindelijke preparaatkeus gedaan in de groep van de
echte tranquillizers, met name een phenothiazine derivaat (Combelen2,
Bayer) en een benzodiazepine derivaat (Valium**, Hoffmann-La Roche).
Een moeilijkheid bij dit onderzoek was het opstellen van goede criteria
van werking. Hierin werd een vrij subjectieve keus gedaan, die echter ge-
durende het verloop van het onderzoek aanvaardbaar bleek te zijn.

Proefdieren

Gebruikt werden 6 bastaardkatten A, B, C, D, E en F. A en B waren uit
één nest, G en D eveneens. A, B, C en D hadden dezelfde moeder en waar-
schijnlijk dezelfde vader. Een nadere specificatie wordt gegeven in tabel I.

Tabel I. Gegevens der proefdieren.

proefdieren

leeftijd ±

geslacht

gewicht in kg

Kat

A

7 mnd.

d

3,1

B

7 mnd.

s

2,5

C

3 mnd.

9

1,4

D

3 mnd.

d

2,1

E

3 jaar

9

4,5

F

3 jaar

d

5,0

Farmaca

Gebruikt werden: N-(3 dimethylaminopropyl)-3 propionyl phenothiazine
fosf. (Combelen) en 7-chloro 1 methyl 7 phenyl-3 H-1,4 benzodiazepine-2
(IH)-one (Valium).
De volgende doses werden aangehouden:

1. Combelen 1 mg/kg

2. Combelen 2 mg/kg

3. Valium 8 mg/kg

4. Combelen 1 mg/kg Valium 4 mg/kg.
De farmaca werden intramusculair toegediend.

1  Drs. J. Frens; wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht;
Biltstraat 172.

2  De namen der preparaten Combelen en Valium zijn gepatenteerde handelsnamen.
Tijdschr. Diergeneesk., deel 91, afl. 23, 1966 1649

-ocr page 846-

Doseringsschema

Om mogelijke invloeden van vorige injecties te kunnen voorkomen werd
voor iedere kat een verschillende opvolging van de diverse doseringen ge-
kozen. Tussen de opvolgende injecties lag ongeveer een week.
Het doseringsschema was voor de katten als volgt:
A: 1-2-3-4
B: 4-3-2-1
G: 2-4-1-3
D: 3-1-4-2
E: 2-2-2
F: 4-4-4

De katten E en F werden gebruikt om te zien of de aangelegde criteria
bruikbaar waren.

Criteria

De volgende criteria voor kalmering en voor de eventueel opgetreden neven-
werkingen werden gebruikt:

1. Het verschuiven aan de staart. Dit werd uitgevoerd door het dier aan
zijn staart over een glad oppervlak (tafel) te trekken. Was dit zonder
verzet mogelijk, dan werd dit gewaardeerd met 3; ging dit niet, dan
was de waardering 0. Tussenwaarden van 2-1-5/2-

2. Het brengen van een vinger in de keel: goed mogelijk 3, redelijk 2, bek
zonder verzet te openen 1. Bek goed te openen Y^. Niet mogelijk 0.

3. De omkeerreflex: geen invloed hierop O, afwezig 3.

4. Corneaprikkeling: de cornea werd geprikkeld met behulp van een
paardehaar. De reactie hierop bleef gedurende de gehele proef aan-
wezig.

5. Aanspreekbaarheid: deze werd getoetst door een — gedoseerde — klap
op de tafel bij het dier. De uitslag hiervan is van vele factoren, zoals
b.v. ataxie, afhankelijk, zodat de resultaten niet in de tabel zijn opge-
nomen.

6. Pijngevoel en reactie: dit werd nagegaan door knijpen in de staart.
Gedurende het gehele experiment bleef het pijngevoel aanwezig en
slechts enkele malen verminderde de reactie, zodat deze resultaten niet
in de tabellen opgenomen zijn.

7. Protrusie van de membrana nictitans: dit is een verschijnsel dat gecor-
releerd wordt met de sympathicolytische activiteit van de neuroleptica.
Afwezigheid hiervan werd gewaardeerd met O, sterk aanwezig met 3.

8. Ataxie: dit werd door observatie gewaardeerd. Geen ataxie O, sterk
atactisch 3.

9. 10. 11. De pols, temperatuur en ademhaling werden opgenomen.
Temperatuur en ademhaling komen niet in de tabellen voor. De adem-
haling was te sterk wisselend om er conclusies uit te trekken. Als de
dieren met rust gelaten worden, krijgen zij een diepe weinig frequente
ademhaling. De temperatuur vertoonde over het algemeen een daling.

Deze lijst van criteria werd getoetst vóór de injectie en resp. 10 - 20 - 45 -
90 - 180 en 360 minuten na de injectie, uitgezonderd de temperatuur die
10 en 20 minuten na de injectie niet opgenomen werd.

-ocr page 847-

\'fl>>oO<< :^\'0>3!O<< !">T3>3IO<<

B^r--21 i- B3tr„J5.c

2.11R ® « f H. H i " \' H ë « I i- f ^ I "

O

O

3
g"

ls5 O O O O O
hO

ro H- O O O

ro w — w — w
O

g ro W co

g w N- w to oa

03 O 09 ro

lO

^ H- O O O O
g O O O O O

I- O O O O

co

S ro O O O O

— lO O O O O
O

g 10 O O O O

EXCITATIE
EXCITATIE
g O O O O O

co O O O O O

I ro ro ^ O O

O to fo O —

10 ro ro O

O

I to V- O O O

O ro O O O O

w O O O O

5 - _ O O O

10

g H- O O O

«n O O O O
to

O O O O O

s
>

c>

<3-

lO O O O O O

O H- O O O

oj ^ ro O w

o-ï

I w - wn; w

^ W ^ W O W

ro ^ ro O w

O

lo - N5 O
«00000

H- ro O ^ O 10

S os O os O H-

g os O to ^ ro

S os O ^ O ^

ro O O O O

ro

co ^ O O O O

O O O O O

to H- 10 O O ^
ro

g ro O ro
jo ro ro ^ os
--O os

co

ë---O ^

2

0^00

ro O O O O O

ro ^ ro O O O
O

O ^ ro O O O
co

O O O O

ro O O O O O

0

W O O O O O

01

ro O O O O O

co

O
ns

S

«1
»

g O O O O O
ro

g to w O H-

ro

2 ïo c O

g W O O O to
ro

g 10 O O O ^

S O O O ro
10 O O O O O
ro

ro os O O O O
CO

^ os O O O O

co

os O O O O

to

ro os O O O O

O os O O O —
O

«n ro O O O O
ro

ro O O O O O

- ^ H- O O O

Iv3 fo H- O O O

ro — — O O O

0000

ro O O O O O

r^ O O O O O
ro

|o O O O O
ro

O H- O O O

co
ro

f3 -ïf^ ° ° °

to

g O O O O O
ro

3
>

C)
«

s

O O O O O O

to

ro

00000

000000
ro

O to ^ - O -

O ro H- 03 O ^

w o3 os (i^ O

g os ro w ro w

g os to os 03 03

Q ro O os ro os

O O O O O

O

ro

~ 10 O O O O
ro

g N- O O O O

ro

►r ^ O O O O
O

_

w ^ O O O O

O to O O O iSs
co

ro

M O O O O
00 O O O O O
ro

os H- os O O O
to

~ os C O O

co

10 O ^ O

O

g to O w O

g O — O O O
ro O ^ O O O
» O O O O O
ro

— O O O O O

ro

^ O ® ^ ®

os O O O H- O
000000

«n O O O O O
O

000000

-ocr page 848-

Tabel III. Proefresultaten der kalten E en F

CM

m

Minuten:

0

10

20

45

90

180

360

0

10

20

45

90

180

360

0

10

20

45

90

180

360

2. Combelen

kat E

2 mg/kg

kat E

kat E

Versch. staart

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Vinger keel

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Omkeerreflex

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Prot. m. nict.

0

1

2

2

1

0

0

0

1

1

1

1

0

0

0

1

1

1

\'/j

0

Ataxie

0

0

0

0

0

0

0

0

0

i/2

\'/2

0

0

0

0

%

0

0

0

Pols

208

216

200

204

212

196

216

200

252

248

216

232

196

248

216

236

240

220

224

204

220

4. Combelen

1 mg/kg
Valium

kat F

kat F

kat F

4 mgƒkg

Versch. staart

0

0

3

3

3

3

3

0

0

2

2

3

0

■/.

0

0

2

3

3

3

2

Vinger keel

0

0

1

3

3

0

2

0

0

0

1

2

0

0

0

1

3

3

3

0

Omkeerreflex

0

0

3

3

3

1

3

0

0

0

2

3

3

2

0

0

2

3

3

2

1

Prot. m. nict.

0

2

2

2

1

1

0

1

1

1

2

2

2

0

\'/s

2

2

2

1

1

Ataxie

0

0

3

3

3

3

3

0

0

2

3

3

2

2

0

0

3

3

3

2

2

Pols

216

228

176

140

136

160

176

216

184

176

136

132

192

164

176

176

160

124

120

180

160

-ocr page 849-

10 30 45 ao 190 ^SOmm. 10 20 45 90 IBO 360

INSER m KC€L

12
1 1
10
S

5
7

6
5
4
3
1

240
230

210

COMBELEN 1MS/KS
COMBELEN 2MS/KS
VALIUM SMS/KS
C0MB.1MS/KS.VAL.4MS/Ke

20(1,

Fig. 1.

De reactie van de katten A, B, C en D gecombineerd uitgezet. De getallen op de
horizontale as geven de tijdsduur na injectie, die op de verticale as de optelling van
de beoordeling van de katten.

-ocr page 850-

Resultaten

Gombalen in een dosering van 1 mg/kg gaf slechts een geringe of geen
verandering in de reactie van de katten op de boven beschreven hande-
lingen. Een geringe ataxie en protrusie van de membrana nictitans traden
op.

Gombelen in een dosering van 2 mg/kg gaf een sterkere ataxie en een
verdere protrusie van de membrana nictitans. Het verschuiven aan de
staart werd vergemakkelijkt. Bij de overige handelingen werd slechts een
geringe verandering in reactie opgemerkt.

Valium in een dosering van 8 mg/kg gaf een beeld dat in grote lijnen
overeenkomt met dat van Gombelen in een dosering van 2 mg/kg, uitge-
zonderd de ataxie die over het algemeen veel sterker was, terwijl de
protrusie van de membrana nictitans afwezig was. Eérmiaal trad excitatie
in plaats van sedatie op.

De combinatie van Valium 4 mg/kg Gombelen 1 mg/kg gaf een veel
uitgesprokener beeld te zien. De reactie op de meeste hierboven vermelde
criteria werd sterk beïnvloed, zodanig dat reacties op deze handelingen
soms volkomen uitbleven. De dieren werden sterk atactisch en de polsfre-
quentie kreeg tussen 20 en 45 minuten na de injectie een dieptepunt.
In het algemeen daalde de temperatuur van de katten met ongeveer 1° G.
De gespecificeerde resultaten zijn venneld in de tabellen II en III. De re-
sultaten van kat A, B, G en D zijn na optelling grafisch uitgezet in figuur 1.

Conclusie

Het neurolepticum Gombelen en het ataracticum Valium afzonderlijk
gaven in een dubbele dosering niet die resultaten die de combinatie gaf,
zodat bij deze beide tranquillizers ten aanzien van verschillende fenomenen
een potentiëring valt waar te nemen. Het algemene beeld van een kat die
behandeld was met de combinatie van Gombelen en Valium was dat van
een volkomen apatisch dier, dat echter nog wel op pijnprikkels reageerde.
Ernstige bijverschijnselen van deze combinatie zijn er bij ons niet gezien.
Éénmaal werd licht speekselen waargenomen en éénmaal was de kat iets
onrustig, maar toch goed handelbaar (kat C na 90 minuten). Na 20 minu-
ten is de werking zeer duidelijk aanwezig. De werkingsduur van de combi-
natie is vrij lang. Soms was de kat na 24 uur nog gesedeerd en een enkele
maal was er dan nog een lichte ataxie aanwezig.

Mogelijk biedt deze combinatie voor de praktijk interessante perspectieven
voor het behandelen van katten, alhoewel er op gewezen moet worden dat
dit onderzoek uitsluitend bij gezonde katten plaatsvond. Met nadruk moet
worden gesteld dat het pijngevoel bij deze dieren niet opgeheven is.
Hoe deze combinatie in de praktijk zal bevallen is uiteraard nog een open
vraag. In combinatie met een algehele anesthesie blijken er vrij ernstige
complicaties op te treden, mogelijk berustend op een verregaande poten-
tiëring tussen de tranquillizers en het anestheticum. Met gewijzigde do-
seringen heeft deze combinatie ook een uitgesproken resultaat bij varkens,
geiten en
kippen.

SUMM.4RY,

An experiment was undertaken to find a way to tranquillize cats. Different tranquilli-
zers were used. The reaction of the animals was studied after giving these drugs alone

-ocr page 851-

or in combinadon. It was found that tranquillizers of the phenothiazine- and the
diazepine group potentiate each other strongly.

A description of the experimental technique and the resulfj are given.

Discussie

Vraag:
Antwoord:

Drs. R. Kroes, Utrecht:

Hoeveel katten werden bij dit experiment gebruikt?
Drs. J. Frens, Utrecht:

6, waarvan 2 steeds dezelfde farmaca kregen en 4 alle farmaca.

Vraag: Drs. A. S. J. P. A. M. van Miert, Utrecht:

Acht U deze combinatie ook voor praktische toepassing geschikt bij de
verschillende andere species?

Antwoord: Drs. J. Frens, Utrecht:

De combinatie is geprobeerd bij muis, konijn, geit, varken en kip.
De praktische toepassing zal bij deze dieren vooral kunnen liggen bij
het varken. Er is dan een iets lagere dosering nodig. Het effect bij het
varken is zeer spectaculair, en in alle opzichten te vergelijken met de
reactie van de kat. Een toepassing in de praktijk zou mogelijk kunnen
zijn.

Vraag: Mevr. Drs. D. M. Grootenhuis-Woltin g, Naarden:

Ligt het in de bedoeling om t.z.t. ook kleine ingrepen te doen met behulp
van deze middelen?

Antwoord: Drs. J. Frens, Utrecht:

Het ligt niet zozeer in de lijn van ons Instituut om dit te proberen.
Dit ligt meer in de lijn van de klinieken.

Opmerking: Prof. H. van Genderen, Utrecht:

Indien een goed werkend analgcticum bij de kat gevonden zou worden,
zou dit een verdere lijn van onderzoek kunnen zijn.

Opmerking: Mevr. Drs. A. Beuvery-Asman, Capelle a/d IJssel:

Combelen alleen wordt in de grote-huisdieren praktijk met succes toe-
gepast.

Vraag: Dr. W. A. de Haan, Utrecht:

Volgens collega F r ij 1 i n k levert kalmering van paarden tijdens lucht-
transport nogal moeilijkheden op. Zou deze methode hierbij niet kunnen
worden toegepast?

Antwoord: Drs. J. Frens, Utrecht:

Uit de voordracht van collega F r ij 1 i n k bleek dat de paarden moeten
blijven staan. Dit zou met deze combinatie zeker niet het geval zijn.

Vraag: Dr. J. H. G. Wilson, Weesp:

Het reactiepatroon van de katten in het experiment bleek vrij uniform
te zijn. Uit de voordracht bleek dat elders afwijkende reacties werden
waargenomen. Moeten deze verschillen verklaard worden uit de indivi-
duele gevoeligheden?

-ocr page 852-

Antwoord: Drs. J. Frens, Utrecht:

UiteraarcJ kan de individuele gevoeligheid een rol spelen, maar ook
kunnen de criteria die men aanlegt verschillend zijn, waardoor afwij-
kingen kunnen optreden.

Vraag: Drs. F. J. Meutstege, Utrecht:

Is geprobeerd de dieren op de rug op tafel te fixeren?

Antwoord: Drs. J. Frens, Utrecht:
Neen.

-ocr page 853-

Vitamine A gebrek bij Moerasschildpadden

Vitamin A deficiency in Terrapins.

door P. ZWART1)

Uit de Afd. Bijzondere Dieren, van de Rijksuniversiteit te

Utrecht.

Herhaaldelijk komt het \\oor dat bezorgde eigenaars van jonge moeras-
schildpadden hulp zoeken omdat hun dierbare schildpadje weigert te eten,
dat zij sloom in hun bewegingen worden, dat hun schilden week worden en
dat zij dikke ogen hebben gekregen. Ondanks alle goedbedoelde zorgen
voor de dieren sterven er vele, nadat zij tenslotte volkomen blind geworden
zijn.

Om ons enigszins een voorstelling te kunnen maken van de levensbehoeften
en levensverwachtingen van deze dieren, eerst enkele algemenere opmer-
kingen.

De moerasschildpadden die in grote massa\'s in ons land via dierenwinkels
verkocht worden zijn veelal uit subtropische gebieden van het noordelijk
halfrond afkomstig. Twee soorten staan daarbij aan de kop n.1. de Euro-
pese moerasschildpad
(Emys orbicularis) die voornamelijk in de Balkan
leeft en de roodwangschildpad
(Pseudemys scripta elegans), afkomstig uit
het zuiden der Verenigde Staten (Florida).

Deze veel gehouden schildpadden zijn bijzonder sierlijk, levendig en bij
tijd en wijle uitgesproken grappige dieren. Zij leven in de natuur van
insecten, slakjes, kikkers, vissen en dergelijke, terwijl zij soms ook plant-
aardige kost gebruiken.

In de handel treft men hoofdzakelijk jonge dieren aan, die nog maar
kort geleden uit het ei gekropen zijn. Zij worden óf in de natuur gevangen
óf uit kweekvijvers gevist (vooral de roodwangschildpad den) en dan zon-
der veel voorzorgen wat betreft voeding en watertemperatuur getrans-
porteerd.

Na deze slechte start komen de dieren tenslotte, veelal vergezeld van een
onvoldoende advies over voeding en verpleging, in de handen van goed-
deels volkomen onkundigen (vaak ook van kleine kinderen). Zij worden
dan te koud gehouden, terwijl de voeding vaak buitengewoon eenzijdig
is (b.v. uitsluitend tubifex of gehakt). Dan begint het grote sterven dat
zich vrijwel geheel buiten de dierenartsen om afspeelt. De levensverwach-
tingen voor pas gekochte moerasschildpadden zijn dan ook bijzonder laag.
De levensbehoeften kunnen gelukkig in positiever terminologie geschilderd
worden. De benaming moerasschildpadden houdt niet in dat de dieren een
drassig verblijf moeten hebben, maar wèl dat er enerzijds een (desnoods
klein) droog gedeelte in het verblijf moet zijn en anderzijds een (ruim)
waterbekken. Een aquarium met een rotspartij die boven het water uit-
steekt voldoet goed aan de behoefte der dieren en biedt de eigenaar volop
gelegenheid hen te bekijken terwijl ze actief zwemmen. Het eten gebeurt
meestal onder water.

1  Dr. P. Zwart; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 166.

-ocr page 854-

Het aquariumwater moet een temperatuur hebben van 22—25° ü voor de
Europese en van 25—28° C voor de Amerikaanse moerasschildpadden.
Boven de rotspartij moet bovendien een lamp opgesteld worden, waaronder
de dieren vaak urenlang lekker warm kunnen liggen.

De voeding bestaat hoofdzakelijk uit dierlijke produkten. Zij moet zo ge-
varieerd mogelijk zijn. Tubifex, stukjes kleine regenwormen, vlees, lever,
nier en gehakt, zijn uitstekende voedingsmiddelen. Veelal wordt het voer
zo fijn gemaakt dat de dieren het zonder moeite kunnen doorslikken, doch
soms zal men grotere stukken vlees geven, zodat de dieren de spieren van
poten en hals eens moeten gebruiken om er stukjes af te scheuren.
Dit geeft, mede door de sterk ontwikkelde voedselnijd, een grote aktiviteit
in het bassin.

Door kleine stukjes sla, andijvie of Brussels lof op het water te laten
drijven kan men vaststellen of de dieren plantaardige kost gebruiken (voor-
al de Amerikaanse roodwangschildpadden kunnen flink wat groen aan).
Essentieel voor een goede opfok is het verstrekken van vitaminen en mine-
ralen preparaten zoals b.v. gistocal of carnicon. Schildpadden groeien n.1.
in hun jeugd vrij snel en later wordt de groei wel minder, maar ze houdt
niet op. Doordat men sommige exemplaren vrijwel uitsluitend op spiervlees
laat leven is het dringend noodzakelijk de buitengewoon ongunstige Ca : P-
verhouding van spiervlees, die ongeveer 1 : 20 bedraagt, te corrigeren. Dit
kan tevens gecombineerd worden met het geven van vitaminen. Wanneer
men kleine stukjes vlees in b.v. gistocal legt blijft er bij het voederen vol-
doende aankleven, ook wanneer de dieren onder water eten. Wel zal
men dan de stukjes vlees zo klein moeten maken dat ze in één keer op-
gehapt kunnen worden.

Wanneer de moerasschildpadjes op deze manier verzorgd worden, kunnen
ze zeer goed gehouden worden (mits ze ook overigens gezond zijn).
Indien hun behoeften niet vervuld worden zullen de dieren soms reeds
na 2—3 maanden ziek worden. Zoals gezegd verweken de schilden, de
dieren worden sloom, hun ogen zwellen op, zij eten niet meer en sterven de
een na de ander.

Een 16-tal dieren die bovengenoemde ziekte\\\'erschijnselen vertoonden,
konden worden onderzocht.

Daarbij werd vooral aandacht besteed aan het syndroom dat het meest
op de voorgrond trad, n.1. de oogafwijkingen. De ogen van de dieren
puilden uit. Er bestond geen typische exophthalmus of andere ernstige aan-
doening van de oogbol, maar een sterke toename van de omvang der oog-
leden. Deze laatste waren gezwollen, .glazig en oedemateus. Bovendien, en
dat was verrassend, bleek dat de traanklieren eveneens gezwollen waren
en in ernstige mate veranderd. De 16 gevallen leverden een duidelijk beeld
op van de veranderingen die zich in de traanklier afspeelden. Er trad eerst
een degeneratie op van het epitheel van de traanklier. De buisjes in de
traanklier kwamen vol met een neerslag. Er ontstonden vervolgens grotere
holten. Dan trad langzamerhand ook een invasie op van ontstekingscellen
in de traanklier, waarbij vooral de klierbuisjes geheel gevuld werden met
ontstekingscellen. Inmiddels was in veel klierbuizen het oorspronkelijke
cylinderepitheel veranderd in een meerlagig plaveicelepitheel dat al spoedig
sterk verhoornde. Soms waren reeds bij sectie witte plekken in de traan-
klier te zien, die bij histologisch onderzoek grote cysten bleken te zijn, be-

-ocr page 855-

grensd door verhoomend epitheel en gevuld met een detritus massa van
hoornschilfers en ontstekingscellen.

De traanbuizen werden dikke, gekronkelde pijpen, waarvan het lumen ge-
vuld was met afgestoten hoorn en ontstekingscellen. Behalve in de traan-
klieren trad er ook metaplasie op van het epitheel van de conjunctivae, de
membrana nictitans en de cornea. De oogleden waren dik en zagen er
glazig uit door oedeem. Tengevolge van de zwelling van de oogleden werd
de oogspleet langzamerhand dichtgedrukt. Bovendien kon er op den duur
een flinke hoeveelheid wittige kaasachtige detritusmassa van hoornschilfers
en cellen in de conjunctivaalzak opgehoopt raken.

De veranderingen hoeven niet noodzakelijk aan beide ogen even uitge-
sproken te zijn. Soms is één oog ernstiger aangetast dan het ander, zodat
het dier nog wat kan zien met één oog. Als dat het geval is, zal het ook nog
wat voedsel kunnen vinden. Zodra echter beide ogen blind zijn sterft de
schildpad tenslotte de hongerdood.

De veranderingen van de slijmvliezen beperkten zich niet uitsluitend tot
de traanklieren en de conjunctivae, vooral ook de nieren bleken aangetast
te zijn. Omvorming van het éénlagig kubisch epitheel tot meerlagig pla-
veicel epitheel trad vooral op in de ureteren. Een enkele maal waren de
ureteren zelfs te zien als dikke strengen, waarvan het lumen geblokkeerd
was door massa\'s als in de traanklieren te zien waren (dus hoornschilfers
met ontstekingscellen).

Doch ook konden slijmvliesveranderingen (metaplasie) wel in verzamel-
gangen van de nier en zelfs in de nierbuisjes gevonden worden zonder dat
de ureteren aangetast bleken. Ook in de nieren ontwikkelden zich retentie-
cysten zoals die in de traanklier beschreven werden. Afgezien van de lokale
metaplasiën, leden de meeste dieren aan een subacute tot chronische proli-
feratieve glomerulonephritis.

Metaplasie van slijmvlies werd ook gevonden in de afvoergangen van het
pancreas.

Trachten wij aanknopingspunten te vinden voor de aetiologie van deze
slijmvliesveranderingen en de gevolgen die daaruit resulteren, dan blijkt er
een grote mate van analogie te zijn met de veranderingen die bij mens, rat
en kip optreden bij vitamine A gebrek.

Van twee dieren (Graptemys geographica), die levend voor onderzoek wer-
den aangeboden, bleken de levers respectievelijk 19 en 9 I.E. vit. A per gram
lever te bevatten. Waarden die buitengewoon laag zijn indien men zich
realiseert dat het hier niet ging orn „donsjongen" (dus om dieren die pas
uit het ei kwamen) doch om exemplaren van één ä twee jaar oud.
Op grond van deze langzamerhand verzamelde gegevens werd bij een paar
dieren geprobeerd of met het toedienen van vitamine A genezing te be-
werkstelligen was.

Aangezien reptielen in het algemeen ongunstig reageren op regelmatig
stevig in handen nemen en manipuleren en het bovendien onmogelijk bleek
moerasschildpadden die nog niet halfdood waren vitaminedruppels in de
bek te geven, werd een voorzichtige weg bewandeld door stukjes te leggen
in het vitamine A rijke (100.000 E/kg) gistocal en de bepoederde stukjes
te voeren. Een therapie, die in dit geval uitsluitend mogelijk was doordat
de ziekte niet al te ver voortgeschreden was en de dieren nog wat wilden
eten.

-ocr page 856-

Bij één van de twee patiënten die gered konden worden — vier werden er
behandeld — was opvallend dat dit dier eerst niet in staat was om te
duiken. Het dreef op het oppervlak en zelfs bij ingespannen pogingen
kwam het nauwelijks onder water. Nadat het echter enkele dagen gistocal
had gegeten en de zwelling van de ogen reeds beduidend minder was ge-
worden, ging ook het duiken langzamerhand beter. Na een tiental dagen
kon het dier zijn soortelijk gewicht zeer goed regelen en wel 3/2 minuut
onder water blijven.

De beide patiënten die werden genezen zijn nog steeds onder controle. Eén
daarvan is in de loop van een jaar uitgegroeid van een vrij klein exem-
plaar van 40 gram tot een flink actief dier van 102 gram. De ander is wel-
iswaar levendig en heeft een goede eetlust, maar zijn schild blijft wat ruw
en onregelmatig, terwijl de groei wat minder is. Van 23 gram kwam dit
dier in 9 maanden tijds op 37 gram. Bij het beschouwen van deze cijfers,
moet men echter het feit verdisconteren dat beide dieren in de winter-
maanden een groeistilstand te zien gaven en dat zij pas weer meer gmgen
eten en meer in gewicht toenamen toen de dagen omstreeks februari merk-
baar langer werden.

In het algemeen moet men bij allerlei aandoeningen van reptielen de
therapie lang volhouden daar de genezingsprocessen vrij langzaam ver-
lopen.

Aangezien van ervaringen bij mens en kalf bekend is dat zeer hoge doses
vitamine A nodig zijn om metaplastisch epitheel weer door normaal epi-
theel te doen vervangen, is ook bij moerasschildpadden te verwachten dat
een dier dat als een ernstige patiënt wordt aangeboden gedurende weken
hoge doses vitamine A nodig zullen zijn om genezing te verkrijgen. Dan
zal men intramusculaire injecties van vitamine A ook niet kunnen ver-
mijden.

Elkan (1966) spoot een klein moerasschildpadje (Pseudemys picta,
schildlengte 58 mm) gedurende 20 dagen telkens 10.000 I.E. vitamine A
intramusculair in. Een week na het beëindigen van de therapie ging het
linker oog open en het diertje begon te eten, doch helaas stierf het een
week later.

Deze en de eigen ervaringen lijken de hoop te rechtvaardigen dat een tijdige
behandeling van vitamine A gebrek bij moerasschildpadden redelijk succes
kan opleveren.

SUMMARY.

A clinical picturc common in marsh tortoises is marked by swelling of the eyelids,
softening of the shell and apathy.

Histological studies revealed metaplasia of several mucous membranes in these eases.
The condition is probably due to vitamin deficiency. Treatment with vitamin A
is promising.

These tortoises which grow rapidly at an early age, should bc given large amounts
of calcium and phosphorus in addition to vitamin A to prevent this condition.

LITERATUUR.

Elkan, E. and Zwart, P.: Observations on the pathology of an eye disease in
young terrapins, probably caused by vitamin A deficiency.
Pathologia Veterinaria.
(in druk)

-ocr page 857-

Dr. S. Koopmans, Utrecht:

Is het juist dat deze dieren geen echte winterslaap houden maar toch
voedsel opnemen?

Blijven ze in het water en bij welke temperatuur?
Dr. P. Zwar t. Utrecht:

Inderdaad, van een echte winterslaap was in gevangenschap geen
sprake. Wel waren de dieren minder actief, aten weinig en er trad een
groeistilstand in die duurde van november tot begin februari.
De dieren bleven in het water, zij werden gehouden bij 27° C.

Mevr. Drs. D. M. Grootenhuis-Woltin g, Naarden:

Wat is de beste plaats om moerasschildpadjes neer te zetten als er verder

geen warmteregulatie wordt toegepast?

Dr. P. Zwart, Utrecht:

Indien er geen goede temperatuurregeling voorhanden is, is de schoor-
steen misschien nog de beste plaats. Als de temperatuur te laag is zou
de digestie te traag verlopen zodat de dieren als \'t ware verhongeren.
Het is echter niet goed te verantwoorden schildpadden te houden als
men ze niet werkelijk kan geven wat ze nodig hebben.

Mevr. Drs. D. M. Grooten huis-Wolting, Naarden:
Wat kan er de oorzaak van zijn dat een dier scheef zwemt?

Dr. P. Zwart, Utrecht:

Men ziet dat wel bij een eenzijdige pneumonie.
Drs. W. Kraan, Utrecht:

Is de „winterslaap" van vooral landschildpadden, die geïnduceerd wordt
door de daling van de buitentemperatuur niet beter te vermijden door
de temperatuur hoog te houden?

Dr. P. Zwart, Utrecht:

Men kan twee wegen bewandelen bij het overwinteren.
Of men houdt goed gevoede dieren gedurende de winter in een vorstvrije
kelder in een kist, gevuld met dorre bladeren en voorzien van een water-
bakje. Men controleert regelmatig, daar de dieren bij wat hogere tem-
peratuur vrij gauw ontwaken. In het voorjaar haalt men de dieren dan
uit hun winterverblijf en laat ze baden in lauwwarm water waarbij tevens
defaccatic plaatsvindt.

Of men houdt de landschildpadden wakker bij een hoge temperatuur
(20- 30° C). Dit is meestal de enige mogelijkheid in centraal ver-
warmde huizen en flatwoningen. Ook voor dieren die door een of andere
oorzaak in de herfst mager zijn is dit dc manier om hun levenskansen
te vergroten.

Discussie

Vraag:

Antwoord:

Vraag:

Antwoord:

Vraag:

Antwoord:

Vraag:
Antwoord:

-ocr page 858-

Kreupelheden en verlammingen bij de kip

Lameness and paralysis in fowl.

door W. J. ROEPKE1)

Uit de Afdeling voor Bedrijfspluirnveeziekten van de Faculteit

der Diergeneeskunde.

Zoals bekend zijn de ziekten van grote economische betekenis voor onze
pluimveehouderij. In de legsektor, waar de gemiddelde uitval per jaar
varieert rond de 10 a 15%, betekent dit op een pluimveestapel van ± 30
miljoen dieren — ook na aftrek van de „normale selektie" — toch altijd
een verlies van meerdere miljoenen dieren per jaar, of een schade van
meerdere tientallen miljoenen guldens per jaar. Naar mijn mening is het
dan ook niet alleen verantwoord, maar zelfs dringend noodzakelijk, dat
zowel aan het onderzoek van pluimveeziekten, als aan de bestrijding ervan
meer geld en aandacht wordt besteed.

Het aantal pluimveebedrijven neemt wat af in ons land, doch de een-
heden — en ook het aantal dieren per bedrijf — worden steeds groter.
Hoe meer dieren bijeen worden gehouden, des te groter wordt het risico
van besmetting en des te belangrijker zijn dus de maatregelen ter voor-
koming van ziekten. Naast een strikte isolatie van de dieren ten opzichte
van de buitenwereld en het consequent in acht nemen van strenge hygiëni-
sche maatregelen enerzijds, is een zorgvuldig toegepast systeem van preven-
cidiostatica, of eventuele geneesmiddelen anderzijds, in de naaste toekomst
tieve entingen en een verstandig gebruik van bepaalde middelen zoals coc-
met zijn steeds groter wordende bedrijven meer dan ooit noodzakelijk. Het
al of niet rendabel zijn van het bedrijf, ja zelfs het voortbestaan ervan, zal
er in vele gevallen van afhankelijk zijn. Dit houdt o.a. in, dat géén be-
zoekers in de hokken mogen worden toegelaten en dat wij de pluimvee-
houders aan het verstand moeten brengen, dat de meeste besmettelijke
ziekten door personen worden overgelopen en dat smetstoffen gemakkelijk
aan de handen, de kleding of het schoeisel van het personeel en de be-
zoekers kunnen worden overgebracht van het ene hok en bedrijf naar het
andere.

Dit betekent ook, dat personen, wier bezoek beslist onvermijdelijk is, meer
dan ooit ontsmettingsmaatregelen in
acht moeten nemen en zich ter
plaatse van schone bedrijfskleding moeten voorzien. De praktizerende
dierenartsen zijn bij uitstek degenen, die hierin het goede voorbeeld moeten
geven. Ik prijs mij dan ook gelukkig hierop bij de opleiding van de dier-
genee.skundige studenten steeds weer de aandacht te kunnen vestigen en
hen het nut en de noodzaak van deze maatregelen niet alleen in theorie,
maar ook in de praktijk te kunnen demonstreren.

Ongetwijfeld gaat Uw belangstelling echter niet zozeer uit naar de voor
ieder bekende zaken, zoals schoeiseldesinfektie, het wassen van de handen
en het dragen van een schone jas, welke de grondbeginselen voor iedere
ziektebestrijding vormen en dus bij iedere dierenarts voldoende bekend
mogen worden verondersteld.

1  Drs. W. J. Roepke; lector aan dc Rijksuniversiteit te Utrecht; Amersfoortsestraat
49, Soesterberg.

-ocr page 859-

Méér zult u geïnteresseerd zijn in ziekteverschijnselen, de diagnostiek en
de therapie. Ik v^^il dan ook thans gaarne een aantal ziektebeelden de
revue laten passeren, welke met versehijnslen van kreupelheid en verlam-
ming gepaard gaan en welke voor u als practici van belang kunnen zijn.

Bij jonge kuikens komt een vorm van beenzwakte voor, waarbij de dieren
niet meer kunnen lopen, doch op de hakken blijven zitten met de tenen
naar binnen gekruld.

Dit zijn typische verschijnselen van vitamine B2- of riboflavinegebrek, wat
door het verstrekken van wat melk of melkprodukten of vitamine B-pre-
paraat zeer snel (binnen 1-2 dagen) is te genezen.

Soms kunnen de kuikens deze verschijnselen reeds bij de geboorte ver-
tonen, hetgeen een gevolg is van een tekort aan dit vitamine bij de
moederdieren of van een te hoge temperatuur tijdens het broedproces.

Bij kuikens van enkele weken en ouder kan een ander vitaminegebrek op-
treden, n.1. D3-gebrek, wat aanleiding geeft tot rachitis of Engelse ziekte.
Hierbij ziet men aanvankelijk vaak een steile pootstand en een stramme,
pijnlijke manier van lopen, terwijl de dieren in een later stadium niet of
slecht meer kunnen lopen en tenslotte op hun zij blijven liggen. In dit
latere stadium zijn de loopbeenderen duidelijk verkort en de bot-diafysen
sterk verdikt, wat vooral goed aan de hakgewrichten te zien is. Voorts ziet
men bij sektie en na verwijdering van de longen, dat de ribben bij de
aanhechting aan de ruggewervels eveneens een duidelijke woekering en ver-
dikking vertonen. Dit is vaak duidelijker dan de kraakbeenwoekering op
de overgang van de ribben in het ribkraakbeen, terwijl ook een verkrom-
ming van het borstbeen lang niet altijd aanwezig is.

-ocr page 860-

Afb. 2.

Röntgenfoto van ernstige rachitis: sterke kraakbeenverdikking van de hakgewrichten
met verkorting van het loopbeen.

-ocr page 861-

Dc therapie bestaat uit het toedienen van vitamine D3, bij voorkeur in de
vorm van een gestandaardiseerd en gestabiliseerd preparaat. De prognose
is gunstig en herstel volgt binnen 2 a 3 weken, mits nog geen ernstige mis-
vorming heeft plaats gehad.

Vitamine E-gebrek of dolle kuikenziekte veroorzaakt vooral bij snel
groeiende kuikens op een leeftijd van enkele weken een typische even-
wichtsstoornis, waarbij de kuikens aanvankelijk achterover en vervolgens
opzij vallen en fietsende bewegingen met de poten maken. Enkele kuikens
kunnen ook — vooral bij excitatie — dwangbewegingen vertonen, zoals
cirkelgang, scheeflopen, enz.

Bij sektie vertonen de kleine hersenen een duidelijke oedemateuze zwelling
met puntbloedingen in en onder het hersenvlies en — in de verouderde,
erge gevallen — dofgrauwe necrosehaardjes in het hersenweefsel. De the-
rapie bestaat uit toediening van alpha-tocopherol of tarwekiemolie, wat
snel verbetering geeft.

Nog een andere deficiëntieziekte bij kuikens van tenminste enkele weken
oud is het mangaangebrek of perosis, wat echter ook een gevolg kan zijn
van een verkeerde kalk: fosforverhouding of van een tekort aan biotine.
Hierbij is de Achillespees van de punt van de hak afgegleden, met als ge-
volg een naar opzij afgebogen onderbeen, zodat het dier er in het geheel
niet meer op kan lopen. Deze afwijking is onherstelbaar en aangetaste kui-
kens kunnen dan ook het beste worden afgemaakt.

Een besmettelijke ziekte, gepaard gaande met beenzwakte of verlammings-
verschijnselen bij kuikens van O tot 3 a 4 weken oud,
is de zgn. trilziekte
of infectieuze aviaire enccfalomyelitis.

-ocr page 862-

Zoals bekend kunnen kuikens hiertegen afdoende worden beschermd door
immunisatie van de moederdieren, zodat de ziekte niet zoveel meer wordt
gezien, als enkele jaren geleden. Wordt de enting echter vergeten, dan
krijgen wij toch weer gevallen van trilziekte te zien.

De ziekte begint met een geringe beenzwak.te, waarbij de aangetaste
kuikens tijdens het lopen iets door de benen zakken, een wat slingerende
gang vertonen, tegen de andere kuikens of de voer- en drinkbakken op-
botsen en zo spoedig mogelijk weer gaan liggen. Daarbij zitten zij aan-
vankelijk nog op dc hakken (echter niet met de tenen naar binnen ge-
kromd, zoals bij riboflavinetekort), doch al spoedig vallen zij om en blijven
op hun zijde liggen. De sterfte varieert sterk, doch kan zeer hoog zijn in
ernstige gevallen.

Bij een beperkt aantal kuikens kan voorts een soms slechts moeilijk waar-
neembare zeer fijne tremor aanwezig zijn van kop, hals, poten, staart of het
hele lichaam, welke vooral bij excitatie in golven van hevigheid toeneemt
en weer afneemt Zieke dieren zijn onherstelbaar en kunnen dus het beste
worden opgeruimd.

De verspreiding van de ziekte door de koppel is nogal wisselend en tevoren
niet te voorspellen. Bij een ernstige besmetting van gevoelige (niet geënte)
moederdieren is de broeduitkomst minder goed en komt een deel van de
kuikens reeds ziek en gedeeltelijk in de pootjes verlamd ter wereld. De
eerste week ziet men dan een toename van het aantal aangetaste kuikens,
met een duidelijke top rond de 5e of 6e levensdag. Dan lijkt de ziekte tot
stilstand te komen, althans het aantal zichtbaar aangetaste kuikens breidt
zich niet uit, doch deze stilstand is meestal slechts schijnbaar, daar na de
leeftijd van 10 a 14 dagen een nieuwe uitbreiding volgt met een tweede
top in het aantal ziektegevallen. De eerste top wordt veroorzaakt door de
exemplaren, welke reeds in het ei geïnfecteerd waren en de tweede top
door de na het uitkomen optredende contactinfektie van de volledig ge-
voelige koppelgenoten.

Kuikens boven de 3 a 4 weken hebben een natuurlijke leeftijdsimmuniteit
en krijgen dus geen verlammingsverschijnselen meer. Aangezien de besmet-
ting meestal via de broedeieren van de moederdieren afkomstig is en het
hierbij dus om koopkwesties gaat, dient de praktizerende dierenarts er
steeds voor te zorgen, dat de diagnose niet te lichtvaardig wordt gesteld.
Bevestiging door opzending aan een onpartijdig onderzoekingsinstituut en
door histologisch onderzoek is dan ook altijd aan te raden.

Een andere besmettelijke ziekte, welke ernstige kreupelheid ten gevolge
heeft bij dieren vanaf ± 2 maanden cn ouder, is de infectieuze synovitis,
veroorzaakt door
Mycoplasma synoviae.

Hierbij zijn behalve de bursa praesternalis vooral de gewrichten en pees-
scheden aangetast van de hak en de ondervoet, wat gepaard gaat met
een weke zwelling tengevolge van sterk verhoogde afscheiding van troebele
synovia, later indikkend tot een kazige massa. De infektie zou primair via
het broedei van het moederdier afkomstig zijn en zich vervolgens door
onderling contact verder in het koppel verspreiden. De sterfte valt nogal
mee en blijft meestal zeer beperkt; de ziekte lijkt echter — evenals bij
Mycoplasma-mtekües der ademhalingsorganen — op te flikkeren door een
eventuele bijkomende bronchitis-infektie, of een enting tegen deze ziekte.
In zo\'n geval is een behandeling met een hoge dosis chloortetracycline

-ocr page 863-

nodig, of met tylosine; bij fokdieren moeten de aangetaste exemplaren
worden verwijderd. Of een ei-behandeling met tylosine door middel van
de injektiemethode of de dompelmethode hier baat brengt, zal de toekomst
nog moeten leren.

Er is geen behandeling van aangetaste dieren bekend en alle pogingen in
die richting zijn tot nu toe zonder resultaat gebleven.

Herhaaldelijk worden uit soortgelijke gewrichts- en peesschedeaandoe-
ningen pathogene stafylokokken gekweekt, die blijkbaar bij het ontstaan
hiervan een rol spelen. Of zij zelfstandig de genoemde afwijkingen kunnen
veroorzaken, dan wel in samenwerking met een
Mycoplasma-\'mitküe. of
nog andere faktoren, is niet precies bekend. Ook hier is herstel uitgesloten
en zijn geen geneesmiddelen bekend die het proces kunnen genezen. De
aandoening wordt vooral gezien bij volwassen dieren en de bron der in-
fektie is nog niet goed aangetoond.

De ziekte is pas sinds een jaar of vijf opgemerkt in ons land, samen met
andere verschijnselen van stafylokokkeninfekties,, waarop door mij reeds
tijdens de vorige Veterinaire Week (in 1963) werd gewezen. De sterfte is
gewoonlijk niet van betekenis, doch de aangetaste exemplaren zijn in het
algemeen in minder goede konditie en kunnen zich niet goed handhaven
in de koppel, zodat zij als bedrijfsdier ongeschikt worden.
Stafylokokken kunnen voorts aanleiding geven tot voetzoolabcessen, waar-
bij de dieren ernstig kreupel worden en eveneens in konditie en produktie
achteruit gaan. Soms gelukt het na insnijding van het abces een kazige
prop te verwijderen, waarna in een deel der gevallen herstel op kan treden.
Meestal is een dergelijke behandeling echter economisch niet verantwoord.

De laatste jaren hebben in ons land ook Salmonella j^wZ/oj-Mm-infekties aan-
leiding gegeven tot ernstige gewrichts- en peesschedeontstekingen, waarbij
vooral aan hak- en ellebooggewrichten grote, met troebel slijmig vocht ge-
vulde zwellingen ontstaan (weke gewrichtsgallen).

Dit treedt op bij kuikens vanaf de leeftijd van ±14 dagen en geeft aan-
leiding tot ernstige kreupelheden. De indruk is verkregen, dat deze ge-
wrichtszwellingen vooral voorkomen bij de minder acuut verlopende
S. pul-
/orum-gevallen bij kuikens. Bij volwassen smetstofdragers zijn deze ge-
wrichtsafwijkingen nimmer waargenomen.
In dergelijke gevallen is aan te raden:

Ie. altijd enkele dieren op te sturen voor een bacteriologische en sero-
logische diagnose;

2. de aangetaste exemplaren op te ruimen en

3. eventueel de rest der koppel met furoxone te behandelen gedurende

10 ä 14 dagen achtereen.

Bij dit laatse dient erom gedacht te worden, dat geen zoalene of d.n.o.t.
(di-nitro-ortho-toluamide) als coccidiostaticum in het voeder aanwezig
mag zijn, daar dit samen met de therapeutische dosis van furoxone aan-
leiding geeft tot vergiftigingsverschijnselen.

Verlammingsverschijnselen kunnen zowel bij kuikens als op oudere leeftijd
en bij volwassen dieren ook het gevolg zijn van
pseudovogelpest. Vooral bij
de nerveuze vorm van deze ziekte komen in het tweede stadium — nadat

-ocr page 864-

er ademhalingsmoeilijkheden aan vooraf zijn gegaan — verlammingen voor
van de poten, de krop of de vleugels, meestal samengaand met gevallen
van torticollis („draaikoppen" of sterrekijkers"). Het aantal verlammings-
gevallen blijft meestal beperkt tot enkele procenten van de hele koppel,
hoewel dit een enkele maal tot 10 a 20% kan oplopen. Bij lichte aantasting
is herstel mogelijk, doch meestal moeten de aangetaste exemplaren worden
opgeruimd.

Verlammingsverschijnselen bij dieren van omstreeks 2 tot 4 maanden en
ouder worden vaak veroorzaakt door
Marekse ziekte of neurolymphoma-
tosis.

De verschijnselen beginnen meestal met een nu en dan gering doorzwikken
in één of beide poten, of een te hoog opbeuren van de poten tijdens het
lopen („paradepas"), gevolgd door kreupelheid en een snel voortschrij-
dende verlamming, waarbij het dier al gauw blijft liggen en in het geheel
niet meer overeind kan komen. Daarbij kan één poot vooruit en één achter-
uit gestrekt zijn, de krop kan verlamd zijn, één of beide vleugels kunnen
afhangen en een enkel dier kan zelfs gapen van benauwdheid, wanneer
de zenuwen naar de tussenribspieren zijn aangetast. (Niet te verwarren met
pseudo-vogelpest!)

Zieke dieren moeten steeds zo spoedig mogelijk worden opgeruimd, daar
geen geneesmiddelen bekend zijn en herstel is uitgesloten.
Bovendien is Marekse ziekte bijzonder besmettelijk, vooral voor jonge
kuikens, zodat kuikens altijd zo ver mogelijk verwijderd en goed geschei-
den van alle andere pluimvee moeten worden opgefokt.

-ocr page 865-

De gevallen van zogenaamde „jeugdleukose" bij jonge dieren, welke de
laatste jaren enkele malen in ons land zijn waargenomen, moeten vermoe-
delijk eveneens aan een ernstige, zeer snel verlopende vorm van Marekse
ziekte worden toegeschreven en niet aan leukose. Hierbij zijn niet zozeer
de zenuwen aangetast, doch worden tumoren in de spieren en in de organen
gevonden. Ook deze vorm van ziekte blijkt bijzonder besmettelijk te zijn,
zodat de bestrijding geheel moet worden gezocht in zeer strenge hygiëni-
sche voorzorgsmaatregelen.

Tenslotte een typische vorm van kreupelheid, optredend omstreeks, of bij
het begin der volwassenheid en veroorzaakt door een ruptuur van de Achil-
lespees.

Deze aandoening treedt plotseling op bij ogenschijnlijk volkomen normale,
gezonde jonge dieren in goede conditie en uit zich als een typische zware
belastingskreupelheid van één of beide poten. Het dier kan de aangetaste
poot niet meer belasten en wanneer beide poten zijn aangetast komt het
met beide hakken op de grond te rusten en tracht zich met moeite nog
wat te bewegen. Wordt het dier gedwongen de aangetaste poot te gebrui-

-ocr page 866-

ken, dan belast het niet de gehele voetzool gelijkmatig, maar de voet blijft
iets gekromd, zodat het dier op de uiterste punten van de tenen — dus ge-
heel op de nagels — komt te steunen. Het lopen is dan ook uiterst kramp-
achtig en bemoeilijkt.

Bij sektie blijkt de Achillespees van de aangetaste poot juist boven, of op,
of vlak onder de hak geheel of gedeeltelijk te zijn doorgescheurd, soms op
twee plaatsen tegelijk, hetgeen in het beginstadium met duidelijke bloed-
uitstortingen in en om de breukplaats gepaard gaat. De huid is ter plaatse
echter altijd intakt en van enig uitwendig letsel is dan ook geen sprake.
De oorzaak van deze vreemde kwaal is volledig onbekend, al zijn de veron-
derstellingen wel eens uitgegaan naar een of ander tekort van het dier
(misschien in de mineralenvoorziening) of naar een erfelijke afwijking. Een
feit is, dat de aandoening het meeste gezien wordt bij de zware en half-
zware rassen en de kruisingen daarvan, doch slechts zelden bij de Leghorns.
De aangetaste dieren maken in het geheel geen zieke indruk, doch zijn
vanzelfsprekend niet meer in staat zich in de koppel te handhaven. Aange-
zien herstel praktisch uitgesloten is, kan ook hierbij opruimen het enige
advies zijn.

Hiermee meen ik U een o\\erzicht te hebben gegeven van de meest voor-
komende vormen van kreupelheden en verlammingen bij de kip, met ver-
melding van enkele bijzonderheden, welke vooral voor de praktizerende
dierenarts van belang kunnen zijn.

SUMMARY.

In the introductiom mention is made of the importance of total loss caused by disease
in our chickenfarming and of the need for better prevention and hygiene on chicken-
farms.

.After the introduction a survey is given of the major diseases which cause lameness
or symptoms of paralysis in poultry.

Causes, symptoms and ways and means for control and prevention are discussed.
After having described several deficiency diseases, the author gives a survey of
several virus and bacterial di.seases, aswell as other diseases with unknown cause,
that may occur im poultry.

Thanks to its pra<ctical approach this survey interesting for differential diagnostics.
Discussie

Vraag: Drs. P. II. M. W ij e r s, Schaijk (N.Br.):

Hoe lang duurt bij trilziekte de immuniteit bij het kuiken, nadat de
moederdieren hiertegen geënt zijn? Behoeven dergelijke kuikens niet
meer te worden geënt en zijn zij geen virusdragers?

Antwoord: Drs. W. J. Roepke, Utrecht:

Kuikens van geënte moederdieren hebben een parentale immuniteit,
welkie ten hoogste een bescherming tegen een natuurlijke besmetting
geeftt gedurende de eerste paar levensweken. Dit is juist voldoende.
.Als biet fokdieren betreft moeten zij echter op een leeftijd van 4 maanden
door middel van vaccinatie opnieuw worden geïmmuniseerd. Zodra de
immmniteit bij de moederdieren volledig ontwikkeld is, vindt geen
virusiuitscheiding in de broedeieren meer plaats. Vandaar dat tenminste
een periode van 4 weken moet zijn gelegen tussen het enten van de
moe(derdieren en het gebruiken van dc eerste broedeieren.

-ocr page 867-

Diabetes mellitus

Diabetes mellitus

door G. H. B. TEUNISSEN1)

Uit de Kliniek voor Kleine Huisdieren van de Rijksuniversiteit
te Utrecht.

Inleiding

In de laatste 9 jaren werd aan de Kliniek voor Kleine Huisdieren een 90-
tal patiënten met diabetes mellitus behandeld en wel 85 honden en 5
katten.

Wat de honden betreft, was 85% hiervan teven. De aantallen verdeeld over
kleine, middelgrote en grote rassen, waren voor iedere groep vrijwel gelijk,
wat evenwel niet wil zeggen dat de aangetaste percentages van elk der drie
groepen even groot waren, omdat geen cijfers ter beschikking staan over
de totale aantallen honden van iedere groep.

Wat de leeftijd der dieren betreft, overheerst bij de vrouwelijke de leeftijd
van 7 tot 10 jaar zeer sterk. Bij de reuen ligt dit anders: hierbij waren
dieren van pas enkele maanden oud; de jeugddiabetes werd bij ons patiën-
ten-materiaal alleen gezien bij reuen.

In hoeverre diabetes mellitus familiair optreedt is moeilijk na te gaan; wel
werd bij Whippets de ziekte aangetroffen bij de moederhond en bij 2 van
de 4 dochters. Diabetes, samengaand met vetzucht, werd alleen enkele
keren gezien bij dieren van de kleine ras.sen.

In hoeverre een afwijkende functie van het endocrine systeem in zijn
geheel voorafgaat aan het zich openbaren van diabetes, is moeilijk met
zekerheid na te gaan.

In totaal had 27% van de vrouwelijke dieren één of meerdere keren nor-
maal gejongd; bij de helft hiervan had de laatste partus drie tot zes jaar
vóór het ontdekken van de diabetes mellitus normaal plaats gevonden. Van
de overigen was de diabetes al onderkend toen de laatste partus plaats
vond.

De invloed van de oestrus schijnt duidelijker, in 67% van de gevallen
openbaarde de ziekte zich gedurende een periode variërende van 2 tot 2/2
maand na de oestrus.

Ook werd waargenomen dat na de oestrus de verschijnselen bij gereguleer-
de dieren in ernst toenamen, zodat veelal de
insuline-behoefte weer toenam
(dit wil echter niet zeggen, dat geen diabetes is waargenomen bij reeds
lang tevoren gecastreerde dieren).

Uit de anamnese kwam niet duidelijk naar voren, dat het verloop van de
oestrus onregelmatig was geweest; evenmin, dat het aantal dieren lijdende
aan verschijnselen van schijnkracht, groot is.

Symptomen

Het typische symptomencomplex wordt gevormd door het drietal: polyurie,
samengaand met polydipsie, de verhoogde eetlust en desalniettemin verma-

1  Prof. Dr. G. H. B. Teunissen; hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht;
Alexander Numankade 91.

-ocr page 868-

geren. Het verhoogde dorstgevoel kwam bij alle patiënten voor; bij geen
enkele hond, waarbij als routine-onderzoek de urine wei d onderzocht, werd
zonder polydipsie diabetes mellitus aangetroffen.

Minder constant is het symptoom polyfagie; bij 45% trad dit symptoom
niet op de voorgrond. Wel bleken al deze patiënten vermagerd te zijn; in
totaal trad vermagering op bij 60% van de diabetes mellitus patiënten.
Diabetes-cataract werd bij 13% van de dieren waargenomen. De diagnose
Cataracta diabetica werd slechts dan gesteld, wanneer de troebeling van de
lens veel sterker was dan wat men als ouderdoms-cataract op de leeftijd
van het dier mocht verwachten; bij dieren boven ongeveer 11 jaar zal de
ouderdomscataract nog wel bij een aantal versterkt zijn door diabetes-
cataract. Bij bijna de helft van de dieren trad de cataract op tijdens de
behandeling met insuline, terwijl de dieren zeer behoorlijk gereguleerd
waren; soms ontwikkelde het proces zich zeer acuut binnen enkele weken.
.Alopecia werd bij 4 patiënten gezien; het waren 2 Malthezertjes, een
Dwergpoedeltje en een Welsh-terrier. Bij reguleren van de diabetes ver-
beterde de vacht of kwamen de haren geheel terug.

Het belangrijkste symptoom, de polyurie samen met polydipsie, onder-
scheidt zich van de polyurie bij schrompelnier, bij pyometra en bij diabetes
insipidus daarin, dat de heldere waterige urine een hoog soortelijk gewicht
heeft. Bij onze patiënten varieerde bij drinken ad libitum het soortelijk ge-
wicht tussen 1.020 en 1.060. Van een parallel gaan van het soortelijk ge-
wicht van de urine en het bloedsuikergehalte bij de dieren, is geen sprake.
Het aantal dieren waarvan de urine een soortelijk gewicht van 1.020 tot
1.029 had, was 33%; een soortelijk gewicht van 1.030 tot 1.039 was in
25% het geval; van 1.040 tot 1.049 in 22%, van 1.050 tot 1.059 in 18%
en boven 1.060 in 2%.

Uitgesproken nierafwijkingen werden bij 14% van de suikerpatiënten ge-
zien, wat dan ook nog weer niet samenging met een verhoogd ureum-
gehalte in het bloed; de nierfunktie was dus nog voldoende intact; evenwel
werden bij dieren die geen eiwit in de urine hadden, ureumgehalten in het
bloed gevonden tot 110 mg%. Enkele dagen vóór de dood kon deze waarde
soms oplopen tot ± 250 mg%, dus nog geen hoge waarde voor een uremie.
Acetonlichamen, die — zoals bekend - wijzen op een gestoorde vetstof-
wisseling, werden in 75% van de gevallen gevonden.
Globaal genomen, ziet
men deze optreden bij bloedsuikerwaarden boven 300 mg%; ze gaan ge-
paard met acidosis van het bloed. Voor liet aantonen van glucose gebruikt
men aan de Khniek voor Kleine Huisdieren tegenwoordig de Tes-tape
(Lilly & Co.) en voor het aantonen van acetonlichamen de tabletjes van
.\\cetest (Ames Company).

Het aantonen van glucose in de urine rechtvaaidigt nog niet de diagnose
suikerziekte; hiervoor is het aantonen van een verhoogd glucosegehalte in
het bloed nodig, dit in verband met alimentaire en renale glucoserie. Wij
passen de methode Hagedorn-Jenssen toe, die verreweg het betrouwbaarst
is.

Bij al onze patiënten werden bij het eerste onderzoek direct al waarden
gevonden van het bloedsuikergehalte boven 200 mg%, de meeste lagen
tussen 250 en 300 mg%; waarden boven 500 mg% werden maar zelden
gevonden, wèl in het verloop van het ziekteproces (max. 712 mg%).
Als begeleidend verschijnsel in het bloed werd nogal eens een anemie,

-ocr page 869-

meestal isochroom, gevonden, die echter vrijwel steeds boven 10 gr% bleef.
Bij morfologisch onderzoek leek het aantal witte bloedcellen wel eens wat
laag. .

Het is bekend, dat bij de mens met het zweet o.a. van de vmgertoppen,
glucose kan worden uitgescheiden. Wij hebben nagegaan of dit bij honden
aan de voetzolen ook het geval was.

Een met water bevochtigd strookje Tes-tape wordt hiertoe gedurende één
minuut op een voetzool gedrukt; bij voorkeur van een voorpoot, omdat deze
de minste kans lopen met urine in aanraking te komen. Treedt een groene
verkleuring op van het strookje, dan wordt de proef herhaald na schoon-
maken van de poot om zeker te zijn, dat de suiker werkelijk ter plaatse
uitgescheiden wordt. Deze reactie was in 24 gevallen positief bij honden
met glucosegehalten in het bloed hoger dan 200 mg%; in alle gevallen was
glucosurie aanwezig.

Vierendertig bloedsuikergehalten beneden 200 mg%, maar wèl afkomstig
van diabetes patiënten, gingen 19 keer samen met een positieve Tes-tape
van de voetzool; dit ging echter niet altijd samen met een glucosurie. Bij
honden, vrij van suikerziekte, was de Tes-tape steeds negatief.

Therapie

Het door ons voorgeschreven dieet bestaat uit vlees (geen paardevlees),
melk en bruin brood, in de verhouding 400 : 400 : 100. Voor maagvulling
kan het dieet aangevuld worden met bladgroente. Aan het drinkwater kan,
mede in verband met de acidose van het bloed, bicarbonas Na toegevoegd
worden. Extra aanvulling met vitamine is gewenst (B complex).
Voor de verdere bestrijding van de diabetes mellitus wordt bij voorkeur ge-
bruik gemaakt van insuUne met een langdurende werking van minstens
24 uur, zodat men met één injectie per dag kan volstaan. (Insulinum Or-
ganon Extra Tardum, 40 U.I. = 1 ml).

Van belang is, dat de glucose-bloedspiegel zo gelijk mogelijk is gedurende
de hele dag. Als uitgangspunt neemt men de nuchter-waarde \'s morgens
en een insulinedosering van 2 E/kg lichaamsgewicht. Blijkt deze hoeveel-
heid niet voldoende te zijn, dan kan men de dosering verhogen met =h
10%. Men kan de injectie toedienen, nadat het dier de eerste portie eten
gehad heeft en dan in de vooravond de tweede portie eten geven. Het is
ons echter gebleken, dat het niet veel verschil maakt op de bloedsuiker-
curve, of het insuline-preparaat met langdurige werking (en dat tevens
langzaam geresorbeerd wordt) een half uur vóór het eten of tot ± 3 uur
erna wordt toegediend.

In een aantal gevallen werd gezien dat de bloedsuikercurve gedurende 24
uur vrij vlak verliep; ook echter, dat na het eerste eten een top ontstond.
Deze kan verminderen door ± 1/3 deel van de hoeveelheid insuline in de
vorm van snelwerkend te geven.

Van meer belang zijn de dieptepunten van de curve, omdat deze aanleiding
geven kunnen tot hypoglycemische aanvallen. Deze lage bloedsuikerwaar-
den kunnen optreden in de vooravond, in de late avond en ook in de na-
nacht. Ieder dier schijnt de neiging te hebben tot een eigen verloop van de
curve. Men ziet dat in de avond en de nacht sommige curve\'s stijgen,
andere dalen lang door. Hieruit volgt, dat het niet de ideale methode is,
om op de nuchtere bloedsuikerwaarde de insuline dosering vast te stellen.

-ocr page 870-

We streven ernaar het bloedsuikergehalte te handhaven op 150-200 mg%.

Van de behandelde dieren stierf 10% gedurende de eerste week. Bij sectie
werd een ernstige vettige degeneratie van de organen gevonden; uremie
werd spaarzaam waargenomen.

Van de gereguleerde dieren sierf 6% gedurende de eerste zes weken, 40%
gedurende het eerste half jaar van de behandeling, 35% gedurende het
tweede halfjaar en 20% gedurende het tweede jaar, tei-wijl 5% een over-
levingstijd heeft tot 5/2 jaar. (Enkele van deze dieren hebben ondertussen
nog een hysterectomie ondergaan).

De ernst van de diabetes, n.1. het bloedsuikergehalte vóór het reguleren,
is geen graadmeter voor de overlevingstijd; het gemiddelde bloedglucose
gehalte van alle groepen ligt op ruim 300 mg%. Ook de hoeveelheid insu-
line, nodig om een normaal bloedsuikergehalte te bereiken, is geen indi-
cator. In alle groepen wisselde dit van gemiddeld 2,2 E—2,7 E per kg
lichaamsgewicht De hoogste hoeveelheid insuline die nodig was om het
bloedsuikergehalte te doen dalen, was 6 E/kg lichaamsgewicht.
Daalt het suikergehalte eenmaal, dan moet in de meeste gevallen de
insuhnedosering ook omlaag gebracht worden. 30% van de dieren had nog
weer enige tijd geen insuline nodig, maar na de oestrus treedt de diabetes,
en dan meestal in verergerde mate, weer op.

Zijn de dieren gereguleerd, dan is een bloedsuikercontrole van tijd tot tijd
nodig, soms één keer in de week, soms één keer in de maand.
De controle van de urine geeft wel enigszins een aanwijzing, maar is niet
betrouwbaar wat het bloedsuikergehalte betreft, al zou het alleen maar
zijn omdat de morgenurine al verscheidene uren te voren met suiker be-
laden door de nieren kan zijn uitgescheiden en daarna in de blaas zijn
afgevoerd, terwijl op het moment van het opvangen de urine in de nier
zelf suikervrij is. Een negatieve suikerreactie van de urine is voor ons
meestal een reden om de insuline dosering te doen dalen in verband met
het gevaar van hypoglycemie. De drempelwaarde voor de uitscheiding van
suiker kan ook sterk verlaagd zijn.

Een grotere behoefte aan insuline openbaart zich in een donkergroene tes-
tape, verhoogd dorstgevoel en verlies van lichaamsgewicht. Een verhoging
van de insuline dosering met 54 E per kg lichaamsgewicht is veelal genoeg.
Treedt hypoglycemie op (zich uitend in spierslapte, tremor en soms epilep-
tiforme aanvallen), dan is het toedienen van suiker per os meestal vol-
doende om na ongeveer een kwartier al weer \\crbetering te zien.
De hyperglycemie gaat gepaard met acidosis van het bloed, hetgeen zich
afspiegelt in sterke acctonurie. Bij bepaling van de alkalireserve in het
bloed blijkt deze sterk verlaagd te zijn. Deze toestand kan verbeterd worden
door intraveneuze toediening van 1,4% oplossing van bicarbonas Na.
Bij dieren die zeer ernstig ziek zijn, hetgeen zich uit in sufheid en een
snuivende stotende ademhaling met sterke actie van de buikmusculatuur,
werd waaigenomen dat het toedienen van bicarbonas Na oplossing en
insuline geen enkel resultaat meer had, het lichaam reageerde er niet
meer op. Hetzelfde niet of onvoldoende reageren op onze therapie werd
ook gezien bij hypoglycemie; het toedienen van een suikeroplossing van
10% in fysiologische NaGl oplossing, zowel intraveneus als subcutaan, gaf
tijdelijk wat verbetering van de klinische verschijnselen, maar geen stijging
van het bloedsuikergehalte.

-ocr page 871-

Tot slot onze ervaring met orale toediening van antidiabetica.
Naast de vorige groep, behandeld met insuline, werd een tiental honden
geheel of ten dele behandeld met Carbamide of met tolbutamide.
Behalve deze tien, zijn wel enkele honden meer oraal met een anddiabe-
ticum behandeld, maar bij deze was een voldoende bloedsuikercontrole niet
mogelijk, waarom deze buiten deze bespreking worden gehouden (ze zijn
alle na enkele weken gestorven).

Onze tien goed gecontroleerde honden hadden een aanvangsbloedsuiker-
gehalte variërend van 250 tot 347 mg%; zeven hadden aceton in de urine.
Het anddiabeticum werd oraal in stijgende dosering van 125 mg tot 360
mg toegediend. Wanneer de toestand van de hond het toeliet, werd het
resultaat ± twee weken afgewacht; wanneer dan geen resultaat bereikt
was werd (wanneer de eigenaar er mee instemde) op insuline overgegaan.
Slechts bij twee honden kan van een regulatie gesproken worden, de één
bleef zeven weken in leven, de tweede is 4 maanden goed gebleven. De
overige dieren waren binnen 6 weken dood, of zij werden op insuline over-
gezet; vier leefden daarna nog maximaal twee en een halve maand.
Eerst reguleren met insuline en dan overgaan op orale antidiabeticum
gaf evenmin succes.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Clbersicht gegeben über 90 Krankheitsfälle an Diabetes mell itus (85
Hunde und 5 Katzen). Unter den erkrankten Hunden gehörten 85% dem weiblichen
Gesiecht an; die meisten befanden sich in einem Alter von über 7 Jahren. Bei den
männhchen Tieren lag das Alter bedeutend niedriger, einige waren sogar erst 3
Monate alt. Eine rassenmässig bedingte Prädisposition konnte bei den Hunden nicht
festgestellt werden. Gut der vierte Teil der Hündinnen hatte vor oder während der
Diabeteserkrankung geworfen.

Der Diabetes zeigte sich in den weitaus meisten Fällen nach dem Östrus, ohne dass
anamnestische Zyklusstörungen zu ennitteln waren. Alle diabeteskranken Tiere litten
an Polydipsie, dagegen trat eine Polyphagie nur in 45% der Fälle, Abmagerung
insgesamt in 60% und eine Cataracta diabetica in 13% der Fälle auf. Letztere
entstand manchmal innerhalb einiger Wochen oder auch während der Insulintherapie.
Hautveränderungen (Alopecia) wurden nur sehr selten gesehen. Das spezifische
Gewicht des Urins schwankte zwischen 1020 und 1060. Eiweiss wurde im Harn nur
in 14% der Fälle gefunden. Sowohl bei diesen Tieren als auch bei den eiweissfrcien
Harnproben lag der Ureumgehalt kaum über 100 mg%.

Auch in Fällen mit tödlichem Verlauf kam der Ureumgehalt kurz vor dem Exitus
nur selten höher als 100 mg%. Accton wurde bei 75% der Patienten nachgewiesen.
Ungefähr die Hälfte der Tiere litt an einer geringen Anämie. Therapeutisch wurde
neben einer fleischreichen Kost Insulin mit Langzeitwirkung verabreicht, gegebenen-
falls auch in Kombination mit kurzwirkenden Präparaten.

Die durchschnittliche Überlebensdauer betrug 14 Monate mit einem Maximum von
5\'/4 Jahren (dieses Tier befindet sich noch am Leben). Aus der Höhe des Blutzucker,
gehaltes zu Beginn der Behandlung lässt sich keine Prognose über den weiteren
Verlauf ableiten. Ebensowenig ist er ein Indikator für die zu verabreichende Insulin-
menge.

Dier durchschnittlich benötigte Insulinmenge beträgt 2 bis 3 Einheiten pro Kg
Körpergewicht.

Der Insulinbedarf sinkt meistens bis zur Läufigkeit, um danach wieder stark zu
steigen. Vor dem Tot reagiert der Patient bei bestehender Hyperglykämie nicht mehr
auf Insulinabgaben. Die Alkalireserve ist in diesem Stadium niedrig und lässt sich
nur schwer auf normale Werte bringen.

-ocr page 872-

Ebensowenig kann kurz vor dem Tod ein hypoglykämischer Zustand günstig beein-
flusst werden. Bei vielen regulierten Tieren tritt bereits eine Glukosurie auf bei
Blutzuckergehalten weit unter dem Schwellenwert.

Discussie

Vraag: Dr. S. Koopmans, Utrecht\':

Is er bij eventueel pathologisch-anatomisch onderzoek altijd degeneratie
van de pancreas en de Langerhanse eilandjes gevonden?

Antwoord: Prof. Dr. G. H. B. T t \'nissen. Utrecht:

De hier behandelde gevallen zijn idiopatische gevallen van diabetes
mellitus. Bij sectie werd degeneratie van dc /3-cellen van de Langer-
hanse eilandjes gevonden. Bij tumoren, b.v. van het pancreas, kan ook
diabetes mellitus optreden. Bij atrofie van het extern secemerend deel
van het pancreas is door ons nooit diabetes mellitus gezien, eigenlijk
niet eens een verminderde glucose tolerantie test.

Vraag: Dr. S. Koopmans, Utrecht:

Deze vraag ook in verband met een patiënt die gedurende drie maanden
gereguleerd was en plotseling geen reductie meer in de urine had. Het
dier is nu ± jaar zo gebleven, ook na loopsheid.

Antwoord: Prof. Dr. G. H. B. T e u n i s s e n. Utrecht:

Een genezing raag bij diabetes mellitus niet worden verwacht, de dieren
kunnen soms wel korte of langere tijd geen insuline meer nodig hebben.
Bij bovengenoemde patiënt is de diagnose niet door bloedsuikerbepa-
lingen bevestigd.

Vraag: Dr. S. Koopmans, Utrecht:

Is er iets gebleken van vaatveranderingen in de retina die bij de mens
zo berucht zijn?

Antwoord: Prof. Dr. G. H. B. T e u n i s s e n. Utrecht:

Neen, klinisch niet, maar bij de ernstige patiënten wordt door de
staar (ouderdoms- of diabetesstaar) het oogspiegelen zeer bemoeilijkt.

Vraag: Dr. H. J. Hendriks, Utrecht:

Is het bekend waarom de oraal toegediende antidiabetica bij hond en
kat geen resultaat hebben? Bij de mens schijnen de resultaten bevredi-
gend tc zijn.

Is het we.gblijven van eni.ge werking een gevolg van een totaal insuline-
gebrek?

Antwoord: Prof. Dr. G. H. B, T c u n i s s e n, Utrecht:

Waarschijnlijk is dit laatste het geval, omdat toch wel wordt aan-
genomen dat deze middelen alleen maar resultaat hebben als de Langer-
hanse eilandjes nog wat insuline kunnen produceren, de oraal toege-
diende antidiabetica zouden een prikkel zijn tot een extra inspanning.
Bij onze kleine huisdieren heeft men, mede gezien het hoge percentage
met acetonlichamen in de urine, te doen met ernstige gevallen.
De werking van bi (di)guanidinc is een andere, deze zou meer direct
ingrijpen op vetstofwisselin.g. Van dit middel is echter nog geen of maar
weinig ervaring.

-ocr page 873-

opmerking: Dr. H. J. Hendriks, Utrecht:

Bij het onderzoek van zweet op glucose, zal in huis gemorste suiker
geen reactie geven met de z.g. Tes-tape.

Eén der reagentia, geïncorporeerd in de Tes-tape, is glucose oxidase dat
specifiek op glucose werkt.

Antwoord: Prof. Dr. G. H. B. T e u n i s s e n. Utrecht:

Voor rietsuiker is dit juist, de Tes-tape is kwalitatief betrouwbaar voor
glucose, niet kwantitatief.

De mogelijkheid van glucos., .tropur") is niet geheel uitgesloten.

-ocr page 874-

Ziekfen bij halfapen

Diseases in lemurs

door F. G. POELMA*)

Uit de Afdeling Bijzondere Dieren van de Rijksuniversiteit te
Utrecht.

Inleiding

Sinds 1956 werd op een groot deel van de in de Nederlandse dierentuinen
gestorven dieren sectie verricht op de Afdeling Bijzondere Dieren. Hiertoe
behoorden ook 40 halfapen.

De halfapen hebben met de apen gemeen, dat ze aangepast zijn aan het
leven in bomen; ze hebben naar verhouding een groot hersenvolume; ze
hebben aan handen en voeten een duim die opponeerbaar is ten opzichte
van de vier vingers. De meeste halfapen zijn schemer- en nachtdieren, die
met hun grote ogen wijd open spookachtig rondscharrelen. Men noemt ze
wel Lemuren naar de Lemures, die bij de Romeinen de geesten van de
afgestorvenen waren en \'s nachts rusteloos ronddwaalden. De halfapen zijn
alleseters, fruiteters en insecteneters.

Het zijn kleine zoogdieren met een wollige vacht en een spitse snuit. In
tegenstelüng tot de apen is het gezicht onbeweeglijk. Er bestaat geen benige
scheiding tussen de oogholte en de slaapgroeve. De oogbol kan zich maar
weinig of niet bewegen. Karakteristiek is de ondertong (sublinga). Deze
heeft een getande punt, waarmee het dier zijn ondertanden schoonhoudt.
De achterpoten zijn langer dan de voorpoten en aan de tweede teen van
de voet draagt de halfaap een klauw in plaats van een nagel. De voeten
zijn lang, speciaal bij de Galago\'s, welke daardoor grote sprongen kunnen
maken.

Sedert enige jaren zijn in enkele Nederlandse dierentuinen nachtdieren-
verblijven ingericht. In deze verblijven brandt \'s nachts helder licht, de
dieren slapen dan. Overdag tijdens de bezoekuren brandt er schemerlicht,
de nachtdieren worden dan gevoederd en ze zijn dan actief bezig. De
meeste halfapen zijn in deze nachtverblijven ondergebracht.
De halfapen behoren tot de orde der Primaten en vormen de suborde der
Prosimiae.

Systematische indeling van de onderzochte halfapen

suborde Prosimiae

infraorde

familie

subfamilie

genus

aantal

Lemuriformes

Lemuridae

Lemurinae

Lemur

3

Lorisiformes

Lorisidae

Lorisinae

Perodicticus

4

Arctocebus

2

Nycticebus

7

Loris

4

Galagidae

Galaginae

Galago

20

*) Drs. F. G. Poelma; wetenschappelijk ambtenaar aan de Rijksuniversiteit te
Utrecht; Biltstraat 166.

-ocr page 875-

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (?) onderzoek

Doodsoorzaak

Voornaamste Sectiebevindingen

Diersoort

No.

Plompe Lori, m.
Nycticebus coucang
Boddaert.

63/27

A. 63/215

A. 63/523

A. 63/548

A. 64/37

Ol

Plompe Lori
N. coucang

Plompe Lori
N. coucang

Plompe Lori
N. coucang

Plompe Lori, m.
N. coucang

Lever gedegenereerd, milt gezwol-
len.

Colon en coecumwand op meer-
dere plaatsen doorboord door
Prostenorchis elegans, vaak met
vorming van kleine abcesjes.
In darmscheil nootgroot abces.
Pas geïmporteerd dier in matige
voedingstoestand.
Bloedingen in het maagslijmvlies.

Hemorragische gastro-enteritis.

Lever gedegenereerd. Milt gezwol-
len. Catarrale pneumonie van de
rechter cardiale longkwab en ge-
deelten van de rechter top en
hoofdkwab. Enteritis.
Lever gedegenereerd. Nieren boni
aspect.

B. Corynebacterium pyogenes uit
abces.
S. typhi murium uit le-
ver, hart, milt, nier, darm.

P. In bloeduitstrijk veel micro-
filariën. In coecum en colon
Subulura sp. en Prostenorchis
elegans.

B. Aerobacter cloacae uit alle or-
ganen.

P. 4 Prostenorchis elegans in het
mesenterium.

B. Cultures steriel.

P. Enkele Prostenorchis elegans in
coecum en colon. Een tiental
filariën in de buikholte. In
bloeduitstrijk microfilariën.

B. Negadef.

P. Negatief.

filariasis nefritis.

B. Negatief.

P. In linker thorax een twintigtal
filariën. In het hart één filaria
Breinlia sergenti. In bloeduit-
strijk zeer veel microfilariën.

salmonellosis.

peritonitis.

stress, A. cloacae sepsis.

hemorragische
enteritis.

gastro-

catarrale pneumonie.

-ocr page 876-

CTl
00
O

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (P) onderzoek

Doodsoorzaak

No.

Diersoort

Voornaamste Sectiebevindingen

Plompe Lori, m.
N. coucang

Plompe Lori
N. coucang
Slanke Lori I.
Loris tardigradus.

Slanke Lori II.
Loris tardigradus.

Slanke Lori
jong mannetje
Loris tardigradus.
Slanke Lori, vr.
Loris tardigradus.

D. 65/172

B. 60/1313
A. 63/316

A. 63/316
A. 65/423
A. 65/478

Hydrothorax. Longoedeem en em-
fyseem. Rechter ventrikel gedila-
teerd.

Colonwand doorboord door ver-
schillende
Prostenorchis elegans,
met lokale peritonitis.
Milt iets gezwollen. Enteritis.

hemorragische enteritis.
Milt gezwollen.

hemorragische enteritis.
Catarraal pneumonische long-
haardjes.

Catarraal pneumonische long-
haardjes.

Zand in de maag.
Zogend vrouwtje.
Rechter mammae rood ontstoken
en gestuwd. Milt gezwollen.
Enkele
Prostenorchis elegans onder
peritoneum van de buikwand.

B. Proteus uit alle organen.
P.
Prostenorchis elegans in de co-
lonwand.

B. S. Stanleyville uit de darm.
P. Negatief.

B. Erysipelothrix insidiosa uit alle
organen.

S. typhi murium uit de darm.
P. Negatief.

B. E. insidiosa uit alle organen.
P. Enkele
Subulura sp. in de
darm.

B. Pneumokokken uit long.
P. Negatief.

B. Hemolytische streptokokken uit
alle organen en mammae.
S. typhi murium, uit de darm.
Corynebacteriën uit mammae.
P.
Prostenorchis elegans.

Strongyloides stercoralis in je-
junum.

hart- en longsufficiëntie.
peritonitis.

enteritis,
vlekziekte.

vlekziekte.

pneumonie.

mastitis.

streptokokken sepsis.

-ocr page 877-

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (P) onderzoek

Doodsoorzaak

Voornaamste Sectiebevindingen

Diersoort

No.

Catarrale pneumonic van bijna
de gehele long. Enteritis. Lever
gedegenereerd, milt gezwollen.
Leververvetting. Chronische ne-
fritis.

Necrotische ontsteking van de co-
lonwand met bloedstolsels in het
darmlumen.
Icterisch cadaver.
Lever gezwollen en vettig gede-
genereerd met speldenknopgrote,
hyaliene haardjes.
Milt sterk gezwollen, met enkele
haardjes.

Necrotische ontsteking van de
ileum wand. Lnn. ileocoecocolica
sterk gezwollen.

Iets gezwollen, stugge lever met

puntgrote haardjes.

Milt gezwollen met haardjes.

Catarrale pneumonie.
Leverdegeneratie. Mucopurulente
enteritis.

A. 64/416

Potto, vr.

Perodicticus. potto.

Bosman

Potto

P. potto

A. 64/596

A. 64/606

Potto
P. potto

Potto
p. potto

A. 65/3

Beermaki

Arctocebus calabarensis

B. 61/220

B. Providencia uit alle organen en pneumonie,
long.

P. Negatief.

B. Proteus mirabilis uit lever, nefritis.

milt, nier. necrotiserende enteritis.

Klebsiella en Proteus rettgeri
uit de darm.

B. P. pseudotuberculosis, type II pseudotuberculosis,
en
Ps. aeruginosa uit alle orga-
nen.

P. Negatief.

B. Past. pseudotuberculosis, type pseudotuberculosis.

II uit alle organen.
P. Een
spiruroidea sp. in de
maag.

B. Negatief. pneumonie.

P. Negatief.

-ocr page 878-

00
lO

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (P) onderzoek

Diersoort

Voornaamste Sectiebevindingen

Doodsoorzaak

No.

B. 62/97 Beermaki, m.

A. calabarensis

B. 62/124 Jonge Ringstaartmaki

Lemur catta
B. 64/157 Jonge Ringstaartmaki

L. catta

A. 61/6 Jonge Ringstaartmaki

L. catta

A. 62/49 Dwerggalago

Galagoides demidovii

A. 62/561 Galago, m.

Galago senegalensis

A. 62/569 Galago

Galago senegalensis

A. 63/221 Galago, m.

Galago senegalensis

Lever gedegenereerd.
Goecumwand hemorragisch ont-
stoken. Bloed in het coecum.
Gatarrale pneumonie van de ge-
hele long.

Atalectatische longen.

Pasgeboren.

Enterids.

In darmwand tientallen Prosten-
orchis elegans.

Catarrale pneumonie van de rech-
terlong. Milt gezwollen.

Mager cadaver. Catarraal-pneu-
monische longhaardjes.
Milt iets gezwollen. Enteritis.
Lever, milt en nieren iets gezwol-
len en doorzaaid met speldenknop-
grote haardjes.

B. Negadef.

P. Negatief.

B. Negadef.

P. Negadef.

B. Negadef.

P. Negatief.

B. Pseudomonas aeruginosa uit
lever en darm.
E. coli uit alle organen.

B. E. coli en Streptokokken uit
alle
organen.

P. Prostenorchis elegans.

B. Streptokokken uit long, lever,
milt.

P. Strongyloides-eieren.

B. Negatief.

P. Negatief.

B. Listeria monocytogenes type
4b uit alle organen.
E. coli en staphylococcus
aureus
uit alle organen.

P. Negatief.

tyflitis.

pneumonie.

door moeder verwaar-
loosd,
enteritis.

E. coli en Streptokokken,
sepsis.

pneumonie.

pneumonie.

listeriosis.

-ocr page 879-

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (P) onderzoek

Doodsoorzaak

Voornaamste Sectiebevindingen

Diersoort

No.

A. 63/417 Dwerggalago

Galagoïdes demidovii

A. 64/205

A. 64/246

Dwerggalago
Galagoldes demidovii

Galago

Galago senegalensis

A. 64/434

A. 64/586

O)
00
03

Galago, m.
Galago senegalensis

Reuzengalago
Galago crassicaudata

Mager mannetje. Groot deel van
de hoofdkwab van de linkerlong is
catarraal ontstoken.
Veel nematoden in het coecum.
Vrouwtje in goede voedingstoe-
stand.

Linker humerus en 4 ribben ge-
broken, bloeduitstortingen.
Schedelfracturen.

Mager pas geïmporteerd vrouwtje.
Hemorragische gastro-enteritis.

Enkele longlobuli catarraal ont-
stoken, hydrothorax. Milt gezwol-
len. Een tiental
Prostenorchis ele-
gans
in coecum- en colonwand,
soms perforatie darmwand en ver-
kleving met peritoneum van de
buikwand.

Lever gezwollen en doorzaaid met
milairgrote necrosehaardjes. Milt
sterk gezwollen, met haardjes.

B. Pasteurella multocida uit alle
organen.

P. Strongyloides-eieien in de

faeces.
B. Negadef.
P. Negatief.

coccidiosis.

salmonellosis,
peritonitis.

B. Salmonella oranienburg uit de
darm.

P. Zeer veel coccidien in de
darm. Enkele
cestoda en Subu-
lura
sp. in de darm.
B.
Staphylococcus albus uit alle
organen.

Salmonella typhi murium uit
alle organen.

pseudotuberculosis.

B. Pasteurella pseudotuberculosis

type II uit alle organen.
P. Negadef.

pasteurellosis.

trauma.

-ocr page 880-

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (P) onderzoek

§

No.

Diersoort

Voornaamste Sectiebevindingen

Doodsoorzaak

A. 65/90 Galago

Galago senegalensis

A. 65/98 Galago

Galago senegalensis

A. 65/144 Galago, m.

Galago senegalensis

A. 65/217 Dwerggalago

Galagoïdes demidovii

A. 65/445 Galago, m.

Galago senegalensis

A. 65/468 Galago, vr.

Galago senegalensis

Teennecrose van 3 poten.
Milt sterk gezwollen met hemorra-
gische infarcten.

Maagbloedinkjes; dunne- en dikke
darm gevuld met bloed.
Mager cadaver. Hemorragische
gastro-enteritis.

Hemorragische enteritis.
Enkele
Prosthenorchis elegans in
het colon.

Colonwand verkleefd met lever en
buikwand rond een abces.
Hemorragische gastro-enteritis.
Catarraal-pneumonische haardjes
in de gehele long.
Lever en milt gestuwd.

Lever gedegenereerd, abcesjes en
verwondingen aan staartpunt en
achterpoot.

Humerusfractuur met callusvor-
ming.

B. Pasteurella pseudotuberculosis pseudotuberculosis.

type III uit alle organen.
P. Negatief.

B. Streptokokken uit lever en gastro-enteritis.

nier. Providencia uit de darm.
P. Negatief.

B. Staphylococcus aureus uit alle peritonitis.

organen en abces.
P.
Prosthenorchis elegans.

B. Erysipelothrix insidiosa uit alle vlekziekte.

organen.
P. Negatief.

B. Salmonella typhi murium uit pasteurellosis.
de darm.

Pasteurella multocida uit alle
organen.

P. Prosthenorchis elegans in
colon.

B. Staphylococcus aureus uit ab- Stafylokokkensepsis na

cessen, milt en lever. verwondingen.

P. Negadef.

-ocr page 881-

Bacteriologisch (B) en
Parasitologisch (P) onderzoek

Doodsoorzaak

Voornaamste Sectiebevindingen

Diersoort

No.

66/249 Reuzengalago, m.

Calago crassicaudata

D. 62/79 Galago, m.

Calago senegalensis

D. 62/266 Dwerggalago, vr.

Galagoïdes sp.

D. 63/279 Dwerggalago

Galagoïdes sp.
D. 66/161 Reuzengalago

Galago crassicaudata

Miliairgrote haardjes in lever en
milt, miltzwelling. Gezwollen darm-
lymfklier. Galstenen.

Lever gezwollen en gedegenereerd.
Milt sterk gezwollen.

Enkele necrosehaardjes in de lever.
Uterus vergroot met hemopuru-
lente inhoud.

Lever en nier vettig gedegene-
reerd.

Puntgrote haardjes in lever, milt.
Sterke miltzwelling. Laesies van de
mucosa van ileum, colon en
coecum.

Lnn. ileocoecocolica sterk gezwol-
len.

B. Pasteurella pseudotuberculosis
type I uit alle organen en
darmlymfklier.

P. Negatief.

B. Pasteurella pseudotuberculosis
type I uit de milt.

P. Negatief.

B. Streptokokken en E. coli uit
uterus.

P. Negatief.

B. Streptokokken uit alle organen.

P. Negatief.

B. Pasteurella pseudotuberculosis
type II uit lever, milt, nier,
hart, ileum en darmlymfklier.

pseudotuberculosis.

pseudotuberculosis,
pyometra.

streptokokkensepsis.
pseudotuberculosis.

co

Ln

-ocr page 882-

Geografische verspreiding: het genus Lemur komt voor op Madagascar
en de Komoren: de genera
Galago, Perodicticus en de Arctocebus komen
verspreid voor over de bossen ten zuiden van de Sahara: de genera
Loris en
Nycticebus komen voor in Z.O. Azië.

Zeer veel halfapen zijn na 1962 geïmporteerd, een deel hiervan is gestorven
en op de Afdeling Bijzondere Dieren onderzocht. De voornaamste bevin-
dingen zijn in tabel 1 in het kort weergegeven.

Parasitaire aandoeningen

Bij 8 van de 40 halfapen kwam een besmetting met Prosthenorchis elegans
voor. P. elegans zijn Acanthocephala\'s die hun met haken bezette proboses
diep in de darmwand van de gastheer vasthechten. Ze zitten vooral in het
laatste deel van het ileum, in het coecum en in het begin van het colon.
Op de aanhechtingsplaatsen ziet men aanvankelijk bindweefseltoename,
waardoor op de buitenzijde van de darm glimmende knobbeltjes ontstaan.
In het latere stadium kan de aanhechtingsplaats door bacteriën geïnvadeerd
worden, waardoor abcesjes in de darmwand ontstaan, welke naar de buik-
holte kunnen doorbreken.

Bij de Plompe lori\'s A. 63/27 en D. 65/172 en de Galago\'s A. 65/144 en
A. 64/434 was er sprake van een darmperforatie met uitgebreide peritonitis.
Er werden hierbij geen
P. elegans in de buikholte gevonden.
Bij de Plompe lori A. 63/215 en de Slanke lori A. 65/478 werden wel
P.
elegans
in de buikholte gevonden, echter zonder peritonitis.
Een besmetting van Lemuren met
P. elegans en P. spirula werd door
Brumpt
et al (1938) beschreven. Zij zagen de dieren doodgaan na ver-
magering en vonden darmperforaties met plaatselijke peritonitis en soms
peritonitis met sepsis.

Profylactische maatregelen

Om de Acanthocephala met succes te kunnen bestrijden moeten de be-
smette tussengastheren bestreden worden. Brumpt
et al (1938) vonden
dat de kakkerlakken,
Blattella germanica, Blabera fusca en Rhyparobia
maderae
de voornaamste tussengastheren waren.

Stunkard (1965) toonde aan, dat ook kevers als tussengastheren kun-
nen fungeren, namelijk de cigarette beetle,
Lasioderma serricorne en de
drug-store beetle,
Stegobium paniceum.

B r u m p t ei a/ (1939) bestreden de kakkerlakken met arsenicumhoudende
poeders. Tegenwoordig zal men liever gebruik maken van verspuitbare in-
secticiden. Men moet trachten te voorkomen, dat de gedode insecten
worden opgegeten.

Nieuwe dieren mogen alleen worden toegevoegd na herhaald negatief
faecesonderzoek.

Therapie

Brumpt et al (1939) probeerden diverse anthelmintica zoals: arecoline,
santoline en kamala, echter zonder succes. Goede resultaten hadden zij
met een mengsel van ricinus olie (16 cm^) en ascariol (25 c gr), waarvan
ze een
Lemur macaco 2 cm^ met een maagsonde ingaven. De volgende
dag kwamen er 5 volwassen wormen af. Er werd nu 5 cm3 van het mengsel
ingegeven, waarop de volgende dagen 40 wormen afkwamen. Bij sectie,

-ocr page 883-

twee maanden later, werden er geen parasieten in de digestietractus meer
aangetroffen.

Peters en Zwart (1962) behandelden twee Gibbons, die lijdende waren
aan een
P elegans infectie. Zij gaven gedurende 5 dagen per os 20 mg
dithiazanine jodide per kg lichaamsgewicht. Na een onderbreking van 5
dagen gaven ze nog eens dezelfde hoeveelheid gedurende 10 dagen. Tijdens
de kuur werden er zeer veel
P. elegans in de mest gevonden, terwijl het
aantal
Acanthocephala-eieren in de mest sterk afnam.
Een nieuwe mogelijkheid biedt misschien het anthelminticum yomesan, dat
een vermicide werking heeft ten opzichte van lintwormen. Het is smaak-
en reukloos, slecht in water oplosbaar en per os weinig toxisch.

Een interressant geval van coccidiosis was Galago A. 64/246, waarbij zeer
veel coccidiën in de darm werden gevonden. Het bleek een menginfectie te
zijn van een
Isospora en drie Eimeria species. Deze Galago was met nog
twee andere pas geïmporteerd. Van de beide laatsten werd de ontlasting
meerdere keren onderzocht waarbij geen coccidiën werden gevonden.

Infectieziekten

Tabel 1 laat zien, dat er 7 halfapen van 4 inzenders gestorven zijn aan
een infectieziekte veroorzaakt door
Pasteurella pseudotuberculosis.
De besmetting ontstaat als regel via de digestietractus. Men ziet opper-
vlakkig zweertjes in het laatste deel van het ileum, in het coecum en soms
in het begin van het colon. Deze darmzweren kunnen zich uitbreiden,
waarbij necrose en darmbloedingen kunnen ontstaan. De bijbehorende
darmlymfklier is gezwollen en soms zit er een verkaasd haardje in. In dit
stadium vindt men een enorme miltzwelling, en in de lever nauwelijks zicht-
bare melkwitte haardjes. Microscopisch ziet men in een met haemaluin-
eosine gekleurde coupe van deze leverhaardjes, een centrum van basofiel
gekleurde bacteriën, dat omgeven is door een rand van necrobiotische
levercellen. Deze rand is geïnfiltreerd met leucocyten, lymfocyten en veel
hisdocyten.

In minder acute gevallen vindt men miliaire geelwitte haardjes in de
lever en in de milt, die, microscopisch gezien, bestaan uit een necrotisch
centrum, dat omgeven is door een ring van basofiel gekleurde bacteriën-
haarden. Deze zijn weer omgeven door leucocyten, lymfocyten, veel hisio-
cyten en soms veel erytrocyten. Nog oudere haarden kunnen omgeven zijn
door fijne bindweefselvezeltjes.

Opvallend is het grote aantal thrombi met bacteriën in de leverbloedvaten.
Ook in de capillairen van de glomeruli zijn dergelijke thrombi aangetroffen.
De aantasting van de darm door P.
pseudotuberculosis geeft uitscheiding
van de bacteriën met de ontlasting, waardoor er gemakkelijk een uitbraak
van pseudotuberculosis onder de dieren ontstaat. In twee dierentuinen werd
zo\'n uitbraak waargenomen.

In het nachtdierenverblijf van Artis stien en in een maand tijds 2 Potto\'s A.
64/606 en A. 65/3, en een Reuzengalago A. 64/586 aan
P. pseudotuberculosis
type II en twee maanden later nog een Galago A. 65/90 aan P. pseudo-
tuberculosis
type III. In diezelfde maanden stierven er in andere afdelingen
van Artis een Agoed aan
P. pseudotuberculosis type III en twee Groene
meerkatten aan P.
pseudotuberculosis type II. Ook stierven er nog een
Patas makako en een Doodshoofdaapje aan pseudotuberculosis. Een jaar

-ocr page 884-

later stierven er nog een Roezet en Reuzengalago A. 66/249 uit het nacht-
dierenverblijf aan
P. pseudotuberculosis type I.

In februari en maart van dit jaar was er een uitbraak van pseudotuberculo-
sis in een ander dierenpark, waarbij een Groene Meerkat, 3 Reuzengalago\'s
en 2 Doodshoofdaapjes sderven. Reuzengalago D. 66/161 was het laatste
slachtoffer; dit dier was langere tijd met tetracycline behandeld. Bij sectie
bleek het een subacuut geval van pseudotuberculosis te zijn, met zweertjes
zonder necrose in het ileum, coecum en colon. In de lever en in de sterk
gezwollen milt zaten nauwelijks zichtbare haardjes. De geïsoleerde
P. pseu-
dotuberculosis
type II stam was in vitro iets minder gevoelig voor tetra-
cycline dan de stammen uit de andere dieren. Als bijzonderheid dient nog
vermeld te worden, dat deze Reuzengalago\'s zeer goede muizenvangers
waren.

Beide uitbraken van pseudotuberculosis waren in de winter. Dit komt over-
een met de bevindingen van Moll are t (1961) in Frankrijk, waar de
meeste gevallen van pseudotuberculosis voorkomen van oktober tot april.
M
O 11 a r e t toonde ook aan dat de P. pseudotuberculosis bacteriën een
half jaar of langer in de grond kunnen blijven leven.

Therapie

Omdat halfapen erg rustige dieren zijn, valt het pas op, dat er een ziekte
onder heerst wanneer er een dier doodgaat. Begint men dan met de toe-
diening van medicijnen aan de overige dieren, dan is het in vele gevallen
al te laat, omdat er reeds uitgebreide veranderingen zijn opgetreden.

Tabel 2.

Gevoeligheidstest van Pasteurella pseudotuberculosis en Listeria monocy-
togenes stammen, afkomstig van halfapen. Diameter der remmingszone

in mm.

^i/j —cn loo —-O cTii_i —Tl

2E. SE. gc \'on

2 S O-" O a O ri o3

O y O eT o Oti o cr W ï:.

„O. OQ.gx ^ S 2. WP «O

üQ tr. bn^o\'ïfloOPD «cjo in--

3N pN^TaS aQ 3=0 a-

1= il \'gr "

pj 3 »3 p "

P n

Reuzengalago, A. 64/586
P. pseudotuberculosis, type
Potto, A. 64/606
P. pseudotuberculosis, tyjjc
Potto, A. 65/3
P. pseudotuberculosis, tyi)c
Galago, D. 62/79
P.
pseudotuberculosis, tyi)c
Galago, A. 65/90
P. pseudotuberculosis, type
Reuzengalago, D. 66/161
P. pseudotuberculosis, type
Reuzengalago, A. 66/249
P. pseudotuberculosis, type
Galago, A. 63/221
L. monocytogenes, type 4b

11

14

28

14

14

24

14

10

II

12

26

14

18

25

17

17

11

17

30

15

17

24

17

14

I

16

26

12

15

22

--

14

8

III

25

35

15

20

25

15

8

11

16

24

13

20

19

--

13

I

12

24

13

21

19

16

12

16

32

18

22

20

22

8

-ocr page 885-

Uit een antibiotica-gevoeligheidstest bleek, dat de P. pseudotuberculosis
stammen goed gevoelig zijn voor chloramphenicol. Men kan dit in de vorm
van een likkepot toedienen (tabel 2).

Streptomycine is wel werkzaam, maar heeft een korte werkingsduur, boven-
dien wordt het niet altijd goed verdragen. Gisler
et ai (1960) zagen
bij apen 10-20 minuten na injecties met dihydrostreptomycine sulfaat of
streptomycine sulfaat bij doseringen hoger dan 22 mg/kg lichaamsgewicht,
toxische reacties optreden, de dieren stierven in convulsies. Bij de mens en
bij proefdieren kan streptomycine storingen van het evenwicht en doofheid
veroorzaken.

Een andere infectieziekte, die regelmatig in het nachtdierenverblijf voor-
komt is
salmonellosis.

Bij Plompe Lori A. 63./27 en Galago A. 64/434 werd S. typhi murium uit
alle organen geïsoleerd. Bij 3 andere halfapen werd
S. typhi murium alleen
uit de darm geïsoleerd. Ook bij andere dieren uit het nachtdierenverblijf
werd
S. typhi murium uit alle organen geïsoleerd, namelijk bij 2 Roezets,
2 Woestijnratten, een Gordeldier en een Grijpstaartstekelvarken: terwijl bij
nog meer dieren
S. typhi murium alleen uit de darm werd gekweekt.

Vlekziekte is eveneens een steeds weer optredende infectieziekte in Artis.
In 3 jaar tijds stierven in het nachtdierenverblijf een Tweetenige luiaard,
2 Slanke lori\'s, A. 63/316, een Dwerggalago A. 65/217 en 6 Woestijnratten
aan vlekziekte. Bij deze dieren werd
Erysipelothrix incidiosa uit alle organen
geïsoleerd.

Tweemaal werd Listeria monocytogenes type 4b bij dieren uit het nacht-
dierenverblijf geïsoleerd, namelijk in mei 1963 uit Galago A. 63/221 en een
maand later uit een gestreepte Koeskoes.

Bij drie Galago\'s werden stafylokokken uit alle organen geïsoleerd. Bij twee
Dwerggalago\'s en een Slanke Lori werden
Streptokokken uit alle organen
geïsoleerd.

Bij 5 halfapen werd een acute lobaire catarrale pneumonie gevonden, ter-
wijl bij 5 andere halfapen kleinere pneumonische haardjes in de long voor-
kwamen. Vooral dieren jonger dan een half jaar bleken erg vatbaar voor
longaandoeningen te zijn.

Uit de pneumonische longen werden pneumokokken, Streptokokken, stafy-
lokokken,
Pasteurella multocida en Providencia geïsoleerd.
Uit de in de tabel vermelde doodsoorzaken van de halfapen blijkt, dat er
bij deze dieren vaak infectieziekten en parasitaire aandoeningen voor-
kwamen.

Welke profylactische maatregelen kunnen er genomen worden?
Door de dieren geregeld te wegen krijgt men een indruk van de voedsel-
opname, terwijl uit een afname in gewicht blijkt, dat er iets niet in orde
is. Door regelmatig de ontlasting te onderzoeken kan men een besmetting
met darmparasieten tijdig onderkennen en bestrijden. Bij diarree is bacte-
riologisch onderzoek gewenst. Bij infectieziekten met een epizoötisch karak-
ter kan worden overwogen de dieren te vaccineren. De huisvesting moet
dusdanig zijn, dat de hokken tochtvrij zijn en goed verwarmd en geventi-
leerd worden. De hokken moeten geregeld met desinfectantia worden ge-
reinigd. Voeder- en drinkbakken moeten dagelijks grondig worden gereinigd.

-ocr page 886-

Voedselresten moeten steeds uit de hokken verwijderd worden. Muizen en
kakkerlakken moeten worden bestreden. Zieke dieren moeten worden ge-
ïsoleerd. Nieuw aangekochte dieren mogen pas na langdurige observatie
worden toegevoegd.

Halfapen zijn fruit-, insecten- en vleeseters, hiermee moet met de samen-
stelling van het menu rekening worden gehouden, want verkeerde voeding
heeft tot gevolg, dat parasieten en infecties gemakkelijker aanslaan.

SUMMARY.

A description is given of the principal postmortem findings in 7 Slow Loris, 4 Slender
Loris, 4 Potto\'s, 2 Calabar Potto\'s, 3 Common Lemur\'s and 20 Galago\'s, which died
in Zoological gardens in the Netheriands.

Bacteriological examination resulted in isolation of: Pasteurella pseudotuberculosis
from 3 Galago crassicaudata, 2 Perodicticus potto, 2 Galago senegalensis; Listeria
monocytogenes
from ?. Galago senegalensis; Erysipelothrix insidiosa from 2 Loris
tardigradus
and a Galagotdes demidovii; Pasteurella mutocida from a Galagoldes
demidovii
and a Galago senegalensis; Salmonella typhi murium, from a Nycticebus
coucang
and a Galago senegalensis; Staphylococcus aureus from 3 Galago senegalensis
and Streptococcus spp. from 2 Galagotdes demidovii and a Loris tardigradus.
An acute lobar catarrhal pneumonia was found in 5 lemurs.

Principal parasites found were Prostenorchis elegans in 8 lemurs, while one Isospora
and three Eimeria spp. were found in a Galago senegalensis.

LITERATUUR.

Brumpt, E. et Desportes, C.: Hotes intermédiaires expérimentaux de deux
espèces d\'acanthocéphales
(Prostenorchis spirula et P. elegans) parasites des
lémuriens et des singes.
Ann. Parasit., 16, 301, (1938).
Brumpt, E., Dechambre, Ed. et D e s p o r t e s, C. : Prophylaxie et traitement
utilisés pour combattre les Acanthocéphales parasites des Makis de la Ménagerie
du Jardin des Plantes.
Bull. Acad. Vét. Fr., 12, 198, (1939).
Brumpt, E. et Urbain, A.: Épizoode vermineuse par Acanthocéphales (Pros-
tenorchis)
ayant sévi à la singerie du museum de Paris. Ann. Parasit., 16, 289,
(1938).

G i s 1 c r, D. B., Benson, R. E. and Young, R. J. : Colony Husbandry of

Research Monkeys. Ann. New York Acad. Sci., 85, 758, (1960).
Mollaret, H. H.: Pseudotuberculosis humaine et animale, relations possibles.

Extrait d\'Economie et Médecine Animales, 2 année, 353, (1961).
P e t e r s, J. C. und Zwart, P. : Dithiazanine jodide (Dilombrin) als Therapeutikum
gegen AcanthocephalabefaJl bei Affen.
Nord. Vet. Med. SuppL, 1, 284, (1962).

Discussie

Vraag: Prof. Dr. G. H. B. Tcunissen, Utrecht:

■Worden de stoornissen, bij het toedienen van streptomycine, van de
kant van de N. vestibularis, zoals beschreven door de spreker, ook bij
deze halfapen gezien?

Antwoord: Drs. F. G. P o e I m a. Utrecht:

Met het toedienen van streptomycine aan halfapen heeft spreker geen
ervaring. Omdat bij de mens na langere behandeling met streptomycine
doofheid en evenwichtsstoornissen kunnen optreden lijkt hem het gebruik
van streptomycine bij halfapen minder geschikt.

Opmerking: Prof. Dr. G. H. B. T e u n i s s e n. Utrecht:

Prof. Tcunissen is huiverig voor het gebruik van de combinatie

penicilline-streptomycine als routine behandeling, omdat o.a. bij de

-ocr page 887-

hond epilepdforme aanvallen kunnen optreden bij toediening van te
hoge dosis streptomycine.

Vraag: Drs. D. D. Bakker, Groningen:

Komt herpes B virus bij halfapen voor?

Antwoord: Drs. F. G. Poelma, Utrecht:

Er werden bij deze halfapen geen stomatitiden of andere aanwijzingen
voor een besmetting met herpes B gevonden. Het is mogelijk, dat som-
mige halfapen, evenals apen, latent besmet zijn met herpes B virus.
Spreker heeft in zijn praktijk een geval van herpes bij vier Oeisdties
gehad. Deze aapjes kregen blaren op de tong, wang, elleboog, voetzolen
en handpalmen. De lippen waren gezwollen, evenals de keellymfklieren.
Op de lippen, wenkbrauwen, dijen en soms op de vulva of scrotum zaten
opgedroogde pustulae. De dieren maakten een smakkend geluid met
de bek.

Twee van de Oeisdties stierven. Uit tong- en lipmateriaal van deze
dieren werd op het R.I.V. een herpes virus geïsoleerd. De twee overige
aapjes, die ook smakkende geluiden maakten en opgezette lippen hadden,
zijn pijnloos gedood. Uit deze laatsten werd op het R.I.V. ook een
herpes virus gekweekt.

Vraag: Dr. S. Koopmans, Utrecht:

Is er iets omtrent het voorkomen van tuberculosis bij deze halfapen
bekend?

Antwoord: Drs. F. G. Poelma, Utrecht:

Bij deze halfapen werd geen tuberculosis gevonden, wel wordt het in de
literatuur vermeld.

Vraag: Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Utrecht:

Wordt het vlees in het rantsoen van halfapen rauw of na verhitting
toegediend? Dit in verband met het risico van
Salmonella voedsel-
infecties.

Antwoord: Drs. F. G. Poelma, Utrecht:

In de natuur vangen de halfapen wel vogeltjes en hagedissen. Het in
Artis verstrekte vlees is goedgekeurd en wordt rauw in brijvorm gegeven.
Het kan reeds besmet vlees zijn, ook zou het in de opslagplaats door
muizen besmet kunnen worden.

Opmerking: Prof. Dr. J. H. J. van Gils, Utrecht:

Prof. van Gils neemt aan, dat in restanten van reeds besmet vlees,
een ophoping van
Salmonella kan ontstaan.

Opmerking: Drs. J. Doctors van Leeuwen:

Drs. J. Doctors van Leeuwen vindt Salmonella typhi murium
alleen bij geïmporteerde apen, niet bij de zelf gefokte halfapen, terwijl
de infectie toch steeds aanwezig is.

Opmerking: Drs. F. G. Poelma, Utrecht:

Bij pas geïmporteerde halfapen vond Spreker geen Salmonella typhi
murium.
Wèl werd er Salmonella oranienburg uit de darm van een net
ingevoerde Galago geïsoleerd. Waarschijnlijk zijn de zelf gefokte half-
apen in betere conditie: ze zijn misschien al langere tijd drager van
Salmonella typhi murium en mogelijk is er een stresstoestand nodig
voor het ontstaan van salmonellosis.

-ocr page 888-

De Ecuyers, Rijkunst, Paardenkennis en Paarden-
geneeskunde in de 16e, 17e en 18e eeuw

door C. A. van dorssen1»)

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de Universiteitsbibliotheek en het
Universiteitsmuseum was de mogelijkheid geboden tot het samenstellen van
een tentoonstelling over oude boeken en ciniosa. Daarbij was een be-
trekkelijk vastomlijnd onderwerp gekozen uit de voorgeschiedenis van dc
wetenschappelijke diergeneeskunde, nl. de paardenkennis in de ruimste zin
van het woord zoals deze door de écuyers tussen 1500 en 1800 te boek is
gesteld; volgens zeggen is het merendeel van betreffende boeken door de
leraar van de Rijksvteartsenijschool wijlen de Heer VV. C. Schim m e 1
bijeengebracht.

De kennis van het gebruik \\\'an het paard verliest zich tot in het wazige
verschiet der mythologie waar Jason, Hercules en Achilles door de centaur
Cheiron onderwezen werden. Om iets dichter bij huis te blijven zij hier
genoemd het nog steeds actuele werk van de Griek Xenophon over het
paardrijden, dat op zijn beurt verwijst naar een niet meer bekend boek van
de Griek Simon van .Athene. Over de rijkunst zelf zijn tussen
Xenophon en Grisoni (1555) geen boeken geschreven; wèl over de
paardengeneeskunde waarvan op de tentoonstelling aanwezig het boek van
Rusius (12??) in handschrift en in een 16e eeuwse Franse vertaling en
het 16e eeuwse boek van R ü e 1 1 i u s dat een Latijnse vertaling is van de
z.g.n. Griekse Hippiatrica en o.a. het werk van A p s y r t u s (.300 - 360)
bevat.

Omstreeks 1500 voltrok zich, van Napels uitgaande, een verni(;uwing in de
inzichten in het paardrijden, die samenhing met een ander wapengebruik
bij het ruitergevecht. Een belangrijk meester uit de Napolitaanse School
v/as Grisoni, die zijn kennis weerlegde in het oudst bekende gedrukte
boek over rijkunst (Ordini di cavalcarc), tevens het eerste geschrift dat
sinds Xenophon deze stof behandelde.

Een andere meester uit Napels was P i g n a t e 1 1 i die niet publiceerde,
maar wiens naam verbonden is aan het eigenaardige stanggebit, waarmede
in vele variaties tot omstreeks 1800 gereden werd.

Een ander boek uit het 16e eeuwse Italië is C a r a c c i o 11 o: La Gloria
del Cavallo,
dit omvat alles betreffende het paard tot krijgskunde toe.
De Italiaan R u i n i schreef een paardenanatomie, waarin o.a. de bloeds-
omloop reeds beschreven wordt.

Marx Fugger, de .Xugsburgse bankier, wiens familie tot rijkdom en
adelstand was gekomen, door Karei V te financieren, publiceerde in het
Duits een boek over paarden fokken en Löneysen in dezelfde taal een
fraaie atlas met paardenbitten.

Onder de talrijke buitenlandse leerlingen, die meerdere jaren in Napels
reden, moeten genoemd worden La R r o u ë, die Grisoni in het Frans
bewerkt heeft (hier niet aanwezig), en P 1 u v i n e 1, de leermeester van

1  Beschrijving van een tentoonstelling, gehouden ter gelegenheid van de Veterinaire
Week 1966, in het Transitorium „dc Uithof" te Utrecht.

-ocr page 889-

Koning Lodewijk XIII van Frankrijk, later ambassadeur in de Neder-
landen en leermeester van Prins Frederik Hendrik. Over zijn lessen aan
dc 16-jarige Franse koning schreef Plu vi nel een fraai geïllustreerd
boekwerk.

-ocr page 890-

Zoals P 1 u V i n e 1 in zijn boek aangeeft richtte de Franse Koning op zijn
voorstel vier Academies royales op, waaraan rijkunst en krijgskunde werden
gedoceerd. Niet alleen de functionarissen aan de vorstelijke hoven, maar
ook de docenten aan deze academies duidden zich aan als „escuyer" of
„écuyer" (de spelling équier in het boek van Prof. W e s t e r is foutief).
TJit deze Franse academies kwamen belangrijke publicisten voort o.a.
Solleysel, La Guérinière (de grondlegger van de moderne rij-
kunst), Bourgelat (de oprichter van de Ecoles vétérinaires) en ook de
aan de Leidse Hoge School werkzame écuyer Gaspar de Saunier,
die een fraai geïllustreerd werk, o.a. over anatomie, schreef.

-ocr page 891-

Daarnaast werden zowel in Italië, Frankrijk als Duitsland diverse boeken
gepubliceerd, alle handelende over bouw, gebruik, ziekten en geneeskunde
van het paard; veelal geschreven of althans op naam van vorstelijke en
adellijke personen.

Speciaal dient hier het werk van William Cavendish, Due de
Newcastle, genoemd, die, de ballingschap van het Engelse koningshuis de-
lende, rijlessen gaf in Antwerpen en na de restauratie zijn fraai geïllustreerd
boekwerk uitgaf, waarvan de eerste druk maar uit 50 exemplaren bestond.
In dit boek ontwikkelde hij een nieuwe en extraordinaire wijze van paarden
africhten met een eenzijdig werkende slof teugel, welk systeem maar een
zeer kort leven beschoren is geweest. Belangrijk blijven de fraaie staal-

-ocr page 892-

gravures van Abraham van Diepenbek e, de paardenschilder van
het Rubens-atelier (in 18e eeuw herdrukt).

Als plaatwerk is verder zeer belangrijk het nog steeds actuele rijkunstige
boekwerk van dc Franse hofstalmeester François Robichon de
la Guérinière met illustraties van Parrocel, dat tevens ook ver-
handelingen over paardenziekten en therapie bevat.

De uitgave van dergelijke kostbare boeken was mogelijk doordat in die
tijd het paard nog een sleutel]jositie innam in de Westerse beschaving en
de kennis van alles wat met dit dier samenhing van fundamenteel belang
was voor de hooggeplaatste peisonen \\an die tijd en hun naaste omgeving.
Deze opmerking geldt b.v. ook voor de talrijke drukken van de Parfait
Mareschal van De Solleysel, voor de boeken van De Garsault,
het boek van G a s p a r d de S a u n i e r, de rijdermeester aan de Leidse
Universiteit, die veel afbeeldingen natekende van R u i n i, het prachtige
plaatwerk van de Parijse [jaardendokter-hoefsmid L a f o s s e met de met
de hand gekleurde anatomische platen, waarvan de uitgave 70.000 livres
gekost moet hebben en — hoewel eenvoudiger — ook voor het boek van
V O n S i n d t.

0 1 a u d e B o u r g e 1 a t, die chef was van de Académie Royale te Lyon,
lichtte aldaar en later ook te Parijs (Alfort) veeartsenijscholen op, om
,,artistes vétérinaires" op te leiden. Zijn oeuvre (waarvan veel vlg. Wester
door ondergeschikten is geschreven) richtte zich blijkbaar tot een minder
kapitaalkrachtig publiek, althans was veel eenvoudiger van uitvoering.

-ocr page 893-

Hij is afsluiter van deze periode; met hem wordt de keimis der „écuyers"
geënt op de jonge stam der veeartsenijkunde.

Ook de Nederlandse Hogescholen hadden hun aandeel aan de verbreiding
van deze paardenkennis. Behalve de reeds genoemde Gaspar d de
S a u n i e r, „écuyer" de l\'Academie illustre de Leide, noemen wij nog
speciaal de inzending van het Universiteitsmuseum betreffende de Rijder-
meester van de Utrechtse Universiteit, die in de 18e eeuw zijn zetel gehad
heeft in de, eerst 10 jaar geleden afgebroken, manége Achter Clarenburg.
Evenals in Frankrijk gaven deze rijdernieesters met hun ondergeschikten
een volledige militaire opleiding die o.a. ook de mathematiek omvatte.
In de betreffende vitrine bevonden zich, behalve de penning en de instructie
van de rijdermeester, benevens het leerboekje van de rijleraar H. C h e-
valier, ook de drie Pignatelli-bitten van het museum en diverse 18e
ceuwse hoefijzers met stampgaten en veelal kleine kalkoentjes.
Tenslotte zij er op gewezen dat in die tijd de rijkunst nog een hoogst
ernstige zaak was en de ruitersport nog moest worden uitgevonden. Thans
nu er meer ruitersport is dan ooit te voren dreigt de kennis der rijkunst
in het gedrang te komen, vooral nu dit vak zowel door het burger- als door
het militaire hoger onderwijs is afgestoten. Een waarschuwend woord
voordat het te laat is, moge hier niet als misplaatst beschouwd worden.

-ocr page 894-

Demonstraties door het Laboratorium voor
Mediseh-Veterinaire Chemie

Als aanvulling op de voordrachten werden de volgende demonstraties ge-
houden:

1. Dr. H. J. Hendriks: Het gebruik van de vlamfotometer en een
apparaat voor de vlamabsorptiefotometrie („atomic absorption") bij
de bepahng van mineralen in biologisch materiaal, speciaal ook met
het oog op de dienstverlening aan andere instituten en aan dieren-
artsen in de periferie (zie ook de publikaties van Dr. H. J. H e n d r i k s
in dit Tijdschrift: 89:
1528, 1964; 90: 155, 1965; 90: 1653, 1965).

2. Dr. I. Mulder en Dr. D. L. van Rhenen: Toepassing van de
gaschromatografie bij de kwantitatieve en kwalitatieve bepaling van
vetzuren en Steroiden.

3. Drs. R. A. P r i n s: Het gebruik van een speciaal hiertoe gekonstrueer-
de kontinu kuituur voor het anaëroob inkuberen van pensinhoud onder
fysiologische omstandigheden.

-ocr page 895-

Demonstraties door de Kliniek voor Heelkunde

De eerste demonstratiemiddag stond in het teken van verschillende kreupel-
heden bij het rund.

Een belangrijke plaats nam de al of niet gecompliceerde zoolzweer in. Aan
de hand van een viertal koeien die aan een ernstige kreupelheid leden werd
door Prof. Numans als inleiding de voorgeschiedenis van deze patiënten
en de verschillende behandelingsmogelijkheden uiteengezet.
Vervolgens werden door leden van de kliniekstaf een
resectie van de diepe
buigpees,
een straalbeenresectie, een klauw amputatie en een punctie van
het klauwgewricht
gevolgd door een intra-articulaire antibiotica-injectie
gedemonstreerd. Enkele van deze ziektegevallen werden geïllustreerd met
röntgenfoto\'s.

Als aansluiting aan de lezing van Dr. Kersjes over de bacteriële ostitis
bij kalveren
kon een patiënt met een soortgelijke aandoening worden ge-
toond.

Verder werd het ziektebeeld van de paralyse van N. femoralis aan de hand
van een
2dektegeval bij een kalf besproken. De symptomen van deze zenuw-
storing lijken erg op die van de laterale patellaluxatie, een aandoening die
echter bij kalveren een zeldzaamheid vormt.

De laatste padënt was een rund met een necrotiserend flegmoon en
thrombophlebitis aan de onderbuik, ontstaan door een para-veneus infuus
tijdens melkziekte. Een loslating van de thrombus had met een tussentijd
van twee dagen twee keer tot een levensgevaarlijke bloeding uit de vena
mammariae geleid. Bij de bespreking werd er de nadruk op gelegd dat een
onderbinding van de bloedende vene beter is dan het aanleggen van een
drukverband.

Deze middag werd bijgewoond door 85 deelnemers.

De tweede demonstratiemiddag werd gewijd aan verschillende funcde-
stoornissen van de ledematen bij het paard, in het bijzonder de pony.
Een in de laatste jaren in versterkte mate aangetroffen aangeboren af-
wijking wordt veroorzaakt door een
volledig ontwikkelde ulna en fibula.
Hierdoor treden duidelijk zichtbare deformaties aan de extremiteiten en
moeilijkheden in de beweging op. Een drietal patiënten en series van
röntgenfoto\'s maakten de deelnemers met deze nog weinig bekende aan-
doening vertrouwd.

Verder werden twee ponies getoond die lijdende waren aan een dorso-late-
rale patella-fixatie
en een laterale patella-luxatie. Dit ter illustratie van de
lezing van Prof. Numans over hetzelfde onderwerp.

De rest van de ter beschikking staande tijd werd besteed aan de vertoning
van een door de khniek in samenwerking met de S.F.W.-UNFI vervaar-
digde film over
kreupelheden bij het paard. In deze film wordt getracht
zeldzame kreupelheidsoorzaken naast veelvuldig voorkomende kreupelheids-
verschijnselen te brengen. Hij is een verzameling van in de loop der jaren
geconstateerde verscheidenheid van functiestoornissen waarbij in hoofdzaak
de nadruk wordt gelegd op de klinische symptomen en diagnostiek.
De toelichting werd verzorgd door Dr. Wintzer.
Het aantal bezoekers op deze middag bedroeg 63.

-ocr page 896-

Demonstraties aan de Kliniek voor Inwendige Ziekten.

In verband met de voordracht van Prof. Dr. G. \\V a g e n a a r werden
uitskiitend patiënten met
ademhalingsstoornissen gedemonstreerd. Dit betrof
een paard met een
chronische pleuritis, een dampig ]3aard en een koe met
longjacht.

Door Drs. Sasse werd uit\\oerig stilgestaan bij de mogelijkheden, die hel
huidige longfunctie-onderzoek biedt en in de toekomst nog zal bieden.
Gewezen werd op het belang van de bepalingen, inzake de gasuitwisseling;
waarbij het COo- en het O^-gehalte van het arteriële en het veneuze bloed
moet worden bepaald. In verband hiermede werd gedemonstreerd hoe een
arteriepunctic wordt verricht en hoe de intrathoracale druk wordt gemeten.

De Heer J. Spruyt, Meppel:

Een weide, bemest met slib uit een septietank, gaf zeer donkergroen gras.

20 stuks melkvee, hierin gebracht, hadden binnen 4 uur vrij ernstige

verschijnselen van longjacht.

Prof. Dr. G. W a g e n a a r. Utrecht:

De oorzaak (oorzaken) van longjacht is (zijn) nog steeds niet goed

bekend.

1. Men spreekt wel van een allergie, waarbij een of ander agens de
oorzaak moet zijn van het ontstaan van de allergie. In de winter zou
de oorzaak schimmelig hooi kunnen zijn, in de zomer noemt men
wel de schimmelgroei in het gras. Wat het laatste betreft is nog
niet bewezen, dat juist op het etgroen veel schimmels voorkomen.

2. Van Engelse zijde wordt als oorzaak van de longjacht aangegeven,
dat het een reactie zou zijn van een immuun dier op een hernieuwde
longworminfeetie.

Dit lijkt niet onmogelijk, maar minder gemakkelijk is het te ver-
klaren, dat juist het etgroen sterk besmet zou zijn met longworm-
larven.

3. Histamine wordt ook wel aangegeven als oorzaak van de longjacht.
Het is niet onmogelijk, dat histamine bij bepaalde processen, b.v. een
allergische reactie, vrijkomt en dan het proces doet verergeren.

De Heer H. Th. Nieuwenhuijsen, Ingen:

Tot enkele jaren zagen wij in het vroege voorjaar, na uitscharen in oude

boomgaarden in het oude gras, enkele gevallen van longjacht.

Zie vraag dc liccr j. Spruyt.

De

Heer J. W e c h g e 1 a e r, Vorden:

Wanneer het agens bij longjacht onbekend is en er eventueel een
allergie is, kunnen eortieosteroiden dan resultaten geven?
Kan purgeren succes hebben i.v.m. eventueel allergie?
In mijn praktijk komen enkele gevallen van longjacht voor juist
wanneer de rogge bloeit.

b.
e.

Antwoord:

Prof. Dr. G. W a g e n a a r. Utrecht:

a. Corticosteroiden kunnen bij de mens bij chronische astma zeker
succesvol worden toegepast. In hoeverre dit bij de acute longjacht
ook het geval is, is ons onbekend. Men zou zich kunnen voorstellen,
dat corticosteroiden het heftige reactiepatroon wel zal afremmen.

b. Laxeren is van belang als het agens in het voedsel zit. Is dit zo?

c. Dit zou op een allergie kunnen wijzen.

Discussie

Vraag:

Antwoord:

Vraag:

Antwoord:
Vraag:

-ocr page 897-

.demonstratie interne kliniek.

-ocr page 898-

.demonstratie interne kliniek......"

-ocr page 899-

Vraag: De Heer A. Stevens, Goor:

Kan acid. ascorbinicum als theraf>euticuin enige invloed hebben op
longjacht?

Antwoord: Prof. Dr. G. W a g e n a a r, Utrecht:

Acidura ascorbictira (nieuwe benaming) wordt van enkele zijden aan-
gegeven. Wij hebben het enkele malen geprobeerd, echter zonder succes.
Men dient te bedenken, dat lichte gevallen in het algemeen gemakkelijk
herstellen.

Vraag: De Heer G. J. van Nie, Hummelo:

Kan op grond van het morfologisch bloedbeeld geen scheiding
gemaakt worden tussen interstitiële pneumonie en longjacht?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

Bij deze patiënt niet. In het algemeen zal men bij beiden een links-
verschuiving hebben.

Vraag: De Heer H. A. van Riessen, Lunteren:

Is bij de z.g. winterlongjacht na voeren van schimmelig hooi op stal
niet vastgesteld welke schimmel de oorzaak is en is hier niet duidelijk
sprake van allergie?

Antwoord: Prof. Dr. G. W a g e n a a r, Utrecht:

Schimmelig hooi kan mogelijk op basis van allergie de oorzaak van
longjacht zijn. Welke schimmels hierbij een rol spelen is ons niet bekend.

Naschrift:

Bij de mens kent men, door inhalatie van beschimmeld hooi, het ziekte-
beeld de z.g. boerenlong. De pathogenese van dit ziektebeeld zou ge-
legen zijn in een antigeen-antistofreactie, waarbij als antigenen zouden
optreden twee thermofiele actinomyceten, n.1.
Thermopolyspora poly-
spora
en Micromonospora vulgaris. Men dient echter te bedenken dat
bij de boerenlong vooral de gasuitwisseling is gestoord door verande-
ringen om de alveolus, terwijl bij de longjacht van de koe het emfyseem
meer op de voorgrond treedt. (Zie
Ned. Tijdschr. v. Geneesk., 110,
1297, (1966)).

Vraag: De Heer A. Boogaerdt, Nieuwveen:

Is het witte bloedbeeld van de patiënt met longjacht bekend?

Antwoord: Prof. Dr. G. W a g e n a a r. Utrecht:

Het witte bloedbeeld geeft geen uitsluitsel over de vraag longemfyseem
resp. interstitiële pneumonie met emfyseem.

Vraag: De Heer H e i t k a m p:

Is er met percussie geen verschil tussen interstitiële pneumonie en long-
emfyseem te maken?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

In principe zou bij emfyseem de toon holler moeten zijn, dan bij een
interstitiële pneumonie. Aangezien bij de laatste secundair echter weer
emfyseem voorkomt, is het de vraag of men er met percussie uitkomt.

-ocr page 900-

Vraag: Prof. W. Oyaert, België:

Hebt U ervaring met corticosteroiden in geval van acuut longemfyseem
bij paarden?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:

Men ziet eigenlijk zelden acuut emfyseem. Bij chronisch emfyseem
probeerden wij het een enkele maal, echter zonder succes.

Vraag: De Heer J. P. C o p p o o 1 s e. Utrecht:

Is de prognose ongunsdg, wanneer de curve, betreffende de intra-
thoracale druk, boven de nullijn komt?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht;

Bij dampigheid van paarden maakt dit de prognose zeker ongunsti.g.

Vraag: De Heer E. Hooghiemstra, Slagharen:

Wordt er in de kliniek of bij andere veterinaire instellingen gebruik ge-
maakt van beeldversterkers bij de Röntgenologie?

Antwoord: Prof. Dr. G. Wagenaar, Utrecht:
Voor zover ons bekend thans nog niet.

-ocr page 901-

Verslag van de demonstraties tijdens de Vete-
rinaire Week
1966, verzorgd door de Kliniek
voor Kleine Huisdieren

Als leidraad voor de demonstratie van de eerste middag diende het anam-
nestische gegeven:
polyfagie.

Dit kan optreden bij het verloren gaan van de per os opgenomen energie,
zoals bij glucosurie (diabetes mellitus), sterke
Proteinurie (nefrotisch syn-
droom) en insufficiëntie van het exocrine deel van de pancreas.

Prof. Tennissen demonstreerde dan ook als eerste patiënt een hondje
met
diabetes mellitus (verwezen mag worden naar de voordracht hier-
over).

Bij de bespreking van de pancreasatrofie werd het typische aspect van de
faeces van een dergelijke patiënt gedemonstreerd.

Drs R ij n b e r k besprak een groep patiënten, waarbij polyfagie optreedt
O]) basis van een hypermetabolisme. Hier is het de verhoogde stofwisseling,
die veel energie vraagt, wat ook aanleiding is tot polyfagie, met daarnaast
vaak warmte-intolerantie en polyurie.

Als eerste voorbeeld hiervan werd de hyperthyreose besproken. Bij een
Boxer kon de lokalisatie van een éénzijdige struma worden gedemon-
streerd. Voorts werd gewezen op de grote betekenis van het i.sotoop J 131
voor diagnostiek en therapie van de hyperthyreose.

De volgende patiënt was een 6-jarige Duitse Staande, teef, met de habitus
van een hond met „Canine Cushin.g\'s Syndrome". Adipositas met een
hangbuik en hypermetabolisme met polyfagie zijn belangrijke kenmerken
van dit syndroom, berustend op een hyperfunctie van de bijnierschors.
De diagnostische en therapeudsche problemen werden besproken. Bij de
betreffende padënt was een week vóór de demonstratie hypofysectomie
verricht.

Vervolgens toonde Dr. Stam enige gevederde patiënten.
Als eerste een klassiek voorbeeld van
pokken bij duiven, met de duide-
lijke pokken bij oog en bek, maar ook de difterie in bek en keel.

-ocr page 902-

Hierna enige tropische vogels: een gordel-grasvink met een doorgegroeide
snavel,
waarbij het typerend is ,dat de veren aan de zijkant van de borst
dan niet plat liggen, maar verticaal staan.

Een diamant-vink en een Japans meeuwtje hadden te grote levers; deze
kunnen bij tropische vogels bekeken worden door de dieren op de rug te
leggen en de veertjes weg te blazen. Een normale lever ziet men ongeveer
2 mm achter de ribboog; hier was wel 5-6 mm te zien.
Ook te
rode en te dikke darmen zijn zeer duidelijk waar te nemen.
Een binzenastrilde had duidelijke ademhalingsbezwaren, waarvan de ver-
schillende oorzaken besproken werden.

Een Chinese dwergkwartel had afstervende tenen, hetgeen meestal ver-
oorzaakt wordt door onhygiënische toestanden in het hok.

De laatste patiënt getoond door Prof. T e u n i s s e n, was een 6-jarige
CoHie, reu, welke sedert 2 maanden snel vermoeid was na enige inspan-
ning, benauwd werd, vermagerde en langzaam een vermeerdering van de
buikomvang vertoonde.

Een algemeen onderzoek toonde, behalve de reeds in de anamnese ver-
melde verschijnselen, ook een oedeem langs de onderzijde van hals, borst
en buik, doch niet langs de extremiteiten. De pols was slecht gevuld, en
vertoonde een onregelmatige onregelmatigheid, wijzend op intermissies of
extra-systolen. In de thorax en buikholte waren horizontale dempings-
lijnen te percuteren, de buik leek te unduleren. Het hart was maar nauwe-
lijks te horen bij auscultatie.

Na buikpunctie (naast linea alba achter de navel) en na thoraxpunctie
(5e intercostaalruimte rechts op overgang rib - ribkraakbeen), waarbij uit

-ocr page 903-

beide holtes respectievelijk 4,5 en 2 liter helder schuimend vocht werd af-
getapt, kon het hart beter beluisterd worden. Er was een onregelmatige
hartslag te horen, hetgeen bij elektrocardiografisch onderzoek een
boezem-
fibrillatie
bleek te zijn.

Een behandeling werd ingesteld met digoxine, waarop echter nog maar
weinig verbetering gevolgd is.

Dr. Verwer begon de tweede middag met de demonstratie van een
„blauwe" Duitse Dog, lijdende aan een beiderzijds, simultaan hooggradig
totaal
entropion.

De oogbollen van deze hond zijn betrekkelijk klein en geven onvoldoende
steun aan de normaal ontwikkelde oogleden. Daardoor vallen deze teveel
terug op de te kleine oogbollen. Door prikkeling van de cornea ontstaat
dan een spasmus van de oogleden en een retractie van de beide bulbi.
Operatie zal de toestand verbeteren. We moeten er mee rekenen, dat de
ideale toestand niet bereikt zal worden, omdat we met de te kleine bulbi
blijven zitten. Microfthalmie is hier de ongunstige en uitlokkende omstan-
digheid. We zien dit ook wel bij andere rassen met grote schedels.
Vervolgens wordt een Duitse Herder gedemonstreerd met
keratitis vascu-
losa et pigmentosa.

Gewezen wordt op de erfelijke aanleg binnen een bepaald ras. De aan-
doening berust waarschijnlijk op een vorm van allergie. Ook bij de Lang-
haar-tackel zien we deze afwijking. We zien meestal een chronisch verloop
met acute intervallen. Door het zeer chronisch verloop, geringe verschijn-
selen van ooguitvloeiing en zeer geringe spasmus, komen de patiënten
vaak zeer laat in behandeling, nl. als er reeds visus-stoornis is, en die treedt
pas duidelijk op als het laatst aangetaste oog blind wordt. De afwijking is
wel beiderzijds, maar beide ogen beginnen niet tegelijk.
We zien de vaten en daar achteraan, het pigment speciaal vanuit 9 uur
(O.D.) en 3 uur (O.S.) de cornea intrekken, dikwijls met een pyramidaal
patroon.

De therapie biedt meer kansen dan vroeger, nu we over Cortison be-
schikken. We passen subconjunctivale injecties toe. Daarnaast wordt ge-
spoeld en wordt een cortisonzalf geappliceerd. Soms kan
Cortison ook
oraal worden toegediend in afdalende dosering, beginnend met ruim 1
mg per kg lich.gew. Door de toepassing van corticosteroiden is de prog-
nose duidelijk gunstiger geworden.

Als derde patiënt wordt een Collie gedemonstreerd met distichiasis. We
zien deze afwijking nogal eens bij dit ras, en ook bij de Sheltie.
De therapie is een ploegvoor-vormige snede langs de wortels van deze
extra wimpers, waarbij ze allemaal in een reepje huid tegelijk worden ge-
extirpeerd. De prognose is gunstig.

Drs. Meutstege demonstreerde vervolgens een patiënt met een plotse-
ling ontstane
knie-kreupelheid, tengevolge van een verscheuring van de
voorste kruisband (lig. cmciatum ant.), vergezeld van een laesie van de
mediale meniscus.

Het symptomenbeeld is vrij typisch: plotseling ontstane kreupelheid (na
spelen, stoeien etc.), het been wordt niet belast en bij palpatie wordt er
nauwelijks een verdikt gewricht gevoeld (hoogstens na enkele weken
reactie mediaal ter hoogte van het tibia-plateau); passief buigen en strek-
ken geeft zelden duidelijke pijnreacties aan.

-ocr page 904-

Een belangrijk diagnostisch kenmerk is het z.g. positieve schuiffenomeen
(Schubladensyndroom, forward drawer syndrome), waarbij het mogelijk
is in een half gebogen stand van de knie, de übia evenwijzig aan zichzelf
te verschuiven, ten opzichte van de (gefixeerde) femur. Is er een grote
verschuiving mogelijk, dan is het waarschijnlijk, dat ook de achterste
kruisband gelaedeerd is. Een duidelijk knappend geluid geeft aan, dat de
meniscus (vrijwel steeds alleen de mediale) gelaedeerd is. Indien onbe-
handeld, ontstaat er een chronische deformerende arthritis, vooral indien
er een meniscuslaesie aanwezig is.

De behandeling is operatief, hierbij worden de restanten van de kruis-
band en/of het voorste losse deel van de mediale meniscus verwijderd. Ook
is het mogelijk de kruisband te vervangen door hetzij fascie, hetzij huid-
strip of synthetisch materiaal.

Dit werd gedemonstreerd aan de 2e patiënt, een Bouvier, waarbij ongeveer
1 jaar geleden de band vervangen was door gevlochten synthetisch mate-
riaal. Het dier had weer het volledige ongehinderde gebruik van het been
terug gekregen.

Prof. Teunissen demonstreerde tot slot een 4\'/4-jarige Boxer, teef,
welke de weken vóór de opname in de kliniek een duidelijke toename ver-
toonde van de buikomvang, en kort voor opname ook sterke oedemen
kreeg langs de extremiteiten.

Bij onderzoek bleek de hond vrij levendig en sterk vermagerd.

Bij auscultatie van het hart was een luide souffle hoorbaar en verder een

zeer onregelmatige hartslag.

De diagnose werd gesteld op ventriculaire extrasystolen met hartinsuffi-
ciëntie.

-ocr page 905-

Daarop werd, na punctie van de buik (transsudaat) een behandeling in-
gesteld met digoxine (2 d.d. mg) en euphylline (2 d.d. 150 mg) en een
diureticum (Lasix 2 d.d. l/s tabl.), waarop het dier in zoverre verbeterde,
dat de oedemen langs de extremiteiten verdwenen, de buik echter niet vrij
van vocht was, doch het nog magere dier goed at en zeer levendig was.
Twee maanden na de ingestelde therapie was de toestand stationair en
werd de medicamenteuze behandeling gestaakt.

Hierop volgde na 2 dagen een verslechtering der toestand, (de hond was
lomer, de buikomvang nam weer toe) en bij controle \\ an het hart bleek er
een boezemfibrillatie te bestaan.

Gezien een eerdere geslaagde poging, werd weer een beroep gedaan op de
medewerkers van de Afdeling Cardiologie van het Stads- en Academisch
Ziekenhuis (Hoofd Prof. R. L. J. van Ruyven) om met behulp van
een elektrische puls te trachten een opheffing te krijgen van de fibrillatie.
Na een voorbehandeling met sulfas chinidini per os werd de defibrillatie
in narcose met goed resultaat verricht; er kwam weer een normaal sinus-
ritme terug.

De nabehandeling bestaat nu uit chinidine en weer een diureticum.
De patiënt lijkt nu vrij goed, doch de uiteindelijke prognose moet, gezien
de waarschijnlijk bestaande myocarditis, toch vrij dubieus gesteld worden.

.demonstratie Kliniek voor veterinaire verloskunde.

-ocr page 906-

Demonstraties door de Kliniek voor Veterinaire
Verloskunde en Gynaecologie

1. Varken

Bij deze diersoort werd liet nemen van een bio]5sie van \\aginaal slijmvlies
— bestemd voor het histologisch drachtigheidsonderzoek — gedemon-
streerd. Voor nadere bijzonderheden hieromtrent zij verwezen naar het
Tijdschrift voor Diergeneeskunde, jaargang 1965, deel 90. blz. 1.317.

2. Paard

Enkele aspecten van het klinisch onderzoek van het geslachtsapparaat bij
de merrie werden nader belicht, o.a. vaginoscopisch onderzoek, bacterio-
logisch en cytologisch onderzoek \\an het uterus-sccretum, histo-patholo-
gisch onderzoek van het endometrium en het \\roegtijdig vaststellen van
drachtigheid door middel van rectale exploratie.

Verder werd aan de hand van enige patiënten en kleurendia\'s het ziekte-
beeld van de pneumo-vagina en de recto-vaginaal fistel nader omschreven.
Op de operatieve techniek van de „slecht skntende vulva en van het slecht
sluitende diafragma pelvis" werd uitvoerig ingegaan.

Tenslotte werd een pony gedemonstreerd, waarbij de \\ a,gina gedeeltelijk
was vergroeid. Dergelijke afwijkingen (soms is de vagina volledig afge-
sloten) komen bij deze diersoort nogal eens voor en zijn meestal het gevol
.E;
van een abnormaal verloop van de partus. Langdurige en veelvuldige - •
ondeskundige daargelaten — manipulaties in de vagina brengen bij de
pony gemakkelijk een ernstige vaginitis te weeg. die gepaard gaat met
fibrine (?) vorming.

Tijdens het genezingsproces raken de aanvankelijk nog verkleefde delen
van de vagina met elkaar vergroeid.
De demonstraties werden verzorgd door:
Prof. Dr. C. H. VV. de Bois,
Drs. A. Brand,
Drs. P. F
O n t ij n e,
Drs. W. van Leeuwen.

-ocr page 907-

Demonstraties door het Openbaar slachthuis te
Utrecht

Aangevangen werd niet bezichtiging van het Openbaar slachthuis, waarbij
niet name aandacht werd geschonken aan:

1. het hangend verbloeden der runderen in combinatie met het driefasen-
systeem. Een licht lopende burry, die het gehele rund, dus ook de kop
van de grond verheft, is hierbij noodzakelijk.

Een dergelijke burry werd, na vele experimenten, in Utrecht gecon-
strueerd en voldoet goed,

2. de wijze van verzamelen en bewaren van confiscaat-materiaal. Bunker
met hefinrichting voor confiscaatbakken en storten van de inhoud van
de bunker in de wagen van het destructiebedrijf,

3. de wijze van overnemen van geslachte varkens van hoog- op laagbaan.

Vervolgens demonstreerde Dr. P. J. van Endt aan de hand van teke-
ningen:

T. a. de oorspronkelijke opzet van hel slachthuis, zoals dit in 1901 werd
gebouwd;

b. hetgeen door nieuwbouw, verbouwingen en verbeteringen sinds
1948 tol stand is gebracht;

c. het zogenaamde ontwikkelingsplan, hetwelk door de Gemeenteraad
in 1960 werd aanvaard en dat al naar urgentie zal worden uitge-
voerd, hierbij de vraag beantwoordend of het bouwen van een
nieuw slachthuis voor Utrecht nodig is of dat door verbouw van
het bestaande slachthuis uiteindelijk een goed geoutilleerd aan de
eisen des tijds voldoend slachthuis kan worden verkregen.
Aangetoond werd dat verbouw zeker tot het gewenste doel kan
leiden en aanmerkelijk voordeliger is dan algehele nieuwbouw, waar
in de loop der komende jaren mogelijk ook weer aan zal moeten
worden gewijzigd om aan nieuwe eisen blijvend te voldoen.

Een en ander was tevens aanleiding nog eens stil te staan, in dit ver-
band, bij de historie der openbare slachthuizen in Nederland.
Het openbaar slachthuis was oorspionkelijk vrucht van gemeentelijke
ijenioeiingen, len einde de in de stad verspreide particuliere slacht-
plaatsen te concentreren, bedoeld voor de individuele slager. (Hinder-
wet).

Daarna is de groothandel in vlees zich meer en meer gaan ontwik-
kelen, terwijl daarbij de Vleeskeiningswel is tot stand gekomen. Het
Openbaar slachthuis werd van onschatbare betekenis bij de uitvoering
van die Vleeskeuringswet geacht.

Bij de bouw van abattoirs na tol slandkoming der Vleeskeuringswet
werd hiermede ook rekening gehouden. Zo is de bouw van abattoirs
in een bepaalde tijd een afspiegeling van de eisen van die tijd.
De groothandel kreeg hoe langer hoe meer slachtingen in handen, er
werd geslacht door loonslachters. De individuele slager ging hoe langer
hoe meer gebruik maken van die groothandel en slachtte hoe langer
hoe minder zelf. In Utrecht wordt ± 98% van het totaal aantal slach-
tingen thans door de groothandel verricht. Deze groothandel vraagt
om meer koeling, verbetering der slachttechnische installaties (slacht-

-ocr page 908-

lijnen) enz. Voorts vraagt deze groothandel gelegenheid tot handel
(verkoophallen), tot bewerking (verdeling van slachtdieren, uitsnijde-
rijen), nevenbedrijven, enz. Ook is er vergroting van het verzorgings-
gebied gekomen, door moderner vervoer van het vlees. De grotere
abattoirs worden door deze ontwikkeling meer en meer centra voor
de vleeshandel. De dienstverlenende taak, de gelegenheid bieden tot
slachten, is hierdoor in de loop der jaren, uitgebreid.
Het belangrijke motief, het belang der volksgezondheid, is niet meer
het enige, de zakelijke factor komt steeds duidelijker naar voren.
Het abattoir van vandaag is betrokken bij dc vlee.sproduktie, de vlees-
handel, de vleesdistributie.

Dit alles heeft van, vooral de oudere abattoirs, de nodige aanpassing
gevraagd en zal dit blijven vragen. De eisen vanwege de E.E.G. ge-
steld, spelen hierbij de laatste jaren een belangrijke rol. (Het Utrechts
slachthuis voldoet aan deze eisen).

Niet alleen de bouwkundige en de technische structuur, doch ook de
financiële structuur van de openbare slachthuizen zal moeten worden
herzien.

Bij deze vervaging der grenzen - tussen de doelstellingen volksge-
zondheid en cormmercieel, is het goed zich te realiseren hoe dit nu
financieel voor de dienst van het openbaar slachthuis ligt.
Een vrij recent onderzoek dienaangaande heeft uitgewezen, dat de
kosten van de dienst van het openbaar slachthuis thans voor 40%
ten laste van volksgezondheid, voor 60% ten laste van de commer-
ciële kant, derhalve het bedrijf, komen.

II. Er op wijzende, dat aan het Utrechtse abattoir, dienstdoende vanaf
1901, sinds 1903 onderwijs in praktische vleeskeuring werd gegeven,
gaat Dr. v a n E n d t over tot die onderwerpen, die meer direct verband
houden met de keuring en demonstreert daartoe aan de hand van
op een bord gehechte administratieve bescheiden, de organisatie van
de Keuringsdienst te Utrecht.
Hierbij zijn naast elkaar te zien:

o.a. de stukken nodig bij de afkeuringen, de in onderzoek gehou-
den dieren, de in- en doorvoer, de controledienst, de destructie-
administratie, vrijbank enz.
Gewezen wordt op de voordelen bij een dergelijke opzet, een maand-
staat ten behoeve van de veterinaire inspectie kan bij een vrij om-
vangrijke dienst op deze wijze in ongeveer een uur worden gemaakt,
terwijl daarbij een controle hierop van de zijde der financiële admi-
nistratie mogelijk is.

III. a. Mededeling wordt gedaan van de laatste onderzoekingen, naar aan-
leiding van een artikel over het voorkomen van
Salmonellae in de
pensinhoud van normale runderen (Referaat
Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde,
15 april 1966 V

Het resultaat was: op een onderzoek van de inhoud van pensen
werd slechts éénmaal
Salmonella gevonden, en wel S. dublin.
b. Gewezen wordt, mede in verband met de hierna te demonstreren
dieren, op de artikelen over coiyne bacteriën
{Tijdschrift voor
Diergeneeskunde,
1 februari 1964) en over endocarditis {Tijdschrift
voor Diergeneeskunde,
15 augustus 1961) en de toen reeds naar
voren gekomen wensen ten aanzien van het Keuringsregulatief.

-ocr page 909-

Waarom bijvoorbeeld is er voor vlekziekte endocarditis de moge-
lijkheid om te steriliseren, terwijl een endocarditis ten gevolge van
coryne bacteriën (welke thans nog al eens voorkomt), als dit uit-
sluitend coryne bacterie betreft niet mag worden gesteriliseerd als
bij vlekziekte, doch moet worden afgekeurd, na gedaan bacterio-
logisch onderzoek.

Ter verduidelijking het volgende overzicht:

Gevallen van endocarditis in de jaren 1964 en 1965

Rund (1964

Bacterioscopisch

Positief

Keuringsbeslissing:

.lantal (1965

onderzoek

Bacteriologisch

afgekeurd

endocarditis

onderzoek v. h.

dier (organen)

64

corynebact. 34

27

27

corynebact. 4-

kokken 4

3

3

kokken 13

10

10

diversen 5

1

1

negadef 8

1 (kokken)

1

64

42

42

\\"arken (1964

Bacterioscopisch

Positief

Keuringsbeslissing:

aantal (1965

onderzoek

Bacteriologisch

afgekeurd V.G.

endocarditis

onderzoek v. h.

dier (organen)

105

corynebact. 18

15

15 2

vlckz. bact. 58

47

1 57

kokken 15

15

15 —

diversen 8

2

2 2

negatief 6

— —

105

79

33 61

c. Gewezen

wordt op het

voorkomen van coryne bacteriën bij ab-

cessen. (

Artikel 30 van het onderzoekingsregulatief).

Rund (1964

Bacterioscopisch

Positief

Keuringsbeslissing:

aantal (1965

onderzoek

Bacteriologisch

afgekeurd

onderzoek

1 lx aanlei-

corynebact. 11

corynebact. 11

11

ding tot bac-

teriologisch

onderzoek

(1964

(1965

corynebact. 58

58

58

188x aanlei-

corynebact. 24

24

24x anders dan

ding tot bac-

(alleen in de

afgekeurd

teriologisch

nier) —

onderzoek

corynebact. 106

106x anders dan

afgekeurd

188

82

58

-ocr page 910-

d. Tenslotte werd melding gemaakt van de indruk, verkregen l^ij hel
onderzoek op het \\oorkomen \\an
Salmonellae bij regehnatige con-
trole van: vleeswinkels, slachthuislokaliteiten. ncvenbcdrijven op
het openbaar slachthuis, rijksinvoerkeuring, nadere keuring, over dc
jaren 1961, 1962, 1963, 1964 en 1965.

Deze indruk kort samengevat is: dat, beiialve hij de rijksinvoer, zich
duidelijk een dalend percentage positieve bevindingen demonstreert.
Bij de rijksinvoerkeuring genomen monsters gaven het tegenover-
gestelde te zien. Maandelijks wordt van deze bevindingen cen rap-
port aan de maandstaat voor dc Vet. Inspectie Volk.sgezondheicl
toegevoegd.

Opgemerkt werd nog. dat bij het onderzoek o]) Salmonellae bij in
onderzoek gehouden slachtdieren de ophoping belangrijk is.
Van de slachtdieren met positieve bevinding in de jaren 1961—
1965 zouden in 12^^ van de 28 gevallen bij runderen

-ocr page 911-

10% van de 17 gevallen bij kalveren
0% van de 8 gevallen bij eenhoevige dieren
14% van de 68 gevallen bij varkens
zonder ophoping geen
Salmonellae zijn gevonden.
Wat de varkens betreft was deze 14% waar te nemen, indien dit
andere
Salmonellae betrof dan S. chol. suis var. Kunzendorf.
S. chol. suis var. Kunzendorf werd in 46 gevallen aangetoond,
waarbij slechts in 24% ook de ophoping positief was. Deze
Sal-
monella
groeit echter uitstekend op de Kauffmanplaat bij directe
uitstrijk van materiaal uit de lever.

Door gebrek aan tijd konden de hiervoor genoemde resultaten
slechts globaal worden genoemd.

IV Vervolgens werden door A. J, Bruin en P. M e ij e r s, in de nood-
slachtplaats de volgende gevallen gedemonstreerd, waarbij naast de
bevindingen van de keuring \\óór en na het slachten, het resultaat
van het uitgebreid (laboratorium) onderzoek en de keuringsbeslissing
werden gegeven:

Een A-varken met endocarditis (beslissing goedgekeurd)
Een D-rund met endocarditis (beslissing afgekeurd)
X Een D-varken met endocarditis (beslissing afgekeurd)

Een E-rund met ernstige algemene afwijking in spierweefsel
(pH) (beslissing afgekeurd, nog voor diervoedering
bestemd)

X Eer E-payd (tetanus-serum-paard) van het R.I.V. afkomstig

(beslissing V.G.T.)
X Een A-\'-und leukose (beslissing V.G.)

Van de met x gemerkte gevallen werden alleen de organen gedemon-
streerd.

Waar het ons nuttig voorkwam de ligging van de M. sartorius (artikel
31 onderzoekingsregulatief) te laten zien. werd tenslotte ook deze spier
losgemaakt, gedemonstreerd. Vele eigenaars hebben tegen het gebruik
van deze fjjier voor B.O. ernstig bezwaar (schade).
Na deze demonstratie weer teruggekomen in de personeelskantinc, volgde
onder het nuttigen van een kopje koffie een zeer geanimeerde discussie,
welke tenslotte terwille van het late uur noodgedwongen eerder moest
worden beëindigd dan door sommigen mogelijk gewenst werd. Bij deze
discussie kwamen o.a. gevallen in verband met de opsporingstaak ter
sprake.

Verschillende aanwezigen bezochten daarna nog op hun verzoek het la-
boratorium.

Deze demonstratiemiddag werd door 28 personen bezocht.

-ocr page 912-

REFERATEN

Bacteriële- en virusziekten

SYMPOSIUM OVER DIARREE BIJ KALVEREN.
ƒ.
Am. vet. med. Ass., 147, 1360, (1965).

Op de 102e jaarvergadering van de American Veterinary Mcdical .Association
werd onder meer een Symposium over diarree bij kalveren gehouden.
Referaten van de bij deze gelegenheid gehouden voordrachten volgen hieronder:
Amstutz, H. E.: Voorkomen en Aetiologie van diarree bij kalveren.
Uit 80% van de aan diarree gestorven kalveren wordt bij bacteriologisch onderzoek
Escherichia coli geïsoleerd. E. coli is een normale darmbewoner. Voor de enorme
verschillen in pathogeniteit van de verschillende coli-stammen zijn in de loop der
jaren meerdere verklaringen gegeven, die als volgt kunnen worden samengevat:

1. oorspronkelijke apathogene coli-stammen kunnen in pathogeniteit tocnemtn door
groei van de bacteriepopulatie in de darminhoud;

2. E. coli wordt alleen dan pathogeen, wanneer hij er door bepaalde voedings- of
verzorgingsfouten in slaagt, zich in het voorste gedeelte van de dunne darm tc
handhaven;

3. primair is een virusinfectie, die dc darmwand zodanig beschadigt, dat deze door-
laatbaar wordt voor
E. coli;

4. er bestaan talrijke E. coli-typen. De meeste zijn apathogeen, maar andere stammen
zijn pathogeen en kunnen een infectie veroorzaken.

Op grond van klinische ervaringen lijken de twee laatste hypothesen het meest
waarschijnlijk cn wel om de volgende redenen:

1. veel epizootiën zijn het gevolg van aankoop van een besmet dier;

2. verbeterde voeding en verzorging (o.a. snel biest verstrekken) zijn dikwijls niet
voldoende om de ziekte te bestrijden;

3. uit kalveren met diarree zijn pathogene virussen geïsoleerd (o.a. V.D. en I.B.R.
virussen);

4. uit het darmkanaal van kalveren kunnen zowel pathogene als apathogene virussen
geïsoleerd worden.

Bij cultureel onderzoek van een aan diarree gestorven kalf dient de uitslag steeds
kritisch beoordeeld te worden.

Vals positieve uitslagen kunnen ontstaan doordat het kalf reeds geruime tijd dood
was alvorens het werd onderzocht: postmortaal kunnen vele bacteriën de darmwand
passeren. Vals-iiegatieve uitslagen kunnen ontstaan doordat het onderzcK.hte kalf met
antibiotica was behandeld.

Moll, T.: Pathogenese van diarree bij kalveren.

Recent onderzoek heeft uitgewezen, dat de belangrijkste factor met betrekking tot
de vatbaarheid van het kalf voor een infectie met
E. coli een verlaagd gehalte aan
Y-globulinen in het bloed is. Uit deze onderzoekingen is tevens gebleken, dat dit
y-globulinengebrek ook kan voorkomen bij kalveren, die met biest gevoed zijn cn dat
het vermogen om globulinen uit de biest op te nemen bij sommige kalveren reeds
4 - 6 uur na de geboorte verdwenen is.

Onderzoekingen van de auteur maken het waarschijnlijk, dat stress, vooral door
sterke temperatuurschommelingen, een belangrijke factor kan zijn in het ontstaan
van y-globulinïndeficiëntie niet alleen, maar dat bovendien dc permeabiliteit van de
darmwand voor de normale darmflora dan sterk toeneemt. De bijnier van het jonge
kalf is niet in staat om op een enigszins belangrijke stress adequaat tc reageren.
Het lijkt evenmin onwaarschijnlijk, dat stress van het moederdier (mogelijk via de
biest) oorzaak kan zijn van verlaagde y-globulinengehaltes in het serum van het kalf.
Randostitz, O. M.:
Pathogenese, diagnose en therapie van kalverdiarree.
Dc auteur onderscheidt twee ziektebeelden: coli-septicemie en coli-cnteritis. De sep-
ticemische vorm verloopt snel: binnen enkele uren sterft het kalf. Zelden treedt hierbij
diarree op.

-ocr page 913-

Uit alle organen is E. coli te kweken. De pathogenese berust op een afwezigheid
van y-globulinen in het bloed. Dit kan veroorzaakt zijn doordat het kalf geen of te
laat biest heeft ontvangen, of niet in staat was om de y-globulinen uit de biest te
resorberen, of doordat de y-globulinen in de biest geen specifieke antistoffen tegen
E. coli bevatten. Een infecde met een pathogene E. coli-stam via tonsillen of navel
kan nu ongehinderd tot een sepsis aanleiding geven.

Bij de enteritis-vorm is diarree het hoofdsymptoom, met als gevolg dehydratatie,
acidose en uremie.

De pathogenese van de coli-enteritis is veel onduidelijker. Het lijkt aannemelijk, dat
het verhoogde vochtgehalte van de darminhoud veroorzaakt wordt doordat het darm-
epitheel niet in staat is vocht uit de darminhoud te resorberen. Hierdoor raken de
darmen overvuld en wordt reflectorisch de defeacatiereflex in werking gesteld.
De darmen zijn bij kalverdiarree waarschijnlijk atonisch. Het gebruik van peristaltiek-
remmers, b.v. parasympathicolytica, is dan ook gecontraindiceerd!
Pathogenetisch kan men zich het ontstaan van coli-diarree als volgt voorstellen:
door een te grote hoeveelheid melk ineens of door andere voedingsfouten (te koude
melk, kunstmelk van inferieure kwaliteit) ontstaat een verminderde darmperistaltiek.
De in het darmlumen aanwezige bacteriën, die normaliter door de peristaltische
bewegingen voortdurend „uitgespoeld" worden, krijgen nu de kans zich sterk te
vermeerderen. Deze vermeerdering, de daarbij ontstane stofwisselingsprodukten en de
vervloeiing van de darminhoud veroorzaken epitheelbeschadigingen, waardoor de
vochtresorptie v\'ermindert. Hierdoor wordt de peristaltiek weer verminderd, waardoor
een vicieuze cirkel gesloten is. Het lijkt waarschijnlijk, dat ook stress-factoren en/of
virusinfecties tot deze epitheelbeschadigingen aanleiding kunnen geven.
Therapeutisch kan men de volgende maatregelen nemen:

1. Antibiotica parenteraal: het meest gebruikt worden chlooramfenicol en oxy-
tetracychne intraveneus of intramusculair in hoge doseringen (15-20 mg/kg)
ter voorkoming van sepsis.

2. Fysiologische zoutoplossing of andere isotonische vloeistoffen.

Hoewel essentieel, wordt dit onderdeel van de therapie door vele practici na-
gelaten. Afhankelijk van de dehydratade geeft men 1 ä 2 tot 5 hter intraveneus,
intraperitoneaal of subcutaan dagelijks gedurende 2 of 3 dagen. Een bloed-
transfusie (de auteur beveelt aan bloed te nemen van de oudste op het bedrijf
aanwezige koe) heeft als bijkomend voordeel dat naast vocht ook antihchamen en
serumeiwitten worden toegediend. Men kan hiervan maximaal 1 hter langzaam
intraveneus toedienen en moet dus eventueel aanvullen met fysiologische zout-
oplossing of dergelijke. Een intraveneuze injectie kan bij een uitgedroogd jong
kalf moeilijk zijn. Een dunne naald is vereist, soms is chirurgische expositie van
de vena noodzakelijk.

3. Andere parenterale geneesmiddelen welke zinvol kunnen zijn: corticosteroïeden
of andhistaminica, die een dreigende sepdsche shock kunnen voorkomen; vitami-
nen, waarbij vooral vit. E. niet moet worden vergeten, omdat vit. E.-deficiëntie
bij kalveren met diarree dikwijls optreedt.

4. Antibiotica en chemotherapeutica kan men ook oraal toedienen.

Veel gebruikt worden de nitrofuranen, chloorhexidine, neomycine, chlooramfenicol
en de tetracyclinen, met wisselend succes. Er kan zich tegen deze middelen vrij
snel een resistentie ontwikkelen. Een hoge aanvangsdosering en een goede na-
behandeling zijn essendeel voor het slagen van een orale therapie. Vaak bevatten
specialité\'s naast andbiodca nog electrolyten en adsorbenüa zoals kaolien.

5. Gecontraindiceerd zijn middelen, die de darmperistaldek remmen, zoals spasmo-
lytica en andcholinergica.

6. Diëtistische maatregelen.

Het is noodzakelijk om bij een kalf met diarree de melkgift in ieder geval tot een
derde te reduceren. In wat ernstiger gevallen is vasten absoluut noodzakelijk.
De melk wordt dan vervangen door lauw water of een zoutoplossing gedurende
minstens 48 uur.

-ocr page 914-

Daar zieke kalveren vaak onvoldoende water drinken, wordt aanbevolen om 2-4
liter water per dag (bij jonge kalveren 4x daags \'/i liter) met de maagsonde in te
geven. Hierdoor wordt de osmotische waarde van de darminhoud verlaagd, hetgeen
de vochtresorptie van de darmwand vergemakkelijkt.

R e i s i n g e r, R. C.: Preventie van diarree bij kalveren.

Evenals de therapeutische dienen ook de preventieve maatregelen zich te baseren op
de
Pathogenese van de ziekte. De volgende feiten zijn in verband met de preventie
van belang:

1. intrauterien ontvangt het kalf geen antilichamen tegen de ziekte;

2. het kalf wordt blootgesteld aan een infectie met virussen en E. coli zodra hel
geboren is, vaak reeds in de geboorteweg;

3. E. coli vindt zijn juiste milieu in coecum en dikke darm. De lebmaag en het
proximale deel van de dunne darm hebben — mede door de met de melk op-
genomen lactobacillen — een te zuur milieu voor de ontwikkeling en de hand-
having van
E. coli;

4. de biest bevat antilichamen tegen alle organismen waartegen de moeder een
immuniteit heeft ontwikkeld;

5. gedurende de eerste 6 tot 24 uur na de geboorte kunnen antilichamen uit de biest
onverteerd de darmwand passeren;

O. krijgt een kalf geen biest onmiddellijk na de geboorte, dan krijgt E. coli de kans
om, ongehinderd door antilichamen en door lactobacillen, het voorste gedeelte
van de dunne darm te bezetten, en te voorkomen, dat hier een zuur milieu ont-
staat. Zij vormen hier endotoxinen en geven zo aanleiding tot het ontstaan van
de ziekte. I.i het verloop van de aandoening selecteren zich steeds pathogenere
coli-stammen uit.

Hierdoor wordt verklaard, dat in de loop van een kalverseizocn de ziekte steeds
ernstiger vormen gaat aannemen en preventieve maatregelen steeds minder effect
sorteren.

De tijd, die verloopt tussen de geboorte en de verstrekking van de eerste biest is dus
van groot belang om snel tot een evenwicht tussen dikke- en dunne darmflora te
komen.

De eerste biest dient binnen 15 minuten na de geboorte gegeven te worden. Over-
voeding, waardoor de pH van de dunne darm tijdelijk kan dalen, dient voorkomen
te worden.

Een eerste gift van ]A - \'/■> liter is voldoende. Per dag kan daarna 10% van het
lichaamsgewicht aan biest gegeven worden.

Chlooramfenicol 500 mg per os driemaal met 12 uur tussenruimte kan helpen om de
colibacteriën zolang af te remmen, dat een zeker evenwicht kan ontstaan.
Een boerenmiddel in de U.S..A. i.s het toedienen van een fles azijn. Inderdaad kan
het zuur maken van lebmaag en voorste gedeelte van de dunne darm een coli-infectic
voorkomen.

ƒ. Uwland.

„WIJ ZIJN OP ALLE GEBIEDEN NOG ZEER ONWETEND".

Kauffmann, F.: Uber die Bedeutung der Serologie für die Bakteriologie. Sym-
posium über Salmonella.
Zbl. Bakt. I Ref., 202, 525, (1966).

In de laatste druk van Topley en Wilson\'s Handboek wordt door de schrijvers kritiek
uitgeoefend op de volgens hen overmatige concentratic op de antigeenstructuur van
de Salmonella\'s, die een verderfelijke invloed zou hebben op de bacteriologie, die de
aandacht van de algemene problemen van virulentie en infectie zou afleiden en die
om haarzelfs wille zou bedreven worden.

Prof. Kauffmann, die aan het eind van dit jaar als leider van de Internationale
Salmonella Centrale zal aftreden, geeft hierop het volgende weerwoord:

-ocr page 915-

1. „Er is tegenwoordig geen overmatige concentratie op de antigeenstructuur aan-
gezien het grootste deel van het gedetailleerde Kauffmann White Schema nog
ontbreekt, \\olkomen afgezien van alle andere antigeenschema\'s van de
Entero-
bacteriaceae,
die nog zeer onvolkomen zijn.

Principieel is er op geen enkel wetensch appel ij k pro-
bleem een overmatige concentratie, aangezien wij op
alle gebieden nog zeer onwetend zijn.

De serologic heeft geen verderfelijke invloed op de bacteriologie, maar heeft in
tegendeel de grootste betekenis daarvoor.

3. Niemand, die zich met de problemen van de virulentie en infectie wil bezig-
houden, wordt door de studie over de antigeenstructuur hiervan afgeleid.

4. Niemand heeft beweerd dat serologische methoden „an end in themselves" zijn."
Hij betreurt het dat de bewerkers, Wilson en Miles, de ware verhoudingen
volkomen verminken.

(Referent wil hierbij opmerken dat het Kauffmann White Schema zelfs zeer belangrijk
bijdraagt in de verbetering van ons inzicht in de epidemiologie van de Salmonellose).

C. van Dorssen.

Heelkunde

SPLINTER-FRACTUREN VAN HET KOGELGEWRICHT BIJ PAARDEN.

.\'V d a m s, O. R.: Chip Fractures of the First Phalanx in the Metacarpophalangeal
(Fetlock) Joint. ƒ.
Am. vet. med. Ass., 148, 360, (1966).

Splinterfracturcn van de eerste falanx komen reladef dikwijls voor bij paarden,
meestal aan de voorbenen en meestal aan de mediale zijde daarvan. De oorzaak
moet waarschijnlijk gezocht worden in een subluxatie van de kogel, vaak tengevolge
van oververmoeidheid.

Dc beensplinter kan aanleiding geven tot het ontstaan van een arthritis. De klinische
verschijnselen bestaan uit zwelling en warmte aan de voorzijde van het kogelgewricht,
en kreupelheid in draf, welke na inspanning verergert. De kogel is niet drukgevoelig.
Na rust treedt een tijdelijke verbetering op, na iedere inspanning ontstaat weer
kreupelheid.

De diagnose wordt röntgenologisch gesteld. De therapie bestaat uit chirurgische ver-
wijdering van de beensplinter (s).

ƒ. Uwland.

Inwendige ziekfen

ACUTE DIARREE BIJ PAARDEN.

Olson, N. E.: Acute Diarrheal Disease in the Horse. /. Am. vet. med. Ass., 148,
418, (1966).

Dc belangrijkste oorzaken van acute diarree bij paarden zijn: colitis X, salmonellose,
virusarteritis en intoxicaties met zware metalen.

a. Colitis X.

Een ziekte, die sporadisch voorkomt, gekarakteriseerd wordt door ernsUge shock-
verschijnselen en plotseling optredende profuse diarree.

Dc oorzaak is onbekend, het syndroom kan experimenteel opgewekt worden door
I.V.. injectie van endotoxinen. Predisponerend werken stress-oorzaken, zoals luchtweg-
aandoeningen, chirurgische ingrepen, fysieke inspanning en transport.
Klinisch ziet men een plotseling ingetreden ernsdge depressie en zwakte, met congestie
van de slijmvliezen, zwakke draadvormige, snelle pols, vaak te slappe jugulair-venen,
koude extremiteiten, normale of iets verhoogde lichaamstemperatuur. Even later
ontstaat een profuse, waterige diarree. Ernstige dehydratatie met bloedindikking is
het gevolg. Het verloop is snel en de mortaliteit is hoog.

-ocr page 916-

De therapie van cohtis X moet snel ingezet worden en zeer intensief zijn. Vooral
de vochttherapie is belangrijk ter bestrijding van de dehydratie en de acidose.
De auteur prefereert een Ringerse oplossing, waaraan per 10 liter 40 ä 60 g natrium-
bicarbonaat en 500 cm» 50% dextrose zijn toegevoegd. Hiervan wordt minstens 10
liter intraveneus gegeven (bij voorkeur met behulp van een infuus met een snelheid
van 3 hter per uur) en bovendien wordt nog 10 liter fysiologische elektrolytoplossing,
waarin 30 g natriumbicarbonaat, kaliumchloride en natriumchloride zijn opgelost,
via de neussonde ingegeven. Zowel de intraveneuze als de orale vochttoediening dienen
2x daags herhaald te worden, totdat verbetering intreedt. Dergelijke hypertonische
oplossingen kunnen alcalosis, hypertonic van de lichaamsvochten en hyperkahëmie
veroorzaken. De pauënt moet, teneinde dit te voorkomen, drinkwater ad libituin
kunnen opnemen. Daarnaast zijn ter bestrijding van de shockverschijnselen bij colitis
X corticosteroiden en plasmaverdunners geïndiceerd.

b. Salmonellose.

De diagnose salmonellose wordt bij oudere paarden dikwijls over het hoofd gezien.
Ook hier werkt stress predisponerend.

De ziekte verloopt veel minder acuut: na 2 ä 3 dagen anorexie en lusteloosheid stijgt
de lichaamstemperatuur tot 40 ä 41° C, en meestal duurt het daarna nog een dag
voordat een profuse, waterige diarree ontstaat. Een volle, sterke snelle pols en warme
extremiteiten zijn differentieel-diagnostisch eveneens van belang. Bovendien ontwikkelt
zich bij salmonellose een duidelijke leucopenie met linksverschuiving.
De diagnose wordt gesteld door bacteriologisch faecesonderzoek, maar men kan met
het instellen van een therapie niet wachten tot de uitslag van dit onderzoek bekend is.
De therapie van salmonellose bij paarden komt in grote trekken overeen met die van
colitis X, hoewel de acidose bij salmonellose meestal minder uitgesproken is en men
dus met geringere hoeveelheden bicarbonaat kan volstaan, en wordt hier vanzelf-
sprekend aangevuld met de parenterale toediening van antibiotica. Aanbevolen
worden: nitrofiiraanderivaten, chlooramfenicol of neomycinesulfaat.

c. Vinis-arteritis.

Een infecde met het arteritisvirus veroorzaakt necrose en ontsteking van de media
van de arteriolae. Meestal ziet men klinisch verschijnselen van de zijde van het
respiratieapparaat, conjunctivitis en tranenvloed. In bepaalde gevallen kan ook koliek
en diarree optreden.

De ziekte treedt acuut op met hoge koorts (39.5-41.5° C), maar heeft een lage
mortaUteit. In tegenstelling tot salmonellose treedt bij virus-arterids geen duidelijke
hnksverschuiving op.

Rust en een goede symptomatische behandeling leiden vrijwel steeds tot genezing.

d. Intoxicatie met zware metalen.

Lood- en arseenvergiftiging kunnen plotseling ernstige ziekteverschijnselen veroor-
zaken, maar zelden is in de aanvang de temperatuur verhoogd, meestal treden naast
de acute diarree verschijnselen van het centrale zenuwstelsel op. Vaak ziet men
ernstige koliek.

De diagnose wordt gesteld door toxicologisch onderzoek van bloed en urine, en, als
sterfte is opgetreden, door onderzoek van lever en nieren. Bij paarden, die plotseling
zijn gestorven moet men met de mogelijkheid van een acute lood- of arseenvergiftigmg
steeds rekening houden. De prognose is zeer ongunstig. Een behandeling met dimer-
captal of EDTA kan mogelijk in minder ernstige gevallen nog zinvol zijn.

ƒ. Uwland.

-ocr page 917-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

WORLD VETERINARY ASSOCIATION.

Onderstaand treft u aan een kort verslag van de 10e zitting van het permanent
Comité van de W.V.A. op 26 mei 1966.

Tevens herinneren wij u hiermee nog eens aan het Wereld Diergeneeskundig Congres,
te houden te Parijs van 17 tot 22 juli 1967.

Het programma hiervan is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde van
15 mei 1966, pagina 703. Exemplaren van dit programma zijn op het bureau
verkrijgbaar.

Brief Report

of the lOth Meeting of the Permanent Committee of the World Veterinary Asso-
ciation held in Paris on 26th May, 1966.
Present: Bureau of the Permanent Committee:
Prof. Dr. W. I. B. Beveridge, President
Prof. Dr. Dr. h.c. K. Wagener, Vice-President
Prof. Dr. Jac. Jansen, Secretary-Treasurer

29 delegates from 25 countries, 7 representatives of associate members
(World Associations of Veterinary Specialists), observers from the Food
and Agriculture Organization, the World Health Organization and the
International Women\'s Auxiliary to the Veterinary Profession.

1. The President opened the meeting at 2.30 p.m. He recalled the sad loss of Prof.
Dr. L. de Blieck in August 1965. One minute of silence was observed in
memory of this distinguished colleague.

2. Minutes of the ninth Meeting of the Permanent Comittee of the World Vete-
rinary Association held in Paris on 27th May, 1965.

3. a. Report of the Permanent Committee of the World Veterinary Association

for the year 1 January-31 December 1965.

b. Balance sheet of the Secretariat of the Permanent Committee for the year
1 January-31 december 1965.

c. Draf budget of the Secretariat of the Permanent Committee for the year
1 January-31 December 1966.

4. a. Report on the Association fund of the World Veterinary Association and

Financial Statement on the year 1 January-31 December 1965.

These documents (2, 3a, 3b, 3c and 4a) were accepted unanimously by the

meeting.

b. Payment of contributions.

The Secretary-Treasurer read a list of contributions received after 1st January,
1966. Unfortunately there are still some members which do not pay the
contribution in accordance with the Constitution and the Rulés of the W.V.A.:
Some did not pay on the basis of all veterinarians represented, others did not
remit the contribution in advance on or before 1st August of each year and
two members had paid one instead of 1 J/2 shillings per veterinarian.

c. Proposal to have the contribution year (1 August-31 July inclusive) run
concurrently with the calendar year (1 January - 31 December inclusive).
In view of the recent change in the „per capita" rate of contribution, the
Association Fund Committee had recommended that no other change be made
now regarding payment of contribution. It was therefore agreed to postpone
the realization of this proposal for the time being.

d. Appointment of an auditor for the following year.

Mr, Mulder was reappointed, Mr. Kooy en Mr, Smit who form a partnership
of chartered accountants would replace Mr. Mulder if necessary.

-ocr page 918-

e. Appointment of the Association Fund Committee.
This committee was rc-electcd.

5. XVIIIth World Veterinary Congress.

a. Recommendations made by the Scientific Programme Advisory Committee.

b. Submission and selection of films for the Congress.

A small committee consisting of Prof. Lucam, Prof. Pilet and Prof. Jansen,
will judge and select the films to be shown at the next Congress.

c. Other remarks regarding the Preliminary Progranune and General Arrange-
ments for the Congress.

At a meeting of the Scientific Programme .Advisory Committee (SP.^C) on
the previovis day the principal spealiers for the selected topics had been
designated. These principal speakers will be asked to submit papers to be
published in advance. Each of them will have 10 minutes at his disposal to
introduce his paper. A number of proposed speakers who had not been
designated as principal speakers will be asked to be Presidents or Vice-
Presidents of the sessions. There is still an opportunity for veterinarians to
submit short communications on the selected topics or on other subjects.
Short communications can only be submitted to the
national committees in
the different countries or to the
secretariat of a specialist association, associate
member of the W.V.A., which will send, them on to the Organizing Committee
in Paris. Authors of short communications on selected topics will have a prior
right to speak during the corresponding discussion, each having 3 minutes
at his disposal. Short communications on other subjects will be read
by title
at one or two special sessions. Congressists interested may then ask questions
about these communications. All short communications will be printed in the
Congress Proceedings. The closing date for submission is 1st January, 1967.
A list of principal speakers on the selected topics will be published in Sep-
tember 1966. Provisional Pro.grammes and forms for short communications
are available from the national W.V.A. Committees in the different countries
or from the French Organizing Comrnittee, 28, Rue des Petits-Hôtels, Paris
lOe, Frarice.

Official invitations to participate in the Congress (in order to enable congres-
sists to claim — in their country — hotel and travelling expenses), will be
issued on request. The required wording should be indicated to the Organizing
Committee.

Colour Television sessions on scientific and other subjects will be held during
the Congress. Prof. Bratanov (Bulgaria) proposed to make Russian an official
language of the Congress. After some discussion it was decided to consider
this matter later.

In view of high travelling and extra hotel expenses for delegates from far
away countries, attending also the meetings of the O.I.E., Dr. de Lange (South
African Republic) asked whether it would be possible to match the dates of
the Congress and of the O.I.E. meetings in 1967. Since the dates of the
Congress cannot be changed, the French Organizing Committee would write
to the O.I.E. asking if they could change the dates of their meetings next year.

6. Suggestion regarding new activities to be taken up by the World Vet. Association.
No suggestions had been received.

7. Film Work.

A new edition of the catalogue of veterinary films and films of veterinary interest
will be issued in August or September, 1966. It will only list films which are
available for loan of for sale. The price per copy will be Dfl. 10,—.

8. Any other business.

The president said that invitations for the XlXth World Veterinary Congress
(the Congress after the Paris Congress), to be held in 1970, 1971 or 1972, should

-ocr page 919-

be submitted to the Secretariat of the Permanent Committee by April 1967 at
the latest. They should contain full information on proposed financial arrange-
ments and accommodation available and, if possible, be accompanied by a
statement of support of the Government in question.

In view of the forthcoming election of the members of the Bureau of the Perma-
nent Committee at the World Veterinary Congress in 1967, it was suggested that
the Representatives on the Permanent Committee, before coming to the Congress,
should ask the views and wishes of their national committees about this matter.
Prof. Dr. A. de Vuyst (I.V.F.Z.) drew the attention of the Representatives to the
World Congress of Animal Feeding, Madrid, 2-8 October 1966 (General Secre-
tary: Prof Dr. C. L. de Cuenca, Isabel la Catolica 12 3°, Madrid, Spain).
Dr. M. Villegas (Venezuela) invited the Representatives to attend the 5th Pan
American Congress of Veterinary Medicine and Zootechnics, Caracas, 18-24
September 1966 (General-Secretary: Dr. M. A. Granados M., P.O. Box 5212-
Chacao, Caracas, Venezuela).

Meetings of the Permanent Committee in the years of World Veterinary Congress
are held during the Congress. Consequently, the next annual meeting of the Per-
manent Committee will take place during the XVIIlth World Veterinary
Congress in Paris
in July 1967 instead of in May.

The President and Prof. Dr. R. E. Glover (Great Britain) expressed their
appreciation for the excellent preparatory work done by the French Organizing
Committee. They were convinced that the next Congress would be a very success-
ful one.

The President thanked the O.l.E. for their hospitality, for the facilities and the
refreshments offered, and closed the meeting at 4.15 p.m.

DOORLOPENDE AGENDA

1966

December,

8, Afd. Overijssel K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Hotel „Bergzicht",

Hellendoorn. (pag. 1429)
8, Afd. Zuid-Holland K.N.M.v.D. Ledenvergadering 20.30 uur, Groot-
handelsgebouw, Rotterdam, (pag. 1261)
15, Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel

Riche, Heuvelring, Tilburg, (pag. 1371)
19, Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven. Ledenvergadering,
14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 1429)

1967

Februari,

15—16, C.L.O.-studiedagen, Utrecht.

April,

26—28, Congres „Ges. f. Versuchtierkunde", Praag. (pag. 935)

Mei,

10, .A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

Juli,

17—21, World Veterinary Association. XVIIIe Wereld Diergeneeskundig Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

-ocr page 920-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

Bureau: UTRECHT - RUBENSLAAN 123 - TEL. (030) 1 14 13
en 1 37 49

Gironummer 511606 ten name van de Kon. Ned. Maat-
schappij voor Diergeneeskunde.

VAN DE AFDELINGEN.
Afdeling Gelderland

Kort verslag van de afdelingsvergadering, gehouden op 28 september 1966 in „Royal"
te Arnhem.

Aanwezig: 30 leden en 1 gast, nl. collega Commandeur.
De voorzitter opent om 20.15 uur met een kort welkomstwoord de vergadering.
De notulen van de vorige vergadering worden zonder kritiek geaccepteerd.
Onder de ingekomen stukken zijn verschillende brieven van andere afdelingen, waarin
gevraagd wordt steun te verlenen aan door hun voorgestelde candidaten, o.a. worden
genoemd de namen van: Prof. Wensvoort (candidaat voor de Ereraad) ; collega
Rempt (ook candidaat voor de Ereraad); collega .^brahamse (candidaat
voor het Hoofdbestuur i.p.v. collega Heeg) en collega F. H. J. Jaartsveld
(candidaat voor de redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde).
Voorts een schrijven van de afdeling Noord-Holland, waarin wordt verzocht het
Huishoudelijk Reglement zodanig te wijzigen, dat collega Heeg langer kan aan-
blijven in zijn functie van penningmeester.

Ballotage van collega A. Diemont jr.; met volledige instemming van de ver-
gadering wordt deze collega als lid aangenomen.

Tijdens de vergadering blijkt het niet mogelijk om een candidaat te vinden, die
afgevaardigde naar de Algemene Vergadering wil zijn. Collega König zegt wel toe
plaatsvervangend afgevaardigde te willen zijn. Het bestuur zal trachten een geschikte
afgevaardigde te vinden.

Bij de behandeling van het programma voor de Algemene Vergadering leest de
secretaris een brief voor, waarin dc bezwaren zijn samengevat, die het afdelingsbestuur
heeft tegen dit programma van de Algemene Vergadering. Ondanks de brief van het
Hoofdbestuur van 19 augustus 1966 bleven er toch nog onduidelijkheden over.
O.a. de redactie en de opmaak van de artikelen: 92a, 92b en het behandelde onder
punt 7c zijn volgens het bestuur onduidelijk en inconsequent, waardoor verwarring
kan ontstaan. Na voorlezing van de brief wordt het programma punt voor punt
besproken.

Een uitgebreide discussie wordt gevoerd over wijziging van artikel 38. Het afdelings-
bestuur meent een dergelijke wijziging af te moeten wijzen, omdat men voor één
uitzionderingsgcval geen regels moet maken. Het merendeel der leden is het eens met
het bestuur; uitslag van de stemming: 17 leden tegen, 9 voor wijziging.
Moeilijkheden geeft ook het voorgestelde in het bindend besluit onder punt 6.N1.
het verbod middelen voor euthanasie af te geven. Voor collega\'s met nertsenfarms
in hun praktijk L\'eeft dit moeilijkheden. Commandeur zegt toe dit punt opnieuw
te zullen bekijken.

Onder punt 7 komen de vacatures ter discussie:
Uitslag der stemming over deze zaak:

Over punt 7a 29 stemmen voor Rozemond 1 blanco.

Over punt 8 12 tegen, 16 voor.

Over punt 8a 30 stemmen voor Abrahamse.

Over punt 9 29 stemmen voor Remmen 1 blanco.

Over punt 10a 30 stemmen voor Prof. Wensvoort.

Over punt 10b 29 stemmen voor de Lint Sr. 1 blanco.

-ocr page 921-

In de vacatures in de Redactie van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde worden
de volgende kandidaten genoemd: Prof. Stegenga, Jaartsveld, Van der
Kamp, Smit en De Vries.

De afdeling Gelderland steunt het voorstel van de afdeling Overijssel, genoemd
onder punt 11. Het Hoofdbestuur zou deze commissie moeten samenstellen.
Een uitgebreid» gedachtenwisseling over het financieel beheer van de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde ontstaat, als het rapport van de Financiële
Commissie ter bespreking komt. Unaniem is men van mening, dat de Kon. Ned.
Maatschappij voor Diergeneeskunde gebruik moet maken van financiële experts om
deze ingewikkelde materie mede te laten beoordelen.

De voorzitter hoopt, dat vele leden de Algemene Vergadering zullen bezoeken.
Bij de rondvraag komt in discussie een brief van de Veeartsenijkundige Dienst, waarin
de dierenartsen erop wordt gewezen, dat melk van runderen, die parenteraal met
antibiotica zijn behandeld, ook deze antibiotica bevat. Blijkens de discussie zijn er
nog al wat moeilijkheden. Zo ontbreekt bijvoorbeeld elke informatie in welke mate
en voor hoe lang de diverse andbiodca in de melk voorkomen.
Collega Commandeur zegt toe hierover informaties in te winnen.
De Bovisole-affaire komt ook nog ter tafel. Commandeur zegt herhaaldelijk
de firma Merck, Sharp en Dohme te hebben gepolst, doch hij heeft nog steeds geen
antwoord ontvangen.

Het is reeds na twaalven, als de voorzitter de vergadering sluit.

C. B. de Lint,
2e secretaris.

Twee dierenartsen (buurtcollegae) in het centrum des lands, zoeken een

ASSISTENT

voor de consultatieve praktijk en de georg. dierziekte bestrijding,
gedurende tenminste een half jaar.
Brieven onder nr. 74/66 aan de Redaktie van het Tijdschrift voor Dier-
geneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht,

-ocr page 922-

FINALGON LINIMENT

.het LINIMENT voor
PERCUTANE therapie bij koeien,
\'varkens, paarden en honden

met

DIRECTE werking
KRACHTIGE doorbloeding
LANGDURIGE thermische werking
EENVOUDIGE applicatie
ZONDER ONAANGENAME HUIDREACTIES

FINALGON LINIMENT

als (ondersteunings)therapie bij o.a.: tendovaginitiden,
bursitiden, arthritiden, uieroedemen, acute en chro-
nische mastitiden.
verpakking: doos met 10 flacons ä 100 ml

licentie: cela g.m.b.h. ingelheim/rh. duitsland

n.v.vemeaia

verkoopkantoor voor diergeneeskundige produkten

^flVl^^ m>nervol<ian 63 .

Fvt-1

>nervol<ian 63 . mJSm^
tel 732934 MYCOFARM

imsterdcim-z , VbOCLFTII^

-ocr page 923-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

f-V. Sybesma en L. Zuidam, Longontstekingen bij varkens en de
gevolgen daarvan voor de vleeskwaliteit — Pneumonia in pigs
and its consequences for the quality of meat
— . . . . 1727
D. M. Badoux, Nieuwe inzichten in de structuur van de kop
— New ideas about the structure of the head
— . . . . 1736
/. G. Aalbers, The contributions of the epididymides and ac-
cesory glands to bull ejaculates after two-sided vasectomy or

lacking glandulae vesiculares —........1745

Th. Stegenga, De bedrijfsgrootte in de melkveehouderij — The
magnitude of dairy cattle farms
—.......1754

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

G. H. A. Overgoor, Gevoeligheid van uit praktijkmateriaal ge-
isoleerde bacteriën t.o.v. de meest gebruikelijke antibiotica en
chemotherapeutica — Sensibility of bacteria isolated out of
material from practice against the usual antibiotics and chemo-
therapeutics
—............1760

REFERATEN

Algemeen.............1767

Bacteriële- en virusziekten.........1768

Inwendige ziekten...........1769

Stofwisselings- en deficiëntieziekten.......1769

Voedingsmiddelenhygiëne.........1770

Ziekten van het Kleine Huisdier.......1770

Zootechniek..... ........1771

BOEKBESPREKING

Landbouwgids 1967 ........... 1772

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Oproep oprichtingsvergadering Landelijke Groep Grote-Huis-

iieren Practici............1773

Viering 200-jarig bestaan Diergeneeskundige Hogeschool,

Wenen..............1773

Nitraatvergiftiging door het voeren van stoppelknollen . . 1773

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst.......1774

VARIA............... 1735, 1744

DOORLOPENDE AGENDA............1776

KON. NED. MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE

1777

1779

1780

1781

1782

Necrologie: In memoriam ]. C. M. Gurck
Van het Bureau .
Van de Afdelingen .
Van de Groepen
Personalia

DIERGENEESKUNDIGE STUDENTEN KRING......1783

-ocr page 924-

FARMACEUTICA DIGRO NV
PRINS HENDRIKKADE 20 WOERDEN
TEL 03480 -3747

PRODUKTEN
AFGESTEMD
OP DE
VETERINAIRE
PRAKTIJK:

Antibiotica

Chemotherapeutica

Anthelmintica

Hormonen

Anaesthesie

Vitaminen

Medicinale Compounds
IJzerpreparaten
Unguenta
Specialité\'s

-ocr page 925-

OORSPRONKELIJKE ARTIKELEN

Longontstekingen bij varkens en de gevolgen
daarvan voor de vleeskv/aliteit1!

Pneumonia in pigs and its consequences for the
quality of meat

door W. SYBESMA en L. ZUIDAM2)

Inleiding

De temperatuur voor het slachten heeft zijn invloed op de vleeskwaliteit
(Sybesma en van L o g t e s t ij n, 1966). Naast intensieve spiercon-
tracties kunnen bij temperatuursverhogingen ook subklinische infecties een
rol spelen.

Afgezien van de temperatuursverhogingen kan de ontsteking zelf ook het
fysiologisch evenwicht aantasten. Met name geldt dit voor longontste-
kingen. Deze afwijking komt relatief nogal veel voor bij varkens. Uitge-
breide longontstekingen zullen naast de schadelijke toxinenvorming ook
aanleiding kunnen zijn tot een vermindering van de longcapaciteit. Deze
vermindering kan op zijn beurt een toestand van hypoxie scheppen het-
geen de vleeskwaliteit wel eens nadelig zou kunnen beïnvloeden.
Deze overwegingen waren de aanleiding een onderzoek in te stellen naar
de relatie longontsteking en vleeskwaliteit.

Het onderzoek vond plaats bij slachtvarkens die zowel voor als na het
slachten door de vleeskeuringsdienst als normale slachtvarkens werden
gekarakteriseerd.

MATERIAAL EN METHODEN
Longenonderzoek

De longen werden in de slachtbaan onderzocht op de uitgebreidheid van
het ontstekingsproces.

De afwijkingen werden ingedeeld in 5 rubrieken:
p O = negatieve bevinding;
p 1 = twijfelachtig;
p 2 = een enkel pneumonisch haardje;
p 3 = beginnende topkwabpneumonie;
p 4 = lobaire pneumonie.
De uitgebreidheid alleen hoeft echter geen maat te zijn voor de schadelijk-
heid van de longontsteking voor het organisme.

Teneinde een indruk te krijgen omtrent de beschadiging van parenchym-
weefsel (E. Schmidt et al. 1962) werd daarom tevens een lactodehy-
drogenase-bepaling in het slachtbloed uitgevoerd.

Het is nodig naast de totale LDH bepaling ook de verdeling van de LDH
iso-enzymen te kennen. Elk orgaansysteem heeft zijn bepaalde iso-enzymen
zodat een verhoging van een bepaald iso-enzym een aanduiding kan zijn
welk orgaan beschadigd is (Zondag, 1964; v. Adrichem, 1965).

1  194e publikatie van het Instituut voor Veeteeltkundig Onderzoek „Schoonoord"
tc Zeist; Driebergseweg 10 D.

2  Dr. W. Sybesma en L. Zuidam; resp. hoofd Fysiologisch Laboratorium en
laboratoriummedewerker aan bovengenoemd Instituut.

-ocr page 926-

In dit onderzoek is echter alleen de totale LDH bepaald. Overigens kun-
nen bij een verhoging van de totale LDH-waarde ook overmatige inspan-
ning en andere stressfactoren van belang zijn (Bed rak, 1965).

Lactodehydrogenase onderzoek

De bepaling van de totale LDH-waarde geschiedde in bloedserum met de
Biochemica-test combinatie (UV methode) van de firma Boehringer. De
activiteit wordt uitgedrukt in milli-eenheden (m.u.) per ml serum.

Temperatuurmeting

We gebruikten de Ellab thermometer type FE 3 met de naaldelectrode
KP^. De vleestemperatuur werd 40 minuten na slachting opgenomen in
de m.semimembranosus. De lengte van de electrode is 3 cm zodat de ver-
melde waarden de temperatuur 3 cm onder het oppervlak aangeven.

Rigormeting

De lijkstijfheid werd vastgesteld met een apparaatje waarbij de mate van
indrukking van een veer een kwantitatieve impressie geeft van de vastheid
van de onderliggende spiermassa\'s (afbeelding 1) (Sybesma, 1966).
Hiermee kunnen onderscheiden worden, de toestand van complete rigor
(III), beginnende rigor (II) en de toestand van pre-rigor (I) op een be-
paald moment na de dood in de hamspieren.

pH-meting

De pH werd gemeten met de draagbare Philips meter (type PR 9401).
1728

-ocr page 927-

Visuele beoordeling vleeskwaliteit

De beoordeling van de monsters van de M.long-dorsi geschiedde volgens
een indeling in 4 klassen. Klasse 1 vertegenwoordigt de normale vleeskwa-
liteit terwijl klasse 4 voor de uitgesproken gedegenereerde monsters is be-
stemd.

Klasse 1 en 2 zijn nog normaal in tegenstelling tot klasse 3 en 4.
Experimenteel

Longontsteking en temperatuursverhoging

Bij 243 willekeurige normale slachtvarkens van het N.L.-ras werden 40
minuten na slachting de vleestemperaturen gemeten. Daarbij werd uitge-
gaan van de stelling dat een hoge lichaamstemperatuur voor de slachting
gevolgd wordt door een hoge vleestemperatuur.
Als vleestemperatuurgrens werd 41° C genomen.

In tabel 1 zijn de uitkomsten per longenrubriek gerangschikt in aantal en
percentage van het aantal van de desbetreffende rubriek.

Tabel 1.

Vleestemperatuur en longontsteking

Longenrubriek

totale aantal

aantal met & 41° C (%)

P 0

106

22 (20)

P 1

51

12 (23)

P 2

51

15 (30)

P 3

29

10 (34)

P 4

6

3 (50)

Het percentage dieren met een hogere vleestemperatuur nam toe met de
ernst der afwijking. Het merendeel van de aangetaste dieren gaf in dit
geval echter geen hoge vleestemperatuur te zien.

De totale aantallen zijn per groep nogal verschillend, hetgeen een zuivere
vergelijking verstoort.

De mogelijkheid bestaat dat een eventuele verhoging van de vleestempera-
tuur de vleeskwaliteit zal beïnvloeden.

Longontsteking en LDH

Bij een groep van 132 N.L.-dieren van bekende herkomst werden de longen
bekeken alsmede in het bloedserum het gehalte aan lactodehydrogenase
bepaald.

Tussen de LDH-titers en de mbricering van de longaandoeningen werd
een correlatie gevonden van 0.34 (P < 0.01).

Arbitrair werden er drie groepen I^DH-waarden onderscheiden, te weten:
groep A van LDH-waarden < 700 m.u.
groep B „ „ „ > 700 en < 1400 m.u.
groep Cl 5, jj j, > 1400 m.u.
De verdeling dei longontstekingen over de verschillende groepen was als
volgt:

-ocr page 928-

Tabel 2.
Longontsteking en LDH-waarde

Groep

Rubriek longontstekingen

P 0

P 1

P 2

P 3

P 4

totaal aantal

A

3

9

8

5

1

26

B

7

34

26

11

2

80

C

2

4

13

7

26

Totaal

12

43

38

29

10

132

In groep C is het aantal dieren met een longontsteking van enige omvang
procentueel het grootst. Slechts twee waren helemaal vrij.
Stellen wij de meest uitgebreide pneumonieën (p 3 en p 4) tegenover de
rest dan krijgen wij een verdeling die ook statistisch te beoordelen valt.
Tabel 3 geeft het resultaat weer.

Tabel 3.

LDH-groepen en longontstekingen

Groep

p 0, p 1 en p 2

p 3 en p 4

totaal aantal

A

20

6

26

B

67

13

80

C

6

20

26

93

39

132

Deze verhoudingen per groep weken significant volgens x^ berekening van
elkaar af (P < 0.001). Dat wil dus zeggen dat de uitgebreide pneumo-
nieën het meest frequent in groep C te vinden waren (77%). In groep A
en B waren deze percentages resp. 23 en 16.

In de verdere analyse werden deze groepen intact gelaten ook al hadden
niet alle dieren in groep G een longontsteking.

Longontsteking en vleeskwaliteit

De vleeskwaliteitscriteria die in dit onderzoek gehanteerd werden, waren:

1. de pH 40 minuten na slachting in de M. semimembranosus;

2. de rigor van de M. semimembranosus ook 40 minuten na slachting;

3. de visuele beoordeling van dc M. long-dorsi 24 uur na slachting.

De pH 40 minuten na slachting

De pH-waarnemingen werden onderscheiden in drie pH-dalingsklassen n.1.:

1 = daling tot en met 6.50;

2 = daling < 6.50 en > 6.00;

3 = daling < 6.00.

In tabel 4 is de verdeling van de pH-klassen over de LDH-groepen weer-
gegeven.

-ocr page 929-

Tahel 4.

pH-daling in de M.semimembranosus

Groep

pH klasse

1

2

3

A

6

17

3

B

16

40

24

G

2

10

14

De x^ berekening leverde een significant verschil tussen de groepen op met
een betrouwbaarheid van P < 0.05. Dat betekent dat in groep C een
snellere DH-daling plaatsvond dan in bijvoorbeeld A en B.
Voor de pH-klasse 3 (pH < 6.00) waren de percentages resp. 12 (A),
30 (B) en 54 (C).

De rigor mortis ontwikkeling

Het optreden van rigor mortis, gemeten met de rigormeter, werd aan-
geduid in drie klassen:
I = de pre-rigor toestand;
II = de toestand van beginnende rigor;
III = de toestand van volledige rigor mortis.
In tabel 5 zijn deze klassen per LDH-groep gerangschikt.

Tabel 5.

Rigormortis in de M. semimembranosus

Groep

Rigormortis klasse

I

II

III

A

6

13

7

B

24

28

28

G

3

8

15

Hier werd met de x^ berekening niet de 5% betrouwbaarheidsgrens be-
reikt (P < 0.10). De tendens is echter dezelfde als in tabel 4. In groep G,
de pneumoniegroep, was reeds 40 minuten na slachting 58% in complete
rigor. Voor de groepen A en B was dit resp. 27 en 35 procent.

De vbuele beoordeling van de M. long.dorsi

De normale monsters werden in klasse 1 en 2 ingedeeld terwijl de monsters
met een afwijkende consistentie vocht en kleur als 3 en 4 werden ge-
classificeerd.

De verdeling (tabel 6) over de LDH-groepen was als volgt:

Tabel 6.

Visuele beoordeling van de M.long.dorsi

Groep

Visuele klassificatie

1

2

3

4

A

7

16

1

2

B

8

40

19

13

C

3

10

7

6

-ocr page 930-

De berekening op de verhouding tussen de normale (1 en 2) en afwijkende
monsters (3 en 4) per groep leverde een duidelijke significatie op (P <
0.01). De percentages abnormale monsters per groep waren 12 (A), 40 (B)
en50(C).

Discussie

De vleestemperatuur in een willekeurige groep varkens gaf een stijgende
tendens te zien naar mate de uitgebreidheid der longafwijkingen toenam.
Bij andere varkens werd een zeer hoog percentage duidelijk aantoonbare
longontstekingen gevonden in een groep met een hoge LDH-waarde in het
bloedserum (> 1400 m.u.). Het was deze groep varkens die tevens een
slechte vleeskwaliteit te zien gaf.

Voor een snelle pH-daling, een snel optredende rigormortis en een visueel
afwijkende vleeskwaliteit werd in de groep A met lage LDH-waarden
(< 700) percentages gevonden van 12% (pH-daling), 27% (rigor) en
12% (afwijkende long.dorsi).

Voor de groep B met LDH-waarden > 700 m. eenheden en < 1400 m.
eenheden waren deze cijfers 30, 35 en 40.

De pneumoniegroep C vertoonde het hoogste percentage afwijkingen nl.
54, 58 en 50.

De verschillen tussen de groepen spreken voor zichzelf.
Vooral die pneumonieën lijken voor de vleeskwaliteit nadelig te zijn die
het organisme pathologisch hebben belast getuige de hoge LDH-waarden.
Omgekeerd zou men kunnen stellen dat bij de lage LDH-waarden het
organisme in mindere mate is belast. Hier is het aantal afwijkingen ook
betrekkelijk gering.

De hypothese, dat wanneer de zuurstofcapaciteit verminderd is, door hy-
poxie van de weefsels (na inspanning) de vleeswaliteit nadelig wordt be-
ïnvloed, wordt door de resultaten van dit onderzoek ondersteund.
Men zou uit het voorgaande kunnen concluderen dat de rigormeting 40
minuten na de dood een goede indicatie is omtrent de toestand van het
dier voor de dood. Het percentage stijve dieren liep in de groepen A tot
en met C op van 27 via 35 naar 58.

Dit gegeven is daarom zo interessant omdat het rigor meten een zeer sim-
pele handeling is waardoor het mogelijk is grote groepen varkens te meten.
Op deze wijze kan men een indruk krijgen hoe globaal bijvoorbeeld de
fysiologische toestand c.q. stresstoestand van de dieren is op het moment
van de dood bij bepaalde koppels, op bepaalde slachtdagen of op verschil-
lende fabrieken. Wel is het noodzakelijk om steeds op hetzelfde tijdstip na
de dood te meten.

Conclusie

Uit het onderzoek is gebleken dat longontstekingen bij dieren die tevens een
hoog lactodehydrogenase gehalte in het serum hebben, gepaard gaan met
een slechte vleeskwaliteit. Een hogere vleestemperatuur kan hierbij een
rol spelen.

Dankbetuiging.

Voor de medewerking van collega Dr. J. J. M. d c B r u i n (Vleeskeuringsdienst)
en de medewerkers van de N.C.B.-cxportslachterij te Boxtel zijn wij ten zeerste erken-
telijk. Voorts is dank verschuldigd aan de Heer G. v a n E s s e n en Mej. L. H e y -
koop voor de uitvoering van de diverse metingen en bepalingen.

-ocr page 931-

SAMENVATTING.

Er werd een onderzoek ingesteld naar het verband tussen het voorkomen van long-
ontstekingen en de frequentie van vleeskwahteitsafwijkingen. Daarbij werden de long-
afwijkingen naar de uitgebreidheid der afwijkingen gerubriceerd.
Bij 234 varkens van het N.L.-ras werd nagegaan of varkens met longontstekingen in
het algemeen een hogere vleestemperatuur (als gevolg van een hogere temperatuur
vóór het slachten) vertoonden. Dit bleek slechts ten dele het geval te zijn.
Bij een andere groep van 132 varkens werden de vleeskwaliteitscriteria als pH-daling,
rigormortis ontwikkeling en visuele beoordeling van de vleesraonsters, vergeleken
met het voorkomen van longontstekingen. Daarbij werd de totale lactodehydrogenase
activiteit van het bloedserum gebruikt als indicatie voor de schadelijke prikkelwerking
op het organisme van deze ontstekingen.

De combinatie longontsteking - hoge LDH-waarde (> 1400 m. eenheden) leverde
een hoog percentage afwijkend vlees op.

In de groep met lage LDH-waarden (< 700 m. eenheden) kwamen daarentegen
slechts weinig vieeskwaliteitsafwijkingen voor.

Geconcludeerd wordt dat longontstekingen die een belasting voor het organisme zijn,
gepaard gaan met een slechte vleeskwaliteit. De temperatuursverhoging kan hier
gedeeltelijk een rol spelen.

SUMMARY.

The relationship between the presence of pneumonia and the incidence of changes
in carcass quality was studied. The pulmonary lesions were classified according to
the extent of the lesion. 234 pigs of the Dutch land breed were studied to determine
whether pigs with pneumonia tended to show increased carcass temperatures (resul-
ting from increased temperatures prior to slaughter). This was found to be only
partly the case.

In another group of 132 pigs, the criteria of carcass quality, such as a decrease in
pH, the onset of rigor mortis and visual evaluation of samples of meat were compared
with the incidence of pneumonia. The total lactic dehydrogenase activity of the
serum served to indicate the injurious irritant effect of these inflammatory lesions
on the organism.

When pneiunonia was associated with high lactic dehydrogenase levels (> 1,400
units), there was a high proportion of abnormal meat. When lactic dehydrogenase
levels were low (< 700), however, there were few changes in carcass quahty. It is
concluded that pneumonia which acts as stress upon the organism, is associated with
inferior carcass quality. The increase in temperature may be a contributory factor in
this case.

RÉSUMÉ.

Un examen a été institué concernant la relation entre la présence de pneumonies
et la fréquence de déviations de la qualité de la viande. Les anomalies pulmonaires
ont té rangées en rubriques selon l\'étendue du trouble. Chez 234 porcs de la race
N.L. on a vérifié si les porcs souffrant de pneumonies manifestaient en général une
plus haute température de la viande (comme conséquence d\'une température plus
élevée avant l\'abattage). Ceci ne parut être le cas que partiellement.
Chez un autre groupe de 132 porcs les critères de qualité de viande, corrune la di-
minution-pH, le développement de la rigidité cadavérique et l\'appréciation visuelle
des échantillons de viande, ont été comparés avec la présence de pneumonies. On se
servit de l\'acdvité totale de lactodéhydrogénase du sérum sanguin comme indication
de l\'action stimulante nuisible de ces infections sur l\'organisme.
La combinaison de pneumonie et une valeur LDH élevée (> 1400 unité) fournit
un haut pourcentage de viande de qualité déviante. Dans le groupe avec des valeurs
basses de LDH (< 700 unités) cependant il n\'y eut que peu de déviations de la
qualité de viande.

-ocr page 932-

On conclut que les pneumonies, qui forment une tension pour l\'organisme, sont
accompagnées d\'une mauvaise qualité de viande. Il est possible que l\'augmentation dc
la température v joue partiellement un rôle.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wurde eine Untersuchung angestellt nach dem Zusammenhang zwischen dem
Vorkommen vo.n Lungenentzündungen und der Häufigkeit von Fleischqualitäts-
abweichungen. Dabei wurden die Lungenabweichungen entsprechend der Ausgedehnt-
heit der Abweichung rubriziert.

Bei 234 Schweinen der Niederländischen Landschwein-Rasse wurde untersucht, ob
Schweine mit Lungenentzündungen im Allgemeinen eine höhere Fleischtemperatur
(infolge höherer Temperatur vor dem Schlachten) aufwiesen. Dies war, wie sich
zeigte, nur zum Teil der Fall.

Bei einer Gruppe von Schweinen, und zwar 132, wurden die Fleischqualitätskriterien,
wie z.B. pH-Senkung, Entwicklung von Rigor mords, visuelle Beurteilung der
Fleischproben, mit dem Vorkommen von Lungenentzündungen verglichen. Hierbei
wurde die totale Laktodehydrogenase-Aktivität des Blutserums als Indikation für die
schädliche Reizwirkung auf den Organismus dieser Entzündungen benutzt.
Die Kombination Lungenentzündung - hoher LDH-Wert (> 1400 Milli-Einheiten)
lieferte einen hohen Prozentsatz abweichenden Fleisches.

In der Gruppe mit niederigen LDH-Werten (< 700 Milli-Einheiten) kamen dagegen
nur wenig Fleischqualitätsabweichungen vor.

Gefolgert wird, dass Lungenentzündungen, die eine Belastung für den Organismus
sind, mit schlechter Fleischqualität verknüpft sind. Die Temperatursteigerung kann
hier teilweise eine Rolle spielen.

RESUMEN.

Fue investigado la correlacion entre la ocurrencia de neumonias y la frecuencia de
anomalias en la calidad de carne. Las neumonias fueron rubricadas segun la extension
de la anomalia. Se investigo en 234 cerdos de la raza holandesa, si en estos cerdos
con neumonias n.ostrarion en general una temperatura mas alta de la carne (debida
a una temperatura mas alta antes la matanza). Esto fue el caso por solamente una
parte. En un i tro grupo dc 132 cerdos se comprobaron los criterios, como: caida
del Ph, desarroilo del rigidez y la critica visual de muestras de carne con la ocurrencia
de neumonias. Ahi se uso la actividad total de la lactohidrogenase del suero de
sangre, como una indicacion de la irritacion danosa sobre el organismo de estas
inflamaciones.

La combinacion ncumonia-valor alto de la LDH (mas grande que 1400 Unidades)
daba un grande porcentaje de carne anormal.

En el grupo de valores bajos de LDH (mas pequeflas de 700 Unidades) habian en
cambio solamente una poca anomalia de la calidad de la carne.
Se saco la conclusion que las neumonias. las cuales son una carga por el organismo,
van acompanadas con una calidad inferior de la carne. Es posible que el umento de
la temperatura puede desempefiar un papel parcialmente.

LITERATUUR.

Adrichem, P. W. M. van: Wijzigingen in de activiteiten van serum enzymen
en in het LDH-isoenzympatroon bij chronische koper intoxicatie bij schapen.
Tijdschr. Diergeneesk., 20, 90, 1371, (1965).
B e d r a k, E. ; Blood serum enzyme activity of dogs exposed to heat stress and

muscular exercise. ]. App. Phys., 20, 587, (1965).
Schmidt, E., Schmidt, F. W., Horn, H. D. und Gerlach, U.: Die
Bedeutung der Messung von Enzym-Aktivitäten in der Medizin, p. 651 uit: Me-
thoden der Enzymaüschen Analyse. Bergmeyer, 1962, Verlag Ghemie, Weinheim.
Sybesma, W. : Het meten van het verschil in optreden van rigor mortis in varkens-
hammen.
Veet. en Zuivelber., 9, 27, 32, (1966).

-ocr page 933-

S y b e s m a, W. and Logtestijn, J. van: Pre-slaughter temperature and its effect
on the post-mortem metabolism in pig muscle. Xllth Meeting Meat Res. Workers,
Sandefjord 1966.

Z o n d a g, H. A.: Bepaling en diagnostische betekenis van de melkzuurdehydrogenase
iso-enzymen. Uitgeverij Van Gorcum, Assen, 1964.

25 Miljoen gulden voor veeartsenijkundig laboratorium

Het Onderstepoort-onderzoeklaboratorium is begonnen met de eerste fase van een
vijf miljoen Rand kostend uitbreidingsprogramma, dat zal voorzien in faciliteiten voor
het onderzoek naar virusziekten en mond- en klauwzeer, alsmede voor de produktie
van vaccins (entstoffen). Dit project zal zich kunnen meten met de beste laboratoria
ter wereld.

De voorlichtingsbeambte van Onderstepoort, Dr. J. R. F r e a n, verklaarde dat dit
grote ontwikkelingsproject, waarvan de bouw drie jaar zal duren, Zuid-Afrika in staat
zal stellen haar onderzoek op het gebied van mond- en klauwzeer voor het eerst zelf
te verrichten. Tot nu toe kwam de meeste kennis hieromtrent uit het buitenland.
Het virusonderzoek zal een grote stap voorwaarts kunnen zetten, wanneer de nieuwe
laboratoria voor de cultuur van virussoorten gereed zullen zijn. Het grootste en kost-
baarste gebouw zal dit serumcomplex zijn, dat de nieuwste uitrusdng zal bevatten
teneinde de produkde van meer dan 81 miljoen jaarlijkse vaccin-doses van het
laboratorium soepel te doen verlopen.

Een ander complex zal de nieuwste faciliteiten herbergen voor het onderzoek naar
pluimvee- en varkensziekten.

Gedetailleerde plannen voor de bouw van een mond- en klauwzeerlaboratorium, dat
op een afstand van de rest van het onderzoek-complex zal hggen, zijn bijna gereed.
„Onderstepoort kan thans gerekend worden tot de modernste onderzoeklaboratoria
voor dierenziekten ter wereld", verklaarde Dr. F r e a n.

Zuid Afrikaanse Koerier.

-ocr page 934-

Nieuwe inzichten in de structuur van de kop

New ideas about the structure of the head

door D. M. BADOUX1)

Uit het Veterinair Anatomisch Instituut van de Faculteit der
Diergeneeskunde.

I. Inleiding

Gedurende de laatste decade is er een verheugende opleving van de in-
teresse in de funktionele anatomie waar te nemen onder allen die zich
prakdsch of theoretisch bezighouden met de rehabilitatie van het bewe-
gingsapparaat.

Voor zover het de humane orthopaedie betreft is dit vooral te danken aan
het baanbrekende werk van P a u w e 1 s. Ook in de anatomie van het
dierlijk bewegingsapparaat is de tendens merkbaar om in de interpretatie
van de structuur, afwijkingen en ziekten van beenderen, gewrichten en
spieren een technisch-mechanisch element te introduceren. Bestond in de
tijd van Fick en Strasser, de grondleggers van de mathematisch
funktionele anatomie deze introducüe voornamelijk uit het metrisch vast-
leggen van gewrichtsexcursies, graden van bewegingsvrijheid, spierdoor-
sneden en spierkrachten, tegenwoordig heeft de anatoom methoden ter
beschikking die grotendeels ontleend zijn aan het technisch-natuurweten-
schappelijk onderzoek.

Wij denken bijv. aan het zichtbaar maken van druk- en trekspannings-
lijnen in plexiglas-modellen van beenderen door foto-elastisch onderzoek
en aan het meten van veranderingen in de gewrichtshoeken bij het bewe-
gende dier met behulp van elektrische miniatuur goniometers, de Elgon-
methode.

Hoewel de aandacht primair geconcentreerd werd op die delen welke min
of meer frekwent traumatisch geaffecteerd worden, heeft ook het theoreti-
sche aspect de nodige aandacht gekregen. Het is speciaal het theoretisch
onderzoek van de kopstructuur in het algemeen en van de schedel in het
bijzonder, waarvan het nuttig is om ook in veterinaire kringen nader kennis
te nemen.

Alvorens hierop nader in te gaan is het van belang te postuleren dat de
introductie van een mechanische beschouwingswijze in de funktionele ana-
tomie er geenszins toe leidt het organisme te interpreteren als een machine
waarvan alle onderdelen hun vorm ontlenen aan de mechanische eisen
die er aan gesteld worden zodat deze interpretatie dus het verlengstuk zou
worden van de laat 19de- en vroeg 20ste-eeuwse mechanistische wereld-
beschouwing. Een voorbeeld moge dit verduidelijken.

De Afrikaanse jachtluipaard, Acinonyx jubatus, kan bij het achtervolgen
\\ an zijn prooi een snelheid van ruim 100 km/uur behalen. Dit vereist een
mechanische aanpassing. Voor het
opsporen en lokaliseren van de prooi
zijn zintuigen en een zenuwstelsel nodig, voor het
doden en verorberen
een tand-kaakapparaat en een digestiesysteem. De structuur van een dier
is dus een compromis tussen de veelzijdige eisen die het milieu stelt en

1  Dr. D. M. Badoux; wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijksuniversiteit
te Utrecht; Bekkerstraat 141, Utrecht.

-ocr page 935-

daarvan vormen de mechanische eisen slechts één aspect. Deze overweging
impliceert dus de aanwezigheid van een beperkende factor bij de mecha-
nische interpretatie van een levende structuur.

De tweede limiterende factor schuilt in de aard van de (voort)beweging
zelf. Spieren zijn wat betreft hun mate van contractie oneindig variabel
zodat een beweging die resulteert uit de samenwerking van een groot aantal
spieren zeer ingewikkelde achtergronden kan hebben en lang niet altijd
mathematisch te analyseren is. Het opstellen van een diagram van de door
die spieren uitgeoefende krachten is dus slechts een benadering van de
werkelijke verhoudingen.

Blijkt echter dat er een overeenkomst is tussen de statica of dynamica
van een technische constructie en het analogon in het levende dier, dan is
de kans dat dit een zuivere toevalligheid zou zijn, zo gering dat men mag
besluiten dat de bouw van het betreffende orgaan een mechanische adap-
tatie vertoont.

II. Het funktioneel-anatomische beeld van de schedel

Zoals bekend bestaat de schedel uit een drietal delen: het primordiale
neurocranium
dat als een aanvankelijk kraakbenig kapsel hersenen en kop-
zintuigen omhult en een
splanchnocranium (visceraalskelet), waarvan de
elementen zich tegen de onderzijde van het eerste deel aansluiten. Tegen
beide delen voegt zich dan nog het
dermatocranium dat af te leiden is uit
de huidverbeningen zoals die bij lagere vertebraten voorkomen.
Beziet men dit geheel funktioneel-anatomisch dan blijkt:

1. de hersenschedel herbergt en beschermt hersenen en kopzintuigen;

2. de aangezichtsschedel beschermt eveneens kopzintuigen maar bevat
bovendien het tand-kaakapparaat. De door de aangehechte kauw-
spieren uitgeoefende intrinsieke schedelkrachten werken primair op
de elementen van de aangezichtsschedel doch planten zich secundair
voort naar aangrenzende elementen van de hersenschedel;

3. via de nek is de kop met de romp verbonden. De halswervels met de
nekspieren en eventueel het lig. nuchae dragen het gewicht van de
kop en zorgen voor de beweging daarvan. De belangrijkste buig- en
strekspieren van dit systeem zijn vastgehecht aan de elementen van
hersen- en aangezichtsschedel. Zij oefenen op deze elementen de
extrinsieke schedelkrachten uit.

Het bovenstaande voert tot de conclusie dat de schedel een ruimtelijke
legkaart van funktionele componenten is (v. d.
K 1 a a u w, 1947).

III. De struktuur van de funktionele componenten

Ijouwtechnisch gezien volgt uit het bovenstaande dat de schedel als ruim-
telijk lichaam:

1. bij een minimaal gebruik van materiaal een maximale inhoud moet
hebben (het voldoen aan de eis van voldoende bergruimte voor
hersenen, zintuigen en voordarm);

2. in staat moet zijn de bij nonnale fysiologische functie optredende
krachten op te nemen en met een zekere veiligheidsfactor weerstand
moet kunnen bieden aan hun deformerende invloed.

De ideale vorm van de onder 1 genoemde constructie is een bolvorm omdat
deze van alle ruimtelijke lichamen met gelijke inhoud het kleinste opper-
vlak heeft en dus de meest economische materiaal-investering biedt.

-ocr page 936-

De ideale vorm van de onder 2 genoemde construcde is een vakwerk,
waarvan het vlakke element een driehoek en het ruimtelijke element een
tetraëder is (zie fig. 1). De combinatie van deze beide, incongruente bouw-
elementen voert tot het ontstaan van dode ruimten, die op het eerste gezicht
geen funktionele betekenis lijken te hebben.

De werkelijke situatie is gecompliceerder omdat de organen die de kop
samenstellen onafhankelijk fylogenetisch kunnen veranderen. Zo zijn
grootte-veranderingen van de hersenen niet streng gecorreleerd met die
van de kaken, waardoor bovengenoemde incongruentie versterkt wordt.
Andere fylogenetische factoren zijn bijv. de volume-toename van de ogen
bij nachtdieren en de progressieve ontwikkehng van de grote hersenen door
de ne-encephalisatie bij de hogere zoogdieren. Beide laatste factoren beïn-
vloeden vooral de ruimte-eisen die aan de schedel gesteld worden. Daar-
naast ontspringt de M. temporalis als belangrijkste kauwspier aan de zij-
vlakte van de hersenschedel. Nu blijkt dat het hersenvolume vergeleken
met de lichaamsgrootte een vrij zelfstandige grootheid is, d.w.z. kleine
vormen van eenzelfde geslacht of soort hebben in verhouding tot hun
lichaam een groot, grote vormen daarentegen een klein hersenvolume.
De grootte van de aangezichtsschedel is echter vrij sterk gecorreleerd met
de lichaamsgrootte. Grote kaken hebben een sterke musculatuur nodig,
zodat er een discrepantie zou ontstaan tussen de door het hersenvolume
bepaalde, bij grote dieren vrij kleine afmeting van het hersenkapsel en
het voor de sterke kauwmusculatuur die aan de zijwand van dit kapsel
ontspringt, benodigde oppervlak.

-ocr page 937-

Vergroting van dit oppervlak kan op verschillende manieren bereikt
worden:

1. de platte beenderen die de hersenschedel vormen worden intensief
gepneumatiseerd en wel overwegend vanuit de sinus frontalis. In
extreme gevallen zien wij dat de tabula interna zich wat betreft
zijn topografie houdt aan de grondvorm van de hersenschedel, de
tabula externa daarentegen een geheel ander verloop heeft (bijv.
in de schedel van
Elephas maximus, zie fig. 2);

2. de oorsprongszone van de M. temporalis wordt vergroot door
vorming van cristae sagittales en -nuchales. De oorsprong van de
M. temporalis, de linea temporalis, wordt door de sterke ontwikke-
hng van deze spier naar boven verschoven tot hij samenkomt met
die van de andere zijde en zij gezamenlijk overgaan in de aan-
hechtingsvlakken van de nekspieren aan de occipitale zijde. In de
scheidende septa fibrosae wordt been afgezet waardoor de bekende
schedelkammen ontstaan die zelf weer de materiële basis vormen
van het onder 2 vermelde vakwerk (zie fig. 3).

IV. De sinus paranasales en de luchtzakken

Lang heeft men gepoogd de sinus paranasales te betrekken bij en hun
aanwezigheid te verklaren uit hun functie bij het ademapparaat en het is
daarom dat hun bespreking in de anatomische leerboeken traditioneel onder
dit hoofdstuk plaatsvindt. Hetzelfde geldt voor de luchtzakken van de
Perissodactyla (paarden, tapirs, neushoorns).

Uitgaande van bovenvermelde incongruentie van de funktionele schedel-
componenten hebben Klatt (1912, 1949), Weidenreich (1924)
en Hof er (1965) voor de primatenschedel en Badoux (1966) voor

-ocr page 938-

de schedel van paard, hond en varken aangetoond dat de sinus paranasales
daar voorkomen waar funktionele gebieden van de schedel aan elkaar
grenzen.

De situatie bij paard en hond is geschetst in de fig. 4 en 5. In verband
met het herbergen van het sterk geplooide neusslijmvlies en het gevraagde
volume voor luchttransport zou dc vorm van dc transversale doorsnede van
de neusholte (rekening houdend met een vlak palatum durum) een halve
cirkel moeten zijn. De sterke kauwdruk die opgenomen moet worden in
het gebied van de achterste molaren vereist in dezelfde doorsnede een
driehoekconstructie. De incongruentie van beide elementen voert tot dode
ruimten aan de laterale en dorsale zijde, juist daar waar de sinus, resp.
recessus ma.xillaris en de sinus conchofrontalis gevonden worden. De sinus
zijn daarom in eerste instantie modellerende elementen die
grondvorm en
functionele vorm van de schedelcomponenten tot een vloeiend geheel ver-
binden en die bovendien de componenten onderling tot één geheel, de
schedel, samenvoegen. De intrinsieke en extrinsieke krachten worden door
de wanden van de sinus voortgeplant en opgenomen.
Ontogenetisch ontstaan de sinus paranasales als uitstulpingen van het
mucoperiost tussen de tabulae van de platte beenderen. In wezen treffen

-ocr page 939-

B

Fig. 4.

A. Schedel van Schotse collie. De kauwdruk is maximaal tussen P^ en M\\, de
knipkiezen. De neusholte boven dit gebied toont een vakwerkstructuur (fig. 4 B)
die gecombineerd is met een half-cirkelvormige doorsnede. De dode ruimte tussen
beide figuren herbergt het canalis infra-orbitalis (ci).

wij deze situatie oolv aan bij de luchtzakken der Perissodactyla die immers
lutzakkingen zijn van de tuba Eustachii en zich daar bevinden waar één
\\an de funktionele componenten (nl. de onderkaak) zich tegen een andere,
de schedelbasis met het gehoororgaan, aanvoegt. De vraag rijst nu waarom
luchtzakken alleen bij
Perissodactyla, klipdasjes en hertzwijneu voorkomen.
Men bedenke dat de funktionele componenten \\an de schedel fylogenetisch
onafhankelijk variabel zijn, m.a.w. een bepaalde morfologische grondvorm
die genotypisch is vastgelegd varieert binnen een bepaalde systematische
categorie en dit geldt voor elke funktionele component. De bij
Perissodactyla
N\'oorkomende incongruentie leidde in dit geval naast het ontstaan van sinus
paranasales ook tot de vorming van luchtzakken die bovendien bepaald
werd door de allometrische groeiverhouding tijdens de evolutie van de
paardeschedel. De samenhang tussen het voorkomen van luchtzakken bij
Equidae, Tapiridae, Rhinocerotidae, Hyracoidae en Babyrousa en de ver-
meende grote excursiemogelijkheid van het atlanto-occipitaalgewricht
zoals die door Richter (1923) is aangevoerd, is niet steekhoudend aan-
gezien deze bewegingsmogelijkheden ook bij tal van zoogdieren voorkomen
die geen luchtzakken hebben.

-ocr page 940-

Fig. 5.

Doorsnede door een paarde-schedel ter hoogte van M^. De combinatie van drie-
hoek en halve cirkel voert tot dode ruimten aan de laterale zijden, waarin zich

de sinus maxillaris oralis ontwikkeld heeft (smo).
Een doorsnede door dezelfde schedel maar nu net caudaal van M^. De half-
cirkelvormige structuur krijgt de overhand. Dode ruimten aan de laterale (sinus
maxillaris aboralis, gescheiden van de voorste kaakboezem door het septum
intermaxillare, si) en dorsale zijde (sinus conchae dorsalis, scd).
cf = crista facialis, cn = cavum nasi

A.

B.

-ocr page 941-

V. Conclusies

Resumerend kunnen wij zeggen dat de schedel een drie-dimensionale leg-
kaart is van funktionele componenten. De grondvorm van deze componen-
ten ligt genotypisch vast en kan gewijzigd worden door soortspecifieke
constructie-eisen welke uiteindelijk door het milieu bepaald worden. Eén
van die eisen is zonder twijfel een mechanische (kauwdruk, ophanging van
de kop). De compromis-structuur van de funktionele componenten leidt tot
incongruentie waardoor in hun raakgebieden dode ruimten ontstaan die
sinus paranasales en eventueel luchtzakken kunnen herbergen. Hun functie
is primair een modellerende doordat zij de componenten tot één vloeiend
geheel verbinden en secundair een mechanische, doordat hun wanden
krachten geleiden en opnemen.

SUMMARY.

Summarizing, the skull can be said to constitute a three-dimensional jigsaw-puzzle
made up of functional components. The basic form of these components is genotypi-
cally determined and may be modified by specific requirements of construction, which
are ultimately determined by invironmental factors.

One of these requirements is undoubtedly mechanical (masticatory pressure, suspen-
sion of the head). The compromise structure of the functional components results
in incongruence and dissimilarity so that dead spaces appear in their tangent areas,
which may lodge paranasal sinuses and air sacs, if any. Their function primarily
is a modelling one as they unite the components into a whole and, secondly, a
mechanical one as their walls conduct and absorb forces.

RÉSUMÉ.

En résumant on peut dire que le crâne est un puzzle à trois dimensions, de composan-
tes fonctionnelles. La forme primordiale de ces composantes est établie génotypique-
ment et peut être modifiée par des exigences de construction spécifiques à l\'espèce
qui sont déterminées définitivement par le milieu.

Une de ces exigences est sans doute une exigence mécanique (pression de la
mastication, suspension de la tête). La structure-compromis de composantes fonction-
nelles mène à une incongruence qui crée dans les régions de tangence des espaces
mortes qui peuvent héberger des sinus paranasales et éventuellement des poches
d\'air. En premier lieu leur fonction est de modeler les composantes, les reliant afin
de former un ensemble fluide et en second lieu elle est mécanique par ce que leurs
parois conduisent et absorbent des forces.

ZUSAMMENFASSUNG.

Zusammenfassend lässt sich sagen, der Schädel sei ein dreidimensionales Legespiel
aus funktionellen Komponenten. Die Grundform dieser Komponenten liegt geno-
typisch fest und kan durch artspezifische Konstruktionsanforderungen, die letzten
Endes von der Umwelt bedingt werden, geändert werden.

Eine dieser Anforderungen ist ohne Zweifel eine mechanische (Kaudruck, Auf-
hängung des Kopfes). Die Kompromisstruktur der funktionellen Komponenten führt
zur Inkongruenz, wodurch in ihren Berührungsgebieten tote Räume entstehen, welche
Sinus paranasales und etwa Luftsäckc enthalten können. Ihre Funktion ist primär
eine modellierende, indem sie die Komponenten zu einem flüssigen Ganzen vereinigen,
und sekundär eine mechanische, indem ihre Wände Kräfte leiten und aufnehmen.

RESUMEN.

Resumiendo uno puede decir que el craneo es un acertijo en forma tres-dimensionales,
de componentes funcionales. La forma basica de estos componentes esta fijada

-ocr page 942-

genotipica, y se puede modificar la por aceiones de construceion espeeificos del
genero, las cuales estan determinadas definitivos por el ambiente.
Unas de estas exigencias es sin duda una accion mecanica (opresion de masticar,
colgacion de la cabeza),

La estructura compromisa de los componentes funcionales lleve al inconcruenda, por
lo cual en sus regiones de contacto, pueden originarse cabidas muertas, las que pueden
alojar sinus paranasales y eventual receptaculos de aire. Su funcion es primario uno
de modelar, reunidiendo los componentes en una unidad corriente, y secundario una
funcion mecanica, porque sus paredes conducen y regogen fuerzas.

LITERATUUR

Badoux, D. M.: Framed structures in the mammalian skull. Acta Morph. Neerl.

Scand., VI, 3, (1966).
F i c k, R. : Handbuch der Anatomie und Mechanik der Gelenke. G. Fischer, Jena,
1905-1911.

H of er. H.: Die morphologische Analyse des Schädels des Menschen. In: Mensch-
hche Abstammungslehre, Fortschritte der Anthropogenic, herausgeb. von G. He-
berer. G. Fischer, Stuttgart 1965.
K 1 a a u w, G. J. v. d.: Skelet en spieren van de kop, In; I h 1 e, J. E. W. Leerboek
der vergelijkende ontleedkunde van de vertebraten, I. Oosthoek Utrecht, 1947.
K 1 a 11, B. : Die theoretische Biologie und die Problematik der Schädelform.
Biol.

S. Ber. Ges. Naturforsch. Fr. Berlin, 1912.
K 1 a 11, B. : Die theoretische Biologie und die Problemadek der Schädelform.
Biol.
Gen.,
19, 1949.

P a u w e 1 s, F. : Gesammelte Abhandlungen zur funktionellen .Anatomie des Bevvfe-

gungsapparatcs. Springer, Berlin, Heidelberg, New York, 1965.
Richter, H.: Physiologische Bedeutung und Erklärung des Luftsackes (divertix
tubae auditivae Eustachii) bei Equide, und verwanten Tierarten (Tapiren, Rhino-
ceren, Hyracoiden) und bei Babirussa.
Schweiz. Arch. Tierheilk., (2), (1923).
S t r a s s e r, H. : Lehrbuch der Muskel und Gelenkmechanik. J. Springer, Berlin
1908-1917.

Weidenreich, Fr.; Über die pneumatischen Nebenräume des Kopfes. Zschr.
Anat. Entw. Gesch.,
72, 1924.

„Wol" van andere dieren dan schapen

Verwonderlijk, in het bijzonder voor een van de voornaamste wol producerende landen
is dat de „New Zealand Wool Board" in de wetgeving opgenomen probeert te krijgen,
dat bepaalde haarsoorten van dieren, inclusief mohair, „wol" genoemd mogen worden.
De andere haarsoorten zijn cashmere, camel en het haar van de llama, alpaca en
vicuna. Maar deze wijziging in het beleid moet als voordelig voor de wol industrie
beschouwd worden. De betreffende vezels zijn „zeldzaam". Ze zijn duur en worden
gewoonlijk gebruikt om glans te geven en belangstelling voor de textiel op te wekken.
Stoffen die deze haren bevatten zijn modieus en vertonen meer glans.
In vier andere landen — .Australië, Zuid .Afrika, België en Zwitserland — worden
ze onderscheiden van wol.

Deze in Nieuw Zeeland ondernomen poging heeft reeds de steun van boeren cn
commerciële instellingen.

New Zealand agriculture News 7166.

-ocr page 943-

The contributions ot the epididymides and acces-
sory glands to bull ejaculates after two-sided
vasectomy or lacking glandulae vesiculares

(Preliminary communication)

by J. G. AALBERS1)

1. Introduction

The main quantitative contribution to the ejaculate of a normal bull is
derived from the epididymides, the glandulae vesiculares and the glan-
dulae urethrales.

The characteristic component of the epididymal contribution to the ejacu-
late consists of the spermatozoa. The characteristic substances contributed
by the glandulae vesiculares and the glandulae urethrales are fructose and
chloride, respectively. The concentrations of these elements in the products
as such of each of these organs remain constant in six successive ejaculates
collected from the same bull.

The clear fluid that is often produced just preceding ejaculation comes
from the urethral glands.

The contributions of the epididymides and accessory glands can be deter-
mined in each ejaculate. It is also possible to derive the spermatozoan
concentration in the epididymal product, the fructose concentration in the
.secretion of the glandulae vesiculares and the chloride ion concentration
in the secredon of the urethral glands. To this purpose some of the
secretion of the urethral glands must be sampled separately prior to
collecting six ejaculates in immediate succession. The secretion of the
urethral glands is analysed for chloride ion concentration. In the successive
ejaculates sperm density is determined first, then the spermatozoa are
separated by centrifugation and the chloride ion and fructose concen-
trations are determined in the spernatant (A a 1 b e r s, 1966).
If in a bull either the glandulae vesiculares or the urethral glands are
lacking, each ejaculate will only consist of contributions of the epididy-
mides and either the glandulae urethrales or -vesiculares. If both epidi-
dymides are disconnected the ejaculate will be composed of secretions of
the glandulae urethrales and -vesiculares. The concentrations of die char-
acteristic components in six successive ejaculates from such bulls must
show a negative linear correlation. This has been tested experimentally
with a vasectomised bull and a bull born without glandulae vesiculares.

2. Materials and methods

2.1 Experiment with a vasectomised bull

The experiment was performed with a five years old bull of Dutch-
Friesian breed.

According to Mann (1956) the observed increase of fructose content of
semen resulting from two-sided vasectomy should be in excess of what could
be expected on account of the missing epididymal contribution. Therefore
the order of magnitude of the epididymal contribution to the ejaculates

1  Drs. J. G. Aalbcrs; research scientist at the Dept. of Reproduction and A.I. of

the Institute of Animal Husbandry „Schoonoord"; Oostbroekselaan 62, Utrecht
(the Netherlands).

-ocr page 944-

was determined during a three months period preceding vasectomy, and
fructose and chloride ion concentrations in the pure secretions of the
glandulae vesiculares and -urethrales, respectively, as well. These analyses
were performed seven times at fortnight intervals.

For each series of analyses six ejaculates were collected and the concen-
trations of spermatozoa, fructose and chloride ions were determined in
each of them. In addition, chloride ion concentration was determined in
the separate secretion of the urethral glands. Calculation of the results
followed the same lines as described in a previous paper (Aalbers,
1966).

Vasectomy*) was performed directly following collection of the final
series of six ejaculates at the same day. Both vasa deferentia were ligated
at two sites at an interval of one cm, followed by cutting away the part
in between.

After the vasectomy the series of analyses was continued during three
months in the same way as in the period preceding surgery.

2.2 Experiment with a bidl bom without glandulae vesiculares

These investigations were performed with a three years old bull of Dutch-
Friesian breed in which by rectal exploration no glandulae vesiculares
could be demonstrated.

Preceding the specific investigations it was tested whether the lack of
glandulae vesiculares could be confirmed by the chemical composition of
the ejaculates.

For investigation the correlation between sperm density and chloride ion
concentration three series of analyses were performed. In each series after
sampling of some pure secretion of the urethral glands about six ejaculates
were collected, in which sperm densities were determined absorptiometri-
cally and — after removal of the spermatozoa by centrifugation — the
chloride ion concentrations.

Table 1.

Volume of ejaculates and contributions of the epididymides.

Date

Volume

Contribution of

the epididymides

First

Second

to 1 ml of first

to 1 ml of second

ej.

ej.

ejaculate

ejaculate

1965

(ml)

(ml)

27/4

3.4

2.9

0.357

0.428

11/5

8.4

5.2

0.617

0.536

25/5

3.4

4.4

0.551

0.511

8/6

4.3

3.6

0.462

0.412

22/6

5.1

3.7

0.408

0.209

6/7

4.7

3.1

0.471

0.343

20/7

2.9

3.4

0.464

0.522

Average

4.60

3.75

0.476

0.423

*) The vasectomy was executed by Dr. A. W. K e r s j e s of the Surgical Department,
Veterinary Faculty of Utrecht, State University.

-ocr page 945-

Fructose concentrations were determined after Roe (1934) and Mann
(1948). Chloride ion concentrations were analysed after Schales and
Schales (1941). For ascertaining the amounts of glyceryl-phosphoryl-
choline (GPC) Renkonen\'s (1962) method was employed.

3. Results and discussion

3.1 Investigations with a vasectomised bull

3.1.1 Prior to vasectomy

Results of determination of the amount of the contribution of the epidi-
dymides to first and second ejaculates are summarized in table 1.
As demonstrated by this table the average volume of first and second
ejaculates was 4.60 and 3.75 ml, respectively. The corresponding amounts
derived from the epididymides are 4.60 x 0.476 ml = 2.18 ml and 3.75
x
0.423 ml = 1.58 ml. Accordingly it may be expected that as a result of
the vasectomy the mean volumes of the first and second ejaculates will
decrease to approximately 4.60 ml — 2.18 ml = 2.42 ml and 3.75 ml —
1.58 ml = 2.17 ml.

Fructose concentrations in the secretions of the glandulae vesiculares and
chloride ion concentrations in those of the glandulae urethrales as found
are included in table 2.

Table 2.

Concentrations of fructose and chloride ion in pure secretions of the
glandulae vesiculares and glandulae urethrales.

Date

Fructose

Chloride ion

1965

(mg%)

(mg-%)

27/4

1259

514

11/5

1262

502

25/5

1037

510

8/6

1001

504

22/6

1014

520

6/7

1033

497

20/7

988

510

It is noted that fructose concentration decreases with time. Chloride con-
centration in the secretion of the glandulae urethrales remains constant.

Table 3.
Linear correlation coefficients.
Fructose concentration X Chloride ion concentration.

Date

Linear correlation

P

1965

coefficient

3/8

— 0.998

< 0.001

17/8

— 0.997

< 0.001

31/8

— 0.987

< 0.001

14/9

— 0.989

< 0.001

28/9

— 0.990

< 0.001

12/10

— 0.983

< 0.001

26/10

— 0.981

< 0.001

-ocr page 946-

3.1.2 After vasectomy

For each series of six successive ejaculates the hnear correlation coeffi-
cients betvifeen concentrations of fructose and chloride ions were calcu-
lated. Results are summarized in table 3.

The extremely high linear correlation coefficients prove the correctness
of the starting hypothesis that after exclusion of the epididymal con-
tribution the ejaculates are composed quantitatively from the varying
relative contributions of the glandulae vesiculares and -urethrales.

ms^tnl 8 00

o
z
u

. mg/ml

2,00 4,00

Fructose concentration

6,00

8,00

10.00

12.00

fig- 1-

Relationship between chloride ion and fructose concentrations.

Table 4.

Concentrations of fructose and chloride ions in the secretions of the
glandulae vesiculares and glandulae urethrales.

Date

Fructosc concentration

Chloride ion

concentration

in the secretion of the

in the secretion of the

glandulae vesiculares

glandulae urethrales

Calculated

Calculated

Measured

1965

(mg%)

(mg%)

(mg%)

3/8

1147

523

517

17/8

1044

490

518

31/8

880

504

515

14/9

932

532

513

28/9

789

543

532

12/10

865

539

500

26/10

735

533

515

Average

523

515

-ocr page 947-

The ratio of fructose and chloride ion concentrations of each series of six
ejaculates can be represented graphically, too. Fructose concentrations
have been set off on the abscissa and chloride concentrations on the
ordinate axis. Obviously the result is a straight line (Fig. 1). Extrapolation
to the left and to the right yields the concentrations of chloride ions and
fructose in the separate secretions of the glandulae urethrales and the gian-
dulae vesiculares. However, the chloride ion concentrations in the secre-
tions of the urethral glands were determined directly, too. Results are
shown in table 4.

The chloride ion concentrations determined by direct chemical analysis
agree within measuring error with the values derived from the regression
equation of the correlation between chloride ion and fructose concen-
tration

The average volumes of the first and second ejaculates were 2.55 ± 0.31
(S.D. = 0.84) ml and 2.02 ± 0.34 (S.D. = 0.90) ml, respectively, which
appears in good agreement with the calculated values of 2.41 ml and 2.17
ml. Consequently, the observed decrease of ejaculate volume following
vasectomy can be explained as a result of the removal of the epididymal
contributions.

mgAnI 20,

DO

18,

00

16

00

00

12.

00

00

%

r 8.

00

a>

u

§ 6.

u

00

Si 4

o

00

00

1965 27/tl 11^ 25/fe 8/6 22^ 6/7 20/7 3/8 17/13 31^ 14/9 23/^ 12/10 26/10 T.

Fig. 2.

Fructose concentrations in the pure secretion oj the glandulae vesiculares.

The fructose content of ejaculates collected after vasectomy must increase
because the secretions of the glandulae vesiculares and other accessory
glands arc not diluted further by admixture of the epididymal product.
However, decrease of fructose content of the secretion of the glandulae
vesiculares appears to continue even after vasectomy. (Fig. 2). Con-
sequently, the expected rise of fructose concentration in the ejaculates
after vasectomy is less than should be derived from the decrease of ejacu-
late volume. However, comparison of the average fructose concentration
of the first ejaculates (197 ± 22 (S.D. = 59) mg%) preceding vasectomy

-ocr page 948-

with that afterwards (501 ± 25 (S.D. = 67) mg%) shows that the
increase is not less, but even very much more, the average volume of the
first ejaculates decreasing with a factor 4.60/2.55 = 1.8, whereas the
average fructose concentration of these ejaculates increases with a factor
501/197 = 2.5. This phenomenon appears to be due to a change of the
relative contributions of the glandulae vesiculares and the glandulae
urethrales to the ejaculate. Prior to the vasectomy the ratio of these
secretions in the first ejaculates was on the average 0.56 ±0.12 (S.D. =
0.33), whereas following vasectomy this ratio was 1.27 ± 0.15 (S.D. =
0.42), demonstrating an increase of the relative contribution of the glan-
dulae vesiculares as compared to that of the glandulae urethrales. The
same reasoning holds for the second ejaculates collected prior to and
following after vasectomy, but to a smaller extent. In further ejaculates
the proportions remain approximately of the same order of magnitude.

3.2 Experiments with a bull without glandulae vesiculares

If in a bull the glandulae vesiculares are lacking there will be two conse-
quences for the ejaculate:

(i) Apart from a decrease of ejaculate volume, the characteristic product
of these glands — fructose — will nearly vanish from the ejaculate;

(ii) The concentrations of all components derived from other organs will
increase, owing to the omission of the product of the glandulae
vesiculares.

Analysis of a great number of first ejaculates yielded the following results,
(table 5).

Table 5.

First
ejaculates

n

Obtained values

S.D.

Alleged normal values in semen
(Mann, 1964)

Volume

66

1.2 ± 0.2 ml

0.4

4 ml

Fructose

concentration

12

19.7*) 5 mg%

17

540 mg%

Spermatozoan

concentration

64

154 6 X 107/ml

42

100 X 107/ml

G.P.C.

content

3

433») — 535*) — 570*) mg?

i

350 mg%

Chloride ion

concentration

18

397*) ± 12 mg%

52

143*) ± 21 (S.D. = 72)mg%l)

*) In seminal plasma.

After personal investigations of eleven first ejaculates of four bulls.

These results agree completely with what may be expected on account of
the missing glandulae vesiculares. That still slight amounts of fructose
occur might point to the presence of some rudimentary vesicular gland
tissue. Another explanation could be the presence of a second source of
fructose, such as the ampullae, but such source must then be of negligible
extent when the low fructose content of the ejaculate, notwithstanding
the lower dilution rate due to the lack of any contribution of vesicidar
glands, is considered.

Calculation of the linear correlation coefficients between sperm densities
and chloride ion concentradons for each series of six successive ejaculates
yielded the following results:

-ocr page 949-

Table 6.

Linear correlations between sperm density and chloride ion concentrations.

Date

r

P

1965

14/9

— 0.936

< 0.01

12/10

— 0.978

< 0.01

21/12

— 0.927

< 0.01

The magnitudes of these correlation coefficients confirm that in case of
lacking vesicular gland secretions the quantity of the ejaculate is built up
from the contributions of the epididymides and the urethral glands.
The chloride ion content of the pure secretion of the urethral glands may
be obtained by extrapolation and compared with the concentrations found
by direct chemical analysis. Results were as follows (table 7).

Table 7.

Spermatozoan concentration in epididymal contribution and chloride ion
concentration in contribution of the glandulae urethrales.

Date

Calculated

Calculated

Chloride ion

spermatozoan

chloride ion

concentration

concentration

concentration

in glandulae urethrales

in epididymal

in urethral

secretion after chemical

contribution

gland secretion

analysis

1965

IQVml

mg%

mg%

14/9

587

534

535

12/10

528

551

502

21/12

529

576

518

Average

552

518

Apparently there is reasonable agreement between the chloride concentra-
tions as calculated theoretically and those actually found by direct che-
mical analysis, in accord with the expectance.

Acknowledgements.

The author wishes to express his thanks to Dr. A. W. K e r s j e s of the Surgical De-
partment, Veterinary Faculty of Utrecht State University, for the expert execution
of the vasectomy; to Drs. W. J. S m i d t, veterinarian of the Animal Health Service
in the Province of Overijssel, who mediated in obtaining a bull without glandulae
vesiculares ; to Mrs. E. A. Aalbers-Smit and Mr. J. van Nimwegen for
their accurate execution of the experiments, and to his collègue G. v a n D u ij n, Jr,
F. R. M. S., M.I. Biol., A. Inst. P., Head of the Biophysics Department of our
Institute, for going critically through the manuscript and editing the English text.

SUMMARY.

The contributions of the products of the epididymides and accessory sex glands to the
ejaculates from a two-sided vasectomised bull and from a bull without glandulae
vesiculares have been investigated.

The ejaculates of the vasectomised bull were shown to consist of the secretions of the
glandulae vesiculares and -urethrales.

-ocr page 950-

The ejaculates of the bull with lacking glandulae vesiculares consisted of the products
of the epididymides and the glandulae urethrales.

SAMENVATTING.

In een vroeger onderzoek werd aangetoond dat het volume van een stieren ejaculaat
in quandtatief opzicht gevormd wordt uit de bijdragen van epididymides, glandulae
vesiculares en -urethrales. De consequentie hiervan is, dat bij een gevasectomeerde
stier en een stier zonder glandulae vesiculares de ejaculaten uit de bijdragen van
slechts twee organen gevormd worden. Er moet dan een negatieve lineaire correlatie
bestaan tussen de concentraties van de voor deze organen karakteristieke bestand-
delen in een serie opéénvolgende ejaculaten. Eén en ander werd experimenteel
getoetst.

Inderdaad werden zeer hoge negatieve correlaties gevonden tussen de fructose en
chloride concentraties in zes opéénvolgende ejaculaten van een gevasectomeerde
stier en tussen de spermatozoa en chloride concentraties in zes opéénvolgende ejacu-
laten van een stier zonder glandulae vesiculares.

Bij beide stieren werd een goede overeenstemming gevonden tussen de uit het lineaire
verband berekende en de rechtstreeks bepaalde chloride concentraties in de zuivere
afscheiding van de urethrale klieren.

De optredende ejaculaat-volume vermindering tengevolge der vasectomie werd geheel
verklaard uit het wegvallen van de bijdrage van de epididymides. De stijging van de
fructose concentratie werd hierdoor slcchts tendele verklaard. De meerdere stijging
bleek het gevolg te zijn van een verschuiving van de mengverhouding van de bijdragen
van de glandulae urethrales en -vesiculares tengunste van laatst genoemde.

RÉSUMÉ.

Dans un examen antérieur on a démontré que le volume d\'un éjaculat de taureau est
formé quantitativement par les contributions des épididymes, des glandes vésiculaires
et urétrales.

Il en suit que o\'un taureau ayant subi une vasectomie et d\'un taureau sans glandes
vésiculaires, les éjaculats sont formés de contributions dc seulement deux organes.
Il faut alors qu\'il existe une corrélation linéaire négative entre les concentrations
des éléments caractéristiques pour ces organes dans une série d\'éjaculats consécutifs.
Le tout a été contrôlé par des expériences.

Des corrélations négatives très élevées ont en effet été trouvées entre les concentrations
de fructose et de chloride dans six éjaculats consécutifs d\'un taureau ayant subi une
vasectomi et entre les concentrations de spermatozoïdes et de chloride dans six
éjaculats consécutifs d\'un taureau sans glandes vésiculaires.

Chez les deux taureaux on trouva une bonne concordance entre les concentrations
de chloride calculées linéairement et celles déterminées directement dans la sécrétion
pure des glandes urétrales.

La diminution de l\'éjaculat qui se présenta par suite de la vasectomie a été entière-
ment expliquée par la suppression dc la contribution des épididymes. Elle n\'explique
que partiellement l\'augmentation dc la concentration de fructose. L\'augmentation
plus grande parut être la conséquence d\'un changement des proportions de mélange
des contributions des glandes urétrales et vésiculaires en faveur des dernières.

ZUSAMMENFASSUNG.

In einer früheren Untersuchung wurde nachgewiesen, dass das Volumen des Stier-
ejakulates in quantitativer Hinsicht aus den Beiträgen der Epidydimides, Glandulae
vesiculares und -urethrales gebildet wird.

Die Folgerung hieraus ist, dass bei einem vasectomierten Stier und einem Stier
ohne Glandulae vesiculares die Ejakulate aus Beiträgen von nur zwei Organen
gebildet werden. Es muss also eine negative lineare Korrelation zwischen den
Konzentrationen der für diese Organe charakteristischen Bestandteile in einer Serie
von aufeinanderfolgenden Ejakulaten vorhanden sein. Das eine wie das andere wurde

-ocr page 951-

experimentell erprobt. Tatsächlich wurden sehr hohe negative Korrelationen zwischen
den fructosen und
Chloriden Konzentrationen in 6 aufeinanderfolgenden Ejakulaten
eines vasectomierten Stieres und zwischen den Spcrmatozoen und
Chloriden Konzen-
trationen in 6 aufeinanderfolgenden Ejakulaten eines Stieres ohne Glandulae
vesiculares nachgewiesen.

Bei beiden Stieren wurde in der sauberen Absonderung der urethralen Drüsen eine
gute Ubereinstimmung zwischen den aus dem linearen Verband berechneten und
den direkt bestimmten
Chloriden Konzentrationen gefunden.

Die als Folge der Vasectomie auftretende Verminderung der Ejakulate fand in dem
Beitragsausfall der Epidydimides ihre vollkommene Erklärung. Die Steigerung der
Fructosekonzentradon wurde hierdurch nur teilweise erklärt. Die erhöhte Steigerung
schien die Folge einer Verschiebung des Mischungsverhältnisses der Beiträge von
Glandulae urethrales und -vesiculares zu Gunsten des letzteren zu sein.

RESUMEN.

Se ha demostrado en una invesdgacion anteriormente, que el volumen de un eyaculado
de un toro es formado bajo aspecto cantidativo por las contribuciones de los epididi-
mos, las glandulas vesiculares y las urietras. Por consecuencia, los eyaculados de un
toro vasectoma.lo y de un toro sin glandulas vesiculares, son formados solamente
por las contribuciones de dos organos.

Entonces hay que existir una correlacion negativa linearia, entre las concentraciones
de elementos carateristicos para estos organos en una serie de eyaculados consecutivos.
Esto fue comprobado experimentalmente. De veras muy altas concentraciones nega-
tivas fueron encontrados entre las concentraciones de fructosa y clorido en 6 eyacula-
dos consecutivos de un toro vasectomado y entre las concentraciones de spermatozoas
y clorido en 6 eyaculados consecutivos de un toro sin glandulas vesiculares. En ambos
toros se encontro una concordancia buena entre las concentraciones de clorido, une
calculada fuera de su correlacion linearia, otra calculada directamente en la secrecion
pura de las glandulas urietras.

La disminucion del eyaculado que ocurrio a consecuencia de la vasectomia fue
aclarada compléta, porque la contribucion del epididimo faltaba. El aumento de la
concentracion de fructosa no se pudo aclarar completo. El aumento superior fue la
consecuencia de una mudanza entre la relacion de las contribuciones de las glandulas
urietras y las gl.indulas vesiculares. al favor de dicho uldmo.

REFERENCES.

a 1 b e r s, J. G.: The contribudon of the epididymis and the main accessory glands
to ejaculates of bull semen.
Int. J. Fertil, 11, 7, (1966).
Mann, T. : Fructose content and fructolysis in semen. Pracdcal application in the

evaluation of semen quality. J. Agric. Sci., 38, 323, (1948).
M a n n, T. : Male sex hormone and its role in reproduction. Rec. Progr. Horm. Res.,
12, 353, (1956).

Mann, T. : The Biochemistry of Semen and of the Male Reproductive Tract, 2nd

edn., Methuen, London (1964).
Renkonen, O.: Determination of glycerol in phosphatids.
Biochim. Biophys. Acta,
56, 367, (1962).

Roe, J. H.: A colorimetric method for the determination of fructose in blood and

urine. /. Biol. Chem.^ 107, 15, (1934).
Schales, O. and Schales, S. S. : A simple and accurate method for the deter-
mination of chloride in biological fluids.
]. Biol. Chem., 140, 879, (1941).

-ocr page 952-

De bedrijfsgrootte in de meilcveehouderij

The magnitude of dairy cattie farms

door Th. STEGENGA1)

Inleiding

Allerwege is de discussie rondom schaalvergroting gaande, niet in het
minst in de veehouderij.

Er is in de laatste jaren literatuur verschenen die dit vraagstuk van de
diergeneeskundige en veeteeltkundige zijde behandelt, waarbij over het
algemeen de grote eenheden in de pluimveeteelt en de varkensteelt meer
aandacht hebben gehad dan die in de rundveeteelt.

Het vraagstuk over de grote en de kleine bedrijven, speciaal in de melk-
veehouderij, heeft zoveel facetten en is veelal dermate bewogen dat het
niet juist zou zijn om in deze beschouwing ons uitsluitend met de tech-
nische zijde bezig te houden en aan al dat andere stilzwijgend voorbij te
gaan. De plattelands-dierenarts is in die andere facetten ongetwijfeld ook
sterk geïnteresseerd en voelt zich er zelfs bij betrokken omdat hij dagelijks
met de problemen rondom dit vraagstuk wordt geconfronteerd.

De toestand in Nederland

Was het aantal bedrijven met melkkoeien in Nederland rond 1950 nog
210.000, in 1965 was het reeds gedaald tot ca. 155.000. Het gemiddeld
aantal melkkoeien per bedrijf is tegelijkertijd gestegen van 7.5 tot bijna 11.
Maar er worden op meer dan de helft van de bedrijven nog geen 10 koeien
gemolken. Zelfs in de zuivere weidestreken waar vrijwel geen neven-
inkomsten zijn, heeft nog meer dan 30% van de bedrijven minder dan 10
melkkoeien,
(Nieuwe bedrijfssystemen, Publ. no. 9, 1965). Om een redelijk
arbeidsinkomen te hebben zullen echter in de komende jaren 20-25 koeien
per bedrijf door één man moeten worden verzorgd (E v e r t s, 1966; R ij s-
s e n b e e k, 1966).

Dat de inkomsten vaak gering zijn leren o.a. de L.E.I. cijfers. In 1962/63
verdiende ruim 60% der boeren op de weidebedrijven als ze 50 uur per
week zouden werken en in 1963/64 ca. 55%, minder dan een landarbeiders-
loon
(Alg. Dagblad, 24-7-\'65).

Door de vlucht uit de veehouderij heeft Nederland momenteel overwegend
éénmansbedrijven en deze hebben, zoals elders wordt betoogd, toch wel
ernstige bezwaren. Kleine bedrijven met minder dan 10 koeien verdwijnen
vrij snel, maar grote, met laten we zeggen meer dan 50 melkkoeien, nemen
niet snel toe. Het aantal bedraagt in Nederland nog maar ruim 400
(West ra, 1966). Dit aantal is evenwel belangrijk genoeg om aan een
ontwikkeling in die richting aandacht te schenken.

In andere landen: de Verenigde Staten, Engeland, N.-Zeeland en ook in
de communistische landen komt het groot melkveebedrijf wel veel voor. De
literatuurgegevens die op de omstandigheden op deze grote bedrijven be-
trekking hebben, zijn dan ook grotendeels uit die landen afkomstig.

1  Prof. Dr. Th. Stegenga; hoogleraar aan de Landbouwhogeschool te Wageningen;
Haa.gsteeg 4, Wageningen.

-ocr page 953-

Enkele technische aspecten van het klein-, midden- en grootbedrijf

Arbeidsbesparing is wel één van de voornaamste doelstellingen van het
grote bedrijf. Daar moet men zich echter niet te veel van voorstellen. Wel
in het traject van 5-15 koeien en ook nog wel van 15-25. Maar daar
boven is in Nederland tot nu toe de arbeidsbesparing niet groot meer.
Rijssenbeek (1965) neemt als norm voor bedrijven met 20 a 25
melkkoeien 2500 uur per jaar, d.i. 100 a 125 per koe. Op een paar onlangs
bezochte, grote Groningse melkveebedrijven die 60 tot 100 melkkoeien
hadden en toch ook wel ernstig probeerden het met weinig personeel te
doen, kwam men niet verder dan .gem. 25 koeien per man. Wel is op grote
bedrijven een beter arbeidsverdeling mogelijk en ze zijn minder kwetsbaar
bv. bij ziekte.

In Californië en N.-Zeeland, waar de bedrijven gemiddeld groot zijn. (in
Californië gem. 100 melkkoeien), komt men wel tot een lager arbeids-
bezetting. bit zal gedeeltelijk te danken zijn aan een lang groeiseizoen
waardoor een vast arbeidspatroon gedurende heel het jaar mogelijk is,
c.q. een lang weideseizoen en weinig tijd nodig is voor ruwvoederwinning
etc.

Op het hierna te noemen onderzoek van de Milk Marketing Board (En-
geland) was het aantal arbeidsuren per koe per jaar op bedrijven met 30,
50 resp. ruim 100 koeien 82, 65 en 66 per jaar. De arbeidsbehoefte leek
daar dus boven de 50 koeien niet meer terug te lopen. Verder moet worden
opgemerkt dat het gevaarlijk is een vergelijking te treffen tussen de Ne-
derlandse en buitenlandse cijfers, zolang niet precies bekend is welke werk-
zaamheden inbegrepen zijn. Als het alleen gaat om melken en voeren
komt men bij ons uiteraard op grote bedrijven ook wel tot een lager
arbeidsbezetting. Maar voederwinning, weilandverzorging, afrasteringen
etc., vragen ook veel tijd.

De arbeidsvoorziening is weliswaar niet bepalend voor de kostprijs van de
melk, maar toch wel een belangrijke factor. In het rapport „Nieuwe be-
drijfssystemen", publ. nr. 9, 1965, wordt gesteld dat zowel ten onzent als
in Engeland bij veestapels van 10-40 koeien de kostprijs van de melk bij
het groter worden van het bedrijf daalde. Boven de 40 melkkoeien echter
niet meer.

Vooral de overgang van het kleine naar het grote bedrijf zal financieel
moeilijk zijn vanwege de hoge investeringen en de invloed daarvan op de
exploitatiekosten. De bouw van een nieuwe stal kost wel ƒ 2500,— per
koe en dat alleen al betekent 4 a 5 ct. per kg geproduceerde melk.
Met veranderingen in prijzen en lonen kan het beeld zich natuurlijk wij-
zigen. Maar momenteel biedt het grote melkveehouderijbedrijf financieel
niet veel perspectief. Een van de redenen waarom het groot bedrijf niet
of moeilijk zou kunnen concurreren is ook dat de tegenwoordige boer
genoegen neemt (moet nemen) met een inkomen dat volgens de LEI-
berekeningen lager is dan hem toekomt. Van de ondernemer op het grote
bedrijf en zijn werknemers kan niet worden verwacht dat ze dit even-
eens zullen doen.

Overigens zij hier nadmkkelijk vermeld dat inkomen en kostprijzen niet
slechts afhankelijk zijn van de bedrijfsgrootte. De ondernemer zelf blijft
een zeer belangrijke faktor. Verder verkaveling, kwaliteit van de vee-
stapel, etc.

-ocr page 954-

Een aspect dat bij de grote bedrijven aan de orde komt is het staltype.
Voor bedrijven met meer dan 40 melkkoeien komt de loopstal in aan-
merking, maar heeft toch geen grote voordelen wat betreft investering en
werkbesparing, (zie
Nieuwe bedrijfssystemen, Publ. nr. 9., 1965). Een
voordeel van de loopstal is het kunnen melken in de doorloopstal. Verder
zal in een goede loopstal de gezondheidstoestand iets gunstiger zijn (I ng-
var Eskebo, 1966). Wel moet er onthoornd worden en de ervaring
heeft geleerd dat het beter is om hoogstens ± 50 melkkoeien bij elkaar in
één ruimte te houden.

De vrees bestaat dat op grote bedrijven per koe minder zal worden ge-
produceerd. De ervaringen zijn echter op dit punt nogal uiteenlopend.
Vooral de Verenigde Staten leveren voorbeelden van grote bedrijven met
hoge meikprodukties per koe. I w e m a en de heer Bats beschreven naar
aanleiding van hun bezoek aan de Verenigde Staten in 1964 een bedrijf
met 230 melkkoeien en een gemiddelde produkde van ca 7700 kg!
De Milk Marketing Board ging na hoe de produktie was op bedrijven met
gemiddeld 30, 50 resp. meer dan 100 koeien. De gemiddelde produktie
bleek het hoogste te zijn op de grootste bedrijven en dit was niet het
gevolg van meer krachtvoer (Hodges,
Rapport MMB, 1965). In Joego-
slavië heeft men evenwel er\\\'aren dat toename van het aantal koeien per
bedrijf een gunstige invloed heeft op de arbeidsbehoefte, maar een ongun-
stige op de produktie per koe
(Godisnji Izvestaj, 1964, Jaarverslag Vee-
teelt Inst. Novi Sad).

S c O 11 en Phillips (1959) stelden op N. Zeelandse bedrijven met ge-
middeld ongeveer 80 koeien, (verreweg meest 2-mans bedrijven!) een
onderzoek in naar de faktoren die een verschillend produktieniveau be-
werkstelligden. Het is niet bevreemdend dat de voeding en het melken
hoofdfaktoren bleken te zijn. Nu is het op grote bedrijven ongetwijfeld
moeilijker elk dier passend te voeren dan op kleine. Dit is ook in ons land
wel gebleken. Het is echter een zaak van ervaring. Voorwaarde schijnt wel
te zijn dat degene die melkt en voert, althans het krachtvoer verstrekt, de
koeien kent. Bij het melken in de doorloopstal is een duidelijke merkme-
thode, waaruit de hoeveelheid krachtvoer kan worden afgeleid, nood-
zakelijk.

Ook in ons land kan op grote bedrijven een goede gemiddelde produktie
worden gehaald. Op het bedrijf van de stad Groningen in Ter Apel (100
melkkoeien) bedroeg de melkproduktie per jaar in 1965 ± 5000 kg per
koe. Dit is vèr boven het Nederlands gemiddelde.

Het ziekterisico is een van de belangrijkste punten bij grote varkens- en
pluimveebedrijven. Dit is bij grote rundveebedrijven bepaald niet het geval.
Zal men een groot bedrijf stichten door aankoop, dan brengt dat uiteraard
enig risico mee, maar zelfs dat is in ons land momenteel niet groot. De
mastitis frequentie hangt meer af van de melkmethode en de hygiëne bij
het melken dan van de bedrijfsgrootte. Schmidt e.a. (1964) stelden
bij ruim 190 bedrijven in de staat New York met gemiddeld 43 koeien
een onderzoek in naar het voorkomen van mastitis. De gemiddelde pro-
duktie per koe was bijna 5900 kg per jaar. Mastitis kwam minder voor
naarmate de gemiddelde produktie per bedrijf hoger was, naarmate meer
gebruik werd gemaakt van een handdoek per koe om uier en spenen te
reinigen en de koe voor te bereiden, naarmate de melktijden korter waren.

-ocr page 955-

Wèl steeg het percentage koeien met Strept. agalactiae als het aantal melk-
apparaten per man steeg. In het Brabantse onderzoek naar het verband
tussen masdds en melktechniek (Brus e.a., 1964) is niet gebleken dat de
bedrijfsgrootte een faktor van betekenis is.

Er zijn natuurlijk andere ziekten die in deze beschouwing kunnen worden
betrokken. Opfokziekten, met name salmonellosen bij kalveren, komen rela-
tief meer voor op grote bedrijven. Maar wen verwacht, mede op grond
van de literatuur, niet dat het ziekterisico op grote rundveebedrijven een
belangrijke faktor is.

Met het groter worden van het bedrijf en de stijging van het aantal koeien
per man, gepaard met een sterke mechanisatie, worden steeds hoger eisen
gesteld aan de capaciteiten van de ondernemer en zijn medewerkers. Dit
facet is voor wat het melken betreft, duidelijk uiteengezet door Postma
(1964). De moderne melksystemen eisen psychisch veel van de melker.
Maar de ondernemer moet ook op ander terrein veel meer kunnen dan
vroeger. Met name steeds veranderende werkmethodes vooral onder invloed
van de snel voortgaande mechanisatie en andere vorderingen van weten-
schap en techniek, vragen veel van zijn aanpassingsvermogen. Dit alles zal
ook op een of andere wijze door moeten werken in de beloning van de boer
en zijn personeel.

Sociale aspecten

Kort na de oorlog is de Nederlandse boer gevraagd zijn landgenoten tegen
een redelijke prijs te voeden. Hij heeft getracht dit te doen. Daarna is de
welvaart, de overvloed en de werktijdsverkorting gekomen. De boer kreeg
maar een deel van de verhoogde welvaart en met name de melkveehouder
geen werktijdverkorting. De landarbeiders verdwenen; zelfs de zoon van de
melkveehouder verdween vaak naar een ander beroep. Er zat ook geen
brood voor twee man meer in de bedrijven, waar dat vroeger nog wel zo
was. De mechanisatie compenseerde een en ander maar ten dele. De melk-
veehouder is alle dagen in touw en loopt rond met de voortdurende vrees
wat er moet gebeuren als hij ziek wordt. Dc boerenhulp is welkom, maar
geen oplossing. En verder, een jonge gezonde boer kan het nog aan en kan
als hij goed boer is, ook nog wel redelijk verdienen, maar wat moet de
man als hij 50 of 55 jaar is? Hij heeft niet zoveel verdiend dat hij op die
leeftijd kan gaan rentenieren, maar hij zal het bedrijf lichamelijk waar-
schijnlijk niet meer alleen aan kunnen.

En dan wordt hij van overheidswege, als het over de prijzen van de pro-
dukten gaat, af en toe nog geconfronteerd met wereldmarktprijzen die
voor hem ondanks zijn harde werken en zijn capaciteiten niet haalbaar
zijn. Ze zijn ook niet reëel. Wat zou het Nederlandse publiek voor melk,
kaas etc, moeten betalen als onze boeren ophielden te produceren?

Na de 2e wereldoorlog is in ons land om economische redenen aange-
drongen op bedrijfsvergroting. Om sociale redenen werd dit nauwelijks ge-
accepteerd, want de in de gemeenschap zo gewaardeerde groep van kleine
zelfstandigen liep daardoor in aantal achteruit. Nu zijn we gekomen bij
de éénmansbedrijven die in de melkveehouderij economisch een verbete-
ring inhouden, maar sociaal veel bezwaren hebben.

Verder doorgaan en grote bedrijven stichten met meerdere werkkrachten zit
er economisch niet in. Bij de huidige prijzen komen de investeringskosten

-ocr page 956-

te hoog en de werkbesparing is beperkt. Ook technisch zou het groot be-
drijf niet in alle gevallen een oplossing zijn. Bath (1964) zegt, en dat
klinkt wel geloofwaardig: „Size itself is not a solution to all problems of
the dairy industry". En bij wijst ook op het grote belang van het voorradig
zijn van goed rundvee: „Where area for expansion and quality cattle are
available, increased size can result in increased efficiency". Hij waar-
schuwt, in navolging van C. R. Hoglund in
Hoards dairy man: „Get
good before you get big." En ook dat lijkt me een raad om, denkende aan
grote melkveebedrijven, ter harte te nemen.

De conclusie van dit alles is dat de toekomst van de melkveehouderij en
daarmee ook die van de melkveehouder, onzeker is.

Het kleinbedrijf met minder dan 15 a 20 melkkoeien geeft doorgaans geen
voldoende arbeidsinkomen meer. In de weidestreken, waar het bedrijf een-
zijdig is en de melkveehouderij de enige bron van inkomsten vormt, kan
men ook niet zomaar overgaan naar een veelzijdiger bedrijf met b.v. var-
kens of kippen. Nog daargelaten of dat veel verbetering zou betekenen.
Het middenbedrijf met 20-40 (50) melkkoeien en 1 a 2 arbeidskrachten
geeft voor een goede boer nog wel de kans op een redelijk arbeidsinkomen,
maar het heeft in sociaal opzicht toch wel grote bezwaren.
Het grootbedrijf, waar meerdere personen in werken, heeft meer weerstand
bij week-eind werk, zon- en feestdagen, vakantie, ziekte etc. Maar aange-
nomen dat de grond beschikbaar is, zal inrichting van de grond en de
bedrijsgebouwen zoveel investering meebrengen, dat het economisch, al-
thans momenteel, niet aantrekkelijk is. Te meer daar met het stijgen van
het aantal vee-eenheden per man en de mechanisadegraad, het niveau van
tet werk stijgt en ook aanpassing vraagt van de beloning.
Nog meer onderzoek naar wat in ons land op het gebied van de struc-
tuurverandering in de melkveehouderij haalbaar en verantwoord is, is
nodig. Een bestudering van wat op dit gebied in het buitenland gebeurt,
met name in de Verenigde Staten, Gr. Brittannië en N. Zeeland, kan daar-
bij waardevol zijn.

SAMENVATTING.

Er wordt een overzicht gegeven van de grootte van de melkveehouderijbedrijven in
Nederland. Dc kleine bedrijven met minder dan 20 melkkoeien, geven niet voldoende
economisch perspectief, de eenmansbedrijven van 20 en meer koeien zijn sociaal
amper aanvaardbaar, de grote bedrijven zijn in .Nederland economisch niet aan-
trekkelijk, maar nemen wel langzaam in aantal toe. Er worden enkele technische
punten van het grootbedrijf, voornamelijk op grond van literatuurgegevens behandeld.

SUMMARY.

The magnitude of dairy farms in the Netherlands is reviewed. Small farms of less
than twenty dairy cows do not offer sufficient economic prospects; one-man farms of
twenty and more cows arc barely acceptable socially; large farms are not economically
attractive in the Netherlands but are slowly increasing in number. Some technical
features of large-scale farming arc discussed, mainly on the basis of data from the
literature.

RÉSUMÉ.

Une vue d\'ensemble des exploitadons d\'élcvage de bétail laitier aux Pays Bas est
présentée. Les petites exploitations comprenant moins de 20 vaches n\'offrent pas
suffisamment de perspectives économiques; les exploitations i un seul fermier con-

-ocr page 957-

sistant de 20 vaehes ou davantage sont à peine acceptables du point de vue social;
les grandes exploitations ne sont pas intéressantes du point de vue économique aux
Pays Bas, mais il est vrai qu\'elles augmentent en nombre peu à peu. Quelques
questions techniques de la grande exploitation sont traitées surtout à la base de
données de la littérature.

ZUSAMMENFASSUNG.

Es wird eine Übersicht über die Grösse der Milchvichbetriebe in den Niederlanden
gegeben. Die Kleinbetriebe mit weniger als 20 Milchkühe bieten keine hinreichenden
wirtschaftlichen Aussichten; die Einmannbetriebe mit 20 und mehr Kühen sind
sozial kaum annehmbar; die Grossbetriebe sind in den Niederlanden nicht verlockend,
aber nehmen dennoch langsam zu. Es werden einige technischen Punkte des Gross-
betriebes, hauptsächlich auf Grund von Angaben aus der Literatur, erörtert.

RESUMEN.

Se ha dado un compendio de la grandeza de las haciendas con vacas lecheras en
holanda. Las haciendas pequefias con menos de 20 vacas lecheras, no dan una perspec-
tiva suficiente economica, las haciendas de 20 y mas vacas lecheras de un solo dueno
son apenas socialmente aceptables, las haciendas grandes en holanda no son economi-
camente atractivas, sin embargo aumentan lentamente. Estan discutidos algunos
puntos tecnicos de la hacienda extensa principalmente en virtud de datos obtenidos
de la literatura.

LITERATUUR.

B a n, A. W. van der: Onderzoek naar de maatschappij van de toekomst. Land-

bouwk. Tijdschr., 77, 539, (1965).
Bath, D. L.: Large herd management, ƒ. Dairy Sei., 47, 1114, (1964).
Brus, D., e.a.: Mastids en Melktechniek. Veet, en Zuivelber., 7, 181, 229, 429,

(1964).

G o b i c. T., Vu ci tic, S. en B a c v a n s k i. S.: Godisni Izvestaj 1964. (Jaar-
verslag Veeteelt Inst. Novi Sad. 1964).
E s k e b
O, I. : Disease incidence in tied en loose housed dairy cattle. Ad. Agr. Scand.,

suppl. 15, (1966), Stockhohn.
Everts, P. H. J. : De toekomst van de melkveehouderij in Noord-Holland.
Doel-
matige Veehouderij,
15, 21, (1966).
Hart, M. L. \'t: De ballade van de boer en de werkelijkheid. Veet. en Zuivelber.,
8, 500, (1965).

Hodges, J.: Dairying in the seventies. Farmer & Stockbreeder, 80, 42, (1966).
Hodges, J.: Gegevens „Low Cost Production" van de Milk Marketing Board,

(niet gepubliceerd), (1965).
Ministerie van Landbouw: Problematiek en perspectief van de melkvee-
houderij. Nieuwe bedrijfssystemen in de Landbouw, Publikatie no. 9, (1965).
Postma, G.: Melkmethoden, arbeids organisatie, arbeids produktiviteit en inkomen

op weide bedrijven. Veet. en Zuivelber., 9, 203, (1966).
Rijssenbeek, Th. C. J. M.: De Ballade van de boer. Veet. en Zuivelber., 8, 155,

(1965); 9, 56, (1966).

S c h m i d t, G. H., M e r r i 11, W. G. and G u t h r i e, R. S. : Relationship of milking
dmes, procedures and installations to level of milkproduction and incidence of
mastitis. Bull. 996 (juli 1964), Cornell Univ. Exp. Stat. Ithaca, New "York.
S c o 11, J. D. J. and P h i 11 i p, D. S. M. : Management of high and low producing

herds. New-Zealand J. Agric., 99, 198, (1959).
Stegenga, Th. : Ballade of ander perspectief. Veet. en Zuivelber., 8, 310, (1965).
Westra, P.: Melkveehouderij in grote eenheden. Veet. en Zuivelber., 9, 159,

(1966).

-ocr page 958-

UIT EN VOOR DE PRAKTIJK

Gevoeligheid van uit praktijkmateriaal geïso-
leerde bacteriën t.o.v. de meest gebruikelijke
antibiotica en chemotherapeutica

Sensibility of bacteria isolated out of material from
practice against the usual antibiotics and chemothe-
rapeutics.

door G. H, A. OVERGOOR1)
I. Kiemen, geïsoleerd uit pneumonie, enteritis en sepsis bij het varken
Inleiding en methodiek

Dit artikel bedoelt een overzicht te geven van de gedurende een 5-tal
jaren op het laboratorium van de Gezondheidsdienst voor dieren in Gel-
derland uitgevoerde gevoeligheidsbepalingen. De geteste bacteriën zijn alle
afkomstig uit sectiemateriaal, se- en excreta enz., vv^elke door de practici
(of voorlichters) uit onze provincie ter onderzoek werden aangeboden, of
door de Gezondheidsdienst zelf werden verkregen.

Bij dit onderzoek werd met betrekking tot de bepaling van de gevoelig-
heid t.o.v. penicilhne, streptomycine, chlooramphenicol en tetracycline, ge-
bruik gemaakt van de door de Koninklijke Nederlandse Gist- en Spiritus-
fabriek te Delft ontwikkelde methode en wel van de z.g. b- ( = bloed-
spiegel) reeks. De antibiodca worden in gedroogde toestand in flesjes ge-
leverd. Hieruit worden de oplossingen, nodig voor het impregneren van
de zelf te vervaardigen papierschijfjes, bereid. Deze schijfjes zijn, onder
bepaalde voorwaarden bewaard, 2 maanden houdbaar.
Het voordeel van deze methode „Delft" is vooral gelegen in het feit, dat de
hoeveelheid van de op de schijfjes gebrachte antibiotica zodanig gekozen
is, dat de remmingszone van 10 mm doorsnede correspondeert met de met
het betreffende middel gemakkelijk te bereiken bloedspiegel. Een bacterie
wordt t.o.v. een bepaald middel gevoelig genoemd als de zone van groei-
remming een doorsnede heeft van 10 mm of meer. Het aantrekkelijke
van deze methode is bovendien dat ze goedkoop is.

Voor de bepaling van de gevoeligheid voor sufamezathine en furoxone
werden de discs gebruikt welke resp. door de
I.C.I. en Brocades hiervoor
beschikbaar worden gesteld. Deze bevatten 0,25 mg sulfamezathine en 100
y furoxone. De neomycine-schijfjes werden op advies van Dr. A. M a n-
tcn
(R.I.V. Utrecht) zelf gemaakt met behulp van neomycine-sulfaat
(20 y per schijfje).

Daar de E. coli en de Salmonellae als regel resistent zijn tegen penicilhne
werd t.o.v. dit middel geen bepaling ingezet. Gezien het feit dat de activiteit
van furoxone in hoofdzaak beperkt blijft tot de digesUetractus werd de
gevoeligheid voor deze stof niet bepaald van bacteriën, die elders in het
lichaam voorkomen. Neomycine werd pas later in de reeks opgenomen,
zodat de gegevens met betrekking tot dit middel nog beperkt zijn. Met
uitzondering van een aantal stammen dat niet tegen sulfamezathine werd
getest, werden praktisch alle anderen t.o.v. alle middelen ingezet.

1  G. H. -A. Overgoor; dierenarts-bacterioloog aan de Gezondheidsdienst voor Dieren
in Gelderland, „Klein Rosendael", Rozendaal (Gld.).

-ocr page 959-

Als regel werd de bepaling verricht met een via een overenting van de
primaire kweek verkregen reincultuur. Bestond het vermoeden dat er uit
het materiaal in de 1ste kweek een reincultuur zou groeien, zoals b.v. bij
de hemolytische
E. coli uit enteritis bij het varken nogal eens het geval is,
dan werd direct een bepaling ingezet.

Als medium werd 5% schapebloedagar gebruikt, voor de bepaling t.o.v.
sulfamezathine dezelfde voedingsbodem, echter zonder pepton.

Resultaten en conclusies
Pneumonie

In 256 gevallen van uitgebreide vormen van (pleuro-) pneumonie bij
biggen en varkens werden de volgende kiemen gekweekt, alleen of in
combinade:
Pasteurella multocida 108x, streptokokken 87x, Bordetella
bronchiseptica
46x, Haemophilus suis 36x, Cornynebacterium pyogenes 20x
en voorts een enkele maal
E. coli, necrosebacteriën en Pasteurella haemo-
lytica.

Tabel 1.

Overzicht van de gevoeligheid van de o.a. uit pneumonie bij varkens
geïsoleerde bacteriën.

P*

)

s

c

t

sulfa

Past, multocida (uit

76

76

76

76

75

1

pneumonie big en

100 %

100 %

100 %

100 %

98,7;

Yo 1,3%

kalf); 76 stammen

Streptokokken

104

100

4

104

103 1

35

69

(pneumonie, poly-

100 %

96,2%

3,8%

100 %

99,0% 1,0%

33,7\'

Ü 66,3%

arthr. polyserositis,

sepsis big); 104

stammen

B. bronchiseptica; 59

4

55

36

23

58 1

59

53

1

stammen

6,8%

93,2%

61,0%

39,0%

98,3% 1,7%

100 %

98,2;

Vo 1,8%

Haemophilus suis

19

2

21

21

21

18

3

(pneum. polyarthr.

90,5%

9,5%

100 %

100 %

lOO %

85,7;

14,3%

polyserositis big); 21

stammen

Corynebact. pyogenes

25

25

25

25

14

2

(pneum. big en

100 %

100 %

100 %

100 %

kalf); 25 stammen

*) p — penicilline; s — streptomycine; c = chlooramphenicol; t = tetracycline;
sulfa = sulfamezathine; = gevoelig; — = resistent.

Uit tabel 1 blijkt dat alle bij pneumonieën gevonden bacteriën gevoelig
zijn t.o.v. de combinatie penicilline-streptomycine, met uitzondering van
B. bronchiseptica. Deze kiem is, evenals de overige, wel gevoelig voor tetra-
cycline en chlooramphenicol. Met betrekking tot de keuze van een bij
varkens (biggen) pneumonie te gebruiken therapeuticum, kan dus gecon-
cludeerd worden dat tetracycline en chlooram_phenicol het breedste spec-
trum hebben, waarbij opgemerkt dient te worden, dat in de meeste ge-
vallen ook penicilline-streptomycine in aanmerking komt.

-ocr page 960-

Deze combinatie heeft het voordeel boven de breedspectrum antibiotica,
dat ze elk afzonderlijk bactericied werken en bovendien eikaars werking
kunnen potentiëren. Alleen bij een
B. hronchiseptica-iniectK zullen tetra-
cycline, chlooramphenicol of sulfamezathine beter op hun plaats zijn. Deze
kiem vinden wij in ons materiaal vooral bij biggen van 1 tot 4 weken. Pa-
tholoog-anatomisch wordt nogal eens over alle kwabben gedissemineerde,
lobulair verspreide, catarrale pneumonie met bronchitis gevonden, terwijl
klinisch het beeld aan kinkhoest doet denken.

Opgemerkt dient nog te worden dat, behalve de Streptokokken, die echter
nog al eens voorkomen, alle kiemen ook gevoelig zijn voor sulfamezathine.
Dat een bepaalde vorm van pneumonie, de z.g. enzoötische pneumonie,
primair door een virus of mogelijk door mycoplasma\'s (P.P.L.O.) wordt
veroorzaakt is genoegzaam bekend. Een ervaringsfeit is echter, dat uit meer
dan 90% van de gevallen van pneumonie bacteriën (zie boven) worden
gekweekt. In de overige gevallen kan ook nog een behandeling de even-
tueel aanwezige bacteriën hebben uitgeschakeld. Mocht in de toekomst
de rol van de
Mycoplasmata duidelijker worden, dan zal ook, een speciaal
op deze organismen gerichte kweek, met gevoeligheidsbepaling, in het
routine-onderzoek betrokken moeten worden.

(G a s t r o-)e n t e r i t i s

In gevallen van acute (gastro-) enteritis of slingerziekte, welke beelden in
hoofdzaak in de periode van de eerste weken na het spenen, echter ook
wel bij biggen bij de zeug, worden waargenomen, wordt uit de dunne-
darminhoud veelal een reincultuur van hemolytische colibacteriën ge-
kweekt en wel in hoofdzaak de type\'s E 68, G 7, E 57, E 4 en E 145.
Slechts bij hoge uitzondering worden ze tevens uit lever, milt of hier ge-
ïsoleerd.

Een medicatie kan dus het beste per os geschieden, waarbij dan vooral
furoxone, neomycine en chlooramphenicol in aanmerking komen (zie tabel
2a).

Tabel 2a.

Overzicht van de gevoeligheid van de uit enteritis bij varkens geïsoleerde
hemolytische E. coli-bacteriën (periode midden 1964 - midden 1966).

s c t

— — —

n

fur

sulfa

liemol. E. coli 162 49 205 6 146 65
(darm varken); 76,3% 23,7% 97,2% 2,8% 69,2% 30,8%
211 stammen

138
100%

211
100%

42 164
20,4% 79,6%

(n = neomycine; fur = furoxone)

Tabel 2b.

Als 2a, echter over periode tot midden 1964.

s c

— —

t

fur

sulfa

hemol. E. coli 85 4 88 1 71
(darm varken); 95,5% 4,5% 98,9% 1,1% 79,8?!
89 stammen

18
i 20,2%

89
100%

62 27
69,7% 30,3%

-ocr page 961-

In tabel 2b zijn de stammen weergegeven die tot midden 1964 werden
getest; in tabel 2a degenen, welke in de tu\'ee daaropvolgende jaren werden
onderzocht. Vergelijken wij deze gegevens met elkaar, dan valt er een toe-
name van resistentie tegen bepaalde middelen waar te nemen. Speciaal
trekt de aandacht de stijging van de streptomycine-resistentie van 4,5 naar
23,7% (P < 0,001; zeer sterk significant). De stijging van de resistentie
t.o.v. sulfamezathine van 30,3% naar 79,6% is eveneens zeer sterk signifi-
cant (P < 0,001), die voor tetracycline van 20,2 naar 30,8% significant
fP < 0,05).

Colibacillose

Hieronder verstaan wij de ziekte welke optreedt bij pasgeboren biggen of
bij dieren die ongeveer 3 weken oud zijn en waarbij, meestal anhemoly-
tische colibacteriën in reincultuur uit de organen (lever, milt, nier) en/of
dunne-darminhoud kunnen worden geïsoleerd.

Tabel 3.

Overzicht van de gevoeligheid van uit gevallen van colibacillose bij biggen

geïsoleerde kiemen.

s c t

— — —

n

fur sulfa

4- — ~

anhemol. E. coli 38 40 63 15 35 43

23

78 13 62

(darm, sepsis big); 48,7% 51,3% 80,8% 19,2% 55,1% 44,9%

100%

100% 17,1% 82,9%

78 stammen

Volgens tabel 3 komt furoxone als therapeuticum in aanmerking. Voor ge-
vallen met sepsis zal de voorkeur uitgaan naar chlooramphenicol daar
furoxone alleen per os toegediend kan worden en bovendien slecht uit het
maagdarmkanaal geresorbeerd wordt. Hoewel t.o.v. neomycine een be-
langrijk kleiner aantal stammen (23) werd getest, lijkt dit middel ook een
goede werking te kunnen hebben.

Uit de variaties in deze tabel blijkt dat het belangrijk kan zijn, vooral van
bedrijven met problemen t.a.v. de colibacillose, regelmatig materiaal op
te sturen voor kweek en gevoeligheidsbepaling.

Salmonellose

Bij dit ziektebeeld, dat als regel voorkomt bij varkens die al enige tijd
op het mesthok liggn, zien wij bij sectie
een hemorragisch-pseudomembra-
neuze colitis, vaak gecombineerd met meer of minder uitgesproken sep-
tische verschijnselen. Meestal wordt hierbij
S. typhimurium uit de dikke-
darminhoud en vaak tevens uit de organen gekweekt. Een enkele keer
vinden wij
dublin. Overigens komt, vergeleken met de gevallen van de
z.g. Vibrio-dysenterie, salmonellose, althans in de provincie Gelderland,
maar weinig voor.

Tabel 4.

Overzicht van de gevoeligheid van uit varkensmateriaal geïsoleerde

S. typhi murium.

5

c

t

fur

sulfa

S. typhi murium

32 6

38

15 23

38

15 23

(darm, sepsis var-

84,2% 15,8%

100%

39,5% 60,5%

100%

39,5% 60,5%

ken); 38 stammen

-ocr page 962-

Voor een orale behandeling komen dus vooral chlooramphenicol en fu-
roxone in aanmerking; voor een parenterale medicatie chlooramphenicol
(tabel 4).

Streptococcosis

Behalve uit pneumoniën worden streptokokken ook geïsoleerd uit gevallen
van sepsis, polyarthritis en -serositis en meningo-encephalitis, al of niet in
combinatie.

Uit tabel 5 blijkt dat bij deze streptokokken-infecties meerdere antibiotica
gebruikt kunnen worden, waarbij, in verband met de bactericide werking,
de voorkeur uitgaat naar penicilline, eventueel gecombineerd met strepto-
mycine.

Opvallend is overigens het groot aantal tegen sulfamezathine resistente
stammen.

Tahel 5.

Overzicht van de gevoeligheid van de uit varkens geïsoleerde streptokokken.

P

4- —

s

c

t

sulfa

Streptokokken (pneum.
sepsis polyarthr. enz.);
104 stammen

104

100%

100 4
96,2% 3,8%

104
100%

103 1
99,0% 1,0%

35 69
33,7% 66,3%

Haemophilus s u i s - i n f e c t i e s

Ook deze kiem treedt niet alleen op bij een als regel acuut verlopende
fibrineuze pleuro-pneumonie, maar kan ook worden gevonden bij de ziekte
van Glasser of transportziekte, welke gekenmerkt is door een polyarthritis
en polyserositis, soms met meningitis. Ook hier komen meerdere middelen
in aanmerking (tabel 6.).

Tahel 6.

Overzicht van de gevoeligheid van uit biggen geïsoleerde Haemophilus

P

s

c

t

sulfa

Haemopk. suis (pneuin. 19 2

21

21

21

18 3

polyarthr. enz); 21 stam- 90,5% 9,5%

100%

100%

100%

85,7% 14,3%

men

Tot slot vindt u in tabel 7 een overzicht van een aantal geteste vlekziekte-
bacteriën en
Actinobacillus jwi^-stammen. Beide kiemen worden slechts
weining uit het ter onderzoek aangeboden materiaal gekweekt.

Tabel 7.

P

s

-1-

c

t

sulfa

Vlekziekte bact. (E. insidiosa);

16

14

2

16

16

5 10

16 stammen

Act. suis; 15 stammen

13 1

15

15

15

14 1

-ocr page 963-

Discussie

De waarde van de weergegeven getallen en percentages is in de gevallen
waarin een gering aantal stammen werd onderzocht, uiteraard slechts be-
trekkelijk. Het geheel is daarom ook meer bedoeld als een aanwijzing voor
een te gebruiken middel, dan als materiaal waaruit, op een enkele uit-
zondering na, statistische conclusies te trekken zijn. Bovendien zal een op
grond van deze overzichten gebruikt middel uiteraard geen garantie geven
voor de resultaten. De kiem kan b.v. voor het middel onbereikbaar zijn
door sterke exsudaat-vorming, abcedering of necrose, of het organisme kan
zodanig verzwakt zijn dat het de ontsteking niet meer kan overwinnen
ondanks het feit dat de bacterie reeds uitgeschakeld is.
Daarnaast zijn uiteraard bij veel bacteriêle ziekten zoötechnische factoren
als voeding, klimaat enz. vaak van minstens zo grote importantie als de
microörganismen. Met name ook de anemie bij biggen van 2 ä 3 weken
blijkt nogal eens een inleiding voor b.v. een streptokokkeninfectie of een
coli-enteritis te zijn.

Uit de overzichten blijkt dat het overgrote deel van de bij het varken te
kweken bacteriën gevoelig is voor meerdere middelen. Het heeft dan ook
weinig zin naar een ander medicament dan de hier genoemde te grijpen,
tenzij bewezen is dat dit middel b.v. door zijn groter penetratievermogen
betere resultaten geeft.

Overigens blijft het belangrijk, materiaal, liefst van onbehandelde gevallen,
op te zenden voor bacteriologisch onderzoek met aansluitende gevoelig-
heidsbepalingen. Dit geldt met name voor de ziekten, waarbij de coli-
bacterie is betrokken en wordt geïllustreerd door het voorbeeld van de
resistentietoename van de hemolytische
E. coli t.o.v. streptomycine. Dit
middel is, mede op grond van de resultaten uit de eerste periode, veel door
de Gelderse practici gebruikt. Overigens is van streptomycine bekend dat
resistentie snel kan optreden.

Dat er met het gebruik van sulfapreparaten bij hemolytische E. co/z\'-infec-
ties in de praktijk misschien betere resultaten geboekt worden dan op
grond van de gevoeligheidsbepaling verwacht mag worden, is mogelijk te
wijten aan het feit dat bij de stammen, die resistent genoemd zijn, er veel
geweest zijn waarbij de kolonies om het schijfje met sulfamezathine duide-
lijk kleiner waren dan elders op de plaat. Blijkbaar was er in die gevallen
toch een beïnvloeding van de kiem door de .sulfa.

Opgemerkt dient nog te worden dat er van de 698 darmpathogenen E. coli
en SalmoneVa (van varken en rund) er geen enkele resistent bleek t.o.v.
furoxone. Hetzelfde geldt voor de 211 tegen neomycine geteste stammen.

Dankbetuiging.

Gaarne wil ik Drs. A. Schoenmakers van het Zoötechnisch Instituut dank
zeggen voor de statistische analyse.

SAMENVATTING.

Er wordt een overzicht gegeven van gevoeligheidsbepalingen van bij varkens voor-
komende bacteriën, welke uit praktijkmateriaal geïsoleerd werden. De gegevens hebben
betrekking op penicilline, streptomycine, chlooramphenicol, tetracycline, sulfame-
zathine, furoxone en neomycine.

De pneumonie-verwekkers bleken gevoelig t.o.v. chlooramphenicol en tetracycline;
met uitzondering van de
B. bronchiseptica, echter ook voor penicilline-streptomycine.
De streptokokken waren overwegend resistent tegen sulfamezathine.

-ocr page 964-

Met betrekking tot de hemolytische E. coli uit de darm van het varken gaven
furoxone, neomycine en chlooramphenicol de beste resultaten. In enkele jaren tijds
bleek de streptomycine resistentie van 4,5 naar 23,7% (zeer sterk significant) toe-
genomen te zijn.

De E. coli welke uit colibacillose bij jonge biggen geïsoleerd kan worden, was vooral
.gevoelig voor furoxone en, in mindere mate, voor chlooramphenicol.
.y. typhi murium, werd het best in .groei geremd door chlooramphenicol en furoxone;
streptokokken door penicilline, chlooramphenicol, tetracycline en streptomycine en
Haemophilus suis vooral door streptomycine, chlooramphenicol en tetracycline.
Er wordt gewezen op het feit dat de waarde van de getallen betrekkelijk is en een
behandelingsresultaat mede afhankelijk is van zoötechnische factoren en de aard van
de ontsteking.

Bij darmpatho,:;enen werd geen resistentie gevonden t.o.v. furoxone en neomycine.
SUMMARY.

Bacteria occurring in pigs and isolated in the field, were tested for sensitivity to
various drugs and the results are reviewed.

The data refer to penicillin, streptomycin, chloramphenicol, tetracycline, sulpha-
methazine, furoxone and neomycin.

With the exception of B. bronchiseptica, the causative organisms of pneumonia were
found to be susceptible to chloramphenicol and tetracycline, though they v/ere also
susceptible to penicillin and streptomycin. The majority of streptococci were resistant
to sulphamethazine.

As regards haemolytic strains of E. coli isolated from the intestines of pigs, the most
satisfactory results were obtained in the case of furoxone, neomycin and chloramphe-
nicol. Resistance to streptomycin was found to have increased from 4.5 to 27.3 per
cent (a highly significant increase) within a few yaers.

E. coli which may be isolated from young piglings in cases of coli-bacillosis, was
particularly sensitive to furoxone and, to a less extent, to chloramphenicol.
The growth of
S. typhi murium, was most effectively inhibited by chloramphenicol
and furoxone, that of streptococci by penicillin, chloramphenicol, tetracycline and
streptomycin, and that of
Haemophilus suis by streptomycin, chloramphenicol and
tetracycline.

Attention is drawn to the fact that the value of the figures is a relative one and
that the results obtained in treatment will also depend on zootcchnical factors and
the type of inflammation.

Enteric bacteria were not found to be resistant to furoxone and neomycin.

-ocr page 965-

REFERATEN

Algemeen

DE TOEKOMST VAN DE PREVENTIEVE DIERGENEESKUNDE.
Editors: Editorial.
Brit. Vet. ]., 121, 383, (1965).
Editors: Current topics. Brit. Vet. ]., 121, 385, (1965).

Sainsbury, D. W. B.: Modern Management. Brit. Vet. ]., 121, 387, (1965).
Hughes, L. E.: Nutritional Deficiencies. Brit. Vet. ]., 121, 408, (1965).
Young, G. B.: Veterinary Genedcs. Brit. Vet. ]., 121, 414, (1965).
In 1965 werd op het Diergeneeskundig Congres van Edinburgh de preventieve dier-
geneeskunde als thema behandeld. En dan speciaal de moderne opvatting van de
preventieve diergeneeskunde, nl. die waarbij niet alleen wordt gelet op het voorkomen
van infectieuze ziekten, maar vooral op het verband tussen huisvesting, verzorging,
voeding en de erfelijke aanleg enerzijds en ziekte, resp. onvoldoende produktie
anderzijds. Hierbij wordt er de aandacht op gevestigd dat deze opvatting van
„preventive medicine" grote gevolgen voor de praktische uitoefening van de dier-
geneeskunde zal hebben. Men zal er mee moeten rekenen dat de grotere, meer
intensief gedreven bedrijven, steeds minder belangstelling zullen hebben voor de
behandeling van het individuele dier en steeds meer voor adviezen die de opbrengst
van het bedrijf als geheel verhogen. Zowel boeren als dierenartsen zullen moeten
leren dat, op deze basis gegeven goed advies, goud waard is.

Wat de huisvesting en verzorging betreft wijst Sainsbury op de grote „dier-
dichtheid" per oppervlakte eenheid bij moderne huisvestingssystemen. In vergelijking
met enkele tientallen jaren geleden kan die bij mestrunderen vervijfvoudigd zijn,
bij varkens twee en half maal zo groot zijn als in een Deense stal en bij legkippen
zestien keer zo groot zijn. Dit maakt dat veel meer aandacht aan de ventilatie moet
worden besteed waarbij de vochtigheidsgraad van de grootste betekenis is. Het is
ook bewezen dat vochtdruppcltjes dragers van microörganismen kunnen zijn.
In verband met het grote belang van de preventie van ziekte is het wenselijk dat
stallen en hokken periodiek geheel leeg komen om goed tc kunnen worden gedesinfec-
teerd. Hogedrukspuiten, verstuivers en desinfectantia met een langdurige werking
worden steeds meer gebruikt.

Zolder en wanden moeten glad afgewerkt zijn en tegen aarde als ligplaats, speciaal
voor jonge dieren, bestaan grote bezwaren.

Het is dan ook van belang gebleken, vooral nu bijv. „broilers" reeds in 60 dagen
en baconvarkens in 145 dagen „klaar" kunnen zijn, dat de dieren zo weinig mogelijk
worden verplaatst. Iedere verhuizing leidt tot groeistagnatie. Verder moet aangekocht
materiaal een tijd in quarantaine doorbrengen. Te grote stallen en hokken met dieren
van verschillende leeftijd leveren verder minder goede resultaten dan iets kleinere
eenheden. Misschien zijn 50- 100 kalveren of varkens, 10.000 broilers cn 3.000 leg-
kippen per stalcenheid wel optimale aantallen.

Verder moet wordt beklemtoond dat preventieve geneesmiddelen weinig effect hebben
om fouten in huisvesting en verzorging op te heffen. Ze zijn ter preventie van ziekten.
In verband met infecties door de lucht is de plaatsing van groffe filters — aan stof-
deeltjes gehechte kiemen moeten tegengehouden worden — vaak verantwoord.
Kannibalisme en verenpikken, alsmede staartbijten bij varkens kan vaak voorkomen
worden door vermindering van de dichtheid per eenheid van oppervlakte en het
verschaffen van strooisel.

Hughes begmt zijn behandeling van het verband tussen voeding en ziekte met
te wijzen op de onvoldoende kennis van de voederbchoefte van op intensieve wijze
gehouden dieren. Daarna bespreekt hij de gevolgen van ccn tekort en een teveel aan
selenium en koper. Verder de ziekteverwekkende invloed van
Aspergillus flavus in
grondnotenkoek of -meel. Tenslotte behandelt hij nog verschillende mineralen als
Na, K en Mg en tenslotte zout.

-ocr page 966-

Young schrijft over veterinaire genetica. Eerst behandelt hij de mutanten, erfelijke
gebreken, die voor een individuele fokker wel eens grote verliezen kunnen geven, maar
voor de gehele veestapel meestal niet van grote betekenis zijn. Controle is echter
noodzakelijk, vooral van die kudden, die de fokstieren leveren. Soms heeft een
erfelijk „gebrek" zowel een ongunstig als een gunstig effect, bijv. het dikbil-zijn.
Het is van belang dat de namen van dragers van erfelijke gebreken gepubliceerd
worden.

Behalve mutaties die leiden tot erfelijke gebreken zijn er vermoedelijk veel mutaties
die een minder duidelijk effect hebben, bijv. in geringe mate de weerstand tegen
ziekte of de vruchtbaarheid verminderen. Door inteelt worden deze onderkend en
het is om deze minder belangrijke mutanten dat fokkers meestal bang zijn voor
inteelt.

Door K.I. kunnen zowel deze gevolgen van inteelt als erfelijke gebreken meer manifest
worden en voortdurende waakzaamheid is nodig.

Bij varkens en pluimvee maakt men gebruik van het heterosis verschijnsel om
„sterkere" dieren te produceren. Bij intensieve selectie op één of enkele economisch
belangrijke kenmerken wordt gemakkelijk de constitutie vergeten.
Wat betreft de voortplanting is de genetica zeker van praktische betekenis. Geboorte-
gewichten, retentio secundinarum enz. zijn erfelijk bepaald en M a ij e 1 a heeft aan-
getoond dat men met redelijke zekerheid K.I. stieren op de vruchtbaarheid van zijn
dochters kan testen.

Selectie op ziekteresistentie is van praktische betekenis bij pluimvee, maar ook ten
aanzien van mastitis bij runderen en „scrapie" bij schapen is de erfelijke aanleg van
belang.

De genetica van microorganismen is een snel ontwikkelde tak van wetenschap die
op den duur ook praktische betekenis kan krijgen.

De genetica is verder van belang ten aanzien van biochemische verschillen, zoals die
tot uitdrukking komen in bloedgroepen, hemoglobinen, lactoglobinen en transferrinen.
Aangetoond zij.i bij runderen correlaties tussen bloedgroepen cn het vetgehalte van
de melk, en tussen transferrinen en de melkplas; bij kippen tussen bloedgroepen en
constitutie, terwijl verder de bloedgroepen van belang zijn in verband met bloed-
transfusies en ziekten van pasgeboren dieren.

En tenslotte wijst hij op de betekenis van genetisch zo homogeen mogelijk kleine
proefdieren.

P. Hoekstra.

Bacteriële- en virusziekten

PPLO-INFECTIES VAN HET GESLACHTSAPPARAAT BIJ RUNDEREN EN
MENSEN.

H i r t h, R. S., P 1 a s t r i d g e, P. D., T o u r t e 1 o t t e, M. E. and Nielsen,
S. W.: Genital Mycoplasmosis in Cattle and Man.
]. Ara., vet. med. Ass., 148, 277,
(1966).

In dit artikel wordt een beknopt literatuuroverzicht gegeven van talrijke recent
verschenen publikaties betreffende
Mycoplasmata (P.P.L.O.-lichamen) als oorzaak
van steriliteit en aandoeningen van het geslachtsapparaat bij de mens en het rund.
Bij de man werd in veel gevallen van abacteriële urethritis de zgn. T-stam van
Mycoplasma geïsoleerd. Vrouwen bleken subklinischc dragers van deze T-stam te
zijn en de ziekte moet als een venerische ziekte worden beschouwd. Bovendien lijkt
het waarschijnlijk, dat verschillende
MycoplasmMa pathogeniteit bezitten voor uterus,
oviducten, ovariën en glandulae Bartholini bij vrouwen.

In sperma van stieren en in uterus- en vaginaalslijm van koeien kan Mycoplasma
bovigenitalium
voorkomen. Hoewel zeker is, dat deze stam zich saprofytair niet kan
handhaven, is een verband tussen een infectie met
Mycoplasma bovigenitalium en
verminderde vruchtbaarheid tot nu toe niet aangetoond. In Engeland bleek
Myco-
plasma bovigenitalium
wel verantwoordelijk voor een mastitis-epizoötie.

-ocr page 967-

Een uitbraak van mastitis, veroorzaakt door Mycoplasma agalactiae var. bovis schijnt
vaker voor te komen. Deze
Mycoplasma heeft eveneens affiniteit van het geslachts-
apparaat van vrouwelijke runderen en kan, zoals na experimentele infectie werd
bewezen, symptoomloze steriliteit bij vaarzen veroorzaken. Ook salpingitis en endo-
metritis zijn door infectie met
Mycoplasma agalactiae var. bovis experimenteel op
te wekken.

Uit geaborteerde rundervruchten zijn onlangs Mycoplasma-stammen geïsoleerd, welke
niet identiek waren aan de hierboven vermelde mastitisstammen.
Bij de bestudering van
Mycoplasma-infecties vormen de enorme verschillen in patho-
geniteit tussen de versehillende stammen een grote handicap. Veelal groeien de meer
virulente stammen minder goed in vitro, zodat zij gemaskeerd worden door snel
groeiende, minder virulente stammen.

De talrijke mislukte pogingen om pathogene eigenschappen aan te tonen van vele
uit rundergenitaliën geïsoleerde
Mycoplasmata zijn mogelijk voor een deel hieraan
toe te schrijven. Al met al is het volgens de auteurs noodzakelijk ora hen te be-
schouwen als potentieel pathogeen voor het geslachtsapparaat van het rund en de
mogelijkheid is niet uitgesloten, dat zij voor een deel van de gevallen van symptoom-
loze onvruchtbaarheid bij het rund verantwoordelijk zijn.

/. Uwland.

Inwendige ziekfen

CHRONISCHE LOODINTOXICATIE BIJ EEN KOE.

D O n a w i c k, W. J.: Chronic Lead Poisoning in a cow. J. Am. vet med Ass 148
655, (1966).

.■\\cute en subacute loodvergiftigingen zijn bij runderen dikwijls beschreven. In verband
met de zeer grote toxiciteit van lood voor herkauwers werd het tot nu toe onwaar-
schijnlijk geacht, dat runderen aan een chronische loodvergiftiging zouden kunnen
lijden.

Op grond van le klinische symptomen, de laboratoriumbevindingen en de succesvolle
therapie met calciumversenaat (Ca-EDTA) stelde de auteur bij een koe de diagnose
chronische loodintoxicatie. De symptomen waren anemie, anorexie, obstipatie, koliek,
basofiele punctatie van dc erytrocyten, verminderde resistentie van de erytrocyten
tegenover zoutoplossingen, verhoogde normoblastenactiviteit van het beenmerg en
een verlaagde melkproduktie.

Bij histologisch onderzoek van een leverbiopt werd een matige vettige degeneratie en
een lichte leucocyteninfiltratie gevonden. Het loodgehalte van de lever was verhoogd
(20 p.p.m.).

De koe werd behandeld met een langzaam intraveneus infuus met calciumversenaat
in een dosis van 0,57 g per kg lichaamsgewicht gedurende 3 dagen, en, na een onder-
breking van 3 dagen, nogmaals gedurende 4 dagen.

De koe genas snel, 14 dagen na het begin van \'de therapie bedroeg het loodgehalte
van de lever mg slechts 0,5 p.p.m., 43 dagen later was dit gedaald tot 0,2\'p.p.m.
De bron van de loodvergiftiging kon niet worden opgespoord.

/. Uwland.

Stofwisselings. en deficiëntieziekten

MANGAANGEBREK BIJ KOEIEN.

D y e r, I. A. and R o j as, M. A.: Manganese Requirements and Functions in Cattle
ƒ.
Am. vet. med. Ass., 147, 1393, (1965).

Mangaangebrek kan bij koeien aanleiding geven tot het geboren worden van mis-
vormde kalveren (kromme voorpoten, torticollis). Bovendien is, door vertraagde
ovulatie, de vruchtbaarheid verminderd.

Mangaangebrek kan optreden indien het totale rantsoen minder dan 20 p p m Mn
bevat.

]. Uwland.

-ocr page 968-

Voedingsmiddelenhygiëne

BACTERIOLOGISCH VLEESONDERZOEK BIJ PYOGENES MASTITIS.

Bruhu: Micrococcus indolicus paavist vcd baktcriologisk ködkontrol. Medl.bl.
danske dyrl. foren.,
49, 483, (1966).

Bij een koe met wrang, waarbij in de uier een grauwgeel stinkend exsudaat voorkwam
cn de buikwand in ernstige mate oedemateus was (pH 6,15) groeiden — pas na 48
uur — behalve
Coryneb. pyogenes in de onderste helft van een T.S.I. buis zwarte
bolvormige koloniën (diameter 3 - 5 mm) met gasvorming en rottingslucht.
Aanvankelijk dicht de schrijver aan
Salmonella of Clostridium, doch bij nader onder-
zoek was hier sprake van een
Micrococcus (indolicus).

Voor het frequente samengaan van Coryn. pyogenes en microkokken zie een eerder
referaat (Leth Jörgensen: Sommermastitis,
Medl.bl., 49, 277, (1966)).

C. Postma.

Ziekten van het Kleine Huisdier

BRUCELLOSE BIJ HONDEN.

K i m b e r 1 i n C. V., L u c h s i n g e r, D. W. and Anderson, R. K.: Three
cases of Canine Brucellosis. /.
Am. vet. med. Ass., 148, 900, (1966).
3 Gevallen van brucellose bij honden worden beschreven.

Het eerste geval betrof een hond, waarbij 35 dagen nadat het dier de secundinae van
een geïnfecteerde geaborteerde fetus had opgegeten, antistoffen tegen
Br. abortus
in het bloed konden worden aangetoond. De hond, een reu, was en bleef klinisch
gezond tot hij, 60 dagen na de infectie, werd afgemaakt. Uit de organen kon
Br.
abortus
gekweekt worden.

Het tweede geval betrof een teef, afkomstig van een met abortus Bang besmet bedrijf.
Na een drachtigheidsduur van 55 dagen wierp zij 3 pups, waarvan twee dood ter
wereld kwamen. 4 Weken na de geboorte had het derde jong een negatieve agglu-
tinatietiter t.o.v. abortus Bang. De moeder daarentegen had, hoewel klinisch gezond,
een agglutinatietiter t.o.v. abortus Bang van 1 : 800.

Op een ander besmet bedrijf werd een reu aangetroffen met positieve titers.

Bij de twee laatste honden kon 14 maanden na het eerste positieve serologisch

onderzoek nog antistoffen t.o.v. Brucella abortus in het bloed worden aangetoond.

J. Uwland.

THERAPEUTISCHE DIGITALISATIE VAN HONDEN MET HARTINSUFFI-
CIËNTIE.

E 11 i n g e r, S.: Therapeutic Digitalization of the Dog in Congestive Heart Failure.
ƒ.
Am. vet. med. Ass., 148, 525, (1966).

Digitahs verhoogt de contractiliteit van de hartmusculatuur en verlengt de diastole.
Hierdoor wordt het minuutvolume vergroot en de veneuze druk verlaagd. Over-
dosering van digitalis veroorzaakt als eerste verschijnsel een verlengd P-R-interval.
Daarnaast kan men bij digitalisintoxicatie waarnemen: bradycardie, een verkort
Q-T-interval, partieel of compleet hartblock, pulsus bigeminus of trigeminus en extra
systolae, gevolgd door tachycardie en kamerfibrillatie. Als nevenverschijnselen kunnen
optreden: anorexic, braken, salivatie, diarree en buikklachten.

Een digitalistherapie is geïndiceerd bij honden met insufficiëntio cordis. De aan-
wezigheid van extra systolae, boczemfibrillatie of boezemfluttcr vormt géén contra-
indicatie. Wel is een digitalisatie gecontraïndceerd bij ventriculaire tachycardie en
bij een sino-auriculair of atrio-ventriculair block.

Nauwkeurige waarnemingen bij 48 honden met decompensatio cordis, veroorzaakt
door Vitium cordis brachten aan het licht, dat het optimale therapeutische effect van
digitalis-preparaten pas wordt bereikt bij doseringen welke veel hoger liggen dan de
tot nu toe gebruikelijke.

-ocr page 969-

\\\'oor de bepaüng van de opumale dosering werd de volgende werkwijze gevolgd:
verdeeld over 4 of 6 doseringen met resp. 12 of 8 uur tussenruimte werd digitalis
verstrekt, totdat binnen 48 uur de eerste intoxicatieverschijnselen in de vorm van een
verlenging van het P-R interval met 0,01 sec. optraden. Yi van de totale tot dit
ogenblik verstr-kte dosis digitalis werd dan als onderhoudsdosis dagelijks toegediend
en nauwkeurig individueel afgestemd totdat een opdmaal therapeutisch effect werd
verkregen.

■Aldus werden twee digitalispreparaten onderzocht: digitoxin (een digitalis purperea-
derivaat) en digoxin (bereid uit dig. lanata).

Het bleek, dat bij de volgende doseringen opUmale therapeutische werkingen werden
bereikt:

Digitoxin: aanvangsdosis gemiddeld 0,08 mg/kg, verdeeld in 4 - 6 doses over 48 uur,
gevolgd door een onderhoudsdosering van gemiddeld 28% van de aan-
vangsdosis per dag.

Digoxin: aanvangsdosering gemiddeld 0,04 mg/kg, verdeeld over 4-6 doseringen
gedurende maximaal 48 uur, gevolgd door een onderhoudsdosering van
gemiddeld 16% van de aanvangsdosis per dag.
Grotere honden hebben relatief wat geringere doseringen nodig.
Klinisch werd bij 11 van de 20 met digitoxin behandelde patiënten en bij 22 van
de 28 met digoxin behandelde dieren een duidelijke verbetering bereikt. Slechts
4 van de 48 honden reageerden op geen van beide preparaten.
In die gevallen, waar een digitalisatie niet met behulp van een E.C.G. kan worden
.£,ccontroleerd, wordt aangeraden digitoxin te gebruiken in bovenstaande doseringen,
lioewel het klinisch effect van digoxin misschien wat gunstiger is. Digoxin geeft
echter frequenrer aanleiding tot het optreden van intoxicatieverschijnselen, zodat
voor het bepalen van de optimale dosering van digoxin een regelmatige controle
met behulp van het E.C.G. onmisbaar is.

Daar digitalispreparaten op de duur tot gewenning aanleiding geven, is het nood-
zakelijk om de dosering van tijd tot tijd aan te passen.

Naast de digitalistherapie zijn uiteraard ondersteunende therapeutische maatregelen
noodzakelijk, zoals een natriumarm dieet, rust en diuretica ingeval van ascites of
oedemen.

J. Uwland.

Zootechniek

AUTOMATISCH VOEDERAPPARAAT VOOR KALVEREN.

Zwart, Th., K 1 u n d e r, J. R. en K r a a i k a m p, E. C. van: Een praktijk-
proef met een automatisch voederapparaat voor mestkalveren.
Veet. en Zuivelber.,
9, 261, (1966).

In de in dit artikel beschreven praktijkproef worden jonge kalveren met een normaal
rnelkvervangend preparaat gemest tot een gebruikelijk gewicht. In vergelijking met
de normale praktijk van het kalveren mesten zijn echter drie belangrijke verschillen
waar te nemen.

Ten eerste wordt gebruik gemaakt van een apparaat dat water en poeder automatisch
in de gewenste verhouding mengt, waarna de „kunstmelk" via twee spenen door de
kalveren kan worden opgenomen. De kunstmelk staat de kalveren voortdurend ter
beschikking.

Ten tweede lopen de kalveren los in een hok cn het derde verschil is dat één van
de in twee groepen verdeelde kalveren ligstro in het hok heeft waarvan niet on-
belangrijke hoeveelheden worden geconsumeerd. De kalveren van deze stro-groep
herkauwen dan ook regelmatig.

Het doel van de proef was na te gaan of het mogelijk is met het hier goed beschreven
apparaat kalveren te mesten en weik effect het geven van stro heeft. Tijdens het
onderzoek bleek dat de kalveren van de stro-groep een wat robuuster aanzien hadden
en minder likzucht vertoonden dan de op een lattenrooster gehuisveste groep. Bij het

-ocr page 970-

einde van het onderzoek bleek de gewichtstoename van de stro-groep significant
groter tc zijn dan van de lattenrooster-groep, respectievelijk gemiddeld 1192 en 1002
gram per dier per dag. Het voederverbruik kon door de constructie van het apparaat
niet voor de groepen afzonderlijk worden bepaald. Over het geheel genomen was
1,52 kg poeder per kg gewichtstocname nodig (niet slecht,
Ref.).
Hoewel het aanhoudingspercentage bij slachting van de stro-groep lager was dan van
de controlegroep, achtereenvolgens 62,9% en 64,1%, was het „koud geslacht gewicht"
van de stro-groep hoger dan van de lattenrooster-grocp, te weten 97,64 kg en 89 kg.
Bij de beoordeling van de slachtkwaliteit bleek dat de stro-groep zeker niet van min-
dere kwaliteit was dan de lattenrooster-groep.

(Hoewel het op het eerste gezicht voordelig lijkt om stro tc gebruiken valt hierover
toch geen exact oordeel te geven daar het afzonderlijke voederverbruik van beide
groepen niet bekend is,
Ref.).

L. Harms.

BOEKBESPREKING

LANDBOUWGIDS 1967.

(Uitgave van de Stichting Landbouwgids, Utrecht; prijs f 11,50.)
De Landbouwgids 1967 is de eerste jaargang van een nieuwe cyclus van drie jaar-
gangen, waarbinnen weer getracht zal worden een zo volledig mogelijke voorlichting
en documentatie te verschaffen.

In deze jaargang worden vele aspecten van de graanteelt, de vocderwinning, de
mestveehouderij en de varkens- en slachtkuikenmesterij behandeld. Daarnaast worden
echter nog vele andere onderwerpen besproken.

Behalve de omslag biedt deze jaargang ook wat betreft de inhoud enkele prettige en
nuttige vernieuwingen. Zo is er bijvoorbeeld een hoofdstuk aan toegevoegd over de
landbouw en veehouderij in de E.E.G. landen.

Een niet te onderschatten verbetering is echter de afsplitsing van de adreslijsten van
personen en instellingen in een afzonderlijk bandje.

De voorlichtingsartikelen zijn nu met één alfabetisch register in de eigenlijke gids
opgenomen, hetgeen de toegankelijkheid sterk verbetert.

De afzonderlijk bijgevoegde adreslijst bevat tevens de alfabetische registers voor
personen, instellingen en afkortingen. Wat betreft de verschillende registers is ver-
betering van de benaming mogelijk. De zin van een apart register voor afkortingen
is niet duidelijk. Verheugend is, dat het verwarrende gecombineerde gebruik van
kolom- en paginanummers nu is vermeden.

Ten aanzien van de kwaliteit van de afzonderlijke artikelen kan opgemerkt worden
dat enkele malen het onderwerp nog te omvangrijk is voor de toegemeten plaats-
ruimte, waardoor verlies aan diepgang in de hand gewerkt wordt. Ook in het hoofd-
stuk Dierziekten dient hiertegen gewaakt te worden. Het artikel over veeverloskunde,
hoewel op zichzelf niet onverdienstelijk, laat in dit opzicht, alsmede op het gebied
van het taalgebruik, te wensen over. De foto van een doorloopmelkstal met het
bijbehorende onderschrift bij het artikel over georganiseerde ziektebestrijding, wekt
ten onrechte de indruk dat het juist zou zijn op die plaats diergeneeskundige in-
grepen te verrichten.

Wie echter jaar na jaar de ontwikkeling van de Landbouwgids heeft gevolgd, zal
er ongetwijfeld van overtuigd zijn, dat deze gids een waardevol naslagwerk is voor hen
die op enigerlei wijze bij de landbouw of veehouderij betrokken zijn.
De aanschaf van de Landbouwgids kan dan ook, vooral nu weer een nieuwe drie-
jarige cyclus is begonnen, van harte worden aanbevolen.

F. J. Grommers.

-ocr page 971-

BERICHTEN EN VERSLAGEN

Diverse berichten

OPROEP.

I.andlijke Vergadering Grote-Huisdieren Practici.

Alle dierenartsen in ons land, welke praktizerend zijn op het gebied van Grote-
Huisdieren worden uitgenodigd de oprichtingsvergadering bij de wonen van de
Landehjke Groep Grote-Huisdieren Practici welke gehouden zal worden te Utrecht
in een zaal van hct Jaarbeursrestaurant op
woensdag 21 december 1966 om 15.00

VIERING 200-JARIG BESTAAN VAN DE DIERGENEESKUNDIGE HOGE-
SCHOOL TE WENEN.

Van 7 - 10 mei 1968 zal het 200-jarig bestaan van de Diergeneeskundige Hogeschool
te Wenen plechtig worden gevierd.

.Vadere aanmeldingen hiervoor en gegevens hierover zijn te verkrijgen bij de Redacde
van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, Rubenslaan 123, Utrecht.

NITRAATVERGIFTIGING DOOR HET VOEREN VAN STOPPELKNOLLEN.

Zoals de meeste collegae wel in de dagbladen gelezen zullen hebben is er de laatste
weken sprake van een vrij aanzienlijke sterfte onder ons rundvee, als gevolg van het
voeren van stoppelknollen waarin een zeer hoog nitraatgehalte voorkomt. Het tot nu
toe bij analyse gevonden hoogste gehalte bedraagt ongeveer 8% in de drogestof.
Waarom deze vergiftiging dit jaar ineens zo frequent optreedt is nog niet met zeker-
heid te zeggen. Het is mogelijk dat de vrij trage groei van het gewas in september
voor veel veehouders aanleiding geweest is voor het toepassen van een overbemesdng
met stikstof.

Hoe dit ook zij, n.m.m. dient men de veehouders, die knollen willen gaan voereti
te adviseren om, als meer dan 100 kg zuivere stikstof per ha is gestrooid (waarbij
de in stalmest, drijfmest, varkensmest, kippenmest of gier aanwezige stikstof moet
worden meegerekend) het gewas eerst op nitraatgehalte te laten onderzoeken.
Wanneer dit gehalte hoger dan 2% in de drogestof blijkt te bedragen moet men met
het voeren de uiterste voorzichtigheid betrachten, bij zeer hoge gehaltes moet het
verstrekken aan het vee worden ontraden.

Opgemerkt moet verder nog worden dat als geplukte knollen tussen het plukken en
het voeren aan sterke afkoeling worden blootgesteld (nachtvorst) een deel van het
nitraat tot nitriet kan reduceren. Daar bekend is dat de toelaatbare hoeveelheid nitriet
in het rantsoen slechts Vio bedraagt van dat van nitraat kan op deze wijze de
giftigheid aanzienlijk vergroten.

Het is niet uitgesloten, dat ook natregenen van de geplukte knollen een soortgelijk
effect heeft, zodat te allen tijde aangeraden moet worden de geplukte knollen
binnenshuis te bewaren.

Het wordt niet uitgesloten geacht dat door inkuilen het nitraatgehalte lager kan
worden. Zekerheid hieromtrent bestaat er echter op dit moment nog niet, zodat ook
voorzichtigheid is geboden met het voeren van stoppelknollensilage als het gewas
zwaar bemest was.

In sommige partijen stoppelknollen is naast een hoog nitraatgehalte ook een abnormaal
hoog K-gehalte aangetroffen (tot 9% K2O in de drogestof). Het behoeft geen
betoog dat dit de magnesium-stofwisseling ongunstig kan beïnvloeden. In die gevallen
zal een Mg-injectie een nutdge maatregel kunnen blijken te zijn, maar de ver-
schijnselen van de nitraat-nitriet-vergiftiging worden er uiteraard niet door weg-
genomen.

Th. de Groot.

-ocr page 972-

MEDEDELINGEN

Van de Veeartsenijkundige Dienst

MOND- EN KLAUWZEER IN NEDERLAND.

Op 24 november werd door de Veeartsenijkundige Dienst van Duitse zijde bericht
ontvangen, dat zich daar op een bedrijf, gelegen op 300 meter van de Nederlandse
grens, mond- en klauwzeer van het type 0| onder varkens had voorgedaan. Het
bedrijf was gelegen tegenover de gemeente Losser in Overijssel.
In verband hiermede is bij besluit van de Minister van Landbouw en Visserij (Staats-
courant no. 230 van 25 november 1966) bepaald, dat in een gedeelte van het grond-
gebied van de gemeente Losser een rin.genting van varkens, ouder dan twee weken
met 0| vaccin diende de worden uitgevoerd.

Deze verplichte enting geschiedde op Rijkskosten. Het vervoeren van varkens binnen,
naar of uit het gebied werd verboden. Tevens werden de veemarkten voor wat betreft
varkens geschorst en het houden van keuringen, tentoonstellingen, verkopingen enz.
voor wat betreft varkens werd verboden.

VIRUS VERSPREIDING VIA VOEDERZAKKEN.

Bij het epidemiologisch onderzoek, dat met betrekking tot de mond- en klauwzeer-
epizootiën van de laatste jaren is uitgevoerd, is gebleken dat de besmetting langs
verschillende wegen kan worden overgebracht.

Naast de factor van de menselijke contacten, bleek ook de aanvoer van veevoeder op
de bedrijven cen rol te spelen, vooral wanneer het voeder werd aangevoerd in zakken
die meermalen werden gebruikt.

Wanneer ledige zakken nog juist voor het uitbreken van de klinische verschijnselen,
dus nog tijdens het incubatiestadium, van een bedrijf worden opgehaald, bestaat er een
niet geringe kans dat via deze zakken, nadat zij weer zijn gevuld, het virus verder
wordt verspreid onder andere afnemers van de leverancier van het veevoeder.
Er zijn helaas verschillende gevallen bekend, waarin met uitsluiting van alle andere
mo.gelijkheden, de besmetting langs deze weg tot stand is gekomen.
Gezien de grote economische schade die cen mond- en klauwzeeruitbraak kan be-
rokkenen en het feit dat preventie minstens even belangrijk is als bestrijding, wil de
directeur van de Veeartsenijkundige Dienst de mogelijkheid overwegen, dat vee-
voeders slechts op de bedrijven kunnen worden afgeleverd in éénmalige verpakking
of in bulk.

Een dergelijke aflevering zal de gezondheidstoestand op de bedrijven in het algemeen,
onder meer ook ten aanzien van varkenspest, ten goede komen.
Een eventuele maatregel op dit terrein zal echter belangrijke consequenties mee-
brengen en om deze terdege onder ogen te kunnen zien, heeft de directeur van de
Veeartsenijkundige Dienst zich tot de erbij betrokken instanties gewend, teneinde
hun zienswijze op dit vraagstuk te leren kennen.

MOND- EN KLAUWZEER IN FRANKRIJK,

Op 18 november 1966 is onder schapen op cen bedrijf in het departement van de
Indrc en Loire in Frankrijk mond- en klauwzeer uitgebroken.

Aangenomen wordt dat de besmetting is te wijten aan de nabijheid van een labora-
torium waar vaccins tegen mond- en klauwzeer worden vervaardigd.
Alle voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op het bedrijf zijn vernietigd, te
weten 137 schapen en 45 varkens. Naar het virustype dat in het geding is wordt een
onderzoek ingesteld.

Op 25 november werd uit Parijs gemeld, dat op 5 bedrijven in de Haute Loire
mond- en klauwzeer was geconstateerd bij runderen, als gevolg van aankopen, gedaan
op een markt in dit departement. Alle voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren
van de besmette bedrijven zijn vernietigd. Het mond- en klauwzeer bleek van het
type C te zijn.

Een onderzoek naar de herkomst van de ziekte wordt ingesteld.

-ocr page 973-

GEVALLEN VAN BESMETTELIJKE VEEZIEKTEN OVER DE MAAND
OKTOBER 1966.

C

i-O «

■!2-B c

VJ .« öj

2.S-Ï

-a 11
c J3

ffil

3 «J

II

ö c \'s
ï 0)

O

JS -
re cj c

> Cfl OJ C

_ c

OJ CD

a a

3 CS

as

Pi.3

e-

c

3 (U
> >

rz: «J

Provincies

Groningen

Friesland

Drenthe

Overijssel

Gelderland

Utrecht

Noord-Holland

Zuid-Holland

Zeeland

Noord-Brabant

Limburg

6
39
6
18
5
4
34

1
10
3

2
1

— 6

2 —

1 —

121 —

-Nederland

_ 11

17

1

2 _

RABIES IN LUXEMBURG EN BELGIË.

Op 11 november 1966 is een geval van rabies bij een rund voorgekomen op 12 km
afstand van de stad Luxemburg.

Daarna werd op 15 november rabies geconstateerd bij een vos, geschoten te Halier
en bij een vos, gedood tc Stegen.

In verband met reeds eerder voorgekomen rabiesgevallen in Luxemburg, heeft dit
land met ingang van 4 november 1966 de in-, uit- en doorvoer van honden, katten
en andere carnivoren verboden.

Van 28 juni tot 21 oktober 1966 zijn in België 19 gevallen van rabies geconstateerd,
waalman 18 bij vossen en één bij een das. Deze gevallen kwamen voor in de Belgische
provincies Luik en Limburg.

VARKENSPEST.

Over het derde kwartaal 1966 kwamen in Nederland 58 gevallen van varkenspest
voor en wel 23 op fokbcdrijven, 23 op mestbedrijven en 12 op gemengde bedrijven.
Per provincie zijn de cijfers:

Groningen

0

Friesland

0

Drente

0

Overijssel

8

Gelderland

26

Utrecht

5

Noord-Holland

1

Zuid-Holland

12

Zeeland

0

Noord-Brabant

6

Limburg

0

Het totaal afslachtsysteem werd toegepast op 41 bedrijven en betrof 2717 dieren.
Het pardeel afslachtsysteem werd toegepast op 17 bedrijven met 1283 dieren.
Hiervan werden 546 dieren overgenomen en 712 gevaccineerd. Het aantal achter-
gebleven, gestorven en reeds geënte dieren bedroeg 25.
Na enting werd één fokbedrijf met 35 dieren overgenomen.

-ocr page 974-

PAARDEPEST IN SPANJE.

Op 13 oktober 1966 is op een bedrijf in Los Barrios in de Spaanse povincie Cadix,
paardepest uitgebroken. De Veeartsenijkundige Dienst in Spanje is nog dezelfde dag
begonnen het bedrijf in te sluiten en te ontruimen. Dit betekende het slachten van
220 paardachdgen (paarden, ezels en zebra\'s) die zich in de omgeving van het aan-
getaste bedrijf bevonden en waaronder 37 sterfgevallen waren voorgekomen.
Mobiele veterinaire brigades hebben een uitgebreid gebied gecontroleerd, omvattend
alle gemeenten van de Campo de Gibraltar. Van de Adandsche Oceaan tot Gua-
diaro aan de Middellandse Zee is een barrière opgeworpen door alle dieren te enten.
Van 21 oktober tot 1 november zijn in de gemeente Tarifa, binnen het verdachte
gebied, 40 andere ziektegevallen opgespoord. Circa 340 verdachte dieren, die zich
in de naijheid bevonden, zijn eveneens geslacht.

In de provincie Cadix zijn uitgebreide ontsmetdngsmaatregelen genomen en vervoers-
verboden ingesteld. De gehele paardenstapel van de provincie Cadix, een groot deel
van die van Malaga, de fokdieren in de provincies Séville en Huelva, totaal om-
vattend 71.835 dieren, zijn geënt.

Op het ogenblik wordt de situade bevredigend geacht. Aangenomen wordt dat het
een seizoenverschijnsel betreft, daar de ziekte wordt overgebracht door bloedzuigende
Insekten. De ziekte is binnengekomen uit Noord-Afrika.

INVOER VLEES UIT AUSTRALIË.

Bij besluit van de Minister van Landbouw en Visserij (Staatscourant No. 227 van
22 november 1966) is het verbod tot invoer van vlees van herkauwende dieren, ge-
slacht in Australië, opgeheven.

DOORLOPENDE AGENDA

1966

December,

15, Afd. Noord-Brabant K.N.M.v.D. Ledenvergadering, 20.00 uur. Hotel
Riche, Heuvelring, Tilburg, (pag. 1371)

16, Afd. Noord-Holland K.N.M.v.D. Vergadering, 20.00 uur. Restaurant
Koekebier, Alkmaar, (pag. 1781)

19, Groep Dierenartsen werkzaam in het bedrijfsleven. Ledenvergadering,

14.00 uur. Motel Bunnik. (pag. 1429, 1782)
21, Oprichtingsvergadering Landelijke Groep Grote-Huisdieren Practici,
15.00 uur. Jaarbeursrestaurant, Utrecht, (pag. 1773)

1967

Februari,

15—16, G.L.O.-studiedagen, Utrecht.
April,

26—28, Congres „Ges. f. Versuchtierkunde", Praag. (pag. 935)
Mei,

10, A.C.V.-Controle. Landelijke Studiedag, Lunteren.

17—21, World Veterinary Association. XVIIIe Wereld Diergeneeskund Con-
gres, Parijs, (pag. 1108 (1964), pag. 348, 703)

September,

29_30, Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde. 114e Algemene Ver-
gadering, Groningen, (pag. 1780)

Oktober,

4— 7, Orniphilia, Utrecht.

-ocr page 975-

Koninklijke Nederlandse
Maatschappij voor Diergeneeskunde

IN MEMORIAM

Johan Casper Marinus Gurck

Als een donderslag bij heldere hemel trof ons het over-
lijden van collega Gurck op 4 mei 1966.
Hij werd op 13 januari 1889 te Ambt-Delden geboren.
Na het behalen van het eindexamen aan de Rijks
H.B.S. te Almelo, liet hij zich inschrijven aan de toen-
malige Veeartsenijschool.

In 1913 behaalde hij het diploma van dierenarts.
Direct daa rna werd hij assistent aan de kliniek voor
verloskunde waar collega Paymans toen de scepter
zwaaide. Ofschoon hij wel ambitie voor paardenarts
had, werd hij wegens zijn slechte ogen, tot zijn teleur-
stelling, afgekeurd voor het leger. Collega Gurck nam
in 1916 de praktijk van wijlen collega Rutgers te
Doesburg over.

In 1923 huwde hij met mejuffrouw M. H. Broese, uit
welk huwelijk een dochter en een zoon werden geboren.
Collega Gurck was een kundig dierenarts, vooral ver-
lossingen en paarden trokken zijn belangstelling. Zijn
interesse in paarden maakte hem tot de grote stuw-
kracht van de hengstenassociatie „Angerlo". Hij was
ook de drijfkracht van de landelijke rijvereniging
„Angerlo-Keppel". Jarenlang was hij de daadwerke-
lijke voorzitter hiervan. Tot het laatst toe organiseerde
hij oriënteringsritten, ook voor naburige verenigingen.
De waardering hiervoor bleek uit zijn benoeming tot
erelid van de Gelderse bond van landelijke rijvereni-
gingen en het erelidmaatschap van de landelijke rij-
vereniging „Eerbeek". Jaren achter elkaar gaf hij voor
de Gelderse maatschappij van Landbouw cursussen
hoefbeslag.

Hij was actief in het sociale leven van Doesburg als
bestuurslid van het Groene Kruis en directeur van
de „Weduwenbeurs", een eeuwenoude Doesburgse
stichting.

-ocr page 976-

Toen de vleeskeuringsdienst werd ingesteld, eerst bij
gemeentelijke verordening, later wettelijk geregeld,
werd hij tevens met de zorg hiervoor belast. Ook in
de gemeente Angerlo werd hij na enkele jaren be-
noemd. Smakelijk kon hij vertellen over de eerste jaren
van deze dienst toen er nog verschillende „koud-
slachters" in Doesburg waren. In de oorlogsjaren zag
hij kans uit hoofde van zijn functie menig slachtdier
de gemeenschap toe te spelen.

Het kon bij een man van zijn karakter niet uitblijven
of zijn rechtlijnige denkwijze bracht hem in conflict
met de bezetter. Hij steunde het verzet en is in de
laatste dagen van de oorlog maar ternauwernood aan
de dood ontkomen.

In 1948 droeg hij de praktijk over aan collega
Wemmers en werd volambtelijk in Doesburg en Anger-
lo benoemd. Tot 1956 heeft hij deze functie vervuld.
Zijn vrouw, die de laatste jaren zeer hulpbehoevend
was geweest, overleed in 1962.

Collega Gurck was één van de oudere dierenartsen,
die regelmatig de afdelingsvergaderingen en de kring-
bijeenkomsten te Ruurlo bezocht. Voor de oorlog was
hij een aantal jaren bestuurslid van de afdeling Gel-
derland van de Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Ook van de „soos" voor bejaarde dierenartsen, die elke
eerste donderdag van de maand te Zutphen wordt
gehouden, was hij een trouw bezoeker. Wij, als plaats-
genoten, konden te allen tijde op zijn steun en hulp
rekenen.

Tijdens de mond- en klauwzeerepizoötiën de laatste
jaren, was hij zeer actief bij het werk van de Vee-
artsenijkundige Dienst ingeschakeld. Ook de afgelopen
winter was hij nog dagelijks in touw. Hij deed zijn
werk opgeruimd en serieus en kreeg geen kans om
over zijn kwaal te piekeren.

Nog kort voor zijn dood verkneukelde hij zich erop,

tijdens een bezoek bij één onzer, dat hij een jong

collega eens goed zou leren paardrijden. Helaas, tijdens

deze rit werd hij door een hartaanval getroffen.

Vele collegae waren bij de begrafenis aanwezig. De

voorzitter van de afdeling Gelderland van de Kon.

Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde sprak enkele

woorden van deelneming tot de familie.

Hij was een eerlijk en goed vertegenwoordiger van

onze veterinaire stand.

Moge hij rusten in vrede.

Doesburg, TH. WEMMERS

C. D. W. KÖNIG
H. BLAAK

-ocr page 977-

VAN HET BUREAU.

r.dres: Rubenslaan 123 - Utrecht,
telef.: (030) 1 14 13 en 1 37 49.

girona.: 511606 t.n.v. de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.

Kort versla.? van de vergadering van het Hoofdbestuur met de Stichting Gezond-
heidsdienst voor Pluimvee.

Na tvkfee voorbereidende besprekingen over dc uitvoering van het C.R.D.-onderzoek
op vermeerderingsbedrijven, was het Hoofdbestuur voor een definideve bespreking
aanwezig in de vergadering van de Stichting Gezondheidsdienst voor Pluimvee op
1 november 1966.

Het betreft hier een viermalig, om de maand uitgevoerd, bloedonderzoek d.m.v. een
agglutinatie reactie bij 10% van de opgroeiende dieren op vermeerderingsbedrijven,
ter vaststelling van positieve C.R.D.-reacties.

Bij vaststelling van positieve reacties wordt het onderzock uiteraard .gestaakt. Door
de Gezondheidsdienst voor Pluimvee werd gesteld dat dit onderzoek uiterst serieus
en op tijd moest gebeuren, omdat grote financiële schade kan ontstaan voor de
pluimveehouderij zowel bij het ten onrechte besmet verklaren van vrije bedrijven als
bij ten onrechte vrij verklaren van besmette bedrijven.

Het Hoofdbestuur erkende volledig het recht van de gezondheidsdienst bij de
C.R.D.-bestrijding een uiterst nauwgezet en op tijd uitgevoerd onderzoek te ver-
langen.

Van de zijde van de gezondheidsdienst zag men de oplossing in het opleiden van
lekenhulpkrachten, waarbij de eerste drie onderzoeken door deze hulpkrachten, het
laatste onderzoek in bijzijn van de plaatselijke dierenarts zou worden uitgevoerd.
Het Hoofdbestuur stelde daartegenover dat waar dit onderzoek van 10% veelal in
de orde van grootte van 2 a 300 dieren zou blijven, het zeer wel in te passen zou
zijn in de dagtaak van de practicus, gelet op de uitvoering van het pullorumonder-
zoek van 100% van de dieren dat een veel grote beslag legt op de dagtaak.
Voorts stelde het Hoofdbestuur dat de figuur van een 3-malig onderzoek door leken
en een vierde beslissend onderzoek door de dierenarts, een onmogelijke situatie zou
scheppen en de dierenarts niet in staat zou stellen die ervaring op te doen die nood-
zakelijk is voor een verantwoorde beslissing. (De uitvoering van het laatste onderzoek
door de dierenarts zal in de toekomst nodig zijn voor het verstrekken van certificaten
voor het binnenland of in E.E.G.-verband.)

Door de gezondheidsdienst werd gesteld dat bij ± 150 dierenartsen minder unifor-
miteit te verwachten zou zijn dan bij een beperkt aantal daartoe opgeleide leken.
Het Hoofdbestuur stelde daar tegenover dat, daar de uiteindelijke verantwoordelijk-
heid voor de uitgifte van een certificaat bij de dierenarts komt te li,ggen, de uni-
formiteit geheel zoek zal raken als niet de dierenarts door alle onderzoeken te doen
de gelegenheid krijgt zich daarmee vertrouwd te maken.

In dit verband bood het Hoofdbestuur aan mee te werken aan een spoedige op-
leiding van practici, die reeds vertrouwd zijn met andere agglutinerende onder-
zoeken, en daarom snel op de hoogte kunnen worden gebracht van de bijzonderheden
van het C.R.D.-onderzoek. Deze per provincie te regelen voorlichting of opleiding,
zoals destijds ook bij het pullorumonderzoek geschiedde, werd door de gezondheids-
dienst afgewezen en onmogelijk geacht.

Tenslotte werd door de vertegenwoordiger van de Veeartsenijkundige Dienst naar
voren gebracht dat de uiteindelijke beslissing wie het onderzoek zou moeten uitvoeren,
nooit een onderwerp van „onderhandeling" kan wezen tussen gezondheidsdienst en
Hoofdbestuur gezien het feit dat we in Ncdclrand in een rechtstaat leven, waar het
bloedagglutinatieonderzoek en de daarmee samenhangende diagnose door de Wet op
de Uitoefening van de Diergeneeskunde slechts aan dierenartsen is toegewezen.
De Gezondheidsdienst voor Pluimvee besloot deze vergadering, die ondanks zakelijk
verschil van mening aangenaam verliep, met de mededeling zich nader op de situatie
te beraden.
 Het Hoofdbestuur.

-ocr page 978-

Ontheffing van de functie van de secretaris, wegens ziekte.

In de vergadering van het Hoofdbestuur van 25 november 1966 is, naar aanleiding
van het binnengekomen verzoek van de secretaris van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde Dr. W. A, de Haan om ontslag als zodanig in verband
met zijn gezondheidstoestand, dit ontslag door het Hoofdbestuur in opdracht van het
Algemeen Bestuur eervol verleend, met ingang van 1 december 1966.

Tegenbezoek aan de South Eastern Veterinary Association.

Het tegenbezoek van de Nederlandse collegae aan de South Eastern Veterinary
Association in Engeland is gepland op het laatst van augustus of begin september.
Nadere gegevens volgen zodra het definitief programma bekend is.

Advertentie Gemeente Delft.

In de aflevering van 15 november jl. is een advertentie opgenomen van de gemeente
Delft, waarin een Directeur wordt gevraagd voor het slachthuis en de keuringskring
Delft. In deze advertentie is geen salaris genoemd.

Sollicitanten naar deze functie dienen rekening te houden met de in het rapport
Ubbink gestelde normen.

World Veterinary Association, 18e Wereld Diergeneeskundig Congres, Parijs, 1967.

Het Nationaal Comité van The World Veterinary Association herinnert de leden
er aan dat het congres te Parijs van 17 juli - 22 juli 1967 wordt gehouden en dat de
inschrijvingskosten 160 Frs. bedragen, bij aanmelding vóór 1 januari 1967. In-
schrijvingskosten bedragen 200 Frs. bij aanmelding van 1 januari 1967 tot 1 mei
1967. Na 1 mei 1967 is dit bedrag 250 Frs.

Het programma van het congres is gepubliceerd in het Tijdschrift van 15 mei 1966.
C
.R.D.-bestrijding.

In een onderhoud dat het Hoofdbestuur heeft gehad met het bestuur van de
Gezondheidsdienst voor Pluimvee over de komende C.R.D.-bestrijding heeft het
Hoofdbestuur gesteld dat, gezien de gegevens waarover het Hoofdbestuur beschikt,
de C.R.D.-bestrijding stellig door de practici goed en op tijd kan worden uitgevoerd.
Het bestuur van de Gezondheidsdienst voor Pluimvee meent echter dat het Hoofd-
bestuur onvoldoende reëele waarborgen heeft geboden voor een goede uitvoering
van het bloedonderzoek en ziet zich genoodzaakt dit in eigen kring opnieuw te
bekijken.

Het resultaat zal dus zijn dat de C.R.D.-bestrijding geheel buiten de praktizerende
dierenartsen om zal plaats vinden.

VAN DE AFDELINGEN
Afdeling Groningen-Drenthe-

De eerstvolgende vergadering van de afd. Groningen-Drenthe zal worden gehouden
op woensdag
8 februari 1967 a.s. om 20.00 uur in restaurant „Overcingel", Assen.

II 4e Algemene Vergadering Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Deze vergadering zal te
Groningen plaats hebben op 29 en 30 september 1967.
Op 28 september zal in de aula van de Rijksuniversiteit te Groningen een bijeen-
komst ter herdenking van het 125-jarig bestaan van de afd. Groningen-Drenthe
worden gehouden.

Afdeling Overijssel

Kort verslag van de ledenvergadering, gehouden op 22-11-\'66 te Hellendoorn.
De voorzitter opent deze vergadering, met een speciaal woord van waardering voor
de collegae practici, die in en met de „pool" meegeholpen hebben de mond- en
klauwzeer entingen in enkele dagen uit te voeren. Zelfs een varkens ringenting werd
in dezelfde periode in één dag uitgevoerd. Hij dankt namens het afdelingsbestuur
allen, die meegewerkt hebben om de „pool" een succes te laten worden.

-ocr page 979-

Na de notulen en de ingekomen stukken, krijgt de gastspreker, de heer L. Prinsen
van het Rijksconsulentschap voor de boerderijbouw te Wageningen het vifoord, om
te spreken over Stalbouw in de runder- en varkenshouderij.

Deze lezing was zo interessant en leerzaam, dat de heer Prinsen met de pauze
en de vragen 3 uren nodig had, om iedereen volledig te beantwoorden. Ook de dia\'s
waren zeer instrucdef. De voorzitter brengt namens alle aanwezigen (24 leden)
gaarne de dank over, voor dit enthousiaste verhaal en de tijd die de heer Prinsen
er aan heeft besteed.

Bestuursmededelingen:

De leden wordt er op attent gemaakt, dat van de varkens mond- en klauwzeer ring-
entingen geen omzetbelasting over de entstof behoeft te worden betaald, omdat deze
door het Rijk beschikbaar is gesteld, althans wordt betaald.

Van het Hoofdbestuur is telefonisch bericht ontvangen, dat er een besluit genomen
is over de onderlinge afrekening tussen collegae, na inschakeling van de „pool". Dit
besluit zal worden rondgestuurd en besproken op de volgende vergadering.
Naar aanleiding van een advies, om bij de longwormvaccinatie twee maal een visite
te berekenen, wordt door de afdeling het besluit genomen, dat het bestuur de leden
er nog eens op zal wijzen dat de dierenarts deze enting zelf moet verrichten.
Er is bericht ontvangen, dat de Landelijke Commissie voor Grote-Huisdieren Practici
opgeheven zal worden. Door de vergadering wordt met 19 stemmen voor, 3 blanco
en 2 tegen, besloten dat het afdelingsbestuur op zal treden als provinciale vereniging
van de grote-huisdieren practici in Overijssel en eventueel een contributie kan heffen
van deze practici. Met algemene stemmen wordt collega A. J. van Doorn te
Deventer gekozen als vertegenwoordiger van deze grote-huisdieren practici, in het te
vormen Landelijk Bestuur van de Groep Grote-Huisdieren practici.

Bij de rondvraag stelt collega A. Stevens aan de orde, het feit dat een grote
bonafide geneesmiddelenfirma van plan is een reclameactie te gaan voeren voor het
gebruik van Gil tegen leverbot. Het afdelingsbestuur zal proberen hierover feiten
te verzamelen en dit dan zonodig bij het Hoofdbestuur aanhanging maken.
Deze vergadering, die hoofdzakelijk voor de practici was belegd, was zo levendig dat
het ongemerkt weer laat geworden is. De voorzitter brengt allen hartelijk dank voor
de prettige discussie.

J. J. Aukema, secretaris.

Afdeling Utrecht.

De eerstvolgende ledenvergadering van de afd. Utrecht zal worden gehouden op
donderdag 22 december a.s. om 20.00 uur in Hotel Hes, Maliestraat 2, Utrecht.

Afdeling Noord-Holland.

De afdeling houdt haar eerstvolgende vergadering op 16 december a.s. om 20.00 uur
in Restaurant Koekebier te Alkmaar.

VAN DE GROEPEN.

Groep Dierenartsen werkzaam in het Bedrijfsleven.

Kort verslag van de ledenvergadering, gehouden op 24 oktober 1966.

Na het behandelen van de gebruikelijke huishoudelijke punten houden de collegae

V. d. Kieft en Molenaar een voordracht over hun werk, waarbij zij tevens

enkele discussiepunten stellen; het op de algemene vergadering behandelde onderwerp

over differentiatie en specialisatie wordt nogmaals uitvoerig besproken. Er wordt

besloten aan de hiermee verband houdende aspecten een aparte vergadering van de

groep te wijden.

Als hoofdthema van deze vergadering wordt door Dr. v a n L o e n het wereldvoedsel
vraagstuk belicht op een wijze waarover vice-voorzitter Dr. Kruyt in zijn dank-
woord zegt dat de spreker in vogelvlucht op doeltreffende wijze de vele aspecten
van dit ons allen rakende probleem heeft belicht.

-ocr page 980-

De volgende vergadering zal worden gehouden op 19 december in Motel Bunnik,
aanvang 14.00 uur.

PERSONALIA

Het Hoofdbestuur heeft als lid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Diergeneeskunde
aangenomen collega:

J. Goudswaard, Corn. Evertsenstraat 3, Utrecht.
Het Hoofdbestuur draagt voor het lidmaatschap van de Kon. Ned. Maatschappij
voor Diergeneeskunde voor de collegae:

Jhr. P. B. Alberda van Ekenstein, Schotlaan 13, Ter Apel.
W. J. van Baaien, Nassaustraat 21 bis. Utrecht.
S. A. M. van Cleef, Hertsweg 8, Mill.
A. H. T. Finkensieper, van Foreestweg 107 A, Juhanadorp.
D. S. Frank, Fred. Hendrikstraat 40, Naaldwijk.
Het Hoofdbestuur heeft als kandidaatlid van de Kon. Ned. Maatschappij voor Dier-
geneeskunde aangenomen de diergeneeskundige studenten:

M. M. Blom, Catharijnesingel 93 bis, Utrccht.

J. W. Hakkesteegt, Prof. Ritzema Boslaan 63, Utrecht.

H. M. Lokhorst, van Lynden van Sandenburghlaan 64, Utrecht.

I. Palgi, Obbinklaan 4, Utrecht.

N. G. Simoncelli, J. v. d. Doemstraat 91, Utrecht.
N. C. J. Soethout, Irenelaan 23, Langbroek.

Adreswijzigingen e.d.:

Boo.gaerdt, A., Nieuwveen, tel. te wijzigen in (01723) 114. (167)

Boven, J. van, Smilde, naar Kanaalstraat 75 aldaar, tel. ongew. (168)

Branover, I., van Tel Aviv naar Naot-Rachel, Tseelimstr. 28, Holon, P. (232)

Breeuwsma, A. J., van Kano (N. Nigeria) naar Doorn, Rozenlaan 19, tel. (03430)
2946 (privé), (03404) 17111 (bur.), D. bij I.V.O. te Zeist, (van 232 naar 168)
Clay, K., Uitgeest, tel. gew. in (02513) 2341 (privé), (020) 181477 (bur.). (171)
Cremers, F. J. J., Boxmeer, naar Frans Halsstraat 27 aldaar, tel. (08855) 1324
(privé), 1406 (prakt.), gr. maatschap 1078429, P., geass. met L. J. J. A. Roppe.

(171)

Eisma, W. A., Rotterdam, tel. .gew. in (010) 284397 (privé). (175)

Frik, J. F., Bilthoven, Oranje-Nassaulaan 35, tel. (03402) 4830 (privé), (08370)
3352 (bur.), D. bij I.L.O.B., Haarwcg 8, Wagenin.gen. (177)

Hage, J. A., Borculo, tel. te wijzigen in (05457) 409. 081)

Ham, M. M. A., van Utrecht naar Gramsbergen, Acaciastraat 37, tel. (05246) 573,
P., tijd. ass. bij J. L. van Os. (182)

Harmsma, A., Vörden, naar de Horsterkamp 3 aldaar. (182)

Heide, L. van der, van Zandvoort a/Zee naar Mook, Gelrestraat 12, tel. (08806)
1463, D. bij Lab. Nobilis. (183)

Hesen, A. A., van Helden naar Gennep, Groene Kruisstraat 77, tel. (08851) 1872,
P., geass. met F. Schwering te Bergen. (184)

Hoebe, H. P., van Delden naar Bentelo, Ambt Delden, Esdoomstraat F2, tel. (05472)
308, gr. 1199717, P. (185)

Hoeve, K. van, van Den Haag naar Zaria, (North Nigeria), Faculty of Vet. Medi-
cine, Ahmadu Bello University. (233)
Kas, N. P., van Hilversum naar Bussum, Brinklaan 148, tel. (02959) 32087, P.,
geass. met F. J. ter Beek te Naarden. (191)
Koppen, F., van St. Laurens naar Middelburg, Noordweg 497, tel. (01180) 5134
(privé). (194)
Lange-Koopmans, S. S., van Utrecht naar Bunnik, H. v. d. Vcchtlaan 25, tel.

(03405) 2309. (196)

Lieshout, A. A. M,, Didam, naar Ravenstraat 2, Huis Dijk aldaar. (197)

-ocr page 981-

Logger, J. C. L. en Mevr. M. H. Logger-v. d. Hage, van Utrecht naar Rijswijk,
Prinsesselaan 1, tel. (070) 900800, P. (overname praktijk van H. Perre). (198)
Osinga, A., van Deinum naar .Amsterdam, Linnaeusstraat 40 III, tel. (020) 940604,
D. (in mil. dienst). (206)

Perre, H., van Rijswijk naar Aerdenhout, Goudsbloemplein 2, tel. (02500) 13800
(bur.), adj. I.V.D. en adj. I.V.G. (207)

Porte, G., Apeldoorn, naar Mendelsohnlaan 8 aldaar, tel. (05760) 15112. (208)
Post, R., van Zwolle naar Heino, De Hoge Kampen 11, tel. (05729) 762, oud dir.

G.v.D. i/d prov. Overijssel. (208)

Roppe, L. J. J. A., Boxmeer, \'t Zand 21, tel. (08855) 1015 (privé), 1406 (prakt.),

P., gr. maatschap 1078429, P., geass. met F. J. J. Cremers.
Scheuerman, G. J. H., van Zierikzee naar Rotterdam, Lefèbre de Montignylaan 129.

(212)

Smak, J. A., Bleskensgraaf, C 46, tel. (01849) 208. (inlassen 215)

Smit, A., van Utrecht naar Beetsterzwaag, de Walle 9, tel. (05126) 697, gr. 641610.

(215)

Stotijn, G. H., Scherpenzecl, tel. gew. in (03497) 7553. (218)

Swart, H. W. F., van Utrecht naar Zeddam, Oude Doetinchemseweg 5 F, tel.

(08345) 300, gr. 679119, P., ass. bij A. J. M. Metz. (218)

Tilburg, F. E. van, Deurne, naar Herenberg 2 aldaar, tel. (04930) 2230 gr
1083915, P. (219)

Verhaar, Dr. W. M. en Mevr. I. C. Verhaar-Loeber, Emmeloord, naar Espelerlaan
75 aldaar, tel. (05270) 3500, P. (222)

Vos-Maas, Mevr. M. G., Bilthoven, naar Overboslaan 43 aldaar, tel. (03402) 4704.

(224)

Wensing, Dr. G. J. G., van Ames (U.S.A.) naar Dc Bilt, Thorbcckeweg 45 tel.
(030) 62363, gr. 538573. (van 234 naar 227)

Benoemd:

Koopmans, W. T., m.i.v. 1-12-1966 tot Rijkskeurmeester in bijzondere dienst bij de
Veeartseijkundige Dienst, ter standplaats Franeker.

Overleden:

M. A. G. de Groot, Eindhoven, aldaar overleden 21 november 1966.

Diergeneeskundige Studenten Kring

Ab actiaat: Biltstraat 172, Poortgebouw
Gironummer 271994

Aan de Buitengewone Leden van de Diergeneeskundige Studenten
Kring.

Mijne Heren,

Bij het ingaan van mijn bestuursjaar, is het mij een genoegen mij tot U te
mogen richten.

Allereerst zou ik U allen willen dankzeggen voor de steun die mijn voor-
ganger van U heeft mogen ontvangen. Vanzelfsprekend hoop ik, dat U
als oud-D.S.K. leden ook dit jaar Uw oude vereniging niet zult vergeten
en dat U dit zult laten blijken door een bijdrage te storten. Hoewel velen
van ons zich zorgen maken over wat de toekomst van de dierenarts zal
brengen, kunt U nog tonen, hoe goed het is veterinair te zijn.
Ons gironummer is 271994.

Inmiddels verblijf ik met gevoelens van de meeste hoogachting jegens U,

Uw dienstwillige, /. Hoftijzer, D.S.K. ht. Fiscus.

-ocr page 982-

vergeet uw praktijk

Maak U los van Uw werk warv |
neer U ontspanning zoekt |

laat Uw I

telefoon g

door Graetz g

automatisch a

antwoorden S

3

overtuig U zelf |

want ook wij gebruiken een 3
Graetz telefoon-antwoord- >
toestel 5

Bel 010-143210 en U zult 1
spoedig meer horen van de |

DE

MEDICINALE
VOORMENGSELS

CEINTUURBAAN 106 - MEPPEL
TELEFOON 05220-1745

Assurantie-
kantoor

F. Dix

Mauritsstraat 98 - Utrech
Telef. 030- 11520

Volledige voorlichting
en assistentie bij

vestiging,

praktijkovername oi
associatie

ROTTERDAMSE TELECOMMUNICATIE-
MAATSCHAPPIJ N.V.DELFTSESTRAAT17
ROTTERDAM - TELEFOON: 010-13.49.15*

Deskundige bemiddeling en voort-
durende controle van Uwr venze-
keringen.

TELEFOONBEANTWOORDAPPARATENTELEFOONBEAN